-ocr page 1-
-ocr page 2-
V
mw M
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
ITALIAANSCH.
-ocr page 6-
firn /fff ^^Ar; YJ /£•\'\'
\'V
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029439340B
2943 934 0
-ocr page 7-
HELP U ZELF
OF REIS
£^
MET
ITALIAAN8CH.
EEN HANDBOEKJE VOOR HEN, DIE ITALIAANSCH MOETEN
OP WILLEN SPREKEN,
SERVA.A.S IDE BUTTIOSr.
^/^f^
Tweedet veel verbgjgrtLj
UTRECHT,
Oebr. VAN" DER POST
-ocr page 8-
BIBLIOTHEEK DER
RUKSINSfrERSITEn:
UTRECHT
COLL. THOMAASSE
BBUBUKT BIJ o. A. VAN HOÏTEN, TE 1JTRK,
-ocr page 9-
VOORREDE.
Met dit boekje hoop ik van dienst te lijn aan velen ,
voor wie het (op reis als anderszins) aangenaam en nut-
tig zou wezen zich van de ltaliaansche taal te kunnen
bedienen.
Aan velen, zeg ik:
1°. Aan allen, die niets van het ltaliaansch kennen,
en wie het aan tijd en gelegenheid ontbreekt
, om
zich door studie daarin te bekwamen;
2°. Aan hen, die wel reeds eenigen tijd het ltaliaansch
hebben beoefend, maar toch niet voldoende, om er
zich vlot in te kunnen uitdrukken.
-ocr page 10-
Voor ieder, die met Italiaansch in aanraking komt,
moet het
Practisch nut
van dit boekje hierin bestaan, dat men, met dit boekje
in den zak, de overtuiging heeft:
*lk behoef niet bang te zijn,
dat ik ergens
met den mond vol tanden zal staan!"
Het bovenstaande schreef ik voor den eersten druk.
Dat een tweede noodig is geworden, pleit vrij wel voor
de bruikbaarheid van dit boekje. Intusschen hebben de
Uitgevers het geluk gehad, een in Italië geboren en
woonachtig Italiaan {kleinzoon van een zich daar ge-
vestigd hebbend Nederlander), met wien zij in betrekking
staan, bereid te vinden om een aantal onjuistheden uit
den eersten druk te herstellen, zoodat ik de hoop mag
voeden, dat deze tweede druk nog betere diensten zal
bewijzen dan de eerste.
\'s-Gravcnhage.                            Servaas de Bruin.
-ocr page 11-
INHOUD.
Pag.
De Italiaansche taal..............        1
Verzameling van woorden, die in het dagelijksch
leven het meest te pas komen (in alphabetische
volgorde)..................      34
GESPREKKE^.
Inlichtingen..................     105
De Italiaansche taal...............     107
Op den spoorweg................     109
Op de stoomboot................     113
De post....................    115
liet den koetsier................    116
In het hotel..................    117
In de a#zaal.................    119
-ocr page 12-
Pag.
Bij eenen barbier................    122
liet den schoenmaker..............    123
Met de waschvrouw...............    124
In den boekwinkel...............    126
In eenen winkel................    127
Het weder...................    128
De tijd....................    130
Begroetingen..................    131
Bezoeken...................    132
Bij den dokter.................    137
Volzinnen voor brieven en biljetten........    140
Geographische namen..............    142
Spijskaart...................    145
Ö
-ocr page 13-
^n\' && ï (h < ci QJch vaAi *X
DE ITALIAANSCHE TAAL.
De Italianen hebben geen k, to, x en y — hun
alphabet heeft dus slechts 22 letters.
De uitspraak van het Italiaansch verschilt van die
in het Hollandsen slechts in de volgende punten:
u klinkt altijd als „oe".
i klinkt altijd lang, als de Hollandsche „ie" in
„zien".
z klinkt altijd als „ts".
C vóór e of i wordt uitgesproken: tsj. — Anders
klinkt de c als de Hollandsche „k".
g vóór e of i klinkt als: dzj. — Anders is de
uitspraak der g aan die eener zeer, zeer zacht klin-
kende „k" gelijk (zooals de „g" vóór a, o en u wordt
uitgesproken in het Fransch, Engelsch en Duitsch):
wij zullen dien klank afbeelden met G.
se vóór e of i klinkt als: sj. — Anders wordt het
uitgesproken als „sk".
Voorbeelden 1): cena (tsjee\'-na), avond-eten;
cucina (koe-tsji\'-na), keuken; camera (ka\'-mee-ra),
kamer; cortile (kor-ti\'-lee), hof; generale (dzjee-nee-
1) Tusschuu ieder woord en zijne beteekenis, zetten «ij hier
de uitspraak afgebeeld tusschen ( ); terwijl \' de lettergreep
aanwijst, die den klemtoon heelt.
!
-ocr page 14-
2
ra\'-lee), algemeen; agile (a\'-dzji-lee), vlug; pagare
(pa-Ga\'-ree), betalen: scena (sjee\'-na), tooneel; scala
(ska\'-la), trap; scolare (sko-la\'-ree), scholier.
Staan twee e\'s of g\'s (cc, gg), dan worden die
te zamen uitgesproken, b. v.: leggere (leedzj\'-ee-ree),
lezen; oggi (oodzj\'-i), heden.
Moet c of g, ofschoon vóór e of i staande, in het
Italiaansch als „k" uitgesproken worden, dan wordt
achter de c of g eene h ingeschoven, b. v.: vecchio
(vvek\'-i-o), oud; chinese (ki-nee\'-zee), Chinees.
Moet c of g, ofschoon vóór a, o of u staande, als
„tsj" (of moet se in dat geval als „dzj") klinken,
dan wordt achter de c of g eene i ingeschoven, b. v.:
lasciare (la-sja\'-ree), laten; caccia (kat\'-sja), jacht:
giardino (dzjar-di\'-no), tuin; prigioniero (pri-dzjon-
jee\'-ro), gevangene; fanciullo (fan-tsjoel\'-o), kind;
giusto (dzjoes\'-to), rechtvaardig.
gl vóór i wordt uitgesproken als „Ij", b. v.: egli
(ee\'-lji), hij. — Volgt er op gli eene vocaal, dan is
de i stom, b. v.: voglio (woo\'-ljo), ik wil; moglie
(moo\'-ljee), vrouw.
Slechts in zeer enkele gevallen, die als uitzon-
deringen aangemerkt kunnen worden, heeft de g van
gli haren zeer zachten „k"-klank, b. v.: negligenza
(nee-GÜ-dzjen\'-tsa), verwaarloozing.
gn vóór eene vocaal wordt als „nj" uitgesproken,
b. v.: signore (sien-joo\'-ree), heer; legno (leen\'-jo), hout.
h wordt nooit uitgesproken, b. v.: han.no (au\'-no),
zij hebben.
j aan het einde van een woord, klinkt als eene
dubbele of lange „i", b. v.: tempj (tem\'-pi), tempels.
Tegenwoordig is die „j" echter nagenoeg geheel in
onbruik geraakt, en schryft men schier algemeen „ii".
s tusschen twee vocalen staande, wordt zacht uit-
-ocr page 15-
3
gesproken als de Hollandsche „z". —Anders klinkt
de » altijd scherp gelijk de Hollandsche „s", b. v.:
tempre (sem\'-pree), altijd; soldato (sol-da\'-to), sol-
daat. — Doch tusschen vocalen: inglese (ien-Glee\'-zee),
Engelschman.
V wordt uitgesproken als onze „w".
Klemtoon.
De meerlettergrepige woorden hebben doorgaans
den klemtoon op de voorlaatste lettergreep. Wanneer
de klemtoon op de eindlettergreep moet vallen, wordt
dat in het Italiaansch aangeduid door een accento
grave
(\').
                    _________
Geslacht.
De Italiaansche taal heeft slechts twee geslachts-
vormen, namelijk: mannelijk en vrouwelijk.
Mannelijk zijn over het algemeen de substantieven,
die op o uitgaan, bjjna alle zelfstandige naamwoor»
den met een der uitgangen esse, nte, one, re en
eenige samengestelde substantieven met den uitgang i.
V r o u w e 1 ij k zijn over het algemeen de zelfstandige
naamwoorden, die a, i of u tot eindletter hebben,
en nagenoeg alle substantieven met een der uitgan-
gen ce, de, ge, ine, ione.
Lidwoord.
Voor het mannelijk geslacht bedient men zich van
het lidwoord il of lo, en voor het vrouwelijk ge-
slacht van het lidwoord la.
1*
-ocr page 16-
4
Het lidwoord il (meervoud i) wordt gebruikt bjj
de mannelijke woorden, die met eene consonant aan-
vangen, behalve met eene onzuivere * (simpura, dit
wil zeggen eene s, gevolgd door eene andere con-
sonant). De eenige uitzondering pp dezen regel is
het meervoudige dei (goden). Men schrijft niet i
dei,
maar gli dei, de goden.
Het lidwoord lo gebruikt men voor de mannelijke
substantieven, die met * impura (zie 6 regels hooger)
aanvangen, en ook voor die, welke aanvangen met
eene vocaal; doch in het laatste geval wordt het
lidwoord geapostrofeerd (V). Het meervoud van lo
is gli, dat nooit geapostrofeerd mag worden, behalve
wanneer het substantief met eene i aanvangt.
Voorbeelden: il padre, de vader; lo slomaco,
de maag; l\'uomo, de man; gli uomini, de menschen;
gli imitatori (of: gVimitatori), de navolgers.
Het lidwoord la gebruikt men voor vrouwelijke
substantieven, die met eene consonant aanvangen;
vóór eene vocaal wordt het geapostrofeerd, b. v.: la
madre
, de moeder; Vimperatrice, de keizerin. Het
meervoud Ie wordt enkel dan geapostrofeerd, wanneer
het substantief met eene e aanvangt.
Het onbepalend lidwoord is uno en un voor het
mannelijk geslacht, una voor het vrouwelijk geslacht.
Alleen voor mannelijke substantieven, die met simpura
(zie hierboven) aanvangen, wordt uno gebezigd, zoomede
voor die, welke aanvangen met eene vocaal, doch
alsdan wordt het geapostrofeerd (un\'). Ey alle andere
mannelijke substantieven wordt un gebruikt, b. v.:
un flume, eene rivier; uno stagna, een vijver; wri
agnello,
een lam. NB. Door zeer velen, ja, vrjj
algemeen, wordt bij mannelijke substantieven de
apostrofe echter weggelaten en eenvoudig un geschreven.
-ocr page 17-
5
Het onhepalend lidwoord una bezigt men voor
vrouwelijke substantieven, die met eene consonant aan-
vangen; vóór eene vooaal wordt het geapostrofeerd,
b. v.: una regina, eene koningin; un\' attrice, eene
tooneelspeelster.
Verbuiging of Declinatie.
De verbuiging der substantieven heeft plaats door
samentrekking van het lidwoord met de voorzetsels
di, a en da 1) , als volgt:
Enkelvoud.
il signore, de heer.
del signore, des heeren
Meervoud.
i signori, de heeren.
dei signori, der heeren.
"i signori, den heeren.
ï/innrr Hp Tipprfin.
al signore, deu neere.             
il signore, den heer.                 i signori, de heeren.
dal signore, van den heer. dai signori, van de heeren.
Meervoud.
gli sposi, de verloofden.
degli sposi, der verloofden.
agli sposi, den verloofden.
gli sposi, de verloofden.
Enkelvoud.
lo sposo, de verloofde.
dello sposo, des verloofden.
allo sposo, den verloofde.
lo sposo, den verloofde.
dallo sposo, van den verloofde, dagli sposi, van de verloofden,
1) Dit laatste voor den ablatief, eenen naamval, die zeer
wezenlijk van deu genetief te onderscheiden is. Tn het Hol-
laudsch let men niet daarop, doordien alle voorzetsels deu
accusatief regeeren; doch men zal het verschil gemakkelijk
begrijpen door één voorbeeld:
genetief: het blad van den boom (des booms) ;
ablatief: het blad valt van den boom (hier kan men niet
»des booms" zeggen.)
-ocr page 18-
6
Enkelvoud.
Meer vond.
l\'albero, de boom.
dell\' albeto, des booms.
all\' albero, den boom.
l\'albero, den boom.
daU\' albero, van den boom.
Enkelvoud.
la donna, de vrouw.
della donna, der vrouw.
alla donna, der vrouw.
la donna, de vrouw.
dal la donna, van de vrouw.
gli atberi, de boomen.
degli alberi, der boomen.
agli albeii, den boomen.
gli alberi, de boomen.
dagli alberi, van de boomen.
Meervoud.
Ie donne, de vrouwen.
delle donne, der vrouwen.
alle donne, den vrouwen.
Ie donne, de vrouweu.
dalle donne, van de vrouwen.
Meervoud.
Enkelvoud.
l\'ala, de vleugel.
rfe//\' ala, des vleugels.
«//\' a/rtj den vleugel.
l\'ala, den vleugel.
dall\' ala, van den vleugel.
Ie ale, de vleugels.
delle ale, der vleugels.
alle ale, den vleugelen.
Ie ale, de vleugels.
dalle ale, van de vleugels.
De declinatie van het onbepalend lidwoord is:
Nom. nn, uno, una, un\'.
Gen. d\'un, d\'uno, d\'una, d\'un\'.
Dal. ad un, ad uno, ad una, ad un\'.
Ace. un, uno, una, un\'.
Abl. da un, da uno, da una, da un\'.
Ook de voorzetsels in, per, su, con (in, door, op,
met) worden met het lidwoord samengetrokken, aldus:
nel (voor in il)   pel (voor per il) tul (voor su il) col (voor con il)
nei ( „ in i)    pei ( „ • per ï) mi ( „ au i) coi ( „   con i)
nello, „ in lö)                            sullo( „ su lo) collo( „   con lo)
nell\' ( „ in l)                            sull\'(„ sul\') coll\'( „   con l\')
negli{ „ in gli)                          sugli{ „ sugli) cogli( „  con gli)
nclla{ „ in la)                           sulla( „ su la) colla{ „  con la)
nelle ( „ in Ie)                            sulle( „ su Ie) colle ( „  con Ie)
De vorming van het meervoud der substan-
tieven geschiedt als volgt:
-ocr page 19-
7
De mannelijke woorden veranderen hunne eind-
vocaal in het meervoud in i, de vrouwelijke in e.
De in het enkelvoud op eene e uitgaande woorden
veranderen die e (bij beide ges lach ten) voor het
meervoud in eene i.
Onveranderd blijven alle woorden, die den klemtoon
op de laatste lettergreep hebben (b. v. alle woorden
die op u uitgaan), alle eenlettergrepige woorden, en
alle woorden met een der uitgangen i, u, ie [Uit-
zondering: la moglie, de vrouw; meervoud: Ie
moffli.]
De uitgangen cio, gio, cia en gia veranderen in ei,
gi, ce
en ge, b.v.: il bacio, de kus; meervoud:
i boei.
De op co en go uitgaande tweelettergrepige woorden
hebben in het• meervoud chi en ghi, b.v : il logo,
het meer; i laghi , de meren. Uitgezonderd zijn jtwco
en greco, die in het meervoud porci en greci zyn.
De op co en go uitgaande meerlettergrepige woorden
nemen in het meervoud deels ei en gi aan, deels
chi en ghi, b.v. :
il nemico , de vijand; i nemici , de vyanden;
il Tedesco, de Duitscherj i Tedeschi, de Duit-
schers.
De op ca of ga uitgaande vrouwelijke substantie-
ven , in het meervoud die a in e veranderende volgens
den algemeenen regel, nemen dan echter vóór die e
eene h in hunnen uitgang op, zoodat alle dergelijke
woorden in het meervoud uitgaan op che of ghe.
De op cia en gia uitgaande woorden hebben in het
meervoud ce en ge, b.v.:
la caccia, de jacht; Ie cacce, de jachten.
Geheel onregelmatig in hunne meervoud-
vorming zijn de volgende:
-ocr page 20-
8
il bue, de os;            meervoud: i buoi.
Vuomo,
de mensch ;
          „          gli uomini.
Dio, God;                        „          gli Dei.
l\'uovo, het ei;                   „          Ie uova.
Bijvoeglijke naamwoorden of adjectieven.
De adjectieven regelen zich in geslacht en getal
naar het substantief, waarbij ze behooren. Ze gaan
uit op o of e. De op o uitgaande zyn mannelijk, en
veranderen voor het vrouwelijk geslacht die o in a.
De op e uitgaande dienen onveranderd voor beide
geslachten. In het meervoud verandert de o in *.
De adjectieven bello (= schoon), buono (z= goed),
grande (= groot) en santo (r= heilig), en ook het
voornaamwoord quello, verliezen hunne eindlettergreep
voor mannelijke substantieven die met eene consonant
aanvangen (maar niet vóór de s impura, zie blz. 4),
b.v.: il bel paese, het schoone land; il buon Dio, de
goede God; il gran cavallo, het groote paard; San
Paolo
, de heilige Paulus.
Grande kan ook vóór vrouwelijke substantieven
verkort worden.
Vóór eene vocaal staan de drie genoemde adjectie-
ven geapostrofeerd, b.v.: bell\' occhio (= schoon oog).
De adjectieven kunnen voor of achter het substan-
tief staan. Deelwoorden, die als adjectieven gebruikt
worden, staan altijd achter het substantief; zoo ook
de adjectieven, die kleur en gedaante aanduiden,
en die, welke van eigennamen afgeleid zijn, b.v.:
un gentiluomo francese.
-ocr page 21-
9
Trappen van vergelijking.
De trappen van vergelijking worden gevormd door
vóór het adjectief te plaatsen piu (= meer) of il piu
(= meest), vrouwelijk la piu, b.v.:
abile, bekwaam;
pin, abile, bekwamer;
il piu abile, de bekwaamste.
Onregelmatig vormen hunne trappen van ver-
gelijking de volgende:
Stellende Vergrootende
trap.                   trap.            Overtreffende trap.
buono, goed; migliore, beter; il migliore, de beste
(oltimo, zeer goed)
catlivo, slecht; peggiore, slechter; il peggiore, de slechtste
(erg)                   (erger;                           (de ergste)
(pessimo, zeer slecht,
zeer erg)
grande, groot; maggiore,grooter; il maggiore, de grootste
(ouder)          (massimo, zeer groot)
piccolo, klein; minore, kleiner; il minore, de kleinste
(jonger) (menomo of minimo, zeer
klein).
bene (= goed) heeft den vergrootenden trap me-
fflioj
— male (= slecht) heeikpeggio; — molto[z^ veel)
heeft piu; — poco (= weinig) heeft meno. — Om den
(volstrekten) vergrootenden trap te vormen bedient
men zich van den uitgang issimo, b.v.: caro (=r dier-
baar) , carissimo; célebre (= beroemd) en salubre
(= gezond) hebben den uitgang errimo: celeberrimo,
saluberrimo.
Ons „dan" bjj de vergrooting wordt uitgedrukt
door c/ie of door di, b.v.: egli è piu grande di me,
hij is grooter dan ik (ben); suo fratello è piu cordiale
di sua sorella,
zjjn broeder is hartelijker dan zijne
-ocr page 22-
10
zuster; la casa è piu larga die lunga, het huis is
breeder dan (het) lang (is).
Vergrootings- en verkleinings vo rmen.
(Accrescitivi en Diminutivi).
Er zijn woorden, die in de afleiding menigmaal hunne
beteekenis veranderen, en die uit dien hoofde nomi
alterati
(= veranderde woorden) genoemd worden.
Er zijn drie soorten van nomi alterati, namelijk:
Accrescitivi, vergrootende,
Peggiorativi, verergerende,
en Diminutivi, verkleinende.
De accrescitivi duiden eene vergrooting aan, en heb-
ben den uitgang one, b.v.: cavallo, paard; cavallone,
groot paard. Zelfs vrouwelijke substantieven worden
op die wijze vergroot, en veranderen daardoor tevens
van geslacht, b.v.: (vrouwelijk) una donna (= eene
vrouw), (mannelijk) un donnone (— eene groote vrouw).
Men kan de vergrooting echter ook in den vrouwe-
lyken vorm (met den uitgang a) aanwenden, b.v.:
una donnona.
De peggiorativi drukken verlaging of minachting uit,
en eindigen op accio , azzo, astro, aglia, ame, urne,
b.v.: asino, ezel; asinaccio, domme ezel; —popoio,
volk; popolazzo, gemeen volk; — medico, geneesheer;
medicaslro, lapzalver; — plebe, volk; plebaglia, ge-
spuis; — gente, lieden; gentame, gespuis; — sudicio,
vuil; sudiciume, drek. N.B. De hierboven genoemde
aglia, ame en urne zijn ook uitgangen van verzamel-
woorden (collectieven) zonder minachtende betee-
kenis, b.v.: fogliame (z= bladerdos, gebladerte; loof),
het collectief van foglia (= blad).
-ocr page 23-
11
De diminutivi dienen om eene verkleining uit te
drukken, en zij splitsen zich in twee soorten, name"
ljjk: dispreggiativi (verachtende) en vezzeggiativi (lief-
koozende), al naar gelang hoe ze gebruikt worden.
De meest voorkomende uitgangen zijn ello, etto,inot
iccino, iccio, uolo
, b.v.: prato, weiland; praticello,
weilandje; — mazzo, ruiker; mazzttto, ruikertje; —
padrone, meester; padroncino, jonge meester; —libro,
boek; libriccino, boekje; — carro, wagen; carroccio,
wagentje; — cana, hond; cagnuolo, hondje.
Voornaamwoorden.
De pronomi (voornaamwoorden) worden in vier klas»
sen ingedeeld, namelijk: personali (persoonlijke), pos\'
sessivi
(bezittelyke), dimodrativi (aanwijzende) en
relativi (betrekkelyke).
Pronomi personali.
De persoonlijke voornaamwoorden splitsen zich in
zelfstandige (assoluti), die alleenstaande zonder
werkwoord gebruikt worden, en niet-zelfstandige
(affissi), die slechts in den datief en accusatief en
enkel in verband met een werkwoord worden gebezigd.^
In de onderstaande verbuigingen zijn de pronomi
affissi
tusschen haakjes geplaatst.
Verbuiging van het v o o r n a am w o o r d „io".
Enkelvoud.
                          Meervoud.
«>. ik                                    noi, wij
di me, van mij                       di noi, van ons
« me, (mi) aan mij                 a noi, (ei) aan ons
me, (mi) mij                          noi, (ei) ons
da, per, con me, van mij, da, per, con noi, van ons,
voor mij, met mij.                   voor ons, met ons.
-ocr page 24-
12
Verbuiging van he \'
Enkelvond.
t voornaamwoord
Meervoud.
„tu".
*u, gij
di te, van u
a te, (ti) aan u
ie, (ti) u
da, per, co/t te, van n,
voor u, met u.
voi, gij
di voi, van u
a voi, (ui) aan u
voi, (vi) u
da, per, con voi, van u
, voor n,
met u.
Verbuiging van het
Enkelvoud.
voornaamwoord
Meervoud.
„egli".
.egli, ei, e\', hij
di lui, van hem
a lui, (o/i) aan hem
lui, il, (/o) hem
da, per, con lui, van hem,
voor hem, met hem.
eg/ino, zij
di loro, van hen
a loro, (loro) aan hen
loro, (li, ff/i) hen
da, per, con loro, van hen,
voor hen, met hen.
Aan het voornaamwoord gli voegt men menigmaal
li, lo, la of Ie toe; om in dat geval de \\velluidend-
heid te herstellen, zet men tusschen het voornaam-
woord gli en de woordjes li, lo, la of Ie eenee, en
vormt zoodoende glieli, glielo, gliela, glele.
Verbuiging van   het voornaamwoord „ella".
Enkelvoud.                         Meervoud.
ella, zij                                 el/e, elleno, zij
di lei, van haar                     di loro, van haar
a lei, (Ie) aan haar                a loro, (loro) aan haar
lei, (la) haar                         loro, (Ie) haar
da, per, con /ei, van haar, da, per, con /oro, van haar,
door haar, met  haar. door haar, met haar.
Verbuiging van het voornaamwoord „se".
Enkel en Meervoud.
se, zich.
di se, van zich.
a se, (si) aan zich.
se, (si) zich.
da, per, con se, van, voor, met zich.
-ocr page 25-
13
Wat de persoonlijke voornaamwoorden mi, me, ti,
te, si, se, ei, ce, vi, ve
betreft, moeten de volgende
regelen in acht genomen worden:
1)    Al deze woorden worden in den alledaagschen
spreektrant voor het werkwoord geplaatst; ze kun-
nen echter ook achter het werkwoord geplaatst
worden, en in het laatste geval worden zij aan het
werkwoord vastgehecht.
2)   Staat in het laatste geval het werkwoord, waar-
mede het voornaamwoord verbonden wordt, in de on-
bepaalde wijs, dan wordt de eind-« van bet werkwoord
weggeworpen. Deze regel geldt ook , wanneer een der
woordjes ne, lo, la aan de onbepaalde wijs wordt
vastgehecht.
3)  Vóór de voornaamwoorden ne, lo, la zet men
niet mi, ti, si, ei, vi, maar me, te, se, ce, ve.
4)   Met de persoonlijke voornaamwoorden me, te, se
kan men ook het voorzetsel con (r^met) verbinden,
als men de n daarvan weglaat; zoodoende vormt men
dan de woorden meco, teco, seco.
Het Hollandsche „«" (de gebruikelijke uitdrukking
in plaats van „gij") wordt in het Italiaansch uitge-
drukt of door voi met den 2en persoon meervoud, of
door Èlla met den 3e° persoon enkelvoud vrouwelijk.
In het toespreken met voi regelt zich het deelwoord
of adjectief naar het geslacht en getal der toegespro»
kene personen, b.v.: voi siete amato of amati, amata,
amate.
De meer wellevende vorm van toespreken is Ella-
(zie de verbuiging op blz. 12) waaronder Vostra
Signoria
(verkort Vosignoria) verstaan wordt, b.v.:
u is zeer vriendelijk, Ella è affabilissima.
ik verzoek u, La prego.
-ocr page 26-
14
Pronomi possemvi.
Enkelvoud.
il tuo, uw
la tua, uwe
t7 vostro, uw
fa vost ra , uwe.
Meervoud.
i faoi, uwe
Ie tue, uwe
j vostri, uwe
fa vostre, uwe.
il mïo, mijn
fa mia, mijne
il nostro, onze
la nostra, onze.
27 $«o, zijn
fa .v««, zijne
il loro, hun
fa far<», hunne.
i miei, mijne
Ie mie, mijue
i nostri, onze
Ie nostre, onze.
i .itioi, zijne
fa site, zijne
! /oro, hunne
Ie loro, hunne.
De naamvallen van deze voornaamwoorden worden
gevormd met behulp van het lidwoord.
Pronomi dimodrativi.
De Pronomi dimoslrativi zijn: Egli hg , desso dezelve,
questi (cotesti) deze, quegli gene, cotedui (codui) die,
ognuno ieder, chiunque [chicchema) een ieder, wie ook,
checcliessia een elk, wat ook, altri een ander, altrui
van een ander, aan een ander, qualcheduno iemand.
Ze staan altijd onafhankelijk in den volzin.
Pronomi relativi.
De Pronomi relativi zijn: che en il quale, welke.
11 quale verandert naar gelang van geslacht en getal
(enk.: il quale; mrv.: i quali.) Che wordt verbogen
als volgt: che, di cui, a cui, cui of che, da cui. Che
blijft voor beide getallen en geslachten onveranderd.
-ocr page 27-
15
Werkwoorden.
Er zijn drie conjugatiën.
De eerste eindigt op are.
De tweede „
        „ ere.
De derde „ „ ire.
N.B. De werkwoorden essere (= zijn) en avere
(= hebben) hebben hunne eigene vervoeging, die
wij hier allereerst laten volgen.
Essere, zjjn.
Indicalivo.
Presente.              Imperfetto. Passato remoto.
io sono, ik beu         io era, ik was          io fui, ik was
tu sei, gij zijt          tu eri, gij waart tu fosti, gij waart
egli è, hij is            egli era, hij was egli fit, hij was
noi siamo, wy zijn noieravamo,vfij waren noi fummo, wij waren
voi siete, gij zijt voi eravate, gij waart voifosle, gij waart
eglino sono, zij zijn. eglinoerano zij waren. «y/i»o/»roBO,zijwaren.
Passato pros-         Trapassato Trapassato pros-
sim o.                     remoto.                     simo.
io sono stato, ik ben  io fui stato, ik was io era stato, ik was
geweest                     geweest                     geweest
tu sei stato, gij zijt  tu fosti stato, gij tu eri stato, gij waart
geweest                     waart geweest           geweest
egli e stato, hij is  eglifu stato, hij was egli era stato, hy was
geweest                      geweest                     geweest
noi siamo stiti, wij  noi fummo stali, wij noi eravaxio stali, wij
zijn geweest              waren geweest.          waren geweest
voi siete stati, gij  voi foste stati, gij voi eravate stati, gij
zijt geweest               waart geweest           waart geweest
eglino sono stati, zij  eglino furono stati, eglino erano stati, zij
zijn geweest.              zij waren geweest. waren geweest.
-ocr page 28-
16
Futuro anteriore.
Futuro.
io sarb, ik zal zijn
In sarai, gij zult zijn
eyli sara, hij zal zijn
noi saremo, wij zullen zijn
voi sarele, gij zult zijn
io sari) stato, ik zal
tu sarai stato, gij znlt
eyli sara stato, hij zal
noi saremo stati, wij zullen/
voi sarele stati, gij zult lé3:
eylino saranno, zij zullen zijn. eylino saranno stati, zij zullen]
Congiuntivo.
Presente.
lm perfet to.
che  io sia, dat ik zij
che  tu sii, dat gij zijt
che  eyli sia, dat hij zij
che  noi siamo, dat wij zijn
che  voi siate, dat gij zijt
che io Jossi, dat ik ware
che tufossi, dat gij waret
che eyli josse, dat hij ware
che noi Jossimo, dat wij waren
che voi foste, dat gij waret
che eylino siano, dat zij zijn. che eylino J\'ossero, dat zij waren.
Fassato.
che io sia stato, dat ik ge-
weest zij
che tu sii stato, dat gij ge-
weest zijt
che eyli sia stato, dat hij ge-
weest zij
che noi siamo stati, dat wij ge-
wei\'st zijn
che voi siate stati, dat gij ge-
weest zijt
che eylino siano stati, dat zij ge-
weest zijn.
Trapassato.
che io jossi stato, dat ik geweest
ware
che tu Jossi stato, dat gij geweest
waret
che eyli Josse stato, dat hij ge-
weest ware
che noi Jossimo stati, dat wij ge-
weest waren
che voi J\'oste stati, dat gij ge-
weest waret
che eylino fossero stati, dat zij
geweest waren.
Imperativo.
siamo noi, laat ons zijn
siate voi, weest
siano eylino, zij moeten zijn.
sii tu, wees
«on essere, wees niet
sia egli, hij zij.
-ocr page 29-
17
Condizionale.
io sarei, ik zou zijn                 io sarei statu, ik zon          jcrg
tu saresti, gij zoudt zijn .     tu saresti stato, gij zoudt j%
egli sarebbe, hij zou zijn          egli sarebbe stato, hij zou f g
noi saremmo, wij zouden zijn   noisaremmo stati, wij zouden/
j.\'0! sareste, gij zoudt zijn         »u/ sareste stati, gij zoudt !•=:
egliao sarebbero, zij zouden zijn.  eglino sarebbero «lalezijzouden) •
I n f i n i t i v o.
Essere stato, geweest zijn.
Participium.
Stato, geweest.
Gerundium.
Essendo stato, geweest zijnde.
Essere, zijn.
Essente, zijnde.
Essendo, zijnde.
Avere, hebben.
lndicativo.
Imperfetto.
io aveva, ik had
tu avevi, gij hadt
egli aveva, hij had
noi avevamo,M«y had-
den
voi avevate, gij hadt
eglino avevano, zij
hadden.
Trapassato
remoto.
Passato remoto.
io ebbi, ik had
tu avesti, gij hadt
egli ebbe, hij had
noi avemmo, wij had-
den
voi aveste, gij hadt
eglino ebbero, zij had-
den.
Trapassato
prossimo.
io aveva avuto, ik had
Presente.
io ho, ik heb
tn hai, ^j/\' hebt
.egli ha, %\' Aft?/?
noi abbiamo, wij heb-
ben
voi avete, gij hebt
eglino hanno.zj; Aei-
Passato pros-
simo.
io ho avuto, ik heb ioebbi avuto, ik had
gehad
tu hai avuto, gij hebt
gehad
egli ha avuto, hij
heeft gehad
noi abbiamo avuto,
toij hebben gehad
tu avesti avuto, gij  tu avevi avuto, gig
hadt gehad                hadt gehad
egli ebbe avuto, hij  egli aveva ^avuto, hij
had gehad                 had gehad
noi avemmo avuto,  noi avevamo avuto
wij hadden gehad      wij hadden gehad
2
-ocr page 30-
18
voi avete avuto, gij voi aveste avuto, gij voi avevate avuto, i/ij
hebt gehad
                kadi gehad               hadt gehad.
eglino hanno avuto, eglino ebbero avuto, eglino avevauo avuto,
zij hebben gehad. zij hadden gehad. zij hadden gehad.
Futuro.                        Futuro anteriore.
io avro avuto, ik zal
tu avrai avuto, gij zult
\'
5. egli avra avuto, hij zal
noi avremo avuto, wij zullen
voi avrete avuto, gij zult
eglino avranno avuto, zij zullen] i
io avro, ik zal
tu avrai, gij zult
egli avrit, hij zal
noi avremo, wij zullen
voi avrete, gij zult
eglino avranno, zij zullen
Congiuntivo.
Presente.
                                  Imperfetto.
che io abbia, dat ik hebbe       che io avessi, dat ik kuilde
che tu abbia, dat gij hebbet    che tu avessi, dat gij haddet
che egli abbia, dat hij hebbe   che egli avesse, dat hij hadde
che Doi abbiamo, dat wij hebben  che noi avessiino, dat wij hadden
che voi abbiate, dat gij hebbet   che voi aveste, dat gij haddet
che eglino &Vb\\imo,dat zij hebben  che eglino aveseero,dat zij hadden
Passato.                                     Trapassato,
che io abbia avuto, dat ik che io avessi avuto, dat ik ge-
gehad hebbe                              hdU hadde
che tu abbia avuto, dat gij che tu avessi avuto, dat gij
gehad hebbet                             gehad haddet
che egli abbia avuto, dal hij che egli avesse avuto, dat hij
gehad hebbe                                gehad hadde
che noi abbiamo avuto, dat wij che noi avessiino avuto, dal wij
gehad hebben                            gehad hadden
che voi abbiate avuto, dat gij che voi aveste avuto, dat gij
gehad hebbet                            gehad haddet
che eglino abbiano avuto, dat che eglino avessero avuto, dat
zij gehad hebben,                      zij gehad hadden.
Imperativo.
abbiamo noi, laat ons hebben
abbiate voi, hebt
abbiano eglino, zij moeten hebben.
abbi tu, heb
non avere, heb niet
abbia egli, hij hebbe
-ocr page 31-
19
Condizionale.
io avrei, ik zou hebben            io avrei avuto, ikjiou
tu avresti, gij zoudt hebben     tu avresti avuto, gij zoudt
egli avrebbe, hij zou hebben    egli avrebbe avuto, hij zou
noi avremino, wij zouden hebben  noi avremino avuto,»// zouden)
voi avreste, gij zoudt hebben   voi avreste avuto, gij zoudA
eglino avrebbero, zij zouden  eglino avrebbero avuto, -;7l ï
hebben.
                                       zouden
InfinUivo.
Avere, hebben.
Avente, hebbende.
Avendo, hebbende.
avere avuto, gehad hebben.
Participium.
Avuto, gehad.
Gerundium.
Avendo avuto, gehad hebbende.
Overzicht der regelmatige werkwoorden.
I. Conjugatie.
lndicativo.
Imperfetto.
cantava, ik zong
cantavi, gij zongt
cantava, hij zong
cantavamo, wij zongen
cantavate, gij zongt
cantavano, zij zongen.
Passato prossimo.
ho cantato, ik heb
hai cantato, gij hebt
ha cantato, hij heeft
abbiamo cantato, wij hebben[
avete cantato, gij hebt
banno cantato, zij hebben
2*
Presente.
io canto, ik zing
tu canti, gij zingt
egli canta, /;/\';\' zingt
noi cantiamo, ie ij zingen
voi cantate, gij zingt
eglino cantano, zij zingen.
Passato remoto.
cantai, ik zong
cantasti, gij zongt
canto, hij song
cantaramo, wij zongen
cantaste, gij zongt
cantarono, zij zongen.
-ocr page 32-
20
Futuro.                               Condizionale.
canterü, ik zal zingen              canterei, ik zou zingen
canterai, gij zult zingen           canteresti, gij zoudt zingen
cantera, hij zal zingen             canterebbe, hij zou zingen
canteremo, wij zullen zingen canteremino, wij zonden zingen
canterete, gij zult zingen
          cantereste, gij zoudt zingen
canteranno, zij zullen zingen, canterebbero, zij zouden zingen.
Imperativo.                                Soggiuntivo.
non cantare, zing niet              che io canti, dat ik zinge
eanta, zing                                che tu canti, dat gij zinget
canti, dat hij zinge                  che egli canti, dat hij zinge
cantiamo, laat ons zingen        che noi csuilitmio, dal wij tingen
cantate, zingt                            che voi cantiate, dat gij zinget
cantino, zij moeten zingen.        che eglino cantino, dat zij zingen.
Imperfetto Soggiuntivo.                    Infinitivo.
che io cantassi, dat ik zonge Presente: cantare, zingen
che tu cantassi, dat gij zonget Passato: aver ciintato, gezongen
che egli cantasse, dat hij zonge hebben
che noi cantassiino, dat wij zon- Gerund.: cantando, zingende
gen                                        Partic. pass.: cant&io, gezongen
che voi cantaste, dat gij\'zonget G. pass.: avendo cantato, ge-
che eglino cantassero, dat zij zongen hebbende.
zongen.
Het verleden deelwoord van die werkwoorden, welker
onbepaalde wys op are eindigt, wordt menigmaal sa-
mengetrokken (verkort), zooals in de volgende voor-
beelden : aoconcio, toebereid, getooid ; adorno, getooid,
versierd; avvezzo, gewend; casso, ontbloot, beroofd;
eompro, gekocht; domo, getemd; fermo, gesloten;
ffuasto, bedorven; ingombro, versperd; lacero, ver-
echeurd; logoro, versleten; macero, geweekt; móstro,
getoond; mozzo, afgehouwen; netto, gereinigd; pesto,
gestooten; privo, beroofd; racconcio, gelapt; rifermo,
-ocr page 33-
21
bevestigd ; salvo, gered; sado, \'verzadigd; scemo, ver>
kleind ; sqombro, geruimd; spoglio, uitgekleed , geplun-
derd ; tocco, aangeraakt; tronco, afgesneden = troncato,
toccato, spoffliato , sgomberato, scemato, saziato, salvato,
etc.) Bestaat er echter gevaar voor verwarring van
begrippen, dan doet men beter die samentrekking van
het deelwoord niet aan te wenden, b. v.: ^««(samen-
trekking van dettato, gedicteerd) is ook het verleden
deelwoord van dire of dicere, en beteekent alsdan
„gezegd".
II. Conjugatie.
Indicalivo.
Imperfetto.
temeva, ik vreesde
teinevi, gij vreesdet
temeva, hij vreesde
tuut\'vuiiio, wij vreesden
temevate, gij vreesdet
temevano, zij vreesden.
1\'assato prossimo.
ho temuto, ik heb
hai temuto, gij hebt
Presente.
io temo, ik vrees
tu temi, gij vreest
egli terne, hij vreest
noi temiamo, wij vreezen
voi temete, gij vreest
eglino temono, zij vreezen.
Pnssato remoto.
temei, temetti, ik vreesde
temesti, gij vreesdet
temè, temette, hij vreesde
tememmo, wij vreesden
temeste, gij vreesdet
ha temuto, hij heeft
3
abbiamo temuto, wij hebben\\ <!
avete temuto, gij hebt
temerono,temettero,s:/)\'»rw«(feM hanno temuto, zij hebben
Condizionale.
Futuro.
temerö, ik zal vreezen              temerei, ik zou vreezen
temerai, gij zult vreezen           temeresti, gij zoudt vreezen
temera, hij zal vreezen            temerebbe, hij zou vreezen
temeremo, wij zullen vreezen temeremmo, wij zouden vreezen
temerete, gij zult vreezen temereste, gij zoudt vreezen
temeranno, zij zullen vreezen, temerebbero, zij zouden vreezen.
-ocr page 34-
Soggiunlivo.
che io tema, dat ik vreeze
che tu tema, dat gij vreezet
che egli tema, dat hij vreeze
che noi temiamo, dat wij vreezen
che voi temiate, dal pij vreezet
Imperativo.
non temere, vreet niet
temi, vrees
tema, ^7?\' vreeze
temiamo, laat ons vreezen
temete, vreest
temano, zij moeten vreezen. cheeglinotemano, dat zij vreezen
Imperfetto Soggiuntivo.
Infinitivo.
Presente: temere, vreezen
Passato: aver temuto, gevreesd
hebben
Gerund: temendo, vreezende
Partic. pass.: temuto, gevreesd
G. pass.: avendo temuto,gevreesd
hebbende.
che io temessi, dat ik vreesde
che tu temessi, dat gij vreesdet
che egli temesse, dat hij vreesde
che noi temessimo, dat wij
vreesden.
che voi temeste, dat gij vreesdet
che eglino temessero, dat zij
vreesden.
III. Conjugatie.
Indicativo.
Presente.
io colpisco, ik sla
tu colpisci, gij slaat
egli colpisce, hij slaat
noi colpiamo, wij slaan
voi colpite, gij slaat
eglino colpiscono, zij slaan.
Passato remoto,
colpii, ik sloeg
colpisti, gij sloegt
colpi, hij sloeg
colpimmo, mij sloegen
colpiste, gij sloegt
colpirono, zij sloegen.
Imperfetto.
colpiva, ik sloeg
colpivi, gij sloegt
colpiva, //.;;\' sloeg
colpivamo, wij sloegen
colpivate, gij sloegt
colpivano, zij sloegen.
Passato prossimo.
ho colpito, ik heb
hai colpito, gij hebt
ha colpito, hij heeft            yjj"
abbiamo colpito, wij hebbent
avete colpito, gij hebt
hanno colpito, zij hebben
-ocr page 35-
23
Futuro.
colpirö, ik zal slaan
colpirai, gij zult slaan
colpira, hij zal slaan
• colpiremo, wij zullen slaan
colpirete, gij zult slaan
colpiranno, zij zullen slaan.
Condizionale.
colpirei, ik zou slaan
colpiresti, gij zoudl slaan
colpirebbe, hij zou slaan
colpiremmo, wij zouden slaan
colpireste, gij zoudt slaan
colpirebbero, zij zouden slaan.
Lnperativo.
non colpire, sla niet
colpisci, sla
colpisca, hij sla
colpiamo, laat ons slaan
colpite, slaat
colpiscano, .:;\'/ moeten slaan.
Soggiunlivo.
che io colpisca, dat ik sla
che tu colpisca, dat gij slaat
che egli colpisca, dat hij sla
che noi colpiamo, dal wij slaan
che voi colpiate, dat gij slaat
che eglino colpiscano, dat zij slaan.
lmperfetto Soggiuntivo.
che io colpiesi, dat ik sloege Presente: colpire, slaan
che tu colpissi, dat gij sloeget Passato.: aver colpito, geslagen
che egli colpisse, dat hij sloege hebben
che noi colpissimo, dat wij Gerund.: colpendo, slaande
sloegen                                   Part. pass.: colpito, geslagen
che voi colpiste, dat gij sloeget G. pass.: avendo colpito, getla-
che eglino colpissero, dat zij gen hebbende,
sloegen.
De lijdende vorm wordt door het hulpwerkwoord
essere met het verleden deelwoord gevormd, b. v.:
sono colpito
fui colpito
sono stato colpito
saro colpito
ch\'io sia colpito.
ik word geslagen
ik werd geslagen
ik ben geslagen geworden
ik zal geslagen worden
dat ik geslagen worde, enz.
Men onthoude, dat de werkwoorden aver bteogno
(noodig hebben) en abusare (misbruiken) den genetief
-ocr page 36-
24
regeeren; domandare en chiedere (vragen) hebben hun
voorwerp in den accusatief, doch de persoon aan wien ge-
vraagd wordt staat in den datief; consigliare (raad geven),
imitare(navolgen), ajutare(helpen), ringraziare (danken),
servire (dienen), seguire (volgen), minacciare (dreigen),
incontrare (ontmoeten) , regeeren den accusatief.
Alleen met het hulpwerkwoord avere worden ge-
conjugeerd: camminare, digiunare, fremere, geslire,
gioire, godere
, gongolare, gridare, parlare, passeggiare,
ridere
, raizolare, sbadigliare, tacere, urlare; zoo ook
abbajare, belare, en alle werkwoorden, die het
schreeuwen van dieren uitdrukken.
Met eisere worden geconjugeerd: andare, apparire,
arrivare, cadere, crescere, discendere, divenire
, entrare,
fuggire, giaaere, morire, nascere, partire
, passare,
perire, reslare, rimanere
, sorgere, venire, uscire etc.
NB. discendere en passare worden ook wel met avere
vervoegd, als wanneer ze een vierden naamval als
vol\'zins-voorwerp bij zich hebben.
Lijst der onregelmatige werkwoorden.
I. Conjugatie.
T , _          Passato         _ ..
Ind. Pres.                         Parti
remoto.
vado (vo). andai.            andato.
do.           diedi             dato.
fo(faccio). feci.              fatto.
sto.          stetti.            stato.
Infinitivo.
Andare, gaan.
Dare, geven.
Fare, maken.
Stare, staan.
-ocr page 37-
25
II. Conjugatie.
Infinitivo. ]
nd. Pres,
Passato
remoto.
Partic.
Accendere, aansteken.
accendo.
accesi.
acceso.
Addurre, bijbrengen.
adduco.
addussi.
addotto.
Aflliggere, bedroeven.
sffligo.
iiillissi.
afflitto.
Alludere, zinspelen.
alludo.
allusi.
allusa.
Ardere, branden.
ardo.
arsi.
arso.
Arridere, aanlachen.
arrido.
arrisi.
arriso.
Aspergere, besproeien.
aspergo.
aspersi.
asperso.
Assolvere, bevrijden,
assolvo.
assolsi.
aSSOltO, 3330-
beëindigen.
luto.
Assumere, ondernemen.
assumo.
assunsi.
assunto.
Attendere, verioachten.
attendo.
attcsi.
atteso.
Bere, bevere, drinken.
bevo.
bevvi, bevei
. bevuto.
Cadere, vallen.
cado.
caddi.
caduto.
Cedere 1), wijken.
cedo.
cedei.
ceduto.
Chiedere, vragen.
cbiedo.
chiesi.
chiesto.
Chiudere, sluiten.
chiudo.
chiusi.
chiuso.
Cingere, omgorden.
cingo.
cinsi.
cinto.
Cogliere, plukken.
colgo.
colsi.
colto.
Comprimere, samendruk
\' comprimo.com pressi.
compresso.
ken.
Condurre, leiden.
conduco.
condussi.
condotto.
Conoscere, kennen.
cenosco.
conobbi.
conoscioto.
Confoudere, verwisselen.
, confondo.
confusi.
confuso.
Correre, loopen.
corro.
corsi.
corso.
Crescere, groeien.
cresco.
crebbi.
cresciüto.
Cuocere, koken
cuoco 2).
cossi.
cotto.
Decidere, beslissen.
decido.
decisi.
deciso.
Difendere, verdedigen.
difendo.
difesi.
difeso.
Discutere, bespreken.
discuto.
discussi.
discusso.
DisliBgaertondersclteiden distingao.
dist insi.
distinto.
Dividere, deelen.
divido.
divisi.
diviso.
Elidere, weglaten.
elido.
elisi.
eliso.
Erigere, oprichten.
erigo.
eressi.
eretto.
1)   Cedere gaat ook regelmatig.
2)  In plaats van cuoco boort men veelrnldiger modo.
-ocr page 38-
ld. Pres.
1\'ussato
remoto.
Partic,
esigo.
esigei.
esatto.
esprimo.
espressi.
espresso.
l\'silllO.
esimei.
esento.
estinguo.
estinsi.
estinto.
evado.
evasi.
evaso.
lingo.
fmai.
tinto.
frango.
fransi.
franto.
friggo.
frissi.
fritto.
giaccio.
giacqui.
giaciuto.
giungo.
giunsi.
ginnto.
imraergo.
iinmersi.
immerso.
iiivado.
invasi.
invaso.
induco.
indussi.
indotto.
intrido.
intrisi.
intriso.
ledo.
lesi.
leso.
leggo.
lessi.
letto.
mantengo
. mantenni.
niiiiitenuto,
meson.
me8cei.
mistci.
metto.
misi 2).
messo.
mordo.
morsi.
mórso.
muovo.
mussi.
mosso.
mungo.
iniinsi.
ïimiild.
nascondo.
nascosi.
nascosto.
nnoco .\'()
nocqui.
nociuto.
offendo.
offesi.
offeso.
opprimo.
oppressi.
oppresso.
percuoto.
percossi.
percosso.
persuado.
persuasi.
persnaso.
piaccio.
piacqui.
piaciuto.
piango.
piansi.
pianto.
porgo.
porsi.
porto.
Infinitivo.          Ii
Esigere, vorderen,eischen.
Esprimere, uitdrukken,
Esimere, bevrijden,
Estinguerc, uilb/usschen.
Evadere, ontgaan.
Eingere, verdichten.
Frangere, breken.
Eriggere, braden.
Giacere, werpen.
Giugnere, bereiken.
Immergere, indoopen.
Invadere, invallen.
Indurre, invoeren
Intridere, kneden.
Ledere, kwetsen.
Leggere, lezen.
Mantenere, onderhouden.
Mescere 1), mengen.
Mettere, zetten.
Mordere, bijten.
Muovere, bewegen.
Mungere, melken.
Nascondere, verbergen.
Nuocere, schaden.
Offeudere, beleedigen.
Opj>rimere,onderdrukken.
Percuotere, slaan.
Persuadere, overtuigen.
Piacere, beval/en.
Piangcre, weenen.
Porgere, toereiken.
1)   Dikwijls beteekent mescere „gieten", en alsdan is het
verl. deelwoord mesciuto.
2)  In plaats van misi zegt men ook messi.
3)  In plaats van nuoco is veel meer in gebruik de vorm
nuoccio of noccio.
-ocr page 39-
27
Fassato
re mol o.
Partic.
Infinitivo.
Ind. Pres.
pinto.
protetto.
preso.
punto.
raso.
raccolto.
redento,
retto.
reso.
riso.
ridotto.
risposto.
roso.
rotto.
sceso.
scritta.
sciolto.
scosso.
soppresso.
sorto.
sospeso.
sparso.
spento.
spinto.
stretto.
strutto.
taciuto.
teso.
tinto.
terso.
torto.
trafitto.
tolto.
ucciso.
nnto.
Pingere, schilderen.         pingo.        pinsi.
Proteggere, beschutten,    proteggo.   protessi.
Prendere, nemen.              prendo.      presi
Pungere, steken.              pungo.       punsi.
Radere, scheren.               rado.         rasi.
Raccogliere, opnemen.      raccolgo.    raccolsi,
Redimere, loskoopen, be-  redimo.     redensi.
vrijden.
Reggere, regeeren.           reggo.        ressi.
Rendere, teruggeven.        rendo.       resi.
Ridere, lachen.                rido.         risi.
Ridurre, terugbrengen,    riduco.      ridussi.
Rispondere, antwoorden,  rispondo.   risposi.
Rodere, knagen.              rodo.         rosi.
Rompere, breken.            rompo.      ruppi.
Scendere, afstijgen.         scendo.      scesi.
Scrivere, schrijven.          scrivo.       scrissi.
Sciogliere, lossen.            sciolgo.      sciolsi.
Scaotere, schudden.          scuoto.      scossi.
Sopprimere, onderdruk\'  sopprimo.  soppressi.
ken.
Sorgere, zich verheffen,   sorgo.        sorsi.
Sospendere, opschorten,    sospendo.   sospesi.
Spargere, verspreiden.      spargo.      aparsi.
Spegnere, uitblussehen.    spengo.      spensi.
Spingere, drijven.            spingo.      spinsi.
Stringere, iamentrek- stringo.     strinsi.
ken.
Struggere, smelten.          struggo.    strussi.
Tacere, zwijgen.              taccio.       tacqui.
Tendere, spannen.           tendo.       tesi.
Tingere, verven.              tingo.        tinsi.
Tergere, afmsschen.        tergo.        tersi.
Torcere, draaien.             torco.        torsi.
Trafiggere, doorboren.      trafiggo.    trafissi.
Togliere, nemen.              tolgo.        tohi.
Uccidere, dooden.            nccido.      uccisi.
Ungere, zalven.               ungo.        unsi.
-ocr page 40-
28
Infinitivo.         Ind. Pres. Passato         Partic.
remoto.
Vedere 1), zien.             vedo.           vidi.             veduto.
Vincere, overwinnen.       vinco.           vinsi.           vinto.
Vivere, leven.                 vivo.            vissi.            vissuto.
Volgere, wenden.            volgo.           volsi.            volto.
Vaste regel voor het perfectum en participium der
onregelatige werkwoorden van de tweede conjugatie,
die op ere uitgaan.
ssi en sso vormen die op utere, uotere, uovere en
imere, sooah: discutere, discussi, discusso; scuotere,
ecossi, scosso; muovere, mossi, mosso; deprimere,
depressi, depresso. Uitzondering: /iet werkwoord redi-
mere, dat redensi, redento heeft.
si en so hebben die op dere, zooals: spendere, spesi,
speso. Op dezen regel zijn nog al uitzonderingen. Wij-
der» hebben ook
si en so de werkwoorden spargere, im-
mergere, correre, en de daarmede samengestelde (zooals
cospargere, concorrere, enz) Ook het werkwoord
ergere (= oprichten), dat slechts eene samentrekking
is van
erigere.
ssi en tto vormen die, welke eindigen op eggere,
iggere, uggere, igere, ivere , uocere, zooals -. reggere,
ressi, retto; afliiggere, afflissi, afflitto; struggere, strussi,
strutto; scrivere, scrissi, scritto; dirigere, diressi,
diretto; cuocere, cossi, cotto. Uitgezonderd: vivere,
dat zijn participium vissuto of vivuto heeft, en nuocere
(part. nociuto).
1) In plaats van het deelw. veduto wordt ook zeer dikwijls
visto gebezigd. De 1" persoon Ind. pres. heet ook veggo in
plaats van vedo (de volgende personen van dien tijd: vedi, vede,
pediamo, vedete, veggono).
-ocr page 41-
29
In si en ti eindigen de op orcere, orgere, olgere,
ulgere, ogliere, angere, egnere, ingere, incere, ungere,
inguere, umere, zooals: torcere, scorgere, volgere,
indulgere, cogliere, piangere, spegnere, fingere, vin-
cere, estinguere, assumere Ze vormen torsi, torto;
scorsi, scorto; volsi, volto; indulsi, indulto; colsi,
colto; piansi, pianto, met uitzondering van stringere,
dat stretto {ook wel 9trinto) heeft.
III. Conj
ugatie.
Iiifinitivu. lm!. Pres
Passato
remoto.
Partic.
Apparire, bereiken, apparisco 1).
Aprire, openen. apro.
Coprire, bedekken. copro.
Concepire, ontvangen, concepisco.
begrijpen.
Esaurire, uitputten, esaurisco.
apparii, -ito
appiirvi 2).
aprii, npersi.
coprii, cupersi.
concepii.
esaurii.
apparso.
aperto.
. coperto.
coucepito.
concetto.
esaurito.
Istruire, onderrichten, istruisco.
Seppellire, begraven, seppellisco.
TJscire, uitgaan. esco.
istruii, -ussi.
seppellii.
uscii.
esausto.
istruito,-utto,
sepolto 3).
uscito.
Telwoorden.
1   nno, una
2  dne
6  sei
7  sette
3 tre
8 otto
4  quattro
5   cinque
9 nove
10 dieci
1)   Ook appajo in plaats van apparisco.
2)  Ook apparsi in plaats van apparvi.
3)  Ook seppellito in plaats van sepolto.
-ocr page 42-
30
11
undici
50
cinquünta
12
dódici
60
sesstinta
13
trédici
70
settsinta
14
quattórdici
80
ottanta
15
qui\'ndici
90
novanta
16
sédici
100
cento
17
diciassétte
200
duecénto, dugento
18
diciótto
300
trecento, enz.
19
diciannóve
1000
mille
20
venti
2000, 3000
duo niila, tre mila, <
21
vent\'uuo
100000
cento mila
22
ventidue, enz.
1,000,000
uu milióne
30,
81 trenta, trent\'uno.
twee, drie
dne, tre milióni
40
quaranto
Millioen.
de 1\'
il primo
de 30«
il trentesimo, trige-
de
il secoudo
simo
de
il terzo
de 40»
il quarantesimo,
de
il quarto
quadragesimo
de
il quinto
de 50«
il cinquantesimo,
de 6"
il sesto
quinquagesimo
de f
il settimo
de 60»
il sessantesimo, ses-
de 8"
1\'ottavo
sagesimo
de
il nono
de 70»
il settantesimo, set-
de 10«
il decimo
tuagesimo
de W"
1\' undecimo.
de 80e
l\'ottantesimo,ottua-
de 12«
il duodecimo
gesimo
"de 13"
il decimo terzo
de 90\'
il novantesimo, no-
de He
il decimo
quarto
nagesimo »•
de 15«
il decimo
quinto
de 100«
il centesimo
de 16«
il decimo
sesto
de 1000»
il millesimo
de 17»
il decimo
settimo
de 10000\'
il dieci-millésimo
de 18«
il decimo
ottavo
de laatste
1\'ultimo
de 19»
il decimo
nono
de voorlaat\'
il penüllimo
de 20»
il vcntesimo, vigesimo ste
de 21«
il vrntesimo primo
de toorvoor-
1\'antipenültimo.
/fe 22«
il ventesimo secondo,
enz laatste
-ocr page 43-
31
centuplo honderdvoudig
una volta eens
due volte tweemaal
tre volte driemaal, enz.
cento volte honderdmaal.
semplice enkel
doppio dubbel
triplo drievoudig
quadruplo viervoudig
quintuplo vijfvoudig
un pajo (meervoud; Ie paja) een paar
ii u;i dreinii 10 stuks
una dozzina 1 dozijn.
un centinajo (Ie centinaja) 1 centenaar, 100 stuks; un
migliajo (Ie migliaja) 1000 stós.
Aanmerking. Volgt op deze getals-substantieven een
ander substantief, dan moet daar di voorgezet worden,
b. v.: tre paja di galline, drie paar kippen; una cin-
quantina di fiorini,
50 gulden.
Het is twee, drie, vier uren vertaalt men: sono Ie
due, Ie tre, Ie quattro.
Over het Congiunzione (voegwoord).
De gebruikelijkste Italiaansche voegwoorden zijn:
e, ed, en; kw, maar; che, dat; doe, dat is, te weten;
se, indien; poichè, en giachè, dewijl, omdat, naardien,
daar; dunque, dus; percïu, derhalve; onde, vanwaar;
allora, dan; perb, dus; acciocchè, en affinchl, opdat;
ancorchè, hoewel, ofschoon; dato che, gesteld dat;
inoltre, verder, wijders; ne-ne, noch-noch; non ostante
che,
inweerwil dat; ovveru, oppure, o, oi;perchè, waarom;
toslochè, zoodra; nondimeno, niettemin; posciachè, nadat;
pure, toch, ook.
-ocr page 44-
32
Over de Awerbj (bijwoorden).
Om van een bijvoeglijk naamwoord een bijwoord
(adverb) te maken, hecht men den uitgang mente
achter aan den vrouwelijken vorm van het adjec-
tief vast, b. v.: povero wordt poveramente, arm. De
adjectieven op e veranderen de eindvocaal niet. Wanneer
vóór de e eene l of r staat, wordt de e weggeworpen,
b. v.: f edele wordt fedelmente, trouw. De gebruike-
ljjkste bijwoorden zijn:
Awerbj di tempo (bijwoorden van tijd).
oggi, heden.
domani, morgen.
jeri, gisteren.
domani l\'altro (doman l\'altró),
overmorgen.
jeri l\'altro, Valtro jeri, eer-
gisteren.
adesso, thans, nu.
allora, toen.
quando? wanneer?
mai, gïammai, ooit.
non-mai, non giammai, nooit.
poco fa, kort geleden, onlangs.
tardi, laat.
di buon ora, vroeg.
mai, nooit, nimmer.
raro, di rado, raramente, zelden.
ognora, ten allen tijde.
in avvenir?, in het vervolg.
subilo, /os/o, dadelijk.
pres/o, snel.
sempre, altijd.
repente, plotseling, eensklaps.
talora, talvolta, somwijlen.
spesso, sovenle, dikwijls.
a proposito, van pas.
Awerbj di luogo (bijwoorden van plaats).
qui, hier.
vi, ei I), lï, la, daar.
onde? d\'onde? van waar?
ove? dove? waar, waarheen?
ovunque, overal.
a destra, a dritta, rechts.
a sinistra, a manca, links.
di sopra, boven.
aiöasso, onder.
dietro, achter.
davanti, voor.
fin qui, tot hier.
sossopra, er op en er onder.
1) vi en ei komen meer voor met .de beteekenis van „hier"»
-ocr page 45-
33
Over het Interjezione (tusschenwerpsel).
Tusscheiiwerpsels, die uiting geven
aan vreugde: oh l en o f, o! — oraü, komaan; —
viva, leve! — bene, goed; —
aan smart: ah, ach; — ahi, ahimè, ach, o wee; —
aan toorn: puh, foei; — oibo, waarom niet; —
via, weg!, ga wegl
aan eenen wensch: deh, acb; — di grazia, asje-
blieft, als ik u verzoeken mag; — ilciel volesse, God
gevel —
aan verwondering: ah, he; — comemmai (of kort-
weg: che), hoe is het mogelijk!
aan goedkeuring: si, ja; ebbene, bene, mi, goed; —
bello, mooi; — ticuro, zeker; — certo (of di certo),
wel zeker;
aan ontkenning: Dio mi guardi, God beware my; —
oibo, zeer zeker niet; — tolga lddio, God verhoede!
\\
3
-ocr page 46-
VERZAMELING
WOORDEN, DIE IN HET DAGELIJKSCH LEVEN HET
MEEST TE PAS KOMEN.
(In alphabetiscko volgorde.)
de aal, 1\'anguilla.
de aalbes, il ribes, 1\'uva
spina.
de aalmoes, 1\'elemosina.
aanbevelen, raccomandare.
aanbidden, adorare.
aanbieden, oft\'erire.
het aandeelbew\'ijs, 1\'azione.
de aandeelmaatschappij, la
societa anonima.
het aandenken, la ricordanza,
la memoria.
aandoenlijk, commovente.
aanduiden, indicare.
de aanduiding, 1\'indicazione.
aangaande, concernente.
aangenaam, grato, aggrade-
vole, piacevole.
aangeven (voor impost), ga-
bellare.
het aangezicht, il viso, il
volto, la faccia.
aangroeien, accrescere,
aumentare.
aangrijpen, attaccare.
aanhooren, ascoltare.
aanhoudend, perpetuo, con-
tinuo.
aanklagen, accusare.
aankleeden, vestire.
zich aankleeden, vestirsi.
aankomen, arrivare.
aankondigen, annunziare.
aanleiding geven tot, occa-
sionare.
aanmatigend, presuntuoso.
aanmelden, annunziare.
aanmerkelijk, importante.
in aanmerking nemen, notare,
aver riguardo a; zonder in
-ocr page 47-
35
aanmerking te nemen, senza
riguardo.
aannemelijk, ammissihile.
aannemen, accettare.
aanraken t .
J tastare, toccare.
aanroeren \\
            \'
aanschouwen, guardare.
aanspreken (de toehoorders),
arringare.
aanstaan, piacere,aggradire.
aanstekelijk, contagioso.
aansteken, accendere.
aanstonds, subito.
aantasten, attaccare.
aantoonen, mostrare.
aanvallen, attaccare.
aanvangen, cominciare.
aanvullend, suppletivo.
aanwezig, presente.
aanwijzen, indicare.
aanzien, guardare.
aanzienlijk, considerabile.
de aap, la scimia.
de aardappelen, Ie patate.
de aardbei, la fravola
de aardbeving, il terremoto.
de aardbezie, la fravola.
de aarde, la terra.
ter aarde bestellen, sotterrare.
de aartsbisschop,
1\'arcivescovo.
de aartshertog, 1\'arciduca.
de abrikoos, 1\'albicocca.
het abuis, 1\'errore.
abusief, erroneo.
achteloos ,
negligente, trascurato.
in acht nemen, osservare.
achtenswaardig, rispettabile.
de achting, il rispetto.
het achterhuis,
la casa di dietro.
de actie, (het aandeelbeicijs:)
1\'azione.
de adel, la nobilta; de man
van adel, il nobile.
de adelaar, 1\'aquila.
adellijk, nobile.
de adem, la lena, il fiato.
ademhalen, respirare.
de ademhaling, la respira-
zioue.
de ader, la vena.
aderlaten, cavar sangue.
het adres, 1\'indirizzo.
af, finito, terminato.
af borstelen, spazzolare.
afbreken, troncare.
afgelegen, discosto.
de af gevaar digde,\\\\ deputato.
de afgrond, 1\'abisso.
afhalen, venire a prendere.
de afhankelijkheid,
la dipendenza.
de afkeer, 1\'avversione, il
disgusto.
de afkeuring, il rimprovero.
afkoelen, rinfreseare.
-ocr page 48-
36
afkorten, abbreviare.
afleiden, derivare.
afleveren, rimettere.
de afloop, 1\'uscio.
aflossen, sciogliere.
a/raden, sconsigliare.
afranselen, bastonare.
het afscheid, il congedo,
1\'addio.
afschuwelijk, abbominevole.
afslaan, abbattere.
afsnijden, recidere, tagliare.
afspreken, couvenire.
afstaan, cedere, abbando-
nare.
afstand doen van, rinunziare.
afwenden, scansare.
afwezig, assente.
afwijzen, (Jlff.) rimandare.
afzenden, spedire.
afzien van, rinunziare.
het agurkje, il cetriuolo.
de agurkensalade, 1\'insalata
di cetriuoli.
de ahorn, 1\'acero.
de ajuin, la cipolla.
algemeen, universale.
alhoewel, bencbè.
alleen, solo.
alleenlijk, solamente.
allerheiligen, tutti i santi.
allerlei, vario.
allernaast,
vicinissimo, vicin viciuo
als, quasi, rome.
altijd, sempre.
de amandel, la mandorla;
kraakamandel, mandorla col
guscio.
de amandelboom, il mandorlo.
de ambassadeur, l\'ambascia-
tore.
het ambacht, la professione.
de ambachtsman, 1\'artigiano.
anders, altro.
de angst, 1\'angoscia.
angstig, ansioso.
de ansjovis, 1\'acciuga.
het antwoord, la risposta.
antwoorden, risjjondere,
replicare.
de apotheek, la farmacia.
de apotheker, il farmacista.
de appel, la mela ; {figuur-
lijk:)
il porno.
de appelkoekjes,
Ie frittelle di mele.
het appelmoes, la melata.
appetijtelijk, appetitoso.
April, Aprile.
arbeiden, lavorare.
de arbeider, 1\'operajo.
de arend, 1\'aquila.
de architect, 1\'arcbitetto.
argwanend, .sospettoso.
arm, povero.
arm, il braccio (/»>•».:
Ie braccia).
-ocr page 49-
37
de armband, il braccialetto
de armoede, la poverta.
de armsmouw, la manie-a.
de armstoel, la poltrona.
armzalig, miserabile.
arresteeren, arrestare.
het arsenaal, 1\'arsenale.
de artisjok, il carciofo.
de arts, il medico, il dottore
de artsenij, la medicina.
de asperge, lo sparagio.
het atlaslint, il nastro di raso
de auctie, 1\'incanto.
Augustus, Asosto.
de augurk. Zie agurk.
de avond, la sera.
het avond-eten, la cena.
het Avondmaal des Heerenla cena del Signore ; (eenschilderij dat A. voor
stellendei)
il cenacolo,
het avontuur, 1\'avventura.
de azijn, 1\'aceto.
het azijnfleschje, 1\'acetajo.
de (lijk)baar, la bara.
baarblijkelijk, evidente.
de baard, la barba.
de baars, la pertica.
het bad, il bagno.
de badbroek, Ie mutande
bagno.
baden, bagnare.
de bagage, il bagaglio.
het bagatel, la bagattella.
bakken, cuocere.
de bakkerswinkel,
la bottega del fornajo.
het bal, il ballo;
het gemaskerd bal, il ballo
in maschera.
het balein, 1\'osso di balena.
het balkon, il balcone.
de balustrade, il parapetto, la
balaustrata, il balaustro.
de balzaal, la sa la da hallo.
bang, pauroso, angoscioso,
scoraggiato.
zich bang maken, spaventarsi.
de bank, {zitbank:) lapanca,
lo scanno; {geldkantoor:)
il banco.
het bankbiljet, il biglietto di
banca.
de banketbakker,Wconteïiiere
de bankier,
il banchiere.
de banknoot, il biglietto di
banca.
de barbier, il barbiere.
barmhartig, pietoso.
de barmhartigheid, la miseri-
cordia, la piëta.
de barnsteen, 1\'ambra gialla.
de baron, il barone.
a de barones, la baronessa.
barsch , brusco.
het basrelief, il basso rilievo.
beaarden, sotterrare.
-ocr page 50-
38
bedrijvig, attivo, operoso.
de bedrijvigheid, 1\'attivita.
de beek, il ruscello.
het beeld, 1\'immagine.
de beeldhouwer, lo scultore.
het been, 1\'nsso (mrv \\debeen-
deren, gli ossi, doch doods-
beenderen: Ie ossa).
het been, la gamba {mrv.:
de beenen, Ie gambe).
de beer, 1\'orso.
begeeren, appetire, bramare.
begeerig, avido.
begeleiden, accompagnare.
beginnen, cominciare.
de begraafplaats, il cimitero.
begraven, seppellire.
begroeten , salutare.
behaaglijk, ameno, piacevole.
het behe er,ramministrazione,
beheeren, amministrare.
zich behelpen, contentarsi.
behoedzaam, cauto.
behoeftig,
indigente, bisognoso.
behouden, conservare.
de behuwdbroeder, il cognato,
de behuwddochter, la nuora.
de behuwdmoeder, la suocera.
de bthuwdvader, il suocero.
de behuwdzoon, il genero.
de behuwdzuster, la cognata.
beide, ambo.
de bek, il becco.
de beambte, 1\'impiegato.
beantwoorden, rispondere.
het bed, il letto.
bedanken, ringraziare.
bedaren, aochetarsi.
de bedde-deken, la coltre, la
coperta.
het beddegoed, la biancheria
da letto.
het beddelaken, il lenzuolo.
de beddesprei.la sopracoperta.
de bede, la preghiera.
de bedekking, il coperchio.
de bedelaar, il mendicaDte.
bedenken, deliberare.
bederfelijk, corruttibile.
bederven, guastare.
de bedevaart,i\\ pellegrinaggio
de bedevaartganger, il pelle-
grino.
het bedgordijn, la cortina del
letto, il. cortinaggio, il
parato.
de bediende, il servitore.
bedienen , servire.
de bediening, il servizio.
het beding,la condizione.
de bedoeling, 1\'intenzione.
bedorven, guasto, corrotto.
bedriegen, deludere.
bedrieglijk, fraudolento;
(Jig.) fallace.
bedroefd, afflitto, tristo.
bedroevend, calamitoso.
-ocr page 51-
89
bekend, noto.
bekennen, confessare.
de beker, il bicchiere.
ziek beklagen, lagnarsi.
beknopt, succinto.
zich bekoelen, raffreddarsi.
bekomen, ottenere.
bekoorlijk, attraente.vezzoso.
bekrachtigen, sanzionare.
bekwaam, abile, atto, capace.
de bekwaamheid, la capacitü.
de bel, il campanello.
belachelijk, ridicolo.
de bel-etage, il primo piano.
belangrijk, importante.
de belasting, 1\'imposta;
vrij van belasting,
esente da contribuzioni.
het belastingkantoor, 1\'ufficio
delle imposte.
beleedigen, offendere.
de beleediging, 1\'ingiuria.
belegeren, assediare.
beletten, impedire.
bellen, suonare.
de belofte, il promesso.
leloonen, ricompensare.
de belooning, la ricompensa.
beloven, promettere.
beminnen, amare.
beminnenswaardig, amabile.
bemoeieüjken, incomodare.
beneden, abbasso;
naar beneden, abbasso.
benoemen, nominare.
beoogen, mirare a.
bepaald, determinatamente.
bepraten, (iemand:) persua-
dere.
beproeven, tentare, assag-
giare; provare.
bereid, pronto.
bereiden, preparare, appa-
recchiare.
bereidwillig, volonteroso.
bereiken, pervenire a.
de berg, il monte.
de bergtop, la cima della
montagna.
het bericht, 1\'avviso.
berichten, avvertire.
de berkeboom, la betuia.
beroemd, celebre.
het beroepsvak, il mestiere.
het berouw, il pentimento.
berouw hebben, pentirsi.
berucht, diffamato.
de bes, la bacca.
beschaamd, pudico,verecondo
beschadigd, guasto.
het bescheid, la risposta.
bescheiden, modesto.
de bescheidenheiden modestia.
beschermen, proteggere.
de bescherming, la protezione.
beschonken, ubbriaco.
de beschuldiging, 1\'accusa.
beschuldigen, accusare.
-ocr page 52-
40
de bever, il castoro.
bevestigen, affermare.
bevoegd, autorizzato.
bevolkt, popolato.
bevriezen, ghiacciare, ag-
ghiacciare, diacciare, ad-
diacciare.
bevrijden, liberare.
bewaren, conservare.
beweerd, preteso, supposto.
zich bewegen, muoversi.
bewolkt, nuvoloso.
de bewondering, l\'ammirazione
de bewoner, 1\'abitante.
beicoond, abitato.
het bewijs, la prova.
de bezem, la scopa.
bezichtigen, visitare.
de bezie, la bacca.
bezitten, possedere.
het bezoek, la visita.
bezoeken, visitare.
de biecht, la confessione.
de biechtvader, il confessore.
bieden, offrire.
het bier, la birra.
de bierbrouwer, il birrajo.
het biergeld, la mancia.
de bies, il giunco.
de(roode)biet,la.ba,rb&bieiola
het biljart,
il biliardo.
het biljet, la cedola, la polizza
binden, legare.
binnen! entril
beschutten, proteggere.
beslissen, decidere.
het besluit, la risoluzione ;
(einde:) la conclusione.
besluiten, (een besluit nemen:)
risolversi; (hel besluit ne-
men :) risolvere; (ten einde
brengen:) conchiudere.
besmettelijk, contagioso.
besparen, risparmiare.
bespoedigen, accelerare.
de bestekamer, la ritirata.
êe*feZZe»,comandare,ordinare
de besteller, (boodschaploo-
per:) il servitor di piazza.
de bestelling, la commissione.
bestendig, costante, perpetua.
het bestuur, il magistrato.
betaalbaar, pagabile.
betalen, pagare.
betamelijk, decente.
btter, raeglio;
des te beter, tanto meglio.
beteugelen ,1 imbrigliare, raf-
betoomen, ( frenare.
betreffende, concernente.
betreuren, compiangere, rin-
crescere.
betreurenswaardig, deplo-
rabile.
de beukeboom, il faggio.
de beurs, la borsa.
bevallen, piacere, aggradire.
bevelen, ordinare.
-ocr page 53-
blond, biondo.
bloode, timido.
de blooheid, la timidita»
blootleggen, scoprire.
blozen, arrossire.
blufferig, millantatore.
blusschen, spegnere.
blijde, lieto, allegro.
de blijdschap, la gioja.
blijkbaar, evidente.
het blijspel, la commedia.
blijven, restare.
de bode, il messo.
het boek, il libro.
de boekbinder, il legatore di
libri.
de boekdrukker, lo stampatore
de boekhandel, la libreria.
de boekhandelaar, il librajo.
de boekwinkel, la libreria.
boenen {met was), incerare.
de boer, il contadino.
de boerenkool, i cavoli crespi.
de boete, la multa, la penale.
hel boezelaar, il grembiule.
de bok, il becco.
de bokking, 1\'aringa affumi-
cata.
de bol, il globo.
de bolster {van noten),i\\ mallo.
de boodschapper, il messo.
de boom, 1\'albero.
de boomstam, il tronco.
de boomwol, il cotone.
binnenkort, fra poco.
de bisschop, il vescovo.
bitter, amaro.
de blaasbalg, il soffietto.
het blad, la foglia.
het bladerdeeg,
la pasta sfoglia.
de bladzijde, la pagina.
blaffen, latrare.
het blanketsel, il belletto.
blauw, turchino.
bleek, pallido.
het blik, la latta.
de bliksem, il fulmiue.
de bliksem-afleiier,
il parafulmine.
bliksemen, lampeggiare.
de blikslager, lo stagnino.
blind, cieco.
het bloed, il sangue.
bloeden, sanguinare.
bloedig, sanguinoso.
de bloedverwantschap, la
parentela.
de bloedworst, il roventino.
de bloedzuiger, lasanguisuga,
la mignatta.
de bloem, il fiore.
het bloemblad, il petaio.
de bloemkool, il cavolfiore.
de bloempot, il vaso da fiori.
de bloemruiker, il mazzo di
fiori, il mazzolino.
de bloesem, il fiore.
-ocr page 54-
42
de brander, il distillatore.
de brandewijn, 1\'acquavite.
het brandhout, la legna.
de brandspuit, la tromba.
braveeren, sfidare, affrontare.
breed, largo.
breekbaar, fragile.
de breidel, il freno, la briglia.
breidelen, imbrigliare,
raffrenare.
het brein, il cervello, il
cerebro.
debreinaald, il ferro da calze.
breken, rompere, spezzare.
de brems, il tafano.
de bretels, i reggicalzoni,
Ie bertelle, Ie brettelle.
de brief, la lettera.
het briefje, il biglietto.
het hrievenlak, la ceralacca.
de brieventasch, il portafoglio.
de bril, gli occhiali.
het brillenhuisje,
1\'astuccio da occhiali.
de broeder, il fratello.
de broeikast, il tepidario.
de broek, i calzoni.
de broekgalgen, Ie bertelle,
Ie brettelle, i reggicalzoni.
de bron, la sorgente.
het brood, il pane.
de broodmand, la panattiera.
de broodpap, il pan bollito
nel latte.
de boon, la fava;
de witte boon, il fagiolo.
boos worden, adirarsi.
boosaardig, maligno ,
malizioso.
de boosheid, la malizia.
de boot, il battello.
het bord, il piatto.
borden en schotels,
il vasellame.
borduren, ricamare.
borgen, {op krediet nemen:)
prendere in prestito.
de borst, il petto.
de borstel, la spazzola.
de borstelmaker,
la spazzolajo.
borstelen, spazzolare.
de borstspeld, la spilletta.
hetbosch, il bosco, la foresta.
boschrijk, boscoso, selvoso.
de boschwachter,
il guardaboscki.
bot, ottuso.
de boter, il butirro, il burro.
bouwen, fabbricare.
de bouwmeester, 1\'arcbitetto.
boven, sü, sopra.
het braakmiddel, 1\'emetico.
de braambes,
la mora di maccbia.
braden, arrostire.
braken, vomitare.
branden, bruciare.
-ocr page 55-
het centenaar, il quintale.
de cervelaatworst, la cervel»
lata.
de champignon, il fungo.
de chirurgijn, il chirurgo.
de chocolade, la cioccolata,
de cichorei, la cicoria.
de citer, la chitarra.
de citroen, il limone.
de commissionair, (boodschap*
looper:) il servitor di
piazza, il commissionario
de commode, 1\'armadio.
de constitutie, la costituzione,
de consul, il console.
het corset, il busto.
de coteletten, Ie braciole, Ie
costoL tte.
de courant, la gazzetta, il
giornale.
het couvert (mes, lepel en
vork), la posata.
de cubus, il cubo.
de cijns, la tassa.
cijnsbaar, soggetto a tassa,
tributario.
cijnsvrij, immune da tassa,
de ci/pres, il cipresso.
de daad, il fatto.
de daalder, il tallero.
de dadel, il dattero.
de dadelboom, la palma.
dadelijk, subito.
de brouwer, il birrajo.
de brug, il ponte.
de bruid, la sposa.
de bruidegom, lo sposo.
het bruidspaar, i fidanzati,
i promessi sposi.
bruikbaar, atto.
de bruiloft, Ie nozze.
bruin, bruno.
de buffel, il bufalo.
de buik, il ventre.
de buikpijn,! dolori di ventre.
de buil, (gezwel:) il tumore.
van buiten leeren, imparare a
memoria.
buitenlandseh, forestiero.
burgerlijk, civile, civico.
de buurman, il vicino.
de bij, 1\'ape.
\'bijaldien, se.
de bijenkorf, 1\'alveare.
bijgeloovig, superstizioso.
de bijl, ï\'accetta.
bijna, circa, quasi, pressochè.
bijten, mordere.
bijvoegen, aggiungere.
bijziende, miope.
bijzonder, particolarmente.
het cachet, il sigillo.
de canapee, il canapé, il sofa.
de caviaar, il caviale.
de ceder, il cedro.
de census, il censo.
-ocr page 56-
44
de dag, il giorno.
het dagblad, il giornale,
la gazzetta.
dagelijksch, diumo, quoti-
diauo.
de dagvaarding, la citazione.
het dak, il tetto.
het dakkamertje, la soffitta.
het dal, la valle.
het dambord, lo scacchiere,
la scaccliiera.
de dame, la signora.
het damhert, il duin o.
dampig, vaporoso.
Se dank, il ringraziamento.
^a»&5aa:r,riconoscente,grato.
de dankbaarheid,
la riconoscenza.
danken, ringraziare.
dansen, danzare.
de danszaal, la sala da ballo.
dapper, valoroso.
de das, (het dier:) il tasso;
(halsdoek:) la cravatta.
de dauw, la rugiada.
December, Dicembre.
de decimale rekening, il
calcolo decimale.
het deeg, la pasta.
het deel, la parte.
deelachtig, partecipe.
deelen, diridere, scompartire.
de deeling, la divisione.
de deelneming, la partici-
pazione; (fg.) la com-
passione.
deemoedig, umile.
degelijk, atto.
de degen, la spada.
het dek, la coperta.
d* deken, la coltre, la coperta;
de gestikte deken, il coltrone.
dekken, coprire.
het deksel, il coperchio.
de den, (boom:) 1\'abete.
denken, pensare.
de denneboom, 1\'abete.
dergelijk, somigliante.
derhalve, per cio.
des te beter, tanto meglio.
de destillateur, il distillatore.
de deugd, la virtü.
deugdzaam, virtuoso.
deugen, valere.
de deur, la porta.
de deurwachter, il portinajo.
dicht, denso.
dichtbij, vicino.
dichtdekken, coprire.
dichtdoen, chiudere, serrare.
de dichter, il poeta.
dichtknoopen, abbottonare.
dichtmake7i, chiudere,
serrare.
het dichtstuk, il poema.
het dieet, la dieta.
de dief, il ladro.
de die/stal, il furto.
-ocr page 57-
45
dompelen, immcrgere.
de donder, il tuono.
Donderdag, Giovedi.
donderen, tuouare.
donker, oscuro.
het donker, Ie tenebre.
dood, morto, defunto.
de dood, la morte.
de doodbaar, la bara.
doodelijk, mortifero, letale,
dooden, uccidere.
doodgehongerd,moTiodifame.
doof, soiilu.
de doop, il battesimo.
doopen, battezzare.
de doorn, la spina.
de doornbes, 1\'uva spina.
doornig, spinoso.
het doorzicht, la penetra-
zione.
de doos, la scatola.
het dorp, il villaggio»
dor, arido.
dorschen, trebbiare.
de dorst, la sete.
dorst hebben, aver sete;
dorstig, assetato.
doordringen, penetrare.
de doorloop, il passaggio»
doorluchtig, serenissimo.
doorschijnend, trasparente.
| het dozijn, lil dozziiia.
j de draad, il filo; gettceern"
de draad,
tilo di refe.
de dienaar, il servo.
dienen, servire.
de dienstmaagd, la serva.
diep, profondo.
de diepte, la profondita.
het dier, 1\'animale.
het dierenrijk,
il regno animale.
dierlijk, brutale, bestiale.
dierbaar, caro.
dik, grosso.
dikwijls, sovente. ,
het ding, la cosa.
Dinsdag, Martedi.
de dissel, il timone.
de distel, il cardo.
de distelvink, il cardellino
dobbelen, giuocare ai dadi.
de dobbelsteen, il dado.
de dochter, la figlia.
de doekspeld, \\o spillone.
het doel, il disegno.
doelloos, inutile.
doelmatig, conveniente.
doen, fare, operare.
dedokter ,il medico, il dottore.
dol, (gek:) matto, pazzo.
het dolhuis, il manicomio.
de dolk, il pugnale.
dom, stupido.
de dom, il duomo.
de domheer, il eanonico.
de dominee, il pastore.
het domino, il domino.
-ocr page 58-
6
4
de draagbaar, I ,             ..
j j j 7 laportantma.
we draagstoel, \\ r
die draagbanden, Ie bertelle.
<?e draaier, il tornitore.
rfe <//*«ƒ, il trotto.
dragen, portare.
dralen, indugiare.
de drank, la bevanda.
draven, trottare.
dreigen, minacciare.
drenken, abbeverare.
driest, ardito.
de drift, la passioue.
dringend, istante;
te dringend, importuno.
drinken, bere , bevere.
het drinkgeld, la mancia.
drogen, asciugare.
de dronk, la bevuta.
dronken, ubbriaco.
droog, seco.
de droom, il sogno.
droomen, sognare.
droomig, astratto.
het drop, la liquirizia.
de droppel, la goccia.
de dropsteen, lo stalattite.
de druif, il grappolo.
de druiventros,
il grappolo d\'uvo.
drukken, stampare.
de drukker, lo stampatore.
de drukkerij, la stamparia.
de druppel, la goccia.
de drupsteen, lo stalattite.
drijven, (Jagen :) cacciare,
spingere j (op water zwem-
men\\) n notare.
dubbel, doppio.
dubbelzinnig,
equivoco , ambiguo.
duidelijk, chiaro,
intelligibile; evidente.
de duif, il piccione.
duiken, immergere.
de duim, il pollice.
duister, oscuro.
de duisternis, Ie tenebre.
DuitscA, tedesco.
de duivel, il diavolo.
duivelachtig, diabolico.
de duiventil, la colombaja.
de duizeligheid, k mti ine_
de duizeling , \\
dun,
tenue.
duur, caro.
duurzaam, durabile.
dwaas, sciocco, scipito,stolto.
de dwaasheid, la stoltezza.
dwalen, errare.
de dwaling, 1\'errore.
dwars, traverso.
de dwerg, il nano.
dwingen,
costringere, violentare.
de ebbe, il riflusso.
de echo, 1\'eco.
-ocr page 59-
47
echt, vero, schietto ;
eene echte Meur, un
colore genuino.
de echtgenoot,
il marito, il consorte.
de echtgenoote,
la moglie, la consorte.
de echtstaat, il matrimonio.
edel, illustre.
de edelman, il nobile.
edelmoedig, generoso.
de edelsteenen, Ie pietre pre-
ziose, Ie gioje.
het eekhoorntje, lo scojattolo.
de eend, 1\'anitra, 1\'anatra.
eendrachtig, concorde.
hel eenpaardsrijtuig, il legno
(la corrozza) a un cavallo.
eensgezind,
• concorde, d\'accordo.
eensluidend, conforme.
eenvormig, uniforme.
eenvoudig, semplice.
eenzaam, solitario.
de eer, 1\'onore.
de eeredienst, il culto.
de eereboog, de eerepoort,
1\'arco trionfale.
de eergierigheid, 1\'ambizione.
eergisteren, jeri 1\'altro.
eerlijk, onesto, probo.
eerstens, prima.
eervergeten, dimentico del-
1\'onore.
eerwaardig, rispettabile.
de eerzucht, 1\'ambizione.
de eetlust, 1\'appetitf
de eetzaal, il salotto da
mangiare.
de eeuw, il secolo.
eeuwig, eterno.
effen, liscio, piano;
effen van kleur, unicolore.
de egel, il porco spino.
het ei, 1\'uovo (mrv.: Ie uova).
harde eieren, uova sode.
zachte eieren, uoya a bere.
de eierkoek, la frittata.
eigenwijs, saputello.
de eik, la quercia.
de eikel, la ghianda.
het eiland, 1\'isola.
de ekel, il disgusto.
de ekster, la gazza.
eigen, proprio.
eigenhandig, autografo.
eigenzinnig, ostinato.
eindelijk, finalmente.
eindigen, finire.
de eindpaal, la meta.
mc/«>»,chiedere,domandare.
de eksteroogen, i calli ai piedi.
de el, il braccio.
de elleboog, il gomito.
de ellende, la miseria.
de elzeboom, 1\'ontano.
de emmer, la secchia.
en, e.
-ocr page 60-
48
de engel, 1\'angelo.
Engelsch, inglese.
enkel en alleen, solamente
iet entreegeld, 1\'ingresso.
zich erbarmen, aver piëta.
erfelijk, ereditario.
de erfenis, 1\'eredita.
erg, cattivo.
zich ergeren, atizzirsi.
ergerlijk, fastidioso.
erkennen, riconoscere.
erkentelijk, riconoscente.
ernstig, serio.
ervaren, esperto.
de erwt, il cece, il pisello
erwten zonder bast,
piselli sgranati
de esscheboom, il frassino.
eten, mangiare, pranzare.
het eten, il cibo.
het etenshuis, la trattoria.
deetenshuishouder,i\\ trattore
het ever zwijn, il verro.
examineeren, esaminare.
excuseeren, scusare.
excuus vragen,
chieder perdono,
het exempel, 1\'eaempio.
de extra-post,
la posta straordinaria.
de ezel, 1\'asino.
fabelachtig, favoloso, finto.
de fabriek, Ja fabbrira.
fagot, il fagotto.
de fakkel, la fiaccola, la
torchia; de fakkeltocht,
la processione (la sere-
nata) con fiaccole (con
torce), la facciolata.
falen, manen re
de familie, la famiglia.
fatsoenlijk, decente.
de faza?d, il fagiano.
Februari, Febbrajo.
de feestdag, il giorno festivo,
il giorno di festa.
figuurlijk, metaforico, figu-
rato.
de firma, la firma, laragione.
het firmament, il firmamento.
de flambouw, Zie fakkel.
het flanel, la flanella.
flauwgevallen, svenuto.
de fontein, la fontana.
de forel, la trota.
de flesch, la boccia.
flets, appasaito.
de fluit, il flauto.
fluiten (met den mond),
fisohiare.
het fluweel, il velluto.
de fontein, la fontana.
het fornuis, la fornace.
de framboos, il lampone.
Fransch, francese.
de fricassee, la fricassea.
Ifrixc/i, fresco.
-ocr page 61-
49
de geboortedag, il giorno di
nascita.
geboortig, nat ivo.
gebor.en, nato.
het gebouw, 1\'ediflzio.
het gebradenvleesch, 1\'arrosto.
het gebrek, il difetto ;
zonder gebreken, perfetto.
gebrekkig, difettoso, imper-
fetto.
het gebruik, 1\'uso.
gebruikelijk, usitato, consueto
de gedaante-verwisseling,
la transmutazione.
gedachteloos, spensierato.
gedachtig, ricordevole.
het gedenkteeken,
il monumento.
gedenkwaardig, memorabile.
het gedicht, la poesia.
het gedrang, la calca, la folla.
frisch en getond, bene di
salute.
friseeren, acconciare i ca-
pelli, pettinare.
de friseur, il parrucchiere.
de fruit, Ie frutte;<fe gedroogde
fruit, Ie frutte seeche.
de fruitmarkt, il mercato
delle frutte.
de fruitvrouw, la fruttajuola.
fijn, fino.
gaan, andare.
gaande maken, eccitare.
gaar, cotto.
gaarne, volontieri.
de galgen (eener broek), i reg-
gicalzoni, Ie brettelle, Ie
bertelle.
de gans, 1\'oca.
het ganzebloempje, la mar-
gheritina
de garderobe, la guardaroba. • de gedroogde f ruit, Ie frutte
seeche.
het gedruisch, il romore.
het geduld, la pazienza.
geduldig, pazieDte.
h
h
g
g
gebakken visch, il pesce fritto. geëerd, onorato
het gebed, la preghiera. geel, giallo.
het gebergte, la montagna. het geel koper, 1\'ottone.
degebeurtenis,Vavvemm.6nto. de geest, lo spirito.
gebieden, comandare.            \'de geestdrift, 1\'entusiasmo
het gebod, ilcomando; de tien geestelijk, ecclesiastico.
geboden, i dieci comanda- de geestelijke, il cherieo.
menti.                                geestig, ingegnoso.
4
-ocr page 62-
50
de geestigheid, 1\'ingegno.
geeuwen, sbadigliare.
geëvenredigd, corrispondente.
gehaat, odioso.
geheel, intero, totale.
geheim, segreto.
geheimhoudend, discreto.
de geheimhouding,
la segretezza.
geheimzinnig, misterioso.
het gehemelte, il palato.
het geheugen, la memoria.
het gehoor, 1\'udito.
gehoorzaam, obbediente.
gehoorzamen, ubbidire.
gehuicd, maritato.
de geit, la capra.
de geitebok, il becco.
gek, pazzo, sciocco, scipito.
het gekkenhuis, ilmanicomio.
gekwetst, ferito.
het gelaat, il viso, il volto,
la faccia
het geld, il danaro;
klein geld,
la moneta spicciola.
de geldboete, la multa.
gelden, costare, valere.
geldig, valido,
(duur:) costoso.
de geldsnoeier ij , la mala-
tolta.
het geldtaschje, il portamo-
nete.
de geldwisselaar, il cambia-
monete.
de gele wortel, la carota.
geleerd, dotto.
geleiden, condurre, me-
nare.
de geleider, il conduttore.
het geloof, la fede.
geloojlijk, credibile.
gelooven, credere.
het geluk, la fortuna.
gelukkig, felice.
de gelukwensch, 1\'augurio.
gelijk, (zooals:) quasi, come;
te gelijk, insierae.
gelijken, somigliare.
gelijkend, somigliante.
gelijkluidend, conforme.
de gelijkvloersverdieping,
il pian terreno.
gemaakt zijn, fingere.
de gemaal, lo sposo.
hel gemak, la comodita.
gemakkelijk, comodo; facile,
leggiero; gemakkelijk
maken, facilitare.
het gemaskerd bal, il ballo
in maschera.
de gember, lo zenzero.
gemeenzaam, famigliare.
gemengd, misto.
gemiddeld, all" ingrosso.
de gems, la camozza.
de genade, la grazia.
-ocr page 63-
de geneesheer, il medico,
il dottore.
het geneesmiddel, la medicina.
genegen, inclinato.
de genegenheid, 1\'affezione.
genezen, guarire.
genieten, gioire, godere.
genoeg, bastante.
het genootschap, la societsi.
geoefend, pratico.
gepeldegerstsoep,
minestra d\'orzo mondo.
het geraas, il romore.
het gerecht, (spijs:) la pie-
tanza.
gerechtigd, autorizzato.
de gerechtigheid, lagiustizia.
gereed, finito, terminato.
gereedmaken, apparecchiare,
preparare.
gering, poco, scarso.
gerookt, affumicato.
de gerst, 1\'orzo.
gerust, tranquillo.
zich geruststellen, acchetarsi.
het geschenk, il dono, il
regalo.
geschikt, convenevole, atto
het geslacht, il genere.
de gesp , la fibbia.
het gesprek, il discorso.
gestadig, costante.
het gestoofd vleesch,
lo stufato.
gestreept, listato, rigato.
het getal, il numero.
getand, intagliato, dentato.
de getuige, il testimone.
getuigen, testimoniare.
getrouw, fedele, fido.
getrouwd, maritato.
de getrouwheid, la fedelta.
het gevaar, il pericolo.
gevaarlijk, pericoloso.
de gevangenis, la prigione ,
il carcere.
geven, dare.
gevestigd, stabilito, abitante.
het gevoel, il tatto.
gevoelig, sensibile.
hel gevogelte, il pollame.
het gewaad, 1\'abito.
gewelddadig, con violenza.
geweldig, violente, violento.
gewend, solito.
zich gewennen, assuefarsi.
gewichtig, importante.
gewillig, volonteroso.
gewis, certo.
getoond, ferito.
gewoon, consueto, ordinario,
solito.
gewoonlijk, ordinariamente.
de gewoonte, 1\'abitudine.
het gezang, il canto.
de gezant, 1\'ambasciatore.
gezellig,
sociale, compagnerole.
4*
-ocr page 64-
52
het gezelschap, la societii.
het gezicht, (zinsvermogen;
ook: uitzicht:) la vista;
(aangezicht:) il viso, il
volto, la faccia.
de gezichtkundige, 1\'ottico.
gezond, sano.
het gezwel, il tumore.
gezwind, pronto.
de gids, il cicerone.
degier, 1\'avoltojo, 1\'avoltore.
gierig, avaro.
de gierigheid, 1\'avarizia.
de gierst, il miglio.
gieten, versare; fondere.
het gift, il veleno.
de gift, il dono.
het gips, il gesso.
gispen, biasimare.
gissen, presumere.
gisteren, jeri.
de gitaar, la chitarra.
glad, (effen:) liscio; (glib-
berig:) sdrucciolevole.
het (drink-)glas, il bicchiere.
de glazenmaker, il vetrajo.
glibberig, sdrucciolevole.
glimlachen, sorridere.
de glimworm, il lucciolato.
glinsteren, risplendere.
de globe, il globo.
gloeiend, rovente.
glijden, sdrucciolare.
God, Dio, Iddio.
goddelijk, divino.
de godsdienst, il culto.
goed, buono; bene.
het goed, la roba.
de Goede Vrijdag,
il venerdi santo.
de Goede Week,
la settimana santa.
de goederentrein,
il treno delle merci.
de goedheid, la bonta.
goedig, benigno.
goedkoop, a bon mercato;
poco caro; poco costoso.
de golf, (zeeboezem,:) il golfo;
(waterbeweging:) 1\'onda.
de golfslag, 1\'ondata.
de gom, la gomma.
de gondel, la gondola.
de goochelaar, il giocoliere.
de gootsteen, il canaletto.
de gordel, il cinto, la cin-
tura.
het gordijn, la cortina.
het goud, 1\'oro.
het goudstuk, il pezzo d\'oro.
het gouvernement, il governo.
de graaf, il conté.
het graan, Ie biade.
de graat, la resta.
de gracht, il fossato.
het graf, la fossa.
gramstorig, irato, sdegnato.
de grap, lo scherzo.
-ocr page 65-
53
grappig, burlevole, faceto,
burlone, giocoso.
het gras, 1\'erba.
de graszode, la piota.
gratis, gratuitamente, gratis.
grauw, bigio.
graven, vangare.
de gravin, la contessa.
de grendel, il catenaccio.
het grenskantoor (der belas~
tingen), la dogana.
de greppel, il fossato.
de grens, il limite, la fron-
tiera.
grillig, bizzarro.
grimmig, burbero.
groen, verde.
de groente, il legume, la
civaja.
groeten, salutare.
de grofheid, la grossezza.
grommen, sgridare.
het grondbeginsel, il principio.
grondig, profondo, radicale.
de grondstelling, il principio.
groot, grande.
de groothertogin, la gran-
duchessa.
degrootmoeder,\\anonw,YsLva.
grootmoedig,
generoso.
de grootmoedigheid,
la magnanimita.
grootsprekend, millantatore.
de grootvader, ilnonno, 1\'avo.
gruwzaam, crudele.
de gruwzaamheid ,\\& orudelta.
grijpen, impugnare.
grijs, bigio.
de grijsaard, il vecchio.
de gulden, il fiorino.
gunstig, favorevole.
het gymnasium, il ginnasio.
de gymnastiekschool,
la scuola di ginnastica.
de haag, la siepe.
de haai, il pesce cane.
de haak, 1\'uncino.
de haan, il gallo.
het haar, i capelli; vahch
haar, capelli finti.
de haard, il focolare.
de haardlang, Ie molle.
de haarlok, il riccio.
haarloos, senza capelli.
de haar schuier,
la spazzola da capelli.
de haarspelden, Ie forcine.
de haas, la lepre.
de haast, la fretta.
haastig, frettoloso, precipi-
toso.
de haat, 1\'odio.
de hagedis, la lucertola.
de hagel, la grandine.
de hak (der schoen), il tacco
(delle scarpe).
haken, (verlangend) bramare.
-ocr page 66-
54
het handwerk, la professione.
de handwerksman,l\'aitigiano.
hangen, pendere.
het hangslot, il lucchetto.
hanteeren, maneggiare.
hard, duro, sodo.
hardnekkig, caparbio.
de haring, 1\'aringa.
de hark, il rastrello.
het hart, il cuore.
hartelijk, cordiale.
de hartstocht, la passione.
haten, odiare.
de haven, il porto.
de haver, 1\'avena.
de havik, 1\'astore.
de hazelnoot, I,          . .
de hazelstruik ,i
de hazewind, il levriere.
hebben, avere.
hecht, stabile, fermo.
het hecht, il manico.
in hechtenis nemen, arrestare.
de hechtpleister,
1\'impiastro glutinativo.
heden, oggi.
het heelal, 1\'universo.
heelen, guarire.
de heelmeester, il chirurgo.
heen, via.
de heer, il sigaore.
heerlijk, magnifico.
heerschen, dominare.
heesch, fioco.
hakkelen, {stotteren:) tarta-
gliare, balbettare.
hakken, colpire.
de hal, la macelleria, la
beccheria.
halen, cercare, and are a
prendere.
half, mezzo, meta;
een halfuur,xiaa. mezz\'ora.
de hals, il collo.
de halsband, la collana.
de halsdoek, il fazzoletto da
collo; {de das:\') la cra-
vatta.
de halskraag, il colletto, il
goletto, il solino.
halt/ ferma.
de ham, il prosciutto.
de hamelbout, 1\'arrosto di
castrato.
de hamer, il martello.
de hand, la mano.
de handdoek, 1\'asciugatojo.
de handel, il commercio;
handel drijven, negoziare.
handelbaar, trattabile.
handelen, agire, trattare.
de handen arbeid,
il lavoro manuale.
het handgeld, | ,
de handgift, j
           "
de handschoen, il guanto.
de handschoenmaker, ilguan-
tajo.
-ocr page 67-
55
de hennep, la canapa.
de heester, 1\'arbusto.
heet, caldissimo.
heeten, (keet maken:) scal-
dare; (noemen:) nomina re;
hoe heet dat, che vuol
dir questo?
het heft, il raanico.
heftig, impetuoso.
de heg, la siepe.
de heiden, (landlooper:) lo
zingaro.
heilig, santo.
heimelijk, nascosto.
het heimwee, la nostalgia.
het hekwerk, il parapetto.
de hel, 1\'inferno.
helder, chiaro; (kalm:) se-
reno.
de helling, il pendio.
de helm, 1\'elmo.
help! soccorso ! ajuto!
helpen, ajutare.
het hemd, la camicia.
de hemdsknoop, il botton-
cino da camicia.
de hemdskraag, il sol in o.
de hemel, il cielo.
de hemelvaartsdag, la festa
dell\' ascensione.
de hen, la gallina.
de hengel,
la canna da pescare.
hengelen, pescare.
de hengst, lo stallone.
1\'albergo, 1\'osteria.
herbergen, alloggiare.
de herbergier, 1\'oste, il pa-
drooe.
de herbergierster, 1\'oatessa.
de herder, il pastore.
de herfst, 1\'autunno.
herhalen, ripetere.
zich herinneren, ricordarsi.
de hermiet, 1\'eremita.
de hersenen, il cervello, il
cerebro.
het hert, il cervo,
de hertebout, la coscia di
cervo.
de hertog, il duca.
de heup, 1\'anca.
heusch, cortese.
de heuvel, la collina.
hevig, impetuoso.
hier, qui.
de hitte, il calore.
de hoed, il cappello.
de hoededoos, la cappelliera.
de hoedenmaker, il cappellaj o.
de hoek, 1\'angolo, il can-
tone.
de hoef smid, il maniscalco.
het hoefijzer, il ferro da
cavallo.
de hoenders, i polli.
hoesten, tossire.
-ocr page 68-
5(5
hoeveelf quanto?
hoewel, benchè.
het hof, il cortile.
hoffelijk, civile.
hol, incavato, cavo.
het hol, la caverna.
de hommer, il gambero.
de hond, il cane.
de honger, la fame; honger
hebben, aver fame.
hongerig, affamato.
de honig, il miele.
het hoofd, la testa, il capo.
de hoofdkerk, la cattedrale.
het hoofdkussen, il guanciale.
de hoofdpijn, il dolor di
capo.
de hoofdslapen, Ie tempi.
de hoofdstad, la capitale.
hoog, alto.
hoogeerwaardig, reverendis-
simo.
Hoogheid, {titel:) Altezza.
de hoogmoed, la superbia,
1\'orgoglio.
hoogmoedig, orgoglioso.
het hooi, il fieno.
hoonend, derisorio, ironico.
de hoop, la speranza.
hooren, udire.
het hoorn, il corno.
hoovaardig, orgoglioso.
de hop, il luppolo.
hopeloos, disperato.
hopen, sperare.
het horloge, 1\'orologio, l\'ori-
uolo.
het horloge-glas, il cristallo
dell\' oriuolo.
de horloge-maker, l\'orolo-
giajo, 1\'oriolajo.
het horloge-sleuteltje, lachia-
vetta dell\' oriuolo, la chia-
ve da oriuolo.
de horloge-wijzer, la lancetta.
het hospitaal, lo spedale.
het \'hotel, la locauda.
de hotelhouder, il locandiere.
houden, tenere.
het hout, {om te branden:)
la legna.
de houtsnede, 1\'intaglio.
houwen, colpire.
huichelachtig, ipocrita.
de huichelarij, 1\'ipocrisia.
huichelen, dissimulare.
de huid, la pelle.
het huis, la casa.
de huisdeur, 1\'uscio di casa.
de huishouding, l\'economia.
de huishoudster, la massaja.
het huishoudgereedschap, gli
utensili.
de huishuur, la pigione di
casa.
de huisknecht, il servo, il
servitore.
het huisraad, i mobili.
-ocr page 69-
7
5
de huissleutel, la chiave di
casa.
huisvesten, alloggiare.
huren, noleggiare.
de huur, la pigione.
het huwelijk, il matrimonio.
de huwelijksgift, la dote.
huwen, sposare.
de hyacint, il giacinto.
iets, qualche cosa.
immer, sempre.
de inbeelding, rimmagina-
zione.
indien, se.
indringend, importuno.
de indruk, 1\'itnpressione.
de ingang, 1\'entrata.
ingebeeld, presuntuoso.
ingemaakt goed, la conserva.
inhalen, raggiungere.
inheemsch, del paese, na-
tivo.
de inkomende rechten, ildazio.
inkoopen, comprare.
de inkt, 1\'inchiostro.
de intkoker, il calamajo.
inlandsch, del paese, nativo.
inlichting inwinnen, infor-
marsi.
inliggend, inchiuso.
innerlijk, intrinseco.
innig, sinoero.
inpakken, impaccare.
de inschikkelijkheid, l\'indul-
genza.
insluiten, rinchiudere.
inspannen, (paarden:) attac-
care.
zich inspannen, sforzarsi.
de inspecteur, 1\'ispettore.
instantelijk, instantaneo.
integendeel, al contrarie
intrigeerend, intrigante.
intusschen, frattanto.
de invoerrechten, il dazio.
inwendig, interno.
inwikkelen, incartare.
inwilligen, consentire.
de inwoner, 1\'abitante.
inzonderheid, particolar-
mente, specialmente.
ja, si.
het jaar, 1\'anno.
de jaargetijden, Ie stagioni.
jaarlijksch, annuo, annuale.
de jaarmarkt,
il mercato annuo.
het jachtwüd, la salvaggina.
jagen, cacciare.
het jak, la giubba.
de jaloezieën, Ie persiane.
jammerlijk, misero.
de Jan-in-den-zak, il budino.
Januari, Gennajo.
de jasmijn, il gelsomino.
de jicht, 1\'artritide.
-ocr page 70-
53
kalfs-oogen, (eieren in de pan:)
uova nel tegame.
de kalfszwezerik,
Ie animelle di vitello.
•de kalkoen, il tacchino.
de kameel, il rammello.
kamilltnthee, il decotto di
camomilla.
de kam, il pettine.
de kamenier, la cameriera.
de kamer, la camera, la
stanza.
de kamfer spiritus,
lo spirito di canfora.
het kanaal, il canale.
de kanarievogel, il canarino.
de kandelaar, il caudeliere.
de kaneel, la canella.
het kanon, il cannone.
de kansel, il pulpito.
de kant, (rechter of linker-
zijde:) la parte; (fju weef-
sel-.) la trina.
het kantoor, lo scrittojo.
de kanunnik, il canonico.
het kapje, la cuffia.
de kapoen, il cappone.
de kapper, il parucchiere.
de kappers, i capperi.
de kardinaal, il cardinale.
de karper, il carpione.
de kast, 1\'armadio.
de kastanje, la castagna, il
marrone.
jeugdig, giovanille,
jong, giovane.
dejongejuffrouw,\\& signorina.
de jongeling, il giovine.
de jongemaagd, la giovine.
de jongen, il ragazzo.
de Jood, 1\'Ebreo.
juist, corretto , esatto.
Juli, Luglio.
Juni, Giugno.
de juwelier, il giojelliere.
kaal, calvo.
de kaap, il promontorio.
de kaars, la candela.
het kaartspel, il giuoco delle
carte.
de kaas, il formaggio, il
cacio.
de kabel, il canapo.
de kabeljauw, il baccala.
het kabinet, il gabinetto.
de kachel, la fornace.
de kajuit, il camerino.
de kalkbranderij, la fornace
della calcina.
het kalkwater, 1\'acqua di
calce.
het kalf, il vitello
het gebraden kalfsvleesch,
1\'arrosto di vitello.
de kalfskop, la testa di vitello.
de kalfslever, il fegato di
vitello.
-ocr page 71-
59
het kasteel, il castello.
de kastelein, 1\'oste, il pa-
drone; (slotvoogd:) il ca-
stellano.
de kasteleines, 1\'ostessa.
de kastenmaker,
il falegname.
de kat, la gatta.
de kathedraal, la cattedrale.
het katoen, il cotone.
de kaviaar, il caviale.
de keel, la gola.
het kegelspel, il giuoco dei
birilli.
de keizer, 1\'imperatore.
de keizerin, 1\'iraperatrice.
de kelder, la cantina.
de kemel, il cammello.
kennen, conoscere.
kennis geven, avvertire.
de kennisgeving, 1\'avviso.
de\' kerk, la chiesa; de groote
kerk, la cattedrale.
de kerker, la carcere.
het kerkhof, il cimitero, il
campo santo.
de kern, il nocciolo.
het kers, il crescione, il
nasturzio.
de kers, la cieriga; de zure
kers, la visciola.
het Kerstfeest, la festa di
natale.
de ketel, la caldaja.
de keten,
catena.
V JU
de ketting,
de keuken, la cucina.
de keukenmeid, la cuoca.
het keurslijf, il busto.
de keus, 1\'elezione.
keuvelen, ciarlare.
de kever, lo scarafaggio.
kiet, pari.
de kievit, la pavoncella.
kiezen, eleggere, scegliere.
de kikeorsch, la rana.
de kin, il mento.
het kind, il fanciullo.
de kiezentrekker, il cava-
denti.
de kip, la gallina.
de kist, la cassa.
klaar, (helder:) chiaro.
klaarmaken, apparecchiare;
preparare.
klaarblijkelijk, evidente.
klagen, querelare.
de klakken, Ie calosce.
de klaver, il trifoglio.
Meeden, vestire, abbigliare;
zich Meeden, vestirsi.
de kleederen, i vestiti.
de kleeding, 1\'abito, il vestito.
de Mee/pleister, 1\'impiastro.
de kleerkast, 1\'armadio per
gli abiti.
J,e kleermaker, il sarto.
piccolo.
-ocr page 72-
60
het kleingeld,
la moneta spicciola.
de kleinigheid, la bagattella.
kleinmoedig, pusillanime.
de kleinzoon, il nipote.
de kleur, il colore, la tinta.
eene kleur krijgen, arrossire.
het klimop, 1\'edera.
klinken, risonare.
de klipvisch, il baccala.
de klok, la campana.
het klooster, il convento.
kloppen, picchiare, bussare.
kluchtig, burlesco.
de kluizenaar, 1\'eremita.
de knaap, il ragazzo
de knakworst, il salame
knallen, scoppiare.
de knecht, il servitore, (in
hotels, koffiehuizen, op
stoombooten, enz.:) il ca-
meriere.
knellen, premere, stringere.
kneuzen, premere, stringere.
de knevels, i mustacchi.
de knie, il ginocchio (mrv.:
Ie ginocchia).
knielen, inginocchiarsi.
het knoflook, 1\'aglio.
de knoop, il bottone.
het knoopsgat, 1\'occhiello.
de knop, il bottone.
knorren, sgridare.
koddig, burlesco, faceto.
de koe, la vacca.
de koek, la focaccia.
de koek in den zak,
il budino.
de koekenbakker,
il pasticciere.
het koelje, il pulcino.
de koekoek, il cuculo.
koel, fresco.
de koets, la carrozza.
de koetsier, il cocchiero.
de koffer, il baule.
de koffie, il caffè.
het koffieblad, il vassojo.
het koffiehuis, il caffè.
de koffiekan, la caffettiera.
de kogel, la palla.
de kok, il cuoco.
koken, cucinare, cuocere,
bollire.
kolen, il carbone.
de kolom, la colonna.
de komedie, il teatro.
komen, venire.
komiek, comico, faceto.
de kommer, 1\'affanno.
het kompas, la bussola.
de kompot, la conserva.
de komijn, il comino
de koning, il re.
de koningin, la regina.
koninklijk, reale.
het kontrakt, il contratto.
het konijn, il coniglio.
-ocr page 73-
61
de koude, il freddo;
koude vatten, raffreddarsi,
de kous, la calza.
de kouseband, il legacciolo.
de kousenicever, il calzolajo.
kouten, ciarlare.
de kozijnen, Ie imposte.
de kraag, il collare, il col-
letto, il bavero.
de kraai, la comaccbia.
de kraak-amandel,
la mandorla col gusciov
de kraanvogel, la gru.
de krabbe, il granchio.
krabben, grattare.
de kracht, la forza.
krachteloos, debole, invalido,
krachtig, vigoroso.
kraken, (kapotmaken:) scop-
piare.
de kramp, lo spasirao.
de kramsvogel, il tordo.
krankzinnig, maniaco.
het krankzinnigengesticht,
il manicomio, la pazzeria,
de krankzinnigheid, la pazzia,
de krans, la ghirlnnda.
de krant, la gazzetta, il gior-
nale.
de kreeft, il gambero.
de kreeftensoep,
il brodo di gamberi.
het krekeitje, il grillo.
kreupel, zoppo.
de kookkachel, la stufa.
de kool, i cavoli.
de koolraap, il cavolo rapa.
de koon, la guancia.
koopen, comprare.
de koopman, il mercante.
de koopwaar, la mercan-
zia,
het koord, la corda.
de koordendanser,
il funambolo.
het koordje, il cordoncino.
de koornbloem, il fioraliso.
de koorts, la febbre.
het koper, il rame;
het geelkoper, 1\'ottone.
het kopje, {om uit te drinken:)
la tazza, la coppa.
koppen,(koppenzetten:) appli-
care (attacar) coppette
(ventose).
koppig, caparbio.
de koraal, il corallo.
de kor haan, l\'urogallo.
kort, corto, breve.
de kost, il vitto.
kostbaar, prezioso.
kosteloos, gratuitamente.
kosten, costare.
de koster, il sagrestano.
koud, freddo;
koud zijn,
(het weder:) far freddo ;
{menschen:) aver freddo.
-ocr page 74-
62
de kring, il cerchio;
(om de zon:) 1\'alone.
4e krokodil, il coccodrillo.
krom, curvo.
de kroonprins,
il principe ereditario.
de kroot, la barbabietola.
het kruid, 1\'erba.
de kruidenierswinkel,
la bottega di semplicista,
la spezieria.
de kruidnagel, il garofano.
de kruier, (boodschaplooper:)
il servitor di piazza, il
commissionario.
de kruik, la brocca.
kruipen, rampicare ;
(fig.) strisciare.
het kruis, la croce.
de kruisbes, 1\'uva spina.
de krul, il riccio.
het krijgswezen, la milizia.
het krijt, la creta.
de kudde, la greggia.
de kuip, il tino.
de kuiper, il bottajo.
de kuischheid, la castita.
kundig, esperto.
kunnen, potere.
de kunst, 1\'arte.
de kunstdraaier, il tornitore.
de kunstenaar, 1\'artista.
de kunsthandelaar,
il mercante di stampe.
kunstig, artificiale.
de kurk, il turacciolo.
de kurketrekker,
il cavaturaccioli.
de kus, il bacio.
kussen, (zoenen:) baciare.
het kussen, il cuscino, il guan-
ciale.
de kust, la costa.
kwaadaardig, maligno.
kwaaddenkend, sospettoso.
de kwartel, la quaglia.
het kwartier, il quarto d\'ora.
kwellen, tormentare.
de kwelling, il tormento.
de kwikstaart, la codi-
tremola.
het kwispedoor,
la sputtacchiera.
de kwijl, la saliva.
kijken, mirare, guardare.
laag, basso; (,flg-) vile.
de laars, lo stivale.
laarzentrekker, il cavastivali.
laati, tardo.
laatst, ultimo.
laatstelijk (ten laatste, op het
laatst:) ultimamente.
lachen, ridere.
lafhartig, codardo.
de lafhartigheid,j , .,.»
de lafheid,
         \'
het lak, la ceralacca.
-ocr page 75-
63
het laken, il pa nu o; het
beddelaken, il lenzuolo.
laken, (gispen:) biasimare.
het lam, 1\'agnello.
de lamp, il lume, la lampa,
la lampada.
de lampepit, lo stoppino.
de lampetkom, il bacino.
landbouw, 1\'agricoltura.
landen, approdare.
de land-engte, 1\'istmo.
de landstreek, la contrada,
il distretto.
de lantaarn, la lanterna.
lang, lungo.
langwijlig, nojoso.
langzaam, lento.
langzamerhand, a poco a poco
de lap, la pezza; la toppa.
lappen, rappezzare.
lardeeren, lardellare
last aandoen, molestare.
de lastdrager, il facchino.
de laster, la calunnia.
lasterlijk, calunnioso.
lastig, molesto; importuno.
lastig vallen, incomodare.
de latafel, 1\'armadio.
laten, lasoiare;
(toelaten:) perraettere;
(aderlaten:) cavar sangue.
laurierboom, illauro, 1\'alloro.
lauw, tepido.
het lawaai, il romore.
het ledekant, la lettiera.
het leder, il cuojo.
lederen handschoenen,
dei guanti di pelle.
de lederen zak, 1\'otre.
ledig, vuoto;
(zonder te werken:) ozioso.
het ledikant, la lettiera.
leelijk, laido , bautto.
het leem, 1\'argilla.
leenen, (te leen j/even:) pre-
stare ; (te leen nemen:)
prendere in prestito.
het leer, il cuojo.
leer en (= van leder). Zie le-
deren.
leeren, (onderwijzen:) inse-
gnare; (aanleeren:) impa-
rare; van buiten leeren,
imparare a memoria.
de leerling, lo scolare.
de leerlooier, il conciatore.
de leermeester, il maestro.
de leeuw, il leone.
de leeuwerik, 1\'allodola.
de leeuwin, la leonessa.
leggen, mettere.
de lei,
la lavagna.
het lei,
leiden , condurre , meiiare,
de lelie, il giglio.
de lente, la primavera.
de lepel, il cucchiaja.
letten op, aver riguardo a.
-ocr page 76-
64
liegen, mentire.
van lieverlede, a poco a poco.
de lievelingskott,
il piatto prediletto.
liggen, giacere.
de ligging, la situazione.
de limonade, la limonata.
de lindeboom, il tiglio.
links, a sinistra.
het linnen, la tela.
de Uns, la lenticchia, la lente.
het Ihisglas, la lente.
het lint, il nastro; zijden
lint,
nastro di seta.
de lippen, Ie labbra.
listig, astuto.
het litleeken, la cicatrice.
het logement,
la locanda, 1\'albergo
de logementhouder,
1\'oste, il locandiere.
delogementhoudster, 1\'ostessa.
de lok haar, il riccio.
de long, il polmone.
loochenen, negare.
het lood, il piombo.
loodrecht, perpendicolare.
de looier, il conciatore.
het loon, la ricompensa, la
mercede.
loopen, correre
de lorkeboom, il larice.
losbandig,
dissoluto, trascurato.
de letter, la lettera.
de lettergreep, la sillaba.
de leugen, la bugia.
de leugenaar, il bugiardo.
leugenachtig, bugiardo.
de leuning, 1\'appoggio.
de leuningstoel, la poltrona.
leven, vivere.
het leven, la vita;
(rumoer:) il romore.
levend, vivente, vivo.
levendig, vivace.
de lever, il fegato.
de leverworst,
la salsiccia di fegato.
het lexicon, il vocabolario.
lezen, leggere.
het lichaam, il corpo.
licht, (niet zwaar:) leggiero ;
(gemakkelijk:) agevole, fa-
cile; het licht, la luce.
lichtgeven, lucere.
het lichhcherm, il paralume,
la ventola.
lichtzinnig, leggero, sven-
tate.
het lid, il membro (mrv. :
Ie membra).
het lied, la canzone.
liederlijk, discolo, dissoluto.
lief, caro.
de liefde, 1\'amore.
liefelijk, soave.
lieftallig, gentile.
-ocr page 77-
05
de loscA, la lince.
de loterij, il lotto.
loven, lodare.
de lucht, 1\'aria.
de lucifers, i fiammiferi.
lui, pigro.
luiden, suonare.
de luiheid, la pigrizia.
de luipaard, il leopardo.
de luis, il pidoccbio.
luisteren, ascoltare.
de luitenant, il tenente.
lijden, soffrire, patire.
de lijkbaar, la bara.
de lijm, la colla.
het Ujnwdad, la tela.
de lynx, la lince.
de lijst [om eene schilderij:)
la cornice.
de lijster, il tordo.
de maag, lo stomaco.
de maaltijd, il parto.
de maan, la luna; de nieuwe
maan,
la luna nuova; de
volle maan,
la luna piena.
de maand, il mese.
Maandag, Lunedi.
maandelijksch, m ensile.
de maankop, il papavero.
maar, ma, perb.
de maarschalk, il maresciallo.
Maart, Marzo.
de maat, la misurn.
de maatschappij, la societa.
macaroni, i maccheroni.
machtig, poderoso, potente.
de machine, la macchina.
het madeliefje, la margherita.
mager, magro, macilento,
arido.
de magistraat, il magistrato.
de mats, il grano turco.
de majesteit, la maestïi.
de majoor, il maggiore.
maken, fare, prod urre.
malen, {met molen :) maci-
nare.
de man, 1\'uorao (mrv.: gli
uomini); {de man eener
vrouw:) il marito.
de mand, il paniere.
de mandenmaker, il panie-
rajo.
manen, esigere il pagamento
d\'un debito.
de maneschijn, il lume di luna.
mannelijk, maschile.
de mansjet, il manichino.
de mantel, il mantello.
de markies, il marchese.
de markt, il mercato.
het marmer, il marmo.
de marsch , la marcia.
het marsepein, il marzapane.
de marter, la marl o ra.
mat, stanro, fiacro.
matig ( sobrio.
.->
-ocr page 78-
66
de meloen, il popone.
mengen , mescolare,
mischiare.
m,enig , taluno
menigmaal, sovente.
menigvuldig , diverso.
de mensch, 1\'uomo (mrv.:
gli uomini).
menschelijh , umano.
de merel, il merlo.
merkbaar , percettibile.
merken , marcare.
merkwaardig, memorabile.
het mes, il coltello.
met, eon.
meten, misurare.
de metselaar, il muratore.
de meubelen, i mobili.
de middag, il mezzogiorno.
het middagmaal, il pranzo.
het middel, il rimedio; het
geneesmiddel, la medicina.
de Middellandsche Zee, il
Mediterraneo.
middelerwijl, frattanto.
middelmatig, médiocre, pas-
sabile.
de middelste vinger, il dito
medio.
het midden, il mezzo.
de middernacht, la mezza-
notte.
de mier, la formica.
\\mild, benigno.
matigen, moderare.
de matigheid, la frugalita.
de matras, la materassa.
de matroos, il marinajo.
de mechanicus, il meccanico.
mededeelen, comunicare.
de mededeeling, la comuni-
cazione.
de mededinger, il rivale.
het medelijden, la compas-
sione.
medelijdend, pietoso.
de medeminnaar, il rivale.
de medicijn , la medicina.
het meel, la farina.
meenen, pensare, credere.
de meening , 1\'opinione.
meer, piu.
het meer, il lago.
meerder, superiore.
meerderjarig, maggiore.
meerschuim, schiuma (spuma)
di mare.
de mees, la cingallegra.
de meester, il maestro.
de meeuw, il gabbiano.
Mei, Maggio.
de meibloem, il mughetto.
de meikever , il bruco.
de meid, la serva.
het\' meisje, la ragazza.
melden , annunziare.
de melk, il latte.
melken, mungere.
-ocr page 79-
67
de modewinkelierster ,
la mercantessa di mode.
de moed, il coraggio.
moede, stanco, annojato.
moedeloos, scoraggiato.
de moeder, la madre.
moederlijk, materno.
de moedertaal,
la lingua madre.
moedig, coraggioso.
moedwillig, petulante.
moeiel ij k, difficile.
de moeielijkheid, la difficolta.
de moeite, la pena.
het moeras, la palude.
moerassig, paludoso, pan-
tanoso.
de moerheziehoom, il moro,
il gelso.
moeten, dovere.
de mof, il manicotto.
mogelijk, possibile.
de mogelijkheid?,la possibilita.
de molen, il mulino.
de molenaar, il mugnajo.
de mond, la bocca.
mondeling, verbale.
mondig, maggiore.
de monnik, il frate.il monaco.
het monster, (model:)
il modello.
monsterachtig, monstruoso.
het monument, il monumento.
mooi, bello.
de milddadigheid, la carita.
de militaire stand, la milizia.
de milt, la milza.
eene min , una balia.
minderen, diminuire.
in mindering, a conto.
minderjarig, min ore.
het mineraalwater,
1\'acqua minerale.
ten minste , almeno.
de minuut, il minuto.
de mirt, il mirto.
de mirte-bezie, il mirtillo.
misbruiken, abusare.
mishagen, dispiacere.
mishandelen, maltrattare.
misleiden, deludere.
misnoegd, scontento.
de misnoegdheid, la scon-
tentezza.
de mispel, la nespola.
misschien , forse.
missen, mancare.
de mist, la nebbia.
mistasten, {fig.) errare.
mistig, nebuloso , vaporoso.
mistrouwen , diffidare.
mistrouwig, diffidente.
misverstaan, intendere male.
het misverstand, il mal in-
teso, 1\'equivoco.
hel model, il modello.
de modemaakster,
la crestaja.
-ocr page 80-
naakt, nudo.
de naald, Pago.
de naam, il nome.
naamloos, anonimo.
naarstig, diligente.
naast-aan, accanto.
nabootsen, imitare.
de nabuur, il vicino.
nabij, vicino.
de nacht, la notte.
de nachtegaal, 1\'usignuolo.
het nachtlicht, la lucerna.
nachtmuts, (voor vrouwen :)
la berretta da notto, (voor
mannen:)
il berretto da
notte.
de nachtwacht, la guardia
di notte.
nadeelig, svantaggioso.
nadenken, riflettere.
naderen, approssimavsi.
nadoen, imitare.
nadrukkelijk, energico.
de nagel, 1\'unghia.
de nagelbloem, il garofano.
naïef, schietto.
het najaar, 1\'autunno.
nalatig, trascurato.
de namiddag, 1\'ore pomeri-
diane, il pomeriggio, (en
in tegenstelling van
mat-
tina eenvoudig) giorno.
de nnp , la scodella
het naricht, 1\'avviso.
de moor, il moro.
de moord, l\'omiridio.
moorden, assassinare.
de moordenaar, 1\'omicida.
de moraal, la morale.
morgen, domani.
het morgenrood, 1\'aurora.
de morille, la spugnola.
morsig, lordo.
het mos, il musco.
de mosch, la passera.
de mossel, 1\'arsella.
de most, il mosto.
de mosterd, la mostarda ,
la senapa.
de mouw , la manica.
de mol, la tarma, la tignuola.
de mug, la zanzara.
het muildier, il mulo.
de muilezel, il mulo.
de muis, il sorcio.
de munt, la moneta.
murw, morhido.
de musch, la passera.
het museum, il museo.
de muts, la cuffia,la berretta.
de muur, il muro, la mu-
raglia; (de wand:) la
parete.
de muziek, la musica.
mijden, evitare.
de mijl, il miglio.
naaien, cucire.
de nauitiarild, l\'ajfO da rucire.
-ocr page 81-
nieuwsgierigheid^ curiosita.
niezen, starnutire.
nimmer, non mai.
nochtans, per tanto, pero.
noemen , nominare.
nog , ancora.
het nommer , il numero.
de non , la monaca.
noodeloos, inutile.
nooden, \\ . .,
,. \' [ invitare.
noodigen, \\
noodig ,
necessario, bisognevole.
noodwendiri, I
, , ,-! I necessario.
noodzakelijk, \\
noodzaken , costringere.
nooit, non mai.
noordelijk, settentrionale.
het noorden, il nord, il
settentrione.
de noordenwind, il borea,
1\'aquilone, il tramontano.
het noorderlicht,
1\'aurora boreale.
de noot, la noce.
de notaris, il notajo.
November, Novembre.
nu, ora, adesso.
nuchter, digiuno.
de nul, lo zero.
het nummer, il numero.
het nut, 1\'utilita.
nutteloos, inutile.
nuttig , utile, giovevole.
nat, umido.
de natie, la nazione.
nationaal, nazionale.
de natuur, la natura.
natuurlijk, naturale.
nauwelijks, appena.
navolgen, imitare.
navraag doen, informarsi.
de neef, il cugino; il nipote.
neen, no.
het negenoog, la lampreda.
de neger, il negro, il raoro.
de neiging, 1\'inclinazione.
de nek, la nuca.
nemen, prendere, pigliare.
nergens, in niun luogo.
het nest, il nido.
net, gentile.
het net, la rete.
de neus, il naso.
de neusdoek, il fazzoletto.
de neushoorn, il rinoceronte.
neuswijs, saputello.
de nevel, la nebbia.
nevelig, nebuloso.
de nicht, la cugina; la nipote.
niemand, nessuno.
het niergebraad, la lombata.
niet, non.
Jetig, futile.
niets, niente.
nieuw, nuovo.
tft nieuwjaar, il capo d\'anno.
nieuwsgierig, curioso.
-ocr page 82-
de onaangenaamheid,
la dispiacevolezza.
onafgebroken, di continuo.
onbegrijpelijk, incompren-
sibile.
onbehaaglijk , scomodo.
onbekend, ignoto.
onbekwaam, incapace.
onbepaald, indefinito.
onbeschaamd, impudente,
sfacciato.
de onbeschaamdheid, l\'im-
pudenza, lasfacciataggine.
onbescheiden , immodesto.
o«Ae*<oa»5aar,incompatibile.
onbetamelijk, indecente.
onbillijk , ingiusto.
ondankbaar, ingrato.
onder, sotto.
de onderbroek, i sottocalzoni,
Ie mutande.
onderdanig, umilissimo.
onderdrukken , opprimere.
de ondergang, la ruina; (van
de zon:) il tramonto.
zich onderhouden, discorrere.
het onderjak, la camiciuola.
ondernemen, intraprendere.
het onderricht, 1\'instruzione.
de onderrok, la sottana, la
gonnella.
het onderscheid, la differenza.
onderscheiden, distinguere.
onderschrijven, sottoscriyere.
de nijd, 1\'invidia.
nijdig, invidioso.
het observatorium, l\'osser-
vatorio.
October, Ottobre.
oefenen , esercitare.
de oefening, 1\'esercizio.
de oester , 1\'ostrica.
de oever , la riva.
of, o, (ook:) se.
offeren, sacrificare,immolare.
de officier, 1\'unziale.
ofschoon, sebbene, benchè.
de okkernoot, la noce.
de olie, 1\'olio.
de olifant, 1\'elefante.
de olmboom., 1\'olmo.
de olijf, 1\'oliva.
omarmen, abbracciare.
omgekeerd, inverso.
omhelzen, abbracciare.
omkeeren , rovesciare.
omkoopbaar, venale, cor-
ruttibile.
de omslag, la coperta.
de omslagdoek, lo sciallo.
omslagmakend, cerimonioso.
de omstandigheid, la circo-
stanza.
de omtrek, il circuito.
de omvang, il circuito.
omzichtig, cauto.
onaangenaam, spiacevole.
-ocr page 83-
71
ondersteunen, appoggiare.
onderteekenen, segnare.
ondertussc/ten, frattanto.
ondervragen, interrogare.
onderwerpen, sottomettere.
onderworpen, soggetto.
liet onderwijs, 1\'instruzione.
onderzoeken, esaminare.
de ondeugd, il vizio.
ondeugend, malizioso.
ondiep, basso.
onecht, spurio.
oneenig, discorde.
oneindig, infinito.
onfatsoenlijk, indecente.
onfeilbaar, infallibile.
ongaarne, malvolentieri.
het ongedierte, gli insetti.
ongeacht dat, malgrado che.
ongeduldig, impaziente.
het ongeluk, la disgrazia.
ongelukkig, infelice.
het ongelukkig toeval, l\'ac-
cidente.
ongemakkelijk, difficile; in-
comodo.
ongerijmd, assurdo.
ongesteld, indisposto.
het ongeval, 1\'accidente.
ongeveer, incirca.
ongezond, malsano.
onherroepelijk, irrevocabile.
onjuist, inesatto, erroneo.
de onkunde, 1\'ignoranza.
onlangs, nuovamente.
in onmacht gevallen,
svenuto.
onmatig, intemperante.
de onmenschelijkheid, l\'inu-
manita.
onmetelijk, immensurabile.
onmisbaar, indispensabile.
onmondig, min ore.
het onrecht, il torto.
onrein , sudicio, sordido.
de onrust, 1\'inquietudine.
de onschuld, 1\'innocenza.
onstuimig, impetuoso.
ontblooten, scoprire.
ontbreken, mancare.
het ontbijt, la colazione.
ontelbaar, inn umerabile.
ontevreden, scontento.
de ontevredenheid, la scon-
tentezza.
zich ontfermen, aver piëta.
onthouden (wederrechtelijk),
ritenere.
ontkennen, negare.
ontkleeden, svestire.
ontmoeten, incontrare.
ontreinigen, contaminare,
lordare.
ontrouw, infedele, inlido.
ontruimen, sgomberare.
ontsluiten, schiudere.
ontstemd, scordato.
ontvangen, ricevere.
-ocr page 84-
72
ontwaken, destarsi.
het ontwerp, lo schizzo.
ontzeggen, rinunziare.
ontzettend, orrendo, orrido,
orribile.
ontzien, (*/?«;•«« :)risparmiare.
onuitstaanbaar, intolerabile.
onuitsprekelijk, indicibile.
onveilig, malsicuro.
onverdraaglijk, insoppor-
tabile.
onvereenigbaar, incompa-
tibile.
onver golden, gratuito.
onverhoord, inaudito.
onvermijdelijk, inevitabile.
onverschillig, indifferente.
onvoegzaam, indecente.
onvoorwaardelijk, assoluta-
mente.
onvoorzichtig, incauto.
de onvoorzichtigheid,
la disavvedutezza.
onvoorziens, all\' improvviso.
het onweder, il temporale,
la tempesta.
onwelvoeglijk, indecente.
onwetend, ignorante.
de onwetendheid, 1\'ignoranza.
onwettig, illegale.
onwillekeurig, involontario.
onzeker, incerto.
onzindelijk, sordido.
onzinnig, insensato.
onzuiver, impuro.
het ooft, Ie frutta.
het oog, 1\'occhio.
de oogappel, la pupilla.
de oogarts, 1\'oculista.
het oogenblik, il momento.
in oogenschouw nemen,
visitare.
de oogleden , Ie palpebre.
het oogmerk , 1\'intenzione,
il disegno.
de oogmeester, 1\'oculista.
de oogst, la raccolta.
de ooievaar, la cigogna.
ooit, mai.
ook, anche.
de oom, lo zio.
het oor, 1\'orecchio.
het oordeel, il giudizio.
de oorlog, la guerra.
het oorlogschip, la nave da
guerra.
de oorring, 1\'orecchino.
oorspronkelijk, originale.
de oorzaak, la causa.
het oosten , 1\'oriente.
oostelijk, oriëntale.
de oostenwind, il vento di
levante.
de Oostzee, il Mar baltico.
op, sopra.
opbeuren , (tillen :) alzare.
opboenen, {met «oas:)incerare.
opdragen, (een 4oe£:)dedicare
-ocr page 85-
7
3
de opdracht, la commissione.
opeenstapelen, accumulare.
open , aperto.
openbaar , pubblico.
de openbare verkooping,
la vendita pubblica.
opendoen, j
openen, [aprire.schiudere
openmaken \\
openhartig, sincero, ingenuo.
openlijk , pubblico.
de opera , 1\'opera.
de opgaaf, la specificazione.
opgeblazen , gonfio.
opgewekt, vivace, vivido.
ophangen, pendere.
opheffen, (tillen:) alzare.
ophelderen, schiarire.
ophoopen, accumulare.
opklaren, schiarire.
oplettend, attento.
oplichten, (tillen:) alzare.
de oploop, il tumulto.
oplossen, dissolvere.
opmerken , notare.
opmerkzaam, attento.
opnieuw, di nuovo.
oprecht, sincero.
oproerig, sedizioso, tumul-
tuante.
opstaan, alzarsi, rizzarsi.
de opticus, 1\'ottico.
optillen, alzare.
de opvoeding, 1\'educazione.
opvoeren, (een tooneelstuk:)
rappresentare.
opvolgen, succedere.
opzettelijk, con intenzione,
premeditato.
de opzichter, I .,.
. „ .
           ) lispettore.
de opziener, \\ v
de oranje-appel, 1\'arancia.
ordelijk, regolare.
ordenen , regolare.
het orgel, 1\'organo.
de orkaan, 1\'oragano.
de os, il bue.
oud, vecchio.
de oude, il vecchio.
de ouders, i genitori.
de oudheid, 1\'antichita.
de oven, la stufa.
overdaad-minnend, lussu-
rioso.
overdreven, esagerato.
overdrijven, esagerare.
overeenkomen, convenire.
overeenstemmend, conforme,
corrispondente.
overgeven,
(aan iemand:) rimettere;
(braken:) vomitare.
de overgrootvader, il bis-
nonno.
overhaast, precipitoso, pre-
. cipitato.
de overheid, il magistrato.
overig, rimanente.
-ocr page 86-
71
de paardenstal, la stalla da
cavalli.
joactó»,prendere adappalto.
de padde, il rospo.
de paddenstoel, il fungo.
de pagina, la pagina.
het paket, il pacchetto , il
pacco.
pakken, impaccare.
het paleis, il palazzo.
paling, 1\'anguilla.
de palm, la palma.
het pand, il pegno.
de pannekoek, la frittella.
de panter, la pantera.
de pantoffel, la pianella.
de pap, {op een ziek lichaams-
deel:) il cataplasma.
de papegaai, il papagallo.
het papier, la carta.
het papiergeld,
la carta monetata.
de papierkooper, il cartajo.
de paraplu j Vomhtdï0m
de parasol, \\
de parel,
la perla; hetpare-
lensnoer, il file di perle.
particulier, privato.
de pas, il passaporto.
Pascheu, la Pasqua.
passen, aggiustare.
de pastei, il pasticcio.
de pasteibakker,
il pasticciere.
het overige, il resto.
de overjas, il paleto, il
pastrano.
overlast doen, molestare.
overlaten, abbandonare.
overleden, defunto, morto.
overleggen, riflettere.
overmatig, esorbitante, smi-
surato.
overmorgen, doman 1\'altro.
overnemen, assumere , in-
caricarsi.
overreden, persuadere.
overrompelen , sorprendere.
de overschoen, la caloscia
(de overschoenen, Ie calosce).
het overschot, il resto.
overschrijven, copiare.
overslaan, passare.
overspannen, esaltato.
oversteken, attraversare.
overtollig, superfluo.
overtreffen, superare.
overtuigen, convincere.
overvallen, sorprendere.
overvloedig, abbondante.
overtcegen, riflettere.
overwinnen, vincere.
de overwinning, la vittoria.
overzeesch, oltremare.
overzetten, tradurre.
het paar, il pajo.
het paard, il cavallo.
-ocr page 87-
75
de pastielje, la pastiglia.
de pastoor, il curato.
de patrijs, la pernice.
de Paus, il Papa.
de pauw, il pavone.
de pauze , la pausa.
de peen, la carota.
de peer, la pera.
peinzend, pensieroso.
de pelgrim, il pellegrino.
het pekelvleesch,
il manzo salato.
de pels, la pelliccia.
de pelskraag, il bavero di
pelliccia.
de pen, la penna, la piuma.
de pendule, 1\'orologio.
het pennemes, il temperino.
het penseel, il pennello.
de peper, il pepe.
de peperbus, la pepajuola.
het percent, il tanto per
cento, il frutto.
de pereboom, il pero.
de persoon, la persona.
persoonlijk, personale.
de perzik, la pesca, la
persica.
de peterselie, il prezzemolo,
il petrosello.
de peuluw , il guanciale.
de peulvrucht, la civaja.
de pieterselie, il prezzemolo,
il petrosello.
de pilaar, la col onna.
Pinksteren , la PentecostOt
de pit, (kern:) il nocciuolo<
de plaats, il luogo ;
in plaats, in luogo.
plaatsen, collocare, porrei
het plafond, il soffitto.
plagen, tormentare, (sar*
rend:) stuzzicare.
de plant, la pianta.
de piasregen, il diluvio,
la pioggia dirotta.
plat, piatto, piano.
het plaveisel, il lastrico,
il selciato.
plechtig, solenne.
de plechtigheid, la solennittU
plegen, (gewoon zijn:) solere>
het plein, la piazza.
de pleister, 1\'impiastro.
pletten, stirare.
de plicht, il dovere.
plichtplegend, cerimonioso.
de ploeg, 1\'aratro.
ploegen, arare.
plotseling, subito.
de pluim, il pennacchio.
de poel, il stagno, il pnludo.
poetsen, nettare , pulire.
de politie, la polizia.
de pols, il polso.
de pomade, la pomata.
de pomerans, (appel:)
la melarancia.
-ocr page 88-
76
d* pompoen, la zucca,
la cucurbita.
het pond, la libbra.
de pons, il ponce.
de poort, la porta.
de pop, la bambola.
de populier, 1\'alberella, il
pioppo.
de portefeuille, il porta-
foglio.
de portemonnaie, il porta-
monete.
de portiek, il portico.
de portier, il portinajo.
de post, la posta.
de pot, la pentola.
de pot-aarde, 1\'argilla.
de pottenbakker, il vasajo.
praatziek, millantatore.
praatziek, ciarliere, ciarlone.
de pracht, la magnificenza.
prachtig, pomposo, grandio-
so, sontuoso.
vraktisch, pratico.
„raten, ciarlare.
je predikant, il prete.
je prediker, il predicatore.
-a prei, il porro.
jrettig, piacevole.
Ke priester, il sacerdote.
rikkelen, irritare.
V prins, il principe.
rinselijk, principesco.
jje prinses, la principessa.
privaat, privato.
het privaat, il cesso, la
latrina, il luogo comodo,
la ritirata.
het proces, il processo.
de processie, la processione.
de proef, la prova.
proeven, assaggiare.
de prop, il turaccio.
de pruik, la parrucca.
de pruikmaker, il parruc-
chiere.
de pruim, la susina ; de wilde
pruim, la prugDola.
de prijs, il prezzo.
prijzen, lodare.
publiek, pubblico.
hel publiek, il pubblico.
de pudding, il budino.
punctueel, puntuale.
de punsch, il ponce.
het punt, I u
de punt, \\ r
de pupil,
il pupillo.
pur geermiddel, il purgante.
de put, il pozzo.
de pijn, la pena.
de pijnboom, il pino.
het quart,
il quarto, il quartiere.
de quitantie, la ricevuta.
quiteeren, quietanzare.
de raad, il consiglio.
-ocr page 89-
77
de rechtschapenheid,
la probita.
de rechtsgeleerde, il giurista.
de rechtsgeleerdheid,
la giurisprudenza.
rechtvaardig, giusto.
rechtvaardigen, giustificare.
de rechtvaardigheid,
la giustizia,
redden, salvare,
de rede, la ragione.
de ree, il cavriolo.
reeds, gia.
regeer en, reggere.
de regeering, il governo.
de regel, la regola.
zich regelen, accommodarsi.
de regen, la piosgia.
regenachtig, piovoso.
de regenboog, 1\'arcobaleno.
regenen, piovere.
de regenscherm, 1\'ombrello»
de regenworm, il lombrico.
de reiger, 1\'airone.
hel reikhalzen , la bramosia.
rein, puro.
reinigen, lavnre, pulire.
de reis, il viaggio.
reizen, viaggiare.
hel reken-abuis, 1\'errore di
calcolo.
rekenen, calcolare, contare.
de rekening, il conto, la nota^
o// rekc»ing, a conto.
het raadhuis,
il pallazzo municipale,
la casa comunale.
het raadsel, 1\'enimma.
raadselachtig, enimmatico.
de raaf, il corvo.
het raam, la finestra.
het raamgordijn, la tenda.
de raamkozijnen, Ie imposte.
de raap, la rapa.
raap-olie, olio di rapa.
het rad, la ruota.
raden, (aanraden:) consi-
gliare; (gissen :)indo vinare.
de radijs, il ravanello.
raken, toccare, colpire.
de rammenas, il ramolaccio,
il ral\'ano.
rank, svelto.
ranselen, bastonare.
ransig, rancido.
rasch, rapido, pronto.
de rat, il topo.
de ratelslang, il serpente a
sonagli.
rauw, crudo, non cotto.
razend, furioso.
het recept, la ricetta.
recht, diritto.
het recht, il diritto.
de rechtbank, il tribunale.
de rechter, il giudice.
rechts, a destra.
rechtschapen , proho, ouesto.
-ocr page 90-
78
de roode wijn, il vino rosso.
de rook, il fumo.
rooken, fumare.
het rookvleesch,
la came affumicata.
de rookworst, il salame.
de room, la crema.
de roos, la rosa.
roosteren, arrostire.
rooven, rapire, rubare.
rosé\', roseo , rosaceo.
de rot, il topo.
de rots, la roccia, la rupe.
he rouw, il lutto.
rouwen, essere (stare) in
lutto, essere abbrunati.
het rouwgewaad, 1\'abito da
lutto.
de rozijn, 1\'uva passa, lo
zibibbo.
de rug, il dorso, la schiena.
ruiken, odorare.
de ruiker, il mazzo di fiori,
il mazzolino.
ruilen, barattare, scambiare.
ruim, spazioso.
de ruimte, lo spazio.
de ruit, (raamglas:) il vetro
di finestra.
rukken, strappare.
de rum, il rum.
het rumoer, il romore.
het (gebraden) rundvleesch, il
rosbiffe, 1\'arrosto dimanzo.
rennen, correre.
repareeren, raccomodare.
de republiek, la repubblica.
de red, il resto.
de restaurateur, il trattore.
de reuk, 1\'odorato.
reusachtig, gigantesco.
de rhinoceros, il rinoceronte.
de ribben, Ie costole.
richtig, corretto, esatto.
de richting\', la direzione.
rieken, odorare.
de riem, la correggia.
het riet, la canna, il giunco.
rillen, tremare.
de ring, 1\'anello.
de (groote) rivier, il fiume.
roeien, remare.
de roeiriem, i .,
, .
              il remo.
de roeispaan, \'
roekeloos, tracotante ,
temerario.
roemen, lodare, vantare.
roepen, chiamare.
de roeping, la vocazione.
roerend, commovente.
roestig, rugginoso.
de rogge, la segale.
de {mans-)rok, 1\'abito.
rond, tondo , rotondo.
rondborstig ,sincero, ingenuo.
rood, rosso;
rood worden, arrossire.
het roodborstje, il pettirosso.
-ocr page 91-
79
de rups, il brucio.
derustdag, il giorno di riposo.
rusten, riposare.
rustig, tranquillo.
ruw, rozzo, aspro, brusco.
de ruwheid, la rozzezza.
rijden, (te paard:) cavalcare;
(in rijtuig:) andarincar-
rozza; (mennen:) guidare.
de rijf, il rastrello.
rijk, ricco.
het rijk, il regno.
de rijkdom, la ricchezza.
rijkelijk, abbondante.
de Rijnwijn, il vino del Keno.
rijp, maturo;
, rijp worden, maturare.
de rijp, la brina.
de rijst, il riso.
het rijtuig, il carro.
de rijiceg, la strada car-
reggiabile, la strada car-
rozzabile.
de sabel, la sciabola.
het sabeldier, lo zibellino.
de safraan, lo zafferano.
de sago, il sago.
de salade, 1\'insalata.
de salade-schotel, l\'insala-
tiera.
samen, insieme.
de samenvloeiing,
il confluente.
sappig, saprijk, sugoso.
de sardijn, la sardella, la
sardina
sarren, stuzzicare.
het satijnlint,il nastrodiraso.
het saucijsje, il salame.
de saus, la salsa.
de sauskom, la salsiera.
de schaaf, la pialla.
het schaakbord, lo scacchiere.
het schaakspel, gli scacchi,
il giuoco degli scacchi.
de schaal, la bilancia.
het schaap, la pecora.
de schaar, Ie forbici.
schadeloosstellen, indenizzare.
schadelijk, peroicioso.
de schaduw, 1\'ombra.
         *
zich schamen, vergognarsi.
de schande, la vergogna.
de schapebout,
il castrato arrosto.
de schatting, il censo.
schatplichtig, tributario.
scheef\', obliquo , sbieco.
het scheermes, il rasojo.
scheidbaar, separabile.
scheiden, separare.
de scheiding, la separazione.
de schel, il campanello.
schellen , suonare.
schelmachtig,faTbesco,furho.
de schelp , la conchiglia.
de schemering, il crepuscolo.
-ocr page 92-
80
de schoenmaker, il calzolajo.
de schoenpoetser, il ripulitore
di scarpe.
de schommel, il dondolo.
de school, la scuola.
de scholier, lo scolare.
schoon, (m»:)schietto,netto;
(mooi:) bello.
de schoonbroeder, il cognato.
de schoondochter, la nuora.
schoonmaken, lavare, spaz-
zare.
de schoonmoeder, la suocera.
de schoonvader, il suocero.
schoonvegen, nettare.
de schoonzoon , il genero.
de schoonzuster, la cognata.
de schoorsteen, il cammino.
de schoorsteenpijp, la gola
del cammino.
schor, fioco.
het schortje, il grembiule.
het schot, il tiro.
de schotel, il piatto.
het schoteltje, (onder een
kopje:) il piattino.
schouders, Ie spalle.
de schouwburg, il teatro.
het schouwspel, lo spettacolo.
de schrede, il passo.
schreeuwen, gridare, urlare.
schreien, gridare.
schriftelijk, scritto.
de schrik, il terrore..
schenken, (geven:) regalare,
(als schenking:) donare ;
(gieten:) versare.
de schepping",, la ereazione.
scheren, radere.
het scherm, 1\'ombrella.
schermen, schermire
scherp, pungente, aeuto.
scherpen, aftilare, aguzzare,
arrotare.
scherpzinnigheid, perspicacia.
de scherts, lo scherzo.
schertsend, scherzevole.
de schets, lo schizzo.
scheuren (aan stukken),
stracciare.
het schiereiland, la penisola.
schieten, scaricare, sparare.
de schilder, il pittore.
schilderen, pingere.
de schilderkunst, la pittura.
de schilderij, la pittura, il
quadro.
de schilderij-lijst, la cornice.
de schildpad, la testuggine.
het schildpad, il guscio di
tartaruga.
de schildwacht, la sentinella.
het schip, la nave, il vascello.
de schipper, il navigatore.
smadelijk, ingiurioso.
smaden, ingiuriare.
de schoen, la scarpa.
de schoenlapper}i\\ ciahattino.
-ocr page 93-
SI
het schrikkeljaar,
1\'anno bisestili
schrikkelijk, spaventevole.
de schroef, la vite.
schroeien, arrostire.
schrijden, procedere.
het schrijfgereedschap,
il calamajo.
de schrijftafel, lo scrivania.
deschrijnwerker,\\\\ f\'alegname.
schrijven, scrivere.
de schrijver, lo scrittore ;
(ook:) 1\'autore.
schuchter, timoroso.
de schuif knoop, il nodo.
het schuim, la schiuma.
schuin, obliquo.
de schutter, (schieter:) il ti-
ratore, (soldaat der schut-
ierij :) soldato della guar-
dia nazionale.
de schuur, il granajo.
de schijn, 1\'apparenza.
schijnbaar, apparente.
schijnen,
(schijnsel geven:) lucere ;
(den schijn hebben:) parere.
de seconde, il secondo.
sedert, da.
het sekreet, il luogo comodo,
il cesso, la latrina, la
ritirata.
de selderie, il sedano.
September, SpHflrnhrfi.
het servet, la salvietta, il
tovagliuolo.
de shawl, lo scialle.
sidderen, tremare.
het sieraad, l\'ornamento.
sieren, omare.
sierlijk, elegante.
de sigaren/roker, il portasigari.
het signet, il sigillo.
de sinaasappel, 1\'arancia.
de siroop, lo sciroppo.
sissen, sibilare, fischiare.
de sjaal, lo scialle.
de sjouwer, il facchino.
de slaaf, lo scbiavo.
slaan, battere.
de slaap, il sonno; de slaap
van het hoofd, la tempia.
de slaapbol, il papavero.
de slaapkamer, la camera
da letto.
de slaapmuts. Zie nachtmuts.
de slaaprok,
la veste da
camera.
slaapvertrek, camera daletto.
de slachter, il macellajo, il
beccajo.
de slagboom, la sbarra.
de slagregen, il diluvio,
la pioggia dirotta.
het slagveld, il campo di
battaglia.
de slak, la lumaca.
de slang, il serpente.
-ocr page 94-
82
het slijk, la fanghiglia.
slijpen, arrotare; affilare,
aguzzare.
de smaak, il gusto.
smakeloos, insipido.
smakelijk, saporito.
smaken, assaporare, gustare.
smal, stretto, scarso.
de smart, il dolore.
smartelijk, doloroso.
smelten, liquefare.struggere.
de smeltkroes, il crogiuolo.
smerig, sudicio, lordo.
de smid, il fabbro.
het smout, il grasso strutto.
de snavel, il becco.
de sneeuw, la neve.
het sneeuwhoen,
la pernice bianca.
het sneeuwklokje,
1\'anemone alpina.
snel, veloce; rapido.
slank, svelto.
slapeloos, iusonne.
slapen, dormire.
de slapen van het hoofd,
Ie tempie.
slaperig, sonnacchioso.
slecht, cattivo.
slechts, solamente.
trainare; rimorchiare.
de slek, la luraaca.
slepen, trainare.
de sleutel, la chiave.
het sleutelgat, il foro della
serratura, il bueo della
chiave.
de slinger (van een uurwerk) ,
il pendolo.
de slingerplant,
la pianta rampicante.
de slobkousen, Ie ghette,
Ie uose.
de slok, il sorso.
het slot, (sluiting:) la serra-
tura; (kasteel:) il castello;
(einde:) il termine, la
conclusione.
de slotenmaker, il magnano.
de sluier, il velo.
de sluimering, il sopore.
de sluis , la cateratta.
sluiten, chiudere, serrare.
sluw, astuto, accorto, sagace.
de sluwheid, la scaltrezza.
de snip
de snoek, il luccio.
het snoer, la corduella, la
corda, la cigna.
snorken, russare.
de snorren, i mustacchi, i
baffi.
de snuif, il tabacco da naso.
de snuiter, lo smoccolatojo.
snijden, tagliare;
(aan s£«M««:)tagliuzzare.
-ocr page 95-
83
de soep, la minestra, il
brodo, la zuppa.
de sofa, il sofa, il canapé.
de sok, lo scappino.
de soldaat, il soldato.
de som, la somma.
somwijlen, qualche volta.
het sop, il brodo.
spaarzaam, economo.
spade, (laat:) tardi.
de spade, la vanga.
Spanje, Spagna.
spannen, (paarden voor een
wagen:) attaccare.
sparen, risparmiare.
de specerijen, Ie spezierie.
de specerij è\'nhandel,
il traffico di spezierie.
de specificatie, la specifica-
zione.
de specht, la picca.
het speeksel, la saliva.
het spek, il lardo.
spekken, lardellare.
het spel, il giuoco.
de speld, lo spillo.
spelen, giuocare.
de spelonk, la spelonca.
de sperwer, lo sparviere.
de sperzie, lo sparagio.
de spiegel, lo specchio.
de spier, il muscolo.
de spin, il ragno.
de spinazie, lo spinacio.
spits, aguzzo, acuto.
spoedig, presto, tosto.
het spogbakje, la sputacchiera.
de spom, la spugna.
het spook, lo spettro.
de spoor, lo sprone.
het spoor, la traccia.
spoorwegstation, la stazione.
spotten, schemire.
spottend, derisorio, ironico,
satirico.
de spraak, la lingua.
de spreeuw, lo storno.
de spreideken,
la sopracoperta.
spreken, parlare.
springen, saltare.
de springfontein , la fontana.
de sprinkhaan, la cavalletta.
de sprits, il chiocciolino.
de sprong, il salto.
spuigen, sputare.
de spuit, la tromba; lo
scliizzetto, il sifone.
spuiten, schizzare.
spuwen, sputare.
de spijker, il chiodo.
spijkeren, inchiodare.
de spijs, il cibo, la vivanda ,
la pietanza.
I la lista delle
de spijskaart,) vivande (de\'
j piatti, delle
1 pietanze).
6*
-ocr page 96-
84
stelen, involare, rubare.
de stem, la voce.
stemmen, (stern-uitbrengen:)
\\ot&r&;(muziek-instrumen-
ten:) accordare.
de stengel, il fusto.
de ster , la stella.
sterk, forte, robusto.
de sterkte, (kracht:) la forza;
(vesting:) la fortezza.
hel sterrekers, il nasturzio ,
il crescione.
sterrenwacht, 1\'osservatorio.
sterfelijk, mortale.
sterven, morire.
steunen , gemere.
de steur, lo storione.
stichten, edificare, fondare.
de stiefdochter, la figliastra.
de stiefmoeder, la matrigna.
de stiefvader, il patrigno.
de stiefzoon, il figliastro.
de stier, il toro.
stikken,
(doornaaien:) trapuntare;
(door stiklucht:) affogare.
stil, quieto, tranquillo.
stilzwijgend, tacito.
stinken, puzzare.
stipt, puntuale.
de stoel, la sedia, la seggiola.
de stoeterij, la scuderia.
de stof, la stoffa.
het stof, la polvere.
de spijsvertering , la dige-
stioue.
de spijt, il dispetto.
het staal, 1\'acciajo.
slaan, stare.
de staat, lo stato.
Je staatsregeling, la costi-
tuzione.
de stad, la cittii.
stadhuis, il palazzo muni-
cipale, la casa comunale.
de stal, la stalla.
de stalknecht, lo stalliere.
de stam, il tronco.
stamelen, balbettare.
het standbeeld, la statua.
destang, la pertica.
de stank, il puzzo. \'
statig, maestoso, magnifico,
imponente.
het station, la stazione.
het stavelei, il cavalletto.
steeds, sempre.
de steeg, il vicolo.
de steen, la pietra.
de steengroeve, la ca va di
pietre.
steenig, sassoso.
de steenkarper, il coracino.
steil, erto, dirupato.
stekelig, spinoso.
Itet stekelvarken, il porco
spino.
ttelieit, puugere
-ocr page 97-
de stroom , (rivier:) il tiume.
het stroombed, il letto del
fiume, 1\'alveo
stroomen, soorrere, sgorgare.
de stroop, lo sciroppo.
het struikgewas, 1\'arbusto.
struikelen, inciampare.
de struisvogel, lo struzzo.
de strijd, il conflitto.
strijden, disputare.
strijdig, contraddittorio.
studeeren, studiare.
stuitend, antipatico, nause-
ante, esoso, fastidioso.
het stuk, il pezzo.
sturen, (zenden^ inviare.
stijf, rigido, intirizzito.
stijf hoofdig, caparbio.
de stijfsel, la colla.
de stijgbeugel, la staffa.
stijgen, salire, raontare.
de suiker, lo zucchero.
het suikergoed, i confetti.
de suikerpot, la zucclieriera.
het suikertoaler,
1\'acqua inzuccherata.
de syllabe, la si 11 aha.
de synagoge, la sinagoga.
het sijsje, il fanello.
de taal, la lingua.
de taart, la torta.
de tabak, il tabacoo.
de tabaksdoos, la tabacchiera.
stoffig, polveroso.
de stok, il bastone.
stom, mutolo, muto.
stomp, ottuso.
de stoom, il vapore.
het stoombad, il bagno a
vapore.
de stoommachine,
la maccbina a vapore.
stooten, colpire.
stoppen, (/frowwtt^racconciare.
storen, turbare.
de storm, la tempesta.
stormachtig, burrascoso.
de stortregen, il diluvio,
la pioggia dirotta.
stotteren, tartagliare, bal-
bettare.
stoutmoedig, ardito.
de straat, la strada.
het straatje, la stradella.
de straf, la pena.
strafbaar, colpevole, puni-
bile.
straffen, castigare.
de (land) streek, la contrada.
streng, austero.
de strengel, (haar:) la treccia.
streven, tendere, aspirare.
de strik, il nodo.
het stroo, la paglia; (in
stallen:) lo strame.
het strooizand, la polvere.
de stroozak, il pagliericcio.
-ocr page 98-
86
teeder, tenero, delicato.
de teederheid, la tenerezza.
teekenen, disegnare;
(naamteekening:) segnare.
de teen, il dito del piede.
de tegel,\\& lastra,illastrone.
te gelijk, insieme.
tegen, verso ;
(niet mee-.) avverso.
integendeel, al contrario.
tegenover, di faccia,in faccia.
tegenspreken, contraddire.
tegenstrijdig,contraddittorio.
tegenwoordig,
presente.
de tekst, il testo.
de telegraaf, il telegrafo.
tellen, numerare.
de tempel, il tempio.
temperen, moderare.
ten minste, al meno.
de tent, la tenda.
de tentoonstelling,
1\'esposizione.
de tering, la consunzione ,
la tisa (tise), 1\'etisia.
het terras, la terrazza.
terug, indietro.
teruggeven, restituire.
de tafel, la tavola.
het tafelgoed,
il servizio da tavola.
het tafelkleed,
il tappeto da tavola.
het tafellaken, la tovaglia.
de talkkaars, la candela di
sevo (of: di sego).
de tak, il ramo.
het takje, il ramoscello
de taks, la tassa.
talloos, inuumerabile.
talmen, indugiare.
tam, mansueto.
tamelijk, passabile.mediocre.
de tand, il dente.
de tandborstel,
lo spazzolino da denti.
de tandenstoker,
lo stuzzicadenti.
tandig, dentato, intagliato.
de tandmeester, il dentista.
de tandschuier,
lo spazzolino da denti.
het tandvleesch, la gengiva.
de tang, la tanaglia, Ie molle.
de tante, la zia.
het tapijt, il tappeto.
de tarbot, il rombo.
de tarwe, il formento ;
de Turksche tarwe, il gran
turco.
tasten, tastare.
de tasxis, il tasso.
terugkeeren,
ritornare.
terugkomen,
terugkrijgen,
riavere.
terug stootend. Zie stuitend,
terugtrekken,
ritirare.
terwijl, mentre.
-ocr page 99-
toekomstig, venturo, futuro.
toelaten, permettere.
toenemen , accrescere , au-
mentare.
toereiken , porgere.
toereikend, bastante , suffi-
ciente.
toeschouwer, lo spettatore.
toeslaan , permettere.
de toestand, lo stato.
toestemmen , consentire.
toevallig, fortuito, acciden-
tale.
toevertrouwen , confidare.
toewijden, consacrare, dedi-
care.
de tol, (belasting:) il dazio.
de tolk , 1\'interprete.
het tolkantoor, la dogana.
tolvrij, franco da dazio.
de ton, la botte, il barile.
de tondel j ,>
de tonder \'
de tong, la lingua.
de tooi, 1\'ornamento.
de tooneelkijker, il eannocchi-
ale du teatro, il binoculo.
toornen , imbrigliare, raf-
frenare.
de toon, {klank:) il tuono,
{de teen:) il dito del piede.
de tooneelspeler, 1\'attore.
toonen , mostrare.
de toonladder, la scala.
het testament, il testamento.
de teug, il sorso.
de teugel, il freno.
tevens, insieme.
tevreden, coutento.
de tevredenheid,
la contentezza.
te zamen, insieme.
thans , adesso.
het theater, il teatro.
de thee, il tè.
het theeblad, il vassojo.
theelepeltje, il cucchiaio.
de theepot, la teiera, il bricco
da tè.
theeschoteltje, il piattino.
het tin, lo stagno.
de titel, il titolo.
toch , pertanto.
de tocht, (luchtstroom:)
il riscontro d\'aria.
toebehoorend, appartenente.
toebereiden , apparecchiare,
preparare.
toebinden , legare.
toedekken , coprire.
toedichten, imputare,esigere.
toegankelijk, acoessibile.
de toegenegenheid, 1\'affezione.
toegewijd, divoto.
toehooren , ascoltare.
de toejuiching, 1\'applauso.
toeknoopen, abbottonare.
de toekomst, 1\'avvenire.
-ocr page 100-
88
de toorn, la pollera.
toornig, irato, arrabbiato, in-
collerito.
de toorts. Zie fakkel,
de tor,
lo scarafaggio.
detoren,\\aione,i\\ campanile.
de tortelduif, la tortora.
tot, fino.
het touw , la corda ;
het kabeltouw, il canapo.
traag, negbittoso, pigro, pol-
trone , infingardo.
de traan ,
(vischolie :)l\'olio dibalena.
(geweende - :) la lacrima.
trachten, tendere; aspirare.
het tralie-hek i ,
         .
het tralie-raam \' °
transporteeren ,
trasportare.
de trap, la scala ; (flg.) il
gradino.
de trapleuning,
la ringhiera di scala.
de trechter, 1\'imbuto.
treden , calpestare.
treffen, cogliere,colpire, toc-
care; (fig.) commuovere.
trekken , trarre.
de trekking , (tocht:) il ri-
scontro d\'aria.
de trekpot. Zie theepot,
treurig ,
triste , mesto ;
calamitoso.
\'/\' treurigheid, la tristezza.
de treurmuziek,
la musica funebre.
het treurspel, la tragedia.
detriomf\'boog, 1\'arco trionfale.
troebel, torbido , fosco.
de trom \\ ., . .
de trommel I Ü tamburo-
de trompet, la tromba.
de troost , la consolazione.
troosten, consolare, coDfor-
tare.
troostrijk, consolante.
de tros druiven,
il grappolo d\'uva.
de trots, 1\'orgoglio.
trotsch, arrogante.
trotseeren, sfidare, affrontare.
trouw , fedele , fido.
de trouw, la fedelta.
trouweloos , infido , perfido.
trouwen , sposare; (het hu-
weiijk inzegenen:)
celebrare il matrimonio.
de truffel, il tartufo.
het tuchthuis, la casa di
correzione.
het luighuis , 1\'arsenale.
tuimelen , vacillare.
de tuin, il giardiuo.
de tuinier, il giardiniere.
de tulp, il tulipano.
de turf^ la torba.
de Turksche tarwe,
il gran turco.
-ocr page 101-
89
uitnoodigen , invitare.
uitroeien , estirpare.
uitroepen , esclamare.
uitrijden, uscire in carozza.
uitrekken, svellere.
de uitslag , 1\'uscio , 1\'esito.
uitspannen, staccare i cavalli.
de uitspatting, 1\'eccesso.
het uitspansel, il firmamento.
het uitstel, la dilazione.
uitstellen , indugiare.
uitstrekken, stendere.
uitvegen, nettare.
uitvinden , inventare.
uitoorschen , esplorare.
uitweiden, stendere.
uitwendig, esteriore, esterno.
de uitzet, la dote.
het uitzicht, la veduta, la
vista.
de uitzondering, 1\'eccezione.
de universiteit, 1\'universita.
het uur , 1\'ora ;
om het uur, ogni ora.
een half uur, una mezz\'ora,
I de uurwijzer, la lancetta
(d\'un orologio).
vaak , sovente.
\' het vaandel, la bandiera.
de vaas, il vaso.
\' de vacantie , Ie vacanze.
de vader, il padre*
het vaderland, la patria.
tunehen, fra.
de tusschenruimte, l\'inter-
vallo.
de tweelingen , i gemelli.
de tweerndraad, il refe.
de tweespalt, la disunione,
twisten, disputare, altercare.
twistziek , litigioso.
de twijfel , il dubbio.
twijfelachtig ,
dubbioso , incerto.
twijfelen , dubitare.
het twijgje , il ramoscello.
de tijd, il tempo.
tijdig, di buon\' ora, maturo.
de tijger, il tigre, il tigro.
de tijgerin, la tigra, la tigre.
de ui, la cipolla.
de uil, la ciyetta.
uitdeden, distribuire, com-
partire.
de uitdrager, il rigattiere.
uiterst, estremamente.
uitgaan , uscire.
uitgeput, snervato, spossato.
M%^a«c?,intagliato,dentato.
uitgeven , spendere.
de uitgever {boekhandelaar) ,
1\'editore.
uitheemsch , forestiero.
uit het hoofd leeren ,
imparare a memoria.
«#/Weerf«»,svestirè,spogliare.
-ocr page 102-
90
vaderloos , privo di padre ,
orfano.
vaderlijk , paterno , pater-
nale.
de valk, il falcone.
vallen , cadere.
valsch , falso.
de vahchheid, la falsita.
vangen , prendere.
de vanielje, la vauiglia.
vanwaar? donde ?
het varken , il porco.
vast, stabile, fermo, saldo.
vastbinden, legare.
de vastelavond, il Carnevale.
vasten, digiunare.
de Vasten, la Quaresima.
de vastenspijs, il cibo di
magro.
vastknoopen , abbottonare.
vastspijkeren, inchiodare.
Basisteken, ficcare.
het vat, la botte, il barile.
vatten, pigliare, capire ;
{arresteeren.) arrestare.
de veder, la piuma, la peuna.
de veearts, il veterinario.
veel, assai, molta;
te veel, troppo.
veelvoudig I ,, ,.
, ,,/ moltepüce.
veelvulmg \\
            r
veelzijdig, moltilatero.
het veerenkussen, il piumino.
de veerman, il barcaruolo.
vegen, nettare;
(met bezem:) spazzare.
veil, venale.
veilig, cauto, sicuro.
de veiling, 1\'incanto, la ven-
dita pubblica.
veinzen, fingere.
het vel, la pelle.
het veld, il campo.
velerlei, diverso.
de venkel, il finocchio.
de vennootschap, la societa;
naamlooze vennootschap,
societa anonima.
het venster, la finestra.
het vensterraam, Ie imposte.
de vensterruit, il vetro di
finestra.
het venijn, il velen o.
ver, lontano.
veraccijnzen, gabellare.
verachtelijk, spregevole.
verachten , sprezzare.
de verachting, il disprezzo.
ver-af, distante, lontano.
verafschuwen, abborrire.
veranderen,cstmbiare,raütaie
veranderlijk,
variabile, vo-
lubile, mutabile.
verantwoordelijk,
responsabile.
verantwoorden, giustificare,
scusare.
verbazen, stupire.
-ocr page 103-
91
de verbazing, lo stupore.
de verbeelding, l\'immagina-
zione.
verbergen , celare.
verbeteren, correggere,emen-
dare.
verbieden, proibire, vietare.
»eritWera,unire,congiungere.
verbindend, obligatorio.
verbitteren, irritare.
verbloemd, metaforico, figu-
rato.
verborgen, celato, recondito.
verboden, vietato , proibito.
verbranden, abbruciare.
verbreken, rompere.
verdacht, sospetto.
verdedigen, difendere.
verdeelen, distribuire.
verdelgen, estirpare.
de verdenking, il sospetto.
verdienen, guadagnare, me-
ritare.
verdienstelijk, meritevole.
de verdieping, il piano;
gelijkvloers^, pian terreno;
eerste, il primo piano.
het verdrag, il contratto.
verdrietelijk, fastidioso.
de verdrieting, il fastidio.
verdrinken, annegare; zich
verdrinken, annegarsi.
verdrukken, opprimere.
verdrijven, scacciare.
verduisteren, (geld, enz:) de-
fraudare.
verduwbaar, digeritibile, di»
gestivo.
verdwijnen, disparire.
veredelen, nobilitare, miglio»
rare.
vereenigd, unito.
vereeren, onorare,rispettare,
vereischt, necessario.
verergeren, peggiorare.
de verf, il colore, la tinta.
verfraaien, abbellire, omare,
verfrisschen , rinfrescare.
vergaan van dorst, morir di set&-
vergeefs, invano.
vergeetachtig, sventato.
vergeelrwniefje, il camedrio»
vergelden, ricompensare.
vergelijken, comparare, pa-
ragonare.
vergemakkelijken, facilitare.
vergenoegd, lieto, giocondor
vergenoegen, il piacere.
vergeten, dimenticare.
vergeven, (vergiffenis schen-
ken:) perdonare;
(vergiftigen:) avvelenare,
vergezellen, accompagnare.
vergiftigen, avvelenare.
zich vergissen, sbagliare.
de vergissing, 1\'errore, lo>-
sbaglio.
vergroeid, storte.
-ocr page 104-
92
domandare; (wenschen :)
desiderare, bramare,
het reikhalzend verlangen ,
la bramosia.
verlaten , lasciare.
zich verlaten, fidarsi.
het verledene, il passato.
verlegen, timido, impacciato,
imbarazzato.
de verlegenheid, 1\'imbarazzo.
verleidelijk, seducente. .
verleiden, sedurre, corrom-
pere.
verlept, appassito.
verliefd worden, inamorarsi.
het verlies, la perdita.
verliezen, perdere.
het verlof, la licenza.
de verloofde,
(m.) il promesso sposo,
(vr.) la fidanzata; de
verloofden: i fidanzati.
verlossen, redimere.
het vermaak, il piacere.
vermeerderen, aumentare.
vermengen , mescolare , mi-
schiare.
vermetel, ardito, temerario.
vermicelli, i vermicelli.
verminderen, diminuire.
vermoedelijk, probabile, pre-
suntivo.
vermoeden, presumere, so-
spettare.
vergrooten,
aggrandire, aumentare.
het vergrijp, il delitto.
vergunnen, permettere.
verhaasten, accelerare.
verhalen, narrare.
verheffen , alzare.
verhelen, celare.
het ver.hemelte, il palato.
verheugd, giocondo.
zich verheugen, rallegrarsi.
verheven, sublime.
verhinderen, impedire.
verhuren, appigiouare.
verhypothekeeren, ipotecare.
verimposten, gabellare.
verkeerd, stravolto.
de verkiezing, 1\'elezione.
verkiesbaar, eleggibile.
verklaren, diohiarare;
(schriftelijk:) certificare.
zich verklreden,
cambiar vestito.
de verkoop, la vendita.
verkoopbaar, vendibile.
verkoopen, vendere.
de verkooping, la vendita ;
de openbare verkooping, la
vendita pubblica.
verkrijgen, ottenere.
verkwisten, dissipare.
verkwistend, prodigo.
verkwijnen, illanguidire.
verlangen,(eischen :)chiedere,
-ocr page 105-
vermoeiend, faticoso.
het vermogen, Ie richezze.
vermijden, evitare.
vernietigen, annichilire, di-
struggere.
vernieuwen, rinnovare.
veronachtzamen, trascurare,
negligere.
verontreinigen, contaminare,
lordare.
verontschuldigen, sousare.
verontwaardigd, sdegnato.
veroordeelen, condannare.
veroorloven, permettere.
veroorzaken, causare, occa-
sionare.
verordenen, ordinare , pre-
scrivere.
verpanden, impegnare, ipo-
tecare.
verplegen, curare.
verplichtend, obbligatorio;
(ook:) cortese.
verraden, tradire.
verraderlijk, traditore.
verrassen, sorprendere.
de verrekijker, il cannocchi-
ale, il telescopio.
zich verroeren, rauoversi.
vervuilen, barattare, scam-
biare.
verrukkelijk, vezzoso, attra-
ente.
versaagd, scoraggito.
verschaffen, procurare, pro-
cacciare , fornire.
verscheidene, diversi.
verschillend, vario, differente.
versieren, omare , abellire,
het versiersel, 1\'oruamento.
vertimmeren, peggiorare.
versmachten van dorst,
morir di sete,
verstaan, capire, compren-
dere.
verstaanbaar, intelligibile,
chiaru.
het verstand, 1\'intelletto, la
ragione.
verstandig, intelligente,
ragionevole.
versteend, impietrito.
verstellen, raccomodare,
rappezzare, racconciare.
versterken, rinforzare.
de verstopping, 1\'ostruzione,
1\'intasamento.
verstrooien, sparpagliare,
dissipare.
vertalen, tradurre.
verleerbaar (in de maag),
digestibile.
vertel/en, narrare.
verteren, consumare.
vertragen, ritardare.
het vertrek ,
(de afreis:) la partenza;
(de kamer:) Is stanza.
-ocr page 106-
94
vertrouwd met,
famigliare con.
vertrouwen, confidare.
vertwijfeld, disperato.
de vertwijfeling, la dispera-
zione.
vervallen , scadere.
verven , tingere , colorire.
de verver, il tintore.
ververschen, rinfrescare.
vervloeken, maledire.
vervloekt, maledetto.
vervoeren, trasportare.
vervolgen , inseguire.
vervolkomenen, perfezionare.
de vervorming,
la trasmutazione.
verwaand, presuntuoso.
verwaarloozen, trascurare ,
negligere.
verwant, congiunto, parente.
de verwantschap, la parentela.
verward, confuso.
ver-weg, lontano.
verwekken, eecitare.
verwelkt, appassito.
verwelken, appassire.
verwerven, acquistare.
verzekeren,
guarantire, assicurare.
verzeilen, accompagnare.
verzenden, spedire.
verzengen, arrostire.
het verzoek, la preghiera.
verzoeken, pregare;
(uitnoodigen.) invitare.
verzoenlijk, placabile.
verzuimen, trascurare.
het vest, la vesta.
de vesting, la fortezza.
vet, grasso.
devetkaars. Zie talkkaars.
de vierhoek, il quadro.
vierhoekig, quadrato.
vinden, trovare.
de vinger, il dito (mrv.:
Ie dita).
de vingerhoed, il ditale.
de vink, il fringuello.
de violier, la viola a ciocche.
de viool, il violino.
het viooltje, la viola.
de visch, il pesce; de gebak-
ken visch,
il pesce fritto.
de vischmarkt, il mercato
del pesca.
visiteeren, visitare.
visschen, pescarel;
(Jig.) uncinare.
de visscher, il pescatore.
de vlag, la bandiera.
vlak, piano.
carabiare, permutare.
verwond, ferito.
verwonderd, meravigliato.
verwijderd, distante.
verwijfd, effeminato.
-ocr page 107-
9 5
het voedsel, il nutrimento.
voedzaam, nutritivo.
voelen, sentire, palpare.
de voering, la fodera.
het voeringgoed, la fodera.
de voerman, il vetturino.
de voet, il piede, il pie\'.
het voetbankje, lo sgabello.
het voetpad, il sentiero, il
marciapiede.
de voetstap, il passo.
de vogel, 1\'uccello.
de voile, il velo.
vol, pieno, colmo.
volbrengen, compire.
voldoende, bastante, suffi-
ciente.
de vlakte, la pianura.
het vlas, il lino.
de vlecht (haar), la treccia.
het vleesch, la carne;
gebraden vleesch, arrosto.
de vleeschhouwer, il ma-
cellajo, il beccajo.
de vleeschkleur, la caroagione.
de vleeschmarM, il mercato
della carne.
het vleeschnat, il brodo.
vleien, lusingare, adulare.
vleiend, lusinghiero.
de vlek , la macchia ;
vlekken wegmaken, smac-
chiare.
vlieden, fuggire.
de vlieg, la mosca.
vliegen, volare.
de vlier, il sambuco.
vlieten, scorrere.
de vlinder, la farfalla.
de vloed, il riflusso.
vloeibaar, liquido.
vloeien, scorrere.
vloeken, bestemmiare.
het vloerkleed, il tappeto.
de vloo, la pulce.
vindden, fuggire.
ving, agile.
de vlijt, la diligenza.
vlijtig, diligente, studioso.
vochtig, umido.
de vochtigheid, 1\'umidita.
voleinden I
terminare.
voleindigen
volgen,
seguire, seguitare.
volgeldig, di valore pieno.
volhardend, costante.
voljarig, maggiore.
het volk, il popoio.
volkomen, perfetto.
volkrijk, popolato.
hel volksfeest, la festa po-
polare.
volmaakt, perfetto.
de volontair, il volontario.
volstandig, intiero.
volstrekt, assolutamente.
voltooid, finito, terminato.
volwichtig, di giu3to peso.
-ocr page 108-
96
de vooruitgang, il progresso.
het voorval, 1\'avvenimento.
devoorwaarde, la condizione.
voorwenden, fingere.
voorzichtig, prudente;
(Jig.) previdente.
de voorzichtigheid, la pru-
denza ;(fg.) laprevidenza.
vorderen, chiedere, doman-
dare.
de vordering, la pretensione;
(vooruitgang :)ï\\ progresso.
de vork, la forchetta.
de vorst,(hetvriezen:) il gelo;
(de prins:) il principe.
vorstelijk , principesco.
de vorstin, la principessa.
de vos . la volpe.
de vrachtdrager, il facchino.
de vrachtwagen, la vettura.
vragen , dimandare.
vreedzaam pacifico.
vreemd, (buitenlandsch:)
forestiero, straniero;
(zonderling:) singolare ,
strano.
de vrees, il timore, la paura.
vreesachtig, pauroso.
vrteselijk, formidabile.
vreezen, temere, paveutare.
de vreugde, la gioia.
de vriend, 1\'amico.
vriendelijk, affabile, amiche-
vole.
het vonnis, il giudizio.
de voogd, il tutore.
vóór, avanti.
het voorbeeld, 1\'esempio.
voorbeeldig, esemplare,
het voorbehoud, la riserva;
onder voorbehoud, riser-
bato.
voorbereiden, preparare.
voorbij, passato.
in het voorbijgaan,
di passaggio.
de voordacht, la premedi-
tazione.
voordeelig, profittevole.
een voorgevoel hebben van,
avere un presentimentodi.
het voorhoofd, la fronte.
het voorhuis, il vestibulo.
het voorjaar, la priraavera.
voornamelijk, specialmente.
voorondersteld, preteso,
supposto.
het voorschoot, il grembiule.
het voorschrift, il prescritto.
voorschrijven, prescrivere.
voorspellen , augurare.
voorstellen, rappresentare.
voortdrijven, spingere.
voortdurend, continuo.
de voortgang, il progresso.
voortreffelijk, eccellente.
vooruitbetalen, pagar antici-
patameute.
-ocr page 109-
97
de vuurtang, Ie molle.
het vuurwerk,
il fuoco d\'artifizio.
de vijand, il nemico.
vijandelijk, nemico.
de vijandschap, 1\'inimicizia.
* V\'j.? .          I il fico.
de vijgeboom I
de vijl, Ia lima.
de vijver, lo stagno.
waaien, apirare, fare vento.
de waaier, il ventaglio.
waanzinnig, fametico , ma-
niaco;
waar? ove ? dove ?
roaar vandaan? donde?
waar, vero.
de waar, la mercanzia.
waard, caro.
de waarde, il valore.
waardig, meritevole, degno.
waarheen? dove?
de waarheid, la verita.
waarom? perchè?
waarschuwen, avvertire.
de waarschuicing,
1\'avvertimento.
waarschijnlijk, verisimile.
de waarzegster, 1\'indovina.
de wacht, la guardia.
de wachtel, la quaglia.
"Wachten, aspettare, atten-
dere.
7
de vriendschap, 1\'amicizia.
vriezen, gelare.
vriezend, agghiacciante.
vroeg, mattiniero; di
buon\'ora.
vroom, divoto , religioso.
de vroomheid, la divozione,
la piëta.
\'de vrouw, la donna, la
moglie.
vrouwelijk, donnesco.
de vrucht, il frutto.
vruchtbaar, fertile.
vrij, libero.
Vrijdag, Venerdi;
de Goede Vrijdag, il
Venerdi santo.
de vrijheid, la liberta.
de vrijmetselaar, il fran-
massone.
vrijwillig, volontario.
vrijzinnig, liberale.
vuil, lordo.
een vuil ei, un uovo stantio.
de vuist, il pugno.
de vurenboom, il pino.
vurig, ardente.
het vuur , il fuoco.
de vuurhaard, il focolare.
het vuurscherm, il paraf uoco.
het vuurslag, il battifuoco,
il fucile, 1\'acciarino.
de vuurspuwende berg,
il vulcano.
-ocr page 110-
98
de warmte, il calore.
het was, la cera.
de match, la biancheria.
de waschkom, la catinella.
de waschtafel, il lavemani.
de waschvrouw, lalavandaja.
de waskaars, il cerino.
wasschen, lavare.
wat, che; che cosa.
de tcat, 1\'ovatta.
waterdicht, impermeabile.
de waterdrager,
1\'acquajuolo.
waterig, acqueo , acquoso.
het waterkers,
il crescione acquatico.
de waterleiding, 1\'acquedotto.
de waterlelie, la ninfea.
de watermeloen, il cocomero.
de waternimf, la nereide.
de waterpot, 1\'orinale.
waterval, la casrata d\'acqua.
wedden, seommettere.
deweddenschap,h\\ scornm essa.
hel weder, il tempo.
wederkeerig, reciproco.
wederrechtelijk, illegale.
wederom, di nuovo.
wederzien, rivedere.
de weduwe, la vedova.
de toednwnaar, il vedovo.
de weegluis, la cimice.
de weegschaal, la bilancia.
week, morbido.
waden, guadare.
de wafel, la cialda.
icagen, arrischiare.
de wagen, la earrozza.
de wagenmaker, il carajo.
waggelen, vacillare.
waken, vegliare.
wakker worden, destarsi.
de wal, il vallo, il bastione
de walging, il disguste
walglijk, ripugnante.
de wals, il valzer.
de walser, il valzer.
dewahisch, la balena.
de wand, la parete.
wandelen, passeggiare.
de wandeling, la passeggiata
de wandluis, la cimice.
de wang, la gota, la guancia.
de wanhoop, la disperazione.
wanhopig, disperato.
wankelmoedig,
incostante, variabile.
wanneer? quando?
wanneer, {indien:) se.
de wanorde, il disordine.
wantrouwen, diffidare.
het wantrouwen, la diffidenza
wantrouwig, diffidente.
het (vecht-) wapen, 1\'arma ,
1\'arrae.
het (geslachls) wapen, lo
stemma.
warm, caldo.
-ocr page 111-
99
welgemanierd, mauieroso.
teelgesteld,
agiato, bene stante.
het welgevallen,
la compiacenza.
welgevallig, piacevole , ser-
vizievole.
welkom, benvenuto.
wellevend, civile, cortese.
de wellevendheid, la civilta.
wellicht, forse.
welriekend, odoroso.
het welslagen, il successo.
welsmakend, di buon sapore.
welsprekend, eloquente.
welvarend, bene di salute.
welwillend, benevolo.
wenden, voltare , volgere ;
torcere.
de wenkbrauwen,
Ie sopracciglia.
zich wennen, assuefarsi.
de wensch, il desiderio.
wenschelijk, desiderabile.
wenschen, desiderare ,
augurare.
wenschenswaard, desidera-
bile.
de wentelaar, (een visch:)
la chieppa.
de wereld, il mondo.
wereldlijk, mondano.
het werk, 1\'opera.
irerkdadig, efriciicc.
7*
de week, la settimana; de
Goede Week, la settimana
santa.
de weelde, il lusso.
weemoedig, addolorato.
het weer, il tempo.
de weerhaan, la banderuola.
het weerlicht, il fulmine.
tceerlichten, lampeggiare.
weerloos, inerme
weerspannig, ritroso.
weersprekend, contraddittorio
in weerwil dat, malgradoche.
de wees, 1\'orfano , 1\'orfana.
weg! via!
de weg, la strada, il cam-
mino.
wegen, pesare.
wegruimen, sgomberare.
de wegwijzer, la guida, il
cicerone.
weozettden, rimandare.
het wei, il siero di latte.
de weide, il prato.
weigeren, rifiutare; (ook:)
ricusare.
de weigering, il rifiuto.
het weiland, il prato.
weinig, poco.
weinige, pochi.
wekken,, risvegliare.
weldadig, beneficoi
de weldadigheid, la carita.
weldra, fra poco.
-ocr page 112-
100
de wil, la volonta.
wild, feroce, selvaggio.
het wild, la salvaggina.
de wildheid, la ferocita.
het wild varken, il cignale.
de wilgeboom, il salice.
willen, volere.
willens en wetens, di saputa,
a disegno.
de wind, il vento.
winderig, ventoso.
de windhond, il levriere.
windstil, calmo.
de winkel, la bottega.
winnen, guadagnare.
winstgevend, profittevole.
de winter, 1\'inverno.
winterachtig, invernale.
wis, certo.
de wissel, la cambiale.
de wisselaar, il cambiatore,
il banchiere.
wisselen, cambiare.
wit, bianco.
de witte boon, il fagiolo.
het wittebrood, il pan bianco.
de witte wijn, il vino bianco.
de wilvisch, il ghiozzo.
de woede, il furore.
woedend, furioso.
de woekeraar, 1\'usurajo.
woelig, tumultuante.
Woensdag, Mercoledi.
I woest, incolto, deserto.
de werkdag, il giorao di
lavoro.
werkeloos, ozioso.
werkelijk, positivo, reale.
werken, lavorare.
de werkman, 1\'operajo.
de werkplaats, il lavoratojo.
het werktuig, lo strumento.
de werktuigkundige,
il meccanico.
werkzaam, attivo, operoso.
de werkzaamheid, 1\'attivita
werpen, gettare, lanciare
de wervelwind, il turbine
werven, arrolare.
de wesp, la vespa.
westelijk, occidentale.
het westen, 1\'occidente.
de westenwind, il vento di
ponente.
de wet, la legge.
weten, sapere.
de wetenschap, la scienza.
wetenschappelijk, scientifico.
wetens. Zie willens,
wettelijk,
legale.
wetten , affilare, aguzzare.
weven, tessere.
de wezel, la donnola.
wezenlijk, essenziale.
wie, clii.
de wieg, la culla.
het wiel, la ruota.
de wierook, 1\'incenso.
-ocr page 113-
101
de woestijn, il deserto.
de teol, la lana.
de wolf, il lupo.
de wolk, la nube, la nuvola.
wollig, lanoso.
de wond, la piaga.
wondervol,
prodigioso, maraviglioso.
wonen, aüoggiare.
de woning, 1\'abitazione, il
quartiere.
woonachtig, domiciliato,
abitante, stabilito.
het woord, la parola.
woordelijk, letterale.
het woordenboek, ildizionario.
de woordenlijst, il vocabolario.
wqfden, devenire.
de worm, il verme, il baco.
wormstekig, tarlato.
de worst, la salsiccia;
de knakworst, il salame.
de worstverkooper,
il pizzicagnolo.
de wortel, la radice;
{peen:) la carota.
het woud, laforesta, il bosco.
de wraak, la vendetta.
wraakzuchtig, vendicativo.
wrang , aspro.
wreed, crudele.
de wreedheid, la crudelta.
wreken, vendicare.
wrijven, strofinare.
de wurm, il verme, il baco.
wijd, spazioso, ampio.
wijden, benedire; consacrare;
{toewijden:) dedicare.
wijdloopig, ampio, prolisso.
wijken, ritirarsi, cedere.
de wijn, il vino.
de wijnberg, la vigna.
de wijngaardenier, il
vignajolo.
de wijnkooper, il mercante
di vino, il vinajo.
de wijn- oogst, la vendemmia.
[de wijn-pers, il torcolo, il
strettojo.
de wijnstok, la vite.
| de wijsvinger, 1\'indice.
wijwater, acqua benedetta.
wijzen , indicare , mostrare.
het ijs, il ghiaccio, il gelo;
{de lekkernij:) i gelati,
i sorbetti.
het ijzer, il ferro.
1 de ijzerkooper, il mercante
di ferro.
de ijver, lo zelo.
| ijverig, zelante.
de ijverzucht, la gelosia.
ijverzuchtig, geloao.
zaaien, seminare.
de zaak, il negozio;
(hei iliu/i •) la cosa.
-ocr page 114-
102
de zaal, la sala, il salone.
zacht, piano; dolce.
zachte eieren, uova dabere.
de zachtmoedigheid,
la dolcezza.
zadelen, sellare.
de zadelmaker, il sellajo.
zaqen, segare.
de zak, (in kleedingstvkken:)
la tasca;
de lederen zak, 1\'otre.
de zakdoek, il fazzoletto.
de zakkendrager, il facchino.
de zalf, 1\'unguento.
de zalm, il sermone, il
salmone.
zamelen, raocogliere.
het zand, la sabbia.
de zanger, il cantore, il can-
tante.
de zangeres, la cantatrice.
Zaterdag, Sabato.
zat, sazio.
de zebra, la zebra.
de zede, il costume, 1\'uso.
zedelijk, monde.
de zedenleer, la morale.
zedig, modesto, pudico.
de zedigheid, la modestia.
de zee, il mare.
de zeeboezem, il golfo.
de zeef, lo staccio.
de zeelt, la tinca.
de zeeman, il marinajo.
de zeep, il sapone.
de zeepzieder, il saponajo.
zeer, molto.
de zege, la vittoria.
het zegel, (ter verzegeling:)
il sigillo, (ter stempeling:)
il bollo ; een zegel, (ge-
zegeld blad papier:) una
carta bollata.
het zegellak, la ceralacca.
zegenen, benedire.
zegevierend., vittorioso.
zeggen, dire.
zeilen, veleggiare.
zeker, certo , sicuro, cauto.
zelden, raramente.
zeldzaam, raro; (fig) singo-
lare, strano.,                \'
zelfs, stesso.                ^
zelfstandig, sostanziale.
de zetel, la sedia.
zetten, collocare, porre.
zichtbaar, manifesto, evi-
dente.                   ,
zieden, bollire.
ziek, ammalato;
ziek worden, cader malato.
ziekelijk, infermo.
het ziekenhuis, lo spedale.
de ziel, 1\'anima.
zien, vedere.
de zigeuner, lo zingaro.
zilt, salso, salato.
het zilver, 1\'argento.
-ocr page 115-
de zin, il senso.
zindelijk, proprio, netto.
zingen , cantare.
zinneloos, iüsensato.
zitten, sedere.
de (gras)zode, la piota.
zoeken, ricercare.
zoenen , baciare.
zoet, doloe ;
(niet stout:) gentile.
zoelachtig,
dolcetto, alquanto dolce.
het zoelwei, il siero di latte.
de zomer, 1\'estate.
de zon , il sole.
Zondag, Domenica.
de zonde, il peccato.
zondigen, peccare.
zonder, senza.
zonderling, bizzarro, singo-
lare, strano.
de zonkant, il solatio.
de zonnebloem, il girasole.
zonneklaar, evidente.
hetzonnesc/ierm,l\'ombre]lino.
zonnig,
assolato, solatio.
de zons-ondergang, il tra-
monto del sole.
zons-opgang, il levar del
sole.
de zonzijde, il solatio.
zooals, come.
de zool, la suola, il suolo.
de zoon, il figlio.
de zorg, la cura, la solle-
citudine.
zorgvuldig, esatto.
zot, sciocco, scipito.
het zout, il sale.
te zout maken, salar troppo.
zouten, salare.
het zoutvaatje, la saliera.
de zucht,
(ademloozing:) il sospiro.
zuidelijk, meridionale.
het zuiden, il mezzodi, il sud.
de zuidenwind, il vento di
mezzogiorno.
de zuidoostenwind, lo scirocco.
de zuigeling, il bambino.
de zuil, la colonna.
zuipen, trincare.
de zuster, la sorella.
zuur, acido.
het zuur (in de maag),
il bruciore di stomaco.
de zwaan, il cigno.
zwaar, peso, pesante; (Jig.)
grave ; (ook:) difficile.
het zwaard, la spada.
de zwaardvisch, il pesce
spada.
zwaarmoedig, melanconico.
de zwager, il cognato.
de zwagerin, la cognata.
zwak, debole, fragile.
de zwakheid, la debolezza,
zwakkelijk, infermo.
-ocr page 116-
104
zweren, (een eed doen:) jurare.
het zwerk, il firmamento.
zweven, penzolare.
zwichten, cedere.
zwoel, affannoso.
zwijgen, tacere.
het zwijn, il porco.
de zijde, (rechter of linker \\)
la parte; (van den zij-
worm:)
la seta.
de zijdeworm l il bigatto, il
de zijworm j baco da seta.
de zwaluw, la rondine.
het zwam, 1\'esca.
zwanger, gravida,
zwart, nero;
het zwart brood,i\\ pan nero.
de zwavel, lo zolfo.
de zwavelstok, lo zolfanello.
de zweep, la frusta.
het zweet, il sudore.
zweeten, sudare.
zwemmen, nuotare.
zwenken , voltare , volgere.
-ocr page 117-
GESPREKKEN.
Informazioni.
Quanta c\'è da qui a X?
Vi è un battello a vapore-
da qui a X?
Non c\'è nessuna diligenza
da qui a X?
No, bisogna prendere una
vettura.
Si pub arrivare a X iu
un\' ora?
Si, traversando il prato.
Inlichtingen.
Hoe veris het van hier naarX?
Vaart er eene stoomboot van
hier naar X?
Rijdt er geene diligence van
hier naar X?
Neen, men moet een rijtuig
nemen.
Kan ik in een uur naar X
komen ?
Ja, ah gij binnendoor gaat
(als gij den weg door het
weiland neemt).
Wilt gij de goedheid hebben
mij den weg te wijzen?
Ik ben u zeer verplicht voor
uwe vriendelijkheid.
Waar is de heer des huizes,
ik zou hem gaarne spreken?
Hebt gij een gemakkelijk rij-
tuig te huur?
Hoeveel vraagt gij voor een
rijtuig met twee paarden,
heen en terug<?
Hoeveel moet men betalen?
Vorreste aver la bonta d\'in-
dicarmi la strada?
Tante grazie.
Dov\'è il padrone, vorrei
parlargli.
Avete una carrozza comoda
da noleggiare?
Quanto chiedete (Quanto vo-
lete)per una carrozza a due
cavalli, andata e ritorno?
Quanto si paga?
-ocr page 118-
106
Wat kost het f rankeeren van
eenen brief naar den Haag?
Hebt gij een frankeer ze-
g eitje?
Wat kost een telegram naar
Zwitserland?
Wat is de naaste weg naar
het postkantoor1!
Hoe laat is het museum open?
Op welke daqen is de schil-
derijën-galerij te zien f
Wees zoo goed mij te zeg-
gen welken weg naar den
schouwburg.
Waar neemt men de plaats-
briefjes?
Waar is de kerk
, de post,
het logement R.?
Zijn er brieven voor mij?
Is de post uit Holland reeds
aangekomen ?
Woont hier mijnheer X?
Woont hier dichtbij een
dokter?
Waar is het kantoor van den
bankier X?
Hoe heet deze straat?
Kunt gij mij zeggen hoe laat
het is?
Het is daar juist twaalf uren
geslagen.
Den hoeveelsten (vande maand)
hebben wij? Den 25"".
Quanto costa una lettera
per Aja?
Avete un franco bollo?
Quanto costa un dispaccio
telegrafico perla Svizzere?
Per dove si va alla posta?
A che ora è aperto il museo ?
A cbe giorni si pub vedere
la galleria dei quadri?
Scusi, signore , per dove si
va al teatro ?
Dove si prendono i biglietti?
Dove è la chiesa, la posta,
1\'albtrgo E?
Vi sono delle lettere per
me?
E gia venuto il corriere di
Olanda?
Sta qui il Signor X?
C\'è nessun raedico qui
viciDO?
Dove è 1\'ufficio del ban-
chiere X?
Che nome ha questa strada?
Scusi, signore,cheoresono?
E poco piü di mezzogiorno.
Quanti ne abbiamo del mese?
Venti cinque.
-ocr page 119-
107
Waar kan ik geld wisselen
met Tiet minste verlies?
Hebt gij kamers te huur?
Hoeveel vraayt gij voor deze
woning 1
Hoe laat begint het concert?
Mag men in dezen tuin gaan ?
Waar is vandaag het beste
concert in de opene lucht?
Neem mij niet kwalijk, mijn-
heer! waar is het spoor-
wegstation?
Is het station ver hier van-
daan?
Wanneer vertrekt \'s-morgens
de eerste trein?
Hoe laat vaart de boot?
De Italiaansche taal.
Spreekt u Italiaansch?
Een weinig.
Wat wil .... zeggen in het
Italiaansch?
Zeg mij
Spreek langzamer t
Hoe schrijft u dat woord?
Hebt gij mij verstaan?
Ik heb nooit Italiaansch ge-
sproken?
Dove posso cambiar moneta
col minor diseapito?
Ha delle camere da affit-
tare?
Quanto chiede per quest\'
alloggio ?
A che ora comincia il con-
certo ?
E permesso entrare in questo
giardino?
Dove è oggi il miglior con-
certo all\' aperto?
Di grazia, Signore, dov\'è la
stazione della strada fer-
rata ?
E distante la stazione?
Quando parte il primo treno
alhi mattina?
A che ora parta il battello ?
La lingua italiana.
Paria Ella italiano?
Un poco.
Che vuol dire ... in ita-
liano ?
Ditemi.
Parlate piü adagio!
Come scrive Ella questa
parola ?
Mi avete capito?
Non ho mai parlato italiano.
-ocr page 120-
108
De uitspraak van het ltali-
aansch is niet moeielijk.
Moet ik Duitsch of Fransck
met u spreken?
Het ontbreekt mij hoofdzake-
lijk aan oefening.
Hoe noemt men dat in het
Italiaansch?
Spel dat woord eens, asjeblieft.
Bat woord wordt in eenfat-
soenlijk gezelschap niet ge-
bruikt.
Zeg dat nog eens.
Wees zoo goed en zeg mij.
U is wel vriendelijk.
Ik dank u zeer voor uwe
vriendelijkheid.
Ik ben geheel tot uwe dienst.
Weet gij?
Fergunt gij mij?
Is het gepermitteerd?
Wat belieft u?
Spreek wat harder, als gij
wilt dat ik u verstaan zal.
Hoe wordt dat woord uit-
gesproken?
Neem mij niet kwalijk, mijn-
heer!
O, het is niets, mijnheer/
Duizendmaal dank.
Het vereischt geen dank.
Verstaat gij wat gij leest?
La pronuncia dell\' italiano
non è difficile.
Devo io parlare in Tedesco
o in Francese con leiP
Mi manca principalmente
la pratica.
Come si chiama cib in
italiano ?
Vi prego, compitate questa
parola.
Questa parola non è d\'uso
in buona societa.
Kipetete lo un\' altra volta.
Abiate la bonta. di dirmi.
Siete molto buono.
Vi ringrazio della vostra
compiacenza.
Sono a suo servizio (of
kortweg: Per servirla).
Sapete voi?
Mi permettete?
E permessoP
Che comanda, signoreP
Parlate piü forte, se volete,
che vi capisca.
Come si pronunzia questa
parola?
Perdono, signore!
Nulla di male, signore.
Mille grazie.
Di niente.
Capisce Ella cib che leggeP
-ocr page 121-
109
Ik versta beter dan ik spreek.
Ik maak vorderingen in het
ltaliaansch.
Er is mij veel aan gelegen.
Dat doet er niet toe.
Wat komt het er op aan?
Gij hebt gelijk.
Gij hebt ongelijk.
Wat verlangt u?
Wil u de goedheid hebben?
Wil u mij het genoegen doen ?
Ik had een verzoek aan u.
Ik kan het niet helpen. (Het
is mijne schuld niet.)
Wat wilt gij daarmede zeggen?
Ik ben óók van dat gevoelen.
Capisco meglio che non parlo.
Faccio dei progressi nel-
1\'italiano.
M\'interessa molto.
Non importa.
Che importa!
Ha ragione.
Ha torto.
Che cosa desidera?
Vuole aver la cómpiacenza ?
Vorebbe farmi il favore?
Avrei da farle una preghiera.
La colpa non è mia.
Che intendete voi di dire
con cib?
Anch\'io sono di questo parere
(of beter: La penso anch\'io
cosi).
A mio parere.
Non me ne voglioingerire.
Mi dispiace.
Non vale la pena.
Questo non è il modo di
trattare.
In ferrovia.
Dove si vendono i biglietti ?
Naar mijn gevoelen.
Ik wil er mij niet mede be-
moeien.
Het doet mij leed.
Het is de moeite niet waard.
Bat is geen manier van
doen.
Op den spoorweg.
Waar is het bureau?
Geef mij een biljet eerste j Datemiunbiglietto di prima
(tmeede)klasse naar Napels. | (seconda)classeperNapoli.
Per quanto tempo è valido
un biglietto di andata e
ritorno?
Hoelang is een retourbiljet
geldig?
-ocr page 122-
110
I Qui si sta comodamente.
Signore, nella sala d\'aspetto
è vietato il fumare.
Ha sbagliato classe, signore!
questa è la prima.
Conduttore!
Debbo avere una polizza
per il mio bagaglio?
La distribuzionedeibiglietti
termina cinque minuti
prima della partenza.
Dieci minuti prima della
partenza del treno cessa
1\'accettazione dei bagagli.
Posso aver un biglietto di
andata e ritorno?
Quando parte il convoglio?
Ecco il fischio di partci.za.
Quando partira 1\'altro con-
voglio?
Ha suonato 1\'ultima.
II  treno si mette in movi-
mento.
Vi sono state moltedifficolta
da superare quandofecero
la strada ferrata.
Sono stati obbligati a forare
delle valli, far saltare del Ie
rocee, colmare paludi e
lagbi e gettare dei ponti
sui liunii.
Men zit hier zeer gemakkelijk.
Mijnheer! in de wachtkamer
mag niet gerookt worden.
Gij heit u in de klassen
vergist, mijnheer! dit is
de eerste klasse.
Conducteur!
Krijg ik een biljet voor mijne
bagage?
Het bureau wordt vijf minu-
ten vóór het vertrek ge-
sloten.
Tien minuten voordat de trein
vertrekt wordt er geene
bagage meer aangenomen.
Kan ik een biljet voor heen
en terug krijgen?
Wanneer vertrekt de trein?
Daar gaat het fluitje van
afrijden.
Wanneer gaat de volgende
trein?
Het laatste gelui is reeds
gegaan.
De trein zet zich in beweging.
Er zijn vele moeielijkheden te
overwinnen geweest bij het
maken van dezen spoorweg.
Men is verplicht geweest rot-
seii te doen springen
, dalen
op te hoog en\', moerassen
en meren te dempen
, en
rivieren te overbruggen.
-ocr page 123-
111
Houdt deze trein te P. stil?
Hoe heet het volgende dation?
Zullen wij vele schoone stre-
ken doorkomen?
Ja, Italië is rijk daaraan,
hoewel de spoorwegen mee-
rendeels in de minst schoone
streken aangelegd zijn.
Moet ik van. wagen verwis-
selen eer wij te Florence
aankomen ?
Mag men hier rooken ?
Bij eiken trein zijn afzon
derlijke wagens voor de
rookers.
Mag ik u eene sigaar aan-
bieden ?
Ik dank u: ik rook niet.
Ik heb geen lucifers.
Mag ik u een weinig vuur
verzoeken ?
Bit is eene zeer schoone en
vruchtbare streek.
Welke schoone streken ko-
men wij door?
Bet is maar jammer, dat
wij den tijd niet hebben
om de voorwerpen goed
te bezien; zij verdwijnen
zoo spoedig dat het is alsof
zij vliegen.
Wilt gij die kleine dingen
Questo treno si ferma in
P.?
Come si chiama la prossima
stazione?
Attraverseremo molte belle
campagne?
Si, 1\'ltalia ne è richissima,
tuttavia Ie strade ferrate
sono stato costrutte nelle
meno belle.
Sono obbligato a cambiare
vagone prima d\'arrivare
a Firenze?
E permesso difumarequi?
In ogni convoglio vi sono
degli scompartimenti pei
fumatori.
Posso offrirle un sigaro?
La ringrazio , non fumo.
Non ho fiammiferi.
Posso chiederle un poco di
fuoco ?
Ecco un paese bellissimo-
e fertile.
Che bei luoghi attraver-
siamo!
E solamente peccato che non
abbiamo il tempo di bene
osservare gli oggetti; spa--
riscono dagli occhi che
sembrano volare.
Non vuol mettere questi
-ocr page 124-
112
niet onder de bank zetten?
Dan zult gij veel gemak-
kelijker zitten.
Ja, dat kan ik doen.
Roever zijn we nog van het
volgende station?
Niet ver meer; wij zullen
er spoedig zijn.
Jk denk daar iets te gebrui-
ken, althans een kop koffie.
Maar de trein houdt slechts
anderhalve minuut stil.
Wanneer zullen wij te X.
zijn ?
Van avond om 10 uren.
Kent gij daar een goed hotel,
waar men overnachten kan?
Wij zullen spoedig aan het
station zijn, waar men
het middagmaal gebruikt.
Laat ons een raam open-
zetten.
Maar tocht het niet?
Nu houdt de trein stil.
Waar is het kantoor van in-
en uitgaande rechten?
Welke dingen moeten aan-
gegeven worden?
Al wat ik aan te geven heb
zit in dezen koffer. Hier
is de sleutel. Maar zie
piccoli oggetti sotto il
sedile? Sara molto piü
comodo.
Si, volentieri.
Quanto c\'è alla prossima
stazione?
C\'è poco.
Penso di prendervi qualche-
cosa, almeno una tazza di
caffè.
Ma il treno non si ferma
che un minuto e mezzo.
Quando arriveremo a X?
Stasera alle dieci.
Vi conosce Ella un buon
albergo dove si possa
passar la notte?
Arriveremo fra poco alla
stazione dove si desina.
Apriamo una finestra (uno
sportello).
Ma non vi è una corrente
d\'aria?
Ora il treno si ferma.
Dove è la dogana?
Quali sono gli oggetti da
dazio ?
Tutto quanto ho da dazio
si trova in questo baule.
Ecco la chiave. Ma visi-
-ocr page 125-
113
het voorzichtig na; er is
breekbare waar bij.
Moeten deze kleinigheden óók
aangegeven voorden?
Wilt gij mijn valies nazien?
Er zit niets anders in dan
mijne kleederen en lin-
nengoed.
Op de stoomboot.
Breng mijn goed naar be-
neden in de kajuit; ik
hoop dat niets vergeten
zal zijn.
Het derde gelui gaat reeds
en de loopplank wordt in-
gehaald.
Nu zijn wij in beweging;
wij varen weg.
Hoe heet de stoomboot (de
kapitein) ?
Gaat gij naar beneden naar
den salon?
Neen, ik blijf op dek.
De zee is eenigszins woelig ;
de golven gaan hoog.
Het waait hard; men kan
koude vatten.
Kan ik u uwen mantel geven ?
tate condiligenza, visono
degli effetti facili a rom-
persi.
Occorre forse gabellare
queste bagattelle? (redi-
gere una bolletta per
queste bagattelle?)
Volete visitare la mia va-
ligia? Non contiene che
i miei vestiti e bianche-
ria.
Sul battello a vapore.
Portate giü il mio bagaglio
nel camerino ; spero che
nulla sara dimenticato.
Suonano digia per la terza
volta e levano il ponte.
Ora siamo in movimento ; 9i
parte.
Che nome ha il battello (il
capitano) ?
Scende Ella al salone?
No, resto sul ponte.
Il mare è qualche volta
agitato; fa dei cavalloni.
Tira up gran vento: c\'è da
prendere un ratt\'reddare.
Posso (larie il suo mnntpllo?
8
-ocr page 126-
>
114
Denkt gij, dat wij storm zullen
krijgen?
Zoo ver ah ik oordeelen kan,
geloof ik het niet.
Hoe lang denkt gij, zullen
wij op zee zijn?
Be reis duurt gewoonlijk tien
uren.
Wilt gij een glas portwijn
met mij drinken?
Ja, dat zou niet kwaad zijn,
want ik voel mij niet zeer
fiksch.
Lijdt gij gewoonlijk aan zee-
ziekheid?
Ja, meestal; ik voel reeds
pijn in mijn hoofd en mis-
selijkheid.
Ja, die ziekte is zeer on-
aangenaam; gelukkig houdt
zij op zoodra men van
boord afgaat.
De zee is vandaag zeer woelig.
Ik lijd vreeselijk.
Ik moet overgeven.
Ik voel mij iets beter.
Neem een slok cognac.
Hoe schoon is dit meer?
Wat voor eene schoone plaats
is dat daar rechts?
Leen mij even uwen verre-
kijker; ik zou gaarne deze
streek eens goed opnemen.
Crede che avremo uua tem-
pesta ?
Per quanto ne posso giudi-
care, non lo credo.
Quanto tempo credete che
staremo per mare?
11 viaggio si fa generalmente
in dieci ore.
Vuol prender meco un bic-
chiere d\'Oporto.
Mi pare che non sarebbe
male, giacchè non mi
sento punto bene.
Ordinariamente soffre del
mal di mare?
Si, per lo piü, ho gia male
alla testa e nausea.
Si, è un male che da molta
noja; per buona sorte
cessa smontando.
Il mare è oggimoltoagitato.
Soffro orribilmente.
Mi vien da vomitare.
Mi sento ud poco meglio.
Prenda un sorso di cognac.
Quanto è bello questo lago !
Che bel luogo v\'è quï a
destra ?
Mi presti un momento il
suo cannocchiale; vorrei
osservar bene il paese
minutamente.
-ocr page 127-
115
Willen wij naar beneden gaan
en ontbijten (middagmalen)
samen ?
De bel voor de middagtafel
gaat.
De post.
Wanneer vertrekt de post-
wagen naar N. ?
Om zeven uren.
Ik wil eene plaats naar N.
hebben, kan ik die in de
coupe\' krijgen?
Hoeveel bagage mag men bij
zich hebben?
De bagage moet een uur vóór
het vertrek aan het post-
huis zijn.
Hoe laat zullen wij daar zijn?
Is mijn goed op den wagen ?
Hindert u het rooken soms?
Hoe lang houden wij hier stil?
Hoe laat komt de postwagen
te N. aan?
Zijn hier brieven voor mijn-
heer N.t
Is het postkantoor reeds ge-
sloten ?
Is er een brief poste restante
voor mijnheer N.?
            \'
Vogliamo scendere a far
colazione (a desinare) in-
sieme?
Suonano per annunziare il
pranzo.
L\'ufficio postale.
Quando parte la posta per
N.?
Alle sette.
Voglio un posto per N., ne
posso aver uno nel cupè ?
Quanto bagaglio si puo
portar seco?
Bisogna, che il bagaglio sia
alï\'ufficio un\' ora prima
della partenza.
A che ora arriveremo ?
E sulla vettura il mio ba-
gaglio?
Le do incomodo (Le do
noja) se fumo?
Quanto tempo ei fermiamo
qui?
A che ora arriva la posta
a N.r
Vi son lettere per il si-
gnor N. ?
E gia chiuso l\'ufficio della
posta?
Ci è alcuna lettera diretta
alsignorN.fermainposta?
8*
-ocr page 128-
116
Wat kost deze brief naar
Rome?
Ik wensch dezen brief aan
te teekenen.
Ik wil een aangeteetcenden
brief halen, geadresseerd
(Kin mijnheer N.
Kunt gij bewijzen wie gij zijt?
Ja, ziehier!
Wees zoo goed voor de ont-
vangst te teekenen.
Ik zou gaarne een postzegeltje
hebben van dertig centimen.
Met den koetsier.
Koetsier, wat kost het heen
en terug naar II. en Ut
Wat vraagt gij, om mij naar
A. te brengen?
Wat is de beste weg?
Ik wensch morgen-ochtend om
zes uren te vertrekken.
Hier is het handgeld.
Ik wil bij hetuur rijden om
de stad te zien; wilt gij
mij rondrijden?
Rijd wat langzamer.
Ik zal u een goed drinkgeld ge-
ven als gij wat harder rijdt.
Als gij niet harder rijdt,
zal ik betalen volgens het
tarief, en niets meer.
Quanto costa questa lettera
per Roma?
Vorrei raccomandare questa
lettera.
Ci sarebbe una lettera rac-
comandata diretta al si-
gnor N.
Pub vidimarsi?
Si, vedete!
Si compiaccia di firmar la
ricevuta.
Vorrei un francobollo da
trenta centesimi.
Col vetturino.
Cocchiere ! Quanto si paga
per un biglietto d\'andata
e ritorno fra H. e U. ?
Quanto volete per condurmi
a A.P
Quale è la migliore strada?
Voglio partire domani mat-
tina alle sei.
Ecco la caparra.
Voglio fare un giro per la
citta; vi prendo a ora;
volete condurmi?
Andate piü adagio.
Vi darö una buona mancia,
se andnte piïi presto.
Se non andate piü presto
vi pagherö a tariffa e
niente di piü.
-ocr page 129-
17
1
Ophouden ! Ik wil uitstappen.
Ik wil naar den openbaren
tuin. Breng mij daarheen
Vraagt gij niet te veel? laat
mij het tarief eens zien.
In het hotel.
Ik wensch eene kamer met
een bed te hebben.
Kan ik eene ruime kamer met
een bed krijgen?
Hier is er eene.
Hebt gijgeene betere dan deze?
iVa niet, maar morgen och-
tend zult gij kunnen kiezen.
Wat kost de kamer per dag?
Zes lire met den kost, en
drie zonder kost.
Is de bediening daaronder
begrepen ?
Ik verlang twee kamers op
de eerste verdieping met
uitzicht op het plein {de
straat), en nog een ka-
mertje voor mijn bediende.
Kan ik eene goedkoope kamer
krijgen? Op de tweede
of derde verdieping, dat
is mij onverschillig.
Geef mij eene stille kamer?
Permatevi! Voglio scendere.
Voglio andare al giardino
pubblico. Conducetemivi.
Non domandate troppo ?
Mostratemi la tariffa J
Nell\' albergo.
Voglio una camera con un
letto.
Posso avere una camera
spaziosa con un letto?
Eccone una.
Non ne avete una migliore
di questa?
Ora no , ma domattina Ella
potra scegliere.
Quanto costa la stanza al
giorno ?
Sei lire col vitto, e tre
senza vitto.
Compreso il servizio?
Voglio due camere al primo
piano che diano sulla
piazza (strada) e inoltre
un camerino pel mio
servo.
Posso avere una camera a
buon prezzo? M\'è indif-
ferente che sia al secondo
o al terzo piano.
Datemi una camera tran»
quilla.
-ocr page 130-
11
8
Cbe numero ha la mia ca-
mera?
Portatemi il lume.
Fa freddo qui; fatemi un
po\' di fuoco.
Posso avere un lume in
vece di candele?
Datemi un\' aitro guanciale
ed una coperta piü grave.
Dov\' è la chiave della mia
v camera ?
E venutoalcuno a cercarmi?
Fate portare il mio baule e
che mi sveglino domani
alle sette; voglio ripar-
tire.
Mandatemi il cameriere, per
pulirmi gli abiti.
Per dove si va al comodo?
Fatemi chiamare la lavan-
daja.
Mandate queste lettere alla
posta.
Vi sono delle lettere per me P
In qual camera alloggia il
signor X?
Riscaldate la camera pi«
presto cbe sia possibile.
Le lenzuola del letto sono
bene asciutte?
Welk nommer heeft mijne
kamer ?
Breng mij licht.
Hel is koud hier; laat wat
vuur aanmaken.
Kan ik, in plaats van kaar-
sen, eene lamp krijgen?
Geef mij nog een hoofdkussen
en eene warmere deken.
Waar is de sleutel van mijne
kamer?
Is er iemand naar mij komen
vragen?
Laat mijnen koffer naar
boven brengen, en ik moet
morgen om zeven uren
gewekt worden; ik wil
tceder vertrekken.
Zend mij den huisknecht, om
mijne kleederen schoon te
maken.
Waar vind ik de beste-
kamer?
Laat mij de waschvrouw
halen.
Bezorg deze brieven op de
post.
Zijn er brieven voor mij?
In welke kamer logeert mijn-
heer X?
Maak de kamer zoo spoedig
mogelijk warm.
De leddelakens zijn toch wél
goed uitgewasemd?
-ocr page 131-
*
119
Le lenzuola sono umide;
fatemi scaldare il letto.
Datemi uno scaldaletto.
Mettete il tavolino presso
il letto.
Portatemi dell\' acqua, del
sapone ed un asciuga-
mano.
Portatemi dell\' aequa calda.
1 Allontanate il letto un poco
dal rauro.
Vuol Ella mettere gli stivali
fuori della porta?
Chiamatemi un barbiere.
Per questa sera prepara»
temi il conto, giacchè
parto domattina.
Vorrei esser chiamato do-
mani mattina alle cinque.
Desidero di pagare il mio
conto questa sera.
Quanto ho da pagare ?
Datemi un conto specificato.
Mandate a prendere una
carozza.
Nella sala da pranzo.
Cameriere! datemi unatazza
di caffè con pane e burro.
Preferisco una tazza di
cioccolata.
De lakens zijn. vochtig; laat\\
het bed warmen.
Geef mij eene warme bedde-
flesch.
Zet het tafeltje bij het bed.
Breng mij water, zeep en
een handdoek.
Breng mij warm Kater.
Trek het bed een weinig van
den muur af.
Wil u de laarzen buiten de
deur zetten?
Haal mij een barbier.
Maak mij van avond mijne
nota gereed, want ik ver-
trek morgen ochtend vroeg.
Ik moet morgen ochtend om
vijf uren gewekt worden.
Ik wensch mijne rekening
van avond te beialen.
Hoeveel heb ik te betalen?
Geef mij eene gespecificeerde
rekening.
Laat eeile vigilante voor mij
halen.
In de eetzaal.
Aannemer l geef mij een kop
koffie met boter en brood.
Ik geef de voorkeur aan een
kop chocolade.
-ocr page 132-
120
Geef mij twee slurpeieren.
Geef mij een biefstuk met
aardappelen, zonder uien,
en eene halve flesch wijn.
Verlangt u een Engelschen
beef steak?
Hebt gij goede versche boter?
Eet gij aan table d\'hóte of
volgens de kaart?
Aannemer! Eene JlescJi roo-
den wijn {bier).
Juffrouw! wilt gij zoo goed
zijn de koffie in de zaal
te brengen?
Wilt gij de betaling aan-
nemen voor koffie, bief-
\';, wijn, bier en eene
Datemi due nova a bere.
Datemi una bistecca con
patate senza cipolla, e
una mezza bottiglia di
vino.
Desidera un bistecca al-
1\'inglese?
Avete del buou burro fresco?
Desina Ella a tavola ro-
tonda od alla carta?
Cameriere! una bottiglia di
vino nero (birra).
Cameriera! fatemi il pia-
cere di portare il caffè
nella sala?
Quanto vi devo per il caffè,
una bistecca, il vino, la
birra e un sigaro?
Posso cambiar qui questo
biglietto di banca?
A che ora si desina?
Quanto si paga a testa,
mangiando a tavola ro-
tonda ?
Ebbene, serbate due posti
per me.
Cameriere! Una stanza se-
parata per quattro.
Preferisco desinar qui al-
1\'aperto ad una piccola
tavola.
Cominciamo dalla zuppa
[of: dalla minestra)?
sigaar!
Kan ik dit bankbiljet hier
wisselen ?
Hoe laat eet men?
Wat kost het couvert aan de
table d\'hóte?
Goed, houd twee plaatsen
voor mij.
Aannemer! Eene aparte ka-
mer voor vier personen.
Ik eet Kever hier buiten aan
een klein tafeltje ?
Zullen wij beginnen met soep ?
-ocr page 133-
In Italia si usa 1\'antipasto,
cioè acciughe, burro,
salame e sedani.
Comincero dall\' ostriche.
E poi che prenderemo?
Di pesce vi ha dell\' anguilla,
del luccio, sogliola,
rombo, triglia, storione.
Il pesce bisogna inumidirlo
(of: il pesce vainumidito,
of: il pesce va bagnato)
bevi.imo un bicchiere di
vin del Eeno.
Come si chiama questa
pietanza ?
Di minestra abbiamo brodo
puro, maccheroni burrati,
vermicelli, tagliatelli,
risotto alla milanese.
Signore, vuol favorirmi la
saliera!
Cameriere! del pan fresco,
il duro non lo voglio.
Di carne abbiamo, manzo,
vitello, montone, capponi
e pollastri, taccbino ed
uccelli colla polenda.
Datemi una fetta di manzo.
Grasso o magro?
Cambiate questo piatto.
Prenderb volentieri un po\'
di vitella, ma ei vorrei
un contorno di patate
f ritte.
In Italië eet men een voorge-
recht, namelijk sardijnen ,
boter, worst en selderie.
Ik zal eerst oesters nemen.
Wat nemen wij nu?
Van visch is er paling,
snoek, schol, tarbot, bar-
betl, steur.
Visch wil zwemmen, wij
zullen een glas Rijnwijn
drinken.
Hoe heet dit gerecht?
Van soepen hebben wij bouïl-
lon, macaroni met boter,
vermicelli, noedelsoep, Mi-
laneesche rijste-soep.
Mijnheer! wees zoo goed en
geef mij het zoutvaatje.
Aannemer! versch brood; dat
harde wil ik niet eten.
Van vleezen zijn er: gebra-
den rund, kal/s en lams,
kapoen en kuikens, kip en
gevogelte met polenta.
Geef mij een stuk rundvleesch.
Vet of mager?
Geef mij een ander bord.
Wat kalfsvleesch is uitmun-
tend; maar ik moet er
gebakkene aardappelen bij
hebben.
-ocr page 134-
132
Ik zie dat gij aan den rooden
icijn van hier de voorkeur
geeft boven portwijn en
sherry. Mag ik een glas
met u drinken?
Deze wijn heeft een zeer
zuiveren smaak, een fijnen
geur.
Willen wij als dessert ijs met
gebakjes nemen
, en daarbij
rozijnen en amandelen?
Eene flescli champagne!
Mevrouw f op uwe gezondheid.
Ik verzoek u nog een glas
met mij te drinken.
Dank u, ik durf niet meer
drinken; hel verhit mij te
veel.
Aannemer! gij kunt afnemen.
Drinken wij de koffie hier
of in den tuin ?
Ik geloof dat het aangenamer
is buiten.
Geef mij een tandenstokertje!
Aannemer I breng ons koffie,
cognac en sigaren in den
tuin.
Bij eenen barbier.
Ik verzoek u mij te scheren.
Scheer mij, maar laat de
Vedo che preferisce il vino
nostrale nero al vin d\'o-
porto e sherry. Posse
prenderne un bicchiere
con Lei?
Questo vino pare schietto,
ha un profumo squisito.
Chiuderemo il pranzo con
del gelato, un dolce e poi
zibibbo e mandorle?
Una bottiglia di Sciam-
pagna.
Signora, alla sua salute!
La prego di bere meco un
altro bicchiere.
Tante grazie, non oso bere
di piü, mi riscalderebbe
troppo.
Cameriere! potete spareo
chiare.
Prendiamo il caffè qui, o
nel giardino?
Credo che sia piiï piacevole
all\'aperto.
Datemi uno stuzzicadenti!
Cameriere! portateci nel
giardino del caffè, cognac
e sigari.
Da un barbiere.
Vi prego di farmi la barba.
Badetemi, ma lasciatemi
-ocr page 135-
bakkebaarden en de knevels
staan; die moeten slechts
wat afgeknipt worden.
Neem een anderen handdoek,
een schoonen.
Het mes deugt niet; neem
een scherper.
Maak wat spoed, asjeblieft;
ik heb haast.
Snijd het haar wat kort.
Kam mijn haar uit! Brand
mijn haar!
Neem een weinig pomade.
Ik wensch gefriseerd te wor-
den.
Met den schoenmaker.
Ik heb u laten roepen om
mij de maat te nemen
voor een paar laarzen.
Hebt gij tijd om spoedig een
paar laarzen voor mij te
maken en overschoenen ?
Ik wil een paar verlakte
danslaarzen hebben.
Ze moeten gemakkelijk zitten,
maar toch net van vorm
zijn.
Ik teil ze van voren niet te
breed hebben.
Ze moeten van voren breed
zijn en met hooge hakken.
Ie fedine ed i baffi, che
soltanto mi scorcerete
un poco.
Prendete un altro asciuga-
mani di bucato.
Il rasojo è cattivo, prende-
tene uno affilato meglio.
Compiacetevi di far presto;
ho fretta.
I capelli, scorcitemeli mol-
tino.
Peltinatemi! arricciatemi i
capelli!
Prendete un pocodi pomata.
Arricciatemi i capelli.
Col calzolajo.
Vi ho fatto chiaraare perchè
mi prendiate la misura
d\'un pajo di stivali.
Avete il tempo di farmi
presto un pajo di stivali
e delle calosce?
Voglio un pajo di stivali da
ballo di pelle verniciata.
Bisogna che sieno comodi,
ma nello stesso tempo che
abbiano forma elegante.
Non li voglio tanto larghi,
Voglio che siano larghi e
con tacchi alti.
-ocr page 136-
124
Maak de hakken niet te hoog
en ook niet te spits.
Ik verlang goed en zacht
leder, en ze moeten mij
niet knellen.
"Deze rijglaarsjes moeten ver-
zoold worden.
Deze laarzen moeten gevoor-
schoend worden.
Maak mij een paar water-
dichte jachtlaar zen. Maar
ik moet ze overmorgen
middag hebben.
Hoeveel neemt gij voor een
paar laarzen?
Dat schijnt mij nog al duur.
Kunt gij ze niet goed-
kooper maken ?
Het leder is duur hier.
Neem deze laarzen mede, en
maak daarnaar een paar.
De laarzen, die gij mij ge-
stuurd hebt, kan ik niet
gebruiken: ze zijn te nauw.
Non fate i tacchi troppo alti
nè troppo appuntati.
Desidero del cuojo buono
e pastoso, e che la cal-
zatura non mi stringa
tanto.
Questi ativaloni hanno bi-
sogno d\'uiüi risolatura
{of: d\'esser risolati).
A questi stivali ei vogliono
i tomai nuovi.
Fatemi un pajo di stivali da
caccia impermeabili. Ma
mi occorono dopo domani
a mezzogiorno.
Quanto prendete per un
pajo di stivali?
Mi sembrano ben cari. Non
potreste darmeli a meno?
Il cuojo è caro, quï.
Prendete questi stivali e
fatemene un pajo della
stessa forma.
Non posso servirmi degli
stivali che mi avete man-
dati, mi sono troppo
stretti.
Colla lavandaja.
Siete la lavandaja?
Ne desidero una che lavi
bene e con cura.
Met de waschvrouw.
Zijt gij de waschvrouw!
Ik wensch er eene te hebben,
die helder en goed tcascht.
-ocr page 137-
Ik ben zeer stipt op het
strijken van mijne hemden.
Quanto allo stiraturadellff
camicie son piutosto stuc-
co {of: Quanto alle ca-
micie mi contento dif-
ficilmente, of: Le cami-
cie mi piacciono stirate
bene).
Le cravatte e i solini ripor-
tatemeli domani.
Sapreste lavare degli abiti
d\'estate chiari di lana e
di tela?
Ecco la lista degli oggetti.
Riscontrate davoi, perve-
dere se manca nulla.
Quando mi riporterete il
bucato ?
Quanto devo? (Quanto è il
mio debito?)
Ecco sei gonnelle (sottane)
inamidate.
Sapete lavare trine fini?
Le mie berrette da notteno»
devono essere inamidate.
I    miei manicbini erano
troppo poco inamidate,
e cosi i goletti.
II  bucato non è bianco, è
un po\' giallognolo.
Questa camicia non è mia,
questo fazzoletto non &
mio: vedete. porta un
altru iiouie Tuttn la mi»
rolia è segnnta con. .
Ik wil mijne dassen en boord-
jes morgen terug hebben.
Wascht gij lichte zomerja-
ponnen van wol en linnen ?
Hier is het waschlijstje. Tel
zelve maar eens na of
alles er is.
Wanneer zult gij mij de
toasch terugbrengen?
Hoeveel ben ik schuldig?
Bier zijn zes gestevene onder-
rokken.
Kunt gij fijne kant wasschen?
• In mijne nachtmutsen mag
geen stijfselgedaan worden.
Mijne mansjetten waren te
slap, en de boordjes ook.
Het goed is niet helder, het
ziet geel.
Hit hemd is niet van mij,
deze zakdoek is niet van
mij; zie maar, er staat
een ander merk op. Mmijit
goed is gemerkt met.
. . . |
-ocr page 138-
Dezen keer is alles goed ge-
wasschen
, en alles is er.
JSr ontbreken twee dingen:
een boordje en een paar
kousen.
Breng mij de wasch spoedig
terug. Ik heb haast, want
ik vertrek spoedig.
Wasch mij deze kleine dingen.
Breng het waschlijstje weer
mee.
la. den boekhandel.
IVees zoo goed mij een cata-
logus te laten zien van
de nieuwste boeken.
Hebt gij geen goedkoope druk
van dit boek?
Hebt gij de werken van G. ...
fraai ingebonden?
Geef mij de aardrijkskundige
kaart van Italië van M.
,
eene goede plattegrond van
Rome, en eene afzonder-
lijke kaart vande omstreken
der stad, alles op linnen
geplakt.
Hebt gij deze gezichten ge-
kleur d?
Hebt gij een gids voor de
omstreken van deze stad?
Questa volta il bucato è ben
fatto, e non ei manca
nulla.
Vi mancano due pezzi, un
goletto ed un pajo di
calze.
Riportate melo presto il bu-
cato : ho fretta di riaverlo
perchè partirb quanto
prima.
Lavatemi queste bagattelle.
Riportate la listo degli og-
getti.
Presso il librajo.
Abbiate la bonta di mo-
strarmi un catalogo di
libri nuovi.
Non avete un\' edizione a
prezzo piii mite di questo
libro ?
Avete Ie opere di G. . .
rilegate con lusso.
Datemi la carta geografica
dell\' Italia , del M. . .
una buoiiü pianta di Koma
ed una carta speciale dei
contorni della citta, tutte
legate in tela.
Avete queste vedute in
colori ?
Avete alcuna guida per i
contorni di questa citta?
-ocr page 139-
127
Zend mij in mijn hotel ter
bezichtiging eene goede be-
schrijving van Rome, en
eenige reisbeschrijvingen
van Italië. Wat mij niet
bevalt zal ik u morgen
terugzenden
, en meteen de
betaling voor hetgeen ik er
van hond.
Hebt gij ook buitenlandsche
romans, en geeft gij die
ter lezing per week?
Neen, mijnheer! Die kimt
gij krijgen in de leesbi-
bliotheek; ik zal u het
adres van eenigen geven.
Ik zou ook gaarne papier en
pennen koopen.
Zulke dingen, zooals inkt,
briefkaarten en in het
algemeen alle schrijfbe-
hoeften, zult gij in een
papierwinkel vinden, bij
voorbeeld in de... straat,
o
M ...
In eenen winkel.
Hoeveel kost dit?
Dat is te duur.
Gij vraagt te veel.
Als uwe prijzen matig zijn,
wensch ik verscheidene din-
gen te koopen.
indatemi all\' albergo per
esaminarla una buona
descrizione di ltoma,
qualche descrizione di
viaggi in Itnlia. Vi ri-
manderb quello che non
mi convenga, e aggiun-
gero il pagamento di quel
che ritengo.
Avete romanzi stranieri e li
date a leggere a casa?
No signore ! Potrete averne
a un gabinetto di lettura.
Vi daro 1\'indirizzo di
alcuni.
Vorrei auchecomprare della
carta e delle penne.
Di questi articoli come in-
chiostro, buste da let-
tere ed in genere tutti
gli oggetti da scrivere
li troverii da un carto-
lajo, per esempio io
via . .. numero ...
In una bottega.
Quanto costa questo?
E troppo caro.
Ne chiedete troppo.
Se non sarete troppo caro,
comprerb diversi oggetti.
-ocr page 140-
128
Procurerb di soddisfarla.
Che desidera.?
Un baule, una cappelliera,
un ombrello, un cannoc-
chiale, qualche cravatte
e fazzoletti da naso di
seta, camicie di lana,
calze, una cintura, uno
scialle , una mazza, cal-
losce di gomma, un tem-
perino, un pajo di for-
bici per Ie unghie, un
berretto da viaggio.
Quanto ne chiede?
No vi do piü di tre Lire.
Ditemi 1\'ultimo prezzo.
Signore, abbiamo prezzi fissi.
Non posso dar di piü.
Quando me lo manderete?
Vi prego di cambiarmi
questa moneta.
Ella ha sbagliato, debbo
riavere di piü.
Il tempo.
Che tempo fa oggi?
Fa buon (cattivo) tempo.
Avremo bel tempo?
Piove ?
Ik zal mijn best doen om
het u haar uwen zin te
maken. Wat verlangt u?
Een koffer, eene hoededoos,
eene paraplu, een verre-
kijker, eenige zijden das-
sen en zakdoeken, wollen
hemden, kousen, eene cein-
tuur, een sjaal, een stok,
gom-elastieke overschoenen,
een pennemes, een nagel-
schaartje, eene reispet.
Wat vraagt gij daarvoor?
Ik geef niet meer dan drie
lire.
Zeg mij den naasten prijs.
Mijnheer! wij hebben vaste
prijzen.
Ik kan niet meer geven.
Wanneer zult gij het mij
zenden ?
Wees zoo goed mij dit stuk
geld te wisselen.
Gij hebt u vergist, ik moet
meer terughebben.
Het weder.
Welk weer is het vandaag?
Het is goed {slecht) weer.
Zullen wij mooi weer krijgen ?
Regent het?
Het heeft daareven geregend. I Or ora pioveva.
-ocr page 141-
129
Ik ben vrij nat geworden.
Wij zullen schuilen.
Ik heb het koud. — Ik heb
het warm.
Het is onuitstaanbaar druk-
kend.
Wij zijn in de hondsdagen.
De lucht is helder en klaar.
Het heeft van nacht gevroren.
De zon schijnt.
Wij zullen een mooien dag
hebben.
Er lag van ochtend veel
dauw.
Het is mistig.
De lucht betrekt.
Het begint te regenen. Het
regent, sneeuwt, hagelt.
De straten zijn zeer vuil.
De lucht is zeer zacht, zwoel,
kil, kond.
Het is maneschijn.
De wind is om.
Het is warm, koud (zeer
warm, zeer koud).
Er is een onweer op de komst.
Het weerlicht en dondert; de
bliksem is ergens ingesla-
gen. Hoor het geroep :
Brand/
Sono tutto molle.
Mettiamoci al coperto.
Ho freddo. — Ho caldo.
Fa un\'afa intollerabile.
Siamo nei giorni canicolari.
Il cielo è cliiaro e soreno.
Questa notte ha gelato.
Il sole c scoperto (of kort-
weg: E solc).
Avremo una bella giornata.
C\'era raolta rugiada sta-
mattina.
Fa nebbia.
Si fa riuvolo.
Comincia a piovere. (Pio-
viggina) Piove , uevica ,
graudina.
Le strade sono molto fac-
gose.
L\'aria èdolcissima,infocatii,
fresca , fredda.
E lume di luna.
Il vento si è cambiato.
Fa caldo, freddo (molto
caldo, molto freddo).
S\'avvicina un temporale (of:
vuol far burrasca).
Balena e tuona; è caduto
un fulmiue. Sentite come
gridano: al fuoco!
9
-ocr page 142-
130
Nevica a tiocchi.
La nevc struggera.
Si sdrucciola molto sul
lastrico.
Non si cammina bene.
Jeri faceva gran freddo, ma
oggi dighiaccia.
Tira vento di ponente. (In
Toskane zegt men:\') Tira
vento marino.
Tira vento di levante, di
mezzogiorno; tira sci-
rocco, tira veDto marino;
tira tramontana.
Fa gran vento (fa burrasca).
Fa tempo da primavera,
da estate, da autunno,
da inverno.
Le serate son fresche, ora.
11 lago si è coperto di
ghiaccio (of: il lago è
tutto ghiacciato).
"Vi è un bel ghiaccio liscio,
buono per patinare.
Il ghiaccio non è abbastanza
sodo.
Il tempo.
Che ora è?
Sono battute le due.
De meeuw valt in groote
vlokken.
De sneeuw zal niet Mijven
liggen
De draten zijn zeer glad.
liet is niet best om te loopen.
Gisteren was /iet zeer koud,
maar vandaaq is het
dooiend.
De wind komt uit het westen.
Wij hellen oosten; zuiden-,
westen-, noordenwind.
liet waait hard (het stormt).
Het is lente- (voorjaars-),
zomer; her/st- (najaars-),
wintericeer.
De avonden zijn reeds koel.
liet meer is met ijs bedekt.
Jlet is mooi glad ijs, goed
om schaatsen ie rijden.
Het ijs is niet sterk genoeg.
De tijd.
Hoe laat is het ?
Het is twee uren geslagen.
j
-ocr page 143-
131
Kunt gij mij zeggen hoe laat
het is?
Het is bij negenen.
Het is half twee.
Het is over vieren.
Ik weet niet hoe laat het is.
Ik heb mijn horloge niet
opgewonden.
Het is nog geen elf uren.
Het is nog niet laat.
Het scheelt nog vijf minuten.
Het is bij tienen.
Het is hcartier voor tweeën.
Puo ilirmi, che ora è?
Sono quasi Ie nove.
E il tocco e mezzo.
Son Ie quattro passate.
Non so che ora sia.
Non ho caricato il mio
oriuolo.
Non sono aurora Ie undici.
Non è ancora tardi.
Vi mancano ancora cinque
minuti.
Sono quasi Ie dieci.
Son Ie due meno un quarto
{of: E il tocco e tre
quarti).
Il mio oriuolo non va, c\'è
qualche cosa di rotto.
Verso Ie undici antimeri-
diane.
Alle quattro pomeridiane
precise.
L\'oriuolo va avanti — va
addietro.
L\'oriuolo si è fermato.
Lo ma micro all\'oriolajo.
L\'oriuolo è scarico.
Ho perduto la cbiavetta
dell\'orologio.
Salnti.
Buon giorno! Come sta?
9*
Mijn horloge gaat niet, er
is iets aan kapot.
Tegen elf uren voor den
middag.
j Precies vier uren na den
middag.
, Het horloge gaat voor —
gaat na.
Het horloge is stil blijven
staan
Ik zal het naar den horloge-
maker zenden.
Het horloge is afgeloopen.
Ik heb het (horloge-) sleu-
teltjé verloren.
Begroetingen.
doeden morgen! Hoe gaat het ?
-ocr page 144-
132
Goeden morgen, waarde
vriend! hebt gij goed ge-
Buon giorno , caro amico,
avete ben dormito?
Cosi presto in piedi?
Huona sera, signorcapitano!
Come sta?
La ringrazio, bene assai —
male — male assai.
Grazie della dimanda; bene,
non troppo bene.
Bene, e Lei, come se la
passa?
Cosi, cosi.— Passabilmente.
Ella ha buonissima cera.
Quand\'è arrivata?
Ha fatto buon viaggio?
Come sta il suo signor pa-
dre, sua madre, suo
fratello, sua sorella?
La famiglia sta bene, spero?
Per disgrazia non tanto bene.
Üna piccola indisposizione.
Come vanno i suoi bambini?
Sono infreddati.
Benvenuto, Signore, dove
è stalo Ella in tutto
questo tempo?
In ohe albergo alloggia?
Come è stato dall\'ultima
volta che ebbi 1\'onore di
vederla ?
Godo di vederla in buona
salute.
Reeds zoo vroeg op f
Goeden avond, kapiteinI
Hoe maakt gij het?
Dank u, zeer goed - slecht -
zeer slecht.
Ik dank voor de vraag; goed,
niet al te wel.
Goed, en hoe maakt gij het?
Zoo, zoo, — Tamelijk.
Ge ziet er zeer goed uit.
Wanneer zijtgij aangekomen?
Hebt gij eene goede reis ge-
had?
Hoe vaart uw vader, uwe
moeder, uw broeder, uwe
zuster ?
Be familie is teel, hoop ik?
Ongelukkig niet zeer wel.
Eeue kleine onpasselijkheid.
Hoe maken het uwe kinderen?
Zij zijn verkouden.
Welkom, mijnheer! waar
zijt gij al dien tijd ge-
weest ?
Waar logeert gij?
Hoe hebt gij het gemaakt
sedert ik het laatst de eer
had u te zien?
Het doet mij genoegen n wel
te zien.
-ocr page 145-
133
Maak mijne complimei
thuis!
Vaarwel
, mijnheer ! Tol
derziens !
Bezoeken.
Is mijnheer A. thuis?
Ontvangen mijnheer en mevrouw bezoeken ?
Dien mij aan! Hier is mijn
kaartje.
Mijnheer is uitgegaan.
Heeft hij niet gezegd, wanneer hij terugkomt?
Eindelijk vind ik u tehuis
Ik weet niet of ik de eer heb
bij u bekend te zijn.
Neen, ik heb de eer niet.
Baar is iemand die u wenschte spreken.
Hoe heet hij?
Laat hem binnenkomen.
Met wien héb ik de eer te
spreken ?
Ik verzoek u plaats te nemen
Ik dank u zeer voor uw bezoek
Ik wilde naar uwe gezondheid
vragen.
O, gij zijt dl te vriendelijkWilt gij uwen mantel niet
afdoen ?
n Faecia i miei compliment!
a casa!
\'- Addio, Signore! A rive-
derla!
Visite.
E a casa il Signor A. ?
Ricevono Ie signorie?
Annunziatemi! Ecco il mio
biglietto.
Il signore è uscito.
Non ha detto, quando ri-
tornera ?
Finalmente la trovo a casa.
Non so, se abbia 1\'onore
d\'esser da lei conosciuto?
No, non ho quest\' onore.
Vi è un tale che desidera
parlarle.
Come si chiama?
Fallo entrare.
A chi ho 1\'onore di parlare?
La prego, s\'accomodi.
La ringrazio molto della
sua visita.
Voleva informarmi della sua
salute.
Troppo gentile.
Non vuol levarsi il man-\'
tello ?
Non si disturbi!
Laat u niet storen!
-ocr page 146-
134
Gelief plaats te nemen.
Wilt gij niet op de kanapee
gaan zitten?
Met uw verlof.
Mag ik u verzoeken van mid-
dag bij mij te blijven eten?
Wilt gij niet zoo vriendelijk
zijn van avond hier terug
te keeren? Wij krijgen
eenige vrienden.
Waar zult gij den avond
doorbrengen T
Ik bid u maak geene plicht-
plegingen.
Eet vandaag bij mij.
Wij eten om vier uren.
Zeer verplicht, ik moet van-
daag nog vertrekken.
Blijf nog een oogenblik, mijn
man zal aanstonds komen.
Dank u, ik kom van avond
terug.
Ik zal wat later komen.
Waar eet gij van middag ?
Is uio bezoek zoo kort? ik
dacht dat gij zoudt blijven
totdat mijne vrouw thuis-
kwam.
Neen, ik moet afscheid ne-
men
, want ik word ver-
wacht door eenen kennis.
Favorisca d\'accomodarsi f
Non vuole accomodarsi sul
canapé?
Con permesso.
Posso sperare d\'averla a
pranzo meco?
Non vuole aver la bonta di
ritornar qui questa sera?
Avremo alcuni amici.
Dove passera la serata?
La prego, non faccia com-
plimenti.
Pranzi oggi con me.
Pranziamo alle quattro.
Grazie, ma devo partire
oggi stesso.
Si tratteDga un poco, mia
marito verra subito.
Grazie, tomerö stasera.
Verro un po\' piü tardi.
Dove pranza Ella oggi?
Mi lascia cosi presto? avrei
creduto ch\'ella si tratte-
nesse fin che mia moglie
fosse di ritorno.
No, bisogna che la lasci
(of: bisogna che me ne
va, of: bisogna che esca,
of: debbo uscire) perchè
debbo trovarmi con un
amico.
-ocr page 147-
Intusschen dank ik u zeer
voor uw bezoek, en het
zal mij aangenaam zijn ah
gij ket eens spoedig vervat.
Zoover mijn tijd het toelaat,
zal ik dat zeer gaarne.
Belooft gij mij dat gij een an-
deren keer terug zultkomen?
Ik heb de eer u mijn zoon
voor te stellen.
Ik ben bang u te ongelegen
te komen.
Gij komt mij volstrekt niet
ongelegen, ik ben geheel
tot uwe dienst
Het zal mijne vrouw geweldig
spijten u niet gezien te
hebben.
Ik heb eene stellige afspraak
met iemand gemaakt voor
dit tijdstip, en het spijt
mij dat ik niet langer
blijven kan.
Nu, ik wil u niet langer
ophouden.
Wilt gij Maandag een een-
voudig middagmaal bij mij
voor lief nemen f
Dank u! Ik zal de eer heb-
ben te komen.
Zeg aan uwen heer, dat ik
de eer zal hebben te komen.
Intanto mille grazie della
sua visita e la prego di
ripeterla presto.
Se avrb tempo lo faro con
piacere.
Mi promette di tornare
un\' altra volta?
Ho 1\'onore di presentarle
mio figlio
Ho troppo timore di darle
incomodo.
Non mi da incomodo dav-
vero, son tutto a suoi
comandi.
Kincrescera molto a mia
moglie di non averla
veduto.
Sono impegnato appunto
per quest\'ora e mi rin-
cresce di non poter trat-
tenermi di piü.
Ebbene, non voglio tratte-
nerla piü a lungo.
Vuol favorir dame, lunedi,
a un desinaretto alla
buona?
Grazie! Mi procurero 1\'onore
di venire.
Annunziate al vostro pa»
drone che mi procurero
1\'onore di venire a tro-
varlo.
-ocr page 148-
Dank u voor de vriendelijke
uitnoodiging; ik zal de eer
hebben er mij te laten
vinden.
Het spijt mij uwe uitnoodi-
ging niet te kunnen aan-
nemen ; want ik ben reeds
elders gevraagd.
Wilt gij een klein uitstapje
met mij maken?
Doe mij en mijne vrouw het
genoegen vandaag bij ons
te eten.
Wij verwachten u morgen
na den middag op onze
buiten.
Wilt gij aan eene jachtpartij
op mijn landgoed deelne-
men, vereer mij dan mor-
gen met uw bezoek.
Het slechte weder en mijne
zwakke gezondheid beletten
mij aan uwe jachtpartij
deel te nemen.
Ik voel mij niet al te wel,
en ben daardoor verhin-
derd uwe vriendelijke uit-
noodiging aan te nemen.
Mijn vertrek belet mij aan
uwe uitnoodiging gevolg te
geven.
Mag ik van avond op uw
La ringrazio del cortese in-
vito, avrö 1\'onore di tro-
varmici.
Sono dolente di non poter
accettare il suo invito;
ma sono stato invitato
prima da altri.
Vuol far meco una pic-
cola girata (o/: una gi-
ratina)?
Faccia a me ed a mia
moglie il piacere di de-
sinare con noi.
L\'aspetteremo domani dopo
pranzo alla nostra dimora
d\'estate.
Se vuole assistere {of: Se
vuol prender parte) ad
una caccia nel Ie mie
terre, mi favorisca dopo
domani.
Il cattivo tempo e la mia
salute indebolita mi vie-
tano di prender parte alla
sua caccia.
Non mi sento affatto bene
e cio m\'impedisce d\'ac-
cettare il suo cortese
invito.
La mia partenza m\'impe-
disce di corrispondere al
suo invito.
Posso calcolare sulla sua
-ocr page 149-
137
gezelschap in de komedie
rekenen ?
Vergun mij u deze plaats
•
biljetten aan te bieden.
Deze biljetten doen mij we-
zenlijk een groot genoegen;
ik dank u er wel zeer
voor.
Ik ben u verplicht voor de uit-
noodiging, en zal gaarne
met u meegaan.
Ik hoop spoedig terug te
ksmen.
Beloof mij
, dat gij mij dan
zult opzoeken.
Ik vraag u om verschooning
als ik u gestoord heb.
Wilt gij reeds heengaan ?
Wanneer zal ik het genoegen
hebben u weder te zien?
Vaarwel dan! Goede reis!
Mijne groeten aan uwe
vrouw.
Het ga u goed! Ik dank u
voor al de gastvrijheid,
die ik in uwe lieve familie
genoten heb.
Ik ben u zeer verplicht voor
al de vriendschap en goed-
heid, die gij mij bewezen
hebt.
Ik wensch u eene voorspoe-
dige reis.
compagnia per questa sera
al teatro?
Mi permetta d\'offrirle questi
biglietti!
Gli accetto con molt o pia-
cere, gliene sono gra-
tissimo.
La ringrazio dell\' offerta e
godero moltissimo della
sua compagnia.
Spero di tornar quanto
prima.
Mi prometta di venire a
trovarmi (of: di farmi
una visita) allora.
Scusi se 1\'ho interrotto.
Se ne vuole andare di gia?
Quando avro il piacere di
rivederla ?
Dunque addio ! Buon viag-
gio! Mi saluti sua moglie.
Stia bene! Grazie di tanta
ospitalitii, di cui ho go-
duto nella sua amabile
famiglia.
Le sono obbligatissimo della
amicizia e bonta che mi
ha dimostrato.
Le auguro un viaggio felice.
-ocr page 150-
138
Si ramenti qualche volta di
me. Mi scriva qualche
volta.
Salutate vostra moglie da
parte mia.
Non nianeherb di far Ie
vostre parti.
I miei saluti a casa! A ri-
vederci!
Dal medico.
Sta qui il dottore X?
Si, ma non è in casa.
Quando torna?
Tornerïi fra poco ; abbia la
bonta d\'entrare e d\'acco-
modarsi.
Kitornera fra un\' ora.
Ho io 1\'onore di parlare col
signore dottore X?
Si signore (signora).
Mi son raffreddato.
Ha una tosse terribile.
Ho preso qualche cosa per
sudare, ma non ha giovato
a niente.
Vorrei consultarla per un
male che soffro.
Eccole una lettera del dot-
tore X a L, che mi
ha digia assistito e che
Denk tusschenbeide aan mij.
Schrijf mij nu en dan.
Groet uwe vrouw van mij.
Ik zal niet mankeeren.
Mijne groeten thuis! Tot
weder ziens f
Bij den dokter.
Woont dokter X hier?
Ja, maar hij is niet thuis.
Wanneer komt hij thuis?
Hij zal spoedig thuis zijn;
wees zoo goed binnen te
komen en plaats te nemen.
Hij zal in een uur terug-
komen.
Heb ik de eer met dokter X
te spreken?
Ja, mijnheer (mevrouw)!
Ik heb eene koude gevat.
Ik heb een vreeselij ken hoest.
Ik heb iels ingenomen om te
zweeten, maar dat heeft
niets geholpen.
Ik zou u gaarne om raad
vragen voor eene kwaal,
waaraan ik lijd.
Hier is een brief van dokter
X te L, die mij vroeger
behandeld heeft, en die
-ocr page 151-
139
mij aan uwe behandeling
aanbeveelt,
Laat mij uw pols eens voe-
len.
Ik voel mij zeer lijdend: en
zwak.
Denkt gij, dokter ! dat ik de
voorgenomen reis sou dur-
ven ondernemen?
Ik hoop, dat gij u spoedig
beter bevinden zult.
Het bad heeft mij volstrekt
geen goed gedaan.
Ik voel mij na het bad zeer
versterkt.
Het bad heeft mij uitermate
aangegrepen.
Mag ik mij aan de avond-
lucht blootstellen?
Neen, gij moet vroeg naar
bed gaan.
Denkt gij, dat ik mijne
krachten spoedig terug zal
krijgen t
Ja, als de lucht zachter
wordt, denk ik het wel.
Zeg mij onbewimpeld uw
gevoelen.
Mijne maag is sedert eenigen
tijd van streek.
Laat mij uwe tong zien.
mi raccomanda alle sue
cure.
Sentiamo il suo polso.
Mi sento male e debolis-
simo.
Crede ella, signor dottore,
ch\'io possa arrischiarmi
a intraprendere il viaggio
che mi prefiggo?
Spero che fra poco si trovera.
meglio.
Il bagno non m\'ha fatto
nulla di bene.
Dopo il bagno mi sento
invigorito.
Il bagno m\'ha spossato.
Posso espormi all\' aria di
notte ?
No, vada a letto presto.
Crede che potrb presto ri-
mettermi in forze (of
kortweg: che potrb rimet-
termi presto)?
Spero di si, appena Is
stagione sia un po\' piü
mite.
Mi dica francamente la sua
opinione!
Il mio stomaco è sconcertato
da qualche tempo.
Mi mostri la sua lingua.
-ocr page 152-
140
Ik slaap \'s-nachts niet goed,
\'s-aeonds heb ik koorts •
La notte la passo inquieta,
la sera ho dei brividi
febbrili.
Ha appetito?
Ho preso il medicamento
che ella m\'ha ordinato;
devo ripeterlo?
Si, ella ha bisogno di ripren-
dere lo stesso medicamen-
to per qualche tempo.
Gliene scrivero una nuova
ricetta.
Prendera ogni ora una cuc-
chiajata.
Potro alzarmi domani?
Questo, lo vedremo domani.
Procuri di star caldo e di
non prender freddo.
Mi sono slogata un piede.
Mi duole assai.
L\'avvolga con dei pannolini
bagnati.
Appoggi il piede sul sofa
o sur un seggiola.
Se fa bel tempo, spero che
domani ella potrii uscire.
Prasi per biglietti e
lettere.
Onorevole signore (signora).
Illustrissimo signore.
Hebt gij trek in eten?
Be medicijnen, die gij mij
voorgeschreven hebt , heb
ik ingenomen; moet ik ze
nog eens klaar laten maken ?
Ja, gij moet datselfde middel
noff eenigen tijd gebruiken.
Ik zal u een nieuw recept
schrijven.
Neem om het uur een lepel.
Mag ik morgen opkomen ?
Bat zullen wij morgen zien.
Braag zorg u goed warm te
houden en geen koude te
vatten.
Ik heb mijn voet ver stuikt.
Rij doet mij erg zeer.
Gij moet er koude natte kom-
pressen opleggen.
Leg den voet op de sofa of
op eenen stoel.
Als het weder goed is
, hoop
ik dal gij morgen zult
mogen uitgaan.
Volzinnen voor brieven
en biljetten.
Zeer geëerde Heer {Mevrouw)!
Hoogwelgeboren Heer !
-ocr page 153-
141
Pregiatissimo (caro) amieov
Pregiatissima (cara) amica.
Ho 1\'onore di comunicarle.
Kiceva i miei piu rispettosi
saluti.
Accetto il suo gentile invito.
Accolgo con piacere il suo
cortese invito.
Vi rendo somme grazie pel
piacere che ra\' avete testè
procurato.
Le porgo Ie piü sentite con-
gratulazioni per questo
felice avvenimento!
Biceva le mie sincere feli-
citazioni!
Ho 1\'onore d\'augutarle felice
il DUOVO anno.
Le presento i piü felici au-
guri pel suo natalizio —
pella sua promessa di
matrimonio.
Tal notizia m\'ha recato
sommo piacere.
La sua disgrazia m\'ha af-
llitto profoodamente.
Sono addoloratissimo della
sua perdita.
Nella speranza che Ella
stia bene, ho 1\'onore di
protestarmi.
Geachte {waarde) vriend!
Geachte (waarde) vriendin!
Ik heb de eer u mede te
deelen.
Ontvang mijne bede groeten.
Ik zal uwe vriendelijke uit-
noodiying aannemen.
Met genoegen neem ik uwe
vriendelijke uitnoodiging
aan.
Ik dank u zeer voor het
genoegen dat gij mij on-
langs bereid hebt.
Ik feliciteer u hartelijk met
deze gelukkige gebeurtenis.
Ontvang mijne oprechte ge-
lukwenschen.
Ik heb de eer u een gelukkig
nieuwjaar te wenschen.
Ik feliciteer u met uwen
verjaardag — met uwe
verloving.
Die tijding heeft mij ten
hoogste genoegen gedaan.
Uw ongeluk heeft mij zeer
bedroefd.
Met de meeste deelneming
betreur ik uw verlies.
In de hoop dat gij welvarend
zijt, heb ik de eer mij te
teekenen.
-ocr page 154-
142
Met de meeste hoogachting.
Vriendschappelijk.
Toegenegen.
Uw oprechte vriend.
Uwe oprechte vriendin.
Met vriendschap en hoog-
achting.
Uw zeer toegenegene.
Uw toegenegen vriend.
Uwe toegenegene vriendin.
Uw Zeer Dw. dienaar.
•Uwe gehoorzame dienares.
Pien di rispetto (stima),
Amichevolmente.
Devoto (a).
Suo sincero amico.
Sua sincera amica.
Con amicizia e rispetto.
Il suo devotissimo.
Il suo devoto amico.
La sua devota amica.
11 suo servo devoto.
La sua serva devota.
Geographische Namen. — Nomi geografici.
de Adriatische Zee, l\'Adri-
atico.
Aken, Aquisgrana.
Antwerpen, Anversa.
Athene, Atene.
Augsburg, Augusta.
Bazel, Basilea.
Beieren, la Baviera.
de Beier, il Bavarese.
België, il Belgio.
Berlijn, Berlino.
een Berlijner, un Berlinese.
Bern, Berna.
de Bodenzee, il lago di Co-
stanza.
JBotzen, Bolzano.
Bohème, la Boemia.
Breslau, Breslavia.
Brixen, Bressanone.
Chur, Coira.
het meer Como, il lago di
Como.
Denemarken^ la Danimarca.
de Been, il Danese.
de Donau, il Danubio.
Duitschland, Germania, Ale-
magna.
de Buitscher, il Tedesco.
de Elzas, 1\'Alsazia.
Engeland, 1\'Inghilterra.
de Engelschman, 1\'Inglese.
Florence, Firenze.
Frankfort aan den Mam,
Francoforte sul Meno.
-ocr page 155-
143
Munchen, Monaco.
Napels, Napoli.
de Nederlanden, i Paesï
bassi.
Neurenberg, Norimbergo.
Oostenrijk, 1\'Austria.
de Oostenrijker, 1\'Austriaco,
Padua, Padova.
Parijs, Parigi.
Petersburg, San Pietroburgo.
Polen, Polonia.
de Pool, il Polacco.
Pruisen, la Prussia.
de Pruis, il Prussiano.
Regensburg, Eatisbona.
de R/wne, il Eodano. •
Rome, Koma.
Rusland, la Bussia.
de Rus, il Busso.
de Rijn, il Beno.
de Rijnprovincie, Ie provincie
Benane.
Saksen, la Sa9sonia.
de Saks, il Sassone.
Sardinië, la Sardegna.
de Sardinier, il Sardo.
Schaffhausen, Sciaffusa.
Schotland, la Scozia.
de Schot, lo Scozzese.
het Schwartzwald, la Selva
nera.
Sileziè, la Silesia.
Spanje, la Spagna.
de Spanjaard, lo Spagnuolo,
Frankrijk, la Francia.
Freiburg in de Breisgau,
Friburgo in Brisgovia.
Geneve, Ginevra.
het Meer van Geneve, il Le-
mano, il Lago di Ginevra.
Genua, Genova.
Grauwbunderlaud, Grigione.
\'s-Gravenhage, Aja.
Griekenland, la Grecia.
Groot-Britannü, "Brettagna.
den Raag, Aja.
Hamburg, Amburgo.
Holland, 1\'Olanda.
de Hollander, 1\'Olandese.
Hongarije, Ungheria.
Italië, 1\'Italia.
de Italiaan, 1\'Italiano.
Jeruzalem, Gerusalemme.
de Kerkelijke Staat, lo Stato
Pontificio.
Keulen, Colonia.
Krakau, Cracovia.
het Lange Meer, il Lago
maggiore.
Leipzig, Lipsia.
Londen, Londra.
Lotharingen, la Lorena.
Lubeck, Lubecca.
Maintz, Magonza.
Marseille, Marsiglia.
Milaan, Milano.
de Middellandsche Zee, il
Mcditerraneo.
-ocr page 156-
Wurtemberg, il Wurtemberg.
Zurich, Zurigo.
Zevenbergen, la Transilvania.
Zwaben, la Svevia.
de Zwaben, lo Svevo.
het Zwarte Woud, la Selva
nera.
de Zwarte Zee, il Mar
nero.
Zweden en Noorwegen, la
Svezia e Norvegia.
Zwitserland, la Svizzera.
de Zwitser, lo Svizzero.
Stiermarken, la Stiria.
Trente, Trento.
Trier, Treveri.
Turkije, la Turchia.
Turijn, Torino.
Tweebruggen, Due Ponti.
Venetië, Venezia.
het Vierwaldstadtermeer, il
lago di Lucerna.
de Vogezen, i Vosgi.
Warschau, Varsavia.
Weenen, Vienna.
de Weichsel, la Vistola.
-ocr page 157-
Lista delle pietanze. Spijskaart.
Cervello, Kalfshersens.
Fegato di vitello, Kalfslever.
Patticeio, Pastei.
Lesso, Gekookt vleesch.
Manzo gnernito, Kund-
vleesch gegarneerd.
Testicciuola di vitello, Kalfs-
kop.
Cotteghino, Worst.
Petto di vitello, Kalfsborst.
Pesci, Visch.
Tonno, Tonijn.
Anguïlla, Paling.
Trota, Forel.
Carpione, Karper.
Legumi, Groenten.
Sparagi, Asperzies.
Spinaci, Spinazie.
Patate, Aardappelen.
Fagiiioli, Boonen.
Zncchettine, Pompoen.
Carciofi, Artisjoken.
Carote, gele Wortelen.
Cavoli fiori, Bloemkool.
Antipasti,
Voorgerechten.
Sardine, Sardijnen.
Caviale, Kaviaar.
Ostricke, Oesters.
Salame, Pekelvleesch.
Frittata con erba, Omelet
met Groenten.
Ova al burro, Kalfs-oogen.
„ sode, harde Eieren.
„ a bere, zachte Eieren.
Tartufo, Truffels.
Zuppa, Soepen.
Brodo, Bouillon.
Riso, Zuppa, met Hijst.
Tortellini, Noedelsoep.
Risotto, dikke Eijst in boter.
Tagliolini, Noedels.
Maccheroni, Maccaroni.
Gnocc/ii, met rijstballetjes.
Lasagne, breede Noedels.
Sugo, Noedelsoep in boter.
Fritti, Gebraden.
Polio fritto, gebraden Kip.
-ocr page 158-
146
Umidi, Gestoofd.
Costolelte con tartufi, Cotelet
met Truffel.
Lingua, Tong.
Costolelte di montone, Lams-
cotelet.
Folio in fricassea, Fricassee
van kip
Costolette di vitello, Kalfs-
Cotelet.
Zibetto alla moda, Hassjee.
Stracolto, Zeer gaar rund-
vleesch.
Prosciutto, Ham.
Salsiccia, W orst.
Polio, Kip.
Pernice, Patrijs.
Arrosti, Gebraden.
Bistecca alV inglese, Engel-
sche Beefsteak.
„ con patale, Beef-
steak met aardap-
pelen.
Polio, Kip.
Pïtella, Kalfsvleesch.
Oca, Gans.
Cappone, Kapoen.
Montone, Lamsvleesch.
Selcar/r/itia, Wild.
Insalata, Salade.
Dolci, Zoetigheden.
Latte Brulè, Koom.
Fritlata, Eierkoek, omelet.
Torta Taart.
Panettone, Pannekoek.
Budino, Pudding.
Caci, Kaas.
Svizzero, Zwitsersche.
Parmigiano, Parmezaan.
\'/s porzione, V2 Portie.
Frutta, Fruit.
Oiardinetto, Dessert.
Uva, Druiven.
Pere, Peren.
Mele, Appelen.
Fichi, Vijgen.
Popone, Meloen.
Vini, Wijn.
Bottiglia vino cotnure bi-
anco, 1 flescli gewone
witte Wijn.
Blanco prima qualita, witte
wijn eerste qualiteit.
Nero coinune, gewone roode
wijn.
-ocr page 159-
O O <s
o o s
o
o
\'s
55
M
P
PP
W
P
w
w
o
I—I
w
l- b
Cu ^ ""ïï
es
CS
,2
bO
•—i
E
.9
>
o
S-.
o
a
C3
3
O
ö
02
<1 & ?2 C/2
H
P-I Oj
w
T3
—
c
ö
i—5
o
is
O
j:
«Sj
w
«3
•ö
<^>
;2S
\'^
"o
w
cC
~
o
C3
1—1
s
p O o s s
Ph
tq
w
p-l P-I
ij 1-3
-ocr page 160-
o
w
0n=3
1 <1
I t>
cl
tel a
Q
W
£
ca
£ H           \'S
V
9 *j
O
sa
cu