-ocr page 1-
-ocr page 2-
\\
<
-ocr page 3-
-ocr page 4-
fiW ^ W
\'>
-ocr page 5-
/Soy
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
-ocr page 6-
w
:•:
o
2
Ü
--I
O
o
g
o
o
< E
o cu
<
Q H
u
V.
w
<
K
>
O,
„
MANO
FORUM
i )
CC
U,
; >
o
jj
K
Z
0
In
MEI
O
\'X
-ocr page 7-
No. ^0 J
• :-
R O M E
IX j.
vi:rli:Di \\ n mm:; ,
\\
A.\\!-ri-.i;;iA.v.
V. \\\\. ,!. li\'KKKKK.                                        : J»M
.:\'
-ocr page 8-
\\         4
1
.
V
M
:.%
-ocr page 9-
vak ^r-_ m.*>j
ROME
IN DESZELFS
VERLEDEN EN HEDEN,
DOOR
A. NUYENS.
Amsterdam.
F. H. J. BEKKER.
1899.
Sö3ta<KWH3Üllltó
-ocr page 10-
-ocr page 11-
VOORWOORD.
Boeken die over Rome handelen zijn in onze taal zeer schaarsch; men kan zelfs
zeggen dat zij zoo goed als niet beslaan.
Het eenige omvangrijke werk is „Het Drievoudige Rome", een vertaling van „Les
trois Home" van den abbé Gaume. Deze vertaling is evenwel van \'t jaar 1853, en
ofschoon zij nog kostbare inlichtingen en een groot aantal merkwaardige bijzonder-
beden bevat, is zij toch niet meer van onzen tijd.
In het tijdsverloop van bijna een halve ccniv heeft de studie over de christelijke
oudheidkunde verbazende vorderingen gemaakt. G. B. de Rossi en zijn broeder Michele,
Arimbclli, Lanciani, Mgr. de Waal, p. Hartmann Grisar, om slechts eenige namen
te noemen, hebben de geschiedenis van de eerste ecuwen der Kerk als
7 tvarc gerc-
constitueerd. De Catacomben zijn grondig doorvorscht en hebben tot veel belangrijke
nieuwe ontdekkingen aanleiding gegeven; een nauwkeurige studie der oude reisbe-
schrijvingen, nieuw ontdekte codices, onderzoekingen van allerlei aard hebben over
veel duistere punten meer licht verspreid, andere verworpen of bevestigd. Menige
legende is gebleken onwaar te zijn, menige andere heeft ecne schitterende bevestiging
verkregen.
De oude Passiones of geschiedenissen van de martelaren zijn ontdaan van hetgeen
de overlevering of de fantaisie der vertalers er onwaarschijnlijks en onwaars aan
hadden toegevoegd. Daardoor is, wel is waar, veel wonderlijks en onaannemelijks
verloren gegaan, dat voor velen er de bekoorlijkheid van uitmaakte, omdat het den
trek naar het bovennatuurlijke, naar het ongelooflijke, die den meesten mensehen
eigen is, streelde; maar de \'waarheid heeft er door gewonnen en, wat meer zegt, aan
de critick van het rationalisme, aan de bestrijding van ongeloovigen is een machtig
wapen uit de handen genomen. De irrigatie werken, door de Iialiaansche regeer ing
aan den Tiber gedaan, de omwoeling van den bodem der stad voor nieuwe gcbou-
wen, hebben meer dan één kostbare vondst opgeleverd, zoodat men wel mag zeggen
dat de laatste helft van deze ccuio voor Rome een tijdperk van groote ontdekkingen
is geweest.
Van alle deze ontdekkingen bevat natuurlijk het „Drievoudige Rome"niets; maar
zelfs werken van veel latere dag feeken ing zijn in dat opzicht onvoldoende; ik noem,
als voorbeelden slechts, het praefitwerk
ROM van P. Kuhn, in 1878 bij Benziger ver-
schenen, en het
Rome, ses monuments, ses souvenirs van den abbé Boni f rog, dat
in 1S92 bij de Societé SI. Augustin (Desclè en de Brauwer) het licht zag.
-ocr page 12-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
Ik heb dan gemeend dat een nieuw werk over Rome het Nederlandse/i publiek
aangenaam en welkom zou kunnen zijn en vooral zijn nut kon hebben nu de telken
jare veelvnldiger wordende gezelsehapsreizen naar de Eeuwige Stad ook de beschei-
dener beurzen een reis derwaarts veroorloven en de pelgrimstochten meer en meer
deelnemers lokken.
Dat ook dit werk zijn leemten en onnauwkeurigheden zal hebben, ontveins ik mij
geenszins. Het behandelde onderwerp is zoo groot, biedt zoo veel punten van besehou-
icing aan en de ruimte, waarover ik beschikken mocht, is betrekkelijk zoo klein, dal
de beperking noodzakelijk tot onvolledigheid moest leiden. Ik heb evenwel getracht
het zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de nieuwste ontdekkingen
en gebruik gemaakt van de beste bronnen.
Als zoodanig noem ik: Paul Allard. Les PersecüTIONS; het BüLLETTINO d\'Ar-
cheologia, F. A. Kraus, Roma Sotterranea, verscheidene artikelen en controversen
uit de
Civiltu Cattolica, La Controverse, Het drievoudige Home, Nibby, Itine-
RARIO di ROMAE DELLE 8UE VICINANZE en eenige andere werken. Toen mijn werk in
handschrift reeds bijna voltooid was verschee?) het hoogstbelangrijke werk van
P. Hartmann Orisar, S. J.
Geschichte Roms und der PSpste im Mittelalter,
waar uit ik menige bijzonderheid nog bij de correctie en het verder afwerken van
mijn manuscript heb kunnen overnemen.
Ik heb van mijn werk ook geen Reisgids willen maken, maar een aangenaam en
nuttig boek voor het katholieke volk, dat tevens met voordeel zal gelezen worden door
hen die Rome willen bezoeken, en bij hen, die de Eeuwige Stad bezocht hebben, nog
menige aangename herinnering zal opwekken.
De jaren, die ik in Rome doorbracht, liggen reeds te ver achter mij dan dat ik
zou durven beweren dal dit werk geschreven is naar eigen aanschouwing. Evenwel
zijn de herinneringen aan die jaren zoo levendig in mij bewaard gebleven en leerden
zij door de veelvuldige latere studie over Rome telkens zoo verfrischt en vernieuwd,
dat ik mij, bij het schrijven, geheel thuis gevoelde in de omgeving, waarin ik mij
met den geest bewoog. Wanneer men Rome gedurende drie jaren bij dag en bij nacht
tot in zijn afgelegenste gedeelten heeft doorkruist, herhaalde malen zijne monumenten,
kunstschatten, tempels en paleizen heeft bezocht, dan zijn de indrukken, daardoor
verkregen, zoo levendig, dat zij niet meer nifgewischf kunnen worden. Van uit dat
oogpunt beschouwd, mag ik wel zeggen dat mijn boek door eigen aanschouwing, ver-
nieuwd en aangevuld door latere studie, geschreven is. Moge het dan beantwoorden
aan het doel, dat ik mij heb voorgesteld.
Alkmaar, 1899.
A. NUYENS.
-ocr page 13-
INLEIDING.
,.Daar zijn", zegt Mgr. Ricard in do voorrede waarmode hij een werk ovor de
II. Clara van Assisië, inleidt, (in Italië) geheiligde» valleien, hergen, steden en vlekken.
Daar zijn driewerf gezegende woningen, welke binnen hare muren eeno geheele wereld
van onuitsprekelijke gedachten, gevoelens, begeerten en verlangens bewaren. Daar zijn
gelukzalige en, om zoo te zeggen, gewijde gezichteinders, welke de blik niet zonder
aandoening kan doorvorschen.
In dit opzicht is de bodem van Italië in alle doelen bevoorrecht, want hij vormt
eeno bewonderenswaardige omlijsting voor de gebeurtenissen, die er zich ontvouwd
hebben en voor de personen, die er zich in eeno bovenmenscholijke grootheid aan ons
voordoen. Immers, Italië is het land van do azuren luchten, van de zon, van de blauwe
wateren, van de laurieren en de bloeiende oranjeboomen.
Maar \'t is ook het land der kunsten on der poësic, waar, naast de herinneringen
door Virgilius, Dan te, Tasso en Petrarca nagelaten, de meesterwerken overvloeien,
door een Giotto, een Fra Angelico, een Vinci, een Michel-Angelo, een llafaël
en zoovele andere, geschapen. Rovenal en in de eerste plaats, evenwel, is het \'t land
der heiligen. Wij spreken evenwel in het tegenwoordige, terwijl die roem van Italië
tot het verledene behoort; niettemin is hij zóó groot dat hij door de eeuwen heen zijn
stralen tot op onze dagen doet schitteren en een opbeurend licht werpt op gebeurtenissen,
die thans zooveel droefheid intstorten over eeno natie, die onder allo andere uitver-
koren was om de wieg van hot catholicisme te zijn."
Dezo woorden, door Mgr. Ricard op geheel Italië toegepast, zijn vooral ook van een
pakkende waarheid voor Rome in \'t bijzonder. Kan men zich wel oen Italië denken
zonder Rome? Ontleent het zoo schoone, door do natuur, de kunsten, do scheppingen
en daden der menschen zoo bevoorrechte land niet zijn grootsten luister aan Rome?
Het trotsche en eenmaal zoo machtige CJenua; Venetië, do stad der Dogen on eertijds
de beheerscheresse der Adriatischo zee; Milaan, de vrijheidliovende; Pisa, de stad der
geleerden; Florence, moer beroemd nog door zijn liefde voor de kunsten dan door
den krans van bloeiende heuvels die het omringt; Napels, zoo schilderachtig aan zijne
blauwe golf gelogen, zij allen hadden een heerlijken naam in de geschiedenis der
menschheid en der beschaving; zij allen waren eenmaal machtige gemeonebesten of
onbedwingbare steden; maar boven alle dezen schittert Rome, Porno do Eeuwige Stad,
de beheerscheresse der wereld door de Keizers, thans de beheerscheresse eener nog
grootere wereld door de enkele kracht van het Kruis, dat de adelaars der oude heer-
scharen heeft verdreven om het Labarum er voor in de plaats te stellen.
-ocr page 14-
x.                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
De dichter moge naar Ferrara trekken om op liet graf van Ariosto de eerbiedige
hulde zijner bewondering neer te leggen, of naar Florence tijgen om zich te vermeien
in de herinnering aan Dantc en aan het schitterende hof van Leonore d\'Este, door
Tasso onsterfelijk gemaakt; de oudkundige moge ronddolen door do doodsche en
verlaten straten van Pompeji, de toerist zich verlustigen op de lagunen van de ko-
ningin der Adriatische zee, op de safieren watoren van de Napelsche golf, de vroome
pelgrim zijn geest en ziel verfrisschen bij \'t bezoeken van de plaatsen geheiligd door
het zegenrijk werken van eene Clara, een Franciscus van Assisië, oen Antonius van
Padua: allen, wie zij ook zijn mogen, dichters of oudheidkundigen, haastige toeristen
of ingetogen bedevaartgangers, zullen zich spoeden naar Rome, als naar do zon van
waar al die stralen van dichterlijk loven en kunstig scheppen, van heilig werken en
bidden zich over geheel de aarde verspreidden, om haar te verlichten en te verwar-
men, om haar te herscheppen on te doen herleven als zij dreigde onder te gaan in de
stormen der hartstochten, onder den ijskouden adem van het ongeloof of in den nacht
der barbaarschoid.
Daar spreekt alles van het eenmaal zoo machtige rijk dor Cesars; maar luider nog
van hem die ginds onder den reuzenkoepel van St. Pieter rust; die de macht der Cesars
overwon en wiens opvolgers straks negentien eeuwen Zijn strijd tegen heidendom en
ongeloof, tegen barbaarschoid en menschenwaan met donzelfden moed, dezelfde doods-
verachting door hetzelfde Kruis voortzetten, om, even als hij, te overwinnen en het
rijk van Christus te doen zegevieren over het rijk van Satan.
Evenals in het oude Rome de gulden Mijlpaal het uitgangspunt was van de heir-
banen die naar alle gewesten der wereld voerden en dreunden onder de voetstappen
der legioenen, die tot nieuwe veroveringen uittrokken, zoo heeft ook het nieuwe Homo
zijn gulden Mijlpaal in den gouden koej^el van St. Pieter. Van daar trokken sinds
eeuwen ontelbare legioenen heiligen en belijders uit om in nieuwe gewesten nieuwe
volken, nieuwe werelden onder den Scheptcr van Christus te brengen on bij het rijk
zijner genade in te lijven. En nog altijd volgen nieuwe geloofsholden de wereldpaden
langs tot nieuwe veroveringen. Zij hebbon allo wegen met hun zweet besproeid en don
bodem van alle landen met hun bloed gedrenkt. Hunne gebeenten wijzen, als \'t ware,
den weg aan, die zij bewandelen; zooals in de woestijn de geraamten den weg der
karavanen aanwijzen; maar hoc gedund ook hunne gelederen werden, altijd stonden
nieuwe helden op om de gevallenen te vervangen, en waar de strijd het hevigst was,
waren de strijders het talrijkst. En naast deze helden, wier eenige roem de roem van
Christus was, stonden dichters on kunstenaars om in onvergelijkelijke scheppingen
hun zegepraal over den dood te verheerlijken, hun lijden en strijden, hun leven en
streven tot voorbeeld en ter navolging te stollen aan do komende geslachten, om in
schitterende kleuren en van begeestering gloeiende woorden don roem en de heerlijkheid
te verkondigen van den Christus, die aan de heiligen en geloofshelden do kracht ver-
leende tot het volbrengen der grooto werken door hen gewrocht.
Alles in Rome is wonderbaar, en wie do Eeuwige Stad wil kennen moet zich reken-
schap van hare wonderbare bestemming weten te geven. „Van oen katholiek oogpunt
beschouwd, zo<jt Donozo Cortes, is er slechts eene algemeono oorzaak voor do
wercldgebeurtenissen, en dio oorzaak is do Goddelijke Voorzienigheid. Die (Joddelijke
Voorzienigheid, als algemeono oorzaak beschouwd van al hetgeen gebeurt, werkt op
eene natuurlijke of eene bovennatuurlijke wijze: op eene natuurlijke wanneer zij de
-ocr page 15-
INLEIDING.                                                         xi.
werking der secondaire oorzaken aan zich zelven overlaat; op eene bovennatuurlijke
wijze wanneer zij rechtstreeks, onmiddelijk on op wonderdadige wijze de gebeurtenissen
te voorschijn roept. De Voorzienigheid is niet anders dan die opperste wijsheid waar-
waarmede God aan alles zijn einddoel heeft voorgeschreven, en die alles tot dat eind-
doel voert, nu eens door de secondaire oorzaken, dan weer door zijn onmiddelijke en
opperste inmenging."
Dat einddoel, die bestemming aller dingen vertoonen zich aan onzen geest in alle
wereklgebeurtenissen, maar nergens duidelijker en tastbaarder dan in de bestemming
van Rome. Men kan veilig zeggen dat Rome alleen de oude wereld heeft overleefd,
om de schakel te zijn die de heidensche wereld met do Christelijke zou verbinden en
do verkondiging van het Evangelie, de vervulling van de belofte aan onze eerste
ouders in het Paradijs gedaan, mogelijk te maken.
Toen het Romeinsche Rijk op het hoogste punt van zijn macht stond en de geheele
toen bekende wereld aan zijn heerschappij had onderworpen, waren ook do tijden
vervuld die den Verlosser zouden brengen, en dank aan die wereldheerschappij kon
de Blijde Boodschap in alle talen en aan alle volken verkondigd worden. Woldra zou
de machtige stad der Keizers, de beheerscherosse der wereld de hoofdstad worden van
het christendom, en toon Rome deze bestemming had bereikt, ging weldra de door hot
zwaard verkregen on door het zwaard behouden wereldheerschappij van het Romeinsche
Rijk ten onder, om plaats te maken voor een nieuwe wereldmacht, die alleen in het
Kruis haar overwinningen en haar kracht zoekt en vond en waarvan Rome het midden-
punt en de hoofdstad zou zijn. En toen deze wereldhervorming plaats had, was nog
slechts Rome overgebleven van al wat de wereld vóór de komst van Christus machtigs
en groots gekend en aanschouwd had.
De machtige rijken van Azië, wier oorsprong tot de dagen van den zondvloed opklom,
zijn verdwenen. Assyriö, Babiloniö, Egypte spatten uit elkander, on van hunne machtige
en reusachtige steden bleven slechts puinhoopen over, die allengs onder het zand der
woestijn bedekt werden of den ondergrond vormden van ellendige arabische dorpen,
zoodat hunne namen gedurende eeuwen nog slechts als eene legende voortleefden.
Griekenland, met zijn beschaving, zijn kunstenaars en wijsgeeren, werd een provincie
van het Romeinsche Rijk, en Athene, de stad van Pallas Athene, godin dor wijsheid,
zag hare geleerden hot ambt van leermeester en paedagoog vervullen bij do rijkgc-
worden Plebejers van het weroldboheerschende Rome; Jerusalom, dat de schuld van
den godsmoord op zich geladen had, werd verwoest, zoodat de eene steen niet op den
anderen bleef; zijn tempel ging in de vlammen op on de gouden gereedschappen,
eenmaal gebruikt bij de offeranden aan Jehova, worden als zegeteekenen voor den triomf-
kar van den overwinnenden Titus uitgedragen en op den ter zijnor ecre opgerichten
triomfboog afgebeeld, ten teeken dat de oude wet, op Sinaï aan Mozos gegeven, door
de nieuwe wet van den Tabor was vervangen. Met de krijgsgevangenen van alle
volken waren ook de goden van geheel de heidensche wereld naar Rome overgevoerd,
en toen de Kapitolijnsche Jupiter, door het Kruis der verlossing overwonnen, van zijn
voetstuk tuimelde, violen met hom alle afgoden dor oude wereld. Rome was derhalve
in de besluiten der Voorzienigheid voorbestemd om de zegepraal van het Kruis en do
verspreiding van het Evangelie door geheel do wereld mogelijk te maken. Daarom
had hot allo andere volken overwonnen, alle beschaving on kunsten binnon zijne muren
verzameld, zijne heerbanen door alle landen aangelegd, zijn naam machtig on gevreesd
-ocr page 16-
xii.                           HOME IX DESZELFS VERLEDEX EX IIEDEX.
gemaakt bij alle natiën, van het eene uiteinde der toenmaals bekende wereld tot het
andore, opdat door de tooverkracht van dien naam de nauwe aansluiting dor christelijke
wereld mot don stoel van Petrus zou verkregen worden.
In deze groote macht on uitbreiding van Home over geheel de oude wereld, moeten
wij die opperste wijsheid erkennen, welke aan alle dingen haar einddoel en bestemming
hoeft voorgeschreven, en hoewel dat einddoel door hlootmenschelijke middelen werd
bereikt, kan men toch in die wonderbare heerschappij van Rome over alle volken, in
dat voortbestaan van het Romeinsche Kijk trots alle vijandelijke aanvallen van buiten,
alle staatkundige stormen en omwentelingen van binnen, de goddelijke leiding niet
miskennen. Elke stap, dien men in Home zet, herinnert daaraan, roept die voor den
geest. Het Kapitool, hoezeer ook veranderd, roept in ons geheugen de zegevierende
veldheeren terug die daar. na hunne overwinningen, den Kapitolijnschen Jupiter hunne
dankoffers brachten; de hoog van Titus wijst ons, door de beeldhouwwerken die hem
versieren, op don ondergang van Jerusalem, terwijl het Coloseum ons den heldenstrijd
voor den geest brengt, die daar door de belijders van Christus\' leer gestreden werd
tegen de wreedheid, de wulpschheid en den afgodendienst, de drie groote misdaden
waaraan het heidensche Rome zich vooral schuldig maakte. En in die Catacomben
roept elke voetstap ons toe, dat daar de eerste christen kerk van Rome ontlook, de
eerste zetel der Pausen was gevestigd. Daar predikt elke loculus ons van de gelijkheid,
door het christendom onder het menschdom hersteld.
Daar bad de slaaf naast den patriciër, rustte de verachte slavin naast de edele
matrone on de patricische jonkvrouw; daar werd het woord van den Apostel tot waar-
heid, dat er geen vrijen of slaven meer zijn, maar alleen kindoren Gods en erfgenamen
van het Hemelrijk. En daar ginds, waar de machtige koepol van St. Pieter oprijst en
aan alle volkon en talon het Tu es Petrus toeroept, daar, waar in het Vaticaan de op-
volger van den Galileeschcn Visscher de geheele wereld de onvorvalschte leer van
Christus verkondigt, lagen eenmaal de tuinen van Nero, en dienden de christenen tot
levende fakkels ter verlichting van de gruwzame en wulpsche feesten van dit gepur-
perd monster.
Reeds meer dan zevenentwintig eeuwen heeft Rome de wereld vervuld met den
toovorglans van zijn naam, en zijne heerlijkheid en de bewondering der volken gaven
het, naast den naam der eeuwige, Roma acterna, ook dien der gouden stad, Roma
aitren,
en do opvolgende volken en geslachten, getroffen door zijn wonderbaar be-
staan en grootsche voorbestemming, omhulden het in een dichterlijk waas van legenden.
De oude Romeinen schreven aan zijn eersten stichter een goddelijken oorsprong toe.
Zijne wijze wetten schenen hun moor dan monschonwerk toe en een bovenmenschelijk
wezen, de nimf Egora, moest er de ingeefstor van zijn. Op hot Kapitool waakte een
wonderbeeld der stad, de Sul rul io Roinac (Rome\'s behoud) voor zijn macht en toonde
door bijzondere tockens aan waar en wanneer een opstand in de provincies het bestaan
of de macht van het rijk bedreigde, terwijl de Sibillynsche boeken de roemrijke be-
stomming van Rome en zijne komende lotgevallen bewaarden.
En do nieuwe geslachten hebben eene nieuwe reeks legenden om de Eeuwige Stad
gesponnen en zijn voortbestaan verbonden aan het bestaan der wereld. Zoolang de
wereld zal zijn, zal Rome zijn en op het einde der dagen zal wederom een machtig
Vorst te Rome zetelen en opnieuw over alle volken hoerschen. Op het einde der tijden,
zegt do legende, zal er te Rome een machtig en rechtvaardig Keizer den schopter vooren
-ocr page 17-
INLEIDING.
XIIT.
en er alle volkeren onder vergaderen; hij zal een getrouw naïever van de wetten van
Christus zijn en tot groote dingen voorbestemd.
Onder zijne regeering zal er een volkomen vrede op aarde heersenen en de volken
zullen een geluk smaken, dat de gouden eeuw in herinnering zal roepen. Die vredes-
vorst zal lange jaren regeeren, en wanneer hij zal weten dat de tijden vervuld zijn,
zal hij naar Jerusalem trekken en zijn kroon neerleggen op het graf van Christus.
Dan zal de Antichrist komen, die het geluk zal verwoesten wat de menschen smaken,
de aanbidders van Christus vervolgen en eindelijk Home vernietigen. Die verwoesting
zal onmiddelijk het Laatste Oordeel voorafgaan.
Aldus zal het einde zijn van tic koningin der steden. Alvorens de zon aan den
hemel uitgedoofd zal zijn, de aarde tot het niet terugkeeren en Christus o\\> de wolken
zal komen om de menschen te oordeelen, zal het Romeinsche I»ijk uit zijne assche
herrijzen. Het zal opnieuw zijne heerschappij over geheel de aarde uitstrekken en aan
de volken een roemrijk tijdperk van vrede en voorspoed schenken. Daarna zal de
Antichrist zich op deszelfs puinhopen verheffen; maar zelfs dan, wanneer er geen
geschiedschrijvers meer zijn om de gebeurtenissen te verhalen, noch dichters om ze te
bezingen, zal de kroon der Oesars nog schitteren op het kruis van Christus en de
naam van de koningin der steden zal zonder einde weerklinken in quella Eoma, oude
Cristo c Romano,
in dat Home waar Christus een Romein is.
Zoo heeft de legende om Rome haar dichterlijk kleed geweven en de geslachten
die waren, zijn en komen zullen, zullen aan de Eeuwige, de (iotulen stad den cijns
hunner liefde en den tol hunner bewondering betalen, en met elk jaar zal de stroom
van vroome Christenen toenemen naar de stad waar Christus leeft, Christus beveelt.
Want al is het ook waar dat aan den stedehouder van Christus de wereldlijke
schepter is ontnomen; dat voor de Pausen een nieuw tijdperk van ballingschap uit hun
koninkrijk is aangebroken; al is het ook waar dat Rome gedurende weldra dertig
jaren is overgeleverd aan de moderne bouwwoede, die den naam van Eeuwige Stad
ten schande zou willen maken, niet minder waar is hot dat daaruit, onder de leiding
en den wil der Voorziennigheid, zoowel voor het Pausdom als voor de 1\'ausstad on-
miskenbaro voordeden voortvloeien ; voordeden, die zij niet te danken hebben aan de
overweldigers, zooals sommige bewonderaars van het Eene Italië het willen doen
voorkomen, maar alleen aan de macht van Hem die het kwaad in goed weet te ver-
keeren en die de lagen on listen der vervolgers weet te veranderen in wolzijn en eer
voor do vervolgden.
Om alleen van de Stad te spreken, willen wij er hier op wijzen dat de Italiaansche
regeering, door de werken die zij in Rome heeft doen uitvoeren om de stad, die zij
intangibile (onaantastbaar) waant, waardig te maken de hoofdstad van het koning-
rijk Italië te zijn — alsof de grootste eeretitel van Rome niet bestond in de hoofd-
stad van het Christendom en de wereld te zijn — nieuwe schatten van oudheidkunde
aan het licht heeft gebracht, zoowol op profaan als godsdienstig gebied. Reeds in
1875 kon het Bullettino della commissionc archculoyica comunalc di Roma (Bullotijn
van de stedelijke oudheidkundige commissie van Rome) mededeelen dat men had
verzameld: 48 overblijfselen van schilderwerken; 172 voorwerpen van inozaiok; 18761
munten; «s31 beeldhouwwerken; 770 voorwerpen van metaal: 27115 brokstukken of
heele voorwerpen in ivoor en been; 544 glazen, omails on diverse voorwerpen daar-
toe behoorende; 2680 heele voorwerpen in terracotta en 4281 brokstukken daarvan;
-ocr page 18-
xiv.                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
\'2(59 overblijfselen van bouwwerken; 3928 opschriften; 579 edelgesteenten en kostbare
marmerwerken. Bovendien beeft men over de ligging van sommige gedeelten van het
oude Rome, zelfs uit de tijden der koningen, tal van andere belangwekkende ontdek*
kingen gedaan, ook op godsdienstig gebied, zooals b. v. een gedeelte Catacombe met
een afbeelding der II. Felieita en haar zeven zonen, allen martelaren voor het geloof
in Christus.
In den loop van ons werk zullen wij gelegenheid hebben breedvoeriger over sommige
van dezo ontdekkingen te spreken; voor het oogenblik vermelden wij ze slechts
om te doen uitkomen hoe zelfs de overweldiging van Home heeft bijgedragen om de
Eeuwige Stad nieuwen luister, nieuwe aantrekkelijkheid te verleenen.
Wanneer eenmaal voor Home en het Pausdom de tijd van beproeving geëindigd
en de Eeuwige Stad onder haar rechtmatigen vorst teruggekeerd zal zijn, zal het ons
misschien duidelijk worden, waarom dize beproeving over haar werd gebracht en zullen
wij misschien, ja zekerlijk, tot de erkenning komen dat de overweldiging, die den
geloovigen een reden van rouw en treurnis was en den vijanden een oorzaak tot
helsche vreugde, in de raadsbesluiten der Voorzienigheid een middel is geweest om
het Pausdom en Home tot hoogeren bloei, tot grootere macht te brengen en den
vijanden van kerk en godsdienst tot bloedige kastijding. Reeds nu zijn er teekenen
te over die ons tot deze overweging recht geven ; hoc* zal hot dan niet zijn wanneer
eenmaal de dag der bevrijding zal aanbreken en het Home der 1\'ausen opnieuw in
verjongde kracht en heerlijken glans zal verschijnen, na den rouwmantel der treurnis
te hebben afgelegd. Dan zal Homo mot recht zich mogen beroemen op zijn mistiekon
naam Amor, dien do ouden niet uitspraken dan mot grooten eerbied on die alleen
den ingewijden bekend was.
Reeds sedert eeuwen was Home de Liefde van de christenheid en met eiken dag
wint het meer barton. Eenmaal zal het aller liefde, aller genegenheid bobben en zal
het, na de behoerschor en do onderwijzer der volken te zijn geweest, ook de liefde
van alle naties zijn.
-ocr page 19-
HET HEIDENSCH ROME.
-ocr page 20-
-ocr page 21-
HET HEIDENSCH ROME.                                                 1
HET HEIDENSCH ROME.
Beknopt overzicht van de Geschiedenis van Rome tot de overwinning van Constantijn.
Het kan geenszins in onze bedoeling liggen hier een overzicht te geven, hoe be-
knopt ook, van de geheole geschiedenis van Rome; wij willen in onzen waarnemings-
kring alloen datgene opnemen wat geweten dient te worden, wil men met oenige
vrucht Home doorwandelen en zich rekenschap geven van zijn bestaan, zijn bouwwerken
zijn verleden en heden. Wij laten dus geheel en al buiten beschouwing al datgene
wat betrekking heeft op zijn ingewikkelde staatsinstellingen, zijne talrijke; binnen* en
buitenlandsche oorlogen, zijn veelvuldige lotgevallen, om alleen stil te staan bij zijn
algemeene ontwikkeling, zijn uitbreiding, zijn opperbestuur, zijn bouwwerken en de
ingrijpende lotgevallen die een wezenlijke verandering in zijn geschiedenis en bestaan
hebben gebracht. Ons geschiedkundig overzicht heeft geen ander doel dan een toelich-
ting, een verklaring te geven van wat de Eeuwige Stad den bezoeker en vooral den
vroomen pelgrim belangrijks en wetenswaardigs aanbiedt.
Rome is gelegen in de vlakte van Latium en aan de rivier do Tibor, die hier eene
breedte van 60-100 meters heeft on op 2(5 kilometer afstands van do monding dezer
rivier bij Ostia. De vlakte van Latium is, tengevolge van vroegere vulkanische op-
heffingen en van snelle waterstroomingon, in verschillende hoogten verdeeld, door diepe
dalen van elkander gescheiden, zoodat Rome bij zijn voortdurende uitbreidingen allengs
do voornaamste dezer heuvelen besloeg on zoo den naam van de stad der Zeven
heuvelen (urbs seplicollis) ontving. Deze zeven heuvelen, allen aan don linker Tiber-
oever gelegen, heeten Capitolinus, (kapitolijnschen), Palatinus (Palantijnschen,) Avon-
tinus (Aventijnschen), Coelius (Celisehen), Esquilinus (Esquilijnschen) en Viminalis
(Viminaalschen) heuvel.
Later werden daarbij nog twee, aan den rechteroever gelegen, heuvels, de Vati-
caansche heuvel en de Janiculus getrokken, zoodat men eigenlijk niet zou mogen
spreken van do Stad der Zeven, maar van do Stad der Negen heuvelen.
Do laagste dezer heuvels, de Aventinus, verhief zich 46, de hoogste, de Janiculus,
85 meter boven den zeespiegel. Do vier eerstgenoemde stonden geheel en al afge-
zonderd en waren in de oudste tijden door diepe en moerasachtige dalen van elkander
gescheiden.
-ocr page 22-
2                             ROME IX DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
De geschiedenis van de grondvesting van Rome ligt geheel in \'t duister; betrouw-
bare bescheiden daaromtrent bestaan niet, en eerst later, toen de Romeinen behoefte
gevoelden om den oorsprong hunner stad te kennen, heeft men de bij overlevering
bewaarde konnis tot een wonderbaar weefsel samengevlochten, waar men evenwel
onder het mytische en bovennatuurlijke der legende de kleine kern der gesehied-
kundige waarheid kan terugvinden. Het volk, de groote menigte, geloofde evenwel
aan deze legende als aan een onomstootbare waarheid en tot op onze dagen vindt zij
nog haar weg in alle werken die over Rome\'s geschiedenis handelen.
Deze legende of Sage luidt aldus. Toen Aeneas zich uit den brand van Troje ge-
red had en een nieuw vaderland opzocht» werd zijn schip naar de kusten van Italië
gevoerd en landde hij in een gedeelte van het schiereiland dat Latium genoemd werd
en welks koning Latinus hem gastvrij opnam. Later huwde hij diens dochter Lavinia.
Toen Latinus gestorven was, volgde Aeneas hem in de regeering op. Zijn zoon Ascanius
verliet, toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, de strandvlakte en trok naar het
Albaner gebergte, waar hij een nieuwe stad bouwde, die den naam Alba-Longa ver-
kreeg. Fit het huwelijk van Aeneas met Lavinia werd een zoon geboren, Silvius
genaamd, die de stamvader was van de stichters van Rome. Ken dor nakomelingen
van dezen Silvius, Prokas genaamd, liet twee zonen na, Numitor en Aemilius.
Dezo laatste stiet zijn ouderen broeder van den troon en om zich voor goed van
het bezit daarvan te verzekeren, dwong hij Numitor\'s dochter, Rhea-Sylvia, zich aan
den dienst van do godin Vesta to wijden, waardoor het haar verboden werd oen
huwelijk te sluiten. Maar, zegt de Sage, zij werd door den god Mars moeder van twee
knapen, Romulus en Remus.
Toon Aemilius zulks vernam, beval hij de knapen te dooden ; maar de slaaf, die
dit bevel moest ten uitvoer brengen, legde de knapen in een korfje on gaf dit aan de
onzekere golven van den Tibor over. Dij üon Palatijnschen heuvel bleef het korfje
aan de wortels van oen wildon vijgenboom vast liggen en eene wolvin zoogde hen,
totdat zij door den herder Faustuhis gevonden werden, die de knapen opnam en, bij-
gestaan door zijne vrouw Acca Laurentia, ze tot krachtige en strijdlustige jongelingen
opvoedde. In strijd geraakt met de herders van Aemilius werd L\'emus door deze
gevangen genomen en naar het paleis van den koning gebracht, maar Romulus drong
met zijne gezellen het paleis binnen, versloeg den koning, bevrijdde zijn grootvader
Numitor en herstelde dezen op den troon.
Romulus en Remus dachten er nu aan om zelf eene stad te stichten; de eene sloeg
den Falatinus, de andore den Aventinus voor; om den wil der goden te kennen, plaatste
ieder zich op den door hein voorgetrokken heuvel en de goden schenen het plan van
Romulus goed te keuren, want bij het opgaan der zon vlogen twaalf gehikvoorspellende
vogels langs dezen heen, zoodat hij door zijn gezellen als koning werd erkend van de
nog te stichten stad.
Volgens het algemeen aangenomen gebruik werd nu de omvang van de te stichten
stad aangegeven door do heilige vore, welke do, met een stier en con koe bespannen
ploeg, moest trekken, waarbij men wel moest opletten dat de uitgeploegde aarde
naar den binnenkant viel en de naar buiten overgevallen kluiten met de hand naar
binnen werden geworpen. Waar een poort moest zijn, werd de ploeg opgenomen en
eenige schreden verder weer neergezet.
Toen de stadsmuur werd opgetrokken sprong Remus, hetzij uit scherts, hetzij uit
-ocr page 23-
HET HEIDENSCH ROME.
3
spot over den lagen wal, hetgeen Romulus zoodanig in toorn deed ontsteken dat hij
zijn broeder doodde.
De nieuwe stad was dan aangelegd en met eenige ellendige hutten bebouwd, maar
hare bevolking bestond nog slechts uit do jonge gezellen van Romulus en had geen
vrouwen. Ten einde zich nu de ontbrekende levensgezellinnen te verschaffen namen
de Romeinen een zeer kras middel te baat. Zij noodigden de nabij wonende Sabijnen
tot een hunner feesten uit en deze kwamen, vergezeld van vrouwen en dochters, naar
de jonge stad om aan de uitnoodiging harer stichters gevolg te geven. Te midden van
de feestdrukte en feestdronkenschap wierpen de Romeinen zich op hunne gasten en
ontroofden hun hunne dochters. Een oorlog moest het noodzakelijk gevolg van dit ver-
raad zijn. De Romeinen delfden het onderspit en alleen do versterkte burgt bood hun
nog een schuilplaats ; maar ook dit laatste bolwerk zou hun door verraad ontnomen
worden. Tarpeja, de dochter van den burgtvoogd, beloofde den Sabijnen hun de plaats
te zullen overleveren wanneer zij haar, als belooning, datgene wilden ujeven wat zij
aan den arm droegen; hiermede bedoelende de gouden armbanden, die de krijgslieden
gewoon waren te dragen. De Sabijnen stemden in den koop toe, doch zij bedoelden
niet hunne gouden sieraden, maar de zware schilden, die zij eveneens aan den arm
droegen, en ander welke zij do verraderes versmoorden toen de burgt in hun bezit
was. Dit had plaats aan de westelijke helling van den heuvel (waar later het Kapitool
verrees), die van af dien tijd den naam van Tarpeïsche rots verkreeg. Evenwel was
de uitslag van den strijd anders dan men vermoed had. De Sabijnsche dochters, thans
de echtgenooten der Romeinen, wierpen zich tusschen hunne strijdende mannen ^ndo
ter harer verlossing opgekomen verwanten ; er kwam oen verzoening tot stand on de
Sabijnen vestigden zich op de Kapitolijnsche en Quirinaalsche heuvels en gaven zoo
terstond een groote uitbreiding aan do Stad. Deze ontvoering der Sabijnsche jonge
dochters is in de geschiedenis — wanneer men hier van de geschiedenis in den waren
zin des woords mag spreken — bekend onder den naam van den Sabijnsche-Maagden-
roof. De eerste stichters, die den naam van Ramnes en de Sabijnen, welke dien van
Quiritea kregen, vormden den ouden adel van Rome (Patriciërs), en hunne leden had-
den alleen zitting (althans in de eerste eeuwen) in het hoogste staatscollege, dat den
naam van Senaat droeg. Romulus, de eerste Koning, regeerde zeven en dertig jaren
(van \'t jaar 1 37 van de stichting der stad, of van 754 717 v. (\'.). Volgens sommigen
zou hij zeer wijs en zachtmoedig geregeerd en nooit een doodvonnis geveld bobben ;
volgens anderen zou hij als een woesten dwingeland geheerscht bobben on door don
Senaat vermoord zijn. Na zijn dood werd hij evenwol als een god onder den naam
van Quirinus vereerd.
De tweede koning, Numa Pompilius (715 672 v. C), werd uit de Sabijnen gekozen,
als zijnde de waardigste om den stichter op te volgen. Onder zijne regeering genoot
Rome een volmaakten vrede, wat niet meer het geval zou zijn totdat keizer Augustus
de wereldheerschappij zou voeren. Numa was een wijze wetgever en do Sago verhaalt
dat de nimf Egera hom in de staatsmanswijsheid onderrichtte, Hij bevorderde den
landbouw en den handel, regelde de godsdienstige gebruiken en plechtigheden, stelde
verschillende colleges van priesters aan, voordo den dienst der Vestaalscho Maagdon
in, die belast waren met het voortdurend onderhouden van het aan Vesta geheiligde
vuur, en was de grondlegger der wijze wetten, aan welke Rome voor een groot deel
zijn macht, roem en luister te danken had.
-ocr page 24-
HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
4
Als zijn opvolger wordt genoemd Tullus Hostilius (672-600 v. C). Onder zijne
regeering kwam Rome in oorlog met het naburige Alba Longa (dat in de nabijheid
van het tegenwoordige Albano gelegen was). Om den oorlog minder bloedig te maken
en don strijd spoedig te eindigen, stelde do Albaner Mettius Fufetius voor het geding
te doen beslechten door een tweekamp, waaraan van weerszijden drie jongelieden
zouden deelnemen. In bside legerplaatsen bevonden zich drielingbroeders, die met
elkander verwant waren, de Curiatiër in die van Alba-Longa, de Iloratiër in die dor
Romeinen. Aanvankelijk scheen het dat de Romeinen hot onderspit zouden delven,
want reeds waren twee der Horatiër gevallen; maar do derde bedacht een krijgslist.
Hij deed alsof hij vluchtte en toen zijn tegenstanders hem vervolgden en van elkander
gescheiden waren, keerde hij zich om en versloeg zonder voel moeite, den een na den
ander, de van hem vervolgende Curiatiër. Corneille heeft dezen strijd tot onderwerp ge-
kozen van zijn onsterfelijk treurspel „Horace." I?ij hot dorp Aricia, op korten afstand
van Albano, wijst men nog heden het graf aan waar de drie Curatiër en de twee Ho-
ratiër begraven zijn. Hier, bij dit graf, liet paus Pius IX, z. g., een fraai graftoeken
oprichten voor do pauselijke zouaven, die in 1867 als slachtoffers hunner christelijke
naastenliefde vielen, bij het verplegen van de choleralijders van Albano. Met trots
mogen wij hier do namen vermelden van Jacobus van dor Heijden, van Drunen; Gijs-
bertus van Ophem, van Alkmaar en Hendrik Peters, van Reek bij Nijmegen. Daar
de tweekamp tusschen Horatiër en Curiatiër evenwel onder do muren van Rome
plaats had, is het zeer twijfelachtig of do gesneuvelden wel bij Aricia begraven zijn.
Die van Alba-Longa, evenwel, verkropten slechts moeielijk hun nederlaag en Mettius
Fufetius zocht de Romeinen door verraad te vernietigen. Zijn plan mislukte evenwol,
hijzelf werd gevangen genomen en tot straf door paarden van oen gerukt; Alba-
Longa werd verwoest en de inwoners naar Rome gevoerd, waar hun de Coelische
Heuvel tot woonplaats werd aangewezen.
Ancus-Marcius, een kleinzoon van Numa-Pompilius, werd de derdo koning (640 616
v. C.) van de zich steeds moer on meer uitbreidende stad. Hij bevolkte don Aven-
tijnschen heuvel door nieuwe onderworpen stammen, die als Plebejers de groote volks-
klasse uitmaakten ; hij versterkte don Januculus, deed oen nieuwen wal of gracht om
de stad graven die hij in verbinding mot do haven Ostia bracht, waardoor hij aan
den handel een grootore uitbreiding gaf. Nog wordt hom den bouw van do eerste Tiber-
brug toegeschreven.
Do Etrusciër Tarquinius Priscus (616- f>28 v. C.) wordt als vierde koning vermeld.
Aan hem worden tal van groote bouwwerken toegeschreven, o. a. de beroemde riolen,
de Cloaca Maxima, een wonder van hechten bouw, die tot op onzen tijd bewaard is
gebleven en nog het groote afvoerkanaal is, waarin alle riolen der stad uitmonden.
De zonen van Ancus Marcius lieten Tarquinius vermoorden, ten einde zelven aan
do regeering te komen, maar hun toeleg mislukte doordien Tanaquil het lijk van den
vermoorde verborg en het gerucht verspreidde dat de koning slechts gewond was. De
moordenaars vluchtten en Servius Tullius bestoog don troon. Gedurende zijne regee-
ring (573 5\',U) word do stad opnieuw vergroot, doordien ook de Esquilijnsche en
Viminaalsche heuvels bevolkt werden. Tot op zijn tijd schijnt de stad nog slechts door
aarden wallen en grachten verdedigd te zijn geweest, want aan Servius Tullius wordt
het bouwen van 0011 zwaren muur uit brokken tufsteen toegeschreven. Van dezen
muur zijn nog groote 011 indrukwekkende gedeelten overgebleven, vooral in de Vigna
-ocr page 25-
HET ÏIE1DENSCII ROME.                                                 5
Maccarani, bij don Aventijnschen heuvel, waar zij nog een hoogte van 15 meter hebben.
De muur had 37 poorten, waarvan sleclits enkele bij name bekend zijn ; de voor-
naamste waren de Porta Carmentalis, aan den zuidhoek van het Kapitool, de /\'.
Collina aan het noordeinde, de /\'. Viminalis in het midden en de /\'. Esqnilina aan
het znideinde van den wal, do /\'. Capena, tusschen den Coelius en den Aventinns.de /\'. Tri\'
gemina,
tnsschen Aventinus en de rivier. De muur had eene lengte van 7-8 kilometer
en omvatte eene oppervlakte van 300 heetaren. Do stad was in vier wijken verdeeld:
over den rechter Tiberoever strekte zij zich nog niet uit; een houten brug, de Pons
Sublieius,
verbond de beide oevers.
Hot uiteinde van Servins Tullius was ellendig on vergunt ons een blik te slaan in
hot ruwe on woeste karakter van den nog jeugdigen staat. De geschiedenis (of de
Sage) verhaalt over dit uiteinde het volgende. Servins Tullius had twee dochters, die
beide don naam van Tullia droegen. Do oudste was van een zeer zacht, do jongere
van oen zeer wild en woest karakter. De Koning meende zeer wijs te handelen door
aan de zachtmoedige oudere Tullia den woosten Lucius Tarquinius on aan de jongere
wilde Tullia den zachten en goeden Aruns Tarquinius tot echtgenooten to geven, ho-
pende dat de zoo zeer tegenovergestelde karakters elkander als \'t ware zouden neu-
traliseeren. Edoch de uitslag bewees hoezeer hij in zijne berekening had misgetast.
De wilde Lucius vermoorde zijn broeder Aruns, de zachte Tullia word het slachtoffer
van de woeste jongere Tullia. De broeder- en zustermoordenaars sloten zich bij elkan-
der aan om zich van den troon meestor te maken. Servins wil don opstand bezweren,
maar wordt door zijn schoonzoon uit het paleis gestooten en do huurlingen van den
overweldiger vermoorden don vluchtenden koning. Tullia ijlt toe om haar gemaal als
Koning te begroeten ; haar muildier blijft staan voor het bloedende lijk baars vaders,
maar zij, de dieren aansporende, rijdt over het ontzielde lichaam, welks bloed de ra-
deren van haar wagen besmeurde. Do straat, waai\' dit vreeselijk toonoel voorviel,
werd door hot volk daarna den Vicus sceleratus, de vervloekte, misdadige straat, ge-
noemd, en behield dien naam tot op de laatste tijdon.
De laatste der zeven koningen die over Rome heerschte, was Tarquinius Superbus.
Aan hem worden verscheidene grooto bouw wei ken toegeschreven, zoo o. .a de vol-
tooing van het groote riool, de Cloaca Maxima, den tempel van Jupiter, steenon
zitbanken in de amphitoaters enz. Verder regeerde hij zeer willekeurig, riep den Senaat
nooit bijeen on verzwakte hun instelling door terdoodbrongingen, verbeurdverklaringen
hunner goederen, verbanningen en andere daden die hem den naam van Superbus,
de trotsehe, do gewelddadige, verwierven.
Niet minder woest en willekeurig waren de daden zijnor zonen. Een hunner Sextns
Tarquinius, onteerde Lucretia, do deugzame vrouw van (\'ollatinus. De ongelukkig liet
haar echtgenoot en haar vader ontbieden, onving hen in rouwgewaad, deelde hun de
gewelddaad mede waarvan zij het slachtoffer was geweest, en stiet zich toen den dolk
in de borst. Met het bebloede wapen in de hand zwoeren de mannen wraak; het volk
liep te hoop bij hot bloedende lijk van Lucretia, het leger sloot zich bij het volkaan,
en Tarquinius werd vervallen van den troon verklaard en tevens het koningschap voor
altijd afgeschaft. Rome zou voortaan een gemeenebest, oen republiek zijn. Dit viel
voor in het jaar 510 voor Christus geboorte, \'t Was onder de regeering van Tarquinius
Superbus dat Home in \'t bezit kwam van de Sibilynsche Boeken. Op zekeren dag
kwam eene Sibylle of Waarzegster van (\'umao den koning negen schrifrollen aanbieden,
-ocr page 26-
6                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
dio do goheole tookomst on alle lotgevallen van Rome heetten te bevatten, maar de
prijs, dien zij er voor vroeg, was zoo hoog, dat de koning weigerde den koop te sluiten.
Nu wierp do Sibylle drie harer rollen in \'t vuur en vroeg voor de zes overblijvende
denzelfden prijs als te voren voor do negen, en toen de koning opnieuw weigerde
wierp zij er wederom drie in \'t vuur, voor de drie nog blijvende altijd dezelfde som
vragende. De koning stemde nu toe en werd eigenaar van de Libri Sibytlini, die als
een heiligdom in den tempel op het Kapitool werden bewaard door een afzonderlijk
daarvoor ingesteld eollege van priesters, dat eerst uit 2, later uit 12 en ten slotte uit
ló loden bestond. In \'t jaar 33 v. Ch. werden de Sibillynsche boeken, met den tempel
dio zo bewaarde, een prooi der vlammen. Men zond toen naarde tempels van Apollo, in
klein Azië, om te verzamelen wat daar aan Sibyllynsche orakels nog te vinden was en
stolde daaruit do nieuwe S. Boekon samen. Augustus liet deze herzien en er uit ver-
wijderen wat oen verdaebt karakter had; de als echt erkende werden nu in den tempel
van don palatijnschen Apollo bewaard waar zij, in gewichtige omstandigheden, opeen
senaatsbesluit, worden geraadpleegd. Stilico liet ze in de 5dc eeuw na Christus verbranden.
liet koningschap, dat met een misdaad, een broedermoord, begonnen was, eindigde
met oen misdaad, en in den loop van de tweehondervijftig jaar van zijn bestaan, heb-
ben wij meer dan oen misdaad, meer dan een gewelddaad zien plegen.
Wat is in dit alles geschiedenis, wat sage? Een grond van waarheid zal hier wel
in verborgen zijn, maar veel hebben latere geschiedschrijvers ter opsiering erbij ge-
voegd. De oude volkeren stolden er grooten prijs op hun ontstaan zoo hoog mogelijk
op te voeren en aan de stichters van hun staat een goddelijken ooprsrong toe te kennen
Vandaar dat streven om Romulus te doen afstammen van Acneas, om hem een god,
Mars, tot vader te geven. Verder kan men aannemen dat Rome langzamerhand ontstaan
is uit de samenvoeging van verschillende volkstammen, die beurtellings een hunner
don koningstroon zagen beklimmen. Het meest algemoene gevoelen is, dat Kome eene
volksplanting is van de Etrusken of Etruriërs, een der oudste en voornaamste volk-
stammen van Italië, dio ton gevolge van een zoogenaamde Ver sacrum, heilige lente,
hun land verlaten hebben om een nieuwen staat te stichten. Wanneer een stad of staat
door een groote algemeene ramp getroffen werd, beloofde men aan de goden een zoo-
genaamden Ver sacrum. Al wat in de eerst volgendo lente geboren werd, menschen
en vee, werd aan de ondoraardsche goden gewijd ; het vee werd geslachten de menschen
werden, als zij een zekeren leeftijd hadden bereikt, over de grenzen gezonden ten einde
zich eene nieuwe woonplaats te zoeken. Aan zulk een Ver sacrum zou Rome dan zijn
ontstaan te danken hebben. Voor dit gevoelen pleiten zeer voel zaken, die wij, als buiten
ons bestek liggnnde, niet zullen opsommen. Zelfs de oorsprong van den naam Rome
(Roma) is niet mot zekerheid bekend. Sommigen willen dien afgeleid zien van hot
Grieksche woord Romó, dat kracht, dapperheid betoekent, anderen van een oud
latijnsche woord Rumma dat de zogende, voedende borst beduidt, anderen nog van
haar eersten stichter Romulus, welke laatste verklaring algemeen door het Romeinsche
volk als de eenig ware werd aangenomen. Wij hebben eenige van de voornaamste
bouwwerken uit den koningstijd opgesomd, waarbij men nog de Mamertijnsche Gevan-
«jrenis, hot Kapitool, oen tompol van Diana enz. kan voegen, ofschoon het volstrekt niet
vaststaat dat al deze bouwwerken aan de koningen kunnen worden toegeschreven.
-ocr page 27-
HET HEIDENSCH BOM E.                                                 7
In plaats van den Koning traden nu twee Consuls als hoofden van den Staat op,
die slechts voor den tijd van vijf jaren werden gekozen. De eerste Consuls waren
Junius Brutus, een neef van den laatsten Koning, die slechts aan de algeineone slach-
ting zijner familie was ontkomen doordien hij zich als onnoozel of ideoot aanstelde,
en Collatinus, de echtgenoot van de bovenvermelde Lucretia. De jonge Republiek had
weldra een zwaren strijd te onderstaan. De gevluchte Tarquinius had hulp gezocht
en verkregen bij Porsenna, koning der Etruriërs, die in 507 van Clusium tegen haar
oprukte en na de Romeinen verslagen te hebben, de stad naderde. Deze was evenwel
slechts door een houten brug over don Tiber te bereiken. Drie moedige mannen, IIo-
ratius (\'odes, Sp. Larcius en T. Ilerminius verdedigden haar zoolang manmoedig tegen
het geheele leger van Fersenna totdat zij achter hen was afgebroken; de laatste ver-
binding word door de beide laatsten benuttigd om zich bij hunne makkers in de
stad te vervoegen, terwijl Cocles nog alleen ter verdediging overbleef. Toen nu ook
de laatste balk was afgebroken sprong deze, gewapend en wel, in de rivier en bereikte
al zwemmende gelukkig den overkant. Porsenna gaf daarom ovenwei de belegering
niet op en nu besloot een andere Romein. Mucius genaamd, den vijandelijken koning
in zijn legerplaats te dooden. Ontdekt zijnde en voor Porsenna gebracht, bekende hij
dezen dat er een samenzwering tegen zijn leven bestond, en toen de koning, om nadere
opheldering vragende, geen antwoord ontving, bedreigde hij Mucius met den vnurdood.
Zonder een enkel woord te spreken stak de jongeling zijn hand in het gloeiende vuur
van een offerbekken en liet, zonder een blijk van pijn te geven, het lichaamsdeel lang-
zaam verbranden. Porsenna, over zooveel moed verbaasd, schonk Mucius de vrijheid ;
evenwel ziende dat de strijd tegen zulk een heldhaftig volk als de Romeinen zeer
wisselvallig zou zijn, sloot hij vrede met Rome, en trok, gijzelaars mede nemende,
naar zijn rijk terug. Onder deze gijzelaars bevond zich ook eene edele Roineinsche
jonkvrouw, Clelia, die den dood boven het verlies der vrijheid verkiezende, zich te
paard in don Tiber wierp en gelukkig Rome bereikte. De Romeinen zonden haar
evenwel aan Porsenna terug en deze, in edelmoedigheid niet willende onderdoen, liet
haar wederom naar haar vaderstad terugkeeren.
De geheele geschiedenis van Rome, tijdens de Republiek, is slechts een aaneenschake-
ling van staatkundige twisten tusschen het volk (Plebs, Plebejers) en den adel (Patri-
ciërs),
van binnenlandsche oorlogen om de heerschappij en van krijg in het buiten-
land. Zooals altijd en in alle opkomende Staten, vooral die der oudheid, vormen de
eerste stichters en de van dezen afstamonde geslachten, den adel, die alle voorrechten,
alle ambten en betrekkingen in don Staat aan zich willen houden, terwijl do later
bijgekomen elementen, overwonnen volkeren en anderen, als het volk, het Plebs, wor-
<\\^n beschouwd, dat slechts geen of zeer weinig aandeel in de staatszaken heeft en
gewoonlijk door de eersten onderdrukt wordt. Maar allengs begint dat volk, machtig
en sterk door zijn aantal, zijn doel te eischen in het staatsbestuur on de ambten en
voorrechten, welke daaraan verbonden zijn, en in dien strijd behaalt gewoonlijk de
groote massa de overwinning. Zoo ook in Rome onder de Republiek, en na eeuwen van
strijd wist het volk zich allengs en stuk voor stuk moester te maken van de voor-
naamste voorrechten door de Patriciërs genoten, on verwierf het oen machtig aandeel
in de staatszaken. Het volk emancipeerde zich, zooals wij in onze dagen zoudon zeggen.
Maar do strijd liep niet alleen over het aaadeol in do regooringszaken, ook de stoffe-
lijke belangen voorden het woord. De Patriciërs eigenden zich al de gronden toe
-ocr page 28-
8                             ROME IN DESZËLFS VERLEDEN EN HEDEN.
van liet omliggend land, terwijl het volk in ellende en armoede voortleofde. Vooral
trad de Consul Sp. Cassins moedig voor het volk in de hres en eischte dat een ge-
deelte van de tot het stadsgebied behoorende land aan de Plebejers zon worden ge-
geven en het overige in vruchtgebruik aan de Patriciërs zon verblijven. Met eene be-
slissing werd evenwel zoolang getalmd tot de consnlaatstijd van Cassius verstreken
werd. Hij werd toen van hoogverraad beschuldigd, veroordeeld en van de Tar-
peische rots geworpen, terwijl zijn huis met den grond gelijk gemaakt en zijn vermogen
verbeurd verklaard werd. Lang nog hield de strijd aan, maar ten slotte moest de
overwinning wel aan het volk blijven en eindelijk behaalde het die dan ook op de
meest volkomen wijze. Door de akkerwet (lex agraria) werd bepaald dat ook de Ple-
bejers aandeel zouden hebben in de staatslanderijen, dat geen burger meer dan 500
juk land zou mogen bezitten, dat van de akkers het tiende en van de wijnbergen en
vruchten het vijfde gedeelte als belasting zou gestort worden tot onderhoud van het
leger. Al wat iemand meer dan 500 juk lands bezat, werd hem ontnomen en aan arme
burgers geschonken. Het volk was bovendien diep in schulden geraakt bij de Patri-
ciërs en nu werd volgens de schuldenwet (lex de (tere alieno) bepaald dat al wat tot
dusverre als rente was betaald zou beschouwd worden als te zijn geweest aflossing
der schuld en dat de rest in drie jaar zou worden afbetaald. Eindelijk zou een der
consuls uit de Plebejers worden genomen. De voorstellers dezer wetten waren L. Sextius
en Licinius Stolo. Dat de Patriciërs zich met hand en tand tegen de aanneming dezer
wetten verzetten, laat zich gemakkelijk begrijpen; zij trachtten het volk door kleine
inschikkelijkheden over te halen om van de groote eischen af te zien, maar aange-
spoord door zijn beide kampvechters hield het vol en in 367 werd de strijd ten voor-
deele der Plebrejers beslecht toen dezen zich op den Mons sneer (Heilige Berg) hadden
teruggetrokken en weigerden in Itome weer te keeren indien hunne wenschen niet
werden ingewilligd. K. Sextius was de eerste consul die uit het volk genomen werd.
Zooals men ziet was het een sociale, een klasse-strijd; een strijd van de menigte tegen
den Adel, van de nietbezittenden tegen de bezittenden.
Niettegenstaande dezen langdurigen staatkundigen strijd, bleef Home, dank zij zijne
instellingen, krachtig en aaneengesloten, en wist het zoowel gevaarlijke buitenlandsche
vijanden af te slaan, als nieuwe veroveringen in Italië te maken. In 389 v. c. viel
een machtige vreemde volksstam, die der Galliërs, Italië binnen ; zij kwamen over de
Alpen en vielen bij Clusium in het land. De inwoners van (\'lusium riepen de Romeinen
te hulp en dezen, meenende de indringers door den roep van hun naam tegen te
kunnen houden, zonden hun gezanten om hun het vorder binnen dringen te beletten.
Maar de Galliërs antwoordde door monde van hun aanvoerder Urennus, dat zij het
recht tot indringen en veroveren op de punt hunner zwaarden droegen en aan de
Romeinen zouden toonen dat ook zij dappere mannen waren. De strijd tegen die van
Clusium begon en daar de Romeinsche gezanten daar aan deelnamen vond Brennus
in deze, tegen het volkenrecht strijdende handeling, aanleiding om tegen Rome op te
trekken. Het hun te gemoet trekkende leger der Romeinen werd te Allia verslagen
en weldra trokken de Galliërs Rome binnen. Zij vonden in de stad slechts eenige
Senatoren, die zich niet met de anderen op het Kapitool hadden willen verschansen,
en die zij vermoorden; daarop plunderden zij de stad, staken haar in brand en
belegerden het Kapitool. Ken overrompeling van het Kapitool mislukte doordien,
zooals men verhaalt, de aan Juno gewijde ganzen bij het naderen van den vijand
-ocr page 29-
HET HEIDENSCH HOME.
M
door liun geschreeuw de bezetting wekten, waardoor de aanval werd afgeslagen.
Daar evenwel de honger de belegerden en de romeinsche koortsen de belegeraars
teisterden, lieten de (Jalliërs zich bewegen om, tegen betaling van 1000 pond goud
en op andere zware voorwaarden, het beleg op te breken. Livius verhaalt dat l.rennus
bij het wegen van het goud gebruik maakte van valsch gewicht en dat hij, daarop
opmerkzaam gemaakt, onder den uitroep vae victis zijn zwaard in de weegschaal
wierp. Maar Camillus, die des nachts in de stad had weten te sluipen, kwam nu
naderbij en onder den uitroep: weg met dat goud, een Romein koopt zijn vaderland
alloen door het staal terug, zou hij zich op de Galliërs geworpen hebbon, die nu
gedwongen werden tot don aftocht. Van 860 348 haddon de Romeinen opnieuw strijd
tegen de Calliërs te voeren, maar ook nu bleven zij overwinners. In 302 was ten
gevolge van een aardbeving oen breede en diepe kloof op het Forum ontstaan, die
met geen mogelijkheid te dempen was. Het orakel geraadpleegd zijnde, kreeg men
ten antwoord dat de kloof zich zou sluiten wanneer Rome het kostbaarste, wat het
bezat, er in zou werpen. M. Curtius, meenonde dat oen staat niets kostbaarders bezit
dan den heldenmoed en de offervaardigheid zijner burgers, stortte zich in volle
wapenrusting en te paard in de onpeilbare diepte, die zich boven zijn hoofd sloot.
Door de ten gunste der Romeinen afgeloopen oorloge met de Samnieten en Latijnen
was Rome meester geworden van geheel middon-Italië en door dien met Tarente,
dat Pyrrhus, koning van Epirus, ter hulpe had geroepen, maar toch ten laatste
moest onderdoen, ook van Zuid-Italië geworden. Hier kwam het weldra in botsing met
hot machtige op do Noordkust van Afrika gelegen Carthago, wat aanleiding gaf tot
de beroemde Punische oorlogen, die Rome meer dan eens in het grootste gevaar brach-
ten, maar eindigdon mot de geheele verwoesting van Carthago. In den eersten dezer
oorlogen verloren de Romeino hunne geheele vloot in don zeeslag bij Mylae, een tweede
werd door een storm vernield, een gelukkig gewonnen slag bij Panormvs, in2.51, waar
de Carthaagsche Veldheer Hannibal geslagen word en eone overwinning ter zee bij
Aegusa, leidden eindelijk tot den vrede, daar beide oorlogvoerende partijen evenzeer
uitgeput waren. Van dezen vrede met Carthago maakten do Romeinen gebruik om hunne
veroveringen ook over Noord-Italie uit te strekken; zij stieten hier andermaal op de
Galliërs die zij versloegen; in 223 was geheel Italië, tot aan de Po, aan de heerschappij
van Rome onderworpen. In het voorjaar van 218 barstte de twee Punische oorlog uit.
Carthago had zich meester gemaakt van Spanje, welks zilvermijnen het rijke schat-
ten opbrachten en van hieruit besloot Hannibal, do beroemde bevelhebber der Cart-
haagsche legers, de Romeinen over land te bestoken en Rome zelf aan te tasten. Met
50.000 man voetvolk, 9000 ruiters en 37 Olifanten aanvaarde Hannibal zijn beroem-
den tocht over de Alpen, die vijftig dagen duurde en toen. nadat vijf maanden ver-
loopen waren sinds hij Spanje had verlaten, Hannibal op Italaansche grondgebied zijn
leger monsterde, bleek hem dat hij nog slechts over 20.000 man voetvolk on (5000
ruiters gebood. De overigen waren meestal op de ijsvelden en in de afgronden dei-
Alpen omgekomen. Maar do Galliërs en andere den Romeinen vijandelijke stammen
slooten zich bij hom aan, on toen hij in 217 zich tegen over den Romeinsche veldheer
Flaminius, aan do oevers van het Trasimeenscho Mooi\' bevond, bracht hij den Romeinen
zulk oen geweldige nederlaag too dat 15.000 hunner op het slagveld bleven on een
gelijk getal krijgsgevangen word gemaakt, Onder de gesneuvelden bevond zich ook
Flaminius. Een tweede nederlaag (216) bij Cannae in Apulië, was nog vreeselijker;
-ocr page 30-
10                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
70.000 soldaten, 21 krijgstribunen, 80 senatoren en zooveel ridders, dat Hannibal ge-
heele massa\'s ringen, die alleen door de ridders gedragen werden, naar Carthago kon
zenden, bedekten bet slagveld; ook de consul Aemilius Paulus, een der aanvoeders,
verloor bet leven. Deze nederlagen badden nog dit andere ongelukkige gevolg dat
vele bondgenooten en onderworpen volken in Italië van Rome afvielen. Evenwel trad
de ijzeren volharding, de opoffering, de uitwendige kracht en grootheid van Rome
nooit in helderder daglicht dan in deze Punische oorlogen, want trots de zware neder-
lagen verloor het den moed niet, wist het telkens nieuwe legers op den been te bren-
gen en zelfs zijne veroveringen in Italië uit te breiden, waar in 212 Syracuse, na eene
heldhaftige verdediging, in hunne handen viel; bij do plundering der stad vond ook
do beroemde wiskunstenaar Archimedes, die door zijne uitvindigen zoo krachtig tot de
verdediging van zijne geboortestad had bij gedragen, den dood. Tegen deze volhar-
ding van Rome, den moed zijner soldaten en het talent zijner veldheeren, waren de
Carthagers op den duur niet bestand, vooral toen de Scipios met de leiding van den
oorlog werden belast. Wel waren de Carthagers tot weinige mijlen afstands van Rome
genaderd en had Hannibal zijn leger opgeslagen oy> eene hoogvlakte bij Rocca di
Papa, welke nog thans het kamp van Hannibal wordt genoemd, maar de gebeurtenis-
sen in Afrika, waar Cornelius Scipio den oorlog had overgebracht, dwongen Hannibal
tot den terugtocht.
Den 21 October stonden Scipio en Hannibal met hunne legers bij Zama tegenover
elkander; de slag begon en viel ten nadeele der Carthagers uit, die 50,000 man, het
vier vijfde gedeelte van hun leger, verloren. Zij moesten de harde vredesvoorwaarden
van Rome aannemen, waardoor hun macht grootendeels gebroken werd. De oorlog,
die aan Carthago het vierde gedeelte van zijn burgers had gekost, had van de Ro-
meinen meer dan 300,000 soldaten gevergd, terwijl meer dan 400 plaatsen in puin lagen
en overal de veldon verwoest waren. Maar nog zou de strijd met Carthago niet op-
houdon. De hardheid der Romeinen bracht de stad tot het uiterste, zoodat zij zich met
geweld tegen de onderdrukking der overweldigers verzette. Cornelius Scipio Almelianus
trok tegen haar op. De stad verdedigde zich kloekmoedig, hoewel hongersnood en
ziekten haar teisterden. Scipio liet haar gedurende zes nachten bestormen, totdat hij
zich eindelijk van haar meester maakte. Nadat de Romeinen haar geplunderd hadden,
staken zij haar in brand; zeventien dagen woedde het vuur; toen was Carthago van
den aardbodem verdwenen en de ploeg werd over haar grond getrokken en de vloek
er over uitgesproken. Rome was nu meesteres van geheel Italië, van een groot gedeelte
van Spanje en van de noordkust van Afrika, en zou nu met rassche schreden tot
grootere veroveringen overgaan.
De Republiek, op het toppunt van haar macht gekomen, zou echter door haar
eigen fouten ten gronde gaan en plaats maken voor het keizerschap ; de tijden naderden
waarop de beloofde Verlosser zou komen en de wereldmacht van Rome zou de ver-
spreiding van de Blijde Boodschap over geheel de bekende wereld van dien tijd
mogelijk maken. Rome, door eeuwenlange voorbereiding daartoe in staat gesteld, zou
eindelijk de hooge roeping vervullen, waartoe het in de raadsbesluiten der Voorzie-
nigheid was voorbestemd.
Drie oorzaken werkten samen om den ondergang der Republiek te bewerken: een
vernieuwde klassestrijd, de toenemende ongodsdienstigheid en de maatschappelijke ellende.
Uit de Plebejers, die allengs het oude Patriciaat, den ouden Adel hadden overvleugeld,
-ocr page 31-
HET HEIDENSCH ROME.                                            11
was eene nieuwe aristocratie, die der Optimaten, ontstaan, welke al de gebreken der
Patriciërs bezaten, zonder evenwel de deugden van dezen na te volgen. Even
heerschzuchtig, misschien zelfs meer dan de oude adel, niet minder willekeurig en
hard dan deze, overtrof zij hem in gelddorst, genotzucht, ongodsdienstigheid en licht-
zinnigheid, terwijl het volk, de grootte massa der burgers, in ellende verkeerde en
allengs met wrok en afgunst tegen de bezittende klasse vervuld werd.
Heerschzuchtige personen, meer bedacht op eigen voordeel en macht dan op het
algemeen welzijn van den staat, wierpen zich als zoogenaamde volksvrienden op, ten
einde zich, door de woeste kracht van de menigte, tot de hoogste macht in den staat
op te werken. Marius, Sulla, Pompejus streden beurtelings om de heerschappij; de
burgeroorlog woedde op verschrikkelijke wijze. Sulla liet op een dag 6000 Samnieten
ter dood brongen, terwijl hij zonder een trek van zijn gelaat te veranderen bij het
gekerm der geslachte menigte, in den tempel van Bellone een strafrede tegen den
Senaat hield; en alsof dat alles nog niet genoeg ware kwam nog de vreeselijko zwaard-
vechtersoorlog de verschrikkingen vermeerderen. De Romeinen haddon de gruwelijke
gewoonte om hunne krijgsgevangenen, vooral de knapen, op te voeden voor hot
bedrijf van zwaard vechters, die, ter verlustiging van het volk, in de renbanen en
andere openbare gebouwen, met elkander tot den dood toe moesten kampen. De
groote school der zwaardvechters was te Capua; daarheen ook werd de Thracier
Spartacus gebracht, die, verontwaardigd over het lot dat hem beschoren was, er in
slaagde om met een 70-tal zijner lotgenooten uit te breken en zich te versterken. Dui-
zenden en duizenden slaven, moestal dappere krijgsgevangenen, uit allo veroverde
landen naar Rome gevoerd, voegden zich bij hom en weldra stond hij aan het hoofd
van een machtig leger van mannen, die vast besloten waren tot den laatsten ademtocht
te strijden, te meer daar zij wel wisten dat hen geen genade maar wol een smadelijke
en gruwzame dood te wechten stond, indien zij in de handen dor Romeinen, hunne
oude meesters, vielen. Zij trokken op Homo aan, maar Licinius Gracchus viel hen
met acht legioenen aan, en Spartacus verloor don slag en het leven; 6000 zijner man-
schappen vielen in handen van Pompejus, die pas uit Spanje was aangekomen on zich
nu beroemde den slavenopstand beslecht te hebben.
Crassus en Pompeius streefden beiden naar de oppermacht, en trachtten, elk voor
zich, door het volk er toe te geraken ; deze zocht het voor zich te winnen door het
de voorrechten terug te geven die Sulla het ontnomen had ; gene door het van zijne
schatten mede te doelen ; hij spijzigde het volk aan 10.000 openbare tafels en schonk
het voor drie maanden koorn. Pij deze twee voegde zich weldra Caius Julius Cesar.
een der grootste en wondervolste mannen waarvan de geschiedenis der volken ge-
waagt. Naar hij beweerde van koningen en goden afstammende, streefde hij naar do
alleenheerschappij en had hij zich Alexander den Groote tot voorbeeld gekozen. Over
een groot vermogen beschikkende, leidde hij als \'t ware een vorstelijk leven; zijn huis
in Rome stond voor iedereen open en alle dagen hield hij open tafel. Van edele trekken
en schoonen lichaamsbouw, trok hij aller oogen op zich en trots zijn rijkdom had hij
zich tegen de grootste vermoeienissen gehard en zijn lichaam scheen ongevoelig te
zijn voor de wisselvalligheden van het weder. Zijne soldaten aanbaden hem en hij
maakte van hen wat hij wilde.
Cesar wist de oneenigheid, die tusschen Crassus en Pompejus ontstaan was, bij te
leggen en vormde met deze beiden het eerste Driemanschap of Triumviraat, dat als
-ocr page 32-
12                            ROME IX DESZELFS V\'E\'RL EDEN EN HEDEN.
\'t ware onder zich de macht verdeelde. Cesar, evenwel, streefde naar hooger en naar
de alleenheerschappij, maar daartoe behoefde Iiij in de eerste plaats een hem geheel
toegedaan leger en in de tweede plaats eene rijke provincie, om zich van zijn ontzag-
gelijken schuldenlast te ontdoen en nieuwe vrijgevigheden te kunnen uitoefenen. Van
den Senaat, die zijne plannen niet doorzag en blijde was hem uit Rome te kunnen
verwijderen, vroeg hij het bestuur over cisalpijnsch (Jallie en legioenen; hij kreeg de
provincie en vier in plaats van de drie legioenen die hij gevraagd had. Nu ondernam
hij veroveringstochten naar landstreken die het dusverre de macht van Rome nog niet
gevoeld hadden. (Jallië, België moesten voor zijne legerscharen onderdoen en tot aan
het land der Batavieren drongen zijne legioenen door. IIij verwierf zich zoo een hem
geheel en al toegenegen leger en onmetelijke schatten, de onmisbare voorwaarden voor
het welslagen zijner eerzuchtige en hoogstrevende plannen. Crassus, die middelerwijl
een onberaden oorlog tegen de Parthen had ondernomen, werd verwonnen en verloor
het leven, zoodat Pompeius en Cesar nog over waren om elkander de oppermacht te
betwisten. De eerste wist te verkrijgen dat hem het onbeperkte legerbestuur te water
en te land werd overgelaten en vrij beheer over den openbaren schatkist; de strijd
tusschen hem en Cesar was onvermijdelijk geworden. Lang aarzelde Cesar den Rubicon,
die de grens van zijne provincie was, over te trekken, maar eindelijk ondernam hij
het. Alea jacta est (de teerling is geworpen) riep hij uit, en trok de rivier over en
marcheerde met 5000 man voetvolk en 300 ruiters op Rome aan om de wereld tever-
overen. Alles vluchte naar Rome, terwijl do garnizoenen der steden zich bij Cesar
aansluiten ; zijne tocht naar Rome wordt een zegetocht en weldra is hij meester van
de stad. Na in 40 dagen Spanje onderworpen te hebben, ijlde hij Pompejus tegemoet,
die in Griekenland een leger samenstelde. Bij Pharsalus in Thessalië, kwam het tot
een slag, waarin de overwinning aan Cesar verbleef; Pompeius vluchtte en hoopte in
Egypte een schuilplaats te vinden, maar hier werd hij een slachtoffer van het verraad
van de ministers des jeugdigen koning Ptolomous Dyonysius, die hem door de schip-
pers, welke hem naar Alexandrië zouden overbrengen, lieten vermoorden. Deaanhan-
gers van Pompeius vluchtten naar Spanje, maar Cesar achterhaalde en versloeg hen
en weldra hield hij een zegevierenden triomftocht in Rome. Gekomen zijnde aan het
punt waarnaar hij gestreefd had, deinsde hij terug om do alleenheerscherskroon op
zijn hoofd te plaatsen, en trachtte hij door wijze wetten en grootsche werken do won-
den te hooien, die hij-zelf grootendeels geslagen had; als een zijner groote daden mag
men de betere inrichting van don kalender noemen. Tot dan toe hadden de Romeinen
een maanjaar gehad, waardoor oen groot verschil ontstaan was in do ware tijdverdeo-
ling. Om dit verschil te vereffenen werd hot jaar 40 v. Ch. tot 44f) dagen verlengd en
met hot jaar 45 begon de Juliaanscho tijdrekening, die onder paus (Jregorius ver-
anderd werd in de Gregoriaansche, welke nu, mot uitzondering van de Russen, door
alle beschaafde naties wordt gevolgd.
Het zou Cesar evenwel niet toegestaan zijn zijne grootsche plannen ten uitvoer te
brengen. Er werd een samenzwering tegen hom op \'t getouw gezet, aan \'t hoofd
waarvan Cassius en Junius Brutus stonden. Den 15don Maart van \'t jaar 44 werd Cesar
bij liet uitgaan van de Senaatszitting door de samongezworenen overvallen, en door
23 dolksteken doorboord stortte do machtige ter neder. Toen hij onder de samenge-
zworenen ook Brutus herkende, dien hij met woldaden overladen had, riep hij ont-
roerd uit: Tu quoque Bruiu, zijt gij er ook bij, Brutus, en blies den adem uit. Geheel
-ocr page 33-
HET HEIDENSCH ROME.                                                13
Rome was ontsteld en verslagen, zoodat niemand er aan dacht liet bloedende lijk op
te nemen, totdat het door drie slaven werd weggevoerd.
Cesar Octavianns, een kleinzoon van Cesars zuster en diens aangenomen zoon en
erfgenaam, nog slechts 19 jaren oud, Antonius en Lepidus sloten zich hij elkander aan
en vormden het tweede Driemanschap, waarvan elk der leden voor zich naar de
alleenheerschappij streefde. Zij begonnen met een waar schrikbewind uit te oefenen
en waren drie dagen lang bezig om de lijsten op te stellen van de personen die als
slachtoffers van hun haat of staatkunde moesten vallen. Om elkander genoegen te doen
en wederkeerig te verkrijgen wat elk verlangde, aarzelden zij niet, Antonius om zijn
neef, Lepidus om zijn broeder, Octavianns om Cicero op te offeren. Geheel Italië door
werden de persoonlijke vijanden van het driemanschap en de vurigste aanhangers dei-
republiek vervolgd en gedood en men berekent dat 300 senatoren en 2000 ridders het
leven verloren, terwijl de verbeurdverklaringen onmetelijke schatten aan hot drietal
opbrachten, (\'assius en Brutus, de hoofden van do samenzweering die Cesar het leven
kostte, bevonden zich met een leger van 21 legioenen en 20000 ruiters bij Fhilippi,
waar het tot een slag kwam tussclieu hen en het leger der drioinannen. Crassus, mee-
nende dat de slag verloren was, liet zich door een vrijgelatene dooden; lïrutus her-
vatte den volgenden dag den strijd en verloor den slag. Wanhopig stortte hij zich in
zijn zwaard. Zijn afgehouwen hoofd werd door Octavianns als zoen voor het beeld
van Cesar neergelegd. Maar onder do drie bondgenooten ontstond weldra geschil.
Antonius vergat zich gansch in zijn wulpschen omgang met Kleopatra, Kpypte\'s Konin-
gin, en verzuimde geheel en al zijne belangen. In 31 trok Octavianns tegen hem op;
een zeeslag werd bij Actium geleverd en toen Kleopatra zich met hare schepen uit
den strijd terugtrok, volgde Antonius haar op lafhartige wijze. Octavianns vorderde
Kleopatra op, hem Antonius uit te leveren en deze, geen uitweg ziende, wierp zich in
zijn zwaard. Kleopatra, die tevergeefs hare verleidingskunsten op Octavianns beproefde,
en vreezende voor gevangenschap of erger, gaf zich zelve den dood. Volgens soninii-
migen zou zij zich gedood hebben door een giftige adder, volgens anderen door ver-
giftigde naaldenprikken. Octavianns maakte zich van hare schatten moester en Egypte
werd als een wingewest bij \'t Romeinscho Rijk gevoegd. Lepidus, door zijne soldaten
in den steek gelaten, had zich reeds vroeger geheel in hit bijzondere leven terugge-
trokken, zoodat Octavianns alleen als meester en gebieder overbleef. De Republiek
was ten einde. Octavianns zou als Augustus den keizerlijken troon bestijgen. Na een
onafgebroken oorlogvoeren van 20(5 jaren was er voor \'t eerst vrede door geheel het
rijk en werd de Janustempel gesloten.
Trots deze aanhoudend*! buitenlandsche oorlogen en biunonlandsche onlusten, had
Rome zich voortdurend uitgebreid en was het met eene menigte grootsche en reus-
achtige bouwwerken verrijkt, van welke de eerste, evenwel, grootendeels bij den inval
der Galliërs verwoest waren. In 312 v. C. liet de Censor Appius Claudius den eersten
grooten • heerweg aanleggen, de beroemde Via Appia (Appischo weg), die van de
Porta Capena door de 1\'ontijnsche Moerassen naar Campanie en Capua liep en nog
heden bestaat; terwijl hij zich ten hoogste verdienstelijk maakte door den aanleg
van de eerste waterleiding (Aqua Appia), die Rome van gezond en frisch water zou
voorzien; een tweede waterleiding (Anio Vetus) lieten de censoren M. Curius Dentatus
-ocr page 34-
14                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
en L. Papyrius Cursor aanleggen met de op Pyrrhus behaalde oorlogsbuit. De Censor
Flaminius legde in 220 de Via Flaminia aan, bouwde in het Marsveld de naar hem
genoemden Circus Flaminius. Om het Forum werden prachtige openbare hallen en
zuilengangen gebouwd, terwijl in 150 de eerste steenen brug, Pons Aemilius, (thans
Ponte Rotto) over den Tiber werd geslagen, die in 62 v. C. dooi de Pons Fabricius
en een weinig later door de Pons Cestius werden gevolgd. Sulla bouwde den in den
burgerkrijg van Marius bijna geheel verwoesten tempel van den Kapitolijnschen Jupiter
weer op, terwijl hij in 27 v. C. het Tabbellarum, het groote archiefgebouw, schiep.
Pompejus bouwde op het Marsveld het eerste steenen theater, met een daaraangrenzende
hal van honderd zuilen; eenigo geringe overblijfselen zijn daarvan nog onder het
Palazzo Pio te zien. Veel is er evenwel van deze bouwwerken uit den tijd der repu-
bliek niet tot ons gekomen. In 1780 ontdekte men langs de Via Appia twee graven
der Scipio\'s, de steenen lijkkist (Sarcophaag) van L. Cornelius Scipio Barbatus bevindt
zich thans in het Vaticaansch museum, terwijl men aan den voet van het Kapitool
die van C. Publicius Bibulus vond.
Octavianus, dien Cicero als een knaap beschouwde toen hij zich bij Lepidus en
Antonius aansloot, en wien met geen groote krijgsmansdeugden toekende, had niet-
temin zijn beide mededingers overwonnen en was zegevierend in Romo terruggekeerd,
waar hij den titel van Imperator ontving, en dat niet slechts als een eeretitel, maar
wel als een erkenning van de opperste, bijna goddelijke macht in den staat, terwijl
hij begroet werd met den naam Augustus, waaronder hij in de geschiedenis verder
bekend is. Eenmaal tot de hoogste waardigheid verheven, betoonde Augustus zich
die volkomen waardig. Hij oefende geen wraak uit op do aanhangers van zijne
tegenstanders, maar trachte den inwendigen vrede te verzekeren en door wijze wetten
zoowel de vermindering dor bevolking als het toenemend zedenbederf tegen te gaan.
Het huwelijk was in Rome allengs in minachting geraakt, zoodat het aantal vrije
burgers zeer was verminderd, terwijl dat der vrijgelatenen en slaven verbazend was
toegenomen. Door de wet Popia Poppea trachtte hij de huwelijken te bevorderen en
werden er groote toelagen en voorrechten verzekerd aan do gezinnen met veel kinde-
ren, maar het bederf was reeds te diep doorgedrongen dan dat wetten iets zouden
vermogen, en aan zijn eigen hof gaven zijne dochter en kleindochter, de beide Julia\'s,
het voorbeeld van de grootste ongebondenheid. Gelukkiger was hij in zijne wetten
tot regeling en bevestiging van Rome\'s macht in de onderworpen landen, waaraan
het te danken was dat het onmetelijke Romeinsche Rijk nog eeuwen zijn oppermacht
over de wereld zou uitoefenen en behouden.
Ook kunsten en letteren bloeiden onder zijne regeering, zoodat de eeuw van Augus-
tus als het hoogtepunt daarvan wordt aangeduid. Niet minder roemrijk waren de
oorlogen, onder zijne regeering gevoerd, en toen de eerste Keizer van \'t Romeinsche
rijk den 19 Augustus van \'t jaar 12 n. Chr. stierf, heerschte er volkomen vrede op
aarde. De grootste gebeurtenis, die onder de regeering van Augustus plaats had, eene
gebeurtenis die het aanschijn der aarde zou veranderen, had in het Oosten plaats.
Te Rethlehein in Judea werd een kind geboren, dat over alle vorsten en keizers zou
zegevieren, de wereld zou veroveren on welks wereldheerschappij tot het einde der
dagen zal duren. De aan het eerste monschenpaar beloofd, door de aartsvaders en
-ocr page 35-
HET HEIDENSCH ROME.
15
de vromen met zooveel vurigheid verbeide en afgesmeekte, door de profeten voor-
spelde Messias, de Verlosser, de Emmanuel uit de Maagd geboren, zag het levens-
licht in een armoedigen stal, omdat voor zijn arme ouders geen plaats in de herbergen
was. „En het gebeurde in dezelfde dagen, zegt de Evangelist Lucas, dat van keizer
Augustus een bevel uitging, om het geheele volk op te schrijven. Dit was de eerste
opschrijving en geschiedde door Quirinus, den stadhouder van Syrië. En allen gingen
heen om zich aan te geven, elk in zijn eigen stad. En ook Jozeph van Galilea, uit de
stad Nazareth, ging op naar Judea, in de stad van David, die Bethlehem heet, wijl hij
uit het huis en het geslacht van David was, om zich aan te geven. En met hem ging
zijn bruid Maria, die zwanger was. En het gebeurde, toen zij door waren, dat de tijd
vervuld was dat zij baren zoude. En zij baarde haar eerstgeboren zoon, wikkelde hem
in doeken en legde hem in oene kribbe, wijl er geen plaats voor hen in de herberg was.
— En bij den Engelen, (die de herders verwittigde) was eene menigte hemelsche
heerscharen, die God loofden en zeiden: „Eere zij God in den Hooge, en vrede aan de
menschen op aarde, die van goeden wil zijn." Vierhonderd jaren later zou de Plaats-
bekleeder van dit, in een stal geboren Kind, zijn zetel opslaan en als vorst heerschen
in liet Rome van Augustus, en de Eeuwige Stad tot de hoofdstad van een nieuw
geestelijk wereldrijk maken.
Augustus had geen mannelijke nakomelingen, zoodat hij Tiberius, de zoon van Livia,
die hij na de verstooting zijner gemalin Scribonia gehuwd had, na haar aan haar
echtgenoot Claudius Tiberius Nero ontroofd te hebben, als zoon aannam, die hem in
de regeering opvolgde.
De eersten regeeringsjaren van Tiberius waren zeer goed, maar weldra maakte de
vrees voor mededingers naar den troon hem wreed. Wreedheid en wellust gaan ge-
woonlijk vergezeld en zoo leverde dan het geheele leven van dezen vorst niets anders
op dan een aaneenschakeling van de wreedste misdaden en de buitensporigste wellust
en zinnelijkheid, waarvan bijna geen tweede voorbeeld in de geschiedenis bestaat. Zijn
booze geest, de man die hem tot alle misdaden aanspoorde, was Sejanus, iemand
van de afschuwelijkste zeden, maar vol geestkracht en tot alle misdaden in staat en
bereid. De verklikking was als \'t ware tot eene staatsinstelling verheven en de edelste
families vooral stonden daaraan bloot, omdat den verklikkers een deel van het verbeurd
verklaarde vermogen toeviel. Ofschoon Tiberius algemeen gehaat en verafschuwd was,
bij de burgers om zijne wreedheid, bij de soldaten en vooral bij de Pretorianen om
zijn gierigheid, was de vrees, die hij inboezemde, zoo groot, dat niemand het waagde
do wereld van dit monster te bevrijden. Zijne laatste levensjaren bracht hij in de
grofste zinnelijkheid op het eiland Capri door, van daar onophoudelijk zijn bevelen tot
moord en verbeurdverklaringen aan den Senaat zendende, die het niet waagde ze te
weerstaan. Hij stierf in \'t jaar 37, volgens sommigen tengevolge van zijne uitspattingen,
volgens anderen onder een kussen gestikt, volgens nog anderen door vergif. Rome
kon nauwelijks geloof slaan aan zijn dood; men duchtte dat dit bericht weer eendier
vele lage middelen was, maar al te vaak door Tiberius aangewend om nieuwe slacht-
offers voor zijn wreedheid en hebzucht te vinden onder hen, die vreugde over zijn
sterven zouden doen blijken. Toen evenwel over zijn dood geen twijfel meer kon be-
staan, jubelde de geheele stad en weerklonk alom de kreet: „Tiberius in den Tiber."
Tiberius had in zijn testament zijn kleinzoon Tiberius tot zijn erfgenaam en opvol-
ger benoemd, maar de Senaat verbrak het testament en verhief Gajus, den laatsten
-ocr page 36-
16                           ROME IX DESZELFS VERLEDEN EX HEDEN.
zoon van den edelen Germanicus, die, evenzeer door het leger als het volk bemind, op
last van den achterdochtigen Tiberius uit den weg was geruimd, tot Imperator. Cajus
die van de soldaten, onder welken hij zijn jeugd had doorgebracht, den naam van
Caligula
         naar de halve laarzen die hij droeg had gekregen, had niets van de
groote hoedanigheden zijns vaders overgeërfd, ofschoon het Romeinsche volk zijn hoop
op hem had gezet. Tiberius had hem evenwel beter doorschouwd, en hem een slang
genoemd, welke hij voor het menschelijk geslacht opvoedde. De eerste regeeringsmaan-
den van Caligula beantwoordden geheel aan de groote verwachtingen die men van
hem koesterde, maar toen hij van eene zware ziekte genezen opstond, was hij geheel
veranderd. Van der jeugd af aan toevallen lijdende en zedelijk zoowel als lichamelijk
door ongebondenheid en uitspattingen van allerlei aard uitgeput, is hij misschien niet
anders geweest dan een razende krankzinnige, maar een krankzinnige met de hoogste
macht bekleed on hoerschende eensdeels over bedorven slaafsche zielen, die maar al
te zeer geneigd waren in alles zijne bevelen en luimen te volgen, anderdeels over een
verschrikte en van vrees sidderende menigte, die het niet waagde hem te weerstaan.
Tiberius was wreed en bloeddorstig geweest uit staatkunde, uit wellust en uit
hebzucht; Caligula was wreed en bloeddorstig omdat hij vermaak vond in \'tbloed*
vergieten en zich verlustigde in de martelingen, die hij zijne slachtoffers deed onder-
gaan. ..Zij moeten hot voelen dat zij sterven" zeide hij, en vond de gruwelijkste
folteringen uit bij de terechtstellingen. Dij zijne slemppartijen was altijd een beul
aanwezig, opdat hij zich zou kunnen verzadigen in \'t aanschouwen van pijnigingen
en moordtooneelen. Om het volk te plagen liet hij de tenten, die de toeschouwers bij
de theaters tegen de gloeiende zonnestralen moesten beschutten, wegbreken en verbood
dat iemand de schouwburgen zou verlaten ; een ander maal liet hij de toeschouwers
met knuppels uiteen drijven of wierp hij voor \'t volk geld te grabbelen, waaronder
hij scherp geslepen messen had vermengd, of wel hij hield de koornaanvooren terug,
hoopende dat de hongersnood het volk tot oproer zou aansporen. Ilij liet een brug
van I\'uzuoli naar Dauli slaan, om over de zee te kunnen galoppeeren, en noodigde
de Senatoren, de pretorianen en het volk tot de inwijding uit, maar te midden van de
feestvreugde roept hij uit: „In \'t water met de feestgenooten" ; zij dio zich trachtten
te redden, werden door riemslagen van de vaartuigen weggestooten, zoodat een groot
aantal der genoodigden om \'t loven kwam. Voor zijn lievelingspaard Incitatus liet
hij een marnieren stal met ivoren ruif bouwen en het met purperen kleeden toedekken;
soldalen waren belast voor de rust in do omgeving te zorgen, opdat het kostbare dier
niet in zijn slaap zou gestoord worden ; nu eens werden hoogo regoeringspersonen
uitgenoodigd om er bij te komen eten, dan weer werd het paard aan de tafel des
keizers genoodigd, waar het op vergulden haver on kostbaren wijn onthaald werd, en
alsof deze dwaasheden nog niet voldoende waren, nam Caligula het op in het collego
van priesters en wilde hij het de consulaire waardigheid geven. Hij verteerde in een
enkelen maaltijd twee millioen sestertiën (ongeveer 200.000 gulden) en verbraste in
vijf jaren de vijfhonderd zes en twintig millioen zestertion die Tiberius had bijeen
geschraapt, en wannoor de schatkist ledig was, liet hij zich de lijst van de hoogstaan-
geslagenen in do belastingen brengen en wees de personen aan die moesten sterven,
ten einde zich hunne schatten te kunnen toeeigenen. Hij deinsde er zelfs niet voor
terug om zich als publiek afslager op to werpen van waardeloozc zaken, die door de
beangstigde burgers voor fabelachtige sommen van hem gekocht werden. Van zijn
-ocr page 37-
HET HEIDENSCH HOME.                                                17
zedeloosheid en uitspattingen zullen wij niet veel zeggen, doch alleen ter kenschetsing
aanmerken, dat hij zijne zusters tot zijne bijzitten verlaagde. En deze gekroonde gek,
deze wreede dwingeland, werd als een godheid vereerd en voor zijn standbeeld wierook
gebrand. Het volk, dat niets van hem te vreezen had en zich weinig bekommerde
om den moord van zoovele rijke burgers, de slaven, die hunne meesters moesten aan-
klagen en verraden, het schuim der maatschappij, dat van zijne dolle streken en
grenzelooze verkwisting genoot, was hem genegen. Een tribuun van de Pretorianen,
Cassius Chereas, die telkens tot speelbal van de grappen en dolheden des keizers
diende, wreekte zich, en Caligula viel onder het zwaard der samenzweerders. Hij was
nauwelijks 23 jaren oud.
Op den bloeddorstigen, zinneloozen en bandeloozen Caligula, die bijna nog een
knaap was, volgde een half onnoozele man, Chuidius, de oom van Caligula. .Men had
hem in het geslacht Julia als een idioot beschouwd en behandeld; hij was het mikpunt
van de grappen en streken van allen, en zijn eigen moeder zeide, wanneer zij een zeer
dom mensch wilde aanduiden : ..hij is zoo dom als mijn zoon Claudius." Evenwel was
Claudius niet zóó dom als men het algemeen wilde doen voorkomen: hij bezat zelfs
eenige letterkundige bekwaamheid, maar \'t was een man zonder karakter, zonder ge-
regelde gedachten en als keizer de speelbal van zijne gunstelingen Pallas, Xarcissus,
Polyhius en andere: dansers, tooneelspelers, mannen van lagen stand, die hem geheel
beheerschtcn met Messalina, de gemalin van Claudius, de meest zedelooze vrouw
waarvan de geschiedenis ooit gewaagd heeft, dio zich schaamteloos aan de grofste
ontucht overgaf en zich zelfs in de bordeelen aan den eersten den besten prijs gaf.
Claudius was een goedaardig man, maar zijn gunstelingen misbruikten zijne zwakheid
en onnoozelheid op de schandelijkste wijze en lieten hem, onder voorwendsel dat zij
tegen hem samen hadden gespannen, de doodvonnissen teekenen van de personen die
hun in den weg stonden of op wier rijkdommen zij belust waren. Hens kwam een
Centurio hem mededeelen dat het doodvonnis aan een senator voltrokken was. ,.Maar
dat heb ik niet bevolen" zeide de keizer. ,.\\Vat doet dat er toe," zeiden zijne raads*
lieden, „de soldaten hebben hun plicht gedaan door geen bevel af te wachten om den
keizer te wreken."\' Claudius antwoordde zeer laconisch: „wat gedaan is, is gedaan" en
daarmede was de zaak uit. Messalina, zijne schandelijke vrouw, werd op een voorge-
wend bevel van Claudius door hare vijanden ter dood gebracht; toen men Claudius,
die van niets wist, kwam vertellen dat Messalina had opgehouden te leven, vroeg hij
zelfs niet naar de oorzaak van haar dood, en eenige dagen later, toen hij aan tafel
wilde gaan, vroeg hij: .,Waarom komt Messalina niet?" Het huwelijk is slecht voor
mij uitgevallen, zeide hij tot do Pretorianen, ik wil geen vrouw meer hebben, maar
Pallas, Xarcissus en de anderen drongen bij hem aan om Agrippina, zijne nicht, to
huwen, die reeds moeder was van Lucius Domitius Nero. Agrippina gaf het in zede-
loosheid niet veel aan Messalina toe en haar cenig streven was om haar zoon de
keizerlijke waardigheid te doen erlangen, in de plaats van Brittanicus, Claudius\' zoon.
Een onvoorzichtig woord van Claudius deed Agrippina voor haar leven vreezen; zij
besloot Claudius te voorkomen; de giftmengster Locusta werd in den arm genomen en
het vergif den keizer in zijn lievelingsspijs, een gerecht champignons toegediend, en
daar de dood te lang toefde deed de geneesheer des keizers, Xenophon, het overige.
Claudius werd tot god verklaard en Nero tot keizer uitgeroepen.
„Wat goeds kan er van Agrippina en mij voortkomen!" had Domitius gezegd, over
:f
-ocr page 38-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
is
zijn zoon Nero sprekende; en Rome zon maar al te zeer ondervinden dat deze slechte
meening van Domitius over zijn zoon geen hersenschim of inbeelding was. Onder al
de keizers, die Rome gehad heeft, en die allen, op zeer weinige uitzonderingen na,
monsters van bloeddorst en zedeloosheid waren, was Nero de slechtste, de gruwzaamste
en liederlijkste, zoodat de Christenen meenden in hem den Antichrist te moeten zien.
En toch was do aanvang zijner regeering zeer goed en wekte hij de heerlijkste ver-
wachtingen voor de toekomst op. Hij betoonde zich zeer mildadig voor het volk en
weinig door de fortuin begunstigde senatoren, schafte eenige drukkende belastingen af,
beval dat de processen kosteloos zouden bepleit worden en voerde verscheidene wijze
hervormingen in het bestuur in. Toen de Senaat hem gouden en zilveren standbeelden
wilde oprichten, antwoordde hij: ..baat men er mee wachten tot ik ze verdiend heb,"
toen men hem een doodvonnis ter onderteekening voorlegde, zeide dat het hem speet
te kunnen schrijven. Zijn leermeesters waren geweest Seneca, de wijsgeer, en Affanius
Burrhus, en deze, verlangende zelven hun invloed te behouden, de vrijgevigheden van
den 17-jarigen vorst niet te verliezen en dezen te onttrekken aan den invloed zijner moeder
Agrippina, begonnen de slechtste neigingen bij hem op te wekken en lieten zijnen harts-
tochten (Wn vrijen teugel. Nero begon toen een echt kwïijongensleven te leiden; des
nachts doorliep bij als slaaf verkleed de straten van Home, bezocht de gemeenste kroegen
en slechtste huizen, bestal de winkels en randde de voorbijgangers aan; zijn voorbeeld
vond navolging, zoodat Rome des nachts op een echt roovershol geleek. Agrippina,
die haar invloed op haar zoon wenschte te behouden, dreigde dezen dat zij Britta-
nicus zou begunstigen en Nero, om zich van dezen mededinger te ontdoen, deed hem
vergiftigen; om evenwel toch haar invloed te behouden nam zij haar toevlucht tot een
monsterachtige daad, doordien zij Nero tot bloedschendende handelingen met zichzelve
trachtte te verleiden ; alleen de tusschenkomst van Seneca belette den gruwel. Nero besloot
zich van haar te ontdoen; driemaal poogde hij te vergeefs haar door vergif om\'t leven
te brengen ; toen noodigde hij haar tot een waterfeest in de golf van Baia en plaatste
haar op een schip dat zoo ingericht was, dat het in zee moest openbarsten ; maar
Agrippina redde zich al zwemmende. Nu beschuldigde hij haar van verraad en ten
slotte liet hij haar door zijn handlangers ombrengen. Toen de moedermoorder vernam
dat zijne bevelen waren ten uitvoer gebracht, zeide hij: ..Nu ben ik eindelijk voor goed
heer en meester." Grenzeloos ijdel en verzot op gemakkelijken roem, deed hij zich op als
dichter, als luitspeler, als wagenmenner, en zijne slaafsche bewonderaars juichten hem
toe en heten hem overwinnen. Hij stelde een zangmeester aan die over zijn stem
moest waken en hem waarschuwen als hij haar niet genoeg spaarde ; hij trad als
tooneelspeler voor de menigte op en mende, als Appollo verkleed, zijn wagen, om door
het volk te worden toegejuicht. Kortom : er waren geen uitspattingen en dwaasheden
denkbaar, waaraan hij zich niet overleverde. Rome, met zijn onregelmatige, nauwe,
kronkelige straten, mishaagde hem ; hij wilde een nieuwe stad stichten en haar zijn
naam geven; en hij stak Rome in brand. De brand begon in de winkels, rondom don
circus bij de Coelische on Palatijnsche heuvels gelegen ; de lieden, die toe kwamen
snellen om don brand te blusschen, werden dooi de soldaten teruggeworpen en slaven,
met brandende fakkels in de hand, voedden telkens opnieuw den vernielenden gloed.
Niettemin slaagde men er in hot vuur te blusschen; maar tien dagen later barstte het
opnieuw uit in het huis van Tigelinus, een der laagste gezellen van Nero. Deze, die
te Antium was, snelde op het bericht van den brand naar Rome terug en van de tin-
-ocr page 39-
•
HET HEIDENSCH ROME.                                                19
nen van zijn paleis bezong hij, zich door den cither begeleidende, den brand van
Troje. Een groot aantal huizen en monumenten werden de prooi der vlammen, terwijl
een aantal burgers het leven er bij inschoten. Op de puinhoopen liet Nero zijn
Gouden Uns opbouwen, waarvan de verkwistende pracht allo beschrijving tart. De
vestibule was zóó groot, dat zij het honderdtwintig voet hooge beekl van Nero kon
bevatten, en een driedubbele rij kolommen vormde een portiek van een mijl lengte.
De tuin omvatte velden, wijngaarden, weideplaatson, bosschen en een door gebouwen
omringd meer. De vertrekken waren opgeluisterd met goud. edelgesteenten en perle-
moer, do plafonds van beweeglijke ivoren bladeren, waaruit bloemen en welriekende
wateren op de gasten nederdaalden.
Toen Nero in deze prachtige woning zijn intrede deed. zeide hij: ..Eindelijk heb ik
een menschwaardige woning."
Plinius zegt dat dit paleis de geheele uitgestrektheid der oude stad omvatte en
Martialis dat do geheele stad in een enkel huis was vervat. De omliggende gebou-
wen werden volgens een vast en regelmatig plan opgebouwd ; de straten verbreed en
in rechte lijn gebracht. Voor den opbouw der stad werden alle gevangenen van het
geheele rijk aangewezen en alle burgers moesten aan de kosten bijdragen; de Senaat
gsf tien millioen sestertien (ongeveer 1 millioen gulden) per jaar, de ridders en nering-
doenden naar verhouding en toen al deze sommen nog niet voldoende bleken te zijn
nam hij zijn toevlucht tot het gewone middel der terdoodbrengingen en verbeurdver-
klaringen van goederen; zelfs zijn eigen tante Domitia werd niet «espaard, opdat Nero
zich van hare rijkdommen zou kunnen meester maken. Niettegenstaande Nero het
volk door zijne vrijgevigheden poogde te winnen en de stad fraaier en in veel gun-
stigor omstandigheden werd opgebouwd, kwam de verontwaardiging, door den brand
opgewekt, niet tot bedaren en nam de ontevredenheid meer en meer toe. Om do
wraak des volks van zijn hoofd af te weren beschuldigde hij de Christenen den brand
te hebben aangestoken en het opgehitste volk werpt zich op deze weerlooze prooi. Als
verraders, misdadigers, verachters der goden, vijanden van den Staat worden zij ge-
durende vier eeuwen bijna onafgebroken in alle oorden van het rijk vervolgd, gemar-
teld, met de gruwelijkste folteringen, die een verfijnde en door de hel ingegeven
wreedheid slechts kan uitdenken, ter dood gebracht. Nero was een volleerd meester
in het uitvinden van martelingen, en nooit zijn tooneelspelersrol vergetende, voegde
hij bij de martelingen den wreedsten hoon en spot. In zijn weelderige tuinen en zijn
renperk op den Vaticaanschen heuvel woiden de Christenen, in windsels met zwavel
en pek doortrokken gehuld, aan palen gebonden en als levende fakkels aangestoken
terwijl Cesar-Nero op zijn vergulden wagen onder het handgeklap en de toejuichingen
zijner lage vleiers en aanbidders door den circus rent. In \'t jaar 64 brak de eerste
Christenvervolging uit. Den 29sten Juni van \'t jaar 67 werd Petrus, de eerste Paus,
in den circus van Nero aan \'t kruis geslagen en Paulus, de groote Apostel der hei-
denen, door het zwaard onthoofd.
Maar wij zullen de Christenvervolgingen later in een afzonderlijk hoofdstuk behan-
delen en gaan nu verder met een kort overzicht van de geschiedenis van het IIei-
densch Rome.
Burrhus, do eene leermeester van Nero, was dood en Seneca, de gunst van zijn
wreeden en bloeddorstigen leerling verloren hebbende, opende zich de aderen en
maakt zoo een einde aan zijn leven. De gruwelen in Rome namen voortdurend toe;
-ocr page 40-
•
20                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
al wat nog door eenige deugden een verwijt voor den woesteling kon zijn, al wat
door zijn rijkdommen diens begeerlijkheid opwekte, werd meedoogenloos vermoord
en ten slotte werd de tirannie zoo ondragelijk, dat een soldatenopstand onder C.-Julius
Vindex werd op \'t getouw gezet en de kroon aan Sulpicius (ialba, gouverneur van
Spanje en bloedverwant van keizerin Li via, werd aangeboden. Terwijl van den eenen
kant een gewapende opstand hem bedreigde, was van den anderen kant een oproer
te Home uitgebroken. De graanschepen waren uitgebleven en het volk begon honger
te lijden ; toen de schepen eindelijk aangekomen waren bleken zij, in plaats van graan,
zand voor de zwaardveehtersspelen te bevatten. Het volk loopt te zamen en verbrijzelt
Nero\'s standbeelden, de Pretorianen weigeren hem\'te verdedigen en zijn lijfwacht ver-
laat hem, hem alles ontroovende, tot zelfs zijn beddekens. Even laf als wreed weet
Nero niet wat aan te vangen: hij wil vluchten, maar weet niet waar heen; hij wil zich
in den Tiber werpen, maar neemt op een ellendig paard de vlucht naar het landhuis
van den vrijgelatene Phaon. Toen hij den hoefslag van de paarden zijner vervolgers
hoorde, stiet hij zich den dolk in \'t hart. Alvorens te sterven riep hij uit: „Welk een
groot kunstenaar gaat de wereld verliezen !" Hij had dertien jaar en acht maanden
geregeerd tot ongeluk der wereld, en liet een gevloekten naam achter voor alle eeuwen.
Suetonius verhaalt dat het lijk van Nero „door zijne beide voedsters Egloga en Achea
en Alexandra, een zijner bijzitten, naar het graf der familie Domitia, hetwelk men
van uit het veld van Mars op den tuinenheuvel kan zien, werd overgebracht." Thans
is dit de schoone Piazza del Popoio, aan het einde van den Corso, en waar eenmaal
het graf van den moedermoorder was, verheft zich nu de kerk van Santa Maria del
Popoio,
zooals wij later zullen zien.
Galba volgt hem op, maar de onbeperkte macht en de vleierijen der hovelingen
oefenden ook op hem een noodlottigen invloed uit en maakten van don man, die tot
dusverre rustig en geëerd geleefd had, een dwingeland, die vooral door zijn gierigheid
onder het volk en de soldaten gehaat werd. Een soldatenopstand, aan welks hoofd
zich Otto had geplaatst, beroofde hem van den troon en het leven: een lot dat van
nu af dat van bijna alle keizers zal zijn. Vitellius had ook zijn eerzucht op het kei-
zerschap gezet en toen hij vernam dat Otto door den Senaat was uitgeroepen, liet hij
zich door de legerscharen in Germanië tot keizer uitroepen. Otto trachtte Vitellius
door schoone beloften voor zich te winnen ; onlusten in Home, overstrooming van den
Tiber, verschrikkelijke en geheimzinnige voorteekenen bre\'ngon de stad in onrust en
verwarring; Otto rukt tegen Vitellius op, maar zijn leger wordt verslagen; hij zelf
geeft zich den dood en Vitellius trekt Rome als overwinnaar binnen. .Meer nog dan
door zijn wreedheid, die niet gering was, is Vitellius berucht geworden door zijne
gulzigheid en zijn matelooze zucht naar lekker eten. Hij hield vijf maaltijden per dag
en allen werden met de grootste kosten gereed gemaakt; hij noodigde zich-zelven ten
middagmaal bij den een, ten avondmaal bij een ander en allen putten zich uit om
hem de heerlijkste en kostbaarste gerechten voor te zetten. Zijn broeder Lucius diende
hem tweeduizend schotels visch en zevenduizend schotels vogels voor. die met groote
kosten uit alle oorden van het rijk waren bijeen gebracht. Fazantenhersens, vogel-
tongen, visschen, die naar Home werden vervoerd in \'t water waarin ze gevangen
waren, vruchten, die op hun stammen en met de aarde waarin zij gegroeid waren uit
de afgelegenste streken naar de wereldstad werden vervoerd, opdat de keizer ze
met eigen handen zou kunnen plukken en de frischheid er van zou kunnen genieten,
-ocr page 41-
HET HEIDENSCH ROME.                                                21
niets werd ontzien, geen kosten werden te hoog geacht om aan de zinnelooze gulzig-
heid en slemperij van een enkelen mensch te voldoen.
Het keizerrijk was in Rome geen erfelijke monarchie maar een kiosrijk; gewoonlijk
echter behoorde de troon aan den stoutmoedigste of aan den generaal die het meest
bij zijn soldaten bemind was; weldra zou hij geheel in handen zijn van de preto-
riaansche lijfwacht, die hem schonk aan dengenen die haar het meest aanstond of aan
den meestbiedende verkocht. Toen Vespasiaan, die in het Oosten oorlog voerde tegen
de Joden, vernomen had dat Nero dood was, zond hij zijn zoon Titus naar Rome om
Galba te gaan begroeten ; maar onderweg vernomen hebbende dat deze reeds over-
leden en er strijd om den troon ontstaan was tusschen Otto en Yitellius, keerde hij
naar zijn vader terug om dezen aan te sporen zich van het oppergezag meester te
maken. De troepen van het Oosten, die meenden evenveel recht te hebben om een
keizer aan te stellen als die van Germanië, riepen Vespasiaan tot keizer uit. \\espa-
siaan aarzelde een oogenblik, maar gaf eindelijk toe; en aan zijn zoon Titus bet ver-
dere bevel over het leger latende, snelde hij naar Home. Overal traden de troepen
van de gewesten, welke hij doortrok, op zijne zijde. Yitellius dacht alleen aan lekker
eten en drinken en verwaarloosde alle middelen om zijn mededinger tegen te houden;
zijn leger werd onder Cremona verslagen en de stad geplunderd en verwoest. Viteb
lius besloot, op bevel van Vespasianus, afstand te doen van den troon, maar het volk
verzette zich er tegen ; het bestormde het Kapitool, waar Sabinus, een broeder van
Vespasiaan en gouverneur van Rome, zich had teruggetrokken; de omliggende huizen
werden in brand gestoken en Sabinus vermoord. Primus, een der veldheeren van
Vespasiaan, rukt op Rome aan, de stad wordt genomen maar in de straten duurt de
strijd voort en vijftigduizend personen verliezen er het leven. Het gepeupel staat den
strijd aan te zien alsof het in een circus was, juicht de strijdenden toe of fluit ze uit
en duwt hen, die in de huizen redding willen zoeken, in den strijd terug. Vitellius wil
vluchten, maar vindt geen uitweg; hij verbergt zich in een hondonstal, en derazende
menigte, die hem daags te voren belet had afstand te doen, voert hem nu met ver-
scheurde kleeren, de handen op den rug gebonden en een strop om den hals, door de
straten, om hem weldra te vermoorden. Hij was de laatste keizer uit het geslacht van
Augustus. De overwinnende soldaten plunderen en moorden en geheel Italië was in
rep en roer. Onder zulke omstandigheden aanvaarde Vespasiaan de regeering.
Het geslacht der Klavier, dat door Vespasiaan tot grooten luister zou komen, was
noch oud, noch beroemd, noch rijk; het was een geslacht van opkomelingen. dat
evenwel aan Rome een reeks keizers en aan de Kerk een aantal beroemde heiligen
zou geven. Vespasiaan, die reeds zestig jaren telde toen hij den keizerlijken troon
besteeg, was een goed, zachtmoedig vorst, onder wiens regeering Rome herademde ;
hij nam geen wraak over zijn tegenstanders en sprak geen doodvonnissen uit dan
tegen misdadigers, en dan nog met tegenzin, hij was eenvoudig in levenswijze en
gehard tegen vermoeienissen. Hij herstelde de tucht in het leger en het evenwicht in
de financiën ; de eenige ondeugd, die men hem verweet, was gierigheid; maar in den
toestand, waarin de schatkist verkeerde, kon men dat eerder een deugd dan een on-
deugd noemen.
Wij hebben gezegd dat hij zijn zoon Titus in het Oosten had achtergelaten aan
het hoofd van het leger, dat tegen de joden ageerde ; wij moeten bij deze merkwaar-
dige gebeurtenis wat langer stilstaan.
-ocr page 42-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
•>\'_>
Judea was reeds in de laatste jaren der Republiek een wingewest van Rome ge-
worden, maar liet had nog altijd een schijn van eigen bestuur en zelfstandigheid over-
gehouden ; het werd bestuurd door procuratoren, waarvan Pontius Pilatus de meest
bekende is. .Maar naast dezen had hel ook zijn viervorsten, zooals Herodes de (Jroote,
die den Roetgozant deed ter dood brengen, en die andere Herodes, door wien de
Zaligmaker bespot werd. Zonder door te dringen in de veelvuldige oorzaken die er
aanleiding toe gaven, zullen wij ons bepalen niet de vermelding dat de Joden in op-
stand kwamen tegen de Romeinen, dat er aan weerszijden werd gemoord en geplun-
derd, totdat het in \'t jaar G7 tot een formeelen opstand kwam en Vespasianus door
Nero werd belast met de onderdrukking ervan. Na in Syrië zijn leger bijeen te hebben
gebracht, begon Vespasiaan, bijgestaan door zijn zoon Titus, den krijg. Galilea werd
bezet, Josafat na een hevigen tegenstand ingenomen en uitgemoord. .ludea was zelf
verdeeld en ten prooi aan de willekeur van allerlei personen, die zich aan het hoofd
van losse benden stelden en elkander beoorloogden, in plaats van aan de verdediging
van het vaderland te denken, zoodat Vespasiaan, toen men hem zijn langzaamheid
verweet, met het volste recht kon zeggen: ,.de Joden effenen mij den weg om Palestina
te veroveren. Eindelijk zette Vespasiaan zich niet zijn leger in beweging en sloeg in
\'t jaar 69 \'t beleg voor Jeruzalem. Het was tegen het Paaschfeest, zoodat een groot
aantal personen naar de stad waren gekomen om het hoojje feest te vieren, en Titus
maakte van deze gelegenheid gebruik om het beleg met kracht te beginnen, ten einde
de stad door honger tot overgave te dwingen. Weldra had hij haar geheel omgeven
door een sterken wal, zoodat alle toevoer en alle hulp haar waren afgesneden. In de
stad heerschte de grootste wanorde, daar verschillende partijen vijandig tegenover
elkander stonden en hunne krachten uitputten in wederzijdsche bestrijding, in plaats
van zich tegen den gemeenschappelijken vijand te keeren. Weldra teisterde een vreese-
lijke hongersnood de belegerden, zoodat zelfs moeders hunne kinderen doodden om
zich met hun vleesch te voeden; bij den hongersnood voegden zich besmettelijke ziek-
ten, terwijl een woeste bende van de zoogenaamde ijveraars moordden en plunderden
om zich voedsel te verschaffen. Door valsche profeten bedrogen en tot volhouden
aangespoord, weigerden de Joden zich over te geven, zoodat Titus, die, zooals wij ge-
zien hebben, na het vertrek van Vespasiaan het opperbevel had overgenomen, zwoer
de weerspannige stad te zullen vernietigen, terwijl hij zich onschuldig verklaarde aan
het bloed dat zou vergoten worden. Al degenen die gevangen werden genomen, wer-
den door Titus aan het kruis geslagen; men had het leven beloofd aan hen die zich
zouden overgeven, maar toen een groot getal der belegerden uit de stad waren ge-
vlucht en het medelijden der Romeinen kwamen inroepen, werden zij zonder mede-
doogen vermoord. Ken soldaat had in het lichaam van een gedooden jood een goud-
stuk gevonden en nu ging het praatje door het Romeinsclic legerkamp dat de joden
hunne schatten hadden doorgeslikt; de soldaten vermoordden nu alle gevangenen en
doorwroetten hun ingewanden om naar de vermeende schatten te zoeken. Eindelijk
wordt de stad stormerhand ingenomen, 7 Juli 70, en de geheele bevolking zonder
mededoogen over den kling gejaagd. Een gedeelte der belegerden had zich in den
tempel verschanst en deze werd bestormd. Titus had bevolen dat men het beroemde
gebouw zou sparen, maar een soldaat wierp een brandenden fakkel door een venster
en het heerlijke gebouw ging in vlammen op. In dezen oorlog kwamen anderhalf
millioen Joden om het leven, en om hen alle hoop op herstel van hunne natie te
-ocr page 43-
HET HEIDENSCH ROME.                                                23
benemen> liet Vespasiaan al wat er van het geslacht van Juda was overgebleven, om-
brengen. De behaalde buit werd aangewend om in Rome den tempel van dex vrede
te bouwen; 90,000 krijgsgevangenen werden naar Home gevoerd en voor een spotprijs
verkocht ofwel gebruikt voor den bouw van het Colosseum; een aantal gevangenen
en de schatten van den Tempel luisterden den triomftocht van Titus op. Ten spot van
den godsdienst der Joden en ook dien der Christenen, welken de Romeinen in den be-
ginne beschouwden als een secte van den joodschen godsdienst, richtte men op de
plaats waar de Tempel had gestaan, een tempel aan de afgoden, een anderen op de
plaats van het graf des Zaligmakers en een derden op de plaats der Kribbe te Jïo-
tlehem op; de naam van Jeruzalem werd veranderd in dien van Elina Capitolina en
de naam der oude stad was zoo geheel vergeten dat, toen een martelaar onder Dio-
cletiaan zeide dat hij te Jeruzalem geboren was, men niet wist waar die stad lag. Zoo
was dan het strafgericht over Jeruzalem gekomen; de stad en de tempel waren ver-
woest ; het joodsche volk zou zonder tempel, zonder offer, zonder priester, als een
balling door de wereld zwerven, als een blijvende getuige van het woord door Christus
over hetzelve uitgesproken.
Toen Titus, na den ondergang van Jerusalem, in Rome was teruggekeerd, werd hij
door Vespasiaan als medebestuurder aangesteld en ter nagedachtenis aan zijn roem-
rijke overwinning de TlTUSBOOG opgericht, waarover wij later zullen spreken, wanneer
wij de Monumenten van het Heidensche Rome behandelen. Vespasiaan stierf den 24sten
Juni van \'t jaar 70. Toen hij zijn einde voelde naderen zeide hij : ,.Ik geloof dat ik
een god zal worden," aldus den spot drijvende met de algemeen aangenomen ge-
woonte om de overleden keizers onder de goden op te nemen.
Titus volgde zijn vader op, en zijn regeering was een der beste, die Rome gekend
heeft. Hij poogde zooveel goed te doen als in zijn vermogen was en toen hij op
zekeren avond zich herinnerde in den loop van den dag geen weldaad te hebben be-
wezen, zeide hij : ,.Ik heb mijn dag verloren." ..Niemand mag ongetroost van den
vorst weggaan," antwoordde hij aan hen, die hem verweten al te zeer toegankelijk
voor allen te zijn. Toen hij tot de waardigheid van opperpriester was verheven,
zwoer hij dat hij geen bloed meer zou vergieten, en hij hield zijn woord. Toen twee
Patriciërs wegens samenz weering waren ter dood veroordeeld, verzocht hij den Senaat
van die nuttelooze straf af te zien, daar, zooals hij zeide, de duur der regeeringen
van een hoogere Macht dan der menschen afhangt. Zijn regeering werd evenwel op
droeve wijze verstoord door een vreeselijke uitbarsting van den Vesuvius, die sinds
onheugelijke tijden geen teeken van leven had gegeven. Den 8sttu September van \'t
jaar 79 had deze uitbarsting plaats, waardoor de steden llerculanum, Pompeji en
Stabia onder de gloeiende assche bedolven werden. Twee jaren latei\', 13 September
81, werd Titus plotseling uit het leven gerukt; naar men beweerde was zijn broeder
Domitianus niet vreemd aan zijn dood.
Rome, dat onder Vespasiaan en Titus eenige jaren van vrede, rust, orde en veilig-
heid had genoten, zou onder Domitiaan weer aan alle gruwelen vervallen, die de
regeeringen van Tiberius, Cajigula en Nero hadden gekenmerkt. In den beginne hui-
chelde hij nog gematigdheid en zekere grootmoedigheid, maar weldra openbaarde zich
zijn woest, bloeddorstig en jaloersch karakter in al zijne afschuwelijkheid. De vev-
raders en verklikkers kwamen weer in aanzien, en hoe lager en verachtelijker zij waren
des te meer kwamen zij in gunst bij den keizer, die hun de hoogste en meest winst-
-ocr page 44-
24                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN J IE DEN.
gevende ambten in liet rijk schonk. Geschiedschrijvers waren hem een gruwel, en
ijverzuchtig on den roem der groote mannen, wier naam op de nakomelingschap kon
overgebracht worden, liet hij de boeken, die hunne daden bevatten, openlijk verbran-
den. Ook de Christenen waren een voorwerp van zijn haat, en in \'t jaar 95 brak de
tweede vervolging tegen hen uit. Niemand werd gespaard, zelfs niet de leden van
zijn eigen familie; h\'lavius (\'lemens, een oom van den keizer en die zijn medeconsul
was geweest, de vrouw en de nicht van Klavius, beiden Domatilla geheeten, leden
den marteldood, terwijl do II. .loannes de Evangelist naar het eiland Hathmos werd
velbannen, waar hij zijn Apocalypsis schreef. Martelen, doen lijden, zien lijden was
een wellust voor Domitiaan en wanneer hij geen menschen kon pijnigen, vermaakte
hij zich met de vliegen in zijn vertrek aan een naald te steken. Toen men eens aan
Yibius Crispus vroeg of er niemand bij den keizer was, antwoordde deze: „Zelfs
geen vlieg." Deze spotternij kostte hem het leven. Toen een samenzwering tegen zijn
leven ontdekt was, besloot hij zich te ontdoen van al degenen die hem verdacht voor
kwamen ; de lijst van de veroordeelden was reeds opgemaakt, maar gedurende zijn
slaap viel zij in handen van een kind, waarmede hij zich vermaakt had. De keizerin,
op deze lijst haar naam en die van de voornaamste personen van Rome ziende, be-
sloot den dwingeland te voorkomen : een samenzwering werd beraamd en Domitiaan
werd vermoord in zijn vijf en veertigste levensjaar, na vijftien jaar geregeerd te
hebben.
Marcus Cocceius Nerva, die als opvolger van Domitiaan werd verkozen, behoorde
onder de beste keizers die Home gehad heeft; hij had een afschuw van bloedvergie-
ten, en alleen voor \'t geweld der pretorianen zwichtende, leverde bij hun de moorde-
naars van Domitiaan over, die ter dood werden gebracht. Ten einde zich een waardig
en krachtig opvolger te verzekeren nam hij Marcus Ulpius Trajanus als mederegent
aan en deelde met dezen het oppergezag. Na den dood van Nerva bleef Trajanus als
alleenheerscher over en regeerde met groote goedheid en gematigheid, terwijl hij zich
een onsterfelijken roem verwierf als veldheer, door de onderwerping der Daciërs, een
aan den Donau wonende volksstam, wien Domitiaan een schandelijken vrede had
afgekocht. Trajanus stierf te Selinante in Cilicie, na een roemrijke en gelukkige
regeering van negentien en een half jaar, die evenwel van een anderen kant onteerd
werd door twee bloedige vervolgingen tegen do Christenen, die aan een groot aantal
moedige geloofsbelijders den palm van het martelaarschap bezorgden. Zijne assche
werd in een gouden urne door zijne weduwe IMotina en zijne nicht Avidia naar Home
overgebracht en midden in de stad bewaard onder de kolom, die ter herinnering van
zijne zegepralen was opgericht (zuil van Trajanus), zijn naam draagt en nog heden
een der grootste sieraden van Home uitmaakt.
Iladrianus of Adrianus, die hem opvolgde, trad geheel en al in de voetstappen van
Nerva en Trajanus. Als opvolger nam hij Titus Antoninus aan, en trok zich, oud en
zwak wordende, op zijn landgoed bij Tivoli terug, waar hij zich aan allerlei lage
lusten overgaf. Zijn laatste levensjaren werpen een schaduw op zijne regeering, daar
zij gekenmerkt werden door aanvallen van wreedheid, die aan veel burgers het leven
kostten. Hij stierf tengevolge van zijne onmatigheid, in den ouderdom van ruim twee
en zestig jaar, na eene regeering van een en twintig jaren. Zijn lijkurne werd geplaatst
in het prachtige voor hem opgerichte Mausoleum Hadriani, thans de Engelenburgt,
aan den \'fiber. Ook Adrianus vervolgde een tijdlang de Christenen, maar met veel
-ocr page 45-
HET HEIDENSCH ROME.
25
minder woede on wreedheid dan Trajanus. Antoninus Pius is zeker de beste keizer
geweest dien Homo gekend heeft. Hij was oen deugdzaam man, voor zooverre er
onder het verbasterde Rome on het gruwelijke heidendom nog er nige deugd denkbaar
was. Wat in Rome bijna onbekend, bijna niet meer denkbaar was, oen goed en rein
huwelijksleven, kon men nog bij Antoninus Pius vinden. Zijne gemalin Faustina, die
nogal oen scherpe en slagvaardige tong scheen te hebben, maakte het hem wel eens
lastig, maar hij verklaarde liever met haar op een rots, dan zonder haar in een keizer-
lijk paleis te leven; hunne beide dochtertjes, Gratia en Faustina, werden genoemd
..ons geluk" „onze hoop" ,.de vervulling onzer wenschen." Gulle vriendschap on gast-
vrijheid werden in het buitenverblijf, waar hij het liefst vertoefde, uitgeoefend, maar
voor de verkwistende pracht en de weelde, die in Rome den boventoon voerden, was
daar geen plaats. Hij begunstigde en beschermde kunsten en wetenschappen en be-
toonde zich vol eerbied voor de aloude staatsinstellingen; slechts zelden werden er
doodvonnissen voltrokken en voor verklikkers en jachtmakers op erfenissen was in
Rome geen plaats meer. Hij bereikte don hoogen leeftijd van 76 jaren; kort voor zijn
overlijden beval hij Marcus Aurelius zijn dochter en het rijk aan en stierf kort daarop,
den 7 Maar 161.
Marcus Aurelius sluit als \'t ware de korte lijst der weinige goede keizers; hij. die
het goede wilde, maar niet altijd genoog wils- en geestkracht bezat om het ten uitvoer
te brengen. In de school der stoïcijnsche wijsgeeren opgevoed, was hij matig,eenvou-
dig, kuisch, edelmoedig, menschlievend en had hij over de naastenliefde begrippen, die
verre afweken van de denkbeelden welke daarover door zijne tijdgenooten en bijna
geheel de heidensche oudheid gevoed werden; maar de wijsbegeerte hield hem altijd
in onzekerheid en was niet in staat hem tot hooger idealen op te voeren. Hij bleef
vreemd van het Christendom, ofschoon het hem in zijn algemeene leeringen niet on-
bekend kan geweest zijn, en zelfs werd hij een tijdlang een vervolger der Christenen.
De heilige Justinus en de II. Melito van Sardes tradon met vertoogschriften moedig
ter verdediging op, maar Aurelius bleef hen vervolgen. In Klein-Azië woedde de ver-
volging door de ophitsing der Joden het hevigst, en onder de meest bekende marte-
laren van deze vervolging behoort de H. Polycarpus. Onder zijne regeering had het
bekende wonder van het bliksemenlegioen plaats. Wanneer wij over de monumenten
van Rome handelen zullen wij nader op deze wonderbare gebeurtenis terug komen.
De keizer beval alle vervolgingen te staken, maar toen zij later, tengevolge van op-
hitsingen van het volk, opnieuw uitbarstten, deed hij niets om zo tegen te houden.
Zijne zwakheid van karakter droeg ook de noodlottigste gevolgen bij de opvoeding
van zijn zoon Commodus, die hij mot eerambten overlaadde, maar wiens ondeugden
en hartstochten hij niet wist te beteugelen.
Gedurende een nieuwen krijgstocht tegen de Guaden en andere barbaarsche volks-
stainmen werd hij aangetast door de besmettelijke ziekte die zijn leger teisterde, en
stierf hij bijna geheel verlaten te Weenen, in het jaar 180.
Commodus was slechts negentien jaar toen hij den troon besteeg, dien hij dertien
jaar lang door zijn misdaden zou onteeren. In hem scheen Nero herleefd te zijn,
wiens wellust, wreedheid en zinnelooze ijdelheid hij nabij kwam ; maar terwijl de zoon
van Domitius zich een dichter, een kunstenaar, een Apollo waande, trachtte de zoon
van Marcus Aurelius Hercules na te bootsen, wiens kracht hij scheen te bezitten. Hij
vertoonde zich in \'t openbaar als Hercules gekleed en verbrijzelde met zijn knods de
-ocr page 46-
26                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
hoofden van als wilde dieren vermomde menschen, en eischte daarna als uitroeier van
monsters vereerd en geprezen worden.
Zijn lichaamskracht was wonderbaar en zijn bedrevenheid in \'t hanteeren der wa-
penen verbazend ; maar hij oefende zijn kracht en behendigheid slechts nit op weer-
loozen, terwijl hij de vijanden des rijks ongestoord liet. Om het noodige geld voor
zijne uitspattingen en verkwistingen te bekomen, volgden de verbeurdverklaringen en
doodvonnissen elkander op vreeselijk snelle wijze op. Hij liet aan zijne makkers,
meestal vrijgelatenen en personen van lagen rang en afschuwelijke zeden, de staats-
zaken over, maar offerde hen op, wanneer het volk of de soldaten hun hoofd vroegen.
Op het einde van December 192 was hij van zijn landgoed naar Rome gekomen om
de feesten van het jaareinde bij te wonen, en tevens met het plan den volgenden dag
een groole slachting aan te richten. De lijst van de ter dood gewijden viel in handen
van een zijner bijzitten, Marcia, die, haar naam er op vindende, met Lactus, hoofdman
der lijfwachten, en Ecleetus, haar kamerheer, Cominodus in zijn bad lieten wurgen. In
denzelfden nacht van 31 December op 1 Januari, waarin de moord plaats had, besloten
de samengezworenen de kroon aan Pertinax, prefect der stad, aan te bieden. Deze was
een braaf en goed man, van geringe afkomst en reeds 67 jaren oud. Zijn regeering
had zegenrijk kunnen worden, maar daar hij zich onvoorzichtiglijk had uitgelaten dat
hij de tucht in het leger wilde herstellen, viel hij reeds twee maanden later als slacht-
offer van een soldatenopstand. De Pretorianen boden nu het keizerrijk openlijk te
koop aan. Van de muren, die hun legerplaats (Castka Praetoria) omgaf, riepen zij:
„Wie keizer wil worden, melde zich aan." Sulpicianus bood 4000 marken, Julianus
voegde er nog 6000 sestertien bij, en daar hij het geld bij zich had, werd hij aange-
nomen ; men stak hem een ladder toe en zoo klom hij over den muur naar de verkoopers.
Het volk wilde evenwel niets van hem weten en gevechten tusschen het gepeupel en
de Pretorianen waren daarvan het gevolg. Als wrekers van het vermoorde volk deden
zich Niger, Albinus en Septimus Severus op, maar de troon was hun eigenlijk doel-
wit. Van deze drie behield Septimus Severus de overhand, Niger werd door hem
verslagen en gedood. Albinus onderging het zelfde lot en toen Sept. Severus Rome
naderde werd de ongelukkige Julianus, die zelfs geen poging waagde om zijn kroon
te verdedigen, door den Senaat ter dood veroordeeld, dien hij den 2le" Juni 193
onderging.
Septimus Severus woedde op vreeselijke wijze tegen de families en de aanhangers
van zijne tegenstanders. De vrouw, de zonen en de verwanten van Albinus werden
vermoord en hunne schatten aan de soldaten geschonken en zijne geheele regeering
was een schrikbewind. Daar hij geheel en al steunde op de kracht van het leger en
der Pretorianen, vergrootte hij de macht vooral van deze laatsten, terwijl hij het gezag
van den Senaat zooveel mogelijk ondermijnde, aldus den weg banende voor de ge-
vvelddaden, die de komst der volgende keizers op den troon nog meer zouden ken-
merken dan te voren. Onder zijne regeering woedde eene vreeselijke vervolging tegen
de Christenen, en vooral in Gallië, Afrika en Egypte bezegelden duizenden martelaren
hun geloof in Christus met hun bloed; volgens berekening bedroeg hun aantal in
Gallië alleen negentien duizend. Hij had twee zonen Caracalla en Geta, beiden wreede
en zedelooze jongelingen, die elkander met een doodelijken haat haatten. Om- hen zoo
mogelijk met elkander te verzoenen, overlaadde hij hen met eerbewijzen en benoemde
hen tot Augusti, maar deze gelijkstelling verbitterde den oudste, Caracalla, des te
-ocr page 47-
HET II KID EX SCI I ROME.
27
meer, die zelfs een moordpoging op zijn vader beproefde en de soldaten tot onge-
hoorzaamheid tegen den keizer opzette.
Door verdriet verteerd, door ziekten uitgeput en er niet in slagende door vergif
een einde aan zijn leven te maken, trachtte hij zijn dood door onmatigheid te ver-
haasten en stierf hij in 211, het rijk aan zijne beide zonen overlatende. Julia, hun moe-
der, trachtte tevergeefs een verzoening tot stand te brengen en toen zij eens beiden
ten dien einde in haar vertrek had bijeengeroepen, vermoordde Caracalla zijn broeder
(ieta in de armen der moeder. Door wroeging verteerd trachtte hij in allerlei uit-
spattingen verstrooiing te vinden en verbeurdverklaringen en doodvonnissen moesten
hem de gelden voor zijn losbandigheden verschaffen. Hij zijne soldaten bemind, wier
vermoeienissen en eenvoudige levenswijze hij in het legerkamp deelde, gevoelde hij
zich sterk om alles te wagen en te durven. Door zijne uitspattingen en ongebonden-
lieden allengs tot razende krankzinnigheid vervallen, kende zijne wreedheid en bloed-
dorst geen grenzen meer, totdat hij eindelijk in 217 door Macrinus, prefect van het
pretorium, die zijn leven bedreigd zag, vermoord werd. Deze viel weldra als offer
eener samenzwering, aan \'t hoofd waaraan zich een vrouw bevond, Mesa, de zuster
van Julia. Zij had twee kleinzonen Varius Avitus Bassanius, 13 jaar oud en Alexianus
die 11 jaren telde. De eerste was door Mesa aan de zon gewijd, die te Emesa in
1\'henicië, onder den vorm van een zwarten kegelvormigen steen, als god werd vereerd,
en ontving daarvan den naam Heliogabalus. .Mesa wist door groote geldschenkingen
en vleierijen het leger in Syrië te bewegen Avitus tot keizer uit te roepen, wat dan
ook geschiedde. Macrinus trok tegen hem op maar werd vermoord en Avitus besteeg
als 14-jarige knaap, onder den naam van Marcus Aurelius Antoninus Heliogabalus, den
troon. Van al de .keizers, die Rome gehad heeft, was deze knaap zeker wel de zede-
looste, de liederlijkste, de infaamste; bij al het bederf, dat in Rome heerschte, voegde
hij nog de schandelijkste ondeugden die het Oosten kende, zoodat zelfs de heidensche
schrijvers, die met al de gruwelen van Rome bekend waren en in hunne werken voor
geen naaktheden terugdeinsden, die van Heliogabalus niet durfden noemen. „Kr zijn
gemeenheden, zegt Dio Cassius, die men noch aanhooren noch vertellen kan; ik houd
mij alleen aan datgene wat onmogelijk kan verzwegen worden,\'\' en Lampridius zegt:
,.Ik ga met stilzwijgen vele infame dingen voorbij, die men zonder groote schande
niet noemen kan : wat ik zeg heb ik, zoo goed als \'t kan. met eerbare woorden be-
manteld." Wat Tiberius, Caligula en anderen in \'t verborgen op hunne afgelegen
buitenverblijven deden, deed Heliogabalus in \'t openbaar. Mesa, zijn grootmoeder, wel
voorziende dat zulke buitensporigheden een treurig einde moesten nemen, wist hem
te overreden zijn neef Alexius tot mederegent aan te nemen ; maar ziende dat deze
aan zijne uitspattingen geen deel wilde nemen en zich bij de Pretorianen bemind had
gemaakt, trachtte hij hem te vermoorden, in welk opzet hij evenwel door zijn groot-
moeder en moeder verhinderd werd. Een volgend jaar wilde hij zijn opzet herhalen
maar de I\'retorianen kwamen in opstand en eischten dat men hun Alexius zou ver-
toonen. Heliogabalus moest aan dien eisch toe geven ; Alexius werd toegejuicht en
hij beleedigd. Hij beval eenigo der beleedigers ter dood te brengen, edoch de Preto-
rianen ontrukten hen aan de beulen en er ontstond een woest gevecht. Heliogabalus
verbergt zich in een heimelijk gemak, maar wordt ontdekt en met zijn moeder ver-
moord, terwijl Alexius onder den naam van Alexander Severus tot keizer wordt uit-
geroepen.
-ocr page 48-
28                            ROME IN DESZELFS YE11 LED EX EN HEDEN.
De nieuwe keizer was een knaap van 1(5 jaar, bijna een kind, maar hij had naast
zich zijne moeder Mammea, eene vrouw die Eusebius uitmuntend door deugd en
vroomheid noemt en die, volgens sommigen, eene Christin was. Wat daarvan zij, haar
zoon had zij eene uitstekende en deugdzame opvoeding gegeven, zoodat de heidensche
schrijvers hem een kuisehen jongeling noemen. Hij was van een zacht en welwillend
karakter, vol eerbied voor zijn moeder en zijn leermeester Ulpionus, had een afkeer
van vleiers, beminde de deugd, den arbeid, de onderrichting. .Met het aanbreken van
den dag opstaande, deed hij zijn gebeden in de huiskapel, hield zich daarna met do
staatszaken bezig en ontspande zich vervolgens door aangename lectuur of door de
studie der dichtkunst, geschiedenis enz. Hij was eenvoudig gekleed, en verleende aan
iedereen gehoor; zijn hof was vol Christenen en ïr.on heeft gezegd dat hij zelf ook
Christen was. Bij dat al was hij zeer ervaren in den wapenhandel en gehard tegen
alle vermoeienissen en ontberingen. Onder dezen jeugdigen vorst had lJome een schoone
toekomst tegemoet kunnen gaan, maar den braven zoowel als den goddeloozen keizers
wachtte het zelfde lot. Wilden zij de ondeugden uitroeien, het bederf tegen gaan, de
wetten herstellen en in eere houden, rechtvaardig regeeren en de tucht in \'t leger
verbeteren dan stonden do goddeloozen en eerzuchtigen tegen hen op, en het leger, de
tucht niet kunnende verdragen, kwam in oproer en doodde hen; waren zij woestaards,
bloeddorstigen dan hadden zij kans langer te leven, mits zij de Pretorianen verschoon-
den, maar eindelijk vonden hunne misdaden een wreker in hen wier ondergang zij
zochten, en de dolk of het vergif der samenzweerders maakte een einde aan hun leven.
Allexander had dertien jaren tot geluk van Home geregeerd, en terwijl hij krijg voerde
tegen de Germanen werd hij, met zijne moeder, vermoord door een troep ontevreden
soldaten onder aanvoering van Maximinus, een Thraciër van geringe afkomst, maar
die door zijn reusachtige grootte en herculische lichaamskracht de gunst van Septimus
Severus had weten te winnen en allengs, van rang tot rang opstijgende, krijgstribuun
was geworden en nu naar bet keizerlijk purper haakte. Inderdaad werd deze ruwe
soldaat, die aan alle beschaving vreemd was gebleven, tot keizer uitgeroepen. Home
werd wederom het tooneel van moorden en gewelddaden; de verbeurdverklaringen
konden niet volstaan voor de verkwistingen en de hebzucht des keizers en zijner gun-
stelingen; de staatskas en zelfs de tempels werden geplunderd. Hij haatte de christenen
en vervolgde hen gruwzaam. In Carthago brak een opstand uit en Gordiaans, een zeer
geacht man, maar reeds 80 jaar oud, werd de kroon aangeboden. Hij wilde weigeren
maar begreep dat hij den keizer verdacht moest zijn en aan diens wraak zou opge-
offerd worden; dies nam hij aan. In Rome jubelde men en de Senaat riep Gordianus
het „Heil" toe. Maximinus werd tot vijand des rijks verklaard en een rijke belooning
aan zijn moordenaar beloofd. Toen hij, die in Germanië krijg voerde, zulks vernam,
werd hij bijna krankzinnig van woede, maar spoedig besloot hij naar Rome op te rukken.
Zijn soldaten sloegen evenwel aan \'t muiten en toen bij, uit zijn tent tredende, zag
dat zijn zoon en zijne vertrouwste dienaren reeds gevallen waren, gaf hij zich zelven
voor Aquileja den dood. Gordianus noch zijn zoon zouden evenwel Rome bereiken;
want Maximinus telde er aanhangers en de jonge Gordianus viel in een gevecht tegen
hen, terwijl de vader zich zelven het leven benam. De Senaat stelde nu twee consuls
aan, terwijl een kleinzoon van Gordianus, en den zelfden naam voerende, tot Cesar
werd uitgeroepen ; maar ook deze werd vermoord en zijn moordenaar Philipus, een
Arabier, maakte zich van het oppergezag meester.
-ocr page 49-
HET 11EII) EX SC II ROME.                                               29
Ofschoon door een misdaad tot den troon gekomen, was Philippus een goed vorst,
die met groote geestkracht de openlijke ondeugd in Home tegenging. Maar hij was
Christen, zoo ook zijne gemalin Marcia Otarilia Severa. Toen in den Paaschnacht de
H. Bisschop Babylos in Antiochië de heilige geheimen vierde, trok ook een Romeinsch
krijgsman met zijne vrouw nader om er aan deel te nemen, maar de Bisschop wees
hem terug, zeggende: „Gij zijt een moordenaar en de kerk kan uw offer niet aannemen."
Die krijgsman was keizer Philippus. Hij trad voor de straffende woorden des Bisschops
terug en plaatste zich te midden der boetelingen. Kr waren inmiddels andere wervers
naar het keizerschap opgestaan, onder welke Decius, een Panoniër van geboorte, de
voornaamste was. Philippus trok tegen hem op, maar werd in 249 te Verona vermoord
na vijf jaar geregeerd te hebben. Onder Decius had een der bloedigste en langdurigste
Christenvervolgingen plaats, waarvan do kerkgeschiedenis gewaagt, en na die van
Diocletiaan zeker wel de wreedste. Decius wilde ltome in zijn ouden luister herstellen,
daar al de rampen, die het rijk troffen, door hem beschouwd werden als een straf voor
het ze:leb3derf en de goddeloosheid, en daar de Christenen weigerden aan de goden te
offeren, werden zij als de meest goddeloozen beschouwd en bloedig vervolgd. Decius
viel in een oorlog tegen de Gothen; zijne opvolgers Gallus en Aemilianus regeerden
slechts kort, maar vonden nog den tijd de Christenen opnieuw te vervolgen ; beiden
stierven evenwel een gewelddadigen dood en Valerianus werd door de soldaten tot
keizer uitgeroepen en door den Senaat als zoodanig erkend. Zijne kortstondige regee-
ring was niet slecht en de Christenen vonden zelfs in den beginne in hem een bescher-
mer, maar hij stond onder den vloed van Macrinus, die hem in al de gruwelen van
de Oostersche tooverkunsten inwijdde en hem tegen de Christenen aanhitste, zoodat
opnieuw een vervolging tegen hen uitbarstte.
In oorlog met de Persen geraakt, werd hij door hun koning Sapor gevangen ge-
nomen. Volgens sommigen zou Sapor zijn gevangene op de smadelijkste wijze behan-
deld hebben, hem overal met zich mede voerende en zijn rug als voetbank gebruikende
als hij te paard wilde stijgen. Toen Valerianus van verdriet en door de slechte behan-
deling gestorven was, zou Sapor hem hebben laten villen en de huid hebben laten
looien en als een zegeteeken in een der tempels opgehangen.
Oallienus, zijn zoon, dien hij als mederegent had aangenomen, deed niets om zijn
vader uit diens smadelijke gevangenschap te verlossen. Met hem dongen nog twee
andere eerzuchtigen naar het keizerlijk purper, maar alle drie stierven een gewelddadigen
dood; Claudius, de Goth bijgenaamd, regeerde slechts twee jaren en stierf aan de pest,
sedert Soptimus Severus de eerste keizer die niet door sluipmoord of verraad het
leven verloor. Aurelianus wist gedurende eenigen tijd de talrijke vijanden van Rome
in bedwang te houden ; hij omgaf de stad met een sterken muur, naar hem de Aure-
liaansche
geheeten en die nog tot op den laatsten tijd grootendeels de versterking
van Home uitmaakte. Zoon eener moeder die priesteres van den zonnegod was, ging
hij geheel in het heidendom op en werd hij een hevig vervolger der Kerk. Na vijf
jaren geregeerd te hebben, weid hij vermoord. In den tijd van tien jaren streefden
niet minder dan vijf of zes keizers naar het purper en van Commodus tot Diocletiaan,
een tijdperk van niet meer dan twee en negentig jaar, was de keizerlijke troon vijf
en twintig maal ledig, zoodat elke keizer gemiddeld nog geen vier jaar het purper droeg.
In 284 werd Diocletiaan tot keizer uitgeroepen. Hij was de zoon van een vrijgelaten
slaaf van den senator Annullinus, Diocles genaamd, en een man zonder eenige be-
-ocr page 50-
30                           HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
schaving maar vol ruwe hartstochten, terwijl sluwheid en vrees de hoofdkenmerken
van zijn karakter waren. Hij was door moord aan de regeering gekomen; in 285 stelde
hij Maximianus als mederegent over het westelijk gedeelte van het rijk aan, later stelde
hij nog twee mederegenten, Flavius Constantius en Galerius aan, meenende aldus het
rijk heter te beveiligen tegen den steeds toenemenden drang der barbaarsche volken;
maar in stede het te bevestigen, werd het verzwakt door den onderlingen wedijver
der medekeizers en verarmd door de groote kosten van vier keizerlijke hofhoudingen.
Maar wat vooral tot de innerlijke verzwakking van het rijk bijbracht, was de gruwelijke
vervolging tegen de Christenen, die onder zijne regeering uitbrak. Constantius was
den Christenen niet slecht gezind en Diocletiaan liet hen in zijn gedeelte van het rijk
nog ongemoeid, maar Maximus en (5aloriiis vervolgden hen op gruwzame wijze. Ken
geheel legioen, het Thebaansche, (5000 man sterk, werd op bevel van Maximianus
vermoord, omdat het weigerde den goden te offeren en de Christenen te vervolgen.
Weldra voegde zich ook Diocletiaan bij de vervolgers en nu werden de Christenen
het geheele rijk door op de wreedste wijze bestookt en op de gruwzaamste manier
gefolterd. Het is onmogelijk bij benadering het getal op te geven van hen die in deze
vervolging het leven lieten. Geheele steden werden omsingeld, in brand gestoken en
met de gansche christelijke bevolking vernietigd. Het Christendom had om dezen tijd
reeds zulk eene verbazende uitbreiding verkregen, dat het halve rijk tot de belijders
van Christus behoorde. Door hen te vervolgen en te vermoorden werd de Staat van
zijn vurigste, getrouwste en beste burgers beroofd. Deze vervolging, die tien jaren
duurde, was de wreedste en bloedigste die de Kerk te verduren had: zij was ook de
laatste, want weldra zou het kruis den adelaar op de veldteekens verdringen en de
Kerk opademen en zich vrij gevoelen.
Constantius was gehuwd met een vrouw van geringe afkomst maar van groote
godsvrucht en eene Christin; zij heette Helena en zou later onder de heiligen worden
opgenomen. Zij schonk haar man een zoon, die Constantijn werd genoemd. Toen
Constantius stierf werd Constantijn tot keizer uitgeroepen, tot spijt van Gallerius, die
evenwel niets tegen hem durfde ondernemen, omdat hij te zeer bij het leger bemind
was. Diocletiaan en Maximianus hadden reeds van de keizerlijke waardigheid afstand
gedaan, zoodat Constantijn en Gallerius als keizers overbleven, bij welken zich even-
wel nog Maxentius en Maximinus voegden, die elkander de alleenheerschappij be-
twistten. Kit dezen strijd bleven ten slotte nog Maxentius en Constantijn over en de
wapenen zouden beslissen wie hunner de alleenheerschappij zou hebben. Een weinig
buiten de tegenwoordige Porta del Popolo, aan de Ponte Molle, toen de I\'oxs
Mii.virs geheeten, lagen de beide legers tegenover elkander. Daags voor den beslis-
senden slag zag Constantijn op de zon een schitterend kruis met een vurig randschrift:
,.In dit teeken zult gij overwinnen." Des nachts verscheen hem in een droom de Za-
ligmaker, die hem zeide dat hij het kruisteeken op zijn veldteekens zou aanbrengen
en de overwinning zou behalen. Constantijn begreep wat dit wonder beduidde; in
den nacht nog liet hij het kruis boven zijn veldteekens plaatsen en vol moed en
vertrouwen viel hij den volgenden morgen het veel sterker leger van zijn tegenstan-
der aan, dat geheel verslagen en uiteengedreven werd. Maxentius vluchtte, maar hij
stortte in de rivier, werd door zijne wapenrusting in de diepte gesleept en verdronk.
Constantijn was alleenheerscher van het rijk, en het kruis, dat hem tot de overwin-
ning en de heerschappij had gevoerd, hield met hem zijn zegevierenden intocht in
-ocr page 51-
HET HEIDENSCH ROME.                                                31
Rome om woldra over geheel de wereld zijn weldaden en zegeningen te verspreiden.
Hier zullen wij ons overzicht van de geschiedenis van het Heidensch Home eindigen.
Het veldteeken (Labarum), dat Constantijn na zijn vision had laten vervaardigen,
bestond, volgens Eusebius, die zegt het meermalen gezien te hebben, uit een lange
met goud bekleede schacht en bij wijze van kruis door een dwarsstang gedeeld. Hoven
de schacht was een goudon met edelgesteenten versierden krans, waarbinnen zich het
monogram van Christus bevond, namelijk oen liggende X in welks midden de Grieksche
R (I\'). Aan de dwarsstang was een roode sluier gehecht, een purperen weefsel, mot
kostbare edelgesteenten en gouden stiksels versierd. Deze sluier was even lang als
breed en droeg aan het bovengedeelte de in goud geborduurde beeltenis van den
keizer en zijne kinderen. De keizer gebruikte dezen standaard altijd als een toeken
van de goddelijke bescherming tegen zijne vijanden en in al zijne legers liet hij veld-
teekens dragen naar dit model gemaakt. Volgens sommige schrijvers werd hot Laba-
rum
in het keizerlijk paleis te Constantinopel bewaard en volgons Thoophones bestond
het nog in de negende eeuw. Overal waar zijn troepen gevaar liepen het onderspit
te delven, liet hij het Labarum heen dragen, en telkens, zegt Eusebius, beloonde (iod
zijn geloof door zijn vijanden op de vlucht te drijven. Vijftig van de dapperste,
sterkste en geloovigste onder zijn lijfwacht waren belast het Labarum te bewaken en
het beurtelings te dragen, en nooit werd de drager ervan gewond. Dezelfde schrijver
verhaalt, dat eens oen drager bang werd in het gevecht en het kostbaar veldteeken
aan een ander overhandigde om te vluchten, maar ter zelfder tijd word hij door een
pijl doodelijk getroffen, terwijl degene die het droeg, ongedeerd bleef, ofschoon ver-
scheidone pijlen in het hout van do schacht bleven steken. Eusebius zegt dat hij dit
verhaal uit den mond van Constantijn-zelf vernomen heeft. Het gezicht van het
Labarum boezemde den vijanden zooveel vrees in, dat zij vluchtten zoodra zij het
gewaar werden.
De Monumenten en Bouwvallen van het Oude Rome.
Van de prachtige en talrijke gebouwen die eenmaal het Rome dor keizers versierden
en het op een stad van paleizen, een stad van marnier en goud doden gelijken, zijn
er maar zeer weinige in geheel of tamelijk ongeschonden toestand tot ons gekomen.
De invallen der barbaren, de plunderingen van Vandalen, Gothen, Longobarden, do
inwendige troebelen in de middeneeuwen, de tand des tijds en veel andere oorzaken
hebben tot hun verval medegewerkt, maar wat er nog van is overgebleven, wijst er
op dat de lof, door de oude Schrijvers aan de bouwwerken van Rome toegezwaaid,
niet overdreven was, on die beschrijvingen, hoe nauwkeurig ook, vermogen slechts een
uiterst flauw denkbeeld te geven van den luister en do verkwistende pracht dier
tempels, paleizen, renbanen, theaters, badstoven, openbare pleinen, beelden en ge-
denkzuilen, die eenmaal de bewondering van geheel de wereld opwekten. De kost-
baarste marmersoorten, het zeldzaamste graniet, jaspis, porfier, albast, do fijnste
houtsoorten, goud en zilver, al wat de oude wereld kostbaars en zeldzaams opleverde,
moest dienon tot opluistering van de hoofdstad van hot wereldrijk. Wij zullen de
voornaamste dier gebouwen ervan aan eene nadere beschouwing onderwerpen en be-
ginnen mot:
-ocr page 52-
32                           HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
1. DE BRUGGEN VAN HET ROME DER KEIZERS.
De reusachtige uitbreiding, welke Rome allengs on vooral onder de keizers had
verkregen, zoodat het zich langs de beide oevers van don Tibcr uitstrekte, maakte
den bouw van een aantal bruggen, ten behoeve van het verkeer tusschen beide oevers,
noodzakelijk. Over de juiste ligging on den oorspronkolijken bouw dier bruggen was
men het langen tijd oneens, en ook nu nog zijn alle meenigen niet eensluidend, even-
wel hebben de werken, door de Italiaansche Regeering ter canaliseering en indamming
van de rivier uitgevoerd, zeer voel aan \'t licht gebracht, wat tot heden ten deele on-
bekend was, zoodat wij ons nu vrijwel een denbeeld van haar bouw, ligging en lot-
gevallen kunnen maken. Wij zullen in korte trokken de geschiedenis dier bruggen
mededeelen.
De voornaamste en meest bekende, hoewel niet de oudste, brug van Rome, is de
Pons Aelius, thans door eigen aanschouwing of door afbeeldingen aan de geheele
wereld bekend als de Ponte Sant Angelo, de Engelenbrug. Toen keizer Hadrianusop
den rechter rivieroever voor zich het prachtige en reusachtige praalgraf (MAUSOLEUM
Hadriani) liet bouwen, thans bij allen bekend onder den naam Castel Sant Angelo
(Engelenburg!), wilde hij zijn toekomstige rustplaats door een monumentale brug
rechtstreeks met don linkeroever dor stad verbinden. Deze brug, zooals zij met haar
drie groote bogen en hare reusachtige beelden aan niemand onbekend is, was evenwel
niet in den zelfden toestand gebleven, zooals zij onder keizer Hadrianus werd gebouwd
en de verbeteringswerken, waarvan wij zoo even spraken, hebben oude overblijfselen
aan \'t licht gebracht waardoor men zich van do brug, zooals zij in haar oorspronkelijke
gedaante was, een beter en meer volledig begrip kon vormen. Daaruit blijkt dat zij op
den rechteroever onmiddellijk door oen ruimen toegang in verbinding stond met de
poort van het vierkante bassement van het mausoleum, terwijl een arm van den weg
zich links omboog naar den Vaticaanschen heuvel en een andere arm rechtsom naar de
Tuinen van Domitia, de tegenwoordige Prati (1<istelli, leidde. Behalve de drie groote
bogen in het midden der rivier en de twee kleinere, die nog aan weerskanten van den
oever zichtbaar waren gebleven, brachten do in 1892 uitgevoerde werken nog drie
andere kleine bogen aan den dag, die door latere bouwwerken verborgen waren ge-
worden, van welke twee aan de zijde der stad en een aan den kant van het mausoleum
gelegen waren. De drie groote bogen dienden voor het gewone doorlaat dor brug
bij normalen waterstand, terwijl de andore bij hoogeren of lageren waterstand dienst
deden. Na de vernieuwing der brug, die in \'t begin van 1895 voltooid was, heeft de
Ponte Sant Angelo nu, in plaats van de drie groote en twee kleine bogen, vijf groote
bogen van gelijke afmetingen en vertoont zij een geheel effen tablement. Aan de vier
hoeken voeren evenwel trappen van tra vertij nschen steen naar de rivier. In verband
met deze vernieuwing van de brug hebben ook eenige veranderingen plaats gehad
aan hot buitenwerk van het oude mausoleum van Hadrianus, waardoor deze reusach-
tige bouw zich nog grootscher en dreigender aan den blik voordoet, zonder iets van
zijne majesteit en indrukwekkendheid te bobben verloren. Ook do reusachtige beelden
van de apostel vorsten Petrus on Paulus en de Engelen, die de werktuigen van het
lijden des Heoren dragen, zijn opnieuw op de brug geplaatst, zoodat de oude Pons
Aelius
zich in nog trotscher gedaante aan het oog van den toeschouwer vertoont.
Een weinig lager en tegenover het beroemde hospitaal van den II. Geest (SpeüALE
-ocr page 53-
HET HEIDENSCH ROME.
:{:!
di S. SPIRITO) zijn nog eenigo overblijfselen zichtbaar van een andere oude brug, die
door Nero was gebouwd; waarschijnlijk om een nadere verbinding te verkrijgen tus-
schen de stad en den door hem op den Vaticanus gebouwden circus en die daarom
ook in de middeneeuwen den naam van pons Neronianus (brug van Nero) droeg en
ook bekend was onder dien van ponte trionfale (brug der zegepraal). Deze brug schijnt
evenwel reeds spoedig verwoest of afgebroken te zijn, althans men vindt er geen
melding van gemaakt in den catalogus of de naamlijst van Constantijn.
Nog een weinig verder bevond zich een derde brug, de I\'o/is Agrippae (brug van
Agrippa), die evenwol reeds sedert eeuwen verdwenen is en van welker vroeger be-
staan men alleen kennis kreeg door een in 18S7 gevonden opschrift. Waarschijnlijk
werd zij reeds in \'t begin der derde eeuw afgebroken of verwoest; zij lag een weinig
voor de Pons Aurelius die, na aanmerkelijke veranderingen te hebben ondergaan,
tot ons gekomen en bekend is als de Voute Sisto. Zij ligt bij het bekende hospitaal
van Crescentius en Crescentinus, meer bekend nog onder den naam van Zoccolette,
niet ver van het Campo Dl FIORE, waaraan hot aldaar opgerichte standbeeld van (Jior-
dano Bruno eene treurige vermaardheid heeft gegeven. Deze brug heeft in den loop
der eeuwen veelvuldige veranderingen ondergaan en verscheidene namen gedragen.
/ij liep uit op de oude Via Aurelia Vctus, die tot den Janiculus en de Porta Aurelia,
de tegenwoordige Poort van St. Pancratius, voerde, van waar hare namen Poxs
AURELIUS en Poxs IANICULLENSIS (brug van Aurelius, brug van den Janiculus). De
oorspronkelijke naam was Poxs Axtoxixi, naar haar stichter Antoninus Caracalla.
Keizer Valentinianus herstelde en verfraaide haar aanmerkelijk en gaf haar zijn naam
(Pons Valentiniani.) In de Middeneeuwen was zij in zulken slechten staat, dat men
haar den naam van Ponte Rotto (gebroken brug) gaf. (De naam van Voute Rotto
wordt nog aan twee andere bruggen gegeven, zooals wij straks zullen zien.) Zij schijnt
bij de groote overstrooming van den Tiber, die onder de regeering van Paus Adrianus I
(772 795) plaats had, verwoest en in dien toestand gebleven te zijn tot aan de regeo-
ring van Paus Sixtus IV, die haar in 1475 hernieuwde en zijn naam gaf. Van de brug,
door keizer Valentinianus gebouwd, waren in de rivier en op de aangrenzende oevers
verscheidene overblijfselen bewaard gebleven, zoodat men haar bij de hernieuwing in
1878, door de werken aan den Tiber noodzakelijk geworden, bijna geheel en al den
oorspronkelijken vorm kon weergeven en tot een der schoonste van Rome maken.
In den keizertijd moet aan het brughoofd, naar de zijde der stad, een groote triomf-
boog gestaan hebben, waarboven zich de verguld bronzen standbeelden van de keizers
Valentinianus en Valens verhieven. In do rivier heeft men een bronzen vleugel gevon-
den, die men meent dat toebehoord heeft aan een beeld der Overwinning, dat zich op
do brug bevond. Men heeft een opschrift gevonden waaruit blijkt dat Lucius Aurelius
Avianus Shnmacus, prefect van Rome, dit beeld aan beiden bovengenoemde keizers
wijdde.
De rivier verder afdalende komt men aan het zoogenaamde Tiber-eiland, dat in
den heidonschen tijd aan Ksculapius was toegewijd en nu het eiland St. Rartholomeus
heet. Dit eiland wordt door twee bruggen met de stad verbonden ; die, welke hot
met de stad verbindt heette in oude tijden Poxs FaijRICIUS en in de middeneouwen
Poxs JuDEORUM (JoDENHRUO) daar zij onmiddellijk naar het Glictlo of de jodenbuurt
voorde ; thans heet zij Ponte DEI quattro Capi, naar de twee Hermes-zuilen met
vier hoofden die er ingemetseld zijn. Door den bouw van de nieuwe Garibaldi-brug
4
-ocr page 54-
tU                           ROME IX DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
dreigt de rivierarm onder deze brug geheel te verzanden, zoodat zij misschien binnen
niet al te langen tijd overbodig zal worden. De andere brug. die het eiland met
Trastevere verbindt, heette vroeger Pons Ckstms, maar draagt thans dien van Ponte
San Bartolomeo. Zij behoort mede tot de oudste van Home, daar keizer Gratianus
er in 370 reeds belangrijke verbeteringen en verfraaiingen deed aanbrengen, zooals
een opschrift op de balustrade of leuning doet kennen. Ook Valentinianus en Valens
worden daarin vernoemd en de brug draagt nog sporen van de plaatsen waar zich
de beelden van deze keizers verhieven. De herstellingen, in 1892 gedaan, hebben een
zonderling feit aan \'t licht gebracht; namelijk dit, dat (Jratianus voor de verfraaiing
en verbetering van de brug gebruik maakte van brokken travertijnsteen, die men
aan het nabijgelegen theater van Marcellus ontnam; zoodat de slooping der oude
Komeinsche gebouwen, die men ten rechte en ten onrechte aan de Pausen toeschreef,
reeds onder de Iiomeinsche keizers zelven is begonnen. Het welbekende : </nod non
fecere Barberi, fecere Barhei int
(wat de barbaren niet deden, werd door de Bar-
berini, n.1. de pausen uit het geslacht Barberini, gedaan) kan dus, met veel andere
fabeltjes over de pausen, op de rommelkamer gebracht worden. In de tiende eeuw
moet de brug zich in een desolaten toestand bevonden hebben, maar een zeker Be-
nedictus, die op een opschrift genoemd wordt altnae urbis summus senator, deed er
de noodige herstellingen aan uitvoeren.
Om een zevende brug of overblijfsel van brug te vinden moeten wij de rivier
hooger opgaan en wol tot aan de kerk van »S7. Jan der Florentijncn, waar de beide
oevers thans dooi\' een hangende ijzeren brug verbonden worden, die op den linker-
oever bij het oude Palazzo Salviati uitkomt. Hier was vroeger de Pons Aemilius, ook
Pons Palatinns en meer andere namen dragende, en ook nog bekend onder den naam
van Ponte Rotto. Alleen enkele brokstukken in het rivierbed wijzen de plaats aan
waar zij eenmaal stond ; in 1598 was zij geheel onbruikbaar geworden. De thans be-
staande ijzeren brug dagteekent van 185:}.
De oudste brug van Homo, waarvan men nog eenige overblijfselen in do rivier
meent te vinden in de nabijheid van Hipa grande, was de Poxs Sublicius. Zij moet
van hout zijn geweest, om haar gemakkelijker ter verdediging der stad te kunnen
afbreken. Zij zou door Ancus Martius, den dei-don Koning van Home, gebouwd zijn.
Naar de legende verhaalt was het op deze brug dat HORATIUS COCLES zijn beroemd
wapenfeit volvoerde. .lammer genoeg is men liet nog volstrekt, niet eens waar deze
oude en door hare geschiedenis merkwaardige brug gestaan heeft; ovenwei houdt
men het er voor dat do overblijfselen van peilers, die men niet ver van Eipa grande
heeft ontdekt, van haar afkomstig zijn.
Een laatste brug nog, de Pons Probi, waarvan tot voor korten tijd nog eenigo
overblijfselen bestonden, moet do beide oevers verbonden hebben waar zich nu, aan
den oenen kant, het grooto woes- en opvoedingsgesticht San Michele bevindt, en aan
den anderen oever de Marmorata. Zij werd nog onder keizer Thoodosius hersteld
en was ook bekend onder den naam van Pon* in ripa Romana.
De veranderingen, die Home heeft ondergaan, on do werken aan den Tiber uitge-
voerd, hebben den bouw van nieuwe bruggen zoo niet noodzakelijk dan toch wensche-
lijk gemaakt, zoodat de beide oevers, behalve door de nog bestaande oude bruggen,
nog door drie nieuwe met elkander verbonden worden die do namen Ponte Gari-
baldi, Pon/e Maranerita
en Ponte Umberto dragon.
-ocr page 55-
11 FT HEIDENSCH ROME.
35
II. DE OPENBARE PLEINEN.
A. Het Forum Romanum. Het Forum was hij de Romeinen een vrije ruimte of
een plein dat diende tot marktplaats, voor de volksvergaderingen of voor het honden
der openbare terechtzittingen; men verdeelde ze in gerechtsforums (Fora curia) en
marktforums (Fora venalia). Rome bezat verscheidene van die forums, waarvan het
Forum Romanum het voornaamste was. Het was een kunstmatig geëffende lage vlakte
in \'t midden van de stad gelegen, van een langwerpig vierkanten vorm, die zich van
liet noordwesten lot "het zuidoosten van den Kapitolijnschen heuvel tot aan den hoo»
van Titus over een lengte van 210 meter uitstrekte ; het breedste gedeelte mat 60, het
smalste gedeelte ongeveer 30 meter, ofschoon men over deze laatste maat nog in \'t
onzekere is. De eerste grondslagen werden gelegd door Tarquinius Priscus, den
vierden Koning, nadat deze door den aanleg van het (Iroote Riool (Cloaca maxima)
de moerassige diepte had droog gelegd; het werd van alle kanten door straten begrensd
en men daalde er van het Kapitool in al\' langs de helling van het Kapitool (Clii\'us
Capitoliuus.)
Het was in de lengte in twee helften verdeeld; de eene, vooral voor de rechts-
pleging bestemd, was omgeven door tempels en andere openbare gebouwen ; de tweede,
voor het handelsverkeer dienende, was omringd door steenen hallen, achter welke zich
kleine winkels hevonden, in de laatste tijden vooral door de geldwisselaars in gebruik
genomen; maar nog later wei-den deze winkels allengs vervangen door prachtige
gebouwen voor de rechtspleging en het verkeer, de zoogenaamde basilieken, waarvan
de oudste de Basilica Porcia 1<S4 voor Chr. gebouwd werd ; vervolgens kwamen daar
bij de />\'. Opimia, Fulvia en slotte de II. Aemilia en Julia, terwijl de winkels en ver-
kooplokalen naar andere gedeelten der stad werden overgebracht. Behalve de tempels,
openbare gebouwen en basilieken bevatte het Forum nog een menigte gedenkteekenen,
waaronder de Columna ros/ra/a de beroemdste is, daar zij de scheepsnebben (rostra)
bevatte van de door Duilius op de Carthagers buit gemaakte schepen; ook bevond
zich op het F. de curia hostilia, de vergaderplaats van den Senaat. Aan de N.w.
zijde, bij de Clivus Capitoliuus, lag de tempel der (\'oncordia, een weinig verder
die van Saturmus, met de openbare schatkamer (aerarium), en het staats-archief
(labularium); op de N. zijde stonden voor de Basilica anjentaria, drie galerijen
of doorganggebouwen (juni), waarvan de middelste als \'t ware de Beurs van Rome
uitmaakte.
Vroeger meer in \'t midden, later op het boveneind van bet F. stond de Rostra of
redenaarstribune. Het F. R. was vooral onder de Republiek het middenpunt van het
staats-, volks- en openbaar leven, maar die beteokenis verloor hot allengs onder de
keizers; vooral ook omdat deze meestal oppermachtig en als alleenheerschers re-
geerden, waardoor het staatkundige leven oen andere richting verkreeg; vervolgens
ook doordien zij prachtige nieuwe forums oprichtten, die allengs den grooten toeloop
van het volk verkregen, zoodat het oude forum in alle opzichten in beteokenis ver-
loor, ofschoon het toch voortdurend door nieuwe prachtgebouwen verfraaid werd. De
voornaamste andere forums waren het F. van Julius (\'esar, die van Augustus en
Nerva en vooral het heerlijke Forum Trajani.
Van de prachtige gebouwen, die het F. R. versierden) zijn nog enkele brokstukken
overgebleven, die ons een hoog denkbeeld geven van hun voormaligen luister. Vanden
-ocr page 56-
36                           HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
tempel van Saturnus staan acht gecannelleerde zuilen met het architraaf overeind ;
van het Tabularium zijn nog alleen de fondamenten en de prachtige gevel overge-
bleven, terwijl drie Corintische zuilen met architraaf aanwijzen waar eenmaal de
tempel van den (joddel ijken Vespasiaan stond. Van de Clivus Capitolinus komt men
in de Via sacra (heilige weg), die door den triomfboog van Tiberius, liep welke in \'t jaar
42 n. C. werd opgericht na de overwinning des keizers op de Germanen, doch die
thans geheel verwoest is, zoodat nog slechts de fondamenten er van overblijven. Rechts
stond de prachtige Basilica Julia, daar tegenover de Curia, thans herschapen in de
kerk van don II. Adrianus, en de Basilica Acmilia. Verderop was de prachtige tempel
van Castor en Pollux, waarvan nog drie zuilen en het architraaf zijn overgebleven en
tegenover dezen de tempel van den vergoden Cesar (divus Julius). Van het prachtige
ronde tempeltje van Vesta zijn slechts eenige bouwvallen overgebleven, maar het
paleis der Vestaalschen Maagden, met een grooten zuilenhof, in 1883-84 opgegraven,
vertoont nu zijn heerlijke overblijfselen, en deze opgraving heeft Rome met een be-
langrijk overblijfsel uit den heidenschen tijd verrijkt. Zij is een der merkwaardigste
van de latere opgravingen, die men in langen tijd gedaan heeft.
Dit paleis, het zoogenaamde Atrium van Vesta, ligt aan den voet van den Palan-
tijnschen heuvel, onmiddellijk tegen de reusachtige overblijfselen van het paleis der
keizers. Wanneer men zich in de bouwvallen van dit beroemde heiligdom, het mid-
denpunt mag men wel zeggen van den Romeinschen staats-godsdienst, bevindt en het
gelaat wendt naar het Colosseum en den triomfboog van Titus, heeft men ter linker-
zijde den tempel van Antoninus en Faustina en den ronden tempel van Romulus,
waarvan de eerste reeds in het begin der middeneeuwen werd veranderd in de kerk
van San Lorenzo in Miranda en de tweede in die van de H.H. Cosmas en Damianus.
Het Atrium van Vesta stond in onmiddellijke verbinding met den Tempel van Vesta,
waarvan men den ronden onderbouw nog kan herkennen. liet Atrium vormt een
langwerpig vierkant; de voorhal of het peristylium is omgeven door de woonvertrek-
ken der Vestalinnen, die tot aan de tweede verdieping zijn behouden gebleven. Aan
de oostelijke smalle zijde bevindt zich het tablinium, eveneens door woonvertrekken
omgeven. De groote voorhof werd in de lengte doorsneden door twee rijen van
prachtige marmeren zuilen, waardoor het verdeeld was in een groot middenvak en
twee zuilengangen. In \'t middenvak bevond zich een fontein, die door een achthoe-
kigen, nog goed te onderkennen muur, omgeven was. Sommige oudheidkundigen
meenen echter dat daar het vertrek was gelegen waarin het Palladium en de andere
zoogenaamde onderpanden of heilige behoedmiddelen van het Rijk bewaard werden.
Een aantal, deels goed bewaard gebleven, beelden der maagden, sommige met
andere zonder opschriften, herinneren aan de prachtige reeks standbeelden der Ves-
tales maximae
(opperpriesteressen van Vesta), die eens het peristyllium verlevendigden
in een tijd toen nog geen oningewijde voet dit heiligdom betreden had. Men kent tot
dusverre 35 opschriften met namen van de oversten van het vrouwelijk priestercollege;
van deze werden er 27 in het Atrium van Vesta gevonden. Onder do in dit Atrium
in 1883 gevonden voetstukken van standbeelden was er een, waarvan de naam der
Vcxtalis maxima door beitelslagen was «roggekapt on onleesbaar gemaakt ; dit beeld
dagteekende van het jaar 304. De Opperpriosteres van Vesta, wier standbeeld op dit
voetstuk had gestaan, was derhalve veroordeeld tot de damnatio memoriae, dat wil
zeggen dat haar naam veroordeeld was tot de vergetelheid. Daar deze smadelijke
-ocr page 57-
HET HEIDENSCH ROME.                                                37
veroordeeling alleen kon toegepast worden op priesteressen die ontrouw waren ge-
worden aan hare verplichting tot kuischheid of tot afval van den dienst der godin
waren gekomen, moest deze Vestalin zich derhalve aan een dezer twee misdrijven
hebben schuldig gemaakt. Daar nu nergens uit eenigen schrijver is gebleken dateene
Vestaalsche Maagd uit de latere jaren van den Vestadienst hare gelofte van kuisch-
heid had geschonden, ligt het voor de hand dat zij de straf der damnatio memoriae
had beloopen door afval van den dienst van Vesta, dat wil zeggen, dat zij zich tot
het Christendom had bekeerd. Nu is het uit verschillende bronnen bekend en Pruden-
tius zegt het duidelijk, dat eene bekeerde Vestaalsche Maagd, Claudia goheeten, de
trots der Christenen was, en gemelde Prudentius beschrijft hoe zij de basiliek van
den H. Martelaar Laurentius betreedt.
Misschien trok Claudia zich terug in het klooster der Christen Maagden, dat zich
toen reeds bij St. Laurentius bevond 1). De opgraving van het Atrium van Vesta is
derhalve ook in dit opzicht een zeer merkwaardige gebeurtenis; zij doet zien dat het
Christendom, na drie en een halve eeuw, reeds tot in het ongenaakbare heiligdom van
Vesta was doorgedrongen.
Verder de Via Sacra volgende, komt men door den eereboog der Flaviër, in 120
v. Ch. opgelicht, en eindelijk aan de linkerhand bij de kerk van San Lorcnzo in Mi-
randa,
die nog den voorhal met 10 Cipolijnzuilen en de Cella bevat van den pracht-
vollen aan Antoninus Pius en Faustina gewijden tempel. Verder opklimmende komt
men aan den triomfboog van Titus, opgericht ter herinnering aan diens overwinning
op de Joden en de verwoesting van Jerusalem. Ten oosten hiervan bevindt zich hot
klooster van de H. Francosca Romana, in welks hof men nog oenige gedeelten ziet van
den door Hadrianus gebouwden dubbelen tempel van Venus en Roma; van den tempel-
hal met zijn 200 granieten zuilen zijn nog slechts eenige zuilenschachten overgebleven.
B. De Forums der Keizers. Deze hadden minder den vorm van een openbaar
plein dan wel dien van een door prachtige zuilenhallen omgeven binnenhof, in welks
midden zich een aan den beschermgod van het Forum gewijde tempel bevond. Van
het zuiden naar het noorden gaande, had men den door Vespasiaan gebouwden Tem-
pel des Vredes,
het Forum van Nerva, waar zich een Minervatempel bevond, die in
1611 door paus Paulus V vernietigd werd; daarna het Forum van Augustus met den
tempel van den wrekenden Mars (Mars Ultor), waarvan eenige zuilen en een gedeelte
van den buitenmuur zijn overgebleven, totdat men eindelijk aan het Forum run
Trajanus
komt, dat alle andere in pracht en rijkdom overtrof. Om de noodige ruimte
te bekomen, werd een gedeelte van den Quirinaalschen heuvel 100 voet diep afgegra-
ven. Het Forum was van vierkanten vorm met twee halfcirkclvormige absieden naar
de Oost- en Westzijde toe, waarvan de eerste, naar den Quirinalis gekeerd, nog zeer
goed bewaard is gebleven. Ten Noorden bevond zich de Basilica Ulpia en aan de
andere zijde daarvan lag een door Hadrianus aan Trajanus gewijden tempel en een
groote bibliotheek ; tusschen beiden verhief zich ter hoogte van ruim 29 motor de
prachtige Trajanus-zuil, op welke in spiraalvormig oploopende reliefbeelden do voor-
naamste feiten uit den oorlog, door Trajanus tegen de Daciërs gevoerd, afgebeeld zijn.
Ten Oosten, in de laagte tusschen den Viminalis en den Esquilinus, lag een dichtbe-
volkte stadswijk, Subura gehoeten, waar het ouderlijk huis van Cesar zich bevond.
1) Grlsar. Rom nnd die Piibste.
-ocr page 58-
38                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
III. GEDENKZUILEN EN EEREBOGEN.
Rome bozit nog oen aantal prachtige zuilen en obelisken, die verschillende openbare
pleinen tot sieraad strekken : maar de meeste zijn niet van Romeinschen oorsprong,
doch uil de veroverde landen, vooral Egypte, naar Rome gebracht ter opluistering
der keizersstad ; zij kunnen dus niet als eerebogen beschouwd worden, zoodat wij ze
ter gelegener plaatsen zullen behandelen. Twee reusachtige zuilen evenwel, die een
wereldvermaardheid hebben, verdienen nu behandeld te worden; n.1. de zuil van
Marcus-Aurelius en de Trajanus-zuil.
De ZriL vax Marcus-Aurelius. Deze zuil verdient niet alleen alle aandacht om
haar afmetingen, de beeldhouwwerken (bas-reliefs) die haar versieren en den uitmun-
tenden staat, waarin zij zich bevindt, maar ook om een merkwaardig geschiedkundig
feit, dat op haar schacht vereeuwigd is. Ziehier het geschiedkundig feit, In het jaar
174 n. Chr. voerde Marcus Aurelius oorlog tegen de Guaden, een barbaarsch volk dat
in de Donaustreken woonde. Het Romeinsche leger, dat op het punt stond slag te
leveren, was tengevolge; van zware vermoeienissen en nog meer tengevolge van een
hevige dorst, zoodanig uitgeput, dat het onmogelijk een langen strijd kon volhouden
en onvermijdelijk den ondergang tegemoet ging. Nu bevond zich in het leger een uit
Klein-Azië gekomen legioen, dat bijna geheel uit Christen soldaten bestond. Een van
de oversten der lijfwacht deelde dit den keizer mede, hem zeggende, dat de Christe-
nen door hun gebed alles vermochten; waarop .Marcus Aurelius hun beval tot hun
God te bidden. De soldaten wierpen zich op de knieën en zie, nauwelijks waren zij
begonnen te bidden of een weldadige regen daalde op het Romeinsche leger en ver-
kwikte het geheel, terwijl terzelfder tijd zulk een hevig onweder met donderslagen
en bliksemstralen over het vijandelijk leger losbarstte, dat het in verbijstering en in
groote verwarring op de vlucht sloeg, terwijl een groot aantal krijgslieden door den
bliksem gedood werden. liet legioen, op welks gebed dit wonder plaats had, werd
sinds dien het bliksemend legioen {legio fulminans) genoemd. Na den dood van
Marcus Aurelius, zoo althans meent men, werd ter zijner eer de zuil opgericht en om
de schacht werden op spiraalsgewijze oploopendo strooken de gebeurtenissen van
dezen ooi-log tegen de Guaden in bas-reliefs afgebeeld en daaronder ook, in de derde
winding, de wonderbare gebeurtenis, die wij zoo even verhaalden. Evenwel niet vol-
gons de zelfde opvatting, maar geheel volgens het heidensche gevoelen, dat de won-
derbare tusschenkomst aan Jupiter (Jupiter pluvius) toeschreef.
De zaak zelve staat onbetwistbaar vast door verschillende getuigenissen. Zij werd
medegedeeld door Apollinaris. bisschop van Ierapoli in Frigië; door Tertullianus in
Africa en door den heidenschen geschiedschrijver Dio Cassius in zijn groot geschied-
werk. Apollinaris, wiens verhaal verkort door Eusebius bewaard is gebleven, leefde
ten tijde van Marcus Aurelius en schreef hot misschien oen of twee jaar na do go-
beurtenis. Tertullianus vermeldt dozolve, als algemeen en op authentieke wijze bekend,
twintig jaren daarna; Dio Cassius beroept zich op een brief, dien Marcus Aurelius zelf
aangaande hot feit aan den Senaat zou geschreven hebben ; maar natuurlijk met een
geheel heidensche opvatting van de oorzaak van het wonder. Al deze schrijvers
komen in de voornaamste punten van de gebeurtenis overeen, n.1.: gedurende don
veldtocht tegen de Guaden liepen de Romeinsche troepen gevaar van dorst om te
komen, maar nadat men had doen bidden viel er zulk een overvloedige en verkwik*
-ocr page 59-
HET HEIDENSCFI ROME.                                                M
kende regen en dat wel door tusschenkomst van een hoogere macht, dat Marais
Aurelins zulks moest erkennen en door openbare geschriften bevestigen. Apollinaris
en l)io Cassius voegen er bovendien nog bij : 1) dat het leger, toen het wonder ge-
beurde, op \'t punt stond met de barbaren den slag te beginnen ; 2) dat de regen de
Romeinen geheel verfrischte en hun de overwinning bezorgde, daar terzelfder tijd een
geweldig onweder, van bliksemstralen vergezeld, over de barbaarsche legerscharen
losbarstte en daarin dood en verwarring bracht. Terwijl volgens Apollinaris en Ter-
tullianus de Christen soldaten door hun gebeden den regen deden neerdalen (en vol-
gens Apollinaris wel bijzonderlijk een legioen, dat juist tengevolge van deze gebéur-
tenis den naam van het bliksemende verkreeg), zegt do heidensche Dio Cassius te
hebben hooren verhalen, dat een Egyptisch toovenaar, Arnuphis genaamd, die zich
in \'t gevolg van Marcus Aurelius bevond, het wonderdadig uitwerksel zou verkregen
hebben door eenige demonen en den nevclachliyen Mereiirins te bezweren. I\'it deze
getuigenissen blijkt voldoende, dat aan de echtheid van het wonder niet kan getwijfeld
worden.
In de meeste werken, waarover van deze zuil gesproken is, wordt gezegd, dat hel
tooneel van do onder de bliksemstralen vluchtende Gnaden en de biddende soldaten
daarop is afgebeeld. Wanneer dergelijke afbeeldingen in omloop waren wat ook
werkelijk het geval is — dan zijn zij niet authentiek. Kr bestaan phototypies die
de authentieke afbeelding voorstellen, zij zijn gemaakt naar gipsafdrukken door
de Italiaansche regeering, naar wij meenen op verlangen van den Duitschen Keizer,
gemaakt. Er is daarop evenwel van geen vluchtend leger en van geen strijd sprake,
evenmin als van bliksemstralen; maar aan de rechterzijde in de hoogte ziet men een
figuur waarvan de regen langs alle kanten afstroomt. Sommigen hebben daarin eene
afbeelding van don Jupiter pluvius (de reyenbrengende Jupiter) willen zien, maar
volgens Roscher komt de naam als Jupiter pluvius slechts tweemaal op opschriften
voor en nooit op afbeeldingen; de opvatting van den regenbrengende Jupiter moet
derhalve opgegeven worden. Van een anderen kant zou men een stortregen op den
gewone en natuurlijke wijze kunnen afbeelden, zooals zulks op verschillende monu-
menten voorkomt; dat men derhalve hier een onbekende figuur als zinnebeeld van
den regen heeft voorgesteld, meent men to moeten toeschrijven aan do omstandigheid,
dat men daaraan oen geheel buitengewone en bovennatuurlijke boteekenis heeft willen
geven. Dat evenmin een gevecht of strijd wordt afgebeeld, is een nieuw bewijs voor
het wonderbare van de gebeurtenis, daar de vijand niet door wapengeweld maar door
de kracht der elementen werd verslagen, hetgeen ook nog wordt aangetoond door
eenige op den grond en op en door elkander liggende barbaren. Uit al hetgeen wij
aangevoerd hebben blijkt dus duidelijk, dat aan de echtheid van de gebeurtenis niet
kan getwijfeld worden en groote geschiedschrijvers, zooals Mommsen, nemen zulks dan
ook aan. Er bestaat dus een nauw verband tusschen do Heidensche en Christelijke
overlevering on geen enkel bewijs is aan te voeren tegen do overlevering dat het
wonder zou geschied zijn op het gebed van de soldaten van het 12d0 legioen. Dat de
naam van bliksemend legioen tengevolge van deze gebeurtenis aan dat korps werd
gegeven, berust evenwol op eene dwaling van Apollinaris, daar het dien naam reeds
veel vroeger bezat.
Wij hebben over deze zaak langer uitgeweid dan ons bestek wel toeliet, maar tor-
wijl zij van don eonen kant eene onjuistheid (dio over den naam van ..bliksemend"
-ocr page 60-
40                           HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN JIEDEN.
legioen) bezit, bevestigt zij, daarentegen, de overlevering van het wonderbaar feit,
dat, wij herhalen het, alleen op bovennatuurlijke wijze verklaarbaar is en in ccuwt door
het gebed der Christen soldaten. Men zegt ook dat Mareus Aurelius, na deze gebeur-
tenis, een einde maakte aan de vervolging der Christenen, die onder zijne regeering
woedde.
De zuil van Mareus Aurelius (Colonna Antonina) bevindt zich thans op de, bij
ieder die Rome bezocht, bekende Piazza Colonna, in het Corso, waar Paus Sixtus V
haar weder deed verrijzen. In plaats van het beeld des keizers, dat eenmaal de zuil
bekroonde, liet Sixtus er het beeld van den H. 1\'aulus op plaatsen en op hot voetstuk
een opschrift aanbrengen waarvan de vertaling luidt: „Paus Sixtus V heeft deze, van
de smet des ongeloofs gezuiverde, kolom toegewijd aan den II. Apostel 1\'aulus, wiens
standbeeld in verguld brons hij er op deed plaatsen, ten jare 1589, van zijne regee-
ring hot IV".
Op de andere zijde van het voetstuk leest men een tweede opschrift van dezen
inhoud : ..Thans ben ik, zegepralend en gewijd, ten voetstuk strekkende voor den
waarlijk vromen leerling van Christus, die, door de prediking van het Kruis, de over-
winning op Romeinen en Barbaren heeft behaald."
Ouder, en van meer kunstwaarde clan de voorgaande, is de Zuil van Trajanus.
Nadat Trajanus in twee veldtochten (89 105) de woeste Daciërs had overwonnen, liet
hij het prachtige, naar hem genoemde, Forum aanleggen en te midden daarvan de
heerlijke zuil oprichten. Bijna 2500 figuren, van 00 tot 75 c.M. hoogte, stellen in ver-
schillende tafreelen de voornaamste episoden uit deze oorlogen voor. De zuil was,
zonder het er opstaande beeld des keizers, 34 meter hoog, waarvan bijna 27 voor de
schacht komen. Onder den lauwerkrans, die het basement van de schacht uitmaakt,
rustte de gouden grafurne, waarin de assche des keizers besloten was. Paus Sixtus V
liet het voetstuk der zuil, dat onder puin bedolven was, vrij leggen en boven de zuil
het beeld van den II. Apostel Petrus plaatsen, met toepasselijke opschriften op het
voetstuk.
IV. DE ZEGEBOGEN.
A. De Zeoeboog van Titus is, zoowel om zijn geschiedkundige beteekenis als om
den gooden staat waarin hij tot ons gekomen is, zeker het merkwaardigste onder deze
bouwwerken. Hij werd opgericht ter herinnering aan de overwinning van Titus op
de Joden en de verwoesting van Jerusalem (zie blz. 23). Hij bestaat uit een enkelen
booggang van wit marmer, met een fraaie kroonlijst mot opschriften er boven. Op de
binnenwanden ziet men, aan de eene zijde, Titus staande op zijn zegekar, door een
boven zijn hoofd zwevende Victoria met lauweren gekroond; hoog in de lucht zweeft
de goddelijke adelaar; op de andere zijde zijn afgebeeld de kandelaar met zeven
armen, de tafel der toonbrooden, de jubelbazuinen uit den tempel van Jeruzalem, op
de schouders van soldaten gedragen die er zich mede naar het Kapitool begeven. Op
de eene fries, die naar het Colosseum gekeerd, leest men dit opschrift: ,.De Senaat
en het Volk van Rome, aan den goddelijken Titus, den zoon van den goddelijken
Vespasianus, Vespasianus Augustus." Op de andere fries, naar het Kapitool gewend,
bevond zich eertijds een ander opschrift, dat later in de groote renbaan werd terug-
gevonden, maar zoo beschadigd, dat het niet meer op zijn plaats kon gebracht worden.
-ocr page 61-
PIAZZA COLONNA E COLONNA Dl MARCO AURELIO
COLONNA-PLEIN EN ZUIL VAN MARCUS AUREL1US
Druk van H. KUiiNMANN & Co., Haarlem.
-ocr page 62-
HET 11KIDEKSCH ROME.                                            41
De inhoud daarvan deelde mede, dat Titus ,.op last, op raad en onder bescherming
van zijn vaderland, de Joodsche natie heeft ten onder gebracht, en de stad Jerusalem
heeft verwoest, die, vóór hem, door alle veldheeren, koningen en natiën tevergeefs
was aangevallen of belegerd." Men zegt dat de Joden, uit afschuw voor deze herin-
nering aan den ondergang van hun natie, nooit onder dezen boog doorgaan.
B.    De Zegeboog van Constantijn is, als wij het zoo mogen zeggen, in de groote
wereldgeschiedenis de aanvulling en de voltooiing van den Zegeboog van Titus. IIer-
innert de eerste aan den ondergang van de Joodsche Natie, die den Messias niet heeft
willen erkennen en het Bloed van den (iodmensch over zich heeft afgeroepen en op
zich geladen, de tweede herinnert aan de zegepraal van het Christendom op het
Heidendom ; beiden roepen ons toe, dat de oude wereld is overwonnen en een nieuwe
wereld, een andere wereldorde is aangebroken. Na de overwinning van Constantijn op
Maxentius liet de Senaat dezen fraaien, uit drie booggewelven bestaande, zegeboog
voor den overwinnaar oprichten.
Onder het groote gewelf leest men aan de eene zijde : Liberatori Urbis (aan den
Bevrijder der Stad), aan de andere : Fundatori Quietis (Aan den Vredestichter). Be-
langrijker en van meer beteekenis is het aan beide zijden van het fries geplaatste
opschrift van den volgenden inhoud : „Voor keizer Flavius Constantinius, den zeer
grooten altijd gelukkigen Augustus, heeft de Senaat en het Volk van Rome, dewijl
hij onder ingeving der Godheid, door de grootheid van zijn genie, in een rechtvaar-
digen krijg, met zijn leger, het gemeenebest zoowel op den dwingeland als op geheel
zijn aanhang wist te wreken, dezen zegeboog opgericht," Ziedaar het wonder der
zegepraal aangeduid : Onder ingeving der Godheid. Heerlijke gedenkteekenen, die
zegebogen; ware triomfbogen voor Christus, die door zijn Kruis èn Jodendom èn
Heidendom overwon.
Gedeeltelijk is het beeldhouwwerk van dezen boog ontnomen aan een vroegeren
triomfboog van Trajanus. Ten tijde van Constantijn was de kunst in Kome reeds in
verval, zoodat men, om iets goeds te scheppen, bij de oudere kunst moest ter leer
gaan. Tot deze oudere beelden behooren de reliëfs van de Attika, de beelden van de
barbarenvorsten boven de pilasters, do medaillons boven de kleine doorgangen, en de
reliëfs in den middelsten doorgang. Voor de kunstgeschiedenis hebben deze bijzon-
derheden waarde, maar zij verminderen niets de hooge geschiedkundige beteekenis
van het monument.
C.    De Zegeboog van Septimi\'s Severus, onmiddellijk aan de helling van het Ka-
pitool, is de derde in de rij. Zij werd ten jare 203 opgericht ter herinnering aan de
zegepraal door Septimus Severus en zijne zonen Caracalla on Geta op de Parthen en
andere Oostersche volken behaald. Ofschoon met eene groote menigte half-beelden ver-
sierd, biedt hij geen bijzondere kunstwaarde aan, evenmin als eene hooge geschied-
kundige beteekenis. In den keizertijd was de attika (het bovenplat) versierd met een
bronzen zesspan, een triomfwagen waarin de keizer gezeten was, terwijl zijne zonen
aan weerszijden er van schreden ; op de vier hoeken stonden ruiterstandbeelden.
D.    Bij de poort van St. Sebastiaan bevindt zich nog een boog, dien men voor
den boog van Dhusus houdt; bijzonderheden van belang levert hij niet op.
V. AMPHITHEATERS, THEATERS EN CIRCUSSEN.
Het Romeinsche volk was, vooral in den Keizerstijd, toen het zedelijk het diepst
-ocr page 63-
42                            HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
gezonken was on ook staatkundig zijn ondergang tegemoet ging, verzot op spelen,op
vermaken en verlustigingen, en de aard dier vermaken duidt beter dan iets anders
aan, hoe diep liet gedaald was, want vooral uit dien tijd dagteekenen de amphitheaters
met hun gevechten van wilde dieren onderling, van wilde dieren tegen inenschen, van
menschen onderling, de beruchte zwaardvechtersspelen. Voor deze soorten van ver-
makelijkheden dienden vooral de amphitheaters, terwijl de theaters voor tooneelspelen
en de circus voor wagenwedrennen dienden. Ofschoon de amphitheaters de laatste
in de rij zijn. zullen wij ze, ter wille van het Colosseum, het eerst behandelen.
De naam amphilhealvr beteekent dubbele schouwburg, omdat Caius Scribonius
Curio in \'t jaar 53 voor Christus een dubbelen, om een as beweegbaren, schouwburg
deed bouwen, waarvan de eene voor tooneel voorstellingen, de andere voor zwaard-
vechtersspelen moest dienen. Hen tweede, houten amphitheater, werd door Julius
Caesar gebouwd om bij de inwijding van zijn Forum voor de vermakelijkheden te
dienen, maar dat later, na de feesten, weer werd afgebroken; eindelijk vindt men nog
gewag gemaakt van een ander dergelijk gebouw, dat onder Augustus door diens vriend
Statilius Taurus werd opgericht, maar bij den brand van Rome, onder Nero, werd
verwoest. Ook Calligula begon den houw van een amphitheater, dat evenwel niet
voltooid werd. liet beroemdste van alle Romeinsche bouwwerken van dien aard is
zeker wel
Het Colosseum of Flavisciie Amphitheater. Vespasianus begon den bouw, na
de onderwerping van Judea en de verwoesting van Jerusalem, in het dal tusschen den
Palatijnschen en den Coelischen heuvel, waar voor dien tijd een groote vijver was, tot
het gouden Huis van Nero belioorende. Titus zette don bouw voort en wijdde het in\'t
8()s,c" jaar na Chr. met groote feesten in, die honderd-twintig dagen duurden en waarbij
vijfduizend wilde dieren en ongeveer tienduizend zwaardvechters werden voorgevoerd
en grootendeels hot leven lieten. Hot vormt een langwerpig geheel van 524 meter
omvang en 188 meter in de grootste en 155 meter in de kleinste as (lengte), terwijl
de Arena in dezelfde verhoudingen 86 en 54 motor heeft; de hoogte bedroeg 48 motor.
Ofschoon van zijn bovenste verdiepingen beroofd en niet meer prijkende met de tal-
rijke beelden, die in de boogopeningen zich bevonden, maakt het nog een overweldi-
genden indruk ; hoeveel te meer moet dat niet het geval zijn geweest toen het nog
in zijne volle reusachtige grootte on met zijn ontelbare beelden versierd te midden
van de Keizersstad zich verhief. Het gebouw was geheel van ïravertijnsteen opge-
metseld en telde vier verdiepingen, waarvan de drie onderste met 80 bogen en peilers,
welke laatste wederom met Dorische, Ionische en Korintische halfzuilen waren ver-
sierd. De bogen van de tweede en derde verdieping bevatten bronzen en marmeren
beelden, terwijl de bovenste een met vensters doorbroken muur was, op die wijze,
dat boven eiken tweeden boog der lagere verdiepingen een rechthoekig venster tus-
schcn Korintische zuilen stond ; de blinde venstertusschenruimten waren met bronzen
schilden versierd; een kroontablement besloot het geheel. Van dezen buitenkant bestaat
nog slechts het naar den Esquilinus gekeerde gedeelte. Er waren vier hoofdingangen,
waarboven vierspannen stonden. Van binnen bestond het uit vijf ringmuren, die, telkens
in hoogte afnemende, zitplaatsen voor de toeschouwers aanboden. Bewonderenswaardig
van bouworde waren de binnengangen en trappen, die naar de verschillende rijen
zitplaatsen voerden. Voor do onderste verdieping lag het podium, met do keizerlijke
loge, on daar tegenover een daaraan beantwoordend balkon.
-ocr page 64-
HET I/EIDEXSCH HOME.                                                43
Op het podium waren de zitplaatsen voor de Senatoren, de Vestaalsche Maagden,
de vreemde gezanten en andere voorname personen. Twee andere ringmuren, waarvan
de eene 16 en d<> andere 20 rijen zitplaatsen had, dienden voor de Romeinsche Ridders
en Burgers. Al deze zitplaatsen waren met marmer hekleed. De andere verdiepingen,
met houten zitplaatsen, waren voor het geringere volk bestemd. Op het terras waren
240 kraagsteenen aangebracht om een groot zeil (velarium) over masten uit te spannen,
teneinde de toeschouwers tegen de felle zonnestralen te beschutten. De verschillende
zitrijen waren op regelmatige afstanden door trappen geseheiden, zoodat een ieder
gemakkelijk zijn plaats kon bereiken. Onder de Arena waren gemetselde gangen,
deels voor de wilde dieren, die voor de voorstellingen bestemd waren, deels voor de
werkhuizen, machineriën enz.
De reusachtige bouw bood ruimte aan voor 87.000 toeschouwers. De naam van
Colosenm of Colosseum komt waarschijnlijk van zijn reusachtige afmetingen of wel
van den Kolossus van Nero, die zich in de nabijheid er van bevond, en wordt het eerst
in de 8S|° of !),le eeuw aangetroffen. De eerbiedwaardige Reda maakt gewag van een
profetie, luidende: „Zoolang het. Colosseum bestaat zal Rome bestaan, wanneer het
Colosseum valt, valt Rome; valt Rome dan valt de geheele wereld." In deze woorden,
al zijn zij ook misschien niet als profetie to beschouwen, straalt toch de groote be-
wondering door voor dezen reuzenbonw, die zoo wel de macht en de grootheid van
Rome verzinnebeeldt, en waarvan men de indrukwekkende majesteit nog in haar geheel
ten tijde van Karel den Groote kon bewonderen.
Mgr. Gerbert heeft in eenige treffende» en dichterlijke woorden het wezen en de
lotgevallen van Colosseum geschilderd. ..Romeinsch door zijn oorsprong, Oostersch door
zijn grootheid, Grieksch dooi\' zijn bouworde, Joodsch door de werklieden, die er aan
gezwoegd hebben, Christen door het bloed dat het gewijd heeft, aan de geheele wereld
behoorend door de toeschouwers uit alle landen en de dieren uit alle luchtstreken ;
gedurende drie eeuwen het tooneel der wreedste vermaken en de tempel der held-
haftigste deugden ; ten tijde van de Barbaren oen Kolossus, die grooter scheen te
worden naarmate de paleizen er om heen in puin vielen, en te midden van die bouw-
vallen in den volksmond het zinnebeeld van Rome\'s eeuwig bestaan; vervolgens, toen
het weer wat meer leven kreeg, beurtelings vesting en klooster, krijt voor tournooi-
spelen, gasthuis voor pestlijders, steengroeve die de bouwstoffen oplevert voor prachtige
paleizen, tooneelzaal en handwerkplaats, roovershol en salpeterfabriek, heeft het allo
wisselvalligheden beleefd van de hoogste tot de laagste; het is de materieele verper-
soonlijking geworden van den Ecclesiastes, die alles gezien heeft en van alles een
afkeer heeft gekregen on eindelijk boeteling is geworden en het nietige der aardscho
dingen, de opoffering en de boetedoening is gaan preeken. De oude Titan der bouw-
kunst is Trappist geworden ; maar in zijn strengheid is hij schoon gebleven, evenals
de onder den last der jaren gebogen kluizenaar schoon blijft met zijn kalen schedel,
zijn rimpels en zijn door de boetedoening ingevallen wangen."
Nadat het Colosseum in den loop der eeuwen al die wisselingen, al die vernederingen
had ondergaan, liet paus Benedictus XIY in de Arena de 14 Staties van den Kruisweg
oprichten en eiken Vrijdag, tot aan het jaar der overweldiging van Rome, werd daar
de II. Kruisweg gebeden. In 1805, toen de buitenmuur aan de oostzijde dreigde in
te storten, liet paus Pius Vlier bewonderenswaardige herstellingswerken aan uitvoeren
en Leo XII on 1\'ius IX lieten de gevaarlijke en bouwvallige gedeelten met zooveel
-ocr page 65-
44                            1! O ME IN DESZELFS VERLEDEN EN IIK DEN.
zorg versterken, dat het heerlijk bouwwerk opnieuw de tand der eeuwen kan trot-
seeren. De Italiaauschc regeering deed, zoo \'t heette om nieuwe opvorschingen te doen,
den Kruisweg uit de Arena wegnemen, een daad, die alle christelijke harten pijnlijk
heeft getroffen, want nergens ter wereld was die Lijdensweg beter ter plaatse dan
daar. waar duizenden Christenen den Zaligmaker in Zijn lijden hebben nagevolgd om
Zijne glorie in den Hemel te verdienen. Die opgravingen zijn evenwel niet zonder
nut geweest. Zoo heeft men in 1880 opnieuw aan den geheelen binnenwand van het
podium het reusachtige opschrift kunnen aanbrengen, dat er onder de regeering van
Valentinianus III werd geplaatst ter herinnering aan de restauratie, door dezen keizer
aan het (\'olosseum aangebracht, na de schade die het door de aardbeving van 424
had geleden. De letters van dit opschrift, die 31 c.M. hoogte hebben, zijn bijna allen
bij de nieuwere opgravingen teruggevonden.
Roepen wij, in de gedachte, het verleden terug. De zitrijen en terrassen zijn gereed
om de menigte toeschouwers te ontvangen. De Arena is bestrooid met fijn rooskleurig
zand, of met een zeer brossen steen die haar op een versch sneeuwtapijt doet gelijken.
De verzorgers der spelen onderzoeken of alle voorzorgen genomen zijn. Op do boven-
galerijen zijn de soldaten van de vloot bezig om over de masten het purperkleurige
zeil uit te spannen, dat een tooverachtigen glans werpt op de donkere bogen en do
witte Arena. Men zou zeggen, volgens oen gelukkige uitdrukking van Mgr. Gerbert, dat
het (\'olosseum een wonderschip is geworden, waarin de fortuin van Rome naarfabel*
achtige vermaken stevent\'\'. Op de eereplaats, onder een tent van goud en zijde, verheft
zich de troon des keizers ; de zetels van de senatoren en consuls zijn met purper be-
kleed, tegenover den keizer zijn de Vestalinnen, die valsche maagden, die door een
handgebaar over het leven of den dood der zwaardvechters beslissen. Het onmetelijk
Velarium golft onder den adem van den wind en tempert de gloeiende zonnestralen,
terwijl een geurige dauw ,.aan den grooten bloedverz weiger een weiriekenden adem geeft."
De laatste voorbereidselen zijn getroffen, een altijd wassend geraas golft om de
omtrekken van bet amphitheater en komt van alle kanten nader. De woelige kring
sluit zich enger op en omsingelt de nog ledige en bijna doodsche ruimte. Van de om-
ringende heuvelen dalen stroomen van menschen af, als zooveel nevenrivieren die naar
het dal stroomen, voor \'t vermaak van \'t Romeinsche volk ingericht, en die stroomen,
die elkander voortstuwen, houden stand aan den voet der muren. Zij dringen door de
benedenbogen naar binnen, stijgen als een opkomende vloed de trappen op, golven
door de galerijen, in de zijden van deze kunstmatige rots uitgehouwen, breken zich
baan door de binnenste openingen, en weldra braken de openingen der vomitoria,ge-
lijk aan spelonken waar het water zich opgehoopt heeft, stroomen toeschouwers over
de treden van het amphitheater. Ieder heeft plaats genomen op de rangen die hem zijn
aangewezen; geheel Rome is daar vertegenwoordigd.
Men wacht nog slechts op de komst van Cesar. Daar is hij, en van alle verdiepingen
rolt een donder van toejuichingen, die als een gemurmel onder de bogen weerkaatst.
De buitenste openingen der vomitoria worden als zooveel reusachtige spreekbuizen,
waar van de echo, onstuimiger dan de orkaan der woestijn, de wilde dieren in hunne
onderaardsche holen schrik aanjaagt. De trompetten geven het teeken voor de voor-
stelling, waar het grappige met het treurige, het vroolijke met het afgrijzelijke om den
palm dingen. Een koorddansende olifant klimt tot den top van het gebouw en daalt
weer langs de koord naar beneden. Een beer, als matrone gekleed, houdt, op een
-ocr page 66-
HET HEIDENSCH ROME.                                                45
draagstoel gezeten, een wandeling. Hier speelt een leeuw met vergulde klauwen, een
halsband om den nek en do van edelgesteenten flonkerende manen schuddende, niet
een haas; \'t is een koning die gedresseerd is om grootmoedig te zijn; daar nemen
gekleedo olifanten om ivoren tafels plaats, eten met alle deftigheid, drinken uit gou-
den bekers, strooien bloemen rond en dansen een pyrische dans.
Vervolgens komen de gevechten van menschen tegen wilde dieren. Voor de Grieken
was de slaaf een lichaam; voor do Romeinen was hij een ding, een werktuigelijk
wezen, een soort nul, mancipium. Wij zien dan ook geheel het volk. de ecrbiedwaar-
dige matrones zoowel als de kuische vestalinen, met begeestering toejuichen wanneer
een leeuw of oen luipaard met zijne klauwen of tanden het lichaam van een zwaard-
vechter of een martelaar verscheurt.
„Wanneer een leeuwin of een tijgerin, zegt Mgr. Gerbort, zich door een buitenge-
woon bloedbad, door een groote slachterij van dieren en menschen onderscheiden heeft,
wordt het volk door bewondering en verteedering er voor aangegrepen. Het zal zelfs
zoover gaan om zijn toekomstig genot uit dankbaarheid op te offeren voor het genot
dat het er van genoten heeft. Het zal vragen dat men haar naar de woestijn terug-
voere en daar de vrijheid hergeve aan deze heldin van \'t amphitheater, als belooning
voor haar groote daden. Inmiddels keurt het haar den triomf waardig ; van alle ban-
ken van het Colosseum begroeten haar razende toejuichingen wanneer zij, meesteres
van het slagveld gebleven, met langzame schreden over de lijkon harer slachtoffers
loopt, en voor haar-zelve de ruimte, die zij ontvolkt heeft, wil in beslag nemen.
Eindelijk is het oogenblik voor de gevechten van de zwaarvechters onderling aan-
gebroken. Zij trekken de Arena rond, en alvorens elkander om hals te brengen groeten
zij den keizer: „Ave caesar, morituri te salutant" Wees gegroet Cesar, zij die sterven
gaan, groeten u! Die tocht gelijkt op een lijkstoet die door het zwaard gedund zal
worden. De worsteling vangt aan met lichte schermutselingen, waarin al de bekwaam-
heid der strijders zich openbaart; maar langzamerhand wordt zij heviger; bij de eerste
wonde van het zwaard verbergt de strijder zijne kwetsuur. Is zij ernstig, dan vraagt
hij verlof om zich te mogen verwijderen ; maar meestal buldert het volk den van
bloed druipende toe: Recipe ferrum, ontvang het staal. Dat wil zeggen dat hij zijn
hals moet bieden aan zijn tegenstander. Spoedig daarop wordt zijn lijk met ijzeren
haken uit de omheining gesleept. De zwaardvechter is zonder een klacht gestorven.
Was het ook niet zijn plicht om te sterven V
Doch laten wij een einde maken aan die barbaarsche herinneringen. Welk is dat
zonderling ras van kalme, zachte, onverschrokken lieden, die bestemd schijnen te zijn
als voedsel voor nieuwe vermaken.
Voor de toeschouwers is het eene pikante nieuwigheid die mannen met opgeruimd
gelaat en ten hemel geslagen oogen, waar zij een onzichtbaar tooneel schijnen te aan-
schouwen, die tot het volk een redevoering houden alsof zij op het Forum stonden en
met gebeden en lofzangen antwoorden op het gebrul der leeuwen, die gereed staan
zich o]) hen te werpen.
Die mannen zijn Christenen, onze broeders, onze toonbeelden, die voor hun God
sterven gaan. Zij vreezen Cesar niet; als zij voorbij zijn loge gaan, werpen zij hem
deze uitdaging in \'t gelaat: Are Cesar, morituri te judicabunt, Wees gegroet Cesar,
zij die sterven gaan zullen u oordeelen.
Van dien dag af werd de waardigheid van den mensen bevestigd, de vrijheid uit-
-ocr page 67-
4<i                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
geroepen, het geweten ontlast; maar er waren niet minder dan twee eeuwen noodig
om hun de zegepraal te verzekeren te midden van de afdwalingen en gruwelen, waar-
aan het heidendom de wereld had gewoon gemaakt.
Hoeveel martelaren hebben hier de kroon der onsterfelijkheid ontvangen! Kustachius
een romeinseh generaal, met vrouw en twee zonen, de heilige maagden Prisca, Martina
en Tobiana, dochters van senatoren en consuls, hebben deze arena met haai\' bloed
gedrenkt. Uier riep Ignatins, bisschop van Antiochie uit: .Ik ben de tarwe van Chris-
tus, moge ik gemalen worden om een Hem waardig brood te worden." En zijn wensch
werd vervuld; de leeuwen, op hem losgelaten, lieten van het lichaam des kloeken,
tachtigjarigen martelaar nauwelijks een spoor over. Niet zelden verschoonden de dieren
de hun ten prooi voorgeworpen martelaren, legden zich aan hunne voeten neder, lik-
ten hun de handen en bewezen hun de aanhankelijkheden van een trouwen hond,
soms tot groote verwondering, maar meest tot groote spijt der heidenen, die zich te-
leurgesteld gevoelden als het bloed der Christenen niet stroomde. Ontelbaar zijn de
martelaren die hier voor Christus\' naam leden, hunne namen alleen zouden een boek-
deel vormen. Zoo werden hier 200 Christen soldalen op bevel van Claudius door boog-
schutters met hunne pijlen gedood. liet (\'olloseum en de Catakomben zijn de heerlijkste
monumenten van Rome; want nergens behaalde het gelooi\' in Christus heerlijker o ver-
winningen, en wanneer men den door het bloed van zooveel duizenden martelaren
doordrenkten bodem van dit reuzen-aniphitheater betreedt, is men geneigd het Louis
Veuillot na te zeggen: ..Als ik op dezen bodem nederkniel, voel ik er mijn eigen hart
sidderen."
Na de zegenpraal van Constantijn, die ook de zegepraal van het Christendom was,
bleven nog veel heidensche gebruiken en misbruiken bestaan en onder deze ook, trots
het verbod van veel christen keizers, dat der zwaardvechterspelen, vooral toen de zetel
van de regeering naar Constantinopel was overgebracht en soms heidensche prefecten
in Rome het keizerlijk gezag vertegenwoordigden. Zoo was het ook oj) den lsten Januari
van het jaar 404, terwijl Alipius stadhouder van Rome was. Er zou een groot zwaard-
vechtersfoest gegeven worden. Alle rangen waren dicht met toeschouwers bezet, die
reikhalzende het oogenblik verbeidden dat hun het geliefkoosde gruwzame schouwspel
zou doen genieten. Onder die nieuwsgierige op bloed beluste menigte merkte men een
grijsaard op, die geheel in zich-zelven gekeerd, doof en blind scheen te zijn voor
hetgeen om hem plaats greep. Daar schetteren de trompetten en de zwaardvechters
treden op. Eerst schermen zij met houten zwaarden, als om hunne krachten en die
hunner tegenstanders te beproeven, maar weldra flikkert het staal in hunne vuisten
en het bloedig spel zal een aanvang nomen. Maar ziet, op het zelfde oogenblik is
ook de monnik van zijn steenon zitbank opgestaan; hij klimt over de banken, springt
over het ijzeren hek van het podium, ijlt naar het midden der Arena, vat met sterke
hand de strijders vast en werpt ze, als door een dwarrelwind, van elkander in het
rond, terwijl hij met een donderende stem, die door alle bogen wordt weerkaatst, uit-
roept: ,.\'t Is heden de achtste dag van \'s Hoeren geboorte; laat at\' eindelijk van die
gruwelen van het bijgeloof, niet die schandelijke offers en wreede vermaken ! De
Heere Jesus is xi geboren ; geloof in Hem en gij zult behouden worden !"
Een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring volgde op deze woorden en deze daad.
De toeschouwers raasden en tierden en eischten den dood van den vermetele; er
ontstond een ware opstand, men wierp met brokken steen naar hem om hem te ver-
-ocr page 68-
HET HEIDENSCH HOME.                                               47
pletteren; de soldaten drongen tusschen de menigte om de orde te doen herstellen.....
maar alles tevergeefs; de woedende menigte bleef den dood van den vermetele met
onstuimiger geweld eisenen. De landvoogd gaf gehoor aan het steeds dreigender ge-
roep en beval de zwaardvechters den vreemden rustverstoorder ter dood te brengen
en weldra telde het Colosseum een martelaar meer, maar Amalchius of Telemachus,
zooals deze Christenheid ook wel genoemd wordt, was ook de laatste martelaar wiens
bloed door liet zand der Arena was ingeslurpt. Zoodra keizer Ilonorius van het ge-
beurde kennis kreeg, vaardigde hij een streng verbod uit tegen de zwaardvechters-
spelen en alle bloedige spelen, die in \'t geheele rijk werden afgeschaft, terwijl Tele-
maehus onder het getal dei\' martelaren werd opgenomen. „Het moet voorzeker een
vreemden indruk op het Romeinsche volk gemaakt hebben," zegt pastoor Van der
Horst 1), „dat do dood van een enkelen armen, onbekenden man, die daarenboven
tot de gehate sekte dor Christenen behoorde;, zulke onverwachte gevolgen na zich
sleepte. Immers een menschenleven bezat zoo weinig waarde, dat niemand er over
nadacht, wanneer honderden zwaardvechters elkander vermoord hadden, alleen om
de toeschouwers te vermaken en den vervelenden tijd te dooden. En nu werd slechts
één arme monnik, die hunne lustspelen kwam storen, voor zijn vermetelheid met den
dood gestraft, en de zwaardvechters stoven uit elkander, de duizenden van toeschou-
schouwers werden verjaagd, en het oppergezag des rijks sloot het Colosseum onher-
roepelijk voor allo bloedige schouwspelen.
Zoo eindigde Telemachus glansrijk zijne zending, verbrak voor immer het zwaard
dor gladiatoren, waarmede het beroep van zwaardvechter voor goed was afgeschaft,
niet slechts in het Colosseum, maar ook in al de Amphitheaters van het gansche we-
reldrijk. En gelijk in de meeste groote gebeurtenissen van het Godsrijk op aarde, zoo
ook hier: God bediende zich van het kleine, van liet geringe, van liet nietswaardige
volgens de wereld, om de misdaden en gruwelen van 300 jaren te doen ophouden,
en de liefde van het Christendom te doen zegevieren over de wreedheid van het
Heidendom."
Volgens de nieuw ontdekte bescheiden zdu dit zwaardvechtersspel gegeven zijn ter
eero van do overwinning die Stilico, de beroemde veldheer van keizer Ilonorius, op
Paaschdag van het jaar 403 bij Pallentia op den Gothenkoning Alarik bevochten had.
De Romeinen baden Ilonorius, die beurtelings te Milaan of in het sterkere Ravenna
zijn residentie hield, naar Iiomc te komen, waar men den overwinnaar de eer der
zegepraal wilde geven. Ilonorius gaf toe en ging met Stilico naar de Eeuwige Stad.
In December van het jaar 403 werd hij aan de Milvische brug (de Ponte Molle, een
weinig buiten de Porta del Popoio) feestelijk ontvangen en zegepralend Rome binnen
gevoerd, waar groote feestelijkheden ter zijner eer werden gegeven. Onder die feeste-
lijkheden behoorde ook het bovenvermelde zwaard vechtersspel. Het keizerlijk hof
woonde de voorstelling bij ; of de keizer-zelf er bij tegenwoordig was, vindt ik niet
vermeld en betwijfel het; \'t is oer zeker dat hij er niet was. Terwijl het gevecht in
vollen gang was, had de gebeurtenis plaats die Telemachus het leven koste, maar de
martelaarskroon verschafte. Ilonorius verbood nu streng do zwaardvcchtersspelen, die
dan ook na dien dag niet meer plaats hadden. De gevechten van wilde dieren hielden
evenwel tot in de Middeneeuwen stand.
1) J. J. vaii der Horst. Ue Martelaren vau het Colosseum.
-ocr page 69-
48                            HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
Wie was de bouwmeester van liet Colosseum? Eeuwenlang was zijn naam onbekend
en men verbaasde zich er over, dat geen der talrijke Romeinsche schrijvers, die over
het Amphitheater dor Klavier schreven, zijn naam voor de nakomelingschap bewaard
hebbon. .Maar hot geheim van dit onverklaarbaar stilzwijgen wordt ons ontsluierd
door een steen, welke zich bevindt in de Crypte van de kerk van de II. Martina, waar
eenmaal do tempel van Mars stond. Het opschrift van dezen steen luidt als volgt:
..liet is dus alzóó, wreede Vespasiaan, dat gij beloont ? Gaudentius, de dood is dan
uw vergelding ? Verheug u, o Rome, wiens keizer zich bepaalt bij beloften te doen
aan den ontwerper van dit uw prachtgebouw ; want Christus vervult voor u die be-
loi\'ton, Hij, die u in den hemel eene andere schouwplaats heeft bereid."
Gaudentius was of werd dus Christen; vandaar dat de Heidensche schrijvers zijn
naam verzwijgen, hem den roem van zijn meesterwerk trachtten te onthouden. Maar
zijn naam leeft voort en overtreft in roem dien van Vespasiaan, van Titus, van allen
die aan den reuzenbouw medewerkten ; zijn naam, uit de annalen der geschiedenis
verwijderd, staat opgeteekend in het Boek des Levens. Wij zullen ons vluchtig over-
zicht van het Colosseum besluiten met een schitterende bladzijde uit Chateaubriand:
„Op een schooncn Juliavond," zoo schreef hij, „was ik in het Colosseum gaan zitten
op de treden van een der altaren aan \'s Heeren lijden gewijd. De ondergaande zon
goot stroomen van goud door al de galerijen, waar eertijds de stroom der volken
golfde ; terzelfder tijd doken sterker schaduwen op uit de diepten der loges en der
gangen, of violen in breede zwarte strooken op den grond. Boven van de muren van
don bouw zag ik tusschen de puinhoo2Jen, rechts van het gebouw, den tuin van het
paleis dor Cosars, met een palmboom in *t midden, die daar met voorbedachtheid voor
de dichters en schilders op die overblijfselen geplant scheen. In plaats van de vréugde-
kreten, die de toeschouwers eenmaal in dit Amphitheater deden hooren als zij de
Christenen door de leeuwen zagen vaneen rijten, hoorde men slechts het geblaf van
den hond des kluizenaars, die deze bouwvallen bewaakt. Maar zoodra was niet de zon
aan don gezichteinder verdwenen of de klok van den koepol van St. 1\'ieter weerklonk
onder do bogen van het Colosseum. Dit verkeer, door de godsdienstige toonen tusschen
(U\' twee grootste monumenten van het Christelijk Rome tot stand gebracht, wekte een
diepe ontroering bij mij op : ik dacht er aan dat het nieuwere gebouw zou instorten
als het andere ; ik dacht er aan hoe de monumenten elkander opvolgen als de men-
schcn, die ze hebbon opgericht; ik riep in mijn geheugen die Joden terug, die in hun
eerste gevangenschap aan de Pyramiden en de muren van Babyion zwoegden, bij hun
laatste verstrooiing dit reusachtig Amphitheater bouwden. De gewelven, die het geluid
dor christelijke klok weerkaatsen, waren het werk van een Hoidensch keizer, in de
profctien aangewezen voor de laatste verwoesting van Jerusalem. Zijn dat geen hooge
onderwerpen voor oen overweging, on meent gij niet dat een stad, waar zich dergelijke
indrukken bij eiken stap voordoen, waard is bezocht te worden V"
In hot langwerpig dal, dat zich tusschen de Palentijnsche heuvels uitstrekt, stond
eenmaal de Groote Circus (Circus Maximus), door zijn pracht en uitgestrektheid een
dor heerlijkste bouwwerken van het Rome der Keizers. Tijdens de Republiek stond
daar reeds een houten circus, die allengs voor een steonen plaats maakte, totdat Julius
Cesar, door verfraaiing, en uitbreiding het aanzijn schonk aan den beroemden Circus
Maximus. De (Jrieksche geschiedschrijver heeft van dit prachtig bouwwerk eene be-
-ocr page 70-
X
m
^
H
r
r
o
r.
0
r
r
o
o
r/i
/:
r/i
CC
m
rr
c
G
<:
-ocr page 71-
11 ET HEIDENSCH HOME.                                                49
schrijving nagelaten, waaraan de volgende bijzonderheden ontleend zijn. Evenals de
amphitheaters en theaters bestond de circus ook uit opstijgende zitplaatsen, door gangen
en trappen van elkander gescheiden; maar het grondplan was geheel anders, daar het
uit een langwerpige ellips bestond waarvan de lengtezijden evenwijdig liepen en de
smalle zijden afgerond waren, zoodat de ren vlak te een lange aan beide einden afge-
ronde baan vormde. Te midden van deze baan bevond zich de spina, een soort muur,
die de baan in twee helften deelde. Deze spina was bovenop versierd met prachtige
beelden enz,, terwijl aan het boven- en benedeneinde de grenspalen stonden om welke
de wagens moesten heen zwenken en waartegen zij niet zelden te pletter liepen.
Augustus plaatste te midden van de spina van den circus Maximus den Egyptischen
obelisk die thans het Volksplein (Piazza del Popoio) siert, en Konstantijn de Groote
een anderen, welke nu o\\> het plein van St. Jan van Lateranen staat. De groote Circus
van Caesar kon 150.000 toeschouwers bevatten; door den brand onder Nero, die in de
tegen den circus geplaatste winkels ontstond, grootendeels vernield, werd hij in nog
grootere verhoudingen herbouwd, zoodat hij 250.000 personen plaats bood, terwijl een
nieuwe uitbreiding in de 4dc eeuw aan 385.000 personen de gelegenheid verschafte de
wedrennen bij te wonen. In vroegere tijden werden de circus voor allerlei lichaams-
oefeningen, wedstrijden, zwaardvechtersspelen en militaire vertooningen gebruikt, maar
in den lateren keizerstijd bijna uitsluitend voor de wagen wedrennen, waarvan de Ro-
meinen hartstochtelijke minnaars waren. De Kom. wedrenwagen (Inga of quadriya)
geleek op een soort schelp, van voren rond en afgesloten, van achteren open, en die
op twee wielen rustte ; hij was met twee of vier paarden bespannen. De wagenmen*
ner stond in zijn wagen en vuurde met de zweep en groot geschreeuw zijne rossen
aan. De grootste moeielijkheid bestond in het draaien om de grenszuilen van de spina,
en wanneer de menner zijn draai te kort nam of door zijn mededinger te veel werd
gedrongen, verpletterde hij niet zelden zijn voertuig en zich zelven tegen de zuil. De
wagenmenners waren in verschillende, gewoonlijk vier, kleuren gekleed en vertegen-
woordigden meestal bepaalde partijen; de wedrennen gaven aanleiding tot groote wed-
denschappen en deze waren niet zelden oorzaak van groote onlusten. In Constantino-
pel, waar met het Romeinsche Hof ook de wagenrennen ingevoerd waren, gaf in 531
een twist tusschen de partijen der groenen en der blauwen, de twee kleuren der men-
ners, aanleiding tot een gevaarlijk oproer, waarbij keizer Justinianus groot gevaar
liep het leven te verliezen en de prachtige Aya Sofia in vlammen opging.
Alleen de moed van Theodora, \'s keizers gemalin, belette dezen lafhartig de vlucht
te nemen.
Toch hebt gij eens gebeefd, \'t was toen der groenen woede
De renbaan uit langs plein en straten joeg
En, door uw killen spot geprikkeld tot den bloede,
De hand aan uwe krone sloeg;
\'t Was toen des oproers kreet dreunde om den Gouden Horen ;
„Gevloekt Sabatius, uit wien hij is geboren!"
De Aya Sofia in de vlammen ging verloren,
En \'t grauw uw leven vroeg I
Aldus bezingt Dr. Schaepman in zijn „Aya Sofia" deze gebeurtenis.
De wagenmenners waren gewoonlijk lieden uit de lagere klassen, maar niet zelden
werden zij, die de overwinningen behaalden, door het volk met grooten jubel begroet
5
-ocr page 72-
50                           HOME IN ÜESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
en als de Hom du jour gevierd. Nero, altijd hunkerend naar ijdelen roem en toejuichingen,
trad zelf als wagenmenner in den circus op, zich verlagende tot eene daad, waartoe een
eenvoudig en vrij burger van eenigen stand zich niet zou hebben laten verleiden. Rome
bezat oen aantal van die renbanen, maar van de meesten is weinig overgebleven; het
host bewaard werd die van Maxentius, waarvan men bij den Appischen weg de over-
blijfselen vindt. Deze kon evenwel in grootte en luister niet met den circus Maximus
wedijveren; hij bood slechts plaats aan voor 17.000 toeschouwers.
Aan ScHorwBl\'RUEN of Theaters ontbrak het in Home al even min; de meest
bekende waren die van Pompejus, met ruimte voor 40.000, van Balbus voor 30.000 en
van Marcellus voor 20.000 toeschouwers. Van dezen laatsten vindt men eenige fraaie
gedeelten van den onderbouw bij de Piazza Montana. Het Romeinsche theater bestond
uit twee gedeelten; een groot vierkant gedeelte dat het tooneel en verdere benoodigde
ruimten voor de tooneelspelers bevatte, en een halt\'cirkelvonnig gedeelte voor de
toeschouwers.
Behalve de amphithoaters, renbanen en schouwburgen had men ook nog de NAU-
machiae, die, zooals de naam aanduidt, dienden tot het geven van voorstellingen van
zeegevechten; de meest bekende was die van Augustus, aan den Tiber gelegen. Later
weiden ook de amphithoaters voor die spelen gebruikt.
Een weinig voor den, naar \'t Kapitool gekeerden, ingang van het Colosseum, ziet
men een soort kleine piramide uit gebakken steen, die den naam van Mefa siidans
(de zweetende mijlpaal) draagt. Eertijds was deze met marmer bedekt en met een
beeld bekroond; uit den top der piramide stroomde water over de geheele oppervlakte
er van, van waar de naam sudana; het water uit deze fontein kon afgeleid worden
om het ainphitheater onder water te zetten, hetzij voor scheepsgevechten, het zij voor
gevechten van watermonsters, zooals lïvierpaarden en krokodillen, onderling, want de
Romeinen ontzegden zich niets van al datgene wat aan hun afgestompte zinnen nieuwe
prikkeling kon geven.
VI. OPENBARE EX BIJZONDERE GEBOUWEN, TEMPEES.
Van alle openbare gebouwen van oud-romeinschen oorsprong komt in de eerste
plaats het Kapitool (Capitolium), het middelpunt, het hart van \'t staatkundig leven
van het oude Rome. Op den kleinsten, maar een der hoogste der zeven heuvelen
gebouwd, bevatte het zoowel het nationaal heiligdom als den burg van Rome. Daar
werden de lotgevallen der gansche wereld beslist, daar werden de triomfen gevierd,
en gansch die heuvel was als \'t ware één enkel gedenkteeken, één monument van
ltome\'s macht en grootheid. Ofschoon het hedendaagsch Kapitool niets meer van
zijn vroegere inrichting heeft behouden, is het toch nog heden een imposante massa
en laat het niet na een grooten indruk te weeg te brengen. Bangs een broeden
trap met leuning stijgt men op naar den top van den heuvel; onder do balustraden
liggen twee prachtige leeuwen van zwart graniet, van Egyptischen oorsprong: won-
der schoone beelden van kracht en majesteit, den koning dor dieren waardig; boven
aan den trap twee reusachtige marmeren groepen, Castor en Pollux voorstellende
naast hunne paarden. Pius IV liet ze hier plaatsen toen men ze in het Ghetto had
opgedolven; achter deze groepen twee kolommen; die rechts bij \'t opgaan is de oude
mijlpaal, de eerste op den Appischen Weg, waar zij in 1584 gevonden werd; do
-ocr page 73-
HET HEIDENSCH ROME.                                                 51
linksche heeft geen geschiedkundige waarde en is er slechts als pendant van de eerste
geplaatst. Op den top gekomen ziet men in \'t midden van het plein (Piazza del
Campidoolio) het prachtige bronzen, eertijds vergulde, ruiterstandbeeld van Marcus
Aurelius. Het werd nabij het paleis van Lateranen gevonden en op last van Sixtus IV
hierheen gebracht; het voetstuk is van Michelangelo, het eenige van dien aard dat
ongeschonden tot ons is gekomen. Aan beide zijden van de plaats verheffen zich
gebouwen, waarover wij nader zullen spreken, terwijl men aan den overkant van den
trap, dien wij opgeklommen zijn, een helling ziet, die van het Kapitool naar de via
sacra
leidt; deze helling is de beroemde CU rus capitolinus. Aan de zuidoostzijde,
waar thans de tuin is van het Duitsche oudheidkundig Museum, wijst men de rots aan
die men voor de zoo bloedig beruchte Tarpëische Rots houdt (zie bldz 3). Ken-
maal daalde zij ter hoogte van 170 voet loodrecht naar beneden, en vormde een vree-
selijken afgrond vol scherpe punten en rotsuitsteeksels, die tot in den Tiber, die eenmaal
hier langs vloeide, afdaalde. De verraderes Tarpeia werd, tot straf voor haar verraad,
van deze vreeselijko hoogte afgeworpen; hetzelfde lot trof in :$iS4 voor Chr. Marcus
Manlius, dien men beschuldigde tegen de Republiek samen te spannen; in 486 onder-
ging Spurius Cassius de zelfde straf. Vóór en na dezen vonden tallooze misdadigers
en verraders, of als zoodanig beschouwden, een vreeselijken dood, terwijl hun lichaam,
van rots tot rots bonzende en aan elke punt, elk uitsteeksel bloedige brokstukken
achterlatende, in de gele wateren van den Tiber terecht kwam. Het door Mirabeau
voor \'t eerst gebezigde gezegde: Er is slechts een stap van het Kapitool tot de
Tarpëische Rots, moet zeker ook wel in den geest gekomen zijn van den met eer en
toejuichingen overladen zegepralenden overwinnaar, als hij op het Kapitool de beloo-
ning voor zijne overwinningen ging ontvangen; want de argwanende ijverzucht van
het Republikeinsch Rome was vaak maar al te geneigd om in den machtigen veldheer
een gevaar voor zijne instellingen te zien; een vrees die door Cesar en Augustus
maar al te zeer gewettigd werd. Alvorens het Kapitool nader te bespreken zooals
het in zijn tegenwoordigen toestand is, moeten wij eenige oogenblikken stilstaan bij
het oude Capitolium.
Reeds zeer vroeg, onder de eerste koningen, werden de grondslagen voor het Ka-
pitool gelegd ; de cyclopische fondamenten, uit groote brokken steen bestaande, die
zonder cement op elkander werden gevoegd en waarvan nog overblijfselen voorhanden
zijn in de tegenwoordige gebouwen der Duitsche Ambbassade, het vroegere Palazzo
CAFFARELLI, getuigen zoowel van de oudheid als van de hechtheid van dit bouwwerk.
Het wordt met de (\'loaea Majrimii aan Tanpunius Priscus toegeschreven. Servius
Tullius had den kapitolijnschen heuvel reeds vroeger door een vestingmuur doen
omringen. Links lag de wonderschoone tempel van Jupiter Capitolinus, aan den Ka-
pitolijnsche Jupiter, Juno en Minerva, de drie voornaamste schutsgoden van het oude
Rome, gewijd ; rechts de citadel of burg en aan den afhang daarvan lag de Tarpëische
Rots; in \'t midden, Inter montium, lag een geheiligd bosch, dat ten allen tijde als vrij-
plaats gold ; tusschen deze hoofdgebouwen waren tallooze tempels en heiligdommen,
aan verschillende goden gewijd. Bronzen poorten sloten het Kapitool af.
Het voornaamste gebouw was wel de Jupitertempel, een paralellogram van 70 M.
lengte op 30 breedte en aan drie zijden door een trotschon zuilenhal van marmer om-
geven. De voorgevel, tusschen oosten en westen, bestond uit een galerij met drie rijen
kolommen, waarop een heerlijk fronton rustte, met verguld bronzen standbeelden en
-ocr page 74-
52                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
op don top met oen vierspanszegewagen versierd\'. De zijkolonnaden vormden elk een
galerij van twee zuilenreeksen. Hoven den ingang prijkte een rij vergulde schilden,
waar onder liet gouden schild door Marius op Hasdrubal veroverd. Overal waren
wapentrofeën, standaarden, wapenen en andere op den vijand behaalde zegeteekenen
opgehangen. De poort en de drempel van dit prachtige gebouw waren van brons, de
treden van marmer. liet gebouw was gedekt met verguldbronzen pannen, terwijl de
koepel van boven open en onbedekt was.
liet inwendige, welks pracht in overeenstemming was met die van het uitwendige,
was in drie deelen verdeeld, elk aan een der drie bovengenoemde goden gewijd. Het
midden aan Jupiter, links aan Juno, rechts aan Minerva. Onder dezen tempel was de
bewaarplaats der Sibylijnsche Boeken (ziebladz. 5) In\'t midden van den tempel bevond
zich het beeld van Jupiter, liet hoofd met een gouden stralenkrans omringd; de lin-
ker hield een schepter, de rechter een gouden bliksem; het gelaat was met vermiljoen
beschilderd en een purperen toga dekte het lichaam. Rondom den tempel stonden
de beelden van de voornaamste goden van Home en van beroemde personen. Daar
was de vermaarde bronzen Hercules, in Tarenta buit gemaakt; een veertig voet hooge
Apollo, uit het Oosten afkomstig; twee Jupiters, waarvan een van goud; helmen en
wapenrustingen door Spurius Servilius op de Samnieten buit gemaakt; een verguld
bronzen ruiterstandbeeld van Scipio Africanns, gouden Victorie-beeldjes, en een gouden
groep, Jugurtha voorstellende door Bacchus aan Sylla overgeleverd. Aan de overzijde
was de citadel met den tempel van Juno Moneta (de raadgevende Juno). Niet ver van
dezen tempel was de Curia Calabra. Achter het Intermontium was het archief (Tabel-
larium)
waar, onder meer, ook de op metalen platen gegriffelde verdragen, die Home
met de vreemde volken had gesloten, zich bevonden. Naar het Forum liepen twee
schuine wegen of hellingen, de reeds genoemde Clivus Capitolinus en de Clivus
Sa eer,
die naar de reeds genoemde vrijplaats voerde. Langs de Clivus Sacer bevond
zich ook de beruchte MamertijnscHE Gevangenis aldus, genoemd naar Ancus Martius,
den vierden koning van Home. Deze sombere gevangenis was in de rots uitgehouwen
en bestond uit twee boven elkander liggende kerkers. Men stijgt thans langs een
trap van vijf-en-twintig treden naar den bovensten kerker af; maar die trap is van
latere dagteekening; ten tijde der oude Romeinen was die er niet en de gevangenen
werden door middel van een koord door een vierkante opening, thans met een ijzeren
rooster dichtgemaakt, in het kerkerhol afgelaten; rechts was een klein luchtgat, waar-
door ook een weinig licht drong. De geheele ruimte is niet meer dan 6 meter lang
op 3 nieter breed. Onder dezen eersten kerker lag een tweede, de robur Tulianum, aldus
genoemd naar Rome\'s zesden koning Servius Tullius. Ook in dit hol werden de gevan-
genen door een gat afgelaten. In deze hel werden de ter dood veroordeelden omgebracht,
terwijl de daar boven zich bevindende gevangenen hun doodstrijd konden hooren en
zelfs aanschouwen. Onder dit hol waren de Gemoniën, (de trap der Verzuchtingen, van
het klaaggeschrei) aldus geheten naar het geweeklaag van hen die hem bestijgen
moesten; ook werden de lijken der terechtgestelden met ijzeren haken er langs opge-
sleept om in den Tiber geworpen te wordea. In den bovensten kerker zaten zij over
wier lot nog moest beslist worden. Wie zal de klachten, de verwenschingen, het jammer
verhalen waarvan deze kerker getuige was, wie de namen kunnen noemen van hen
die er een ellendigen dood vonden. De geschiedenis heeft enkele dier namen bewaard.
Daar stierf Jugurtha, koning van Numidië, den hongerdood; vijf medeplichtigen in
-ocr page 75-
II ET II EI DEN SCII ROMP:.                                              f>3
de samenzwering van Catalina werden er op bevel van Cicero geworgd; Aristobulus
en Tigranus, Sejanus, eenmaal Tiberius\' gunsteling, Simon, de zoon van Jonas, opper-
hoofd der Joden, stierven daar een gewelddadigen dood; maar wie zal de namen noe-
men van de tallooze vorsten en veldheeren van overwonnen volken die daar, na
achter den zegekar van den overwinnenden veldheer diens triomf te hebben verhoogd,
werden afgemaakt; want de overwinnaar mocht alleen na het beruchte: actum est
(\'t is gedaan), het Kapitool bestijgen.
De Mamertijnsehe gevangenis was oorspronkelijk niet voor kerker bestemd en het
is nog volstrekt niet zeker dat zij haar ontstaan aan Ancus Martius en Servius Tullius
te danken heeft. Evenwel wijst haar zware en massieve bouw op een zeer hoogen
ouderdom, die zeker tot den tijd der Koningen opklimt. In de oudste tijden bevond
zich aan den voet van het Kapitool een bron, die nog heden aanwezig is en waarvan
het ontstaan, ten onrechte, aan den H. Petrus wordt toegeschreven, die haar wonder-
dadig zou hebben doen vloeien om de door hem bekeerde gevangenbewaarders te
kunnen doopen. Boven deze bron werd een huis of bronnehal gebouwd, die den
naam van Tullianum droeg, terwijl door kanalen of buizen, die nog aangewezen kun-
nen worden, een afvoer van het overtollige water naar den Tiber werd verzekerd.
Deze bron voorzag de eerste bevolking van Rome van het noodige drinkwater en
werd derhalve in hooge eer gehouden.
Onder de Republiek werd het kleine bronnehuis door vergrooting en aanbouw tot
een staatsgevangenis ingericht en van deze verbouwing dagteekent ook het vlakke
gewelf van den ondersten bouw, met deszelfs eenige opening in het midden, waarvan
wij zooeven spraken. Een opschrift op de buitenzijde, de namen van de consuls
Vibius Rufinus en Cocceius Nerva vermeldende, wijst hoogstwaarschijnlijk op een
latere restauratie.
Volgens de legende zouden de H.H. Petrus en Paulus vóór hun marteldood daar
verscheidene maanden opgesloten geweest zijn en hun gevangenbewaarders Proces-
sus en Martinianus, benevens zeven en veertig medegevangenen, bekeerd hebben,
en toen zou dan ook, op het gebed van den H. Petrus, de bron op wonderdadige
wijze ontsprongen zijn. Deze legende, die algemeen voor waarheid werd en wordt
aangenomen, berust ongelukkigerwijze alleen op de onechte Passio Sancti Petri, een
apocrief verhaal dat aan den romeinschen bisschop Linus wordt toegeschreven en
later in de acten van de martelaren Processus, Martinianus en gezellen werd opge-
nomen. Geen enkele betrouwbare en degelijke grond is evenwel aan te voeren voor
deze legende en het is zelfs een onmogelijkheid dat in deze enge ruimte van 6 meter
lang en 3 meter breed, negen en veertig personen, behalve de beide Apostelen,
plaats konden vinden. De oorsprong van deze legende kan dan ook niet hooger dan
tot de 6e eeuw worden opgevoerd, en ofschoon de vereering der martelaren Processus
en Martinianus tot de eerste tijden der Kerk opklimt, is het volstrekt niet bewezen
dat zij in eenig opzicht in betrekking hebben gestaan tot de H.H. Apostelen Petrus
en Paulus.
In het jaar 368 werd de plaats nog als openbare gevangenis gebruikt en droeg zij
nog den ouden naam van Carcer Tullianus (gevangenis van Tullius), maar er wordt
geen gewag gemaakt van de Apostelen. In de 5,lc eeuw komt zij onder denzelfden
naam en ook onder dien van Cwtodia Tulliana voor en maakt men gewag van de
oude waterkanalen; in later martelaarsgeschiedenissen, o. a. die van den H. Calepodius,
-ocr page 76-
54                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
don II. Sistus on don II. Stephanus komt voor \'t eerst de naam Cmtodia of Privata
Mamertini
voor, zonder dat men weet van waar die naam af komstig is. Nergens even-
wel vindt men gewag gemaakt van de overlevering betreffende den II. Petrus. De ver-
eering van deze plaats dagteekent dan ook van veel lateren tijd, die zeker niet veel
voor of misschien in hot begin van de 15° eeuw valt. Niet onwaarschijnlijk is het
evenwel dat er eenig verband bestaat tusschen do Mamertijnsche gevangenis en het
verblijf van den II. Petrus te Rome, maar tot heden hooft men dat verband nog niet
kunnen aanwijzen. Do Petrus-logende, zooals die algemeen wordt aangenomen, berust
oven wel op geen enkel historisch gegeven (1).
Wenden wij nu den blik naar het huidige Kapitool. De achtergrond wordt ingeno-
men door hot Paleis dor Senateurs, op de plaats waar eenmaal het Tabellarium was,
en dienent voor do zittingen van don Gemeenteraad, en links het Museum, rechts
hot paleis dor Conscrvatori. Hot paleis der Senateurs werd onder de regeering van
paus Monifaeius gebouwd; de fontein en de trap zijn het werk van Michelangelo. De
groote zaal is versierd met de beelden van Paul III, (iregorius III en Karel van Anjou
Daar bevindt zien ook het observatorium, van waar men een verrukkelijk vergezicht
over Porno on de (\'ampagna romana heeft.
Het Paleis der conservatori bezit een rijke verzameling antieke bronzen beelden,
bustes, bas-reliefs on andere kunstvoorwerpen. Aan den ingang kan men een prach-
tigen leeuw bewonderen, bezig zijnde oen paard te verscheuren; de vier bas-reliefs, die
den trap versieren, zijn afkomstig van den zegeboog van Marcus Aurelius.
Het Museum, het rijkste na dat van het Vaticaan, bevat een schat van oude kunst-
voorwerpen, waar onder in de zoogenaamde keizerszaal een prachtig beeld van Agrip-
pina uitmunt; verder vindt men er de borstbeelden van 83 romeinsche keizers en kei-
zerinnen. Wij zullen al die kunstschatten niet bij name noemen, door men ze in eiken
Gids van Rome kan vermeld vinden. Het Museum werd aangelegd door Paus Sixtus IV
in 1471. Pius V, Clement XI, Clemens XII, IJenedictus XIV, Pius XII en Leo XII ver
lijkten het voortdurend door heerlijke kunstvoorwerpen.
Het bost bewaarde monument uit den Romeinschen keizerstijd, is zeker wel het
Pantheon van Acimita, thans veranderd in de Kerk van Sta Maria de\' Martiri;
wij zullen er nader over spreken hij hot behandelen van do kerken van Rome, in hot
jj\'io gedeelte.
Eenige andere bouwwerken en godenkteekenen van het oude Rome, zrtoals b.v. het
Mausoleum van Hadrianus, thans de Engelenburg, do Padstoven van (\'aracalla enz.,
zullen wij bespreken, wanneer wij ze op onze wandelingen door Rome zullen ontmoeten.
(1 | Zitv o. a. 1\'. U. Grisar, Qesrhichte Roms u. s. w.
-ocr page 77-
HET ONDERAARDSCHE ROME
-ocr page 78-
-ocr page 79-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         hl
HET ONDERAARDSCHE ROME.
I. CHRISTENDOM TEGENOVER HEIDENDOM.
Uitbreiding van het Christendom. Verhouding van het Christendom tegenover den
Romeinschen Staat. Oorzaken der Vervolgingen. De Vervolgingen.
Het Christendom had reeds kort na den dood van deszelfs goddelijkon stichter eene
groote uitbreiding verkregen, en daar de Joden den in hun midden geboren Messias
weigerden te erkennen, werd de Blijde Boodschap eerst den heidenen ten deel, en niet
alleen waren het de armen, do verdrukten, de slaven die den nieuwe godsdienst om-
helsden, maar ook de grooten, de machtigen der aarde. Dat het Christendom spoedig
in Rome bekend moest worden en talrijke aanhangers vinden, ligt voor de hand. Judea
was bij de geboorte van Christus reeds aan de Romeinsche heerschappij onderworpen,
zooals wij uit het Evangelie van den H. Lucas zien en zooals do geschiedenis hot ons
ook leert, en de Romeinsche landvoogd Pontius Pilatus veroordeelde den Christus,
hoewel hij geen schuld in hom vond, tot den smadelijken kruisdood. Hetgeen in
Jerusalem gebeurd was, moest terstond in Home bekend zijn ; niet alleen door de
ambtelijke verslagen, die de landvoogd gehouden was den keizer toe te zonden, maar
ook door de velen die van den dood des Verlossers en van de wonderen, welke den-
zelven vergezelden, getuigen waren geweest, en het is zeker, alhoewel de Hande-
lingen der Apostelen of de kerkgeschiedenis het niet uitdrukkelijk vermelden, dat
onder deze velen zich tot het geloof van den gekruiste bekeerden en bij hunne terug-
komst te Rome ook onder hunne verwanten en vrienden de nieuwe leer verspreid-
den en bekeerlingen maakten. Wie daar aan soms twijfelen mocht leze den brief van
den H. Paulus aan die van Rome, vooral het 16d(\' Hoofdstuk, waar de Apostel vele
geloovigen met name noemt, om hun zijne groeten over te brengen en waarvan niet
weinigen ter uitbreiding van het geloof arbeidden, zooals Thryphena, Thryposa, Persis
die zegt hij, ,.in den Heer arbeiden", wat zeker wel beduidt dat zij de geloovigen ver-
sterkten en ook anderen tot het geloof zochten te bekeeren. Drie en dertig jaren na
den dood des Verlossers waren de bekeerlingen in Home reeds zeer talrijk en niet
meer, als in den beginne, met de Joden verward ; om hen te vervolgen moet men
reeds dwaze beschuldigingen tegen hen uitdenken. In de Europeesche landen zijn zij
reeds tot in Spanje doorgedrongen, en Muratori heeft aldaar een steen met inschrift
-ocr page 80-
58                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
gevonden, waarin Nero wordt geprezen als uitroeier van hen, die het menschelijk ge-
slacht eene nieuwe bijgcloovigheid inprenten. Onder de verspreiders van die nieuwe
bijgcloovigheid werden de christenen bedoeld. Lucianus zegt dat Pontus, zijn vader-
land, overstroomd was door Epicuriërs (aanhangers van het wijsgeerig stelsel van
Epicurus) en door (Minstenen, en tachtig jaren na de geboorte van Christus beklaagt
Plinius er zich reeds over dat de tempels leeg stonden en de offers geen koopers von-
den; hij geeft daarvan de schuld aan de christelijke bijgcloovigheid, die tot in de
gehuchten en de afgelegen hutten is doorgedrongen.
Dat het Christendom oerder eene bijna algemoene verspreiding onder de Heidenen
clan onder de Joden vond, vindt, behalve in de bekende hardnekkigheid en verstokt-
heid dezer laatsten, nog zijne verklaring in de behoefte die het heidendom gevoelde
aan een zuiverder godsdienst, aan do konnis van een Eenigen God. ..Te vergeefs,
zegt <\'antu, trachten de menschen zich te verdooven te midden van zaken of zingenot,
zij kunnen in hun geweten dat machtig instinkt niet versmooren dat aandrijft om te
onderzoeken wat God is, wat de mensch is, welke betrekkingen er tusschen God en
den mensch bestaan; hoe de zondaar zich kan vrijkoopen; wat van hem na den dood
zal geworden. Wat kan op die vragen de ijskoude trots der Stoïcijnen, de verdorvenheid
der Epicuriërs, de ruwheid der Cynieken, het schoolsche scepticisme antwoorden?
De beste meesters deden een verlangen naar de waarheid ontstaan in stede van dat
te bevredigen, daar zij door twijfelingen en spitsvondigheden antwoordden, wanneer
de ziel de rust der zekerheid vroeg.
Kon de heidensche godsdienst die zekerheid geven? Maar de Orakels hadden bijna
hun stem verloren sedert de zaken, in den raad der vorsten behandeld, geheim waren
geworden; het was moeielijk de beslissing er van te voorzien en zelf gevaarlijk die te
openbaren ; bovendien was het geheel nutteloos in den naam der goden dat gene tot
overtuiging te brengen wat een decreet van don meester oplegde. De menigte scheen
de oude goden moede te zijn, zoo begeerig was zij om er nieuwe in te voeren wier
symbolen nog niet verlaagd waren door materieele uitleggingen, ten einde haar geloof
te verlevendigen door een voortdurende afwisseling van bijgelovigheden en ongeloof.
Geloofde het volk, dan vond het in zijn goden het voorbeeld van alle verdorven-
beden, en vreezende dat de eer aan den eenen bewezen voor de anderen eene belee-
diging kon zijn, wierp het zich in allerlei bijgeloovigo praktijken. Voor de beschaafde
geesten was het onmogelijk aan die menigte van goden en aan de hun door de
dichters toegeschreven avonturen te gelooven. Kon een met edele gevoelens bezield
mensch zich mot eerbied buigen voor een altaar, waarop voor een Antinoüs en een
Drusilla wierook word gebrand? De wijsgeeren, priesters, staatsmannen beschouwden
de verschillende godsdiensten dan ook allen als oven valsch, ofschoon zij ze voor
nuttig hielden: de tiaar van don opperpriester, de lange tuniek van de auguren,
zoowel als de toga van de magistraatspersonen bedekten dan ook slechts athëisme,
gdd loochen ing.
Toen dan ook een nieuwe godsdienst werd geopenbaard die goddelijk in zijn oor-
sprong, eenvoudig en waar in zijn leer, zuiver en verheven in zijn zedeleer. was, ont-
waakte het verstand, al aarzelde ook nog do wil. Al zegepraalde de genade ook niet
over de gewoonten der eerste opvoeding en over het eigenbelang, dan toch was de
kennis van het christendom voldoende om gezonder denkbeelden te geven. Toen men
dan ook trachtte het oude geloof te doen herleven, moest men er iets zuivers, iets
-ocr page 81-
HET ONDERAARDSCHE HOME.                                         ófl
verhevens onder mengen, wat het vroeger niet had gehad; liet grove veelgodendom
naderde tot de kennis van een eenigen God; de eeredienst werd bijna uitsluitend be-
perkt tot Jupiter en Apollo ; men beschouwde dezen laatsten zelfs als een soort be-
middelaar tusschen God en de menschen, belast met hun den oppersten wil door de
orakels te doen kennen, en tevens als den redder der menschheid die, na een lichaam
te hebben aangenomen, als slaaf op de aarde zou geleefd hebben en zich ter uitboe-
ting aan kwellingen onderwierp. Maximus van Tyrus verzekert dat alle volken, welke
ook hunne denkbeelden waren, in een eenigen God geloofden, als vader van alle din-
gen. Prudentius bevestigt hetzelfde; het volk had onophoudelijk in den mond de
woorden: God wil het; God zegene u; als God wil. Zelfs de orakels erkenden een
eenigen God."
Bood het heidendom van den eenen kant dus een gunstigen bodem aan om het
zaad des Christendoms te ontvangen, van den anderen kant, daarentegen, waren er
maar al te veel redenen die den Heiden beletten het Christendom te omhelzenenden
Staat noopten het te vervolgen. In het atrium van zijns vaders huis zag de jonge
Romein dagelijks zijne huisgoden, die als de beschermers van zijn familie, van zijn
geslacht beschouwd werden en voor wier beelden hij nimmer zou in gebreke blijven
zijn gebed te doen en eenige wierookkorrels te branden. Van zijn prilste jeugd was
hij gewoon hunne namen te hooren, vernam hij hunne groote daden, de bescherming
die zij aan de zijnen verleend hadden ; zijn geheele opvoeding was van hun leer door-
trokken en hij kon geen van de dichters of schrijvers van zijn land lezen, zonder
aan de goden herinnerd te worden, waarvan hunne werken vol waren. Bij elke plech-
tige gelegenheid van zijn leven had de godsdienst een rol gespeeld, in zijne nooden
had hij tot zijne goden zijne toevlucht genomen en na een ontweken gevaar of een
verkregen gunst had hij hun zijn dankoffers gebracht.
Het Romeinsche volk was een godsdienstig volk. Godsdienst en Staat waren ten
nauwste met elkander verbonden; in rampen en tegenspoeden nam men tot de orakels
zijn toevlucht, raadpleegde men de Sibyllijnsche boeken, bracht men offers aan de
goden; bij groote blijde gebeurtenissen trad de godsdienst evenzeer op den voorgrond.
De zegepralende veldheer zou het Kapitool niet bestijgen om den zegepalm te ont-
vangen zonder alvorens aan den Kapitolijnschen Jupiter zijn dankoffers te hebben
gebracht; een groot gedeelte van den oorlogsbuit werd besteed tot opbouw of verfraai-
ing der tempels; in één woord: de godsdienst was de spil waarom zoowel het bij-
zonder als het openbaar leven van den Romein zich bewoog. Men zal dus wel begrij-
pen dat alleen de goddelijke kracht van het Christendom, dat alleen een goddelijke
genade en een gewillig medewerken met de genade in staat waren om over alle
moeielijkheden, alle verloocheningen heen te stappen die door een overgang tot het
christendom gevergd werden. Het was een breken met geheel het verleden, met de
overleveringen, de geschiedenis van het Rijk, die juist dat Rijk groot en machtig
hadden gemaakt; het was vaak een breken met dierbare verwanten, met trouwe vrien-
den. Bovendien sloot het omhelzen van het Christendom ook alle mogelijkheid uit om
hooge ambten en waardigheden te bekleeden. Hoe toch zou een Christen een hooge
betrekking in magistratuur of leger hebben kunnen aannemen, die hem elk oogenblik
voor de noodzakelijkheid kon stellen voor de goden wierook te branden, deel te no-
men aan de offers, zich te laten besproeien, te laten zegenen met het bloed der offer-
dieren. Wanneer men al deze beletselen wel overweegt en dan nagaat hoe snel en
-ocr page 82-
60                            HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
algemeen toch de uitbreiding van het Christendom door geheel het Romeinsche rijk,
in steden zoowel als op het land was, dan moet men reeds daarin den goddelijken
oorsprong van het Christendom erkennen. Zelfs de uitspanningen, de vermakelijkheden
de schouwburgen, de bloedige vertooningen in de renbanen waren den Christenen ont-
zegd. En tegenover al die voordeelen, al die genietingen, al die pracht der godsdienst-
oefeningen en vermakelijkheden, al die hoop op hooge en winstgevende ambten en
betrekkingen bood het christendom hen, wel is waar, een eenvoudige en verhevene
leer aan, die aan al de behoeften van het menschelijk hart voldeed, die een weerklank
vond in al do edele gevoelens zijner ziel, maar die ontbloot was van al den luister,
al de pracht, al het vertoon van weelde en grootheid, waaraan hij vanaf zijne jeugd
gewoon was; een godsdienst, waarvan de stichter, als een verachtelijke misdadiger, aan
het schandelijke kruis was gestorven, een godsdienst die de armoede, den arbeid ver-
edelde en prees, den slaaf den gelijke van zijn meester verklaarde, en den rijkdom
als een gevaarlijk goed, de schatten der aarde als een nietig slijk deed beschouwen.
Dezelfde redenen, die den bijzonderen persoon vaak beletten het Christendom te
omhelzen, gaven ook den Staat, den Keizer aanleiding het te vervolgen en tot zijn
uitroeiing zoo mogelijk over te gaan.
Wij hebben reeds elders de opmerking gemaakt dat de oude volken er een roem
in stelden om de stichters van hun stad of staat een goddelijke afkomst toe te kennen,
ofwel hen tot goden verhieven en beschouwden als hunne bijzondere beschermers.
De Christenen verwierpen als fabelen of ongerijmdheden dien goddelijken oorsprong,
die vergoding van menschen ; zij ontnamen daardoor aan den Staat, aan het Rijk zijn
roem, zijn eer, zijn moreele grootheid en werden derhalve als vijanden van den Staat
beschouwd ; zij weigerden aan de \'goden, aan den nu men (godheid) der keizers te
offeren ; zij noemden de goden duivelen, de orakels bedrog of drogwerk der demonen,
en werden derhalve als goddeloozen, als verachters der goden, als iniskenners van
den staatsgodsdienst, van de staatsinstellingen beschouwd en aan hunne goddeloos-
heid schreef men de rampen en onheilen toe die het Rijk of het volk teisterden. Die
goddeloozen uitroeien, die ondermijners van de grondslagen waarop de heidensche
Staat rustte, vervolgen, vernietigen, uitroeien, was derhalve niet alleen een den goden
verdienstelijk werk, maar tevens een daad van staatkunde, een middel van zelfbehoud.
Bij die redenen van een hoogere orde kwamen er nog van lageren, van stoffelijken
aard. Een menigte winkeliers, neringdoenden, ambachtslieden leefden van den verkoop
van wierook, van de levering der offerdieren, van de benoodigdheden voor de gods-
dienstige plechtigheden en de spelen, van het maken van afbeeldingen en symbolen
der goden ; priesters, auguren, offeraars, toovenaars, sterrewichelaars en een menigte
andere personen vonden alleen hun bestaan en hun aanzien in de godsdienstige han-
delingen en in de bijgeloovigheden van het beidendom, en deze allen werden, naar
mate de tempels verlaten, de offers minder veelvuldig, de verkoop van afgodische
voorwerpen geringer werden, met een blinden en woesten haat vervuld tegen de
Christenen, de oorzaken, de bewerkers van deze nadeelen. Hierbij kwamen nog de
lasteringen, de aantijgingen van gruwelijke misdaden, waarvan men de Christenen
beschuldigde. Dat zij iemand als God vereerden die door een Romeinsch landvoogd
tot den kruisdood veroordeeld was, was voor de Romeinen reeds een dwaasheid, een
krankzinnigheid, een zinneloosheid (insania, dementia, stultitia, furoris opinio enz.),
maar ook hunne godsdienstvieringen, waarvan een en ander was uitgelekt, werden
-ocr page 83-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                        61
verwrongen tot de grofste lasteringen en als gruwelijke misdaden voorgesteld. Justinus,
Origenes en Tertnlianus schrijven die lasteringen vooral aan de joden toe, welke ver-
trouwde personen door liet geheele rijk zonden om ze te verspreiden en zoo den haat
tegen de Christenen op te wekken, en zij waren in dat laag en hoos opzet zoo goed
geslaagd dat, volgens Origenes, twee honderd jaren later de indruk ervan nog niet
was uitgewischt en de naam van Christus liet geheele rijk door een voorwerp van
afschuw was. Eenige van die lasteringen schenen bestemd te zijn om de meerontwik-
kelde heidenen te misleiden, andere meer herekend om indruk op het volk te maken,
ofschoon zij zeker ook hunne uitwerking niet zullen gemist hebben op de meer be-
schaafden. Ken lastering, die vooral indruk moest maken, werd door den heiden Ceci-
lius tegen hen herhaald: ..Het verhaal dat men van de inwijding ol\' aanneming der
christenen doet, zegt hij, is even afschuwelijk als waarachtig. Men legt hem die inge-
wijd moet worden, een kind voor dat met meel bedekt is, teneinde hem den moord,
dien hij gaat plegen, te verbergen, en de nieuweling, door den schijn bedrogen, door-
boort het kind met verscheidene messteken. Het bloed vloeit en de omstanders zui-
gen het begeerig op en verdeelen daarna onder elkander de lillende ledematen van
het slachtoffer. O]) die manier hezegelen zij hun verbond; \'t is aldus dat zij door een
medeplichtigheid aan de zelfde misdaad zich tot stilzwijgen verbinden." Een andere
lastering was dat zij een gekruisten mensen, of zelfs het kruishout aanbaden of wel
een ezelskop. Tertnlianus zegt dat deze laatste laster uitgedacht was door een jood,
die een schandelijke beeltenis met ezelsooren had gemaakt, met het onderschrift Deus
CHRI8TIANORUM, „God der christenen." O]) een muur van het paleis der Cesars, op
den Palatijnschen heuvel, heeft men een graffito, d. w. z. met de punt van een scherp
voorwerp ingekraste teekening gevonden, voorstellende een aan het kruis gehecht
persoon met een ezelskop, waarnaast een jongeling in aanbiddende houding. On-
der deze afbeelding stonden de grieksche woorden: Alcxumenos zebcte Icon, het-
geen beteekent: Alexamenos aanbidt zijn (lod. .Men meent dat de plaats, waar deze
teekening gevonden werd, de wacht- of speelzaal was van de pages of jonge edel-
lieden van het hof, die door deze figuur een hunner christen makkers wilden honen
of bespotten. Maar het christendom werd niet alleen door zulke lasteringen en leugens
bestreden en gehaat gemaakt, maar ook door uitgebreide geschriften.
Het merkwaardigste daarvan, maar dat wij alleen kennen door de weerleggingen er
van door Justinus en andere verdedigers en apologisten der eerste Kerk, was dat
van Celsus, een man van kennis en belezenheid en bekend zoowel met de geschriften
van het oude als van het Nieuwe Testament. Hij taste liet christendom niet aan door
praatjes en lasteringen, maar geheel op wetenschappelijke en rationalistische wijze»,
door zoowel de profetiën van het Oude Testament als de Evangelies en wat verder
over den Zaligmaker in het Nieuwe Testament wordt gezegd, voor logens en verzin-
selen te verklaren en de wonderen, door Christus gewrocht, uit te leggen op natuur-
lij ke wijze, te ontkennen of toe te schrijven aan tooverkunsten, in Egypte geleerd.
Men kan gerust zeggen dat al wat in den loop der eeuwen door ketters, godloochenaars,
rationalisten, kortom door allo bestrijders van het christendom on de katholieke Kerk
tegen beiden is aangevoerd, reeds in de 2de eeuw door Celsus is bijeengebracht. Al de
gruwelen, al de onzedelijkheden, waaraan het heidensche Rome zich schuldig maakte,
werden den Christenen bij hunne bijeenkomsten in de Katakomben toegedicht.
Maar deze aantijgingen gaven aan de geleerdsten onder de christenen, aan een
-ocr page 84-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
62
Justinus, een Terbulianus, een Origenes en anderen, gelegenheid om hunne heerlijke
verweerschriften te schrijven, waarin zij niet alleen de lasteringen weerlegden, maar
ook de leer en de strekking van liet christendom in een helder daglicht stelden en er
niet weinig toe bij brachten om het onder de edeldenkende en beschaafde heidenen
meer en beter te doen kennen en waardeeren. Het eigenbelang, de haat, het staats-
belang bleven maar al te zeer doof voor deze leeringen en de vervolgingen woedden,
met korte tusschenpoozen voort, totdat Constantijn den troon besteeg. Voegen wij, om
eenigszins volledig te zijn in onze beschouwing over du oorzaken van de vervolging
der christenen onder de Romeinsche keizers, er nog aan toe, dat bij de bovengenoemde
beweegredenen, die wij natuurlijke kunnen noemen, ook de bovennatuurlijke kwamen,
n.1. de rechtstroeksche inmenging der duivelen door hunne orakels en de sprekende
afgodsbeelden. Zeer veel katholieke meenen dat de heidensche orakels uitsluitend be-
drog en misleiding waren, en dat, wanneer de Kerkvaders en apologisten van het
christendom de afgoden duivelen noemen, men deze woorden niet in de letterlijke,
maar in een figuurlijke boteekenis moet opnemen. Niets is minder juist dan deze
opvatting. Wij moeten niet uit liet oog verliezen dat de wereld, tot voor de komst des
Verlossers, die ..dood en hel overwon", geheel en al onder den invloed der duivelen
stond en dat de booze geesten zich in de beelden der goden en onder den naam der
goden goddelijke eer lieten bewijzen en in die beelden waren gevaren. De II. Atta-
nasius zegt dat de steen en liet hout de menschen, die hen aan baden, verleidden door
de tooverkracht der duivelen die er zich van hadden meester gemaakt, d. w. z. die
er in waren gevaren. De II. Augustinus en Lactantius gewagen ook van sprekende
beelden, en dat niet in figuurlijken, maar in den meest positieven zin, en de H. Cypri-
anus zegt uitdrukkelijk: „Uwe afgoden, uwe gewijde beelden zijn de woonplaats
der duivelen. .Ia, het zijn die (leesten, die uwe waarzeggers ingeven die de ingewanden
der offerdieren bezielen,
die de vlucht der vogelen regelen en die zonder ophouden,
het valsche met hot ware vermengende, orakels geven en wonderen verrichten, waarvan
het doel is om u onweerstaanbaar tot hun eeredienst te vervoeren". Deze weinige aan-
halingen mogen volstaan ter staving van ons beweeren.
De orakels, dat wil zeggen de duivelen, klaagden zelven do christenen aan. Toen
Adrianus zijn prachtig buitenverblijf te Tibur (Tivoli) had voltooid, begon hij, om het
in te wijden, schitterende offerfeesten; maar de offerdieren, de auguren, de auspicen
gaven geen of zeer onheilspellende antwoorden. Toen de goden (duivelen) door krach-
tige bezweringen ondervraagd waren, antwoordden zij: ..Hoe zouden wij nog orakels
kunnen geven, wanneer Symphorosa en haar zeven zonen ons beleedigen door het
aanroepen van hun (lodV" Alles spande dus samen om het ontluikende Christendom
te bestrijden en zoo mogelijk uit te roeien. Gedurende drie eeuwen werden, met ge-
ringe tusschentijden van vrede en rust, alle middelen aangewend ter verdelging van
den nieuwen godsdienst. Schitterende beloften, wulpsche verleidingen, gruwelijke
kerkers, oninenschelijke folteringen worden beproefd om de christenen tot afval te
dwingen, on noch schuldelooze kinderen, noch jonge maagden, noch zwakke vrouwen,
noch onder den last der jaren gebogen grijsaards werden gespaard; \'t scheen alsof
de duivel, die menschenmoorder van den beginne, al zijn haat tegen het menschelijk
geslacht wilde uitputten togen de Christenen, die, hij wist het, aan zijn rijk op aarde
een einde zouden maken door de kracht van Hem, wiens naam zij droegen, wiens
leerlingen en aanbidders zij waren. Maar al zijn woede was ijdel. Wel had de kerk
-ocr page 85-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                        63
eenige afvallen, eenige zwakheden te betreuren, maar tegenover die enkelen stonden
legioenen getrouwe belijders, die met hun bloed den bodem van het Romeinsche rijk
purperden en hem zuiverden van de gruwelen van het heidendom. De Christenen
werden derhalve vervolgd als vijanden der \'joden, der Keizers, der wetten, der zeden
en der geheele natuur,
maar, zonderling genoeg, de vervolgers moesten zelven erken-
nen dat zij rustige, gehoorzame burgers vervolgden, wier eenig misdrijf was, dat
zij aan de goden niet wilden offeren.
De eerste vervolging brak, zooals wij gezien hebben, onder Nero uit die, om een
afleiding te geven aan de verontwaardiging van het volk over den brand van Rome,
de Christenen van dit misdrijf beschuldigde. Wel een bewijs, dunkt ons, dat zij reeds
toen in Rome zeer talrijk en de lasteringen tegen hen reeds in omloop waren; het
is toch moeielijk aan te nemen dat Nero er in geslaagd zou zijn om den volkshaat
op te wekken tegen een secte zonder aanhangers en die men nog gewoon was met
de joden te verwarren. Deze eerste vervolging schijnt dan ook niet algemeen te zijn
geweest en zich hoofdzakelijk tot Rome bepaald te hebben. Onder de eerste slaeht-
offers behoorden Torpes en Evellius, beiden tot het huis of de onmiddelijke omgeving
des Keizers behoorende; hetgeen wederom een bewijs levert dat het Christendom
niet, zooals soms beweerd wordt, in den beginne door slaven en lieden van geringen
stand beleden werd, maar ook volgelingen onder de hoogste rangen en standen vond.
De beroemdste martelaren onder deze vervolging waren zeker wel do H.H. Apostelen
Petrus en Paulus, waarover wij ter gelegener plaatsen nader zullen spreken. Welke
folteringen Nero uitdacht om de christenen ter dood te brengen, hebben wij elders
(zie blz. 9) reeds vermeld. De tweede vervolging, onder Domitiaan, vond haar eerste
ontstaan hierin dat, toen deze Keizer den tempel van den Kapitolijnschen Jupiter weer
wilde oprichten, hij de Joden door een hoofdelijke belasting dwong tot de kosten bij
te dragen. De Christenen, die toen nog met de Joden werden verward, weigerden
bij te dragen tot don bouw van een afgodentempel, welke weigering de vervolging
na zich sleepte; Flavius Clemens en Domitilla, uit het geslacht der Flaviërs en dus
.bloedverwanten van Domitiaan, behoorden onder de voornaamste martelaren. Trajanus
vaardigde een verbod uit tegen de geheime genootschappen en hierin vond men
aanleiding om ook tegen de christenen op te treden. Plinius de Jongere, die stadhouder
van Bithynië en Pontus was, vroeg aan Trajanus inlichtingen hoe hij tegenover de
Christenen moest vervaren, in welke hij geen misdaden maar wel grove bijgeloo-
vigheid ontdekken kon. „Verscheidene personen, die als christenen aangeklaagd waren,
zegt hij, hebben aan de goden geofferd en ik heb ze niet verder vervolgd, maar liet
dacht mij noodzakelijk door het gewold der pijnigingen de waarheid te ontrukken aan
twee jeugdige slavinnen, die men zeide dat zeer gehecht aan dezen eeredienst waren.
Maar ik heb slechts een tot het uiterst gedreven bijgeloovigheid in haar ontdekt en
dat heeft mij do zaak doen schorsen, tot uwe nadere orders mij zullen geworden. De
zaak dacht mij uw nadenken te verdienen, met het oog op de groote menigte dio in
dit gevaar gewikkeld zijn. Een groot aantal personen van alle rangen en beide ge-
slachten zijn en zullen in de beschuldiging begrepen zijn, want deze besmetting heeft
niet alleen de steden aangetast, maar zich ook verspreid over de dorpen en het platte
land, ofschoon ik het nog mogelijk acht er een middel tegen te vinden en haar tot
staan te brengen, \'t Is zeker dat de tempels, die voorheen bijna ledig stonden, weer
-ocr page 86-
«4                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
gevuld zullen worden; de sedert lang onderbroken offers beginnen opnieuw, terwijl
de geslachte offerdieren, die geen koopers meer vonden, nu overal verkocht worden.
Men moet daaruit besluiten dat veel lieden van hun dwaling kunnen teruggebracht
worden, als men hen, zoo zij berouw betoonen, in genade aanneemt." Trajanus ant-
woordde op dit schrijven: „Mijn waarde Plinius, gij hebt den goeden weg gevolgd in
het proces tegen de christenen die bij u zijn aangeklaagd, aangezien het niet moge-
lijk is een vasten en algemeenen regel in die soort van zaken aan te geven. Men
moet ze niet gaan opsporen, maai\' als zij aangeklaagd en overtuigd worden, moet
mei. ze straffen. Als de beschuldigde ontkent en de bewijzen levert door de goden
aan te roepen, kan men hem, om zijn berouw, vergeven, hoe groot ook de vermoedens
zijn, die op hem rustten. Overigens moet men voor geen enkel misdrijf onbestemde ver-
klikkingen aanvaarden; dat is een noodlottig voorbeeld en het ligt niet in onze bedoe-
lingen het aan te moedigen," Zoowel uit het schrijven van Plinius als uit het ant-
woord van Trajanus blijkt dat men verlegen was met de zaak; de eerste vond bij de
christenen niet anders dan bijgeloovigheid
         zooals men hun geloof in Christus
noemde. Trajanus zegt dat men ze niet moet opzoeken, maar alleen moet straffen als
zij aangeklaagd werden. Waren de christenen inderdaad de gevaarlijke lieden die men
in hen wilde zien, dan ware het plicht geweest hen overal op te zoeken en te vervol-
gen ; de brief van Trajanus verraadt dus willekeur, onrechtvaardigheid. En bij en
Plinius waren geen bloeddorstige wreedaards. Hoe moet de willekeur dan wel gewoed
hebben onder wreede en op bloed beluste keizers en landvoogden! Maar Trajanus
sprak zelf het vonnis uit over den tachtigjarigen bisschop van Antiochië, den H. Ig-
natius, die op zijn bevel in het Colosseum door de wilde dieren werd verslonden.
De II. Simeon, 2,I(\' bisschop van Jerusalem en 120 jaar oud. werd, vooral op aan-
stoken van de Joden, gekruisigd en de jongere Domitilla benevens, haar beide kamer-
dienaren, de H.H. Nereus en Achilleus, vonden te Home den marteldood. Hadrianus
was, zooals wij reeds gezien hebben (blz. 24) den Christenen niet vijandig, maar hij
werd hun vervolger door een opstand der Joden onder Par-Cebas, die zich voor den
Messias uitgaf en door rabbi Akiba, die als een tweede Mozes werd vereerd, tot ko-
ning gezalfd en gekroond werd. De Christenen, die nog altijd met de Joden werden •
verward, leden mede in de vervolging; de heilige plaatsen in Palestina werden door
heidensche tempels ontwijd; naast het II. Graf werd een Jupiter-, op den Calvarieberg
een Venustempel opericht.
In deze vervolging verwierven de pausen Alexander, Sixtus en Telesphorus de
martelkroon. Onder de om hun goedheid en menschlievendheid zoo hoog geprezen
Antoninus Pius en Marcus Aurelius hadden de Christenen eveneens eene vervolging,
de vijfde, te verduren ; zelfs werd onder hen toegestaan de Christenen op te sporen
en werden, tegen alle vroegere gebruiken in, aanklachten van slaven tegen hunne
meesters aangenomen, wanneer deze Christenen waren. De vervolging woedde vooral
in Rome, in Gallië en in Klein-Azië. In het jaar 167 of 108 werd de 80-jarige bisschop
van Smyrna, de II. Policarpus, door het vuur ter dood gebracht, maar vóór hem
hadden reeds een groot aantal Christenen met hun bloed hun geloof in Christus be-
zegeld. In Gallië stierf de 90-jarige bisschop Ponthinus van Lyon onder de mishan-
delingen; Sanctus, diaken van Vienne, de neofiet Maturus, Attalus van Pergamus,
de slavin Blondina, de jonge Ponticus en vele anderen behaalden den palm der mar-
telaren. Onder Commodus hadden de Christenen rust, maar Septimus Severus begon
-ocr page 87-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         65
opnieuw de vervolging, ofschoon hij den Christenen in den beginne gunstig gestemd
was. De moest bekende martelaren onder deze vervolging waren wel de H.H. Perpetua
en Felicitas, Leonidas, vader van Origenes, in het Oosten, en de II. Ireneus, bisschop
van Lyon, in (Jallië. Caraealla, Heliogabalus, Macrinus, Alexander Severus lieten de
Christenen ongemoeid maar Maximinus trad weder woedend tegen hen op. Hoe
gruwzaam al deze vervolgingen ook waren, hoeveel martelaren zij ook voortbrachten,
toch waren zij betrekkelijk gematigd in vergelijking met die welke onder Decius tegen
hen losbarstte. Deze, toch, wilde het op zijn grondslagen waggelende rijk nieuwe kracht
en hechtheid geven door een herstel van de aloude instellingen en gewoonten : alle
rampen, die het Kijk troffen, beschouwde hij als een straf der goden voor het verflau-
wen en verslappen van den godsdienst. Natuurlijk moest het Christendom den keizer
een hinderpaal voor zijne plannen en de voornaamste oorzaak van het verval van den
voorvaderlijken godsdienst toeschijnen, zoodat deszelfs uitroeiing hem eene noodzake-
lijkheid dacht te zijn.
Paul Allard, wiens groot gezag in deze materie door niemand kan ontkend worden,
kenschetst den aard van de vervolgingen van Decius aldus: ,.I)ecius verklaarde hun
(den Christenen) niet den oorlog met d<?n ijver van een vrome, maar met het fanatisme
van een man van de theorie. Misschien raakte de godheid van Jupiter, van Venus,
van Minerva al zeer weinig zijn hart, maai\' in zijn oogen was de oude godsdienst van
Iiome vereenzelvigd met de godheid van den Iiomeinsohen staat; en zich van den
eenen afscheiden dacht hem hetzelfde toe als zich tegen de andere verzetten.
Het onderscheid tusschen de burgerlijke orde en de godsdienstige, tusschen de va-
derlandsliefde en het geloof, dat door de verbreiding van de christelijke leer met eiken
dag duidelijker werd, ontging aan zijn bekrompen geest. Dij begreep niet dat men
Rome kon dienen en terzelfdertijd oen anderen (Jod kon aanbidden dan de goden van
Rome. Daar hij het oude heidendom, dat wil zeggen den eeredienst van den god-staat
zag instorten, verbeeldde hij zich getuige te zijn van den ondergang van den staat*
zelven. Het eenigo middel om dien ondergang tegen te houden bestond, volgens hem,
in het doen ophouden van alle meeningverschil en het met geweld terugvoeren van
allo menschon naar de altaren dor oude goden. Misschien kwam daar ook wel eenigo
persoonlijke haat bij in \'t spel, althans de christelijke schrijvers zijn het allen
eens oin in de vervolging van Decius een reactie te zien togen de staatkunde van
Philippus, (die, zooals wij op blz. 29 gezien hebbon, christen was), een wraakne-
ming van de heidensche partij op de regeering van een vorst die de volgelingen van
het Evangelie gunstig gezind was. Tevergeefs zou men willen aanvoeren dat Decius
verheven was boven zulke kloinzioligo wraaknemingen on geen reden had om nog
wrok te koesteren tegen dengenen dien hij den voet had gelicht: de oude romeinscho
zinspreuk odisse quem laeseris (haat dengenen dien gij beleedigd hebt) was in 24!)
zeker ovenzeer waar als het zulks in allo eeuwen was. Het gevoelen door Eusebius, den
H. Hyronimus, Rufinus en Orosus Decius toegeschreven, stemt trouwens volkomen
overeen met de vooroordeelen, die bij de staatkunde van den nieuwen keizer voorza-
ten: afgekeordheid tegen don christen Philippus, den geheimen belager van den
officieelen godsdienst, was een van de vormen van den eeredienst dien hij voor don
Staat gevoelde, een abstracte, berekenende, koud fanatieke en omgekeerd revolutionaire
eeredienst, waartoe do zoogenaamde liberalen van onzen tijd, uit haat tegen de vrijheid
dor christenen, schijnen terug te willen koeren.
(i
-ocr page 88-
66                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
Een overdreven begrip van de rechten van den Staat, het verlangen om elke
vrije gedachte daaraan op te offeren en het onderscheid dat zich eiken dag meer en
meer openbaarde tusschen de burgerlijke en de godsdienstige orden van zaken, die
vóór het christendom met elkander versmolten waren, maar nu, dank aan hetzelve,
afgescheiden, weer tot eenheid te brengen, ziedaar do overheerschende gedachte van
de vervolging van Decius. Men zou zich een geheel verkeerd begrip maken indien men
er een juister staatkundig omschreven doel aan wilde geven, en de wreedheid ervan
wilde rechtvaardigen door een voorgewende noodzakelijkheid van nationale verdedi-
ging. In \'t midden van de 3,le eeuw heerschte overal verval. Het rijk, dat van buiten
bedreigd werd, stortte van binnen ineen, maar het zou een grooto onrechtvaardigheid
en tevens een grooto geschiedkundige dwaling zijn, wanneer men de christenen er
voor aansprakelijk wilde stellen en dientengevolge verklaren dat Decius, als hij trachtte
hen te verdelgen, uit een Komeinsch oogpunt beschouwd een ernstig en vaderland-
minnend werk deed.
De vervolging van Decius heeft iets kunstmatigs, iets gedwongens; zij wortelt noch
in godsdienstig fanatisme, noch in den volkshaat, die in sommige grooto steden, zoo-
als Alexandrie, soms zeer hevig was, maar die, tengevolge van een langen vrede, al-
lengs verminderd was; \'t is een bloot administratieve vervolging, zonder toorn be-
gonnen maar koelbloedig doorgezet door een van die onvermurwbare theoriemannen,
zooals de moderne revoluties ze te aanschouwen hebbon gegeven, zachtmoedig in het
bijzonder leven, maar zonder modedoogen wanneer zij besloten hebben hot gewold
ten dienste te stellen van hun idee fixe, van hun abstracten hartstocht. Van zulk
een man, die het bloed meer als berokenaar dan als beul vergoot, heeft men geen
nuttelooze gewelddaden, geen onnoodige wreedheden te duchten; maar de hoeveelheid
en de hoegrootheid van het lijden zullen er des te aanmerkelijker om zijn. Alles zal
voorzichtig overlegd worden, mot hot oog op het te bereiken doel. Dat doel is de
Christenen van do aarde te doen verdwijnen. Zo allen te dooden zou onmogelijk zijn:
hun aantal is sinds een halve eeuw al te zeer toegenomen; men zal hen door allo
mogelijke middelen dwingen om tot den staats-eeredienst terug te koeren. Dat men
hen ter dood brengt, wanneer alle hoop op afval vervlogen is, is goed; men straft
een weerspannige en schrikt door het voorbeeld dogenen af, die geneigd mochten zijn
diens weerstand na te volgen ; maar in alle andere gevallen doet men beter met af te
wachten. Alle middelen zijn goed; als men ze achtereenvolgens aanwendt, heeft men
kans er althans een te zien gelukken. Het geduld van een christen uitputten door hom
maanden lang in oen kerker te laten; hom op de folterbank loggen en daarna zijn
verscheurde ledematen verzorgen, teneinde zoolang mogelijk een leven te behouden,
dat men hom in staat stelt door afzwering te redden; hem soms aan kieseher boko-
ring bloot te stellen en door den wellust een man trachten te overwinnen die voor
de folteringen ongevoelig was gebleven: dat was het plan door Decius aan de ambte-
naren van het gezag voorgeschreven. Dezen, die niet allen dwoepzuchtig en ook niet allen
bloeddorstig waren, de moesten ook vrij van vooroordeelen tegen de christenen, leenden
zich gewillig aan deze voorschriften. „De rechters bedroeven zich er over wanneer de
folteringen met standvastigheid worden verdragen, zegt Origcnes, maar hun vreugde
is grenzeloos wanneer zij over een christen kunnen zegevieren." De christenen zelven
verontschuldigden soms de ongelukkigen, die tallooze malen met den dood bedreigd
maar wien men dien altoos geweigerd had, die hom met moed onder de oogen hadden
-ocr page 89-
HET ONDERAARDSCHE ROME.
(17
gezien, verlangd, vruchteloos gevraagd hadden en die, ten slotte, afgemat, zonder weer-
stand, als \'t ware versuft, bijna tegen wil en dank in de strikken vielen die hun sluw
gespannen waren door o verheidspersonen, wien het wachtwoord was gegeven: Tracht
geen martelaren, maar wel afvalligen te maken."
Men begrijpt gemakkelijk dat zulk eene gluiperige vervolging veel gevaarlijker
moet zijn dan een gewelddadige en woeste, en hierom en ook omdat zij alle christenen
zonder uitzondering op het oog had, was deze vervolging de zwaarste die de Kerk
nog te verduren had gehad. De eerste algemeene, die van Septimus Severus, had
vooral ten doel de verdere verbreiding van het Christendom tegen te gaan, daarom
was zij vooral gericht tegen hen die bekeeringen zochten te maken en tegen de
nieuw bekeerden;, de tweede, die van Maximinus, was vooral gericht tegen de bisschop-
pen en de leeraren, ofschoon ook onder beide vervolgingen een groot aantal andere
Christenen leden; maar die van Decius was tegen alle Christenen gericht;\'t gold nu niet
meer de uitbreiding tegen te gaan, maar eene geheele uitroeiing van het christendom.
Het edict van Decius, dat niet tot ons is gekomen, schijnt voorgeschreven te hebben
dat allo christenen binnen een bepaalden termijn zich voor de magistraatspersonen moesten
vertoonen om hunne afzwering te doen; deden zij het niet dan moest de overheid hen
opsporen. Ken weigering had een rechtsgeding ten gevolge; de folteringen werd aangewend
om tot afval te dwingen, en wanneer de foltering zonder uitwerking bleef, volgde verbanning
of dood. De goederen van de verbannenen en vluchtelingen vervielen aan de staatskas.
Het eerste slachtoffer der vervolging in Home was de II. paus Kabianus. Decius
was in October 24!) Keizer geworden en roods den 20*"\'" Januari 250 stierf Kabianus
den marteldood. De Keizer had dus de voldoening den pauselijken stoel onbezet te
zien. De II. Cyprianus zegt dat Decius liever een mededinger naar den troon dan
een bisschop te Rome zou gezien hebben. Hieruit blijkt dat de bisschop van Rome
reeds toen voor het burgerlijk gezag een persoon van groot gewicht was. Daags na
de terechtstelling werd het stoffelijk overschot van den gemartelden paus naar de
Katakombo van Callistus overgebracht en in de zoogenaamde paus-crypte bijgezet,
waar zijn graf door de liossi gevonden is. Paul Allard geeft ons een heerlijke beschrijving
van de geestelijkheid van Homo tijdens deze vervolging. „Do Romeinsche Kerk leed
niet al te zeer door dit interim (onbezet zijn van den bisschoppol ij ken zetel), dat
door do ijverzuchtige oplettendheid van Decius, die in eiken opvolger van den 11.
Petrus een mededinger zag, noodzakelijk was geworden. Terwijl men er zich zorg-
vuldig van onthield om zich een der prerogatieven van den vacanten zetel toe te
eigenen, leidde de geestelijkheid dor stad met koelbloedigheid en opoffering de gewe-
tens der geloovigen, die door de vervolging bedreigd werden. I)eze geestelijkheid bestond
uit zeven on veertig priesters en zeven diakens, die voornamelijk belast waren met
het stoffelijk beheer, hetgeen in de derde eeuw zoo gewichtig was dat de eerste diaken
gewoonlijk tot opvolger van <\\iM\\ paus was aangewezen; de lagere geestelijken, die
als tusschenpersonen tusschen de priesters en de geloovigen optraden, waren zeer
talrijk: men telde zeven onderdiakens, twee en veertig acolyten, twee en vijftig be-
zweerders, lozers on deurhoeders. Onophoudelijk in vorkeer met do verschillende
Kerken, zooals men ziet uit de briefwisseling die mot don II. Cyprianus gevoerd werd,
slaagde deze geestelijkheid, die eendrachtig, standvastig, overtuigd van zijn moed was,
maar wel een weinig te zeer geneigd om dien van anderen te verdenken, er in om
de groote menigte christenen te Rome voor te veelvuldige zwakheden te behouden.
-ocr page 90-
68                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
Daar zij zich beschouwden als de hoofden, de onder-herders der verweesde kudde
trachtten de priesters van Rome de wijfelendo leden der broederschap op de helling
van de afzwering tegen te houden. Geen moeite was hun te groot, zij deinsden voor
geen gevaar terug, daar zij, zooals zij zelven zeiden, de vrees Gods en de eeuwige
straffen voor oogen hielden, en de vrees voor de menschen en de voorbijgaande pijnen
minachtten. Door hunne vermaningen, hunne gebeden, de pogingen die zij, in zekeren
zin, onder het vuur van den vijand waagden, smaakten zij meer dan eens de vreugde
om christenen, die op het punt waren voor de verleidingen of het geweld te bezwij-
ken, naar den schaapstal terug te voeren. Wij zijn er zelfs in geslaagd, zeiden zij,
om geloovigen naar hun huis terug te doen koeren, die reeds naar de tempels op-
gingen om te offeren. Tot deze behoorde misschien ook die Elecusa, waarvan in een
anderen brief sprake is. Deze vrouw had reeds geld gegeven om vrijgesteld te
worden van de verplichting om te offeren, maar meenende dat deze eerste zwakheid
niet voldoende was om haar voor elk gevaar te behoeden, was zij besloten om aan
liet edict te gehoorzamen. Zij ging dan over het Forum naar het Kapitool om daar
wierook te branden en de bevolen plengoffers te doen, toen zij eensklaps door wroe-
ging overvallen en gelukkig een dier onversaagde priesters ontmoet hebbende, die
rondom do tempels doolden ten einde de wijfelendo geloovigen tegen te houden, staan
bleef alvorens de Clivus Capitolinus (de helling van het Kapitool) te beklimmen. Do
genade had overwonnen en de arme vrouw, gelukkig en reeds half vergeven, keerde
op hare stappen terug. Maar de goede herders hadden niet altijd het geluk den god-
delijken Herder, die zoo veelvuldig in de Katakomben afgebeeld staat, te kunnen na-
volgen en het verdoolde schaap op hunne schouders terug te kunnen brengen; zij
werden door menigen afval bedroefd. Zonder namen te noemen wezen zij op boschei-
den wijze zeer bekende, rijke of edele personen aan die, uit vrees voor het verlies
van hun goederen of hun leven, toegaven, of op anderen die, aangehouden zijnde,
onder de handen der beulen hunne afzwering deden. Maar deze zwakke christenen
worden daarom niet aan hun lot overgelaten : de priesters bloven met hen in betrek-
king, brachtten hen op zachte wijze hun vergrijp onder de oogen en vermaanden hen
tot boetvaardigheid. Terzelfder tijd konden zij, door de diakens bijgestaan, voortgaan
met het liefdadig behoor van do gelden der Kerk, zonder eene enkele bijzonderheid
over het hoofd te zien. Niettegenstaande de schaarschheid dezer middelen, dio door
de vervolging van oen gedeelte hunner inkomsten beroofd waren, omdat het moeielijker
was de geregelde bijeenkomsten te houden en derhalve de gewone persoonelijko stor-
tingen of bijdragen te innen, bleven vijftien honderd weduwen, gebrokkigen en
armen van allerlei aard, die op de registers van do christelijke gemeenschap waren
ingeschreven, zoowel als de catechumenen, do zieken, do gevangenen en de ballingen
uit de Kerkelijke kas hun gewone ondersteuning ontvangen.
Bovendien bleef de begrafenis der christenen, martelaren zoowel als overledenen, in
do gemeenschappelijke begraafplaatsen verzekerd, daar Decius, die te zeer gehecht was
aan de oude wetten van Homo, er niet aan dacht de hand te slaan aan het gebied
der dooden, en zij dus in \'t bezit der christenen bleven.
Do geestelijkheid van Homo spoorde niet slechts door vermaningen tot standvastig-
heid aan, maar zij gaf er ook zelve hot voorbeeld van. Twee priesters, Mozes on Maximus;
twee diakens, Nicostrates en liufinus; een jonge Afrikaan, Colerinus genaamd, boetten
-ocr page 91-
HET ONDERAARDSCIIE ROME.                                          G9
in de gevangenis voor hun gehechtheid aan liet geloof, en met hen leden ook veel
lagere geestelijken en leeken, zooals Maris, Urbanus, Sidonius, Macharius, Saturnus,
Calphurnius, Saturus, Bassianus, Uranius, Alexius, Quintianus, Collecta, Emerita, Maria,
Sabina, Severina, Januaria, Dativa, Donata, Colonica ;.en al degenen wier namen
ik niet vernoemd heb, omdat ik te vermoeid was," zooals de brief van Lucianus aan
Celerinua luidt en door den H. Cyprianus meegedeeld wordt. Men meent ook dat onder
Decius de marteldood plaats had van de twee persische prinsen Abdon en Senen, ofschoon
de acton van hun lijden veel onnauwkeurigheden aanwijzen. Allard meent dat zij
onder Philippus of Gordianus als gijzelaars naar Rome werden gevoerd, en daar leef-
den totdat zij onder Decius het leven lieten. Zeker is het dat zij in de Katakombe
van Pontianus, op den weg naar Porto, begraven werden, waar men in onze dagen
hun graf heeft teruggevonden. Toen op hot einde van 250 do woede der vervolging
in Rome eenigszins verminderde en Decius in het voorjaar van 251 naar Mesië vertrok
om een inval der Gothen af te slaan, kon men overgaan tot do verkiezing van een
nieuwen Paus. De keuze viel op den priester Cornelius, die waarschijnlijk tot eene
patricische familie behoorde, maar wiens grooto deugden hom vooral voor deze hooge
waardigheid in aanmerking deden komen.
Ofschoon wij vooral in dit werk de toestanden in Rome op het oog hebben, hooft
het evenwel zijn groot nut ook don blik buiten Rome te wenden, vooral naar Afrika,
waar de vervolging een veel woester en gewelddadiger karakter had dan in Rome-
zelve. Aan do hand van P. Allard, die zijn verhaal op do geschriften van den II.
Cyprianus grondt, zullen wij een oogenblik ons in (\'arthago verplaatsen. „De afkondi-
ging van het edict van Decius, zegt de H. Allard, had op de christelijke bevolking van
Carthago, die door een langen vrede verweekelijkt was, het uitwerksel van een donder-
slag. In de vorige vervolgingen kon ieder zich nog met de hoop vleien aan de ver-
plichting om hot geloof te belijden te ontsnappen. In do tweede eeuw was een bijzondere
aanklacht noodzakelijk om een christen voor de rechtbank te dagen; onder Septimus
Severus, en vervolgens onder Maximinus werden de vervolgingen geleid door de pu-
blieke overheid, maar zij troffen over het algemeen slechts de christenen van aanzien,
en de onbekende menigte, de nedorigen, de kleine lieden werden slechts toevallig voor
den rechter gebracht wanneer een buitengewone omstandigheid do aandacht op hen
vestigde. Onder Decius was de vervolging in waarheid algemeen en omvatte alle chris-
tenen, ten einde zo als met één slag te vernietigen. In Afrika, en vooral in Carthago,
kan men, dank zij de geschriften van den II. Cyprianus, zich er het bost i-ekenschap
van geven. Er was een termijn bepaald binnen wolkon iedereen verplicht was zijn
geloof aan te geven. Na afloop van dozen termijn zouden al dogenen die geen bewijs
van heidendom haddon geleverd, als christenen beschouwd en aan vervolgingen bloot-
gesteld worden. Hot schijnt dat niemand kon ontsnappen; do gehcelo bevolking werd
aan do proef onderworpen; het was oen soort van algomoone volkstelling, waar de
overheid de zielen telde on op oen in dubbel gehouden register de gewetens inschreef.
Het is waarschijnlijk dat do geheelo bevolking werd opgeroepen om te offeren voor
het welzijn van den keizer, om deel te nomen aan een of andere plechtige supplicatio
(smeekbede, gebed). Do plaats van bijeenkomst was het Kapitool. Carthago en ver-
scheideno steden van Afrika hadden, evenals alle steden die don titel van Romeinsoho
Kolonie droegen, een tempel van dien naam, aan den dienst van Jupiter, Juno en
Minerva gewijd en waarschijnlijk op eene hoogte van hot Forum gelegen. Daar werd
-ocr page 92-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
70
eiken dag, totdat de termijn van uitstel was afgeloopen, het offcrvuur ontstoken. De
rijken brachten geiten of schapen of ossen aan; de armen voldeden zekerlijk door
eenige wierookkorrels op het vuur te werpen. Allen, op het hoofd een sluier en een
krans dragende, spraken een gebedformule uit, waarin de Christus vervloekt werd.
In den namiddag namen allen, die aldus de goden aanbeden hadden, deel aan een
ander soort van offer. Er waren groote tafels aangericht, hetzij in de groote zalen
die voor de maaltijden waren bestemd en met de keukens tot den tempel behoorden,
hetzij in de ruime zuilenhallen die zich op de esplanade er voor uitstrekten, of in de
open ruimten van het Forum, op welke het vleesch der offerdieren was geplaatst; de
beker der plengoffers ging van hand tot hand. Na deze heidensche communie was de
heiligschennis volbracht ; men had van het vleesch gegeten dat aan de duivelen was
gewijd, misschien wel de gebruiken van het II. Avondmaal nagebootst; men was geen
christen meer.
Het aantal afvalligen was buitengewoon groot. Nooit had de Kerk zooveel zwak-
heden te betreuren gehad. In de vorige vervolgingen had meer dan één christen zijn
geloof verzaakt voor de rechtbank, in tegenwoordigheid van den dreigenden magistraats-
persoon, bij het zien van de martelwerktuigen of zelfs wanneer het lichaam reeds door
do folteringen was gebroken.
Die zwakheid was misdadig, maar zij was ten minste voorafgegaan door oen daad
van tegenstand; maai\' nu was dat zoo niet. Vóór het proces begonnen was, op een
enkele uitnoodiging van de overheid, verdrongen de christenen zich in menigte voor
de altaren (\\ov valsche goden. De vrees, de lafhartige vrees had zich van de zielen
meester gemaakt. De heidensche overheidspersonen staan verstomd over zulk eene
schielijke gehoorzaamheid. .Men heeft hen christenen, die al te dringend waren om af
te zweren, tot den volgenden dag zien uitstellen. Zij schijnen van walg vervuld te
zijn voor die lange optochten die over het Forum gaan, do trappen van het Kapi-
tool beklimmen met bloemen, offerdieren en wierook; rijke burgers, gevolgd door slaven,
vrijgelatenen en onderhoorigen; ouders, die hunne kleine kinderen meebrengen ; mannen,
met geweld hun vrouwen, die niet offeren willen, modesleopende; allen elkander aan-
sporende, en dringende alsof de lafheid minder groot was als zij gedoold werd, de
afval minder schandelijk als hij meer medeplichtigen had. Men aanschouwde er jam-
merlijke tooneelen. Hier is een geheolo familie verdeeld; de zoon, de broeder worden
in de gevangenis geworpen, do moeder en de zustor gaan offeren; daar wordt een
vrouw tegen wil en dank naar den tempel gesleept; haar man en hare verwanten
houden hare handen vast en laten haar zoo wierrook op het altaar strooien, terwijl
zij zich verzet on uitroept: „Ik doe het niet, maar gij bobt het gedaan."
Ken jeugdig christen echtpaar had de vlucht genomen, een klein meisje thuis achter
latende; de min brengt het naar den tempel, en daar het noch geen vleesch kan eten,
doet men het een stuk brood, dat in den aan do afgoden gowijden wijn was gedoopt,
doorslikken. Maar het treurigste van al was, dat men ook leden der geestelijkheid
onder de afvalligen zag. Te Carthago waren veel geestelijken onder de gevallenen.
Te Saturnum, een andere stad uit de provincie, geleidde de bisschop Kepostus zelve
een gedeelte volk naar den tempel. Do bisschop van Assur, Fortunatus, en twee andere
Afrikaansche prelaten, Jovinus en Maximus, wier zetels onbekend zijn, hadden ook de
zwakheid te offeren.
Maar meer dan eens werden de afvalligen verbijsterd en de geloovigen vermaand
-ocr page 93-
HET ONDERAARDSCIIE ROME.
71
door schitterende teekenen van den goddelijken toorn. De een werd, na het uitspreken
van liet goddeloos gebed, door stomheid geslagen. Een vrouw, die Christus had ver-
zaakt, werd in het hart door vreeselijke pijnen overvallen en in haar razernij beet zij
in de tong, die het onheilig vleesch aangeraakt en haar God vervloekt had; zij stierf
weldra onder een afgrijselijk lijdon. Velen, door wroeging vervolgd, vervielen tot wan-
hoop, werden bezeten of krankzinnig. Eenigen, die meenden aan de oplettendheid van
hunne mede-geloofsgenooten ontsnapt te hebben, trachtten zelfs na hunne afzwering
zich nog onder hen te begeven en waagden het aan de Sacramenten deel te nemen.
Een onzichtbare hand trof hen. Een jong meisje, dat geofferd had, viel dood neder
nadat zij de II. Eucharistie ontvangen had ; een andere afvallige zag vuur uit het
kistje opstijgen, waarin zij het II. Sacrament bewaarde. Een afvallige ontvangt, als
naar gewoonte, het Eucharistisch Brood in zijn handen, maar vindt er niet meer in
dan een handjevol asch. Zelfs het kleine kind, wier lippen door een min bezoedeld
waren met aan de afgoden gewijden wijn, kan niet meer van den gcwijden kelk drinken
en werpt, onder brakingen, den genuttigden eucharistischen wijn uit. Deze voorbeelden,
die ons meegedeeld zijn door den tijdgenoot die het best was ingelicht, door den bisschop
van Carthaga zelf, moesten de christenen wel met schrik vervullen en deden, na eenigen
tijd, wellicht de afzweringen ophouden; maar het getal afvalligen was reeds zeer groot;
veel christelijke families bleven ten prooi aan wroegingen, schande, en de toekomstige
kiem van veel verdeeldheden was gelegd.
Maar tegenover deze afvalligen stond ook een geheel leger van moedige en onver-
schrokken belijders, I\'aulus, Fortunio, Bassus, Mappolicus werden dagen achtereen
aan de gruwelijkste foltering onderworpen en stierven te midden der martelingen. Op
zekeren dag wierp het volk zich op een schaar geloovigen en beval hen den Christus
te verloochenen. Aangemoedigd dooreen hunner, Numidicus, weerstaan zij kloekmoedig;
de woedende volksmenigte werpt zich zelve als rechter en beul op; een gedeelte der
christenen wordt levend verbrand, een ander gedeelte gesteenigd; door de steenen
gewond en met brandende kleeren gaat Numidicus voort tot standvastigheid aan te
moedigen, terwijl hij zijne vrouw naast zich levend ziet verbranden. Met de anderen
voor dood achtergelaten, wordt hij den volgenden morgen door zijne dochter onder
de steenen en lijken gevonden; hij ademde nog en werd bijgebracht. Eenigen tijd latei-
kondigde de H. Cyprianus, door een jubelend schrijven aan de geestelijkheid en het
volk, de verheffing van dezen held tot de priesterlijke waardigheid aan.
In Egypte, Klein-Azië, Cappadocië woedde de vervolging niet minder dan in Rome en
Carthago, overal naast betreurenswaardige daden van lafhartigheid en afval schitterende
voorbeelden van standvastigheid en heldemoed aanbiedende en het Christendom, dat
Decius met den ondergang bedreigd had, zou weldra den ondergang van den vervolger
aanschouwen. De Kerk bleef bestaan, gelouterd door de beproeving, door haar bloed ver-
sterkt en gereed voor die afwisselingen van krijg en vrede die haar lot zullen zijn tot het
einde der eeuw. Decius kwam met een groot gedeelte van zijn leger in de moerassen
van Thraoië om, nadat hij eerst zijn zoon onder zijne oogen had zien sneuvelen ; de
Kerk, hoe fel ook besprongen, ging met reuzenschreden haar eind-zegepraal tegemoet.
De korte regeering van Gallus, die Decius opvolgde, was eveneens door eene ver-
volging gekenmerkt, die zich evenwel slechts tot enkele gewesten bepaalde en de
regeering van Valerianus gaf aan de Kerk den vrede terug Evenwel niet voor langen
tijd, want tusschen 255 en 256 brak de vervolging opnieuw uit.
-ocr page 94-
72                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
liet is eon zonderling maar niet weg te cijferen feit, dat de vervolgingen tegen de
Christenen onder de Romeinsche keizers veel meer een staatkundige dan wel een
godsdienstige beweegreden hadden, wat trouwens bij de bekende groote godsdienstige
verdraagzaamheid der Romeinen, die tempels voor do goden van alle natiën binnen
hun stad toelieten, niet te verwonderen was. Maar die staatkunde was geheel en al
van opportunistischen aard en nam bij eiken keizer een anderen vorm aan. Allengs
had het denkbeeld ingang gevonden dat de Christenen over groote schatten te be-
schikken hadden en dat zij die tot oen staatkundig doeleinde wilden aanwenden.
Aanleiding of meerder voedsel tot deze meening had het volgende gegeven. Een
(Jrieksche familie, bestaande uit de ouders Iladrias en Paulina en de kinderen Neo
en Maria, was naar Rome gekomen en bekeerd door een harer bloedverwanten, Hyppo-
litus, die in een zandgroeve aan den Appischen weg verbleef om haar in een begraaf-
plaats te veranderen. Xa door den priester Eusebius en den diaken Marcellus in de
christelijke leer onderwezen te zijn, werden de bekeerlingen door Paus Stephanus ge-
doopt. Zij beschikten over groote rijkdommen en in hun ijver verdeelden zij die onder
de armen. Maximus, die tusschen 255 en 25(5 prefect van Rome was, werd gewaarschuwd ;
de edelmoedigheid der nieuwe Christenen kwam hem verdacht voor en hij berichtte
Valerianus van de aankomst van rijke vreemdelingen die het geld onder het volk
strooiden en het van den dienst der goden afbrachten. Hyppolitus, Iladrias, Paulina,
Neo, Maria, Eusebius en Marcellus werden herhaalde malen voor den Keizer of een
van diens raadslieden gebracht. Valerianus sprak tot Iladrias: ..Zeg ons toch eens
van waar die groote rijkdommen, die onmetelijke schatten komen, waarvan gij u be-
dient om het volk te verleiden? „Mijn fortuin is de vrucht van de spaarzaamheid
en den arbeid mijner ouders", was het antwoord. Maar in den geest van den Keizer
moest zij een anderen, meer geheimzinnigen oorsprong hebben en voortkomen uiteen
of ander geheim genootschap, dat over onmetelijke schatten beschikte en een staatkundig
doel nastreefde. Iladrias en Hyppolitus werden, na de anderen, ter dood gebracht,
toen men alle hoop had opgegeven zich meester te kunnen maken van de fabelachtige
schatten, die de verbeelding der vervolgers hun toeschreef. De martelaren werden op
een mijl afstands van Rome begraven, in de onderaardsche gangen langs den Appischen
weg, waar Hyppolitus zijn verblijf hield.
Men had den oud geworden Valerianus allengs achterdochtig weten te maken. Ge-
woon overal samenzweringen te zien; verontrust door de numerieke uitbreiding en de
stoffelijke welvaart van de Kerk ; doordrongen van den oud-romeinschen geest, wisten
zijne raadslieden hem te overreden dat een langere verdraagzaamheid eon gevaar voor
het rijk zou zijn, daar zij gelegenheid zou geven tot het vormen van een talrijke,
machtige en natuurlijk vijandige partij. Bij deze quasi-staatkundige reden kwam er nog
een van bijgeloovigen aard. Een der voornaamste raadgevers van Valerianus was
Macrianus, een verwoed vijand der christenen en geheel overgeleverd aan de Egyp-
tische tooverkunsten. Door bezweringen, verschijningen van geesten en alle toover-
middelen waarin de Egyptenaren volleerde meesters waren, werd de Keizer omstrikt;
jonge kinderen, waarvan het bloed moest dienen om de bezweringen te doen, werden
geslacht, en wanneer de verwachte wonderen niet plaats hadden word de schuld er
van op de christenen geworpen, omdat deze de goden beletten zich te openbaren.
Van alle kanten aangespoord gaf Valerianus toe en weldra werd een vervolgingsedict
uitgevaardigd tegen hen, die hij tot dusverre als zijn beste vrienden had beschouwd.
-ocr page 95-
HET ONDERAARDSCIIE ROME.                                      73
De bewoordingen van het edict zijn niet tot ons gekomen, maar het schijnt alleen een
offer aan de goden, geen formeele afzwering geëischt te hebben ; wat evenwel van
groot gewicht er in was on het staatkundig doel van de vervolging te kennen geeft
is, dat het zich ook nitstrekte over de vergaderplaatsen der christenen; het word den
christenen verhoden om in de Katakomben te treden en bijeenkomsten te houden; de
begraafplaatsen worden met beslag belegd, \'t Is de eerste maal dat oen vervolger de
hand aan de begraafplaatsen slaat die, volgens de Romeinsche wetten, de wettelijke
zetel waren van het begrafeniscollege, waarvan de meeste Kerken de rechtspersoon-
1 ijkheid hadden verkregen.
In de eerste periode van deze vervolging valt de marteldood voor van den II.
Tarcisius. Teneinde de Katakomhe van den II. Callistus voor een inval van do heidenen
te behoeden, was men reeds tijdens Septimus Soverus begonnen met er geheime ingangen
aan te brongen en deze arbeid werd nu hervat en voortgezet. De treden van verscheidene
trappen werden vernietigd en de toegang naar sommige gallerijen werd door muren
afgesloten, zoodat het voor oningewijdon bijna onmogelijk was den weg naardevoor-
naamste heiligdommen te vinden. De acolyt Tarcisius, die waarschijnlijk behoorde tot
de lagere geestelijkheid aan de Katakombe van St. Callistus verbonden, doorliep Rome
on het gebied van den Appischen weg, als rondbrenger van de Heilige Species. Op
een zijner gangen werd hij overvallen door een troep soldaten, waarschijnlijk belast
met de bowaking van den ingang der Katakombe. Hij weigerde het geheim te ver-
raden van den kostbaren schat die hem was toevertrouwd ..en aan de razende honden
de ledematen van zijn (Jod over te leveren," zoodat hij op do plaats zelve gedood
werd. De in de nabijheid verzamelde christenen namen zijn lichaam op en do martelaar
van het H. Sacrament werd in de nabijheid van do pauselijke crypte bijgezet. In de
tweede periode van deze vervolging valt de roemrijke marteldood voor van paus
Sixtus II en die niet minder roemrijke van den II. Laurontius. Men zocht overal naar
den bisschop van Rome. Sixtus II had niet opgehouden bijeenkomsten te leidon on de
heilige geheimen te vieren; maar daar men niet bijeen kon komen in do Katakombe
van Callistus, die bij do Romeinsche overheid officieel bekend was als coöperatief
eigendom der Kerk en door do politie bewaakt word, zoo vergaderde men op do
andore zijde van den Appischen weg, en daar werd in een der Kapellen van de Kata-
kombe van Pretextatus op don 6den Augustus van hot jaar 258 door den Paus hot II.
offer opgedragen. Deze Katakombe was zekerlijk toen nog privaat eigendom en dus
onschendbaar, maar wanneer het de christenen gold ging willekeur boven wet. Op
het oogenblik dat de soldaten er binnen drongen, zat Sixtus op zijn zetel en richtte
hij het woord tot de geloovigen. Hij werd mot zijn geestelijkheid weggevoerd. De
aanwezige geloovigen verzochten met hom te mogen sterven, maar do soldaten, tevreden
met hun belangrijke vangst, ofwel vreezende door een te groot aantal gevangenen in
ongelogenheid te geraken, sloegen geen acht op de eenvoudige geloovigen. Voor een
der prefecten gebracht die, zooals de II. Cyprianus verhaalt, voortdurend zetelden,
werd Sixtus veroordeeld om op dezelfde plaats onthoofd te worden, waar hij bij de
viering der II. Geheimen gevangen was genomen.
Terwijl men hem daarheen terugvoert, snelt de eerste diaken, Laurontius, die bij
de gevangenneming niet tegenwoordig was, toe, om don Paus zijn laatsten groet te
brengen. Volgens de overlevering had toen tusschen hen de volgende treffende samen-
spraak plaats."
-ocr page 96-
74                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
„Vader, waar gaat gij heen zonder uw zoon? Priester waar gaat gij heen zonder
uw diaken?" vroeg Lanrentius op den toon van een zacht verwijt. ..Mijn zoon," ant-
woordde de opperpriester, ..ik verlaat u niet. ÏT wacht een grooter strijd. Houd op
met weenen; binnen drie dagen zult gij mij volgen." Men is aan de Katakombe ge-
nadcrd en daalt in de crypte neder waar Sixtus het woord des levens verkondigd had.
Hij neemt voor de laatste maal plaats op zijn zetel en biedt zijn hoofd aan het zwaard
van den beul aan. Vier diakens, Januarius, Magnus, Vincentius en Stefanus worden
na hem ter dood gebracht; twee andore, Felicissimus en Agapitus, stierven denzelfden
dag op eene andere plaats. Toen de Christenen weer in \'t gebruik hunner begraafplaatsen
waren gekomen, werd het lichaam in de paus-crypte in de katakombe van Callistus
overgebracht; in zijne nabijheid werden zijne vier gezellen in den marteldood begraven
en achter in de crypte, achter het altaar, werd zijn bebloede zetel geplaatst. De
beide andere diakens. Felicissimus en Agapitus, vonden een rustplaats in de Katakombe
van lYetextatus.
Weinig martelaren der eerste Kerk zijn meer algemeen bekend dan de II. Lanrentius.
Deze populariteit, als wij ons zoo mogen uitdrukken, dankt hij zoowel aan den gruwe-
lijken dood dien hij leed, als aan de bijzondere omstandigheden die denzelven vooraf-
gingen of vergezelden. Ofschoon de aden van zijn marteldood reeds zeer vroeg zijn
verloren gegaan, mag men toch het verhaal, wat daaromtrent wordt gedaan, als geloof-
waardig en in alle opzichten juist beschouwen. Wij zullen het hier beknopt mededeelen.
Kort na den dood van Paus Sixtus liet Cornelius Secularis, prefect van Rome, Laurentius
voor zich komen en beval hem den aan zijn hoede toevertrouwden Kerkschat uit te
leveren. De diaken verzocht uitstel ten einde hem bijeen te brengen en te inventari-
seeren. Den volgenden dag kwam hij terug, gevolgd door de armen die door de aal-
moezen der Christenen onderhouden werden. Ton hoogste verbolgen over het antwoord
en de handelwijze, en teleurgesteld in zijn verwachting van de vermeende schatten,
veroordeelde hij Laurentius om levend verbrand te worden. Door den martelaar die
langzame foltering te doen ondergaan, hoopte de prefect waarschijnlijk hem voor zijn
dood nog het geheim der schatten te ontlokken. De overlevering zegt dat Laurentius
den moed had tot den rechter te zeggen: ,.Dezo zijde is genoeg gebraden, laat mij om-
koeren"; en op het punt van don geest te geven: „Proef er nu van." Het lichaam
werd in de katacombo van Cyriacus, op den Tubortijnschcn weg, bijgezet.
Deze vordering van don prefect tot uitlevering van de schatten der Kerk is geheel
on al in overeenstemming mot hetgeen wij te voren hebben gezegd over de staatkun-
digo beteekenis van do vervolging van Valerianus. Over het algemeen maakt men zich
een geheel verkeerde voorstelling van het Christendom en deszelfs verhouding tot don
Staat in do 3de eeuw na Christus. De Christenen hadden, teneinde hunne begraaf-
plaatsen en al wat daarmede in verband stond tegen verbeurdverklaringen enz. te vrij-
waron en tevens om op wettige wijze gelden te mogen ontvangen, zich onder de be-
staande Romeinsehe wetten betreffende do Vereenigingen geplaatst en wel door zich
te constitueeron tot een begrafonis-vcreeniging, die rechtspersoonlijkheid verwierf. Door
dezen maatregel hadden zij zich wel onder do bescherming dor wet gesteld, maar waren
zij tevens verplicht om, krachtens do wet, aan de overheid, do prefectuur, de samen-
stelling en hot bestuur hunner vereeniging bekend te maken. De Romeinsehe prefec-
tuur wist derhalve dat de eerste diaken belast was met het beheer, dat hij de boeken
-ocr page 97-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         75
en do kas der vereoniging hield; zij wist ook dat die kas gevoed werd door maande-
lijksche bijdragen en vrijwillige giften en meende waarschijnlijk dat die kas zeer goed
gevuld was, niet wetende dat die geldon voortdurend werden besteed voor het onder-
houd der priesters, de onkosten van den goddelijken dienst, hot onderhoud der begraaf-
plaatsen of katakomben, tot loskooping der gevangenen, onderstand voor weduwen,
weezen, gebrekkigen, zieken, ballingen. De Kerk, zegt de II. Cyprianus, deed geen
besparingen. De heidenen waren van een ander gevoelen en meenden dat de duistere
gangen der Katakomben onmetelijke schatten verborgen. Vandaar die aan Laurentius
gestelde eisch tot uitlevering der schatten, op welke vordering de eerste diaken ant-
woordde door onder de oogen van den prefect de lieden te brengen ten behoeve van
wie die schatten waren besteed; en dat getal was niet gering, want niet minder dan
vijftienhonderd weduwen, armen, gebrekkigen enz. werden in die dagen door de Kerk
van Homo ondersteund.
Ken ander beroemd martelaar van die dagen is de II. Hyppolitus. Deze was een
man van groote geleerdheid, maar hij had zich vroeger laten verleiden tot de scheuring
van Xovatianus, ontstaan tengevolge van de verheffing van Cornelius tot den pause-
lijken zetel, ofschoon hij reeds onder Maximinus Christus beleden en de ballingschap
van Paus Pontianus op Sardinië gedeeld had. Nu werd hij als christen en priester
aangehouden en toon hij naar de geroehtsplaats werd gevoerd erkende hij zijn dwaling
en smookte hij allen, die in hem hadden vertrouwd, tot de eenheid der Kerk terug te
koeren. Men zegt dat de rechter hem veroordeelde om op dezelfde* wijze te sterven als
Hyppolitus, waarvan de fabelleer verhaalt, n.1. dat hij aan den staart van wilde paarden
zou gebonden zijn. die hem in woeste vaart langs de wegen sleurden en zoo een
afgrijselijken dood deden sterven.
Dat de rechters meermalen zulke willekeurige doodstraffen toepasten, blijkt uit hon-
derden voorbeelden. De wet schreef voor dat personen van hoogen of deftigen stand
door het zwaard moesten stervon, maar dat de geringe lieden aan den brandstapel, de
wilde dieren of daarmede gelijkstaande straffen konden overgeleverd worden, en dat
..gelijkstaande" werd in den meest ruimen zin toegepast. Evenwel zien wij dat ook
zeer voorname christenen door het vuur, de wilde beesten of oen ..daarmee gelijkstaande
straf\' werden tor dood gebracht. Deze schijnbare tegenspraak vindt even wol hare na-
tuurlijke verklaring in de omstandigheid dat hooggeplaatste personen, ambtenaren,
officieren, senatoren enz. eerst gedegradeerd, van hun waardigheid en aanzien ver-
\'vallen werden verklaard en teruggebracht tot den stand van ..gering volk," en dus
ook de doodstraf der geringe lieden konden ondergaan.
Een maand later werden do beide broeders Protus en Hyacinthus levend verbrand;
hunne half verkoolde beenderen werden eerbiedig verzameld en in de Katakomhe van
den H. Hermes bijgezet. Do H. Eugenia en de heilige zusters Rufina en Seconda,
stierven eveneens in Rome den mardeldood.
In Afrika barstte de vervolging terzelfder tijd als to Home uit, want reeds den \'24
Augustus 258 werd te Uttica een groot aantal christenen voor den rechter gebracht,
aan welke men den naam van Massa Candida (de witte menigte of schaar) gegeven
heeft en wel, naar do overlevering zegt, tengevolge van de wijze waarop zij het leven
lieten. .Men verhaalt namelijk dat te midden van een veld een groote kuil was gegraven,
die men tot boven toe met ongebluschte kalk had gevuld : naast de kuil had men
een altaar geplaatst, aan de christenen de keuze latende om aan de afgoden te offeren
-ocr page 98-
76                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
of in do kuil geworpen te worden. Driehonderd personen werpen zich zelven in de
kuil, den afgrijselijken dood verkiezende boven een verzaking van hun geloof. Dat de
christenen door ongebluschte kalk werden ter dood gebracht was niet ongewoon; onder
Decius had men die martelingen op christenen van Alexandrie toegepast, maar van
den bovengenoemden dood van driehonderd personen in een zelfde kuil bestaan geen
vaste bescheiden en daarom mcenen enkele schrijvers dan ook dat de naam van
Massa Candida gegeven was aan eene groote menigte moedige martelaren wegens
hun schitterende overwinning in i\\cn strijd, en dat de legende van de kuil mot on-
gebluschto kalk alleen in zooverre waarheid bevat dat de prefect, na do ter dood
bronging van zulk oen menigte slachtoffers in eens, beval hunne lichamen in de on-
gebluschto kalk to werpen, hetzij om ze aan de vereering dor geloovigen to onttrekken,
hetzij om de groote ontroering, die door de begrafenis van zooveel lijken kon ontstaan,
tegen te houden. Evenwel bewijst bot ontbreken van bescheiden niet dat het feit op
zichzelf onmogelijk is; do vervolgers deinsden voor geen terechtstellingen terug, hoe
vreemdsoortig zij ook waren, en bet theatrale, als wij ons zoo mogen uitdrukken, mis-
haagde hun daarbij evenmin.
Te Carthago bezegelde de H. Oyprianus, bisschop dier stad, een heilig en vruchtbaar
leven met den marteldood. Het proces-verbaal van zijn verhoor is bewaard gebleven,
wij laten het, als voorbeeld van dergelijke rechtsgedingen, hier volgen :
>De proconsul Galerius Maximus zegt tot Oyprianus, bisschop: zijt gij Thrascius
Cyprianus? Oyprianus, bisschop, antwoordde: Die ben ik. — De proconsul (Jalerius
Maximus zegt: (Jij hebt 1T tot bisschop van die goddeloozo menschen gemaakt. —
Oyprianus, bisschop, antwoordde: Ja. — Do proconsul (Jalerius Maximus zeide: De
zeer heilige keizers hebben bevolen dat gij zult offeren. — Cyprianus, bisschop, ant-
woorddo: Ik doe hot niet. (Jalerius Maximus zeide: Denk er over na. - Cyprianus,
bisschop, zeide: Doe wat u bevolen is. In zulk een rechtvaardige zaak komt geen over-
wegon te pas. (Jalerius Maximus, na zijn raad gehoord te hebben, sprak met leed-
wezen dit vonnis uit: (lij hebt langen tijd in goddeloosheid geloefd, gij hebt veel
medeplichtigen in uwe schuldige samenzwering om u verzameld, gij hebt u tot vijand
van de goden van Homo en van deszolfs heilige wetten gemaakt, onze vrome on zeer
heilige keizers Valerius en (Jallienus, Augusti, en Valorius, zeer edele Cosar, hebben
u niet tot do beoefening van hun eeredienst kunnen terugbrengen. Daarom zult gij,
aanstoker tot groote misdaden, banierdrager van uwe secto, tot voorbeeld dienen van
hen, die gij deelgenooten van uwe boosheid hebt gemaakt. Uw bloed zal een bezegeling
der wetten zijn. Dit gezegd hebbende las hij van een schrijftafeltje het vonnis voor:
Wij bevolen dat Thrascius Oyprianus door het zwaard worde ter dood gebracht. 0y-
prianus, bisschop, zeide: „(Jod zij geloofd!"
Uit de christenen rees oen luide kreet op; ,.Ook wij willen mot hem onthoofd
worden." Een talrijke en woelige menigte volgde do soldaten tot aan do vlakte van
Soxti, waar de volvoering van het vonnis zou plaats hebben. Velen klommen op de
hoornen om beter te kunnen zien. Cyprianus knielde neder, deed zijn mantel af en bad
mot het gelaat op den grond; daarna ontdeed hij zich van zijn dalmatiek. Gekleed in
een linnen hemd, wachtte hij den beul af. Toen deze kwam, beval de tot het eind toe
edelmoedige bisschop dat hem vijfentwintig goudstukken zoudon worden gegeven. De
geloovigen spreidden rondom den martelaar lakens en doeken uit om het bloed op te
vangen, Oyprianus bond zelf zijn oogen toe, een priester en een onder-diaken, beiden
-ocr page 99-
HET ONDERAARDSCHE ROME.
77
Julianus geheeten, bonden hom de handen, waarna hij den doodclijkcn slag ontving.
Zijn lichaam werd een weinig verder gebracht ten einde hot aan de nieuwsgierigheid
der heidenen te onttrekken. Des avonds kwamen de christenen processiesgewijs, met
brandende fakkels en onder het zingen van lofzangen het weghalen, en daar het niet
naar de algemeene begraafplaats kon gebracht worden, werd het op de bijzondere
begraafplaats van een geloovige, de procurator Macrobius Candidianus, bijgezet.
Na den bisschop werden een groot aantal priesters en leeken ter dood gebracht.
Lucius, Montanus, Flavianus, Julianus, Victoricus, Remes, de bisschop Successus en
eene groote menigte wier namen niet vermeld zijn, legden getuigenis van Christus af en
bezegelden hun geloof met hun bloed. Ook in Azië en de andere deelen van het rijk
waren de slachtoffers der vervolging zeer talrijk.
Wij hebben elders (blz. 29) het ongelukkig lot van Valerianus medegedeeld, en men
zegt dat zijn zoon Gallienus daarin, met de christenen, een straf voor den vervolger
ziende, alle gewelddadige maatregelen tegen de christenen herriep, zoödat zijn regeering
een tijdperk van rust voor hen was, met uitzondering van het Oosten, waar Macrianus
zijn haat tegen hen nog eenigen tijd botvierde. De regeering van Gallienus duurde
evenwel niet lang. Zijn opvolger, Claudius de Goth, vaardigde evenmin edickten tegen
hen uit, ofschoon in Rome en in de omstreken nog verscheidene christenen ter dood
werden gebracht. De Acten van den II. Maris gewagen van tweehonderd zestig mar-
telaren die den lstcn Maart (260) langs don salarischen weg zouden bijgezet zijn. Te
Catania leed de H. Corvinius, te Ferentum Eutychius, te Rome den 17 September de
priester Justinus. Verder worden nog genoemd de II.II. Tryphonia en Cyrilla, naar
men zegt ochtgenoote en dochter van den jongeren Decius; de II.II. Martana en Va-
leria; do II. Maris met vrouw en twee kindoren. Do vervolging onder Claudius was
noch algemeen noch van langen duur; zij zou met meer geweld uitbreken onder zijn
opvolger. Deze, Aurelianus, was een bekwaam krijgsman, streng voor zich-zelven, maar
ook streng voor anderen, evenwel niet wreed of bloeddorstig en vol edele gevoelens.
Ongelukkigerwijze was hij geheel en al aan het heidendom overgegeven on zelfs, wat
bijna een zeldzaamheid was geworden, een overtuigd, een ijverig vereerder dei\'goden
en vooral van Mithra, do zon, waarvan zijne moeder priesteres was geweest. Trots
deze opvoeding en deze groote vereering voor het heidendom, had Aurelianus zich bij
den aanvang zijnor regeering zeer welgezind tegenover de christenen betoond en zelfs
in oen geschil, dat voor hem was gebracht, ten gunste van den bisschop van Rome
beslist. Do zaak was deze. Paulus van Samosate, de eerste minister van Sonobia, ko-
ningin van Palmyra, had zoor ketterscho leerstellingen verkondigd en was door oen concilie
om zijne leer veroordeeld en van zijn bisschoppelijken zetel vervallen verklaard. Niet-
tegenstaande deze veroordeoling bleef hij toch wederrechtelijk do bisschoppelijke woning-
on do kerk bezetten. Toen Aurelianus Zenobia had overwonnen bracht de in de plaats
van Paulus benoemde Demetrianus, met de rechtzinnige geestelijkheid en het volk de
zaak voor den keizer on vroegen van hom teruggave aan do wettige bezitters van de
wederrechtelijk door Paulus behouden gebouwen. Aurelianus sprak dit vonnis uit:
„Het goed, waarover het geding loopt, moot toebohooren aan hen die in gemeenschap
zijn met de bisschoppen van Italië en den bisschop van Rome." Dit vonnis is van
groot belang, daar het opnieuw hot bewijs levert dat de overheid van Rome volkomen
op de hoogte was van de inrichting der Kerk in do 3\'\'° eeuw on do gemeenschap met
den bisschop van Rome erkende als een onmisbare voorwaarde om rechten te kunnen
-ocr page 100-
<8                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EX HEDEN.
doen gelden op het gemeenschappelijk goed der Kerk. Een opstond, die te Rome was
uitgebarsten en door zware straffen en doodvonnissen onderdrukt werd, schijnt den
keizer verbitterd te hebben, en misschien kwam ook allengs bij hem het denkbeeld tot
meerdere rijpheid dat het rijk geen hechtheid kon hebben zonder eenheid van gods-
dienst, en beschouwde hij degenen, die niet zijn godsdienstige gevoelens deelden, als
vijanden van het rijk. Hoe het zij, de vervolging barstte opnieuw uit en schijnt hare
eerste offers in Gallië geeischt te hebben, waarheen de keizer getrokken was om de
oproerige gistingen aldaar te onderdrukken. Men plaats althans onder zijn regeering
en tijdens zijn verblijf in (Jallië den marteldood van de II.II. Priscus en Cothus bij
Auxerre, van den bisschop Reverianus, den priester Faulus en zijn gezellen te Autun,
van do II. Julia en hare gezellinnen te Troyes, van de II. Sabina, den II. Venerandus,
den II. Savinianus en de II. Colomba te Sens. De vervolging was evenwel niet al-
gemeen; Aurelianus werd vermoord eer hij haar een meer uitgebreid karakter had
kunnen geven; evenwel stierven nog verscheidene christenen in Italië den marteldood;
onder dezen noemt men ook Mustala, te Clusium, die men voor een bloedverwante van
Claudius den Goth, Aurelianus\' voorganger, houdt.
Na den dood van• Aurelianus kwam voor de Kerk een tijd van vrede aan, die
veertig jaren duurde. Dat wil evenwel niet zeggen dat ei\' gedurende dien tijd geen
martelaren waren; de prefecten de pro-consuls, de magistraatspersonen die den Chris-
tenen vijandig waren, vonden in de vroegere edicten een ruim arsenaal voor plaatse-
lijke vervolgingen, zoodat men eigenlijk kan zeggen dat gedurende de 2,le en de 3de
eeuw der Kerk de vervolgingen nooit geheel ophielden; weidra zouden zij opnieuw en
op eene vrceselijke wijze uitbarsten onder de regeering van Diocletiaan.
De nieuwe keizer trad, als zoovele zijner voorgangers, in de eerste jaren zijner
regeering niet als vervolger tegen de Christenen op; zelfs scheen hij hen te begunstigen,
want er werden Christenen tot stadhouders der provincies aangesteld en aan zijn hof
bekleedden zij zelfs hooge ambten en betrekkingen. Om het rijk, dat van alle kanten
door de opdringende barbaren bedreigd werd, meerderen steun te geven, had Diocle-
tiaan, zooals wij reeds elders gezegd hebben, Maximianus Herkulius tot mederegent aan-
gcnomcn en bovendien nog twee Cesars, Galerius Maximianus en Constantius Chlorus,
aangesteld. Terwijl Diocletiaan het Oosten voor zich behield, werd Maximianus over
het Westen gesteld, Galerius voor Illyrie en Constantius voor Spanje, Gallie en l»rit-
tanje. Maximianus werd door zijne moeder Romuia, die de Christenen vinnig haatte,
tegen hen opgezet en wist eindelijk ook Diocletiaan te overtuigen dat eene uitroeiing
der Christenen voor de eenheid van het rijk noodzakelijk was. Stadhouders, orakels,
waarzeggers en al wat den nieuwen godsdienst haatte, voegde zich bij Maximianus.
zoodat Diocletiaan voor dezen aandrang ten slotte bezweek. Den 24 Februari 303 ver-
scheen te Nikomedia, waar Diocletiaan zijn hof had, het eerste edict van vervolging,
waarin bevolen werd dat alle Christenkerken met den grond gelijk moesten gemaakt
de heilige boeken verbrand en zij, die in hun geloof volharden, van hunne waardigheden
ontzet en als eerloos beschouwd worden; privaatporsonen moesten van hunne vrijheid,
slaven van de mogelijkheid om zich vrij te koopen beroofd worden.
De prachtige kerk van Nikomedia werd verwoest en een Christen, die het edict
had afgescheurd, ter dood gebracht. Ken brand in het keizerlijk paleis en opstanden
in Syrië en Armenië werden den Christenen ten laste gelegd en vele werden, als
verdacht van samenzwering, op de pijnbank gelegd. Een tweede edict, dat spoedig op
-ocr page 101-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                  7!)
het eerste volgde, beval allo hoofden der kerken gevangen te nemen en tot offeren te
dwingen; een derde beval hen die geofferd hadden in vrijheid te stellen, die weigerden
door alle mogelijke martelingen er toe te dwingen. Het personeel van liet keizerlijke
hof ontving bevel den goden te offeren; Prisca en Valeria, gemalinnen der beide
Angnsti, werden er toe gedwongen, maar stierven later op ellendige wijze in ballingschap.
Dorothens en Gregorius, twee ambtenaren van het hof, werden gewurgd omdat zij
weigerden te offeren, Anthnrins, bisschop van Nicomedia, werd onthoofd. De (Minstenen
weigerden zelfs de heilige boeken uit te leveren, wat voor velen den dood ten gevolge
had ; zoo onder andere voor bisschop Felix van Venusia.
Daar deze eerste edicten nog niet het gewenschte gevolg hadden, verscheen in W)4
een vierde, dat den Christenen slechts de keuze tusschen afval of den dood overliet,
Met waarlijk duivelachtige scherpzinnigheid dacht men nieuwe folteringen uit om tot
afval te dwingen. Van sommigen christenen verpletterde men de boenen, anderen
werden aan de voeten boven een klein vuur opgehangen opdat zij door den rook
zouden stikken; nog andoren hakte men een voor een de ledematen af. In het Westen,
waar Maximianus regeerde, ging men niet minder gruwzaam te werk; te Rome werd
de H. Agnes, te Syracuse de H. Lucia gemarteld; de II. Sebastianus werd met pijlen
doorboord, de II. Anastasia en de ..Vier gekroonden" leden voor hun geloof in den
Gekruiste; in Augsburg stierf de boetvaardige Afra den vuurdood. Wie zich eenigs-
zins een denkbeeld wil vormen van do holsche vindingrijkheid dor vervolgers om de
christenen te martelen, bezooko de kerk van den II. Stefanus della Kotunda, te Rome,
waar men op do wanden de folteringen heeft afgemaaid.
Maar deze zwaarste en laatste vervolging zou ook voorbijgaan, nadat zij het talloos
heer der martelaren met duizenden nieuwe geloofshelden had vermeerderd. De bezoe-
delde wereld was door het bloed der martelaren gezuiverd; weldra zou Constantijn
het zoo zwaar en lang vervolgde Kruis als het onderpand der overwinning boven zijn
veldteekens plaatsen. Zijn zegepraal op Maxentius (zie blz. 30) was ook de zegepraal van
liet christendom op het heidendom. Nog eenmaal zou dit het hoofd opsteken onder
den afvalligen Juliaan, maar ook dozo zou moeten bekennen dat do „(Jaliloër over»
wonnen hoeft."
Hoe groot is het aantal martelaren gedurende deze drie eerste eeuwen dvv Kerk
in \'t algemeen, en hoe groot dat van Rome in \'t bijzonder? Ziedaar oen vraag die
met geen mogelijkheid ook maar ten naastebij kan beantwoord worden. Do kerkvaders,
spreken van oen onnoemelijk getal. De II. Theodorus zegt dat zij zoo talrijk zijn als
de sterren aan hot firmament, als de zandkorrels aan hot zeestrand; de II. Eusebius
zegt dat het onmogelijk is het aantal op te geven van hen die dagelijks, zoowel in de
steden als in de provincies, den marteldood stierven; de II. Brigitta, zoo vermaard
door do openbaringen die de Zaligmaker haar dood, tracht in eone vergelijking het
onnoemelijk aantal bloedgetuigen aan te geven. „Wannoor gij oen stuk land van
honderd voeten lang en even zoo breed afmeet, zegt zij, en gij bezaait dat zoo dicht
met tarwe dat er tusschen den oenen graankorrel en don anderen geen afstand is zoo
groot als oen vingerlid, en dat graan honderdvoudige vruchten voortbrengt, dan zijn
er nog meer martelaren on belijders te Rome vanaf den tijd dat Petrus te Rome kwam
tot aan don dood van Celestinus." Zelfs do heidensche schrijvers geven getuigenis van
hun aantal. Van de christenen die onder Nero don marteldood stierven, zijn slechts
weinigen met name bekend, maar Tacitus spreek van een overgrooto menigte (inyens
-ocr page 102-
80                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
multitudo); van Lyon sprekende, zegt de H. Gregorius van Tours: ..Daar (te Lyon)
werd zulk eene grooto menigte christenen voor de belijdenis van den naam dos Hoeren
ter dood gebracht, dat de openbare pleinen stroomden van hun bloed, zoodat wij noch
het getal, noch de namen der slachtoffers hebben kunnen verzamelen.\'"
Prudentius,
over die van Rome sprekende, zegt: „Wij hebben een onnoemelijke menigte asch van
Heiligen in de stad van Romulus gezien .... maar het is mij niet mogelijk ze te noemen,
zooveel rechtvaardigen werden door een goddelooze woede geslachtofferd". Men heeft
evenwel getracht dat onnoemelijk aantal eenigszins door cijfers te berekenen en komt
dan tot de gevolgtrekking dat hun aantal in de geheele kerk over de elfmillioen bedraagt,
en voor Rome alleen twee en een half millioen. Dit ontzaggelijk cijfer moet ons niet
verbazen. Gedurende driehonderd jaren woedden de vervolgingen bijna onafgebroken
door de geheele uitgestrektheid van het Romeinsche Iiijk, dat de geheele toen bekende
wereld omvatte. De Christenen waren, zooals wij gezien hebben, overal zoo verspreid
dat zij tot in de kleinste gehuchten en dorpen gevonden werden, terwijl sommige grooto
steden bijna voor de helft uit Christenen bestonden. In hunne woede om het (\'hristen-
doni uit te roeien deinsden de vervolgers voor geen geweldmiddelen terug; door een
enkel vonnis werden soms geheele scharen in eens veroordeeld en geslacht; een geheel
legioen, het Thebaansche, 0000 man sterk, word op bevel van Maximinus vernietigd;
een kerk, waarin de christenen vergaderd waren, werd verbrand met allen die er in
waren. Hot opgezweepte volk richtte soms zelf een gruwelijke slachting aan, zoodat
soms duizenden op een enkelen dag het leven lieten. De martelaarsboeken spreken van
30, 120, ^70, 800 en zolfs van 3000 geloovigen die op een dag (22 doe.) het loven lieten,
zonder dat van een enkelen de naam wordt opgegeven; „hunne namen staan in het
Boek des Levens opgeteekend", heet het. Op den 9 Juli vindt men aangegeven de II.
Zeno met tienduizend tweehonderd en drie andere martelaren, die onder Diocletiaan
leden. In de Katacomben heeft men graven van martelaren gevonden, op welker sluit-
steenon men de cijfers XXX en XL vermeld zag. Sommige onderzoekers meenden
daarin alleen een volgnommer der graven te moeten zien, maar latere omstandigheden
hebben de zekerheid verschaft dat zij het getal martelaren moeten aanduiden, wier
overblijfselen in een gemeenschappelijk graf werden bijgezet en die, zooals de namen
der consuls aanduiden, onder Trajanus leden. Allo twijfel wordt evenwel weggenomen
door andere opschriften, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaten. In de Kata-
kombe van den II. Callistus vond I.oldetti oen steen met hot opschrift: MARCELLA kt
ClIRISTI MARTYRES CCC CCL. Marcolla en 550 martelaren van Christus; in die van
den II. Ilcrmos: Rvffinus et Christi Martyres cl Martyres Christi. Ruffinus
en Martelaren van Christus 1.">0 Martelaren van Christus. Wanneer men dit alles in aan-
merking noemt kunnen die grooto getallen ons niet meer verbazen; zij vervullen ons
evenwel van bewondering voor die helden des geloofs, die alle folteringen, alle mis-
handolingen, den wreedsten dood blijmoedig te gemoet gingen voor hun geloof in den
Christus, wiens bloedgetuigen zij waren.
Wij zullen nu een bezoek brengen aan de Katakomben, dat onderaardsche Rome,
waar zoo velen hunner onderwezen werden in het geloof, gesterkt in hunne overtuiging,
voorbereid tot den strijd en na do zegepraal ovor de vervolgers een eervolle en ge-
eerde rustplaats vonden gedurende tal van eeuwen.
-ocr page 103-
HET ONDEIIAARDSCIIE HOME.                                         81
DE KATAKOMBEN.
De Katnkoinnen. Hunne inrielitinir. Mie ze kebben aangelegd. Hunne lisrs-iniren namen. De roornaamste «raven
Paus-Kapel. De H. Ceellla.
„Toen ik nog jong was en te Rome mijne letterkundige studies deed, zegt de II.
Hieronymus, was ik gewoon om eiken zondag met mijne jeugdige medeleerlingen de
graven der apostelen en martelaren te bezoeken. Ik doorkruiste vaak die in den schoot
der aarde uitgegraven gangen, wier wanden aan elke zijde begraven lichamen vertoonen,
en waar zulk eene diepe duisternis heerscht, dat men geneigd zou zijn de woorden
van den profeet er op toe te passen: Ik ben lerend in de hel neergedaald. Zelden
komt een weinig licht de afgrijselijkheid van die duisternissen verminderen, wanneer
het door de openingen, die men geen vensters kan noemen, doordringt; en wanneer
men stap voor stap in dien duisteren nacht doordringt, kan men niet nalaten te denken
aan hetgeen Virgilius zegt over die stilten die de verbeelding met vrees vervullen:
Horor ubique anima*, sinuil ipsa silentia terrent. Aeneid. II. 700)." En de dichter
Prudentius, de plaats in de Katakomben beschrijvende waar het lichaam van den II.
Ilyppolitus werd bijgezet, zegt het volgende: ,.Niet ver van de mui-en der stad, waar
lachende tuinen zich uitstrekken, is de opening van de crypte die tot in de sombere
diepten zich verliest. Daar binnen voert een schuine weg, met kronkelende treden uwe
schreden in die doolgangen, waar het licht afwezig is. Want het daglicht dringt ter
nauwernood de eerste opening der deuren binnen en verlicht slechts de drempels der
voorportalen. Van daar verspreidt de sombere nacht, door niets tegen gehouden, zijn
schaduwen in de onbekende schuilhoeken van deze plaats; maar weldra ontmoet men
openingen, die uit de doorboorde daken nederdalen en eenige heldere lichtstralen in
deze holen werpen. Ofschoon het net van talrijke gangen, als enge atrium\'s onder
schaduwrijke portieken, zich overal uitstrekt, dringen toch veelvuldige lichtstralen door
de in de gewelven geboorde gaten tot in do holle ingewanden der aarde dooi\'. Zoo
kan men in die onderaardscho gangen nog de weerkaatsingen van de afwezige zon
zien en van het licht genieten."
Nauwe, donkere en smalle zich in de ingewanden der aarde verliezende gangen,
waarvan de wanden uit graven bestaan, slechts hier en daar een zwakke lichtsche-
mering ontvangende door enge openingen in het gewelf, ziedaar in algemeene tonnen
de Katakomben beschreven.
Wanneer, door wie en met welk doel zijn zij gemaakt, wat beteekent de naam?
Ziedaar eenige vragen waarvan de beantwoording ons gelegenheid zat geven een
ruimen blik te slaan in het godsdienstig leven der eerste christenen en, wat zeker niet
minder belangrijk is, in de gebruiken, gewoonten, viering der H. Geheimen, toediening
der Sacramenten, simboliek enz. der Eerste Kerk.
Over den oorsprong en de beteekenis van den naam „Katakombe" zijn do chris-
telijke oudheidkundigen het niet eens; sommigen wilden dien afgeleid hebben van twee
grieksche woorden die zoudon beteekenen: onder en uitgravingen; anderen van oen
gr. woord dat een scheepsruim beteekent, omdat de graven, in den vorm van sarcofaag,
daar eenigszins op gelijken. Wat daarvan ook zij, het eerst werd de naam toegepast op
dat gedeelte van do Katakombe van St. Callistus, waar een tijdlang de lichamen van
de II.H. Apostelen Petrus en Paulus rustten; die plaats werd genoemd ad ea/aea n/bas;
later werd de naam uitgebreid over allo christelijke begraafplaatsen van Rome, on ten slotte
7
-ocr page 104-
82                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
ook over die in andere steden, zooals Napels enz.; de eerste christenen noemden ze coemi-
terium,
van het Grieksche woord koimeterion, dat slaap- rustplaats beteekent. Hunne bij-
zondere namen ontleenden zij ofwel aan een of meer beroemde heiligen die er begraven
werden en ze soms zelven hadden doen aanleggen of aan de kerk hadden afgestaan voor
begraafplaats, of wel aan de plaats waar ze gelegen waren ; andere nog werden genoemd
naar de eigenaars van den grond, onder welken zij waren aangelegd. Tot de eersten
behooren o. a. die van de II. Agnes, van de II. Pricilla, van de H.H. Nereus en Achil-
leus, van St. 1\'ancratius enz.; tot de tweeden die genaamd inter duos lauros, tusschen
de twee laurierboomen ; tot de derden die van l\'retextatus, Maximus, Pontius enz. Nadat
Constantijn i\\on vrede aan de kerk geschonken had, verloren sommige Katakomben
hun oorspronkelijken naam voor dien van een paus, een heilige of een bijzonder heilig-
dom waardoor zij zich kenmerkten, zooals b. v. b. de Katakombe van Callistus die
vaak die van Sint Sixtus en van St. Cecilia wordt genoemd. Zij zijn altijd op zekere
diepte in den grond aangebracht, omdat men voor de hechtheid der gangen een tufsteen-
laag noodig had die genoeg weerstand bood om er de talrijke uitgravingen in te kunnen
doen. Sommige Katakomben hebben evenwel twee, drie en zelfs vijf boven elkander
liggende verdiepingen (area), omdat bij het groot aantal slachtoffers der vervolgingen
voortdurend vele en nieuwe graven noodig waren en het niet altijd mogelijk was ge-
heel nieuwe Katakomben aan te leggen; niettemin telt men er in en om Rome niet
minder dan vijf en zestig, de eenen zeer uitgebreid, de anderen kleiner, maar toch altijd
ruimte voor 2000 graven aanbiedende. Steile trappen voerden naar de eerste verdieping
en van daar weer andere trappen naar de volgende. De gangen waren over het al-
gemeen zeer eng, zoodat twee personen nauwelijks naast elkander kunnen gaan; deze
rechte gangen worden weer door dwarsgangen doorsneden, deze wederom door andere
gangen, zoodat het geheel een waren doolhof vormt, waarin men al spoedig den weg
- zou verliezen. In de wanden dezer gangen zijn de graven uitgehold, waarin de lichamen
in de lengte werden neergelegd; soms ook werden twee personen (bisomus) in een
graf gelegd, maar dan lag het hoofd van den eenen aan de voeten van den anderen.
Deze graven heeten loculi. Van tijd en wijle verbreeden de gangen zich ook tot
grafkamers, cubicula, een soort familiegraven, waarin zich gewoonlijk ook het graf
van een martelaar bevond, om hetwelk de andere graven zich kwamen scharen, daar
de eerste christenen er grooten prijs op stelden in de nabijheid van een bloedgetuige
te rusten. Eindelijk liepen soms verscheidene gangen op eene groote ruimte, crypta
uit, en zelfs op wezenlijke kerken, waar in tijden van vervolging de II. Geheimen
werden gevierd en de II.II. Sacramenten toegediend. De crypten en kerken waren in
twee deelen gescheiden, een voor de mannen en een voor de vrouwen; in \'t midden
van het achtergedeelte stond het altaar, geheel vrij, en daarachter de bisschoppelijke
zetel. De crypte werd soms verlicht door een opening in het gewelf, (luminarium)
maar meestal door bronzen lampen, die van het gewelf afhingen. Ook de gangen
werden, wanneer zij geen licht van buiten door de openingen konden ontvangen, wat
meestal het geval was, verlicht door kleine lampjes van gebakken aarde, die van
afstand tot afstand tegen de wanden waren geplaatst. Men heeft een groot aantal van
die lampjes gevonden en de wanden wijzen door de zwarte plekken, die de walm er
op achter gelaten heeft, de plaatsen aan waar zij gehangen hebben. Do wanden en
gewelven der cubicula en der crypten waren dikwijls met stuc, marmer en schilder*
werken versierd, welke laatste vooral van het hoogste belang zijn voor de kennisvan
-ocr page 105-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         83
de leer en de simboliek der Eerste Kerk, zooals wij later zullen aantoonen. Zeer be-
langrijk zijn ook de bronnen of putten in sommige dier crypten, omdat daar de eerste
christenen door het doopsel tot ledematen van de Kerk herboren werden. Het water
ontsprong soms in de Katakomben zelven of het werd er door leidingen van boven
ingebracht. Dit vluchtig overzicht van de inrichting en den bouw der Katakomben doet
ons reeds het tweeledig doel kennen, waarvoor zij werden aangelegd: n.1. lo. Als be-
graafplaats voor de christenen: 2o. Als plaats van bijeenkomst en godsdienstuitoefe-
ning en als toevluchtsoord in tijden van vervolgingen.
In de eerste eeuwen der christelijke jaartelling was het eene algemeene gewoonte
om de lijkon te verbranden, de asch te verzamelen en in aschkruikjes of urnen te
bewaren, die vervolgens, het zij in het familiegraf, het zij in een nis van het columbarium,
werden geplaatst. Algemeene begraafplaatsen kende men in Rome niet; men had
slechts familiegraven voor zich en zijne naaste verwanten. Sommige van die familie-
graven waren bouwwerken van buitengewone grootte; de tegenwoordige Engelenburgt
was oorspronkelijk een praalgraf, waar de aschurne van keizer Hadiianus werd ge-
plaatst; de aschkruik van Marcus-Aurelius werd geplaatst onder de prachtige kolom die
zijn naam draagt en zich op de Piazza Colonna verheft; langs den Appischen weg
bevindt zich nog de ronde toren die het graf vax Cecilia Metella is; ook andere
beroemde graven, die der Scipio\'s b. v. b. zijn daar ontdekt, want de Appische weg,
de koningin der wegen, zooals de oude Romeinen hem met voorliefde noemden, was
aan weerszijde omboord met prachtige grafmonumenten. In de muren waren soms kleine
nissen aangebracht, waarin men de aschkruikjes plaatste van de vrijgelatenen of slaven
van het geslacht; door deze nissen geleken die graven inwendig veel op een duivenslag,
van waar hun de naam Columbarium gegeven werd De slaven en armen werden zonder
eenige plichtpleging in groote kuilen {puticulï) onder den grond gestopt De Christenen
hadden een afschuw van de heidensche behandeling der lijken. De lichamen der afge-
storvenen, die een tempel van den H. Geest waren geweest, die zoo dikwijls geheiligd
werden door de ontvangst der H.H. Sacramenten en bestemd waren om eenmaal te
verrijzen, waren het voorwerp van hun bijzonderen eerbied. De joodsche gewoonte
aannemende en zeker ook wel in navolging van hetgeen gebeurd was met het Godde-
lijk Lichaam des Zaligmakers, legden zij hunne dooden in een nieuw graf, dat in den
tufwand van de Katakomben was uitgehouwen, en vooral voor de lichamen der mar-
telaren droegen zij de grootste zorg. Zij werden dikwijls in kostbare met welriekende
stoffen doortrokken weefsels gewikkeld en onder gebeden en psalmgezang in hunne
laatste rustplaats neergelegd. Deze gewoonte moet reeds door de eerste christenen
van Rome gevolgd zijn en de martelaren werden gewoonlijk bijgezet in de nabijheid
van de plaats, waar zij den heldenstrijd voor Christus gestreden hadden. Zoo werd
het lichaam van den H. Petrus die, naar men tegenwoordig algemeen aanneemt, niet op
den Janiculus, maar op den Vaticaanschen heuvel (in den circus van Nero) gekruisigd
werd, bijgezet in de Vaticaansche Katacombe; zooals duidelijk blijkt uit dezen tekst
van Anastatius de Bibliothecaris, waar hij zegt: Qui septdtus est in via Aurelia iu
templo Apollinis, juxla locuni ubi crucifixus est, juxta palatium Neronianum in Va-
ticaiio.
(Hier werd hij (de II. Petrus) op den Aureliaanscben weg in den tempel van
Apollo, bij de plaats waar hij gekruisigd werd, in de nabijheid van het paleis van Nero,
op den Vaticanus, begraven). Zoo ook de martelaren die in de. eerste vervolging in do
renbaan en de tuinen van Nero op den Vaticanus gemarteld werden. De eerste opvolger
-ocr page 106-
84                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
van den H. Petrus, de H. Linus, en diens onmiddellijke opvolgers vonden daar eveneens
hun rustplaats; later, toen de vervolgingen meer algemeen werden, vonden do bis-
schoppcn van Rome — eerst later werden zij bij uitsluiting van alle andere bisschoppen
Paus genoemd hunne begraafplaats in de Katakombe van St. (\'allistus, in de zooge-
naamde Paus-crypte, waarover wij later zullen spreken. De H. Paulus, die aan de
Drie Fonteinen, op den weg naar Ostia door het zwaard stierf, word in de Ostiaan-
sche {Catacombe bijgezet. De Vaticaansche en Ostiaansche Katakomben zijn dan ook
de oudste van Rome. Nergens vindt men eeno aanduiding van eenigo andere begraaf-
plaats, maar tallooze bewijzen zijn aanwezig dat \'de overleden christenen te Rome van
den beginne af in de Katacomben werden bijgezet. De schilderwerken getuigen het
door hun stijl on uitvoering, en een aantal consulaire datums, loopende van het jaar
78 tot aan de vierde eeuw, maken het voor sommige onweerlegbaar. Ook do overleve-
ringen en do acten der martelaren getuigen hetzelfde.
Niet ver van den Aureliaanschen weg stond Lucina een haar toebehoorend stuk
lands af als begraafplaats voor de martelaren Processus en Martinianus, (zie blz. 58)
Zelfs zou, volgens do overlevering, de II. Petrus in een Katakombe langs den Salari-
schon weg het II. Doopsel hebben toegediend en is dozo dus zeker wel do oudste van
Porno, daar zij reeds voor het jaar 67, in welk jaar de eerste Paus den marteldood
lood, in gebruik moet geweest zijn. Hoe grootor het aantal Christenen in en om Rome
hoe talrijker de martelaren werden, dos te meer begraafplaatsen moesten dan ook
aangelegd worden, daar de bestaande niet in \'t oneindige konden vergroot worden.
Maar terwijl er nieuwe werden aangelegd, werden ook oude, die geheel gevuld waren,
buiten gebruik gesteld en dikwijls weer aangevuld met de uitgehouwen tufaarde der
nieuwe, waarmede men niet altijd een weg wist.
Nadat do vrede aan do Kerk was geschonken bleef men nog langen tijd in do
Katakomben begraven, daar do geloovigen, zooals wij reeds aangemerkt hebben, er
grooten prijs op stolden in de nabijheid van do graven der martelaren een rustplaats
te vinden; zelfs werden er toen graven inden bodem der gangen gemaakt, maar behalve
drie nieuwe Katakomben, die onder Paus Julius (33fi 847) werden aangelegd, vindt
men geen melding gemaakt van nieuwe aanleggen; men vergenoegde ziel» met de
bestaande te vergrooten. Uit deze latere tijden dagteekenen ook veel herstellings-
werken, vooral de ruimere en gemakkelijker toegangen, meerdere lichtgaten die, jam-
nier genoeg, soms kostbare en belangrijke gewelfschilderingen geheel of gedeeltelijk
verwoestten, kostbare marmor- en mozaiekbekleedingen in (\'tihirnhi van beroemde
martelaren onz; zooals die welke paus Celestinus in 428 in de Katakombe van l\'riscilla
on van de II.II. Nereus en Achilleus doed uitvoeren. Toen evenwel op het einde der
8e eeuw de Longobarden herhaaldelijk Rome belegerden, de omstreken er van te vuur
en te zwaard verwoestten en zelfs de kerken en heilige plaatsen niet ontzagen, werden
de Katakomben meer en meer verlaten, vooral ook nadat paus Paulus I een groot
aantal lichamen en overblijfselen van martelaren uit de Katakomben naar de stad had
doen overbrengen, ten einde ze aan de ontheiliging der Longobarden en Saracenen
te onttrekken. Niettemin bleven zij nog kostbare overblijfselen van Heiligen bewaren,
die evenwol in latere eeuwen worden gevonden en naar de kerken in Porno overgebracht.
Alhoewel de ondcraardsche begraafplaatsen meer en meer als zoodanig werden
verwaarloosd, bleven zij toch een voorwerp van groote godsvrucht en uit alle oorden
der wereld trokken vrome pelgrims naar de Eeuwige Stad om die geheiligde plaat-
-ocr page 107-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         85
sen te bezoeken, er te bidden en in de overdenking van hetgeen de eerstelingen des
Geloofs voor Christus geleden hadden, hun geloof te verlevendigen en te versterken.
Van deze pelgrimstochten zijn kostbare verhalen te boek gesteld en tot op onze dagen
bewaard gebleven, en de grooto nauwkeurigheid waarmede in die werken de ligging
en de voornaamste merkwaardigheden der Katakomben werden te boek gesteld, zijn
voor de latere onderzookers, vooral voor P. Marchi en J. B. de Hossi onschatbare
aanduidingen en leidraden geweest in hunne opsporingen. De invallen der barbaren,
de ineenstorting van het Westersch-Romeinsche Rijk en de grooto beroeringen waarvan
Europa dien tengevolge het tooneel was, deden deze pelgrimstochten allengs ophouden
en zelfs Rome, dat door de herhaalde plunderingen bijna ontvolkt was, had vergeten
welke kostbare schat onder zijn bodem verborgen lag. Een enkele vreemdeling
drong nog wol eens in de ondoraardscho gangen door, zooals een opschrift van 1490
getuigt, maar zulk zeldzaam feit vermocht niet de aandacht er opnieuw op te vestigen.
Die vergetelheid had evenwel de gelukkigste gevolgen; (lod had de (Catacomben ge-
sloten, om ze weer te openen en te doen dienen als onwraakbare getuigenissen voor
de onvervalschtheid, de trouwheid van de leer der Kerk toen deze door de Horvor-
mers der Kie eeuw met zoo groot geweld worden aangetast en ontkend. Wel waren
in do dertiende en in het midden der 16e eeuw eonige werken over de Katakomben
verschenen, zooals de Mirabilia urbis Romac, (de Merkwaardigheden der stad liomp)
(in de 13e) en de: De Coemetcrn» urbis Romac, (over de begraafplaatsen (}vr stad
Rome,) door Panvinio, (in de Kie eeuw,) maar die werken berustten niet, althans het
laatste zekerlijk niet, op eigen opsporingen en onderzookingen in de Katakomben,
maar waren samengesteld op andere bronnen; eerst in 1578 zouden de eigenlijke op-
sporingcn weer beginnen.
Op den 31 Mei van gemold jaar waren eenige arbeiders bezig om in een wijnberg
langs don Salarisehen weg, op korten afstand van Rome, puzzolaanaarde uittegraven,
toen zij met hun werktuigen oen gewelf deden instorten, waaronder zij uitgestrekte gangen
bemerkten, waarin men bij nader onderzoek grafkamers mot schilderwerken, opschriften
on namen ontdekte. Geheel Rome stond verbaasd over doze vondst; alles stroomde uit
do stad om zich met eigen oogen van de wonderbare ontdekking te overtuigen; men
had zoo volkomen do herinnering aan de Katakomben verloren, dat men nu verstomd
stond over het feit, dat onder de stad zich nog eene onderaardsche stad bevond, die een-
maal aan de eerste christenen tot begraafplaats, kerk en toevluchtsoord bad gediend.
De dominicaner pater Alfonso Ciacconio, een man vol ijver en belangstelling voor de
christelijke oudheidkunde, begon terstond do nieuw gevonden stad te doorkruisen en
gaf een album uit van de schilderingen, opschriften enz. die hij er had aangetroffen.
Weldra vond hij een even ijverigen als begeesterden helper in een jong edelman uit
Leuven, Philippus Wingh of do Winghe, die in manuscript oen menigte merkwaardig-
heden, door hom in de Katakomben gevonden, naliet; ongelukkiger wijze stierf de
Winghe in nog jeugdigen leeftijd, zoodat hij de taak, die hij zich gesteld had, niet ten
einde kon brengen. Evenwel zou het onderaardsche Home in Antonio Rosio een even
geleerden als ijverigen onderzoeker en beschrijver vindon, en doze Rosio is zeker een dor
grondleggers der christelijke oudheidkunde. Hij was Maltheser van geboorte en advocaat
en door do Maltheser Ridderorde als haar agent naar Rome gezonden. Hij besteedde
vijfendertig jaren van zijn leven en aanzienlijke geldsommen om overal opgravingen
te doen, waarin hij zich door geen hinderpalen, door geen gevaren liet tegenhouden.
-ocr page 108-
86                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
Meer dan eens moest hij met zijn handen en met levensgevaar zich een nieuwen uit-
weg hanen, wanneer soms de gangen of gewelven achter hem waren ingestort; maar
niets kon zijn ijver en zijn volharding weerhouden. Hij heeft zelf verhaalt dat hij, om
de Katakombe van St. Callistus veilig te kunnen doorvorschen, zich voorzag van een
kluwen koord waarvan hij het uiteinde aan den ingang van de begraafplaats bevestigde,
en vervolgens met schappen, en houweelen gewapend en voorzien van levensbehoeften
en een groote hoeveelheid kaarsen, verscheidene dagen en nachten achtereen zijn onder-
zoekingen voortzette. Zijn ontdekkingen en de talrijke plannen, inschriften en teekeningen
die hij verzamelde, werden door hem te boek gesteld in een Italiaansch werk Roma
8otterranea,
dat dertig jaren na zijn dood door (liov. Severano, van het Oratorium,
in 10:12 werd uitgegeven en waarvan Aringhi dertig jaren later eene latijnsche ver-
taling leverde. Terzelfder tijd trachtte Johannes Macarius (Jean 1\'Heureux of Jan de
Gelukkige), een Belg, reeds een verklaring te geven van de schilderingen en simbolen
door Bosio en anderen ontdekt; maar zijn werk is eerst in 1850 gedrukt.
Deze ontdekkingen hadden plaats, zooals wij reeds gezegd hebben, in het tijdperk
der 16e eeuw, toen de Hervormers geheel de leer der Katholieke Kerk voor valsch en
als een maakwerk van pausen en geestelijkheid verklaarden, \'t Is te hegrijpen dat de
ontdekking van het onderaardsche Rome, hetwelk op de wanden zijner gangen en ka-
pellen duizenden bewijzen leverde dat de Katholieke Kerk der 16e eeuw nog juist het-
zelfde leerde als de eerste Kerk, de Kerk der Apostelen en der Kerkleeraren, den nieawig-
heidverkondigers zeer ongelegen moest komen. Zij lieten dan ook niet na de wezen-
1 ijkheid en echtheid der ontdekkingen te loochenen, maar deze ontkenning leidde tot
nieuwe en nauwkeuriger onderzoekingen, die de waarheid in telkens helderder en
krachtiger licht stelden.
Boldetti en Marangoni vervolgden de taak van Bosio, maar het volle licht over de
Katakomben werd eerst in deze eeuw ontstoken door P. Marchi van de Sociëteit van
.lesus, en vooral door diens leerling, den beroemden kenner en vorscher der Christelijke
oudheidkunde, ridder Giovanni Battista de Rossi, den 23 Februari 1822 te Rome ge-
boren en aldaar in \'t jaar 1894 overleden, die in veel aangelegenheden door zijn
broeder Michele de Rossi ter zijde werd gestaan. P. Marchi en de Rossi hadden vooral
veel te danken aan de aanwijzingen, vervat in de beschrijvingen der oude pelgrims-
reizen, waarover wij gesproken hebben, en die aan hunne voorgangers onbekend waren
gebleven; maar niettemin komt aan beiden laatsten en vooral aan de Rossi den on-
sterfelijken roem toe die oude werken te hebben weten uit te leggen en op hunne aan-
wijzingen nieuwe opgravingen te hebben ondernomen. De Rossi bezat bovendien een
wonderbaar talent om uit de geringste aanduidingen de grootste gevolgtrekkingen te
maken, die later altijd bleken waar te zijn. Dóór en dóór bekend met al wat over de
Katakomben in vroegere en latere jai^en was geschreven, de gewijde schrijvers, de
acten der martelaren, alle werken doorvorscht hebbende die maar eenigszins betrekking
hadden op hot leven der Eerste Kerk, trad hij met een aan \'t wonderbare grenzende zeker-
heid voort. Ken paar brokstukken marmer met enkele letters erop, waren hem vol-
doende om een geheel grafschrift van verscheidene regels te herstellen, en wanneer
latere opgravingen de ontbrekende brokstukken aan \'t licht brachten en veroorloofden
de stukken tot een geheel te vereenigen, bleek het dat zijne uitlegging letterlijk, of
met een onbeduidend verschil, met het oorspronkelijke overeenkwam. De Rossi heeft
het onmetelijk materiaal van zijne opsporingen verzameld in zijn ontschatbaar werk
-ocr page 109-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         87
„Roma sotterranea" en in zijn Bulletino rti archeoloyia eristiana, die een blijvend
gedenkteeken van zijn onmetelijke kennis, onbegrensden ijver en vurig geloof zullen
blijven. Voor het opmaken der grondplannen, de topographie en de geographie der
Katakomben heeft hij een onschatbaren medewerker gevonden in zijn broeder Miohele,
die met hem den roem dezer groote werken deelt. Evenals in 1578 was ook in 1848
een toeval oorzaak dat de Rossi zijn omvangrijke onderzoekingen begon. In dat jaar
werd langs den Appischen weg de ingang eener Katakombe ontdekt. Do Rossi vorschte
terstond in de pelgrimsboeken, legenden en kerkkalenders na, welke deze Katakombe
kon zijn en spoedig stond bij hem de overtuiging vast dat hot die van Praetextatus
moest zijn. Hij bewees in een gedenkschrift dat het zoo moest zijn on voorzeidc dat
men in die Katakombe het graf zou vinden van don II. Januarius, den oudsten dor
zeven zonen van de H. Felicitas, en ook de begraafplaatsen van de II.II. Felicissimus
en Agapitus en die van de II.II. Tiburtius, Valerianus on Maximus die, zooals men weet,
terzelfder tijd als de H. (\'ecilia don marteldood leden. Elf jaren later vond de llossi
een stuk marmer met de letters B E A., waarin hij terstond de beroemde schrift-
teekens erkende waarmede Paus Damasus de graven van verscheidene martelaren had
laten versieren; later vond hij nog eenige brokstukken die hem in staat stelden het
geheele grafschrift samen te stellen, dat aldus luidde: Den alleroelukzaligsten
MARTELAAR JANUARIUS (ter eere) PLAATSTE BISSCHOP DAMASI\'S DIT CKAKSCHHIKT. Later
gevonden brokstukken, die het geheele grafschrift voltooiden, bewezen dan ook dat hij
zich niet vergist had.
Daar de H. Felicitas en hare zeven zonen in verschillende Katakomben worden bij-
gezet, is het hier misschien de plaats eenige bijzonderheden over deze beroemde mar-
telaren, die men niet ten onrechte vergelijkt mot do moedor der Macchabeën en hare
zonen, mede te deelen, te meer daar in hun lijdensgeschiedenis eenige bijzonderheden
voorkomen, die aan den aandachtigen lezer niet zullen ontsnappen.
Ten tijde van keizer Antonius ontstond er een volksoproer tegen de christenen, dat
door de heidensche priesters was aangestookt, on daar de edele matrone Felicitas,
door hare groote deugden veel invloed onder de geloovigen had vorkregen, den chris-
telijken naam tot roem strekte on vele heidenen tot het geloof bracht, besloten de
heidensche priesters, teneinde het nadeel dat zij hun toebracht te herstellen, Felicitas
en geheel haar gezin aan te klagen, opdat zij gedwongen zouden worden aan de
afgoden te offeren. De prefect Publius liet haar alleen bij zich komen en trachtte haar
door beloften en bedreigingen tot afval te brengen, en daar deze niet hielpen, dreigde
hij hare zonen voor hare oogen te zullen dooden. In do acte der martelaren leest men
dat Felicitas op deze bedreigingen ten antwoord gaf: Vivent f Mi mei, si non sacrifi-
cavcriut idolis, si vero hoc tantum scelus admiserint, in aeternum ibunt interitum.
(Mijn zonen zullen leven, als zij niet aan de afgoden offeren, maar wanneer zij deze
groote misdaad bedrijven, zullen zij den eeuwigen dood tegemoet gaan). Xa deze
samenspraak met de moedor liet Publius moeder en zonen gezamelijk voor zijn rechter-
stoel komen, die o\\\\ het Forum van Mars was opgericht, en zich opnieuw tot Felicitas
richtende en op hare zonen wijzende, vermaande hij haar modelijden mot hen to hebben.
Felicitas, zich tot hen wondende, zeido evenwel. Videte, filii, coelum etsursum adapi-
cite, ibi vos expectat Christus cum sanctis suis. Pugnate pro animabus vestris, et
fideles vos in autore christi exhibite.
Ziet ten hemel, mijne kinderen, en schouwt naar
omhoog, waar Christus met zijne heiligen u wacht. Strijdt voor uwe zielen en blijft
-ocr page 110-
88                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
getrouw in de liefde van Christus.) Toen Publius zag dat de bedreigingen niet hielpen,
maakte hij de zaak aan Antoninus bekend en deze besloot tot de doodstraf over te
gaan, en belastte vijf rechters niet de uitvoering. Antoninus vcro misit eos ad diversos
indices, nl variis snppliciis officerentur.
(Antonius zond hen naar verscheidene rechters,
opdat /.ij verschillende straffen op hen zouden toepassen.) De eerste rechter deed den oud-
sten zoon, Januarius, door de looden kogels dooden (phimbafis occidit); de tweede rech-
ter liet den tweede en derden, Felix en Philippus, met knuppels doodslaan (fnslibus
muctavit);
de derde Silvanus, den vierden zoon, van een hoogte afwerpen; de vierde den
vijfden, zesden en zevenden, Alexander, Vitalis en Martialis, onthoofden, de vijfde beval
hunne moeder hot hoofd af te slaan. Felix en I\'hilippus werden in de Katakombe van
Priscilla, .Martialis, Vitalis en Alexander in die van Gordianus, Silvanus in die van
.Maximus en Januarius in die van Praetextatus bijgezet. De moeder, die na hare zonen
stierf, werd eveneens in de Katakombe van Maximus begraven. Fit de verschillende
gegevens meent men af te moeten leiden dat niet alle zonen en de moeder op den-
zelfden dag loden, maar dat men, om de standvastigheid van deze laatste te overwinnen,
nu eens een, dan moer kinderen ter dood bracht en eindelijk, ziende dat niets deze held-
haftige christin aan \'t wankelen kon brengen, ook de moeder.
In November 188") heeft men de Katakombe van Maximus ontdekt en daarin
een merkwaardige muurschildering gevonden, de H. Felicitas on hare zonen voorsteh
lende; ongelukkigerwijze evenwol was zij zeer beschadigd. De Rossi deelt hier omtrent
het volgende mede. ..Terwijl men een der kuilen groef voor de fondamenten van het
gebouw van don ingenieur Nodari, vertoonden zich ons de eerste sporen van de afbeel-
dingen van de II. Felicitas en hare zeven zonen op de kalk van een muur.
.Nadat i\\o aarde was weggeruimd kwam de geheele groep verminkt voor den dag,
met de kronen van de eeuwige belooning op het hoofd en met de klare aanduidingen
van de namen; en daarboven do Zaligmaker als borstbeeld, in de heerlijkheid des
hemels. De schildering staat in (\\on achterwand van een ruime crypte, die nu geheel
van de aarde is ontdaan, zoodat men zien kan dat zij kolommen en een altaar had en
een ruimen trap om een gemakkelijken toegang te verleenen aan de menigte godvruch-
tige bezoekers."
Eene nadere beschrijving van deze merkwaardige muurschildering meenen wij den
lozers niet te magen onthouden. In de open ruimte van een arcosolium (1) van de
ontdekte crypte ziet men op don wand don Zaligmaker ten halve lijve afgebeeld en ge-
sierd mot de kruisvormigen nimbus; met de rechterhand geopend en opgeheven en de
linkerhand, zoover men kon zien, gewikkeld in de plooien van het pallium (mantel);
men bespeurt evenwel oen golvende; strook, zoodat het schijnt dat de Zaligmaker zich
door de lucht beweegt en naar Felicitas toegaat.
In het lagere gedeelte zijn acht personen in staande houding afgebeeld, het hoofd
omgeven door een heiligenseliijn (nimbus). Onder het beeld van den Zaligmaker ziet
men duidelijk oen vrouwegelaat, dat aanmerkelijk grooter is dan dat van do beelden
ter rechter en ter linkerzijde van haar; ook het kapsel wijst duidelijk aan dat het oen
vrouw is, die niemand anders dan Felicitas kan zijn. De zeven andere beelden ver-
(1) Men geeft den nauni van arcosolittm. aan een in den mnnr uitgeholte boognis waarin pon altaar
was geplaatst. De arcosaiïa worden gewoonlijk in Crypten, die familie-graven zijn, gevonden, ofwel boven
de graven van bekende martelaren.
-ocr page 111-
HET OXDERAAIWSCHE ROME.                                         89
toonen zeven jongelingen die, voor zoover men uit hetgeen van de schildering is o ver-
gebleven, besluiten kan, volkomen op elkander gelijken ; vier staan aan de linkerzijde
hunner moeder, de II. Felicitas, en drie ter rechterzijde. Zij zijn allen gekleed in de
tunica listata (tuniek met purperen streep) en het over den linkerschouder geworpen
pallium. Hij een hunner ziet men in de hand nog het overblijfsel van een boek en is
boven het hoofd, in de lucht, een fraaie met edelgesteenten versierde kroon, en beiden
moet men zeker bij allen hebben kunnen zien toen de schildering nog ongeschonden
was. Koven eenige der figuren zijn nog enkele letters der namen overgebleven; links
van St. Felicitas bevond zich (phili) PPVS MARTIA {lis), rechts S (ilranm). (in)
NVA (rins). Van de andere namen is niets meer te zien. Boven de hoofden der zeven
broeders moeten kronen geweest zijn, maar boven dat van de II. Felicitas, hetwelk
geheel zichtbaar is, bevindt zich geen kroon ; men vermoedt nu dat de Zaligmaker in
de linkerhand, die op de schildering niet meer te zien is, een kroon had, die Hij de H.
op het hoofd kwam plaatsen. Voor deze meening pleit ook de zwevende houding van
den Verlosser.
Alvorens de voornaamste Katakomben nader te beschrijven moeten wij nog een
paar vragen voorkomen, die zeker door dezen of genen belangstellenden lezer zullen
opgeworpen worden n.1.: door wie zijn die onderaardsche gangen, begraafplaatsen en
crypten, gemaakt; en welke kan hunne uitgestrektheid zijn?
Op de eerste vraag hebben wij reeds vroeger geantwoord met te zeggen dat de
eerste christenen er de aanleggers van waren. Evenwel verdient dit antwoord eene
nadere bespreking en een afdoend bewijs.
In de vorige eeuw werden tegen hun christelijken oorsprong eenige bemerkingen
gemaakt; men beweerde dat de christenen slechts gebruik hadden gemaakt van ver-
laten zandgroeven, door de heidenen aangelegd; maar de grondige onderzoekingen
van P. Marchi en van de Rossi hebben deze beweringen reeds lang te niet gedaan en
thans zal er wel geen enkele oudheidkundige meer gevonden worden om hunne af-
doende bewijzen te weerleggen. De voornaamste gronden waarop p. Marchi en de
Hossi hun bewijzen steunden zijn: lo het groot verschil dat bestaat in den aanleg en
de gesteldheid van de Katakomben met de are u aria e of zandgroeven; 2o het geheel
ontbroken van eenig heidensch opschrift of gedenkteeken in de Katakomben. Zie hier
in \'t kort de gronden voor het eerste bewijs. De bodem van Rome en de onmiddelijke
omgeving bestaat uit eene vulcanischo massa, die men in drie soorten verdeelt: de
puzzolaan aarde, de korreltuf en de steenluf. De Romeinen nu hebben alleen die aard-
lagen ontgonnen, welke de eerste en de derde soort bevatten. De puzzolaanaarde werd,
en wordt nog thans, gebruikt als metselspetie, de steentuf wordt aangewend voor
bouwmateriaal en leverde het materiaal voor do meeste huizen en openbare gebouwen.
De korreltuf, daarentegen, die voor metselspetie niet deugt en te weinig vastheid en
zelfstandigheid bezit om als bouwsteen te kunnen dienen, bood juist aan de christenen,
door hare gemakkelijke bewerking, een uitstekend materiaal aan voor hunne graven.
Alle Katakomben, met uitzondering van een paar der minst uitgestrekte die in een
andere aardlaag zijn uitgegraven, werden dan ook in de korreltuf aangelegd. Deze
omstandigheid is reeds op zich zelve een bewijs, maar de inrichting, de wijze van werken
levert er nog een ander. Wanneer men een aardlaag exploiteert om er voordeel uit
te trekken, zooals natuurlijk het geval was met de groeven waaruit men de metsel*
-ocr page 112-
90
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
spetie en bouwsteenen haalde, dan bracht die exploitatie van zelf mede dat men de
gangen, de groeven zoo breed mogelijk maakte om het werk te vergemakkelijken en
zooveel mogelijk grondstof te halen uit een geopende schacht. De arenariae vertoonen
dan ook breede en tevens zeer onregelmatige gangen, omdat men daar werkte en
groef waar men het beste materiaal vond.
In de Katakomben, daarentegen, vindt men nauwe maar zeer lange gangen, met
recht opstijgende wanden, door dwarsgangen doorsneden en hier en daar verbreed
tot eubicula, crypten en kerken. Dit verschil van bouworde tusschen de arenariae en
de Katakomben is zoo in \'t oogloopend, dat er geen twijfel kan bestaan over den
oorsprong en de bestemming dezer laatsten. Tegen de bewering dat men in de Kata-
komben geen heidensche opschriften of iets dergelijks heeft gevonden, heeft men de
opmerking gemaakt dat men er toch grafsteenen met heidensche opschriften heeft ont-
dekt. Het feit is waar, maar het is ook bewezen dat die lijksteenen aan den anderen
kant een christelijk opschrift dragen, waaruit men de gevolgtrekking heeft gemaakt
dat men, bij gebrek aan het noodige materiaal of door de haast, gedwongen is geworden
reeds gereed zijnde steenen te gebruiken, maar dat men die met het heidensch op-
schrift naar binnengekeerd voor de graven heeft geplaatst en er vervolgens buiten op
een christelijk grafschrift plaatste. Deze bewering heeft later hare bevestiging gevonden
toen men, nog gesloten graven openende, heidensche opschriften vond op de naar
binnen gekeerde zijde, waardoor zij aan het oog der christenen onttrokken werden.
Wij meenen hiermede genoeg gezegd te hebben van eene zaak waarover thans
geen redelijke twijfel meer bestaat.
Over de totale uitgestrektheid der Katakomben is veel geschreven en in de eeuwen
die P. Marchi on de beiden de Rossi voorafgingen heeft men er een overdreven denk-
beeld van gemankt; zelfs gezegd dat, wanneer men al de gangen aaneen kon voegen,
men een tunnel zou verkrijgen die geheel Italië van het noordelijkste tot het zuidelijkste
punt zou doorsnijden. Michel de Rossi heeft de zaak evenwel aan een nieuw en nauw-
kenrig onderzoek onderworpen en de uitkomsten daarvan in 1800 openbaar gemaakt
in een werkje getiteld: De//\' ampiezza (lelie Romane catacombe. (Over de uitgestrekt-
heid der Romeinsche Katakomben). Volgens zijne berekening zouden de uilgegraven
ruimte twee millioen vierhonderd zes en zestig duizend vierkante meters beslaan. Maar
men verlieze hierbij niet uit het oog dat verscheidene Katakomben uit twee, drie, ja
soms vier en vijf boven elkander liggende verdiepingen bestaan, en dat men dus boven-
staand getal met het aantal verdiepingen moet vermenigvuldigen. Wanneer men even-
wel slecht gemiddeld twee verdiepingen voor elke Katakombe aanneemt, komt men
nog tot eene gezamelijke lengte van galerijen van achthonderd zes en zeventig kilo-
meters. Daar de geheele lengte van Italië 1200 kilometers bedraagt, zouden de gallerijen
der Katakomben oen tunnel kunnen vormen onder meer dan -/:t van het schiereiland.
En deze verbazende uitgestrektheid gangen, door wie zijn ze gemaakt. De Kata-
komben hebben zelven ons do makers leeren kennen; het waren de fossores of graf-
delvors. Toen paus Evaristus ten tijde van keizer Trajanus de stad Rome in een zeker
aantal kerken of parochiën had ingedeeld, gelastte hij dat bij elk dezer een college
van acht of tien fossores zou worden aangesteld, waarvan elk zijn bijzonder kerkhof
moest verzorgen. Maar deze indeeling betreft alleen eene nieuwe regeling, nic-t de in-
stelling van de grafdelvers als zoodanig, want de instelling is zeker even oud als de
christelijke Kerk te Rome zelve Do fossores schijnen tot de lagere geestelijke rangen
-ocr page 113-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         91
althans tot de zoogenaamde clerici, klerken, te hebben behoord; misschien ook waren
de fossorcs alleen belast met het delven der graven, terwijl het aanleggen en openen
van nieuwe gangen en de verdere werken aan andere personen werd opgedragen.
Men heeft verschillende graven van deze fossorcs gevonden, met hunne namen en
hun beroep op den grafsteen vermeld: soms ook met eene afbeeling van de gereed-
schappen waarvan zij zich hij hun arbeid bedienden. Ook afbeeldingen van de fossores
zijn niet zeldzaam. Gewoonlijk dragon zij kort geschoren haar, een korten tuniek met
gordel en een soort van hooge laar/en of beenbekleedsels. Eenigen zijn bezig met een
schop den grond te openen, anderen maken met het houweei een gewelf, terwijl een
lamp naast hen hangt. Ken schildering uit de begraafplaats van de II.II. Marcellinus
en Petrus stelt een grafdelver voor zonder houweel en alleen met een lamp in de hand,
waarmede hij iemand schijnt bij te lichten. Hij is reeds bejaard en draagt een baard
en de breede mouwen zijn niet opgestroopt; wanneer men hierbij nog voegt dat hij
met den wijsvinger iets schijnt aan te duiden, mag men gevoegelijk de gevolgtrekking
maken dat deze persoon een zeker gezag uitoefende en aan do arbeiders in degangen
zijn bevelen gaf. In katakoinhe van II. (\'allistus hoeft men zelfs een houweel of hak
van de fossorcs gevonden die, hoewel sterk door roost aangetast, nog zeer goed te
herkennon was. In de eerste tijdon on onder de vervolgingen voorzag do Kerk zelve
in de hegraafplaatsen voor de geloovigen, maar in latere tijde kochten do welgestelde
christenen voor zich en de hunnen oen graf van de grafdelvers. Men hoeft verschei-
dene stoenen gevonden met de vermelding dat het graf van don delver voor naar
een zekere som was gekocht en van twee andere fossorcs, die als getuigen optraden.
Een dezer opschriften luidde: Artemisius heeft dit tweepersoons graf (bisomus) gekocht
van don grafdelver Hilarius, in tegenwoordigheid (als getuigen) van Saverus en I,au-
rentius. Een ander luidde: Saturnintis hooft van Sixtus een tweepersoons graf gekocht
voor twee gouden Solidi, onder de groote lichtopening, waar zij is bijgezet die mot
haar man veertig jaar vereenigd was.
Maar, zoo vraagt men allicht, hoo konden do Christenen zulke reusachtige werken
uitvoeren, ongestoord in \'t bezit blijven van hunner Katakomben, er hunne dooden
begraven, de II.II. (Jeheimen er vieren, er vergaderen on bijeenkomen zonder lastig
gevallen te worden door de vervolgers, die niet onkunding er van kondon zijn en
het ook niet waren V
De vraag hooft haar gegrondheid on haar gewicht, ofschoon do beantwoording er van
zoor gemakkelijk is. De Kerk had van af haar eerste ontstaan een vast en goregeld
bestuur en eene vaste hiërarchie. Aan hot hoofd stond de bisschop, zoowol het hoofd
in geestelijke als woreldscho zaken, mot zijn diakens, onderdiakens, priesters, geestelijken
van lageren rang enz. In het wereldlijk bestuur stond de eerste diakon den bisschop
ter zijde en was als \'t ware de tweede persoon in do kerkelijke hiërarchie zoo zelfs
dat het geruimen tijd als vasten regel gold dat de eerste diaken, don bisschop (on te
Rome den bisschop der stad of den Paus) opvolgde. Van dezen rogol werd hot eerst
afgeweken toen na den dood van den II. Eahianus do II. Cornelius tot diens opvolger
werd benoemd, hetgeen de scheuring van Novatianus ton gevolge had. Uit de marto-
laarsacten van den II. Laurentius vermenen wij dan ook dal de prefect van dezen ovor-
gave oischte van de vermeende schatten dor Kerk. Evenzeer als de christenen zich
onderwierpen aan de wetten van het Kijk, wanneer deze wetten althans van hen niets
-ocr page 114-
92                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
vorderden wat tegen hnn geloof en hun geweten streed, evenzeer maakten zij ook
gebruik van de bestaande wetten om hunne bezittingen te vrijwaren en voor alles wat
voor de veiligheid, de zekerheid en de onschendbaarheid van hunne instellingen kon
dienstig zijn. De Romeinen haddon een grooten eerbied voor hunne dooden. De plaats
waar een doode was begraven werd, door liet feit zelf, dier bijzetting, heilig (sacrosanclns)
en onschendbaar, en niet slechts gold deze onschendbaarheid het graf alleen, maar ook
een zekere uitgestrektheid gronds die bij het graf behoorde. Wanneer derhalve een
vermogend Christen voor zich zelven of voor een ander een stuk grond afstond tot
begraafplaats, dan werd die grond, zoodra een lijk er was bijgezet, krachtens de Ro-
meinsche wet onschendbaar, en de Romeinen, die zeer gehecht aan hunne wetten waren,
eerbiedigden die ook, al betrof het dan ook de zoozeer gehate en vervolgde christenen ;
er zijn slechts weinig voorbeelden bekend dat de Katakomben verstoord werden of
haar geheiligd karakter ontwijd. Bij deze, op zioh-zolve reeds gunstige beschikking,
kwam nog een andere die eveneens van zeer groot gewicht voor de eerste christenen
was. In het oude Rome bestonden een groot aantal vereenigingen, vakvereenigingen,
volgens welke de personen die een zelfde beroep of bedrijf uitoefenden, zich tot maat-
schappijen of vereenigingen konden constitueeren, onder een zelf verkozen bestuur
hunne belangen bevorderen, bijeenkomsten en vergaderingen houden, bijdragen van
de leden innen ter bestrijding der kosten, kortom, al datgene doen wat in onzen tijd
vakvereenigingen doen. Deze vereenigingen werden door bijzondere wetten geregeld
en konden ook rechtspersoonlijkheid erlangen. Een der meest belangrijke was die waar-
bij de leden zich vereenigden om voor hunne begrafenis, en wat daarmede samenging,
te zorgen. Een onderlinge begrafenisvereening alzoo. De christenen hadden al zeer
spoedig begrepen welk voordeel er voor hen in gelegen was zich onder de bestaande
wetten tot zulk eene vereeniging te constitueeren, en verzuimden dan ook niet zulks
te doen.
Krachtens die wet vormden zij dus een wettig erkende vereeniging en als zoodanig
konden zij bijeenkomsten houden, hunne belangen bespreken, de geregelde of buiten-
gewone bijdragen en de contributies innen, hunne dooden begraven en deze naar
hunne laatste rustplaats vergezellen. Een groot aantal dier vereenigingen in Rome
werd wel in den lateren keizersstijd opgeheven omdat zij zich meer met staatkundige
woelingen bezig hielden dan met de belangen van hun bedrijf of beroep, maar de
begrafenisvereenigingen waren niet in deze opheffing begrepen, zoodat de Christenen,
op weinige uitzonderingen na, zooals wij reeds vroeger hebben gezegd, ongestoord
hunne Katakombenkerken en verdere bezittingen konden beheeren onder de bescher-
ming der wet, en vrij hunne bijeenkomsten houden. De Romeinsche wettenen instellingen
beschermden dus de Christenen, wien men verweet de wetten des Rijks te minachten
en te ontkennen. Al deze zaken wijzen er dus op dat de Eerste Kerk reeds uitstekend
was ingericht, met veel wijsheid werd bestuurd ; maar ook tevens dat, bij den onzekeren
toestand waarin zij verkeerde en de veelvuldige vervolgingen waaraan zij bloot stond,
aan dat beheer, naast groote belangen, ook een groote mate van kennis, omzichtigheid
en vastberadenheid moest verbonden zijn. Wanneer wij dat alles overwegen, inoeton
wij mot eerbiedige bewondering opzien naar dat groote werk, uit zoo nederig een begin
ontstaan, en dat in alles den stempel draagt van zijn goddel ij ken oorsprong.
Na dit algemeen overzicht van de Katakomben, hun ontstaan, uitbreiding, inrich-
ting, wettelijken toestand en uitgestrektheid, zullen wij de voornaamste ervan aan eene
-ocr page 115-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                        93
nadere beschouwing onderwerpen, om daardoor vooral te doen uitblinken hoe, van do
eerste tijden af, in de Katholieke Kerk de zelfde loer werd verkondigd, de zelfde saera-
menten werden toegediend, de zelfde disciplien heerschte als in onze dagen; wij zullen
dan, tot onze groote bewondering en tot versterking en bevestiging van ons geloof
zien, dat, met uitzondering van zaken van bijkomenden aard, de Kerk van haar eerste
ontstaan af zich aan ons voordoet in al hare ceremoniën, in hare geheelo discipline
en hiërarchie, zooals zij, na negentien eeuwen, zich nog de geheele wereld door in een-
heid en algemeenheid hoeft voortgezet en voort zal zetten tot aan het einde der eeuwen.
„Want, zooals 1\'abbé Boulfroy in zijn Rome zegt"\', \'t is waarlijk het katholiek geloof
dat als een zon in do duisternis der Katakomben schittert. 1\'it de diepte der cubicula,
waar geheele gezinnen als in een gemeenschappelijke slaapzaal rusten, uit de diepte
der loculi, die op boven elkander geplaatste wiegen gelijken en die inderdaad wiegen
van onsterfelijkheid zijn, schijnen beminde en bekende stemmen, broederstemmen, op
te gaan, die een overwinningslied zingen: de overwinning van de waarheid op do
dwaling, van den Christus en zijn Kerk op de verbonden machten dor Hel." Aanvaarden
wij dan met diepen en heiligen eerbied onze wandeling door die uitgestrekte gangen,
waar elke voetstap een wonderbaren echo oproept, die ons, na negentien eeuwen, het
heerlijke loflied der overwinning herhaalt.
Tot de oudste Katakomben behooren in do eerste plaats de Vatioaansche en de
Ostriaansche, en vervolgens die van Commodilla, Domitilla en Priscilla, van Pretextatus
van Lucina en van St. Hennes.
Onbestreden de oudste is de OSTRIAANSCHE, wijl daar, volgons de overlevering, do
H. Petrus het II. Doopsel aan de eerste Christenen van Rome heeft toegediend. Deze
overlevering berust op zulke goede gronden, dat men haar wel als een bewezen waar-
heid mag beschouwen. Behalve uit de apocriefe acten van den II. Liberius, waar ge-
zegd wordt dat de II. Petrus in die Katakomde (de Ostriaansche) gedoopt had, blijkt
zulks nog zekerder uit de authentieke acten van de II.II. Papias en Maurus die, onder
Diocletiaan gemarteld, bijgezet werden op den Nomentaanschen weg, ad Nymphas
ubi Petrus baptizaverat,
bij de Nimphen, waar Petrus gedoopt hooft. In het vroeger
reeds door ons genoemde werk: Mirabilia urbis Romac, wordt zij coemilcrium fontis
S. Petri,
begraafplaats bij de bron van den II. Petrus, genoemd. Een vorder bewijs
geeft de lijst van de relikwiën, door den pelgiin Joannis te Rome verkregen voor de
Longobarden-Koningin Theodolinda, voor de nieuwe kerk, die zij te Monza ter eore
van den II. Johannes den Dooper had opgericht.
Op dat lijstje vindt men ook vermeld: sedes ubi prius sedit scs Petrus er oleo.
Dat wil zoggen, dat deze relikwie bestond in een weinig olie, genomen uit de lamp
die brandde voor den stoel, op welken de II. Petrus het eerst gezeteld had. Daar deze
relikwiën allen van heiligen zijn, die langs den Salarischen weg rustten, is het ook als
zeker aan te nemen dat de olie genomen is bij den zetel van don II. Petrus, welke zich
daar bevond, en niet bij dien, welke in de Vatioaansche Basiliek wordt bewaard.
Bovendien werd den 18 Januari ook gevierd de Dedicatio Cathedrae S. Petri Apostoli
qua primum Romac sedit.
(Feest van den stoel van den II. Petrus Apostel, waar hij
het eerst te Rome op zetelde.) Ook de Rossi wijst er op dat er eertijds twee feesten van
St. Petrus stoel werden gevierd; een op den 18 Januari en een ander op don 22 Februari.
In de 6e eeuw vertoonde men nog den stoel waarop de eerste Paus gezeteld heeft.
Deze Katakombe was langen tijd niet meer te doorvorschen, dewijl zij geheel en al
-ocr page 116-
94                            ROME IN DESZELFS VERLEDEN EX HEDEN.
met puin en aarde was volgestort; evenwel heeft Armellini, een der leerlingen van de
I.ossi, er in de laatste jaren van 70 nieuwe opgravingen gedaan en er kapellen en tal-
rijke opschriften ontdekt; in een dier kapellen heeft men een in den tufsteen uitge-
houwen bisschopstoel gevonden, dien men voor den zetel van den II. Petrus houdt.
In deze Katakombe werden nog begraven de H. Emerentiana, de H.II. Victor en
Alexander en de H.II. Felix, Papias en Maurus
In de Vatikaansche Katakombe werd, zooals wij vroeger hebben vermeld, het lichaam
van den II. Petrus bijgezet, nadat hij in do nabijheid daarvan den kruisdood was ge-
storven; ook de martelaren, die onder Nero in diens tuinen en renbaan getuigenis van
Christus aflegden, vonden daar een rustplaats. Men heeft er een steen ontdekt die den
naam droeg van den II. Linus, die, zooals men weet, den H. Petrus op den bisschop-
pelijken stoel van lïome opvolgde. Bij den bouw van de eerste St. Pieterskerk, onder
Constantijn den (iroote, en meer nog bij het bouwen der tegenwoordige Basiliek in
de 10e eeuw, werd deze Katakombe geheel verwoest. De tegenwoordige Crypte, waar
zich het graf van den prins der Apostelen bevindt, is er nog een overblijfsel van. Do
Katakombe van Commodilla, op den weg van Ostia, diende tot begraafplaats vanden
II. Paulus; ook deze is door den bouw van de St. Pauluskerk grootendeels vernietigd.
Zij klimt evenwel onbetwistbaar tot de tijden der Apostelen op; men heeft er inschrif-
ten gevonden uit de jaren 107 en 110, dus uit een tijd die slechts veertig jaren van den
dood der beide Apostelen verwijderd is.
De II. Domitilla, die haar naam heeft gegeven aan de volgende Katacombe, waarvoor
zij den grond had geschonken, behoorde tot het geslacht der Klavier (zie blz. 21),
waartoe ook de keizers Vespasianus, Titus en Domitianus behoorden. De vervolging
van dezen laatsten spaarde zelfs zijn naaste bloedverwanten niet. Toen de H. Petrus
den marteldood leed, was een Flavius Sabinus prefect van Rome, en veel omstandig-
heden pleiten voor het gevoelen dat hij zich tot het christendom bekeerde. Zijn zoon,
Flavius Clemens, stierf den marteldood, de II. Domitilla was zijne gemalin, die onder
Domitiaan do martelaarskroon verwierf. De jongere Domitilla was haar nicht. Volgens
de overlevering zou zij, met hare beide kamerdienaren Nereus en Achilleus, door den
H. Petrus gedoopt zijn. Zij had zich aan Christus als bruid gewijd en weigerde der-
halve een huwelijk aan te gaan met Aurelianus, die haar verloofde was. Deze, over
de weigering verbitterd, klaagde haar bij den Keizer aan, door wien zij naar het eiland
Pontia verbannen werd, waar zij haar heilig leven eindigde. Haar lichaam werd te
Terracina begraven. Nereus en Achilleus, evenwel, werden door de bijl onthoofd; zij
hebben hun naam geschonken aan een beroemde Katakombe, waar hunne heilige
overblijfselen in het jaar 1861 ontdekt werden. Do Katakombe van de II. H. Nereus
en Achilleus behoort tot de grootste van Rome en bestaat uit vijf verdiepingen.
Stempelafdrukken op sommige steenen wijzen op het jaar 123. Hier ook rustte het
lichaam der II. Petronilla die, naar de overlevering luidt, eveneens door den H.
Petrus onder de bruiden van Christus werd opgenomen. Toen de vrede aan de Kerk
werd geschonken, bouwde men boven haar graf een prachtige kerk, waarvan men in
1874 de overblijfselen heeft gevonden.
De eerste restauratie van dezen eerbiedwaardigen tempel geschiedde op kosten van
Mgr. Felix de Merode, den beroemden minister van Pius IX, maar zij werd voltooid
en de toegang tot de Katakombe van do II. Domitilla heropend door de goede zorgen
en den ijver van de oudheidkundige commissie, zoodat men zich nu een juist denkbeeld
-ocr page 117-
HET ONDERAARDSCHE ROMP:.                                     95
kan vormen van do indeeling en inrichting van een basiliek uit de eerste tijden van
het Christendom. Men ziet er het prestyterium, de afdeeling voor de vrouwen, de
schola cantorum of het zangkoor enz. Verder heeft men er een groot aantal monu-
menten, insehriften, sarcofagen enz. bijeengebracht van hooge oudheid, zoowel van
Christelijken als heidenschen oorsprong. Den 14den Mei 1899, op den 258,en verjaardag
van de ontdekking van de basiliek der H. Petronella bij deze Katakombe, werd er een
plechtige Mis gevierd, waarbij de leerlingen van het Fransche Seminarie Gregoriaan-
schen zang uitvoerden, op de plaats zelve, waar de II. Gregoriui dien 13 eeuwen
vroeger deed hooren.
De Civilta Cattolica van den 3<len Juni 1899, geeft naar aanleiding van deze plech-
tigheid, de volgende historische herinneringen ten beste. „De basiliek van de H.H. Ne-
reus, Achilleus en Petronilla langs den Ardeatinischen weg, is een der eerbiedwaardigste
heiligdommen der romeinsche Katakomben, dat wil zeggen dat zij de rustplaats is van
het edele geslacht der Christelijke Flaviërs, dat ten nauwste verwant was met de keizers
uit het geslacht der Flaviërs (Vespasianus, Titus en Domitianus). Hier bevond zich
inderdaad de onderaardsche begraafplaats die aan Flavius (\'lemens, consul en marte-
laar, toebehoorde welke onder de vervolging van Domitianus gemarteld werd, aan
Flavia Domitilla, zijne gemalin, en aan de maagd Domitilla, hunne nicht. Daar werden
ook begraven de beide beroemde martelaren Nereus en Achilleus, die eenmaal tot het
huis der jongere Domitilla behoorden en in dezelfde vervolging het leven verloren;
hier was ook het graf van de beroemde Christen maagd Petronilla, do geestelijke
dochter van den H. Apostel Petrus.
Doven deze zoo eerbiedwaardige herinneringsplaats uit de eerste eeuw, werd, op
het einde der vierde eeuw, de grootsche basiliek met drie beuken opgericht, die nu
onlangs gerestaureerd werd. Het graf van do martelaren Nereus en Achilleus bleef op
zijn oorspronkelijke plaats na de oprichting van het nieuwe gebouw en moest zich
bevinden voor de absis, die men op den achtergrond ziet; niet ver van daar was ook
de sacofaag geplaatst van de H. Petronilla. De lichamen dezer heiligen werden op het
einde der achtste eeuw uit de basiliek buiten de stad weggevoerd en de overblijfselen
van de H. Petronilla naar het Vaticaan overgebracht, terwijl die van de H.H. Nereus
en Achilleus werden vervoerd naar den ouden titel van Fasciola, welke kerk, binnen
do stad gelegen, thans hun naam draagt. Onder de kostbaarste herinneringen, die men
bij de opgravingen heeft gevonden, kan men het heerlijke opschrift rekenen dat paus
Damasus ter eero der beide heldhaftige martelaren maakte en nu in het voorportaal
der basiliek is geplaatst, benevens de kleine marmeren zuil in de absis, die in half
verhoven werk den marteldood van den II. Achilleus voorstelt; in de absis ziet men
de nis voor den bisschoppelijken kanzel, waar do II. (Iregorius de Groote een zijner
schoonste homiliën uitsprak.
Rondom de basiliek strekt zich een onmetelijke on allerbelangrijkste onderaardsche
begraafplaats uit, die in uitgestrektheid on grootschheid der monumenten zelfs de be-
roemde Katakombe van St. Callistus overtreft.
Een bezoek aan deze Katakombo van Domitilla is hot meest aantrekkelijke en leer-
rijke wat de beminnaars van de christelijke oudheidkunde kunnen doen, daar men
er de groote geschiedkundige perioden van de eerste Kerk ziet voorgesteld, van de
tijden der Apostelen af tot aan do volkomen zegepraal van het Christendom. Do oor-
spronkelijke voorhal der Flaviërs, met haar klassieke schilderingen en de opschriften
-ocr page 118-
96                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
der Flaviërs zei ven, herinneren ons aan dit edele geslacht, dat eigenaar van de plaats
was, en door den ijver der Apostelen bekeerd werd; zoo ook werd de eerste periode
van den aanleg der Katakombo aangeduid door de zoogenaamde wijk van Ampliotus,
die misschien dezelfde persoon is welke door den H. Paulus in zijn brief aan de Ro-
meinen genoemd wordt.
Do uitgestrekte wijk der 3\',e eeuw, met verschillende schilderwerken, waaronder een
zeer kostbare van de II. Maagd, vertoont ons de bewonderenswaardige uitbreiding van
het Christendom in deze eeuw der groote vervolgingen, toen, volgens het gezegde
van Tertullianus, het bloed der christenen een zaad van nieuwe christenen ivas; de
doolhof van begraafplaatsen, in de 4d0 eeuw er aan toegevoegd, herinnert ons aan de
rustige dagen van den vrede der Kerk en aan den grooten paus Damasus, die hier,
met zijn moeder en zijn zuster, een rustplaats vond. Eindelijk kan de groote basi-
liok, in de dagen van keizer Theodosius opgericht, beschouwd worden als een roem-
rijk zegeteeken van de volledige zegepraal der Kerk op do afgoderij.
Een bezoek aan deze grootsche onderaardsche begraafplaats is derhalve van groot
nut voor een ieder die een duidelijk begrip wil hebben van het bewonderenswaardige
werk der romeinscho Katakomben en op de plaats zelve de geschiedkundige ontwik-
keling der oude christelijke begraafplaatsen bestudeeren.
De Katakombo van Domitilla heeft haar ingang langs de Via dcllc Sctte Chiese,
No. 22a (tusschen St. Paulus en St. Sebastiaan), en grenst aan de basiliek van de
II.II. Nerous, Achillous en Petroniila. Zij is alle dagen te bezichtigen van 9 tot 5 uur.
Langs de Via Labieana bevonden zich verscheidene Katakomben, waarvan die van
de II.II. Petrus en Makckixixis de beroemdste was. Deze Katakombo ligt niet ver
van do Ton PlONATTARA of praalgraf van de II. Ilolona. Hier werd onlangs do his-
torische crypte teruggevonden waar de lichamen van do II.II. Petrus en Marcellinus
langen tijd gerust hebben. Genoemde martelaren loden voor het geloof tusschen de
jaren 304 en 305, tijdons do wreede vervolging van Domitianus. Hunne lichamen
werden in do Katakombo langs de \\\'ia Labicana bijgezet, totdat zij, in 827, naar
Duitschland worden overgevoerd. Moer dan duizend jaren lag de onderaardsche crypte,
waar zij eenmaal rustten, bedolven onder de puinon der Katakombo. Pij herstellingen,
dio er aan gedaan werden, vond men do crypte terug en den 14,,on April 1899 was zij
geheel opgcdolven en weer geopend voor de vereering dor geloovigen. Op dien
dag had er oen plechtig godsdientig feest in do heropende historische crypte plaats.
Na don middag veroonigden de genoodigden zich in hot gebedenhuis boven den
grond, waar eertijds het graf van den II. Tiburtius was, in do nabijheid van het
praalgraf van de II. Ilolona.
Zoo opent Rome dag voor dag haar lang verborgen schatten weer voor het oog
der wereld on in dozo eeuw van ongeloof en scepticisme rijzen daar voor ons op do
onwraakbare getuigen van geloof en heldenmoed, van zelfverloochening en verachting
der wereld, om ons te wijzon op Christus en Zijn Kruis, die do wereld op hot heiden-
dom veroverden on ook de overwinning zullen behaion op ongeloof en materialisme.
De Katacombe van de II. Priscilla hoeft haar naam te danken aan de echtge-
noote van don Senator (?) Pudens. Volgens eene overlevering zou Pudens niemand
anders zijn dan de hoofdman Cornelius, waarvan in de lijdensgeschiedenis des Zalig-
makers sprake is en tot hot beroemde geslacht der Cornelii hebben behoord; maar
-ocr page 119-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         97
hier schijnt de overlevering niet met de waarheid in overeenstemming te zijn. Volgens
de Rossi is het zeer onzeker of liij tot dat geslacht behoorde en nog minder waar-
schijnlijk is het dat een Senator een eenvoudige hoofdman eener centurio zon zijn
geweest. liet dragen van den naam Cornelius zegt nog volstrekt niet dat iemand ook tot
dat geslacht behoordde, daar de vrijgelatenen den naam aannamen van hun vroegere
meester. Deze opmerking, die wij alleen doen omdat wij zooveel mogelijk onzen arbeid
op de hoogte willen brengen der laatste ontdekkingen en controversen, neemt evenwel
niets weg van de waarheid der hoofdzaak, zoodat wij dan ook kunnen aannemen dat
de II. Priscilla de echtgenoote van Pudens was, en dat do beide H. H. Maagden Puden-
tiana en Praxedes tot hunne naaste verwanten behoorden. Eenigen meenen evenwel
dat de Priscilla, die haar naam aan deze Katakombe gaf, de echtgenoote was van
Aquila, waarvan sprake is in de Handelingen der Apostelen. Wanneer wij over de
schilderingen en simbolen spreken, zuilen wij gelegenheid hebben op deze Katakombe
terug te komen.
De KATACOMBE VAN PRETEXTATUS werd reeds elders door ons vermeld ; zij behoorde
eertijds tot de meest bekende en de meest bezochte, daar zij een groot aantal beroemde
martelaarsgraven bevatte, waarvan enkele vermeld verdienen te worden. Zoo komen
in de eerste plaats in aanmerking die van den II. Quirinus en van zijne dochter, de
II. Babina. Quirinus werd door keizer Hadrianus belast met de bewaking van paus
Alexander. Voorname gevangenen werden soms in hun eigen woning gevangen gehouden
en hunne bewaking aan een hooggeplaatst officier toevertrouwd, zooals dan ook het
geval was met paus Alexander. In den omgang met zijn gevangene leerde Quirinus
het christendom kennen en bekeerde zich met geheel zijn gezin. Hij stierf voor zijne
overtuiging den marteldood. In 162 werd de II. Jannarius, de oudste zoon van de
H. Felicitas, hier bijgezet, zooals wij dat reeds vroeger uitvoerig hebben vermeld. De
H. Valerianus, de verloofde van de II. Cecilia, diens broeder Tiburtius en hun beider
metgezel in \'t lijden en de zegepraal, de II. Maximus, vonden, na hun marteldood, hier
een rustplaats in gezelschap van den II. Urbanus, die hen tot de kennis van Christus
en de eeuwige glorie bracht. Den (5 Augustus van \'t jaar 258 werd hier een bloedig
tooneel afgespeeld; de H. Paus Sixtus II werd op bevel van keizer Valerianus op zijn
bissehoppelijken zetel onthoofd; met hem leden de diakenen de II.II. Felicissimus en
Agapitus met nog twee geestelijken. Ook de II. Zeno vond hier zijn laatste rustplaats.
De Katakombe van den H. Hermes behoort mede tot de oudste van Rome. Zij is
vooral beroemd door een gemetselde kerk, de grootste die men in het onderaardsche
Home gevonden heeft. De bouwvalligheid van deze Katakombe maakt een bezoek er
van zeer gevaarlijk.
De Katakombe van den H. Callistus is zeker wel de meest beroemde en de
meest bezochte onder alle Christelijke begraafplaatsen van het onderaardsche Rome,
zoowel om hare groote uitgestrektheid en de menigte martelaarsgraven, die zij bevatte,
als om den roem van eenigen dezer; bovendien was zij de wettelijk erkende officieele
begraafplaats van Rome en strekte zij tot laatste rustplaats aan 40 pausen. Zij lag
aan den Appischen weg, en alle oude pelgrimsboeken spreken van haar, van de 140.000
martelaren die zij in haar schoot verborg, van het graf der II. Cecilia, van de graf-
kamer der pausen; maar hoe beroemd ook, hoe goed ook eertijds bekend, toch was zij
in vergetelheid geraakt. In het 1849, echter, vond de Rossi in een wijngaard een brok-
stuk van een marnieren plaat, waarop hij de woorden NELIUS MARTVR las. Terstond
8
-ocr page 120-
98                           ROME IX DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
rees bij hem het vermoeden op dat dit stuk steen tot het graf behoorde van den II.
Paus Cornelius, die in \'t midden der 3de eeuw den marteldood stierf en volgens de oude
bescheiden in de nabijheid van de paus-crypte was bijgezet. Paus Pius IX kocht den
wijnberg en nu begon de Kossi zijne nasporingen. In 1852 vond hij in een grafkamer
onder een aardhoop een brokstuk, waardoor het ganscho grafschrift werd hersteld;
het luidde:
COKXELU\'S M.UtTYIi.
E P.
Hiermede was het graf van dezen paus ontdekt, maar de Rossi wist tevens dat hij
zich in de nabijheid van de paus-crypte en van het graf der H. Cecilia moest bevinden,
en zette dus met nieuwen ijver zijne nasporingen voort. Twee jaren later ontdekte hij
dan ook de ruimte die aan een groot aantal pausen uit de eerste eeuwen der Kerk
tot laatste rustplaats verstrekte en algemeen hekend is onder den naam van paus-
crypte of grafkamer der pausen. Daar vond hij ook, in 154 stukken gebroken, het be-
roemde opschrift dat paus Damasus veertien eeuwen vroeger aldaar had aangebracht,
en het gelukte hem dit gedenkstuk in zijn geheel te herstellen. Kort na dien werd ook
het graf gevonden waar eenmaal het maagdelijk lichaam van de liefelijke II. Cecilia
had gerust, en zoo was dan een der beroemdste Katakomben weer voor de blikken
der wereld ontsloten. Pit het grondplan, dat de Kossi er van maakte, bleek dat de
Katakombe van den II. Callistus samengesteld was uit meerdere kleine begraafplaat-
sen en dat een gedeelte behoorde tot die van de II. Lucina, andere tot die van de
II. Babina, den II. Soter, den II. Hippolytus enz.
Op eenigen afstand van de Poort van St. Sebastiaan den Appischen weg verlatende
en rechts omslaande, komt men aan een gebouw met drie ingangen, dat voor wijnkelder
wordt gebruikt, maar waarin de Itossi een gebouw uit de !5e eeuw herkende, een kerkje
dat eenmaal aan den II. Sixtus en do II. Cecilia was gewijd. Links van dit gebouw
voert een houten trap van vijf en dertig treden in de onderaardsche gangen, en weldra
komt men aan de paus-crypte, die van de .Se eeuw dagteekent. De menigte inschriften,
de vrome aanroepingen, de teedere verzuchtingen, de tallooze namen op de wanden
gegriffeld, toonen reeds aan dat men eene plaats nadert die gedurende eeuwen voor
duizenden geloovigen een voorwerp van groote vereering en bijzondere godsvrucht was.
Onder die namen, op de wandon der gangen gekrast, zal men ook die vinden van Sofro-
nia, welke Dr. II. J. A. AI. Schaepman aanleiding gaf tot het schrijven van zijn heerlijk
dichtstuk „Sofronia, of een bloem der Katakomben" in „De Wachter" 1872 geplaatst.
De vrome pelgrim, die deze gewijde plaats bezoekt, zal het den dichter nazingen:
Er golft een stroom herinneringen,
Ken leger vragen door de lucht,
Die immer naadren, immer dringen
In lange rij, in bonte vlucht;
Die aan \'t bewogen harte kloppen
Op iedere plek, in ieder uur,
Ontelbaar als de regendroppen,
Verzengend als het lavavuur;
-ocr page 121-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                         99
Geheime wrekers, sombre boden
Van dreigende oneer, schande en pijn ;
Gestalten uit hot rijk der dooden,
Die kinderen van ons leven zijn.
De pausgroeve is slechts 4\'., nieter lang en 3\'/2 meter breed; op don achtergrond be-
merkt men een soort marineren hoogte met vier openingen ; daar stond eens het door vier
kolommen gedragen altaar. Daarachter bevond zich eertijds liet hoofdgraf, welks vlak
deksel tot altaartafel diende. De graven der pausen zijn in den tufwand uitgehouwen en
door breede strooken van elkander gescheiden ; op den grond stonden twee steenen dood-
kisten of sarcofagen, onder den bodem van de crypte waren eenigo graven van vreemde
bisschoppen en van martelaren. Oorspronkelijk waren de wanden in sfnc bepleisterd,
maar in latere tijden werden zij met marmeren platen, friesen, kolommen enz. van mar-
mer, serpentijn en porfier bekleed, waarvan de meeste eer toekomt aan paus Sixtus III
(432 440.) In de vijfde eeuw werden de twee luchtgaten aangebracht, die men in hot
gewelf ziet. De Rossi vond er verschillende brokstukken van steen en sluitplaten der
pausgraven, o. a. die van de pausen Anteros, Urbanus, Fabianus, Lucius, Eutuchianus.
De volgende Pausen werden hier bijgezet. De eerste is de II. Zephyrinus, (\'202 218)
die de crypte aanlegde; Urbanus I (22:5 230), Pontianus (230-235), Fabianus (236 250),
Cornelius (251 252), die niet in maai*, zooals wij gezien hebben, in de nabijheid der
crypte werd bijgezet: Lucius 1 (252 253), Stefanus I, Sixtus II, Dionysius, Felix I,
Eutuchianus en Ca jus. Eusebius, die op Sicilië in ballingschap stierf, werd later door
zijn opvolger Melchiades (311 .\'114) naar de pausgroeve overgebracht ; Il ij-zelf is de
laatste paus die in de Katakombe werd begraven, hoewel niet in de pausgroeve.
De grafplaats van de II. Cecilia is door een nauwen gang van de paus-crypte ge-
scheiden, maar op sommige1 punten raken de wanden elkander.
Het wedervinden van het lichaam tier II. Cecilia is een der merkwaardigste ge-
beurtenissen uit de zoo rijke en treffende geschiedenis der Katakombon. Nahaarroem-
r ij ken marteldood, waarover wij later zullen spreken als wij een bezoek zullen brengen
aan de haar gewijde kerk in Trastevere, werd het lichaam der maagdelijke martelares
in de Katakombe van Callistns bijgezet. Toen in de üd,! eeuw de omstreken van Rome
door Longobarden en Saracenen werden verwoest en de heilige plaatsen door hen
niet gespaard bleven, besloot Paus Paschalis V de overblijfselen der martelaren voor
ontheiliging te behoeden en liet hij de relikwieën van meer dan 2500 hunner naar
Rome overbrengen, onder welke zich ook die van de paus-groeve bevonden. Het graf
der II. Cecilia vond hij evenwel niet en reeds begon hij geloof te slaan aan de ge-
ruchten die zeiden, dat do Longobarden het kostbaar overblijfsel hadden ontvreemd.
Toen de paus evenwel kort na dien een plechtige godsdienstoefening aan het graf van
den H. Petrus bijwoonde Paschalis heeft het voorval zelf vermeld , overviel hem
eene lichte sluimering en eene schoone jonkvrouw met edele trekken stond voor hem.
Zij deed zich kennen als de II. Cecilia en maakte den Paus er een verwijt van dat
hij ook niet haar lichaam had laten overbrengen, daar hij toch zoo nabij haar graf
was geweest dat zij met elkander hadden kunnen spreken.
Paus Paschalis hervatte nu zijne nasporingen en vond, in eene zorgvuldig gesloten
verdieping van den muur en slechts door een dunnen steenen wand van de pausgroeve
gescheiden, een kist van cipressenhout en daarin het lichaam der heilige, juist zooals
de overlevering haar beschreven had: op de zijde liggende, aan den hals de diepe
-ocr page 122-
100                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
zwaardwonde vertoonende en aan hare voeten de met haar bloed doortrokken doeken.
Het lichaam, nog geheel ongeschonden, was gekleed in een met goud gestikt gewaad.
Nadat hij de kist van binnen met zijde had laten bekleeden en een kleed van zijden
gaas over het lichaam had uitgestrekt, liet hij de kist opnieuw sluiten en naar de kerk,
die hare naam draagt, overbrengen.
Op \'t laatst der 16e eeuw liet Kardinaal Sfondrati, die den titel van de II. Cecilia
droeg, herstellingen aan hare kerk doen. Den 20 October 1599 werd in tegen woord ig-
heid van verscheidene getuigen het grafgewelf onder het hoogaltaar geopend. Ineene
vrije ruimte vond men twee kisten van wit marmer; toen men een er van opende
vond men er een kist van cipressenhout in.
De Kardinaal hief met eigen handen het lichte deksel op en daar vertoonde zich
aan zijne ontroerde blikken het lichaam der heilige, juist in den toestand zooals paus
Paschalis het bijna achthonderd jaar te voren aanschouwd had. De zijden stof bekleedde
nog de wanden en door het dunne gaas bespeurde men het met goud doorwerkte kleed
dat het maagdelijke lichaam der heilige jonkvrouw omsloot. Kardinaal Sfondrati ver-
wijderde met bevende hand den zijden sluier... en ongerept, door geen bederf aangetast,
ligt zij daar, de 11. Cecilia, als ware zij alleen in eene zoete sluimering gedompeld.
Nog zag men aan haar hals de diepe wonde van het zwaard, nog lagen aan hare
voeten de met haar bloed gedrenkte doeken. Geheel Rome stroomde naar de kerk om
de wonderschoone trekken der roemrijke heilige te aanschouwen, en onder hen bevond
zich ook de beroemde geschiedschrijver Baronius en de Katakombenvorscher Dosio,
die beiden van de wondervolle gebeurtenis een gelijkluidend verhaal opstelden. Na
eenige weken werd de kist opnieuw gesloten en op de vroegere plaats gezet, waar
boven de kardinaal een prachtig altaar liet oprichten, onder hetwelk men het heerlijke
wit marmeren beeld der heilige ziet, in de houding zooals zij door Paus Paschalis en
door Kardinaal Sfondrati gevonden werd. Dit wonderschoone beeld is het werk van
Stefano Maderno.
Zooals wij zagen bestaat de Katakombe van den II. Callistus uit meerdere andere,
die vroeger evenwel afgezonderd er van waren; de voornaamste er van is die van de
II. Lucina. De naam Lucina werd door verscheidene-in de kerkgeschiedenis bekende
vrouwen gedragen, maar men meent dat de heilige, aan wie deze christelijke begraaf-
plaats haar naam ontleent, bij \'t II. Doopsel aldus genoemd werd; Lucina beteekent
de Verlichte, de Lichtvolle. Men houdt het er voor, ofschoon de zekere bewijzen ont-
breken, dat zij de beroemde Pomponia Graecina was, de gemalin van Platius, een
Pomeinsch Veldheer, die groote veroveringen in Britanje maakte. Volgens heidensche
schrijvers werd zij in \'t jaar 58 van „vreemd bijgeloof" beschuldigd, onder welke be-
naming, zooals wij vroeger aangemerkt hebben, de heidenen het christendom aanduidden.
Voor een familiegerecht gedaagd, werd zij evenwel vrijgesproken. Talrijke nog bestaande
bouwwerken wijzen er op, dat deze Katakombe bestemd was tot familiegraf van een
aanzienlijk geslacht, waartoe ook paus Cornelius behoorde, die in ballingschap te (\'ivita-
vecchia stierf. Men vermoedt dat Lucina het lichaam van haar gestorven bloedverwant
heeft opgeëischt en in de aan haar geslacht behoorende Katakombe liet bijzetten. Dit
verklaart dan ook waarom de II. Cornelius niet in do pausgroeve werd bijgezet Links
van het graf van den II. Cornelius bevonden zich die van ,/Cerealis en Sallustia met
eenentwintig (martelaren)", die allen door den II. Cornelius bekeerd waren en, evenals
hij, voor hun geloof leden.
-ocr page 123-
HET ONDERAARDSCIIE ROME.
101
Zeer beroemd was ook ten allen tijde de Katakombe van St. Sebastianus, die het
eerst met den naam van Katakombe werd aangeduid, welke naam, wij hebben het
reeds eerder gezegd, later op alle andere onderaardsche begraafplaatsen werd over-
gedragen. Hier rustten een tijd lang do lichamen der H.II. Apostelen Petrus en Paulus.
Do H. Gregorius verhaalt namelijk het volgende :
„Het is wel bekend dat ten tijde van den marteldood der Apostelen Petrus en Paulus
de christenen uit het Oosten kwamen om de lichamen van hunne landgenooten en die
zij meenden tot de hunnen te behoorcn, in ontvangst te nemen en dat zij die, toen zij
aan de tweede mijlpaal van Rome gekomen waren, op eene plaats verborgen die „bij
de Katakomben" genoemd wordt". Volgons denzelfdon II. Paus zou oen zwaar onweder,
van bliksem en donder vergezeld, de roovers het verdergaan belet hebbon ; misschien
hebben de christenen van Rome, de ontvoering bemerkende, do heilige lichamen aan
do ontvoerders ontnomen en ze in de nabijheid in een grafkamer bijgezet. Zeker is
het, dat een constante overlevering, dio bijna oen geschiedkundige waarheid kan ge-
noemd worden, zegt, dat de beide Apostelen daar een tijd lang gerust hebben, het zij
kort na hun marteldood, het zij in de tweede helft der dorde eeuw. Mchalvc genoemde
tekst van den II. Gregorius, getuigt zulks ook hot Libcr pontificalis, waar gezegd wordt
dat paus Damasus, platonam ipsam ubi iactterunt corpora sancta vcrsibns cxornavit,
(d. w. z. den stucmuur, waar de heilige lichamen rustten, met verzon versierde.) Over
de eigenlijke ligging van deze graven is in de laatste jaren een geheel nieuw licht
opgegaan, waarover wij evenwel later zullen spiekon, als wij do kerk van den II. Sebas-
tianus behandelen. Zeker is het dat daar, waar de H.II. Apostelen een tijd lang rustten,
eene kerk werd gebouwd, die aanvankelijk den naam droeg ecclesia apostolorum (kerk
der Apostelen) en later meer algemeen bekend werd onder den naam van kerk van
St. Sobastiaan, naar don heiligen krijgsman die onder Dioclotiaan don marteldood leed
en wiens lichaam in dio Katakombe eene rustplaats vond. Mij zijne opsporingen naar
die ligplaats heeft Mgr. de Waal, de bekende directeur van het Duitsche College VAnima
te Rome, de begraafplaats ontdekt van den II. Quirinus, die te Siscia in Pannonie don
marteldood leed en wiens gebeente omstreeks het jaar 400 door zijne landgenooten naar
Rome werd overgebracht en in Sint Sobastiaan bijgezet. Deze Quirinus is zeker
niet dezelfde wiens graf men in de Katakombe van Pretextatus aanwijst, daar hij
bisschop was en in Pannonie den marteldood leed, terwijl de andere Quirinus krijgs-
man was en te Rome stierf.
De Katakombe van de H. Agxes munt uit door een aantal fraaie schilderwerken
en is vooral merkwaardig omdat zij nog tot in den laatsten tijd veel ongeopende graven
bezat en wellicht nog thans bezit, waaronder ook van martelaren ; zooals blijkt uit de
bloedvaasjes dio in den mortel, welke do grafsteenon vasthecht, ingemetseld zijn. Het
is overbekend dat de eerste christenen een grooto vereering hadden voor de overblijf-
solen der martelaren en vooral voor hun bloed, dat zij voor Christus\' leer vergoten,
zoodat het dan ook niet te verwonderen is dat zij dat edele bloed zooveel mogelijk
zochten te vergaderen. Zij volgdon vaak, den beulen en vervolgers ten trots en met
gevaar voor hun eigen leven, de belijders van Christus\' naam naar de strafplaatsen,
en vingen hun bloed in doeken op, of lieten het van den bodem in sponsen inzuigen
die zij later in bijzondere steenen vaasjes uitpersten en bij de martelaren in bet graf
of wel tegen de dekplaat buiten het graf plaatsten. Wij hebben daar even gezien
dat men in de lijkkist der H. Cecilia en aan hare voeten de met haar bloed gedrenkte
-ocr page 124-
102                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
doeken had gevonden. Men verhaalt nog dat de H.H. Pudcntiana on Praxedes hun
geheele leven doorbrachten met voor de begrafenis der martelaren te zorgen en hun
bloed te verzamelen. In de kerk van de H. Pudentiana, die ontstaan is uit het huis
waar deze heilige zusters woonden, wijst men een put aan waar zij, naar de overle-
vering luidt, de met het bloed der martelaren gedrenkte sponzen uitpersten. Ontelbare
plaatsen uit de gewijde schrijvers getuigen van deze gewoonte, en de christendichter
Pudentius, die met zooveel getrouwheid een aantal feiten en handelingen uit het leven
der eerste christenen weergeeft, zegt „Velen kleuren een linnen stof met het bloed dat
(uit de aderen der martelaren) vloeit, \'t Is een gewijd behoedmiddel, dat zij in hunne
woningen voor hunne nakomelingen bewaren". De aanwezigheid van zulk een bloed -
fleschje in of voor een graf wordt, met den palmtak op den deksteen geteekend, als
een zeker bewijs beschouwd dat in dat graf een martelaar rust. Soms ook werd de
met bloed gedrenkte spons zelve in zulk een vaasje bewaard. De protestanten en on-
geloovige schrijvers hebben beweerd dat de opgedroogde neerslag, in die vaasjes gevonden,
niet anders dan verdroogde wijndroesem was, van de agapen afkomstig, maar herhaalde
scheikundige onderzoekingen, waarvan onder andere één door den beroemden pro-
testantschen scheikundige Leibnitz werd gedaan, hebben bewezen dat genoemde neer-
slag bloed is. .Men heeft vaasjes gevonden die nog gesloten waren en bij opening
vloeibaar bloed bevatten. De bovenste vochtlaag was wel is waar wit, maar deze was
de bloedwei, terwijl de gekleurde zelfstandigheid, de bloed bolletjes, bezonken waren;
werden de bloedvaasjes evenwel geschud dan nam de geheele massa de roode bloedkleur
aan. De congregatie der riten heeft dan ook verklaard dat de bloedvaasjes door de
christenen bij de graven hunner broeders werden geplaatst om daardoor de getuigenis
af te leggen van hun roemrijken dood voor Christus. Deze in 1558 afgelegde verklaring
werd onder de regeering van Pius IX herhaald, toen nieuwe bedenkingen werden op-
geworpen tegen de beteekenis der bloedvaasjes bij de graven.
De Katakomije van de H. Cyiiiaca bevatte het graf van een der roemrijkste mar-
telaren der Kerk, dvw II. Laurentius, over wiens marteldood wij reeds gesproken hebben
(blz. 7;5). benevens dat van den II. Hyppolitus, wiens roemrijk uiteinde, na een kort-
stondige afdwaling, wij eveneens vermeldden (blz. 75). Ook de edele matrone, die aan
deze rustplaats haar naam gaf, werd er in bijgezet.
I.\\ de Katakomue van den H. Calepodus bevond zich het graf van den II. Pan-
cratius die, nog slechts veertien jaren oud, met groote heldhaftigheid zijn geloof in
Christus beleed en voor dat geloof blijmoedig zijn leven gaf. De meeste lezers kennen
de schoone figuur van dezen edelen jongeling wel uit het heerlijke werk ,.Fahiola of
de kerk der Katakomben" van wijlen kardinaal Wiseman. Pancratius werd evenwel
niet, zooals in Kabiola gezegd en nog door P. Kuhn in zijn .. Roma" herhaald wordt,
door de wilde dieren verscheurd, maar stierf door het zwaard. De aan zijne nagedach-
tenis gewijde kerk bevindt zich een weinig buiten de poort, die zijn naam draagt.
Onder de vervolging van Diocletiaan weiden hier ook de lichamen van den H. Tibur-
tius en later die vanden II. Marcellinus en zijne gezellen door twee edele vrouwen, Lucina
en Firmina, begraven. Ook de II. Ilelona, de moeder van Constantijn de Groote vond,
naar de overlevering luidt, hier hare laatste rustplaats.
Met dit kort overzicht hebben wij op lange na niet alle Katakomben doorloopen,
waarvan, zooals wij vroeger gezien hebben, meer dan zestig bekend zijn. De hier
behandelde zijn evenwel de voornaamste; van de andere, voor zooverre zij nog bekend
-ocr page 125-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                     103
en toegankelijk zijn zullen wij wellicht de gelegenheid hebben te spreken bij de be-
handeling van andere onderwerpen, zooals wij o. a. reeds deden over de Katakombe
van Maximus
(blz. 88). Wij zullen nu een blik gaan werpen op de voornaamste
afbeeldingen in de verschillende Katakomben gevonden.
De voorstelling van tafreelen uit het leven van den Zaligmaker, de II. Maagd,
de Heiligen, zoowel als de afbeeldingen van dezen door de schilder- of beeldhouwkunst,
is zoo oud als de Kerk; een enkele blik op hetgeen de Katakomben hebben opgeleverd
laat daarover geen redelijken twijfel bestaan. Wij zeggen „redelijken twijfel" want de
onredelijke twijfel, het dom en vooropgevat vooroordeel laat zich niet overtuigen. Een
bewijs hiervoor werd door do Rossi meegedeeld.
Op zekeren dag doorliep de geleerde onderzoeker do Katakombe van St. Priscilla
in gezelschap van een Anglicaansch professor van de universiteit van Oxford. Bij
een arcosolium gekomen, waarvan het plafond met uitstekend bewaard decoratief
schilderwerk was versierd, wendde hij zich tot den vreemden bezoeker en vroeg hem:
„Zoudt u ongeveer den tijd kunnen bepalen, waarin dit fresco werd gemaaktV" — „Ik
ben pas van Pompei teruggekomen, antwoordde deze, en ik heb do schilderwerken er
van met aandacht bestudeerd; deze schijnen mij uit hetzelfde tijdperk afkomstig."
„Gij hebt gelijk. Beide schilderwerken, die van Pompei en die van deze Katakombe,
komen met elkaar overeen. Wij hebben dus hier een gedenkteeken voor oogen uit het
einde der eerste of minstens uit do eerste jaren der tweede eeuw. Do Engelschman
gaf een teeken van toestemming. De zeer juist bekende datum van de uitbarsting van
den Vesuvius, die de stad Pompei onder haar asch bedolf, is het jaar 79 van de christe-
lijke jaartelling. Hij beschouwde derhalve mot voel ojnnerkzaamheid den rijkdom van
bloemen en bladeren, die het penseel van den kunstenaar op grillige wijze op het
gewelf van het arcosolium had geschilderd. „Zie nu eens hier", sprak de Rossi, en
de vlam van zijn fakkel op den wand van een zijmuur latende schijnen, maakte hij
den geleerden professor opmerkzaam op een heerlijke afbeelding van de H. Maagd,
het Kind Jezus in haar handen houdende „Herkent gij deze afbeelding?" vroeg hij
aan den bezoeker. „\'t Is een afbeelding van Maria.", was het antwoord. „Welnu!
drie maanden geleden, hervatte de Rossi, was deze gang nog geheel opgevuld met hot
zand, dat de eerste Christenen er in hadden geworpen, zooals zij gewoon waren te doen
wanneer alle graven bezet waren. Gij ziet derhalve voor u een gedenkteeken uit de
I^erste Kerk, en het getuigt voor de oudheid van de vereering der H, Maagd." De
anglikaansche geleerde bleef lang sprakeloos staan, met aandacht elke lijn onderzoe-
kende van deze op zoo wonderbare wijze weer aan\'t licht gekomen afbeelding. Eindelijk
hief hij het hoofd op en liet aan zijne lippen dezo woorden ontglippen, diedogewaar-
wordingen van oen inwendigen strijd verraden: „Antiqua semina superstitionum"
(oud zaad der bijgeloovigheden) - „Zeg veel liever met den H. Cyprianus, antwoordde
de beroemde ondheidvorscher: „Ö tencbras ipsc sole lucidores!" (O duisternissen die
klaarder zijn dan de zon-zelve).
Tegen het blind vooroordeel helpen zelfs geen wonderen. Daar rijst voor den
geleerden Engelschman een beeld op dat, hij bekent het zelf, uit de eerste tijden dei-
Kerk moet voortkomen, geschilderd 30, 40, misschien vijftig jaren na den dood van do
beide Apostelen Petrus en Paulus ; onder de oogen zekerlijk van hen, die uit hun mond
de leer en de onderwijzingen van Christus hadden opgevangen en die gewis in dat
-ocr page 126-
104                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
kort tijdsbestek niet vervalscht konden zijn met „bijgeloovigheden". Maar tegenover dat
slaande bewijs blijft bet vooroordeel blind en bet spreekt van „de oude zaden der bij-
geloovigheden". Voor ons, katholieken, zijn de afbeeldingen in de Katakomben een
schitterend bewijs voor ons geloof, wanneer bet geloof bewijzen noodig mocht hebben.
Ons zeggen zij dat wat de Kerk ons thans leert over de II.H. Sacramenten, over de
vereering en de voorbede der heiligen, over bel, bemel en vagevuur, kortom over alles
wat ons wordt voorgehouden als geloofspunten, op dezelfde wijze werd geleerd en
voorgehouden aan de eerste Christenen en door dezen aanvaard en geloofd werd met
hetzelfde onwrikbaar vertrouwen in de onfeilbaarheid dier leer, dat ook wij moeten
bobben om onze voorvaderen in \'t geloof waardig te blijven.
Eusebius, de grooto Kerk-geschiedschrijver, verbaalt dat de vrouw, die door den
Zaligmaker van een bloedvloeiing was genezen, in de stad Paneas een beeld ter eere
van den Verlosser bad opgericht en verzekert bet beeld zelf gezien te hebben ; en
Sonomones voegt er bij dat gemeld beeld ten tijde van Juliaan dvn Afvallige door de
heidenen verbrijzeld zijnde, de christenen met eerbied de brokstukken er van verzamelden
en ze in de kerk bewaarden. Dezelfde Eusebius getuigt dat er in zijn tijd afbeeldingen
van den Zaligmaker en de H.H. Petrus en Paulus bestonden, die naar een oude overlevering
waren gemaakt, en dat Constantia, de dochter van Constantijn, hem verzocht bad baar
die van den Zaligmaker te bezorgen. Tertulianus vermeldt afbeeldingen van den (Joeden
Herder in den bodem van de glazen bekers, die men zoowel gebruikte voor bet dage-
lijksch leven als voor de viering der II. (Jebeimen, en van die glazen bestaan er nog
in bet Vaticaanscb museum. Men verbaalt verder nog dat keizer Alexander Severus
in zijn buiskapel (lamrium) ook een beeltenis van den Zaligmaker bad. Ofscboon al
deze verbalen misschien niet onbetwijfelbare feilen bevatten, hebben zij toch, doorliet
gezag van hen die ze mededeelden, een groote mate van waarschijnlijkheid ; in elk geval
bewijzen zij dat de eerste christenen volstrekt geen afschuw hadden van do beelden,
zooals door de protestanten wordt beweerd. Zeker en onbetwistbaar staat evenwel vast
dat in de eerste eeuwen der Kerk de Katakomben op bevel en onder de oogen der
Pausen opgeluisterd werden met afbeeldingen op de meest verschillende leeringen der
Kerk betrekking hebbende.
Men kan de afbeeldingen in de Katakomben in twee categoriën verdeelen: de sim-
bolische en de niet simbolische. De eerste verbergen onder afbeeldingen uit het oude
Testament en soms zelfs onder die aan het heidendom ontleend, onder voorwerpen van
dagelijksch gebruik, dieren, planten, enz. een diepe beteekenis over de leer en de ge-
heimen des geloofs, waarvan de zin evenwel aan de ingewijden, de gedoopten bekend
was, maar die verborgen bleef voor de heidenen of die catechumenen welke nog niet
voldoende onderwezen waren om ze te mogen kennen, de niet-competentes. Evenwel
week men van die geheimhouding soms af, vooral in de werken der apologisten, wan-
neer het gold de lasteringen der heidenen te weerleggen, zooals b.v.b. die van Celsus,
waarover wij reeds gesproken hebben. Men noemde dat de discipline van bet geheim.
De tweede geven onverholen afbeeldingen van (Um Zaligmaker, de H. Maagd, de
heiligen enz.
Deze discipline van het geheim werd vooral ten opzichte van de II.H. Sacramenten
streng in acht genomen, en dat niet alleen wat hun werkelijken aard, maar ook wat
hun ritus betreft, maar meer in \'t bijzonder toch hot II. Sacrament des Altaars, het
Doopsel en het Vormsel.
-ocr page 127-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                       105
Toen de Zaligmaker tot de Joden sprak: „Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt";
en verder „Want mijn vleesch is waarlijk een spijs en mijn bloed is waarlijk een drank\'\',
zeiden velen van zijne leerlingen : „Dit woord is hard, wie kan het hooien ? en velen
verlieten Hem en gingen niet meer met Hem. Aldus lezen wij in het Evangelie van den
H. Johannos. Wanneer dat woord hard en niet aan te hooren was voor de leerlingen
die Christus\' wonderen gezien en Zijne leeringen gehoord hadden, hoe veel te meer
moest het dan niet onverstaanbaar zijn voor hen, die nog met den eenen voet op den
bodem van het heidendom stonden. Hoe tot die onwetenden in het christendom te
spreken van het geheim der II. Drievuldigheid, tot hen die misschien het zuurdesem
van het veelgodendom nog niet geheel van zich hadden afgeschud. Hoe gesproken over
die ondoorgrondelijke geheimen, die het verstand niet kan bevatten en die alleen door
het geloof aannemelijk worden, tot lieden wier geloof nog niet in het doopsel was be-
leden, door het vormsel gesterkt. Daarom werden al die grooto geheimen verborgen
onder simbolen en allegoriën, waarvan de beteekenis alleen achterhaald kon worden
door hen die reeds de Sacramenten hadden ontvangen en wier geloof beproefd en
bevestigd was. „Nooit", zegt de H. Cyrillus van Jerusalem, werd er tegen een luiden
gesproken over het geheim van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest; wij spreken
er zelfs niet openlijk over in tegenwoordigheid der Catechumenen
(d. w. z. die zich tot
het Doopsel voorbereiden); muur wij spreken er dikioijls op een verborgen wijze over
zoodat de geloovigen, zij die de dingen welen, hel begrijpen, en zij, die ze non niet
kennen, niet geërgerd worden door een te vroegtijdige openbaarmaking.
Xa deze korte uitweiding over de noodzakelijkheid en de beteekenis van dit arcannm,
deze discipline van bet geheim, zullen wij de meest voorkomende simbolen met hunne
verklaring bespreken en wel zooveel mogelijk in eene dogmatische volgorde, die wij
als volgt kunnen ordenen. Simbolen betrekking hebbende
I. Op God, op de II. Drievuldigheid, den Zaligmaker;
II. Op de Kerk;
III.     Op de II. II. Sacramenten;
IV.    De Christelijke Deugden ;
V. Het geloof aan de Opstanding;
VI. De vereering en de aanroeping der Heiligen;
VIII. Andere zinnebeeldige voorstellingen.
God, God de Vader wordt in de oudste christelijke begraafplaatsen altijd afgebeeld
of voorgesteld door een hand die uit een wolk komt, overeenkomstig de II. Schrift
waar de handeling Gods altijd wordt genoemd de sterke Hand, de krachtige Hand,
de Rechterhand Gods. God is onzichtbaar, onlichamelijk; hij openbaart zich alleen door
zijne daden, waarvan de hand de zinnebeeldige voorstelling is. Talrijke afbeeldingen
in de Katakomben stellen ons dit duidelijk voor oogen. In vele cubicula heeft men
eene afbeeling gevonden van de offerande van Abraham. Isaac ligt neergeknield, nu
eens op, dan weer naast het altaar, of wel op een bundel hout of op een rots. Ken
fraai fresco uit de Katakombe van de II.II. Marcellinus en Petrus geeft de volgende
voorstelling. In \'t midden staat Abraham, in een lange tuniek gekleed en in de rechter-
hand een zwaard of offermes houdende, zijn linkerhand rust op het hoofd van Isaac,
die, met de handen op den rug gebonden, aan de voeten van zijn vader ligt geknield.
Rechts van den Aartsvader staat een altaar in den vorm van een sterk afgeknotten
kegel, waarop het offervuur reeds brandt; tusschen dit altaar en Abraham en eenigs-
-ocr page 128-
106                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
zins in de hoogte steek uit een wolk de hand Gods, die met uitgestrekten vinger naar
den ram wijst. Dezelfde voorstelling, met eenige wijzigingen, ziet men ook elders, zooals wij
hierboven zeiden. Soms wordt Isaac ook afgebeeld met een blinddoek voor de oogen.
Deze afdeeling heeft eene dubbele beteekenis; de hand is het simbool van God den
Vader; de offerande van Abraham is een zinnebeeldige voorstelling van den zoendood
des Zaligmakers, die door Isaac werd voorafgeduid. Veelvuldig komt ook de afbeelding
voor van Mozes, die de hand uitstrekt naar de tafelen der Wet, welke een uit de
wolken stekende hand hem voorhoudt. In latere eeuwen, althans na de 4°of5deeeuw,
wordt (Jod ook soms voorgesteld onder de gedaante van een grijsaard of een man
van zekeren leeftijd ; zooals op twee sarcofagen, waarvan een uit do Katakombo van
do II. Lucina, do andere uit die van de II. Agnes, waar God, als een man opgevor-
derden leeftijd, zittend wordt voorgesteld, terwijl Cain en Abel Hem hunne offeranden
komen aanbieden.
De simbolische afbeelding der II. Drievuldigheid komt slechts zelden en alleen
in den vorm van een triangel of gelijkzijdigen driehoek voor, waarvan de allegorische
beteekenis geen verdere verklaring behoeft. Evenwel werden do Drie Goddelijke Per-
sonen ook in latere eeuwen persoonlijk afgebeeld.
Op een sarcofaag, die uit de tweede helft der 4<le eeuw dagteekent en in de fondc-
menten van de Basiliek des II. Paulus gevonden werd, wordt de II. Drievuldigheid
voorgesteld door drie gebaarde personen die, als teeken van hunne gelijkoeuwighoid,
oven oud schijnen te zijn. Zij zijn bezig mot de schepping van Eva. God de Vader is
op een opengewerkten en met een draperie bedekte zetel gezeten, met een voetbankje
onder de voeten. Een tweede persoon, God de Zoon, staat voor Hem en met de oogen
naar Hem gewend, terwijl Hij liet lichaam van Eva, dat uit de zijde van Adam komt,
ondersteunt; de derde persoon, de II. Geest, slaat achter den zetel van (Jod den Vader.
Deze merkwaardige sarcofaag bevindt zich in het museum van Latrane; wij zullen
misschien gelegenheid hebben er nog op terug te komen.
Een enkele maal wordt de driehoek van den top tot de basis doorsneden met den
kruisbalk, terwijl de beide armen van het kruis boven don top uitsteken ; het kruis
dat den X of T vorm heeft, is gekroond met oen kleine cirkel, waarin een stip. In de
simboliek dor Eerste Kerk beteekent deze figuur het volgende: de driehoek de II.
Drievuldigheid; het Kruis het verlossingswerk; do cirkel met de punt, die voor de
grieksche letter t/ièta staat, welke de eerste is van het woord f/tros, „God\'\', de godheid
van Christus, zoodat in deze figuur worden voorgesteld het geheim van de H. Drie-
vuldigheid en de verlossing door den Godmensen.
Natuurlijk is de tweede persoon der H. Drievuldigheid het veelvuldigst afgebeeld.
De menschgoworden God, de Zaligmaker, de Christus, die de Stichter der Kerk, de
looraar der Apostelen is, wiens Blijde Boodschap het menschdom kwam vrij maken,
voor wiens naam duizenden en honderdduizenden blijmoedig hun bloed vergoten, moest
wel het meest den Christenen dierbaar zijn en de voornaamste gebeurtenissen uit Zijn
leven tot troost, bemoediging en sterkte dienen voor hen, dio om Zijnon naam zooveel
moesten verduren. Inderdaad vinden wij dan ook den Zaligmaker voorgesteld van
Zijne geboorte af tot aan Zijn dood, in al de omstandigheden Zijns levens, waarvan de
Evangeliën melding maken.
Bestaat er een ware gelijkende afbeelding des Zaligmakers?
Tot heden heeft men oy> deze, voor allen christenen zoo belangrijke vraag, nog geen
-ocr page 129-
HET ONDERAARDSCIIE ROME.                                        107
bevestigend antwoord kunnen geven. Men gewaagt wel van cone beeltenis des Ver-
lossers, door den H. Lucas geschilderd, maar hierbij is meer de overlevering dan wel
de geschiedenis aan het woord. Wij weten wel uit de Handelingen der Apostelen dat
Lucas geneesheer was, maar nergens staat vermeld dat hij schilder was. Zooals wij
op blz. 102 gezien hebben, gewaagt Eusebius van afbeedingen des Zaligmakers die
naar eene oude traditie waren gemaakt, maar ook dit gezegde geeft geen zekerheid.
Niettemin schijnt men reeds in do eerste eeuwen eene type te hebben aangenomen, die
zich tot op onze tijden heeft bewaard en waar naar de beroemde meesters der ftaliaansche
schilderschool hunne heerlijke Christusfiguren gemaald hebben. In de Katakombc
heeft men eene afbeelding dos Verlossers gevonden, afkomstig, naar men meent, uit
de tweede eeuw, en die men, als wij zoo mogen spreken, de oor-type zou kunnen
noemen. De Zaligmaker is er en buste voorgesteld; het gelaat is langwerpig ovaal, do
gelaatsuitdrukking ernstig, zacht en oonigszins zwaarmoedig, do wenkbrauwen fraai
gewelfd, do volle baard, niet zeer zwaar of lang, eindigt in een punt; do haren zijn
op \'t midden van het hoofd gescheiden en vallen golvend en krullend over de schouders.
Deze type vindt men in alle oude mosaïeken en voorstellingen van do eerste eeuwen
af tot aan de 7<l0 en 8C eeuwen en zelfs later terug. Men vindt haar later weer
bij de schilders dor Renaissance on thans is zij, mag men wol zoggen, bijna algemeen
als de type aangenomen Een andore afbeelding uit de Katakombe van St. Pontianus,
en minstens een paar eeuwen jonger dan de eerste, vertoont wol in hoofdzaak do zolfdo
trokken, maar eenigszins harder; do geheelo uitvoering is iots stijver en stroever, ofschoon
men er geen adel, noch goedheid aan ontzeggen kan. Hot hoofd is omgeven meteen
kruis-nimbus en de linkerhand draagt oen geopend boek, waar op de eerste bladzijde
het woord DOMIXI\'S staat met twoo kleine kruisjes er onder on op de tweede do
letters IE. Een zoor oude afbeelding van Christus on, naar \'t gevoelen van geleerde
oudheidvorschers en vooral van do Rossi, do oudst bekende, is een beeltenis op ivoor
die in het Vaticaan wordt bewaard. Deze beeltenis vertoont grooto overeenkomst met
die van St. Callistus, zooeven door ons besproken.
Jn het najaar van 1898 word do wereld verrast door het bericht dat de hoor Royer
d\'Agen, van Parijs, aan een stalletje op het Catnpo di Fiori te Rome, oen medaljo
had gevonden die aan de eene zijde een waarlijk prachtigen Christuskop en aan de
andere een hebreeuwsch opschrift vertoonde. Men meende aanvankelijk hier een eenige
en authentieke afbeelding van don Zaligmaker te hebben gevonden, maar later bleek
dat deze medaljo niet eenig is. Over haar ouderdom en oorsprong kan niets met zeker-
heid gezegd worden, zoodat ook hier van geen authentieke beeltenis sprake kan zijn.
Ideaal schoon is evenwol deze beeltenis des Zaligmakers onbetwistbaar zeker.
Zeer veelvuldig wordt de Zaligmaker afgebeeld als „de Goede Herder" Degelijke-
nis van don border, die de negenennegentig schapen in de woestijn laat om het eene,
dat verloren was, op de schouders terug te brengen (Lucas 15. 4. 5), en nog moor die
plechtige verzekering: Ik ben de goede herder, do goede herder geeft zijn leven voor
zijne schapen, maar de huurling vlucht, wanneer de wolf komt, en verlaat zijne schapen
Ik bon de goode horder on ken do mijnen on de mijnon konnon mij (Johan. 10, 11, 12,
13, 14), waren als zoovele bewijzen en verzekeringen van do liefde on de barmhartig-
heid dos Verlossers, on moesten den eersten Christenen tot groote troost en bemoediging
dienen, zooals zij ook voor ons een blijvende bron van hoop on vertrouwen zullen
zijn. Ontelbare malen en op de meest verschillende wijzen is deze Goede Herder afge-
-ocr page 130-
108                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
beeld, nu eens alleen als herder, met den krommen herdersstaf (pedum) in do hand
on het melkvat aan zijne voeten; dan weer vergezeld van zijn hond als zoekende naar
het verloren schaap, een andere maal met het verloren schaap op de schouders, of
omringd door zijne schapen in den schaapstal, terwijl de herdersstaf, als bewijs dat het
verloren schaap is gevonden en de herder rusten kan, op twee melkvaten ligt. Ge-
woonlijk wordt de Zaligmaker in zijne beteckenis van ..Goede Herder" afgebeeld als
een schoonen jongen man zonder baard (om Zijn eeuwige jeugd te doen uitkomen); het
hoofd is met korte haren omgeven, hot lichaam gedekt met een korte tuniek, een
gordel om de lenden en den staf in de hand, terwijl, zooals wij zeiden, het melkvat
zich aan zijne voeten bevindt.
In het Museum van Laterane bevindt zich een zeer fraai antiek marmeren beeld
den Goeden Herder voorstellende. Hij is gekleed in een korte omgorde tuniek, de beenen
zijn bekleed met kruiselings over elkander loopende banden of windsels, die de knieën
en de voeten bloot laten. Het haar is lang en krullend. Over den rechterschouder loopt
een bandelier naar de linkerzijde, waaraan een herderstasch is bevestigd ; op zijne
schouders rust het verloren en teruggevonden schaap. Op een gewelfschildering in do
Katakombe van St. Priscilla vertoont zich in het midden do Goede Herder met het
schaap op de schouders en staande tusschen twee hoornen ter rechter en ter linker zijde;
aan Zijne voeten staat een schaap. Op oen aarden graflamp, die men meent dat uit
de 3<l0 eeuw is en in een Katakombe werd gevonden, vertoont zich, te midden van andere
zinnebeeldige voorstellingen, zooals de duif op den ark van Noë; Jonas, die door den
visch wordt uitgespuwd; Jonas onder den boom slapende enz., op den voorgrond ook do
Goede Herder met het schaap op de schouders en oen zevental schapen aan zijne voeten,
die allen naar Hem opzien. Hier draagt hij, behalve de korte tuniek, ook nog een
langen mantel en schoeisel aan de voeten. Er zou een klein boekdeel noodig zijn,
wilden wij ook maar eene korte beschrijving geven van de talrijke afbeeldingen van
don Goeden Herder ; wij meenen evenwol met het boven gezegde te kunnen volstaan.
Voorstellingen van de voornaamste gebeurtenissen uit hot loven des Verlossers komen
in de Katakoinbon en in do kunst der eerste Christenen veelvuldig voor, zooals.wij
reeds gezegd hebben, en vooral die, welke do veelvuldige mirakelen van Christus tot
onderwerp hebbon. Twee gebeurtenissen, evenwel, en nog wol de voornaamste, die
welke het begin en het einde van het verlossingswerk zijn : de Geboorte en de Kruis-
dood, komen, althans in do eerste tijden, niet voor. ,.En de reden daarvan is, zegt Detzel
in zijn Chriatliche Ikonographic, dat de eerste Christenen zorgvuldig elke afbeelding
verineden die aan de aardsche nederigheid van den Zaligmaker herinnerde." Een (Jod,
die in oen stal geboren wordt en aan het Kruis, de doodstraf voor slaven en roovers,
sterft, moest de Catechumenen afschrikken on zelfs op de gedoopten een vernederenden
indruk maken. Met het doopsel zwoeren de nieuwbekeerden wel het heidendom af, maar
daarom worden nog niet alle indrukken, alle vooroordeolen van een hoidensoho op-
voeding uitgewischt; derhalve vermeed men zooveel mogelijk op een te duidelijke wijze
voor te stollen wat nog te zeer do gevoeligheid eonor vroegere meening kon kwetsen.
Evenwel ontbroken de voorstellingen van de geboorte niet, maar bijna altijd ook te-
gel ijker tijd die van de aanbidding dor Herders en der Drie Koningen, om daardoor,
als \'t ware, terstond de goddelijke on koninklijke waardigheid van het Kind te doen
uitkomen. Men ziet er het Kind .Jezus, in doeken gewikkeld, in een kribbe liggen,
waarbij ook de os en de ezel, soms ook een paard in stede van den ezel, geplaatst zijn;
-ocr page 131-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                 10J)
Maria en Jozef bevinden zich voor de kribbe, terwijl de herders ter zijde staan. In de
verte ziet men do Drie Koningen te paard naderen. Soms ook is het Kindje voorgesteld
op de knieën der II. Maagd, zooals op een sarcofaag van het Lateraansche Museum.
Men ziet uit deze beide voorbeelden, die nog met meerdere konden aangevuld worden,
dat de Geboorte des Zaligmakers niet geheel ontbreekt in de voorstellingen der Eerste
Kerk en dat die voorstellingen overeenkomen met die van latere tijden, ofschoon er
dikwijls in de bijzaken groote verscheidenheid bestaat, vooral op de afbeeldingen der
schilders van de Renaissance en hunne navolgers.
Schreef de wijze voorzichtigheid van de herders der Eerste Kerk reeds voor om
het nog wankelend of niet bevestigd geloof der pas bekeerden of der Catechumenen
niet te zeer te beproeven door de voorstelling van de nederige en voor het menschelijk
begrip vernederende geboorte van Christus in een armoedigen stal, met nog meer zorg
vermeed men den smadelijken kruisdood van den Godmensen voor te stellen. De af-
beelding van den gekruisigden Zaligmaker, zegt Martignv, bood in de eerste eeuwen
meer moeielijkheid en gevaar aan. De afschuw en de tegenzin, die zelfs voor de bekeerden
tot het Christendom het schandelijke kruishout inboezemde, konden eerst langzainer-
hand verdreven worden, en die afkeer overleefde nog geruimen tijd de afschaffing van den
kruisdood van misdadigers door Constantijn. Bovendien was de vereering van een ge-
kruisigden God, door de heidenen slecht begrepen of op een boosaardige wijze uitgelegd,
de bron of het voorwendsel tot tallooze lasteringen tegen de geloovigen. Wij hebben
hierop reeds gewezen toen wij spraken van het spot-crucifix, (blz. 01). en, volgens ge-
tuigenis der oudste kerkelijke geschiedschrijvers, waren het vooral de joden, die deze
lasteringen verspreidden en met schandelijke voorstellingen van den gekruisigden Zalig-
maker den spot en den haat der heidenen opwekten. Evenwel werd de lijdende en voor
de verlossing van het diepgezonken menschdoin gestorven Godinensch op verschillende
wijzen voorgesteld, waarvan de zin en de beteekenis aan de ingewijde en gedoopte
Christenen bekend was. Het veelvuldigst voorkomende symbool is de VisCH. De vijf
letters, waaruit het woord Visch in \'t Grieksch (ichthus) bestaat, vormen de beginletters
van den zin: Jezus Christus Gods Zoon Zaligmaker.
liet KRUIS alleen werd evenmin in de eerste eeuwen als zoodanig afgebeeld, maar
in plaats daarvan ziet men veelvuldig het anker, met het dwarshout eraan, zoodat
deze allegorie ook verstaan kan worden, dat het kruis onze hoop is, daar het anker,
zooals men weet, het zinnebeeld daarvan is. Soms ziet men aan de beide armen van
den dwarsbalk een visch hangen, waarvan de beteekenis, na hetgeen wij over den
visch en het anker hebben gezegd, geen verdere toelichting behoeft; soms ook is de
visch aan den staanden balk van het anker bevestigd, hetgeen de zelfde simboliscbe
beteekenis heeft. Eenige nadere bijzonderheden over het kruis en deszelfs gebruiken
vereering mogen hier niet ontbreken. De ouden kenden drie soorten van kruisen als
strafwerktuig ; het crux decussata, dat de vorm van een X had en door ons gewoon-
lijk St. Andries-Kruis genoemd, omdat de II. Apostel van dien naam aan zulk een
kruis stierf; het crux commissa of patibulata dat den vorm van een T had en einde-
lijk het crux i/nmissa, in dezen vorm j. Volgens het algemeen aangenomen gevoelen
was het aan zulk een kruis dat de Zaligmaker stierf. Over het algemeen was het
strafkruis laag, maar in enkele gevallen gebruikte men ook hooge kruisen, en Sueto-
nius verhaalt dat keizer Galba een aantal misdadigers aan zeer hooge kruisen liet
slaan ; en volgens het gevoelen van eenige Kerkvaders was het kruis van den Ver-
-ocr page 132-
110                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
losser ook hooger dan de kruisen waaraan de beide moordenaars werden gehecht
Maar. zoo het kruis al in de eerste drie of vier eeuwen niet openlijk werd voor-
gesteld en zooveel mogelijk geweerd werd uit de openbare plaatsen die voor allen
toegankelijk waren, dan wil zulks volstrekt niet zeggen dat het kruis niet vereerd werd.
Ofschoon, voor zoover wij weten, \'^vn voorwerpen uit de eerste drie eeuwen bekend
zijn, waarop liet kruis in zijn workelijkon vorm staat afgebeeld, zijn er toch aan wij-
zingen genoeg om met bijna zekerheid te mogen aannemen dat het werd voorgesteld
op kleinere voorwerpen, aan bijzondere personen toebehoorende en die gemakkelijk
voor het oog van oningewijden konden verborgen worden, en zulks mag men met te
meer gerustheid aannemen, daar de II. Anders verzekeren dat het teeken des kruises
tot de Apostolische tijden opklimt, dat de Christenen zich met het kruis teekenden bij
de meest gewone bezigheden van het dagelijksch leven : bij het opstaan, bij het klee-
den, bij het verlaten en het binnenkomen van het huis. In de martelaarsacten van de
II. Af ra leest men dat een heiden van den II. Xarcissus en zijn diaken zeide : „Ik
weet dat zij Christenen zijn, want telkens teekenen zij hun voorhoofd met het kruis."
Ook hij het toedienen van de Sacramenten werd het kruisteeken gebruikt, zoodat het
zeker is dat het kruis, al werd het ook ter wille der zwakken en ongeloovigen niet
openlijk vertoond, toch in groote vereering stond.
En hoe zou het ook anders kunnen zijn! Wanneer de eerste Christenen zulk een
grooten eerbied betoonden voor de werktuigen die tot pijniging der martelaren hadden
gediend, hoe zouden zij dan geen eerbied hebben gehad voor het martelhout des
Zaligmakers. Na de zegepraal van Constantijn op Maxentius kwam langzamerhand het
kruis als zoodanig meer in gebruik Wij hebben o. a. gezien dat het Labarum van
Constantijn een dwarsbalk aan de schacht had en dus reeds werkelijk den kruisvorm
vertoonde, terwijl het aan zijn top een krans droeg waarin het monogram van Christus
stond. Dit monogram was gevormd van de twee eerste letters van den griekschen naam
van Christus, en bestond dus uit de x of X met de grieksche 11. die den vorm van
de latijnsche 1\' heeft: later ook soms in dezen vorm terwijl aan de balken terweerszijde
de grieksche letters nlplta en omeija, de eerste en laatste letter van het gr. alphabet
hingen, waarmede men de godheid van Christus aanduidt, daar (Jod het Begin en het
Einde van alles is. De terugvinding van het ware kruis des Zaligmakers door keizerin
llelena, moet natuurlijk zeer veel hebben bijgedragen om de openlijke vereeiïng van
het kruis te verspreiden.
In de 6de eeuw vindt men afbeeldingen van het Lam een ander zinnebeeld van
Christus, die als een offerlam ter slachtbank werd geleid - met een kruis op den
schouder, een simbool dat ook in onze kerken algemeen is om het Lam Gods voor te
stellen. Het crucifix, dat wil zeggen het kruis met den daar aan hangendën Verlosser,
schijnt niet voor het einde der ()ll<1 eeuw openlijk te zijn afgebeeld. De Zaligmaker
Lazarus van den dood opwekkende, de blinden geneezende, of den lamme, die afgebeeld
wordt zijn bed wegdragende, en vele andere soortgelijke voorstellingen, zijn als zoo-
vele afbeelingen, die zoowel de almacht als de goedheid des Heilands op troostvolle
wijze in herinnering roepen. Opmerkelijk is het dat op al die afbeeldingen de Zalig-
maker jeugdiger wordt voorgesteld en grooter dan de andere personen, waarmede
men van den eenen kant Zijne eeuwige jeugd en van den kant Zijne almacht, Zijne
grootheid wil te kennen geven.
De II. GEEST, die in de gedaante eener duif op het hoofd van Christus nederdaalde
-ocr page 133-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                       111
toen Hij door Johannes in den Jordaan werd gedoopt, was bij de eerste Christenen,
zoowel als nog bij ons, de zinnebeeldige voorstelling van den derden Persoon der II.
Drievuldigheid. Met deze korte toelichtingen meenen wij over dit ondorwep genoeg te
hebben gezegd ; de omvang van dit werk laat niet toe in verdere bijzonderheden te treden.
De H. Kerk wordt op verschillende wijzen zinnebeeldig voorgesteld. Niets is natuur-
lijker dan dat Christus, de Stichter der Kerk, het onzichtbare opperhoofd ervan, zelven
als de Kerk wordt voorgesteld, omgeven door zijne apostelen, en zoo vinden wij ook in een
grafgewelf van een der Katakomben een heerlijke afbeelding van den Zaligmaker,omringd
door zes apostelen. De Heiland heeft de beide vingers der rechterhand opgeheven als
een leeraar of onderwijzer, terwijl de apostelen in de houding van toehoorders zijn.
Nog duidelijker is een andere afbeelding. Christus zit op een verheven troon, ter
rechter- en ter linkerzijde zijn de twaalf Apostelen ; terwijl Petrus en 1\'aulus, als om
hun voorrang aan te duiden, op oud-romeinsche stoelen zitten, staan de tien anderen;
op den voorgrond, voor den Zaligmaker, staat een serinia libellorum (boekenkastje),
een ronde doos, waarin schriftrollen, die de II. Schriftuur voorstellen. De kuische Su-
zanna, uit Daniël bekend, komt ook voor als de belaagde, vervolgde Kerk, maar zij
wordt afgebeeld door een lam, dat door twee wolven wordt belaagd ; om allen twijfel
aan de beteekenis weg te nemen staat boven het lam het woord Suzauna, en boven
een der wolven het woord Sinioris (voor senioren, grijsaards). Ook de Ark van Noë
verzinnebeeldt de Kerk, maar zij wordt afgebeeld als een vierkante kist; Noë, die
een duif uit het dak laat vliegen, verklaart evenwel genoegzaam de ware beteekenis.
Dat de Kerk als een schaapstal wordt voorgesteld is bekend, en daarom kan ook de
voorstelling van den Goeden Herder, die de schapen daarheen voert, eveneens als een
zinnebeeldige voorstelling van de II. Kerk gelden. De Uossi heeft in de Katacombe
van St. Callistus een schoono voorstelling gevonden. Zij vertoont een staande vrouw
in biddende houding, die door de handen van een priester de II. Eucharistie aan God
offert. Deze vrouwenfiguren, die met uitgestrekte handen en ten hemel geheven blik
in biddende houding staan en nu eens als zinnebeelden der Kerk, dan als die der ziel
worden opgevat, komen in de katakomben zeer talrijk voor; men heeft er den naam
van Orante (biddende) aan gegeven. Dat het schcejije van Petrus de II. Kerk ver-
beeldt, is vrij algemeen bekend en het schip wordt clan ook meermalen in die botee-
kenis\' afgebeeld. Een fraai bronzen lampje uit de Katakombe stelt zulk een scheepje
voor. Aan den achterkant zit een persoon die in de eene hand een schriftrol en in
de andere het roer houdt; op het voorste gedeelte staat een tweede figuur in do boven
beschreven biddende houding met uitgestrekte armen. De Kerk, als de zuil en de
grondslag der waarheid,
wordt ook door een zuil of kolom afgebeeld. Op een ge-
graveerde steen, waarvan de herkomst en de ouderdom ons niet bekend zijn, ziet men
een met edelgesteenten versierde kolom op een trapvormig voetstuk ; boven op de
zuil staat in een krans of aureool een Lam, het bekende monogrom van Christus op
den rug dragende ; uit de zuil schieten palmtakkon op en aan weerskanten staat een
schaap, de oogon naar het Lam richtende. Een fraaie en zinrijke voorstelling.
De H.H. Sacramenten worden bijna altijd door simbolen of door voorstellingen uit
het Oude Testament voorgesteld. De reinigende wateren van den Zondvlood, liet water
dat onder den staf van Mozos uit de steenrots vloeide, de golven der Roode Zee, de
Samaritaansche, worden door de H.H. Vaders als zoovele afbeeldingen van het II. Doopsel
beschouwd en vinden als zoodanig veelvuldige voorstellingen in de Katacomben en op
-ocr page 134-
112                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
de oudste monumenten der Eerste Kerk ; ook de Palmboom, als zinnebeeld der over-
winning, en het Hert, smachtende naarde waterbronnen, herinneren er aan. Wij hebben
vroeger reeds gezien dat, volgens eene constante overlevering en de getuigenis der
oudste schrijvers, de II. Petrus in de Ostriaansche Katakombe het H. Doopsel toediende.
In de oudste tijden schijnt het Doopsel meestal door onderdompeling te zijn toegediend,
waartoe of natuurlijke of kunstmatige bronnen in de Katakomben dienden; maar men
heeft ook een bekken of vaas gevonden voor begieting van de doopelingen met een
afbeelding er bij van de wonderbare vischvangst, en in de Katakombe van de H. Cyriaca
eene afbeelding, den II. Laurentius voorstellende, terwijl hij Uomanus het water des
Doopsels door middel van een soort kannetje over het hoofd giet.
Het II. VORMSEL, dat in de eerste tijden der Kerk terstond na het doopsel werd toe-
gediend, wordt verzinnebeeld door de Duif, die ook het zinnebeeld is van den II. Geest,
omdat vooral door het Vormsel de kracht van den II. Geest aan den geloovige gegeven
wordt. Op het graf van een christelijk echtpaar, Catervius en Severina, heeft men deze
woorden gegriffeld gevonden: ,.l)e priester Gods Protianus doopte en zalfde hen", welke
beteekenis, wanneer men denkt aan de heilige chrisma, waarmede de vormeling gezalfd
wordt, duidelijk genoeg is. In de simbolische taal wordt het II. Vormsel genoemd
Signaculum Domini, spirit nale signum, (de stempel des Ileeren, de geestelijke stempel).
Op het graf van een twaalfjarig kind liet de moeder dit inschrift plaatsen: crueem
acecpil,
hij heeft het kruis ontvangen, en dat met dit ..ontvangen van het kruis" wel
het H. Vormsel wordt bedoeld, leert ons een der beroemde inschriften van paus Damasus.
bij de doopkapel van het Vaticaan, aldus luidende :
ÏSTIC INSONTES COELEST1 FLVMINE LOTAS
PASTORIS SVMM1 DEXTERA SIGNAT OVES
HVC VNDIS GENERATE VEN! QVO SANCTVS AO VNVM
SPIRITVS VT CaPIAS TE 8VA DONA VOCAT
TV CRVCE SVSCEl\'TA MVNDI VITARE PROCELLAS
DlSCE MAGIS (MONITOR) HAC RATIONE LOCI
waarvan de vertaling aldus luidt:
..Hier teekende de hand van den oppersten herder de schapen
Die de hemelsche bron run alle smet zuiverde,
Kami hierheen, door de wateren herborenen, waar de II. Geest
lT roept, opdat gij zijne gave zoudt ontvangen
Leer. na het kruis ontvangen te hebben, de stormen des levens vlieden,
Door de beteekenis van de plaats nog te meer daartoe aangemaand.
Deze weinige aanhalingen zeggen duidelijk dat, al zijn de afbeeldingen van het H.
Vormsel ook niet veelvuldig of niet altijd sprekend, ze volkomen en op schitterende
wijze door de inschriften worden aangevuld.
Van het sacrament der Biecht zijn, zooverre ons bekend is, geen bijzondere sim-
bolen bekend, maar daarmede wil niet gezegd zijn dat zij niet bestaan hebben. De
opwekking van Lazarus, b. v. b. zou er een zeer passend zinnebeeld van kunnen zijn.
Maar al ontbreken ook de plastische voorstellingen, toch getuigen talrijke plaatsen in
de werken der eerste christelijke schrijvers, dat de oorbiecht van de apostolische
tijden af in de Kerk algemeen was; de naam, OXOMOLAGE8E, het geen beteekent open-
baarmaking, bekenning van een verborgen zaak, duldt zulks reeds genoegzaam aan.
Het II. Altaarsacrament, de II. Eucharistie. Droeg de Eerste Kerk ijverig zorg
-ocr page 135-
HET ONDERAARDSCHE ROME.
113
om de groote en diepe beteekenis der H. H. Sacramenten voor de oogen der oninge-
wijden te verbergen, toch werd dat geheim nergens dieper bewaard dan in hetgeen
het H. Altaarsacrament betrof. Een God, die Zijn eigen vleesch en bloed als spijs en
drank ten beste geeft, overtreft zoo zeer alles wat het menschelijk verstand kan om-
vatten dat men, om dat aanbiddelijk Sacrament voor spot en hoon te behoeden, of wel
om het geloof der nog niet genoegzaam onderwezenen op geen te /ware proef te
stellen, het moest verbergen onder woorden en afbeeldingen, waarvan de diepe en inner-
lijke beteekens alleen te achterhalen waren door hen, wier geloof reeds bevestigd was
door de genaden van het H. Doopsel en het II. Vormsel. En zelfs, trots deze voorzorg,
was van het groote geheim iets aan de Heidenen uitgelekt, die niet nalieten er een
afschuwelijke uitlegging aan te geven; immers de lastering dat christenen in hunne
bijeenkomsten een in moei of deeg gewikkeld kind slachtten, zich voedden met zijn vleesch
en zijn bloed dronken, heeft betrekking op het II. Sacrament der Eucharistie. De oudste
kerkvaders, de oudste christelijke schrijvers noemden het in hunne werken niet; de
Grieksche Vaders duiden het aan door het Grieksche woord to Agatha (het Goede, de
Goede zaken): de Latijnsche door Desiderata,(het gewenschte, het verlangde); maar vooral
in de plastische voorstellingen maakte men gebruik van een aantal simbolen of allegoriën.
Wij hebben reeds elders gezien welke hooge beteekenis men aan de afbeelding van
den visch gaf en dat nog wel naar aanleiding van deszelfs Griekschen naam ; de
visch wordt dan ook als voorstelling van het II. Sacrament gebezigd, evenwel meestal
in verbinding mot de afbeeldingen van brood en wijn. De visch is een spijs en zoo
is ook de zinnebeeldige visch, die Christus is, een spijze der ziel. Maar de visch draagt
soms een korf van gevlochten teenen waarin brood is en in \'t midden van het brood
een vaas met wijn. Christus, die zich-zelven als spijs en drank aanbiedt en onder de
gedaante van brood en wijn die spijs op zich draagt. Geheel in overeenstemming mot deze
afbeelding zijn de woorden van een onbekenden schrijver uit de vijfde eeuw, die Christus
noemt: de groote Visch die, op den oever, Zijn leerlingen met zich-zelven voedt on zich
als visch aan de geheele wereld aanbiedt. De H. Augustinus zegt nog duidelijker: „De
Heer gaf aan zijn zeven leerlingen een maaltijd, bestaande uit visch, die zij opgloeiende
kolen hadden gebraden, en uit brood. De gebraden visch is Christus ; hij is ook het
brood dat van den hemel gedaald is." In een ander gedeelte van de Katakombe van
St. Callistus, waar ook de Visch met den broodkorf op den rug voorkomt, heeft men
een andere afbeelding gevonden, die de eerste aanvult en voltooit. Op oen tafel ligt
brood en daarnaast staat een schotel met een visch erop ; naast de tafel staat een por-
soon, alleen met het pallium gekleed, die de handen op de offeranden legt (om ze te
zegenen) en daarbij eene vrouw met uitgestrekte en ten hemel geheven armen.
Hier dus hebben wij de afbeelding van de zegening, consecratie, van het brood en
den visch en daarnaast eene persoon, de Orante (zie blz. 109) welke de offerande aan
God opdraagt. Op een andere afbeelding ziet men een tafel staan met twee schotels,
elk met een visch er op, en verder zeven korven met brood. Overal dezelfde zinne-
beeldige maar onmiskenbare voorstelling van den geheimzinnigen Visch en van het
brood,\' en niet alleen in Rome, maar ook elders ontmoet men dezelfde voorstellingen,
vaak nog duidelijker gemaakt door de opschriften. Zoo heeft men te Autum (Frank-
rijk) een stuk marmer gevonden met het opschrift: „Neem de zoete spijs van den
Zaligmaker der heiligen, eet en drink, terwijl gij de Visch in uwe handen houdt."
Het Melkvat wordt ook algemeen aangenomen als een simbool van het II. Altaar-
!)
-ocr page 136-
114                         HOME LX DESZELFS VER LED ES EN HEDEN.
sacrament. In de Katakombe van do H.H. Petrus en Marcellinus heeft men een schil*
dering gevonden voorstellende in een driehoek een lam, met het inelkvat op den rug
en een palmtak in de poot; het melkvat is omgeven door een krans of nimbus. Op
een mozaïek van St. Vitalis te Ravenna, uit de Ü,,p eeuw dagteekenend, vindt men
eene niet minder duidelijke voorstelling van het II. Sacrament en van het II. Misoffer.
Voor een altaar, waarop twee kleine brooden en oen vaas met wijn zijn, staat Melchi
sedeeli, met uitgestrekte armen vn de handen zegenend hoven het altaar houdende,
boven zijn hoofd staat het woord Melciucedes ; aan den overkant ziet men Abel, uit
een huis komende en met ten hemel geheven handen ; hoven zijn hoofd het woord
Aiii\'.i.. Abel, die de eerstelingen zijner kudde, het lam, ten offer bracht en Melchisedech,
die hot eerst, een onbloedig offer, brood en wijn, aan (Jod offerde, zijn beiden, zooals
men weet, afbeeldingen van het II. Misoffer; het lam als zinnebeeld van het Lam Gods;
het brood en do wijn als zinnebeeld van het Onbloedig offer van het Nieuw Verbond.
De Manna-regen in de woestijn, Daniël in de leeuwenkuil aan wien een engel het
brood brengt, komen evenzeer voor als zinnebeelden van de II. Eucharistie. En deze
voorbeelden kunnen door een aantal andere vermeerderd worden, maar wij meenen
hiermede voldoende te hebben aangetoond dat het II. Sacrament des Altaars van de
eerste tijden des christendoins af op omhulde, maar voor do geloovigen onmiskenbaar
zekere wijze, door woorden en afbeeldingen wordt voorgesteld, aangeduid en verklaard.
Van het H. Oliesel zijn, voor zoover ons bekend is, >^an afbeeldingen of voor-
stellingen in de drie eerste eeuwen der Kerk voorhanden, hetgeen deels moet toege-
schreven worden aan het geheim, waarmede de toediening der II.Il Sacramenten was
omgeven, deels aan de omstandigheid dat een groot aantal christenen den marteldood
stierven on dus dit II. Sacrament niet konden ontvangen. Een andere oorzaak, waar-
van wij de veronderstelling wagen, is deze, dat, terwijl de andere Sacramenten in de
Katacomben kondon worden toegediend en het meestal ook werden, zulks met het
II. Oliesel uit den aard van dit Sacrament, idet het geval was. In de taal der Eerste
Kerk wordt het genoemd : Sacramentum exeuntium (Sacrament van hen die uit (het
leven) gaan; unctiu sancli o/n\'; unctio sacra (zalving der II. Olie, heilige zalving). (Jeen
enkel Sacrament is evenwel in het nieuwe Testament duidelijker uitgedrukt dan dit.
..Wanneer iemand onder u ziek is, zegt de Apostel Jacobus, dat hij dan de priesters
der Kerk roepe, en dat zij over hem bidden, hem zalvende in den naam des Hoeren,
on de Hoer zal hem verlichten, on wanneer hij in staat van zonde is, zullen zijne zonden
hem vergeven worden.".
Een afbeelding van een priesterloijding en derhalve van het Priesterschap als Sacra-
ment meent men te moeten erkennen is een bas-relief van een arcosolium in de Katakombe
van Tiburtius en Valerianus. Op een verheven zetel, waartoe vijf treden voeren, is een
bisschop gezeten, die in do eene hand een open schriftrol houdt en de andere hand
op het hoofd legt van een jongen man, die voor hem staat; deze draagt boven den
tuniek nog een dalmatiek, op de voorzijde met twee purperen strepen versierd. Aan
weerszijde van den zetel staan twee andere personen. Men meent hierin de wijding
te zien van een diaken door een bisschop, bijgestaan door twee priesters. In de oudste
tijden en ook van eenigszins lateren tijd komen evenwel aanwijzingen genoeg voor,
betreffende de toediening van het II. Priesterschap. In het Liber pontificalis kan men
zien dat do pausen elk jaar priesters wijdden en met do grootste nauwkeurigheid
wordt het aantal der gewijden aangegeven. Van den II. Petrus wordt gezegd: „Hij
-ocr page 137-
HET ONDERAARDSCHE ROME.
115
verrichte wijdingen gedurende de maand December: zes bisschoppen, tien priesters,
acht diakens.
Afbeeldingen van het Huwelijk, of althans daarop wijzende, heeft men gevonden
op medailles, op glazen enz. Een dezer laatste stelt in een medaljon de twee echtelieden
voor elkander bij de hand houdende en tusschen hen beiden in, maar in de hoogte,
het monogram van Christus. Achter de vrouw bevindt zich een schriftrol, die men ver-
onderstelt te zijn het huwelijkseontract. Rond om beide personen staat het randschrift:
Matura Epichete vivatis (in Deo) (Matura en Epichetis, moogt gij (in God) loven.
De Goddelijke Deugden vinden, volgens het algemeen gevoelen der christelijke
oudheidkundigen, uitdrukking in verschillende vrouwelijke figuren; zooals b. v. b. de
Hoojt door een figuur die de samengevouwen handen en de oogen ten hemel heft;
de Liefde in eene andere figuur die een brandende fakkel in de hand houdt; ook andere
christelijke deugden, de voorzichtigheid, de grootmoedigheid\', waarvan de beteekenis
vaak door hunne Grieksche namen duidelijk wordt aangeduid.
Het Geloof aan de Opstanding wordt wel het duidelijkst en op de meest treffende
wijze aangetoond door de talrijke en roerende opschriften op de graven. Men kan geen
voet bijna verzetten of men vindt het opschrift in pace, vivas in pack, in vrede, leef
in vrede, leef in vrede met Christus. Andere, zooals: „Alexander is niet dood, hij leeft
boven de sterren," of „Marcianus, nieuw gedoopte, de Hemelen staan voor u open;
,.Fructuarins, uw ziel is bij de rechtvaardigen;" spreken nog duidelijker taal. Overal
wordt men herinnerd aan het eeuwige leven, en deze inschriften vinden hunne aan-
vulling nu eens in een voorstelling van de opwekking van Lazarus of van het dochtertje
van Jairus, in .Jonas, die door den visch wordt uitgeworpen, in de Drie Jongelingen
in den oven, in Daniël in de Leeuwenkuil, of wel in den Pauw, als zinnebeeld van
de onsterfelijkheid.
Dat de eerste Christenen eene groote vereering hadden voor de heiligen, voor hunne
broeders die voor Christus en zijn leer hun leven zoo blijmoedig hadden gegeven, ligt
voor de hand. Zelven getuigen van hun lijden en hun verheven moed, misschien zelven
geroepen om hen in hun lijden en zegepraal te volgen, moesten zij, uit het voorbeeld hun
gegeven, kracht en moed putten in den strijd die hen te wachten stond, en verzekerd,
als zij waren, dat hunne broeders, na hun bloedigen strijd, met palmtakken in de hand
om het Lam stonden, riepen zij hunne voorspraak aan, zooals uit ontelbare inschriften
blijkt en stelden zij er hooge waarde op in de nabijheid van hunne graven ook een
rustplaats te vinden. „Gentianus, bid voor ons in uwe gebeden, want wij weten dat
gij in Christus leeft" leest men hier. Daar weer: „Atticus, leef in God en bid voor uto
ouders."1
„Sabatius, zoet hart, bid voor uwe broeders en uwe vrienden"\'. Ziedaar slechts
eenige van die vrome verzuchtingen, van dat geloof en dat vertrouwen in de voorbede
der Heiligen. Maar wanneer de eerste Christenen reeds zooveel eerbied hadden voor
hun in Christus gestorven broeders en zusters, grooter nog moest dan wel hun ver-
trouwen zijn in en hunne vereering van Haar die de Koningin der Martelaren is, van
de Moeder des Heerc-n, van de II. Maagd. Vreelvuldig zijn de afbeeldingen, die men van
de roemrijke Moeder des Hoeren vindt, maar evenmin als van den Zaligmaker, bezit
men van haar wat men kan noemen een officieel, een authentiek portret, doch wel
komt overal een nagenoeg gelijkende, een conventioneele afbeelding voor. Gewoonlijk
wordt de H. Maagd met jeugdige trekken afgebeeld, waarop een bekoorlijke lioftallig-
heid en reinheid uitgedrukt staan; het gelaat wordt door een sluier omsloten, die over
-ocr page 138-
116                         ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
de schouders afhangt, terwijl de kleeding uit een wijd gewaad, de stola, bestaat, met
twee strepen van purper versierd. Op een der gewelven in de Katakombe van St. Agnes
wordt zij afgebeeld met uitgestrekte armen, den sluier om het gelaat en gekleed
in een ruim gewaad met wijde mouwen, op haar schoot zit liet Goddelijk kind. Deze
afbeelding is van eenigszins jongere dagteekening; in de andere wordt het kind Jesus
altijd voorgesteld zittende op de knie zijner maagdelijke Moeder. Zooals wij reeds
vroeger hebben meegedeeld wordt de H. Maagd veel afgebeeld in de voorstellingen
van de aanbidding der Drie Koningen. Op sommige glazen bekers ziet men ook de
Moeder (Jods alleen afgebeeld, zooals op een dezer, waar zij te midden van de Apos-
telen Petrus en Paulus staat; de namen, boven de afbeeldingen geplaatst, laten geen
twijfel betreffende de identiteit over. Op een marmeren plaat in de crypte vanSt.Magdalena
bij Saint Maximinus, staat Maria afgebeeld in do houding eener orante; boven haar
hoofd leest men: Maria Viiujo Minister de Tempuio Gerosale, waaruit blijkt dat de
Eerste Kerk reeds geloofde dat Maria in haar jeugd aan den dienst van den tempel
van Jerusalem verbonden was.
Wij hebbon reeds gelegenheid gehad om over de opschriften op de graven en de
wanden te spreken en kunnen dus verder kort hierover zijn. De vrome pelgrim, die
Rome bezoekt, kan in het Museum van Laterane en in de Katakomben er een groot
aantal en groote verscheidenheid van vinden, en wanneer hij dan deze opschriften ver-
gelijkt met die op de heidensche graven, waarvan de musea der Eeuwige Stad hem
ook voorbeelden genoeg zullen te zien geven, zal hem het groote onderscheid tusschen
beiden opvallen. Terwijl de heidensche grafschriften allen getuigen van troosteloos heen-
gaan zonder hoop op weerzien, waar zij allen spreken van duisternis en gebrek aan
licht, ademen die op de christelijke graven allen een geest van vertrouwen op een
beter leven, van een wederzien na het sterven, van licht, van vrede, van een leven in
God, in Christus. De duif wordt er afgebeeld als het zinnebeeld der ziel; de palm als
zinnebeeld van de overwinning, van het martelaarschap; de bloedvaas legt getuigenis
af van een roemrijke zegepraal in den bloedigen strijd behaald ; liet monogram van
Christus wijst terug op Hem die gezegd heeft: „Ik ben het leven, die in Mij gelooft
zal leven, al ware hij ook gestorven" ; de Pauw verbeeldt de Onsterfelijkheid, omdat
de ouden meenden dat het vleesch van den Pauw aan geen bederf onderhevig is. La-
zarus herinnert aan de opstanding uit den dood, aan de Verrijzenis des Vleesches, en
zoo spreken die beelden en die inschriften in de Katakomben en op de monumenten
uit de eerste eeuwen des Christendoms een verhoven, heerlijke on vertroostende taal,
die ook wij verstaan, die ook in onze zielen een weerklank vindt en in de duisternis
van de katakombengangen, te midden van al die duizonde grafschriften, afbeeldingen,
simbolen doorstroomt een nieuw leven der ziel geheel ons wezen en nergens gevoelen
wij meer die eenheid, die algemeenheid, die katholiciteit van ons H. Geloof, van de
H. Kerk, nergens meer die Gemeenschap der Heiligen dan daar, op die gewijde plaat-
sen, waar zij leden, streden en baden on do overwinning behaalden door de kracht
en genade van Christus, den Bemiddelaar, den Verlosser, den Zaligmaker, die leeft,
heerscht en regeert in alle Eeuwigheid. Amen.
De abbé Boulfroy heeft in zijn „Rome" de heerlijke bladzijde overgenomen uitliet
werk van Mgr. Gerbot: „Esquisse de Rome Chrétienne\'\'. Ik kan niet nalaten haar
hier op mijn beurt over te nemen ; zij geeft den indruk weer van een twintigjarige
jonge vrouw na haar bezoek aan de Katakomben.
-ocr page 139-
HET ONDERAARDSCHE ROME.                                        117
,.Ik heb do Katakomben gezien, en de indruk, dien ik er ontvangen heb en er nog
van bewaar, is, den Hemel zij dank, levendiger en dieper dan een van al degene
welke de gedenkteekenen en do bouwvallen, die ik te Rome niet de meeste bewonde-
ring gezien heb, bij mij hebben achtergelaten. Ik gevoel nu met dankbaarheid dat
mijne sterkste aandoeningen opgewekt zijn door hetgeen het boste in mij is, en ik
dank God dat hij mijn hart zoo heeft geschapen dat hot bij machte is te doen gevoe-
len wat mijne verbeelding mij nooit hooft doen ondervinden. Ik had slechts een on-
bestemd denkbeeld van de uitwerking, welke die plaats op mij zou uitoefenen. Ik had
er te voren niet voel aan gedacht en ik ben er gekomen zonder te hebbon voorzien,
welke de gevoelens zouden zijn die er mijn ziel zouden vervullen.
Misschien hooft die omstandigheid zo levendiger gemaakt. Ik meen althans dat geen
enkele voorbereiding ze zou hebben kunnen vermeerderen, evenmin als eenige uitdruk-
king zo kan weergeven. Uij het binnentreden in dien donkeren spelonk, gevoelde ik
mij eerst aangegrepen door zulken diepen eerbied en ingetogenheid, dat ik geen woord
zou hebben kunnen uitbrengen, zelfs niet om te bidden; en toch gevoelde ik nog niet
duidelijk welke herinneringen die plaats in mij opwekte. Ik was ontroerd, vóór ik mij
nog kon herinneren waarom, en eerst toen mijn hart roods ontroerd en goed voorbereid
was om haar te ontvangen, kwam de gedachte aan de chrislvncv, aan de martelaren
het met zulk eene geweldige ontroering vervullen, dat ik mij niet herinner in mijn leven
ooit iets dergelijks gevoeld te hebben. Ik stond voor het altaar, waar in de tijden der
vervolgingen de Mis was opgedragen. Ik zag naar dien steen, waarop de oogen waren
gevestigd geweest van hen die, op dezelfde plaats waar ik stond, roerender en ver-
hevener gebeden dan ooit tot God waren gericht, gestameld hebben. Ik had wel willen
knielen en ook bidden, maar ik durfde niet, ik was niet alleen en ik volgde, zonder
iets te zeggen, hen die voor mij gingen, mijn best doende mij niet te laten afleiden van
de gevoelens, die ik niet kon uitdrukken. Maar toen wij verder gingen in die nauwe
gangen, maakte een nog sterker aandoening zich van mij meester. Voor het altaar dacht
ik slechts aan hunne gebeden en vergat ik hun lijden; maar die graven, waartusschen
nauwelijks voor de dooden meer plaats overblijft dan voor de levenden, hebben mij
herinnerd wat er geleden werd door hen, die op denzelfden bodem staande waar ik
mijne voeten had, het oogenblik afwachtten, waarop ook zij eene ligplaats zouden vinden
naast hunne broeders. Gedurende een oogenblik bracht ik mij in den geest terug de
smart, de angsten van hen, die lang don dood afwachtten ; maar ik vergat dat zij
christenen waren ! Ik vergat dat een hoop, sterker dan alle pijnen, de klachten en het
afgrijzen er uit gebannen hadden en dat men te midden van dien vreeselijken spelonk
slechts lofzangen van hoop en vreugde had gehoord; ik vergat dat het eenige gevoel,
hetwelk hun heldenharten van leedwezen had doen kloppen, een leedwezen was dat zij hun
bloed nog niet hadden kunnen vergieten zooals zij. die, gelukkiger, hen in den hemel
waren voorgegaan, en hun eenige vrees bestond in te sterven, zonder hun geloof te
hebben beloden. Al die herinneringen zijn weer bij mij opgekomen, on ik schaamde
mij iets anders gevoeld te hebben dan afgunst voor hen, die dit somber verblijf bewoond
hebben. Toen heb ik mot schaamte aan mij-zelve gedacht; ik schaamde mij bij do ge-
dachte dat ik christen was als zij, die, jonger en zwakker dan ik, alles vergetende wat
de wereld gelukkigs aanbiedt, op die plaats aan (Jod niets anders gevraagd hebbon
dan don roem om er voor Hem te sterven. Ik heb mijne gebeden vergeleken met de
hunne en ik heb gevonden dat zij zeer onwaardig waren. Op dat oogenblik heb ik
-ocr page 140-
118                          ROME TN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
verlangd hun lot te mogen doelen ; ik heb in alle oprechtheid in mijn hart gezegd dat
ik althans gaarne een gedeelte van hunne deugden zou willen koopen ten koste van
al mijn geluk in deze wereld, en ik heb aan (lod gevraagd dat dit gebed niet het gevolg
mocht zijn van een voorbijgaande geestdrift, maar dat Hij het oprecht en duurzaam
mocht maken. Wij hebben de Katakomben verlaten langs den trap die den christenen
er toegang toe verleende, en toen ik daar kwam, gevoelde ik terzelfder tijd in mijn
hart al de verschillende indrukken, die ik achtereenvolgens ondervonden had. De treden
zijn dezelfde die hunne voeten hebben aangeraakt toen zij naar de gerechtsplaats gingen.
Ik had willen neerknielen en de indrukken ervan willen kussen! Ik zou die plaats wel
niet hebben willen verlaten en er zonder stoornis weenen ; ik gevoel dat ik daar de
gevoelens had kunnen uitdrukken, die mijn hart vervulden. Ik dacht toen, dat de jonge
maagden, die die treden bestegen hebben om den hcldendood te sterven, uit de hoogte
des hemels op mij nederzagen en baden voor mij, die hen zoo weinig gelijk. Ik ver-
heugde mij in de gedachte, dat zij in mijn hart zagen wat ik niet kon uiten, en dat zij
mijn gebed onder hare hoede namen. Ik gevoelde mij onwaardig den voet te plaatsen
waar zij den hunnen hadden gezet, en toch beklom ik met een gevoel van onuitspreke-
lijke zoetheid die treden, die zij met evenveel kalmte en meer geluk betreden hebben,
toen de dood hen daar boven verbeidde.
..Te veel gevoelens overstroomden mijn hart, ik heb geen weerstand kunnen bieden
aan de behoefte die ik gevoelde om met alle vurigheid dien gewijden steen te kussen,
eer ik weer in de kerk terugkeerde. Toen ik daar terug was, ben ik gaan knielen ; en
ik zou er gaarne lang gebleven zijn. Ik gevoelde verrukkingen, zooals geen enkel
oogenblik mijns levens mij ze heeft doen ondervinden. Ik had het te danken aan den
godsdienst in welken ik het geluk heb gehad geboren te worden, en ik gevoelde be-
hoefte (lod er voor te danken en hom to vragen, dat geheel mijn leven een uitdrukking
van dankbaarheid en liefde tot Hem mocht zijn".
Kr zijn dertig jaren verloopen sinds schrijver dezes het geluk had in deze aan
heilige herinneringen zoo rijke plaatsen door te dringen en na zulk een lang tijdperk,
dat in een menschenleven telt, is het hem moeielijk nog al do indrukken van toen
weer te geven; maar nog herinnert hij zich duidelijk de heilige huivering, die zich van
hem meester maakte toen hij, de donkere trappen van St. Callistus\' kerkhof afgedaald
zijnde, bij hot flauwe schijnsel der walmende kaarsen, door de sombere gangen dier
doodenstad voortschreed en trachtte met den blik do donkere loculi te doorvoisehen
die aan heide zijden in de wanden zijn uitgehouwen. Zulke indrukken laten een on-
uitwischbare herinnering na en nu, bij het schrijven dezer regels, treedt zij mot nieuwe
kracht in het geheugen on den geest terug mot eene netheid, die zij, in den loop der
jaren, bijna geheel had verloren.
-ocr page 141-
HET CHRISTELIJKE ROME
-ocr page 142-
-ocr page 143-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           121
HET CHRISTELIJKE ROME
I. A L G E M E E N O V E R Z I C H T.
De Romeinsche Maatschappij in de eerste twee eeuwen na Constantijn. Zorg voor
\'t behoud der heidensche bouwwerken en kunstschatten. Invallen der
Barbaren, Gothen en Vandalen. Plunderingen van Rome.
Verwoesting van groote bouwwerken.
Ofschoon met de overwinning van Constantijn den Groote op Maxentius ook het
Christendom zijne overwinning op het Heidendom behaalde, was die overwinning toch
verre van volkomen en de geheele uitroeiing van den dienst der valsche goden
nog niet bereikt. Het Heidendom was te zeer met het openbare en liet bijzondere
leven vergroeid dan dat het eensklaps met wortel en tak kon uitgeroeid worden, en
de belangen van te velen waren aan zijn voortbestaan verbonden dan dat oen alge-
heele ommekeer denkbaar of mogelijk was. Zelfs onder de Christen keizers bleven in
het openbaar leven vele heidensche gebruiken voortleven en de tempels der goden,
ofschoon door zeer velen verlaten en gemeden, telden nog een zeer aanzienlijk getal
bezoekers. Een oogenblik scheen het heidendom zelfs al zijn macht en overwicht terug
te zullen erlangen toen keizer Juliaan, openlijk het christelijk geloof afzwerende, den
ouden Staatsgodsdienst weer in eere trachtte te brengen. Onder zijne regeering hadden
de Christenen andermaal eene zware vervolging te doorstaan, die wel is waar niet de
bloedigste was, ofschoon" zij aan de Kerk menigen martelaar schonk, maar wel een
der gevaarlijkste, daar Juliaan hen meer door uitzonderingswetten en spot vervolgde
dan door het zwaard en de martelingen. De dood van Juliaan den Afvallige, die in
een krijg tegen de Perzen sneuvelde, gaf aan de Kerk den vrede terug, die nog slechts
éénmaal ernstig bedreigd werd. Het was toen Keizer Valentianus II, die als mederegent
van Keizer Theodosius het Westersche rijk bestuurde, door een heidenschen Frank,
Arbogast, vermoord was Zooals men weet had Constantijn do Groote, weinige jaren
na zijne overwinning op Maxentius, den zetel van de regeering en do hoofdstad des
rijks naar Bysantium overgebracht, dat naar hem den naam van Constantinopol ont-
ving; spoedig (in 395) daarop volgde de verdeeling van het uitgestrekte rijk in een
Oostersch en een Westersch keizerrijk.
Arbogast bood de kroon zekeren Eugenius, een voormaligon rhetor aan, en deze,
hoewel christen geboren, sloot zich, ter verdediging van zijn onrechtvaardig verkregen
-ocr page 144-
122                          HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN IIf:DEN.
heerschappij, bij de heidensche partij in 1\'omo aan en maakte zich gereed haar tegen
Keizer ïheodosius te verdedigen. De ziel van de krijgsbeweging en tevens van de
heidensche partij was Flavianus Nicomachus, die al den invloed en al do macht die
hij als prefect van het Pretorium bezat, ter beschikking van Eugenius stelde. liet
heidensch element hernam al het overwicht in de stad: de tempels werden weder ge-
vuld, het offervuur vlamde alom en het Christendom ten hoon liet Flavianus de Eeuwige
Stad die, zooals hij zeide, door het Christendom ontheiligd was, weer volgens heidensch
ritueel herwijden. Vrees, heerschzucht, eigenbelang en andere hartstochten maakten
veel afvalligen, en zware beproevingen stonden den Christenen te wachten, want Fla-
vianus had gedreigd het Christendom te zullen uitroeien, wanneer hij de overwinning
op Theodosius zou behalen. Deze trok, hoewel over veel geringere strijdkrachten be-
schikkende dan zijn tegenstander, niettemin vol vertrouwen zijn vijand te gemoet. Hij
liet het Labarum van Constantijn den Groote voor zijn leger uitdragen, en toen zijn
soldaten zich beangst betoonden voor de groote overmacht van den tegenkeizer, voegde
hij hun toe : Wij mogen het Kruis van God toch niet de schande aandoen het voor
machteloos te houden. Wij zullen toch aan het beeld van Hercules (dat voor het leger
van Flavianus werd uitgedragen) geen kracht toeschrijven, waarvoor wij zouden vreezen.
Ons leger gaat het Kruis vooraf, laat het beeld van Hercules de vijanden maar be-
schermen." Het geloovig vertrouwen van Theodosius werd niet beschaamd en het Kruis
van Christus behaalde andermaal de overwinning op de goden van den Olympus;
Flavianus sneuvelde in den strijd, Eugenius werd in den slag gevangen genomen en
gedood. De heidensche schrijver Zosimus en de christelijke geschiedbronnen vermelden
dat bijzondere natuurverschijnselen op zichtbare wijze de Christenen ter hulpe kwamen.
Deze merkwaardige slag viel voor bij Aquileja, den 5<,en September 394. De Christenen
herademden, en toen Theodosius Rome binnentrok werd hij met groote geestdrift
ontvangen.
De slag bij Aquileja had wel het heidendom voor altijd tot machteloosheid gedoemd,
maar aan de uitroeiing ervan viel niet te denken. Wel hadden de christen Keizers
voor en na Theodosius veel heidensche gebruiken en feesten verboden, maar verder
konden zij niet gaan zonder Iiomo in een puinhoop te veranderen. Zoolang de altaren
der Goden staan bleven zou ook het heidendom aanhangers blijven tellen; maar die
tempels waren zóó talrijk, dat hare omverwerping gelijk zou gestaan hebben met een
geheele verwoesting der stad. Men heeft veel malen gezegd, en het wordt nog herhaald,
dat de christenen ze verwoestten of tot hun godsdienstige gebruiken inrichtten en ver-
bouwden, maar in deze bewering ligt een groote mate van onwaarheid en overdrijving.
De christenen bezaten reeds een groot aantal kerken en basilieken die veel beter aan
hun doel beantwoordden dan de tempels der afgoden, en het getal christenkerken in
Rome, die van heidenschen oorsprong zijn, is zeer beperkt en voor het jaar 526 is van
zulk een verandering geen spoor te vinden. Het heidendom, dat al meer en meer ver-
viel, liet de tempels zijner goden in puin storten en de invallen en plunderingen dei-
Barbaren en de binnenlandscbe oorlogen der middeneeuwen deden het overige. Het-
zelfde kan ook gezegd worden van een groot aantal der vermaardste bouwwerken uit
den heidenschen tijd: van het Colosseum, van het Mausoleum van Augustus, van dat
van Hadrianus, van de triomfbogen on eerezuilen, van de theaters en badstoven.
Zelfs zijn er talrijke* voorbeelden bekend dat de heidensche Keizers en overheden zelven
de monumenten hunner voorgangers van hunne voornaamste sieraden en kunstvoor-
-ocr page 145-
HET CHRISTELIJKE HOME.                                            123
werpen beroofden om daarmede de bouwwerken, die zij deden oprichten, te tooien en
te verfraaien. Daarentegen is liet niet minder waar dat meerdere Keizers en verscheiden
Pausen alles in \'t werk stelden om de prachtige bouwwerken van Rome te behouden en
voor den ondergang te bewaren. Zoo vaardigde Keizer Honorius, de zoon van Theo-
dosius, wien na de verdeeling van het rijk het Westersche Keizerrijk was toegewezen,
kort na zijns vaders dood een bevel uit waarin hij zeide: Evenzeer als wij de offers
verbieden, willen wij dat de openbare gebouwen als sieraad bewaard blijven.
In \'t jaar 408 herhaalde hij dit gebod en beval hij ,.dat in de steden en in haar
gebied de tempels als staatsgoed zullen behandeld, maar de altaren verwoest moeten
worden." De altaren der valsche Goden en niet hunne tempels werden dus veroordeeld.
Merkwaardig is ook een verordening van Keizer Constans, waarin gezegd wordt:
..Vele van deze heiligdommen (de tempels) hebben aan de openbare spelen, de circus-
en kampgevechten hun oorsprong te danken on het is derhalve niet passend dat dat-
gene waaruit de overoude vermakelijkheden van het Romeinsche volk zijn voortge-
komen, verwoest worde". liet Mausoleum van Hadrianus (Kort St. Angelo) bezat nog
de prachtige beelden, waarmede het uitwendig versierd was, toen de Gothen Rome
belegerden en plunderden. liet prachtige Theater van Marcellus bleef bijna ongeschonden
bestaan tot de tijden der burgeroorlogen, die onmiddellijk de Middeleeuwen vooraf-
gingen, en het Colosseum bestond, volgens Beda, in de 8sto eeuw nog in zijn geheel:
zelfs in 1332 werd er nog een schitterend toernooi in gegeven, maar na dien tijd
kwam het in groot verval; alleen de zorg van verschillende pausen behoedde het voor
een geheelon ondergang. En zoo zijn er meer voorbeelden van oude heidensche monu-
menton, die eeuwen lang geheel of bijna geheel ongedeerd zijn gebleven. Hetgeen van
de tempels is gezegd kan ook op de godenbeelden worden toegepast. Zij werden, even-
min als de heiligdommen waarin zij stonden, verwoest, maar uit hunne donkere en
geheimzinnige nissen op veranderde voetstukken ter versiering van pleinen en straten
in het openbaar gebracht. Van die gewijzigde voetstukken zijn er verscheidene tot ons
gekomen. Xiet zelden werden ook de beelden der goden door de heidenen zelven ver-
borgen, met de hoop om ze later weer in hunne tempels terug te kunnen brengen
wanneer de oude godsdienst, zooals velen meenden dat zeker gebeuren zou, weer in zijn
macht en luister zou hersteld worden. Aan deze omstandigheid heeft men het behoud
van een groot aantal kunstwerken te danken, die het toeval in latere eeuwen in hunne
bergplaatsen deed ontdekken en terugvinden.
De opvolgers van Theodosius bezaten noch diens groot karakter, noch diens krijgs-
manskunde, zoodat de toestand van het Westersch-Romeinsche rijk, waarvan de regee-
ringszetel te Milaan gevestigd was, allengs meer en meer van de naderende horden
der barbaarscho volken te duchten had. Op het einde van de 4,,,! eeuw overstroomden
de Gothen, hun woeste en onherbergzame woonplaatsen verlatende, Griekenland, waar
de aloude en hooggeroemde kunst en beschaving door hunne wilde strooptochten bijna
geheel vernietigd werd. Weldra baanden zij zich, onder hun meest beroemden aan-
voerder Alarik, door Panonië den weg naar Italië en slechts aan de dapperheid en
krijgskunde van zijn ervaren krijgsoverste Stilico, had Honorius bette danken dat zijn
kroon en rijk vooralsnog behouden bloven, daar Alarik in twee bloedige veldslagen,
de een bij Pallentia, de andere bij Verona, het onderspit moest delven.
Van Stilico vergezeld toog Honorius, op verzoek der inwoners, naar Rome, waar
hem de eer van een plechtigen zegetocht te beurt viel; de laatste waarvan de geschiedenis
-ocr page 146-
124                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EX HEDEN.
van hot Romeinsche rijk gewaagt. Hot was bij de feesten, te dier gelegenheid gegeven,
dat in liet Colosseum de laatste z waard vechtersspelen plaats hadden, zooals wij op
bladz. 46 verhaald hebbon.
Rome, dat na de verplaatsing van den rijkszetel naar Constantinopel, geen keizer-
lijke residentie meer was, begon hoe langer hoe meer den Bisschop van Rome, den
Paus, als zijn vorst te beschouwen en onder den toonemenden invloed van het christen
dom onderging ook de oude maatschappij ecne wel langzame maar toch merkbare
verandering. De gebrekkigen, de slaven, die in de heidensche maatschappij met minachting
beschouwd en met wreedheid behandeld werden, ondervonden het alllermeest de heil-
zamo gevolgen van de verheven leer van de gelijkheid der menschen voor God ; zij
waren niet meer de verlatenen, de verstootenen, de aan willekeur overgeleverden, maar
voorwerpen van de liefderijkste zorgen, van de verhevonste broederliefde; alom werden
voor hen schuilplaatsen, hospitalen, instellingen van liefdadigheid in \'t leven geroepen,
waar de weezen opgenomen, de ouden van dagen verpleegd, de zieken en ellendigen
verzorgd, de hongerigen en dorstigen gespijsd en gelaafd, de verlatenen opgenomen
werden. Wat er hards en onrechtvaardigs in do oude wetten was, werd afgeschaft,
veranderd, verzacht, en dit maatschappelijk werk van het Christendom bracht veel
meer heidenen tot de erkentenis van deszelfs voortreffelijkheid en do heiligheid van
deszelfs leer, dan alle vervolgingen, alle wetten van den Staat tot uitroeiing van de
valsche leer hadden kunnen doen. Door het Christendom loerde do wereld voor het
eerst de juiste grenzen van gezag en vrijheid, de ware rechten van den mensch kennen.
Ofschoon het Christendom de godsdienst van den Staat was geworden, was het er
toch nog verre van af dat het wereldlijk bestuur in alles gelijken tred met den gods-
dienst hield. Wanneer een wagen gedurende geruimen tijd langs een muilen weg een
zelfde richting volgt, maakt hij in dien weg oen spoor dat te dieper is naar gelang de
wagen er langer in geloopen hoeft; maar des te mooielijker is het ook den wagon dit
spoor te doen verlaten en een nieuwe richting in te laten slaan. Zoo ook met het voertuig
van den Staat. De heidensche plechtigheden, die, in vroegere tijden, bij alles wat den
Staat betrof, voorzaten, waren wel afgeschaft, maar het was onmogelijk om de ideën,
in dezen bijna duizendjarigen Staat door de heidensche begrippen en denkbeelden
zoo diep ingeworteld, in niet veel meer dan een eeuw te wijzigen en van richting te
doen verandoren. Dit mogen zij wel bedenken die het der Katholieke Kerk en het
Christendom tot een grief aanrekenen, dat zij niet terstond al wat op heidensche be-
schouwingen en begrippen berustte, hebben weten te vernietigen. Zoo b.v.b. bleef de
slavernij, niettegenstaande het Christendom haar in beginsel veroordeelde en leerde
dat do slaaf als mensch dezelfde rechten heeft als zijn meester, nog eeuwen bestaan
en door de wetten erkend. Wanneer men evenwel bedenkt, dat do geheele economische
inrichting van hot oude staatswezen op de slavernij berustte, dat de slaven een over-
wegend deel van de bevolking uitmaakten, dan zal men wel bevroeden dat eene plotse-
linge opheffing daarvan en eene ondoordachte vrijmaking van alle slaven, voor de
toenmalige wereld gevolgen zou gehad hebben, waarvan men do uitgestrektheid met
geen mogelijkheid kan overzien; dan zal men de wijsheid der Kerk erkennen die, zonder
de instelling op te heffen, door hare wetten, dooi1 do canons van hare cohciliën en
synoden, zooveel mogelijk de hardheid er van ophief en den toestand der slaven men-
schelijk en dragelijk maakte. Wat in onze eeuw in Amerika is geschied, tengevolge van
de afschaffing der slavernij, stelt deze wijsheid en verziendheid van do Kerk in een
-ocr page 147-
HET CHRISTELIJKE ROME.
125
helder licht. Trouwens, begrippen en denkbeelden worden niet, als landen, door geweld
van wapenen veroverd ; alleen de langzame maar zekere werking van den tijd kan
in de orde der gedachten verandering brengen; wel kunnen bijkomende omstandig-
heden, geweldige verstoringen van bestaande toestanden die werking verhaasten. Zoo
ook in Rome. De invallen der barbaarsche volkon hielpen krachtig mede om de laatste
en latente sporen van het heidendom te vernietigen: zij werkten als een reinigend vuur
en zuiverden de nieuwe maatschappij van de oude smetstoffen van weelde, wulpschheid,
zingenot en wreedheid, die het heidendom er achtergelaten had. Do H. Ambrosius heeft
ons ceno schildering van de zeden der Romeinscho maatschappij in zijne dagen achter-
gelaten. „Daar liggen zij\'\', zegt hij, ..naar Oostersche manier op hunne tapijten uitge-
strekt, op de plaats waar zij, na de eone kroeg voor de andere na bezocht te hebben,
eindelijk het rechte tooneel voor hunne daden gevonden hebben. Do roos verandert
den Plebejer, met den tooverslag van Circc, in een groot en rijk man. Hij erlangt in
den wijn eensklaps macht, vrijheid, eer, ja een koninklijken rang: maar hij keert vaak
met bebloedon kop uit het drinkgelag huiswaarts, dat in zulk een zoete begoocheling
begonnen was. Do eigenlijke rijken, do hoeren van do fijne wereld, liggen aan tafel
tusschen bloemen en kransen en dragon een kunstig gemaakten haardos. Uitgelaten
vrouwen omzwermen hen en reiken hun den beker. Zij slingeren later als schepen die
van hun anker zijn geslagen. Zij vervallen altijd tot nieuwe gelagen ten einde de
doodelijke verveling to ontgaan, die op hun werkeloos loven rust. Roods in de eerste
vroegte moeten kok en inkoopers de ronde door alle winkels maken, en waar zij de
middelen tot een weelderig levensgenot vinden, vechten en krakeelen zij om de fijnste
vischsoorten en de meeste uitgezochte ganzenlevers machtig te worden." En van de
officieren zegt hij : „Daar ziet men hoe de krijgslieden met zijden degengehangen,
met gouden halsbanden, gouden gordel en degenschoeden, zich den kostbaren beker
door jonge slaven laten vullen. Hun moedige uitdagingen tot elkander gelden niet de
wapenproef, maar het zijn wedstrijden in \'t drinken. Hun oorlogskreet luidt: laat ons
drinken
         op het welzijn des Keizers ! Wie tien bekor niet tot den bodem ledigt is
dos Keizers vijand ! Dat zijn de nakomelingen van Curius Dentatus. Aanschouwt die
voor den vijand zoo vreeselijkc heidon ! Men pakt zo aan en draagt ze de deur uit.
In dezen toestand hebben zij den mond vol van overwinningen en veldslagen. Wat moet
de dienaar wel denken, als zijn hoor in zijn roes hem in de armen valt of wanneer hij
den vermeenden overwinnaar met moeite op zijn paard moet helpen? Zij zijn alleen
in don morgen krijgslieden, dan snuiven zij van woede ; dos avonds dienen zij den
kinderen ten spot. In den bloei des levens zijn zij afgeleefde grijsaards." Ken andere
schrijver van dien tijd, Salvianus van Massilia, (Marseille), geeft een niet minder treurige
beschrijving van de zeden die toen, de geheelo romeinsche wereld door, heerschten.
\'t Is zeker dat die schilderingen niet op do geheelo maatschappij van die dagen van
toepassing zijn, en misschien zijn zij ook niet van eenigo overdrijving vrij te pleiten,
want de voorbeelden van waarlijk christelijken levenswandel, van edelen zin, van groote
deugden en heldhaftige zelfverloochening vullen menige bladzijde in de geschriften
van diezelfde en andere schrijvers. Vooral mag hier vermeld worden Pammachius, die
lid van den Senaat, de afstammeling van consuls en, zooals Hieronymus hem noemt, een
sieraad van het geslacht van Camillus was. Met zijne gemalin Paulina blonk hij uit
door zijne veelvuldige en onuitputtelijke liefdadigheid en door een verheven beoefening
van alle deugden. Toen Paulina gestorven was deed Pammachius, tot groote verbazing
-ocr page 148-
126                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
der tijdgenooten, afstand van alle eer der wereld. De vroegere pro-consul kleedde zich in
een eenvoudige tunica, verliet zijne onmetelijke rijkdommen en wijdde zich geheel aan
den dienst van de ..Broeders van Christus," dat wil zeggen, van de noodlijdenden en
behoeftigen. ..Toen werden" zegt Elieronymus, „de diamanten, de paarlen en kleinodiën,
die zijne gemalin tot tooisel hadden gediend, in brood veranderd tot spijzing van hen
die honger leden; de met goud doorwerkte zijden gewaden, waarmede het paleis op-
gevuld was, dienden niet meer om de naaktheid der ijdelheid of van den wereldschen
zin ten toon te stellen, maar werden tegen grove v al verwisseld, die tot kleeding
diende van hen, die door de koude leden. Alles wat zijne voorvaderen eenmaal aan
de weelde hadden geofferd, werd nu tot een werktuig der dengd gemaakt. Vroeger
werd het paleis nog opgezocht door vrienden en vleiers; nu wordt het belegerd door
de ellende in elke gedaante. Vroeger trok 1\'aininachins door de stad, omgeven door de
schaar zijner cliënten; thans vormen de dankbare armen zijn eergeleide zoodra hij zich
in \'t openbaar vertoont."\'
Ongeveer twee jaren na den dood zijner gemalin, omtrent MN, slichtte Pammachius
met het overige van zijn vermogen een groot hospitaal te I\'ortus L\'omanus aan den
Tihermond. Dit hospitaal werd in onzen lijd in de nabijheid van de haven van Trajanus
opgegraven. Later zullen wij Pammachius bij een ander zijner groote werken ontmoeten.
Maar toch blijkt uit genoemde schrijvers dat een groot gedeelte der samenleving nog
doortrokken was van het zuurdeesem des heidendoms, wat zeden en levenswijze aan-
betreft, en dat er een geweldigen storm vereischl werd om dien besmetten dampkring
te zuiveren. En dien storm brachten de (iothen, de Vandalen, de Hunnen en hoe zij
verder liecten mogen, die Barbaren die het Romeinsche Kijk overstroomden, Italië
verwoestten, Rome bedreigden en het niet zelden plunderden, brandschatten en van
zijn knust en rijkdommen beroofden.
*
* *
In het jaar 40S belegerde Alarick, nadat Stilico, zijn gevreesde tegenstander en
vroegere overwinnaar te Ravenna gedood was, voor \'t eerst Rome. Zijn komst werd
door de tijdgenooten als onvermijdelijk, onweerstaanbaar, als een bezoeking Gods be-
schouwd; men scheen een algemeen, niet te verklaren voorgevoel te hebben, dat hij
kwam als de wrekende engel, als de zuiverende vuurgloed, en men verhaalt dat Alarik
zelf aan een kluizenaar, die hem verzocht Rome te sparen, tot antwoord gaf: dat een
hooger wezen hem naar de stad dreef en dat een inwendige stem hem toeriep : ver-
nietig haar. Raus Innocentius I stelde zich aan het hoofd van een gezantschap dat
zich naar het hof van keizer llonorius te Ravenna begaf om don keizer te verzoeken
van den Gothenkoning den vrede af te koopen, maar de trotsche hofpartij wist den
keizer diets te maken dat het een schande en oneer zou zijn van een Barbaar den
vrede te koopen; en zoo mislukte do zending des Pausen, die zelfs niet meer in Rome
kon terugkeeren, omdat de stad door de Gothen nauw omsingeld was. Alvorens den
beslissenden storm te beginnen zond Alarik-zelf nog een gezantschap naar den keizer,
dat in zijn naam verklaarde de stad te willen sparen, die meer dan duizend jaar de
wereld beheerscht had, indien de keizer met hem wilde onderhandelen, en dat hij zelfs
bereid was zijne eischen te verminderen. llonorius volharde blind, halstarrig in zijne
weigering. De stad bleef dit maal ovenwei gespaard, daar do Romeinen do zijde van
-ocr page 149-
HET CHRISTELIJKE ROM/:.                                          127
Honorius verlieten, een tegenkeizer, Athalus, uitriepen en hem, uit naam van Alarik,
de kroon aanboden. Alarik trok nu met Athalus tegen Ravenna op; maar den tegen-
keizer in den steek latende en vertoornd over den afval van een zijner onderaan-
voerders die zich bij Honorius aansloot, keerde hij terug voor de muren van Rome,
vast besloten de stad te vermeesteren, wat het hem ook kosten mocht. Den 24stcn
Augustus van \'t jaar 410 viel zij dan ook, hetzij door verraad, hetzij door een krijgs-
list, in de macht van Alarik, die zijnen wilden horden verlof gaf gedurende drie dagen
de stad te plunderen; alleen beval hij hun de kerken en vooral de basiliek van den
II. Petrus te spareu. ISij die plundering werden een aantal paleizen met hunne kunst-
schatten in de asch gelegd, en ofschoon Alarik verboden had te moorden, bedekte toch
een groot aantal dooden de straten en wegen der stad. Het bericht van de inname en
plundering van Rome veroorzaakt door de geheele toenmaals beschaafde wereld eene
onbeschrijfelijke ontzetting, waarvan de geschriften der tijdgenooten ons den naklank
hebben achtergelaten; het verlies, dat de kunst bij dien ramp geleden heeft, Iaat zich
gissen, niet beschrijven; in elk geval was het onherstelbaar. Deze zware bezoeking, die
door de tijdgenooten algemeen als een strafgericht van God werd beschouwd, vermocht
nog niet den wereldschen zin van de bevolking te veranderen, en de II. Augustinns
roept vol smartgevoel en verontwaardiging uit: „De toekomende tijden zullen het
nauwelijks kunnen gelooven dat zij die (uit Rome) naar Karthago gevlucht zijn, ook
daar nog, als bannelingen en hulpzoekenden, dagelijks do schandelijke en bandelooze
tooneelen van de schouwburgen toejuichen.
Xog zwaardere beproevingen dreigden Rome te treffen. Atilla, de goesel Gods, rukte
mot zijne afschuwelijke on gevreesde Hunnen tegen Italië op. Bange ontzetting maakte
zich van geheel het land meester, zoo zelfs dat een oogenblik hot plan bestond den
jeugdigen keizer Valentianus naar het Oosten in zekerheid te brengen. In dezen nood
bracht de groote paus Leo I redding. Er werd oen vredosgezantschap, aan welks hoofd
de Paus stond, naar den gevreosden Hunnen-koning gezonden, die zich met zijne leger-
scharen niet ver van .Mantua bevond. De Paus wist met zooveel aandrang tot Attilla
te spreken, dat deze met zijn leger over den Donau terug trok, waar zijn spoedig
daarop gevolgde dood de wereld van zijn woeste strooptochten on van de vrees, dien
zijn naam allen inboezemde, verloste. In een der Stanze van het Vaticaan bevindt zich
een heerlijke schilderij van Rafaël Paus Leo voor Attila voorstellende, terwijl boven
in de lucht met getrokken zwaard en dreigende de Apostelvorsten Petrus on Pauhis
zweven. De voorstelling, die moor allegorisch dan geschiedkundig waar is, berust even-
wel op het algemeen gevoelen der tijdgenooten, dat Attila, gedachtig den sehiolijkon
dood van Alarik na de plundering van Home en misschien bevreesd voor de straffende
hand (Jods en de wraak van de 11.II. Apostelen, hom door Paus Leo voorgehouden,
zijn plan om tegen Lome op to rukken liet varen.
Nauwelijks was dit onheil van de stad afgeweerd of een ander, niet minder te
duchten, kwam int Afrika opdagen in den persoon van Genserich, die met zijne Van-
dalen koers naar Italië had gezet en to Portus geland was. Keizer Valentianus was,
nauwelijks 35 jaren oud, in 455 vermoord geworden on Petronius .Maximus had zich
van den troon meester gemaakt, dien hij evenwel niet wist te verdedigen; op het be-
richt dat do Vandalen in Italië geland waren en zich gereed maakten tegen Rome op
te rukken, nam hij lafhartig de vlucht, door duizenden beangste inwoners gevolgd.
Op die vlucht werd hij evenwel door zijn eigen dienaars vermoord. Rome lag nu bijna
-ocr page 150-
128                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
weerloos voor de Vandalen open en nu ook was het weer de H. Paus Leo die althans
het ergste van de stad wist af te wenden. Genserich beletten of overreden de stad niet te
vermeesteren was eene onmogelijkheid, maar hij wist van den Vandalenkoning debe-
lofte te verkrijgen dat geen bloed vergoten, de stad niet door het vuur verwoest en
den inwoners niet door folteringen hun bezittingen en schatten zouden afgei)erst worden.
Gedurende veertien dagen werd Home nu stelselmatig en met de grootste nauwgezetheid
geplunderd. Niets wat kostbaar was of waarde bezat ontging aan de scherpe en hob-
zuchtige blikken der plunderaars; paleizen, tempels, openbare en bijzondere gebouwen
werden leeg geroofd, en zelfs de groote kunstwerken werden in hunne schepen geladen,
die op den Tiber geankerd lagen. De verguld bronzen platen, waarmede de prachtige
tempel van Jupiter op het Kapitool was gedekt, werden er voor de helft afgenomen en
de gouden met edelgesteenten bezetten sieraden en gewijde voorwerpen, die eenmaal in
den tempel te Jerusalem prijkten en door Titus, na de verovering der stad, naar Home
gevoerd, en, naar men meent, in den tempel des Vredes bewaard werden, deelden het
lot van de sieraden uit den tempel van den kapitolijnschen Jupiter. Eindelijk bestegen
de Vandalen hunne met schatten beladen schepen en zetten weer koers naar de Afri-
kaansche kust, een groot aantal gevangenen, onder welke zich keizerin Eudoxia, de
weduwe van Valontianus en hare beide dokters Eudoxia en Placidia bevonden,
met zich slepende. Met de te Rome geroofde schatten tooiden de Vandalen hunne
hoofdstad; later vielen zij in handen der Bizantijnen en der Arabieren on werden
over het gansche Oosten verspreid; vele zijn spoorloos en voor altijd verdwenen; een
met prachtige marmeren en bronzen beelden beladen schip zonk in de Middolandsche
zee. Van deze plundering van Rome door de Vandalen die, naar men meent, den 15
Juni 455 begon en den 29 daarop eindigde, dagloekent het verval van een groot aantal
prachtige bouwwerken der Eeuwige Stad, zooals van den Jupitertempel en andere, die
eenmaal door hun rijkdom de wereld verbaasden en waarvan de weinige en verminkte
overblijfselen nog thans onze bewondering opwekken. Wat de Vandalen nog verschoond
en overgelaten hadden viel weinige jaren later ten buit aan de troepen van Ricimer,
die den 11 Juli 472 de stad vermeesterde en aan de plundering overgaf. De hand des
tijds en de burgeroorlogen deden het overige. Met het Wester-Romeinsche rijk liep het
weldra op een einde en in 476 logde Romulus Augustulus, zijn laatste keizer, voor
goed de kroon neder. Rome kwam weer onder het gezag der Oostersche of Bizaiv
tijnsche keizers, wier macht en invloed al moer en meer taanden naar gelang die der
Pausen toenamen. Een verdere bespreking van de latere lotgevallen van Rome ligt
niet in het bestek van dit werk; wie er oen kort overzicht van wil hebben verwijzen
wij naar ons vroeger werk „Pro Petri Sede" (1); wij achtten deze korte schets nood-
zakelijk tot beter begrip van veel wat wij later zullen te zoggen hebben over vele
monumenten van het hedendaagsche Rome, en tevens om den lezer te doen weten wanneer
en door welke omstandigheden de prachtige gebouwen, de ongeëvenaarde kunstschatten,
de ongehoorde rijkdommen, gedurende eeuwen binnen Rome opgehoopt, verloren zijn
gegaan, in een betreurenswaardig verval zijn geraakt of in vormelooze puiuhoopen
zijn veranderd. Wij zullen nu overgaan tot de beschrijving van do voornaamste kerken
museums en monumenten van het christelijke Rome en wel, zooals rechtens is, begin-
nende met de kerken. Ofschoon er onder de meer dan driehonderd kerken, welke Rome
(1) MalrabiTg, Nijmegen.
-ocr page 151-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           12!)
in hare muren omvat, bijna geen enkele is of er valt eenige bijzonderheid over mede
te deelen, zullen wij ons evenwel bepalen tot de voornaamste, tot die welke door hunne
beteekenis voor het katholieke leven, door hunne kunstschatten of door hunne oudheid
en oorsprong de meeste belangstelling verdienen en gewoonlijk ook het eerst door de
vreemdelingen bezocht worden.
2. DE BASILIEKEN VAX ROME.
De IJiisiliek van den H. Petrus of St. Pieterskerk. (Basilica di San Pletro in Valkan».)
Ofschoon onder de kerken van Rome de eereplaats zou toekomen aan St. Jan
van Laterane, daar deze de bisschoppelijke kerk van den Raus als Bisschop van Rome
is en zij derhalve de Kerk van de Stad en de Wereld, de Moeder en het hoofd van
alle Kerken (Ecclesia urbis et orbis, Mater cl caput Ecclesiarutn) genoemd wordt,
zullen wij toch, in navolging van alle vreemdelingen die de Eeuwige Stad bezoeken,
het eerst onze schreden wenden naar de St. Pieterskerk, de Basiliek van den H. Petrus
op het Vaticaan. Rome bezit zeven basilieken, n.1.: die van St. Jan van Laterane,
van den H. Petrus op het Vaticaan, van den II. Paulus buiten de Muren, van de
H. Maria de Meerdere, van het II. Kruis in Jerusalem, van den II. Laurentius buiten
de Muren en van den II. Sebastianus buiten de Muren. Hun naam en vorm ontleen-
den zij aan zekere oud-Romeinsche gebouwen (Basilica nlj>i(t, B. Julia), ofschoon zij
zich in menig opzicht van de heidensche basilieken, die meer voor het marktverkeer
en openbare vergaderingen berekend waren, onderscheidden. De christelijke basiliek
bestond uit een groot middenschip, dat aan \'t einde in een halfrond (Apsis of Tribuna)
eindigde. Het dak, waarvan men de structuur van binnen kon zien, was van hout en
liep aan beide zijden schuin af. In de zijmuren waren vensters aangebracht. Tegen
dit middenschip waren lagere zijschepen aangebouwd, waarvan de daken onder de
vensters van het middenschip begonnen en schuins afliepen. Van binnen waren deze
zijschepen, nu eens twee dan weer vier in getal, zoodat het geheel uit vijf beuken
bestond, door zuilenrijen van het middenschip gescheiden. De ingang bevond zich tegen-
over de Apsis. Als verdere bijzonderheid diene, dat de oude basilieken vooraf werden
gegaan door een open voorhal, met een zuilengang omgeven, in welks midden zich
de Cantharus of fontein bevond, waarin de geloovigen de simbolische handenwassching
deden, alvorens het eigenlijke kerkgebouw binnen te gaan. Verscheidene kerken van
Rome vertoonen nog in meerdere of mindere mate deze eigenaardige bouworde, zooals
St. Jan van Laterane; S. Clemens; St". Maria Maggiore; Sta. I\'udentiana, St". Sabina;
Sta. Agnese; St". Prassede enz. Ook do oude St. Pieterskerk had dezen basiliekvorm,
terwijl do tegenwoordige! den vorm van een Latijnsch kruis vertoont.
Alvorens dezen reuzentempel, de grootste en schoonste der wereld, nader te be-
schouwen, zullen wij eenigo oogenblikken vertoeven bij do Oude Basiliek, die door
haar oorsprong, haar rijkdom en de gewichtige gebeurtenissen welke binnen hare
muren voorvielen, zeker wel verdient nader bekend te worden.
De Vaticaansche heuvel, waarop de Basiliek en het Paleis van \'t Vaticaan zich
verheffen, lag niet binnen de muren van het oude Rome. Nero bezat hier zijne tuinen
en liet er een circus oprichten, en bij de weelderige en wulpscho feesten, die hij aan
10
-ocr page 152-
2
<
O 2
> 2
O <
N >
N
< 22
►J uï
o, <
1 i
H      U!
UJ     H
S   u
co
S   w
>
a:
< «
N uj
E 5
w
-ocr page 153-
180                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN IIEDEN.
zijne genoodigden in zijn lusttuinen aanbood, liet hij de Christenen, omwikkeld mot in
hars, pek en zwavel gedrenkte doeken, als fakkels dienen, en bij het schijnsel van
deze menschelijke toortsen verlustigde hij zich met de zijnen. l>e christenen bestelden
de eerbiedwaardige overblijfselen van hunne heldhaftige broeders ter ruste in de
katacombe, die zij in den heuvel uitgegraven hadden. Toen in het jaar 67 de H. Petrus
in den circus aldaar den marteldood had geleden, werd ook zijn geheiligd lichaam in de
zelfde Katacombe bijgezet en boven zijn graf richtte paus Anacletus in !K)6 een bede-
huis op. Na zijn schitterende overwinning op Maxentius, onder de schutso van het
kruis bevochten, deed Constantijn de (iroote, op verzoek van den II. Paus Silvester,
boven het graf van den eersten Paus een prachtige Basiliek bouwen, die vijf schepen
of beuken had, op 92 groote marmeren kolommen rustte, en een lengte van 410 op
een breedte van 285 Komeinsche palmen (ruim 98 op (58 meter) bezat. Men is eeuwen-
lang in het onzekere geweest over de eigenlijke uitwendige gedaante van deze eerste
St. Pieterskerk, daar de afbeeldingen, die men er tot dusverre van had, niet geheel
en al betrouwbaar waren; maar een viertal jaren geleden heeft men in een codex van
het Eton-College bij Windsor, in Engeland, een geïllustreerd Vila Gregorii Mayni
(leven van (Jregorius den Groote) gevonden, waarin ook een plaat voorkomt die de
begrafenis van dezen paus in de voorhal van de Vaticaansche Basiliek voorstelt.
Deze codex dagteekent uit de ll\',e of hoogstens uit het begin der 12de eeuw en werd
niet ver van Rome, in de abdij van Farfa, vervaardigd. Daar deze abdij in do llde
eeuw een bloeiende school van schrijvers en teekenaars bezat, heeft men alle waarborgen
dat deze afbeelding de oude Basiliek in alle opzichten getrouw weergeeft; \'t is zelfs
waarschijnlijk dat zij in Porno zelve gemaakt is, daar de abdij in dien tijd ook een
huis te Uome, nabij de tegenwoordige kerk San Luit/i de\' Francesi, bezat. De voor-
gevel van deze oude Basiliek had veel overeenkomst met dien van de nog heden
bestaande! Basiliek van den II. Laurentius buiten do muren. Het groote vierkant van
het front verheft zich statig boven het schuine dak van den portiek, is gekroond met
een driehoekigen timpaan en verlengt zich aan beide zijden in do eveneens drie-
hoekige vleugels, die de beide daken der zijbeuken verbergen. liet groote vlak van
den gevel is een weinig boven het midden door drie rondboogvensters onderbroken,
en biedt zoo een schoone ruimte aan voor een gefigureerde afbeelding, die er werkelijk
ook in Mozaiek moot geweest zijn, althans ton tijde van paus Leo I, en vier dieren,
den Zaligmaker omringende, voorstelde. Op de bedoelde afbeelding, nu, ziet men nog
de vier zinnebeeldige dieren der Evangelisten, in een zelfde lijn onder den timpaan
geplaatst, namelijk : den Stier (II. Lucas), den Mensch (II. Matheus), den Leeuw (II. Marcus)
en den Arend (II. Johannes). De beeltenis van den Zaligmaker ontbreekt, maar in plaats
daarvan ziet men in \'t midden van den timpaan in een dubbelen kring, het Lam
Gods, met do kruisnimbus omgeven. Men meent dat deze verandering het gevolg is
van een herstelling door paus Sergius I ((587 -- 701) ondernomen. Wij zullen de geheele
beschrijving van deze oude Basiliek niet volgen, alleen vermelden wij nog als een
bijzonderheid dat op de onderste hoeken van den timpaan zich twee pauwen bevon-
den.
Deze verguldbronzen pauwen waren, zooals in de Mirabilia Urbis Romae
gezegd wordt, afkomstig van het hek dat het Mausoleum van Hadrianus afsloot. Zij
moeten in lateren tijd op den timpaan zijn geplaatst, als zinnebeelden der onsterfe-
lijkheid, welke beteekenis de Pauw in de christelijk simboliek heeft.
Aan het front, boven den portiek, moesten zich dankverzen bevonden hebben, waar-
-ocr page 154-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           131
van enkele bewaard zijn gebleven en waaruit, onder meer, blijkt dat de keizer tien
maanden lang aan een zware ziekte had geleden, dat hij reeds alle hoop op genezing
had opgegeven, daar alle geneesmiddelen zijn pijnen slechts deden toenemen, maar dat
hij eindelijk, volgens zijn overtuiging, op voorbede van den Apostel Petrus genezen
was. ,.(), tot welke eer"\' roept Constantijn uit, ..heeft Christus den Apostel verhoven
Het leven, dat Christus mij gegeven had, werd mij opnieuw door Petrus geschonken".
lïïj het afbreken van de oude Apsis heeft men een aantal gebrande steenen ge-
vonden die den naamstempel van Constantijn droegen. Daar deze gestempelde steenen
tot heden alleen aan de St. Pieterskerk werden gevonden, leidt men er uit af dat zij
uitsluitend ten behoeve van deze kerk gemaakt werden.
Het inwendige was met kostbare marmersoorten versierd en Constantijn schonk er
rijke gaven in gouden en zilveren sieraden aan. liet Liber jtontificalis zegt daar-
over: ..Ten tijde van (paus) Silvester bouwde de Augustus Constantijn den zaligen
Petrus de Basiliek bij don tempel van Apollo. Hij versierde het graf van den zaligen
Apostel, waar diens lichaam rust, op de volgende wijze." Pit die beschrijving vernemen
wij dat Constantijn boven het graf een gouden Kruis van 150 pond gewicht deed
plaatsen, met een opschrift uit ingelegd werk, dat luidde: Constantijn Augustus en
Ilclena Augusta hebben dit koninklijk huis versierd, dat omgeven is van een in den-
zelfden glans schitterenden voorhof."
Boven de grafkamer liet de keizer een kleine versierde ruimte, een cel, of zooals
men later zeide, een ark (arca) oprichten. Deze ark schitterde van goud. Het altaar,
dat Constantijn boven de arca liet oprichten, werd met portieren zuilen getooid. De altaar-
tafel was van zilver, door een goudon lijst omvat. Voor do grafark hing een gouden
kroonluchter, waarvoor niet minder dan J35 pond goud werd verbruikt; hij was versierd
met 50 dolfijnen, waarschijnlijk onder de 50 vlammen, die van den luchter uitgingen.
Bovendien stonden om het graf nog vier kandelabers, rijk met zilver versierd, waarvan
elk oen gewicht van 300 pond had. In de woelige tijden die vooral de 7,le en de
Ss,e eeuw kenmerkten, had de Basiliek, die, zooals wij gezegd hebbon, buiten de muren
der stad lag, veel van de Longobarden en Saracenen te lijden, zoodat Paus Leo IV
de muren dor stad ook om dit gedeelte liet rondtrekken. Deze oude basiliek was,
zooals wij reeds gezegd hebbon, het tooneel van zeer gewichtige gebeurtenissen.
Daar werd Paus Stefanus III gedurende eenige dagen door den Longabardenkoning
Desidoiius gevangen gehouden. Daar gaf Pepijn en hernieuwde Karel de Groote de
beroemde schenkingen, dio don grondslag legden tot de wereldlijke macht der Pausen;
daar werd op den kerstdag van het jaar 7i)\'J (\') door Leo den (Jroote de keizerskroon
op hot hoofd van Karel den Groote gezet; daar ook had menige verzoening plaats
tusschen de Pausen en de Duitsche keizers, die evenwel door de trouweloosheid
der laatston maar al te vaak zonder duurzaam bestand was. In een woord: die
oude Iïasilick van St. Pieter was een merkwaardig gebouw in allo opzichten (*).
Deze oude Basiliek was omgeven door kloosters, hospiciën en andere gebouwen van
christelijken aard. In een dezer kloosters, dat van de H.II. Johannes en Paulus genaamd,
l) Gewoonlijk geeft men liet jaar 800 aan, maar hierbij dieut men in \'t oog te houden dat ten tijde
van Karel den Groote het nieuwe jaar den 25sten December, dus deu eerste Kerstdag begon, zoodat, volgeus
die tijdrekening, de krouiug inderdaad in \'t jaar 800 plaats had. Volgeus de tegenwoordige tijdrekeuiug,
dio het nieuwe jaar op 1 Januari doet aanvangen, had zij evenwel in 7\'J!> plaats.
*) Zie hierover nader iniju werk. ,.1\'ro Petri Sede" bij Malmberg te X ij roegen.
-ocr page 155-
132                         ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
woonde de II. Galla, do dochter van den patriciër Symmachus, die, nadat zij in het
eerste jaar van haar huwelijk haar gemaal had verloren, zich daar terug trok om zich
geheel aan den dienst van Clod en van de armen te wijden. Ter linker en ter rechterzijde
van de Basiliek bevonden zich twee bisschoppelijke woningen (Ejtiscoj)ia), die de eerste
oorsprong van het paleis van het Vaticaan vormden.
Niettegenstaande de talrijke herstellingen in den loop der eeuwen aan deze eerbied-
waardige basiliek gedaan, was zij toch in de 15,,e eeuw zoo bouwvallig geworden, dat
paus Xieolaas V tegen hot jaar 1450 tot den bouw van een nieuwen tempel besloot,
waarvan hij de uitvoering aan twee bouwmeesters, Bernardino Rossellino en Leon Bat-
tista Alberti, opdroeg. Door don dood van dezen paus bleef hot pas begonnen werk steken
en werd het eerst weer onder Paulus II hervat; maar den grooten stoot aan het werk
gaf paus Julius II in 1503, die, na do plannen van do beroemdste bouwmeesters van zijn
tijd onderzocht te hebben, zich bepaalde tot dat van Bramante, van wien het denk-
beeld om in \'t midden een grooten koepel te doen verrijzen, voortkomt en dio dan ook
do vier groote pilaren, die denzelven moesten dragon, dood oprichten en aan het ge-
bouw den vorm van een Latijnsch kruis wilde geven. Toen Julius II en Bramante uit
de wereld waren gescheiden, droog Leo X aan (iiuliano da Sangallo, Fra (Jiocondo en
llafaël van Urbino den verderen bouw op, en dezen, vreezende dat de vier peilers hot
overweldigend gewicht van den koepel niet zouden torschen, deden de grondslagen
er van versterken.
Na den dood van deze drie, dio hot werk nog slechts weinig hadden kunnen doen
vorderen, belastte Leo X den bouwmeester Baldasssare Peruzzi er mode, die, voorde
enorme kosten vreezende, het plan van Bramante in zooverre wijzigde dat hij er een
Grieksch in plaats van een Latijnsch kruis van maakte, en onder de regeeringen van
Adrianus VI on Clomens VII do door Bramante begonnen tribune voltooide. Antonio da
Sangallo, die door Paulus III tot bouwmeester van de basiliek was aangesteld, keerde
weer tot het oorspronkelijk plan van Bramante, het Latijnsche Kruis, terug. Nadat nog
verscheidene Pausen hunne zorgen aan den bouw besteed hadden en verschillende
bouwmeesters, die nu eens don Latijnschen dan weer den Griekschen kruisvorm aan-
namen, met do uitvoering belast waren, werd het rouzonwerk onder de regeering van
Paulus V door don beroemden bouwmeester Carlo Maderno, die tot het oorspronkelijk
plan van Bramante betreffende don vorm was teruggekeerd, voltooid. Onder Alexander
VII bracht Bernini do beroemde en bewonderenswaardige zuilengangen, dio het St.
Pietersplein omsluiten, gelukkig ten uitvoer, terwijl hij tevens vóór aan den gevel een
klokketoren ter hoogte van bijna 50 nieters oprichtte, die evenwel spoedig daarna,
onder paus Innocentius X, afgebroken werd; volgons de eenen omdat hij te zwaar was
voor de fondamenten, volgons anderen op aanstoken van de benijders van Bernini.
Pius VI liet door Maderno de sacristie er bij bouwen en de beide torens oprichten,
terwijl hij opnieuw hot gewelf der basiliek deed vergulden. Zoo was dan dit reuzen-
werk, nadat een aantal pausen en bouwmeesters aan zijn oprichting hun zorgen,
schatten en talonten gedurende twee en een halve eeuw besteed hadden, voltooid.
Volgons eene berekening van Carlo Fontana had de bouw tot aan het jaar 1694 on-
geveer 47 millioen Komeinsche kronen of ongeveer 113 millioen guldens gekost. Wan-
neer men daarbij nog de kosten van herstellingen, van schilder- en mosaiekwerken en
andere verfraaiingen voegt, dan komt men tot een nog ontzaglijker som, waarvan het
gansche bedrag met geen mogelijkheid te berekenen is. Men kan zonder overdrijving
-ocr page 156-
133
HET CHRISTELIJKE ROME.
getuigen, zegt Nibby, (\') dat alle kunsten het hare hebben bijgedragen tot versiering
van dit heerlijk gebouw, dat het prachtigste monument van het nieuwere Rome is, en
dat de beroemdste meesters in schilder-, beeldhouw* en bouwkunst er hunne talenten
aan ten beste hebben gegeven, zoodat, wanneer er in Rome geen andere tempel
buiten dezen was, het niettemin een reis derwaarts zou waard zijn.
Na deze korte geschiedkundige schets over haar ontstaan, zullen wij de verschillende
onderdeelen der Basiliek een weinig nader beschouwen.
De prachtige en statige voorgevel, die door Carlo Maderno aan het oorspronke-
lijke plan werd toegevoegd, is geheel uit travertijnsteen opgebouwd, en bestaat uit zeven
loggia\'s, zes nissen, en een attiek, die in een balustrade eindigt waarop 13 reusach-
tige beelden staan, den Zaligmaker en de twaalf Apostelen voorstellende, en twee to-
rens met uurwerken. Zooals men op de fries van de kornis kan lezen, werd deze
gevel in 1612 ter eere van den Prins der Apostelen opgericht; zij is niet minder dan
127 meter lang en 50 meter hoog ; de kolommen hebben een doorsnede van bijna 3
meter en eene hoogte van ongeveer 32 meter, met inbegrip van de voetstukken en de
kapiteelen. De groote koepel, die reeds door Bramante was bedoeld, en de twee
kleinere van yignola, maken een schoon effect en de bal van den koepel, die, van be-
neden gezien, niet zeer groot schijnt, kan zestien personen bevatten ; het kruis, dat
zich daarboven verheft, bereikt een hoogte van 150 meter.
De vijf poorten van den gevel, waar tegenover vijf andere zijn die toegang tot de
Basiliek geven, voeren ons in een prachtige portiek van 13 meter op bijna 160 meter
lengte (*), daarin begrepen de beide vestibuuls aan de beide uiteinden, waar men twee
ruiterstandbeelden ziet, een van Constantijn den Groote door Bernini, het andere, links,
van Karel den Groote door Cornacchini. Al deze ingangen worden geflankeerd door
marmeren kolommen, terwijl de portiek van binnen versierd is met pilasters, die de
kornis dragen, waarop het 22 meter hooge gewelf rust, door Algardi met verguld
stucwerk opgeluisterd. Van denzelfden kunstenaar zijn ook de figuren op de kornis.
Tegenover den hoofdingang bevindt zich een beroemd mozaiek, het scheepje van
Petrus (la Navicella) genaamd, een werk van Giotto da Bondone en Pietro Cavallini
uit het jaar 1298 en dat eens de oude basiliek versierde.
Van de vijf deuren, die toegang tot de Basiliek verleenen, is er een dichtgemetseld
en met een koperen kruis in \'t midden. Deze is de porta santa (heilige deur), die
alleen op den dag, waarop het jubilee begint, geopend wordt. De twee kolommen
aan weerszijden zijn van een steensoort die naar deze deur den naam vanporta-santa
heeft gekregen. De middelste deur is van brons en versierd metbasreliefs, die op last
van paus Eugenius IV voor de oude basiliek vervaardigd werden; zij stellen den
marteldood van de H.H. Petrus en Paulus, de kroning van keizer Sigismond door den
zelfden paus Eugenius en andere tafreelen voor. De mithologische voorstellingen, dio
er op voorkomen, zijn hier minder ter plaatse. Boven deze deur ziet men een half-
verheven beeldhouwwerk (basrelief) van Bernini, den Zaligmaker voorstellen die aan
Petrus Zijne kudde toevertrouwt. Drie van do vijf poorten worden opgeluisterd door
kolommen van het zeldzame en kostbare pauwmarmer (pavonazzettó).
l) Itinerario di Roma e delle sue vicinanze. Roma 1830.
*) Wij nemen altijd de meest nabykomende ronde getallen.
-ocr page 157-
134                          ROME IN DESZËLFS VERLEDEN EN HEDEN.
(laan wij over tot liet inwendige der kerk.
De vreemdeling die, voorgelicht door verhalen en beschrijvingen over de onmete-
lijko grootte van dezen bewonderenswaardigen tempel, denzelven met hooggespannen
verwachting binnentreedt, gevoelt zich in den aanvang teleurgesteld. Het gebouw
dunkt hem niet zóó groot; hij vindt het zelfs niet buitengewoon. Deze teleurstelling
verdwijnt evenwel spoedig en maakt plaats voor verbazing en bewondering, zoodra
hij verder er in binnendringt, waar alles in grootheid overtreft wat hij in zijn stoutste
verbeelding zich had voorgesteld. Do Engelen, die aan den eersten pilaster de geel-
marmeren schelpen, die het wijwater bevatten, vasthouden, schijnen hem in den be-
ginne niet grooter dan kinderen toe, maar naderbij komende staat hij versteld over
hunne reusachtige afmetingen ; en zoo vervalt hij van de eene verbazing in de andere.
Dit gezichtsbedrog vindt hare verklaring in de bewonderenswaardige verhoudingen
waarin de verschillende voorwerpen tot elkander staan, in de onderbroken rechte
lijnen en in sommige bouwkundige bijzonderheden, waarop wij niet nader zullen in-
gaan. Het meest evenwel doordien het achtergedeelte van de basiliek breeder is dan
het voorgedeelte, zoodat de vernauwingen die op een grooten afstand zich altijd aan
het oog voerdoen, hier gedeeltelijk zijn opgeheven en de lengte dus ook minder
opvalt. In werkelijkheid overtreft de St. Pieter in grootte alle bekende tempels, zooals
de maatstaf, op den vloer aangebracht, in cijfers duidelijk aantoont. De lengte van
den ingang tot aan het achtergedeelte, waar zich de St. Pietersstoel bevindt, bedraagt
niet minder dan 2080 Romeinsche palmen, hetgeen overeenkomt met ongeveer 200 meter,
terwijl de breedte in het kruis 600 11. palmen of 150 meter is, hoewel de breedte van
het middenschip 123 IJ. palmen of 50 meter bedraagt, op een hoogte van 380 R. palmen
of 70 meter.
Zooals wij reeds gezegd hebben heeft de Basiliek den vorm van een Latijnseh
kruis met drie beuken of schepen, waarvan de middelste over hare geheele uitgestrekt*
lieid aan heide zijden doorbroken is door vier groote bogen, die naar evenveel ka-
pellen voeren. Elke muur, tusschen deze bogen, heeft twee gecanneleerde of gegroefde
peilers van Corintische bouworde, die een kornis dragen, welke om de geheele kerk
loopt. Tusschen deze peilers bevinden zich twee boven elkander geplaatste nissen,
waarvan de onderste reusachtige marineren beelden bevatten, die de stichters der ver-
sehillende geestelijke orden voorstellen. Doven de bogen bevinden zich figuren van
stuc, die verschillende Deugden verzinnebeeldigen. De zijden der peilers zijn met
fraaie marmersoorten bekleed en bevatten elk twee medaljons van pausen, door kleine
geniusjes vastgehouden, terwijl tusschen deze medaljons andere geniusjes zijn die
driekronen, bisschopsstaven, sleutels en andere zinnebeelden van het pausdom dragen;
alles op bevel van paus Innocentius door Bernini in halfverheven werk uitgehouwen,
zooals de duiven, uit het wapen van dezen paus, op eiken peiler te kennen geven.
Het groote gewelf van deze beuk is met verdiepte vakken en rosetten van verguld
stuc versierd. De bovengenoemde beelden van stichters van geestelijke orden stellen
voor: de II. Teresia door Filippo Valle; daartegenover den II. Petrus van Alcantare,
uit een oogpunt van kunst het merkwaardigste, door Francesco Vergara; den II. Vin-
centius a Paulo door Pietro Bracci, tegenover dezen den II. Camillus de Lelis door Pietro
Pacilli; dan den II. Philippus Xeri van Gio. Pattista Maini, mot den II. Ignatius aan
den overkant, door Giuseppe Rusconi. Aan het einde van de groote beuk bevindt
zich op een voetstuk van albast, het bronzen beeld van den II. Petrus, met vooruit-
-ocr page 158-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           135
geschoven voet, waarvan de teen door de eerbiedige vereering dor geloovigcn aan-
merkelijk is afgesleten. Naar het gevoelen van zeer gezaghebbende schrijvers moot
dit beeld reeds van de 5de eeuw dagteekenen en Leo de Grooto zou hot, nadat Rome
in 452 voor den inval der Hunnen bewaard was gebleven, hebben doen gieten van
het brons van een beeld van den Oapitolijnschen Jupiter. Toen do nieuwe basiliek
voltooid was, liet paus Paulus het in de vestibule plaatsen, vanwaar 1\'auhis V het
deed overbrengen naar de plaats waar het zich nog heden bevindt. Leo de Isauriër,
de beeldstormende Bizantijnschc Keizer, had gedreigd het te zullen vernietigen, maar
de bronzen Petrus heeft het Bizantijnsche Keizerrijk overleefd, zooals de katholieke
Kerk ook het Oostersche Schisma zal overleven. In de nis daar tegenover, bevindt
zich hot beeld van don II. Francesco di Paula.
In den laatsten tijd heeft men aan dit beroemde beeld zijn karakter van hoogo
christelijke oudheid willen ontnomen en beweerd dat het uit latere tijdon en
wel uit de 13de eeuw zou dagteekenen. Pater Grisar is in de (\'. Cattolica tegen deze
bewering opgetreden en heeft bewezen dat zij geheel ongegrond is. Volgons dozen ge-
leerden oudheidkundige heeft men üon II. Petrus voorgesteld in het gewaad van een
oud wijsgeer en de bijzondere drapeering alleen aangenomen om daardoor den arm,
die ter zegening of leering is opgeheven, vrij te maken. Hot beeld kan niet van Midde-
eouwschen oorsprong zijn, maar is een fraai stuk oud- christelijke kunst.
Wanneer men St Pieter binnentreedt wordt het oog terstond getroffen door oen
hoog, op vier kolommen rustend baldakijn, onder den koepel en in \'t midden van hot
kruis staande. Onder dit baldakijn bevindt zich het pauselijk altaar, dat boven het
graf van den IL Petrus, de zoogenaamde Confessie, is opgericht.
Alvorens ons bezig te houden met het huidige graf van den Prins der Apostelen,
moeten wij eenige woorden, aan de hand van p. Grisar, over do begraafplaatsen bij hot
Vaticaan zeggen.
Van de Pons Elius (Brug van het fort Sant Angelo) liep in den vóór-Constantijnschen
tijd, een der groote wegen (de via Cornelia) naar den Vaticaanschen heuvel, en viel in do
richting waar nu het midden van het beroemde St. Pietersplein is en door de St. Piotors-
kerk. Evenals alle andere groote wegen buiten Rome, was ook deze weg aan beide
zijden met grafmonumento bezet. Van deze graven hoeft men bij den bouw van do
nieuwe St. Pieterskerk een groot aantal overblijfselen gevonden, waaronder ook sarco-
fagen enz. Toen men den 30 Juni 1626, de uitgravingen deed voor confessie, vond
men zelfs daar overblijfselen van heidensche en christelijke begraafplaatsen. In de
Katakomben, die alleen ten behoeve der christenen waren aangelegd, vindt men zulk
zamenzijn van heidensche en christelijke graven niet; wel evenwel langs do via Coruclia
en bij den Valicanus, waar de grondgestoldhoid het aanloggen van een Katakombe
niet gedoogde. Van die Christelijke begraafplaatsen hooft men er verschillende ontdekt
en onder de gevonden sarcofagen zijn er van niet weinig betoekonis voor do christelijke
oudheidkunde. Op die van Livia Priinitiva ziet men b. v. b. onder het opschrift:
Livia Nicarius Livae Primitivae Sorori fecit q. v. An. XXIII. M. VIII. (Livia Xiearius
heeft dit (grafmonument) voor haar zuster Livia Primitivia, die 24 jaar en 8 maanden
loofde, opgericht), in \'t midden don Goeden Herder mot hot schaap op de schouders
on ter linker en rechterzijde een naar Hem opziend schaap. Links ziet men den
-ocr page 159-
136                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
Simbolischen Visch, rechts het Anker. Belangrijk is ook de in 1890 gevonden sarcofaag
uit de IVe eeuw, die Jonas voorstelt tusschen twee herders. Maar van veel meer
belang is nog een derde sarcofaag, die zich thans in het Museum van Laterane
bevindt. In beelden van hautrelief is daar, tusschen de offerande van Abraham en
de Veroordeeling van Christus, de plechtige overhandiging der wetrollen aan Petrus
door den Zaligmaker voorgesteld. Petrus is daar afgebeeld als een krachtig man, met
kort gekroesd haar en een vollen ringbaard, die met omhulde handen vol eerbied de
wetrollen in ontvangst neemt.
In den vóór-Konstantijnschen tijd bevond zich op de plaats waar thans de confessie
(het graf) van den II. Petrus zich bevindt, een bij de christenen in hooge eer staande
Crypte (Memoria). Naar algemeen geloofd en aangenomen werd bevatte deze Crypte
het lichaam van den Apostel Petrus. Volgens de traditie van de gemeente van Home
was Petrus, na den te Home onderganen marteldood, op deze plaats, ter zijde van de
Via Camel ia, ter ruste besteld, evenals de H. Paulus langs den Ostiaanschen weg
een rustplaats vond ; en dat bij de Crypre van den II. Petrus ook de eerste Bisschoppen
van Rome werden begraven. Ook het oudste tot ons gekomen Pelgrimsboek spreekt
daarover in de volgende bewoordingen : „Ten eerste Petrus. Hij rust aan de oostelijke
zijde der stad, aan de Via Cornelia, bij den eersten mijlsteen. Op dezelfde plaats
rusten zijne navolgers, op eenige uitzonderingen na, in eigen grafmonumenten". Ook
het Liber pontificalis vermeldt hetzelfde. Maar nog veel andere bronnen dan deze,
waaronder er uit de tweede en zelfs uit de eerste Christelijke eeuw zijn, gewagen van
het werken en den marteldood van de HH. Apostelen te Komen. Wanneer wij later
over de plaats van den marteldood van den eerste Paus zullen spreken, komen wij
hier nader op terug Toen, na een strijd van meer dan drie eeuwen, het christendom
zegenvierend de sombere gangen der Katacomben kon verlaten, deed Constantijn
boven de graven der apostelen prachtige basilieken oprichten en hunne lichamen in
sterke bronzen kisten leggen, die verder in onderaardsche kamers van zware en mas-
sieve muren werden geborgen, waarboven zich de hoofdaltaren der beide kerken ver-
hieven. Pij den bouw der nieuwe basilieken bleven deze graven ongeschonden en de
nieuwe altaren namen de plaats der oude in. In St. Pieter bevindt zich het hoofdaltaar,
aan hetwelk alleen de paus de II. Mis leest en waartoe men langs zeven trappen opklimt,
onder een prachtig baldakijn van verguld brons, op vier heerlijke gedraaide kolommen,
van gemengde bouworde, en eveneens van verguld brons rustende, een meesterwerk
door Bernini op bevel van paus Urbanus in 1633 uitgevoerd Deze kolommen dragen
een kornis van welker vier hoeken vier hooge ribben oprijzen, die in\'t midden te samen
loopen en een wereldbol dragen, waarboven zich een kruis verheft. De geheele hoogte
van dit imposant werk bedraagt meer dan 30 meter. liet brons, dat er voor gebruikt
werd, is, naar men zegt, afkomstig van hot Pantheon, en de kosten van het geheel over-
troffen de som van honderdduizend Komeinscho Kronen of ongeveer tweehonderd-
veertigduizend gulden; er werd voor veertigduizend gulden aan goud verbruikt voor de
vergulding. Evenals bij de oude basilieken, is het altaar naar het Oosten gekeerd, zoodat
de celebrant met het gelaat naar de geloovigen gekeerd staat. Voor het altaar bevindt
zich eene balustrade, waar 112 lampen, door horens van overvloed van verguld koper
gedragen, dag en nacht branden. In het midden der balustrade daalt men met een
trap naar de inwendige ruimte af. Aan den voet van dezen trap ziet men het knielend
beeld van Paus Pius IV, wiens lichaam in de nabijheid rust. Dit beeld is een meester-
-ocr page 160-
HET CHRISTELIJKE ROME.
137
werk van den beroemden beeldhouwer Canova. Panlus V liet deze ruimte door
Maderno versieren met zeldzame marmersoorten en met engelen, bloemfestoenen en
de beelden der H.H. Apostelen Petrus en Paulus terzijde van het hek; het al van ver-
guld brons. Door dit hek ziet men een soort langwerpige nis, die de eigenlijke
Confessie is; op den achtergrond bevindt zich een oude afheelding van den Zaligmaker
in mozaiek. Daar rust het roemrijk lichaam van den H. Petrus, den eersten Paus.
In de oude Basiliek strekte zich boven het graf de hooge boog uit die het schip
afsloot, de zoogenaamde triomfboog. Deze werd door Constantijn met een groote
mozaïekschildering versierd, die, lange eeuwen onbekend gebleven, in 1883 weer
bekend werd uit een lang vegeten beschrijving. In de XVIe eeuw was het hoofd-
motief nog te zien ; het stelde Keizer Constantijn voor die den Zaligmaker en den
Prins der Apostelen het model der nieuw gebouwde Basiliek aanbood. Een opschrift
in groote gouden letters, dat nog in 1525 bestond, gaf deze, tot Christus gerichte
woorden te lezen : „Daar onder uwe leiding de wereld zegevierend tot de sterren is
opgestegen, stichtte de overwinnaar Constantijn IJ deze aula." Ook boven de apsis
bevonden zich nog in IXe eeuw inschriften die dankbetuig den aan den Keizer voor
den bouw als „een zetel der gerechtigheid, een huis des geloof, een hal der deugd."
Pater Grisar S. J., wel bekend door zijn kennis en geschriften over de christelijke
oudheid, heeft een viertal jaren geleden een grondig onderzoek naar den toestand van
de graven der H.H. Petrus en Paulus ingesteld en zijne bevindingen in eene zeer be-
langrijke studie (r) openbaar gemaakt, waaraan wij eenige bijzonderheden overnemen,
die zeker de belangstelling van eiken katholieke ten volle verdienen.
,.De onbekende schrijver van het leven van den H. Silvester in het Liber Pontifi-
calis,
die zijn werk in 530 te boek stelde, verhaalt dat keizer Constantijn, op wiens
bevel de Vaticaansche Basiliek ter eere van den H. Petrus en de Ostiaansche tereere
van den H. Paulus werden opgericht, het lichaam van elk der beide Apostelen der-
waarts in een sterke bronzen kist liet leggen, die vervolgens diep in den bodem in een
kamer van zware en massieve steenen werd gesloten. Uit een brief van den H. Gre-
gorius den Groote, waar deze gewaagt van eenige werken die om het graf van den
H. Petrus werden uitgevoerd, blijkt dat het eigenlijk gezegde graf van den Heilige,
ter diepte van ongeveer 15 voet of vier en halven meter van de mensa van het er
bovenstaande altaar verwijderd was. Deze ruimte werd deels ingenomen door een
tweede gemetselde en van binnen ledige kamer, op welks gewelf, op dezelfde hoogte
van den ouden vloer der Basiliek, een steenen plaat was en ook nu nog is. Een soort-
gelijke steen bevond zich ook in gelijke omstandigheden op het graf van de H. Paulus
(waarover later). In deze steenen plaat bevindt zich de opening van een soort putje
van 35 centim., dat wederom uitkomt in eene ledige ruimte van 84 cm. diepte waar, in
de gemetselde kamer, de bronzen kist rust die het lichaam van den Prins der Apostelen
bevat. In deze ledige ruimte werden, volgens een oud gebruik, strooken linnen of stof
neergelegd die, in aanraking komende met de gewijde rustplaats van den II. Petrus, als
hooggeschatte relikwieën aan voorname en vorstelijke personen werden geschonken. Ook
werd daar, volgens een oud liturgisch gebruik, op den feestdag van den H. Petrus
door den Paus een wierookvat opgehangen, dat bij den feestdag van het volgend jaar
(J) Le tombe apostolische di Roma, studj di archeologia e di storia. Con dne tavole in fototipia e
quatro zincotipie nei testi. Roma, tip. Vaticana, 1892, in 4o di pag. 56.
-ocr page 161-
138                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EX HEDEN.
door een ander werd vervangen. Ook de kolen uit dit wierookvat werden als voor-
werpen, door de aanraking niet het graf van den heilige gewijd, als kostbare relikwieën
beschouwd. In de genoemde opening heeft pater Grisar nog den haak gevonden waar-
aan, in vroegere eeuwen, het wierookvat werd opgehangen. De steenen plaat is in \'t
midden gebroken en deze breuk kan het gevolg zijn van een of ander ongeluk of van
eene poging tot schending van het graf; zulk eene schending zou, volgens genoemden
onderzoeker, alleen kunnen plaats gehad hebben in 846, onder de regeering van Paus
Sergius II, toen de Saracenen de Vatikaansche Basiliek overweldigden en ontwijdden.
Indien zij al zulk eene schending beproefden, dan moeten zij er toch niet in geslaagd
zijn, omdat deze hun te veel moeielijkheden aanbood, daar het graf zich verscheidene
meters onder den vloer bevond en besloten was binnen dikke muren en in een zeer
sterke bronzen kist. (leen enkele schrijver van dien tijd, al spreken zij ook over de
plunderingen door de Saracenen in de Basiliek bedreven, gewaagt trouwens van eene
schending van het graf en in het leven van Leo IV (842 - 855) wordt telkens vermeld
dat het zich nog altijd op dezelfde plaats bevond als voor den inval der Saracenen.
Tit deze en verscheidene andere gegevens trekt p. Grisar de gevolgtrekking, dat in de
ruim 15 eeuwen, die tusschen Constantijl] en onze dagen liggen, de gewijde lichamen
van den II. Petrus (en ook van den H. Paulus) zich altijd bevonden hebben en ook
nog heden bevinden, op de plaats waar zij in de 4do eeuw werden bijgezet. Op do
steenen plaat, thans door een bronzen plaat bedekt, bevindt zich een verguld
zilveren vaas waarin het Pallium wordt bewaard, dat de Paus aan de Aartsbis-
schoppen geeft.
In dit putje (finistella genaamd) legde Karel de Groote de oorkonde neder waarbij
hij aan den IL Petrus en aan Paus Adrianus (d. w. z. aan de Kerk) de schenkingen
toekende, vroeger door zijn vader Pepijn aan paus Stefanus gedaan.
Wanneer men, voor de Confessie staande, den blik omhoog slaat, staart men met
verrukking in het inwendige van den wonderbaren koepel, die als een waardige
diadeem dezen wonderbaren tempel kroont. Zooals wij gezien hebben heeft men het
eerste denkbeeld, om den grootsten koepel dien men ooit gezien heeft, op de nieuwe
Basiliek te plaatsen, aan Bramante te danken, die ten dien einde de vier groote peilers,
met. een omtrek van 70 meters, liet optrekken. Het stoute genie van Michelangelo
Buonarotti gaf aan het plan van Bramante nog meer uitbreiding; hij wilde het Pan-
theon boven op de St. Pieterskerk plaatsen, en werkelijk volvoerde hij zijn voornemen,
daar de koepel slechts een halven meter minder in doorsnede heeft dan de inwendige
ruimte van het Pantheon aanwijst, en dezen reusachtigen bouw wist hij op een hoogte
van 60 meter te plaatsen. De lantaarn begint op 120 meter hoogte van den vloer der
kerk. De omtrek van den koepel is 192 meter, de grootste doorsnede inwendig 45
meter. De geheele hoogte, gerekend van den vloer tot aan de uiterste spits, is 145 meter.
De trommel is versierd met 32 gepaarde Corinthische zuilen, waartusschen 16 vensters
zijn. De zuilen dragen een kornis, waarboven een zuilvoet is, van waar de holte van
tien koepel begint, in zestien ribben verdeeld die in het oog van den lantaarn eindigen.
De versieringen bestaan uit verguld stuc en uit mozaïekwerken, die de II. Maagd,
verscheidene engelen, de apostelen en eenige heiligen voorstellen, en in het gewelf van
den lantaarn stelt een mozaiekbeeld, naar een origineel van Arpino genomen, God den
Vader voor. Op de vier hoofdpeilers en de bogen rust een groot kornis, op welks
fries men in reusachtige mozaïekletters de volgende woorden van den Zaligmaker tot
-ocr page 162-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                          139
don II. Petrus leest: Th cs Petrus, et super hanc petram aedificabo Ecclesiam mcatn,
et tibi dabo claves regni eoelorum.
((Jij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne
Kerk bouwen, en ik zal u de sleutels van het Kijk der Hemelen geven).
De voorzijde van elk der vier zuilen die de koepel dragen, is versierd met twee
groote, boven elkander geplaatste nissen ; do bovenste, die een soort van loggia met
balustrade vormen, hebben aan weerszijden een gedraaide kolom die men, hoewel er
geen zekeren grond voor bestaat, zegt afkomstig te zijn uit den tempel van Salomon
en eertijds, met nog vier andere, het oude Baldakijn van do Confessie vormden. In
deze loggia\'s, en vooral in die boven het beeld van do II. Veronica, worden kostbare
relikwieën van het lijden des Zaligmakers bewaard, waaronder een gedeelte van het
H. Kruis, de Lans die de zijde van Christus doorboorde, en het II. Aanschijn. Deze
relikwieën worden op Witten Donderdag on op Goeden Vrijdag tor vereering uit
gesteld. In de nissen bevinden zich de 5 meter hooge beelden van den II. Longinus
door Bernini; van de II. Ilelona door Andrea Borghi; van de II. Veronica door
Francoseo Mochi en van den II. Andreas door Fiammingo. Dit laatste is als kunstwerk
het beste. Onder het beeld van de H. Veronica bevindt zich een trap, die naar de
crypte of onderaardsche grotten voert.
De crypte of de Grotten van het Vaticaan. Het halfcirkelvormige gedeelte bij
de confessie wordt do nieuwe, het overige de oude Grotten genoemd. Do vloer ervan
is die van de oude Basiliek door Constantijn gebouwd. Het door Clemons VIIIpraeh-
tig versierde altaar van de II.II. Petrus en Paulus, dat tot het jaar 1122 opklimt, bevat
kostbare relikwieën van de beide groote Apostelen. In de kapel van S. Maria del
Porlico
ziet men eenige gezichten van de oude Basiliek on een antiek marmeren
beeld van den II. Petrus. De kapel van de Madonna delle Partorienti bezit een op-
schrift van paus Damasus uit de 4<le eeuw, een beeld van Bonifacius VIII en een
mozaiek naar Giotti. Daar ook rust, naast de overblijfselen van den H. Petrus, het
hart van Pius IX, z. g.; een treffend beeld van die onvergankelijkheid van het Paus-
dom. die Christus aan Zijne Kerk beloofd hoeft. In de oude grotten, die uit drie
beukon bestaan, vindt men een aantal graven van Pausen en de monumenten der
laatste Stuarts. In een ouden christelijken sarcofaag rust Gregorius V, in het midden*
schip zijn de graven van Alexander VI, van Pius VI en van Christina van Zweden,
do tot de katholieke Kerk bekeerde dochter van Gustaaf Adolf. De linkerbeuk bevat
de graven van Adrianus IV, Pius II, Pius III, Bonifacius VIII, Nicolaas V, Paulus II,
Julius II, Nicolaas III, Urbanus VI, Innocentius VII enz. Do sarcofaag van Junius
Bassus, Prefect van Kome, gestorven in 359 n. Chr., wordt beschouwd als oen dor
beste werken der oude christelijke kunst. Deze grotten zijn te bezichtigen voor de
mannen op den feestdag van don H. Petrus. 29 Juni, en voor de vrouwen den volgenden
zondag. Met bijzondere toestemming kunnen zij ook op andere dagen bezocht worden.
Koeren wij nu weer naar do bovenkerk terug, waar de Tribuna en de Cathedra di
S. Pietro
(tribune en stoel van don II. P.) het eerst onze belangstelling trekken.
In het bovengedeelte van do groote beuk, die evenals de beide armen van het
Kruis, halfcirkelvormig eindigt, ziet men do heerlijke tribune, die naar do teokening
van Michel Angelo versierd werd. Men klimt er langs twee treden van porfier op en
heeft dan op don achtergrond een altaar van prachtige marmersoorten. Boven dit
altaar verheft zich een groot monument van verguld brons, door Bernini op last van
-ocr page 163-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
140
paus Alcxander VII uitgevoerd. Dit wordt de stoel van den H. Petrus genoemd
omdat de vier reusachtige beelden een grooten zetel dragen, waarin dezelfde zetel
wordt bewaard waarvan de H. Petrus en verscheidene Pausen na hem, zich bedienden
bij de uitoefening van hun gewijd ambt. De vier bovengenoemde beelden, die 7 meter
hoog zijn, stellen vier kerkleeraars voor, de twee voorste van de Latijnsche Kerk,
n. 1. de II.H. Ambrosius en Augustinus, de twee achterste van de Grieksche, te weten
de H.H. Anastasius en Johannes Chrysostomus. Boven den zetel bevinden zich twee
engelen die de pauselijke driekroon opgeheven houden en aan de zijden twee andere
engelen. De luister waarmede de Cathedra omgeven is, wordt nog verhoogd door
een krans van Engelen, die naar boven toe in een stralenbundol uitloopt, waar, op een
doorschijnend glasveld, dat de kleur van het licht nabootst, de H. Geest zich vertoont.
De kosten van dit wondervol geheel hebben 108 duizend Kom, Kronen bedragen,
terwijl er 219 duizend Kom. ponden brons voor werden gebruikt dat, naar men zegt,
eveneens van het Pantheon afkomstig is.
Volgens de overlevering, die door verschillende schriftelijke oorkonden bevestigd
wordt, is de H. Petrus tweemaal te Rome geweest; de eerste maal onder de regeering
van Keizer Claudius, de tweede maal onder die van Nero, toen hij den marteldood
stierf. Bij dit eerste bezoek leeraarde en doopte Hij in de Ostriaansche Katacombe
op den Nomentaanschen weg, die ook genoemd wordt ad nymphas S. Pelri, ubi
Prints baptizabat
waar ook een stoel van den II. Petrus was, waarvan in vroegere
eeuwen de feestdag op den 18 Februari gevierd werd. De zetel, evenwel, die in St.
Pieter bewaard werd, is die, waarvan de Apostel zich bediende bij zijn tweede ver-
blijf in Rome en, naar de overlevering wil, hem geschonken werd door Pudens, in
wiens huis hij verbleef. Welken maatschappelijken rang deze Pudens bekleedde, is niet
met zekerheid bekend. Volgens eenigen zou hij tot het beroemde geslacht der Cornelii,
volgens anderen tot dat der Emilii behoord hebben. De Rossi waagt het niet in deze
te beslissen; dat hij niet dezelfde persoon is als de honderdman Cornelius, die bij den
dood des Zaligmakers tegenwoordig was en zich bekeerde, wordt op zeer goede
gronden als zeker aangenomen. In elk geval was hij een man van aanzien en mis-
schien van senatorialen rang.
De zetel, die in de Basiliek van den H. Apostel zich bevindt, is van zeer massieven
vorm en heeft eenigszins de gedaante van een hooge bank die op vier zware zijbalken
rust. De leuning loopt vierkant omhoog en eindigt in een timpaan. Het geheel is
met acaciahout bekleed, waarop men later, ter versiering, ivoren platen heeft bevestigd
die de werken van Hercules voorstellen en zeker van een of ander meubelstuk zijn
afgenomen. Aan de vier zijden zijn later ringen bevestigd ten einde hem als draag-
stoel te kunnen gebruiken.
De twee prachtige grafmonumenten ter weerszijde zijn: rechts dat van Paus
Paulus V, van het geslacht Karnese, een zeer gewaardeerd werk van Guglielmo della
Porta, onder do leiding van Michelangelo uitgevoerd Het beeld van den Paus is van
brons, de beide andere, de Voorzichtigheid en de Rechtvaardigheid voorstellende, van
marmer; dit laatste was in den beginne naakt, Bernini maakte er een koperen gewaad
om dat in marmer geschilderd werd. Links bevindt zich het monument van paus
Urbanus VIII, Barberini, eveneens van brons, met de marmerenbeelden van de Recht-
vaardigheid en Menschlievendheid er bij, uitgevoerd door Bernini. De vier nissen
om de tribune bevatten de beelden van Stichters van geestelijke orden: den H. Domi-
-ocr page 164-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                        141
nicus, van Le Gros, den H. Franciscus van Assisi, van Carlo Monaldi, den H. Elias,
van Agostino Cornacchini en den H. Benodictus van Antonio Montanti.
Na deze vluchtige opsomming van de meest merkwaardige voorwerpen in het mid-
denschip, znllen wij een bezoek aan de zijbeuken brengen. Ten einde evenwel niet
telkens in herhalingen te treden, deelon wij hier mede dat, behalve den grootcn koepel,
er nog tien andere in de zijbeuken zijn, waarvan vier ronde en zes ovale; dat de 9(5
kolommen, die deels tot versiering der altaren dienen, deels do boogen der zijbeuken
ondersteunen, van zeldzame en kostbare marmersoorten zijn, en dat zoowel de 29
schilderstukken der altaren als die der gewelven mozaiek copiën zijn van de werken
der beste meesters en de schilderstukkon der altaren elk eene waarde van 20 duizend
kronen vertegenwoordigen (\'). Verder zijn er 19 grafmonumenten, waarvan verscheidene
meer dan 23 duizend R. kronen gekost hebben.
In de Reoiitekheuk, van de tribune of gerekend, dus de linker als men de kerk in
komt, heeft men een altaar dat tegen den peiler van den grooten koepel rust en met
twee kolommen van zwart Oostersch graniet prijkt; de mozaïekschilderij stelt den II.
Petrus voor den kreupele genezende. Tegenover het altaar bevindt zich het grafmonu-
ment van Alexander VIII Ottoboni, in 1691 gestorven ; het beeld des Pausen is van brons,
de beide andere, den Godsdienst en de Voorzichtigheid voorstellende, zijn van marmer;
het basrelief op het bassement stelt een heiligverklaring door dienzelfden paus voor
en is, evenals de marmerbeelden, het werk van Angelo de Rossi.
Het daarop volgende altaar is dat van den H. beo den Groote, wiens lichaam er
in bewaard wordt. Boven het altaar bevindt zich, tusschen twee kolommen van Oostersch
graniet, het beroemde basrelief van Algardi, paus Leo voor Attila voorstellende. Het
volgende altaar bezit een afbeelding van de II. Maagd, dat onder den naam van Ma-
donna dclla Colonna
vereerd wordt, omdat het eertijds geschilderd was op een der
kolommen die het sacramentsaltaar in de Oude Basaliek versierden.
Een weinig verder ziet men tegen een zijdeur der kerk het graf van Alexander VII
Chigi, in 1607 gestorven, \'t Is een der laatste, maar niet een der minste werken van Ber-
nini. De deur der kerk, die niet weggenomen mocht worden, bevindt zich in het bas-
sement van de graftombe, zoodat het den schijn heeft alsof het de ingang naar de
grafkelder ware; zij wordt gedekt door een reusachtig kleed van marmer, dat de Dood,
die er onder uit komt, met de eene hand opgeheven houdt, terwijl hij in de andere
een zandlooper draagt. Terzijde van het knielende beeld des pausen bevindden zich
twee beelden, de Rechtvaardigheid en de Voorzichtigheid voorstellende, en meer naar
voren die van de Liefdadigheid en de Waarheid.
Tegenover dit waarlijk grootsche monument bevindt zich, tegen de zijde van den
grooten peiler, een altaar met een op lei geschilderde afbeelding van den val van Simon
den Toovenaar.
De zuidelijke arm van het kruis, door Michelangelo ontworpen en door Maini met
versierselen en basreliefs van verguld stuc opgeluisterd, heeft drie altaren, waarvan
vier kolommen van zwart graniet on twee van gekannellerd giallo antico (antiek geel
(l) De Rom-kroon (scudo) heeft eeue waarde vau 2.40 gulden van onze munt, maar bij deze waarde
moet men uog de meerdere waarde voegen welke het geld iu vorige eeuwen had, zoodat elk schilderwerk
minstens honderd duizend gulden van onze tegenwoordige munt gekost heeft.
-ocr page 165-
142                          HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
marmer) zijn. Op het middelste altaar ziet men, in mozaiek de kruisiging van Petrus,
naar de beroemde schilderij van Guido die in de gallerij van liet Vaticaan bewaard
wordt; het rechter bevat een mozaiek den II. Martinus en de II. Valeria voorstellende;
deze laatste brengt zelve haar hoofd, nadat het afgehouwen was, aan den II. Martialis
zooals men in het leven der heilige leest. Het linker stelt den II. Thomas voor, naar
den beroemden Kom. schilder Camuccini. In de nissen bij dit altaar staan de beelden
van den H. Norbertus en van de II. Juliana Falconieri; daar tegenover die van den
II. Petrus Nolasco en van den II. Johannes de Deo. Ken weinig verder vertoont het
altaarstuk Ananias en Zaffira, door den II. Petrus met den dood gestraft wegens hun
bedrog. Het altaar draagt hiervan den naam van leugenaltaar. De deur, die men hier ziet,
voert naar de nieuwe sacristie. Deze kapel van den II. Petrus bevindt zich nagenoeg op
de plek waar de Apostel, in de renbaan van Nero, den kruisdood stierf. Deltasiliek,toch,
beslaat de plaats waar zich de tuinen en de circus van dit gepurperd monster uitstrekten.
De Capella Clementina, aldus genaamd naar paus Clemens VIII, waar wij nu
binnentreden vertoont, op het altaar-mozaiek een der wonderen van den II. (Jregorius den
Groote, wiens lichaam onder het altaar rust. In de nabijheid staat de graftombe
van Pius VII, een meesterwerk van den beroemden Zweedschen beeldhouwer Thor-
waldsen. In de kleine beuk komende staat men voor een altaar, tegen den grooten
peiler van den koepel gebouwd, voor een dor heerlijkste mozaïeken, de gedaantever-
andering (Transfiguratie) van Christus, naar het onvergelijkelijke meesterstuk door
Raffaël, waarvan men in het Vaticaan het origineel kan bewonderen. Onder den boog
staat het grafmonument van paus Leo XI, in 1005 gestorven; het basrelief op den
sarcofaag stelt de afzwering van het Calvinisme voor van Hendrik IV, koning van
Frankrijk. Op het tegenoverstaande monument van Innocentius XI, verbeeldt het
basrelief de bevrijding van Weenen van de Turken, door Jan Hobieski, koning van
Polen; de beelden stellen de Rechtvaardigheid en den Godsdienst voor.
CAPPELLA del Coro (koorkapel). In deze kapel houdt het kapittel van St. Pieter dago-
lijks zijn officies; er zijn drie rijen banken of koorstoelen van notenhout, met basreliefs ver-
sierd; voorts bevindt er zich het oude beroemde orgel van Mosca. Het kapittel bestaat
uit een kardinaal-aartspriester, 30 kanunniken, 30 beneficiati, 4 kapelaans en 2G
gebeneficieerde geestelijken. Het voorste gedeelte draagt een koepel, waarvan de
mozaïeken genomen zijn naar schilderstukken van Ciro Forri en Carlo Maratta. De
kapel wordt afgesloten door een ijzeren hekwerk, met brons versierd en glazen deuren.
Het altaarmozaïek stelt voor do Ontvangenis der II. Maagd, benevens de H.H. Fran-
eiscus, Antonius van Padua en Johannes Chrysostomus, wiens lichaam onder het altaar
rust. Onder den volgenden boog, ter linkerzijde, staat hot bronzen grafmonument van
Innocentius VIII, door Antonio Pollazuolo; de paus is er tweemaal op afgebeeld;
eenmaal in zittende houding en zegenende; vervolgens uitgestrekt op de grafurne.
Aan de overzijde bevindt zich een deur die naar het zangkoor voert en waarboven
een grafurne is, waar het lichaam van den overleden paus zoo lang blijft rusten tot
het door dat van zijn opvolger wordt vervangen en naar zijn blijvende grafstede wordt
overgebracht. Van deze gewoonte is ten opzichte van Pius IX afgeweken, wiens lijk
enkele jaren na het overlijden reeds naar San Porenzo werd overgebracht.
De Capella della Presentazione wordt aldus genoemd naar het altaarstuk, dat
do opdracht van Maria in den tempel voorstelt; het is een mozaïek naar de schilderij
van Francesco Itomanelli.
-ocr page 166-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                            143
Onder don volgenden hoog bevindt zich rechts de graf tombe van Maria Clementina
Sobieski Stnart, koningin van Engeland, die door liet kerkbestuur van St. Pieter ter
harer eer werd opgericht en 18 duizend kronen heeft gekost, \'t Is een werk van
Pietro Bracci, naar de teekoning van Filippo Barigioni. De lijkurne is van porfier,
met verguld brons versierd en gedekt door een lijkkleed van albast. Boven de urne
staat het beeld van de Christelijke Liefde, die niet een Genius een medaljon opge-
heven houdt, waarin hot portret in mozaiek van de vorstin zich bevindt. Tegenover
dit kostbaar monument is dat van haar gemaal Jacobus III en van haar beide zonen :
een werk van den beroemden beeldhouwer Canova. De deur onder het monument
der koningin leidt naar het inwendige van den koepel en naar den grootcn bal.
De laatste kapel van deze beuk, of, zoo men wil, de eerste links, wanneer men
de kerk door een der hoofdingangen binnentreedt, is de Doopkapel {Capella del
Foute battesimale).
De porfieren met geniussen en bloemfestoenon van verguld metaal
versierde urn, die bijna vier motor lang en moer dan twoe nieter breed is en tot
doopvont dient, behoorde vroeger tot het grafmonument van keizer Otto, in 934 te
Rome gestorven, en stond in het atrium (voorhal) van de oude basiliek. In de kapel
bevinden zich drie mozaïektafreelen, waarvan hot middelste het doopsel des Zalig-
makors voorstelt; een ander vertoont de II.II. I\'rocossus en Martinianus, de beide
gevangenbewaarders der Mamertijnsche gevangenis, door den II. Petrus bekeerd en
gedoopt toen hij aldaar den marteldood verbeidde; het derde1 stelt den honderdman
Cornelius voor. De mozaïeken van den koepel zijn genomen naar schilderstukken van
Trevisiani, Passori on Iiicciolini.
De eerste kapel in de rechterbeuk, gerekend van de hoofdingangen der kerk, is
die van do richt, aldus genaamd naar een heerlijken marmergroep door Michel-
angelo op 24-jarigen leeftijd vervaardigd en de Moeder dor Smarten voorstellende, het
lijk van haar goddelijken Zoon op don schoot houdende. Naast deze kapel zijn er
twee kleinere, waarvan die ter rechterzijde een antiek Crucifix bezit door Pietro
Cavallini bewerkt, benevens een mozaïek don H. Nicolas van Pari voorstollende. In
die ter linkerzijde ziet men een kolom, tegen welke, naar de overlevering luidt, de
twaalfjarige Zaligmaker geleund heeft, toen hij in den tempel van Jerusalem met do
Wetgeleerden disputeerde, benovens een antieke mot basrolief versierde urne, die eertijds
tot het graf van Probias Anicius, prefect van Rome behoorde en in de oude basiliek
als doopfont dienst deed. liet schilderwerk van hot gewelf der kapel is van Lan-
franco, terwijl hot mozaïek van den koepol naar schilderstukken van Pietro da Cortona
en Ciro Ferri is genomen; het mozaiek boven de deur stelt den Apostel Petrus voor
naar een werk van Arpino.
Onder den boog, die naar de tweede kapel voert, ziet men aan de rechterhand een
grafurne in stuc, waar hot stoffelijk overschot van paus Innocentius XIII, in 1 ?24
overleden, rust. Daartegenover is het monument van Christina van Zweden, in 108\',)
te Homo overleden, en door Innocentius XII ter harer gedachtenis opgericht. Het
basrelief op het onderstuk stelt hare afzwering van het Luttcranisme voor in do
kathedraal van Insprück, in 1665.
De kapel van den H. Sebastianus, dio dan volgt, bevat iu het altaar een mozaïek,
don dood van dezen grooten krijgsman en martelaar voorstellende, genomen naar do
beroemde schilderij van Domenichino. Onder den boog, die op de kapel volgt, is hot graf
van paus Innocentius XII, in 1700 overleden. Daar tegenover is het grafmonument
-ocr page 167-
144                       ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
van do beroemde gravin Mathilda van Canossa, de moedige verdedigster van paus
Gregorius VII in diens strijd tegen den Duitschen keizer Hendrik IV. Urbanus VIII liet
haar assche uit het klooster van den II. Benedictus bij Mantua, naar Rome overbrengen.
Het hoofd van de gravin is een werk van Bernini, die ook do teekening van het
monument maakte. Het basrelief stelt de gewichtige geschiedkundige gebeurtenis voor
van de onderworping van den keizer in liet kasteel van Canossa, waar Gregorius VII
vertoefde en hem van den ban onthief.
De Sacramentskapel is zeker de fraaiste van allen. Zij wordt afgesloten door
een ijzeren hek met bronzen versierselen, gelijk aan dat van de tegenover gelegen
koorkapel. Het gewelf is opgeluisterd door ornamenten en basreliefs van verguld stuc,
terwijl do vloer van marmer is met een mozaïek in \'t midden. Op het altaar bevindt
zich een prachtige ciborie van verguld brons en ingelegd met lapislazuli; zij heeft
den vorm van een ronden tempel met kolommen en koepel, een copio van den tempel
van Bramante in het klooster van den II. Petrus in Montorio. De hoogte bedraagt
ruim drie meter; zij werd naar de teekening van Bernini uitgevoerd, evenals de
beide bronzen engelen die aan weerszijden er van zijn. De altaar-schilderij, de II.
Drievuldigheid voorstellende, is een fresco-schildering van Pietro da Cortona. Indezelfde
kapel bevindt zich ter linkerzijde een ander altaar, waarvan de beide kolommen af-
komstig zijn van de Confessie der oude basiliek; het altaarstuk is van Bernini en
stelt den II. Mauritius voor. Voor dit altaar is het bronzen monument van Sixtus IV,
in basrelief door 1\'ollaiuolo uitgevoerd. Hier rust ook paus Julius II, wiens marmeren
monument door Michelangelo zich in de kerk van St. Pieters Banden bevindt. De
mozaïeken van den koepel zijn naar de origineelen van Pietro da Cortona. In de kapel
zijn twee deuren, waarvan de eene naar de Sacristie voort en de andere naar een
trap, waar langs men in het Vaticaan kan komen. Onder den volgenden boog zijn twee
monumenten; rechts dat van Gregorius XIII, (f 1585) een werk van Rusconi, met het
beeld van dezen paus vergezeld van den Godsdienst en do Sterkte. Het basrelief op
het voetstuk stelt de regeling van den Kalender voor, door dezen paus bewerkt. Het
andere is van Gregorius XIV, in 1591 overleden. Op den grooten peiler van den
grooton koepel is de mozaiek-copie van de beroemde schilderij van Dominichino, die
zich in het Vaticaan bevindt en de Communie van den H. Hieronimus voorstelt.
De laatste kapel in deze beuk is die van de Madonna (de II. Maagd), door paus
Gregorius XIII naar de teekening van Michelangelo gesticht. Op het altaar, dat van
kostbare marmersoorten is, wordt eene oude beeltenis van O. L. Vrouw van Bijstand
(Madonna del Soccorso) vereerd. Onder het altaar rust, in oen urne van graniet, het
lichaam van den II. Gregorius van Nazianze. Naar den arm van het kruis gaande
ontmoet men het monument van Benedictus XIV, in 1758 overleden; tegen den peiler
is het altaar van den II. Basilius met een mozaiek naar het origineel van Subleyras,
dat zich in O. L. Vrouw der Engelen bij de Termini bevindt.
Eindelijk zijn wij genaderd aan den nookdelijken ARM van het kruis. Hier werden
in 1870 de zittingen gehouden van het laatste Eucumenisch Concilie, waar o. a. ook
het dogma van de onfeilbaarheid des Pausen in zake geloofs- en zedeleer werd afge-
kondigd. Aan het halfcirkelvormige uiteinde bevinden zich drie altaren. Het eerste, dat
van den H. Weneslaus, stolt dezen heilige in mozaïek voor, naar het origineel van
Angelo Caroselli; het tweede is dat van de H.H. Processus en Martinianus, het derde
-ocr page 168-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                       145
dat van don H. Erasmus; de origineelen van do mozaïeken altaarstukken bevinden zich
in het Vaticaan, zij zijn: het eerste van Valeschin, het tweede van Pussino (Nicolas
Poussin). In de nissen staan de beelden van den II. Joseph Calasanzio, door Spinazzo
en de prachtige H. Bruno, van Slode; daartegenover die van den H. Hieronimus Emi-
liani, door Bracci en den H. Gaetanus, door Monaldi.
Verder voortgaande kan men op het altaar ter linkerzijde een prachtig mozaik naar
Lanfranco bewonderen, den II. Petrus voorstellende, die op een wenk zijns meesters op
de golven wandelt. Tegenover dit altaar staat het grafmonument van paus Clemens
XIII, een van de meesterwerken van don onsterfelijkcn Canova; het bevat drie figuren:
den knielenden paus; den Godsdienst, het kruis in de hand houdende en den Dood,
met omgekeerde zeis; op het voetstuk zijn in basrelief de Christelijke Liefde en de
Sterkte voorgesteld. Op het bassement zijn twee prachtige liggende leeuwen, de schoonste
welke de nieuwere beeldhouwkunst heeft voortgebracht. Een weinig verder is do kapel
van den H. Aartsengel Michaël, met een mozaiek naar het oorspronkelijke van Guido
Reni; in deze zelfde kapel bevindt zich het fraaiste mozaiekbeeld van den geheelen
St. Pieter; het stelt de H. Petronilla voor, naar het oorspronkelijke van Guercino.
Een weinig verder ontmoet men het grafmonument van Clemens X, in 1(576gestorven;
de twee beelden stellen de Goedertierenheid en de Zachtmoedigheid voor; het fraaie
basrelief de opening van de II. Deur voor het groote Jubilé door dezen paus afgekon-
digd. De opwekking van Tabita door den II. Petrus, op het volgende altaar, is een
mozaïek genomen naar de schilderij van Constanzi. En hiermede hebben wij onze
wandeling door de beroemde Basiliek volbracht, de voornaamste kunstwerken en
merkwaardigheden aan een vluchtige beschouwing onderwerpende. De opmerkzame
bezoeker zal er nog veel aantreffen wat zijn bewondering verdient; maar wat wij er
van hebben gezegd is voldoende voor den gewonen bezoeker, wien zelden zooveel tijd
wordt overgelaten om tot de kleinere bijzonderheden af te dalen.
De Sacristie, door Paus Pius VI volgons de plannen van Marchioni gebouwd,
verdient om hare kunstschatten, hare prachtige kolommen en houtwerken ten volle de
aandacht. Wanneer men de deur, die zich in de kapel van het koor bevindt, door gaat,
komt men in een vestibuul, die met vier heerlijke kolommen en met pilasters van rood
oostersch graniet is versierd, en waar een reusachtig beeld van den II. Andreas het
eerst de oogen op zich trekt. Van daar voert een gang in drie prachtige gallerijen
met kolommen van antiek grijs marmer en pilasters van Afrikaansch groen marmer,
waar tusschen talrijke antieke en moderne opschriften benevens de busten van ver-
schillende pausen aangetroffen worden. De eerste gallerij voert naar de sacristie van
de liencficiati en wordt doorsneden door de tweede, waar tweo deuren zijn van welke
de eerste naar de algemeene sacristie en de andere, do linkore, de hoofdingang is
waardoor men van buiten in de sacristie komt. Door deze gallerie komt men in de,
paralel met de eerste loopendo, dorde gallerij die naar de sacristie der kanunniken en links
naar de kapel van het koor voert. De algemeeno sacristie is van achthoekigen vorm
en versierd met vier bogen die op acht gegroefde kolommen van antiek grijs marmer
rusten, terwijl in de achthoeken even veel gegroefde pilasters van antiek geel marmer
(giallo antico) bevatten. De koepel is met stuc versierd, terwijl hij bovendien opgeluisterd
wordt door vier kolommen van het zoogenaamd bardiglio (wit en donkerblauw ge-
streept marmer.) De sacristie van de kanunniken, die links gelegen is, is langs do wanden
11
-ocr page 169-
140                       ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
gevuld met prachtige kasten van Praziliehout, terwijl de kapel met vier kolommen van
albast prijkt en een zeer fraai schilderstuk, de Moeder Gods met het Kind, de H. Anna
en de H.H. Petrus en Paulus voostollende; \'t is een werk van Fattore, een leerling van
Rafaël; bovendien kan men er nog een schilderwerk van Giulio Romano bewonderen,
de Moeder Gods met het Kind en den II. Johannes voorstellende; boven het venster
is een zeer gewaardeerde schilderij van Cavallucci.
In de kappittelzaal zijn de zetels eveneens van Braziliehout, zoo ook het voetstuk
van het groote marmeren beeld van den H. Petrus; terwijl ter rechterzijde de af-
neming van het kruis van Lorenzo Sabatini do aandacht verdient. In de sacristie der
Beneficiati zijn de kasten eveneens van Braziliehout. Een aantal kostbare schilder-
stukken versieren verder deze fraaie sacristie. Christus, de sleutels aan Petrus overge-
vene, is van Muziano; de antieke Madonna, genaamde dclla Febbrc, is afkomstig uit
de sacristie der oude Basiliek. Bij deze sacristie bevindt zich die der gebeneficieerden
met kasten van notenhout; de grootste bevat het zilverwerk voor den H. Dienst.
Verder bevinden zich nog in de nabijheid de vertrekken der kannuniken en der Beneficiati.
Een prachtige dubbele trap voert uit de sacristie naar buiten; denzelven afdalende
kan men nog het beeld van Pius VI, door Agostino Perma gebeeldhouwd, bewonderen.
Een tocht naar het bovengedeelte van de kerk on naar den bal is zeker een loonende
maar ook een zeer vermoeiende onderneming, waartegen evenwel zelfs een groot aantal
vorstelijke en andere voorname personen niet hebben opgezien, zooals de talrijke op-
schriften, hunne namen vermeldende, doen zien. Een wenteltrap van 141 treden voert
er heen en vergunt een blik te werpen op de zes ovale en de vier achthoekige koepels,
die met den grooten koepol het reuzengebouw kronen. Van dit plat van den tempel
tot de spits van het kruis bedraagt de afstand nog 100 nieter. Dit tompolvlak, door een
balustrade omringd, gelijkt op een uitgestrekt plein, bijna op een kleine stad, en kan
alleen een juist denkbeeld geven van de reusachtige uitgestrektheid van de Basiliek.
Een trap van 28 treden voert van hier naar de kornis van den grooten koepel; een
tweede trap leidt naar den koepelkap en van daar een derde in den bronzen bal, die
16 personen kan bevatten. Een ijzeren trap, van buiten aangebracht, veroorlooft een
verderen tocht naar de uiterste spits van het kruis; een onderneming die evenwel niet
aan iedereen aan te raden is, aangezien maar weinigen zulke sterke zenuwen hebben
om aan de duizeling te weerstaan, die de ontzettende hoogte veroorzaakt. Van het plat,
en meer nog uit den bal, heeft men een verrukkelijk vergezicht over de Campagna
Romana,
tot aan de blauwende bergen en over de azuren golven der Middellandsche
zee. Over het paleis en do Museums van het Vaticaan on het bewonderenswaardige
St. Pietersplein spreken wij ter gelegener plaatse, wanneer wij eerst de Basilieken
en de voornaamste kerken zullen bezocht hebben.
Basilica Lateranense. - De Basiliek Jan St. Jan van Laterane.
Zooals wij reeds gezegd hebben is de Basiliek van St. Jan van Laterane eigenlijk
de hoofdkerk van Rome en do eerste kerk der wereld (Mater et caput Ecclcsiarum),
daar zij de catedrale kerk van den Bisschop van Rome, den Paus, is. Do Basiliek met
hot aangrenzende Paleis van Laterane beslaan de plaats waar eenmaal hot paleis stond
van Plautius Lateranus, die, deel genomen hebbende aan een zamenzwering tegen Nero,
ter dood werd gebracht, waarna zijn goederen aan den keizer, d. w. z. aan den staat,
-ocr page 170-
HET CHRISTELIJKE ROME.
147
vervielen. Keizer Constantijn liet daar, op verzoek van paus Silvester, een prachtige
basiliek bouwen, die aan den Zaligmaker werd gewijd; van waar de basiliek dan ook
del Salvatore wordt genoemd ; aan de vele kostbare geschenken, waarmede zij begiftigd
werd, ontleende zij den naam van Basilica aurea (Gulden Basiliek), ten slotte werd
zij toegewijd aan de II.II. Johannes den Dooper en Johannes den Evangelist, van waar
dan ook haar meest gebruikelijke naam S. Giovanni in Latcrano, (St. Jan van Laterane),
afkomstig is. Als bisschoppelijke kerk van Home neemt do Paus, na zijne verkiezing,
dan ook onmiddellijk bezit van haar als van zijn catedraal. Voor do overweldiging
van Rome begaf de Paus er zich in plechtigen optocht heen; nu, evenwel, neemt hij
er bezit van door delegatie. In vroegere tijden droegen de Fransche Koningen rechtens
den titel van kanunnik van St Jan. Dit voorrecht werd hun geschonken toen Hendrik
IV in 1595 plechtig het Calvinisme afzwoer en tot de Moederkerk terugkeerde. Henkrik
schonk aan de basiliek de abdij van Clérac in Gascogne, en vóór de Fransche Revolutie
begaf de Fransche gezant bij het pauselijk Hof zich telken jare op den feestdag des
konings naar de Basiliek, waar hij in de kapittelbanken de voor den Koning gereserveerde
plaats innam en, voor zijn vorst, de hulde van het kapittel ontving. De Fransche
Revolutie schafte, zooals men wel denken kan, dit gebruik af. Na de restauratie vroegen
de Bourbons dit voorrecht terug; alleen Lodewijk Philips weigerde het. Napoleon III
was, in dit opzicht, verstandiger, en hij schonk zelfs aan de Basiliek eene jaarlijksche
rente, in vervanging van de inkomsten van de abdij van Clérac, die de Revolutie had
ingehouden. In de eerste eeuwen hadden de Pausen hunne residentie in het paleis van
Laterane, terwijl in de Basiliek zelve twaalf concilies, zoowel algemeene als provinciale,
werden gehouden. Nadat deze Constantijnsche Basiliek, door de pausen herhaalde malen
gerestaureerd, in 1306, onder de regeering van paus Clemens V, die te Avignon verblijf
hield, door brand bijna geheel vernield was, werd zij onmiddellijk door genoemden paus
weder opgebouwd en vervolgens door Urbanus V, Aiexander VI en Pius IV verder
versierd. Deze laatste bracht het prachtige, vergulde plafond aan en Sixtus V voegde
er, naar de teekening en onder leiding van Fontana, den dubbelen portiek aan toe,
die door Salimbeni met arabesken werd opgefraaid. Het bronzen beeld van Hendrik
IV, Koning van Frankrijk, die, zooals wij zagen, de basiliek met do abdij van Clérac
beschonk, werd uit dankbaarheid door het kapittel opgericht. Clemens VIII vernieuwde
hot geheele bovenschip van hot kruis naar de plannen van Giacomo della Porta en
Innocentius N liet door Borromini het groote middenschip herstellen. Eindelijk vol-
tooide Clemens XII den prachtigen tempel door er den voorgevel naar de plannen van
Aiexander Galilei aan to voegen. Van travortijnstoen opgetrokken is hij versierd
met vier halve zuilen en zes pilasten van gemengde bouworde, die een prachtige kornis
dragen mot een frontespies, waarop zich een balustrade bevindt die twaalf reusachtige
beelden van verschillende heiligen draagt, met dat van don Zaligmaker in \'t midden.
Tusschon bovengemelde zuilen en pilasters zijn vijf balkons, waarvan het middelste,
dat met vier kolommen van graniet is versierd, bestemd was voor den pauselijkon
zegen. Vijf deuren verleenen toegang tot een prachtig portiek, door 24 marmeren pi-
lasters van gemengde orde gedragen; op den achtergrond bevindt zich het reusachtige
beeld van Constantijn don Groote, dat in diens badstoven gevonden werd.
Overeenkomstig do vijf deuren van den portiek voeron ook vijf andere naar het
binnenste van do Bassiliok; de middelste, die van brons en meesterlijk bewerkt is,
bevond zich eertijds in do Basilica Emilia op het Forum Romanum en werd door
-ocr page 171-
148                      ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
paus Alexander VII naar hier overgebracht, de toegemetseldo deur rechts is do Heilige
Deur, die alleen met de grooto Jubilees geopend wordt. Do basreliefs boven do deuren
zijn deels van Bernardino Ludovisi, deels van Maini en van Pietro Bracci.
Het inwendige der Basiliek bestaat uit vijf beuken, elk door zes pilasters gemaakt,
de middelste word door Borronimi hernieuwd, die de oude zuilen door zes zware
pilasters bedekte welke vijf bogen vormen, die met even zooveel kapellen overeenkomen ;
tegen elk dier peilers zijn twee gegroefde pilasters van gomengden stijl, die de kornis
dragen welke om de geheele kerk loopt. Tusschen deze pilasters bevinden zich 12
nissen met de beelden der Apostelen, door de beste beeldhouwers van dien tijd ver-
vervaardigd : de II. Jacobus de Meerdere, de H. Androas en de H. Johannes zijn van
Rusconi; de II. Thomas en de H Bartholomeus van Le Gros; de II. Taddeus van
Lorenzo Ottoni, de II. Simon van Francesco Moratti; de H. Philippus van Mazzuoli,
de H. Jacobus de Mindere van Angelo de Rossi en de H.H. Petrus en Paulus van
Monot.
De Capella corsini, links van den ingang, is een der fraaiste en rijkste van Rome;
zij werd door Clemens XII, ter eore van den H. Andreas Corsini, een zijner voorvaderen,
gesticht naar de plannen van Alessandro Galilei, die haar in den Corintischen stijl
bouwde en mot kostbare marmersoorten versierde. Op het altaar bevindt zich, tusschen
twee prachtige zuilen van antiek groen marmer, in een lijst van verguld brons, een
afbeelding van den II. Andreas Corsini, naar eene schilderij van Guido Rem\'. Op het
frontespies van het altaar zijn twee beelden, de Onschuld en de Boetvaardigheid voor-
stollende, door Pinellotti gebeiteld; hooger op vertoont een basrelief den H. Andreas
Corsini het leger der Florentijnen in den slag van Anghieri verdedigende. In do groote
nis, aan do Evangeliezijdo, bevindt zich, rustende op twee kolommen van porfier, hot
grafmonument van Clemens XII, waarin zich een beroemde antieke urne van porfier
bevindt, die eertijds onder het portiek van het Pantheon stond. Het tegenoverstaand
monument is van kardinaal Neri Corsini, een oom van Clemens XII. Verder zijn er
nog vier nissen met marmeren beelden, die de kardinale Deugden voorstellen. De koepel
is met verguld stuc versierd, terwijl de vloer met zeldzame marmersoorten is ingelegd
en hot hekwerk bijna geheel uit verguld brons bestaat.
In \'t midden van het Middenschip bevindt zich de marineren graftombe van paus
Martinus V, in 1430 overleden. De groote boog van doze beuk wordt gedragen door
twee prachtige zuilen van rood Oostersch graniet, die moer dan 12 meter hoog zijn.
Het hoofdaltaar, in \'t midden van het Transept of kruis, is versierd met vier zuilen van
graniet die een tabernakel in gothieken stijl dragen, waarin, onder meer andere groote
relikwieën, ook de hoofden dor H.H. Apostelen Petrus en Paulus bewaard worden.
In hot linker transept bevindt zich het prachtige altaar van het H. Sacrament, door
Pietro Paolo Olivieri ontworpen. Het prijkt met een tabernakel, met kostbare edolge-
steonton versierd, tusschen twee engelen van verguld brons en met vier zeer fraaie
kolommen van antiek groen. De architraaf en het groote fronton rusten op vier gegroefde
zuilen van verguld brons, van gemengde orde en 4 meter omvang. Naar men zogt
zijn doze dezelfde welke Augustus, na den zeeslag bij Actium, liet vervaardigen van
de snebben der veroverde Egyptische schepen. Boven het altaar is de Hemelvaart van
Christus afgebeeld, een werk van d\'Arpino, die in deze kerk begraven werd en wiens
monument achter de tribune to vinden is.
De absis werd door den tegenwoordig roemrijk regeerenden paus Leo XIII op
-ocr page 172-
HET CHRISTELIJKE ROME.
149
waarlijk vorstelijke wijze gerestaureerd en versierd met de heerlijkste werken van
schilder- en beeldhouwkunst, en de mozaïek van de oude apsis, door Paus Nicolaas IV
aldaar aangebracht, op de wanden van de nieuwe apsis overgebracht. Den 3 Juni 1886
had de plechtige wijding van deze nieuw apsis plaats. In het hoofdaltaar wordt de
houten tafel bewaard op welke de H. Petrus in de Katakomben de H. Misteriën vierde,
en die Paus Silvester uit de Katakombe naar hier overbracht.
In een klein afzonderlijk heiligdom bewaart men achter een ijzeren traliewerk en
onder kristallen platen, de tafel waarop de Zaligmaker het Laatste Avondmaal hield
en het H. Sacrament des Altaars instelde. Voorzeker een heiligdom groot en verheven
onder alle andere. De schatkamer bevat eveneens allerkostbaarste relikvviën, zooals
het purperen kleed waarmede de Zaligmaker omhangen werd in den lijdensnacht, de
spons, oen gedeelte van de tuniek en van de kotenen van den H. Johannes den Evan-
gelist; den beker waarin men hem vergif toediende, dat hem evenwel niet deerde;
een arm van de H. Helena, de moeder van Constantijn den Groote; een gedeelte van
de hersenen van den II. Vincentius tl Paulo; bloed van den H. Carolus Borromeus,
enz. Verder zijn er in de gallerijen van het aangrenzende klooster, een groot aantal
relieken, over welker echtheid de Congregatie der Riten evenwol nog geen uitspraak
heeft gedaan, zooals: de porfieren steen op welken de soldaten op den Kalvarioberg
om de kleederen van de Zaligmaker gespeeld hebben; oen kolom uit den tempel van
Jerusalem, die bij den dood van den Godmensch geploten is; oen ronde steen van den
put der Samaritaansche vrouw enz.
Onmiddelijk bij de Basiliek bevindt zich het Baptisterium of de Doopkapel van
Constantijn den Groote, waar, volgens een algemeen aangenomen gevoelen, deze vorst
na zijne bekeering, in 324 door paus Silvester gedoopt werd en die door den keizer
op de luisterrijkste wijze in zijn paleis van Laterane werd gesticht. Het Baptisterium
kwam evenwel onder Constantijn niet geheel tot zijn voltooing, het was aan Paus Xistus
III voorbehouden om van dit heiligdom een waar kunst- on pronkwerk te maken en
het tevens aan de komende geslachten na te laten als een zegetoeken van het geloof
op de ketterij van Pelagius. Het grondplan van de kapel vormde een achthoek, in welks
midden zich het, van Constantijn voorkomende, ruime doopbekken bevond, waarin
men langs trappen afdaalde. Om dit bekken liet Xistus de acht prachtige zuilen van
porfier, die er zich thans nog bevinden, oprichten; zij waren reeds door Constantijn
voor dat doel bestemd. Boven deze zuilen liet de paus het horizontale marmertaflement
brengen, waarop zich de opschriften bevonden die de veroordeelidg van de ketterij
van Pelagius bevatten. Pelagius, toch, ontkende den val van het menschelijk geslacht
in deszelfs stamouders en daardoor de nookzakelijkheid van de goddelijke genade tot
heil der menschen en zelfs de bovennatuurlijkheid van dit heil en het eeuwig bezit van
God. Nadat deze ketterij op verschillende conciliën, het laatst opdat van Epheso 431 door
paus Celestinus veroordeeld was, liet Xistus III, diens opvolger, op bovengenoemd taflement
in versen van klassieken vorm de leer der kerk over deze geloofspunten aanbrengen.
Deze verzen beginnen aldus: „Hier (aan de doopfontoin) heeft de geboorte van een
heilig geslacht uit een verheven zaad plaats; de geest Gods bevruchtte de wateren
en is hun voortbrenger. >Do tot een nieuw leven herboronen worden door geen scheids-
muur gescheiden: één maak hen één Bron, één Geest, één Geloof." Verder: „verlangt,
gij vlekkeloos te zijn, zoo reinig u in dit Bad. Noch vaderlijke (erf-) zonde noch eigene
zullen u onderdrukken. Hier is de Bron des levens, die de zonden der wereld wegneemt;
-ocr page 173-
150                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
zij neemt haar oorsprong uit do doorboorde zijde van don stervenden Verlosser".
Rondom dezen achthoek liep do gewelfde zijmuur. De wanden, de bovenmnur en
do gewelven waren waarschijnlijk met mozaïeken on marmerplaten van verschillende
kleur versierd. De ingang lag toon naar het Zuiden, niet naar het Noorden, zooals
thans. De voorhal was naar buiten met twee zeer groote zuilen van porfier en twee
hoekpilaren van wit marmer getooid. De inwijding had den 21) Juni plaats. Deze doop-
kapel had evenwel door do plunderingen, waaraan Rome herhaalde malen blootstond,
veel geledon, maar do pausen, en met name Gregorius XDI en Urbanus VIII, lieten
haar herstellen in den staat waarin zij zich nog heden ten dage bevindt. De doopvont
bestaat uit een antieke kuip van basalt, met verguld brons versierd en gelogen in eene
ronde platca die met kostbaar marmer is bekleed en waarin men mot drie treden
afdaalt. Hier werden of worden nog op Zaterdag van de Goede Week do Joden, Turken
en andere ongeloovigen gedoopt, die zich tot het Christendom bekeerd hebben. Do doop-
vont wordt omgeven door een achthoekig hekwerk en is overdekt door oen koepel, die
gedragen wordt door twee rijen boven elkander staande kolommen. Links van de
doopvont scheiden een ijzeren hekwerk en twee bronzen deuren, uit de badstoven van
Caracalla afkomstig, het Baptisterium van de kapel van den II. Johannes don Dooper.
Onder hot altaar rusten de gewijde overblijfselen van negen-en-veertig martelaren ; de
toegang tot deze kapel is aan de vrouwen verboden, waarschijnlijk ter herinnering
aan Herodias, op wier verzoek de H. Boetgezant onthoofd werd. Bij het Baptisterium bo-
vindt zich het Triclinium, een uitgestrekte zaal door paus Leo III in 797 gebouwd, om
te dienen tot de zoogenaamde (/napen of broedermalen en waar de armen gespijzigd
en bediend werden door de pausen zei ven, die dienaren der dienaren Gods.
In ih\' onmiddellijke nabijheid van St. Jan van Latorane bevindt zich de Scala
San/a,
do Heilige Trap, do trap uit hot paleis van Pilatus, dien de Goddelijke Ver-
losser in den morgen van zijn kruisdood viermaal op- en afging. Deze, door de voet-
stappen en het bloed van den Godmensen geheiligde trap, werd door de II. Helena
van Jorusalom naar Rome overgebracht en in het paleis van Latorano geplaatst. Bij
den brand van de basiliek en hot paleis, bloven de kapel, waar do II. Trap zich bevond,
on hot Triclinium van beo III gespaard, die ook door Sixtus V bij den horbouw on-
veranderd werden gelaten, maar hij liot er volgens de plannen van Fontana een prachtigo
portiek mot 5 trappen van maken en den II. Trap in hot midden er van brengen. Deze
overbrenging werd met behulp van de kanunniken van de Basiliek in één nacht vol-
bracht en opdat do geheiligde trappen niet zouden beloopen worden werd eerst de
bovenste trede, toen de bovenste op één na, en zoo vervolgens tot de onderste op
haar plaats gebracht.
De II. Trap bestaat uit 28 treden van marmer; maar toon deze reeds door het
knielend opstijgen dor geloovigon begonnen uit te slijten, heeft men zo mot zware
platen van notenhout belegd, hier en daar met een glasschijf er in, waardoor men een
blik kan werpen op deze hoogheilige relikwie, waar een bloeddruppel van don Heiland
het marmer heeft gekleurd. In den loop der tijden heeft men deze bouten platen reeds
herhaalde malen moeten vernieuwen, daar zij opnieuw door het knielend opkruipen
waren afgesleten. Alleen de bovenste trede is onbedekt gebleven, om te voldoen aan
de godvruchtige nieuwsgierigheid der geloovigon. Wanneer men zoo oy> de knieën
naar boven is gekropen, daalt men langs een anderen trap naar beneden. „Non est
in foio sanctior orbe locics"
leest men boven aan deze heilige plaats. „Er is geen
-ocr page 174-
HET CHRISTELIJKE ROME.
151
heiliger plaats op geheel de wereld." Eu met recht; want geen plaats ter wereld kan
heiliger zijn dan die, welke door de voeten van den Zaligmaker betreden werd en met Zijn
allerkostbaarst bloed bevochtigd is geweest. Onder do groote menigte heilige en kost-
bare voorwerpen die Rome kan aanwijzen, is dit het heiligste en het kostbaarste; door
allo eeuwen heen werd de H. Trap in de grootste vereering gehouden en duizenden
en honderdduizenden hebben hem knielende en van aandoening weenende bezocht. Den
19 September 1870, daags voor de overweldiging van zijn stad, bezocht Pius IX hem
nog, om daar kracht en sterkte te putten voor de zware beproevingen die hem te
wachten stonden.
Boven aan den trap is een kapel, waarin een zeer oude beeltenis van den Zalig-
maker wordt bewaard en dat den naam Acheropita draagt Dit woord, dat van
Griekschen oorsprong is, beteekent: „niet met handen gemaakt", daar do logende zegt
dat hot begonnen werd door den H. Lucas en voltooid door engelen. Do naam
Acheropita wordt evenwel ook aan andere zeer oude en hoogvereerde gewijde beelden
gegeven, waarvan de makers onbekend zijn, terwijl andere aan den II. Lucas worden
toegeschreven, ofschoon het uit geen enkele vortrouwbare bron bekend is dat deze
Evangelist ooit do schilderkunst gekend of beoefend heeft. Wat daarvan ook zij, zeker
is hot dat deze beeltenis van zeer hoogen ouderdom is en in groote vereering staat.
Toen in de tweede helft der 8e eeuw de Longobarden Rome met den ondergang
bedreigden en de omgeving der stad to vuur on te zwaard verwoestten, beval paus
Stefanus openbare gebeden en processies; zelf droeg de paus, blootvoets gaande, op
zijne schouders deze hoogvereerde beeltenis des Zaligmakers en legde zoo den weg
van St. Jan van Laterane naar Sta Maria Maggiore af. Anastasius, die dit verhaalt,
noemde reeds toon deze beeltenis zeer beroemd, hoogvereerd; hetgeen reeds oen zeer
hoogen ouderdom doet veronderstellen. Ook andore pausen namen bij grooto rampen
en beproevingen hun toevlucht tot de wonderdadige beeltenis. Hot laatst word de
heilige beeltenis in processie naar Sta Maria Maggiore gedragen in 1863, onder de
regeering van Pius IX. z. g.
Het beeld van den Zaligmaker is in natuurlijke grootte en ten voeten uit op hout
geschilderd; maar de oorspronkelijke schildering is met een zijden sluier bedekt,
waarop oene andere beeltenis, volkomen gelijk aan het origineel, geschilderd is ; bovon-
dien heeft paus Innocentius III de geheele beeltenis des Zaligmakers met zilveren
platen doen bedekken en met edelgesteenten versieren, zoodat alleen het gelaat en de
voeten onbedekt zijn gebleven. Paus Leo III liot onder het altaar van de kapel, in
een kist van cipressenhout, drie kleinere kistjes vol relikwieën bergen en gaf daaraan
den naam Sancta Sanctoram, welke naam later op de geheele kapel werd toegepast.
Basilica ni Santa Croce in Geuusalemme. Basiliek van \'t Heilig Kruis in
Jerusalem. Ofschoon deze basiliek niet tot de grootste, de hoofd-basilieken behoort,
zullen wij haar hier \'t eerst bespreken omdat zij op onzen weg ligt, tot de oudste van
Rome behoort en door hare relikwiën een der uitstekendste heiligdommo der stad is.
Het Liber pontificalis zegt dat Constantijn daar ter plaatse een Kerk stichtte, die tot
op dezen dag Jerusalem genoemd wordt (ubi et nomen ecclesiae dedicavit (Coiistan-
finus) quac cognotninatur usqnc in hodiemum diem Hierasolem)
en dat die Kerk
werd opgericht in palatio Scssoriano. Dit paleis van Sessorius lag in de Yariaansche
tuinen, die door Heliogabalus waren aangelegd; het was derhalve een keizerlijk paleis
-ocr page 175-
152                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
en werd in de 4*> eeuw door Keizerin Hclena, de moeder van Constantijn, bewoond.
Do basiliek werd in liet uitgestrekte atrium van genoemd paleis opgericht, dat bijna
niet werd veranderd, maar door de groote granieten zuilen in drie beuken verdeeld,
zooals bij de basilieken gebruikelijk was, terwijl de apsis er aan gebouwd werd. De
II. Hclena liet er aarde van den Calvarieberg inbrengen, ten einde de basiliek zoo-
veel mogelijk in overeenstemming te brengen met de Kerk die door dezelfde vorstin
op den Kalvarieberg werd opgericht; vandaar dan ook dat in den beginne alleen de
naam Jerusalem er aan gegeven werd. Toen Constantijn en de H. Helena er later een
aanzienlijk gedeelte van het II. Kruis des Zaligmakers overbrachten, ontving zij den
naam van SI" Croce (van \'t II. Kruis), met of zonder bijvoeging van het woord Jeru-
salcm. Deze laatste benaming werd ook uitsluitend gebruikt voor de onderste ruimte,
waar de aarde van den Kalvarieberg rust, en die als een bij uitstek heilige on gewijde
plaats wordt beschouwd. In navolging van de Kerk op Golgotha in Jerusalem, onder-
scheidde men er een gedeelte post crnevm (achter het kruis) en een gedeelte ante
crucem
(voor het kruis.) Het gedeelte postcrucem is dat waar zich de Kapellen van den
H. Gregorius den Groote en van de H. Helena bevinden; beiden zijn met schilder-
stukken van Pomarancio en mozaïeken van Peruzzi versierd. Behalve genoemd ge-
deelte (drie groote stukken) van het II. Kruis, bevat de Kerk nog andere hoogeerbiod-
waardige relieken; nl. den titel van het II. Kruis, een der Nagelen waarmede de
Zaligmaker aan het Kruis was gehecht, een der doornen van de Doornenkroon, een
arm van het Kruis van den goeden Moordenaar, den vinger dien de H. Thomas in de
wonde van de zijde dos Zaligmakers legde. Deze kostbare relieken worden driemaal
\'s jaars vertoond ; buiten die dagen kan men ze slechts bezichtigen na daartoe een
bijzondere toestemming verkregen te hebben; dames mogen alleen met eene bijzondere
toestemming van den Kardinaal-Secretaris der .Memorialen in de kapel, waar zij
bewaard worden, binnentreden.
Evenals Sta Croce ons herinnert aan den Kruisdood des Zaligmakers en aan den
Kalvarieberg, herinnert de Basilica Dl Santa Maria Maggiore (Basiliek van de
11. Maria de Meerdere) ons meer in \'t bijzonder aan Betlehem en do Kribbe des
Zaligmakers. Van St. Jan van Laterane voert een bijna rechte weg, die door een
vroeger tamelijk woest en onbebouwd maar thans meer bevolkt gedeelte der oude
stad loopt, naar deze heerlijke en eerbiedwaardige basiliek die, omdat zij de grootste
Kerk is aan de II. Maagd gewijd, de Meerdere of de Grootere wordt genoemd, maar
ook bovendien Basilica Lireriana, naar paus Liberius, die haar in do tweede helft
der vierde eeuw stichtte; St. Maria ad nives (Onze Lieve Vrouw teu Sneeuw,) naar
do legende waaraan zij haar ontstnan te danken had en Sta Maria ad Praesepe
(O L. Vrouw ter Kribbe) genoemd wordt, omdat men daar, sedert onheugelijke tijden,
de Kribbe van den Zaligmaker vereert.
Volgens de legende leefde er onder de regeering van paus Liberius (352—366) te
Lome een rijk on vroom echtpaar van hooge geboorte, waarvan de man genoemd
wordt als Johannes de Patriciër. Het echtpaar had geon kinderen on. daarom schonk
het zijne goederen aan de II. Maagd en smeekte het haar vurig, dat zij hun het vroome
werk zou doen kennen, waaraan zij hunne rijkdommen konden besteden. De II. Maagd
verscheen hun en zeide dat zij een Kerk ter harer eer zouden bouwen ter plaatse
waar zij den grond met sneeuw zouden bedekt vinden. Het was nu in de maand
-ocr page 176-
HET CHRISTELIJKE ROME.
ma
Augustus, de warmste maand van het jaar, en zie, de plaats waar thans de Basiliek
staat, was des morgens met sneeuw bedekt. Johannes deelde het gebeurde aan paus
Liberius mede, die eveneens soortgelijke openbaring had ontvangen, en aan dit wonder
zou de Kerk haar ontstaan te danken hebben. En telken jare op den 5de Augustus,
laat uien, ter herinnering daaraan, snippertjes papier van het gewelf vallen als naboot-
sing van de sneeuwvlokken. Ofschoon bovenstaand verhaal van den patriciër Johannes
bijna woordelijk in het Romeinsch Brevier voorkomt, is het toch niet meer dan een, wel
is waar aanvallige, legende, die echter door geen enkele oude en geloofwaardige bron
gewaarborgt wordt. Dat het Romeinsch Brevier deze, door geen enkele geloofwaardige
bron als waar gestempelde legende bevat, bewijst niets voor de legende en niets tegen
het Brevier. „Onder het dichterlijke, kinderlijk geloovige volk uit do dagen der kerkvaders
zegt Dr. Poels in zijn naschrift op Bolland\'s „Licht\'kogels\'\' door pastoor Sloot, moesten
vrome legenden ontstaan. Waar de zon schijnt ontspruiten bloemen. Wie in den Room-
schen godsdienst is opgevoed, moet eveneens weten, dat geen enkele Roomsche priester
alles, wat hij leest in de stichtende verhalen van zijn Brevier, voor zuiver Evangelie
of strenge historie houdt! De in 1741 door Benedictus XIV ingestelde congregatie tot
herziening van het Brevier, had dan ook reeds voorgesteld de lezingen van 5 Aug.,
die betrekking hebben op bovengemeld wonder uit don tijd van paus Liberius, te
schrappen en aan het feest van S. Maria ad Nives de oude benaming van Dedicatio
sanctae Mariae
terug to geven. (Armellini vermeldt wel in zijn werk: Le Chiese di
Roma
(de Kerken van Rome) een eappclla della neve (een Kapel van do Sneeuw of
Sneeuwkapel) van latere dagteekening dan de bouw, maar hij voegt er bij dat deze
gebouwd is toen de legende van de Sneeuw zich begon te verspreiden.
De boven ver-
molde datum van 5 Augustus is die, waarop do door paus Liberius begonnen Kerk,
onder Sixtus III (432—440) voltooid, door dezen paus werd gewijd aan de Moeder Gods,
zooals het Hyronimiaansche martyrologium vermeldt: Romae dedicatio basilicaesanctae
Mariae
(wijding to Rome van de Basiliek van de II. Maria.
Toen in de 7,,e eeuw de Arabieren zich van Palestina meester maakten werd, naar
de legende vermeld, onder de regeering van paus Theodorus (042 (549) do Kribbe,
waarin de Zaligmaker bij Zijne geboorte door Zijne Maagdelijke Moeder word gelogd,
naar Rome overgebracht en in St". Maria in eene bijzondere kapel bewaard., en van
daar zou de Basiliek den naam van St". Maria ad Praesepe (O. L. Vrouw ter Kribbe)
gekregen hebben. Evenwel droeg de basiliek dien naam reeds meer dan een eeuw
en waarschijnlijk nog langer, voor den inval van de Arabieren in het Heilig Land, on
dus ook voor het tijdstip waarop do Kribbe naar Rome zou overgebracht zijn en do Kerk
aan haar zijn naam ontleend hebben. In de Kerk kan men nog een opschrift lezen,
volgons het welke de roemrijke vrouw Flavia Xanthippa (gloriosissima femina Flavia
Xanthippa)
aan do mansionarii (koorheeren, hot kapittel) landerijen ten geschenkte
gaf; „mansionarrii Basilicae Scae Di Genetricis qa ad presepem (appellatur)" luidt de
tekst. Gaetano Marini meent dat de oorspronkelijke tekst van dit opschrift dag-
teekent van omstreeks de helft der 6e eeuw, ofschoon het opschrift zelf uit den IX is,
onder de regeering van Gregorius IV; maar het werd in marmer gebeiteld volgens
authentieke geschriften,
zooals in het opschrift zelve vermeld wordt, en alles toont
aan dat de tekst van een oorspronkelijk document met de meeste nauwgezetheid
in het opschrift werd teruggeven. Het is dus als zeker aan te nemen dat de
benaming ad Praesepe reeds in de 6e eeuw aan de Basiliek gegeven werd en
-ocr page 177-
u
K
W
W Q
er; o;
o w
UJ
2
w
p
o
<
<  3
<   <
00
U4
Q
w 2
W <
X >
O M
PC
w
-ocr page 178-
154                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
dat zij dus niet afkomstig is van do aanwezigheid van de of eene Kribbe aldaar (\')
Maar, zal men vragen, wordt dan in Sta. Maria Magiore niet de Kribbe des Zalig-
makers bewaard en vereerd ? zijn die plankjes, in die prachtige kristallen kast met
zooveel eerbiedige zorg bewaard en sedert eeuwen door duizenden en duizenden ge-
loovigen met zooveel teodere godsvrucht vereerd, dan waardelooze stukken hout ? Hij
die weet met welke pijnlijke nauwgezetheid de Kerk de echtheid der relieken onder-
zoekt, eer ze aan de vereering der katholieken over te geven, zal zonder eenigen twijfel
do overtuiging hebben dat die vereering der kribbe op een onbetwistbare echtheid of
althans op eene constante overlevering van eeuwen berust. En zoo is het dan ook
inderdaad. In de maand Juni 1893 hebben de eerwaarde Giuseppe Cozza-Luzi onder-
bibliothecaris van do H. R. K. en pater Giuseppe Lais, van het Oratorium, met toe-
stemming van do bevoegde overheid, een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de wieg
(of do kribbe) van Santa Maria Maggiore en hunne bevindingen openbaar gemaakt, (-)
waaraan wij, volgens de C. C, het volgende ontleenon. Do geleerde onderzookers ont-
veinzon niet de moeidelijkheden wolk zulk een onderzoek oplevert, daar de historische
gegevens der oudste relieken en gedenkteekenen weinig talrijk zijn en dikwijls in om-
gekeerde reden tot de volksvereering staan; terwijl de oudste schrijvers, meer rekening
houdende met hun godsdienstig gevoel en met hunne begeerte om bewijzen te vinden
voor hetgeen zij gaarne zouden willen bewijzen, dikwijls veronderstellingen en bewijzen aan-
voeren die geen stook houden, en daardoor een later onderzoek zeer moeilijk maken.
De E. Cozza-Luzi ontkent dan ook niet dat de ontdekking van nieuwere bewijzen
zoor gewenscht zou zijn en dat het onderzoek van enkele bewijzen nog niet ten volle
bevredigend is, maar hij aarzelt niet te verklaren dat er onweerlegbare bewijzen van af de
11e eeuw voorhanden zijn, doch dat er nog geen rechtstreeksch bewijs gevonden is dat de
kribbe onder het pausschap van Theodorus I (642-645) van Palestina naar Rome is ovcrge-
braeht;van een vroeger bestaan is geen enkele aanwijzing te vindon. Maar hij voert met
groote zorgvuldigheid eene menigte redenen aan, die de overbrenging van de relieken
ten tijde van paus Theodorus als zeer waarschijnlijk doen voorkomen, en voegt erbij,
dat er geen enkele grond bestaat voor een tegenovergesteld gevoelen. Zooals men
ziet is de eerw. onderzoeker zeer voorzichtig en zeer terughoudend in zijne verklaringen,
zooals in zulke teedere en gewichtige aangelegenheid ook plichtmatig is; maar uit
zijne woorden blijkt genoegzaam dat de echtheid van de relieken zeer waarschijnlijk
is, en dit, gevoegd bij de constante overlevering van meer dan twaalf eeuwen en de
groote omzichtigheid door de Kerk in acht genomen bij de vereering der relieken,
geven ons voldoende zekerheid dat, wat in Sant. Maria als de Kribbe vereerd wordt,
inderdaad de wieg was, waarin de Zaligmaker der Wereld te Bethlehein gerust heeft.
Pater Lais, die als natuurkundige een welverdienden naam bezit, heeft zich belast met
het onderzoek der Kribbe en dat onderzoek heeft de volgende bijzonderheden opge-
leverd. Het zijn vijf plankjes of stukjes hout van ahornhout. Twee van deze plankjes
zijn 991 millimeter lang en ongeveer 35 op 50 dik, o\\) twee derden van hun hoogte
een gat vortoonendo, terwijl men aan de uiteinden sporen van een soort scharnier en
een ring ziet, waarin een ketting was, die het openstaan der scharnieren regelde; de
beide stukkon moesten dus een soort schraag in X-vorm uitgemaakt hebben. Een
(\') Zie Civilti\'i Cattolica, aflevering van l(i Xov. 18!»5 blz. 467 e. v.
(-) Le Memorie Liberiane dcll\' infanzia di N. S. (iesi\'i Cristo, Koma tip, Sociale 1894.
-ocr page 179-
HET CHRISTELIJKE ROME.
155
dergelijk X-vormig stuk moet vroeger ook nog bestaan hebbon en de beide boenen
moeten gedraaid hebben om een rond stnk hout of een spil, die in hot bovengenoemd
gat paste. De drie andere stukken hout, van 11 millimeter dikte, hebben zeker gediend
voor den bovensten hoek van de boenen, wij bobben dus niet zoozeer do Kribbe of
don voorbak der dieren, waarin den Zaligmaker hooft gelegen, voor ons, als wol het
onderstel, waarop deze voerbak gerust heeft. De H. Ilyionimus, die de Kribbe in den
stal of de grot van Bethlehem gezien heeft, zegt dan ook dat zij van leem gemaakt
was (luteum illiid praeseps), en dat zij later, tot zijn groot leedwezen, door een zilveren
kribbe is vervangen. In Palestina, zoowel als in Egypte, maakte men veel gebruik
van loom voor hot vervaardigen van gereedschappen en benoodigdheden, daar hot
gemakkelijker te verkrijgen en te bewerken was clan hout. Het onderzoek van het hout,
dat alle waarschijnlijkheid aanbiedt dat het van een kribbe of voerbak afkomstig is,
komt derhalve zoowel do overlevering als het geschiedkundig onderzoek van den eerw.
Cozza-Luzi bevestigen en is voor ons oen waarborg te meer, dat, wat eeuwen lang
vereerd werd als de kribbe des Zaligmakers, inderdaad van de kribbe afkomstig is.
Nu doet zich een andere vraag op. Wanneer de Kerk van St. Maria Maggioro haar
naam ad Praesepc niet ontleend heeft aan de aanwezigheid der kribbe, omdat, zooals
wij gezion hebben, zij dezen naam reeds droeg lang voor het tijdstip waarin deze uit
Palestina naar Rome werd overgebracht, van waar komt haar dan deze benaming.
Zonder ons in lange beschouwingen to verdiepen en door bewijzen te staven wat wij
gaan zeggen, zullen wij in korte woorden mededeelen wat daaromtrent in de laatste
jaren is gezegd en bekend gemaakt.
Reeds in de eerste eeuwen van het Christendom waren de plaatsen, die door het
leven en de werken des Zaligmakers geheiligd waren, oen voorwerp van groote ver-
eering en van talrijke pelgrimstochten, zoodat een levendig verkeer vooral tusschen
Rome on Jerusalem bestond. Toen keizerin Ilclena op don Kalvarioberg, te Bethlehem,
op de plaats der Verrijzenis enz. tempels en bedehuizen had opgericht, ontstond al
zeer spoedig to Rome hot verlangen om aldaar dezelfde geheiligde plaatsen te bezitten.
Daarom richtte de keizerin in haar paleis van Sessorius do Basiliek op, die eerst den
naam Jerusalem en later, toen de relieken van het II. Kruis derwaarts waren gebracht,
dien van Sta Croce droeg, waaraan in Hierosolema werd toegevoegd, Eveneens
werd in de Liberiaansche Basiliek, die bij hare voltooiing onder Sixtus III don naam
van Sta Maria ontving, omdat zij als een heerlijk gedenkteeken van het in 431 te
Ephese verkondigde dogma van hot goddelijk moederschap der H. Maagd aan de
Moeder Gods werd gewijd, een grot gebouwd, in navolging van die waarin to Bethlehem
do Zaligmaker der wereld geboren werd. Zeer waarschijnlijk is het, dat, evenals in de
Kerk Jerusalem (Sta Croce) aarde van den Kalvarioberg werd gebracht, ook in deze
grr>t hout en stoenon uit do grot to Bethlehem werden geplaatst. Voor dit gevoelen
pleit nog dat men in het tegenwoordige altaar dor Kribben oen looden kistje mot
eenige steenen heeft gevonden. Do naam Sta Maria ad Praesepc zou in den beginne
alleen zijn toegepast op do grot zelve en later over de geheele Kerk zijn uitgebreid.
De naam van O. L. Vrouw of de II. Maria ter Kribbe werd derhalve roods aan de
Kerk gegeven eer de overblijfselen der Kribbe onder paus Teodorus derwaarts werden
overgebracht. (*)
(J) Meer uitvoerige bijzonderheden kan men lezen in de Civilta Cattolka, afl. van 16 Nov. 1895.
-ocr page 180-
156                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
De eerbiedige zorg waarmede men deze relikwie bewaart en die dit jaar nog aan-
leiding heeft gegeven tot kostbare en artistieke herstellingen aan de rijke zilveren
kast, waarin zij bewaard wordt, wijzen er wel op dat men haar in Rome als echt blijft
beschouwen. Trouwens, na hetgeen wij daarover gezegd hebben, zal wel niemand er
aan kunnen twijfelen.
Na deze uitweiding zullen wij overgaan tot de nadere beschrijving van deze Kerk
die, na St. Pieter, de grootste van Rome is en een der vier die een porta santa
(Heilige Deur) bezitten.
Zooals wij reeds gezegd hebben word de door paus Liberius opgerichte Basiliek
door Sixtus III aanmerkelijk vergroot on aan de II. Maria, moeder Gods, toegewijd,
terwijl zij later hersteld word door Benedictus XIV, die haar met prachtig marmeren
verguld stucwerk versierde en den niet zeer fraaicn gevel naar do plannen van Fuga
vernieuwde. Deze gevel prijkt mot twoo rijen kolommen van jonischen en corinhischen
stijl, met verscheidene beelden on met een portiek van twee verdiepingen, waarvan
de onderste gedragen wordt door acht zuilen van graniet en verschillende pilasters
van wit marmer, benevens vier basreliefs on oen bronzon beeld van Philips IV (II), koning
van Spanje on bijzondere weldoener dor Kerk. In den bovensten portiek bevindt
zich de loggia voor den pauselijken zegen, waar men nog het mozaïekwerk bewaart
dat den ouden voorgevel versierde. Behalve de toegemetselde Heilige Deur, zijn er
nog vier andere, die toegang tot do Kerk verleenen.
Inwendig is de basiliek verdoold in drie beuken door zeer fraaie jonische kolommen
van wit marmer, die men zegt afkomstig te zijn van een ouden tempel van Juno,
gescheiden; bovendien zijn er vier kolommen van graniet, die de twee groote bogen
van het middenschip dragen; bij den eersten ingang zijn twee grafmonumenten; rechts
dat van Clemens IX, links dat van Nicolas IV. De tegenwoordige doopvont is van
paus Leo XII, zij bestaat uit een prachtige vaas van porfier, met versierselen van
verguld metaal; zij bevond zich eertijds in het Vaticaansche museum en is van an-
tieken oorsprong
Onder de Kapellen in de kleinere rechterbeuk, munt vooral die van het H. Crucifix
uit door hare tien zuilen en pilasters van porfier, waartusschen zich kasten bevinden
met kostbare relieken, onder welke ook die van de II. Kribbe. De prachtige Kapel
van het II. Sacrament werd door Sixtus V naar de plannen van Fontana opgericht;
zij is met kostbare marmersoorten bekleed en met corintische halve zuilen en merk-
waardigo schilderingen versierd. Rechts van den ingang dezer Kapel staat het graf-
monument van bovengenoemden paus, wiens beeld door Gio-Antonio Valsoldo werd
gebeeldhouwd ; verder is het versierd met vier kolommen van antiek groen, verscheidene
basreliefs en de beelden van den H. Franciscus door Vacca en van den H. Antonius
van Padua door Olivieri. Tegenover dit monument is de tombe van den H. Pius V,
wiens lichaam in de prachtige, met vergulde bronzen versierde urne van antiek groen
rust. De naam van dezen Paus is onafscheidelijk verbonden aan een der roemrijkste
overwinningen door de Christenen op de Turken behaald, n.1. den zeeslag bij Lepanto
(7 October 1571). Men verhaalt dat, terwijl de vloot der Christenen met die der
Turken slaags was, Pius V, door verscheidene Kardinalen omgeven, in zijn vertrek
zich met staatszaken bozig hield. Het was 5 uur in den namiddag. Kenklaps staat
hij op, opent een venster en blijft geruimen tijd met onafgewenden blik naar een, voor
anderen onzichtbaar, schouwspel staren. Zich daarop vol vreugde tot de Kardinalen
-ocr page 181-
HET CHRISTELIJKE ROME                                        157
wendende, zeide hij: ,.\'t Is nu geen tijd om te werken, laat ons God dankon, want do
onzen hebben de overwinning behaald\'\', en na do Kardinalen ontslagen te hebben,
begaf hij zich naar zijn Kapel om God en do H. Maagd, aan wier voorspraak hij vooral
deze schitterende overwinning toeschreef, te danken, \'t Is vooral aan deze gebeurtenis
te danken dat het gebed van den H. Rozenkrans zijn groote uitbreiding gekregen heeft.
Sixtus V, waarvan het andere monument is, was een der grootste mannen van zijn
tijd en zal altijd een groote figuur in de gescheidenis der Kerk blijven. Van armen
veehoeder tot de hoogste waardigheid in Kerk en Staat opgeklommen, wist hij door
zijn strenge, maar billijke gerechtigheid, een einde te maken aan de plunderingen, on-
lusten en moordenarijen, waaraan de groote baronnen in zijn Staat zich langen tijd
straffeloos hadden schuldig gemaakt. Zonder onderscheid van rang of stand liet hij
alle misdadigers gevangen nemen en na korte rechtspleging tor dood brengen, zoodat,
na zeer korten tijd, de Kerkelijke Staten van groote en kleine boosdoeners gezuiverd
waren. Aan zijne mildheid en kunstliefde heeft Rome zeer veel heerlijke scheppingen te
danken, zooals wij reeds gelegenheid haddon, en nog zullen hebben, aan te tooncn.
Fraaie kolommen, basreliefs en het marmeren beeld van den H. Paus door Leonardo
da Sarzana voltooien dit grootsche monument. In \'t midden van de Kapel bevindt
zich het altaar van het H. Sacrament, met een prachtig, door vier engelen van verguld
brons, gedragen tabernakel. Onder dit altaar is dat van do Geboorte des Zaligmakers,
dat relieken bevat van het stroo of hooi en de windsels, die den Zaligmaker tot eerste
ligplaats en bedekking dienden. De schilderstukken, die deze Kapel versieren, zijn
van Pozzo, Ereolino Balognese, Fiammingo, Nogari, Andrea d\'Ancona en Nebbia.
Het hoofdaltaar der Basiliek staat geheel vrij en wordt gevormd door een grooto
urne van porfier, die gedekt wordt door een marmeren tafel, aan do hoeken gedragen
door vier engelen of geniussen van verguld brons. Het heerlijke en statige baldakijn
werd door Benedictus XIV naar de teekoning van Fuga opgericht; het wordt door vier
fraaie corintische zuilen van porfier, omslingerd door palmen van verguld brons,
gedragen. Bovenop zes marmeren engelen, door Pietro Bracci gebeiteld. Het schilder-
stuk aan \'t einde van de tribune, is van Francesce Mamini en do mozaïeken werden
op last van Nicolaas IV door F. Giacinto da Turrita vervaardigd. De mozaïekwerken
boven den grooten boog, boven de zuilen van hot middenschip, die taferooien uit het oude
Testament on het leven der II. Maagd voorstellen, zijn van \'t jaar 434 en op last van
Sixtus III gemaakt.
Tegenover do kapel van \'t II. Sacrament bevindt zich dio van de II. Maagd, een
der schoonste en rijkste van Rome en door Paulus V volgens de plannen van Flaminio
Ponzio gesticht. Zij is in corinthischen stijl, mot fraai marmer belogd en vol prachtige
schilderwerken. Men bewondert er twee heerlijke grafmonumenten, rechts van den
ingang dat van genoemden paus Paulus V, met diens marmeren beeld door Silla van
Milaan gebeiteld; het rechter basrolief is van Madorno, het linker van Bonvicino,
bovendien zijn er in de hoogte nog drie basreliefs. In de zijnissen staan de beelden
van den H. Basilius en van David, door Nicolo Cordieri. Het andere monument is dat
van Clemens VIII, niet diens beeld van Silla on basreliefs van Bonvicini, Machi, Buzi
en Bernini. De boelden in do nissen stollen Aron en den II. Bernardus voor, beidon van
Enrico Cordieri. Het overheerlijke Maria-altaar is versierd met vier gegroefde kolommen
van oostorsch jaspis on basementen en kapiteolen van verguld brons, die een kornis
dragen waarvan do fries van agaatsteen is; met denzelfden steen zijn ook de voetstukken
-ocr page 182-
158                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN JIE DEN.
der kolommen versierd. Te midden van een veld van de kostbare lapislazuli bevindt
zich de beeltenis der H. Maagd, door kostbare edelgesteenten omgeven en gedragen
door vier engelen van verguld brons. Boven de kornis van het altaar stolt een bas-
relief van verguld brons het sneeuw wonder voor. liet schilderwerk beven en rondom
het altaar, zoowel als dat van den grooten boog en van de vier hoeken van den koepel
zijn van Arpino; die van den koepel zelven van den Florontijner Ludovico Civoli. Kraai
boven allen zijn de schilderijen ter zijde van de twee vensters en de bogen boven dezelve ;
\'t zijn werken van den beroemde Guido lieni. De beeltenis van de II. Maagd, hier boven
vermeld, wordt toegeschreven aan den II. Lucas. Is zij werkelijk van dezen EvangelistV
Zeer velen betwijfelen het, daar er geen enkel bewijs bestaat dat de II. Lucas de schilder-
kunst beoefende, wel dat hij geneesheer was. Bovendien wijzen ook andere kerken,
o. a. het Pantheon, en Ara Ccoli beeltenissen der H. Maagd aan, bijna volkomen gelijk
aan deze, die eveneens aan den H. Lucas worden toegeschreven, zooals de overlevering
ook zegt dat de beeltenis van den Zaligmaker bij de Scala Santa, door hem zou
begonnen en door engelen voltooid zijn, zooals wij reeds elders gezegd hebben. liet
viaagstuk is door talrijke schrijvers behandeld, maar voor zoo ver wij weten nimmer
volkomen bevredigend opgelost. Wat er ook van zij, zeker is het dat deze beeltenissen
van zeer hoogen ouderdom zijn en zoowel bij de Pausen als bij de geloovigen in hooge
verecring stonden en meermalen door wonderen gekenmerkt zijn. In elk geval is deze
Madonna vol bevalligheid en met eene uitdrukking van aanminnigheid en goedheid,
die niet nalaten bij den beschouwer een diepen en zoeten indruk na te laten. Zij draagt
op den rechter arm het Kind, Jesus, dat zijn rechterhand ter zegoning opgeheven houdt
en is gehuld in een blauwen mantel die, naar joodsche wijze, tevens als kleedingstuk
en hoofdbedekking dient; op haar voorhoofd is een kruis geteekend. liet goddelijk
kind heeft een tot aan de voeten afvallend gewaad en houdt een boek in de linkerhand.
Wij verzuimden nog mede te doelen dat voor de Confessie, die de overblijfselen
van den II. Mathias bevat, zich het wit marmeren beeld van Pius IX bevindt; de Paus,
die door het dogma der Onbevlekte Ontvangenis aan de H.Moedergods een harer schoonste
eeretitels schonk, verdiende wel dat zijn aandenken vereeuwigd werd in den schoonsten
tempel, die aan haar werd toegewijd.
BASILICA Dl SAN PAULO. — BASILIEK v/o II. PAULUS BUITEN DE MUREN.
Toen do H.H. Apostelen Petrus en Paulus in het jaar 67 op bevel van Nero waren
ter dood gebracht, werd het lichaam van den tweedon der Apostelen in de Katacombe
langs den weg naar Ostia, genaamd van Lucina, ter ruste besteld. Volgens den biblio-
thecaris Anastasius liet Constantijn do Groote, op verzoek van paus Silvester, boven
dit graf een kerk bouwen. Het juiste tijdstip van den bouw is evenwel niet bekend,
maar uit een keizerlijk rescript, dat nog in hot archief van het Vaticaan bestaat,
bevolen de keizers Valentinianus II, Theodosius en Arcadius in\'t jaar 386 aan Salustius,
prefect van ltome, om do kerk volgens een grooter en rijker plan te herbouwen. Dit
woord ..herbouwen" duidt er op dat daar reeds eerder een heiligdom, aan den Apostel
der Heidenen toegewijd, moet gestaan hebbon. Naar uit een mosaïek in de groote
boog blijkt, moet het werk door Ilonorius ten einde zijn gebracht. In 438 liet keizer
Valentinianus III de Confessie uit zuiver zilver opbouwen en de II. Leo I, in 440 tot
paus verkozen, versierde den grooten boog met het heerlijke mosaïek dat, hoewel door
-ocr page 183-
159
HET CHRISTELIJKE ROME
den brand van 1823 zeer beschadigd, nog aanwezig is. Na de plundering der kerk
door de Vandalen, liet dezelfde paus de geroofde gewijde vaten door andere vervangen
en herstelde hij de basiliek, die door een brand veel geledon had. Zijn opvolger,
paus Hilarius, verrijkte haar met kostbare gewaden en paus Felix III werd er in 492
begraven. Paus Simmachus, die in 498 den stoel van den II. Petrus beklom, ziende
dat de apsis mét gevaar van instorting dreigde, herstelde haar, versierde het gewelf
achter de Confessie met schilderwerken, voegde er de afgezonderde plaats bij waarin
de oudere tijden de vrouwen van stand plaats namen, hernieuwde de trappen voor de
deur en bracht er nog verschillende andere verbeteringen en herstellingen aan. Ver-
scheidene pausen, zooals Hormisdas, Johannes I, Sergius I, Johannes VI, Gregorius
II en III wijdden hunne zorgen voortdurend aan deze kerk, die zij herstelden of ver-
fraaiden, al naar de behoeften zich deden gevoelen of hun godsdienstzin het hun ingaf.
Paulus I werd er den 23 Juni 767 door den dood verrast, terwijl Stefanus III in 770
en Adrianus I in 780 haar om strijd met nieuwe schatten verrijkten. In 801 werd zij
door eene aardbeving zwaar beschadigd, maar Leo III nam terstond het werk van
herstelling ter hand. In 846 werd do Basiliek bijna geheel en al verwoest door do
Saracenen, die zich in zuid- en midden Italië genesteld hadden. Zooals wij vroeger gezien
hebben, had ook St. Pieter van hunne plunderingen te lijden. Leo IV, Benedictus
III, Nicolaas I on Stefanus IV herstelden de aangerichte schade en vervingen de ge-
roofde schatten door rijke schenkingen. Onder de regeering van paus Alcxander II
liet Panthaleon, Romeinsch consul, in 1070 do bronzen deur voor de Basiliek maken,
toen Hildebrand, die later, onder den naam van Gregorius VII, een wereldvermaarden
naam verworven heeft, in die stad apostolisch legaat was. Tusschen de jaren 1050 en
1060 voerde Hildebrand het bestuur over het bij de Basiliek behoorend klooster.
Volgens de meeste schrijvers, dio het opschrift op de deur vermelden, luidt dit als volgt:
Anno millesimo septuagesimo ab incarnatione Dni temporibus Dxi Alexandri
sanctistimi p.p. qitarti et dxi ildeprandi venerawli monaciii et archidiaconi.
CONSÏRUCTE SUNT PORTE ISTE IN PiEGIA URBE COXP ADIVVANTO ÜNO PaNTHALEONE
CONSULI QVI.
ILLE FIERI IVSSIT.
Hier wordt dus Hildebrand uitdrukkelijk als monnik vermeld, wat in don laatsten tijd
door verschillende schrijvers bestreden word. Het schijnbare anachronisme dat hier
paus Alexander IV wordt genoemd en niet paus Alcxander I, wordt in de C Cat. (\')
toegeschreven aan eon slechte lezing van het opschrift, dat door den brand van 1823
zoor verminkt is geworden. Onder de regeering van paus Paschalis II (1099 1118)
ontstond er andermaal brand door den bliksem. Honorius III versierde omstreeks 1226
de apsis met mozaïekwerken, waarop men nog zijn naam naast dien van denabtGae-
tano Orsini en den Sacristein Arnolfo leest. De geheele geschiedenis van deze basiliek
is bijna niet anders dan een droef verhaal van do rampen die haar troffen, en eon
streven der pausen om haar te herstellen en voor verval en ondergang te behoeden.
De zwaarste ramp trof haar evenwel in den nacht van 15 op 16 Juli van het jaar 1823
toen zij bijna geheel afbrandde, naar men zegt door eon nalatigheid van de loodgieters
die op het dak werkzaam waren geweest. Het vuur openbaarde zich het eerst in de
groote zijbeuk en deelde zich van daar aan de transepten modo, die in hun val ook
de bovenste muren meesleepten. Enkele zuilen bleven overeind staan, maar werden door
het vuur zoodanig geteisterd, dat zij niet meer te gebruiken waren.
-ocr page 184-
160                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
Deze brand is een onherstelbaar verlies geweest. Niet alleen gingen de rijke
kunstschatten, welke de basiliek bezat, er door verloren, maar bovendien ook een der best
bewaarde specimens van den ouden basiliekstijl uit de Constantijnsche periode. De
oude basiliek overtrof in grootte alle oude basilieken, zelfs de oude St Pieterskerk, en
de nog bestaande Maria Maggiore en Sta Sabina, die beiden nog het best een denkbeeld
van deze oude bouworde geven. Het middenschip en do zijschepen hadden een lengte
van 120 M., terwijl de breedte der vijf beuken GO M. bedroeg. Aan het einde van de midden-
beuk verhief zich de triomfboog met een wijdte van meer dan 14 M. en rustende, ter
linker en ter rechter zijde, op een reusachtige zuil. De beuken waren gescheiden door
vier rijen elk van 20 zuilen van verschillende marmer on verschillende basementen
en door bogen overspannen. Do kolommen waren meerendeels afkomstig van openbare
heidensche gebouwen; 24 daarvan, in de zijbeuken, waren van het kostbaar pauwmarmer
(pavonazetto) en, naar men beweerde, afkomstig van de Basilica Aemilia van hot
Forum Romanum. Enkele van deze kolommen bevinden zich nog in de nieuwe kerk,
maar daar zij door den brand veel geleden hadden, zijn zij bijgewerkt en aan een
gevoegd. Onder den triomfboog betrad men het dwarsschip, dat de middenbeuk in
breedte nog overtref. Het hoofdaltaar, boven het graf van don H. Paulus, stond in de
dwarsbeuk, op dezelfde plaats waar zich ook nu hot hoofdaltaar bevindt. Tusschon de
apsis en hot altaar bevonden zich twintig, meestal porfieren zuilen, die ovenwei door
Sixtus V verwijderd werden. Onder de prachtige met goud versierde vakzoldering, door
Leo I aangebracht toen hot vorige dak door den bliksem was beschadigd, bevonden
zich in de zijmuren en de dwarsbeuk 66 groote en 41 kleinere vensters. Tusschen die
van de zijmuren bevonden zich voorstellingen uit het Oude en Nieuwe Testament, door
geschildere omlijstingen omvat; verscheidene dier afbeeldingen waren, naar men aanneont,
vóór het jaar 1000 geschilderd. Boven de bogenrijen waren aan de muren van het
middenschip, twee boven eiken boog, afbeeldingen der bisschoppen van Rome (Pausen)
aangebracht; allo borstbeelden waren van bijschriften voorzien. In de Basiliek van de
II. Petrus en die van Laterane, bevonden zich eertijds soortgelijke afbeeldingen. Ook
in St. Paulus heeft men gebakken steenen gevonden met den stempel van keizer Va-
tentinianns, zooals die van St. Pieter dien van Constantijn droegen. Het opschrift van
St. Paul luidt: „Onze Heer, Flavius Valentinianus Augustus." Zooals wij reeds gezegd
hebben, heeft de St. Pauluskerk in den loop der eeuwen veel veranderingen en her-
stellingen ondergaan, tot dat de brand van 1823 haar geheel verwoestte en een der
kostbaarste en eeriedwaardigste monumenten der christenheid voor altijd deed verloren
gaan.
Paus Leo XII beval onmiddelijk aan den horbouw te beginnen, die onder Pius VIII
werd voortgezet. Leo XII deed voor den herbouw niet alleen een beroep op de mildheid
der geloovigen, maar ook op die der vorsten, en zijn bede bleef niet onverhoord. De
geloovigen gaven wat zij konden; de rijken aanzienlijke sommen, de armen hun pen-
ninkske, de vorsten waarlijk vorstelijke geschenken. Nicolaas, keizer aller Pussen, schonk
prachtige altaren van Malachiet; Mehemet-Ali, onder-koning van Egypte, vier kolommen
van hot zuiverst oostersche albast; Sardinië zuilen van graniet; maar do Romeinen, vooral,
wedijverden in edelmoedigheid en offervaardigheid.
„Men wordt door verbazing getroffen, zegt Boulfroy, wanneer men dezo Basiliek
binnentreedt, dio honderdtwintig meters lengte, zestig breedte, drie en twintig in de
hoogte hoeft, benevens vijf beuken, een transept, een rijk vakplafond en tachtig kolommen
-ocr page 185-
M
a
<
>
x
o
DC
m
>
o
z ~
>   c
c   r
r   c
w      ^
CD     0
£    33
M
w
c
a
m
z
r
£
c
•c
-ocr page 186-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                          161
van graniet. Een zacht en witachtig licht, als dat van de maan, glanst op de mozaïeken
van den glanzenden en doorschijnenden vloer, terwijl het koor, schitterend van goud
en schilderwerk, de wanne en gepurperde tint ontvangt van do zonnestralen die door
de vensters dringen. Boven hot altaar van de Confessie, waaronder de lichamen van
den II. Paulus en van den II. Timotheus rusten, verheft zich een duhhel baldakijn, dat
gedragen wordt door vier kolommen van porfier en vier van geaderd albast; de basis
van deze kolommen is van malachiet, een kostbare steensoort, eveneens door Nicolaas
I van Rusland geschonken Op den steen van het altaar leest men deze eenvoudige
woorden: „S. Paulus, apostolus et martyr" (de II. Paulus, apostel en martelaar). Op
de fries van het baldakijn leest men: „(Jij zijt een uitverkoren vat, II. Paulus, verkon-
diger der waarheid door de gcheole wereld." Overheerlijk nog is de fries uit de mozaiok-
potretten van de tweehonderd zestig pausen, die van den H. Petrus tot op den roemrijk
regeerenden Leo XIII, het bestuur over de Kerk van Christus hebben gevoerd en van
den eersten Paus de sleutelmacht hebben overgeërfd. De stralenkrans om het hoofd van
zoovelen hunner, toont aan dat hunne namen in de lijst der Heiligen zijn ingeschreven.
In de kapel van het Crucifix herrinnert een marmeren beeld van de Brigitta, door
Maderno, aan de samenspraken die dit wonderdadige kruisbeeld met de heilige weduwe
hield. (\') Verder bevindt zich daar een beeltenis in mozaïek van de II. Maagd, voor
hetwelke de II. Ignatius van Loyola en zijne eerste gezellen op den 22 April 1541 de
geloften aflegden van de nieuwe orde (der Jesuiten), die zij gesticht hadden. Onderde
voornaamste relieken, die deze kerk bezit, vermelden wij een kleed van de II. Maagd,
en een arm van de II. Anna. Het bijbehoorende klooster (van Benedictijnen) is, na dat
van St. Jan van Laterane, het schoonste van Rome.
Do uitwendige bouw van St. Paul bezit niets merkwaardigs en is veeleer leelijk to
noemen, maar de inwendige rijkdom vergoedt ruimschoots dit ontbreken van archi-
techonische waarde. Op het graf van den H. Paulus onder do Confeszie is, behoudens
enkele dingen van ondergeschikt belang, het zelfde van toepassing, wat wij gezegd
hebben over dat van den II. Petrus. Ook het lichaam van dezen grooten Apostel
werd onder paus Silvester en Constantijn den Groote in een bronzen kist gelegd, die
in een gemetselde kamer berust en gedurende bijna zestien eeuwen daar ongeschonden
bewaard bleef.
Felix III is do eenigo paus die in St. Paul begraven werd, en om dat van den
paus, die tot de voorvaderen van paus (Jregorius den Groote behoort, waren de
graven van de vrome Petronia, die zijne gemalin was, eer hij de hooge geestelijke
wijdingen had ontvangen, van Paula, de dochter dos Pausen, en van Gordianus, zijn
zoontje. Beiden waren in do eerste jaren van hot pontificaat van Felix III, tusschen
do jaren 484 en 485 gestorven. Een andere grafschrift vermeldde de godgewijde maagd
Aemiliana, die in 481) gestorven was en waarschijnlijk eveneens tot do familie van
den paus behoorde. Men vermoedt ook dat het graf van den vader van paus Felix
zich in do nabijheid bevonden heeft.
(J) De H. Brigitta, in 1302 bij Upsala geboren, was gehuwd met den landrechter, Ulf Üudmarson; na
den dood van haar echtgenoot omhelsde zij het geestelijk leven en stichtte o. a. de orde des Zaligmakers. In
1349 toog zij naar Rome en bewoonde een huis op de Piazza Farnese, dat later in een kerk ter harer
eer werd veranderd, zooals een opschrift, bij de herstelling in 1893—94 gevonden, buiten twijfel stelt.
Haar lichaam werd in 1873/74 naar haar geboorteplaats in Zweden overgebracht. Hare openbaringen heeft
zij in hare Revelationes te boek gesteld.
-ocr page 187-
162                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN J IE DEN.
BASILICA Dl SAN LORENZO. — BASILIEK VAN DEN H. LAURENTIUS
BUITEN DE MUREN.
Toen de II. Paus Sixtus naar den marteldood werd gevoerd voegde Laurentius,
zijn eerste diaken, hem de woorden toe: „Vader, waar gaat gij heen zonder uw zoon?
Priester, waar gaat gij heen zonder uw diaken V" En do paus antwoordde hem: „Mijn
zoon, ik verlaat u niet. Een grootere strijd wacht u. Houd dus op met weenen;
binnen drie dagen zult gij mij volgen". De prefect der stad, belust op de schatten,
die hij meende dat de Kerk bezat, liet den diaken Laurentius voor zich komen en
beval hom die schatten uit te leveren. Laurentius vroeg een dag uitstel, hetgeen hem
werd toegestaan, en den volgenden dag opnieuw voor den prefect verschijnende, wees
hij hem op de armen, gobrokkigen en hulpbehoevenden die door de Kerk onderhouden
worden, en zeide hem: Ziedaar de schatten, waarnaar gij gevraagd hebt. De prefect,
woedend over dit antwoord, dat hij waarschijnlijk als een bespotting beschouwde, en
misschien moor nog over de teleurstelling dat de verhoopte schatten hem ontgingen,
beval den moedigen diaken op een ijzeren rooster te leggen en door een langzaam
vuur te braden. Deze afgrijselijke marteling had plaats den 10 Augustus 258 op don
Viminaalschen heuvel, ter plaatse waar zich thans de Kerk van den II. Laurentius in
Panisperma bevindt. De rooster bevindt zich voor do helft in het Escuriaal in Spanje,
en voor de andore helft in de Kerk van den II. Laurentius in Lucina, bij den Corso.
Het lichaam van den martelaar werd overgebracht naar den Fundus Veranus, waar
zich de beroemde Katacombo van do II. Cyriaca bevond. Constantijn de Groote richtte
boven het graf van den beroemden bloedgetuige omstreeks hot jaar 330 oen niet zeer
groote Kerk op, en bijna gelijk met het niveau der Katacombo, zoodat de omringende
heuvel moest worden uitgegraven. Volgons christelijk gebruik was zij naar het Oosten
gekoerd, maar daar de heuvel belette langs dien kant binnon te komen, werd de in-
gang naar het AVcsten gemaakt en daalde men door een paar trappen in de zijbeuken
do Kerk binnen. De valsche gevel, die waarschijnlijk met een zuilenportiek was vor-
sierd, stond dus tegen de apsis of het presbyterium. Sixtus III (432-440) deed dezen
valschen gevel vervallen en bouwde een nieuwere en ruimere basiliek tegen die van
Constantijn aan, en maakte haar gelijk met het straatniveau van toen; de gevel werd
naar het Westen gekeerd, zoodat de apsiden der twee Kerken tegen elkander stonden
en men do tweede geheel moest doorloopon om in de eerste te komen. Deze basiliek
van Sixtus III werd in de 8st" eeuw aan de Moeder Gods gewijd onder den titel
Basilica Sanclae Dei Gcnetricis en kreeg den bijnaam van Major, Pelagius II bracht
er weer veranderingen aan, totdat zij omstreeks 1214 door paus Honorius III vergroot
werd met het gedeelte dat thans van den ingang tot aan do Confessie loopt; de Kerk
van Constantijn werd verhoogd en verminderd tot het gedeelte dat thans hot presby-
terium uitmaakt, terwijl de oorspronkelijke deur, die naar het Oosten gewend was,
gesloten en een nieuwe ingang aan het Westen gemaakt werd. Na veelvuldige restau-
ratios in de lf)de en 16d0 eeuwen, kwam zij eindelijk in 1647 in den staat waarin zij
verbleef tot het oogenblik waarop Pius IX oene geheele restauratie van de Basiliek
ondernam. Pius IX had een bijzondere vereering voor den II. Laurentius en van het
jaar 1864 tot 1870 liet hij voortdurend aan de verfraaiing doorwerken. De oude
basiliek van Constantijn werd opnieuw in haar vroegeren staat gebracht; de aarde,
waarmede paus Honorius haar had laten aanvullen om een gelijk niveau met zijn
-ocr page 188-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                          163
herbouwing te krijgen, werd weer weggenomen, zoodat do kostbare pauwmarmoren
zuilen, die door de verbouwing van Honorius half in den grond waren bedolven,
weer geheel to voorschijn kwamen. Tegen do confessie werd aan de marmeren plaat,
waarop hot bloed van den II. Laurontius gevloeid had, een ooreplaats gegeven. Het
middenschip werd versierd met acht «/irtwco-schilderingen, do voornaamste feiten uit
het leven en den heldhaftigen marteldood van den II. Laurontius voorstellende.
Deze gelukkig uitgevoerde restauratie heeft aan het prosbiterium met zijn marmoren
banken en ouden pausolijken zetel, weer zijn oorspronkelijke gedaante gegeven, zoodat
men op ongeveer tweo derden van don ingang de scheiding heeft tusschen de oude
kerk van Constantijn en do tweede basiliek door Sixtus III gebouwd. Op dio scheiding
voeren in \'t midden tweo trappen naar het presbyterium, terwijl twee trappen, links
on rechts, afdalen naar de oorspronkelijke kerk van Constantijn. Het transept bevindt
zich achter het presbyterium, aan \'t einde dor kerk, waartoe vijf deuren toegang
verleenen. De kerk is verdeeld in drie bonken, elk mot een ingang in den met een
zuilenrij versierden portiek. Ongeveer tor helft van do kerk hoeft men aan do rech-
terhand do kapel van het II. Sacrament, en een weinig vorder de deur van de Sacristie,
en tegenover deze, in de linkorbouk, don ingang naar oen onderaardsche kapel, waar-
door men in de Katacombe van do II. Cyriaca kan komen. Het hoogaltaar, waaronder
zich de Confessie bevindt dio de lichamen van den II. Laurontius en van den eersten
Martelaar, don II. Stefanus, bevat, staat geheel vrij, ongeveer op oen derde van het
presbyterium.
Pius IX, die, zooals wij reeds zeiden, eene groote vereering voor den II. Laurontius
had, koos deze basiliek boven alle kerken van liomo voor zijn graf uit. In zijn testa-
ment, dat van don 15 Maart 1875 gedagteekend is, wordt desbetreffende het volgende
gezegd:.... „Wanneer mijn lichaam oen lijk zal zijn, zal het in de kerk van don H.
Laurontius buiten de Muren begraven worden, on wel juist onder den kleinen boog tegen
den steen, dio men de gratieula (de rooster) noemt, en waarop men nog heden vlekken
bespeurt door don marteldood van den H. Laurontius veroorzaakt.
De kosten voor dit grafmonument mogen de vierhonderd kronen (2000 francs) niet
te boven gaan.
Duiten op dit eenvoudige monument zal de driekroon met do sleutels gebeiteld worden,
mot hot volgend opschrift: Ossa et Ceneres RU IX Sumnii Pont. Vixit Ann___In
Pontificali Ann___ Orale pro Eo. (Beenderen en asch van Pius IX Paus, die leefde
.... jaren en .... jaren als Paus. Bidt voor hem.) Het adellijk wapen zal vervangen
worden door oen doodshoofd."
Deze laatste wilsbepalingen van den grooten en roemrijken paus werden door de
drie kardinalen-erfgenamen, Monaco La Valletta, Simeoni en Mertel, stipt ten uitvoer-
gebracht en drie jaren na hot overlijden van Pius IX, en toen alles voor zijn bijzotting
in zijn laatste rustplaats was voorbereid, besloot men het stoffelijk overschot uit St.
Pieter, waar het overeenkomstig de gewoonte voorloopig in hot daarvoor bestemd graf
was gorust, naar S. Lorenzo over te brengen. Daar de drie voornoemde kardinalen voor
wanordelijkheden van den kant der verwoede vijanden van Pius IX, de sectarisson en
revolutionnairen, vreesden, besloten zij dio overbrenging in alle stilte en in den nacht
van den 13 Juli (1881) te doen plaats hebben Niettegenstaande alle voorzorgen was
toch het uur en de tijd van die overbrenging bekend geworden, en een groot
aantal getrouwe Romeinen en vereerders van den beminden vorst en opperherder
-ocr page 189-
1(54                           ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
schaarden zich eerbiedig en ingetogen om en achter de lijkkocts. Maar ook de secta-
rissen en de vijanden van Pius IX hadden kennis van de zaak gekregen en zagen
daarin een schoone gelegenheid om hun satanischen haat zelfs op het zielloos overschot
van den Paus-Koning te koelen. Zij overladen het met verwenschingen en beleedigingen
en dreigden zelfs het in den Tiber te werpen. De geestelijken en trouwe vrienden en
vereerders van den paus werden gemolesteerd en zonder de, veel te late, tusschenkomst
van de politie, zouden er misschien nog grootere schandalen voorgevallen zijn. Einde-
lijk kon de treurige stoet haar weg vervolgen en werd het lichaam van den zacht-
aardigsten en beminnelijksten der Pausen op de door hom uitgekozen plaats ter eeuwige
ruste besteld. De door Pius IX uitgekozen plaats bevindt zich in het midden en tegen
den achtermuur van het zooeven door ons vermeld transept achter het presbyterium,
liet grafmonument bestaat uit een rechthoekige tombe, waarboven zich een timpaan
bevindt met een basrelief in 10-eeuwschen stijl, dat de driekroon en de sleutels bevat;
onder dezen timpaan bevindt zich het bovenaangehaald grafschrift met het doodshoofd
op gekruiste beenderen er onder; op het voetstuk staan de namen der drie kardinalen-
erfgenamen.
Dit transept droeg tot dusverre weinig versieringen, maar de liefde en de vereering
van de goloovigen der gansche wereld heeft het doen opluisteren op eene wijze, die
eene schitterende getuigenis aflegt van de groote offervaardigheid en van do liefde
der getrouwe vereerders van den grooten Paus, die tijdens zijn leven en zelfs na zijn
dood, hot voorwerp was van den felsten haat, maar tevens van de roerendste liefde
en bewondering.
De ruimte, waarover wij hier beschikken, laat niet toe een volledige beschrijving
te geven van de heerlijke versiering van liet transept en een halve beschrijving zou
tot niets dienen, daarom vergenoegen wij ons met het weergeven van de voornaamste
opschriften.
Op het monument leest men: Ossa et ceneres Pii Papae ix vixit a. lxxxv ; in
Pontif.: A. xxxi M vu ik xxii. Orate pro Eo. (Hoenderen en asche van Paus Pius
IX, hij leefde 85 jaren waarvan 31 jaren, 7 maanden, 22 dagen als Paus. Bidt voor hem.)
Op hot voetstuk: Raphael Monaco la Valletta Joannes Simeoni Theodulphus
Mertel -- cardinales haeredes posuerunt ex testamento.
(Raphael Monaco La Volletta, Johannes Simeoni en Theodolfus Mortel, kardinalen-
erfgenamen, lieten het overeenkomstig het testament plaatsen.)
Op de fries rondom leest men do volgende grafschriften, getrokken uit do eerste
Allocutie van Z. II. Leo XIII aan bet Heilig Collego:
VlRTUTUM SUARUM 8PLENDORE          APOSTOLICAM SEDEM - ILLUSTRAVIT         UNIVER-
SAM ECCLESSIAM — AMORE ET ADMIRATIONE SUI         IMPLEVIT         PltO VERITATE ET 1U-
STITIA           INVICTO SEMPER ANIMO — CEUTAVIT          MAGNIS LABORIBUS IN CHRISTIANA
REPUBLICA ADMINISTRANDA -- EST IN EXEMPLUM PERFUNCTÜS. -
(Door den glans zijner deugden was hij een sieraad van den Apostolischen stoel.
Do geheele Kerk vervulde hij voor zich mot liefde on bewondering. Hij streed met
altijd onbezweken moed voor waarheid en recht. Hij verdroog op voorbeeldige wijzo
groote vermoeienissen in \'t bestuur van het christelijk gemeenobest.)
Op de stijlen der groote bogen loost men, ter rechten en ter linkerzijde, latijnsche
opschriften, waarvan wij kortheidshalve alleen do vertaling zullen geven.
I. Do II. Vader Pius IX hoeft bij testament begraven willen worden in deze basiliek
-ocr page 190-
HET CHRISTELIJKE ROME.
165
en dat wel in de nis tegenover den steen, die reeds geheiligd was door het bloed van
den roemrijken leviet, den H. Laurentius; onder bepaling dat op zijn grafmonument
een doodshoofd in plaats van zijn adellijk wapen zon gebeiteld worden en mot het graf-
schrift door hem zelven opgemaakt, en dat de kosten de som van 2000 francs niet zonden
te boven gaan.
II. De katholieke wereld, de nagedachtenis van den H. Vader Pius XI met al hare
zegeningen en al haar dankbaarheid omgevende, liet door gemeenschappelijke offers
zijn grafplaats geheel en al versieren; Leo XIII, zijn opvolger, heeft haar nog meer
verheerlijkt door de lofprijzingen, die hij ten zijnen opzichte heeft geschreven; het werk
werd in \'t jaar 1888 voltooid.
Tegenover het monument bevinden zich twee zeer uitgebreide opschriften, heteene
de verkorte levensgeschiedenis van den overleden Paus bevattende; het tweede ver-
meldende do voornaamste gebeurtenissen van zijn pauselijk bestuur, zooals: het dogma
van de Onbevlekte Ontvangenis; de wijding van do nieuwe Basiliek van den II. Paulus
buiten de Muren; het Vaticaansch concilie en het dogma van de onfeilbaarheid; de
Syllabus; bezetting en nieuwe oprichting van bisschoppelijke zetels; het eeuwfeest van
den marteldood dor II. H. Petrus en Paulus; zijn priesterlijk en bisschoppelijkjubiliee
en die in de kerkgeschiedenis eenige gebeurtenis van zijn vijf en twintig-jarig pausschap
benevens de vermelding van de overbrenging van zijn stoffelijk overschot in den nacht
van 13 Juli 1881 naar deze plaats, bonevens do gebeurtenissen deze overbrenging ver-
gezellende. Wij zullen het bij deze korte vermelding laten en niet den langen tekst van
deze beide opschriften overnemen.
In do onmiddellijke nabijheid van San Lorcnzo bevindt zich het nieuwe kerkhof van
Rome, aangelegd op het Campo Verrano, geheiligd door de lichamen van zoovele
martelaren uit do eerste eeuwen der Kerk. Geen enkele katholiek en geen enkele
Nederlander, voorzeker, zal nalaten een bezoek te brongen aan dit kerkhof, waar
Pius IX oen marmeren gedenkteeken van achthoekigon vorm liot oprichten ter nage-
dachtenis dor Pauselijke soldaten, die in zijn dienst en voor do verdediging van de
rechten van den H. Stoel, hot leven lieten. De vertaling van het latijnsche opschrift
luidt: „Aan de dappere soldaten, ingeborene zoowel als vreemde, die in het jaar 18G7
in vele gevechten voor den godsdienst en voor het behoud van Rome strijdende, hun
leven en bloed ten beste gaven, wilde Paus Pius IX dat dit gedenkteeken werd op-
gericht, opdat de heilige en gewijde gedachtenis van zijn dankbaarheid tegenover zijn
hoogst verdienstelijke zonen en van hunne dapperheid voor de nakomelingschap be-
waard bleef." Eenige spreuken uit het boek der Machabeën en de namen der gosneu-
veldcn vullen de andore zijden van het gedenkteeken aan. De namen van Xioolaas
Heijkamp, Pieter Jong, Godfr. van Ravenstein, Jacobus Schrama, Rongenaar. Franc,
van den Room, Joh. Step. Crone, Ant. Otten, Hend. Rakker, Androas Scholten, Kd.
van Rambost, H. v. d. Dungen, Sim. Franken, Jac. van Hees, Ed. Ileymans, Hend. v.
Hooren, Joh. Huybers, Jac. Melkert, Corn. Pronk, Hend. Roemers, Joh. Vlemminckx,
Joh. Vogelaar, Joh. Zandvliet, wijzon er op dat Nederland ruimschoots de schatting
van zijn bloed aan de zaak van God on Kerk hoeft betaald. Na do inneming van
Rome hadden do Italianen do onbeschaamdheid onder die namen de woorden vreemde
huurlingen
te plaatsen, door welke woorden zij zich zelven voor alle eeuwen het
brandmerk van laagheid op het voorhoofd hebben gedrukt.
-ocr page 191-
1G6                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
BASILICA Dl SAN SEBASTIANO BASILIEK v./d. SEBASTIANUS
BUITEN DE MUREN.
Een constante overlevering, die door een aantal onwraakbare documenten eene
historische waarheid is geworden, zegt, dat de lichamen van de H.H. Apostelen Petrus
en Paulus een zekeren tijd gerust hebben op een plaats, tusschon de tweede en derde
mijlpaal op den Appischen weg, die later genaamd werd ad catacumbas. Wanneer de
Apostelen daar begraven of verborgen werden, is niet met zekerheid bekend; volgens
eenigen zou het kort na hun marteldood, volgens anderen in de tweede helft der derde
eeuw zijn geweest, misschien wel om deze roemrijke overblijfselen aan eeno schending
misschien aan een roof te onttrekken. Op dezelfde plaats werd ook het lichaam van
den II. Sebastianus ter ruste besteld, nadat hij, op bevel van Diocletiaan, door do
Arabische boogschutters door pijlschoten van het leven was beroofd en zijn lichaam
door de II. Lucina in veiligheid was gebracht. Later, in de 4e eeuw, waarschijnlijk
onder paus Damasus (366 384), werd daar de thans nog bestaande basiliek gebouwd
Eeuwen lang heeft men gemeend dat de tijdelijke begraafplaats der beide Apostelen
de zoogenaamde Platonia was, eene ruime halfcirkelvormigo en half-onderaardsche
kamer in het zuid*westen van do kerk van Sint Sebastiaan en bij de apsis; maar de
opgravingen van den 12 Januari 1892 door Mgr. de Waal, den bekenden directeur der
Anima te Homo, hebben deze meening doen veranderen; een jaar later toch, den 26
Januari 1893, ontdekte deze oude opschriften ter eere van den H. Quirinus, wiens ge-
beente, omtroeks het jaar 400, na de invallen der barbaren uit Siscia, in Pannonic, naar
Rome werden overgebracht en in Sint Sebastiaan bijgezet. De beroemde, voor een
viertal jaren overleden christelijke oudheidkundige J. B. de Rossi, had reeds vroeger
in de aangrenzende Katakomben van St. Callistus de afbeelding van dezen heilige in
de nabijheid van het graf der H. Cecilia ontdekt, maar de plaats van zijn graf was
onbekend gebleven, ofschoon de oude reisgidsen daarvoor reeds ongeveer de plaats
hadden aangeduid, die nu door do ontdekking van Mgr. de Waal als zeker werd be-
wezen. Deze ontdekking heeft dus de oude meening, dat do graven dor Apostelen in
de Latonia moesten gezocht worden, als onwaar aangetoond en de Christelijke oudheid-
vorschers voor dit andere vraagstuk geplaats, waar die begraafplaats geweest is. Do
schrijver van een archeologische studie in de Civ. Catt. l) meent, op grond van oude
bescheiden, dat do graven der beide apostelen moeten geweest zijn ter weerszijde van
een altaar dat eertijds in \'t midden van de kerk stond, maar bij latere restauratie naar
de kapel van den II. Sebastianus is verplaatst, omdat hot in hot midden der kerk hin-
derde. Aan weerszijde van dit altaar was een opening mot een ijzeren traliewerk ge-
sloten, en deze openingen worden in bedoelde bescheiden aangegeven als do plaatsen
waar do lichamen der beide Apostelen verscheidene jaren gerust hebben.
Wij moeten ons tot deze korte mededeelingen beperken, maar zij zijn noodzakelijk
omdat alle reisgidsen en boeken over Rome, zelfs die van de laatste jaren, deze en
verschillende andere onjuiste inlichtingen over een aantal bijzonderheden van Rome
mededeelen. Wij hadden reeds meermalen gelegenheid dergelijke onjuistheden te
herstellen; want de onafgebroken vorachingen der christelijke oudheidkundigen, de
nieuwe opgravingen, nieuw ontdekte bronnen en bescheiden hebben reeds menige
1) Aflever, van 13 Mei 1895 blz. 4G6.
-ocr page 192-
HET CHRISTELIJKE ROME.
167
duistere zaak opgehelderd en meer dan eene eeuwenoude meening gewijzigd, aangevuld
en zelfs te niet gedaan. Menige liefelijke legende is daardoor ook voor altijd ver-
dwenen, maar hier geldt, moer dan ergens anders, de leuze, dat de waarheid boven
al moet gaan. Deze waarheid kan wel eene legende vernietigen, een eeuwenoude en
door de traditie als \'t ware geijkte meening veranderen, maar zij zal ook veel onzekers
verdrijven of op de vaste grondslagen der onomstootbaarheid plaatsen. De zaak van
Godsdienst en Kerk kan door de waarheid slechts winnen.
De vestibule van de basiliek prijkt met zes fraaie kolommen van Oostersch graniet;
de kerk zelve bezit slechts een beuk, en wijkt dus af van den algemeen aangenomen
bouwtrant der basilieken, die drie of vijf beuken bezitten. De Ie kapel rechts van
den ingang bevat het hoofd van St. Callistus en don steen waarop de Zaligmaker bij
„Domino quo Vadis"\' \') den indruk zijnor vooten liet, de kolom waaraan do II. Sobas-
tiaan bij zijn marteldood gebonden en een der pijlen, waarmede op hem geschoten
werd. In do 4e kapel rechts, vereert men het hoofd van den II. paus en Martelaar
Fabianus; do 4e kapel links is aan den H. Sobastiaan toegewijd, wiens lichaam onder
het altaar rust; het beeld van den II. Martelaar werd gebeiteld door AntonioGiorgietti
naar do teekening van Bernini. Links van deze kapel bevindt zich de ingang naar
de beroemde kntacombe van St. Callistus, die geen enkele Katholiek verzuimen zal te
bezoeken, onder leiding van de E.E. paters Capucijnen, die de kerk bedienen en de
hoede der Katacombo hebben.
3. DE KERKEN AAN DE II. MAAGD GEWIJD.
De Romein heeft ten allen tijde eene buitengewone vereering en liefde tot de II.
Maagd (do Madonna) aan den dag gelegd, en van deze grooto liefde geven het aantal
kerken, een dertigtal, aan Haar gewijd, een schitterend bewijs. Aan de voornaamste,
de St" Maria Maggiore, hebben wij reeds onze aandacht geschonken; wij zullen nu
ook de meest bekende onder de andere een bezoek brengen.
St" Maria in Trastevere (O. L. Vr. in Transtevere) is ongetwijfeld de oudste kerk
van Rome. Op de plaats waar zij verrijst, bevond zich, onder het oude Rome, de
Taberna Meritoria, oen soort invalidenhuis voor oude en verminkte soldaten die zich
in de oorlogen onderscheiden hadden, en nu op kosten van het Rijk onderhouden
werden. Toen hot later in een soort herberg was veranderd, kochten de Christenen
het en werden zij door keizer Alexander Severus in het bezit er van bevestigd, toen dit
hun door de omliggende herbergiers bestreden werd. Paus Callistus richtte daar in
224 een kleine kerk op, het eerste openbare christelijke bedehuis dat Rome rijk was.
De eerste Christenen stelden hoogen prijs op het behoud van dien grond, omdat daar
\') Eeii vroome legende verhaalt dat de H. Petrus, waarschijnlijk gehoor gevende aan de bede zijner
kudde (zooals later ook de H. Cyprianus deed), Home verliet om aan de vervolging van Nero te ont-
snappen. Op den Appischen weg gekomen kwam hem de Zaligmaker tegemoet, zijn kruis op de schonden
dragende. „Domine quo vadis?" Heer, waar gaat gij heen? vroeg Petrus. Ik ga naar Rome om mij
opnieuw te laten kruisigen" was het antwoord. Petrus begreep wat de Heer van hem verlangde en
keerde naar Rome terug, waar hij weldra, evenals zijn goddelijke Heester, den kruisdood stierf. Op do
plaats waar de Zaligmaker bleef stilstaan, bewaarde de steen de indrukken zijner aanbiddelijke veeten
en \'t is deze steen die in St. Sobastiaan bewaard wordt. Op de plok, waar deze ontmoeting plaats had,
werd later een kerkje gebouwd, dat de naam „Domme quo vadis" nog lieden draagt. Het ligt slechts
een tiental minuten buiten de poort van St. Sobastiaan.
-ocr page 193-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
1(58
onder de regeering van Augustus uit den bodem een fontein van olie ontsprong, die
den geheelen dag zoo rijkelijk vloeide, dat de olie tot in den ïiber stroomde. De
christenen zagen later in deze wonderbare gebeurtenis een voorspelling van do geboorte
van Christus, den Gezalfde, en kochten den grond, zooals boven gezegd is. Onder
aan den trap dor kerk ziet men rechts in den bodem, een met traliewerk afgesloten
opening, waarboven men leest: Fons o/ei, de oliefontein. Rechts daarvan staat: Hinc
olcum fluxit rum Christus virgine huif.
(Hier vloeide olie, toen Christus uit een
Maagd geboren werd). Links: Nascitur hinc olcum, Deus ut de Virgine: utroque
Olco Sacrata est Roma terrarum caput.
(Hier stroomde do Olie, toen God uit een
Maagd werd geboren: door deze dubbele zalving is Rome tot Koningin der wereld
gewijd).
Nog verschillende andore opschriften in de kerk duiden op dezelfde gebeurtenis,
die ook door de heidensche schrijvers wordt bevestigd. In 1139 ondernam paus Inno-
centius II de restauratie der kerk, totdat paus Nicolaas V haar bracht in den staat
waarin zij tot ons is gekomen; later voegde paus Clemens XI er den portiek aan toe,
die door vier kolommen van graniet gedragen wordt. Op den gevel ziet men nog
de mozaïeken uit den tijd van Innocentius II, terwijl de portiek eenige oude en zeer
belangrijke opschriften heeft aan te wijzen.
\'t Is een zeer fraaie kerk met drie beuken, door 21 zware granieten kolommen
van elkander gescheiden, terwijl vier andere een groot architraaf dragen: de kapitoelen
zijn deels van Corinthische, deels van jonische bouworde; vooral de laatste zijn zeer
fraai en schijnen afkomstig te zijn van een ouden aan Isis en Scrapis gewijden
tempel. De vloer bestaat uit porfier, serpentijn en andere kostbare marmersoorten. Aan
de zoldering bewondert men een fraaie Hemelvaart van Maria door Domenichino; do
kapel aan hot einde van de rechter zijbeuk is eveneens naar do plannen van denzelfden
Meester gemaakt. Het vrijstaand hoofdaltaar heeft een door vier porfieren kolommen
gedragen baldakijn. Do apsis is mot mozaïeken versierd, waarvan die, de II. Maagd
en verschillende heiligen voorstellende, van omstreeks hot jaar 1143 dagtookencn; de
andere zijn van veel lateron tijd. Onder de grafmonumenten bevinden zich die van
Lanfranco en van Cirio Ferri, twee zoor gewaardeerde schilders, en van Giovanni
Rottari, die zich in de letteren een goeden naam had verworven; verder dat van den
kardinaal d\'Alcncon.
St" Maria ad Martykes, o dem.a Rotonda. (O. L. Vrouw dor Martelaren of van
de Rotonda). Hot Pantheon, thans in do bovengenoemde kerk veranderd, is zeker
een der merkwaardigste en best bewaard gebloven bouwwerken van het heidensche
Rome, ofschoon het niet moor prijkt in den vollen glans der voormalige pracht en
van den rijkdom van zijn bronzen en andore versierselen. Te oordeelen naar het
opschrift op de fries M. AGRIPPA. L. F. cos. TERTIVM. Fecit. werd het door Marcus
Agrippa, zoon van Lucinus, toen hij voor de dorde maal consul was, gebouwd, ofschoon
niet weinige oudheidkundige beweren dat alleen do portiek het werk van Agrippa is,
terwijl de ronde bouw behoord zou hebben tot do badstoof (termen) van Agrippa, die
er naast lag. Wij zullen ons bij dezen strijd onder oudheidkundigen niet ophouden \')»
\') Een nauwkenrige beschrijving on beredeneerde verhandeling over hot Pantheon gaf in 1K05
Giovanni Eroli uit, onder don titel: Raccolta generaio delle iscrizioni pagane e cristiane esistite e esis-
touti nel Pantheon di Rome, precoduta da breve ma compinta storia di esso edificio. Xarui, tipofrrafia
Petrignani.
-ocr page 194-
HET CHRISTELIJKE ROME.
169
maar hot meest algemeen aangenomen gevoelen volgen, dat Agrippa, in het jaar 727
van Rome, het jaar 26 voor de Christelijke jaartelling, de stichter van dit beroemd
bouwwerk is geweest. Over do ware beteekenis van het woord Pantheon is ook
gestreden, maar daar het behalve aan Cybele, ook aan Jupiter, Venus, Mars en
andere goden was gewijd of althans de beelden van dozen bevatte, ligt do beteekenis
..Aan alle goden gewijd" voor de hand, ofschoon anderen meenen dat het dien naam
ontving van den ronden vorm van het gewelf, die aan het hemelgewelf herinnerde.
Hoe stevig ook gebouwd (de muren zijn ongeveer 7 meter dik) werd het Pantheon
toch herhaalde malen onder Titus en Trajanus door branden zwaar geteisterd en
gerestaureerd door Domitianus, Hadrianus, Antoninus Pius, Septimus Severus en
Caracalla, zooals inschriften op don architraaf melden. Na het jaar 202 vindt men er
geen gewag meer van gemaakt voor het jaar 354, toon Constantius Augustus het
bezocht. Na 391 werd het, evenals vele andere heidensche tompels, gesloten, totdat
keizer Phocas het in 603 aan paus lïonifacius IV afstond, die hot in een kerk veranderde
en toewijdde aan de H. Maagd en aan de II. Martelaren, vanwaar het den naam
Sla Maria ad Martyres verkreeg. In dien tijd bevond het zich in beteren staat van behoud
dan tegenwoordig, daar het dak en de koepel nog hunne bronzon bedekking hadden, die
Constans II, keizer van Constantinopel, in 663 er aan ontnam en met zich voerde, zoodat
zij later in handen der Saracenen kwamen en voor altijd verloren gingen. Greogorius III
verving in 713 deze geroofde bronzen bedekking door een van lood. Do onrustige tijden,
die Rome in de 14,lc en 15<le eeuwen doorleefde, waren voor hot Pantheon zeer nood-
lottig, zoodat omstreeks 1400 reeds de drie kolommen van de oostzijde van den por-
tiek ontbraken en dak en koepel van hun looden bedekking ontdaan waren. De grond
van Rome was bovendien allengs zóó opgehoogd, dat de voetstukken der kolommen
er onder bedolven waren. Martinus V, Eugenius IV en Nicolaas ondernamen cenige
herstellingen; de laatste bracht wederom een looden dakbedekking aan. Urbanus VIII
bracht in 1634 het kapiteel aan en liet de twee klokketorens bouwen, die nu gelukkig
weer afgebroken zijn in do restauraties, in de laatste jaren ondernomen; daarentegen
had de zelfde Urbanus VIII twee jaren te voren, in 1632, do bronzen balken van het
dak van den portiek weggenomen, om er de gedraaide kolommen van do Confessie
van St. Pietcr van te maken en er kanonnen voor do Engolonburgt van te gieten. In
den loop der eeuwen waren allerlei kleine gebouwtjes togen do buitenmuren van het
Pantheon aangebouwd, terwijl het daarvoor liggende plein tot groentemarkt diende;
maar dat alles is nu verdwenen of zal weldra verdwenen zijn, on dan zal het Pantheon,
vrijgemaakt van alle belemmeringen, ontdaan van de twee torens die het ontsierden,
hersteld, on zooveel mogelijk teruggebracht tot zijn eerste gedaante, weer als oen der
merkwaardigste bouwwerken uit don oud-Romoinschen tijd zich aan do blikken vortoonen.
Do kerk, zooals zij nu is, schijnt uit vier verschillende doelen te bestaan; een recht-
hoekige portiek met eenzelfde voorhal of voorschip (pronao), do ronde eigenlijk ge-
zegde tempel {cella rotonda), en daarachter wederom een rechthoekig gedeelte. De
prachtige en sierlijke portiek bezit zestien zullen uit één stuk, zoogenaamde monolieten,
waarvan cenige van grijs of rood Egyptisch graniet van Elba zijn; acht daarvan bo-
vinden zich in front, twee aan elke zijde en vier in \'t midden, telkens twee tegenover
elkander. Zij dragon een marmeren kornis, opwelker fries in een enkelen regel het op-
schrift staat, dat den naam des stichters vermeldt. Onder dit leest men hot half vervallen
opschrift dat de vroeger vermelde restauraties door de Rom. keizers aangeeft. De
-ocr page 195-
170                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
timpaam vertoont een aantal gaten, die waarschijnlijk gediend hebben ter bevestiging
van een thans verdwenen basrelief. Op den portiek volgt de voorhal, eertijds schit-
terend van wit marmer, dat door den tijd en andere stoorend inwerkende oorzaken
grootendeels zijn glans verloren heeft. De wanden zijn versierd met zestien pilasters
van wit marmer, die elk zeven groeven of canelluren hebben; tusschen de pilasters
zijn vakken van grieksek marmer, met half verheven ornamenten van bloemen- en
vruchtenslingers, die evenwel zeer veel geloden hebben. Van do voorhal treedt men
door een bronzen deur de cclla rotonda, don eigenlijken tempel, binnen. Do posten,
waarin deze deur zich bevindt, zijn uit een enkel stuk parisch marmer; de architraaf
is fraai bewerkt, terwijl do kornis zich tot de zelfde hoogte verheft als de zuilen van
de voorhal. De twee vleugels van de bronzen deur hebben elk aan den kant twee
jonische pilasters, met zeven bronzen groeven; elke vleugel mot vijf vakken tusschen
effen gedeelten en versierd mot 213 grooto bronzen nagelen, waarvan de kleinste effen
en van kegelvormige gedaante, de groote, daarentegen, sierlijk gegraveerd en van ronden
vorm zijn. Men zegt dat het gewicht deze spijkers meer dan negenduizend oude
pondon bedraagt on het geheele gewicht der deuren meer dan vierhonderd vijftig
duizend oude ponden. De kerk is, zooals wij roods gezegd hebben, zuiver cirkelrond
on doze gedaante heeft haar dan ook don naam van dclla Rotonda doon geven; de
middellijn ervan is ongeveer 44 meter; het dak is koepelvormig, meteen groote ronde
opening in \'t midden, waardoor men vrij den blauwen hemel kan aanschouwen en die
do eenige gelegenheid is waardoor licht in de kerk dringt, maar waardoor ook het
regenwater vrij naar binnen kan stroomen.
Eroli toont, volgens ons op goede gronden aan, dat de groote bronzen pijnappel, die
zich thans op een der pleinen binnen het Vaticaan bevindt, en die sommigen meenen dat
vroeger het Mausoleum van Hadrianus bekroonde, onder deze opening heeft gehangen.
Volgens gemelden oudheidkundige zou liet Pantheon in hoofdzaak toegewijd zijn geweest
aan Cybele, de Moeder der Goden, en zou haar beeld in \'t midden van den tempel,
onder de gemelde opening in het gewelf hebben gestaan, terwijl de nissen, langs de
muren, de beelden van andere goden en voornamelijk die van Jupiter, Venus, Mars
enz. bevat hebben. Om nu het beeld van de Moeder dei\' Goden voor het invallende
regenwater te beschutten, had men er dezen pijnappel boven gehangen, zoodat het
water daar langs gleed en terecht kwam in don eonigszins verdiept toeloopenden steen
onder de opening, die voor den afvoer van het hemelwater was aangebracht. De
pijnboom was aan Cybele gewijd, zoodat doze veronderstelling niets onwaarschijnlijks
heeft. Eroli beroept zich verder op een manuscript van een kanunnik der kerk, dat
geruimon tijd in do sacristie werd bewaard en waarin o. a. de volgende zinsnede voor-
komt: In medio cantari est pincet, aerea quae fait coopertorium cum sinino (sic) aerco
el deaurato super statuam Cibclis, matris Deorum in foraminc Pantheonis etc.
In
\'t midden van de fontein (die paus Symachus bij St. Pieter liot oprichten) bevindt zich
do bronzon pijnapel die tot bronzon en vergulde overdekking diende boven het beeld
van Cybele, de moeder der Goden, onder de opening van het Pantheon). In den muur
bevonden zich zes nissen, waarin do beelden dor voornaamste goden stonden, terwijl
nog andere boeldon als \'t ware oen eorewacht om do moeder der goden vormden.
Elke kapel of nis werd door twee gegroefde zuilen van geel marmer, negen motor hoog
en met bronzen kapiteelcn, van de middenruimte gescheiden; zij droegen hot taflement
van wit marmer dat rond het cirkelvormige gedeelte liep en door een fries van porfier
-ocr page 196-
HET CHRISTELIJKE ROME.
171
gedekt was. Boven het taflement liep oen atlica, met veertien blinde vensters er in,
waarin bronzon cariatiden waren, en die het gewelf droeg.
Inwendig heeft deze prachtige tempel weinig van haar luister verloren en het was
zeker een zeer gelukkige gedachte om het heiligdom dat eertijds was gewijd aan de
moeder der goden, te wijden aan de Moeder Gods en deze te omringen door een breede
schaar van martelaren, die helden der christelijke Kerk. In 830 wijdde Gregorius hem
toe aan allo heiligen en stelde toon ook een vasten feestdag voor hen in, die nog
heden ten dage don lst,!n November gevierd wordt. Do naam St. Maria ad Martyres
of della Rolonda bleef de Kerk evenwel bij. Tegenover den ingang, daar waar eertijds
het boeld van Jupiter stond, bevindt zich nu het hoogaltaar. Het midden van de apsis
is versierd met een basrclief van majolica, de Hemelvaart van Maria voorstellende,
door engelen omringd, een werk dat aan Luca della Robbia wordt toegeschreven.
Daaronder is een kist, waarop geschreven staat Reliquie Sanetorum, en die, zooals
de woorden aanduiden, een groot aantal relieken van Heiligen bevat. Rechts is oen
schildering, den II. Bonifacius IV voorstellende met de Rotonda op do hand. In de
eerste nis rechts, bij do apsis, is de kapel genaamd S. Maria del Sudario e di S. Nicola.
Daarnaast is het altaar del Crocifisso ; dit crucifix, dat men zegt uit wit cederhout ge-
sneden to zijn en door veel wonderen beroemd is, staat in hooge eer bij \'t Romeinsche volk ;
onder dit altaar bevindt zich de kast waarin eertijds de II. Zweetdoek werd bewaard,
die zich thans in St. Pieter bevindt. Ter linker is een altaar mot een zeer fraaie beeltenis
van de H. Maagd met het Kind Jezus, tusschen den II. Johanncs den Dooper en don
H. Franciscus geplaatst en Madonna della Clcmenza genaamd. Daarna volgt het altaar
met het schoone beeld van de Madonna del Sasso (O. L. Vrouw v. d. Steen), aldus
genaamd omdat de H. Maagd met een voet op een steen rust. Onder dit altaar ligt
do beroemde schilder Rafaël Sanzio van Urbino begraven; oen waardige rustplaats
voor hem die de kunst met zoovele heerlijke Madonna\'s heeft verrijkt. Dit graf werd
den I4de" September 1833 ontdekt. Een weinig verder bevindt zich een beeltenis der
II. Maagd, dat aan den II. Lucas wordt toegeschreven. Het heeft veel overeenkomst
met het beeld in S. Maria Maggiore dat, zooals wij gezien hebben, eveneens door den
II. Lucas geschilderd heet te zijn. Ook hier is de H. Maagd in een gewaad gehuld dat
tevens tot hoofdbedekking dient, met een kruisje op het gedeelte dat op hot voorhoofd
afhangt en een ster op den rechter schouder. Het Jezuskind, op de armen der II. Maagd
gedragen, heft eveneens de vingers der rechterhand zegenend op; de linkerhand draagt
evenwel geen boek. De kapel van den H. Jozef, dclla Terra Santa genaamd, bezit
onder het altaar een kist, inhoudende aarde van de Heilige Plaatsen to Jerusalem, waar-
van zij dezen naam ontvangen hooft. Behalve dezo kapellen on altaren bezit do kerk
er nog andere minder merkwaardige, waarbij wij ons niet zullen ophouden.
Niot ton onrechte is deze kerk aan de H. Martelaren en aan alle Heiligen toegewijd,
die als een eerowacht van holden do Koningin dor Martelaren on der Heiligen omringen,
want zij bezit eon waren schat van relieken en kostbare reliekschrijnen. Eens bezat
zij ook, zooals wij reeds zeiden, den II. Zweetdoek, die thans in St. Pieter wordt bewaard.
Zoo bevinden zich onder een der altaren do lichamen van de H.H. Rasius en Anastatius,
in 1074 bij een restauratie van hot hoofdaltaar teruggevonden ; verder relieken van
hot II. Kruis, van de H.H. Apostelen Petrus en Paulus, een gedeelte van het gewaad
der II. Maagd on van den mantel van den II. Josof, van de meeste Apostelen, van
ontelbare martelaren en martelaressen, van de H. Anna, te samen eene lange lijst uit-
-ocr page 197-
172
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
makende, die men bij Eroli in haar geheel kan naslaan. „Evenals Mozos voor het
brandende braambosch zijn schoeisel aflegde, zegt Mgr. Gaume in zijn Trots Romes,
zoo ook zonden wij willen, dat een ieder zulks deed, die het Pantheon binnentreedt;
immers hier, waar eenmaal het heidendom al zijne goden kwam huldigen en aanbidden,
daar rusten nu de overblijfselen van tallooze martelaren: overal, geheel de Rotonda
door, ligt dat gewijd gebeente eerbiedig bewaard." - - Deze heilige en gewijde plaats
werd evenwel ontwijd door do bijzetting van het lijk van Victor Emmanuel II, den
overweldiger van Rome. De voorloopige bijzetting had plaats den 17\'len Januari 1878
in de kapel van den II. Rasio. Den 9den Januari 1884 had evenwel de definitieve over-
brenging plaats in het praalgraf dat opgericht was in de voormalige kapel van don
II. Geest, die daardoor geheel aan \'t gebruik van den godsdienst onttrokken is. Deze
laatste bijzetting droeg, zooals Z. II. Loo XIII zeide, een waarlijk sectarisch karakter,
daar bij deze overbrenging elke godsdienstige handeling was uitgesloten en de altaren,
van al hun tooi ontdaan als op een Goeden Vrijdag, aan do Kerk als \'t ware het
karakter van het heidensche Pantheon teruggaven. De Koning des hemels, zegt Eroli,
moest plaats maken voor een aardschen Koning. Het graf van Victor Emmanuel II,
bestaat uit een bronzen tombe, gekroond door een adelaar mot uitgebreide vleugels;
op do tombe opschriften. Aan weerszijde een groote bronzen kandelabre. Het geheel
is niet zonder verdienste, maar te plomp en te zwaar in deze omgeving. Do sectarissen
van het Nieuwe Koninkrijk Italië hadden het Pantheon gaarne willen ontwijd zien tot
oen begraafplaats voor de „holden en staatslieden die het óeno Italië hebben gemaakt";
gelukkig, evenwel, is het eerbiedwaardig kerkgebouw tot dusverre aan dergelijke ont-
heiliging ontsnapt; om de Garibaldi\'s, do Mazzini\'s, de Cavour\'s enz. te vereoren, moeten
de sectarissen naar elders hun schreden richten. —
STA Maria Sopra Minehva, gewoonlijk kortweg de Minerva genoemd, ligt in de
onmiddellijke nabijheid van het Pantheon, zij ontleent haar naam aan de plaats waar
zij met het bijbehoorende klooster gebouwd is en die vroeger behoorde tot den tempel
van Minerva, dien Pompeus na zijne overwinningen liet oprichten. In de onmiddellijke
nabijheid moet ook een aanzienlijk heiligdom van de Egyptische goden Isis en Serapis
gestaan hebben, zooals do talrijke voorwerpen aanduiden aldaar bij verschillende op-
gravingen gevonden : zooals de Obelisk die zich op den rug van oen Olifant op het
plein voor de Kerk verheft; de obelisk die de fontein op het plein van het Pantheon
versiert; een altaar van Isis en de twee beroemde beelden den Tibor en den Nijl voor-
stellondo, waarvan het eerste zich te Parijs in hot Louvro en het tweede in hot
Vaticaan bevindt; de twee leeuwen van zwart bazalt in het Vaticaansche museum en
de twee leeuwen aan den voet van hot Kapitool, die allen ten tijdo van paus Alexander
VII (1GG5) in den tuin van het Klooster worden gevonden. In don loop van hot jaar
188:{ hooft men nieuwe opgravingen gedaan en bij do kleine deur van de Kerk in do
Yia S. Ignazio een fraaie sfinx van zwart bazalt, twee granieten kolommen, een honds-
kopaap (in Egypte als godheid vereerd) en nog veel andere voorwerpen van Egyptischen
oorsprong gevonden, o. a. nog een obelisk, gelijk aan dien van het Pantheon, een
lofrede op Ramses II bevattende.
De Kerk van de Minerva is oen dor rijkste wat hare kunstschatten aanbetroft; zij
bezit do prachtige praalgraven van Loo X, Glemens VII, Benedictus XIII, Urbanus VII,
Paulus IV, van Guillaume Durand, van Paulo Manuzio, don zoon van den beroemden
Italiaanschen boekdrukker Aldo, en zelf letterkundige en boekdrukker der 18en eeuw,
-ocr page 198-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           \\Ti
en van fra Giovanni Angelo di Fiesola, gewoonlijk fra Angelico genoemd, den heer-
lijken en beminnelijke!] schilder van verrukkelijke Madonna\'s en Engelen, die hij, naar
men zegt, knielende schilderde. Van zijn bewonderenswaardig penseel bezit men aldaar
een altaarstuk in de groote Kapel van het transept, aan den II. Thomas van Aquine
gewijd en toebehoorende aan het geslacht Caraffa van Napels. Het leven en de werken
van den II. Thomas zijn geschilderd door Lippi van Florence, terwijl het gewelf van
Raffaellino del Clarbo is. In de kapel van den H. Raimondus vertoont men een crucifix
dat door (liotto is gemaakt. In de Kapel van den II. Rozenkrans zijn de vijftien
misteriën geschilderd door de hand van Marcello Venusti, terwijl het leven van de
II. Gatharina van Siena van Giovanni de Vecchi, de Doornenkroning van Carlo Veneziano
en de heerlijke Madonna op het altaar van fra Angelico zijn. Onder het koperen
hoogaltaar rust het lichaam van de II. Catharina van Siena, gekleed in het habijt dei*
Dominicanessen, tot welker orde zij behoorde. De II. Gatharina van Siena is een der
bewonderenswaardigste figuren in de geschiedenis der Kerk. Van onbemiddelde ouders
afstammende en zelve ongeleerd en ongeletterd, stond zij in briefwisseling met vorsten
en pausen en was zij niet zelden de raadgeefster dezer laatsten. Zij had nooit leeren
schrijven maar deze kunst werd haar op een wonderbare wijze geschonken toen zij
eens probeerde de pen op \'t papier te zetten, en van dat oogenblik schreef zij zelf
hare bewonderenswaardige brieven. Vooral aan haar aandringen had men het te
danken dat de pausen, na zeventig jaren te Avignon gezeteld te hebben, naar Rome
terugkeerden, zoodat zij ook wel do Jeanne d\'Arc van hot pausdom wordt genoemd.
Achter het hoofdaltaar bevinden zich o. a. de graftomben van Leo X en (\'lemcns VII
Rechts van dit altaar, tegen den peiler, bewondert men een prachtig beeld van den
Zaligmaker, het kruis vasthoudende, een werk van den onsterfelijken Michelangelo.
Behalve genoemde grafmonumenten en kunstwerken bezit deze kerk er nog meerdere,
waarvan do gewone reisboeken de bijzonderheden bevatten.
In het aangrenzende klooster bevond zich do beroemde Bibliotheek van Casanata,
aldus genoemd naar deszelfs stichter Kardinaal Girolomo Casanata; zij was de rijkste
van Rome in gedrukte werken, waarvan zij 200000 deelen bevatte, zooals de Vaticaansche
Bibliotheek de rijkste in handschriften is. Do Italiaansche regeering hooft deze bihli-
otheek geconfiskeerd of geannexeerd, al naar men het noemen wil.
Op het Minervaplein (Piazza della Minorva) de via della Pallombella inslaande,
komt men op het plein van den II. Eustachius, waar zich de kerk bevindt aan dozen
roemrijken Martelaar gewijd, wiens lichaam, bonovens die zijnor ochtgenoote on hunne
boido zonen, in de fraaie antieke urne onder liet hoofdaltaar rusten; zijn marteldood
wordt afgebeeld op een schilderstuk in hot koor, door Francosco Fernandi.
Op dit plein bevindt zich het beroemde Romeinsche College dat, naar het opschrift
in het venster boven do poort: Initium Sapientiac Ti/nor Dom lui (de vroeze dos
Hoeren is hot begin der wijsheid), algemeen onder den naam van SAPIENZA bekend is.
Het word op \'t einde der Vic eeuw gesticht door Paus Bonifacius VIII, maar het togen-
woordigo gebouw werd volgens de plannen van Michelangelo door Loo X opgericht,
terwijl het door latere pausen, o. a. door Urbanus VIII en Alexander VII word
vergroot; de laatste voegde er de Kerk en do bibliotheek bij, maar alle pausen hebben
hunne groote belangstelling in deze inrichting betoond door schenkingen. Alle weten-
schappen worden er onderwezen, (Jodgeloerdheid, wijsbegeerte, letteren, geneeskunde,
-ocr page 199-
174                         ROME IN DESZELFS VE\'11LEDEN EN HEDEN.
kortom: liet omvat alle takken van menschelijke wetenschap. De straat rechts inslaande
komt men op de IHazza Madama, waar zich het Palazzo Madavia bevindt, aldus
genoemd naar Maria de Medici, die het, eer zij Koningin van Frankrijk werd, naar
de teekening van Paulo Marucelli deed bouwen. Benedictus XIV kocht hot later en
bestemde het tot residentie van den gouverneur van Rome. Thans houdt de Italiaansche
Senaat er zijne zittingen. Het werd gebouwd op de plaats waar zich eertijds de Thermen
of Badstooves van Nero bevonden. Tegenover het paleis de straat inslaande, komen wij
bij do beroemde Pjazza Navona, waarover wij later zullen spreken, en deze rechts
overstekende in de Via dell\'Anima, waar wij de kerk STA. Maria dell\' Anima vinden.
Zij werd omstreeks 1400 gesticht uit de fondsen die een Vlaming of Nederlander, Joannes
Petrus genaamd, bij testament daartoe had vermaakt. In dezelfde eeuw nog werd zij
vergroot door Oostenrijk, en nog heden ten dage is zij vooral de kerk der Duitschers
on van de volken tot den Duitschen stam behoorende; zij bezit ook een college, ge-
woonlijk do Anima geheoten, waar Duitsche studenten hunne studiën in godgeleerdheid
en wijsbegeerte kunnen voltooien. De tegenwoordige bestuurder is Mgr. Anton De Waal,
die als schrijver en kenner der christelijke oudheid zich een welverdienden naam heeft
verworven. Het hospitaal, dat onder bescherming van den Keizer van Oostenrijk staat,
geeft herberging aan behoeftige pelgrims van Duitsche nationaliteit. De kerk bezit
eenige zeer goede schilderwerken en het graf van Karel Frederik, hertog van Kleef.
In de schatkamer wordt een arm van de II. Darbara bewaard. Niet ver van daar
bevindt zich STA. MARIA DELLA Pace (O. L. Vrouw des Vredes), door Sixtus IV gesticht
als herinnering en tot dankzegging voor den vrede tusschen de christen vorsten ver-
kregen. Alexander deed haar door Piotro da Cartona restaureeren. De kerk heeft slechts
een beuk met een achthoekigen koepel; onder eenige andere bezienswaardige kunst-
werken bezit zij in den boog van de eerste kapel rechts de bewonderenswaardige fresco\'s
van Rafaël, de vier Sybillen: die van Cumae, Perzie, Frigie en Tibur (Tivoli) voorstel-
lende. Deze fresco\'s alleen zijn een bezoek aan de kerk overwaard.
Dij de Anima do Via in Parione inslaande, komt men weldra in de via del Governo
Vecchio, vanwaar verschillende straten uitloopen op do Piazza del/a Chiesa Nuova,
waar zich de kerk van STA. Maria in Valicella, die meeer bekend is onder naam
Chiesa Nuora (Nieuwe kerk), bevindt. Eertijds bevond zich op deze plaats een klein
kerkje dat om zijn lage ligging in valicella (in \'t kleine dal) genaamd werd, maar
de II. Philippus Nerius, gesteund door Paus Gregorius XIII en KardinaalCasi, liet in
de plaats daarvan een prachtigen tempel bouwen, waartoe de beroemdste kunstenaars
van hun tijd door hun talenten medewerkten, en die voor een meesterstuk van
den nieuwen bouwstijl (der Renaissance) werd gehouden. Het prachtige front,
met zuilen van .Ionische en gemengde bouworde, is van Martino Lunghi den oude.
(\'aravaggi penseelde voor do Chiesa Nuova zijn meesterwerk de Afneming van het
Kruis,
Scipione Gaetano schilderde de Kruisiging; do Aanbidding en het Bezoek van
Maria
werden door Barocci geschilderd; Rubens, Guido lleni, d\'Arpino, Piotro da Cor-
tona, Guercino, Pomarancio, Vacca, Algardi on anderen leverden meesterstukken ter
versiering; en met het penseel wedijverde do beitel der beeldhouwers en der hout-
snijders, terwijl de bouwmeesters niet ten achter bleven in het scheppen van fraaie
werken, zoodat do Chiesa Nuova een waar kunstmuseum werd. Het eerste goud dor
Nieuwe Wereld werd gebruikt voor het vergulden der gewelven, der altaren, der ver-
sieringen van allerlei aard; zij werd, zooals een modern schrijver zich uitdrukt, de
-ocr page 200-
HET CHRISTELIJKE ROME.
175
kerk alla moda, waar de boste meesters uit dien tijd de schoonste producten van hun
genie ten beste gaven. In 1895, toen het derde eeuwfeest van den dood van den
II. Philippus Nerius gevierd is, werd de prachtige door hem gestichte kerk geheel
gerestaureerd, zoodat zij thans in nieuwen glans on luister hare kunstschatten ten
toon spreidt.
Het gewelf van het middenschip vertoont verschillende taf reeion uit hot Oude en
Nieuwe Testament, door Pietro da Cortona geschilderd; liet prachtige hoofdaltaar is
versierd met vier heerlijke kolommen van porla-sanla (1) on een rijke ciborie van
verguld brons, mot koslbaro edelgesteenten bezet. Hier bevinden zich do drie schilde-
rijen van Rubens; hot oone als altaarstuk do II. Maagd voorstellende, omgeven door
een koor van engelen, en twee zijstukkon; hot eene de H.H. Martelaren Gregorius en
Papius, het andere do II. Domitilla met de II.II. Nercus on Achillous voorstellende, die
eveneens in do geschiedenis der eerste Kerk hoog vereerd werden en hunne namen
aan tweo Katacombcn hebben geschonken.
In de eerste kapel rechts is do „Gestorven Christus", ecu copio van een der boste
werken van Michelangcld door Carravaggio; de schilderij in do derde kapel is van
Ilieionymus Muziano. Do kroning van do II. Maagd op het altaar in \'t transept is oen
zeer gewaardeerd werk van d\'Arpino, terwijl de Kapel onder het orgel, door Fontana
gebouwd, acht kolommen van zeldzaam marmer en drie zeer lofwaardige schilderijen
bezit, waarvan dat boven het altaar don II. Carolus Borromous on den II. Ignatius
voorstelt, do voorspraak van de II. Maagd afsmeekende. Do andere kapel onder
het orgel is die van den II. Philippus Nerius, wiens lichaam onder het met edelgesteen-
ten verrijkte altaar rust; de schilderij, die don II. voorstelt, is oen Mozaïek naar het
orgineel van Guido Reni, dat in het aangrenzende klooster wordt bewaard, terwijl de
merkwaardigste voorvallen uit diens werkzaam en vruchtbaar leven door Pomarancio
op \'t dook zijn gebracht. De aanbieding van Maria in den tempel, in de volgende
Kapel, is een fraai doek van Baroccio. In de Sacristie en hot aangrenzend klooster
bevonden, on bevinden zich gedeeltelijk nog, verschillende voorwerpen van den apostel
van Rome en vooral in de Kamer, eertijds door hem bewoond, worden verscheidene
meubelen bewaard dio hij in zijn leven gebruikt had. Het Oratorium van den II. Ph. N.
heeft grooto diensten aan kunsten on wetenschappen bewezen en uit het klooster kwamen
groote werken van geleerdheid voort. Do Annalen Ecclesiastici van Baronius, do
werken over christelijke oudheidkunde en do Katacombon van Bosio en tal van andore
belankrijke werken werden daar geschreven. Pallostrina besteedde zijn talent tot op-
beuring der Kerkelijke Muziek, dio in CUiesa nuova hot waarlijk christelijk karakter
herkreeg dat zij maar al te zeer verloren had ; in een woord, de II. Philippus Nerius
en hot Oratorium maakten in dien tijd van Home hot christelijk Athene. Al die grooto
herinneringen vermochten evenwel niets op de uien wo meesters van Romo; hot klooster
van het Oratorium werd in Paleis van Justitie herschapen en de grooto zaal tot zitting-
zaal voor het Hof van Gezworenen bestemd ; zelfs de kamers, door don II. eertijds
bewoond, konden geen genade vinden in de oogen dor overweldigers.
(\') De Heilige Deur (porta sauta) vau St. Pieter wordt geflaukeerd door twee kolommen van een antieke
rolsteeiisoort, aan welken steen men daarom den naam van iHjrta-kania heeft gegeven. Sommigen schijnen
er eeu persoueunaam van te maken. Zoo lees ik in Woerl\'s Koine (Guide du Voyageur) dat de kolommen
van hst hoogaltaar in Chiesa Nuova bewerkt zijn door Porta Santa (!!).
-ocr page 201-
17(5                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
Voor 1870 had op hot plein voor do kerk de wachtparade plaats der Pauselijke
Zouaven, waarvan een gedeelte gekazerneerd was in het oude paleis Sora, dat zich in
de onmiddellijke nabijheid bevond, maar nu zeker afgebroken is voor de breede Via
Nazionalc
die van de brug van den Engelenburgt tot aan de Piazza de\' Termini zich
uitstrekt. In een gedeelte van de gangen van het klooster lag eveneens een compagnie
Zonaven gekazerneerd.
Wanneer wij do Via Nazionalc tot aan de Piazza di Venczia volgen, komen wij,
na eerst een blik geslagen te hebben op het massieve palazzo di Venezia dat in de
15° eeuw door paus Paulus V werd gebouwd, door Pius IV aan do Venetiaansche
Republiek geschonken werd en thans de Oostonrijksche ambassade herbergt, rechts
omslaande, weldra aan het Kapitool en de daarvoor gelegen oude en eerbiedwaardige
Kerk van S\'" Maxia in Ara, coeli (O. L. Vr. van het Altaar des Hemels). Misschien
zal de pelgrim weldra tevergeefs naar haar zoeken, want de door zooveel dierbare
herinneringen hoogst eerbiedwaardige tempel is door de Italiaanscho regeering vor-
oordeeld om afgebroken te worden; zij wil daar een reusachtig plein aanleggen dat
dan met het standbeeld zal prijken van Victor Emmanuel II, den Vader der Italiaansche
Henheid, zooals zijn bewonderaars en vergoders hem noemen, en onder wiens regeering
de Italiaansche troepen door de bres der Porta Pia zijn doorgedrongen en zich den
208ten September 1870 wederrechtelijk hebben meester gemaakt van de Eeuwige Stad,
de stad der Pausen, het erfgoed van den II. Petrus en de hoofdstad der Christenheid.
Evenwel, God weet de plannen der boozen te verijdelen en hopen wij dat Hij zijn
machtige hand zal uitstrekken om het aan de II. Moedermaagd gewijde heiligdom te
bewaren, zooals hij eenmaal zijn Engelen zond om Heliodorus uit den Tempel van
Jerusalom te verdrijven.
De Kerk van S\'a Maria in ara coeli, gewoonlijk kortweg Ara Coeli genoemd staat
op de plaats van een ouden Jupitortompel, evenwel niet van den Kapitolijnschen Jupiter,
zooals de meeste werken aangeven, doch waarschijnlijk van den Jupiter Feretriw.
Uit do opgravingen in 1871 en 73 godaan meent men mot zekerheid to mogen besluiten
dat de tempel van Jupiter Capitolinus stond waar het Paleis Caffarelli, thans het
gebouw der Duitsche ambassade, zich verheft.
De overlevering zegt dat keizer Augustus op zekeren dag hot orakel van Apollo
raadpleegde, om to weten wie na hem de wereld zou rogeeron ; het orakel, dat eerst
langen tijd stom bleef, antwoordde ten slotte: „Een hebreeuwsch Kind, God-zelf en
aller goden heer, dwingt mij voor hom plaats to maken en droevig ten afgrond weder
te koeren. Verwijder u dus voortaan, zonder meer antwoord te vragen, van mijn
altaar." Augustus moet toon op hot Kapitool een altaar hebben doen oprichten met
het opschrift: „Ara IYimoycniti Dei\' Altaar van (iods Eerstgeborene. Een andere
lezing zegt dat Augustus do Sybille van Tibur (Tivoli) raadpleegde of hij zich als
(Jod mocht laten vereeren. Toen zou hem een schoone Maagd verschenen zijn met
een Kind op den arm, terwijl een stem zich dood hcoren die zeido : „Hacc ara Filii
Dei csl,"
Hier is het altaar van (Jods zoon. Augustus liet nu een altaar voor dien
onbekenden God oprichten en later verhief zich daar de prachtig tempel van Ara Coeli.
Deze traditie is door verschillende schrijvers bestreden, evenwel zijn do bewijzen
waarop zij hunne ontkenning gronden, niet van dien aard dat zij als afdoende kunnen
beschouwd worden, zoodat wij de aloude overlevering als waar zullen blijven beschou-
wen; wij weton trouwens dat in do eeuw van Augustus de gehoelo wereld in verwach-
-ocr page 202-
HET CHRISTELIJKE ROME.
177
ting was van den beloofden Verlosser en dat diens komst door verschillende bijzondere
teekens werd voorafgegaan. Evenwel is in dergelijke gevallen twijfel geoorloofd en
daarom stelt het opschrift links van het hoogaltaar, dat het feit vermeldt, dit dan ook
niet onvoorwaardelijk vast. Men leest daar namelijk : llaee qnae Ara-Cueli (t/>/>r//(t-
tur eodem in loco dedicata creditur in quo Virgo Sanctisshna Dei Mater cutn Filio
suo se Caesari Augusto in circulo aurea e coelo monstrasse perhibctur.
(Deze Kapel
Ara-Coeli genaamd, is op de zelfde plaats gebouwd waar men zegt (of gelooft) dat de
allerheiligste Maagd en Moeder Gods met haar Zoon, zich, te midden van een gouden
kring, aan Keizer Augustus heeft vertoond.) De tekst der oudste Kroniek, welke het
bericht van deze legende bevat en waarop eerst onlangs wederom de aandacht is
gevestigd, luidt als volgt: „Cesar Augustus begaf zich in het zes-en-vijftigste jaar van
zijne regeering, in de maand October, die door de Atheners (juister: Macedoniërs)
hyperbereteus wordt genaamd, naar het Kapitool. Dit ligt in \'t midden der stad.
Hij wilde namelijk door waarzegging te weten komen, wie na zijn dood in het Ro-
meinsche Rijk den schepter zou voeren. En hem werd door de Pithonia (Sibylle)
geantwoord: „Op (Jods bevel zal een hebreeuwsch kind van den hemel der Zaligen
afdalen en weldra in dit gebouw zijn zetel vestigen. Het wordt zonder smet geboren
en is onzen altaren vijandig." Daarop verliet (\'esar Augustus de plaats van het orakel
en bouwde op het Kapitool, op een hooge plaats, een groot altaar, on schreef daarop
in latijnsche letters : „Dit is het altaar van den Zoon Gods, Ilaec ara filii Dei est.
En tot op den dag van heden staat daar nog zoo lange jaren het gebouw en de basiliek
der H. Maria, die altijd Maagd is gebleven, zooals ook de chronograaf Timotheus
meldt." Aldus het verhaal van een anonieme Kroniek, die reeds omtrent het jaar 574,
het negende van de regeering van den Oost-romeinschen Keizer Justinus, geschreven
werd. De persoon, die haar mededeelt, de byzantijnsche geschiedschrijver Timotheus,
leefde iets vroeger, maar de tijd waarin hij schreef, is niet nauwkeurig te bepalen.
Volgens P. Grisar is de Kerk niet gebouwd op de plaats van een Jupiter*, maar
van een Junotempel, die bij den burg op het Kapitool (arx capilolina) stond. Het
vermoeden dat ook hier een christelijk heiligdom, gewijd aan de Koningin des
Hemels, geplaats is tegenover een tempel aan de Koningin van den Olympus, is niet
ongegrond. De legende over de oprichting van een christelijk ara coeli door Augus-
tus, schijnt verbonden te moeten worden aan een werkelijk bestaand maar niet begrepen
oud opschrift van een altaar aan Juno, als virgo coelistis. In 18UG heeft men op die
plaats een opschrift gevonden, betrekking hebbende op een priesteres der godin met
dien titel. Aldus 1\'. Grisar.
Zoo zou dan wederom een vrome legende verdwijnen, \'t Is mogelijk. Legenden
zijn bloemen, die ontluiken in den hof van de dichterlijk aangelegde en eenvoudig ge-
loovenden. Maar zij zijn dan ook slechts legenden, geen waarheid. Men mist ze niet
gaarne, omdat zij de poëzie der geschiedenis zijn en den geest der vaderen ademen.
Maar van den anderen kant geven zij ook maar al te vaak aanleiding tot bestrijding
der waarheid door ongeloovigen, die met de legende, met de bloemen, ook den hot\'
zouden willen vernietigen, waarin zij ontloken zijn. Daarom is het noodig dat men
wete wat legende en wat waarheid is.
De kerk is verdeeld in drie beuken, die 22 kolommen van Egyptisch graniet, maar
van zeer ongelijke dikte en herkomst bevatten, van welke eenige zonder kapiteelen,
andere zonder voetstukken zijn en daardoor reeds aantoonen dat zij uit verschillende
1-2
-ocr page 203-
178                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
plaatsen hier hoon zijn gebracht; een er van bevat nog het opschrift e cubiculo
Augustorum (uit de kamer der Keizers), hetgeen de herkomst voldoende aantoont.
Een opschrift boven don hoofdingang vermeldt, dat do kerk verguld is geworden met
het goud dat bij den zeeslag van Lepanto op de Turken is buitgemaakt. Op het
hoogaltaar bevindt zich eeno beeltenis van de II. Moeder Maagd, die aan den
II. Lucas wordt toegeschreven en op het gewelf daarboven loost men de woorden :
Retjiuu eeeli, toe/are, alleluia. Deze woorden roepen een ander wonder in het geheu-
gen terug. In do (5,le eeuw woedde de pest op schrikbarende wijze te Home. De
II. Gregorius de Groote nam zijne toevlucht tot de machtige Koningin des Hemels om
door hare voorspraak bevrijding van den vreeselijken geesel te bekomen. Gevolgd door
geheel do bevolking trok hij op den Paaschdag van het jaar 5% in processie van Ara Coeli
naar St. Pieter, zelf do beeltenis der II. Maagd dragende. Bij het Mausoleum van Hadri-
anus gekomen, verneemt men eensklaps in do lucht een homolsch gezang: Reyina coeli,
laetare, alleluia ; quia quem meruisti portare, alleluia ; resurrexit sicut dixit, alleluia;
waarop de paus antwoordo: Ora pro nobis, alleluia Tegelijkertijd zag men boven hot
Mausoleum een schitterenden Kngel, die een getrokken zwaard in de schede stak. De pest
hield op on van dien dag werd hot praalgraf van Hadrianus de Engelenburgt genoemd en in
de liturgie don lofzang Reyina Coeli opgenomen, terwijl op St. Marcus eeno processie of
bododag werd gehouden ter herrinnering aan dit feest. De bronzen Engel, d«e boven den
Burg staat, is modo een herinnering aan dozo gebeurtenis. Links van hot hoogaltaar
is do kapel van do II. Ilolena, waar in een urne van porfier het stoffelijk overschot van
de moedor van Constantijn den Groote rust, aan wie men de terugvinding van hot II.
Kruis te danken heeft en die Rome mot zooveel heerlijke relieken uit het Heilige Land
heeft verrijkt. In de sacristie bewaart men don Sanlissimo Bambino, een beeldje
van het goddelijk kind, gesneden, naar men zegt, uit het hout van een der boomen
van don Olijfberg, en door do Romeinen in hooge eere gehouden. Elke rechtgeaarde
Romein acht zich gelukkig don Bambino bij zijn sterfbed te mogen aanschouwen. Toen
de rcvolutiemannen in 1848 Pius IX gedwongen hadden naar Gaëta te vluchten en zijne
rijtuigen wilden verbranden, kwam een der aanvoerders op de gedachte de gouden
gala-koets van den Paus aan den Bambino ten geschenke te geven ; en zoo geschiedde
dan ook. Dit feit zegt meer dan wat ook, hoe hoog de vereering van het volk voor
dit Beeldje was. Na zijn terugkeer van Gaëta liet Pius IX zijn koets aan den Bambino,
en zoo komt het dat men vaak do gala-koets dos pausen door de straten zag rijden om
het hoogeëerde beeldje naar een stervende te brengen. Met Kerstfeest worden door
kinderen feestrodenen gehouden tor eere van het goddelijk Kind.
Dot bij de kerk behoorende klooster, waarin gedurende eeuwen de paters Fran-
ciscanon woonden en dat o.a. ook tot verblijfplaats had verstrekt aan den II. Bernardus
van Siena, den II. Joannos Capistrano, den II. Diego van Alcantara enz. is door de
Romeinscho Rogoering goconfiskeerd, omdat de ruimte noodig geoordeeld werd voor het te
plaatsen beeld van Victor Emmanuel. Hopen wij dat althans de eerbiedwaardige tompol
zal gespaard blijven.
Nu wij ons bij het Kapitool bevinden, zullen wij dit overgaande, in hot Forum afdalen
en ons begeven naar de plaats waar zich het Atrium Vestae bevindt, rechts van de
straat die van den boog van Severus naar den boog van Titus leidt, en daar een bezoek
brengen aan de kerk van
Sta Maria Liberatrice. (II. Maria de Bevrijdster.) Deze kerk kan wel niet in grootte
-ocr page 204-
HET CHRISTELIJKE ROME.
179
of pracht wedijveren met vele andere heiligdommen aan do Moeder Gods gewijd, maar
zij hoeft een merkwaardige geschiedenis. In een oude lijst der kerken van Rome, uit
de 7de eeuw dagteokenende, vindt men vier kerken vermeld aan de II. Maagd gewijd,
n.1. Sancta Maria Maior, Sancta Maria Antiqua; Sancta Maria Rotunda, Sancta
Maria Traxstiheris. Deze kerk, II. Maria Liberatrice nu, is de tweede der genoemde
kerken (S. Maria Antiqua, II. Maria de oude); deze naam wijst dus op een zeer ouden
oorsprong. Volgens de overlevering zou paus Silvestor op deze plaats een kerkje ge-
bouwd hebben ter eere der Moeder Gods. Die plek was in de geschiedenis van de
oude Romeinen beroemd, omdat men meende dat daar de plaats was waar M. Curtius
zich gewapend en te paard in een diepe kloof stortte, zooals wij op blz. 9 hebben
medegedeeld. Daar was ook de Guturabron, in welke de Dioskuren (Castor en Pollux)
hunne paarden drenkten, toen zij zich hier, na de overwinning aan het Regullusmeer,
vertoonden om i\\on Romeinen de groote zegepraal mede te deelen, en waai\' dan ook
ter hunner eer de prachtige aedcs Castoris werd opgericht.
Maar ook op christelijken bodem was hier een legende ontloken. Daar huisde, zoo
heette het, 3(J.ri treden onder den grond, een draak, wien door jonge maagden voedsel
moest gebracht worden. Op het gebed van paus Silvester werd het monster evenwel
beteugeld en achter ijzeren poorten opgesloten. Deze legende, die reeds in de VI\'1" eeuw
bekend was, maakte deze plaats tot een voorwerp van vrees en angst voor de christenen.
Zeker is het, dat daar in de latere tijden der middeleeuwen een kerkje stond, met den
titel de inferno of de lacn (dus het kerkje» bij de diepte of bij het meer). Dat inferiiuin,
hetwelk ook hel beteekent, werd door het volk versmolten met de legende van den
Draak en zoo kreeg het kerkje langzamerhand den naam: Sancta Maria libcra nos
de poeiiis iiiferni
(Heilige Maria bevrijd ons van de hel) en verkort werd het genoemd
Sancta Maria liberatrice (Heilige Maria Bevrijdster).
Maar do geschiedenis van don Draak is een legende. Waarheid is, dat Paus Silvestor
op deze plaats, waar eens oen tempel stond van Vesta, oen bedehuis oprichtte tor eere
van de Moeder Gods, dat den zeer goed gekozen naam antiqua (do oude) vorkreeg. Daar
het Heidendom do Draak was, die door het Christendom bestreden word, onstond
uit de allegorie de logende, en de legende gaf haar naam aan de kerk, zooals wij dat
op meer dan eone plaats hebben gezien.
Van zekere zijde (ook in ons land) wil men hot steeds doen voorkomen alsof de
christelijke feestdagen slechts verbasteringen of verkerstoningon zijn van hoidonsche
feesten, omdat zij dikwijls samenvallen met de tijdstippen waarop eenmaal hoidonsche
feesten werden gevierd, zooals b.v.b. het Kerstfeest in de plaats van het Joolleest enz.
Met de feesten is het gegaan als met vele kerken on heiligdommen. Het volk is bij
uitstek conservatief; het houdt aan de oude feesten, aan zekere plaatsen, door eeuwen-
lang bezoek in hooge eere gekomen. Het volk daarvan af willen koeren is dikwijls een
onbegonnen werk; hot beste middel om oude hoidonsche feesten en gebouwen te doen
vergeten, was daarnaast christelijke in de plaats te stellen. Daarom vindt men in Rome
ook bijna overal een christelijk bedehuis waar eenmaal een heidensch heiligdom stond.
Voor den tempel van Juno de Ara eoeli, voor hot Pantheon, aan Cibele en de voor-
naamsto goden van den Olympus gewijd, Onze L. V. dor Martelaren; voor don tempel
van Vesta Sancta Maria antiqua. Wij zullen er nog meer voorbeelden van aantreffen.
Veel feestdagen van heiligen hebben wellicht juist daarom zoo groote populariteit
verkregen omdat zij samenvielen met oude heidensche feestdagen. De Vesta-dienst
-ocr page 205-
180                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
was in Rome eon der ijverigste en het moeilijkst uit te roeien, omdat Vesta als bo-
beschermster der stad gold. Alleen de vereering der Moeder Gods vermocht hier den
Draak des Heidendoms den kop te verpletteren en daarom is deze kleine kerk merk*
waardig en van beteekenis.
Do Via Nationale, die wij een oogenblik verlaten hebben, voert, zooals wij gezien
hebben, naar do Piazza de\' Termini, waar wij de in meer dan één opzicht bewondo-
renswaardige kerk van Sta Maria degli Angeli (O. L. Vr. der Engelen) vinden. Hier
bevonden zich eertijds de prachtige Thermen of Badstoven van Diocletiaan. Pius IV,
de groote zaal van dit gebouw in een kerk willende herscheppen, droeg de uitvoering van
het plan op aan Michelangelo, die er een heerlijke kerk in den vorm van een (Irieksch
kruis maakte. Om de vochtigheid van den grond te verbeteren, liet hij er een nieuwen
en hoogeren vloer inbrengen, zoodat de voetstukken van de granietzuilen er onder
kwamen te liggen, weshalve hij er marineren basementen liet aanbrengen. In 1749
werden er door Vanvitelli aanmerkelijke restauraties aan gedaan, o. a. liet hij, om over-
eenstemming te brengen met de acht voornoemde kolommen van graniet, acht andere
van baksteen aanbrengen, die evenwel zoo kunstig in grunietkleur werden geschilderd
dat men het onderscheid bijna niet opmerkt. Do ronde vestibule, waarlangs men de
kerk binnengaat, was eertijds een der vertrekken van do Dadstoof; het voornaamste
sieraad van deze vestibule is wel het beroemde beeld van den II. Brnno, door Houdon.
Clemens XIV zeide er van: Deze II. Bruno zou spreken, wanneer de regels der Kar-
thuisers het hom niet verboden. Verder ziet men er do grafmonumenten van Carlo
Maratta, van tien beroemden schilder Salvator Rosa, van do kardinalen Parisio en
Alcato. Het middenschip, vroeger de Pinacoteea goheeten, is waarlijk heerlijk en be-
wonderenswaardig. Itenedictus XIV liet ter opluistering van de kerk een groot aantal
beroemde schilderijen er heenbrengen, die vroeger in St. 1\'ieter waren, maar daar door
mozaïekcopiën vervangen zijn. Het hoofdaltaar bezit eon miraculeus Madonnabeeld.
Op den marmeren vloer liet mons. Bianchi in 1001 de meridiaanlijn aanbrengen, be-
staande uit een zware lijn van koper, door twee dikke streepen marmer ingesloten, waarop
de figuren van den Dierenriem niet steenen van verschillende kleur zijn aangebracht.
Het bij do kerk behoorende klooster werd vroeger bewoond door Karthuisormon-
niken, die de Kerk bedienden; de Italiaansche regeering hooft evenwel de volgelingen
van den II. Druno uit hun stil verblijf verdreven en hot klooster in een musea nazio-
nalc romano
(nationaal ronieinsch museum) herschapen, dat den 14,lu" Maart lH\'Jó op
den verjaardag van Koning Umberto door den zoon van Victor Emmanuel word go-
opend. Het Museum bevat hoofdzakelijk voorwerpen in de laatste jaren in den bodem
van Rome en het bod van den Tibet* gevonden. Zeer belangrijk zijn ook de schildor-
werken uit den Keizerstijd, in verschillende ruïnen langs den Tiber opgodolven. Merk-
waardig zijn ook de oudheden uit de 7lle en 8st0 eeuw, die te Castel Trosino bij Ascoli
1\'iceno gevonden werden. Men vond daar een twintigtal graven, die oen groot aantal
wapens on vrouwelijke sieraden bevatten, welke afkomstig schijnen te zijn uit hot
LTongobardischo tijdperk, daar Cast:l Trosino zich in het oude Exarchaat van Ravenna
bevindt, dat later onder de heerschappij der Longobarden kwam.
Wanneer men links van hot plein do straat uitloopt, komt men in de Via di venti
Scttcmbre
(do straat van den 20sten September). De naam duidt reeds aan dat zij
een eeuwigdurende herinnering moot zijn aan de overweldiging der stad door de
Italiaansche troepen op den 20Bte" September 187u; zij voort dan ook naar de Porta Pia,
-ocr page 206-
HET CHRISTELIJKE ROME.
181
door welker bres zij op dien noodlottigen dag de Eeuwige Stad binnendrongen. Don
20stcn Sopt. 1895, den 25ston verjaardag der overweldiging, is buiten do poort, juist tegen-
over bet gedeelte van den muur waar de bros werd geseboten, door de Ital. Regecring
een gedenkzuil opgeriebt. Op don top is een bal, waarop oen Victoria staat mot uit-
gestrekte vleugels en een palmtak in de band. De Porta Pia on do Poort van St. Jan
baddon dan ook hot meest van de kanonnon van generaal Cadorna te lijden. De Porta
Pia
werd in 1564 door Pius IV, volgons do teokening van Micbelangelo gebouwd ter
vervanging van de meer rechts gelogen, Nomentaanschc Poort, en draagt haar naam
naar genoemden Paus. Bij deze1 poort bevinden zich de villa Patrizi, do villa Massimi
en de villa Torlonia.
Links van do Porta Pia komt men aan de Macao, vroeger het leger der Pretorinnen,
de in do geschiedenis van don Romeinschen Keizerstijd maar al te beruchte lijfwacht,
die dikwijls naar willekeur Keizers aanstelde of vermoordde on oorzaak was van zware
troebelen en onlusten; later worden er kazernes gebouwd, en ook nu nog is een gedeelte
van het garnizoen van Rome aldaar gehuisvest.
Do meest merkwaardige gebouwen langs do Via di Vcnti Seftembrc zijn die van
liet Ministerie van Oorlog en van het Ministerie van Financiën.
Van S\'\\ Maria dec.li Anoeli naar S\'\\ Maria in Cosmemx is de afstand groot,
maar daar wij ons bij onzon arbeid geen bepaalden weg hebben voorgeschreven, zullen
wij in eens don afstand overspringen, die ons van dit gedeelte van Home scheidt. De
kerk is van zoor ouden oorsprong, maar over den naam is men hot niet wel eens ;
men meent dat hij afstamt van het Griekscho woord Cosmos, dat sieraad beteokent,
anderen dat hij afstamt van een miraculeus Mariabeeld boven het altaar, dat de Grieken
naar Rome overbrachten om het aan do woede dor beeldstormors to onttrokken.
De vloer der kerk is zoor rijk en bestaat uit een zoogenaamd Opwt Air-zand rinntn.
Achter in do apsis bevindt zich oen antieke bisschopszetel, terwijl de kerk vorder twee
oude amboites of lezenaars rijk is. Onder de kerk bevindt zich oen driebeukigc ciïpto
mot bot graf van do II. Cyrilla, dochter van Keizer Decius. In do vestibule staat oen
monsterachtig groote, wijdgeopenden mond, do Jiocra delta Vcrita (Mond der Waar-
beid) geheoten. Hot volksgeloof zegt dat een mcineodige of leugenaar, die zijn hand
in dien mond steekt, haar niet moer terug kan trekken. Wannoor het volksgeloof waar-
beid zeido, zouden de Romeinen hot meest waarheidliovendo volk dor wereld zijn.
Hot plein voor de kerk heeft aan dezen kop ook zijn naam ontleend. Op genoemd
plein kan men nog ecu fraai rond tempeltje met 19 kolommen bewonderen, hot tom-
poltjo van Vosta, thans aan do II. Maagd toegewijd. In do onmiddellijke nabijheid is
de plaats waar do Cloaca Maxima (zie lst0 gedeelte) in don Tiber uitmondt,
Op het plein van de Bocca delta Verita had in bot najaar van 1808 de tcrecht-
stelling plaats van Monti en Tognetti, die in October 1<8C>7 do mijn hadden aangestoken
onder de kazerne Seristori, die haar in de lucht dood vliegen, zoodat een 25tal zouavon
van de Muziek er het leven bij lieten.
Dicht daarbij bevindt zich de kerk van San Giovanni Decoltato (don onthoofden
H. Joannes) waar zich oone godsdienstige broederschap bevindt, die de ter dood ver-
oordeelden tot den gang naar het schavot voorbereidt.
Met dezelfde vrijheid waarmede wij ons eenklaps van de Piazza de1 Termini naar
de Bocca delta Vcrita verplaatst hebben, zullen wij nu naar do Piazza del popoio
(Volksplein) gaan, waar wij drie merkwaardige Kerken vindon aan do II. Maagd toe-
-ocr page 207-
182                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
gewijd. Alvorens evenwel zullen wij een oogenblik vertoeven op het fraaie plein dat
vroeger, voor de spoorwegen er waren, het eerste was waar men Rome binnenkwam,
als de reizigers den landweg naar do Eeuwige Stad namen. Werpen wij evenwel nog
eerst een blik op do historische Poule Molle, vroeger Pot/s Milvius geheeten. Zij werd
tegen het midden der 7<lp eeuw van Rome gebouwd door Marcus Emilius Scauro.
Hier had in de tweede helft der 41\'1\' eeuw de voor immer gedenkwaardige slag plaats
tussclien (\'onstantijn den (irooto en Maxentius. (zie blz. !50) Daar was het dat Con-
stantijn, op den middag, op do zon liet door stralen omgeven kruis zag, mot do woorden
„In dit teeken zult gij overwinnen". Maxentius vond den dood in de gele watoren van
den Tiber en (\'onstantijn bleef overwinnaar, en met hem behaalde ook voor goed het
christendom de zegepraal op het heidendom. In 1807) liet Pius VII de brug uit hechter
materialen herbouwen, ofschoon er van de oude brug nog enkoio overblijfselen to zien
zijn, on plaatste aan de twee hoofden de beelden van do Ontvangenis en van don
II. Joannes Nepomuconus; later worden de beide beelden van den Zaligmaker enden
II. Joannes den Dooper op de andere uiteinden geplaatst. Voorbij de brug, naar de
stad toe, staat het kleine kerkje van den II. Andreas, opgericht door Pius II op de
plaats waar hij het hoofd van den Apostel ontving, dat uit den Peloponesus naar Rome
was overgebracht; oen weinig vorder, links, bevindt zich oen ander kerkje van den-
zelfden heilige, door Julius II opgericht ter herinnering aan hot feit dat hij in 1527,
op den feestdag van den II. Andreas, bevrijd word uit de handen der keizerlijke troepen.
Toen Paus Ilonorius in 402 do muren van Rome herstelde on versterkte, bouwde
hij de Porta del Popoio, die eerst den naam Porta Flaminia droeg, wijl aldaar de
via Flaminia begon, In 1561 liet Pius IV hot buitonfront verfraaien naar de plannen
van Michelangelo, ofschoon het niet beantwoordt aan don grooten naam van dezen
uitstekendon kunstenaar; do niet zeer fraaie beelden van do II.II. Petrus en Paulus
zijn van Moschi. Ontelbare pelgrims, keizers en koningen, onder welke ook Christina
van Zweden, zijn door deze poort Rome binnengetrokken. Links, de stad binnen*
komende, bevindt zich het Paleis dor Schoone kunsten, rechts bevond zich vroeger
een kazerne! dor Pauselijke karabiniors. Onmiddellijk voor de poort is de ingang van
de prachtige on vorstelijke Villa Borghese.
Tussclien de Porta del Popoio en de Milvische Brug (Ponte Molle) heeft men in
1888 de grondmuren en de overblijfselen van graven en zuilen gevonden van do Ba-
siliek van den H. Valentinus, door Paus Julius I gesticht. Hot was een groote kerk
met drie beuken.
De intrede van Porno door deze poort is waarlijk grootsch en volkomen het Eeuwige
Rome, het Gulden Rome waardig. Het midden van hot plein wordt ingenomen door
een groote fontein, waarvan het water in vier bekkens afstroomt en de hoeken mot
vier leeuwen prijken, naar Egyptisch model gemaakt; terwijl van twee beeldengroepen, do
eene Rome tussclien den Tiber on do Aniene, do andere Neptunus met Tritons voor-
stellen. Statig rijst uit het midden een Egyptische obelisk op, bedekt met Inerogliephen,
die zoggen dat Ramses II hem to Heliopolis aan do Zon wijdde. Augustus liet hem
naar Rome overbrengen ter versiering van de spina in den Circus Maximus en wijdde
hem eveneens aan de Zon. Sixtus V liet hom in 1587 uit do puinhoopen van den circus
opdelven, de drie stukken, waarin hij gebroken was, aaneenvoegen, door Dominico
Fontana op dit plein oprichten en op den top een kruis plaatsen. Latijnsche opschriften
vermelden deze bijzonderheden.
-ocr page 208-
HET CHRISTELIJKE ROME.
183
Links is de prachtige opgang naar de Monte Pincio, de geliefkoosde wandeling
der Romeinen ; van de hoogte heeft men een verrukkelijk gezicht op de stad, op den
door haar kronkelenden Tiber en den koepel van St. Pieter. Recht voor zich ziet de
reiziger drie breede straten; de middelste is de beroemde Corso, die een gedeelte bevat
van de oude via Flaminia, rechts de via del Babuino, die naar do beroemde Piazza
di Spagna
(Spaansche plein) voert, terwijl de derde, de via della Ripetta (straat van
den kleinen oever), langs den Tiber loopt en haar naam draagt van de kleine aanleg-
plaats voor schepen, terwijl de Ripa Grande (de grooto aanlegplaats) zich bij San
Michele
bevindt. Links van de poort bevindt zich
SIA. Maria del Popolo (O. L. Vr. van het Volk.) Toen Nero, zoo verhaalt do over-
levoring, zich den dolk in de borst had gestoken, ten einde zich te onttrekken aan do
woede van het volk, werd zijn lijk door drie vrouwen, Egloga, Actea on Alexandria
bijgezet in het graf der familie Domitia, waartoe hij behoorde, en dat op die plaats
gelegen was. Later groeide daar een groote notenboom, die door zulk oen ontzettend
aantal raven bevolkt werd, dat Rome er last van had.
Schrikwekkende spooksels en akelige geluiden maakten deze begraafplaats van den
ellendigen moedermoordcr en christenvervolger tot een voorwerp van vrees en angst,
zoodat Paus Pachalis II in 1099 den boom liet omhakken, de plaats zuiveren en er
een kerk bouwde ter oere van de Allerheiligste Maagd. In 1227 werd de kerk herbouwd,
door het Romciusche volk on van toenaf ontving zij den naam del Popolo, evenals
het plein en de poort (\'). Later werd zij nog door verschillende pausen gerestaureerd,
o. a. door Sixtus IV, die het front er liet aanbrengen. Door hare kunstschatten is zij
een der merkwaardigste kerken van Rome. De eerste kapel rechts, aan de II. Maagd
en don II. Hieronymus gewijd en door kardinaal Domenico della Rovere gesticht, bezit
heerlijk fijne schilderwerken van Pinturicchio; de kapel Cibo behoort onder de fraaiste die
Romo heeft aan te wijzen. Het hoogaltaar, met vier zwartmarmeren zuilen, bezit een
miraculeus beeld van de II. Maagd, dat zich vroeger in het Sanela Sanctorum bevond,
maar door Gregorius IX hierheen werd overgebracht, toen Romo door do pest geteisterd
werd. In de linkorbeuk verdient do kapel van O. L. V. van Lorete, door den bankier
Chigi begonnen en door kard. Chigi voltooid volgens do plannen van Rafaël, de aan-
dacht. De schilderingen van den koepel en de „Geboorte van de II. Maagd" werden
door Sebastiano del Piombo begonnen en door Salviati voltooid. In vier nissen be-
vinden zich de beelden van Daniël in de Leeuwenkuil, Ilabakuk door den engel bij
do haren opgenomen, van Bernini; Jonas op don visch en Elias, door Lorenzetto. Kon
bronzon bas-relief, den Zaligmaker on de Apostelen bij de Samaritaansche vrouw voor-
stellende, wordt eveneens aan Lorenzetto toegeschreven. Voor de kapel kan men het
prachtige praalgraf bewonderen van prinses Chigi-Odescalchi. In het bij de kerk bc-
hooronde klooster der Augustijnen heeft Luther vertoefd toen hij, kort voor zijn afval,
zich te Romo bevond. Vóór 1870 begaf de paus zich jaarlijks op don feestdag van
Maria-geboorte in grooten optocht naar deze kerk. —
In de via della Ripetta voert oen andore straat, die dé\'Pontifici naar het Mausoleum
(l) Anderen beweren dat do naam po)>olo afstamt van populus, dat gehucht beteekont, omdat te dien tijd
daar een groep huizen gebouwd werd op de via Flaminia, nadat de boven-stad allengs ontvolkt en verlaten
werd. liet is ook zeer goed mogelijk dat de kerk door de bewoners van dat gehucht werd gebouwd, zoodat
do algemeen aangenomen naam Volksphin, Volkspoort enz. gerechtigd is. Den 14\',en Mei 18!)!) werd het
achtste eeuwfeest van het ontstaan der eerste Kerk van pans Paschalis met grooten luister gevierd.
-ocr page 209-
184                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
of praalgraf run Augustus, waarvan evenwel nog slechts weinige sporen zijn over-
gebleven; thans staat op die plaats het amfitealro d\'Umberlo I.
Ter weerszijde van den ingang van den Corso bevindt zich een kerk, aan do II. Maagd
toegewijd; de eeno onder den titel S\'\\ Maria di Monte Santo (O. L. Vr. v. d. Heiligen
Berg), de andere onder dien van S\'\\ MARIA de\' MlRACOLI (O. L. Vr. van mirakelen);
beiden bezitten enkele goede schilderwerken en grafmonumenten. De eerste geeft in
de vierde kapel links, tafreelen uit liet leven van do II. Maria Magdalena de\' Pazzi te
zien; de tweede de grafmonumenten van Kardinaal Gastaldi en van den markies Bene-
detto (Jastaldi.
Wanneer men den Corso volgende links do via delle Convcrlitc ingaat, komt men
aan de kerk van den //. Silvcster, waar liet hoofd van den II. Joannes don Dooper
bewaard wordt.
Wij hebben nu de voornaamste kerken der II. Maagd bezocht, evenwel verdienen
nog andere vermeld te worden, zooals die van S". Maria ix Via Lata (O. L. Vr. in
do Breede straat). Naar de overlevering luidt, werd zij gebouwd op de plaats waar
de Apostel Panlns een tijd lang in het huis van don Honderdman verbleef, die hem
naar lïome had gebracht en mot zijn bewaking was belast; de bron, die zich in de
ouderkerk bevindt, zon ontsprongen zijn op liet gebod van den Apostel en gediend
hebben om degenen te doopen die door don II. Paulus tot de leer van Christus bekeerd
waren. Do ouderkerk, waartoe een trap toegang verleent, zon omstreeks 700 door
paus Sergius gebouwd zijn, nadat het oorspronkelijke bedehuis, dat kort na den dood
van den grooten Apostel der Heidenen word opgericht, bijna in puin was gevallen.
Niet ver van Ara Coeli bevindt zich de kerk van SÏA. MARIA in Campitella, die
met 22 gegroefde Corinthische kolommen on pilasters prijkt en fraaie schilderwerken
van Sebastiano Conca, Luca Giordano, Gemignani en Baceicio bezit; dicht daarbij kan
men de kerk van de II. CaterïNA dk\' 1\'Yxaim bezoeken, aldus genaamd omdat daar
eertijds een touwslagerij was in de oude arena van den Circus Fhuiiiniiia, op welks
puinhoopen de kerk gebouwd is, die eenige fraaie schilderstukken bezit, zooals do
II. Margareta, boven het altaar in de eerste kapel, die een copie van Annibal Carracci
is en door dezen werd geretoucheerd.
Brengen wij ten slotte nog een bezoek aan STA. Maria scala Coeli (O. L. Vr. van
den Hemelladder). Toen de H. Bernardus, zoo zegt de overlevering, hier eens do Mis
voor een overledene opdroog, zag hij de ziel van dozon langs oen wonderbaren ladder
ten hemel stijgen; vandaar deze zonderlinge naam. Mij het altaar voert een trap naar
een onderaardsch gewelf, waar men zegt dat de II. Paulus het oogonblik van zijn
terdoodbrenging afwachtte. Op do deur, die naar de Katacombe voort, leest men: Hier
rusten de lichamen van den tribuun Zeno en van 1020:1 soldaten, zijne metgezellen.
/ij leden onder de regoering van Diocletiaan. Tn do apsis van de achthoekige kerk
bevindt zich oen mozaïek van Francisco Zucca, het oudste bekende mozaïek van don
nieuweron tijd.
Wij gaan nu een bezoek brengen aan eenige andere der voornaamste en merkwaar-
digsto kerken, aan verschillende heiligen gewijd. Ons eerste bezoek geldt
Sax Pietro in Vincoli (St. 1\'ictorsbandon). Deze prachtige kerk droeg oorspronkelijk
den naam van Kerk der Apostelen, waaronder zij op het Concilie van Epheso vermeld
wordt. Onder Sixtus III (452-440) word zij op kosten van keizerin Eudoxia, gemalin
van keizer Valentinianus herbouwd, teneinde daar, zooals algemeen aangenomen wordt,
-ocr page 210-
HET CHRISTELIJKE ROME.
185
do ketenen te bewaren, waarmede de Prins der Apostelen in de gevangenis te Jerusalem
geboeid was geweest. Zij droeg toen don titel Eudoxiae, terwijl de naam A Vinculis S. Pclri
(bij St. Pietersbanden) liet eerst omstreeks 630 in bet Pausboek (Liber pontificalis)
voorkomt. Adrianns I liet baar herbouwen en Julius TI restaureerde baar naar de
plannen van Baccio Pintelli on droeg de zorg er voor op aan de Kanonniken van de
Kerk van den Allerh. Verlosser; in 1705 onderging zij nieuwe veranderingen onder de
leiding van Francesco Fontana. Het eerste wat de bezoeker van deze kerk treft, is
bet reusachtige beeld van Mozes, door Michelangelo. Do groote weigever van Israël
is voorgesteld in zittende houding, met de tafelen der wet onder den arm, boven op
het hoofd staan een paar horentjes of vlammen, die de goddelijke ingeving, waaronder
Mozes schreef, verzinnebeelden. De aanblik van dit beeld is overweldigend, en schrijver
dezes herinnert zich nog dat hij bij doszelfs aanblik als verstond, als vastgenageld stond.
Het beeld was oorspronkelijk bestemd voor liet praalgraf, dat paus Julius II voor
zich in Sint Pieter, op de plaats waar zich thans de confessie bevindt, wilde oprichten ;
maar hij meende later, en terecht, dat het was te veel eer aan den mensch geven, en
liet toen een eenvoudiger graf voor zich in de kapel van \'t II. Sacrament maken, en
de Mozes vond een plaats in deze kerk. Men verhaalt dat Michelangelo, zijn Mozes
voltooid hebbende, een slag met zijn hamer op diens knie gaf en hem toevoegde :
„Spreek dan, daar gij leeft". Naar men zegt moot de knie nog de plaats van don
hamerslag aan wijzon.
De kerk bezit drie beuken, door twintig antieke gegroefde marineren zuilen van
Dorischen stijl gedragen, terwijl twee grootere kolommen van graniet don grooten midden-
boog schooren. Hot altaarstuk in de eerste kapel rechts, den II. Augustinus voorsteb
lende, is van Guercino ; de volgende bezit de grafmonumenten van kardinaal Margotti
en van kard. Agucchi, naar teekeningen van Domenichino. De II. Petrus in do gevan-
genis is een copie van denzelfden meester; het origineel bevindt zich in de sacristie.
In een der zijbeuken bevindt zich een mozaïekbeeltenis van den II. Sobastianus, die
uit de 7de eeuw dagteokent; de heilige draagt, oen baard en de kleeding uit don tijd
van Diocletiaan, die hem ton marteldood voordo. Volgens een bijschrift word Rome
door de voorspraak van don II. in 629 van do post bevrijd. In do Confessie, door
Pius IX geschonken, bewaart men den grootsten schat dor kerk, de ketenen van den
II. Petrus. Uit de Handelingen der Apostelen weten wij dat de H. Petrus door Herodos
in den kerker werd geworpen en met twee ketenen gebonden werd aan zijne bewakers
on dat een Engel hem op wonderbare wijze verloste. Deze ketenen worden door de
christenen van Jerusalem met grooten eerbied bewaard on later door den patriarch
Juvenalis aan keizerin Eudoxia geschonken, toon deze ter bodevaart naar Jerusalem
was gekomen. Eudoxia zond een der beide ketenen aan hare dochter, eveneens Kudoxia
geheeten en gemalin van keizer Valentianus III. Toon paus Leo de Groote deze ketenen
wilde vergelijken met die, waarmede de II. Petrus in de gevangenis te Rome was
geboeid geweest, vereenigden zij zich op wonderbare wijze, zoodat zij nog slechts één
geheel uitmaakten. Ter herinnering aan dit wonder zou Eudoxia de kerk hebben laten
bouwen, die in vroegere eeuwen ook do Eudoxiaansche werd genoemd, maar thans
algemeen bekend is onder den naam van St. Pietersbanden. Evenwol bad men onder
paus Sixtus III reeds de overtuiging dat „sinds lange jaren" op die plaats do kotenen
werden bewaard, die de II. Petrus te Rome had gedragen, zoodat zij daar reeds lang
vereerd werden eer keizerin Eudoxia de kerk liet herbouwen. Later voegde men aan
-ocr page 211-
186                          HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
de ketenen van don II. Petrus vier schakels toe van do ketenen waarmede de II. Paulus
geboeid is geweest. Deze merkwaardige en heilige relieken worden in een prachtige
kristallen kist met gulden versierselen bewaard, waarboven de II. Petrus staat, door
den Engel verlost. In vroegere tijden, en reeds in de Vc eeuw, werd vijlsel van deze
ketenen, in een gouden sleutel vervat, door de pausen als hoog gunstbewijs en dier-
bare reliek aan vorsten geschonken. Thans nog kan men er op sommige dagen voor-
werpen aan laten aanraken. In 1876 heeft men in deze kerk de lichamen teruggevonden
der zeven Machaboesche broeders.
Van St. Pietersbanden verplaatsen wij ons naar San Pietro in Montorio. Bouwende
op eeno aloude overlevering, werd tot aan de laatste jaren algemeen aangenomen dat
de II. Petrus op den Janiculus gekruisigd was.
Ontdekkingen en opsporingen van de laatste jaren hebben aangetoond dat deze
traditie op onware gegevens berustte en dat do II. Petrus (\\on marteldood leed inden
Circus van Nero; dus onmiddellijk bij de plaats waar zich thans hoven zijn graf de
heerlijke basiliek verheft, dio zijn naam draagt. Hoe de legende in de wereld is go-
komen dat de II. Petrus op den Janiculus (Montorio) don kruisdood stierf, wordt
door p. (Jrisar aldus verklaart. ..Ken overgeleverde topographische aanwijzing over
de terechtstelling van den Apostel Petrus zegt, dat deze plaats had inier rfitas tnetas,
dat wil zeggen tusschen de twee eindkolommen van den circus (van Nero bij den
Vaticanus), of met andere woorden: op de S/rina, die door het midden ervan liep.
Ken zoo bijzonder nauwkeurige aanwijzing kon, op zijn minst genomen, waar zijn,
en er is niets wat er tegen pleit. Daar Petrus, volgens bepaalde gegevens, op den
Vaticaanschen heuvel en in den circus van Nero gekruisigd werd, zoo heeft de kruisb
ging misschien op de Spina zelve plaatsgehad. Het is zeer wel mogelijk, dat de obelisk,
die eens op het midden der Spina stond en die gedurende eeuwen de grootste wereld-
gebeurtenissen overleefd heeft, eens onmiddellijk aan zijn voeten het bloedige schouw-
spel van den dood des Apostels hoeft gezien, wiens Basiliek hij later op het voorplein
tot sieraad zou dienen. In de middeleeuwen was er in \'t midden van den circus onder
don obelisk een oratorium, ter herinnering aan den marteldood van Petrus. Dat kerkje
bestond nog ten tijde van Innocentius III, maar verdween later. Daarentegen bevindt
zich in do tegenwoordige St. Pieterskerk, op hot punt dat het meest de beroemde plek
van den circus nabij komt, in het zuidelijk zijschip, een altaar van de kruisiging van
Petrus. Dit altaar kan dei-halve beschouwd worden als een voortzetting van gemeld
oratorium en een herinnering er aan.
Naar hetgeen voorafgaat zou het graf van Petrus derhalve in de nabijheid van de
plaats der kruisiging geweest zijn. Het gevoelen, dat de marteldood in den circus
plaats had, wordt inderdaad bepaald bekrachtigd door andere uitspraken, die niet tot
don kring der apocriefe boeken behooren. Met de meeste beslistheid geeft de schrijver
van het Pausboek (Libcr ponlifiealis), omstreeks 500, als de overtuiging van zijn tijd
weer, dat Petrus gemarteld werd itixta palatium Neronianum in Vaticanum (naast
het paleis van Nero op het Vaticaan); en: in montcm aureum in Vaticanum palatii
Neroniani
(op den gulden berg op den Vaticanus van het paleis van Nero). Dot paleis
van Nero is, volgens do toenmalige spreekwijze, de circus van Nero, en de guldenberg
(mons au reus) werd do helling van don Vaticaanschen heuvel genoemd naar haar
goudgeel zand.
Terwijl de oud-Christelijke tijd en de middeleeuwen geen andere plaats voor de
-ocr page 212-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           187
terdoodbrenging van den prins dor Apostelen kenden als den circus van Nero bij den
Vaticanus, werd omstreeks de XVe eeuw, en zeker niet veel vroeger, een andere meening
vrij algemeen verspreid, die namelijk, dat de Janiculus bot schouwtooneel van den
marteldood van den II. Petros geweest zou zijn. De dwaling ontstond alleen ton gevolge
van do vorkeorde uitlegging der uitdrukkingen mons uwens on inter duns met as. De
Janiculus werd, om zijn goudgeel zand, ook mons altreus genoemd, en onder metae
verstond men in do middeleeuwen elk piramidevormig grafmonument. De voornaamste
van die grafmonumenten nu, waren de zoogenaamde Mcta Romuli, bij het Vaticaan,
en de pyramide van (Vstius, bij St. Paul, die lust volk algemeen Mcta Remi noemde.
Daar nu de Janiculus met zijn gulden berg (mo)is aureus-- -monforio), tusschen deze
beide metae lag, meende men, de oude schrijvers vergoten hebbende, dat Petrus op
den Janiculus gekruisigd was. Do humanist Yegius (1400 1457) is de eerste die op
de mogelijkheid wijst dat die twee metae bedoeld kunnen zijn in de geschriften der
andere schrijvers, ofschoon hij zelf nog van de Vaticaansche basiliek spreekt als plaats
van don marteldood van den II. Petrus. Anderen schreven Vegius na, en zoo werd de
logende allengs verspreid, ofschoon de romeinsohe archeologen altijd vasthielden aan
de oude en ware traditie.
Waarschijnlijk zal do logende nog lang de overhand op de waarheid houden.
Ferdinand IV, koning van Spanje, liet op het einde der 15° eeuw do prachtige kerk
bouwen in vervanging van die, waarvan men de stichting aan (\'onstantijn denGrooto
toeschreef; in \'t begin van dozo eeuw werd zij gerestaureerd. Do eerste kapel rechts
werd door Sebastiano del Piombo geschilderd naar de teekening van Michelangelo. De
Bekcering van den II. Paulus, boven het altaar voorbij de zijdeur, is van Vasari. Boven
het hoofdaltaar prijkte eertijds de beroemde Transfiguratie van Rafaël, thans in het
Vaticaan berustende; het tegenwoordige altaarbeeld stelt de Kruisiging van Petrus voor.
De kapel van don II. Joannes den Doopor heeft schilderingen van Daniël da Volterra
en van Loonardo Milanesc; de ballustrade heeft kolommen van antiek goei, afkomstig
uit de tuinen van Sallustius. Een sierlijk tempeltje, waarvan de koepel door 10 Dorische
kolommen wordt gedragen, werd door Ferdinand den Katholieke opgericht boven de
plek, waar men, volgens de legende, meende dat hot Kruis van den II. Petrus was
opgericht, \'t Is een schepping van Bramante.
Den 20sten September 1895, een kwart eeuw nadat Victor Emmanuel een bres in do
Porta Pia had doen schieten en zijne troepen de Eeuwige Stad liet overweldigen en
zoo het werk dor Revolutie, door Garibaldi, Manzini on Cavour begonnen, voltooide,
werd op den Janiculus het monument voar Garibaldi onthuld. De held van twee wereld-
dooien (Y) en van Aspremonte (!) is te paard voorgesteld op een groot voetstuk van
graniet van Bavono. Op de naar Rome gekoerde zijde leest men: A Giuscppe Gara-
baldi
(aan Joseph Garibaldi), op de tegenovergestelde zijde: Sottombro 1895; rechts
Roma o morle (llomo of den dood), links Hal ia e Vittorio Emmanuele. Dat beeld,
d;i;ir op het hoogste punt geplaatst en llomo beheerschende, is een tarting van den
Paus in het Vaticaan. Maar de eeuwen, die, zonder haar te schaden, over de Kerk
heengingen, hebben wel andere standbeelden in\'t stof zien vallen. Is liet een beschikking
des Hemels, dat de Janiculus, die men eeuwen lang voor de plaats van den martel-
dood van den eersten Paus hield en die nu ontwijd is door hot beeld van den generaal
dor Roodhemden, nu ook erkend is als zijnde niet do plaats waar de II. Petrus zijn
leven liet voor Christus. Gods inzichten zijn ondoorgrondelijk; maar wij hebben althans
-ocr page 213-
188                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
niet do ontheiliging van een gewijde en den Christen zoo dierbare plaats te betreuren.
Nu wij op deze hoogte zijn, mogen wij niet nalaten een bezoek te brengen aan de
beroemde Fontein van Paulus F(FontanaPaulina), de aanzienlijkste van Rome, en die
de grootste hoeveelheid water uitwerpt. Zij werd in 1012 door paus Paulus V naarde
plannen van Giovanni Fontana en Stefano Maderno opgericht, en do bouwvallen van
het Forum van Nerva leverden er de bouwstoffen toe /ij is versierd mot zes granieten
zuilen van .Ionische orde, waarboven zich een attiek bevindt met een opschrift en het
wapen van genoemden paus. Tusschen deze zuilen zijn twee kleine en drie groote nissen,
waarin ovenveel groote monden eene verbazende watermassa in een groot marineren
bekken uitstorten. Dit water wordt genomen uit de oude waterleiding die Trajanus
ten behoeve van den Trastevere deed bouwen; Paulus V herstelde haar en zoo komt
dit water, uit het meer van Bracciano (het oude lagus Sabalina), op 25 Rom. mijlen
afstand gelegen, de inwoners der Eeuwige Stad van heerlijk zuiver water voorzien.
San Pietuo i.\\ Oakcere (do II. Petrus in do Gevangenis) bevindt zich boven de
Mamertijnsche gevangenis (zie 1° gedeelte blz. 551), waar do Forste Paus, naar gezegd
wordt, den marteldood heeft afgewacht.
San 1\'aii.o alle The Fontane (de II. Paulus bij do Drie Fonteinen). Toen het uur
van den marteldood der beide groote Apostelen Petrus en Paulus was aangebroken,
werd de eerste naar den Circus van Nero gevoerd om, in navolging van zijn godde-
lijken Meester, den kruisdood te sterven, terwijl de II. Paulus naar den Ostiaanschen
weg werd geleid om bij de zoogenaamde Aqnac Salviac (ad Aquas Salvias) met
het zwaard onthoofd te worden. De overlevering zegt dat, toen het hoofd van den
grooton Apostel onder het zwaard was gevallen, hot driemaal opsprong en op elke
plek, waar hot den grond raakte, een fontein ontstond. Het water der drie fonteinen
is van verschillende temperatuur. Dicht daarbij bevindt zich het marmoren blok, waarop
de onthoofding plaats had. De lictor on de hem vergezellende soldaten werden door
het wonder van de fonteinen tot het geloof in Christus bekeerd. Op die gewijde plaats
word reeds spoedig een bedehuis opgericht, dat in 1590 door kardinaal I\'ietro Aldobrandini
naar do plannen van (ïiacomo della Porta tot do tegenwoordig»1 kerk werd omgebouwd.
In de kerk bevinden zich bovengenoemde drie fonteinen.
Pij de kerk bevindt zich het klooster van den II. Vincentius en Anastatius, zeker
een der oudste en beroemdste abdijen dor wereld ; zij werd door Paus Honorius ge-
sticht en door Ka rel den Groote rijk begiftigd. In den beginne behoorde zij aan de
orde van den II. Benedictus, maar Innocontius II schonk haar aan de Cisteneiensers;
de II. Bernardus heeft er herhaalde malen vertoefd op zijn reizen naar Rome. Later
kwam zij in \'t bezit van de Trappisten, die door hunne irrigatie werken on beplantingen
met Eucalyptusboomen, van die, om haar ongezonde ligging en onvruchtbaarheid slecht
befaamde plaats, een bloeiende en gezonde strook hebben gemaakt. De abdij is de zetel
van den generaal der Trappisten; do tegenwoordigo generaal, don Sebastiano, was
eertijds Kapitein bij de Pauselijke Zouaven Het klooster bij do Drie Fonteinen hand-
haaft nog zijn ouden roem van een der eerste der wereld te zijn.
De OsTIAANSCHE of St. Paulus Poort hoeft de oude por/a Tritfcmina van den
muur van Servius Tullius vervangen en werd later door Delisarius opnieuw versterkt
en vergroot. In 18(57 had hier een verwoed gevecht plaats tusschen pauselijke Zouaven
en Garibaldisten, die haar poogden te bemachtigen; de ter verdediging opgeroepen
zouaven waren uit de kazerne Seristori ontboden, eenige minuten slechts voor deze
-ocr page 214-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                            189
in de lucht vloog; aan deze omstandigheid was het to danken dat bij dien laaghartige n
aanslag [niet meer dan een 25-tal tot de muziek behoorende zouaven het leven lieten.
Zoodra men door de poort de stad inkomt, heeft men aan do linkerhond do Piramide
van Cestius, gebouwd naar het model van de Egyptische piramiden en, zooals het
opschrift zegt, in slechts 330 dagen voltooid. Zij was eertijds geheel met wit marmer
bekleed, maar heeft door don tijd veel geleden. In het begin der middeleeuwen droeg
zij in den volksmond den naam van Meta Remi (graf van Remus). Een weinig vorder
ziet men den zoogenaamden Monte Testaccio (Schervenberg), omdat zij geheel opgebouwd
is uit scherven van gebroken aarden werk; met welk doel is evenwel onbekend.
Wij moeten naar SIA Maria Macciore terugkeeren om in de nabijheid daarvan
twee kerken te vinden die door hare grooto herinneringen uit de eerste eeuw van het
Christendom eiken katholiek gevoelens van den grootsten eerbied en deonverdeeldste
bewondering instorten. Wij bedoelen de kerken van de II. PltAXEDES en van do II.
PUDENTIANA (Santa Prassede v Santa Pudcnziana). Wij weten uit de Handelingen
der Apostelen dat de II. Petrus, bij zijn eerste bezoek aan Rome, vertoefde in het huis
van den Senator (V) Pudens, die, met zijne cchtgonoote Priscilla en hunne vier kinderen
Novatus en Thimotheus, Praxedos en Pudentiana, tot de eerste bekeerlingen van den
Apostel behoorde. Een gedeelte van het huis van Pudens werd tot bedehuis ingericht
en \'t is waarschijnlijk dat daar het eerst in Itome de heilige geheimen door den eersten
Stedehouder van Christus werden gevierd. Hier ook weiden de II.II. biiius en (\'lotus,
de onmiddellijke opvolgers van Petrus door dezen gezalfd en talrijke nieuwe apostelen
uitgezonden ter bekeering van het Westen. Ook do H. Paulus bezocht later deze eorbicd-
waardige woning. Toen do eerste bloedige vervolging tegen do christenen onder Nero
uitbrak, verzamelden de moedige jonge maagden Praxedos on Pudentiana do lichamen
der martelaren en vingen zij hun bloed met sponzen op. do eersten begravende of in
lijkurnen bijzettende, de tweede uilpersende in een putje. Van hot huis van Pudens of
op de ruïnen daarvan (want sommigen meenen dat het bij den brand van Rome onder
Nero verwoest werd), bouwde paus Pius 1 reeds in Kil een bedehuis, dat later her-
haalde malen vergroot en gerestaureerd, in 15i)<S door kard. Enrico Gaetani naar de
plannen van Francesco da Volterra werd gebracht in i\\vn staat, waarin zich nu de
kerk bevindt.
Do kerk wordt door 14 antieke kolommen in drie beuken verdeeld. De schilderij
van het hoogaltaar stelt de II. Pudentiana voor. In de kapel rechts daarvan bevindt
zich het altaar waarop, volgens de overlevering, do 11. Petrus in het huis van Pudens
de onbloedige Offerande opdroeg; daar boven bevindt zich oen marmeren groep van
della Porta, den Zaligmaker voorstellende, die aan Petrus de sleutels overhandigt.
Daarop volgt de rijke kapel van bet geslacht Gaetani, en voor deze bevindt zich do
put, waarin do II. Pudentiana het bloed der martelaren uitperste, waarvan er meer
dan drieduizend in do kerk begraven zijn. Achter het hoogaltaar bevindt zich oen aller-
schoonst en beroemd mozaïek, uit de eerste eeuwen van hot Christendom dagteekenend
(volgens do Rossi waarschijnlijk uit het jaar 393), en waarvan de boteekenis eeuwen
lang een voorwerp van navorschingen en gissingen is geweest. Op de halfcirkelvormige
teekening ziet men don Zaligmaker in majestuouse houding op oen verheven zetel of
troon zitten; aan beide zijdon zitten op lagere zetels de apostelen, achter welke twee
vrouwen kronen opgeheven houden. Do oude uitleggers hebbon in do apostel-figuren
die onmiddellijk rechts en links van Christus zijn, de II.II. Petrus en Paulus willen zien,
-ocr page 215-
190                          HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
door de H.H. Praxedesen I\'udentiana gekroond. Achter dit eerste gedeelte der af beelding
strekt zich oen halfcirkelvormige portiek op zware peilers uit, waartusschen boog-
vormige deuren of bogen loopen, van boven door traliewerk afgesloten Achter dezen
portiek en in het midden ervan, en dus ook achter den Zaligmaker, rijst een hooge heuvel
<»]», waarboven zich een groot kruis verheft, dat geheel de voorstelling beheerscht en
van goud en edelgesteenten schittert. Links en rechts van dezen heuvel ziet men een
aantal meestal ronde en tempel vorm ige gebouwen. Zonder hier in \'t breedo al do ver-
klaringen te herhalen door verschillende oudheidkundigen en geleerden over deze voor-
stelling gegeven, willen wij alleen vermelden dat er in de (\'ir. (\'alt. een uitlegging
wordt gegeven die, overeenstemmende met hetgeen wij gezegd hebben bij de bespreking
van $\'" (\'roer fit Gerusalcmme en 8\'" Morin ad Praesepe, wel de ware kan zijn, De
schrijver van genoemd artikel wil in de voorstelling wel eene afbeelding zien van het
Ileinelsch .lerusalem, maar hij meent tevens dat de gebouwen op den achtergrond ook
het .lerusalem uit die dagen voorstellen, en dat enkele dioi gebouwen niet aan de fantaisio
maai\' aan de werkelijkheid ontleend zijn. De heuvel met het kruis erop is de Kalvarie-
beig, en de portiek met bogen moet de portiek zijn die, volgens de beschrijving van
de II. Silvia, te .lerusalem (Jolgotha omgaf. Hot goud en de edelgesteenten, die het
kruis bedekken, zouden evenmin een symbolisch of decoratieve beteekenis hebben,
maar een nabootsing zijn van de kostbaarheden waarmede men meent dat het II. Kruis
door de vercering der geloovigon was bekleed. Ziedaar in \'t kort het gevoelen der 6\'. 6\'.
Welke dan ook de beteekenis van dezen mozaïek moge zijn. onbetwistbaar is het dat
zij een der fraaiste en een der oudste is die de oud-christolijke kunst heeft aan te wijzen.
Op korten afstand van deze kerk bevindt zich die van de II. PltAXEDES, door
paus 1\'aschalis I in 822 gebouwd op de plaats van een andere kerk, en door den
II. Carolus I>orromcus later verfraaid. Zij wordt door 2(i granieten kolommen in drie
beuken verdeeld. Het hoogaltaar staat vrij en wordt gedekt door oen baldakijn, door
vier kolommen van porfier gedragen, do apsis is met antiek mozaïekwerk versierd.
Ken prachtige trap van antiek rood marmer, waarvan de treden do grootste bekende
stukken van deze marmersoort zijn, voert naar de tribuna. Maar kostbaarder dan alle
marmersoorten en alle versierselen is het stuk van den kolom, waaraan de Zaligmaker
gebonden werd toen Hij de bloedige en wreedo geeseling onderging, waartoe Pilatus
hem veroordeeld had. Ziehier wat de Volksmissionaris onlangs (\') over deze hoogheilige
reliek schreef:
Het is een stuk marmer, wit on zwart van kleur, glad en gepolijst, ter hoogto\'van
63 centimeter, kegelvormig van gedaante. Van onder is do kolom 40 centimeter in
middellijn, doch wordt dunner, naar gelang men een uitgehouwen ring nadert. Hier is
haar middellijn slechts VS centimeter, doch wordt van nu af aan weer dikker, zoodat zij op
don top, waar eens een ijzeren ring was bevestigd, weer 20 centimeter in middellijn
hoeft. Aan geheel do kolom is hot te zien, dat zij niet op den grond maar op oen
voetstuk heeft gerust.
Hoe nu is dat kostbare gedonkteekon naar Rome overgebracht? Aan hot hoofd van
den 5,le" kruistocht stond, na don dood van kardinaal Curzon, kardinaal Joannes Colonna.
Gedreven door zijn verlangen om de plaatsen te bezoeken, geheiligd door het leven
en lijden onzes Hoeren, had de II. Kranciscus van Assisiö zich met elf zijner leerlingen
(\') 21 Sppt. 1895.
-ocr page 216-
HET CHRISTELIJKE HOME.
191
bij hem aangesloten. De kanunniken van den H. Augustinus hadden destijds In het
H. Land onder andere stichtingen, die zij te midden van allerlei levensgevaar bleven
bezetten, de kerk van de zaal des Avondmaals en den berg Sion. Hier nu werd sinds
de vierde eeuw de geeselkolom bewaard. Wie de liefde gedenkt, waarmede de Sera-
fijnsche Heilige i\\en lijdenden Verlosser vereerde, zal begrijpen niet hoeveel gretigheid
Franciscus inging op het voorstel van den kardinaal om met zijne zonen de bewaring
van dit heiligdom over te nemen. Zoo geschiedde het dan ook. Doch in 122:?, nadat
een bestand tussclien Christenen en Turken gesloten was, besloot de kardinaal naai\'
Europa terug te koeren, en ook St. Franciscus moest tot welzijn i\\vv Orde het II. band
verlaten. Was het wonder dat beiden verlangden een der gedenkteekenen, geheiligd
door Christus\' lijden, mede te nemen, dat beiden hun oog lieten vallen op de geeselkolom.
Kardinaal Colonna had den titel van de II. Praxedcs en liet de kostbare reliek
plaatsen in zijne kerk, en wel in de kapel, door paus Paschalis I zoo rijk versierd met
mozaïek, dat zij genoemd werd ,, Lusttuin des Hemels: Hortus Paradisi." .Maar deze
en andere namen, waaronder de merkwaardige kapel tot nu toe bekend was, liet zij
weldra varen voor die van de J/ci/i</< Kolom. Betere plaats dan deze had niet kunnen
worden gekozen. In het rond rustten de gebeenten van 3330 martelaren.
Aan de echtheid der reliek valt niet te twijfelen. Schrijvers uit alle eeuwen hebben
getuigd, dat in de kerk der zaal van het laatste Avondmaal de geeselkolom werd be-
waard en vereerd. In de 4de eeuw kwamen de II. llieronynius en II. Sylvia van
Aquitanië haar daar vereeren, en legde een II. (iregorius van N\'azianze er getuigenis
voor af. In de (}*,e eeuw wees er (iregorius van Tours op, in de 7\'1\' eeuw de eerbied-
waardigo Beda. Dan volgen Arculfus, Prudentius, Xieeforus, Andronicus en de Pelgrims
van Bordeaux. Die getuigen van den voortijd vonden dan ook in latere eeuwen schier
algemeen geloof bij de beste geschiedschrijvers en schriftuurverklaarders.
Het is waar, men vereert nog te Jerusalem in de kerk van het II. Graf, en wel in
het zoogenaamde koor der Latijnen, een kolomschacht van rood marmer ter hoogte
van 75 centimeter, en ook deze wordt voor de geeselkolom onzes Hoeren aangezien,
Doch hieruit worden slechts schijnbewijzen tegen de echtheid der kolom van St I\'raxedes
geboren.
Immers de zuil, te Homo vereerd, is kennelijk slechts een bovenstuk, een kroon,
en kan zoo niet op aarde zijn bevestigd geweest. Wat ligt er nu voor de hand dan
te besluiten: te llomo wordt het bovon-, te Jerusalem het onderstuk der II. Kolom
bewaard! Te meer zijn wij tot deze gevolgtrekking gerechtigd, daar ook de kolom uit
de kerk van het II. Graf in 1553 in de kerk op den berg Sion werd vereerd. Zoo was
dan de geheele kolom 1 meter 38 centimeter hoog. Aan het boveneinde was een ring
bevestigd, waardoor de koorden werden gehaald, die het slachtoffer aan don foltorsteen
moesten bevestigen.
Beide deelen, dat van Jerusalem zoowel als dat van Rome, worden met grooton ijver
vereerd. Beide dragen er de sporen van, dat men er deeltjes van heeft afgescheiden.
Van de kolom te Jerusalem werden, toen zij was gebroken, verschillende stukken naar
het Westen gezonden en daar met eerhied ontvangen, o. a. door Venetië on door den
Paus. De II. Lodewijk van Frankrijk verzocht om een gedeelte er van en was zoo
gelukkig den ring te ontvangen, die eens boven op de zuil was bevestigd. Tot dank-
baarheid schonk de koning aan do basiliek van de II. Praxedes een kostbaar reliek-
schrijn, bevattende drie dorens van de kroon des Verlossers.
-ocr page 217-
192                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
In de sacristie kan men oen fraai schilderstuk van Giulio Romano bewonderen, de
geosoling van Christus voorstellende.
Aan do vele namen die Rome draagt, zou men ook dien van stad der contrasten
kunnen toevoegen, want in geen andere stad ter wereld worden de gevoelens van
levendige en diepe bewondering voor zooveel heldhaftige deugd, edele opoffering, vurig
geloof, onuitputtelijke liefde die ons bevangen bij het bezoeken van zulke eerbiedig-
waardige heiligdommen, zoo spoedig versomberd door do herinnering aan de grootste
misdaden, de ruwste gevoelloosheid, de diepste verachting voor het lijden van den
evenmensen, waarvan het Heidensche Rome in zijn geschiedenis duizenden voorbeelden
oplevert. Wanneer men de kerk van do II. Pudentiana verlaat en naar de Piazza
Subarra terugkeert en door de Via dl San Fraecsco di Paula naar do kerk van
St. Pieters-Banden gaat, betreedt men een plek, in de eerste geschiedenis van Home
door een afschuwelijke misdaad berucht geworden. Daar was namelijk, op het punt
waar genoemde straat in de Via Leonina overgaat, de plek waar Tullia haar wagen
over het lijk van haar vermoorden vader Servius Tullius (zie blz. 5) liet gaan; daar was,
in een woord, de Vicns Scelleratus, de vervloekte weg, de weg der misdaad.
Wanneer men, voorbij het Colosscum gaande, den weg van St. Jan van Laterane
inslaat, ontmoet men weldra aan de linkerhand de KERK van den II. Clemens (San
Clemente),
een der oudste en merkwaardigste kerken van Home. Op die plaats was
eens het huis van dezen Paus, de derde opvolger van den H. Petrus. De II. Ilieronymus
zegt in 392, dat tot op zijn tijd „de gedachtenis van den naam Clemens door de te Rome
gebouwde kerk bewaard bleef." Dat zij zeer oud is getuigt het feit dat paus Zosimus
daar in 417 den ketter Celestius veroordeelde.
De kerk van den II. Clemens is, hohalve door haar herinnering aan een der eerste
pausen, bovendien zeer merkwaardig door haar dubbelen bouw ; zij bestaat namelijk uit
een oude ouderkerk, de oorspronkelijke Basiliek, en een nieuwere, daarboven gebouwd
dooi\' paus Paschalis II (1099—1118). De oude benedenkerk werd in 18f>8 ontdekt, l\'aus
1\'asclialis, bouwde, na de verwoesting van dit stadsgedeelte door de Noormannen van
Robert (Juiscard, een nieuwe kerk, maar op die wijze dat hij de oude, iets dieper in
het Coelisdal gelegen, deels vol liet gooien, deels liet afbreken en op die plaats, een
nieuwe bouwde. De nieuwe was kleiner dan de oude. Do opgravingen, door den lerschen
Dominicaner pater Mulooly met ijver en kennis geleid, hebben het geheele inwendige
van het oude heiligdom weer bloot gelegd. Hot is met kostbare antieke kolommen
en schilderwerken uit de vroegste middeleeuwen versierd. Het gebouw schijnt niet
lang na den tijd van Constantijn te zijn gesticht Het staat op den achtergrond in
verbinding met een nog dieper gelegen ruimte, die men voor een nog vroeger bestaan
hebbend oratorium (Modehuis) houdt, dat boven of bij het woonhuis van den heilige
was opgericht Voor het aanwezig zijn van een woonhuis uit den Interen keizerstijd
pleiten ook nog de gevonden bouwoverblijfselen uit dozen tijd, en dieper nog hoeft men
overblijfselen van grondinuren gevonden, die uit het tijdperk dei Republiek schijnen
te dagteekenen. Achter het vermelde christelijke oratorium heeft men een goed bewaard
gebleven Mithrëum (heiligdom van Mithra) gevonden, zelfs met hot beeld van Mithra
en de rondloopende steenen zitbanken voor de ingewijden.
Het hoogvereorde heiligdom van den II. Clemens is, sedert de uitgravingen in onze
eeuw, bijna een museum van voorwerpen van christelijke oudheidkunde en kunst ge-
-ocr page 218-
HET CHRISTELIJKE HOME.
193
worden. Maar reeds vóór de uitgravingen bezat men in do bovenkerk van Paschalis II,
een uitstekend model voor de inwendige inrichting der oude Romeinsche basilieken.
In den tijd van paus Paschalis luisterde men do basilieken nog volgens het oude
karakter op. Maar bij den bouw schijnt deze paus de oudste Clemenskerk tot voor-
beeld te hebben gekozen; zijn basiliek is dan ook de eenige in Rome, die haar inwen-
dige inrichting tot op onzen tijd bijna geheel bewaard heeft. Men vindt er den door
zuilen omringden voorhof, waarin zich de fontein (cantharus) bevindt, en die tot het
langwerpige atrium voert. De kolommen zijn ongetwijfeld die van den ouden voorhof,
maar op do nieuwe hoogere oppervlakte gebouwd. Men vindt er naast den hoofdingang,
die in het middenschip leidt, nog de twee (thans dichtgemetselde) ingangen naar de
twee zijbeuken. Men heeft er nog op den achtergrond van de binnenruimte de ronde,
open tribune of apsis, geflankeerd door twee kleinere apsiedon der zijbeuken ; men
ziet er nog in het middenschip het door een zuilentabernakel overdekte altaar, het
door een marmeren balustrade in \'t vierkant omsloten koor voor de lagere geestelijkheid
en de zangers (Schola cantorum). Het is door een deur met het sanctuarium verbonden
en bezit nog de ambonon (marmeren lezenaars) voor epistel en evangelie. De balustrade
met haar reliefversiering, is veel ouder dan van don tijd van paus Paschalis II; het
zijn veelal de marmeren afsluitingen, die reeds sedert de zesde eeuw in de onderste
kerk stonden, en van daar, door genoemden Paus, bij den nieuwen bouw in de hoven-
kerk werden gebracht. Op de zesde eeuw wijzen ook de vormen der ornamenten en
vooral op het pontificaat van paus Johannes II (533-535) ook het monogram vaneen
naam, dat men als JOHANNES kan uitleggen. Den naam van dezen paus, die vroeger
Mercurius heette, dragon ook andore monumenten van de ouderkerk van St. Clomens. (\')
Onder do Confessie, die zich achter bovenvermelde afsluiting bevindt, rusten het
lichaam van den II. Clomens en de weinige overgeblevene beenderen van den H. Ignatius
van Antiochië. Deze laatste, meer dan 90 jaren oud, werd naar Home gevoerd en in
het Colosseum door do wilde dieren verscheurd, zoodat van den II. Bloedgetuige, dio
gewenscht had ,als een uitverkoren tarwe des Hoeren gemalen te worden", slechts
eenige weinige van de zwaarste beenderen overbleven. Verder bevindt zich in de kerk
nog een zeer oude bisschopszetel te midden der zotels, dio dienden voor de priesters
welke do II. Diensten bijwoondon.
In do oude St. Clemons had in 1099 de verkiezing tot paus plaats van Paschalis II,
die later, zooals wij zagen, de nieuwe kerk deed bouwen. Do geleerde oudheidkundige
Marucchi meent in het mozaïek van de apsis oen herinnering te zien van de inneming
van Jerusalem door de Kruisvaarders, op 15 Juli van gemold jaar 1099. Men ziet daar
in het midden een met bloem-fostoenon on palmen versierd kruis, als \'t ware een apo-
theoso van de verlossing en de verheerlijking van het kruis, dat aan de bespotting
van de Musehnannen is ontrukt on teruggeschonken aan de vereering on de liefde
der Christenvolken.
Volgens onze bescheidene mecning moet deze mozaïek cene andere beteekenis hebben.
Daar zij door den tijd veel geleden heeft is do afbeelding, die voor ons ligt, zeer on-
duidelijk ; evenwel kan men, haar door een vergrootglas wel beschouwende, aan het
kruis de beeltenis van den Zaligmaker duidelijk erkennen, do beide boenon niet ki uise-
lings maar naast elkander op een plankje rustende. Op de armen, zoowel als op den
(\') p. H. Grisar, Gesch. Roms. deel I pag. 365 en V.
13
-ocr page 219-
194                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
balk van liet kruis, bevinden zich vogeltjes, uit de wolken daalt een hand, die bet kruis
vasthoudt, boven in den ronden rand bevindt zich het monogram van Christus, terwijl
daar boven zich nog een hand met opgeheven vingers vertoont. Aan den voet van
het kruis schijnen zich twee gestalten te bevinden; maar dit gedeelte is te onduidelijk
om het te kunnen onderscheiden. Op het met arabesken versierde veld, waarop het
kruis staat, bevinden zich verscheidene figuren, terwijl in den geheelen halven cirkel die de
voorstelling omgeeft, een opschrift staat, waarvan slechts weinig woorden te herkennen
zijn. Verder vindt men er nog de bekende afbeelding van het op een heuvel staande
Lam, met een nimbus omgeven, terwijl aan weerszijde daarvan vijf (of zes) lammeren
uit Jerusalem en Bethlehem naar het Lam opgaan. In do hoeken, door den halven
cirkel bij het vlak opengelaten, bevinden zich aan weerszijde twee zittende figuren;
onder die rechts leest men op twee regels DECRUCE LAVRENTI PA VLO FAMVLARK
DOCENTI. Hieronder bevindt zich een andere figuur, oen ontplooide rol in do hand
houdende, waarop men leest: VIDI DOMINVM SEDENTEM (IN COELVM ?). Onder
de twee figuren links leest men: RESPICE P. MIS SV. Ook onder deze figuren bevindt
zich een staande figuur met een ontplooide rol, waarop, eveneens in twee regels, een
opschrift zich bevindt, waarvan wij evenwel niets vermochten te ontcijferen dan het
woord CHIJISTVS. Op den ondersten rand van den halfcirkcl meenden wij de volgende
woorden van het opschrift ontcijferd te hebben:___Tl similariiius istitm de legno
CRUCIS JACOÜI OETS IüNATIUS IX SLTRA SCRIPT___Ql\'IESCUNT CORPORE CIIRISTI, QUAM
EX ARENA-----Deze mozaïek schijnt dus veeleer betrekking te hebben oi) de overblijf-
selen van don II. Ignatius die, zooals wij zagen, onder de Confessie rusten.
In de nabijheid van St. Clemens ligt de kleine kapel aan de II. Felicitas gewijd,
die in menig opzicht wel waard is even bezocht te worden. Om haar belangrijkheid
beter te doen uitkomen, wil ik bier andermaal het woord aan p. Grisar laten.
,.Iiij het oude heiligdom der Clemenskerk zag men in ouden tijd, daar waar de weg
naar de Termen van Trajanus opstijgt, dikwijls groepen van romeinsche matronen heen-
trekken. De weg voerde naar het nabijgelegen oratorium van de matrone en martelares
Felicitas. De heilige werd daar, zooals een gevonden opschrift doet kennen, vereerd
als pleegmoeder der Romeinsche vrouwen (cultrix Romanarum).
De nog bestaande kapel, van zeer bescheiden afmetingen, was in de altaarnis ver-
sierd met eene schildering uit de vijfde of het begin der zesde eeuw. Dezelve stelde
de II. Felicitas voor; om haar vertoonen zich haar zeven zonen die, zooals bekendis,
hun heldhaftige moeder in den marteldood voorgingen (\')• Thans is de kostbare schilde-
ring bijna geheel door de vochtigheid verteerd, maar toen men haar in 1812 bij de
opgraving van het oratorium aan \'t licht bracht, vertoonde zij, behalve de aangegevene,
nog andere, zeer karakteristieke bijzonderheden, waaronder éen figuur die zeer ge-
wenschte ophelderingen schijnt te geven over de lokale herinneringen, die hier aanlei-
ding moeten gegeven hebben tot do oprichting van het gebouw. Beneden rechts vertoonde
zich namelijk de figuur van een gevangenbewaarder met de sleutels. Het vermoeden
ligt derhalve voor de hand, dat Felicitas op deze plek in de gevangenis is geweest,
eer zij vóór de stad den marteldood leed.
Do groepeering om de zich in het midden bevindende hoofdfiguur, was geheel en
(\') Zie bladz. 88. Meu vergelyke de beschrijving vau deze afbeelding met die in de Katakorabe
ontdekt. (N. v. d. Sch.)
-ocr page 220-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                        195
al naar do manier van vele mozaïeken uit dien tijd in de groote kerken. Zij verdient
derhalve bijzondere aandacht. Men zag boven de hoofdpersoon, d. \\v. z. boven de heilige,
Christus in de wolken verschijnende, die de door den marteldood verworven kroon
op haar hoofd laat dalen; op een eenigszins hooger aangebrachte omlijsting waren
de twaalf lammeren, de Apostelen verbeeldende, die van beide zijden uit de steden
(of schaapstallen) Rethlehem en Jerusalem zich begaven naar het goddelijk Lam, dat zich
in het midden op een heuvel bevindt, uit welken de bronnen vun het levende water vloeien.
De gemakkelijk verstaanbare simbolische zin werd aangevuld door twee palmboomen,
ter rechter en ter linkerzijde van de heilige; op do takken van een der boomen wiegelt
zich de mythische vogel Phenix, als zinnebeeld der wedergeboorte en der onsterfelijkheid.
Op de wanden van de vierkante binnenruimte vond men, behalve de toen reeds
veelvuldig gebruikelijke marmerbekleeding, schilderijen van oud-christelijken inhoud
en stijl, deels nog van het geliefde simbolische karakter, zooals de drie jongelingen
in den brandenden oven, Daniël in de leeuwenkuil, de Apostelen Petrus en Paulus
staande ter zijde van den Heiland.
Veel namen van personen en acclamaties, christelijke maar vooral ook heidensche,
waren op de wanden ingekrast. Een kalender met de heidensche godheden der dagen
van de week, die daar eveneens gevonden werd, was zeker ook wel een overblijfsel
van het klassieke tijdperk.
Het geheel moet eens, en wel in heidenschen tijd, het gedeelte van een woning zijn
geweest. Men heeft de vraag opgeworpen, of niet soms de woning van de II. Felicitas
in deze ruimte bewaard is gebleven; maar bij gebrek aan bronnen kan het antwoord
er niet op gegeven worden. Mocht het zoo zijn, dan verklaart zulks de groote vereering
der Romeinsche matronen voor dit heiligdom, zooals de ingekraste inschriften duidelijk
doen kennen. —
Wanneer men een weinig voorbij St. Clemente rechts de straat inslaat, komt men
in de Via de\' Quattro Coronati (straat der vier Gekroonden), en deze overstekende in
een andere straat, waar de Kerk der vier Gekroonden zich bevindt, die onder
Diocletiaan den wreedsten marteldood leden. Hunne verminkte lichamen werden den
honden voorgeworpen, maar de dieren spaarden de geheiligde overblijfselen, die door
de christenen in de Katakombe langs den Labicaanschen weg werden bijgezet; later
verrees op deze plaats voor hen een tempel, als waardige rustplaats hunner lichamen;
met hen werden nog vijf andere christenheiden daar bijgezet, die, als zij, denzelfden
strijd gestreden en dezelfde zegepraal behaald hadden.
Deze zonderlinge en tevens indrukmakende kerk der „Vier Gekroonden", tegelijk
klooster, vesting en kerk, is een afspiegeling van den tijd waarin zij gebouwd werd.
In de oudste tijden was hier slechts een bescheiden kerkje, maar in do VIIC eeuw liet
paus Honorius I in de plaats daarvan een grooten tempel bouwen , waarvan een ge-
deelte, de zijbeuken en kapellen, later in een klooster werden veranderd, en in woelige
tijden waarschijnlijk tot een sterken burg zich ontwikkelden. De tegenwoordige kerk
is dan ook slechts een verkleining van de door paus Honorius opgerichte.
Over de heiligen, wier titel zij draagt, zegt p. Grisar het volgende. Volgens de
martelaarslijst van den H. Hieronymus hadden de „vier Gekroonden" reeds in de vierde
eeuw op dezelfde plaats een bedehuis. De martelaren waren buiten Rome, aan den
Labicaanschen weg begraven, Zij werden reeds in de oudste overleveringen als de
„vier (door den marteldood) gekroonden" aangegeven, omdat hun namen niet be-
-ocr page 221-
196                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
waard gebleven waren. Men meent dat zij soldaten zijn geweest, en bij een tempel
van Esculaap, die in de nabijheid van de kerk bij de Termen van Trajanus gelegen
was, voor hun geloof gedood waren. In het jaar 1872 vond men onder den grond van
de apsis der tegenwoordige kerk een opschrift van paus Damasus, dat waarschijnlijk
op de Vier Gckroondcn betrekking had.
In elk geval mag men uit het bestaan van een aanzienlijke titelkerk op deze plaats
besluiten, dat er bijzondere geschiedkundige herinneringen aan verbonden zijn, en men
moet wel opmerken dat de titel reeds vroeg naar de rgekroonden" en niet naar den
stichter genoemd werd. Wanneer deze heiligen werkelijk in de naaste omgeving ge-
marteld zijn geworden, dan ligt hierin reeds eene verklaring voor het ontstaan van
het gebouw als herinneringsteeken.
Misschien waren aan dezen kant van de straat ook slechts de lichamen der gedooden
te pronk gesteld, zooals dikwijls gedaan werd om de geloovigen af te schrikken. Misschien
werden zij ook hier in de gevangenis gehouden in de oude bouwwerken, waarvan men
nog de overblijfselen bij de kerk ziet.
Met deze „vier gekroonden" worden vaak vijf andere martelaren verward, die
evenwel geen Romeinen maar Panoniërs waren. Hun lichamen werden naar Rome
overgebracht en op dezelfde plaats als de „Vier Gekroonden" begraven. Zij hebhen
den 3\'\'" November 502 hun heldcnstrijd gestreden. Zij heetten Claudius, Nicostratus,
Symphorianus, Castoiïus en Shnplicius, waren steenhouwers en werden ter dood
gebracht omdat zij weigerden aan heidensche tempels te werken. Dit verhaal werd
later op de „Vier Gekroonden" toegepast, die dan ook door de steenhouwers als hunne
patroons worden vereerd. In Rome hadden de steenhouwers bij deze kerk een kapel,
die aan hunne patroons, de Vier Gekroonden, gewijd was.
Een weinig verder gaande komt men in de Via Celitnontana (weg van den Coelischen
heuvel), die ons op de Piazza della Navicella brengt, waar zich de kerk van STA Maria
in Navicella (O. L. Vr. van \'l Scheepje) bevindt, aldus genoemd naar een antiek scheepje
dat zich in den gevel bevindt.
Bijna tegenover deze kerk vinden wij Sax Stefano Rotondo, (de ronde Stephanus-
kerk), op welks wanden de martelingen zijn afgebeeld die de gruwzame vindingrijkheid
der vervolgers don Belijders van Christus\' leer deed ondergaan. Wij hebben over deze
kerk reeds in het 2\'\'° gedeelte gesproken.
Op het plein van de Navicella teruggekeerd, vindt men aan de linkerhand de
Via de\' Santi Giovanxi e Paulo, die ons naar de kerk van de IIII. Joannes en
Paulus voert. Johannes en Paulus waren broeders en behoorden tot de Romeinsche
aristocratie ; zij bewoonden een prachtig paleis aan den zoogenaamden Clivus Scauri, op
den Coelischen heuvel. Onder Juliaan den Afvallige, die, ofschoon christen gedoopt,
het heidendom wederom wilde doen herleven en een laatste allerhevigste vervolging
tegen het christendom begon, werden beide broeders ter wille van hun geloof in hun
palcis ter dood gebracht en vonden ook in hun eigen paleis hunne laatste rustplaats.
Reeds voor den aanvang der 5de eeuw vindt men melding gemaakt van deze kerk, die
eerst den naam tilulus Bysantiae of Pammachii, later dien van St. Johannis et Pauli
droeg, maar gewoonlijk titulus Pammachii genoemd werd. Een opschrift boven den
ingang, die van het eerste ontstaan dagteekent, verkondigde haar oorsprong van
(\') Urisar. Qesch. Roms. und der Piipste I blz. 42.
-ocr page 222-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           197
Pammachius „den aanhanger des gcloofs" (Caltor fidei), zooals hij met recht genoemd
wordt (\'). Grisar verhaalt in zijn hieronder vermeld werk de bijzonderheden over de
opgravingen in dit paleis gedaan. In het jaar 1887 werd onder onze oogen, zegt hij,
de belangrijke reeks ontdekkingen op de plaats begonnen. Het christelijk paleis zelf,
dat Johannea en Paulus bewoond hadden en waarin l\'ammachius vertoefd had, is
allengs wederom uit de diepte opgestegen. Men heeft het ook tusschen de hooge bniten-
muren weer herkend. De verrassende ontdekkingen zijn oen duidelijk bewijs hoe rijk
de bodem van Home aan monumenten is, die bijdragen tot versterking en verduidelijking
der historische christelijke overleveringen. Door gebrek aan duidelijke en onvervalschte
berichten waren de overleveringen betreffende de kerk van Johannes en Paulus onder
verdenking gekomen ; nu staat echter het monument-zelf onweerlegbaar, en reeds
bijna in al zijne onderdeelen hekend, voor ons. .Men kan er zelfs het verloop van den
merkwaardigen, door Pammachius volbrachten ombouw van een ten deele nog heidensch
paleis ïn een christelijke basiliek erkennen.
Wie in onze dagen over do stille straat langs de kerk van genoemde martelaren,
over den (Virus Scauri naar den Coelischen heuvel stijft, heeft een der meest indruk-
wekkende beelden van het oude Rome voor zich. Hij nadert den ingang der kerk onder
den schilderachtigen boog, die den weg overbrugt. Ter rechter en ter linker zijde daalt
de boog neder.op hooge muren uit den romeinschen tijd. Vooral wordt de blik aan-
getrokken door eene machtige ronde tribune. Men ziet dat deze gebouwd is in een
oud romeinsch muurwerk, dat in goeden net vorm (opus recfucitlatuiH) is uitgevoerd.
De geheele inbouwing is nu duidelijk. De zijde van de kerk aan den kant van den
Clivus Scauri, is zelfs nog tot ongeveer do halve hoogte het nauwelijks veranderde
metselwerk van het oude paleis, en vertoont boven elkander gelegen reien, olk van
dertien vensters, Hij den ombouw van het paleis in een kerk, liet Pammachius de andere
hooger opstijgende verdiepingen afbreken, met uitzondering der zooeven genoemde
zijde. De onderste ruimten werden met puin en aarde opgevuld; alleen de grafkapel
der beide heiligen bleef vrij. Zoo werd de plaats gewonnen waarop men de fondeerings-
muren der oude kerk opbouwde. Het dieper liggende vertrek der aldaar begraven
heiligen, werd van uit de nieuwe kerk toegankelijk gemaakt.
In dezen, thans van puin en aarde bevrijden onderbouw van de kerk, de vertrekken
van het oude paleis, vertoonen zich overal sporen van een eertijds rijk en aristocratisch
huis, zelfs in de gevonden groote wijnkruiken (amphorae) die, zooals het opschrift
aanduidt, een kostbaren, uit Spanje gekomen wijn bevat hebben. Het monogram van
Christus, dat juist toen ter tijd zoo veelvuldig in gebruik kwam, vertoont zich hier
in de meest verschillende aanwending. Het siert niet slechts de wijnkruiken, maar komt
ook voor als sluiting in een venster der kerk, ten tijde van Pammachius aangebracht.
Men ziet in do vertrekken van het paleis schilderwerken, waarschijnlijk van oen heidensch
kunstenaar, die nog van vóór den tijd der heiligen dagteekenen. Voorstellingen, oven-
wel, dio tot den hcidenschen godsdienst behooren, komen niet voor. Onder de frontone
biedt de edele gestalto eener zoogenaamde Orante, zooals de Katakomben on de christe-
lijke sarcophagen zo voorstellen, een weldadige en levendige herinnering aan den tijd
der christelijke bewoners aan. De verheerlijkte gestalte eener, in de andere wereld
biddende ziel, staart, met uitgestrekte armen, in de ruimto neer, die men hot triclinum
(\') Grisar, Ibid.
-ocr page 223-
198                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
ploegt te noemen. Misschien is het eon aandenken aan een overleden familielid. De
vrouw, die zich in de kleeding van de toenmalige voorname wereld aan ons vertoont,
is in eene rijke tunica, met de gewone streepen (Clavi), gekleed; draagt het velum
(sluier), dat van het hoofd over de schouders naar voren afdaalt, heeft een parelsnoer
om den hals en in de ooren gouden hangers. Rondom zijn bekoorlijke versieringen
van bloemen en dierfiguren aangebracht. Men ziet er ook de in de kunst traditioneele
maskers van het tooneel. De meeste ruimte in deze zaal nemen evenwel de afbeeldingen in
van zes personen, die eenigen voor die van apostelen, anderen voor die van philosophen
houden. Men heeft nog verschillende andere gedeelten van het oude paleis blootgelegd,
die p. Germano, aan wien men deze ontdekkingen grootendeels verschuldigd is, met
moor of minder zekerheid voor badkamer, keuken, kelder enz. houdt.
Een andere reeks schilderijen zijn uit den tijd toen het paleis in een kerk werd
veranderd; zij hebben dus een christelijk karakter en stemmen overeen met de over-
eenkomstige afbeeldingen in de Katakomben. Verder heeft men nog brokstukken van
een Damasiaansch of Filocaliaansch opschrift gevonden ter eere van de beide heiligen.
Dit wijst er reeds op dat dit heiligdom in de eerste eeuwen een groote beroemdheid
had, want, zooals de praefatie van een oud sacramentarium heet: Terwijl de andere
martelaren den buitenkring der stad (n.1. in de Katacomben) met een roemrijke en schitte-
rende kroon omgeven, rusten deze overwinnaars daarentegen in het kasteel van Rome.
De straat uitlooponde komt men op de Piazza di San Grcgorio, waar do kerk van
den II. GREGORIUS DEN Groote zich bevindt. De II. (Jregorius behoorde tot een voor-
naam geslacht, dat van de Anicia, en herschiep het ouderlijk huis in oen klooster, waar
hij zelf woonde, de armen spijzigende, onder welken zich eens do Zaligmaker zelf ver-
toonde, zooals een fraai fresco-schildering op de wandon van eon der kapellen in
herinnering brengt. Een der kapellen is gewijd aan de II. Silvia, de moeder van den
II. (Jregorius.
Aan don andoren kant wordt het plein begrensd door don Botanischen tuin (orto
botanieó).
Wil men ook nu de Contrasten tusschen het Christelijk en hot Heidensch Rome
opsporen, dan steke men de via di San Greyorio over, sla de via de\' Cerchi in on
men bevindt zich ter plaatse, waar de beroemde Circus Maximus zich eenmaal inden
glans van zijn marmer en zijne standbeelden vertoonde en aan de op vermaken beluste
heidenen de emoties van de wagenrennen en paardcnloopen deed smaken. Vervolgt
men de laatstgenoemde straat, dan heeft men weldra rechts de kerk van do H. Anastasia,
die van zeer ouden oorsprong is, een aantal fraaie schilderstukken bezit en door een rij
zuilen van kostbaar marmer, waaronder acht van pavonazetto, in drie beuken is verdeeld.
Dit gedeelte van Rome, thans verlaten bijna (de gasfabriek bevindt er zich o.a.),
was eenmaal het schoonste en rijkste gedeelte van het Heidensch Rome on behoorde
tot don Palalinus, den zetel van de keizerlijke woningen.
Door loopende komen wij weer aan St. Maria in Cosmedin, aan Bocca delta Veritd
en zoo aan den Tiberoever, dien wij, links afslaande, volgen, om weldra aan de oude
en beroemde kerk van de II. Sabina te komen.
De kerk van de II. Sabina is, met de St. Maria Maggiore, nog eon der best be-
waarde basilieken uit de eerste eeuwen der christelijke jaartelling. Zij verrees op de
plaats waar het ouderlijk huis der H. Sabina stond, niet ver van den ouden tempel van
Juno, die aan de Koningin des (heidenschen) hemels werd opgericht na de inname van
-ocr page 224-
HET CHRISTELIJKE ROME.
li)9
Veji door Camillus. Een mozaïek-opschrift, boven de hoofddeur, leert ons dat zij onder
de regeering van paus Celestinus, omstreeks het jaar 425, begonnen werd door een
priester uit Illyrië, Petrus genaamd. De voltooing, evenwel, had plaats onder de regee-
ring van paus Xystus III (432 —440). In 824 werd zij gerestaureerd door paus Eugenius II,
en in 1238 door paus Gregorius IX, die haar opnieuw wijdde. Kardinaal Cesarini, in
1541, en paus Sixtus V, in 1587, herstelden en versierden haar opnieuw, maar trots
al deze herstellingswerken bleef zij vrijwel haar primitief karakter behouden. Alleen
is de groote voorhof, die van den hoofdingang tot aan de straat zich uitstrekte, vor-
dwenen, evenals zulks het geval is met meer andere Basilieken, zooals S,a Maria Mag-
giore, met welke kerk S,a Sabina veel overeenkomst heeft, ofschoon zij niet zoo groot
is. Beiden dagteekenen trouwens uit denzelfden tijd. Sla Sabina heeft drie beuken, die
door 24 fraaie gocannelleerde Corinthische zuilen van [\'arisch marmer van elkander
worden gescheiden. Door hare aanzienlijke hoogte, die nog aanmerkelijker schijnt,
doordien men tot boven in het dak kan zien, maakt zij op den beschouwer een ge-
weldigen indruk. Op de kapiteelen der zuilen rust geen architraaf, maar verheffen zich
sierlijke bogen, waarvan de steenen onderlaag bekleed is met platen marmer van ver-
schillende kleur. Behalve deze marmerversiering heeft Sta Sabina ook een rijkdom van
mozaïekwerken aan te wijzen, zooals het reeds vermelde opschrift boven de hoofddeur,
waarvan de vertaling aldus luidt :
Celestinus, de Paus op den verheven Stoel van Petnis,
Eerste Bisschop der wereld, omstraalt door een eenige waardigheid,
Zag dezen tempel ontstaan, gebouwd door Petrus den Illyriër.
Naast dit wijdingsgedicht bevonden zich twee mozaïeken, nog heden ten deele erken-
baar, die de „Kerk uit de Besnijdenis" en de „Kerk uit de Heidenen" voorstelden.
Het merkwaardigste aan de kerk van de II. Sabina zijn wel de twee houten deuren
aan den ingang. De beide vleugels zijn met historische reliëfbeelden en ingelegde figuren
uit cederhout prachtig bewerkt en gebeeldhouwd. Deze deuren dagteekenen van den
eersten bouw der kerk en zijn derhalve kostbare monumenten van oud-christelijke kunst,
niet alleen, maar ook, in verschillende tafreelen, van de oude leeringen der Kerk. Zoo
zien wij op een der paneelen Petrus en Paulus, terwijl zij gezamenlijk het kruis
opheffen tot den Zaligmaker, die, in een zegekrans, verheerlijkt boven hen zweeft,
in de eene hand de schriftrollen houdende, de andere leerende uitstrekkende. Naast
Hem de Alpha en Omega, die de simbolische getuigenis afleggen van Zijn godheid.
In \'t midden der beide Apostelen staat de Moeder Gods in de houding eener Orante
(zie blz. 111), de gemeenschap der Geloovigen of wel de Kerk, als bruid des Heeren,
voorstellende.
Niet minder merkwaardig is de voorstelling van den gekruisten Zaligmaker tusschen
de beide moordenaars. Deze afbeelding wordt algemeen beschouwd als de oudste werke-
lijke (niet simbolische) voorstelling van den bloedigen dood van den Verlosser. Om
zijn bouw, zijn mozaïekversieringen en vooral zijn hooggeroemde deur verdient Sta Sabina
de aandacht van allen die Rome bezoeken. De schilderij, voorstellende O. L. Vrouw
van den Rozenkrans, op een altaar in een der zijbeuken bij den ingang, is een dei-
fraaiste en sierlijkste werken van Sassoferrato.
Wanneer men de helling van S,a Sabina afdaalt — waar men nog overblijfselen kan
zien van den ouden stadsmuur van keizer Honorius — en rechts omslaat, komt men
aan de kerk van de H. Prisca, die men meent dat van de tijden der Apostelen dag-
-ocr page 225-
200                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
toekont, daar zij werd opgericht in het huis van Aquila en Prisca, waarvan in de
Handelingen dor Apostelen sprake is. Nadat de II. Prisca, na haar marteldood, hier
begraven was, werd de kerk door den II. Eutuchianus in 280 gewijd. Na verschillende
restauraties te hebben ondergaan, werd zij door kardinaal Benedetto Giustiniani in den
tegen woord igen toestand gebracht. De gevel is naar de teekening van Carlo Lombardi.
De kerk bezit 24 antieke kolommen en eenige a fresco-schilderingen van Fontebuoni,
en op het hoofdaltaar een schilderij van Passignani.
Terugkeerende naar S,a .Maria in Cosmedin, volgen wij rechts den Tiberoever, en
bevinden ons dan woldra aan het Tiber-eilaud of Isola di San Bartolomeo (St. Bar-
tholomeus-eiland).
Nibby geeft hot volgende verhaal over hot ontstaan van dit eiland. Na de verdrijving
van Tarquinius Superbus had de Senaat diens bezittingen aan hot volk geschonken en
uit haat togen den tiran wierp dit de korenschoven, die geoogst waren op zijn volden
die langs de rivier lagen on later Campo Marzio werden genoemd, omdat zij aan Mars
waren gewijd, in de rivier. Maar er waren zooveel van die schoven, dat het water ze
niet kon voortstuwen, zoodat zij zich ophoopten en met het zand der rivier allengs
het eiland vormden dat, later met dijkon omgeven, bewoonbaar werd gemaakt. Toen
in het jaar 402 van Home do post grooto verwoestingen aanrichtte, zond de Romeinsche
Senaat, na de Sybillijnsehe Doeken geraadpleegd to hebben, afgezanten naar don be-
roemden tempel van Esculaap hij do Epidaurièrs, en toen zij daar een van de slangen
hadden gekregen, die als levende simbolen van den god in den tempel worden onder-
houden, voerden zij deze in oen schip naar Rome. Dij het landen verdwaalde de slang
op dat eiland, on daar men dit voor een vingerwijzing van den god aanzag, richtte men
er een tempel on een hospitaal op. Hot eiland werd opnieuw mot steenblokken versterkt,
en ter herinnering aan het schip, dat do slang derwaarts had gebracht, gaf men er den
vorm van een schip aan. Op den romp van hot schip word de staf van Esculaap, met
diens zinnebeeld, uitgehouwen, zooals men nog onder den tuin van St. Dartholomeus
kan zien. Ken Egyptische obelisk word, bij wijze van mast, in \'t midden opgericht
Do tempel van Esculaap lag op don voorsteven van het schip, waar zich nu de kerk
van don II. Dartholomeus bevindt.
De kerk van den II. Dartholomeus mag op een hoogen ouderdom bogen, daar het
lichaam van don Heilige er reeds van het jaar 933 rust. Zij werd in 1118 door paus
(lelasius herbouwd on later door kard. Santorio hersteld onder leiding van Martino
Langhi, die don gevel met vier kolommen aanbracht; zij word door paus Deo X afge-
staan aan de p.p. minderbroeders observanten. Inwendig bestaat zij uit drie schepen,
door 24 kolommen, de moesten van graniet, van elkander gescheiden; men meent dat
zij grootendeols afkomstig zijn van den ouden Esculaap-tempel. Het hoofdaltaar bevat
in oen urne van porfier, met een loeuwekop versierd, het lichaam van den II. Apostel
wiens naam zij draagt.
Over de twee bruggen, die het eiland met de stad verbinden, hebben wij reeds
gesproken. Wij gaan zo dus over en komen in de via della LüNGARETTA, waar in
1807 de zouaven een woedend gevecht hadden te leveren togen een bende revolution-
nairen, die zich in een oude lakenfabriek haddon verschanst (\'). Wij bevinden ons weer
(\') Zie over deze en andere bijzonderheden betreffende de revotntionnaire beweging te Rome in 18(57,
mijn „Gedenkboek der l\'nuaelijke Zouaven", thans bij den uitgever van dit werk te verkrijgen.
-ocr page 226-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                          201
in Trastevere en ons eerste bezoek moet nu do Kerk van de II. Cecilia (S\'a Cecilia
in Trastevere)
gelden.
Onder de schoono en heerlijke figuren die de eerste Christen Kork heeft aan te
wijzen, zijn er weinige die, door alle eeuwen heen, zoo algemeen hekend en be-
wonderd worden als do H. Cecilia en de II. Agnes. S. Pudentiana, S. I\'raxedes, S. Rabina,
S. Catarina, S. Agatha en een breedo schaar andere heilige maagdon en martelaressen
schitteren met onvorvvelkharen glans aan den Christelijken Sternmemel, maar geen van
allo deze is omgeven met die aanminnigheid, dat waas van hooge poëzie, welke deze
twoo kenmerkt. Jeugd, schoonheid, rijkdom, hooge geboorte, aardsche liefde, alles wat
de mensch het begeerlijkst op aarde toeschijnt, wat men als de voorwaarden van het
hoogste gelnk betracht, was hun deel, werd hun aangeboden; en dat alles hebben zij
versmaad. Versmaad! En waarvoor? Voor dat eene, hooge, heerlijke, christelijke ideaal:
God alleen en uitsluitend toe to belmoren, niets te beminnen dan God of buiten (Jod.
En voor dat ideaal, dat niet denkbeeldig maar wezenlijk en waarachtig bestaande is,
hebben zij haar jeugdig leven mot al de genietingen, die hot haar kon aanbieden, blij-
moedig ten offer gehracht; de eene op een leeftijd die nauwelijks die der kinderjaren
overschreden had, de andere in den volion bloei dei\' jonkvrouwelijke ontwikkeling.
Is hot wonder dan, dat de Christenheid deze jeugdige maagdon, deze heldhaftige ver-
zaaksters der wereld, deze kloekmoedige bolijdsters van Christus\' naam, door alle eeuwen
heen met eene buitengewone, eene aandoenlijke, eeno begeesterde liefde en vereering
heeft omringd ? Is het wonder dan, dat Home deze edele kinderen van zijn bodem,
die schitterende sterren aan zijn roemrijken hemel, heerlijke tempels hooft gebouwd,
om haar heilige lichamen te bewaren en haar te veroeren, door wie zij zelve zoo hooge
eere heeft verworven ?
Spoeden wij ons dan naar Sta Cecilia, waar wij de heilige en roemrijke maagd zullen
aanschouwen in al haar aanminnigheid, schoonheid on heldhaftigheid.
De oudere schrijvers stollen don marteldood van de II. Cecilia onder de regeering
van Alexander Soverus, in \'222, omdat zij den bisschop Urbanus, die in do acten van
de H. Cecilia voorkomt, ven-warden met paus Urbanus I, die in dien tijd leefde; de
jongere critiok hoeft evenwel deze onnauwkeurigheid hersteld, zoodat men het tijdstip,
waarop de beroemde martelares den palm der overwinning behaalde, moet plaatsen
onder de regeering van Marcus-Aurelius, den keizer-wijsgeer, en wel tusschen Juni 177
en Maart 180. Na deze opmerking zullen wij in korte woorden haar roemrijk uiteinde
verhalen. Cecilia behoorde tot een oud senator ia al geslacht, dat der Cecilii, en dus tot de
hooge Romeinsche aristocratie; do acton van haar marteldood noemen haar inyenua
nobilis, clarissima,
(vrijgeboren, edel en zoor doorluchtig). Zij huwde op jeugdigen
leeftijd met Valerianus, die nog heiden was; maar zij wist dozen te bewegen om in
het huwelijk de volkomen kuischhoid to bewaren, zeggende dat oen Engel over haar
waakte. Valerianus omhelsde het Christendom en beide echtgenooton bewerkten de
bekeering van Tiburtius, den broeder van Valerianus. De vervolging, oio onder Marcus-
Aurelius reeds in Azië en Gallië had gewoed, breidde zich ook over Rome uit, en even-
als in Gallië was het ook in Rome verboden de ter dood gebrachte christenen te be-
graven. Valerianus en Tiburtius, zich aan dat verbod niet storende, bezorgden aan de
roemrijke bloedgetuigen een oervol graf. Deswege aangeklaagd, verschenen zij voor
den prefect Almachius, en toen zij weigerden aan de goden to offeren werden zij ver-
oordeeld om door het zwaard te sterven.
-ocr page 227-
202                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
De terechtstelling had plaats aan den pagm Triopius, op vier mijlen afstand van
Rome. Op weg naar de strafplaats bekeerden zij den gerechtschrijver Maximus en
verscheidene apparitores of dienaren van het gerecht. Maximus, die verklaarde christen
te zijn, werd veroordeeld om door de plumbatae, dat wil zeggen zweepen met looden
kogels, te sterven. Cecilia begroef do lichamen der drie martelaren langs den Appischen
weg, n.1. in de Katakombe van Pretextatns. Eenigen tijd daarna werd ook zij aange-
honden, maar alvorens had zij haar paleis trans Tiberem (over den Tiber d. w. z. in
Trastevere) overgedragen aan den senator Gordianus, die het, op zijn beurt, aan de
Kerk van Rome moest overbrengen. liet verhoor van Cecilia, ontdaan van de opsmuk-
kingen die latere schrijvers er aan toegevoegd hebben, heeft al het kenmerk van een
authentiek stuk, van een proces-verbaal tijdens de ondervraging door den griffier op-
gesteld. De prefect herinnerde haar aan de edicten van de keizers, waarbij bevolen
werd al dogenen, die den godsdienst van Christus niet zouden verzaken, te straffen ;
maar hen, die Christus zouden verzaken, van alle rechtsvervolging te ontslaan. Cecilia
beleed heldhaftig haar geloof en liet zich noch door de bedreigingen, noch door de
beloften en vleierijen van Almachius aan \'t wankelen brengen, zoodat deze haar ter
dood veroordeelde. Hetzij uit medelijden met haar jeugd en schoonheid, hetzij om
\'t opzien te vermijden, dat de terechtstelling van zulk een doorluchtig slachtoffer nood-
zakelijk in Rome moest verwekken, beval hij dat zij inliet Caldarium of het Caconium
(zweetbad) van haar huis zou gebracht en dit zoo verhit zou worden dat de dood door
verstikking moest volgen. Ter-dood-brengingen van voorname personen in hun eigen
woning waren in Rome geen zeldzaamheid, zooals Tacitus, Suetonius en andere ge-
sohiedschrijvers ons door voorbeelden aantoonen, en het bevel van Almachius was dus
geheel en al in overeenstemming met de Romeinsche gebruiken. Cecilia verbleef onge-
deerd een dag en een nacht in de gloeiende atmosfeer van de zweetkamer, zoodat de
prefect, dit vernemende, een lictor (\') zond, om haar te onthoofden. De lictor trof haar
tot driemaal toe met zijn zwaard, zonder haar te dooden, en nam toen de vlucht, de
heilige martelares in haar bloed badende achterlatende. Cecilia leefde nog drie dagen,
omgeven door de christenen en bijgestaan door Urbanus (*). Het lichaam der maagde-
lijke martelares werd langs den Appischen weg begraven in een aan haar geslacht
toebehoorend domein, later beroemd geworden onder den naam van Katakombe van
St. Callistus; daar werd ook later de paus-kapel of krypte aangelegd, waar een groot
aantal pausen werden bijgezet.
Wij hebben in het gedeelte, waarin het onderaardsche Rome wordt behandeld, breed-
voerig over de paus-krypte en het graf van de H. Cecilia gesproken en medegedeeld
op welke wonderbare wijze paus Paschalis het lichaam der martelares geheel onge-
schonden terugvond en deed overbrengen naar de kerk in Trastevere, die gebouwd
(\') Den romeinschen magistraatspersoon liep(en) een of twee mannen vooraf die een bundel roeden
met een er bovenuitstekende bijl droegen, als teeken dat de magistraat recht had over leven en dood;
die mannen noemde men lictores en zij werden vaak gelast met het tenuitvoerbrengen van doodvonnissen.
(-) Deze Urbanus is niet paus Urbanus I die onder Alexander Severus leefde, zooals wij reeds gezegd
hebben, maar een bisschop Urbanus, vriend der familie Caecilia en misschien naar Rome gekomen om elders
een vervolging te ontvluchten. Hij werd waarschijnlijk tot den marteldood veroordeeld door denzelfden
prefect Almachius eu in de Katakombe van I\'retextatus begraven. Paus Urbanus, daarentegen, werd begraven
in de l\'aus-krypte van de Katakombe van Callistus, waar de Rossi een grafsteen, zijn naam vermeldende,
gevonden heeft.
-ocr page 228-
HET CHRISTELIJKE ROME.
203
werd in of op de plaats van haar huis, dat zij aan de Kerk van Rome, door bemiddeling
van Gordianus, had geschonken.
Wij hebben ook medegedeeld dat kardinaal Sfondrati, die den titel van de H. Cecilia
droeg, in 1599 bij de herstelling der kerk het lichaam der maagdelijke martelares on-
geschonden terugvond, in don staat waarin paus Paschalis het acht eeuwen te voren
had gevonden. Wij behoeven daar dus niet op terug te komen.
Maar de vinding van het graf van de II. Cecilia was niet de eenige belangrijke ont-
dekking welke in 1599 in haar kerk gedaan werd. Naast de sarcofaag, die haar gewijde
overblijfselen bevatte, vond men nog een tweede, die bij opening drie naast elkander
liggende lichamen vertoonde. Aan het eerste ontbrak hot hoofd, bij hot tweede was het
hoofd van den romp gescheiden, en op den schedel van het derde vond men nog bruin
haar, dat met bloed er aan was gekleefd, terwijl de schedel-zelf op verscheidene plaatsen
gebroken was. In de twee eerste, ongeveer van dezelfde grootte en denzelfden leeftijd,
herkende men terstond die van den echtgenoot en den schoonbroeder van de H. Cecilia,
Valerianus en Tiburtius, die, zooals men weet, onthoofd werden ; het derde, veel grootere,
was ongetwijfeld dat van den gerechtschrijver Maximus, wiens hoofd, naar de Actcn
zeggen, met looden kogels verbrijzeld werd. Ofschoon men in \'t onzekere verkeert
over de overbrenging van hunne lichamen uit de Katakombe van Pretextatus naar
die van Callistus, weet men evenwel met zekerheid dat paus Paschalis ze in 822, tegelijk
met het lichaan der H. Cecilia, naar de kerk in Trastevere deed overbrengen. Er kan
dan ook geen redelijke twijfel bestaan of de lichamen in de tweede sarcofaag, zijn
die van genoemde martelaren geweest. Deze ontdekking heeft dus op schitterende
wijze de waarachtigheid van de Acten van hun marteldood bewezen. Behalve deze
bezit de kerk nog eene menigte overblijfselen van martelaren, door paus Paschalis der-
waarts overgebracht.
Bezichtigen wij nu de kerk zelve.
In het atrium of het portaal bevindt zich een marmeren vaas, uitmuntende zoowel
door hare grootte als haar schoonen vorm ; \'t is wat men een cantharus noemt, en diende
tot reiniging der geloovigon eer zij de kerk binnengingen. Het inwendige der kerk is
door zuilen in drie beuken verdeeld. Het hoogaltaar heeft een marmeren baldakijn, door
vier antieke zuilen van wit en zwart marmer gedragen. In de nabijheid daarvan, onder de
trappen van het priesterkoor, is de crypte waarin het lichaam der Heilige rust in een
cipressen kist, die omgeven wordt door een andere van zilver, waarvan de waarde
op meer dan 4000 gouden kronen wordt geschat en door paus Urbanus VIII geschonken
werd, nadat hij, op voorspraak der H., van een zware ziekte was genezen. Kardinaal
Sfondrati deed voor het graf negentig zilveren lampen plaatsen, die dag en nacht
branden ; het graf-zelf is versierd met albast, lapis-lazuli, jaspis, agaat en verguld
brons. Over het fraaie beeld van de heilige, door Maderno, hebben wij reeds gesproken.
Het gewelf van het priesterkoor en den middenboog is versierd met een prachtig mozaïek,
in \'t midden waarvan de H. Maagd zich bevindt, met het goddelijk kind in haar schoot
staande, terwijl links en rechts van haar zich Engelen met uitgespreide vleugels, vijf
vrouwenfiguren met kronen op het hoofd en een groot aantal andere personen ver-
toonen. Tegenover de sacristie bevindt zich de gang die naar de zweetkamer voert,
alwaar de heilige den palm der zegepraal bevocht. Die plaats is nog gedeeltelijk in
denzelfden staat waarin zij zich bevond toen het zwaard van den lictor Cecilia trof.
Men ziet er nog de buizen, waardoor de verhitte lucht in het vertrek werd gevoerd,
-ocr page 229-
204                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
en een ijzeren hek omgeeft de plaats waar de stookoven stond. Voorwaar een heilige
plaats, waar een roemrijke strijd gestreden en een eeuwige overwinning behaald werd.
Wanneer men (\\o via della Lungara ten einde loopt en de V. del Moro inslaat,
komt men weldra aan de Poule Sisto, die ons weer in het andere gedeelte van Rome
voert. Wij begeven ons naar de algemeen bekende en beroemde Piazza Navona, waar
wij de prachtige Kerk van de II. Aones (Sant\' Ag nes) vinden. Over het leven en
den marteldood van deze gevierde heilige zijn betrekkelijk weinig bescheiden ; hare
Acten, die zeker veel later werden opgesteld, bevatten veel bijzonderheden, die den
toets der kritiek niet altijd kunnen doorstaan. Evenwel heelt do christen dichter
1\'udentius, wiens waarheidsliefde algemeen geprezen wordt, eenige gegevens nagelaten,
waardoor men in staat is gesteld de moest belangrijke episoden, die haar dood vooraf-
gingen, vast te stollen.
Agnes behoorde tot een rijke on voorname familie; althans in de tijden, die onmid-
dellijk op do republiek volgden, vindt, men herhaalde malen gewag gemaakt van het
geslacht Hagnes. Evenwel is het niet met zekerheid bekend of zij hiertoe behoorde,
dan wel of Agnes haar persoonsnaam of haar familienaam, of misschien ook beiden was.
Zij had haar 13e levensjaar nog niet volbracht toen zij door een zoon van don prefect
van Home, dien sommigen Symfronius noemen, ten huwelijk word gevraagd. Agnes
was christin en had zich van haar prilste jeugd roods met den Hemelschen Bruidegom
verloofd en sloeg derhalve het aanbod van de hand. Een poging van Symfronius-zelf
had geen beteren uitslag. Zij werd nu als christin aangeklaagd en do prefect, hopende
haar tegenstand te overwinnen, veroordeelde haar niet ter dood. maar beval dat zij
in een luns van ontucht zou gebracht worden. Hoe onwaarschijnlijk en monsterachtig
zulk oon bevel ook moge schijnen, toch bevat de geschiedenis der eerste Kerk er ver-
scheidene voorbeelden van. Zoo werd do maagd Serapia, do gezellin van de II. Sabina,
te Vindona in Umbrië door den rechter veroordeeld om aan jonge losbollen overge-
leverd te worden, maar, evenals de II. Agnes, op wonderbare wijze voor bezoedeling
bewaard. Tertulianus zegt ook in zijn Apologie togen de heidenen: wanneer gij eeno
christin aan de losbollen overlevert in plaats van aan de leeuwen, dan bekent gij daar-
door dat het verlies der zuiverheid voor ons wreeder is dan alle martelingen en alle
doodstraffen" (\'). Agnes werd dan naar een berucht huis bij den Circus Agonale (waar
nu de Piazzi Navona is) gebracht en van haar kleederen beroofd. Maar zij werd op
wonderdadige wijze bedekt, doordien haar hoofdhaar haar eensklaps geheel als een
mantel omgaf, en toon de zoon van Symfronius haar wilde naderen, viel hij, door
blindheid geslagen, ten gronde.
Wanneer do machtige hand van God de martelaren op wonderbare wijze behoedde,
schreven de heidenen dit gewoonlijk aan tooverij toe, zooals hot geval was bij de straks
door ons genoemde Serapia, die om die roden ter dood werd gebracht. Misschien werd
ook do II. Agnes van snperstitio malifica (tooverij) beschuldigd, maar hoo het ook zij,
zeker is het dat de jeugdige heilige onder het zwaard van don beul haar leven eindigde.
Haar lichaam werd door hare verwanten in een hun toebehoorenden eigendom aan den
Nomentaanschen weg begraven, waar later oon beroemde Katakombe ontstond. De
marteldood van do II. Agnes viel hoogstwaarschijnlijk in \'t jaar 303 of 305 voor.
(\') Nam et proxime ad lenonem danniando christianam potius qnain ad leonem, coufessi e\'stis labem
pndicitiae apud nos atrociorem omni poena et omni raorti repntari.
-ocr page 230-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           205
Boven de plaats waar de zuiverheid der jeugdige maagd zoo wonderbaar werd
bewaard, verrees al zeer spoedig een bedehuis, totdat paus Innocentius X (1644- 165;"))
er de prachtige kerk liet oprichten, die mee onder de schoonste en rijkste van Rome
gerekend wordt. Het inwendige hoeft den vorm van een Grieksch kruis, is versierd
met acht groote Corinthische zuilen en geheel met fraaie marmersoorten bekleed. J)e
drie groote en vier kleine kapellen zijn met basreliefs en beelden van beroemde kunste-
naars gelooid. Het hoofdaltaar is ingelegd met gebloemd albast en versierd met vier
kolommen van antiek groen (verde antieó) (\'), waarvan twee gehouwen werden uit een
der zuilen van do Boog van Marcus-Aurelius op den Corso. Hoven dit altaar is een
marmeren groep van Domenico Guidi, de II. Familie voorstellende. Links van de kapel
van de II. Agnes is een trap die naar het hol voert, waar de jeugdige maagd op bevel
van den prefect werd gevoerd en waar zij op zulke wonderbare wijze door (lod werd
beschermd; boven het altaar stelt een fraai basrelief van Algardi deze gebeurtenis voor.
Wij kunnen niet nalaten hier eonige woorden te zeggen over hot beroemde Navona-
plein. Zooals wij gezegd hebben stond hier vroeger de Circus van Alexander Scverus
ook Circo Agonale geheeten. liet plein heeft volkomen den ouden vorm behouden,
daar de huizen, die hot omringen, op de zitplaatsen van den circus zijn gebouwd.
(Jregorius XIII luisterde het op met de twee fonteinen, een marineren tegenover
St. Apollinaris, de andere bij het paleis Braschi; deze bestaat uit twee groote boven
elkander geplaatste kommen van marmer; in \'t midden is een Triton, die een dolfijn
aan den staart houdt, uit welks bek een breede stroom water vloeit; op den rand
van het tweede bekken zijn waterspuitende maskers en Tritous.
De middelste fontein is zeker wel de schoonste en voornaamste. Innocentius 1\'amfili
richtte haar op naar de teokening van Bernini. De groote ronde kom heeft een middel-
lijn van 26 meter, in \'t midden waarvan zich een rots van 15 meter verheft, waaruit
aan de vier hoeken een overvloed van water stroomt, waartusschen zich een Zeo-
paard en een Leeuw vertoonen. Boven do rots verheft zich een obelisk van 18 meter
op een marineren voetstuk van 6 meter; deze obelisk, van Egyptischen oorsprong,
stond eertijds in den circus van Romulus, zoon van Maxentius, buiten de poort van
S. Sebastiaan. Aan do zijde van de rots bevinden zich vier reusachtige beelden, de
vier voornaamste rivieren der wereld, uit elk werelddeel een, voorstollende; n.1. de Ganges,
den Nijl, den Rio de Plata en den Donau.
In vroegere jaren werd hier een zeer levendige groentc- en fruitmarkt gehouden,
die vooral den vreemdeling menig schilderachtig en pikant tafreeltje uit het Italiaansche
volksleven aanbood. Des zomers werd het plein des avonds onder water gezet en dan
vermaakte men zich met er door te rijden, om een aangename verfrissching te genieten.
Do groentemarkt is, naar wij meenen, tegenwoordig naar elders verplaatst. Aan\'t einde
van het plein bevindt zich de Kerk van \'t II. Hakt, door I\'ius IX gerestaureerd op
een sedert lang ongebruikt gebleven kerk.
Aan de H. Agnes is nog een tweede, niet minder belangrijke kerk, Sta Aynesc fuori
Ie Mure
(S,a Agnes buiten do muren) gewijd, die wij nu zullen bezoeken.
Zooals wij gezien hebben werd de II. Agnes, na haar roemrijken marteldood, door
(1) Wokuls Guide de Rome, die reeds van het porta-santa marmer een beeldhouwer maakte, begaat
hier denzelfden flater, „les colonnes du Maitre Autel p(ar) Verde 1\'aucieu", d<" kolommen van het Hoogaltaar
zijn gemaakt door Verde den oude (! ?) Voor een wegwijzer door een stad met zooveel kunstschatten zeker
een onbegrijpelijke domheid.
-ocr page 231-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
206
hare verwanten begraven in een eigendom dat zij langs den Nonientaanschen weg
bezaten. Emerentia, de zoogzuster van Agnes, eens op het graf der martelares bid-
dende, werd door de heidenen op de plaats zelve gedood on vond eene rustplaats
naast hare zuster. Constantijn de Groote bouwde, op verzoek zijner dochter, die door
do voorspraak der II. Agnes van eene afschuwelijke melaatschheid was genezen, een
kerk boven het graf der beide II.II. Martelaressen. De kerk hoeft derhalve een hoogen
ouderdom en vertoont zicli nog heden, behoudens enkoio restauraties, waaronder die
van Pius IX de voornaamste is, in dezelfde gedaante die zij in de 4e eeuw had. Men
daalt er in af door middel van een broeden trap van 45 treden, langs welks wanden
zicli oen groot aantal oud-christelijke opschriften uit de naburige Katakombe bevinden.
De kerk heeft een dubbelen portiek en drie beuken, door 16 antieke kolommen gedragen,
waarvan twee van graniet, vier van porla-santa en twee van pavonazzello zijn. Het
hoogaltaar heeft een door vier zeer fraaie porfieren kolommen gedragen baldakijn,
terwijl onder het met edelgesteenten versierde altaar hot lichaam der II. Agnes rust.
Boven dit altaar ziet men het beeld der heilige. De romp van oostorsch albast, is af-
komstig van oen antiek beeld : hot hoofd, de handen en boenen zijn van verguld brons,
een werk van Franciozini. In do apsis bevindt zich een zeer oud mozaïek, dat even-
eens de heilige voorstelt; naar men zegt door paus Ilonorius I daar geplaatst. De
II. Agnos is staande afgebeeld, in een rijke griekscho kleeding, het hoofd met smaragden
omkroond en omgeven door don ronden heiligenschijn, terwijl do hals een tooisel van
paarlen draagt. Zij drukt hot Evangelieboek tegen de borst en onder haar voeten ligt
het zwaard, dat haar de martelaarskroon deed verwerven. Aan haar zijde staan paus
Ilonorius en Symmachus.
Den 218ten Januari hoeft in deze kerk de wijding van twee lammoren plaats, die
daarna tor verdere verzorging worden overgegeven aan de religieusen van het klooster.
Van de wol dezer lammoren wordt het pallium geweven, dat do Paus aan de Patri-
archen, Primaten on andore bisschoppen zendt. Het pallium, in den vorm dien het
na de 15e eeuw gekregen heeft, is een soort stool, aan oen halskraag gelijk, die
over de schouders wordt gelegd, en de borst en den rug omgeeft. Het wordt geweven
uit de wol van gezegde lammeren, en heeft zes kruisen van zwarte zijde : de zoom
is met kleine stukjes lood bezwaard, ten einde het opwaaien of opkrullen te voor-
komen. Het pallium stelt zinnebeeldig het Goddelijk Lam en den Goeden Herder
voor, welke laatste vooral in de eerste ecuwen van liet Christendom werd voorgesteld
met een lam op de schouders. Wanneer de pallia geweven en gereed gemaakt zijn
door de religieusen, worden zij, na door den Paus gewijd te zijn, neergelegd op het
graf van don II. Petrus, den eersten algemeenen herder, aan wien Christus alle men-
schen, als schapen aan hun herder, toevertrouwde. Later worden zij, zooals wij gezegd
hebben, aan aartsbisschoppen on bisschoppen gezonden.
Wij verzuimden nog te wijzen op een zeer fraai Hoofd des Zaligmakers, door
Michelangelo gebeiteld, en op twee antieke kandelabers van marmer, met acantus-
bladeren zeer fijn bewerkt.
Wij hebben reeds meermalen bij de oudste kerken van Rome een zonderlinge bouw-
orde aangetroffen, b.v.b. van een grooto kerk, over een kleinere van anderen oor-
sprong gebouwd ; van twee tegen elkander gebouwde kerken enz. \'t Is misschien hier
de plaats voor eene verklaring van zulk een oogenschijnlijk vreemden bouwtrant, zooals
de beroemde christelijke oudheidkundige G. B. de Rossi die gegeven heeft. „De lichamen
-ocr page 232-
HET CHRISTELIJKE ROME.
207
der belijders van \'t geloof, zegt hij, werden eerst begraven, zooals de verschillende
omstandigheden der plaatsen en de vervolgingen het toelieten. Wanneer deze een weinig
verminderden, droeg men groote zorg om hunne eerbiedwaardige graven te eeren ;
men bouwde er boven of er naast, zonder ze van plaats te doen veranderen of ze aan
te raken, cellae, cubicula, memoriae, die in een tekst basiliculae ad locum orationis
genoemd worden, of men richtte de onderaardsche crypten tot zoodanig gebruik in. Toen
de vrede aan de Kerk was geschonken, werden deze eerste basilieken versierd, vergroot,
soms in een groote kerk veranderd ; maar dikwijler nog werd een andere grootere
basiliek bij het graf en het eerste bedehuis gebouwd en er mee in verhinding gebracht
(basilicum conjunctam tumulo)" Zie daar wat men gedaan heeft van St. Laurentius,
St. Agnes, de II. Joannes en Paulus en tal van andere oude en hoogberoemde kerken
van Rome, en dit verklaart voldoende een soms zonderlingen bouw."
Onmiddellijk bij de Sta Agnose bevindt zich de kerk van de II. Constantia (Chiesa
dl S. Costanzia),
de dochter van Constantijn den Groote. Sommige oudheidkundigen
hebben gemeend dat deze kerk vroeger een tempel van Bachus is geweest, omdat men
er zoo veel wijngaardbladen- en druiven-ornamenten vindt, maar de druif en de wijn-
gaard werden ook in de eerste christentijden veelvuldig als versiering aangewend,
zooals ook nu nog de druif en de korenaar een algemeen bekende shnbolischo betee-
kenis hebben. Anastasius de Bibliothecaris bericht dat Constantijn de Groote in den-
zelfden tijd, toen hij de kerk van de II. Agnes deed oprichten, in de onmiddellijke nabij-
heid daarvan een baptisterium (doopkapel) van ronden vorm liet bouwen, in navolging
van dat wat hij reeds vroeger bij het Lateraan had doen verrijzen, en dat daar de
beide Coustantia\'s, zijn zuster en zijn dochter, gedoopt werden. Die doopkapel werd
ook later de begraafplaats zijner II. dochter, zooals de porfieren urne, geheel gelijk
aan die welke in het graf der II. Ilelena te Torpignottera gevonden werd, en die beiden
door Fins VI naar \'t Vaticaan werden overgebracht, aanduidt; ook Ammianus Mar-
cellinus maakt gewag van een graf van het geslacht van Constantijn langs den
Nomentaanschen weg. Alexander IV verhief deze begraafplaats tot kerk en wijdde
haar aan de II. Constantia, wier lichaam hij onder het altaar deed plaatsen. P. Grisar
meent zelfs dat de Kerk van de II. Constantia slechts in de tweede plaats doopkerk
was, en oorspronkelijk tot een gedenkteeken en een begraafplaats van de familie van
Constantijn was bestemd. In de vijf nissen van de binnenruimte stonden eens, afwis-
selend, prachtige sarcofagen mot de lichamen der overleden familieleden, en groote
kunstrijke kandelabers van marmer. Een dezer sarcofagen, van het zoogenaamde Con-
stantiagraf; zooeven vermeld, was van porfier vervaardigd en versierd met basreliefs
die een wijnoogst voorstellen. Zij bevindt zich thans in het Vaticaansche museum;
en ook van de prachtige kandelabers zijn er nog eenige bewaard gebleven. Veel van
de mozaïeken, die eveneens tafreelen uit den wijnoogst voorstellen, zijn nog uit den
tijd van Constantijn. Van meer gewicht zijn evenwel twee mozaïeken rechts en links
tegenover de nissen, waarvan het eene het overhandigen der wet aan Mozes, het
andere het overhandigen der Wet aan Petrus voorstelt. Mozes als bewaarder der oude,
Petrus als die der nieuwe wet, ziedaar de beteekenis dezer afbeeldingen. Zij toonen
voor de zooveelste maal aan, wat overal uit de oudste monumenten blijkt, dat altijd
de H. Petrus werd beschouwd als de eerste onder de Apostelen, als de plaatsvervanger
van Christus, als de bewaarder van de wet, in één woord, zij getuigen van het on-
afgebroken geloof in het primaatschap van Petrus en zijne opvolgers, de Pausen.
-ocr page 233-
208                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
De Nomentaanschc weg ontleende zijn naam aan het slechts op eenige mijlen van de
poort gelegen stadje Nomcntum, liet tegenwoordige Mentana. Niet veel meer dan
een mijl van St Agnes, komt men aan een brug die over de Aniene of Teverone voert
Tot op dat punt waren in October 1807 do Garibaldisten voortgedrongen om Rome te
overrompelen, wanneer do Revolutie aldaar mocht zegenvieren. In den nacht van 2 op 3
November 18(57 trok het kleine pauselijke leger, versterkt door een paar duizend
Fransche hulptroepen, langs dezen weg het leger van Garibaldi tegemoet. In den
vroegen morgen kwam het bij Mentana tot een treffen, en behaalden de pauselijke
troepen zulk een schitterende zegepraal, dat aan de geheele (iaribaldistische beweging
voor goed een einde werd gemaakt. Mentana en het niet minder gedenkwaardige
Monte-llotondo zijn ook in een half uurtje per spoor te bereiken.
Aan den rechteroever der Aniene verheft zich de Montc Sacro (Mons Sacer, Heilige
Heuvel). In \'t jaar van Rome 2G1, trok het Romeinsche Volk, verbitterd over de
uitpersingen en onderdrukkingen der patriciërs en rijken, zich naar dezen berg terug,
verklarende niet meer in de stad te zullen terugkeeren, wanneer niet aan zijn recht-
matigo grieven werd tegemoet gekomen. Ken mijl ongeveer van de brug bevond zich
ook de villa van Faon, de vrijgelatene van Nero, waar deze, vreezendo in de handen
zijner vervolgers te vallen, zichzelf den dolk in \'t hart stiet. In de wijngaarden zijn
nog enkele overblijfselen van deze villa ta zien.
Wanneer men naar de Porta Dia torugkoerende, den weg rechts inslaat en de
stadsmuren volgt, komt men aan de bekende Vorta Sularia. Door deze poort trok
Alarik in 409 met zijne (Jothcn Rome binnen, om het, zooals wij reeds eerder vermeld
hebben, gedurende eenige dagen te laten plunderen.
Ook Hannibal wilde van deze zijde Rome aantasten ; maar hij werd er in verhinderd.
Op oen kwart mijl afstands buiten do poort bevindt zich do om hare kunstschatten
wijd beroemde Villa Albani, waarover de reisgidsen do nadere bijzonderheden wel
zullen mededeelen. Vervolgt men vorder den Salirischen weg, dan komt men aan do
Salariachc Brug (Ponto Salario), door Totila verwoest, maar door Narses weder
opgebouwd, nadat hij do Gothen verslagen had. Hier legerdon ook de Galliërs toon
zij in \'t jaar 3f>0 voor de Christelijke jaartelling Rome bestookten; hier had ook het
tweegevecht plaats tusschon Manlius Torquatus en don Gallischen soldaat, die de
Romeinen had uitgedaagd zich met hom to nieten. In dit gevecht bleef Manlius
overwinnaar. Wij betreden hier oen klassieken bodem, want aan den linkeroever der
Aniene lag in overouden tijd Antemnis, oen der oudste steden van Latium en eender
eerste veroveringen van Romulus, Rome\'s stichter. Nog een weinig verder had de
veldslag plaats waar Tullus Ilostilius de Vcjeërs overwon. Keert men naar de stad
terug dan vindt men, de poort binnentredende, rechts het hok van de villa Mandosio,
waar men nog eenige overblijfselen vindt van de eens zoo beroemde TUINEN van
Salustius (Caius Crispus Salustius), den beroemden geschiedschrijver. Kon gedeelte
dezer tuinen wordt nu nog ingenomen door den Montc I\'incio, de gelief koosde wandel-
plaats der Romeinen.
Do via ni Porta Salaria voort eerst voorbij de Villa Altieri en vervolgens langs
de Villa Ludovisi, dio om hare kunstschatten wel een bezoek verdienen. Vandaar
bereikt men weldra do Academia Dl Fkancia en de kerk van S^ TRINITA dei Monti
(H. Drievuldigheidskerk).
Op hot plein staat oen fraaie Egyptische Obelisk, die langen tijd verwaarloosd op
-ocr page 234-
HET CHRISTELIJKE ROME.
209
het plein van St. Jan van Laterane heeft gelegen, waar Clemens XII haar eerst wilde
oprichten. Zij stond vroeger in den circus van de tuinen van Sahistius; haar hoogte
bedraagt, zonder het voestuk, 24 Meter.
De kerk van $« Trinitd werd op verzoek van den II. Franciscus di Paolo door
Karel VIII, Koning van Frankrijk, gebouwd in 1494; Sixtus V wijdde haar in 1585.
Do kardinaal de Macon, genaamd van Lotharingen, liet haar met schilderwerken
opluisteren. Ongeveer het jaar 1798 werd zij verwaarloosd en aan haar lot overgelaten,
totdat zij in 1816 door Lodewijk XVIII, naar de plannen van den bouwmeester
Mazois werd gerestaureerd, waarna zij telkens opnieuw verrijkt werd met schilderwerken
van de kunstenaars der Acadcmia di Francia, zooeven door ons vermeld.
In de eerste kapel links is een schilderij, Christus den bezetene genezende, door
Forestier; de fresco\'s op de zijwanden, tafreelen uit het lijden des Zaligmakers, door
Nabbia. In de volgende kapel bevindt zich een lief beeld van oen zittende II. Maagd,
waarboven een copie is van do beroemde Madonna della Seggiola, van Rafnël; de wand-
schilderingen, Adam, Eva en de geboorte van Christus voorstellende, zijn van Cesare
di Piemonte. In de derde kapel is een copie van de beroemde „Graflegging" van Daniele
da Volterra ; naar men gelooft is deze copie van Poussin; het origineel bevindt zich
in de Sacristie. De fresco\'s zijn eveneens van Volterra, maar werden later overgeschil-
derd. In do vierde kapel is een fraaie Eccc-Homo van Briscara, en in de volgende
„de verrezen Zaligmaker aan Magdalena verschijnende." De II. Lodewijk, op het altaar
de doornenkroon noderleggende die hij in Jerusalem had gedragen, vormt het onder-
werp van een fraaie schilderij door Thevenin, een dor vroegere directeuren van de
Academici di Francia. In de Sacristie kan men de fraaie ..Afneming van het kruis"
door Daniel da Volterra bewonderen. Deze schilderij heeft men langen tijd als de
schoonste beschouwd na de „Transfiguratie" van Rafaël. In de kapel bevinden zich
voorstellingen van de Opstanding, de Hemelvaart en de Xederdaling van den II. Geest,
die allen meer of minder geleden hebben. In de vijfde kapel rechts is een bewondorens-
waardig schoone „Gecsoling" door Paillière, een to vroeg gestorven kunstenaar der
Academia. In een der volgende kapellen heeft Ingres een fraaien Christus geschilderd,
die aan Petrus de sleutels overhandigt.
In het aanpalende klooster van de „Dames du Sacrè Coeur," die een veel bezocht
pensionaat voor do dochters der hooge aristocratie besturen, bevindt zich in een der
gangen een bewonderenswaardige „Mater Admirabilis," in 1844 door een der religieusen
a fresco geschilderd.
Op het lommerrijk voorplein der kerk is een der ingangen naar den Monto Pincio,
dien Pius Vil liet maken.
Een prachtige trap van 125 treden, onder de regeoring van Innocentius XIII voor
rekening van Gouffier, een Franschman, gebouwd, voert van Trinita de\' Monti naar
de beroemde PlAZZA Dl Spaona (Spaansch Plein), aldus genaamd omdat zich aldaar
de Spaanscho Ambassade bevindt; \'t is oen der schoonste en meest bezochte pleinen
van Rome, waar zich eon aantal voorname hotels, boek- en plaatwinkels bevinden.
Men meent dat hier eenmaal de Naumachia van Domitianus zich bevond, waar men, ter
verlustiging van \'t Romeinsche volk, scheepsgevechton gaf. In \'t midden van \'t plein is
eene schoone fontein in den vorm van een scheepje (Barcaccia), die door Urbanus VIII
daar werd geplaatst volgens het plan van Bernini den oudere. Op het plein bevond
zich ook de beroemde Propagande Fide, door Gregorius XV begonnen en Urbanus
-ocr page 235-
210                         ROME IN VESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
VIII voltooid, om jongelieden uit vreemde gewesten voor het Missiewerk op te leiden.
Den 8 September 1857 werd door Pius I de zuil van de Onbevlekte Ontvangenis op-
gericht, ter herinnering aan de Dogma-verklaring dat de II. Maagd altijd vrij is ge-
weest van de smet der Erfzonde.
Wanneer men van de Piazza di Spagna de via dei due Macelli volgt, heeft men
links de via del Tritone, die naar de Piazza Barberina voert. Eer men evenwel dit
plein opgaat heeft men links do Via Felicc, waar zich de hoofdingang van het Palazzo
Barbcrini
bevindt, een der schoonste paleizen van Home, onder de regeering van
Urbanus VIII door Kardinaal Barberini volgons de plannen van Carlo Maderno be-
gonnen, en later naar die van Borromini en Bernini voltooid. Dit paleis bezit een
aantal kunstschatten, die men niet verzuime te bezichtigen en waarvan de gewone
reisgidsen de nadere bijzonderheden bevatten.
ïerngkeerende naar de Piazza Barbcrini loopt men do Via del Tritone en do
Via dcll\'Angelo Custudo (Triton en Engelbewaarderstraat) door, slaat links de Via di
Stamperia
in en bevindt zich dan bij de prachtige Fontein van Trevi (Fontana di
Trevi), een der schoonste en grootste van Rome. Het water, dat in onmetelijke hoe-
veelheid uit deze fontein stroomt, is het beroemde AcqüA Verüine. (Water van do
Maagd), dat het eerst door Agrippa naar Rome werd gevoerd ten behoeve van zijn
badstoven (Thermen), die hij achter het Pantheon had laten bouwen.
Het water ontspringt op acht mijlen van Rome tusschen den weg naar Tivoli en
dien naar Palestrina. De leiding, die bijna geheel onder den grond doorloopt, is veer-
tien mijlen lang en werd gerestaureerd door Claudius en later door Trajanus. Zij loopt
langs de Xomentaansche brug, buigt daar links om, volgt de helling van den Monte
Pincio, gaat door de Villa Borghesa, komt bij de vroegere Muro Torto (muur van den
Pincio) in Rome, gaat onder Trinita de\' Monti door en verdeelt zich daar in twee
takken, waarvan de eene onder de Via Condotti (die er haar naam aan ontleent)
doorloopt en de andere naar de beroemde fontein voert.
Nadat Paus Nicolaas V do waterleiding had laten herstellen, plaatste hij hier, waar
zich een driesprong (trivió) bevond, een fontein met drie watormonden, en van dat
woord trivio meent men dat het woord Trevi is afgeleid. Paus Clemens XII, er een
fontein willende plaatsen in overeenstemming met do groote gebouwen van Rome,
verving die fontein door de tegenwoordige, waarvan Niccola Salvi de teekening leverde;
alleen waren de beelden toen van stuc, die Clemens XII later door de tegenwoordige
marmeren beelden deed vervangen. Do fontein staat tegen een der zijgevels van het
palazzo Buoncampagni, on is versierd met vier Corinthische kolommen en pilasters
van travertijnsteen, waartusschen tweo rijen vensters zijn en tusschen de kolommen
twee basreliefs; boven de kornis is oen atliens, waarboven vier beeldou en het
wapen van Clemens XII.
Uit een rotspartij stroomt eene groote hoeveelheid water in een reusachtig bokken
van wit marmer. In de groote middennis, die met vier zuilen is versierd, ziet men
oen reusachtig beeld ten voete uit, dat den Oceaan voorstelt, staande in een kar uit
een groote schelp gevormd en getrokken door vier zeepaarden, door Tritons gemond.
In de zijnissen zijn beelden, voorstellende de ..Gezondheid" en do „Vruchtbaarheid";
hier boven zijn twee basreliefs, hot eene Agrippa voorstellende en de andere do jongo
maagd die do bronnen van dit water ontdekte, dat daarom Aqua Vergine werd ge-
noemd. De vier beelden van travertijn boven de kolommen stollen voor: don Overvloed
-ocr page 236-
TIET CHRISTELIJKE ROME.                                           211
van Bloemen, de Vruchtbaarheid dor Velden, den Rijkdom van ihm Herfst en de l>e-
koorlijkhcid der Weiden.
Wanneer wij naar de Piazza di Spagna terugkeeren en de Via Carozza doorloopen,
komen wij op den Corso uit, tegenover de prachtige Kerk van den II. Carolus Borro-
niens {8. Carlo al Corso), die veel door de Romeinscho aristocratie wordt bezocht en
uitmunt door haar heerlijk verguld Stucwerk. Men bewaart er het hart van den II.
Carolus en diens gouden crucifix.
Verder op, naar de Via Nazionale toe, bevindt zich de Kerk van Sax Lokenzo
in LuciNA, waarvan men den oorsprong tot Sixtus III (435) doet opklimmen. Na her-
haalde restauraties in 635, 780 en 1196, werd zij in 100(5 gebracht in den staat waarin
zij zich thans bevindt. Behalve cenige oudere zeer goede schilderstukken, kan men
boven het Hoogaltaar de Kruisiging door Guido Reni, bewonderen.
Den Corso volgende kan men de Via dclle Convertite inslaan en een bezoek brengen
aan S. Silvestko bijgenaamd ix Capite, omdat men er het hoofd van den H. Johannos
den Dooper bewaart. Men meent dat deze Kerk reeds in 2G1 werd gebouwd ; zeker
is het evenwel dat zij reeds in de 7de eeuw bestond. Het gewelf van het middenschip
en van het transept bezitten zeer goede schilderingen van Brandi en Roncalli.
Naar den Corso terugkeerende komen wij weldra aan de PlAZZA Coloxna, aldus
genoemd naar do zuil van Marcus Aurelius, waarover wij in ons eerste gedeelte
breedvoerig gesproken hebben. Het fraaie en ruime plein wordt omgeven door prach-
tige paleizen, zooals het palazzo Ciiici, palazzo Piomdino, palazzo Brancadore,
waarvan het eerste het merkwaardigste is. De achtergrond wordt ingenomen door de
bureaux van den plaatselijken Commandant en de Hoofdwacht.
Achter dit plein bevindt zich de Piazza di Moxte Citorio met het paleis van den
zelfden naam, waar thans de zittingen van do Italiaanscho Kamer van Afgevaardigden
(Tweede Kamer) gehouden worden. Het plein is gebouw op de puinhoopen van het
oude amphiteater van Stabilius Taurus, van daar zou ook de naam Citorio afkomstig
zijn. Er bevindt zich een obelisk van Augustus op de plaats waar eertijds de zuil van
Antoninr.s Pius stond, die in 1789 naar den tuin van \'t Vaticaan werd overgebracht.
De obelisk werd door Psameticus I in Ileliopolis ter eero van de Zon opgericht en
door Augustus naar Rome overgebracht en op het Campo Marzio opgericht. Het paleis
beslaat eveneons een gedeelte van het amphitheater van Stantilius Taurus en werd
in 1650 door Innocontius X volgens do plannen van Bernini begonnen en later door
Innocentius XII onder leiding van Carlo Fontana voltooid. Deze Paus vestigde er
de verschillende gerechtshoven, van waar het den naam Curia Innocenziana ver-
kreeg. Zooals wij zeiden, houdt thans het Ital. Parlement er zijne zittingen.
In de nabijheid, op de Pazza ni Pietra, kan men eenige kolommen en den voor-
gevel bewonderen van den beroemden Tempel van Axroxixrs Pius. Do Corinthische
zuilen hebben veel geleden, maar hot geheel geeft nog een donkbeeld van do voor-
malige pracht van dezen tempel. Onder de Pauselijke regeering was er een douane-
kantoor gevestigd.
Naar den Corso terugkeerende en dezen vervolgende, voort de eerste straat rechts
ons naar de prachtige kerk van don II. Ignatius (S. Igxazio). Kardinaal Ludovico Ludovisi,
neef van Paus Gregorius XV, begon haar in 1626 ter eere van den H. Ignatius
van Loyola, den grooten stichter des Jesuiten-orde. Bij zijn dood was het werk nog
-ocr page 237-
212                       ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
niet gereed, maar hij liet voor de voltooiing een som van 200.000 Hom. kronen (een
millioen ongeveer) achter en toen maakte Domenichino twee plannen voor den verderen
bouw. P. Grassi nam van elk der plannen een gedeelte, en op dit gewijzigd plan werd
do kerk voltooid Alguardi, die den gevel van travertijn ontwierp, versierde dien met
twee rijen Corinthische en composiet kolommen. Het inwendige is door groote corin-
thische pilasters in drie benken verdeeld. De schilderingen van het groote gewelf, van
de geheel apsis en het altaarstuk en het eerste altaar rechts, dat twee kolommen van
antiek geel (giallo antico) heeft, zijn van den Jesuit Pozzi, ook <Je schoone altaren van
het transept zijn naar de teekeningen van denzelfden p. Pozzi uitgevoerd, Zij zijn aan
elkander gelijk en met fraaie marmersoorten, verguld brons en vier heerlijke gedraaide
en met antiek groen (verde antico) bekleede kolommen versierd. In de kapel rechts
bevindt zich een zeer fraai basrelief van Le Gros, den II. Aloysius van Gonzaga
voorstellende, wiens lichaam in een met lapis lazuli bekleede urne onder het altaar
rust. In de tegenoverliggende kapel, de 4° links, rust onder het altaar het lichaam van
den II. Joannes Berchmans. Pij de zijdeur bevindt zich het heerlijke praalgraf van
Gregorius XV, eveneens door Le Gros ontworpen en uitgevoerd.
Onmiddellijk aan de kerk van den II. Ignatius grenst het Rom. College (Collegio
Romano) of, om juister te spreken, het uitgestrekt gebouw dat vroeger het Rom. Col-
lego bevatte, maar dat door do nieuwe meesters van Rome aan zijn bestemming ont-
trokken is. In 1582 door paus Gregorius XIII gesticht en aan de Jezuieten overgedragen,
werd het weldra een kwcekplaats van geleerdheid en wetenschappon, en de beroemdste
mannen der laatste drie eeuwen hebben daar onderwezen, zooals: Cornelius a Lapide,
Bellarminus, Suarez, Baronius, Kircher, Perrone, de Vicco, Secchi, Franzelino, Tarquini
en tal van anderen. Leerlingen, soms 400 in getal, uit alle landen en werelddeelen,
van alle standen der maatschappij, werden daar geheel kosteloos onderwezen in alle
takken van menschelijke en goddelijke wetenschap; het observatorium had door de
onsterfelijke werken van pater Secchi een wereldvermaardheid verkregen ; de bibIio-
theek was een der rijkste der wereld. Dit alles hebben de overweldigers zich toege-
eigend ; het observatorium werd door p. Ferrare, den opvolger van p. Zecchi, naar
Borgo San Spirito overgebracht en de universiteit door de Jezuïeten in het paleis
Borromeus heringericht, en bloeit daar met nieuwen glans en brengt nieuwe vruchten
van geleerdheid voort. Maar behalve zijn kostbare bibliotheek, zijn wonderbaar en
belangwekkend Museum Kircher, zijn verzameling munten, door kardinaal Zelada in
de 13° eeuw bijeengebracht, bevatte het Rom. Collego twee groote schatten: do kamers
eens bewoond door den II. Aloysius van Gonzaga en den II. Johannes Berchmans.
Na verscheidene gangen doorloopen te hebben komt men aan de nederige cel van den
II. jongeling, die een vorstenkroon had vaarwel gezegd om een leven van versterving
en boetedoening te leiden, ofschoon hij tot aan zijn vroegtijdigen dood in 1591, do
onschuld des Doopsels nooit verloren had. De oude deur van do in kapel veranderde
cel is verborgen achter een glazen deur ; onder het altaar bevindt zich do kist waarin
eertijds het lichaam van den II. rustte, eer het een waardiger plaats onder het altaar
in S. Ignazio vond ; boven het altaar ziet men zijn authentiek portret. Do kamer van
don II. Johannes Berchmans bevindt zich op dezelfde verdieping. Het museum Kircher
bevat een schat van oudheden, van voorworpen van natuurlijke historie enz., die een
bezoek overwaard zijn. Ook de bibliotheek, thans in Bibliotheek" Victor Emmanuel her-
schapen, die 500,000 boekdeelen on 5000 handschriften bevat, verdient een bezoek.
-ocr page 238-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                          213
Een derde blanke lelie in den grooten hof van de Sociteit van Jezus was de
H. Stanislaus Kostka, een jong Poolsch edelman, die de grootheid der wereld vaarwel
zegde, om als novice in de Orde der Jezuïeten te treden. Een twaalftal jaren geleden
kon men in het klooster van Sant\' Andrea al Quirinale de kamers bezoeken, waar
hij gewoond had, maar ook hier heeft het sloopcrshouweel dor overweldigers een
aan alle Romeinen en alle katholieken dierbare plek doen verdwijnen. In 1886 ontving
de rector van het noviciaat bevel do kamers van den jeugdigen heiligen novice te ont-
ruimen, omdat de plaats noodig werd geoordeeld tot vergrooting van hot geroofde
Quirinaal. Het college en noviciaat werden overgebracht naar Prati di Castello,
een geheel nieuwe wijk, die ontstaan is in do wijken achter den Engelenburgt gelogen.
De prachtige kerk van St. Andrea al Quirinale, door prins Camillo Pamfili, een neef
van paus Tnnocontius X in 4678 naar de teekening van Bernini gebouwd, bezit een
aantal prachtige schilderwerken en is mot heerlijke marmersoorten opgeluisterd. Zijn
grootste schat is evenwel het lichaam van don II. Stanislaus, dat in de met lapis
lazuli bekleede urne onder het altaar van de aan hem gewijde kapel rust.
Wanneer men don Corso uitloopt en rechts do via Nazlonalc inslaat, komt men
over het fraaie Plein van Ycneiic (PlAZZA di Venezia) aan de beroemde en rijke kerk
van Jcsus
(Ciiiesa del Gesu), do kerk der Jesuïton. Zij werd in 1575 door kardinaal
Alexandro Earnese naar de plannen van den beroemden bouwmeester Vignola be-
gonnen en later door Giacomo della Porta voltooid, die er den koepel en de fraaie
portiek met twee rijen zuilen van corinthischen en composiet-stijl aan toevoegde. Het
inwendige schittert van het heerlijkste marmer, verguld stuc-werk en fraaie schilderingen.
De kapel in het rechter transept word naar de teekoning van Pietro da Cortona uit-
gevoerd en versierd met fraai marnier, vier schoone kolommen en een schilderstuk
van Carlo Maratta, den dood van den II. Franciscus Xavorius voorstellende. Het Hoog-
altaar, door della Porta ontworpen, prijkt met vier schoone kolommen van antiek geel
(giallo antico) en een fraai schilderwerk van Muziano, de Besnijdenis van Christus
voorstellende. Ter zijde van dit altaar is het praalgraf van kardinaal Bellarminus, door
Pietro Bernini met marmeren basreliefs versierd. Do fresco-schilderingen in de tribuna,
in den koepel, en van het gewelf van het Middenschip, waar de II. Franciscus Xaverius
ten hemel gedragen is voorgesteld, zijn van Bacicio. Het rijkste sieraad is zeker wel
de kapel van den II. Ignatius in het transept, een der schoonste en rijkste kapellen
van Rome, naar de teekening van pater Pozzi uitgevoerd. De kapel is versierd met
vier prachtige kolommen, die met lapis lazuli ingelogd en verguld bronzen lijsten be-
slagen zijn, ook de kapiteelen on basementen zijn van verguld brons. De socles of voet-
stukken der zuilen, do groote kornis, het fronton, dat door genoemde zuilen gedragen
wordt, zijn van antiek groen (verde antico). Uit het midden van het fronton rijst eon
groep van wit marmer op, door Bernardino Ludovisi gebeiteld en de H. Drievuldigheid
voorstellende; alleen de figuur van den Zaligmaker is van Lorenzo Ottone. De wereld-
bol, op welken God de Vader rust, is uit één stuk lanislazuli, het grootste en schoonste dat
men van deze kostbare steensoort kent. De waarde ervan wordt, naar men zegt, op
een millioen francs geschat. De schilderij op hot altaar, den II. Ignatius voorstellende,
is van p. Pozzi. Achter deze schilderij is het lovensgrooto zilveren beeld van dozen
grooten stichter der Jozuitcn-orde. Zijn lichaam rust onder hot altaar in oen rijke tombe
van verguld brons, met edelgesteenten en basreliefs van verguld brons en marnier
opgeluisterd, die verschillende episoden uit zijn leven voorstellen. Tor zijde van het
-ocr page 239-
214                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
altaar bevinden zich twee prachtige marmeren groepen; de eene stelt hot Geloof voor,
door de meest barbaarsche volken vereerd ; do andere den Godsdienst, die met liet
kruis de ketterij, voorgesteld door een man mot een slang en een vervallen vrouw,
ter neder velt. Deze laatste groep is van Lo Gros, de eerste van Tendone. Tegen-
over de Kapel van den II. Ignatius is die van den II. Franciscus Xaverins, waar men
den rechter arm on een hand van dezen grooton Apostel van Japan bewaart.
Het fraaie Maria-beeld, dat in deze kerk sinds onheugelijke tijden vereerd wordt
onder den naam van Madonna della Strada en waarvoor zoovele beroemde heiligen,
als daar zijn: een II. Ignatius, een II. Franciscus Xaverins, de H. Franciscus Borgia,
de II. (\'arolus Horromeus, de II. Philippus Xorius, gebeden hebben, werd reeds eeuwen
geleden om do vele wonderbare gunsten daar verkregen, plechtig gekroond, maar op
het einde der vorige eeuw beroofde een heiligschennendo hand het vereerde Beeld van
al zijne sieraden en ook van do gouden kroon. Maar de vele en uitstekende gunst-
bewijzen, door de voorspraak van de Madonna della Strada opnieuw verworven, deed
liet Kapittel van het Vaticaan besluiten hot beeld opnieuw te kronen. Deze plechtig-
heid had plaats op 14 Juni 1885, zoodat van dien dag het Moedergodsbeeld opnieuw
met een gouden kroon prijkt.
In (\\cn looi> van dit jaar onderging do Grst\'i aanmerkelijke restauraties, zoodat de
prachtige kerk weer in nieuwen luister prijkt.
liet daarachter gelegen klooster, met zijn ruime gangen, waar eertijds dé Generaal
der orde zijn verblijf hield, is door do I\'iomonteesche regeering in een kazerne ver-
veranderd; de kamers, welke de II. Ignatius bewoonde, zijn evenwel gespaard gebleven
en zullen door de pelgrims zeker met aandoening bezocht worden.
In de jaren 18(ï(i 1870 hield in dat klooster ook de E. I\'. Wilde, die alle oud-
zouaven zich zeker zullen herinneren, zijn verblijf.
Nu wij op de Piazza dl Vcnczia zijn, en dus in do nabijheid van het Forum, willen
wij ons nog even derwaarts begeven om een blik te slaan op eenige oude heiligdommen,
van welke sommige ontstaan zijn uit beroemde gebouwen van het heidensche Rome.
Wij slaan dus rechtsom do Via Nazionale weer in, vervolgen deze een korten strek,
slaan dan rechtsom, om ons weldra op het oude Forum van Trajanus te bevinden,
dat eens in pracht en luister alle andere Forums overtrof; de talrijke brokstukken van
zuilenschachten verkondigen nog heden, dat do bewondering, welke dit Forum een-
maal bij do Ouden opwekte, niet overdreven was. Te midden ervan verheft zich de
prachtige zuil van Trajanus, waarover wij reeds vroeger gesproken hebben. Ten tijde
van paus Gregorius don Groote vertoonde dit Forum nog al zijn pracht en de legende
verhaalt dat deze heilige Paus zoozeer in begeestering geraakte door de heerlijke
schepping van keizer Trajanus, dat hij de bevrijding van do ziel des keizers uit de
hel verzocht..... en verkreeg. Dit laatste wijst er reeds op dat wij hier met eene
volkslegonde te doen hebben ; maar deze legende spreekt ook meer dan iets anders
voor de groote bewondering, welke do schepping van don Keizer bij tijdgenoot en
nazaat wekte.
Tegenover de zuil van Trajanus verhief zich eenmaal do prachtige Basilica Ulpia,
waarvan men in het begin dezer eeuw do grondslagen heeft teruggevonden. Deze
Basiliek was geen gebouw voor don godsdienst, maar, evenals alle oude Basilieken,
voor geheel profane doeleinden bestemd. Do B. Vlpia diende voor de rechtspraak,
maar vooral voor bijeenkomsten van letterkundigen en dichters, die er hunne werken
-ocr page 240-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                   2ir>
voorlazen. Hot inwendige was door vier rijen zuilen in vijf schepen verdeeld; men
steeg er naar op langs vier massieve treden van giallo antico (antiek geel marmer);
de vloer was in verschillende vakken verdeeld, die met giallo antico, pavonazzetto
en afrikaansch marmer waren ingelegd; de zuilen waren van grijs graniet en de muren
hekleed met wit marmer. Het dak was van hrons en tusschen de pilasters, tegen de muren,
stonden voetstukken, op welke eenmaal de horstbeelden van heroemdo mannen zich
verhieven. Van al deze heerlijkheid is niets overgebleven dan eenige stukkon van zuilen-
schachten.
Op de puinhoopon van dit Forum werden in later eeuwen twee kerken gebouwd,
beiden aan do H. Maagd gewijd en waarvan do eeno den naam draagt van »S\'. Maria
di Loreto;
do andere werd in 1663 opgericht tor herinnering aan de bevrijding van
Weenen van de Turken, door Jan Sobiesky, koning van Polen. Merkwaardigheden
bezitten deze kerken niet.
Wij gaan nu van het lorum Trajani naar het Forum Romanum, waar wij, links
van den boog van Septimus Severus, de kerk aantreffen van den II. Adrianus. Deze
is een van de weinige kerken, die in oude heidensche gebouwen werden opgericht; deze
namelijk in de zalen waar in hot oude Rome do Senaat zijn zittingen hield. Veel
belangrijks levert de kerk overigens niet op. Daar tegenover bevindt zich do kolom van
keizer Phocas. Men heeft lang gemeend dat hot een overblijfsel was van oud-heidensche
bouwwerken, hetzij van JupitcrCustos, hetzij van do brug van Caligula; maar in 1830
heeft men ontdekt dat de kolom in het jaar GOS n. C. door Smaragdus, exarch van
Italië, tor eero van keizer 1\'hocas was opgericht, zooals het opschrift ook vermeldt,
ofschoon de naam van Phocas door diens opvolger Heraclius is uitgekrast, zooals moer
gebeurde, wanneer een Keizer zich door zijn gedrag of wreedheid gehaat had gemaakt,
hetgeen met Phocas het geval was. Wij hebben gezien dat hetzelfde ook geschied is
met de Vestaalscho maagd, die zich tot het Christendom bekeerd had, zooals wij hebben
medegedeeld, toen wij over het Atrium van Vesta spraken. Hetzelfde hoeft Caracalla
ook gedaan ten opzichte van den naam van zijn broeder Ueta, dien hij in de armen
hunner moedor vermoordde. •
Tegenover do vroeger door ons beschreven kerk van Maria Liberatrice of Antigua
verheffen zich de majestueuse overblijfselen van den Tempel rein Antoninus en Faustina.
De Romeinsche Senaat richtte hem op tor eero van keizer Elius Antoninus Pius en
diens gemalin Faustina. Van al de heerlijkheid van dit gebouw zijn nog slechts een
paar zijkanten van do cella en do heerlijke portiek overgebleven. Dozo laatste bestaat
uit 10 groote kolommen van Corinthische orde, uit één stuk cipolijnsch marmer gehouwen,
waarop de kornis rust, eveneens uit reusachtige stukken marmer bestaande, op welker
zijfries men uitstekend bewerkte griffioenen on kandelabers bewondert; op de voorzijde
leest men do opdracht aan Antoninus en Faustina. Toen dit gebouw nog in ongerepton
glans schitterde, klom men langs 21 treden naar do portiek op, maar door do ophooging
van den grond van Home, die vooral op het Forum zeer aanzienlijk was, kwam do
portiek bijna gelijk met hot niveau van den grond. Op de puinhoopon van den tempel
word een kerk tor eere van den H. Laurentius gebouwd, die den naam draagt van
Sax Lorkxzo ix Miranda.
In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich do kerk van de H.H. Cosmas EN Damianus,
een om haar oudheid zeer merkwaardig gebouw, dat eigenlijk uit twee oude heidensche
-ocr page 241-
216                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
gebouwen is samengesteld. liet langwerpige gedeelte was eertijds de „Tempel der
II. Stad Rome (Templüm Sacrae URBis), die minder tot godsdienstige doeleinden
diende, dan wel tot een staatsgebouw, dat ter bewaring van het kadaster- en de belasting-
registors bestemd was, hetwelk daarom ook op een naar het Forum des Vredes gekeerden
muur, het reusachtige, in marmer uitgehouwen plan of den platten grond van Homo
vertoonde, waarvan men nog fragmenten in het museum van het Kapitool bezit. De
ronde voorhal was eertijds de tempel van Romulus, den zoon van Maxentius, die later,
onder Constantijn meer een familie-monument, dan wel een voor den eeredienst gebruikt
gebouw was.
Paus Felix IV (52G—530) verkreeg beide gebouwen van de CJothen-koningin Amala-
suntha, ton einde zo tot een kerk tor eere van bovengenoemde heiligen in te richten,
Deze kerk is de eerste, die uit een oud-romeinsch openbaar gebouw is ontstaan.
De langwerpige ruimte van den Templum Sacrae urbis werd tot kerk ingericht
doordien men er een ronde apsis aan toevoegde en er een altaar in plaatste. De apsis
begon in een dwarswand, waarmede men de langbouw doorsneed. De tempel van
Romulus word als voorhal of voorhof gebezigd en door een gang met don langbouw
verbonden. Felix bracht er ook een ingang aan langs de Via Sacra, ter vervanging
van een vroegeren ingang onder een ter zijde gelegen zuilenportiek. Van de zuilen,
die den ingang van den voorhal versierden, zijn er enkele verdwenen, maar de bronzen
deuren met do rijk versierde deurposten, uit de IVeecuw afkomstig, zijn nog aanwezig.
Door de altijd hooger wordende grond van Home, was de ingang allengs tot onder
het straat-niveau geraakt, zoodat paus Urbanus VIII den ingang en don voorhal door
een nieuwen vloer liet doorsnijden, zoodat natuurlijk de kerk inwendig ook een nieuwen
vloer moest hebben en daardoor veel van haar hoogte inboette on bijna niet meer dan
een half gebouw werd. In de jaren 1879 en 1880 hoeft men evenwel het omliggende
gedeelte van hot Forum uitgegraven, zoodat de bronzen deuren weer lager zijn geplaatst
en de kerk haar oorspronkelijke hoogte hooft horkregen.
Paus Felix had aan don ouden Templum sacrae urbis de marmorbekleeding der
binnenwanden gelaten, zoodat het gebouw in al haar inwendige pracht bleef bestaan,
maar hieraan voegde hij een heerlijk mozaïekwerk boven de apsis toe, dat na bijna
veertienhonderd jaar, nagenoeg ongeschonden bewaard is gebleven. In \'t midden van
den schelpvormigen grond vertoont zich do majestueusc gedaante des Zaligmakers, de
rechterhand uitgestrekt houdende, terwijl do linkerhand, waarover een vouw van het
kleed is geslagen, de schriftrol houdt. Deneden treden ter rechter on ter linkerzijde
de beide heiligen (Cosmas en Damianus), hun kronen in de hand dragende, naar den
Heiland toe. door de eenigszins grooter voorgestelde Apostelen Petrus en Paulus
geleid, die hen als \'t ware aan Christus voorstellen. Achter dozen staan ter eener zijde
de II. Theodorus, ter anderer zijde paus Felix. Achter elk dezer laatste figuren schiet
oen palmboom hoog op ; op dien achter Felix wiegelt zich de simbolischo Ponixvogel,
het zinnebeeld der verrijzenis of onsterflijkheid. Onderaan ziet men den Jordaan, de
genadestroom, hot afbeeldsel van hot doopsel. Ken broede rand, die het geheel omsluit,
vertoont het Lam Gods op oen afgoknotten heuvel, uit weikon de vier mystieke stroomen
van het Paradijs ontspringen. Ter weoiszijdo van het lam gaan twaalf lammeren (Apos-
telen en Geloovigen), die uit .Icrusalem en Bethlehem komen, naar hot op don heuvel
staande Lam (Jods toe. Doven de Apsis, in den boogmuur, bevinden zich nog andere
mozaïek-schilderingen, die met de eerste samenhangen, er althans betrekking op hebben.
-ocr page 242-
II ET CHRISTELIJKE ROME.                                          217
Het Forum vorder afdalende naar het Colosseum toe, zien wij aan onze rechterhand
drie reusachtige bogen, de overblijfselen van de Basiliek van Constaxtijx, ook wel,
ofschoon ten onrechte, TEMPEL des Vredes genoemd. De oorspronkelijke Basiliek,
die geen godsdienstig karakter had, maar slechts een herinneringsgebouw was, bezat
drie schepen; wat men nu nog ziet staan is de noordelijke beuk; op de peilers ziet men
nog fragmenten van de marmeren kornis, die door acht zuilen word gedragen; één
daarvan staat thans op het plein van S\'a Maria Maggiore, waar zij op bevel van
paus Paulus V werd geplaatst. Tusschen de Vde en VIC eeuw stond het heerlijke en
reusachtige gebouw nog in zijn geheel overeind, gedekt met zijn kostbare verguld-
bronzen dakpannen, die er door paus Honorius (625-G38) met toestemming van keizer
Heraclius werden afgenomen, om tot de bekleeding te dienen van het dak van do
St. Pieterskerk, bij het Vaticaan. De hoofdingang was naar het Colosseum gekeerd.
Bij de opgravingen in 1812 heeft men daar een rijken schat van do kostbaarste mar-
mersoorton gevonden, en tevens bespeurd dat er in de middeneeuwen een christelijk
bedehuis binnen de oude basiliek was gebouwd.
Slechts eenige weinige stappen scheiden ons hier van de kerk van Sta Francesca
Romana, een zeer oud kerkgebouw, dat in vroegere eeuwen den naam van S,a Maria Nova
droeg. Aan deze kerk is de logende verbonden van den val van Simon den Toovenaar,
die zich beroemd had ten hemel to zullen opstijgen en zich dan ook in de lucht
verhief, maar op het gebed van de II.II. Apostelen Petrus on Paulus smadelijk ten
gronde viel; de legende voegt erbij, dat de stoonen, waarop de Apostelen knielden om
hun gebod te doen, den indruk hunner knieën bewaarden. Men wijst in do kerk die
steenen nog aan, welke zich eertijds bevonden hebben in een klein bedehuis dat op
de Via Sacra was opgericht, op de plaats waar dit alles geschied is, en den naam
Ecclesia S. Petri droeg. Wij spraken hier van een legende en inderdaad schijnt dit
verhaal, voor zooverre men thans kan nagaan, slechts een legende te zijn. Het wonder,
hier vermeld, komt het eerst voor in de onechte ,.Acten van Petrus on Paulus"\', die
op zijn vroegst in de V° eeuw kunnen ontstaan zijn. Misschien zullen latere ontdok-
kingen meer licht brengen over do aanwezigheid van Simon den Toovenaar in Romo,
maar tot heden zwijgen allo onverdachte bronnon er over. De driehoekige steenen,
welke men thans nog in S,;\' Francesca Romana vertoont, zijn niet anders clan do
gewone bazaltsteonen, waarmede eenmaal do Via Sacra geplaveid was en die in de
kerk, welke op dien beroemden weg in het atrium van de tempel van Roma gebouwd
was, bewaard werden.
Maar al mist dan ook deze kerk weer, evenals zoo menige andore, de aantrekko-
1 ijkheid der legende, zij bezit oen veel grootcr recht op ons bezoek in het prachtige,
met kostbare marmersoorten en verguld bronzen versierselen opgeluisterde graf, waarin
zich het lichaam der II. Francisca Romana voor hot Hoogaltaar bevindt. Ter zijde
van dit altaar kan men hot prachtige grafmonument bewonderen van paus CJrogorius
XI, door Pietro Paulo Olivieri. Het basrelief stelt den terugkoor voor van den II. Stoel
uit Avignon, waar hij 70 jaar gevestigd was. (Jregorius XI trok in 1377 naar Rome
terug en maakte een einde aan de zoogenaamde Babylonische gevangenschap der Pausen.
In deze kerk bevindt zich boven hot altaar ook een schilderij op hout van de
II. Maagd, aan den II. Lucas toegeschreven. Zij werd door zekeren Angelo Frangipani
uit het oosten, tijdens do kruistochten, meegebracht. In de middeneeuwen bezaten de
Frangipani\'s hier een sterken burg, gelogen tusschen het Colosseum en den Oppius.
-ocr page 243-
218                           BOME IN DESZELFS VERLEDEN EX HEDEN.
Paus Urbanus II vond in dien burg oen voili^e schuilplaats voor zijne vijanden, en
do bullen van 1093, van dezen Paus, zijn uit S,:1 Maria Nova gedagteekend. Wellicht
zijn in deze kerk dan ook de plannen voor den eersten kruistocht tot rijpheid ge-
komen. Zij ligt juist tegenover den Boog van Titus, die den paus dagelijks aan
Jerusalcm en de heilige plaatsen moest doon donken.
\'t Is misschien hier de plaats om eenige woorden te zeggen over de zoogenaamde
.Madonna\'s van den II. Lucas, waarvan reeds herhaalde malen in dit werk sprake was.
Martigny zegt omtrent deze afbeeldingen het volgende: ,.IIet is tegenwoordig vol-
doende bewezen dat deze Evangelist, die van beroep geneesheer was, zooals wij uit
den brief van den II. Paulus aan die van Oolosso weten, geheel en al vreemd aan de
kunst bleef, en niet het talent had dat men hem zelfs in betrekkelijk latere tijden
toeschreef. De stijl van de afbeeldingen, die onder zijn naam verspreid zijn, laat
bovendien niet toe ze hooger te doen opklimmen dan tot den tijd dor iconoclasten
(beeldstormer* der YUP eeuw), en volgens d\'Agineourt zelfs tot dien der kruistochten,
\'t Is een byzantijnsche type, die in de Middeneeuwen vooral in Italië zoo veelvuldig
werd nagebootst, dat een menschenleeftijd, hoe lang men dien ook zou willen verondor-
stellen, niet voldoende zou zijn om al de eopieön er van aan te geven, ofschoon ze niet
anders zijn dan eenzelfde schilderij, door een bijna mechanische bewerking weergegeven.
De vraag, hoe de overlevering betreffende do zoogenaamde Madonna\'s van den
II. Lucas, van de zesde eeuw bijna algemeen kon worden aangenomen en bijna tot op
onzen tijd is blijven voortbestaan, is niet te min zeer moeiolijk op te lossen en hoeft
langen tijd de scherpzinnigheid der critici op de proef gesteld. De vermelding van
een dezer afbeeldingen door Theodorus Lector (0e eeuw), ontneemt alle waarde aan
de gissing van Manni en Lanzi, die do bedoelde afbeeldingen toeschrijven aan een
schilder der ll\'u\' eeuw, welke, volgens genoemde schrijvers, Lucas Santo heette. Do,
volgens ons moest aanneembare oorsprong van deze legende, is die van den abbé
(iroppo. „Meu zou kunnen aannemen dat zelfs voor de f)\'lc eeuw een schilder, die
den naam van den Evangelist Lucas droeg, en zich op do schildering van godsdienstige
onderwerpen toelegde, in het Oosten hoeft geleefd, waar men later zijn naam met
dion van zijn heiligen patroon heeft verward, welke dwaling later met de byzantijnsche
schilderstukken naar hot Westen is overgebracht. Tot zooverre Martigny in zijn Dict.
des Antiq. Chrét. Natuurlijk wordt zijn meening niet door allen aangenomen, maar
in broedere bespreking te treden laat ons arbeid niet toe.
Onzen weg vervolgende, laten wij het Colossoum rechts liggen, on dan terstond links
afslaande komen wij aan do bouwvalion van het Gulden Huis van Nero, en tegenover
deze aan die van do Termen van Trajanus, die men langen tijd ten onrechte voor die
van Titus hield. Wij loopen tusschen deze beiden door en komen dan weldra aan oen
grooten bouwval, die den naam Sette Sale draagt. Evenals alle bouwwerken van Tra-
janus, waren ook deze badstoven van ongekende pracht en woelde. Hier zijn wellicht
voor do nog te doene opgravingen kostbare vondsten verborgen. In \'t jaar 150(5 werd
hier de bewonderenswaardige- groep van den Laocoon gevonden. Niet ver van daar
bevindt zich de kerk van S. Marliuo de\' Monti.
Doods onder Constantijn zou paus Silvester hier oen kerk hebben opgericht, die
omstreeks het jaar 500 door paus Summachus in hot tegenwoordige gebouw herschapen
zou zijn, dat evenwel in 1050, onder leiding van Pietro da Cortona, opnieuw werd
gerestaureerd en thans een dor fraaiste kerken van Domo is. De kerk bevat drie schepen,
-ocr page 244-
HET CHRISTELIJKE ROME.
215)
welke door 24 antieke kolommen van verschillende marmersoorten van elkander worden
gescheiden. De zeer fraaie landschappen op de muren der zijbeuken, zijn van Gaspare
Pussino (Poussin), met figuren van diens broeder Nicolas: de twee ter zijde van het
altaar van de H. Magdalena de\' Pazzi zijn evenwel van Oio. Francesco Bolognese. De
kapel op don achtergrond van de zijbeuken, toegewijd aan O. L. V. van Carmel, is
geheel versierd met schilderstukken van Antonio Cavallucci, die voor de kapel begraven
ligt. Een marmeren trap voert onder het hoogaltaar, waar do lichamen rusten der
H.H. Pausen Silvester en Martinus I, benevens relieken van andere heiligen. Deze
gewijde plaats wordt opgeluisterd door tal van zuilen, door Pietro da Cortona ont-
worpen. De ouderkerk is, naar men zegt, do oude kerk door Constantijn gebouwd;
ook beweert men dat daar het Romeinsch Concilie van 324 werd gehouden. Ook deze
onderaardscho kerk is met drie beuken. Op het altaar bevindt zich een zeer oude
mozaïk-beeltenis der II. Maagd.
Van San Martino komen wij in de Via Mcrulana, die wij oversteken, om de Yin
del Statuto
in te slaan, die ons op de Viazza Vitlorio Emmanitcle voert. Van hier
voeren flen viertal straten naar de Viale Prineipessa Maryhcrita. Wij slaan die aan
den benedon linkerhoek, de Via di Lamarmora in, komen op het plein van Guyliclmo
Pepe
en zoo op bovengenoemde Viale, waar wij de oude kerk van S,a Bibiana vindon.
Volgens Nibby richtte do romeinscho matrone Olirnpia, in 3(5:5 op de plaats genaamd
lid Ursmn Pileatum oen kerk met drie beuken op, die later door paus Siniplicius 4(58 4:5:5
aan de II. Bibiana werd gewijd. Het Pausboek (Liber ponlificalis) zegt alleen: ..<lcdi-
cavit
(Siniplicius) basilicam intra urbe Roma, iuita Palatium Liciniannm, bcalae
martyHs Bibianae, nbi corpus eins requiescit",
d. w. z. hij (paus Siniplicius) wijdde
binnen de stad Rome, bij het paleis van Lucianus, een basiliek aan de zalige martelares
Bibiana, waar haar lichaam rust. Deze twee berichten weerspreken elkander niet, want
het Pausboek zegt „hij wijdde\', niet ..hij richtte op", zoodat daaruit kan opgemaakt
worden dat er reeds een kerk bestond, die door paus Simplicius toegewijd werd aan
do II. Bibiana. Nibby zegt dat de II. Bibiana dit paleis bewoond heeft. Hoe liet zij,
zeer oud is de kerk zeker, en* merkwaardig niet minder. Paus llonorius III deed haar
in 1224 restaurceren en paus Urbanus VIII bracht er nieuwe herstellingen aan en liet,
volgens do teekening van Bernini, den tegenwoordigen gevel oprichten en het inwen-
digo met goede schilderwerken versieren.
De kerk bestaat uit drie schepen, door acht antieke zuilen, waarvan zes van graniet,
van elkander gescheiden. De zes /mwo-schildoringcn, op do wanden van het midden-
schip, stollen het leven van de II. Bibiana voor; die op den linkermuur zijn van Pietro
da Cortona en bezitten meer kunstwaarde dan die aan den overkant, welke van Agostino
Ciampelli zijn. Boven het hoofdaltaar staat het beeld der heilige, dat als een der beste
werken van Bernini beschouwd wordt. Onder dit altaar bevindt zich een kostbare an-
tieke urne van oostersch albast, met een luipaardekop in \'t midden. Hierin bevinden
zich do lichamen van de II. Bibiana, de H. Demotria on van hare moeder do 11. Dafrosa,
dio alle drie do kroon der martelaren ontvingen.
Dit gedeelte der Stad, waarvan de namen der straten, zooals Principe Umbcrto
principe Amadeo, Gioberli, Mazzini, Cavonr
enz. maar al te zeer aan de overweldiging
van Rome herinneren, was in den oud-lionicinsehen tijd gedeeltelijk ingenomen door
de beroemde tuinen van Mecenas.
-ocr page 245-
220                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
Wij koeren nu naar de Piazza di Venezita terug en komen aan de kerk van St. Andrea
DELLA Valle, waarvan liet front een der schoonste van Rome is. Ook het inwendige
is rijk aan schoone schilderstukken en kostbare marmersoorten. De beschildering van
het gewelf wordt als een der fraaiste werken van Dominichino beschouwd. De vier
groote schilderstukken in de tribune, den marteldood van den H. Androas voorsteb
lende, zijn van Mattha Preti, bijgenaamd (\'alabrese. De tweede kapel rechts, naar de
plannen van Michelangelo uitgevoerd, verdient alle opmerkzaamheid.
Wij hebben hiermede zoo ongeveer de voornaamste kerken van Home behandeld,
ofschoon nog veel andere waard zijn bezocht te worden. Zoo b. v. b. de II. Lodetvijk
der Franschen
(Sax Luigi dei Francesi), een fraaie kerk met schoone schilder*
en beeldhouwwerken en grafmonumenten van beroemde Franschen. Men vindt er nog
een gcdenkteeken door Pius JX opgericht ter herinnering aan de Fransche soldaten,
in 1849 bij de inneming van Rome, ter verdrijving der revolutionnairen, gesneuveld;
verder het grafmonument van generaal Markies de Pimodan, den modernen Bayard,
in den slag van Castelfidardo (18 September 1860) gesneuveld, of, beter gezegd,
verraderlijk vermoord. Rij de IJzeren Brug bevindt zich St. Jan der Florcntijnen
(S. Giovanni de\' Fiorentini), in 1488 door Florentijners gebouwd, \'t Is een fraaie
kerk met veel marmer- en andere kunstwerken. Roven het altaar van \'t transept
bevindt zich een schilderstuk van Salvator Rosa, den marteldood van de H. H. Cosma
en Damianus voorstollende; hot prachtige hoogaltaar, naar do teekoning van Pietro
da Cortona uitgevoerd, heeft een heerlijke mnrmcrgroep van Antonio Razzi, don doop
van den Zaligmaker door Johannes den Dooper voorstellende.
Wanneer men de IJzeren Bru;j (Ponte di Ferro) overgaat, heeft men voor zich hot
oude paleis Salviati. Hendrik III, Koning van Frankrijk, hooft hier nog vertoefd.
In 1870 was er nog oen kazerne voor de artillerie on voor den kleinen staf van \'t
regiment zouaven. Op do plafonds en muren waren toen nog veel half verbleekte en
beschadigde fresco-schilderingon te zien, een overblijfsel van den vroegeren luister.
Achter dit paleis was eertijds do Rotanischo tuin. Een kleine wandeling naar de
kerk on hot klooster van Sant Onofrio loont wel do moeite. De kerk werd in
14J59 door den G. Xiccolo da Forca Paleno voor de hermieten van de congregatie
van den II. Hioronymus gebouwd. Onder de portiek kan men de feiten uit het
leven van den heilige en boven de buitendeur een Madonna met het kind van
Domenichino bewonderen. In de tweede kapel rechts een madonna di Loreto
van Anibalo Caracci. In de kerk bevinden zich de graven van twee beroemde
Italiaansche dichters ; n.1. van Torquato Tasso, den dichter van het verlost Jerusaloin
(La Gerusalomine liberata) en van Allessandro Guido. Tasso was in 1595 naar Rome
gekomen en zou op hot Kapitool als dichter gekroond worden, maar op den morgen
van don plochtigon dag word hij door den dood verrast in het klooster van S. Onofrio,
waar hij zijn introk had genomen. De kamer, door den dichter in hot klooster bewoond,
was door verschillende omstandigheden en vooral door de ontploffing van een kruit-
magazijn op den Janiculus, beschadigd, en gedurende eon drietal jaren gesloten geble-
ven. Door de zorgen van oonige katholieke jongelieden is dozo kamer in 1893 weer
geheel gerestaureerd. Al do meubelen, door Tasso gebruikt, werden weer op hun
plaats gezet; in oen antieke kast tegen den achterwand vindt men oen aantal voor-
werpen, die aan den grooten dichter bobben toebehoord : zijn crucifix, eon lendengordol
van boomschors, een spiegel, zijn inktkoker, een stuk van den eik waaronder hij uit-
i
-ocr page 246-
HET CHRISTELIJKE ROME.
221
rustte, een eigenhandigen brief aan Hieronynius Manzo, benevens een medaljon in brons
van den dichter. In een andere kast ziet men een aantal oude uitgaven van do
„Jerusalem" met het volgende opschrift in marmer: D. O. M. — Torquati Tassi
ossa hic jacent — hoc ne nescius — esser hospes — Fratres hujus Ecclessiae p. p.
— MDCI. — Obiit anno MDXCV. — In het klooster kan men nog oen Madonna be-
wonderen van den onsterfolijkon Leonardo da Vinci. Wij raden oen bezoek in den
tuin van het klooster ten zeerste aan. Een prachtiger gezicht op Rome kan men zich
niet uitdenken, dan men hier van deze hoogte geniet.
Wanneer men van Sant\' Onofrio naar de via della Lnngara terugkeert, en deze
vervolgt tot de oude Pokta Settimiana en dan rechts de Via Garibaldi inslaat,
komt men weldra aan de PoRTA di S. Pancrazio (Poort van den II. Pancratius) do
oude Pokta Giaxicolexse. Dit gedeelte van Rome en doze poort hebben in do ge-
schiedenis van Rome een gewichtigen rol gespeeld. . In de tweede helft der 8st0 eeuw
werd zij fel besprongen door do Longobarden van Koning Astulf, die zelfs de nabij
gelogen Kerk van den H. Pancratius niet spaarden. In 1527 (den 6 Mei) stormden de
Spaansch-Duitsche troepen, onder aanvoering van den Connétable Charles de Bour-
bon, bij deze poort Rome binnen, dat door hen op een vreeselijko wijze geplunderd
werd. De Connétable werd ovenwol, eer zijn troepen do stad vormeesterd hadden,
door een musketschot doodelijk gewond. De beroemde gouddrijver Denvenuto Cellini
schreef zich, ten rechte of ten onrechte, de eer toe het schot gelost te hebben. Toen
in 1848 de revolutie zich van Rome meester gemaakt had en Pius IX gedwongen
was naar Gaëta do vlucht te nemen, werd Rome van den kant dezer poort door de
Franschen, die onder generaal Oudinot Rome van de Garibaldisten en revolutionnairen
kwamen verlossen, aangevallen, en leed de poort groote schade. In 1870 had generaal
Nino Bixio hier zijn geschut geplant en bedreigde hij met zijne kanonnen zelfs hot
Vaticaan en de St. Pieterskerk. Uit deze poort trokken ook eenige dagen later do
laatste verdedigers van den Paus en do Kerkelijke Staten, do Pauselijke Zouavon,
voor altijd uit Rome. Zoo was dan de Poort van S. Pancratius voortdurend het punt
waarop de Eeuwige Stad word aangevallen. In 1853 werd zij door don bouwmeester
Vespignani gerestaureerd en do schado van het beleg van 1849 hersteld.
Een weinig voorbij de poort is de kerk van den II. Pancratius. De marteldood
van dezen jeugdigen heilige is genoegzaam bekend uit het onsterfelijke werk van
Kard. Wiseman: Fabiola of de Kerk der Katakomben. Zijn lichaam werd bij-
gezet in de Katakombe van Calepodius, dio ook wel die van S. Pancratius genoemd
wordt. Men schrijft den oorsprong van de kerk too aan don II. Paus Felix I, die in
272 boven hot graf van den jongen martelaar in de Katakombe van Calepodius een
bedehuis deed oprichten. Nadat do vrede aan do Kerk geschonken was, werd het
nederige bedehuis door een prachtige kerk vervangen. In 1609 liet Kard. Ludovico
Torres deze kerk herbouwen in een nieuwen tempel met drie beuken ; Alexander VII
stond haar af aan do Ongeschoeide Carmelioten.
Nadat zij sedert 1798 verlaten was, word zij in 1814 weer gerestaureerd en in
gebruik genomen. Zooals wij gezien hebben spaarden de Longabardon dit heiligdom
niet, maar erger nog hielden de Garibaldisten en Revolutionnairen van 1848-1849 er
huis; zij onteerden de kerk op gruwelijke wijze on zelfs hot graf van den II. Pancratius.
Naar do Via della Lungara terugkeerondo on do Poule Sisto overgaande, komt men
in de Via de\' Pettinari (Kammenmakersstraat), waar zich de Kerk della SS. Trinita
-ocr page 247-
ROME JN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
dk\' riu.i.KCüixi (II. Priovuldigheidskerk der pelgrims) bevindt; een fraaie in 1614
gebouwde Kerk, met een gevel van tra ver tij n en zuilen van Corinthische encomposiet*
orde. met beelden der vier Evangelisten door Bernardino Ludovisi. Het eenige mork-
waardige in deze Kerk is een zeer schoone schilderij boven het Hoogaltaar van Guido
Reni, de Allerheiligste Drievuldigheid voorstellende. In het ernaast gelegen gasthuis,
der Pelgrims geheeten, werden arme pelgrims, die Rome kwamen bezoeken, en her-
stellendcn liefderijk opgenomen en verzorgd.
De straat verder vervolgende langs de Berg van Barmhartigheid of Lommerd
(Monte di Piëta), in ló.\'tt) gesticht en waar eertijds, zonder intrest, geld op pand word
gegeven, komt men, rechts omslaande, in de Via di San Carlo, waar zich de Kerk
van San Carlo ai Catinari (II. Karel bij de Ketellappers), aldus genoemd omdat zich
vroeger in de nabijheid daarvan veel winkels en werkplaatsen van ketellappers, blik-
slagers enz. bevonden, \'t Is een fraaie in 1612 gebouwde Kerk. Onder de voornaamste
kunstwerken telt men de fresco-schildering van den H. Carolus Borromeus door Guido
Reni ; in het transept de ,.Dood van de H. Anna" een der meesterwerken van Andrea
Sacchi; de vier Kardinale Deugden in de hoeken van den koepel, zeer gewaardeerd
werk van Domenichino. Het Hoogaltaar, met vier porfieren zuilen, heeft als altaarstuk
een fraai werk van Pietro da Cortona, voorstellende de boot-processie van den II.
Carolus Borromeus tijdens de pest te Milaan.
Wanneer men de Via di San Carlo terug en de Via dei Giubonnari doorgaat, komt
men op hot Campo di (of deiV) Fiori, waar de vrijdenkers en vrijmetselaars eenige
jaren geleden een standbeeld hebbon geplaatst van den al te beruchten afvalligen
monnik Giordano Bruno.
Van don Campo di Fiori komt men in eenige schreden op de Piazza DELLA Can-
cellekia (Kanzelarijplaats). Hier werd de trouwe minister van Pius IX, graaf Rossi
den 15 November J848 door de hand van een sluipmoordenaar verraderlijk vermoord
toen hij, uit zijn rijtuig stappende, de kanselarij wilde binnengaan om de constitueerende
zitting der Kamer bij te wonen. Den avond te voren hadden de revolutionnairen in
het Teatro Capranica geloot wie den doodolijken stoot zou toebrengen. Bet lot wees
zekeren Santo Costantini aan, die maar al te goed zijn slachtoffer trof. Trouwens, den
avond te voren had hij in genoemden schouwburg op een daar heen gebracht lijk
reeds getoond dat hij van zijn stoot zeker was.
5. Paleizen en Musea
Porno is niet alleen do stad der Kerken en dor Heiligen, maar ook do stad der
Paleizen on der kunstenaars. Evenals do Romeinsche keizers de kunstschatten en
kunstenaars aan de opluistering van de koningin der steden dienstbaar maakten en do
tempels, badstoven, Forums, openbare pleinen en hunne paleizen met do sierlijkste
voortbrengselen dor kunst opsmukten, zoo riepen ook de pausen de kunstenaars van
geheel de wereld naar Rome, om door hunne meesterwerken en kunstvoortbrengselen
meer eer en luister aan den godsdienst bij te zetten on de kerken te maken tot ware
kunstmuseums. Met ijverzuchtige zorg verzamelden zij wat de tand der eeuwen en de
vernielzucht der menschen gespaard hadden van de kunstvoortbrengselen uit de
oudheid; richtten er prachtgebouwen voor op en schiepen zoo die merkwaardige, in de
geheele wereld eenige museums, waar de kunstenaars der nieuwere en toekomende tijden
-ocr page 248-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           223
nieuwe inspiraties zoeken en hun talent komen vervolmaken in de studie van liet
ireen de klassieke oudheid het schoonst en verhovenst heeft nagelaten en nieuwere
tijden hebben voortgebracht. En waar de pausen voorgingen volgden de hooge
prelaten, vorsten, prinsen en rijken na, zoodat Rome niet alleen onvergelijkelijke
openbare museums bezit, maar ook een niet minder aanzienlijk getal bijzondere kunst-
verzamelingen, die met waarlijk vorstelijke welwillendheid voor het publiek toegankelijk
gesteld worden.
Onder al die paleizen en museums komt de eerste, de hoofdplaats toe aan die van
het Vaticaan; niet alleen omdat zij de grootste zijn, maar ook in allo opzichten door
den rijkdom en het aantal der kunstschatten allo andere paleizen en museums over-
schaduwen.
Het Vaticaan (Palazzo Pontificio del Vaticano. Pauselijk paleis van het Vaticaan.)
Wie de eerste grondlegger van het Vaticaan is geweest, is onzeker; sommigen meenen
dat Constantijn de (Jrooto naast de door hem gestichte Basiliek ook een groot paleis
tot woning voor den Paus liet bouwen ; anderen schrijven do eerste stichting aan den
II. Liberius toe, en weer anderen, met meer waarschijnlijkheid, aan paus Symmachus,
omstreeks hot jaar 498. Wat daarvan ook moge zijn, zeker is het dat het Vaticaansch paleis
reeds in de 8ste eeuw bestond, daar Karel do Groote het bewoond heeft toen hij op
Kerstdag van \'t jaar 799 (\') door paus Leo tot Keizer gekroond werd. Tegen het einde
van de 12\'k\' eeuw was het zeer vervallen, zoodat Celestinus III de restauratie er van
ondernam, die door Innoccntius III werd voortgezet; terwijl Nicolaas III het in 1278
aanmerkelijk vergrootte. Nadat Gregorius XI den apostolischen zetel van Avignon
weer naar Home had overgebracht, ging hij het Vaticaan bewonen; na zijn dood in
P578, werd er het eerste conclaaf gehouden. Van toen af beijverden alle pausen zich
om het te vergrooten en te verfraaien, maar vooral van Julius II dagteekenen de groote
kunstschatten die het Vaticaan bezit. Deze kunst- en prachthevende paus deed Itafaël
van Urbino uit Florence naar Rome overkomen en belastte hem mot do beschildering
der vier Kamers (Stanze), die den naam van den onsterfelijken kunstenaar dragen.
Leo X, do opvolger van Julius II, liet de driedubbele portieken van het plein van
den II. Damasus (Cortile di S. Damaso) naar de plannen van denzelfden Rafaël
aanleggen, die ook door zijn beido leerlingen do tweede verdieping met stucwerken
en schilderwerken deed versieren ; deze portieken dragon den naam van loyye di
Raffaelle
(loggia\'s van Rafaël). Paulus III en Pius IV verfraaiden en vergrootten
het opnieuw en Sixtus V bouwde er in het oostelijk gedeelte van hot Damasusplein
een geheel en prachtig paleis bij aan, dat later door zijne opvolgers wederom uitge-
brcid en verfraaid werd ; Pius VI legde het prachtige MrsEo Pio Clemextino en
Pius VII het Museo Chiaramonti aan.
Daar het Vaticaan uit verschillende paleizen en gebouwen bestaat, die naar ver-
schillende bouwstijlen zijn uitgevoerd, kan er natuurlijk van een symmetrisch geheel
geen sprake zijn ; maar niettegenstaande dat is het in alle opzichten merkwaardig,
omdat de beste bouwmeesters der verschillende eeuwen er aan gewerkt hebben en er
(1) De Kroning van K. don Gr. wordt door sommigen opgeheven als hebbende plaats gehad op Kerstdag
van \'t jaar 800. Dit is waar wanneer men de oude jaarindeeling aanneemt, maar niet waar volgens
onze indeeling. Ten tijde van K. den (.ir. begon liet jaar op 2"> Dec.: Kerstdag 800 staat dus gelijk met
Kerstdag 7!)\'J van onze jaarindeeling, die met 1 Januari het jaar doet beginueu.
-ocr page 249-
ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
224
de bewijzen van hun talent achterlieten. Bramante (1444-1514), Rafaël (1483 1520),
Sangallo en Pirro Legorio (1507-1573), Domenico Fontana (1543 —1607), Carlo Maderno
(1556 1609), Bernini (1598 1680) hebben er beurtelings aan gewerkt.
Het paleis heeft drie verdiepingen, die een aantal zeer groote zalen, een ontelbare
menigte kamers, grootscho gallerijen, prachtige kapellen, uitgestrekte gangen, oen zeer
uitgebreide bibliotheek en een bewonderenswaardig museum bevatten, terwijl een zeer
uitgestrekte tuin met rij- en wandelpaden de pracht van \'t geheel nog komt verhoogen.
Verder zijn er twintig binnenpleinen, acht groote trappen, benevens ongeveer twee-
honderd kleinere.
De hoofdtrap (Scala ducalc), die tot het paleis toegang geeft, bevindt zich bij het
ruiterstandbeold van Constantijn, in de groote voorhal of vestibule van de St. Pieters-
kerk. Hij word door Bernini ontworpen, prijkt met jonische zuilen en voert naar de
eerste, de voornaamste verdieping van het paleis en tot de groote of koninklijke zaal, die
door paus Paulus III naar de plannen van Antonio Sangallo werd gebouwd. Do ver-
sieringen zijn van Pierin del Vaga en van Danielle da Volterra, de wandschilderingen,
die verschillende gebeurtenissen uit de regeeringen der pausen voorstellen, zijn mees-
tcrwerken van Vasari (1512-1574), van Sommacchini, Zuccari (1529-1566) en Sicciolante
da Sermoneta.
Met deze zaal staan twee prachtige kapellen in verbinding, van welke die links
gelegen is de grootste, schoonste en beroemdste is, n.1. de Sixtijxsciie Kapel (Capella
Sistina). Sixtus IV liet haar naar de plannen van Baccio Pintelli oprichten. Zij wordt
vooral gebruikt voor de plechtigheden der Goede Week. Dier bevindt zich de beroemde
fresco-schildering van Michelangelo Buonarotti (1474-1564) het ,.Laatste Oordeel" voor-
stellende en dat, trots de aanmerkingen die men op sommige onderdeden zou kunnen
maken, beschouwd wordt als het meesterwerk van dezen genialen kunstenaar. In dat
werk heeft Michelangelo aan zijn stout genie zijn hoogste vlucht gegeven, \'t Is een
indrukwekkende schepping, die verstomd doet staan en machtig aangrijpt. Als hoofd-
figuur stelt zij voor Christus als laatste en opperste Hechter, aan de rechterhand zijne
heilige Moeder hebbende en omringd door de Apostelen en eene groote menigte hei-
ligen, terwijl daar boven engelen de Simbolen van Zijn lijden als in zegepraal opge-
heven houden. Iets lager en in \'t midden van de schildering is een andere groep
engelen, die de bazuinen blazen om de dooden uit hunne graven en tot het laatste
oordeel op te roepen; men ziet dan ook links verschillende dooden in hunne lichamen
terugkeeren, terwijl enkeion uit de aarde opstaan, anderen zich in de lucht verheffen
om naar het Oordeel te gaan. Met een aangrijpend realisme heeft de kunstenaar van
den eenon kant de engelen afgebeeld die de dooden helpen ten hemel op te stijgen,
van don anderen kant de duivelen do verdoemden naar de hel slepen; de strijd, die
daardoor tusschen dozen ontstaat, is van aangrijpend en huiveringwekkend effect.
Hechts on omlaag hooft do schilder Charon afgebeeld, die de boozen in zijn boot naar
de hol voert, zooals Daube in zijn onsterfelijke Divina Comedia het zoo aangrijpend
voorstelt:
Bcstcmmiavano Iddio, e i lor parenti,
L\'umana specie, il luogo, il tempo, e \'l scuie
Di lor semenza e di lor naseimenti.
-ocr page 250-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                           225
Caro dimonio eau occhi di bragia,
Loro accennando, hitte Ie raccoglie:
Ratte col remo qualunque «\'\'adagia.
Zij vloekten God en \'t maaksel zijner handen,
Hunne ouders, \'t menschdom, tijd, plaats en \'t geslachte,
Gesproten uit hun zaad en dierste panden.
Charon de demon, \'t brandend oog steeds stroever,
Op hen gevest en wenkend, zamelt allen:
En met de roeispaan slaat hij iedren toever
(Vert. van Mi:. Joan Bom.).
Alvorens dit reuzenwerk te scheppen had Michelangelo, op last van Julius II, in
den tijd van slechts twintig maanden en zonder eenige medehulp, het geheele gewelf
geschilderd met verschillende tafereelen, die de Schepping der Wereld en onderscheidene
gebeurtenissen uit het Oude Testament voorstellen; om welke op do hoeken en de
lunotte zich verschillende andere figuren, zooals profeten en Sybillen, zich bevinden.
Ook deze kunstschepping is in hooge mate bewonderenswaardig. De twaalf schilderstuk-
ken op de grooto kornis zijn van Luca Signorelli, Alexandro Filippi, Cosmo lloselli,
Pietro Perugino en andere meesters.
De tweede kapel is de Paulïjnsche (Capella Paulina), die Paulus III naar do
plannen van Antonio da Sangallo deed bouwen. Hier heeft de plechtige uitstelling
plaats van \'t II. Sacrament voor \'t Veertiguur Gebed en wordt in de Goede Week
het II. Graf opgericht. Het altaar bezit een zeer fraai tabernakel van kristal, met ver-
guldo versieringen. Op de zijwanden zijn aan weerszijden drie grooto fresco-schilderingen
door pilasters van elkander gescheiden; de eerste en derde, rechts bij \'t binnenkomen,
zijn van Zuccari, de middelste, de Kruisiging van den II. Petrus voorstellende, is van
Michelangelo, die ook de Bekeering van den II. Paulus, de middelste aan de linker-
hand, penseelde; die aan de kanten zijn van Lorenzino da Bologna. De gewelfschil-
deringen en die van de fries zijn ook van Zuccari. Deze schilderingen hebben evenwel
veel geleden van den walm der kaarsen.
De deur tegenover de Sixtijnscho kapel voort naar de hertogelijke zaal (Sa/a ducalc),
waarvan het gewelf door Lorenzino da Bologna en Raffaello da lieggio met arabesken
is versierd.
Wanneer men den trap van Bernini weer afgaat, vindt men voorbij het standbeeld
van Constantijn, aan de linkerhand, een deur, waardoor men op het zoogenaamde plein
van den II. Damasus (Cortile di San Damasó) komt. Door de deur waarboven het
opschrift staat: Adito alla Biblioteca e at Muaco (Toegang tot de Bibliotheek en het
Museum), komt men aan de Logge di Raffaello (loggia\'s of gallerijen van Rafaël).
Zij werden op last van paus Leo X onder leiding van Bafael gebouwd; zij bevatten,
behalve het grondvlak, drie verdiepingen, elk met drie armen. De twee eerste zijn
boogvormig en met pilasters, de derde met zuilen, die houten architraven steunen. De
arabeskschilderingen van de eerste verdieping, die men doorgaat als men zich naar het
museum begeeft, zijn van Giovanni da Udine, een der beste leerlingen van Rafaël; de
twee andere armen van deze verdieping werden er door Gregorius XIII en Sixtus V
1(3
-ocr page 251-
220                       ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
aan toegevoegd; de schilderingen zijn van Cristoforo Roncalli, bijgenaamd Pomarancio
de jongere. Door de deur links van den eersten vleugel, komt men in het Appartamento
Borgia, aldus genoemd naar Alexandor VI van hot geslacht Borgia, die hot deed
maken en ook do schilderingen begon, die onder Leo X ten einde werden gebracht.
Het appartement is in verschillende kamers verdeeld.
Het zou ons veel te ver voeren wilden wij al de kunstschatten, in \'t Vaticaan ver-
zameld, wij zeggen niet beschrijven, maar alleen opnoemen; wij zullen ons derhalve
moeten bepalen met op do voornaamste te wijzen.
De le kamer dan, van \'t App. Borgia, die 56 voet lengte op 36 breedte heeft, ver-
toont onder de fraaie gewelfschilderingen door Giovanni da Udine en Pierin del Vaga,
onder andere do zeven planeeton, als volgt voorgesteld: Jupiter op een wagen ge-
trokken door arenden; Venus door duiven, de Maan door vrouwen, Mars door wolven,
Mercurius door hanen, de Zon door paarden, Saturnus door draken. Verder zijn er nog
afgebeeld de Groote Deer, de Houdster of Syrius en verscheidene andere sterren; in
\'t midden der zaal staat een fraai bekken van phrygisch marmer en overal fragmenten
van antieke beeldhouwwerken, zooals een Trajanus, door lictoren en andere personen
omringd, die op het Forum Trajani gevonden werden; verder vuistvechters, heerlijke
brokstukken van de fries van do Ulpiaansche Basiliek enz. enz.
Do tweede vertoont aan \'t gewelf het wapen der Borgia\'s door Pinturicchio; profeten
en in de groote lunetten de Hemelvaart en de Verrijzenis van Christus; de aanbidding
der Koningen; de Boodschapping van Maria, de Hemelvaart en de Nederdaling van
den II. Geest. Ook hier zijn zeer fraaie en belangwekkende overblijfselen van antieke
kunst, zooals Tellus en Augias; Mars en Rhea Sylvia, Diana en Endymion, en bij de
deur der derde kamer een fraai basrelief, de opvoeding van Bacchus voorstellende.
De gewelfschildering van do derde zaal is eveneens van Pinturicchio, die er den
marteldood van den II. Sebastianus, het Bezoek aan Elisabeth; het bezoek van den
abt Andreas aan den II. Paulus den kluizenaar; de H. Catherina voor Maximus;
de H. Barbara zich aan de lagen haars vaders onttrekkende; den H. Julianus van
"> Nicomcdic en eindelijk omlaag een H. Maagd met het Kind maalde. In\'t midden staat
een fraaie antieke marmeren zetel op drie pooten. Een der grootste sieraden is een
antiek schilderwerk, dat een bruiloft voorstelt en algemeen bekend is onder den
naam van „Nozze Aldobrandini." Velen houden het er voor dat het een voor-
stelling is van den bruiloft van Peleus en Tetis. Dit schoone stuk werd in 1606
bij den boog van Galliënus gevonden en kwam toen in het bezit van het huis
Aldobrandini,\' van waar het zijn naam ontving. Het werd langen tijd voor het
schoonste bekende oud-romeinsche schilderwerk gehouden, maar later moest het wel
eenigszins onder doen voor andere te Pompei en Herculanum gevonden; het blijft
evenwel het schoonste van die zich te Rome bevinden. Nog enkele andere oud-romeinsche
schilderwerken, maar van mindere kunstwaarde, worden hier bewaard, o. a. een Nimf,
in 1810 bij den Nomentaanschen weg gevonden; vijf vrouwenfiguren, die buiten de
Poort van St. Sebastiaan, in een vertrek van de villa van Munatia Procula bij de via
Ardeatina werd ontdekt.
De vierde kamer heeft ook zolderschilderingen van Pinturicchio, op de deugden,
kunsten en wetenschappon betrekking hebbende. Er bevindt zich verder eene groote
verzameling term-cotta-werken; in \'t midden staat een bronzen biga of wagen voor
wedrennen.
-ocr page 252-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                        227
Uit het Appartement Borgia komende heeft men links een ijzeren hek dat naar
de gaanderij van Bramante voert, waarvan het eerste gedeelte don naam van CORRI-
DORE DELLE LAPIDI (galerij of gang der steenen) draagt, omdat men er een groote
verzameling grafsteenen en opschriften vindt, van heidensehen zoowel als van christe-
lijken oorsj)rong. Zijn de eersten dikwijls belangrijk uit een geschiedkundig oogpunt,
de tweeden zijn het niet minder uit een godsdienstig. Voor het grootste gedeelte uit
de Katakomben afkomstig, vertoonen zij in groote verscheidenheid de Simbolische
teekens, waarvan wij in het 2,lc gedeelte van dit werk spraken; terwijl zij niet minder
merkwaardig zijn door de vele consulaire gegevens, veranderingen in de taal en meer
dergelijke bijzonderheden die zij aanbieden. Verder vindt men er een groote ver-
scheidenheid sarcofagen of steenen doodkisten, lijkurnen enz., fragmenten van bouw-
en beeldhouwkunst.
Eer men aan het Museo Chiaramonti komt, heeft men links een met ijzer beslagen
deur, die ons brengt in de Vaticaansciik Bibliotheek (Biblioteca Vaticana), zeker de
grootste van Europa, vooral wat de hoeveelheid grieksche, latijnsche, italiaansche en
oosterscho handschriften aanbelangt, die niet minder dan 150.000 stuks bedraagt,
terwijl zij tevens een groot aantal (50.000) kostbare en zeldzame boeken bevat. Men
heeft er o. a. een Tacitus, die door Eeo X voor vijfhonderd goudstukken werd gekocht;
zeer oude Grieksche en Hebreeuwsche Bijbels, een met miniaturen verluchte Terentius,
een Cicero en een Virgilius uit de 5d0 eeuw; men bewaart er het werk dat Hendrik
VIII schreef tegen Luther en de hervormers en dat hem den titel van :> Verdediger
des Geloofs" verwierf, een titel dien hij later te schande maakte door een verwoede
vervolging van de Katholieke Kerk; in hetzelfde carton bewaart men ook de brieven
van Anna Bolein, om wier wille hij het Anglicaansche schisma in \'t leven riep on die
hij later onder de bijl van den scherprechter deed sterven.
Naar men zegt zou reeds de II. Paus Hilarus omstreeks het jaar 4G5 een bibliotheek
in het paleis van Laterane hebben opgericht, die later door veel pausen vermeerderd is
geworden en wel voornamelijk door Nicolaas V, die haar naar \'t Vaticaan deed over-
brengen. Toen door de aanhoudende vermeerdering van den boekenschat de bcschik-
bare ruimte onvoldoende werd, liet Sixtus V het tegenwoordige gebouw naar de
plannen van Domenico Fontana oprichten.
De eerste zaal waar men binnentreedt, wordt ingenomen door de vertalers van
de latijnsche, grieksche, hebreeuwsche, arabische en siro-chaldeouwsche talen. Rondom
zijn de portretten van de Kardinalen-bibliothecarissen aangebracht. De groote zaal,
die het voornaamste gedeelte van hot gebouw uitmaakt, is bijna 80 meter lang on 18
meter breed, door zes zuilen in twee bonken verdeeld en met even zooveel vensters
in de wanden, die versierd zijn door schilderwerken van Viviani, Baglioni, Salviati,
Salimbeni, Guidotti, Nogari, Nebbia, Nucci en anderen. Hechts van den ingang ziet
men Sixtus V met Domenico Fontana, dio hem het plan voor do Bibliotheek aanbiedt.
Boven do Kornis die om do zaal loopt, zijn de voornaamste daden van Sixtus V
afgebeeld en onder do Kornis in de linker beuk en tusschen de vensters de beroemd-
ste oude bibliotheeken; boven de middenzuilen, die het gewelf dragen, de uitvinders
van de letters der verschillende talen, die men boven elke figuur afgebeeld en door
opschriften toegelicht vindt. Op den wand van de rechter beuk zijn de Algemeene
Concilies geschilderd. Rondom de zaal en tegen de peilers zijn 46 kasten, waarin men
zeldzame boeken en handschriften bewaart. Boven deze kasten, zoowel als die der
-ocr page 253-
228                       ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
andere zalen, bevindt zich do rijke verzameling Etrucische vazen. Tnsschen de peilers
bevinden zich kostbare voorwerpen van Sévres-porcelein. Ilij den laatsten pilaster bewaart
men een Hussischen kalender, in kruisvorm op hout geschilderd, en daarachter een
marmeren sarcofaag buiten de Porta Maggiore gevonden en waarin zich nog het asbesten
lijkkleod bevond waarin men de lijken verbrandde, ten einde de asch er van te kunnen
bewaren; dat lijkkleed is nu evenwel in verscheidene stukken gebroken.
Twee lange gangen, in verschillende kamers afgedeeld, die aan \'t einde dezer zaal
in dwarsche richting loopen, zijn vol kasten, waarin men handschriften bewaard, afkom-
stig van de bibliotheeken van den keurvorst van den Pfalz, van de hertogen van
Urbino, van koningin Christina, van het geslacht Capponi en Ottoboni, welke af en
toe bij die van \'t Vaticaan zijn gevoegd.
In do tweede kamer van den linker arm ziet men, onder meer schilderingen, ook
het oorspronkelijke plan van de St. Pieterskerk zooals het door Michelangelo ontworpen
was, en daar tegenover de machineriën door Fontana gebruikt voor hot oprichten van
de obelisk op het St. Pietersplein. Aan \'t achtereinde dor derde zaal bevinden zich
twee zittende marmeren beelden, het eene stelt voor Aristides van Smyrna, het tweede
den II. Hyppolitus, bisschop van Porto; op zijn bisschoppelijkon stoel is de beroemde
Paasch-kalender gebeiteld; het beeld, waarvan het hoofd modern is, word in do Kata-
kombe van den II. Laurontius gevonden. De vierde zaal bevat een groote verzameling
christelijke oudheden, op de wanden zijn oude gewijde inschriften en verschillende
basreliefs van christelijke sarcofagen genomen, die in de Katakomben gevonden worden.
In acht notenhouten kasten bewaart men een aantal gewijde gedenkstukken, glazen,
kruizen, gewijde vaten, dyptieken van hout en ivoor. liet gewolf, door Stefano Porzi
geschilderd, stelt de Kerk en den Godsdienst voor.
Hierop volgt oen zaal, die der Papyrus genaamd, omdat op de wanden een aantal
geschriften op oud Egyptische Papyrus zijn bevestigd. De zaal is opgeluisterd door
zwart en wit graniet, met deur- on vensterposten van zwart graniet, oen fries van por-
ficr en een zeer fraaien vloer van kostbaar marmer. liet gewelf is geheel en al al fresco
geschilderd door Mengs en wordt voor een zijner beste kunstwerken gehouden. Het
middenstuk stelt de Geschiedenis voor op de schouders van den Tijd schrijvende, tor-
wijl een in de lucht zwevende Genius en de Faam op do trompet blazen. Merkwaardig
door grootte en schoone vormen zijn twee kandelabres van Sèvres-porcelein, door Pius
VII aan do Bibliotheek geschonken. Uit deze zaal komt men in een lange gallerij waar,
in glazen kasten met vergulde ornamenten, de boeken worden bewaard. Deze gallerij
voert in een kabinet, waar men een groote menigte modaljes bewaart, en in eenige
andere zalen met gedrukte boeken. Keert men naar de zaal der Papyrus\' terug, dan
ziet men, eer men deze binnen treedt, aan de linkerhand een andere zaal, waarvan
hot gewelf de daden van Samson voorstelt, door Guido Reni geschilderd. Hier bewaart
men in glazen kasten de zeldzame verzameling platen door Pius VI bijeengebracht en
door Pius VII naar hier overgevoerd.
De andere arm, rechts van het hoofdgebouw, bestaat uit vijf kamers met boogge-
welven, die door zuilen worden gedragen, waarvan er zes van porfier zijji. Do twee
eerste bevatten kasten, waarop eveneens Etrucische vazen staan; en de twee volgende
tempra-schilderingen, gebeurtenissen uit do levens van Pius VI en Pius VII voor-
stellende.
Eer men de laatste zaal binnentreedt ziet met twee kolommen van porfier, waarop
-ocr page 254-
HET CHRISTELIJKE ROME.
229
twee keizers zijn, die elkander omhelzen ; de laatste zaal bevat in fraaie kasten een
aantal oudheden, zooals cameën, bronzen beelden en gereedschappen enz.; merkwaar-
dig zijn ook de koppen van Nero en Balbinus, benevens een genius met Etruscisch
opschrift. Een ijzeren hek verleent toegang tot den hoofdtrap van liet museo Pio-
Clementino.
Wanneer men de Bibliotheek verlaat door dezelfde deur waar door men is binnen-
gekomen en de zoogenaamde Belvedere-gang volgt, komt men aan een ijzeren hek
dat toegang geeft tot het
Museo Chiaramonti, dat zijn ontstaan aan Pius VII te danken heeft, die er een
nieuwen arm, den prachtigen Braccio Nuovo, liet bijbouwen. Dit museum bevat zulk
eene menigte kunstwerken en zeldzaamheden, dat het elke beschrijving tart en de
opsomming ervan eene aanmerkelijke plaatsruimte zou innemen, daar de beide galerijen
niet minder dan achthonderd standbeelden bevatten. Onder deze zijn de merkwaar-
digste de busten van Domitianus, Trajanus, Titus en Augustus ; een worstelaar, de
Amazone, de Eerbaarheid, de Minerva Medica, de rustende Faun, Diana als Jagcres,
de Centaur, de Vrouir zonder hoofd, de Vaticaansche Venus, en de reusachtig groep
van den Nijl. Van mindere kunstwaarde, maar merkwaardig omdat zij vergunnen een
blik te slaan op de gewoonten en de costumes der circus en amphiteaters, zijn b. v. b.,
de zwaard vechters, waarbij men een Rel iarius, een Mirmillone enz. onderscheidt. Inden
Braccio nuovo kan men onder de zuilen, die het gewelf dragen, prachtige marmersoorten
vinden ; zooals twee van zeer zeldzaam zwart Egyptisch graniet, twee van numidisch
marmer, het zoogenaamde giallo antico (antiek geel), die bij het graf van (\'ecilia
Metella gevonden zijn. Bovendien zijn alle groote busten geplaatst op zuilen van fraai
rood graniet, terwijl de muren van de zaal in do hoogte versierd zijn met basreliefs
van stuc, genomen van de kolommen van Trajanus en Antoninus Pius, van zegebogen enz.
Het Egyptische Museum werd in 1839 door Paus Gregorius XVI voor het publiek
geopend. Het bevat een aantal zeer belangrijke Egyptische oudheden, die voor het
eerst geordend werden door pater Ungurelli, Barnabiet, die een der eersten was, om,
op hot soetspoor van Champollion, zich te wijden aan de pas in \'t leven geroepen
Egyptiologie. Prof Marucchi heeft in den loop van dit jaar een zeer gewaardeerde
beschrijving van het Egyptische Museum in \'t licht gegeven, waarin hij de vertaling
geeft van de hierogliphiseho opschriften, op de monumenten aanwezig. Wij kunnen
onmogelijk daarvan eenige proeven geven, maar moeten ons vergenoegen met, aan de
hand van prof. Marucchi, te wijzen op enkele der meest merkwaardige voorwerpen
in zoo groote menigte hier aanwezig. Het Museum bevat tien zalen. De aandacht ver-
dienen de reusachtige standbeelden van de godin Sexet, met de naamkrul van Amenofis
III; de standbeelden van Ptolomeus in roodgraniet; twee leeuwen van grijs graniet
uit den tijd van Xethanebo II; een reusachtig beeld in graniet van koningin Tuaa,
vrouw van Seti I en moeder van Ramscs II. Een beeld in groen bazalt van den
priester Utahomesent, dat afkomstig schijnt te zijn uit de Canapo van de villa van
Iladrianus; \'t is een der merkwaardigste voorwerpen van het Museum. Offertafels in
geel graniet mot hiërogliefen en de naamkrul van Th u/inies of Tof mes III. Een eero-
Stela of prismavormige zuil van koningin Ilathepres of Makara, die tot do XVIII
dynestie behoorde, dochter van Thutmes I, vrouw van Thutmes III en voogdes van
Thutmes III was. Een meer dan levensgrooto kop in zandsteen met de witte kroon
van opper-Egypte versierd en dien men meent dat van Mentuhotep II is; twee kleine
-ocr page 255-
230                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
beelden van Chaemuas, zoon van Ramses II en opperpriester van de nationale god-
heid Ptah. Verder sarcofagen, mummies, brokstukken van grafzuilen. In de 88te zaal
zijn een aantal Egyptische papyrus; in de9(le Romeinsche nabootsingen van Egyptische
kunstvoorwerpen, terwijl in de 10dc zaal eenige Assirische monumenten en opschriften
zijn verzameld, waarvan twee afkomstig van Sennecharib, waarin sprake is van den
oorlog dien hij voerde tegen het rijk van Juda en van de nederlaag van zijn legers,
zooals in het IVe Roek der koningen en in Isaïas XXXVI. XXXVI. verhaald wordt.
Museo Rio-Clemextixo. Dit heorlijke en prachtige museum heeft zijn ontstaan en
naam te danken aan de pausen Clemens XIII, Clemens XIV en Pius VI, maar vooral
aan dezen laatsten, die niet alleen een groot aantal kunstwerken er voor aankocht,
maar ook de prachtigste zalen er van liet bijbouwen, zooals de geheele zaal der Dieren,
een gedeelte van de gallerij, het kabinet, de zaal der Muzen, de Ronde Zaal, de Zaal
in Grieksch-kruisvorm, den prachtigen trap en de Zaal van de Riga.
liet Museum is in acht hoofdzalen verdeeld, die den naam dragen naar een of ander
merkwaardig kunstvoorwerp of naar hun vorm ; zooals: Hal van den Belvedère,
Zaal der Dieren, Galerij der Standbeelden, Zaal der Borstbeelden, Ronde Zaal,
Zaal van de Biya, Galerij der Kandelabers, Zaal der Muzen.
In de Vierkante Vestibule, zijn een liggende vrouw van natuurlijke grootte, van
een grafmonument afkomstig, de grafmonumenten der Scipios en het verminkte beeld
van een Hercules, genaamd do Torso van Belvedère de voornaamste voorwerpen.
Van hier komt men in een ronde vestibuul, met een fraai marmeren bekken, van
waar men in de Zaal van Mcleager komt, aldus geheten naar het beroemde beeld van
Meleager, dat er het voornaamste sieraad van is. Volgens sommigen werd het op den
Esquilinus, volgens anderen buiten de Porta Portese gevonden ; \'t is een der fraaiste
beelden die uit de oudheid tot ons zijn gekomen.
Hot beroemdste beeld tut geheel het Museum is de Apollo, genaamd van Relvedere;
verder verdienen vermeld te worden de Ajtol/o Mnsayetes, de Hurkende Venus, de
Anlinoüs van Belvedère, ofschoon hij niet in \'t minst gelijkt op andere bekende af-
beoldingen van dezen gunsteling van Iladrianus, zoodat veel oudheidkundigen er een
Mereurius in willen zien, de twee Vuistveelttcrs van Canova, de Sc/t ijf\'werper, keizer
Nerva, Jupiter Serapis, Menelaüs, de reeds vermelde Meleager, Menander, in de
zaal der Muzen, Urania en Tcrpsichore en dan ook die bewonderenswaardige groep van
Laocoon en zijne Zonen, worstelende tegen de slangen, welke Minerva tegen hen heeft
afgezonden. Deze wonderschoone schepping werd onder paus Julius II bij do Se/te
Sa/e
gevonden. Naar Plinius mededeelt hebben drie uitstekende kunstenaars eraan ge-
werkt, Agesandras, Polidoros en Atenadoros van Rhodus.
Do Zaal der Dieren, waarvan de vloer uit een zeer fraai antiek mozaïk bestaat, is,
volgens een gezegde van Ampère, een ware menagerie der kunst. Alle dieren hebben
ei- een plaats gevonden: de griffioen naast den haan, do leeuw naast de sfinx, do
tijger naast den hond, de centaur bij de geit, het schaap bij don ever. De oude
kunstenaars hebben hun huid, hun bewegingen, hun karakter en zelfs hunne kleuren
mot oene benijdenswaardige nauwgezetheid weten weer te geven.
In hot linker gedeelte van deze zaal zijn eenige bewonderenswaardige marmer-
groepen; oen centaur een Nimf schakende; Hercules den geketenden Cerberus weg-
voerende, die to Ostia gevonden werd; Hercules die de Ossen van Gerio wegbrengt,
een leeuw die een paard verscheurt, enz. In het rechter gedeelte bevindt zich een hert
-ocr page 256-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                      231
van gebloemd albast, een kleine leeuw van porta-santa met tanden en een tong van
marmer; Hercules, die den Nemeïschen leeuw verslagen beeft, te Ostia gevonden;
Hercules, die Diomedes, Koning van Tbracië, verslagen beeft, enz. enz.
In de zalen der standbeelden en busten bevinden zicb de meeste der door ons opge-
noemde kunstwerken van dien aard.
Uit de kamer der busten of borstbeelden komt men in bet Gabinetto, dat rijk is
aan kostbare marmersoorten; men vindt er o. a. acht zuilen en evenveel pilasters van
albast van den berg Circeo. Op den grond staan vier banken, waarvan de zitplaatsen
van porfier en de pooten van verguld brons zijn. De vloer bevat een zeer schoon
antiek Mozaïek, in de villa van Hadrianus te Tibur (Tivoli) gevonden. liet plafond
is door Domenico de Angelis in olieverf geschilderd, voorstellende: Arianna door
Bacchus teruggevonden; Paris den appel aan Venus toekennende ; Paris den appel aan
Minerva ontzeggende; Venus en Adonis en ten slotte Diana en Endymion. Verder een paar
voorstellingen van de werken van Hercules; in een nis tusschen de twee venstors een
Pallas (Minerva), die met de beelden der Muzen in de villa van Cassius te Tivoli
werd gevonden. Onder de vensters rechts, een prachtige vierkante kom van antiek
rood, links een zetel van dezelfde steensoort.
Een Ganimedes met de phrygische muts op en den arend naast zich. Dit beeld is
buitengewoon fijn bewerkt en uitstekend bewaard gebleven. Verder een dansende
Hora, ook wel Flora genoemd en in de villa van Hadrianus gevonden.
De achthoekige Zaal dek Muzen wordt door 1G zuilen van maan-marmer gedragen ;
de vloer bestaat uit een oud mozaïek te Lorium gevonden en verschillende tooneob
spelers voorstellende; in \'t midden een Medusa-kop. Pusten van Diogenes, Sofocles,
Epicurus versieren den ingang. De zaal bevat de boelden der negen Muzen, in de
villa van Cassius te Tivoli gevonden en van bewonderenswaardige bewerking, benevens
een menigte andere beelden van beroemde personen uit de oudheid en een basrelief,
een gevecht van Lapiten met Centauren voorstellende.
De Zaal van* dk Biga heeft haar naam van de antieke marmeren biga (wagen voor
de wedrennen) die daar bewaard wordt. Verder bevat zij o. a. een beeld van Bacchus,
een van Alcibiades; een sarcofaag met geniussen die circus-spelen uitvoeren; een
Apollo met de lier; een grieksch krijgsman, een schijfwerper.
Uit deze zaal komt men in die der Kandelabers, met een groote menigte egypti-
sche standbeelden, zuilen, vazen kommen, kandelabers enz. Deze zaal verlatende komt
men eindelijk in de beroemde Stanze (kamers) ni Raffaele, waar de schilderkunst
zeker wel haar hoogsten triomf viert. Om ze waardig te versieren liet Julius II op
aanraden van Bramante den nog jeugdigen maar reeds beroemden Raffaele Sanzio
(da Urbino) uit Florence komen; \'t was in 1508, toen Rafaël nog slechts vijfentwintig
jaren telde. Toen Rafaël naar Rome kwam, waren reeds andere schilders, met
name Pietro del Bozzo, Bramante, Pietro della Francesca, Luca Signorelli en
Pietro Perugino begonnen met het beschilderen der kamers, maar toen Rafaël zijn
eerste werk had voltooid, de beroemde Disputa, stond Paus Julius zoo verstomd over
het werk, dat hij beval dat de andere schilders met hun werk zouden uitscheiden en
dat wat reeds geschilderd was zou uitgewischt worden. Rafaël gedoogde evenwel niet
dat een gewelf, door zijn leermeester Perugino geschilderd, dat lot zou doelen, zoodat
dit behouden bleef.
,.De versiering (dezer kamers) merkt Menard aan, biedt een eenheid van inzichten
-ocr page 257-
232                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
en verhevenheid van gedachten aan, die haar tot een eenig en geheel individueel werk
maken. Te midden van die groote scheppingen heeft Bafaël zijn schoone alegorische
figuren geplaatst die, door hare verhevenheid van stijl en haar ideale schoonheid der
vormen, de moderne kunst geheel en al op de hoogte hebhen gebracht der antieke
kunst. Er waren moeielijkheden zonder tal te overwinnen. Geen enkele kunstenaar
heeft misschien ooit zulke moeielijke vormen moeten gebruiken voor zijne schilderingen,
daar verscheiden doorbroken zijn door een deur, midden in de schilderij. Maar Bafaël
heeft in de ordening zooveel buigzaamheid aan den dag gelegd, dat men haast zou
zeggen dat die zonderlinge vormen geheel in zijn plannen pasten. Eindelijk komt een
versieringstelsel van kleine tafreelen in grisaille een geheel voltooien, dat misschien
het bewonderenswaardigste is wat de kunst ooit heeft voortgebracht."
Deze kamers zijn vier in getal, die elk genoemd worden naar liet hoofdonderwerp
dat er wordt voorgesteld. De eerste is de Camera dell\' incendio di Borgo (kamer
van den Brand van Borgo.) In 847, onder de regeering van Leo den (Jroote, brak in
den wijk Borgo van Home, d. w. z. in dat gedeelte onmiddellijk bij St. Pieter gelegen
en thans gewoonlijk Ci/td Lecnina genaamd, een hevige brand uit, die evenwel door
den Paus, die op de Loggia van St. Pieter verscheen, door een kruisteeken gebluscht
werd. Deze gebeurtenis moest Bafaël afbeelden, en hij heeft het gedaan op een geheel
bijzondere, geniale wijze. Men ziet er niet de overal voortschrijdende vlammen, geen
onmetelijke vuurzee, maar eenige groepen vol leven, vol beweging, die evenwel dui-
delijk en treffend de algemeene ontsteltenis, het dreigende van \'t gevaar doen uit-
komen. Hier dragen vrouwen emmers water aan, daar vluchten er andere mot han-
gende haren, vol ontzetting hunne kinderen medeslepende. Menige groep herinnert
ons aan den brand van Troje, door Homerus beschreven. Een man draagt zijn ouden
vader op de schouders en wordt door zijn vrouw gevolgd, hetgeen ons Eneas, An-
chises uit het brandende Troje reddende en gevolgd door zijne echtgenoote Creusa, in
den geest terug roept. Deze schoone groep werd door Giulio Romano geschilderd,
want Bafaël liet zich bijstaan door zijn beste leerlingen.
De tegenover geplaatste schildering, bij het venster, stelt de rechtvaardiging voor
van den II. Paus Leo III, in tegenwoordigheid van Keizer Karel den Groote, Kar-
dinalen en aartsbisschoppen.
De derde wand geeft ons de overwinning te zien door Leo IV op de Saracenen
behaald bij de haven van Ostia; \'t is een werk van Giovanni da Udine. De tegenover-
bestelde wand vertoont de kroning van Karel den Groote in de oude Basiliek van
St. Pieter, door den II. Leo III; deze schildering is van Pierin del Vaga. De gewelf-
schildering is die van Perugino; waarvan wij \'t boven gesproken hebben.
Van uit deze kamer komt men in die van de beroemde DlSPUTA del S.S. Sacra-
mexto. (Dispuut over het H.H. Sacrament) Deze schildering, de eerste die Bafaël deed
uitvoeren, bevindt zich op den wand rechts bij \'t binnenkomen. Dit kunstwerk, zoo
verheven van opvatting en zoo meesterlijk van uitvoering, stelt een altaar voor waar-
op een monstrans met het H.H. Sacrament. Daar boven in do lucht in een stralen
krans de II. Drievuldigheid met links de II. Maagd en rechts den II. Joannos den
Dooper, aan weerszijden de vier Leeraren der Kerk, met andere kerkvaders en ver-
schillende heiligen uit het Oude en het Nieuwe Testament, die over het II. Sacrament
handelen of redetwisten. Onder de godgeleerden heeft Bafaël ook Danto afgebeeld.
Over de ware beteekenis van deze schilderij, die men de Dis/tutu heet, zijn veel,
-ocr page 258-
IIET CHRISTELIJKE ROME.                                       233
zeer uiteenloopende beschouwingen. Wij zullen die niet aangeven, maar alleen ver-
melden wat Mgr. dr. Andreas Jansen in een zitting van de St. Bernulphus-gilde te
Utrecht, in Dec. van dit jaar (1899) daarover zeide, op het voetspoor van dr. Schrörs
te Bonn..
Professor Schrörs komt tot de volgende verklaring der Disputa. In de Camera
della Segnatura
liet Julius II de vior geestelijke hoofdfactoren der pauselijke macht
door Rafaël in symbolische voorstelling brengen, nl. de rechtsgeleerdheid, de poëzie,
de philosophie en de theologie. Op laatstgenoemde heeft de Disputa ontwijfelbaar
betrekking, zooals ten overvloede wordt aangeduid door den Engel met het opschrift:
„divinarum rerum notitia."
Nu werd in ltafaëls tijd de theologie nog ten volle beheerscht door de scholastieke
opvatting der Middeleeuwen. Thomas de Vio - later kardinaal Cajetanus—stond als
hoftheoloog bij den Paus in hoog aanzien en was de aangewezen man, om Kafaël
van advies te dienen. Deze beroemde godgeleerde onderscheidt in zijn Commentaren
op de Summa (Pars I), waar Sint Thomas de theologie omschrijft als een wetenschap,
uitgaande van grondbeginselen, aan een hoogere wetenschap ontleend, — de godge-
leerdheid als volgt. Een ,theologia subalterna," bestaande öf wel in de kennis, die
God heeft van Zichzelf, öf wel in de godskennis der zaligen; bovendien een ..theologia
subalternata", bestaande in de kennis der goddelijke dingen, welke hier op aarde
verkrijgbaar is en noodzakelijk haar licht moet ontvangen van Boven.
Vandaar ook twee verschillende deelen in ltafaëls Disputa, welke door een wolken-
laag worden gescheiden: de theologie der triumfeerende Kerk (zoowel in de Allerh.
Drievuldigheid als in de Zaligen en der strijdende Kerk.
De eerste straalt naar alle kanten licht uit, vooral naar beneden. Daarom toover-
achtige goudglans en lichtgewemel op het bovengedeelte der schildering. De tweede
krijgt haar licht van Boven, wat duidelijk wordt beteekend door vier Engelen, die
met de 4 Evangelie\'s in de hand naar beneden afdalen.
Dat boven geen sprake kan zijn van de zalige aanschouwing Gods, en beneden niet
van aanbidding der Eucharistie, blijkt overtuigend uit de houding der figuren, die
met elkaar redetwisten. Boven is de theologie vertegenwoordigd door de voornaamste
Godsgezanten van het O. en N. T.; beneden door de 4 Kerkvaders en de voornaamste
godgeleerden der Middeleeuwen, die echter n^et elk afzonderlijk kunnen verklaard worden.
De verbinding tusschen hemel en aarde wordt aangeduid door Sint Laurens, die
naar beneden, en door den grijsaard rechts, die naar boven wijst.
Do monstrans op het altaar moot evenmin worden verklaard in den zin van aan-
bidding. Want liturgische sieraden ontbreken ten eenenmale. Maar de Eucharistie is
hier zinnebeeld der theologische wetenschap, die een spijze is voor de ziel. Zoo wordt
zij ook opgevat door Dante, voor wien Iïafaël een hooge vereering koesterde. Beatrice
stelt in het paradijs den dichter der Divina (\'omedia voor aan de drie uitverkoren
Apostelen, Petrus, Jacobus en Joannes, en vraagt hun, aan haar beschermeling meè
te deelen van de spijze der godskennis, afvallende van den hemelschen disch.
De godskennis dus, ook een ..brood der Engelen", wordt hier zinnebeeldig voor-
gesteld door de Eucharistie, wat nog treffender uitkomt door de talrijke Engelen,
waarvan het in de wolkenlaag overal wemelt en die zich verzadigen aan die hemel-
sche spijs."
Schooner van uitvoering is misschien nog de daar tegenover zich bevindende Schooi.
-ocr page 259-
234
ROME IN DESZELFS VEE LEDEN EN HEDEN
van Athene of van de Oude Wijsgeeren. In een portiek van bewonderenswaardige
bouworde, waartoe vier breede treden voeren, vertoonen zich in \'t midden Plato en
Aristoteles, die door hun ernstige en statige houding aanduiden dat zij de eerste en
grootste meesters der Griekscho Wijsbegeerte zijn. Om hen heen staan in fraaie groepen
hunne leerlingen. Op een andere trede ziet men Socrates met Alcibiades disputeerende,
en lager Pittagoras, door zijne leerlingen omgeven, waarvan één een schrijftafeltje in
de hand houdt, benevens Diogenes op de tweede trede liggende, met een boek in de
hand en zijn napje naast zich. Aan deze Wijzen heeft de schilder de trekken van de
beroemdste mannen uit zijn tijd gegeven. Archimedes, die op don grond gebogen met
een passer een figuur op een tafeltje trekt, heeft de trekken van Bramante Lazzari,
een beroemd bouwmeester en bloedverwant van liafaël; de jongeling, die met een knie
op den grond ligt en aandachtig toeziet, is Frederik II, hertog van Mantua, de twee
andore, ter zijde van Zoroaster Perugino en Kafaël-zelf. De schilderij, die meer
dan vijftig figuren vertoont, is een der bewonderswaardigste voortbrengselen der schil-
derkunst Boven het venster links is de Parnassus voorgesteld, waar men te midden
van een aanminnige groep der Muzen Apollo ziet, die een muziekinstrument bespeelt;
daaronder ziet men een aantal dichters van de oudheid en den nieuweren tijd, zooals:
Homerus, Horatius, Virgilius, Ovidius, Ennius, Tibullus, Catullus, Propertius, Dante,
de dichteres Saffo, Sannazzaro, Boccacio en Tibaldeo. Tegenover deze schildering is
de Rechtsgeleerdheid, voorgesteld door de drie Deugden, de gezellinnen van de Recht-
vaardigheid ; n.1.: de Voorzichtigheid, de Matigheid en de Sterkte. Ter zijde van het
venster zijn twee geschiedkundige gebeurtenissen afgebeeld : rechts Keizer Justinianus
die de Digesten aan Trebonianus overhandigt; het andere Gregorius IV die de De-
cretalen aan een rechtsgeleerde geeft. Al deze schilderwerken zijn van de hand van
Rai\'aël-zelf. Het gewelfd is verdeeld in negen vakken, door een versiering in chiaro-
senro
op gouden grond gescheiden. Het achthoekige middenvak vertoont talrijke En-
gelen, die het wapen der Kerk houden ; de vier ronden stollen de Wijsbegeerte, de
Gerechtigheid, de Godgeleerdheid en de Dichtkunst voor; de vier ovalen de Fortuin,
het Oordeel van Salomo; Adam en Eva door de slang verleid, en Marsius door Apollo
van zijn vel ontdaan.
Kamer van HEi.ionoiirs. Heliodorus, stadhouder van Seleucus, Koning van Syrië,
werd door dezen gelast om don schat uit den tempel van Jeruzalem te rooven. Op het
gebed van den hoogepriester Onias kwam eensklaps een ruiter, vergezeld van twee met
geesels gewapende engelen, den tempel binnen; zij wierpen den tempelschender op den
grond en joegen hem met geeselslagen uit het heiligdom. Deze gebeurtenis, op den
wand afgebeeld, gaf aan de kamer haar naam. Naast de geschiedkundige gebeurtenis
heeft de schildering ook een symbolische, daar zij de overwinning van Julius II op de
Kerkschenders en de Verdrijving der Franschen uit Italië moet voorstellen. Teneinde
deze beteekenis te doen uitkomen laat Rafaël, door een stout maar geniaal anachro-
nismo, paus Julius op den draagzetel den tempel binnenkomen. Rafaël gaf de teeke-
ning voor dezen fresco en schilderde zelf de hoofdgroep ; de groep vrouwen is van
Pietro da Cremona, een leerling van Correggio ; het overige van Giulio Romano.
Tegenover dezen fresco bevindt zich die welke den II. Leo I voorstelt terwijl hij
Attila, Koning der Hunnen, tegemoet trekt om Rome tegen plundering te behouden.
In de lucht zweven met getrokken zwaard de H.H. Apostelen Petrus en Paulus.
De derde stelt het Mirakel van Bolsena voor. Een priester gevoelde bij het ce-
-ocr page 260-
2;*5
HET CHRISTELIJKE ROME.
lebreeren der Mis twijfel bij zich oprijzen over de waarachtige tegenwoordigheid van
Christus in het H. Sacrament. Bij het consacreeren veranderde de wijn in bloed, dat
over de Kelk heenvloeide en het Korporaal kleurde. Ofschoon deze gebeurtenis voor-
viel onder de regeering van Urbanus VI, die zich juist te Orvieto bevond, heeft Rafaöl
evenwel Julius II er op afgebeeld, als wonende deze Mis bij.
Tegenover deze schildering bevindt zich die de bevrijding van dex H. Petrus
uit den kerker te Jerusalem voorstellende. De verschillende lichteffecten in dit werk
zijn bewonderenswaardig. Op het gewelf zijn voorgesteld: boven den Heliodorus, God
in het brandende braambosch tot Mozes sprekende; boven Attila, God aan Abraham
een talrijke nakomelingschap belovende; boven het mirakel van Bolsena, de offerande
van Abraham, boven de Bevrijding van Petrus, de wonderbare ladder langs welken
Jakob de Engelen zag op- en afklimmen.
Zaal van Coxstaxtijx. Rafaöl was begonnen met in olieverf de overwinning van
Constantijn op Maxentius bij de Ponte Molle te schilderen, toen hij door den dood
verrast werd, nadat hij slechts de twee zijfiguren de Rechtvaardigheid en de Zaeht-
moedigheid had voltooid. Clemens VII liet al wat in olieverf was geschilderd verwij-
deren, met uitzondering van genoemde figuren en vervolgens door Giulio Romano
de teekening van Rafaöl al fresco uitvoeren. Aan den tegenovergestelden wand ziet
men de verschijning van het kruis aan Constantijn, eveneens van \'t penseel van
Giulio Romano.
Aan den overkant is de doop van Constantijn door paus Silvester voorgesteld,
gep3nseeld door Francesco Penni genaamd il Fat\'t\'ore, maar het staat in kunstwaarde
beneden de vorige. Op den vierden wand, tusschen de vensters, ziet men de schenkin-
gen door Constantijn aan paus Silvester gedaan : een werk van Raffaele del Collo.
De schildering van hot gewelf, de verheerlijking van \'t Geloof voorstellende, werd veel
later door Tommasso Laureti van Palermo uitgevoerd op last van Gregorius XIII.
In de tweede en dei-de verdiepingen van de Loggia en in de schilderijengallerij
bevindt zich een kostbare verzameling van de hand der beste meesters, waaronder
fra Angelico da Fiesole, Titiaan, Perugino, Domenichino Veronese, Caravaggio en
Rafaël, Giulio Romano, Guido Reni, Andrea Sacchi, Poussin, Guercino, kortom: allo
groote meesters dor schilderkunst vertegenwoordigd zijn.
Wanneer men de Logges en het Damasus-plein verlaat en dat van Belvedère over-
steekt, komt men aan de beroemde mozaïek-werkplaatsen, waaruit de heerlijke mozaïeken
in St. Pieterskerk en elders zijn voortgekomen. Deze kunst is te Rome tot een ver-
bazende hoogte opgevoerd; men heeft er niet minder dan 10.000 verschillende tinten
van email om al de voorkomende kleurentrappen en lichtschakeeringon te kunnen
uitvoeren.
Een beschrijving van de Tuinen van hef Vaticaan ligt niet op onzen weg ; alleen
willen wij de aandacht vestigen op den grooten bronzen pijnappel en do twee bronzen
pauwen, welke zich daar bevinden. Doze pijnappel moot, zooals wij elders hebbon
gezegd, in het Pautheon hebben gehangen, boven hot beeld van Cybele. Do boido
pauwen hebbon eerst het bronzen hek versierd dat het praalgraf van Hadrianus afsloot;
later vonden zij een plaats op den gevel van de oude Basiliek van St. Pietor, zooals
wij reeds eerder vermeld hebben.
Achter het Vaticaan ziet men een hoogte oprijzen, Monte Mario geheeten.
-ocr page 261-
236                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
Paleis ex Museum van Laterane. Over het paleis hebben wij reeds vroeger
gesproken, wij zullen nn het Museum behandelen. De eerste aanlegger ervan was
paus Gregorins XVI, die er een aantal, rondom verspreide, antieke beeldhouwwerken
liet overbrengen ; Pius IX stichtte op het initiatief van p. Marchi en G. B. de Rossi
het christelijk museum, zoodat wij een heidensche en een christelijke verzameling hebben.
De eerste, in 14 zalen verdeeld, bevat o. a. basreliefs voorstellende : de ontvoering
van Ilelena; afscheid van een jonge vrouw en een jongen man; twee worstelaars;
Trajanus omringd door Senatoren; de geit Amalthea het kind Bacchus voedende;
fragmenten van het Forum van Trajanus; een vrouw op een panter zittende; beelden
van Tiberius, Agrippina en (\'laudius; twee jonge Saterkoppen, een Sophocles, in
1838 te Terracina gevonden; een reusachtig beeld van Neptunus in 1824 te Porto
d\'Anzio opgedolven ; Sarcofagen op een waarvan de dood van de kinderen van Xiobe
en de daden van Orestes zijn voorgesteld ; kop van Antoninus Pius enz. De moeste
dezer voorwerpen werden onder Pius IX te Ostia gevonden.
liet Christelijk Museum bezit een schat van oudheden, vooral uit de Katakomben
afkomstig en die van het hoogste gewicht zijn voor de kerkgeschiedenis en de kennis
van de eerste eeuwen des Christendoms, welke vooral door de basreliefs der sarcofagen
uit de zes eerste eeuwen zeer bevorderd is.
In de Logges heeft de Rossi een groote menigte graf- en opschriften, muursehilde-
ringen enz. uit de Katakomben bijeengebracht.
De Schilderijen-Galerij bezit eenige merkwaardige kunstwerken, zooals de
Stecniging run den II. Stefanus, door Giulio llomano; de Afneming van hef Kruis
door I). da Volterra; een Sixtus I\'door Sassoferrato; Jesus en de Wetgeleerden, door
Caravaggio enz. enz. Op de 3\'le verdieping ziet men een nabootsing in gips van de
zuil van Trajanus.
Museum van het Kapitool. Door demons XII begonnen en voortgezet door Bene-
dictus XIV en Clemens XIII en door Pius VII eindelijk voltooid, is dit museum een
der merkwaardigste van Rome geworden. In een aantal kamers vindt men een rijke
verzameling van schoone antieke kunstwerken bijeengebracht, waarvan wij enkele der
merkwaardigste zullen vermelden. Op den voorhof bevindt zich een reusachtig beeld
van den Oceaan, Marforio geheeten, omdat het op het Forum van Mars gevonden
werd, (\') en twee sarcofagen in de Katakombe van St. Sebastiaan gevonden. In het
Atrium of de voorhal, een reusachtige Minerva, op de muren van Rome gevonden;
een opschrift betreffende Cajus Cestius bij zijn piramide opgedolven, en waarop men
de namen zijner erfgenamen leest; vier consulaire gedenktafels in basrelief en een
Provincia Romana, insgelijks in basrelief, afkomstig van het forum van Antoninus
Pius; een reusachtig hoofd van Cybele uit de villa van Hadrianus te Tivoli. Rechts
een fraai beeld van Diana en een Isis van rood graniet uit de tuinen van Salustius;
de Cycloop Polifemus de reisgezellen van Flysses verslindende, en een beeld van keizer
Hadrianus bij S. Stefano Rotondo gevonden. Van het Atrium komt men in de zaal
del Canapo,
genoemd naar de vele Egyptische oudheden hier verzameld en gevonden
in den Canapo van de villa van Hadrianus te Tivoli. Een zoor fraaie dubbele buste
van Isis en Osiris op een lotusbloem rustende, staat in \'t midden der zaal. De kamer
der opschriften (Camera delle Iscrizionï) bevat 122 opschriften op steen, in chronologische
(\') In Woehl\'s Guitle de Rome. wordt van Marforio weer een kunstenaar of beeldhouwer gemaakt.
-ocr page 262-
x   r
tn   o
H   >
*   §
>   2
o   o
o   E
r   o
-ocr page 263-
HET CHRISTELIJKE ROME.
2:57
rangorde geplaats en betrekking hebben op de keizers, keizerinnen, Caesars en Consuls
van Tiberius tot Theodorins I; het merkwaardigste kunstwerk is oen vierkant altaar
met de werken van Hercules, van don oudsten griekschen stijl. Verder een grafsteen
van T. Statilius Apus, waarop men afgebeeld ziet den oude romeinschen voet, in
zestien duimen verdeeld.
De Kamer der Urne ontleent haar naam aan den grooten sarcofaag van Alexander
Severus (en Mammca), op drie mijlen afstand van Rome langs den weg van Tusculum
gevonden. Men vond er een glazen vaas in met hunne assche, die thans in het Britsch
Museum bewaard wordt. Langs een der wanden ziet men verschillende voorstellingen
op het eerste boek van de Ilias van Homerus betrekking hebbende; zooals Achilles
twistende met Agamemnon, die hem Brisis wil ontnemen. Men vindt er op Agamomnon,
Nestor, Ulysses, Diomedes en Chalcas. Verderop Priamus, die knielende Achilles om het
lijk van Hector smeekt. Nog vindt men er een priester van Cybele met de attributen
dezer godin, te Civita Lavinia gevonden; een klein beeld van Jupiter en een ander
zittend van Juno, in de Thermen van Titus gevonden.
In het Atrium terugkeerendo en den trap opgaande, ziet men een beeld van Mars
en langs de wanden fragmenten van den plattegrond van het oude Rome, in den
tempel van Remus langs de via Sacra gevonden. Van dezen trap komt men in een
lange galerij vol standbeelden.
De eerste zaal rechts heet die der Vaas, naar een prachtige mot bladeren ver-
sierde vaas van pentelisch marmer, die bij hot graf van Cecilia Metella werd gevonden.
Zij staat op een antiek rond altaar van wit marmer, waarop de twaalf voornaamste
goden van den Olympus voorgesteld zijn. Een andere bronzen vaas werd bij Anzio
in zee gevonden; naar het opschrift meldt werd zij door Mitiidates, Koning van
Pontus, aan \'t gymnasium der Eupatoristen geschonken. Veel van de zich hier bevin-
dende busten zijn van onbekende personen; evenwel verdient een Hecato van brons,
waarop men nog sporen van verguldsel bemerkt, vermelding; links bij het venster is
de beroemde tafel van den Ilias, waarop de voornaamste feiten uit den oorlog van
Troje zijn voorgesteld. Een fraaie sarcofaag stelt de fabel van Diana en Endymion
voor. Een andere sarcofaag, zonder kunstwaarde, is evenwel merkwaardig omdat
zij de leer der Platonici betreffende do schepping en de verspreiding van den mensch
voorstelt. Hierboven en in den muur bevestigd is hot beroemde mozaïek van do zoo-
genaamde Duiven van Furlctti; het stelt een vaas voor op welks rand drie duiven
zitten, door Mgr. Furietti in de villa van Hadrianus gevonden. De voorstelling is zoo
bevallig en de uitvoering zoo fijn, dat het beschouwd wordt als het fraaiste wat in
dit genre uit de oudheid is overgebleven.
Uit deze kamer komt men in de Galerij, waar men tegenover den trap eerst
twee goed bewaard gebleven busten van Marcus Aurelius en Septimus Severus aan-
treft. Op de muren zijn inschriften uit de columbariën van de vrijgelatenen van
Livia, in 1726 op den Appischen weg gevonden. Verder dienen vermeld te worden:
de Dronkenschap, op den Nomentaanschen weg gevonden; een sarcofaag waarop de
roof van Proserpina is afgebeeld; een reusachtige kop van Juno; de beroemde Jupiter,
genaamd della Valle; de buste van Scipio Africanus, een klein beeldje van Pallas
(Minerva), een buste van Hadrianus en van M. Aurelius als jongeling, een kop van
Tiberius en de buste van Domitius, den vader van Nero.
De Kamer deh Keizers (Camera degV Iinner atori) ontleent haar naam aan de
-ocr page 264-
238                        HOME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
talrijke afbeeldingen van keizers en hun familie, die zij bevat. Op do muren zijn
verscheidene bas-roliefs ingemetseld, waarvan de jacht op het Galidonisch zwijn, Persous
die Andromeda bevrijdt en de slapende Endymion met een hond naast zich, demerk-
waardigste zijn; dit laatst werd op den Aventijnschen heuvel gevonden. In \'t midden
der zaal is een zittend vrouwebeeld, dat men gewoonlijk voor dat van de oudere
Agrippina, vrouw van Germanicus en moeder van Caligula houdt. Onder de busten
der keizers zijn die van Tiberius en zijn broeder Drusus; van Antonia, de vrouw van
Drusus; van Caligula, in basalt uitgehouwen; van Messalina en de jongere Agrippina,
gemalin van Claudius; twee busten van Nero, een van zijn gemalin Poppea, bij
St. Laurentius buiten de Muren gevonden; de busten van Galba, Otto en Vitellius;
van Julia, de dochter van Titus, van Platina, gemalin van Trajanus, van diens zuster
Marciana en haar dochter Matidia; twee fraaie busten van Hadrianus, van zijne gemalin
Julia Sabina en zijn aangenomen zoon Helios; van Gommodus en zijn gemalin Cris-
pina; twee busten van Septimus Severus; een van Maximinus, van Decius, van
Juliaan den Afvallige, van Gratianus enz.
Uit deze kamer komt men in die der wijsgeeren (de\'Filusofi), daar zij de beelte-
nissen van wijsgeeren, schrijvers, dichters enz. bevat. Ook hier zijn bas-reliofs in do
muren gemetseld. Vermelding verdienen: het lijk van Ilector, dat op den brandstapel
wordt gelegd, terwijl Ilecuba en Andromache het weenend omringen; een offer aan
Ilygcia, in antiek rood marmer; een fragment uit een bacchusfeest, dat don naam van
Gallimachus als maker vermeldt. In \'t midden een fraai bronzen beeld van een der
Camilli. Onder de busten vermelden wij die van Socrates, Alcibiades, Plato, Marcus
Aurelius, Diogenes de Cyniker, Archimedes, Asclepias; Teon, Apulejus, Demosthe-
nos, Kuripides. Verder: Homerus, Tucidides, Epicurus, Agaton, Antistenes, Cicero
enz. enz.
In de Groote zaal zijn twee zuilen vanporta-santa. De twee gevleugelde Victoria\'s,
dio het wapen van demons XII dragen, zijn afkomstig van den boog van Marcus
Aurelius op don Flaminischen weg. In \'t midden vijf fraaie beelden : een Jupiter en
een Esculaap van donkergrijs marmer, to Anzio gevonden; twee Centauren van dezelfde
marmersoort, door Kardinaal Furietti te Tivoli in de villa van Hadrianus gevonden
en derhalve ook Centauren van Furietti geheeten; op de voetstukken leest men de
namen van Aristoas en Papias, twee beeldhouwers uit Afrodisio, on eindelijk een Her-
cules als kind, uit toetssteen gebeiteld en staande op een vierkant altaar van wit mar-
mer, welks bas-reliefs de geboorte, opvoeding en vergoding van Jupiter voorstellen.
Dit altaar is te Albano gevonden. Verder verdienen hier opgemerkt te worden: twee
Amazonen, een Apollo, een zeer grooto buste van Trajanus met een eikenkrans ge-
kroond, een beeld van Julia Pia. gemalin van Septimus Severus, een reusachtig beeld
van verguld brons van Hercules, in de 15d0 eeuw achter Bocca della Vcritd gevonden;
een Antoninus Pius, een jager enz.
Zaal van dex Faun, aldus genaamd naar een Faun of boschgod in antiek rood
marmer, te Tivoli in de villa van Hadrianus gevonden. Een fragment in brons van de
zoogenaamde Lex regia, waarbij aan Vespasiaan het keizerlijk gezag wordt toegekend,
verdient vermeld en opgemerkt te worden. Onder de meest merkwaardige voorwer-
pen noemen wij nog: een sarcofaag waarop de myhte van Diana en Endymion is af-
gebeeld ; een andere, een gevecht van Amazonen voorstellende; vooral de gevangene
Amazonen op het deksel zijn vol uitdrukking en meesterlijk bewerkt; een knaap met
-ocr page 265-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                        239
een duif en een andere met een gans spelende; een Amor zijn boog verbrekende;
een aan de Zon gewijd altaar met latijnsch on palmyrsch opschrift.
Eindelijk komen wij aan de Zaal van oen Stervenden Zwaardvechter (Camera
del Gladiatore).
Dit hooggeroemd voortbrengsel van de antieke beeldhouwkunst be-
vindt zich in \'t midden der zaal. „Dit monument der antieke kunst," zegt Nibby, „dat
door de verhevenheid van het werk en door zijn ongeschonden staat met de voor-
naamste beeldhouwwerken kan wedijveren, stelt een veel edeler voorwerp dan een
zwaardvechter voor. Dit gemeene ras begon eerst onder Commodus zekere gunst te
verwerven en toen alleen zou men dan ook zulk een beeld hebben opgericht; maar
het werk is zuiver Grieksch en van veel vroegere dagteekening. Wanneer men het
karakter van het hoofd en de knevels, den halsketting, die de torques der ouden is,
de opstaande haren en al het overige oplettend beschouwt, dan lijdt het geen twijfel
of men hoeft er een Galliër in te zien, en zeer waarschijnlijk maakte dit beeld een deel
uit van de groep, die op den tocht en de nederlaag der Galliërs in Griekenland be-
trekking had." Verder verdienen opgemerkt te worden een zeer fraaie Juno ; een
fraaie kop van Alexander ; een Antinoüs in Egyptischen vorm en van wit marmer ; een
copie van den Faun van Praxiteles, te Tivoli ontdekt; de beroemde Antinoüs van het
Kapitool; een heerlijke Flora ; een Venus uit het bad komende, die met do Venus van
Medici kan wedijveren; en eindelijk een kop van Marcus Brutus, den moordenaar van
Cesar.
Paleis der Conservatori. (Of van de bewaarders en beheerders der monumen-
ten). Onder de portiek het standbeeld van Julius Cesar, de eenige als echt erkende
afbeelding van den beroemden krijgsman en schrijver, en een ander van Augustus
met een scheepsnebbe onder de voeten, ter herinnering aan den slag bij Actium.
Gedurende twee eeuwen was men gewoon aan de monumenten en beelte-
nissen van de beroemde mannen van Italië in \'t Pantheon een plaats te geven, maar
daar hun aantal te zeer toenam, richtte Pius VII acht Kamers van het Kapitool voor
dat doel in en liet er alle busten uit het Pantheon heen brengen. In do eerste kamer
vindt men een lang latijnsch opschrift, dat de statuten van de inrichting der Conser-
vatori in zes secties bevat. In de eerste kamer zijn de afbeeldingen van vreemde
kunstenaars, die als Italianen beschouwd worden omdat zij een groot gedeelte van hun
leven in Italië hebben doorgebracht en er zich vervolmaakt hebben.
Men vindt daar dan ook Nicolas Poussin; Rafaël Mengs; Winkelmann; Angelica
Kauffmann, schilderes ; Snee, fransch schilder.
In de tweede kamer de afbeeldingen van do beroemdste kunstenaars der 13° 14e
en 15e, allen op kosten van Canova vervaardigd, zooals : Brunelleschi, Pisano, Giotto,
Orcagna, Masaccio, Finelli, den g. Angelico da Fiesolo, Bilioschi, Bardi enz.
De derde kamer bevat, behalve de beeltenis van Pius VII, door Canova, de kunste-
naars der 16e eeuw, zooals: Titiaan, Leonardo da Vinci, Michelangelo Buonarroti,
Rafaele Sanzio da Urbino, Palladio, Luca Lagnorelli van Cortona, Pietro Perugino,
Andrea del Sarto; Paolo Veronese, Bramante Lazzari, Michele Sanmichele enz.
In de vierde kamer de kunstenaars der 16° 17e en 18e eeuwen ; in de vijfde van
verschillende andere kunstenaars, in de zesde die van dichters, allen op kosten van
Canova uitgevoerd ; de zevende bevat weer andere kunstenaars en beroemde personen,
zooals den beroemden boekdrukker Badoni, den Antiquaar Venuti, Christophorus
Columbus, Aldo Manizj, beroemd boekdrukker, Galileo Galilei, den beroemden ontleed*
-ocr page 266-
240                          ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
kundige Morgagni, Tiraboschi, schrijver van do Geschiedenis der Ital-letterkunde enz.
enz. De achtste kamer bevat beroemde musici.
De Zaal der Conservatori bevat een rijken schat schilder» en beeldhouwwerken,
die wij niet allen kunnen vermelden.
De Schilderijen-galerei van het Kapitool doet weinig onder voor die van het
Vaticaan. Paus Benedictus XIV liet de zalen bouwen en verzamelde er een heerlijken
schat kunstwerken ten gerieve van do beoefenaars der schilderkunst. In de eerste
kamer ziet men dan ook de buste van dezen paus en boven de deur die van Pius VII,
die er aanmerkelijke veranderingen liet aanbrengen. Ofschoon alle schilderijen ver-
dienen vermeld te worden zullen wij alleen de meest vermaarde noemen. Bij den
ingang een vrouwebeeld van Giorgione, een Madonna met verscheidene heiligen, Copie
van Paolo Veronese; de verschijning der Engelen aan de Herders, door Bassano,
de opoffering van Iphegenia door P. da Cortona ; de II. Lucia, van Garofalo, een der
beste werken van dezen meester; nog een Madonna van denzelfden ; De IJdelheid
door Titiaan; het doopsel van Christus, uit de school van Carracci; de II. Hieronymus
van Guido; het Huwelijk van de H. Catharina, door Garofalo; een copie van Titiaan\'s
Kust der H. Maagd, door Pietro da Cortona ; do Sabijnsche Maagdenroof door den-
zelfden ; twee II. Families, een van Caracci, de andere met den II. Hieronymus van
Garofalo ; een mansportret van Velasqucz ; de kroning van de II. Catharina, door
Garofalo : de II. Franciscus, door Ludovico Carracci; een II. Sebastiaan van Domcni-
chino; portret van Urbanus VIII, door P. da Cortona; Orfeus de lier bespelende, door
Poussin ; een copie van de Judith van Guido Keni door Maratta; Agar on Ismaël door
Mola ; Bacchus en Arianna door Guido of een zijner boste navolgers ; de beroemde
Persische Sybilla van Guercino ; een heerlijke II. Cecilia, hot orgel bespelende met de
II. Maagd en het Kind, benevens een carmelieter monnik, van Annibale Caracci; een
zeer fraaie Madonna van Albano ; David met het hoofd van Goliath aan zijn voeten,
door Romanelli ; het Huwelijk der II. Maagd, uit de oude school van Ferrara. Ken
II. Johannes do Dooper, door D. da Volterra ; een fraai doek van Valentin, Christus
en de Schriftgeleerden voorstellende; de Sybilla ven Cumae, door Domenichino ; een
Magdalena van Guido ; Flora op een zegekar, door Nicolas Poussin; Amor en Psyche
door Luti ; do zegepraal van Bacchus door P. de Cortona,; Mozes, water uit do rots
slaande, door Luca Giordano ; Madonna met Martelaren, idt do school van Coneggio
de II. Maagd, de II. Anna en eenige heiligen door Paolo Veronese; een prachtig werk
van Rubens, voorstellende Romulus en Kennis door de wolvin gevoed en door Faus-
tulus gevonden; de Disputa van de H. Catharina door Vasari; de H. Maagd haar god-
delijk Kind aanbiddende, door P. da Cortona.
In de tweede zaal: de Nederdaling van den II. Geest, door Paolo Veronese; de
Hemelvaart, door denzelfden; de Aanbidding der Drie Koningen, door Garofalo; do
Geboorte der II. Maagd, door Albano den Oude; een knaap met een bok, door Cara-
vaggio; de Doornenkroning, door Tintoretto; Christus, het Kruis dragende, Veronica
tegenkomende, door Cardona; een Ecce Homo van Baroccio; Christus en de overspe;
lige vrouw, door Titiaan ; de nederlaag van Darius, een der beste werken van P.
da Cortona de Judith van Giulio Komano ; een zeer schoone opdracht van Christus,
aan Fra Bartolomeo da S. Marco toegeschreven Hier bevindt zich ook het meesterstuk
van Guercino, den dood van de H. Petronilla voorstellende en zich eertijds in het
Vaticaan bevindende ; een fraai portret van Michelangelo, door hem zelven geschilderd ;
-ocr page 267-
HET CHRISTELIJKE HOME.
241
een tooverheks van Salvator Rosa; de Geeseling, door Tintoretto; de Onschuld, zoer
geschat werk van Komanelli; Christus, de kooplieden uit den tempel verdrijvende,
door Bassano; de ontvoering van Helena, door Komanelli; een zeer fraaie II. Barbara,
door sommigen aan Annibale Caracci, door anderen aan Domenichino toegeschreven;
de H. Christoffel met het kind, door Tintoretto; een II. Cecilia, door Lodovico Caracci;
een knielende Magdalena, door Paolo Veronese; do Ontvoering van Europa, een der
fraaiste werken niet alleen van Paolo Veronese, maar ook van de geheele Italiaansche
schilderschool.
En hiermede zullen wij ons bezoek aan \'t Kapitool besluiten.
Het Quirinaal was voor 1870 een pauselijk paleis, dat om zijn hooge en gezonde
ligging des zomers veelvuldig door de pausen werd bewoond. Gregorius XIII begon
tegen 1574 den bouw ervan naar de plannen van Flaminio Ponzio; do opvolgors van
Gregorius gingen met den bouw verder, waartoe successievelijk Ottavio Mascherino,
Dominico Fontana, Carlo Maderno, Bernini en Fuga hun talent beschikbaar stelden.
Het groote binnenplein is 110 meter lang en 60 meter breed en wordt van drie kanten
omgeven door een op zuilen rustende portiek. De achterzijde heeft een gevel van
jonische bouworde, waarboven zich een klokketoren verheft. Het bezit prachtige
zalen en gangen, een heerlijke kapel, de Paulijnscho geheeten, die weinig onderdoet
voor de Sixtijnsche in het Yaticaan en een rijken schat van kunstvoorwerpen, dio men
vroeger kon bezichtigen. Na de inneming van Bome hebben de Koningen uit het Huis
van Savoje zich dit paleis toegeëigend, zoodat het thans voor \'t publiek gesloten is.
Vroeger werden er de conclaven gehouden; het laatste had plaats in 1846, toen Pius
IX verkozen werd. Twee jaren later, in 1848, dreigden de revolutiemannen het paleis
met kanonnen te beschieten en staken zij de deur in brand; in den nacht ontvluchtte
Pius IX verkleed het paleis in het rijtuig van den Beyerschen gezant, graaf Spaur,
om de vlucht naar Gaëta te nemen. De roof van 1870 is slechts de laatste acte geweest
van het in 1848 begonnen revolutiespel.
Behalve de pauselijke paleizen en openbare kunstverzamelingen, bezit Bome er nog
een aantal andere aan particulieren, d. w. z. aan de hooge Bomeinsche Aristocratie
toebehoorende, die evenwel voor het meerendeel hun ontstaan, uitbreiding of verfraai-
ing aan pausen of kardinalen verschuldigd zijn. De toegang wordt zóó vrij verleend
de meesten staan op sommige uren van den dag voor het publiek open dat men
ze bijna als publieke verzamelingen kan beschonwen.
In de eerste plaats dienen vermeld te worden de Villa en het Paleis Borghese.
Do eerste ligt onmiddellijk buiten de Porta del Popoio en werd onder de regeering van
Paus Paulus V door Scipio Borghese aangelegd, het tweede ligt een weinig ter zijde
van den Corso en werd in 1590 door Kardinaal Dezza begonnen on door Paulus V,
die van het geslacht Borghese was, voltooid. Dit paleis bezit de grootste en rijkste
particuliere kunstversameling van geheel Bome, die elf kamers beslaat. Onder de
vele meesterwerken bevindt zich daar de beroemde Graflegging van Rafaël, een
allerschoonste Madonna van Pierin del Vaga, het portret van Cesar Borgia ten rechte
of ten onrechte aan Bafaël teegeschreven, de Cumaesche Sibylle van Domenichino.
In het Paleis Corsixi bewondert men een allerfraaiste Madonna van Carlo Dolci,
een Salome of Herodias van Guido Reni, twee groote paneelen van Gallot, soldaten-
en oorlogstooneelen voorstellende, een Madonna met Kind van Murillo enz.
De gallerij Doria Pamfili heeft een portret van paus Innocentius X, door Velasquez;
17
-ocr page 268-
242                       ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
een heerlijke vlucht naar Egypte van Claude Lorrain en een landschap met molen,
van denzelfden.
In de verzameling CoLONNA een heerlijke Madonna van Sassoferrato, in die van BARBE-
MNI het portret van de ongelukkige Beatrice Cenci, door Guido Reni, een in Rome zeer
populaire schilderij, waarvan men overal ontelbare afbeeldingen ziet; een bewijs dat
de rampspoeden van het geslacht Cenci na drie eeuwen nog in den volksmond voort-
leven. Trouwens de buitengewone schoonheid van Beatrice, haar jeugd, de jonge
leeftijd van haar broeder Bernardo, de wreede dood van Giacomo, haar eigen dood,
die alleen door een genadige beschikking van Clemens VIII werd veranderd in onthoof-
ding, de omstandigheden die aanleiding tot hun misdaad van vadermoord gaven, dat
alles werkte samen om deze bloedige geschiedenis in het geheugen van \'t volk te
bewaren, waartoe zeker ook de talrijke romans, die haar tot onderwerp hadden, niet
weinig hebben bijgedragen. Ziehier in korte woorden de geschiedenis. Francesco
Cenci, de vader van Beatrice, was een van die woeste, onvermurwbare en zedelooze
grooten, zooals de geschiedenis er zoovelen heeft gekend, vooral in de tijden van
groote inlandsche onlusten en internationale oorlogen, die de volken doen ontaarden,
do beschaving doen terugwijken en gelegenheid aanbieden om aan alle hartstochten
den vrijen teugel te vieren. Hij was in tweede huwelijk getrouwd met Lucrezia Petroni
Deze, zoowel als zijne dochter Beatrice, hadden veel van zijn woest karakter te ver-
duren, zoo zelfs dat hij haar langen tijd opgesloten hield in Rocca Petrella, uit welke
gevangenschap zij slechts ontslagen werden op een dreigend bevel van den Paus.
Deze tusschenkoinst van den paus vervulde den woestaard met des te meer toorn, zoo-
dat de mishandelingen nog toenamen, en toen Francesco zelfs zoover ging om de eer
van zijn eigen dochter te belagen, besloten Lucrezia, Beatrice en Giacomo, de broeder
van Beatrice, den woestaard te vermoorden, en dit plan werd ook door hen ten
uitvoer gebracht. Alle drie, benevens een jongere broeder Bernardo, werden gevangen
genomen en hun proces aangevangen. Alle drie bekenden en werden dien tengevolge
tor dood veroordeeld. De jeugd van do meesten der beschuldigden en hun aanzienlijke
geboorte gaven groote ruchtbaarheid aan het proces, en daar het niet onbekend was
hoeveel zij van Francesco te verduren hadden gehad, zou paus Clemens misschien
het vonnis zeer verzacht hebben, althans hij hield de processtukken, die hij met de
grootste zorgvuldigheid onderzocht had, 25 dagen onder zijn berusting zonder het
doodvonnis te onderteekenen; maar toen inmiddels een nieuwe oudermoord in Rome
had plaats gehad in de hooge standen der maatschappij, nl. door l\'aolo Santacroce,
die zijn moeder vermoorde, beval paus Clemens dat het vonnis aan de Cenci den
volgenden dag zou voltrokken worden. Niettemin had hij de wreede straf, die in dien tijd
op oudermoorders werd toegepast, nl. om door vier paarden vaneen getrokken te
worden, veranderd in onthoofding met de bijl. Den 11 September 1599 werden Lucrezia
en Beatrice op den wal van den Engelenburg onthoofd; Giacomo werd door een slag
met een ijzeren staaf gedood, nadat hij op weg naar do strafplaats met gloeiende
tangen was genepen; Bernardo werd den volgenden dag in vrijheid gesteld. De assche
van Beatrice rust in de kerk van San Pietro in Montorio. Dat de Cenci een vermogend
geslacht waren blijkt o.a. hieruit, dat Beatrice 15000 Rom-kronen vermaakte aan de
Aartsbroederschap der Stigmate en verder een som naliet om aan 50 arme meisjes
een passenden bruidschat te geven. Ofschoon het feit van den vadermoord onweerleg-
baar vaststaat, schijnt de rechter, Ulisse Moscati, dio de zaak moest onderzoeken,
-ocr page 269-
HET CHRISTELIJKE ROME.
24:5
daarbij veel onbedrevenheid aan den dag te hebbon gelegd en voel zaken, die tot
ontlasting van de schuldigen hadden kunnen dienen, niet genoeg had weten te onder-
zoeken ; vooral wat de mishandelingen van Francesco betreft en diens aanslag togen de
eerbaarheid van Beatrice en de getuigenissen in deze van twee dienstmaagden van Fran-
cesco. Beatrice zelve had omtrent dien aanslag uit schaamte niets willen bekennen. In 1600
werden dan ook op bevel van den Paus aan do zonen van Giacomo de geconfisqueerde goe-
deren huns vaders teruggegeven. Na deze uitweiding koeren wij tot ons onderwerp terug.
Het paleis Sciaura langs den Corso, bezit ook oen gallerij van schilderijen, waarin
de vioolspeler van Kafael en do Drie spelers van Caravaggio, de Bescheidenheid en de
Ydelheid, van L. da Vinci, en een vrouweportret van Titiaan de grootsto sieraden zijn.
Het paleis Rospiglosi, bij het Quirinaal, is beroemd geworden door do heerlijke
Aurora van Guido Reni, die men aan het gewelf van de grooto zaal der eersto vor-
dieping bewonderen kan. Aurora, de godin van den dageraad, is voorgesteld door eeno
in een wolk zwevende vrouwelijke figuur dio bloemen strooit, gevolg door Fosforo,
die in de hand een fakkel draagt, terwijl de zon, door Apollo voorgesteld, volgt op
een wagen, door vurige paarden getrokken, en omringd is door zeven dansonde
vrouwengestalten, die de Horae (uren) voorstellen. De schilder heeft aan Aurora de
trekken van Beatrice Cenci gegeven. Dezo fresco-schildering, evenzeer uitmuntende
door de schoonheid van opvatting en uitvoering, als door de buitengewone bovallig-
heid der vrouwenfiguren, wordt algemeen voor het besto werk van dezen uitstekenden
en beroemden meester gehouden.
Adam en Eva in \'t aardsche Paradijs, door Domenichino; Samson die den tempel
doet instorten, door Lodovico Caracci; de Twaalf Apostelen, door Rubens; een kruis
dragende Christus, door Daniel da Volterra; de overwinning van David op Goliath,
eveneens van Domenichino, zijn slechts enkele van de vele meesterstukken hier bijeen
gebracht, onder welke delle Notti, Guercini, Tiziano, Poussin, Rafaël, Caravaggio,
Leonordo da Vinci enz. enz. vertegenwoordigd zijn.
Het paleis Chigi, de Franschc Academie bij Trinita dei Monti, het beroemde paleis
Famesc, een der schoonste van Rome, bevatten allen rijke kunstverzamelingen. Wij
kunnen ze evenwel niet alle vermelden en vergenoegen ons dus met de aandacht er
op te vestigen. De gewone Reisgidsen geven daarvan de opsomming en kunnen niet
gemist worden, wanneer men met eenige vrucht de museums van Rome wil bezoeken.
OPENBARE PLEINEN EN FONTEINEN.
Wij hebben, waar de gelegenheid zich aanbood, reeds eenige van de openbare
Pleinen en Fonteinen besproken; wij zullen hier aanvullen wat nog vermeld dient te
worden. De eereplaats komt too aan de Piazza di S. Pictro (St. Pietersplein), die door
haar uitgestrektheid, haar vorm on edele versiering een waardigen toegang tot do
Basiliek van den H. Petrus verleent. Zij hoeft een ovalen vorm, waarvan do kleinste
doorsnede 190 motor en de grootste, van den eenen zuilengang tot don anderen ge-
rekend, 200 meter bedraagt.
De prachtige kolonnade, die het plein omringt, bestaat uit 284 zware kolommen van
travertijnsteen, op vier rijen geplaatst, en uit 88 pilasters. De vier zuilenrijen vormen
drie gangen, waarvan de middelste zoo breed is, dat twee rijtuigen elkander gemak-
kelijk kunnen passeeren. De kolonnade is van gemengden stijl; de onderstukken zijn
-ocr page 270-
244                       ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN
van Toscaansche, de kolommen van Dorische en de Kapiteelen van Jonische bouw-
orde. Zij eindigt in een balustrade, waarboven zich 192 standbeelden van tra ver tij n
bevinden, elk van bijna drie meter hoogte. Deze heerlijke zuilengang werd door Ber-
nini ontworpen, terwijl do beelden door verschillende beeldhouwers onder zijne leiding
werden uitgevoerd.
In \'t midden van het plein verheft zich oen prachtige obelisk van rood graniet, dio
wel niet de grootste van Home, maar zeker wel de merkwaardigste is, daar hij onge-
schonden is en uit een enkel blok bestaat.
Sommigen meenen dat zij van zuiver Egyptischen oorsprong is en in Heliopolis
voor don zonnetempel werd opgericht; anderen, omdat zij geen hiërogliefen heeft
zooals de andere Obelisken, dat zij aan de Romeinen haar aanzijn te danken heeft.
Wat daarvan zij, zeker is het dat zij door Caligula, op een bijzonder tot dat doel
gebouwd schip, uit Egypte naar Rome werd gevoerd en in zijn circus op het Vaticaan
werd geplaatst, die later den naam van circus van Nero kreeg, toen deze Keizer hem
had laten vergrooten
Toen de circus in puin viel bleef de obelisk evenwel staan waar zij opgericht
was, op de plaats waar nu de sacristij van St. Pieter is. Paus Sixtus V beval haar
van daar over te brengen op het plein voor de basiliek, en droeg het werk op aan
Domenico Fontana, die voor deze reusachtige onderneming bijzondere werktuigen liet
vervaardigen, waarvan de teekening, zooals wij gezien hebben, nog in het Vaticaansch
museum bewaard wordt.
Men verhaalt dat Sixtus, opdat het gevaarlijke werk niet door kreten en andere
uitingen van het volk zou gestoord worden, op doodstraf aan de menigte verboden
had te spreken of te roepen. Toen nu de zuil in de hoogte rees, gaven de touwen
door de zwaarte der steenmassa mee en dreigden te breken. Daar riep een stem uit
het volk: Doet water op de touwen! Dit geschiedde, de touwen trokken samen en de
gevaarlijke onderneming was gelukt. Sixtus schonk den man, die dien goeden raad
gegeven had, niet alleen vergiffenis, maar stond hem ook toe een gunst te vragen.
Deze verzocht dat aan zijn geslacht alleen het voorrecht zou verleend worden om de
palmtakken te mogen leveren, dio op Palmzondag in St. Pieter gewijd worden. De
gunst werd hem toegestaan en het voorrecht is nog tot heden aan zijn nakomelingen
behouden. Sixtus liet op de spits een kruis plaatsen en op een der zijden een op-
schrift, waarvan de vertaling luidt: „Ziedaar het Kruis des Heeren; vlucht, vijandelijke
machten, de Leeuw uit Juda\'s stam heeft overwonnen." Op de naar de kerk gekeerde
zijdo staat het schoono opschrift: Christus vindt, Christus regnat, Christus imperat,
Christus ah omni vialo plebem suam defendat
(Christus overwint, Christus regeert,
Christus beveelt, Christus bescherme zijn volk tegen alle kwaad).
Aan weerszijde van de obelisk is een fraaie fontein, die een dikke waterstraal bijna
vier meter hoog opwerpt, welk in een rond bekken van Oostersch graniet valt en van
hieruit weer in een grooter bekken van tra ver tij n, Van de ovale plaats komt men
op een vierkante, aan weerszijden door een rechten zuilengang afgesloten, eveneens
met groote beelden bekroond. Van dit plein voert een prachtige marmereu trap, waar
aan de eene zijde het beeld van don H. Petrus, aan de andere dat van den H. Paulus
staat, naar de Dasiliek.
Wanneer men, St. Pieter uitkomende, de linkerkolonnade doorloopt, komt men
weldra aan de Porta Angelica, aldus genoemd naar de engelen in bas-relief, die er
-ocr page 271-
HET CHRISTELIJKE ROME.
245
op staan gebeiteld. De poort werd door Paus Pius IV gebouwd, en leidt naar do
Monte Mario, aldus genoemd naar Mario Millini, die op den top een prachtige villa
liet bouwen. Aan de helling ligt de villa MADAMMA, bekend om de heerlijke schilde-
ring van Rafael en Giulio Romano en Giovanni da Udine. Gaat men de rechter kolon-
nade door, dan komt men aan de Porta Cavalleggieri, genoemd naar de Kazerne der
Chevcaux-Lcgcrs of lichte ruiterij, die hier was; de poort schijnt niet veel ouder dan
van de 15e eeuw te zijn, en leidt op den weg naar Civitavechia. Volgens Nibby zou
het bij deze poort zijn geweest en wel bij het gedeelte dat nu bij de Sacristie van
het Vaticaan ligt, dat de Fransch-Duitsche troepen in 1527, onder den Connótable de
Bourbon Rome binnenrukten, zooals wij gezegd hebben toen wij over de Poort van
St. Pancratius spraken.
Piazza i)i Monte Cavallo o del quirinale. Dit, voor het Quirinaal gelegen
plein, is mede een der schoonste van Rome, zoowel door zijn fraaie ligging als do
gebouwen, die het omringen. Het voornaamste sieraad ervan zijn de twee paardcn-
temmers. De jonge mannen, die de paarden beteugelen, hebben een hoogte van G meter.
De opschriften zeggen dat zij door de beroemde Grieksche beeldhouwers Phidias en
Praxiteles zijn gemaakt, maar deze opschriften schijnen niet ouder te zijn dan uit den
tijd van Constantijn, zoodat er niet al te veel waarde aan gehecht moet worden. Over
het algemeen houdt men het er voor dat beide jongelingen Castor en Pollux voor-
stellen. Sixtus V liet ze op deze plaats brengen, alsmede de Egyptische obelisk van
rood graniet, die naast het Hospitaal van St. Rochus, in de nabijheid van het praalgraf van
Augustus werd gevonden, en den grooten kom van Oostorsche graniet uit het Forum Ro-
ïnniiumi, die tot een prachtige fontein werd ingericht. Ook deze obelisk is zonder opschrift.
Piazza del Pantheon o della Rotonda en Fontein. Tusschen do Via Flaminia
en het Campus Martis gelegen, stond het Pantheon in een der drukste gedeelten van
het Oudo Rome, zoodat de verwoestingen, waaraan Rome zoo herhaalde malen in do
dagen van deszelfs verval bloot stond, daar puinhoopen op puinhoopen moesten sta-
pelen; zoo zelfs dat de portaal van den tempel allengs beneden het niveau van het
er voor gelegen plein kwam te liggen. Toen paus Engenius dan ook begon mot do
gedeeltelijke ontruiming van het plein, kwamen er van onder de puinhoopen verscheidene
kostbare monumenten aan den dag, zooals de twee leeuwen van bazalt, die thans
de fontein bij de Termini versieren, en misschien bij een trap van het Pantheon ston-
den of tot de badstoof van Agrippa behoorden ; de fraaie urne van porfier, die nu tot
het grafmonument van paus Clemens XII in de Corsini-kapel van St. Jan van Late-
rane behoort; een kop van Marcus Agrippa, een bronzen paardenpoot en een bronzen
rad, waarschijnlijk afkomstig van een quadriga of zegewagen, die tot versiering van
de portiek van een tempel had gediend, en andere voorwerpen meer. Gregorius XIII
liet de fraaie fontein er aanbrengen en Clemens XI plaatste de kleine obelisk van
Egyptischen graniet, vol met hiërogliefen er op, die doen zien dat zij op bevel
van Ramses II werd gemaakt, en die, tegelijk met die voor de Minerva, gevon*
den werd bij het leggen van de fondamenten van het klooster van de Minerva.
Piazza de San Giovanni in Laterano (Plein van St. Jan van Laterane.) Hier bevindt
zich de grootste obelisk van Rome. Constantijn de Groote wilde haar naar Rome over-
brengon, maar hij stierf toen zij niet verder dan Alexandriö was gekomen. Zijn zoon
Constantius zorgde er voor dat zij te Rome kwam en liet haar in don Grooten Circus
(Circus Maximus) plaatsen. Toen de circus in puin was gevallen geraakte de zuil eenigo
-ocr page 272-
246                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
meters onder den grond bedolven. Sixtus V liet haar opgraven, en daar zij in drie
stukken was, door Fontana herstellen en in \'t midden van het plein oprichten. Zij is
van rood graniet, vol hiërogliefen en 26 meter hoog. Voor de obelisk bevindt zich het
beeld van den II. Johannes Evangelist, aan wiens voeten een fontein ontspringt. Deze
obelisk dagteekent van de XVe eeuw vóór Christus en is dus 3400 jaar oud; de hiero-
gliefen vermelden de namen van Thutimes III en Thutimes IV, van de XVIIIe (Egyp-
tische) dynastie.
Piazza i)i ST* Maria Maggiore (Plein van de H. Maria de Meerdere). In \'t midden be-
vindt zich op een breed voetstuk een gegroefde zuil van wit marmer met een Corintisch
kapiteel. Naar men zegt is deze zuil de eenige die overgebleven is uit de Basiliek van
Constantijn, ook de Vredes-Rasiliek geheeten.
Zij is zonder voetstuk en kapiteel 15 meter hoog. Paulus V liet haar in 1614 door Carlo
Maderno hier oprichten en er een beeld van verguld brons van de II. Maagd boven plaatsen.
Rome bezit in \'t geheel 13 Obelisken, waarvan de meeste van Egyptischen oorsprong
zijn. In de volgorde van hun ouderdom kunnen zij aldus gerangschikt worden:
1.    Obelisk van Laterane, met een opschrift terugwijzende op Thutmes III en
Thutmes IV van de XVIII dynastie; 5e eeuw vóór Christus.
2.    De obelisk op het Volksplein, met een opschrift vermeldende Seti 1 en Ramses
II van de XIVe dynastie, tusschen de 14 en de 13de eeuw voor C.
3.    Obelisk van het Pantheon, (Ramses II).
4.    Obelisk van Dogali                    (id.)
">. Obelisk van de vroegere villa Matteit (thans Hoffmann).
6.    Obelisk op Monte Citorio. (Psammeticus II, van de XXIVe dynastie, 6e eeuw voor C.
7.    Obelisk van de Minerva (Hahabra van de XXVIe dynastie) 6P eeuw vóór C.
8.    Obelisk op Piazza Navona (van keizer Domitiaan).
9.    Obelisk op Pincio (van keizer Hadrianus.
10.    Obelisk van Trinita dei Monti (met nagebootste krulrollen van Ramses II).
11 en 12. De twee Obelisken van S. Maria Maggiore en van het Quirinaal (zonder
opschriften).
13. De Obelisk van \'t Vaticaan (zonder opschrift).
Piazza Farnese. Dit uitgestrekte plein ligt voor het, om zijn fraaie bouworde zoo
beroemde Paleis van Farnese, \'t laatst aan de Koninklijke familie van Napels toebe-
hoord hebbende. Het wordt opgeluisterd door twee fraaie fonteinen uit ovale schelpen van
Egyptisch graniet bestaande en naar men zegt in de badstoven van Caracalla gevonden.
Piazza di campo Marzio (Plein van \'t veld van Mars). Dit plein verdient een bo-
zoek om zijn groote historische herinneringen, \'t Is het oude en beroemde veld van
Mars, dat zich in oud-romeinschen tijd van do Capitolijnsche, Quirinaalscho en Pincio-
heuvels tot den Tiber uitstrekte en na de verdrijving der Tarquinii aan Mars werd
toegewijd. In den beginne werd het alleen gebruikt voor volksspelén, volksvergade-
ringen en lichaamsoefeningen, maar toen de stad zich meer en meer uitbreidde werd
het gedeeltelijk met prachtige gebouwen versierd, terwijl een gedeelte voor de lichaams-
oefeningen en spelen bleef bestemd. De voornaamste gebouwen in zijn omgeving waren
de theaters van Marcellus, van Pompejus en Ralbo; het amphitheater van Statilius Taurus,
de badstoven van Agrippa, het Pantheon, de Circus Flaminius en het praalgraf van
Augustus.
Piazza dei. Campidoglio (Plein van het Kapitool). Ofschoon het huidige Kapitool
-ocr page 273-
HET CHRISTELIJKE ROME.
247
niet meer de trotsche majesteit aanbiedt van het Kapitool uit den oud-Romeinschen
tijd met zijn heerlijken Jupiter-tempel, zijn trotschen burg en de prachtige gebouwen
die het sierden, biedt het toch in zijn gehel een zeer aangenamen aanblik aan en is
het een der schoonste pleinen van Rome. Een prachtige en ruime trap, door Miche-
langelo ontworpen, voert naar het plein op. Onder aan den voet van den trap, aan
de balustrade, liggen twee fraaie leeuwen van zwart graniet en Egyptische bewerking,
uit wier muil een waterstraal vloeit; zij lagen eertijds voor de kerk van den II. Ste-
fanus del Cacco, waar zij waarschijnlijk waren blijven liggen na de verwoesting van
een tempel van Serapis, dien zij eertijds versierden, en werden op bevel van Pius IV
herwaarts gebracht. Boven aan den trap, eveneens bij de balustraden, staan op groote
voetstukken, de reusachtige beelden van Castor en Pollux, in penthelisch marmer ge-
houwen, naast hunne paarden. Zij werden ten tijde van Pius IV op een klein plein in
de Ghetto (Jodenbuurt) gevonden en op last van Gregorius XIII naar het Kapitool
gebracht. Terzijde van deze twee beelden bevinden zich twee fraaie Tropheën of zege-
zuilen, gewoonlijk Tropheëx van Marius geheeton. Sommigen meenen dat zij werden
opgericht ter herinnering aan de overwinningen van Trajanus, maar de bewerking
komt niet overeen met die van de zuil van Trajanus en wijst veeleer op den tijd van
Septimus Severus. Zij dienden eertijds tot versiering van een groote fontein van de
Aequa Giulia, op den Esquilinus, van waar Sjxtus V ze naar hier liet overbrengen.
Dezelfde Paus liet er ook de standbeelden plaaten van Constantinus Cesar en Con-
stantinus Augustus, die op den Quirinaalschen heuvel gevonden worden in de bad-
stoven van Constantijn. Verder ziet men er twee zuilen; die welke tot het paleis der
Conservatori gekeerd staat, is do oude mijlpaal die, met het cijfer I geteekend, de
eerste mijlpaal was op de Via Appia. De bronzen bal, welke er op staat, behoort er
niet bij, ofschoon hij van zeer ouden oorsprong is; de andere zuil is slechts als te-
genstander geplaatst en heeft geen enkele geschied" of oudheidkundige beteekenis.
Het voornaamste en grootste sieraad van dit plein is zeker wel het bronzen (eer-
tijds vergulde) ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius.
In de middeleouwen stond het verlaten en bijna vergeten op het plein van St.
Jan van Laterane en werd. het door het volk voor het standbeeld van Constantijn
den Groote gehouden. Paulus III deed het naar het Kapitool overbrengen en op een
voetstuk plaatsen, uit een enkel blok marmer gemaakt van een Kornis aan het Forum
van Nerva ontnomen, \'t Is het eenige groote bronzen ruiterstandbeeld dat van het oude
Rome tot ons is gekomen. Het plein wordt aan drie zijden omgeven door gebouwen,
waarover wij reeds elders gesproken hebben.
De andere openbare pleinen zooals: Piazza della Minerva, Coloxxa, Navoxa,
DEL POPOLO, DELLA ROTOXDA, DELLA TRIXITÉ DEI MOXTI, Dl VEXEZIA, CAMPO Dl FlORI
hebben wij reeds vermeld.
Een wandeling langs de Via Appia. (Appische Weg).
In den loop van dit werk hebben wij reeds meer dan eens van dezen beroemden
weg gewag gemaakt, zonder er evenwel een afzonderlijk hoofdstuk aan te wijden,
wat de Koningin der Wegen, zoools hij door de ouden genoemd word, evenwol
ten volle had verdiend; wij zullen dit verzuim nu herstellen. De censor Appius Clau-
dius deed hem in het jaar 442 van de stichting van Rome aanleggen en gaf hem zijn
-ocr page 274-
248                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
naam. Oorspronkelijk liep hij slechts tot Capua, maar later werd hij verlengd tot
Benevento en nog later tot Brindisi, dat toen reeds een beroemde haven was voor hen die
van Rome naar het Oosten trokken, zooals het ook nu nog een bekende aanlegplaats
is van de groote stoomschepen die langs het kanaal van Suez den koers naar Indië
zetten. Door zijn uitmuntenden aanleg, zijn breedte en de heerlijke streek van den
toenmaals nog zoo vruchtbaren Agro Romano, de tegenwoordige Campagna Romana,
werd hij weldra door de voorname Romeinen uitgekozen voor de oprichting hunner
pompeuse grafplaatsen, en werd hij opgeluisterd door tempels, triomfbogen en andere
monumenten, zoodat de Via Appia met recht den naam verkreeg van Koningin der
Wegen. Julius Cesar, Augustus, Vespasiaan, Domitiaan, Nerva, Trajanus en de Gothen-
Koning Theodorik wedijverden in het herstellen van dat gedeelte, hetwelk door de
Pontijnsche moerassen liep en door de wateren veel herstellingen noodig had. In de
Middeleeuwen werd evenwel weinig meer aan het onderhoud ervan gedaan, zoodat de
wateren de overhand verkregen en den weg allengs voor een gedeelte geheel bedekten.
Alhoewel de Pausen er later wel hunne zorgen aan besteedden, bleef de beroemde weg
nog lang in verval, totdat Pius VI hem weer deed herstellen, de moerassen voor een
groot gedeelte drooglegde en de richting van den weg veranderde en hem tot Terracina
deed doorloopen.
Ofschoon men tegenwoordig veelal den Appischen Weg doet aanvangen bij de
Poort van St. Sebastiaan, loopt toch nog een groot gedeelte door tot in de stad: dit
gedeelte draagt den naam van Via di Porla S. Sebastiano (Weg van de Poort van
St. Sebastiaan). Om derhalve een goed overzicht te krijgen van hetgeen de Via Appia
eenmaal was, moeten wij onze wandeling erlangs hooger beginnen, en wel bij den
aanvang van genoemde Via di P. S. Sebastiano; namelijk bij den Cireo Massimo en
het begin van de Via di San Gregorio. Wanneer men, bij het Colosseum zijnde, den
boog van Constantijn doorloopt, komt men in bovengenoemde Via di San Gregorio.
De weg liep alzoo door de vallei welk den Mons Coclius van den Mom Aventinus
scheidde, en begon op den hoek van den Mons Palatinus.
Bij het begin van den weg verhief zich eenmaal het prachtige Septizonium, door
Septimus Severus gebouwd, dat een drie verdiepingen hooge portiek schijnt geweest
te zijn, die tot ingang moest dienen voor het paleis der Cesars, waarvan men nog de
puinhoopen op den Palatinus vindt. Het Septizonium stond ten tijde van paus Sixtus
V nog gedeeltelijk overeind, doch deze paus liet het afbreken om de prachtige zuilen
te gebruiken voor do opluistering van de Vaticaansche Basiliek.
Links had men de zoogenaamde Piscina Publiea, een groote kunstmatige zwem-
plaats voor het volk en misschien ook bestemd voor waterspelen; later, toen de Nauma-
chiae
meer en meer voor laatstgenoemd doeleinde werden ingericht en gebruikt,
werd de Piscina Publiea drooggelegd, maar de vallei bleef den naam ervan behouden.
Een weinig beneden het Septizonium bevond zich de oude en beroemde Porla Capena,
die door den muur van Servius Tullius buiten Rome voerde. Door deze poort kwam
men in de beroemde vallei van Egeria, waar, naar de overlevering luidt, de tweede
Koning van Rome, Numa Pompilius, met de Nimf Egeria zijne samenkomsten had
en hij van haar de beroemde wetten ontving, die den grondslag legden voor Rome\'s
groote staatkundige macht. Rechts van den weg lagen de prachtige badstoven van
Caracalla, gewoonlijk de Terme Antoninae genoemd, die ze in het jaar 212 van de
Christelijke jaartelling liet aanleggen. Zij waren van buitengewone pracht en zoo groot,
-ocr page 275-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                       240
dat niet minder dan 1600 personen er tegelijk een bad konden nemen. Dat zij overigens
behalve met kostbare marmersoorten ook met heerlijke beeldhouwwerken versierd
waren, bewijzen de meesterlijke kunstwerken, die men er in lateren tijd in gevonden
hoeft. Onder deze munten uit de Hercules, de Stier en de Flora Farnesiana, die een
sieraad van het Koninklijk Museum van Napels uitmaken. Onmiddellijk voor de puin-
hoopen dezer badstoven, en rechts aan den weg palende, bevindt zich de oude Kerk
van de H.H. Xereus en Achilleus, over wier marteldood wij reeds eerder gesproken
hebben en die hun namen aan eene beroemde Katakombe schonken. De Kerk werd in
542 gebouwd en in 1596 door kardinaal Baronius gerestaureerd. Men vindt er nog
twee marineren Ambones en den marmeren bisschoppelijken zetel, van welken de
heilige paus Gregorius zijn XXXII homelie uitsprak, waarvan een gedeelte op den
zetel is uitgehouwen.
Recht tegenover deze Kerk bevindt zich een zeer oud gebouw, eertijds een Oratorium
aan den H. Sixtus gewijd. Een weinig verder stond vroeger nog een ander bedehuis,
dat van do martelares Soteris. Wij betreden hier een dierbaron en ge wij den grond,
waaronder zich de gangen en Crypten van de Katakombe van Callistus uitstrekken.
Een weinig voorbij de Kerk van de H.H. Xereus en Achilleus splits de weg zich;
het gedeelte dat links afwijkt is de oude Via Latina, dio naar de 1\'orla Latina liep
en thans de naam Via di Porta Latina draagt; bij deze poort bevindt zich de oude
kerk van St. Jan bij de Latijnse/te poort. In het jaar 1858 heeft men hier, bij
gedane uitgravingen, belangrijke overblijfselen gevonden van een kerk van den II.
Stefanus. Het Pausboek vermeldt dat onder de regeering van paus Leo I den (Jroote,
de godgewijde jonkvrouw Demetrias op haar landgoed bij de derde mijlpaal van de
Via Latina, een basiliek liet bouwen tor eere van den H. Stefanus. Do kerk was spoor-
loos verdwenen, en niemand wist waar zij gestaan had. In genoemd jaar vond men haar
terug, althans zooveel er van, dat men de indeeling er van nauwkeurig kon bepalen,
benevens zuilen, kapiteelen enz. Uit do gevonden brokken marmer kon men het
wijdingsgeschrift weer gedeeltelijk samen stellen en daarop den naam lozen van ge-
noemde Demetrias, die tot het bekende geslacht der Anicii behoorde, en dien van
Paus Leo, die de kerk wijdde.
Keeren wij terug tot het punt waar de weg zich splitst. Het recht doorloopende
gedeelte behoudt den naam van via Appia en brengt ons weldra aan het Graf der Scipios.
De Scipio\'s, die in de geschiedenis van het Rome onder de republiek zulk een
gewichtigen rol spelen, behoorden tot het beroemde geslacht der Cornelii. In 1780
vond men hun graf terug, nadat men langen tijd gemeend had het te moeten zoeken
buiten de poort van St. Sebastiaan, tegenover de kleine kapel Domine quo \\ra<tis.
De ontdekking van 1780 heeft het tegendeel bewezen. Het graf der Scipio\'s was een-
voudig van bouworde en stijl. Het bestond uit twee verdiepingen, waarvan do onderste
in de tuf is uitgehouwen, van de bovenste is niets overgebleven. Daarin moeten de
nissen geweest zijn dio de beelden der Scipio\'s bevatten, zooals Cicero mededeelt.
Het eerste monument, dat men rechts bij het binnenkomen vond, was dat van Publiiis
Cornelius Scipio, die priester van Jupiter was. Verder heeft men er inschriften gevonden
die do namen vermeldden van Lucius Cornelius Scipio, den zoon van Cneus, van
Lucius Scipio Asiagenus, van Lucius Cornelis Scipio, zoon van Scipio Asiaticus en
neef van Scipio Africanus en Cneus Cornelius Scipio Ispanus; eindelijk in een ander
gedeelte van Lucius Scipio Barbatus, den overwinnaar der Samnieten en van Luciana
-ocr page 276-
250                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
en die omstreeks het jaar 303 v. c. consul was. Zoo rijst dan bij dit graf voor ons
oog de reeks dier groote mannen op, aan wier beleid, moed en vastberadenheid Rome
zijn behoud te danken had in de zwaarste beproevingen, die het ooit te verduren had,
toen de Punische oorlogen het op den rand des verderfs brachten.
Onze wandeling voortzettende bevinden wij ons weldra aan den Boog van Drusus,
door den Romeinschen senaat opgericht ter eere van Nero Claudius Drusus, den vader
van Keizer Claudius. \'t Is dezelfde Drusus die in onze vaderlandsche geschiedenis
bekend is als aanlegger van de zoogenaamde Drusus-gracht, die een gedeelte van den
liijn niet den Yssel, en zoo met de Zuiderzee in verbinding bracht. Hij sloot ook een
bondgenootschap met do Batavieren en de Friezen en voerde oorlog tegen de Usipeten
en de Sicambren, die in het stroomgebied van de Lippe woonden. Op zijn terug-
tocht uit Germaniö stierf hij tengevolge van een val van zijn paard, drie kinderen
nalatende: Clermanicus, Claudius en Livilla. Caracalla gebruikte dezen boog later
voor de waterleiding, die het water voor zijn badstoven moest aanvoeren.
Ken weinig voorbij den boog komt men aan den beroemden Stadsmuur van Mareus
Aurelius, en aan de Porta Appia, thans algemeen bekend onder den naam Porla di
San Sebastiano
(Poort van St. Sebast).
Toen de oude stadsmuur van Servius Tullins grootendeols werd afgebroken, ten
einde eene uitbreiding der stad mogelijk te maken, en vervangen werd door dien van
Mareus Aurelius, verviel natuurlijk ook de straks genoemde Porta Capena en werd
deze nieuwe poort gebouwd, die eerst, zooals wij zeiden, den naam van Appischo
Poort droeg. Daar zij in den oorlog tegen de Gothen veel geleden had, werd zij door
den beroemden veldheer Belisarius en waarschijnlijk later nog door Narses, hersteld.
Later word zij genoemd naar do beroemde Basiliek van St. Sebastiaan, waarover wij
reeds breedvoerig hebben gesproken.
Een kwartiertje buiten de poort komt men aan een klein riviertje, Almone geheeten,
dat gevormd wordt door verscheidene beekjes; het loopt niet ver van de Basiliek van
den II. Paulus in don Tiber uit. Volgens Ovidius kwamen de priesteressen van Cybelo
elk jaar in dit riviertje het beeld der godin en de voor haar dienst bestemde gereed-
schappen wasschen. Den weg vervolgende hoeft men links een piramidevormige steen-
klomp, die tot een onbekend grafmonument behoorde; aan de overzij bevindt zich het
reeds genoemde kerkje D(»ithie quo vadis. Daar tegenover zijn de overblijfselen van
een prachtig grafmonument, dat men vroeger meende dat der Scipino\'s te zijn. Een
gevonden opschrift maakt het evenwel waarschijnlijker dat het \'t beroemde graf is van
Priscilla, de vrouw van Abascantus. Voorbij het kerkje splits de weg zich op nieuw;
het gedeelte rechts is de oude en beroemde Via Ardeatina, het andere is de voort-
zetting van de Via Appia. Deze vervolgende ziet of zag men - wij weten niet met
zekerheid of het nog bestaat — een rond gebouwtje, dat door den beroemden kardinaal
Pole werd opgericht om de herinnering levendig te houden aan hot kerkje Domine
([ho vadis,
toen dit in puin dreigde te vallen. Doorloopende vindt men in een wijngaard
de overblijfselen van een groot Columbarium, en verderop de in 1825 gevonden bouw-
vallen van het Columbarium van het geslacht Volusia, dat onder de regeering van
Nero een groot aanzien had. Op het punt, waar de weg zich opnieuw verdeelt, heeft
men in 172G een groot Columbarium ontdekt, dat aan de slaven en vrijgelatenen van
Livia toebehoorde. Thans bestaat er niets meer van, maar een groot aantal opschriften
ervan bevinden zich in het museum van het Kapitool. In 1823 vond men de ruïnen
-ocr page 277-
251
HET CHRISTELIJKE ROME.
van verscheidene andere grafmonumenten van onbekende personen. Wij zijn nu aan
de Basiliek van St. Sebastiaan genaderd waar zich, zooals wij vroeger melden, do
ingang bevindt tot de Katakombe van St. Callistus. Wij hebben over Basiliek en Ka-
takombe reeds voldoende gesproken, zoodat wij ze nu onbemerkt kunnen voorbijgaan.
Doorloopende vinden wij, links van den weg, de overblijfselen van een groot
gebouw dat, volgens de gevonden opschriften, de villa van Maxentius was. Na den dood
van dezen, werden zijne goederen verkocht en kwam deze villa in \'t bezit van het
geslacht Anicia en daardoor in dat van Symmachus, dien wij in den loop van ons
werk reeds meermalen vermeld hebben. Tot deze villa behoorde ook de tempel van
Romulus, waarvan een groote boog nog een overblijfsel is. Deze Romulus was
niet de stichter van Home, maar de zoon van Maxentius en de tempel was meer
een herinneringsmonument dan een gebouw voor den eeredienst bestemd; met den
Circus van Maxentius maakte hij een geheel uit mot de villa. Eindelijk komen wij aan
het beroemdste heidensche monument van de geheole via Appia, aan het bekende graf
van Cecilia Mc lel la.
Dit prachtige gebouw, dat tevens een der best bewaard gebleven monumenten van
het oude Home is, werd, zooals het opschrift luidt, opgericht voor Cecilia, dochter van
Q. Metellus en vrouw van Crassus. Het dagteekent derhalve uit de laatste periode
van de Republiek. Het is van ronden vorm, met een middenlijn van meer dan 20 meter
en een hoogte van ruim 19 nieter, en gebouwd op een vierkant basement van ongelijke
lengte. De buitengewone dikte der muren en do reusachtige omvang der brokken
travertijnsteen deden het alle stormen der eeuwen trotseeren, zoodat hot bijna on-
geschonden tot ons is gekomen. Van binnen bevindt zich een kleine ronde kamer met
een kegelvormig gewelf, waarin ten tijde van Paus Paulus III de marmeren sarcofaag
werd gevonden, die het gebeente van Cecilia Metella had bevat. Paulus III liet hem
overbrengen naar don binnenhof van het paleis Farnese, waar hij zich nog bevindt.
Boven het opschrift, den naam van C. M. vermeldende, vertoont zich een basrelief
een trofee en het gedeelte van een halfnaakte Victoria, die op een schild de daden
van den vader en den echtgenoot der overledene opschrijft. Dit basrelief maakt een
deol uit van de marmeren fries die versierd is met slingers en bucraniën (ossonschodels)
waarvan het monument in den volksmond don naam Capo dl Dove (ossekop) ontving.
De muur en de kanteelen, die men op het gebouw ziet, werden er in 1300 aangebracht
door Paus Bonifacius VIII, van de familie der Gaetani, aan welke het gebouw des-
tijds toebehoorde en die het, in die troebele tijden, tot een sterke vesting liet inrichten.
Uit dienzelfden tijd dagteekenen ook een soort paleis en een kerk, waarvan men nog
de muren ziet, en een met kanteelen en torens voorziene muur, welke deze gebouwen
omsloot en verdedigde. Boven de poorten ziet men nog het wapen van het geslacht
Gaetani.
Een half uurtje verder komt men aan een groote hoeve welke aan het geslacht
Torlonia toebehoort en algemeen bekend is onder den naam van Roma Vcochia. Men
vindt er zulk een menigte bouwvallen, dat men zou meenen er de overblijfselen van
een geheel dorp in te moeten zien. Men heeft dan ook lang gedacht dat, hier de puin-
hoopen waren van Pago Lemonio, een der tot het stadsgobied van Rome behoorendo
dorpen of vlekken. Evenwel komt de ligging niet overeen met die, welke do oude
schrijvers omtrent genoemd vlok hebben gegeven. Een weinig voor deze puinhoopen
vindt men, rechts van den wegen te midden van bouwvallen van oude grafmonumenten,
-ocr page 278-
252                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
een groote vierkante plaats die men houdt voor de Campus saccr Horafiorum, (het
geheiligde veld der Horatiër); zekerheid bestaat daaromtrent evenwel niet.
En hiermede zullen wij onze wandeling langs den beroemden Appischen weg
besluiten.
De Engelenburg. — (Castel St. Angelo).
Voorheen liet Mausoleum Hadriani, Praalgraf van Hadrianns.
Als een der best bewaard gebleven bouwwerken van het Heidensche Rome, zouden
wij dit reusachtig gebouw misschien hebben kunnen behandelen in de afdeeling waar
over de monumenten van het oude Rome gesproken is, maar de nieuwe naam en de
nieuwe bestemming, in christelijken tijd er aan gegeven, plaatsen het met evenveel
recht onder de gebouwen van het nieuwe Rome, zooals ook het geval is met het
Pantheon en zoo menig ander monument dat, een andere bestemming gekregen heb-
bende, tot op onze dagen in gebruik is gebleven.
Hadrianus of Adrianus, die in 117 n. C. Trajanus op den Romeinschen Keizerstroon
opvolgde, liet, in navolging van Augustus, op den rechter oever van den Tiber voor
zich en zijn geslacht een kostbaar grafmonument oprichten, dat naar hem de Mol es
of het Mausoleum Adriani werd genoemd. Het woord Mausoleum is van Griekschen
oorsprong en werd het eerst toegepast op het prachtige grafmonument, dat Koningin
Artemisia voor haar gemaal Koning Mausolus (in \'t Grieksch Maussollos) van Karië
die in 353 of 351 v. Ch. stierf, liet oprichten en dat door de Ouden om deszelfs
buitengewone pracht en grootheid onder de zeven wonderen werd gerekend.
Rome, dat zooveel wonderwerken der bouwkunst binnen zijne muren zag verrijzen,
dat reeds het heerlijke Mausoleum van Augustus had kunnen bewonderen, telde het
pi aalgraf van Hadrianus niet meer onder de wereldwonderen, maar mocht toch zeker
fier zijn op het heerlijke monument dat door den kunstzin des Keizers op den Tiber-
oever zich verhief. Ofschoon het in den loop der eeuwen veel van zijn uiterlijken
luister heeft verloren en eene zeer verschillende bestemming heeft gekregen dan de
keizerlijke stichter zich heeft voorgesteld, is het oude Mausoleum van Hadrianus,
thans de Engelenburg, nog een imposant gebouw en het grootste graf en tevens de
grootste vesting der stad. Zijn geschiedenis, die geheele boekdeelen zou kunnen
vullen, is nauw verbonden aan de geschiedenis van het Rome der Pausen.
Zooals gezegd is liet Adrianus zijn grafmonument op den rechter oever van den
Tiber oprichten, in de zoogenaamde Orti Domiziae (tuinen van Domitia), die de plaats
innamen waar nu de Prati di Caslcllo zich uitstrekken. De onderbouw bestond uit
een groot vierkant, dat aan elke zijde ruim 100 meter lang was, maar tegenwoordig
bijna geheel en al onder den grond verborgen is. Op dit vierkant verhief zich de
ronde bovenbouw, die het eigenlijke grafmonument was. De ingang was recht tegen-
over de brug gelegen die, zooals wij reeds vroeger gezegd hebben, door Adrianus
werd gelegd om de stad te verbinden met zijn praalgraf, aangezien dit gedeelte van
Rome toen nog onbebouwd was. De wanden van het vierkant basement, waren met
parisch marmer bekleed, op de onderste rei marmerplaten waren de namen ingegriffeld
van de leden der keizerlijke familie, die er een rustplaats hadden gevonden. Zij
waren, behalve Hadrianus en diens gemalin Sabina, bijna alle keizers na hem,
tot en met Septimus Severus en diens zonen. De bovenrand van den onderbouw
-ocr page 279-
n
>
T.
PI
V.
-
m
r
r
O
pi o
z "
CD W
c
>
z
o
r
O
-ocr page 280-
HET CHRISTELIJKE ROME.                                        253
prijkte met sierlijke slingers door Bucraniën (ossenschedels, als zinnebeeld van de offers)
doorbroken, terwijl op de vier hoeken zich reusachtige paardentemmers verhieven. De
rondbouw, die tot een hoogte van 73 meter opsteeg, eindigde in een spits toeloopend
dak, dat met bronzen platen gedekt was. Dit dak werd bekroond door een ronden lan-
taarn, eveneens met spits dak, waarboven zich een reusachtig vierspan van brons verhief.
Tegen den rondbouw waren op geregelde afstanden heerlijke zuilen van kostbaar
marmer aangebracht en tusschen deze stonden op voetstukken van Bucraniën kost-
bare marmeren beelden. Het middelste beeld, juist boven den bronzen ingangpoort,
was dat van keizer Hadrianus-zelf; het bevindt zich thans in het Vaticaansch Museum.
Van hoeveel kunstwaarde de beelden waren, die de buitenzijde van den rondbouw
versierden, kan men eenigszins begrijpen als men weet dat de prachtige marmeren
Faun, die zich thans in het Museum te Dresden bevindt, eertijds tegen dezen buiten-
muur een plaats vond. Het geheele monument werd omgeven door een bronzen hek-
werk, dat op de poort, die tot den ingang voerde, de twee reusachtige bronzen pauwen
droeg, die men nu nog op een der binnenpleinen van het Vaticaan kan bewonderen.
Zij schijnen eertijds den voorgevel van de oude Basiliek van St. Pieter versierd te
hebben, zooals wij ter gelegener plaatsen hebben gezegd. Volgens anderen zouden zij
den „Cantharus van het Paradijs van St. Pieter", dat wil zeggen, de Fontein in den
voorhal van de oude St. Pieters basiliek, tot sieraad hebben verstrekt. Van binnen
voerde een zachte glooiing, die met mozaïek bekleed was, naar omhoog tot de eigen-
lij ke cclla, waar de grafurnen werden bijgezet. De glooiing, die den trap verving,
liep met zulke zachte helling opwaarts, dat de pauselijke artillerie, die tot 1870 in den
Engelenburg gekazerneerd was, er zonder moeite met haar vol gespan op- en afreed.
Een gedeelte van de cclla diende toen ter tijd ook als kazerne voor de zouaven, ter-
wijl heel in de hoogte een kerker was voor zware misdadigers en staatkundige ge-
vangenen.
Het schijnt dat het praalgraf van Hadrianus tot het jaar 402 nog in al zijn luister
en ongeschonden zich aan de blikken der Romeinen vertoonde. In gemeld jaar liet
keizer Honorius de stadsmuren herstellen en uitbreiden en het schijnt dat bij die ge-
legenheid ook het Mausoleum tot vesting werd ingericht, ter bescherming en verdedi-
ging van de brug die naar het Vaticaan en St. Pieter toegang gaf. Die versterkings-
werken bestonden evenwel slechts in oen paar schuine muren, die van het gebouw
tot de rivier liepen ; misschien ook liet hij kanteelen aanbrengen in de kroonlijst van
den rondbouw, daar waar het schuine dak een aanvang nam. Hot prachtige gebouw
bleef overigens ongeschonden, met al zijn beelden en verdere versieringen.
Naar algemeen verhaald wordt dagteokent het verval van het prachtige gebouw
van den inval der Gothen, toen de Romeinen, die zich er verschanst hadden, ter hunner
verdediging do heerlijke beelden op de belegeraars slingerden. Bij die gelegenheid
moet ook de Faun, waarvan wij zooeven spraken, in oen der grachten terecht zijn
gekomen, waar hij later teruggevonden werd. Gedurende de onlusten, waarvan Rome
in de Xc eeuw het schouwspel was, had Crescentius zich in het Mausoleum genesteld en het
meer en meer versterkt, zoodat het toen den naam van Castro di Crcsccnzio verkreeg.
Na eenmaal van zijn heerlijken tooi beroofd en tot vesting vernederd te zijn, werd het
achtereenvolgens door de pausen Bonifacius IX, Nicolaas V, Alexander VI en Alex-
ander VI en Urbanus VIII meer en meer versterkt. Deze laatste paus liet de buitenste
verdedigingswerken naar de plannen van Bernini aanbrengen. Hoe het oude praalgraf
-ocr page 281-
254                        ROME IN DESZELFS VERLEDEN EN HEDEN.
van Hadrianus don naam van Engclonburgt verkreeg, hebben wij op blz. 178 mede-
gedeeld.
Paus Alexander VI deed het kasteel door een lange gang in verbinding brengen met het
Vaticaan, opdat do pausen, in tijden van gevaar, in de geduchte vesting een vvijkplaats
zouden kunnen vinden, en ook meermalen gevonden hebben. De sterke ligging van
het kasteel maakte dit ook tot een geschikte bewaarplaats voor de pauselijke archieven.
Kort voor de inneming van Rome liet Pius IX ze evenwel naar het Vaticaan overbrengen,
zoodat zij gelukkig aan de handen der nieuwe meesters van Rome ontgaan zijn. Onder
de vele personen, die in de gevangenis van den Engelenburg vertoefd hebben,
behoorde ook de ongelukkige en beklagenswaardige Beatrice Cenci en haar familie,
waarover wij reeds gesproken hebben.
Achter het Mausoleum van Hadrianus bevond zich eenmaal de Circus van dienzelf-
den keizer; onder de regeering van paus Benedictus XIV heeft men, diep onder den
grond, belangrijke overblijfselen daarvan teruggevonden.
In de laatste jaren, d. w. z. na 1870, heeft zich achter het kasteel, in de zooge-
naamde Prati di Castello, een geheele nieuwe wijk gevormd, die zich zeker wel niet
tot duurzaamste en schoonste van Rome zal ontwikkelen. Daar bevindt zich ook de
nieuwe Kerk van den II. Joachim, den patroon van Z. H. Leo XIII, dien God nog
lange jaren een roemrijke regeering schenke.
SLOTWOORD.
Wij zijn aan het einde van onzen arbeid. Veel, zeer veel zouden wij er nog aan
hebben kunnen toevoegen, maar wij moeten ons beperken, daar wij aan bepaalde
grenzen gebonden waren. Veel, wat een breedere bespreking zou verdienen, konden
wij slechts ter loops vermelden, maar wij meenen toch alles te hebben besproken wat
Rome belangrijk maakt voor den vreemdeling en wat deze kan bezoeken en bewon-
deren in den gewoonlijk korten duur van zijn verblijf in de Eeuwige Stad.
Het Heilige Jaar is begonnen en duizenden vrome pelgrims zullen de reis naarde
Stad der Pausen en de Graven der Apostelen ondernemen, moge onze arbeid hun van
nut zijn en hen eenigszins doen doordringen in de grootheid en de verhevenheid van
de Stad, die in Gods Raadsbesluiten een woreldroeping te vervullen had. Wij hebbon
hen doen zien hoe overal het Christendom louterend optrad om den bodem van Rome
te zuiveren van de schande en de bezoedeling van het heidendom, en hoe do bouw-
vallen van de grootsche monumenten van dat heidendom dienstbaar werden gemaakt
aan do eer van den waren, den eenigen God, wiens tempels en heiligdommen zij ver-
sieren en opluisteren.
Wat de dichter van Aya Sofia in zijn ,.Zang der Zuilen" en zijn „Lied der Puinen"
over de heerlijke schepping van Justinianus zegt, is in dezelfde, en in meerdere mate
zelfs, van toepassing op geheel Rome. Men kan bijna elke oudere Kerk der eeuwige
stad do woorden doen sproken, welke de dichter de Zuilen van do Aya Sofia bijlegt:
„Wij droegen eens van do oude, valsche goden
De tempels zonder tal,
Nu worden wij tot Uwen dienst geboden,
O Koning van \'t Heelal!
-ocr page 282-
HET CHRISTELIJKE ROME.
255
Ook daar meent men uit de steenen den heerlijken jubelzang te hooren opgaan:
Hallelnjali! O Wijsheid die de dingen
Beheerscht door Uw gena,
Uw glorie rnischt door alle levenskringen,
Uw steenen zingen:
Hallelnjali!
Maar hooger lied nog zingt Rome in zijn Paus, in den Stedehouder van Christus,
in zijn Koning, die, hoewel beroofd van zijn staten, nog altijd de driekroon draagt,
nog altijd Koning en Vorst is, al willen ook verblinde en afgedwaalde Kinderen hem
dien titel betwisten. Meer dan dertig jaren geleden zong Dr. Schaepman het den Paus
reeds toe:
\'t Zijn achttien honderd jaar! en nog, nog staat de rots
Onwrikbaar als voorheen, hoe fel de branding klotst,
Als zuil der waarheid, als het middenpunt der tijden.
Ziet, eeuwen gaan voorbij, en brengen vreugd en lijden
En schande en eere; met den stroom des tijds vergaat
Wat van den tijd is - en de rots van Petrus staat!
Wanneer de pelgrim dan in do stad der Pausen veel zal ontmoeten wat hem be-
droeven zal en herinnert aan het onrecht tegen den Paus bedreven, aan den Sta ten-
roof in 1870 voldongen, dan wende hij de blikken om zich en hij zal opgebeurd,
getroost worden. Overal zullen hem de monumenten, de paleizen, de standbeelden, de
praalgraven, de kunstwerken herinneren aan volken en natiën, aan Keizers en Ko-
ningen, waarvan niet weinigen belagers der Pausen waren; maar die monumenten
zullen hem luide toeroepen dat naties en dynastieën zijn ten onder gegaan, onher-
roepelpk zijn ten onder gegaan, maar dat de tijdelijke macht der Pausen, hoe vaak
hun ook ontrukt, hun altijd weer teruggeschonken werd. En daar in \'t Verleden het
Heden en de Toekomst ligt, zoo hebben wij het vaste betrouwen dat ook voor het
Pausdom weer de dag der vrijheid zal aanbreken. Die dag zal ook de dag dor red-
ding van de maatschappij zijn.
Europa ! ied\'re storm voert in zijn vlucht u mede;
Gevallen is uw kroon, gebroken is uw staf,
Aan \'t einde van uw baan, gaapt een verslindend graf.
Wilt gij weer opstaan, in de grootheid van \'t verleden,
De draagster van het lot der wereld zijn, weer treden
Aan \'t hoofd der Zusteren, weer stralen in het licht
Der ware vrijheid, op geen bandloosheid gestichtV
Dan, op naar Petrus!.........
IMPRIMATUR.
H. F. .1.  RICKMENSPOEL,
Amstelodami                                                                                              Rector.
die 14 Janarii 1900.                                                                        Librorum censor.
-ocr page 283-
-ocr page 284-
ALPHABETISCH REGISTER.
Archimodes, gedood bij de inname van
Syracuse, 10.
A r c o s o 1 i u m, 88.
A r i s t o b u 1 u s, 53.
Augustus, 14.
Aurelianas, Keizer; hij omgeeft Rome
met een nieuwen muur, vervolgt de Chris-
tenen en wordt vermoord, 29.
A u r e 1 i u s, M a r c u s. 25; Standbeeld van-,
247.
Aventinus, (Aventijnsche Heuvel), 1.
B.
B a b y 1 o s. De H. Bisschop*, v. Antiochië, 29.
Bambino, Il Santo, 178.
Baptisterium van (\'onstantijn, 149.
Basilica Porcia, Opimia, Fulvia, Acmilia,
Julia, Argentaria, 34; S«. Petri, 129;
S4i. Joannis van Laterane, 146; Salva-
toris, 146; Aurea, 147; Stao. (\'rucis in
Hieros, 151; Stae. Mariae Majoris, 152;
Liberiana, 152; St!. Pauli, 158; S»\'. ljau-
rentii, 162; St!. Sobastiani, 166.
Basiliek van den H. Petrus, 129; van
S\'. Jan van Laterane, 146; van den Za-
ligmaker, 146; Gulden-, 147; van \'t H.
Kruis in Jerusalem, 151; van de H.
Maria de Meerdere, 152; Liberiaansche-
152; van den H. Paulus, 158; van den
H. Laurentius, 162; van den H. Scl>as-
tianus, 166.
B a s s a n i c u s. Varins Avitus, bijgenaamd
Heliogabalus, 27.
Bcrchmans, <<raf v. d. H. Joh.-, 212.
B ibia n a, St:>, 219.
Accadeniia cli Francia, 208.
Acheropita, 151.
A c q u a A p p ia, 13; — Claudia.
A et i u in, slag bij-, 13.
A d r i a n u s ot\' Hadrianus, Keizer, 24; Praal-
graf of Mausoleum van-, 252.
A e in i 1 i a n u s, 29.
A e r a r i u in, 35.
Afbeeldingen in de Katakombcn, 103.
Afgoden der Heidenen zijn duivelen, 36.
Afvalligen, 7o.
Agnes, Katakombe van de H., 101.
Agri p p i n a, tweede vrouw van Claudius, 17.
A k a d e in i e. Fransche, 208.
A 1 b a L o n g a, verwoest, 4.
A1 b i n u s dingt naar de Keizerl. waardig-
digbeid, maar wordt vermoord, 26.
Alexander Sevcrus, 27; Hij wordt
vermoord door Maximus, 28.
A 1 e x i u s Keizer onder den naam van
Alexander Sevcrus, 28.
Aloysius, de H.-, zijn graf, 212.
Al in on e, De, 249.
Amphitheater 41; van Flavius, 42.
Ancus M a r t i u s, 4e Kon. van Rome, 4.
Andrea d e 1 1 a V a 11 e, S.-, 220.
A n i e n e, 258.
A n t o n i n u s P i u s. Keizer, 25.
A n t o n i n s, 13.
A p p a r t a m e n t o Borgia, 226.
A ppischen weg. Wandeling langs den
247.
-ocr page 285-
258
A LPHA BETISCH REGISTER.
Bibliotheek, Yaticaansche, 2-21.
B i b u 1 u s. (\'. I\'ublius. Graf van, 14.
Bliksemend L e g i o e n, 25, 38.
Bloed vaas je s, 102.
Bocca d el la V e r i t a, 181.
Boog van Drusus, 249.
B r e n n u s, 8.
B r i g i 11 a, de H.,
Bruggen van Rome, 32.
C
(\' a 1 e p o d i u s. Katakombc van den H., 102.
(\'aligula, keizer, 1<>; wordt vermoord, 17.
Ca 11 i s t us. Katakombc van den H., 97, 98-
Camera dell\' Iuceudio di Borgo;dellaDis-
puta, 232; -van de School van Athene,
233; -van Heliodorus, 234.
(\' a m i 11 u s verdrijft de Galliërs, 9.
(\'ampidoglio, 50.
(\' a m p o* v e ra n o, Kir».
Campus sneer Horatorium, 251.
(\'apitolinus, 1.
(\'api toliu in, 50.
Capella S i s t i n a en 1\' a u 1 i n a in \'t
Vatieaan, 225.
Ca po di Mo v e, 251.
Carlo de\' Pet t i nari, S.-, 222.
Carolus Borromeus, de H.-, 211.
Carracalla en G e t a, zonen van Scpt.
Severus, 26; tot Augusti benoemd, Ca-
racalla vermoordt Geta, 27; hij wordt
zelf vermoord door Macrinus, 27.
C a r e e r Tullianus, 53.
Carthago, 19; Het wordt verwoest, 10.
Ca stel Sant\' Angelo, 251.
Ceeilia. de H., 99; Vinding van haar graf,
99, Overbrenging van haar Lichaam naar
Trastevere en Hervinding daarvan, lot);
Kerk van de H.-, 201.
Celsus, zijn lasteringen tegen de Chris-
tenen, 61.
Oenci. Beatrice, 242.
Ces ar. Caius .lulius, 11; Hij trekt den Uu-
bicon over, 12; wordt in den Senaat
vermoord, 174.
Chic sa Nuova, 174; -del Gesi\'i, 213.
Christendom. Uitbreiding; Verhouding
tot den Bom. Staat, 57; Lasteringen der
Heidenen teiren hetzelve; 51; Yerdcdi-
ging van hetzelve door Justinus en an-
deren, U2.
Christenvervolgingen. Ie. onder
Nero, 19; 2de onder Domitiaau, 24;3de
onder Aurelius, 25; 4e onder Septimus
Severus, 2ti; 5e onder Maximus, 28; 6c
onder Dccius, 29; 7de onder Valcria-
nus; 8e onder Aurelianus; 9e onder
Diocletiaan.
Circus Flaniiniaiius, 14; -Maximus, 48;
-van Alex. Severus (Circo Agonale) 205.
Claudia de Vestalin, \'M.
C1 a u d i u s. Keizer, zijn gunstelingen en
zijn vrouw, 17; -dc Goth, 29.
C 1 eli a, 7.
C1 i V u s (\'apitolinus, 34, 52; -S a c e r,
52 ; -S eau r i, 197.
Cloaca Maxima, 181.
Coelius (Coelische Heuvel), 1.
Colatianus, 5, 7.
Co loss e urn. Stichting van het, 23, 42;
Bouwmeester van het-, 48.
(\'om modus. Keizer, 25.
Consuls, <;.
Cornelius Scipio verslaat Hannibal, 10.
Cornelius. de H., l\'aus,- 98.
Corridor e dolle Lapidi, 22(5.
Constant ia, De H.-, 207.
Constant ij n, ziet het Kruis in de lucht;
-ocr page 286-
ALPHA
REGISTER.                                          259
overwint Maxentius; geeft den vrede aan
de Kerk, 31; zegeboog van-, 41.
Crassus, 11; Hij sneuvelt, 12.
Crucifix. Si»ot-, 61. 110.
C u r i a, 36; ealabra, 52.
(\'nrso r, L. Papyrus, 14.
C u s t o d i a T u 11 i a n a, 53; -Mamei tini, 54.
Cyprianus. H., martelaar, 70.
Cyri a ca. de H., 102.
D.
Dam a su s, Paus, 87.
I)amnatio m em ori ae, 36.
D e e i u s, Keizer, vervolgt de Christenen,
valt in een oorlog tegen de Gothen, 29.
1) e n t a t u s, M. Curius, 13.
Deugden, de Goddelijke — in de Kata-
kombon, 115.
D i o c 1 e t i a a n, Keizer, hij vervolgt de
(\'hristenen, 29. stelt mederegenten aan, 30.
Domitiaan volgt Titus op, 23; hij ver-
volgt de Christenen, sterft, 24.
Do minus quo Vadis, 167, 250.
Domitilla. de H.-, 24; sterft onder Do-
mitiaan, 24; 04.
Driemanscha p, Eerste — II; Tweede —
13.
Drasus, Boog van, 41, 249.
E.
E n g e 1 e n b u r g: 24, 25, 252.
E g e r i a. Vallei van de Xinf-, 248.
Esquilinus, (Esquilijnsche Heuvel) 1.
E u s e b i u s, 28.
F.
F a b i a n u s, Paus - - martelaar, 63.
Flaminiu s, 14
Klavier, 21.
F1 a v i u s filemens, martelaar, 24,
F c 1 i c i t a s, de H. - en hare zonen, 87,
194.
Felix, Graf v. d. H. Paus, 161.
F ons o lei, 108.
Fontein van Paulus V, 188, van Trevi, 210.
F o r u m, Romanum, 35, v. Julius (\'esar, v.
Nerva, v. Trajanus, 35, 215.
Francesca Roman a. de H., 37.
G.
Gal ba volgt Nero op, 20.
G a 11 i e n u s, Keizer, hij sterft een geweld.
dood. 29.
Galliër s, in Italië, 8.
Gall us, 29.
G e e s e 1 k oio m, 190.
Geestelijkheid v. Rome tijdens de
Vervolgingen, 68.
G e h e i m h o u d i n \\x der Sacramenten, 109,
G e m o n i ë n, 52.
Gesü, 213.
G o r d i a n u s en zijn zoon komen om het
leven, 28.
Graf van Cecilia Metella, 251,
         van
Rafaël, 249, - der Scipio\'s 249, — van
de H. Cecilia, 211.
H.
Hadrianus, Keizer 29, zijn dood, zijn
Mausoleum, 24, 251.
H an i bal, 9, lo.
Helen a, de H.
Hel i o gab al u s, 27.
Her m e s, de H. 97.
Hildebrand, monnik (later Paus Gre-
gorius Vil) in Rome, 159.
Horatius C o e 1 e s, 7, 34.
Horatiër en C u r i a t i ë r, 4.
Hyppolitus, de H. - martelaar, 75.
-ocr page 287-
ALPHABETISCH REGISTER.
260
I.
Ignatius, de H.-, kerk van-, 211; kapel
V. d., 213.
Intcrmontium, 51, 52.
Isola (1 i San Bartholomeo. 201.
J.
Janiculus, 1.
.1 e r u s a 1 e m door Titus ingenomen, 22.
.1 e s u ï e t e n k e r k (il Gesü), 21 :•{.
Joden, Verspreiding der, 23; «aanstokers
der vervolgingen, <>4; opstand onder
Barccbas, 24.
J o h a n n e s, de H. Evangelist*, naar Patmos
verbannen, 24.
Johanncs on Paulus, kerk v. d. H.-, 19<»,
Jobanner dos Florontijnen, 22o.
J ii g u r t h a, 52.
Julianus vermoord, 2ti.
Junius Brutus, do le Consul 6; - Moorde-
naar v. Cesar, 12.
J u s t i n u s, H. 25.
K.
K u n s o 1 a r ij-p laats, 222.
Kerk v. d. H. Air nes, op bot Navona-
plein, 2(»4; -van de H. Agnes Buiten
do muren, 2U5; -van do H. A n a s t a s i a
198 ;-van den H. Bart bol ome us, 200
-van don H. (\'arolus, 211 ; -van de
H. Cccilia, 201; -van den H. (\' 1 o m o n s,
1!»2; -van de H. Constant ia, 207;
-van do H. F cl ie i tas, 194; -van den
H. J o a e b i m, 363; -van don H.
J o a n n e s d e e o 11 a t o 181; -van de
H. H. Joannes on Paulus, 196;
•van het H. Hart, 205; -van de H. H.
N e r e u s en A c h i 1 e u s, 248; -van
de H. Prisca, 190; -van do H.Sabina,
199; San S t e f a n o R o t o n d o-, 196;
Oude- van den H. S t e f a n u s, 248;
•van T r i n i t a d o\' M o n t i, 21>8; -van
do H. H. V i e r (ïckroonde n, 195.
Kribbe, de H.-, 154.
Kruisiging van den H. Petrus, Plaats
van do- 187.
L.
Labaru m. Het, 31.
L a t i u in. Vlakte van, 1.
L a u r e n t i u s. De H., 73, 74.
L e p i d u s, 13.
iiibcriaansche Basiliek, 152.
Locusta de Giftmengster, 17.
L o r e n z o. San-, in Miranda, \'M; -t\' u o r i
Ie Mura, 162; -in Lucina, 211.
Lo de wijk, H. d. Franschen (S. Louis dos
Francais), 220.
Lucina. de H., 100.
Lucius en Aruns huwen met de beide
Tullia\'s, 5.
Lucius Sextius en Lucinius Stolo,8.
Lucretia, 5.
Maagd, de H.-, in de Katakomben, 115;
de kerken aan de — gewijd, 167.
M a e a o, 181.
M a c r i n u s valt in een samenzwering, 27.
M a r c u s A u r e 1 i u s, 25; Zuil v a n-,
31; Standbeeld van-, 51, 247.
Ma reus Curtius. Opoffering van-, 9.
M a m ui e a, moeder van Alexander Severus,
M a m e r t ij n s c h e Gevangenis, 52.
M a r ia M aj? g i o r e. Basiliek van Sta-, 153.
Martelaren onder Nero, 63; onder I)o-
mitiaan, 64; onder Antoninus Pius en
Marcus Aurelius, 64; onder Decius, 65:
-ocr page 288-
ALPHABETISCH REGISTER.
261
onder Gallienus en Valerianus, 71; onder
(\'laudius den Goth en Aurelianus, 77;
onder Diocletiaan, 78; - Aantal-, 7».
Martclingcn, 79.
Massa Candi da, 75.
Mausoleum van Augustus, 183; van Ha-
drianus, 251.
M aximus. Keizer, 28; (\'ircus-, 48.
M axentius. Nederlaag van-, 30.
M e 1 i t a. H, van Sardcs, 25.
M e n t a n a, 208.
Mérode. Mgr. de, 94.
M e s a, grootmoeder van Heliogabalus, 27.
Messalina, gemalin van keizer (\'laudius,
vermoord, 17.
M e t a 8 u d a n s, 50.
M o 11 i u s T u f f e t i u s, 4.
Milvische Brug, 30, 182.
Minervaplein, 173.
M o n s S a e e r, 8.
Monte Pi ncio, 183, 208.
Mo zes van Michelangelo. De, 185.
Mncius S e a e v o 1 a, 7.
M u s e o Chiaramont i, 229.
„ P i o (! 1 e m e n t i n o, 230.
M u s e u m van het Kapitool, 54, 236; Egyp-
tisch-, 229; -van L a t e r a n e, 236; -van
het (Quirinaal, 241; "Borghese, 241;
•Corsini, 241; -l)oria Pamfili, 241; (\'o-
lonna, 242.
N.
X a u m a c h i a e, 50
X avo n a-pl e i n, 205.
Xero, hucius Domitius-, Keizer, 17; -Steekt
Rome in brand, 18; -laat het Gouden
Huis bouwen, 19; -vervolgt de (\'hris-
tenen, -geeft zich den dood, 2i>.
X e r e u s en A c h i 11 e u s. de H. Martekv
ren, «4; Kerk van de-, 249.
N e r v a. Marcus (\'occeus-, Keizer, 24; Forum
van-; zegeboog van-,
X i c o m e d i a. Kerk van-, verwoest, 78.
X i g e r, dingt naar het purper en wordt
vermoord, 26.
Xomentaanschc Weg, 208.
N u m a I\' o m p i 1 i u s, 2de Koning van
Rome, 3.
O.
Obelisken, 253.
Obelisk van de Minerva, 172; -van Tri-
nita de\' Monti, 208; -van St. Pieters-
plein, 244.
Oc ta vian u s, 13, 14.
Oliefontein, 168.
O. I i. Vrouw ter Kribbe, 153.
Onderaardsche Home. Het-, 56.
Opstanding. Geloof aan de-, Simbolen
daarvan, 115.
Orante. Beteekenis van de-, 111.
Otto, 20.
Palatinus (Palatijnsche Heuvel), 1.
Paleis Sciara, 243; -Rospigliosi, 243.
Palladiu m, 36.
Pancratius, de H.-, 221.
Pantheon, 168.
P a s c h a 1 i s. Paus, 99.
Patriciërs en Plebejers, 7.
Paul u s, kerk v. d. H. - aan de Drie Fon-
teinen, 180.
P a u s-c r y p t e, 99.
P e r t i n a x. Keizer, 26.
P e t r o n i 11 a. Basiliek van de H.-, 95.
Petrus. Basiliek van den H.-, 129; Beeld
van den H.-, 134; (iraf van den H.-,
136; Stoel van den H.-, 139; (\'on-
fes s i e van den H.-,
-ocr page 289-
A LPHA HETISCH REGISTER.
262
Pot rus en Pau lus. Legende van de ge-
vangenschap der H.H.-, -in de Mamer-
tijnsche Gevangenis, 53; Hun graf in de
Katakomben van den H. Sebastianus, 10.
Petrus en M a r c e 11 i n u s. de H.-, 96.
Philip p u s. Kei/er, 21; Hij is Christen,
de H. Babylos weigert hem den toegang
tot de Kerk, Hij wordt vermoord door
Derius. 2!).
P h i 1 i p j) u s N e r i u s. de H.-, 175.
P i a z z a Navon a, 174; -do\' T e r m i n i,
ISO: -del P o pol o, 181;-di Spagna,
1*3, 209: -di San Pi et r o, 24:5: -di
M o u t e (\' a v a 11 o o del (.} u i r i n a 1 e
244: del Pantheon. 245; diSan
G i o v a n n i in Latcrano, 245 ; di S,;1
Maria Maggiore, 245; -F a r n e s e, 240;
di (\' a in p o Marzio, 24*5; -di (\'am-
l> i d o g 1 i o, 240: -d e 11 a .Mine r v a,
172: -Colonna, 40, 211; di Su.Tri-
ii i t a de\' Monti 205»; di C a m ]) o de\'
iïori, 222: di M o n t e (\' i t o r i o, 211.
Pijnappel, de Bronzen, 17fi.
Pimodan, graf van generaal dc-, 22t>.
P i s c i n a p u blica, 248.
Pius IX. Graf van-, 163.
Plinius. Brief van-, aan Trajanus. ii4.
Pon te Sist 0, 204; -M O 1 1 e, 30, 182;
-S a 1 a r i a, 208; -di ferro, 221.
Polycarpns. de H.-, 25.
Po m p e jus, 11. 12.
Pons Aeniilius; -(\'estius, 14; Pons
Milvio, 30.
P o o r t e n v a n R o in e. ()ude, 5.
Poort Z. P o r t a.
Pop pi a Poppea. Wet van-, 14.
Porta Pia, 187, 208; -Klaminia, 182;
-del Popoio, 182; -Salaria, 2(i8; -di San
Sebastiano, 247, 249; -di San Paolo,
188; -(\'apcna, 248; -Katina, 248;-Appia,
249; -di San Pancrazio, 221, 249; -An-
gelica, 244; -(\'avallegieri, 245.
P o r s e n n a, Koning der Etrusken of Etru-
riérs, 7.
Prat i di Cast e 11 o, 253.
Prax ed es Sancta, 189.
Priscilla. de H.-, 96.
Pretextatus. Katakombo van-, 97.
P r o p a g a n d e, de-, 209.
Prud en tius, 37.
Pud ens. Senator(?), 96.
Pud on t ia na, 189.
Punische Oorlogen, 19.
P.vrrhus in oorlog niet Homo, 9.
Q.
IJuirinalis (Quirinaalsche heuvel). 1.
Quirinaal. Plein van het, 241, 245.
R.
R e public k. De Kom. Republiek door
Marius, Sulla en Ponipejus belaagd, 11.
K o b u r T u 11 i a n u in. 52.
Kom e. Ligging van-, I; Stichting van- en
legende, 2: Naam van-, 6; Brand van-.
19; Heidensch-, 1; ()nderaardsch-, 57;
christelijk", 120; Plundering van-, 121;
Basilieken van-, 129.
R o in u 1 u s en R e m u s, Stichters der Stad,
2; Dood van Kcmus, 3; Dood van Ro-
niulus, 3.
R o in e i n s c h College, 173, 212.
R o m e i n sch e Maatschappij in de
eerste twee eeuwen na Constantijn, 120.
R o s s i, graaf dc-, vermoord, 222.
R o s t r a, 35.
s.
S a b ij n e n. De — vestigen zich op den
Kapit. Heuvel, 3.
-ocr page 290-
A LPHABETISCH REGISTER.
263
S i in o n, zoon van Jonas, 5:j.
8 i m o n d e T oovcnaa r,
Sint Pieterskerk 129; Sacristie
van-, 145; -Pietersbandcn, 185.
Sint Pauluskerk buiten de Muren, 158.
S i x t u s. De H.-, Martelaar, 70.
Sneeu w \\v onder. Legende van het-, 152.
S p a r t a c u s. 11.
S p u r i u s (\' a s s i u s, 8; -L a r i u s, 7.
S t a n i s ] a u s K o s t k a. de H.-, 213.
Stanz e d i R a f a e 11 e, 231.
Sul la, 11.
T.
T a b u 1 a r i u m, 14, 35. .
T a b e r u a M e r i t o r i a, 167.
Tafel van het H. Sacrame n t. 149.
T a n a q u i 1, 4.
Tarcisius. De H.-, Martelaar, 73
ï a r p e i a, 3, 51; Tarpeïschc rots. 3, 51.
T arquinius P r i s c u s, 5de Koning van
Rome, 4; -Superbus, Laatste Koning van
Kome, 5.
ï e in p e 1 van J u p i t e r, 51; -van .1 u n o
M o n e t a, 52; van A n t o n P i u s, 21;
-van A n t o n i n u s en F a u s t i n a, 215.
T e r m e Antoninae, 208.
Theater van Pompejus, Hal bus,
M a r c e 11 u s, 50; T i g r a n e s, 53.
Tiber- Kilan d, 200.
Ti b er i u s, 15.
T i t u s beoorloogt de Joden, 22; Hoog vau-,
23,  40; Hij wordt Keizer, 23.
Trajanus, Marcus Ulpius-, 24; Zuil van-,
24,   40; Zijn brief aan Plinius over de
Christenen, 64.
T. H e r m i n i u s, 7.
Tor Pignc tarra, 96.
Trap. De H.-, 150.
Sabijnschc Maagdenroof, 3.
Sabina, S,a, 198.
Sacramenten. Simbolen der H.H.-. 111.
Sa por, Koning der Perzen, 29.
San Pietro in Vaticano, 129; San Pietro in
Vincoli, 134; San Pietro in Montorio,
186; "Pietro in (\'arecre, 188; San l\'aolo
alle tre Fontane; S. Paolo fnori Ie Mura>
158; San Giovanni Decollato, 181.
Santa Maria ad Praesepe, 155;-inTras-
tevere, 167; -dc\' Martiri o della Rotonda,
163; -sopra Minerva, 172; -dell\'Anima,
174; -della Pace, 174;-in Valicella. 174:
-in Ara coeli, 176; -Liberatrice, 174;
Legende daarvan. 179; -degli Angeli,
180; -in(\'osmedin, 181 ;-del Popoio, 183;
-di Monte Santo, 184;-de\'Miracoli, 184;
-in Via Lata, 184; -Scala Coeli. 184:
-in (\'ampitella, 184; Nuova, 217.
S ap i e n z a, 173.
Scala Sancta, 150.
S c o 1 a (! a n t o r u m, 193.
Sebastiaan. Sint-, 100; Katakombc vau-,
100.
S e j a n u s, 53.
S en ec a, 19.
Scptimus S e v e r u s, 26; Zegeboog van-,
41.
Sep ti zoniu m, 247.
S e r v i u s T u 11 i u s, 6e Koning van Rome,
4, 5.
S e x t u s Tarquinius Superbus is
oorzaak van de verdrijving der Konin-
gen, 5.
St\'ondrati, Kardinaal, 5.
S i b y 11 ij n s e h e Boeken, 5.
Silvestro. San-, in capite, 211.
Simbolen in de Katakomben, 105.
Simeon. De H. — van Jerusalem, 64.
-ocr page 291-
A LPHA BETISCH REGISTER.
264
Trappistenklooster bij de drie Fon-
teinen, 188.
Tuinen van Salustius, 248.
T u 11 i a \'s. De beide-, dochters van Servius
Tullius, 5.
T u 11 u s H o s t i 1 i u s, 3de koning van
Kome, 4.
Venezia. Piazza en Palazzo di-, 176.
Vervolgingen. Oorzaken der-, 57.
V e s t a. Atrium van-, 36; Tempel van-,
V e s t a (1 i e n s t, 3.
V e s t a 1 e s maxima c, 36.
Via Appia, 13, 247; -Flamina, 14; -Ardea
tina, 250.
Vi c u 1 u s sceleratus, 5, 192.
Viminalis, 1.
Villa Altieri, -L u d o v i s i, 208.
Vit el li us. Keizer, 20, 21.
u.
Urbanus. I)c H.-, 97, 202.
Valentinus. basiliek v. d. H.-, 183.
V a Ier i anus. De H.-, 97; -Keizcr, 29
V a t i c a a n, (Irot van-, 139.
V a t i e anus (Vatieaansche Heuvel)
Zeven Heuvelen. Namen der-, 1.
Ze gebogen, 40.
Zon o. De H.-, 97.
Zwaardvechtersoorlog, II3.