-ocr page 1-
31M "™ 1HlSS-
■ . . *
£
NEDEELANDSCIIE
SPRAAK KIIN S T
T. TERWEY,
I.KKUAAR AAN t>K KW KKKSt IIDOL VOOIt <)Nl>Klt\\VU/.KKS K.N OM)KK\\VIJ/.KttKSSKN
TR AMSTKIIHAM.
1
I i
X
ACHTSTE DRUK.
TE GRONINGEN HIJ J. B. WOLTEKS, 1890.
Vak 145
-ocr page 2-
# •
.
. *
.1 "1
\\
/
u
, ]•
r*\\
-ocr page 3-
UITGAVEN VAN J, B. WOLTERS, TE GRONINGEN.
Boswijk en Zijlstra, Rekenk. Vraagstukken . .f0,25
Boswijk en Zijlstra, Theorie der Rekenkunde \'\'.     0,40
U. Bonman, Opvoeding en onderwijs, I, II 1 .    4,90
3. Bonman, Bekn. Opvoedk. voor de lag. school    1,25
fi. Bonn. an , Vorml. in de lagere school . 9de druk    1,50
1. Bonman, Vormleer in opg. en oefen. 2 stukj k    0,26
il Bonman, Do Nftderlandsche landhuishouding .    0,30
tl. Bonman, Aansch. onderw., 12 pi. 8de drnk    2,90
il. Bonman, Handl. bij het aans. onderw. 5de dr.    0,90
tl. Bonman, Het gulden kinderboek, geill. . . .     1,25
il. Bonman, Leesnoekjes, 5 stukjes 30ste druk &    0,25
tl. Bonman, Eerste Schooljaren, 6 st., 5e dr. il    0,25
H. Bonman, Handb. v. h. leiden d. Oefeningen    0,75
U. Bonman, Platen bij de Eerste Schooljaren . .     2,90
H. Bouman, Do paedagogie der lagere school geb.     1,50
L. Bouwman Jz., Gonioaietrie on vlakke Trigon.    0,90
Ii. Bouwman Examen-opg. V. Hulpo.iderwrjzeress.    0,40
L Bouwman, Examen-opgaven v. Hoofdondei wij z.    0,40
L. Bouwman, üxamen-opgaven voor onderwijzers.    0,50
Marius A. Brandta Buys, Twaalf Kinderliederen    0,65
U. M. Bremer, Wetten d.dir. belast, enz. 3 deelen  22,50
A. Br. van Éikeina, Mijn eerste boekje, 4de druk    0,25
A. Br. van Eikema. Mijn tweede boekje. 3de druk    0,25
Brouwer, liet Zinsverband.........
     0,00
B.  v. Bruggen , Stijloefeningen.........     0,75
B.Brugsma, Schetsen nit het natnurl. 7de drnk    0,30
B.  Brugsma Aanschouwingsondenviji. 40 p\\. 5e dr.    4,90
3. Brugsma en P. Eldering, Dertig platen voor
aansc houwingsonderwija, met de Handleiding     8,90
r\'. O.Bnigsrua, Statisl. Atlas d. Nederl. 3do druk    8,00
F.O.Brugsma, Atlas der Nederlanden. 6de druk    1,00
IC, ten Bruggencate, Hoofdz.d Eng. Grainm. 2e dr.    0,60
K tenBniggeneate,Th<!ChinieRbyCharleEDicken8    0,60
K. ten Brnggencate, The Cricket on the Hearth    0,60
K. ten Brnggencate, do uitspr. v. h. Engelsch 2e dr.    0,75
?. Bruinitig, Schets der zedo- en geloofsleer . .    0,15
Bijdragen t. geschiedenis en oudheidk., 10 dln.  89,00
Dr. v. Capelle en Ekkor, Ned. Lat. woordenb. geb.    9,75
ten Cate en v. Milligen, lager onderwijs. Se druk    1,25
ton Cate en A. Moens, De wet op het lager
onderwijs, met aanteokeningen . . . 4j druk    4,00
I.  J. BI. ten Cate, Het domicilie v. onderstand .     1,60
Dr. T. Cannegieter, de Zedelijkheid......     1,90
Dr. T. Cannegieter, Kerk, Kerkleer, Kerkrecht.     0,50
Dr. T.Cannegieter, Object, en Subject.in de Dogrnat.    0,50
Dr. T. Cannogietcr, Dogmatische Wetenschap .     0,50
Dr. T. Cannegieter, Evangeliedienaar .....     0,50
J. S. Cioeck Hellerna, Lijkrede op Ds. J. Douwes    0,30
Dr. L. AliCohencH, Openb, gezondheidsr., 2 dln.  12,50
Dr. Coster en Opwyrda, Phann. Neerl, 4 dln. .   36,75
Dr. J. J. CorneUssen, Libellis Jocularis ....     0,75
Mr, Cremers, Aant. op de Ned. wetboeken, 6 dln.
met 11 vervolgen..............   99,f>5
Mr. W. C. I. J. Cremers, De Gemeentewet, 4e drnk    6,00
Mr. W. C. I. J. Cremers, Wetg. o. h.notarisambt    1,90
Mr. W. O. I. J. Cremers, Aant. op de Grondwet    2,65
Nieuw BijbelEch Dagschrift . . .12 afl. per jaar    3,75
?)e wet op de burgerlijke pensioenen......     0,15
F. C. Delfos, Beginselen d. Scheik., m. fig. 2e druk    1,25
F. C. Delfos, Kennis der Natuur, 2 st. . . . a    0,80
Mr. G. Diephuia, Ned. Burg. regt I—XIII1 e 3e dr. 103,85
Mr. G. Diephnis,Handb.N.burg.regt,3dln.Sdedruk  15,00
Mr. G. Diephuis, Handelsregt, 3 dln. 2de drnk  15,00
Mr. G. Diephnis, De wet op het lager onderwfls    1,80
H. C. P. Dirks, Lecture et réoitation.....     0,90
H.W.Dijken, Vlinders v.\'tjonge volkje. 5de drnk    0,25
II.   W. Dijkeu, Woorden en zinnen, 7 stukjes .    0,45
H. W. Dijken, Natuurkennis .........
    0,30
H. W. Dijken, aanteckeningslijstv. het onderwijs.     0,15
Dittes—Wendel, Zielkunde en redeneork. 2e druk    1,25
J. Doornbos, Huisboek voor den landman . . .     8,90
J. Douwes, De wijsgeer J. F. L. Schroder . . .     8,00
J. DouweB, Een Storm in de Ned. Herv. kerk. .     0,50
Douwes en Feith, N. kerkelijk wetb. 2e dr. geb.    3,75
J. Douwes, Gouden gansje, Kinder-operette m.zang    0,30
Donwes, De kleine Wekker, 3 stukjes. 3e druk a    0.20
E. Drenth, Zakwoordenboekjo der muziek . . .     0,60
J. A.v. Droogenbroeck, Zonnestr., geill. 4de druk    1,\'. 5
\'!. F. van Duyl, Geschied, zond. geschied., Ie dl.    0,35
0. F. van Duyl, Onze gesohiedems I, II. 2e druk    0,75
C.   F. van Duyl, Fransen lees- en vertaalboek I    0,90
C. F. van Dnyl, Fransch lees- en vertaalboek II
    1,25
C. F. van Duyl, Leerboek der Fransche taal I.
     1,25
C. F. van Dnyl, Mün Vaderland. . 8do drnk
    0,25
10. F van Duyl. De Eersto trap van hot Taal-
i onderwijs, Serio A. I -IV .... 7iie druk a    0.25
C. F. van Duyl, Oefeningen in \'t Nederl. 5de drnk    0,50
C. F. van Duyl, Do eerste trap van het Tnal-
j onderw., Serie II. I—IV (Stijloefeningen) 2e dr. a    0,25
;C. F. van Dnyl, languo franeaise, Ie partie . .    0,50
ardtijksk. Schrijfboek v. Nederl. (in 16kaarten)
vardrijksk. Schrijfboek v Europa (in 16 kaart-in)
l. Aalderink Wetten op militie en schutterij .
Jr. ïl. J. van Ankum, btandpunt der dierkunde
Ti. van Ankum, Voor hoofd en hart......
csehylus—Hecker, Agamcmuon........
\\eschylus—Hecker, Piouiethcus. .......
it, van Assen, Schooi-tra.adSAa.rt van Friesland
naelyn\'s Worken, door Dr. A. de Jager . . .
.1113 van Nederland v. lei en schrift, 5de drnk
i\' ile en van Dainen, Cours de Lecture lo st.
Baas, Ons Vaderland. . .\'.........
. A. Baehreus, Miscellanea Critica.....
. A Baehrens, Lectiones Hui-atianae.....
D. B.i&keren J. Mulder. Aarürijksk. v. Nederl.
, . D, Jïakktr. «Ie kl.ine ratlgids, 4 ftukjts . n
W. H. M. Dartels, Ned. School liederen, 1-6
1 ƒ <i,ïO, 2 < n 3 \' 0,25, 4 en 5 t 0,30, 6
\\V. H. M. Dartels, liet rekenen uit het hool.l .
Heekman en v. Goor, Duitsch Leesboek I. Sdo druk
Beekman en v. Goor, Duitsch Leesboek II. 2de druk
Beekman en v. Goor, Duitsch Leesboek III. 2e dr.
Beekman on v. Goor, Duitsch Leesboek IV . .
Beekman en v. Goor, Duitsch Leesboek V. . .
1. van aen Berg, Teekenschriften, 1— 4 . . . a
f. van don Borg, Teckeuschriften, 5—8 . . . a
i\\ Lz. Berghuis, Water- en burgerl. bouwk, geb.
F. Lz. Berghuis, Bekn. burg. bouwkunde . . .
Joii.Beighuis,Sehelpjts,leesi).v.d. school. 4ue druk
Joh. Berghuis, Schelpjos. 2e stukje......
Joh. Berghuis, het Opstel voor de Volkssohool.
"oh Berghuis, Vertelsolb. voor school en huis 2e dr.
3ci gliuis en Dijken, Uit Vaders en Grootvaders tijd
*auu.Berg-Stouip,Viouwel. handwerken.3e drnk
, an den Borg-Stomp, Het kuipboek......
Dr. J. Bergsma, Onze Kamerplanten.....
\'\'r.J. Bergsma, Tckstcritiekv.d.KarclendeElegast
\'. J. Bergsma, Proeve van plaatselijk reglement
eschrijving der vruchtsoorten, 3 stukken .
.. Bes, Klassikale teekenmethode in 60 platen I.
t. Bes, Klassikale Teekenmethode in 40 pi. II.
K. Bes, Teekenschriften bij bovenstaande, 1—5a
&. Bes, Teekenon naar de Natuur I . , ....
Jibliotheek van midden-nederl. lettork., an. 1—43 a
31eekcrenMarwitz, Wandkaart voor Kijb. Gosch.
Blceker en Marwitz, Bijbelsche Aardrijkskunde
Bleckcr en Marwitz, Scïioolkaart van Palestina,
in 6 bladen met Handleiding........
J. H. Blum, ZefctigjaartallenuitonzoGe6ch.3dedr.
Mr. W. B, S. Boeles, Financiële regtsbetrekking
Mr. W, B. S. Boeles, Scheiding v. kerk en staat
Mi. W. B. 8. Boeles, Stemregt van eigenërfden
U. Boerma, Rokenopgaven voor kweekolingen .
T. Boenua, Begins. der Franache taal. 3de drnk
T. Boerma, Exercises de lecture, 2de druk . .
T. Boerma, De Fransche taal I........
Th. Boersina en P. v. d. Maeu, Zuivelbereiding
Bogaerts en Koenen, Taalstudie. 8ste druk. 3 dln. a
Dr. U. P. Boissevain, De waarde der Kpigraphiek
Dr. D. Bos, Beginselen der Analytische Meetkunde
P. R. Bos, Landen en Volkon, deel I, II, III. a
; . U. Bos, Leerb. d. aardrijkskunde 6de druk
- P. R. Bos, bekn.leerb.d.aardrijkskunde.7dedruk
P. JA. Bos, Leiddraad onderwijs aardrijkskunde
P. il. Bos, Sehool-Atlas der Aarde . . 9de druk
P. il. Bos, Atlas dor geheele aarde in 60 kaarten
P. R. Bos, Na: uur- en Staatkundige Atlas . . .
P. H. Bos, Atlas voor de Volksschool. 9edruk
P. B. Bob, Aardrijksk. voorde volkssch. 7de drnk
P. R. Bos, Nederl. en zijne Ovens, bezitt. 3de druk
P. R. Bos, De plaats der aardrijkskunde . . .
P. R. Bos, platen voor Aardrijkskunde 9a druk
P. R. Bos, De Globe, Aardrijkskundig schetBboek
P. R. Bos, Kleine Atlas voor de Volkssch. 4e dr.
P. R. Bos, Eerste Atlas voor de Volkssoh.5edr.
P. B. Bos, Schetsen uit Nederl. en Nedoil.-lndié\'
P._R. Bos, Sclioolplaten voor aansch. onderwijs
in Aardrijkskunde, 1—18 met Handleiding. .
P. R. Bos, Schoolkaart van Groningen in 9 bladen
R. Bos Wereldkaart............
•8, v. Gelder en Rjjkens, Sehoolkaart van
O-Indiö........2do druk met handl.
"\'- J. Ritzoma Bos, Landbouwdierknnde. 2 din.
.. J. Ritzoma Bos, Insectonschade......
\'. J. Ritzoma Bos, De Vogels........
. J. Ritzema Bos en Dr. U. Bos, Dierkunde. 3e dr.
i.\'1\'. J. Ritzema Boa, Schetsen uit het dierenrijk
Il C. Bosscha, Lokale spoorwegen.......
Boswijk en Zijlstra, Hot rekenen 1 en 2. 2e dr. i
Boswijk en Zij\'.stra, Het nkuien 3 tot 8.2e dr. a
ƒ0,10
0,10
2,90
0,6U
0,80
0,75
0,75
12,00
8,60
0,15
1,85
Il 26
2.1"
1,25
11.2 I
0,25
0,40
0,15
0,5i\'
tor<
V"
i.mi
1/ 0
0,18
0,21
25,(ll
2,51
D.::s
0,21
0,5 I
1,50
i ,::\'i
1,25
0,90
0,90
0,75
0,-M
2,2 5
4 90
8,90
0,20
2,90
1,50
5,00
1,\'\'
3,90
0,0
1,25
0,75
1,90
0,4(1
0,90
0,30
1,00
1,25
0,50
1,00
3,75
.\'i.T.i
l,:.o
0,90
8,90
1,75
8,90
1,
0,40
0,85
0,40
0,60
3,00
0,50
0,85
0,35
9,75
10,00
8,75
15,50
21,25
2,50
0,30
2,511
il,:*»
0,111)
0,20
0,25
-ocr page 4-
UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS , TE GRONINGEN.
O. F. van Dnyl. langae francaise, 2a partie . ./0,60
C. F. van Duyl, langue framjaiso, Se partie . . 0,75
C. F. van Dnyl, langue francaise, 4e partie . . 0,7S
0.  F. van Dnyl, langue francais?, 5e partie . . 0,75
C. F. van Duyl, Nichten en Neven......2,90
C. F. van Duyl, Boschavingsgesch. v. Nederland 2,25
C. F. van Duyl, Fransche Volksvertelsels . . , 2,50
<J. F. van üayl, H t Juiste Woort......101
P. v*n Duinen, Rocueil de Traduetions .... 0,50
J. L. Ph. Duijser, Nederlandsche taaloefeningen 0,25
J. L. Ph. Dujjser, Noderl. taal, S st. 2e drnk a 0,50
J. L. Ph. Duijser, Alg. Geschiedenis I en II. a 0 90
J. L. Ph. Duijser. Loerh. d. Vad. Uesch. 2dln. a 0.90
J. L. Ph. Duijser, Overz. v.d.Gosch.d. Ned. Letterk. 1,50
Duijser en van Goor, Letterk. leosb. I en 112e dr. a 1,25
Duijser en Grooneveld, Nederl. Lec\'uur, I en II a 0,75
1.  van Effen, De Holl. Spectator, bew. d. A. W.
Stellwagen.................1,50
Dr. Engelbregt, Latijnsch woordend, geb. 4de drnk 9,75
Mr. A. W. Engelen, Alg. geach., 4 dln. 3de druk 13,00
Mr. A. W. Engelen, Tijdtafels der alg. geschied. 1,25
Dr. .1. E. Enklaar, Eerste beginsel.d.Seh=ikunde 0,75
Dr. J. E. Enklaar, Hand!. Eerste bog.d. Scheik. 0,40
Dr. V. d. Es, Griekech woordenb., geb..4de druk 9,75
Dr. v. d. Es, Ned. Grieksche woordenl. 4de druk 2,50
Dr. v. d. Es , Grieksche antiquiteiten. 3do druk 2,00
Dr. V. d. Eb, Grieksche opntell., 4st. 6de druk a 1,25
Dr. v d. Es, Gr. en Rom. letterkunde 2de druk 3,75
Du V. d. Es, Gri.\'kscbe spraakkunst . 2de druk 3,75
Di. v. d. Es, Grieksche Buigingsleer .... 1,25
Dr. v. d. E», Uittreksel Gr. en Rom. Letterk. . 0,50
Dr. v. d Es, Studie Grieksche ondheid .... 0,50
F. Èi. Faltely, Cours pratuiuede langue irar.^aUelo 1,15
Mr H.O. Feith, Hot Groninger beklemrogt 2 dln. 0,00
F. F. C. Fischer, Vocabulariura.......0,75
Dr. J. \\V. Fockens, de Graankorrel......0,75
Dr. O. M. Francken, Studie over taal-en letterk. 0,25
Dr. O. M. Francken, De wet op het h. onderw. 0,50
Dr. U. M. Francken, Gr. en Rom. letterkunde . 0,40
Dr. O. M. Francken, Oratio de eivitate Atheuiensi 0,60
Dr. C. M. Francken, Prometheus en Pandora. . 0,50
Dr. il. M. Francken, Plauti Anlnlaria.....1,50
J. G. Fredoriks, Oefen, in het schr. der Nedorl. taal 0,90
Aimé Gauthey, ba Gerbe...........0,90
Mr.C O. Geertsema, de Zrjlvestonijen in Groningen 0,90
Mr C. J Geertsema, Beschouwingen over de ong.
eigendommen................0,90
W.v.Gelder, Schoolatlas v.Ned. O.Indie. -Jedruk 2 50
W. van Geiler, Uit India de aarde rond. I. 3e dr. 0.40
\\V. van Ge der, rit Indie de aarde rond. II. 2e dr. 0,5)
I. v. Gelderen, Ned. taal. n de lagere school Ie at. 02\')
I. v. Gelderen, Ned taai in del.school2e, Sest.a 0.2 i
I. v. Geldcron, Ned. taal indelagerosehool4est. 0,30
.1. Geluk, Woordenb. voor opv. en onderwijs. . 12,50
,1. Geluk, Opvoedingsleer...........1,50
A. van Gestel, De justitia et lego oivili .... 1,90
Gids voor den Onderwijzer I—VIII.....a 4,90
lil. W. Gleuns, Leerb. der meetknndo, 4de druk 1,25
l/r. W. Gleuns, Beschouw, v.h.heelal. 2de druk :,,oc>
Dr. W. Glenns, Wis- ofsterrek. aardrhksk. 3e druk 0,90
W. Gleuns Jr., Algebra, n. Fallisse en Oraindorge 2,50
J. J.A. Gnoverueur, 140 kinderliederen. 4de druk 1,25
,1. J. A. Goevernetr, Vijftig Kinderspelen 2e druk 0,50
J. J.A.Gnevernenr, Fabelboek, 4 stnkj. 10a druk 4. 0,25
J. J. A. Goeverueur, Nieuw Fabelboek, metg\'*-
kuurde platen, 4 deeltjes .... 10dedruka 0,69
J. J A. Goeverneur, De Keosisde.....0,50
A. W. Gravolaar, Leerboek der Rekenkunde. I. 0,75
A. W. Gravolaar, Rekenkundige Vraagstukken 0,50
A. W. Gravolaar, Rokenk. Vraagstukken. II . 0,50
A. W. Gravolaar, Stalkundige vraagstukken . 0,50
T. Oreidanus, Theorie dor Kekenkuude. 2e druk 1,50
T. Oreidanuci, Rekenvoorstellen, . . . 4dedruk 1,25
T. Oraidanus, Antwoorden op do rokenvoorstollen 0,10
T. Greidanus, Leerboek der algebra I en II . a 1,75
v.Grieken, Burgerlijke bouwkunde, 3 doelen . 25,00
Dr. F G. Groneman, Natuurk. vraairstukk. 2o dr. 1,25
Dr. F. G. Groneman, Honderd vraagstukken tor
herhaling van de natuurkunde . . . 2do druk 0,60
J.Groneman, Dagb. v. een Nederl.-Ind. geneesheer 3,75
H. J. H. Groneman, Hedend. Bouwkunst, geb. . 40,00
H J. H- Groneman, Loer der perspectief . . . 0,60
de Groot, Leopold on Rijkens. Ned. letterk. Cde drnk 3,80
P. Grosjeau, Do Nuttige Handwerken.....0.90
A. VV. Grube. Landen en rnenschen. 2 dln. . . 3,90
Dr. J. ü Gunning JHz , Hot Protestantsche Nederl. 1,80
Dr. J. H. (running Jllz., Onze Eercdionst . . . 1,90
J.H. A. GUnther, Leerboek derEngelsohetaal I 1,25
Dr. A. Halberstad t, Lhomond\'s Urbis romae . . 1,90
Dr. A. Halbeistadt, Oefening in de Lat. Vormleer 0,90
Dr. Tj. HalberUma, Hooger Onderw. en Gr. Lett. 0.40
Dr. A. G. v. Hamel, La ohaire de Francais . . r°0,60
H. M. Hartog, Scheikundig onderz. v. d. grond   0,90
J. Hassell, Hos de gezondhnid te bevorderen . .    0,50
J. Heeringa Gzn., Nederlandsche stijl.....    0,75
Df. W. L. van Helteu, KI. Nod. spraakk. 6o druk    1,90
Dr. W. L. van Helton, Vondels taal......    3,75
Dr. W. L. van Holten, Bijdrage Vad. taalstndie   0,60
Dr. W. L. van Helten, Middoloodorl. versbouw    1,90
Dr. \\V. L. van Helten, Middelnoderl. ppraakk. .    7,50
Dr. W. L. vau Holten, Van den Vos Reynaerdo   3,00
S. G. Heringa, Aardrijksk. Handboek v. Noderl.   2.93
H. Hermans en Dr. J. Woltier,Hint. atlas 2e drnk    2,^0
0.   Hoekzema, Gleanings fr. Bugl. Prose.ödadra*    1,60
D.Hoekzima.Gleiningsfr.Enel.Poetry. Sdodrak
    1,60
D. Hiekzema, Matériaui biographiquas. 2dodmk
   0,75
K. Hofkamp , Vertelling, van een torenw. 9e druk
   0,30
K. nofkamp. Klokjes, nieuwe vortell. 7de druk
   0,25
Hot kamp en Haarman, Schrijfcursus, 2 at. Sdedraka
   0.25
A.F.CHoffmann.Teekeno. v. de Lag. School, 2 st.a
   0,40
C. Homgh en G. J.Vos As.,Van eigen bodem .1. Uit
twoeörlei pen. Inleidenderoekq 1—6 6e druk»   0,\'iO
C. Ilonigh en G. J. Voa Az., Van eigen i)oilem, 11.
uit velerlei pen, v„or do lagere suhool I, Ilst.a   0,25
C. Honigh en G. J. Vos Az , Van eigen bodem. <\'.
uit velerlei pen voor lager en mid 1. school
Ie lot Jestukje 8edr.a/\'",3), 4e tot tie stukje a   0,10
C. Honigh en G. J. Vos Az., Van eigen bod. 7e
en 8e stukje, Slotbundel. .•.........    1,25
C.  Honigh en G. J. Vos Az., Liedeboek. I . . .    0,25
1.  M. J. Hoog, Belijdenis on ontboezeming, geb.    125
Mr, S. van Houten, Verhandeling over de waarde
    1,60
Mr. S. vau Houten, Staatsleer Thorbeoke. . . .
    0,60
Jaarboek der Groninger Universiteit. 1—IX . a
    1,90
II. \'aoobs, Foutieve oplossingen........    0,25
II. Jacobs, De Theorie der Rckonkundo ....    0,40
Dr. A. de Jager, Nieuwe taal-en letteroefeningen    l,oo
J. G. Jeen, Verwarming eu Ventilatie.....    1,25
Dr. Jonekbloet, Nedorl. letterk. 6 dlu. gob.,4 ladr.  17,40
Dr. Jonekbloet, 3ekn. gosch. d. Nol. iett.. 3a druk    2,50
Dr. Jonekbloet, Beoefen, d. Nedorl. letterkunde .    0,60
Dr. Jonekbloet, Vandon Vos Reinaerde . .    4,90
Dr. Jonekbloet, Etude sur lo roman de Rónart   6,90
Dr, Jonekbloet, Gedenkb.d. Gr. Hoogoscliool, geb.  10,90
Kaart der Nederlanden in 9 bladen . Sdj druk  10,\' 0
D.   Kanon, rekenonderwijs, 4 stukjos . . . . a   0,20
G. L. Kopper, Rogeering van Willem III . . .
  37,50
Dr. P. J. van KerckhorT, Togeuw.toost. d. scheik..
   0,60
Dr. P. J. v. KerckhorT, Over chemische verbinding.
   0,69
Dr. S. S. de Koe, Christel. Godgeleerdheid . .
    0,60
M. J. Koenen, Voorlooper van het N. Taal b. 3e druk
   0,25
M. J. Koenen, Het nieuwe Taal b. I— IV, 1,2. luedr.a
   0 20
M. J. Koenen, Hot nieuwe Taalbiok V. lie druk
   0,\'»
M. J. Koenen, Hst nieuwe Tailbouk VI. 4e druk
   0,50
M. J. Koenen, Denken en schrijven I —III 2e dr. a
   0,2)
M J. Koenen, Denken en schrijven IV—V2o dr.a
    0,2i
Al. J. Koenen, Handleiding..........    0,50
M. J. Koenen, Een kleine sleutel.......    0,25
M. J. Koenen, Nederl. zakwoordenbo\'3kje 4e dr.   0,25
M. I. Koenen, HandL b.h. rekenen oprekonraam   0,t0
M. J. K->euen, Rekenboek der aanvangsklasse .    0,20
M. J. K>enen, Hoofdrokonen, 2de afdeeling . .    0,2r)
M. J. Koenen, Keur uit Staring........    1,00
M. .1. Koenen, Do Practijk der Spraakkunst . .    I,1 0
il. J. Koenen, Practischo Stijlleer.......    1,00
M. J. Koenen, Proefsteen voor \'t Examen . . .    0,60
M.J. Koenen, Kleine Nederlandsche Spraakkunst   0,5)
M. J. Koenen, Ter herhaling.........    0,90
M. J, Koenej, Korte Ie *sou..........    0,63
M. J. Koenen, De Hoofdzaken dor Nod.Spraakk.   0,35
M. J. Koenen, Oefensehool der Spraakkunst . .    0,75
M. J. Koenen on W. Wostonioip, Taalonderwijs   0,25
f>r. J A. Korteweg, De g-onzen der Heelkunde   0,05
K. W. Krtiger, Grieksche Spraakleer, I . . . .    2 99
K. W. Krllger, Grlekshe Spraakleer, II ... .    2,90
A.. M. Kollewijn, Geach. d. Ned. becitt. 8de drnk   0,75
De Kostschool, door ecu ICostschoolhou lor . . .    0,50
VV. Kroling, Beginselen der meetkunde. 6de druk    1,75
W. Kreling, Meetkundige werkstukken ....    0,90
W. Kreling, Meetlcnrdigo vraagstukken . . . .    0,6)
Dr. E. F. Kruijt\', Naamlijst d. zendelingen in pUno   0,25
Joh. A. Loopold, Hootid. Spraobechule, 3edruk    1,90
Joh. A. Leopold, DautsQb.es Leicbueh, I, 4e druk    1,9)
.1 >h. A. Leopold, Deutsches Lesobnch, II 2e drnk    1,9)
Joh. A. Leopold, Kloine Deutsche Sprachschulo   125
J. A.enL Leopold, Nod. Leeab , le,7e en8est.3edr.   0 3)
Joh. A. en L. Leopold, Soheldo—Woichsol, 3 dealen  18,00
Kath. Leopold, Tooneolstukjes voor de jeugd . .    0,75
M. l.j \';>i.d , Opvoed, in huis en schooi. Ode druk    1,25
M. Leopold, De Tolk, bloemt, ter vertal. 4 Ie drnk   0,90
H. LeoDold, Natnnrgenot......Ode drnk   0,30
M. Leopold, De nienwe Aesopus, m. 160 pi.. .   4,50
-ocr page 5-
UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS, TE GRONINGEN.
Mr. W. Modderman, Wil of Vertrouwen ....  f 0,75
Mr. H. E. Moltzer, Middelnederl. dramat.poezy .    7,50
Mr. H E. Moltzer, Anna Roemers Vissoher . .    0,40
Mr. H. E. Moltzer, Heiligerlee........    0,SO
Mr. H. E. Moltzer, Studeereu.........    0,25
M\'. H. E. Moltzer, Taalkunde........    0,50
Mr. H. E. Moltzer, Bilderddk.........    0,25
Mr. H. E. Moltzor, Shakapoare.........    0,75
Mr. H. E. Moltzer, Hareniana.........    1,50
Mr. H. E. Moltzer, Hiat. beoef. Ned. taal... .    0,40
Mr. H. E. Moltzer, De volksverb. in h. rnk d.taal    0,60
B. C.J. Mosselmans, Uit hot leven v. htt loven, geb.   2,50
I). C. J, Mosselmans, Kruimels, 4 leerredenen .
    1,25
J. Mulder, AauaortouweiuK Bekenen......    0,75
J. Mulder, Schriftelijk Bekenen (1—100) ....    0,20
J. Mulder, Bekenplateu, per stel.......    3,75
Nassau\'a Geschriften, 3 deelen.........  15,00
Nassau\'a Gedaobten ov. oovoeding, d. Stellwagen   0,60
M. G. van Nock, Easy English Proso.....    1,00
M. G. van Ncek, Preparatory Englisch Proso .    0,90
Neêrlanda PUntentuin, d. prof. Oudemans, 8 doelen  27,00
Nederlandsche Flora door H. Witte, gebonden .   50,00
Nederlandsoho Flora en Pomona, gebonden . . .  55,00
Nederlandsehe Boomgaard, 2 de-den, gebondon .  70,00
Nioderlandischo Obstgarten, 2 B.iiide, gebonden  70,00
Nuiver eu Helmiers, Oude geschiedenis. 4de druk   0,80
Nuiver en Beiudora, Nieuwe geschied. 5de druk   0,35
Nuiver on Beinders, Vaderl. geschied. 8de druk   0,35
Nuivor en Beinders , KI. vad. geschied. 4de druk   0,80
Nuiver en Beinders, NieuwHondordt.Vorh.2odruk   0,35
Nuiver en Beinders, Tijdrekenk. Overz. 4e druk   0,30
Nuiver eu Beinders , Ous Vaderland . . 3e druk   0,75
Nuivor en lioindors. Oudheid en Middeloo., :ie dr.   0,30
Nuiver en Reinders,Tijdiokonk.Overz.Alg.Gesch.   0,30
Mr. J. Dometa Niouwenhuis, Gevangenisstraf .    0,6o
A. Nuyens, De Vogelworold, m. 300 afboeld. geb.  48,00
Opmorking.en meded. betr. het Nod. recht, 17 dln.  64,40
Mr. J. Oppeuheiui, Wet bij het oprichten van fabr.    1,25
Mr. J. Oppenheim, Handb. Ned. Gemeenter. l]5   0,75
Mr. J. Opponhoiin, De Volksregeering.....    0,75
Mr.J.Oppjnheim,l)ewotvanöMoil88\'J(Sb.no.l3)    1,50
J-il. Oppcnlieitn, D^i dubbele standaard.....    0,40
K. J. W. Ottolauder, De beste vruchten ....    0,50
K. J. W. Ottolander, Handb. Ooltboomtoolt,m.2lpl.   2,50
Mr. A Oudernan, Burgel. ro^tsv , 8 dln. 4de druk  15,00
Mr. A. Oademan, Strafvordering en strafrecht. .    2,50
Mr. A. Oudernan, Grou. beklomregt . . 2de druk   2,00
A.  A.. v. Ojjon.Wapenb.v Nod.Faoiilinu, ddin.geb.2 0,00
W. Paliuor, De Golden kette.........    0,60
Van Pelt, Even of oneven, 6 stukjes a . . . .    0,25
Van Pelt, Handl. rekenb. Even of Onevon . . .    0,50
Dr. G. Penou, B;jdr. Gesch. d. Ned. Lot\'ork. . . .    5,70
Dr.O. Penon. Ned.dieht- en Pnzaw. I, III, IV, V. a    2,90
Periodiek Woordcub. van adiuinistrat. ou gerecht.
beslissingen......2o druk, 6 dln. geb.  60,f0
Periodiek Woordenboek, 1829—1890.....a   5,00
Mr.P.Pet, Waariind e.i bewiJBin h.burgerl.Procee   0,50
Dr O. Pitsch, Landbouwonderwijs in Nederland   0,60
J. Poortman, Vioolsohool.......2do druk   3,75
Proeve v. plaatsel. reglement herv. gom. 3 Ie druk   0,20
Mr. S. M. S, de Bauitz, Art. «8 dor grondwet .    1.60
G. Beinders, Ned. laudb. en veeteelt, 2 dln. 2do druk 17,50
G. Beinders en J. Milatz, Landbouwboekh. geb.    1,50
VV. Keinkingh, Do Nederlandsehe werkman. . .    1,20
W. Boinkingh, In hui3 en hof .... 2de druk   0,80
W. Beiukinij\'h, N\'Oetiniening ien\'n jagtwaide. .    0,25
lt -inent de Montalbaeu, door Dr. J. 0. Matthea   2,50
Bokonb »eï voor de volkssch., door J.Th. Glosse,
J. Koepor, A.. C. VV.Soheffor, J. Temmink, G.
Tiemersma Hz. en A. Ufkes, 6 stuk). 6de druk a   0,20
,1. B. Kiotstap, Wapenb. Nederl. Adol, 2 dln. geb. 200,—
0. M. liobert, Becueil de traductions . 2de druk    0,75
C.  M. liobert, Graiuinairo Francaise......    1,90
C. M. liobert, Exercices sur la grauun. trano. . .    1,90
W. vanlleekel, Vragen Wisk. Aardrüksk.,2e dr.    0,25
Mr. ttogers, Staatshuishoudk.,d. Mr. L, de Hartog 1,50
P. Reorda, Klankleer en hare practische toepassing 1,50
Mr. W. v.RossemBzn.Burgerl., Rechtsvord., all. 1    1,25
Ur. J. J. Le Boy, Natuurkunde........    1,25
Mr. B. en Mr. H. n. A. van Roijon, Do Strafwot-
goving mot betrekking tot de Kantongor. . . .    6,25
R. tt. Bijkens, Aardnjksk. van Noderl. 8ste druk    1,23
B.  B. Bij keus, Bekn. aardrij ksk. v. Nederl. 7de druk   0,60
R. B. Bijkens, De reiziger......4de druk   0,35
B- R. Rij keus, Schoolatlas van Nederl. 5de druk    2,90
B. B. Bijkens, Kleine Atlas van Nederl. 10de druk   0,40
B. B. Bijkens, Kaart van Frankrijk in gr. plano    1,90
U. B. Bukens, Opvoedk.d. lag.school, geb.6e druk    1,90
Rijkene eu Bos, Aardrijkskunde in schetsen . .    5,25
F. van liijsens, Vaderl. Geschiedenis. . 3e druk    0,30
F. van Bijsens, Algem. Gesch. in bok nep ten vorm    0,30
L. Leopold, Blaren vanallerlei boomen.Sdo druk ƒ0.31
L. Leopold, int Zuid-Nederland.......1,75
L. Leopold, Nod. Lotterk., met 86 portietten 2e dr. 4,50
Serie A 18a druk
A20 a druk
A 18a druk
A22) druk
A12e druk
A 9e druk
A 16e druk
A10e druk
8e druk
L. Leopold, 1. Meiregen.
L. Leopold, 2. Dauwdroppels .
L. Leopold, 3. Sneeuwvlokken
L. Leopold, 4. Mosroosjes . . ■
L. Leopold, 5. Wildzang . . *
L. Leopold, 6. Klimop . . . .
L. Leopold, 7. Stofgoud . . .
L. Leopold, 8. Bonte Steeneu ,
L Leopold, 9. dit onzo Gesch.
L. Leopold, l. Moirogen. . . .
L. Leopold, 2. Dauwdroppels .
L. Leopold, 3. Sneeuwvlokken
L. Leopold, 4. Mosroosjes, . .
L. Leopold, 5. Wildzang . . .
L Leopold, 6. Klimop . . . .
L. Leopold, 7. Stofgoud , . - .
L. Leopold, 8. Bonte Steenan .
L. Leopold, 1. Meiregen . „ .
L. Leopold, 2. Dauwdroppels .
L. Leopold, 3, Sneeuwvlokken
L. Leopold, 4. Mosroo6jes
0,30
0,50
0,80
0,30
0,80
0,80
030
0,30
0,30
\',\'-\'
0,30
0.30
0,83
0.10
0.3\'
0,3.1
o.a-1
o,)0
0,80
0,3\'>
0,30
1,9 >
, *
e druk
7o druk
7e druk
7e druk
11 Re druk
B 5e druk
„ B ">e druk
„ II 3e druk
Serie €\' 3e druk
„ C 3e druk
. V 3e druk
€\' 3e druk
S
M en L. Leopold, Een sleutel, I(proza) Inl.lott.fie dr.
M. enL.Loopold,Eensleutel,U(poe\',ie.)Inl. lett.Sodr.1,91
M. en L. Leopold. Oud en Nieuw I, II. 2e dr. a    1,75
J. J. Laders, Duitsch leesboek........    0,90
Mr. I\'. W. A. Cort v.d. Lieden, Zilvercrisis. .    0,75
Mr. P. W. A. Cort v.d. Linden, Muntpolitiok .    0,50
Mr. P. W. A. Cort v.d. Linden, De Malaise. .    0,75
Mr. P. W. A.Cort v.d. Liudon, Do liberale partij    2.50
Mr, W. H. de Sav. Lohinan, De Ned. staatswetten    5,">0
Mr. W. H. d.S. Lotman, Het Staatsblad, 5 deolen  81,75
Mr. W. H. de S. Lohinan, De prostitutie. . .    0,60
Dr. Diost Lorgion. fterkgesch. v»u Medevlind . .    6,o0
P. Louworse, Alles zingt, geïllustreerd, 2o dr. geb.    1,50
P Louwerse, Geschiedonisvorsjes.......    0,35
P. Louwerse, De kleine Huisvriend, 10dl.. . &    0,65
P. Louwerse; Uit den Franschon tijd.....    0,(i0
P. Louworso, Uit ouden tijd.........    0,60
P, Louwerse, Vior Koningen.........    0,6)
P. Louwerse, Do Wonderwureld. Sprookjes . .    0,6)
P. Louwerse, Uit het jonge loven.......    0,60
1\'. Louworso, Kinderlief. Kloine verhalen . . .    0,6)
P. Louworse, Rijmpjes ou vertellingen, 5*tukjo3a    0,00
ti.en V.Loveliug, Godiihten, geboudeu, 2de druk    2.H0
G. V7. Lovendaal, lentedagen........       0,3)
G. W. Lovendaal, Aan Moeders schoot, in. platen   0,51
G. W. Lovendaal, Lied der liefde.......     1,50
Maerlant\'s Strophischo godichton, d. Dr. E. Verwijs    4,50
Maerlant\'s Oorlof; van Troye door Dr. J, Verdam   4,50
-Maerlant\'s, Naturen Bloe ue d. Dr. E. Verwijs . .    7,50
Dr. W.C. v. Manen, Persoonl. karakter d.Godgol.   0,50
Dr. W. C. v. Manen, Christel, letterkundo. . .    0,50
Dr. \\V. C. v. Manen, uut Nieuwe Testament. .    2 90
Dr. Margadant, Gosch. der Qriekcu eu Romeinen    1,25
11. Uden Mastnan, Nalatenschap ........    2,90
Dr. J. O. Matthes, Uot b>ok Jol), afl. 1—3,2de druk    2,70
Dr, J C. Matthes, Do nieuwe richting. 6do druk    1,50
Dr. J. C. Matthes, Nederl. taal-enspolr. 1 ie druk   0,61
Dr. J. C. Matthes, De vier hoaiuskiuderen . . .    1,50
Dr. J. C. Matthes, Uitonze bojto3o!irijv.2edruk    1,90
Dr. J. 0. Matthes, Braudt\'i leovon v. P. C. Hooft   0,90
Or. J. C. Matthes, Reinout do Moutalban. . . .    2,50
Dr. J. C. Matthes, De Roman der Lorreinen .    1,50
Dr. B. A. Mees, Nieuwe denkb. op Natnurk. gebied   0,60
Dr. E. Melder, Grickscho SyntaïU......    1,00
Dr. A. J. Mertens, Eiig.Spraakk.,1—III, Sdo druk    3,00
Dr. A. J. Mertens, En^rlish Gra.nmar . 2dodruk    2,9)
Dr. A. J. Mertens, Bokuopte Eng. Spraakkunst    0,60
Dr. A. J. Mortens, Inleiding Eng. taal.....    0,00
Dr. A. J. Mertens, Frans\'ho Bproekoeloningen .    0,75
Dr. A. J. Mertens, Duitsche spreokoofeningen .    0,75
Dr. A. J. Mertens, Eugolsuho sproekoefeningen.    0,75
VanderMeulon en Douwes, Het kornpas ....    0,90
Dr. H. C. Micliaolia, Blooml. Lat. Prozaschrijvers    1,25
J. H. Meijer, tlistory of the English literature .    1,50
O. van Miüigen, Nodorl. staatsburger . 3 Ie druk    1.-^5
G. van Milligen, B-roopskouzo 8 . . . 2o druk    2,90
G. van Milligen, Wiskundige Aardrijkskundo .    1,00
G. van Milligen, Methodiek voor do lag. school    1,00
•John Stuart Mill, Staathuishoudk., 2 deelen . .  12,50
W. B. G. Molkonboor, Teekenou in do lag sclio >l,
llandl. voor den onderwijzer met 80 pi. 2o dr.    0,90
W. B. G. Molkonboer Teokenschr. v.d. lecrl. 1—5 a  0,12*
Mr.W.Modderman, Hedondaagsche regtageL . .    0,60
Mr. W. Modderman, Receptie v. h. Ru-a. recht.    1,25
Mr. W. Modderman, Pract.entheor.d.rechtawetens.   0,60
Mr. W. Modderman. Friedrich Carl von Savignv   0,40
Mr. W. Modderman, Handb. Bom. reoht, I—III, 12  12,30
-ocr page 6-
UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS, TE GRONINGEN.
F.  van Eijsens, Geschied, des Vaderlands. Se dr. ƒ1,76
Dr. M. Salverda, Plant- en dierkunde. 8ste drek
    3,75
Dr. M. Salverda, Kennis der Nat. 2e dr. 10 afl. .\'i
    1,00
Dr. M. Salverda, Over Natuurkunde. . 2dedruk
    0.8\'
J. C. Sander, Onze omgeving, Ie stukje 7o dr..
    0,20
J. O. Sander, Onze omgeving, 2e stukje 5e dr..
    0.2U
J. C. Sander, Onze omgeving, 8e,4een5o stukje
   0,26
J. C. Sander, de kleine Huinboldt . . . 5e dr..
    0,20
J. C. Sander, de Geschiedenis v. o. Vadert., 3edr.
   0,3!)
J. C. Sander. Buiten Europa.....2e druk   0,30
J. C. Sander, Schets, u.»et gr. hoek d. gesch. 5e dr.    o,s0
Dr. W. M.H. Banger, Handb.d.obstetrib. Sde drnk    7,6ij
B. Schelts van Kloostcrhuis, Een toetssteen . .    0,5\'\'
U. Schierbeek, Schoolkaart van Europa 2de dr.  15,!i\'
H. Schieibeek Nieuwe Schoolk. v. Nederl. 2e dr.  18,00
Schlez, Natunrt. leostoon, door Brugsnia. 10de druk    0,2f
Dr. J. O. Schlimuier, Handb. Som. antiq. \'/Aa drnk    3,!if
Dr. J.G. Schlimmer, Bom. antiquiteiten. 5de druk    2,0(\'
Dr. J. G, Schliuimer, Oude Aardrijkskunde . .    2,w>
Dr. J. G. Schlimmer, Leerb. der Oude Aardr. .    1,25
Dr. G. J. Schlimmer, Coniunotivus......    0,50
^choolbode,ae.Tndscruw. onder», nopv. 12dln.a   4.H"
De Schoolwereld, per jaarg. lranco por post . .    3,00
Dr. P. H. Sohoute, De kegolsnede.......    0,6"
Dr. \'J 1\' Soüoutelu. Uekn. leem. d. Pi&niru. 2e dr.   1,00
Dr. C. D. Schöjiieid, Beknopt leerb. d. Stereoinetne    l,o0
Dr. C. D. Sehönleld, Planimetrie en btereonietrie   0,60
Dr. C. D. Schöntold, Vlakke en bolv.Trigonoinetrie    0,75
G. Schnitema, Foruiul. Aangiften Suc.regten, 2odr.    1,50
E. Seipgens, Deutscne Ur&mniatik ......
    1,00
Dr. A. Sibson, Begins. der landb. scheik. 2de druk   2,50
Dr. A. Sibson, Kunstmeststoffen,d. Dr. van Konen    l,ou
l\\ Joh.Smid, Handboekd. kefflekultuur.....    1,75
Mr. H. J. Suiidt, Volhshuishondkunde.....    1.50
II. Boeter en Th. Keizer, Gymnastiek, m. 120 fig    1,25
Spencers Opvoeding door A. Lecpold. 4de druk    2,50
1).- C.B. Sprayt, Kennis der levenl. natuur. 2e druk    1,25
J. Steyns, Practiseh rekenboek, 2 stukjes, a. .    0,20
Dr. G. C. Steynis, Begrootingstudiën.....    0,60
Dr. G. C. Steynis, Oodsdionst of humanisme. .    0,25
Dr. ü. C. Steynis, Bijzonder onderwijs.....    0,25
A. W. Stellwagen, Atl. v. Nederl.en O.-I.bezitt.    1 .:S
A. W. Stellwagen, Proza......3o druk    2,50
A. W. Stellwagen, De levende taal . . 4e druk    1.60
P. van Sotren , Leerboek d. Perspectief, met platen    2,1)0
Dr. Stoll, Grieksche en Rom. mythol. 4dn druk   2,00
Joh. Storm, Franscho spreekojfeningon.....    1,26
J. Sunnga, beu lauwerkrans..........    0,75
J Suringa, Volkszangboekje......4e druk   0,30
J. Suringa, 2 en 3 st. Volksliedjes.......    0,30
Dr. A. H. Swaagman, Volksgeneeskunde . . .    0,40
ïlélèno Swarth, Kindersprookjes, met plaatjes    1,25
Mr. O Q. van Swinderen, Wetboek vaj Strafr.    7,50
Mr. O.Q. v.Swinderen,hct L. Onrterw in Engeland   0,75
Dr. B. Symous, Jacob Gnmm.........    0,60
Dr. A. S. E. Talma, het menEchelijk bewustzijn    1,90
Mr. B. D. li.Tellegen, Staathaishondk. 5de üruk   0,50
Mr. B. D. H. Tellegen, Stahl, eene toespraak .    0,40
Mr, B. D. H. Tellegen, Duitschland en Nederland   0,H0
Mr. B. D. H. Tellegon, De wedergeb. van Nederl.    2,r0
T. Terweij, Nederlandsche Spraakkunst. 8de druk    1,25
T. Terweij, Korte Nederl. Spraakk. . 6de druk   0,60
T. Torweij, Oefeningen........5e druk   0,00
T.Terweij, Beg. der Nederl. Spraakk. 2de druk    1,00
T. Terweij, Biblioth.v. Nederl. Lctterk., 1,2, 3 a   0,50
A Teunisse, Handwerken voor Meisjes. 5e druk    1,00
Q. Tiemersuia, Taaloefeningen.....2e druk   0,80
G Tiemersma, 800 meetk. opg.v. ambachtsscholen   0,30
Dr. H. Edema v. d. Tuuk, Leven van J. Bogerman    3,60
Tijdschr. Handenarbeid in Nederl. per 12 ufiev.   8,00
Tijdschrift voor Landbouwkunde. Per jaargang .    4,90
Tij echr. van het Nederl. recht, 8 deelen ....   10,00
Tijdschrift voor Pacdagogiek, Ie jaargang . . .    l,5f
J.J. A. Valeton, Christelijk Godsdienstonderwijs   0,25
Dr. J. J. V. Valeton, Schets der Hebr. Spraakk.    1,00
Dr. M. C. Valeton, Oude Geschiodenis, I, II. &    1,90
J. N. Valkhoff, Dictionn. Fr.-Holl. et Holl.-Fr. .    4,90
N. van der Veen, Practiseh Boekhouden ....    1,25
Dr. S. D. van Veen, Bijb. Geschied. 1. (O. T.) 3e druk   0,25
Dr. S. D. van Veen, Bijb. Gesch. II.(N.T.) 3e dr.   0,25
Dr. S. D. v. Veen , Chr. Geloofs- en Zedeleer. 2o dr.   0,25
Dr. S. D. van Veen, De geref. Kerk van Friesland.    2,00
Dr. J. S. van Veen, Bekn. ovei z. d. Gr. Mythologie   0,00
J Vorsluys, Begins. der nieuwo meetk. 4de druk    0,60
J. Veisluye, Leerb. der vlakke meetk. 8de druk    1,26
Dr. E. Verwijs, Roman van Cassamus.....    1,50
Dr. E. Verwijs, Van Vrouwen eude van Minne.    3,00
N. J. Visscher, Kaart va» Gelderland, Drenthe
en utrecht................a    0,60
G. J. Vos Az., Le jeune Eédacteur. 1 en 2. 2o dr. a   0,30
W. P. de Vries, Aanschouwiugsonderwijs , . .    0,90
G. P. Vroom, Handboek voor Notarissen, geb. . ƒ1,90
K. A. W&gner\'s Bnbelsohe verh., O.V. 17de druk   0,30
K A. W&gner\'s Bijbelscheverh., N. V. 15de druk   0,80
H. E. Warmolts, Kerkbestuur en Kerkcl. beheer   1,00
M. Weersma, Aanschouwelijke Meetkunde . , .    0,20
M. Weersma, Nieuw Leesb. voor de Chr.Sch. 2 st. a   0,25
| W. J. Wandel, Nederl. letterkunde . . 3e druk   1.00
| W. J. Wendel, Wenken ov. Opvoed. enOnderw.   0.75
Dr. R Westerhoff, Geschied, van ons djjkwezen    4,60
Wet op het hooger onderwiju,.....2e druk   0,20
Wetboek van Strafrecht............    0,60
II. Wierenga. Prosa und Poosie.......       2 00
Dr. G, Wildcliocr, Kanon des Ouden Verbonds   1,90
L>r. Jan te Winkel, Roman van Moriaen . . . .    8,<\'6
Dr. Jan te Winkel, Aesopet..........    1,50
.1. F W. Winterberg. Onderwijs in de Vormleer   0.90
W. H. en B D. Wisselink, do Algebra, I 6de druk   0,75
W. II. en B. D. Wisselink, de Algebra,II 4de druk   0,75
ri Witte, Pievul k. v. school ei. uuur. 3 Bi. 6do ar uk a   0,30
H Witte, Wandelingen in de Natuur......    0,31
Dr. J. Woltjer, Latijnsche Grammatica. 2e druk   3 90
Dr. J Woltjei, ae Grieksche onregelni. werkw.   0,90
Dr. J. Woitpji, Serta Bomana.........    1.90
Dr. J. Woltjer, Oratio de sun.m& Philologia . .    O,60
Dr. J. Woltjer, Latijnsche oefeningen le . . . .    1.25
Dr. J. Woltjer, Latïjnscho oefeningen 2e. . . .    1,50
0.  WouterB Jr., Vijf lied. v. gem. koor, Partituur   0,60
G. Wouters Jr., Vijf liederen Stemmen ....
    0,40
Dr. vau der Wijck, Zielkunde 1........    4,90
Dr. van dor Wijek, Mr. Joh. Kinker . 2de druk   2,90
Dr. van der Wrjck, Toekomst dor vrouw. . , .    0,60
Dr van der Wjjck, Spinoza..........    0,40
Dr. van der Wijek, Het raadsel der ervaring. .    0,60
Dr. van der Wijek, Do Schoolstrijd......    0,90
Dr. J. A. Wrjnne, Alg gesch., 1, . 9de druk   2,90
Dr. J. A. Wrjnne, Alg. gesch., II, . 7de drnk   2,90
Dr. J. A. Wijnne, Alg. gesch., III, . 7de druk   2,90
Dr. J. A. Wijnne, Alg. gesch., IV, 7de druk   2,90
Dr. J. A. Wijnne, Handb.d.algem.gesch. 6de dr.   3,9(1
Dr. J. A. Wijnne, Overz. d.algem.gesch. 11dedr.    1,75
Dr. J. A. Wijnne, Gesch. v. h. vader! 7de druk    3,90
Dr. J. A. Wijnne, Bekn.gesch.v.h.vaderl.9dedruk   1,75
Dr. J. A. Wijnne, Gesch. van de Nederlanden, I,   4,90
Dr. J. A. Wijnne, Oesch. (verspr. en nieuwe opst.)   8,75
Dr. J. A. Wijnne, Oostersche volken en Griekenl.   4,50
Dr. J. A. Wijnne, Historische waarheid ....    0,60
Dr. J. A. Wijnne, Wet Hoog.Ond. en Alg.Gesoh.   0,40
J. E. K. van Wijnen, Stijloeion. en zinsoutl. 2 st. a   0,30
J. E. K. van Wijnen, Aarde zon en maan . . .    0,75
J. Worp, Melodiën der Ev. gez., Geb. 8de druk   8,00
J. Worp, Melodiënv.d.vervolgb.d.Gez.geb.2edr.   4,90
J. Worp , Melodiën der Psalmen . . . 4de druk   4,90
J. Worp, le Zangboekje......13de druk   0,80
J. Worp, 2e Zangboekje......6de druk   0,80
J. Worp, 8e Zangbookjo......5de druk   0,30
J. Worp, 4e Zangboekje......Sde druk   0,80
J. Worp, Zing. kinderwereld, 5 st. 9de drnk a   0,65
J. Worp, Zangschool, I, Uanons.......    0,30
J. Worp, Liedjes v. twee stemmen. . 6de druk   0,80
J. Worp, Wenken bij do zangboekjos 2de druk   0,25
J. Worp, De zing. kinderw. v. sch. en h. ,2e dr.   0,80
J. Worp, Twintig driest, liederen. . 4de druk   0,30
J. Worp, Veertig tweestemmige liedjes, Sde druk  0,40
J. Worp, Do — re — mi, Zangmeth. I, 4de drkk   0,30
J. Worp „ Ut — re — mi, Zangmeth. II, 2de druk   0,30
J. Worp, Twaalf Volksliedjes met beg.....    0,25
J. Worp, Een lentedag, zond.begeleid. 7de druk    0,50
J. Worp, Twintig liederen v. mannenk. 4de druk   0,75
J. Worp, Orgelmagaz. v. Prot. en R.-Cath. Kerken   8,00
J. Worp, Jan Maat. Woorden van Dr. J.P. Heje   0,30
J. Worp, Een lentedag, met begeleiding,2de dr.    1.25
J. Worp, Oefeningen v. stemvorming, 4 stemm. a   0,30
J. Worp, Oefeningen voor twoe stemmen ...    050
J. Worp, In de kinderkamer........    0,66
J. Worp Honderd vgftig voorspelen . Sde druk   2,90
J. Worp, Naspelen ...........    1,90
J. Worp, Algemeene muziekleer .... 3e druk    8 75
J. Worp, Kleine muziekleer......4e druk   0,75
J. Worp, Koren, le afl. (De Cort, Liederen) . .    0,50
J, Worp, Practische orgelsohool........    2,90
J. Worp, Volksliedjes............    0,05
J. Worp, Schoolliedjos............    0,25
J. Worp, Onze Nationale driekleur......    0,25
J. Worp, De Vacantie, zonder begeleiding . .    0,50
J. Worp, De Vacantie met begeleiding ....    1 25
H. v. d. Woude Leerboek voor de school . . .    0,25
F. L. Zahn, Bijb. Geschiedenissen, 48e duizend   1,00
F. L. Zahn, Geschied, der Chr. Kerk, 15e druk    0,80
L. van Zanten, Algebra........2edruk   0,75
Zechner en Schavers, Bokn. Theorie d. Algebra   0,60
1.  Zglstra, Sohrgfoursus in 11 cahiers 8e druk a   0,10
-ocr page 7-
.
11S                 V3f
NEÜERLAOSCHE
SPRAAKKUNST
DOOR
BibÜ! ..
T. TERWEY,
I.RRRAAR AAN DR KWRRKSCHOOL VOOR ONIlHRVriJZRRS KN ONDRRWTJZRRKSSKN
TK AMSTKIlllAM,
ACHTSTE DRUK.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1890.
-ocr page 8-
Stoomdrukken) van .1. B. Wolters.
-ocr page 9-
VOORBERICHT VOOR DEN ZEVENDEN DRUK.
Dal de verschijning 7>an mijn werkje „Beginselen der Nederlandsche
Spraakkunst" ongeveer terzelfder lijd, dat de zesde druk dezer Spraak-
kunst was uitverkocht, niet zonder invloed gebleven is op den inhoud
van dezen nieuwen druk, valt licht te begrijpen. Was het bij
7 schrij-
ven dier „Beginselen" mijn streven
, de stof zooodanig te beperken, dat
deze niet te omvangrijk mocht heeten voor jongelieden, die
7 examen
van onderwijzer of onderwijzeres nog in
7 verschiet hebben, nu had ik
gelegenheid, in deze „Nederlandsche Spraakkunst\'", die voor meerge-
vorderden bestemd is, zonder het karakter van het boek te wijzigen,
hier en daar wat aan te vullen en uit te breiden. Den lezer, die dezen
druk met den vorigen vergelijkt, zal dit op verschillende plaatsen van
zelf in
7 oog vallen. Bovendien heb ik vrij wat wijziging-en aangebracht,
die gedeeltelijk het gevolg zijn van veranderde inzichten en gedeeltelijk,
naar ik hoop, zullen strekken tol verduidelijking van het behandelde.
De verkor/ing van den titel zal, in verband met de bestemming van
hel bovengenoemde kleinere werkje, wel geene verklaring behoeven. Ik
heb ook de voorrede voor den eersten druk weggelaten
, daar deze voor-
namelijk bestemd was o?n de redenen te ontvouwen, waarom ik de
grammatische verschijnselen meende te moeten behandelen in die orde,
waarin ze ook nu nog voorkomen en ik deze redenen thans zeker als
genoegzaam bekend mag veronderstellen.
Moge deze zevende druk even welwillend ontvangen ivorden als de vorige I
Amsterdam, 8 Mei 1888.                                                                                  T.
VOORBERICHT VOOR DEN ACHTSTEN DRUK.
Deze druk is behoudens enkele kleine verbeteringen geheel gelijk aan
den vorigen.
AMSTERDAM, November 1889.                                                                           T.
-ocr page 10-
VERKORTINGEN.
Ii. = Hildebrand ■ Reets.
Bg. = Bogaers.
Ii. T. = Mevrouw Bosboom-Toussaint.
B. v. d. B. = Bakhuizen van don Brink.
G. = Geel.
Pe G. — De Génestet.
M. — Hasebroek.
L. = Lindo = de Oude Heer Smits.
V. L. z= Jacob van Lennep.
P. ^ Potgieter.
V. d. P. =: Van der Palm.
Sch. r= Schimmel.
St. =: Staring.
Stb. = de Statenbijbel.
A. T. = Alberdingk Thijni.
T. — Tollens.
-ocr page 11-
INHOUD.
INLEIDING.
Ta ui en Spruak. — Spraak kunst.
EER8TE BOEK
DE VOLZIN EN ZIJNE DE EL EN.
Hinde.
F. DE VOLZIN IN HET ALGEMEEN..............        3
II. DE ENKELVOUDIGE VOLZIN................        4
III NADERE BESCHOUWING VAN HET GEZEGDE..........       S
IV. DE ELLIPS IN DEN ENKELVOUDIGE!! ZIN...........      11
V. DE SAMENGESTELDE VOLZIN........... . . .      12
VI DE NEVENSCHIKKENDE Z1NSVERISINDING...........      IS
VII. DE ONDERSCHIKKENDE ZINSVERUINDING...........     1 9
a.    Onderwerps-, Gezegde- en Voorwerpszinnen . .             19
b.    Bijvoeglijkezinnen.............             22
e. Bijwoordelijke zinnen..............    24
a.    plaatsbepalende zinnen..............    24
b.    tijdbepalende zinnen...............    24
e. redengevende zinnen...............    27
d.    doelaanwijzende zinnen..............    28
e.     gevolgaanduidende zinnen.............    29
f.     voorwaardelijke zinnen..............    31
y. toegevende zinnen................    33
h. beperkende zinnen................    34
i. vergelijkende zinnen...............    35
k. verhoudingszinnen................    37
VIII. NADERE OPMERKINGEN AANGAANDE DE ONDERSCHIKKENDE ZINSVER-
BINDING.....................     38
IX. DE ELLIPS IN DEN SAMENGESTELDEN ZIN...........     39
-ocr page 12-
vr
INHOUD.
TWEEDE BOEK.
DE WOORD800BTEN IN DEN VOLZIN.
Blade.
T ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN..............     40
II. BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN...............     42
III.     VOORNAAMWOORDEN..................     44
1.    persoonlijke voornaamwoorden.............    44
2.    bezittolijke voornaamwoorden.............    46
3.    aanwijzende voornaamwoorden.............    46
4 bepalingaankondigende voornaamwoorden.........    47
5.    vragende voornaamwoorden..............    47
6.    betrekkelijke voornaamwoorden............    48
7.    onbepaalde voornaamwoorden.............    49
IV.    tel woorden....................    51
V. LIDWOORDEN ...................     52
VI. WERKWOORDEN....................     54
VII.      BIJWOORDEN.....................     59
VIII.     VOORZETSELS....................     62
IX. VOEGWOORDEN....................     68
X. TU88CHENWERPSEL8..................     68
DERDE HOEK.
DE BBTEEKENIS EN HET GEBRUIK DER BUIGIKO 8 VORM EN.
I. GESLACHT.....................     64
II. GETAI......................     71
III.     NAAMVA1.......................     73
IV.     TRAPPEN VAN HOEDANIGHEID OF VERGELIJKING........     79
V.      WIJZEN......................     81
VI. TIJDEN......................          86
VII. PERSOON......................     91
VIII. GETAL.......................     91
IX. DE DEELWOORDEN EN DE INFINITIEF............     92
X. OVEREENSTEMMING IN BUIGINGSVORMEN...........     97
VIERDE BOEK.
DE VERBUIGING DEK WOORDEN.
I. HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD..............   101
Het enkelvoud..................  101
Het meervoud..................  102
II. HET BIJVOEGLIJK NAAMWOORD..............   106
-ocr page 13-
INHOUD.
VII
Bkdz.
III.      HET VOORNAAMWOORD.............           ... 111
a.      het persoonlijk voornaamwoord...........111
b.      het bezitteljjk voornaamwoord...........113
e. het aanwijzend voornaamwoord...........114
d.     het vragend voornaamwoord......           ...               115
e.       het bepalingaankondigend voornaamwoord.......   116
f.      het betrekkelijk voornaamworrd...........   117
g.     het onbepaalde voornaamwoord . . ,           .......   117
IV.      HET TELWOORD...................   117
V. HET LIDWOORD                   .................   119
VI HET WERKWOORD......           ............120
VIJFDE BOEK.
DE VORMINO DER WOORDEN.
I. OVER WOORDVORMING IN \'T ALGEMEEN...........    134
II. DE VORMING DER WERKWOORDEN.............   138
III DE VORMING DER ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN........   143
IV. DE VORMING DER BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN........   149
V. DE VORMING DER VOORNAAMWOORDEN............   152
VI. DE VORMING DER TELWOORDEN..............   153
VII DE VORMING DER BIJWOORDEN..............   154
VIII. DE VORMING DER VOORZETSELS..............   15G
IX. DE VORMING DER VOEGWOORDEN.............   lil?
ZESDE BOEK.
DE LETTERS EN HAAR GEBRUIK.
I. DE LETTERS IN \'T ALGEMEEN...............   159
II. DE KLINKERS....................   1(J(J
III. DE MEDEKLINKERS..................   |(J1
IV. BIJVOEGING EN WEGLATING VAN KLINKERS EN MEDEKLINKERS. —
KLANKVERSPRINGING................   162
V.     DE SPELLING....................   165
o.     de klinkers..................165
b.      de tweeklanken.................169
c.      de medeklinkers................171
d.     de spelling der vreemde woorden..........172
e.      de hoofdletters.................174
f.      het koppel- en samentrekkingsteeken.........174
aanhangsel.     Het gebruik der leesteekens ....           .... 175
-ocr page 14-
ERRATA.
Bladz. 39  reg.   19 v. o.
„ 86    „      2 v. b.
„ 92    „     19 v. b.
93    „     18 v. o.
98     ..     10 v. o.
„ 107     „     18 v. o.
, 112    „     20 v. o.
: § 338
dubbezinnigheid
is
nauwkeurig
meduwe
bloetsvoets
mammallen
ies:  § 339
.,      dubbelzinnigheid
■■                           \'"
..      nauw
„      weduwe
„      blootsvoets
.      naamvallen.
-ocr page 15-
INLEIDING.
TAAL EN SPRAAK. — SPRAAKKUNST.
§ 1. Door liet woord taal verstaat men gewoonlijk spreek- of
sch rij ftaal.
§ 2. De taal is het middel n. om te denken en b. om gedachten uit
te drukken. Eene taal is het middel, waardoor een bepaald volk dat doel
tracht te l>ereiken. Spraak is öf het vermogen om te spreken, öf het
spreken zelf. Knkele malen gebruikt men het woord spraak in denzelfden
zin als taal.
§ IJ. Klke taal bestaat uit woorden. Een woord is een spraakgeluid
of eene vereeniging van spraakgeluiden, waardoor de spreker bij den hoorder
eene bepaalde voorstelling verwekt. — Door een woord verstaal men ook
de zichtbare voorstelling der gesproken woorden. —■ De woorden ondergaan
soms veranderingen, zonder op te houden, dezelfde woorden te zijn. —
De meeste woorden laten zich naar hunnen oorsprong ontbinden in twee
of meer bestanddeelen, die óf zelf woorden zijn, èf dienen, om een woord
te helpen vormen. Naar de uitspraak laten zij zich verdeelen in klanken
of groepen van klanken, welke den naam dragen van lettergrepen.
Die lettergrepen bestaan weder uit één of meer spraakgeluiden, welke
letters heeten.
§ Y. Een woord, op zich zelf beschouwd, verwekt slechts eene voor-
stelling. Soms echter kan men door middel van een enkel woord eene
T. terwey, iVed. Spraakk. 8e druk.                                                            I
-ocr page 16-
geheele gedachte uitdrukken: Luister! Werk/ Meestal doet eene reeks
van woorden dezen dienst: Ik ga morgen op reis. Een woord of eene
reeks van woorden, waardoor eene gedachte wordt uitgedrukt, draagt den
naam van zin of volzin. — Een volzin kan in deelen worden ontbonden.
§ 5. De taal, welke door de beschaafde Nederlanders wordt ge-
sproken en geschreven, draagt den naam van Nederlandsche taal.
Ook in een deel van \'t Koninkrijk België wordt deze taal gebruikt; daar
wordt zij veelal Vlaamsch genoemd.
De talen, welke door de onbeschaafde Nederlanders worden ge-
sproken — zelden geschreven —- dragen den naam van tongvallen
(dialecten), \'t Aantal tongvallen kan kleiner of grooter genomen worden,
naarmate men meer op de overeenkomst of het verschil tusschen de
dialecten let. Drie hoofdtongvallen zijn echter duidelijk te onderscheiden:
\'t Frankisch, \'t Saksisch en \'t Friesch. Uit den eerstgenoemden ,
onder invloed der beide andere, is in den loop der tijden de algemeene
Nederlandsehe spreek- en schrijftaal ontstaan.
§ <». De Nederlandsche taal behoort met \'t Hoogduitsch, \'t Engelsch
en de Scandinavische talen (Deensch, Zweedsch, ljslandsch) lot de
Germaan sche spreek- en schrijftalen. Deze talen hebben een\'
gemeenschappelijken oorsprong en komen daardoor in vele opzichten met
elkander overeen.
§ 7. De Spraakkunst houdt zich bezig met de beschouwing van de
zinnen en zin deelen, van de verandering en vorming der
woorden en van de lettergrepen en letters. Het eerste gedeelte
noemt men ook wel Syntaxis (woordvoeging), het tweede Etymologie
(woordbuiging en vorming), het derde omvat de Klankleer en de
Spelling.
-ocr page 17-
EERSTE BOEK.
DE VOLZIN EN ZIJNE DEELEN.
I. DE VOLZIN IN HKT ALGKMKKN.
§ I. Door een\' zin of volzin verstaat men een woord of eene reeks
van woorden, waardoor eene gedachte wordt uitgedrukt, bijv.: Luister.\'
Kom dan! De san schijnt. Er zijn vier jaargetijden.
§ 2. Klke gedachte bevat twee noodzakelijkebestanddeelen: het onder-
werp, d. i. de voorstelling der zelfstandigheid, waarover men denkt en
het gezegde, d. i. datgene, wat aangaande het onderwerp wonlt gedacht.
Aan het onderwerp en het gezegde der gedachte beantwoor-
den één of meer woorden in den zin, die den naam dragen van het
onderwerp en het gezegde van den zin.
§ !{. Somwijlen stemmen het onderwerp en het gezegde der gedachte
niet overeen met de woorden, welke in den regel deze deelen in den
zin vertegenwoordigen. In dit geval onderscheidt men een onderwerp 01
gezegde der gedachte (logisch onderw. of gez.) en een onder-
werp of gezegde van den zin (grammatisch onderw. of gez.).
Voorbeelden. Het sneeuwt. Het is kermis. Er wordt gezongen.
1.     Log. onderw. sneeuwen Log. gez. heeft plaats.
Grammat, onderw. het Grammat, gez. sneeuwt.
2.     Log. onderw. kermis Log. gezegde bestaat.
Grammat, onderw. het Grammat, gez. is kermis.
3.     Log. onderw. zingen Log. gez. heeft plaats.
Grammat, gez. wordt gezongen.
§ 4-, De naam van den aangesproken persoon, \'t zij deze werkelijk
een persoon is, of slechts als zoodanig wordt voorgesteld , staat buiten de
grenzen van den volzin en maakt dus geen zindeel uit: fongeus, laten wij
spoedig aan \'t werk gaan! Blink in de zonne
, beukentop! Steekt,
popels, groene spitsen op. Besneeuw u, hagcdoreu! Riek geurig, dunne
berkentak en lindel sprei uw looverdak.
(B).
i*
-ocr page 18-
4
§ 5. De volzinnen worden onderscheiden in enkelvoudige en
samengestelde. Een enkelvoudige volzin bevat ééne enkele gedachte;
een samengestelde bestaat uit twee of meer gedachten, die met elkander
een geheel vormen: De vogel vliegt. Toen de zon opkwam, verdween de
Morgenster.
II. DE ENKELVOUDIGE VOLZIN.
§ (\'». In zijn\' eenvoudigsten vorm bestaat het onderwerp van den
enkelvoudigen volzin uit een woord, dat eene zelfstandigheid ver-
tegenwoordigt of iets, dat als eene zelfstandigheid wordt gedacht: Vader
vertrekt. Ik zong. Vier is een getal. Werken is gezond.
In zijn\' eenvoudigsten vorm bestaat het gezegde van den enkelvou-
digen volzin uit:
a.     een woord, dat eene werking noemt, die van het onderwerp
uitgaat, die het onderwerp ondergaat of door welke het onderwerp wordt
voortgebracht: De leerlingen luisteren. De vertelling werd herhaald.
Het pla?i wordt ontworpen.
b.     een woord, dat eene hoedanigheid, toestand of betrek-
king aan het onderwerp toekent, benevens het woord, dat deze hoeda-
digheid, enz. uitdrukt: Jan is vlijtig. Hij werd ziek. Zij blijft onder-
wijzeres.
Het eerste woord heet dan het werkwoord el ij k, het laatste
het naamwoordelijk deel van het gezegde.
§ 7. Het onderwerp en het gezegde van den enkelvoudigen volzin
kunnen ook, één van beide of beide, bepalingen inhouden, die soms
op hare beurt weder van bepalingen zijn voorzien: De nachtegaal zingt
een heerlijk lied. Het kind van onzen burgemeester is zeer ziek.
§ 8. Bepalingen dienen, om de voorstelling, door een ander zindeel
verwekt, nauwkeuriger te begrenzen, door eene of andere bijzonderheid,
die voorstelling betreffende, uit te drukken. Vergelijk: Er ligt een boek
op de tafel
en Er ligt een dik boek op de tafel. Hij schrijft en Hij
schrijft een\' brief. Het huis is afgebrand
en Het huis is gisteren
afgebrand
of Het huis is door onvoorzichtigheid afgebrand.
% 9. Ofschoon alle bepalingen van onderwerp of gezegde mede tot dal
onderwerp of gezegde behooren, geeft men ook wel, beknoptheidshalve,
den naam van onderwerp en gezegde aan die deelen van den zin,
welke er overblijven, wanneer men het eigenlijke onderwerp en gezegde
van alle bepalingen heeft ontdaan.
§ 10. De bepalingen kunnen worden onderscheiden in voorwerpen,
b ij w o o r d e 1 ij k e en b ij v o e g 1 ij k e bepalingen.
§ 11. Voorwerpen noemt men zulke bepalingen, welke de zeifstan-
digheden beteekenen, die n o o d z a k e 1 ij k bij de werking of hoedanig-
heid, in \'t gezegde uitgedrukt, zijn betrokken, d. i. die daarop
invloed uitoefenen of den invloed daarvan ondervinden:
Verbrand dit papier. Mij overkwam dit ongeval. Ik dacht aan mijn\'
-ocr page 19-
5
broeder. Hier beteekenen dit papier, mij, mijn broeder de zelfstandig-
heden, met betrekking tot welke de werkingen verbranden, over-
komen, denken
plaats hebben. Zij heeten voorwerpen, omdat zij zich
in zekeren zin voor d. i. tegenover het onderwerp bevinden. De
betrekkingen, waarin zij tot de werking of hoedanigheid staan, zijn van
drieërlei aard:
i". kan een voorwerp de zelfstandigheid heteekenen, welke de wer-
king, door \'t onderwerp verricht, ondergaat, of welke door
\'t verrichten der werking ontstaat. In beide gevallen draagt het
den naam van lijdend voorwerp of eenvoudig voorwerp: /k heb
den man meermalen gezien. De bakker bakt brood.
2°. kan een voorwerp de zelfstandigheid heteekenen, welke als be-
langhebbende bij de werking of hoedanigheid, in \'t gezegde uit-
gedrukt, is betrokken. Het draagt dan den naam van belanghebbend
voorwerp: Hij gaf den bedelaar cene aalmoes. De wind ontrukte den
boom cenen tak. Ifij kocht een prentenboek voor zijn zusje. Dat bericht
was mij zeer aangenaam. Voor hem was hel zeer treurig.
3". kan een voorwerp de zelfstandigheid heteekenen, die alleen in
zooverre bij de werking of hoedanigheid, in \'t gezegde
uitgedrukt, is betrokken, dat men zich die niet zou kun-
nen denken zonder de vermelde of eene dergel ij ke zelf-
standigheid. Het maakt dus in zekeren zin de werking of hoedanig-
heid mogelijk. Daarom noemt men het oorzakelijk voorwerp:
Gedenk onzer ellende. Hij was mijner ivoor den indachtig. Wij waren
hel spoor bijster. 7.ij zijn hun lot getroost. Hebt gij aan mijn verzoek
gedacht? Vertrouw op God. Ik bekommer mij niet over zijne bedrei-
gingen. Hoed 11 voor den schijn des kwaads. Haak niet naar wereldsehe
eer. Ik ben benieuwd naar den afloop der zaak. Hij iuas onbewust van
\'t nakend onheil. Die jongen stoorde zich niet aan de bevelen zijns
vaders. Hij beriep zich op hel getuigenis zijner vrienden. Ik ben niet
op zijne bezoeken gesteld. Gelooft gij nog aan zijne dwaze bcive-
ringen ?
Zooals men ziet, bestaan de oorzakelijke voorwerpen uit een
naamwoord in den 2en naamval, een naamwoord in den 4en naamval,
of een naamwoord, door een voorzetsel voorafgegaan.
Bestaan ze uit een naamwoord met voorzetsel, dan komen ze in uiter-
lijk overeen met verschillende van de hieronder genoemde bijwoordelijke
bepalingen. Men kan ze echter van deze altijd onderscheiden, doordat
ze, als voorwerpen, noodzakelijke aanvullingen zijn van het
gezegde en steeds antwoorden op de vraag: met belrekking lot of ten
opzichte van 7vien of wat?
Opmerking verdient ook, dat zulke oorzakelijke voorwerpen steeds met
een bepaald voorzetsel aanvangen, bijv.: luisteren naar (iels), vreezen
voor (iels), hopen op (iels), denken aan (iels)
, rekenen op (iets), twij-
felen aan (iets), zich bekommeren om (iets), zich bemoeien met (iels),
-ocr page 20-
6
bereid tot (iets), afhankelijk van (iets), nieuwsgierig naar (iets), ver-
wonderd over (iets), ingenomen met (iets),
enz.
§ 12. Ofschoon de voorwerpen meestal eene bepaling van het ge-
zegde uitmaken, kunnen zij ook bij andere zindeelen behooren,
wanneer deze namelijk het begrip eener werking of hoedanigheid
inhouden: God vreezen is een goed begin. Den armen wel te doen is
onze plicht. Voor spoken te vreezen zou eene dwaasheid zijn. Hij beje-
gende de van hem afhankelijke mensehen zeer ruw en norsch.
% IS. Bijwoordelijke bepalingen noemt men zulke bepalingen,
die, zonder voorwerpen te zijn, behooren bij eenig zindeel, dat geen e
zelfstandigheid vertegenwoordigt. Zij komen dus niet alleen als be-
paling van \'t gezegde, maar ook als bepaling van andere z i n-
d e e 1 e n voor. Men onderscheidt ze in :
i°. bepalingen van oorzaak, reden en doel: Door eigen
schuld kwam hij in de gevangenis. Door den storm werd het schip
tegen de rotsen verbrijzeld. Hij stierf van schrik, van honger. Uil
medelijden nam hij die kinderen op. Om zijne ondeugendheid werd
hij gestraft. Uil aanmerking van hare trouwe diensten besteedde de
familie haar op een hofje. Uit hoofde van sterfgeval wordt dit perceel
te koop aangeboden. Ten gevolge van zware verliezen moesten de onzen
terugtrekken. Mijn neef is tot herstel zijner gezondheid naar Duitseh-
land gegaan. Hij schrijft om den broode. Wij leer en voor het leven.
Om deze bijwoordelijke bepalingen niet te verwarren met de oorza-
kelijke voorwerpen, merke men op, dat zij steeds antwoorden op
de vragen: door welke oorzaak 1 om welke reden? met welk doel? Om-
gekeerd geeft een oorzakelijk voorwerp nooit antwoord op eene dezer
vragen.
2°. bepalingen van middel: Moeder snijdt boterhammen met
hel groote broodmes. Zij hebben hem met fraaie beloften gepaaid. Door
middel van groote kranen hijscht men de zwaarste lasten uit de schepen.
3". bepalingen van gevolg: lot mijn leedwezen moet ik u dit
melden. Het kind groeide tot vreugde zijner ouders voorspoedig op.
4°. bepalingen van plaats: Wij zijn in de stad. Wij gaan
naar builen. Ik kom van Amsterdam. Wij blijven hier. Zij gingen
daarheen. Open het daar liggende pakket.
5°. bepalingen van tijd: Gisteren zijn wij thuisgekomen. Verleden
week heb ik hem gesproken. De toen aangebrachte waren bleken bedorven.
6°. bepalingen van hoeveelheid: Hij heeft veel gewandeld.
De plank was drie duim dik. Het huis is drie verdiepingen hoog. De
kist weegt vijftig pond. Dit boek kost drie gulden. Hij woont drie uur ver.
7°. bepalingen van graad: Wij hebben ons kostelijk vermaakt.
Hij heeft zich erg bezeerd, fk heb zeer hard geloopen.
8°. bepalingen van hoedanigheid: De soldaten hebben dapper
gestreden. Hij heeft met ijver gewerkt. Zij logen haastig op weg. Hoe
hebt gij dit aangelegd?
-ocr page 21-
7
9°. bepalingen van omstandigheid. Onder dezen naam vat men
alle overige bepalingen samen, welke eene bijzonderheid vermelden, die
eene werking of toestand vergezelt: Hij is met zijne vrouw op reis ge-
gaan. Onder eene hevige regenbui bereikten wij de stad. Wij hebben te
vergeefs op zijne terugkomst gewacht. Ingeval van overstrooming hebben
zij niets te duchten. Op voorwaarde van volkomen onderwerping zal u
hel leven gespaard worden. Voor zijn\' leeftijd is hij nog vrij kras.
Ondanks den hevigen wind besloot men tol den overtocht. Ik zal de
zaak doorzetten in weerwil van zijne tegenwerking. Hij liet mij zonder
antwoord slaan. Naar mijne meening is dit besluit onwettig. Volgens de
couranten zal de koninklijke familie spoedig naar het Loo vertrekken.
§ 14. Bijvoeglijke bepalingen dienen ter bepaling eener zelf-
standigheid: het huis mijns vaders, het uur van het vertrek,
hel bericht zijner komst, de twijfel aan zijne oprechtheid, de
bewustheid zijner schuld; een oud huis, zijn vader, vele men-
schen, de buren beneden, de huizen buiten de stad,
enz.
§ 15. Onder de bijvoeglijke bepalingen dragen een\' afzonderlijken
naam de bijstellingen en de bepalingen van gesteldheid.
Bijstellingen noemt men die bepalingen, welk bestaan in een\'
anderen naam voor eene voorafgenoemde zelfstandigheid: Keesje, het dia-
kenhuismannetje , vertelt zijne historie. Ik heb het mijn\' oom, den nota-
ris
, dikwijls hooren zeggen, \'k Vertel van Sinterklaas en van een\' braven
timbachlman, den armen Ffuibertbaas.
(St.) Dit is Amsterdam, de hoofd-
stad van Nederland.
Bijstellingen noemen wij ook die bepalingen, welke uit een\' eigen-
naam bestaande, zich onmiddellijk aansluiten bij het voorafgaande naam-
woord: De heer N. is hier geweest. Oom fan houdt dolveel van kinderen.
De provincie Gelderland bezit veel natuurschoon. De brik f ohanna
is gestrand. Onderscheid hel zelfstandig //aamwoord recht van het
bijvoeglijk naamwoord recht, f fel stadje Limburg ligt niet in de
provincie Iimburg. Wij spreken niet over den mensch, maar over
den dichter Bilderdijk.
§ 1(>. De bepalingen van gesteldheid drukken de gesteldheid,
d. i. de hoedanigheid, den toestand of de betrekking uit, welke eene
zelfstandigheid bezit:
a.    onder de werking of de hoedanigheid, in \'t gezegde uitgedrukt:
Volkomen gezond keerde hij naar huis terug. Gewond werd hij uit
den strijd gedragen. Ik vond hem druk bezig met teekenen. De geesel
van Euroop lei, balling, \'t leven af.
(B.) Als vader is hij verplicht
voor zijne kinderen te zorgen. Ik heb met hem, als den voogd der
kinderen, geraadpleegd.
b.    volgens de werking, door \'t gezegde uitgedrukt: Ik houd hem
voor een eerlijk man. Men schold hem een\' verrader. Pk mag hem
mijnen vriend noemen. Ik erken hem als mijnen weldoener. Pk acht mij
gelukkig. Fk houd hem voor rijk.
-ocr page 22-
8
c. tengevolge der werking, door \'t gezegde uitgedrukt: De koning
benoemde hem tot burgemeester, fk dronk het glas ledig. Men verfde de
deur groen. Ik staarde mijne pogen blind op die schitterende kleuren.
Gelijk men ziet, verschillen de bepalingen van gesteldheid
hierin van de bijstellingen, dat zij steeds in betrekking staan tot het
gezegde van den volzin.
§ 17. Soms komen er bij het gezegde van een\' volzin woorden
voor, flie geen e bepaling daarvan uitmaken, maar de verhouding
te kennen geven, waarin de gedachte, in den zin uitgedrukt, staat tot de
w e r k e 1 ij k h e i d. Zulke woorden zijn : niet, geenszins; wel, stellig;
misschien, waarschijnlijk; toch, immers,
enz.: fk kom niet. f f ij is
geenszins strafbaar. Hij heeft het wel gedaan. Ik kom stellig. Misschien
is hij ziek. Waarschijnlijk heeft hij het niet geweten. Ga toch aan het
werk! Gij hebt immers niets gezegd 1
Deze woorden maken den ge-
hcelen zin tot de uitdrukking van iets, dat ontkend of bevestigd
wordt, dat aan twijfel onderhevig is, gewenscht of gevraagd wordt.
1 n woorden, die eene ontkenning inhouden, kan echter tevens ecne
bepaling van het gezegde liggen opgesloten: Hij komt nooit. Ik
ben nergens geweest.
§ 18. Ook de woordschikking kan eene gedachte toteene vraag
stempelen: Is hij rijk ? Komt hij met den trein van drieën ? Dit doen
ook woorden, die als onderwerp, voorwerp of bepaling voorkomen:
Wie is hier geweest ? Wat hebt gij gedaan ? V/aar is hij gebleven ?
Wanneer zijl gij hier gekomen ?
§ 19. Ken volzin blijft enkelvoudig, wanneer het onderwerp twee of
meer verschillende zelfstandigheden . het gezegde twee of meer werkingen of
hoedanigheden vermeldt, of wanneer onderwerp of gezegde vergezeld gaan
van twee of meer gelijksoortige bepalingen. Onderwerp, gezegde en
bepalingen worden dan veelvoudig genoemd: Keulen en Aken zijn niet
op één\' dag gebouwd. De boeren ploegen
, zaaien en oogsten. Wij bekeken
het Paleis
, de Beurs en de Nieuwe Kerk. 7,ij hebben in Holland en in
Gelderland gewoond.
III. NADERE BESCHOUWING VAN HET GEZEGDE.
§ \'20. Het gezegde kan eene werking uitdrukken, waarbij geene zelf-
standigheid buiten het onderwerp noodzakelijk is betrokken: De bloem
verwelkt. Het kind sliep gerust. Wij hebben den hcelcii morgen gewandeld.
§21. Het gezegde kan eene werking uitdrukken, waarbij, buiten het
onderwerp, nog andere zelfstandigheden noodzakelijk zijn betrokken:
Gedenk mijner, Ifeer! Ik rekende op den goeden uitslag dier onderne-
ming. Dal verhaal bevalt mij uitstekend.
i 22. Het gezegde kan eene werking uitdrukken, die door eene zelfstan-
digheid wordt ondergaan, ofwaardoor eene zelfstandigheid wordt voortgebracht:
De jongen slaat den hond. De hond wordt door den jongen geslagen.
-ocr page 23-
9
Hij teekende eene landkaart. Eene landkaart werd door hem ge-
le ekend.
Beteekent het onderwerp van zulk een\' zin de werkende zelfstandig-
heid , dan draagt deze den naam van b e d r ij v e n d e n z i n. Beteekent
het de lijdende of voortgebrachte zelfstandigheid, dan heet hij lijden-
de zin.
Wanneer in den lijdenden zin de zelfstandigheid, waarvan de werking
uitgaat, niet is vermeld, wordt bij de omzetting het woord men het on-
derwerp van den bedrijvenden zin: De boomen waren omgehouwen.
Men had de boomen omgehouwen.
§ 23. Wanneer het onderwerp en het lijdend voorwerp van den be-
drijvenden zin dezelfde zelfstandigheid beteekenen, wordt het voor-
werp soms slechts als lijdend aangemerkt, zonder het werke-
lijk te zijn. Zoo ondergaat het voorwerp de werking in: Hij kleedt
zieh. Hij verontschuldigt zich.
Maar dit is niet het geval in zinnen als:
Gij bekommert u over vele dingen. Hij schaamde zich over zijne ar-
moede. Men verwonderde zich over die mededeeling,
enz. Immers zich
bekommeren
, zich schamen, zich verwonderen, enz. beteekenen ongeveer
hetzelfde als: bekommerd, beschaamd, verwonderd zijn, enz.
§ 24. Het gezegde kan eene werking of hoedanigheid uitdrukken,
waarvan men eigenlijk zegt, dat zij plaats heeft of bestaat, doch die
men voorstelt als van eene zelfstandigheid uitgaande of als daaraan toe-
gekend. In die gevallen stemmen dus het grammatisch en logisch
onderwerp en gezegde niet met elkander overeen.
Dit is het geval in zinnen als: Hel sneeuwt, regent, enz. ff el is koud,
warm, enz. Hel is morgen, middag, tijd, enz. Hel is vrede, oorlog,
kermis, bruiloft, enz. Het had een heftige strijd kunnen worden.
(Sch.)
f fel duizelde hem. (Sch.) Het schemerde hem voor de oogen. Hoc gaal
het met hem ? Het scheelt hem in het hoofd. Toen werd hel haar lich-
ter en ruimer om het hart. Hel ontbreekt hem aan geld. Hel mangelt
hem aan moed. Het faalt hem aan de noodige geestkracht. Mij hongert.
Mij dorst. Mij huivert.
Het woord het treedt in deze uitdrukkingen op als onderwerp van
den zin; het onderwerp der gedachte daarentegen ligt in het ge-
zegde van den zin opgesloten. Waar \'t woord hel ontbreekt, zooals
in de drie laatste voorbeelden, wijst toch de vorm van het gezegde
aan, dat men met den derden persoon enkelvoud te doen heeft. (Vgl. § 3)
§ 25. Tn uitdrukkingen als : Er werd gedanst, gemusiceerd en gespeeld.
Over deze brug mag alleen stapvoets gereden worden. Er moet niet ge-
praat ; er moet gehandeld worden
(Sch.) ligt, evenals in die van de
vorige paragraaf, de gedachte opgesloten, dat de werking, in het ge-
zegde uitgedrukt, plaats heeft. Terwijl dus het onderwerp van den
zin ontbreekt, bevat het gezegde ook hier het onderwerp der ge-
dachte.
Deze volzinnen hebben hun ontstaan te danken aan de 1 ij d e n d e z i n-
-ocr page 24-
10
nen. (Zie § 22) Laat men toch bij zulke zinnen het lijdend onderwerp
weg, dan krijgen zij geheel het uiterlijk van bovenstaande uitdrukkingen.
Vergelijk daartoe: Er werd spoedig aan den vader een brief geschreven
met: Er tverd spoedig aan den vader geschreven. In dezen laatsten zin
echter is het lijdend onderwerp weggelaten, terwijl er in een\' zin als:
Er werd onophoudelijk gelachen van geen lijdend onderwerp sprake kan zijn.
Het woord er (eigenl. daar), waarmede deze zinnen veelal aanvangen,
is eene bepaling van plaats; het mag dus niet gelijk gesteld worden
met het grammatisch onderwerp het.
§ 26. Wanneer het gezegde van een\' volzin uit twee deelen bestaat
(Vgl. § 6), treedt als het werkwoordelijk deel daarvan op een der
woorden : zijn , worden , blijven , schijnen, lijken , blijken , dunken , hee-
lcn
en voorkomen en als naamwoordelijk deel een woord, dat eene
hoedanigheid, toestand of betrekking noemt of aanduidt (bijvoegl. naamw.,
zelfst. naamw. of voornaamw.): Hij is arm. Zijn vader was burgemees-
ter. Hij bleek klein Davidjen.
(St.) Die maatregel dunkt mij uitstekend.
De zaak kwam hem hoe langer hoe belachelijker voor.
(Sch.) Een
se hoon e droom is altijd iets. Gewis! Maar is
V ontwaken niets? (B.)
Zijt gij de dader ? Ik ben het.
§ 27. Ook andere woorden dan de bovenstaande kunnen als werk-
woordelijk deel van \'t gezegde voorkomen, wanneer zij namelijk on-
geveer de beteekenis krijgen van zijn of worden. Dit is \'t geval met
slaan, zitten, vallen , gaan , raken, loopeu in zinnen, als: Hij staat
schuldig aan een misdrijf. Hij staat bekend als een zeer weldadig man.
Zij zat verlegen om eene meid. Ik val wat driftig, moet je welen.
(St.)
Dit zal mij niet moeilijk vallen. De deur ging open. Alle moeite ging
verloren. De vijanden raakten handgemeen. Het touw raakte los. De
kerk loopt leeg.
§ 28. Behalve de in § 26 genoemde soorten van woorden komen als
naamwoordelijk deel van het gezegde ook voor uitdrukkingen, die
in beteekenis overeenkomen met een bijvoeglijk naamwoord, en telwoorden
of uitdrukkingen, daarmee gelijkstaande: bij de hand = behendig; op
til —
aanstaande; van goud = gouden; van gevoelen, meening =z mee-
nende; van plan ■=. besloten; te prijzen = prijzenswaard; te lezen —
leesbaar; te hoor en = hoorbaar. De arbeiders zijn weinige. Wij waren
met ons zessen.
Soms wordt het naamwoordelijk deel van \'t gezegde weggelaten, maar
de daarbij behoorende bepaling uitgedrukt: Hij is twintig jaar {oud.)
Hij is (afkomstig) uil rtalie. Zij is (eene vrouw) van aanzienlijke
afkomst. Die zaak is (eene zaak) van gewicht. Gods liefde is (eene
\'icfde) zonder grenzen.
In volzinnen als: De school is uit. De jas is aan. Is vader al op ?
De schuit is al weg. Mijn broeder is reeds terug
zijn de laatste woor-
den niet als naamwoordelijk deel van \'t gezegde te beschouwen. Het zijn
bijwoorden, welke een verzwegen werkwoordelijk begrip bepalen: uilgc-
-ocr page 25-
11
gaan, aangetrokken, opgestaan, enz. Zoo is \'t ook in zinnen als: Dat
is zoo. Het is anders, Hoe is hel?
enz., waarbij een woord als gesteld,
geschapen,
enz. gedacht kan worden.
§ 29. Men lette op de tweeerlei heteekenis van volzinnen als: Ik ben
hel. Pat zijn wij,
enz. Die beteekenis hangt af van de vraag, waarop
zij \'t antwoord geven. Zoo is in het antwoord op de vraag: Wie klopt
daar? Pk ben het,
het woord hel onderwerp en ben ik (voor: is ik)
het gezegde. Immers de vraag betreft den persoon, die klopt en van
dezen wordt in het antwoord gezegd, dat het de spreker is, dus ik.
Men vergelijke met dit antwoord bijv.: Hel zal de meid zijn, waarin
hel evenzoo onderwerp is. Vraagt men: Wie zijn de schuldigen? en luidt
het antwoord: Dal zijn wij, dan is eveneens dat = de schuldigen het
onderwerp en zijn wij = zijn de sprekers het gezegde. Daarentegen:
Zijt gij de dader ? Pk ben het =z de dader (gezegde). Zijt gij ziek ?
Neen, ik ben het = ziek
(gezegde) nu niet meer.
§ 30. Meermalen komen er in het gezegde twee, enkele malen zelfs
drie werkwoorden voor, waarvan dan het laatste of de beide laatste den
vorm van den infinitief hebben. In dat geval vormen eigenlijk de* laatste
werkwoorden eene bepaling hij het eerste. Daar deze werkwoorden zich
echter zeer nauw bij elkander aansluiten, noemt men ze gewoonlijk samen
het gezegde. Men lette er echter op, dat wanneer in dergelijke zinnen
een voorwerp voorkomt, dit nu eens bij het eene, dan weer bij het andere
werkwoord behoort. Ook kan het zijn, dat twee werkwoorden ieder een
eigen voorwerp hebben. Komt er in zulke zinnen een naamwoordelijk
deel van het gezegde voor, dan behoort dit steeds bij het laatste werk-
woord : Hij liet mij zonder bepaald antwoord vertrekken. Pk kon den
redenaar niet goed verstaan. Wij zagen hem den vijand aanvallen.
Gij moogt in den tuin gaan wandelen. Hel gaat stellig regenen. Gij
moet gehoorzaam zijn. Hij mag geen soldaat worden.
IV. DE ELLIPS IN DEN ENKELVOUDIGEN ZIN.
§ 31. Wanneer uit den enkelvoudigen volzin eenig noodzakelijk
bestanddeel is weggelaten, heet die volzin elliptisch. De oorzaak van
deze weglating is tweeërlei: öf zij ligt in den opgewekten gemoedstoestand
van den spreker, zoodat deze alleen die deelen van den zin uitdrukt,
waarop in \'t bijzonder de aandacht moet worden gevestigd, óf de spreker
bedient zich van eigenaardige gezegden of spreekwoorden, die, door ieder
verstaan , gemakkelijk kunnen worden aangevuld.
Een oogenblik geduld! Op marschl Wat raad? Gewoel, verwarring
wijd en zijd! Terug vermeetlen! De deur uit! Op, makkers, op! Wat
een schelm l De dief weg,
— wij hem na ! Recht door zee! De koning af.
Goeden dag! Den heer A. te B. \'s Lands wijs, \'s lands eer. Een ver-
geten burger, een gerust leven. Van de dooden geen kwaad! Hoog, om-
hoog, het hart naar boven!
-ocr page 26-
12
§ 32. Zinnen, waarin iets geboden of verboden wordt, als: Werk!
Luister! Let op!
zijn niet elliptisch. Wel is het onderwerp niet door
een woord uitgedrukt, doch de vorm van het werkwoord geeft duidelijk
te kennen, dat de aangesprokene het onderwerp is. Wanneer in dergelijke
zinnen een onderwerp wordt gebracht, bijv.: Kom gij eens even hier,
wijzigt zich dan ook dadelijk de beteekenis.
Ook de volgende zinnen zijn niet voor elliptisch te houden: Werken,
jongens! Zoel naar bed gaan
, kinderen! Volgehouden! Den moed niet
opgegeven! Eerst den dag gevierd! God den Heer geloofd!
Tmmers in
deze volzinnen doet de infinitief of het verleden deelwoord den dienst
van eene gebiedende wijs; men wachte zich dus bijv. den volzin: Den
moed niet opgegeven ,
te beschouwen als: De moed {worde) niet opgegeven !
V. r>E SAMENGESTELDE VOLZIN.
§ 33. Door een\' samengestelden zin verstaat men de vereeniging van
twee of meer zinnen, die tot elkander in eene bepaalde betrekking staan.
§ 34-, Wanneer twee volzinnen tot een\' samengestelden volzin zijn
verbonden, kunnen zij ten opzichte van elkander gelijke of ongelijke
waarde bezitten. In \'t eerste geval heeten zij nevengeschikt, in\'t laatste
is de eene zin ondergeschikt aan den anderen. Vandaar tweeërlei zins-
verband: het nevenschikkend en het onderschikkend zinsverband:
Ik zal hel maar doen, taant anders wordt hij boos. Wij zijn te huis
gebleven
, omdat het regende.
§ 35. Bij de onderschikkende zinsverbinding maakt de eene zin een
deel uit van den anderen; de laatste draagt dan den naam van hoofd-
zin, de eerste dien van bijzin. Zoo is in den laatstgenoemden volzin:
Wij zijn te huis gebleven de hoofdzin en omdat het regende de bijzin,
die den dienst doet van eene bepaling van reden; immers omdat hel
regende
staat gelijk met om den regen.
§ 30. Opmerking verdient de woordschikking van den bijzin. Ts een
volzin geen bijzin, dan is de opeenvolging der zindeelen, wanneer het
onderwerp vooraan staat, deze: Onderwerp, Gezegde, Voorwerp
of Bepaling. Dit noemt men de gewone woordschikking. In
den bijzin daarentegen is de woordschikking steeds: Onderwerp,
Voorwerp of Bepaling, Gezegde. Dit heet de afhankelijke
woordschikking. Vergelijk hiertoe de volgende zinnen: Tk blijf Ie
huis
, want ik verwacht mijn\' broeder van middag hier. Ik blijf te
huis
, omdat ik mijn\' broeder van middag hier verwacht.
§ 37. Twee of meer bijzinnen kunnen ten opzichte van elkander neven-
geschikt zijn. Ook kan een bijzin een deel uitmaken van een\' anderen
bijzin, welke laatste dan met betrekking tot den eersten hoofdzin is: Ik
ben thuis gebleven
, omdat ik het druk had en het weer mij niet best
aanstond. Wij hebben gehoord, dat hij naar In die zal gaan, 7vanneer
zijn oom daarheen terugkeert.
-ocr page 27-
13
VI. DE NEVENSCHIKKENDE ZINSVERBINDING.
§ 88. Bij de nevenschikkende zinsverbinding gebeurt het meermalen,
dat de verbonden zinnen één of meer deelen gemeen hebben. In dat
geval worden deze gemeenschappelijke deelen soms slechts éénmaal uit-
gedrukt. Men zegt dan, dat deze volzinnen zijn samengetrokken:
De goede man zette de pet af en den hoed op, liet regenscherm en
linnen pakje in een" hoek der gelagkamer liggen en ging het vertrek
uil.
(P.) Och, kindren, gij zijl weezen en ik een arme -meeuw. (B.)
§ 39. Men onderscheide de samengetrokken zinnen van de el-
liptische. Bij de eerste kunnen de weggelaten deelen uit den samen-
gestelden zin zelf worden aangevuld; bij de laatste wordt de gepaste
aanvulling aan den lezer zelf overgelaten.
§ 40. Nog onderscheide men de samengetrokken d. i. samen-
gestelde zinnen van de enkelvoudige, die een veelvoudig be-
bestanddeel hebben. De eerste bestaan reeds uit ten minste twee gedachten ,
tot één geheel vereenigd; de laatste bevatten slechts éene gedachte. Zoo
zijn: In Januari is mijne moeder jarig en in Maart mijn vader samen-
getrokken zinnen, terwijl Zijn oom en zijn tante zijn op denzelfden dag
Jarig
een enkelvoudige zin is.
In den enkelvoudigen zin met veelvoudige zindeelen volgen de gelijk
namige deelen onmiddellijk op elkander, of kunnen zij dit althans doen;
in de samengetrokken zinnen niet. Vergelijk daartoe: De trein was stamp-
vol en de stoomboot ledig. In Waterland vindt men veengrond en in
Kennemerland zand. Hij had in Afrika gereisd en in Scandinavië.
Zijn broer en zijn neef hebben er onderzoek naar gedaan. Zijn broer
heeft er onderzoek naar gedaan en zijn neef.
% 41. De nevenschikkende zinsverbinding is van drieërlei aard:
aaneenschakelend, tegenstellend en redengevend. Wanneer
in een\' enkelvoudigen zin een veelvoudig zindeel voorkomt, zijn de be-
standdeelen van dit laatste mede aaneenschakelend of tegenstel-
lend verbonden. De redengevende verbinding komt hierbij niet voor.
Onder de voorbeelden, beneden gegeven, vindt men zoowel enkelvou-
dige als samengestelde zinnen.
Met nevenschikkend zinsverband kan bestaan , zonder dat het door voeg-
woorden wordt uitgedrukt:
aaneenschakelend: Dit is rfaarlem, zijn kerk en zijn toren , dit
dal plein, dit die straat, dit die gracht.
(B.) Die dokter was niet enkel
arts ; hij was echtgenoot; hij was vader.
(P.)
tegenstellend: Getroffen te worden kan eene aanleiding tot genieten
zijn; op zich zelve is hel meer een schrik, dan een genot,
(h.)
redengevend: Geene stralen luisterden de schemering der zijkamer
op: men had de luiken gesloten.
(P.)
\'t Zinsverband kan ook meer malen worden uitgedrukt, dan strikt nood-
zakelijk is:
-ocr page 28-
14
Hij moet of naar Amerika bf vaar de Oost zijn gegaan. Zijn
vader was kruidenier geweest en voor een jaar of drie gestorven en een
oom had den boel overgenomen en was bankroet gegaan en zijne moeder
had niets gekregen van \'tgeen haar toekwam. En zijne zuster was heel
knap en die bezorgde alles voor de huishouding en betaalde zijn school-
geld op den koop toe.
(L.)
§ Mi. Het aaneenschakelend zinsverband kan zijn:
a.     eenvoudig aaneenschakelend of versterkend. Het zins-
verband wordt in \'t eerste geval uitgedrukt door de voegwoorden: en,
noch, door de voegwoordelijke uitdrukkingen: zoowel — als, zoo —
als, niet alleen — maar ook, niet slechts (enkel) — in|aar ook
en de bijwoorden: ook, bovendien, buitendien, daarenboven;
in ï laatste door het voegwoord ja en het bijwoord zelfs.
Hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u, noch aan mij. (V. L.)
Zoowel zijn vader als zijne moeder waren er tegen, dal hij naar zee
ging. Het boek bevatte fraaie koperen platen met zoo Fransche als
JVederduilsche opschriften.
(B.) De professor had niet alleen eene vrouw,
maar hij had ook eene kleine familie van elf dochters.
(L.)
Ik zette mij mistroostig neder; ook de overigen waren niet tot vroo-
lijkheid gestemd.
(V. L.) Den wijn kan ik niet missen; dien heb ik tot
de sausen te veel noodig en bovendien is hij te drabbig en te zuur
, om
onvermengd gedronken te worden.
(V. L.)
Zijne voorouders waren rijke en vermogende lieden geweest, ja, zij
hadden den geheelen omtrek onder hun beheer gehad.
(V. L.)
tiet lot was Udo gunstig gebleven, die langzamerhand deti jonker
niet slechts al hel geld, dat hij bij zich droeg, maar ook zijn\'\' gouden
halsketting, ja eindelijk zelfs zijne paarden had afgewonnen.
(V. L.)
b.     rangschikkend of voortzettend. Het zinsverband wordt
uitgedrukt door de bijwoorden: eerst, vooreerst, eerstel ijk, ten
eerste, ten tweede, dan, daarop, verder, nog, ten andere,
voorts, vervolgens, wijders, daarna, eindelijk, ten slotte.
Twee zaken waren er noodig, zou het mesje zijne kracht behouden:
in de eerste plaats moest Fulco er ten minste elk jaar een\' moord mede
begaan en ten tweede moest hij geene vrome daad verrichten.
(V. 1,.)
Nu vertelt gij ons eerstelijk, hoe hij zijne ziel aan een\' food verkoopt,
vervolgens, hoe hij een\' vromen ridder op eene laaghartige wijze ver-
moordt en eindelijk, hoe hij de gastvrijheid, hem bewezen, met vrou-
wenroof beloont.
(V. L.)
c.     verdeelend. Dit zinsverband wordt uitgedrukt door de bij-
woorden: eensdeels, anderdeels; deels, deels; ter een er
zijde, ter anderer zijde; aan den eenen kant, aan den
anderen kant; nu eens, dan eens (weder).
Eensdeels omdat hij niet meer wist, wat Ie beginnen, anderdeels
ten gevolge der vermaningen van een\' vromen monnik
, had hij het
prijzenswaardige besluit gevormd, boete te doen.
(V. L.) Een aantal
-ocr page 29-
15
bestoven rijtuigen , deels onder een afdak geschoven , deels bij het schoone
weder der open lucht toevertrouwd, beperkten de ruimte.
(P.) Aan den
eenen kant drong hem de slem des gewetens tot spreken , aan de andere
zijde fluisterde de hoogmoed: Beken uwe schuld niet. Daar zagen
wij die gedeeltelijk vervallen, gedeeltelijk fier rijzende praalgebouwen
van het beroemde huis der Boromeï.
(G.) Nu eens kwam hij ons
iederen dag opzoeken, dan weer verliepen er weken, zonder dat wij
hem zagen.
S \\\\\\. Het tegenstellend zinsverband kan zijn:
a. zuiver tegenstellend. Dan doen zich twee gevallen voor: of
de inhoud van den eenen zin staat eenvoudig tegenover dien
van den anderen, óf de inhoud van den eersten moet vervangen
worden door dien van den tweeden.
In het eerste geval wordt het zinsverband uitgedrukt door het voegwoord
maar of het bijwoord daarentegen; in het laatste door het voegwoord
maar of het bijwoord integendeel. Soms wordt in het laatstgenoemde
geval het bijwoord neen ter versterking van de ontkenning in het eerste
lid tusschen de beide zinnen geplaatst.
Hij is een vlijtige jongen, maar zijn broeder is een luiaard. De Bis-
schopskerk had een deel van den ritus der Moederkerk behouden; het
Presbyter ianisme daarentegen had ten volle met het ver ledene gebroken.
(Sch.) Zij reed langzaam, zonder op te zien, vooruil; maar Beiko daar-
entegen liet gestadig den blik nu her- dan derwaarts weiden.
(V. L.)
De armoede schokt niet, maar knaagt; zij is geen e wonde, maareen
kanker.
(H.) Ik wilde u volstrekt niet uit het veld slaan; integendeel ik
wilde u helpen.
(L.) Gij moet niet toegeven; neen, gij moet volhouden
tot het uiterste.
(V. L.)
I». beperkend tegenstellend. De tweede zin laat den inhoud van
den eersten onaangetast, doch beperkt den omvang der gedachte, daarin
uitgedrukt. Gewoonlijk komt de tweede zin op tegen eene gevolgtrekking,
die men uit den eersten zou kunnen afleiden. De verbinding geschiedt
door de voegwoorden: maar, doch (edoch) en dan en door de
bijwoorden: echter, in tusschen, evenwel, nochtans, toch,
niettemin, desniettemin, desniettegenstaande. Zuiver be-
perkend is het bijwoord althans.
De schel ging deugdelijk o?ser, maar de heer Bruis merkte geen enkel
geluid binnen de woning van zijn\' vriend, dat zijn gelui beantwoordde.
(B.) Het huis, dat hij nu bewoont, is klein, maar zeer geriefelijk.
Men heeft zich menigmaal tol hem gewend, doch het heeft niet mogen
baten.
(V. L.) Reeds met zonsopgang stond de Graaf op den torentrans,
om de bewegingen der vijanden gade te slaan; dan alles bleef rustig
in het leger.
(V. L.) Zij schoof mij een\' stoel toe; ik nam echter geene
plaats, maar bleef met de eene hand op de leuning rusten.
(V. L.) Hij
was altijd met zijne betuigingen van genegenheid zeer gul geweest;
inlusschen liet hij mij in dezen nood aan mijn lot over.
(V. L.) De wind
-ocr page 30-
lf.
sliep in; men ziet hetgeen daar groent nochtans met vreemd geritsel
beven.
(St.) „Ik heb reden te vreezen; toch vrees ik niet " klonk het
trotsche antwoord.
(Sch.) Reeds is de laatste vonk van \'t zonnevuur ge-
smoord en de arbeid niettemin gaat voort.
(St.) Arlequin, zijn lieve
meester, slaat er geweldig op; uit aardigheid, \'t is waart Desniettemin
de sukkel voelt het maar.
(B.) De vorst wist, dat deze maatregelgroole
ontevredenheid moest verwekken; desniettegenstaande vaardigde hij het
bevel tot gevangenneming der afgevaardigden uit. De inwoners van
Emmerik schenen bij deze gelegenheid feest te willen houden; althans
er was geen einde aan \'t geschreeuw, gejoel en gedraaf op straat.
(V. L).
c. uitsluitend tegenstellend. De inhoud van den eenen zin sluit
dien van den anderen uit; óf de eene of de andere beantwoordt aan de
werkelijkheid; niet beide tegelijk. Zoo is \'t ook met de deelen van den
enkelvoudigen zin, die op deze wijze zijn verbonden. De voegwoorden,
die dit zinsverband uitdrukken, zijn: of, \'tz ij — \'tzij, \'tz ij — of.
Of wordt ook vaak herhaald.
Nu moet ik versmachten of mijne maag bederven met het water van
gindsche rivier.
(V. L.) \'t Zij mijn beroep schuldig ware of niet, ik was
er in vele opzichten aan gehecht.
(V. L.) Ik had zeker ook al een\' ge-
ruimen tijd doorgestapt
, eer ik \'tzij op het fraaie ?veder, \'tzij op den
slechten weg begon te lellen.
(V. L.) De Schol was zich of zijner on-
schuld bewust, of te traag van begrip, om den omvang der kastijding
,
die hem wachtte, te begrijpen. (Sch.)
\'t Voegwoord dan vervangt of, wanneer dit laatste zou moeten dienen,
om twee bijzinnen of zindeelen te verbinden, welke reeds door het onder-
schikkend voegwoord of met den hoofdzin zijn verbonden: Ik wilde
echter welen
, of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken hare tong
boeide.
(V. L.) Vergun mij Ie vragen, of wij nog eene wijle het
boschpad zullen houden, dan of gij langs een\' anderen weg naar uw
landhuis terug wilt.
(b. T.)
§ 44-. Redengevend zinsverband bestaat tusschen twee neven-
schikte zinnen, dïe gedachten inhouden, welke zich tot elkander ver-
houden als oorzaak, reden of grond tot gevolg of ge v olgt rek-
king of omgekeerd.
Om den aard van dit zinsverband wel in te zien, merke men op:
a.     dat eene oorzaak eene omstandigheid is, die noodzakelijk een
zeker gevolg met zich brengt, indien ten minste eene andere omstan-
digheid dit niet belet. Zoo bevat in den zin: Deze groole fabriek is
wegens gebrek aan werk gesloten; daardoor zijn honderden menschen
broodeloos geworden,
het eerste deel de oorzaak, het tweede \'t gevolg.
b.     dat eene rede n eene omstandigheid is, welke den menschelijken
wil beweegt, een zeker gevolg te voorschijn roepen. Kr kan dus
zeer goed ergens eene reden voor bestaan, terwijl toch het gevolg achter-
wege blijft. In den volzin: J/ij heeft mij onheusch bejegend; daarom
vermijd ik hem,
vinden we reden en gevolg tegenover elkander.
-ocr page 31-
17
c. dat een grond eene waarheid bevat, waaruit het oordeel eene
andere waarheid afleidt, welke men de gevolgtrekking noemt. Zegt
men: Hij is reeds voor vijf jaar overleden; derhalve kan hij verleden
jaar dal stuk niet geleekend hebben,
dan bevat de eerste volzin tien grond
voor de gevolgtrekking, in den tweeden uitgedrukt.
S 4-5. Wanneer de eerste zin eene gedachte inhoudt, waarvan de
tweede de oorzaak, de reden of den grond bevat, wordt het zins-
verband uitgedrukt «loor \'t voegwoord want en de bijwoorden: immers,
namelijk, toch.
Fk glimlach/e en zweeg, want ik achtte het onnoodig, de ware reden
mijner handelwijze bloot te leggen.
(V. 1,.) Onze wegen scheiden, maar
ons hart blijft een: immers is ons beiden eene hoop gemeen.
(B.) Gij
zijl dadelijk gereed; ik zeg dadelijk
, maar dit wil ik niet hopen : het
zal u toch een\' inwendige// strijd gekost hebben,
(f,.) Onverwachts
werden onze troepen in den rug aangevallen: de vijand was na//lelijk
hoogerop de rivier overgelrokke/i en ons langs een\' omweg genaderd.
Wanneer de eerste zin de oorzaak, de reden of den grond bevat
van de gedachte, in den tweeden uitgedrukt, en deze dus óf een
gevolg óf eene gevolgtrekking daarvan inhoudt, dienen tot uitdruk-
king van het zinsverband de bijwoorden: hierdoor, daardoor, dien-
tengevolge, vanhier, vandaar,—hierom, daarom, deswege,
dientengevolge, dan ook, dies (des), — dus, alzoo, der-
halve, bijgevo 1 g, diensvolgens.
Hij heeft voor \'t open raam gezeten; daardoor heeft hij kou gevat.
De man had zijn\' baard geheel afgeschoren; dientengevolge 7verd hij
eerst niet herkend. Hooft kwam eigenlijk om te poseeren voor zijn por-
tret; Sandrart had zich te laat herinnerd\', dal hij den Drost op van-
daag bepaald had; vandaar de onvoorbereide en ongewenschte ontmoe-
ting.
(A. Th.)
Ze is een weinig van haar stuk en daarom is ze eens in de lucht
gegaan.
(B.) Hij heeft zich vergrepen aan \'t goed zijns naasten; hierom
is hij gestraft. Ik verbeeldde mij, dat er eene of andere verkooping op
handen ware, waarbij hij (de makelaar) in aanmerking we/tschte te
komen, en deswege mijne voorspraak verlangde.
(V. L.) Klaar Ij e had
gehoord, dat er te Rotterdam een schouwburg was en niet minde/\' dan
drie concertzalen; dientengevolge had zij zich voorgesteld, dat deze eta-
blissementen machtig veel tot haar genoegen zouden bijdragen.
(B.) De
Steward was gewoon, nooit naar hel waarom te vragen en vroeg het
dan ook nu niet, hoewel hij Myladies bedoeling niet begreep.
(Sch.) Gij
hebt mijn tonen lief, alsof zij de uwe waren; dies zij mijn kunst loos
lied u toegewijd.
(B.) Ik predik met gebogen knie; des hoort mij zonder
spijt.
(St.)
In de straten, die tegen het zuiden liepen en dus geen schaduw had-
den, bracht de zon de voorbijgangers letterlijk lot wanhoop.
(B.) Gij
hebt moed en zult alzoo niet lerugbeven voor het verlaten van den ouden
r. TER WE Y, iVed. Spraakk. Se druk.                                                                  2
-ocr page 32-
18
we/f. (Sch.) Dat hij Mylady om hare voorspraak bij den Koning had
verzocht, kon niet ernstig gemeend zijn, daar hij overvloedige blijken
had ontvangen van haren afkeer en kwaden wil. Voor deze daad had
hij derhalve eene andere reden moeten hebben.
(Sch.) Zoo ik nu sprak,
zou ik een woordbreker en bijgevolg een schurk zijn en dat toch wilt gij
van uw\' zoon niet maken t
(V. L.) De oudere Stastok was een man
de klok en stond diensvolgens om zes uur op, ten einde om half acht
aan he/ ontbijt te zijn. (H.)
§ 4fi. Wanneer één of meer /indeden met een ander worden verbon-
den ter verklaring van dit laatste, wordt de/e betrekking uitgedrukt
door de verklarende voegwoorden: of, d. i. = dit is, als,
zooals, namelijk, te weten.
De Zebra of Kaapsche ezel heeft eene fraai gestreepte huid. \'lot de
edele kunst van vergulden zijn vier dingen noodig, als: de koek, die
verguld moet worden, hel verguldsel zelf, een nat penseel en dat gedeelte
van eene hazen- of konijnenvacht
, hetwelk jagers de pluim en gewone
menschen den staart noemen.
(15.)
§ 4-7. In de samengetrokken zinnen behoeven de gemeenschappelijke
deelen, van welken aard ook, slechts éénmaal voor te komen. Ja, het
kan zelfs gebeuren, dat een geheele zin wordt weggelaten, terwijl de daarbij
behoorende bijzin staat uitgedrukt: De koning had hem de hand gedrukt,
zelfs
(had de koning hem de hand gedrukt) voordal de dienaar nog de
knie kon buigen.
(Sch.) Het pleegt een vroolijk uur te zijn, maar (het
pleegt een uur te zijn) dat een ernstig doel heeft. (P.)
Toch dient men te zorgen, dat de zinssamentrekking geene hardheid
of onduidelijkheid veroorzaakt. Zoo is de volgende zin af te keuren:
Sommigen noemden het dwaling, anderen vrees; die zich ongunstiger
uitlieten , eigenbelang, heerschzucht, haat; die het allerongunstigste,
strafbare vermetelheid.
(V. d. P.)
S 48. De zinssamentrekking is alleen geoorloofd, wanneer de gemeen-
schappelijke deelen dezelfde beteekenis hebben en denzelfden
dienst doen.
Tegen de eerste voorwaarde zondigen bijv. deze zinnen: Heeft men
drukke zaken en den ganschen dag hard gewerkt, dan mag men \'s
avonds met het volste recht zeggen: voor vandaag genoeg! De bui was
nu geheel over en de lucht aangenaam verfrischt door het onweder.
(V. L.)
De tweede voorwaarde ontbreekt in de volgende: De zaak, waarvoor
ik pleit, zou misschien eene langere rede vorderen
(voorw. wijs), maar
uwe inborst voorzeker eene kortere
(aant. wijs.). (V. d. P.)
Tot Frieslands eer was zij (de kaars) verbrand, (aant. wijs.)
En de offeraar (ware dus: voorw. wijs) thans opgebroken,
//ad niet de Min een plan gesmeed,
Waartegen \'t reisplan schipbreuk leed. (St.)
Zoo ook : Terwijl een voordak \'t moede ros (4e nv.) beschut en (3e nv.)
leger biedt. (St.)
-ocr page 33-
11»
Daarentegen zijn zinssamentrekkingen als de volgende door het gebruik
gewettigd:
Och, kindren, gij zijt weezen en ik een arme weeuw, (B.) Hij ging
rechts en wij links.
Vil. DE ONDERSCHIKKENDE ZINSVERBINDING.
§ 49. De bijzinnen worden onderscheiden naar de zindeelen, waarvan
zij den dienst doen. Deze zindeelen zijn: onderwerp, gezegde.
voorwerp (lijdend, belanghebbend en oorzakelijk), bijvoeg-
lijke bepaling en bijwoordelijke bepaling.
Dat hij gekomen was (ond.), bleef ons onbekend. Hij is niet, ie/at hij
sehijnt.
(gez.) Dat hij mij verraden zou (lijd. vw.), kon ik niet vermoe-
den. De winter geeft vermaak, wie \'t kan betalen
(bel. vw.). Tk was
overtuigd, dat ik gelijk had
(oorz. vw.). De mensch, die zijn\' plicht
doet
(bijv. bep.), heeft een gerust geweten. Wanneer de herfst gekomen
is
(bijw. bep.), verlaten ons de trekvogels.
§ 50. Meermalen gebeurt het, dat een zindeel de waarde heeft van
een\' bijzin. Zulk een zindeel kan dan ook door een\' volkomen bijzin
worden vervangen. Het draagt den naam van bek nopten bijzin.
fk vrees slechts, dit niet duidelijk genoeg te hebben gezegd — dat ik
dit niet duidelijk genoeg heb gezegd. Zou zij ten prijs der koelheid\',
Louise eigen, met deze willen ruilen? (P.) = die Lotiise eigen was.
Verder binnentredende, werd de vijftiger Anna gewaar, bij het ledekant
gezeten (P.) — toen hij verder binnentrad.
Men onderscheide de beknopte van de onvolledige bijzinnen,
bijv.: fan is grooter, dan Piel {groot is). Hier zijn de verzwegen deelen
eenvoudig uit den bijzin weggelaten, om ze niet tweemaal te doen voor-
komen.
a. Onderwerps-, Gezegde- en Voorwerpszinnen.
§ 51. De bijzinnen, die den dienst doen van onderwerp, gezegde
en voorwerp komen in verschillenden vorm voor:
i". hebben zij de gewone woordschikking en staan los naast den hoofdzin.
2°. hebben zij de afhankelijke woordschikking en zijn met den
hoofdzin verbonden door de voegwoorden dat en of.
3°. hebben zijde afhankelijke woordschikking en vangen aan met wie,
wat, die, hetgeen in de beteekenis van degene, die en dalgene, wat.
4°. hebben zij de afhankelijke woordschikkingen vangen aan met een
der vraagwoorden: wie, wat, welk, hoedanig, waar, wanneer,
hoe, waarmede, enz.
De bijzinnen van deze laatste soort heeten afhankelijke vragen.
§ 5<J. Het voegwoord of wordt gebruikt, wanneer men den inhoud
2*
-ocr page 34-
20
van den bijzin als twijfelachtig wil voorstellen. Is dit niet het geval, dan
bedient men zich van het voegwoord dat. Vergelijk daartoe: Ik wist
niet, of hij gekomen was. fk wist niet
, dat hij gekomen was. Of hij
slagen zal, wordt door velen betwijfeld. Dat hij slagen zal, wordt door
niemand betwijfeld.
§ 53. In zinnen, welke aanvangen met wie, wat, die, hetgeen, heb-
ben de beide eerste woorden de onbepaalde beteekenis van al wie, al
wat,
terwijl de laatste in den regel bepaalde personen of zaken aanduiden.
Vergelijk: Wie eens steelt, is altijd een dief. Wat onrecht is, haat ik.
Die het glas gebroken heeft
, moet hel betalen. Hetgeen gij daar zegt,
betwijfel ik zeer.
$ 54. De woorden, waarmede de afhankelijke vragen aanvangen,
blijven hun karakter van vraagwoorden behouden. Wie, wat, welk, hoeda-
nig
zijn dan ook vragende voornaamwoorden. Vergelijk: fk be-
grijp niet, wie het gedaan heeft
met: fk begrijp niet {het volgende):
Wie heeft het gedaan? Wal hij bedoelt, is mij niet duidelijk
met: Wat
bedoelt hij ? (Dal) is mij niet duidelijk.
a. Onderwerpszinnen.
§ 55. Zij doen den dienst van onderwerp.
Ifet is tegenwoordig hier volkomen veilig, werd door den schout ver-
zekerd.
(V. L.) Het was te wachten , dat Cezar niet straffeloos zulk eeue
beleediging zou dulden.
(V. L.) Of de wedstrijd zal doorgaan, is nog
onzeker. Wie vaart, leert bidden.
(P.) Wat schoon is, moet eenvoudig
zijn.
(H.) Die dit gezegd heeft, moet er meer van weten. Wat hij eigen-
lijk\\ wilde, was duister. Hoe hij hel had aangelegd, bleef ons een raadsel.
En dan moest niet vergelen worden, hoe breed of hoe nauw het pad was
en van welke soort en hoe groot de steenklotnpen waren, die aan den
weg lagen.
(G.)
Soms wordt het onderwerp eerst door een voornaamwoord aangeduid.
Hel verbaze u niet, dat hare hand onder de kap eensklaps langs hare
oogleden gleed.
(1\\) Is V waar of niet, dat vaak het staren in hel bruin
verschiet der breede lanen nog uw lust is?
(B.)
Hekno]>te onderwerpszinnen bestaan uit een\' infinitief met voor-
werpen of bepalingen.
Het was mijn plan, met hem naar \'t concert te gaan. (L.) Vader te
verliezen was harder slag.
(P.) Wal te beginnen, werd er gevraagd,
lot wien ons te wenden, was ons niet gezegd.
b. Gezegdezinnen.
§ 56. Zij doen den dienst van het naamwoordelijk deel van \'t
gezegde.
Zijn ee/iige wensch ivas, dal hij op zijn\' ouden dag voor gebrek
-ocr page 35-
21
mocht bewaard blijven. Minerva greep hare oorlogsspeer: ten strijde/
was haar leus.
(St.) \'s Vijand kreet was: „Vlietftl" (St.) Fk ben voor
u niet geweest, wat ik zijn moest, zeide Anna\'s geweten.
(P.) Hij was
geheel niet wat men een hamergeleerde noemt.
(V. L.) Wees overal,
die ge zijl. De groole vraag was, hoe wij den ree hl en weg zonden vinden.
Beknopte gezegdezinnen bestaan uit een\' infinitief niet voorwerpen of
bepalingen.
Zijn ideaal is te wonen op cenc eigen boerenplaals en gccnc andere
meiden of knechts na te houden dan zijne eigene kinderen.
(R.) De moei-
lijkheid was, waar hem te zoeken.
c. Voorwer psz i n nen.
§ 57. Dezen naam dragen de bijzinnen, die den dienst doen van
lijdend voorwerp.
Ik verzeker u: haasten zullen wij ons niet. (Sch.) Zalig is hij, die
zijn jok in zijne jeugd draagt, zegt de Schrift.
(P.) Ik vroeg haar, of
zij van reizen hield.
(B.) Wat de heeren wijzen, moeten de gekken
prijzen. Hij weet ook volstrekt niet, waartoe zoo iels dient.
(],.) Gcesje
wist immers, welken gang alles gaan moest.
(P.) Beschrijf mij eens,
waarom gij hel onmogelijk rekent.
(G.)
Soms wordt het voorwerp eerst door een voornaamwoord aangeduid.
Heter, dat ik het nu zegge, dan later: je blijft niet rijk achter. (P.) %
Ifenry, ik heb hel opgemerkt, is u lief, even lief als mij.
(Sch.)
Knkele malen wordt hoc als verbindingswoord gebruikt in plaats van
dat: De geschiedenis vermeldt, hoe Willem II Amsterdam invoer, een
paar uren vóór men hem er te gcmoet zag.
(P.)
Beknopte voorwerpszinnen bestaan uit een\' infinitief niet voor-
werpen of bepalingen.
Geen der dienstboden herinnerde zich, hel meisje ooit gezien te heb-
ben.
(P.) De wind verhinderde ons niet, op deze plek te vertoeven. (G.)
Hoe dit met elkander Ie rijmen, weet ik niet. (V. L.)
d. Belanghebben de-voor werpszin nen.
§ 58. Zij doen den dienst van belanghebbend voorwerp. De
verbinding door dal en of komt hier niet voor.
Hij schonk, wie hem beviel, spoedig zijn vertrouwen. Zeg aan wie
mij te spreken vragen, dal ik niet thuis ben. De stijging van den koers
is aangenaam voor wie deze effecten bezitten.
e. Oor zakel ij ke-voorwer psz innen.
§ 59. Zij doen den dienst van oorzakelijk voorwerp.
Ik schaam mij, dat ik zijn vader ben. (P.) Wij houden gehuurde
lijkbidders en beklagen ons, dat zij huichelaars blijken.
(P.) Hij is
-ocr page 36-
22
overtuigd, dat gij u \'met hem verheugt. (L.) Tk twijfelde, of hij mij
wel begrepen had. Zij verheugde zich, dal nu hare kinderen waren
zooals zij geweest was.
(B.)
liet oorzakelijke voorwerp wordt veelal in den hoofdzin eerst door een
voornaamwoordelijk bijwoord aangeduid. Soms is die aanduiding noodza-
kelijk; soms kan zij ook worden weggelaten.
fk sta er borg voor, dat het zulk een e vaart niet loopen zal. (G.)
Onze burgers zoeken de fatsoenlijkheid daarin, dat zij onze aristocraten
nadpcn.
(L.) Hij zorgt ook daarvoor, dat verslag gedaan wordt van
alles, wal hij onderneemt.
(Ij.) Zij zijn er nog al trolseh o/>, dat zij
bij hem aan huis komen.
(],.) fk sla. er ook niet voor in, dat die steen
altijd daar gelegen heeft.
((!.) Zij twijfelde er geen oogetiblik aan, dal
er verraad in \'t spel was.
(Sch.) Hij daehl aan wal het verleden hem
had ontnomen. Wat brui ik er me om, wal ze van me zeggen!
(P.)
Wij worden er te weinig aan herinnerd, werwaarts wc gaan. (I\\)
Beknopte oorzakelijke- voorwerpszinn e n bestaan uit een\'
infinitief met voorwerpen of bepalingen.
Mensehen liefde zou u verleiden, in stille weldaden Ie bewijzen. (L.)
Arme ouders zijn verlegen, hoe hunne kinderen in de algemeene vreugde
te doen deelen.
(L.)
b. Bijvoeglijke Zinnen.
§ 60. Bijvoeglijke bijzinnen dienen als bijvoeglijke bepaling
bij een woord, dat eene zelfstandigheid beleekent. Zij zijn meestal met
dit woord verbonden door: die, dat, wat, 7(>elk, hoedanig, hetgeen
(betrekkelijke voornaamw.) of door: waarop, waaronder, daar . . . op,
onder,
enz. (voornaamw. bijwoorden).
Hij, 7vien de natuur zulk een voorkomen geschonken heeft, kan ge-
makkelijk allen uit er lijken looi ontberen.
(V. L.) Onder deze omstandig-
heden was de eerste schilderij, welke hij naar de groot e tentoonstelling
zou zenden, klaar gekomen.
(I,.) De grendels, waarmede de deur was
gesloten geweest, werden met behoedzaamheid opengeschoven.
(V. L.)
Fdk zoekt geluk, maar talloos zijn de paden, waarlangs wij zoekend
grafwaarts gaan,
(St.) De glorie, daar ons hart naar haakt, ontstak
der Vaadren ziel.
(St.)
§ 61. Bijvoeglijke bijzinnen dienen ook ter bepaling van den inhoud
van een\' geheelen volzin. Deze laatste wordt dan als zelfstandigheid opge-
vat en kan dan ook door een naamwoord worden weergegeven.
Zijn broeder veinsde hem niet te begrijpen, \'/geen hem zeer verdroot.
welk veinzen, enz.) Hel was met een waar genoegen, dat iedereen
het theegoed zag wegnemen, waarna (— na welk wegnemen, enz.) wij
gezamenlijk eene wandeling in \'t dorp gingen doen.
(V. L.) De lieer
Ros verzocht mij, daar hij toch één\' weg mei mij op moest, hem mijn
gezelschap te schenken, waarop
(= op welk verzoek, enz.) wij hel huis
verlieten.
(V. L.)
-ocr page 37-
23
§ 62. Ook andere woorden, dan de beide in § 60 genoemde soorten,
kunnen een\' bijvoeglijken bijzin met den naam eener zelfstandigheid ver-
binden. Ze zijn de voegwoorden: dat, als, loeit, waar, wanneer, hoc,
vanwaar , wcrwaarts,
enz.
De ure ivas gekomen, dal de avond zijn\' grijzen sluier gelijkelijk
over alles dalen Hel.
(15.) De dag, als het nieuwspapier zulk een be-
richt inhoudt., is voor mij een feestdag.
(H.) De herbergzame Zwitser
heeft hier een huis gebouwd, waar gij den nacht kunt doorbrengen.
(G.)
Ik verbeeld mij, dat ik mij op het standpunt plaatsen kan, vanwaar
gij uwe vraag hebt gedaan.
(G.) Dit zeggende, opende hij de deur van
ceuc soort van keuken, alwaar ik eene oude vrouw zag nedergchurkt.
(V. [,.) „Wacht wat, mijnheer/" hadden de lui uit het naburig dorp
gezegd, wcrwaarts zij gereden waren.
(P.) De tijd, wanneer wij zullen
vertrekken, hangt nog van allerlei omstandigheden af. Hel al of niet
slagen hangt voor een goed deel af van de wijze, hoe men de zaak aanvat.
§ 63. Bijzondere opmerking verdienen de bijvoeglijke bijzinnen, die,
zonder voegwoord naast een naamwoord geplaatst, of daarmede door de
woorden dat en of verbonden, den inhoud te kennen geven, van het
begrip, in het naamwoord uitgedrukt. Zulke zinnen zijn: Hel bericht,
dal hij ging vertrekken, verraste mij. De twijfel, of hij wel komen
zou
, verontrustte ons. Men sprak luide het vermoeden uil, dat hij on-
schuldig was. Gij moet ook denken aan de mogelijkheid\', dat hij de
tijding te laat ontvangt. Dit doet niets af tot de vraag, wie gelijk heeft.
Het tneest kwelde ons de onzekerheid, welk pad wij moesten inslaan.
Ontleed den volzin: Morgen is hel Kerstmis. Maak een opstel over hei
spreekwoord: Nieuwe bezems vegen schoon.
Al deze bijzinnen geven
antwoord op de vraag: welk bericht. welke twijfel, welk vermoeden,
enz. en doen dus den dienst van bijvoeglijke bepalingen.
§ 64. Soms bebben zinnen, door of met den hoofdzin verbonden,
den aard van ontkennende bijvoeglijke bijzinnen. Zij hebben de ge-
wone en niet de afhankelijke woordschikking: Er was niemand, of
hij schreide r— die niet schreide. De algemeenheid van het stokpaard is
onbetwist. Er is geen man, hoe arm of hoe rijk hij ook zij
, of hij
houdt er ten minste een op stal.
(L.)
§ 65. Beknopte bijvoeglijke bijzinnen bestaan meestal uit een bijvoeg-
lijk naamwoord of deelwoord met of zonder bepalingen: Een kerk, zeer
oud, staat daar gebouwd.
(B.) De oude best, van steun beroofd, ver-
suft en zat van dagen, zat met haar voorschoot over
V hoofd haar nood
aan God te klagen.
(B.) Het veulen, dartiend in de wei, verheugt zich
u te ontmoeten.
(B.) Onder u hoort gij den stroom bruisen en ver tegen
u over, aan de andere zijde der 7>alleien, staal berg achter berg, zacht
glooiend of onafgebroken steil, met sneeuw op hunne hooge toppen be-
dekt , of mei zivarlc spitsen uil een lager sneeuwveld oprijzende.
(G.)
Knkele malen bestaan zij in hoofdzaak uit een\' infinitief: Hij was geen
man, om zijne meening te bewimpelen of de spitsheid er van te ver-
-ocr page 38-
24
zachten. (Sch.) De vraag, wat nu te doen, werd verschillend beantwoord.
Eenc bijstelling mag niet als een beknopte bijvoeglijke bijzin aange-
merkt worden. Zoo zou in den zin: Tk heb het van mijn\' oom, den-
notaris, gehoord
bij de vervanging door een\' bijvoeglijken zin de notaris
en niet den notaris moet geschreven worden.
c. Bijwoordelijke Zinnen.
§ tiH. Bijwoordelijke zinnen dienen ter bepaling der beteekenis van een\'
geheelen volzin, of van een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of
bijwoord.
Die bepalingen zijn: i. bepalingen van plaats, 2. van lijd,
3.   die eene oorzaak, reden, grond of een doel uit dr ukken,
4.   die een gevolg of eene gevolgtrekking behelzen, 5. die
eene voorwaarde, toegeving of beperking bevatten, 6. die
eene vergel ij king inhouden.
Beknopte bijwoordelijke zinnen bestaan uit een\' infinitief of deelwoord
met hunne bepalingen of voorwerpen. Het onderwerp, dat deze
beknopte bijzinnen bij de vervanging door een\' werke-
1 ij ken bijzin bekomen, is, in den regel, hetzelfde als het
onderwerp van den hoofdzin.
a. Plaatsbepalende zinnen.
§ 07. Zij komen in beteekenis overeen met bepalingen van plaats.
De voegwoorden, welke tot verbinding met den hoofdzin dienen, zijn:
waar, vanwaar, totwaar, waarheen, werwaarts.
Zij zal nu niet meer wonen, waar haar \'t licht geschonken 7t<erd. (B.)
Kijk, waar nu die schepen varen, heeft mijn vader mij verteld, dat
veel landerijen waren.
(B.) Daarom dan in vredesnaam, blijft nu,
waar gij zijl.
(B.) Waar men \'t wel heeft, daar heeft men zijn vader-
land. Ifij wandelde, waarheen hij wilde.
(V. L.) Alles vliedt, totwaar
de poort een weerbare engte biedt aan de ingestonken schaar.
(St.)
Verzekerd was hij er van, dat eene vaste hand hem geleid en gebracht
had, werwaarts hij niet had gewild.
(Sch.)
Men ver warre de plaatsbepalende niet met de onderwerp s- of voor-
werps-zinnen, welke met dezelfde woorden aanvangen. De laatste geven
steeds antwoord op de vraag wal? de eerste nooit. Vergelijk daartoe:
Hel is mij niet bekend, waarheen hij vertrokken is (onderwerpszin).
Ik weet niet, waar hij woont (voorwerpszin). (Vergel. ook § 62.)
/\'. Tijdbepalende zinnen.
§ 68. Zij komen in beteekenis overeen met bepalingen van tijd en
worden met den hoofdzin verbonden door de voegwoorden: als, wan-
neer, toen, nadat, sedert(dat), sinds(dat), nu, terwijl, tot(dat),
-ocr page 39-
25
voor(dat), eer(dat), alvorens, zoovaak (als), zoodra (als), zoo-
ras (als), zoolang (als).
Als en wanneer — bij dichters ook wen — wijzen op herhaalde
handelingen of toestanden; toen wijst op een bepaald feit in het verle-
dene; nadat, sedert en sinds wijzen op hetgeen voorafgaat; nu en
terwijl op gelijktijdige handelingen of toestonden; tot, voor, eer,
alvorens wijzen op \'tgeen volgt. Zoovaak (als), z o o d r a (als), z o o-
ras(als), zoolang(als) behooren oorspronkelijk in hoofdzinnen te huis,
die door vergelijkende bijzinnen worden gevolgd.
Als ik haar aanzie, dan herinner ik mij altijd mijn Klaar Ij e. (V. 1,.)
Als de Damiaatjes luien, gaan de kindertjes naar bed. (B.) De bloempjes
kusten haar den voet, wanneer zij trad door
7 veld. (B.) Toen ik de
stoep afging, zag ik hem plotseling voor mij staan.
„De heer Huick zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te
brengen
, Amalia /" zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken
in stilte gezeten hadden.
(V. L.) Zij had haren man lot bescherming en
sedert deze overleden is, woont haar zoon, een afgedankte varensgezel,
bij haar in.
(V. L.) De tijd ontdroeg ons \'t vijfde vijftal jaren, Cltar-
lotte, sinds gij naast mij stondt.
(St.)
Nu V nachtegaaltje ivederom een lied zingt in den hagedoren, nu blijf
ik ook niet langer stom.
(B.) De jonkmati fronste weder de wenkbrauwen,
terwijl een trek van gemelijkheid op zijn gelaat zichtbaar werd.
(Sch.)
Diodes bleef den afdalende onbeweeglijk naoogen, totdat deze bij een"
schuinschen keer van het pad verdween.
(G.) Gij moogt niet voorspellen,
voordat gij ondervraagd wordt.
(G.) Ik laat u niet los, eer gij mij nog
een paar inlichtingen gegeven hebt.
(G.) Hij besloot daar een oogenblik
uit te rusten, alvorens hij terugkeerde.
(B.)
Hel bed bestond uit eene harde peul, waarvan men de opvulsels niet
behoefde ie raden, want van alle zijden staken mij de puntige s/roo-
halmen in de lede?i, zoovaak ik mij ontwendde.
(V. L.) Hij heeft zijne
nicht dadelijk den arm geboden, zoodra zij de deur uit was.
(L.) Hij
besloot dit uit te vorschen en den Batavier daarover te onderhouden,
zooras de gelegenheid zich opdeed.
(V. L.) Ik geloof, dat de onderwij-
zer esse hel eene oog, zoolang zij uit de kamer is, in het paneel van de
deur geplaatst heeft.
(L.)
De bijzinnen, welke door middel van terwijl met den hoofdzin zijn
verbonden, zijn wel oorspronkelijk tijdbepalend en komen ook nog
wel als zoodanig voor, doch dikwijls dienen zij als bepaling van
omstandigheid. Zoo hebben we met eene bepaling van tijd te doen
in : Terwijl ik de brieven afmaak, kunt gij alvast de adressen schrijven,
doch met eene bepaling van omstandigheid in: Zij zag mij treurig aan,
terwijl een traan onwillekeurig haar oog ontgleed. Het huisje was lief
gelegen; voor kwam het uit op den brceden straatweg
, terwijl hel van
achteren uitzicht gaf op vruchtbare korenvelden en fraai geboomte.
Bij deze laatste zinnen toch kan men niet vragen: in welken tijd?
-ocr page 40-
2fi
§ 69. Slechts zelden vindt men toen aangewend, wanneer men van
eene werking in \'t verledenc spreekt, die als tegenwoordig wordt voor-
gestel\' 1: Eerst toen wij het kasteel geheel uit hel gezicht hebben ver-
loren , gunt hij zijn\' paarden wat zachter draf.
(B. T.) Gewoonlijk
gebruikt men in dat geval als.
Wanneer in den /.in van toen is verouderd: Wolf lag en sliep, een
maand geleén
, wanneer de martelaar hem in den droom verscheen. (St.)
Zoo ook als: fk zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek en was
juist van plan, de portretten te hulp te roepen, als mijnheer Kegge
zelf te huis kwam.
(B.)
Hij dichters komen ook wijl en daar voor in den zin van terwijl:
De brave zwoer \'t en rent van daar, wijl \'t nuchter veld nog dauwt.
(St.) /\'.\'// op een\' schoonen morgen sprak hij zijn huisvrouw aan, daar
vader in den armstoel zat, zoodat hij \'t kon verstaan.
(B.)
Nog vindt men enkele malen waar gebruikt in de beteekenis van
wanneer en t e r w ij 1: Heb eerbied voor de zilvren lokken; rijs op,
■waar u een grijze naakt.
(P.) Gij knort over mijne ongepaste weelde,
waar eenvoud mijn plicht was.
(B. T.)
S 70. Tot de tijdbepalende bijzinnen behooren ook die, welke door
middel van \'t voegwoord of met een\' hoofdzin verbonden zijn, die de
ontkenning van zekere tijdbepaling als: niet lang, niet zoodra,
niet zoo haast, enz. of een in beteekenis met niet lang overeenko-
mend woord als: pas, nauwelijks, nauw, ternauwernood bevat.
Deze bijzinnen waren oorspronkelijk ontkennend; wanneer men dan ook
de genoemde tijdbepalingen door niet lang vervangt en in den bijzin de
woorden terwijl niet brengt, krijgt men de eigenlijke beteekenis. Men
merke op, dat de zin na \'t voegwoord of de gewone woordschikking
heeft, zoodat de zinnen nevenschikkend schijnen verbonden. (Verg. §64.) Soms
kan het voegwoord of vervangen worden door toen zonder ontkenning.
Niet lang duurde het, of er kwamen nietiwe bedienden met andere
sjouwer lieden, die insgelijks kisten , balen of andere goederen aanvoerden.
(V. L.) Zoodra zit ik niet in eene diligence, mijnheer, zeide hij, of ik
ben een ander mensch.
(G.) Niet zoo haast had zij haar de verplichte
wellevendheidswoorden toegesproken, of zij had mijnheer de Vancy den
afgesproken wenk gegeven.
(B. T.) Pas was UEd. uit het oog, of daar
begon het lieve leven.
(V. L.) Nauwelijks waren wij echter onderweg,
of il; begon Ie begrijpen, dat ik een mal figuur maakte.
(L.) Hij mengde
en verdunde of verdikte de verven; maar nauw was het gedaan, of
zijn arm zonk machteloos aan zijne zijde neder.
(B. v. d. B.) Hel leed
geen honderd tellens, of Pietro had zijne mars bijna leeg verkocht.
(V. ],.)
Nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld werd en men hel
rijtuig kwam aankondigen.
(V. I„) Pas had ik naar gis een uur
geslapen, toen ik eene stem boven mijn hoofd hoor: omlaag\' hou I
(V. 1,.)
fk had nog nauwelijks met mijn\' zakdoek het stof van de bank van
\'t prieel geslagen, als de plaatsdeur openging en Kees/en verscheen.
(B.)
-ocr page 41-
27
§ 71. Beknopte tijdbepalende binnen bestaan hoofdzakelijk uit een\'
infinitief of een deelwoord.
Mij eene goede nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij hei veil\'rek.
(V. L.) Dit zeggende, drukte hij een\' hartelijke» kris oJ> het voorhoofd
zijner dochter.
(V. T,.) Tc Amsterdam gekomen, vond hij zijne ouders
over/eden.
(V. I,.) Na afscheid genomen te hebbeu, hielp ik Siizannc in
het rijtuig.
(V. L.)
c. Redengevende zinnen.
§ 72. Deze bijzinnen drukken 61" de oorzaak, of de reden of den
grond uit van de gedachte, in den hoofdzin vernield. De voegwoorden,
welke deze bijzinnen verbinden, zijn voor die der eerste soort: doordien
of doordat; voor die der tweede soort vooral omdat; ook: dewijl,
wijl, vermits, overmits, uithoofde; voor die der derde soort in
\'t bijzonder: daar, nademaal, aangezien, naardien en nu. Na-
demaal en overmits worden weinig gebruikt. (Verg. § 44.)
/Vet verguldsel had een\' knauw gekregen, doordien hel nog nat was,
toen hij {de schilder) zijn tafereel inpakte. (B.) Doordal hij tegen mij/f
arm slootte, vloog mij hel kopje uil de hand.
[k had bij mijn vertrek 7>an de Ridderhofstede niets gebruikt, omdat
hel mij nog te vroeg was.
(V. ],.) Zij sprak met vreugd van wat haar
nooit bekoorde
, alleett wijl haat gcbiedster \'t gaarne hoorde. (B.) Dewijl
de zaak van dringenden aard was, besloot ik onmiddellijk te vertrekken.
(V. I,.) Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk
van Tante was, met ons naar eene boerderij te rijden
, welke zij in de
omstreken van Oud-Naarden had gekocht.
(V. L.) Gij zult onderstuur-
man bij mij worden, overtnils ik den mijnen in het laatste gevecht
heb verloren.
(V. L.) Ik kan niet naar Deventer terugkeeren, uithoofde
mijne familie van huis is
, zoodat ik mij alleen bruinde. (V. I..)
Daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naarden een oogenblik o/> lc
houden, zullen wij even goed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen.
(V. 1,.)
Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker voor, nademaal ik begreep, dal
ik op die wijze mijne twee vurigste wenschen zou kunnen bereiken.
(V. [..)
Aangezien wij in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dal gij hel recht
hebt mij te beletten te gaan
, waarheen ik wil. (V. L.) Naardien hem
dit door zijn\' meester zelf bevolen was, kon deze onmogelijk zijne han-
delwijze afkeuren. Nu het heilig woord der trouwe gegeven is, moei
het ook dierbaar gehouden worden.
(B. T.)
§ 73. Men herinnere zich hier het onderscheid tusschen een oorzake-
lijk voorwerp en eene bepaling van oorzaak of reden. (Zie §§
11 en 13.) Al de boven opgegeven redengevende zinnen kunnen vervan-
gen worden door bepalingen van oorzaak en reden of grond,
geen enkele door een oorzakelijk voorwerp. Wanneer men omge-
keerd een\' oorzakelijke-voorwerpszin neemt, en het voegwoord
-ocr page 42-
28
dat, wat slechts bij enkele mogelijk is, vervangt door omdat, krijgt
de volzin onmiddellijk ook eene andere beteekenis. Men vergelijke slechts:
Ik schaam mij, dat ik zijn vader ben met: Ik schaam mij, om dal ik
zijn vader ben.
In het eerste geval geeft de bijzin de zaak te kennen
met betrekking tot welke men zich schaamt; in \'t laatste geeft men
de rede n op, waarom men zich schaamt; \'t is alsof men zeide: de reden
van mijne schaamte ligt in mijn vaderschap over hem, niet in iels anders.
Metzelfde verschil merkt men ook op tusschen de zinnen: Ik ben blij,
dat g-ij komt
en Ik ben blij, omdat gij komt, enz.
§ 74. Opmerking verdienen volzinnen als: Wel moet hij blijken van
goede trouw gegeven hebben, dat hij in dezen kring is opgenomen.
(Sch.)
Kcndet gij den prediker, dat gij op hem bleeft wachten? (Sch.) Gij
zijl dan ritmeester of kolonel, dat gij over manschappen en geld hebt
Ie beschikken?
(B. T.) In deze volzinnen drukt de bijzin, welke met dat
aanvangt, den grond uit van de gedachte, in den hoofdzin uitgedrukt.
Immers de beteekenis dezer zinnen is: Dat hij in dezen kring is opge-
nomen, brengt mij tol de gevolgtrekking: Wel moet hij blijken van
goede trouw gegeven hebben. Dal gij op den prediker bleeft wachten,
brengt mij tot de vraag: Kendct gij hem?
enz.
§ 75. Tot de redengevende bijzinnen behooren ook die, welke aan-
vangen met een hoedanigheidswoord, gevolgd door: als, gelijk ik ben,
daar gij zijl
, enz.: Hooft had Petrarca en Guarini beurtelings hel oor
geleend, meesters als hij die achtefi mocht.
(P.) Vroom en vroed als hij
was
, onderscheidde hij in het ruwe maar ronde volk al de kiemen van
ecu\' krachtigen staat.
(P.) \'t Moet wel aaklig met je loopen, arme
drommel daar je bent.
(B.) Immers deze bijzinnen hebben ongeveer de
beteekenis van: daar hij die meesters achten mocht, daar hij vroom en
vroed was, daar je een arme drommel bent.
§ 76. Beknopte redengevende zinnen bestaan hoofdzakelijk uit een deel-
woord of uit een\' infinitief. Wij rekenen daartoe ook die, welke met het
voorzetsel met aanvangen en dus meer een middel dan eene oorzaak
aanduiden.
Vol geloof {zijnde\') aan den adel der menschelijke natuur, erkende hij
haar onvervreemdbaar recht op vrijheid van geweten.
(P.) Voorzichtig
van aard zijnde, droeg zij zelfs bij \'t helderste weder \'s zondags altijd
eene zijden parapluie.
(L.) Eenig kind van rijke ouders (zijnde), had
zij in hare jeugd iedere harer luimen gevierd gezien.
(P.) Zij gaven
hunne goedkeuring Ie kennen, door naar \'s lands wijze met de speer
te schudden of die tegen de schilden te laten weerklinken.
(V. L.) Met
hem een weinig te gemoet te komen, maakte ik, dat Pieler binnen kort
al vrij wel slag met mij hield.
(B.)
d. Doelaanwijzende zinnen.
§ 77. Zij geven het doel te kennen van de werking, in den hoofd-
zin genoemd. De voegwoorden, die \'t zinsverband uitdrukken, zijn:
-ocr page 43-
29
opdat en ten einde. Het laatste is deftig en komt ook weinig voor.
Men had u alleen verzocht, opdat gij, om zoo te zeggen, de kaarsen
zoudt snuiten.
(L.) Sla mij toe den onderscheiden indruk [door de oudere
en de nieuwere kunst gewekt) door vluchtige trekken in schels te brengen
,
ten einde de poging mij vrijware van de blaam der partijdigheid. (P.)
Soms gebruikt men alleen dat: Het hof vertrek hield het licht nog buiten,
dal geen middaggloed de zeekaart trof\', die aan den effen wand veel-
vervig pronkte.
(St.) Ifij kome schielijk, dat dit afgedaan zij. (B. T.)
§ 78. Men herinnere zich hier \'t onderscheid tusschen een oorzake-
lijk voorwerp en eene bepaling van doel. (Zie §§ n en 13). Men
zal dan \'t verschil in beteekenis begrijpen tusschen: Ik zal mijti best doen,
dat ik op den bepaalden klaar ben
en: Ik zal mijn best doen, opdat
ik op den bepaalden tijd klaar ben.
De eerste bijzin geeft de zaak te kennen ,
met betrekking tot welke men zijn best zal doen, de laatste noemt
het doel, waarmede de handeling plaats heeft. Tevens zal men dan
inzien, dat de beide laatste volzinnen van de vorige paragraaf, ondanks
het voegwoord dat, een\' doelaanwijzenden bijzin bevatten.
§ 79. Beknopte doelaanwijzende zinnen bestaan hoofdzakelijk uit een\' in-
finitief, voorafgegaan door een der voorzetsels: om (te) of ten einde (te).
Gij zijl gekomen, of om onderwezen, of om onderhouden, of om
beiüogen te worden.
(G.) Ik mag het paar, dat met een opgeruimd gelaat
de komst van hunne kinderen of kleinkinderen verbeidt, ten einde samen
uitgang en ingang te vieren.
(P.) Ik heb den kinderen wat knikkers
gegeven, om er mede te spelen.
(Zie § 66.)
e. Gevolgaanduidende zinnen.
§ 80. Onder dezen naam vatten wij die bijzinnen samen, welke óf
een gevolg öf eene gevolgtrekking inhouden van \'tgeen in den
hoofdzin wordt vermeld.
Deze bijzinnen dienen of als bepaling van gevolg, öf als bepaling
van hoedanigheid, of als bepaling van graad.
Houden zij eene bepaling van gevolg in, dan vermeldt de hoofdzin
daarvan öf de oorzaak, öf de reden öfden grond. Vermeldt de
hoofdzin de oorzaak, dan dienen ter verbinding de voegwoorden zoo-
dat en van daar dat; drukt hij de reden uit, dan bezigt men vooral
waarom en weshalve; bevat hij den grond van de gevolgtrekking
in den bijzin, dan gebruikt men zoodat en weshalve.
Elk kozijn was weer in twee deelen gesplitst, zoodat het raam slechts
zeer klein was.
(Sch.) Hier begon hij tot zijne broeders zeer zacht te
spreken, zoodat lalckestein geen woord meer van \'t gesprek kon opvan-
gen.
(V. L.) Ik ben lang ongesteld geweest; vandaar dat ik met mijn
werk heel wat ten achteren ben geraakt. Hij heeft mij schandelijk be-
drogen
, waarom ik hem nu ook deze zaak niet toevertrouw. De heer
van Beaumont heeft iets met u te verhandelen
, weshalve wij u zullen
-ocr page 44-
80
verlaten. (V. L.) Ik heb hem gisteren avond nog- gezien, zoodat hij on-
mogelijk nu reeds te Berlijn kan wezen. Het achterraam werd open
gevonden
, weshalve de dieven zeker daardoor ontsnapt zijn.
Dienen de gevolgaanduidende bijzinnen als bepaling van hoedanig-
heid of graad, dan vindt men in den hoofdzin het bijwoord 7, o o en aan
\'t hoofd van den bijzin het voegwoord dat. Ook woorden als zulk en zoo-
danig, zooveel, dermate, in die mate, in zooverre kunnen
zulk een\' bijzin aankondigen. Soms bedient men zich enkel van \'t voeg-
woord dat.
Hij heeft de kast zoo (zoodanig) gemaakt, dat alle deelen uit elkander
kunnen genomen worden. Het was zoo stil, dal men een blad kon hoo-
rcn vallen.
(V. L.) De kleinste zaken veroorzaken bij hem vlagen van
zulke hevige vaderlandsliefde
, dat hij in dergelijke oogenblikken een
verheven schouwspel oplevert voor degenen
, welke gelegenheid hebben
hem te zien.
(L.) Het heeft mij zoodanig verschrikt, dat ik aan \'t pein-
zen ben gegaan, in \'t bijzonder
, hoever die oordeelvelling op waarheid
gegrond kan wezen.
(G.) Het verhaal van eene ramp schokte hem
dermate, dat de blos van de wang week.
(Sch.) Op het gevoelig gelaat
van Will stond zooveel ingehouden smart te lezen, dal het Afylady
trof.
(Sch.) Hij had ten laatste in die male zijne bedaardheid her-
kregen , dat hij woorden kon vinden om te tiilen, wal er daar binnen
broedde en ziedde.
(Sch.) Hij is in zooverre hersteld, dal hij eens mag
gaan wandelen.
(G.) Hij gaf den twistzoekenden gast een\' stoot in de
borst, dat der.e achterover tuimelde.
(V. L.) Hier is de bel; als je wat
nood/g hebt, dan rammel je maar, dat het huis dreunt.
(B.) Het vriest,
dat hel kraakt. liet regent, dat het giet.
§ 81. Opmerking verdienen de gevolgaanduidende zinnen, welke door
de woorden dan dat met den hoofdzin zijn verbonden. Zij komen voor
bij de hoofdzinnen, welke een bijvoegl. naamwoord of bijwoord bevatten,
dat door de bepaling van graad te wordt voorafgegaan en komen overeen
met ontkennende bijzinnen, die verbonden zijn door zoo — dat.
Mijn lijd is te kostbaar, dan dal ik dien besteden zou, om sprookjes
aan te hooren of leugens te weerleggen.
(Sch.) De gehate man stond te
hoog en was zelf te groot, dan dat zijn val niet eene pijnlijke spanning
zou veroorzaken.
(Sch.)
§ 82. <>ok zijn er gevolgaanduidende zinnen, die oorspronkelijk ont-
kennend waren en dan ook door ontkennende kunnen worden vervangen.
Zij zijn met den hoofdzin verbonden door of en hebben de gewone
woordschikking. (Verg. §§ 64 en 70.)
De weg over de Furca zal zóó niet wezen, of wij zullen er wel
overheen komen
(G.) = dat wij er niet overheen zullen komen. Hij was
ook niet zoo schuchter, of hij durfde loonen
, dat zij hem eerbied en
dankbaarheid inboezemde.
(Sch.)
§ 8!{. Beknopte gevolgaanduidende zinnen bestaan uit een\' infinitief,
voorafgegaan door de voorzetsels te of om te.
-ocr page 45-
31
Hij was te verstandig, bij deze gelegenheid zijn neef schap te laten
gelden.
(B.) Hij\', de nieuweling in de staatkunde, hij was behendig
genoeg, om Wolsey te verschalken
, hij was voorzichtig genoeg, om de
hand niet aan Luther te slaan.
(P.) Hare Majesteit was niet in eene
stemming, om zich te laten verhooren.
(Sch.) fs hel niet, om razend te
worden?
(L.) /fij zette een gezicht, om er bang voor te worden. (Vgl.
§ 66.) Hij was zoo vriendelijk, mij de noodige aanwijzingen te geven.
Wij zijn zoo gelukkig, n die heuglijke tijding te mogen brengen.
f. Voorwaardelijke zinnen.
§ 84. Onder voorwaardelijke /innen verstaan wij niet alleen de bij-
zinnen, die eene voorwaarde bevatten, maar ook die, welke eene
onderstelling inhouden. In zinnen als: Wanneer gij hard loopt, zult
gij nog intijds aan
7 station zijn. Als gij onrijpe vruchten eet, wordt
gij ziek,
bevat het eerste lid eene voorwaarde; in de zinnen: Als de
hoeken van dien driehoek gelijk zijn, dan zijn ook de zijden gelijk.
Als hij doorgespoord is naar Brussel, kan hij van avond niet thuis
komen
, drukt het eerste lid eene onderstelling uit.
Wanneer eene voorwaarde in vervulling gaat, wordt ook
hetgeen de hoofdzin uitdrukt, verwezenlijkt; wanneer eene onder-
stelling als waarheid aangenomen wordt, moet ook \'tgeen de
hoofdzin uitdrukt, als waarheid gelden. In het eerste geval kan men
altijd zeggen : Wanneer dat gebeurt, zal het gevolg zijn of kunnen zijn ,
dat, enz.
In het laatste geval: Wanneer dat waar is, kunnen wij daar
uil het besluit trekken, dat, enz.
Kigenlijk voorwaardelijke zinnen worden met den hoofdzin verbonden
door de voegwoorden: als, indien, wanneer, mits, bijaldien,
ingeval, tenzij en tenware. Onderstellende zinnen beginnen in den
regel met: als, zoo en indien. Als komt in de spreektaal \'t meest
voor; indien en wanneer meer in de schrijftaal. Mits stelt eene
nadrukkelijke voorwaarde. Bijaldien wordt weinig gebruikt; het staat
ongeveer gelijk met indien. Ingeval stelt den inhoud van den bijzin
als vrij onzeker voor. Tenzij en tenware zijn ontkennend voorwaar-
delijk; zij worden meestal met een\' ontkennenden hoofdzin verbonden.
De bijzin, door tenware verbonden, bevat eene gedachte, die waar-
schijnlijk met de werkelijkheid in strijd is. Of komt nog enkele malen in
den zin van indien voor; dan is wel eens de hoofdzin weggelaten.
Als het regent, worden de straten vuil en glibberig, fndien hef u
eens gelukt, de handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door
mededeeling van
7 gebeurde, mijn\' vader eene gunstige gedachte jegens
u te doen opvatteti.
(V. L.) Wanneer wij zoo terstond bijten aan het
eerste aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans, dat hij ons niet
loslaat.
(V. 1,.) Ik wil gaarne mededeelen , wat ik van Rolandseck weel,
mits Diodes mij niet telkens in de rede valle.
(O.) Reede hield vol drift
-ocr page 46-
32
zijn paard staande en zou den teugel op den vreemdeling gewend hebben,
bijaldien Falckeslein hem niet weerhouden had en genoodzaakt mede
voort te rijden.
(V. I,.) Uw titel als Meester in de Rechten zal nog
eenigen invloed bij hem hebben, ingeval hij eens koppig ware en geen
ongelijk wilde bekennen.
(V. L.) Maar Mevrouw durft de moeder van
Ko niet onder de oogen komen , tenzij ze het stukje van Ko gezien heeft.
(B.) Wat ziel zijl Raad eens even voor de aardigheid, tenware u, wal
zij zag, door andren was gezeid.
(St.) Als men denkt, dat ik zal toegeven,
vergist wen zich zeer. Zoo ik wel onderricht ben, heeft de heer Blaeck
een aanzienlijk vermogen in de Oost-Indien verworven.
(V. L.) Indien
de aarde een plat vlak was, zouden ivij, aan \'t strand slaande, niet eerst
alleen de masten der schepen zien. fk ben hare moeder,
(ik zeg je dit)
of je \'t niet wist. (P.) Of ge potlood en papier ter hand hadt, ik schetste
u, hoe fan uit vrijen ging.
(1\\)
§ 85. Voorwaardelijke zinnen kunnen ook in den vormvan vragende
of gebiedende zinnen voorkomen. In dat geval drukt men door den
vorm van den bijzin het zinsverband uit; immers vragende en gebie-
dende zinnen houden eene gedachte in, die misschien geene werkelijkheid
is of zal worden, en komen dus in dit opzicht overeen met eene onderstel-
ling of voorwaarde.
Wordt u de aarde droef en duister, zie omhoog naar \'s hemels luis-
ter.
(B.) fs dit het geval geweest, dan heb ik mij aan eene persiflage
schuldig gemaakt.
(L.) Door kerf één\' draad, uw parelsnoer strooit al
zijn\' rijkdom langs den vloer; ontstem één\' snaar, uw harp moet zwijgen.
(B.)
§ 8(i. Er zijn ook voorwaardelijke bijzinnen, die de gewone woord-
schikking hebben en door of met den hoofdzin zijn verbonden: fk kan
niet anders zeggen
, of zijne wapenrusting staat hem goed. (V. L.) Hij
wist niet beter, of hel behoorde zoo.
Zij zijn oorspronkelijk ontken-
nende zinnen; de eerste beteekent eigenlijk: Indien zijne wapenrusting
hem niet goed staat, ik kan niet anders zeggen;
de tweede: Indien het
zoo niet behoorde, hij wist niet beter.
(Vgl. §§ 64, 70, 82)
§ 87. Beknopte voorwaardelijke zinnen bestaan uit een deelwoord of
infinitief met hunne bepalingen.
Eenmaal in het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar hel meer
van Maracaïbo wel weergevonden hebben.
(V L.). Op een\' genoegzame//
afstand gezien, wordt het voorwerp den kunstenaar eene aanleiding tot
algemeene begrippen, die de eene gedachte na de andere opwekken.
(G.)
In de volgende door het gebruik gewettigde uitdrukkingen, treft men
beknopte zinnen aan, waarvan het onderwerp niet overeenkomt met dal
van den hoofdzin:
Oprecht gesproken, gij hadt hem wel wat zachtzinniger kunnen be-
handelen. Genomen, aangenomen, gesteld, ondersteld, dat dit \'l geval
ware, wat zou daaruit volgen ? Naar uwe. uitdrukkingen te oordeelen,
schijnt hij niet bij u in de gunst te staan. Uw leven is toch zoo treurig
niet
, te oordeelen naar hetgeen gij er zelf van vertelt. (B. T.)
-ocr page 47-
33
De woorden: genomen, gesteld, aangenomen, ondersteld (dal) kan men
tegenwoordig ook als onderstellende voegwoorden beschouwen. Immers
men kan ze vervangen door: zoo, indieti, enz. (Verg. § 339)
§ 88. Ofschoon de beknopte bijzinnen in den regel niet met een voeg-
woord aanvangen, is dit toch wel het geval in een\' zin als: Gij kunt,
mits ijverig werkende, nog wel op den bepaalden tijd klaar komen.
Hier dient mits, om de voorwaarde meer nadruk te geven.
Daarentegen zijn de volgende voorwaardelijke bijzinnen niet beknopt,
maar onvolledig, daar zij geen infinitief of deelwoord tot hoofdwoord
hebben : Zoo noodig, zullen wij moei Peggy uit hare rust opschellen. (Sch.)
Zoo iets, hel komische moet uit hel leven zijn gegrepen. (P.) Daarvan
mag ik zeggen, wat ik wil, mits niets goeds.
(V. L.) Ik neem die waren
niet, tenzij tegen de helft van den prijs.
g. Toegevende zinnen.
§ 89. Toegevende bijzinnen zijn zulke, die, ofschoon met den
hoofdzin in strijd, toch niets te kort doen aan den inhoud van dien
hoofdzin. Zij heeten zoo, omdat de spreker de werkelijkheid of mogelijk-
heid der uitgedrukte gedachte toegeeft of erkent.
De hoofdzin, waarbij de toegevende bijzin behoort, vormt daarmede
eene beperkende tegenstelling; vandaar dat de bijwoorden toch,
echter, evenwel, nochtans, enz., welke dit zinsverband uitdrukken ,
ook in de hier bedoelde hoofdzinnen kunnen voorkomen. (Vgl. § 41)
De toegevende voegwoorden zijn: ofschoon, schoon, of, hoewel,
alhoewel, hoezeer, niettegenstaande (dat), in weerwil (dat).
Ofschoon ik mijn best doe, merk ik niet, dat ik verder kom. Schoon
hij mij hier al mei vrede liet, hij zou mij op den weg kunnen vervol-
gen.
(Sch.) Of Mylord hun ook op hoogen toon beval te blijven en hen
waarschuwde; of hij er al van gewaagde, dat de hoogste ongenade
„ Zijner Majesteit hen treffen zou, het baatte niets. (Sch.) Hoewel ik mij
niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch
eetie enkele maal.
(B.) Hoezeer de geest ook is gesterkt geworden ge-
durende deze twee dagen, zijn zij toch vermoeiend geweest voor het
lichaam.
(G.) Hij had met de vrijmoedigheid van een\' koopcr den mantel
betast, dien opengeslagen en daaronder gespeurd en geloerd, niettegen-
staande de eigenaar ontkennend met het hoofd schudde.
(Sch.)
Gelijk men ziet, dienen meermalen de bijwoorden al en ook, om
de beteekenis der toegevende voegwoorden te versterken. Deze woorden
kunnen ook in een\' toegevenden bijzin voorkomen, die niet met een voeg-
woord aanvangt; de bijzinnen hebben dan de vragende woordschikking.
Staat al aan het hoofd van den bijzin, dan heet het ook wel een toege-
vend voegwoord: De leeuwrik zong haar in \'t gemoet, al heeft zij
V nooit verteld. (B.) Stond Lucy ook in druk gesprek met den koning,
zij hield echter een wakend oog op haar\' broeder geslagen.
(Sch.)
T. TEKWEY, Ned. Sfraakk. Se druk.                                                                  3
-ocr page 48-
34
§ 90. De toegevende bijzinnen kunnen ook de gewone woordschik-
king hebben. Zij staan dan zonder voegwoord naast den hoofdzin: De
koevoet knars\', de hamer bonz\', nog luider giert de wind.
(St.) Moeite
mocht het haar kosten, eer zij slaagde, hel was niet die, welke haar
afschrikte.
(P.) Die mededeeling deed haar hel besluit opvatten, den
man, het kostte wal hel wilde, te verwijderen.
(Sch.) Buig u, wendu,
krom h zooveel gij wilt, de derde schilderij valt niet te genieten.
(P.)
§ 91. Dikwijis beginnen de toegevende bijzinnen met een vragend
voornaamwoord of bijwoord, dat in dit geval eene onbepaalde betee-
kenis krijgt. Men laat dan immers de opvatting van dat voornaamwoord of
bijwoord geheel aan den hoorder over: Wie smalend tot uw hutje kwam,
niet ik, gij kind van Abraham!
(St.) Wie ge ook zijt, wees die ge
zijl.
(B.) Ik zal er hel mijne van hebben, wal het ook kosten moge.
(V. L.) Zoo ge reist om te reizen, beloof ik u evenmin een\' schat van
wetenschap, in ivelk vak gij ook werkzaam zijt.
(G.) Hoe ernstig ook
de omstandigheden waren, toch begreep Mylady die niet.
(Sch.)
ij 92. Beknopte toegevende bijzinnen bestaan hoofdzakelijk uit een
deelwoord met zijne bepalingen. Ten einde duidelijk te doen uitkomen,
dat men deze woorden als een\' toegevenden zin wil opgevat hebben, gebruikt
men in den hoofdzin gewoonlijk een der beperkend tegenstellende bijwoor-
den : evenwel, echter, toch, enz.
Opgevoed {zijnde) in den dampkring van hel keizerlijk hof, gevoelde
hij {Willem I) toch menschelijk genoeg, om deernis te hebben met ver-
drukten.
(P.) Met zware straf bedreigd {wordende), indien zij hunne
overtuiging niet verloochenden, bogen zij echter niet. De winter heeft,
hoe grijs van kin {zijnde), een kleur als melk en bloed.
(St.)
F,venals wij dit bij de voorwaardelijke zinnen hebben gezien, begint
ook een beknopte toegevende zin soms met een voegwoord: Ofschoon
nog niet geheel hersteld {zijnde), ging hij weer vol vuur aan den arbeid.
Hoewel teleurgesteld {zijnde) in zijne verwachtingen, verviel hij niet
tot wanhoop.
h. Beperkende zinnen.
§ 93. Wanneer de bijzin dient om de gedachte, in den hoofdzin uit-
gedrukt, te beperken, \'tzij door te kennen te geven, in hoeverre die
gedachte werkelijkheid is, \'tzij door daarvan eene andere gedachte a f t e
zonderen, of ook door eene uitzondering daarop te noemen, dan
draagt hij den naam van beperken den zin. In \'t eerste geval wordt
het zinsverband uitgedrukt door de voegwoorden: voor zooveel, voor
zooverre, in zooverre, in \'t tweede door zonder dat en in\'t laatste
door: behalve dat, uitgezonderd dat en dan.
Hij had haar bittere en bange oogenblikken doen doorbrengen en
daarvoor had zij zich voorgenomen vergoeding te schenken, voor zooveel
dat in hare macht stond.
(Sch.) Het boekje zag er nog al goed uit,
voor zooverre het hem reeds bekend was.
(L.)
-ocr page 49-
35
Hij was mij op zij gekomen, zonder dat ik het bemerkt had.
Hier zweeg Scaevola, behalve dat hij betuigde, de schrijver niet te
zijn.
(G.) Dit feestvertrek voldoet nog aan de vereischten, uitgezonderd
dal de hooge schouw en de brandstapel, van turfmuren en beukenblokken
opgebouwd
\', verdwenen zijn. (P.) Het hoofd der Norlhumberlaiids heeft
niemand onder de zon te gehoorzamen
, dan zijn1 Koning en zijn ge-
weten =z behalve dat hij zijn\' Koning en zijn geweten te gehoorzamen
heeft.
(Sch.) Ik lees geen nieuw boek dan tot mijne verpoozing - behalve
dat ik een nieuw boek lees tol mijne verpoozing.
(B.) Miss Mac Roy
had geene oogen dan voor \'t schaakbord.
(B.) Vooral moet er niet gescho-
ten worden, dan op de Spanjaarden, die te water gaan.
(V. L.)
Volzinnen als de vier laatste behooren oorspronkelijk tot de vergelij-
kende; dit blijkt uit het gebruik van \'t voegwoord dan en hieruit, dat
men achter de ontkennende woorden ander of anders kan plaatsen.
Daar echter \'t begrip der vergelijking geheel op den achtergrond is
getreden, en voor dat eener uitzondering heeft plaats gemaakt, be-
hooren zij thans tot de beperkende zinnen.
Tot de beperkende zinnen behooren ook: Wat mij betreft, aangaat,
belangt, aanbelangt, ik geef volgaarne daartoe mijne toestemming. Voor
mij, hoe onzekerder, hoe liever, wanneer hel phantasie en gevoel geldt.
(G.) Wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden, er volkomen bekend
mee te wezen.
(B.)
8 94. Er zijn ook beperkende bijzinnen, welke de gewone woord-
schikking hebben en door of met den hoofdzin zijn verbonden: Hij
komt nergens, of zijne dochter vergezelt hem. Zij ging nooit uil, of zij
waarschuwde eerst hare huisgenooten.
Immers deze zinnen beteekenen :
zonder dat zijne dochter hem vergezelt; zonder dat zij hare huisgenooten
waarschuwde.
(Vgl. §§ 64, 70, 82 en 86)
§ 95. Beknopte beperkende zinnen zijn die, welke bestaan uit een\'
infinitief, voorafgegaan door de voorzetsels zonder te:
Zij zonk plotseling aan zijne voeten neer, zonder iels meer te zeggen.
(Sch.) Zonder een blijk te geven, dal hij haar herkende, keerde hij zich
weder om.
(Sch.)
*\'. Vergelijkende zinnen.
§ 96. Deze bijzinnen houden eene vergelijking in, welke ter bepa-
ling van den inhoud des hoofdzins of van een deel daarvan dient.
Het doel, waarmede de vergelijking wordt gebezigd, is drieërlei: zij kan
de geheele gedachte, in den hoofdzin uitgedrukt, betreffen, of zij dient
als bepaling van hoedanigheid of graad.
De verhouding tusschen de vergeleken gedachten of begrippen is mede
verschillend: zij komen w e r k e 1 ij k of s c h ij n b a a r met elkander over-
een, of zij zijn ongelijk aan elkander. In \'t eerste geval wordt het
zinsverband uitgedrukt door de woorden: gelijk, zooals, evenals,
3*
-ocr page 50-
3fi
als, en bij ontkennende zinnen door evenmin als; bij schijnbare over-
eenkomst bedient men zich van de woorden: alsof, als, of; om onge-
lijkheid uit te drukken, dient het woord dan.
Wanneer als in de plaats van alsof komt, heeft de bijzin den vorm
van den vragenden zin. Dit komt, doordien de vergelijkende zinnen met
alsof een\' voorwaardelijken zin bevatten, bijv.: Hij deed, als [hij zou
doen), of (indien) hij
V niet wist. Laat men nu \'t voegwoord o f (indien)
weg, dan krijgt de voorwaardelijke zin de vragende woordschikking, dus:
wist hij \'t niet. (Verg. §§ 84 en 85)
Werkelijke overeenkomst bestaat in de volgende zinnen:
Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huishoudkamer
aan den wand de levensgroole en zeer behaagzieke portretten van mijn-
heer en mevrouw.
(B.) Evenals Champignon is Janseti met niets begon-
nen.
(L.) Uw feest hul slaat bij ons geplant, als eens in V Palestijnsche
land.
(St.) Op de Ionische zee drijven de schepen, als stille zwanen,
rustig op den vloed; op de Noordzee zweven zij, als meeuwen, op flad-
derende vleugels aan den horizont.
(G.)
Doe u voor, gelijk gij zijl. (B.) De wereld is, zooals zij is; men moet
wat nemen en wat geven.
(B.) Dat toont een\' moed, zooals die anderen
daar ginds ook moesten loonen.
(Sch.) Zulke menschen, als deze, ontmoet
men zelden. Een staatsman, als Oldenbarnevelt en een veldheer, als
Maurits, waren een zegen voor de jeugdige Republiek.
Zoo mager werd hij als een hout en zag den dood nabij. (B.) De
man, wiens woord van eer voor \'t gerecht even zwaar weegt, als de eed
van een eenvoudig burger.
(L.) Zijn vader is echter, niettegenstaande
zijn pochen, evenmin op zijn gemak, als de overige leden zijner familie.
(L.) Zulk eene verrassende afwisseling van groots en liefelijks, hards
en zachts, als ik hier ontmoette, was mij nog vreemd.
(G.)
Schijnbare overeenkomst vindt men in:
„Voortf" riep hij den roeiers toe, of zij de spanen te traag in het
water sloegen, schoon hunne gespierde armeti de slagen verdubbelden.
(P.) Alsof zij begreep, thans te hebben uitgediend, dribbelde zij het
vertrek uit en den dorschvloer op.
(Sch.) Alles was er donker en stil,
alsof er geen enkel levend wezen ademde.
(Sch.)
Ook kijken die heeren (de Italianen), sedert zij meesters in Lombardije
zijn, alsof zij de beheerschers der wereld waren.
(G.) De kranke zag beiden
beurtelings aan, of hij in hare zielen lezen wilde.
(P.) Den ouden was
het, als hadden zij een kind uit den dood wedergekregen.
(V. d. P.)
Hel regende zoo hard, alsof het water met emmers van den hemel
werd gegoten. De slarreljes flikkerden zoo helder, als waren zij blijde
met de menschen.
Ongelijkheid bestaat in onderstaande zinnen. De vergelijkende
bijzin dient hier enkel als bepaling van hoedanigheid of van
graad.
Tot bepaling van hoedanigheid dienen:
-ocr page 51-
37
Dit is andere kost, dan gij in den kelder hebt. (L.) Wat zijn woorden
anders, dan ellendige werktuigjes, die men noodig heeft, om zijne zaakjes
mee te deelent
(G.) Wal is jeugd zonder liefde, dan een lcnlelandschap
zonder zon?
(B.)
Tot bepaling van graad dienen:
Geen vader ?vas gelukkiger of rijker dan jan jansz. (G.) Zij geleek
op hare moeder, maar keek wat pittiger uil de oogen dan deze.
(B.)
Wat is kwellender dan een beweeglust, die geenc ruimte vindt ? (G.)
Zooals men in bovenstaande voorbeelden heeft kunnen opmerken, zijn
de vergelijkende zinnen zeer dikwijls onvolledig. De aanvulling dient na-
tuurlijk in overeenstemming te zijn met den bouw van den hoofdzin.
Zoo behoort in den zin: Hoe zoudt gij dan van een" armen nar als
mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde ?
(V. L.) de vergelijkende
bijzin opgevat te worden als: (zod)als gij dit van mij vergt en niet als:
(zoo)als ik ben.
§ 97. Tot de vergelijkende bijzinnen rekent men ook dezulke, die
eene opmerking bevatten, welke dient, om door middel eener vergelijking
den inhoud van den hoofdzin te verklaren of te bevestigen. Zij worden
met den hoofdzin verbonden door: g e 1 ij k, zooals, a 1 s, n a a r: Gij
zijt, gelijk men zegt, onder den adel verzeild geraakt.
(L.) Die put,
die is daar altijd niet geweest, zooals gij hooren zult.
(B.) Zij kon
omstreeks zestig jaar oud zijn, als eenige te voorschijn komende grijze
haren deden vermoeden.
(Sch.) Een touw verving, naar het scheen,
de leuning der trap,
(B.)
§ 98. Beknopte vergelijkende bijzinnen bestaan hoofdzakelijk uit een\'
infinitief: Hij zal eerder alles opofferen, dan zulk eene laagheid te
begaan. Dat volk zou liever van honger sterven
, dan hel zijnen priesters
aan iets te laten ontbreken.
(V. L.) Daarentegen is in volzinnen als:
Hel is zaliger te geven dan te ontvang-en. Gij moet hel toch beter vin-
den , den ongelukkige te helpen, dan hem aan zijn lot over te laten,
de laatste beknopte bijzin eenvoudig een onderwerps- of voor werp s-
zin, waarvan de hoofdzin is weggelaten.
k. Verhoudingszinnen.
§ 99. Bij de vergelijkende zinnen sluiten zich de ver hou dings zin-
nen aan. Zij dienen als bepaling van graad bij een\'hoofdzin, waarin
eene werking of hoedanigheid genoemd wordt, die in denzelfden graad
toe- en afneemt, als de werking of hoedanigheid, in den bijzin vermeld.
De verbinding wordt bewerkt door de uitdrukkingen: hoe—hoe, hoe—
deste, naar mat e(dat), (al)n a a r(dat), naargelan g(dat).
Hoe meer men heeft, hoe meer men vraagt. (G.) Hoe meer de lever
Z7vell, zeiden de Ouden, deste brooddronkener wordt men; hoe meer
zij slinkt, deste meer overwicht krijgen het gezonde verstand en de
ondergeschiktheid aan orde en wel.
(G.) De liefdadigheid groeit aan,
-ocr page 52-
38
naarmate men zijne giften begeerd ziet. (G.) De slem des ivittds en die
van \'t meer schijn(cn) zangrig om den prijs te dingen, en, naar zij
luid(er) of zachter zingen, verrijst de boeg of daalt hij weer.
(Bg.)
Naargelang mijne werkzaamheden in omvang toenamen, viel het mij
zwaarder
, deze laak te vervullen.
VIII. NADERE OPMERKINGEN AANGAANDE DE ONDER-
SCHIKKENDE ZINSVERBINDING.
§ 100. Onder de bijvoeglijke bijzinnen vindt men er soms, die op eene
eigenaardige wijze met een\' volgenden voorwerpszin samenhangen. Bedoeld
worden volzinnen nis: Wie had het ooit gedacht, dal een jonker een
beter verband zou leggen dan freule Madzy, die ik niet dacht, dat
haarsgelijke had.
(V. L.) De jonkvrouw verbond de kwetsuur, welke
ik mij vlei, dal weldra genezen zal.
(V. L.) Deze opmerking wekt
misschien eene reeks van weemoedige gedachten bij u op, die ik
echter zeker ben, dal gij weder eensklaps met eene luimige wending
weet af te breken.
(B.) Zien en hooren verging haar van de menigte
ovcrrijiuagcns, die zij altijd meende, dal hel opzettelijk op hare tecnen
gemunt hadden.
(B.) Ik zou haar in allen gevalle raden eenigc druppels
vitriool te gebruiken , opgelost in dun bier, welk middel ik last zal geven ,
dat men voor haar bereide.
(V. L.) Op hetzelfde oogcnblik kregen de aan-
vallers een\'\' bondgenoot, dien zij verre waren van te verwachten.
(V. L.)
Gelijk men ziet, maakt in deze zinnen het betrekkelijk voornaamwoord,
of, zoo dit bijvoeglijk is gebruikt, het voornaamw. met het volgende sub-
stantief, eigenlijk een deel uit van den volgenden voorwerpszin (lijdend
of oorzakelijk) en niet van den bijzin, waarvan deze afhangt. Vandaar dan
ook, dat in den laatsten aangehaalden zin dien geschreven is als voorwerp
van den infinitief te verwachten. Toch is het tevens, als betrekkelijk
voornaamwoord, het verbindingsmiddel tusschen den geheelen samenge-
stelden bijvoeglijken zin en een naamwoord uit den hoofdzin.
Zoo kan het ook gebeuren, dat een bijvoeglijke bijzin afhangt van een\'
daarop volgenden zin, terwijl hij tevens door het betrekkelijk voornaam-
woord met een naamwoord uit den voorafgaanden hoofdzin is verbonden:
Gij hebt gelezen de levensschets van een onbegrijpelijk groot man, dien
na te volgen , u pedant en wanhopig toeschijnt.
(B.) De bloemen lief hebber
kreeg eene kleur als een Cactus speciosa, om welke te verbergen hij in
verwarring naar zijn\' zakdoek greep.
(B.)
§ 101. Onder de bijvoeglijke en bijwoordelijke bijzinnen verdienen
nog opgemerkt te worden dezulke, die bestaan uit een voorzetsel
gevolgd door wie, die, hetgeen, wat, bijv.: De verslagenheid van
die daar aan zijn sterfbed stonden, werd door een geheel volk gedeeld.
Reinout
, den kastanjeboom naderende, greep naar den toom van hetgeen
hij voor zijn eigen paard hield.
(V. L.) Hij bleef de wacht houden bij
\'tgcen er gestrand was. Na hetgeen er van morgen gebeurd is
, zal elke
toging tot verzoening vruchteloos blijken. De oogen van dezengeheimzinnigen
-ocr page 53-
3!)
personage schenen nimmer te kunnen worden afgetrokken door hetgeen hem
omringde.
(V. L.) Ik ben nog altijd boos o/> hem, om wat hij mij toen heeft
toegevoegd. In weerwil van hetgeen mij dreigt, zal ik er toch heengaan.
Bij deze en dergelijke volzinnen doen de voorzetsels, gevolgd door
den bijzin, den dienst eener bijvoeglijke of bijwoordelijke bepaling.
Zij behooren dus met dien bijzin tot de bijvoeglijke en bijwoordelijke
zinnen gerekend te worden. De beteekenis van het voorzetsel bepaalt
de groep, waartoe zij behooren.
§ 102. Gelijk men heeft opgemerkt, komt in een\' beknopten bijzin
geen onderwerp voor. Het moet opgemaakt worden uit den hoofdzin
en is meestal hetzelfde als het onderwerp van dezen laatsten. Afkeuring
verdienen dan ook bijzinnen als de volgende: Deze ambtgenoot of mede-
helper van den kokeler was in een veelkleurig gewaad uitgedost, prij-
kende hij met een half rood
, half geel buis en met groene hozen. (V. L.)
De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs
den koristen weg terug.
(V. L.)
Sommige uitdrukkingen echter, oorspronkelijk geheel met de boven-
staande beknopte bijzinnen gelijk staande, zijn door het gebruik gewettigd,
daar het deelwoord geheel den aard van een voorzetsel heeft bekomen:
Niettegenstaande mijne waarschuwing is hij er toch heengegaan. Gedurende
den oorlog waren zijne zaken hard achteruitgegaan. Behoudens eene
kleine opmerking keurde hij mijn voorstel goed.
De bepalingen toch,
waarmede deze volzinnen aanvangen, beteekenen eigenlijk: Mijne waar-
schuwing niet tegenstaande (geen" tegenstand biedende), de oorlog gedu-
rende (durende), eene kleine opmerking behouden (zijnde),
enz. (Verg. § 338)
IX. DE ELLIPS IN DEN SAMENGESTELDEN ZIN.
§ 103. Dezelfde oorzaken, welke den enkelvoudigen elliptischen zin doen
ontstaan, maken ook, dat de samengestelde zin elliptisch kan zijn.
Bij de nevenschikkende zinsverbinding kan een der deelen of kunnen
zij alle eene ellips vertoonen: Uw enkle wil en V helsche dier ivas als
een lam geslacht!
(St.) Aan V werk of de deur uit!
Bij de onderschikkende zinsverbinding is of de hoofdzin elliptisch, óf
de bijzin of wel beide. Ook kan de hoofdzin geheel ontbreken.
Rampzalig hij, die u weerstaat! (B.) O, welk een troost, door u ge-
troost te worden!
(B.) Geen zwaard, of V stuit van schelpen op, in
V afgronds poel gehard! (St.) Vergeefs, dat Wichards ridderkling de
vaart des bliksems tart!
(St.) „Hier!" schatert Hertog Kar el uit. (St.)
Dat ras de loods voor Hollands wal den boeg, die huiswaarts keert,
bejegen1!
(St.) Maar — wat de Burgemeester deed? — Hij ging naar
Sinterklaas.
(St.) Wie om een hoekje van nabij hun vreugde had gezien!
(St.) Tïadde ik V maar vroeger geweten!
Eind goed, al goed. Zoo gezegd, zoo gedaan. Beter laat dan nooit.
Hoe grooter geest
, hoe grooter beest! Zoo heer, zoo knecht.
-ocr page 54-
TWEEDE BOEK.
DE WOO RDSOORTBN IN DEN VOLZIN.
§ 104. De woorden, die in den volzin voorkomen, worden deels naar
hunne beteekenis, deels naar den dienst, welken zij verrichten, in tien
soorten verdeeld. Deze zijn: zelfstandige naamwoorden, bijvoeg-
lijke naamwoorden, voornaamwoorden, telwoorden, lidwoor-
den, werkwoorden, bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden
en t u s s c h e n w e r p s e 1 s.
I. ZELFSTANDIGE NAAWWOORDEN.
§ 105. Zelfstandige naamwoorden (substantieven) zijn de
namen van werkelijke zelfstandigheden of van datgene, wat als eene zelf-
standigheid wordt voorgesteld.
Men onderscheidt ze daarom in:
a.    namen van werkelijke zelfstandigheden (concrete sub-
stantieven) d. i. de namen van alles, wat een eigen bestaan heeft,
onafhankelijk van iets anders, als: fan, vader, huis, woud, ijzer. Als
concrete substantieven worden ook beschouwd: iu. de namen der wind-
streken en de namen van maten en gewichten: oosten, westen,
eeuw, /aar, lente, dag, oogenblik, el, kop, kan, pond,
enz. 2Ü. de
namen van verzamelingen, die eene nadere bepaling behoeven, als:
dozijn, gros, menigte, koppel, vlucht, school, enz.
b.    begripsnamen (abstracte substantieven) d. i. namen van
hoedanigheden, toestanden of werkingen, welke als zelfstandigheden worden
voorgesteld.
§ 106. De concrete substantieven worden onderscheiden in:
i. v o o r w e r p s n a m e n, d. i. de namen van die zelfstandigheden, welke
men zich niet anders voorstelt dan als binnen bepaalde grenzen besloten.
Deze zijn:
a.    eigennamen, welke men aan ééne zelfstandigheid geeft, ten einde
die van andere derzelfde soort te onderscheiden: De Ruyler, Amsterdam,
de Rijn, de Betuwe.
b.    soortnamen, welke alle zelfstandigheden eener zelfde soort met
elkander gemeen hebben: huis, stoel, vader, koe. Hiertoe moeten ook
gerekend worden de namen van volken, gebergten en eilandengroepen,
als: Fransehen, Engelschen, Alpen, Pyreneeën, Cycladen, enz. Denamen
-ocr page 55-
41
van volken toch zijn te beschouwen als \'t meervoud van: een Frausch-
man, een Engelschman,
enz., terwijl die van gebergten en eilanden-
groepen , welke alleen in \'t meervoud voorkomen, in dit opzicht eenvoudig
gelijk staan met: gebroeders, gezusters, gelieven en dergelijke. Waren
zij eigennamen, dan konden ze niet in \'t meervoud voorkomen.
2.     stofnamen, welke stoffen beteekenen, d. i. zelfstandigheden, welke
zonder bepaalde grenzen worden gedacht: klei, goud, fluweel, zout.
De stofnamen komen voor als zuivere stofnamen of als stofsoort-
namen. Vergelijk daartoe: Zij dronken wijn en Zij dronken een\'\'
kostelijken wijn. Ifij eet geen vleesch
en Kr werden verschillende vleezcn
rondgediend.
3.     verzamelnamen (collectieven), welke eene verzameling van
gelijksoortige zelfstandigheden noemen, als: woud, volk, leger, schoof.
De verzamelnamen stellen eene verzameling van zelfstandigheden voor,
óf als binnen bepaalde grenzen besloten en komen dan overeen met de
voorwerpsnamen: een volk, een ivoud, een gebergte, of als zonder bepaalde
grenzen en komen dan overeen met de stofnamen: Er was veel volk in
den winkel. Zijn broeder handelt in graan, hij in vee.
De abstracte substantieven worden onderscheiden in:
1.     namen van hoedanigheden: jeugd, ouderdom, schoonheid, vlijt.
2.     namen van toestanden: gezondheid, ziekte, vreugde, hed.
3.     namen van werkingen: loop, slag, klank, gedraaf, gejuich,
handhaving, werking.
§ 107. Ten opzichte dezer verdeeling houde men in \'toog, dat, daar
een zelfde woord soms meer dan ééne opvatting toelaat, een zelfstandig
naamwoord ook beurtelings tot meer dan ééne soort kan behooren.
Zoo komen eigennamen voor als soortnamen, wanneer men ver-
schillende personen noemt, die denzelfden geslachtsnaam voeren, als: de
Si naris, de Bourbons, de Huydecopers;
wanneer men een\'persoon bedoelt,
die met den genoemde een\' kenmerkenden trek gemeen heeft: een Cicero,
een Croesus, eene Xantippe, een Job,
soms ook, zonder dat men den
oorsprong van zoodanig gebruik kent, als in: een Jan, een Piet, een
Bram;
wanneer men voorwerpen bedoelt, naar een\' bepaalden persoon
genoemd, als: een Vondel „de werken van Vondel", een Rembrandt
„een schilderstuk van Rembrandt", een Voltaire, een Colbert, een paar
Molières,
enz.
Zoo wordt meermalen een stofnaam als voorwerpsnaam gebruikt,
om een voorwerp te noemen, uit die stof bestaande, als: glazen, stecnen,
ijzers.
Omgekeerd kan een voorwerps naam als stofnaam worden
gebruikt: De visch kookt al. De haring is van \'t jaar heel duur.
Zoo treedt een verzamelnaam, die gewoonlijk als voorwerpsnaam
wordt gebruikt, als stofnaam op in: met bosch begroeide bergen.
Vaak worden ook abstracte substantieven tot concrete, bijv.: de
gang van een huis, eene opening, zijne kleeding, eene schoonheid, de
Godheid, de adeldom ■=. de edelen, dat heerschap, Zijne Majesteit.
-ocr page 56-
42
II. BIJVOEGLIJKE NAAMWOOROKN.
§ 108. Bijvoeglijke naamwoorden (adjectieven) drukken
meestal hoedanigheden der zelfstandigheden uit: Het blad is groen.
Het groene blad.
Tot de bijvoeglijke naamwoorden rekent men ook wegens het gebruik,
dat men er in den zin van maakt:
i °. de s t o f f e 1 ij k e bijvoeglijke naamwoorden, die de stof noemen,
waarvan de zelfstandigheden zijn gemaakt: een gouden horloge, een aarden
pot, eene dujfelsche jas.
2°. de woorden, die eene betrekking van tijd en plaats inhouden,
waarin de zelfstandigheden verkeeren: huidig, toenmalig, hcdendaagsch,
dagelijksch, achterwaartsch, zijdelingsch, bovenste, achterste, enz.
3°. de woorden, welke de plaats noemen, waar eene zelfstandigheid
thuis behoort of den persoon, van wien eene zelfstandigheid afkomstig is:
Nederlandsch, Amsterdammer, Zutfensch, de Siegenbeeksche spelling,
de Mozaïsche wetgeving, de Juliaansche tijdrekening,
enz.
4°. de woorden, welke, bij den naam eener werking gevoegd, de
w ij z e dier werking uitdrukken: eene mondelinge mededeeling, eene trap-
gewijze opklimming.
§ 109. Wanneer de inhoud van een\' zin bestaat in het toekennen
of ontzeggen eener hoedanigheid aan eene zelfstandigheid, maakt het
bij voeglijk naamwoord een deel uit van \'t gezegde (p r a e d i c a a t);
men zegt daarom, dan het dan praedicatiefis gebruikt: Ik ben geluk-
kig. Ifij was niet rijk.
Wanneer in den zin een bijvoeglijk naamwoord als bepaling (attri-
b u u t) voor of achter een substantief wordt gevoegd, heet het attribu-
tief gebruikt: de goede man, Willem de goede.
§ 110. Men noemt een bijvoeglijk naamwoord ook praedicatief
gebruikt, wanneer het eene bepaling van gesteldheid des onder-
werps of voorwerps uitmaakt. Dit is \'t geval, wanneer eene zelfstandigheid
eene hoedanigheid onder of volgens zekere werking bezit ofdoor
eene werking verkrijgt. (Verg. § 16.) Dan toch wordt de hoedanigheid
in den zin mede aan de zelfstandigheid toegekend of daaraan ontzegd,
terwijl het adjectief steeds in eene of andere betrekking staat tot de
werking, in \'t praedicaat uitgedrukt.
Hij kwam ademloos aanloopen. Hij kwam ziek thuis. Ik acht, schat,
reken, noem, prijs hem gelukkig. Ik vind dat vervelend. Hij maakt
zich zelven ongelukkig. Hij werkt zich no? dood. Ik maakte het touw
vast. Hij kladt het papier vol. Ik stelde hem tevreden. Hij laat mij
verlegen. Ik gevoelde mij ongerust. Hij zag zich van elk verlaten.
Hij heeft zijn leven veil voor \'t vaderland.
Zoo eigenlijk ook: Hij
heeft zijne ouders lief
(oorspronkelijk: Hij houdt [zijne ouders {voor)
dierbaar).
-ocr page 57-
43
§ 111. Sommige bijvoeglijke naamwoorden kunnen alleen praedicatief
voorkomen; zij zijn: bedacht, beducht, behept, benieuwd, bereid, beslo-
ten, bestand, bijster, deelachtig, gedachtig, gereed, getroost, gewaar,
gewend, gewoon, indachtig, kwijt, machtig, meester, moede, prat, tuk,
wars, handgemeen, leed
en onpasselijk.
Wees daarop bedacht. Ik ben beducht voor den ajloop der zaak. Met
die kwaal was ook zijn vader behept. Ik ben benieuwd, hoe dal zal
gaan. Hij is bereid, u te helpen. Wij zijn besloten \'te vertrekken. De
dijk was niet bestand legen den aandrang van het ivater. Zij waren
het spoor bijster. Zoo zult gij zijne gunst niet deelachtig worden. Wees
onze woorden gedachtig. Ik ben gereed te vertrekken. Zij was haar lot
getroost. Wij werden hem van verre gewaar, fk ben die drukte niet
gewend, niet gewoon. Zult gij mijne vermaning indachtig zijn ? Hij ivas
al zijn geld kwijl. Zijl gij die laai machtig? De vijand was de stad
meester. De ongelukkige was het leven moede. \'Hij was prat op den
roem zijner voorvaderen. Hij bleef tuk op nieuwe veroveringen. Wij
waren wars van alle haarklooverijen.
De vijanden werden handgemeen. Is uw werk al klaar? Het is mij
leed, u dit te moeten melden. Zij werd een weinig onpasselijk.
Zooals men ziet, gaan deze adjectieven , met uitzondering der vier laatste,
vergezeld van een oorzakelijk voorwerp. Dit is dan ook de reden,
waarom de bedoelde adjectieven niet geschikt zijn, om attributief gebruikt
te worden. Immers het taalgebruik wil geene uitdrukkingen als: De voor
den afloop der zaak beduclite man. Een met de kwaal zijns vaders
behept kind,
enz.
Enkele dezer adjectieven komen wel attributief voor, doch hebben
in dat geval ook eene andere beteekenis, bijv.: leed (met leede oogen
iets aanzien), gereed (geld, penningen), moede (de moede wandelaar),
gewoon (degewone verontschuldiging)
, bedacht, bereid, getroost, wanneer
zij als deelwoorden voorkomen: de bedachte raadsels, een bereide tafel,
de getrooste bedroefden.
Bovendien zijn er nog enkele adjectieven, die steeds als bepaling van
gesteldheid voorkomen en dus ook alleen praedicatief worden gebruikt,
als: braak, pal en schrap, gestand, kond, diets en afhandig, bijv.:
De akker ligt braak. Hij stond pal voor zijne rechten. Ik zette mij
schrap tegen zijri aanval. Een eerlijk man doet zijn woord gestand.
De regeering deed de burgerij kond, dat alle samenscholingen zouden
gestraft worden. Zoudt gij ons dit diets willen maken ? Men heeft mij
dit pakket afhandig gemaakt.
In deze volzinnen worden, gelijk men ziet,
de hoedanigheden, door de bijvoegl. naamw. uitgedrukt, öf aan \'t onder-
werp, öf aan \'t voorwerp toegekend.
§ 112. Kr zijn ook bijvoeglijke naamwoorden, welke alleen attribu-
tief voorkomen. Dit is het geval met alle bijvoeglijke naamwoorden,
welke geene eigenlijke hoedanigheid beteekenen. (Zie § 108)
-ocr page 58-
44
III. VOORNAAMWOORDEN.
§ 113. De voornaamwoorden hebben tweeerlei zeer verschillende
diensten te verrichten: zij duiden zelfs tan digheden aan, — in
tegenoverstelling van de zelfstandige naamwoorden, welke zelf-
standigheden noemen, — of zij bepalen de zelfstandigheden, door
zekere telkens afwisselende kenmerken daarvan op te geven — in
tegenoverstelling van de bijvoeglijke naamwoorden, welke kenmer-
ken noemen, die meer van blij venden aard zijn. In \'t eerste geval dragen
zij den naam van zelfstandige, in \'t laatste dien van bijvoeglijke
voornaamwoorden. Dat men ze tot dezelfde soort van woorden
rekent, komt hiervandaan, dat de meeste voornaamwoorden beurtelings
tot elk der beide soorten behooren.
De voornaamwoorden worden onderscheiden in:
1. Persoonlijke Voornaamwoorden.
§ 114. Zij duiden zelfstandigheden aan met onderscheiding van
den spraakkunstigen persoon. Zij drukken namelijk de drieërlei
betrekking uit, waarin de aangeduide zelfstandigheid tot den
spreker kan staan. Is die aangeduide zelfstandigheid de spreker zelf, dan
gebruikt men het voornaamwoord van den eersten persoon/£. Komt de
aangeduide zelfstandigheid als de aangesprokene yoor, dan bedient men zich
van \'t voornaamwoord van den tweeden persoon gij, ge. Is eindelijk
de aangeduide zelfstandigheid noch de spreker, noch de aangesprokene, dan
gebruikt men het voornaamwoord van den derden persoon hij, zij,
het.
Wil men meer dan ééne zelfstandigheid aanduiden en behoort daar-
onder de spreker, dan bezigt men wij, we; behoort de aangesprokene
daartoe, dan bedient men zich van gij, ge, gij lieden; wordt noch de
spreker, noch de aangesprokene bedoeld, dan wordt het voornaamwoord
zij, ze gebruikt.
§ 115. In plaats van het voornaamwoord ik gebruikt men wij, wanneer
men zich zei ven minder op den voorgrond wil plaatsen: Wij hebben dit
boek met aandacht gelezen en kunnen het bijzonder aanbevelen.
Ook
wordt wij voor ik gebezigd in de formule: Wij, Willem III, Koning
der Nederlanden, enz.
§ 116. In de spreektaal bezigt men voor \'t voornaamwoord van den
tweeden persoon U, eene verkorting van Uwe Edelheid, of ook den naam
van den aangesprokene: Wil Vader mij eens helpen ? Mag ik Dominee
nog een kopje presenteeren 1
Is men met den aangesprokene gemeenzaam
bekend, of spreekt men tot een\' mindere, dan gebruikt men jij, je. —
Spreekt men tot meer dan één\' persoon, dan gebruikt men: de Heeren,
de Dames, de vrienden, de gasten
of ook \'t woord U; in gemeenzamen
stijl: jelui, jullie.
-ocr page 59-
45
§ 117. He voornaamwoorden v;m den derden persoon hij, zij, hel
worden zoowel van zaken als van personen gebezigd; het voornaam-
woord het kan ook hoedanigheden, werkingen en den inhoud
van een\' volzin aanduiden: \'k Ben oud, maar zal \'t niet lang meer
zijn: \'k heb van de bron der jeugd gedronken.
(St.) Mylord Strafford,
die zooveel beheerscht
, schijnt hel die rivier ook wel te doen. (Sch.)
Floor stond midden in den kring, eer hij hel wilde of wist. (P.)
§ 118. Het voornaamwoord van den derden persoon duidt in \'t alge-
meen het onderwerp van den vorigen zin aan, doch kan dit ook eene
bepaling of \'t voorwerp doen, wanneer men niet voor onduidelijkheid
heeft te vreezen: Daar trad den Schol een man op zijde, die hem vroeg,
of hij hem ook van dienst kon zijn.
(Sch.) Vreest men voor duisterheid
of zou de zin door \'t bezigen van hij, zij eene geheele andere beteekenis
krijgen, dan gebruike men deze, die: Toen hij de kamer, waarin zich
de vreemdeling bevond, binnentrad, keek deze verbaasd op. De Schot
hield een paar schreden lang den gewonen gang en verhaastte dien
toen.
(Sch.) Van zaken sprekende, gebruikt men in \'t meervoud als voor-
werp liever ze dan hen of haar: Grillige arabesken werden overal aan-
getroffen , waar de bouwmeester ze had kunnen aanbrengen.
(Sch.) |In
gemeenzamen stijl doet men dit ook van personen: Waar zijn uwe
zusters toch 1 Ik heb ze in geene eeuw gezien.
§ 119. Wanneer het onderwerp van een\' volzin, zoo dit de derde
persoon is, tevens als voorwerp of bepaling voorkomt, gebruikt men \'t
woord zich, dat wederkeerend voornaamwoord heet: Hij heeft zich
bezeerd. Hij vertrouwt te veel op zich zelven.
Bij de beoordeeling, of men zich moet gebruiken, zorge men altijd de
beknopte zinnen door werkelijke bijzinnen te vervangen, ten einde te zien,
of liet onderwerp van den bijzin dan in dezen kaatsten nog in eene andere
betrekking voorkomt: Karel stond op en beval Vane, den Schotschen
zendeling voor hem te brengen.
(Sch.) Hier zou \'t voornaamw. zich verkeerd
zijn; immers de beknopte bijzin beteekent: dat deze {Vane\') den Schotschen
zendeling voor hem (A\'arei) bracht.
Nu en dan vindt men, om den stijl in overeenstemming te brengen
met de dagelijksche spreektaal, hem en haar voor zich gebruikt: Floor
zag opgeruimde gezichten om hem henen.
(P.) Hij had het boekje voor
hem.
(B.)
§ ls!0. Wanneer er eene werking in den zin wordt uitgedrukt, die
wederkeerig plaats vindt, bedient men zich van \'t wederkeerig voor-
naamwoord elkander, malkander: Zij hebben elkander geholpen. Zij
hebben veel met malkander op.
Verkeerd is het gebruik van \'t voornaamwoord zich in den zin van
elkander, als in deze volzinnen: Elk onlieiaarl, dal beide magen zich
wel verstaan.
(St.) Toen ik aan uw hof geplaatst werd, zagen 7vij ons
weer.
(B.)
-ocr page 60-
4fi
2. Beziitelijke Voornaamwoorden.
% 121. Deze worden zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt. Zij duiden
zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl ze tevens te kennen geven,
of de bezitter dier zelfstandigheden de eerste, de tweede of de derde
persoon is. Bijvoeglijk gebruikt luiden ze: mijn, zijn, haar, onze, uw,
hun;
zelfstandig: de of het mijne, uwe, enz.
§ 122. De bezittelijke voornaamwoorden zijn, haar en hun worden
door diens, dier vervangen, wanneer zij eene andere zelfstandigheid aan-
duiden, dan die, welke \'t onderwerp van denzelfden of den vorigen
zin is, doch alleen, wanneer \'t gebruik der bezittelijke voornaamwoorden
eene andere beteekenis aan den zin geven of dezen minder duidelijk zou
maken: De lange man scheen den aanval van Reede bedaard af te
wachten en had bij diens eerste beweging onder zijn\' mantel een lang
pistool voor den dag gehaald. Toen hij de ruiters hun\' weg zag vervol-
gen, liet hij de hand weer zakken, bracht het vuur tuig op zijne plaats
,
en stapte bedaard verder. (V. L.) Zij trachtte nu door Emma te verkrij-
gen , wal dier echtgenoot haar had geweigerd.
(B. T.) Woedend wierp
Joan zich tusschen moeder en zoon en zocht dezen laatste uit hare handen
te scheuren.
(V. L.)
§ 123. Wanneer het voornaamwoord men als onderwerp voorkomt,
bedient men zich van \'t bezittelijk voornaamwoord zijn, om deze onbe-
paalde zelfstandigheid aan te duiden: De leer aar heeft gezegd, dat men
geen bedrog mag plegen, noch een\' glimp aan zijne daden geven.
(V. L.)
3. Aanwijzende Voornaamwoorden.
§ 124. Zij worden mede zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt en duiden
zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl ze tevens de plaats aangeven,
welke de zelfstandigheden ten opzichte van den spreker, of die,
welke de substantieven in den zin innemen. Ze zijn: deze of dit,
die
of dat en gene.
Deze en dit betreffen zelfstandigheden, die zich dichter bij den spreker
bevinden; die en dal zulke, welke verder van dezen verwijderd zijn: Wilt
gij deze pen of die, dit boek of dat ? Gene
betreft zelfstandigheden, welke
zich aan de overzijde van den spreker bevinden: Aan gene zijde der
rivier staan meer huizen, dan aan deze.
Met deze en gene worden de later en vroeger in den zin genoemde
zelfstandigheden aangeduid: Alles duidde teederheid en kracht aan, gene
getemperd door deze, deze geheiligd door gene.
(Sch.) In plaats van deze
en gene kan men zich in dit geval ook bedienen van de eerste en de
laatste: Voor \'t overige droeg Reede handschoenen en buis van geel
ledtr, de eerste met franje en het laatste met knoopjes versierd.
(V. L.)
Met dezelfde bedoeling, doch minder bepaald, bezigt men de eene en de
andere: Onze krankenbezoeker en onze tooneelspeler zitten in de gelag-
-ocr page 61-
47
kamer. Waar bleef de verslagenheid van den een, waar bleef de
verstrooidheid van den ander?
(P.)
§ 125. De aanwijzende voornaamwoorden dit en dat kunnen, evenals
het pers. voornaamw. het, behalve zelfstandigheden ook hoedanigheden,
werkingen en den inhoud van een\' volzin aanduiden: Het
voorhoofd was laag en scheen dal nog meer door den hoed, die bijkans
tot op de oor en was neergedrukt.
(Sch.) Hare Majesteit is op u verbitterd
en toont dat op hare wijze.
(Sch.) In denzelfden zin gebruikt men ook
zulks: Ik ben een eenvoudig burgerman en hoop zulks ook te blijven. (L.)
4. Bepalingaankondigonde Voornaamwoorden.
§ 126. Zij worden gedeeltelijk alleen zelfstandig, gedeeltelijk ook bijvoeg-
lijk gebruikt en duiden zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl zij tevens
te kennen geven, dat de hoorder een\' bepalen den zin (of eene bepa-
ling) kan verwachten of dezen in de gedachte moet invullen: Degene,
die dit gezegd heeft, zal er wel meer van weleti. Hij woont in dezelfde
straat als mijn broeder. Drie weken geleden zag ik hem voor
V laatst;
denzelfden dag is hij gestorven. Ik bedoel niet het huis in de straal,
maar dat aan de gracht.
Als bepalingaankondigende voornaamwoorden
gebruikt men : degene, diegene, dezelfde, diergelijke, dergelijke, zulk,
zoodanig, dusdanig.
§ 127. In plaats van degene gebruikt men ook \'t persoonlijk voornaam-
woord van den derden persoon: Hij, die zoo handelt, verdient niet, geacht
te worden.
Soms gebruikt men ook die, dat: De poëzie, Augustijn, is
overal, maar die
, die men opmerkt in de werkelijkheid, is beter dan de
aangeworvene of aangewaaide.
(15.) Weelderiger plantenrijk is er niet
dan dat, wat mij nieuwe wonderen blootlegt, zoo dikwijls ik zijn\' eeuwigen
bloei gas la.
(P.)
5. Vragende Voornaamwoorden.
§ 128. Zij duiden zelfstandigheden aan of bepalen ze, terwijl ze tevens
te kennen geven, dat men den naam of eenig kenmerk der zelfstan-
digheden begeert te weten. Zij zijn: wie, wat, welk, hoedanig, wat voor
een. Wie
wordt altijd, wat meestal zelfstandig gebruikt; welk, hoedanig
en wat voor een komen altijd bijvoeglijk voor. Wie vraagt naar personen;
wat meestal naar zaken; welk, hoedanig en wat voor een naar beide.
Wanneer wat bijvoeglijk gebruikt wordt, heeft het de beteekenis van
welke: Wal maagden zijn \'t, die weenend haar sluiers ten hemelzwaaien?
(St.) \'k Zou haast vragen, wal wind hem zulk een veer had toegewaaid. (1!.)
§ 129. Wie, welke en wat kunnen ook, \'t laatste mede bijvoeglijk
gebruikt, meer als uitroep, dan als vraag worden gebezigd: Wie zou zoo
iets van hem verwacht hebben l Welk een afschuwelijk samenweefsel
-ocr page 62-
48
van verraad en huichelarij! (V. L.) Wal onvoorzichtigheid! zeijoantot
zich zelven.
(V. L.)
§ 130. Wat voor en wat voor een kunnen gescheiden worden: Wat
is dat voor een man ï Wat speelt men hier voor kluchten 1
(St.)
6. Betrekkelijke l/oornaamwoorden.
§ 131. Betrekkelijke voornaamwoorden duiden zelfstandigheden aan oi
bepalen ze, terwijl zij tevens een\' bijvoeglijken zin met een naamwoord
verbinden: \'t Voorrecht, dal gij geniet, mag wel onwaardeerbaar heeten.
Den man, welken gij op \'t oog hebt, ken ik niet. Edelmoedig man
,
die mij het leven hebt gered, hoe kan ik u mijtte dankbaarheid toonen 1
Onze meid is eerlijk en trouw, welke hoedanighede?i men niet bij alle
aantreft.
Er zijn geene voornaamwoorden, welke van nature betrekkelijk zijn;
verschillende vormen der aanwijzende voornaamwoorden die en dat en
der vragende wie, wat, welk en hoedanig worden betrekkelijke voor-
naamwoorden, zoodra zij dienen tot verbinding van een\' bijvoeglijken zin
met een naamwoord.
\'t Zelfstandig naamwoord of voornaamwoord, dat de zelfstandigheid be-
teekent, die door \'t betrekkelijk voornaamwoord wordt aangeduid, heet het
antecedent. Zoo zijn in de bovenstaande volzinnen \'t voorrecht, den
man
enz. \'t antecedent der betrekkelijke voornaamwoorden.
§ 13<J. Het betrekkelijk voornaamwoord welk wordt soms bij voeglijk
gebruikt; dit geschiedt voornamelijk, wanneer een bijvoeglijke zin dient
als bepaling bij twee of meer substantieven, die in één woord worden
samengevat: Wij gebruikten koffie en brood, welke artikelen de eer hadden,
de volkomen goedkeuring van mijn\' neef weg te dragen.
(B.) Ook wanneer
de bijvoeglijke zin dient als bepaling bij den naam eener werking of hoe-
danigheid, welke in den bijzin als eene zelfstandigheid wordt voor-
gesteld : Ik had bemerkt, dat mijne gastvrouw nu en dan van haar boek
opzag, welk beweging ik niet kon nalaten toe ie schrijven aan haar verlan-
gen naar mijn vertrek.
(V. L.) Enkele malen wordt het antecedent, wanneer
het wat ver van \'t betrekkelijk voomaamw. af staat, eenvoudig herhaald:
Toen Alwart zijne rede geëindigd had, ontstond er een levendig gemompel
van goedkeuring bij de meesten der aanwezigen, welke goedkeuring zij
nog luider te kennen gaven, door naar \'s lands wijze met de speer te
schudden.
(V. L.) Ook hoedanig, dat zelden voorkomt, wordt bijvoeglijk
gebruikt: Het was in de hel verlichte en warm gestoofde zaal een aan-
lokkend tafereel, hoedanig een wij gaarne van de meesterhand des
beeldenden kunstenaars op het doek vereeuwigd zouden zien.
(Sch.)
§ 133. Wanneer het antecedent mannelijk of onzijdig enkelvoud is en
eene zaak beteekent, gebruikt men liefst welks; toch vindt men ook wiens:
De graveerstift van een\' Yankee schetste ons Henri Hudson en zijne
tochtgenoolen op den vloed, aan wiens oever Nieuw-Amsterdam verrijzen
-ocr page 63-
49
zou. (P.) Rob stapte zonder om te zien naar den heuvel, aan wiens voet
het stedeken lag.
(Sch.)
§ 134. Soms ziet men het bepalingaankondigend voornaamwoord het-
geen
als betrekkelijk gebruikt: Leve een gezelschap, dal niet onder het
getal der gratiën blijft, hetgeen niet boven dat der muzen gaat.
(1\\)
Wij namen een zandpad door de eikestruiken, hetgeen op een\' driesprong
uitkwam, waar onze geleider stil hield.
(V\'. L.) Zoo dat smerige pakje, \'tgeeti
ge nu aan hebt, uw eenig gewaad is, mogen wij wel terstond naar den
kleermaker gaan.
(V. L.) Dit gebruik van hetgeen is niet aan te bevelen.
§ 135. Ook \'t voornaamwoord wal vindt men als betrekkelijk gebruikt:
JJeeft hij iets gedaan, wat niet goed wast (Sch.) Datgene, wat ik nu
hoorde, overtrof mijne stoutste verwachting. Dit is het beste nieuws
,
wat wij verwachten kunnen. (Sch.) Dit gebruik van wat is alleen nood-
zakelijk na: dat, dalgene en alles.
§ 136. Wanneer een bijvoeglijke zin dient ter bepaling van den inhoud
van een\' geheelen volzin, gebruikt men als betrekkelijk voornaamwoord
hetgeen of wal, soms ook hetwelk of dat: Wij ondervonden niets dan
tegenwerking, hetgeen ons natuurlijk slecht beviel. Whitehall jubelde
en met Whitehall geheel Engeland en Schotland, wat sedert de Stuarts
den schepter voerden, nog slechts zelden had plaats gehad.
(Sch.) Zij
geeft zich moeite om altijd interessant te zijn, hetgeen zij het best meent
te kunnen doen, door ziekelijkheid voor te wenden.
(L.)
§ 137. Opmerking verdient het gebruik der voornaamwoorden wie en
wat in den zin van al wie en al wat. Z\\] zijn dan bepalingaankon-
digend en betrekkelijk beide: Wie eens steelt, is altijd een dief.
Wat waar is, moet eenvoudig zijn.
Wil men in zulke bijzinnen bepaalde zelfstandigheden aanduiden,
dan gebruikt men voor personen die met weglating van het bepalingaan-
kondigend voornaamwoord, voor zaken \'tgeen met weglating van het
betrekkelijk voornaamwoord: Die des schenkers plaats vervult, een onbe-
kende, in zwart gehuld, treedt toe.
(St.) Gehuld in Sint Franciscus\'
dos, zal, die eens wand\'len moest, parmantig op een ros.
(St.) Hetgeen
gij daar zegt, kan ik moeilijk gelooven.
Niet altijd heerscht in het gebruik dezer woorden bij goede schrijvers
eenstemmigheid. Men vindt ook wel die, waar men wie zou verwachten
of omgekeerd: Doch met Aprilmaands lesten dag moest blind zijn, die
de brug niet zag.
(St.) Die niet uit alles leer en wil, wil in \'t geheel niet
leer en.
(B.) Wie zich thans in de schaduw van 7 lust prieel verschool,
scheen geen oog te hebben voor den kostbaren aanleg. (Sch.) Wal ik met
den mantel der liefde heb pogen te bedekken, kan door dezen of genen
vermoed zijn.
(Sch.) \'t Gebruik van wat voor eene bepaalde zaak komt
zelfs veel voor.
7. Onbepaalde Voornaamwoorden.
§ 138. Zij worden zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt en duiden zelf-
T. tkkwky, Ntd. Spraakk. 8e (huk.
                                                           4
\'
-ocr page 64-
50
standigheden aan, wier naam men niet kan of wil noemen, of geven te
kennen, dat men niets naders omtrent de zelfstandigheid, wier naam op
het voornaamwoord volgt, kan of wil zeggen. Alleen zelfstandig zijn:
men, iemand, niemand, iels, wat, niets, alles, een, het; bijvoeglijk:
zeker, eenig.
Wat is een onbepaald voornaamwoord, wanneer het de beteekenis heeft
van iets: Hier heb ik wat moois voor u. Een is een onbep. voornaamw.,
wanneer het iemand beteekent: Een mijner vrienden heeft het mij verteld.
„Een kwaalr
— de jongling glimlachte op dit woord als een, die V niet
geloofde, maar het hoopte.
(B.) Zij had hem, haren ouden vriend,
teruggewezen om eenen, dien hij
V recht had, ver beneden zich te achten.
(Sch.) Diezelfde beteekenis heeft een in de woorden: iedereen, elkeen en
menigeen. Ook wanneer men eene onbepaalde zaak van andere derzelfde
soort wil afscheiden, moet een als een onbepaald voornaamwoord worden
beschouwd: Een der boeken was op den grond gevalle?/. Op een\' der
mooiste dagen van funi zijn wij er heen geweest.
Men vergelijke slechts
met deze zinnen den volgenden: Eén zijner huizeti heeft hij verkocht; nu
heeft hij er nog twee over,
waarin één als zelfstandig gebruikt telwoord
optreedt. Het is een onbepaald voornaamwoord, wanneer het voorkomt
als grammatisch onderwerp bij onpersoonlijke werkwoor-
den of uitdrukkingen: Het regent. Het is mistig. Zoo ook wanneer
het als voorwerp voorkomt in zinnen, als: Hij heeft hel druk. Zij
schaterden het uit van pret. Hoe maakt gij het ? Wat zijne zaken betreft,
daarin geeft fan het u en mij nog te doen.
(P.) Doch wanneer het
logisch onderwerp volgt, als in: Het is ivenschelijk, dat hij komt, behoort
het tot de persoonlijke voornaamw. te worden gerekend.
Zeker behoort tot deze voornaamw. in zinnen als: In zeker hol {men
twist nog waar) sloot zekere oude toovenaar zijn\' spaarbuil weg.
(St.)
Eenig is een onbepaald voornaamw., wanneer het de beteekenis heeft van
een of ander: Fs u eenig ongeval overkomen ? Men zal er te eeniger
tijd wel meer van hooren.
Zoo ook een of ander zelf: fk zal maar een
of ander werkje ter hand nemen.
5 139. Als onbepaalde voornaamw. komen ook voor : deze en gene, deze
of gene, de een of ander, hel een of ander: Wat ik met den mantel
der liefde heb pogen te bedekken, kan door dezen of genen vermoed
zijn.
(Sch.) Ik heb er dezen en genen naar gevraagd, maar niemand
wist mij er iets naders van te vertellen. De een of ander zal hem het
geheim hebben verklapt. Hebt gij ook het- een of ander voor mij te doen 1
Nog moeten tot de onbepaalde voornaamwoorden worden gerekend de
woorden wie, welk, wat, enz. wanneer men wil te kennen geven, dat
men de opvatting daarvan geheel aan den hoorder overlaat. Dit is namelijk
\'t geval, wanneer /.ij aan \'t hoofd staan van toegevende zinnen:
Wie er ook komt, zeg maar, dat ik niet thuis ben. Wat men ook van
hem zegge, onbekwaam is hij niet. Welke moeite gij ook doet, het zal
u tiiet baten.
(Vgl. § 91)
-ocr page 65-
51
IV. TELWOORDEN.
§ 140. De telwoorden drukken de hoeveelheid der zelfstandig-
lieden uit, of geven, door middel van een getalbegrip, de plaats te kennen,
welke deze onder andere innemen. In \'t eerste geval dragen zij den naam
van hoofdtelwoorden, in \'t laatste dien van rangtelwoorden:
Hel jaar telt twaalf maanden; de twaalfde maand keet December.
De rangtelwoorden behooren , wat den dienst betreft, dien zij verrichten ,
tot de bijvoeglijke voornaamwoorden; wegens hunne afkomst rekent men
ze tot de telwoorden. (Vergel. § 113)
Zoowel de hoofd- als rangtelwoorden kunnen eene bepaalde ofeene
van de omstandigheden afhankelijke beteekenis hebben; vandaar de onder-
scheiding in bepaalde en onbepaalde hoofd- en rangtelwoorden.
§ 141. Bepaalde hoofdtelwoorden zijn: één, twee, dr/e, tien,
honderd,
enz. Ook behooren hiertoe de woorden: beide, half en geen.
Beide
toch vat een tweetal als bijeenbehoorend op: Beide broeders waren
er heengegaan. Geen
is eigenlijk de ontkenning van het telwoord een :
Kunt gij ook zeggen
, wie die mensehen zijti 1 — Neen , ik ken er geen\'
Tan.
Het is de ontkenning van \'t lidwoord een in: Dat is geene stad\',
het is een dorJ>.
Wanneer zonder de ontkenning het lidwoord zou weg-
blijven, doet het denzelfden dienst als \'t ontkennende bijwoord
niet: Hij drinkt geen\' wijn en rookt geene sigaren.
13e onbepaalde hoofd tel woorden geven de gansche hoeveelheid
of een deel daarvan te kennen: al, veel, verseheiden, weinig, luttel,
sommig, eenig, enkel, ettelijk, menig, genoeg,
of zij vestigen de aandacht
op iedere zelfstandigheid afzonderlijk: ieder, iegelijk, elk. De woorden
gansch , geheel, heel, gezamenlijk, die te kennen geven, dat er aan de
daarachter genoemde zelfstandigheden niets ontbreekt, rekene men lot de
bijvoegl. naamwoorden.
Bepaalde rangtelwoorden zijn: eerste, tweede, zesde, achtste,
enz. benevens ander. I )it laatste woord toch staat in beteekenis gelijk
met tweede, bijv. in anderhalf „{de eerste geheel) de tweede half\', ver-
gelijk ook: derdhalf, vierd\'half enz. of in: Ik ben twee dagen hij hem
geweest; den eersten dag zijn wij thuis gebleven
, den anderen hebben
wij eenige. vrienden bezocht.
De onbepaalde rangtelwoorden zijn: middelste, laatste, hoe-
veelste, zooveelsle.
Ook andere krijgt eene onbepaalde beteekenis, wan-
neer het staat tegenover sommige, vele, enz.: Sommige menschen zijn
vurige lofredenaars van den ouden lijd, andere prijzen even vurig
den nieuwen.
Wanneer de ander tegenover de een staat, doet het, evenals dit laatste,
den dienst van aanwijzend voornaamwoord. (Vgl. $ 124)
§ 142. De telwoorden kunnen evenals de meeste voornaamwoorden
zoowel zelfstandig als bijvoeglijk worden gebruikt.
Bepaalde hoofd telwoorden: Iets in tweeen snijden, in vieren
r
-ocr page 66-
52
vouwen. Hij komt met den trein van zessen. Honderden, ja duizenden
waren daarbij tegenwoordig. Honderden vaten wijn worden jaarlijks
door hem verkocht. Hij heeft twee zoons gehad, doch beiden zijn jong
gestorven. Wij bennen met zen achten.
(15.)
Zooals men ziet, kunnen deze telwoorden slechts enkele zelfstandigheden ,
als: personen, d e e 1 e n, uren aanwijzen, of ze beteekenen een h o n-
derdtal, duizendtal, enz. In: Hij heeft drie achten geschreven is
acht een vrouwelijk zelfstandig naamwoord. Vandaar ook : eene mooie, groote
acht
, enz.
Onbepaalde hoofd tel woorden: Sommigen beweren, dat tiet mi-
nisterie zal aftreden. Velen zijn geroepen
, weinigen uitverkoren.
He paalde rangtelwoorden: Twee derde min één derde is één
derde.
In dit geval duiden deze woorden dus de deelen van een geheel
aan. Beteekenen de eerste, de tweede, de derde de personen of zaken,
welke in de eerste, tweede, enz. plaats genoemd zijn, dan doen zij
den dienst van aanwijzende voornaamwoorden: Ik heb alleen den
burgemeester en den dokter gesproken ; de eerste schijnt een vriendelijk
man; de tweede niet.
(Vgl. § 123)
Onbepaalde rangtelwoorden: Sommigen wilden, dat wij zouden
heengaan; anderen, dat wij bleven. Vele eersten zullen de laat ste n zijn.
V. LIDWOORDEN.
§ 14S. F>r zijn twee woorden, die den naam dragen van lidwoord:
de of 7, hel en een. Het eerste duidt aan, dat het volgende substantief
de naam is eener bepaalde zelfstandigheid en heet daarom lidwoord
van bepaaldheid. Zegt men bijv.: Haal eens even \'t boek, dal op de
tafel in de voorkamer ligt,
dan zijn al de genoemde voorwerpen bepaald:
\'t eerste door \'tgeen men er van gaat zeegen, het tweede en derde door
\'t feit, dat er in huis slechts ééne voorkamer en daarin weer ééne tafel is.
Dat bepaald-zijn wordt aangewezen door het lidwoord.
Het lidwoord een heet lidwoord van onbepaaldheid, daar het
te kennen geeft, dat men met het volgende substantief eene willekeu-
rige zelfstandigheid uit eene reeks van gelijksoortige zelfstan-
digheden bedoelt.
Hieruit volgt tevens, dat ieder zelfstandig naamwoord, waarvoor het
lidwoord een staat, het karakter heeft van een\' soortnaam. (Vgl. § 106)
§ 1 4. Hoofdzakelijk uit de beteekenis der lidwoorden vloeien deze
regels voort voor \'t gebruik dier woorden:
a. Eige nnamen hebben geen lidwoord zoor zich. Wanneer zij als
soortnamen worden gebruikt, kunnen zij daarentegen beide lidwoorden voor
zich hebben: een Maccenas, de .Bourbons. Soms heeft een tot eigennaam
geworden soortnaam het lidwoord van bepaaldheid bewaard: de Betuwe,
het Gooi, Den Haag.
Wordt de eigennaam door een adjectief voorafgegaan,
dan wordt het lidwoord van bepaaldheid gewoonlijk gebruikt; immers de
beteekenis van \'t substantief is dan door \'t bijvoeglijk naamwoord bepaald:
-ocr page 67-
53
de\'goede Willem, de dappere Caesar. Soms wordt in dit geval\'t lidwoord
weggelaten: Blinde Elze zingt en spint haar vlas. (B.)
b.     Soortnamen kunnen beide lidwoorden voor zich hebben.
Zij missen ze echter:
i. wanneer zij als de naam van den aangesproken persoon
voorkomen. In dat geval toch duidt het aanspreken alleen reeds vol-
doende aan, dat men een\' bepaalden persoon op \'t oog heeft: Lieve Moe-
dert Fes Ie Vriend!
2.     wanneer zij verwantschapsnamen zijn, die als eigennamen
gebezigd worden, \'tzij met of zonder eigennaam: Grootvader vertelt.
Moeder heeft het gezegd. Neef de Groot, JVichl Kegge.
3.     wanneer zij titels zijn, waarmede men iemand kan aanspreken
en die gevolgd worden door een\' eigennaam. In dat geval maken zij een
deel van den eigennaam uit: Graaf Jan, Prins Willem, Professor B.,
Dominee A.
Vergelijk daarmede: de hoogleeraar ƒ>\'., de predikant A.
Hij titels als: de prins van Oranje, de hertog van Wellington is \'t
lidwoord natuurlijk noodzakelijk, daar deze aan verschillende personen
worden gegeven.
c.     Stofnamen en als zoodanig gebruikte verzamelnamen hebben
geen lidwoord voor zich: Hij handelt in koffie en thee, zijn broeder in
vee en graan.
Doch wordt de stof of verzameling als een geheel opgevat,
dan bedient men zich van \'t lidwoord de: De koffie is dit jaar zeer duur,
hel vee daarentegen is goedkoop.
Vergelijk: de boter van deze koe met:
boter van deze koe; het vee van dien boer met: vee van dien boer.
Wordt de stofnaam als soortnaam gebezigd, of de verzamelnaam als soort-
naam opgevat, dan kunnen zij door beide lidwoorden worden voorafge-
gaan : een glas, een steen, een bosch, hel glas, enz.
d.     De begripsnamen volgen denzelfden regel als de stofnamen.
Worden zij zonder bepaalde grenzen gedacht, dan missen zij \'t lidwoord:
Deugd verheugt. Honger is de beste saus. Denkt men zich den inhoud
der begripsnamen als eengeheel, dan krijgen zij \'t lidwoord de: De deugd
alleen maakt gelukkig. De blijdschap van dat kind was treffend.
Krij-
gen de begripsnamen \'t karakter van soortnamen, dan kunnen zij beide
lidwoorden voor zich hebben: Verdraagzaamheid is een e groot e deugd\',
doch niet de grootste.
                                   •
e.     In plaatsbepalingen, die eene veel bezochte plaats beteekenen,
wordt veelal \'t lidwoord weggelaten: in, van, naar huis, naar bed, te
land, naar zee, naar stad
(in den mond van dorpsbewoners). Daaren-
tegen : ter zee, naar de kerk, naar de kermis.
f.     Nog wordt het lidwoord weggelaten voor sommige substantieven, die
paarsgewijze verbonden zijn: land en volk, huis en hof, kerk en
staat
, bed en bulster, huis en tuin, weer of wind, veld en akker.
g.     Eindelijk mist een zelfstandig naamwoord het lidwoord, wanneer een
ander zelfstandig naamwoord ter bepaling voorafgaat: \'s Menschcn bestem-
ming. Moeders schoot.
-ocr page 68-
54
VI. WERKWOORDEN.
§ 145. Werkwoorden zijn woorden, welke eene werking te ken-
nen geven, die als werking wordt voorgesteld. Ook woorden, als
zijn, worden, rusten, slapen en dergelijke moeten beschouwd worden
als woorden, die werkingen beteekenen.
Kene werking kan ook als eene zelfstandigheid worden voorge-
steld; dit doen óf werkelijke zelfstandige naamwoorden, als: gang, vlucht,
gedrang,
öf een vorm der werkwoorden, die tien naam draagt van infi-
nitief: Zeggen gaat dikivijls voor doen. Ik hoop spoedig bij u te komen.
Eene werking kan ook als eene hoedanigheid worden voorgesteh 1:
dit doen de deelwoorden: Een schreeuwend kind, een gebroken arm.
§ 146. De werkwoorden worden naar hunne beteekenis en hun gebruik
in den zin verdeeld in:
i. Ono vergan kelij ke (intransitieve) werkwoorden, die eene
werking beteeken, welke niet door eene zelfstandigheid wordt ondergaan,
bijv.: zijn , insluimeren, behagen . afhangen , tivijfelen.
De onovergankelijke werkwoorden worden weder onderscheiden in:
a.     su bj ec tief-ono vergan kelij ke, wanneer geene zelfstandigheid
buiten het onderwerp (subject) bij de werking is betrokken : Er is een
God. Het kind sliep gerust. Er is veel hagel gevallen. De wind slak
hevig op uit zee.
b.     objectief-ono vergankelijke, wanneer buiten het onderwerp
nog eene andere zelfstandigheid (object) bij de werking is betrokken.
Deze werkwoorden kunnen dus vergezeld gaan van een oorzakelijk of
belanghebbend voorwerp: Gedenk onzer. Hij ontvluchtte de plek
des onheils. Zij streven met alle beschikbare middelen naar hel doel.
Wij denken nog dikwijls aan die genoeglijke dagen.
2. O vergankelijke (transitieve) werkwoorden, welke eene wer-
king beteekenen, die door eene zelfstandigheid wordt ondergaan, of
waardoor eene zelfstandigheid wordt voortgebracht, bijv.: hakken,
geven, hoorcn, zien, bakken, leekenen.
Deze werkwoorden kunnen dus een
lijdend voorwerp of onderwerp bij zich hebben.
De overgankelijke werkwoorden kunnen in tweeerlei vorm voorkomen:
a.     in den bedrijvenden vorm, wanneer het onderwerp van den
zin de werking verricht: De moeder verstelt de klccrcn.
b.     in den lijdenden vorm, wanneer het onderwerp van den zin de
werking ondergaat: De klecren worden door de moeder versteld.
Alleen van overgankelijke werkwoorden bestaat een werkelijk lijdende
vorm. Toch komt er ook een schijnbaar lijdende vorm van onoverganke-
lijke werkwoorden voor: Er wordt in die straal druk geloopen. Er werd
geschreeuwd, geschreid, gelachen, gevloekt,
enz. Dat men hier slechts
niet een\' onechten lijdenden vorm te doen heeft, is duidelijk, daar er
geene zelfstandigheid wordt genoemd of aangeduid, die de werking onder-
-ocr page 69-
55
gaat. In dergelijke volzinnen wordt alleen ge/.egd, dat er eene onovergan-
kelijke werking plaats heeft. (Verg. § 22)
Men inerke op, dat deze schijnbaar lijdende vorm alleen voorkomt bij
zulke onovergankelijke werkwoorden, die eene werking beteekenen, welke
met bewustheid door personen wordt verricht. Zoo kan men niet
zeggen: Er wordt verwelkt, gestorven, gedroomd, geblaat, enz.
3. Wederkeerend e (reflexieve) werkwoorden, welke eene wer-
king beteekenen, waarbij onderwerp en voorwerp (lijdend of
belanghebbend) dezelfde zelfstandigheid vertegenwoordigen. Zij worden
onderscheiden in:
a.     noodzakelijk wederkeerende, die altijd als zoodanig voorkomen:
zich ?>erstoulen, zich vergissen, zich ontfermen, zich bekommeren, zich
begeven, zich aanmatigen, zich inbeelden.
De noodzakelijk wederkeerende
werkwoorden, waarbij het wederkeerentl voornaamwoord in den 4en
naamval staat, zijn, wat hunne beteekenis aangaat, onovergankelijk
en alleen wat hun gebruik betreft, overgankelijk. Zoo is: zich verstou-
ten
= stout zijn, zich vergissen = dwalen, zich bekommeren — bekom-
merd zijn,
enz.
b.     toevallig wederkeerende werkwoorden, die eenvoudig ovcrganke-
lijke werkwoorden zijn, wier onderwerp toevallig tevens het belanghebbend
of lijdend voorwerp is, bijv.: zich wasschen, zich klceden, zich bedwingen,
zich (moeite) geven, zich (ie/s) aanschaffen.
Zijn er onder deze, die eene
onovergankelijke beteekenis hebben, dan moeten zij tot de nood-
zakelijk wederkeerende gerekend worden. Zij hebben dan toch eene
andere beteekenis, dan wanneer zij niet wederkeerend worden gebruikt,
bijv.: zich verheugen =z verheugd zijn, zich verwonderen — verwon-
derd zijn, zich verbazen ~ verbaasd zijn
, enz., die eene onovergankelijke
beteekenis hebben tegenover de overgankelijke in: Dat verheugt, ver-
wondert , verbaast mij — maakt mij verheugd, verwonderd, verbaasd,
enz.
4. Onpersoonlijke werkwoorden, die eene werking beteekenen,
waarvan alleen het plaats hebben wordt vernield, doch die deze wer-
king voorstellen als uitgaande van eene onbepaalde zelfstandigheid. Deze
zelfstandigheid wordt aangeduid door \'t voornaamwoord het; soms ook
alleen door den buigingsvonn des werkwoords: Hel regent, sneeuwt,
waait, enz. /fet ontbreekt hem adn geld. Het scheelt hem in \'t hoofd,
liet hapert
, mangelt hem aan de middelen. In de lever schortte het hem.
(G.) //tl kookte en bruiste in zijn gemoed. Hel schemerde hem voor de
oogen. /lel wemelde er van mensehen. Als hel op doen aankomt, is hij
niet thuis. Ifcl zal nog lang aanloopcn
, eer hij dal alles grondig kent.
Mij hongert. Mij dorst. Mij huiverde op dal gezicht.
Met de onpersoonlijke werkwoorden verwarre men niet de werkwoorden,
die voorkomen in zinnen als: f f el spijt mij, dat ik u niet kan helpen.
Hel gebeurt zelden, dal men hem te zien krijgt, /[el schijnt, dat zijn
broeder boos op ons is. Ifcl grieft hem, dat men hem zoo behandelt.
Deze zijn onovergankelijk of overgankelijk; het logisch onderwerp volgt
-ocr page 70-
56
in den vorm van een\' bijzin op \'t gezegde, terwijl het bij de echt onper-
soonlijke ww. in het werkw. ligt opgesloten. (Verg. § 24)
5.     Koppelwerkwoorden. Het werkwoord zijn geeft dikwijls te
kennen, dat eene hoedanigheid door den spreker aan het onderwerp
wordt toegekend; in dat geval draagt het den naam van koppelwerk-
woord. Ook de werkwoorden: worden, blijven, schijnen, heeten „ge-
noemd worden" lijken, blijken, dunken en voorkomen, die alle het
begrip van zijn inhouden, worden, wanneer zij met een bijvoeglijk of
zelfstandig naamwoord verbonden het gezegde uitmaken, tot deze soort
gerekend. (Verg. § 26)
6.     Hulpwerkwoorden. De werkwoorden: hebben, zijn en zullen
dienen dikwijls, om de betrekking te kennen te geven, waarin de werking,
door een\' vorm des werkwoords uitgedrukt, tot den tijd staat; zij heeten
dan hulpwerkwoorden van tijd.
Het werkwoord worden wordt dikwijls gebruikt tot vorming van den
lijdenden vorm der overgankelijke werkwoorden, alsmede tot vorming
van den schijnbaar lijdenden vorm van sommige onovergankelijke werk-
woorden : De hond wordt geslagen. Er werd een vreeselijke angstkreet
gehoord. Er werd hartelijk om die grap gelachen.
In dat geval wordt
dit woord hulpwerkwoord van den lijdenden vorm geheeten.
De werkwoorden mogen, kunnen, laten, zullen en moeten dienen soms,
om verschillende betrekkingen te kennen te geven, waarin eene gedachte
staat tot de werkelijkheid: mogen, kunnen en laten stellen haar dan voor als
mogelijk of wenschelijk; zullen en moeten als stellig. In dat geval
heeten zij hulpwerkwoorden van wijze (modale hulpww.).
Hij mag zoo geleerd zijn als hij wil, een verstandig man is hij niet.
Het is tivaalf uur; gij moogt wel voortmaken. Een landhuis stond aan
de Arn\', het mag
„kan" er nog wel staan. (St.) Waarom zou hij
niet komen ?
— Misschien is hij onze afspraak vergeten, maar hij kan
ook plotseling verhindering gekregen hebben. Laten wij elkander helpen !
Gij zult toch wel een\' enkelen vriend hebben.
(Sch.) Hij zal u niet
verstaan hebben. Dat werk moet heel veel moeite hebben gekost.
Men noemt deze woorden hulp werk woorden van wijze, omdat zij
denzelfden dienst doen, als de wijzen der werkwoorden of als de bijwoor-
den van wijze. (Verg. § 149) Zoo staat: hij mag zoo geleerd zijn ge-
lijk met: hij zij zoo geleerd; gij moogt wel voortmaken met: maak toch
voort; het mag er nog wel staan
met: het staat er misschien nog wel;
hij kan ook verhindering gekregen hebben
met: hij heeft misschien ver-
hindering gekregen; laten wij elkander helpen
met: helpen (aanv. wijs)
wij elkander; gij zult wel een\'\' enkelen vriend hebben met: gij hebt stel-
lig wel een" enkelen vriend; hij zal u niet verstaan hebben
met: hij
heeft u zeker niet verstaan; dat werk moet heel veel moeite hebben ge-
kost
met: het heeft zeker heel veel moeite gekost.
Beteekent mogen „verlof hebben", kunnen „in staat zijn", zullen of
moeten „verplicht zijn" of „genoodzaakt zijn", laten „doen" of „toelaten",
-ocr page 71-
57
dan zijn de vier eerste woorden o no vergank elijke, het laatste is dan
een o vergankelijk werkwoord: Hij mag, kan, moet dit doen. Gij
zult niet stelen. De vorst liet hen gevangen nemen, /.aal hem gaan.
Deze werkwoorden verschillen dan, evenals durven „den moed hebben"
en willen „den wil hebben", van andere onoverg. en overg. ww. alleen
daarin, dat zij steeds gevolgd worden door een ander werkwoord in den
infinitief. Deze infinitief is echter eene bepaling bij het eerste werk-
woord, al noemt men gewoonlijk ook beide werkwoorden te tarnen het
gezegde. Zulke werkwoorden staan dus geheel gelijk met gaan, hooreu,
enz. in zinnen als: Hij gaal wandelen. Ik hoorde hem roepen, enz.
(Verg. § 30)
§ 147. Ten einde den grond van de bovenstaande verdeeling der
werkwoorden in te zien, wete men, dat men alle werkwoorden kan ver-
deelen in: a. werkwoorden, die alleen het gezegde vormen, b. werk-
woorden, die het gezegde helpen vormen.
Die onder a. kan men naar den aard van het onderwerp weer
verdeelen in: a. niet-onpersoonlijke en /;. onpersoonlijke, waarvan dan de
eerste soort naar de bete eken is van het gezegde weder verdeeld
kan worden in: 1. onovergankclijke 2. overgankclijke 3. wederkeerende.
Die onder b. kan men verdeelen in a. zulke, die met een naam-
woord het gezegde vormen: koppelwerkwoorden, b. zulke, die met een
werkwoord het gezegde uitmaken: hulpwerkwoorden. De laatste zijn
dan weder: 1. hulpwerkw. van tijd 2. hulpwerkiv. van den lijdenden
vorm
3. hulpwerkw. van wijze.
§ 148. Ten opzichte van de verdeeling der werkwoorden houde men
in \'t oog:
a.     dat sommige werkwoorden beurtelings onoverg ankel ijk en over-
ga n kei ijk voorkomen, ;ris: slaan, steken, verbranden, koken, schieten,
hangen , raken , genezen , kraken
, enz.
b.     dat sommmige werkwoorden, die oorspronkelijk onovergan-
kelijk waren, tegenwoordig als o vergank elij k worden gebruikt. Zulke
werkwoorden zijn bijv.: vergelen, beginnen, die voorheen een\' 2e" nv.
regeerden, volgen , navolgen , opvolgen , ualoopeu , nazitten , toejuichen ,
toespreken, ontmoeten, naderen, voorbijgaan, die een\' 3°" nv. bij zich
hadden, oversteken, dat van een 4°" nv. als bepaling van plaats vergezeld
was. Deze werkwoorden moeten als o vergankelijke beschouwd worden,
wanneer zij in den lijdenden vorm kunnen worden gebracht: Derge-
lijke bijzonderheden worden weer spoedig 7>erge/en. Die boodschappen zijn
vergeten. De arbeid werd begonnen. De dief werat door der,\\ politie dienaar
gevolgd, nagevolgd, nagcloopcn, nagezeten. Willem
// werd door Wil-
lem ITI opgevolgd. De prins werd door eene bezending uit de vroed-
schap ontmoet. De stad werd van de zuidzijde genaderd. Hij werd bij
de algemeene bevordering schandelijk voorbijgegaan. Hij werd luide
toegejuicht. De jubilaris iverd door den voorzitter van hel feestcomité
toegesproken. De rivier werd in den nacht overgestoken.
Kan de omzet-
-ocr page 72-
58
ting in den lijdenden vorm niet plaats hebben, dan behooren zij tot de
onovergankelijke te worden gerekend: Ik ben aan dat werk begonnen.
Ik ontmoette hem vroeger dagelijks. Ootmoedig naderde de dienaar zijn\'
heer. Wij gingen het huis voorbij.
De oorzaak van dit verschijnsel is, dat de 2e en 3e naamval, na het
afslijten der kenmerkende buigingsuitgangen, verkeerdelijk voor een lijdend
voorwerp werden aangezien en tot onderwerp van een\' lijdenden zin ge-
maakt. Vooral geschiedde dit, wanneer er naast zulke onovergankelijke
werkw. overgankelijke bestonden met ongeveer dezelfde beteekenis. Op
dezelfde wijze is ook de 3e naamval tot lijdend onderwerp geworden in:
Ik wil niet op de vingers gezien worden. Wordt gij te kort gedaan ?
En toch ben ik in Zwitserland bitter in den nek gezien.
(G.) En zoo
zegt men ook: Ik verzoek u iets en Men wordt verzocht niet te rookcn.
Kveneens wordt de 3° naamval, dien de werkwoorden balen, schaden
en gehoorzamen nog tegenwoordig regeeren, bij de omzetting in den
lijdenden vorm tot onderwerp: Wordt gij er niet door gebaat, gij wordt
er niet door geschaad. Ik wil gehoorzaamd worden.
c.     dat sommige onovergankelijke werkwoorden overgankelijk
worden gebruikt. Hierbij doen zich twee gevallen voor:
1.     Het werkwoord wordt inderdaad overgankelijk, doch krijgt
dan ook een andere beteekenis. Van dien aard zijn: zich een\' bochel
lachen, zich hoofdpijn rijden, een gal in den dag slapen, tranen 7>an
berouw schreien, wraak ademen, zijne schoenen scheef loopen, den
drempel zwart loopen, zich blind staren, luren.
IIet werkwoord beteekent
dan: door middel der werking zekere zelfstandigheid te voorschijn roepen
of het voorwerp in zekeren toestand brengen.
2.     Het werkwoord wordt alleen, wat de wijze van voorstelling
betreft, overgankelijk: een\' diepen slaap slapen, een\' heerlijken droom
droom en
, zijn\' gang gaan, den hcldcndood sterven, den goeden strijd
strijden.
In dit geval stelt men de werking zelve voor als ecne zelfstan-
digheid, door die werking voortgebracht.
d.     dat ook o n persoo nl ij k e werkwoorden als o verga n k el ij ke wor-
den gebruikt: Het sneeuwt grootc vlokken. Bij dezen Dominee regent
hel altijd bloempjes.
(P.) Het hagelde kcistecncn tegen de ruiten. In dit
geval worden vlokken, bloempjes, keislecncn mede voorgesteld als\'t voort-
brengsel der werking.
e.     dat de koppelwerkwoorden op écne uitzondering na oorspronke-
lijk onovergankelijke werkwoorden waren en nog dikwijls als zoodanig
worden gebruikt: Er is een God. f Tij is te huis. God sprak en alles
werd. Hij blijft te huis. Hij lijkt sprekend op zijn\' vader, /fel komt
mij voor, dat hij gelijk heeft. Mij dunkt, dal er veel waars in is.
Het is gebleken, dal hij de dief was.
Naast het koppel werkw. hcctcn
„genoemd worden" staat het overgankelijke hecten „noemen", bijv.: Ik
heet hem mijn\' 7vcldoencr.
Sommige onovergankelijke werkwoorden leggen nog wel eens hunne
-ocr page 73-
5!)
eigenlijke beteekenis af, om ongeveer die van de koppelwerkwoorden zijn
en worden aan te nemen. Zij zijn: staan, zitten, vallen, gaan, raken,
loopcn,
enz.: Hij staat bekend als een eerlijk man. ffij zit verlegen om
iets. Dal valt mij moeilijk. Hij viel waf driftig. De tijd gaat verloren.
De schuil raakt los. De kerk liep leeg. De kust stroomt vol.
De beide
laatste werkwoorden staan nog op de grens der onovergankelijke werk-
woorden. (Verg. § 27)
VII. BIJWOORDEN.
§ 149. Bijwoorden dienen ter bepaling van het begrip, door een
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, telwoord of een ander
b ij w o o r d uitgedrukt: De jongen looft hard. Hij beklaagde zich over
de hoogst onbeleefde behandeling. Er waren heel veel mcnschen op de
been. Wij gaan er zeer dikwijls heen.
Sommige bijwoorden dienen niet ter bepaling van eenig begrip, in den
zin uitgedrukt, maar geven verschillende betrekkingen te kennen , waarin
de gedachte, naar de voorstelling des sprekers, staat tot de werkelijk-
heid: misschien, zeker, wel, niet, enz. Zij heeten bijwoorden van
w ij z e {modale bijwoorden).
§ 150. De bijwoorden, die eene bepaling uitmaken, worden naar
hunne beteekenis verdeeld in:
1.     bijwoorden van hoedanigheid. Deze zijn veelal gelijk aan
de bijvoeglijke naamwoorden: Hij heeft mooi geschreven. Uitsluitend
bijwoorden zijn: heuschelijk, strcngelijk, schcrpelijk , voorzie hl iglij k ,
zachtkens, stillekcns, zoetjes, ruggclings.
Hoedanigheden worden aange-
duid, niet genoemd door: zoo, dus, alzoo, evenzoo, eveneens, aldus,
anders, hoe.
2.     bijwoorden van hoeveelheid en graad: veel,weinig,genoeg,
zeer, heel, zoo
(in: zoo fraai), bijna, schier, nauwelijks, te (in: tegroot),
bijzonder, buitengemeen, buitengewoon
, ongemeen, uitstekend, uitnemend,
ontzettend, kostelijk, uiterst, hoogst, hoe
(in: hoe hoog of: Hoc hij zijn
best deed!).
Hiertoe behooren ook de zoogenaamde herhalingsgetallen,
voor zooverre zij geene bijwoorden van tijd zijn. Het zijn woorden,
gevormd uit telwoorden en de zelfstandige naamw. keer, maal,
reis, werf,
bijv.: zesmaal g rooier, driewerf gelukkig.
2. bijwoorden van plaats: aan, op, uit, in, onder, over, binnen,
builen, boven, toe, af.
Deze komen ook dikwijls als voorzetsel voor,
uitgezonderd de beide laatste, welke als voorzetsel den vorm hebben
van: lol, van. Verder: overal, ergens, nergens, hier, daar, waar,
hicrzoo, daarzoo, waarzoo, heinde en ver, 7cujd en zijd, weg, voort,
heen, hierheen, daarheen, waarheen, herwaarts, derwaarts, huiswaarts,
naar boven, naar beneden, naar omlaag, van hier, van daar, van waar,
hiervandaan, daarvandaan.
4. bijwoorden van tijd: ooit, nooit, immer, nimmer, eens, toen,
-ocr page 74-
co
dan , nu, hierna, titans, gisteren , reeds, aireede, \'s nachts, \'s morgens,
steeds, altijd, voortaan, onderwijl, terwijl, intusschen, zelden, \'raak,
dikwijls, telkens, weder, somtijds, doorgaans, tweemaal, menigwerf,
ereis
:rr eene reis.
5. b ij woorden van omstandigheid: vergeefs, alleen, gezamen-
lijk
, mede, slechts, zelfs. Naast mede staat liet voorzetsel met.
§ 151. De hij woorden van wijze worden onderscheiden in:
a. bevestigende of stellige: ja, wel, waarlijk, zeker, stellig,
gewis, ongetwijfeld, voorwaar, waarachtig.
1). ontkennende: neen, niet, geenszins.
c.     vragende: tocht immers? nietwaar?
d.   twijfelende: misschien , wellicht, mogelijk, vermoedelijk, waar-
schijnlijk.
e.     wens chemie: dan, toch: Kom dan! Ga toch heen.\'
*i 152. Tot de bijwoorden rekent men ook de zoogenaamde voor-
naamwoordelijke bijwoorden. Dit zijn woorden, die den dienst
doen van een voorzetsel en een voornaamwoord. Men heeft ze
bijwoorden genoemd, omdat zij zeer dikwijls voorkomen als bepaling van
\'t gezegde, bijv.: Hij nam een\' slok en sloeg daarmede in V rond zz met
den slok.
Dit is intusschen niet altijd \'t geval; bijv. niet, wanneer men
van brieven sprekende zegt: De inhoud daarvan was niet zeer opbeurend,
of van een\' stoel: De zitting er van begon kaal te worden. 7a) bestaan uit
de bijwoorden: hier, daar, er, waar, ergens, nergens, overal en een
ander bijwoord, als: op, in, uit, over, mede, toe, enz., dus: hierdoor,
daarin, er uit, waarover.
Eene uitzondering maken: waarvan, daar-
naar,
enz,, waarvan het laatste deel tegenwoordig een voorzetsel is;
toch zijn ook daaraf, er af, enz. nog in gebruik: Ifij nam daar een
heel stuk af. Ik sprong er af.
De voornaainw. bijwoorden, wier eerste deel hier, daar en er is,
komen voor als persoonlijke en aanwijzende voornaam»\'.; die,
welke niet waar aanvangen, als vragende of betrekkelijke voor-
naamwoorden; die, welke beginnen met ergens, nergens en overal
als onbepaalde voornaamwoorden met voorzetsels.
Ten opzichte van \'t gebruik dezer woorden volgen nog eenige opmer-
kingen :
a.     Wanneer men van zaken spreekt, gebruikt men voor \'t persoonlijk
voornaamwoord met voorzetsel liefst er uit, er in, enz.: Die som
is niet gemakkelijk, ik heb er een uur lang over nagedacht en ben nog
even ver. Als de toekomst voor Kar el V nog iets in den school droeg,
wat anders kon het zijn dan de wereldheerschappij ? Des nachts droomde
hij er van; des daags streefde hij er naar.
(P.) Zij kunnen ook den
inhoud van een\' volzin aanduiden: //\' heb er lang over nagedacht, wat
dit kan beteckenen.
b.     Voor \'t aanwijzend voornaamwoord met voorzetsel ge-
bruikt men, van zaken sprekende, liefst daarvan, hiervan, enz.: Zelfs
-ocr page 75-
61
had de cipier den sleutel van \'t hok niet eens bij zich, toen hem daarom
gevraagd werd.
(Sch.) Ook wanneer men van personen spreekt, ziet
men in gemeenzamen stijl daarmede, enz. gebruikt. En Sloutcnburg? —
Daar heb ik een taai gesprek mee gehad. (V. L.) Ook om den inhoud
van een\' volzin aan te duiden, gebruikt men deze woorden: Ik wil, dal
het onbekend blijve en ook hiervoor heb ik gezonde redenen.
(V. L.)
c.     Voor \'t vragend voornaamwoord wat met voorzetsel ge-
bruikt men steeds waarover, enz.: Waarover heeft hij gesproken?
Waaraan denkt gijl Waar heeft hij dit mee geschreven?
d.     Voor \'t betrekkelijk voornaamwoord met voorzetsel ge-
bruikt men meest van zaken, doch soms ook van personen sprekende,
waarover, enz.: Vil gaf hem dien ernst, waarvan Jane een1 af keer had,
waarvoor zij vrees koesterde.
(Sch.) Leven de oude dienstboden nog,
waaraan ivij van kindsbeen gewend waren ?
(V. L.) Deze is de juffer,
waarover ik gesproken heb.
(V. L.)
Voor waarover, enz. gebruikt men ook: daarover, enz., zelfs in poëzie:
O weerzien, daar zijn hart naar brandt. (St.) Schenk, schenk ons hart
den zoon terug, den zeeman, daar ons hart voor saagde.
(St.) Dat is
een ding, daar de meesten luchtig over heen loopen.
(B.) Liefelijke
zomerregen,
— zegen de aarde, daar ge op daalt. (B.)
Ook waarover, enz., kunnen den inhoud eens volzins aanduiden:
Falckestein boog en zweeg, waarmede dit gesprek ten einde liep. (V. L,.)
e.     Voor de onbepaalde voornaamwoorden iets, niets en alles
met voorzetsels gebruikt men meermalen: ergens, nergens, overal
naar, van,
enz.: Hij sprak ergens over. Hij let nergens op. Hij grijpt
overal naar.
% 153. Nog rekent men tot de bijwoorden de voegwoordelijke
bijwoorden. Dit zijn woorden, die oorspronkelijk niet alleen het ver-
band tusschen twee zinnen uitdrukten, maar tevens dienst deden als bepa-
ling van het gezegde. Tegenwoordig staat echter het voegwoordelijk
karakter dezer woorden zoo zeer op den voorgrond, dat ze in beteekenis
meestal moeilijk van de eigenlijke voegwoorden zijn te onderscheiden.
Men kan ze evenwel nog altijd hieraan herkennen: i°. zij staan niet alleen
aan \'t begin, maar ook wel in \'t midden des volzins; vergelijk: Ik heb
hem gewaarschuwd, maar hij heeft niet willen hooren
en: hij heeft
echter niet willen hooren,
2°. op een voegwoord volgt altijd de gewone
woordschikking, op een voegwoordelijk bijwoord daarentegen,
wanneer dit aan \'t hoofd van den zin staat, kan de woordschikking van
den vragenden zin volgen. Vergelijk: want hij wist hel niet met: immers
wist hij
V niet. Wel kan men "omgekeerd zeggen: immers hij wist het
niet,
doch nooit: want wist hij V niet.
Wanneer men nu de plaats der bijwoorden in den zin en hun\' invloed
op de woordschikking nagaat, ziet men, dat deze geheel dezelfde zijn bij
de voegwoordelijke bijwoorden als bij die van tijd, plaats, enz. Vergelijk:
Gisteren heb ik hem gewaarschuwd met: Toch heb ik hem gewaar-
-ocr page 76-
62
schuwd. fk heb hem gisteren gewaarschuwd met: fk heb hem toch
gewaarschuwd.
De voegwoordelijke bijwoorden dienen hoofdzakelijk tot uitdruk
king van het nevenschikkend zinsverband. (Zie § 42 en v.v.) Soms komen
zij ook in hoofdzinnen voor, welke van bijzinnen vergezeld gaan. (Zie §
89.) Wij verwijzen hier naar Hoofdstuk VI en VrII van het Eerste Boek,
waar men opmerkzaam naga, welke der woorden, die de zinsverbinding
bewerken, tot de bijwoorden moeten worden gerekend.
X. VOORZKTSELS.
§ 154. Voorzetsels zijn woorden, welke de betrekkingen aanwijzen,
die er tusschen twee zelfstandigheden bestaan : De peer hangt aan den tak.
Wij kwamen uit de kerk. De vrouw van mijnen vriend lag ziek. fk
zit te schrijven. Hij is begeerig naar roem.
De meeste voorzetsels zijn oorspronkelijk bijwoorden van plaats: aan,
op, in, uit, onder,
enz.; zij worden voorzetsels, wanneer zij door een
zelfstandig naamwoord of voornaamwoord worden gevolgd: Ik kwam
binnen. Ik kwam binnen de deur.
Kerst drukten zij alleen plaatselijke
betrekkingen uit, daarna ook tij tl e lijk e en vervolgens allerlei onzin-
nel ij k e betrekkingen: Ik kom binnen een uur terug. Wij zijn buiten
hel geheim gehouden. Ik verlang naar rust.
Ook andere woorden worden als voorzetsels gebruikt, als: spijt, krach-
tens, namens, ondanks, trots, niettegenstaande
, wegens, staande, enz.
Evenzoo uitdrukkingen als: ten spijt van, in weerwil van, uil kracht
van, in naam van , tengevolge van,
enz.
§ 155. Opmerking verdient het woordje te, wanneer het vóór een\'
infinitief staat. Het doet dan soms den dienst van voorzetsel, soms echter
ook niet. Zegt men: Ik zit te werken, fk begin te werken, dan is te
een voorzetsel, zooals blijkt uit de vergelijking met: Ik zit aan heiwerk.
Ik begin aan hel werk,
enz. Komt daarentegen een infinitief met te voor
als^onderwerp of lijdend voorwerp of wordt hel door een ander
voorzetsel voorafgegaan, dan is te eigenlijk overtollig en wordt het
alleen door ons taaleigen gevorderd, bijv.: Hel is onnoodig, mij daarvan
meer te vertellen. Ik acht het verkeerd, zoo onvoorzichtig te handelen.
Door hem niet Ie waarschuwen hebt gij een e fout begaan.
§ 15(>. Soms komen er twee voorzetsels voor één substantief, bijv.:
Zij drongen tot in het kreupelhout door. Men haalde hem dood van
onder zijn paard Ie voorschijn. De brand breidde zich uit tol over de
gracht.
Men kan dan tusschen de beide voortzetsels zich steeds een sub-
stantief denken, als eene plek, eene plaats, de huizen, enz. Verkeerd
is het echter te zeggen: Hij haalde een mes van uit zijn\' zak, enz.
waarin van overtollig is. Kven verkeerd is het, van af vóór een substan-
tief te plaatsen: immers af is een bijwoord. (Verg. § 150) Wel kan men
zeggen: Hij had van den vroegen morgen af gewerkt, waarin af dient
ter versterking der bijwoordelijke bepaling van den vroegen morgen.
-ocr page 77-
63
XI. VOEGWOORDEN.
§ 157. Voegwoorden zijn woorden, die dienen, om zinnen of zin-
deelen te verbinden en tevens den aard hunner onderlinge betrekking te
kennen te geven. Zij worden verdeeld in nevenschikkende en onder-
schikkende, naarmate zij \'t nevenschikkend of onderschikke nd
zinsverband bewerken. De nevens c hikken il e worden weer naar den
aard van \'t zinverband verdeeld in: aaneenschakelende, tegen-
stellende en redengevende; de onderschikkende krijgen
dezelfde namen als de bijzinnen, welke zij met den hoofdzin ver-
binden. De woorden dat en of, welke dienen, om vele onderwerps-,
gezegde- en voorwerpszinnen, alsmede sommige bijvoeglijke en bijwoor-
delijke zinnen met den hoofdzin te verbinden, heeten grammatisch
verbindende voegwoorden.
XII. TUSSCHENWERPSELS.
§ 158. Tusschenwerpsels zijn gevoelsklanken en naboot-
singen van geluiden. Zij kunnen slechts in oneigenlijken zin woorden
worden genoemd.
Van die der eerste soort geven te kennen:
smart: wee! o wee.\' ach! och! oef! au! ai.\' helaas!
vreugde: ha ! hoezee ! hoera !
verwondering: hè! hé! ha! ah!
verlangen: och !
afkeer: foei! ba! br!
om te roepen, dienen: hei! hé! pst!; om stilzwijgen te gebieden: st!
Nabootsingen van geluiden zijn: bons! krak! plof! rrt! rombomt enz.
Nog behooren tot de tusschenwerpsels verscheidene heel of half verbas-
terde uitdrukkingen, welke dienen, om een\' uitroep kracht bij te zetten.
-ocr page 78-
DERDE BOEK.
DE BETEEKENIS EN HET GEBKriK DEK BriGlNGSVOHMEN.
§ 159. Zes der woordsoorten zijn onderworpen aan verandering, buiging
(flexie) geheeten. Bij de naamwoorden heet het geheel der vormverande-
ring ook verbuiging (declinatie), bij de werkwoorden vervoeging
(conjugatie). De oorzaken dier verandering liggen deels in de beteekenis der
woorden, deels in de verschillende betrekkingen, waarin zij voorkomen.
De verbuiging der zelfstandige naamwoorden en zelfstandige voornaam-
woorden, alsmede van de woorden, welke daarbij behooren, wordt gedeel-
telijk bepaald door eene onderscheiding dier naamwoorden in drie klassen,
die den naam dragen van geslachten. Voor een ander deel dragen de
vormen dier woorden den naam van getal en naamval. De vormen,
welke de werkwoorden aannemen, heeten: wijze, tijd, persoon en getal
infinitief en deelwoord. Die, welke sommige bijvoeglijke naamwoor-
den en bijwoorden aannemen, heeten trappen van vergelijking.
I. GESLACHT.
§ 1G0. De namen der mannelijke wezens hebben van oudsher eene
andere verbuiging gehad, dan die der vrouwelijke. Bovendien was deze
verbuiging weder onderscheiden van die der namen van levenlooze voor-
werpen. De namen van sommige dezer laatste werden echter in de ver-
buiging behandeld als die van mannelijke of vrouwelijke wezens. Zoo
zijn dus alle zelfstandige naamwoorden in drie klassen verdeeld, aan
welke men, om den oorsprong der onderscheiding, den naam geeft van
geslachten en wel van: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig
geslacht.
Als algemeenen grond dier onderscheiding bij levenlooze voorwerpen
kan men aannemen, dat voorwerpen, welke men aanmerkte als krach tig
en werkend tot het mannelijk geslacht, die, welke men beschouwde
als zwak of lijdend tot het vrouwelijk geslacht werden gerekend, terwijl
al wat geen dezer kenmerken vertoonde of zich door zekere onvolko-
menheid onderscheidde, tot het onzijdig geslacht werd gebracht.
-ocr page 79-
65
Bij afgeleide zelfstandige naamwoorden richtte zich het geslacht naar
hunne achtervoegsels.
Intusschen vergete men niet, dat het hier aangevoerde volstrekt niet altijd
in staat stelt, den grond van het geslacht der substantieven na te sporen.
Bij namen van levende wezens kan het hier bedoelde woordge-
slacht verschillen van het natuurlijk geslacht. Dit heeft dan plaats,
wanneer een vrouwelijk zelfstnw. gebezigd wordt, om een\' man nelij-
ken persoon aan te duiden, bijv.: Zijne Majesteit, Zijne Genade, Zijne
Eminentie,
enz. of wanneer een onzijdig zelfstnw. dient, om een\'man-
n el ij ken of vrouwelij ken persoon te noemen, bijv.: hel wijf,
vrouwmensch, vrouwspersoon, meisje, jongetje, mannetje, kereltje,
enz.
§ 161. Wegens hunne beteekenis zijn mannelijk:
i °. de namen van mannen, als: He?idrik, grootvader, burgemeester
en van mannelijke dieren, waarnaast eene afzonderlijke benaming voor
het wijfje bestaat, als: stier, hengst, kaler naast koe, merrie, kat. Ontbreekt
een afzonderlijke naam voor \'t wijfje, dan zijn in \'t algemeen namen van
groote en sterke dieren mannelijk, als: haai, kameel, olifant, arend,
die van kleinere, zwakkere dieren vrouwelijk, als: muis, rat,
zwaluw.
2°. de namen van boomen, als: beuk, eik, iep, berk. Uitgezonderd
zijn: linde en tamarinde (V.) Ook vrouwelijke namen van vruchten
worden mannelijk, wanneer zij als b o o m namen worden gebruikt: een
abrikoos, een perzik.
3°. de namen van steenen, als voorwerpen beschouwd: een dia-
mant, een steen.
Als stofnamen zijn zij onzijdig: het diamant, het
kwarts, het hardsteen.
4°. de namen van maanden en jaargetijden: April, zomer, herfst.
Uitgezonderd zijn: lente en de samenstellingen met maand en jaar :
Meimaand
(V.), voorjaar (O.).
5°. de namen van bergen, als: Mont-Blanc, Vesuvius, Hekla.
6°. de namen van munten, als: gulden, stuiver, cent. Uitgezonderd
zijn: pistool en guinje (V.).
§ 162. Wegens hunnen vorm, veelal ook met inachtneming der be-
teekenis, zijn mannelijk:
i°. de zaaknamen op aard, crd, als: beiaard „klok", mutsaard
„takkenbos", standaard, blafferd „register", mosterd.
2°. de zaaknamen op aar: lessenaar, lezenaar, kandelaar, boezelaar.
3°. de woorden op el en er, wanneer zij, van een werkwoord afgeleid,
een werktuig beteekenen; als: beitel, hevel, sleutel, teugel, vleugel; stoffer,
snuiter, gieter, trekker.
Uitzonderingen zijn: griffel, schoffel (V.).
4°. de woorden op cm, lm, nn: adem, bezem, alsem; helm, halm;
storm, vorm.
Uitzonderingen zijn: scherm (O.), palm „vlakke hand, lengtemaat, kruid",
(V.) doch palm „palmboom, tak" is M., uniform V., helm „grassoort" V.
5°. de woorden op ing en ling, wanneer zij geene persoonsnamen
T. terwey, Ned. S]>raakk. 8e druk.                                                                   5
-ocr page 80-
66
zijn: gieteling, haring, paling, kruiling, pippeling, penning, zilverling,
schelling, krakeling, teerling.
Zijn zulke woorden stofnamen, dan behooren zij tot het vrouwelijk
gesiacht: Men heeft de haring gekaakt en de paling ingelegd. Doch
honing {honig) is M.
6°. de eenlettergrepige begripsnamen, die werkingen beteekencn:
loop, slag, val, schop, sloot, houw, stand, lach, zucht, schreeuw, enz.
Zulke woorden zijn V., wanneer zij een voorwerp beteekenen, dat tot de
werking in eenige betrekking staat, bijv.: val „muizenval", gang (van een
huis), trap „wenteltrap", schop (om te scheppen), greep „handvat, hand-
vol, mestvork".
7°. de woorden op dom, wanneer zij een\' toestand beteekenen:
ouderdom, adeldom, wasdom, rijkdom. Doch deze woorden zijn O., wan-
neer zij eene verzameling beteekenen: menschdom, engelendom, goden-
dom , Christendom, Jodendom,
of een gebied te kennen geven: hertog-
dom , vorstendom. Adeldom
en rijkdom zijn ook als verzamelnamen M.
Men onderscheidt: eigendom „recht van bezit" M. van eigendom „bezit-
ting" O.
§ 163. Wegens hunne beteekenis zijn vrouwelijk:
i °. de namen van vrouwen: fohanna, zuster, grootmoeder en van
vrouwelijke dieren, waarnaast eene afzonderlijke benaming voor het
mannetje bestaat, als: duif, geit, ooi, naast: doffer, bok, ram. Bestaat
er geen bijzondere naam voor het mannetje, dan kan de diernaam man-
nelijk of vrouwelijk zijn.
2°. de stofnamen, die niet onzijdig zijn: klei, boter, kaas, melk.
Mannelijke stofnamen zijn er weinig; de voornaamste zijn: honing, room,
tvijn ; inkt, mosterd
en azijn. Het woord turf en sommige namen van
visschen, als: visch, haring, paling, kabeljauw, schelvisch, zalm ,
zijn M,, wanneer zij als voorwerpsnamen; V., wanneer zij als stofnamen
voorkomen. Zoo zijn ze M. in: een driehoekige turf, een dikke paling,
twee zalmen, drie visschen,
V. in : Een schip met lange turf. Hij voerde
vcrsche paling, zalm, visch aan.
3°. de namen van bloemen en vruchten: lelie, tulp, abrikoos,
peer, pruim.
Doch woorden, die eigenlijk eene andere beteekenis hebben en als namen
van bloemen worden gebruikt, behouden hun geslacht: goudenregeu (M.),
leeuwenbek (M.), aronskelk (M.). Doch eereprijs is V.
Namen van vruchten op oen en ling zijn mannelijk: citroen, meloen,
pippeling, kruiling.
Ook de Nederlandsche namen op el en er: appel,
eikel, aker;
vreemde woorden daarentegen zijn gewoonlijk vrouwelijk:
amandel, komkommer.
4°. de namen van vaartiiigen, als: bark, brik, boot, sloep. 7.oo
ook eigennamen van schepen: Hij is met de fan de IVitt vertrokken.
Doch die, welke op er eindigen, zijn M.: driemaster, boeier, schoener,
kotter.
Onzijdig zijn: fregat, galjoen, jacht.
-ocr page 81-
«7
5°. de namen der letters en cijfers, iniizieknotcn en intervallen:
eene a, eene zeven, eene as, eene groote terts. Uitgezonderd: het octaaf.
6°. de namen der iniiziekiiistr.....enten: trommel, viool, vedel, fluit,
klarinet, gitaar, lier, harp. Doch doedelzak, horen, triangel zijn M.;
enkele O.
§ 164. Wegens hunnen vorm, soms ook met inachtneming der
beteekenis, zijn vrouwelijk:
i". de woorden, die nog altijd op eene toonlooze e eindigen of deze
tegenwoordig meestal missen: genade, koude, zonde; reize, hope, ritste,
leere
, trouwe. Uitgezonderd zijn: vrede M., einde O.
2°. de woorden op te, van bijvoeglijke naamwoorden gevormd: duurte,
verte, lengte, hoogte.
3°. de woorden op lieid en nis: waarheid, goedheid, bekentenis,
droefenis. Vullis
is O., doch vuilnis V. Vonnis it ook O. Getuigenis
is O. als het getuigde, V. als het getuigen, in deftigen stijl ook voor hel
getuigde.
4°. de woorden op ing en st, van werkwoorden gevormd: wandeling,
herdenking, verfraaiing
, kunst, gunst, winst.
Mannelijk zijn: dienst, last (uit lad-st van laden) benevens twist van
twi „twee", dus „het niet-eens-zijn".
5°. de woorden op schap, wanneer zij een\'toestand of eene verza-
mel i n g beteekenen: vriendschap, vijandschap, gramschap, vroedschap,
de burgerschap, de priesterschap.
Doch beteekenen zij eene waardigheid
of een gebied, dan zijn ze (X: hel vaderschap, burgemeesterschap,
graafschap. Zoo ook: het landschap. De Graafschap (Zulfen) is V.
Gezantschap, genootschap, gereedschap, gezelschap zijn O.
6°. de woorden met de vreemde achtervoegsels age, ij, ei, ie, lek,
teit;
ook die met de Nederl. achtervoegsels ie en uw, als: stellage,
plantage, batterij, schilderij, karwei, pastei, harmonie, melodie, bezie,
fabriek, muziek, majesteit, sociteit, schaduw, zenuw.
Bosschage en personage zijn O. Schilderij is O. in gemeenzamen stijl.
Concilie en evangelie zijn O., genie „geniaal mensch, talent" is O.,
genie „wapen" V.
§ 165. Wegens hunne beteekenis zijn onzijdig:
i". de namen van dieren, die de geheele soort aanduiden, wanneer
er voor \'t mannetje en \'t wijfje afzonderlijke benamingen bestaan: rund
hoen, schaap, paard, zwijn
naast stier en koe, haan en hen, ram en
ooi, hengst en merrie, beer en zeug. Uitgezonderd is hond M., naast
reu en teef.
9". de namen van jongen van dieren: lam, kalf, veulen, kuiken;
uitgezonderd is bigge, V.
30. de stofnamen, die niet vrouwelijk of mannelijk zijn: het diamant,
het steen,
bijv. hardsteen, lei, goud, zilver. Opmerking verdienen: band,
bever, doek, draad, her7nelijn
, sabel, die als voorwerpsnamen M., balein,
kurk, koraal, pleister, poeder
, schildpad, die als zoodanig V. zijn.
-ocr page 82-
68
4°. de namen van landen, gewesten, steden en dorpen: het Neder-
land der \\"\\e eeuw, het machtig Amsterdam.
Doch de namen van land-
streken, welke steeds \'t lidwoord de bij zich hebben, zijn V.: de Vcluwe,
de Betuwe, de Krim, de Vuurschc, de Lemmer.
Daarentegen blijven
plaatsnamen, waarvan \'t lidwoord een deel uitmaakt, O.: het bloeiende
Den Haag.
5°. de meeste verzamelnamen: bosch, woud, heer, leger; vooral die,
welke een bepaald aantal voorwerpen beteekenen: paar, dozijn, gros,
snees
(20), schok (66), het honderd, enz. Trits is V.
6°. de verkleinwoorden: huisje, haaltje, riempje, kannetje, boekske,
kindeken , ezelkijn
, bloemelijn.
Doch de verkleinwoorden op el, wier oorspronkelijke beteekenis niet
meer wordt gevoeld, zijn M. of V., naarmate de grondwoorden M. of V.
zijn. Zoo zijn eikel, beukel, droppel, knokkel, M. en kruimel, mazel,
pukkel\', trommel,
V. evenals hunne grondwoorden.
70. sommige woorden, die met geringschatting of medelijden gebezigd
worden: heer, mensch, manspersoon, vrouwspersoon, vrouwmensch.
Vergelijk nog: de soort (V.) en het soort, de ure en het uur, de oogeti-
blik
(M.) en het oogenblik, de school, (V.) en het school, de schilderij
en het schilderij, de figuur (V.) en het figuur, bijv. in: een zot figuur maken.
§ löG. Wegens hunnen vorm, gedeeltelijk ook met onderscheiding
der beteekenis, zijn o n z ij d i g:
i°. de woorden op dom, wanneer zij een gebied of eene verzameling
beteekenen. (Zie § 162, 70.)
20. de woorden op schap, wanneer zij eene landstreek of eene waar-
digheid aanduiden. Ook enkele woorden, die eene verzameling beteekenen.
(Zie § 164, 5°.)
30. de woorden op gel: haksel, blauwsel\', schepsel, deksel, beletsel.
Uitgezonderd is stijfsel, V.
40. de verzamelnamen met het voorvoegsel ge en het achtervoegsel te:
geboomte, gebladerte, gevogelte. Ook die, welke \'t achtervoegsel missen:
gebroed, gepeupel, gevolg.
50. de stammen van werkwoorden, die afgeleid zijn door middel van
de voorvoegsels be, ge, out en ver of onscheidbaar zijn samengesteld
met een bijwoord: begrip, geloof, ontzag, verwijt, onderhoud, overleg,
misbruik.
Uitgezonderd zijn: ontvang, verkoop, M. (Verg. § 162, 6°.)
6°. de stammen van werkwoorden, voorzien van \'t voorvoegsel ge:
geloop, gedraaf, gejuich.
70. alle woorden, die, geene zelfstandige naamwoorden zijnde, als
zoodanig worden gebruikt, bijv.: het leven, hel eten, het goede en kwade,
het hoe of waarom ?
Uitgezonderd zijn natuurlijk de bijvoeglijke naamw., die als persoons-
namen worden gebruikt; deze zijn M. of V.
§ 167. Opmerking verdienen de volgende woorden, die een verschillend
geslacht hebben met verschil van beteekenis:
-ocr page 83-
«9
beet, van: bijten, M.; beetwortel, V.
buis, pijp en haringbuis, V.; kleedingstuk, O.
dam, waterkeering, M.; in het damspel, V.
das, dier, M.; kleedingstuk, V.
cis, boom, M.; priem, V.
fortuin, geluksgodin, geluk, V.; vermogen, O.
hof, tuin, M.; van een\' vorst, O.
hoop, stapel, M.; verwachting, V.
kant, rand, M., stofnaam, V.
katoen, O., doch als ruwe katoen, V.
keel, lichaamsdeel, M.; in de wapenkunde, O.
kiel, kleedingstuk, M.; van een vaartuig, V.
koppel, band, M.; paar, O.
krop, lichaamsdeel, M.; salade, V.
maal, keer, reiszak, V.; maaltijd, soms ook: keer, O., {ditmaal, ten
tweeden male).
maat, makker, M.; van: meten, V.
muil, bek, M.; schoeisel, V.
palet, bij \'t kaatsen, V.; van den schilder, O.
pas, schrede, bergpas, paspoort, M.; oogenblik, O.
patroon, persoonsnaam , M.; van \'t geweer, V.; model, O.
pekel, zoutoplossing, V.; figuurl. voor zee, O.
pink, van de hand, M.; vaartuig, V.; jong rund, M. of V.
pistool, geweer, V. of O.; munt, V.
pit, kern, V.; merg, O.
post, persoonsnaam, ambt, standplaats, M.; postkantoor, posterijen, V.
punt, spits, leesteeken, V.; andere bett., O.
rijm, rijp, M.; in verzen, O.
sabel, diernaam, M.; zwaard, V.; bont en in de wapenkunde, O.
schrift, het geschrevene, O.; H. Schrift, V.
sneeuw, letterlijk, V.; figuurlijk voor blankheid, O.
spits, punt, V.; in: het spits afbijten, het spits bieden, O.
slof, waarvan iets gemaakt wordt, V.; andere bett., O.
teen, van den voet, M.; takje, V.
traan, in de oogen, M.; vetstof, V.
vlek, vlak, smet, V.; vlakte en gehucht, O.
vorst, persoonsnaam, M.; koude en bovenrand van \'t dak, V.
want, handschoen, V.; touwwerk, O.
wacht, persoonsnaam, M., andere bett., V.
zegen, heil, M.; vischnet, V.
zwam, plantnaam, V., stofnaam, O.
West en Oost, windstreek, O.; West- en Oost-Indië, V.
Bovendien zijn de woorden: gang, grauw, greep, hak, kamp, knip,
kluif, rol
(aan den rol zijn), schop, slag, streek „list", trap, val, wip,
zucht
als begripsnamen (namen van werkingen) mannelijk, doch:
-ocr page 84-
7U
gang, van een huis, V.
grauw, gemeen, O.
greep, handvatsel, handvol, mestvork, V.
hak, hiel, V.
kamp, legerplaats, O.; als veld, M.
knip, vogelknip, V.
kluif, klauw, V.
rol, eene rol papier, eene rol spelen, V.
schop, spade, schommel, V.
slag, soort, knip, O.
streek, strijking, landstreek, V.
trap, voorwerpsnaam, V.; (trap „graad" is M.)
val, muizenval, enz., V.
wip, werktuig, V.
zucht, ziekte, V.: geelzucht, waterzucht; ook: verlangen: eerzucht,
geldzucht.
§ 108. Zonder verschil van beteekenis hebben een verschillend geslacht:
fruit, gordijn, hars, mud, die V. en O. worden gebruikt.
Bovendien zijn: gaard, stond, tred, schred, M.; gaarde, stonde, trede,
schrede,
V.
Nog lette men op: keten (V.), ketting (M.), baak (V.) baken (O.),
spaander (M.), spaan (V.), zadel (M. of O.), zaal (O.).
§ 109. Van verschillende woorden is het geslacht in den loop der
tijden gewijzigd. Soms is het oudere geslacht in enkele uitdrukkingen nog
bewaard gebleven. Dit is \'t geval bij: beest, V. in „de beest spelen",
dood, V. in „ter dood brengen", enz. nood, V. in „ternauwernood",
nacht, V. in „te middernacht", tijd, V. „ter rechter tijd", enz. Andere,
die vroeger op eene e eindigden, heeft men daardoor wel eens verkeerdelijk
voor V. aangezien; dit is het geval bij harte enoore, oorspr. O., doch V.
in „ter harte nemen" en „ter oore komen", alsmede bij naam en wil,
oorspr. M., doch V. in „ter goeder naam en faam" en „ter wille van".
Maal is oorspr. O., vandaar nog: „ten tweeden male", „ditmaal". Prooi
is altijd V. geweest; toch leest men meermalen, waarschijnlijk in navolging
van „ten buit", „ten prooi"; zoo ook was loop M. en toch zegt men
„terloops". Naast weg, M. bestond vroeger ook een vorm wege, V. van-
daar misschien „halverwegen". Wereld, oorspr. V., werd wel eens voor
M. gehouden, vandaar nog: „\'s werelds loon", enz.
§ 170. Gemeenslachtige zelfstandige naamwoorden zijn die namen
van personen of dieren, welke mannelijk of vrouwelijk zijn, naarmate
zij mannelijke of vrouwelijke wezens bctcekenen : erfgenaam, gade, gast, ge-
tuige, gids, maag, lidmaat, peet, persoon, verwant, wees;
de samenstellingen
met genoot: echtgenoot; de woorden op ling: lieveling, leerling, benevens
de diernamen hokkeling „eenjarig kalf", pink, tortel, fongeling, ouderling
en gieleling „meerle" daarentegen zijn mannelijk, schoon de beide eerste
voorheen ook gemeenslachtig waren. Bode is meestal mannelijk; dienstbode
-ocr page 85-
71
is gemeenslachtig; voor vrouwelijke boden gebruikt men ook: bodin en bodes.
Soms voegt men achter gemeenslachtige persoonsnamen eene toonlooze c,
wanneer zij vrouwelijk zijn: cchtgcnoote, weczc, vreemdelinge, erfgename.
§ 171. Zelfslachtige zelfstandige naamwoorden heeten die dier-
namen, welke steeds óf mannelijk, of vrouwelijk worden gebezigd, zonder
dat men \'t natuurlijk geslacht in aanmerking neemt. Hiertoe behoort ook
mcnsch, M.
Zoo zijn altijd mannelijk: arend, das, eland, haai, kabeljauw, oli-
fant, valk, vos
en zwaan; altijd vrouwelijk: eend, kraai, mug, muis,
vlieg, wesp, zwaluw.
Gelijk men ziet, zijn de eerste voorbeelden namen
van sterke dieren, de laatste die van kleinere, zwakkere. Doch vrouwelijk
zijn ook: gans, raaf, slang, en mannelijk: baars, nachtegaal, spreeuw,
vink, kikvorsch
en mol.
§ 172. Aangaande het geslacht der samengestelde zelfstandige naam-
woorden geldt de regel, dat zij \'t geslacht van \'t laatste deel der samen-
stelling bekomen, mits het samengestelde woord eene soort aanduidt
van \'tgeen in dat laatste deel wordt genoemd: tuindeur, geboortegrond,
hondenhok.
Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan, dan kan dus het geslacht
van de samenstelling even goed een ander zijn dan dat van \'t laatste deel.
Hieruit volgt, dat geene uitzondering op den regel maken:
a.    de zelfstandige naamw., die den persoon aanduiden, welke datgene
bezit, wat de samenstelling beteekent, benevens de samenstellingen, waar-
aan geheele zinnen ten grondslag liggen, als: platvoet, roodhuid, zotskap,
iachebek, melkmuil, brckespel, weetniet
, durf niet, stokebrand. Deze
woorden zijn M., wanneer zij alleen mannen, M. of V., wanneer zij ook
vrouwen kunnen beteekenen.
b.    de woorden: vierkant, zeskant (O.), die geene soort van kant be-
teekenen; roodvonk (O.), dat geene soort van vonk is; oogenblik (O.), dat
de tijdruimte beteekent, welke noodig is voor een\' blik der oogen ; hutspot,
dat V. is als stofnaam; voorschoot {O.), dat geene soort van schoot beteekent;
wolfsklauw, slangenwortcl, eereprijs, die V. zijn als plant- of stofnamen.
Zoo is maankop alleen mannelijk, wanneer het de zaaddoos van de papa-
ver beteekent; als plantnaam is het V.; als naam van een slaapwekkend
middel O. Booswicht is als mansnaam M.
Daarentegen zijn werkelijke uitzonderingen: kerkhof {O.), oorspronkelijk
hof „tuin, beslotene ruimte" om de kerk en tijdstip (O.) naast slip (V.).
II. GETAL.
S 1751. Door getal verstaat men bij de zelfstandige naamwoorden en
zelfstandige voornanmwoordcn den vorm, welke aanduidt, of er met het
naamwooord ééne of meer zelfstandigheden worden bedoeld. Er zijn twee
getallen: het enkelvoud en het meervoud: man, mannen; ik, wij-
De bijvoeglijke naamwoorden en bijvoeglijke voornaamwoorden, lidwoorden
-ocr page 86-
-.
72
en sommige telwoorden nemen verschillende vormen aan, naarmate zij bij
een enkel- of meervoudig zelfstandig naamwoord behooren; aan deze vor-
men geeft men mede den naam van getallen.
Bij de werkwoorden heeten getallen de vormen, die deze woorden
aannemen, naargelang zij bij een enkel- of meervoudig onderwerp behooren.
Hieruit volgt dus, dat de getalvormen een uitvloeisel zijn der beteekenis
van de zelfstandige naamwoorden en zelfstandige voornaamwoorden.
§ 174. Alleen in \'t enkelvoud komen voor:
i. de eigennamen, omdat zij slechts ééne zelfstandigheid vertegen-
woordigen: Willem, Karel de Groote, de Rijn, Amsterdam. De namen
van volken, gebergten en eilandengroepen zijn soortnamen; vandaar dat
zij in \'t meervoud kunnen staan: de Franschen, de Alpen, de Cycladcn.
(Verg. § 106)
Worden de eigennamen echter als soortnamen gebruikt, dan kunnen
zij in het meervoud voorkomen: de Otlo\'s van Duilschland, de beide
Egmondcn, de Trompen en De Ruylcrs leven nogl
2.     woorden, welke niet tot de eigennamen behooren, doch zelfstan-
dig h e d e n beteekenen, waarvan er geene tweede bestaat:
het heelal, de onderwereld, de hel, het zuiden, enz. Dat deze woorden
niet tot de eigennamen kunnen gerekend worden, is duidelijk, wanneer
men opmerkt, dat geene zelfstandigheid een\' eigennaam heeft, tenzij daar-
naast een soortnaam bestaat.
3.     de stofnamen, wanneer zij als zoodanig worden gebruikt: goud,
boter, klei, water.
Worden zij als voorwerpsnamen gebruikt, of moeten zij verschillende
soorten der stof aanduiden, dan laten zij natuurlijk het meervoud toe:
ijzers, glazen, houten, ivaters, zouten, zuren, wijnen, vleezen.
4.     de verzamelnamen, wanneer zij den aard van stofnamen hebben:
Er was veel vee aan de markt. Er is volk in den winkel. Zoo ook:
kroost, loof, huisraad, enz.
Doch hebben zij den aard van soortnamen, d. i. duiden zij eenc be-
grensde verzameling aan, waarnaast eene dergelijke kan bestaan, dan komen
zij in \'t meervoud voor: kudden, volken, legers, benden.
5.     de begripsnamen: a. wanneer zij een begrip inhouden, dat als
een geheel wordt opgevat, d. i. waarnaast men zich in of bij dezelfde
zelfstandigheid niet eene of meer gelijknamige hoedanigheden, toestanden
of werkingen kan voorstellen, als: braafheid, godsvrucht, luiheid, on-
schuld, gezondheid, voorspoed, heil, armoede, rijkdom, arbeid, begin,
haal, loop, spot, twijfel,
enz. b. wanneer zij eene collectieve betee-
kenis hebben, als: gejuich, geschreeuw, kunde, kennis, weder, enz.
Beteekenen ze daarentegen eenc hoedanigheid, toestand of werking,
waarnaast men zich wel eenc gelijknamige hoedanigheid, enz. kan denken,
dan kunnen ze ook in \'t meervoud voorkomen: deugden, ondeugden,
schoonheden, gebreken, ziekten, ongelukken, rechten, toestanden, slagen,
houwen, steken, handelingen,
enz.
-ocr page 87-
Sommige begripsnamen hebben naast zich andere, welke dezelfde wer-
kingen of toestanden beteekenen en die toch wel in \'t meervoud kunnen
voorkomen. Zij verhouden zich dan tot de laatste als een geheel of
verzameling tot de d e e 1 e n: gcnol—genietingen ; spot—spotternijen ;
twijfel
—twijfelingen; kunde—kundigheden; zegen—zegeningen; gedrag—
gedragingen. Vergelijk ook gebrek „armoede" en gebreken , rijkdom en
rijkdommen.
Worden begripsnamen tot namen van werkelijke zelfstandigheden, dan
richten zij zich in dezen naar de soort, waartoe zij gaan behooren:
hoogten, verhevenheden, gangen, wandelingen , gezichten, lasten, enz.
§ 175. Alleen in het meervoud worden gebruikt: voorouders, lie-
den , gebroeders
, gezusters, gelieven, bescheiden „geschriften", inkomsten
„ontvangsten", mazelen, tnetlen, hersenen, kosten, onkosten, onlusten,
verzenen; Alpen, Pyreneeën,
enz.
Zeden komt meestal in \'t meerv. voor; zede wordt nochtans gebruikt
in de bet. van gewoonte, gebruik: Ik hield mij in dit geval om hun te
believen aan de oude zede.
Van pokken is mede \'t enkelvoud in gebruik.
\'t Enkelv. kost komt voor in: ten koste van. Ook van ouders is \'t enkelv.
gebruikelijk in de uitdrukkingen: van ouder lot ouder, van ouder tol kind.
Men vindt het ook buiten deze uitdrukkingen: Het is hard voor een\'\'
ouder, wanneer zijne goede bedoelingen miskend worden. Zoo lig dan,
boei, mij aangesmeed van een bedrogen orider.
(St.) Het enkelvoud van
aanstalten komt zeer weinig, dat van toebereidselen en tegenheden bijna
nooit voor. Metten „morgendienst bij de Katholieken", schoon eigenlijk
enkelvoud, werd al vroeg als meervoud aangemerkt; het komt voor in:
Korte metten maken met iets „weinig omslag met iets maken", iemand
de tnetlen lezen
„scherp doorhalen". Verzenen leest men in den Staten-
bijbel : Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Ook \'t
enkelv. verzen wordt er gevonden.
III. NAAMVAL.
§ 176. De zelfstandige naamwoorden en zelfstandige voornaamwoorden
kunnen in verschillende betrekkingen in den volzin voorkomen. Zoo komt
huis in: Het huis is hoog, de heer des huizes. Heil zij dezen huize!
Tk heb mijn huis verkocht,
telkens in eene andere betrekking voor. Ter
aanduiding dezer betrekkingen dienen verschillende vormen der genoemde
woorden; die vormen heeten naamvallen.
Niet elke betrekking wordt door een\' eigen vorm aangeduid. Dit is
gedeeltelijk het gevolg van de groote overeenkomst tusschen verschillende
betrekkingen, die maakte, dat men daarvoor denzelfden vorm gebruikte,
gedeeltelijk van het afslijten der buigingsuitgangen.
De bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden, lidwoorden
en sommige telwoorden nemen mede verschillende vormen aan, naargelang
het zelfstandig naamwoord, waarbij zij behooren, in den een\' of anderen
naamval staat. Deze vormen worden ook naamvallen geheeten.
-ocr page 88-
74
§ 177. Bij enkele zelfstandige naamwoorden in verbinding met het lid-
woord, zoo ook bij enkele voornaamwoorden, onderscheidt men tegen-
woordig nog vierderlei vorm als \'t gevolg van dé betrekking dier woorden
in den zin. Zoo heeft men bij \'t zelfstandig naamwoord dag: de dag, des daags,
(en (=
te den) dage, den dag, bij \'t voornaamwoord zij: zij, hunner,
hun, hen.
Vandaar dat men in \'t Nederlandsen nog steeds vier naam-
vallen aanneemt, welke den naam dragen van nominatief, genitief,
datief en accusatief of ie", 2en, 30n en 4"1 naamval.
Behalve deze vier naamvallen onderscheidt men ook den v o c a t i e f als
den vorm van \'tnaamwoord, dat als de naam van den aangesproken
persoon voorkomt. Daar dit naamwoord echter steeds buiten den volzin
staat (Verg. § 4), kan men slechts in oneigenlijken zin zeggen, dat het
een\' naamval heeft. De vocatief is steeds gelijk aan den nominatief:
Bes Ie vriend! Goede God!
§ 178. Ken naamwoord staat in den ien naamval:
1 °. wanneer het voorkomt als onderwerp: Dit huis wordt al mooi oud.
2°. wanneer \'t het naamwoordelijk deel van \'t gezegde uitmaakt:
Willem is een brave jongen. Hij blijft maar steeds de oude knecht.
30. wanneer het als bijstelling of bepaling van gesteldheid
bij een naamwoord in den ion naamval behoort: God, de Vader aller
mensehen, zal ook voor u zorgen. Dit is Amsterdam, de hoofdstad van
Nederland. Als de naaste bloedverwant van dien bankier erfde hij diens
kolossaal vermogen.
Onder de bepalingen van gesteldheid bij een\' eersten naamval lette men
op \'t zelfstandig naamwoord, dat bij den lijdenden vorm behoort der over-
gankelijke werkwoorden, die in den bedrijvenden vorm naast het lijdend
voorwerp nog eene bepaling van gesteldheid hebben: Willem 1
wordt door ons Vader des Vaderlands genoemd, door Koning Filips
echter werd hij een oproermaker gescholden.
Immers deze naamwoorden
geven dan de gesteldheid des onderwerps te kennen.
Wordt zulk eene bepaling van gesteldheid door een voorzetsel vooraf-
gegaan, dan staat zij natuurlijk in den accusatief: Jfij werd voor den
dader gehouden. Hij was tot eersten opzichter over dat werk aangesteld.
$ 17!). Ren naamwoord staat in den 2en naamval:
i". wanneer het den oorsprong of de afkomst beteekent eener
andere zelfstandigheid (genitief van oorsprong): facobs nageslacht,
de stamvader der Israëlieten, Vondels hekeldichten, de schrijver dezer
werken, de ontwerper dezer plannen , de plannen dier ingenieurs.
2°. wanneer het den bezitter of de bezitting beteekent eener
andere zelfstandigheid (genitief van bezit): De tuin mijns ooms,
de eigenaar dezer villa, de lieer des huizes
, Moeders verjaardag, het
huis des Heer en.
Hierbij sluit zich nauw aan liet geval, dat de genitief
een kenmerk van de bepaalde zelfstandigheid uitdrukt, als in: de dag
zijns verlreks, de eeuw der spoorwegen, de plek des onheils, de plaats
zijner geboorte,
enz.
-ocr page 89-
75
3°. wanneer het eene stof of als zoodanig voorgestelde verzameling,
hoedanigheid of werking beteekent, waarvan eene zekere hoeveel-
heid wordt opgegeven (v e r d e e 1 i n g$ g e n i t i e f): eene bete broods, eene
teug ivijns, eene menigte volks, eene som gelds, een hoop menschen,
wat moois, iemand vreemds, niemand anders, een uur loopens, eenige
oogenblikken peinzens, veel werks, meer arbeids, weinig goeds, gelds
genoeg.
Wanneer de s aan \'t einde dezer woorden niet meer wordt gebruikt, als
in: eene teug water, een stuk brood, een hoop volk, staat \'t naamwoord
natuurlijk niet meer in den 2en naamval; het behoort dan eigenlijk in
den 4e" naamval te staan. Deze naamval toch vervangt den 2en overal,
waar de buigingsuitgang is afgesleten. (Zie § 179, 50 en § 181, 40 en 50)
Intusschen plaatst men het ook wel in denzelfden naamval als het voor-
afgaande substantief, zoodat men schrijft: Een glas goede wijn is gezond
en Hij dronk een glas rooden wijn uit.
40. wanneer het dient als bepaling bij den naam eener werking, waar-
van het öf het onderwerp, öf het voorwerp uitmaakt (onderwerps-
en voorwerpsgenitief): De regeering dezer vorsten, het geloei der
koeien, de loop der rivier, de afpersingen der vijandelijke legers, de
straf des Hemels;
— het gezicht dezer weilanden, het gebruik der vuur-
wapenen , hel snijden der boterhammen, de straf dier boosdoeners.
50. wanneer het als oorzakelijk voorwerp voorkomt bij een werk-
woord of bijvoeglijk naamwoord (genitief van oorzaak). Men zegt
dan, dat die werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden den 2cn naamval
regeeren. Die werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden zijn: gedenken,
zich ontfermen, zich erbarmen, zich aantrekken, zich schamen; bewust,
deelachtig, gedachtig, indachtig, machtig, meester, moede, kundig, vol,
waard, waardig, onwaardig, zal, zeker.
Aangaande dezen genitief val op te merken, dat hij in de meeste ge-
vallen verouderd is en daarom alleen in deftigen stijl voorkomt. In meer
gemeenzamen stijl wordt hij vervangen door den 4011 naamval of door eene
bepaling met een voorzetsel. De grenslijn tusschen bijvoeglijke naamwoor-
den , die een\' genitief en die, welke een\' accusatief regeeren, is dan ook
niet scherp te trekken (Vgl. § 181, 5"): Het briefje was met potlood
geschreven en hield de verzekering in, dal men zijns {zijner) gedacht.
(Sch.) Na den dood zijns vaders was er geen festijn meer in het steenen
huis gevierd; dat gedacht hij te dezer ure.
(Sch.) Erbarm {ontferm) u
onzer ellende {over onze ellende). Niemand trok zich der {de) verlaten
kinderen aan. Tk heb mij mijner armoede nooit geschaamd.
(P.) Hij at
droog brood en schaamde
7 zich. (St.) De Schot ?tias zich zijner onschuld
bewust.
(Sch.) Zij was het zich bewust geworden. (Sch.) Hij was onbe-
wust van \'t nakend gevaar. Opdat gij der {de) Goddelijke natuur
deelachtig zoudl worden.
(Stb.) En Petrus wierd indachtig des woords
{het woord) des Meeren.
(Stb.) De Heer is onzer gedachtig geweest. (Stb.)
Opdat gij 7 gedachtig zijt en u schaamt. (Sch.) Hij was wachtens moede
-ocr page 90-
70
(Sch.) (Vergelijk hiermede: Hij was \'t wachten moede ■=. Het wachten
verveelde hem). Wij konden nauwelijks der boot (de boot) machtig wor-
den.
(Stb.) Hij was zijns zelfs (zich zelf) niet langer meester. (Stb.)
Hij was der zake kundig (een deskundige^) Zijne melkvalen waren 7>ol
mclks.
(Stb.) En ziet, de berg was vol vurige paarden. Het land is vol
van bloed.
(Stb.) Het is der moeite (de moeite) niet waard. De arbeider
is zijns loons waardig.
(Luc. X : 7) en: De arbeider is zijnen loon
waardig.
(I Tim. V : 18.). Abraham was oud en der dagen zat. Staal
hij op, zoo is men des levens (zijn leven) niet zeker.
(Stb.) Schuldig
komt met een\' tweeden naamval voor in de uitdrukking: des doods schul-
dig ;
dit is echter geen genitief van oorzaak.
6°. in vele bijwoordelijke bepalingen (bijwoordelijke genitief):
des daags, des nachts, des zomers, onverrichter zake, langzamerhand,
goedsmoeds, heelhuids, barrevoets.
In een paar uitdrukkingen komt nog een naamwoord in den separa-
tieven genitief (2en naamval van scheiding) voor; hij duidt de zelf-
standigheid aan, waarvan eene andere is verwijderd: Hij is dezer wereld
overleden, afgestorven. Huig de Groot zwierf balling \'s lands in den
vreemde om.
(P.)
§ 180. Een naamwoord staat in den 3on naamval:
i°. wanneer het als belanghebbend voorwerp voorkomt bij een
overgankelijk of onovergankelijk werkwoord, of bij een bijvoeglijk naam-
woord. Het duidt dan de zelfstandigheid aan, tot wier voor- of nadeel de
werking plaats heeft of de hoedanigheid bestaat (datief van voor- of
nadeel): Geef mij die sleutels eens aan. De wind. ontrukte den boom
een\' tak. \'t Is ons recht aangenaam, u te zien. \'t Is ons leed, u niet
te kunnen helpen.
Onovergankelijke werkwoorden, die een\' derden naamval regeeren, zijn:
gelijken, slachten , gelukken, bevallen, behagen, ontvalle?i, ontvluchten,
overkomen,
enz. — Bijvoeglijke naamwoorden, die een\' derden naamval
regeeren, zijn: aangenaam, onaangenaam, lief, leed, voordeelig, nadeelig,
vreemd, bekend, duidelijk, duister, trouw, ontrouw, gelijk, ongelijk,
enz.
Ten opzichte dezer werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden moet
worden opgemerkt, dat balen, schaden en gehoorzamen, schoon zij den
datief regeeren, evenals overgankelijkc ww. in den lijdenden vorm kun-
nen worden gebruikt; dat verschillende werkwoorden, die voorheen
den datief regeerden, tegenwoordig, nu de derde en vierde naamval inde
meeste gevallen aan elkander gelijk zijn geworden, soms of steeds als over-
gankelijke worden behandeld, bijv.: volgen, opvolgen, navolgen, naloopen,
nazitten, naderen, ontmoeten, toejuichen, toespreken, voorbijgaan,
enz.;
flat waard alleen in den zin van dierbaar een\' datief bekomt. (Verg. § 148. b)
20. wanneer het de zelfstandigheid aanduidt, die de bezitter is van
eene andere in den zin genoemde zelfstandigheid (datief van bezit): De
tranen rolden hel kind lan^s de wangen. Breek u hel hoofd toch niet
met die dingen f
-ocr page 91-
77
Deze datief kan vervangen worden door den genitief van \'t zelfstandig
naamwoord of door een bezittelijk voornaamwoord. Dat die genitef of
dat bez. vnw. intusschen niet geheel dezelfde beteekenis heeft als de datief,
blijkt uit de vergelijking van: Hij drukte mij de hand en Hij drukte
mijne hand. Hij kijkt mij telkens op de vingers
en Hij kijkt telkens op
mijne vingers.
Het naamwoord in den datief wijst hier ook wel degelijk
den belanghebbenden persoon aan.
3°. wanneer het eene zelfstandigheid aanduidt, die als belangstel-
lende bij zekere werking of zekeren toestand optreedt: Dat is me eene
drukte! En daar vangt je
V leven aan! (De G.)
4°. wanneer het eene bijstelling of bepaling van gesteldheid
is bij een naamwoord in den derden naamval: Wij danken zijn\'\' vader,
dien edelmoedigen man, onze redding. Ik zal dit uw\' oom, als uwen
voogd, mededeelen.
§ 181. Een naamwoord staat in den 4en naamval:
i°. wanneer het als lijdend voorwerp voorkomt: Ik heb hem dik-
wijls gezien.
Verschillende werkwoorden, die voorheen onovergankelijk
waren, worden tegenwoordig als overgankelijke gebruikt. (Verg. § 180)
Vandaar ook, dat sommige werkwoorden beurtelings met een 1 ij d e n d
of een oorzakelijk voorwerp voorkomen, bijv.: iels beginnen en aan
iels beginnen, iets vreezen
en voor iets vreezen, iels hopen en op iels ho-
pen , iets vragen
en naar iets vragen, iels gelooven en aan iets gelooven, enz.
2°. wanneer het door een voorzetsel wordt voorafgegaan: Wij jagen
niet naar geld of goed. Is hij reeds bij u geweest ?
Daar vele voorzetsels voorheen den 3011 naamval regeerden, vinden wij
in verscheidene uitdrukkingen, uit vroegeren tijd overgebleven, nog den
datief na voorzetsels: te goeder ure, met dien verstande, in gemoede,
uit dien hoofde, van goeden huize, ondereede, bij monde,
enz. In enkele
uitdrukkingen als: binnenslands, binnenskamers, buitensdijks, lusschen-
deks, voorshands
, ondershands komt een s c h ij n b a r e genitief voor;
deze vormen zijn ontstaan door de aanhechting der zoogenaamde bijwoor-
delijke s (Verg. de Vorming der Bijwoorden).
30. wanneer het voorkomt als bijwoordelijke bepaling van tijd, plaats,
hoeveelheid (maat, gewicht en prijs) en omstandigheid: Den
ganschen morgen bleef hij weg. Dezelfde krankheid doodde den eigen
dag, zijn gade met den zoon.
(St). Hij liep het bosch door, reisde het
land rond, reed de brug over. Hij kwam de deur in, klom de trap op
en trad hel vertrek binnen. Mijn vennoot joeg hem in de eerste weck het
magazijn uit, het kantoor af, de straat op.^P.) Hij is dertig jaar oud.
Deze plank is drie duim dik. Twee dagen lang zagen wij hem. Hel pak
woog tien pond, was tien pond zwaar. Dit boek kost drie gulden, is drie
gulden waard. Een pond boter gold acht stuivers. Maximiliaan van
Egmond stierf, zooals liet een" ridder past, het zwaard aan de heup,
den mantel om de schouders, hel gulden vlies op de borst.
(P.)
De bepalingen van tijd geven óf eene tijdruimte, öf een tijd-
-ocr page 92-
78
punt te kennen; de bepalingen van plaats drukken óf den door-
loopen afstand uit, of de zelfstandigheid, die de grens der bewe-
ging uitmaakt.
Men merke tevens op, dat de bepalingen van plaats voorkomen
bij werkwoorden, die eene beweging te kennen geven en scheidbaar
samengesteld zijn met een bijwoord.
4°. wanneer het als bijstelling of bepaling van gesteldheid
voorkomt bij een naamwoord in den 4"" naamval: \'k Vertel van Sinter-
klaas en van een\' braven ambachtsman, den armen Hnibertbaas.
(St.)
Ik beschouw hem als den bewerker van dit onheil.
Ten opzichte der bepalingen van gesteldheid merke men op,
dat bij verschillende werkwoorden het lijdend voorwerp steeds door zulk
eene bepaling, die dan natuurlijk ook in den 4en naamval staat, wordt
gevolgd. Zulke werkwoorden zijn : noemen, hcclen, achten, rekenen, schatten,
doopen, vinden, maken, prijzen, schelden,
bijv.: Ik acht, reken het
mijnen plicht, u te waarschuwen. Ik noem, heel het eene misdaad, zoo
te handelen. Zij schelden ons wild woelwater, schoon zij stouten schalk
meencn.
(P.) Men prees hem den redder des vaderlands. Men doopte hem
Willem. Ik vind dien Jan een\' naren jongen. Graaf hebben ze hem
gemaakt.
(Sch.)
Wanneer zulke werkwoorden het lijdend voorwerp en de bepaling van
gesteldheid verbinden door \'t voegwoord als, staat die bepaling natuurlijk
ook in den 4*" naamval: Men stelde hem aan als eersten opzichter.
Men prees hem als den redder des vaderlands.
Soms wordt de bepaling
van gesteldheid door een voorzetsel voorafgegaan: Men hield hem voor
den dief. Men stelde hem aan lot eersten opzichter over dat werk.
Eene enkele maal gebeurt het, dat een 20 naamval eene bijstelling
bij zich heeft; deze wordt dan in den 4°" naamval gezet: Dit zijn de
psalmeti Davids
, den koning van Israël. Toch hoort men nog in kan-
selstijl : de liefde Gods, des Vaders, waarin de bijstelling in den tweeden
naamval staat.
50. Behalve de bijvoeglijke naamwoorden, die voorheen den 2on, doch
thans meestal den 4en naamval regeeren, zijn er ook enkele, die in de
tegenwoordige taal steeds eene bepaling in den vierden naamval bij
zich hebben. Zij zijn: bijster, getroost, gewoon, gewend, gewaar, kwijt,
veilig, schuldig, verschuldigd\': Wij waren het spoor bijster. Hij was
zijn lot getroost. Ik ben die drukte niet gewoon {gewend). Wij werden
u van verre reeds gewaar. Nu ben ik al mijn geld kwijt. Men is hier
zijn leven niet veilig. Hij is mij nog eene groote som gelds schuldig. Ik
was die hartelijke ontvangst verschuldigd aan zijne warme aanbeveling.
Men houde intusschen in \'t oog, dat ook deze accusatieven oorspron-
kelijk genitieven waren; vandaar dat zij dezelfde beteekenis hebben als de
vroeger besproken genitieven van oorzaak en dus ook het oorzakelijk
voorwerp uitmaken.
-ocr page 93-
79
IV. TRArPEN VAN HOEDANIGHEID OF VERGELIJKING.
§ 182. Door trappen van hoedanigheid of vergelijking verstaat
men de verschillende vormen der bijvoeglijke naamwoorden, die aanduiden ,
in welken graad de hoedanigheid in de zelfstandigheid aanwezig is of daar-
aan wordt toegekend. Er zijn drie trappen van hoedanigheid: de stel-
lende, de vergrootende en de overtreffende trap.
§ 183. De stellende trap is de vorm des adjectiefs, die aanduidt, dat
de hoedanighid zonder vergelijking eenvoudig aan de zelfstandigheid
wordt toegekend of daarin aanwezig is: Een hevige storm. De storm was hevig.
Wel wordt deze vorm ook gebruikt, wanneer men zelfstandigheden ten
opzichte eener hoedanigheid met elkander vergelijkt, doch de uitkomst
der vergelijking wordt dan door bijwoorden uitgedrukt: Hij is even groot
als uw vader. Hij is minder rijk dan zijn neef.
§ 184. De vergrootende trap is de vorm des adjectiefs, die aan-
duidt, dat eene hoedanigheid in eene grootere mate in eene zelfstandigheid
aanwezig is of daaraan wordt toegekend, dan ééne of meer andere.
De vergrootende trap wordt gebruikt:
a.     praedicatief, wanneer de hoofdzin gevolgd wordt door een\' ver-
gelijkenden bijzin. Zoo deze laatste ontbreekt, wordt hij er toch bij
ondersteld: Jan is ouder dan Willem. Hij is ook ouder dan zijne neven.
In Januari kan men reeds zien, dal de dagen langer worden. De lucht
werd telkens donkerder.
b.     attributief, wanneer het zelfstandig naamwoord zonder lidwoord
voorkomt, of door een of geen wordt voorafgegaan: Grooter opgewonden-
heid heb ik nooit gezien. Een ouder broeder van hem is bij de posterijen
geplaatst. Er is geen beter mensch dan hij.
c.     attributief, wanneer twee zelfstandigheden, door tegengestelde
hoedanigheden gekenmerkt, tegenover elkander worden geplaatst; in dit
geval alleen kan de vergrootende trap door \'t lidwoord de of een bijvoeg-
lijk voornaamwoord wordt voorafgegaan: het hooger en lager onderwijs,
mijne grootere en kleinere uitgaven. In zijne vroegere betrekking was
hij gelukkiger dan in de tegenwoordige.
De vergelijkende bijzin, die op een\' vergrootenden trap volgt. wordt
tegenwoordig met den hoofdzin verbonden door \'t voegwoord dan. Dit is
ook \'t geval, wanneer in den hoofdzin de woorden ander en geen, nie-
mand, niets
in den zin van geen ander, niemand, niets anders voor-
komen. Immers ander is de vergrootende trap van een vroeger an en
geeft dan ook altijd te kennen, dat vergeleken hoedanigheden ongelijk
zijn: Ik heb iets, niets anders geschreven, dan gij mij hebt gelast. Ik
heb niemand (anders) gesproken dan zijn\' broeder. Hij bezat niets (anders)
dan een klein huisje. Ik heb geen\' (anderen) tijd beschikbaar dan dezen.
§ 185. De overtreffende trap is de vorm des adjectiefs, die aan-
duidt , dat eene zelfstandigheid, vergeleken met ééne of meer andere, eene
-ocr page 94-
80
hoedanigheid in de grootste mate bezit: Zijn oudste broer is naar de Oost
gaan. Hij was de oudste van hunne beide zonen. De jongste zoon uit
eene adellijke familie trad vroeger gewoonlijk in den krijgsdienst.
Zooals men ziet, wordt de overtreffende trap van het adjectief nooit
praedicatief gebruikt. Staat hij alleen, dan is het zelfstandig naamwoord
daarachter verzwegen. Bovendien wordt hij steeds voorafgegaan door
\'t lidwoord de of een voornaamwoord.
Nog verdient opgemerkt te worden, dat men den overtreffenden trap
van \'t bijwoord (Verg. § 190) als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, wanneer
men den toestand van ééne zelfstandigheid vergelijkt met een\' gelijksoortigen
toestand onder andere omstandigheden: Hij is het gelukkigst, wanneer
hij rustig kan werken.
Verg. hiermede: Hij is de gelukkigste van alle
mensehen.
§ 186. De overtreffende trap des adjectiefs wordt ook eene enkele maal
zonder \'t lidwoord gebruikt, wanneer men wil te kennen geven, dat de
zelfstandigheid de hoedanigheid in zeer groote mate bezit. Men kan
hem dan den volstrekt overtreffenden trap noemen tegenover den
betrekkelijk overtreffenden trap, in de vorige paragraaf behandeld.
Dit is \'t geval, wanneer men zegt: Beste vriend/ Liefste Zus f Dat is
beste, opperbeste thee. Ik vind dat een alleraardigst kind.
§ 187. Wanneer men twee verschillende hoedanigheden van ééne zelf-
standigheid met elkander vergelijkt, en de eene in grootere mate aanwezig
oordeelt dan de andere, moet de vergrootende trap door \'t bijwoord meer
worden omschreven: Hij is meer geleerd dan verstandig. Die handelwijze
is meer slim dan verstandig.
§ 188. Sommige adjectieven missen de trappen van hoedanigheid. Dit
is \'t geval, wanneer zij eene volstrekte bsteekenis hebben, d. i. wan-
neer zij eene hoedanigheid uitdrukken, die niet in verschillende graden
kan gedacht worden, en wanneer het adjectief geen e eigenlijke hoe-
danigheid uitdrukt.
Eene yolstrekte beteekenis hebben:
a.    samenstellingen, waaraan eene vergelijking ten grondslag ligt,
als: sneeuwwit, hemelhoog, gitzwart, hemelsblauw, suikerzoet, enz.
b.    adjectieven als: vierkant, stom, blind, volmaakt, eenig, eeuwig,
eindeloos
, waarachtig, kinderloos, koninklijk, bijv. in: de koninklijke
kroon.
Bij sommige van deze adjectieven komen trappen van hoedanigheid
voor, wanneer de eigenlijke beteekenis een weinig wordt verzwakt of
\'t woord eene andere beteekenis verkrijgt. Bijv.: Bij dien predikant
wordt de kerk telkens leeger
, bij zijn1 collega is zij voller dan vol.
Hier heerscht de volmaaktste orde en stilte.
Zoo zegt ook Staring:
Thans is zijn eenigst wil, dal hij door boete doen den Heilig weer
verzoen\'\'/
en maakt hij zelfs schertsend een\' vergrootenden trap van een\'
overtreffenden: Hier kon hel punctum slaan / Maar ginds verneem ik
oorcn
, die na het laatste woord graag nog een laatster hooren. Eene
andere beteekenis krijgt bijv. stom in: de stomste jongen voor: de domste.
-ocr page 95-
«
81
Geene eigenlijke hoedanigheden drukken uit de uitsluitend
attributief gebruikte adjectieven. (Zie §§ 108 en 112).
Ook de bijvoeglijke naamwoorden, die uitsluitend praedicatief worden
gebrnikt, missen de trappen van hoedanigheid. (Verg. § m) Gedeeltelijk
is dit een gevolg van dezelfde oorzaken, die boven zijn genoemd; bij
enkele laat het taalgebruik geen\' vergrootenden of overtreffenden trap toe.
§ 189. De deelwoorden zijn dan alleen vatbaar voor de trappen
van hoedanigheid, wanneer zij tot werkelijke adjectieven zijn geworden , d. i.
wanneer niet meer de werking, maar de hoedanigheid op den voorgrond
staat. Dit is bijv. \'t geval bij: treffend\', innemend\', voorkómend, uitste-
kend, bekrompen, ervaren, gezocht, uitgelezen, afgezaagd,
enz.
Daarentegen dulden geene trappen van hoedangheid: een lezend kind,
een bepalend woord, eene uitstekende bergspits, een gebroken kopje, een
ilitgelezen boek, een geploegde akker,
enz.
§ 190. Niet alleen adjectieven, maar ook sommige bijwoorden, voor-
namelijk die van hoedanigheid, hebben trappen van hoedanigheid: Hij
heeft
/\'raat, fraaier, het fraaist geschreven. Zooals men ziet, wordt in
dit geval de overtreffende trap voorafgegaan door den onzijdigen vorm
des lidwoords. De oorzaak hiervan is, dat deze overtreffende trappen
eigenlijk onzijdige substantieven zijn, die in den bijwoordelijken accusa-
tief staan. Immers het fraaist, beteekent eigenlijk: op de fraaiste wijze.
Zij kunnen ook worden vooorafgegaan door de voorzetsels op of te. Men
lette echter op \'t verschil tusschen: Hij heejrthetfraaist en op het fraaist,
op zijn fraaist geschreven.
Zoo is ook: Hij zal ten spoedigste overkomen
zeer verschillend van: Hij zal het spoedigst overkomen. Bij dichters ziet
men meermalen het lidwoord weggelaten: Waar V veldgebloemte vroegst
ontluikt en langst aan winters macht ontduikt.
(St.)
Enkele bijwoorden kunnen ook in den volstrekt overtreffenden
trap staan. Zij missen dan ook \'t lidwoord: Gij hebt dat best gemaakt.
Hij stond uiterst verbaasd. Ik ben hoogst ontevreden. Het kind heeft
zich allerliefst gedragen.
v. wijzen.
§ 191. De werkwoorden hebben verschillende vormen, om de be-
trekkingen aan te duiden, waarin de gedachte, in een\' vol-
zin uitgedrukt, naar de voorstelling van den spreker, staat tot de
w e r k e 1 ij k h e i d. Deze vormen dragen den naam van w ij z e n.
§ 192. Is de bedoeling van den spreker, dat de gedachte, in een\'zin
uitgedrukt, zal opgevat worden als op eenig tijdstip overeenko-
mende met de werkelijkheid, dan staat het werkwoord in de aan-
toonende wijs {indicatief): Ik werk, heb gewerkt, zal werken.
§ 193. Is de bedoeling van den spreker, dat de gedachte als op
eenig tijdstip mogelijk wordt opgevat, dan staat het werkwoord
in de aanvoegende wijs {conjunctief): Ik vrees, dat hij wegblijve.
Ik vreesde, dat hij wegbleve.
T. terwey, Ned. Spraakk. 8e druk.                                                                   6
-ocr page 96-
82
i? 194. Is de bedoeling van den spreker, dat de gedachte op eenig
tijdstip werkelijkheid moet worden of althans behoort te
worden, dan staat het werkwoord in de gebiedende wijs {impera-
tief): Ga dadelijk heen. Doe toeh uw\' plicht, jongen!
§ 195. Is de bedoeling van den spreker, dat de gedachte enkel
zal opgevat worden als eene gedachte, d. i. als iets, dat hij
zich een oogenblik voorstelt, dan staat het werkwoord in de voorwaar-
delijke w ij s {conditiotialis).
De inhoud van zulke zinnen is met de werkelijkheid in strijd of zal
er waarschijnlijk mede in strijd blijven, bijv.: Wist ik het, dan zou
ik het zeggen. Al kwam hij mij zelf verlof vragen, ik zou het toch
weigeren.
In den eersten zin ligt opgesloten, dal men het niet weet en
dus ook niet zal zeggen;
in den tweeden, dat het vragen 7vaarschijnlijk
wel niet zal gebeuren en dan kan er dus ookgeene sprake zijn van weigeren.
Zinnen, waarvan het werkwoord in de voorwaardelijke wijs staat, zijn
steeds bestemd, bij den hoorder eene andere gedachte op te wekken, die
de uitdrukking is der werkelijkheid. Zoo wordt met den eersten volzin
bijv. bedoeld: \'t Spijl mij, dat ik \'t niet kan zeggen; met den tweeden:
Ik weiger het hem in elk geval.
% 196. De vormen des werkwoonls, welken men den naam geeft van
aan voegen de wijs, zijn in den loop der tijden tengevolge van het ge-
ringe verschil in vorm in zeer veel gevallen door de aantooncnde wijs
vervangen. Daarom is \'t noodig te weten, wanneer men zich thans nog
van die wijs bedient. Dit geschiedt:
i°. in enkelvoudige of hoofdzinnen en wel:
a.    wanneer men een\' wensch uitdrukt, welks vervulling mogelijk
wordt geacht: Leve de Ko?iing! God zij ons genadig! Vinde ik mijne
verontschuldiging in het doel, waarmede ik {dit) wagen durfde!
(P.)
b.    wanneer men wil te kennen geven, dat men zich niet verzetten
z a 1 tegen de verwezenlijking der uitgedrukte gedachte: Een heraut laat deze
boodschap hoor en: Vrouw Emma met haar spruit verlate \'t slot in vree
en drage een korfvol van haar kostbaarst veilig mee!
(St.) Zeven kindcrs
dulden \'t niet, dat de vreugde van ons vliedt. Alles roove \'t ongeval,
blijft ons slechts dat zevental.
(St.)
c.    wanneer men den hoorder wil vermanen, dat deze de gedachte
tot werkelijkheid doe worden: Daarom kcere ieder naar de zijnen en
neme dit woord met zich en verspreide het door huis en hof.
(Sch.)
2°. in onderwerpszinnen, wanneer men wil te kennen geven, dat
deze iets mogelijks of wenschelijks uitdrukken: Ifet is ook beter, dat
men den schijn vermijde.
(Sch.) Of het des redenaars plicht is, dal hij
met een\' emmer water en een\' blaasbalg een onweder op zee voorstelle f
(G.) Jiovendien is het geene zaak, dat men onnoodig tijd verlieze. (G.)
3°. in voorwerpszinnen, wanneer de hoofdzin een gezegde bevat,
dat in beteekenis overeenkomt met: wenschen, vreezen, twijfelen, toe-
slaan, bevelen: Eene oude moeder „door wat jicht, zoo \'t heet gekweld,"
-ocr page 97-
88
heeft onverziens haar fulia bevolen , dat ze uit hel vroolijk stadsgedruisch
terugkeere en bij haar zich opsluite in een kluis.
(St.) Ik zou liever van
dit onderwerp afstappen, maar ik wensch toch ook niet, dal men mij
verkeerd versta.
(G.) Onderstel, dal dil eene overtreding zij van eene
wel Gods.
(Sch.) Ik wil niet hopen, dat er onraad op het slot zij! (V. L.)
Handel naar goedvinden, maar zorg, dal hij niet geloove, dat ik hem
vrees.
(Sch.) Sta toe, dat hij eene andere gevangenis krijge, dat hij
vervoerd worde.
(Sch.)
4°. in bijvoeglijke bijzinnen, waarin iets mogelijk of wenschelijks
wordt uitgedrukt: Waar schuilt zij, die onwraakbare penne, die niemands
nagcdachlnis schenne, die niemands nagedacht nis vleit
(P.)
5°. in tij db e pa lende bijzinnen, verbonden door f<?r(dat), voor-
(dat), /ö/(dat), daar deze voegwoorden op iets toekomstigs wijzen: Hij
moet gevat worden, eer hij in staal zij, of zelf, of door anderen pa-
pieren te lichten, die zich hier te Amsterdam moeten bevinden.
(V. L.)
Verzwijg haar het plan, tot de uitvoering besloten zij. (Sch.)
6°. in doelaan wij zende bijzinnen, daar men van de bereiking
van zijn doel geene zekerheid bezit: De beleefdheid vordert van den
spreker, dat hij bijtijds en duidelijk zegge, waarover hij hel woord zal
voeren, opdat men voor het einde wele, wat hij behandeld heeft.
(G.)
Sla mij toe, den onderscheiden indruk (der oudere en nieuwere kunst)
door vluchtige trekken in schels te brengen, ten einde de poging mij
vrijware van de blaam van partijdigheid.
(P.)
7". in voorwaardelijke bijzinnen, bepaaldelijk, wanneer ze met
den hoofdzin zijn verbonden door mits of tenzij. Eigenlijk behoorde iedere
voorw. bijzin, die niet in de voorwaardelijke wijs staat, in de aanvoe-
gende wijs te staan, daar eene voorwaarde of onderstelling niet de uitdruk-
king der werkelijkheid is, doch meestal is hier de aant. wijs de plaats-
vervangster der aanvoegende: Ik wil gaarne mededeelen, wat ik van
Rolandseck weet, mits Diodes mij niet in de rede valle.
(G.) Tenzij
ieder bewoner van Frankrijk verkeer\'en kunne in een gewapend soldaat,
bezweer ik Uwe Majesteit, geen\' enkelen Franschtnan te ontbieden.
(Sch.)
8°. in toegevende bijzinnen. In deze zinnen drukt de aanvoegende
wijs uit, dat de spreker de mogelijkheid der uitgedrukte gedachte erkent.
In toegevende zinnen, waarin de werkelijkheid eener gedachte wordt
erkend, gebruikt men tegenwoordig de aantoonende wijs: Ofschoon zijn
grootvader reeds tachtig jaar is, kan hij toch zonder bril lezen.
Ik zal er het mijne van hebben, wal het ook kosten moge. (V. L.)
Hoe eenvoudig deze vraag ware, zij scheen den vreemdeling van zijn
stuk te brengen.
(V. L.) Hoeveel het ons koste, wij moeten het belijden.
(G.) Ik spot met hem, in welke gedaante hij zich ook verloone. (L.) Het
doel, zij het ook het verhevenste, zij het ook boven de aarde, eischt toch
een aardsch middel.
(Sch.) Ter zijde van eene kist moge het leve?i niet
aantachen, moge het ernstig zien
— voor het oogenblik wordt de band,
die dit aan het volgende bindt, aanschouwelijk.
(P.)
6*
-ocr page 98-
H4
Zooals uit de bovenstaande voorbeelden blijkt, komt de aanvoegende
wijs bepaaldelijk in die toegevende bijzinnen voor, welke met een vragend
voornaamwoord of bijwoord beginnen, of die de gewone woordschikking
hebben. Ook na \'t voegwoord of kan zij gebruikt worden: Of men ook
zegge, dat ik verkeerd doe, ik zal volhouden.
§ 197. Aangaande de aanvoegende wijs, voor zoover zij voorkomt
in bijzinnen, dient opgemerkt te worden, dat zij tegenwoordig in den
regel, in de spreektaal althans, wordt vervangen door de aantoonende wijs.
Doch waar zij voorkomt in hoofd- of enkelvoudige zinnen, is deze ver-
vanging onmogelijk. De reden van een en ander is niet moeilijk in te
zien. In bijzinnen immers geeft óf het gezegde van den hoofdzin, óf het
voegwoord, waarmede de bijzin aanvangt, reeds voldoende te kennen,
dat de inhoud van den laatsten geene werkelijkheid is. Maar zulk een
middel bestaat er niet, wanneer de aanv. wijs in hoofd- of enkelvoudige
bijzinnen voorkomt.
§ 198. Die vormen der werkwoorden, welk men de voorwaarde-
lijke wijs heet, verdienen mede nadere bespreking. Ofschoon zij overeenko-
men öf, zooals oorspronkelijk hetgeval was, met de aanvoegende,
óf zooals tegenwoordig meest het geval is, met de aantoonende wijs,
behooren zij zoowel van de eerste, als van de laatste te worden onder-
scheiden wegens het groot verschil in beteekenis tusschen een\' volzin in
de voorwaardelijke en een\' in de aanvoegende of aantoonende wijs. In
dit geval wordt de wijs dus bepaald door de beteekenis van den zin
en niet door den vorm des werkwoords. (Verg. § 195)
De voorwaardelijke wijs komt voor:
i°. in hoofdzinnen en de daarbij behoorende voorwaardelijke
b ij zinnen, wanneer zij gedachten uitdrukken, die met de werkelijkheid
in strijd zijn: Zoo ik geen bouwman was, ik wou wel de eerste (vorst,
nl.) wezen, kreeg ik verstand meteen. (St.) Als gij hem gelooven wilde/,
zou hij 11 overtuigen, dat men alles ter wereld in de gevangenis kan
laten maken.
(L.) Bijna ware hij verpletterd geweest, indien niet een
vrouwenarm hem had opgevangen.
(B. v. D. B.) Geen Bilderdijk had
ooit bij ons bestaan, was hem geen Griek in \'t dichten voorgegaan.
(B.)
Het ware te veel van den schilder gevergd geweest, als we dit alles op
hun gelaat wilden lezen.
(P.)
Meermalen gebeurt het, dat de voorwaardelijke bijzin in een zin-
deel ligt opgesloten: Zonder zijne grootmoedige lusschenkomst had het
er slecht met mij uitgezien.
(V. L.) Ik wist. niet, dat er zich iemand in
den koepel bevond, waarin ik kwam schuilen; anders ware ik zoo onbe-
scheiden niet geweest.
(V. L.) Gij hebt gelijk, goé vriend, en kon dl in
Ols geval zoo spreken.
(St.)
Soms staat alleen de b ij z i n in de voorwaardelijke wijs: Uw titel als
Meester in de rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben, ingeval
hij eens koppig ware.
(V. L.) Mocht iemand mijner lezers het boek
nog niet kennen, hij leze het ten spoedigste.
(B. v. d. B.)
!
-ocr page 99-
85
2°. in hoofdzinnen, waarvan de voorwaardelijke bijzin is weg-
gelaten: Ik maal zijn dank niet af; dit ware een ijdel\'pogen. (St.) Ik hei
het hem nietgevraagd; het zou vergeefsche moeite zijn geweest.
Ook in deze
voorbeelden zijn de uitgedrukte gedachten met de werkelijkheid in strijd.
Soms echter is de inhoud van den zin niet met de werkelijkheid in strijd,
doch stelt de spreker dien slechts uit bescheidenheid als zoodanig voor:
Ik wcnschte wel, dal gij meegingt. Ik had liever, zei Charinus, dal
onze vriend nu noch het een noch hel ander beproefde.
(G.) De onuitge-
drukte bijzin kan dan zijn: Indien mijn wensch niet te onbescheiden
was
, of iets dergelijks.
3". in voorwaardelijke bijzinnen, waarvan de hoofdzin is
weggelaten. Dan krijgt die bijzin het uiterlijk van een\'.wenschenden
zin. Van den eigenlijk wenschenden zin in de aanvoegende wijs is hij echter
daarin onderscheiden, dat de vervulling van den wensch o n m o g e 1 ij k of
onwaarschijnlijk wordt geacht: Hadde hij maar beter zijn" plicht vervuld!
Gave God, dal hij weer gezond werd! Hoorden wij slechts iets van hem !
4°. in hoofdzinnen en de daarbij behoorende toegevende bijzin-
nen, wanneer in de laatste eene gedachte wordt uitgedrukt, die stellig
of waarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd is of zal blijven: Al waart
gij langer gebleven, gij hadt toch niets meer te zien gekregen. Al bood
men mij alle schallen der wereld, ik zou zulk eene ontrouw niet plegen.
Dwaalt mijns gelijk
, ik zie V lankmoedig aan; maar zwiert een kloek
vernuft moedwillig van de baan, ik trok het graag terug
, al was
\'t ook bij de haren.
(St.)
Soms staat alleen de bijzin in de voorwaardelijke wijs: „Vivat Prince
Ilcnrick/" klinkt het in zijn hart, „al moesten we morgen weer in
V vuur" (P.)
5°. in vergelijkende bijzinnen, die door alsof met den hoofdzin
zijn verbonden. Deze zinnen toch zijn tegelijk voorwaardelijke bijzinnen;
immers alsof beteekent eigenlijk: als indien. Wordt nu in zulk een\' bij-
zin eene gedachte uitgedrukt, die met de werkelijkheid in strijd is, dan
staat het werkwoord in de voorwaardelijke wijs: Wat roemen we ons
beschaven
, ons verfijnen, alsof bij ons 7 geluk ten zetel klom ? (P.)
Gij hebt mijn tonen lief, alsof zij de uwe waren. (B.) Maximiliaan
van Buren bracht zijne laatste oogenbilkken door, of sterveti slechts
reizen ware naar een schitterend tournooi.
(P.)
6°. in vragende hoofd- of enkelvoudige zinnen, die gedachten
uitdrukken, welke stellig of waarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd
zijn. De voorwaardelijke wijs dient dan, öf om de tegengestelde gedachte
op te wekken, öf om te kennen te geven, dat de vrager een ontkennend
antwoord waarschijnlijk acht: Zore ik u verlaten, nu gij in nood ver-
keert , 11, die mij steeds ten steun zijt geweest ? Zoudt gij hem hiertoe
wel in staat hebben geacht ? Zou hij nog komen, nu hel reeds zoo laat
is? Zou de school al begonnen zijn? Zou hij een ongeluk gekregen hebben?
§ 199. Gewoonlijk wordt het onderwerp bij een werkwoord in de
-ocr page 100-
86
gebiedende wijs niet uitgedrukt. Toch maakt eene tegenstelling soms
de uitdrukking des onderwerps wenschelijk: Ik kom en meld u wal daar-
boven gebeurt, meld gij mij de dingen van Hela\'s rijk.
(St.)
§ 200. Soms heeft een infinitief, dikwijls een verleden deelwoord, de
beteekenis van de gebiedende wijs: Naar bed gaan, kindcrs ! De boeken
opzoeken , jongens! Opgestaan, of ik doe je naar beneden tuimelenl Op,
de kannen klaar gemaakt en water gehaald.\' Het brood gesneden en
rondgebracht! Maar eerlijk verdeeld, hoor je!
(Sch.)
§ 201. De gebiedende wijs is zeer nauw verwant met de aanvoegcnde.
Vandaar dat een zin in de gebiedende wijs soms de beteekenis heeft van
een\' voorwaardelijken bijzin, waarin de aantoonende wijs de aanvoegcnde
vervangt: Maak u tot een lam en gij wordt ter slachtbank geleid (Sch.)
Geef hem een\' vinger en hij neemt spoedig de gehcele hand. Vandaar
ook dat soms een wensch, dat zelfs eene bede in de gebiedende wijs
staat: Och toe, ik smeek het u, laat tnij heengaan ! Geef ons heden ons
dagclijksch brood!
Omgekeerd kan de aanvoegende wijs de beteekenis hebben van de ge-
biedende. Dit is \'t geval, wanneer men zich zelven en anderen ergens toe
wil aansporen: Staken wij dit gesprek en geven wij ons niet als kinderen
aan onze droefheid over!
(Sch.)
§ 202. Wanneer men zich zelven en anderen tot iets wil opwekken,
bedient men zich veelal van de gebiedende wijs van \'t werkwoord laten,
gevolgd door het voornaamwoord wij in den 40n naamval: Laat ons aan
7 7verk gaan! Laat ons eendrachtig opstaan legen den meester! (Sch.)
Eigenlijk zijn deze volzinnen eene aansporing tot een\' aangesproken persoon
om het plaatshebben der werking niet te verhinderen, doch zij worden
gebruikt in dezelfde beteekenis, als: Laten wij aan 7 werk gaan, enz.,
waarin laten dient ter omschrijving van de aanvoegende wijs van \'t vol-
gende werkwoord, waarom het dan ook zelf in aanvoegende wijs staat.
Duidelijk ziet men dit in een\' volzin als dezen: Laten zij hem in den
Theems smijten; ik zal waarlijk mijne handen niet nat maken, om
hem te redden
(Sch.), waarin \'t werkwoord laten \'tzelfde uitdrukt als de
aanvoegende wijs.
Zinnen als: Laat ik aan V werk gaan! Laat hij aan 7 werk gaan.\'
hebben steeds de beteekenis van volzinnen, waarin de aanvoegende wijs
voorkomt. Daarentegen beteekenen: Laat mijaan 7 werk gaan ! Laat hem
aan
7 werk gaan l g e w o o n 1 ij k: Veroorzaak of verhinder niet, dat, enz.
VI. TIJDEN.
§ 203. Door t ij d e n verstaat men de vormen des werkwoords, welke
de betrekking aangeven, waarin de werking, naar de voorstelling des
sprekers, staat tot den tijd.
De verschillende tijden drukken uit: a. het tijdstip, waarin de spreker
met zijne gedachten verkeert; dit kan zijn: het tegenwoordige of
-ocr page 101-
87
verledene; b. de verhouding tusschen dit tijdstip en dat, waarin de
werking plaats heeft: eene werking kan gelijktijdig met het tegenwoor-
dige of verledene plaats hebben, of toekomstig zijn ten opzichte van
het tegenwoordige of verledene; c. het punt, waartoe de werking volgens
de voorstelling des sprekers is gevorderd; zij kan namelijk worden voor-
gesteld als onvoltooid of als voltooid.
Er zijn dus in \'t geheel 8 tijden mogelijk; deze komen echter alleen
voor in de aantoonende wijs.
§ 201. De tijden der aantoonende wijs zijn de volgende:
i. de onvoltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt
als onvoltooid in het tegenwoordige: Ik schrijf een\' brief.
2.    de voltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt
als voltooid in het tegenwoordige: Ik heb mijne brieven geschreven en
kan dus gaan wandelen.
3.    de onvoltooid verleden tijd, die de werking voorstelt als
onvoltooid in het verledene: Ik schreef een" brief, toen hij binnenkwam.
4.    de voltooid verleden tijd, die de werking voorstelt als voltooid
in het verledene: Ik had al mijne brieven geschreven, toen hij mij een
bezoek kwam brengen.
5.    de onvoltooid toekomende tijd, die de werking voorstelt als
onvoltooid in een tijdstip, dat toekomstig is ten opzichte van het tegen-
woordige : Ik zal van avond mijne brieven schrijven.
6.    de voltooid toekomende tijd, die de werking voorstelt als vol-
tooid in een tijdstip, dat toekomstig is ten opzichte van het tegenwoordige :
Van avond om acht uur zal ik mijne brieven wel geschreven hebben.
7.    de onvoltooid verleden toekomende tijd, die de werking
voorstelt als onvoltooid in een tijdstip, dat toekomstig was ten opzichte van
\'t verledene, waaraan de spreker denkt: Hij berichtte mij gisteren, dat
hij van avond bij ons zou komen.
8.    de voltooid verleden toekomende tijd, die de werking
voorstelt als voltooid in een tijdstip, dat toekomstig was ten opzichte van
\'t verledene, waaraan de spreker denkt: Hij berichtte mij gisteren, dat
hij vóór van avond het werk zou hebben afgemaakt.
§ 205. Ten opzichte der tijden van de aantoonende wijs valt nog op
te merken, dat in de plaats van den onvoltooid toekomenden tijd de
onvoltooid tegenwoordige tijd kan gebruikt worden: Ik ga morgen op reis.
f/ij komt weldra over;
dat in de plaats van den voltooid toekomenden
tijd de voltooid tegenwoordige tijd kan worden gebezigd: Als hij morgen
komt
, ben ik reeds vertrokken. Als ik mijn werk afgemaakt heb, zal
ik komen;
dat in de plaats van den onvoltooid verleden toekomenden tijd
de onvoltooid verleden tijd kan gezet worden: Hij zeide, dat hij heen-
ging, zoodra men dat besluit nam;
dat de voltooid verleden tijd in de
plaats kan komen van den voltooid verleden toekomenden tijd: Hij zeide,
dat hij zou komen, als hij zijn werk afgemaakt had.
Wanneer het intusschen uit de bijgaande zinnen of bepalingen niet
-ocr page 102-
88
duidelijk blijkt, dat men met toekomende tijden te doen heeft, kan deze
vervanging aanleiding geven tot dubbezinnigheid. Vergelijk: Als ik mijn
werk afgemaakt heb, ga ik een uurtje wandelen. Hij zeide, dal hij
kwant, als hij zijn werk a/gemaakt had.
Bedoelt men hier, dat het
wandelen, het komen
gewoonlijk gebeurt, dan heeft men met een\' voltooid
tegenwoordigen of verleden tijd te doen; heeft men \'t oog op een enkel
feit, dan zijn het toekomende tijden.
§ 206. De aanvoegende wijs mist de vier toekomende tijden.
De oorzaak daarvan is eenvoudig deze, dat elke tijd dezer wijs uit den aard
der zaak iets toekomstigs te kennen geeft. Immers zoodra men eene
gedachte voorstelt als mogelijk, geeft men van zelf te kennen, dat zij nog
N geene werkelijkheid is of geweest is.
De tijden der aanvoegende wijs zijn derhalve:
i. de onvoltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt
als onvoltooid in het tegenwoordige: Ik hoop, dat hij kome.
2.     de voltooid tegenwoordige tijd, die de werking voorstelt als
voltooid in \'t tegenwoordige: Ik hoop, dat hij zijne dwaling ingezien hebbe.
3.     de onvoltooid verleden tijd, die de werking voorstelt als
onvoltooid met betrekking tot \'t verledene: Ik hoopte, dat hij kwame.
4.     de voltooid verleden tijd, die de werking voorstelt als vol-
tooid met betrekking tot \'t verledene: Ik hoopte, dat hij zijne dwaling
ingezien hadde.
§ 207. Uit hetgeen wij omtrent de beteekenis der tijden van de aan-
voegende wijs hebben gezegd en hetgeen is opgemerkt aangaande de ver-
vanging van de aanvoegende door <le aantoonende wijs, volgt, dat de
onvoltooid tegenwoordige tijd kan vervangen worden door den onvoltooid
tegenwoordigen tijd of den onvoltooid toekomenden tijd der aantoonende
wijs: Ik hoop, dat hij komt, of dat hij zal komen; dat de onvoltooid
verleden tijd kan worden vervangen door den onvoltooid verleden tijd of
den onvoltooid verleden toekomenden tijd der aantoonende wijs: //• hoopte
dat hij kwam,
of dat hij zou komen; dat de voltooid tegenwoordige en
verleden tijden kunnen vervangen worden door de overeenkomstige tijden
der aantoonende wijs of door den voltooid toekomenden of voltooid ver-
leden toekomenden tijd dierzelfde wijs: Ik hoop, dal hij zijne dwaling
heeft ingezien,
of zal ingezien hebben. Ik hoopte, dat hij zijne dwaling
had ingezien
, of zou ingezien hebben.
§ 208. Daar de voorwaardelijke wijs gebruikt wordt, wanneer de ge-
dachten stellig of waarschijnlijk met de werkelijkheid in strijd zijn, bezigde
men daarin oorspronkelijk alleen die tijdvormen, welke in de aanvoegende
wijs verleden tijden heeten. Het verledene toch is geene werkelijkheid
meer en zal ook geene werkelijkheid worden. Men merke echter wel op,
dat men bij deze vormen volstrekt niet aan liet verledene denkt; zij dienen
alleen, om de werking voor te stellen als on voltooi d of voltooid. De
voorwaardelijke wijs heeft dus slechts twee zoogenaamde tijden, den
on voltooiden en den voltooiden tijd, bijv.: hij ivare, hij ware
-ocr page 103-
geweest: Ware hij tevreden, hij ware niet zoo ongelukkig. Ware hij
tevreden geweest
, hij ware niet zoo ongelukkig geweest.
De bovenstaande vormen worden, evenals wij dit bij de aanvoegende
wijs hebben gezien, dikwijls vervangen door die der aantoonende wijs: Kwam
hij hier, ik gaf het hem. Was hij hier gekomen, ik had het het hem gegeven.
Bovendien kan men, evenals bij de aanvoegende wijs, den zoogenaamden
onvoltooiden tijd den vorm geven van den onvoltooid verleden toeko-
menden tijd en den voltooiden tijd dien van den voltooid verleden toe-
komenden tijd: Kwam hij hier, ik zou het hem geven. Was hij hier
gekomen, ik zou het hem gegeven hebben.
Hier verdient opmerking:
a. dat deze vervanging alleen kan plaats hebben in hoofdzinnen en niet
in de daarbij behoorende bijzinnen; b. dat in de enkelvoudige zinnen met
de voorwaardelijke wijs steeds de door het hulpwerkwoord zullen om-
schreven vorm voorkomt, ten einde deze wijs te onderscheiden van de
verleden tijden der aantoonende wijs. (Verg. § 198.)
§ 209. Wanneer men gebiedt of verzoekt, dat eene werking plaats hebbe,
is zij natuurlijk onvoltooid, terwijl zij wordt voorgesteld als in \'t tegen-
woordige gebeurende. De gebiedende wijs heeft dus één\' tijdvorm, il en
onvoltooid tegenwoordigen tijd: Werkt! Werkt!
§ 210. De tijden, welke door een\' buigingsvorm der werkwoorden
worden uitgedrukt, heeten enkelvoudige; die, welke met behulp van
andere werkwoorden worden gevormd, samengestelde. Om de voltooide
tijden uit te drukken, bedient men zich van de hulpwerkwoorden hebben
of zijn; tot vorming der toekomende tijden dient zullen.
§ 211. De o vergankelijke werkwoorden in den bedrijven-
de 11 v o r m worden steeds met hebben vervoegd.
Knkele werkwoorden, die vroeger onovergankelijk waren, doch tegen-
woordig soms of altijd als o ver ga n kei ij ke moeten worden beschouwd,
worden ook nog wel met zijn vervoegd. Zij zijn: vergeten, beginnen,
volgen, navolgen, opvolgen, ontmoeten, naderen. Hierbij
merke men op:
dat vergeten hebben beteekent „niet meer denken aan", „ver-
zuimd hebben te doen of mede te brengen"; vergeten zijn: „uit het
geheugen verloren hebben": Sedert hij zoo rijk is geworden, zal hij ons
wel vergeten hebben. Hij heeft zijn\' plicht, zijn boek vergelen, //oud mij
ten goede, dat ik in de drukte des gespreks vergeten heb, u iels te
presenteeren.
(P.) Ik ben al die namen weer vergeten. In ongeveer den-
zelfden zin als vergeten z ij n gebruikt men ook verleerd z ij n,
a f g e 1 e e r d z ij n : Daar er in de laatste jaren bijna geen ijs is geweest,
ben ik het schaatsenrijden geheel verleerd, afgeleerd.
Men vergelijke
hiermede: Ik heb die lcelijke gewoonte afgeleerd. Men heeft mij die
gewoonte afgeleerd.
dat beginnen, met zijn vervoegd, zoowel ovcrgankelijk als onover-
gankelijk kan zijn: Hij had geantwoord\', dal hij dien morgen te vijf
uur de wandeling al begonnen was.
(Sch.) Hij is aan zijn werk begonnen.
-ocr page 104-
90
Hij is begonnen {beginnen) te werken. Met hebben vervoegd, is het
steeds overgankelijk: Ik heb dat werk begonnen.
dat volgen en navolgen alleen in figuurlijken zin, d. i. als „nadoen"
met hebben worden vervoegd: Wij hebben zijn voorbeeld gevolgd,
nagevolgd. Wij zijn hem tot aan de poort gevolgd, nagevolgd.
dat opvolgen in den figuurlijken zin van „nakomen" met hebben,
in dien van „volgen op iemand in zekere waardigheid" zoowel met
hebben als met z ij n wordt vervoegd: Hebt gij dat bevel opgevolgd ?
Koning Willem III is {heeft) in
1849 gifn\' vader opgevolgd.
dat ontmoeten nog eene enkele maal met zijn, doch meestal met
hebben wordt vervoegd: En ben je geen krijgsvolk ontmoet 1 (Sch.) Ik
heb hem daar dikwijls ontmoet.
dat naderen altijd met z ij n wordt vervoegd: De vijand was ons
leger langs een\' omweg genaderd.
§ 212. De o vergankelijke werkwoorden in den lijdenden
vorm worden vervoegd met het hulpwerkwoord worden: Ik word,
werd geslagen; zal, zou geslagen worden.
Daar \'t werkwoord worden
met zijn wordt vervoegd, zou men in de voltooide tijden eigenlijk moeten
hebben: Ik ben, was geslagen geworden. Ik zal, zou geslagen geworden
zijn.
Deze vormen komen intusschen voor den voltooid tegenwoordigen en
verleden tijd zelden, voor de voltooid toekomende tijden nooit voor; men
bedient zich dan van \'t verleden deelwoord met de overeenkomstige tijden
van \'t werkwoord zijn: Ik ben, was geslagen. Ik zal, zou geslagen zijn.
Zoodoende is de lijdende vorm der overgankelijke werkwoorden geheel
gelijk aan dien der onovergankelijke werkwoorden, welke met zijn
worden vervoegd. Men dient dus deze twee soorten van werkwoorden
altijd behoorlijk van elkander te onderscheiden. Vergelijk: hij is vertrok-
ken
en hij is gezonden; hij was gevalleti en hij was beleedigd.
§ 213. De onovergankelijke werkwoorden worden gedeeltelijk met
hebben, gedeeltelijk met zijn vervoegd. In \'t algemeen wordt dit laatste
hulpwerkwoord gebruikt, wanneer ten gevolge der werking het onderwerp
in een\' anderen toestand is geraakt. In alle andere gevallen bedient men
zich van hebben.
Hieruit volgt, dat het hulpwerkwoord hebben wordt gebezigd bij alle
onovergankelijke werkwoorden, die of een doen, öfhetverkeerenin
zekeren toestand beteekenen, als: schreien, lachen, droomen, juichen,
schreeuwen, oorlogen , grazen, visschcu, hengelen
, handelen, razen, lig-
gen
, zitten, slaan, slapen, rusten, sukkelen, hangen, koken.
Met z ij n worden dus vervoegd alle onovergankelijke werkwoorden, die
den overgang van den eenen toestand i n den andere n beteeke-
nen, als: vallen, wegloopen, verdwijnen, ontvluchten, worden, groeien,
wassen, inslapen, insluimeren
, sterven, sneuvelen, onlivaken, ontdooien,
ontbranden.
Met z ij n of met hebben worden verschillende werkwoorden vervoegd,
die eene beweging aanduiden; en wel met hebben, wanneer de werking
-ocr page 105-
91
vermeld wordt om de werking; met zijn, wanneer de werking vermeld
wordt om den toestand, waarin het onderwerp door de werking is gekomen:
Wij hebben den gansehen morgen geloopcn, gewandeld, gevaren, gere-
den,
enz. Wij zijn ?iaar Haarlem gcloopen, gewandeld, gevaren,
gereden
, enz.
Opmerking verdient, dat de werkwoorden gaan en komen, die mede eene
beweging uitdrukken, steeds met z ij n worden vervoegd en dat de werk-
woorden zijn en blijven, die een verkeeren in een\' toestand uitdrukken,
toch steeds met z ij n worden vervoegd.
In volzinnen, als: Hij was in zijn\' leunstoel gezeten. Haarlem is ten
Westen van Amsterdam gelegen. Ik ben besloten
, dit te doen. Wij zijn
afgesproken , er heen te gaan
, wordt het hulpwerkwoord z ij n gebezigd,
omdat de werkwoorden daarin oorspronkelijk ook konden beteekenen:
gaan zitten, gaan liggen, tot een besluit komen, tol eene afspraak komen
en dus opgevat werden als het komen in een\' zekeren toestand.
Vat men de beide eerste op als een verkeeren in zekeren toestand,
de beide laatste als een doen, dan worden ze met hebben vervoegd: Ik
heb gelegen, gezeten, besloten, afgesproken.
§ 214. De wederkeerende en onpersoonlijke werkwoorden
worden steeds met hebben vervoegd; de k o p p e 1 w e r k w o o r d e n met
dezelfde hulpwerkwoorden, welke zij als onovergankelijke of overgankelijke
werkwoorden bij zich krijgen.
VII EN VIII. PERSOON KN GETAL.
§ 215. Door personen verstaat men de vormen des werkwoords,
welke de verhouding uitdrukken tusschen den spreker en het onderwerp der
werking, Deze verhouding is drieerlei; de drie overeenkomstige vormen
des werkwoords heeten: eerste, tweede en derde persoon; bijv.:
heb, hebt, heeft.
De werking gaat èf van ééne, öf van meer zelfstandigheden uit; het
onderwerp is dus enkel- of meervoudig. Dit verschil in getal bij het
onderwerp der werking wordt mede door de buigingsvormen des werkwoords
uitgedrukt en deze vormen dragen dan ook den naam van getallen.
Men heeft dus te onderscheiden: den eersten, tweeden en derden
persoon des enkelvouds en des meervouds.
§ 216. Een werkwoord staat inden eersten persoon enkelvoud,
wanneer de spreker het onderwerp der werking is: Ik loop.
in den tweeden persoon enkelvoud, wanneer de aangesprokene
het onderwerp is: Gij loopt.
in den derden persoon enkelvoud, wanneer noch de spreker,
noch de aangesprokene, maar eene derde zelfstandigheid het onderwerp
is: De man loopt.
in den eersten persoon meervoud, wanneer behalve den spreker,
nog ééne of meer zelfstandigheden het onderwerp uitmaken: Wij loopen.
-ocr page 106-
92
in den tweeden persoon meervoud, wanneer meer dan één aan-
gesprokene het onderwerp is: Gij loopt.
in den derden persoon meervoud, wanneer eenige zelfstandig-
heden, waaronder noch de spreker, noch de aangesprokene, het onderwerp
uitmaken: De kinderen loopen.
§ 217. Alle wijzen, met uitzondering van den gebiedenden, hebbende
drie personen enkelvoud en meervoud. De gebiedende wijs heeft uit
den aard der zaak slechts den 2en persoon enkel- en meervoud.
IX. DE DEELWOORDEN EN DE INFINITIEF.
§ 218. Kr zijn twee vormen der werkwoorden, welke men nu eens
als werkwoord, dan weer als bijvoeglijk naamwoord ziet
optreden. Zij dragen den naam van deelwoorden. Komen zij als bij-
voeglijk naamwoord voor, dan stellen zij de werking voor als eene hoe-
danigheid: De kans schoon ziende, besloleti zij te ontvluchten. De
bloem was reeds half verwelkt en had eenige bladeren verloren. Spelende
kinderen, verwelkte bloemen, verstelde kleederen.
De deelwoorden kunnen uitdrukken, dat de werking onvoltooid of
vol tooi tl is. In het eerste geval spreekt men van het tegenwoordig,
is het laatste van het verleden deelwoord:
§ 219. Worden de tegenwoordige deelwoorden van o verganke-
lijke werkwoorden als bijvoeglijke naamwoorden gebruikt, dan hebben zij
éene bedrijvende beteekenis; de verleden deelwoorden hebben in
dat geval eene lijdende beteekenis: ploegende ossen, geploegde akkers.
Wanneer een onovergankelijk werkwoord een doen of een ver-
keeren in een\' toestand beteekent, dus wanneer het met hebben
wordt vervoegd, kan alleen het tegenwoordig deelwoord als bijvoeglijk
naamwoord voorkomen : blaffende honden, hengelende jongens, slapende
kinderen;
de verleden deelwoorden van zulke werkwoorden kunnen
alleen de voltooide werking uitdrukken: De honden hebben geblaft, enz.
Geeft een onovergankelijk werkwoord daarentegen een\'overgaan
van den eenen toestand in den anderen te kennen, dan kunnen beide
deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord voorkomen: een vallend blaadje,
een gevallen blaadje.
§ 220. Van de deelwoorden, als bijvoeglijke naamwoorden gebruikt,
onderscheide men de deelwoordelijke bijvoegl. naamw. {participiale
adjectieven).
Dit zijn adjectieven, die oorspronkelijk tegenwoordige of
verleden deelwoorden zijn geweest, doch thans dienen om een blijvend
kenmerk eener zelfstandigheid uit te drukken.
Die participiale adjectieven, welke oorspronkelijk tegenwoordige
deelwoorden zijn geweest, geven te kennen a. dat men de werking altijd
of dikwijls bij eene zelfstandigheid kan waarnemen: treffend, roerend
„aandoenlijk", oplettend, opvliegend, innemend, uitstekend, voorkomend,
brekend
in „brekende waar", roerend in „roerende goederen", d. i.
-ocr page 107-
93
goederen, die gemakkelijk roeren = zich bewegen; b. dat men de werking
a 11 ij d of d i k w ij 1 s waarneemt bij een\' persoon, die bij eene andere
werking of een\' toestand is betrokken: loopend werk, een zittend leven,
de vallende ziekte, eene ijlende koorts.
Die deelwoordelijke adjectieven, welke oorspronkelijk verleden deel-
woorden zijn geweest, geven te kennen a. dat eene zelfstandigheid de
werking in overdrachtelijken zin heeft ondergaan: gezocht in „eene gezochte
aardigheid", uitgezocht, uilgelezen, afgemeten, afgezaagd, opgeruimd;
b.
dat eene zelfstandigheid de werking verricht-heeft of dikwijls
verricht: een bediende, een belezen man-, een bevaren matroos, de bereden
politie, bescheiden,
eig. „steeds wel onderscheiden hebbende", vandaar
vroeger „verstandig" en thans „zich niet op den voorgrond stellende", een
gestudeerd man, een oudgediende; dronken,
het oudere verl. deelwoord
van drinken.
Bij de adjectieven der laatste soort sluiten zich aan verleden deelwoorden
van werkwoorden, die voorheen wederkeerend waren of dit nog zijn. Zij
beteekenen eene hoedanigheid of toestand, die \'t gevolg is van \'t verrichten
der werking: (on)beraden, (on)bezonneu, bedacht, beducht, gebelgd, ge-
troost
, verblijd, versaagd, vervaard, verwaand, eigenl. „zich beraden,
bezonnen, enz. hebbende".
§ 221. Die vorm der werkwoorden, welke de werking voorstelt als
eene zelfstandigheid, draagt den naam van den infinitief. Hij
wordt ook wel, schoon ten onrechte, onbepaalde wijs geheeten.
Immers hij geeft geenerlei betrekking te kennen, waarin eene uitgedrukte
gedachte staat tot de werkelijkheid: Werken is een zegen. Dat noem ik
eerst zingen. Ik hoop te komen.
§ 222. Ofschoon de infinitief, volgens het bovenstaande, zich in ka-
rakter zeer nauwkeurig aansluit bij het zelfstandig naamwoord, blijft hij
toch in zijne betrekking tot andere woorden steeds den aard des werk-
woords behouden. Vandaar dat hij vergezeld kan gaan van voorwerpen
ofbijwoordelijke bepalingen: Vader te verliezen was harder slag,
(P.) Al te hard loopen is niet goed. Wij hoorden hem meermalen dit
fraaie lied zingen.
Wordt daarentegen de infinitief tot een werkelijk substantief, dan kunnen er
geene bepalingen bijkomen, dan die ook zelfstandige naamwoorden verge-
zellen: Vaders sterven. Dat snelle loopen. Het zingen dier fraaie liederen.
De infinitief van o vergankelijke werkwoorden kan zoowel in lijden-
den, als in bedrijvenden zin worden opgevat. Zoo beteekent: Ik laat
hem roepen
nu eens: Ik laat hem roepende zijn en dan weder: Ik laat
hem geroepen worden.
Zoo wordt dooden als lijdend opgevat in: Wij
zagen hem dooden
en als bedrijvend in: Wij zagen hem onzen ergslen
vijand dooden.
§ 223. De onderscheiding der personen en getallen vervalt natuurlijk
bij den infinitief, daar zij alleen te pas kan komen, wanneer de werking
wordt voorgesteld in hare betrekking tot het onderwerp. Wel spreekt men
-ocr page 108-
94
bij den infinitief van tijden; zij dragen den naam van onvoltooid
tegenwoordigen, voltooid tegenwoordigen, onvoltooid toe-
komenden en voltooid toekomenden tijd: Wandelen, gewandeld
hebben, (Ie) zullen wandelen, (Ie) zullen gewandeld hebhen: Iels Ie
ontvangen is aangenamer, dan iets ontvangen te hebben en dikwijls ook
beter, dan iels te zullen ontvangen. Flij belooft, het werk vóór Zaterdag
te zullen afgemaakt hebben.
§ 224. Zeer dikwijls wordt in de tegenwoordige taal de infinitief voor-
afgegaan door het voorzetsel te, bijv.: Ik zit te werken. (Verg. § 155)
Dit voorzetsel kan bovendien nog door eenige andere voorzetsels worden
voorafgegaan, namelijk door: om, door, zonder, alvorens, na, in plaats
van, met: Wij eten om te leven, doch leven niet om te eten. Door zoo
te handelen hebt gij mijn vertrouwen verbeurd. Hij deed wel, zonder om
te zien. Hij handelt gewoonlijk, alvorens rijpelijk te hebben nagedacht.
Na dit te hebben gezegd, stond hij op. In plaats van tnij te helpen, heeft
hij mij tegengewerkt. Hij was begonnen, met haar in de rede te vallen.
Men merke wel op, dat in deze gevallen de infinitief met te te zamen
als een eenvoudige infinitief moet beschouwd worden. Het voorzetsel te
wordt door ons taaleigen gevorderd, doch doet geenerlei dienst.
§ 225. Wanneer een infinitief door een ander voorzetsel dan een der boven-
genoemde zou moeten worden voorafgaan, gebruikt men in plaats daarvan
te, gewoonlijk door om versterkt: Het verlangen, om (naar) door haar
spel te schitteren.
(P.) Help mij om (in) mijne zuster naar hare kamer
te brengen.
(P.) In Frankrijk geweest te zijn, was eene reden om (tol)
met kennelijke onderscheiding te worden behandeld.
(B.) De meermin
streeft te vergeefs, om (naar) den leelijken staart te verbergen.
(L.)
Er is waarlijk geene mogelijkheid, om (tol) een afzonderlijk gesprek te
voeren.
(G.) f e hebt weinig kans, om (op) hel Schotsche roovcrsnesl
terug te zien.
(Sch.)
§ 226. Zooals uit bovenstaande voorbeelden blijkt, bezigt men meer-
malen de voorzetsels om te, waar te reeds voldoende zou wezen. Men ziet
dit zelfs daar, waar te eigenlijk reeds overtollig moest zijn, namelijk,
wanneer de infinitief voorkomt als onderwerp of lijdend voorwerp:
Ik geloof, dal het haar moeite genoeg kostte, om dat gedeelte van hare
rol naar eisch te vervullen.
(Sch.) Hierin is hel slechts weinig mannen
gegeven, om uit te munten.
(L.) Ik noem het onverantwoordelijk, om
zoo met het goed van anderen om te springen.
Daarentegen is het noodzakelijk, om te gebruiken:
a.  in beknopte doclaan wijzende bijzinnen: Ik heb dal gedaan, om
u genoegen Ie geven.
b.  in beknopte gevolgaanduidende zinnen, wanneer in den hoofdzin
het bijwoord van graad te of\'genoeg voorkomt: Hij is te traag, om eene hand
uil te steken. Hij had te weinig misdreven, om daarvoor zoo streng gestraft
ie worden. Gij hebt genoeg gewerkt
, om u thans eenige rust te gunnen.
c.    na adjectieven en substantieven, wier beteekenis mede-
-ocr page 109-
95
brengt, dat de volgende infinitief eene werking uitdrukt, waartoe iemand
of iets bestemd is, als: bestemd, geschikt,gereed\', voldoende, enz., doel,
plan, middel, toebercidsel,
enz., bijv.: bestemd, om de vroolijkheid
gaande te maken; gereed, om te vertrekken; voldoende, om iemand
eene week werk te geven; met het doel, om te behagen; hel plan, om
uil te gaan; een middel, om vlekken uit te wisschen; locbereidsclen,
om te vertrekken
, enz.
d.   na adjectieven, die eene gunstige of ongunstige eigenschap
beteekenen, wanneer de volgende infinitief eene werking uitdrukt, onder
welke zich die eigenschap openbaart, als: aangenaam en onaan-
genaam , prettig
en vervelend, lekker en walgelijk, goed en slecht,
enz., bijv.: aangenaam, om te hooren ; prettig, om te doen; lekker, om
te eten; goed, om te snijden,
enz.
e.   na substantieven, die het begrip „begeerte" inhouden, wanneer
de volgende infinitief de strekking dier begeerte te kennen geeft, als:
begeerte, lust, verlangen, wil, zucht, enz., bijv.: de begeerte, om te
helpen; hel verlangen, om heen te gaan; de wil, om vol te houden;
de zucht, om te behagen,
enz.
§ 227. Ken infinitief kan zonder het voorzetsel te worden gebruikt,
wanneer hij als onderwerp vóór \'t gezegde is geplaatst: Werken is geeue
straf. Leven schijnt reizen en conversatie reisgesprek.
(B.) Meermalen
vindt men echter ook in dit geval te gebruikt: Te vertrekken en hulp
te vragen was gewaagd en onzeker. Hen aan te tasten ware dwaasheid
geweest.
(V. L.) Als \'t onderwerp op \'t gezegde volgt, is te noodzakelijk:
Het is een groot genot voor kinderen in een schuitje te varen.
§ 228. Een infinitief wordt zonder \'t voorzetsel te gebruikt, wanneer hij
met een ander werkwoord is verbonden, indien het laatste werkwoord is:
a.     een der werkwoorden zullen, gaan, komen en blijven, die betrek-
kingen tusschen de werking en den tijd uitdrukken ;
b.     een der werkwoorden kunnen, mogen, moeten, zullen (= moe/en),
willen, durven, laten, die verschillende toestanden van het onderwerp
ten opzichte van de werking uitdrukken;
c.     een der werkwoorden doen, laten, leeren en helpen, die te kennen
geven, dat het onderwerp invloed uitoefent op het plaatshebben der werking;
d.     een der werkwoorden zieti, hooren, voelen en vinden , die aanduiden,
dat het onderwerp het plaatshebben der werking waarneemt.
Hierbij merke men het volgende op: a. Komen wordt zoowel door een
verleden deelwoord als door een\' infinitief gevolgd: Hij kwam aange-
sneld
= Hij kwam aansnellen. Daar kwam een boertje getogen van
JTcemstcc naar de Glip.
(B.) Het wordt gevolgd door te in: Hij kwam
te 7velcn. Tk kom zooeven te hooren. Loopen
in den zin van „gaan" heeft
steeds den infinitief zonder te na zich: Dat loop ik gauw aan vader ver-
tellen.
(V. L.) Per slot van rekening zijn zij allen loopen spelen. (V. L.)
Wezen of zijn, onmiddellijk door een\' infinitief gevolgd, beteekent „zich
bezighouden met": Zij is wandelen. Zij wantrouwde alle mannen van
-ocr page 110-
96
den pleit zak, haren notaris uitgezonderd\', wien zij raad was wezen
vragen.
(P.) Zijn te beteekent „verkeeren in eenen toestand": Wij zijn
vrienden te wachten.
b.    Hebben wordt onmiddellijk gevolgd door praten in de zegswijze:
Gij hebt mooi praten = Gij kunt mooi praten. Hebben Ie beteekent
moeten: Ik heb nog wat te doen.
c.    Laten heeft zoowel de beteekenis van „doen" als „toelaten" : Hij laat
een fraai huis zetten. Ik laat hem zijn gang gaan. Leercn
in den zin van
„onderwezen worden" heeft mede den infinitief zonder te.• Ik leer schaak-
spelen.
In: iemand iets heelen liegen geeft hcelen te kennen, dat het onder-
werp aan het voorwerp den naam geeft, van de werking te verrichten.
d.    De infinitief heeft na de werkwoorden zien, hooren, voelen en vinden
de beteekenis van een tegenwoordig deelwoord. Vandaar dat men zoowel
zegt: Ik vond hem schreiende, als: Ik vond hem op den grond liggen.
Ook hebben en weten worden met een\' infinitief verbonden, die de betee-
kenis heeft van een tegenwoordig deelwoord: Hij had eene veer op den
hoed zitten. Ik vond al gauw eene plaats om onder dak te komen bij
een\' ouden landsman, dien ik er wonen wist.
(V. L.)
§ 229. Wanneer een werkwoord, dat onmiddellijk door een\' infinitief
wordt gevolgd, in een\' der voltooide tijden staat, gebruikt men in plaats
van het verleden deelwoord van dit werkwoord den infinitief: Ik heb dit
niet kunnen doen. Wij waren gaan werken. Ik heb hem zien vertrekken.
Sommige werkwoorden, die meestal in beteekenis overeenkomen met
verschillende der in § 228 onder a—d genoemde, en in vroegeren tijd
door een\' infinitief zonder te, doch thans door een\' infinitief met te wor-
den gevolgd, worden èf altijd, èf soms op dezelfde wijs behandeld.
Zoo wordt steeds de infinitief in plaats van het verleden deelwoord
gebruikt bij de werkwoorden: vermogen, weten, behooren en gelieven, die
in beteekenis overeenkomen met: kunnen, moeten of willen alsmede bij
plegen „gewoonlijk doen": Ik heb hem niet vermogen, weten te overtui-
gen. Gij hadt uw\' plicht behooren te vervullen. Hij heeft ons niet te
gelieven te ontvangen. Ik heb daar dikwijls plegen te komen.
Zoo kan de infinitief in plaats van het verleden deelwoord worden gebruikt
bij de werkwoorden : trachten, pogen, zoeken, begeeren, verlangen, ver-
kiezen, vreezen, meenen
en denken, die in beteekenis overeenkomen met
tvillen of niet willen en bij beginnen, dat overeenkomt met gaan: Ik
heb hem trachten pogen, zoeken te overreden
= Ik heb getracht, ge-
poogd, gezocht hem te overreden. Hij heeft hem begeeren. verlangen te
spreken = Hij heeft begeerd, verlangd hem te spreken. Hij heeft dit
niet verkiezen te doen
= Hij heeft niet verkozen dit te doen. Ik heb
hem vreezen te beleedigen
= Ik heb gevreesd hem te beleedigen. Ik had
hem meenen, denken te helpen = Ik had gemeend, gedacht hem Ie
helpen. Hij is beginnen, begonnen te werken.
Nog hebben de werkwoorden: staan, zitten, liggen en loopen in de
onvoltooide tijden een\' infinitief met te, in de voltooide tijden een\'infinitief
-ocr page 111-
97
zonder te bij zich; vandaar dat in plaats van hun verleden deelwoord
mede de infinitief gebruikt wordt: Hij staat, zit, ligt, loopt te droomen.
Hij heeft slaan, zitten, liggen, loopen droomen.
X. . OVEREENSÏKMMING IN BUIÜINGSVORMEN.
§ 230. De betrekkingen, waarin de woorden in den volzin tot elkander
staan, veroorzaken zekere overeenstemming in de buigingsvormen. Die
betrekkingen zijn van drieerlei aard: a. die tusschen onderwerp en
gezegde; b. die tusschen een naamwoord en de bepalingen, welke
daarbij behooren; c. die tusschen de voornaamwoorden en de namen
der zelfstandigheden, welke zij aanduiden.
§ 231. Het onderwerp en het werkwoord, dat het gezegde of een
deel daarvan uitmaakt, stemmen met elkander overeen in persoon en ge-
tal: Wij loopen. De menschen loopen. Hel was hem bekend, dat er een
volk bestond, welks vlijt en ijver den wereldhandel hadden veroverd.
(P.)
Ten opzichte van den persoon heeft er geen e overeenstemming plaats:
a.    wanneer het antecedent van een betrekkelijk voornaamwoord een
persoonlijk voornaamwoord is van den eersten of tweeden persoon, of
wanneer het de naam is van den aangesproken persoon. In dit geval bestaat
de overeenstemming tusschen het antecedent en het gezegde: Zij zou zelfs
mij, die haar meen te kennen, op den dwaalweg hebben gevoerd.
(Sch.)
Dit alles is goed voor u, die een engel zijt en een heiige. (B. T.)
Gelukkige, die nooit de speelbal uwer phantasie zijt geweest. (P.)
b.    wanneer het onderwerp een zelfstandig naamwoord of een der voor-
naamwoorden het, dit, dat is, terwijl het naamwoordelijk deel van \'t ge-
zegde een voornaamwoord is van den eersten of tweeden persoon. In dit
geval stemt het werkwoord in persoon overeen met het naamwoordelijk
deel van \'t gezegde: Wie klopt daar? Ik ben het = Het is ik. Uw
beschermer dat ben ik. Al mijn egoïsme zijt gij.
(B. T.)
c.    wanneer het onderwerp VEd. of U is. Dan behoorde eigenlijk het
werkwoord in den derden persoon te staan. Men vindt echter zoowel den
tweeden als den derden gebruikt: Wat zal u gebruiken, een glas Madera-
wijn?
(P.) U hebt geene ki?ideren, meen ik. (B.) Ik had gehoopt, dat
UEd. wat later zou hebben gereciteerd.
(B.) Dewijl UEd. echter getuige
zijt geweest van de uitvoering van den mij gegeven last. (V. L.) Indien
UEd. echter onderricht begeert
, kan UEd. immers met den heer Baron
spreken.
(V. L.)
d.    wanneer de deelen van een veelvoudig onderwerp van verschillenden
persoon zijn, staat het werkwoord in den eersten persoon, zoo deze aan-
wezig is, of, bij gebreke daarvan, in den tweeden: Ik en mijn knecht
zij?i er geweest. Zijt gij en uwe vrienden reeds bij hen geweest?
Doch
wanneer de aandacht op ieder deel des onderwerps in \'t bijzonder wordt
gevestigd, heeft de overeenstemming plaats tusschen het werkwoord en het
laatstgenoemde deel. Het werkwoord blijft dan ook in \'t enkelvoud: Noch
T. terwey, Ned. Spraakk. 8e druk.                                                                   7
-ocr page 112-
98
ik, noch mijn vriend heeft dit ooit vermoed. Of ik, of gij zijl de
schuldige.
Ten opzichte van het getal heeft er geene overeenstemming plaats:
a.    wanneer het onderwerp een zelfstandig naamwoord of een der voor-
naamwoorden het, dit, dal is en \'t gezegde een koppelwerkwoord bevat.
Dan heeft de overeenstemming plaats tusschen \'t naamwoordelijk deel van
\'t gezegde en dit werkwoord: Dat zijn mijne ouders. Het schenen mijne
vrienden. Al het antwoord, dat zij kreeg, waren tranen van spijt.
(P.)
b.    wanneer het onderwerp een verzamelnaam is, gevolgd door eene
meervoudige bepaling. Dan staat het werkwoord in \'t enkel- of meervoud,
naargelang men op de verzameling als geheel de aandacht vestigt, of de
onderscheidene deeltn daarvan op den voorgrond stelt: Een vendel helle-
baardiers ging vooraan.
(Sch.) Verbeeld u, dat gij er op aankomt, waar
een getal personen zich vermaakt met springen.
(G.) Vlug en bevallig
gleden een aantal roeibooten in allerlei richting over het meer
(B.)
Bovendien was men niet zonder bondgenooten, daar een tweetal knechten
tot de broeders behoorden.
(Sch.)
c.    wanneer het onderwerp veelvoudig is, doch de deelen des onderwerps
als eene eenheid worden opgevat of uit zinverwante woorden bestaan; of
ook, wanneer op ieder deel de aandacht wordt gevestigd. In die ge-
vallen staat het werkwoord in \'t enkelvoud: Huis en hof was verlaten.
Bed en bulster moest verkocht worden. Er werd een strijd en gisting
geboren, die eene voorstelling geeft cener onbevredigde begeerte.
(G.) Aan
verdediging, dat begreep hij, viel niet te denken; slechts koelbloedigheid
en stoutheid kon hem redden.
(Sch.) Beter is \'t daarom: Kruit en lood
is er genoeg
dan: Kruit en lood zijn er genoeg. (Sch.)
In \'t vellen van zijn oordeel belemmerde hem noch aanzien des per-
soons, noch de keuze eener geschikte gelegenheid, noch inachtneming der
vormen van den beschaafden omgang.
(G.) Weigering noch uitvlucht
baatte.
(Sch.) Mijn broeder of ik zal komen. Zijn vader, zoowel als
zijne moeder, was er tegen.
Daarentegen vindt men ook: Zijne onmetelijke ijsvelden zijn hem dier-
baar geworden, omdat er dwang noch willekeur zetelen.
(P.) Noch de
pendule, noch de gucridon, noch de inktkoker, noch het mansportret
konden den heer Mr. Hendrik Johannes Bruis de deur openen.
(B.)
Zoomin de bruinoogige maagd als de vroolijke mcduwe schenen hem
belang in te boezemen.
(P.) Zoowel zij (zijne moeder) als Anna baden
hem op de aandoenlijkste wijze zijn gemoed tot bedaren te brengen.
(P.)
§ 232. Het onderwerp en \'t naamwoordelijk deel van \'t ge-
zegde stemmen alleen dan in geslacht en getal overeen, wanneer de
aard van \'t zelfstandig naamwoord, dat een deel van \'t gezegde uitmaakt,
dit toelaat: Hij was mijn vriend. Zij was mijne vriendin. Die menschen
zijn mijne vrienden niet. De ondervinding is de beste leermeesteres.
Daarentegen: Wie is dat? Het is de Heer N. Dit is zijn vader, zijne
moeder. Dat zijn zijne ouders. Luiheid is des duivels oorkussen. De
-ocr page 113-
99
deugd behoort de grondslag te zijn van V geluk. Al het antwoord, dal
zij kreeg
, waren tranen van spijt. (P.)
Dat zoowel \'t naamwoordelijk deel van \'t gezegde als het onderwerp
in den eersten naamval staat, hebben wij reeds gezien. Hier behoort de
opmerking, dat het eerste ook in den vierden naamval kan staan: Als ik u
was, deed ik het niet. „ Wees u zelf\', zei ik tot iemand.
(De G.) Was
zij daarbij geheel zich zelve?
(Sch.) Zij zijn mij en ik ben hen. (Sch.)
§ 233. De bijvoeglijke bepalingen stemmen met het substantief,
waarbij zij behooren, overeen in geslacht, getal en naamval, wan-
neer deze bepalingen bestaan uit een bijvoeglijk naamwoord of een
bijvoeglijk voornaamwoord of telwoord. Denzelfden regel volgen
de lidwoorden.
Eene uitzondering maken de bijvoeglijke naamwoorden, welke achter het
zelfstandig naamwoord worden geplaatst; zij blijven onverbogen: God almach-
tig. Vaderlief. Staten-Generaal. Maerlants Spiegel Historiael.
Wordt
daarentegen een bijvoeglijk naamwoord, van een lidwoord voorafgegaan, als
bijnaam achter het zelfstandig naamwoord geplaatst, dan volgt men den regel:
De tochten van Karel den Grooten; de roem van Willem den Goeden.
Wanneer de bijvoeglijke bepaling een bezittelijk voornaamwoord is, dat
bij een zelfstandig naamwoord behoort, hetwelk in den tweeden naamval
\'t bepaalde deel voorafgaat, dan wordt het onverbogen gelaten, zoo het
bepalende zelfstandig naamwoord vrouwelijk is: Ik bezit niets, dat ik mijn
eigen kan noemen, dan mijn moeders erfdeel.
(V. L.) Zij wachtte op
haar gebiedsters woorden.
(B.) Een kleed van dat gevlamd satijn kon
wel uw dochters bruidstooi zijn.
(T.) Zoo schrijft ook Staring : Dat
woti zijn brave bruidjes hart.
Daarentegen: Ik moet uws vaders oor.
deel hierover eens weten.
(V. L.) Doch ook: Amelie zuchtte over haar
broeders ongevoelig hart.
(B.)
§ 234. Is de bijvoeglijke bepaling eene bijstelling of eene bepa-
ling van gesteldheid, dan stemt zij met het naamwoord overeen
in naamval, doch niet noodwendig in geslacht en getal: Ifaar
eenig kind, haar grootste schat, werd haar van hel hart gescheurd.
De rivier de Rijn was met ijs bedekt. De gebroeders Bicker. De heer en
Zonheuvel. De provincie Gelderland. Dat meisje heeft als de eenigc
dochter van rijke ouders een onbezorgd leven. De paus wordt door de
Katholieken als het hoofd der Christenheid beschouwd.
(Verg. verder
Boek III, Hoofdstuk III).
Wanneer de bijstelling bij een\' soortnaam een onmiddellijk zich daar-
bij aansluitende eigennaam is en deze laatste in den tweeden naamval voor
een ander substantief staat, blijft de soortnaam onverbogen: Koning Wil-
lems verjaardag. Gravin Margarela\'s oorlogen. Professor A\'s lessen.
Eene uitzondering maakt het woord heer: De uitbreiding van des heer en
Van Hoels vertnogen.
(B.) Staat daarentegen de tweede naamval achter
een substantief, dan verbuigt men den soortnaam en niet den eigennaam:
De vruchtbaarheid der provincie Friesland.
7*
-ocr page 114-
100
§ 235. De voornaamwoorden stemmen in geslacht en getal
overeen met de namen der zelfstandigheden, die zij aanduiden.
Indien er echter verschil is tusschen het natuurlijk geslacht en het woord-
geslacht , stemmen de persoonlijke, bezittelijke en aanwijzende
voornaamwoorden overeen met het eerste, het betrekkelijk voor-
naamwoord daarentegen met het laatste: Jonge meisjes zien wij er
niet; de gewoonte van den tijd hield haar verborgen in de kloosters
, waar
zij hare opvoeding kregen tot aan haar huwelijk.
(B. T.) Ik beleef heel
wal pleizier aan dal meisje. Ze is altijd met een of ander boek in de
weer; ik verzeker u, dat zij haar Fratisch noch beter verstaat dan ik.
(B.) Wat zegt het schepseltje? — Zij zegt iels, dal haar zeker hoog op
\'t hart ligt.
(B.) Daar heb je dat lieve jongetje, dal driemaal in de
week den bink steekt.
(B.) Het was een klein meisje van vijf jaar, dat
zich aan mama\'s japon schreiende vastklemde.
(B.) Daarentegen: Wij
rijden samen met mijn dochtertje, die ik medeneem naar Tiel, om geen\'
argzoaan te wekken.
(V. L.)
Wanneer een verkleinwoord, van een\' vrouwelijken eigennaam gevormd,
het antecedent is, stemt het betrekkelijk voornaamwoord met het natuurlijk
geslacht overeen: Weet je, wat primus is, Klaar? — Neen, tante, zei
Klaart je, die het zeer wel wist.
(B.) Om alles geregeld in zijn werk te
doen gaan, zat aan het eene eind van de tafel het lieve Saarlje, die
de Sinterklaasboeken uitdeelde.
(B.) Alleen wanneer men van kinderen
spreekt, bezigt men in dit geval \'t onzijdig geslacht: Het lieve Mietje,
dat zoo vlijtig zit te breien, is pas zes jaar.
Wanneer het voornaamwoord een\' mannelijken persoon aanduidt, die
door een vrouwelijk zelfstandig naamwoord genoemd is, richt het zich tegen-
woordig gewoonlijk naar \'t natuurlijk geslacht: Zijne Majesteit heeft zijn
vertrek nog eenige dagen uitgesteld.
Toch leest men ook: Uwe Majesteit
kan zich voor God verantwoord achten. Zij is bevrijd en ontheven van
alle breidels en vrij om te doen, wat in hare macht staat.
(Sch.) Mag
ik uzve Hoogwaardigheid vragen, hoe zij het kuddeken gevonden heeft
,
dat aan hare zorgen is toevertrouwd? (V. L.)
Wanneer het antecedent van een betrekkelijk voornaamwoord het per-
soonlijk voornaamwoord hel is en \'t gezegde bevat een zelfstandig naam-
woord , dan stemt het betrekkelijk voornaamwoord met dit zelfstandig
naamwoord in geslacht en getal overeen en niet met het antecedent: Het
waren deze lieve kinderen, die Amelia in staal stelden, al de liefde-
rijkheid van haar zacht gestemd gemoed te toonen.
(B.) Het zijn sterke
becnen, die de weelde kunnen dragen.
-ocr page 115-
VIERDE BOEK.
DE VERBUIGING DEK WOORDEN.
§ 230. Bij de verbuiging der woorden heeft men te letten op den stam
en den uitgang. Door den stam van een woord verstaat men \'tgeen er
overblijft, wanneer men \'t woord van zijne buigingsuitgangen heeft ontdaan.
I. HET ZELFSTANDIG NAAMWOORD.
Het enkelvoud.
§ 237. De zelfstandige naamwoorden hebben tweeërlei verbuiging: de
sterke en de zwakke. Het kenmerk van de sterke verbuiging is eene s
in den genitief enkelvoud of het ontbreken van een\' buigingsuitgang in
dezen naamval; dat van de zwakke eene n of en in denzelfden naamval.
Oorspronkelijk eindigde de stam der zwakke zelfstandige naamwoorden op
eene n en kwam deze dus in alle naamvallen voor; daarachter voegde
men dan de buigingsuitgangen. Al zeer vroeg begonnen echter de uitgan-
gen af te slijten en kwam de n aan \'t einde der woorden te staan. Doch
ook die n verdween in alle naamvallen des enkelvouds, behalve in den
tweeden.
De verbuiging tier zelfstandige naamwoorden is dus thans in \'t enkelvoud:
Sterke verbuiging.                     Zwakke verbuiging.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
i. zoon          dochter          kind             mensch             —             hart(e)
2.  zoons         dochter          kinds           menschen         —             harten
3.  zoon          dochter          kind             mensch             —             hart(e)
4.  zoon          dochter          kind             mensch             —             hart(e).
Van enkele vrouwelijke woorden komt een tweede naamval op s voor,
wanneer deze vóór een ander zelfstandig naamwoord staat: Moeders schoot,
mijn zusters vriendin, vriendschapsdienst, regeeringslnsluit. Deze vor-
men zijn intusschen eenvoudig door navolging van mannelijke en onzijdige
genitieven op s ontstaan.
-ocr page 116-
102
§ 238. Tot de zwakke verbuiging behooren thans nog slechts enkele
mannelijke en één onzijdig substantief. De mannelijke, die voorheen op
eene e eindigden en nog soms met eene e aan \'t slot worden aangetroffen,
zijn: mensch, heer, graaf, prins, profeet, hertog, vorst en soms knaap.
Ook paus wordt tegenwoordig zwak verbogen. De mannelijke persoonsna-
men op e, als: getuige, bode, bediende, dus ook de bijvoegelijke naam-
woorden, die als mannelijke persoonsnamen worden gebruikt, als: rijke,
arme,
enz. behooren mede tot deze verbuiging. — Het eenige zwakke
onzijdige substantief is harl(e).
Voorheen behoorden ook vele vrouwelijke substantieven tot de zwakke
verbuiging. Sporen daarvan vinden wij nog in: Si.- Geerten-minne, Gcer-
truidenberg, Onze-Lieve-Vroutvenkerk, Vrouwendag, goedertieren.
§ 239. De uitgang van den sterken tweeden naamval mannelijk en
onzijdig enkelvoud was vroeger es; vandaar de gerekte klinker in de
genitieven des daags (voor: dages), slaags (voor: slages) en zijns weegs (voor:
weges). Eindigde een mannelijk of onzijdig woord op een\' sisklank, dan
liet men \'t voorheen gewoonlijk in den genitief onverbogen. Aan: des
huizes, des kruiscs, des vlcesches
en des geestes werd later de uitgang
es gehecht. De overige substantieven, die op een\' sisklank eindigen, om-
schrijven den genitief: van den trans, van den pols. Zoo ook: van het
gebergte, van het gebladerte.
§ 240. De sterke mannelijke en onzijdige datief enkelvoud gingen voor-
heen uit op e. Vandaar nog: Gode welgevallig, onder ecde, bij monde
van, diensten, den lande bewezen, vandaag
(voor: dage), ingemoede, te
velde, ten getale, ten behoeve, van goeden huize, van vorstelijkcn bloede,
scheep gaan
(voor: te schepe gaan), enz.
De zwakke vrouwelijke datief eindigde op n; vandaar nog tevreden,
eig. le-vrede-n, daar vrede dikwijls als een zwak V. substantief werd ge-
bruikt, ofschoon het oorspronkelijk sterk M. was.
§ 241. De genitief der eigennamen van personen wordt gevormd door
s, \'s of \'. Bij voornamen of zeer bekende geslachtsnamen bezigt men s:
Willcms boek, De Ruiters heldendaden; bij namen, die op een\' klinker
eindigen of familienamen \'s: Maria\'s broeder, Mulder\'s dochter. Eindigt
het zelfstandig naamwoord op een\' sisklank, dan bezigt men \': Apelles\'1
schilderstukken.
Aardrijkskundige namen krijgen s, daar zij als bekende
mogen aangemerkt worden, tenzij ze op een\' klinker eindigen: Neerlands
onafhankelijkheid, Java\'s wonderluin.
Eindigen ze op een\' sisklank, dan
wordt de genitief omschreven: hel concilie van Constanz.
Het meervoud.
§ 242. Men vormt het meervoud door aanhechting van eene n bij alle
zelfstandige naamwoorden, die op eene toonlooze e eindigen: bode, boden;
wijze, wijzen.
Doch vreemde namen krijgen ook s: tantes, modes; ook
het Nederlandsche lentes.
-ocr page 117-
103
§ 243. Men vormt het meervoud door aanhechting van s bij alle
substantieven, die eindigen op:
a.    cl, ciii. en, er, aar, ier, aard, erd, je, ke, ken, kyn,
lijn,
age: cirkels, bezems, wagens, lezers, dienaars, kruideniers,grijs-
aards , lomper ds, boek/es, boekskes, kin der ken s, gaardekijns, maagde-
lij ns, stellages.
b.    een\' volkomen klinker: raas, vlaas, eegaas, duenna\'s, canapé\'s,
kadi\'s, duo\'s, paraplu\'s.
Doch Nederlandsche of als zoodanig aangemerkte
woorden op ee hebben en: zeeën, theeën, reeen. De woorden op ie
krijgen s of n, wanneer de klemtoon niet op de ie valt: bezien, tralies
of traliën, provincies of provinciën; doch valt de klemtoon wel op de
ie, dan krijgen zij steeds en: genieën, reliquieen, melodieën.
Men lette op het verschil in meervoudsvorming tusschen de Neder-
landsche woorden raas, vlaas, eegaas en de vreemde: massa\'s,pacha\'s enz.
c.    or, ier en enr; bij de beide laatste alleen, als zij vreemde woorden
en wel persoonsnamen zijn; zijn ze zaaknamen, dan eindigen ze
op en; de wooorden op or hebben mede en, bijv.: professors en profes-
soren , curators
en curatoren, portiers en viziers (persoonsnamen), por-
tieren
en vizieren (zaaknamen), cssayeurs, verificateurs doch humeuren.
Toch vindt men ook de meervouden: officieren, directeuren, admini-
strateuren.
d.    Vreemde militaire titels hebben mede s: korporaals, sergeants,
adjudants;
doch ook: adjudanten.
e.     Nog hebben s sommige Nederlandsche woorden: maats (makkers),
koks, ooms, zoons, smids, bruigoms, gemaals, vaandrigs, bunzings.
Doch ook: zonen, smeden, gemalen.
§ 244. Vele woorden, die hun meervoud vormen door s, hebben daar-
naast een meervoud op en. In \'t algemeen is de uitgang en deftiger dan s.
Vandaar: Aanziet de leliën des velds. (Stb.) Zijne woorden waren als
gouden appelen in zilveren tralickorven. Het onschuldig slachtoffer van
huntien haat werd in ketenen geklonken. Het huis werd met bezemen
gekeerd.
(Stb.) Aanziet de vogelen des hemels. (Stb.) De dienaren der //.
Inquisitie. De leeraren der Kerk. De opzienercn der Gemeente. De
tcekenen der tijden.
Soms is er onderscheid in beteekenis tusschen dezelfde woorden, naar-
mate zij s of en krijgen:
broeders en zusters (kinderen van broederen en zusleren (leden van de-
dezelfde ouders)
                                zelfde gemeente)
hemels (van ledekanten) hemelen (uitspansel)
heidens (Zigeuners) heidenen (veelgodendienaars)
knechts (bedienden) knechten (bedienden, soldaten, slaven)
letters (klanken of teekens) letteren (brief, letterkunde)
mans (tegenover vrouwen) mannen (volwassen mannek personen)
middels (middellijven) middelen (\'tgcen dient om een doel
te_bereiken)
-ocr page 118-
104
redens (verhoudingen)                            redenen (oorzaken, gronden)
studies (schetsen van een\' schilder) studiën (oefeningen in de wetenschap-
pen)
tafels (huisraad, lijsten)
                        tafelen (waarop men wetten grift)
vaders (de echtgenooten der moeders) vaderen (voorvaderen)
wapens (blazoenen of weermiddelen) wapenen (weermiddelen)
waters (soorten van water: oogwaters, wateren (watermassa\'s: de Zeeuwsehe
reukwaters,
doch ook: vaarwaters) 7valeren doch ook: minerale water eii)
wortels
(van planten)
                             wortelen (penen of deelen van planten)
zoons en dochters (van dezelfde ou- zonen en dochteren (van hetzelfde
ders)
                                                         land).
Dekens en dekenen behooren hier niet, daar \'t eerste een Nederlandsch
woord, \'t laatste aan eene vreemde taal ontleend is.
§ 245. Voorheen vormden eenige onzijdige woorden hun meervoud door
er. Aan die woorden heeft men later nog den meervoudsuitgang h of en
gehecht; vamlaar thans meervouden op er.s en eren. Zij komen voor bij
de woorden: been, blad, ei, gemoed, gelid, goed, hoen, kalf, kind,
kleed, lam, lied, rad, rund, volk.
Daarvan hebben: been, blad, ei,
hoen, kalf, kind, lam, rund
zoowel ers als eren; kalf en volk zoowel
en als eren, zonder onderscheid van beteekenis. Doch men maakt verschil
tusschen: raden (wielen) en raderen (wielen of deelen van een werktuig),
beenen (onderste ledematen) en beenderen (deelen van \'t geraamte), klce-
deu
(vloerkleeden) en kleedereu (kleedingstukken), bladen (van boeken
of planten) en bladeren (van planten). Toch zegt men ook: De honden
kluiven de beenen. Ik heb liever
7 vleesch dan de beenen. Hoen en been
lasschen vóór den meervoudsuitgang eene il in. Zoover en spaander zijn
oude meervouden, die als enkelvouden worden gebruikt en waarnaast
weer: loovers en spaanders. Van loof is geen meervoud; van spaan komt
zoowel spanen (roeispanen) als spaanders: Waar gehakt wordt, vallen
spaanders.
De meervouden op er komen overigens nog alleen voor in
samenstellingen: bladerkroon, eiersaus, hoenderhok, enz.
§ 24(>. Wanneer van een zelfstandig naamwoord, dat in \'t meervoud
er krijgt, een verkleinwoord wordt gevormd en dit in \'t meervoud staat,
kan het achtervoegsel je, l/e of ken ook achter het oude meervoud op
er komen: bladertjes naast blaadjes, eiertjes naast eitjes, lammertjes
naast lammetjes, hoendertj\'es naast hoen Ij es, kinderkens naast kindekens,
radertjes
naast raadjes. Doch er is onderscheid tusschen kleedjes (dek-
kleedjes of japonnetjes) en klcertjes (kleedingstukken).
§ 247. Alle zelfstandige naamwoorden, die niet boven behandeld zijn,
vormen hun meervoud door en. Lende en rede (redevoering) hebben
lendenen , (lijk-, \\eer-)redeneti van een vroeger enkelvoud: lenden en reden.
Vlooien
en koeien lasschen eene i in. De meervoudsvormen kleinoodicn
en sieradien, naast de regelmatige meervouden kleinooden, sieraden, zijn
van anderen oorsprong. Het eerste is eigenlijk het meervoud van een
verlatijnschst elenodium, evenals gymnasien van gymnasium; het laatste
-ocr page 119-
105
vari een enkelvoud sierage, dat ook wel geschreven werd sieraadje ,sieradie,
§ 248. Samenstellingen met man, die een beroep beteekenen, hebben
in \'t meervoud lieden of lui: voerlieden, kooplieden, werklui. Staatslie-
den
is \'t meervoud van staatsman. Ora?ijeman, Noorman, blindeman en
leenman hebben natuurlijk Noormannen, enz. Muzelman is geene samen-
stelling met man; meervoud: Muzelmannen.
§ 249. Vreemde woorden op ns en urn krijgen in plaats van dezen
uitgang in \'t meervoud en: gymnasic\'n, geniën, meervoud van: gymna-
sium , genius.
Soms ziet men ze op Latijnsche wijze met i en a: critici,
gymnasia, musea.
§ 250. De meeste sterke substantieven kregen voorheen in het meervoud
eene e; enkele onzijdige waren in \'t meervoud aan \'t enkelvoud gelijk.
Zoo was \'t meerv. van voet: voet e, van slag: slage, van beeti: been, van
jaar: jaar. Ook ma?i luidde in \'t meerv. man. Vandaar dat nog tegewoordig
de meerv. voet en slaag, — waarvan dus ook nog de e is afgesleten —
voorkomen in de uitdrukkingen: onder de voet raken, slaag krijgen;
vandaar ook de meerv. been in: op de been brengen, jaar in: acht,
twintig jaar, man
in: honderd man, alle man. Het meervoud van \'t
vrouwelijke ure, uur, dat oorspronkelijk uren luidde, wordt ook wel af-
gekort tot uur: zes uur naast zes uren. Men schrijve dus nooit te zes ure.
§ 251. Verzamelnamen, die eene bepaalde hoeveelheid aanduiden,
en namen van maten, gewichten en munten worden, in plaats van
in \'t meervoud, in \'t enkelvoud gebezigd, wanneer zij worden voorafgegaan
door bepaalde hoofd tel woorden en men de genoemde hoeveelheid
als één geheel beschouwt: twee paar men se hen, vier dozijn lepels, vijf
gros pennen ; achthonderd, zes duizend, millioen itiwoners ; vier riem , boek
,
vel papier; zeven pond\', ons, lood, vat, kan, last, mud, schepel, kop;
acht cl, palm, duim, streep; vijf gulden.
Doch steeds: wichtjes, maatjes,
rijksdaalders, stuivers, kwartjes
en cents. Let men op de afzonderlijke
deelen der hoeveelheid of worden bovengenoemde woorden van onbepaalde
telwoorden voorafgegaan, dan is \'t meervoud noodzakelijk. In dat geval is
\'t meervoud van cent: centen.
Men merke wel op, dat de hier behandelde woorden werkelijke enkel-
vouden zijn, terwijl die van de vorige paragraaf in \'t meervoud staan.
§ 252. Samenkoppelingen van woorden, als titels gebruikt, hechten
den meervoudsuitgang of aan \'t laatste deel, of aan \'t eerste, of aan beide
deelen : luitenant-generaals, sergeant-majoors, schout-bij-nachls of schoulen-
bij-nacht, gouverneurs-generaal, kapiteins-kwartiermeesters.
§ 253. De meervoudige zelfstandige naamwoorden vertoonen soms ook
veranderingen in of aan den stam. De a des stams verandert in c in: stad,
sleden
(eigenlijk het meervoud van slede, dat dezelfde beteekenis heeft als
stad); de i verandert in e bij: schip, smid, lid, gelid, ooglid, waarin
lid „deksel" beteekent, rif, spit (bijv. braadspil), split, -#/ƒ behoudt in
\'t meervoud de i in den zin van klip en geraamte, doch bekomt e in
dien van plooi in 7 zeil: reven. Het enkelvoud van dit laatste woord is
-ocr page 120-
106
ook wel reef. Lidmaat (van een kerkgenootschap) heeft gewoonlijk: lid-
maten; ledematen
geldt ook voor \'t meervoud van lid. Spit heeft ook
spitten: In drie spitten had hij een gat gemaakt.
De woorden op — heid hebben — heden, in plaats van — hccden.
§ 254. De onvolkomen klinker wordt soms volkomen: dag, dagen.
Blijft hij onvolkomen en wordt de slotmedeklinker onmiddellijk door een\'
onvolkomen klinker voorafgaan, dan wordt de medeklinker verdubbeld:
pul, putten. Soms komt hierbij onderscheid in beteekenis in \'t spel: trek,
meervoud trekken en treken (bij dichters in den zin van „valsche trek",
„list"), spel, meervoud spelen en spellen.
§ 255. De slotmedeklinker des stams kan mede verandering ondergaan.
Is hij namelijk eene f of s, die eene v of z vervangt (onechte f of «),
dan wordt hij in \'t meervoud weer v of z. Dit geschiedt:
a.     wanneer hij wordt voorafgegaan door een\'volkomen klinker, dooreen\'
tweeklank, of door een\' onvolkomen klinker, die in \'t meervoud volkomen
wordt: baas, bazen, huis, huizen, naaf, naven, duif, duiven, hof, hoven.
Uitgezonderd zijn de vreemde woorden: pausen, sausen, kousen, kruisen,
struisen, philosofen, telegrafen
en de Nederlandsche: spiesen en poesen.
Vleesch
heeft in \'t meervoud vleezen.
b.     wanneer hij wordt voorafgegaan door 1, in. n of r: golven, halzen;
korven, gorzen; ganzen, gemzen.
Daarentegen behouden de volgende meest
vreemde woorden f of s: triomfefi, nimfen, polsen, walsen; kaarsen,
kersen, persen; koersen, floersen, schorsen ; marsen, balansen, dansen,
glansen
, kansen, kransen, lansen, schansen, transen, prinsen, slonscn
en sponsen.
§ 256. Eigennamen vormen hun meervoud door \'s, s of en. Zij krij-
gen \'s, wanneer de eigennaam op een\' klinker eindigt: de Cicero\'s, Ollo\'s,
Thorbeckc\'s; s, onder dezelfde omstandigheden, waaronder soortnamen s
bekomen : de Vondels, De Ruylcrs, Van Rossems, Everlsens, Dekkers,
Molenaars,
enz. In alle andere gevallen krijgen ze en: de Trompen, De
Witten, Egmonden, enz.
II. HET BIJVOEGLIJK NAAMWOORD.
§ 257. De bijvoeglijke naamwoorden worden op tweeërlei wijze ver-
bogen, sterk of zwak, in diervoege dat hetzelfde adjectief beurtelings op
de eene of andere wijze kan worden verbogen. Hierin verschillen dus de
adjectieven van de substantieven, welke laatste of tot de eene óf tot de
andere verbuiging behooren.
Of een zelfstandig naamwoord tot de sterke of zwakke verbuiging be-
hoort , hangt af van den vroegeren toestand des woordstams. Of een zelfde
bijvoeglijk naamwoord sterk of zwak zal worden verbogen, hangt af van
de woorden, welke al of niet het adjectief voorafgaan.
De deelwoorden, als bijvoeglijke naamw. gebruikt, worden geheel als
de adjectieven verbogen.
§ 258. De sterke verbuiging der adjectieven was oorspronkelijk gelijk
-ocr page 121-
107
aan die der bijvoeglijke voornaamwoorden, doch wijkt er thans in een paar
vormen van af. Men vergelijke slechts de verbuiging van mijn, § 273.
Enkelvoud.
Mannelijk.           Vrouwelijk.           Onzijdig.          Meervoud.
1.    goed                  goede                    goed                      goede;
2.    goeds                goeder                  goeds                    goeder
3.    goeden              goeder                  goeden                  goeden
4.    goed                  goede                    goed                      goede
§ 259. De bijvoeglijke naamwoorden worden in \'t algemeen sterk
verbogen, wanneer zij door geen ander bepalend woord worden
voorafgegaan, of wanneer er een woord met eene onbepaalde beteekenis
voor staat, als: een, geen, eenig, menig, ieder, elk, zeker, welk,
zulk, alle, veel, weinig, genoeg.
Deze verbuiging komt tegenwoordig echter nog slechts in weinige ge-
vallen voor, namelijk:
De ie en 4" nv. mannelijk enkelvoud wordt gebruikt bij persoons-
namen, voorafgegaan door \'t lidwoord een of de woorden geen , eenig,
menig, ieder, elk, zeker, welk,
wanneer de hoedanigheid den persoon
kenmerkt in zijne waardigheid, zijn beroep of zijne betrekking.
Bezit de persoon de hoedanigheid als persoon, dan bedient men zich
van den zwakken vorm: Hij was een goed vorst. Ik heb een oud vriend.
Dit is een bekwaam timmerman, een vlug sehrijver.
Daarentegen: een
goede vorst, een groote man,
enz.
De 2e nv. mannelijk enkelvoud in de uitdrukkingen: bloctsvoets,
goedsmoeds, anderszins, geenszins, veelszins.
De 3e nv. mannelijk enkelvoud: in arren (toornigen) moede, met
voorbedachten rade.
De 2e nv. vrouwelijk enkelvoud: ouder gewoonte, gewapender-
hand, langzamerhand, onverrichter zake, goedertieren
(van goeden aard),
middelerwijl, ouderwetsch, nieuwerwetsch (wet = zede), zaliger ge-
dachtenis.
De 3e nv. vrouwelijk enkelvoud: te kwader ure, te goeder trouw,
van goeder hand, van ganscher harte, met luider stemme, op hceter
daad, te gezetter lijd, te bekwamer tijd.
De ie en 4e nv. onzijdig enkelvoud wordt nog steeds gebruikt,
wanneer \'t zelfstandig naamwoord geen ander bepalend woord voor zich
heeft, of wanneer er een woord met eene onbepaalde beteekenis vóór \'t
adjectief staat: oud hout, een lief kind, ieder nieuw huis, enz.
Soms bezigt men zelfs deze sterke vormen in plaats van de zwakke,
namelijk, wanneer het adjectief wordt voorafgegaan door het lidwoord
het of een b e z i 11 e 1 ij k of a a n w ij z e n d voornaamwoord en m e n d e
-ocr page 122-
108
hoedanigheid noemt om de hoedanigheid. Men gebruikt dan
de zwakke vormen, wanneer men de hoedanigheid noemt als
een middel tot onderscheiding eener zelfstandigheid van
andere, welke die hoedanigheid niet bezitten. Zoo zegt men: mijn
oud huis
van een huis, dat werkelijk oud is, mijn oude huis van \'thuis,
dat men vroeger bewoonde, dus ter onderscheiding van \'t tegenwoordige.
Zoo valt in den zin: Hebt gij uw ziek paard verkocht ? de nadruk op
ziek, terwijl in: Hebt gij uw zieke paard verkocht 1 de onderstelling
voor de hand ligt, dat de eigenaar ook gezonde paarden heeft. Zoo zal
men van Bilderdijk zeggen: Het is een genot, zijn sierlijk schrift te
lezen,
terwijl men aan iemand, die meer nichtjes heeft, zal vragen: Leeft
uw blinde nichtje nog?
Vergelijk nog: het, dit, dat voortreffelijk boek,
met: Aan dit lijvige bock heb ik tweemaal zooveel lijd besteed, als aan
de heide andere.
Men merke echter op, dat niet altijd, in het bovenbedoelde geval,
de sterke vormen in gebruik zijn. Een bezittelijk voornaamwoord laat het
gebruik der sterke vormen eerder toe, dan een aanwijzend voornaamwoord
of het lidwoord van bepaaldheid; een meerlettergrepig adjectief, waarvan
de laatste lettergreep niet den hoofdtoon heeft, eerder dan een eenletter-
grepig. Zoo zal men bijv. niet zeggen: dat fier paard\', dit rijk huisraad,
maar wel zijn rijk huisraad of dit prachtig huisraad, enz.
De 2° nv. onzijdig enkelvoud komt voor in: blootshoofds.
De 3° nv. onzijdig enkelvoud komt voor in: van koninklijken
bloede, in koelen bloede, van voornamen huize, in goeden doen.
Van \'t meervoud komt alleen de tweede naamval voor in: aller-
wegen. Halverwegen
is misschien de 2e nv. enkelv. van een vroeger
halve wege, V.
§ 260. De bijvoeglijke naamwoorden worden in \'t algemeen zwak
verbogen, wanneer zij worden voorafgegaan door een bezittelijk of
aanwijzend voornaamwoord (1 i tl woord van bepaaldheid),
behoudens de uitzonderingen, in de vorige paragraaf vermeld.
De zwakke verbuiging luidt als volgt:
E n k e 1 v o u d.
Mannelijk.
            Vrouwelijk.           Onzijdig.           Meervoud.
i.       goede                    goede                  goede                   goede
2.        goeden                  goede                  goeden                 goede
3.        goeden                  goede                  goedc(n)               goeden
4.        goeden                  goede                  goede                   goede
De 30 nv. onzijdig enkelvoud is in de tegenwoordige taal goede:
Hebt gij hel goede dier haver gegeven?
Vroeger was hij goeden; van-
daar : ten vorigen jare, ten tweeden male.
Uit hetgeen hier gezegd is aangaande de zwakke verbuiging der adjectieven
-ocr page 123-
109
volgt, dat de sterke verbuiging eigenlijk ongeoorloofd is na ter (= te der)
als in: ter goeder trouw, ter kwader ure, ter bekwamer tijd, ter linker
zijde,
enz. Het bezigen van de sterke vormen in deze gevallen is in-
tusschen een gevolg van eene overoude verwarring in de verbuiging der
adjectieven en dient dus als door het gebruik gewettigd te worden beschouwd.
§ 261. Onverbogen blijven de bijvoeglijke naamwoorden:
a.    wanneer zij een deel van \'t gezegde uitmaken of achter \'t zelfstandig
naamwoord staan: Het gras is groen. Vaderlief, God Almachtig, de
Stalen-Generaal.
Zoo ook, wanneer zij door \'t lidwoord van \'t zelfstandig
naamwoord zijn gescheiden: Zoo groot eene opoffering.
b.    de van plaatsnamen afgeleide op er: de Harlinger beurt man,
Haarlemmer halletjes.
Dit waren oorspronkelijk zelfstandige naamwoorden.
c.    de stoffelijke adjectieven, wanneer zij op en eindigen: de gouden
bril.
Dit geschiedt welluidendheidshalve.
d.    rechter en linker, die oorsponkelijk 3° nv. vr. enkelv. waren, af-
hangende van te in ter rechter, linker hand, zijde.
§ 262. Gewoonlijk laat men onverbogen :
a.    de bijvoeglijke naamwoorden, die op en eindigen, vooral sterke
verleden deelwoorden: zijne eigen woorden, gebroken armen en beenen.
b.    de vergrootende trappen, vooral die van twee- en meerlettergrepige
adjectieven: dapperder mannen, uitvoeriger berichten, grooter tuinen.
§ 263. De bijvoeglijke naamwoorden, die als zelfstandige naamwoorden
worden gebruikt en mannelijke of vrouwelijke personen beteekenen, worden
als zwakke substantieven verbogen: de wijze, de schoone. Zijn zij
onzijdige begripsnamen, dan wordt de tweede naamval omschreven en
ondergaat het woord geene verandering: het goede, van het goede.
Intusschen merke men op, dat sommige bijvoeglijke naamwoorden, die
zonder e als substantieven voorkomen, de verbuiging des sterken sub-
stantiefs hebben. Zoo de mannelijke: zot, dwaas, gek, vrek en de
onzijdige: het ruim, diep, droog, nat, vocht, zout, zuur, bruin, zwart,goed,
kwaad,
enz. De mannelijke vormen hun meervoud door en; de onzijdige
mede, zoo zij in \'t meervoud voorkomen, wat met de meeste niet het geval is.
Ook de bijvoeglijke naamwoorden, die na onbepaalde voornaamwoorden
en telwoorden als zelfstandige naamwoorden voorkomen, krijgen s: iels,
wat goeds, fraais, iemand vreemds, anders, veel moois, eenig kwaads,
weinig bijzonders.
Een paar dezer genitieven worden zelfs weder als
nominatieven gebruikt, namelijk lekkers en nieuws: Het lekkers is op.
Wat voor nieuws is eri
Nog zorge men, de als substantieven gebruikte adjectieven niet te ver-
warren met werkelijke adjectieven, waarachter \'t zelfstandig naamwoord is
weggelaten; deze laatste worden natuurlijk geheel als bijvoeglijke naam-
woorden behandeld: Rijke lieden, zoowel als arme, moeten sterven. De
oude huizen zijn veel sterker dan de nieuwe. De mouwtjes van den
bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan die van zijn\' groe-
nen.
(B.)
-ocr page 124-
110
TRAPPEN VAN HOEDANIGHEID.
§ 264. De vergrootende trap wordt gevormd, door den uitgang er
achter den stellenden te plaatsen: grooter, kleiner. De bijvoeglijke
naamwoorden, die op r eindigen, lasschen eene d in: duurder, zwaarder.
De overtreffende trap wordt gevormd, door st achter den stellen-
den te plaatsen: grootst, kleinst. Gaat het adjectief op een\' sisklank uit,
dan laat men, ook in de verbogen vormen, de § weg: wijst, de wijste
koning, frischl, hel frischte gras.
Eindigt de stam vorm op e, dan ver-
dwijnt deze in den vergrootenden en overtreffenden trap: blijde, blij der,
blijdsl.
Doch van bloode, moede en spade maakt men geen\' vergroootenden
of overtreffenden trap. Mocht de overtreffende trap een\' wanklank ver-
oorzaken, dan omschrijft men dien: meest gerust, meest juist, meest
gepast
, enz.
§ 205. Soms worden de trappen van hoedanigheid van verschillende
stammen gemaakt:
goed, beter, best (eigenlijk betsl) van bat „goed", nog over in: bate
„voordeel, goed", baten „voordeelig, goed zijn." Bet in: betweter, betover-
grootvader
is een oude bijwoordelijke vergrootende trap, met de betee-
kenis van beter of meer.
Slecht of kwaad, erger, ergst van den stam erg of arg „slecht", nog
over in: ergdenkend, argwaan, argeloos, zich ergeren, iets zonder erg
„kwade bedoeling" doen: Hoe gaat het hemt Slecht, en ik vrees, dat
het nog erger zal worden. Men moet niet dadelijk het ergste vreezen.
Doch ook erg is de stellende trap van erger, ergst: V Is nu reeds vrij
erg, doch het ergste moet nog komen. Kwaad
is de stellende trap van
erger in: Van kwaad tol erger vervallen. Kwaad, kwader, kwaadst
beteekenen: toornig of ondeugend, slecht: Hoe meer men hem plaagde,
des te kwader werd hij. Kwader jongen heb ik van mijn leven niet gezien.
Schoon zij eigenlijk tot de tel- en bijwoorden behooren, noemen
wij hier ook :
veel, meer, meest, van een\' stam mee „groot, veel." Van meer maakt
men ook den vergrootenden trap meerder: Bij meerder zorg ware \'t
beter gegaan.
Weinig, minder, minst van den stam min „klein, weinig", nog over
in: evenmin. Dit is een min kereltje, en met de beteekenis van minder
in: min of meer, niettemin. Zes min drie is drie. Dat was min beleefd
dan oprecht.
Gaarne, liever, (hel) liefst van den stam lief.
Dikwijls, meermalen, (hel) meest of vaker en {hef) vaakst.
-ocr page 125-
111
III. HET VOORNAAMWOORD.
a. Het persoon/ijk voornaamwoord.
§ 266. De persoonlijke voornaamwoorden van tien i9ton en 2,,un per-
soon kennen geene geslachtsonderscheiding. Deze zou overbodig zijn, daar
zoowel de i° als de 2° persoon, de spreker en de aangesprokene, bij
het spreken tegenwoordig zijn. De derde persoon daarentegen wordt steeds
als afwezig aangemerkt; vandaar de onderscheiding van mannelijk,
v r o u w e 1 ij k en o n z ij d i g.
§ 267. Het voornaamwoord van den eersten persoon wordt ver-
bogen als volgt:
Enkelvoud.                                             Meervoud.
i.    ik                                                              wij (we)
2.    mijns, mijner                                           ons, onzer
3.    mij (me)                                                   ons
4.    mij (me)                                                   ons
§ 268. Het voornaamwoord van den tweeden persoon enkelvoud
is in onbruik geraakt en vervangen door \'t meervoud. De verbuiging
was en is:
Enkelvoud.                                             Meervoud.
1.    du                                                              gij
2.    dijns, dijner                                               uws, uwer
3.    dij (di)                                                       u
4.    dij (di)                                                       u
Het in de spreektaal gebruikelijke jij (je) is  in den 3en en 4en naam-
val: jou (je); \'t meervoud is in den ien, 3en en 4en naamval: jelui,
jullie; jelui
, jullie; jelui, jullie.
§ 269. Het voornaamwoord van den derden  persoon wordt verbogen:
Mannelijk.
Enkelvoud.                                         Meervoud.
1.    hij (i)                                                         zij (ze)
2.    zijns, zijner                                               huns, hunner
3.    hem (era)                                                   hun (ze)
4.    hem (em)                                                    hen (ze)
Vrouwelijk.
Enkelvoud.                                         Meervoud.
1.    zij (ze)                                                       zij (ze)
2.    haars, harer                                               haars, harer
3.    haar (er)                                                     haar (ze)
4.    haar (er)                                                     haar (ze)
-ocr page 126-
112
Onzijdig.
Enkelvoud.                                               Meervoud.
1.    het (\'t)                                                         zij (ze)
2.    zijns, zijner                                                 huns, hunner
3.    het (\'t)                                                         hun (ze)
4.    het (\'t)                                                         hen (ze).
De vormen *\', ent, er, \'t, die geene h vertoonen, worden alleen in de
spreektaal en de gemeenzame schrijftaal gebruikt. De onderscheiding van
hun en hen in den 3™ en 4en naamval mannelijk en onzijdig meervoud
is willekeurig: hun en hen zijn oorspronkelijk beide een 40 naamval mannelijk
enkelvoud. De 3° naamval mannelijk enkelvoud heeft den 4en naamval ver-
drongen. Oorspronkelijk was \'t meervoud voor alle geslachten gelijk; dit
is nog zoo in de spreektaal, waar men in den 3011 en 40n naamval de
tusschen haakjes geplaatste vormen gebruikt en de 2e naamval niet voor-
komt. Die 2e naamval luidde vroeger haars, har er; de vormen huns en
hunner zijn aan den 3en naamvai hun ontleend.
Nog verdient opmerking het voornaamwoord er, eigenlijk een tweede
naamval meervoud van denzelfden stam als ent. Het moet wel worden
onderscheiden van \'t gelijkluidend bijwoord er (daar): Hoeveel appelen
hebt gij? Ik heb er
(voornaamwoord) twee. Er (daar) zijn er (voornaam-
woord) niet velen, die hem dat zullen nadoen. Soms is het woord, waar-
van er afhangt, weggelaten: Daar zijn er, die beweren, enz.
Vóór de woorden aller en beider gebruikt men tegenwoordig de vor-
men ons, uw, hun, haar, die eigenlijk de afkorting zijn der tweede
maamvallen onzer, uwer, hunner, harer: ons aller wensch, uw aller
hoop, hun beider bestemming.
De tweede naamval op s wordt gebezigd in de uitdrukkingen: om mijns
zelfs wil, mijnsgelijke,
enz. Dit is zijns onwaardig. Soms vindt men
dien ook bij werkw. of bijv. naamw., die een\' tweeden naamval regeeren,
doch meestal wordt in dat geval de vorm op er gebruikt. (Verg. § 179).
§ 270. Het wederkeerend voornaamwoord zich, dat de geslachts-
onderscheiding mist, komt alleen in den 3den en 4den naamval voor.
De wederkeerige voornaamwoorden elkander, malkander hebben in
den 2den naamval: elkanders, malkanders en blijven in den 3don en 4den
naamval onverbogen.
§ 271. Opmerking verdienen de woorden zelf en alleen, wanneer zij
achter een substantief of voornaamwoord staan. Ofschoon eigenlijk bijvoeg-
lijke voornaamwoorden (Verg. §113), noemen\'wij ze hier, daar zij tot geene
der opgegeven soorten van voornaamw. behooren. Alleen blijft steeds
onverbogen. Zelf wordt verbogen als een zwak bij vo eg 1 ij k naam-
woord of het blijft onverbogen. \'t Heeft echter ook een\' sterken tweeden
naamval zelfs in de uitdrukkingen: om mijns zelfs wil, om uws zelfs
wil,
enz. De zwakke tweede naamval mann. en onz. enk. wordt niet gebruikt.
De verbuiging is dus:
-ocr page 127-
113
Enkelvoud.
Mannelijk.             Vrouwelijk.            Onzijdig.
i. zelve                       zelve                     zelve
2. --------                     zelve                     --------
3.        zelven                     zelve                     zelve
4.        zelven                     zelve                     zelve
Meervoud,
zelve
zelve
zelven
zelve.
b. Het bezittelijk voornaamwoord.
§ 272. De bezittelijke voornaamwoorden zijn van denzelfden stam als
de 2° naamval der persoonlijke. Zij hebben tweeerlei geslacht en getal,
een subjectief en objectief geslacht en getal. Het eerste is dat van
den bezitter en bepaalt den stam, dien men moet gebruiken; het laatste
is dat van de bezitting en bepaalt den buigingsuitgang. Zegt men: Die
vader heeft zijne kinderen lief,
dan is \'t subjectief geslacht en getal
mannelijk enkelvoud: vandaar zijn; \'t objectief geslacht en getal
daarentegen is onzijdig meervoud; vandaar in verband met den
naamval: zijne.
§ 273. De bezittelijke voornaamwoorden worden verschillend verbogen,
naarmate zij bijvoeglijk of zelfstandig worden gebezigd. De bijvoeglijke:
mijn, onze, uw, zijn, haar, hun worden verbogen:
Enkelvoud.
Mannelijk.             Vrouwelijk.            Onzijdig.            Meervoud.
1.    mijn                        mijne                     mijn                      mijne
2.    mijns                       mijner                   mijns                     mijner
3.    mijnen                     mijne(r)                 mijn(en)                mijnen
4.    mijne»                     mijne                     mijn                      mijne
Voor \'t subjectief mannelijk en onzijdig enkelvoud bezigt men zijn,
voor \'t meervoud kun; voor \'t subjectief vrouwelijk enkel- en meervoud
haar. Haar (\'er) gold voorheen ook en geldt in de spreektaal nog voor
\'t meervoud van alle geslachten: het was toch evenals de overige bezit-
telijke voornaamwoorden van denzelfden stam als de 2e naamval van \'t
persoonlijk voornaamw.: Trouw nooit, kind, want de mannen laten er
haar vrouwen altijd inloopen.
(B.) Hebben die kinderen \'er werk alaf,
Later is hun in gebruik gekomen in overeenstemming met den nieuwen
20n naamval mannel. en onz. meerv. van het pers. vnw. (Vgl. § 269)
In den deftigen stijl gebruikt men naast haar ook keur.
De buigingsuitgangen e of en worden dikwijls weggelaten. Het eenige
bezittelijk voornaamwoord, dat in den ien naamval mannelijk enkelvoud
op eene e eindigt, is onze; dit komt, omdat het vroeger luidde onzer
(Vgl. Hd. unser). Uw heeft ook nog deze e afgeworpen; het verkeerde
oorspronkelijk in \'tzelfde geval als onze (Vgl. Hd. etter).
De oude 30 naamval vrouwelijk enkelvoud op er komt nog voor in:
ï. TERWEY, Ned. Spraakk. 8e druk.                                                                  8
-ocr page 128-
114
te uwer verjaring, te zijner verontschuldiging; de y naamval onzijdig
enkelvoud op en in: te mijnen, uwen behoeve en met eene achteraange-
hechte t in ie mijnen(t), te uwen{l), n.1. huize.
\'t Bezittelijk voornaamwoord van den tweeden persoon enkelvoud is in
onbruik geraakt; het luidde dijn en komt nog alleen voor in de uitdruk-
king: V mijn en dijn.
§ 274. De zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden worden steeds
van \'t lidwoord de voorafgegaan en verbogen als zwakke bijvoeg-
lijke naamwoorden. Derhalve:
Enkelvoud.
Vrouwelijk.
de mijne
der mijne
de(r) mijne
de mijne
Meervoud.
de mijne
der mijne
den mijnen
de mijne
Onzijdig.
\'t mijne
Mannelijk.
i.    de mijne
2.    des mijnen
3.    den mijnen
4.    den mijnen
\'t mijne
\'t mijne
Deze verbuiging geldt zoowel voor personen als voor zaken: Mijne
ouders en de zijne. Uwe boeken en de mijne.
Doch wanneer het zelfstandig bezittelijk voornaamwoord in het meer-
voud personen aanduidt, die niet vooraf zijn genoemd, zoodat men
de beteukenis van \'t voornaamwoord uit den zin moet opmaken, dan
geeft men aan alle naamvallen eene 11: De heer H. is met de zijnen op
reis gegaan. Napoleon en de zijnen leden eene geduchte nederlaag. God
verlaat de Zijnen niet.
c. Het aanwijzend voornaamwoord.
§ 275. De verbuiging der aanwijzende voornaamwoorden is als volgt:
Enkelvoud.
Mannelijk.
Vrouwelijk.
Onzijdig.
Meervoud.
1. deze
deze
dit
deze
2. dezes
dezer
dezes
dezer
3. dezen
dezc(r)
dezen (dit)
dezen
4. dezen
deze
dit
deze
1. die
die
dat
die
2. diens
dier
diens
dier
3. dien
die(r)
dien (dat)
dien
4. dien
1. gene
2----------
die
dat
die
gene
gene
3.     genen
4.     genen
gene
gene
M\'j ii^mi
gene
-ocr page 129-
115
Zelfstandig gebruikt en voor personen gebezigd, worden deze en gene
gewoonlijk in den ien en 4en naamval meerv. dezen, genen, doch nooit
dien. (Verg. § 284)
De 3e naamval vrouwelijk enkelvoud: dezer, dier wordt nog alleen in
deftigen stijl in enkele uitdrukkingen gebezigd, bijv.: ie dezer, dier
gelegenheid
\', te dezer, dier plaatse. De 3° naamval onz. enkelvoud: dezen,
dien
evenzoo, bijv.: nadezen, bij dezen, indien, bijaldien, met dien
verstande, uit dien hoofde.
Een oude 20 naamval mannelijk enkelvoud des komt voor in: des-
tijds
„in dien tijd" en deswege(n)s „om die reden."
Een oude 20 naamval vrouwelijk enkelvoud van die, n.1. der komt
nog voor in: derwijze, dermate en derhalve „om die reden."
Een oude 20 naamval o n z ij d i g enkelvoud van dat, n.1. dies, des
bleef bewaard in de bijwoorden dies, des „daarom": De Heer heeft
groote dingen aan ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
(Stb.) Ik predik
met gebogen knie; des hoort mij zonder spijt.
(St.) Verder in deskundige,
desbewust, desbevoegd, desgevraagd,
waarin de 2e naamval geregeerd
wordt door het bijvoeglijk naamwoord of deelwoord; desnoods, voor:
des nood (zijnde) „daarvan nood (zijnde)"; desgelijks voor desgelijkc,
eigenlijk „(op eene wijze, die de) gelijke (is) van dat"; desniettemin,
waarin des beteekent door dal.
Een\' 2en naamval meervoud vindt men in: dergelijke en der in: Daar
waren der velen,
enz.
Van denzelfden stam als het aanwijzende gene is gindsch gevormd,
dat zoowel bij mannelijke en vrouwelijke als onzijdige zelfstandige naam-
woorden voorkomt.
d. Het vragend voornaamwoord.
§ 276. De vragende voornaamwoorden wie en welke worden verbogen:
Enkelvoud.
Mannelijk.
Vrouwelijk.
Onzijdig.
Meervo
I.
wie
wie
wat
wie
2.
wiens
wier
—-
wier
3-
wien
wie
wat
wien
4-
wien
wie
wat
wie
1.
welk, welke
welke
welk
welk
welke
2.
3-
welken
welke
welken
4-
welken
welke
welk
welke
Een\' ouden tweeden naamval onz. enkelvoud wes vindt men in: weshalve.
De sterke eerste naamval mannelijk enkelv. welk wordt gebruikt,
wanneer men naar een\' persoon vraagt in zijne waardigheid of be-
8*
-ocr page 130-
iio
trekking, de zwakke welke, wanneer men naar den naam des
pcrsoons vraagt: Welk vorst heeft geslapen den nacht voor zijne kro-
ning?
(B. T.) Welke vorst heeft dat verbond met Frankrijk gesloten?
In welk een, wat een (uitroepend), wal voor een blijven welk en wat
onverbogen. In \'t laatste regeert \'t voorzetsel voor natuurlijk geen\' vier-
den naamval: Wat voor een man is dal ?
e. Hei bepalingaankondigend voornaamwoord.
§ 277. Het bepalingaankondigend voornaamwoord degene wordt,
wat het laatste deel betreft, verbogen als een zwak zelfstandig
naamwoord.
Enkelvoud.
Vrouwelijk.
degene (diegene)
dergene
degene
degene
Mannelijk.
i.    degene (diegene)
2.    desgenen
3.    dengene
4.    dengene
Onzijdig.
datgene (\'tgeen)
Meervoud.
degenen
dergenen
dengenen
degenen
datgene
datgene
§ 278. Het voornaamwoord dezelfde wordt, bijvoeglijk gebruikt,
wat het laatste deel aangaat, verbogen als een zwak bijvoeglijk
naamwoord; zelfstandig gebruikt, wordt het verbogen als een zwak
zelfstandig naamwoord. In \'t laatste geval duidt het in \'t meervoud
steeds personen aan.
B i j v o e g 1 ij k:
1.    dezelfde              dezelfde
2.    deszelfden           derzelfdc
3.    denzelfden          dezelfde
4.    denzelfden          dezelfde
\'tzelfde (hetzelfde)
deszelfden
\'tzelfde
\'tzelfde
dezelfde
derzelfde
denzelfden
dezelfde
Zelfstandig:
1.    dezelfde
2.    deszelfden
3.    denzelfde
4.    denzelfde
\'tzelfde (hetzelfde)
dezelfden
derzelfden
denzelfden
dezelfden
dezelfde
derzelfde
dezelfde
dezelfde
\'tzelfde
\'tzelfde
§ 279. Wanneer de voornaamwoorden zulk, zoodanig en dusdanig
gevolgd worden door een of een onzijdig zelfstandig naamwoord in \'t en-
kelvoud, blijven ze onverbogen: zulk een man, zulk eene vrouw, zulk
een kind, zulk bier, zulk volk, zulk werken.
Staan ze onmiddellijk voor
een mannelijk of vrouwelijk enkelv. substantief, dan zijn de vormen voor
\'t mannelijk: 1. zulke, 3. zulken, 4. zulken; voor \'t vrouwelijk: 1. zulke,
3. zulke, 4. zulke. Voor een meervoudig substantief worden ze verbogen:
1 zulke, 3. zulken, 4. zulke. Zoo verbuigt men ook dergelijke.
-ocr page 131-
117
Dezulke en de zoodanige worden alleen zelfstandig gebruikt en dan
verbogen als een zwak b ij v o e g 1 ij k naamwoord, wanneer zij z a-
ken, als een zwak zelfstandig naamwoord, wanneer zij personen
beteckenen: Een Oostinjevaarder op de kust is een belangrijk nieuws,
want aan honderd derzulke hang-l het lot van duizenden.
(P). Er zijn
mensehen, die iemand reeds bij eene eerste ontmoeting allerlei geheimen
mcdcdeelen; de zoodanigen zijn of onnoozel of niet te vertrouwen.
f. Het betrekke/ijk voornaamwoord.
§ 280. Als betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt men vormen van
die en wie, benevens ivclk. De verbuiging is als volgt:
Enkelvoud.
Mannelijk.
Vrouwelijk.
Onzijdig.
Meervou d.
i. die
die
dat
die
2. wiens
wier
—
wier
3. wien
wie
dat
wien
4. dien, wien
die, wie
dat
die, wie
Na voorzetsels bezigt men de 4" naamvallen wien, wie, wie; na
dalgene, dal en alles gebruikt men wal in plaats van dal. Als het voor-
naamwoord voor bepalingaankondigend en betrekkelijk beide geldt, zijn
de vormen M. E. 1. wie, 2. wiens, 3. wien, 4. wien, O. E. 1. wat,
4. wat, Meerv. i.wie ,2. wier ,2,-wien, 4. wie. De verbuiging van welke is:
I.
welke
welke
\'twelk (hetwelk)
welke
2.
welks
welker
welks
welker
3-
welken
welke
\'twelk
welken
4-
welken
welke
\'twelk
welke
g. Het onbepaalde voornaamwoord.
§ 281. Iemand en niemand worden in den 2en naamval iemands en
niemands. Men komt alleen in den ien naamval voor; iets, niets en alles
in den ien, 30" en 4en naamval. De overige als onbepaalde voornaam-
woorden gebruikte woorden volgen hunne gewone verbuiging.
IV. HET TELWOORD.
§ 282. Verbogen wordt van de bepaalde hoofd tel woorden: één, nl.
Enkelvoud.
Mannelijk.
                         Vrouwelijk.                        Onzijdig.
een
eens
een(en)
een
eene
eener
eene(r)
eene
1.    een
2.    eens
3.    eencn
eencn
4-
-ocr page 132-
118
De uitgangen c en en worden dikwijls weggelaten, \'t Woord geen, dat
nu eens als telwoord, dan weer als lidwoord voorkomt, wordt in \'t
enkelv. verbogen als één; in \'t nieerv.: geert e, — geenen, geenc. Een
oude sterke tweede naamval van twee, drie enz. komt voorin: tweeërlei,
dricCrhande, acht er lei,
enz.
§ 283. Alle bepaalde hoofd tel woord en kunnen, wanneer zij zelf-
standig worden gebruikt, in \'t meervoud voorkomen : drieën, achten, hon-
derden, duizenden.
Dit geschiedt in de uitdrukkingen: mei ons vieren,
na twaalven, iets in vieren, achten vouwen, snijden,
waarin zij alleen
naar den vorm meervouden zijn, of wanneer zij hoeveelheden beteekenen,
als een geheel beschouwd: drie tienen , verscheidene honderden, duizenden
menschen.
Beteekenen zij cijfers, dan zijn het werkelijke zelfstandige
naamwoorden : Schrijf drie zessen.
Bij de woorden honderd, duizend, millioen 7a) herinnerd, dat zij, van
bepaalde hoofdtelwoorden voorafgegaan, in \'t enkelvoud blijven, wanneer
men de hoeveelheid als ééne massa voorstelt.
§ 284. De onbepaalde hoofdtelwoorden: alle, e enig e, vele,
weinige, sommige, ettelijke,
alsmede beide en andere worden in \'t meer-
voud verbogen: alle, aller, allen, alle, dus als sterke adjectieven.
Alleen, wanneer zij zelfstandig voorkomen en op personen wijzen, geeft
men ze veelal ook in den i8tea en 4clen naamval eene n, dus: allen, al-
ler, allen, allen: Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. De menigte
stond dicht opeengepakt de komst des Konings af te wachten; op eens
hoorde meti allen juichen: Leve de Koning! Wie heeft het gedaan
, uw
broeder of nw neef? Geen van beiden, geloof ik.
Daarentegen: Alle
werklieden waren ontevreden; vele staakten het iverk; sommige hoorde
men oprocrige kreten aanheffen. Op den derden dag na de opening der
eentoonstelling ivarcn er reeds vele bloemen verwelkt; weinige zagen er
nog frisch uit; ettelijke hadden reeds hare bladeren verloren. Arbeiden
en rusten: beide geven op hunnen tijd genot.
Intusschen zij opgemerkt, dat er voor \'t bovenvermeld vrij algemeen
gebruik der n in \'t meervoud geen enkele redelijke grond te vinden is.
Men verbuigt dan toch den ien en 4e" naamval als een zwak substan-
tief en den 2en en 3en naamv. als een sterk adjectief. De 2e naamv.
is immers altijd aller, enz.: Aller oogen wachten op U, o Heer!
De telwoorden elk en ieder worden alleen in \'t enkelvoud gebezigd.
Zelfstandig gebruikt, hebben zij in den 2en naamval: ieders, elks;
bijvoeglijk gebruikt, worden zij verbogen als de bijvoeglijke bezittelijke
voornaamwoorden, doch de tweede naamval wordt omschreven: van eiken
man, elke vrouw, elk kind. Menig
wordt mede alleen in \'t enkelvoud
en bijvoeglijk gebruikt en volgt de verbuiging van ieder.
Veel, weinig, luttel en genoeg blijven onverbogen, wanneer zij in \'t
enkelvoud gevolgd of voorafgegaan worden door een\' 2en naamval: veel
moeds, weinig tij ds, ijver s genoeg.
Gewoonlijk laat men in de tegen-
woordige taal de s van den genitief weg, zoodat de telwoorden bijvoeglijk
-ocr page 133-
119
gebruikt schijnen. Genoeg blijft ook onverbogen, wanneer het voorafgegaan
wordt door een meervoudig substantief: vrienden genoeg; enkele malen
wordt het door een zelfst. naamw. gevolgd: genoeg menschen.
Alle kan ook bij een enkelvoudig zelfstandig naamwoord in den i»ten
naamval in den vorm alle voorkomen: Alle vleesch is als gras. Alle
berg en alle heuvel zal vernederd worden.
(Stb.) Zegt men daarentegen:
Spoedig met alle man aan de pompen! dan staat man eigenlijk in \'t
meervoud. Wanneer al gevolgd wordt door \'t lidwoord de of een dergelijk
woord, blijft het gewoonlijk onverbogen.
§ 285. De bepaalde en onbepaalde rangtelwoorden: eerste,
tweede, zooveelste, hoeveelste, laatste
benevens halve worden verbogen
als zwakke bijvoeglijke naamwoorden: De bladeren van eik en
beuk zijn gemakkelijk te onderscheiden: die van den eersten zijn geheel
anders gevormd, dan die van den laatsten.
Alleen wanneer zij zelfstandig
worden gebruikt en op personen wijzen, worden zij verbogen als zwakke
zelfstandige naamwoorden: Vondel is ontegenzeggelijk een veel
grooter dichter dan Cats en toch zijn de werketi des eersten veel minder
gelezen, dan die van den laatste. Vele eersten zullen de laatsten zijn.
Worden de rangtelwoorden als benamingen van deelen gebruikt, dan
krijgen zij in \'t meervoud eene n of zij blijven aan \'t enkelvoud gelijk,
naargelang men aan de afzonderlijke deelen of aan ééne massa denkt: Er
zijn nu twee derden dier hoeveelheid verdwenen en dus blij/t er nog
één over. Twee derde van twaalf is acht.
V. HET LIDWOORD.
§ 28(>. Uit \'t aanwijzend voornaamwoord die ontstond \'t lidwoord de,
uit dat \'t lidwoord \'t, dat ook wel, tengevolge van verwarring met het
persoonlijk voornaamwoord, geschreven wordt: hel. Dit lidwoord van
bepaaldheid wordt verbogen:
Enkelvoud.
Mannelijk.            Vrouwelijk.            Onzijdig.           Meervoud,
de                          de                  \'t (het)                       de
des                         der                 des                            der
den                        de(r)               den (\'t, het)              den
den                        de                   \'t (het)                       de
De 3° naamval vrouwelijk en onzijdig enkelvoud der, den wordt nog
alleen in deftigen stijl of in enkele uitdrukkingen aangetroffen: Hij bood
der jonkvrouw zijne bescherming aan. In den beginne, in den gebcdc,
enz. Dikwijls smelt het lidwoord met het voorzetsel te samen tot ten en
ter: ten dienste, ten verdcrve, ter oor e, ter aarde, enz. Hierbij merke
men op, dat ten en ter ongeoorloofd is vóór een bezittelijk of aanwijzend
voornaamwoord; dus niet: ten mijnen behoeve, ter dezer ure, maar: te
-ocr page 134-
120
mijnen, te dezer, enz., doch wel voor een bijvoeglijk naamwoord: ter
rechter tijd, ter goeder trouw.
(Verg. § 260)
§ 287. \'t Telwoord één, toonloos uitgesproken, werd het 1 i d w o o r d
van onbepaaldheid. Het wordt verbogen als dat telwoord. De uitgan-
gen e en «>ii worden ook hier dikwijls weggelaten. Over de verbuiging
van geen zie men § 282.
VI. HET WERKWOORD.
§ 288. De vervoeging der werkwoorden is tweeërlei: sterk en zwak.
Ken sterk werkwoord verandert in sommige vormen zijn\' stamklinker en
vormt \'t verleden deelwoord door aanhechting van den uitgang en aan
den stam. Een zwak werkwoord behoudt in alle vormen zijn\' stamklinker
en vormt zijn verleden deelwoord door aanhechting van d of taan den stam.
§ 289. Bij de vervoeging der werkwoorden lette men allereerst op den
stam. Deze wordt verkregen, door van den infinitief en weg te laten,
en bovendien eene v of z in f en s te veranderen, een\' slotmedeklinker
weg te laten, zoo deze verdubbeld was, of den klinker te verdubbelen:
\'eeren—leer, vreezen—vrees, kluiven—kluif, bidden—bid, halen—haal,
duren—duur, lezen
—lees, loven—loof.
Daar de sterke werkwoorden hun\' stamklinker veranderen, worden zij
wel eens meers tam mi ge werkwoorden geheeten. Noemt men de ver-
schillende vormen van den stam zelf stammen, dan heeft een sterk werk-
woord ten hoogste vier stammen. Zij zijn die van den onvoltooid
tegenwoordigen tijd: spreek, die van den onvoltooid verleden
tijd enkelvoud: sprak, die van den onvoltooid verleden tijd
meervoud: spraak, die van \'t verleden deelwoord: sprook.
§ 290. Naar de wijze, waarop de klinkerverandering der sterke werk-
woorden plaats heeft, worden zij in 11 klassen verdeeld. Een paar voor-
beelden van elke klasse worden hier genoemd met de verschillende stam-
men , die zij vroeger of tegenwoordig vertoonen:
In:
f i n i t i e f.
Onv. verl. t. enk. Onv. verl. t. m.
Verl. dcelw
1.
drink-en
dronk (voorheen drank)
dronk-cn
ge-drotik-cn
geld-en
gold (voorheen gald)
gold-en
ge-gold-en
II.
stel-en
stal
stal-en
ge-stol-en
slek-en
stak
slak-en
ge-stok-en
III.
lez-en
las
laz-en
ge-lez-en
gev-en
gaf
■ gav-cti
ge-gev-en
IV.
bijt-en
beet (voorheen bcit)
bet-en
ge-bet-en
lijd-en
leed (voorheen leid)
led-en
ge-led-en
V.
giet-en
goot (voorheen gout)
got-cn
ge-gol-en
buig-en
boog (voorheen bov.g)
bog-en
ge-bog-en
VI.
var-en
voer
voer-en
ge-var-cn
drag-en
droeg
droeg-en
ge-drag-en
-ocr page 135-
121
711. hang-en
hing
hing-en ge-hang-en
v all-en
viel
viel-en gc-vall-en
III. lat-en
liet
liet-en ge-lat-en
rad-en
ried
ried-en ge-rad-en
IX. loop-en
liep
liep-en ge-loop-en
(voorh. loupen)
(voorh. geloupen)
houw-en
hieuw
kieuw-en ge-houw-en
X. heel-en voorh
. hiel
voorheen
hiet-en ge-heel-en
(voorheen heiteri)
(voorheen geheilen)
scheid-en voorh. schied
voorheen
schied-en ge-scheid-ett
XI. roep-cn
riep
riep-en ge-roep-en
§ 291. Ten einde gemakkelijk een overzicht dezer klassen te verkrij-
gen , diene \'t volgende:
a.    De zes eerste klassen moeten onderscheiden worden van de
vijf laatste.
b.     De drie eerste klassen vertoonden oorspronkelijk alle in den
onvoltooid verleden tijd enkelvoud eene a, die bij de eerste in o is over-
gegaan en dus gelijk geworden aan den klinker des meervouds.
De twee eerste klassen hebben eene o in \'t verleden deelwoord, de
derde eene c. De klinker des infinitiefs is bij de eerste somtijds, bij
de tweede en derde steeds eene c.
c.    Een werkwoord der eerste klasse heeft steeds twee medeklinkers
achter den klinker, waarvan de eerste altijd 1, m, n, r is; de tweede kan
aan den eersten gelijk of daarvan verschillend zijn: binden, glimmen.
Een werkwoord der tweede klasse heeft één\' medeklinker na den
stamklinker en deze is: I, in. n, r of wel k.
Een werkwoord der derde klasse heeft één\' medeklinker na den stam-
klinker, doch steeds een\' anderen dan de bovengenoemde.
d.    Een werkwoord der vierde klasse heeft tot stamklinker ij (voorheen
ii), ee (voorheen ei), e (voorheen i), e (voorheen i). In al zijne stammen
kwam dus oorspronkelijk eene i voor.
Een werkwoord der vijfde klasse heeft tot stamklinkers: ie of ui (voor-
heen iu of u, spreek uit: ioe, oe) oo (voorheen on), o (voorheen u;
spreek uit: oe), o (voorheen u; spreek uit: oe). In al zijne stammen kwam
dus oorspronkelijk eene u voor.
e.    Een werkwoord der zesde klasse heeft in den infinitief en \'t ver-
leden deelwoord eene a, in den onvoltooid verleden tijd eene oe.
f.    De vijflaatste klassen komen in twee opzichten met elkander over-
een : zij hebben alle in den onvoltooid verleden tijd eene ie of i en in \'t ver-
leden deelwoord denzelfden klinker als de infinitief. Van deze klassen ver-
schillen de zevende en achtste alleen daarin, dat de eerste in den
infinitief eene onvolkomen a (vallen), de laatste in denzelfden vorm
eene volkomen a (raden) heeft. De negende klasse heeft eene on of
daaruit ontstane oo, de tiende eene ei of daaruit ontstane ee, de
elfde eene oe. De eenige werkwoorden der negende klasse zijn: loopen,
-ocr page 136-
122
stooten en houwen, der tiende: scheiden en heeten, die in den onvol-
tooid verleden tijd zwak zijn geworden; de elfde bestaat alleen uit het
werkwoord roepen.
§ 292. Ten opzichte van de werkwoorden der verschillende klassen
valt voorts nog op te merken:
I.
Als de eerste der beide slotmedeklinkers van den stam I of r is, is de
stamklinker e: bergen, delven, kerven, gelden. Zwemmen staat voor
zwimmen; vergelijk: glimmen, klimmen. De a of o van den onvoltooid
verleden tijd ging in ie over bij de werkwoorden: helpen, (be)derven,
sterven, werpen, werven, zwerven. Derven
was oorspronkelijk zwak; de
onvolt. verl. tijd is thans meestal dier/; het verleden deelwoord ontbreekt.
Het werkwoord worden werd voorheen vervoegd: toerden, ward, wor-
den, geworden
en behoorde dus tot deze klasse. Thans luidt het in den
onvoltooid verleden tijd: werd, werden of wierd, wierden.
Belgen ging tot de zwakke vervoeging over: belgen, belgde, gebelgd.
Van de sterke vervoeging is nog over \'t verleden deelwoord (ver)bolgen,
dat alleen als bijvoegl. naamw. wordt gebruikt en in beteekenis verschilt
van gebelgd. Gerinncn „samenvloeien" leeft nog alleen in \'t verleden deel-
woord: geronnen (bloed); het verleden deelwoord van rinnen „vloeien,
gaan" in: Zoo gewonnen, zoo geronnen. Van het sterke werkwoord rinnen
is het zwakke rennen afgeleid.
Omgekeerd werden voorheen zwak vervoegd: dingen, schenken,
schenden, zenden.
Verkeerdelijk is men als werkwoorden der eerste klasse gaan vervoegen:
bersten, treffen, trekken, vechten, vlechten en schrikken (onovergankelijk).
Bersten heeft thans: borst ofberstte; \'t verleden deelwoord -.geborsten. Schrik-
ken
en verschrikken worden ook wel zwak vervoegd, als zij onoverganke-
lijk zijn; \'t overgankelijke verschrikken wordt steeds zwak vervoegd.
II.
Tot deze klasse behoort komen, waarvoor men kwemen zou verwachten;
vergelijk: kwam, kwamen. Scheren en zweren (van eene wonde) hebben
voor schar, zwar , scharen, zwaren gekregen: schoor, zwoor, schoren,
zworen. Scheren
„vliegen" en in: zich wegscheren is zwak. Beschoren
in den zin van toebedeeld is een sterk verleden deelw., dat oorspronkelijk
zwak was. Gekscheren wordt mede zwak vervoegd; \'t laatste gedeelte daarvan
is een geheel ander woord dan \'t bovenstaande scheren en beteekende spotten.
Gedeeltelijk of geheel zwak werden: helen, heelde, (vcr)heeld, waar-
naast nog \'t sterke verleden deelwoord {vcr)holen, dat alleen als bijvoegl.
naamw. wordt gebruikt en wreken, wreekte, gewroken. Bereti „dragen,
voortbrengen" is geheel in onbruik geraakt; alleen \'t verleden deelwoord
geboren komt nog voor.
-ocr page 137-
123
III.
Eten heeft in \'t verleden deelwoord gegeten in plaats van ge-eten.
Bidden, liggen
en zitten hebben i in plaats van e, doordat er voorheen op
de e eene j volgde. Zien staat voor zehcn ; de i ontstond uit e na het weg-
vallen der h, oorspronkelijk ch ; vandaar nog de g in zag. Het verl. deelw.
is gezien. Wegen en bewegen (onovergankelijk) hebben de vervoeging van
scheren aangenomen. Het overgankelijke (herwegen behoorde eigenlijk
zwak vervoegd te worden, daar \'t van het onovergankijke (bé)wegen is
afgeleid. Van weven is de onvoltooid verleden tijd zwak geworden; \'t ver-
leden deelwoord is nog steeds geweven. Wezen heeft een zwak verleden
deelwoord; \'t sterke van voorheen wordt nog als bijvoeglijk naamwoord
gebruikt, bijv. in: een gewezen burgemeester.
Opmerking verdient het werkwoord plegen „gewoonlijk doen", dat aan den
stam van den onvolt. verl. tijd eene t heeft gehecht: plegen, placht (voor
plag) en dat het verl. deelwoord mist (Verg. § 229). In den zin van „doen"
wordt het regelmatig zwak vervoegd, evenals verplegen.
IV.
Sterk werden voorheen vervoegd: grijnen, hijgen, krijschen, tijgen
„beschuldigen" (in: aantijgen), vrijen, (be)zwijmen. Pijpen „fluiten",
vroeger sterk, komt tegenwoordig nog slechts voor in pijper, naar
iemands pijpen dansen
en met de oudere uitspraak tier ij in piepen ,
bijv.: Zooals de ouden zongen, piepen de jongen. Pijpen „eene pijp rooken"
is zwak. Zoo zijn ook: krijgen „ontvangen", stijven „stijf maken", van
linnen bijv., prijzen „loven" tegenwoordig sterk; krijgen van krijg
„oorlog"; stijven „sterken" {de schatkist, iemand in \'t kwaad), prijzen
„van prijzen voorzien" zwak, ofschoon stijven va prijzen voorheen altijd
zwak waren. Wijzen „toonen" en wijzen „oordeelen" {„ter dood, tot de
galg verwijzen =. veroordeelcn)
werden vroeger zwak vervoegd; \'t laatste
heeft nog een zwak verleden deelwoord: een rechterlijk gewijsde „vonnis."
V.
Zoowel zwak als sterk worden vervoegd: schuilen, schuilde, school,
geschuild, gescholen,
vroeger zwak; kruien, kruide, krooi, gekruid,
gekrooien,
vroeger sterk; zieden „koken", zood, ziedde {Hij ziedde van
toorn), gezoden. Klieven
is geheel zwak geworden; kluiven daarentegen
is sterk geworden. Pluizen „pluizen uittrekken" is sterk geworden,
pluizen „pluizen afgeven" is zwak gebleven. Spuwen, oorspronkelijk een
werkwoord van de 40 klasse, is zwak geworden; spugen wordt nog
vervoegd: spoog, gespogen. Tijgen „gaan, trekken" behoort tot deze
klasse, blijkens toog, logen en getogen. Door verwarring met tijgen „be-
schuldigen" van de vorige klasse is men de ie, die dit werkwoord vroeger
had, als ij gaan uitspreken.
De werkwoorden kiezen, verliezen en vriezen hadden oorspronkelijk in
\'t enkelv. van den onv. verl. tijd eene s, in \'t meerv. en \'t verl. deelw.
-ocr page 138-
124
eene r; tegenwoordig luidt de onv. verl. tijd enkelv. en meerv.: koos of
koor, verloor, vroor
of vroos, en \'t verl. deelvv. gekozen ofgckoren,
verloren, gevroren
of gevrozen.
VI.
Slaan staat voor slaken; de h was oorspronkelijk ch, vandaar nog de
g in: sloeg, geslagen. Naast slaan bestond voorheen \'t werkwoord stan-
den,
vanwaar de onvoltooid verleden tijd stond (voor: stocnd). Bakken,
heffen
(voor: ha f jen) laden, malen, scheppen (voor: schapjeri),gewagen,
wasschen
en wassen hadden vroeger in den onvoltooid verleden tijd:
boek, hoef, loed, moei, schoep, gewoeg, woesch en woes, doch zijn tot
de zevende klasse overgegaan of zwak geworden: bakte, vroeger ook
blek, hief, laadde, maalde, schiep, gewaagde, wiesch olwaschte, wies;
de verleden deelwoorden zijn sterk: gebakken, geheven (voor gehaven),
geladen, gemalen, geschapen, gewasschen, gewassen,
doch gewagen
heeft gewaagd. Malen „schilderen" en malen „zich bekommeren, zeu-
ren" worden zwak vervoegd. Scheppen „putten" is zwak geworden,
dus ook: vermaak scheppen, adem scheppen; toch leest men ook naar
de oude vervoeging: Hij schiep daarin behagen. Lachen heeft alleen bij
dichters nog loech, meervoud loegen; \'t verleden deelwoord: gelachen.
Zweren
„een\' eed afleggen", voor zwarjen, behoort tot deze klasse en
heeft dus zwoer; \'t verleden deelwoord is gczicoren (voor gezwarcn).
jagen
en vragen, oorspronkelijk zwak, hebben ook wel een\' sterken
onvoltooid verleden tijd: joeg, vroeg of jaagde, vraagde; \'t verleden
deelwoord is zwak. Jagen „op de jacht zijn" heeft steeds jaagde. Het
werkwoord waaien, oorspronkelijk sterk, is reeds vroeg zwak geworden:
waaide, gewaaid. Men vindt echter ook vaak een\' sterken verleden tijd: woei.
VII.
Naast gaan bestond voorheen het werkwoord gangen, vanwaar nog de
onvoltooid verleden tijd ging. Jf ouden luidde vroeger halden; vandaar
de onvoltooid verleden tijd hield. Bannen, spannen, spouwen, vouwen,
zouten
hebben een\' zwakken onvoltooid verleden tijd, doch een sterk
verleden deelwoord. Spouwen, vouwen en zouten staan voor spaldcn,
valden
en zaltcn; 7.\\] behooren dus mede tot deze klasse. In figuurlijken
zin is \'t verleden deelwoord van onlvouiven ook zwak: Ik heb hem de
redenen mijner handelwijze ontvouwd.
VIII.
Braden en raden hebben, \'t eerste steeds, "t laatste soms, een\' zwak-
ken onvoltooid verleden tijd. Verwaten „overmoedig" is \'t verleden deel-
woord van een werkwoord dezer klasse, dat in onbruik is geraakt.
IX.
Brouwen is uit de vijfde in de negende klasse overgegaan; de
onvoltooid verleden tijd is zwak; \'t verleden deelwoord sterk: gebrouwen.
§ 293. Oorspronkelijk vormde men den onvoltooid verleden tijd der
-ocr page 139-
125
zwakke werkwoorden, door achter den stam een\'\' verleden tijd te plaatsen
van het werkwoord doen, die langzamerhand tot de verliep. Bovendien
stond vroeger achter den tegenwoordigen stamvorm nog eene toonlooze e.
Zoo was de onvoltooid verleden tijd van hoor en: hoor ede, van blaffen:
blaffede,
van zalven: zalvede, van maken: tnakede. Allengs verdween de
klinker voor den uitgang de, en wanneer nu de stam eindigde op
f, k, p, s, cli, oft, ging de over in te; wanneer de stam op een\'
anderen medeklinker of een\' klinker eindigde, bleef de be-
staan: blafte, hoorde, bloeide.
Vandaar deze regel: De onvoltooid verleden tijd der zwakke
werkwoorden wordt gevormd door te achter den stam te
plaatsen, wanneer deze eindigt op: f, k, p, s, ch, t. In alle
andere gevallen wordt de uitgang de achter den stam geplaatst.
Indien echter eene I\'of saan \'t slot des stams in de plaats
staat van v ofz (onechte f of s), wordt de onvoltooid verleden
tijd mede gevormd door de: streefde, zalfde, huisde, vreesde.
§ 25)4. De verleden deelwoorden der zwakke werkwoorden eindigden
oorspronkelijk op een\' medeklinker, die overgegaan is in d. Wanneer
echter de stam eindigde op eene 1\', k, p, s, cli oft, werd deze mede-
klinker door \'t wegvallen eener e, die tusschen den stam en den uitgang
stond, tot eene t: ge-hoor-ed, ge-hoor-d, ge-mak-ed, ge-maaak-t.
Vandaar dat de slotmedeklinker des verleden deelwoords
steeds overeenkomt met de beginletter van den uitgang
in den onvoltooid verleden tijd; vandaar ook, dat dezelfde
schijnbare uitzondering plaats heeft bij de stammen der
werkwoorden op eene onechte fofs.
De werkwoorden leggen en zeggen hebben, \'t eerste soms, het laatste
in Noord-Nederland steeds, tot onvoltooid verleden tijd: lelde en zeide
{lei, zei),
waarin de g van legde en zegde in i is overgegaan, \'t Verleden
deelwoord is mede soms geleid en gezeid, doch ook gelegd en gezegd.
§ 295. Vóór den stam der sterke, zoowel als der zwakke werkwoorden,
wordt in \'t verleden deelwoord gewoonlijk ge geplaatst: gedronken, ge-
danst.
Doch de verleden deelwoorden missen ge:
a.    wanneer zij voorzien zijn van een der voorvoegsels: bc, ge, er, her,
ont of ver: begraven, geloofd, erkend, herinnerd, ontroofd, veranderd;
b.    wanneer zij onscheidbaar zijn samengesteld met een bijwoord:
overlegd, onderhouden, omringd. Daarentegen: overgelegd, ondergegaan,
omgeworpen
van: overleggen, onderdoen, omwerpen.
§ 290. Bij werkwoorden, die scheidbaar samengesteld zijn met een
substantief of adjectief, wordt ge tusschen beide deelen geplaatst: adem-
gehaald, vrijgesproken, hooggeacht
, gadegeslagen.
Bij werkwoorden, die onscheidbaar samengesteld zijn met een dergelijk
woord, wordt ge vóór den stam geplaatst: gevrijwaard, gegekscheerd.
Bij werkwoorden, die gevormd zijn van zelfstandige of bijvoeglijke
naamwoorden, welke reeds samengesteld waren, wordt ge vóór den stam
-ocr page 140-
126
geplaatst: geherbergd (van: herberg), geglimlacht (van: glimlach),
gerechtvaardigd (van: rechtvaardig), geradbraakt (van: radbraak),
gehandhaafd (van handhave), gedoodverfd (van: doodverf), ge-
blinddoekt
(van: blinddoek).
Hiertoe behooren eigenlijk ook : gewanhoopt (van: wanhoop) en gewan-
trouwd
(van: wantrouw); doch niet wanschapen (van: wanscheppen).
Zoo zijn ook de werkwoorden: beeldhouwen, pluimstrijken, dwars-
drijven
niet samengesteld uit een werkwoord en een naamwoord, maar
gemaakt van de zelfstandige naamwoorden: beeldhouwipx), dwarsdrijv(ox),
pluimslrijk(e.x);
daarom: gebeeldhouwd, gepluimslrijkt, gedwarsdrijfd.
Incasseeren, inviteer en, inclineeren en dergelijke vreemde woorden
hebben natuurlijk ook: geïncasseerd, getnviteerd, enz.
§ 297. De werkwoorden, die samengesteld zijn uit een sterk werkwoord
en een ander woord, of die bestaan uit een sterk werkwoord en een der
bovengenoemde voorvoegsels: bc, ge , enz., worden sterk vervoegd: weg-
loopen
en ontloopen als loopen. Doch alle werkwoorden, die, zooals de
bovengenoemde, eigenlijk van een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord
zijn gevormd, worden zwak vervoegd: herbergde, glimlachte, dwars-
drijfde,
enz.
§ 298. De infinitieven van sterke en zwakke werkwoorden worden ge-
vormd , door en of ii achter den stam te plaatsen: hoor-en, zie-n; de
tegenwoordige deelwoorden door cnde of ndc: hoor-ende, zie-nde.
§ 299. Ten einde nu de enkelvoudige tijden van een sterk of zwak
werkwoord te kunnen vervoegen, wete men, dat de uitgangen, die achter
den stam worden geplaatst, zijn:
Sterk of zwak werkwoord.
Aantoonende wijs.                             Aanvoegende wijs.
Onvoltooid tegenwoordige tijd.
I.
stam
c
Enkelv.
i.
stam
e
2.
2.
3-
>>
t
3-
*>
e
i.
>)
en
Meerv.
i.
n
en
2.
t
2.
et
3-
ï>
en
Sterk
werkwoord.
3-
>)
en
tiet
ide wijs.
Aanvoegende
wijs.
Onvoltooid verleden tijd.
i.
stam
Enkelv.
i.
stam c
2.
2.
3-
»»
3-
>)
e
i.
)>
en
Meerv.
i.
ï)
en
2.
»>
t
2.
M
et
3-
M
en
3-
ï>
en
Enkelv.
Meerv.
Enkelv.
Meerv.
-ocr page 141-
127
Zwak werkwoord.
Aantoonende wijs.                                    Aanvoelende wijs.
Onvoltooid verleden tijd.
Enkelv. i.
stam de of te
Enkelv. i.
stam
de of te
2.
3-
Meerv. i.
2.
3-
„ de of te
„ den of ten
„ det of tet
„ den of ten
2.
3-
Meerv. i.
2.
3-
de of te
den of ten
det of tet
den of ten
Sterk of zwak werkwoord.
Gebiedende wijs.
Enkelv. stam
Meerv. „ t.
Hierbij merke men op:
a.    dat de e van den eersten persoon enkelvoud in den onvoltooid tegen-
woordigen tijd der aantoonende wijs nog alleen in deftigen stijl of in
eene enkele uitdrukking voorkomt: Voorwaar, ik zegge u, enz. Ik ver-
blijve hiermede. Zegge f
25.
b.    dat de tweede persoon enkelvoud in de aantoonende en aanvoegende
wijs vroeger eindigde op es of s: hoor es, hoors, doch geheel verloren is
gegaan; alleen de tweede persoon enkelvoud van de gebiedende wijs is
bewaard gebleven;
c.    dat de klinker van den onvoltooid verleden tijd der aanvoegende
wijs bij de sterke werkwoorden steeds gelijk is aan dien des meervouds
der aantoonende wijs: Wij spraken. Ik sprake. Wij lazen. Ik laze.
d.    dat de gebiedende wijs enkelvoud van vele werkwoorden
voorheen uitging op e; vandaar nog: Gelieve te melden, enz.
e.    dat de vormen der voorwaardelijke wijs oorspronkelijk gelijk
waren aan die der aanvoegende, doch thans veelal aan die der aan-
toonende wijs: Hij sprake, hadde gesproken—sprak, had gesproken,
zou spreken.
§ 300. Er zijn eenige werkwoorden, die men gewoonlijk met den naam
van onregelmatige bestempelt. Het zijn sterke of zwakke werk-
woorden, welke in alle Germaansche talen gelijksoortige afwijkingen
van de regels der vervoeging vertoonen. Zij waren dus reeds onregelmatig
vóór de vorming onzer moedertaal. Natuurlijk zou men alle boven behan-
delde werkwoorden, die in een of ander opzicht zich niet aan de regels
der vervoeging houden, ook onregelmatig kunnen noemen.
Onregelmatig sterke werkwoorden.
a. Kunnen, zullen, mogen, weten moeten. Deze vijf dragen den naam
van werkwoorden met een\' opgeschoven verleden tijd. Zij heeten
-ocr page 142-
128
zoo, omdat de vormen, die thans als tegenwoordige tijd worden
gebruikt, voorheen den verleden tijd uitmaakten van werkwoorden,
die in onbruik zijn geraakt. Dat zij inderdaad verleden tijden zijn
geweest, blijkt a. uit het ontbreken der t in den 3°" persoon enkelvoud
(dat weten en moeten in den 3en j>ersoon enkelvoud eene t hebben, komt
daarvandaan, dat de stam dezer werkwoorden op eene t eindigt; deze t
is dus geen persoonsuitgang; verg. Hd. weiss en muss); b. bij de drie
eerste en in \'t Hoogd. ook bij weten (verg. Hd. weiss en wissen) uit het
verschil in klinker tusschen \'t enkel- en meervoud. Beide deze kenmerken
vinden wij bij den onvoltooid verleden tijd der sterke werkwoorden.
Ten einde in een voorbeeld aan te toonen, hoe het mogelijk was, dat
een onvoltooid verleden tijd de beteekenis kreeg van een\' tegenwoordi-
gen, kiezen wij het werkwoord weten. Ik weel, enz. is de onvolt. verl.
tijd van een werkwoord, dat, naar de tegenwoordige uitspraak, den vorm
wijten zou hebben. Dit werkwoord beteekende zien en dus ik weet, enz.
ik heb gezien, dus: ik heb kennis verkregen, dus: ik bezit kennis. Toen
men nu niet langer dacht aan de oorzaak van het kennis verkrijgen, maar
alleen aan \'t gevolg van zien, d. i. het bezitten van kennis, was de ver-
leden tijd tot een\' tegenwoordigen geworden en geraakte wijlen met de
beteekenis van zien in onbruik.
Was nu zoo een tegenwoordige tijd ontstaan, dan gevoelde men natuur-
lijk behoefte, daarnaast weer een\' verleden tijd te vormen. Hierbij volgde
men den regel, dat de nieuwe onvoltooid verleden tijd gevormd
werd, door den uitgang der zwakke werkwoorden te plaatsen achter den
stam des meervouds van den onvoltooid tegenwoordigen
tijd. Van denzelfden stam werd ook de onvoltooid tegenwoordige
tijd der aan voegende wijs, alsmede de nieuwe infinitief gevormd.
1. Kunnen.
Aantoonende wijs.
O n v o 11. t e g. t ij d.                          O n v o 11. v e r 1. t ij d.
ik kan
                                                 ik konde, kon
hij kan                                                hij konde, kon
wij kunnen (konnen)                        wij konden
gij kunt (kont)                                  gij kondt (kondet)
zij kunnen (konnen)                         zij konden
Aanvoegcnde wijs..
Onvolt. teg. tijd.
                           Onvolt. verl. tijd.
ik kunne (konne)                             ik konde
hij kunne ( „ )                             hij konde
wij kunnen (konnen)                       wij konden
gij kunnet (konnet)                         gij kondet
zij kunnen (konnen)                        zij konden
-ocr page 143-
129
De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is kunnen (voorheen: konneri).
Het verleden deelwoord is zwak: gekund. De onvoltooid tegenwoordige
tijd is eigenlijk de onvoltooid verleden tijd van een werkwoord der eerste
klasse: kinnen.
2.    Zullen.
Aantoonende wijs.
On volt. teg. tijd.                          On volt. verl. tijd.
ik zal                                               ik zoude (zolde), zou
hij zal                                              hij zoude (zolde), zou
wij zullen (zoHen)                         wij zouden (zolden)
gij zult (zolt)                                  gij zoudt (zoldet)
zij zullen (zollen)                          zij zouden (zolden)
Aanvoegende wijs.
ik zoude (zolde, enz.)
hij zoude
ontbreekt
                          wij zouden
gij zoudet
zij zouden.
De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is zullen (voorheen: sollen).
Het verleden deelwoord wordt niet gebruikt. De onvoltooid tegenwoordige
tijd is eigenlijk de onvoltooid verleden tijd van een werkwoord der tweede
klasse: zelen. Voor wij zollen, enz. zou men dus verwachten: wij zalen, enz.
3.    Mogen.
Aantoonende wijs.
Aanvoegende wijs.
ik mag           ik mocht (moch-te)            ik moge         ik mochte
hij mag         hij mocht        „                     hij moge        hij mochte
wij mogen      wij mochten                          wij mogen      wij mochten
gij moogt       gij mocht (moch-tet)         gij moget       gij mochtet
zij mogen       zij mochten                           zij mogen       zij mochten.
De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is mogen, \'t Verleden deel-
woord is gemoogd. Vermogen heeft tot verleden deelwoord wel eens
vermocht. Ik mocht, enz. staat voor: moch-te en dit voor: moog-de. De
/ is dus hier tijdsuitgang. De onvoltooid tegenwoordige tijd is eigenlijk de
onvoltooid verleden tijd van een werkwoord der derde klasse: megen.
Voor wij mogen, enz. zou men dus verwachten: wij magen, enz.
4. Weten.
Aantootiende wijs.
Aanvoegende wijs.
ik weet
hij weet
wij weten
gij weet
zij weten
ik wist
hij wist
wij wisten
gij wist
zij wisten
ik wiste
hij wiste
wij wisten
gij wistet
zij wisten.
9
ik wete
hij wete
wij weten
gij wetet
zij weten
T. ÏERWEY, Ned. Spraakk. 8e druk.
-ocr page 144-
130
De gebiedende wijs is weet: enkel- en meervoud. De infinitief is weten.
\'t Verleden deelwoord is geweten. Ik weet en hij weet hebben eene ee
uit ei ontstaan, \'t meervoud eene e uit i. (Verg. Hd. ich weiss en wir
wissen).
De onvoltooid tegenwoordige tijd is eigenlijk de onvoltooid ver-
leden tijd van een werkwoord der vierde klasse: wijten. De onvoltooid
verleden tijd wist staat voor wis-ie en dit voor: wit-te en bewaart dus
nog de oorspronkelijke i.
5. Moeten.
Aantoonende wijs.
Aanvocgende wijs
ik moest (moes-te)
hij moest
        „
ik moet
hij moet
ik moete
hij moete
wij moeten
ik moeste
hij moeste
wij moesten
gij moestet
zij moesten
wij moesten
gij moest (m o e s -1 e t)
zij moesten
wij moeten
gij moet
zij moeten
gij moetet
zij moeten
De gebiedende wijs ontbreekt. De infinitief is moeten, \'t Verleden deel-
woord is sterk: gemoeten. De onvoltooid tegenwoordige tijd is eigenlijk de
onvoltooid verleden tijd van een werkwoord der zesde klasse: maten.
De onvoltooid verleden tijd: moest staat voor moes-te en dit voor: moet-le.
Ten opzichte dezer beide laatste werkwoorden geldt nog de opmerking,
dat volgens een\' vasten regel in zeer ouden tijd de / van den stam voor
de t van den uitgang in s overging.
b.    Van een oud werkwoord met opgeschoven verleden tijd: dorren
(voor dorsen) heeft men nog den onvoltooid verleden tijd: dors-te thans
dorst, dat tegenwoordig dient als onvoltooid verleden tijd van durven,
\'twelk oorspronkelijk mede een dergelijk werkwoord was, doch nu regel-
matig zwak vervoegd wordt: ik durf, hij durft, wij durven, durfde,
gedurfd.
Daarom zegt men wel, dat durven een\' dubbelen onvoltooid
verleden tijd heeft.
c.    Het werkwoord willen mist evenals de onder a en b genoemde
werkwoorden in den onvoltooid tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs
de /. De oorzaak hiervan is, dat deze tijd der aantoonende wijs eigen-
lijk dezelfde tijd der aan voegende wijs is. Het wordt aldus vervoegd:
Aantoonende wijs.
On volt. verl. tijd.
ik wilde (wou)
hij wilde (wou)
wij wilden
gij wildet (woudt)
zij wilden
O n v o 11. t e g. t ij d
ik wil (voor: wille)
hij wil (voor: wille)
wij willen
gij wilt (voor: willet)
zij willen
-ocr page 145-
131
Aanvoelende wijs.
O n v o 11. t e g. t ij cl                            O n v o 11. v e r 1. t ij d.
ik wille                                                   ik wilde
hij wille                                                  hij wilde
wij willen                                               wij wilden
gij willet                                                gij wildet
zij willen                                                zij wilden.
De gebiedende wijs is wil, wilt. De infinitief is willen; \'t verleden
deelwoord gewild. De wisselvormen van den onvoltooid verleden tijd:
wou, enz. staan voor woude en dit voor wolde, een\' bijvorm, door in-
vloed der voorafgaande w uit wilde ontstaan. Wondt staat voor woudel.
d. Het werkwoord zijn ontleent zijne vormen aan de stammen: be, is,
zij
en wees, waarvan is en zij weer van denzelfden oorsprong zijn. Wees
is de stam van een sterk werkwoord, waarvan men alleen den onvoltooid
verleden tijd, de gebiedende wijs en \'t verleden deelwoord
gebruikt; \'t laatste is zwak geworden: geweest (voor geweesd). De onvol-
tooid verleden tijd der aantoonende wijs heeft in \'t meervoud z in r
veranderd: wij waren, enz. De stam is heeft de / van den onvoltooid
tegenwoordigen tijd 3en persoon enkelvoud afgeworpen: hij is (voor is/)
en wordt alleen in dezen persoon gebruikt. Den stam be vindt men alleen
in den ien persoon enkelvoud van den onvoltooid tegenwoordigen tijd
der aantoonende wijs; een zeer oude persoonsuitgang, m, later n, bleef
alleen in dezen vorm bewaard: be-n. De vervoeging is:
Aantoonende wijs.
O n v o 11. t e g. t ij d.                         O n v o 11. v e r 1. t ij d.
ik be-n                                              ik was
hij is(t)                                              hij was
wij zij-n                                            wij waren
gij zij-t                                              gij waart
zij zij-n                                             zij waren
Aanvoegende wijs.
Onvolt. teg. tijd.                          Onvolt. verl. tijd.
ik zij                                                 ik ware
hij zij                                                hij ware
wij zijn                                             wij waren
gij zijt                                               gij waret
zij zijn                                               zij waren
9*
-ocr page 146-
132
Onregelmatig zwakke werkwoorden.
a.    De werkwoorden: brengen, denken, dunken, zoeken en koopen komen
hierin overeen, dat de uitgang te (bij brengen voor: de) in zeer ouden tijd
reeds onmiddellijk achter den stam werd geplaatst (Verg. § 293) en vol-
gens een\' regel, die toen heerschte, den slotmedeklinker des stams: g en k
deed overgaan in<r^, terwijl later te afsleet tot t. Verder verdient opmerking,
dat in brengen en denken oorspronkelijk de a de stamklinker was; dat de
11 van dunken ontstaan is uit o en dat de 00 van koopen en de oe van zoeken,
door den invoed der beide volgende medeklinkers, in de onvolkomen o
zijn overgegaan. Al heeft dus in deze werkwoorden de onvoltooid verleden
tijd een\' anderen klinker dan de onvoltooid tegenwoordige tijd, toch zijn
al deze werkwoorden zwak. Bij brengen, denken en dunken is
bovendien de n in den onvoltooid verleden tijd en het verleden deelwoord
uitgeworpen. De vervoeging dezer werkwoorden is derhalve:
Infinitief.
On volt. verl. tijd.
brengen
bracht (voor: brach-te)
denken
dacht (voor: dach-te)
dunken
docht (voor: doch-te)
zoeken
zocht (voor: z och-te)
koopen
kocht (voor: koch-te)
Verleden deelwoord.
gebracht
gedacht
gedocht
gezocht
gekocht
Omtrent het werkwoord koopen zij nog opgemerkt, dat de p van den
stam eerst overging in / en deze weder in ch.
Nog heeft het werkwoord werken naast de regelmatige vormen werkte
en gewerkt ook de vormen wrocht en gewrocht, die alleen in deftigen
stijl en overgankelijk worden gebruikt. Naast werken stond namelijk vroeger
worken; dit vormde, evenals de bovenstaande werkwoorden: worch-te
(worcht) en ge-worch-t en hieruit door verplaatsing der r: wroch-tc (wrocht)
en ge-wroch-t.
b.    Het werkwoord hebben had oorspronkelijk den vorm habjen, be-
nevens een\' bijvorm: haven. Van dezen laatsten is de 30 persoon enkelvoud
van den onvoltooid tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs gevormd.
De onvoltooid verleden tijd heeft den slotmedeklinker des stams: v gelijk
gemaakt aan den beginmedeklinker des uitgangs: d, dus: havde tot hadde
en dit tot had. Zoo staat ook \'t verleden deelwoord gehad voor: ge-hav-d.
Het werkwoord wordt dus vervoegd als volgt:
Aanvoegende wijs.
Onvolt. teg. tijd.                          Onvolt. verl. tijd.
ik heb                                               ik had (voor: hadde)
hij heeft (voor:  ha vet)                    hij had
wij hebben                                        wij hadden
gij hebt                                             gij hadt
zij hebben                                         zij hadden
-ocr page 147-
133
Aanvoelende wijs.
On volt. teg. tijd.
ik hebbe
hij hebbe
wij hebben
gij hebbet
zij hebben
On volt. verl. tijd.
ik hadde
hij hadde
wij hadden
gij haddet
zij hadden
Doen.
Het werkwoord doen, dat zich noch bij de tegenwoordige sterke,
noch bij de zwakke vervoeging aansluit, heeft in den onvoltooid verleden
tijd, in overouden tijd, \'t oorspronkelijke bestanddeel da verdubbeld: da-da
en daaruit dede, waaruit weer deed. \'t Verleden deelwoord heeft de a
bewaard: ge-daa-n. Het wordt vervoegd:
Aanloonende wijs.
O
On v o 11. teg. tijd,
nvolt. verl. tijd.
ik deed
hij deed
wij deden
gij deedt
zij deden
ik doe
hij doet
wij doen
gij doet
zij doen
ianvoegendc wijs.
On volt. teg. tijd.
Onv
verl. t ij (.1.
ik dede
hij dede
wij deden
gij dedet
zij deden
ik doe
hij doe
wij doen
gij doet
zij doen
-ocr page 148-
VIJFDE BOEK.
DE VORMING DER WOORDEN.
I. OVER WOORDVORMING IN \'T ALGEMEEN.
§ 301. De woordvorming of afleiding (etymologie) leert de wijze
kennen, waarop uit woordklanken (wortels) en woorden nieuwe
woorden zijn ontstaan.
De oorspronkelijke bestanddeelen, waartoe men de bestaande woorden
kan terugbrengen, heeten wortels. Zonder grondige kennis van de
oudere en nieuwere verwante talen is \'t niet mogelijk, den vorm en de
beteekenis dezer wortels vast te stellen.
§ 302. Naar hun\' oorsprong verdeelt men de woorden in afgeleide
en samengestelde woorden. Afgeleide woorden zijn gevormd uit
wortels of woorden met behulp van aanhechtsels vóór of achter.
Samengestelde woorden zijn gevormd uit de vereeniging van twee
andere woorden.
Letters of lettergrepen, die, zonder zelf woorden te zijn, dienen, om
van een\' wortel of een woord een nieuw woord te vormen, heeten voor-
en achtervoegsels.
Wanneer een woord is afgeleid van een reeds bestaand woord, heet dit
laatste het grondwoord. Zoo is van onbegrijpelijk het grondwoord
begrijpelijk, van dit laatste is \'t grondwoord begrijpen en hiervan weder
grijpen; dit laatste is uit een\' wortel gevormd.
Of een woord van een\' wortel of van een woord is afgeleid, laat
de tegenwoordige taal niet beslissen. Daarom vatten wij dan ook alle
woorden, die niet samengesteld zijn, onder één\' naam, dien van
afgeleide, te zamen. Slechts dit kan gezegd worden: alle echte sterke
werkwoorden zijn uit wortels gevormd.
§ 303. De drie talrijkste groepen van woorden: de werkwoorden,
zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden
kunnen ten slotte teruggebracht worden tot wortels, Welke het begrip eener
werking inhouden. Van denzelfden wortel kan zoowel een werkwoord als
een substantief of een adjectief zijn afgeleid.
De woorden, welke van denzelfden wortel afkomstig zijn, kunnen dezelfde
-ocr page 149-
135
klankwisseling vertoonen als de verschillende stammen van een zelfde sterk
werkwoord der zes eerste klassen, doch ook geene andere dan deze.
Wel kunnen deze klinkers echter nog weder de wijzigingen hebben onder-
gaan, vermeld in § 351.
Meermalen vindt men geen achtervoegsel bij een woord, uit een\' wortel
ontstaan; dan is het in den loop des tijds afgesleten.
§ 304. Ter opheldering van \'t bovenstaande geven wij thans eenige
groepen van woorden, van dezelfde wortels afkomstig. Wij rangschikken
ze in dezelfde orde als de zes eerste klassen der sterke werkwoorden.
Eene klankwisseling, als de vijf laatste klassen vertoonen, komt bij af-
leidsels uit denzelfden wortel niet voor.
Als wortelklinker beschouwt men gewoonlijk: voor de wortels der ic ,
2° , 3e en 6e klasse a; voor die der 4e i; voor die der 50 11 (oe).
I.
e, i—a—o.
band: binden, band, bend-e (<? uit a), bint (l voor d), bund-el(u uit o); —
blank: blinken, blank; — drank: drinken, drank, dronk; —■ drang:
dringen, drang; — dwang;: dwingen, dwang; — klank: klinken,
klank;
— kramp: krimpen, kramp; — schamp: schimp, schamp-er; —
slang (kronkelen): sling-er, slang; — slank: slinken, slank ; — span :
spinnen, spinne(-kop voor -kobbe); — sprang : springen, sprank (k voor
g), sprong; — stamp (stooten): stamp-en, stamp-cr, stemp-el, stomp; —
stang (steken): stang, steng-el; — vand: vinden,vond; — wand: winden,
wand;
—• wan (strijden en verkrijgen): winnen, win-st, won-d-e; — wrang:
wringen, wrang, wrong, wrong-el; — zang : zingen, zang; — zwand (snel
gaan): zwinden, ge-zwind; — zwang (bewegen): zwang (in zwang zijn),
zweftg-el (e uit a); — barg : bergen, (hoo\\)berg, borg, burg, burch-t; —
Kald : gelden , geld; — smalt: smelten, smout (voor smalt); —■ lialp :
helpen, hulp-e (» uit e of o); — balg (opzwellen): belgcn (zwellen van
toorn), balg (in blaasbalg, bijv.).
II.
e—a—a (volkomen)—o.
bar (dragen, voortbrengen): beren, waarvan nog alleen \'t verleden
deelwoord geboren, baar (werktuig om te dragen), -baar; — nam:
nemen, ge-naam (in aangenaam); — stal: stelen, stal (in diefstal); —
schar (snijden): scheren, schaar, schar-e (eig. stuk), schaard; —
zwar: zweren, zwaar; —■ brak: breken, braak (adj.), brok, breuk
(eu
uit o); sprak: spreken, sprak-e, sprok-e, spreuk (eu uit o); —
wrak (vervolgen): wreken, wrak-e, wrok; — stak: steken, stek-el
staak;
— hal (verbergen): helen, hcl-m, hal-Ie, hol, hul (deksel), waar-
van hullen, hul-s.
-ocr page 150-
136
III.
e, i—a—a (volkomen).
had (drukken, dringen): bidden, bed-e, bed-el (adj. in bedcl-cn), bed-de
(e
uit a); — las: liggen, leg-cr, lag-e, laag, (adj.), ge-lag; — zat:
zitten, zet-el, zaal (in landsaa/); — gaf: geven: gif-t, gav-e, gaaf
(adj. geschikt om te geven); — mat: meten, tnat-c (maat); — trad:
treden, tred, tred-e; — waf: weren, wcbbe (e uit a), wafel (naar de
ruitjes); — wag (bewegen): wegen, weg, waag, wag-en (subst. en ww.),
IV.
2/ (ii) — ee (ei) — e (i).
Iiil (spijten, klieven): bijten, bijt, beit-el, bet-e, ge-bil, bitl-cr; —
blik (licht zijn): blijken, bleek, blik (m. en o.), bliksem;— «lis (groeien):
dijgen, dee(g)scm ; — <lin (kneden): deeg; — dril" (bewegen): drijven,
drif-l, dreef, drev-el;
— grip: grijpen, greep; — kif: kijven , kib(-be-
len); — knip: knijpen, kneep, knip; — krit: krijten, kreet; — lid
(iets onaangenaams ondervinden): lijden, leed (subst. en adj.); — nip:
nijpen, neep; — rid: rijden, rit; — rit: rijten, reet; — sclirid:
schrijden, sehred, schred-e; — slit (scheuren): slijten, slet (vod); —
stuit (strijken, slaan en bestrijken): smijten, smet; — suid: snijden,
snede, snit;
— split: splijten , spleet, split; — stip (gaan) : stijgen , sleig-er,
steeg, steg, steil
(voor sleig-cl); — strik: strijken, streek, slrek-c (in
landstreek); — tig (aanwijzen): lijgen (beschuldigen), tich-t (in: belich-
ten);
— wik: wijken, week; — wit (zien, letten op, de schuld geven):
wijten en ook (ik) weet, enz., wit in wittig (kennis hebbende in ver-
wittigen), gewis
(met s uit tl); — wrif: wrijven, wrev-el.
V.
ie, ui—00 (ou)—o (u ; spr. oe).
bud (mededeelen): bieden, bod-e, bod, beul (uit beud-el, eig. aan-
zegger);
— drug: (bc)driegen, (be)drog, (gc)droch-t (eig. bedrieglijk
wezen); — gut: gieten, goot; — kus: kiezen, keuz-e, kus-t en keur; —
kluf: klieven, klov-e; — lul\'(aangenaam, goed vinden): lief,geloof, be-lovcn,
oorlof, lof;
— lug: liegen, loochene?i (met ch uit g), log-en (leugen); —
lus: (ver)liezen, loos (adj. en achterv.), looz-en, loor (in te loor gaan),
leur
(in te leur stellen), los, lor; — uut: (genieten, (ge)nool, (ge)not,
nul;
— ruk: ruiken, rieken, rook (subst.), reuk (eu uit o); — srliut
(gaan en werpen van wapenen): schieten, schuit, schot, scheut, schut; —
tug (trekken, gaan): tijgen, (be)li/\'en (ij voor ie), tuig, toonen (voor
toochnen), touw (voor toug), (^ex)tog, tocht, tucht, teug, teug-el (eu uit
o); — vlug: vliegen, vlug, vluch-t, vleug-el (eu uito);— vlot: vlieten,
-ocr page 151-
187
vliet, vlot (subst. en adj.), vloot; — vriis: vriezen, vors-t (voor vrosf);
zuil: zieden, zod-e (kooksel); — zuk: ziek, suk(kel), zuch-l (waterzucht,
enz.); — bug: buigen, buk(ken), boog, boe h-t; — drup: drttipen, drop,
drup, droppel, druppel;
— knip: kruipen, kreup-el (eu uit d);— luk:
luiken, luik, lok (in b-lok voor be-lok: middel tot insluiting); — schut*:
schuiven, schoof; — shit: sluiten, sloot, slot, sleul-cl (eu uit o);— simt:
snuiten, snuit, snot; — sprut: spruiten, spruit, spriet, sport (voor
sprot: tak); — stuf: stuiven, slof (ow..); — zng: zuigen, zoogcn, zog.
VI.
a — oe.
bat (nuttig zijn): bat-e, bet-er (e uit a), boet-e; — lila (groeien en
bloeien): bla-d, bloe-me, bloesem; — tlrag: dragen, drach-t — graf:
graven, graf, grach-t (ch voor /), groeve; — «lag: slaan, slag,
slach-l;
— var: varen, vaar-t, veer (e uit a), voer (hout, enz.); —
M-liap (vormen): scheppen, -schap; — zak (strijden en achtervolgen):
zak-e (zaak, eig. strijdzaak), zoeken.
§ 305. Een samengesteld woord wordt gevormd uit twee bestaande
woorden. De beide leden der samenstelling kunnen zelf afgeleide of
samengestelde woorden zijn: wijnflesch, herstellingsoord, scheeps-
timmerwerf.
Bij de werkwoorden onderscheidt men scheidbare en onscheid-
bare samenstellingen, naarmate de deelen in de vervoeging wel of niet
kunnen worden gescheiden: ademhalen, gadeslaan, wederkeere?i; raad-
plegen, liefkoozcn, weder staan.
15ij de substantieven en adjectieven onderscheidt men eigen-
lijke (echte) en oneigenlijke (onechte) samenstellingen. De eerste
zijn altijd samenstellingen geweest; de deelen der laatste werden voorheen
los naast elkander geschreven. Van eene eigenlijke samenstelling kan men
dan ook de deelen niet scheiden, zonder dat \'t begrip der samenstelling
geheel verdwijnt; schrijft men de deelen eener oneigenlijke samenstelling
los naast elkander, dan blijft het begrip der samenstelling geheel of in
hoofdzaak behouden. Zoo zijn lijfsbehoud, menschenkind, hoogeschool,
smartvol, levensmoede, welzalig
oneigenlijke samenstellingen; immers
zij beteekenen: (des) lijfs behoud, (eens) menschen kind, (eene) hooge
(voorname) school, (der) smart vol, (des) levens moede, wel (zeer) zalig.
Daarentegen zijn: grondwet, schrijftaal, vogelvlug eigenlijke samenstel-
lingen. Wil men de beteekenis dezer woorden teruggeven, dan moet men
aan het begrip der beide deelen nog andere begrippen toevoegen: wet,
die den grond uitmaakt voor andere wetten, tafel, bestemd om er aan
te schrijven, zoo vlug als een vogel.
§ 306. Eene eigenaardige wijze van woordvorming vindt men in de
samenstelling door middel van afleiding. Deze heeft plaats,
wanneer twee of meer woorden, welke geene samenstelling vor-
-ocr page 152-
138
men, dooreen achtervoegsel tot een geheel worden verbonden. Zoo bestaan
wcrkstaker, inachtneming, krombeenig, kleinsteedsch uit twee of drie losse
woorden, die eerst door de achtervoegsels er, ing, ig, sch tot samenge-
stelde woorden zijn geworden.
II. DE VORMING DER WERKWOORDEN.
§ 307. Naar hun\' oorsprong zijn de werkwoorden afgeleid of sa-
mengesteld. De afgeleide zijn ontstaan uit wortels of woorden.
Uit wortels zijn gevormd de sterke werkwoorden. (Zie § 302) Uitge-
zonderd zijn natuurlijk werkwoorden als: dingen, schenden, schenken,
zenden, kwijten, gelijken, spijten, wijzen, prijzen, jluiten, kluiven
,
pluizen, schuilen, die vroeger zwak vervoegd werden, daar zij van reeds
bestaande woorden zijn afgeleid.
§ 308. Van woorden zijn gevormd alle vroeger of nog tegenwoordig
zwakke werkwoorden en wel:
a.    van substantieven. Zij drukken eene werking uit, die in eene of
andere betrekking staat tot hetgeen \'t grondwoord beteekent: grazen,
klceden, stroomen, villen, schillen, visschen, weiden.
b.    van adjectieven. Zij beteekenen, zoo zij onovergankelijk
zijn: worden tot hetgeen \'t grondwoord beteekent; zoo zij o verganke-
lijk zijn: maken tot hetgeen \'t grondwoord beduidt: groenen, rijpen,
grijzen, korten; witten, sterken, wee ken, heet en, bleeken.
De van substantieven en adjectieven afgeleide werkwoorden
heeten denominatieven, omdat hunne grondwoorden nomina (naam-
woorden) zijn. Oorspronkelijk hadden zij veelal den uitgang jan (jen). De j
in deze lettergreep veroorzaakte bij sommige den overgang van a in e of
van e in i: dekken, stellen, schenden, van dak, stal en schand; kren-
ken, netten, pletten, temmen, vesten
van krank, nat, plat, tam, vast;
villen, schillen, richten
van vel, schel, recht.
Sommige denominatieven hebben achter \'t grondwoord igen: eindigen,
(ver)kondigen, steenigen.
Waarschijnlijk is deze uitgang ontstaan uit den
uitgang jan, die tot i-jen en daaruit tot i-gen werd. Zeker zal \'t bestaan
van werkwoorden, afgeleid van adjectieven op ig, op deze verandering
van invloed zijn geweest. Zoo zijn rechtvaardigen, stevigen, heiligen,
(be)veiligen
klaarblijkelijk van de adjectieven: rechtvaardig, stevig, heilig,
veilig
gevormd. — Wanneer ig achter \'t grondwoord is gekomen, kan
men dit soms weglaten, als in einden, vereenen, verkonden, verzaden,
vesten,
doch steenigen wordt nooit steenen en men onderscheidt kruisen
„een kruis maken of aan \'t kruis slaan" van kruisigen „aan \'t kruis slaan".
Nog andere denominatieven hebben achter \'t grondwoord ecren. Dezen
uitgang hadden oorspronkelijk alleen de aan \'t Fransch ontleende werk-
woorden, als: zich amuseeren, geneeren, enz. Doch men heeft dien ook
achter Nederlandsche woorden geplaatst: halveeren, trotseeren, waar-
deeren, kleineeren, stoffeer en, voeteeren.
-ocr page 153-
139
c.    van bijwoorden: innen, uiten, naderen, vorderen, opperen,
(bé);\'egenen, (ver)nederen.
d.    van werkwoorden. Deze zijn:
i. de werkwoorden, die \'t veroorzaken beteekenen der werking,
door \'t grondwoord uitgedrukt; zij dragen den naam van causatieven
en zijn gevormd van sterke werkwoorden door middel van denzelfden
uitgang jan (jen), welke diende, om de meeste denominatieven te vormen.
De causatieven werden gevormd van \'t enkelvoud des onvoltooid
verleden tij ds. Bovendien zij opgemerkt, dat de j des uitgangs ook
hier eene a in e deed overgaan; dat de onvoltooid verleden tijd enkelvoud
der eerste klasse voorheen eene a, die van de werkwoorden der vierde
klasse eene ei had. De voornaamste causatieven zijn de volgende:
I. drenken (voor drankjen) van drank (drinken)
wenden (voor wand/en) van wand (winden)
zenden (voor zandjen) van zand {zinden „gaan"; sedert lang onbruik)
II. kwellen (voor kwaljen) van kwal (kwelen „pijn lijden"; niet meer
III.    leggen (voor lag/en) van lag (liggen)                               in gebruik)
zetten (voor zal/en) van zat (zitten)
zich generen (voor genas/en) van genas (genezen)
IV.    leiden (voor leid/en) van leid, thans leed (lijden, oorspronkelijk: „gaan")
neigen (voor neig jen) van neig, thans neeg (nijgen)
V. klooven (voor kloufjeri) van klouf, thans kloof (klieven)
zoogen (voor zougjen) van zoug, thans zoog (zuigen)
VI. voeren (voor voer/en) van voer (varen „gaan").
Aangaande deze werkwoorden wete men nog: dat winden, \'t grondwoord
van wenden, oorspronkelijk onovergankelijk was, dus: aan V draaien zijn;
dat de a van zandjen nog bewaard is gebleven in \'t oude zwakke verleden
deelwoord gezant voor gezand-d (Verg. § 307); dat genezen (onovergan-
kelijk) beteekende : heel worden, vanwaar generen = heel maken, in orde
maken, in orde houden, onderhouden;
dat lijden met de beteekenis van
gaan nog voorkomt in overlijden, verleden week en V is drie dagen ge-
leden;
dat het sterke werkwoord nijgen alleen als buigen uit beleefdheid
voorkomt; in alle andere gevallen, ook ono vergankelijk, gebruikt men
tegenwoordig \'t zwakke neigen; dat klieven voorheen met de beteekenis
van splijten (onovergankelijk) sterk vervoegd werd: kloof, kloven, ge-
kloven;
vanwaar dus klooven „doen splijten".
Het werkwoord wekken (voor wakjeri) komt in vorm en beteekenis
met de overige causatieven overeen (doen waken), doch is niet van het
werkw. waken afgeleid, maar van een verloren ww. weken, wak met de-
zelfde beteekenis.
Het werkwoord vellen „doen vallen" voor valjen is afgeleid van vallen.
Om de beteekenis rekent men het ook tot de causatieven, ofschoon het
niet van den onvolt. verl. tijd is gevormd, daar het werkw. vallen tijdens
de vorming van vellen in alle stammen nog eene a had.
2. de werkwoorden, die zich van hunne grondwoorden hoofdzakelijk
-ocr page 154-
140
onderscheiden door verscherping en verdubbeling van den slotmedeklinker
des stams. Men noemt ze intensieven, daar men in de beteekenis van
sommige eene versterking der beteekenis van \'t grondwoord opmerkt. Zij
zijn: bukken van buigen, nikken van nijgen, hikken van hijgen, stikken
van steken, knippen van knijpen, wikken van wegen, zwikken van zwij-
ken
en met den uitgang e/en, eren: stribbelen, dribbelen, kibbelen,
bibberen van streven, draven, kijven, beven. Spillen was vroeger spilden
en is dus geen intensief van spelen.
Men merke hierbij op, dat de g oudtijds als de Hoogduitsche g in Gott
werd uitgesproken; dat uit eene v meermalen eene b is ontstaan; dat de
ui voorheen u was en de y=ii; dat meermalen eene i uit e is ontstaan.
3. de werkwoorden op elcn en eren. Men noemt ze werkwoorden
van herhaling {frequentatieven), daar men in de beteekenis van vele
dier werkwoorden eene herhaling opmerkt der werking, in \'t grondwoord
uitgedrukt. Zulke werkwoorden zijn: stotteren, klapperen, flikkeren,
blikkeren, kibbelen, stribbelen, pruttelen.
Sommige dezer werkwoorden
zijn van verouderde of nog bestaande substantieven en adjectieven op el
en er gevormd en dus niets anders dan denominatieven, als: brokke-
len
van brokkel „brokje", brijzelen van brijzel „kruimel", hobbelen van
hobbel „knubbel, verhevenheid", wankelen van wankel, weifelen van
weifel „waggelend", bulderen van bulder „geraas", dobberen van dobber>
plunderen
van plunder „huisraad", wakkeren van wakker, enz. Andere
zijn naar \'t voorbeeld van zulke woorden als de bovenstaande rechtstreeks
van werkwoorden gevormd.
§ 309. Werkwoorden zijn van andere afgeleid door de voorvoeg-
sels: bc, eigenlijk bij; vandaar dat dit voorvoegsel beteekent:
1.    b ij: beroepen (een\' predikant), behooren, bevallen (verg. bijval) >
bekomen
(van den schrik, bijkomen), bestaan (wat bij iemand staat, be-
staat
voor hem), believen (lief bij — voor iemand zijn).
2.    het verkrijgen door middel der werking: beërven, behalen, be-
komen, bereiken, bekoopen.
3.    het brengen eener werking bij een voorwerp. Het maakt zoo
onovergankelijke werkwoorden overgankelijk: begaan, beloopen,
berijden, bestrijden.
4.    het plaats hebben der werking op alle punten des voorwerps:
beplanten, bebouwen, bekleeden, begrijpen, beslaan, besnoeien.
5.    het voorzien van \'tgeen het grondwoord beteekent: bedijken, be-
mannen, bepalen, besteden, beschermen; bevrijden, benauwen, beveiligen.
ge =: samen. Deze beteekenis is duidelijk in: gevallen „behagen", ge-
lieven, geleiden, geraken.
Versterkt wordt het grondbegrip in:gevoelen,
gedenken.
Zonder veel verschil worden gebruikt: verzeilen, lijken, raken,
lukken
en vergezellen, enz. In verbinding met kunnen of laten komen
voor: gebeteren, gelusten, geworden, gezeggen.
er = uit (\'tzelfde als oor bij substantieven). Deze beteekenis is duidelijk
in: erkennen „voor het ke?inen uitkomen", erachten, in: mijns erachlens
-ocr page 155-
141
„het achten, rekenen toonen", erbarmen „toonen, dat men barmt" „mede-
lijden heeft" van barmen „medelijden hebben" en dit van armen, „klagen."
Het beteekent \'tverkrijgen door middel der werking in: erlangen van
langen „reiken" en ervaren van varen „gaan, komen".
her = op nieuw. Het beteekent eene herhaling der werking: her-
stellen , herdenken, herkennen.
In herinneren vindt men het voorgaande
er: het beteekent eigenlijk: door te binnen brengen doen verkrijgen.
out (\'tzelfde als ant bij substantieven) = tegen. Het beteekent:
i. tegen: ontmoeten, ontvangen, ontzien, (iets) onthouden, enz.
2.    weg, in tegengestelde richting: ontloopen, ontsnappen, ont-
vlieden, ontgaan.
3.    het geraken of brengen uit een\' vroegeren toestand:
ontbinden, ontsluiten, ontluiken, ontvouwen, ontwikkelen. Het grond-
woord drukt dan den vroegeren toestand uit.
4.    het komen of brengen in een\' nieuwen toestand: ontvlam-
men, ontbranden, ontbijten, ontwaken, ontslapen.
Het grondwoord drukt
dan den nieuwen toestand uit.
5.    het wegnemen van datgene, wat het grondwoord uitdrukt: ont-
hoofden, ontbladeren, om\'halzen; ontheiligen, ontreinigen.
ver, van verschillende bijwoorden afkomstig, wier beteekenissen zich
laten terugberengen tot: 1. weg, 2. voor = niet achter, 3. voor = ten
voordeele van, 4. voor = in de plaats van.
1.    ver = weg: verbannen, verdrijven, verjagen. Uit deze beteekenis
vloeit voort: a. het onderwerp of voorwerp verdwijnt tengevolge der
werking: verhongeren, verbranden, verbruiken, verspelen, verspillen;
b.
het voorvoegsel beteekent verkeerd: (zich) vergrijpen, (zich) vergissen;
verdenken, verachten.
2.    ver = voor: verbinden, verschansen, versperren, verstaan, ver-
glazen, vergulden
, verbloemen.
3.    ver =. voor: verzorgen, verplegen, verschaffen, verweren, ver-
dedigen
(uit verdadigen = ver dadingen = verdagedingen van dageding:
rechtsgeding, dus) „voor iemand in een geding optreden".
4.    ver =. voor. Is \'t grondwoord een werkwoord, dan beteekent het:
anders doen; is \'t grondwoord een naamwoord, dan beteekent het:
zoo worden of maken: verkleeden, vertalen, verdoopen, vermaken;
versteenen, vereelten, verarmen; vergroot en, verlossen, verblijden.
Enkele malen beteekent het voorvoegsel ver: over, als in: vernachten,
verwinteren; vermeesteren, verschalken, verrassen, verbluffen.
Soms ook
brengt het weinig verandering in de beteekenis van \'t grondwoord: ver-
blijven , vermeenen, verkrijgen, vertoeven, verontschuldigen.
§ 310. Werkwoorden, door \'t voorvoegsel wan afgeleid, zijn er niet
meer: wanhopen en wantrouwen zijn gevormd van de afgeleide substan-
tieven wanhoop en wantrouw, zooals blijkt uit hunne verleden deelwoorden.
Alleen wanschapen komt van wanscheppen, dat door \'t voorvoegsel wan
van scheppen is afgeleid.
-ocr page 156-
142
§ 311. Werkwoorden zijn scheidbaar of onscheidbaar samen-
gesteld, naarmate de deelen, waaruit zij bestaan, in de vervoeging wel
of niet kunnen gescheiden worden.
§ 312. Onscheidbaar samengestelde werkwoorden worden gevormd:
a.    van twee werkwoorden, waarvan \'t eerste de n des infinitiefs
mist: spelevaren „voor zijn genoegen varen", spelemeien „op \'t veld
spelen" uit spelen en meien „zich buiten vermaken", ruilebuiten „ruilen"
van ruilen en buiten „ruilen", koekeloeren „uitkijken" van koeken
„kijken" (Hd. gucketi) en loeren.
b.    van een werkwoord meteen naamwoord: liefkoozen, eigenlijk
lief koozen „praten", vrijwaren, eigenlijk waren „zorgen", dat iemand
vrij blijft, voltooien, eigenlijk vol maken, logenstraffen, eigenlijk als
leugenachtig ten toon stellen, gekscheren van gek en scheren „spotten"
raadplegen, eigenlijk raad maken, waarschuwen, eigenlijk waar „zorg"
schouwen „toonen."
c.    van een werkwoord met een der b ij woorden: door, mis, om,
onder, over, voor. De klemtoon valt dan op \'t werkwoord en dit komt dikwijls
voor in overdrachtelijke beteekenis : misdoen, doorsnijden, omringen , onder-
scheiden, ondersteunen
, overslroomen, overleggen, voorzeggen, voorkomen.
§ 313. Scheidbaar samengestelde werkwoorden worden gevormd:
a. van een werkwoord met een naamwoord: aderlaten, gade-
slaan
, eigenlijk de opmerkzaamheid richten op, kwijtschelden, eigenlijk
vrij verklaren, enz.
Ten einde steeds te weten, of zulke werkwoorden inderdaad samenge-
steld zijn, beproeve men bij een substantief, of men er een bijvoeglijk
naamwoord of \'t woord geen voor kan plaatsen; bij een adjectief, of
het in den vergrootenden of overtreffenden trap geplaatst kan worden, of
van een bijwoord van graad kan worden voorafgegaan. Is dit niet het
geval, dan heeft men met een samengesteld werkwoord te doen. Zoo zijn
aderlaten, ademhalen, plaatsgrijpen samengesteld; immers men kan niet
zeggen: geene ader laten, ruimen adem halen, geene plaats grijpen.
Daarentegen zijn: acht slaan, acht geven, prijs stellen, plaats vinden,
niet samengesteld, omdat men kan zeggen: geene acht slaan, geene acht
geven, hoogen prijs stellen
, geene plaats vinden. Zoo zijn ook vrijspreken
„vrij verklaren", hoogachten „hoogachting toedragen", goedvinden „raad-
zaam achten", goedmaken „herstellen", goedkeuren „voor goed verkaren",
vrijlaten, loslaten „maken, dat iemand of iets vrij, los wordt", samen-
gestelde werkwoorden, terwijl vrij spreken „ongehinderd spreken", hoog
achten
„hoog rekenen", b.v.: ik acht die belasting te hoog, goed vinden
„vinden, dat iets goed is", b.v.: ik vind dien maatregelgoed\', goed maken
„zoo maken, dat iets goed is", b.v.: die jongen maakt het vrij goed,
goed keuren
„op behoorlijke wijze keuren" {goed is dan bijw.), vrij, los
laten
„iemand of iets in den vrijen toestand laten", b.v.: ik laat hem
zoo vrij als hij was; gij hebt dat louw te los gelalen: trek hel wat aan
en dergelijke geene samengestelde werkwoorden zijn.
-ocr page 157-
143
b. van een werkwoord met een bijwoord: uitgaan, wegvluchten,
aaneenrijgen, samenloopen.
Men lette op de werkwoorden die met door,
mis, om, onder, over
en voor scheidbaar zijn samengesteld. Zij komen
steeds in hunne eigenlijke beteekenis voor; de klemtoon valt op \'t bijwoord:
misraden — verkeerd raden, door loopen = voort en van \'t eene eind
naar
V ander loopen, omwerpen ~ omverwerpen, omslaan — om een
punt heen
gaan of doen gaan, omdwalen =z ronddwalen, ombrengen —
maken, dat iemand \'t leven kwijt raakt, ondergaan, overkomen, voordoen.
Voorts vergelijke men: door loopen en doorlóopen, doorsnijden en door-
snijden , doorzoeken
en doorzoeken, óndergaan en ondergdan, onderhou-
den
en onderhouden, overkomen en overkomen, overwegen en overwegen,
overleggen
en overleggen, voorkomen en voorkómen, voorspellen en
voorspellen, enz.
Het bijwoord weder beteekent in de scheidbare samenstelling: op
nieuw
of terug: wederkomen, wedervinden; in de onscheidbare:
tegen: weerstaan, weerstreven, weerspreken, enz.
§ 314. Samenstelling door middel van afleiding heeft plaats,
wanneer de stam eens werkwoords met een zelfstandig naamwoord wordt
verbonden. Zulke werkwoorden zijn : stampvoeten „met de voeten stampen",
reikhalzen (voor rekhalzen) „den hals rekken", schoorvoeten „de voeten
schoren, schrap zetten", knarsetanden „met de tanden knarsen", knikkc-
bollen
„met den bol knikken", kwispelstaarten „met den staart kwispe-
len", kortwieken „de wieken korten."
§ 315. Een ander geval van samenstelling door afleiding treft
men aan in de woorden beeldhouwen, dwarsdrijven, pluimslrijken. Van
de losse woorden beeld en houwen, dwars en drijven, pluim en strijken
vormde men door middel van \'t achtervoegsel er de substantieven: beeld-
houwer, dwarsdrijver, pluimstrijker.
Daar nu substantieven, als: schrijver,
lezer,
enz. van de werkwoorden schrijven, lezen, enz. waren gevormd,
besloot men uit het bestaan der zelfstandige naamwoorden beeldhouwer,
enz. tot het bestaan der samengestelde werkwoorden beeldhouwen, enz.
en zeide dus: hij beeldhouwt, enz. Enkele op dezelfde wijze gevormde
werkwoorden komen alleen in den infinitief voor, als: koorddansen,
kroeg loopen, scharenslijpen, buikspreken,
enz. Buiten den infinitief ver-
dwijnt de samenstelling: hij danst op de koord, slijpt scharen, enz.
Men vergete niet, dat werkwoorden, als: herbergen, glimlachen, zege-
pralen, rechtvaardigen, verwelkomen,
enz. niet samengesteld, maar
afgeleid zijn van samengestelde substantieven en adjectieven.
III. DE VORMING DER ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.
§ 316. Naar hun\' oorsprong zijn de zelfst. naamwoorden afgeleid of
samengesteld. De afgeleide substantieven zijn gevormd van wortels
of woorden, door daaraan voor- of achtervoegsels te hechten. Die
voorvoegsels zijn:
-ocr page 158-
144
aarts, van vreemden oorspong, komt voor in de naar vreemde titels
gevormde woorden: aartsbisschop, aartsvader, aartsdeken, aartsengel\'en
beteekent dan: voornaamste. In Nederlandsche woorden, steeds met
ongunstige beteekenis, beduidt het: in hooge mate zijnde: aarts-
schelm, aartsleugenaar.
ant = tegen komt alleen voor in antwoord.
af, eigenlijk hetzelfde bijwoord, dat voorkomt in afdak, afval, enz.,
heeft ontkennende kracht in: afgrond „grondelooze diepte", afgod
„ongod" en afgunst.
et = op nieuw vindt men slechts in etgroen ,,\'t groen, dat na \'t
hooien weer ontspruit" en etmaal „telkens terugkeerende tijdkring."
Se = samen. Het vormt van substantieven verzamelnamen:
gebroeders, gezusters, gelieven. Ook in geboomte, gebladerte, enz. is
het dit voorvoegsel, dat deze woorden tot collectieven maakt. Van sommige
woorden met ge is \'t grondwoord niet meer in gebruik: gezel „iemand, die
met een ander samenwoont", genoot „iemand, die met een ander (ge)niet";
gezin
voor gezinde „die met een ander gaan", van zinden (vgl. § 30S);
vandaar dat het voorvoegsel soms weggelaten wordt: gebunr, buur „die met
een ander samenwoont", maat voor gemaal „die met een ander samenspijsl."
Het vormt van stammen van werkwoorden substantieven, welke
eene herhaling der werking aanduiden: geloop, gejubel, geschreeuw,
of \'t voortbrengsel der werking: gebak, gebraad, gebouw, geschrijf.
De beteekenis samen heeft ^e duidelijk in: gesprek, gedrang, geschil.
011 = niet of s 1 e c h t: ongeloof, ondank, ongeluk ; onmensch, ondier,
onweer.
wan, oorspronkelijk ledig, heeft dezelfde beteekenissen als 011: wan-
hoop, wangunsl; wanbegrip, wanklank, wandaad.
oor = uit: oorsprong „\'t springen uit iets", oorzaak „de zaak, waaruit
eene andere voorkomt", oordeel ,,\'tgeen men uitdeelt", oorkonde „stuk,
waaruit men kennis krijgt." De oorsprong van oorlog is onzeker.
§ 317. De voornaamste achtervoegsels der zelfstandige naamwoor-
den zijn de volgende:
1. Mannelijke persoons- en diernamen vormen:
aar, dat meestal van stammen van werkwoorden de namen vormt van
mannelijke personen, die eene werking verrichten: bedelaar, huichelaar,
teekenaar.
Dit achtervoegsel wordt gebruikt, wanneer de werkwoordelijke
stam op eene toonlooze lettergreep eindigt. Bij leeraar, dienaar, minnaar,
overwinnaar
bleef aar behouden, om te vermijden, dat de r of 11 van
den stam te dicht bij de r van \'t achtervoegsel zou komen. Toovenaar
staat voor tooveraar, tnoordcnaar voor moorderaar (van moor der = moord).
Ook bij substantieven komt dit achtervoegsel, dat dan meermalen den vorm
naar krijgt: zondaar, harpenaar, schuldenaar, redenaar, geweldenaar.
Het achtervoegsel naar kwam eerst schijnbaar achter zelfstandige naam-
woorden, die op eene n uitgingen: als: reden-aar, lollen-aar, of achter
zwakke substantieven, die in de meeste naamvallen op 11 eindigden, als
-ocr page 159-
145
harpen-aar ; later plaatste men het ook achter sterke zelfstandige naam-
woorden: schuldenaar, geweldenaar, bultenaar, kluizenaar.
Het achtervoegsel aar is meestal geslonken tot:
er: lezer, schrijver, helper; kater, doffer.
Nog dienen aar en er tot vorming der namen van personen, welke in
zeker land of zekere plaats thuis behooren: Antwerpenaar, Utrechtenaar,
Hollander, Amsterdammer.
Wanneer de landsnaam van den volksnaam is
gevormd, geschiedt dit natuurlijk niet: Deen, Zweed, Pool, Saks (niet:
Sakser), Beier, Fries; toch wel met Duitscher. De uitgang en wordt
soms weggelaten: Harlinger, Bohemer. Zwitser is \'t verhollandschte
Schwyzer van Schwyz.
ier is van Franschen oorsprong en wordt achter substantieven geplaatst,
om personen te beteekenen, die gewoonlijk zeker werk verrichten: tuinier,
herbergier, winkelier.
Ook hier heeft schijnbare of werkelijke inlassching
eener n plaats bij: aalmoezen-ier, valken-ier (vroeger zwak), kruidenier,
hovenier, warmoezenier.
Het vrouwelijke kamenier staat voor camerier(a).
aard, eigenlijk \'t adjectief hard=sterk, vormt meestal van adjectieven
namen van personen, die in sterke mate zekere eigenschap bezitten.
Zij hebben gewoonlijk eene ongunstige beteekenis: grijsaard, wreedaard,
luiaard, gierigaard, dronkaard.
Van werkwoordelijke stammen zijn
gevormd: grijnzaard en veinzaard. Van Spanje komt Spanjaard.
Men lette op \'t verschil in \'t afbreken en \'t daarmee samenhangend
verschil in spelling tusschen: grijs-aard, wreed-aard en grijn-zaard,
vein-zaard.
Dit achtervoegsel is toonloos geworden in:
• erd : slimmerd, blufferd, lafferd. Ironisch worden gebruikt: lieverd,
stouterd.
Immers \'t achtervoegsel erd vormt eigenlijk woorden met ongun-
stige beteekenis.
rik, eigenlijk rijk = sterk, met dezelfde beteekenis als \'t voorgaande
achtervoegsel: stommerik, dommerik, botterik.
and in heiland en vijand is geen achtervoegsel, maar de oude uitgang
van het tegenwoordig deelwoord der werkwoorden heiljen (thans: heeleu)
en vijen „haten." Deze uitgang is tot end geworden in vri-end van
\'t werkwoord vri-en (thans: vrijen) „liefhebben."
2. Vrouwelijke persoon s- en dier namen vormen:
ster, dat achter werkwoordelijke stammen eene vrouw aanwijst, welke
de werking gewoonlijk verricht: schrijfster, stijfster, werkster, helpster.
Als tot vorming van een\' mannelijken persoonsnaam niet er, maar aar
dient, komt ster achter dit laatste: babbelaarsler, leugenaarster.
in, dat van mannelijke persoons- of diernamen de namen vormt der
vrouwen van die personen of der wijfjes van die dieren: koningin, her-
togin, bakkerin
, leeuwin, berin. Soms worden er eenvoudig vrouwelijke
personen door aangeduid, die in aard of betrekking met de mannelijke
overeenkomen : heldin, godin, herderin, waardin.
es, van vreemden oorsprong, dat van mannelijke substantieven de namen
T. TERWEY, Ned. Spraakk. 8e druk.                                                                 io
-ocr page 160-
146
vormt van vrouwen, die in zekere waardigheid of betrekking voorkomen:
zangeres (onderscheiden van zangster „liedjeszangster" of „Muze"), pries-
teres , zondares, dienares,
enz.
egge, dat nog alleen voorkomt in dievegge, en tot ei is overgegaan
in: klappei, labbei „babbelachtig wijf."
3.    Gemeenslachtige persoons- en diernamen vormen:
ing, gewoonlijk 1-ing door den invloed van grondwoorden op I, niet
te verwarren met het gelijkluidende achtervoegsel, dat begripsnamen vormt.
Het duidt allereerst afkomst aan: edeling, Karoling, Vlaming, Weslfa-
ling.
Achter namen van plaatsen beteekent het de personen, die
ergens thuis behooren: dorpeling, stedeling, schepeling; achter
substantieven en adjectieven de personen, welke zekere eigen-
schap bezitten: kleurling, vreemdeling, nieuweling, jongeling; achter
stammen van werkwoorden de personen, welke eene werking
verrichten of ondergaan: leerling, zuigeling, smeekeling, banneling,
(balling), vondeling.
Diernamen zijn: hokkeling, grondcling, gieleling.
Men lette er op, dat, wanneer \'t grondwoord op eene 1 eindigt, \'t achter-
voegsel ing is: edel-ing, hemel-ing. (Verg. ijl-ings bij de bijwoorden.)
4.    Zaaknamen worden hoofdzakelijk gevormd door:
aar, veelal 1-aar door den invloed van grondwoorden op 1. Het vormt
namen van boomen en werktuigen: hazel-aar, roze-laar, tuimelaar.
er, dat namen van werktuigen vormt: stoffer, trekker, snuiter,
blaker.
el, dat mede namen van werktuigen vormt: beugel, sleutel, vleugel,
teugel, hevel, lepel, beitel.
eel, dat denzelfden dienst doet, doch van Franschen oorsprong is:
truweel (troffel). Het komt achter Nederlandsche stammen in houweel,
tooncel.
Men vindt het ook in struweel „struik."
sel, dat nu eens \'t middel aangeeft, om zekere werking te verrichten:
deksel, stijfsel, blauwsel\', behangsel, verguldsel, dan weer substantieven
vormt, welke \'t voortbrengsel eener werking beteekenen: baksel,
brouwsel, zaagsel, opveegsel.
en in namen van landen, als: Polen, Saksen, Beieren, Zweden is
geen achtervoegsel, maar de uitgang van den 3en naamv., die oudtijds
geregeerd werd door voorzetsels als van, naar en dgl., welke men voor
den meervoudsvorm van den volksnaam plaatste, wanneer men van
het land sprak. Later werd deze 3e nv. meerv. voor den stam van den
landsnaam gehouden.
5.    Verkleinwoorden worden gevormd door: je, (e)tje, (e)kijn,
(e)ken, (e)ke, ske, el, ijn, elijn.
Door verkleinwoorden verstaat men die substantieven, welke zelfstandig-
heden voorstellen als klein in hare soort: huisje, tuintje, tafeltje.
Soms geven zij iets aanvalligs te kennen: wijf je,hartje,poesje,zonnetje,
maantje.
Nog dienen zij als verzachtende uitdrukkingen: Och
-ocr page 161-
147
kom, leen mij dat sommetje maar! Mag ik nog een uurtje opblijven?
Toe, wandel dat eindje nog met mij mee. Nog een maandje
, dan krijgen
we vacantie!
Ten slotte beteekenen zij eenvoudig kleine voorwerpen:
Utrechtsche theerandjes, Haarlemmer halletjes, dubbeltjes, enz.
je en tje worden het meest gebruikt. Zij komen ook achter adjec-
tieven, die dan substantieven worden: nieuwtje, liefje, bittertje,
grauwtje, oudje.
(c)kijn, (e)kcn, (e)ke, ske komen weinig voor; de beide eerste alleen in
hoogeren stijl. Zij geven iets lief e lij ks te kennen : kindekijn, gaardekijn,
kindeken, jongske, manneke, boekske.
Het achtervoegsel ik in vuilik is
eigenlijk \'t eerste deel van ek-ijn; dit woord beteekent dus oorspronkelijk
vuiltje.
el vormt substantieven, die vroeger den aard van verkleinwoorden
hadden. De voornaamste zijn: droppel, eikel, sprankel, mazel, bundel,
pukkel, knokkel, knekel
(voor kneukel en dit voor knokel), trommel,
kruimel, stippel
van drop, eik, sprank, maas „vlek", bond, pok, knook,
trom, kruim, stip.
ijii en el-ijn, waarvan \'t eerste deel het vorige el is, komen slechts in
een paar woorden voor: vogelijn, maagdelijn, oogelijn „lieveling."
Het achtervoegsel ing, ling, dat boven besproken is, vormt ook meer-
malen benamingen van kleine voorwerpen, die als verkleinwoorden
moeten worden beschouwd: krui ling, pippeling, krakeling, penning,
schelling, zilverling, teerling;
de grondwoorden zijn hier veelal duister.
6. Begripsnamen worden gevormd door de volgende achtervoegsels:
e, de en te vormen namen van hoedanigheden van adjectieven:
koud-e, woed-e, liefde, diepte, laagte, lengte. Groente is een stofnaam
geworden, terwijl hoogte en laagte soms voorwerpsnamen zijn.
beid, oorspronkelijk een substantief, dat aard, toestand beteekende,
vormt namen van hoedanigheden, meest van adjectieven: waarheid,
goedheid.
Van substantieven komen: menschheid, godheid, kindsheid.
Deze woorden krijgen soms eene concrete beteekenis: menschheid, God-
heid, eene schoonheid, Zijne Hoogheid.
Opmerking verdient het verschil in beteekenis tusschen de substantieven,
die beurtelings te en heid hebben; de eerste drukken dan meestal eene
zinnelijke, de laatste gewoonlijk eene. zedelijke eigenschap uit: hoogte —
hoogheid, laagte
— laagheid, flauwte — flatiwheid, koelte — koelheid.
Men lette ook op \'t verschil tusschen menschheid en menschdom.
ing vormt namen van werkingen van stammen van werkwoorden:
werking, verandering. Deze woorden gaan soms tot de concrete substan-
tieven over: woning, kleeding, vergadering, opening.
st vormt namen van werkingen van werkwoordelijke stammen:
dienst, gunst, kunst, winst, last (voor ladst).
g, van veemden oorsprong, soms nij, crij, crnij, vormt namen,
van werkingen van persoonsnamen: voogdij, beuzelarij, huichelarij,
zotternij;
namen van plaatsen, waar zeker bedrijf wordt uitgeoefend:
io*
-ocr page 162-
148
bakkerij, slagerij, brouwerij; verzamelnamen: burgerij, schutterij,
bakkerij, kleedij.
Eene concrete beteekenis hebben ook: artsenij, schilderij,
drogerijen, woestenij, snuisterij
van snuister „schil, dop, kleinigheid."
nis vormt namen van werkingen van werkwoorden: getuigenis,
begrafenis, vergiffenis.
Van adjectieven vormt het namen van toe-
standen: droefenis, duisternis, ontsteltenis (voor: ontsteld-nis). Eene
concrete beteekenis hebben gekregen: wildernis, gevangenis, vuilnis,
von(d)nis, hindernis.
««;*\'» van vreemden oorsprong, vormt namen van werkingen van
werkwoorden: strijkage, vrijage, slijtage; ook verzamelnamen:
pluimage, plantage. Eene concrete beteekenis hebben ook: stellage „het
gestelde", pakkage „het gepakte."
(lom. voorheen doem (doe, de stam van doen met \'t achtervoegsel m),
was een mannelijk substantief met de beteekenis van werking, vandaar:
wasdom „het groeien." Het beteekent a., als gevolg der werking, een\'
toestand of eene hoedanigheid, voorheen ook eene waardigheid:
ri/kdom, ouderdom, vrijdom, de eigendom; b. het gebied van den
persoon, die zekere waardigheid bekleedt: hertogdom, bisdom, prinsdom,
vorstendom; c.
eene verzameling van zelfstandigheden, die in zekeren
toestand verkeeren of zekere waardigheid bekleeden: adeldom, rijkdom,
menschdom, engelendom. Christendom
en heidendom beteekenen tegen-
woordig: de godsdienstige begrippen der Christenen en heidenen. Het
eigendom
heeft eene concrete beteekenis; heiligdom beteekent thans
gewoonlijk heilige plaats.
schap, oorspronkelijk een substantief van denzelfden wortel als schep-
pen z=. vormen, maken,
beteekent a. als gevolg van \'t maken, een\'
toestand, eene hoedanigheid of eene waardigheid: blijdschap,
vriendschap, vijandschap, gramschap,
het vaderschap, priesterschap,
koningschap; b.
het gebied van den persoon, die zekere waardigheid
bekleedt: graafschap, heemraadschap; c. eene verzameling van zelfstan-
digheden, die in zekeren toestand verkeeren of zekere waardigheid beklee-
den: gezelschap, genootschap, gereedschap, de vroedschap, ridderschap.
Rekenschap, lueddenschap, wetenschap
zijn namen van werkingen;
het laatste is ook dikwijls een verzamelnaam. Verg.: De wetenschap,
dat hij ivel eens zich aan eene logen had schuldig gemaakt, deed mij
eenigcn argwaan koesteren,
met: de wetenschap beoefenen. Landschap
schijnt gevormd naar graafschap en dergelijke.
Opmerking verdienen de woorden: maatschappij, heerschappij en voog-
dijschap,
waarin de achtervoegsels schap en ij beide voorkomen, terwijl
één van beide reeds voldoende zou zijn. Men vatte namelijk maatschap
op als den naam van een\' toestand en maakte daarvan nu een\' verzamel-
naam; heerschaj> werd opgevat als persoonsnaam en hiervan maakte men
den naam eener werking; voogdij schijnt opgevat te zijn als de naam
eener werking, waarvan men door schap weer een\' toestandsnaam maakte.
§ 318. Zelfstandige naamwoorden kunnen eigenlijk of oneigenlijk
-ocr page 163-
149
samengesteld zijn. Bij de eigenlijk samengestelde kan alleen door om-
schrijving \'t begrip der samenstelling worden weergegeven. Zij bestaan uit:
a.    twee substantieven: heereboer, brandweer, nacht licht, voet-
mat, straatweg.
b.    een substantief en den stam eens werkwoords: schaaf -
bank, hang lamp, naaimachine.
c.    een substantief en een telwoord: drieman, viervorst, zeven-
klapper, denman.
d.    een substantief en een bijwoord: bovenhuis, achterdeur, bijblad.
§ 319. De oneigenlijk samengestelde substantieven bestaan uit twee
substantieven, waarvan het een tot het ander in de betrekking van den
genitief staat, of uit een bijvoeglijk naamwoord en een substan-
tief: varkenshok, leeuwenmuil, zonneschijn, hoenderhok; hoogepriester,
laagland\', hoogvlakte, grootvader. Ten opzichte der met adjectieven samen-
gestelde woorden merke men op, dat zij soms, wanneer de deelen van
elkander worden gescheiden, wel niet volkomen, maar toch in hoofdzaak
het begrip des geheels behouden; vandaar dat zij tot de oneigenlijke
samenstellingen behooren.
§ 320. Samenstelling door afleiding heeft plaats:
a.    wanneer twee of meer losse woorden door een der achtervoegsels
er of ing tot een samengesteld woord zijn verbonden: een achtenveertiger
„een man van 48 jaar", achtenzestiger „wijn van \'68", boekhouder (van
boek houden), waterdrager (van water dragen), broodwinning (van brood
winnen), tentoonstelling
(van ten toon stellen).
b.    wanneer van een substantief, gevolgd door den stam van een werk-
woord, een samengesteld substantief wordt gevormd, dat in beteekenis
overeenkomt met een substantief op er of ing: oliekoop (van olie koopen),
schoenen/lik
(van schoenen flikken), voetveeg (van voet vegen), eerbied
(van eer bieden), koffiepluk (van koffie plukken), tijdverdrijf (van tijd
verdrijven).
§ 321. Eene andere wijze van samenstelling bestaat daarin, dat men
door middel van een substantief, dat van een adjectief, een telwoord of
den stam eens werkwoords wordt voorafgegaan, de zelfstandigheid
noemt, welke datgene bezit, wat door de leden der samenstelling
wordt uitgedrukt: roodhuid, platvoet, kwikstaartjc, drictand, vierhoek,
wipneus.
Nog andere samenstellingen noemen het onderwerp der wer-
king, in \'t eerste deel der samenstelling uitgedrukt: stokebrand, dwinge-
land, brekespel, bemoeial, wee/niet,
enz.
IV. DE VORMING DER BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN.
§ 322. Naar hun oorsprong zijn de bijvoegl. naamwoorden afgeleid
of samengesteld. De afgeleide zijn gevormd uit wortels of woorden
door middel van voor- of achtervoegsels. Die achtervoegsels zijn:
cl: scham-el, wank-el, vermet-el, vergel-el(-heid).
-ocr page 164-
150
er: bilt-er, wakk-er.
achfig (zonder hoofdtoon), misschien hetzelfde als het volgende achter-
voegsel. Het beteekent: gelijkende op, overeenkomende met,
geneigd tot: steenachtig, regenachtig, kinderachtig, meesterachtig;
zwartachtig, oudachtig; schrikachtig, spotachtig, snapachlig.
aclitig (met den hoofdtoon), hetzelfde als ha f lig =r hebbende:
deelachtig, waarachtig, woonachtig.
Iiaflig bestaat uit twee achtervoegsels: haft, behoorende tot haven,
bijvorm van hebben, en is. Het beteekent: de eigenschap bezit-
tende van \'tgeen het grondwoord noemt: manhaftig, heldhaftig. In
krijgshaftig beteekent haf lig: gaarne hebbende, in ernsthaf lig :
bezittende.
baar, oorspronkelijk een adjectief van denzelfden wortel als het werk-
woord beren, dat de beteekenis had van dragen, voortbrengen. Het
beteekent dan ook nog: dragende, voortbrengende in: vruchtbaar,
dankbaar, kostbaar, schijnbaar, eerbaar. Reisbaar
en strijdbaar betee-
kenen: geschikt tot eene reis, een\' strijd. In dierbaar, middelbaar
en openbaar beteekent het achtervoegsel eenvoudig: gekenmerkt door
\'tgeen het grondwoord beteekent. Achter werkwoordelijke stammen ge-
plaatst, heeft het gewoonlijk de beteekenis van: geschikt tot het
ondergaan der werking: draagbaar, eetbaar, leesbaar, hoorbaar, enz.
Het komt dan ook achter stammen van overgankelijke werkwoorden.
Uitgezonderd is vloeibaar „geschikt tot vloeien."
Oorbaar is samengesteld uit oor „uit" en een\' stam van het werkwoord
beren „brengen" en beteekende dus eerst: voortbrengende, nuttig, later:
gepast, voegzaam.
en vormt stoffelijke adjectieven van stofnamen: gouden, zilveren,
aarden; purperen
en azuren behooren mede oorspronkelijk hiertoe. Linnen
is afgeleid van lijn, nog over in lijnzaad, lijnwaad, enz.; garen staat
voor garen en.
in beteekent: a. hebbende, bezittende: machtig, ijverig, driftig;
hoofdig, handig; b.
overeenkomende met: kattig, bokkig; goedig,
natlig; c.
gewoonlijk de werking verrichtende: bevallig, bedrij-
vig, begeer ig, tialalig.
Nog dient het tot vorming van adjectieven uit
bijwoorden: huidig, voormalig, nietig, nederig.
Meermalen vindt men adjectieven op erigr met eene ongunstige betee-
kenis: slaperig, bever ig, stooterig, zanderig, winderig, weelderig. Deze
woorden zijn meerendeels gevormd naar het voorbeeld van woorden op
ig, waarvan \'t grondwoord op er eindigt, als: huiverig, sufferig, enz.
hcIi, vroeger en soms nog iscli (wettisch, afgodisch), vormt van
lands-, volks- of plaatsnamen adjectieven met de beteekenis: thuis be-
hoorende in ofafkomstig van: hemelsch, helsch, aardsch, steedsch,
Amsterdamsch, Hollandsch, Fransch.
Is \'t grondwoord een persoons- of
diernaam, dan beteekent hot overeenkomende met: slaafsch,
kindsch, hondsch, boersch.
Is \'t grondwoord een stofnaam, dan betee-
-ocr page 165-
151
kent het bestaande uit: lakensch, duffelsch, neteldoeksch. Is \'t grond-
woord een bijwoord, dan vormt het een adjectief met dezelfde beteekenis:
rechtsch, linksen, fiksch, voorwaartsch, enz.
lijk, eigenlijk \'t znw. lijk, dat oorspronkelijk lichaam, en vandaar
gedaante, uiterlijk beteekende. Eerst kwam het achter adjectieven en sub-
stantieven , als: liefelijk, vrouwelijk, vorstelijk, welke dus de beteekenis
hadden van een lief uiterlijk hebbende, het uiterlijk van eene vrouw,
een\' vorst hebbende.
Zoodoende bekwam lijk den zin van overeenko-
mende met en behoorende tot: koninklijk, burgerlijk, menschelijk,
moederlijk, adellijk, lichamelijk; armelijk, ziekelijk.
Eindelijk werd\'t ook
achter stammen van werkwoorden geplaatst met de beteekenis: geschikt
om de werking te doen of te ondergaan, soms zoowel \'t een
als \'t ander: behaaglijk, bekoorlijk, voortreffelijk, verrukkelijk; geloo-
felijk, onuitsprekelijk, onverbiddelijk; aannemelijk
(kind, voorwaarde),
begrijpelijk, verachtelijk (gebaar, daad), aandoenlijk (gestel, voorval).
Men lette op \'t verschil tusschen de achtervoegsels achtig en lijk in:
meeslerachtig en meesterlijk, kinderachtig en kinderlijk en tusschen
de achtervoegsels baar en lijk in: draagbaar en draaglijk, onuit-
spreekbaar
en onuitsprekelijk, onmeetbaar en onmetelijk, kostbaar en
kostelijk, enz.
loos, oorspronkelijk een adjectief van denzelfden wortel als (ver)liezen.
Vandaar dat het beteekent beroofd van of niet bezittende: eer-
loos, ouderloos, moedeloos; reddeloos, stoor loos, duldeloos.
zaain = één zijnde met, overeenkomende met (verg. zamen en
zamelen): deugdzaam, eerzaam, heilzaam, gemeenzaam. Achter stammen
van werkwoorden beteekent het: geneigd tot: buigzaam, werkzaam,
opmerkzaam. Langzaam
is mede van dit achtervoegsel voorzien; zeldzaam
was vroeger zeldzaan; de oorsprong van dit achtervoegsel is duister.
§ 323. Bijvoeglijke naamwoorden worden afgeleid door de voorvoeg-
sel s: aarts: aartsdom, on: onvriendelijk, ge: dat het begrip des grond-
woords versterkt in: gestreng, gereed, getrouw, gewillig. Het begrip
samen heeft ge nog duidelijk in geheim (adj.) „tot het huis behoorende,
niet openbaar" en in gelijk van lijk „lichaam, uiterlijk" dus: „hetzelfde
uiterlijk hebbende."
Opmerking verdienen de adjectieven, die den vorm hebben van ver-
leden deelwoorden van werkwoorden, voorzien van \'t voorvoegsel
be. Zij zijn naar het voorbeeld van werkelijke deelwoorden, als: bemand,
bedijkt,
enz. van substantieven gevormd en beteekenen voorzien
zijnde van \'tgeen het grondwoord uitdrukt: behuisd, bedaagd,
bejaard, befaamd, beroemd, berucht
van een vroeger rucht „roep."
Zoo vindt men ook een aantal adjectieven, die de verleden deel-
woorden schijnen van werkwoorden, door ge afgeleid, doch inderdaad
naar het voorbeeld van werkelijke deelwoorden als: gekleed, gekroond, enz.
van zelfstandige naamwoorden zijn gevormd en mede voorzien zijnde
van beteekenen: gegoed, gevind, gevingerd, gerand,gestaart, gespoord\',
-ocr page 166-
152
gelaarsd, gerokt, enz. Soms worden zij weder met een adjectief samen-
gesteld : hooggetopt, breedgeschouderd, grofgespierd.
Over de participiale adjectieven zie men § 220.
§ 324. De bijvoeglijke naamwoorden zijn oneigenlijk of eigenlijk
samengesteld.
Oneigenlijke samenstelling heeft plaats in: aloud, welzalig, inge-
lukkig, overdruk,
waarin \'t eerste deel den graad der hoedanigheid aan-
geeft. Dit doen ook woorden als: stok-, stekc-, splinter-, fonkel-, nagel-,
enz. in: stokdoof, stekeblind, splinternieuw, fonkelnieuw, nagelnieuw,
enz. Ook zijn oneigenlijk samengesteld: krac/itvol, eerwaardig, des-
kundig, vergevensgczind, schaduwrijk, Godgevallig,
enz., waarin \'t bij-
voeglijk naamwoord of voornaamwoord in den 2en of 3°" naamval staat.
E i g e n 1 ij k e samenstelling heeft plaats in: doofstom , dat uit twee
adjectieven bestaat, benevens in: vogelvlug, gitzwart, loodrecht, spilziek,
waarvan \'t eerste lid een substantief of de stam eens werkwoords is. In
hemelsblauw, doodsbleek en doodsbenauwd is eene s ingelascht.
§ 325. Samenstelling door afleiding heeft plaats in: hardnek-
kig, stijf hoofdig, krankzinnig, driekleurig, inheemsch, bovcnaardsch,
groolschcepsch, hedendaagsch,
waarbij de achtervoegsels is en scli de
samenstelling bewerken.
V. DE VORMING DER VOORNAAMWOORDEN.
§ 320. Aangaande enkele voornaamwoorden valt het volgende op te
merken:
Welk is samengesteld uit wie-lijk — hoe gevormd, evenals zulk uit
zoo-lijk =. zoo gevormd. Hoedanig is gemaakt van de losse woorden hoe
daan
(verleden deelwoord van doen = maken) door middel van \'t achter-
voegsel ig, en beteekent dus: hoe gemaakt, evenals zoodanig van zoo-daan-ig.
Degene of diegene en dezelfde zijn samengesteld uit de, die en gene,
zelfde;
\'t laatste is een overtreffende trap van zelf.
Elkander en malkander zijn samengesteld uit elk, malk en ander.
Elk
bestaat uit ie-lijk, waarin ie = eenig en lijk oorspronkelijk gedaante
hebbende. Iegelijk
bestaat uit \'t zelfde ie en gelijk, dat dezelfde beteekenis
had als lijk. Ieder is ontstaan uit ie-weder; het laatste lid beteekende
oorspronkelijk wie van beiden en vervolgens wie dan ook. Malk is ont-
staan uit man-lijk, waarin man = der menschen en lijk hetzelfde
achtervoegsel is als in elk en iegelijk, doch hier in de beteekenis van
ieder. Verg. jaar lij k(s) ■=. der f aren ieder, enz. Iemand is gevormd uit
ie — eenig en man =. mensch; de <1 is later aangehecht. Niemand
bevat bovendien \'t bijwoord ne = niet. Iets is samengesteld uit ie = eenig
en wicht — zaak; de s is waarschijnlijk de uitgang van den 2™ naamval.
(Ook alles, de genitief van al, wordt als iBt0, 3^° en 4de naamval gebruikt).
Niets bevat bovendien \'t bijwoord ne = niet. In denzelfden zin als iels
en niets gebruikte men voorheen iel en niet; \'t eerste komt nog voor in
-ocr page 167-
153
de samenstelling ielwat en in \'t rijmpje: Als niet komt tot iet, enz.;
niet = niets treft men aan in: weetniet, hij geeft er niet om, te niet
gaan, is
V anders niet? in hel niet, eene niet. \'t Ontkennend bijwoord
niet is \'tzelfde woord als \'t voornaamwoord niet.
VI. DE VORMING DER TELWOORDEN.
§ 327. De bepaalde hoofd telwoorden beneden elf zijn van on-
bekenden oorsprong. Elf en twaalf bestaan uit een, twee (twa) en lif,
dat óf tien beteekent, óf verwant is met b-lijven. In \'t laatste geval zouden
elfen twaalf beteekenen: een, twee boven (tien). Twintig, dertig, enz.
bestaan uit twee, drie, enz. en tig, een substantief, dat tiental beteekent.
Tachtig heeft de t vóór tig uitgeworpen; de t aan \'t begin is overgebleven
van een voorvoegsel, dat ook voor zeventig en negentig stond, doch daar
is verdwenen; het heeft echter de verscherpte uitspraak der z van zeventig
veroorzaakt. Ook zestig gaf men voorheen bij vergissing wel eens eene t,
vandaar de uitspraak seslig; zelfs zegt men: feerlig en fijflis- Het eerste
deel van hond-erd beteekende alleen reeds ioo; het laatste beduidde eigen-
lijk tal; van duizend is de oorsprong duister; millioen is \'t Fransche
million en beteekent eigenlijk: een groot duizendtal.
Honderd, door een bepaald hoofdtelwoord voorafgegaan, vormt daar-
mede eene samenstelling: tweehonderd, daarentegen: drie duizend, niet:
drieduizend; evenzoo: vier en zestig, enz.
Geen is ontstaan uit negeen voor nech-een = noch, niet een.
§ 328. Van de onbepaalde hoofdtelwoorden zijn eenig, som-
mig
en weinig afgeleid door middel van ig van de grondwoorden: een,
som
„eenig", wein (waarvan ook \'t werkwoord weeneti); het laatste woord
beteekent eigenlijk ellendig, vandaar: klein, niet veel. De oorsprong van
menig is onzeker. Luttel is een adjectief, dat klein beteekent. Ettelijk
bestaat uit et = een of ander en lijk -— gedaante hebbende en betee-
kende dus eerst verschillend, evenals verscheiden.
§ 329. De rangtelwoorden worden van de hoofdtelwoorden ge-
vormd door de of ste, eigenlijk uitgangen tot vorming van den o ver-
treffen den trap: zevende, achtste, enz. \'t Rangtelwoord van één is
de overtreffende trap van \'t bijwoord eer = vroeg.
§ 330. Hier maken wij ook melding van eenige woorden, die met
telwoorden zijn samengesteld. Het zijn :
a.    herhalingsgetallen, samenstellingen van een telwoord en een
der substantieven: maal, keer, werf en reis, waarvan \'t eerste lijd, het
derde wending, het laatste gang beteekent: vijfmaal, zeskeer, driewerf,
eenreis
(ereis), enz. Maal en keer vormen geene samenstelling, wanneer
zij in \'t meervoud voorkomen: drie malen, zes keer en, verscheiden
malen.
— Zij doen den dienst van bijwoorden van tijd of graad.
b.    verdubbelgetallen, samenstellingen van een telwoord en \'t sub-
-ocr page 168-
154
stantief voud: drievoud\', zesvoud, veelvoud, \'t Woord voud is een oudere
vorm van den stam van vouwen {vonden). Van deze woorden, die den
dienst doen van substantieven, worden adjectieven gevormd door \'t achter-
voegsel ig: drievoudig, negenvoudig: Voudig komt ook in den vorm
vuldig voor: drievuldig, veelvuldig, menigvuldig. Voor tweevoudig ge-
bruikt men \'t Fransche dubbel (doublé).
c. soortgetallen, samenstellingen van een telwoord en de substan-
tieven lei en hande. Het laatste woord is \'t meervoud van hand, dat
soms aard, wijze (bijv. in langzamer hand) en vandaar soort beteekent;
lei heeft dezelfde beteekenis, doch is van vreemden oorsprong, \'t Telwoord
komt in deze samenstellingen in den ge nitief voor: eenerlei, tweeërlei,
drieerlei, vier der lei
, allerhande, enz. Tweeerlei, twceerhande (menschen)
beteekent dus: (menschen) van twee soorten. — Zij worden tot de adjec-
tieven gerekend.
VII. DE VORMING DER BIJWOORDEN.
§ 331. Uit wortels zijn gevormd vele eenlettergrepige woorden, als:
nu, zoo, ja, voor, na, uit, op, in, enz. Vele daarvan komen ook als
voorzetsels voor.
Opmerking verdienen hier, daar en waar, die meestal eene rust op
eene plaats; her, der, wer, in: herwaarts, derwaarts, werwaarts, die
eene beweging naar eene plaats; heen {henen), daan (in vandaan),
die eene beweging van eene plaats te kennen geven.
§ 332. De achtervoegsels, die dienen tot vorming der bijwoor-
den, zijn:
c, dat tegenwoordig niet veel meer voorkomt: dichte bij, gaarne,
alreede, verre, lange: nog in lange niet
(B.).
en, dat eene beweging van eene plaats aangeeft: noordenwind,
zuidenwind,
enz. Het komt ook voor in: boven, beneden, binnen, buiten,
doch heeft daar zijne oorspronkelijke beteekenis verloren.
er, dat eene beweging.naar eene plaats beteekent: Zuiderzee, Wes-
terker k, Oosterblokker.
In opper-, niter-, inner-, neder heeft het deze
beteekenis niet meer.
lijk, dat bijwoorden van hoedanigheid vormt van adjectieven: strenge-
lijk, heuschclijk, scherpelijk, heldhaftiglijk.
\'t Wordt tegenwoordig niet
veel meer gebruikt; adjectieven worden meestal zonder achtervoegsel als
bijwoorden gebezigd.
lijks, hetwelk bestaat uit lijk, dat ieder \'beteekent en de s van den
tweeden naamval: jaarlijks, dagelijks, maandelijks. (Verg. § 333)
lings, bestaande uit ling, \'t zelfde achtervoegsel, dat ook substantieven
vormt, en de bijwoordelijke s: ruggelings, zijdelings, tappelings, ijlings
(Verg. § 334).
waarts, bestaande uit waart = gekeerd naar en de vorige s: hemel-
waarts , huiswaarts.
-ocr page 169-
155
ge wijze = op de wijze van: trapsgewijze, steelsgewijze, boogsgewijze.
jcs, <jcs, keus. die bijwoorden van hoedanigheid vormen van adjec-
tieven: zoetjes, stilletjes, warmpjes, zachtkens. Dit zijn eigenlijk sub-
stantieven, van adjectieven afgeleid, in den 2en naamval. (Zie § $2,2)
§ 333. Zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden
en telwoorden worden dikwijls in den 2C", 3cn en 4en naamval als bij-
woorden gebruikt.
De tweede naamval van substantieven komt voor in: daags, deels,
steeds, altoos
voor altoges (van toog — gang; vgl. tijgen voor tic(li)cn z=
gaan), des daags, des zomers, zijns weegs , rechtstreeks, grootcndeels, eens-
klaps , veelszins, blootshoofds
, barrevoets, enz.; van adjectieven in: reeds,
slechts
„eenvoudig", allengs, zelfs, doorgaan(d)s, vervolgen(d)s, willen(d)s
en welen(d)s, onvoorziens, onverhoeds,
voorts in : eens, zulks, dies, des.
De derde naamval komt voor in: midden, gisteren, mijnentwege,
wijlen, lrouwen{s), willen(s), vaak
(voor vaken van vak „tijdruimte"),
zelden.
De vierde naamval komt voorin: altijd, weg, veel, weinig, ge-
noeg, den heelen dag, de gansehe week,
enz.
§ 334. Het groot aantal woorden, dat in den bijwoordelijken 2en naam-
val op eene s uitgaat, heeft veroorzaakt, dat men achter verschillende
bijwoorden, die niet in dezen naamval stonden, ook eene s heeft geplaatst.
Deze s behoort derhalve in die woorden eigenlijk niet thuis; zij wordt
bijwoordelijke s genoemd. Men treft haar aan in alle bijwoorden op
s, wier eerste deel een voorzetsel is, als: n-even-s, benevens, t-cvens>
ter loop-s, lhan(d)-s, bijkan(t)-s, intijd-s, in-s-gelijk-s
, vanouds, z>an-
nieuws, vanzin-s, opeen-s, binnens-lands, buiten-s-land-s
, lusschen-dek-s,
voor-s-hand-s;
ook in: desnoods, dikwijls {mijl is V.), in de uitdruk-
kingen : lot weerziens, tot bloedens toe, enz.
§ 335. Als samenstellingen worden beschouwd:
1.    de bijwoorden, uit twee bijwoorden bestaande, wanneer een
daarvan zijne beteekenis heeft gewijzigd: weleer, voor wijlen-eer, letterlijk
inderlijd-vroeger, evenzeer, kortom , ronduit, bovenop, voorin , waarop,
hierover, daarvan, enz. Men onderscheidt dus: veel eer en veeleer, hoe
verre
en hoeverre, hoe veel en hoeveel, zoo lang en zoolang, enz.
Van de voornaamwoordelijke bijwoorden worden als samenstellingen
beschouwd die, welke aanvangen met hier, daar en waar, doch die,
welker eerste deel ergens, nergens, overal en er is, worden los naast
elkander geplaatst: ergens mede, nergens over, overalaan, er tusschen, enz.
2.    de bijwoorden, die bestaan uit een voorzetsel, door een ander
woord gevolgd, wanneer èf \'t eerste èf het tweede deel zijne beteekenis
heeft gewijzigd: achterwege, onderweg, overeind, overhoop, bijgaial,
integendeel, inzonderheid, terstond, terug, inderdaad, overlang
, over-
luid, opnieuw, vooral, aaneen, omhoog, omlaag, omver,
enz.
Men onderscheidt daarom: vanhier, vandaar, vanwaar „om deze, die,
welke reden" en van hier, daar, waar „van deze, die, welke plaats",
-ocr page 170-
156
voorzeker „stellig" en voor zeker, voor goed en voorgoed en schrijft
steeds: met luider stemme, in aller ijl, te gelijkcr lijd.
3.    de bijwoorden, bestaande uit een voorzetsel en een substantief,
schijnbaar in den sterken mannelijken of onzijdigen genitief:
buitenshuis, binnenskamers, oudershands, voorshands, of waarin een
ander voorzetsel dan te met het lidwoord is samengesmolten: metterdaad,
mettertijd, uitermate.
4.    de bijwoorden, die bestaan uit een adjectief en een substantief
in den genitief: goedsmoeds, allerwegen, langzamerhand, toevalliger-
wijze
= toevallig. Doch wanneer \'t substantief v r o u w e 1 ij k is en in
eigenlijken zin voorkomt, blijven de deelen gescheiden: onverrichter
zake, ouder gewoonte
, zaliger gedachtenis.
5.    de bijwoorden, waarvan \'t eerste deel een verouderde genitief
van een voornaamwoord is: dermate, destijds, derhalve.
§ 33G. Onder de samengestelde bijwoorden zijn er eenige, wier deelen
tegenwoordig niet meer zijn te herkennen. De voornaamste daarvan zijn:
achterbaks ~ achter den rug, imtner = ie-tneer (op) = eenigen (tijd)
in de toekomst, nimmer = n-ie-meer, wanneer = wan-eer = (op) welken
(tijd) in \'t verleden, thans = te hand = bij de hand, heden {huiden) =
hie dage = op dezen dag, tegen = le-jegen, tevens "=■ t-even-s — te
gelijker (tijd), nevens = in-even-s = op gelijke (plaats), niettemin =
niet-de-min = niet daardoor minder, nochtans = nog dan = nog in dat
(geval), misschien = (\'t) mag schien = \'t kan geschieden.
VIII. DE VORMING DER VOORZETSELS.
§ 337. Uit wortels zijn gevormd: op, in, uit, enz. Afgeleid zijn:
b-uil-en, b-inn-en, b-ov-en, ov-er, ach-lcr (af-ter), be-ned-en, vergelijk
ued-er. Van andere komen de grondwoorden niet meer voor. Samenge-
steld zijn: van ~ af-an, tot = to-te, omtrent := om-trent ~ om-rond,
rondom.
§ 338. Niet zelden worden substantieven en adjectieven als voorzetsels
gebruikt: krachtens, luidens, namens, omstreeks, ondanks, spijt, tijdens,
trots, wegens, lusschen,
3e nv. mv. van twisch, een afleidsel van twee,
langs.
Deze zelfstandige naamwoorden doen een\' dergelijken dienst als de
bijwoordelijke uitdrukkingen: om-wille, van-wcge, ten spijl, in weerwil,
uit naam, uit kracht, naar luid, uit hoofde
(van), enz. en werden,
evenals deze, oorspronkelijk gevolgd door een\' 2on naamval, welke later
door een 4™ is vervangen. Zoo staat krachtens de wet voor: krachtens
der wet
= uit kracht der wet.
Ook tegenwoordige en verleden deelwoorden zijn meermalen tot voor-
zetsels geworden. Sommige daarvan als: gedurende, hangende, niettegen-
staande, staande, behoudens
(voor behouden) vormden voorheen met een
voorafgaand of volgend substantief eene bijwoordelijke uitdrukking
-ocr page 171-
157
in den 2en of 3°" of naamval (verg. § 333), die gelijk stond met een\'
beknopten bijwoordelijken bijzin, waarvan het substantief het onderwerp
was. Zoo beteekenen: gedurende den oorlog, hangende het geschil,
niettegenstaande den regen, staande de vergadering, behoudens eene
opmerking
eigenlijk hetzelfde als: „terwijl de oorlog(ge)durende, het geschil
hangende, de regen niettegenstaande, de vergadering staande, eene opmer-
king behouden is." Later verving men den 2™ of 3nn naamv. van het
naamw. door den 4en en plaatste men steeds het deelwoord vooraan.
Andere, zooals: aangaande, betreffende, nopens (voor nopende „rakende"),
rakende werden voorafgegaan of gevolgd door een naamwoord in den
naamval, dien deze werkwoorden regeerden. Zoo beteekenen: Hij deed
eetiige mededeelingen aangaande, betreffende, tiopens, rakende deze zaak,
eigenlijk: „die deze zaak (4° nv.) aangaande, betredende, nopende, ra-
kende
zijn." Volgens (voor volgende) regeerde een\' 3°™ nv., derhalve:
volgens mijne meening „mijne meening (30 nv.) volgende", „wanneer
men mijne meening volgt."
IX. DE VORMING DER VOEGWOORDEN.
§ 339. De voegwoorden behooren evenals de voorzetsels meestal oor-
spronkelijk tot andere woordsoorten; zij worden voegwoorden, wanneer zij
dienen tot verbinding van zinnen of zindeelen. Alleen als voegwoorden
komen voor: en, noch, want, maar, doch, of, zoodra, omdat, dewijl,
wijl, vermits, nademaal, naardien, doordat, doordien, aangezien,
weshalve, zoodat, opdat, ofschoon, hoezeer, hoewel, indien, mits, tenzij,
tenware, als, alsof.
Het voegwoord dat is één met het aanw. vnw.; het wees oorspronkelijk
op den inhoud van den volgenden zin: Ik heb gehoord, dat hij gaat
vertrekken
eig.: Ik heb dat gehoord: hij gaat vertrekken. Vandaar dat
het ook door voorzetsels kan worden voorafgegaan : voordat, eerdal (eer was
voorheen ook voorzetsel), totdat, nadat, door dal, omdat, opdat, enz. In
den 3en naamval komt dat voor in: doordien, naardien, bijaldien.
Mits hangt samen met met; als is oorspronkelijk alzoo; maar is
ontstaan uit: (het) ne =: en ware r= (zoo) het niet ware (dat). Weshalve is
samengesteld uit wes = van wat en halve = reden; dewijl is eigenlijk
een bijwoord van tijd: (in) den tijd (dat), evenals terwijl en nademaal\'=
na dien tijd. Tenzij en tenware zijn ontstaan uit de volzinnen: het en
zij ■=■
het zij niet (dat) en het en ware. Voorts moet het nevenschikkende
of, voorheen ofte, wel onderscheiden worden van \'t onderschikkende of,
dat indien beteekent en ook voorkomt in ofschoon :=. indien al, en alsof
=
als indien.
Bijzondere opmerking verdienen de voegwoorden, die oorspronkelijk
deelwoorden waren. Zij vormden eigenlijk beknopte bijzinnen, waarvan
het onderwerp volgde in den vorm van een\' zin en waaruit het deelwoord
zijnde of wordende was weggelaten. Zoo beteekenden : aangezien (dat), aan-
-ocr page 172-
158
genomen (dat), gesteld\'(dat), ondersteld\'(dat), toegegeven (dat), uitgenomen,
uitgezonderd
eigenlijk: „dit of dat aangezien, aangenomen, gesteld\', enz.
zijnde", bijv.: Aangezien het weer beter wordt, zullen we spoedig ver-
der kunnen gaan = Aangezien
(zijnde), (dat) het weer beter wordt,
enz. — Niettegenstaande (dat) volgde het voorbeeld van andere voor-
zetsels, als totdal, voordat, enz. en werd zoodoende tot een voegwoord.
Behalve, uit be en halve „zijde", dus eigenlijk „terzijde" (gesteld zijnde),
uitgenomen en uitgezonderd zijn tegenwoordig, ook wanneer zij alleen
door een naamwoord worden gevolgd, in den regel te beschouwen als
voegwoorden: zij regeeren geen\' naamval meer. Zoo zegt men:
Allen waren tevreden behalve, uitgenomen, uitgezonderd hij, waarin
men dus behalve hij opvat als: behalve dat hij niet tevreden was.
Alleen wanneer behalve voorafgaat, hoort men ook: Behalve ons waren
er nog verscheidene gasten genoodigd,
waarin behalve dus nog een\' 4cn
naamval regeert.
-ocr page 173-
ZESDE BOEK.
DE LETTERS EN HAAR GEBRUIK.
I. DE LETTERS IN \'T ALGEMEEN.
§ 340. De enkelvoudige bestanddeelen der woorden zijn de letters.
Men verstaat daaronder zoowel de bestanddeelen van het gesproken woord :
letterklanken, als die van \'t geschreven woord: letterteekens.
§ 341. De letterklanken worden verdeeld in klinkers {vocalen)
en medeklinkers (consonanten). Klinkers zijn klanken, door mid-
del van de spraakwerktuigen voortgebracht. Medeklinkers zijn een
geruisch vóór of na een\' klinker.
§ 342. De letterteekens zijn enkelvoudig, wanneer hunne
trekken samenhangen: a, c, q, samengesteld, wanneer één letter klank
door meer dan één letter te eken wordt voorgesteld: aa, ie, en, oc, cli,
ng (in zing, dwing, dwingen).
§ 343. Al onze letterteekens zijn van vreemden oorsprong; zij zijn aan
\'t Latijnsche alphabet ontleend. Men noemt echter in \'t bijzonder de
c, q, x en y (ypsilon) vreemde letters, daar zij, met uitzondering van
de c in \'t samengestelde letterteeken cli, alleen in vreemde woorden
voorkomen.
§ 344. Zooveel letterklanken, als er van een woord in eens worden
uitgesproken, vormen eene lettergreep.
Er zijn dus één- of meerlettergrepige woorden: baas, va-der,
tim-mer-man.
Eene lettergreep heet open, zoo zij op een\' klinker eindigt; gesloten,
wanneer zij een\' medeklinker aan \'t slot heeft.
§ 345. De klemtoon, d. i. de meerdere of mindere nadruk, waar-
mede de lettergrepen worden uitgesproken, vormt den band, die de onder-
scheidene deelen eens woords tot eene eenheid verbindt. Vergelijk: vrij
spreken
met vrijspreken, een groot vorst met een grootvorst.
§ 34G. De klemtoon is tweeerlei: hoofdtoon en bij toon. Zoo heeft
in \'t woord vaderland de lettergreep va den hoofdtoon, land den bijtoon;
de lettergreep der, waarvan men den klinker nauwelijks laat hooren, heet
toonloos. Ten opzichte van den klemtoon zijn de lettergrepen dus van
drieerlei aard.
-ocr page 174-
160
II. DE KLINKERS.
§ 347. De klinkers worden verdeeld in enkelvoudige klinkers
en tweeklanken. Bij het uitspreken der eerste hooren wij een\' o n d e e 1-
baren klank; de tweeklanken bestaan uit twee wel ineenvloeiende, maar
nog duidelijk te onderscheiden letterklanken.
De enkelvoudige klinkers, die in \'t beschaafde Nederlandsch voor-
komen, zijn: a, aa; c, cc; i, ie; o, oo; n, uu; cu, oc; de tweeklan-
ken: ai, ei; ij, ui; au, ou; aai, ooi, oei; aan, ecu, ieu.
§ 318. De enkelvoudige klinkers worden op drieerlei wijzen uitge-
sproken: volkomen: ja, zee, zie, zoo, hu, kneu, koe; gerekt: jaar,
zeem, zoom, zien, huur, deur, koets
en onvolkomen: kat, hert, lid,
pot, hut.
De onvolkomen uitspraak der oc en en is niet te onderscheiden
van die der o en u.
§ 349. Den klinker, die in toonlooze lettergrepen voorkomt, heeten
wij toonloos. Hij heeft een\' klank, die wel wat overeenkomt met dien
der onvolkomen u: vrede, hemel, bloedig, woning, leeuwerik, Gorkum,
Dokkum, waarlijk, jaarlijksch, mijn , zijn, een.
Zooals men ziet, wordt
deze klinker door verschillende letterteekens voorgesteld.
§ 350. De tweeklanken bestaan uit een\' onvolkomen klinker,
gevolgd door eene i of u, ongeveer uitgesproken als j en w, of uit
een\' volkomen klinker, door dezelfde letterklanken gevolgd: ai, au;
aai, aau,
enz. De laatste heeten ook wel gerekte tweeklanken.
De tweeklank ai komt alleen voor als tusschenwerpsel; evenzoo de aau,
die bovendien nog in miaau, ook wel miau geschreven, gehoord wordt.
§ 351. De klinkers, welke wij tegenwoordig in de woorden aantreffen,
hebben soms verandering ondergaan; vandaar dat wij nu en dan in dezelfde
woorden verschillende klinkers aantreffen. Zoo is de
a soms ontstaan uit e, b.v. in: star naast ster, hart naast hert;
c dikwijls uit a of i, b.v. in: steden naast stad, schepen naast schip;
ee dikwijls uit ei, b.v. in: gereed naast bereiden, kleen naast klein,
heeten
naast heil;
i soms uit e, b.v. in: richten naast recht, villen naast vel, bidden
naast bede;
ie dikwijls uit den tweeklank iu (spreek uit: toe), die ook in u en ui
is overgegaan, b.v. in: vier, dier, stieren naast vuur, duur en sturen;
kieken, rieken, dietsch, jul-lie
naast kuiken, ruiken, duitsch, je-lui.
Vandaar ook, dat de werkwoorden der vijfde klasse zoowel ie als ui ver-
toonen (Verg. § 274);
o dikwijls uit u (spreek uit: oé), b.v. in: goot, slot, schot naast Hd.
Guss, Schluss, Schuss;
00 dikwijls uit au, b.v. in: loopen, boomen, zoomen naast Hd. laufen,
Baum, Saum ;
11 soms uit o, b.v. in: bundel, plunderen, burger, gulden, dunken,
naast bondel, plonderen, borger, golden, docht;
-ocr page 175-
161
en dikwijls uit o, b.v. in: beugel, teugel, sleutel, leugen, naspeuren ,
keuken
naast bogen, logen, sloten , logen , nasporen , koken ;
ei soms uit agc of cgc, doordat de g in eene j of i overging, b.v. in:
meid uit maged, maagd, geleid en gezeid, uit geleged, gezeged, thans
gelegd en gezegd;
ei soms uit a of e vóór n of I, b.v. in: einde naast ende, heinde „bij
de hand, dichtbij" naast hand, feilen naast J"alen;
ij meestal uit ii (uitgesproken Ie), vandaar: ijdel, afgrijzen, grijnen,
pijpen, ijp, vlijm
„lancet" naast iedel, griezelen, grienen , piepen , iep,
vliem.
Vandaar ook, dat in de Noordelijke provinciën de woorden, die
in de algemeene taal ij hebben, nog met ii worden uitgesproken.
om soms uit ol, b.v. in: gouden naast gulden , voorheen golden, zoude
voor zolde (zullen), woude voor wolde (willen), houd voor hold (hield);
ooi soms uit eene letterverbinding, die ook au of on heeft opgeleverd,
b.v. in: kooi naasXkouw, Gooi, eigenlijk „landstreek" naast gouw, dooi
naast dauw, hooi naast houwen „hakken, snijden."
III. DE MEDEKLINKERS.
§ 352. De medeklinkers worden verdeeld naar de spraakwerktuigen,
die bij hunne uitspraak voornamelijk te pas komen en naar de meerdere
of mindere kracht, waarmede zij worden uitgesproken. De eerste onder-
scheiding geeft eene verdeeling in:
lip letters: b, p, v, I\', w, m;
tong- of tand letters: d, t, %, n, I, n, r;
keelletters: g, k, cli, j, ng.
Van deze worden b, il, v, /, en g met minder kracht uitgesproken dan
p, t en k; f, s en cli; daarom heeten de eerste zachte, de laatste
scherpe medeklinkers. Zooals men ziet, ontbreekt de zachte k; deze
medeklinker komt in onze taal niet meer voor, doch wel in andere Ger-
maansche talen, bijv. in \'t Hoogduitsch en Engelsch. De scherpe mede-
klinkers komen alle voor in: \'t kofschip.
Nog noemt men de j en w om hare verwantschap met de i en n
(spreek uit: oe) halfklinkers;
I, in, 11, r (molenaar) heeten vloeiende medeklinkers;
z en s heeten sisletters;
ui, ii en ng heeten neusletters, omdat bij \'t uitspreken daarvan
de adem genoodzaakt wordt, door den neus te ontsnappen. Ten opzichte
van de ng zij nog opgemerkt, dat zij thans als één letterklank, doch
voorheen als de n, gevolgd door eene zachte k, werd uitgesproken; van-
daar de schrijfwijze. De ch werd voorheen uitgesproken als k-f-li, waarbij
men opmerke, dat in den ouden tijd de c ook voor k gold.
De Ii is nog niet genoemd, omdat zij tot geene der genoemde soorten
behoort; zij wordt voortgebracht door eene sterke uitstooting van den adem.
De Ii en cli worden in enkele woorden geschreven, zonder te worden
T. TERWEY, Ned. Spraakk. Se druk.                                                                           li
-ocr page 176-
162
uitgesproken; zij heeten dan stomme medeklinkers: thuis, thee,
thans, althans
(doch niet in nochtans\'), visch, ivasschen, enz.
§ 353. Soms zijn ook medekinkers in andere overgegaan. Zoo is de
r somtijds ontstaan uit /., b.v. in: vroor, ver koor, verloor, waren naast
vriezen, verkiezen, verliezen, wezen;
ch soms uit k, b.v. in: zocht naast zoeken, wrocht naast werken, zucht
„ziekte en verlangen" naast ziek, dacht en docht naast denken en dunken,
wacht
naast waken, enz.
ch soms uit f. b.v. in: gracht naast graf, zacht, zucht, „ademhaling\'*
en lucht naast Hd. san/l, Seufzer en Lufl;
ch soms uit p, die eerst f was geworden: verknocht naast knoopen,
kocht
naast koopcn; I\'soms uit p, b.v. in: bruiloft naast loopen;
k soms uit g (uitgespr. als in \'t Jloogd.), b.v. in: nikken, hikken naast
nijgen, hijgen , jonkheid voor jongheid;
I) soms uit v, b.v. in: stribbelen naast streven, kibbelen naast kijven,
wcbbe
naast weven, hebben naast haven.
IV. BIJVOEGING EN WEGLATING VAN KLINKERS EN MEDEKLINKERS.
KLANKVERSPRINGING.
§ 354. Behalve door de bovenstaande veranderingen der klinkers en
medeklinkers, zijn de woorden in den loop der tijden veranderd door bij-
voeging of weglating van letters vooraan, in \'t midden of aan \'t einde
der woorden. Soms is deze bijvoeging of weglating willekeurig.
§ 355. Voorzetting (prothesis) heeft plaats in : stinker naast linker,
slinksch
naast linksch, smoel naast muil, snebbe naast nebbe.
§ 350. Inlassching {epenthesis) heeft plaats in de volgende gevallen:
i. De woorden op lijk, ling;, loos lasschen eene e in, behalve
wanneer er eene toonlooze lettergreep of eene 1, n, r voorafgaat:
sterfelijk, mondeling, moedeloos. Dus niet in: bodemloos, onmiddellijk,
heilloos, toon loos, heerlijk, leerling.
Wanneer het woord vóór lijk, ling en loos eindigt op eene f, s, uk,
die in de plaats komt van v, z, ng, of op eene n, voorafgegaan door een\'
onvolkomen klinker, is de inlassching willekeurig: liefelijk, lieflijk,
vreeselijk, vreeslijk, oorspronkelijk, oorspronklijk, mannelijk, manlijk.
Doch steeds schrijft men banneling. Zoo ook: moeilijk of moeielijk,
verfoeilijk, ot verfocielijk. Doch men lassche geene e in na g als
cli uitgesproken: heuglijk, draaglijk, beweeglijk, ontzaglijk, wel: dege-
lijk, mogelijk, dagelijks.
Voorts onderscheide men zinloos „zinledig" van
zinneloos „krankzinnig" en naamloos „zonder naam" van nameloos „on-
noemelijk groot."
Nog lette men op de willekeurige inlassching eener •> in de woorden:
doren, horen, koren, lantaren, merel en parel naast doom, hoorn, koorn,
lantaarn, meerl(e)
en paart. Maar verschillende woorden zijn: toorn
„gramschap" en toren.
-ocr page 177-
163
Samengestelde substantieven lasscben eene n of en in, wan-
neer het eerste deel vroeger eindigde of nog tegenwoordig eindigt op
eene toonlooze c en het tweede deel met een\' klinker begint, of wanneer
het tweede deel met eene li aanvangt: eende-n-ei, duive-n-ci, brugge-n-
hoofd, hond-en-hok, eikenhout, brillen huisje.
Niet ingelascht is natuurlijk n of en, wanneer deze letters de uitgang
van den 2en naamval of van het meervoud zijn. Het eerste is \'t geval
in woorden als: \'s- Gravenhage, \'s-Hcrtogenbosch, \'s-lfccrenbcrg. Het
laatste heeft plaats bij die woorden, waarvan \'t eerste deel noodzakelijk
aan een meervoud doet denken, als: boekenkast, woordenboek, fies-
schenrek, naaldenkoker, speldenkussen, lak ken bos, scharenslijper, ster-
renkunde, ze den kun de,
enz.
Wanneer het eerste deel aan een meervoud kan doen denken, schrijft
men bovendien met en:
a.    de woorden, wier eerste deel een persoonsnaam is, die het
meervoud uitsluitend met en vormt: boerenwoning, hcerenhuis, gravin-
nenkroon, slavendiensl, studentenleven, vrouwen kleed.
Zoo ook mannen-
moed
tegenover manskleed. (Verg. § 244.)
b.    de woorden, wier eerste deel een m a n n e 1 ij k e d i e r n a a m is,
die geene samenstellingen met s vormt: berenjong, leeuwenmuil, vinkcn-
slag, vossenjacht, zwanenhals,
enz. Daarentegen: bokkevel naast boksvel,
mollepoot
naast molshoop; kattekop en paardestaart, omdat het eerste
deel V. of O. is.
Wanneer het eerste deel een zaaknaam is, waarbij men aan een
enkelvoud kan denken en het geheel tot het dagelijksch leven be-
hoort, schrijft men steeds e: pijpedop, pennemes, hoededoos, lampekap,
speldcknop, enz. — Eene e krijgen ook de namen van boomen, als:
eikeboom , lindeboom, enz.
2.    Ook wordt eene n ingelascht in woorden, gevormd van eenletter-
grepige werkwoorden: ziener, boosdoener, verstaanbaar, doenlijk. Nog in:
sinds naast sedert, Dinsdag voor Diesdag en dit voor Tie-s-dag (van Tie,
Tiu-s,
een krijgsgod der Germanen), diens en wiens voor dies en wies.
3.     Eene 111 wordt ingelascht in: pampier vooi papier en misschien in
drempel voor derpel (uit deurpaal).
4.    Eene <l wordt ingelascht:
a.    in de woorden: bevrijden van vrij, nader voor na-er, vlieden voor
vlic{h)en, wijden voor wij en (van wij „heilig", nog voorkomende in:
wijwater, wierook); kastijden naast Fr. chdtier (easlier), enz.
b.    na de 1, r, n in substantieven: daalder, boender, spaander, Oost-
Indie-vaarder;
na de r in bijvoeglijke naamwoorden: zwaarder, duurder,
guurder;
in zindelijk voor zinlijk; in de woorden op lei en liande,
behalve: eener-, tweeer-, drieer-, achter-, twintiger lei, enz.
5.     Eene s wordt ingelascht in de woorden: leidsman, scheidsmuur,
kindsheid,
„jeugd", onderscheiden van kindschheid, alsmede in doodsbleek,
doodsbenauwd, hemelsblauw.
11*
-ocr page 178-
164
6.     Eene t wordt ingelascht in: mijnenlhalve, mijnentwege, enz., in
ordentelijk voor ordenlijk, doch niet in: eigenlijk, openlijk, wezenlijk,
gezamenlijk, namelijk.
7.     Kene p wordt ingelascht vóór je, wanneer \'t voorafgaand woord
op 111 eindigt: boompje.
§ 357. Achteraan voeging (parogoge) heeft plaats in: iemand,
niemand
uit ie-matt, nie-man; arend naast (adel)aar 1— edele aar (aar rr
roofvogel), te mijnent, enz. voor: te mijnen huize, borst „jongeling" voor
bors eig. „beurs", daarna „gemeenschappelijke kas", „vereeniging van
studenten", eindelijk „ieder jongmensch", schoen voor schoe, rijst voor-
heen rijs (Fr. riz).
§ 358. Weglating aan \'t begin (aphaeresis) heeft plaats in: nijver
voor in-ijver, naarstig voor in-ernsl-ig, dat eerst neemstig, toen neerstig
werd, nevens voor in-even-s, geen voor negeen uit nech-een — niel-een,
w^f (bijw.) uit an-weg, = op-weg, dat eerst fav^ werd, 7W/ uit evan,
avan
voor «ƒ-«« =: af-aan, maar uit nemaar voor newaar (het «^ =
<?# = *»>/ ware), zeventig, negentig, vroeger: tseventig, tnegen/ig, evenals
nog tachtig; nog in: V voor </«, V voor •/<//, <?/- (bijw.) voor daar.
§ 359. Weglating in \'t midden (syncope) heeft plaats in de vol-
gende gevallen:
1.     Van klinkers: blijven uit belijven, blusschen uit bclusschen ilz
belesschen (lesschen
beteekende voorheen \'t zelfde als blusschen), kraal
voor koraal, krant voor courant, elf en twaalf voor cenlif en tweelif;
strafte
voor straffede, hoorde voor hoor ede; eedle voor edele, wappren
voor wapperen; bang voor be-ang, binnen voor be-inn-en, buiten voor
be-uit-en, telkens voor le-elken-s, tevens voor te-even-s.
2.     Van medeklinkers, meest van d, als in: vadr, moer, broer,
bladn, gestadg;
in leelijk, goelijk, kwalijk voor leedlijk, enz.; in ?w/\'
voor roeder (van: roedeti, roeien), elkaar voor elka(n)der, graag voor
gradig, een geheel ander woord dan gretig. — Vooral vóór de s: thans
voor thands, nopens, volgens, willens en wetens, doorgaans voor 7/0-
pends, enz.; ook van andere medeklinkers vóór s: bijkans voor bij kants,
peizen
en deizen voor peinzen, deinzen, best en /«/ voor ^^/ en /«/f/.
Ook in woorden, uit twee andere gevormd, heeft deze weglating plaats:
scheikunde, rijtuig, leiband van: scheiden, rijden, leiden; in: bruiloft
voor bruid-lof-t „loop, tocht naar de bruid", boogaard naast boom,
kermis
van kerkmis „plechtige »z« op den jaardag van de wijding der
kerk" (doch: kerstmis), kerspel voor kerkspel „ring, kring, gebied van
de kerk", koomenij (verg. bakkerij, slagerij) van koopman. In hoovaardij
heeft geene syncope plaats gehad; het is afgeleid van hoovaarde, dat
zelf samengesteld is uit hoo, een\' ouden bijvorm van hoog en vaarde
van varen „gaan."
§ 360. Weglating aan \'t slot (apocope) heeft plaats bij: kon, wou,
zou, lei, zei
voor konde enz.; ik zeg voor zegge en zoo meestal in den
iel\' persoon aantoonende wijs onvoltooid tegenwoordigen tijd; bracht,
-ocr page 179-
165
kocht, zocht, wrocht, dacht voor brac hl e, enz.; bij de zwakke zelfstandige
naamwoorden: heer, tnensch, hart voor heere, menschc, harte, enz.
oor voor oor e (in ter oor e komen) en vele vrouwelijke substantieven, als:
vrouw, val {muizenvaf), hoop, leer voor vrouwe, enz.
§ 361. KIankverspringing (metathesis) heeft plaats bij de I en r:
naald voor nadel, Kloveniersburgwal voor Kolven iersbui gwal; barnen
naast branden (vgl. barnsteen = brandsteen), dertien voor drietien, gort
naast grut, nooddruft naast durven (voorheen: behoeven), ros naast o(r)s
in de spreekwijze: van den o(r)s op den ezel springen, vorst voor vrost,
naast vriezen, wrochl(e) voor workte (werkte).
V. DE SPELLING.
§ 362. De spelling leert de regels kennen, volgens welke de gespro-
ken woorden door letterteekens worden voorgesteld. De grondslagen
of algemeen e regels, waarop eene verstandige spelling berust, zijn de
volgende, naar hunne waarde gerangschikt:
i. de beschaafde uitspraak. Elk woord wordt zooveel mogelijk
door die letters voorgesteld, welke in de beschaafde uitspraak worden
gehoord. Dit voorschrift zou echter ten gevolge hebben, dat men dezelfde
woorden verschillend schreef, \'tgeen niet bevorderlijk zou zijn aan de vlugge
opvatting van \'t geschrevene. Daarom neemt men als tweeden grondslag aan :
2.     de gelijkvormigheid der woorden. Elk woord wordt zooveel
mogelijk steeds door dezelfde letterteekens voorgesteld. Daarom schrijft men
daad, schub, hij droeg, gij moogl, weggaan naast daden , schubben, dragen,
wij mogen, weggaan en niet: daal, schup, droech, moocht, wech-chaan,
zooals de uitspraak zou eischen.
Bovendien geeft de oudere uitspraak der woorden sommige nuttige onder-
scheidingen aan de hand tusschen woorden, die tegenwoordig op dezelfde
wijze worden uitgesproken. Daarom raadpleegt men bij de spelling ook de
afkomst der woorden of
3.     de a f 1 e i d i n g. Zoo schrijft men beren naast beer en, kolen naast
kooien, verweren naast verweeren, poten naast poolen, wasschen naast
wassen, bosch naast bos, enz.
Ten slotte zijn er enkele gevallen, waarin geen der genoemde voorschriften
de spelling zou kunnen bepalen. Men zorgt dan, in overeenkomstige ge-
vallen o]) dezelfde wijze te handelen en volgt dus den regel
4.     der overeenkomst. Zoo schrijft men raadszitting naast raads-
besluit, dorpsschool
naast dorpskcrk, enz.
Uit deze algemeene regels volgen de bijzondere voor:
a. De klinkers.
§ 363. De gerekte klinkers worden steeds door een dubbel
letterteeken voorgesteld: jaar, eer, enz.
Eene uitzondering maakt de 11 voor w: ruw, zwaluw.
-ocr page 180-
166
§ 364. Van de volkomen klinkers worden de a en n steeds
enkel geschreven. Uitgezonderd is de a voor tje, die steeds dubbel
wordt geschreven: raatje , papaalje, laatje, Naatje.
§ 365. Van de volkomen klinkers worden de e en o in sommige woorden
enkel, in andere dubbel geschreven. Dit hangt meestal af van de oudere
uitspraak der woorden. Wanneer namelijk de e voorheen e, i of a, dus
een enkelvoudige klinker was, schrijft men de volkomen c enkel;
wanneer zij daarentegen uit ei, dus uit een\' tweeklank is ontstaan,
schrijft men haar dubbel.
Zoo wordt ook de o, die voorheen o of « (spreek uit: oe) was, enkel;
die, welke voorheen au, on was, dubbel geschreven.
De e\'s en o\'s, die uit enkelvoudige klinkers zijn ontstaan, heeten
zacht; die, welke uit tweeklanken zijn ontstaan, scherp.
Men merke intusschen op, dat de bovenstaande algemeene regel niet
geldt voor de achtervoegsels. In \'t algemeen worden deze met een dubbel
-etterteeken geschreven, wanneer zij den hoofdtoon krijgen, met een
enkel letterteeken, wanneer zij den hoofdtoon missen.
§ 366. Men schrijft dus met de zachte e:
a.     de woorden, die in het tegenwoordig of v r o e g e r Nederlandsch
vormen met a of i naast zich hebben:
beter — baten, dwepen — dwapen, veer — varen, vegen — vagen,
beweren
naast waar; bede — bidden, deze — dit, gelederen —gelid,
plegen
—- plicht, zeven — ziften.
b.     de woorden, waarin de volkomen e met de onvolkomen
afwisselt :
bezie —bes, deken—dekken, even—effen, kegel—kegge, leken—lekken,
treken - trekken, veen
—ven, lepel—leppen.
c.     de woorden, die in den Hollandschen tongval en hebben.
Die uitspraak is ook wel in de algemeene taal overgegaan :
lenen —leunen, pelmv—peuluw, sneven—sneuvelen, stenen—steunen.
d.     de sterke werkwoorden. Uitgezonderd is heeten (genoemdworden),
benevens \'t enkelvoud van den onvoltooid verleden tijd der
werkwoorden van de 4e klasse, als: bijten, beet (vroeger bcit); doch (wij)
beten, (gij) beet, (zij) beten en gebeten hebben eene zachte e. Oudtijds waren
sterk: helen—hal, kneden—knad, sneven—snaf, teren—tar, stenen—stan.
Uit dezen regel volgt, dat ook de woorden, met sterke werkwoorden
verwant, eene zachte e hebben: leger naast liggen, trede naast treden,
stekel naast steken, hevig naast heffen. Doch de woorden, met werkwoorden
der 4e klasse verwant, hebben nu eens eene zachte, dan weer eene
scherpe e, daar zij zoowel den klinker van \'t enkelvoud des ver-
leden t ij d s als dien van \'t m e e rv o u d kunnen hebben: schrede naast
schrijden, kreten naast krijten, snede naast snijden, doch : bleeke naast blij-
ken, weeke
naast wijken, deesem (voor deegsem) naast dijgen. (Verg. § 290).
e.     het achtervoegsel heden, ofschoon de e, uit ei (heid) ontstaan,
eigenlijk scherp is.
-ocr page 181-
167
§ 367. Bovendien worden met eene zachte e geschreven alle woorden,
welke in \'t Hoogduitsch of Engelsch c, a of i hebben: beken—Back,
generen
—Nahrtmg, menig—manch , gele—gelb, delen—Diele, grepen—
Griff, reten—Riss, schemeren—schimmern ; ezel—ass, kever—chaf\'er,
teren „met teer bestrijken"—tar. Uitgezonderd zijn: heer en—Herr,scheeve—■
schief, begeeren—begehren , regeeren—regieren , leeren—lehren of lemen.
Nog schrijft men met de zachte e de vreemde woorden, die in de
taal, waaraan zij ontleend zijn, eene e of i vertoonen: cedel—cédr/le,
ledekant
—lil-de-camp, leveren —livrer, neger—nègre.
§ 368. Men schrijft met de scherpe e:
a.    alle woorden, waarin de e in de algemeene taal met ei afwisselt:
breed— verbreiden, eek—eik, heelcn—heil, kleen—klein, gereed, alreedc—-
bereiden , steen—stein in IJselstein.
b.     alle woorden, waarin de e door samentrekking van twee
lettergrepen is ontstaan:
leege—ledige, leeren—lederen , mee (bijwoord, honigdrank, meekrap)—
mede, preeken—prediken, ree—reede, snee—snede, veeren—vederen,
verweer en
—verwederen.
c.     alle open eenlettergrepige woorden: thee, zee, kwee, ree,
ee(gade),
uit ee „huwelijk" en gade, deemoed uit dec „dienaar" en moed
„gemoed." Uitgezonderd is hel
d.     de achtervoegsels eden, ceren, ce/.en, eesclie : houwcelcn , regee-
ren , fapanneezen, Europeesche.
§ 369. Bovendien worden met eene scherpe e geschreven alle woor-
den, welke in \'t Hoogduitsch ai of ei, in \'t Engelsch o of oa hebben:
deelen—Iheil, eeden—Eid, weenen—weinen, 7neezen—Waise ; teenen—
toe, bezeeren—sore, zeep—soap.
§ 370. Opmerking verdienen de volgende woorden, welke alleen in de
schrijfwijze der klinkers van elkander verschillen :
beren (verscheurende dieren) — beer en (varkens, muurstuilen,
heiblokken
en waterkeeringen), delen (planken) — deelen (gedeelten),
deegen (zuurdeegen) — degen (verleden tijd van dijgen en znw.),
gene (voornw.) — geen e (niet-een), generen (onderhouden) — ge-
neeren (Fr. gener), helen (verberge?i) — heelen (heel maken), lenen
(leunen) — leen en (ter leen krijgen ofgeven), leken (naast lekken) — lee-
ken (niel-geeslelijken), rede (verstand, redevoering) — reede (ligplaats
voor schepen),
stenen (ww.) — steenen (znw.), slepen (onoverg.
W7t>.)
— sleepen (overg. ww.), veren (van varen) — veeren (vede-
ren) ,
vegen (ww) — v e e g e (stervende), weken (ww. en znw) —
week e (zachte), verweren (verdedigen) — ver weeren (van weder),
wezen (ww.) — weezen (znw.).
Men lette nog op de schrijfwijze van: kelen (in alle beteekenissen),
schee de, zweepen, meren, deken (in de Kath. kerk).
§ 371. Men schrijft met de zachte o:
a. de woorden, waarinde volkomen o met de onvolkomen afwisselt:
-ocr page 182-
1G8
beloven—belofte, broze—bros, grove—grof, loven—lof. Uitgezonderd
zijn : knoopen—knop, koopen—kocht, slooten—stotteren, loopcn—bruiloft,
doovc—dof, loover
—lof, looze—los, betoogen en toot/en—tocht.
b. de woorden, waarin zij in den Hollandschen tongval met
eu afwisselt:
goten—geuten, joken—jeuken, logen—leugen, zomer—zeutner. Uitge-
zonderd is bloode naast bleu.
e. de sterke werkwoorden met uitzondering van loopcn en slooten
en het enkelvoud van den onvoltooid verleden tijd der werk-
woorden van de 5e klasse: gieten, goot (vroeger gout), buigen, boog
(vroeger boug); doch (wij) goten, bogen, (gi)) goot, (zij) goten, enz., ge-
goten
, gebogen hebben eene zachte o.
Uit dezen regel volgt, dat ook de woorden, met sterke werkwoorden
verwant, eene zachte o hebben: sproken naast spreken. Doch de
woorden, met werkwooorden der 5e klasse verwant, hebben eene zachte
of scherpe o. daar zij zoowel den klinker van \'t enkelvoud des
verleden tijds als dien van \'t meervoud kunnen hebben: betoogen,
verloogen, toonen
naast tie(h)en (thans: tijgen) „trekken, naar voren,
aan \'t licht trekken", klooven (ww.) naast klieven (vroeger een sterk ww.),
zoogen naast zuigen, loochenen naast liegen; doch bode naast bieden, logen
naast liegen, kloven (znw.) naast klieven, vloten naast vlieten, bogen
naast buigen, zode „kooksel" naast zieden. (Verg. § 291).
§ 372. Bovendien schrijft men met de zachte o de woorden, die in
\'t Hoogduitsch 11 of i\'i, in \'t Engelsch o hebben : boter—Butter, klove—
Kluft, vore—Furche, molen—Miihle; bodem—bottom , pook—poker,
schoren
—to shore, stoof—stove.
Nog schrijft men met de zachte o de vreemde woorden, waarin de
o niet uit au is ontstaan:
abrikoos—abricol, komfoor—chauffoir, kantoor—comptoir, ivoor—ivoire,
troon—trone, kroon
—couronne, toon—ton.
§ 373. Men schrijft met de scherpe o:
a.     alle woorden, waarin de o door samentrekking van twee
lettergrepen is ontstaan: bloo — bloode, boomen — bodemen, door en
(van eieren) — doderen, oolijk — oodelijk, zoo — zode (in beide betee-
kenissen), noo — noode.
b.     alle opene eenlettergrepige woorden: stroo, vloo, vroo(lijk),zoo.
c.     het achtervoegsel loos en de woorden op genoot: iverkelooze
lolgenooten.
§ 374. Bovendien schrijft men met eene scherpe o de woorden,
welke in \'t Hoogduitsch au, au of eu, in \'t Engelsch ca hebben: boom—
Baum, doopen —taufen, hoop — Haufen, zoogen — sdugen, loochenen —
leugnen ; brood
—bread, groot—great, schoof—sheaf, zoom — seam.
Nog schrijft men met eene scherpe o de vreemde woorden, waarin de
o uit au is ontstaan: Moor — Maure, poos —pauze, poover—pauvrc.
§ 375. Opmerking verdienen de volgende woorden, die alleen in de
-ocr page 183-
169
schrijfwijze der klinkers verschillen: hopen (ww.) — hoop en (znw.),
horen (znw.) — hooren (ww.), kloven (znw. of om\', ver/, tijd van
kluiven) — klooven (ww.), kolen {brandstof) — kooien (groente),
kozen (van kiezen) — k o o z e n (liefkoozen), poten (planten) —
po o ten (7>oeten), roven (van wonden) — rooven (ww.), schoten
(mv. van schot) —schooten (mv. van schoot), schoven (van schuiven) —
schooven (mv. van schoof}, sloten (mv. van slot) — slooten (mv.
van sloot), sloven (sukkels) — s 1 o o v e n (voorschooten), tonen (klan-
ken)
— toonen (leenen of ww.), tronen (znw.) — troonen (ww.),
zogen (verl. tijd van zuigen) — z o o g e n (doen zuigen).
Nog lette men op de spelling van: drogen, drogist, hoonen,
kleinooden, loozen, schromen, sloopen (znw. en ww.).
§ 376. De ie wordt geschreven:
a.     wanneer zij in open eenlettergrepige of aan \'t slot van meerletter-
grepige woorden wordt gehoord: knie, drie, tralie, olie, lelie. Doch de
Latijnsche maandnamen hebben i: Januari, Februari, Juni, juli.
b.     in \'t meervoud van woorden op ie, wanneer de lettergreep,
waarin deze klinker voorkomt, den klemtoon heeft: knieën, genieën,
melodieën, harmonieën.
Daarentegen: traliën, oliën , leliën, geniën (mv.
van genius).
c.     in de woorden op ief, i«>k, iet: massief, republiek, fabriek,
Jezuïet.
Verliezen deze uitgangen den klemtoon, dan schrijft men i:
Jezuïtisme, fabrikant, republikeinsch. Zoo schrijft men ook zefirs en
ze fier en, doch steeds kieint, kieviten.
§ 377. De i wordt geschreven in \'t achtervoegsel isch: afgodisch,
ivellisch, grammatisch.
§ 378. De y wordt, behalve in vreemde woorden, ook geschreven in
oude eigennamen, als: De Ruyter, Van Speyk, Van Zuylen, nooit
De Ruijter, Van Speijk, enz.
b. De tweeklanken.
§ 379. Daar de ei en ij tegenwoordig in de beschaafde uitspraak den-
zelfden tweeklank vertegenwoordigen, is \'t noodig, de regels te kennen
voor \'t gebruik dezer letterteekens.
Met ei schrijft men:
a. de woorden, waarin deze tweeklank in \'t Nederlandsch met de
scherpe e afwisselt, bijv.: verbreiden — breed, bereiden —gereed,
IJselstein
— steen, klein — kleen, heil — heel, weinig (oudtijds :
ellendig) — weenen.
-De ei is meestal in ee overgegaan, doch in sommige woorden bleef
deze tweeklank, gewoonlijk ten gevolge eener oudtijds volgende i, bewaard.
Engelsche woorden hebben, voor onze ei, oa of o: heimelijk — home,
beide — bolh, eik
— oak, geit — goat.
-ocr page 184-
170
b.     de woorden, waarin de ei uit agc of cge is ontstaan: meid —
maged\', maag-J, leide, zei de, geleid, gezeid, — lege de, zege de, ge lege d,
gezeged,
tegenw. legde, zegde, gelegd, gezegd, heining (voor hagening)
— haag, dweil voor dwagel (van dwaen, dwoeg, oudt. wasschen), peil
voor pegel, teil „bord" voor tegel, zeil, Hd. Segel, labbei en klappei voor
labbeggc, klappeggc
(van labben, klappen—babbelen).
Engelsche woorden hebben in \'tzelfde geval ai of ay: zeide — said,
geleid
— laid.
c.     de woorden, waarin eene a of e vóór n of 1, door invloed eener
voorheen volgende i, tot ei is overgegaan: peinzen voor penzen (Fr. penser),
deinzen
voor denzen, einde voor ende, veinzen voor venzen, heinde voor
hende, feilen naast falen.
De vreemde woorden, die in \'t Fransch ai, ei, oi, eau, é, ée
hebben: bei — baie, feit — fait, kapitein — capitaine, balein —
baleine, lamprei — lamproie, prei „aas" — proie; schalmei — chalu-
meau, karwei
„werk" — corvee, valei — vallée, p(l)aveien — paver,
pleisteren
— paitre. Hiertoe behoort ook \'t achtervoegsel teit — té\':
sociëteit, majesteit.
Schijnbare uitzonderingen op dezen regel zijn: dozijn—douzaine, wijle
„sluier" — voile, krijt — craie, daar deze woorden niet aan \'t Fransch,
maar aan \'t Latijn zijn ontleend.
Met ij schrijft men:
a.     de sterke werkwoorden en de woorden, daarvan gevormd:
bijten, hijschen, nijgen, enz. Uitgezonderd is \'t werkwoord scheiden,
benevens sommige woorden, verwant met werkwoorden der 4° klasse,
daar deze voorheen ook ei hadden: beitel naast bijten (oorspronkelijk:
splijten), leiden naast lijden, neigen naast nijgen, steiger, steigeren en
steil naast stijgen, reis naast rijzen, enz. (Verg. § 291).
b.     de woorden, welke in \'t Engelsch of Friesch ii of i hebben: dijk —
dike, lijf — Hfe, rijk — rich, wijd — wide ; blijde— blide, vlijtig —
vlitig, tijd — liid, zijl „sluis" — ziil.
c.     De vreemde woorden, welke in \'t Fransch i hebben: bijbel — bible,
sijfclen
— siffler, razijn — raisin , venijn — venin, vijg — figue, enz.
Tot dezen regel behoort ook \'t achtervoegsel ij, dat van vreemden
oorsprong is en met \'t Fr. i of ie overeenstemt: galerij — galerie,
malvezij
„Grieksche wijn" — malvoisie, partij — parti, partie, schilderij,
bakkerij, enz.
§ 380. Opmerking verdienen de volgende woorden, die alleen of hoofd-
zakelijk in de schrijfwijze van den tweeklank verschillen: k a r w ij (zaad) —
karwei (iverki uit Fr. carvi en corvee, stijl (Fr. style) — steil (sterk
oploopena),
mijn — mein(eed), wijd, verwijden — weiden, uit-
weiden (van weide), zijl (sluis) — zeil (doek), sijsje — zeis, rij vr.
(reeks) — rei mnl. (dans, zang, koor), vijlen (van vijl, werktuig) —
feil (fout), feilen (fouten maken), veil (te koop) en veilen (ver-
kooperi),
bij (insect) — bei (bes), fijt (zweer) — feit (Fr. fait),
-ocr page 185-
171
vlijen (zacht neerleggen of voegen) — vleien, ijken (van gewichten
enz.) — eiken, mijt (hoop) — meid, pijl — peil, lijden — leiden,
r ij z e n — reizen, n ij g e n (buigen uit beleefdheid) — n ij g e n (in alle
andere gevallen).
§ 381. De tweeklanken au en on verschillen slechts weinig in uitspraak;
daarom lette men op \'t verschil in schrijfwijze van de volgende woorden:
blouwcn „slaan" en blauwen (van blauw), kauw „vogel" en kouw
„kooi", rauw en rouw „ruw", gauw „snel" en gouw „landstreek",
autaar en outaar.
c. De medeklinkers.
§ 382. De medeklinkers, die als tusschenletters voorkomen, worden
verdubbeld, wanneer zij onmiddellijk worden voorafgegaan door een\'
onvolkomen klinker. Gaat er dus een volkomen klinker, een
tweeklank of een toonlooze klinker vooraf, dan is de verdubbe-
ling ongeoorloofd.
Men schrijft dus: pakken, lessen, missen, hokken, putten, doch met eene
enkele tusschenletter : raden, hoven , huiden ; vreeselijk, huiselijk, Ifsel,
ijselijk . Pruisen , pauselijk ; hemelen, bezigen , monniken, leeuwriken,
haviken
, Gorkumer, Dokkumer, enz.
Eene uitzondering maken de woorden op is: i onnissen, notarissen.
§ 383. Het letterteeken eh wordt nooit verdubbeld en van de sch
verdubbelt men alleen de s: kachel, echo, bochel, richel, Mechclen;
wasschen
, lesschen, blusschen.
§ 384. Onverbuigbare woorden worden met een\'scherpen slot-
medeklinker geschreven: met, voort, ach, enz. Uitgezonderd is nog
(bijwoord) ter onderscheiding van noch (voegwoord); toch schrijft men
\'t eerstgenoemde nog met ch in nochtans.
Verbuigbare woorden worden met een\' zachten slotmedeklinker
geschreven, wanneer in de verbuiging of afleiding zulk een medeklinker
te voorschijn komt: schub — schubben, pad — paden, vlag— vlaggen,
waard
— waardig, alsmede de woorden op aard en erd: Spanjaard,
Spanjaarden,
dus ook: grijsaard, lomperd, enz. Ook iemand en niemand
volgen dezen regel, daar zij voorheen in den 3™ en 4en naamval iemanden
en niemanden luidden.
Bij zelfstandige naamwoorden gaat de verbuiging boven de afleiding;
daarom: bint, gezant, rit, snit, verwant, vaart, wegens de meervouden:
binten, gezanten, enz. en ondanks de verwantschap met: binden, zenden,
rijden, wenden, vaardig.
Doch geene verscherping treft men aan in
litteekcn voorheen: likteeken „kenteeken." Nog wordt kruit „buskruit"
met t geschreven, ofschoon \'t hetzelfde woord is als kruid „plant."
§ 385. De beginletter wordt verscherpt in \'t woord fonkelen,
in figuurlijken zin, tegenover vonkelen in letterlijke beteekenis. Doch in
\'t woord samen is de g uit tz van te zanten ontstaan. Men schrijft het
-ocr page 186-
172
daarom alleen met s, wanneer het alleen staat: Zij gingen samen wan-
delen ,
en wanneer het als eerste deel van een samengesteld werk-
woord voorkomt: samenkomen, samenstellen. Daarentegen: te zanten
verzamelen, gezamenlijk.
§ 386. Van de tusschenletters verscherpt men:
i. de tl en v vóór \'t achtervoegsel nis: beeltenis, verbintenis, droefe-
nis, lafenis, begrafenis.
2.     de v, 7, en ng vóór lijk: liefelijk, vreeselijk, huiselijk, aanvan-
kelijk, koninklijk.
De k wordt vóór lijk wel in de uitspraak, doch niet in de spelling
verscherpt: heuglijk, ontzaglijk. Men lette ook op: hachelijk, degelijk,
mogelijk.
3.     de ng vóór je en in enkele samengestelde of afgeleide woorden:
rotlinkje, koninkje, kettinkje, jonkheid, jonkheer, jonkvrouw, lank-
moedig, koninkrijk, sprinkhaan.
Is de klinker vóór ng niet toonloos, dan
gebruikt men bij verkleinwoorden et je: wandelingetje, dingetje.
§ 387. De «I wordt vóór s steeds als t uitgesproken, doch als d ge-
schreven in: gids (Fr. guide), loods (óf naast Fr. loge óf naast E.
loadsman), ginds (naast ginder), reeds (naast alreede), sinds (sedert),
onverhoeds (verhoeden),
enz.
Doch met t schrijft men: knots (knotten), gutsen, spits (spitten), mits
(met), rots
(Fr. roche), flits (Fr. flèche).
§ 388. De % wordt vóór de t steeds als eh uitgesproken, doch alleen
als k geschreven:
1.     in de regelmatige vormen der werkwoorden, wier stam op eene
K eindigt: gij, hij, ligt, legt, zaagt, n/oogt, enz. Derhalve schrijft men:
bracht, dacht, docht, mocht, zocht, kocht, ivrocht, placht, daar dit
onregelmatige vormen zijn.
2.     in zelfstandige naamwoorden op te, gevormd van woorden op g:
gebergte, hoogte, laagte.
3.     Aagt van Agatha.
§ 389. De li is stom in thans, althans en thuis uit: te hand en te
huis,
benevens in enkele vreemde woorden, als: thee, theater. Maar
nothtatis heeft geene li, daar het ontstaan is uit nog-dan.
§ 390. De eh is stom in scli, wanneer dit letterteeken in \'t midden
of aan \'t einde der woorden voorkomt. Daarom zijn de volgende op-
merkingen noodzakelijk:
1. Als tusschenletter schrijft men de scli in de werkwoorden:
brieschen, druischen, ruisehen; eischen, hijsehen, krijschen; dor se hen,
vorsehen ; lessehen, blusschen; las se hen, was se hen; wenschen
en wissehen
en in de woorden tusschen en Pasehen.
Doch met s: bruisen, torsen, wassen „groeien" en met eene /.: vleezig
en vleezen naast vleesch, glanzig en glanzen (ww.) naast glansen (znw.).
Als slotletter schrijft men de scta in de zelfstandige naamwoorden:
diseh, esch, jleseh, mensch, viseh , vleesch envorseh. Voorts onderscheide
-ocr page 187-
173
men: asch van as (van een wiel), lisch (riet) van lis (lus), [marsch
{loop) van mars (kramer, zeil), mosch (vogei) van mos(//«/|, rusch
(biezen) van Rus, stroowisch van wis (zeker), tasch (weitasch) van
tas (hoop), enz.
2. Als slotletter schrijft men de srli aan \'t einde der bijvoeglijke
naamwoorden, welke van bijwoorden op s zijn gevormd: fiksen, flttksch,
linksch, slinkseh
, rechlsch, onverhoedsch , ouderwetsch, onderhandsch,
rechtitreeksch, schaarsch, scholsch , schuinst h, slaafsch , vergeefsch naast
de gelijkluidende bijwoorden op s. Zoo ook de adjectieven op: lijksch,
lingsch, waartsch,
van de bijwoorden op: lijks, lings, waarls.
Doch met .s worden geschreven: bits, spits, fiets, dras; dwars, wars,
paars
, kras; los, ros, wis en gewis.
Nog lette men op: ras (bijw.j, rasch (bijvnw.) en verrassen (werkw.),
op "t telwooord gansch en op trots (zelfstnw., bijw. en voorz.) naast trotsch
(bijvnw.).
d. De spelling der vreemde woorden.
§ 391. In den loop der tijden zijn er een groot aantal vreemde
woorden in onze taal overgenomen. Die woorden zijn voornamelijk af-
komstig uit het Latijn, het Grieksch en het b\'ransch. Men kan ze in drie
klassen verdeden:
a.     woorden, die sedert eeuwen bij ons in gebruik zijn en geheel als
Nederlandsche worden behandeld. Zulke woorden zijn: altaar, aalmoes,
beest, brief\', feest, inkt, kous, kaars, lamp, pogen, paard
\', kandelaar,
tafel, keuken, peer, poos, straat, schrijven, vlam
, vork, zolder, kluister,
enz. Zij richten zich in de schrijfwijze geheel naar de spelregels voor
Nederlandsche woorden.
b.     woorden, die nog geheel het karakter van vreemde woorden hebben
behouden: incognito, contra, quadrille, chapeau, eau-de-Cologne, vau-
deville, savoir-vivre, prestige, shawl
of chdlc, tramway, pincc-nez ,
enz. Zij worden geheel geschreven, als in de taal, waarin zij thuis
behooren.
c.     woorden, wier uitspraak in een of ander opzicht afwijkt van die,
welke zij in de vreemde taal hebben, doch die nog duidelijk hunne vreemde
afkomst verraden. De veranderingen, die zij hebben ondergaan, betreffen
gewoonlijk de eindlettergrepen. Zulke woorden zijn: citroen, meloen, titel,
artikel, republiek, systeem, sigaar, grenadier, officier, genie, diaken,
enz. Men noemt ze in \'t bijzonder bastaardwoorden, \'t Valt dikwijls
moeilijk, eene grens te trekken tusschen woorden van deze en de vorige
klasse.
Ten opzichte van de spelling dezer bastaardwoorden geldt als regel:
Behoort zulk een woord alleen te huis in de taal der wetenschap of
van eene enkele klasse van personen, voorna mei ij k der meer
ontwikkelden, dan wordt het, zooveel de uitspraak dit toelaat, met
-ocr page 188-
174
de oorspronkelijke letters geschreven; behoort het daarentegen tot
de volkstaal, dan schrijft men het zooveel mogelijk als een Neder-
landsen woord. Daarom schrijft men logica naast logisch, physica
naast physisch, hypothenusa, geographie, categorie; executie, cursief,
dejeuneeren, lorgnet, receptie, sympathie,
enz. Daarentegen: penseel,
stukadoor, kapitaal, kastelein, kwdrlier, bil;el, bil/art;
doch ook:
horloge, diligence, machine, chocolade.
Voorts lette men op de uitgangen aaf en oof in: biograaf, philosoof,
geograaf,
tegenover: biographie, philosophie, biographisch ,philosophisch ,
en schrijve men: telegraaf, telegraftst, doch telegraphic en telegraphisch.
Nog verdient opgemerkt te worden, dat enkele bastaardwoorden, die
vooral door dichters worden gebruikt, als Nederlandsche woorden worden
gespeld: poëzie of poezij, nimf, saaier, zefir of zcfier, enz. en dat som-
mige woorden, in twee beteekenissen voorkomende, verschillend worden
geschreven: dokter „geneesheer" en doctor „titel", komedie „schouwburg"
en comedie „blijspel", kommies „ambtenaar bij de belastingen" en commies
„ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen", lokaal „vertrek" en
locaal „plaatselijk", kritiek „hachelijk" en critiek „beoordeeling", krediet
„vertrouwen" en credit (in het Italiaansch boekhouden).
e. De hoofd/etters.
§ 392. Hoofdletters worden hoofdzakelijk gebezigd, om den lezer
bijzonder opmerkzaam te maken op de woorden, die daarmee beginnen.
Men schrijft met eene hoofdletter:
i. het eerste woord van eiken volzin en versregel.
2.     alle eigennamen en bijnamen. Bestaan namen van personen
of plaatsen uit twee of drie deelen, dan wordt ook het eerste van eene
hoofdletter voorzien: Van Dijk, Van der Werff, Den Haag, De Wilt.
Daarentegen: fan de Witt, Anthony van Dijck.
3.     de namen van maanden, week- en feestdagen: Ja7iuari,
Zondag, Paschcn.
4.     soortnamen en begripsnamen, als eigennamen gebezigd: De
Graaf had zijne maatregelen genomen. De Nieuwe Kerk staat naast
het Paleis. Ja, oude Landplaag,
V is genoeg aan Hollands tuin ge-
knabbeld!
(B.)
5.     de hoofdwoorden der titels: Weledelgeboren Heer, Aan de Tweede
Kamer der Stalen-Generaal.
6.     de adjectieven, van eigennamen afgeleid: Nederlandsch,
Indisch,
enz.
7.     alle woorden, welke een schrijver bijzonder wil doen uitkomen,
bepaaldelijk, wanneer een voornaamwoord de Godheid aanduidt: God
verlaat de Zijnen niet.
-ocr page 189-
175
f. Het koppel- en samentrekkingsteeken.
§ 393. Men bedient zich van het koppelteeken:
i. in woorden, waarin eigennamen of van eigennamen ge-
vormde adjectieven voorkomen: Manilla-sigaren, Java-tabak,
Turksch-rood\', Indo-Europeesch ,
enz.
2.    in titels, die uit de samenkoppeling van twee woorden zijn ontstaan,
wanneer beide of een van beide bastaardwoorden zijn: grootmeester-
nationaal, vice-voorzitter, sergeant-majoor, luitenant-adjudant,
enz.
3.    in aardrijkskundige namen, bestaande uit een\' eigennaam en
een adjectief of bijwoord: Noord-Holland, Klein-Rusland, Middcl-
Duilschland,
enz.
Adjectieven, van dergelijke woorden gevormd, behoeven geen koppel-
teeken: Noordhollandsch, Westfriesch, enz.
4.    in samenstellingen, waarvan het eerste lid alleen betrek-
king heeft op het tweede en niet op het geheel: oude-mannenhuis,
kleine-jongenspret, St.-Nicolaasfeest, \'s-Gravenhage, \'s-Herlogenbosch.
§ 394. Het samentrekkingsteeken wordt alleen dan gebezigd,
wanneer men lettergrepen samentrekt, waarmede dit gewoonlijk niet ge-
beurt: dadn, geschién, geleén, enz., doch niet slee, mee, weer, enz.
AANHANGSEL.
HET GEBRUIK DER LEESTEEKENS.
§ 395. Men gebruikt verschillende teekens met het doel, om de vlugge
en juiste opvatting van den inhoud der volzinnen te bevorderen. Deze
teekens heeten leesteekens. Zij zijn: de punt, de komma, de puntkomma,
de dubbele punt, het vraagteeken, het uilroepleeken, hel aandachlteeken,
het beletselteeken, de aanhalingsteekens, de haakjes.
§ 396. Men plaatst eene punt:
1.    aan het slot van eiken enkelvoudigen ofsamengestelden
zin, die geene vraag of geen\' uitroep inhoudt: Hij is van middag ver-
trokken. Eer ik er aan dacht, was hij me ontsnapt.
Men vindt ook wel eens eene punt vóór het einde van den volzin,
wanneer op de volgende zindeelen bijzonder de aandacht wordt gevestigd:
Drie historische herinneringen van zeer onderscheiden aard en beteekenis
hechten zich aan dit gedenkstuk der oudheid. Eene uit de middeleeuwen
,
ééne uit den tijd der hervorming, ééne uit deze onze, toen nog spring-
levende, 19e eeuw.
(B.)
2.    achter enkele woorden, die tot o p s c h r i f t of t i t e 1 dienen : Vierde
Boek. Het Magnetisme.
3.    achter verkortingen: bijv., naamw., de heer A.
§ 397. Men plaatst eene komma:
-ocr page 190-
176
i. in den enk el v oud i gen zin tusschen de deelen van een veel-
voudig onderwerp, enz., wanneer deze niet verbonden zijn door en
en of: Eene nieuwe, groote, sierlijke, gemakkelijke schrijftafel werdte
koop gepresenteerd. Niet alleen op de straat, maar ook voor de ramen
stond de menigte dicht opeengepakt\'.
Daarentegen: In Mei of November
gaat men verhuizen. De Koning en de Koningin zijn in de stad.
2.     in den enkel vond i gen zin vóór en na eene bijstelling of den
naam van den aangesproken persoon: Kareltje, het lieve jongetje,
was niet te vinden.
(B.) J/ui6, mijn jongen, wal schort er aan ?
Vader
, ik wou, dat ik rijk was. (P.)
3.     tusschen twee neven ges (-hikte zinnen, wanneer de deelen door
een voegwoord zijn verbonden. lOene uitzondering maken de voeg-
woorden en en of: Ik kon niet heengaan, want ik had druk werk. Hij
wou dal huis wel koopeu, doch had geen geld genoeg.
Zijn de deelen
van den samengestelden zin door een voegwoordelijk bijwoord
verbonden, of is het zinsverband niet uitgedrukt, dan bedient men zich
meestal van eene puntkomma,- bij \'t redengevend zinsverband
ook van eene dubbele punt.
4.     bij de onderschikkende zinsverbinding, vóór den bijzin, wanneer
deze achter den hoofdzin staat; achter den bijzin, wanneer deze vooraan
is geplaatst; vóór en na den bijzin, wanneer hij als tusschenzin voorkomt.
Staat de hoofdzin tusschen de deelen des bijzins, dan plaatst men ook
dezen tusschen twee komma\'s: Als hel kalf verdronken is, dempt men
den put. Men vertelde hem, dal er soldaten in aantocht waren. Eeuen
maatregel, die noodlottiger werkte
, had men moeilijk kunnen uitdenken.
Gisteren zijn zij, hoor ik, vertrokken.
Bij de beknopte zinnen volgt
men denzelfden regel: Ik geloof, hem reeds meer gezien te hebben. In
Keulen te zijn e?i de Dom niet te zien, dal gaal niet aan.
Zijn beknopte
zinnen van beperkten omvang, dan laat men de komma ook weg: Een\'
huichelaar te ontmaskeren is zoo gemakkelijk niet.
5.     vóór en na elk zindeel, dat men bijzonder wil doen uitkomen:
Hij had, in weerwil van allerlei bezwaren, hel hoofd omhooggehouden.
Mag ik u, met alle bescheidenheid, dit verzoek doen?
§ 398. Men plaatst eene puntkomma:
1.     tusschen twee nevengeschikte zinnen, die door een voegwoor-
delijk bijwoord zijn verbonden of waartusschen \'t zinsverband niet
is uitgedrukt: Men deed alles, om haar op te beuren; toch liet zij
hel hoofd hangen. Wij vonden er een oud vriend van ons; ook maakten
wij er kennis met diens neef en zijne dochters. Hij wordt voortdurend
door kiespijn gekweld; daarom is hij zoo knorrig. Gij kleedt u in koorts-
achtige spanning; gij begeeft u naar hel terrein; gij vindt er eene bonte
menigte, waarvan de een er al gekker en nuchterder uitziet
, dan de
ander; gij maakt met u honderden als een eenig man front naar
het oosten.
(B.)
2.     tuschen twee nevengeschikte bijzinnen, wanneer deze niet
-ocr page 191-
177
door een voegwoord verbonden zijn, bepaaldelijk, wanneer zij eenigen
omvang hebben; anders gebruikt men de komma: Hoeveel liever zou ik
van de meisjes betuigd hebben, dal zij op het land in vollen zin de natuur
genoten; dat zij wandelden, bloemen plukten, kruiden lazen en, door
afwisseling van geneugten, den kring harer kennis uilbreidden.
(P.)
3.    in het algemeen tusschen zinnen en zindeelen, die men bijzonder
wil doen uitkomen, of die wat langer zijn; de puntkomma vervangt dan de
komma: Aan mijne andere zijde (zat) eene lange Schotsche dame; eene
ongehuwde tante van een goede vijftig jaar; nog al koog blond; het
teint sterk door de zon aangedaan; juist niet mooi.
(B.)
4.    tusschen nevengeschikte vragende of uitroepende zinnen,
in plaats van V vraag- of uitroepteeken, dat men alleen achter den laat-
sten zin plaatst: Waarom daalde zijn blik ter aarde; waarom hing zijn
hoofd neer, toen hij in de schaduw van een boschje het gevogelte zingen
hoorde; waarom werd hij weemoedig bij dien wildzang van hel woud?
(P.) Gegroet, gegroet, gij vrnolijke en gezonde, lustige en stevige knapen;
gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands!
(B.)
Intusschen vindt men ook wel \'t vraagteeken gebezigd: Indien er geen
natuurschoon in Nederland was, indien hel er niet overvloedig was,
vanwaar het aantal van onze uitnemende landschapschilders ? vanwaar
de voortreffelijkheid van hunne meesterstukken ?
(B.)
§ 399. Men plaatst eene dubbele punt, wanneer hetgeen volgt ter
opheldering of verklaring van \'t voorgaande dient. Zoo gebruikt men haar
tusschen nevengeschikte zinnen, die redengevend zijn verbonden, zonder
dat dit verband is uitgedrukt: Vergeefsch dat het landschap, bij lederen
keer des wegs, wisselde van iieelkleurige pracht: hij stond er niet om
stil; hij zag er niet naar rond.
(P.) Eene aardige groep: voor de deur
eener boerenwoning rookte een grijsaard zijn pijpje, met een jongen van
eenjaar vijf, zes op de linker knie. (F.)
Zoo, wanneer men de woorden
van iemand aanhaalt, doch alleen, wanneer de hoofdzin voorafgaat:
Toch kostte het Huib moeite, zich in te houden en niet te roepen:
„Machteld, die komt om je geld en goed!"
(P.) Zoo bij optellingen: In
deez\' broek voert hij met zich
— at wat de tijd opgeeft; — dat wisselt
af: knikkers, sluiters, ballen, eeii spijker,
enz. (B.)
§ 400. Men gebruikt een vraagteeken na een\'vragenden hoofd-
zin of een\' vragenden bijzin, die in den vorm van een\' hoofdzin
voorkomt; Wil je roeien? — Pk vroeg hem: „Wihje mij eens helpen?"
Doch niet, wanneer de bijzin als bijzin optreedt: Ik vroeg hem, of hij
wist, waar die man woonde.
§ 401. Men gebruikt een uitroepteeken na tusschenwerpsels,
uitroepen, wenschen, bevelen, enz. Helaas! Ach! hoe ongelukkig!
Drommels! Bloodaard! Kom toch! Vergeef ons onze schulden! Marsch!
Vuurl
Ook wel na den naam van den aangesproken persoon: Je
wordt geroepen, kind! Jansje! daar wordt geklopt.
Omgekeerd gebruikt
men na tusschenwerpsels wel eens eene komma: Och, hoe lief!
T. TERWEV, Ntd. Spraakk. 8e druk.                                                                 12
-ocr page 192-
178
§ 402. Het beletselteeken bezigt men, wanneer iemand door eene
of andere oorzaak verhinderd wordt, een\' volzin te eindigen: „En wie
zijl gij mijnheer 1 om mij op mijne eigene kamer de les te komen
lezen? Ik houd u voor . . .
." — „Geene beleedigingen", zei Hilde-
brand.
(B.)
§ 403. De aandachtstreep dient, om den hoorder opmerkzaam te
maken op iets, dat hij niet kon verwachten: „Aan V spoorstation lc
/feidelberg daar staat een kind
— van dertig jaar." (B.) ,,/e kunt mooi
genoeg praten
— mijnheer/" zeide Pieter met de landen op elkaar en
bevende van haal.
(B.) Men gebruikt deze streep ook wel, wanneer de
schrijver een deel van zijn onderwerp geheel afgedaan heeft.
§ 404. De aanhalingsteekens dienen, om zinnen of woorden als
die van anderen doen uitkomen: Hij zeide: „Wie gaat er mee?"
Hij scheen een man van gewicht
, wicn de gerechten pasten, maar die
„in dit mooie Zwitserland" geen\'1 vrede kon hebben met den wijn.
(B.)
§ 405. De haakjes dienen, om een\' op zich zelf staanden zin, tus-
schen de deelen van een\' anderen geplaatst, daarvan te scheiden: Een
donker sparren- en dennenwoud
, geworteld lusschen, en in, en op (ik
weel zelf niet hoe) eene woest dooreet/geworpen massa van de kolossaalste
rotsklompen.
(B.) Men kan zulk een\' zin ook tusschen twee streepjes
plaatsen.
-ocr page 193-
REGISTER.
NB. De cijfers wijzen de pagina\'s aan.
Aaneenschakelend zinsverband . . 14.
Aangesproken persoon (verhouding
tot den zin)
........3.
Aanvoegende wijs (gebruik) ... 82.
Aanwijzend voornaaraw. (aard) . 46.
„ (verbuiging) 114.
•nar, -laar........146.
-aar, -naar (bij persoonsnamen) . 144.
•aard...........145.
aarts (bijvoeglijke naatnw.) . . . 151.
aarts (zelfst. naamw.).....144.
Accusatief
als lijdend voorwerp — met een
voorzetsel — als bijwoordel. bepa-
ling
— als bijstelling of bepaling
van gesteldheid
— als oorzakelijk
voorwerp
bij een bijv. naamw. . 77.
Accusatieven als bijwoord . . .155.
Acbteraanvoeging (paragoge) . .164.
Achtervoegsels.......134.
•achtig (zonder en met hoofdtoon) 150.
al\' (zelfst. naamw.) . . . . . .144.
Afleiding.........134.
Afleidsels uit wortels.....134.
■ago...........141.
•and...........139.
ant...........144.
Antecedent.........48.
Attributief bijvoeglijk naamw. . . 42.
au , OU (wanneer geschreven) . . 162.
-baar..........150.
Bastaardwoorden (spelling) . . . 173.
be (bij werkw.).......140.
bc (bij bije. naamw.).....151.
Bedrijvende zin.......9.
Beginletters (wanneer verscherpt) . 171.
Begripsnaraen........40.
Beknopte bijzinnen......19.
beperkende........37.
bijvoeglijke..... . .    23.
„ in den vorm van doel-
aanwijzende zinnen.....    23.
doelaamcijzende......    29.
gevolgaanduidende.....    30.
gezegde-zinnen.......    21.
onderwerpszinnen......    20.
oorzakelijke voorwerpszinnen. .    22.
redengevende.......    28.
tijdbepalende.......    27.
toegevende........    34.
voorwaardelijke......    32.
voorwerpszinnen......    21.
Belanghebbende voorwerpszinnen .    21.
Bepaling van gesteldheid ....      7.
Bepalingaankondigend voornaamw.    47.
vervanging door \'t pers. vnw. .    47.
verbuiging........  116.
Beperkend tegenstellend zinsverb.     15.
Beperkende zinnen......    34.
„ „ met dan ...    35.
Betrekkelijk voornaamwoord . .    48.
bijvoegl. gebruikt......    48.
bij een\' geheelen zin.....    49.
verbuiging........   113.
Bezittelijk voornaamwoord . . .    46.
vervanging door aanw. vnw. . .    46.
bij men.........    46.
verbuiging........  113.
Bijstelling.........      7.
„ (geen bijv. zin) ...    24.
Bijvoeglijke bepalingen ....      7.
Bijvoeglijk naamwoord ....    42.
alleen attributief......     43.
alleen praedicatief.....    43.
die een\' genitief regeeren . . .    75.
die een\' accusatief regeeren . .    73.
die goeno trappen van hoeda-
nigheid
hebben......
    30.
verbuiging (sterke en zwakke) .  108.
12*
-ocr page 194-
180
wanneer onverbogen; wanneer ge-
woonlijk onverbogcn
.....109.
verbuiging der bljvoegl. naamw.
als zelfstandige naamw. gebruikt 109.
verbuiging der bijv. naamw., waar-
achter \'t zelfst. naamw. is weg-
gelaten
. . . . •.....109.
afgeleid.........149.
eigenl. en uneigenl samengest. . 152.
samengesteld door aft.....152.
Bijvoeglijke zinnen......22.
„              „ door of verbonden 23.
„              „ door een voegw.
verbonden . . 23.
„
              „ bij een\' volzin . 22.
Bijwoorden (aard en soorten) . . 59.
in den overtr. en vergr. trap . 81.
afgeleid.........154.
samengesteld.......155.
Bijwoordelijke bepalingen ... 6.
Bijwoordelijke zinnen.....24.
Bijzin..........12.
„ van een\' bijzin.....12.
Causatieven........130.
cll vóór t . ........172.
Cll (stom).........172.
d vóór s.........172.
dan (uitsluitend voegw.) .... 16.
Datief
van voor- en nadeel — bezit —
den belangstellende — bijstelling
en bepaling van gesteldheid . . 76.
als bijwoord.......155.
Deelwoord (aard en verdeeling) . 92.
geene trappen van hoedaniyh. . 81.
vorming......125, 126.
Deelwoordelijke bijv. naamw. . . 92.
Denominatieven.......188.
deze en gene, deze of gene als onb.
voornaamw.........50.
dit en dat (beteekenis) .... 47.
Doelaanwijzende zinnen .... 28.
•dom...........148.
e en o (zachte en scherpe — aard) 165.
e (regels voor de zachte en scherpe)  166.
■cel...........  146.
een als onbep. voornaamw. ...    50.
eene (de) en de andere als aan w. vnw.    46.
een (de) of ander, een (het) of ander
als onbep. vnw.......    50.
eenig als onb. voornw.....    50.
Eenvoudig aaneenschakelende of ver-
sterkende zinsverbinding . . .
    14.
-egge of ei........  146.
ei (regels voor \'t gebruik) . . .169.
Eigennamen........    40.
-el (namen van nerktuigen) . . .  146.
-el (verkleinwoorden).....  147.
Elliptische zin.....11 en 39.
■en (stoffelijke adjectieven) . . .  150.
-en (bijwoorden).......  154.
Enkelvoudige zelfstandige naamw.
mtt meervoudige beteekenis. . .105.
Enkelvoudige zin......     2.
eerste (de) en de laatste, als aanw.
voornw..........    46.
eeren (werkwoorden).....  138.
-er (persoonsnamen).....  145.
-er (namen van werktuigen). . .  146.
er als voornw. en als bijwoord. .  112.
-erd . . . ,.......  145.
•es (vrouwel. zelfst. nw.) ....  145.
et............  144.
Etymologie.........  134.
Frequentatieven (werkwoorden van
herhaling)........  140.
ge (werkwoorden)......140.
ge (zelfst. naamw.)......144.
ge (bijv. naamw.)......151.
Gebiedende wijs (gebruik) ... 82.
„ in den vorm van infini-
tief en verl. deelw......86.
Gemeenslachtige zelfst. naamw. . 70.
Genitief
van oorsprong — bezit — ver-
deeling
— onder- en voorwerp —
oorzaak — scheiding — bijwoor-
delijke
.........74.
-ocr page 195-
181
voorafgegaan door voorzetsels,
vooral door om te.....    94.
zonder te........    95.
in plaats van verleden deelwoord    96.
-ing, -ling (gemeenslachtige zelfst.
naamw. en verkleinw.). 146 en  147.
-ing (vrouwel. begripsnamen) . .  147.
Inlassching (epenthesis) . . . .162.
Intensieven........  140.
-je, -tje.........146.
-Jcs? -ties» -kens......155.
Klankverspringing (metathesis) . .164.
Klemtoon (hoofdtoon on bijtoon) .  159.
-kijn, -ken, -ke, -sken, -ske .  146.
Klinkers.........  160.
Klinkers (uitspraak: volkomen —
gerekt — onvolkomen — toonloos)  160.
Koppeltecken........  174.
Koppelwerkwoorden.....    56.
laten, gevolgd door len of 4«n
naaiiiï.......• . . 86.
Leesteekens........175.
Lettorklanken en -teekens . . . 159.
Lidwoord
van bepaaldheid......52.
„ onbepaaldheid.....52.
gebruik of weglating .... 52.
verbuiging........119.
Lijdende (schijnbaar) vorm van
onovergankelijke werkw. . . . 54.
Lijdende zin........9.
-lijk (adjectieven)......151.
-lijk, -lijks (bijwoorden) . . . 154.
-lijn...........146.
-lings..........154.
-loos...........151.
Medeklinkers........171.
verdeeling........161.
stomme.........161.
verdubbeling.......171.
Meervoudsvorming der zelfst.
naamw..........102.
als bjjwoord ....... 155.
Germaansche talen......2.
Oeslacht (aard en regels) ... 64.
„ der samengest. woorden . 71.
Getal (aard)........71.
zelfst. naamw., alleen enkelvoud 72.
alleen meervoud 73.
Getal des werkwoord».....91.
Gevolgaanduidende zinnen . . . 29.
door dan dat verbonden ... 30.
„ of                „         ... 30.
-gewijze.........154.
Gezegde (logisch en grammatisch). 3.
Gezegde-zinnen.......20.
Grond tegenover gevolgtrekking . 17.
Grondwoord........134.
h (stom).........  172.
-hai\'tig..........  150.
hebben en zijn als hulpwerkw. 89, 90.
-heid...........  147.
hor...........  141.
hetgeen als betr. vnw......    49.
hij, zij het (beteekenis) ....    45.
het als onbep. voornw.....    50.
Hoofdletters........  174.
Hoofdtelwoorden (bep. en onbep.) .    51.
„ zelfstandig gebruikt    51.
„ (verbuiging) . . .117.
Hoofdzin.........    12.
Hulpwerkwoorden
van tijd —wijze — den lijdenden
vorm..........    56.
1c en i (regels voor \'t gebruik) . 169.
-ier, -nier........145,
-ig, -erig.........150.
ij (regels voor \'t gebruik) . . . 170.
-ij, -nij, -erij, -ernij .... 147.
Ik ben het, enz. (ontleding). . . 11.
-ik...........147.
-in...........145.
Infinitief (onbepaalde wijs) . . . 80.
verschil tusschen den — en \'t
zelfst. naamw........93.
-ocr page 196-
182
Onovergankelijke werkwoorden
subjectief en objectief .... 54.
Onpersoonlijke werkwoorden
werkelijk en schijnbaar . . . 55.
ont...........141.
Overeenstemming in buigingsvorm:
a.   tusschen onderwerp en gezegde
1.   in persoon.......97.
2.   in getal........98.
b.   tusschen onderwerp en- naamw.
deel van \'t gezegde
.....99.
c.  tusschen naamwoord en bijv.
bepalingen
........99.
d.   tusschen voornaamw. en zelfst.
naamw
..........100.
Ovorgankeljjke werkwoorden
bedrijvende en lijdende vorm . 54.
Overtreffende trap (aard en gebruik) 79.
B „ (volstrekt en be-
trekkelijk)
........80.
Personen des werkwoords . . .    91.
Persoonlijke voornaamw. (aard) .    44.
verbuiging........  111.
Plaatsbepalende zinnen ....    24.
Praedicatief bijvoogl. naamw. . .    42.
Rangtelwoorden (bep. en onbep.) . 51.
„
              (zelfst. gebruikt) . 52.
„              (verbuiging) . .117.
lieden tegenover gevolg .... 17.
Redengevend zinsverband . . . 17.
Redengevende zinnen ..... 27.
niet te verwarren met oorzakelijke
voorwerpszinnen......27.
met dat.........28.
-rik...........145.
S of sch aan \'t slot van bijv. naamw. 172.
•S (bijwoordelijke)......155.
Samengestelde zin......4.
Samengetrokken zinnen . . .13, 18.
Samenstelling
schei Ibare en onscheidbare, eigen-
lijke
on oneigenlijke— door middel
van afleiding
.......137.
door s.........103.
beurtelings s of en.....103.
s en en met verschil van beteekenis 103.
door ers, eren......104.
Meervoudsvorming (schijnbaar) door
non. iën........104.
Meervoud van woorden op man . 105.
Meervoud van woorden op us on um 105.
Meervoud, gelijk aan \'t enkelvoud 105.
„          met klinkerverandering 105.
„             „ verandering van
slotmedeklinker . 106.
Meervoud van titels.....105.
„             „ eigennamen . . . 106.
Namen van hoedanigheden
„ toestanden
„ werkingen .... 41.
Namen van workelijke zclfstandigh. 40.
Naamvallen (aard)......73.
Naamval van den bijstelling bij den
genitief.........78.
Naamwoordelijk deel van \'tgezegde 4, 10.
Noderlandscho taal......1.
Nevenschikkend zinsverband . . 13.
■nis...........148.
Nominatief
als onderwerp — deel van \'t ge-
zegde
— bijstelling en bepaling
van gesteldheid
......74;
O en e (zachte en scherpe—aard)  166.
o (regels voor ie zachte en scherpe)  166.
oor...........   144.
Oorzaak tegenover gevolg . . .     17.
Redengevende zinnen.....    27.
Oorzakolijko voorwerpszinnen . .    21.
on (zelfst. naamw.)......   144.
on (adjectieven).......  151.
Onbepaalde voornnamw. (aard) .    49.
verbuiging........   117.
Onderschikkend zinsverband. . .    18.
Onderwerp (logisch en gramma-
tisch)
..........
      3.
Onderwerpszinnen......    20.
-ocr page 197-
183
Tusschenwerpsels......63.
Tweeklanken........169.
n als voornaamw. van den tweeden
persoon.......54 en 97.
Uitsluit, tegenstellend zinsverband 10.
Veelvoudige zindeelen.....8.
Ter (werkwoorden)......141.
Verandering van klinkers . . . 160.
„
           .. medeklinkers . . 162.
Verbuiging (aard)......64.
Verdeelend zinsverband .... 14.
Vergelijkendo zinnen.....35.
Vergrootende trap (aard en gebruik) 79.
omschrijving noodzakeljjk . . . 80.
Verhoudingszinnen......37.
Verklarend zinsverband .... 18.
Verkleinwoorden (aard) .... 146.
Vervoeging (aard)......64.
Verzamelnamen.......41.
Voegwoorden (aard en verdeeling) 63.
vorming.........157.
Volzin.........1. 3.
Voornaamw. (zelfst. en bijv.) . . 44.
verbuiging........111.
vorming.........152.
Voorvoegsels........134.
Voortzettend en rangsch. zinsverb. 14.
Voorwaardel. wijs (gebruik) . 82 en 84.
Voorwaardelijke zinnen .... 31.
in den vorm van vragende en
gebiedende zinnen.....32.
mot of verbonden.....32.
Voorwerpen (lijdend — belangheb-
bend
— oorzakelijk) .... 5.
Voorwerpsnamen.......40.
Voorwerpszinnen.......21.
Voorzetsels (aard)......62.
, die een\' Ben naamval
regeeren.........77.
die een\'1 schijnbaren 2e» naamv.
regeeren.........77.
vorming.........156.
Vragende voornaamwoorden . . . 47.
Samentrekkingsteeken.....175.
-sch, -iscL (bijv. naamw.) . . . 150.
•schap..........148.
Schijnbaar lijdende zinnen ... 9.
-sel...........146.
Slot medeklinkers (wanneer zacht en
wanneer scherp) . . . . . .171.
Soortnamen........40.
Spelling..........4.
grondslagen........165.
van gerekte klinkers . . . .165.
van volkomen a en u . . . . 165.
Spraak.......... 1.
Spraakkunst........2.
Stam...........101.
Stellende trap (aard en gebruik) . 79.
-ster...........145.
Stofnamen.........41.
Syntaxis.........2.
Taal...........1.
-te (zelfst. naamw.)......147.
Tegenstellend zinsverband . . . 15.
Telwoorden (aard)......51.
verbuiging........117.
vorming.........153.
Tijdbepalende zinnen.....24.
door of verbonden.....26.
Tijden der werkwoorden
aard en benaming.....86.
enkelv. en samengest.....89.
der aanvoegende wijs .... 88.
der voorwaardel. wijs . . . . 81.
der gebiedende wijs.....89.
van den infinitief......94.
Toegevende zinnen......33.
in den vorm van hoofd- en ge-
biedende zinnen......34.
met al en ook.......33.
met een vragend voornaamw. of
bijwoord.........34.
Tongvallen.........2.
Trappen van hoedanigheid (aard). 79.
vorming.........110.
Tusscheuletters (verscherping) . . 171.
-ocr page 198-
184
in ititroependen zin . .
. . . 48
als onbepaalde vnw.. .
. . 50
. . .115
. . 8
Vreemde weorden . . .
. . 173
. . 154
wan (werkwoorden) . .
. . 141
wan (zelfst. naamw.) . .
. . 144.
sterke, verdeeling in 11 klassen 120.
sterke, wier vervoeging opmerking
verdient, naar de klassen gerang-
schikt ..........122.
zwakke.........125.
onregelmatig sterke.....127.
onregelmatig zwakke .... 132.
persoons- en tijdsuityangen . . 126.
Werkwoorden (vorming)
afgeleide.........138.
samengestelde.......142.
Werkwoordel. deel van \'t gezegde 4 en 10.
wie en wat = al wie en al wal . 49.
wij in de plaats van ik .... 44.
Wijzen der werkwoorden (aard) . 81.
Woord.......... 1.
Woordschikking (in hoofd- en bijzin) 12.
Woordvorming.......134.
Wortels......, . . . 134.
zaam...........   151.
zeker als onbep. voornaamw. . .    50.
zelf en alleen (gebruiken verbuiging)  112.
Zelfslachtige zelfst. naamw. . . .     71.
Zelfstandige naamw. (aard) . . .    40.
verdeeling in soorten ....    40.
tot verschillende soorten behoorende 41.
verbuiging (sterke en zwakke) .   101.
vorming:
afgeleid.........  143.
samengesteld.......  148.
samengesteld door afleiding . .149.
Zuiver tegenstellend zinsverband .     15.
u-at, als betr. voornw.; wanneer
geoorloofd........    49.
wat, bjjvoegl. vragend voornaamw.    47.
wat, onbepaald voornaamwoord .    50.
Wederkeerend voornaamw. ...    45.
"Wcderkeerende werkwoorden
noodzakelijk of toevallig . . .    55.
Wederkeerig voornaamw. . . .    45.
Weglating aan \'t begin (aphaeresis)  164.
„ in \'t midden (syncope).  164.
B aan \'t slot (apocope) .   164.
welks v. zaken in \'t enkelv. . .    48.
Werkwoorden (aard).....    54.
beurtelings over- en onovergankelijk    57.
oorspronkelijk onoverg., thans overg.    57.
onoverg., als overgankel. ge-
bruikt .........
    58.
onpersoonlijke, als overg, ge-
bruikt
.........
    58.
koppelww. oorspr. onoverg. of
overg...........    58.
Werkwoorden, die twee accusatie-
ven regeeren.......
    78.
Werkwoorden (vervoeging, sterke
en zwakke)........  120.