-ocr page 1-
m* ü^
m
-it-
._.....
W
\'S
^>4.
BEKNOPTE
il
HOOGDÜITSCHE SPRAAKKUNST,
TEN GKBRU1XE BIJ hET
. l
•
CEWOOxN EN UITGEBREID LAGER ONDERWIJS,
O. D]
LEEP.lt* BEI HOOCDUITSCIIE IUL- t:> IBT1 EIKL\'ÜDE JAH HET COLLEGE IE WIEKT.
TWEEDE DEELTJE.
Spraakieer. Taaioefeuiugeii.
, LUIK.
H. DESSEN, lilTOtVKl!
.
^1
u
Vak 145
-ocr page 2-
"Tl
7 fr^
^ _
-ocr page 3-
/^ft^p
-*> &11*
BEKNOPTE
HOOGDUITSCHE SPRAAKKUNST.
BOEK VAN J CLERC*
WEERT J903
LI CLERCX
NO. 2
-ocr page 4-
-ocr page 5-
BEKNOPTE
HOOGDUITSCHE SPRAAKKUNST,
TEN GEBMJIKE DIJ HET
GEWOON EN UITGEBREID LAGER ONDERWIJS,
BKWKIIKT DOOR
J. DREHMANNS,
l.i:i;llllll DEI» 11000.1)1 ITsl lil: TAAL- Efl LETTEREVMDE AAK HET COLLEGE TE WEERT.
TWEEDE DEELTJE.
Spraakleer. Taaloefeningen.
2"« UITGAVE
\'sHERTOGEXBOSfiFF,
G. MOSMANS, BOEKHANDELAAR.
LUIK,
H. DESSAIN, UITGEVER.
18&7.
-ocr page 6-
WETTIG GEDEPONEERD. — ALLE RECHTEN VOORREIIOÜDKN.
-ocr page 7-
VOORREDE.
B*j het schrijven dezer Verkorte Hoogduitse/ie Spraak-
kunst, ten gebruikc bij het Lager Onderwijs, hebben wij ons
laten leiden door de beginselen, die ons bestierden bij het
samenstellen der Volledige Hoorjduitsche Spraakleer voor
Gymnasiën en Hoogere Burgerscholen.
Vergelijking met de moedertaal; weglating van alle regels,
die de leerling vanzelf toepast; vermijding van taalkundige
bespiegelingen, die weinig of geen voordeel voor hem opleve-
ren; duidelijke uitdrukkingen opheldering van datgene,wat
hem van onmiddellijk practisch nut kan zijn : dat zijn de
vereischten, aan welke het onderricht in eene vreemde taal,
niet alleen op gymnasiën en middelbare scholen, maar ook,
en vooral, bij het lager onderwijs dient te voldoen, en aan
welke wij dan ook, zooveel mogelijk, getracht hebben dit
werkje te doen beantwoorden.
Dat eene spraakkunst voor leerlingen, die lager onderricht
genieten of eene vreemde taal beginnen te leeren, kort, ccncou-
dig, bevattelijk dient te zijn, behoeftgeene uiteenzetting.
Even overbodig is het, te betoogen, dat het handboek, in
gebruik bij voornoemd onderwijs, zoo dient ingericht te
zijn, dat het niet alleen een op zich zei f staand geheel uit-
make, maar tevens eenen vasten, onvcranderlijken grond\'
slagvorme, waarop, bij het voortzetten van\'s leerlings stu*
dien, de leeraar van \'t middelbaar of gymnasiaal onder-
wijs gcrecdelijk kunne voortbouwen.
-ocr page 8-
VI                                                 VOORBERICHT.
Om deze tweevoudige reden, hebben wij in dit handboek
de meeste nevenbemerkingen en bijna alle uitzonderingen
weggelaten ; de hoofdregels daarentegen nagenoeg onver-
anderd bijbehouden, zooals die in onze Volledige Spraak-
kttnst zijn uitgedrukt. Slechts hier en daar hebben wij, tol
meerdere duidelijkheid, een eenvoudiger uitdrukking gebe-
zigd of een klaarder voorbeeld aangehaald, terwijl de opstel-
len, ter oefening achter ieder taaldeel geplaatst, al klimmen
zij trapsgewijze op, toch op een zeer eenvoudige leest geschoeid
zijn, om den leerling het loepassen der regels des temeer te
vergemakkelijken.
De weinige nevenbemerkingen, die wij bij de hoofdregels
geplaatst hebben, zouden wij achterwege gelaten hebben,
ware hel niet, dat wij wilden te gemoel komen aan den tot
ons gerichten wensch, om dit handboek ook dienstbaar te
maken aan het onderricht in het Hoogduitsch op de laagste
afdeelingen der middelbare scholen.
Daar overigens deze Verkorte Spraakkunst niets anders is
dan een leiddraad, die zich tot het strikt noodzakelijke dient
te bepalen, is het aan den onderwijzer overgelaten, den
leerling, buitenen behalve de aangewezen opstellen, oefenin-
gen te doen maken in het verbuigen en vervoegen, en hem,
tot vermeerdering van woordenkennis, uit genoemde opstellen
zooveel woorden te doen van buiten loiren, als oorbaar mocht
geacht worden. Tot een en ander zal hel woordenlijstje, aan
den voet van ieder opstel geplaatst, zeer behulpzaam zijn.
Met dit weinifje meenen wij de strekking en hel gebruik
dezer Spraakkunst genoegzaam Ie hebben uiteengezet.
Moge zij een gunstig onthaal vinden.
J. D.
8 December, 1874.
-ocr page 9-
EERSTE HOOFDSTUK.
LETTERS.
K 1. In het Hoogduitsch bedient men zich van de
volgende
letters :
%
a, a,
%
«, n,
33,
b, b,
©,
0/ 0,
6,
C, c (tsee),
?>,
p, p,
D;
t, d,
o,
q, q (koe),
<?/
e, e,
9t>
r, r,
5,
f, f,
e,
6/ f, »,
©>
9/ Ut
s,
t/L_ t.
£,
U, h.
u,
W, U Toe),
%
i,
»/
». v (vau),
3/
JV j (jod),
ffi,
W, W,
*>
f, k,
£,
1/ X,
8,
li 1.
2)/
9/ y (ipsilon),
Wl,
m, m,
3,
è, Z (tsed).
©d) is «c/i, j? is as, (j, is te.
UITSPRAAK.
§ 2. De klinkers zijn: a, e, i, o, u, t>. OU
De u wordt uitgesproken als oe ; bij voorbeeld : jtub,
koe ; gut, 70erf.
De t en de 9 worden altijd uitgesproken gelijk de i in
diamant, sinaasappel; b. v. irf), ik, wordt uitgesproken:
ied).
§ 3. Door eene klankverandering, die men Umlgut_
noemt, gaat somtijdsHe\'a over in a, de o in ö, de iMnu*
De a wordt uilgesproken gelijk de eerste e in de woor-
-ocr page 10-
2                                           EERSTE HOOFDSTUK.
den kerel, wereld en in het Fransche woord père; b. v.
SBixr, beer; Slitfe, kaas ,- rcageu, icegen.
De ö heeft soms den klank van onze eu in de woorden
deugd, verheugd; b. v. Sörfe, beurs, Wbbcl, meubel;
somtijds wordt zij uitgesproken gelijk de e in de, bewolkt;
b. v. Sóffcf, lepel; Qbüe, hel.
De ü klinkt nagenoeg als onze u in buren, duren ; b. v.
^üraffier, kurassier ; ©üte, goedheid.
Aanmeikiiig In plaats van 51, Ö, ft vindt men dikwijls S(e, De,
Ite, doch zonder verschil van uitspraak.
% 4. In afwijking van het JNederlandsch, worden de
klinkers in de volgende gevallen lang uitgesproken :
1)  Wanneer zij door aehtervoegiug eener l) verlengd
worden; b. v. in fatyf, kaal; metyr, meer; bobrcn, boren;
friib, vroeg.
2)  Wanneer zij voorafgegaan of gevolgd zijn van tb ;
b. v. in º\\, vallei; tbiut, doen; ^(Üutb, icoctte.
3)  Wanneer zij gevolgd zijn van eenen sluitmedeklin-
kerj, die in de verlenging bij de, volgende lettergreep ge-
vpepd"wor(fi ; b. v. in ©rab,(©ra—bcé)/iöeg, (ïöc— qc&,
5r7nguTitJ\'(9{cïtgto—iicn)/ ©etteraf, (©cncra-teê).
Aanmerking Een klinker, die in het stamwoord lang is, blijft
lanjrin de afgeleide en in de samengestelde woorden
| 5. De tweeklanken zijn : ai, at\', ftjt, f\', fü en in
vreemde woorden oi en ui . Zij worden gelijk de twee-
klanken van het Nederlandsch uilgesproken, zoo echter,
dat au luidt gelijk bij ons ou; (ilt en eu hebben den klank,
dien ui heeft in onze taal.
De tweeklank ui wordt in Duitsche woorden als oei
uitgesproken ; b. v. iu b,ut, pfm\'.
Do ie is geen tweeklank: zij wordt slechts een weinig
langer dan de gewone Duitsche t uitgesproken ; in wooi-
den van vreemden oorsprong, b. v. ingamilie, ?irtie, wordt
de c afzonderlijk uitgesproken ; dus : ganult— e, 2tni e.
§ 6. De medeklinkers zijn eenvoudig of samenge-
steld.
De eenvoudige zijn : b, r, ï>, enz.
De samengestelde zijn : dl, d), pi), pf, fd?, #, ff,
tl) en ^.
-ocr page 11-
UITSPRAAK.                                                     3
Do uitspraak der medeklinkers is in hel algemeen de-
zelfde, als in het Nederlandsen ; afwijkingen heeft, men
in de volgende gevallen :
De c wordt vóór a, t, i, ö en ij alsts uitgesproken ;
b. v. (Scter, Cicero, (5»;pcru spreekt men uil tsecder, tsi-
tsero, isypern.
De g, in het begin van eenc lettergreep staande, is ia
de uitspraak zachter dan onze k, doch scherper dan onze
g; zij is dus gelijk aan de g in het Fransche woord guerre.
Is de c[ voorafgegaan van l of r, dan wordt zij evenals
onze g of als gj uitgesproken ; b. v. ÜJïorgeit, folgen wor-
den bijna uilgesprokeu, alsof er stond morgjen, folgjen.
Aan bet einde der woorden wordt de rj gelijk in het
Nederlanilsch uitgesproken.
De f, ö wordt uitgesproken gelijk onze s, behalve vóór
eenen klinker, waar men ze als z uitspreekt ;~FJ7v7 fagen,
fücfril, fUUWll, worden uitgesproken gelijk zagen, icezen,
zoeiteln.
De 5 wordt uitgesproken als tS; b. v. Sott, bejabfcit,
spreekt men uit Isol, be-Ualen.
De d) wordt gelijk onze ch uitgesproken ; is zij echter
gevolgd van eene 9, of staat zij in het begin ecner letter •
greep vóór a, 0, il of vóór eenen medeklinker, dan
spreekt men ze uit als k; b. v. (Stuw, tJhavfvcitag, Êbrifl:
worden uilgesproken koor, kaar [re\'toog, kriest.
In Fransche woorden bel.oudt d) de Fransche uit-
spraak.
De fdj heeft dezelfde uitspraak nis de A) in do woorden
marclieeren, chocolade.
Op dezelfde wijs spreekt men do 1 uit, wanneer deze
vóór t of p in het begin van een woord staal ; b. v. in
ftelKii, fpmrjfii ; deze uitspraak blijft in de samenstelling ;
b. v. in nnfrerfïchcn, 6cfprtfct)en.
Do fj wordt gelijk de scherpe s uilgesproken ; de f]*
gelijk ss.
De ty wordt uilgesproken gelijk de enkele z (Is), doch
een weinig scherper.
-ocr page 12-
4
EERSTE HOOFDSTUK.
KLEMTOON.
% 7. De klemtoon valt in het algemeen in het Hoog-
duitsch op dezelfde letters en lettergrepen als in het
Nederlandse!), behalve in de volgende gevallen :
|)De uitgang inn (in), bij de vrouwelijke persoons-
namen, heeft den klemtoon niet; men spreekt dus uit :
Jrrniitbiiut, ftöniginn.
2)  de klemtoon valt op de tweede lettergreep inde
woorden lebmbig, Sabrbunbert, Sabrtaufeiib, 3abrjrl)nf; op
de eerste lettergreep in orbenttirft.
3)  het vooivoegsel rn heeft soms den klemtoon, soms
niet; men zegt h. v. <gi jvater, <£rfbifd)of, maar Srjhdlll*
mercr, erjïuunm.
4)   rilintal heeft de beteekenis van venen enkelen keer ;
ciiunnl betuckent o/t zekeren tijd. 2l(fci beteekent op deze
wijze; ai\\o, bijgevolg.
SPELLING.
§ 8. ls\'° Regel. In het algemeen schrijft men de
Iloogduilsehe woorden, zooals zij uitgesproken worden.
2\',c Regel, leder afgeleid woord behoudt de mede-
klinkers van zijn slamwoord; men schrijft dus maiut»
lid), maitnbaft met un omdat "JDïaitM ook twee u\'s heeft;
eveneens attnufiViib, nlttaglid) met ti, omdat die ook
heeft.
3de Regel. De sluitmedeklinkers van een woord zijn
altijd dezelfde als die, welke hel bij zijne verlenging heeft.
(Deze verlenging heeft plaats door verbuiging of vervoe*
ging van dat woord . Menschrijft dus:
ter Stalt, omdat men schrijft bic <&tatte,
tie
glnth, „
        „         „ bic gintijen,
er imll, „ „ „ wollen,
fr faun, „ „
        „ föiutfit,
«flfbf/ // /,        „ Öf\')f".
De t is in het lanttfe voorbeeld de persoonsuitgacc
-ocr page 13-
5
SPELLING.
4d° Regel. De dubbele medeklinkers ff, <j\\ en ^ gc-
bruikt men slechts aclilcr eenen scherpen klinker; b. v.
in treffen, blieken, fcf)tD&tyeit. In alle andere gevallen bezigt
en f, k en J; b. v. ©d)ivcfc(, ?akcii, bejaljteit.
V 5do Regel. De ronde & gebruikt men op het einde
van eene lettergreep; b. v. .paué, Itépeln. Wanneer een
woord, dat op s eindigt, in de samenstelling onveranderd
blijft of slechts den Umlaut ontvangt, dan wordt de s
bijbehouden ; men schrijft dus : ^aitêüafer, Ijauöltd), ©on*
iterétag.
In alle overige gevallen bezigt men de lange j"; b. v.
ftyön, £aiifcr; haften, ©cfpciifrcr.
gdc Regel. De samengestelde medeklinkers $ en ff
(fö) dienen van elkander wel onderscheiden te worden;
jj wordt uitgesproken gelijk éénc scherpe s, en gebruikt
achter lange klinkers en tweeklanken; b. v. <&tva-
fje, fd)tef?cii, ftuf;, ©rug, weifi.
De ff wordt als ss uitgesproken, en slaat slechts
achter eenen klinker, die scherp en kort is; b. v.
©affe, cfjcii, «riffen, gafïcr.
]n de gewone schrijfwijze echter, wordt ff nooit op het
einde van een woord of vóór eenen medeklinker geplaatst:
men bezigt dan fi, en schrijft dus : ftenntiiifj, gtug, id)
muf?. Komen zulke woorden onveranderd in de samen-
stelling voor, dan wordt die sluit-fj bijbehouden ; b. v.
mtjtacrjteit, glugorter.
Eenige taalkundigen schrijven achter eenen scherpkor-
ten klinker altijd ff (fê).
7de Regel. In hel algemeen zijn de Duitsche woorden
zeer vatbaar voor onderlinge verbinding tot een samen-
gesteld woord. Twee of meer woorden moeten als samen-
gesteld woord aaneen geschreven worden, wanneer
zij te zamen slechts een enkol denkbeeld uitdrukken ;
b. v. $ird)tl)urm, kerktoren; S^auéarbeit, huiswerk; gelb*
totli, geelrood; Ijclfgri\'tn, lic/t f groen; wor/Igcboreu, Ede(ye-
boren.
Woorden, die niet tot één denkbeeld kunnen verec-
aigd worden, blijven van elkander gescheiden ; b. v.
-ocr page 14-
o
EERSTE HOOFDSTUK.
brri unb brefgig, drie en dertig ; in 3ld)t ttcfymen, iii acht
nemen.
gste Regel. Het koppelteeken U) wordt in het
lloogduitseh minder gebezigd, dan in het Nederlandscb.
Men plaatst het tussehen de deelen van een samengc-
sleld woord, wanneer dit uit twee of meer eigenna-
men, uiteen Duitsch"woord en een bastaard-woord,
of uit eene Ie zeer lani»e reeks van woorden bestaat;
b. v. (Sad)fcit*(5ebttrgs®Ptt)a, Saksen-Coburg-Gollia ; 3ct*
tinigès?crifeii, couranten-icoordenboek.
9\'8 Regel. De verdeeling der woorden in lettergrepen
lieeft o]) dezelfde wijze plaats als in het Nederlandscb.
Voornamelijk op het volgende heeft men te letten :
1 ) In de afbreking mogen de samengestelde medeklin-
kers d), cf, ptv, pf, fd), fp, ft, % tt) en \\\\ niet van elkander
gescheiden worden; volijt op die letters een medeklin-
ker, dan behooren zij bij de voorafgaande lettergreep;
b. v. plög;licr<, gletfHicrifd). Zijn zij gevolgd van eenen
klinker, danbehooren zij bij de volgende lettergreep;
b. v. fiolen, batden, $ö*pfc, &a«ften, *8liu%c, cnupfüifcen.
Alleen pf en fp worden vóór eenen klinker somtijds ge-
scheiden, wanneer de uitspraak het niet anders gedoogt;
b. v. 2lpsfct, Snoè^e.
2) Wanneer tnsschen twee medeklinkers een klinker
weggevallen is, dan geschiedt ook daar de afbreking ; b. v.
«Mig (acclig), cWcr (cbcler), l)img*rig (tyungerig\'.
3) In vreemde woorden richt men zich gewoonlijk naar
de uitspraak; b. v. £rané*povt, Sfit-ruê.
10d6 Regel. Men schrijft met hoofdletters:
1)  het eerste woord van eiken dichtregel en van el-
ken volzin: dus na een punt, een vraag- of een uitroepings-
tecken. Men bezigt echter geene hoofdletter, wanneer een
vraag- of een uitroepingstecken in het midden van eenen
volzin staat; b. v. er ijl gejtorbeit; abcr njaim? öci3 faun irf)
nid)t fagen.
2) het eerste woord na een dubbele punt, wanneer men
iemands woorden aanhaalt ;b. v. er fagtemir: 3cf) wti$
co niet)*. Hij zeide mij: ik weet het niet.
-ocr page 15-
SPELLING.                                                7
Y 3) alle zelfstandige naamwoorden, en alle woor-
den, lettergrepen en letters, die ais zelfstandige naamwoor-
den gebruikt worden; b.v. j^auê itttb £ef; baê ïlttgenetjme;
ïaè ©iitgcir, baê 31.
4) het eerste deel van een samengesteld woord, mits
het laatste deel een zelfstandig naamwoord, zij ; b. v. ber
Untergaitg ; bic ©düMifdn-cibcfiuift; ber Qriiifalt.
5) Let bijvoeglijk naam-woord, dat als toenaam
bij eenen eigennaam gevoegd is; b. v. ?eopolb bcr S.oeite,
ÜUtlbefmbcr 25ritte, kaliber ftitbne.
6) de bijvoeglijke naam-woorden, welke van ei-
gennamen
zijn afgeleid, behalve die, welke afkomstig
zijn van eigennamen van landen en provinciën; b. v.
?lbrabamtfd) ;©rrn£burger SSter; maar: nnterifanifd), bra*
. ba ittifrf).
7) de onbepaalde telwoorden, mits zij geheel op
zich zei ven staan ; b. v. iet) tjabc 2\\Uf8 gefetyen ; maar: td)
Ijaie nü mcin ©elb «erlorcn.
8) de titels, de opschriften benevens de voornaam-
woorden, die op den aangesproken persoon betrekking
lubben ; b. v. td) gebe 3t)nen baê ©elb; fnufen ©ie ©td)
ivaè ©te njotten. Ik geef u het geld; koopl u, tcat gij trilt.
TWEEDE HOOFDSTUK.
§ O. De tien rededeclcn voeren in het Hoogduitsch de
volgende namen :
1.  Lidwoorden, ©efditedjréwörter ;
2.  Zelfstandige naamwoorden, "*Jr?quphPorter of 9Jeiuu
Wörter.
                                            "                      ——
3.  "Bijvoeglijke naamwoorden , QhflenfdjqftSwörter of
PfilPÖrter;
                                     "
Tri «1 woorden, Zahlmbvtet;
5.  Voornaamwoorden, ffi\'trwórter;
6.  Werkwoorden, 3cirrcörbr;
-ocr page 16-
8                                            TWEEDE nOOFDSTUK.
7.  Bijwoorden, UmüflllÈêiPMft\' of 9te6en»ó^j!r;,
8.   Voorzetsels, SBorwbrte.r of \'Serïjaüm^mivtet;
9.   Voegwoorden, ©«"bfp^rtjr ;
10. Tussenwerpsels, (jjfmffijtbtmqéfoute.
De geslachten,gelallen, en naamvallen der verbuigharo
•woorden bestaan in het Hoogduitsch gelijk in het Neder-
landsch ; manlijk zegt men mamtlid); vrouwelijk, tveib*
Itch; onzijdig, ^adhlid) •, enkelvoud, Griitl^eif, meervoud,
SÖÏeljrheir.
De naamvallen ontvangen gewoonlijk de Laljjnsclie
of Fransche benamingen, enheetendus:
d« i8t\'naamval Dïomiitatitt,
de 2do » ©eniti»,
de 3d8 » Sati»,
de 4de * 3(cciifatttt.
De omspreking van den 2den naamval door middel van
Won, van, en van den 3deo door an, aan, wordt in het
Hoogduitsch zelden gebruikt.
\\v LIDWOOKUEIV. WcKtilcditMi.ortcr.
§ lO. Men heeft in het Hoogduitsch, evenals in het
Nederlandsch, twee soorten van lidwoorden: bcr, bic, baé,
het bepalende, en etit, tint, ci.it, het onbepaal3ê.
Het bepalendè"lidwoord wordt verbogen als volgt:
Enkelvoud, Gh\'nl)eit.
Manlijk, OTannlid). Vrouwelijk, 2i>eiblt$.   Onzijdig, ©adjlidj.
1.  SUominati» ter,                     til,                         tal,
2.  ©eniti» te»,                     ter,                        teé, \'
8. Üati» tem, ter, tem,
4. QJccufati» ten, iit,
                        ta*.
Meerroud, SDfiefyrljeit.
Voor de drie geslachten.
1.  9Joniimiti»   Die,
2.  ©eniti»       ter,
8. ï^att»
         ten,
4. Qtccufatio
     tie.
-ocr page 17-
LIDWOORDEN.                                                 0
Aanmerkingen.
1. Men ziet uit \'leze verbuigin ;. dat de a£CUSa.t|.et^»k^lïWld van
het vrouwelijk en onzijdig gelijk s aan den nominatief; dit heeft
"ptantrhi alle verbiïïgoare woorden, buiten sommige voornaamw.
2 De uitgangen van het bepalend lidwoord worden sterkg.xer-
buiging genoemd, en kunnen gebruikt worden bij a Ie verbuïgbare
bt\'ijaiende woorden, doei niet bij zelfstandige naamwoorden, noch
bij sommige voornaamwoorden
3. Het lidwoord wordt dikwijls inden datieven acsusatie£.eukel-
roud nWt*ïWToÖr\'afgaaüd voorzetsel saiiK\'R|jêtïrökkeiirï)*e\\oornaani-
SWdezer samentrekkingen zijn :
bei tem tot betm
turd)
taê tot turebê,
pon tem » roui,
fiir
tiiê » furê,
ju \'" tem » juni.
urn
taê » uut?,
]ti r ter » ;;ur,
nuf
taê » aufê,
au tem » urn,
tin
tas > anê.
in tem » im,
in
taê » iuê.
w r
taê » corê.
De samentrekking met andere voorzetsels is minder gebruikelijk.
§ 11. Hot onbepaald lidwoord wordt verbogen
als volgt :
Enkelvoud. Sinbeit.
Manlijk, Wdiinlid). Viouwelijk, 2Det0lüij. Onzijdig, ©iïd)Iid>
1.  9iom.   ein.                                   ene                            t\'.n,
2.  ts\'en     eilief                            einFr,                      etnej,
3.  Tat.     einmj,                           cinèT,                       tinem,
4.  2Kc.      emeïC                            eine\',                        ein.
Het meervoud ontbreekt.
OPTELLEN
i. <S io.)
De zelfstandige naamwoorden, die in deze opstellen voorkomen,
worden verbogen gelijk in het Nederlandsen.
Die geber 1) beé ïïogdé. Der kantel bcè 93rufccré. £)aS
genjter 2) beê ülojteré 3). ï-crSïegeu in tem UBinter. 2>eit
ÏJeflcu unb ben SIrm beé pelten. £er S?rubcr bcé Safere 4).
3Daé tftnb beé aSntcré unb 5) ber 9Rutter 6). £em Segcl imb
2
-ocr page 18-
10                                        TWEEDE HOOFDSTUK
bcm 3ïpfel 7) fceë tfinbciS. X5ic ©efctten 8) in 9Renf(fcN 9).
25aé©eï& w«b baö &ut 10; bcé ÜWeiifrfjcit. 2)en graucit il)
mibben üiitbmt bcr ©tabt 12).
1) £ie geter, de veder, 2) ba* gen (Ier, het venster, 3) tat Stlofttt,
liet klooster, 4) ter !8ater, de vader, 5) unb, en, 6) tie 9Jïurter, de
moeder, 7;ter3lrfe\'. de appel, 8) ter ©efe((, de gezel, 9) ter SRenfcb,
demenscli, 10) t<xi &ut, het goed, 11) tie Srau, de vrouw, 12) He
ÊUtt, de stad.
De cursief gedrukte woorden zijn in het Hoogduitsch gelijk aan
het Nederlandsch.
Alle zelfst. naaniw. worden in het Hoogduitsch met eene hoofd-
letter geschreven.
De vader en de moederdes broeders. De dochter 1) des
vaders en der moeder. Aan den mantel en den degen des
helden. Van de mensehen der stad. Aan de dochter des
broeders. De os 2) en de ezel 3) van den landman 4). De
mensch heeft 5) het geld en het boek 6) verloren. De vrou-
wen der helden, de gezellen des vaders en de dochter des
broeders. Het kind der moeder heeft het boek. Aan de
moeder en de dochter, aan den vader en den broeder, aan
de vrouwen en de gezellen.
1) De dochter, bie Jodjter, 2) de os. ter £)dté. 8) do ezel. rer(5fef,
4) de landman, ter Santnidiin, 5) hceff, lat, 6, het boek, taé iStidj.
3. (§11.)
£er 9Wenfd) ()at cincu SSatcr imb citic ÜJiuttcr. 25ie Jtirdjc 1)
lint cineu 2\'tnirm. Tiai $inb cincê 33niberé imb bic Zod)tn
rincS £clbcu. £crt SlóiÜQ ï) cincr ©tabt imb ctncé ïnubcé 3).
CJiiicm 23ogcl imb ciiicui 2(pfcl cittcé tfinfccé. £cr £db Ijat
cincu SBniber. £"«$ jïinb bat eiu jjaiipt 4), cine SRafc 5) imb
cincu SOïuitb 6). dtucr Surfer, cincr £od)tcr ttiib ciiter @d)ive*
fkr. 25a* «latt 7) tincè Wudjct, taè @clb cineö WcfeUcn, bie
Srabr imb baé ?anb eiueè töónïcjé. ®cm 53rnber imb bcr
gdjroefïcr 8). £cm SWiuibe, bcm J^auptc iiub bcr 9ïafe eineé
Jiüibcö. Sinem ótinbe eiiteé $i>itia.$.
-ocr page 19-
LIDWOORDEN.                                           41
1) Die .Rirctie, de kerk, 2) iet Stbnig, de koning, 3) tai S?anb, het
laid, 4) ta^ £aui>f, het hoofd, 5) Cte 5?afe, de neus, 6) ber 9J?unb,
de mond, 7) b.ié SBIatt, het blad, 8) Dt\'e @<r/t»efter, de zuster.
4.
Het kind heeft eenen vader en eene moeder. De mensch
heeft een lichaam 1) en eene ziel 2). liet kind eens konings
heet 3) prins 4\'. Aan eenen vaderen aan eene moeder
heeft de leermeester 5 j het boek gegeven 6 . Dejongeling7)
heeft een klooster, eene stad en eenen berg gezien 8). De
liefde 9) eener moeder is 10) groot 41). Het kind heeft
den broeder van eenen koning, en eene zuster eener
koningin 12) gezien. De toren eener kerk is boog 13).
Aan eene veder en aan een venster, aan eene kerk en
aan eene stad.
1) Het lichaam, ter Storper, 2) de ziel, die @ee(e, 3) heet, heifjt,
4) de prins, ter \'Jkinj 5) de leermeester, ter Sefyrer, 6) gegeven, <fts
geben, 7) de jongeling, eer 3iiu,iliii;i, 8) gezien, gefehen, 9) de liefde,
MeSiebe, 10) is, ift, il) groot, gvó:";, 12} koningin, ftöiiijiii, (Köniju\'nn),
13) hoog, bcdy.
3* babe, ik heb,                   teir finben, wij hebben,
bu batr, gij hebt,                 ibr Iwbet, gij hebt,
er bat, hij heeft,                   (ie baben, zij hebben.
Scrj babe einen SIpfel nnb et\'ne SBinte 1). £n bafl etncit
SBatcr unb ctne 9Rutter. ïcr Diingltng bat einen dorper unb
ciuc Scele. 2>ie ©efettcn baben bent Ütotcv cin Söncf) gegeben.
5Bir baben ben jJoiiijj tn ciner Aircbc gcfct)cn. 3br babet bie
$ebcr nnb baé SBIatt wederen. #afl bit etnem Siinglinge baé
S3ud) nnb baë spapier gegeben ? ©ott 2) bat ben 9Jïcnfcrjen
rincn Werper nnb ctne <2ccfe gegeben. £abct tbr ben gratiën
ïtub ben ^ontginnen baè ©c|\'d)cn( gegeben? Vlein 3).
1) ©ie Jötrne, de peer, 2) @ett, God, 3) 9ietn, neen.
6.
Ik heb den leermeester eensjongelings enden vader
eener dochter gezien. Hij beeft aan de moeder eenen appel
eene peer en een boek gegeven. Heb ik aan de vrouwen
-ocr page 20-
12                                  TWEEDE HOOFDSTUK.
liet papier gegeven ? Neen De ziel is de koningin des
lichaams. De prins is een kind di s konings. Wij hebben
een hoofd, eenen neus en eenen mond. Hebt gij het blad
aan eenen broeder of 1) aan eene zuster gegeven? De
broeder eens konings beet prins. Zij hebben het klooster
der stad niet 2i gezien. Hebt gij den brief gelezen 3)?
Neen, wij hebben het boek eens leermeesters gelezen.
1) Of, ofcer, 2) niet, ni*t, 3) gelezen, griefen.
ZELFSTANDIGE Vt tmvOOIGltE.V
£>auptu>&rtcr, 3ïcnn»pbrtcr.
§ 12. De zelfstandige naamwoorden zijn namen van
personen, zaken of denkbeelden.
Gelijk in het Nedurlandsch, kan een zelfstandig naam-
woord manlijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. On
slacht te leeren kennen heeft men de volgende vM
§ 13. Het geslacht der samengestelde zelfstj
ge naamwoorden hangt niet af van hutine bel
maar van het geslacht, dal hun laatste deel heef
b. v. tic s}iacf)m>ad)e, de nachtwacht, vrouwelijk, (
$Bad>c vrouwelijk is ; taé graiiciiummer, de v
onzijdig, dewijl fa? 3\'"»"" onzijdig is.
§ 14. Het geslacht der zelfstandige naamwoc
niet samengesteld zijn, kan men kennen of
nc beteekenis, öf aan hunnen uitgang.
A. Geslacht der zelfstandige naamwoorden , volgens
hunne beteekenis.
I. Namen van levende wezens.
De namen van manlijke wezens zijn manlijk, en
die van vrouwelijke wezens zijn vrouwelijk ; b. v.
fcer SOïanit/ de man ; tie grait, de vrouw ; itv $41)11, de
haan
,• bic $emir, de hen.
-ocr page 21-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                                13
Uitzondering. De namen van kleine of jonge wezei.s zijn onzijdig:.
Onzijdig zijn dus ook de verkleinwoorden op cbni in lem ; b. v. iv.é
5tine, het kind; bat Stalb, het k,df; tMê "Piertdjen, het paardje ; tu«
3n>erg\'riii, het dwrg/r.
Namen van zaken.
g 15. Manlijk zijn:
i) De namen van jaargetijden, maanden, dagen,
•winden
en windstreken; b, v. ter Veny de teute;
ter SWat\', de Mei; ter 3c^t)tr, de Zcftr; ter ^Jittroocrt, de
tt\'oensday.
2) De namen van bergen, gebergten en meren; b.
v. eer SSci\'u», de Ycsuvnts ,- ter Jlral, liet meer\'Aral.
3) De namen van steenen; b. v. ber rianntnr, de (het)
diamant ;
ber SHitbin, de robijn.
% 16. Vrouwelijk zijn :
1)  De namen van kunsten en wetenschappen 5
b.
v. bie SBïujïf, de muziek, tic Viteratur, ae letterkunde.
2) De namen van boomen ; b. v. bic (Sirf):, de eik; bic
gatuic, de den.
3)  De namen van stroomen en rivieren van Eu-
ropa
; b. v. bie ïonau, de üonuu ; bie iNIjone, deJikone.
Uilyetohdaidz\\]\\i: de stroomen van Spanje en van Italië, benevens
ter Utitein, d-: Btjn, eet \'Dtain, de Mcin.
% 17. Onzijdig ziju :
1)  Alle onverbuigbare woorden, benevens de on-
bepaalde wijzen der werkwoorden, wanneer die als zelf-
standige naamwoorden gebruikt zijn: b. v. taé Ui>ie imb
SÜann, het live en wanneer ; baê £piclni, het spelen.
2)  De meeste verzamelende zelfstandige naam-
woorden;
b. v. tas&olf, liet volk; baö 2>ul), liet vee.
Uitgezonderd: ter 2Biilt>,7iei woud.
3)  De stofnamen, die niet op eenc f uitgaan, vooral
de namen van metalen ; b. v. ba$ i^otj, kei kout ;bai
$elb, lut tjótui.
-ocr page 22-
14                                       TWEEEDE HOOFDSTUK.
Uitgezonderd zijn:
ter Qivti, het gips,                      ter ©tabl, het staal,
ter Sflim, hit Zeem,                       ter ©taub, het stof,
fcci (£ar,t, /*cf zand,                    ter 3inf, /«\'f «"»Ar.
4) De namen van landen en plaatsen; b. v. taé
fd)ènc Sralicn, lielschoone Italië ,-taó vctdjc ?(mjtcrbam, /ief
rijke Amsterdam.
Uitzo.\'derwf. Vrouwelijk zijn : bie ©djnvij, Zwitserland; alle
namen van landstreken op cut en ei; b. v tie WïolCuti. Moldavië ; Me
ïiufei, Turkije, benevens de provinciën van Frankrijk op e of ie. ©er
•jM\'i.1. \'s liage, is manlijk
B. Waauuer vooraoem lo regels liet geslacht van een
woord niet doen kennen, dan moet men zich richten naar
den uitgang, volgens deze regels: —»«•—
Y% 18. Zijn manlijk: de woorden, welke eindigen ojj
\'
lxlll, er,iiu], liilfl, ig,id);de eenlettergrepige woorden op
all/ benevens de woorden, die met 13c of 11 er beginnen,
en ijeenen vrouwelijken of onzijdigen uitgang hebben ;
b. v.
ter 9ïdflel, do nagel,                    ter Dniimling, de duimeling,
ter ©rieflcl, de sjnegel,              ter tyfeiiiiifl, de penning,
ter (Reveil, de regen,                    ter\'5eppicb, het tapijt,
ter (Sreijen. de zegen,                   terëtiilf, de stal,
ter jammer, de banier,                ter Veireié, het bewijs,
ter 5teifer, de kerker,                  ter 2?ertnijj, het verdriet,
ter ©liring, de haring,                 ter 3>eiftant, het verstand.
§ 19. Z:jn vrouwelijk: die, welke eindigen op f, jf,f,
Ijfit, knl, rt, una,. W% ld) o ft, benevens de woorden van
vreemden oorsprong op tït], ik, uil enif ; b. v.
tie I!n»f, de daad,                     "tiie 3ld)tung, de achting,
, b:e Wuiijr, de gunst,                     bie i&iitb, de woede,
tie @bre, de eer,                        \\.tie greiiiitictMft. de vriendschap, .
tie £horl»eit, de dwaasheid,           tie Senten;, de strekking,
tie (Éitelfeit, de ijdelheid,            bie fJteliflion, de godsdienst,
tie ©iel\'crei, de dieverij,              tie ©urplif, het smeekschrift,
tie SBobmiiig. de woning,             tie Slnlipathie, de afkeer.
§20. Onzydigzijn: de woorden, welke uitgaan op_
tfcum, jol/ fri/ tri/ ttifj, en de meeste verzamel-en herha-
-ocr page 23-
15
ZELFSTANDIGE NAAMWOORbËN.
lingswoordcn, die met (fat beginnen, vooral wanneer zij
op rl eindigen; b. v.
baè fiiiritent\\um, het vorstendom,^* ÏBünSnif?, h?t verbond,
ba* ü^bfaf, de la\'eii\'s,
                r ba* PJebacf, liet gebak,
tai Statbfel, het raadsel,             I bai Webet, het gebe I.
J>a* Trittel, het derde deel,         \'^a* ©.\'murmel, het gemurmel.
§ 21. Op voornoemde regels heeft men de volgende
uitzonderingen :
A. Op de regels overliet manlijk.
1) Zijn vrouwelijk :
a* de namen van vogels, vissclien en insecten op t\\; b. v.
bie Droffef, de lijster; bte SCffel, de pissebed. £>er SBogcI is
manlijk.
b) bie Singel, de angel,
bie SSibel, de bijbel,
bie tfanjel, de kansel,
bie 5tartoffel, de aardappel,
e) bie Winner, de muur,
bie 9ïtimmer, het nummer,
d) zijn ook vrouwelijk :
bie ©efahr, het gevaar,
bie ltbr, het uur,
2) Zijn onzijdig i
a) ba* 2?üitbe,(, de bundel,
bat flabel, de kabel,
bat ©egel, het zeil,
b) lai Sllter, de ouderdom,
bai gieber, de koorts,
c)  Zijn ook onzijdig :
bai  «Peil, de bijl.
tai  *t?oor, de boot,
bai  53rett, de plank,
ba*  SlenS. de ellende,
bai  jtuie, de knie,
bai  2ob, de lof,
bie Jfugel, de kogel,
bie Orgel, het orgel,
bie JHeget, de regel,
bie SBiirjel, de wortel.
bie Otter, de otter,
bie ©diulter, de schouder.
bie SSernunft, het verstand,
bie 3ab(, het getal.
bat ©iegel, het zegel,
ba* ïafel, de takel,
ba* Uebel, het kwaad.
ba* Safter, de ondeugd,
bai llfer. de oever.
baê Wal, de keer,
ba* 9Jtaf, de maat,
\'ba* 01, de olie,
bo* "Puit, de lessenaar,
baTSïeb, de zeef,
ba* ïau, het touw.
B. Uilzonderingen op de regels over het vrouwelijk.
Zijn manlijk c
\\
-ocr page 24-
16
TWEEDE HOOFDSTUK.
a) ber Söiarft, de markt,
ter SEKoiiiif, de maand,
ter \\punft, bet (de) punt,
ter ©aft, liet sap,
(er ©aUf, de salade,
ter Spiiiüt, de spinazie,
ter tliiterridK, het onderwijs,
ter SBerlufr, het verlies,
eet 2Btd)t,Jiet wicht,
ter ^iettafif^ het sieraad.
ber Saufe, de menigte,
ter 9?time. de naam,
ter ©ante, het zaad.
ter ©d)ate, het nadeel,
ter SBille, de wil.
de regels over het onzijdig.
J
b) ter griebe, de vrede,
ter gunfe, de vonk,
ter gufftapfe, de voetstap,
| ter ©etanfc, de gedachte,
il ter ©laube, het geloof,
C. Uitzonderingen op
1) Zijn manlijk s
(ter JWetd)K)um, de rijkdom,
eer (DaêJ 3Bad)<rhiint, de wasdom.
a) ter Söereeiêtbura, het bewijs,
f ter Sntlitim, de dwaling,
b)  ter fpillfel, het penseel,          ter ©töpfcl, de stop.
c)  ter ©ebrvuid), het gebruik, ter ©eru*, de reuk,
ter ©efallen, het behagen,           ter @ei\\uij], het gezang,
ter ©ehorfiim, de gehoorzaamheid,ber ©efcriimicf, de smaak,
ter ©emif;, het genot,
                 ter ©erotiin, de winst.
\\
Zijn vrouwelijk
a) tie (taê) ©rariflfal, de nood, tie Xrübfal, de. droefenis,
i b) tie ©etult, het geduld,           tie @ef:bn>u(jr, het gezwel,
tie ©efiil^r, het gevaar,              tie ©eroalt, het geweld.
§ 22. De woorden van vreemden oorsprong, welke
niet onder bovengenoemde regels vallen, behouden het
geslacht, dat zij in de laai hebben, waaruit zij genomen
zijn ; b. v. bie Slrmcc, liet leger; bie \'JDiajefiat, de majesteit.
Aanmerking. Het geslacht vaneenige woorden hangt af van hunne
be:eekenis.
Zulke woorden zijn:
>
f
a) ter Stiefel, de bochel,
ter @eif)el, de gijzelaar,
fter ©Ut de hoed,
ter Kiefer, het kakebeen,
ster Stuitte, de klant,
#ter Seiflen, de leest,
(\'ter ïeiter, de geleider,
ter SDiiingel, het gebrek,
{ter ©ee, het meer,
tie ^ucfel, de gesp,
bie ©t\'ifjel, de geesel,
(bie £)ut, de hoede,
bie Jïiefer, de pijnboom,
(bie Vuilte, het bericht,
lie £ei|te, de rand,
(bie geiter, de ladder,
tie SDidiigel, de mangel,
{bie ©ee, de zee.
-ocr page 25-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                                17
b) (ber Want, het boekdeel,
ter Vauer, de boer,
^er S\'or, de zangers,
ter 6rbe, de erfgenaam,
ter @ift, het speeksel,
ter Stotter, een paardenziekte,
Tej jol\'ii, de belooning,
*ber SKeffer, de opmeter,
ter TJacf, het pak,
ter fWetp, de rijst,
;ter ©diilö. het schild,
ter ïheil, het gedeelte,
>er ïlfer, de zot,
ter aSercienfr, het loon,
C\' lie öJift de gift,
bie Söïiinfel, de amandel.
(tai Want, het lint,
{tai "Uaiier. de vogelkooi,
ftai @!<or, de plaats voor de zangers,
l.lai l*r(\'e, het erfgoed,
tai @ift, het vergift,
tai .Heller, liet wambuis,
(tai i\'odii, liet arbeidsloon,
(bj* \'SReffev, het mes,
tai TJilcf, het janhagel,
tai [Kfié, het rijs,
(Jïai ©duit, het uithangbord,
tai ïheil, het aandeel,
(tai Jfor, de poort,
tai SBercienfh de verdienste
tai ©iff, het vergift,
raé 5Di<wcel, het vijftiental.
OPSTELLEN.
7. (SS 12 - 16.)
f^d) bin, ik ben,                 roir |ïnï, wij zijn,
Ml bi|r, gij zijt,                   ihr fet&, gij zijt,
er ifr, ïiij is,                        fie fint, zij zijn.
3cf) 6tn bie Sdiilbtvadje 1) «ub md)t bic Sïaditmadie 2ï.:Die
©dnlbroadje ift cine \'JRannéperfon 3). Jpafi bit bte£d)rcib*
ffber4) unb taè £)iitreiifag 5 ; ? £aé Sefebucf) 6) ijl verloren.
£a(tbu bte #atipt|tabt 7) (d)oit gcfel)en? £cr 8J4r 8; uttb bie
SÖarüt 9) jïitb groge £l)iere. ÜSir babcn ben jr>citg)1 10) uitb
bie ©tute 11) gefebett. ÏJcr jtöntg bat bcm Vaiibmaitit taè
%üttt0i2)
gegeben. fabelt fïe taè >papterd)en 13) imb, taè
Sthierdie» 14)gcfebcit ? 9ïcin, fïe t)abett tac- 9?iid)lctn 15)itub
taè £infetifa§ gcfcbcit. 2)er ÜBititer tft Jticbt fo frfiöii 16) aló
ber Sommer l-!) £cr Sanuar 18) tftber erjtc 19) ^ïonat20)
bcêSnhreé 21).
1) Schildwacht,2) nachtwacht, 3) manspersoon,4) schrijtpen. 5) inkt-
pot, 6) leesboek, 7; hoofdstad, 8) beer, Ö) berin, 10) hengst, 11) mer-
>\'ie, 12) veulen. 13) papiertje, 14) diertje, 15) boekje, 16) schoon, 17)
zomer, 18) Januari, 11») eerste, Sfti) maand, 21) jaar.
-ocr page 26-
18                                 EERSTE HOOFDSTUK.
8.
J^De os, de ezel, de hengsten de merrie zijn nul tip; 1).
Hebt pij de hoofdkerk 2 gezien? Ja, ik heb de hoofdkerk
der hoofdstad gezien. De eerste maand des jaars heet Janu-
ari, de vijfde 3) heet Mei. Het vaderland 4) is groot. Het
voorjaar 5) is schoon ; de winter en de herfst 6) zijn niet
schoon. De haas 1), de valk 8) en het veulen zijn niet even
9) sterk 10) als de heer. Hebt gij den schildwacht en den
nachtwacht gezien ? De Hekla, de Etna il)en de Vesu-
vius 12) zijn niet zeer 13) boog.jDe robijn, de topaas 14)
en de amethist Ui) zijn kostbaarlG). De natuurkunde 17)
en de scheikunde 18) zijn weienschappen 19).Debeuk, 20)
de eik en de den zijn nuttig. De Seiue, de Loireen de Rijn
zijn groot.
l)9ïü|lid). 2) ©aiiptfirAe, 8)fünfte, 4) «Biiterdtitr, 5) grübjahr, 6)
fterbft, 7) £afe, ?) ?alfe, 9* fo, 1<) tïarf, 11) 2Ietna. 12)gSefii», 13) fedr,
Ï4; £oim*, lf>)9liiifthi;(t, 16) roertfjüolf, 17) "pijflfïf, 18) gtjemif, @d)ei»
refuiifr, 19) 2Bilïenidwfte!i, 20) süud)e.
O. (SS 17-19)
£te ïsoiiau nnb ber ?0ïatit finb giiiffc I). 35cr ?anbmami bat
bné SSict) verloren. £>afl bn baé $0(5, baé Öifc» 2), ben <2rat)I
itnb ben 3i»f gefeben ? üaö grojje granfretrf) 3) tft feljr (tart
gevuefen 4). £)ie ©diweij nnb bic Zïirtei finb ïmtjt fo grog afó
baël)ct6e5) 2lfrifa. 3cf) liebe G) baSïefcn, nnb bn baé Spie*
len. £aft bn ben jammer, ben ïOïeifjcl 7), ben Degen 1111b ben
Dfing gefeljeii? Der Spelling 8) i|t in bem $aftg 9) geroefen.
fcafi bn ben Satttd) 10) nnb ben Sffig II)? ©ir haben ctn\'e
^irfche 12), etneSBirnennb ritten 3(pfc(. Jóafr bn bieftrnd)t 13)
nnb ten jtiiriicu 14) gegeten ? Die Sctimeichelct 15) nnb bie
ftnnlbeit 16) finb nidjt fctjóti.
1) Stroomen, 2) ijzer, 3) Frankrijk, 4) geweest, 5) warm, 6) bemin,
7)beitel, 8) musch, 9) kooi, 10) latuw, 11) azijn, 12) kers, 13) vrucht,\'
14) koek, 15) vleierij, 16) luiheid.
ÏO.
Het ijzer is niet zoo kostbaar als het goud. Hier is Act
-ocr page 27-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                               19
staal en het zink. De jongeling heeft eencn vinger 1) en
eencn duim 2) verloren. Hebben zij den stamper 3), den
emmer 4) en den bezem 5 gezien? Ik heb den penning,
het tijk 6) en den beker 7) verloren. Het bezoek 8) en het
bewijs heb ik niet gehad \'.\'). Hebt gij het verdriet en het
verlies 10 gehad? De lucht II) en de aarde zijn ons
nuttig» Degoedluid 12).de matigheid I3)en de bescheidcn-
heid
Zijn schoon. Zwitserland is niet zoo groot als Turkije.
Hebt gij de rnusch en de kooi gezien? Hebt gij den jonge-
ling 14) den koek, den appel en de peer gegeven ?
D\'ginger, 2) ttaumen. 8) St&M, 4) Grimer, 5) 2?efen, 0) ^iritli*,
7) 23fcbc\'r, 8) 5?efu*, 0) geljaDt, 10) Serblfi, 11) Suft, 12) ©ure, 13)
<ffid&igfeir, 14) datief.
(11. §20.)
Het vorstendom is niet groot. Hebt gij het monster 1)
gezien? Wij hebben het raadsel gelezen. Zij hebben het
hoofdstuk 2) gelezen. Het geheugen 3) iseene kracht 4)
der ziel. De man heeft het gezicht 5) en het gehoor 6) ver-
loren Wij hebben de getuigenis 7) en de vergelijking 8)
gelezen. Hebt gij het lot 9) des konings gehoord 10)? Ik
heb het afbeeldsel 11 van den jongeling gezien. Hebben
zij het geschreeuw 12) gehoord en het beletsel 13) gezien ?
De gezondheid 14) is een gevolg 15) der zindelijkheid 16).
De gezellen hebben de melodie gehoord.
1) @*enfal, 2) geitel, 3) ©ehiditniti, 4) Jhuff, 5) ©eiïd)t. 6) ©e»
bör, 7) 3etignif, 8) ©fdrfjnifj, 9) Sdiicffaf, 30) gehort, 11) !8ilom\'§,
12) ©efdirei, 13)£iiitHTiiip, 14) ©efuubbeif, 15) Solge, 16) Ütrinlid)*
hit.
1». ($21.)
Do kwartel I) en de meeilo 2) zijn niet in do 3) kooi.
Hebt «ij de mossel 4) gezien ? Zij hehl;eu eenc hommel 5)
en eene pissebed gezien. 11 ij heef! den bijbel niet gelezen.
De aardappel is rond 6) gelijk 7) een kogel, en heeft eencn
wortel. Is de otter een vogel? Noen. Wij hebben hel ge-
vaar niet gezien. De boot heeft den kabel en den takel
verloten. Hebt gij de maat, do olie en het touw gezien?
-ocr page 28-
20                                      TWEEDE HOOFDSTUK.
Het wicht heeft het punt niet gehoord. Het geloof is de
vrede des menschen. De salade en de spinazie zijn in den 3)
tuin 8). De boot heeft het zeil verloren. Wij nebben den
kogel, bet orgel, de bijl en den lessenaar gezien.
1) WaQttl. 2; Stmfel, 3) datier, 4) SKuföet, 5) pummel, 6) rmib, 7)
wie,8; ©uilen.
13.
Het wicht heeft de dwaling niet gehoord. Het gezang
heeft ons 1 > een genot actieven. Ik ken 2) den reuk en den
smaak van den aardappel. In het 3) gevaar heeft hij
het geduld niet. liet geweld heeft ons de droefenis gegeven.
Hebt gij het penseel en de stop ? De stad heeft eene hoo.^e-
school i)eneene bibliotheek 5 ). Hebt gij den hoed, de ladder
en den gcesel gezien ? De boer heeft de vogelkooi verloren.
De erfgenaam heelt het erfdeel gehad. De zot heeft de poort
gesloten 6 . De klant heeft het bericht gelezen. De geleider
heeft de ladder niet gehad De oprneter heeft het mes
verloren. De boer heeft het wambuis niet gehad.
1) ttn«, 2) Penne, 3) datief, 4) ltiii»er|itat, 5) Eibtiotfjer, 6) gefd)lof«
fen.
14. Herhaling.
Het boek is in de 1) kast 2). Hebt gij eenen appel, eene
peer of eene kers ? De schildwacht heeft de getuigenis ge-
gevcu. De jongeling heeft het boekje, de pen en den inkt-
koker verloren. Onwetendheid 3) is het gevolg der luiheid.
De zuster heeft de vergelijking gelezen. De manspersoon
heeft den eik, den beuk en den olm 4) gekocht 5). De be-
zem, de beker, de kooi en de azijnflesch 6) zijn in de i)
keuken. Hut diamant en het robijn zijn niet zoo 7) nuttig
als het ijzer en het staal. De Rijn on de Donau zijnstroo-
men 8). Het kind heeft den vader het derde deel der vrucht
gegeven. De vroomheid 9) adelt den jongeling en het
meisje 10).
1) Datief, 2) Staften, 3) Uii»iffeii()eit, 4) Wme, 5) flefauft, 6) @ffïfl«
flafdje, 7) fo, 8)glüffe, 9)grömmigfeit, 10) «0ïdNt)en.
-ocr page 29-
. \'jfct           ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                          21
f Verbuiging der zelfstandige naavneoorden.
$ 23. Men heeft iti liet Hoogduitse!) twee soorten van
verbuigingen: de sterke en de .zwakke
Volgt een woord "de sterke verbuiging, dan gaat het
in den genitief enkelvoud uil op es of e.
Volgt het de zwakke, dan gaat Int in dien naamval
uit op rit of ti.
De vrouwelijke zelfstandige naamwoorden echter
blijven in hel enkelvoud onveranderd
leder zelfstandig naamwoord volui ééni) van de twee-
genoemde verbuigingen : de vrouwelijke volgen de
zwakke; alle onzijdige volgen de sterke ; de man-
lijke
deels de sterke, deels de zwakke
Zwakke vei buigiinj.
% 24. De woorden, die tot dezen vorm belmoren,
a) nemen in hel meervoud nooit ilen lint \'aat;
b) zijn alleen manlijk of vrouwelijk;
c) de mauhikiSLAtaaii overal uit op cit of n, behalve inden
nominatief enkelvoud ;
d) de vromvefijIiëTïïïjven in het enkelvoud onveranderd. ,.
doch nemen in hel meervoud en of u aan. J^kii
ibt dezen voim behooren :
1) De vrouwelijke zelfstandige naamwoorden ; b. v.
bie grau, de vrouw, tic \'Jaueti, de vrouwen ; bic tfüiirjcl,
de wortel, bic s»i; 11151 !u, de wortelen
2) Alle manlijke zelfstandige naamwoorden, welke
op f uitgaan ; b. v. Der Vïvvc, de leeuw, be$ jötucn, bic i\'óiveit.
3) De volksnamen, vooral de tw. eleltorgrepige op rr;
h v. bcv Zartar, de Tm laar, bce /tartaren, bic tartaren;
bcr jfaffcr, de Kaffer, tti> ffafern, bic flaffcrn.
4) De volgende manlijke woorden :
ter iöiïr, de beer,                         ter tut, de herder,
ter ginf, de vink,                        ter Wen Kt), de mensch,
ter 5iir|ï, de vorst,                      ter ïüïohr, de moor,
f er ©e|el(, de {,\'> ze\',                     tcr - ar\'\'\' *•««>*•
eer ©rat, de graaf,                      ter CcDA de os,
to £elt, de held,                         ter Tkuij, de prins,
fcer &err, de heer,                        ter Xljor, de dwaas.
-ocr page 30-
22                                          TWEEDE HOOFDSTUK.
Aanmerking. De woorden die in den nominatief enkelvoud uitgaan
op„e of op de toonlooze lettergrepen tl, er, ar, nemen slechts eeiieji
aan; de overige woorden dezer verbuiging nemen en.
Voorbod Jen.
Meervoud.
tie ©rafen, de graven,
ter ©rafen, der graven,
ten ©rafen, den graven,
tie ©rafen, de graven.
Meervoud.
tie granen, de vrouwen,
ter granen, der vrouwen,
tni granen, den vrouwen,
tie granen, de vrouwen.
Enkelvoud.
N. ter Piraf, de graaf,
G te* ©rafen, des graven,
1). tem Pirafen, den graif,
A. ten O.-itfcii, den graaf.
Juk houd.
N tie Jïrflu, de vrouw,
G. ter grau, der vrouw,
1). ter grau, der vrouw,
A. tie grau, de vrouw.
Aanmerking. Eenige vrouwelijke woorden nemen in het meervoud
geenenaan; namelijk:
Meervoud.\'
tie OTiitfer, de moeders,
ter ïOïtitier, der moedere,
ten SOiiittern. den moeders,
tie ÜXütter, de moeders.
Enkilvoud.
tie ÏOïiifter, de moeder,
tiT ïOiutter, der moeder,
ter SOïutter, der moeder,
tie ïöiutter, de moeder.
a)
N.
(i.
D.
A.
Evcuzoo tie Jodfter, de dochter, meervoud: tie Xödjter.
b) Dii volgende woorden neoicn ia liet meervoud eene
f, en in den datief meervoud t\\\\ aan ; daarenboven ont-
vangen zij allen den, KniUvi*:
tie ?tift, de lucht,
tie ïti|r, de lust,
\\). \\J£t tie 9lu«fiud)t, de uitvlucht,
tie Sin, de aks,
/ \'"H (X\\t si«anf, de bank.
e bruid,
r^fr ^tie 5<riifr, de borst,
(,\'tie Sauft, de vuist,
tie grud)t, de vrucht,
tie &Mé. de gans,
tie ©rfówulfr, het ge
tie C*J. uft, de groeve,
tie S)Mv, de hand,
tie £)aüt, de hui I,
tie jtfuft.de kloof,
ftie 5fraft, de kracht,
(tie Jfuh, de koe,
.e .vunft, de kunst,
tie Wad)!, de macht,
ftie \'jjiagt, de meid,
ftie SKauê, do muis,
(tie ?ïart)t, do nacht,
tie 9?al)t, •\'.e naad.
tie •Kolf), de nood,
(tie Diiifj, de uoot,
fit ©au, de zeng,
tie @d)iuir, het snoer,
(t>ie ©tatt, de stad,
tie üinint, de wand,
tie 2Bulfr, de wrong,
tie 3unft, het gilde,
tie 2Bur(r, de worst,
tie Bufammenfunfi, de straen-
koiust.
zwel,
i
\'-
-ocr page 31-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                             23
Voorbeeld.
Enkelvoud.                                  Meervoud.
N. Me fyant, de hand,                   tie £anbe de handen,
G. ter |)iint>, der hand,                  ter J&dnte, der handen,
I). ter J&tinb, d>r hand,                  ten finten, den handen,
A. Me -bant, de hand,                  Me J&anbe, de hinden.
Sterke Verbit\'qinj.
\'L\'
Enkelvoud.
% 25.Zooals roeds gezegd is, volgen alle onzijdige on
vele manlijke zelfstandige naamwoorden de sterke ver-
buiding, d. i. zij hebben in den genitief enkelvoud eó of é;
in den datief e als de genitief op eó uil gaat; anders is de
datief, zooals de accusatief, gelijk aan den nominatief; b.v.
N. ter Tas         ter Sater,         Né Sint,           cué llfer,
G. M Td.te«,     be» Sater»,       te5 5ïiitP>;*,         teS llfer*,
1). tem ïaje,      tem \'Bater,        tem iti.ite,         tem llfer,
A. ten ïag.        ten Sater.        tui iïini.           tui llfer.
• <rj Meervoud.
$ 26. De onzijdige woorden , lmcvcns de manlijke,
welke de sterke verbuiging volgen, vormen hun meervoud
opyier verschillende wijzen :^ij blijven namelijk, wat den
uitgang aanbclrett, onveranderd,^of wel zij nemen
f,5 f r ofjtn aan; in den datief vaitjjet meervoud voegt men
altijd eene n bij den nominalleïineervoudj indien deze niet,
reeds"op n uitgaat, Alen heêfTïïus deze vormen :
12                          3                     4
N. —            N. - er,               N. — en,            N. — e,
G. —            G. - er,               G. - en,            G. - e.
D. — n,         D___evn              D. — en,            l>. — en,
A. —            A. - er.               A. — en             A. — e.
§ 27. Sommige, zelfstandige naamwoorden der sterke
verbuiging nemen in bet meervoud den Umlaut^ sommige
niet.
i) De onzijdige zelfstandige naamwoorden nemen den
Umlaut niet, behalve wanneer zij lmnjneervoudop er vpr-
men; b.v. baé <5cf).af, het schaap, frür ©djafe; t>aö ?auuii,\'
het lam, Ui Stommer.
-ocr page 32-
24                                       TWEEDE HOOFDSTUK.
2)  De manlijke zelfstandige naamwoorden, die het
meervoud op fn vormen, nemen den Umlaut niet; b. v.
ter Staat, de staat, bieStaateu. »«,.;>, <<
3) De manlijke zelfstandigejuaainwoorden, die het meer-
vond op rr vormen, nemen allen den Umlaut; b: v. bcr
\\8Biirm, de worm, tic ÏÖürmer.
4)  De meeste manlijke woorden, die in het meervoud
eene f aannemen, of die, wat den uitgang aanbelreft,
onveranderd blijven, nemen den Umlaut; sommige
nem u hem niet; b. v. bcr 53aum, de boom, bie $3uumc ,
bcr 2>atcr, de vader, bie Snater. £er Jjmub, de hond, bie
Jpttnbe; ber jtrageit, de kraag, bie S\'rageit.
§ 28. Eerste meervoudsvorm der sterke verbuijiitg
N.   —
G.    -
1>.   — il,
A.   -
Tot dezen vorm bel.ooren
1) De onzijdige zelfstandige naamwoorden, die met
(^>f beginnen, en op c eindiyeu ; b. v. taö ©ebaube, het
gebouw.
2) De verkleinwoorden op djeu en lein.
3) £cr Sid\\e, \'Ie kaas, bad l£iiigen>cibe, liet i>ii/ewand.
4) De manlijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden
op cl, rit, rr.
Voorbeelden.
Enkrfcoud. Meervoud.
Ei.kdvoud.
N. ter 93ruter,
G. te* 93ruter4,
D. tem SBruter,
A. ten SBiuter,
Meervoud.
tie ^riiter,
ter 93 rut er,
ten 93rütevn,
tie bruter.
tie 5fiïfe,
ter Stiit,
ten iliifen,
tie Jïufe.
N. ter Sti(t,
G. te* Üiife*.
1) tem ftiïje,
A. ten 5tiï|"e,
Aanmerking. £er 93auer, de hoer, ter SSetter, de neef, en te. \'Pan»
toffe!, de paittoffd, nemen in liet meervoud eene n aau.
§ 29.          Tweede meervoudsvorm.
N.  - er,
G    -- er,
1)   — ent,
A.  — er.
-ocr page 33-
25
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.
Tol dezen vorm behooren :
i) de woorden op tljum; b. v. ber 9?etVf;tlHim, de rijkdom,
bei Dïcidjtluuné, bie ÏHeidjthümer.
2) ler Spüferoidit, Je booswicht, ter Crr, de stad, het dorp,
ter Üïiuit, de rand,
ter Strand), de struik,
6rr 33ormunt, de voogd,
ter 2BalD, het woud,
ter 2Burm,de worm.
ter r>orn, de doorn,
ter eseiit, de geest,
eer Öott,de god,
ter Jeib, het lijf,
ter 5)iann, de man,
3) de onzijdige zelfstandige naamwoorden, die in het Nc-
derlandsch liet meervoud op eren vormen ; b. v. baé jfalb,
het kalf, bcê jïalbcé, bie $tfabtx,de kalveren.
4) tiȎ 31mt, het ambt,
lai a3.it, het bad,
taé »BÜb, het beeld,
ta* !8ud), het boek,
lai rad), het dak,
ta* Oorf, het dorp,
lai ­), het vak,
lai gaf, het vat,
lai geit, het veld,
Ca* ÖJaftmahl, het gastmaal,
lai ®t\\l, het geld,
lai ©einad). het vurtrek,
lai ©eicbledit, het geslacht,
lai ëJefpenfl, het spook,
lai &\\ai, het glas,
b..é ©rul), het graf,
lai ©rabmal, de zerk,
\\ai i>auft, het hoofd,
\\»« jöau*, het huis,
Voorbeelden.
lai £)0(j, het hout,
ta* &orn, de hoorn,
ba* 5?orn, de korrel,
lai jtiaut, het kruid,
lai Sant, het land,
lai Vod), het gat,
ba* ïOiaul, de muil,
ta* Ofeft. het nest,
lai \'Pfailt, het pand,
ta* 9te..|iment, het regimeut,
to* JWeié, het rijs,
ba* Sdiloji, het slot,
lai <£d)tt>ert, het zwaard,
lai ©pital, liet hospitaal,
lai <BÜU, het stift,
lai Xbalf hei dal,
lai Xud), de doek,
ta* 3i>eib, de vrouw.
Meervoud.
tie gaïïer,
tergdïTer,
ten gaffern,
tie galTer.
Meervoud. Enkelvoud.
Enkelvoud.
N. ter OTann,
G. te* Wanne*,
L). tem ïföanne,
A. ten SDt.mn,
tie Wanner,
ter \'JJidniier,
ten O.Kiiimcrn,
bie ïfödnner.
N. bit* ga§,
G. te* gaffe*,
D. tem galïe,
A. Ca* gaf,
Aanmerking. Zooals gezegd is, nemen alle woorden van dezen
vorm den Umlaut aan.
§ 30 •               Derde incei voudsvorm.
N. — n ufen,
G. — n of en,
D. — n of en,
A. — n of en.
3
-ocr page 34-
20                                    TWEEDE nOOFDSTDK.
Tol dezen vorm beliooren.
i) De manlijke namen van personen, welke op bet
loon\'ooze or eindigen ; b. v. ter ^rofeflfor, beg sprofcjjoré,
tic ^>rofcffori?n.
2; De volgende manlijke woorden:
ter ^«uer, de boer,                     ter ©dviters de s nart,
ter tNamanf, de (het) diamant, ter ©cc, liet meer,
tvi\' ©iaft, de mast,                       ter (5ta.it, de staat,
ter Wn?f el. de spier,                    ter ©trabf, de straal,
ter 9?ad)bür, de nabuur,               ter llntertban, de onderdaan,
ter "Pantoffel, de pantoffel,           ter SBetter, de neef.
3) De volgende onzijdige woorden :
tui ülujje het oo».                      t.ié .£>eint, het hemd,
tai G te, het einde,                     tui :lV8bft, het meubel,
tai (5r(Y, liet erfgoed,                 tui S)\\)t, het oor.
Voorbeelden:
Enkelvoud. Meervoud.          Enkelvoud. Meervoud.
N. tor©fa,it,      t;e ©taaten,      N. tai Dbr,       tie Obren,
G. teó ©taate-J,   bet ©Haten,      G. teé rbret,     terObren,
]). tem Staate,   ten ©taaten,     D. tem Cbre,      ten Dbren,
A. ten ©taaf,      tie ©taaten.      A. taê Dljr,         cieOIjren
Aanmerking ZooaLi gezegd is, neemt geen enkel woord van dezen
vorm den Umlaut aan. De woorden op e, el, er, ar, nemen in het meer-
voud n aan; de overige woorden dezer verbuiging nemen en.
g 31.                Vierde meervoudsvorm.
Tot dezen vorm beliooren :
l)De manlijke Duilsebe wooidcn op
all, anö, at,
id)t, hl, ing, viel); b. v.
ter ©fait, de stal.                        ter  Jfönifl, de koning,
ter ©tant, de stand,                    ter  JWina, de ring,
ter ïOiOnat, de maand,                 ter  $üiifl(:n.a, dejongeling,
ter .&abid)t, de havik,                  ter  öianfericb, de waard.
2)  De woorden op ni$ en fal; b. v. iaè @rfciiiitiit|l, hel
vonnis;
taö ©cftcujat, het monster.
3)  Alle overige manlijke en onzijdige Duilsebe stam-
woorden, die bij de vorige regels niet opgegeven zijn:
b.v.
-ocr page 35-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                               27
ber 9Irm. de arm,                      taé 3«f>r, het jaar.
ter &unt>, de hond,                    taé ©chuf, het schaap,
ter Srnedjt, de knecht,                taé ïhier, het dier,
ter tfod), de kok,                       taé ïbor, de poort, enz.
Voorbeelden.
Enkelooud.
Meervoud.
Enk:lvoud.
Meervoud
N. ter ©fair.
G. teé ©falleé,
D. tem ©talie,
A. ben ©tuil,
tie ©talie,
ter ©tulte,
ten ©tuiten,
tie ©tuite.
N. taé 3uhr,
G. teé Suhreé,
D. tem 3u(>re,
A. taé 3a()r,
tie 3-ifcre,
ter \'„Xahre,
ten 3\'\'l)ren,
tie 3a(;re.
£32.
Onregelmatige verbuiging.
Enkelvoud.
Meervoud.
Enkelvoud.
Meervoud.
N. ter 9?ame,
G. beé (Ramen*,
I), tem Oïamcn,
A. ten Ouinwn,
tie 9?amen,
ter karnen,
ten Oïamen,
tie 97amen.
N. taé £erj,
G. teé fterjené,
1). tem t>erjen,
A. taé &erj,
tie ^erjen,
ter j&ertra,
ten ëerjen,
tie ©eraen.
Gelijk Der Tiame worden verbogen de woorden, opgege-
venin g 21, B. b.
Verbw\'giug dei\' eigenvamen.
$ 33. Eigennamen van zaken.
De eigennamen van zaken worden in het algemeen
verboden gelijk in het Nederlanlscli; b v.
N. ter ïulfun,                          N. 21mjrertum,
G. teé 23alfuné,                        G. Slmftertumé.
1). tem 33ulfan,                         1). Slmfterfcum,
A. ten ^alfan.                          A. 3tm|rertum.
§ 34. Eigennamen van personen
In het enkelvoud blijven de eigennamen van personen
onveranderd, indien zij vergezeld zijn van het lidwoord;
anders nemen zij in den genilief eene è aan ; b. v.
N. ter Sutroiq. Lodewijk,           N. Stitmig.
G. teé Sntroia,                         G. Sutreigé.
!>• tem StiDiuiu,                         D. Sntrcfa. (en),
A- ten fiutroiu.                         A. Sutipia.
Aanmerking. De manlijkeDuitsche eigennamen op é, é, fd), r, J en fe,
henevens de vrouwelijke op e en ie nemen in den genitief ené of né
aan, indien het lidwoord niet voorafgaat: b. v. Selir, gelixeiié; grift,
SSrifcené; Sonife, Souifcné.
-ocr page 36-
28                                          EERSTE HOOFDSTUK.
§ 35. In het meervoud nemen de manlijke Duitsche
eigennamen eene t (datief en,) aau, en de vrouwelijke eit
of n ; b. v. bie Cubwige, bie ïoiufeit, bic Slbetbeiben.
Aanmerking. De manlijke eigennamen op a, e, i, et, en, er blij-
ven onveranderd; b. v. bie ëcneca, de Seneca\'s, bie @ötl)e, bie©djitler.
De vrouwelijke op a, i, o, u of p nemen \'é aan ; b v. bie 9Jiartf>a\'4,
bie Silt\'é. Die bp a en u kunnen ook \'n aannemen.
Geen enkele eigennaam neemt in het meervoud den Umlaut aan.
§ 36. De eigennaam, die vóór eenen anderen eigen-
naum, of achter eenen eigennaam of gemeeunaam staat,
wordt verbogen gelijk in het Nederlandsch ; b. v. ©ujta»
©afa\'éategierinig. Gustaaf Wasa\'s regeering jfatfer $ade
jïricgc. Keizer Karels oorlogen.
De bijnamen en bijstellingen worden altijd verbogen ;
b. v. Marl ber ©roge, tfarlé bcé ©rpgeii. Oinpoleon, jïaifer
ber 3-raiijofen; Siapoleonê, Sïaiferê ber graiijofeit.
Verbuiging der vreemde woorden.
% 31. De woorden aan doode talen ontleend, nemen
in den genitief enkelvoud eene$ aan, indien zij niet reeds
op ê uitgaan. In het meervoud gaan zij uit op en.
% 38. De woorden aan levende talen ontleend, nemen
in den genitief enkelvouden in het geheele meervoud eene
è aan, vooral indien zij de oorspronkelijke uitspraak be-
houden.
Aanmerkingen over de verbuiging.
§ 39. 1) De verandering der sluilletlers f en ê in » en g
heeft in het Hoogduitsch niet plaats; men schrijft dus: ber
®raf, de graaf, beé ©rafen, des graven. £er #alé, de
hals,
bie Jpalfe, de halzen.
2) De samengestelde woorden volgen de verbuiging van
hun stamwoord ; b. v. ï>a$ 3tatbtjaué, het raadhuis, bie
9ïatt)t)aufcr.
In de woorden, welke met 5DZaitn zijn samengesteld, ver-
andert Wlann meestal in ?eute; somtijds heeft het SDïdimer;
b. v. tfaufmanii; koopman, $aitfletite. gtaarémaiiit, gtaaté*
niaiuier.
-ocr page 37-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                            29
OPSTELLEN.
• ft. (§24.)
ï>ie ?ön>eu mtb bt\'e ?ötvirmen fïub grog. J^afi bti bt\'e Xanneii,
tteSicfKii uiib bteUlmrn gcfel)eit? 21>ir Ixibcu 9Vad)(tga0cu I \\,
(erdjen 2) tinb ftütfcu gefaitfr. Sic <priiijefffnitcn 3) jïut ©d)roc*
(tent. 3* babe tem giir|rcit bic %tit)\\\\\\§c\\\\ 4) gcgcbcu. .v>abcu
ft\'e ben jpclbcn, beu ïDïeufrrjc», ben ^ringen tut? trit Diarrrn
gcfcbcit ? ÜBir tyabeit beu 9htl)m ber Saierit 5), ber Uugarii 6)
uiib ter graiijpfcit 7) gehort, ïer üttohr bcê ©rafeu i\\l
fdjroarj 8). Uüir babeubeui Jjurten, bcm .ftcrru imb bcm gür>
(ten ciu ©cfd)cnf gcgcbcu. Qie Snitten luibcn beu Ddifeit, tic
kul) tmb baö Sdiaf verloren. £ie Sliatcu 9; ber Gooren fint»
Stborbciteu 10;. £ie UBolmuugcn ll)bctf ^ürileu fïnb fd)ön.
£ie 9ieligiencu 12; ber 9Reufd)eit (uib »erfd)ieten 13).
1) Die 9<ad)tis)al(, de nachtegaal, 2> Me £e.d)e, de leeuwerik, 3)
fie fPniijt\'l\'iuiii, de prinses. 4) Me 3eifnu,(, de courant, 5) ter Huier,
de beier, 6) ter Uiuiar, de Hoagaar, 7) eer SJi\'JHjOfe, de Fraiischmai»,
8) fd)itMrj, zwart, f\') Me Xh.tt, de daad, 10 Me £1«or ,eit, du dwaasheid,
11) tie siBo!>miin), de woning, 12; Me Sfelujion, de godsdienst, 13)
iy) Deifdjieteu, verschillend.
Het gezang 1) der nachtegalen is schoon. De sterkte 2)
van den os, den leeuw, de leeuwin en den beer is groot.
Do wortelen der eiken en der populieren 3 zijn si rk. De
herders hebben den prins de smeekschriften i) gegeven
Wij hebben de couranten, de fabels 5) en de lessen 6) ge.
lezen. Alle menschen zijn sterfelijk 7). De residenties 8)
der vorsten zijn schoon en groot \\\\ ij lubben de molens 9),
de hutten 10) en de schuren H) gezien. De graaf heeft
den prins kanonnen !2)en kogels 13) gegeven. Gij hebt
otters 14), bommels IS), kwartels 16) en mo selen 17)
gezien. Zotten en dwazen zijn ook 18) menseben. Niet al e
daden der helden zijn schoon.
Aanmerking. De letter m. geeft aan, dat het woord manlijk ; V.,
dat het vrouwelijk, o., dat het onzijdig is.
-ocr page 38-
30
TWEEDE HOOFDSTUK.
M fl\'efaitfl. m. 2) <?tarfe v. S) gapper, v I) ©upplif, v. Heibel, v.
fi> S cfton, v.7) flerMidi, 8) fK ffrenj, v.9i üJRiihle v. 10) jtfltte, v. 11)
(Edjeime, v. 12) ftaiicne, v. IS) ffugef. v.! 1) Otter, v. 15) S\'.immet, v.
16) 2Bad)tel, v. 17; SKufdpf, v. 18) and).
Dokallen 1) zijn mot zoo groot als do oltcrs ; do vinken
niet zoo groot als do kwartels. Wij hebbon den vorst,
den prins en den held een geschenk gegeven. De zusiers
van den lieer zijn groot. Do dapperheid der Franschen en
der Beieren is groot. Do wetenschappen versieren 2) den
mensch. Zij hebben aan de zusters en aan de vrouwen do
kwartels, de vederen, de peren en de uien 3) gegeven.
Hebben zijde manspersonen of de vrouwen gezien ? De
Beieren hebben goed 4) bier, do Hongaren goeden 5) wijn.
De vorsten, de graven en de prinsen hebben twee 6) beren,
drie 7) otters en cene leeuwin geschoten 8). De zusters
bobben de schrijfpennen verloren en de lessen vergeten 9).
De deugden 10) zijn het sieraad 11) van den mensch.
I) tta&\'\\ v. ?) {teren, 3) 3iwM, v. 4) <\\u\'.ei, 5) fltiten, tii jwei, 7)
ttti, 8) ijrfajPtTi\'ii, 9) »ero,effen, 10) Xmienï\\ v. Ui pierre, v.
7) fJZ^ /Y&t^l 8- (% 2*. Annm.)
X\'tf dochter ter ÜKürtev baten Sriufjtc, ©anfe, SPfirfte uttb
SKüffeflrfaufr. Tic ftanbe ter £ultcn baten g.oge .ft\'rafte. £t\'e
$ür|ren halHMt tic 9Wad)t in ben ftantcn. ïuc 9Dïenfrf)en baben
•3nfoMimcnfüiiftc iit ten Statten, JfSaben fic tie xmteit, tie
Stabt nut tie ©anfe aefefyen? £ie Statte baben tic ÜRadjt ntcbr
gebabr. Die Vanfe ftebeii 1) in ter &.d)tile 2). 2>cr Süiiajüta,
bat Jóofeu 5), Wattfe tuib ïtëadtrdn gefanncn. £ie ïWütter
baben btii X&cl)tcru tie OïrifjV gegeben. 3(l(e ïti iifte fïttb fd)0»
tint m\'ilAlid).
1) Staan, 2) tie 2d)iite, do school, 3) t\'er £dfe, de haas.
De huiden der ossen, der koeien en der beren zijn nut-
tig.In den I) zomer zijnde nachten nietzoo lang als in den
-ocr page 39-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                                 31
l)w\'nfcr. De meiden hebben worsten en noten gekocht.
Hij heeft de ganzen in de 1; handen gehad. De kunsten
en wetenschappen zijn nuttig. De krachten der ganzen zijn
niet groot. De vruchten van den arbeid 2) zijn zoet 3). De
kerken i) der steden zijn groot. De moeders en de doeh-
ters zijn in de 1) kerk geweest De borsten der belden zijn
sterk. In dei) steden heeft men 5) samenkomsten. De
noten zijn vruchten. Wij hebben het 6) aan de moeder en
aan de dochters van den prins gegeven. Hebt gij het ge-
zien ?
1) Datief, 2) Slrreit, v. 3) fiig, t) ffiray, v. 5) m.tit, 6) c*.
y 20. (gS 23 en 28.)
De bepaling staat in den datief bij de voorzetsels
\\ iincf), mit, bc!, fammt, »pn, tificfyft,
J
         awS, anficv. ;u, nnioiber,
\'S         cutfl-iicii, binnen, n?bfr,
V fjcitinf;, feit, gegeniiber*
Ste ©eftabe 1) bcr Sufcui 2) ffnb &ebecft3) mit «Oïitfctictit.
Öabeit jïebic ©ebaube i)bcr ©rabt gcfcbeti? Mc ©ewerbe 5)
finb tiicl)t ebeit niitju\'cf). %i) l)abc $ivct ?(cpfelrf»eu 6) unb brei
58 rn i)tn 7) gefaufr.feUir habcit bic £forrfitrtit 8) unb bic X&d)»
fciit 9) gcfeheit. \'Sic Winter bat jwei .Safe, brei 2(cpfct uub
eiiicn iïikhcii 10) gefmift. Sic ©rüber bei \'•y.irerö haten bic §fcl
unb bie Od)feit »cvfauft 11)., Sic Stabt hat jroci nijoitc Stem*
pet. Sic gran l)atbic ©efen 12) mit ben öimeru 13) öfrlorni.
Sic jammer 14) unb bic 9taa.el 15 > finb in bcm haften. Sie
gciifter 10) bcê ©ebaubcó finb |"el)r grc-6.
1) Sa* 05efta6e, de oever. 21 6ie Snfef, het eiland, 8) bedekt, 4) bie
ÜJttijchel. de schelp, 5) btf fthwrle. het ambacht, 6) ba* Stepfelehfll,
het appeltje, 7) fa* 33mid)eii, het\' peertje, 8) 6a* ©torcblein, liet
ooievaartje, i1) 6a* 5tüd)(eilt, het kuiken, 10) 6cr jtiidjeit, de koek, 11)
verkocht, 12) 6er Oefen, de bezem, 13) ber (Sinter, de emmer, 14) bcr
dammer, de hamer, 15) 6er Oïagel, de nagel, 16) 6a* gen fier, het ven-
ster.
SI.
De broeders van den vader hebben de hamers, de nagels
en de beitels 1) verloren. De meisjes 2) hebben aau de kui-
-ocr page 40-
32                               TWEEDE HOOFDSTUK.
kens het voeder 3) gegeven. Hebbende vaders de hamers,
de bezems en de emmers gekoclit?De tempels zijn gesloten.
De gezellen werken 4) met hamers, beiiels en tangen .\'>).
De herders 6) zijn dikwijls zangers 7). De ooievaartjes zijn
goede 8) diertjes. Wij hebben bij de schilders goede 8)
schilderijen 9) gezien. De werklieden 1 0) hebben hameis en
nagels gekocht. Do, tijgers 11) en de leeuwen zijn niet zoo
nuttig als de ossen, de ezels, de veulens en de merries 12).
Do ruiters 13) hebben sabels 14) of degens. De boekjes
en de papiertjes van den leerling 15) zijn verloren.
J) *0ïeifel,in. 2) SKüréfn. o. 3) Jutter, o. 4) lUteikn, 5)3<wae, v.
6) ëd)iïftT,iii. 7)©önjier, in. 8 fliite. 9) ®nmïlre o. li )3lfl,eiier, m
11) ïifler, in. 12) (êtute, v. 13) Weiter, m. 14) ©abel, m. 15;(S(foüier
28. (§S 25, 27, 29.)
£te 9tctd)tf)finicr fint) bem 9Renfd)en uft&u\'d). £>ie SHanbcr i)
ft\'nb 99ófen>icf>tcr. ïie JÖitrmer filmen 2) aitf ben SMAttent ter
j?r&uter.£ie3Raiiner arbetten nidjtmitben ÜCctbmt.ïci- ©aft
©ottcé fciuit 3) alk @rfct)(ect)trr. 2n\'e ftinber baben nut ten
SMIbcrn gcfpiclt 4). 3luf ten ©rabevn ft\'nb ©rabtnatcr. SDic
SOianner habfit,bte itiilber, bic 9tinber 5 imC bie (Sier 6) gr*
fanfr. Cte «Refter ber SSëgcl 7) fiub in ten ïüaltcnt. £te Htt*
ter l)flben bie gelbcr be<5 Xtjaltè gefcl)cn. ïic X>6vfcr bcö gi\'tr*
ftenthnnié 8) finb nid)t groft. £ie ©otter ber jjriben 9) wamt
fd)ted)tcr 10) alé 11) bte ïDïenfdjen. 3>vet Dïeiter bcè Dïegimrnté
l)aben it>re 12) ©djvoertcr verloren.
1) Der Wauber, de roover, 2) zitten, 3) kent, 4) gespeeld. 5) ïai
JHiiit, het rund, 6) lat Si, het ei, 7) rer SlSorfel, de vogel, 8j Da« 3ür|len--
ttyum, het vorstendom, 9; ter jfreice, de heiden, 10) slechter, 11) dan,
lè) hunne.
«3.
De mannen hebben de gelden in de 1) koffers 2) geslo-
ten. De vogels van het woud eten 3) wormen. De beelden
en de boeken der kinderen zijn verloren. De roovers heb-
ben de lammeren 4), de runderen eu de ossen gestolen 5).
De hoenders C) zitten op 7, de daken der dorpen De
hoofden des lauds zijngroote 8) mannen. In de 9) doeken
-ocr page 41-
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.                                33
zijn gaten. Op de graven der helden zijn zerken. In het 91
dal zijn wonden en velden. Hebt gij de gaten der sloten
gezien 1 De dorpen en de kasteelen 10) liggen H) in de 9)
landen. De vertrekken der hospitalen zijn groot. God heeft
^eene 12) spoken geschapen 13), maar 14) wel 14) gees-
ten. In hel 9) woud zijn nesten met vogels. De deufjd
maakt 15) mannen, vrouwen en kinderen gelukkig 16).
1) Accusatief, 2) Aloffer, m 3> effen, 4i Siimm, o. 5) getroMen, 6)
jf>Uhn, o.7) aur", met den datief, 8) flroge, 9) datief, 10) g*lof, o. 11)
liegen, 12 feine, 13) gefttjaffe.i, 14• n»o(>l. aber, 15) maijt lü) gïüflid)
24. (g§ 23 en30.)
£te 9ïadibnnt bee Staurré jïnb Untertbaiicit beö giiriceu.
£aft bu bie ^antoffdn tcé ^rofefforé gcfeben ? £)cr >3)?enfd)
bat jwet Sttigctt imb jroei Dbren, bod) uur 1) (jrüicn \'JDïitnb 2).
Eie Diamanten bcé <2enaroré3i jïnb t>criorcit. 2>ic 33aucrn
Imben bic $rmben imb bic SWöf\'cIn gcftinft. £ie ©etynterjen
ter 9Nnéfdn fïnb grofl. £ic Stvabtcn ber (Sonne erlencbtcn 4)
ten Sec. Eaé 2lnge jïebt 5) tic SfJïaftcn bcé lÈcbiffcé 6) nid;t.
Eic Senatoren forgen 7) für 8) taö Weit 9) tcs tïtaatcé.
Eer 9iit(5cit 10) tcé idigcé unb tcé Dbreé i|c grog. ZMe £ia>
manten imb bic Üflöbeln i\'inb taè (£rbc beë Eoctorè. £aé
£a(ter 1 i) verurfadjt groge Srfimcrjen.
1) Doch slechts, 2) ter SBiuiit, de mond, 3) tet Senator, de senator,
de raadsheer, 4) verlichten, 5) ziet, 6i laS ëd)i|T, het schip, 7) zor-
gen, 8) voor, 9) heil, 10; nut, 11) ondeugd.
25.
De neven van den senator hebben de schilderijen <),
de diamanten en de meubels van den professor gekocht.
De onderdanen van den prins zijn boeren en burgers 2).
De naburen van den neef hebben de pantoffels en de hcm-
den gekocht. De stralen vanden diamant zijn schoon. De
oogfin zijn de spiegels 3) der ziel. Hij heeft deoogen en de
ooren verloren. De pantoffels van den boer en den neef
heb ik niet gezien. De stralender zon verlichten den lop 4)
-ocr page 42-
3i
TWEEDE HOOFDSTUK.
vuil den mast. De dorpen liggen Si aan (> den oever 7)
van liet meer. Do vorsten zijn de hoofden der onderdanen
De spieren, deoogen en de ooren van den mensch hebben
dikwijls S) groole \'J) smarten
1) ©ematbe, o. 2 SJiirfier, m. 3) ©pteflef, \'m. 4) 0ipfd, m. 5) liegen,
6)an,auf, met den datief, 7) Itfer, o. 8) off, 9) grofje.
*6. (SS 25 en 31).
yf \'jn bent Statte oei ifoittgé finb \'Pferbe I) imb frinibe 2). £i«
.uut giftige,bie $u echte tiub tic9Wft(lcr3).ir6ctten.\'ÜJe,iDïarfd)ai«
;c 4) uuD bie fterjoge 51 finb bei bcm .ftonigc gm>ef«t. 3n bet
Stabtroobitcu 0) 5tödje7), SBBirtbe 8 > ©olbfctomtebe 9) imb ÜJïa*
(er 10). amiï bn bie Seftafe, bie ,\'óitiibe, bic <pfcrbe niib bie
Ddifen gefeben ? Tic QR&bcften baben bie Dïimie, bic 53üd)er
tiib bie gebent oerloreii. £ic ®cf)icffa(e II) bcr ïDïetifdjenfinb
»erfcf)tebctt 12). £te Uitterthaneii miïffcn 13> ben ftömgett ge*
ordicn 14). Tie .óariitgc 15) tmb bic Rechte 1G) finb gifdje 17 >.
Die fpferbe mit ben ümiben beo 3ütrtbeê iïub ualiucit. Sic
Sögltngc 18) ber ©iljutc finb bei bem Scltrcr 19).
1) Saé ^ferb, liet paard, 2) ter &imb, de hond, 8) eer Weifler, de
meester, 4) ter Wandwlf, de maarschalk, 5) ber #ei jog, de hertog,
G) wonen, 7) oer $fod), de kok, 8) eer SBirth, de herhergier, 9) be<
G5olrfd)imet>, degoudsinid, 10) ber Söïaler, de schilder, H)ba«@(ftittfal,
het lotgeval, 12) verschillend, 131 moeten. II) gehoorzamen, lSj
f er jbüring, de haring, lö) ber £)cd;t, de snoek. 17) Der gifd), de visch,
ISj ber^oflling, do leerling, l&J ber gebrer, de onderwijzer.
77.
Do zelfstandige naamwoorden, die in dit opstel voorkomen, ue-
meiiin het meervoud den Umlaut aan.
De koppen 1) der paarden ziju groot; de koppen der vos-
sen 2) zijn klein. De zonen 3) des konings zijn niet hier
geweest. Du lianen 4) en de zwanen zijn vogels. De vossen
hebben koite ö pooien 6/, de zwanen lange halzen 7),
de ezels lange staarten 8). De standen zijn verschillend in
de \\veield9 . De zonen vandenkok hebben zwanen, snoe-
ken en anders vissehen gekocht. Hebt &ij de hoornen 10.)
-ocr page 43-
33
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.
en de tuinen 11) gezien? De leerlingen hebben (leverzen 12)
der gedichten 13) gelezen. De stoelen 14), de potten 13)
en de manden 10) zijn niet Dier. In de de beken 17 , ri-
vieren 18) en stroomen 19» is water 2 i). Wij hebbende
kneclils van den herbergier niet de zonen van den kok ge-
zien.
1) Sovi. m. 2) Sn**, m. 3) <Sof)ii, m. 4) £nilnt, m. 5) furje, 6)
Riip, ui. 7 iïM, in. 8) (Jd)n>anj, in. 9) in ter ÏÏSelt. 10)131111111,111.
11) ©ji-tni 111. 12) 58it#, 111. 13) ÖJftitbt, o. 14) <r tttf>I, m. 15)
ïovi. mi li )ftov(\', 111. 17;l<;(t), 111. 18) <jIub, in. 19; ®trom, in. 20)
ffijffor, ->.
I»o woorden, die in dit opstel voorkomen, nemen in het meervoud
niet den Umlaut.
De vijanden 1) hebben groote 2) vet liezen 3) geleden 4).
Hebt gij de bonden van den hertog gezien ? Hij is twee
jaren, drie maanden en vier dagen hier geweest. Jicht
gij de honden bij de schapen gezien ? De mensch heeft,
twee armen S) en twee ooren. De koningen zitten G)
op 7) de tronen 8\'. Wij hebben twee punten 9) der rede-
voering 10) niet gehoord. De schoenen 11) van den jonge-
ling zijn klein. De prins is met den hertog vertrokken 12);
hij heelt de paaiden, de honden en de schepen 13) des
konings niet gezien. De herbergiers, de goudsmeden en do
schilders zijn vertrokken niet de vrienden 14) van den
onderwijzer. De paden 15 derondeugd voeren 16) naar 17)
het ongeluk 18) van de zielen van het lichaam 19).
1) Seint1, m. 2) grof e, 3; SBerltifr, m. 4) gefttteii, 5) 3lrm, m. 6)
fïfcen. 7) duf, met den datief, 8) ïbron, ni. 9) Thiuft, in. 10) üteïe, v.
11) S-*iil),m. l2iiil\'gem|r, 13) ©djijf, o. Uigninr, m. 15) <pfar, m.
16/fubren, 17)ju. 18) Itnaliicf, o. 19) itörper, ra.
99. (SS 32-36.)
£er $riebe 1) beé £erjené tjeber ?ol)it 2) ter Stttgciib. £te
Sïothnu-itbtgfcït 3) bcé ©laubcité 4) i|t uu* bcfamit 5). ftajl
butie\'Jiamen bcr 3iutgttuge getefeu ? Scr 1\'icitfd) l)at bie
SmheitO)beö SffiiUené 7). £ie ffiaffcr bcé üibeittó t)abcu
-ocr page 44-
36                                        TWEEDE HOOFDSTUK.
«Sdiaben 8) angertcbtft. Der SBater bat bent fyeinrid) 9)
Deurfcblanbê 10) ÏKubnt H) unb graiifret\'d)ê 12) £<i»ferfeit
13) befd)nebeu 14). Der Subnngbat ?eepolben 13) bie SSücrjcr
gegeben, »»efd)e 16) er toen ftrifcfiié Sater gefattft bat. 3tt
\'er ^iiabenfchule 17) ffiib jroci Shibrotgc unb brei £einrid)e,
mib in ber jocbterfduilc 18) jtvei Sftartha\'ë unb öier fmiifen.
tfarlé beé £übuen 19. £ob 20) i(l uué bcfaimt. jtatfer yiapo*
leoutf Dïiiljm ifi grofl.
1) Vrede, 2) loon, 3) noodzakelijkheid, 4) ter ®lauben, hetgeloof,
5) bekend, 6) vrijheid, 7) ter SBille, de wil, 8, ter ©cfoate, het na-
deel, 9) Hendrik, 10) Huitschland, 11) ter £Rul)m, de roem, 12) Frank-
rijk, 13) bic ïapferfeit, de dapperheid, 14) beschreven, 15) Leopold,
16) welke, 17) jongensschool, 18; meisjesschool, 19)Karel de Stoute,
20) ter £ob, de dood.
30.
Den eigennaam, die in den genitief staat, plaatst men gewoonlijk
vóór het woord, waarvan hij bepaling is
Ik heb Fredeiïks 1), Loclewijksen Hendriks naam .niet
vergeten. De roem van Napoleon den Groolen is ons be-
kena. Hebt gij het boek aan Lodewijk of aan Hendrik ge-
geven ? Neen, ik heb het aan de zuster van Sophiu 2) ge-
geven. De mensch moet 3) de vrijheid van den wil gebrui-
ken4) om den vrede des harten te verkrijgen 5). Hendrik
\'leeftaan Lodewijk de boeken van Fclix gegeven. Koning
Lodewijks regeering 6) duurde 7) niet lang 8). Hebt gij
Schillers en Lessings werken 9) gelezen V De regeering
van Karel den Vijfden 10) was geene 11) regeering des
vredes.
1) griebricb, gn\'fc, 2) (êophte, 3) mug. 4) flfbnuichen, 5) erlangen, 6)
JKeaieruiifl, v. 7) bauerte, 8) luiiije 9) SBerf, o. 10; tfarlter günfle, 11)
f (fine,
Eenige zelfstandige naamwoorden hebben bij eenen dubbelen meer-
voudsvorm ook eene dubbele beteekenis ; zoodanige woorden zijn:
Da* IBanb, de band, het lint, meervoud: bie >J3anbe, de banden,
(der vriendschap, enz.); bie 23önber, de linten. Der SBant, het boekdeel,
heeft fcie^dnbe.
Die SSanf, de bank, meervoud bie Sflnfe, de zitbanken; bie 23anfen,
de geldbanken.
-ocr page 45-
37
ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.
£aé @efid)t, het gezicht, tie ©ejïd)te, de verschijningen ; bie ®e*
lirHer, de aangezichten.
T)a& SitiiB, het land, tie Suube, de streken, (bie Webedanf e ; bie
Saneer, de landen.
£er Ort, de plaats, tie Orte, de plaatsen ; bie Órter, de steden,
dorpen.
Daé Kort, het woord, bie Korte, de bewoordingen; bie Korter, de
afzonderlijke woorden.
Der *$oll» de duim, de belasting, bie 3o(Ie, de duimen (maat); bie
3öl(e, de belastingen.
Herhaling.
31.
Karel heeft aanLodcwijk de appels, de peren en de boe-
ken gegeven. In het I) land wonen 2) burgers, boeren,
prinsen, graven en hertogen. De wetenschap is een sie-
raad 3) voor 4) alle standen. De knechten hebben bezems,
emmers en stoelen 5) gekocht. De leeraars 6) hebben aan
de jongelingen boeken en pennen gegeven. Hebt gij do
gedichten van het boek gelezen ? Neen. Hier wonen goud-
smeden, schilders en looiers 7). De ossen en de ezels heb-
ben lange staarten 8). De lotgevallen der vorsten en der
onderdanen zijn ons bekend. In den 1 herfst 9 vallen 10)
de bladeren der boomen af 11 • Deroovers hebben de run-
deren, de piarden en de honden gestolen 12).
1) Datief, 2) roohnen, 3) 3ierbe, v. 4) für, 5) ©tul)f, m. 6) Sehrer, 7)
©eroer,8) ©djrcanj, m. 9) £erf>(r, m. 10) fiilleii, 11) ab, 12j gefro&Ien.
3S.
De moeders zijn met de dochters vertrokken 1). De
hoofden der samenzwering zijn gedood 2). De woorden
staan 3) in het 4) woordenboek 5). De vaders der meisjes
hebben de nachtegalen en de s\'jsjes 6) gokocht. De Sena-
toren hebben de getuigenissen7 ) der zusters gehoord. De
hanen en de kippen 8) van den boer zijn schoon. De vossen
hebben lange staarten, de zwanen lange halzen. Hebt gij
de torens 9) der kerk gezien ? De gezichten der Afrika-
nen 10 zijn zwart. De leeuwen, de tijgers en de wolven 11)
-ocr page 46-
38                                           TWEEDE HOOFDSTUK.
zijn roofdieren. De deugd is liet sieraad van den jongeling
en van den grijsaard 12). De gasten 13) zijn bij den graaf
geweest. De bezitters 14) der schepen lubben de belas-
(ingen betaald De menschen, welke 15) de deugd bemin™
nen 16), zijn gelukkig.
nsibflereilr, 2) .letoJtet, 3i fteben, 4) datief, 5) SBörterftn ft, o. 6)
3«ifï« m. 7)3f»\'V\'<§• o. 8) fiu\'ra, o. 9) Xhurm, m. 10)?lfrifiiner, m.
IliSBolf, m.12) ®ui&, in 13)0.1)1, ra. 14; iöeji&er, ra. 15) reelcbe, 16)
lieten.
KiJiOEOMJiiE \\iinnoinc»i:t
(*tgciifcï)aft$t»prter, aSeiu>prtci\\
§40. De bijvoeglijke naamwoorden drukken de hoc-
danigheden of eigenschappen van personen of zaken uit.
Zij worden gebezigd ter bepaling van een zelfstandig
naamwoord of van een werkwoord met onvolledige betee-
kenis (zijn, worden, blijven, schijnen, heelen, genoemd
woiden).
§ 41. Evenals in het Nederlandsch, heeft men in het
Hoogduilsch de verschillende trappen van beteekenis of
van vergelijking ; zij voeren deze namen:
fJcifitiv of stellende trap,
ÖTcmparatit) of vergrootende trap,
Superlatit) of overtreffende trap.
De Dofitil) is de gewone, eenvoudige vorm vari het
bijvoeglijk naamwoord ; b. v. fdjiim, schoon; wctfe, wijs.
De Compnrntl) geeft aan, dat de hoedanigheid in meer-
dero of in mindere mate aanwezig is, en heet dus com-
paratief van meerderheid of van minderheid.
De öltprrlatil) geeft aan, dat de hoedanigheid in meer-
dere of in mindere mate aanwezig is, dan bij alle andere
wezens, met welke men iets vergelijkt.
§ 42. 1) Wanneer de hoedanigheid bij verscheidene
wezens in gelijke mate aanwezig is, dan wordt de positief
voorafgegaan van fo of eben fo, en gevolgd van d$ of wit;
-ocr page 47-
BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN.                                30
li v. td) bitt (ebcu) fo grog wie (ali) tit. Ik ben zoo groot
als gij.
Dit noemt men soms comparatief van gelijkheid.
2; De positief wordt dikwijls door eenige woorden ver-
sierkt, om aan te duiden, dat de hoedanigheid in zeer
hoogen
of geringen graad aanwezig is, zonder dat er
aan vergelijking gedacht wordt ; dit noemt men somtijds
den volstrekten superlatief; deze vet sterkende woorden
(Nederlandsen zeer, buitengewoon enz.) zijn: gar, febr,
red)r, iiujjerft, l)öd)ft, ititgemeüi, überauê, »cr allen, aupcr*
orbentltd), öorgügltd), ju, Ie, ju romig, te weinig ; b. v. ein
gar (\\ebr, rcdVt) fcböner SSogeï. Een zeer mooie vogel.
% 43 De comparatief van minderheid wordt pe-
vormd van den posilief, met behulp van de woorden
roeniger of minter, en versterkt door: v»trl weit, bei wcitem.
Voorden superlatief van minderheid gebruikt men
den positief voorafgegaan van om rocuigften o! ant tnilU
beften ; ter versterking plaatst men alter vóór deze vvoor-
den ; b. v. Uid)t,gemakkelijk, ant minbefteit lei \'A, am aller*
ttu\' \'i^ften kid)t.
$ 44. De comparatief van meerderheid wordt ge-
vormd door er achter deu positief Ie plaatsje; gaat de
positief reeds op c uit, dan plaatst men daarbij slechts eener.
De superlatief van meerderheid wordt van den
positief gevormd door aanhechting van cjle of fte;b. v!
wilt), rei.Der, (ter) roilte|ïe- wild,
flein, fleincr, (ter) fleinfre\', klein,
Möte, Mijter, (ter) Möte(lc, blood.
§45 De stamwoorden ontvangen inden compara-
tiefen superlatief deu U.lllaitt; b. v.
fung, jiingcr, (ter) jiuiiifte, jonj,\',
fui\'3, fürjer, [iet) Fürjefie, Kort.
Uitzonderingen. Hebben den Umlaut niet:
1) De bijvoeglijke naamwoorden, welke deu tweeklank
au hebhen; b. v.
faul, fiuiler, (ter) fauttfe, lui,
f\'iuf), ra:ttjcr, (ter) niul)|te, ruw.
-ocr page 48-
40                                     TWEEDE HOOFDSTUK.
2) de volgende woorden :
brut?, braaf,                 Kihnt, lam,                   fjtt, verzadigd,
Mint, bont,                   mtcfr, naakt,                 fdidiff, slap,
fiihl, vaal,                   yl.itl, plat,                   ftitrr, strak,
fülfd), viilscli,              raid), .snel,                   fiolj, trotsch,
frob, blij,             , rob/ ruw,                     ftiimin, stom,
fyobl hol,                     runt, rond,                 toll, dol,
fafjl, kaal,                   fadjt, zacht,                  colt, vol,
tnapf, knap,                 fanft, zacht,                 {abm, tam.
§ 46. Onregelmatig zijn :
bod), hoog, bob«r, ter böcbjle,
nabe, nabij, naber, ternddjfre,
grog, groot, gröjjer, oer gröfjre, (tergröfefleof groi\'te),
gut, goed, beffer, ter bejle,
benevens de bijwoorden:
rtift, (ridjtig), juist, rtdjtiger, ter rtd) igfle,
roenig. weinig, mineer, ter mintefte, of
roeiiig. weinig, «eniger, ter loenigjte.
tiet, veel, mebr, Ier meifre.
Aanmerkingen.
i) De meerlettergrepige bijvoeglijke naamwoorden op
cl, en, er werpen de e van die laatste lettergreep weg in
den comparatief en in de verbuiging; b. v.
ebel, edel, ebter; ter etle;
tapf er, dapper, taofrer; ter taofre;
Irocfen, droog, troef ner; taë trocfne.
2) De superlatief wordt gemaakt door aanhechting van
efie bij de bijvoeglijke naamwoorden op b, r, ft, e> fd) en
j;b.v.
rcitb, wild, reuter, ter roiltefle,
lumt, bont, bunter, ter buntejte,
füg, zoet, füfer, ter füfjejle,
froïj, floJjer, ter frofjefïe.
3) Wanneer er eene vergelijking geschiedt tusschen ver-
scheidene toestanden van één wezen, dan plaatst
men am vóór den superlatief, enlaat dezen op ften uitgaan.
(In het Nederlandsen heeft men dan hel met eenen super-
latief;) b. v. ttarf) tiefem ?ebcit tverben wit am glücflict}ften
fetn. Na dit leven zullen tcij het gelukkigst zijn.
-ocr page 49-
BIJVOEGLIJKE NAAM VOORDEN.                            41
4) Bij eene vergelijking tusschen twee wezens ge-
bruikt men in het Ilooüduitsch den comparatief, zelfs
wanneer die in bet Nederlandsen niet gebezigd wordt; b. v.
er tfl ber ftarfere woii ben SSeiben aber md)t ter roeifere. Hij
is de sterkste van beiden, maar niet de wijste.
5) Evenals in het Nederlandsch, dient de gewone vorm
van den superlatief ook om eeuen zeer hoogen graad
zonder vergelijking uit te drukken (volstrekte superlatief);
b. v. ïiebflcr 23etter, liefste neef.
6) De comparatief kan versterkt worden door »tef,
roeit, unglrtdi ; de superlatief door alter of bei rocirem ; b. v.
er ift weit aröger. Hij is veel groot er. Du bijl bei weitem ber
fleigtgfre. Gij zijl de allervlijtigste.
7)  De woorden als of dan worden bij den positief ver-
taald door a\\è of roie, en bij den comparatief door a\\$) of
benn);b. v. erijlfo grog wie (alé) bit, aber gröfjer alö (beun)
Sobami. Hij is zoo groot als gij, doch </rooter dan Jan.
81 De bijvoeglijke naamwoorden, dieinbetNederlandsch
geene trappen van vergelijking toelaten, doen zulks ook
met in het Hoogduitseh.
Verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden.
$ 47. Algetneene regel.
Het bijvoeglijk naamwoord heeft in alle naamvallen de
uitgangen van het bepalend lidwoord.
Is echter hel bijvoeglijk naamwoord voorafgegaan van
een woord, dat reeds dien uitgang heeft, dan moet men het
op en laten uilgaan, behalve in den nominatief enkelvoud,
itie dan in de drie geslachten op e eindigt; de accusatief
enkelvoud van hel vrouwelijk en bel onzijdig is altijd ge-
lijk aan den nominatief.
Aanmerking.
Wanneer het woord, dat voor het bijvoeglijk naam-
woord staat, in alle naamvallen de uitgangen van het
henalend lidwoord heeft, dan zegt men, dat het bijvoeg-
lijk naamwoord
< Ie zwakke verbuiaing volgt; heeft
dut voorafgaand woord die uitgangen nergens, dan volgt
-ocr page 50-
42                                    TWEEDE nOOFDSTÜK.
het bjjvoeglijke naamwoord de sterke verbui-
ging ; heeft het voorafgaande woord die uitgangen in
eenige naamvallen, en in andere niet, dan volgt het
bijvoeglijk naamwoord de gemengde verbui-
ging-
$ 48.                Zwakke verbuiging.
Enkelvoud.
Manlijk.                   Vrouwelijk.                  Onzijdig.
N. ber gute.                  tie gute,                  taé gute,
G. teé guten,                ter guten,                  tci .uiten,
]>. tem gitten,                ter gitten,                 tem guten,
A. ten gitten,                tie gute,                   tui gute.
Meervoud,
Voor de drie geslachten.
N. bie gntcit,
G. ter gitten,
1>. ten guten.
A. tie gnten.
Zooals gezegd is, volgt hel bijvoeglijk naamwoord deze
verbuiging, wanneer het voorafgegaan is vaneen woord,
dat in den nominatief enkelvoud uitgaat op—r,—e,—é }
dusdanige woo:den zijn b. v.
biefer, tiei\'e, biefeé, deze,
jener, jene, jeneê, srene,
it>r(d)cr welene, reelcfyej, welke,
«Her alle, allee, alle,
j.\'tcr, jete, jete£, ieder, enz.
Ook volgt het bijvoeglijk naamwoord die verbuiging
na
berfVlbe, tiefelbe, taéfefl\'e, dezelfde,
teijeitii>e, biejentge, taéjfitt\'ge, die.
§ 49.               Sterke verbuiging.
Enkilvoud.
Manlijk.                  Vrouwelijk.                  Onzijdig.
N. guter,                     gute,                         fltiteé,
G. gute*,                     gutcr,                        guteé,
]). gutem,                    guter,                        gutent,
A. gitten,                      cute,                          fli»f*-
-ocr page 51-
BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN.                               *3
Meervoud.
Voor de drie geslachten.
N.  fliite,
G.  guicr,
U.  fliiten,
A.  flute.
Het bijvoeglijk naamwoord volgt deze verbuiging:
i) Wanneer liet van geen bepalend •woord onmid-
dellijk wordt voorafgegaan.
2)   Wanneer bet voorafgegaan is van een onveran-
derljjk
bepalend woord, zooals : etipaé, iels, wal, gcniiij,
genoeg, allerlei, allerlei, »tcl, veel, njcnio,, weinig, ntei)r,
meer, jwei, brei, ötcr, twee, diie, vier enz.
3)   Wanneer bet voorafgegaan is van de persoonlijke
voornaamwoorden iet», ik, fcit, gij, wit, wij, 3l)r, Stf,
GemeiKjde cerbuiging.
g50.
Enkelvoud.
Vrouwelijk,
meine iiute,
meüter linten,
nu uu-r ,ui en,
meine i>ute,
Mecrroud.
Manlijk.
N. mein fliiter.
G. meinré flufen,
D. meinein fliiteti,
A. meinen guten,
Onzijdig.
met 11 jtnteé,
meine* iiuten,
me;ncm siutett,
mein gutèê.
Voor de drie geslachten.
N. meine anten,
G. im-iiuT linten,
D. meinen fltiten,
A. m.ine guten.
Het bijvoeglijk naamwoord volgt de gemengde vcrbni-
ging, wanneer bet voorafgegaan is van :
ein, eine, ein, een,
feiii, feiue, fein, geen,
mein, meine, mein, mijn,
teiit, teine, tetn, uw.
-ocr page 52-
u
TWEEDE HOOFDSTTK.
fein, leine, fein zijn»
uni\'er, unfisre, imfer, ous,
euer, cuere, ener, uw,
ibr, ifire, il>r, huu.
Aanmerkingen.
1)  Wanneer de bijvoeglijke naamwoorden als zelfstan*
dige naamwoorden gebezigd worden, dan volgen zij loch
gewoonlijk de verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden.
2)  Wanneer twee of meer bijvoeglijke naamwoorden
bijeen staan, dan volgen zij gewoonlijk dezelfde verbui-
ging.
3)  De bijvoeglijke naamwoorden blijven nagenoeg in
dezelfde gevallen onveranderlijk, als in bet Nederlandscb.
OPSTKLLEN.
33. (SS 40-44.)
V\\e ^ferbe finb fo nüfclidi, aïé tic Orfjfcit imb bie @fcf. ï\'er
ïiïlakr tft cben fo rcid) 11, cdé ber ©oltfdiniicb. @r ifl fo grog
tuib ftarf, wie bu. Sic Sltcni 2i finb auj?erft3) glücflid) 4),
wed 5) tic Sinter febr fleijjig 6) gewrfen ft\'ub. £iefe <Ed)üfer
ffnb ju roctiig aufmcrffaiu. £er ?a«bmann t>at ein fchr fd)6*
ncè ^ferb. £)ie puntte fïnb roeittgcv mi(Mid) <üé bic^Pferbc. £ie
@d)ülcr finb am roeuigfron licbeiiétmti\'big 1), rocmi 8) fie am
wenigjtcu flcipig finb. X\'ie £ugeiib ift uufclidier, a!é alle Dtcid)*
tbiimcr. sJïidrté 9) ifl (d)öner, aló bic reine 10) ©celc ciucö $tn*
beé. Sari ifr ttentiuiftigtr 11), rtlé fein 12) $8ruber. Ter gerabe
13) ïlSeg ift bcr fürjcfte 14).
1) Kijk. 2) ouders. 3) uiterst, 4) gelukkig, 5) omdat, 6) vlijtig, 7;
beminnenswaardig, 8) wanneer, 9) niets, 105 rein, 11; verstandig,
12) zijn, 13.) recht, 14) kort.
34.
Karcl is zoo groot en wijs als zijn broeder. De ezels zijn
niet zoo groot en sterk als de ossen of de paaiden. Üe
deugd 1) is zeer rijk aan 2) vreugde 3;. Karel de Groote
was buitengewoon dapper. De mensenis bet minst geluk-
-ocr page 53-
BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN.                               45
kig, wanneer hij het minst deugdzaam is. De koningen zijn
dikwijls minder gelukkig, dan de onderdanen 4). I)ekat-
ten zijn veel minder getrouw 5), dan de honden. Do kin-
deren zijn het minst gelukkig, wanneer zij het minst ge-
hoorzaam 6) zijn. God is rechtvaardiger 7), dan de men-
schen. De liefste 8) bezigheid !)) is de gemakkelijkste 10).
De rechtvaardigste koning is de gelukkigste. Het kor\'ste
spel H) is somtijds 12) het aangenaamste 13).
1) ïugent, v. 2) au, 3) gmtte, v. 4) Untertban, in. 5) getreu treil,
6) gehorfam, 7) gerecht, 8) liel>. 9; ütrbeit, v. 10) leicbt, 11) ©piet, o.
12) oft, 13) angeiiebm.
35. (§§ 43 en 46).
£)er fürjefle 28eg ift nicf)t immer 1) ter 6eqnemfte 2). 3ft
ber jüngcre *£ol)tt 3) immer ber jüiigftc? Sïein, fo roenig 4)
alê ber altere 5) immer ber altefte ift. ïicgelbcrftiib langer 6)
iinb brciter 7), alê bie ©arteit. T>ie Staatêmaiitier 8) ft\'iib
fd)(auer 9) unb befyciiber 10), alê bie Saublcute 11). ©ie ?ebrcr
finb arbeitfamer 12), alê bie Srf)ü(er. £ie £l)tere finb
oftbaufbarer 13), alê bic 5Wenfd)en. rerliiftigfte 14) Scfntlcr
ift md)t immer ber fctycditctfc 15 , unb autt) 16) md)t immer
ber bra»fte. ïer ^Jfau 17) ijtftoljcr, alê ber #at)tt. V(rbefte
SSetn 18) fi\'tr 19) jïiuber ift ber rucipc ï>er XbHrm ifl l)öl)er,
alê bic $irdic. £er geredjte Jtöttig ift groter unb beffer, alê
ber ttngcrcdjfe 20.)
1) Altijd, 2) gemakkelijk, 3) zoon, 4) weinig, min, 5) alt, oud, 6)
lang, lang, 7) breit, breed, 8) staatsman, 9) fc^lati, listig, 10) bebeitb,
behendig, 11) landlieden, 12 werkzaam, 13) dankbaar, 14) lustig, 15)
slecht, 16) ook, 17) pauw, 18) wijn, 19; voor, 2u) onrechtvaardig .
36.
De accusatief staat bij de voorzetsels :
/ öitvdi, fi\'tr, i\'hue. urn,
- fonber, geaeti, nuccr.
In den 1) zomer zijn de dagen warmer 2) en langer,
dan in den winter. De leeraar heeft de warmste vrieud-\'
schap 3) voor 4) den leerling. Het sterkste paard is niet
-ocr page 54-
46                                        TWEEDE IIOOFDSTLR.
altijd het beste. Wie 5) is de braafste leerling ? De degen
is scherper 6), dan het mes Wie is blijder, dan hij ?
Niemand. Dejuislste bemerking 7) is de besle. Niemand
is grooter, dan de man, die 8) zijne 9) vijanden 10)be-
minl 11). De grootste belooning 12) is niet voor 4) de
slechtste daad. De hoogste trap I 3) is niel do beste. Niemand
is valscher, dan een verrader 14). De gedachten 15) van
den mensch zijn sneller, dan de wind. Wie is de gelnk-
kigsle leerling ? De gehoorzaamste. Wie isdeongelukkig-
ste 16) ? De luiste. Wie de beste? De braafste en de be-
hendigste.
1) Datief, 2) warm. ") Sreuntfcbaft. v. 4) für, 5) teer. 6) fdwrf, "O
ÏVmerfuiig, v. 8) ter, 9) fenie, !0) gemf, in 11) liel>r. 12) Sobn, in.
13) êrufe, v. 14) SSeriatljer, m. 15) Ö5<:Sjnfe, m. l(i) u.igliicflidj.
37.  (§46, Aanm.)
Wie isdap erder, dan de mensch, die zijne driften 1)
overwint 2. ? De paarden van den landman zijn magerder,
dan de ossen. In den 3) zomer is het weder 4) zachter en
droogcr, dan in den winter. Is de zoetste 5) vrucht 6) altijd
de beste ? De behendigste staatsman is niel altijd de recht-
vaardigste. De snelste gehoorzaamheid 7) is de prijzens-
waardigste 8\'. De gehoorzaamheid is het prijzenswaar-
digst, wanneer 9) zij vrijwillig 10> is. De mensch is het
ongelukkigst, wanneer hij onrechtvaardig is. Gij zijt
hem ll)meer vijandig 12), dan uw broeder, en Karel is
hem het meest vijandig. Dierbaarste 13) vader, zeide 14)
hij, ik ben u 15) de grootste dankbaarheid 16) schuldig.
Hendrik is veel werkzamer, dan gij ; hij is de allerbraafste
en de behendigste.
1) Seitenfdwfr, v. 2) befïegr, 3) datief. 4» ketter, o. 5) füg, 6)
griidit, v. 7) ©eljorfam, in,8) (obenSroürbt\'g, 9) roenn, 10) freiroiUig,
11) u)m, 12) feinb, 13) tfjetier, 14;|"agte, 15) bir, 16) ^anfbarfeit, v*.
38.  (§g47 en 48).
2)er rtigmbbafte 1) So:m ift ber £ro|ï2)beé guten SSatcré.
S?i\\)t tu tie (juten Jlepfcl unb bie fd)5ueil 53iuien De» ©arleRÓ
-ocr page 55-
BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN.                                i-7
0
gefeben ? £te gerechten ?el)rcr geben ben fïcijjigften <2rf)ithni
Cte fchörtjïeii Söürfjer. 2?t\'e garen &tern \'ó> biefeé fugenfcbaffen
Sd)ülerê jïnb i"el)r gliicfltd). ©ie grcitte ter lieben DJiuttcr
i\'tber 4) bie gortfct)nttc 5) bcrfleifjigeit Xodftex t|"t anpcrorcem*
lid) 6 grog. £cr Jtoitig bat bom tapferen Solbaten etiicn üc*
gen gefdjenft 7). 9Ber Ijat bie groeten gortfehrttte gemadjt ?
ïteflctpigitm Schuier finb bie beften. 3eite aiigeucljmen Spie*
Ie 81 |ïnb gut für biefe braven jfiuber. 2IUe arbeitfamen 3iuiq>
lingc jïnb bie gieube ber gitten ïehrer ÏÏJelche gitten 5-olgeii (J)
Ijat bie Stngenb för baé bvaue ótiitb ?
1) Deugdzaam, 2) troost, 3) ouders, 4) over, 5) vordering. 6) buitcn-
gewoou, 1) geschonken, 8) ©piel, liet spel, \\)J Die Sei^\', \'iet <r0.
volg.
39.
De beste leerlingen maken i) soms de grootste fouten 2).
De arme vrouw eu de kleine kinderen van den zieken 3)
werkman 4) hebben geen 5) brood (>;. Desclioone kerken
van deze groote stad hebben wij niet gezien. De zuelste
spijzen 7) zijn niet de beste. Deze wijzere vorst maakt 8)
zij uu 9) ouderdanen gelukkiger, dan gene. De vader beeft
de boeken voor 10) den jongeren zoon gekocht. Deze goe-
de moeders hebben aan de vlijtige dochters cene be!oo-
ning 11) gegeven. De toren dezer schuoue kerk is hoog.
De koning heeft aan deze arme vrouw eene aalmoes 12)
gegeven. De slechtste leerlingen maken het slechtste
werk en zijn het minst oplettend 13). Wie heeft de
grootste vorderiugen gemaakt"\' De vlijtigste jongelin-
gen.
1) SJïacrjen, 2,geblt;r, tn. 3) franf, 4) 2Jrt>eiter, in. 5; feiii, 6)99n>f, o.
7) ©peii\'e, v. 8) m.idjt, 9) feine, IOJ fur, 11) Sbelobiuuig, v. ij$j itliiiof.\'ii,
o. 13; aufmerfiam.
40.(§§47eni9).
£ier ijï rotbcr \\) 38etn, guteó 23ier, gntcr $afe 2) unb
frijetje 3) 33ntter 4). SEBir tjabcu gaten Ma\\e mit gtitent jyiot
uitb guter Öittter gegejïeu. Der Schuier bat i\'chlcane g-eberu
unb fct)lechteó \'Papier. £er ftaufmann tjat befjeceè Dl o) unb
-ocr page 56-
48                               TWEEDE HOOFDSTUK.
beffcre tëarroffeln 6) gefauft. £ie SDïabcfjeit tiaben «tel faltcê 7)
Süafjer gctruttfen. Su armer 9D?ann, ba 8) tjaft bu viel gtifcó
Sörot mit rnel guten $artoffeln. ?iebfreè jfinb, fagte 9) bte
ÜJïitttcr, bic fd)lcrf)tcn Söetfpteïc 10) xjcrberbcu 11) bte gutcn <Bit>
ten 12;. Der 9{ufeen 13) gurer SBcifpielc tfr fcljr grop. Ocner
fdiöneS)tingt(t»onfeinereml4)@oIbc 15),aI«S Ctefcr. Scrjónercé
Dbft 16) t)abe tcf) ttie 17) gefrben. 9Dïit gitten gebeut unb
guter ÏJtnte 18) fattn 19) jebeé fleifjtge 5Kabcf)en gut (cbrcibeti.
1) Rood,3) kaas, 3) versch. 4) boter, 5) olie,6) aardappel, 7) koud,
8)daar, 9) zeide, 10) voorbeeld, 11) bederven, 12) zeden, 13) nut, 14)
fijn, 15) goud, 16; ooit, 17) nooit, 18) inkt, 19) kan.
41.
Deze arme vrouwen hebben van 1) den rijken man veel
goed brood en allerlei poed ooft ontvangen. De koopman
heeft veel goede olie, doch weinig slecht papier gekocht.
Versch, goed gebakken 2) brood vindt 3) gij hier bij iede-
ren goeden bakker 4). Deze werkzame leerlingen leeren 5)
met groote vlijt hunne 61 lessen 7). Wij hebben witten 8)
met rooden wijn gedronken 9), en goede kaas met goed
brood en versche boter gegeten. De vreugde van vlijtige
kinderen is dikwijls het gevolg van voortdurende 10) ge-
hoorznamheid Eene menigte 11) werkzame 12) mannen
woont in deze 13; straat 14). Uit goede boeken kan men
veel goeds 12) leeren 5). Gij moet 15) met grooteren ijver
16) werken. Slecht begin 17), slecht einde 18).
1) aBon, 2) gebacfen, 3) fürtefï, 4) SBiïcfer, m. 5) lemen, 6) i&re,
7) Sfctioit, v. 8) roeiij. 9) aetnuifeu. 10) fortcauernf, fret, 11) SÓienge, v.
12) genitief, 13) Biefer, 14) Straf}.\', v. 15) mtifir, 16,/ Sifer, m. 17; 31n«
fana, m. 18) Unfie.
                                                                    /
4*. (gg 47 en 50).                                \'•
£tefer bltnbe ÜWaitn bat einen rreiten 1) jpunb. SWetit fteber
Sntber, fagte 2) er, l>ajt bu fein gttteé SKefJer 3) für mtcb 4) ?
Sin fleigiger <Sd)ri(er fann in furjer 3ett 5) bie mi(5ltd)(ten
©ad)en6) lerttcn. .paft bit frfjon 7) unfer neucê jgiauê 8)gefc*
b,en 13Der treue £itnb metrteé blinbett 9cad)baré 9) tfï febon (\'ehr
alt. ©etn airefier «rttber beijk 10) tfari.Sffletneliebfren greuii*
-ocr page 57-
BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN.                                49
ie fïnb bie guten 93ücf>er. Unfere beflen greitube jïnb nnfcre <&U
tem. ffiir baben bie tjoben 1 i) Zi)üvme etner (\'dienen Sürdje
gefeben. 5Jticf)tö 12)tfl frftöner, a\\è bai reine £er$ 13) eineé
br«»en £inbeê. TQiv baben unfer bcfteè ^)ferb unb nnfere beften
Cutt en toerforen. (Sin gleigiger arbeitct 14) mehr, cüé jet)n 15)
gaufe 16). Sin futteé, fngentfyafteé, fleifjigeê $tnb ifl bie
greube feinet gfücfliriien (Jltern.
1) Getrouw, 2) zeide, 3) mes, 4) mij, 5) tijd, 6) zaak, 7) reeds, 8)
huis, 9) nabuur, 10) heet. 11) hoog. 12) niet», 13) hart, 11) werkt,
15) tien, 6) lui.
43.
Een goed vader straft zijnen 1) ongehoorzamer! 2) zoon.
Onze besle vriend is God. Een vlijtig kind leert 3) alle
goede zaken 4) zonder groote moeite 5). Wat 6) is beter,
dan een deugdzaam, rein hart? Onze jioede ouders hebben
uwen 7) zieken vader bezocht. .Mijn beste knecht is met
zijnen 8) oudsten broeder vertrokken. Een rijke heeft soms
meer rijkdommen, dan tien armen. Ons hoogste goed is
God. De huizen van onzen rijken nabuur zijn verkocht 9).
Goed versch bier is een gezonde 10) drank 11). Uwe 12)
schoonste boeken hebt gij verloren, nalatige 13). Mijn
lieve vriend, zeide hij, hebt gij geen goed bock voor mij ?
Met nieuwen 14 zwarten 15) inkt kan men goed schrijven.
Is de rijke altijd 16) de beste ? Neen. Niemand is beter,
dan de deugdzame.
1) Seinen, 2) ungefeorfam, 3) fernt, 4) Sadje, v. 5) «Blufte, v. 6) nué,
7) beinen, 8) feineri, 9) oerfuuft, 10) gefunfr, 11) ©etrdnf.o. 12) beintt,
13) nadjliiffig, 14) neu, 15) fdjwarj, i6j immer.
44.
Herhaling.
De slechtste druiven 1> zijn het 2) niet, waaraan 3) de
wespen knagen 4). Door 5) groote vlijt 6) en een goed ge-
drag7) maakt 8) zich 9) een jongeling bemind 10). Onze
oudste broeder heeft zijne beste puarden verloren. Hij
schrijft U) me» rooden en met zwarten inkt. Mijn liefste
-ocr page 58-
50                                        TWEEDE HOOnSTUK.
vriend, zeide mij deze bravo man, bemin 12) altijd uwc 13)
goede ouders, en^ijzult 14) eenpelukkigleven 15 Jiebben.
Een goed woord vindt 16) altijd eeno goede plaats 17).
De goede voorbeelden van brave ouders zijn eene wei-
daad 18) voor 1o) de kinderen. Wij hebben goeden wijn,
versche boteren best versch b\'ergekocht. De deugd is
onze grootste scbat. Alle overige "20) zaken moeten 21)
wij verlaten 22); de deugd echter 23) zal 21) den menscb
ook 25) na 26) dit 27) leven gelukkig maken 28).
1) ïroube, v. 2) eé, 8) woron, 4) ïuqen, 5) tur*, G) Sicif}, m. 7)
©erragen. o 8) mn*t. 9) (irt, 10)6efirM, 11) fdtm\'M, 12j liebe. 13)
beiue, 14) ru roirft, 15) itten, o. 16) finfef, 17) ©felle, o. 18) SBoftl.
Ifyat, v. 19) fur, 20) übrta, 21) muffe», 22) oerlaffen, 23) ober, 24)
roirb, 25) outtj, 2G) noch,, 27) rici\'em, 28)motsen.
VOOUivtilllVOOItDEX ftürtpörtcr.
§51. De voornaam woorden zijn woorden, welke dienen
tot vervanging of tot bepaling van een zelfstandig naam-
woord. .Men beeft in bet Ilooicdu\'tsch persoonlijke,
bezittelijke, aanwijzende, bepalende, vragen-
de
, betrekkeijke en onbepaalde voornaam\\voor-
den.
Men noemt eenige dezer voornaamwoorden somtijds
bijvoeglijke voornaamwoorden, wanneer zij name-
lijk bij een zelfstandig naamwoord staan.
Persoonlijke voornaam woorden •
§ 52. De persoonlijke voornaamwoorden zijn die, welke
den naam vervangen van bet wezen, dat spreekt, tot het-
welk of \\an hetwelk men spreekt
Zij worden in het lloogduitseh verbogen als volgt :
-ocr page 59-
PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.                           Cl
EERSTE PERSOON.                        TWEEDE PERSOON.
Enkelvoud.          Meervoud.           Enkelvoud.           Meervoud.
N. id), ik,            N. mix, wij,         N. Ml. gij,           N. tbr, gij,
G. meiner,            G. unfer,              G. feiner,            G. ener,
D. mtr,                 D. uni,                !>. tir,                D. end),
A. mid).                A. un*.                A. bid).                A. eud).
DERDE PERSOON.
Enkelvoud.
Manlijk.                   Vrouwelijk.                     Onzijdig.
N. er, hij,                     fïe, zij,                              ei,
G. feiner,                      tlner,                                feiner,
D. iljni offid),               tbr ot fïd),                         j|)in of fïd),
A. ij)n offid).                (ie offid).                          ei of fïd).
A/eer^oud.
Voor de drie geslachten.
N.  fïe, zij,
G.  ibrer,
D.  ibuen offid),
A.  fïe ot\' fïd).
Aanmerkingen.
i\') Bij de persoonlijke voornaamwoorden kan men (er
bepaling bet onveranderlijke felbft of felber, zelf, voegen.
2)  Men mag de persoonlijke voornaam woorden niet ia
den genitief zetten, 0111 uit te drukken, dat zij bezitters
zijn ; men bezigt dan de bezitlelijke voornaamwoorden ;
zoo zegt men b. v. niet: taè 23uci) meiner, liet boek van mij,
maar: mciit 33nd).
3)  Het voornaamwoord fïd) wordt als wederkeerend
voornaamwoord gebezigd voor den derden persoon enkel-
" voud en meervoud in alle geslachten ; b. v. er (fïe, eè,)
tt>afd)t firf). Hij (zij, het,) wasclit zich. ©ie <oafd)eit ffcf). Zij
icasschen zich.
4)  Lle woorden tinê, end) en (ld) kunnen ook als we-
derkeerige
voornaamwoorden gebezigd worden ; wan-
neerer eebter dubbelzinnigheid zou kunnen ontslaan, dan
gebruikt men eimuiörr in plaats van die voornaam woor-
den, of men voegt er eiimndtr, elkander, gk(jfnffüijj,
-ocr page 60-
52                                          TWEEDE HOOFDSTUK.
Wfdjfflfftfig, toederzijdsch, bij ; b. v. bic Wenfcften fotfen
(irf) (ciitanber) Iteben, roie ©niber. Demenschen moeien elkan-
der beminnen, als broeders.
5) Om iemand aan Ie spreken, zelfs als het maar een
enkele persoon is, gebruikt men in het Hoo^duitsch niet
alleen zeer dikwijls ÖU, maar ook den tweeden persoon
meervoud iljr, en den derden persoon meervoud
Öie. Men moet dan altijd voortgaan met de voornaamwoord
den (en dus ook de werkwoorden) in den persoon ie zet-
ten, waarmede men begint; b. v. hoe vaart <ye? Ufiie bc*
ftnbejt bu bid) ? 2Bie bcjtitbet ifyr eurf) ? 3Bie bcfïiibeit ©ie
©id) ? Hebt gijuwen riny nog ? £aft bu beiiten Dtiitg nod)?
£abet itjr eueren 3ïing nod) ? jpabeu ©ie ^bjctt Oïing
nod)?
ï)it wordt gebezigd, om verf rouwelij kheid, gemeen-
zaamheid uit te drukken De derde persoon meervoud ©ie
is de meest gebruikelijke beleefdheidsvorm ; de tweede
persoon meervoud is iets minder beleefd.
Bezittelijke voornaamwoorden.
% 53. De bezittelijke voornaamwoorden zijn ontstaan
uit den genitief der persoonlijke, en nemen de plaats vau
dien genitief in, wanneer die het bezit zou moeten aan-
duiden.
De bezittelijke voornaamwoorden komen in geslacht
en getal overeen met de bezetene zaak.
Wanneer zij onmiddellijk vóór een zelfstandig naam-
woord staan, komen zij ook in naamval daarmede overeen,
en in dat geval noemt men ze ook wel bezittelijke mj-
voeglijke naamwoorden.
% 54. De bezittelijke voornaamwoorden zijn :
EERSTE PERSOON.
Enk ivoud.
                           Meervoud.
mein, meine, mein, mijn,          unfer, unfere, uttfer, onze.
TWEEDE PERSOON.
Enkelvoud.
                           Meervoud.
bein, 6c:iie, 6cin, u»v.
euer, tuett, euer, uw.
-ocr page 61-
S3
BEZITTELIJKE VOORNAAMWOORDEN.
DERDE PERSOON.
Enkelvoud.
Manlijk,
fetn. feine, fein, zijn.
Vrouwelijk.
ifir, iftre, iht, haar.
Onzijdig,
fein, feine, fein, zijn.
Meervoud.
Voor de drie geslachten,
tbr ifcrr, i(jr, hun.
Dezen vorm hebben de bezittelijke voornaamwoorden,
wanneer zij onmiddellijk vóór een zelfstandig naamwoord
staan; zij worden dan in liet enkelvoud verboden gelijk
liet onbepaald lidwoord ent, en in het meervoud gelijk het
bepalend lidwoord ter, fcie, fcaö;b.v.
EukJvoud.
Meervoud.
Manlijk.
Vrouwelijk.
Onzijdig.
Voor de drie geslachten,
N. mein,
G. meine*,
D. meinem,
A. meinen,
meine,
meiner,
meiner,
meine.
mein,
meine*,
meinem,
mein.
N. meine,
G. meiner,
0. meinen,
A. meine.
Enkelvoud.
Meervoud.
Manlijk.
Vrouwelijk.
Onzijdig.
Voor de drie geslachten
N. unfer,
G. unfere*,
I). umerem,
A. unferen,
unfere,
unferer,
unferer,
unfere,
unfer,
unfere*,
unferem,
unfer.
N. unfere,
G. unferer,
D. unferen,
A. unfere.
Aanmerkingen. 1) Men lette er op. dat het onzijdig ons in het
Hoogduitsch iinfet is, en niet un* of unfere*; men zegge dus niet
b. v. un* £>iiu*, noch unfeie* £«u*, maar unfer &au*, ons huis.
Bij de verbuiging kan de e van unfer soms uitgelaten worden.
2) Bij de bezittelijke voornaamwoorden voegt men soms tot meer-
deren nadruk liet woord ei jen, dat dan de gemengde verbuiging volgt;
b. v. mein eigener SBater, meine* eigenen Stater* enz.
§ 55. De bezittelijke voornaamwoorden blijven on-
veranderd,
wanneer zij ter bepaling gevoegd zijn bij fein,
toebehooren, wtrten, worden, bleiben, blijven; b. v. mein
ift bic ?Üad)e. Mij komt de wraakneming toe. 2>er ©ieg ift
tinfcr. De zege is aan ons.
-ocr page 62-
54                                TWEEDE HOOFDSTUK.
§ 56. Het Nederlnnclsch de mijne, de uwc, dezijneenz.
kan men op drie wijzen verlalen, namelijk :
immer, meine, meineê,
ter, Me, tiiê meine,
ter, tie, NS meinifle.
Eveneens
             reiner, bfine, teiiteé,
ter, tie, hifl teinc,
ter. tie, tiié beiiiige, enz.
De vormen meiner, mctitc, ntetneé/ tcüter enz, worden
Verbogen gelijk het bepalend lidwoord.
In de vormen ber mcinc en bcr mettttge enz. wordt het
lidwoord ter, tic, taê zooals gewoonlijk verhogen, en met*
ne, mciittftc, tcinc, tciinge enz. volgens de zwakke vcrbui-
gingder bijvoeglijke naamwoorden ; b. v. ifttnê bctn £itt
otcr iiieiiicr (ter mciite, ber meim\'ge) ? Is dal uw hoed of de
mijne?
Aanmerkingen. J) £cr ÜJïriue, ber 9)ceiiuflc, ber 3>üte,
tie ïciiucjeit enz. kunnen zelfstandig gebezigd worden,
voornamelijk om personen, vrienden en huisgenoolcn aan
Ie duiden; b. v. cmpfefylen ©te wiet) ben Sbrtgen. Groet van
mij de uwen.
S» bafttaê £>ciitii)C getban Gij hebl hel uwe
gedaan.
2) Wanneer in een voor-tel de naam van den bezitter
is uitgedrukt, dan mag men bij de bezeten zaak geen be-
zitlchjk voornaamwoord gebruiken ; men zal dus niet
zeggen b. v. inrut SSater fcin l>fcrD, mijn vader zijn paard,)
maar : nicüictf 2>iilcre >pfcrt.
Aanwijzende voornaamwoorden.
$. 57. De aanwijzende voornaamwoorden dienen om
personen of zaken aan lo toonen. Zij kunnen alléén,
of bij eenzelfstandig naamwoord staan, en in dit laatste
geval heet men ze ook wel aanwijzende bijvoeglijke
naamwoorden.
§ 58. De aanwijzende voornaamwoorden zijn :
tieier, tiefe, tiefeS, (loze,
ter. bic, hii, ilczu,
jnier, jene, j\'eiteé, gene.
-ocr page 63-
AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN.                           55
Sicfcr cn jencv worden verbogen gelijk hut bepalend
lidwoord ber, tu\'e, baö.
liet onzijdige bicfeö kan verkort worden (ol bicé (of
Hc$).
Eer, bte, taè, deze, die, heeft altijd den klemtoon, en
\\vordt-, wanneer hc! bij een zelfstandig naamwoord staat,
evenals het bepalend lidwoord verbogen. Staal het niet
bij een zelfstandig naamwoord, dan wordt het verboden
als volgt :
Enkelvoud.                                        Meervoud.
Manlijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Voor de drie geslachten.
N. ter, die,         tie, die,           bui, dat,               N. tt\'e, die,
O. teff.\'it (tejj),    teren,              beffen \\ttf),          G. beren,
1). tem,               ter,                 tem.                     1). tenen,
A, ten.                tie.                 tai.                     A. tte.
£rj5, de verkorting van beften, wordt voornamelijk gebruikt in
verbinding met Ijalb, reegen, miller.; Cua: tejjbalb, derhalve,daarom.
Voorbeelden: er li\'tgr, unb fcH jïdi beften fdjaurn. ////
/ïe{/{, en daarover moei hij zich schamen, 3>d) ertuttere mtd)
beren nidjt Ik herinner mij die niet.
Aanmerkingen. 1) De onzijdige voornaamwoorden biefeê,
bieé en baé worden, evenals in het Nederlandsch dit en
dat, in het begin van een voorstel geplaatst om personen
of zaken aan te duiden, die in dal voorstel uitgedrukt zijn ;
b. v. btcê i\\1 rietit Sruber . Dit is mijn broeder. 2aö finb
meine 93i\'td)er. Dat zijn mijne boeken.
2) In plaats van btefcr, deze, cn jcner, genp, gebruikt
men ook ber etnc, de cene, ber nttbcre, de andere, of erfterer,
le(5tcrer, ber erfierc, ber lentere, de eerstgenoemde, de laatst-
genoemde.
3) a) In plaats van de aanwijzende voornaamwoorden
mot een voorzetsel gebruikt men bjer of ta met dat voor-
zetsel, gelijk men in het Nederlandsch hier, daar of er
mei een voorzetsel bezigt. Begint het voorzetsel mei oenen
klinker of eeno n, dan zegl men bar ; dus in plaats van in
bon, mit\' tiefem, enz. zegt men : tnoriii, baiin, baton, ba»
mit enz.
-ocr page 64-
56                                       TWEEDE HOOFDSTUK.
b) De woorden t)tcr en ba mogen niet, gelijk in het Ne-
derlaudsch, van het voorzelsel gescheiden worden ; b. v.
3d) wei% nirf)tè ba»on. Ik weet er niets van.
c)   Wanneer er alleen slaat, wordt hel vertaald door
beren ; b. v. 3d> r»abe beren fymibert gefauft. Ik heb er lwn-
derd gekocht.
4) Als aanwijzend voornaamwoord dient ook joldjer,
zulk, dat gebruikt kan worden als volgt :
fold) ein, fofd; eine, fold) ein,
(mi fo ein, 10 eine, lo ein),
ein foldjcr, eine foidie, ein foldjeé,
f Meijer, foldte, foldjeé,
fold) onveranderd.
a) Wanneer het gevolgd is van hel onbepaald lidwoord
ein, dan blijft fold) (fo) onveranderd; ein wordt verbogen
gelijk het telwoord ein. <Zie§70, Aanm. I.)
h) Wanneer ein vóór foictjer staat, dan wordt ein als het
onbepaald lidwoord verbogen, en fclcfyer, folcfte, folcrjcè
volgt de gemengde verbuiging der bijvoeglijke naamwoor-
den ; b. v. ein folcfyer, zulk een, eineé foUtjcn, einem frlctjen
enz.
<•) Wanneer fo!rf)er, foïrfic, folcfjeé onmiddellijk vóór een
z< lfslandig naamwoord of bijvoeglijk naam «voord slaat, dan
vo\'gthei de verbuiging van het bepalend lidwoord; b. v.
folcf).\'r ^(iinn, zulk een man, (okljeéüKnnncö, folcrjem SOïanne
enz.
Bepalende voornaamwoorden.
$ 59. De bepalende voornaamwoorden dienen om de aan-
dacht te trekken opeenen persoon of eene zaak, van welke
iets gezegd wordt.
De bepalende voornaamwoorden zijn;
ter, rie, fciiê, hij, die, degene enz.
rerjenige, otejrni:ie, bdéjenide. hij, die, degene enz.
rerfelrè. rieielt\'e, biléfelbe, dezelve of dezelfde.
retfgleidjen en Pei\\)leid)en, dergelijke.
$ 60. Ver, bie, i>aè wordt als bepalend voornaamwoord
Verbogen gelijk het aanwijzende bcr, bie, baé ; waqneor
-ocr page 65-
VOOBXAAMWOOBDEN.                                       57
echter het bepalende ber, bic, baó niet bij een zelfstandig
naamwoord staat, dan is de genitief meervoud t)ercr,cn
niet beren; b. v. taé ?ebcn & tff f tt ruirb getabch, recidjer
fïiite ^fïictffeii itict>t erfüttr. Het leven van hem wordt ge-
laakt, die zijne plichten niet vervult.
Saê ?ebcn örrer
mirb gepriefe», voeldic tt)ren 92arf)fteit liebcit. Het leven van
hen, die hunnen evenmensch beminnen, wordt geprezen.
In berfelbe en berjeittgc wordt ber, bic, baè evenals liet
bepalend lidwoord verbogen ; fcïbe en iedge volgen de
zwakke verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden •, dus :
Enkelvoud.                           Meervoud.
Manlijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Voor de drie geslachten.
N. berfelbe,      biefelbe,          baéfelbe,          N. biefelben,
G. beifelben,    berfelben,        beêfe\'ben,         G. berfelben,
D. bemfdben,   berfelben,        bemfclben,        1). benfelben.
A. benfelben,    biefelbe,          baófelbe.          A. biefelben.
De genitief van bcr—, bic—, baêfelbc wordt zelden ge-
bruikt als hij alleen slaat; men bezigt dan in plaats ilaar-
van befjen of beren.
Aanmerkingen.
1)  DeNederlandsche woorden hij, zij enz., die men in
eenen onbepaalden zin bezigt, en dan, gevolgd van een
betrekkelijk naamwoord, voorop zet, woeden in het Hoog-
duitsch niet door een persoonlijk, maar door een be-
palend
voornaamwoord vertaald; b. v. hij, die de deugd
bemint
wordt niet vertaald door: er, tocld)cr bic £ugenb
licbr, maar door : öerjfitigf, rocferjer bie £ugcnb liebt.
2)  Wanneer men een zelfstandig naamwoord of een
persoonlijk voornaamwoord van den derden persoon niet
wil herhalen, of, ter vermijding van dubbelzinnigheid,
niet wil gebruiken, dan bezigt men het bepalende ft er—,
öic—, bdöfflbc of bitfer, ïiiefe, öicfes*, b. v. bcr SSat.r
frfjricb feiiu\'m Sol)ne, (ïiiclcr) örrfclbe müjfe nad) ^Pariö
reifen. De vader schreef zijnen zoon, dat deze (de zoon)
naar Parijs moest reizen. £er &atcr fdjvicb fctiicm Sol)iic,
fr nmfje nacf) ^>ariö xeifen zou betcekenen: de vader schreef,
dat hij
(de vader)naar Parijs moest reïzfiil. ......
\'t
-ocr page 66-
Ö»                                        TWEEDE HOOFDSTCK.
In plaats vandebezittelijke voornaamwoorden gebruikt
men dan fceffftt en ïurm ; b. v. er fat) feinen grennb unb
öcffnt Sobn. Hij zag zijnen vriend en diens zoon.
3) De bepalende voornaamwoorden worden meestal ge-
bruikt in plaats van de persoonlijke of bezittelijke, wan-
neer die betrekking hebben op zaken, vooral bij een
voorzetsel. Men kan echter ook in plaats daarvan, gelijk
in het ISederlaudsch, öa met dat voorzetsel onafscheidbaar
verbinden; begint het voorzetsel met eenen klinker of
eene n, dan zegt men bctr; b. v. tyaft bu an baé Sucfygcbacfyt?
Stet\'n, id) t)abe fcaran (on öaefelbf) nia)t gebackt. Hebt gij
aan hel boel; gedacht
? Neen, ik heb er niet aan gedacht.
4) Ons Nederlandsch dezelfde wordt vertaald door : ber
jiamlidK, berfelbe, bcrfelbige, eben (juist ) berfelbe, ein inib ber*
felbe. In deze woorden volgt J)rr zijne gewone verbui-
fjing, en jiamlidje, felbe, felbige de zwakke verbuiging
der bijvoeglijke naamwoorden. In ein unbberfelbe blijft eiu
onverbogen ; b. v. ein unb beêfclben, ein «nb bemfelben enz.
In het vrouwelijk neemt het echter eene e aan: ritte unb
biefelbe, en dan wordt het verbogen zooals gewoonlijk.
Vragende voornaamwoorden.
§ 61. De vragende voornaamwoorden dienen om na«tr
personen en zaken te vragen ; zij zijn :
roer, roaê, wie, wat,
ro>j# für ein, roaê für eine, wal für ein, wat voor een,
roetctjer, roelctje, roelcr/eê, welke.
2Ba$ für ein en wtld)tv kunnen vóór een bijvoeglijk
naamwoord staan en heelen dan vragende bijvoeg-
lijke naam-woorden.
üBer enrocrê staan nooit bij een zelfstandig naamwoord.
§ 62. De verbuiging van wer en roaé, die beide geen
meervoud hebben, is als volgt:
Manlijk en Vrouwelijk.            Onzijdig.
N. roer, wie,                     roaé, wat,
G. roeffen (roef), wiens,       roeffen (roef), welks,            l
D. roem, wien,                  (roo), welk, (waar),
A. roen,wienj                   mat, wat.
-ocr page 67-
VRAGENDE VOORNAAMWOORDEN.                                59
Aanmerking.
Het vragende (en het betrekkelijke) roaè wordt thans
niet meer met een voorzetsel verbonden ; men bezigt dan
\\vo, dat onafscheidbaar met dat voorzetsel verbonden
wordt. Begint het voorzetsel met eenen klinker of eene it,
dan zegt men roor. In bet Nederlandsen bezigt men op de-
zelfde wijze waar; b. v. roottott reben ©ie? Waarvan
spreekt gij
?
In plaats van rcoritm zegt men wariim.
§63. Wanneertt>aéfürcüt,-etiie,-etit vóór eenzelfstandig
naamwoord staat, dan wordt cin evenals bet onbepaald
lidwoord verbogen ; staat het alleen, dan wordt het tot
ttxtê fiir einer,—eine,—ctneé, en emcr, etlte, eincö wordt dan
gelijk het bepalend lidwoord verbogen. In het meervond
en bij stofnamen bezigt men waè fiir; b. v wa& fiir eincit
SBogel Ijafl bit gcfet)ctt ? Wat voor eenen vogel iiebt gij ge-
zien?
SÉBaé fiir 2üeitt tritifeit ©ie? Hoedanigen wijn drinkt
9\'j?
% 64. SBeftfjer, welcfye, weldjeé wordt op de volgende
wijze verbogen:
a)  Wanneer het onmiddellijk vóór een zelfstandig naam-
woord of bijvoeglijk naamwoord staat, dan volgt het de
verbuiging van ber, bte, baè; b. v. wr(tf)cr Wamt, »»clct)eö
öJïamteê; roefdje $rau, weldier gratt; iveldieé Jftittb.
b)  Wanneer het gevolgd is van rilt, dan blijft het overal
onveranderd m!d); ei» wordt dan verbogen gelijk in
waé fiir ein ; b. v. weid) eitte grettbe rjaben wir! Welk\'eene
vreugde hebben wijl
Aanmerking.
Wanneer de genitief van weldier alléén zou moeten staan,
dan gebruikt men in plaats daarvan Mjrffen; b. v. wefjVtt
Südjer ftiib serlorett ? tfffieldjeé ©d)ülcré \'SBüdjer ftttb »erlo«
ten?) Wiens boeken zijn verloren!
Betrekkelijke voornaamwoorden.
| 65* De betrekkelijke voornaamwoorden verbinden
een voorstel ter verklaring of ter bepaling aan een voor* •
-ocr page 68-
CO                                       TWEEDE HOOFDSTUK.
afgaand zelfstandig naamwoord of voornaamwoord, waar-
van zij de plaats innemen. De betrekkelijke voornaam-
woorden zijn :
iretcber wetdje rr-elcrjeê, welke,
net. Wiii. wie, wat,
ter, fcif^aê, die, dat.
§ 66. ïBctdifr, wt\\d)t, nvld)c$ en wet, wai worden ver-
bogen zooals de gelijkluidende vragende voornaamwoor-
den.
ïser volgt de verbuiging van bet aanwijzende voornaam-
woord bcr, als dit alleen staat.
Aanmerkingen.
i) De genitief van weidser wordt zelden gebruikt, en
slechts bij een zelfstandig naamwoord, dat daarbij als bijstel*
ling in den genitief staat ; anders bezigt men öffjVlt of
ïterrn; b. v. ber3imó\'<,,9> öfjfctt 95»cf)cr icf) gefnnbe» Ijabt.
De jongeling, wiens boeken ik gevonden heb.
2) In plaats van een betrekkelijk voornaamwoord met
een voorzetsel gebruikt men, gelijk bij de vragende voor-
naamwoorden, wo met dat voorzetsel. Dit geschiedt echter
niet met betrekking op eenen persoon; b. v. baêjcnige,
njoöoii ba fprid)(l. Dalgene, waarvan gij spreekt. 25aö .Riitb, .
won nu-U1)cm er fprad). Het kind, waarvan hij sprak.
Onbepaalde voornaamwoorden.
$ 67. Do onbepaalde voornaamwoorden duiden de pcr-
soncn of zaken slechts in het algemeen aan ; zij zijn :
nuii, ïni\'ii,
jeterrminn, iedereen,
jeimiiir, iemand,
m\'cnuiiD, niemand,
rcer. iemand,                                                                                                \':
reeldjc*, iets, wat.
Daarenboven gebruikt men als onbepaalde voornaam- :
woorden de onbepaalde telwoorden (bijvoeglijke naam-
wooiden):
aller, alle,
jc&er, iedereen,                                                                  \'
einvr, iemand,                                                             -. . "O
-ocr page 69-
ONBEPAALDE VOORNAAMWOORDEN.                             61
eintfler, ecnïg,
nniiuljer, menig,
ettt geroiffer, een zekere,
bie mei|reit, de meesten,
»erid)iebeite, verscheidene,
mele, vele,
feiner, niemand,
eti»ii5, wat, iets,
nid)t#, niets, (Zie § 80.)
§ 68. Sïïan wordt slechts in den eersten njiamval ge-
bruiki; in de andere naamvallen beziyt men ciitcr.
Dföcnmimi heeft in den genïlief jebeimaniu*, doch blijft
overigens onveranderd. 3cmanï> on niemand worden ver-
bogen als volgt :
N. jemanb,                        N. nientitnb,
G. jemanbé (eS),                 G. ntemanM,
D. iemanb (en),                  D. nteman» (en;,
A, jemanB (en).                 A. niemanb (en).
Dft datief kan ook jemanbem, nicmanbem zijn. 2Öer en
ttjefeftré zijn cigeulnk vragende en betrekkelijke voornaam-
boorden. (Zie §§ 61—66.)
OPSTELLEN.
45. (§ 52.)
35er 33ater fyat mir nnb bir bie klieder gege6en. #at er tbm
fd)ou 1) bie iïartoffeln gefd)icft 2)? (Srbarme 3) bid) meiner,
rief 4) mir ber arme 5Rann $n 5). 3d) babe mid) feiner er*
barmt 6). @é 7) ift eine groge jtunfl 8) fid) fetbft ju fennen.
Siefe nad)laJTigen 9) ©d)iUer fdnimeii 10) fid) ityrer felbfh
3t)r foKt 11) and) einanber belfen. ©ie bat fid) jvuei nrttc
$teiber 12) gefanft. Sfrafk ba beitien 13) Jont tterloren ? ©ie
fabelt mir nid)té 14) ba»on 15) gcfagt 16). ÏBenn ©ie <Bid) nid)t
in ?(d)t nebmeit 17),.fo n)erbenl8)©ie franf voerben 19). 3l)r
babt mir bad 20) fd)on oft gefagt. 5Uir banfen 3t)»en öerbinb*
lid)ft21).
-ocr page 70-
G2
TWEEDE HOOFDSTUK.
1) Reeds, 2) gezonden, 3) erbarm, 4) riep, 5) toe, 6) erbarmd, 7)
het, 8) kunst, 9) nalatig, 10) schamen, 11) moet, 12) kleed, 13) uwen,
14; niets, 15) daarvan, 16) gezegd, 17) nomen, 18; zult, 19) worden,
20) dat, 21) van harte.
40.
Hij heeft u en mij reeJs daarvan gesproken 1). Heeft de
vader u niets daarvan gezegd ? Wij schamen ons over 2)
ons 2) zelven. Erbarm u onzer, riepen 3) zij hem toe, en hij
erbarmde 4) zich hunner. Wij hebben de boeken voor 5)
ons zelven, en niet voor u gekocht 6). Zij denkt slechts 7)
aan 8) zich zelve, en niet aanu. Heeft hij u reeds de vogels
gezonden 9), die hij u beloofd 10) heeft ? Neen, hij heeft
mij gezegd, dat hij ze voor S) zich zelven wil houden 11).
De menschen moeten elkander helpen 12). Hebt gij uwen
vader nog? Neen, ik heb hem verloren. Hoe vaart gij, en
hoe varen uwe goede oudors? Gij hebt ons niets daarvan
gezegd.
1) ©efviocheit, 2) genitief, 3) rtefen, 4) er&urmte, 5) für, 6) f)f«
fjufl, 7) uur, 8) au met den accusatief, 9) gefdjteft, 10) oevfpiodjeii,
ll)ljaltm wiU, 12) Ijelfen.
47. ( 54-56)
3rf) babe trut betitem SSater mtb betner SRittter gefprorf)eit.
Unfer $atté ijl grof}, eiter £aué aber 1) tft fcrjöit; Sergleig 2)
nnfereé Strbetteré tft grog. Qaben ©te eé Styrem SBarer gefagr.
3a, id) habe eé bent mciitigeit ttnb bent Sbrigen gefagr.
3hr habet eitere ^>fltd)teit nid)t genatt 3) erfütft 4). St\'e ffitb
mïr fo Itcb 5;, alé metn eigener 23ruber. @tnb baé Sbre <Bd)afe
ober bte metttigeit? Unfer ©cbet 6 rotrb unfer ctgeneé (Slurf 7)
befbrbent 8). £eüt tft bieguftutft 9), »Mtlt 10) b» flet\'fKg 11)
Hitb tugenbhaft bijt. Sftbeiu Jjerj fo reut 12), rote baö meütige?
©titb beine édjafe fo gut, wie bit meuten ? Unfer ©djirffal
13) tflüt ©otteé #auben 14).
1) Echter, 2) vii.jt, 3) nauwkeurig, 4) vervuld, 5) dierbaar, 6) gebed,
7) geluk, 8) b-vordereu, 9) toekomst, 10) indien, 11) vlijtig, 12) rein,
13) lot, 14) hand.
-ocr page 71-
VOORNAAMWOORDEN                                        63
48.
De fouten mijner leerlingen zijn niel zoo groot als do uwe.
Zijn het uwe boeken of de mijne, die gij in 1) uwe hand
hebt? Ons lichaam 2) is sterfelijk 3), onze ziel echter on-
sterfelijk 4). De leeraar heeft aan zijne leerlingen de boe-
ken hunner medeleerlingen gegeven. Uwe appelen zijn niet
zoo goed als de onze. Ons huis is grooter en sterker, dan
het hunne. De vingers 6) van onze handen zijn ons ge-
geven om te werken 7). De jagers 8) hebben hunne bon-
den en de onze te huis 9 gelaten 10). Deze vrouw heeft
hare dochters verloren. De meisjes hebhen appelen en
peren voor 11) hare vriendinnen 12) gekocht. D\'3 mijnen
Iatenl3)de uwen groeten 14). God is onze beste vriend.
De deugd is uw groolsle schat 15;.
1) 3*1 met den accusatief, 2) tfórper, m. 3) flertdicb, 4) itit|ter£>(id),
5) *jjiitfct)ü(er, m. 6) S\'iW\', m. 7) urn ju arüeite n, 8) 3iïS)er, m. 9j ju
fiaufe, 10) griaiTen, 11) für, 12) greuntiinn, v. 13) taffen, 14) griften,
15) <êd)a0, m.
40. (37 en 38).
£iefe Jfartoffeut fiitb bcffcr, atö jene. EteStiirfe 1) bt\'efcr
£>d)fen unb biefcö *)>ferbeé tft feljr grog. Sriitueriï 2) tut cid)
jeneè uadjlafftgen 3) ©djüUerê ? Sïein, tct) erinnere ntid) beffen
imfy. ^abeit ©te bte @d)afe jener £irteu 4) gefel)eu ? 3?eiir,
td) tjcibe beren ©rfmfe m\'cfjt gefeljen. ZJieé tft iinfer ijaué, nr.b
baé ffnb itnfre ©artett. ^ompejuó 5) war wcmgcr tapfer nlö
Safar 6), beun biefer bcft\'egte 7) jetten. 2Caö 8) roiltjt 9) bit
bamit anfangen 10, ? Ï8ir baben ittdjtS bauon gel)6rt 11).
fraft bu fd)on eine 9iad)tigaU gefehen ? 3a, td) habe beren rooht
lüjjwaiijig 13)gefel)en. 9Jïitfold)emgtcif} 14) ititbfcIdjerStuf*
merffamfeit 15) mttfjt bu ftubireu iü), roemt 17) bu fold)
eiueu «preté 18) ertjaltcn widjl 19).
1) Sterkte, 2) herinnert, 3) nalat g, 4) herder, 5) l\'ompcius, 6) Caesar,
7) overwon, 8) wat, 9) wilt, 10) aanvangen, 11) gehoord, 12) wel,
13) twintig, 14) vlijt, 15) oplettendheid, lb) studeeren, 17) iudkn,
18> prijs, 10) wilt ontvangen.
-ocr page 72-
64                                      TWEEDE HOOFDSTUK.
SO.
De vlijt en de oplettendheid van dezen jongeling en van
dit meisje zijn veel grooter, dan de leerlust 1) van gene
knapen 2). De leeraar geeft don prijs aan deze knapen en
niet aan i?cno meisjes. Heeft do meester u 3) gesproken
van 4) Caesar en diens dapperheid, van 4) do Romeinen en
derzelver volharding 8)*? Hebl gij het aan die daar 6) ge-
gevcn? Neen, ik heb het aan derzelver broeders gegeven.
Zijn dal uwe voornemens7)? Ja, die voornemens zijn de
mijne en dia mijner vrienden. Ik weet er niets van, als
da! 8) er veertig 9) gekomen 10) zijn. De koning moest 1 \\\'}
de getrouwheid 12) van zulke onderdanen 13) beloonen 1 4>.
Het lol van zulk een man verdient medelijden 15). Hij
werkt met zulke geringe vlijt, dat hij niets leert.
1) f ernfrciueibt! v 2) finabe. m. 3) datief, 4) »on, 5) *8el)arrli*feit, v.
<i) tm-f, 7) QntHftluü. m. 8) tai, 9i werjig, 10) iiefommen, ll)follte, 12)
79
ïxeue, v. 13) iliiterüun, m. 14) beloijneii, 15) Söïülett», o.
51. (§§59 en 60).
9ïur 1) fcer üWenfd) wirb 2)vott ©ort beloont werben 3),
rocldier mtt 33ebarrltd)fett ben spfab 4) fcer £ngenb beman*
bert 5). €0ïan lobt 6) ben gfeig beffen, weidier ben ganjen 7)
£ag arbeitct 8). ÜJïcibe 9) bie ©efellütaft 10) bercr, n>eld)e bie
üugeub nid)t liebeu 11) Jlux berjeuige rotrb aft werben,
wel*er nniijig 12) lebt 13). jj>aft bu bctnen fdjpnen £uub
nod) ? 9ïein, irf) tjabe benfclben metnem beften greunbe ge
frhcnft £er ?eb,rcr fagte li) bem êdniler, berfelbe muffe 15)
fleigig leriien. £aft bu bie iieueit Srfutler unb beren 33üd)er
gefeben ? SfBaé 19) fagft 17) bu bawon ? 3cf) fage 18), bag bu
bamitiuct)tweitl6) f ommen wtrft 20). Me kinbn baben bie
ndmtia)en fpflid)teii ju erfiillen 21). 3rf) babebiefen >Snef mit
eben bcrfelben geber gejcf)riebeu 22). 2Bir ijabtn et in tin Hltt
bemfclbeu S3ncf)c gelcfen.
1) Slechts, 2) zal, 8) beloond worden, 4) pad, 5) bewandelt, 6) prijst
7) geheel, 8) werkt, 9; vermijd, 10) gezelschap, 11) beminnen, 12) ma-
tig, 13; leeft, 14) zeide, 15) dat — moest, 16) wat, 17) zegt, 18) ze",
19) ver, 20) zult, 21) vervullen, 22) geschreven.
                            S
-ocr page 73-
65
VOORNAAMWOORDEN.
5».
Slechfs hij, die l) vlijtig is, zal beloond worden. Ver-
mijd het gezelschap van hem, die niet matig leeft. De moe-
der zeide aan hare dochter, dat. 2) zij gevaarlijk 3) ziek
was 2). De ouders zeggen 4) aan de kinderen, dat 5) zij
derzelver geluk willen bevorderen 6). Degenen, welke
hunne plichten niet vervullen, zijn niet gelukkig. Groot is
de vreugde van hem, die vlijtig is. Gering is de deugd der-
genen, die niet bidden. Daarom heb ik hetniet gedaan7).
Wij vechten 8; niet met dezelfde wapenen 9). Hij be-
vond 10) zich in H) juist hetzelfde huis als het onze. Wij
zijn leerlingen van een en denzelfden meester. Hebt gij niet
gedacht aan 12) de luiheid 13) enoan derzelver kwade 14)
gevolgen 15).
I) 2Beld)er, 2) roflre. 3) gefcihrfié, 4) f.igen, 5) feaf», 6) beförtern
mollen, 7)aell>an, 8) fedjten, 9) iffijffe, v. 10) befant, 11) in meiden
datief, 12) un met den accusatief, 13) Saulbeit, v. 14) fdjlimm, 15)
goffle, v.
v\'                          53. (gS 25 en 28.)
SEBerift ba 1) ? 2Bem gefjörett 2) btefe SBiidjer ? ÏBeffett
.ftteig rot\'rb am meiften 6eIot)itt ? Uöomtt faun 3) idj 3b«ett
aufroartett 4)? 28aé für eiiteit #ttt haft bu btr gefatift? 9Sné
fiir SBet\'n trtnfett ©ie? ÏBaé für eine SHegieruttg 5) ()at btefe*
?anb ? 28eld)em Sttttgltnge geben 6) ©ie btefe 2ïr6ett ? 2Öet<
rnett SDïaiinern foU man geborenen ? 7) 9Jïtt weldjer greube er*
füUeu 8) rotr unfere ^)fu\'cr>t! 3öe(d) eine Strette !)) hat biefer gute
$unb! £ie beften greitnbe jt\'nb bte, roefebe btr betne gel)lcr 10)
jeigen 11). Vit Slrbeiter, betten bu baé ©elb gegeben haft, ffab
iitdjt meb,r l)ier. 3d) weig 12) nicbr, womtt anfangen.
?ie6e 13) betitelt ©ch&pfer 14), öon bcm bu Mei empfangen
1) Daar, 2) behooren — toe, 3) kan, 4) aandienen, 5) regeering, 6)
geeft, 7) moet men gehoorzamen, 8) vervullen, 9) getrouwheid, 10)
fout, 11) toonen,12) weet, 13) liefde, 14) Schepper.
54.
1 Wiens werk is het beste? Wiou 1) zult gij 2) dezen
-ocr page 74-
66
EERSTE HOOFD.sTUK.
troost 3) geven? Waarmede zult gij beginnen 4)? Wat hebt
gij gezien 5) ? Melwelken spoed 6) vertrok hij 7)! Met welke
spijzen 8) kao ik u aandienen ? Hier zijn drie vrienden,
"welker deugd zeer groot is. Wat voor een houdt gij 9)
voor 10)bet beste? Wiens vlijt is de grootste? Hij weet H)
niet, wat hij doet 12). Waarvan spreekt gij 13)? Wie niet
hooren 14) wil IS), moet voelen 16). Alles, wat wij heb-
ben, hebben wij van God ontvangen. Hij weet niet, waar-
om gij zoo spreekt. De ouders, wier kinderen deugdzaam
17) zijn, zijn zeer gelukkig Aan wien hebt gij dat verteld
18)? De man, met welken gij gisteren 19) gesproken hebt,
is niet meer hier. Wien moet gij 20) beminnen? Hem, die
u het meest bemind 21) heeft.
1) Datief, 2) rotrft tu, 3) Xroft, m. 4) unftttgen, 51 flefetjen, 6) Site,
v. 7) reifte er ab, 8) (gpeife, v. 9) I)a(ten ©te, lOi für, II) roeig, 12)
tbut, 13) |\'pii*(t tu, 14) boren, 15) win. 16) iniijj f ü Ijlen, 17; tugeiiï*
fjaft, 18)er$al)ft, 19) geiffern, 20) fott(»6M,21)ge!ieM.
55. (§| 67 en 68.)
SOcan muf} nidjt bte aiigenetymfteit, fonbern 1) bte mtfclirf)*
|ï*u ©peifen fud)en. 90?an fptadje 2) gent 3) mit irjnt, aber er
«erfteht 4) ciiieu iiid)t. $S3emt man mit jebermann in griebett
4) leben roillS), fo 6) muf} man jebermanné 9ted)te 7) unbe*
rübrt 8) taffen. ÜBenn jemanb bidi lobt 9), fo muf5t bu mit
niemanb bavott fpredjen. (Sr war jebermannê ftreunb unb nie*
manbé gcinb. .\'paft bit jemattbeit biefe Sluftrag 10) gege6eu ?
Oïeiu, id) t)abe niemaubeii (Stroaê bauott gefagt. ftetucr roeif} 11),
roaS gefdjel)fn roirb 12). 3d) tjabc fettt papier ; l)aft bu nod)
n>e(d)eê ? ffienn jemanb fontmt, fo fagen ©te, id) fci 13) nidjt
ju ijaitfe. 9Jenue niemanb betneu gfreunb, roemt bu ihu nid)t
fennfl.
1) Maar, 2) zoude spreken, 8) graa?, 4) verstaat, 5) wil," 6)dan,
7) lii !Wed>t, het recht, 8) onaangetast, 9j prijst, iü; last. 11) weet,
12> zal, I3J dat ik ben.
56. Herhaling.
Degene, die niemand bemint 1), wordt ook van niemand
bemind 2). Indien men aan iedereen het zijne geeft 3),
-ocr page 75-
VOORNAAMWOORDEN.                                           67
zal 4) men ook 5>) van iedereen het zijne ontvangen 6\\
Hebt gij nog olie 7) ? Ja, ik heb nog wat. Wij hebben
lang 8) met u gesproken over uwc ouders ; herinnert 9) gij
u dat 10) niet meer 11 ? Zich zelven te kennen, isde plicht
van iedereen. Hij, die zijnen vaderen zijne moeder eert 12),
zal lang en gelukkig leven 13). Ons huis is niet zoo schoon
als het uwe. Is dal uw paard of het zijne ? De toren dier
kerk is zeer hoog. Wat kosten die paarden? Dit kost 14)
veel 15), endat kost weinig 16). Wij kennen de rcchlcn
en plichten van hen, die ons gebieden 17). Kent 18) gij
ook de uwe ?
1) fiiebt, 2) gelieft, 3) gil\'t, 4) tuii-f, 5) au*, 6) emvfattflen, 7) £>(, o.
8) fiiiiflf, 9) erinnerft, Ie) ge\\ itief, 11) iieljr, 12/ eljrf, 13) lebeu,
14)fo|iet, 15) »iel, ló; a<euig, 17< genieten, 18) feuii|ï.
57.
Hij vocht 1) met zulk eene dapperheid, 2), dat 3) hij de
vijanden overwon 4) en er honderd 5) doodde 6). Wie
kan 7) hem beminnen 8), die slechts y) zich zelven be-
mint 10;? Kent 11) hij mijnen broeder en diens zoon niet?
Wien kent hij dan 12)? Hij, die allemans 13) vrienden
niemands vijand is, is daarom nog 14) niet altijd gelukkig.
Die ouders 15) zijn de gelukkigste, wier kinderen do
grootste vorderingen 16) in de deugd 17) en de wijsheid 18)
maken ly). Waarom hebt gij de tuinen niet gekocht, waar-
van ik ugesproken heb? De spaarzaamheid 20) is niet bet-
zelfde als de gierigheid 21): deze is eene ondeugd 22), die
u ongelukkig maakt 23); geneeene deugd, welko diegenen
gelukkig maakt, die ze beminn n.
)) \'5od)t ,2i ïapferfeit, v. 8) bof, 4) bejïegte, 5) bitneerf, 6) luttele,
7) fviiui, 8) liepen, 9) uur, 1Ü) liel\'l, 11) en ut, 12 ceim, 13 jetermann,
U)nodi, 15) Sltevu, lüigortf*rilt, m. 17) Xugetif, v. 18) 3Bei*nrit. v.
19; ma*en,20) êparfamfeit, v. 21; fiargier, v. 22) 2a)ler, o. 23) madjt.
-ocr page 76-
• 68                                TWEEDE HOOFDSTUK.
TELWOORDEN. Sattefcter.
$ 69. De telwoorden dienen om het getal of den ran,"
der wezens bepaald of onbepaald op fo geven ; men heeft
dus bepaalde en onbepaalde telwoorden.
De bepaalde getallen zijn :
a)  grondeetallen,
b)  ranggetallen,
c)  verdeelende getallen,
d)  vermenigvuldigende getallen,
e) soortgetillen,
f)  lterhalingsgetallen,
g)  deelende getallen,
n) hoedanigheidsgetallcn,
i) plaatsende getallen,
k) verzamelende getallen.
Gror,
\\dqelallc.n.
$70.
De grondgetallcn
zijn :
1. rm,
11. eilffe(f),
21. etn unb s\'tMM5f,i,
2. jiiu-i,
12. jreölf,
22. jroei unb ptutiiju),
3. brei,
13. fcreijefjn.
30. Keifiifl,
4. oier.
14. tietiebn,
40. m\'erj\'j,\'
5. fünf.
15. fimfjeljn,
50. fi\'tnfjtg.
6. Umi,
16. fecbéjebn.
00. fed)jiii.
7. fieben,
17. fiebensehn,
70. fjlebeiijtii,
8. u*t,
18. ad)tjehn,
80. achtjiii,
9. neut..
19. neuttjebn,
90. neiinjui,
10. jel>n,
20. imaiijtg,
100. bunbert,
101. hunfert tint eitt.
1001. taufenC unt fin,
102. l-utttert iiitC jroet,
1003. t.tnii\'iit titte 5 tv ei,
200. jtt>«tf)tintert,
2001\'. jtveitatneuft,
SCO. Kreihuntert,
3000 treitanfeitf,
looo. (ein) tatn\'enb,               ïoooo. pftntaufcftt,
100000 einmal bunberttaiifenb, 200.00 jroeniul f>iinberttaufenb enz.
Aanmerkingen. •
1. Wat de verbuiging van ein aanbetreft, heeft men de-
ze regels:
a)t£in, als telwoord, wordt onderstreept, of niet een
hoofdletter of uiteen geschreven of uiteen gedrukt, om
-ocr page 77-
TELWOORDEN.                                               G9
het te onderscheiden van het onbepaald lidwoord eüt. Ook
spreekt men het met meer nadruk uit.
b)  In plaats van fin, bezigt men rins in de optelling
(fins, jwei, brei), en wanneer men van de eenheid spreekt
zonder daarbij een zelfstandig naamwoord te voegen j b. v
fiiimal rino iftfine. Eenmaal een is een. jjiat eê jcr/0H<£iii$
gcfd)Ingen? Heeft hei reeds een (uur) geslagen"?
Volgt er een ander telwoord op, dan zegt men altijd et» i
li v. im 3a!)re ettttmifenb cinhimbcrt ei» imb jwanjig. In
H2i.                                                                           ;
c)  Als fin vóór een zelfstandig naamwoord of een bij-
voeglijk naamwoord staat, en van geen bepalend woord
voorafgegaan is. dan wordt liet verbogen gelijk het
onbepaald lidwoord cin, eine, «in ; b. v. rilt ÜKaiw, ei*
ne£ 5)iüiincé;eütegrau; tinfyaui, enz.
d)  Wanneer eitt van geen bepalend woord voorafge-
gaan, en van geen zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk
naamwoord gevolgd is,dan wordt het tot einer, eine, eine$,
en gelijk het bepalend lidwoord verbogen; dus:
N.  einer,              eine,               eine*,
G.  eine*,             einer,              eineê,
D.  einem,             einer,              einem,
A.  einen,              eine,               eine*.                .>
e) Wanneer eiit voorafgegaan is van een bepalend
woord, dan wordt het gelijk een bijvoeglijk naam-
woord
verbogen; b. v.
ter eine,        tie eine,         ba* eine,        mein einer,
te* einen, ter einen, be* einen, meine* einen, enz. :
2) Wat de overige grondgetallen aanbetreft, deze blijvea
gewoonlijk onverbogen, behalve baè £unbert, het hon-
dei dlal,
baé £ait|*eitb, hel duizendtal, bieSDiittion, hetmillioen,
bic SBiltion, hel billioen, bie SDïilliarbe, die als zelfstandige
naamwoorden gebezigd en verbogen worden ; zij zijn dan
gevolgd van een zelfstandig naamwoord metofzonder »on; -
*>• v. jjmtberte SSögel of .^unberte won SSögeht. Honderden"
vogels. d$
tjatttiele SWilljoneu gefcjïet. Hetheeflvelemillioe\'
neii gekost."
                                 , .            ..... ...____/
-ocr page 78-
70
TWEEDE HOOFDSTUK.
3)  Wil men uitdrukken, dat men het juiste getal niet
weet, daubezigtmen, ter vertaling vau ons bijna, ongeveer,
de woorden beinarje, erwa, faft, gegen, ungefatyr, bet, an bte,
bié, ober, imb eiuige, itnb emdje; b. v. jwaiijig btè breigig
©dnifer, jroanjig imb eiuige <5dn\'tler; etn>a brei imb jroanjig
©d)üler. Ongeveer drie en twintig leerlingen.
4)  In het Duilsch zegt men op dezelfde wijze als in het
Nederlandsen: eè tft brei Ur>r, füiif Ubr, balb füuf, met dit
onderscheid, dat Ub,r onveranderd blijft. De overige ver-
deelingen drukt men op de volgende wijze uit : men
noemt den tijd, die sedert het laatste volle uur ver-
loopen is, en voegt dan daarbij het voorzetsel auf met het
volgende volle uur; men drukt zich echter gewoonlijk
op onze manier uit, met de voorzetsels über, nacf) of wor; d.
v eg ift ein S3iertel auf fünf (of ein 2>tertel über wier); liet is
kwartier over vieren.
(5ê tflbrei S3iertel auf ad)t (ein ÏSiertel
»or adjt). Het is kwartier vóór acht.
Het woord uur om den afstand aan te geven , of den
tijd, dien iels duurt, wordt vertaald door Ü5tunï>c-
Ranggetallen.
% 71. De ranggetallen worden gebezigd om den rang,
de plaats aan te geven, welke een wezen bekleedt.
Zij worden van de grondgelallen gevormd dooraanhech-
ling van te bij de gotallen van één tol negentien, en van
fte bij de overige; ein wordt echter tot erjte, brei tot britte,
(tctjt tot ad)te, dus :
ter  er|te,                  ber eiffte (elfte,)
ber  jweire,                ter jroolfte,
ter  britre,                 ter breijebnte,
ber  eierte,                ber sierjebnte,
ber  fiinfte,                ber jroanjigfle,
brr  iesbttt.                ber ein imf jroaiijtglte,
ber  fiebente,              ber trei§ig(te,
ber  ad>te,                  ber bunbertjte,
ber  iteunre,               ber tauienbfte,
ber jehnte,                ber midionfte.
De ranggetallen worden gelijk de bijvoeglijke naam-
woorden verbogen; b. y.
-ocr page 79-
11
TELWOORDEN.
Enkelvoud.
Vrouwelijk.
bie SBicrre,
ter aSierten,
ter SBierten,
tie SBterte,
Manlijk.
N. ter SSierte,
G. beé «Bierren,
D. bem SBierten,
A. ten SSierten,
Onzijdig
lai SSierfe,
bet SSierten,
bein SSierten,
tui SSierre.
Meervoud.
Voor de drie geslachten.
N. bie SBierten,
G. ter SBierten,
D. ten SBierten,
A. bie SBierten.
Zoo ook; Gin SSierfer, eine SSierte, ein SSierteê enz.
Verdeelende telwoorden.
$ 72. De verdeelend» getallen worden gebruikt om aan
te duiden, hoeveel wezens van dezelfde soort tegelijkerlijd
genomen worden. Men vormt ze door je vóór de grondge-
tallen te plaatsen ; b. v. je jroci (of je jroet mib jwei), twee
aan twee.
3c &*"" n» wier. Vier aan vier.
Bij ranggetallen duidt je aan, de hoeveelste telkens
f." nomen wordt; b. v. je ber jctjïttc, telkens de tiende,
eveneens: je ein Sabr um baé attccre. Om hel andere jaar.
Vermenigvuldigende getallen.
§ 73. Om het getal der gelijksoortige dingen aan tcdui-
den, waaruit een geheel beslaat, bezigt men de grond-
getallen, bij welke men dan fad) of faltii) voegt ; deze sa-
menstellingen worden gelijk de bijvoeglijke nnamwoorden
verbogen; b. v. eineeiitfad)c Stntroort, een eenvoudig ant-
uoord.
Sin breifactjeé SSüitbnijJ, een drievoudig verbond.
In plaats van jweifad) kan men ook toppelt gebruiken ;
men maakt daarmede verdubbelende getallen; b. v.
breiboppclt, fcdjêboppdr.
Soorlgelallen.
§ 74. Om aan te duiden, hoeveel soorten er van een
wezen bestaan, voegt men erlei achter de grond getallen ;
deze samenstelling blij ft onveranderd; b.v. breterlei, drieèr~
lei.
3wanjigerlet, twintigerlei. .
-ocr page 80-
1%                                          EERSTE HOOFDSTUK.
Herhalingsgetallen.
% 75. Om uil te drukken, hoe dikwijls iets geschiedt,
voegt mon ma! bijdegrondgelallen ; wil men uitdrukken,
voor de hoeveelste maal iets geschiedt, dan bezigt
men de ranggetallen met SSKal; b. v. tttimul, driemaal;
baé bvitte SBlal, de derde maal.
Deelende gelallen.
§ 76. Om de deelen aan te duiden, waarin eengeheel
verdeeld is, voegt men l achter de ranggeiallen; deze tel-
woorden worden als zelfstandige naamwoorden gebruikt;
b. v rin ïierfel, een vierde (deel); ctu £rittel, een derde
(deel);
jroei giinftcï, twee vijfde deelen.
Hocda n ig/i e idsgelallen.
§ 77. Om hetgelal der jaren uit te drukken, welke ic-
mand lolt, voegt men er achter de grondgelallen ; deze
woorden bezigt men dan veelal als zelfstandige naamwoor-
den; b. v. cm Sldjrjtger, ctu Stcuiiu\'ger, een tachtigjarig,
een negentigjarig man.
Denzclfdcn vorm gebruikt men om het jaar uit te
drukken, waarin iets ontstaan of vervaardigd is; b.v.
SSicr uiib brcijHgrr (fficin), wijn van\'t jaar 34.
Telwoorden van plaats.
g 78- Door aanhechting van né aan do ranggetallen,
vormt men bijwoorden van plaats en rang; b. v. erfreiie
ten eerste, jwettcné, ten tweede, brttteité, ten derde.
Men kan echter ook zeggen «orcrfl, erfrlid), jum er|ï«n,:
jum jweitcn, jum tintten.
Verzamelende telwoorden.
$ 79. Om eene bepaaldo verzameling van wezens van
dezelfde soort uit te drukken, gebruikt men de volgende
zelfstandige naamwoorden:
-ocr page 81-
TE1 WOORDEN.                                                33
e\'m *)>atir, een paar,                       ei» ©diocf, zestig stuks,
fin ©ufeent1, een dozijn,                  ein H&itrM fyunttrt, 25 stuks,
jehn ©tiicf, tien stuks,                   ein balt et .£mnBerr, 5(1 stuk?,
ein TOiintcI, vijftien stuks,             ein flriKeS .©unrerf, 120 stuks,
eine ©ttejje, twintig stuks,               ein jjrojj\'é Xatifent1, 1200 stuks.,
ONBEPAALDE TELWOOttllEN.
De onbepaalde telwoorden drukken het gelul en den
rans der wezens slechts in het algemeen uit.
Zij kunnen zijn:
a)  grondgetallen,
b)  randstallen,
c)  verdeelendo trc-tallen,
d)  vermenigvuldigende getallou,
e)  soortgetallen,
f)  herhalinsrs^etallen,
g)  verzamelende getallen.
Grondgetallm.
$ 80, De grond getallen zijn :
Gin \'irgeub ein), iemand, feitt, geen, etniger, etftcfjer, ttwtb
d)et,
cenige, marnier, menige, alter, alle, gauj, gansch, gr*
nug, genoeg, ctroaê, iets, tüchté, niets, tauter, louter, vief,
veei, roeuig, weinig, ein aerotffer, een zekere, aiiberer, an-
dere, crnxit)iirer, genoemde, fo\'.gcuber, volgende.
i) Wanneer rilt (irgeub ciiOen krill vóór een zelfstandig
naamwoord staan, dan worden zij in het enkelvoud ver-
boijen gelijk hel onbepaald lidwoord. Inliet meervoud
volgt feiit de verbuiging van het bepalend lidwoord.
Staan zij alleen (en dit is liet geval, wanneer wij iemand,
er een, niemand, er neen
bezigend, dan worden zij tot rilirr,
tin// eines; kfiner, keiltf, kfiiies,en volgen dan do ver-
buiging van het bepalend lidwoord; b. v. iet) tvoUte,
fca§ iet) (ginen feitje; id) fche aber Hrtnril. Ik wilde, dat il;
er eenen zau
; ik zie er echter geenen. iüriiirv tcet^, waö
geuticbeii roirb. Niemandiceet, tont en/deuren zal.
2) Grilliger, eiitige,eintgeö; ctïtcfj.\'r,etticf)e, ctlicOeö; ettueldjer,
fru>cla)e, ctrodcfjci?, ettelijke, sommiye, en mauchrr, mandje,
n
-ocr page 82-
Ik                                    TWEEDE HOOFDSTUK.
ntattdjeé, menige, mogen niet voorafgegaan zijn van een
bepalend woord, en volgen dus de sterke verbuiging.
3)  Bij aller, alle, alles, kan niel het lidwoord, maar
wel het aanwijzend voornaamwoord ber, bie, baé, of een
ander voornaamwoord slaan. Wanneer aller voorop
slaat, dan wordt hel meestal tot all verkort, en blijft dan
onveranderd; b.v. all biefer ?arm, aldat gedruisch. Dit ge-
schiedl nltijd vóór een bezillelijk voornaamwoord, dat in
den nominatief of accusatief van het onzijdig enkelvoud
slaat ; b. v. all inein ©elb.
4) (j?anj, <7fl»sc/i, wordt verbogen gelijk een bijvoeglijk
naamwoord ; b. v. baé ganje £)orf, liet gehcele dorp. 9Jïei»
gaitjcé %tvmö$tn,geheelmijn vermogen. Staat ganj zonder
bepalend woord vóór eenen eigennaam van plaats, dan
blijft hel onveranderd ; b. v. ganj sparié.
l)c woorden ein en ber kunnen slechts vóór ganj staan,
niet daarachter.
Ö) (ftemtg, lautfr, etttJaö en nichtö blijven altijd on-
veranderd.
G) 11 iel en tüfnio, worden gelijk de bijvoeglijke naam-
woorden verbogen, wanneer zij dienen om cene hoeveeb
beid van verschillende soorten (een getalbegrip) uit
te drukken. Duiden zij eene hoeveelheid van ééne soort
(een maatbegrip) aan, dan laai men ze in het enkelvoud
onveranderd, behalve in den genitief, die gewoonlijk ver-
bogen wordt; b. v. steler ©mt)l tfl jerbred)Itd». Velesoor-
ten van staal zijn broos. <Sr
tyat »tel ©elb. Hij heeft veel
geld.
De overige onbepaalde grondgelallen worden gelijk de
bijvoeglijke naamwoorden verbogen.
§ 81. De rangschikkende onbepaalde telwoorden
zijn :
2) er lefcte, de laatste, ber vorle&te, de voorlaatste, ber
brittlc(3te, ber mertlegteenz., ber tyitttere, ber tyinterfte, deach-
terste,
ber borbere, ber ttorberfte, de voorste, welke als bij-
voeglijke naamwoorden verbogen worden.
Onveranderlijk zijn (de bijwoorden): juerjt, inden
beginne, vooreerst,
bemimcfylt, daarop, vervolgens, julefct,
ten laatste.
-ocr page 83-
TELWOORDEN.                                                  75
Van de onveranderlijke bij woorden ferncr, verder, lucifer,
wijders, enblich, eindelijk, fcbliegltd), ten slotte, vormt men
(door aanhechting der gewone uitgangen) bijvoeglijke
naamwoorden, die eenen rang uitdrukken.
g 82. Het verdeelende telwoord jeber, jebe, jebcé,
ieder, volgt de sterke verbuiging ; is het voorafgegaan
van ein, dan volgt het de gemengde
In plaats van jeber bezigt men ook jcgltdjerof jcbiveber.
De vermenigvuldigende telwoorden zijn:
S3ielfad), uiclfaltia,, veelvuldig, ntctyrfad), meervoudig,
manmcf)facri, menigvuldig.
Zij worden als bijvoeglijke naamwoorden verbogen.
De soortgetallen zijn:
SDïand)erlci, menigerlei, allerlei, allerlei, öielcrlci, velerlei,
enz., die onveranderd blijven.
De herhalende getallen zijn :
9Dïand)tnaf, menigmaal, «ielmaté, dikioijls, mebrmalé,
meermaals, feiten, zelden, bauftg, herhaaldelijk, öfter, dik-
wijls,
enz.
Van mattcfymaf, uielinnlé en nteljrnialé vormt men bij-
voeglijke naamwoorden op malig; van de overige vormt
men ze door aanhechting der gewone uitgangen.
Deverzamelendeonbepaalde telwoorden zijn: gefnmmt,
gezamenlijk, dal altijd vaneen bepalend woord moet voor-
afgegaan zijn, ongelijk een bijvoeglijk naamwoord
verbogen wordt, benevens j&mnttlid), dat onverbogen
blijft als het alléén staat, en gelijk een bijvoeglijk
naamwoord
verandert, wanneer het vóór een zelfslan-
dig naamwoord geplaatst is.
Aanmerking.
Ennige telwoorden en voornaamwoorden kunnen
voorafgegaan worden van het bepalend lidwoord ber,
bie, baê, andere niet. De telwoorden en voornaaam-
woorden, welke het bepalend lidwoord vóór zich dul-
den, worden gelijk een gewoon bijvoeglijk naamwoord
verbogen , zoo dikwijls als zij van dat lidwoord of
van een ander bepalend woord voorafgegaan zijn ; b- v.
-ocr page 84-
76                             TWEEDE HOOFDSTUK.
N. b.tteiefe ©.•(£>,                            mein »ieleS @elc,
(i. feê »ipleit @5eiteé, enz.                  metneé cielen ©elceé, enz.
N. t>ei•iiirtere grftinf,                      metn ancerer greunfc,
U. fceédiOercn greuntf*, enz.             nnineé antettn grfiutPeé, enz.
De telwoorden en voornaamwoorden, welke niet van het
bepalend lidwoord kunnen voorafgegaan zijn, behouden
hunne gewone verbuiging zelfs dan, wanneer een ander
bepalo id woord voorafgaat ; b. v.
N. \'aller biefer 9Berbru§,                   tfefer mein greiutC1,
G. alle* tiei\'cé Serrruffct,                 tiefeé meineè jsremtreê,
1). adem ttefem 3?erfriiffe,                cieiï\'in meinem greimre,
A. alten biefen SBerbruf.                  biefen meun-u greuub.
Utzoiideriwi. Cic^r en jegftcher kunnen niet vooraf-
gegaan zijn van hei bepalend lidwoord, maar volgen toch
de gemengde verbuiging, wanneer zij voorafgegaan zijn
van cin.
©elcljer volgt ook de gemengde verbuiging na cin en
feil!.
OPSTELLEN.
58.$ 70;.
&ie<Stabt?onboit jal)lt 1) mchr a(ê jcbntauVnb ©tragen 2),
ftinflmnbcrt .fiirdjen, jiveimal huiiberttaiiicnb J^aufcr imb j\\»et
Wiifioiictt Siinvobner 3). ÜBeint man 4) ad)t$chn »on jit>ait*
jicj abjicht 5), fo 6) balt 7) man jvoci itbrig 8 . (£in 3Rann, (Sin
3Ï?o\'. t. \'iiur baben jivct nircrer greunbe ermartct 9)/ bod) mir
rincr iir gefommeii. SSotl ffincii jwei Söiicbcrn l)at er eine$:
«crlercn. (Sr bat fciu eincö ^ferb öcrfanfr, 10), imb fetn atibe*
reg 1 i) verfebruft 12). SKeiit ciner 93rnbcr iiï jclm 3al)re
<dtl3)-, bcr anbere fnnfjrbn. 2>aé i^mibcrt Sier fo|tct 14)
eiiien £balcr 18), 3" nnferer Scbnle 16) ftiib fedjèjig imb
ciitigc Schuier 17) siS3te »icl Uhr 18) ift eé ? (5ó i\\ï Ijalb fiinf;
brei Siertel aiif fedié; cin SSicrtel auf jïeben.
]) Telt, 2) Me Smifje, de straat, 3) inwoner, 4) wanneer men, 5)
aftrekt. 6) .lan, 1) liouJt, 8) over, 9) verwacht, 10) verkocht, 11) an«
der, 1-) wcgsrtjjfcvea, 18) oud, 14) kost, 15) daalder, 16) school,
17) leerling, 18) hoc laat. -
-ocr page 85-
TELWOORDEN.                                              77
59.
Wij lellen 1) thans 2) bef jaar achtüenhonderd vier en
zeventig De koning heeft een leger 3) van 4) lwcehon-
derd duizend man 5). Slechts ti i ééne zaak is ons no»dzake-
lijk 7) ;deliefdoGods. Twee zijn (er) pernepen geworden 8),
en slechts één is (er) gekomen 9). Van zijne drie paarden
heeft dij (er) slechts één over. De eenen willen dit, de an-
deren dat. De oorlog 10) heeft bijna zes maanden 11 )ge-
duurd 12 .De officier 13) heeft honderd twintig tot honderd
vijftig soldaten bij zich 14). Hoe laat was 15) het ? Het
was half zeven ; kwartier over achten ; negen uren ; twintig
minuten I6)vóórlwaalf Hoelang 17) heeft dat geduurd 18)?
Bijna drie uren. liet is on.eveer twee uren ver 19).
11 SJI\'len, 2)j>\'fct< 31 l)W. o. 4) «jou, 5) ÜRann. onveranderd, 6) uur,
7) iiotbroentifl, 8) flenifen irorfen 9. gePommcii 10) Jtrieg, m. 111 9JJo*
«at, in. 12) geMtierf, 13) Offijier, in. 14; fid), 15; roar, 16; ÜJiinute,
v. 17) rcie lange, 18; getauert, 19; roeit.
60. (SS 71—76.)
30tr fcC>rcibcit 1) bctitc2i ben fünf unb jnxtnjtgften ?D?at3).
ftaben Sie bte cvfrru grïtdge 4) biefer öaiime gcfeljcn ?
5>?cin jwciter Söntbrr tjt mir bcm wierren 3"ge S) abgereifr.
£ie Sïegienuig 6; Siavïé 7) teê güiiften banerre 8> öierjtg
Qahre. 5ütr tmtffen 9) je fünf neljmen 10), foitjl 11) bleibt 1 "2)
bcr jwaiijigfle übrig. 3e baé üierte 3abr b"6t!3) ©dwfts
jal>r 14). lirrbat mir cine »ierfacf)e Stntroort 15 gegeben. SBel*
d)er Unterfrt)icb 16) bcltctg 17) jit>tfrf)en fünffad) iiub fünf*
toppett ? ér hatfict) breigigertei SBIumen gefauft ? ©ir babeit
rê jvoeimal werfttdg 18), roeü 19) eé mie baê rrfte Wat nidjt
geliuigen roar. 3?bn 3roblftef unb jroei 3roiMfrcl macfjen eiii
®an$e$ 20). Unfer erfier ©ebanfe2i) fei 22) ber ©ebanfean
©ott.
1) Schrijven, 2) heden, 3) Mei, 4) bte gruebt, de vrucht, 5) ter 3U8.
de trein, 6; regeering, 7; Jtarl, Karel,8; duurde, 9) moeten, 10) nemen,
11) anders, 12) blijft. 13) heet, 14) schrikkeljaar, 15) fcie Sltifrcort,
het antwoord, 16) ter ltnterf(t)(ef, het onderscheid, 17; bestuit. IS;
geprobeerd, 19) dewijl, 2u) geheel, 21) 6er ©etanfe, de gedacht*,
22) zij.
-ocr page 86-
78
TWEEDE HOOFDSTUK.
ei.
De Mei is de vijfde maand des jaars. In een schrikkel-
iaar 1) wordt 2) de negen en twintigste Februari 3) inge-
lascht 4). Mijn derde zoon, zeide 5) hij, is vlijtiger, dan
mijn eerste en mijn tweede Er kwamen 6) (er Jelkens drie,
en telkens dederde droeg 7) een geschenk. Deze planten heb*
ben drievoudige bladeren 8). Hier hebt gij vijfderlei wijn en
tweeërlei spijzen 9). Is het waar 10), dat eenmael geen-
maal is? Den eersten keer is het hem niet gelukt; den vijf-
den keer was hij gelukkiger. Hebben wij twee vijfden
en vijftienden? Eene driedubbele deur verhinderde H)
den dief 12) verder te gaan 13 j. Men kan li) niet twee
heeren dienen zonder 15) deneenen te vernalatigen 16).
Hij heeft den oersten keer het proces 17) verloren.
1) Datief, 2\'i roirb, 3) gebruar, 4) eitii)efd)Ot>en, ein.<iefd)itltet, 5) f.ig»
te, 6)eê fameii, 7) trug, 8) QStarr, o. 9)©pei|\'e, v. 10) róaljr, 11) eerbin*
terte, 12) Dief), m. 13) roetter ju geljen, 14) fann, 15) oljne, 16) oer»
nadjtaffigen, 17) <Projefi, m.
62. (§§77—79).
£etn Sater ift fin ©tebjiger unb ber metnige ift etn 3lcf)t*
jiger. S5er uier unb bretgtger ïöein war beffer ali ber ad)t unb
eierjiger. 3d) tbue l)eé ntdjt; erftenê, wdl id) eéfd)onjebn*
mal »er(ud)t 2) babe; jweitené tuetl id) etn günftel metneé SScr*
mögené 3) öerloren babe. 5Ctr baben jroei tyaax @d)ul)c 4),
etn ïmfcenb ïöffel 5), jetjn Stücf 9Welonen, 6), eine ©ttege
Slepfcl unb ein Aanbel Sinten auf bcm ÜWarftc gefauff.
£>as e.diocf ©ter foflet betnatje einen Sltjaler. Diefer $auf*
mamt bat etn grofleë SCaufenb gdjafe tterfauft, unb babet
bunbert unb fünfjig ©nlben 7) gewonnen. Sr bat ben adhten
£beil 8) feineê SBermögené öerloren.
1) Doe, 2) geprobeerd, 3) tat «Bermö^en, het vermogen, 4) ter
©d)ub, \'Ie schoen, 5) ber Söffel, de lepel, 6) tie OTelone, de meloen,
7) ber GhiISen, de gulden, 8; ter ïfteit, het gedeelte.
-ocr page 87-
TELWOORDEN.                                            79
63.
Hij heoft een derde van zijnen twee en zeventiger ver-
kocht, en daarbij tienduizend daalders gewonnen. Een
tachtiger heeft gewoonlijk 1) niet meer de kracht 2) van
eenen dertiger of eenen veertiger. Wij zullen 3) telkens
den tienden dig komen ; ten eerste, omdat gij dan 4) te
huis S)zijt; ten tweede, dewijl wij daardoor een tiende der
onkosten 6) sparen 7). Hij kwam 8) en ving 9) één, twee,
drie, een dozijn vogels. Hebt gij de twee boeken nog,
van 10) welke gij mij gesproken hebt ? Neen, ik heb er
slechts één meer. Wat ik denk 11 , dat weet 12) (er)
slechts één. Honderden keeren hebben wij hem gewaar-
schuwd 13), en nooit 14) heeft hij ons gehoorzaamd 15).
De rechtvaardigsten 16) zullen bij God de eersten zijn.
1) ©eroijbnlidt, 2)£raft, v. 3) roo\'len, 4) bami, 5) ju fiaiife, 6) tin*
Foften, 7) erfparen, 8) tam, 9) fiiw, 10) ron, 11) lente, 12; meif, 13) ge»
wamt, 14) nie, 15) geljovdjt, 16) gerecht.
64. ($ 80.)
jtettter ber 9J?enfd)ett wetg 1), roatttt 2) er fferbett rcirb 3).
£er ©djüler, bctt ber ?eljrer 4) fetiter £ragbett 3) bcfdntl*
bigt 6), tft bie grettbe 7) fciner (Slteut. £aft tu fetit SSttd) fiir
mict) ? 9iettt, icf) t)abe fctiteé. 5E)iand)cr ïlrme, ber alter4>ülfe ent*
blöfjt 8) ijl, beffen ganjeé Bermögeit ut eintgett bleibent 9)
beftebt 10), tft iinglitdlid). 2ll(eë, rcaé it>ir befifjen 11),
baben «ir tton ©ettenipfatigeii. Mntcitte greuube babcit mtd)
öerlaffen 12), fagte er, ba 13) td) alt meute ©titer 14) »cr-
loren tyabe. éè foftet IS) nid)t »icl SDltibe 16), red)t fïeiptg
ju feitt, roemt 17) man uur viel gitten SBitleit 181 bat. (Sin
Slnberer t)at atle^retfe 19) erbaltctt 20), btt b,afl sJiid)té be-
fontmett 21).X)aé ïcben, wie 2*2) ettt geroiffcr Did)tcr fagt, tft
uur ein Strautn 23).Spat erroatyttter £)id)ter 9ïcd)t 24) ober
ntd)t?
J) Weet, 2) wanneer, 3) zal, 4) leeraar, 5) t>ie Irögljeit, de luiheid,
6) beschuldigt, 7) vreugde, 8) ontbloot, 9) lat JtletP, liet kleed, lü) be-
staat, 11) bezitten, 12; verlaten, 18) nu, 14) tiai ty«t, het goed, 15)
kost, 16) cie "Jüiütje, de moeite, 17) indien, 18) ter 2Bille, de wil, 19) ter
•Prei*, de prijs, 20) ontvangen, 21) gekregen, 22) zooals, 23) ter
ïraum, de droom, 24) gelijk.
-ocr page 88-
r,o
TWEEDE HOOFDSTUK.
Hebt pij geene plank 1) voor 2) mij ? Neen, ik heb (er)
geene. Wanneer iemand 3) niet weet, wal aanvangen 4).
dan E»;is liij dikwijls door een eenvoudig middel 6) uil de
verlegenheid Ie redden 7). Hebben alle insecten koud 8)
bloi d 9)? iüj woel niet, wat. hij met al zijne rijkdommen
10 zal aanvangen 11). Wij moeien 12) allen eens 13)
Kierven 14 , en dun 15) zal !G)al on< geld ons niet kunnen
helpen 17). Velen zijn reeds 18) door liet zwaard 19) ge-
vallen 20), maar 21) nog een groolcr aantal 22) door de
tong 23) Wij hebben veel goed bier, maar weinig goeden
wijn gedronken 24). Niemand 2.fi) in de gansclie stad weet
iets daarvan. Aan Gods zegen 26) is alles gelegen.
1 2<;ril. o fe i fiir,:! pin, 11 Olifanten, 5) fo, 0) Wittcl, o. 7) reften,
8 fali, PJ Sfluf, o. 10) JWoicbihum, m. 11) atifanjicn feil, 12) miitïen,
13j rinP, Miflrrrfit\', 15 faun, 0) mrt, 171 helfen fcnuen, 18i feben,
lii Gdncrf, o. 20) rtff.illfll, 21) ,U>rr, 22) jjabl, v. 23) Bunge, y.
24)
gftiiinfrn 25)fem, 2C)©eflen,m.
6«. [%% 81 en 82.)
35?cr bcim ?lngviffc 1) bcr lc£te ift, bcr n?trb bcim Dïiicf*
gugc 2) ter erfte fetn. ïnc üorbcrftcn Dïeihcn 3) macben 4)
beu crflen Sliigrtff. ïcr luntrrc £bci( 5 . bc* ©ebftubeö i|t alt.
©jidic C) micrft (Scttrè\'JBJiUcn 511 fciuirn unb 511 DoKbringeu 7),
fo braiidift 8) rti Icinc weitere ©ovgc 9) ju haben. ÜWan
muf; 10) jrtcii £iig gilt gcbrandicii 11). Th fottjl 12) bid)
iiid\'t jcbivcbem \'TOcnfdwtanvertraueu 15),fonftnMr|tbu mand)*
mal bftrogen 14) ivcrbcn. (ïiu jVglidjcr fcRte nuffen 15),n)eran
rö ibm ani mciftcn mangelt 10). Sammtlicbc (ëd)ülcr macbiit
I iuiftjjc Spiijtcrgaiigc 17). ï^efe mciuc gutrit grcimbc l)abcn\'
immer cüicin jfbciibaéSeinigc gegebcn. llnfcre vucnigcn itad)=
lafïïgcn 18 1 ©riuïlcv werben baib 19) bic wielen guten 23ei*
i^idc 20) iljvcv flcifugcii 9Rttfci)ü(cr 21) uad)<ü)men 22).
1) £er Slitgriff, de aanv.il, 2) ter Stücfuig, de terugtocht, 3) fcte
JTÏcihc, Je rij. 4j maken, 5) gedeelte, ti) zoek, 7) volbrengen, 8) dan
belioolt. 9) zur^r, 10) moet, 11) gebruiken, 12\'moet,13) toevertrou-
v.en. 14l bedrogen, 15) behoorde te weten. 16) ontbreekt, 15) t>er
eMiicrj)>!ita. de wandeling. 18) nalatig, 19) weldra, 20) lai SBcifpiei,
bet voorbeeld, 21) medeleerling, 22) navolgen.
-ocr page 89-
TELWOORDEN.                                       81
67.
Vooreerst kwamen 1)de ruiters 2), daaroo hel voet-
volk 3), en ten laalstekwam 4) de koning zelf. De laatsten
zullen 5) de eersten zijn. God beloont 6) iedereen, die aan
zijnen evenmensch 7) goede voorbeelden geeft 8). Een
jongeling denkt dikwijls niet aan 91 de verdere gevolgen 10)
zijner handelingen 14). De gezamenlijke burgers 12) dezer
stad 13) hebben herhaalde samenkomsten 14). Do pauw 15)
en do raaf 16) zijn fjeene zeldzame vogels. Hebt gij
uw ander bruin paard verkocht ? Deze vlijtige leerling
heeft de liefde en do achting 17) van alle andere vlijtige
leerlingin verworven 18). Onze weinige goede vrienden
zijn allen mannen, welke dien naam 19) verdienen. Do
vorderingen van dezen uwen oudsten zoon zijn grooter,
dan die van al mijne andere leerlingen. Hetis de plicht 20)
van iederen verslandigen 21) mensch, voor 22) bet heil
zijner ziel te zorgen 23).
1) Jtamen, 2) Oïeiter. m. 3) gufj»olf, o. 4) fam, 5) merten, 6) 6e--
loljnr, 7) ter 9?iï*fte, 8) f)if>f,\'9) on met den accusatief. 10)3otge, v.
11) j&anbfiinfl, v. !2)Q?ür\')ier/ m. 13) ©taM, v. 141 3nfammenfunft. v.;
meerv.-fiinfle, 15) tofail. m. 16) ÜUbe. m. 17)2léMn<) v IX; erroor»
ten, 19) %Jine, ra. 20) ^iltdjt, v. 21) eernüiiftig, 22) für, 23; ju
lorgen.
es.
Herhaling.
Schiller stierf 1) in 2) bet jaar 1805, enGoelhe in 1832.
Mijn eene broeder is twintig jaren oud, en mijn andere zes-
tien. Slechts één in 2) dogansche stad weet 3 >, waartoe 4)
al dat gedruisch 5) dienen moet G). Honderden keeren heb
ik aan deze twee mannengezegd 7), dat ieder brave 8) man
voor 9) de zijnen zorgt 10). Ik heb u gezegd, dat gij om
kwartier vóór tienen zoudt komen 11), en gij komt eerst
om kwartier over twaalf. God schiep 12) de wereld 13) in 2)
zes dagen : den eersten dag schiep hij belicht; den laatslen
dag schiep hij den mensch. Hij is telkens den vierden dag
ziek 14) : ik geloof 15), dat zijne veelvuldige bezigheden
-ocr page 90-
82
TWEEDE HOOFDSTUK.
16) zijne gezondheid 17) benadeelen 18). Geef aan den
arme rijkelijk 19) van 20) het uwe : God zal 21) het u
tiendubbel teruggeven 22).
1) <Starb,2) in met den datief, 3) wei|j, 4) rooju, 5) Scirm, m. 6) fo((,
7) «ffagt, 8) brat. 9) für, 10) forgt, II) rommen folIte|ï, 12) ffcuf,
13) 2Beli, v. 14) franf, 15) glaube, lö) <8efd)aftigung, v. 17)0e|unt>-
Ijeit. in den datief, 18) fdja&en, 19) reidjlid), 20; cdu, 21) nivb, 22)
wietergeben.
69.
De mensch heeft met drieërlei vijanden te kampen 1) :
meteen weinig goeden wil kan 2) hij ze gemakkelijk 3)
overwinnen 4). Een vierde en twee vijfden maken 5) der-
tien twiniigsten. Onze knecht heeft een dozijn kippen 6),
vijftien stuks appelen,zestig stuks noten en honderd twintig
stuks eieren gekocht. Meendet gij 7), dat 8) iemand u iets
voor niets zou geven 8)? Zoo 9) dwaas 10) is niemand.
De roem van dezen grooten veldheer heeft zich door gansch
het land verspreid 11). Wanneer 12) iemand veel, zeer
veelgeleerdl3)heeft,danl4)zieti5) hijhetduidelijkst 16)
in 17), dat hij nog 18) weinig, zeer weinig kent 19). lleefl
hij de laatste of de voorlaatste bladzijde 10) geleerd \'i Wie
in 21) zijn twintigste jaar niet veel geleerd heeft, zal in
zijn veertigste zeer weinig weten 22).
1) jtampfen, 2) faun, 3) teictjt, 4) befïegen, 5) ma dien, 6) j&tlbn, o.
7) meintüfl C», 8)6a§ — göue, 9i fo, 10) t()6ri*f, 11) vevbvtitet, 12.)
menu, 13; gelernt, 14; fo, 15) fïeljt, 16) teutltct), 17; ein, 18) nod), nur,
19; roeip, 20; ©eite, v. 21) in met den datief, 22) roiften.
WERKWOOIWEI, JeittDin-fcr.
§ 83. De werkwoorden drukken het bestaan, de han-
deling of den toestand der wezens uit.
De werkwoorden worden verdeeld:
1) Ten opzichte hunner beteekenis, in :
a) bedrijvende of overgankelijke, b lijdende,
c) onzijdige of onovergankelijke, d) wederkee-
rende, u) onpersoonlijke.
-ocr page 91-
WERKWOORDEN.                                  83
2) Ten opzichte hunner vervoeging, in gelijkvloei-
ende
(zwakke vervoeging>, ongelijkvloeiende vsterke
vervoeging) en onregelmatige.
Buitendien heeft men, evenals in het Nederlandsch,
hulpwerkwoorden.
Vervoeging der werkwoorden.
$ 84. In ieder werkwoord onderscheidt men den stam
enden uitgang.
Destam wordt gevonden door weglating van den uitgang
cit der onbepaalde wijs ; b. v. brcct)en, stam 6recf); (pielen,
stam fptel.
In het algemeen worden de werkwoorden in het Hoog*
duitsch vervoegd gelijk in het Nederlandsch ; men heeft
dus dezelfde wijzen, tijden, personen en getallen.
De regelmatige werkwoorden zijn gelijkvloeiend, of
volgen de zwakke vervoeging, wanneer zij de verschil*
lende wijzen, tijden, personen en getallen slechts door hun-
nen uitgang doen kennen.
Zij zijn ongelijkvloeiend. of volgen do sterke ver-
voeging, wanneer zij de velschillende wijzen, tijden, enz.
niet alleen door hunnen uitgang, maar ook door de
verandering vanden stamklinker doen kennen.
Alle werkwoorden vervoegt men in dezelfde tijden,
als in het Nederlandsch, met behulp van de werkwoorden
haben, hebben, fein, zijn, werfcen, worden (zullen).
Deze werkwoorden kunnen ook op zich zelven slaan,
en dan heeft l)ct6cn de beteekenis v;\\n bezitten, feilt die van
bestaan, en roerben die van ontstaan.
85.         Vervoeging der hulpwerkwoorden.
i. Üjabcn, hebben.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                             Verleden tijd.
Ijaben, hebben.                              flcbitbt bitten, gehad hebben.
Deelwoorden.
TEGENWOORDIG DEELWOORD.                                       VERLEDEN DEELWOORD.
b\'ibent, hebbende.                                                flebabt, gehad.
j (Is alleen gebruikelijk in samen-
gestelde woorden; b. v. WOhl»
Ijitbenö, welhebbjnd enz)
-ocr page 92-
Si                             TWEEDE HOOFDSTUK.
- Aanloonende wijs
Tegenwoordige tijd.                      Volmaakt verleden tijd.
id) babr gebabt, ik heb gehad.
tn haft gebabt,
er bat gebabt,
«•ir baben gebabt,
il>r lubt gebabt,
(ie baben gebabt.
Meer dan volm. verl. tijd.
id) batte gebabt, ik had gehad.
btt lui!ti\'|i gebabt,
er batte gebabt,
roir batten gebabt,
ihr battet gebabt,
(te batten gebabt.
Tweede toekomende tijd.
id) roerbe gebabt fjaben. ik zal ge-
had hebben,
bu rotïft gebabt baben,
er roirb gebabt baben,
roir roerben gebabt baben,
ibr roerbet gebabt baben,
fie merben gebabt baben.
3d) habe, ik heb.
til boft,
er bat
roir baben,
ihr babt,
(ïc fjalrn.
Onvolmaakt verleden tijd.
id) batte, ik had.
ru baileft,
er batte,
roir batten,
il>r hattef,
fie (jarrcn.
Eebste toekomende tijd.
id) nette baten, ik zal hebben.
frU ll\'trü iMl-fll,
er roifb baben,
roir roerben baben,
i.br roerbet baten,
(te roereen baben.
Voorwaardelijke wijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verleden tijd.
id) roiirf e baben, ik zou hebben.
feu roiirf eft baben,
er roürbe baben,
mir miirben baben,
ibr roürbet baben,.
fie roürben baben.
id) roiirbe gebabt baben, ik zou ge-
had hebben,
buroürbelt gebabt baben,
er roürbe gebabt baben,
roir miirben gebabt baben,
ibr roürbet gebabt baben,
fie miirben gebabt baben.
ICij voegende wijs.
Tegenwoordige tijd.
id) habe, dat ik hebbc.
buljabefi,
er babe,
roir baben,
ibr babet,
fie baben
Volmaakt verleden tijd
id) babe gebabt, dat ik
gehad
hebbe.
bu habefi gebabt,
er babe gebabt,
mir baben gebabt,
ibr babet gebabt,
(Ie baben gebabt.
-ocr page 93-
WERKWOORDEN.                                      88
Onvolmaakt verleden tijd.            Meer dan volm. verl. tijd.
id) batte, dat ik hadde.                 id> batte gebabt, dat ik gehad
hadde.
Mi bdtteft,                                    : hu bötteft gebabt,
er batte,                                            er batte gebabt,
roir batten,                                      mir haften gebabt,
ihr bdttet,                                       \' ibr bcittet gebabt,
(ie batten.                                         (te batten gebabt.
Eerste toekomende tijd.                 Tweede toekomende tijd.
id) roerbe baben, dat ik zal hebben.td) reerbe gebabt baben, dat ik zal
gehad hebben.
tu tr-erbeft baben,
                            bu werbeft gehabt baben,
er rcerbe baben,                               er ir-erbe gebabt baben.
rcir roeiben baben,                           rcir roei ben gehabt baben,
ibr mei bet baben,                              ihr roereet gebabt baben,
fie roereen baben.                             (ie roerten gebabt baben.
Gebiedende wijs.
babe, heb.
babe er (ft"e, eê), hij hebbe,
baben roir, hebben wij,
babet, hebt
baben (ie, zij hebben.
Aanmerking. De onvolmaakt en de meer dan volmaakt verleden
tijd van de bijvoegende wijze worden ook gebruikt als tegenwoordige
en verleden tijd van de voorwaardelijke wijs.
2. Sein, zijn.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                            Verleden tijd.
fein, zijn.                               .          geroefen fein, geweest zijn.
Deelwoorden.
Tegenwoordig deelwoord.                  Verleden deelwoord. :
roefenb (wordt slechts gebruikt in           gercefen, geweest,
anroejenb, aanwezig, abroefenb,                                                        \'
afwezig),                 ...
-ocr page 94-
TWEEDE HOOFDSTUK.
Aantoonende wijs.
Tegenwoordige tijd.                   Volmaakt verleden tijd.
i* tin, ik ben.
fcu fei|t,
er ift,
roir fïnfc,
iljr feib.
fie (int.
Onvolmaakt verleden tijd.
i* ïv ir, ik was,
fcu roarft,
er mar,
ivir maren,
ibr nurr,
(Ie maren
Eerste toekomende tijd.
i(J) merte fein, ik zal zijo.
fcu roirft fein,
er roirb fein,
roir roerben fein,
ibr roerbet fein,
fie roerfcen fein.
id) fein gemefen, ik ben geweest.
fcu bift gemefen,
er ift gemeten,
roir fint gemefen,
ibr feifc gemefen,
fie finb gemefen.
Meer dan volm. verl. tijd.
id) mar gemefen, ik was geweest.
fcu marft gemefen,
er mar gemefen,
mir maren gemefen.
ibr mart gemefen,
fie maren gemefen.
Tweede toekomende tijd.
ia) merfee gemefen fein, ik zal ge-
weest zijn.
fcu mirft gemefen fein,
er rcirb gemefen fein,
mir merten gemefen fein,
ibr merbet gemefen fein,
fie merten gemefen fein.
Voorwaardelijke wijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verleden tijd.
ld) mürbe fein, ik zou zijn.            id) mürte gemefen fein, ik zou ge.
weest zijn.
fcu rcürfceft fein,
er mürte fein,
mir rcürten fein,
ibr rcfirtet fein,
fie mürben fein.
fcu miufceft gemefen fein,
er mürte gemefen fein,
roir mürben gemefen fein,
ibr mürtet gemefen fein,
fie mürben gemefen fein
Bijvoegende wijs.
Tegenwoordige tijd.
Volmaakt verleden tijd.
id) fei gemefen. dat ik geweest zij
fcu feieft gemefen,
er fei gemefen,
mir feien gemefen,
ibr feiet geroefen,
fie feien gemefen.
id) fei, dat ik zij.
fcu t\'eieft,
er fei,
roir feien,
ibr feief,
fie feien
-ocr page 95-
WERKWOORDEN.                                      87
Onvolmaakt verleden tijd.
Meer dan volu. verl. tijd.
id) re are geroefen, dat ik geweest
ware.
tu redrefi geroefen,
er rodre geroefen,
roir rodren geroefen,
ibr rodiet geroefen,
ffe rodren geroefen.
Tweede toekomende tijd.
id) roerte geroefen fein, dat ik zal
geweest zijn.
bu roerfcefr geroeien fein,
er reerbe geweien fein,
roir roorten gereefen fein,
il>r reertet gereefen fein,
fie roerten geroefen fein.
id) ware, dat ik ware.
tu rcareft,
er rodre,
roir rodren,
i(>r wdrer,
(Ie rodren.
Eerste toekomende tijd.
id) roerte fein, dat ik zal zijn.
tu roerteft fein,
er roerte fein,
rcir roerten fein,
ifjr roertet fein,
fie roerten fein.
Gebiedende wijs.
lei, wees, zij.
fei er, (fie, e*,) hij zij,
feien roir, zijn wij, laten wij zijn,
feit, zijt,
feien fie, datzijz:jn.
Aanmerking. De onvolmaakt verleden tijd van de bijvoegende wijs
kan ook in plaats van den tegenwoordigen tijd der voorwaarilcl jke
wijs gebruikt worden ; de meer dan volmaakt verleden tijd in plaats
van den verleden tijd der voorwaardelijke wijs.
3. tt)eri>eil, worden.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                           Verleden tijd.
roerten, worden,                           (ge)roorten fein, geworden zijn.
Deelwoorden.
•
Tegenwoordig deelwoord.                Verleden deelwoord.
roerbenb, wordende.                  • (ge) rotrten, geworden.
-ocr page 96-
88                             TWEEDE HOOFDSTUK.
Annloonende «ijs.
Tegenwoordige tijd.                   Volmaakt verleden tijd.
icbwerde, ik word.
du ro rft,
er roird,
roir roerden,
ibr roerdet,
(ï? roerren
Onvolmaakt verleden tijd.
id) rourde, (of roard), ik werd.
du rourdefr, (of roarfcft),
errourde (of roard),
roir minden,
ibr ipurfei,
(ïe rourden.
Eehste toekomende tud.
id) roerde roerden, ik zal worden.
du roirfi roerden.,
er ro re roerden,
roir roerden weiden,
i\'t roeide! meeden,
fie roerden roerden.
id) btn ge roorren.ik beu geworden.
du bift (gei reorden,
rr ifr (ge) morden,
reir fint» (3e; rooiden,
ibr feid (gei morren,
fie fine (ge) rooiden.
Meer dan volm. vkrl. tijd.
id)roar ge, morden, ik was ge worden.
du roanr(ge) morden,
er mar (ge) morden.
roir maren (ge) morden,
ibr roaret (*je) morden,
(ïe maren (ge) morden.
Tweede toekomende tijd.
id) roerde (ge) morten fein. ik zal
geworden zijn.
tui mint ($e) morden fein,
er roird (ge) morden fein,
mir meiden (jje) morden fein,
ibr merdel (ge; morren fein,
fïe me. den (ge; morden fein.
Voorwaardelijke «ijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verleden tijd.
ji) roüede ro.rden, ik zoa wjrjjn.id) rttarb.\'(je) morde.1 fein, ik zon
geworden zijn.
dn rourdefr <$e) morden fein,
er roürre (ge) norren fein.
roir roitrren <\\o morden f. in,
ibr roürdet 1 ge morren fein,
fie miirden (ge) morden fein.
\\
Bijvoegende wijs.
VOLMAAKI VERLEDEN TIJD.
id) f ei (e,e) morden, dat ik geworden
zij.
du feieft (ge) morden,
er fei (ge morden,
roir feien (ge) morden,
ibr feiet ige> morden,
fie feien (ge) morden.
Tegenwoordige tijd.
id) merde, dat ik worde.
du roerde!!,
er merde,
roir m.rden,
ihr roerdel,
fie morden.
-ocr page 97-
WERKWOORDEN.                                  &i
Meer dan volm. verl. tijd .
id) roare (ge) roorten, dat ik go-
worden ware.
tn roareft (ge roorten,
er roare (ge) roorten,
roir roaren (ie) roorten,
ïf>r roaret (gei roorten,
(ie ro.iren (ie) roorten.
Tweede toekomende tijd.
id) roerte (ge) roorten fein, dat ik
zal geworden ziju.
tu roertejl (ge, roorten fein,
er roerte (ge) roorten fein,
roir roerten g •) roorten fein,
iljr roertet (gei roorten fein,
fie roerten (ge) roorten fein.
Onvolmaakt verleden tijd.
id) roürfce, dat ik wcrJ.
tu roürtefï,
er roürte,
roir roürten,
il»r roürte\',
jïe roürten.
Eerste toekomende tijd.
id) roerte roerten, dat ik zal wor-
den.
tu roerteft roerten,
er roerte roerten,
roir roerten roer ten,
ibr roertet roerten,
(ïe roerten roereen.
Gebiedende wijs.
roerte, word,
roerte er (ile, eê), liij worde,
roerten roir, worden wij,
roertet, wordt,
roerten fie, dat zij worden.
Aanmerking. 1. De onvolmaakt verleden tijd van de aantoonëndc
wijs is roarb, wanneer daarbij een zelfstandig1 naamwoord of een
bijvoeglijk naamwoord staat; b. v. er roart tö\'onig, er roart gro§.
Hij een deelwoord bezigt men ronrte, b. v. er roiirte gelieot. Men
vindt soms roarb bij een deelwoord.
Aanmerking. 2. Het verleden deelwoord van roerten is geroorten,
vanneer daarbij een zelfstandig" naamwoord of bijvoeglijk naam-
woord staat; b. v. er ift jtdlttg, er ij) grojj geroorten. Als hulp\\verk-
woord b!j een verleden deelwoord heeft het roorten ; b. v. er ijl ge»
lieot roorten
Gel ijkvloeiende (zwakke) vervoeging.
% 86. 1) De werkwoorden, die do zwakke vervoeging
volgen, behouden hunnen stam onveranderd en duiden
de verschillende personen slechts door hunne uitgangen
aan ; alle lijden worden bijgevolg gevormd van den zuive-
ren stam door aanhechting der pcrsoonsnilpangen ; deze
uiju:
-ocr page 98-
90                                  TWEEDE HOOFDSTUK.
Enkelvoud. W\' pers. — e,
2de » — efr,
Sa» » — e,
Meervoud. l\',e » — en,
2dc » _ et,
3a« » - en.
2) De derde persoon enkelvoud vanden tegenwoor-
digen tijd
der aantoonende wijs gaat altijd uit op
el of t.
3) De onvolmaakt verleden tijd van de aantoonen-
de en de bijvoegende wijs heeft bij alle personen do t als
kenlelter vóór den pcrsoonsuitgaiig.
4)  De samengestelde tijden worden, evenals in bet
Nederlandscli, gevormd met behulp van de werkwoorden
l)abcn, fcin en werbcn, welk laatste dient ter verialing van
ons zullen.
5)  Hel tegenwoordig deelwoord wordt van den
zuiveren stam gevormd door aanhechting van enö.
6) Het verleden deelwoord vormt men door aanhech-
ting van ft of t aan den slaui, vóir welken men dan ge-
woonlijk t)e plaatst.
7 Inde gebiedende wijs voegt men in den tweeden
en derden persoon enkelvoud den uitgang c bij den stam ;
het meervoud beeft de gewone persoonsuitgangen.
Voorbeeld :
Cfntflt/ leeren, aanleeren.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verlijden tijd.
lemen, leeren.                              geï^riif ftabe.l, geleerd hebben.
Deelwoorden.
Tegenwoordig deelwoord.                Verleden deelwoord.
lerneirt, leerenl                           8«lerilt, geleerd.
-ocr page 99-
SM
WERKWOORDEN.
Anntoonende wijs.
Volmaakt verleden tijd.
icf) babe gelernt, ik heb geleerd.
bti l)j|1 gelernt,
er Ijat gelernt,
roir baben gelernt,
i:>r babt gelernt,
fïe baben gelernt.
Meer dan volm. verl. tijd.
iet) batte gelernt, ik had geleerd.
en batten gelernt,
er batte gelernt,
roir Latten gelernt,
ibr battet gelernt,
fie balten gelernt.
Tweede toekomende tijd.
ii) roeree gelernt baben. ik zal ge-
lecrd hebben,
rti roir{* gelernt baben,
er uit 3 gelernt haoen,
roir nierben gelernt baben,
il»;\' roereet gelernt baben,
fie roerren gelernt baben.
Tegenwoordige tijd.
icf; terne, ik leer.
Mi leme|r, (Urnft),
er lernet (lernt),
irir (enten,
tbr lernet, (lernt),
(ie lemen.
Onvolmaakt verleden tijd.
id) lernte, ik leerde.
hi lemtefr,
er lernte,
wir lernten,
il)r femtet,
fte lernten.
Eerste toekomende tijd.
icf) roerbe lemen, ik zal leeren.
tn roir|t lemen,
er mirt) lemen,
roir werben lemen,
iljr reerbet lemen,
(Ieroereen lemen.
Voorwaardelijke wij*.
Tegenwoordige tijd.
verleden tijd.
id) retirbe lemen, ik zoa leeren. ii) roiirbe gelernt baben, ik zoa ge-
lecr.1 hebben.
til roiirb*|t gelernt baben,
er ivï\'rCe gelernt baben,
roir mirten gelernt ba ben,
ibr ronrbet gelernt baben,
(ie roiirben gelernt baben.
6
cu roiirfcejt lemen,
er roiirbe lemen,
icir toiirben leriun,
ibr roürbet lemen,
(ie roürben lemen.
Kijvocgcnde wijs.
Volmaakt verleden tijd.
Tegenwoordige tiid.
icf) leme, dat ik leere.
bn lemeft,
er leme,
roir lemen,
ibr lemct,
fie lemen.
id) babe gelernt, dat ik
bil l),ibe(l gelernt,
er babe gelernt,
roir baben gelernt,
ibr babet gelei nt,
(ïe l;aben gelernt.
jeleerd
nebbe.\'
-ocr page 100-
93
TWKEDE HOOFDSTUK.
Meer dan volm. verl. tijd.
Onvolmaakt verleden tijd.
id? lemte, dat ik leerde,
tu lemtefr,
er lenite,
rotr lernten,
ihr lerntet,
(ie (eriuen.
Eerste toekomende tijd.
id) I?dtte gelernt, dat ik pcleerd
hadde.
til hatteil gelernt,
er Kitte gelernt,
roir Kitten iKlerut,
ihr Kiitet gelernt,
(ïe hollen «elemt.
Tweede toekomende tijd.
id) roerfe lernen, dat ik zal leeren.   id) rce^e gelernt haben d^t ik zal
geleerd hebben,
tu irfitcft lernen,                          ril merbeft jicïernt bai\'en,
er irerfe lernen,                            er wette gelernt haten,
rcir roerren lemen,                        roir roereen gelernt haften,
ihr roereet lernen.                         ihr roerbet gelernt haben,
fie roereen lernen.                          fie ro:rfcen gelernt baren.
Gebiedende wijs.
lerne. leer,
lerne er (fie, e*), hij leere,
lernen rcir,
lafjt uné lernen,
roir mollen lernen, leeren wij.
lemet deint), leert,
lemen fie, dat zij leeren.
Aanmerkingen.
1)  Een werkwoord der zwakke vervoeging, dat ia den
statu den Umlaut niet heeft, ontvangt dien ook niet in de
vervoeging ; b. v. id) fao,e, bit faajt; id) f.utfc, bit faufit.
2)  De tweede persoon enkelvoud gaat soms uit op jl in
plaats van op cff, en do derde op t in plaats van op et. De
welluidendheid geeft aan, of de c vóór (t of t gebezigd
wordt of niel.
Min behoudt de e gewoonlijk :
a) in de lijden van de bijvoegende wijs, teneinde
die te onderscheiden van dezelfde tijden der aantoonendo
wijs.
b) In den tweeden persoon enkelvoud, wanneer de stam
uitgaat op f, fch, %, jï, a, b, t of tl) j b. v. bit rnffft/ gij reist,
tu kcreitrji, gij bereidt, enz.
-ocr page 101-
WERKWOORDEN.                                            93
c) In den derden persoon enkelvoud, als do stam uil-
gnat op t, 5 of tl); b. v. er beveittt, hij bereidt; er wit tl) ff,
hij tcoedl.
d)  De werkwoorden, waarvan do stam op t, tt of tl)
uitgaaf, nomen ook de f vóór de t van den onvolmaakt
verleden tijd en vin het verleden deelwoord; b. v.
\\d)Uui)ta\\,slachten, jd)(ad)tetr, slachtte, gefd)(act)tei> geslacht;
veten, spreken,
reöelr, sprak, gcvcilcf, gesproken.
Men lette er op, dat hel lloogduitseh van hot Nedeilandsch
afwijkt in datgene, wat in b), e) end) gezegd is.
3)  In de werkwoorden op cllt en ent wordt de e, die
vóór de tof r slaat, weggeworpen in don eersten per-
soon enkelvoud van den tegenwoordigen tijd dei
aantoonende wijs, en in den tweeden persoon van
de gebiedende wijs; b. v. tabetit, berispen, im tatle,
ik berisp, tact e, berisp; u>aitbeni, reizen, id) ivaittre, ik reis,
ivaitbre, res.
In de overige personen wordt de e vóór de l of r bij-
behouden, maar de e, die vóór do uitgangen t, ft of 11 staat,
valt weg; b. v. ba tabeljï, er fabelt,tvir tabclu ; bit roattberft,
er tvaiibert, nnr tvaitbern enz.
In den tegenwoordigen tijd van do bijvoegende
wijs behoudt men de beide e \'s, of men laat de e, die vóór
1 of r staat,weg ; b. v. ba9 id) tabelc of table ; bafj bit »ait«
tcreft of iwanbrefl.
4) Zooals gezegd is, wordt het verleden deelwoord ge-
vormd van den stam, door aanhechting van et of t en door
voorvoeging van ge-
Dat voorvoegsel ge blijft weg bij alle werkwoorden,
welke met cene toonlooze lettergreep beginnen, bij-
gevolg :
a) Bij do werkwoorden op irrit en teren; b. v. regieren,
regeeren, regiert, geregeerd; fhibireit, studeeren, ftiibirr,
gestudeerd.
b) Bj cenige mofrlettergrepigc werkwoorden op fint,
b. v. propfyejeien, voorspellen, propl)e$cit, voorspeld.
c)Bij de werkwoorden, welke beginnen met de loonloozo
voorvoegsels bf, fmp,fttt, JJf, Bfr en \'fiT;b. v. bearbeiteit,
-ocr page 102-
94                                          TWEEDE HOOFDSTUK.
bewerken, 6c<irfceiter, bewerkt; entjMcit, bederven, ctitfMr,
bedorven.
d) Bij do werkwoorden samengesteld met ÏHird), Ijinh\'f,
übfr, um, itntrr/VoU, unröcr enwiïicr, wanneer de klem
toon niet op die voorvoegsels, maar op bet werkwoord
valt; b. v. vottenben, voleindigen, ooHenbet, voleindigd;
überfcfceit, vertalen, iibcrfctJt, vertaald.
c) Bij de volgende werkwoorden:
mifiirfen. ontaarden,                 mi§fiticten, mistakken,
mi§fiillt\'ii, mishagen,                  mi§rati)eit, airaden,
mtfglücfen, mislukken,              mi^trauen, wantrouwen,
en bij alle andere, die builen mij? nog een loonloos voor-
voegsel bobben ; b. v. mij?ucrjre!)cn, misverstaan , mijjyer*
jtanCcu.
f) ÏÖcrbcit heeft worbeit, wanneer het als hulpwerkwoord
bij een ander werkwoord slaat ,• anders zegt men gcivorbcit.
Deze regels over het weglaten van ge gelden ook voor
do werkwoorden der sterke vervoeging.
| 87. Ongelijlivloeiendc (sterke) vervoeging.
Zooals gezegd is, geven do werkwoorden der sterke
vervoeging de tijden, wijzen, personen en getallen niet
alleen te kennen door hunnen uitgang, maar ook door
de verandering \\an den stamklinker.
§ 88.                Vorming der tijden.
In do sterko vervoeging worden de tijden niet gevormd
van den zuiveren slam, maar van den stam zooals die in
de drie hoofdlijden voorkomt. Die drie hoofdti;\'dcn zijn:
de tegenwoordige tijd van de onbepaalde wijs,
de onvolmaakt verleden tijd van tle aantoonendc
wys
en bet verleden deelwoord.
i) Van den stam, zooals die in den tegenwoordigen
tijd
der aantoonende wijs voorkomt, worden ge-
vormd :
a) Het tegenwoordig deelwoord, door aanhechting
van cnb; b. v. fatten, val en, fciUcnb.
-ocr page 103-
93
WERKWOORDEN.
b) De tegenwoordige tijd van de aaotoonendeen de
bijvoegende wijs,door aanhechting der persoonsuilgangen.
In den tegenwoordigen tijd der aautoonende wijs vormt
men den tweeden en derden persoon enkelvoud van den
eersten door n, o, u in a, \'ó, ü en c in t of ie te veranderen ;
b. v. tcfjfrfjfage, ik sla, ba fcty&gft, er frf)lagt. 3rf) tfcfje, ik
stoot, bu ftöpeft, er (topt. 3d) fprerfje, ik spreok, bu fprtdjjr,
er iptiefyr. Dd> fel)e, ik zie, bu ffcr-jr, er fieht.
2)  Van den onvolmaakt verleden tijd der aan-
toonendc wijs vormt men den onvolmaakt verleden
tijd
der bijvoegende wijs, door aan het werkwoord
den Umlaut ie geven \'indien liet daarvoor vatbaar is), met
bijvoeging der persoonsuitgangen ; b. v. gebeu, geven, Ui)
$ab, ik (jaf,
idi gak, dat ik gave ; fdjfagcu, slaan, tel)
fdjhig, ik stoeg, tri) fdjlügr, dal ik sloeg.
3)  Vaa bet verleden deelwoord, dal bij alle wetk-
wcordi\'n der sterke vervoeging op cit uitgaat, vormt men
met behulp van Ijabeii, (ein en rccrbcit de samengestelde
tijden.
4)   De verschillende personen van de gebiedende
wijs
worden gevormd van dezelfde personen van den
tegenwoordigen lijd der aautoonende wijs, door weglating
van den Umlaut, en van den uitgang ft in den tweeden
en van t in den derden persoon enkelvoud. De tweede per-
soon enkelvoud gaat gewoonlijk op e uit, de derde altijd.
Heeft de onbepaalde wijs den Umlaut, dan wordt die in
de gebiedende wijs, gelijk in de andere wijzen bijbehou-
den.
Aanmerking. De werkwoorden, die in den tweeden persoon enkel-
voud de e van den stam in i of ie veranderen, behouden die i of te ook
in den tweeden persoon enkelvoud der gebiedende wijs (niet in den
derden); b. v. id) fdje, ik zie, til (lehft, gij ziet, jteh, zie; iet) fpreebe,
ik spreek, Sn fpricbft, gij sprei kt fvridt, spreek. De tweede persoon
mist dan, gelijk men ziet, den persoo; suitgang.
SDerben, worden, heeft niet nmt>, maar merïe.
§ 89.               Perso: nsuitfjangen.
De persoonsuilgangen zijn in de sterke vervoeging
dezelfde als in do zwakke ; do eerste en de derde
-ocr page 104-
5X5                                          EERSTE HOOFDSTUK.
persoon enkelvoud van den onvolmaakt verleden tijd
der anntoonende wijs hebben (gelijk in het Nederlandsen,)
geenen persoonsuitgang; b. v. ftnbett, vinden, iet) fanb,
ik vond, er fan5, hij vond.
Aanmerkingen.
1. a) De e wordt in den tweeden persoon vóór den
uilganu |t weggelaten, wanneer zulks de welluidendheid
bexorderen kan; b. v. iel) teute, ik denk, öu benfeft of
tenfih
b)  vrn moet de e vóór ft weglaten in den tweeden
persoon enkelvoud van den tegenwoordigen tijd deraan-
loonende wis, wanneer die persoon den Umlaut aanneemt,
of in slamklinker van den eersten persoon verschilt; b. v.
t\'rb feMaejc, ik sla, tit fehlaa.it; iel) l)clfe, ik help, bit foilfir.
c) Menmoetde e behouden, zelfs als bovengenoemde
veranderingen vandenstam plaatsgrijpen, wanneer de-
ze uitgaat op 1\', fj, |j", )\'d) of ;; b. v iet) lei\'e, ik lees,
fcit liefert; iel) cfjV, ik eet, tut iffeft; tef) fcftmelje, ik smelt,
ht fetjmiljefh
2) Dg e wordt ook vóór do t in denderden persoon
enkelvoud vun den tegenwoordigen lijd der aantoonendo
wijs weggelaten ; indien het werkwoord in dien per-
soon van slamklinker verandert, moet dit geschieden,
zelfs wanneer de stam op f, £, ff, |ct) of $ eindigt ; b.v.
er tgr, hij eet ; er fedmiljt, hij smelt.
Bij de werkwoorden, waarvan de stam op f eindigt,
vervangt men de e gewoonlijk door een afkappingsteeken;
b. v. er liei\'r, hij leest.
3) Bij do werkwoorden, waarvan deslam op ïl of t
eindigt, plaaist men gewoonlijk de e vóór den persoons-
uitgang ; b v. fcn reitclt. gij rijdt, erreitft, hij rijdt.
Ce volgende werkwoorden hebben in den derden per-
soon enkelvoud van den tegenwoordigen lijd der aan-
(oonende wijs geene een geenen persoonsuilgang : er birir,
hij barst, er breit, hij braadt, er jtdir, bij vecht, er fltehr,
hij vlecht, er fjilt, hij geldt, ev l)a\'lr, hij houdt, er fd|tft> hij
scheldt, er tritr, hij treedt, er riitl), hij raadt.
-ocr page 105-
WERKWOORDEN.                                       07
§ 90. Hoofdtijden van de icerkwcorden
iler sterke vervoeging.
Tenopzichto der klank verwisseling, welke in den on-
volmaakt verleden lijd en in het verleden deelwoord plaats
grijpt, kan men de werkwoorden der sterke vervoeging
0
in zes klassen verdoelen, namelijk :
Tegenwoordige tijd. Onvolmaakt verl. tijd. Verleden deelwoord.
Aant. wijs. (Bijv. wijs).
1« klas i (of (),               d,                       (d),               11 (of o).
2« klas t,                        il,                      (i),                e.
£• klas a,                        tl,                      (Ü),               il.
4" klas a (of au, il, o),    ie (of 0,                                d \'ofau.lt, o).
5« klas ei,                        i (of ie),                                  i (of ie).
0« klas ie (of e, a,b),        o,                      (ö)                 o.
§ 91.               Eersteklas.
Deze klas wordt in drie soorten verdeeld, naarmate do
slamklinkcrs in de verschillende lijden zijn :
i — a — u,
i — ii — o,
of e — a — o.
Eerste soort. Hebben i-o—U:
De werkwoorden op iniltu, ingftt en inkfll :
Tegenwoordige tijd. Onvolmaakt vcrl. tijd. Verledui deelwcord.
romren, winden,                    n\\tu5, (rojnfe),            gennmceit,
iïiiiieit, zingen,                      fditii. (i\'.m.if),               gei\'uitiie»,
finten, zinken,                        fan f, (fanfej,                 gefiuifeii.
Uitzonderingen.
si) ©ct)incen, villen, heeft frfmnfe, i\'fdiunce.) gefd)imben.
Óiiijieii, dingen, cuiijj offctngte, qeruiiiten.
De zwakke vorm cingte wordt voornamelijk in de samcnstcl-
lingen gebruikt.
b) Naar de zwakke vervoeging gaan : Hnfe;t, hinken, febminfen,
blanketten, roinfen, wenken, nmr iigen, omringen, (Jliiifen, blinken.
Tweede soort. Hebben i—c.—o.
-ocr page 106-
98                                   TWEEDE HOOFDSTUK.
De werkwoorden op innen ; b. v.
beginnen, beginnen,                    begann,
ook fd)wimmen, zwemmen,          fdjtmimm,
doch verjinnen, vertinnen, heeft oerjinnte,
Derde soort. Hebben f—a—o •
begonnen,
gefdjmommen,
oerjinnt.
Onvolmaakt verl. tijd. Verleden deelwoord.
Tegenwoordige tijd.
. bcfeblen, bevelen,
etnpfeMen, aanbevelen
fiebfen, stelen,
bredjen, breken,
fprecb/en, spreken,
flcdien, steken,
(e. )fdirccfen, schrikken,
gel en. gelden,
j\'du\'lten, schelden,
oerberben, bederven,
merben, werven,
fierben. sterven,
bori\'ien, barsten,
frefdfen, dorsenen,
bergen, bergen,
gebaren, vooitbrengen
belfen, helpen,
nebmen, nemen,
treffen, treifen,
mereen, worden,
merfen, werpen,
(fontnten), komen,
beblen, helen,
befiihl,
empfal)f(
mi,
brad),
fplM*,
fidd),
(ev)fdiiMcf,
galt,
malt,
oerfarb,
marb,
ftarb,
barft,
bvafd) (brofd),)
barg,
gebar,
balf,
nabni,
traf,
»«rb,
mar f,
fi\'in,
bfljlte,
befoMen,
em»ro! irn,
gcftoMcn,
gebrodjen,
gefprodYen,
geiiodien,
èrfd) oefen,
geaolten,
geidioiten,
ee\'rboibeit,
gemorben,
gei\'torben,
geborften,
gecrojdien,
geborgen,
geboren,
gebolfen,
genommeii,
getroffen,
gemorbeu,
gemorfen,
gefommen,
geteMt of gebobfen.
3Sfrf)ci)U\'it, verbergen, volgt de zwakke vervoeging, doch
heeft in het verleden deelwoord öevhohlnt.
geljlen, ontbreken, volgt de zwakke vervoeging.
Aanmerking. Men lette er op, dat de werkwoorden van deze soort
in den tweedenen derden persoon van den tcgenwoordigen tijd .Ier
aantoonende wijs de e in i oi te veranderen. (Zie §88, l,b, en 4 Aanm )
Tweede klas.
92.
Tegenwoordige tijd. Onvolmaakt verleden tijd. Verl. deelwoord.
Aant. wijs. (Bijv. wijs)
c                            «                 (ei)                    e
-ocr page 107-
WERKWOORDEN.                                      . 99
Tot deze klas behooren :
a) allo werkwoorden op effen ; b. v.
»rrgeneii, vergeten,         vergaf),                     vergrijen,
effen, eten,                     a§,                           gegeffeit.
^rrfjen, drukken, gaat naar de zwakke vervoeging.
1) geben, geven,
gat).
gegeven.
genefen, genezen,
(.leimê.
genefen.
leien, lezen.
la 3,
geleien,
gejcttelKit, gescliieJen,
gef.t-ah,
gef*eheii,
fi heu, zien,
f ah,
gefchen.
(reten, treden,
(l\\ll,
getietiii.
billen, bidden,
l\\\'t,
gebeten,
liegen, liggen,
lag,
gel gen,
jïfjen, zitten,
fag,
gefeiïen.
25eten, aanbidden, in gebed zijn, wordt zwak vervoegd.
Aanmerking. Zie de aanmerking bij § 91.
§ 93.                 Derde klas,
Tegenwoordige tijd. Onvolmaakt verloden tijd. Veil. deelwoord.
Aant. wijs. (Bijv. wijs.)
a
                        a                 (iii                        a
Tol deze Idas liclioorcn :
pacten, bakken,               (mcf,                         ge(\\ufett,
fabreit. rijden,                 fuhr,                        gefalnen,
traven; graven,               gruv,                       gegraven,
laren, laden,                   lui*,                          gelaten,
l\'cbaffen, scheppen,          fchuf,                        gefchaffen,
fdilagen, slaan,               tcblug,                      geidilageit,
tragen, dragen,              tvug,                        getragen,
wachten, groeien,            wucrtS,                      gewaicben,
mablen, intilen,               mablte,                     geniahlcn.
Aanmerking. Schaffen, wei ken, bezorgen, willfalnen, toestemmen,
ma\'en, schilderen, en i\'alb;ct)!agcn, te rade gaan, volgen de zwakke
venoeging.
|\' 94.                  Vierde klas.
Tegenwoordige tijd. Onvolmaakt verl. tijd. Veiledon deelwoord.
rt                               i of te                               a
-ocr page 108-
100
TWEEDE HO0FDSTIK.
Tot deze klas bchooren :
a) blafen,blazen,
laiTen, laten,
bruten, broden,
ratben, raden,
falleil. vallen,
fangen, vangen,
hangen, hangen,
halten, honden ,
fd)(afeii, slapen,
blieé,                        gebtafen,
lie§. *                       getaffen,
brief,                        getnaten,
rietb,                        gerarhen,
ftet,                          gefatten,
fing,                         gefiingeit,
hing,                         gehangen,
hielt,                        gehalten,
fdjlief,                      gefdilafen.
Aanmerking. SSeranlaffen, aanleiding geven, heirathen. huwen, bra»
ten, doen braden, volgen de zwakke vervoeging: ook berailjen, bera-
den,
dat echter in het verleden deelwoord be. alben heeft.
faltcte,
gefalten,
faljte,
getatjen,
fpaltete.
gefralteit,
fchmaljte,
gefdjinaljen
biet\',
gehalten,
lief,
geianfen,
ftie§,
geftefen,
rie\',
gemfen,
hief,
geheimen.
b\' fa (ten, vouwen,
fatsen, zouten,
fpalten, splijten,
fdjmaljen, smouten,
c) hanen, houwen,
laufen, loopen,
flofjen, stooten,
nifen, roepen,
heifien, bevelen, heeten,
§ 95.                   Vijfde klas.
Deze klas wordt verdeeld in twee soorten
Onvolm
. verl.
tijd. Verl. deelw
i
i
ie
ie
» ei—i—
i:
teflig,
beftiiïen,
bit,
gebüïen,
rif,
gen\'lïen,
fplijj.
gefptilTen,
f*li§.
gefcbltffen,
|diuii|j,
gefdnntfieit,
eri\'dd).
erHicben,
oerblid),
eerblidmi.
gi\'d).
geglidien,
fdtlidj,
gei\'d)lid)eu,
(Mn),
geiuidjen,
roiit),
geividH-n,
glitr,
geglitten,
tijd.
Tegenw
et
ei
Eerste soort.
Tweede soort.
jïd) lvfleifjen,zich bevlijtigen,
beifen, bijten,
reifjen, rijten,
fpletfetl, splijten,
f«hleifjen,slijten,
fd)inei§en, smijten,
eibleid\'en, bleek worden,
oerhlfidjeit, bleek worden,
gleid;eu, gelijken,
tdjleidien, sluipen,
fti-eidien strijken,
toeidjen, wijken,
gleiten, glijden,
-ocr page 109-
WERKWOORDEN.
rilt,
gevit ten.
f*ritt,
gefdnttfen,
ftritt,
gefm\'rten,
fVlff,
gegriffen,
hff.
gef.ffen,
fniff.
flffll\'ffcil,
pfiff,
gepfiffen.
f*liff,
geidiliffen,
fnipp,
gefnippen,
lill,
llflltlfll,
fdniitt,
gefdjnitten.
rrifd),
gefrifd)en.
101
reiten, rijden,
fdjveiten, schrijden,
jtreiten, strijden,
greifen, grijpen,
feiffii, kijven,
fneifen, knijpen,
pfeifen, pijpen,
fdjleifen, slijpen,
fneipen, knijpen,
leiben, lijden,
fdjiietren, snijden,
Freifdjen, krijten,
Aanmerking. Van gleiten, feifeii en fneifeü wordt de onvolmaakt
verleden tijd o<>k zwak vervoegd; begleiten, begeleiden, bleiben, blee-
ken, n
fidjeu, wiekin, fcbleifen, sleepen, sloonen, bereikn, bereiden, fid)
l\'ïfleifigen, zich bevlijtgen, volgen in alle tijden de zwakke vervoeging.
Tweede soort. Hebben ri—ie—if:
blieb,
geblieben,
neb,
gedeben,
fcbiïeb,
gefdirieben,
trieb,
geiriebeii,
geDteb,
gebicben,
liel).
gelieben,
Jieb.
ge^ieljen,
M>rie,
geidjrieen,
fpie,
gefpieen,
mieb,
gemieren.
fd)ieD,
ge(d)iefen,
febirieg,
geictmnegen,
ftteg.
gefnegen,
prieS,
gepnefen,
miei,
geiriefen.
febien.
gefd)ienen.
fdjnie,
gefd)nieen.
Zesde klas.
ivolmaakt verleden
tijd. Verl. deelwoord,
bleiben, blijven,
reiben, wrijven,
fdireifen, schrijven,
treiuen, drijven,
gebeiben, gedijen,
leiljen, leenen,
jeiljen, beschuldigen,
fd)reten, schreeuwen,
fpeien, spuwen,
meicen, mijden,
fdjeiben scheiden,
fdjroeigen, zwijgen,
(leigen, stijgen,
preifen, prijzen,
treifen, wijzen,
fdjemen, schijnen,
fdjneien, sneeuwen,
§96.
Tegenwoordige tijd.
Aant. wijs. (Bijv. wijs.)
ic                    o                (ft)
Tot deze klas bohooron :
a)biegen, buigen,
bog,
gebogen.
fliegen, vliegen,
flog,
geflogen,
triegen, wegen,
trog,
geirogen,
-ocr page 110-
102
TWEEDE HOOFDSTUK.
üieljen, trekken,
fliel>en, vluchten,
Fliebrn klieven,
fd)tejben, schuiven,
fdinieben, snuiven,
ftiiben, stuiven,
bieten, hicden,
frieren, vriezen,
berderen, verliezen,
crfiefen, verkiezen,
b)  FriedKll, kruipen,
riecben, ruiken,
(liegen, vloeien,
giejjeu. gieten,
gentefien, genieten,
fdjiefjen, schieten,
fdjiiefien, sluiten,
fpitcjjcn, spruiten,
tertriejjen, verdrieten,
fïcten. zieden,
tn\'efeii, druipen,
fctyliefcii, slippen,
c)  fangen zuigen,
fdjiutubrn, snuiven,
fcbraitbeit, schroeven,
faufen, zuipen,
d) bewegen, bewegen,
pflegen, uitoefenen,
erwageu, overwegen,
Ijeben, heffen,
weben, weven,
f&errn, scheien,
Aaltren, gisten,
fd) waren, etteren,
fd)wöien, zweren,
lügen, liegen,
trügen, bedriegen,
Puren kiezen,
e) fcdjten, vechten,
flerWn, vlechten,
Cjiiellen. opborrelen,
fdmn\'llen, zwellen,
m.\'lfen. melken,
fdmteljen, smelten,
radien, wreken,
crlófcben, uitgaan,
crfdntlleit, weergalmen,
glimmen, glimmen,
fluimen, klimmen,
m,
gejogen,
m.
gefloten,
ttob,
geFloben,
fdiob,
gefdjeben,
(djnob,
gefebnoben,
flob,
geftoben,
bot,
geboren,
fror,
gefrorrn, i
Pfrlor,
verloren,
eifor,
erfoven.
tred),
gefrodjen.
tod),
gerocben,
flo§,
gefloffen,
80§,
gegcflen,
genofj,
geitellen,
|d)c6,
gefd\'offcn,
f*lo§,
gefddo fen,
fprof,
gefproffen,
percrofi,
oereroffeit,
foN,
gefotten,
troff,
(getroffen, gdrieff,
i*loff,
gefdjlojfen.
fog,
gefogen.
fdjnob,
ge|d)noben,
f*rob,
gefdnoben,
foff,
gefoffen.
lereOj),
bewogen/
Vflo.t,
gepflo.-en,
erwog,
erwojen,
bob,
gehoben,
web,
gewoben,
fdtor,
gefdtoren,
floljr.
gegobren,
fdtwor.
grfdjworiït,
fdjwor, (fcbituir,)
geftbworen,
log
gelogen,
nog,
getrogen,
For,
geforen.
foebt,
gefodtfen,
f!o*r,
geflod)ten,
qttoll,
geqnoHen,
fdjwoll,
gefcbwollett,
molf,
gemolfen,
frtmMj,
gefdjmoijen,
riïcbte (rocbj,
gerodten,
etlotd).
erloldten,
erfdjolf,
erfdiollen,
glomm,
geglommen,
Flomm,
gcflommen.
-ocr page 111-
•WERKWOORDEN.                                         103
Aanmerking 1. Van genoemde werkwoorden worden ecnigft OJk
zwak gebezigd, namelijk: meten, melfen, fdjallen, febnauben, pflegen,
(gewoon zijn, verplegen.) benevens fttmmen, fdjeren, fed)ten eu ftec^-
ten, doch deze vier slechts in de aantooneude wijs.
Aanmerking 2. Eenige der voornoemde werkwoorden volgen de
zwakke vervoeging, wanneer zij bedrijvend gebezigd zijn, namelijk :
que!(en,doen opborrelen,               «erberben, tot verderf brengen,
fctjirellen, doen zwellen,                 febrecfen, schrik aanjagen,
fctmieljen, doen smelten,                fd)e:cen, doen scheiden,
loüben, uitdooven,                         erfitufett, doen verdrinken,
miegen, schommelen,                     iMcfeii, bakken,
bewegen, doen bewegen,                i>ralcn, braden;
deze twee laatste hebbeu als verleden deelwoord altijd gebacfen,
gebraten.
Aanmerking. De meeste samengestelde werkwoorden wordon ver-
voegd gelijk het oorspronkelijke werkwoord.
§ 97.           Onregelmatige vervoeging.
1) JPÜrfot, durven, aant. wijs, tegenw. lijd, id) barf,
bu bavfft, er barf, n?ir biirfeii enz. ; onvolm. veil. lijd, id)
bnrfte ; bijv. wijs, tegenw. tijd, id) bürfe; onvolm. verl.
tijd, id) bürfte ; veil. deelw., gebuvft.
"^ ftöniutt, kunnen, aant. wijs, tegenw. tijd, idi faun,
bu i\'amifi, erfann, wit fömien enz.; onvolm verl. tijd, icf)
fottute; bijv. wijs, tegenw. tijd, id) fönnc; onvolm veil.
tijd, id) föunte; verl. deelw gefeintt.
3) ittöiim, mogen, nant, wijs, tegenw lijd, iet) v.aa, bu
mcigfr, er mag,tt>irn*.i,.]enenz.;onvolm. ver: tijd, icf) moeite;
b:jv. wijs, tegenw. tijd, id) mb.y; onvok\'i verl. tijd, id)
mocfyte; verl. deelw., gemedjr.
4)  MXÜffttt, moeten, aant. wijs, tegenw. lijd, id) muf;,
bit ittujH, er muf;, tvir müfjVtt enz.; onvolm. verl. lijd, iel».
«iw^tc ; bijv. wijs, tegenw. tijd, id) muffe; onvolm. veil..
tijd, id) müfjte; veil. deelw. gemugt.
o) Sollen, moeten, aant. wijs, tegenw. tijd, id) feit, bil
fbttft, er (off, wit feiten enz. ; onvolm. verl. tijd, icf) folfte;
bijv. wijs, tegenw. tijd, id) fette ; onvolm. verl. tijd, id)
foUte; veil. deelw. gcfottt.
6) Wollen, willen, aant. wijs, tegenw. tijd, id) wilt, bu
unlljt, er unit/ wit rcolicnenz.; onvolm. verl. tijd,id) ivottte;
-ocr page 112-
10 i                                  TWEEDE HOOFDSTUK.
bijv. wijs, tegenw. lijd, id) wolk; onvolm. vcrl. lijd, id)
iveftte; verl. deelw. gerocllt.
7) XOifftn, teeten, aant. wijs icgenw. lijd, idy i»eig, b»
weifH, enwif?, ivir nuffen; onvolm. verl. tijd, idy iwiigte;
bijv. wijs, legenw. lijd, idy »x>iffe; onvolm vcrl. lijd, ii>
iuü|5te; verl. deelw. genntjH,
8)  (Öfl)flt, gaan, aant. wijs, tcgcnw. lijd, id) gebe, bu
gel)ft, er gebr, roir gcljeii, enz.;onvolm. verl. tijd, id)fling;
bijv. wijs, tegenw. tijd, id) gel)e ; onvolm. verl tijd, idy
giitge; verl. deelw. gegangen.
9) ötfljfll, staan, aant wijs, tegenw. lijd, id) ftct>c, bu
(lcl)fr,er (lcl)t, tvir (tebcn enz.; onvolm. vcrl. lijd, idy ftaub ;
bijv. wijs, tegenw. lijd, idy flcljc \\ onvolm. verl. tijd, id)
Itiiufe of id) ftünbe ; verl. deeKv geftaubeii.
10) 6rin(|nt, brengen, onvolm. verl. tijd, id) brad)te,
bu bradjtejr, èr brad)tecnz ; bijv. wijs, onvolm. vcrl. tijd,
id) bradjte; verl. deelw. gebrad)t.
11)  Clfllkflt, denken, aant. wijs, onvolm. verl. lijd. id)
bad)te, bu baditejt. er bad)fe,- bijv. wijs. «vivolm. verl. lijd,
idy badjtc ; verl. deelw. gcbad)t.
12) 9i)Utt, doen, oant. wijs, tegenw. tijd, id) tl)iie, bit
tbufl, er tl)nt, voir tbuu, ibr tbut, fïe tbuu ; onvolm. verl.
lijd id) tbnt, bu tbatejt (tbaifr), fr tljat, wir tljateu enz.; bijv.
wijs, tegenw. lijd. id) tbue, bu tbucfr, er tbue, wir tbiien, ibr
timet, (Te tbuett; onvolm. verl. lijd, id) (bate; verl. deelw.
getbau; tegenw. derlw. tljueitb; gebiedende wijs, tl)iie,
doe, tljut, doet.
13)    Tegenw. tijd. Onvolmaakt verl. tijd. Ver!, deelw.
iöiennen, branden,          frraiwteof Ireniile,         gebral» t,
fennen, kennen,               fannte of fennte,           «efiiunt,
rennen, rennen,              rauwe of reunie.           gerannf,
neiinen, noemen,             namile of neiuite,          jeitiinnl,
fencen, zenden,               fancte, of fencete,          gef.uitt,
reenten, wenden,             ro.utct\'of reenPete,          flenunM.
Inden onvolm. verl. tijd van de bijvoegende wijs bezigt
men allijd id) breuute, idneubete enz., cu bier nog den
omschreven vorm met id) tvürbe enz.
-ocr page 113-
WEI1KV0011DEN.                                      10ü
§ 98. Scheidbaarheid der samengestelde werkwoorden.
De samengestelde werkwoorden beslaan uit tweededen,
namelijk : uit een werkwoord en een ander woord, dat
voorop staat; deze deelen kunnen van elkander gescheiden
worden in dezelfde tijden en in dezelfde gevallen, als in
het Nederlandsen; b. v. id> femme ait. ik kom aan ; er fom#
me au, Pcifj er anfomme, hij kotne aan, dat hij aankoine;
berjentge, weldjer anfommt, hij, die aankomt; atigef ommen,
aangekomen ; au juf om men, aan te komen.
De werkwoorden, welke samengesteld zijn met onver-
anderlij ke •woorden,
zijn onscheidbaar, indien de
klemtoon op het werkwoord ligl; h. v. ft\'e miberfegeit
j\'icn, zij verzetten zich, ft\'e babcn firf) wiberfegt ,• tvir iimgcbett,
wij omgeven.
V:dt integendeel de klemtoon op het voorvoegsel,
dan zijn zij scheidbaar; h. v. anfommeit, aankomen,
id)
(ommean, anjufommen, angcfommeii.
Aanmerking.
1 )DevverkwGorden met de voorvoegsels bitrrf),()tttter,über,
urn, tnitcr, ooit, mif5 en roieber zijn volgens den laalsten regel
scheidbaar of onscheidbaar, naarmate de klemtoon op voor-
noemde deelen of op het werkwoord valt; b. v. über-
feljen, oertalen, id) überfe&e, id) l)abe ftberfegt; überfegen,
Cverzetlen, id) fcfje ttbcr, id) l)abc übergejc£t.
2) Alle afgeleide werkwoorden met toonloos voorvoeg-
sel zijn onscheidbaar; b. v. jcrvcifjeii, verscheuren, id) jcr*
reifje; crgrünbcit, doorgronden, id) ergri\'tnbe. Onscheidbaar
is ook id) cuihvorte, ik antwoord.
Bedrijvende en wederkeerende werkwoorden.
£ 99. Evenals in het Nederlandsen, worden de bedrij-
vendc werkwoorden in hunne samengestelde tijden ver-
voegd met babcn. Zie de vervoeging van het bedrijvende
werkwoord IcniCii in § 86.
De vervoeging der wederkeerende werkwoorden ge-
schiedl in de samengestelde tijden met Imbeii, en in de
overige tijden op dezelfde manier als in het Nederlandsch;
b. v.
8
-ocr page 114-
40G                             TWEEDE HOOFDSTUK.
Sid) anbtftcit, zich aanbieden.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                         Verleden tijd.
(id) anbieten, zich aanbieden.
(ïd) au.)eboten baben. zich aange-
boden hebben.
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoord.
Verleden deelwoord.
(ïd) anbietenb, zich aanbiedend. an$tbOtett, aangeboden.
Aanloonende wijs.
Tegenwoordige tijd.
id) biete mid) an, ik bied mij aan.
bu biete|ïbid) an,
er bietet i\'id) an,
roir bieten miê au,
ib.- biefet end) a\\\\,
(ie bieren fid) an.
Volmaakt verleden tijd.
id) babe mid) ang:boren, ik heb mij
aangeboden,
bu l)a(t bid) angeboten,
er bat (ïd) angeboten,
roir baben u-.vi angeboten,
ibr Ijabt end) angeboten,
ft\'e baten fid) angeboten
Onvolmaakt verleden tijd.            Meer dan volm. verl. tmd.
id) batte mi i> angeboten, ik hal mij
aangeboden,
bn batteft bid) angeboten,
er batte iïd) angeboten.
oir batten inS aiiaeboten,
ibrljatteteud) angeboten,
(te Ijatten (ïd) angeboten.
Tweede toekomende t:jd.
id) bot mid) an, ik bood mij aan.
Ml bot|ï bid) an,
ei bot fid) an,
roir boten imé au,
ibr botet end) an,
fïe boten |ïd) an.
Eerste toekomende tijd.
id) roeree mid) anbieten, ik zal mij   id) roerb.\' mid) angeboten baben, ik
aanbieden.
           zal mij aangeboden hebben,
tui roir ft tid) anbieten,                   bu roirfttid) angeboten baben,
erroirb (ïd) anbieten,                     er roirb jïd) angeboten baben,
roir roerbeu nn* anbieten,              roirroerben unê angeboten baben,
tbr roerbet end) anbieten,                ibr roerbet end) angeboten baben,
(ie roerben fid) anbieten.                (ie roerben (ïd) angeboten Ijaben.
-ocr page 115-
107
WERKWOORDEN.
Voorwaardelijke wijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verleden tud.
id) trürbemiAaiibieteii, ik zoumij id) roürfce mid) angeboten baben, ik
zou mij aangeboden hebben,
ïui tri\'trCefï bid) angeboten baben,
er roiii te fid) angeboten Intbei,,
roir rri\'rCeii mié angeboten baben,
ibr roiirtet end) angeboten baben,
(ie roiirfen fid) aiti)el>oieit fyaben.
aanbieden
rti rrüvte(T tid> anbteten,
er rentte fid) anbietni,
ivir roiirben tnié anbteten,
i!)i roiirbet end) anbteten,
fif roiirben fid) anbielen.
Kijvocgcndc wijs.
Tegenwoordige tue.                   Volmaakt verleden tijd.
id; f)dbe midi angeboten, dat ik mij
aangeboden hebbe.
bu babeft ttcli angeboten,
er bate fid) angebotee,
roir baben itné angeboten,
ibr babet end) iingeboteit,
fie baben fid) angeboteit.
Meer dan volm. verl. tijd.
id) batte mid; anabolen, dat ik mij
aangeboden had.
tu Nïtteft bid) ditgeboten,
er batte fid; angeboteit,
roir batten uiiè angeboten,
ibr bdttet end) an.ieboten,
fie batten fid) angeboten.
Tweede toekomende tijd.
ii) bietemid) an, datilt rrjijaan-
biede
tulietefr tid) an,
ir biclc fidi dn
irir bieten line dit,
ihr btetel cucb en,
fie bieten fid) (in.
Onvolmaakt verleden tijd.
idi löte mid) dn. dat ik mij aan-
bood
cl) bötefr t d) uil,
rr i öte fid) iin,
mir boten iiné dn.
il>r i ötet end) dit,
fie boren fid) dit.
Eerste toekomende tijd.
id) roerte nu\'d) dnbieteit, dat ik mij id) roeree mid) angeboten baben, dat
zal aanbieden,
hi roerteff bid) dnbieteit.
ri roerte ficbdiibieten,
Mr roerren uni a ibieten,
i!>r roeitet end) an\'.ieteii,
fteroerten fid) anbitten.
ik mij zal aangeboden hebben.
bu rocrtefi fid) angeboten baben,
er roerbe fid) angeboten baben,
roir roerten tiné angeboten baben,
tbr roereet end) angeboten baben,
fie roereen fid) angeboten l;aben.
Gebiedende wijs.
bietebid) an, bied u aan,
bieteer fid) an, hij biedezich aan,
bieten roir tiité an,
rcir roollen iinê anbteten, bieden wij ons aan,
bietet end) dn. biedt u aan,
bieten fie (id) dn, dat zij zich aanbieden.
-ocr page 116-
108
TWEEDE HOOFDSTUK.
Lijdende werkwoorden.
% 100. Evenals in het Nederlandsen, bestaan de lijden-
de weikwoorden uit bet verleden deelwoord, dat men
bij de tijden, wijzen, personen en gelallen vanhetwerk-
woord ïvrrtrit voegi; b. v.
<$r!rilt rorröm, pelend worden.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                            Verleden tijd.
gelegt roerben, gelegd worden, gelekt roorben fein, gelegd geworden
z:jn.
Deelwoorden.
Tegenwoordig,           Verleden,               Toekomstig deelw.
gelegt rccibent, gelekt (rcorfenj,          ju fegcnb,
gelegd wordende, gelegd.                       moetende gelegd worden.
itiiiitooiicndc wijs.
Tegenwoordige tijd.                  Volmaakt verleden tijd.
Cd) roeite gelegt, ik word gelegd,    id) l\'ill gelegt roorben, ik ben ge-
legd geworden.
fcit wirft ^elcgt,                              tu bifr flelegt woroen,
er roirc gelegt,                               erift gelegt roorCeii,
n>ir roei E-en gelegt,                        roir fint gctcyit morren,
ihr roerbet gele.jf,                         ibr icit> gelegt i»orcen,
fie roerben gelegt.                         (ie finD gcfejjt roorben.
Onvolmaakt verleden tijd.           Meer dan volm. verl. tijd.
id) ronrbe gelekt, ik werd gelegd, id) war getest roorben, ik was ge-
legd geworden.
til rourbrft gelegt,
                        bu ifiirft gelegt mor ten,
er wurbe gelegt,                           er itar geiegr roorben,
roir romten gelegt,                       «oir waren gelegt rcoiben,
tfir nnirfet gelegt,                         iljr wart gelegt roorcen,
fie rourten gelegt.                         fie waren gelegt woroen.
Eerste toekomende tijd.               Tweede toekomende tijd.
id) roerbe gelegt roereen, ik zul ge-id) roerbe gelegt worben fein, ik zal
iegd worden.
                   gelegd geworden zijn.
bu wirft gelegt roerten,                   bu roirft gelegt roorben fein,
er roiro gele l roerben,                   er roirD iielegt roorDen fein,
wir roerben gelegi werben,            roir roerben gelegt roorben fein,
iljr roerbet gele„i roerbeu,               il>r roerbet gelegt worben fein,
fie roerben gelegt roerben.               fie roerben gelegt woroen fein.
-ocr page 117-
WERKWOORDEN.                                          100
Voorwaardelijke wijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verleden tijd.
>d} roürbe gelegt roerten, ik zou ge- ld) roürbe gelegt roorben fein, ik zou
gelogd worden.
                    gelegd geworden zijn.
bu roürbeft gelegt roerben,             bu roürbeft gelegt roorben fein,
er roürbe gelegt roereen,                 er roürbe geltrgt roorben fein,
roirroiïrben gelegt roerben,            roir roürben gelegt roorben fein,
iljr roürDet gelegt roerben,              tbr roürbet gelegt roorben fein,
fie roürben gelegt roerben.               (ie roürben gelegt roorben fein.
Hijvoegcnde wijs.
Tegenwoordige tijd.                  Volmaart verleden tijd.
jd) roerbe gelegt, dal ik gelegd wor- id) fel gelegt roorben, dat ik gelegd
de.                                geworden zij.
bu roerbeft gelegt,                         bu Icift gelegt roorben,
er roerbe gelegt,                            er fei gelegt roorben,
roir roerren gelegt,                         roir feien gelegt roorben,
ibr roerbet gelegt,                         ibr friet gelegt roorben,
(ie roerben gelegt.                         fie feien gelegt roorben.
Onvolmaakt verleden tijd.            Meer dan volu. verl. tiid.
id) roürbe gelegt, dat  ik gelegd ld) roüre gelegt roorben, dat ik gelegd
werde. geworden ware.
bu roürbeft gelegt,                        bu rodrejl uêlegt roorben,
er rourbe gelegt,                          er rodre gelegt roorben,
roir roürbeïi gèlegt,                        roir rodre.i gelegt roorben,
ibr roürcet gelegt,                         tbr rodret gelegt roorben,
fie roürben gelegt.                          fierodren gelegt roorben.
Eerste toekomende tijd.                Tweede toekomende tijd.
id) roerbe gelegt roerren, dat ik zal id) roerbe gelegt roorben fein, dat ik
gelegd worden.
               zal gelegd geworden zijn.
bu roerbeft gelegt roerren,               bu roerbeft gelegt roorben fein,
er roerbe gelegt roerben,                 er roerbe gelegt roorben fein,
roir roerben gelegt roerben,            roir roerben gelegt roorben fein,
ibr roerbet gelegt roerben,               tbr roerbet gelegt roorben iein,
fie roerben \'gelegt roerben.              fie roerben geiegt roorben fein.
Gebiedende wijs.
roerbe gelegt word gelegd,
roerbe er gelegt, dat hij gelegd worde,
roerbeu roir gelegt,
lafst un< gelegt roerben,
roir roollen gelegt roerben, laten wij gelegd worden,
roerbet gelegt, wordt gelegd,
roerben fie gelegt, dat zij gelegd worden.
-ocr page 118-
110                                TWEEDE HOOFDSTUK.
Onzijdige werkwoorden.
$ 101. Gelijk in het Nederlandsch, worden sommige
onzijdige werkwoorden in hunne samengestelde lijden met
fyabeii, andere integendeel met fein vervoegd. De eersle
soort slaat, wat de vervoeging aanbetreft, gelijk aan de
bedrijvende werkwoorden; die van de tweede soort \\vor-
den vervoegd, als volgt:
tttanfrrril, reizen, gaan.
Onbepaalde «vijs.
Tegenwoordige tijd.                           Verleden tijd.
roanbern, gaan.                            uennuibert fein, gegaan zijn.
Deelwoorden.
Tegenwoordig deelwoord.
                Verleden deelwoord.
roanbemb, gaandi".                         gen-anbert, gegaan.
Aantooncndc wijs.
Tegenwoordige tijd.                   Volmaakt verleden tijd.
i* Luit geroanberf, ik ben g-egaat.
tu int geroanbert,
er ifraeroanbert,
roir finb geiranrcrf,
t\'nr feiD geivuinbert,
(te finb gciranbert.
Meer d/n yolm. virl. tijd.
id) roar geirant-ert, ik was gegaan.
bii roarfl gemancert,
er war geroantert,
roir waren gero.inbert,
ibr roaret geroanbert,
(ie roaren geroanberf.
Twled . toekomende tijd.
id) roetbe geroanberi fein, ik zal gc-
gaan zi„ii.
bu roirft geroanberf fein,
er mirt geimmbert fein,
roir werben genanten fein,
ibr ïvercet geroaiiDat fein.
fïe roerben geroanbert fein.
id) ronnbre, ik ga.
ïm mancerft,
er roanbert,
rcir roanbern,
tl>r nxuibert,
(te roanbern.
Onvolmaakt verleden tijd.
id; mancerie, ik ging.
Bu roan&erieft,
ec rj.iuterte,
n>i. roanberten,
ibr roanbertrt,
(ie roaneerten.
Eerste toekomende tijd.
id) iiHutv roanbern, ik zal gaan.
tu ri\'ir(l roanbern,
er irir? roanbern,
it>ir rrerben roanbern,
br roerbet roanbern,
(ie roerben wanbrni.
-ocr page 119-
•WERKWOORDEN.                                       ii 1
Voorwaardelijke wijs.
Tegenwoordige tijd.
Verleden tlid.
id? wftrte manbern, ik zou gaan. icf^tvürbe gemanbert fein, ik zou ge-
gaan zijn.
cu luürfcefï BMiHyri!,
ir miirbe manbern,
mir miïrben manbern,
iljr mürbet manbern,
ftemürten manbern.
bil mürbeft gemanbert fein,
er rciirte gemanbert fein.
mir miirten gemanbert fein,
tbr ruiirCi\'t gemanbert fein,
(ie miirben fleroanbert fein.
Itij voegende wijs.
Tegenwoordige tijd.
ich manbere. dat ik ga.
Mi manberefr,
er manbere,
mir manberen,
ilir rcanberet,
fie markeren.
Onvolmaakt verleden tijd.
id) manbeiie, dat ik ging.
bu manbertejt,
er rcanberte.
mir ma berten,
if)r manbet\'ct,
(ie manberterv.
Eerste toekomende tijd.
Volmaakt verleden tijd.
irl)fei geivanbert, dat ik gegaan zij.
tufeieft gemanbert,
er fei gemanbert,
roir feien gemanbert,
i()r feiet geroantert,
(ïe feien gemanbert.
Meer dan volm. verl. tijd.
id) mare gemanbert, dat ik gegaan
ware.
bu mdreft gemanbert,
er mare gemanbert,
rcir maren gemanbert,
ifyr rcdret gemanbert,
fie maren gemanbert.
Tweede toekomende tijd.
id) roerde manbern, dat ik zal gaan. id)merbe gemanbert fein, dat ik zal
gegaan zijn.
bu merbeft gemanbert fein,
er roerbe gemanbert fein,
rcir merbèn gemanbert fein,
ihr merbet gemanbert fein,
(ïe merben gemanbert fein.
bn merbeft manbern,
er reerbe manbern,
u ir roerben manbern,
ibr roerbet manbern,
iïe merben manbern.
Gebiedende wijs.
roanbre, (manbere), ga, reis,
mant re er, hij ga,
manbern mir,
lafjt uné manbern,
mir mollen manbern, laten wij gaan,
rcantert, gaat,
manbern fie, dat zij gaan.
-ocr page 120-
H2                                     TWEEDE HOOFDSTUK.
Onpersoon lijke icerkwoorden.
$ 102. De onpersoonlijke werkwoorden worden slechts
in den derden persoon enkelvoud met bel onbepaalde voor-
naamwoord cê ^ebeziud ; zij worden met babcn vervoegd,
behalve wanneer zij afgeleid zijn van onzijdige werkwoor-
den, die met feilt vervoegd worden; b. v.
Hfgttfll, regenen.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verleden tijd.
reenen, regenen.                           geregnet baben, geregend hebben.
Deelwoorden.
Tegenwoordig deelwoord.                Verleden deelwoord.
reg:ienr, regenend.                        geregnet, geregend.
Annlooncndc wijs.
Tegenwoordige tijd.                 Volmaakt verleden tijd.
eêregnet, het regent.                    eêtiat geregnet, het heeft geregend.
Onvolmaakt verleden tijd.               meer dan volm. verl tlid.
eê regncte, het regende.               ei [jatte geregnet, het had gcre-
gend.
Kerste toekom, tijd.                     Tweede toekom, tijd.
eê roirfc regnen, het zal regenen, eêrcirb geregnet buten, het zal ge-
regend hebben.
Voorwaardelijke wijs.
Tegenwoordige tijd.                          Verleden tijd.
eê roiirce regnen, het zou regenen, eê roiirce geregnet baben, het zou
geregend hebben.
Bijvoegende wijs.
tegenwoordige tijd.                     Volmaakt verleden tijd.
eê regne, dat het regene.              eêfyabe geregnet, dat het geregend
hebue.
Onvolmaakt verleden tijd.            Meer dan volm. verl. tijd.
eê regnefe, dat het regende.          eê bdtte geregnet, dat het geregend
hadde.
Eerste toekomende tijd.                Tweede toekomende tijd.
cê werf e regnen, dat het zal rege- eê wevte geregnet baben, dat het zal
nen.                         geregend hebben.
Gebiedende wijs.
eê regne, dat het regene.
-ocr page 121-
WERKWOORDEN.                                  113
<&ltidutt, gelukken.
Onbepaalde wijs.
Tegenwoordige tijd.                         Verleden tijd.
glücfen, lukken.                             gegfücft fein, gelukt zijn.
Deelwoorden.
Tegenwoordig deelwoord.                          Verleden deelwoord.
gliicfenfc, lukkend.                        gegliicft, gelukt.
Aanfooncndc wijs.
Tegenwoordige tijd.                   Volmaakt verleden tijd.
ré giticfr, het lukt.                         ré ift cie^fücfr, het is gelukt.
Onvolmaakt verleden tijd.            Meer dan volm. verl. tijd.
eêgliicfte, liet lukte.                     ei mar geglücft, het was gelukt.
Eerste toekomende tijd.               Tweede toekomende tijd.
eê n*irb glücfen, het zal lukken, eê mht geglücft fein, het zal gelukt
zijn
Voorwaardelijke wijs.
Tegenwoordige tijd.           Volmaakt verleden tijd.
eê tvürte glücfen, het zou lukken, eê roürCt gegliicft fein, het zou ge-
lukt zijn.
Bijvoegende wijs.
Tegenwoordige tijd.                   Volmaakt verleden tijd.
eê glücfe, dathetlukke.                eé fei geglücft, het zij gelukt.
Onvolmaakt verleden tijd.             Meer dan volm. verl. tijd.
ei glücfte, dat het lukte.               eê mare gegliicft, dat het gelukt
ware.
Eerste toekomende tijd.
               Tweede toekomende tdd.
eé wev&e glücfen, dat het zal luk- eé wede geglücft fein, dat het ge-
ken.
                                 luLt zal zijn.
Gebiedende wijs.
giücfe, dat het lukke.
-ocr page 122-
II*                                  TWEEDE HOOFDSTUK.
OPSTELLEN.
Aanm. Een t duidt aan, dat men Je bijvoegende wij3 moet be-
zigen.
Het voegwoord ta§ k ,u soms bij de bijvoegende wijs weggelaten
worden. Wanneer men he*. uitdrukt, dan plaatst inen hethuipweik-
woord achter de andere werkwoorden.
70. (gg. 85 en 18-21.)
3cf) babe ben 23cn>cié, bit bdjtbcit SBcrbrufl, er bat ben SUer»
ftanb, roir batten bte&arroffrf, unb t3ie fatten bieSDrgcl. X>ie
©efabr ijl grog. ïue ïhYgel rearflcin, bic 3abf rmrb ittcfjt flciu
fein. 58tr babeit baö 93ei(i;cbabr,jbit ba|t baê 3?oet gebabt, uiib
bie ÜJïatiojeit babeit baé £au gebabr. £er ïDïavft wtrb grofj
fein. 35er (galat roirb gut gercefen fciii. X\'er Uükf)t reirb beu
Unterrid)t babni. Xrr gvicte roirb gefd)(offen I) reerben, mib
ber ^Scfjabe tfl erfc^r 2) roorben. 3rf) roerbe bcjtrafr, bu voirfl
gcfobt 3), er roirb grtiebr. 3d) wwrfce getabctt 4), bu ronreejt
gepricfen 5), bic Scbüler tvurbeu bc(ol)iit ti). £u marbfi ft ar f er,
unb er roarb gvoger. (iröivarc boffer, baf5 bu meljr g-lctf; l-attefr.
(Sr roürbe l)ier geroefeu feilt, meun £ie eó befoblen 7J batten.
1) Gesloten 2) hersteld, 3) geprezen, 4) berispt, 5) geprezen,C)be-
loond, 7) bevolen.
VI.
Ik zal de eer hebben, gij zult het verdriet hebben, en zij
zullen de acbling hebben. Wij zouden het nummer hebben,
gij zondl den kogel hebbeu, en zij zouden den bijbel hebben.
Dat ik den aardappel badde, en dat zij den wortel hadden.
Dat gij bet verstand zult hebben -j-, dat zij de plank
zullen hebben -J-, en dat wij de olie zullen gehad hebben.
Hebt achting 1) voor 2) dezen verstaudigen 3) man. Ik ben
met deboot aan den Roever geweest; gij zijt niet daar 5)
geweest, en hij zal ook 6) niet daar geweest zijn. Ik was
de laatste keer bij hem geweest, en zoude niet meer bij
hem geweest zijn, indien 7) hij bij u geweest ware. Men
zegt 8) mij, dal gij onoplettend 9) geweest zijt -{-, en dat
zij gehoorzaam 10) geweest zijn -J-. Zijt vlijtig Laten wij
gehoorzaam zijn.
-ocr page 123-
WERKWOORDEN,                                           115
l)5l#tnng, v. 2) fiir,3) verniinftig. 4) am, 5) bit, 6) aucf), 7) roemt,
8) fagf, 9) iinaufnterffam, lo) gefjorfam.
7*.
Gij wordt bemind, hij werd geprezen, en ik werd be-
rispt. Ik\'werd officier 1), gij weidt onderofficier 2), en zij
werden niet-. De markt zal vergroot 3) worden, en do
straten 4) zullen verlengd b) worden, nadat 6) de stad zal
vergroot geworden zijn. Gij zoudt gewaarschuwd 7) wor-
den, indien ik niet hier ware -J-.Zij zouden gestraft gewor-
den zijn, indien zij dit gedaan haddon f Ik hoop 8) niet,
dat gij gestraft wordt f. Meent 9 gij, dat hij het doen 10)
zal f, of 11) dat gij het zult f doen? Do poort 12\' zal
gesloten gewordenzijn, en de deuren 13")zullen geopend 14)
geworden zijn. Hij meende 15), dat hij de eersle zou ge-
worden zijn; hij is echter 1GÏ de laatste geworden. Wordt
vlijtig 17), en gij zult geleerd 18) worden. Gij hoopt 19),
gelijk 20) ik, dat gij zult gelukkig worden -J- door de
deugd 21) en de onschuld 22).
1) Offijier, m. 2) Unteroffijier, 3) »ergrê§ert, 4) ©trage. v. 5) »ev-
.\'dngerf, 6) ii<id)6em.7) gercanit, 8) boffe, 9) meinft. 10) (hun, 11) orer,
12) ïhor, o. 18) Ïtoir, v. U)geoffnet 15) meiiite, 16) aber, 17) fleifiig,
18) gelehrt, 19) boffit, 20) mie, 21) Xugen», v. 22j Hnfd)ii(D, v.
13. (§§86en 24.)
Sic granen baben fïei$ig gearbeitet 1 in ter ©tube 2). jDh
arbeitcfï faugfamer,alë beiue Scbivejtcrn. X5tc fterren arbetreten
langer, alê bic ©effffen. ÏOir fyoffen 3), ba(5 bu fleifiig arbeitcjt
unb immer fleifjig arbeireu merbeft. (Sin arbeireuber Süngliug
mib etn arbeiteubeö ÜWabcfocn finb bic greube bcr (Strem. Der
©ol)n bré ©rafen arbeitet mit bem A-tinten. sü?ir cnvarfeten 4)
bie eerren nnbbic ©efellen. £ie ftirten retteten 5) tt>re ©rfjfcn
unb iljre.ftYibe 6h 3d)forbre7)t>ou bir bie Ucbcrietjitngen 8),
bie £aubfd)rifteu 9) unb bic Ul)rcn 10). Sn «erbitterft 11) mir
baê ?ebcit,nml 12)bumeiner (Srmabnungen 13) fpottcfr 14).
*(iÖir babett eSnicht probirtlS), roeil eë uuébtêrjer 16) nocf)im«
mer migglücfr 17) ijt. (ïrfagt 18i, erfeibefporret 19) worben;
id) glaubc 20) cö aber 21) nicht.
-ocr page 124-
4iG
TWEEDE UOOFDSTTK.
1) Werken, 2) bie ©tube, de kamer, 3) hopen, 41 verwachten, 5) red-
den, 6) tieifiib, de koe, 7) vorderen, 8) bie lleberfefjung, de vertaling,
9) Me£uititfcl)rift, het handschrift, 10}fcietlbr, liet horloge, 11) ver-
bitteren, 12) omdat, 13) Me (£rmal)iuing, de vermaning, 14) spotten,
15) probeeren. IC) tot dusverre, 17) mislukken, 18j zeggen, 19; be-
spotten, 20) gelooven, 21) echter.
Gij bespot deze menschen, die u !) helleven gered hebben.
Plant 2 i gij deze eiken 3) en deze dennen 4) voor 5) u of
voor uwe erfgenamen 6)? Deze daden 7) kostten 8) hem I)
geene moeite 9). De batterijen 10) van den vijand 11)
maaiden 12) onze soldalen weg 15); zijne kogels 14) dood-
den 15) den prins, en zijne bommen 16) veroorzaakten 17)
brand in onze woningen 18,. De vrouw bereidt 19) de
aardappelen 201, de uien 21 en de wafelen 22). Ik vlei 23)
den vorst 1) niet; ik berisp hem "24), wanneer hij niet werkt
voor 5 i het volk. Hij is gered geworden; wij gi loofden,
dat 25) hij gedood g» worden was -j-. Wij verwacht ten de
moeders en de dochters van den graaf en van den prins. Hij
bespotte de zusters van den heer, bij welken hij arbeidde.
De deugdredt u uit de gevaren 26), welke de ondeugd 27)
u bereidt.
1) Datief, 2) pfliinjen, 3) <?idie, v. 4) Sanne, v. 5) fiir, 6) Qvbe, in.
7) Sbat, v. 8) fo|ren, 9) OJÏübe, v. 10) «atterie, v. Il) gein», m.
12) maliën, ISibinroeg,14) 5fu,,el. v. 15; loeten, 16) 23ombe,v. 17) rer»
urfacben, 18) "IBobnuna. v. in den datief. 19i beieiten. 20) itaitoffel, v.
21) 3rcietel,v.22i SB.iffel, v. 231 fcbniei*eln, 24) accusatief, 25) wordt
wegg^hiten, 26) ©efabr, v. 271 Safter, o.
75.
Wij hebben de eilanden doorkruist 1), en de steden
bezocht. 2 Hij heeft de noten met de aks doorgehakt. Ik
heb u met weldaden 3) overladen 4), en toch 5) zijt gij tot
mijne vijanden overgegaan 6). Ik heb mij omgedraaid 7),
loen ik bemerkte, dat ik van allen omringd 8, was. Gij
waart overtuigd 9), dat de meiden van alles onderricht 10)
waren. Hij hield staande 11), dat hij de groeven voltooid 12)
had, maar dat hij ze niet volgepompt 13) had. Zij hebben
zich* verzet 1 i); ik heb echter de zaak onderzocht 15), en
-ocr page 125-
WERKWOORDEN.                                  117
hunne meeningen 16) weerlegd 17). Wij hebben hun reeds
driemaal herhaald 18 , dat de zaken 19) reeds lang terug-
gehaald 20) waren. Drie koude nachten vernielden 21)
de vruchten, die nog niet ingezameld 22) waren. Indien
gij de gevaren 23) niet vreest 24), zult gij er in omko-
nicn 25).
1) \'£tii\'4fïe!i8«,n, 2) befucben, 3i SGoMtbat, v. 4) überbjuifrn, 5)
rod), 0) überfleganflen. 7) unie-reben, 8i utmiiitten, !•) übtrjeuflen, )<>) un«
teriicnteit, II) behaupten, 12i Bolleneen, i3)r-olliHiiii»en, I4)roifeiïe£en,
]S) iiuteiiiiclien, lói SKeinung, v. 17) roiberlegen, 18) irtererbolen,
19) êuebe 2(J irief ei holen, 2li r-eruierjten, 22) cinfamnielii, 23; @e»
faljr, v. 24) fürdjlen, 25) imifommeii.
*ü. (§§87—91 en 28.)
Set) btubc 1) ben Segcn tint bc» ?eib 2). £>cr jpelb 6iiub bad
Ungcbcucr 3) au etitcn intuin, jjaft bu bic jammer unb bic
9iaa.fi gcfuubcn 4), vocldn\' ocvfdmNiubcuS) waven ? 3a, iel) faub
biciclbcu ini ©avtcu ü) ccê (Sebaubcé. ïucOMbdn-u ijabcn bic
g-abeu7) uut ilnc \'tfingcv geiuuitbcu. X5tc tfnableüi 8) fpran*
geit \'.) iibcv t>ie SJadftem 10 , aai rocldicn ft e getruitfcu 11)
l)attcu. £>u gcwiiutft 12) mcbr, alé bciuc Skübcv gewonnen l>a*
beu, vecil bu bciuc Slvbeit fvül)cr 13) begonnen baft. ïic -Cicbc
14),veeld)eiu bte ©ebaube buvdigcbrutigcu waven, ftableu bovt
jwcibuntcvt ©iilbcu. 15) \'li\'üüou fpvichft U\\ ? 3d) (pved)c wout
Ücl)rcv, bcv mir bilft, unb bcv and) bir gcholfen bat. ïic jcugcln
bcó geiubeé trafen bic -Srübcv beè gürftcit, weld)e in bent ©e;
tintte verbergen waren. @utc <2d)ülev geljordjcn lü)/ weuu ber
Velu cv jpvidft.
1) Q3incen, binden, 2) lijf, 3) monster, 4) finben, vinden, 5) »er--
fd}tt>tnbeii, verdwijnen, o\') tuin, 7) Ier RaCfll, de draad, 8) knaapje,
9; rprtngen, springen, 10) beekje. 11) trinf.n, drinken, 12) gewinnen,
winnen, 18) fvüb, vroeg, 14) eer ©ieb, de dief, 15) gulden, 10) gehoor»
zaïnen.
De broeders van dea leeraar vonden de leerlingen in de
tuinen. Waarom 1) bindt gij hem vaat 2)? Ik had hem
reeds vastgebonden. De ezels 3) dronken uil de emmers 4),
en sprongen 5) daarna ü)over degracblon 7). Hij wilde 8},
datikzong-t-ensprongf,doeh het hielp hem 9) niet. Beveelt
-ocr page 126-
11 8                              TWEEDE HOOFDSTUK.
\\ gij het, dan 10) zal ik hetu 9) niet verbergen. Hij verbergt
I mij, dal hem 9) dehand doorsloken 11J werd. Spreek,neemt
gij het aan, of 12) verwerpt gij het? Gaarne 13) sprak f
ik niet hem,maar hij scheldt altijd 14). Waar 15) voudt
gij h<m 1 IIij kwam uil hul vertrek 16) van zijne moeder,
met welke hij gesproken had. Zijne broeders en zusters
stierven in hunne jeugd 17). Hij beveelt, datgij hel nemet -{-,
en dal gij hem 9) heipet f. Sterft de ziel van den menseh,
wanneer het lichaam 18) sterft? Neen.
l) SB-irum, 2) fejr, 3) Cfel, m. 4) Grimcr, m. 5) fpringen, G) fc.irn,
7, ©rabeil. m. in Jen accusatief, 8) ïrollti\', L1) datiel, 10> fo, lt) purd)"
ftcdKii, 12) efer, 13j geru. U) immer, 15) roo, 10) \'frmmet, o. 17) Ju»
flcnP, v. 18) kerper, m.
78. (§§ 92 en 29).
£n vergtfTciï, bag ©ott bir bie Meirfjtbumer gtbr, bamtt 1)
bit ben Slimcn bclfefr. ïcr "JDïcnfd) ijjt tim jit lebeii. 3d) «pc
gern biefe Rianter, ïurini bicfclbcitmir bie ©cfuiiPbcitroicbcr
gabcu 2;. 2icl)ft bu bic\'iyürmcr nid)t, tve((f)e bic flatfee nuf\'
gefveffeu 3) bnben ? Ui>ir fafjcii atif beit ©rabcru bcr SRamtrr,
ivcldje it)ri\'cbeit füré ÜJarcrlanb gccjcbcn batteu. Sifometnle 4),
irf) fagc fd)on bei bir, iiub ipradjc init bir iiber bic ?anber, bie
Êtabtc imb bic ïiufer, «on benen ïvir (o oft (pred)en. Ttt tvitt|l
ouf bie SÖKitter beê Stfaumcé, berüom SBIt&e ;i) getroffen \\vov*
ben ift. £u fi(jeft ta 6) md)t gut; id) fa&e licber 7), bafj bu
iicbcii 8)mtr fiifjeft. ïOïcin iSobn, vergifj bietïr:ital)nuiigcitut>t;t,
bie bcin Snater bir gab, unbfiel), bafj bu immer jcbem baê ©et;
jtige gebeft.
\\) Opdat,2) teruggcreii, 3) opvreten, 4) meende, 5) bliksem, C) daar,
7, liever, fe) naast.
79.
Deze man nireL 11 de velden en de dalen, welke bij deze
dorpen liggen. Ik trad hem 2) graag de boeken en de
glazen af 3), indien hij mij 4) daarom 5) bad -f. Geeft
gij mij de vaten, die ik gezien heb? Ik gaf fzeu graag,
indien nrj 2 niets daaraan gelegen was -f. Uit gebeurde
in hel ü) jaar 1815. Hij bidt mij, hem 2) de zwaaiden Ie 7)
-ocr page 127-
WERKWOORDEN.                                           1 1 9
oever welke ik verborgen had. Gij bezit 8) kasleelen 9),
huizen en bossclien, en loeli geeft gij deze arme mannen 2)
niets. God zal ons zijnen zegen 10) geven, indien wij hem2)
getrouwelijk II) dienen. Graag zon ik komen, maar ik
zie, dat hem niets daaraan gelegen 12) ligt. De veldheer
heeft twee nieuwe 13) regimenten geworven, om delanden
van zijnen vorst te verdedigen 14). De rijkdommen zijn
panden, welke God aan de mensehen wel 15) geeft, doch
niet onvoorwaardelijk 16) afstaat 17).
1) Sfieiïen, i) datief, 3) flb, 4) accusatief, 5) ranim, 6) tm, 7)ju,
8) beffen, 9) <ê*!o§, o. 10) geuen, m. 11) treil, 12) wordt niet vertaald,
13) neu, 14) certhetciuen, 15) jwar, 16) tinbefcingt, 17) iibtreteit.
80. (§g 93, 9ien30.)
£er 93aucr fiibrt mtt bent ÏÖagcn feineê 9ïacf)baré tnref) tie
ftclter. £ie 9tad)barn tuten tic siJï6bcln anf cinctt ÏCagcit nnb
fiit)rcn tamit fort 1). T:ic SSetrern babcn (ïrf) tie £ante gevoa*
fcticn ; rcarnm roafcfjefl tu bir ticfelbcn and) 2) nieftt? 3d)
roftfdie tmr ticfelbcn gcnt,n>cnneéüon ntir attotn 3) abbinge 4).
£*it laffcjt bic ^antojfclit fatten; roarnm bal rit bit tiefclbcit
nicbr beffer feft ;>). £altc tciitcn Sterf 6) mdit fo bod), f on ft 7)
ftöfkft bit mir in bic iMtigcn. 3ct) ineinre, bit H) lief;eft mtr fa*
gen, ob 9) bn c£ tvngcfr,oter 2i niebf.Uüantm lanffl bn fort?
2Mc granen falictcn bic jSembcn, rceldie fie gcroaftbeit batten.
(Srnabnt etn Sd)iï>crt, baö an ter sJüanb 10) bing, nnb bieb
tent ^uitbcben Slopf ab. UBcr t»ar tè, ber ftimntcl nnb Srbe
fd)»f?
1) Weg, 2) ook, 3) alleen, 4) aflian^en, 5) vast, 6) stok, 7) anders,
8) dat gij, 9) of, 10) muur.
81.
De boeren laadden de meubelen op twee wagens, en re-
den weg. De masten van bet schip 1 (droegen de kabels 2)
en de zeilen 3). Ik wilde 4),dat gij mij den tijd 3) liet, om 6)
de schoonheid 7) van bet meer te bewonderen 8). Gij
draagt in u 9; zelven eenen vriend, die n9)geenerust 10)
laat, wanneer gij u niet houdt aan datgene II), wat bij
-ocr page 128-
120                             TWEFDE HOOFDSTUK.
u 9) raadt of beveelt; die vriend heet: het geweten 12).
Gaarne droeg ik het, indien gij het mij dragen liet -f-.
Wanneer 13) rijdt gij weg 14) 1 Gij slaat de boeken wel
open 15), maar gij begint 16)niet te 19) lezen. Hij vouwde
het papier, dat hij in de handen 9) liiuld, en liet het mij 9)
brengen Ik wilde 4), dat 17) gij u de handen wiescht. en
voorlgin™U8)-{-met 19) lezen. Hij slaapt, en gaat voort
met slapen; l;iat hem liggen: het helpt, u 9) toch niet.
Doe 20) alles, wat God u 9) beveelt.
1) ©rttff. o, 2) Sabel, o. 3) ®e«e(, o. 4) rooHte, 5) 3eft, v. 6) urn,
7) ©cbönbeit, v. 8) fcewunbern, 9) datief. 10) Snifte, r. 11) accusatief,
12)©ewiffen, o. 13) rmtnii, 14) ab. 15) nuf, 16; aiifangeii, 17) wordt
niet vertaald, 18J fortfaljreti, 19; 311, 20; time.
82. (g§ 93 en 31.)
2Me £iinbe fdilicoen ft et) tavon 1), nad)be m 2) bicfclben eitiatt*
ter gcbtffcit l)atten. £u reifieit ratr bic S3riefe, bic iet) gefebrte*
benbabe, oué ten SSnibcii. ©i< ftritten lang : reiner ftegre 3 ,
fciner ivicr). £ic ©dnihe4)beé Siiitgliitgé ffnb ttcrfdiliffen 5),
itnb fcine ft\'lciber finb jerriffeii 6). Uttferc jtnechte littcu gre-fje
©ebtnerjen 7). I)ic5f6cb,c 8) ljaben tic ÜJÏjffer gefebliffeu itnt
bte #apaune9) biird)gcfrf)iuttcn 10). Grr fdjrieb ntir, er l)abe
tent ©1)üler tie gebern itnb bic Sleiftifte 11) gclicbcit, bautit
btcjer tic ©ebicrjtc abfcrjriebe. ?cil)en Sic mir gcfaUigft ciit
s)>aor12) ©cbithc 1111b cüt ^p.iar ©trümpfe 13). ïiefe 3ü»3-
linge roerben wegen 14) iljvcr ^cuntiiifjc uoit jcbcrmatm geprie
feit. ©ott»eneit)t Ij) btv bcitte gel)ler, roemt bit 3?icf)cii \'6)
ter Dfene 17)gibi"t, nitb ibu urn SSerjcihimg 18) bitteft. ©djivci*
ge ! bit Ijaft geinig gefdjricen.
1) ©iet) ta»oit fd)(eid)en, wegsluipen, 2) nadat, 3) overwinnen,
4) ter ®d)itb, de schoen, 5) verslijten, 6) verscheuren, 1) ter Sdimerj,
de smart, 8) ter Siod). de kok, 9) ter jtapailll, de kapoen, 10) door-
snijden, 11) ter S8li\'t|tifr, het potlood, 12; paar. 13) Cer ©trumpf, do
kous, 14) wegens, 15) vergeven, 16) teeken, 17) berouw, 18; vergif"
feuis.
83.
Gij bijt ui) de tanden 2) uit; waarom hebt gij hel
brood 3; niet doorgesneden ? De vijanden 4) zijn geweken,
-ocr page 129-
WEM? WOORDEN.                                       121
nadat zij doorS. onze soldaten aangegrepen6) geworden
waren. Gij streedl dapper 7), doelt gij leedt eindelijk 8) de
nederlaag 9>. Prijsl gij niet, wat wij prijzen ? Ik huop 10),
dat gij hier blijft-f, en dut gij niet weggejaagd 1 l)woidel-{-.
De knecht reed melde paarden, die hij uit de weide 12)
gedreven had, naar huis. Gij beet den appel in twee stuk-
ken 13). Ik vergal 14) hem alles, wat hij mij geschreven
had. Hij schreeuwde en weende lo), omdat 10) gij hem het
boek niet geleend hadt. Gij prcesl de vlijt, met welke de
leerlingen de gedichten 17)gesehrevenhadden.\\Vij vcrge-
leken 18) de brieven 19 met elkander, en wij zagen, dat
zij met denzelf\'den inkt 20) geschreven waren. Menige
jongeling is in het gevaar 21) omgekomen 22), o:ndat hij
het niet gemeden had.
]) Datief, 2 3at>n, m. 3) S3rob, o. 4) getnb, m. 5) oon, 0) iin--
Oreifcn, 7) tapfer, 8) enMid), 9) Oiieoerl-nie, v. KMjoffeit, 11) oermei»
feit, 12) SBiei\'e, v. 13) <5titcf,o. 14) tocrgefen, 15) weineii, 1G) reeil,
]7>@cficr,t, o. 18) eerfl\'eidjen, 19) «Brief, m. 20) Sinte, v. 21) ©e--
fahr, v. 22) urn Font mm.
84.(SS96en52-39).
£ie $einbe fyabcii itntf ben $rieben oitgcbereii 1), nadjbcm
jïcflbgcjogen 2)ivarcit. fêe batbtefe 9ïad)t gefroren; bcrÊcba*
beiftfjrofj: ber grintte Zhcil 3) beó ©amend tft verloren.
3üenn 4) cd «on mir attetn abbinge, idi ftöge ju 5) bir tuit ber
©crjtieUigfcit G) beö ©cbanfcnö. £cr flcinrtcS;i)ciIbcé jjaufend
jog nact) ftaufe. ÏÜir bnben jioei 3abrc bic Sortbcile 7) bed
griceciid gciiofjfeu. ÜB&brcnb 8) ber SBelagening 9) ©cbnflo*
polê nnirbe niaiirfjrr g-raitjofe tobtgefdioffen 10). ?ubtvigd
s-ürubcr bat ben Stavl bewogen, bie ©róge 11j bed ©dtabené jn
öcrgefjcn. Marl bob 12)^rt(3enê 13) 33üd)er rem 33obcn auf
12;. gricbrid)öi3)2>olDcitenfod)ten mirgrofjer £apfcrfctt14),
ludl5)bie«£olbateii ÜKavias^t^crcffené 16) )ïd)jitriicfjogcn 17).
^.Moglid) 18) crfdtollbie 9Jad)rid)t 19>, geurend 23rnbcr tvarc
erfdjofjen 20). (Sin gtitcd Stint fliebt ben .ftuabcn, bcr immer
ftd)t.
1) Aanbieden, 2) heengaan, 3) gedeelte, 4) indien, 5) naar —toe,
G) snelheid, 7) voordeel, 8) gedurende, 9) beleg, 10; doodschieten,
11) grootte, 12) oprapen, 13) Frcderik, 14< dapperheid, 15) totdat,
lu) Maria-Thoresia, 17) terugtrekken, 18) plotseling, 19; bericht,
2i>> doodschieten.
-ocr page 130-
122                               TWEEDE HOOFDSTUK.
v                                        85.
Deze kooplieden bieden ons hetzelfde voordeel aan.
dat gij ons aanbiedt. Graag trok -J- ik heen 1), indien ik
niet te veel daardoor verloor -J-. Hij vluchtte, omdat hul
hem verdroot, dat gij niet vocht. Deze staatslieden hebben
elkander belogen en bedrogen. Lodewijks kleinste broc
der kroop uit de kamer, die gij niet gesloten hadl. Gij
boodt ons gekookte 2) eieren 3) aan 4). De butei 5) smeh
en de melk 6) zwelt, wanneer zij warm worden. De lampen
zijn uitgegaan, omdat gij geene olie 7j in dezelve 8) ge
goten hebt. Verlies de appelen niet, die ik uaunyebotLn
heb. Een braaf mmsch wreekt zich niet. Dij zwoer, dal
hij zich niet zou wreken. Frcderiks gedrag verdroot mij,
en ik besloot9), hem te straffen. Alles, wat gij geniet, hebt
gij van God ontvangen 10).
1) gort, 2) fïefcen, 3) Si, o. 4) on, 5) Sutter, v. 6j «Diitdj, v. 7) Cl,
o. 8; accusatief, 9) bi\'i\'ctjliejjen, lu) empfanjen.
8«.;§3 97 en 40—46.)
3d) barfeèbir ebcn fo wettig fageti, alé meine SBrü&cr eê
cürfeit.» 3>i) f anti iitctjt" ift fetjr oft Caé tiamlicbe aiè »3tt) *»iU
nicf)t."Sit faimfl ciuc a:i0crorber.tlict) iuiglid)c 2lrbctt «crrtrf)*
ten, roemt bit mtr Ijdfcit totUjt. 3dj l)abe ttirf)t tbuu bürfett,
uitb bit bajtcê tiirf)t gcbtiift. £11 fönntefi bei rccitem bcr gcU\'l)rtc*
ftc fetn, roemt bit nitr rerf)t eniftlid) 1) ivclttcjï. £n batteft
frül)er fcntmeit föititett. 9ieiit, irf) b«bc cö nirfjt gcfoititt. 3-t
roeltte, bafj irf) ntit bir gebett föiinte; irf) roiifjtc tt»ot)I 2), roaé
td) ttjatc. 3d) giitge gerit nut btr, ober td) fann ittdjt. 2Lir rooUcit
fleijjiger roerben. (ïr ftotib böber, alè irf) ; irf) badjte, ba$ er
bort frfjcit lange gcfranben batte. 3rf) tljdte geroi§ 3), roeitn
irf) mtr 4) tnödjte. £enfc baran, baj? ®ott bid) fieljt, roe rn
nttd) 5) geyefi ober ftetyejr.
1) Ernstig, 2) wel, 3) zeker, 4) maar, 5) ook.
87.
De braafste menseh kan vallen 1); echter hij blijft niet
-ocr page 131-
WERKWOORDEN.                                        123
liggen, maar 2) slaat terstond 3) op 4"> De wy kon -j- kor-
ler zijn, indien gij het maar vvildet. Durft gij zeggen, dat
hij trolscher is, dan gij ? Wat gij niei voortzetten 5) kunt,
moet gij gewoonlijk 6) ook niet beginnen. Hij wist niet,
wat bij deed ; andeis 7) zou hij sneller 8) teruggekomen 9)
zijn. Hij noemde mij zijnen besten vriend, en hij zcide,
ilat hij niet wist, of 10 ik i er) eencn beteren had -j-. Weet
gij, waarheen 11) de breedste 12) weg u voert 13) ? Ja,
wij welen het. Hij dacht, dal gij het niet wildot -J- of niet
wist-J- ; maar gij wist het zeer go\'d. Waarom deedt gij
het niet? Omdat gij daar 14) stondt ; want 15) ik wilde
niet, dat jiij hem zaagt f, als hij gestraft werd. Doe, wat gij
doen moet, en zie niet om 10). Ik kende hem veel beter,
dan gij hem kendet, ofschoon ik 17) niet wist, waar hij
stond, of wat hij deed. Mijnen plicht 18) heb ik gedaan.
1) gallen, 2) (ontwil. 3) (omleidt, 4) <uif, 5) (ottiefcen, 6) aeroobit--
li*,7) lonft, 8) (cbnell, 9) juiücffontmeit, 10 co. Iliroobin, !2i breit,
13) fübren, 14j ca, 15) remi, 10; urn, 17) ob id) gleid), 18) <Pflicbt, v.
88.(§§93en47 —50.)
2Bir baben biefe fd)led)ten $anbuingen 1) narf) SSerbienfi
gebranbmarft 2). @é wetterleiid>tet 3) jc(3t 4); ee bat bengan*
jen 9lbenb gemetterlcudKet. Sin guteè otinb froblecfet 5), roemt
eê feine 2lrbcit «otlbradit t>at. 5>ïeiii altefter iirnber bat bie
gaitje ©egenb 6) bnrd)frcujt 7), unb werfdjiebcne frf)önen
^flanjen 8) niitgebracttt 9). UÖir fiub biefen ÜHergen buret)bie
ëtabt gefabren 10) iinb biefen StbcuS 11) in bie ©egett\'ï ange*
langt 12), rocldje bn bnrd)lanfcn 13) Ijaft. £ic erjten Saijre
nnfercö Scbeué finb vielen ©cfabven auègcfeljt 14\\ £ie $a\\u
fcr roareuatle mit tëvanjen umhaiigt 15). Sffiarinn !>aft bn bie
frfjonen ©cmalbe umgebangt 10)?£siefe fleifiigen ©d)ii(cr
l^beit it)re l\'ectioneu roteberboft 17), imb it>re SBüdjer rokber*
gcbell 18). gin gntcé, tngeubbaftcö 19) $inb roiberfefct20)
fid) nie 21) ben S5efel)!en feincr ©Item 22).
1) Handeling, 2) brandmerkeii, 3) wecrlicliten, 4) nu, 5) juichen,
6) streek, 7) doorkruisen, 8) plant, 9) medebrengen, 10) rijden. 11)
avond, 12) aankomen, 13i doorloopen, 14)blootstellen, 15) behangen,
lö) verhangen, 17) herhalen, 18) terughalen, 19) deugdzaam, 20; ver-
zotten tegen, 21) nimmer, 22) ouders.
-ocr page 132-
124                                     TWEEDE HOOFDSTUK.
89.
Het weerlichlfo den ganschen avond, en liet liceft den
ganschen dag geweerlicht. Zij brengen hunne beste vrieu-
den mede, indien }jij de goede naburen medebrengt. Ko-
men 1) uwe lieve 2) ouders weldra 3) terug 1)? Ik weet
niet, wanneer 4 zij terugkomen ; ik kom terug, zoodra ik
ontbeten 5) zal hebben. Wij achten dengenen hoog, die
zijne plichten gelrouw 6\' vervult 7). De honden hebben
de gevonden beenderen 8) doorgebeten 9). Zij hebbende
geheele streek doorloopen, en men beeft hen met sehoone
geschenken overladen 10). Gij hebt misgeschoten il);
ga 12 dus 13) maar 14) heen 12) ; gij behoeft 15) niet le-
rug te komen. Voordat 16) gij iets onderneemt, waarvan
uw geluk 17) grootendeels afhangt 18), moet gij Gods
hulp 19) inroepen 20 , opdat gij in uwc onderneming 21)
gelukkig zijn moget -{-.
1) SBieberfontmen, 2) lied, ttjeiier, 3) ba\\t<, 4) ro.imi, 5) friihftücfen,
G) treil, 7) erfuUen, 8) tfnocfyen, in. 9) t>urd)beifen, lOj üterlafceii,
iiberliaufen, ) 1; mi§f*ie§eii, 12) fortgetien, 13) aho, I4)iuir, 15) brau=
cfyen, l(i) beioor, I7)©lücf, o. 18) öbfjaiiflen, 19) j&itlfe, v. 2o)einrufen,
21) Itnternebmen, o.
OO. (SS 99-102 en 52 58.)
5Bir roarmten 1) line om $eucr, M 2) er eiutrat 3), unb
jïd) neben4) uité felste 5). 3d) befanu 6) mtd) nid)t lange, fon<
bent 7) begab 8) mid) fogtcid) in baé 3immer, ïaè er »er<
lafjen 9) batte, ©ie befümmerten 10) fid) ju «iel urn nufcr
©dhirffal 11). 3üenn ein jeber fid) nut ben Seüugen befdbaf=
tigt 12), fo 13)gcbud)H4) eë geroitynlid) 15) ait 3anf 16)
unb (Etreit 17). @é»erbrojH8) unë, ibm langer ju btenen;
ivir gingen fort unb famen iud)t juriitf. (Sr ift mir begegnct
19) unb batnur gebotfen 20); eé fd>mcrjt 211 tutct> aber, ba|5
id) ib,m nid)t gebanft 22) l)abe. Grr ift ju ben $riubeu fctiieö
eigenen SSaterö übergegangen.Sèfdwbetebiefem 23) ^ünglingc
fet>r, bafi eé ibm au geböriger 24) 9lufmerf|\'amfctt 25) ge\'
bracb 26). @orge 27) immer bafür 28), baf? bic ÜRitrel 29),
beren bu bid) bebienft 30), bir ittd)t jur ©rijauCe gereidjeu 31).
-ocr page 133-
WERKWOORDEN.                                      125
1) Warmen, 2^ toen, 3) binnenkomen, 4) naast, 5) zetten. 6) be-
zinnen, bedenken,7) maar, 8) begeven, 9) verlaten, 10)bekommeren,
11) lot. 12J bezighouden, 13) dan, 14) ontbreken. 151 gewoonlijk,
lö) twist. 17) strijd, tweedracht, 18) verdrieten, 19) ontmoeten, 20)
he\'pen, 2\\) spijten, 22» bedanken, 23) benadeelen, 24) behoorlijk,
25) oplettendheid, 26) ontbreken, 27; zorgen, 28) er voor, 29) middel,
30) bedienen, 31) tot schande strekken.
91.
Gij matigt 1) u 2) een recht aan, dat de koning zelf zich
niet aanmatigt. Wij beminnen en helpen 3) elkander,
gelijk het ons betaamt 4) liet ontbrak .\'>) ons niet aan 6)
vrienden, die zich aanboden 7) om ons te helpen. Indien
ik mij niet bedrieg 8), dan 9) spijt 10) hel hem H , dat
hij zich niet beter in acht genomen 12) heeft. Het spijt
mij, dat ik u 2) niet helpen kan, en dat de uwen zich
niet over 13) u 13) ontfermen 14). Het mishaagde IS)
mij 2), dat het hem 2) zooveelgeld kostte 16). Neemt do
boeken : wij bedienen ons daarvan 13) niet. Hij liegt,
en daarover 13) schaamt 17) hij zich niet. Wij hebben
lang 18) op zulk een paard gereden. Wij moeten 19) ons
diegenen 13) £,oed herinneren, welke ons met weldaden
20) overladen ül) hebben. Het zal ons nimmer 22) spijten,
dat wij deugdzaam zullen geweest zijn.
1) 3lnm,i(;en, 2» datief, 8) beffen. 4) ei gejiemt. 5) feblen, 6) m
met den datief, 7) fliibieten, 8) fid) irren, 9) fo, 10) eé renet, ll)ac-
cusatief, 12) iu 31ct)t nehmen, 13) genitief, 141 erbarmen, 15) mij»
falle-ii, 10) fotfeit, 17) idntmeii, 18) lange, 19} miiiTcn, 20) \'ffioljitljat, v.
21)  überbaufen, 22) nimmer.
9«.
Herhaling.
Deze vlijtige jongelingen arbeidden en studeerden, opdat
1) zij hunne lessen van buiten 2) leerden. Ik bond-J-hera
graag vast 3), maar ik kau hel niet, en ik durf het ook 4)
niet. Spreek ; waarom hebt gij mij 5) niet geantwoord 11k
dacht, dal gij bij 6) mij kwaamt; anders 7) had -J- ik u 5)
geschreven. Hij onthaalde 8) ons goed, omdat 9) wij hem
ook goed onthaald hadden.Heer, waartf gij hier geweest,
-ocr page 134-
126                                      TWEEDE HOOFDSTUK.
mijn broeder zou niet gestorven zijn. Alles, wat wij bczit-
terf 10 ), komt van 11 j(Iod. Ik wilde,ilat ik u bij mij zhjj ,
en dat tij mij niel meer verliet. De mensch eet en drinkt,
opdat lui zijne krachten niel veilieze-j- Doe slechts,watn 5;
geoorloofd 121 is, en wat u5) voonleel aanbrengt, en liet
zal u nimmer spijlen, gehandeld te hebben. Deed tocli
iedereen, wal liij doen moet 13); hoo 14) gelukkig zou
men dan reeds on aarde 15) zijn !
t) Diimit, 2) «tién>enri<j, 3) fei>, 4) and), 5) datief, 6) ju, 7) fon(>,
8) frenmtben, 9)roeii, 10) befïgen, bdt\'cii, lij »on, 12) geftatten, 13)fo:.-
(en, 14; mie, 15) nuf @rt>eii.
93.
Hij bloedde, omdat hij zwaar 1) gewond 2) was. \\Vaar-\'
om haat 3) gij hem ? Hij werpt de boeken, die gij hein 4)
gezonden hebt, uit het raam 5\'. Ik vreesde hem niet, en
zijne bedreigingen 6) troffen mij niet. Ik wilde, dat gij
u 4) de handen wiescht f; dalkost u 4, ja geene mooite7).
liet hangt maar van u af 8), of 9) gij heloond of I0)ge-
Strafl wordt-j-. Hij zet 11) den handel zijns vaders
voort H), maar hij staat 12; de paarden, de koeien en de
landerijen 13) aan zijnen jongeren broeder af 12). Hoe 14)
meer gij weet, en hoe beter gij het verstaat, des Ie 15)
strenger zult gij daarom 16) geoordeeld 17) worden, indien
gij niet des Ie IN) heiliger leeft. O, hoc \'9) snel gaat olie
heerlijkheid "20) der wereld voorbij 21)! Hij, die veleovei-
tollige 22) zaken koopt, moet weldra de noodzakelijke
verkoopen.
1) Sdjiser, 2) tterrouirten. 3) haffen,4) datief, 5) juin 3en(ter binaué,
6) ©rol\'iing, v. 7) Sföühe, v. 8) ab. 9) ob, 10; oDer, 11) fortfefcen, 1:) aMre«
ten, 18) iUrfer, m. 14) je, 15)t>e|ïo, 10) tegball\', 17) rirtileit, 18) urn fo<
19) n>ie, 2ii) jberrliehfeit, v. 21) poiüber, 22) ubeiftüffifl.
94.
Indien gij u niet in acht neemt, zult gij berispt 1) worden.
Ik sprak -J- graag met hem, maar hel ontbreekt 2) hem 3)
aan 4) goeden wil. Waarom verbergt gij u? Gaat gij niet
met ons wandelen 5)? Een schrikkelijke ö) storm -7) ver*
-ocr page 135-
127
WERKWOORDEN.
woestte de akkers met alles, wat zich daarop bevond. Wij
weten niet, waarom hij zich daar bevond. Wij hebben
gewed 8), dat hij het niet doen zal. Ik weet er niets van;
weet gij hel soms 9)? Ik streel 10) den hond, opdat hij
mij niet bijle-}-. Waarom zucht 11) gij? Omdat het mij
brandt inde ingewanden 12). Delast 13), dien gij draagt,
wordt u 3) lichter, indien gij hem met geduld draagt. Hij
v il, dat gij het doet -j-, en wij willen, dat zij het doen. Dacht
f gij meer aan 14) den dood 15), dan aan 1 4) de lengte
16. des levens, dan 17 zoudt gij u zonder 18) twijfel 19),
beteren 20).
1) ïafeln, 2) fli*l>red)eit, 3) datief, 4) iin met tien datief, 5) fpa»
jieten, (i) furebttar, 7) (êlurm, ra. 8) roetten. 9) üielfeidjt, 10) ftreidjelii,
lljfeufjcit, 12)iii ten Giiiiieroerten, 13) 2a|t, v. 14) an met den ac-
cusatief, 15) tob, m. 10) \'Siïnije, v. 17) of;ne, 18) ijl, 19) 3«>etfel, m
20) beflfern.
95.
Mensoheu zonder 1) godsdienst 2) en zeden zij n de pest der
maatschappij 3), en moe-ten 4) daaruit gebannen 5) wor-
den. Moeielijk 6) verlaat men eene oude gewoonte 7), en
niemand laat zich graag verder 8) luiden 9), dan hij zelf
ziet. Iloe gelukkig en slim 10) is hij, die nu, in het 11)
leven, zich bevlijligt 12\\ zoo te zijn, als hij wenscht 13),
dat hij bij zijnen 11) dood gevonden worde-J-. De afgcbro-
kon 14) takken 13)groeien 16 niet meer. Ik wilde, dat
gij het tot u trokt -J- 171, en dat gij het mij bracht -J-; dan
zou ik het u later teruggeven 18). Komt gij, of 19) komt
uw broeder? Hij zuchtte, omdat hij groote pijnen 20)leed.
Spreek of sterf. Vergeet mij 21) niet, ik zal u 22) ook
niet vergeten. Snel 23) wordt gij bedrogen 24), indien gij
sleihls op den uiterlijken 25 > schijn 26) der menschen
ziet.
1) Öfcne, 2) {Weliflioti, r. 3) ©cfellfdjaft, v. 4) folfeu, 5) m--
roeifen, 6)fd;roer, 7) ©eroobiibe\'t. v. 8; roeit, 9j fübren, lo)fliii), 11) im,
12) benuibrn, 13) roiinfd)eii, M) abbred)eu, 15) 3n>eig, m. 16) wadjfen,
171 ;iet>en, 18i roiererfleben, 19) oeer, 20) ©d)merj, m. 21 i ntein, 22)
ttin, teiner, 2".) fd)itèli, 24) taufdj.it, 25) ütiger, 26) Slnfcbein, m.
-ocr page 136-
128                                 TWEEDE HOOFDSTUK.
UMWOORDEN. Vlebenirivtet.
§103. Do bijwoorden zijn onveranderlijke woorden,
welke dienen tot bepaling van <\'cn werkwoord (met
volledige beteekenis), een bijvoeglijk naamwoord of
een auder bijwoord; b. v. er arbeiret mei; er lerut flcigig.
Hij werkt vecl;luj leert vlijtig. SSiel gclefeite S8üd)er, veetge-
lezen boeken
(ie onderscheiden van »iete, getefene S3üctjer,
velegelezene boeken .
$ 104. Evenals de bijvoeglijke naamwoorden, zijn de
bijwoorden vatbaar voor de verschillende trappen van ver-
gelijking.
De comparatief van minderheid wordt gevormd
met behulp van roeniger of mineer; b. v. rafd), snel, roentger
rafd), minder snel.
De comparatief van meerderheid wordt, gelijk bij
de bijvoeglijke naamwoorden, gevormd door aanhechting
van er ; b. v. raid), rafd)cr, sneller.
De superlatief van minderheid wordt gevormd met
behulp van am nxmgjten ; b. v. am nxmgtfeit rafdj; het minst
snel.
De superlatief van meerderheid wordt gevormd
door aanhechting van ft aan den positief; (zie § 46, Aanm.
2.); b. v. rafebeft, fd)iiett(l.
Deze vorm van den superlatief wordt intusschen op twee
manieren gebezigd :
a)   De superlatief met vergelijking (betrekkelijke
superlatief) wordt uitgedrukt met behulp van am(att bent),
waarbij het bijwoord dan op jten uitgaat; b. v. ooit allen
©d)ütern fhifcirt eramfleifjtgfteu. Van alle leerlingen studeert
hij het vlijtigst.
b) De superlatief zonder vergelijking (volstrekte
superlatief) wordt uitgedrukt:
1) Door den eenvoudigen vorm op ft; b. v. er gri\'tfüt ©ie
freiutbhdjjt. Hij groet u minzaamst (zeer minzaam).
2)  Of wel door aanhechting van Jffits ; b. v. t)orf)fteiié,
-ocr page 137-
BIJWOORDEN.                                             129
hoogstens, op zijn hoogst; wemgftené, minstens, op het
minst
3)Of wel men bezigt(lltf6 aufbaê), waarbij bet bijwoord
dan uitbaat op \\\\e; b v. nufó befte, het best mogelijk; aufé
böd)ite, ten hoogste.
4) Somlijdsiiebruikf menook jum(jubem of im (in bent),
waarbij bet bijwoord dan nitraat op p\\\\ ; b. v. eé gd)t
tijm iitctjr ntm beften, liet gaat hem nutte best. 9tid)t im ges
nngitcii, nitl het minst.
$ 105. Onregelmatig zijn :
balt, «eldra, eher, am e(> fteit, (el>eftené=febr balb). of balfcer, batbeft
gern, gaarne, liefeer, am liebften.
gut, goed, freiTer, am feiten, aufS fefle, jum beften,
ivohf, wel, roobler of l>eiïer, am rooblitei; of iim bcfien.
reebt, (viebtig , juist, viebtiaer, am rid)tig|ten.
roenig, weinig, roeniger, am roenigiten,
of mineer, am mintefteti.
pief, veel, mebr, am meiflen.
oft. dikwijls, heeft öfter, am öfteflen.
öftet\'ê enoftmalé hebbeu geene trappen van vergelijking.
Aanmerking. Wat den Umlaut, de versterking van de trappen van
vergelijking enz. aanbetreft, staan de bijwoorden gelijk aan debij-
voeglijke naamwoorden. (Zie §§ 42—46.)
§ 106. Ten opzichte hunner beteekenis worden de bij-
woorden (voornamelijk) verdeeld in :
a)  bijwoorden van plaats,
b) bijwoorden van tijd,
c)  bijwoorden van hoeveelheid,
d) bijwoorden van wijze.
d)De bijwoorden van plaats worden gebezigd als ant-
woord opde vragen waar?ioaarheen? van waar? hoever?
De voornaamste bijwoorden van plaats zijn:
roo, waar,                                 linfé, links, ^
bier (bierfelbjt),  hier, recht*, rechts,
Corr, daar,                                jenfeité, aan gene zijde,
ba (tafel bfl), daar,                      bieéfeité. aan deze zijde,
tabeim, te huis,                          ringê (urn), rondom,
nabe, nabij.                              wohiii, waarheen,
fern, roeit, ver,                         bin, heen,
»orn, voor,                               ber, heen,
-ocr page 138-
130                            TWEEDE HOOFDSTUK.
hinten, achter,                              rorroartê voorwaarts,
Ol>en, boven,                                  abroatié, omlaag, afwaai ts,
unten, onder,                                JlU\'i\'cf, teruf,
innen, binnen,                              Ijcint. naar huis,
auf;en, (mingen), buiten,              roeit, fern, ver,
iraenb, ergens,                             fort. weg,
ittrgenM), nergens,                      rcober, vanwaar,
ÜI>rrall, overal,                              hiber, vandaar,
iniher. nader,                                tutber, nevensgaand, enz.
2) De bijwoorden van tijd bezigt men op do vragen
wanneer? sedert watweer? tot wanneer? hoelang? hoe
dikwijls;
b. v.
roann, wanneer,                            tHilt>, weldra,
bente. heden,                                augentficflidj, aanstonds,
sicftern, gisteren,                          ferjon, reeds,
ttoraeftein, voorgisteren,               je (jemafê), ooit,
morgen, morgen,                           Ftimalé, toen,
übcfiiiorgen, overmorgen,             tfyema\'.i, vroeger,
eten. iuist,                                   me (niemal*), nooit,
J!et#, steeds,                                 immer, altijd,
jept, nu,                                       nimmer, nimmer,
fillf), vroeg,                                 oft, dikwijls,
friït. la.it,                                     utir-eilen, somwijlen,
fjer, geleden, van — af,                  feiten, zelden,
biêljer, tot nu toe,                        fcunn miD nuiin, nueudan,
nadjber, later,                              liiict) iinD nad), allengs,
altmalig, van lieverlede,                (einen ÏUiijent\'licf, eventjes, enz).
3)  De voornaamste bijwoorden van hoeveelheid zijn:
ttie\', veel,                                     entlicr», eindelijk,
roenig, weinig,                              fd)lie|?lid), ten slotte,
juerft, vooreerst,                           nnr, slechts,
cdiin, vervolgens,                          tfyeil*, deels,
(ferner, wijders,)                           mrlu-entheilé, meerendeels, enz.
4) Als bijwoorden van wijze gebruikt men de meeste
bijvoeglijke naamwoorden, beuevens:
fo, zoo,                                        aUeitingé, zekerlijk,
ebenfo, evenzoo,                            geroifj, zeker,
roie, hoe,                                      turerjjuS, volstrekt,
8/r», graag,                                  feineérot-yé, geenszii s,
roabrlicb, waarlijk,                        flleicrjfallé, insgelijks,
freidet), zi ker,                               \'tMi\'lliid\'t, wellicht, enz.
Aanmerkingen.
i) B(l (allï>a) is een bijwoord van plaats ; liet kim ook
als bijwoord vantijd gebruikt worden, en betcokent dan
-ocr page 139-
BIJWOORDEN.                                       131
toert; b. v. trf) tam iiidir, ba deg er mtd) fjofeit. Ik kwam niet;
toen liet Ivj mij halen.
©drilt, daarin, uj rilt, waarin, beziet men om rust
; an Ie duiden ; b. v. nwüi 6cftnbet cê ff dl ? Waarin bevindt
het zich ?
(ïó bcfiubct ficï) bariu. Hel bevindt zich daarin
JDflrr\'n,daarin, umrfin, waarin, beziet men om eono
beweging uit te drukken ; b. v. id) tveip, roerctn id) mid)
(tutje, y/i nee/, waarin ik nvjstorl. ©clieit <2ie barciu. 6\'a«/
daarin.
2) JÉj er duidt ecne richting aan naar hem, die spreekt;
b. v. femmen Sie l)crcill• Kond naar binr.en (tot mij). (Sr
tam Ijfrab. Hij daalde lol ons neder.
Üjin duidt aan, dat zich iels van het standpunt van don
sprekenden persoon verwijdert; b. v. gel)en Sic hlneiit.
Gaat(van mij luen) naar binnen. 3cf) ging j» tijm Ijiniintr r.
Ik daalde naar hem af.
3; £ottjï betcekent eertijds, vroeger, doch ook anders,
zco nid;
b. v. bu mitflr anfmcrffam feilt, fonft lcni|l bu nid)t
»ici? Gij moet oplettend zijn, anders leert gij niet veel.
4) Uut»ii is xoanneer als vragend bijwoord van tijd j
b. v. wcuut nxrbeu Sie abreifett 1 Wanneer zuil gij vertrek*
ken
?
10 fit n beeft de beteekenis van wanneer, als, om ecne
voorwaarde, ecne oorzaak uit te drukken; b. v. bie
Dïcnc f om m t immer, tuetut cé ju ipiit tfl. Het berouw komt al-
lijd, als lui te laat \'s.
5)   ©itlllt betcekent dan, alsdan, vervolgens ; b. v.
evft arbeiteit, banu rttljeit. Eerst werken , vervolgens rus-
ten.
3)ftttt geeft de reden, de oorzaak aan en beteekentdus
want; soms bezigt men het tot meerderen nadruk in do
beteekenis van dan of toch; b.v. er foinnit gerote, beun er tjitt
eé gefagt. Hij komt zeker, icant hij heeft het (jezegd. 2Öa$
ma<f)ft bu beunp Wat doet (jij toch\'1.
6)  nuf, open, wordt gebruikt bij werkwoorden van
beweging, dus bij maken, sluiten, doen ; b. v. mad;eit
Sir eumial auf. Doel (ensopen.
-ocr page 140-
132                                    EERSTE HOOFDSTUK.
©fff», open, wordt gebezigd bij werkwoorden van
rust, dus bij slaan, zijn ; b. v. tciö £bor ftebf effen. De
poort staal open.
Z>er 93rief nnirbe mir offen eingeljanbigt.
De brief icerd mij open overhandigd.
7) tUif, als bij woord van lijd, beleekpnt zoodra ; b. v.
»te er mtcb fommen fiebt, lixnft er fort. Zoodra hij mij ziet
komen, loopt hij teeg.
8)  3ftjt beteekent nu, op dit oogenblik. In de andere
beteekenissen wordt nu meestal vertaald door HUU-
OPSTELLEN.
96. (§§ 103-106 en 59-63).
£>ie Ccbcnêwpife 1) beêjenigctt roirb am voeiitfl(ïen gefoÊr,
roeldier mir ft\'tr ft\'d) unb nicht fiir anbere forgr 2),2c 9ïur)e 3)
febmeeft 4) utrë am fngeften, mettn roir am fleifiigfccn gcar*
beitet babeit. 2öer urtbcitt am rirfjtigften 5)? ïerjentge, bef*
feu SSermuift 6) bte llmftanbe 7) eincr Segebenbeit 8 am beften
ju beobaditen 9) roeifê. Sr fanu aufö bócbfle jchn 3abre alt
feiii. S8on alten ©d)iilent fdjreibt Marl am fctjledjteften. \'ïüir
tonnen langftené eine ©titnbe 10) bleiben. 3Üeffen 33iidier
ftnbet man am ofteften an 11) einer ©tctle 12), roo biefelben
jïch nidjt beftnben fottten 13)? (Sr fdirieb mir, er babe ben
SBater nnb beffen ©ol)it ebematé fel)r oft befnrfjt. bommen
©ie Ijeranf, ober feil 13) tcf) binabfteigeu ? ©oft fierjt Sllïeé,
benn er tft nberall gegenroartig 14).
1) Levenswijs, 2) zorgen, 3) rust, 4) smaken, 5) juist, 6) verstand,
7) omstandigheid, 8) gebeurtenis, voorval, 9) gadeslaan, 10) uur,
11) op, 12) plaats, 13) moeten, 14) tegenwoordig.
e».
Welke van deze jongelingen gedraagt 1) zich het ver-
standigst 2) ? Ilij is minstens tienmaal hier geweest, om
Lodewijk en diens broeder te zien. De nienseh sterft het
rustigst 3) na een leven , in hetwelk hij zich bevlijtigd 4)
heeft, God te dienen. Van alle leerlingen wordt hij het
-ocr page 141-
BIJWOORDEN.                                           133
meesl geprezen, die zijne plichten het best vervult Hij
bekommert 5^ zich hoogstens om degenen, welke hem het
dikwijlst bezoeken 6), of 7) hem 8) het meest behagen 9).
Wonen 10) uwe ouders boven of 7) onder ? Vroeger woon-
den zij boven ; thans echier 11) wonen zij onder. Voor-
waarts! Maak, dat gij naar huis komt. -J- Wiens 12) feest is
hel heden? Het mijne. Ik ben nu en dan bij hem geweest.
Hebt gij hem ooit vroolijker gezien, dan heden ? Vroeg of
laat wordt de ondeugd 13) bestraft.
l)(gïd) auffübreit, 2) eeriiïuiftig, 3) ruM\'g, 4) (lef» frcfleiljigen, 5j iïd)
fceftinimern, ü) t>ffud)en. 7) ofer, 8) datief, 9; gefallen, 10) mudjrn,
11)  aber, 12) geft, o. 13) Siijier, o.
98.
Hebt gij de gebeurtenissen reeds gehoord, waarvan voor-
gisteren de couranten 1) gesproken hebben ? Neen, ik zal
zelatcr zelf in de couranten 2) lezen. Vooreerst moet ik
u 2) zeggen, dat gij mij vroeger dikwijls bedrogen 3)
hebt; vervolgens, dat gij mij 2) lot nu toe zelden geholpen
hebt ; wijders, dat gij mij slechts nu en dan mijne boeken
teruggegeven hebt ; eindelijk, dat ik geenszins inzie 3),
waarvaudaau het komt, dat men u 2) helpt, terwijl 4)
ik volstrekt getne hulp 5) ontvang 6). De gevaren 7),
waarin hij zich moedwillig 8) gestort 9 heeft, en waarin
hij zich thans nog bevindt, zijn juist thans het grootst, en
bijgtvolg 10)ook 11) thans het meest te vreezen 12). God
weet alles op het best te schikken. 13).
1) 3eitunq, v. 2) datief. 3) einfeljen, 4) intern, 5) £>ülfe, v. 6) er()iiften.
erlangen» 7)0efal)r, v. 8) mutljreillig, 9)(lür^n, iu; folgfidj, lij aud),
12)  für^ten, 13.» Uuren.
90.
3d) bfeibe bier uuren ftebcit -,©ie fomten binauf gefyen, roenn
gie eö «erlangen, ^fl 3t)itcit benn bie £re»»e 1) ju r>orf>?
Sïein, bae eben ni&it; <ibcr td) t)«be feine Urfadje 2), nxmtm
td) l)inauf(l:cigen 3) foUte. bommen ©ie eiunial 4) ju mir ber*
«Hè : id) wilt Sljucn crjaljlen S), wai id) geljórt Ijabe. 3nt
-ocr page 142-
13i
TWEEDE HOOFDSTUK.
grül)h\'ng 6) fomnien bic jungrn 3n>"9e «"b bt\'e fcfyöiieu ^dhu
men nue Cent ueubelcbten 7 i SBcbeji 8) bcroor 9;. öiebeu ©te
J)iimué ? 3\'i/ wciin ©ie mit mir gchcii ; fcntf bleibc icb Iteber
ju $aufe. UBnini ifl er ivifbcrgcfommcii ?Sr fam geraöe 10),
ölé icr; bie Üiuir aiifmadjtc 11). 3d) roeië ïttclir, roo ober mie
cé gei"d)al), beun id) tvar nidit babci jugegen 12). Möir lebcu
om g(ücf:id)(lcn, rociui mix juifcre ^)flirf)teit cim beiten er*
fiittcii.
1) Trap, 2) reden, 8) opklimmen, 4) eens, 5) vertellen, 6) lente,
7; herlevend, 8) grond, 9; te voorschijn, 10; juist, 11) openen, 12) tegen-
woordig.
ÏOO.
Gaat gij met ons uit, of wilt gij tol 1) ons naar binnen
komen? Neen, ik ga niet naar buiten, en ook niet naar
binnen, maar 2) ik blijf bier slaan. Komen zij af, of moe-
ten wij naar boven ga ui 1 Komt eens tol ons over. Wij
kwamen f tot u over, indien wij liet konden -J-. Waar-
been gaat gij, en vanwaar komt gij ?lk zal hutu zeggen,
wanneer het tijd i-f. Eerst werken 3), dm rusten 4) ; eerst
leerenö,, dan spelen 6): dat is de regel 7). Weel gij dan
niel meer, wat bij u gezegd beeft ? Iloe zou ik bet weten,
indien bij mij niets gezegd beeft ? Maakt, als 8,< bet u be-
lieft 8), de deur open. Zij staal open ; gij kunt dus 9; naar
buiten gaan, wanneer gij will. Weet gij niet, wanneer bij
komt ? Ik weet bet niet, want bij beeft bet mij niet gezegd.
God beloont ons slecbls, wanneer wij onze plichten ver-
vullen.
1) 3u, 2) fonbern, 3) arfceiten, 4) ruben, 5) lemen, 6) fpielen,
7){Regel, v.8) seiaüiift, 9) alfo.
ÏOI*
Wanneer de nood 1) op het hoogst gekomen is, dan
is dikwijls de redding 2) het meest nabij 3J. De luiste 4)
leerlingen gedragen 5) zich gewoonlijk 6) het lompst 7).
Deze appelen zijn de besle, en smaken 8) reeds zeer goed.
Zij zijn het best, wanneer men ze eeuigen lijd 9> hoeft
-ocr page 143-
VOORZETSELS                                              135
laten 10) liggen 10). Dij heeft u in het minst niet be-
leedigd 11), want hij heeft u uwe fouten op het zachtst 12)
onder 13) de oogcn 14\' gebracht. Gij spreekt het dik-
wijlst, en gij leert liet minst. Hij staat aan gene zijde, en
ik kan tot hem niet overkomen, indien hij mij niet tot
zich overtrekt 15) Waarin bestaat hot eeuwige 16) le-
ven 17)? Dat de poorten 18) open staan, komt daarvan»
daan, dat de knechten ze opengemaakt hebben. De ziel
sterft niet, wanneer het lichaam 19) sterft : laten wij dus
deugdzaam zijn en blijven.
1) 9ïotl>. v.2)3tettung, v. 3) nabe, 4) faut, 5)betmgen. 0) gerei>bn«
tiet), 7) luinp, 8) i\'djmerf-ii, 9) einige 3eit, 10; lieden UtJen, 11) be«
leicigen, 12)fanft, 13) tutter, 14)9liije, o. in den accusatief, 15)}ieben,
1 >) èrcig, 17) Sefen, o. lSJTbor, o, 19) jïörper,m.
VOORZETSELS. «erixUtntfMporter.
% 107. De voorzetsels dienen om verhoudingen tus-
schen personen of zaken uit te drukken.
l!< bepaling komt bij de voorzetsels in den genitief, da
lief of accusatief te slaan.
Met den genitief worden gebruikt:
unroeit, mtttelji, fruft, laut, reüljrenb,
V flart, mmöge, ungea^tet,
J obevbatb en uiiterlhilb,
j innerbalb en aup.Tbalb,
(
tieflfdr, jenfeit, balben, reeg n,
Itïngé, entliiiig, jiifolge, tro^-
Aanmerkingen.
litlMjeit, ook unffrn, bcteckent: nielvervan.
iïlttielfi door middel van.
IftVtttt geeft de oorzaak aan, welke de macht, de bc-
vocgdheid geeft, om iets Ie verrichten ; JNederl. krachtens.
VtxmOQt geelt de oorzaak van een verschijnsel op;
Nederl. len gevolge van, tcegens.
f Olt!/ iuidens, geeft een gevolg aan van iets, dat gezegd
of geschreven is.
-ocr page 144-
136                                         TWEEDE HOOFDSTUK.
lühljrfnï), gedurende, is eigenlijk een deelwoord,
ötat\', ook anjtatt of au Sratt, in plaals van.
llmiradjtot. niettegenstaande, kan vóór of achter de
bepaling; staan; b. v. ungcadjrct fetneö SNutjmeö of feiueé SWub*
meé ungcadjret.
©bfrljaÜi, aan de hoogere zijde, boven; tmtfrljalb,
beneden ; au$erl)alb, builen; inttrrljalb, binnen; dit laat-
ste wordt ook ter bepaling van lijd gebruikt.
ÏÏHcöffit, aan dezen kant, jenfrit aan genen kant,
niet te verwisselen met de bijwoorden bieöfetré en jen*
feite.
Ijnib, ook Ijolbfliof l)iilbfr, halve, staat altijd achter
zijne bepaling.
tDfgflt/ vege, wegens, kanvoor of achter zijne bepa-
ling slaan ;b. v. wegen feuier 3ugcnb of fcincr3ugent)ivcgen.
Wegens zijne jetigd.
Cantjs, langs, en trofy, trots, in spijl van, kunnen mcl
den genitief of den datief gebezigd worden.
tttlang/ langs, slaat met den genitief of met den accu-
salief.
3tlfc>lcif/ tengevolge van, kan vóór zijne bepaling slaan,
en dan komt deze in den genitief; of wel bet staat achter
de bepaling, en dan komt zij in den dalief ; b. v. jufotge
beê 2luftragö of bem 2Iuftrage jufolge, ten gevolge van de
last geving.
$ 108. De datief wordt gebruikt bij:
nad), mit, bei, fantmt, »on, nddjjt,
auè, aufjer. ju, juroiber,
entgegen, binnen, neb|ï,
flemaè, feit, gegenüber.
Aanmerkingen.
ITach, heeft de betenkenis van naaren na.
JJlit wordt gebruikt gelijk ons viel.
&ri wordt gebezigd in dezelfde gevallen, waarin bij \'m
het Nederlandseh gebruikt wordt, behalve ter aanduiding
van beweging, in welk geval men niet bei, maar jtt, au of
-ocr page 145-
VOORZETSELS.                                             137
neben bezigt; b. v. er fam ju nu\'r uitb fcfjte fidj neben mirf)-
Hij kwam bij mij, en zei te zich bij mij neder.
ITfbft, benevens, wordt gebruikt om eene uiterlijke, toe-
vallige vereeniging vau twee wezens uit te drukken ; b. v.
tem £><utê iftnebjt eiiicm ©arte» öerfauft roorben. Uw huis
is tegelijk met eenen tuin verkocht geworden.
öainmt, met, dient om twee wezens, die uit hunnen
aard bijeen beliooren, als vereenigduit te drukken ; b. v.
bit bajlbein $aué(mitj famintbeu sJDï6f)cfu t>erfauft- Gij hebt
uw huis met de meubelen {daarvan) verkocht.
tl OH wordt in het algemeen gebezigd gelijk van in het
Nederlandsen.
lTdd)jt beteekent naast; ook bezigt men junacfjjï, <lai
achter zijne bepaling staat ; b. v. er|ï(5t iidd)(l iljm oi\' iljm
$unad)ft. Hij zit dicht bij Item.
2UtS wordt gebezigd gelijk uit in het Nederlandsch.
2Ut$t\'r, buiten, uitgezonderd, kan gewoonlijk niet ge-
bruikt worden om eene beweging uitte drukken.
3u wordt in het algemeen gebruikt, waar wij te of lot
bezigen. Om echter een punt aan te geven, tot aan hetwelk
zich iets uitstrekt, bezigt men bié en soms brè ju ; b. v.
üon 95rüffet bié spariè, van Brussel lot Parijs. 2$om ?(nfang
bié jum (Snbe. Van het begin tot het einde.
3llU)iïlcren mtgeticil duiden aan, dat een wezeneene
tegenovergestelde richting heeft; junnber drukt eene vijan-
dige richting uit ; beide staan achter hunne bepaling ; b.
v. »tr gingen ib,ntentgegen. Wijgingen hem tegen, tegemoet.
£er \'ffiinb ijl itnê juroiber. De wind is ons ongunstig.
©ifgcnüber beteekent tegenover ; hel slaat meestal
achter zijne bepaling, en mag niet in twee deelen gescheiden
worden ; b. v. er fag mir gegenüber. Hij zal tegenover
mij.
töinntn,binnen, wordt in hetHoogduitsch alleen vantijd
(niet van plaats) gebruikt; b. v. binnen arf)t ïagen, binnen
acid dagen.
öfit, sedert, geeft den tijd aan, welken iets geduurd
heeft ; b. v. er ijl feit einem Sabre franf. Hij is sedert een
jaar ziek.
Seitbem, van toen af.
10
-ocr page 146-
138                                     TWEEDE HOOFDSTUK.
<S» ein \'aft, overeenkomstig, wordt gewoonlij k achter zij ne
bepaling geplaatst; b. v. er tyanbelt bent ©ejefce gemikg. Hij
handelt overeenkomstig de toet.
§ 109. De accusatief wordt gebruikt bij:
hird), für, oljne, urn,
fouter, gegen, roiber.
Aanmerkingen.
IBlird] wordt gebezigd gelijk ons door; men gebruikt
ook l)inbnrd), dat altijd achter zijne bepaling slaat; b. v.
t>nrcf> ben Sïcfcr, benSltfer tyinbiird), door het veld.
Dij lijdende werkwoorden bezigt men in het Hoogduitsch
burrf) om het middel of de aanleidende oorzaak op te
geven ; bij den persoon, die de handeling van het lijden-
de werkwoord verricht, gebruikt men nietburd), maar won;
b. v. er tfl won fcinen Grltern bejtrafr worben. Hij is door
zijne ouders bestraft geioorden.
Jür, voor, moet niet verwisseld worden met »or; für
wordt gebruikt:
a) In de beteekenis van lot voordeel van; b. v. er nroeitet
ffir fcine $tnber. Hij werkt voor zijne kinderen.
Soms heeft het de beteekenis van tegen ; b. v. Strjitet für
bic tërmifljeit. Een geneesmi/ldel legen de ziekte.
b)  gür beteekent ook in plaats van; b. v. irf) roitt für
bid) 6ejat)len. Ik zal voor u betalen.
c)  gür wordt gebezigd in den zin van in vergelijking
met
; b. v. für fein 3Uter ift er tiod) fct>r frarf. In vergelijking
mei zijnen ouderdom is hij nog zeer slerk.
d) gür dient ook omeene gelijkmatige opvolging Ie
kennen te geven; b. v. ÜJïaitn für sJKaint, man voor man.
e) Men gebruikt het in plaats van a\\è, om cene gelijk-
s/e/imtfuittedrukken; b. v.tcfotyaltebid) fünnet\'nen grcmib.
Ik houd u voor (ik zie u aan als) mijnen vriend.
f) liet dienl ook tot tijdsbepaling, om uit te drukken,
hoelang iets duren zal, of voor welken lijd iels bestemd is;
b. v. id) werbe für eiitifle ÜDodjen abwefcnb fein. Ik zal gc-
-ocr page 147-
VOORZETSELS.                                          io9
durende eenige weken afivezig zijn. gtir bic Sutunft, voor
de toekomst.
©Ijnff-n fauftrr beteekenen zonder.
lÜm wordt gebruikt gelijk het Nederlandsclv-om.
(fffgrn wordt gebruikt, waar vrij jegens bezigen; b. v.
rr ifr ffcunCIidi flccicn alle ?eute. Hij is jegens alle menschen
vriendelijk.
Ook bezigt men gegen, waar wij tegen gebrui-
ken om eene richting, eene ruiling of eene vergelijking
uit te drukken; b. v. bai $?Miè liegt gccjcn Diteit. Hel huis
ligt naar hel Oosten gekeerd.
SÖnarcu gegen @elb geben.
Weren tegen geld geven. 2öaé bijt bit gegen ibn ? Wat zijl
gij in vergelijking met hem
?
IViïtfr, tegen, duidt eene vijandelijke richting aan ; b.v,
wibcr ben $etnb (tretrcit. Tegen den v jam! vechten.
In plaats van roibcr kan meestal ook gegen gebezigd
worden.
SÖiber, legen, moet niet verwisseld worden met nneber,
wederom, nog, terug ; b. v. ia tft er roieber. Daar is hij
tceiler.
Grr Fomintwieber. Hij komt terug.
§ 110. Den datief of den accusatief bezigt men
bij :
iiii, auf,flinter, nefeii, in,
ür-er, imter, oor en jwii\'djen.
a) Wanneer deze voorzetsels in hunne eigenlijke be-
teekenis
gebezigd zijn, dat is : wanneer er gesproken
wordt van een ve-blijven op eene plaats, of van eene bewe-
giug naareene plaats, dan staan zij met den datief op de
vraag waar ? (om rust, verblijf aan to duiden), en met
den accusatief op de vraag waarheen? (om bewe-
gingnaar een voorwerp heen uit te drukken) ; b. v. er
fi&t ani (anteni)£hore. Hij zit aan de poort. Sr gct)t an bie
Slrbrit. Hij gaal aan het werk. 3* fi&e iicbeti bir. Ik zit
naast
w. 3* fc^c micb iieben bieb.. VA- tel mij naast u neder.
\\ii) De vragen waar ? en waarheen ? kan men altijd
stellen bij hinter, w/i/er, en nebeit, naast ; hij de overige,
wanneer zij in overdrachtolijken zin gebezigd zijn, kan
nien zulks niet altijd doen ; in dit geval staan nuf en übtv
-ocr page 148-
140                                YWEEDE HOOFDSTUK.
gewoonlijk met den accusatief, en an, 111. llllter, D<r,
jiuifd)ru gewoonlijk met den datief ; b. v. nnr frcneit mié
iibcr fcine gortfcrjrïrte. Wij verheugen ons over zijne vorde-
ringen. (Sr
that ré anfmeincn üBnnfd). Bij deed liet op mijn
verlam/en.
Gré gcfdial) aneinrm ©onntage. Hel gebeur de op
eenen zondag.
3rf) foinitc »or (ber) grente nid)t reben. 7/i
Aon van vreugde nicl spreken.
Aanmerkingen.
1) In het Iloouduiseh kan mendikwijls de vraag waar-
lieen?
(vcolnn?) stellen,waarmeu inliet Nederlandschwaar?
zou plaatsen ; b. v. id) flopfe an bic ïttnir. Ilc klop aan de
deur.
(Eu~b nn ciucit vErcin ftegen. Zich aan eenen sleen
slooten. Wan
bcgrnb ilin nebcn feiucn Sater. Men begroej
Item vaast zijnen vader.
II. Overliet gebruik van voornoemde voorzetsels heeft
men het volgende op Ie merken :
2ln wordt in dezelfde gevallen gebezigd, als aan in het
Nederlandsch. liet dient ook ter bepaling van tijd, en dan
slaat het met den datief op de vraag icanneer ; b. v. ant
SOïorgen, \'s morgens ; en met den accusatief, wanneer bel
verbonden is met biê, tot; b. v. bió an ben 5)ïorgen. Tol
* aan den morgen. Bij benfen, denken, en erinnern, lierinne-
ren,
slaat an met den accusatief ; b. v. iet) benfe an bid). Ik
denk aan u.
21 ut" heeft het gebruik en de beleckcnis van het Neder-
landsclie op.
Ju wordt in dezelfde gevallen gebruikt, als het Neder-
landsclio in. Bij namen van sleden enz. bezigt men in met
dendatief, wanneer men uitdrukt, dat zich d ^ar iels bevindt
(Neder!./e); b. v- er rootjnt in ^arié. Hij woont te Pa-
rijs.
Ucbrr heeft debetec\\enis van ovei,b.ven, en wordt
op dezelfde wijze gebezLd.
Uil er verschilt m belcekenis en gebruik niet van ons
onder.
\\1iir- dat niet te verwisselen is met für, wordt gebruikt:
1) Met dca datief:
-ocr page 149-
VOORZETSELS.                                             141
a)  Op de vraag «Jaar ?, om aan te duiden, waar zich iet3
bevindt; b. v. er ftetjt »or mtr. Hij staat vóór mij.
b)  Indebelcekenisvan eerder, vroeger, om eenen voor-
rang uitte drukken ; b. v. öor etuigeii £agen, vóór eenitje
dagen.
SSor allen iCiitgen, vóór alles.
c) In de beleekenis va» len aanzien van ; b. v. ffd) ttor
etnem fürd\'teii, [duimen, voor iemand vrees, schaamte heb-
ben.
d) Om de inwendige oorzaak of bcweegi eden eener han-
deling of gewaarwording, of de uitwendige reden eener
verhindering op te geven; b. v. er lactite öor greiibe. Hij
lachte van vreugde,
^d) foniite »or bent ?arnie feine ©orte
nid)t r>cr|tel)eit. Ik kon wegens hel geraas zijne woorden niet
verstaan.
2) SSor staat met den accusatief op de vraag waarheen ?
omeene richting uit te drukken ; b v. er begaf) jïd) öoró
(»or baé) £bor. Hij begaf zich builen de poort, ©iel) vor
bid). Kijk vóór u.
3un|d)Clt, tusschen, wordt gebezigd, wanneer men van
twee wezens spreekt. Spreekt men van meer, dan gebruikt
men uitter.
III. Wanneer de voorzetsels, welke den datief of don
accusatief vorderen, bij een werkwoord van beweging
staan, dan wordt de accusatief bij alle vormen van hut
passief gebezigd, zelfs dan, wanneer aan voltooiing of
rust zou kunnen gedacht worden ; b. v. er hielt fein #inb
an\'e fier? gebrücft. Hij hield zijn kind aan \'t hart gedrukt.
SSHein
©rfncffal ifl ait öeittce feftgebmiben. Mijn lot is mei
het uwe verbonden.
Stuf bte ÏBanb gematte fileer. Op den
muur geschilderde beelden.
                                            ;
OPSTELLEN.
102. §§ 107 en 67—68.)
Uitroeit beé gluffeê befanb (ïd) jemanb, ber ïingeadjtet be$
antjaftettbeti i) SWegené rittjtg 2) jï&en 3) blieb. Sffiatjreitb ber
-ocr page 150-
142                                  TWEEDE HOOFDSTUK.
Sritrejeit 4) tft ei gewöftnitdj rtugerorbentftcf» ftetg. <$r ftctnb
jcnfett beé <5fitffcö ; üh befanb mtcf) öieêfetró, uub Ijoffre S)
mirrelft eineé Stabnti 6) ju thm hinftbcr 7) ju gelangeu 8).
5Ero£ ccê 33erboteé lief er ter ülcpfel roegeu eiittaug beé \'])f<t*
teé9) uub jertrat 10)bie Stunten, mrtcfye fcie?|eit be$ SaumciS
ftanCeu. ïie Sct)iffbrücfc il) liegt oberbalb ber<5ta3t; bie
ftetnerne 12) Sörücfc aber unterbalb beé jjafené 13). SSRan
muf? eiiiem jebeu taé Seiiiige gebeu, roemt mau oieéfeit bei
©rabeö rulng, unb jenfeit bcéfetbeu glücfltcf) feilt n>i(f. Saut
feitteé $8rtefeé bat er ei niemaubeu erjal)lt 14).
1) Aanhoudend, 2) rustig, 3) zitten, 4) oogsttijd, 5) hopen, 6) hoot-
je, 7) aan (naar) den overkant, 8) komen, geraken, 9) pad, 10) ver-
trappen, 11) schipbruij, 12) steenen, 13) haven, 11) verteld.
lOS.
Het is zeer onvoorzichtig 1), zich gedurende een onwe-
der 2) onder 3) eenen boom 4) te zet\'eu 5). Wanneer men
hout in het water 4) legt6), dan 7) drijft 8) het daarin teu
gevolge van zijne geringe zwaarte 9). Luid.ns zijne be-
velen nioogt gij mei niemand langs dezen weg gaan. De
meesten gehoorzamen 10) niet, wegens de moeite 11), die
het hun 12) kost 13), zich aan anduren 12) te onderwer-
pen 14). Hij zal gedurende den geheelen 15 winter af-
wezig zijn, ten gevolge van den last 16), dien de koning
hem gegeven heeft. Hij komt in plaats van zijnen vader.
Hij zit daar niet ver van de poort; ik begrijp 17) niet,
waarom hij zich altijd buiten de stad bevindt 18). Hijopen-
de 19)dedeurdoormiddelvan eenensleutel20). Krachtens
zijn ambt 21 )kan hij zoo handelen. De uiensch, die gedu-
rendezijn lev«n (iod dient, zal aan gene zijde van het graf
bij God gelukkig zijn.
1) Un»orfïd»ttg, 2) ©eroitter, o. 3) unter. 4) accusatief, 5) fefcen,
6) legen, 7) io, 8 fetwimmen. 9) Sdjroore, v, 10) gehor*en, 11) üRnlie,
v. 12) da\'iet\', 13) foften, 14) unterroerfen, 151 iianj. 1*5 Ullftrjg, in.
17) tegreifen, 18; befiitteit, 19) öjfneii, 20) ©crjluffel, m. 21) «Uit/ o.
-ocr page 151-
VOORZETSELS.                                           143
104 (SS 108 en 70—73.)
Uitfere tapferen gWbberrett baben eine ©tabt tton jebntau-
fcnb Sinroobttern 1) belagert 2) mib eingeitommett 3). 9ïur
(Siner roei$, voaé aué 4) bir roerben 5) roirb. 2BiU|t bu bid) mit
(ürinem befriebtgen 6), fo fattnft bit ju ntir fonimen, urn aitó
ntfinentSRunbe 7) bie @ntfd)eibtutg 8) ju boren 9). Höenit ©ie
ein SSiertel anf fed)ê abreifcn, fo föiuten ©ie urn balb neitit ba
feilt, ba 10\') bic ©tabt bintten brei ©tmtbeit erreicbtll) roer-
ben fann. (Sr bat feinen £ut 12) ncbft fcinem 9iegeni\'d)irm 13)
Berlorett. 2Bobnt ernod) bent 9ïarl)b<tufe 14) gegenttber? 9iettt,
erroobnt jefct augerfyalb ber ©tabt. ©eit mciner lekten 13) Diei*
fe 16) batfid) 33ieleé geanbert 17). SSotn Sdtfange 18) biêjitm
@nbe 19) bat er febr mtbetitlid) 20) gefprodjen. 2Ber immer
ben ©efefcen gemiig fyanbeft, roirb nad) biefem ieben »on @ott
belobnt roerben.
1) Inwoner, 2) belegeren, 3) innemen, 4) van, 5) komen, 6) te-
vreden stellen, 1) mond, 8) beslissing, 9) hooren, 10) daar, dewijl,
11) bereiken, 12) hoed, 13) regenscherm, 14) raadhuis, 15) laatste,
16) reis, 17) veranderen, 18) begin, 19} einde, 20) onduidelijk.
105.
Hij kwam bij mijnen vader, en zeide hem, dat het ze-
vende benevens het tiende huis afgebrand 1) waren -\\-. Gaat
gij met hem en met mij ; hij gaat met de twee anderen,
en eoo gaan wij drie aan drie. Hij kwam mij en zijnen
broeder tegen, en zeide, dat de stemming 2) der inwoners
hem en mij vijandig geweest was 31, maar dat sedert zijne
aankomst 4)zich alles veranderd had 5), en dat wij na
eenige dagen met hem naar den koning konden gaan 6),
welke ons, overeenkomstig zijne belofte 1), binnen eene
week 8) alles driedubbel zoude teruggeven 9), wat men
uit ons huis had weggevoerd 10). Heeft hij het huis ver-
kocht met den tuin, die tegenover het huis ligt 11) ? Van
af het eerste oogeublik 12) van ons bestaan 13) zijn wij
door 14) God met weldaden 15) overladen 16) geworden.
-ocr page 152-
1S4                                TWKEDE HOOFDSTUK.
1) Stbbrennen. 2) ©timmung, r. 3) fei, 4) Slnfunfr, v. 5) babe,
6)geben fonn ten, 7) SBerfprecfeen, o, 8) SBodje, v. 9) mieDcrgeben, 1 u • fort-
frjgen, 11) liegen, 12)ütugenblicf, m. 13)©afein, o. 14;»on, 15) 2Boh>
tftat, v. 16) ü\'berl;aufen.
I06. (SS 109 en 74—79.)
<2ê war gefrern 1) baé erfte 9Kaf, bag td) bitrdté fteïb ging.
(5r tfiat eè roibcr ntetnen Dlatb,; er wurbe aèer 2) and) bitrd)
ben fdtfcrftfeu Srfolg 3) bafür beflraft. Sr i(ï »ou feineit
greiinbcn werlaffeit 4), roetier burd) (ein fd)Ieci>tcê 93crragen5)
jrinc (ïbrc 6) verloren bat. ©nter Sier ttnb breigiger ift etitc
Slrjiictfür ctnen ê-d)n»ad)en 7). Dbgleid) 8) bein SBater ein
3(d)tjiger ift, fo arbcitet er boef) raglid) 9) ftir bid) unb betitc
SBriifer. 9Dïann frirüRann bttam lOlfrin \'Bierrei ber ïöeure il).
3cf) febc tbn an für einen tt)vlid)tn 1 i) \'JWamt. Dt)ne bid) unb
.obnc beine^mlfc 13) föiuicn roir ben 33aum nidit fatten 14).
3cf) roette l)iinbcrt gegen (Sittê, bag er urn bie Stabt gegangcn
ift. Sin gutcé ©ciDiffen 15; ijl füroie öeele, roaé Die ©efunb\'
l)cit fiirbcii &5rperifh
1) Gisteren, 2) echter, 3) uitslag, 4) verlaten, 5) gedrag, 6) eer,
7) zwak, 8) ofschoon, 0) dagelijks, 10; ontving, 11) buit, 12) eerlijk,
13; hulp, 14) vellen, 15) geweten.
107.
Hij heeflmij door eenen bode 1) van2) zijne aankomst 3)
verwittigd 4). Voor n en voor mij heeft de zoon Gods
groole smarten 5) doorstaan 6). Wilt gij voor mij eens 7)
eenen brief schrijven ? Ilc zal er u rijkelijk 8) voor be!oo-
nen. Wij houden hem voor onzen besten vriend, omdat 9)
wij zonder hem onze fouten niet zouden kennen 10). Hij
is voor de derde maal om de stad gegaan, en vervolgens 11)
door de pooit 12) binnengekomen. Wij moeten geduren-
de ons leven tegen de driften 13) onzer ziel strijden, indien
wij na dit leven gelukkig" willen worden 14). Hij heeft
zestigstuks appelen voor eerten gulden gekocht. Zijt gij
dan zonder eenen enkelen vriend? Hij heeft een vierde
-ocr page 153-
VOORZETSELS.                                      H5
van zijnen achtentwinliger tegen twee vijfden van mijnen
vierendertiger omgeruild 15). Geen waar geluk zonder
ware deugd.
l)93ote, m,2) »on, 3) Hnfunft, v. 4) bemidjridjtigen, 5) ©djmerj,
m,6) ertulCen, 7) einmal, 8; rei*Ii*, 9) roeit, 10j rennen roürten,
11) banu, 12) £t>or, o. 13) Seitenfdjafr, v. 14) wtxbtn mollen, 15) um«
raufdjen.
108. (§§110 en 80—82.)
3ft ba«êd)iff anöUfer 1) gef ommen ? 3a, eé liegt frfto»
fctt jroet Srunbeu am Ufer. 38enn ciner auf biefer 3IMr glütf*
lid) fetn voiü, fo 21 mug er utcfjt ju mét aitf feine Sdjultcrn 3)
iictyinen. Reiner ro«i%, tvaè iet) r>tntcr tte QRauer lege 4), ober
wai hinter fcer 5Kauer(tcl)t. Sege etlid^e ondier nebeu niid?,uitb
lag biefefben neben mir liegen. 3d) tjabc alt metn ©clbin nicine
£afd)e 5) gefterft 6). Sie roohueu alle in (Stncm Xtaufe, unb
ibr ganjeé Söerntögen 7) in baarem 8) @elt>e berriigt 9) feine
bunbert ©ulben. Unferc raptoren Solbaten tyaben bie ganjc
9ïad)t gcfoditen, imb bie geiube iiber ben 9ït>etn getrieben. lle*
ber feintm Jg»aupte 10; bingein blofjeé 11 / Sdjivert. Êefce bid)
tutter ben 23aum, jroifdien mid) unb beiiien JBruter, unb blcibe
unter bent 33aume jroifdien mir unb beinem Sntber |ï#eit. Sr
jMre 12; jïd) »or mid>, unb blieb »or mir ftetjen.
1) Oever, 2) dan, 8) schouder, 4) leggen, 5) zak, 6) steken, 7) for-
tuin, 8) baar, 9) bedragen, 10) hoofd, il) bloot, blank, 12) plaat-
sen.
IOO.
Deschilderij 1) hangt aan den muur, in uw vertrek 2);
in het mijne heb ik er geeneaan dun muuro|>gehangéu 3).
De geheele zorg 4) berust thans op hen alleen 5). Achter
het huis ligt een groote tuin, in welken zich vele schoono
boomen bevinden. Dat kon hij niet over zijn hart brengen.
Wij zaten daar onder de schaduw 6) der boomen ; naast
ons lagen onze honden op het gras 7). In den beginne
stond hij aan de poort; dan trad hij in de kamer, en ten
\'natste zette hij zich naast mij, en bleef naast mij zitten,
-ocr page 154-
Hft
TWEEDE H00FDSTIK.
totdat 8) ik hem zeide, dat hij naar buiten moest gaan 9).
De bond legde zich onder de tafel, en de kat verborg 10)
zich onder eene kast 11). Indien gij te veel spreekt met
iemand, die inhevigen 12) toorn 13; is, dan 14) giet gij
olie 15)inhet vuur. IndiengfjTïïêt in den hemel komt, dan
ligt de schuld aan u.
1) @emaIbe,o. 2) 3immer, o. 3) aufbangeii, 4) ©orge, v. 5) alfet\'n,
6) ©djatten, m. 7) Öraé, o. 8) bit, 9) geljen follte, lüj cerfriechen,
11) «aften, m. 12) beftig, 13) 3om, m. 14) fo, 15) et, o.
HO.
Eene misdaad 1), dfe men door veelvoudige navorschin-
gen 2) niet beeft kunnen ontdekken3), komt menigmaal
toevallig 4) aan den dag. Hij was een jongeling, aan welken
niemand zich aansloot S). Hij was van 6) smart buiten 7)
zich zei ven. Het noodzakelijke 8) gaat vóór het nuttige 9).
Neemt 10) u voor iedereen in acht 10), die uin het ver-
derf 11) kan storten 12). Hoogmoed 13) komt vóór den
val 14). Plaats 15) u vóór mij, en blijf vóór mij staan.
Menigeen, die heden iu ons midden 16) gezond en sterk
schijnt, bevindt zich morgen onder het getal 17) der
dooden. Het ligt u 18) voor den neus, en gij ziet het niet.
Hij geraakte 19) in eenen bevigen toorn, greep 20) een
zwaard, dat aan den muur hing, en begaf zich 21) aan de
poort om zijnen vijand af 22) te wachten 22). Vóór alles
moet gij aan Goden aan uwe plichten denken.
1) SBerbredjen, o. 2) 9?j$forfa)iing, v.3)entbecfenröniien,4) jufdüig,
5) anfa>(iefen, 6> »or, 7) oufier, 8) notbroenM\'g, 9) nüftftty, 10) luiten,
11) oercerben, 12) ftiirjen fann, 13) &od)miitl>, in. 14) gaü, m.
15) ftelte, 16) O.Vitte, v. 17) 3a\')l, v. 18) datief; 19) geratljen, 20; faf=
fen, 21; (iet) begeben, 22) abroarten.
111.
3Btr tterlteren on tfymetncn fretten 1) greuttb. Scf) f>a6e eiitr
93trre 2) an ©ie : (Men ©te metite ©ebttlb nid)f auf bie\'Probe
3). 2luf eitte biimme 4) grage 5) gibt man feine SJmwprt. 3n
eiticiitJliigeiiblicfcG) Ijaucmcüt anberer gieuitb allerlei jcfpnf
-ocr page 155-
147
VOORZETSELS.
SButmcn in cine» ©tratig 7) gebimben. fficldjer Uitterfrfneb 8)
be|ïebt $n>ijcf)eit ben 5Renfd)en ? £iefer metnbefrer©dni(er bat
ben SSorjiig 9) wor mancf)cm onberen. S>abe immer einen
grogeit Slbi\'djeu 10) »or fold) einem SSerbredjen 11). UBel*
d)cr Unterfd)ieb befteht 12) jwtfdjenbiefem meinem 93ud>e mtb
bem betuigen ? Unfcr ?ebrer argerfe ftct> i\'tberaUem btefent 2ar*
me 13). 9JJ?and)er anbere gutegelbherr batte bie geinbe in 14)
bte$(ucf)t 13) gefdilagen. 2>er Snftcrtjafte 16) Jabet Öotteö
5Iud) 17) anf fetite ©d)iiltent.
1) Getrouw, 2) verzoek, 3) proef, 4) dom, 5) vraag, 6) oogenblik,
7) ruiker, 8) onderscheid, 9) voorkeur, 10) afschuw, 11) misdaad,
tü) bestaan, 13) gedruisch, 14) op, 15) vlucht, 16) ondeugend, 17)
vloek.
11».
Ik heb eLsmugemr-rkt, dat gij op eene zaak denkt 1), die
pij met al uw versland niet kunt begrijpen 2). Er 8) is ons
veel aan het toekomstig 4) leven 5) gelegen. Denk aan
mij; ik denk aan u, en ik verlaat 6) mij op u. Hoe zijt
gij op deze gedachten7) gekomen ? ik wilde u op de proef
stellen en zien, of gij in één uur terug kwaamt •f. Schrijf
uwen naam achter den mijnen, en den naam uws broeders
lusschen den mijnen en den haren. Een vader zendt zijne
kinderen naar 8) de school, opdat 9) zij zich op de sludie 10)\'
der wetenschappen 11) toeleggen. Gij moet niemand over
den schouder aanzien 12). Wanneer gij in al uwe zaken
voorzichtig handelt, dan behoeft 13)gij u over den slech-
ten uitslag 14) niet dikwijls te bedroeven Zorger voor 15),
dat gij u over geene handeling behoeft te schamen 16),
wanneer gij eens voor uwen rechter 17) moet verschij-
nen 18).
1) ©innen, 2) faffen, 3) et, 4) jufünftifl, 5) Seben, o.6) eerfoffen, 7) ®e»
tunfe, rn. 8 in, 9 Mmit. 10) ®tuïium,o 11) 2Bi|Teüf*aft# v. 12) an»
feben, 1:5; brjudicn, 11» Ohiê.i.wn, m. lö.ddfür, 16) ju frtamen t>rau*
ctjen, 17) iKid)icr, ui. 18) erfdjèinen muilen.
-ocr page 156-
118                                TWEEDE HOOFDSTUK.
11S.
Herhaling.
Indienhij niet met u komt, dan l) ligt de schuld aan u.
Volgens zijne eigene woorden is hij uitdeti tuin in het huis
gekomen. Indien ik in uwe plaats 2) ware-f, ik zou hem
met dezelfde munt 3) betalen 4). Wij verlaten 5) ons op
u. Uit vrees voor de straf hield hij zich aan gene zijde
van het bosch 6) verborgen. Het ziet slecht met hem uit:
niemand wil van hem nog 7) iets koopen. Hebt gij het
paard nog? Neen, wij hebben er geen meer ; wij hebben
het gedun-nde den oorlog moeten verkoopen 8). Met al
dat gebabbel 9) zult gij niets uitrichten. In weerwil van al
deze pogingen 10) zult gij binnen weinige dagen al uw
geld verloren hebben. Het blijft bj onze afspraak 11). Hoe
dat niet, indien gij niet van iedereen vooreenen zot 12) wilt
gehouden zijn. Verdraag 13) de fouten 14) van anderen
met het grootste geduld 15).
1)@0, 2)®te!fe,v. 3) Wiiiije, v. i)bcsahlen,5)»erl<iffen,6)•2«aI6,m.
I)   no*, 8) oertaufen miifiVn, 9) GSeplaiiDer, o. 10) 23eniii()iing, v.
II)  9tl>refce, v. 12) 9?arr, ra. 13) ertrageii, 14) Semiet, in. 15) * ®c
fcuib, v.
114.
Hij kan op mijne kosten met u gaan. Dal past 1) niet
vooru. Indien gij ons niet met baar geld betaalt, dan
moeten wij op eeue andere manier 2) voor onzen vriend
zorgen. God woont midden 3) tusschcu de mensclien ;
denk dus 4) aan de tegenwoordigheid 5) van God, en gij
zuil uwe plichten met de grootste nauwgezetheid 6) ver-
vullen. Bekommert 7) u niet om mij : ik zal mij wel door
middelvan eene ladder 8) uil den kelder 9) redden 10;.
Woont hij nog buiten de stad? Neen, hij woont thans naast
de kerk, tegenover ons huis. Ik zal bij u komen, en bij u
blijven zitten 11) tot na den maaltijd 12). Hij heeft zijne
beurs 13) benevens eenen sleutell4) verloren. Hij werkt
het gansche jaar door voor zijne moeder. Ik heb gisteren
geld tegen eenen wissel 15)ontvangen. De brave bekom-
roerl zich slechts om éénezaak.
-ocr page 157-
VOORZETSELS.                                    149
\\
1) ©i* fdiirfen, 2)3trt,v. 3) tuitten. 4) alfo, 5)@egeiin>art,v. 6) ©etuit*
ijïPeif, v. 7) befüittmerit, 8; Criter, v. 9) iteüev. in. 10) retfett, II) iT^en
bleiben, 12) Jökljljeit, v. 13) Sorfe,v. 14)©d)lüffel, m. 15) 2Bed)fel,m.
115.
Ik herkende 1) hem aan de slem 2); in den begiune
kende ik hem niet: ik zag hem aan voor mijtien vriend.
De mensch gewent zich langzamerhand a;m alles. Hij speelt
allijd op hetzelfde instrument Degene, die over een land
heetscht, moet vóór alles er a;m3^ denken, dat ltij dal land
gelukkig moei maken. Gij meel niet van vreugde springen,
voordat gij reden 4) daartoe hebt. Dat heet water in den
put 5) dragen. De vijanden zijn op ü ) de vlucht 7) geslu-
geu geworden ; de koning heeft hen den vrede aangebo-
den 8), op 9) voorwaarde 10), dat zij voor hem op de
knieën 11) vallen en hem om vergeving 12) bidden. Lui-
dens de berichten 13) van 14) gisteren zijn onze leners 15)
tut in het vijandelijk 16) land doorgedrongen. Zorg er
voor, dat gij aan gene zijde van het graf over al uwe
handelingen rekenschap 17) kunt -J- afleggen 18).
1) (Mennen, 2) ©timtne, v. 3)Nmtn, 4) Urfadje, v. ©runt, in.
5) SSru tuten, m. 6) in, 7) Sln.ttt, v. 8; anbieten, 9) unter, In) bte 3te
ringung, ll)5tnie, o. 12) SJeigebung, v, 13) 9c\\td)iid)t, v. 14) getfrig.
bijv. naantw. , vóór liet zelf\'st. naamw. te plaatsen, 15) j&cer, o.
10) feintlid), 17) JKed)en|\'d)vift, v. 18) geben.
VOEGWOOKUEN. SBtttfcctDih\'rcr.
% 111. De voegwoorden duiden den samenhang aan, die
tussehen twee voorstellen of tweededen vaneen voorstel
bestaat.
In het Hoogduilsch verdeelt men do voegwoorden op
dezelfde wijze als in het Nederlandsch.
Ten opzichte van het gebruik en de beteckenis van
cenigo voegwoorden heeft men het volgende op te mer-
ken :
-ocr page 158-
iSÜ                                ÏWEEDE HOOFDSTUK.
A) 2Um\', flllfin en fonbtVM hebben de beleckonis van\'
miar, doch, echter, dan ; zij verschillen echter ia gc-
bruik:
i) Tibtt beteekent maar of echter, en dient om iets op
tegoven, wat van liet "Voorafgaande verschilt; b. v. ï>cr
fine Ijeigt Starl, fcer anbere «ber 3f r/atin. De eene heel Karet,
en de andere Jan.
2) 2\\Uf in wordt meestal bijeen volledig voorstel gebruikt,
en moet altijd in liet begin daarvan staan ; het dient om
aan te voeren, dal iets, wat in het \\oorafgaand:; opgesloten
schijnt, niet plaats heeft ; b. v. er ifl fet)>; reid); alletn er ift
fet)r fleijifl. Hij is zeer rijk, maar hij is gierig.
3) Sonïimt wordt slechts na eene ontkenning ge-
bruikt om die te verbeteren, of om eene tegenstelling
daarvan op te geven ; b. v. id) foube nid)l gefrfdafen, loiibent
jjearbeitct. Ik heb niet geslapen, maar gewerkt.
BjüHfunocl), t>i.\'d),jcïhid), glnd)nnil)l,iii&rffen,ïif|fcn-
llligfad)tft geven eene tegenstelling te kennen, die door
bet voorafgaande uitgesloten schijnt.
J)£lflinod] heeft de beteekenis van naglans of toch.
2) TDod) heeft de beteekenis van dorh, maar of toch.
3)  3fbod) beteekeiiteueHMX.7 ; inöffffli beteekent even-
wel
of terwijl.
4)  (Edfidjtvoljl dient ter vertaling van ons en toch.
5) £)rfffttUngead)tft beteekent desniettegenstaande.
C) GKil)ir,ïiarum, öeflljnlb, drfporifrn, fo, alfo, folg-
lid), mttbttt, beinitad) dienen om een gevolg aan te geven;
gewoonlijk worden zij in de volgende grwallen gebezigd:
IDrtllfr wordt gebruikt om een gevolg van eene phy-
sische oorzaakaan te duiden ;b .v. roir baben 9ïi>rbnnuD;
bal)er t|l eo fait. Wij hebben noordenwind; vandaar aat het
koud is.
IDannn, ïicfjljalb en frr^wcgrn geven het gevolg van
eene beweegreden aan ; b.\'v. eé iftintr werboteit ; bcgbalb
tl)»e idj eé md)t. Hel is mij verboden, en daarom doe ik het
niet.
-ocr page 159-
VOEGWOORDEN.                                         151
2Ufo, folaltch, mitljin en drmnad) dienen om eene
gevolgtrekking uit eene voorafgaande waarheid af te
leiden ; b. v. bie Sbiiume erfrierett; alfo mug eé fcbr fait fein.
De boomen bevriezen: dus moet liet zeer koud zijn. (Sr
l;at gefloten; fofglid) mug er geftraft roerben. Hij heeft ge-
stolen ; bijgevolg moet hij gestraft voorden.
00 wordt in het Hoogduitsch meer gebruikt, dan zoo
in het Nederlandsch, namelijk:
1) Ter vertaling van of, wanneer dit gelijktijdigheid uil-
drukt ; b. v. faum tjatte er biefeé gefagr, fo ftcï er ju ©ofcit.
Nauwelijks had hij dit gezegd, of hij viel op den grond.
2) Achter de voegwoorden, die eene reden, een doel of
eene tegenstelling uitdrukken, staat fo om het gevolg daar-
van op te geven (Nederlandsch dan); b. v. roemt er cé ge*
fogt bat,fo (banu) mug eé war/r feilt. Als hij hel gezegd heeft,
dan moet het waar zijn.
D) 2Ue, ï>a, intiem, wann, roemt, wie, fo rot e dienen
om gelijktijdigheid uitte drukken.
fl)n, toen, tnöem, terwijl, geven buiten degelijktij-
digheid ook somtijds de reden op ; b. v. ba er uiditfam,
Heg id) il)tt ntfen. Daar hij niet kwam, liet ik hem roe-
pen.
VO&tM, wanneer, wordt alleen van tijd gebruikt.
U) f lilt, wanneer, indien, drukt eene voorwaarde uit,
en kan als zoodanig vervangen worden door n>o, rcofern,
fatté, uit gattc bag, maar niet door alé ; b. v. roemt bit eé
mttlfl, fo faiutft bit cé. Als gij hel wilt, dan kunt gij het. 28o
möglid), f o min e id) tjeute. Als het mogelijk is, kom ik vandaag.
ïöofern er eé fluit, nnrb eé tnir aitgcnel)iit fein ; roo nid)t, fo
bin id) attd) fd)ou jttfriebeit. Doet hij het, dan is mij zulks
aangenaam
; zoo niet, dan ben ik ook tevreden.
ttJenit wordt dikwijls verbonden met gletd), attd), fdjoit,
en dan is het gevolgd van fo of fo bod); b. v. roemt bu eé and)
uid)t getljait haft, fo t)afl bit eé bod) tbint rootten. Al hebl gij
hel niet gedaan, gij hebt hel toch loillen doen.
2Us roemt heeft de beteekenis van alsof; b. v. bu ttattft
bid), afé roemt bu eé nid)f getljaii l;atteft. Gij houdt u, alsof
gij het niet gedaan hadl.
-ocr page 160-
152                                 TWEEDE HOOFDSTUK.
E) JDfltn en fofil geven de reden, de oorzaak op, en be-
teekenen dus: want, omdat, dewijl, niet terwijl.
F)   JPamit en ntifönjj geven liet doel aan, en betec-
kenen dus opdat.
G) De uitsluitende voegwoorden zijn : cnlu>eï>rr*dï>Cf,
of-of ; u>cï>rr*it(«cr)/ noch-noch ; b. v. enhvebrr idt, ober bit.
Of ik, of gij, 5öcber id), ttod) bit. Noch ik, noch gij. Wan-
neer of in het begin van een afhankelijk voorstel staat,
dan vertaalt men het door ob; b. v. id) nmg ntdjr, ob er
eê getban bat, ober ttid)t. Ik weet niet, of hij hel gedaan
heeft of niet.
H)Omde verhouding tusschen voorwaarde en gevolg
op te geven, bezigt men jf—jf, je—ïlffïo, jf—II m fo, ter
vertaling van ons hoe—des te, hoe—zoo of hoe -hoe; b.v.
er rotrb je langer je fleifh\'ger. Hij wordt hoe langer hoe vlijti-
ger.
3e mebr bu arbeitefr, befto mebr roirft bit gelobt. Hoe
meer gij werkt, des te meer wordt gij geprezen.
I) Hur beleekent slechts, alleenlijk, maar ; b. v. eè
foftet ttur öineit £bater. Het kost maar éénen daalder.
Het is dus niet te verwisselen met milt, nu.
föaitm beleekent nauwelijks ; het is gevolgd van aU, ba
of fo, die ter vertaling van ons of dienen ; b. v. fattin war
er jiirücf, fo fat) td) il)it. Nauwelijks uas hij terug, of ik zag
hem.
K) Om eene tegenstelling uit te drukken, bezigt men
$n>ar, obgleid), ob|crjon, objioar, roemt and), wemt gletcb,
roemt fdhoit.
3ivnr beteokent wel is waar ; het wordt gevolgd van
nber, attent, bod), jebod); b. v. jwar babe td) eé nid)t tter*
fprod)en ; id) n>iU eé abcr bocb tbiut. //.\' heb het teel is waar
niet beloofd, maar ik zal hel toch doen.
(CHiglfid), obfchatl enz. betcekenen o/ir/too/i, alhoewel,
en worden gevolgd door fo, bod), of fo —bod); b. v. ob er
gleicb groê i|t, fo ijl er barum tocb niebt boffer alè bu. Al is
hij groot,, hij is daarom toch niet beter, dan gij.
L) Öfüor, voor aleer, voordal, drukt uit, dal iels ten
opzichte van d.n tijd moet voorafgaan.
-ocr page 161-
153
VOEGWOORDEN.
<£\\)t, veeleer dan dat, geeft aan, dat men ecne zaak bo-
ven eene andere verkiest ; b. v. beöor r»ir birf) üerïaffcii,
rootten roir lid) gruwen. Voor aleer icij u ve? laten, zul/en
wij u groeten.
St)e roir bief) tterltefjen, roottren roir Hcbev
2IUeë leiben. Liever wilden wij alles lijden, dan dat wij u
zouden verlaten.
Aanmerking. Uit het voorafgaande blijkt,dat verscheidene
bijwoorden en voorzetsels ook als voegwoorden kunnen
gebezigd worden.
OPSTELLEN.
ll«.($11f.)
3cf) roetg eè gattj genau I), abtt id) roiii eè 3niten itirf>t fa*
gen. Slbel roar eiu ©crjafer 2), ftaiu ober ein 2(cfcrpmann 5).
3ct) gabe bir gent eineii S£l)aler, attent ber ?ebrcr bat ei mir
öerboreu. 9ïicr)t bie ©ebitrt 4), fonbern bte ïïugeiib abclt beu
ÜKenfcfjen. Sr tft ftfion brcimat befïraft roovben, tinb bennocf)
bat er ficf) nid)t gebeffertS). £), bafjbod) atte ïÓïcitfcrjett etnfa*
t)en,roie frf)onbie £ugenb ift! Sr t)at feineit @ol)tt geprügeft6;,
jebocfj nid)t urn ju prügeln, fonbern uut il)it getyorfamer ju
mactjen. Sr tft nict)t rcid) ; er tjnt g(eid)tvot)( genttg urn le6ctt
ju fötnten. Sé harte feit brei Sagen ntrf)t gereguet; bat)er roar
ber S3oben 7) gattj trocfen 8). ©ott liebt uné, alfo folten roir
tint auct) Ifeben.
1) Juist, 2) herder, 3) landbouwer, 4) geboorte, nfkor.ist, 5) boto-
ren, 6) afranselen, 7) grond, 8) droog.
117.
Hij studeert 1), maar niet j^noeg 2). Elij heeft twee
broeders: de ecne heet Jan, de andere Karel. Zij willen rijk
worden, maar het zal hun 3) niet gelukken 4). Denk niet
aan uw voordeel 5), maar denk aan uwen plicht. Ik heb het
u reeds tweemaal bevolen, en toch hebt gij het nog niet ge-
daan. Wij hebben hem alles gegeven, wat hij vraagde, on
11
-ocr page 162-
134                                    TWEEDE HOOFDSTUK.
loch is hij nicl tevreden 6). Hij gehoorzaamt nirt; ik zal
hem evenwel nog eens waarschuwen 7). Terwijl menige
arme geen brood heeft, verkwisten 8) deze rijken hunne
schatten 9) zonder eenig nut 10). Zij zijn schuldig: dus
zullen zij gestraft worden. Hij heeft mij dikwijls belee-
digd M); desniettegenstaande heb ik hem altijd vergeven.
De deugd maakt ons gelukkig: wij zullen zo dus bemin-
nen.
6) gïiiMren, 2) geinig, 3) datief, 4) getingen, 5) Sortfcü, m. C) ju=
friet-en, 7) «muite», 8) »erfchi*ciiten, 0) @d)afc, m. 10) Oïu^en, m.
11) beletage».
118.
jtouin batten mir iinéjrceibunbcrt <5d)rttre 1) won fetitem
£uufc eittfcnit 2), fo ftitg cêfdjoit au juregneit. £o börebod),
nuui licber Sobit, uiib gebordje, rociiu idj bir (ïtmaé bcfebtc.
So 3) ivitcrlid)4)ntir bicfe Sadic and) ijl, fo muf? iet) jïe bod)
ücrriditcit. iJtTbit c$ glctd) iiirfit ttcrfyrodicn 5) haft, fo nuif;t
bil eé bod) tl)iut. 2i(ê er tntcf) bemerfte, lief er nuf mid) ju ; ra
er abcr fat), bnf; id) ilni md)t Foimtc, fo blicb er fiebeu. ?Hé cv
bei mir war, erimierte id) mid) bctner, iiibcm er mir öoii tiv
fprad). 2Daiut roerbcit ©ie foinmeii ? 3d) fomme,tt>cuucé3cit
ifl. ÏBofcnt er cé ntd)tti)ut/it>oKcun)tr tbn jroiiijjcn. (gr fdjrctbt
uiib fprirf)t, a\\è ttutfjtc er Sltlcö. SSerridjtc jebe .Vanbtmtg, ali
ware
fie bie le&te.
1) Schrede, 2) verwijderd, 3) hoe, 4) walgelijk, 5) beloven.
119.
Nauwelijks had ik zoo gesproken, of hij begon teschreeu-
wen, terwijl ik van mijnen kant 1) geene ontroering 2)
liet zien. Het blijft er dan bij ? Indien gij hem 3) helpen
wilt, dan zal het hem gelukken 4; ; zoo niet 5), dan be-
slaat voor hem geene hoop 6) meer. Het duurde 7) niet
lang, of wij zagen hem aankomen. Daar gij uwe boeken
niet bij u hebt, kunt gij hier niets verrichten 8). Wanneer
hem iemand vraagde, gaf hij geen antwoord 9). Ik had
-ocr page 163-
VOEGWOORDEN.                                         155
reeds een nalf uur l\\)) gewerkt, toen gij nog specldct.
Wanneer is hij teruggekomen 11)? Ik weet niet, wanneer
hij teruggekomen is. Als hij het gezegd heeft, dan zal het
ook gebeuren 12). Zoo mogelijk, zend ik het u morgen; zoo
niet, dan kunt gij het laten halen 13). Menigeen leeft, als-
of het leven geen einde 1 i) had -J-.
1) 9Ketnerfett£, 2) Stüftrung, *. 8) datief, 4) getuigen, 5; ito nirtt,
6) j&ofFiuing, v. 7) Mueiu, 8) auêrrdjfen, 0) Sliitroovf, v. 10)®tiuife, v.
11) roieteif ommen. 12) gefcfjeften, 13) boten taffen. 14) (Snee, o.
1*0.
3rf) n>t(( octiic ©cfdïciife I) utcf)t Ijaben,beun tefi fa tut itirfitö
bamtt anfangen. £cr Saftertyaftc 21 rotrb wou Ö5ott beftraft
werbeti, tvcit er fïcf) bon Sïitorbnmtgen ö) ©ottcö nnberfc&t \\)
bat. §a.\\te bid) ruljicj 5), bamir td) ben SSoget fangen fomte.
9ïart) biefcni £eten tverbeit nnr entroeber nut beu grommen 6)
gfitcfttrfi, obermit ben ?afterf)aften ïingtiicfltd) fcin. 3<0 fra^c
bid) nid)f, eb bit tI)ni»arnte(l7),fonbcrn ob er bid) wantte. <Siu
SBatfe t|1 ctu ,fêutb, baé rocber Sater itod) ïOïnttcr bat. 3emebr
ÜRattrfier bat, je mcbv er babcu roitt. 3>»ar babc irf) uur Stiieu
Giiilbeit, aber trf) unit bt\'rbocf) btc .óalr\'tc 8) geben, ob bit gtcirf)
mebrjti ()abetttvflnfcf)cfl. Shewifftdj tyter bleiben, <iU bid) tucfjt
wanten, beuor td) liuigcbr.
1) Geschenk, 2) ondeugend, 2) bevel, 4) verzetten, 5) stil, 6) vroom,
7)  waarschuwen, S) helft.
121.
Hij kent niets, want hij heeft sedert eenjaar niels geleerd.
Geef acht, opdat gij mij begrijpt f. Sluit I) u of hij mijne
vrienden, of hij mijne vijanden aan I). Noch do rijkdom-
men, noch de eer verlangen wij, want zij maken ons niet
gelukkig ; slechtsde deugd schenkt ons de tevredenheid 2),
welke het ware geluk uitmaakt. Wij weten thans niet, of
wij nadit loven gelukkig of ongelukkig zullen zijn; hoebe-
ler wij thans leven, des te gelukkiger zullen wij later zijn.
Nauwelijks had hij gezien, dat wij slechts één paard had-
-ocr page 164-
156                                TWEEDE HOOFDSTUK.
den, of hij zeide, dat wij weder na3rhnis konden -|-gaan 3).
Welis waai heb ik het u niet gezeild, maar gij moet het
toch weten. Ofschoon hij zeer goed weet, wat ik hem
gezegd heb , houdt hij zich , alsof hij er niets van
wist -{-.
DMnfdjliefen, 2) 3ufrieSenf)eit, v. 3) gefcen fönnen.
TUSSCHENWERPSELS. (gmpftn&wtigSlaute.
§ 112. De tusschenwerpsels zijn woorden, welke die-
neu, om aan schielijke gewaarwordingen lucht te geven,
of om geluiden na te bootsen. Tot de eerste soort behooren:
ad) ! ach ! o ! o! ei! ei! fyeifa! jud)f)e! hoezee! Ieicer!/jc-
laas ! pfiri! foei! tjoüa! p|t! hei daar! pst! potêfaufc-nb!
wat drommel! enz.
Tot de tweede soort : pfumpé ! plomp ! 6auj3! bons!
piff! paff! poef! paf ! fitacfé ! krak ! enz.
Daarenboven worden nog sommige uitdrukkingen als
tusschenwerpsels gebezigd, namelijk: üftmt)! moed! öor*
mhvtè! vooruit! fort! weg ! t)a(t! halt! jum Jpenfer! voor
den drommel!
geuer! brand! n>et)e! o roelje! wee ! enz.
Aanmerking. Bij o, act) en pfiii staat het zelfstandig
naamwoord veelal in den genitief; bij n>ol)f en jpetl staat
de datief; b. v. D, t>eé itbomt ! O, die dwaas l S)t\\l bir!
Heil u !
OPSTEL.
12».
Dit ongelukkig kind is helaas ! het mijne. Foei, welke
slechte handeling! Op, jongens, op! het is tijd. Ach welk
een ongeluk ! Als de Grieksche I) wijsgeer 2) Diogenes 3)
eens cenen jongeling zag blozen 4), dewijl een andere een
onwelvoeglijk 5) woord gesproken 6) had, zeide hij hem:
-ocr page 165-
TüSSCHENWERPSELS                                  157
bravo ! dat is de kleur 7) der deugd. Heil u ! indien gij
gedurende uw leven de deugd bemint; wee u ! indien gij
den tijd, dienGodugaf, nielgoedgebruikt.O, die luiaard 8)!
Ach, zeer treurig 9) is het, zeide hij, dat ik mij zelven ver-
wijten 10) moet il), dat ik de plichten, die ik vervullen
moest 12), niet vervuld heb! Ik hoor n liever « hoezee !»
roepen, dan « helaas ! »
1) @ried)ifd», 2) lpt)ilo|\'opf>, 3) SMogen, 4) errötfjen M, 5) unan--
ftdnfcig. 6) reten, fpredien, 7) 7arte, v. 8) gatifcnjer, m. 9) traurig,
10) «orirerfcn, lljmiiffen, 12) folfeit.
Aanmerkingen.
\\. Bij de uitdrukking f6 gifbt, (ei gtbt\', ei gab, er is,
er was,
komt het eigenlijke (logische) onderwerp in den
accusatief te slaan ; b. v. ei gibt eincit ©ott. Èr is een
God.
2.  De zelfstandige naamwoorden, die als bijstelling
»ebruikt zijn, moeten altijd in denzelfden naamval staan,
als het woord, waarbij zij ter bepaling gevoegd zijn; b.v.
©ott, ter Êcfyopfer ber 9Bclr, ift attmadjrtg. ©rog i\\1 bt\'e
9Wact)t@ötteé, eei <Sd)èpfer$ alter ïiïitge. ©otf, bent éd)b>
pfer ber 9CeIt fet Styre. ÜSir liebeit ©otf, ben ©djopfer ber
ffieft.
3.  Vele bijvoeglijke naamwoorden moeten ver-
gezeld zijn van eene bepaling ; deze bepaling komt in
den genitief, wanneer het de naam eener zaak is, en in
den datief, wanneer het de naam van eenen persoon is,
of van eene zaak, dio als een persoon beschouwd wordt;
b. v. id) bilt mir kriiter 0d)iilö bewust. Ik ben mij van
geen schuld bewust,
©te Stugenb t(t bfm JHrttfchfit über*
auè nügltct). De deugd is den mensch buitengewoon nut-
lig.
4.  Bij de bijvoeglijke naamwoorden, die eene uitge-
strektheid van plaats of tijd uitdrukken, of die tot be-
paling van gewicht, maat of \'waarde dienen, staan
de woorden, die den tijd, het gewicht, de maat of
do waarde aanduiden, in den accusatief; b. v.
-ocr page 166-
158                                 TWEEDE HOOFDSTUK.
\\ Sctteé 83itcfo ift cüicii 3»H bief. Dat boek is cenen duim dik.
! jbicfcé Stittf ijï fcd)ê (SIlcii lang. Z)<7 s/u/c j\'s zes el lamj.
5.Do bedrijvende werkwoorden hebben, gelijk in liet
Nederlaiidscli.huii rechtstreeksch voorwerp bij zich
in den accusatief; buitendien kunue<. zij nogeeneandere
bepaling inden genitief of in den datiei bij zich hebbon,
volgens dezen regel:is hel eigenlijke voorwerpeeue zaak,
dan komt de persoonsnaam, die lot verdere bepalmg
dient, in den datief Ie staan ; is hel eigenlijke voorwerp
de naam van eenen persoon, dan [t\'.aulst men Jen nauu
der zaak, die lol verdere bepaling dient, iu den genitief;
b. v. £er i^ntcr fcijcuft fciiicni vioijuc btcfeé ÜJjict). De
vader schenkt zijnen zoon dit bock.
£vr ï&atct beïdnilbigi
feiiien Si>l)ii trr SCragtycit. De vader beschuldigt zijnen zom
van luiheid.
(Sr «erjïdjerte mtr fcine $rcuub|d)aft of mid)
feincr grcnntfd)aft. Hij beloofde mij zijne vriendschap.
G. Wanneer eene onbepaalde wijs eeue andere ter be-
paling bij zich heeft, dan komt zij daarachter te staan;
b. v. bit foflft taè liegen Iciffcit. Gij inuel dal laten tiygen.
2Btr roerben "uidjt ju ïvartcu braudjen. Wij zullen nel ba-
hoeven te wachten.
3d> tljnc e* uni ttr f/clfcii ju loinicii, Ik
doe Ittt om ii te kunnen helpen.
OPSTELLEN.
123.
@è gtbt Seute, roekijc bd)auptcn 1), baf) ter gelbrjerr oIjik
fetne ©d)UlDge|"d)lagen fci, «nö fcaf! co al|"e tcüicii Ohuub 2)
gebe, roarum man tlju Dcnirthcile 3). %\\)xe Ukbauptnng *;
belegen 5) fie nut tem 83ci|>iele G) SRapoleoné t?tTt5V|tctt, bcr.
uiigcadjtet feincr tfriegéftuift 7), bei ïetpjig, eüier Stabt tcè
jtömgreidjé <Sad)|cu,gcid)lugcii 8)»urbe. £u beebreft ü)ü)«
mtt beinem SL>ertranci!, cllcui er ijl beffen uidjt un\'trbig. Si«
befcrjulCicjcn ilju ctneè^ci-brcdjcue 10), tciJcn er md>c f&DJfl 10
ijï. £ie aMawcr 12) ijï itnr ciiien ftufj breit 13), abcr Jwawjig
-ocr page 167-
AANMERKINGEN.                                         159
\\
btê breien gng lang. Eiefc jroci SBödier foftcit jitfammeu 14)
/rinen Öhiltcn. 58ir erinncnt m\\è feiner nid)t mehr;begl)a(6
foiuicrt «ir 3l)«cit fcinc 9?ad)rid)ten l5)»oit il>nt gcbcii.
1) Beweren 2) reden, 3) veroor Joelen, 4) bewering, 5) staven,
6)voorbeeld, 7) krijgskunst, 8) verslagen, 9) vereeren, 10) misdaad,
11) in staat, 12) muur, 18) breed. 14) tezamen, 15) bericht.
124.
Er zijn slechte boeken, gelijk er slechte menschen zijn ,
voor welke men zich moet in acht nemen. De deugd van
hom, die zich zelven overwint 1), is meer waard, dan de
roem van Caesar 2), den grootsten veldheer der Romeinen
3). liet is niet de moeite 4) waard 5), dut gij u bedroeft 6),
dewijl gij zijne vriendschap 7) kwijt 8 \' zijt. Hoeveel is het
u waard ? Niels. De toren9) is twintig voel hoog, en tien
en eonen halven voet breed. Wanneer n iemand van eeno
fout aanklaagt 10), waaraan gij niet schuldig zijt, dan 11)
kunt gij dikwijls niets helers 12) doen, dan hem geencn
blik 13) waardin I i) to achten 14\'. Wij zullen u dat laten
maken, ofschoon hij het had -{- moeten doen. Hij, die al-
lijd de ondeugd lo) vlucht, zal den dood niet behoeven 10)
te vreezen 17 .
1) ^efüiiini, 2) Êafiir, 3) JRömer, m. 4) «JJJühe. v. 0) roertt), (i) (\'e«
triil\'fii, 7) gremirïdhift v. 8) oerluftii), 9) Xluirm, m. 10/anfïiiflen,
irfdnilM\'flcii, ll)jo, 12)bcfferré, 13)Sjiiet,ui. 14) würCigeii, 15;Salter,o.
1U; Inaudjni, 17) fürdjten.
EINDE.
-ocr page 168-
-ocr page 169-
BLADWIJZER.
§§.                                                                                                             BLADZ.
1.  Hoogduitsche letters.........           1
2.  Uitspraak............     ibid.
3.  Umlaut.............     ibid.
4.  Uitspraak van lange klinkers......,           2
5.  Tweeklanken...........     ibid.
6.  Medeklinkers...........     ibid.
7.  Klemtoon...........           4
8.  Spelregels...........     ibid.
1.  Spelling der Duitsche woorden.....     ibid.
2.  Spelling der afgeleide woorden.....      ibid.
3.  Gebruik der sluitmedeklinkers.....      ibid.
4.  Gebruik van dubbele medeklinkers.....          5
5.  Gebruik van f en ê........     ibid.
6.  Gebruik van ff en f}........     ibid.
7.  Spelling van samengestelde woorden ....      ibid.
8.  Gebruik van het koppelteekeu......           6
9.  Afbreking der woorden.......     ibid.
10. Gebruik der hoofdletters.......     ibid.
9.  Taaldeelen...........          7
1Ü. Lidwoorden...........          8
Bepalend lidwoord.........     ibid.
11.  Onbepaald lidwoord.........          9
Opstellen..........            ibid.
12.  Zelfstandige naamwoorden.......         12
13.  Geslacht der samengestelde zelfstandige naamwoorden .     ibid.
14.  Geslacht der namen van levende wezens ....      ibid.
15.  Manlijke namen van zaken.......         13
16.  Vrouwelijke namen van zaken.......     ibid.
17.  Onzijdige namen van zaken.......     ibid.
18.  Woordenmet manlijken uitgang.......         14
19.  Woorden met vrouwelijken uitgang.....     ibid.
20.  Woorden met onzijdigen uitgang......     ibid.
21.  A. Uitzonderingen op de regels over het manlijk . .         15
B.  Uitzonderingen op de regels over het vrouwelijk .     ibid.
C.  Uitzonderingen op de regels over het onzijdig . .         16
22.  Geslacht der woorden van vreemden oorsprong . . .     ibid.
Woorden met dubbel geslacht......
         i7
Opstellen............     ibid.
23.  Verbuiging der zelfstandige naamwoorden ....         21
24.  Zwakke verbuiging.........     ibid.
-ocr page 170-
BLADWIJZER.
BLADZ.
25.   Enkelvoud der sterke verbuiging......         23
26.  Meervoud der sterke verbuiging......     ibid.
27.  Umlaut bij de sterke verbuiging......     ibid.
28.  Kerste meervoudsvorm der sterke verbuiging ...         24
29.  Tweede „ ., ......     ibid.
30.  Derde „ , .....         25
81.  Vierde „ ,, ,.....          20
82.  Onregelmatige verbuiging.......         17
33.  Verbuiging der eigennamen van zaken.....      ibid.
34.  Enkelvoud der eigennamen van personen ....     ilid.
35.  Meervoud der eigennamen van personen ....         28
30. Verbuiging van twee eigennamen......     ibid,
37. Verbuiging van woorden aan doode talen ontleend .     ibid.
88.  Verbuiging van woorden aan levende talen ontleend .     ibid.
89.  Aanmerkingen orerde verbuiging......     ibid.
Opstellen...........        29
40.  Bijvoeglijke naamwoorden.......         38
41.  Trappen van vergelijking........     ibid.
42.  Stellende trap of positief........      ibid.
43.  Comparatief van minderheid.......         39
44.  Comparatief van meerderheid...... .     ibid.
45.  Umlaut bij de trappen van vergelijking. . . . .     ibid.
40 Onregelmatige vorming der trappen .....
        40
Vorming der trappen bij de bijv. naamw. op el en er .     ibid.
„ ,, „ „ ,, ,, ,, ,, t, é enz. .     ibid.
Vergelijking tusschen verscheidene toestanden. . .     iind.
Vergelijking tusschen twee wezens.....        41
Volstrekte superlatief........     ibid.
Versterking der trappen van vergelijking ....     ibid.
Vertaling van als en dan .... . .      ibid.
Bijv. naamw. zonder trappen van vergelijking . . .      ibid.
47.  Verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden . . . .      ibid.
48.  Zwakke verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden. .         42
49.  Sterke verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden . .     ibid.
50.  Gemengde verbuiging der bijvoeglijke naamwoorden .         43
Opstellen. ,\'•.... >                          44
51.   Voornaamwoorden . .......         50
52.   Persoonlijke voornaamwoorden......     ibid.
Gebruik van feit)ft en (eiber.......         51
Gebruik van den genitief der persoonlijke voornaam-
woorden............
     ibid.
Wederkeerend voornaamwoord......     ibid,
Wederkeerige voornaamwoorden......     ibid.
Voornaamwoorden om iemand aan tespreken . .               52
53.   Bezittelijke voornaamwoorden.......     ibid.
54.   Verbuiging der bezittelijke voornaamwoorden . . .     ibid
-ocr page 171-
i<;:s
BLADWIJZER.
m,\\DZ.
Vertaling van ons.......
Gebruik van eigen.......
Onverbogeii bezittelijke voornaamwoorden
Andere vorm m <ler bezittelijke voornaamwoorden
Bezittelijke voornaam woorden als zelfstandig naam w
gebruikt.........
Weglating van het bczittelijk voornaamwoord .
Aanwijzende voornaamwoorden ....
Verbuiging der aanwijzende voornaamwoorden
Gebruik van tieê en bai.....
Gebruik van bereine enz.......
Gebruik van hier en t\\i ......
Gebruik van fokte.".......
Bepalende voornaamwoorden.....
Verbuiging der bepalende voornaamwoorden
Vertaling van bet onbepaalde hij enz .
Gebruik van rei\'—, Me—, NéfelUe ....
Bepalende voornaamwoorden voor nam<Mi van zak
Vertaling van dezdfd».......
Vragende voornaamwoorden .            ...
Verbuiging van met en rwaê.....
Verbuiging van wat fürein.....
Verbuiging vanreeldjer......
Betrekkelijke voornaamwoorden ....
Verbuiging der betrekkelijke voornaamwoorden.
Gebruik der betrekkelijke voornaamwoorden.
Onbepaalde voornaamwoorden.....
Verbuiging der onbepaalde voornaamwoorden .
Ol\'S\'lTLLEN.........
Telwoorden..........
Bepaalde grondgetallen......
Verbuiging van dili.....            . .
Verbuiging der overige grondgetallen
Vertaling van ongeveer......
Bepaling van dentijd . .            ...
Bepaalde ranggetallen......
» verdeeleude getallen.....
>         vermenigvuldigende getallen
»       soortgetallen ... ...
>        lierlialingsgetalleu.....
» deelende getallen.....
»       lioedanigbeidsgetallen ....
i       telwoorden van plaats ....
>~        verzamelende telwoorden
Onbepaalde grondgetallen......
Verbuiging v au (irgcilOj ei» en fein
> van ciiiïjjer, ftlid)er, rtrocldjer. .
Verbuiging van aller.......
oord
-ocr page 172-
164                                     BLADWIJZE!».
§§.                                                                                              BLADZ.
80.   Verbuiging van gans.........          74
> » <;niug, elnni«, nid)tê.....      ibid.
» > Biel, rcenig.......      »6iVÏ.
81.   Onbepaalde rangschikkende getallen.....      ibid.
82.   Overige onbepaalde getallen........          75
Telwoorden met voorafgaande bepaling . . .             ibid.
OPSTEl.liES..... .....                76
83.  Werkwoorden...........          82
84.   Vervoeging der werkwoorden.......          83
85.  Vervoeg\'ng der hulpwerkwoorden......      ibid.
Gebruik van rcarö en rcurce........          89
Gebruik van ivorfcen en geivorfcen......      ibid.
66. Zwakke vervoeging der werkwoorden.....      ibid.
Umlaut bij de zwakke vervoeging......      ibid.
Uitgangen bij do zwakke vervoeging.....          90
Werkwoorden op eln en ent.......         93
Weglating van ge bij het verleden deelwoord. . .      ibid.
87.   Sterke vervoeging der werkwoorden.....          94
88.  Vorming der tijden van de sterke vervoeging. . .      ibid.
Tijden afgeleid van den tegenwoordigen tijd. . . .
      ibid.
» » » den onvolmaakt verleden tijd. .      ibid.
> » » liet verleden deelwoord ...          95
Afleiding der gebiedende wijs.......      ibid.
89.   Persoonsuitgangen der gebiedende wijs ....      ibid.
Weglating van e vóór ft........
          96
» » e vóór t........     ibid.
Gebruik van e in de werkwoorden op ten en Ie» . .      ibid.
90.   Verdeeling der werkwoorden van de sterke vervoeging.         97
91.  Eerste klas » » » » .      ibid.
92.   Tweede • » .98
f 93. Derde » > > » .99
\' H. Vierde * » * » x. .
      ibid.
95.   Vijfde »                 »            »                         »                .100
96.   Zesde » » »• < » .        101
97.  Onregelmatige vervoeging........        103
98.   Sclieidbaarheid der samengestelde werkwoorden. , .        105
99 Bedrijvende en wederkeereude werkwoorden . . .
        1C6
100.  Lijdende werkwoorden.........        108
101.   Onzijdige werkwoorden.........        110
102.  Onpersoonlijke werkwoorden. .......        112
OPSTELLEN . . .....        114
103.   Bijwoorden . .........        128
104.  Trappen van vergelijking bij do bijwooruea . . .      ibid.
105.   Onregelmatige vorming der trappen.....        129
106.   Verdeeling der bijwoorden........      ibid.
Gebruik van ca, n>o enz. .... ...               180
-ocr page 173-
BLADWIJZER.                                          465
§§•                                                                                                M-ADZ.
106.  Gebruik van her enbin.........        131
» » fonft ..........      ibid.
» >• roann en teenn........      ibid.
» » baitn en bemi.......      ibid.
» » ouf en offen........      ibid.
> reie.........               132
Opstellen...........      ibid.
107.    Voorzetsels...........        135
Voorzetsels met den genitief.......      ibid.
108.              » » » datief .......        136
109.              » » » accusatief......        138
110.             » » » datief of den accusatief . .               139
Opstallen.......... .        Hl
111.   Voegwoorden...........        149
Gebruik van «Der, allein en i\'oiibern......        150
> bennort), bod), jebod) enz.....      ibid.
» » babcr, (drum, befsbiilb enz ....      ibid.
» » ait, ba. tubemenz. ......        151
» » bamitcn nufbafi.......        152
» » enfroeber—ober en roeber—nod) . . .      »&;<?.
» je—je, je—befto, je—iimfo ....      ibid.
» » mir en faum........      «fcirf.
» - jroar, otgleid), Obfdjon enz.....      ibid.
» » be»or en cfoe........      ibid.
Opstf.lt.kn............      ibid.
112.   Tiisschenwerpsels..........        156.
Opstkl...... .....      ibid.
Gebruik van eê fliebt ... .....        157
Naamval der bijstelling........      ibid.
Bepaling van sommige bijvoeglijke naamwoorden . .      ibid.
Bepaling van plaats, tijd, gewicht enz ....      ibid.
Bepaling bij bedrijvende werkwoorden.....      ibid.
Plaatsing van twee onbepaalde wijzen ....      ibid.
Opstellen...........      ibid.
»
-ocr page 174-
-^2^> WedJ^^-^^tArx^r^ *-\'
-ocr page 175-
-ocr page 176-
:£*
£~-
% f
1
VERKRIJGBAAR RIJ DEZELFDE BOEKHANDELAREN,
Werk*u voor het onderricht in de Duitsche taal.
Volledige Hoogduitsche Spraakkunst; ton gebruike der Gymnasiën
en hoogere Burgerscholen, bewerkt door J. Drehmanns, Leeraar
der Hoogduitsche taal- en letterkunde.
Beknopte Hoogduitsche Spraakkunst; ten gebruike bij het Ge-
woon en uitgebreid lager onderwijs, bewerkt, door 1. Dkkhmanns.
Eerste Deeltje, Lees- en Vertaaloefcningen. Voornaamste Spel-
en taalregels.
Tweede Deeltje, Spraakleer. \'[\'aulocfeningon.
Lectures allemandos al\'usagc des colleges et pensionnats, par Paul
Henken*s, de la Compagnie de Jésus.
Nouvflle Methode pratique et facile pour appremlrc la langue\' alle-
mande, par F. Aiik , seconde édition, entièrement refonrlue.
Premieu Cogbs, 1 vol. grand in-12.
Le mime ouvrage, Beuxièmk Cours, 1 vol. grand in-12.
Le wieme ouvrage, Tuoisième Cours , renfermant des morceaux
choisis de littérature allemande faciles et gradués et accompagnés
de notcs ixplicatives, 1 vol. grand in-12.
Dentsrhes Lesohuoh für die unteren und mittleren Klassen der
höheren Scliuleu Belgiens, bearbeitet und herausgegeben von
F.A. BraüN Lehre." am Königlicheu Atheniium in Gent. L\'em-
ploi du rct ouvrage est autorisé dans les établissements de 1\'Etat.
Lectures allemacdes a 1\'usage des écoles moyennes et des écoles
primaire* wee \'in Tocabulaire allemand-francais, par J. Willm,
1 vol. in-12!
Grammaire pratiq.no de la languo aBemande, par L. Georg, 8« édi-
tion, X vol, in-i?»
Grammaire alkra.mdo (élénienta de la), par H. A. Sonntag, 3e édi-
tion revue et corrigée, 1 vol. ;\':i-12.            »
Modèles d\'Eoriture alkmando, oahiir de 12 modèles oblongs.