-ocr page 1-

ytf/C $ 5Z3

TIJDSCHRIFT

voor

VEEARTSENIJKUNDE

uitgegeven door

DE MAATSCHAPPIJ TER BEVORDERING DER
VEEARTSENIJKUNDE IN NEDERLAND

ONDER REDACTIE VAN

M. KROON te utrecht, c. F. VAN O YEN te haarlem,
dr.
A. VRIJBURG te vGravenhage.

een-en-veertigste deel

UTRECHT
J. L. BEIJERS
1914.

-ocr page 2-

»»ISS11111

0031 fuoy

-ocr page 3-

INHOUD.

Origineele artikelen.

Bladz.

Bakker, dr. D. l., De herkomst van het Nederlandsche vee............ 1096

Bemelmans, dr. E., Bijdrage tot de kennis van de „Influenza" ziekten

van het paard .................................. 383. 661, 849, 1013

Bergen, L. van, Larven van hypoderma bovis als ziekteverwekkers..... 912

Berger, dr. E., De keuring van het Argentijnsche vleesch.............. 897

Beyers, J. A., Een geval van hartblok bij het paard................... 755

Beyl, W. de, Slokdarmsonde bij rund en varken ...................... 470

Bouwman, J., Cholesteatomen bij het paard .......................... 1139

„ Een geval van torsio uteri bij de merrie.................. 1139

,, Een geval van paralyse van den N. femoralis............ 1194

Bruins, Br., Iets over boosaardige kopziekte bij het rund................ 702

Büchli, dr. K., Veeartsenijkundig Staatstoezicht in Politie en België. .1166, 1196
Capelle, dr. Th. J. van, Groote spierwond aan den opperarm en radialis-

paralyse aan het andere been bij een paard.......................... 811

Douma, S., Artikel 8 van het Wetsontwerp houdende bepalingen tot wering
van vleesch en vleeschwaren die voor de gezondheid schadelijk zijn 464, 532

Douma, S., Iets over intravitale en postmortale infectie van vleesch...... 946

Eggink, dr. B.,r Een geval van anthrax bij een varken.................. 1057

„ Atresia hymenalis bij een paard...................... 1164

Nog een geval van locaal miltvuur bij een varken........ 1165

Ferwerda, dr. S. R., Het rapport der Commissie inzake het veeverzekerings-
wezen .......................................................... 302

Frederikse, A. en Kuipers, A., Luxatio femoris supra-glenoidalis bij

een paard ...................................................... 1137

Haan, D., Enting tegen hoenderziekten................................ 813

Hartog, dr. J. H., Korte mededeelingen uit de chirurgische cliniek van

\'s Rijkveeartsenijschool ............................................ 525

Hoopen, W. ten, Acetonaemie door resorptie van lochiën? ............ 807

„ Kniebuilen en groepbeenen bij runderen ............ 1055

Houba, K., Veterinaire vraagstukken ...................... 87, 253, 436

Openingsrede van de 55ste Algemeene Vergadering........ 1202

Huet, dr. Gallandat, Eenige mededeelingen omtrent den veldziekenstal

der 4e Divisie .................................................... 1187

Jakob, dr. H., Therapeutische, casuïstische en statistische mededeelingen
uit de kliniek voor kleine huisdieren van \'s Rijks Veeartsenijschool...... 583

-ocr page 4-

Kamp, dr. C. J. G. van der, Een weinig voorkomend geval van actinomycose

bij het rund ........................................................................................................913

Kroon, H. M., Het Trekhondenvraagstuk ........................................................1131

„ De Van EsvELD-Medaille............................................................1201

Leeuwen, A, van, Kwade droes in Nederland....................................................168

Lenshoek, j. A., Tuberculose onder melkvee op Java ....................................704

Louter, L., Gecombineerde staart- en sphincterverlamming ........................i060

Luxwolda, dr. W., Moeilijkheden bij het samenstellen van gemeentelijke

keuringsverordeningen ....................................................................................691

Monné, D. J. H. H., Een eigenaardig geval van vergiftiging(P) bij een hond 915

„ Wandelnier bij een paard .........-.............................H95

Numans, J. c., Een geval van klaververgiftiging bij het paard........................265

Offeringa, P. J., Acute kruiszwakte....................................................................918

Overbeek, dr. A. A., De bestrijding van mond en klauwzeer........................1

Paimans, W. J., De steriliteit van het rund ....................................................535

,, De lichaamstemperatuur voor den partus ........................993

Reeser, dr. H. E., Over leukocytolytisch serum ............................................793

„ De konglutinatiereactie ....................................................965

Schmidt Kolding, dr. J., Ueber unregelmässige Herztätigkeit bei einem

Pferde........................................................................................................................1048

Schornagel, dr. H., Anatomische, histologische und bakteriologische Unter-
suchungen über elf Fälle von Hundetuberkulose .................... 45,125

Slooten, dr. J. C. van der, Een bijzonder geval van invaginatie....................810

Stüven, W. S., Neurectomie....................................................................................956

„ De Neurectomie aan de Rivièra ............................................1162

Tenhaeff, C., Is het van een oeconomisch standpunt gezien wenschelijk dat
ten opzichte van besmettelijke ziekten van het pluimvee politiemaatregelen

worden genomen? .......................................-................345

Veen dr. J. van der, Acuut oedeem bij het rund............................................337

,, Mededeelingen uit de verloskundige praktijk bij het

paard....................................................................................1093

Veenbaas, A. H., Acetonaeinie ......................................................................453

,, Verwijdering van vreemde lichamen uit den slokdarm.... 469

„ Longjacht ................................................................................1159

Veewet ........................................................................................................................1062

Vroemen, K. J., Ervaringen over miltvuur bij het rund....................................217

Vrijburg, dr. A., Mond- en Klauwzeer................................................................12

Warnecke, dr. H., Het voorkomen van den bacillus enteritidis Gärtner

bij kalveren ........................................................................357

„ Een geval van vleeschvergiftiging........................................359

Wester, J. J., Steriliteit bij runderen en paarden............................................13

,, Abscessen en tumoren in de keelstreek bij het rund ................197

,, Enkele klinische gegevens omtrent aandoeningen bij honden 289

„ De Cammidge-reactie bij honden ............................................297

,, Over terpentijn-injecties bij paarden........................................530

,, Maag-darmstrongylose bij geiten ............................................621

-ocr page 5-

Wester, J. J., Onregelmatige intermitteerende hartslag bij dieren ............733

,, „Hartblok" bij een hond door hartsdilatatie (Adam-Stoke\'s

ziekte) ........................................................................................752

,, Reflectorische polsarrhytmie bij een hond ............................754

Klinische waarnemingen omtrent tuberculose bij paarden .. 929
Zwart, dr. S. G., Beschouwingen naar aanleiding van een worstvergftiging

veroorzaakt door een virulente coli-achtige bacil............................................259

Korte mededeelingen.

C. F. van Oyen, Trichinosis ................................................................................92

Dr. W. Stuurman, Trichinellosis ........................................................................998

Necrologieën.

Dr. D. P. F. Driessen, door Dr. W. C. Schimmel............................................41

R. J. Schouten, door Dr. W. C. Schimmel........................................................274

G. Goossens, door Dr. W. C. Schimmei..............................................................558

J. Th. van Lohuizen, door Dr. W. C. Schimmel ............................................629

J. H. Zijp, door Dr. W. C. Schimmel en G. Krediet ....................................999

C. Schii.peroort, door H. M. Kroon ................................................................1141

Boekaankondigingen.

Marktlijst 1914 (Kroon)........................................................................................16

Heinrich Jakob, Diagnose und Therapie der inneren Krankheiten des

Hundes (J. Wester) ..........................................................................................222

A. Tapken, Die Praxis des Tierarztes (J. Wester) ............................................223

Dr. R. von Ostertag, Handbuch der Fleischbeschau für Tierärzte

(W. Stuurman) ................................................................................................274

Prof. Dr. Martin Klimmer, Veterinärhygiene (Kroon) ....................................441

Veterinaire Studenten Almanak 1914 (Kroon)....................................................441

Prof. Dr. Reinhold Schmaltz, Atlas der Anatomie des Pferdes (Krediet) 559

Veeartsenijkundige dienst in Ned. Indië over 1912 (Vrijburg) ....................707

De Nationale en Internationale Landbouwtentoonstelling te \'s-Gravenhage-

Scheveningen (Kroon) ........................................................................................759

J. Vlaskamp, De besmettelijke veeziekten (De Jong)....................................921

W. Ellenberger und H. Baum, Lehrbuch der topographischen Anatomie

des Pferdes. (Krediet) ........................................................................................922

Eugen Fröhner, Lehrbuch der Arzneimittellehre für Tieraerzte (Jakob) . . looi

Dr. D. A. de Jong, Overzicht der niet-bacterieele parasitaire ziekten (Wester) 1103

Deutscher Veterinär-kalender 1914—1915 (Kroon) ........................................1142

Verzamelde opstellen uit ,,Het Paard" (Kroon) ................................................1142

Prof. Dr. D. A. de Jong, Tijdschrift voor vergelijkende geneeskunde, gezond-
heidsleer en de parasitaire en infectieuse dierziekten
(Kroon) ....................1143

Statistisch overzicht der geneeskundig behandelde paarden van het Ned.-

Indische leger in 1913 (Vrijburg) ................................................................H44

-ocr page 6-

Ingezonden.

Di. H. A. Vermeulen, Dissertatie........................................................................17

E. Kortman, Veeverzekering ................................................................................18

B. Vrijburg, De positie van Gouvernements-veearts in Ned.-Indië............772

H. M. Kroon, Een één- of een meerhoofdige redactie van het Tijdschrift voor

Veeartsenijkunde ................................................................................................1104

G. C. Post Miltvuur................................................................................................1213

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Mededeelingen van het Hoofdbestuur, 93, 171, 181, 183, 225, 279, 361, 443, 560
632, 718, 761, 814, 891, 962, 1050, 1180, 1149, 1214

Notulen Buitengewone Algemeene Vergadering op 29 November 1913. 19, 94

n „ „ „ 14 Maart 1914 ............471

Adres aan den Minister en aan de Staten-Generaal inzake het Wetsontwerp

Vleeschkeuring ..................................................

Rapport inzake het ontwerp tot regeling van het veeartsenijkundig hooger

onderwijs ...................................................... r72

Programma Buitengewone Algemeene Vergadering, 14 Maart 191 1 ........ 182

Verslag van den toestand der Maatschappij........................................................1002

Verslag over den toestand der geldmiddelen....................................................1006

„ „ „ „ „ bibliotheek........................................................76 9

Verslag van de afdeeling Nieuw-Zuid-Holland.......................... 361

„ „ „ „ Zuid-Holland................................................................3fi4

,, ,, „ „ Groningen-Drenthe....................................................365

„ „ „ ,, Overijsel........................................................................366

„ „ „ Limburg ....................................................................367

„ „ ,, Noord-Holland............................................................368

,, „ „ ,, Friesland.................................... 719

„ ,, ,, ,, Gelderland-Overijsel.......................... 72 °

„ „ „ „ Utrecht ........................................................................7*3

Vervolgcursussen voor veeartsen .................................... 443

Voorstellen voor de 55ste Algem. Vergadering.......................... 560

Rapport aan den Directeur-Generaal inzake vlekziekte-enting............ 712

Werkzaamheden veeopzichters ............. ......................... 761

Landbouwkundige of veearts ............. ......................... 765

Programma der 55ste Algemeene Vergadering...................... 814, 891

Rapport inzake wetsontwerp paardenfokkerij .......................... 833

Leuvensch Boekenfonds............................................................................................!I79

Kort verslag der 55ste Algemeene Vergadering................................................1211

Vereeniging van Directeuren van Gemeentelijke Slacht-
huizen in Nederland.

Trichinenonderzoek bij varkens...................................... ll7

Verslagen der gemeentelijke slachthuizen over 1913................ H45> I2I3

-ocr page 7-

Vereeniging van Rijkskeurmeesters in algemeenen dienst.

Rapport inzake huisslachtingen ...................................... 234

Militaire Veterinaire Vereeniging.

Vergadering op 28 Maart 1914 ...................................... 316

Adres aan den Minister van Ooilog.................................... 371

IXde Internationaal Veeartsenijkundig Congres
\'s Gravenhage 1909.

Rekening en verantwoording ........................................ 920

Permanente Commissi voor Internationale Veeartsenij-
kundige Congressen.

Mededeelingen ................................................ 227, 371

Xde Internationaal Veeartsenijkundig Congres
te Londen 1914.

Voorloopig programma ............................................ 228

Mededeelingen ............................369, 444, 565, 724, 771, 784, rooi

Programma .................................................. 786, 844

Iste Internationale Congres voor vergelijkende Pathologie.

Verslag congres .................................................... 547

Referaten.

Referent: dr. K. Büchli.

Ophthalmoreactie bij Malleus ........................................ 188

Referent: E. J. Dommerhold.

Het exterieur van jonge dieren ...................................... 1182

Referent: dr. B. Eggink.

Aetiologie der Metritis beim Rinde .................................. 1125

Referent: dr. J. H. Hartog.

De heete glycerine-boluspasta ...................................... 1153

De proef met de wig van Lungwitz bij de diagnostiek van podotrochiitis

en ostitis phalangis III............................................ "54

Referent: dr. E. Berger.

Vischworsten . . .................. .. .................................. 35

Referent: C. F. van Oyen.
Beiträge zur Kenntnis der Bakterienflora der Maulhöhle bei gesunden

Schweinen........................................................ 1124

-ocr page 8-

Referent: w. J. Paimans.

Scrapie: An obscure disease of sheep....................................................................1053

Referent: dr. B. Sjollema.

Over den invloed van ziekten der koeien op de melk............................................1156

Referent: dr. A. Vrijburg.

Salvarsan en Neo-Salvarsan ................................................................................36

Immunisation against haemorrhagic septicaemia ............................................39

Neue Fortschritte in der Kultivierung der Gewebe ausserhalb des Orga-
nismus ....................................................................................................................40

Knochen- und Gelenktransplantationen............................................................40

The conjunctival reaction for glanders................................................................188

Konglutinatie-reactie bij malleus ........................................................................190

Immuniseeren tegen malleus ................................................................................192

Epizootic lymphangitis and its treatment ........................................................192

Ueber die Bildungsstätte des komplementbindenden Antikörpers ................193

Behandeling van runderpiroplasmose (Babesiose) ........................................193

Piroplasmose ............................................................................................................194

Ueber den endemischen Kropf in Bayern............................................................195

Zur Verbreitung der Diphterie und Lepra durch die Faeces ............................195

Zur operativen Behandlung der Post-partum-blutungen ................................195

Spasme facial chez le cheval....................................................................................195

Varkenspest ............................................................................................................196

Deux nouveaux cas de paralyse générale chez le chien....................................196

Miltvuur ..............................................................................................247

Zur Behandlung des äusseren Milzbrandes ........................................................250

Zur Frage der Desinfektion Milzbrandsporenhaltiger Häute und Felle ............251

Die Empfänglichkeit der Schweine für Rauschbrand ........................................251

Ueber plötzliches Auftreten einer gehäuften Zahl von Rauschbrandfällen 251

Asenical poisoning from Smelter-sinoke................................................................251

Azoturia in Work-Oxes ........................................................................................252

Castration de la jument par la voie inguinale....................................................252

Voedervergiftiging ................................................................................................286

Castratie van het staande paard ............................................................................287

lieber die Kultivierbarkeit des Lepgraerregers und die Uebertragung der

Lepra auf Affen ................................................................................287

Ueber das Plombieren von Zähnen bei Tieren....................................................288

Tuberkelbacillen in het bloed bij longtuberculose ............................................334

Experimentelle Untersuchungen über das Vorkommen von Tuberkelbacillen

im Samen tuberkulöser Menschen ....................................................................335

Versuche über den Wert neuer Methoden zur Entnahme von Lungenauswurf

für die Feststellung der offenen Lungentuberkulose des Rindes....................336

Ueber die intrakutane Anwendung von Vogeltuberkulin zur Feststellung der

Hühnertuberkulose ................................................................................................336

Bestehen zwischen dem anstechenden Scheidekatarrh und dem Bläschenaus-
schlag der Rinder ursächliche Beziehungen?....................................................380

De gevolgen van exstirpatie van de Hypophyse ................................................381

-ocr page 9-

Todesgefahr infolge von Anaphylaxie ................................................................381

Die Auslösung von Ueberempfindlichkeitserscheinungen durch körpereigene

Eiweisssubstanzen und ihre klinische Bedeutung............................................381

Ueber Immunität und Anaphylaxie ....................................................................382

Zur Frage der Schutz-impfung gegen die infektiöse Pleuro-pneumonie (Brust-
seuche) des Pferdes................................................................................................451

Erfolgreiche Behandlung des Petechialfiebers beim Pferde mit dänischem

polyvalentem Serum nach Jensen....................................................................451

Beiträge zur Kenntnis der Virusträger bei Rotlaufseuche (Influenza erysipela.-

tosa) des Pferdes ....................................................................................................451

Durstkuren bei chronischen Bronchialerkrankungen ........................................452

Ueber den Ablauf der Magenverdauung des normal gefütterten und ge-
tränkten Pferdes....................................................................................................521

Behandeling van Koliek............................................................................................521

Du diagnostic de quelques gastropathies chroniques du cheval par l\'hypersialie 522

Moyen pratique pour administrer de force les liquides médicamenteux ............522

Magen-darmstörungen bei Haut- und Schleimhauterkrankungen....................523

Rupture of the Abomasum ....................................................................................523

Diagnose en chirurgiese behandeling van entero-lithiasis bij paarden................523

Zur Behandlung der Typhusbacillenträger ........................................................524

Joodtinctuur bij tuberculeuse Peritonitis ............................................................524

Zur rationellen Therapie der Cholera asiatica ....................................................524

Zur Lehre der Spontanheilung der Karzinome ....................................................580

Reinzüchtung der Syphilis spiiochaeten ............................................................580

The treatment of rinderpest and haemorrhagic septicaemie withpermangate

of potas .................................................... ... 580

De la médication arsenico-mercurielle en thérapeutique veterinaire ................580

Daeth of mules due to parasites...............................................658

El R\'ock cachexie et anémie progressive des ovins et bacille des

Preisz-Nocard ........................................................................................................659

Examen des sérums de cheveaux atteints de l\'ascaridiose par la méthode

d\'Abderhalden ....................................................................................................660

Die Behandlung der Schlaflosigkeit....................................................................660

Die Salzsäure-Behandlung der perniciösen Anämie ........................................730

Behandeling van straalkanker ............................................................................7 0

Traitement des synovites tendineuses chroniques par l\'injection iodée et la

cautérisation en points ........................................................................................730

Les pansements osmotiques ................................................................................730

Flexor-tenotomy........................................................................................................730

Radial paralysis and its treatment........................................................................731

Notes cliniques sur la teigne tonsurante ............................................................731

Skopolamine................................................................................................................731

Narcophin....................................................................................................................731

Digifolin ....................................................................................................................732

Hormonal....................................................................................................................732

Luminal ....................................................................................................................732

-ocr page 10-

Extractum cannabis.....................................................732

Yohumbine ................................................................................................................896

Arecoline ....................................................................................................................896

Hypophysine ............................................................................................................896

A propos du bacille du rhumatisme articulaire aigu .................. ^ . 928

Pseudo-kustkoorts en anaplasmosis bij buffels op Java ....................................962

Behandeling van tetanus........................................................................................962

Ein Beitrag zur Aetiologie der Pododerinatitis superficialis acuta aseptica.... 962

Researches regarding epizootic abortion of cattle ............................................963

Controlling chicken-pox............................................................................................1010

Coccidiosis bij kuikens ............................................................................................ioio

The use of Milk-cultures of Bac. bulgaricus in the prevention and treatment

of baciilary white diarrhae of young chicks ....................................................ion

Sublimaat tegen diarrhee bij kippen ....................................................................ion

Ergotin-koffein gegen Myokarditis ....................................................................1012

Fistula entero-vaginalis bij een koe....................................................................1012

Ziekten, ontstaan door ondoelmatige, eenzijdige voeding ................................ri28

Berichten.

A fdielingsvergaderingen:

Afd. Groningen-Drenthe ........................................242, 725

Afd. Friesland ................................................ 279, 577

Afd. Gelderland-Overijsel .......................................... "5°

Besmettelijke veeziekten.

Bestrijding der Klein\'sche kippenziekte ............................ 28, 567

Registratie van maatregelen in het belang van den gezondheidstoestand

van het vee .................................................... 31

Mond- en Klauwzeer .............................................. 328

Vergadering Hollandsche Maatschappij van Landbouw.................. 376

Malleus........................................................... 1220

Hoefbeslag.

Cursus ter opleiding van onderwijzers in practisch hoefbeslag........ 329, 1220.

Hygiëne.

Schets eener Melkwet .............................................. 1108

Redactie.

Mededeelingen .................................................... 443

Rijksveeartsenijschool.

Veeartsenijkundig examen ................ ........................ 247, 378

Natuurkundig examen ............................................ 37$

-ocr page 11-

Adres aan den Minister en St. G. inzake het wetsontwerp hooger onderwijs 570

Voorloopig verslag wetsontwerp hooger onderwijs...................... 774

Uitslagen examens ........................................ 892,1050,1152

Verslag veeartsenijkuudig examen .................................. 1009

Veeteelt en Paardenfokkerij.

Nederlandsch rundvee-stamboek ........................................................................29

Veestapel in Argentinië ........................................................................................30

Het Oud-Friesche paard............................................................................................121

Rijksvoorjaarskeuringen van dekhengsten............................................................185

K. B. inzake Wet Paardenfokkerij...........\'..................... 280, 1219

Pluimveehouderij ....................................................................................................568

Verslagen, Begrootingen en andere Publicaties van Rijkswege.

Staatsbegrooting 1914 ....................................119, 185, 244, 328

Inlandsche veeartsen................................................ 121

Verslag veeartsenijkundig examen .................................. 1009

Begrooting voor Ned.-Indië 1915................................ 1117,1150

Staatsbegrooting 1915.......................................... 1120, 1219

Verslag Algemeene Rekenkamer .................................... 1122

Koloniaal Verslag .................................................. 1214

Vleeschkeuring.

Rijkscursussen ter opleiding van hulpkeurnieesters .................... 31

Adres aan den Minister en St. G. inzake het wetsontwerp vleeschkeuring .... 108

Voorloopig verslag vleeschkeuringswet.............................. 316, 891

Memorie van Antwoord vleeschkeuringswet .......................... 498

Gewijzigd ontwerp van wet inzake vleeschkeuring...................... 509

Wetten, Koninklijke Besluiten, Ministerièele beschikkingen en
officièele mededeelingen.

Wet Paardenfokkerij ...................................... 280, 633, 1219

Gewijzigd wetsontwerp inzake vleeschkeuring ......................................................509

Gouvernementsveearts N.O.I. (studiebeurs) ....................................................923

Ontwerp-Veewet ........................................................................................................1062

Diversen.

Académie royale des sciences et des lettres de Danemark.................. 655

Arbitrage in den veehandel........................................ 30, 845

Enquête-Commissie.................................................. 623

Gouvernementsveearts Ned. O. Indië.......................... 118, 227, 921

Jubileum F. B. Venema,............................................ 891

Moord op den veearts te Soembawa .................................. 845

Paardenarts Ned. O. Indië ........................................ . 656

Veterinair Studentencorps Absyrtus .................................. 1090

-ocr page 12-

Extracturn cannabis................................................................................................732

Yohumbine ................................................................................................................896

Arecoline ....................................................................................................................896

Hypophysine ............................................................................................................896

A propos du bacille du rhuraatisme articulaire aigu ........................................928

Pseudo-kustkoorts en anaplasmosis bij buffels op Java ....................................962

Behandeling van tetanus ........................................................................................962

Ein Beitrag zur Aetiologie der Pododermatitis superficialis acuta aseptica. . . . 962

Researches regarding epizootic abortion of cattle............................................963

Controlling chicken-pox............................................................................................1010

Coccidiosis bij kuikens ............................................................................................1010

The use of Milk-cultures of Bac. bulgaricus in the prevention and treatment

of bacillary white diarrhae of young chicks ....................................................10x1

Sublimaat tegen diarrhee bij kippen ....................................................................1011

Ergotin-koffein gegen Myokarditis ....................................................................1012

Fistula entero-vaginalis bij een koe....................................................................1012

Ziekten, ontstaan door ondoelmatige, eenzijdige voeding................................1128

Berichten.

A fdielingsvergaderingen:

Afd. Groningen-Drenthe ........................................242, 725

Afd. Friesland ................................................ 279, 577

Afd. Gelderland-Overijsel ...................................................................................."5°

Besmettelijke veeziekten.

Bestrijding der Klein\'sche kippenziekte ............................ 28, 567

Registrntie van maatregelen in het belang van den gezondheidstoestand

van het vee ........................................................................................................31

Mond- en Klauwzeer ............................................................................................328

Vergadering Hollandsche Maatschappij van Landbouw....................................376

Malleus............................................\'................................1220

Hoefbeslag.

Cursus ter opleiding van onderwijzers in practisch hoefbeslag........ 329, 1220.

Hygiëne.

Schets eener Melkwet ............................................................................................1108

Redactie.

Mededeelingen ........................................................................................................443

Rijksveeartsenijschool.

Veeartsenij kundig examen ........................................ 247, 378

Natuurkundig examen ........................................................................................37$

-ocr page 13-

Adres aan den Minister en St. G. inzake het wetsontwerp hooger onderwijs 570

Voorloopig verslag wetsontwerp hooger onderwijs ...................... 774

Uitslagen examens ........................................ 892, 1050, 1152

Verslag veeartsenijkundig examen .................................. 1009

Veeteelt en Paardenfokkerij.

Nederlandsch rundvee-stamboek ...............................................29

Veestapel in Argentinië ........................................................................................30

Het Oud-Friesche paard............................................................................................121

Rijksvoor jaarskeuringen van dekhengsten............................................................185

K. B. inzake Wet Paardenfokkerij............................... 280, 1219

Pluimveehouderij ....................................................................................................568

Verslagen, Begrootingen en andere Publicaties van Rijkswege.

Staatsbegrooting 1914 ....................................119,185,244,328

Inlandsche veeartsen................................................ 121

Verslag veeartsenijkundig examen .................................. 1009

Begrooting voor Ned.-Indië 1915................................ 1117,1150

Staatsbegrooting 1915.......................................... 1120, 1219

Verslag Algemeene Rekenkamer .................................... 1122

Koloniaal Verslag .................................................. 1214

Vleeschkeuring.

Rijkscursussen ter opleiding van hulpkeurmeesters .................... 31

Adres aan den Minister en St. G. inzake het wetsontwerp vleeschkeuring .... 108

Voorloopig verslag vleeschkeuringswet.............................. 316, 891

Memorie van Antwoord vleeschkeuringswet .......................... 498

Gewijzigd ontwerp van wet inzake vleeschkeuring ...................... 509

Wetten, Koninklijke Besluiten, Ministerièele beschikkingen en
ojficièele mededeelingen.

Wet Paardenfokkerij ...................................... 280, 633, 1219

Gewijzigd wetsontwerp inzake vleeschkeuring ....................................................509

Gouvernementsveearts N.O.I. (studiebeurs) ....................................................923

Ontwerp-Veewet ........................................................................................................1062

Diversen.

Académie royale des sciences et des lettres de Danemark.................. 655

Arbitrage in den veehandel........................................ 30, 845

Enquête-Commissie.................................................. 623

Gouvernementsveearts Ned. O. Indië.......................... 118, 227, 921

Jubileum F. B. Venema,............................................ 891

Moord op den veearts te Soembawa .................................. 845

Paardenarts Ned. O. Indië ........................................ . 656

Veterinair Studentencorps Absyrtus .................................. 1090

-ocr page 14-

Personalia. 33, 123, 186, 247, 281, 329, 378, 448, 519, 577, 656, 783, 848, 894,

925, 1009, 1051, 1091, 1124, 1152, 1180, 1221

Bibliografie....... 123, 283, 332, 449, 578, 728, 846, 926, 1009, 1091, 1152, 1221

Staat van keuringen van uitgevoerd vleesch................. 32, 122, 330, 379

Staat van gevallen van besmettelijke veeziekten ln Nederland. 34, 187, 246,
282, 331, 520, 657, 727, 895, 961, 1052, 1123, 1181.

Erratum ................................................ 444, 928, 1186,

-ocr page 15-

De bestrijding van het mond- en klauwzeer,

DOOR

DR. A. A. OVERBEEK.

Mijnheer de Voorzitter, Mijne Heeren.

Het heeft mij meer dan de gebruikelijke moeite gekost om de
eveneens gebruikelijke aarzeling te overwinnen, welke men behoort
te ondervinden bi] een uitnoodiging tot het houden eener voordracht
op onze algemeene vergadering.

Eerstens was de aarzeling groot, omdat ik zoowat met leege
handen voor U sta, (een wetenschappelijke ontdekking of ander
belangrijk nieuws heb ik niet) en tweedens wijl ik er innig van over-
tuigd ben, dat velen Uwer beti zijn van het mond- en klauwzeer
en bij het ontdekken van dat woord op de agenda dadelijk hebben
willen weten of de behandeling op zoodanig uur zou zijn gesteld,
dat men naar \'t Haagje of naar de Bilt of naar Entos zou kunnen
eclipseeren.

Dat ik het er ten slotte toch op waagde, vindt zijn grond vooral
hierin, dat ik met ons Hoofdbestuur de wenschelijkheid der be-
handeling van dit onderwerp in deze vergadering ten volle erken.

Inderdaad mag het bevreemden, dat, hoewel het, laten we zeggen,
sedert 1907 niet veelvuldig zal zijn voorgekomen, dat eenige collega\'s
bij elkaar waren zonder over tongblaar te spreken, toch in
officiëele veeartsenvergaderingen het onderwerp niet werd genoemd.

Van waar die geheimzinnigheid? Ik geloof toch, dat daarmede
noch de bestrijding van het mond- en klauwzeer, noch onze belangen
worden gediend.

Wanneer de ziekte een inval doet of dreigt te doen, is dat steeds
voor de regeering een zéér moeilijke zaak. Zij is dan voor het be-
ramen van maatregelen aangewezen op hare ambtenaren; en deze
dienen van advies. Daarnaast echter krijgt zij ongevraagd een
einde!ooze reeks van adviezen van anderen. Veelal houden de laat-
ste raadgevingen veel tegenstrijdigs in, stemmen echter hierin nogal
overeen, dat ze van het veeartsenij kundig staatstoezicht niet veel
goeds vertellen.

Welnu, wanneer de Regeering staat voor de moeilijkheden
straks genoemd, kan zij het niet anders dan op prijs stellen, wanneer
ze weet hoe de Nederlandsche veeartsen, in deze het meest tot
oordeelen bevoegd, over deze zaak denken. De bestrijding van
het mond:- en klauwzeer wordt daarmede gebaat.

Voordracht, gehouden op de Algemeene Vergadering der Maatschappij
ter bevordering der veeartsenijkunde op 27 September 1913.

XLI

-ocr page 16-

Hel Hoofdbestuur heeft, m. i. zeer terecht, ingezien, dat door
behandeling van het onderwerp op deze belangrijke vergadering,
het best van onze meening kan worden blijk gegeven.

Welnu voor dergelijke behandeling is inleiding noodzakelijk,
en als zoodanig verzoek ik de enkele zaken, die ik hier ter sprake
zou willen brengen dan ook wel te beschouwen.

Onze eigen belangen schaden wij met stilzwijgen, omdat daardoor
de meening bij vele buitenstaanders blijft bestaan, dat de Neder-
landsche veearts in het algemeen achter de tongblaar aanloopt
met de overtuiging, dat de bestrijding wel is waar een onmogelijk-
heid is, doch nuttig voor onze beurzen en dat wij daarom maar een
gezicht zetten, alsof we er heel wat aan kunnen doen.

Inderdaad heerscht deze meening veel meer dan men zoo zou
denken.

Toen in het voorjaar van 1911 in Groningen mijn vriend
Beunders en ik de leiding hadden van de bestrijding eener invasie
van tongblaar, hij zooverre aangaat het afslachten en opruimen
van de aangetaste koppels en ik voor zooverre betreft de overige
maatregelen, was al heel spoedig het publiek er van overtuigd,
dat wij tegen windmolens vochten, en wist
Jan aan Piet en Piet
aan Klaas te vertellen, dat wij alleen daarom den strijd oogen-
schijnlijk volhielden, wijl wij voor elk afgemaakt beest, van af het
speenvarken tot de stamboekkoe ieder een tientje beurden. En
menschen bij wie men toch werkelijk dergelijke gedachten niet
zou veronderstellen, spraken ze ongeveer openlijk uit. En zoo
herinner ik me van vroeger nog zeer wel, dat vele veehouders in
Overijssel en Drenthe van meening zijn, dat de veearts 3 gld.
belooning krijgt voor elk mond- en klauwzeergeval dat hij con-
stateert.

Collega De Vi.as, die ons op een navergadering eens op echt
humoristische wijze mededeelde hoeveel hij per dag kon verdienen
als tijdelijk assistent van den districts-veearts, met vergoeding
van / 0.04 voor eiken door hem afgepeddelden K. M. zal, willen
we hopen, voordat hij als ambtenaar van het veeartsenij kundig
staatstoezicht optrad, geweten hebben, dat de Nederlandsche
ambtenaar in het algemeen, en de veeartsenijkundige in het bi-
zonder behoorlijk zuinig betaald wordt, en dat de laatste, de veeart-
senijkundige, niet meer krijgt, als er meer werk is, hetzij dat zulks
geschiedt door het mond- en klauwzeer of om andere redenen.

Wat aangaat den practiseerenden veearts mag er op gewezen
worden, dat deze aan het mond- en klauwzeer behoorlijk wat zou
kunnen verdienen als de ziekte niet in de wet stond. Thans nemen

-ocr page 17-

de maatregelen bij elke epidemie bem gewoonlijk zoo in beslag,
dat zijn practijk er ernstig schade van heeft en hij hier gemiddeld
meer derft, dan hij eventueel als plaatsvervanger kan beuren.

Uit mijn eigen praktijkjaren (van algemeene bestrijding was
toen weinig sprake) herinner ik mij nog zeer goed, dat ik menigen
veehouder goeden raad en goed betaalde visites en medicijnen
voor de tongblaar en haar naweeën in rekening kon brengen.

Ik wil hier dan ook met nadruk constateeren, dat eigenbelang
den practiseerenden, zoowel als den ambtelijken veearts zouden
moeten doen verlangen, dat tegen het mond- en klauwzeer geen
bestrijdingsmaatregelen worden toegepast, den eersten omdat
hij dan in tijden van epidemie kan rekenen op drukker practijk,
den\'tweeden, omdat voor hem inderdaad elke epidemie een nagel
aan zijn doodkist kan worden genoemd. En veel nagels zijn werke-
lijk niet noodig, om zoo\'n kist behoorlijk stevig in elkaar te timmeren.

Logisch volgt uit deze constateering de conclusie, dat elke vee-
arts die zich verklaart voor bestrijding van mond- en klauwzeer
zulks doet om de zaak zelve. Eenig eigenbelang kan daarbij niet
in het spel zijn.

Wel is de kwestie naar mijne meening een zeer groot belang voor
onzen geheelen stand, en onze wetenschap.

Wanneer toch ons veeartsenijkundig staatstoezicht in staat
mocht blijken de ziekte te bestrijden in dien zin, dat elke invasie
kan worden gesmoord en plaatselijk beperkt, dan zou dat toezicht
zijn groote reputatie van vroeger met één slag terug hebben en
deze reputatie vormt een zeer groot belang voor ons allen gezamelijk.

Want het zij hier gezegd, deze reputatie is oogenblikkelijk in den
lande niet te best. Met de doelmatige en krachtdadige bestrijding
van veepest, longziekte, kwade droes en schaapspokken groot
geworden, tegelijk dat de omvang dezer ziekten kleiner werd, is
zij met de vlekziekte der varkens, de rundertuberculose en het
mond- en klauwzeer, nadat de herinnering aan de vroegere pracht-
prestaties is verdwenen, althans belangrijk verbleekt, zeer aan-
zienlijk gaan tanen en helaas moeten we wel erkennen, schijnbaar
terecht, waar het pogen van dat toezicht tegen de hier genoemde
ziekten tot nu toe, op zijn zachtst gesproken, niet bijster groot is
geweest.

Al zal het juist zijn, dat, waar ons land momenteel vrij is van
mond- en klauwzeer, zulks voor een belangrijk deel is te danken
aan de maatregelen van regeeringswege genomen, toch moeten wij
daarbij tevens erkennen, dat deze bestrijding van de restes eener
afloopende epidemie, zooals we die in igi2 en 1913 gehad hebben

-ocr page 18-

en zooals ook vroeger, na elke epidemie ongeveer kon worden waar-
genomen, voor een goed georganiseerden vétérinairen dienst een
peulschilletje genoemd worden kan in vergelijking met die van een
beginnende heftige invasie, zooals die in 1911 optrad.

En hiermede Mijnheer de Voorzitter ben ik aan een, opzichtens
bestrijding van het mond- en klauwzeer, zeer belangrijke kwestie:
,,De snelhicd der verbreiding."

Wijlen de districts-veearts Hengeveld placht te zeggen, deze
ziekte is gelijk eene coquette. Vandaag toont ze een vriendelijk
gelaat en doet je zin, morgen is ze nukkig en kun je er niets mee
beginnen.

In onze handboeken vinden we wel vermeld, dat het mond- en
klauwzeer zoo buitengewoon infectieus is, en zich sneller verbreidt
dan welke andere besmettelijke ziekte ook, maar niet vermeld
wordt, dat het somwijlen met die snelle verbreiding niet zoo\'n
vaart loopt. En toch, iedere practicus, die veel met deze ziekte
te doen gehad heeft, kan daarvan voorbeelden aanhalen. Een paar
uit de jongste epidemie mogen hier worden vermeld.

In de zeer veerijke gemeente Overschie werd op 12 Juni 1913
tongblaar waargenomen, in een weide onder een beslag van een
kleine 20 stuk> vee. De ziekte bestond zeker langer dan een week,
nochtans waren \'pas 4, misschien 5 of 6 dieren aangetast. Het
heele beslag werd afgemaakt. Uitbreiding had niet plaats, de aan-
grenzende landen waarin vee liep, bleven vrij, ondanks dus, dat zeker
dagen achter elkaar, volop gelegenheid tot uitbreiding bestaan heeft.

In-den winter 1911—1912 werd in de gemeente Oosterkesselen
de kudde heideschapen, toebehoorende aan een 20-tal verschillende
veehouders aangetast. Slechts bij één veehouder, die geen enkele
voorzorgsmaatregel beliefde te nemen, werden ook runderen ziek,
bij alle anderen bleven de koeien vrij, hoewel dikwijls toch de
schapen onder hetzelfde dak verbleven, al werden ze ook door
afzonderlijk personeel verzorgd.

Zoo zou ik tientallen voorbeelden kunnen noemen, en gij zelve
kunt vermoedelijk dat ook uit Uwe ervaring.

Ik weet niet waaraan het is toe te schrijven, dat onder sommige
omstandigheden deze ziekte betrekkelijk zoo weinig neiging tot
uitbreiding heeft, doch wil er uitdrukkelijk op wijzen, dat het feit
bestaat en dat het ook kan worden waargenomen in streken waar
kort te voren geen gevallen voorkwamen.

Ook geldt niet als regel, dat onder deze omstandigheden de aan-
getaste dieren steeds in lichten graad worden aangetast. Zoo weet
ik van een geval in Groningen, waar op een boerderij snel achter

-ocr page 19-

■elkaar 5 runderen aan de ziekte stierven, geen bijzonder strenge
bestrijdingsmaatregelen werden toegepast en toch uitbreiding
niet plaats had.

Het is duidelijk, dat onder de bedoelde gunstige omstandig-
heden, die in den regel schijnen te bestaan, wanneer de ziekte eenigen
tijd geheerscht heeft, met veel eenvoudiger middelen kan worden
volstaan, dan wanneer het er spant, zooals in de jaren 1897, 1907
en iQii.

De meening van verschillende schrijvers, zoo van Hutyra en
Marek, dat vroeger de ziekte zich veelal sneller verbreidde,
doordat toen in de verschillende landen geen bestrijdingsmaat-
regelen werden toegepast, moge juist zijn, niet juist is, althans niet
voor ons land, de door dezelfde schrijvers geuite meening, dat toen
een epidemie ook sneller geëindigd was, doordat de veestapel door-
ziekte.

Een epidemie als in 1911, waar inderdaad en nog wel terwijl
maatregelen werden genomen, geheele streken, wat het volwassen
rundvee aangaat, doorziekten, is hier groote uitzondering, en ook
toen bleef in de later besmette provinciën verreweg het grootste
gedeelte der vatbare dieren vrij. Van doorzieken dus geen sprake.
En toch zijn we er nu af, en toen in 1897 de belangrijkste maat-
regelen voor langen tijd werden ingetrokken, bleef de ziekte nog
jaren hangen en telden we b. v. in 1899 ruim 9000 besmette
boerderijen. Ik meen dan ook als vaststaand te mogen aannemen,
dat wanneer het onder sommige omstandigheden met eenvoudige
bestrijdingsmiddelen gelukt de ziekte te onderdrukken, zulks in
den regel meer nog dan aan die maatregelen te danken is aan die
onbekende, vriendelijke eigenschappen van het virus, maar niet
aan gebrek aan vatbare dieren.

Dat het virus in andere omstandigheden minder vriendelijk is,
kan blijken uit enkele waarnemingen van het jaar 1911.

Toen in het laatst van Juni van dat jaar Noord-Holland bijna
geheel besmet - was, kwam de ziekte nog niet voor op het eiland
Wieringen.

Enkele dagen nadat een forschen zuidwesten wind gewaaid had,
werden daar op denzelfden dag de vier eerste gevallen geconstateerd
op uit elkaar gelegen plaatsen. Alle gevallen waren versch, zoodat
het den indruk maakte of ze door dezelfde onbekende aanleiding
waren ontstaan. Voorstanders van de theorie der smetstofover-
brenging door de lucht zullen zeggen, dat zij uit Noord-Hollandsche
weiden door den wind snel is meegevoerd naar Wieringen en daar
op verschillende plaatsen gedeponeerd.

-ocr page 20-

ln Friesland gebeurde iets dergelijks. Tusschen 15 April en 24
Juni kwam daat de ziekte niet voor. Op laatst genoemden datum
werden op 6 verschillende plaatsen zes zeer versche gevallen waar-
genomen, op 25 Juni 5 en op 26 Juni 5, zoodat in 3 dagen 16 ge-
vallen voorkwamen, alle geheel versch en tusschen welke absoluut
geen verband scheen te bestaan. Ook hier dus moet men wel denken
aan één gemeenschappelijke oorzaak voor die verschillende
gevallen en ook hier wordt er licht aan gedacht, dat de wind de
smetstof overbracht, hetzij dan direct, hetzij met voorwerpen of
voorwerpjes waaraan ze wellicht kleeft.

De scherpzinnige districts-veearts Van Staa meent sedert jaren
reeds, dat zij herhaaldelijk over groote afstanden wordt versleept
door vogels, waarbij hij vooral aan wilde ganzen en eenden denkt.

Bij de tweede invasie in de provincie Drenthe in Augustus van
1911 werd ojigemerkt, dat de eerste gevallen in hoofdzaak voor-
kwamen in lage weidelanden, waarin veel kieviten.

Uit een practisch oogpunt moeten wij, naar het mij voorkomt,
uit de ervaringen die ik vermeldde, de conclusie trekken, dat,
wanneer het tongblaarvirus gelegenheid krijgt zich op groote schaal
te vermeerderen, dat virus zich zoo snel en oj> zoo geheimzinnige
wijze kan verbreiden, ook over groote afstanden, dat wij met. onze
gewone politiemaatregelen misschien de uitbreiding wat kunnen
beperken, dat echter dan van doeltreffende bestrijding in ons
veerijk, (met veel veebeweging gezegend) land, geen sprake kan zijn.

De eenige kans op practisch groot succes is dan ook, bestrijding
van elke beginnende invasie met de allerkrachtigste politiemaatregelen.

Over de wijze waarop deze bestrijding moet geschieden, wil ik
gaarne nog een en ander in het midden brengen.

i°. Insleeping uit het Buitenland.

In de eerste plaats, dat ligt voor de hand, dient te worden be-
tracht, de insleeping der ziekte van over de grenzen zooveel mogc-
iijlc te verhinderen. Ons kunnen is ten dezen opzichte, datisduidelijk,
echter zeer beperkt.. Chineesche muren worden heden ten dage niet
meer gebouwd en het groote wereldverkeer moet zijn gang gaan.
Levensbehoeite voor ons land is, dat weten we allen, een zeer
levendig verkeer over de grenzen en levensbehoefte voor de vee-
houderij is, invoer van groote hoeveelheden voedingsmiddelen
van uit het buitenland.

Wat niet noodig is, wordt tegengegaan. Veeinvoer is verboden,
invoer van mest dito, van artikelen van vee afkomstig aan be-
perkende bepalingen onderworpen.

Over het geheel meen ik te mogen constateeren, dat de hier te

-ocr page 21-

lande geldende maatregelen ten opzichte van het buitenland goed
zijn, waarmede natuurlijk niet gezegd wil zijn, dat daarmede ook
elke insleeping van smetstof kan worden tegengegaan. Echter de
Regeering doet ten dezen opzichte wat mogelijk is, en nieer kan
niet worden gevergd. Op één zaak dient echter nog te worden
gewezen. Voederartikelen komen in ons land in zeer groote hoeveel-
heden en op allerlei wijzen binnen. Het is voor ieder duidelijk,
dat de emballage dezer zaken, meer nog dan die zaken zelve, d. w. z.
graanzakken, koekkisten, e. d. gevaar kunnen opleveren. Ik meen,
dat zou kunnen worden overwogen de mogelijkheid van een regeling
zoodanig, dat invoer van voedingsmiddelen alleen
los geladen kunnen
plaats hebben.

Meermalen is beweerd, en met name ook in 1911, dat vooral door
den smokkelhandel in rundvee, schapen en varkens, het mond-
en klauwzeer wordt ingebracht over de grenzen. Natuurlijk zal
dat kunnen geschieden, evenwel komt bet mij waarschijnlijker voor,
dat deze overbrenging, in den regel althans, plaats heeft door het
normaal internationaal \\erkeer met personen en zaken, welk ver-
keer veel uitgebreider is dan de smokkelhandel. Wellicht heeft
deze overbrenging nog op andere wijze plaats, op de manier, als
ik straks voor den zomer 1911 aangaf voor Wieringen en Friesland,
welke insleepingen niet kunnen worden verklaard.

Zooals gezegd, ik meen, dat ons land zich vrij wel zoo goed mogelijk
tegen gevaar uit het buitenland heeft gewapend, al is dan misschien
opzichtens de emballage van voederartikelen en enkele andere zaken
nog wel eenige verbetering mogelijk.

Maar ondanks deze maatregelen, heeft insleeping van smetstof
af en toe plaats.

Zelfs in Engeland, waar de smokkelhandel toch zeker geen schuld
kan treffen, met zijn ten dezen opzichte zoo gunstige ligging,
kan zulks niet steeds worden verhinderd, en ook in 1911 en 1912
kwamen meerdere insleepingen voor, en moesten in 1911 ± 3000,
in 1912 ruim 10000 dieren worden afgemaakt.

Wanneer öf Duitschland öf België vol zit, moeten we er op
rekenen, de geschiedenis leert dat afdoende, dat de ziekte herhaal-
delijk naar ons land wordt overgebracht en daarom zou een meer
juiste bestrijding in die, en andere landën van Europa, ontegen-
zeggelijk voor ons land de kansen veel verbeteren.

2°. Internationale bestrijding.

Ten opzichte van het mond- en klauwzeer is het spreekwoord
van den goeden buur en den verren vriend zeker toepasselijk.

Als België en Duitschland de ziekte buiten hunne grenzen kunnen

-ocr page 22-

houden, zouden wij, dit staat bij mij vast, ook wel tegen het kwaad
opgewassen zijn. En wanneer de Nederlandsche Regeering het
initiatief zou willen nemen tot het bijeenroepen van een inter-
nationale commissie, als waarop ook is aangedrongen in de Itali-
aansche en Engelsche parlementen, konden we wellicht met de
tongblaarbestrijding een heele stap voorwaarts doen, wanneer
als gevolg daarvan kwam vast te staan, dat in alle landen, welke
over een goeden veeartsenij kundig en dienst beschikken, sporadisch
voorkomende gevallen van mond- en klauwzeer regelmatig door
afmaking van ziek en verdacht vee en andere strenge maatregelen
werden bestreden, op de wijze ongeveer als sedert 1890 in Engeland
geschiedt. Door internationale overeenkomst zou dan het vaste-
land van Europa in ongeveer gelijk gunstige positie kunnen worden
geplaatst als Engeland en in mindere mate Zweden, Noorwegen
en Denemarken thans reeds innemen.

Longziekte, kwade droes en tuberculose zal men in een land
met goed succes kunnen bestrijden, ook al laten de buren deze
aan haar lot over. Ten opzichte van de tongblaar echter, met haar,
op welke wijze dan ook, maar ik elk geval zeer mobiele smetstof,
is de zaak heel anders.

Onbedingt is naar het mij wil voorkomen, het beste middel tegen
insleeping der ziekte uit het buitenland, goede, strenge bestrijding
door dat buitenland, inclusief afmaken van zieke en verdachte
,dieren.

Wie onze maatschappij en ons land het volgend jaar op het
congres te Londen vertegenwoordigen, zullen goed doen, naar ik
meen, te trachten van dit congres of door zijn permanente com-
missie inzake besmettelijke veeziekten, steun voor dergelijke
internationale bestrijding te erlangen.

3°. Behandeling van sporadische ziektegevallen.

Thans nog een en ander omtrent de behandeling van voorkomende
ziektegevallen.

Het behoeft in deze vergadering wel niet nader te worden be-
toogd, dat bestrijding zonder verplichte aangifte van de zijde der
veehouders nooit mogelijk is. Terecht schrijft art. 13 onzer veewet
voor, dat
onmiddellijk, nadat door den veehouder verschijnselen
van besmettelijke veeziekten worden waargenomen, deze daarvan
aangifte moet doen.

Het is duidelijk, dat voor geen enkele andere besmettelijke
ziekte, het in zoo groote mate, als bij het mond- en klauwzeer op
deze
onmiddellijke aangifte aankomt.

Dat hieraan nogal wat hapert is een bekende zaak. Over deze

-ocr page 23-

niet-veeartsenij kundige zijde van het vraagstuk wil ik hier, althans
in eerste instantie, niet uitweiden.

In het algemeen zou ik er van willen zeggen, dat bij de veehouders
twee zaken moeten vaststaan, wil men van de noodige medewerking
verzekerd zijn. In de eerste plaats dienen zij er van overtuigd te
zijn, dat verzuim van aangifte een gevaarlijke onderneming is,
en gestraft wordt met de volle gestrengheid der wettelijke bepaling-
en, en in de tweede plaats, dat nakomen der wettelijke verplich-
tingen niet medebrengt schade voor de beurs«, doordat de Staat
de financieele gevolgen der maatregelen in het belang van het
algemeen, bij den eenling genomen, voor zijn rekening neemt,
wanneer aan die verplichting is voldaan.

Dat verder de hierbedoelde medewerking grooter za zijn, naar-
mate het vertrouwen in de rijksmaatregelen grooter is, behoeft wel
geen betoog.

Dit vertrouwen is mede dikwijls niet best, wijl de vrees bestaat,
t.en rechte of ten onrechte, dat de ambtenaren van het veeartsenij-
kundig toezicht de ziekte overbrengen of kunnen overbrengen.

Vooral hierom- meen ik, dat de behandeling van sporadische
ziektegevallen moet geschieden door vast personeel en dat, zoo
eenigszins mogelijk, de practicus-plaatsvervangend districtsveearts
daarmede niet te maken moet hebben. Ook eischt deze behandeling
zoo voortdurend toezicht, dat zij door den veearts, die tevens
praktijk uitoefent, niet naar behooren kan worden verricht.

Van de hulp der practici worde daarom in tijden van gevaar
op andere wijze geprofiteerd, met name bij de inspecties e. d.
welke de veehouders aan hun plicht tot aangifte moeten
herinneren.

Wat nu de behandeling der bedoelde sporadische ziektegevallen
meer in het bijzonder aangaat, zoo is naar mijn meening
zoo snel
mogelijke opruiming der smetstofhaarden
absoluut noodzakelijk.

De ervaring heeft ruimschoots geleerd, dat ook de strengste
afsluitingsmaatregelen, gepaard gaande met het doorzieken van
aangetaste koppels niet afdoende zijn ln Noord-Holland, in Fries-
land, in Gelderland en elders is zulks in de 90-er jaren der vorige eeuw
met groote energie betracht, evenwel te vergeefs.

Uit de afgesloten erven en kringen ontglipt ons het zeer mobiele
virus, op welke- wijze dan ook.

De opruiming der smetstofhaarden zelve moet, dat spreekt van
zelf, geschieden met alle mogelijke voorzorgen tegen verspreiding
van smetstof.

Zooals bekend, heeft hier te lande de afmaking van ziek en ver-

-ocr page 24-

- IO -

dacht vee, vrij veelvuldig plaats gevonden, nadat het naar openbare
of andere slachthuizen was vervoerd.

Ik wil er niet over uitweiden hoe dat vervoer wel eens is verricht,
doch er op wijzen, dat in de omstreken van Groningen in het voor-
jaar icjii verscheidene beslagen zijn vervoerd in zoo goed mogelijk
gesloten wagens, met dikke lagen met creoline doorweekt turf-
strooisel op den bodem.

Ik acht het niet wel mogelijk, dat het vervoer elders ooit beter
geregeld is geweest, dan toen in het Noorden en toch wijst er het
heele verloop der betreffende invasie op, dat meerdere der later
geconstateerde ziektegevallen zijn ontstaan,
doordat door en tijdens
het vervoer van zieke dieren smetstof is ontsnapt.

Geschiedt het vervoer slordig, dan is daardoor het middel van
afmaken wellicht zelfs riskanter, dan het gevaarlijke doorzieken.

Krachtens persoonlijke ervaring meen ik, dat aangetast vee nooit
moet worden vervoerd, doch regelmatig op het besmette erf af-
gemaakt en onschadelijk gemaakt. Het verdachte, niet aangetaste
vee, hetwelk vrij is van koorts, kan onder de noodige voorzorgen
worden getransporteerd en elders geslacht.

Dat wij met het afmaken van het aangetaste beslag alleen niet
klaar zijn, is duidelijk.

Natuurlijk moet degelijke desinfectie van de heele boerderij,
ook van het woonhuis en van zaken die besmet, kunnen zijn, plaats
hebben, waarbij onder de desinfectantia voor woonhuis en kleeren
formaldehyde in de eerste plaats in aanmerking komt.

Met onteigening van hooi, mest en andere zaken zij men nimmer
zuinig. Beter een paar honderd pond hooi te veel verbrand dan de
smetstof er mede bewaard.

Dat paarden, honden, katten en huisvogels niet van het erf moe-
ten en personen er niet worden toegelaten dan in uiterste noodzaak,
ligt voor de hand.

Een zeer gevaarlijke factor is, zooals wij allen weten, de zuivel-
industrie. Zooals ook blijkt uit het regeeringsrapport 1911 van de
hand van den heer
Remmei.ts is in het voorjaar van dat. jaar in
Groningen, in Drenthe, in Friesland en in Gelderland veel kwaad
gesticht, dóórdat besmette ondermelk tongblaar veroorzaakte bij
varkens, bij welke dieren de ziekte dikwijls door de eigenaren
niet wordt onderkend, waardoor het gevaar aanzienlijk grooter.

Zeker wordt door pasteurisatie het gevaar van de zijde der
zuivelfabrieken niet opgeheven, echter toch wel belangrijk ver-
minderd. En zonder algemeene verplichte pasteurisatie der centri-
fugemelk en van de wei, komen we er m. i. zeker niet.

-ocr page 25-

Hiermede, Mijnheer de Voorzitter, heb ik zoo ongeveer gezegd,
wat ik omtrent de techniek der bestrijding in het midden wenschte
te brengen.

Van verschillende zijden is meermalen beweerd, dat de bestrijding
van het mond- en klauwzeer mislukt omdat de veeartsen niet deugen
en omdat de veewet niet deugt.

Wat het eerste punt aangaat. Wij zijn ons vermoedelijk allen
tekortkomingen bewust, doen echter, dat meen ik te mogen con-
stateeren, als geheele stand behoorlijk onze plicht en ons best.
Dat het kunnen van onzen stand in zijn geheel, door verbeterde
opleiding van de beoefenaren onzer wetenschap wordt verhoogd,
is ons aller wensch.

Vat de fouten der veewet aangaat, wil ik er op wijzen, dat deze
meer dan 40-jarige, over den middelbaren leeftijd, echter nog
behoorlijk krachtig is.

Zeker acht ik herziening dezer wet op verschillende punten ge-
wenscht, evenwel meen ik ook, dat van deze zijde een eeresaluut
aan hare samenstellers voor dit schoone stuk werk, op zijn plaats is.

Met nadruk zij er op gewezen, dat alles wat ik als wenschelijk
aangaf, de maatregelen tegen het buitenland, de zoo goed mogelijke
zekerheid met betrekking tot de aangifte van voorkomende ziekte-
gevallen, de snelle en doelmatige afmaking der aangetaste koppels,
de noodzakelijke beperking in het veeverkeer bij besmette erven,
het vasthouden en zoo noodig ontsmetten van niet voor tongblaar
vatbare huisdieren op en bij die erven, het verplichte pasteuriseeren
van centrifugemelk en wei, enz., alles op grond van de veel gesmade
echter tevens nooit volprezen wet, kan worden verzekerd, mits de
algemeene maatregelen van bestuur c. a. aan deze wet ontleend,
grondig herzien en op de hoogte van onzen tijd worden gebracht.

Discussie.

De heer v. d. Linden klaagt over de weinige samenwerking in
dezen, tusschen districts-veeartsen en veeartsen. Is de ziekte op de
grens, dan zou een vergadering van dezen nut kunnen stichten
door voorlichting over personen en toestanden in zoo\'n streek.
Ook in Indië komt zij veelvuldig voor en gaarne zou ik van de
Indische Collega\'s hier aanwezig, het een en ander vernemen, over
verschijnselen, verspreiding, maatregelen ter beteugeling, enz.

De heer de Leur: Ik dank spreker voor zijn keurigen voordracht,
waarmede ik mij geheel kan verecnigen; vooral de oprichting van
een internationale commissie om de besmettingshaarden op te
sporen en te bewaken acht ik noodzakelijk.

-ocr page 26-

Ook met zijn bestrijdingsmiddelen ga ik accoord, doch met het
oog op- de populariteit van de wet, moet ik de vraag stellen, hoe
lang met den maatregel van afmaken moet worden voortgegaan en,
wanneer deze grens is bereikt, welke verdere maatregelen ter be-
strijding moeten worden genomen.

De heer de Jong: Deze internationale commissie is het keerpunt
bij elk internationaal congres op dit gebied, omdat er altijd poli-
tieke belangen tusschen doorloopen en meestal draait het op niets
uit. Het eenige wat te Buda-Pest bereikt is, is de oprichting van
het
Bulletin internationale, waarin de verschillende regeeringen
elkander zoo spoedig mogelijk inlichten, over ontstaan en verbrei-
ding der verschillende besmettelijke veeziekten.

De heer Overbeek: Samenwerking is noodig en besprekingen
zooals door den heer v.
d. Linden bedoeld, kunnen zeker nut
stichten en zijn ook vroeger meermalen gehouden. Naar mijne
meening moet het afmaakstelsel, zoolang mogelijk worden volge-
houden d w. z. zoo lang men personeel beschikbaar heeft om de
maatregelen uit te voeren, doch die grens is spoedig bereikt.

Wat er dan moet volgen? Wanneer de strijd verloren is, moeten
wij papieren maatregelen nemen. Men voert er bij eenige uitbreiding
wel niet veel mee uit, doch de zaken loopen niet in de war, men
houdt cle teugels in handen, om ten slotte weer te kunnen ingrijpen
en vooral om bij een volgende bestrijding niet machteloos te staan.

Op het a. s. Congres te Londen zal door de ondervinding in de
laatste jaren opgedaan de tegenwerking van Duitschland wel
minder zijn.

Mond- en klauwzeer.

Naar aanleiding van de vraag van den lieer v. d. Linden op de vergadering van
27 Sopt. \'13 omtrent mond- en klauwzeer in Tndic het volgende:

In Ned.-Indie komt steeds mond- en klauwzeer voor. De ziekte wordt daarover
\'1: algemeen (te veel) ,,en bagatelle" beschouwd, omdat de oeconomiese schade er
door veroorzaakt minder groot is. Melk- en zuivelbedrijf komen daar bijna niet in
aanmerking, de runderen (en karbouwen) worden hoofdzakelijk als trekdieren
gebruikt (voor wagen en ploeg). Bij hevige graad van klauwzeer komt het niet alleen
aan de kroon maar ook dieper, tot loslating der hoorn van de matrix. Onder de
oude hoorn wordt nieuwe gevormd, de oude en de nieuwe laag zijn scherp van elkaar
gescheiden, -— ook en vooral aan de zool ziet men dit proces, bij vele dieren treft men
na afloop een dubbele hoefzool aan. Ontschoenen zag ik nooit. Aan de ballen blijft
tussen de oude en nieuwe hoorn een spleet, daarin dringen vuil, zand en steentjes,
■die gemakkelijk tussen de twee hoefzoolen geraken en aanleiding geven tot secun-
daire etterige processen en kreupelheid. Ook schijnt de oude afgroeiende klauw
soms als een te nauwe schoen te werken — vele dieren loopen pijnlijk totdat de oude

-ocr page 27-

schoen na enkele maanden is atgestooten. De loslating van de hoorn wordt zeer
zeker veroorzaakt door blaasjesvorming, niet alleen aan kroon en klauwspleet maar
ook op andere plaatsen der klauwlederhuid.
Zschokke wees daar reeds op en ook
Conradt (Étude sur la genèse des lésions du pied dans la stomatite aphteuse).
Voor afmaken is bij mond- en klauwzeer in Indië ongeveer nooit aanleiding. Men
laat uitzieken. Zoodra \'de ziekte geconstateerd was liet ik steeds alle dieren be-
smetten. Een stuk doek, dat een poosje in den mond van een ziek dier (met ge-
barsten blaren) had vertoefd, circuleerde goed doordrenkt met speeksel, in de
monden van de gezonde runderen, gewoonlijk werden nog scarificaties in het lip
slijmvlies gemaakt en deze met virulent speeksel ingewreven. De geënte dieren
werden goed geobserveerd en zoodra overmatige speekselafleiding werd gezien (als
eerste verschijnsel) werden ze op stal gezet, op stroobed en goed verpleegd, tot ze
ongeveer beter waren. Op deze manier was steeds de enzoötie spoedig afgeloopen
en konden binnen een maand de verkeersbelemmeringen worden opgeheven.
Meestal verliep de ziekte goedaardig. Het zoogenaamde „boosaardige klauwzeer"
met vele sterfgevallen, zag ik nooit.

De behandeling bestond in voetbaden, 2 a 3 maal daags eenige minuten in een
vlakke bak, zoo groot dat een volwassen rund er in kon staan, en tot de hoogte der
bijklauwen gevuld met 1 % creoline-oplossing. Tijdens het voetbad werd de mond
voorzichtig gewassen (ruw manipuleeren veroorzaakt wonden) met 1/2 % creolin-
water. Klauwspleet en kroonrand werden na het bad met een weinig perubalsem
of iets dergelijks besmeerd tegen de vliegen. Waar voetbaden om de een of andere
reden niet toegepast werden, werden de klauwen alleen met perubalsem behandeld.
Over \'t algemeen zijn rust en goede hygiëniese condities gedurende de eerste
dagen hoofdzaak bij deze ziekte. Bij zwaar mondlijden werd een paar dagen geen
gras gegeven maar vloeibare of halfvloeibare kost.

In sommige kudden kwam jaren achtereen elk jaar de ziekte voor. De dieren die
het vorige jaar mond- en klauwzeer hadden gehad, reageerden soms niet op her-
nieuwde enting, soms ook wel, er waren gevallen waar de dieren al weer ziek
waren voordat hun klauwen tengevolge van de vorige aanval waren afgegroeid en
verwisseld.

Een derde jaar was het echter regel dat de vroegere zieken niet meer op de enting
reageerden.
 Vrijburg.

Steriliteit bij runderen en paarden,

DOOR

J. J, WESTER.

De Heer Wester merkt op, slechts een enkel woord te zullen
zeggen over dit onderwerp, en wel omdat onderzoekingen die hij
zich had voorgenomen hierover te verrichten hier en in het buiten-

\') Verslag van een voordracht gehouden op de 54ste Aigemeene Vergadering
der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland op 27
September 1913.

-ocr page 28-

land, nog niet tot een einde zijn gebracht. Hij wenscht derhalve
nu slechts iets te zeggen ter oriënteering in het vraagstuk, en stelt
zich voor later, na afloop van bedoelde onderzoekingen, desgewenscht
in de afdeelingen voordrachten te houden met demonstraties.

De sprekerzegt zich in hoofdzaak bezig te houden met de bestudee-
ring van de endemisch voorkomende steriliteit, welke het eene jaar
veelvuldig voorkomt, en het andere jaar weer niet. Dit niet drachtig
worden der koeien komt in de laatste jaren meer voor dan vroeger,
blijkbaar wel door het gebruik van gemeenschappelijke stieren,
liet komt nu en dan in die mate voor, dat het bestaan van fok-
vereenigingen er ernstig door wordt bedreigd.

Hier te lande is weinig studie gemaakt van deze aangelegenheid.
In den regel stelt de veearts zich tevreden met de bestrijding van
de al of niet aanwezige granuleuse scheedekatarrh. Evenwel blijkt
hoe langer hoe meer dat deze granuleuse scheedekatarrh weinig
of niet met de endemische steriliteit te maken heeft. Ook spreker
is van oordeel, dat slechts zelden causaal verband hiertusschen is
te vinden, tenzij bij acute ontstekingen misschien.

In Zwitserland bestudeert en behandelt men dit euvel reeds
sedert ± 50 jaar. Eerst werd daar gedacht, dat het ostium bij steriele
koeien gesloten zou blijven ook gedurende de tochtigheid, waardoor
dus de spermatozoïden niet kunnen binnendringen. Later is dit
weer van de baan geraakt, volgens spreker ten onrechte.

Deze theorie werd verdrongen door de stelling dat cysteuse
ontaarding van de Graafsche blaasjes de meest voorkomende
oorzaak zou zijn, en uitdrukken van deze cysten de beste therapie
(Zanger).

In Zwitserland is dit de gewone behandelingsmethode, ook nu
nog. De spreker bestudeerde deze therapie in Zwitserland, is echter
tot de conclusie gekomen, dat vele der z. g. n. cysten, die door de
Zwitsersche veeartsen worden uitgedrukt, slechts rijpe lollikels zijn.

Hier te lande speelt volgens den spreker deze cystenvorming
bij de steriliteit een zeer ondergeschikten rol. Wel zijn echter
de bandelooze en nymphomane koeien, hiermede behept volgens
zijn onderzoekingen.

Ook is men in Zwitserland gaan denken aan het persisteeren
der „Corpora lutea" als oorzaak van steriliteit.

Na(?) of vóór(?) of gedurende(P) iedere tochtigheidsperiode barst
een foilikel, welke wordt vervangen door een „geel lichaam." Dit
gele lichaam is blijkbaar een secerneerend orgaan, hetwelk door
inwendige secretie de baarmoeder geschikt maakt voor het ont-
vangen van het bevruchte ei. Dit gele lichaam wordt weer ge-

-ocr page 29-

resorbeerd. Gedurende de drachtigheid echter blijft het bestaan.
Dit is dus een physiologisch persisteeren. Echter ook zond er drachtig-
heid blijft zoo\'n geel lichaam soms bestaan, wordt niet geresorbeerd,
b.v. bij baarmoederkatarrh. Dan kan dit persisteeren aanleiding
geven tot het niet ontwikkelen van follikels; dus tot steriliteit.
Uitdrukken van deze persisteerende gele lichamen zou dus de
therapie moeten zijn.
(Zschokke.)

Of de zaak echter precies zoo verloopt, acht de spreker volstrekt
niet bewezen. Hij stelt zich voor, ook hieromtrent zooveel mogelijk
nasporingen te doen.

Het is wel reeds de overtuiging van spreker geworden, dat
door de veeartsen in Zwitserland en Denemarken meestal niet
oude, persisteerende, dus pathologische corpora lutea worden
uitgedrukt, maar de verschillende physiologische. De oude zijn zeer
moeilijk uit te drukken.

Het uitdrukken van z. g. n. cysten en z. g. n. persisteerende
gele lichamen zooa^ dat te Zwitserland en ook in Denemarken
in de praktijk geschiedt, berust dus volstrekt niet op een gezonde,
vaste wetenschappelijke basis, in tegendeel, is empyrie.

Dat neemt niet weg, dat men blijkbaar wel resultaat heeft
hiermee; tenminste het is een feit, dat de Zwitsersche veeartsen
zeer vaak geroepen worden deze therapie toe te passen, wat wel
niet zou gebeuren, als de veehouders geen resultaat zagen.

Ook in Denemarken zijn deze behandelingsmethoden ingevoerd
sedert ± 1900 en volgens sommigen met succes. In de laatste jaren
is door onderzoekingen van den Deenschen veearts
Albrechtsen
echter gebleken, dat in zeer vele gevallen een baarmoederkatarrh
primair de oorzaak van steriliteit is — waardoor wellicht latei-
secundair cysten zich ontwikkelen.

De spreker is het met deze stelling eens. Ook hij acht deze baar-
moederkatarrh en ontsteking van de cervix primair aanwezig.
I)e behandeling van de baarmoeder, curatief, en zoo mogelijk
.prophylactisch is dus de aangewezen therapie. Dit is echter wel
eens wat bezwaarlijk en omslachtig. Daarom vergenoegen zich
vele Deensche veeartsen nog steeds met het uitdrukken van cj^sten
en gele lichamen, en naar hun zeggen, met succes. Slechts dan
wanneer de baarmoeder vergroot is, wordt ze uitgespoeld met
keukenzout, of spiritus, of jood-joodkalisolutie.

Spreker wijst er op, dat ook.in Denemarken zeer veel wordt
gedaan door de praktizeerende veeartsen aan steriliteitsbehandeling.
Voor een deel moet dit natuurlijk worden toegeschreven aan het
verkregen succes. Echter moet men niet vergeten bij het wegen

-ocr page 30-

van dit succes, dat er in Denemarken nog iets anders mee wordt
bereikt. Vroeger wisten de groote Deensche veehouders maar
heel slecht vóór de dieren gekalfd hadden, of ze wel drachtig waren.
Dit kwam doordat de dieren op stal staan of op de weide aange-
bonden zijn, en dus niet steeds duidelijk symptomen van drachtig-
heid verraden. Tegenwoordig ondervangt men dit bezwaar
door den veearts de dieren systematisch te doen onderzoeken op
drachtigheid, waardoor op zich zelf reeds groot voordeel aan de
veehouders wordt gebracht. Zijn ele dieren niet drachtig, dan
worden ze tegelijkertijd behandeld.

Dit systematisch onderzoek op drachtigheid van een veestapel
is bij ons te lande niet zoo zeer noodig.

De spreker herhaalt ten slotte dat hij op een en ander later uit-
voeriger terug zal komen, na vooral de rol van de baarmoeder-
hals, en van den stier nog nader te hebben onderzocht.

Discussie.

De heer De Jong vraagt naar de oorzaak van uteruskatarrh.

De heer Westek antwoordt, dat de dieren baarmoederontsteking
krijgen b.v. door abortus waardoor de secundinae niet op tijd
afgaan. Bovendien worden de dieren geïnfecteerd op stal ook zonder
retentio secundinarum. De veearts
Ai.brechtsen werkt hiertegen
prophylactisch. Hij neemt n.1. steeds zoo vroeg mogelijk de se-
cundinae af, en spoelt de baarmoeder uit. Bovendien laat hij,
indien mogelijk, de koeien kalven buiten den stal, in een afzonder-
lijke telkens goed te reinigen box. Hiermee heeft hij naar zijn zeggen
goede resultaten.

Boekaankondigingen.

Marktlijst 1914, samengesteld en uitgegeven door ,,Het Paard" te\'s Graven-
liage (uitgever A. W.
Heidema) prijs / 0.10.

In deze marktlijst zijn alle in 1914 te houden paardenmarkten opgenomen. Bij
iedere markt is aangegeven hoeveel paarden er het vorig jaar waren aangevoerd
en welke soorten er vooral verhandeld werden. Verder wordt een kort overzicht
gegeven van den paardenhandel in
1913.

Voor velen is dit een gemakkelijk boekje. Kroon.

-ocr page 31-

Ingezonden.

Op de 54ste algemeene vergadering der Maatschappij ter bevordering der Vee-
artsenijkunde in Nederland, gehouden op 26 September j.1., is door den toenmaligen
voorzitter der Maatschappij, den Heer Dr. H.
Markus, in zijn kwaliteit van
secretaris der redactie van het \'tijdschrift voor Veeartsenijkunde op een voor mij
beleedigende wijze geïnsinueerd op een schrijven van Dr. M. C.
Dekhuijzen,
waarin deze mijn proefschrift besprak. Aan mijne uitnoodiging, hieromtrent oogen-
blikkelijk in het openbaar mededeeling te doen, kon de Heer
Markus niet voldoen
omdat genoemd schrijven nog onder de redactieleden circuleerde, mij werd echter
toen bericht, dat ik desgewenscht inzage van dat schrijven kon krijgen. Na herhaald
verzoek is mij een afschrift van den brief van Dr. D. geworden. Aanvankelijk was
het mijn voornemen, 11a de in het openbaar gebezigde woorden van den Heer M ,
deze kwestie in het openbaar toe te lichten en wel op de buitengewone algemeene
Vergadering, gehouden te Utrecht op 29 Nov. 1.1. Tijdens de vergadering heb ik
echter van dat voornemen afgezien; de belangrijke en zéér tijdroovende discussies
hebben die vergadering zéér gerekt en aan het einde ervan hadden vele leden de
vergadering verlaten. Daarom gevoel ik mij gedrongen thans te dezer plaatse aan-
gaande deze aangelegenheid het volgende mede te deelen.

De Heer D. deelt in zijn schrijven mede, dat hij meende aan het verzoek der
redactie, mijn dissertatie in het Tijdschrift voor Veeartsenijkunde te bespreken,
niet te moeten voldoen, omdat zijn oordeel hierover ongunstig was in een mate, die
het hem onmogelijk maakte dat oordeel onder ook weer erkennende woorden te ver
zachten; hij wenschte mij een dergelijke onaangename bespreking in het open-
baar te besparen. De Heer D. grondde zijn oordeel op drie overwegingen:

ie. omdat ik voorgesteld heb het woord ,,diverticulum" te vervangen door
„divertix"; het woord „diverticulum" is volgens den heer D. geen verklein-
woord en het woord „divertix" strijdt tegen het latijnsche taaleigen.
2e. omdat ik bij mijne studie van den luchtzak bij het paard geen gebruikge-
maakt heb van bevroren doorsneden en deze methode voor een dergelijk
onderzoek onontbeerlijk is.
3e. omdat ik voor het inspuiten van luchtzakken paraffine heb gebruikt, een

stof die zien bij stolling c.c. 9 % samentrekt.
Ik heb den Heer D. hierop schriftelijk geantwoord dat ik, aangezien ik zelf de
klassieke talen niet bestudeerd heb, destijds mijn licht ontstoken heb bij iemand,
die door mij wel ter zake kundig geacht mocht worden (een doctorandus in de
theologie, die zooveel studie van de oude talen had gemaakt, dat hij destijds in
aanmerking is gekomen voor eene benoeming aan een gymnasium tot leeraar in het
Hebreeuwsch); dat deze deskundige mij heeft verklaard dat het woord „diverti-
culum" wel een verkleinwoord is en vervangen kon worden door „divertix"; dat
ik evenwel nu, op zijn gezag, wel wil aannemen dat ik toen onjuist ben ingelicht
geworden; dat echter, wanneer deze vergissing eene zoodanig hemeltergende fout
was als hij beliefde voor te stellen, mijn promotor Prof.
Rubeli te Bern of Prof.
Ruge te Zürich, die mijne verhandeling aanstonds heeft aanvaard voor plaatsing
in het Morpholog: Jahresbuch, een der meest belangrijke periodieken op het ge.
XLI 2

-ocr page 32-

bied der vergelijkende anatomie, hierop wel aanmerking gemaakt zouden hebben;

dat de vormveranderingen, die luchtzakken b.v. bij iedere inademing onder-
gaan, niet aan bevroren doorsneden onderzocht kunnen worden en dat ik voor
het vullen van luchtzakken niet alléén paraffine heb gebruikt maar ook lucht,
water cn gipsbrei. Ik had hieraan kunnen toevoegen dat, ter bestudeering van
holten met ten deele ontwijkende wanden de methode van bevroren doorsneden
geheel verouderd is sinds de zooveel gemakkelijker cn overal toe te passen methode
van
Paulii, gepubliceerd in den Anatomischen Anzeiger Bnd 34 No. 16 en 17,
en later nog geperfectionneerd,allerwege toepassing heeft gevonden en dat in een
verhandeling van c. c. 70 pagina\'s kleinen druk, nog heel wat meer te vinden is dan
datgene waar hij over gevallen is. Ik heb er hem op gewezen dat, ondanks de ge-
gebreken die aan deze proeve van eigen arbeid kleven, meerdere autoriteiten van
naam hunne waardcering er aan hadden geschonken, eene bewering waarvan ik
de schriftelijke bewijzen kan overleggen en dat het feit dat mijne verhandeling
in het Morpholog: Jahresbucli verschenen is er toch ook voor pleit, dat zij geen
opeenstapeling van onzin is. Ik hoopte en verwachtte hierop een antwoord te
krijgen waarin Dr. D. zijn standpunt krachtiger zou verdedigen en waarin ik op
meerdere en grovere fouten in mijn werk zou worden gewezen. Hierin nu ben ik
geheel teleurgesteld want ik ontving een uitvoerig, particulier, gemoedelijk ant-
woord o]) mijn schrijven zonder een enkele nadere verklaring.

Tc-11 slotte verklaar ik, met opgeruimd gemoed, dat ik mij door de moordende
critiek des Heeren D. allerminst geschaad gevoel, en laat thans gaarne het oordeel
over deze aangelegenheid aan den onpartijdigen lezer.

Utrecht, 30 November 1913. Dr. H. A. Vermeulen.

L. S.

In mijn open brief, zich bevindende in ons Tijdschrift van 15 Aug. 1. 1.,
beschuldigde ik de collega\'s G.
Lurberink uit Zwolle en G. J. Hoogland uit Utrecht
van grove onrechtvaardigheid en tartte hen één woord van mijne beschuldiging
onwaar te maken. Ofschoon het Tijdschrift nadien reeds 7 maal verscheen en er
dus ruim gelegenheid geweest is om zich te verdedigen, blijven zij machteloos
zwijgen. Ik acht \'t mijn goed recht de lezers hierop attent te maken.

In de onlangs verschenen brochure, gericht aan de leden der Maatschappij ter
bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland, en geteekend door 6 directeuren
van speculatieve Veeverzekeringsmaatschappijen staat o. a.:

„Een onzer heeft thans nog een procedure aanhangig voor een arbitrage-commissie
„als waarvan door de Commissie de wenschelijkheid werd bepleit. Die arbitrale
„procedure en de op de beslissing van arbiters gevolgde procedures loopen nu
„reeds ruim drie jaren."

Ik veronderstel, dat hier op mijne abitrage gedoeld wordt, omdat deze reeds
ruim drie jaren heeft geduurd en (daar ik niet kan besluiten de kwestieuse zaak te
begraven, zoolang er nog iets aan te doen is) thans als nietig wordt bestreden.

-ocr page 33-

Zekerheid heb ik dienaangaande echter niet kunnen erlangen, wijl de toezender
en eerste onderteekenaar,
D. P. Linthout, evenals de directeur der procedeerende
Maatschappij weigeren om inlichtingen te geven.
Gelieve mijne collegiale groeten te accepteeren.

Rosendaal, 9 December 1913. E. Kortman.

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Verslag van de Buitengewone Algemeene Vergadering der Maatschappij ter
bevordering der veeartsenijkunde in Nederland, op Zaterdag 29 November 1913.

Voorzitter: de heer Dr. D. L. Bakker.
De Voorzitter: Ik open de vergadering met een hartelijk welkom tot de aan-
wezige afgevaardigden en leden, meer in het bijzonder tot onze eereleden de heeren
Schimmel en van der Plaats en tot den heer Remmelts, die welzoo vriendelijk
is geweest onze uitnoodiging aan te nemen.

Ik spreek zeker voor U allen, wanneer ik den heer Schimmel namens onze
Maatschappij hartelijk gelukwensch met zijn benoeming tot doctor honoris causa
in de geneeskunde door de Utrechtsche Universiteit, een eerbetuiging die ons
allen ten zeerste heeft verblijd.

De heer Schimmel: Ik dank den Voorzitter voor zijn gelukwensch en alle aan-
wezigen voor hun instemming. Deze eervolle onderscheiding op den vooravond
van de indiening van een wet op liet veeartsenij kundig hooger onderwijs, meen
ik te mogen beschouwen, als een hulde minder aan mij persoonlijk, dan wel aan de
veeartsenijkunde.

De Voorzitter: De navolgende afdeelingen zijn vertegenwoordigd:
Groningen-Drenthe, W.
ten Hoopen, uitbrengende 21 stemmen.

Friesland.....A. Veenbaas, ,, 30 stemmen.

Overijsel.....Dr. S. Ferwerda ,, 7

Utrecht .....Dr. J. H. Picard ,. 16

Noord-Holland . . Dr. Y. van der Sluis ,, 18

Zuid-Hollond . . . H. L. Ellerman Lzn. ,, 22

Nieuw-Zuid-Holland J. J. F. Diiont ,, 15

Noord-Brabant .. F. van Hootegem „ 14

Limburg .....K. Houba, „ 13

Zeeland ......H. J. van Nederveen, ,, it

De afdeeling Gelderland-Overijsel is onder opgave van het waarom, niet ver-
tegenwoordigd.

Door het altreden van den Heer Markus is er bij de 54ste Algemeene Vergadering
geen openingsrede gehouden, waarom ik nu een overzicht van de voornaamste
gebeurtenissen in het afgeloopen jaar zal trachten te geven.

-ocr page 34-

In de eerste plaats hebben we te vermelden het droevig verlies door overlijden
van M.
J. Hengeveld G.Jzn., J. F. Lameris, J. H. van Oyen, E. A. Kok,
K. Bosma, w. F. A. Gantvoort, F. Boeriiave en onlangs nog van onze jonge
collega
B. Eijsenburger, die om zoo te zeggen op het veld van eer is gevallen.

Een treurige lijst voor ons kleine corps.

Haar ook zijn er heugelijke feiten mee te deelen. In het afgeloopen jaar pro-
moveerden de heeren
J. Roos, G. L. J\' Gooren, J. C. Witjens, T. M. G. Numans,
S. Ferwerda, C. Th. G. H. de Wilde, H. Schornagel, C. J;G. van der Kamp,
T. van Heelsbergen, H. Ubbens, B. B. Lautenbach, terwijl onderscheidenlijk
werden benoemd tot Officier en Ridder in de Orde van Oranje-Nassau de heeren:
Dr.
J. D. van der Plaats en R. Bosscher, tot officier du mérite agricole, de heeren
Dr.
H. Markus en Dr. H. Remmei.ts.

Opgericht werden: een nieuwe zelfstandige afdeeling „Overijsel" aanvankelijk met
14 leden en een bond van praktizeerende veeartsen boven het Y ter behartiging
hunner particuliere belangen.

Twee belangrijke wetten zijn in voorbereiding:

a. wet op het veeartsenij kundig onderwijs,

b. wet tot regeling van den veeartsenij kundigen Dienst.

Ziedaar de meest belangrijke zaken van het vorige vereenigingsjaar.

Ingekomen is een schrijven:

Van den Secretaris-Generaal, dat Z. E. de Minister van Binnenlandsche Zaken,
den heer Mr.
L. Lietaert Peerbolte, Chef der afdeeling Volksgezondheid en
Armenwezen bij Zijn Departement, heeft aangewezen, hem hier te vertegenwoor-
digen.

Van Z. E. den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, den Directeur-
Generaal van den Landbouw en den Oud-Minister A. S.
Talma, dat zij tot hun
leedwezen verhinderd zijn, deze bijeenkomst bij te wonen. Van den heer
Ruijsch,
Voorzitter van den Centralen Gezondheidsraad, dat hij zoo mogelijk bij de beraad-
slagingen over het wetsontwerp voor vee- en vleeschkeuring tegenwoordig zal zijn.

Van den heer A. Frederikse, dirigeerend-paardenarts, dat hij tot zijn spijt,
bij de aanvaarding van het
van EsvELD-fonds niet aanwezig kan zijn.

Van den heer J. M. Knipscheer, dat hij voor de benoeming tot lid der commissie
van beroepsbelangen moet bedanken.

De Voorzitter:,Met het oog op een mogelijk spoedige behandeling van het wets-
ontwerp tot regeling van den Veeartsenij kundigen Dienst, acht ik het gewenscht,
dat in deze vergadering nog voorzien wordt in de vacature
„Hengeveld." Dit punt
staat echter niet op de agenda zoodat ik gaarne zou vernemen of de afgevaardigden
bereid zijn namens de afdeelingen hun stem uit te brengen.

Bij rondvraag heeft niemand daartegen bezwaar. Uitgebracht worden 169 stem-
men, waarvan op Dr.
A. A. Overbeek 87, J. A. Klauwers 52, F. S. J. Veeze 15,
W.
ten Hoopen ii,H. vanStaa 4, zoodat gekozen is Dr. Overbeek, welke zich
gaarne bereid verklaart de opdracht te aanvaarden.

De Voorzitter: Ik stel thans aan de orde punt 3 der agenda:

„de algemeene vergadering machtigt het Hoofdbestuur, de toegezegde bijzondere
„vergaderingen volgens art. 19 der statuten, welke einde 1913 en begin 1914.
,zouden worden gehouden, te doen vervallen."

-ocr page 35-

Zonder gedachtenwisseling wordt dit voorstel van het Hoofdbestuur met alge-
meene stemmen aangenomen.

De Voorzitter: Aangezien het bijna 11 uur is, schors ik de vergadering
tot i uur.

Aanvaarding van het beheer over het Van Esveld-fonds.

Dr. D. L. Bakker: Het doet ons allen veel genoegen, dat zoovelen aan onze uit-
noodiging deze plechtigheid bij te wonen, gehoor hebben gegeven. De afgevaardig-
den van den Raad van Bestuur van \'s Rijks Veeartsenijschool, van de Militair-
Veterinaire Vereeniging, van de Vereeniging van Districtsveeartsen, van de Hy-
giënische Vereeniging, van de Vereeniging van Slachthuisdirecteuren, van den
Senaat van het Veterinair Studentencorps en alle aanwezigen heet ik welkom.

Ik geef het woord aan Dr. H. Remmelts.

Dr. Remmelts: Het was een droeve dag voor de veeartsenijkunde en hare be-
oefenaars in Nederland en zijn koloniën, den dag van den 29en Februari 1912, die
velen hunner samenbracht op de Oude Begraafplaats te Utrecht om hun leermeester,
hun vriend, hun collega naar zijn laatste rustplaats te geleiden. Stemt een plechtig-
heid als deze onder alle omstandigheden droevig, diep wordt het gevoeld,
waar het geldt de beste onder ons, wanneer het geldt een man als
Dirk Frederik
van
Esveld, wiens geheele leven getuigenis aflegt van zijne belangstelling voor de
wetenschap, die ons allen lief is; die immer streed ter verheffing van den veeartsenij-
kundigen stand, en zijn groote werkkracht en kennis in dienst stelde van de
veeartsenijkunde, van ons vereenigingsleven en van ieder onzer afzonderlijk, die
prijs stelde op zijn hulji en raad; en dat waren er velen.

Wij allen hebben hem gekend; de meesten onzer als hun leermeester, die met
onvermoeiden ijver tot aan zijn laatsten levensdag zijn heldere voordrachten hield,
steeds bereid voorlichting te geven en steun te bieden aan ieder, die het wilde,
en ook niet aarzelde voor een krachtige vermaning, waar hij vreesde een leerling
op het levenspad te zien struikelen. Hij was dan hoogst ernstig, maar uit zijn woor-
den voelde men, dat warme belangstelling in het lot van zijn leerlingen hem dreef.
Want hij hield van zijn leerlingen, leefde met hen mee en mocht gaarne met hen
vertoeven op de plaats, waar zij verpoozing zochten. Die gevoelens van sympathie
waren wederkeerig. Zij leidden er toe hem in 1898 te benoemen tot eere-voorzitter
der Veterinaire Societeit „Absyrtus."

Als collega werkte Van Esveld aan de belangen der veeartsenijkunde in het
algemeen en aan de ontwikkeling van het vereenigingsleven der veeartsen in het
bijzonder; van af 1882 tot aan zijn dood nam hij onafgebroken deel aan de werk-
zaamheden van de Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in Nederland
èn als bestuurslid, respectievelijk onder-voorzitter, penningmeester en bibliothecaris
èn als redacteur van het Tijdschrift voor Veeartsenijkunde. En in die functies
heeft hij de Maatschappij onschatbare diensten bewezen. Uwe vergadering benoemde
hem daarom in 1910 tot haar eerelid; maar zijn arbeid was daarmede niet ten einde;
het werken voor onze vereeniging was hem een lust Hij gevoelde dat als een plicht,
die hij niet gaarne uit handen gaf. Daarbij hield hij de band, met zijne leerlingen
in den studietijd gelegd, in latere jaren met zijn collega\'s aan. Hij stelde belang in

-ocr page 36-

hun leven en werken, in hun idealen, hield zich op de hoogte van hun vorderingen
op den maatschappelijken ladder, en nam deel in hun lief en leed. Onze collega
was tevens onze vriend, die de vriendschap, hem betoond, in tienvoud teruggaf.
Hoevelen onder ons zullen bij het nazien van hun brieven, bij het opruimen van hun
schrijftafel, met stuiten op een levensteeken van
Van Esveld; korte mededeelingen,
brieven als antwoord op gevraagde inlichtingen, of wel een deelnemend woord,
wanneer ons dierbare bloedverwanten waren ontvallen.

Was het dan te verwonderen, dat toen de schare belangstellenden van het
kerkhof terugkeerde, bij menigeen de gedachte naar voren kwam, dat de erkent \'lijk-
heid voor alles, wat
Van Esveld heeft gedaan, ook op andere wijze tot uiting moest
komen dan door de eenvoudige hulde bij zijn graf; en dat zich spoedig een comité
vormde van oud-leerlingen uit alle deelen des lands, dat zich richtte tot collega\'s,
vrienden, ambtgenooten en leerlingen van
van Esveld om gelden te verzamelen,
ten einde door een blijvend aandenken voor de toekomst getuigenis af te leggen
van de vereering, die wij gevoelen voor dezen onzen hooggeachten leermeester, vriend
en collega.

Onder welken vormDat was van later zorg. Voorloopig diende geld bijeen-
gsbraclit; en de poging van het Voorloopig Comité was niet te vergeefs. Dat doel
werd bereikt; een bedrag kwam in, voldoende om reeds te overwegen, welke be-
stemming aan de gelden zoude worden gegeven.

Daartoe werden door het Voorloopig Comité alle veterinaire vereenigingen en
organisaties uitgenoodigd, een vertegenwoordiger aan te wijzen om deel te nemen
aan een vergadering, ten einde te beramen, welke bestemming aan de ontvangen
gelden zoude worde gegeven, en nader eene definitieve commissie van uitvoering
aan te wijzen.

De vergadering van die afgevaardigden met het Voorloopig Comité had plaats
den 23en Juni 1912 in het Haagsch Koffiehuis te Utrecht. Met bericht van kennis-
geving waren aldaar afwezig:

de vertegenwoordiger der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland en

de vertegenwoordiger van de Rijksseruminrichting, terwijl de afgevaardigde
van de Militaire Veeartsenijkundige Vereeniging, die tevens als vertegenwoordiger
van den Militair Veeartsenijkundigen Dienst zoude optreden, door toevallige
omstandigheden niet tegenwoordig was. De uitnoodiging had deze afgevaardigde,
die op manoeuvre was, niet bereikt. Ook kon de Vereeniging ter bevordering der
veeartsenijkunde in Ned.-lndië zich niet door een bijzonderen afgevaardigde doen
vertegenwoordigen.

Op die vergadering werd breedvoerig van gedachte gewisseld over de bestem-
ming, die aan de ingekomen gelden zoude worden gegeven, maar tot een beslis-
sing kwam het slechts in zóóverre, dat besloten werd tot de stichting van een fonds,
dat zoude worden aangewend ter behartiging van de belangen der Veeartsenijkunde
en hare beoefenaars en aldus zoude werken in den lijn van het «erken en streven
van
Van Esveld. Tot een nadere uitwerking van de bestemming kwam men niet.
Wel werd de aandacht gevestigd op een studiefonds, een fonds tot steun van intel-
ligente studenten aan \'s Rijks Veeartsenijschool tot voortzetting van een studie,
een prijsvraagfonds, een fonds tot uitbreiding van de bibliotheek, die door de bij-

-ocr page 37-

zondere zorg van Van Esvei.d een boekenverzameling van beteelcenis is geworden,
of wel tot ondersteuning van behoeftige collega\'s. Maar het denkbeeld van den
eenen vond weer bestrijding bij een ander, die argumenten voor zijn voorstel te
berde bracht, die op hun beurt weer onvoldoende werden bevonden. Men kwam
tot de overtuiging, dat in deze vergadering bezwaarlijk de bestemming der
gelden kon worden vastgesteld en besloot, nu eenmaal de stichting van een
fonds vaststond, de verdere uitvoering en uitwerking over te laten aan een
Commissie van
3 leden, waartoe werden aangewezen de Heeren Vermeulen,
Kroon en mijn persoon. Het bleek al spoedig, dat het besluit tot oprichting
van een fonds met sympathie werd begroet. Als een onmiddellijk gevolg
daarvan meen ik te mogen aanstippen een bijdrage van ƒ
100.— van een collega,
die op de lijst van Stichters als N.
N. staat vermeld. Het was voor het
Comité een voldoening, dat de lijst van inzenders steeds grooter werd: deze lijst
hier mede te deelen is overbodig; in het Tijdschrift voor Veeartsenijkunde werden
de ingekomen bedragen geregeld opgenomen. Een bijdrage echter meen ik hier
te moeten vermelden en wel die van de leerlingen van
Van Esveld, de studenten
van \'s Rijks Veeartsenijschool, die hun belangstelling toonden door de storting van
een bedrag van /
580.—.

De commissie, met de uitvoering van het besluit der vergadering belast, had
intusschen geen gemakkelijken taak. Want hoewel de gezonden bijdragen aan de
verwachtingen beantwoordden en voor de vorming van een fonds voldoende waren,
de som was niet zoo groot, dat de baten daarvan uitgaven van beteekenis zouden
veroorloven. Een oogenblik is er aan gedacht de rente van de gelden aan te wenden
tot vermeerdering van het kapitaal en dus de baten van het fonds niet eerder aan
te spreken dan nadat een groot bedrag was verzameld maar de vrees, dat daar-
door de belangstelling in het fonds zoude verloren gaan, moest het comité daarvan
terughouden. Eén zaak stond er evenwel bij haar vast, dat, welke beslissing ook
door haar genomen werd, het toch niet meer dan een besluit van tijdelijken aard
mocht zijn. De omstandigheden van nu zijn niet van dien aard, dat wij ons ver-
antwoord zouden achten met eene regeling, die tot in de verre toekomst bindend
zoude zijn. Het is dan ook daarom, dat toen na rijp beraad door de Commissie
besloten was de baten van het fonds in den eersten tijd te besteden aan een prijs-
vraag, wij onder de voorwaarden, waaronder het beheer van het tonds aan de
Maatschappij werd aangeboden, de bepaling opnamen, dat in het 10e jaar, dat het
Hoofdbestuur het beheer voert, dus in het jaar
1923, de bestemming kan worden
gewijzigd. Het is dus geen prijsvraagfonds, het is een fonds, dat de naam draagt van
D. F.
van EsvELD-Fonds, waarvan de baten in de eerste jaren worden aange-
wend voor het uitschrijven van prijsvragen, overeenkomstig de voorwaarden,
waaronder het beheer aan de Maatschappij werd aangeboden.

Ma die 10 jaren zullen door de nog in leven zijnde stichters en door hen, die na
de stichting tot vergrooting van het fonds bijdragen, een commissie worden ge-
vormd, die zal beslissen, wat verder moet geschieden. Deze commissie zal vol-
komen vrij zijn te handelen naar eigen goedvinden, mits zij maar in het oog
houdt, dat het fonds ten doel heeft de herinnering aan wijlen
Van Esveld levendig
te houden en dus de baten worden besteed in het algemeen belang der Veeartsenij-
k unde en hare beoefenaars.

-ocr page 38-

Hoe is de Commissie er toe gekomen de Maatschappij ter bevordering der Vee-
artsenijkunde in Nederland het beheer van het fonds aan te bieden? Daarover zal
ik niet veel behoeven te zeggen; het zal XI begrijpelijk voorkomen, dat wij de zorg
voor het fonds het best verzekerd achtten bij de Maatschappij, aan welker ont-
wikkeling
Van Esveld ruim 30 jaren -zijn beste krachten heeft gewijd, waarin hij
zich gelukkig gevoelde, wier ontwikkeling en bloei hem de grootste voldoening
schonk en waarvoor hij persoonlijk leed, wanneer kleine twisten of oneenigheden
de goede samenwerking tijdelijk in gevaar bracht of het aanzien naar buiten naar
zijn oordeel verzwakte. Dit griefde hem, het deed hem zeer, en hij verleende gaarne
zijne medewerking om zoo mogelijk een tijdelijke stoornis in ons vereenigingsleven
te bekorten; want dat zoo iets nooit meer dan een tijdelijke storing te weeg zoude
kunnen brengen, daarvoor wist hij te goed, dat de grondslagen van ons vereenigings-
leven door hem en zijne medebestuurderen in al die jaren gelegd, te hecht waren,
om niet aan alle moeilijkheden, die in elke vereeniging kunnen voorkomen met
op den duur weerstand te kunnen bieden.

Bij deze overdenkingen heeft de Commissie zich ook verplaatst in de gedachten
van
Van Esveld zelf en zich afgevraagd, wat hij wel zoude hebben geadviseerd
indien hij de vraag of een fonds door een commissie zelfstandig zoude worden
beheerd dan wel door deze Maatschappij te beantwoorden had; en zij meent dat
dan ook zonder twijfel het antwoord zoude zijn gevolgd: natuurlijk de Maatschappij.

Het zijn die overwegingen die, de commissie hebben gebracht tot het aanbod,
dat in Uwe Vergadering van
29 September 1.1. werd aanvaard.

Dit besluit geeft de Commissie groote voldoening, temeer wijl op diezelfde ver-
gadering werd besloten een bijdrage van ƒ
100.— aan het fonds toe te voegen, als-
mede van de gelden, welke bijeen gebracht waren ter ondersteuning van wijlen
den Heer
Devermans en welke gelden sedert diens overlijden nog geen nieuwe
bestemming hadden verkregen. Door deze besluiten zal aan het bedrag van
/ 2741.31, dat de commissie straks zal afdragen, een som van ± / 1000.— worden
toegevoegrl. We willen geen verbanel zoeken tusschen deze besluiten en het aanbod
der commissie, overtuigd als wc zijn, dat, ook zonder dat, de Maatschappij zich
van belangstelling in het van EsvEi.D-fonels niet zou hebben onthouden, maar we
kunnen toch niet nalaten er in te zien een bewijs van svmpathie met het denk-
beeld der commissie, zooals we dat ook mochten ondervinden van de Afeleeling
Noorel-Holland, die in haar laatste vergadering het besluit nam jaarlijks aan het
fonds een bedrag van ƒ
15.— toe te voegen. Ik wil dat voorbeeld gaarne aan de
andere afdeelingen ter overweging aanbevelen.

En nu Mijne Heeren verzoek ik den Heer Vermeulen de door den heer Kroon
en mij goedgekeurde rekening en verantwoording te doen, waarna den Heer Notaris
wordt verzocht voorlezing te doen van de Acte van Overdracht en deze ons ter
onderteckening voor te leggen.

Dr. Vermeulen leest de voorloopige Acte van Overdracht voor en doet rekening
en verantwoording van zijn beheer, waarna de acte wordt geteekend door ele leden
van het Hoofdbestuur en de Commissie van het
Van EsvELD-fonds.

Na teekening door contractanten, vervolgt Dr. Remmelts:

En hiermede M. ele Voorzitter draag ik U het beheer van het D. F. van Esveld-
onds over. Ik spreek daarbij den wensch uit, dat het zich onder dat beheer moge

-ocr page 39-

ontwikkelen tot een krachtig fonds, dat bij voortduring zal werkzaam zijn op den
weg der vooruitgang, in het belang der veeartsenijkunde en hare beoefenaars,
in den lijn van het werken en streven van hem, wiens naam het draagt.

De Voorzitter: Toen het Hoofdbestuur in kennis werd gesteld, met het voor-
nemen van het
Van EsvEi.d-comité, om het beheer over het fonds over te dragen
aan onze Maatschappij, was men met dit denkbeeld dadelijk zeer ingenomen,
daar het hier een aandenken gold aan
Van Esveld, een man, van zoo groote
beteekenis voor onze Maatschappij en daar het doel ons zoo sympathiek is, omdat
het geheel ligt in het karakter van hem. wiens naam het draagt en het was ons een
groote voldoening, toen de algemeene vergadering met algemeene stemmen hare
goedkeuring hechtte aan de voorloopig toegezegde instemming .

Namens de Maatschappij aanvaard ik dit fonds en ik stem van harte in met den
wensch door den spreker van zoo even geuit.

Dr. W. C. Schimmel: Alvorens deze bijeenkomst wordt gesloten, wensch ik de
Commissie van het
van EsvELD-fonds hartelijk dank te zeggen voor de uitnemende
wijze waarop zij haar taak heeft opgevat en ten einde gebracht. Vooral den Voor-
zitter, Dr.
Remmelts, breng ik mijn dank en oprechte hulde voor de uitnemende
wijze waarop hij heeft gesproken over mijn helaas te vroeg gestorven vriend.
Het doet mij leed dat de dochter van wijlen
van Esvei.d hier niet aanwezig is; zij
had troost kunnen vinden in de hulde, hier aan de nagedachtenis van haar Vader
gebracht.

De Voorzitter: Het Hoofdbestuur besloot na ernstige overweging Mevrouw
Ween er niet uit te noodigen, ten einde haar te sparen, om de wond, haar toe-
gebracht door het overlijden van haren geliefden Vader, niet opnieuw open te rijten.
Wij zijn voornemens H.Ed. in kennis te stellen met den arbeid van deze commissie
en het daarmede verkregen resultaat, als ook met de schoone en gevoelvolle rede
zoo straks door Dr.
Remmelts uitgesproken.

Onder dankzegging aan alle aanwezigen voor hunne tegenwoordigheid, sluit ik
deze bijeenkomst.

L. J. Hoogkamer.

H. A. Kroes.

H. J. C. van Lent.

ACTE VAN OVERDRACHT.

De ondergeteekenden, de Heeren:

1. Doctor Hejme Remmelts, veearts, inspecteur van den Veeartsenijkundigen
dienst, wonende ie \'s Gravenhage.

2. Henri Margarethus Kroon, veearts, leeraar aan \'s Rijks Veeartsenijschool,
wonende te Utrecht.

3. Doctor Hendrik Adriaan Vermeulen, veearts, prosector-anatomes aan
\'s Rijks Veeartsenijschool, wonende te Utrecht.

handelende hierbij als leden der commissie tot het inzamelen van gelden voor het
daarstellen van een blijvende hulde aan de nagedachtenis van den Heer
Dirk
Frederik van Esveld, in leven leeraar aan \'s Rijks Veeartsenijschool te Utrecht
van den eersten September achttienhonderd een en tachtig tot den vijf en twin-

-ocr page 40-

tigsten Februari negentienhonderd twaalf; zijnde zij als zoodanig gekozen op de
vergadering, gehouden te Utrecht den
23 Juni 1912 (in het Haagsche Koffiehuis
des namiddags ten half twee ure) uitgeschreven door het met gemeld doel gevormd
voorloopig comité, met uitnoodiging tot die vergadering van leden of afgevaar-
digden van:

o. het Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland.

b. alle afdeelingen der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in
Nederland.

0. de Vereeniging ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederlandsch-lndië,
d. de Militair-Veterinaire Vereeniging.

c. de Veeartsenij kundige Hygiënische Vereeniging.
/. de Vereeniging van Districtsveeartsen.

g. de Vereeniging van Directeuren van Gemeentelijke Slachthuizen in Nederland.

//. de Vereeniging van Rijkskeurmeesters in algemeenen dienst.

/. de Vereeniging van praktizeerende veeartsen in Zuid-Hoiland.

j. het Veterinair Studentencoqis „Absyrtus".

k. de Rijksveeartsenijschool.

/. de Rijksseruminrichting,en

m. de Militair-Veterinaire dienst.

waarvan niemand van de onder a. d. k en 1 gemelde aanwezig was.
Verklaren uit krachte en ter uitvoering van het in de aangehaalde vergadering
genomen besluit van de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in
Nederland, gevestigd te Utrecht, w ier statuten laatstelijk gewijzigd zijn goedgekeurd
bij Koninklijk besluit van den
3 Mei 1907 nummer 84.

Voor welke zulks hierbij wordt aangenomen dcx)r de Heeren:

1. Doctor Dirk Lbonhakd Bakker, districts-veearts, wonende te Alkmaar.

2. Henricus Johannes Constantijn van Lent, veearts, wonende te Tiel.

3. Hendrik Arnoi.d Kroes, veearts, leeraar aan de Middelbare Landbouw-
school te Groningen, wonende te Groningen.

4. Wilhelmus Joiiannes Paimans, leeraar aan \'s Rijks Veeartsenijschool,
wonende te Utrecht.

in hunne hoedanigheid de eerste van waarnemend voorzitter, de tweede van
eerste secretaris, de derde van tweede secretaris en de vierde van penningmeester,
en tezamen uitmakende het Hoofdbestuur en als zoodanig volgens artikel 16 der
statuten die Maatschappij vertegenwoordigende.

Op te dragen het beheer van het zuiver bedrag der tot gemeld doel ingezamelde
gelden tot twee duizend zeven honderd acht gulden een en tachtig cent en van die
gelden welke alsnog mochten inkomen, met inachtneming van de navolgende
bedingen en bepalingen:

Artikel 1. De bijeengebrachte of alsnog bijeen te brengen gelden hebben ten
doel de herinnering aan wijlen den Heer
Dirk Frederik van Esveld, aan wien
de veeartsenijkunde en hare beoefenaars in Nederland en zijne koloniën zooveel
verschuldigd zijn ook bij het nageslacht levend te houden.

Arlikel 2. Van het gemelde kapitaal wordt een bedrag van ten hoogste drie
honderd gulden besteed ter vervaardiging van eenen stempel voor het slaan van

-ocr page 41-

medailles met den beeldenaar van Van Esveld. Het overblijvende en het nog te
ontvangene worden onder den naam ,,D. F.
van EsvELD-Fonds" kosteloos be-
heerd door het Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenij-
kunde in Nederland.

Artikel 3. Het Hoofdbestuur legt eene naamlijst aan van degenen, die reeds
bijgedragen hebben en eene van hen, die later mochten bijdragen; het houdt laatst-
bedoelde lijst geregeld bij, onder vermelding van het gestorte bedrag.

Artikel 4. Minstens om de drie jaar wordt door het gemelde Hoofdbestuur
eene prijsvraag uitgeschreven op het gebied der Veeartsenij kunde in den ruimsten
zin. waarvan de kosten worden bestreden uit de baten van het fonds en waaraan
uitsluitend Nederlandsche veeartsen kunnen deelnemen.

Artikel 5. Aan den vervaardiger van het beste, mits goedgekeurde, antwoord
worden de gouden
Van EsvELU-medaille en een bedrag in geld toegekend.

Artikel 6. Dit antwoord wordt binnen één jaar na de bekroning opgenomen
in het Tijdschrift voor Veeartsenijkunde.

Artikel 7. In de jaarlijksche algemeene vergadering der Maatschappij doet
het Hoofdbestuur rekening en verantwoording van het gehouden beheer.

Artikel 8. In het tiende jaar, dat het Hoofdbestuur dit beheer voert, doet het
door de op de eerste en op de tweede, wat de laatsten betreft, voor zoover hunne
bijdrage minstens /2
.50 bedraagt, naamlijst van artikel 3 geplaatste bijdragers
eene commissie van drie personen aanwijzen, die de bevoegdheid heeft, met inacht-
neming van het bepaalde in artikel 1 de bestemming van de baten van het fonds
te veranderen en deze artikelen dien overeenkomstig te wijzigen.

Artikel 10. Ingeval de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in
Nederland ontbonden wordt, wordt het fonds ter beschikking gesteld van het be-
sturend College der Veeartsenij kundige school te Utrecht.

Aldus gedaan en in tweevoud onderteekend te Utrecht op heden den 29 November
1913.

H. Remmelts.

H. M. Kroon.

H. A. Vermeulen.

Dirk I. Bakker.

H. J. C. van Lent.

H. A. Kroes.

W. J. Pa [mans.

Rekening en Verantwoording van den Penningmeester van het Van Esveldcomite.

Het Comité tot stichting van het Van Esvetdjonds verklaart bijeengebracht te
hebben voor het doel, nader omschreven 111 de in duplo opgemaakte onderhandsche
acte, gedagteekend
29 Noveml>er 1913, welke acte is goedgekeurd door het Comité,
en de Bijzondere Algemeene Vergadering van de Maatschappij ter bevordering der
Veeartsenijkunde in Nederland, gehouden te Utrecht den
29 November 1913, de

-ocr page 42-

somma van Tweeduizend zevenhonderd twee en dertig Gulden, een en twintig cent
welk kapitaal gevormd is als volgt:

Aan bijdragen ontvangen van Nederlandsche veeartsen . ... f 1963.—

Van vrienden en vereerders .................- 141.—

Van het vétérinair Studentencorps „Absyrtus" .........- 580.—

Aan gekweekte renten....................- 48.21

Totaal..........ƒ 2732.21

Welk bedrag verminderd moet worden met de

ondermijdelijke uitgaven ten bedrage van ............- 23.40

Zoodat het fonds op heden gesticht wordt met een ---------

kapitaal groot twee duizend zeven honderd acht f 2708.81

Gulden, een en tachtig cent.

Het Comité,
H. Remmelts.
H. M. Kroon.
H. A. Vermeulen.

Namens de Maatschappij ter be-
vordering der Veeartsenijkunde
in Nederland, het Hoofdbestuur:

Dirk L. B\\kker,

l. c. Voorzitter.
H. J. C. van Lent,

is te Secretaris.

Utrecht 29 November 1913.

Berichten.

Bestrijding der Klein\'sche kippenziekte. Bovengenoemde ziekte komt in de laatste
jaren veel voor in ons land. Op verschillende plaatsen is er tegen geënt met ensttof
van de seruminrichting. Besmette koppels worden eerst een of meermalen geënt
met immun-serum, daarna met bacillen-cultuur. Gezonde toornen worden alleen
met bacillen-cultuur (die vooraf op 70—80° C. verhit is) geënt. In de omstreken van
Amersfoort is op uitgebreide schaal geënt, onder leiding van Dr.
te Hennepe.
Ook te Gemonde (N. Brabant), te Windesheim en onlangs in de omstreken van
Apeldoorn, hadden uitgebreide entingen plaats. Het resultaat was over \'t algemeen
zeer goed. Verschillende veeartsen hebben zich bereid verklaard om tegen een laag,
vast tarief de entingen te verrichten. Den betrokken eigenaar werd den vorigen
dag aangezegd, de kippen vast te houden, zoo konden te Apeldoorn in één streek
gemakkelijk 1000 hoenders per dag behandeld worden.

Uit de I\'. P. N. n°. 213. Dec. 1913.

Nu de nut-hoenderfokkerij in Nederland zoo vooruitgaat en geldelijk voordeel
afwerpt, houdt de kip op voor den veearts een quantité négligeable te zijn, en

-ocr page 43-

is het zaak dat ze zich meer op dien tak van dienst toeleggen dan tot nu toe meestal
het geval was en zulks niet aan belangstellende leeken overlaten.

Ook met het oog op de voqeltuberculose, die veel in ons land voorkomt, (volgens
Dr.
te Hennepe lijden in de omstreken van Amersfoort, waar hij in de gelegenheid
was, onderzoekingen te doen, meer dan
25% der kippen aan die ziekte) en nietalleen
voor gevogelte, maar ook zeer zeker voor andere diersoorten, vooral varken en
voor den mens, besmettingsgevaar oplevert, is het dringend noodig, aan de kippen-
ziekten meer aandacht te schenken.
 Vr.

Nederlandsch Rundvee-stamboek. Onder voorzitterschap van den heer W. J. baron
Van Dedem te Den Hulst is op 9 December 1913 te Utrecht een algemeene ver-
gadering gehouden van de vereeniging Het Nederlandsche Rundvee-Stamboek.

In zijn openingswoord verwelkomde de voorzitter de talrijke aanwezigen, in
het bizonder den heer
Löhnis, inspecteur aan den Landbouw, en wijdde voorts
eenige woorden van waardeering aan de nagedachtenis van de heeren
Breebaart
en Groneman, die aan de vereeniging door den dood zijn ontvallen.

Uit het door den administrateur, den heer H. Schuurman, uitgebracht jaar-
verslag bleek de toenemende bloei der vereeniging. Het ledental bedroeg op 1
December van dit jaar
3803. In Januari 1913 werd een begin gemaakt met de
uitgifte van het vereenigingsorgaan De Stamboeken Voor inschrijving in het stam-
boek werden
5697 runderen opgegeven, waarvan er 3014 werden opgenomen. Het
jaarverslag werd goedgekeurd.

Blijkens de rekening en verantwoording der geldmiddelen is er een nadeelig
saldo van /
210, waarmede het kapitaal der vereeniging moet worden verminderd,
zoodat dit thans /
7047 bedraagt.

De begrooting voor 1914, in ontvangsten en uitgaven sluitende op / 31,335,
werd ongewijzigd vastgesteld.

De aftredende voorzitter werd met algemeene stemmen herkozen.

Aangenomen werd een voorstel van het bestuur om over 191 | den leden, tevens
lid eener erkende fokvereeniging,
50 pC,t. korting te verleenen op de contributie,
doch niet meer op dc inschrijvingskosten van runderen.

De contributie werd voor 1914 weder op / 2.50 vastgesteld.

Medegedeeld werd verder, dat het bestuur een drietal belangrijke besluiten heeft
genomen in verband met het bewaren der bloedlijnen, het keuren van jonge 70I-
bloerlstieren en het publiceeren van productiecijfers van in het N. R. S. ingeschreven
runderen. Volgens de toelichting ter vergadering bleek, dat besloten is, met ingang
van
1914 eenige maatregelen als proef vast te stellen, waarvan de voornaamste
zijn: 1°. Indien een in het register voor jong vee ingeschreven vrouwelijk dier
sterft, buiten de schuld van den eigenaar, voordat het in het stamboek kon worden
opgenomen, terwijl het reeds een kalf heeft voortgebracht, dan zal dit kalf toch tot
definitief volbloed verklaard worden en ingeschreven worden in het register voor
jong vee, terwijl de moeder zal worden vermeld onder het nummer, waaronder deze
in het register voor jong vee werd geregistreerd, mits voldaan wordt aan eenige
in De Stamboeker opgenomen voorwaarden.
20. Elk vrouwelijk rund, geboren
uit ouders waarvan twee volledige geslachten officieel bekend zijn, dat bij de in-
spectie tot inschrijving in het stamboek niet aan de eischen, wat exterieur betreft.

-ocr page 44-

voldoet, /al krachtens geboorterecht in het stamboek Morden opgenomen, inet
behoud van zijn nummer, waaronder het is ingeschreven in het register voor jong
vee. Deze maatregel heeft uitsluitend betrekking op vrouwelijk vee. Wat betreft
het keuren van jonge volbloedstieren (April-inspectie) zullen als proef, met in-
gang van 1914, een tweetal maatregelen worden ingevoerd ter regeling van de
voorloopige keuring van jonge stieren. Het derde besluit beoogt het publiceeren
van alle productiecijfers, waarvan de betrouwbaarheid aan het N. R. S. is gebleken
en welke verstrekt zijn door erkende fokvereenigingen en mede van die cijfers, welke
zijn gefiatteerd door een zuivelconsulent, een veeteeltconsulent of door\'den
hoofdcontroleur van den Bond van Fokvereenigingen in Noord-Hol land.

Naar aanleiding van deze besluiten ontspon zich een levendige gedachtenwi sse-
ling, waarbij enkele bezwaren uit den weg werden geruimd.

Nieuwe Rolt. Crt.

Veestapel in Argentinie. Aan een brief van de firma Crtstian Ai.tgelt & Co.
te Buenos Ayres ontleenen wij het volgende met betrekking tot den achteruitgang
in den Argentijnschen veestapel. Het verbruik en de uitvoer van rundvee veroor-
zaken een gestadigen achteruitgang in den Argentijnschen veestapel. In 1912
werden er 7.202.000 stuks rundvee geslacht, deels voor de consumptie, deels voor
den uitvoer, terwijl de geheele veestapel ongeveer 29.000.000 stuks omvatte.
Daar er echter slechts ongeveer 20 pet. geslacht mag «orden om het voortbestaan
van den veestapel niet in gevaar te brengen, nadden er slechts 5.800.000 beesten
geslacht mogen worden. Kr werden dus 1.450.000 beesten te veel geslacht. Het
verlies van deze 1,450,000 stuks krijgt intusschen nog grootere beteekenis, wan-
neer men bedenkt, dat een groot aantal dezer beesten koeien waren, waarvan
men dus niets anders dan het vleesch en de huid gekregen heeft (ea dus geen
nageslacht.)

In de Yereenigde Staten van Amerika doet zich trouwens hetzelfde verschijnsel
Voor. Het ministerie van landbouw heeft vastgesteld, dat er in 1907 51,566,000
stuks rundvee in de V. S. aanwezig waren ; begin 1913 was het aantal niet grooter
dan 36,030,000 stuks, een vermindering dus van circa 30 pet., terwijl in hetzelf-
de tijdsverloop de bevolking en de vraag naar vleesch reusachtig zijn toegenomen.

hl overeenstemming met den achteruitgang hebben de La Plata Saladero slach-
terijen in het seizoen 1913 500,000 stuks minder geslacht dan in 1912, terwijl ook
voor 1914 over het algemeen in La Plata weinig geslacht zal worden. De ver-
mindering van den veestapel in de V. S. is overigens de beste verklaring voor het
toenemen van den Amerikaanschen invloed 111 de La Plata vleeschindustrie en
voor het voortdurende aankoopen van huiden door de Noord-Amerikaansche
ledernijverheid.
 N. Rott. Crt. van 11 Dcc. 1913.

Friesche Maatschappij van Landbouw. (Vergadering van 26 November 1913a)

Als laatste punt van de agenda wordt de vee-arbitrage behandeld. De voorzitter
heet de deputatie van den Bond van veehandelaren in Friesland welkom.

Een schrijven van de afdeeling Friesland der Maatschappij tot bevordering
van de Yeeartsenijkunde in Nederland, wordt voorgelezen, dat inhoudt een verzoek
om de arbitrage-voorschriften in dien zin te wijzigen, dat liet aantal leden der

-ocr page 45-

commissie voor arbitrage wordt uitgebreid tot vijf, waarvaiv drie leden veearts-
zijn en voor het geval men zich niet met deze wijziging kan vereenigen definitief
vast te" stellen, dat in elke commissie een veehouder, een jurist en een veearts
zitting hebben.

De voorzitter merkt op, dat de arbitragevoorschriften zijn vastgesteld door
liet Nederl. Landbouwcomité. Met wat de veeartsen vragen, kan het Nederl.
Landbouwcomité rekening houden.

Na eenige discussie wordt besloten, de arbitragevoorschriften met j Januari
.1914 in werking te stellen.
 (Nieuwe liott. Crt.)

Registratie van maatregelen in het belang van den gezondheidstoestand van het
vee. Het Bestuur van het Friesch Rundvee-Stamboek stelt de gelegenheid open
voor de leden om in het Stamboek te doen aanteekenen: de maatregelen in een
stam hoekbeslag genomen ter bevordering van den gezondheidstoestand van
het vee.

Zooals thans reeds bij den naam van een fokker wordt aangeteekend wanneer
het beslag bestaat uit vee van één haarkleur, of wanneer de melk op hoeveelheid
en gehalte wordt onderzocht, zoo zal in het vervolg daarnaast gelegenheid worden
gegeven om aan te teekenen wat in een bepaald beslag wordt gedaan ter bevorde-
ring van het doel hierboven aangegeven.

Vermeld zal kunnen worden:

«. dat het beslag minstens eenmaal \'s jaars met behulp van tuberculinatie
op tuberculose wordt onderzocht en dat geen clinisch zieke dieren worden aan-
gehouden;

wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan kan buitendien nog worden aange-
teekend:

b. dat de kalveren uitsluitend volle melk ontvangen van dieren, die op tuber-
culinatie niet hebben gereageerd, en

c. dat de afval van zuivelfabrieken alleen in gepasteuriseerden toestand aan
de dieren wordt gevoerd.

Door een teeken zal dus worden aangeduid of in een bedrijf een of meer van
deze voorwaarden worden nagekomen, maar om een der aanteekeningen te ver-
krijgen moet in ieder geval aan de voorwaarde onder sub
a gesteld, worden vol-
daan. Over punt c. bijv. loopen de meeningen nog zoozeer uiteen, dat invoering
van dezen maatregel aan de fokkers zelf wordt overgelaten.

Het Bestuur van het Stamboek hoopt, door deze gelegenheid te scheppen, de
fokkers er toe le br/ngen, meer dan tot nu toe, acht te geven op de voorkoming
en bestrijding vau ziekten en wel speciaal van de tuberculose, die in een veeuit
voerende provincie als Friesland van zoo overwegenden invloed is op de waarde-
bepaling van fokvee (
Friesch Wttkhlad 8 Nov. 1913, No. 723.)

Rijkscursussen ter opleiding van hulpkeurmeesters van vee en vleesch. De directeur
generaal van den Landboi.w brengt ter algemeene kennis, dat de op
6 Januari 1914
te openen Rijkscursussen in vee- en vleeschkeuring gehouden zullen worden tc
Rotterdam, \'s-Gravenhage, Utrecht, Groningen en Roermond.
(Staatscourant).

-ocr page 46-

Slaat van de gedurende de maand October 1913 in de Rijkskeuringsdiensten van
voor uitvoer bestemd vleesch verrichte keuringen.

A
14
x

w
>

*

a
t-
H

w
>

z
w

K

ö
>

<
«

tn
<

K

c

7.

U
«

W
O

z

o
«

K
ld
H
K

O

D

Z

z
w

o.
<

s

O

c/)

Ter keuring aangeboden ............825 1695

Voor uitvoer goedgekeurd .... 820 1654

Voor uitvoer ongeschikt bevonden 5 41
Na voortgezette keuring voor con

sumptie goedgekeurd ............3 33

Na voortgezette keuring voor- 1

waardelijk goedgekeurd .... —
Na voortgezette keuring afge-
keurd ....................................i 8

18

40507

80696

3064

15

40469

79022

3°SI

3

38

1674

13

i

29

1489

8

115

3

2

9

70

2

Voor consumptie afgekeut de
organen en deelen.

Baarmoeders ..............

Beenderen (in K.G.) ........

Borstorganen (alle).........

Borstvliezen ..............

Buikorganen (alle) ..........

Buikvliezen ................

Darmen (partijen) ..........

Darmscheilen ..............

Gewrichten ................

Harten ....................

Huid (in K.G.) ............

Koppen ..................

Levers ....................

Longen...................... 550

Lympliklieren..............

Magen ....................

Maag en darmen............

Milten ....................

Nieren ....................

Ondervoeten ..............

Ooren ....................

Tongen ....................

Uiers ....................

Vet (in K.G.) ..............

Vleesch (in K.G.) ..........

Vruchten..................

Zwezeriken ................

_

_

I

1

1

146

2

81

i

1

i

140

2

i

2

24

i r

5

2

382

7

5

2

20

7

864

4

— ;

I20£

4

i

77 è

64

2

7500

2298

22

55"

2

6

S6S8

3466

75

-

850

I

-

5

2

431

i

-

i

52

i

18

! —

31

4:18

25

2

12

4 —
3 —

73 21

56
628

* Hiervan werden voor , bacon\' bereid 16687 varkens.
Voorts werden 22642I K.G. afzonderlijke organen en deelen ter keuring
aangeboden, waarvan 183 stuk voor consumptie werden afgekeurd.

-ocr page 47-

Personalia. Bij Koninklijk besluit van 4 December 1913 n°. 33 zijn benoemd
in de commissie, die belast zal zijn met het in de maand Maart 1914 af te nemen
examen ter verkrijging van het diploma van hulpkeureester van vee en vleesch:

1°. tot lid en voorzitter, dr. H. Remmelts, inspecteur van den veeartsenijkun-
digèn dienst te \'s-Gravenhage.

2°. tot lid en secretaris, J. J. F. Dhont, directeur van het openbaar slachthuis
te Rotterdam;

30. tot leden:

P. D. Beunders, directeur van het openbaar slachthuis te Groningen;

D. Hubertus, Rijkskeurmeester te Oss;

J. A. Klauwers, districts-veearts te Amsterdam;

dr. IJ. van der Sluis, directeur van het openbaar slachthuis te Amsterdam;

C. Tenhaeff, Rijkskeurmeester te Leeuwarden;

4°. tot plaatsvervangende leden:

N. H. M. van Altena, Rijkskeurmeester te Hoek van Holland;

J. G. A. Reeser, plaatsvervangend-directeur van het openbaar slachthuis te
Amsterdam.

Eervol ontheven van de tijdelijke waarneming van den burgerlijken veeartsenij.
kundigen dienst in de residentie Soerakarta, de gouvernementsveeartste Salatiga,
dr.
B. Vrijburg.

Belast met den burgelijken veeartsenijkundigen dienst in de residentie Soerakarta.
met standplaats Soerakarta, de herbenoemde gouvernementsveearts
P. Teljer.

Verleend, wegens langdurigen dienst, negen maanden verlof naar Europa aan den
gouvernementsveearts
D. Hübenet.

Schornagel.

-ocr page 48-

STAAT van de gevallen van besmettelijke veeziekten, in Nederland geconstateerd gedurende
de maand November
1913.

Opgemaakt door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.
(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal eigenaren aan onder wier vee de ziekte werd
geconstateerd).

Provincie.

Veepest.

Longziekte.

Mond- en klauwzeer.

Kwade droes
en huidworm.

Schurft bij
paard en schaap.

e

i u

X O,

2 3
O
h <u

tn th

ctf

Vlekziekte.

Trichinenziekte.

Miltvuur

Honds»
dolheid.

nj
■O

0

C/)

«

13 .

::=> e

23 "

Bij alle
vee.

Friesland ....

29(6)

4(3)

1(1)

Groningen ....

1(1)

Drenthe......

111(14)

7(5)

3(3)

2(2)

Overijssel ....

6(3)

3(3)

Gelderland ....

io(7)

4(3)

--

Utrecht ......

-

Noord Holland

115(19)

2(2)

-

Zuid Holland

— —

2(2)

21(4)\')

8(1)

21(8)

1(1)

Zeeland ......

Noord-Brabant

(O2)

2(1)

9(9)

Limburg......

W)

-

2 2)

16(15)

Het Rijk ____

(2)

2(2)

132(18) —

196(33)

46(25)

39(37)

\') Dermatocoptes schurft bij paarden.
Het zieke en verdachte vee is geslacht.

Vroeger geconstateerde ziektegevallen, welke begin November 19x3 nog niet geëindigd waren.

Gelderland . .
Noordholland
Utrecht .. .
Friesland .
Overijssel .
Groningen .
Drenthe . . .

9(1) I —
12 (2) 1

10 (2) —
31 (3) —
4° (3) —

67(13) i —

32 (2)
816(65)
17 (1)
79 (7)

31 (3)
16 (14)

I

169 (24): — 991 (92)

HET RIJK

Schornagel.

-ocr page 49-

Referaten.

Vischworstcn.

In „Zeitschrift für Medizinalbeamte" van 20 Aug. 1.1. geeft Dr. Pusch, Kreisarzt
und Vorsteher des Königlichen Medizinal Untersuchungsamtes in Danzig, eene ver-
handeling over vischworst. Het artikel komt mij belangrijk genoeg voor, om in ons
tijdschrift eenigszins uitvoerig gerefereerd te worden.

Door de firma K. Schönau in A ltona wordt van het vleesch van enkele zeevisschen
in \'t bijzonder van kabeljauw en zalm, worst gemaakt. Nadat de graten er zorg-
vuldig uit zijn verwijderd, wordt het vleesch fijngehakt, met fijn verdeeld spek ver-
mengd, vervclgens in de gebruikelijke darmen „gestopt" om daarna gedurende
eenige uren te worden gerookt, op de wijze van bokking-rooken. Alvoren de aldus
bereide worstjes geconsumeerd worden, behooren zij gedurende ongeveer 10 minuten
in bereids kokend water te worden opgekookt — dus op de manier van de bekende
knakworstjes, zij hebben ook denzelfden aangenamen smaak van deze. De bouillon,
die bij het koken verkregen wordt, moet eveneens lekker smaken en met denoodige
toevoegsels zich tot een voortreffelijke soep laten bereiden.

Dit nieuwe consumptieartikel is goedkooper dan vleescliworst van gelijke voe-
dingswaarde; het eiwit en vetgehalte komt overeen met dat van de zeeviscli,
maar door hun bijzonder aangenamen smaak, door de eenvoudigheid van toebe-
reiding verdienen de worsten boven deze de voorkeur, terwijl zij juist door het ont-
breken van graten zich bijzonder gemakkelijk laten genieten.

Bitter deelde onlangs in de Hyg. Rundschau mede, dat de administratie van het
Pruis, ministerie van oorlog het verbruik van vischworsten in de kazernekeuken
verboden heeft, op grond van de naar men meende opgedane ervaring dat vleesch
van visschen spoedig in ontbinding zoude overgaan, terwijl zulks aan de worst niet
valt waar te nemen.

Pusch heeft de mogelijkheid van het infectie- of vergiftigingsgevaar door visch-
worsten, nader bestudeerd. Hij onderscheidt 4, scherp van elkander gescheiden
groepen van vischworstvergiftigingen.

1. Ziekten ontstaan door vischvergiften in engeren zin (aal- barbeel- negenoog-
pietermanvergift, bovendien dat van sommige vischsoorten voorkomende in
tropische wateren).

Geen dezer vischsoorten komen in aanmerking voor de bereiding van worst.

2. Ziekten veroorzaakt door het eten van visschen, welke besmet zijn met kiemen
uit de paratyphus-enteritidisgroep.

Hierbij zij opgemerkt, dat alleen dan ernstig met deze mogelijkheid van infectie
is rekening te houden, bijaldien de visschen zich bevinden in verontreinigde haven-
bassins. Daar echter slechts visschen verwerkt worden welke in hoogt- zee leven, is
besmetting door bacteriën van deze groep, langs dezen weg hoogst onwaarschijnlijk.
Tot op heden nog niet geconstateerd.

3. Bij de vervaardiging der worsten kunnen door handen van het personeel, door
werktuigen enz. pathogene microorganismen of rottingsbacteriën de vischworst-
deeg verontreinigen. (Hetzelfde geldt voor de gewone soorten, de vleeschworsten;
hierop wees ik reeds in 1908 in dit tijdschrift — Controle en Hygiëne in worst en
vieeschconserven-fabrieken. Ref.)

-ocr page 50-

4. Onberispelijk vervaardigde worsten kunnen achteraf, in de huishouding der
comsumcnten bederven en gezondheidschadelijke eigenschappen verkrijgen.

Hier geldt voor visch worst weer hetzelfde als voor vleesch worsten, beide soorten
kunnen door onzindelijke en ondoelmatige bewaring in de huishouding ondeugde-
lijk worden.

5. De mogelijkheid bestaat, dat het botulisme-toxin in de vischworst aanwezig
is. Van hetgeen in deze vo^r de vleeschworsten geldt, is in gelijke mate op de visch-
worsten van toepassing.

De vraag of het nieuwe consumptieartikel werkelijk, en zoo ja in hoeverre, spoedig
onder invloed van rottingsbacteriën bederft, vooropgesteld dat de bereiding zoo
hygiënisch mogelijk is geschied, gaf aanleiding tot de volgende proefnemingen,
waarbij rekening werd gehouden met de wijze van bewaren zooals deze plaats heeft
in een huishouding, welke zich niet kan verheugen in het bezit van een ijskast.

Pusch onderzocht bacteriologisch 4 seriën van worsten; het entmateriaal werd
genomen uit het midden en uit de peripherie. Gelatine-kulturen en Drigalski-
platen werden aangelegd.

a. onmiddellijk na door de firma te zijn afgeleverd; na 2 en 5 dagen na bewaring
bij koele kamertemperatuur. Uitkomsten: gering kieingehalte; Drigalskiplaten
steriel, na 5 dagen enkele schimmelkolonien.

b. Terstond na ontvangst met keukenzout bestrooid en daarna gewikkeld in
linnen lapjes (methode van conserveering in vele streken gebruikelijk). Na 2 en

5 dagen geënt.

Uitkomst: aanzien der worsten friscli, aroma onveranderd; bacteriologische be-
vinding als voorgaand — geen schimmels.

c. worsten 10 minuten gekookt, na afkoeling onderzocht en 2 en 5 dagen daarna.

Resultaat: lagere organ. door 10 min. koken niet gedood, na 5 dagen bacteriolo-
gische bevinding niet. veranderd, evenmin het uiterlijk voorkomen der worsten.
Geen schimmelvorming.

d. als sub. c. thans evenwel kooktijd 25 minuten.

Resultaat als voorgaand — dus de aanwezige kiemen niet gedood. Uit het bijge-
voegde schematisch overzicht blijkt dat het aantal koloniën per kubiek c.M. zeer ge-
ring is; op de Drigalskiplaten ontwikkelen zich slechts enkele malen eenige koloniën
van rottingsbacteriën.

Op grond van de resultaten van het onderzoek meent Pusch dat er geen reden
is om ten opzichte van de vischworsten scherpere voorzorgsmaatregelen te nemen
dan voor vleeschworsten, behoorende tot dezelfde categorie (n.1. rook-broeiworsten);
te meer daar het grootbedrijf, dat deze vischworsten fabriceert, groote waarborgen
voor hygienische bereiding biedt.

Dr. E. Berger.

Salvarsan en Neo-Salvarsan.

Het bekende Ehrlich\'se syphilis-middel, Salvarsan is door zijn groot arsenicum-
gehalte
niet altijd onschadelijk en dient met de noodige voorzichtigheid gebruikt te
worden.
Iwaschenzon (Münch. med. Woch. 1912 No. 15) nam bij herhaalde in-
traveneuze toediening soms een reactie waar gelijkende op anaphylaxie. Behalve
tegen sypliilis werd bij den mens het middel soms met goed gevolg aangewend bij

-ocr page 51-

jramboesia en bij malaria. Zware gevallen van miltvuur met bacillen in het bloed,
kon
Beeken met Salversan niet genezen. In plaats van Salvarsan heeft Ehrlich
in den laatsten tijd (Münch. med. Woch. 1912 59. N°. 17) neo-Salvarsan aanbevolen,
een verbinding van formaldehyd-sulfoxylzure natron met Salvarsan, dat het voor-
deel heeft gemakkelijk
in water oplosbaar te zijn, neutraal reageert, beter ver-
dragen wordt, bij intramusculaire toediening minder pijnlijk is en sneller geresorbeerd
wordt. Als aanvangsdosis (mens) wordt aangegeven 0.75—0.90 gram opgelost in
100—200 c c. aqua destillata (op kamertemp.) de oplossing kort voor het gebruik
gereed maken en niet erg schudden (om auto-oxydatie te voorkomen). Bij voorkeur
intraveneus. Men raadt aan de instrumenten (spuit) voor het gebruik even uit te
koken in aq. dest. om een vorming en neerslag van kalkzouten te voorkomen, die een
omzetting van het middel zouden kunnen veroorzaken. Het verwarmen van de op-
lossing is verboden (evenals bij het oude salvarsan) daar dan schadelijke oxydatie-
produkten ontstaan.

In plaats van aq. dest. wordt ook 0.3 %Na Cl. oplossing aangeraden om neo-
salvarsan in op te lossen. Men spuit in de jugularis — op de aderlaatnaakl schuift
men de buis van de irrigator, die zoo hoog moet gehouden worden, dat geen bloed
uit de aderen in de buis terug kan vloeien. Na de inspuiting verwijdert men de
irrigator en laat nog een weinig bloed door de naald naar buiten loopen, om het
zich daar nog in bevindende salvarsan weg te spoelen.

Dosis Salvarsan volgens Ehrlich o.oi per kilo gewicht
,, neo-Salvarsan 0,015 Per kilo gewicht.

Na 24 uren bij aanhoudende koorts, kan zonder nadeel bij paarden nog 1 gram
salvarsan of 1.5 gram neo-salvarsan gegeven worden.

Busse en Mekian vermelden (Münch. med. Woch 1912 N°. 43) een sterfgeval
11a 2 intraveneuze doses (met 8 dagen tussenpoos) van 0.6 gram neo-salvarsan. Zij
schrijven den dood aan arsenicum-werking toe.

In de veeartsenijkunde is salvarsan in den laatsten tijd ook herhaaldelijk gebruikt.

Vooral werd het middel bij influenza en borstziekte van het paard toegediend:

Jacou behandelde 12 aan influenza lijdende paarden intraveneus met salvarsan.
Bij alle dieren werd binnen 15 a 20 uren de temp. normaal en bleef zoo en de ziekte-
verschijnselen verdwenen. Volgens hem is het van groot belang het middel zoo spoedig
mogelijk te gebruiken, liefst de ieof 2e ziektedag. (Zeitschrift f. Veterinarkunde 23
Heft
®/9). Rips kon ook influenza bij paarden in het beginstadium genezen door een.
enkele intraveneuze inspuiting. Ook in een later stadium hadden de injecties een
nuttig effect. Hij recommandeert vooral het neo-salvarsan (Deut. tier. Woch. N°.33
1912. Berl. tier. Woch. 1913, XXIX, 35.)

Bemelmans (dit tijdschrift 39, 16 bl. 629) zag in het beginstadium van borst-
ziekte goede resultaten van salvarsan.

Kettner (Berl. tier. Woch. 1913 XXIX 22) had ook succes bij borstziekte van
paarden. Na de toediening zag hij dikwijls onrust en lichte koliekverschijnselen op-
treden, die echter voorbijgaande en van ondergeschikt belang waren.

Peri. is vol lof over de curatieve werking van salvarsan bij brustseuche (Berl. Tier.
Woch. 1913 XXIX No. 31).

In het duitse leger werden volgens mededeeling van Tetsc.h (Zeitschriftf. Veteri-
narkunde 1913 25-10) in het ie kwartaal 1913, 357 aan borstziekte lijdende paarden

-ocr page 52-

met salvarsan of neo-salvarsan behandeld. Gewoonlijk werd het middel den 2en of
3en dag toegediend. Slechts een der behandelde dieren stierf (dit had behalve borst-
ziekte ook hamoglobinamie) de andere genazen alle. De temp. werd binnen 2 a 3
dagen normaal, de longontstekingen bleven echter nog eenige dagen op dezelfde
hoogte of breidden zich zelfs uit, en waren pas na 8 dagen niet meer clinies waar-
neembaar. Voordeden van de behandeling (bij vroegere behandelingswijzen verge-
leken) waren verder, bijna geen vermindering der voedingstoestand en veel korter
reconvalescentie-stadium. Naziekten traden ook in mindere mate op, werden echter
niet voorkomen door het middel. Gevaarlijke bijwerkingen werden niet waarge
nomen. Tengevolge van de inspuiting trad maar eenmaal een ernstige complicatie
op, abces en tlirombose van de jugularis, het betreffende paard was lastig en bij de
injectie was daardoor salvarsan in het omliggende weefsel gemorst.

Könic en Schnürer bevelen het middel ook aan bij brustseuche (Osterreich.
Wochenschr. f. Tierheilkunde 1913 38 No. 26 en 30).
Könic, zegt dat de dieren
gewoonlijk in 3 a 4 dagen genezen als men het middel den 2en of 3en dag toedient.
Ook in later stadium wordt de ziekte gunstig beïnvloed.
— Schnürer vindt 3 gram
salvarsan of 4.5 gram neo-salvarsan een specificum tegen brustseuche. Hij kon
echter bij 22 paarden die aan besmetting hadden blootgestaan, door prophylactiese
enting met 1.5 è. 2.25 gram neo-salversan niet verhinderen, dat de ziekte uitbrak,
5 dagen 11a de enting werd reeds een der dieren ziek (incubatietijd van brustseuche
is langer).

Door systematiese behandeling van het eerste en van ieder volgend geval met
4.5 gram neo-salvarsan gelukt het ook niet verdere uitbreiding in een stal te ver-
hinderen.

Van 252 remontepaarden leden 71 aan zware influenza met complicatie (pneu-
monie en pleuritis).
Jac.er gaf ze één dosis van 3 gram salvarsan en vond dat het
middel de koorts w-el deed afnemen cn goeden invloed op eetlust en voedmgstoe-
stand had, ook gunstig op de pneumonie werkte cn de convalescentietijd verkortte)
echter
geen invloed op de naziekten had. (Zeitschr. f. Veterinarkunde 19x3, 25).

Bij andere dierziekten was het succes van het nieuwe middel over \'t geheel niet
zoo groot:
Dschunkowskv en Lühs probeerden liet tegen runierpiroplasmose, de
parasieten verdwenen uit het bloed, de betreffende dieren stierven echter.

Tegen Surra had Zijp op Java met salvarsan geen succes. Aan Kiqwer gelukte
liet, bij met
dourine en naga na besmette proefdieren, door salvarsan de parasieten
uit het bloed te doen verdwijnen — recidive kon echter niet verhinderd worden.
(Zeitschr. f. Immunitatsforschung Teil 1. 16. 1.)

Matthier (Zeitschr. f. Veterinarkunde 1912 7.) behandelde een paard dat aan
een hardnekkig
papuleus-vesiculair eczeem leed cn zonder resultaat met verschillende
middelen was behandeld, met salvarsan. Na een inspuiting van 2 gram (in 20 c.c.
physiolog. Na.Cl. kopl. en 3.8 c.c. normaal natronloog) trad binnen 14 dagen genezing
op.
Marras had bij (experimenteele) hondsdolheid bij caviae geen succes met sal-
varsan al werd dit terstond na de infectie intraveneus toegediend. Ook dolle honden
en konijnen met beginnende verlammingsverschijnselen konden niet met het middel
gered worden. (Centralblatt f. Bakt. Orig. 1913. 70, 3/4).

Stei.mhausen diende het middel toe bij septiese kalverpneumonie in 15 gevallen_

-ocr page 53-

De jonge kalveren kregen intraveneus 0.5 gram — telkens was de beterschap op-
vallend en spoedig optredend. (Osterreich. Woch. f. Tierheilkunde 1913. 38).

Abendroth vermeldt (Zeitschrift f. Veterinarkunde 1913. 25. 5) de genezing door
salvarsan van paarden met chroniese verschijnselen van slechte voedings-toe-
stand, zwakte en anaemie. Op grond van miscroscopiese bloedonderzoeking werd
bij een der dieren
lymphatiese en bij het andere myelogene leuhaemie gediagnosti-
seerd. Het eerste was zonder resultaat met arsenicum behandeld.

Een paard met farcinosis saccharomycotica op Java werd met salvarsan behandeld.
Het i 200 K.G. zware dier kreeg binnen 3 weken tijds drie intraveneuse injecties
van 1.5, 1.8 en 2.4 gram — die op het ziekteverloop geen invloed hadden. Het dier
werd afgemaakt. (Stat. overzicht, der geneesk. behand. paarden, v. h. Ned. Ind.
leger. 1912).

De veearts Jackschath bericht (Berl. Tier. Woch. 1913. XXIX No. 41) over een
door hem bereid organies arsenicum-preparaat dat hij
tnetarsan noemt en dat volgens
hem bij borstziekte van het paard dezelfde genezende kracht heeft als salvarsan
en neo-salvarsan en de voordeelen heeft dat het ook subcutaan gebruikt kan worden
en goedkooper is..

Het vereenigt de werking van atoxyl en salvarsan in zich. J. gebruikte het ook
met goeden uitslag bij droes-angina, hondenziekte-pneumonie, borstziekte der
varkens (schweineseuche) in \'t algemeen bij infectieuse processen der luchtwegen.

Tegen varkenspest schijnt het volgens J. een specificum te zijn. Ook zou het
geen toxiese bijwerkingen hebben.

(Het is te hopen, dat controle proeven de voorloopige mededeeling van J. beves-
tigen. Het hoofdvoordeel is dan wel de
goedkoopte. Met het niet-toxies zijn zal het
wel hetzelfde zijn als met alle As. preparaten, dat hangt veel van het individu af.
Het gaat goed tot men met een voor As. overgevoelig organisme te doen krijgt en
dan heeft men ineens een complicatie of een sterfgeval. Dat behoeft echter, vooral
in de veeartsenijkunde, nog geen reden te zijn om het middel niet te gebruiken als
het overigens aan de verwachtingen beantwoordt).
 Vrijburg.

Immunisation against hacmorrhagic Septicaemia.

Onder de buffels in het Yellowstone National Park heerste een besmettelijke
ziekte.
Mohler en Eichhorn isoleerden uit de zieke organen, de ovoide bacil.

Volgens de I.ignière\'se methode werd nu van culturen van deze bacillus bipolaris
bubaliscpticiis
een entstof bereid. Van agarculturen werden Erlemeijer\'se kolfjes
pepton-bouillon geënt. Deze bouillonculturen werden op 42.5° C. bewaard gedurende
2 en 5 dagen — die van 5 dagen vormden het ie, die van 2 dagen het 2e vaccin,
dat tien dagen na het eerste, subcutaan werd ingespoten, beide in dosis van 1 c.c.
voor een buffel. Geen schadelijke gevolgen door — en geen verdere ziektegevallen
11a de enting werden waargenomen.

Schapen en konijnen werden geënt met de onverzwakt-virulente en met de
(door bewaren bij 42°5) verzwakte bacil. In beide gevallen had later het serum
der geënte dieren komplementbindende eigenschappen, het sterkst dat, van de
dieren, die met de onverzwakte bacil geënt waren. In het serum der met de ver-
zwakte bacil geënte dieren waren echter 3 maanden na de enting ook nog anti-
lichamen door de komplmentbindingsmethoden aantoonbaar.

-ocr page 54-

Ook werden schapen en konijnen geïmmuniseerd met de op 42 °5 C. verhitte
cultuur,
waarbij }ii% carbolzuur was toegevoegd. Deze dierei toonden zich, toen
hun 6 dagen na de toediening van het 2e. vaccin, subcutaan ;en virulente cultuur
werd gegeven, volkomen immun, evenals de dieren die me: verzwakte cultuur
zonder carbolzuur waren voorbehandeld. Het serum van deze liatste dieren behield
echter zijn komplementbindende kracht veel langer, dan het strum der met carbol-
bacillen-cultuur behandelde dieren.

Ward zag ook gevallen van haemorrhagiese Septicaemie onler runderen en scha-
pen. Hij maakt opmerkzaam op de groote gelijkenis van de acute vorm met milt-
vuur, wat betreft de kliniese verschijnselen. Eigenaardig is iet soms plotselinge
optreden in een kudde, met veel sterfgevallen in zeer korten tijd, en het dan
spoedige uitblijven van verdere ziektegevallen, ofschoon de overblijvende dieren
onder dezelfde omstandigheden blijven. (Ref. zag zulks oik herhaaldelijk bij
karbouwen, waardoor desaprophiete bacil soms ineens virulent vordt, is niet bekend}.

Amer. vet. Review. 1913. XLII. 4. p. 409 a. 439. Vrijburg.

Neue Forlschritte in der Kultivierung der Gewebe ausserhdb des Organismus.

Het is mogelijk, buiten het organisme rijpe en foetale weefsels en ook tumoren,
niet alleen tijdelijk in het leven te houden, maar ook, in geschikte, vloeibare voe-
dingsbodem te cultiveeren.
Carrell trachtte hiervoor een betere methode te vinden
en de weefsels langer in leven te houden dan tot nu toe mogelijk was. Het gelukte
hem, bindweefsel van kippenfoetus, 2 maanden in leven te hcuden en
groei ervan
onder de mikroskoop waar te nemen. De snelheid der groei vas na 60 dagen nog
even groot als in het begin, en de dood was steeds het gevolg vin bakterieninfektie.

C. gelooft dat bij verbeterde techniek het misschien mogelijk zal zijn, de weefsels
buiten het organisme in leven te houden.

Verder vond C. dat bij inwerking van een antigeen op het invitro levende weefsel,
dit laatste daarop reageerde door het produceeren van anti lichamen.

Berlin. Klin. XVochenschr. 1912. 12. S. 533.

Kuochen- und Gelenktransplantationen.

Berger vermeldt merkwaardige been- en gewrichtstransplantaties in de mense-
lijke chirurgie. Zoo transplanteerde
Lexer bij anchylose van het kniegewricht,
met goed gevolg een paar maal een vers geamputeerd kniegewricht met de vol-
ledige gewrichtsv lakten en van elke epiphyse 15 vingerbreed been. Het werd met
een draadnaad bevestigd en vergroeide goed. Een geringe bewegelijkheid was na
genezing voorhanden.

Küttner transplanteerde driemaal met bevredigend succes een heupgewricht
met een stuk dijbeen (van verse lijken genomen).

Hamerfahr zette bij een vergroeid gewricht der rechter wijsvinger, een gewricht
der tweede teen van dezelfde patiënt, er voor in de plaats.

Wanneer de bloedverwantschap tussen mens en aap het mogelijk maakt,
weefsel van de een in den ander over te planten, en men dus materiaal van apen
kan nemen, dan opent zich in deze richting een nieuw gebied in de chirurgie.
KütTner verrichtte reeds een gewrichtsoverplaatsing van aap op mens.

Deut. med. IVoch. 1912. 38—43 u. 44. \'

-ocr page 55-

Fig. I. Fig. II.

Dr. J. ROOS. De reactie van Abderhalden, toegepast bij het rund.

Verhouding van placenta foetalis tot placenta materna; gescheiden epitheliumbekleedingen.
Fig. I,
zwakke vergrooting. Fig. II, sterke vergrooting.

-ocr page 56-
-ocr page 57-

Dr. D. P. F. DRÏESSEN. f

Op den 2(len Januari 1914, des avonds te 10.15, overleed te
Nijmegen op 60-jarigen leeftijd, de Oud-Inspecteur van den vee-
artsenijkundigen dienst in Nederlandsch Oost-Indië Dr. D. P. F.
Driessen. Met hem is een man van buitengewone verdienste voor
de veeartsenijkunde, in het bijzonder wat Indië betreft, heengegaan.

Hij werd 4 Augustus 1853 te Horst (Limburg) geboren en begon
in September 1871 zijn studie aan \'s Rijks Veeartsenijschool. Op
17 Juni 1876 tot veearts bevorderd, vestigde hij zich te Dreumel,
waar hij 15 November van dat jaar tot gemeente-veearts was
benoemd. Zijn zucht tot meerdere wetenschappelijke ontwikkeling
deed hem echter reeds het volgend voorjaar besluiten te dingen
naar de pas gecreëerde betrekking van assistent aan \'s Rijks vee-
artsenijschool; bij Koninklijk besluit van 2 April 1877 werd hij voor
den tijd van 3 jaar als zoodanig benoemd, en wel bij de leervakken
van den heer
Wirtz. Hoewel hij met deze functie zeer tevreden
was, streefde zijn rustelooze geest naar een meer zelfstandige
positie, waar hij zijn vleugelen ruimer zou kunnen uitslaan. Toen
in het najaar van 1877 de gelegenheid werd opengesteld om gouver-
nementsveearts in Nederlandsch-Indië te worden, verzocht hij
daarvoor in aanmerking te mogen komen, met het gevolg, dat hij
bij besluit van den Minister van Koloniën dd. 18 December 1877
ter beschikking van den Gouverneur-Generaal werd gesteld, om
tot gouvernementsveearts te worden benoemd. In verband hier-
mede werd hij, op verzoek, bij Koninklijk besluit van 7 Januari
1878, eervol als assistent ontslagen. De heer
Wirtz schonk hem een
bijzondere tevredenheidsbetuiging, gedagteekend 5 Maart 1878.

Bij besluit van 31 Mei 1878, n°. 23, werd Driessen benoemd
tot gouvernementsveearts en te Padang geplaatst. Reeds dadelijk
begon hij zijn krachten te ontwikkelen, ten einde verbetering te
brengen in de heerschende veeziekten en in de bijna alles te wen-

-ocr page 58-

schen overlatende veefokkerij. Met den geest van sleur en berusting,
welke in Indië zooveel afbreuk deed aan de algemeene welvaart,
kon hij zich in geenen deele vereenigen.

Hij bestudeerde in het bijzonder de ziekten, welke den veestapel
decimeerden, en diende voorstellen in, om deze te bestrijden.
Hoewel ze niet dadelijk tot uitvoering kwamen, trok hij toch de
aandacht van de autoriteiten en werd er allengs meer notitie
genomen van zijn aanwijzingen.

Intusschen had hij in 1882 zijn standplaats verwisseld met
Semarang, terwijl hij in 1884 naar Batavia werd verplaatst.

Zijn voortdurende werkzaamheid kwam echter weldra in botsing
met het Indisch klimaat; reeds in 1880 kreeg hij wegens ziekte
een binnenlandsch verlof, hetgeen in 1886 moest worden herhaald,
lin in 1894 liet zijn gezondheidstoestand zooveel te wenschen over,
dat hem eeu verlof van 2 jaar naar Nederland werd toegestaan.
Dit werd later met \\ jaar verlengd.

Driessen zat daarbij niet stil. Toen zijn toestand het eeniger-
mate veroorloofde, vatte hij het plan op om in Giessen te pro-
moveeren tot doctor in de veeartsenijkunde. Op 19 December 1895
werd hij aldaar tot dien graad bevorderd, op een proefschrift,
getiteld: „Ueber die Tierseuchen besonders tiber die Rinderpest
in Niederlandisch-Ostindien." Hij is de eerste Nederlandsche
veearts geweest, die tot doctor medicinae veterinariae benoemd is
geworden.

In den nazomer van 1896 naar Indië teruggekeerd, werd hij
herbenoemd als gouvernementsveearts en opnieuw te Batavia
geplaatst.

Talrijk zijn de opdrachter hem voor en na door de regeering
verstrekt, alle met de bedoeling om heerschende veeziekten te be-
strijden. En dat hij deze naar wensch volbracht, wordt onder ande-
ren bewezen door cle volgende omstandigheden.

In 1878 schonk de gouverneur van Atjeh hem een bijzondere
tevredenheidsbetuiging voor in genoemd gewest verrichte werk-
zaamheden, terwijl hij in 1882 gerechtigd werd tot het dragen van
het eereteeken voor belangrijke krijgsbedrijven met de gesp Atjeh
1873—1880.

-ocr page 59-

Bij besluit van 27 Juni 1890, n°. 13, werd hem toegekend de
personeele titel van adviseur voor den burgelijken veeartsenij-
kundigen dienst in Nederlandsch-Indië.

Bij besluit van 16 October 1891, n°. 18, werd hij krachtens
machtiging van Hare Majesteit de Koningin-Weduwe Regentes,
gerekend van
1 Maart i8qi, vrijgesteld van de examens, bedoeld
in het besluit van 9 Februari 1891, n°. 10 (Staatsblad n°. 39), en
van genoemden datum af in het genot gesteld van de daarbij ver-
melde traktementsverhooging.

Bij gelegenheid van Koningin\'s verjaardag in 1898 werd hij
benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau.

Op 13 Januari iqoo werd hij Inspecteur van den burgerlijken
veeartsenijkundigen dienst in Nederlandsch-Indië, op het daaraan
verbonden maximum-traktement. Deze betrekking, te voren nooit
door een veearts bekleed, werd ten behoeve van
Driessen ingesteld,
als een blijk van waardeering zijner groote verdiensten.

Krachtens machtiging van de Koningin werd hij bij besluit van
23 September 1904,^. 20 (Staatsblad n°. 382), overgeplaatst bij
het Departement van Landbouw te Buitenzorg.

Intusschen liet zijn gezondheidstoestand voortdurend te wen-
schen over. Een verlof van twee maanden naar Soekaboemie
bracht daarin in rgo4 slechts tijdelijk verbetering. Hij meende in
Nederland herstel te kunnen vinden en besloot daarom eervol
ontslag uit den dienst aan te vragen. Dit werd hem bij besluit
van 28 Januari 1906, n°. 23, met ingang van 9 Mei daaraanvolgend,
verleend. Einde Mei van dat jaar vertrok hij uit Indië en vestigde
zich metterwoon te Nijmegen. Zijn uitgebreide bibliotheek werd voor
den prijs van f 5000 gekocht door de Vereeniging tot bevordering
der Veeartsenijkunde in Nederlandsch-Indië, welke ze onder
zekere voorwaarden in bruikleen gaf aan het Departement van
Landbouw.

Den i^den September 1912 werden de groote verdiensten op
veterinair gebied van Dr.
Driessen mede erkend door de Maat-
schappij tot bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland,
door hem bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan dier Maatschappij
tot haar eerelid te benoemen.

-ocr page 60-

Driessen heeft ook veel bijgedragen tot de ontwikkeling der
veterinaire literatuur in Nederlandsch-Indië. Hij richtte mede op
de Veeartsen ij kundige Vereeniging voor Xederlandsch-Indië en
de Veeartsenij kundige Bladen voor dit gewest. In de laatste vindt
men van zijn hand de volgende artikelen.

Deel i (1886): „Over bronnen van inkomsten, ter bestrijding
van noodzakelijke uitgaven, verbonden aan een veeartsenij kun-
dige staatsregeling."

Deel 2 : „Elementaire stellingen uit de voedingsleer."

Deel 3: „Is invoer van steen- of klipzout in Nederlandsch-Indië
noodig voor de voeding van den veestapel?"

„Bijdrage tot de runderpest-geographie."

„Over den duur der zwangerschap bij onze Indische huisdieren
en de voornaamste gedurende dien tijd te volgen voedingsregelen.
(Vervolg van het gelijkluidend tijdschrift-artikel in het Genees-
kundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, deel
25)."

Deel 4: „Over den grondslag eener natuurlijke opvatting van
dierenbescherming.\'\'

Deel 7: „Oorzaken van leggers."

Helaas heeft Driessen na zijn werkzaam leven niet lang van
de zoo verdiende rust mogen genieten. Hij werd naar menschelijke
beschouwing te vroeg ontrukt aan zijn weduwe, kinderen, behuwd-
kinderen en kleinkinderen. Zijn echtgenoote, Mevrouw M. K.
Driessen-van der Ven, schonk hem 5 kinderen, waarvan het
oudste,
J. W. Driessen, gehuwd is met den heer J. W. P. van
der Rest,
Adjunct-Inspecteur bij de Opium-Regie te Batavia.
Het
2de kind H. E. Driessen, is Officier van gezondheid 2de
klasse te Batavia, gehuwd met mejuffrouw L. van Kuyk. Het
3de kind, L. M. Driessen, is gehuwd met den heer L. V. Alsdorf,
Controleur binnenlandsch bestuur in Nederlandsch-Oost-Indië,
met verlof te \'s-Gravenhage. De beide andere kinderen zijn onge-
huwd en vertoeven nog in het ouderlijke huis.

Het aardsch omhulsel van onzen waarden collega is, overeen-
komstig zijn verlangen, verbrand en tot dit doel op 8 Januari 1914
uit het sterfhuis naar Bremen vervoerd.

W. C. Schimmel.

-ocr page 61-

Anatomische, histologische und bakteriologische Unter-
suchungen über elf Fälle von Hundetuberkulose,J)

XON

H. SC.HORNAGEL.

Einleitung.

Die Mitteilungen in der Literatur der letzten Jahrzehnte haben
genügend bewiesen, dass der Hund, welcher früher als unempfind-
lich gegen Tuberkulose galt, ziemlich oft der Tuberkuloseinfektion
unterliegt. Besonders in Frankreich sind zahlreiche Fälle von Hun-
detuberkulose wahrgenommen worden; in anderen Ländern, beson-
ders in Deutschland, Skandinavien, England und Holland, ist die
Tuberkulose eine beim Hunde selten gesehene Krankheit. Von
holländischen Autoren sind bis jetzt nur 6 Fälle von Hundetuber-
kulose veröffentlicht worden, und als im Jahre 1908 im Patholo-
gischen Institute der Reichstierarzneischule zu Utrecht, ein Hund
mit Tuberkulose seziert wurde, schien der Fall interessant genug
um genauer untersucht zu werden.

Hauptsächlich wurden bei der Untersuchung dieses Falles die
pathogenen Eigenschaften des Erregers studiert; es waren damals,
und sind auch jetzt noch sehr wenige Untersuchungen über die
Pathogenität der beim Hunde vorkommenden Tuberkelbazillen
für die verschiedenen Versuchstiere, angestellt worden. Dennoch
ist es von grossem Interesse zu wissen, ob und ev. in wie weit die
beim Hunde vorkommenden Tuberkelbazillen humanen oder
bovinen Ursprungs sind, da durch das enge Zusammenleben vom
Hunde mit dem Menschen, letzteren die Gefahr droht durch den
tuberkulösen Hund infiziert zu werden.

Ich habe deshalb alle Fälle von Hundetuberkulose, welche in den
Jahren 1908 bis 1912 im vorerwähnten Institute zur Beobachtung
kamen, speziell in bakteriologischer Hinsicht untersucht; auch
habe ich die anatomischen und histologischen Verhältnisse studiert.
Im ganzen sind von mir 11 Fälle untersucht worden; in 8 davon
ist es mir gelungen den Bazillus in Reinkultur zu gewinnen und

\') Inaugural-Dissertation, Bern 1913.

Arbeit aus dem pathologisch-anatomischen Institut der Reichstierarznei-
schule zu Utrecht.

-ocr page 62-

mit diesen Reinkulturen habe ich Experimente an grossen und
kleinen Versuchstieren angestellt.

Bevor ich zu meinen Untersuchungen übergehe werde ich der
einschlägigen Literatur kurz Erwähnung tun.

Literatur.

Im Jahre. 1909 veröffentlichte Dr. Cari. Römer eine Ab-
handlung in welcher er Mitteilung machte von zwei von ihm beob-
achteten Fällen von Tuberkulose beim Hunde. Der Beschreibung
schickt Verfasser aber eine ausführliche Uebersicht über die Hunde-
tuberkulose-Literatur bis 1909 voran. Hieraus zeigt es sich, dass
vor der Entdeckung des Tuberkelbazillus nur wenige Fälle notiert
worden sind, was dadurch erklärt worden kann, dass die Hunde-
tuberkulose anatomisch meistens sehr verschieden ist von der
Tuberkulose der anderen Haussäugetiere. Nach dem Jahre 1884
werden die Veröffentlichungen häufiger; die Diagnose konnte
jetzt durch Nachweis des Tuberkelbazillus bestätigt werden. Jedoch
sind die Publikationen nicht sehr zahlreich; im Ganzen sind bis
jetzt nicht viel mehr als 200 Fälle von Ilundetuberkulose in der
Literatur bekannt, und die einzelnen Mitteilungen, welche man
in der Neuzeit antrifft, beweisen, dass dieses Leiden eine von
den meisten Tierärzten selten gesehene Krankheit ist.

Was den Sitz der Tuberkulose beim Hunde anbelangt, so findet
man die Lungen am häufigsten erkrankt; nach den meisten
Autoren in weit mehr als der Hälfte der Fälle (70%—90%). In
den Lungen werden Knötchen gebildet, oft ziemlich derb mit
zentralem Zerfall; oder die Krankheit hat den Charakter einer käsi-
gen Bronchopneumonie mit Kavernenbildung, Bronchiektasieen
und chronischer Bronchitis; Miliartuberkulose der Lungen ist selten.

An zweiter Stelle kommt die Tuberkulose des Brustfelles, welche
meist als eine filrinöse Pleuritis anfängt; später werden flache,
sarkomartige Granulationen gebildet; oft ist eine bedeutende
Menge flüssiges Exsudat anwesend. Elbenso wie die chronische
Pericarditis, ist die chronische Pleuritis des Hundes fast immer
tuberkulöser Natur.

Die Bronchiallymphknoten sind bei Lungentuberkulose makros-
kopisch bisweilen normal; in den meisten Fällen sind sie aber
bedeutend vergrössert, weich oder derb, oft sarkomartig, und
zentral käsig oder eitrig zerfallen.

Sehr oft ist auch die Leber Sitz der Krankheit; hier findet man
ungleichgrosse sarkomartige, rundliche Knoten; denselben Aspekt

-ocr page 63-

hat in den meisten Fällen auch die Tuberkulose der Nieren und
der Milz.

Weiter ist die Tuberkulose des Netzes sehr häufig; das Omentum
ist knotig verdickt und stark deformiert, auf der Schnittfläche
fast immer verkäst.

Von den übrigen Organen werden die mesenterialen Lymph-
knoten oft angegriffen; dagegen findet man in der Darmwand
sehr selten Knötchen oder Geschwüre.

Ziemlich häufig ist beim Hunde die Tuberkulose des Herz-
muskels und der Haut.
Cadiot2,3) sah mehrere Fälle ulceröser
Hauttuberkulose am Halse; die Geschwüre waren nach Durchbruch
von tuberkulösen Kehlgangslymphknoten entstanden. Der Eiter
dieser Geschwüre enthielt immer sehr viele Tuberkelbazillen, ein
Umstand, der das Virus fortwährend in die Aussenwelt brachte.

Was die Häufigheit der Tuberkulose beim Hunde betrifft, so
sind die Prozentzahlen, welchen man in der Literatur begegnet,
sehr verschieden. Besonders bei französischen Autoren findet man
in der Literatur hohe Prozentziffern.
Petit 4) sah in den Jahren
1900—1904 152 Fälle von Tuberkulose bei 2717 Hunden, d.i. 5.6%;
auch andere französische Untersucher haben viele Fälle mitge-
teilt. In Deutschland beobachtete
Fröhner6) in seiner Klinik bei
70.000 Hunden in den Jahren 1886—1894 40 Fälle von Tuber-
kulose d.i.
0.05%. Eber6,7) sah in Dresden bei 400 sezierten
Hunden 11 Fälle von Tuberkulose oder
2.75%; in Leipzig kon-
statierte er die Krankheit bei
13 von 1100 Hunden, d.i. 1.18%.
Jensen
8) berichtet über 28 Fälle und v. Ratz 9) über 10 Fälle.
Bei der Fleischbeschau im Königreich Sachsen )0) wurden in den
Jahren
1893—1908 von rund 20000 geschlachteten Hunden durch-
schnittlich
0.4% tuberkulös befunden. In Holland sind bis jetzt
nur sehr wenig Fälle von Hundetuberkulose publiziert worden.
Thomassen n) und Cramer 12) berichten im Jahre 1888 über
drei Fälle; im selben Jahre teilt
Thomassen 13) noch einen vierten
Fall mit;
De Jong 14) berichtet im Jahre 1905 über einen Fall
und neulich wurde von Roos 15) ein Fall von Pleuratuberkulose
beim Hunde mitgeteilt.

Tm hiesigen Institute wurden in dem Zeitraum September 1906—
September 1912, 568 Hunde seziert; von diesen Hunden waren
11 mit Tuberkulose behaftet, also 1
.9%.

Ich lasse hier in chronologischer Ordnung eine Uebersicht der
Fälle von Hundetuberkulose folgen, welche nach dem Erscheinen
von
Römer\'s Arbeit veröffentlicht worden sind.

Im Jahre 1908 beschreibt Auger16), einen Fall von generalisierter

-ocr page 64-

Lymphknotentuberkulose. Ein 8-j ähriger Hund zeigte beim
Leben Vergrösserung aller klinisch wahrnehmbaren Lymphknoten.
Bei der Sektion erschienen diese, ebenso wie die Lymphknoten
von Brust- und Bauchhöhle, stark vergrössert, auf der Schnitt-
fläche grau-rosa gefärbt und zentral verkäst. Auf der Pleura
mediastinalis befanden sich zwei Tuberkel, auf der Leberkapsel
einige atypische tuberkulöse Wucherungen. Die übrigen Organe
waren normal.

Wegen der Vergrösserung und Verkäsung macht Auger die
Diagnose: Tuberkulose der Lymphknoten. Ob Bazillen gefunden
worden sind und eine histologische Untersuchung angestellt worden
ist, wird im Artikel nicht erwähnt.

Im selben Jahre berichten Hobpay und Bei.cher 17) über
einen Fall von Tuberkulose bei einer 8-j ährigen Bulldogge, welche
niemals rohes Fleisch oder rohe Milch genossen hatte; seit ihrer
Geburt nie krank war, nie allein auf die Strasse ging und keine
Tuberkulösen in ihrer Umgebung hatte. In der letzten Zeit zeigte
der Hund eine gewisse Unlust bekam ein trübes Haarkleid, hatte
Anfälle von Herzkrampf (wie der Eigentümer angab) und wech-
selnden Appetit.

Bei der Untersuchung des Herzens wurden abnormale Ge-
räusche wahrgenommen; die Kontraktionen waren unregelmässig.
Auf die Bitte des Eigentümers wurde der Hund getötet. Bei der
Sektion erschien das Pericardium stark verdickt; in der Herz-
muskulatur wurden fibröse Tumoren vorgefunden. Beim linken
Herzohr war vom Herzbeutel eine Tasche gebildet, welche eine
silberfärbige Flüssigkeit enthielt; die Innenwand dieser Höhle
war besät mit zentral erweichten Tuberkeln. Die Milz enthielt
einige subkapsuläre Knötchen; die mesenterialen Lymphknoten
waren vergrössert. Die übrigen Organe waren normal. Mikros-
kopisch wurden die Veränderungen als von tuberkulöser Natur
erkannt.

Bei der Sektion eines 9-jährigen Pinschers fand Joest 18) eine
subakute Miliartuberkulose der Leber, Tuberkulose der linken
Niere, chronische tuberkulöse Pleuritis, subakute Miliartuber-
kulose der Lungen und chronische T uberkulose der linken Lungen-
hälfte mit Kavernenbildung, und Tuberkulose von verschiedenen
Lymphknoten. Mikroskopisch erschienen die Organe mässig reich
an Bazillen; die Tuberkel enthielten viel Epithelioidzellen, wenig
Rundzellen und keine Riesenzellen; zentrale Nekrose war anwesend.

Pecherot19) beschreibt «inen Fall tuberkulöser Pericarditis
bei einem 8-jährigen Mastiff Nach der Tötung fand man: ehroni-

-ocr page 65-

sehe tuberkulöse Pleuritis und Pericarditis; in den Lungen einige
kalkig käsige bronchopneumonische Herde; weiter Endocar-
ditis valvularis mitralis et tricuspidalis; chronische Lebertuberkulose,
chronische tuberkulöse (?) Nephritis und Tuberkulose der medias-
tinalen, lumbalen und mesenterialen Lymphknoten. Tuberkel-
bazillen konnten nachgewiesen werden.

Ein Fall von diffuser Osteo-periostitis, wahrscheinlich verur-
sacht durch toxische Produkte einer tuberkulösen Affektion andrer
Organe, beschreibt
Auger 20) im Jahre 1909. Ein 18 Monate
alter Hund zeigte eine diffuse Osteo-periostitis an den Gliedmassen,
welche bei Palpation nicht schmerzhaft war. Bei Auskultation
der Lungen wurde Knistern wahrgenommen. Uebrigens war der
Hund gesund und munter. Subkutane und intra-dermale Tuber-
kulinprobe verliefen negativ. Bei der Sektion nach der Tötung
wurde Tuberkulose vorgefunden von Lungen, Pleura, Pericardium,
mediastmalen-, mesenterialen- und lumbalen Lymphknoten; diese
Prozesse waren reich an Tubcrkelbazillen. Die Veränderungen
an den Knochen zeigten weder makroskopisch noch mikroskopisch
Merkmale, woraus man auf Tuberkulose
schliessen konnte.
Auger meint, dass dies ein Fall war von s.g. „tuberkulösem
Rheumatismus nach Poncet", welche Krankheit nach der Theorie
Von Ball und Alamartine nicht direkt durch den Tuberkel-
bazillus hervorgerufen wird,
sondern, bei Tuberkulose anderer
Organe, durch Einwirkung toxischer Produkte der Tuberkelba-
zillen entsteht. Im Jahre 1912 veröffentlicht
Cadiot21) eine
Mitteilung über 5 solche Fälle von Osteo-periostitis mit gleich-
zeitigem. Vorkommen von Tuberkulose in inneren Organen.

Guérin 22) (igro) sezierte einen 6-jährigen Pudel, welcher seit
anderthalb Jahren krank gewesen war, und Abmagerung, Husten
und Atemnot zeigte; der Eigentümer des Hundes war vor einem
halben Jahre an Lungenschwindsucht gestorben.
G. fand beim
Hunde doppelt-faustgrosse bronchiale und mediastinale Lymph-
knoten. welche auf der Schnittfläche eine grau-weisse Farbe
hatten, zentral erweicht, aber übrigens ziemlich derb waren.
"Weiter waren auf Pleura und Perikard eine Anzahl kleiner Neu-
bildungen anwesend; die Leber enthielt kleine weisse Knötchen.
Tuberkelbazillen konnten mikroskopisch nicht nachgewiesen wer-
den; Meerschweinchen mit erkrankten Organteilen geimpft, starben
nach etwa 3 Monaten an allgemeiner Tuberkulose.
G. hält es für
wahrscheinlich, dass der Hund von seinem Herrn infiziert worden ist.

Ein Terrier wurde von Craig 23) operiert wegen eines mannskopf-
grossen Abszesses in der Bauchhöhle; da es sich während der

-ocr page 66-

Operation zeigte, dass der Prozess von den hinteren Leberfläche
ausging und nicht zu entfernen war, wurde der Hund getötet.
Bei der Sektion stellte es sich heraus, dass die Leber, neben dem
grossen, mehrere kleine Abzsesse und eine grosse Anzahl Knötchen
enthielt, wahrscheinlich tuberkulöser Natur. Weiter wurde chro-
nische Tuberkulose von portalen und mesenterialen Lymph-
knoten, Omentum, Mesenterium, parietalem Bauchfelle, linker
Niere und Pleura und akute Miliartuberkulose der Lungen, nebst
Tuberkulose der thorakalen Lymphknoten konstatiert. Verf.
weist im besondern auf den grossen Abszess hin, welcher Ascites
vortäuschte.

Marchand, Petit und Douville 24) beschreiben einen Fall von
Tuberkulose des zentralen Nervensystems. Der Hund zeigte
Bewegungsstörungen, welche zur Diagnose Kleinhirn-Geschwulst
führten. Nach der Tötung wurde ein nussgrosser Tumor im Cere-
bellum gefunden; weiter war die Oberfläche des Hirnstammes
besät mit kleinen, weissen Granulationen. Zwischen Dura und
Pia mater befand sich an dieser Stelle ein Wulst von ziemlich
festem, neugebildetem Gewebe, welche sich bis zum Halsmark fort-
setzte; ein Teil dieses Gewebes war in das Halsmark hineinge-
drungen. Mikroskopisch zeigten sich die Anomalien tuberkulöser
Natur, und nicht nur in den Hüllen sesshaft, sondern auch über-
gegangen auf Gehirn und Halsmark.

L£tard 26) (1911) sah einen Fall von Tuberkulose der bronchialen
Lymphknoten, ohne Affektion der Lungen. Die Lymphknoten
waren sehr stark vergrössert und an einigen Stellen war der Prozess
bis ins Lumen der Trachea hineingewuchert.

Sc henzi.e 26) berichtet über käsige Pneumonie mit Kavernen-
bildung und chronische Pleuritis tuberkulöser Natur. Der Hund
war wahrscheinlich durch eines der Kinder des Besitzers infiziert
worden.

Ein Fall von Tuberkulose des Herzens und des Herzbeutels
beschreibt
Schlesinger27) (iqi2) bei einem 3-jährigen Bull-Terrier.
Auf dem Pericardium und Epicardium befanden sich zahlreiche
weiche Granulome; daneben bestand Hydropericard. Im linken
Ventrikel und im rechten Atrium waren Ulci anwesend, welche
in direktem Zusammenhang mit den Wucherungen auf dem Epi-
cardium standen. Die Lungen waren induriert, die Bronchial-
lymphknoten vergrössert; die Leber enthielt zahlreiche kleine,
weisse, rundliche Knötchen; auch in den Nieren waren einige
solcher Herdchen anwesend. Die übrigen Organe waren intakt.
Histologisch und durch Tierimpfung war die tuberkulöse Natur

-ocr page 67-

dieser Neubildungen nachzuweisen. In den Organen des Hundes
wurden keine Tuberkelbazillen gefunden.

Petit 28) teilt einen Fall mit von tuberkulöser Meningitis; in
diesem Falle war auch das Ependym der Seitenventrikel von
der Tuberkulose affiziert; der Prozess wurde durch eine grosse
Zahl von Bazillen unterhalten.

Zschokke 29) beobachtete Lungentuberkulose bei einem Hunde;
die Lungen waren durchsetzt mit hirsehorn- bis erbsengrossen
käsig-speckigen Herdchen; die Bronchiallymphknoten waren
erheblich vergrössert und zeigten ähnliche Herde auf ihrer Schnitt-
fläche. Die übrigen Organe waren normal.

Schliesslich berichtet Koos 15) über einen Fall von Pleuratuber-
kulose bei einem Hunde. Die Pleura costalis war beiderseits bedeckt
mit einigen platten, weichen Granulationen; alle andern Organe
waren normal. Histologisch bestanden die Wucherungen aus
einem gefässreichen, leukozytär infiltrierten Granulationsgewebe;
keine Verkäsung, keine Riesenzellen. Mikroskopisch konnte nur
ein säurefester Bazillus nachgewiesen werden; Meerschweinchen-
impfung bestätigte die Diagnose Tuberkulose.

Bisherige Untersuchungen über die Virulenz des Erregers in spontanen Fällen

von Hundetuberkulose.

Spontane Fälle von Tuberkulose beim Hunde sind nur wenig
bakteriologisch untersucht worden. Viele Autoren, besonders die
französischen, führen die Tuberkulose des Hundes zurück auf eine
Infektion durch den Menschen, und diese Behauptung stützt sich
auf klinische Wahrnehmungen, welche aber nicht beweisend sind.

Jensen8) beschreibt 28 Fälle von Hundetuberkulose und sagt:
„Kaninchen scheinen bei subkutaner Impfung mit denselben
(den Hundebazillen) sehr widerstandskräftig." Die von
Jensen
untersuchten Fälle waren also wahrscheinlich auf eine Infektion
durch humane Bazillen zurückzuführen.

Zwick 30) untersuchte 2 Fälle von Hundetuberkulose. In einem
Falle von Tuberkulose der Lungen, Leber, Herzbeutel, Milz,
Nieren und Vorsteherdrüse, war der Bazillus lang und schlank,
zeigte ein Wachstum wie humane Bazillen und verursachte beim
Kaninchen keine Tuberkulose, also Typus humanus. Im anderen
Falle, tuberkulöse Pleuritis, zeigte, der Bazillus die Merkmale
des Typus bovinus.

Aus einem Hunde, welcher wahrscheinlich durch seine tuber-
kulöse Herrin infiziert worden war, isolierte
De Jong 14) einen
Bazillus mit intermediären Eigenschaften; dieser war sehr pathogen

-ocr page 68-

für das Rind, dagegen nur wenig für die Ziege, das Schwein und
den Hund.

Joest 18) fand einen Fall von ausgebreiteter Tuberkulose von
Lungen, Pleura, Leber und Nieren, verursacht durch einen Rinder-
bazillus.

Schliesslich publiziert Mai.m 31) im Jahre 1912 einen Artikel
über humanen und bovinen Bazillen, in welchem er mitteilt, dass
er bei
5 tuberkulösen Hunden immer Rinderbazillen fand.

Die Zahl, der bis jetzt bakteriologisch untersuchten Fälle, ist
also sehr gering, und hiervon sind nur einige Fälle ausgiebig be-
arbeitet worden.

Empfänglichkeit des Hundes gegenüber kunstlicher Infektion mit Tuberkel-
bazillen verschiedener Herkunft.

Im Jahre 1884 publizierte Koch 32) in seiner Arbeit „Die Aetio-
logie der Tuberkulose" die Resultate seiner Infektionsversuche
an Hunden. Einem mehrere Jahre alten Hund wurde 2 c.c.m.
Emulsion einer vom Menschen stammenden Reinkultur intraperi-
toneal eingespritzt; das Tier starb innerhalb 5 Wochen an einer
generalisierten Tuberkulose. Ein zweiter Hund, einige Monate alt,
erkrankte nach einer intraperitionealen Infektion mit 1/2 c.c.m.,
doch wurde er wieder gesund. Nach 5 Monaten erhielt dieses Tier
2 c.c.m. und erlag dann der Infektion nach 5 Wochen. Ein dritter
Hund starb ebenfalls an allgemeiner Tuberkulose nach intraperi-
tonealer Einverleibung von 2 c.c.m. Kulturemulsion.

De Jong33) impfte Hunde, ebenfalls intraperitoneal, mit Rinder-
und mit Menschenbazillen, und sah, dass Hunde mit erstgenannten
Tuberkelbazillen infiziert, nach kürzerer Zeit starben als die,
welche mit humanen Bazillen geimpft waren.

Sechs Flunde, welche humane Bazillen inhaliert hatten, fanden
Leudet und Petit 34) bei der Sektion, nach mehreren Monaten,
vollkommen normal. Von 6 anderen Hunden wurden 4 intravenös
und 2 intrathorakal geimpft mit humanen Bazillen; die Hunde
wurden bei einander gelassen. Zwei der Tiere bekamen Abszesse
an der Impftstelle; aus diesen Abszessen wurde längere Zeit bazillen-
haltiger Eiter entlassen, welcher von den Hunden aufgenommen
worden konnte. Während des Versuches wurde ein Junger geboren,
welcher bei den anderen Hunden gelassen wurde. Nach mehreren
Monaten wurden die Hunde getötet. Die intravenös geimpften
Hunde zeigten Tuberkulose von Lungen, Leber, Caecum, Colon und
Mesenteriallymphknoten; die intrathorakal geimpften nur Tuber-

-ocr page 69-

kulose von Caecum und Colon; der nicht geimpfte junge Hund
zeigte einen tuberkulösen Ulcus am Halse, entstanden nach Durch-
bruch eines tuberkulösen Kehlgangslymphknoten, und Tuberku-
lose von Caecum, Colon und Mesenteriallymphknoten. Verfasser
schliessen hieraus, dass die drei letztgenannten Hunde nur durch
eine natürliche Infektion per os erkrankt sind.

Findel 35) liess drei Hunde sehr geringe Mengen (resp. 0.465
m. gr., 0.28 m. gr. und 0.141 m. gr.) boviner Bazillen inhalieren;
die Tiere wurden nach ungefähr 30 Tagen getötet, und zeigten
ziemlich ausgebreitete Miliartuberkulose der Lungen. Fünf
Hunde bekamen per os resp. 13 m.gr., 69 m.gr., 172 m.gr., 4.48 m.gr.
und 13.44 m.gr. Bazillen und waren bei de:r Tötung nach 112, 143,
101, 101 resp. 101 Tagen vollkommen normal.

Die englische Kommission 36) infizierte mehrere Hunde per os,
subkutan und intraperitoneal mit Rinder- und mit Menschen-
bazillen. Alle Hunde waren bei der Tötung im geringen Grade
tuberkulös. Von den mit humanen Bazillen infizierten Hunden
starben zwei, und zwar einer nach 14 Tagen an heftiger Lungen-
tuberkulose (einmal gefüttert mit 10 m.gr. Kultur) und der zweite
nach 48 Tagen an allgemeiner, akuter Tuberkulose (10 m.gr.
Kultur intrapcntoneal).

Titze und Weidanz 37) publizierten im Jahre 1908 die Ergeb-
nisse ihrer Infektionsversuchen an Hunden. Sie infizierten eine
grosse Anzahl verschieden alter Hunde, durch subkutane und
intravenöse Einspritzung, durch Inhalation und durch Verbit-
terung mit Bazillen des Typus humanus und des Typus bovinus;
sie kamen u. a. zu folgenden Schlüssen:

Die Hunde zeigen gegenüber den Infektionen mit Tuberkel-
bazillcn eine erhebliche Widerstandskraft, gleichgültig welchen
Infektionsniodus und welchen Bazillentypus man wählt.

Mit grossen Mengen gelingt es, Hunde sowohl mit Bazillen
des Typus humanus, wie mit Bazillen des Typus bovinus auf die
verschiedensten Wege zu infizieren. Beide Typen verhalten sich
in ihrem Pathogenitätsvermögen, Hunden gegenüber, gleich.

Die mit grossen Mengen Bazillen künstlich erzeugten tuberkulö-
sen Veränderungen sind meistens geringgradig, zeigen keine
Tendenz zum Fortschreiten, sondern heilen in der überwiegenden
Mehrzahl der Fälle aus.

Sticket; infizierte Hunde mit Tuberkelbazillen behufs histo-
logischen Forschungen über die Unterschied zwischen Sarkom
und Tuberkulom. Dabei sah er, dass Hunde bei intraperitonealer
Infektion weit empfindlicher waren gegenüber humanen als gegen-

-ocr page 70-

über bovinen Bazillen. Eine einmalige Passage von Rinderbazillen
durch den Hund, erhöhte schon ihre Virulenz für diese Tierart.

Eggert Schrum 39) versuchte Hunde tuberkulös zu machen
durch Einverleibung grösserer Mengen Bazillen. 8 Hunde wurden
auf verschiedene Weise, subkutan, intravenös, intraperitoneal
infiziert mit humanen und mit bovinen Bazillen. In
7 Fällen sah
er Pleuratuberkulose auftreten,
2 Mal Lungentuberkulose und
je einmal Tuberkulose der Impfstelle und der bronchialen und
mesenterialen Lvmphknoten. Aus seinen Versuchen \' schliesst
Schrum dass es gelingt Hunde mit grosser Menge (20 m. gr.)
Tuberkelbazillen in nicht zu langer Zeit (kürzeste Zeit 8 Wochen)
zu infizieren. Die erzeugte Tuberkulose war geringgradig und
besass keine Tendenz zum Fortschreiten; demzufolge zeigen die
Hunde einen erheblichen Widerstand gegenüber Infektionen mit
Tuberkelbazillen, gleichgültig welchen Infektionsmodus und wel-
chen Bazillentypus man wählt.

Chausse 40) fütterte 22 Hunde mit humanen und bovinen
Reinkulturen, menschlichem Sputum und tuberkulösen Organen
vom Rinde. Die Hunde wurden nach verschiedener Beobachtungs-
zeit getötet (nach
72 bis 156 Tagen) und zeigten bei der Sektion
keine makroskopisch erkennbaren Veränderungen. Durch mikros-
kopische Untersuchung und Meerschweinchenimpfung konnte
er aber in
18 Fällen Tuberkulose der Mesenteriallymphknoten
feststellen. Er schliesst daraus, dass diese Lymphknoten im Stande
sind, die Tuberkelbazillen festzuhalten und dass dies die Ursache
ist, dass Infektionsversuche durch Ingestion meistens negativ
verlaufen. Ein Unterschied in der Pathogenität zwischen Menschen-
und Rinderbazillen war nicht wahrzunehmen. Wahrscheinlich
ist diese oceulte Form von Tuberkulose beim Hunde gar nicht
selten.

Aus den erwähnten Versuchen ist zu schliessen, dass Hunde
sowohl mit Tuberkelbazillen des Typus humanus als mit Bazillen
des bovinen Typus zu infizieren sind, und dass beide Typen sich
in ihrem Pathogenitätsvermogen dem Hunde gegenüber gleich
verhalten; denn die meisten Autoren kommen zu diesem Resultate
und die Anderen behaupten, dass der Rinderbazillus oder dass der
humane Bazillus mehr pathogen für den Hund sei. Jedenfalls
ist der Hund gegenüber beiden Typen sehr resistent.

-ocr page 71-

Eigene Untersuchungen.

Allgemeine Bemerkungen. Mit einer einzigen Ausnahme waren die
Hunde tot, als sie zur Untersuchung ins Institut kamen. Die
Obduktionen wurden in der rechten Seitenlage, fast immer einige
Stunden nach\' dem Tode, ausgeführt.

Zwecks histologischer Untersuchung wurden Stückchen der
erkrankten Organe in 10% Formalinlösung fixiert, in Alkohol
nachgehärtet und in Paraffin eingebettet. Die Schnitte wurden
gefärbt mit Hämalaun-Eosin, nach
Van Gieson und nach Ziehl.
In manchen Fällen wurden auch Gefrierschiffe angefertigt,
und mehrere Male wurden Färbungen angewandt zur Nachweisung
von Fibrin und elastischen basern.

In den meisten Fällen wurden ganze Organe oder Teile, davon
in der Formalinlösung nach
Mei.nikow-Pick fixiert und in Glyzerin-
Wasser aa aufbewahrt; von solchen Präparaten wurden nachher
die Photographien angefertigt.

Die Meerschweinchen und Kaninchen wurden in der Regel
subkutan und intramuskulär geimpft an der Innenfläche der
linken Schenkel; die Kaninchen intravenös in eine der Ohrvenen.
Das tuberkulöse Gewebe wurde vorab mit physiologischer Nähr-
salzlösung im Mörser verrieben, die trübe Flüssigkeit durch Gaze
filtriert und mit der Record-Spritze injiziert. Es ist selbstver-
ständlich dass die Instrumente, Flüssigkeiten und weitere Uten-
silien stets vor dem Gebrauche sterilisiert wurden.

Zur Gewinnung von Reinkulturen wurde das Material vom
Hunde, wenn es dazu geeignet war, sofort auf Nährböden verrieben,
und jedenfalls auf die angegebene Weise aul Meerschweinchen
verimpft. Die tuberkulös gewordenen Meerschweinchen wurden
4 bis 5 Wochen nach der Infektion getötet, und die Milz und einige
Lymphknoten (portale oder lumbale) mit sterilen Instrumenten
herausgenommen. Zur Zerkleinerung des tuberkulösen Gewebes
benutzte ich anfangs eine Schere, später, und dies gefiel mir viel
besser, eine starke Arterienzange.

Als Nährböden dienten schräg erstarrtes Pferde- oder Rinder-
blutserum, Kartoffeln und Nährbouillon, alle mit 4—5% Glyzerin-
zusatz.

Die für Tierimpfungen benötigten Kulturquantitäten wurden

-ocr page 72-

auf einer Milligramm-Wage abgewogen und in einem Mörser, mit
etwa 100 fächern Gewichte an physiologischer Nährsalzlösung,
verrieben. Kleinere Quantitäten als 5 m.Gr. vurden nicht abge-
wogen; Emulsionen mit 1 und 0.1 m.gr. Bazllen wurden durch
Verd ünnung hergestellt.

Alle Kulturen wurden vor der Impfung arf ihre Reinlichkeit
untersucht.

Zur Impfung wurden nur gesunde Tiere benutzt; die Kälber
und Ziegen hatten sich bei der subkutaner Tuberkulinprobe
(mit Rinder- oder Hundetuberkulin) als tubeikulosefrei erwiesen.
Es wurde Sorge getragen, dass die geimpften Tiere nicht mit
anderen in Berührung kommen konnten.

Fall I.

Fox-terrier, männlich, 1 Jahr alt. Protokollnumrner A 160.

Gestorben an Hundestaupe am 15. Juni 1908; am selben Tage
seziert.

Sektionsbefund: Gut genährter Kadiver. Akute eitrige
Bronchitis und Bronchiolitis.
Tuberkulose der Mesenteriallymph-
kr.oten.

Einer der mesenterialen Lymphknoten ist vergrössert, fühlt
sich ziemlich fest an; auf der Schnittfläche zeigt, sich das Gewebe
teils verkäst, teils eitrig. Die Darmschlcimhaut ist intakt.

Histologische Untersuchung In Schnittprä-
paraten ist nur an der Peripherie noch Lymphdrüsengewebe zu
erkennen. Die Hauptmasse aber besteht aus nekrotischem Gewebe,
worin viele Chromatinkörner. An der Grenze zwischen nekrotischem
und normalem Gewebe befindet sich eine Zone von epitlielioiden
Zellen und Lymphozyten; an dieser Stelle auch viele Chromatin-
körner. Riezenzellen sind nicht anwesend.

Schnitte gefärbt mit Ziehl zeigen säurefeste Stäbchen, in solcher
Menge, dass an mehreren Stellen das zellige Gewebe ganz verdeckt
und nur eine rote Masse von Bazillen zu erkennen ist.

Bakteriologische Untersuchung: Von der fri-
schen Schnittfläche des Lymphknotens werden Ausstrichpräparate
angefertigt. Gefärbt nach
Ziehl werden sehr viele, lange, schlanke,
säurefeste Stäbchen gefunden; die meisten haben den Farbstoff
gleichmässig aufgenommen, andere sind ungleichmässig gefärbt
und zeigen eine mehr oder weniger deutliche Körnung. Bei
Färbung nach
Koch-Eiirlich (24 Stunden bei Zimmertem-
peratur) sind die Körner besonders deutlich zu sehen. Bei Färbung

-ocr page 73-

unter Erwärmung zeigen sich die Stäbchen homogener tingiert.

Kulturversuche: Verkäste Partikelchen des Lymph-
knotens werden auf erstarrtes Glyzerin-Pferdeserum und aut
Glvzerin-Kartoflehi ausgestrichen. Nach 24 Tagen zeigt sich ein
deutliches Wachstum. Die Kolonien auf Kartoffeln sind trocken,
körnig und haben eine gelblich-braune Farbe; dünne Häutchen
schwimmen auf dem Glyzerinwasser. Auf erstarrtem Blutserum
befindet sich ein dicker, gerunzelter Belag, welcher an der Wand
des Röhrchens hinaufgeklettert ist. Das Wachstum auf beiden
Nährböden ist sehr üppig. Zu bemerken ist noch dass ältere Kul-
turen eine gelblich-rote Farbe annehmen. Ausstrichpräparate
zeigen bei der Zir
.hl\'schen Färbung, schlanke Bazillen, regel-
mässiger Form.

Das Wachstum auf Glyzerinbouillon ist ein sehr üppiges. Nach
ungefähr 20 Tagen ist die Oberfläche mit einem gleichmässigen
Häutchen bedeckt, das allmählich dicker wird, sich runzelt und
an der Glaswand emporklettert. Die Bazillen sind in Deckglas-
präparaten lang und schlank, meistens leicht gekrümmt und
ziemlich homeigen tingiert; sie zeigen keine Verdickungen.

Tierimpfungen: Vom Lymphknoten wird ein Teil mit
physiologischer Nahrsalzlösung verrieben. Von dieser Emulsion
bekommem an 15. Juni zwei Meerschweinchen jeVäC.c.m. an der
Innenfläche des linken Schenkels subkutan injiziert und zwei
Kaninchen je 1 c.c.m. an derselben Stelle.

Meerschweinchen a. Gestorben am 29. August 1908, also nach
75 Tagen. Gewicht bei Impfung 566 Gramm, nach dem Tode
572 Gramm.
Sektion: Allgemeine Tuberkulose; geringe Neigung
zur Verkäsung; wenig Bazillen. In den Lungen einige Ka\\ernen.

Meerschweinchen b. Gestorben am 1. Oktober 1908, also nach
107 Tagen. Gewicht bei Impfung 715 Gramm, nach dem Tode
720 Gramm.
Sektion: Allgemeine Tuberkulose. Lymphknoten
vergrössert, derb, sehr wenig Neigung zur Verkäsung. Lungen
difius tuberkulös; beim Einschneiden hier und ela ein trockener
Käse; im übrigen ist das Gewebe fest, bindegewebig.

Histologisch zeigen die Organe beider Meerschweinchen das
Bild einer chronischen Tuberkulose, mit wenig Tendenz zur Nekrose,
dagegen eine ziemlieh starke Bindegewebsneubildung.

Kaninchen: Die beiden Kaninchen werden am 18. Mai 1909,
also nach 338 Tagen getötet. Die Tiere sind während der Dauer
des Versuches stets vollkommen gesund gewesen und haben beide
an Gewicht zugenommen, und zwar das eine von 2280 bis 3352
Gramm und das andere von 2320 bis 3017 Gramm. Die Tiere

XLI 4

-ocr page 74-

zeigen beide einen fast gleichen Sektionsbefund, nähmlich an der
Impfstelle eine ungefähr kastaniengrosse Abszesshöhle. Der Inhalt
war in dem einen Falle schleimig-eitrig, und im anderen Falle
trocken und krümmelig. Bazillen waren nur sehr spärlich anwesend.
Im übrigen waren die Tiere ganz normal. Tuberkulose der inneren
Organe konnte nicht nachgewiesen werden.

Kulturen von dem Inhalte des Abszesses vom erstgenannten
Kaninchen angefertigt zeigten nach einem Monate ein üppiges
Wachstum.

Ein Meerschweinchen mit dem Abszessinhalte von einem der
Kaninchen subkutan geimpft, verendete nach 191 Tagen an
allgemeiner Tuberkulose.

Tierimpfungen mit Reinkulturen: Am 14. Juli
1908 bekam ein 11 Monate altes
Kalb subkutan, vor dem rechten
Buggelenk, 150 m.gr. Bazillen, emulgiert in 10 c.c.m. Kochsalz-
lösung. Die Bazillen waren einer primären Serumkultur entnommen;
die Kultur war also 2 Monate alt.

Vorher war das Kalb mit Tuberkulin (300 m.gr.) vorgeprüft;
dabei waren nachstehende Temperaturen gemessen worden:

Vor der
Impfung
7—VII—\'08

Nach der Impfung.
8-VII—\'08.

8

Stunde

Vormitt

10

Abends
Injek=
tion

6

Vormitt

8

10

12
Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

8

Temperatur 39°

38°7

38°2

38°6

39°4

39°3

39°4

39° 1

39°

38°8

Also keine Reaktion.

Klinischer Befund. An der lmpftstelle entwickelt sich 111 wenigen
Tagen eine faustgrosse, mit der Haut verwachsene, derbe, sehr
schmerzhafte Geschwulst. Auch die Bugdrüse der betreffenden
Seite, ist stark angeschwollen und sehr schmerzhaft. Sonst ist das
Tier ganz munter; die Rektaltemperatur ist nicht erhöht (höchste
Temperatur, welche dreimal täglich gemessen wurde, war 390).
Nach einigen Tagen nimmt die örtliche Reaktion wieder ab, die
Geschwulst und die Bugdrüse werden allmählich kleiner und
schmerzlos. An der Impfstelle bleibt aber eine kleine, harte Neu-
bildung bestehen.

-ocr page 75-

Am 4. Februar \'00 wird das Kalb der subkutanen Tuberkulin-
probe unterzogen, mittels 400 m.gr. Tuberkulin, bereitet vomselben
Hundebaziilus. Der Versuch verläuft ohne Reaktion: höchste
Temperatur vor der Impfung 37°7, und nach der Impfung 38°5.

Am 20. April wird das Tier nochmals tuberkulinisiert, jetzt aber
mit 350 m.gr. Rindertuberkulin, ebenfalls aber ohne Reaktion.
Höchste Temperatur vor der Impfung 38°8 und nach der Impfung

38%

Sektion. Am 23. April \'09, also nach 283 Tagen wird das Tier,
das während des Versuches immer gesund gewesen ist, durch Ver-
blutung getötet.

An der Impfstelle befindet sich in der Haut eine platte, ungefähr
kastaniengrotsse, derbe Bindegewebsneubildung; an zahlreich ge-
machten Schnittflächen ist aber nicht die geringste Spur von Ver-
käsung zu bemerken. Die regionnären Lymphknoten sind nicht
grösser als die der anderen Seite, und zeigen sich auch mikros-
kopisch normal.

Im linken bronchialen und in den hinteren mediastinalen Lymph-
knoten befinden sich einige grieskorn- bis erbsengrosse, käsige
Herdchen mit beginnender Verkalkung. Im übrigen sind alle
Organe makroskopisch normal.

Im dem Käse der Lymphknoten konnten mit Ziehl einige,
blass tingierte, körnige Tuberkelbazillen nachgewiesen werden.
Zwei Meerschweinchen mit diesem Material subkutan geimpft,
gingen nach 84 resp. 97 Tagen an allgemeiner Tuberkulose ein.

Ziege. Am 28. Juli \'00 bekam ein, ungefähr 1 Jahr alter, Saanen-
Bock intravenös, in der rechten Jugularvene, eine Emulsion von
50 m.gr. Bazillen. Die Bazillen rührten von einer 5 Wochen alten
Kartoffelkultur her; die Kultur war seit der Reinzüchtung aus
dem Hunde, fünf Mal übergeimpft worden. Die Ziege wurde vorher
tuberkulinisiert mit 200 m.gr. Tuberkulin, subkutan. Die ge-
messenen Temperaturen waren:

Vor der Impfung
15—VII—\'09

Nach der Impfung

16—VII—\'09.

Stunde

8

Vormitt.

6

Nach-
mitt.

10
Nach,
mitt.
Injek.
tion

6

Vormitt.

8

10

12

Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

38"5

39114

39"5

38"8

39"3

39"4

39"5

39 "3

39"5

39«

-ocr page 76-

Also keine Reaktion.

Klinischer Befund: Das Tier ist nach der intravenösen Injektion
von 50 m.gr. Bazillen immer ganz gesund. Die Temperatur ist
nach einer Woche ein wenig erhöht, 39°6 bis 40°2, diese Erhöhung
hält 3 Tage an. Dann sinkt die Temperatur wieder und steigt
nur sehr selten über 39%; die Temperatur ist während des ganzen
Versuches durchschnittlich 39°.

An der Impfstelle entwickelt sich allmählich ein haselnuss-
grosser, wenig schmerzhafter Knoten in der Subkutis; hier sind
wohl bei der Injektion einige Bazillen hineingelangt.

Am 23. März \'10, also 8 Monate nach der Infektion, wud das
Tier tuberkuJinisiert. Die Reaktion verläuft positiv: höchste
Temperatur vor der Impfung 39°2, nach der Impfung 40°7; dabei
ist clie Injektionsstelle geschwollen und schmerzhaft und das Tier
den ganzen Tag über krank (gesträubte Haare, keine Fresslust,
Schiittelfrost).

Am 9. Februar \'11, wurde die intrakutane Tuberkulinprobe
angewandt, am 13. Februar die Ophthalmoreaktion und am 17.
Februar wieder die subkutane; sämmtliche Reaktionen verliefen
sehr deutlich positiv.

Sektinn: Am 22. Februar \'ir, also 19 Monate nach der intrave-
nösen Infektion wurde die Ziege durch Verblutung getötet.

Kadaver gut genährt. An der Impfstelle in der Subkutis ein
erbsengrosses verkästes Ilerdchen, mehrere stecknadelkopfgrosse
Knötchen in der Umgebung. Einige sehr kleine Herdchen mit
trockenem, mörtelartigem Inhalt in den unteren Hals-, in den
mediastinalen und in den mesenterialen Lymphknoten. In den
Lungen einige sehr kleine Kalkherdchen. Am Brustbein zwei
haselnussgrosse Abszesse, mit käsig-eitrigem Inhalt; der eine
dicht hinter dem linken Ellbogen, der andere neben der Cartilago
xvphoidea. Alle diese Prozesse waren wahrscheinlich tuberkulöser
Natur; in Deckglaspräparaten konnten aber keine Tuberkelbazillen
nachgewiesen werden. Zwei Meerschweinchen subkutan geimpft
mit Material aus den Knötchen an der Impfstelle und von den
Brustbeinabszessen, gingen nach 4 resp. 5 Monaten an allgemeiner
Tuberkulose ein.

Kaninchen. Ein Kaninchen wurde mit 10 m.gr. Bazillen subkutan
geimpft. Bei der Tötung nach 148 Tagen wurde keine Spur von
Tuberkulose gefunden.

Ein zweites Kaninchen bekam 0.1 m.gr. Bazillen intravenös
und war bei der Sektion nach 140 Tagen, tuberkulosefrei. Beide
Tiere hatten während des Versuches an Gewicht zugenommen.

-ocr page 77-

Meerschweinchen. Ein 430 gr. schweres Meerschweinchen bekam
5 m.gr. Bazillen subkutan, und starb nach 127 Tagen an allge-
meiner Tuberkulose; Gewichtsverlust 90 Gramm.

Fall II.

Doberman-Pinscher, männlich, 9 Monate alt; Protokollnummer:
A. 236.

Gestorben am 2. Februar 1909; Sektion 4 Stunden nach dem Tode.

Sektionsbefund: Kadaver eines kräftig gebauten, etwas
abgemagerten Hundes; Bauch ein wenig aufgetrieben.

Beim Offnen der Bauchhöhle fliesst eine grosse Quantität trübes,
grau-rotes, eitriges Exsudat ab. Das Peritoneum ist injiziert, trübe,
und besitzt auf dem parietalen Blatt platte, stecknadelkoplgrosse,
weiche, graue Granulationen.

Das Omentum ist stark verdickt, bedeckt nicht mehr das Bauch-
eingeweide, sondern liegt als ein grosser, dicker Wulst an der
grossen Kurvatur des Magens. Das Netz besteht aus grössern
und kleinern Knoten, welche sich an der Schnittfläche verkäst
zeigen; zwischen den Knoten ist noch Bindegewebe und Fett
vorhanden.

Die Milz ist ein wenig vergrössert und im dorsalen Abschnitte
ganz verkäst
und mit dem Omentum verwachsen. Auch das Pan-
kreas zeigt verkäste Stellen und ist nicht mehr vom Netze zu
trennen. Beim Aufheben des Netzes zeigt sich auch das verdickte
und verkäste Mesenterium mit dem Omentum verwachsen. Milz,
Omentum, Pankreas und Mesenterium bilden zusammen eine
grosse, verwachsene, käsige Masse. Die mesenterialen Lymph-
knoten sind vergrössert, derb, und zeigen auf der Schnittfläche
einen trockenen Käse. Die Darmschleimhaut ist normal,
weder Entzündung noch Knötchen oder Geschwüre. Der Magen
besitzt auf der Aussenfläche einige kleine, graue Granulationen;
die Schleimhaut ist intakt. Nieren normal, ebenso die betreffenden
Lymphknoten. Leber ein wenig vergrössert, starke fettige Degene-
ration; portale Lymphknoten diffus vergrössert, keine Verkäsung.

Lungen, Brustfell, Herz und bronchiale Lymphknoten normal.
Die unteren llalslymphknoten sind vergrössert und auf der Schnitt-
fläche grösstenteils verkäst.

Alle übrigen Lj\'mphknoten sind makroskopisch normal. Deck-
glaspräparate, nach
Ziehl, von den veränderten Organen und dem
Exsudate zeigen massenhaite Tuberkelbazillen.

Diagnose: Chronische tuberkulöse exsudative Peritonitis;
chronische Tuberkulose von Omentum, Pankreas, Milz, Mesenterium

-ocr page 78-

mesenterialen und portalen Lymphknoten und von den unteren
Halslymphknoten.

Histologische Untersuchung: Mikroskopisch zeigt
sich eine ausgebreitete, zentrale Verkäsung; im Omentum an
einigen Stellen geringe Verkalkung. Epitbelioide Zellen umgeben
die nekrotischen Herde. Bemerkenswert ist, dass sich zwischen
den epithelioiden Zellen auch viele neugebildete Blutgefässe
finden; besonders in den Schnitten der mesenterialen Lymphknoten
ist die Gefässvermehrung sehr deutlich. Die Wände dieser Gefässe
sind dünn, die Endothelzellen sind platt; nirgends habe ich eine
Obliteration der Gefässe durch Wucherung der Gefässwände
wahrgenommen. In den Lymphdrüsen war an einigen Stellen
auch sehr viel neugebildetes Bindegewebe anwesend.

Die Leber, welche makroskopisch keine, tuberkulöse Verän-
derungen zeigte, war doch wegen der Tuberkulose der betreffenden
Lymphknoten verdächtig. Mikroskopisch zeigt sich auch wirklich
eine sehr junge Tuberkulose. Im interlobularen Bindegewebe
befinden sich sehr kleine Anhäufungen von epithelioiden Zellen,
diese Herdchen sind aber noch so klein, dass sie mit dem unbe-
waffneten Auge nicht zu sehen sind.

Nach ZiEHl zeigen alle Schnitte sehr viele Tuberkelbazillen.
Im Omentum und in den Lymphdrüsen sind sie in solcher Quantität
anwesend, dass die Schnitte bei der Entfärbung an mehreren Stellen
ganz rot bleiben. Auch zwischen den oben erwähnten neugebildeten
Blutgefässen befinden sich viele Tuberkelbazillen.

Aus dem mikroskopischen Befund ergibt sich, dass auch noch
akute Miliartuberkulose der Leber anwesend ist.

Bakteriologische Untersuchung: Wie schon er-
wähnt, sind alle veränderten Organe sehr reich an Tuberkelbazillen.
Die Bazillen sind sehr lang und schlank; die meisten sind nicht
homogen tingiert, sondern zeigen dunkele Körner und ungefärbte
Lücken.

Kulturversuche. Vom tuberkulösen Gewebe des Netzes und
der Mesenteriallymphknoten werden mehrere Glyzerinkartoffel-
und Glyzerinserumkulturen angelegt. Nach drei Wochen zeigen
alle Röhrchen ein deutliches Wachstum; besonders die Kartoffel-
kulturen sind gut gewachsen. Nach zwei Monaten zeigen die Kar-
toffelkulturen einen trockenen, faltigen, blumcnkohlähnlichen Belag,
mit gelblich-braunem Kolorit. Die Kolonien auf erstarrtem Serum
sind eher platt, und bilden trockene, schuppenartige Belage. Deck-
glaspräparate der Kulturen zeigen lange, schlanke, leicht gebogene,,
ziemlich homogen tingierte Bazillen.

-ocr page 79-

Auf Glyzerinbouillon wird ein dickes, gerunzeltes Häutchen
gebildet, das überall gleichdick ist und an der Glaswand empor-
klettert. Die Bazillen dieser Kulturen sind im allgemeinen länger
als die der Serum- und Kartoffelkulturen.

Tierimpfungen: Ein Meerschweinchen am 4. Februar mit
einer Emulsion vom tuberkulösen Omentum subkutan geimpft,
stirbt nach 3 Tagen an Septicaemie.

Mit Reinkulturen werden am 11. Juni 1909 geimpft: ein Kalb,
eine Ziege, zwei Kaninchen, und ein Meerschweinchen. Die Kar-
toffelkulturen, welche am 3. Februar \'09 angelegt sind vom tuber-
kulösen Netze, sind zweimal übergeimpft worden, und zwar am
16. April und 18. Mai; die zu diesen Impfungen benutzten Kulturen
sind also 24 Tage alt.

Kalb. Ein 15, Wochen altes Stierkalb bekommt am n. Juni\'09
subkutan an de;r rechten Halsfläche, eine Injektion von xoo m.gr.
Bazillen, aufgeschwemmt in 10 c.c.m. physiologischer Kochsalz-
lösung.

Vorher ist das Kalb mit 300 m.gr. Tuberkulin tuberkulinisiert
worden; dabei sind folgende Temperaturen gemessen worden:

Vor der Impfung

25—V—\'09

Nach der Impfung
26—V—\'09.

Stunde

9

Vormitt.

12
Mitt.

4

Nach«
mitt.

10

Abends
Injek*
tion

6

Vormitt.

8

10

12
Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

39"2

38"9

39" 5

39° 1

39"2

3S"8

38\'9

39"3

39"3

39"5

39"6

Reaktion also negativ.

Klinischer Befund. 12—vi an der Impfstelle eine handteller-
grosse, schmerzhafte Anschwellung; 13—vi. Schwellung weniger
schmerzhaft, Bugdrüse deutlich vergrössert. Im Laufe der folgenden
Tage wird die lokale Reaktion weniger schmerzhaft, hart, und
knotig; der Buglymphknoten nimmt stets an Grösse zu.

24—vi ist die Geschwulst an der Impfstelle wieder bedeutend
grösser, heiss und sehr schmerzhaft; der Buglymphknoten ist als
eine flache Anschwellung deutlich zu sehen. Von diesem Tage ab
werden die lokalen Erscheinungen geringer; die Anschwellung
an der Impfstelle wird kleiner und auch die Bugdrüse nimmt an
Grösse ab.

-ocr page 80-

Am 5. August, also 7 Wochen nach der Impiung, befinden sich
an der Impfstelle nur noch einige wallnussgrosse, schmerzlose,
derbe Geschwülste in der Haut; die Bugdrüse ist noch etwas
grösser als die der anderen Seite, aber nicht mehr schmerzhaft.

Die Rektaltemperatur ist während dieser Frist nicht erhöht,
nur am 2S. Juni steigt sie bis 40J2, sonst schwanken die dreimal
täglich gemessenen Temperaturen zwischen 38°5 und 39°5.

Der allgemeine Zustand ist immer sehr gut, aussen am ersten Tage
nach der Impiung.

Am 26. August \'09 und am 7. Juli \'10 wird das Tier der Tuberku-
linprobe unterworfen; beide Male fällt die Reaktion negativ aus.

Sektion. Am 9. Juli \'10, also 13 Monate nach der Infektion wird
das gut gewachsene Kalb durch Verblutung getötet.

An der Impfstelle befindet sich in der Kutis eine platte, derbe,
bindegewebige Neubildung von 3 c.m. Durchmesser und t c.m.
Dicke. Im Innern befinden sich vereinzelt Kalkkörnchen. Die Bug-
drüse ist nicht grösser als die der anderen Seite; keine einzige
tuberkulöse Affektion ist dann nachzuweisen; einzig ist sie ein
wenig reicher an Bindegewebe und dadurch etwas derber.

In keinem der Organe und Lymphknoten ist makroskopisch
Tuberkulose nachweisbar. Tuberkelbazillen können in der Neubil-
dung an der Impfstelle und in der.Bugdrüse, nicht nachgewiesen
werden.

Ziege: Am n. Juni \'09 wird einer Ziege eine Emulsion von 50 m.gr.
Tuberkelbazillen in die linke Jugularvene eingespritzt. Vorher,
am 25. Mai, ist das Tier mittels Tuberkulin (150 m.gr.) auf
Tuberkulose vorgeprüft worden; die Reaktion war nagativ.

Vor der Impfung

25—V—\'09

Nach der Impfung.
26 -V- \'09.

Stunde

8

Vormitt.

4

Nach,
mitt.

10

Abends
Injek.
tion

6

Vormitt.

8

10

12

Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

38"9

39"1

39"2

39"!

39 \'4

39"2

39"3

39"4

39"6

39\'4

Klinischer Befnnd: Während der ersten Woche nach der intra-
venösen Infektion ist die Temperatur etwas erhöht, 39°5-—39°8;
in der zweiten Woche sinkt sie und schwankt dann zwischen 38°5
und 390. Das Tier ist ganz munter, Fresslust und Benehmen normal.

-ocr page 81-

An der Impfstelle entwickelt sich in der Subkutis eine haselnuss-
grosse Neubildung, welche sich nach einigen Wochen bis zur Grösse
einer Erbse verkleinert.

Am 36. August, also 10 Wochen nach der Infektion, wird das
Tier der Tuberkelinprobe unterworfen und reagiert darauf positiv;
höchste Temperatur vor der Injektion 38°6, und nach der Injektion
40°2, also eine thermische Reaktion von 1 dabei zeigt das Tier
auch eine organische Reaktion: keine Fresslust, traurig, Schüttel-
frost, schmerzhafte Anschwellung an der Injektionsstelle.

Am 4. Oktober steigt die Temperatur plötzlich bis zu 410,
schwankt dann mehrere Tage zwischen 40° und 410. Das Tier ist
schwer krank, keine Fresslust, gesträubte Haare, heftige Diarrhoe;
es hegt den ganzen Tag. Am 6. Oktober ist schon Abmagerung
bemerkbar. Am 16. Oktober sinkt die Temperatur bis 37°9 und
am 17. morgens, wird die Ziege tot in dem Stalle gefunden.

Sektion: Die Sektion findet am 17. Oktober morgens statt. An
der Impfstelle befindet sich ein erbsengrosses, verkästes Herdchen
in der Subkutis; in der Jugularvene ist ein ebenso grosser, nicht
obturierender, glatter Thrombus anwesend. Deckglaspräparate
nach
Ziehl zeigen in beiden Neubildungen zahlreiche, lange,
schlanke Bazillen, welche ungleichmässig gefärbt sind.

Als Todesursache wird eine heftige Gastro-enteritis gefunden;
diese Entzündung steht wohl in keinem Zusammenhang mit dem
Tuberkuloseversuche. Tuberkelbazillen können nicht nachgewiesen
werden.

Uebrigens werden keine pathologisch-anatomischen Abweichun-
gen wahrgenommen.

Kaninchen: Einem Kaninchen von 1750 gr. werden subkutan
an der linken inneren Schenkelfläche 10 m.gr. Bazillen injiziert.
An der Impfstelle entwickelt sich in der Subkutis allmählich eine
nicht schmerzhafte, feste Neubildung. Der allgemeine Zustand ist
gut. Nach 9 Monaten wird das Tier getötet.
Sektion: Gut genährter
Kadaver; Gewicht 2050 gr. An der Impfstelle befindet sich in der
Subkutis eine kastaniengrosse abgekapselte Höhle, gefüllt mit
einem weichen, schleimigen Käse. In diesem Exsudate wenige,
lange, schlanke, ungleichmässig tingierte Tuberkelbazillen. Sonst
alle Organe normal.

Einem zweiten Kaninchen von 2250 gr. wird 0.1 m.gr. Bazillen
intravenös injiziert. Das Tier magert langsam ab, und stirbt nach
61 Tagen; Gewichtsverlust 700 gr.
Sektion. Die Lungen enthalten
zahlreiche, grieskorn- bis hanfhorngrosse, unregelmässige, gelbe
Herdchen. Die Knötchen sind meistens von einer hyalinen Zone

-ocr page 82-

umgeben und bestehen aus einer käsigen Masse. Uebrigens werden,
die vergrösserten und teils verkästen Bronchiallymphknoten
ausgenommen, keine tuberkulösen Prozesse gefunden.
Mikros-
kopisch
bestehen die Knötchen grösstenteils aus nekrotischem
Gewebe; an der Peripherie befindet sich eine Zone von Fibroblasten.
Das umgebende Lungengewebe ist sehr blutreich, die Alveolar-
epithelien sind verdickt und wuchern in das Lumen hinein. Nach
Ziehl werden in den Schnitten sehr viele Tuberkelbazillen ge-
funden, welche öfters in Häufchen zusammen liegen. Die Bazillen
sind durchwegs sehr lang und schlank, meistens leicht gekrümmt
und homogen tingiert.

Meerschweinchen: Ein Meerschweinchen von 600 gr. bekommt
an der inneren Schenkelfläche, teils subkutan, teils intramuskulär,
5 m.gr. Bazillen. An der Impfstelle entwickelt sich ein Ulcus;
die Lymphdrüsen schwellen an und das Tier magert ab. Am 17.
November, 21 Wochen nach der Infektion, erliegt es der Krankheit.
Sektion: Allgemeine Impftuberkulose. Die Lymphknoten sind
vergrössert, derb, und zentral verkäst. Leber und Milz chronische
Miliartuberkulose; Lungen chronisch und confluent-miliar; Nieren
normal. In allen Organen sehr wenig lange, schlanke Tuberkel-
bazillen.
Mikroskopisch zeigen sich die Prozesse wenig progredient;
viel Bindegewebe, wenig Epithelioid- und Riesenzellen.

Fall III.

Schottischer Hirtenhund, männlich, 4 Monate alt; Protokoll-
nummer A. 319.

Am 27. Oktober 1909 wegen Meningitis et myelitis spinalis
mittels einer Strychnininjektion getötet.

Sektionsbefund: Klfeine Blutergüsse in den Gehirn-
häuten; im übrigen zeigt sich das zentrale Nervensystem makros-
kopisch normal.

In einem der mesenterialen Lymphknoten befindet sich eine
linsengrosse Abszesshöhle, welche einen dicken, grünlich-gelben
Eiter enthält. Ein Ueckglaspräparat nach
Zieiii. gibt zahlreiche
Tuberkelbazillen zu sehen; also
Tuberkulose eines der mesenterialen
Lymphknoten.
Die Bazillen sind lang und schlank, leicht gebogen
und ungleichmässig koloriert, helle Lücken neben dunkeln Körnern.

Eine histologische l\'ntersuchung wird wegen der Beschädigung
des Gewebes durch die Kultur- und Impfversuche nicht angestellt.

Kulturversuche. Mehrere Röhrchen mit Glyzerin-Serum
und Glyzerin-Kartoffel werden mit dem tuberkulösen Eiter geimpft.
Nach etwa 4 Wochen zeigen alle Kartoffelröhrchen ein deutliches

-ocr page 83-

Wachstum; die Serumröhrchen bleiben steril, vielleicht waren diese
Nährböden zu alt. Die Kartoffelkulturen zeigen anfangs einen
trockenen, feinkörnigen Belag; dieser Belag wird bald dicker,
runzelig, hier und da bilden sich dicke Knoten; die Farbe is weiss-
lich-gelb bis rötlich-gelb. Auf dem Glyzerinwasser wachsen die
Bazillen als zarte Häutchen, welche allmählich dicker werden,
Falten bilden und schliesslich an der (das wand hinaufklettern.
Ausstrichpräparate nach
Ziehl und nach Herman zeigen schlanke,
sehr lange, leicht gebogene Stäbchen, welche ungleiclimässig tin-
giert sind. Besonders in älteren Kulturen sind die Bazillen sehr
schlank und enthalten sehr viele grössere Lücken.

Auf Glyzerinbouillon bildet der Bazillus eine dicke, gefaltete
Haut, welche überall gleich dick ist; das Wachstum auf diesem
Nährboden ist üppig und schnell.

Tierimpfungen: Ein Meerschweinchen wird direkt mit
dem tuberkulösen Material subkutan geimpft; es stirbt nach 19
Tagen an einer akuten Enteritis. Die Tuberkulose befindet sich
noch im Anfangsstadium. An der Impfstelle hat sich ein grosser
Abszess gebildet; in den inneren Organen befinden sich junge
Miliartuberkel.

Mit einer Milzemulsion dieses Meerschweinchens wird ein zweites
Exemplar geimpft; dieses Tier stirbt nach 78 Tagen an allgemeiner
Tuberkulose. Das Gewicht beträgt bei der Impfung 520 gr. und beim
Tode 340 gr., also eine Abnahme von 180 gr.
Sektion; In der Haut
an der Impfstelle ein Ulcus, und in der Muskulatur ein grosser
Käseherd. Sämmtliche Iymphknoten sind vergrössert und zentral
verkäst. Milz sehr gross, fast ganz nekrotisch. Leber vergrössert,
multiple grosse, verkäste, tuberkulöse Herde, im übrigen zirrh-
otisch. Lungen chronische Miliartuberkulose.

Das mikroskopische Bild zeigt eine ausgebreitete Nekrose, sehr
wenig epithelioide Zellen, viele Lymphozyten; Riesenzellen habe
ich nicht gefunden. Die verschiedenen Organe enthalten nur wenig
Bazillen, nur im weichen Käse an der Impfstelle befinden sich
sehr viele, stark körnige, schlanke Bazillen.

Impfungen mit Reinkulturen: Die benutzten
Kartofielkulturen tragen die Daten 28—x \'09, 8—xn \'09, 2—11
\'10, 12—v \'10, 7—vii \'10. Die Injektionen finden am 28. Juli
19x0 statt, die üppig gewachsenen Kulturen sind also 3
Wochen alt.

Kalb: Ein 6 Monate altes Kalb bekommt am 28. Juli \'10 subkutan
an der rechten Halsfläche 150 m.gr. Bazillen, emulgiert in 6 c.c.m.
Kochsalzlösung. Bei der vorher angestellten subkutanen Tuber-

-ocr page 84-

kulinprobe (250 ni.gr. Roh-Tuberkulin,) wurden folgende Tempera-
turen gemessen:

Vor der Injektion
22—VII—\'10

Nach der Injektion.
23—VII-\'IO

Stunde

8

Vormitt.

12
Mittags

6

Nach,
mitt.

10
Abends
Injeks
tion

6

Vormitt.

8

10

12

Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

38"5

38"6

38"8

38"4

38"4

38"5

38"6

38"8

38"9

38"7

38°9

Also keine Reaktion.

Klinischer Befund: 29—vii. Impfstelle und rechte Bugdrüse
heiss, schmerzhaft und geschwollen. Die Anschwellung wird die
folgenden Tage immer deutlicher und schmerzhafter; die Tempe-
ratur steigt abends bis zu 39°6.

Am 8. August befindet sich an der Impfstelle eine platte, knotige,
handtellergrosse Neubildung, welche nur wenig schmerzhaft ist.
Die Bugdrüse ist sichtlich vergrössert, und dreieckig. Diese ört-
liche Reaktion bleibt ungefähr einen Monat auf derselber Höhe
und geht dann allmählich zurück. Nach zwei Monaten ist die
Bugdrüse nicht merkbar vergrössert;
an der Impfstelle bleibt ein
kleiner, derber Knoten bestehen. Die Temperatur ist während
des ersten Monates nach der Impfung ungefähr o°5 erhöht, und
schwankt dann zwischen 38°8 und 39°8, dann sinkt sie bis auf
38*5 bis 39°3.

Das Allgemeinbefinden ist während des ganzen Versuches normal,
das Tier gedeiht gut.

Eine subkutane und intrakutane, Anfang März \'11, angestellte
Tuberkulinprobe, verläuft negativ.

Sektion Am 18. März \'11, beinahe 8 Monate nach der Impfung
wird das Tier durch Verblutung getötet.

An der Impfstelle befinden sich zwei haselnussgrosse, verkäste
Herdchen in der Kutis und ein kleineres Herdchen im subkutanen
Bindegewebe. Die rechte Bugdrüse ist nicht vergrössert, auf der
Schnittfläche aber reicher an Bindegewebe als die der anderen
Seite. — Sonst alle Organe makroskopisch normal.

Mikroskopische Untersuchung: In dem trockenen Käse der
Herdchen an der Impfstelle sind nach
Ziehi. sehr wenig, leicht
gebogene, schlanke Bazillen nachzuweisen. Die Bugdrüse zeigt

-ocr page 85-

mikroskopisch eine Vermehrung des Interstitiums, aber keine
tuberkulöse Affektion.

Ziege: Eine kräftige, 2 Jahr alte Ziege bekommt am 28. Juli \'10
50 m.gr. Bazillen derselben Kultur, intravenös in der rechten
Jugularvene. Die subkutane Tuberkelinprobe (200 m.gr.) vor der
Impfung war negativ gewesen:

Vor der Injektion
22-VII—\'10.

Nach der Injektion
23—VII-\'IO.

Stunde

8

Vormitt.

12
Mitt.

6

Nach-
mitt.

10

Abends
Injek-
tion.

6

Vormitt.

8

10

12
Mittags.

2

Nach-
mitt.

4

6

Temperatur

38°4

38°6

38°5

38°8

38°5

38°3

38 °4

38° 1

38°3

38"4

38°5

Klinischer Befund: Während der ersten Wochen ist die Tempera-
tur ein wenig erhöht, sie schwankt zwischen 38°5 und 39°6; dann
nimmt sie ab und bleibt immer unter 390. Eine lokale Reaktion
tritt nicht auf. Der allgemeine Zustand ist während des ganzen
Versuches ausgezeichnet.

Im März \'n wird das Tier tuberkulinisiert; subkutane-, intra-
kutane- und Ophthalmoreaktion verlaufen negativ.

Sektion: Am 16. März \'11, beinahe 8 Monate nach der Infektion,
wird das Tier durch Verblutung getötet.

Gut genährter Kadaver. An der Impfstelle ist keine Affektion
wahrzunehmen. Die bronchialen Lymphknoten enthalten einige
Stecknadelkopfgrosse, verkalkte Herdchen, auch werden sub-
pleural in den Lungen einige solcher Herdchen gefunden. In der
mesenterialen Lymphknoten ein erbsengrosses Knötchen und
einige kleine Herdchen mit trockenem, käsigem Inhalt.

Lebrigens werden keine makroskopisch erkennbare Verände-
rungen gefunden.

Mikroskopische Untersuchung: In Deckglaspräparaten werden
keine Tuberkelbazillen gefunden; dies braucht was die Knötchen
der bronchialen Lymphknoten und der Lungen betrifft uns
nicht zu wundren, denn sie sind ganz verkalkt.

Mit dem Inhalt der Knötchen der Mesenteriallymphknoten
wird ein Meerschweinchen subkutan geimpft; dieses Tier verendet
nach 5 Monaten an allgemeiner Tuberkulose.

Kaninchen: Ein 1830 gr. schweres Kaninchcn bekommt in-

-ocr page 86-

travenös o.i m.gr. Bazillen. Das Gewicht bleibt während des
Versuches stationnär, und ist bei der Tötung nach 137 Tagen
1850 gr. —

Sektionsbefund negativ

Ein zweites Kaninchen wird subkutan mit 10 m.gr. Bazillen
infiziert.
Sektionsbefund bei der Tötung nach 137 Tagen negativ
Gewicht bei Beginn des Versuches 2020 gr., nach dem Tode
2150 gr.

Meerschweinchen: Ein Meerschweinchen bekommt subkutan und
intramuskulär 5 m.gr. Bazillen. Nach 75 Tagen wird es unerwartet
tot in seinem Käfig gefunden. Gewicht vor der Infektion 640 gr.,
nach dem Tode 710 gr. also eine Zunahme von 70 gr.
Sektion.
In der Bauchhöhle eine grosse Menge flüssiges Blut. Die Organe
sind hochgradig tuberkulös, die Milz ist stark vergrössert. Es zeigt
sich, dass eine Milzruptur Ursache des Blutergusses in die Bauch-
höhle und des plötzlichen Todes ist.

In Deckglaspräparaten werden aus allen tuberkulösen Organen
Tuberkelbazillen gefunden, jedoch in geringer Quantität. Die
Bazillen sind dünn, schlank und durchwegs gerade.

Fall IV.

Boxer, männlich, 2 Jahre alt, Protokollnummer A. 378.

Am 18. März 1910 mittels Strychnin getötet; Sektion am selben
Tage.

Sektionsbefund: Gut genährter Kadaver. In der rechten
Thorakshälfte befindet sich eine beträchtliche Menge sero-puru-
lentes Exsudat; die rechte Lunge ist durch den Druck der Flüssig-
keit vollkommen luftleer. Die Pleura pulmonalis ist verdickt und
runzelig; auf der Pleura costalis befinden sich kleine gelbe, weiche
Auflagerungen; das Mediastinum ist knotig verdickt. In der rechten
Lunge befindet sich im Hauptlappen eine etwa bohnengrosse,
subpleurale Abszesshöhle mit eitrigem Inhalt; der Abszess steht
in offener Verbindung mit der Brusthöhle. In der linken Hälfte
der Brusthöhle befindet sich kein Exsudat und hat auch die Pleura
ein normales Ansehen. Ausser dem Abszesse und der Druckatelekta-
se sind die Lungen normal. Die thorakalen Lymphknoten sind
vergrössert, und haben eine feuchte Schnittfläche; Herdchen sind
mit dem blossen Auge nicht zu erkennen.

Einer der mesenterialen Lymphknoten ist in einen taubenei-
grossen Abszess verwandelt und hat einen dünnflüssigen, purulenten
Inhalt.

-ocr page 87-

— 7i —

Sonst können an den verschiedenen Organen keine Abweichungen
konstatiert werden.

Schon nach dem Sektionsbefund wird die Diagnose gestellt,
auf Tuberkulose. In Deckglaspräparaten nach
Ziehl, welche
angefertigt werden vom Eiter aus dem Lungenabszess, von den
Wucherungen auf der Pleura und vom Abszess der mesenterialen
Lymphknoten, sind Tuberkelbazillen in geringer Anzahl anwesend.
Die Bazillen sind ziemlich lang und schlank und homogen tingiert;
die, welche in den mesenterialen Lymphknoten gefunden werden,
sind ungleichmässig koloriert und zeigen mehrere helle Lücken.

Dies ist also ein Fall einseitiger chronischer Pleuratuberkulose,
offenbar zufolge eines Durchbruches eines tuberkulösen Lungen-
abszesses;
und weiter Tuberkulose eines mesenterialen Lymphknotens.

Histologische Untersuchung: Untersucht werden
Stückchen der Pleura, vorn Mediastinum, von der Lunge und von
den bronchialen und mesenterialen Lymphknoten.

Die Wucherungen auf der Pleura und auf dem verdickten
Mediastinum bestehen hauptsächlich aus epithelioiden Zellen;
nach der Oberfläche zu sind auch Lymphozyten anwesend. Zwischen
diesen Zellen befindet sich ein Gerüst von feinmaschigem Bindege-
webe und sehr vielen wuchernden Blutkapillaren, welche eine dicke
Wand besitzen. Das Endothel der Pleura ist an den meisten Stellen
abgestossen, nur hier und da sind noch Endothelzellen anwesend,
sehen dann aus wie kubische Epithelzellen. Die weichen Granu-
lationen auf der Pleura sind reicher an Lymphozyten als die
derberen Wucherungen des Mediastinums. Knötchenbau ist nicht
zu erkennen, zentrale Nekrose ist nicht vorhanden.

Das Lungengewebe ist, ausser der Atelektase, normal. Nur an
einigen Stellen ist, direkt unter der Pleura, eine schmale Zone
von epithelioiden Zellen.

Die Lymphknoten enthalten kleine Herdchen von epithelioiden
Zellen. Nirgends habe ich Riesenzellen oder Nekrose wahrgenom-
men.

Tuberkelbazillen sind nur in geringer Anzahl zu finden.

Bakteriologische Untersuchung: Wegen der
geringen Anzahl von Bazillen und der Beschaffenheit des Materials
werden keine Versuche gemacht die Bazillen direkt aus den tuber-
kulösen Organen rein zu kultivieren.

Vom Inhalte des Lungenabszesses, werden am 18. März zwei
und vom tuberkulösen, mesenterialen Lymphknoten ein Meer-
schweinchen subkutan geimpft.

Aleer schweinchen a. (Lungenabszess) wird am 21. Mai, also nach

-ocr page 88-

65 Tagen getötet. Die Sektion ergibt das Bild einer allgemeinen
Impf tuberkulöse. Die Lymphknoten sind stark vergrössert und
zentral verkäst; die Leber ist zirrhotisch und durchsetzt mit un-
regelmässig gestalteten Käseherden; Milz stark vergrössert, teils
nekrotisch; Lungen miliare Herdchen mit zentraler Verkäsung.

Bazillen werden nur in geringer Anzahl gefunden.

Meerschweinchen b. (Lungenabszess) stirbt nach 30 Tagen,
Sektion ergibt akute, allgemeine Tuberkulose.

Meerschweinchen c. (Mesenteriallymphknoten) stirbt nach 175
Tagen an allgemeiner chronischer Tuberkulose.

Das Gewicht der drei Tiere betrug bei Beginn und am Ende des
Versuches 695 und 560 gr., 667 und 550 gr., und 685 und 560 gr.

Von der Milz des Meerschweinchens a. wurde ein neues geimpft
behufs Kulturversuche. Die Gewinnung in Reinkultur gelang erst
nach mehreren Tierpassagen. Die Meerschweinchen wurden etwa
4 Wochen nach der Impfung getötet und Kulturen angelegt aus
Milz und einigen Lymphknoten; fast immer waren die Organe sehr
arm an Bazillen.

Am 21. Dezember 1911 zeigen einige Kartoffelröhrchen ein deut-
liches Wachstum, kleine, dicke Partikelchen mit gelb-weisser Farbe.
Die Kolonien werden nicht gross; die grössten haben einen Durch-
messer von etwa r m.m. Auch die Weiterzüchtung auf Kartoffelnund
Serum geht nur sehr kümmerlich. Auf Serum wird ein zarter,
dünner Belag gebildet, mit wenig Neigung zur Bildung von Knöt-
chen. Das Wachstum auf Kartoffeln ist noch geringer, nur einige
sehr kleine punktförmige Kolonien werden gebildet. Auf Glyzerin-
Bouillon entsteht ein sehr dünnes, schleierartiges Häutchen.

Mikroskopisch sind die Bazillen ungleich lang; sehr kurze Stäb-
chen werden gefunden und daneben auch ziemlich lange. Oft sind
sie an den Enden ein wenig verdickt; die Tingierung ist meist
homogen. Gebogene Stäbchen werden nur in geringer Anzahl
wahrgenommen; die Mehrzahl der Bazillen ist gerade.

Tierimpfungen: Da ich fürchtete, den Bazillus nicht
in Reinkultur zu bekommen, wurde ein Kalb mit der Milz eines
tuberkulösen Meerschweinchens infiziert. Vom selben Meerschwein-
chen wurden auch wieder Kulturversuche gemacht und zufälliger-
weise bekam ich hiervon die vorgenannten Reinkulturen.

Kalb. Das Kalb, ein gut gewachsener, 7 Monate alter Bulle,
wird vorher mittels Tuberkulin (300 m.gr. subkutan) vorgeprüft.
Die dabei gemessenen Temperaturen sind folgende:

-ocr page 89-

Vor der Impfung

6-XI- \'11

Nach der Impfung.
7-XI \'11.

Stunde

8

Vormitt.

6

Nach,
mitt.

10

Impfung
Abends

6

Vormitt.

8

10

12

Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

3 9\'3

38"9

38"7

38"9

390

39" 1

39"

39,

39"1

39"2

Reaktion also negativ.

Am 8. November \'ii wird von einem der obengenannten Meer-
schweinchen, welches vor 40 Tagen infiziert worden war, drei
Viertel der Milz mit 10 c.c.m. Nährsalzlösung verrieben und die
Flüssigkeit dann durch Gaze filtriert. Das Filtrat enthält nur wenig
Bazillen; in Deckglaspräparaten sind nur wenig Bazillen zu ent-
decken, zwar ist de Quantität der Bazillen welche in den 10 c.c.m.
Flüssigkeit anwesend sind, nicht bekannt, doch ganz bestimmt ist
dies sehr viel weniger als 50 m.gr., denn im Deckglaspräparate
einer Emulsion von 50 m.gr. Bazillen in 10 c.c.m. Flüssigkeit sind
bedeutend mehr Bazillen anwesend.

Diese Emulsion wird bei obengenanntem Kalb subkutan an der
linken Halsfläche injiziert, am 8. xi \'11.

Klinischer Befund: 13—xi. Geringe Anschwellung an der Impf-
stelle; Bugdrüse ein wenig vergrössert und schmerzhaft; Tempera-
tur
39°3, 39°, 39°4-

16—X . An der Impfstelle eine schmerzhafte Verdickung von
J: 8 c.m. Diameter und ± 3 c.m. Dicke. Bugdrüse zweimal so
gross als die der anderen Seite, schmerzhaft. Allgemeiner Zustand
gut. Temperatur 39°6, 39% 39°8.

20—x . Impfstelle heiss, sehr schmerzhaft. Bugdrüse so gross
wie ein Hühnerei. Temperatur 40°5, 39°8, 40°i.

Die folgenden Tage schwankt die Temperatur zwischen 39°7
und 40°6. Das Allgemeinbefinden ist weniger gut, trockene Haare
matter Blick; Fresslust ist noch gut, merkbare Abmagerung nicht
anwesend.

28—xi. wird zum ersten Mal Husten gehört. Impfstelle ist
noch verdickt und schmerzhaft; Bugdrüse wird immer grösser.

Von jetzt ab geht der Ernährungszustand zurück, das Tier ist
sichtlich krank: öfters wird Husten gehört; matter Blick, gesträubte
Haare, wenig Fresslust. Temperatur fast immer über 40°.

XL!

-ocr page 90-

13xii, nachmittags 5 Uhr, werden im linken Auge drei Trop-
fen einer 5% Tuberkulinlösung instilliert.

14—xii, 9 Uhr, vormittags, linke Wange nass durch Triinen-
fluss, Konjunktiva stark injiziert und geschwollen, kleine Flocken
mucös-purulentes Exsudat im inneren Augenwinkel und auf dem
Bulbus. Die Exsudatmenge vermehrt sich im Laufe des Tages.

15—xii, Konjunktiva noch deutlich gerötet und geschwollen,
linke Wange nass durch Tränenfluss.

16—xii, linkes Auge wieder normal; allein noch einige Krusten
im inneren Augenwinkel.

21—xii, also 45 Tage nach der Impfung, wird das schwerkranke
Tier, durch Verblutung getötet. Die Tötung wurde vorgenommen
da die Sektion auch zu Unterrichtszwecken dienen musste,
und es nicht wahrscheinlich war, dass das Tier noch lange am
Leben bleiben würde.

Sektion: Massiger Ernährungszustand, deutliche Abmagerung.

An der Impfstelle eirje ± 8 c.m. breite und 3 c.m. dicke, platte,
scheibenförmige, käsige Neubildung, welche in Haut, Unterhaut und
Hautmuskel gelegen ist. Die Bugdrüse ist gänseneigross, zentral
verkalkt, peripher verkäst; in der Umgebung zahlreiche kleine
tuberkulöse Lymphknoten.

Lungen: akute Miliartuberkulose; einige der grösstcn Tuberkel
zeigen schon ein trübes Zentrum. Bronchiale und mediastinale
Lymphknoten sind alle vergrössert und mehr oder weniger verkäst.

In der Leber eine Anzahl stecknadelkopfgrosse, hyaline Tuberkel,
portale Lymphknoten vergrössert, makroskopisch keine Herdchen.
In der linken Niere ein hyaliner Miliartuberkel; Lymphknoten
makroskopisch normal. Die Milz zeigt eine geringe Anschwellung
der Follikel, im übrigen normal.

Magen und Darm sind makroskopisch völlig normal.

Die Bauchhöhlen- und Fleischlymphknoten sind alle vergrössert
und ödematös; Herdchen sind aber nicht zu sehen. Auch das Binde-
gewebe zwischen den Muskeln und das retroperitoneale Binde-
gewebe ist sehr saftreich.

Mikroskopische Untersuchung: Schnitte werden angefertigt von
allen makroskopisch sichtbar erkrankten Organen, und weiter
von der Milz und den mesenterialen-, renalen-, inguinalen- und Knie-
kehlen-Lymphknoten.

Die tuberkulösen Organen geben das gewöhnliche Bild einer
jungen Tuberkulose. Herdchen aufgebaut von epithelioiden Zellen
und Lymphozyten, dazwischen zahlreiche Riesenzellen; die grös-
seren Herden zentral mehr oder weniger verkäst und verkalkt.

-ocr page 91-

Impfstelle und Bugdrüse bestanden zum grösseren Teile aus ver-
kästem Gewebe mit grösseren Kalkherdchen darin eingebettet.

Die Milz, welche nicht deutlich vergrössert ist, doch etwas
geschwollene Follikel besitzt, zeigt sich mikroskopisch als tuber-
kulös. In und zwischen den Follikeln befinden sich zahlreiche
Anhäufungen von epithelioiden- und Riesenzellen, mit beginnender
zentraler Verkäsung.

Die makroskopisch geschwollenen aber sonst normalen Bauch-
hohlen- und Fleischlymphknoten zeigen sich mikroskopisch als
nicht tuberkulös, diese sind nur stark ödematös.

In sämtlichen tuberkulösen Organen werden zahlreiche Tuberkel-
bazillen gefunden.

Dies ist also ein Fall generalisierter Impftuberkulose, welche
bestimmt einen tötlic.hen Ausgang gehabt haben würde.

Eine Ziege ist von diesem Falle nicht geimpft worden, da es
mir nicht gelungen ist, dafür eine genügende Menge Bazillen zu
erhalten.

Impfungen mit Reinkulturen: Kaninchen: Ein Kaninchen von
2380 gr. wird intravenös geimpft mit o.r m.gr. Bazillen. Nach
27 Tagen erliegt das Tier dem Tode; der stark abgemagerte Kadaver
wiegt 1800 gr. also ein Gewichtsverlust von 580 gr.
Sektion: Lungen,
Milz und Nieren sind dicht durchsetzt von hyalinen Miliartuberkeln;
die Leber enthält ebenso, doch in geringerer Menge, hyaline Knötchen.
Die Lymphknoten sind vergrössert und teilweise verkäst.

Mikroskopisch sind die Tuberkel noch nicht vollkommen aus-
gebildet. In den Nieren befinden sich zwischen den Epithelioid-
zellen hier und da noch ziemlich normale Nierenepithelien. In
den Lungen bestehen die Knötchen aus, mit Epithelioidzellen,
Kiesenzellen und Lymphozyten ausgefüllten Alveolen. Die Alveo-
larepithelien sind verdickt und ragen ins Lumen hinein. In den
grösseren Herden ist bereits eine zentrale Nekrose aufgetreten.

Bazillen können in allen veränderten Geweben nachgewiesen
werden, sie sind homogen tingiert, lang, aber nicht sehr schlank.

Ein zweites Kaninchen erhält subkutan xo m.gr. Bazillen. An
der Impfstelle entwickelt sich ein mannsfaustgrosser Abszess,
mit fluktuierendem Inhalt. Unter steter Abmagerung verendet
das Tier nach 113 Tagen. Bei der
Sektion ist am linken Hinterbein
ein ausgebreiteter, tuberkulöser Abszess in der Muskulatur zu
finden, der Inhalt des Abszesses ist ein dünnflüssiger, schleimiger
Eiter. Die Lungen sind hochgradig tuberkulös, ebenso die Nieren;
die übrigen Organe sind makroskopisch normal.
Mikroskopisch
zeigen die tuberkulösen Affektionen eine starke Nekrose und nur

-ocr page 92-

einen schmalen Saum Fibroblasten und Lymphozyten. Tuberkel-
bazillen sind reichlich anwesend, sie haben eine schlanke Gestalt,
sind ziemlich lang und ungleichmässig koloriert.

Meerschweinchen: Ein Meerschweinchen von 730 gr. wird sub-
kutan mit 5 m.gr. Bazillen geimpft. Tot nach 41 Tagen; Gewichts-
verlust 110 gr.
Sektion: Allgemeine Impftuberkulose. Sämtliche
Organe enthalten viele, homogen gefärbte, ziemlich kurze Bazillen.

Fall V.

Schosshündchen, männlich, 5 Jahre alt; Protokollnummer B. 294.

Dieser Hund war dem hiesigen Institute mit folgender Anamnese
lebendig übergeben.

Das Tier war seit ungefähr 5 Jahren im Besitze einer an Tuber-
kulose gestorbenen Frau gewesen. Seine Herrin hatte während
20 Jahren an einer tuberkulösen Gonitis gelitten und die letzten
4 Jahre an Lungenschwindsucht. Vor zwei Jahren war der Hund
krank geworden, das erste Symptom war Polyurie, dann trat
Abmagerung und verminderte Fresslust ein. Bald darauf begann der
Hund zu husten und wurde sehr kurzatmig. Die Temperatur war
nicht erhöht. Bei der Untersuchung des Brustkorbes waren Rassel-
geräusche und an der linken Seite Lungendämpfung wahrzunehmen.

Das chronische Lungenleiden des Hundes war also aufgetreten
zwei Jahre nachdem seine Herrin an Lungenschwindsucht er-
krankt war. Zu bemerken ist noch, dass der Hund bei seiner Herrin
im Bette schlief und gefüttert wurde mit Brot, Reis und den Ueber-
resten des Mittagmahles. — Soweit die Anamnese.

Der Hund wird am Institute in Beobachtung gehalten. Der
allgemeine Zustand ist schlecht; das Tier ist sehr mager, kurzatmig,
hat wenig Fresslust und ist sehr mürrisch. Die geringste Aufregung
verursacht heftige Hustenanfälle, besonders bei den vergeblichen
Versuchen zu bellen. Sputum kann nicht erhalten werden. Die
Temperatur schwankt zwischen 38°5 und 39°.

Am 10. Juli \'10 wird 30 m.gr. Tuberkulin subkutan injiziert,
am folgenden Morgen liegt das Tier tot im Stalle.

Sektionsbefund: Die Sektion findet am selben Tage
statt. Der Kadaver ist stark abgemagert und hydraemisch.

Die Lungen sind mässig gut kollabiert, beiderseits ödematös,
die linke Lunge durch Hypostase sehr blutreich. An den scharfen
Lungenrändern ist subpleurales und vesikuläres Emphysem zu-
gegen; weiter sind die Lungen durch Anthracosis schwarz pigmen-
tiert.

-ocr page 93-

Bei der weiteren Untersuchung stellt es sich heraus, dass die
Lungen nur zum kleineren Teile lufthaltig sind. Die erkrankten
Teile sehen sehr verschieden aus.

An erster Stelle sind auf der Schnittfläche mehrere gelblich-
weisse, verkäste Herde zu sehen; diese Herde sind ungleichgross
und haben eine unregelmässige Form. Die meisten sind ungefähr
rund und im zentralen Teile aus konzentrischen Schichten auf-
gebaut; an der Peripherie ist die käsige Masse eher homogen; im
Zentrum ist oft ein sehr kleines Lumen bemerkbar. Andere Herdchen
sind länglich und verästelt, diese haben dieselbe Form wie Bron-
chien im Längsschnitt.

Diese Käseherde sind offenbar entzündlich veränderte kleine
Bronchien. Deutlicher ist dies zu sehen an grösseren Herden; hier
befindet sich in der Mitte der verkästen Masse ein deutlich erkenn-
barer Bronchus, mit stark verdickter Wand und nekrotischem
Inhalt.

Neben diesen verkästen Stellen sind mehrere bis haselnuss-
grosse Kavernen zu sehen. Diese unregelmässig gebildeten Höhlen
sind mit einer dünnen, eiterähnlichen Masse gefüllt; einige stehen
in offener Verbindung mit grösseren Bronchien und enthalten
dann nur wenig Exsudat.

In der nächsten Umgebung der Käseherde ist das Lungen-
gewebe verdichtet, nicht lufthaltig, sondern gefüllt mit einem
trüben Exsudate. Im Lungengewebe sind weiter einzelne sehr
kleine, miliare Knötchen aufzufinden.

Die grossen Bronchien sind ungleichmässig erweitert (Bronchiek-
tasien), haben eine verdickte Wand, und führen einen dickschlei-
migen mit nekrotischen Partikelchen versehenen Inhalt. Die
Schleimhaut der Trachea, des I.arynx und der Mundhöhle ist
normal.

Die bronchialen Lymphknoten sind ein wenig vergrössert, doch
zeigen sie eine normale, homogene Schnittfläche.

Alle übrigen Organe der Brust- und Bauchhöhle und die Lymph-
knoten sind vollkommen normal.

Deckglaspräparate der verkästen Teile enthalten zahlreiche,
sehr schlanke, ungleichmässig tingierte Tuberkelbazillen.

Bemerkenswert ist, dass trotz der Deglutition grosser Mengen
Tuberkelbazillen — nach jedem Hustenanfall wurde das Sputum
verschluckt — die Darmschleimhaut und die mesenterialen Lymph-
knoten vollkommen intakt sind.

Diagnose: Peribronchitis tuberkulöser Natur, mit kavernen-
bildung chronische, käsige Pneumonie, Bronchitis
und diffuse ka-

-ocr page 94-

tarrhalische Pneumonie, Odem, Anthracosis und geringes Emphy-
sem der Lungen.

Histologische Untersuchung: Wie zu erwarten,
zeigen sich mikroskopisch die wichtigsten Abweichungen an den
Bronchien. In jedem Schnitte sind Käseherde zu sehen, welche
nicht scharf von der Umgebung getrennt sind. Die kleinsten dieser
Herde sind zentral völlig nekrotisch, eine Struktur ist in diesen
Teilen nicht mehr wahrzunehmen. Nach der Peripherie hin treten
zwischen dem homogenen Käse, Kerntrümmer auf; ein wenig
weiter vom Zentrum sind neben den Kerntrümmern auch intakte
Zellen anwesend. Das nekrotische Gewebe macht hier lebhaft
wuchernden Fibroblasten, zwischen welchen auch reichlich Epi-
thelioid- und Rundzellen anwesend sind, Platz. Hierauf folgt die
Uebergangszöne zum normalen Lungengewebe; hier ist der alveolare
Bau des Lungenparenchyms noch zu erkennen, die Alveolarepithelien
aber sind hypertrophiert und zum grössten Teile descpiamiert;
einige Alveolen sind völlig durchwuchert von Fibroblasten, andere
enthalten nur Epithelien und einige Rundzellen.

Die kleinen Herde haben also ein homogenes, käsiges Zentrum,
dann folgen Epithelioidzellen, Rundzellen, spindelförmige Fi-
broblasten, und schliesslich eine Uebergangszöne zum normalen
Gewebe. Dieser Bau ist im grossen Ganzen an allen Käseherden
zu erkennen.

Die grossen Herde bestehen entweder aus konfluierten kleineren,
oder es sind käsig-entzündete Bronchien. Die grossen Bronchien
zeigen noch eine ziemlich intakte Schleimhaut; zwar sind die
Epithelien teilweise abgestossen, aber die Mukosa ist noch deutlich
erkennbar. Rings um den Bronchus liegen konfluierte Käseherdchen,
welche mit der bindegewebig verdickten Bronchialwand ver-
wachsen sind. Im Bronchiallumen befindet sich ein körniger Detritus,
mit mehr oder weniger zerfallenen Epithelien und Leukozyten.
Kleinere Bronchien sind meist ganz obturiert, das Lumen ist mit
einer käsigen Masse vollkommen ausgefüllt; die Bronchialwand
ist nur an dem konzentrisch geschichteten Bau und den Knorpel-
plättchen zu erkennen; die Schleimhaut ist ganz verschwunden,
die bindegewebige Wand mehr oder weniger nekrotisch. Das
peribronchiale Gewebe besteht aus Anhäufungen von Fibroblasten,
Epithelioidzellen Und Lymphozyten,
Welche Anhäufungen zum
grössten Teil nekrotisiert sind.

Neben diesen bronchitischen Prozessen sind in den Lungen-
schnitten grössere Käseherde mit einem Mantel von Epithelioid-
zellen, Rundzellen und spindelförmigen Fibroblasten anwesend,

-ocr page 95-

sie sind aber in der Minderzahl. Möglicherweise aber stehen diese
Herdchen doch mit bronchitischen Prozessen in direktem Zusam-
menhang, wiewohl dies in den untersuchten Schnitten nicht
erkennbar ist.

Die Wandungen der kavernösen Höhlen bestehen aus Fibroblasten
Lymphozyten, Leukozyten und feinen Bindegewebsfasern; dieses
Gewebe ist aber grösstenteils nekrotisch.

Das übrige Lungengewebe ist zum kleineren Teile normal,
daneben befinden sich Stellen wo die Alveolen gefüllt sind mit
desquamierten Epithelien und Leukozyten, daneben starker
Injektion der Blutkapillaren (katarrhalische Pneumonie); an
anderen Stellen enthalten die Alveolen nur einige desquamierte
Epithelien und sind ausgefüllt mit einer homogenen Eiweissmasse
— Lungenödem —. Ueberall ist Anthracosis in hohem Masse
anwesend.

Die bronchialen Lymphknoten zeigen an der Peripherie nur einzelne,
sehr kleine Anhäufungen von Epithelioidzellen, keine Nekrose.

In den makroskopisch normalen mesenterialen Lymphknoten
konnte ich auch mikroskopisch keine tuberkulösen Veränderungen
nachweisen.

In Schnitten gefärbt nach Zieiil sind in den tuberkulösen
Partieen sehr viele Tuberkelbazillen zu sehen. Besonders reich an
Bazillen ist der nekrotische Inhalt der Kavernen, hier liegen die
Bazillen öfters zu S-förmig geschlängelten Häufchen beisammen;
auch der Bronchialinhalt ist reich an Bazillen. Neben den Tuberkel-
bazillen sind in dem Kaverneninhalte auch nicht-säurefeste
Bakterien anwesend, stellenweise sogar in grosser Menge; es sind
dies Coccen und plumpe Stäbchen.

In den kleinen Herdchen der bronchialen Lymphknoten habe\'ich
nur sehr einzelne Bazillen aufspüren können.

Bakteriologische Untersuchung: Vom Inhalte
einer Kaverne werden subkutan geimpft zwei Kaninchen und zwei
Meerschweinchen. Eines der Kaninchen stirbt nach { Tagen an
Septicaemie; das andere stirbt nach 75 Tagen durch unbekannte
Ursache. Es wurde bei diesem letzten Kaninchen nämlich nur ein
wallnussgrosser Abszess, gefüllt mit dickem, rahmartigem Eiter an
der Impfstelle gefunden, und dies allein konnte den Tod nicht er-
klären. Der Eiter enthielt spärlich Tuberkelbazillen, welche sehr
dünn, ziemlich kurz und homogen gefärbt waren. Die Gewichte
waren bei Beginn und am Ende des Versuches 1720 gr. resp. 1560 gr.

Eines der Meerschweinchen stirbt nach 4 Wochen an einer
Mischinfektion.

-ocr page 96-

Das zweite Meerschweinchen stirbt erst nach 4 Monaten. Die
Sektion ergibt eine ausgebreitete Impftuberkulose. An der Impf-
stelle befindet sich in der Muskulatur ein grosser, mit weichem
Käse gefüllter, tuberkulöser Herd. Die Lymhpdrüsen sind alle
stark vergrössert, teils fibrös, teils verkäst. Lungen, Leber und
Milz enthalten neben ausgebreiteten Käseherden, konfluierte ver-
käste Tuberkel. Nach fleissigem Suchen wird nur in einem, der
sehr vielen Deckglaspräparaten, ein Bazillus gefunden.

Behufs Erlangung von Reinkulturen werden wiederholt neue
Meerschweinchen geimpft; die tuberkulösen Veränderungen haben
immer einen fibrösen Charakter und sind arm an Tuberkelbazillen;
dies ist die Ursache dass erst in Juli \'n die ersten Reinkulturen
erhalten werden. Auch wurden mehrmals Kaninchen geimpft,
die aber nie an Tuberkulose starben, und meistens nur einen
lokalen Impfabszess bekamen.

Das Wachstum des Bazillus ist auf den verschiedenen Nähr-
böden sehr üppig. Auf festen Nährböden werden dicke, warzige
Kolonien gebildet, die öfters eine gelbliche bis rosa-gelbliche Farbe
annehmen. Auf Bouillon wird eine dicke, gerunzelte Haut gebildet,
welche die ganze Oberfläche gleichmässig bedeckt und an der
Glaswand emporklettert.

Die Bazillen sind lang, sehr schlank und öfters leicht gebogen;
die Mehrzahl ist homogen tingiert, einige aber haben ein körniges
Aussehen. Tm allgemeinen sind die Bazillen der Serumkulturen
kürzer als die der Bouillonkulturen.

Tierimpfungen mit Reinkulturen: Umstände-
halber konnten erst am 24. April \'x2 Impfungen an grösseren
Versuchstieren vorgenommen werden. Der Bazillus war damals
schon seit 9 Monaten in Reinkultur und während dieser Zeit 5
Male übergeimpft worden und zwar auf Kartoffel. Die zur Impfung
benutzte Kultur war 4 Wochen alt und sehr üppig gewachsen.

Kalb. Ein 3 Monate altes, starkes Stierkalb wird vorher der
subkutanen Tuberkulinisierung (200 m.gr.) unterzogen; die Reak-
tion verläuft negativ; folgende Temperaturen sind gemessen worden:

Vor der Impfung

17—1\'V—\'\'12

Nach der Impfung.

18—IV—\'12.

Stunde

8

Vormitt.

2

Nach*
mitt.

6

Nach,
mitt.

10

Abends
Injek»
tion

6

Vormitt.

8

10

12
Mittags

2

Nach,
mitt.

4 6

. 1

Temperatur

38"6

38"5

38 "9

38"6

38"3

38"9

38"7

38"3

38"

38"6 ! 38°7

1
1

-ocr page 97-

Am 24. April \'12 bekommt dieses Kalb von obengenannter
Kultur 55 m.gr. subkutan an der linken Halsfläche.

Klinischer Befund: Nach zwei Tagen befindet sich an der Impf-
stelle eine kleine, wenig schmerzhafte Anschwellung; die Bugdrüse
ist ein wrenig vergrössert; Temperatur 390 bis 39°6. Bis zum 13.
Mai bleibt die Temperatur erhöht, steigt einige Male bis zu 4o°2,
und sinkt dann wieder bis auf 38° bis 38°8.

Die Körperwärme ist aber wenig konstant, mehrere Male steigt
diese bis zu 40° und darüber; diese Erhöhungen dauern aber nur
1 bis 2 Tage, und machen dann wieder der normalen Temperatur
Platz.

Die lokale Anschwellung wird nicht grösser, es entwickelt sich
allmählich ein kleiner, derber Knoten in Kutis und Subkutis, die
Bugdrüse bleibt ein wenig vergrössert.

Wiewohl das Allgemeinbefinden sehr gut ist, wächst das Kalb
nur kümmerlich, und bleibt an Grösse gegen ein gleichaltiges
Kalb bedeutend zurück.

Am 14. Oktober wird das Kalb der intradermalen Tuberkulin-
probe unterzogen; nachmittags 3 I hr bekommt es in den ober-
flächlichen Schicht der Haut der rechten Schweiffalte 0.1 c.c.m.
Tuberkulin von 50%. Die lokale Reaktion ist sehr deutlich; nach 24
Stunden ist schon eine bedeutende Anschwellung bemerkbar,
die nach 48 Stunden ihren Höhepunkt erreicht: die rechte Falte
ist bedeutend viel dicker als die linke und an der Injektionsstelle
hat sich ein derbes Knötchen entwickelt. Nach drei Tagen ist die
Anschwellung geringer und nach 6 Tagen vollkommen verschwunden.

Das Kalb wird am 28. Oktober, also nach 6 Monaten, durch
Verblutung getötet.

Sektion. Abgemagerter, hydraemischer Kadaver.

An der Impfstelle befinden sich kleine fibröse Neubildungen
mit Kalkpünktchen durchsetzt; die Bugdriise der linken Seite
ist etwa zweimal so gross als die rechte, und auf dem Durchschnitte
hochgradig tuberkulös; ausgebreitete Verkäsung und Verkalkung.

In den Lungen befinden sich auf und unter der Pleura fünf,
etwa erbsengrosse, abgeplattete Tuberkel; diese haben eine gelb-
liche Farbe und eine homogene, saftige Schnittfläche. Die bronchi-
alen Lymphknoten sind ein wenig vergrössert, zeigen aber ma-
kroskopisch keine deutlichen tuberkulösen Veränderungen.

In der Bauchhöhle befindet sich etwa 300 c.c.m. trübe, seröse
Flüssigkeit. Das Omentum ist stellenweise besetzt mit flockigen
fibrösen Wucherungen; der übrige Teil des Peritoneums ist normal.
Die Leber enthält zahlreiche kleine, runde und verästelte Eiter-

-ocr page 98-

herdchen. Die Nieren sind bleich, klein, derb und von Binde-
gewebszügen durchzogen.

Mikroskopische Untersuchung: Impfstelle und Bugdrüse zeigen
das Bild einer chronischen Tuberkulose mit zentraler Verkäsung
und beginnender Verkalkung; beide Teile sind reich an Tuberkel-
bazillen.

Die Neubildungen der Pleura sind aufgebaut aus einer grossen
Anzahl junger Miliartuberkel, durch faseriges Bindegewebe ver-
bunden; die Miliartuberkel bestehen aus einem Zentrum von
Epithelioid- und Kiesenzellen und einer peripheren Zone von
Lvmphozyten. Nekrose ist nicht anwesend. Diese Konglomerat-
tuberkel sind sesshaft unter und auf der Pleura. Die Knoten ent-
halten zahlreiche Tuberkelbazillen, schlank, nicht lang, und homo-
gen tingiert.

Die Wucherungen auf dem Omentum bestehen aus Fibroblasten
und Leukozyten; die Blutgefässe sind teils obturiert, teils mit einer
verdickten Wand mit wuchernden Endothelien versehen. Tuberkel-
bazillen können in sehr geringer Anzahl nachgewiesen werden;
auch die Meerschweinchenimpfung verläuft positiv.

Die Veränderungen in I eber und Nieren sind nicht tuberkulöser
Natur; diffuse chronische Nephritis und eitrige Entzündung der
Gallengänge und eitrige Infiltration des periportalen Gewebes.
Tuberkelbazillen können in diesen Organen nicht nachgewiesen
werden (Deckglaspräparatcn und Meerschweinchenimfpung).

Wir haben hier also: tuberkulöse Veränderungen an der Impf-
stelle, chronische Tuberkulose der linken Bugdrüse und geringe
Brust- und Bauchfelltuberkulose.

Ziege: Mit derselben Kultur wird auch eine Ziege geimpft.
Die Ziege ist ungefähr i Jahr alt und vorher der subkutanen
Tuberkulinprobe unterzogen; die Reaktion ist negativ.

Vor der Impfung
17 IV 12

Nach der Impfung.
18 -IV—\'12.

Stunde

8

Vormitt.

12

Mittags

6

Nach»
mitt.

10

Abends
Injek*
tion

6

Vormitt.

8

10

12

Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

■ 6

Temperatur

38"3

38"7

39"2

38"8

38"9

38"9

39"

38"8

38"6

38"4

38"5

-ocr page 99-

Die Ziege bekommt am 24. April \'12 in der linken jugularvene
40 m. gr. Bazillen in 4 c.c.m. Kochsalzlösung.

Klinischer Befund: Nach drei Tagen befindet sich an der Impf-
stelle in der Subkutis eine kleine, diffuse Anschwellung, welche
sich in den folgenden Tagen zu einem etwa haselnussgrosseri derben
Knoten entwickelt.

Die Temperatur ist von 30—vi bis 3—v erhöht und schwankt
während dieser Zeit zwischen 39°5 und 40°9; dann sinkt sie wieder
und bleibt während des ganzen Versuches unter 39-°2.

Der Knoten an der Impfstelle bleibt stationnär, die linke Bug-
drüse, welche anfangs etwas vergrössert ist, nimmt in Grösse ab
und ist nach zwei Monaten ebenso gross wie die rechte.

Am 14. Oktober wird die Ziege der intradermalen Tuberkulin-
probe unterzogen, welche deutlich positiv ist.

Am (j. November, also nach 6i Monaten, wird das Tier durch
Verblutung getötet.

Sektion: Der Kadaver zeigt ausgezeichneten Ernährungszustand.

An der Impfstelle befindet sich im subkutanen Bindegewebe
ein erbsengrosses verkästes Herdchen. Die Vena jugularis ist nor-
mal. Die linke Bugdrüse ist nicht vergrössert, enthält aber einige
sehr kleine verkalkte Herdchen. Im übrigen sind an den Organen
keine Abweichungen nachweisbar.

Mikroskopische Untersuchung: Die Herdchen in der Bugdrüse
sind fast ganz verkalkt, nur ein schmaler Saum von Epithelioid-
zellen ist anwesend, darum befindet sich eine starke Bindegewebs-
hülle, der Prozess trägt also keinen progressiven Charakter.

Tuberkelbazillen werden an der Impfstelle und in der Bugdrüse
nachgewiesen, jedoch in geringer Anzahl; die Stäbchen sind lang
und schlank, und homogen tingiert.

Kaninchen: Ein Kaninchen von 2200 gr. Gewicht wird intra-
venös infiziert mit 0.1 m.gr. Bazillen; ein zweites 2100 gr. schweres
Kaninchen erhält subkutan 10 m.gr. Bazillen. Beide Tiere bleiben
vollkommen gesund und werden nach 180 Tagen getötet. Die Tiere
haben während des Versuches 30 resp. 60 gr. an Gewicht zugenom-
men. Bei der
Sektion enthalten die Lungen beider Kaninchen ein-
zelne, hanfkorngrosse Tuberkel; beim subkutan geimpften Tiere
ist an der Impfstelle auch ein haselnussgrosser Abszess anwesend,
der mit schleimigen Eiter gefüllt ist.

Mikroskopisch zeigen die Lungenprozesse keinen progressiven
Charakter, die Tuberkel, welche zentral verkäst und verkalkt
sind, haben einen Mantel von fibrösem Bindegewebe, und bestehen
hauptsächlich aus Fibroblasten, von denen die meisten Spindel-

-ocr page 100-

förmig sind. Epithelioidzellen und Lymphozyten siijd nur in
geringer Zahl anwesend.

Tuberkelbazillen sind in den Knötchen in ziemlich grosser
Zahl anwesend; sie sind lang und schlank und öfters ungleich-
mässig koloriert.

Meerschiveinchen: Ein 510 gr. schweres Meerschweinchen er-
hält subkutan 50 m.gr. Bazillen. Das Tier stirbt nach 78 Tagen;
Gewicht 490 gr. Bei der Sektion wird an der Impfstelle ein Ulcus
und ein Käseherd gefunden; weitere verkäste tuberkulöse Herde
sind in Leber, Milz, Lunge und den Lymphknoten.

Die Organe enthalten nur wenig Tuberkelbazillen.

Fall VI.

Fox-terrier, männlich, 4 Jahre alt; Protokollnummer A. 435.
Wegen chronischer Bronchitis (Tuberkulose) am 29. Juli \'10, als
unheilbar mittels Strychnin getötet.

Sektion: Die Sektion wird einige Stunden nach dem Tode
vorgenommen. Der Kadaver ist der eines mässig gut genährten
Hundes.

Die bronchialen und mediastinalen Lymphknoten sind stark
vergrössert; sie bilden einen harten, mehr als faustgrossen Tumor,
welcher die Luftröhre ganz umfasst. Auf dem Durchschnitte ist
die Neubildung feucht-fibrös und hat eine weisse Farbe; mit dem
Messer ist eine trübe, weisse Flüssigkeit abzustreichen. Die Luft-
röhre ist unmittelbar vor der Bifurkation an der Stelle der Neu-
bildung, seitlich zusammengedrückt; die Bronchien enthalten
ein wenig klare, schleimige Flüssigkeit.

Die Lungen sind normal zusammengefallen und enthalten
zahlreiche, sehr kleine, hyaline Herdchen, von welchen die grössten
kaum die Grösse eines Stecknadelkopfes haben. Die übrigen
Brustorgane sind normal.

Das Omentum ist knotig verdickt und mit dem Pankreas und
der Milz verwachsen. Auf der Schnittfläche sind die Knoten derb
und grösstenteils verkäst. Die Milz ist nicht vergrössert und auf der
Schnittfläche normal. Das Pankreas ist makroskopisch normal.

In der Leber befinden sich eine Anzahl rundlicher Neubildungen
mit einem Durchmesser von 1 m.m. bis 3 c.m. Auf der Schnitt-
fläche sind die grössern Herde fibrös, fest und mehr oder weniger
verkäst, die kleineren sind mehr fibrös-hyalin und nicht verkäst.
Die Leber ist vergrössert und sehr blutreich. Die portalen Lymph-
knoten sind knotig vergrössert, und teilweise verkäst.

-ocr page 101-

Die linke Niere enthält drei stecknadelkopfgrosse, weisse, hyaline
Herdchen, die regionnären Lymphknoten sind nicht vergrössert.

Der Magen und der Darm, nebst Lymphknoten, sind normal.
Bauchhöhlen- und Fleischlymphknoten makroskopisch normal.
In Deckglaspräparaten konnten in den veränderten Organen keine
Tuberkelbazillen nachgewiesen werden.

Histologische Untersuchung: In den Lungen
befinden sich kleine, runde Anhäufungen von Fibroblasten, welche
teils spindelförmig, teils polygonal sind. An der Peripherie be-
finden sich zwischen diesen Zellen auch einige Lymphkozyten.
Neugebildetes Bindegewebe ist nicht zugegen. In den grössten
Herdchen ist das Zentrum im Anfangsstadiurn der Nekrose.

Die grössern Leberherde sind fast ganz nekrotisch; an der
Peripherie befindet, sich eine Zone schöner Epithelioidzellen, und
sehr wenig Lymphozyten. Die kleineren Plerdchen bestehen fast
ganz aus epithelioiden Zellen. Alle Herdchen sind von einer mehr
oder weniger dicken, gefässreichen Bindegewebshülle umgeben.
In den grösseren Knoten ist auch ziemlich viel faseriges Binde-
gewebe im nekrotischen Zentrum anwesend.

Die vergrösserten Lymphknoten geben sämtlich ein ungefähr
gleiches Bild. Vom eigentlichen Lymphknotengewebe sind nur
spährliche Reste anwesend; daneben und dazwischen befinden sich
grössere und kleinere Anhäufungen von Epithelioidzellen und
Lymphozyten. Zwischen diesen Zellen ist ein ziemlich schweres
Bindegewebsgerüst. Die Epithelioidzellen sind nicht „typisch"
geformt, sie haben oft eine mehr oder weniger spindelförmige
Gestalt; keine Nekrose.

Die Schnitte vom Omentum zeigen nur sehr wenig Fettgewebe.
Das neugebildete Gewebe hat einen knotigen Bau. Die Knoten
bestehen aus epithelioiden Zellen und Lymphozyten und sind
zentral verkäst. Zwischen und auch in den Knoten ist sehr viel
neugebildetes Bindegewebe zu sehen.

Die Knötchen in der linken Niere sind aufgebaut aus Epithe-
lioidzellen und Lymphozyten; keine Nekrose im Zentrum.

Die Neubildungen in den verschiedenen Organen sind sehr arm
an Gefässen; nur im neugebildeten Bindegewebe sind wenige
wuchernde Blutkapillaren zu sehen. In keinem der Organen habe
ich Riesenzellen wahrgenommen.

In nach Ziehl gefärbten Schnitten, sind nur sehr wenig Tuberkel-
bazillen zu finden. Besonders arm an Bazillen sind die Lymphkno-
ten und die Lungenherdchen. In den Neubildungen der Leber
und des Netzes sind, besonders in den nekrotischen Teilen, ziemlich

-ocr page 102-

viel Bazillen anwesend. Sie erweisen sich als lange, schlanke, leicht
gebogene Stäbchen, welche im allgemeinen homogen tingiert
sind; einige Stäbchen aber zeigen helle, nicht kolorierte Lücken.

Tierimpfungen: Ein Meerschweinchen wird am Tage
der Sektion des Hundes subkutan infiziert mit einer Emulsion
vom portalen Lymphknoten. Tn Deckglaspräparaten dieses Knotens
hatte ich keine Bazillen gefunden.

Am 3. Oktober \'10, also nach 66 Tagen, stirbt das Tier ziemlich
unerwartet. Während des Versuches nämlich, war das Meerschwein-
chen immer ganz gesund gewesen, die Keaktion an der Impfstelle
(innere Schenkel fläche) und an benachbarten Lymphknoten war
sehr gering; das Gewicht hatte nicht abgenommen. Einige Tage
vor dem Tode aber wurde das Tier plötzlich schwer krank, magerte
schnell ab,* hatte keine Fresslust und sass mit gesträubten Haaren
zusammengeka uert.

Bei der Sektion sind die Organe durchsät mit kleinen Abszessen,
welche einen dicken Eiter enthalten. An der Impfstelle befindet
sich zwischen den Muskeln ein wenig zäher, schleimiger Eiter.

Die benachbarten Leistenlymphknoten sind, ebenso wie alle
anderen, teilweise abszediert.

Im Eiter der verschiedenen Organe befinden sich kleine, plumpe,
Gram— Stäbchen, welche sich kulturell alsBazilluspseudotub§rculo-
sis rodentium erweisen. In einigen Deckglaspräparaten sind neben
Pseudotuberkelbazillen auch einige säurefeste Stäbchen zu finden.
Letztere sind lang und schlank und leicht gebogen; die Färbung
ist meistens nicht homogen, neben dunkeln Körnern sind unge-
färbte helle Lücken vorhanden.

Dieser Fall ist nicht weiter untersucht worden.

(Schluss folgt.)

-ocr page 103-

Veterinaire Vraagstukken!

door
K. HOUBA.

Bij tal van quaesties, welke in den laatsten tijd in veterinaire
kringen zijn besproken of daar belangstelling hebben opgewekt,
stoot men herhaaldelijk op eene opgeworpen moeielijkheid, welke
ik mij voorstel in deze regelen onder de oogen te zien.

Niet alleen de opwerping zelf heeft mij tot een poging tot oplos-
sing geleid, doch ook de overweging dat de quaestie in hare alge-
meene strekking op het oogenblik eene meer dan gewone aandacht
verdient, nu het vooruitzicht geopend is, dat in eene niet ver ver-
wijderde toekomst de wet op het Veeartscnijkundig Staatstoezicht
staat gewijzigd en herzien te worden.

Het is niet mijne bedoeling daarmede de urgentie eener wij-
ziging van het stelsel van ons Veeartsenijkundig Staatstoezicht toe
te geven — iets waarover ook in ter zake meer deskundige kringen
geenszins eene onverdeelde meening heerscht — doch nu eenmaal
bij de Regeering het voornemen eener herziening bestaat, wil ik in
geenen deele den schijn op mij laden een tegenstander van zulk een
herziening te zijn.

Te meer klemt zulks, waar thans bij de Regeering den wil is ge-
bleken om in die aangelegenheid met de mannen der Veeartsenij-
kundige practijk voeling te houden en het oordeel der practici daar-
omtrent te vernemen.

Dit reeds acht ik een gelukkig verschijnsel, hetwelk loffelijk af-
steekt bij de afwijzende, bureaucratische houding, welke in de
laatste jaren het Departement van Landbouw heeft aangenomen in
alle aangelegenheden, welke de Veeartsenijkunde in het algemeen
en den Veeartsenijkundigen Dienst in het bijzonder betroffen en
welke geenszins heeft bijgedragen het peil van practische bruik-
baarheid van uitgevaardigde maatregelen en besluiten te verhoogen.

Te verwonderen is het dan ook niet, dat in het Voorloopig Ver-
slag over de Staatsbegrooting 1914 ten opzichte van dit Departe-
ment beperking van bureaucratie en van neiging om de zaken
van bovenaf te regelen werd bepleit.

Wil men in den vervolge die bureaucratische klip — mede ook
bij bovenbedoelde herziening der wet — ten minste zooveel mogelijk

-ocr page 104-

ontzeilen, dan zal het natuurlijk een onafwijsbare vereischte zijn,
dat niet alleen mannen, die in nauwe betrekking staan tot het
Veeartsenij kundig Staatstoezicht tot zoodanig overleg worden
toegelaten, doch ook het oordeel der practijk zal meespreken in
personen, die los van allen Staatsdienst, de practijk meeleven en
die, niet met eenig wettelijk autoritair gezag bekleed, meer het oor
te luisteren kunnen leggen naar hetgeen in de kringen der belang-
hebbenden ten opzichte van veeartsenijkundig toezicht wordt
gevorderd of verlangd en deze wenschen en verlangens aan sanitaire
vereischten hebben kunnen toesten.

Op die wijze zal men de grootst mogelijke zekerheid verkrijgen,
practische en doorvoerbare maatregelen te kunnen treffen.

Deze korte inleiding moge al — naar nader blijken zal — in eenig
verwijderd verband staan tot het te bespreken onderwerp, doch
het doel van mijne beschouwing ligt dieper en raakt meer den aard
en het wezen van het Veeartsenijkundig Staatstoezicht in het
bijzonder. —

Zij betreft dan tevens de plaats, welke, aan dit Staatstoezicht
in ons Staatsverband toekomt, want, nu eenmaal Vader Staat
zijne zorgzame hand ook naar veeartsenij kundige aangelegen-
heden heeft uitgestrekt, dient aan dat Toezicht ook een plaats
in ons Staatsverband te worden toegekend, welke overeenkomt
met zijn aard en wezen.

Nu is het eigenaardig, dat men telkens stuit op de netelige vraag:
„Wat is Veeartsenijkundig Staatstoezicht?". „Wat is Veeartsenij-
kundige Dienst?" vragen,welke zich vooral in den laatsten tijd (ik
behoef slechts te wijzen op het schrijven van Dr. D. A. de Jong in
dit Tijdschrift van den i October 1.1.) hebben opgedrongen, toen
er sprake was van de wettigheid van eenen met beti\'ekking tot dien
dienst genomen maatregel.

De beantwoording dezer vraag ligt m. i. voor de hand en kan
geen andere zijn dan deze: Veeartsenijkundig Staatstoezicht is de
regeling van en het toezicht op alle aangelegenheden van veterinairen
aard, welke de Staat tot voorwerp zijner zorg heeft gemaakt en
Veeartsenij kundige Dienst is alles, wat wettig en wettelijk uit-
vloeisel is van dat door den Staat geregeld Toezicht.

Een zoo voor de hand liggend antwoord op deze vragen, moet
wel tot de conclusie voeren, dat bij het stellen daarvan iets anders
is bedoeld, dat men meer heeft willen gedefinieerd zien het innerlijk
wezen en den innerlijken aard van dat door den Staat gereserveerde
Toezicht en den omvang van den daaruit voortvloeienden Vee-
artsenij kundigen Dienst. Zoo gesteld en zoo opgevat is het ant-

-ocr page 105-

woord daarop niet zoo gemakkelijk en voor de hand liggend, doch
wel duidelijk moet het zijn, dat slechts de wet, regelende het Vee-
artsenijkundig Staatstoezicht, richtsnoer van den aard en maatstaf
van den omvang van dat Staatstoezicht dient te zijn.

En nu is het naar mijn bescheiden meening juist de schuld der
wet, dat het antwoord op die vragen niet zoo dadelijk voor de hand
ligt.

Hetgeen namelijk in het gewone spraakgebruik wordt gesplitst
in Veeartsenijkundig Staatstoezicht en Veeartsenij kundige Dienst,
wordt door de wet vereenzelvigd onder de algemeene benaming
van Veeartsenijkundig Staatstoezicht.

Immers art. i der wet bepaalt in het eerste lid, dat het Vee-
artsenijkundig Staatstoezicht omvat
,,het onderzoek naar den al-
gemeenen gezondheidstoestand van den veestapel en, waar noodig, de
aanwijzing en bevordering van middelen tot verbetering"
en zij laat
in het tweede lid dadelijk daarop volgen, dat dat Staatstoezicht
tevens omvat
,,de handhaving van de zoetten en verordeningen in het
belang van den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel
vastgesteld".

Duidelijk is het, dat hetgeen men onder den gewonen term Vee-
artsenijkundig Staatstoezicht verstaat, opgesloten ligt in het eerste
lid en dat hetgeen men de Veeartsenijkundige Dienst gelieft te
noemen, door het tweede lid juist wordt gedefinieerd.

Dit eenmaal vastgesteld zijnde, dient thans te worden nagegaan,
wat de strekking van dit algemeene eerste lid zal zijn.

Niemand, die na lezing daarvan het zal wagen een oordeel uit
te spreken over het wezen van dat Staatstoezicht, niet alleen over
zijne begrenzing, doch zelfs omtrent zijnen aard. Is het namelijk
de bedoeling van dat Staatstoezicht eene preventieve of eene repres-
sieve werking uit te oefenen, is met andere woorden het karakter
der wet eene zoodanige, dat zij den werkkring van het Staatstoe-
zicht slechts beperkt tot het
onderdrukken van voor den veestapel
schadelijke ziekten of dat zij hem ook uitbreidt tot de middelen,
welke dergelijke ziekten kunnen
voorkomen.

De bewoordingen van het fundamenteele art. i in verband met
de nadere omschrijvingen in de artikelen 5, 9 en 10 zouden doen
vermoeden, dat haar werkkring zich tot eenvoudige repressie be-
perkt en het Staatstoezicht slechts op te treden heeft ingeval eene
voor den veestapel besmettelijke ziekte is geconstateerd of het
aanwezig zijn daarvan wordt vermoed.

Ik zeide: de woordenkeus der aangehaalde artikelen, in onderling
verband beschouwd, zouden slechts een repressief karakter doen
XLI 6

-ocr page 106-

vermoeden en ook de Minister van Binnenlandsche Zaken achtte
het noodig in zijne missive van 14 December 1870 houdende aan-
wijzingen voor de Burgemeesters ter uitvoering der wet van 1870
het volgende op te merken:

„Ik acht het niet ondienstig bij deze gelegenheid te wijzen op
„enkele bepalingen, die wellicht voor verschillende opvatting vat-
,,baar zijn en dus eene nadere uitlegging schijnen te vorderen:". . . .

„1. In art. 5 der aangehaalde wet is bepaald, dat de districts-
,,veeartsen de in dat artikel genoemde plaatsen niet mogen binnen-
treden, zonder voorzien te zijn van een schriftelijken last van den
„burgemeester of den Kantoni"echter. Deze last zal, zoo noodig met
„spoed moeten verstrekt worden en wel op zoodanige wijze, dat de
,,bidoeling des wetgevers, die aan dit onderzoek niet alleen een repres-
,,sief maar ook kennelijk een preventief karakter
heeft willen geven,
,,niet worde miskend."

Ook de Minister achtte het dus noodig alsnog uitdrukkelijk er op
te wijzen, dat de bedoeling des wetgevers was aan de bepaling
ken-
nelijk
een preventief karakter toe te kennen.

Hoezeer ook ik het toejuich, dat de bedoeling des wetgevers in
die missive is verduidelijkt, toch betwijfel ik of dat preventief ka-
rakter zoo
kennelijk in de wet ligt opgesloten en derhalve de bedoe-
ling des wetgevers alleen uit die bewoordingen zou zijn te achter-
halen geweest.

Een feit is het, dat in de opvolgende wettelijke maatregelen en
verordeningen het preventief karakter niet alleen van art. 5, doch
van het geheele Veeartsenij kundig Staatstoezicht verder is door-
gevoerd.

Ik behoef daartoe slechts te verwijzen naar de wet van 8 Augus-
tus 1878 Stbld. 115, houdende vaststelling van bijzondere bepalingen
tot beteugeling der longziekte onder het Rundvee in bepaalde
deelen des lands, welke wet, ofschoon als considerans voerende,
dat het noodzakelijk is bijzondere bepalingen vast te stellen tot
beteugeling (en dus niet: ter voorkoming) van longziekte, en dus als
repressieve maatregel gedacht, toch in hare algemeene bewoor-
dingen een beslist preventief karakter draagt. Maar toch werden
de meeste maatregelen bij de wet van 1870 slechts als repressieve
maatregelen gedacht en het optreden van het Staatstoezicht slechts
mogelijk geacht bij het aanwezig zijn of het vermoed worden van
besmettelijke ziekten. Blijkt dat vermoeden ongegrond, dan houdt
meestentijds de werkzaamheid van de met het Veeartsenij kundig
Staatstoezicht belaste ambtenaren op,al mochten dan dezelfde maat-
regelen als preventieve maatregelen noodig en nuttig zijn. Zoolang

-ocr page 107-

geen besmettelijke ziekten kunnen worden aangetoond zouden
zekere bij de wet van 1870 vastgestelde maatregelen ten opzichte
van onzen veestapel niet mogelijk zijn en zouden zoodanige, door
de met het Veeartsenij kundig Staatstoezicht belaste ambtenaren
gegeven voorschriften en bevelen allen wettelijken grondslag
missen.

Dit blijkt duidelijk uit de artikelen 13, 14, 16 en volgende der
wet.

Anderzijds wijst art. 15 op een meer preventief karakter voor
zoo verre het bepaalde maatregelen mogelijk maakt bij het heer-
schen van besmettelijke veeziekten buitenslands.

Nu ware het zeker te wenschen, dat bij het dreigen van be-
smettelijke ziekten — vooral in grensdistricten —
alle door de wet
van 1870 vastgestelde maatregelen zouden kunnen worden genomen
en bevolen en z.ulks ter beoordeel ing van den dictrictsveearts en
derhalve ook in dat geval de Veeartsenij kundige Dienst ook pre-
ventieve maatregelen zou kunnen voorschrijven.

De Belgische wet van 1882 (sur la police sanitaire des animaux
domestiques) geeft ons een voorbeeld van zulk een preventief
karakter, waar zij in art. 1 zegt:

,,Le gouvernement est autorisé a prescrire par arrêté royal les
,,mesures que la erainte de l\'invasion ou l\'existance
de maladies
,,contagieuses des animaux domestiques peut rendre nécessaires
„dans l\'intérieur du pays et sur les frontières en ce qui concerne
„les relations du commerce avec 1\'étranger."

Nu moge men, evenals ik, er geen voorstander van zijn alle te
nemen maatregelen vast te doen stellen bij eenvouige maatregelen
van Bestuur, toch is de hoofdgedachte en het
duidelijk preventief
karakter mij sympathieker dan het tweeslachtige karakter onzer
wet van 20 Juli 1870.

De bovengenoemde wet van 1878 is te dien opzichte dan ook de
meerdere der wet van 1870, daar zij ten minste eenvoudig voor-
schrijft dat bij algemeenen maatregel van Bestuur kan worden
bevolen inenting of merking tegen longziekte en wel onverschillig
of onder onzen veestapel die ziekte is geconstateerd of slechts
dreigt.

Dat bij eene eventueele herziening der wetgeving op het stuk
van Veeartsenijkundig Staatstoezicht ook de mogelijkheid van het
nemen van preventieve maatregelen zal worden uitgebreid, is dan
ook te verwachten.

Een tweede factor bij de beoordeeling van het Veeartsenijkundig
Staatstoezicht is gelegen in de omstandigheid, dat de wetgever

-ocr page 108-

van 1870 bij de samenstelling daarvan meer aandacht heeft ge-
schonken aan de commerciëele belangen verbonden aan eenen
goeden gezondheidstoestand van den veestapel en dat hij slechts
terloops het oog heeft gehad op de meer sanitaire belangen en het
verband tusschen den gezondheidstoestand van den veestapel
en de algemeene volksgezondheid.

Te verwonderen is het evenwel niet, dat ook in de laatste jaren,
waarin dat verband meer is gevoeld, nog geen nadere maatregelen
daaromtrent zijn genomen, als men wil letten op de eigenaardige
plaats, welke aan onzen Vetermairen Dienst is gegeven.

Immers, ressorteerende onder het Departement van Landbouw,
wordt het Veeartsenijkundig Staatstoezicht slechts dienstbaar
gemaakt aan de speciale landbouwbelangen, welke steeds commer-
ciëele belangen zijn en wordt aan de hoogere sanitaire belangen,,
welke niet steeds parallel loopen met de financiëele en commer-
ciëele belangen van den Landbouw, niet die aandacht geschonken,
welke zij uit het oogpunt der volksgezondheid verdient.

En of alleen een enkele herziening en wijziging onzer wetgeving
op het stuk van Veeartsenijkundig Staatstoezicht aan dat euvel
kan tegemoet komen, meen ik vooralsnog te mogen betwijfelen,
hoezeer ik hoop, dat bij die wijziging meer rekening zal gehouden
worden met de richting, welke in den laatsten tijd ook voor Vee-
artsenijkundig Staatstoezicht wordt opgeeischt.

Ik hoop in een volgend artikel nader dien tweeden factor in ons
Veeartsenijkundig Staatstoezicht, alsmede de daaruit nader te
trekken conclusie omtrent de haar toekomende plaats, te bespreken.

Maastricht, December 1913.

Korte mededeelingen.

Trichinose.

In aansluiting aan mijne vorige mededeelingen kan ik berichten,
dat door den heer Dr. Y.
van der Si.uis, directeur van het Abat-
toir te Amsterdam, bij een te Zandvoort gevangen rat trichinen
zijn aangetroffen (mondelinge mededeeling).

Op 2 Jan. 1.1. werden door mij wederom trichinen gevonden bij
twee Zandvoortsche varkens. Opgemerkt dient te worden, dat
deze varkens in een geheel ander gedeelte van het dorp werden
gehouden, dan waar de tricliineuse rat werd gevonden. Deze var-

-ocr page 109-

kens waren als biggen van uit Vogelenzang naar Zandvoort ge-
bracht, zoodat omtrent de plaats van besmetting geen absolute
zekerheid bestaat. Een uitgebreid onderzoek naar trichinen bij
ratten en varkens in deze, en omliggende gemeenten is naar mijn
oordeel noodzakelijk.

C. F. van Oi jün .

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Bedankt als lid van de Maatschappij ter bevordering der
veeartsenijkunde :

Dr. A. J. S. van Alphen te Rotterdam en Dr. P. A. van
Velzen
te Weltevreden.

Toegetreden als lid van de algemeene afdeeling: W. Folmer
te Zutphen, M. E. baron BentincK te Bergen op Zoom, P.
H.
A. van Aelst te Amersfoort, D. H. Goossen te \'s-Graven-
hage,
Dr. R. H. J. Gallandat Huet te Amersfoort en Dr.
E. C. H. A. Bemelmans te Tilburg;

als lid van de afdeeling Gelderland-Overijsel: Dr. J. van
Dorssen
te Arnhem;

als lid van de afdeeling Utrecht: Dr. G. Krediet te Utrecht,
H.
S. Frenkel te Utrecht, A. J. M. Rutgers te Utrecht,
J. L. Petten te Houten, bedankt als lid J. van Klaveren
te Utrecht.

Aan Heer en Afdeelingssecretarissen,

De ondergeteekende neemt de vrijheid H.H. afdeelings-
seeretarissen, die nog niet hebben voldaan aan alinea i van
art. li van het huishoudelijk reglement, beleefd te verzoeken
hem de ledenlijst voor het jaar 1914 zoo spoedig mogelijk toe
te zenden.

De iste Secretaris,

Dr. H. A. Vermeulen.

-ocr page 110-

Verslag van de Buitengewone Algemeene Vergadering der Maatschappij ter
bevordering der veeartsenijkunde in Nederland, op Zaterdag 29 November 1913.

Ilde Gedeelte.

\\

Voorzitter: Ik heropen de vergadering, heet den heer Mr. Peerbolte als
vertegenwoordiger van Z. E. den Minister v. Binnenlandsche Zaken van harte
welkom en hoop dat hij getuige zal zijn van vruchtbare discussies. Er is van de
vereeniging van slachthuisdirecteuren een schrijven ingekomen waarin ze adhaesie
betuigt aan het rapport der commissie betreffende het ontwerp vleeschskeuringswet.
Gaarne geef ik thans gelegenheid voor het houden van algemeene beschouwingen
aangaande bedoeld ontwerp.

De heer Dhont: Namens de commissie wensch ik mede te deelen dat het rapport
niet geheel correct is, omdat toen het werd samengesteld de wijziging in de gezond-
neidswet nog niet was ingetrokken, waarin bezwaren werden gemaakt tegen een
vakman als hoofdleider.

Punt 6 der conclusies zou ik als niet gedaan willen beschouwen.

De heer Veenbaas: Ik maak bezwaar namens de afd. Friesland dat alle vleesch
van dieren jonger dan 7 dagen moet worden vernietigd. Er worden talrijke kal-
veren van dien leeftijd zonder nadeel genuttigd en \'t is juist vleesch dat onder
het bereik van de arbeiders valt.

De heer Picard pleit namens de afd. Utrecht voor de keuring van levende
dieren en handhaving van art. 4.

Voorzitter: We komen aan de onderdeelen van het ontwerp en de bedoeling
was eerst algemeene beschouwingen te houden.

De heer van der Sluis: In de wet moeten nauwkeurige instructies voor de
hulpkeurmeesters worden vastgelegd.

De heer Dhont: Als afgevaardigde van de afd. Zuid-Holland kan ik mededeelen
dat onze afd. zich met het rapport kan vereenigen.

De heer van Hotegem: Voor de afd. N.-Brabant kan ik hetzelfde getuigen.
(De overige afgevaardigden verlangden niet het woord, waarna de leden niet-
afgevaardigden, hunne aanmerkingen kenbaar maakten).

Prof. de Jong: Algemeene beschouwingen zijn absoluut "noodzakelijk, de samen-
stelling van een goede wet op de vleeschkeur is absoluut onmogelijk wanneer er
geen rekening wordt gehouden met de geschiedenis der vleeschkeuring. Alhoewel
ik gaarne hulde breng aan de commissie die het rapport samenstelde, ga ik toch
niet geheel met dat rapport mee; \'t is me te zacht gestemd wat de conclusies be-
treft, omdat het wetsontwerp zooals het daar ligt m.i. geheel onaannemelijk is.

De vleeschkeur heeft ten doel het opsporen van schadelijke kiemen in het vleesch
en de beoordeeling of vleesch schadelijk geworden is door langdurig bewaren.

Zij is een uitstekend hulpmiddel tot opsporing van besmettelijke veeziekten.

Hoe zal de wet moeten zijn om een bevredigende oplossing te verkrijgen? De
opzet moet dan in hoofdzaak een hygiënische zijn. Wanneer men bevreesd is den
handel te benadeelen of de autonomie der gemeenten te besnoeien, dan is de zaak
niet meer gezond. Er moet zijn eenheid in het principe van toepassing en uitvoering
in alle gemeenten, zoo niet — dan is het beter er niet mee te beginnen. Natuurlijk
moet de handel zoo weinig mogelijk worden benadeeld. De veeartsenijkunde die

-ocr page 111-

wij veeartsen als wetenschap liefhebben en dienen, leeraart dat de vleeschkeur
de hygiëne als basis moet hebben en niet aan een zuiver handelsbelang dienst-
baar gemaakt kan worden.

De voornaamste eischen welke in een goede wet op de vleeschkeur moeten
worden vastgelegd zijn:

i°. keuring vóór en na het slachten.

2°. scherpe controle van noodslachtingen.

3°. uitvoering der voorschriften zonder uitzonderingen althans zonder per-
manente uitzonderingen.

4". uniforme maatregelen.

5°. omschrijving van gevallen waarom en waarin niet moet worden afgekeurd.

6°. gelegenheid tot herkeuring.

7°. voorschriften voor onschadelijk maken of weer bruikbaar maken van vleesch.

8°. bepalingen regelende den invoer uit het buitenland.

9°. veeartsenijkundige leiding van den geheelen dienst in alle deelen van het
land en uniforme regeling.

Wat betreft de kwestie van de autonomie van de gemeenten, wil ik er de aan-
dacht op vestigen dat er in het rapport reeds op gewezen is, dat het feit, dat er
tot op heden zoo weinig aandacht aan de vleeschkeuring werd gewijd, zijn oorzaak
hierin vindt, dat de gemeenten onbekend zijn met den juisten weg, dien zij bij
het nemen van maatregelen in verband met deze kwestie hebben in te slaan. In
dit opzicht spreke de wet zich duidelijk uit en eische overeenstemming daarmede
van alle gemeentelijke verordeningen zonder inbreuk daarop toe te staan. De ge-
meenten dienen precies te weten, waar zij aan toe zijn.

io°. Natuurlijk dat de keuring wordt opgedragen aan veeartsen, maar de er-
varing heeft geleerd, dat het mogelijk is niet-deskundigen de vereischte elementaire
kennis bij te brengen, en ze, onder de onmiddellijke leiding van eerstgenoemden
als keuringsmachines te laten werken. Iets anders is er van deze hulpkeurmeesters
niet te maken, daar elke wetenschappelijke opleiding ontbreekt. Ik stel er prijs
op te behooren tot hen, die alle meerdere bevoegdheden, hun toe te kennen, als
uit den booze beschouwen. (Teekenen van instemming).

n°. Verder stelle men vast dat de toestand, waarin de private slachthuizen
moeten verkeeren, aan hygiënische eischen moet voldoen, terwijl eindelijk de wet
nog de noodige strafbepalingen dient te bevatten, een punt dat ook reeds aan-
geroerd is in het rapport van de Commissie. Iemand, die willens en wetens on-
deugdelijk vleesch in den handel brengt, moet streng gestraft worden, —hierop
moet vooral de nadruk worden gelegd — niet met een boete, maar met inhechte-
nisneming. De boete toch wordt vaak voldaan door iemand, die achter de schermen
zit en de opdracht tot verkoopen heeft gegeven; de hechtenisstraf daarentegen
treft den verkooper zelf. Het gevolg zal natuurlijk zijn, dat men zich tot dergelijke
handelingen niet meer leent en de eigenlijke dader voor den dag komt.

In velerlei opzichten komen deze algemeene grondbeginselen in het wetsontwerp
tot hun recht, doch niet voldoende. Het schijnt mij toe dat men bevreesd is, de
gemeenten, die noodgedwongen tot de regeling van deze materie overgaan, de
duimschroeven aan te leggen en den handel eenigszins aan banden te leggen.

In het heele wetsontwerp is uit het oog verloren dat men hier te doen heeft

-ocr page 112-

met een veeartsenijkundige aangelegenheid, althans in de Memorie van Toelichting
wordt dit niet uitdrukkelijk op den voorgrond gesteld. Wel leest men daarin, dat
men deze keuringsdienst een onderdeel van het Staatstoezicht op de volksge-
zondheid wil doen uitmaken en men, ter wille van de uniformiteit, eenige inspec-
teurs wil aanstellen, die de veterinaire studie hebben doorloopen, maar wat zal
dit drietal inspecteurs kunnen bereiken, wanneer het boven zich heeft, iemand,
die niet in de veeartsenijkunde heeft gestudeerd? Ik begrijp niet, hoe men tot
deze oplossing gekomen is. De volksgezondheid wordt door de vlee.schkeuring
bevorderd, zeer zeker, maar in het Staatstoezicht op de volksgezondheid is voor
dezen tak van dienst geen plaats omdat het onlogisch is, de veeartsenijkundige
inspecteurs te stellen onder een hoofdinspecteur van de volksgezondheid — me-
dicus of pharmaceut. Toen indertijd het wetsontwerp betreffende het Staats-
toezicht op de volksgezondheid behandeld zou worden, werd er in de bladen de
aandacht op gevestigd, er rekening mede te houden, dat te eeniger tijd een vleesch-
keuring zou worden ingevoerd; ook drong men er op aan, dat een veeartsenij-
kundige zitting zou hebben in den Centralen Gezondheidsraad, echter zonder
resultaa t.

Bij de uitvoering der wet zullen zich moeilijkheden voordoen welke alleen uit
den weg kunnen worden geruimd door een hoofdinspecteur, die naast
kennis van
zaken
, weet wat hij wil en wat hij aan zijn land verplicht is. Het is duidelijk dat
alleen een veeartsenijkundige leider de inspecteurs in dergelijke omstandigheden
zal kunnen bijstaan en voorlichten. Een geschikt hoofdinspecteur voor de vleesch-
keuring zal men onder de tegenwoordige hoofdinspecteurs of onder de leden van
den .Centrale Gezondheidsraad te vergeefs zoeken. Wil men dus vasthouden aan:
,,de vleeschkeuring een onderdeel van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid",
zoo stelle men een veearts-hoofdinspecteur aan. Hij zal de leiding moeten hebben
van den dienst in het geheele land. Mijn vaste overtuiging is, dat, wanneer men het
ontwerp op dit punt niet wijzigt, de wet oorzaak zal zijn van een grenzeloos ge-
harrewar, omdat de man, die aan het hoofd zal komen te staan, niet zal zijn: „the
right man on the right place".

Het komt mij voor, dat de Regeering niet veel aandacht heeft gewijd aan de
tegenkanting, die het wetsontwerp van onze zijde heeft ondervonden. Bij de wis-
seling van Ministerie was er toch gelegenheid geweest het in te trekken, zonder
dat het sterk de aandacht had getrokken. Ik begrijp niet, dat men niet heeft in-
gezien, dat het hier een bijzondere kwestie geldt, die men niet met andere over
één kam kan scheren. W;ordt toch de hoofdleiding gelegd in niet-deskundige han-
den, zoo zal het gevolg zijn, dat de ondergeschikte, wél deskundige ambtenaren,
met de wetenschap zullen gaan schipperen. In het belong van de uniformiteit
in de uitvoering is het daarom dringend noodig, dat de controleerende inspecteurs
zullen kunnen vergaderen onder leiding van een hoofdinspecteur, die ter zake
kundig is, en hun, onder zijn verantwoordelijkheid, de noodige bevelen kan geven.

Het oordeel der Commissie is allerwege in deskundige kringen onderschreven.
Men heeft gezegd: „Een rapport, dat in korte woorden zeer veel zegt en op de
zachtzinnigst mogelijke wiize de opmerkingen maakt, waartoe de bestudeering
van het wetsontwerp haar aanleiding heeft gegeven." Zaken van ondergeschikt
belang zijn in het ontwerp goed geregeld, maar ddtgene, waar het om gaat: het

-ocr page 113-

van a tot z doorvoeren van het veeartsenijkundig beginsel, is niet gewaarborgd.

Het is gelukkig zeer gemakkelijk te verbeteren, als de goede wil daartoe maar
bestaat. Het is te verbeteren, wanneer men royaal erkent, dat het Staatstoezicht
op de volksgezondheid er niet op berekend is, de uitvoering van de wet op de vleesch-
keuring op zich te nemen. Of de regeling van het Staatstoezicht op de volksgezond-
heid moet worden gegewijzigd, öf de vleeschkeuringsdienst moet naast den reeds
bestaanden dienst worden ingevoerd.

De beweeggrond, waarom ik zoo sterk voor een dergelijke inrichting van den
dienst ben, is niet — en ik vertrouw, dat dit evenmin met de andere leden der
vergadering het geval is — dat daardoor voor de veeartsen een nieuwe werkkring
wordt geopend, doch uitsluitend deze dat op een andere wijze een goede regeling
niet mogelijk is.

De algemeene beraadslagingen over het wetsontwerp worden gesloten.

Aan de orde is thans de behandeling van het rapport van de Commissie.

De Voorzitter: Is er een der leden, die daaraan iets zou willen zien toegevoegd
of daarin gewijzigd?

De heer Muller: Is de Commissie bereid haar rapport aan te vullen in verband
met zooeven door Prof.
De Jong gemaakte opmerkingen?

De heer Dr. Remmelts: Ik kan met het rapport zeer wel meegaan. Met juistheid
is daarin de vinger gelegd op iedere wonde plek van het wetsontwerp. Sommige
bezwaren der Commissie zijn echter te licht, andere te donker gekleurd.

Bv. het bezwaar tegen de vergunning om art. 4 sub. 1 niet uit te voeren, is wat
te ernstig gevoeld. De minister moet dergelijke achterdeurtjes hebben en hij zal
daarvan geen misbruik maken.

De kwestie van de huisslachtingen acht ik van veel grooter belang.

Het woord „huisslachtingen" wordt hier eigenlijk verkeerd gebruikt. Het wets-
ontwerp bedoelt blijkbaar slachtingen, die iemand in huis doet, uitsluitend voor
eigen gebruik. Onder het woord „huisslachtingen" echter verstaat men alle slach-
tingen, die hier en daar bij een boer worden verricht.

Soms komt het wel voor — in Gelderland b. v. — dat een 20 a 30 dieren worden
geslacht. Dat deze buiten de wet vallen, is zeker wel niet de bedoeling, maar zij
zou zóó kunnen worden uitgelegd.

Niet alleen uit een hygiënisch oogpunt is het wenschelijk alle huisslachtingen
onder de wet te brengen, maar dit eischt ook het belang van den handel. Duizenden
van die in huis geslachte dieren worden n.1. uitgevoerd en vallen niet onder de
bepalingen op den uitvoer van vleesch. Duizenden hammen worden uitgevoerd,
o.a. naar Amerika, waar bij den invoer een verklaring moet worden overleg 1 van
een veearts, dat zij afkomstig zijn van vóór en na de slachting goedgekeurde dieren.

Wordt de wet in dit opzicht dus niet aangevuld, men zou aan den handel een
zwaren slag toebrengen.

Ook zal het gevolg van een onvoldoende regeling van deze kwestie zijn, dat er
bijna dagelijks verschil van meening ontstaat tusschen den inspecteur aan den eenen
kant en de plattelandsgemeentebesturen, die grootendeels uit boeren bestaan,
aan den anderen kant. Bovendien zal het alsdan den inspecteurs onmogelijk zijn
alle noodslachtingen op te sporen.—

Ten slotte wil ik nog niet een enkel woord herinneren aan het groote nut, dat een

-ocr page 114-

wettelijke regeling van deze kwestie al hebben voor de opsporing van besmettelijke
veeziekten en wil ik eindigen met erop aan te dringen, het rapport in overeenstem-
ming met de door mij gemaakte opmerkingen te wijzigen en aan te vullen.

(Teekenen van instemming).

De heer Veenbaas: De zinsnede uit het rapport: ,,VVie dergelijke voor-
stellen doet, is niet bekend met het doel, dat moet worden bereikt en met den aard
en den omvang van de huisslachtingen", heeft vooral mijn aandacht getrokken.

Het komt mij nuttig voor, in den kortst mogelijken tijd gegevens bijeen te brengen,
die den geweldigen omvang der huisslachtingen duidelijk kunnen aantoonen;
zij zouden op den leek zeer zeker indruk maken.

De heer Dr. Swierstra: In het tijdschrift „Gemeentebelangen" heb ik een artikel
gelezen, waarin schrijver vreest, dat de keuring daar, waar zij wordt verricht door
een niet-praktizeerend veearts, veel beter zal zijn dan in de kleinere gemeenten,
waar ze is opgedragen aan hem die praktijk uitoefent, daar deze laatste niet zoo
onafhankelijk is als de eerste, waarbij nog komt, dat hij, vooral wanneer hij een druk-
ke praktijk heeft, niet veel tijd voor zijn onderzoek beschikbaar heeft. De schrijver
van het artikel vreest, dat als gevolg hiervan, meer dan gewenscht, gebruik gemaakt
zal worden van art. io, volgens hetwelk de wet een tijdlang in een bepaalde ge-
meente niet toepasselijk kan worden verklaard.

De Voorzitter: Ik moet opkomen tegen de bewering dat de keuring, die een
veearts ambtelijk is opgedragen, door dergelijke oorzaken in het gedrang zal komen.
Er zullen onder dezen, zooals overal, wel collega\'s zijn, die zich zullen laten beïn-
vloeden, doch de veronderstelling, dat dit zóó vaak zal voorkomen, dat het noodig
zal zijn, speciale veeartsen aan te stellen, gaat te ver.—

Prof. de Jong: 1 k wensch nog eenige woorden te zeggen over de huisslachtingen .
De wet moet voorkomen, dat een veehouder ondeugdelijk vleesch doet gebruiken.
Zij moet de keuring door een bevoegd ambtenaar verplichtend stellen.

Bij de totstandkoming der Diutsche wet, is over deze kwestie zeer veel van
gedachten gewisseld. Merkwaardig is, dat volgens het voorstel van de voorbe-
reidingscommissie besloten is, de huisslachtingen vrij te laten, terwijl er toch tegen
de verplichte keuring niet veel oppositie bestond en het groote nut ervan bewezen
was. Met eenige aanhalingen zal ik dit toelichten.

Zooeven heb ik op dit punt niet speciaal de aandacht gevestigd, doch het spreekt
van zelf, dat ik van meening ben, dat men zich bij een dergelijke regeling niet kan
neerleggen. Het standpunt, dat ieder zelf maar inoet weten, wat hij eten wil, kan
als overwotjnen worden beschouwd.

De heer Dr. Winkel: Ik moet opmerken dat van den eenen kant wordt beweerd,
dat het wetsontwerp absoluut onaannemelijk is, terwijl anderen zeggen, dat de
bezwaren met enkele kleine wijzigingen opgeheven kunnen worden. De tegen-
stelling is hier zeer groot. Wat mij betreft, als enkele kleine veranderingen werden
aangebracht, zou ik mij wel bij het ontwerp kunnen neerleggen.

Prof. de Jong: Ik heb gezegd, dat het niet aan redelijk te stellen eischen voldoet.
Natuurlijk is het wel zóó te wijzigen, dat dit wêl het geval is, doch dan zou een zeer
ingrijpende wijziging noodig zijn. Ik heb willen betoogen, dat de wet, zooals ze
daar ligt, van veeartsenijkundige zijde niet kan worden aanvaard.

De heer Dr. Remmelts: Ik heb nog een kwestie vergeten te bespreken. In de

-ocr page 115-

artt. 32 en 33 wordt gehandeld over het vervoeren van vleesch buiten de gemeente.
De desbetreffende bepalingen zouden gemakkelijk ontdoken kunnen worden, als
men het vleesch ging zouten. Daarom zou het gewenscht zijn, in deze te spreken
van „vleesch of vleeschwaren." Ik geloof, dat, als de minister hierop werd gewezen,
Z. Ex. wel geneigd zou zijn dit te veranderen.

De heer Dr. Mogendorff: Ik zou een opmerking willen maken over het feit,
dat de Commissie, blijkens haar rapport, de herkeuring steeds zou willen opdragen
aan een commissie van deskundigen. Dit is practisch onmogelijk, daar zij dan
telkens heen en weer zou moeten reizen, fk zou het gewenscht vinden daarvan af
te zien.—

De Voorzitter: Hoe zou de heer Mogendorff deze zaak dan willen
regelen?

De heer Mogendorff: De gemeentebesturen, zouden m.i een directeur van een
abattoir, of, wanneer dit niet mogelijk is, andere veeartsen daarvoor kunnen aan-
wijzen. De Commissie van deskundigen, waarvan in het rapport sprake, zou door
de Regeering worden benoemd.

De Voorzitter: Het komt mij voor, dat dit uitsluitend een kwestie is, die bij
de uitvoering der wet aan de orde komt, en men mag aannemen, dat men in Den
Haag tot de beste oplossing zal komen.

De heer Diiont: Mede namens de andere leden van de Commissie dank ik voor
de gunstige beoordeeling van het rapport.

Men kan dit onderwerp op verschillende wijzen bespreken, doch hoe men de zaak
ook aanpakt - en dit is reeds met groote juistheid aangestipt door Prof.
de Jong —
er één hoofdbeginsel, dat voor oogen moet worden gehouden, nl.: de uniformiteit
moet zijn gewaarborgd. Wanneer deze niet van het begin tot het einde consequent
wordt doorgevoerd, is de wet een onding. Wanneer niet alle slachtingen onder die
wet vallen en zij niet in alle gemeenten wordt toegepast, zal zij ongetwijfeld een
mislukking worden.

Wat betreft hetgeen Prof. de Jong heeft opgemerkt, omtrent het toezicht op
de uitvoering der wet, in het rapport is het misschien niet op een zoo duidelijke
wijze gezegd, als hij dit heeft gedaan, doch wij zijn het principieel geheel met hem
eens. Ik meen dan ook, dat hij geen argumenten heeft bijeengebracht, die daarin
niet reeds waren te vinden.

Den Heer Mut.ler wil ik op zijn vraag antwoorden, dat de Commissie wel bereid
is, haar raport aan te vullen met hetgeen Prof.
de Jong heeft aangevoerd, indien
hij eenigszins nauwkeuriger wil aangeven, wat hij precies op het oog heeft.

Met Dr. Remmei.ts ga ik voor het grootste deel accoord. Het valt gemakkelijk
het rapport zóó te wijzigen, dat de beide door hem besproken bezwaren niet op
een lijn worden gesteld, fk ben evenmin als hij bang, dat de Minister misbruik zal
maken van de bevoegdheid om enkele gemeenten buiten de wet te stellen, doch
het gaat er om, of het onderwerpelijk beginsel al of niet in de wet moet worden
vastgelegd. Wanneer men de betrekkelijke Memorie van Toelichting leest, kan men
zich met neerleggen bij de overweging, dat het ontwerp-voorschrift doelt op kleine
gemeenten, waar toepassing van de wet geen zin zou hebben, omdat er nagenoeg
geen handel in vleesch wordt gedreven. Wat doet het er toe, of er handel in vleesch
wordt gedreven? De wet beoogt de bevordering der volksgezondheid. Alleen een

-ocr page 116-

gemeente van vegetariërs heeft geen toezicht noodig, alle andere gemeenten wel.
Bovendien is daai, waar weinig geslacht wordt, de wet juist gemakkelijk uitvoer-
baar. Omtrent de huisslachtingen ben ik het geheel met Dr.
Remmelts eens. Het
vleesch van in huis geslacht vee wordt voor een groot deel naar elders gevoerd
en voor de rest gerookt of gezouten. Uit een ter zake gehouden onderzoek is ge-
bleken, dat 60% van het vleesch, dat een der grootste worstfabrikanten in zijn
fabriek gebruikte, afkomstig was van huisslachtingen. Het is dus meer dan urgent
dat hierop toezicht wordt uitgeoefend.

De heer Veenbaas zeide, dat het beter is niet met woorden te schermen, doch
getallen te noemen, waarom hij voorstelt een onderzoek naar den omvang der huis-
slachtmgen in te stellen. Ik zou willen adviseeren, daarop niet in te gaan, daar men
dan zeker te laat komt. Het wetsontwerp is reeds in de afdeelingen behandeld;
er is dus haast bij de zaak.

De heer Muller: Gaarne voldoe ik aan het verzoek van den heer Dhont om
precies aan te geven, wat ik op het oog heb. Wanneer ik Prof.
de \'ong goed be-
grepen heb wenscht deze uniformiteit in uitvoering en leiding en deze wordt niet
gewaarborgd door het aanstellen van deskundige inspecteurs. Dit zou ik uitdrukke-
lijk in het rapport opgenomen willen zien.

De heer Wester: ln een vergadering van de afdeeling Utrecht is door den heer
Abspoel te kennen gegeven, dat het voor enkele gemeenten eenigszins bezwaarlijk
zal zijn aan alle voorschriften van de wet te voldoen. Daarbij werd Vlieland als
voorbeeld aangehaald.

De heer Veenbaas: Ik geloof niet dat het te laat is om de door mij bedoelde
enquête nog te houden, indien alle afgevaardigden medewerken het onderzoek
zooveel mogelijk te bespoedigen.

De heer Dhont: Den heer Muller wil ik nog even opmerken, dat de Commissie
het geheel met Prof.
de Jong eens is; dit blijkt voldoende uit haar rapport. Er
moet dus zooveel mogelijk naar gestreefd worden een veeartsenijkundig hoofd-
inspecteur aan het hoofd van den dienst te krijgen.

Met de meening van den heer Veenbaas kan ik mij niet vereenigen; ik laat de
beslissing echter over aan het Hoofdbestuur.

De heer Dr. Remmelts: Een enkel woord tot den heer Wester.

De kwestie met Vlieland is in haar eigen belang gemakkelijk tot oplossing te
brengen. Men zou er n.1. Terschelling aan kunnen toevoegen. Op dit eiland ligt een
groote gemeente, die reeds vaak om meer toezicht heeft gevraagd. Men zou dus op
Terschelling een veearts kunnen plaatsen, tevens belast met den dienst op Vlie-
land. In andere gemeenten waar eenige honderden menschen wonen, kan men een
paar vaste dagen voor de keuring aanwijzen.

De Voorzitter: De vergadering kan er op rekenen, dat er bij de .Regeering op
zal worden aangedrongen, er bij de regeling van de bevoegdheid der hulpkeurmees-
ters rekening mede te houden, dat deze geen wetenschappelijke opleiding hebben
genoten.

Ik meen den heer Veenbaas de verzekering te kunnen geven, dat de Minister
wel op de hoogte zal zijn van den omvang der huisslachtingen, in het bizonder
wat het rundvee betreft, daar het aantal geslachte dieren in verband met de heffing
van accijns precies bekend is.

-ocr page 117-

Ik geloof niet, dat men met een betrouwbaar onderzoek binnen veertien dagen
geheel gereed kan zijn.

Ook bij het Hoofdbestuur is de wensch uitgesproken, dat het rapport zich zou
uitspreken in den zin dat de hoofdleiding in handen van den veearts zal worden
gelegd! Gemakkelijk is het rapport in dien zin te wijzigen, door eenvoudig de
clausule uit het rapport weg te laten, waarin de Commissie verklaart, dat de toe-
lichting bij de voorgestelde Gezondheidswet de Commissie terughoudt van den
eisch dat voor de uitvoering der vleeschkeurwet een hoofdinspecteur-veearts
zal worden aangesteld, terwijl dan aan het slot deze eisch in een conclusie kan wor-
den belichaamd.

Met deze wijziging kan de Commissie van rapjiorteurs zich vereenigen en wordt
aldus besloten.

Mr. Peerboi.te: Het is mij tot mijn leedwezen onmogelijk de vergadering
langer bij te wonen, daar andere plichten mij naar de residentie terugroepen.
Ik dank haar voor de genoten gastvrijheid, de discussies heb ik met veel be-
largstelling gevolgd; daarmede zal te gelegener tijd rekening worden gehouden,
(Toejuichingen.)

Mr. Peerbolte verlaat de vergadering.

De Voorzitter: Het zou zeer gewenscht zijn, in het rapport er in het bi-
zonder de aandacht op te vestigen dat een groot deel van de noodslachtingen
tevens huisslachtingen zijn. Dit treedt daarin niet duidelijk op den voorgrond.

De heer Dhont: Men moet niet vergeten, dat de Kamerleden, die over het wets-
ontwerp zullen hebben te beslissen, geheel buiten de zaak staan. Zij zullen meenen,
dat de noodslachtingen
in ieder geval moeten worden aangegeven, wat o.a. blijkt
uit de toelichting op art. 10, waarin staat, dat in gemeenten, die ontheven zijn
van de verplichting die de wet oplegt, de noodslachtingen daaronder niet zijn
begrepen.

De Voorzitter: Juist omdat men wenscht dat de noodslachtingen worden
aangegeven, zal men er wel geen bezwaar tegen hebben, dat de huisslachtingen
in de wet worden opgenomen, wanneer men verneemt, dat het grootste deel der
noodslachtingen tevens huisslachtingen zijn.

Ik stel voor de zooeven door mij bedoelde alinea betreffende den hoofdinspecteur
te schrappen, het rapport, waar over de huisslachtingen gesproken wordt, eenigs-
zins aan te vullen en daarin verder die wijzigingen aan te brengen, die de vergadering
blijkens de gehouden discussies wenscht.

Prof. de Jong: Ik zal eenige moties voorstellen, om tot een eind-conclusie
te komen.

Dr. Kemmelts: Ik zou gaarne zien, dat het rapport en de notulen dezer bijeen-
komst toegezonden werden aan hen, die binnenkort over het wetsontwerp zullen
hebben te beslissen, óf dat het Hoofsbetuur een adres samenstelt en dit aan de Re-
gctring en de Staten-Generaal aanbiedt.

De Voorzitter: Het was mijn bedoeling het eind der discussies over het rapport
af te wachten om daarna aan de orde te stellen de vraag, of dit zal worden gepu-
bliceerd, óf dat het Hoofdbestuur of de Commissie een adres zal samenstellen.
Het inzenden van een stenografisch verslag van de vergadering acht ik niet
gewenscht.

-ocr page 118-

De heer Picard: Ik geel in overweging, de heeren Dhont en Prof. de Jong
tot de samenstelling van een adres uit te noodigen.

De Voorzitter: Ingekomen is een motie van Prof. de Jong luidende: „De
vergadering spreekt als haar meening uit, dat de leiding, betreffende de uitvoering
van de wet op de keuring van vleesch en vleeschwaren dient te worden toevertrouwd
aan een veeartsenijkundig hoofdinspecteur, bijgestaan door veeartsenij kundige
inspecteurs, welk beginsel in de wet wordt vastgelegd."

De motie wordt voldoende ondersteund en kan dus een punt van behandeling
uitmaken.

Zij wordt zonder beraadslaging bij acclamatie aangenomen.

De Voo rzitter: Zij zal ter kennis van den Minister van Binnenlandsche Zaken
worden gebracht.

De heer M\'uller: Zal er geen toelichting bijgevoegd worden?

De Voorzitter: Het betrekkelijk adres zal\'haar voldoende toelichten.

De heer Muller: M. i. is de motie een afzonderlijk stuk dat afzonderlijke be-
handeling vereischt. Wellicht zou Prof.
de Jong zich daarmede wel willen" be-
lasten.

De Voorzitter: Het beste is, af te wachten welke andere besluiten genomen
zullen worden.

Het rapport van de Commissie van Rapporteurs wordt hierna* goedgekeurd,
onder voorbehoud, dat het op enkele punten wordt gewijzigd in den geest van de
ter vergadering gehoudene besprekingen.

De heer Overkeek: Spoed zal in deze aan te bevelen zijn. Ik zou willen voor-
stellen het Hoofdbestuur en de Commissie te verzoeken, het ter kennis te brengen
van de Regeering en van de leden der Tweede Kamer.

De Voorzitter: Mijn bedoeling was, een adres samen te stellen en dit met de
aangenomen moties aan de Regeering en aan de leden der beide Kamers toe te
zenden.

De heer Overbeek: Ik beveel in deze overleg met de Commissie en met Prof.
de Jong aan.

De heer Dr. Remmelts: Men moet de zaak niet te zeer overhaasten. Het Voor-
loopig Verslag zal wel spoedig verschijnen en misschien wordt daarin een of ander
aangeroerd, dat men nog in het adres zou willen bespreken. Het is dus gewenscht,
daarom nog een weinig te wachten.

De heer Veenbaas: Op mijn voorstel om een enquête in te stellen naar den
omvang der huisslachtingea, wil men niet ingaan, omdat er geen tijd meer is en
nu zegt men, dat men, zich niet zoo behoeft te haasten. Dit geeft mij de vrijheid
op mijn voorstel terug te komen.

De Voorzitter: Ik wil het wel in bespreking brengen, doch ik moet adviseeren
het te verwerpen. Aanneming zal ten gevolge hebben, dat de groote massa werk
daaraan verbonden, niet evenredig zal zijn aan het daarmee te bereiken resultaat.

De Voorzitter: Een tweede motie van Prof. de Jong is ingekomen, luidende:
,,De vergadering geeft aan de hand van het door de Commissie uitgebrachte rap-
port, als haar meening te kennen, dat in een wet, regelende de keuring van vleesch

-ocr page 119-

en vleesch waren, moet worden uitgedrukt, dat de gemeentelijke verordeningen
in overleg met de leidende ambtenaren dienen te worden vastgesteld, teneinde
aldus uniformiteit van uitvoering te waarborgen."

De heer Overbeek: Komt een dergelijke bepaling niet reeds in het Wetsonwerp
voor?

De Voorzitter: Art. 22 zegt: dat deze zijn onderworpen aan de goedkeuring
van Gedeputeerde Staten en welke, alvorens te beslissen, het advies inwinnen
van den inspecteur,belast met het toezicht op de naleving der wet. In het ontwerp
is dus sprake van advies nadat de verordening door den Gemeenteraad is vast-
gesteld, terwijl de motie wenscht overleg vóór en tijdens de samenstelling van deze.

Prof. de Jong: Het advies, in art. 22 bedoeld, komt te laat. Ik wensch juist
dat overleg vóórdat de verordening tot stand gekomen is.

De heer Overbeek: Ik vind het verschil zoo groot niet. Bovendien is de inspec-
teur bevoegd, om, wanneer hij de verordening niet goed vindt, er zelf een samen
te stellen en deze de gemeente aan te bieden.

Dr. Remmelts: Deze bepaling is eenvoudig overgenomen uit de wet op de
Volksgezondheid en daarom is te vreezen, dat het net zoo zal gaan als met de Ge-
zondheidscommissies. Zij zijn verplicht te adviseeren, doch de Gemeenteraden
behouden hun volledige zelfstandigheid.

Het verdient dus wel aanbeveling, dat de aandacht van den Minister op deze
kwestie wordt gevestigd, doch aanneming van de motie als zoodanig komt mij
niet wenschelijk voor.

De heer Dhont: Ik ben het met u eens. Wanneer de inspecteur en een zekere
gemeente niet tot overeenstemming kunnen komen, zal men de verordening toch
vaststellen hetgeen aanleiding tot veel strijd zal geven. Bovendien geloof ik, dat,
wanneer een veeartsenijkundig hoofdinspecteur belast mocht worden met de uit-
voering der wet, toch zou worden bereikt, wat Prof.
de Jong wenscht.

Prof. de Jong: Ik heb mij dit overleg zóó voorgesteld dat de inspecteur een
modelverordening maakt en deze aan de verschillende gemeentebesturen toezendt.
Elke gemeente zou hem dan hare eventueele bezwaren kunnen mêedeelen, om
deze na onderling overleg, op te heffen.

Ik zal mijn motie handhaven.

De heer Overbeek: Juist in die plaatselijke toestanden zit het bezwaar. Om
de verordening in overeenstemming daarmede te regelen, zal het noodig zijn,
dat de inspecteur met alle gemeentebesturen afzonderlijk vergadert.

Dr. Remmelts: Ik wil er op wijzen, dat men door het aannemen van meer
moties de eerste, die van het grootste gewicht is, verzwakt.

Daar de motie van Prof. de Jong niet wordt ondersteund, wordt zij niet in
stemming gebracht.

De Voorzitter: Door Prof. de Jong is een derde motie voorgesteld van den
volgenden inhoud: ,,De vergadering spreekt als haar meening uit, dat in de wet
regelende de vleeschkeuring, geen enkel slachtdier van keuring dient te worden
uitgesloten, tenzij in den aanvang indien zulks noodig is bij wijze van invoerings-
maatregel en ten hoogste voor den tijd van vijf jaar."

-ocr page 120-

Prof. de Jong: Iedereen zal wel inzien, dat er gemeenten zijn, waar de wet niet
dadelijk kan worden uitgevoerd. De termijn van vijf jaar wordt daarom ook reeds
genoemd, waar gesproken wordt van de keuring van schapen, geiten en varkens.
Deze is zeker niet te lang; men heeft dien tijd wel noodig om de toestanden geheel
in orde te brengen. Mocht de vergadering een korter termijn wenschen, dan heb
ik daartegen geen bezwaar, mits vooropgesteld wordt, dat men erkent de practische
bezwaren aan directe invoering verbonden.

Dr. Remmelts; Men zij bij het noemen van een termijn voorzichtig. Wanneer
wij deze op 5 jaar stellen, zullen zij, die de Regeering moeten voorlichten, al-
licht de bezwaren, die de veeartsen vijf jaar willen aanvaarden niet zoo zwaar
laten wegen.

De heer Overbeek: Wat in de motie staat is ook reeds in het rapport opgenomen.

De heer van der Slooten: De eerste motie van Prof. de Jong had mijn in-
stemming, omdat zij het kardinale punt van het wetsontwerp betreft. Alle andere
wenschen der Maatschappij moeten echter in het adres worden neergelegd en
niet n afzonderlijke moties, daar deze de aandacht van de eerste, de voornaamste
afleiden.

Prof. de Jong: De discussies en het rapport wijzen uit, dat er een neiging be
staat zich te zacht uit te drukken. Dit is echter niet gewenscht, men dient te zeggen
waar het op staat.

Omtrent het bezwaar van Dr. Remmelts, wil ik opmerken,dat tegen den termijn
van vijf jaar door niemand bedenkingen zijn geopperd. Op een motie, die denzelfden
termijn wenscht, zal men dus geen aanmerking kunnen maken.

Op het rapport zal ik geen amendementen voorstellen. Dit dient ongewijzigd
te worden ingezonden, vergezeld van een overzicht van hetgeen op deze vergadering
behandeld is. De zaken echter, die bij de discussies op den voorgrond zijn getreden,
wil ik vastleggen in moties, aan het rapport toe te voegen. Het laatste, dat al-
gemeene instemming vindt, rukke men niet uit zijn verband door allerlei wijzi-
gingen; dan is het niet langer het rapport van de Commissie.

De Voorzitter: Ik deel deze meenirg niet. Het was de bedoeling, het in een
Algemeene Vergadering te behandelen, daarin eventueel wijzigingen aan te
brengen en ten slotte te beslissen wat daarmede te doen.

De heer van Hootegem: Ik kan mij met de motie wel vereenigen. Evenals de
eerste betreft zij een prmcipieeie kwestie, n.1. dat alle slachtdieren aan keuring
zullen worden onderworpen. Art. 4 maakt veel te veel uitzonderingen.

De heer Dhont: Ik vind het ook niet wenschelijk in een rapport, dat door een
Commissie, in opdracht van het Hoofdbestuur is uitgebracht, belangrijke wijzi-
gingen aan te brengen, tenzij dit strikt noodzakelijk mocht blijken.

Daarom verzoek ik beleefd, ook namens mijn medeleden alsnog eenige wijze-
gingen te mogen aanbrengen in overeenstemming met de ter vergadering gehouden
besprekingen. (Teekenen van instemming).

Met algemeene stemmen wordt besloten, daartoe machtiging te verleenen.

Prof. de Jong: Ik heb de motie voorgesteld, omdat het mij wenschelijk voor-
kwam, dat de vergadering zich over die huisslachtingen uitsprak. Mijn meening

-ocr page 121-

is, dat de veeartsen bij kwesties als deze er te veel het zwijgen toedoen. Mocht
aan de wenschen der Maatschappij niet worden voldaan, dan zou men kunnen
weigeren aan de uitvoering der wet mede te werken in welk geval men zich op
de besluiten dezer vergadering dient te kunnen beroepen.

De motie in stemming gebracht wordt verworpen met 137 tegen 40 stemmen.—

De Voorzitter: Ik stel voor, aan de hand van het gewijzigd rapport een adres
te doen samenstellen door het Hoofdbestuur en de Commissie, die Prof
de Jong
zullen uitnoodigen daaraan zijn medewerking te willen verleenen. Het zal dan zoo
spoedig mogelijk worden gezonden aan den Minister en aan de beide Kamers.

Prof. de Jong : Ik kan aan de samenstelling van het adres mijn medewerking
niet verleenen.

Het voorstel wordt met algemeene stemmen aangenomen.

De Voorzitter: Bij de aan te brengen veranderingen in het rapport en h et
samenstellen van het adres zal rekening worden gehouden met de moties van Prof.
de Jong, omdat het is gebleken, dat de vergadering tegen de moties als zoodanig
maar niet tegen den inhoud daarvan was.

Het rapport in zake het veeverzekeringswezen kan in deze vergadering niet
meer worden behandeld.

De afdeelingen Friesland en Noord-Brabant hebben er bezwaar tegen, dat
volgens art. 4 sub 3, vleesch, afkomstig van dieren jonger dan zeven dagen, moet
worden vernietigd. Deze kwestie stel ik dus nu aan de orde.

Prof. de Jong: De bedoeling van het wetsontwerp is, dat zij door den eigenaar
onschadelijk worden gemaakt en wanneer deze in gebreke blijtt, moet de gemeente
het doen. Ik acht het ongewenscht ze nog aan een keuring te onderwerpen.

Dr. Remmelts: Blijkbaar is het de bedoeling van den Minister geweest, de
kalveren te laten opgroeien tot den achtsten dag om daarna na voorafgaande keuring
de consumtie toe te staan. Dit is een goed hygiënisch beginsel en het
zon verkeerd
zijn, indien men er op aandrong, het uit de wet te lichten.

Prof. DB Jong: Men houde wel in het oog dat hier wordt gesproken van „ge-
storven dieren." Iedereen weet, dat het zeer moeilijk is uit te maken, of het daar-
van afkomstige vleesch al dan niet gegeten kan worden. Volgens het wetsontwerp
mag het niet in consumtie komen, doch moet de eigenaar het vernietigen of zulks
door de gemeente laten doen. Het bezwaar van sommige deskundigen is nu, dat
op deze wijze vleesch wordt vernietigd, dat
niet altijd schadelijk is. Over het al-
gemeen kunnen zulke dieren echter niet worden geacht bruikbaar vleesch te leveren
waarom ik voor mij de bepaling zeer goed vind.

De heer Veenbaas: Het zijn lang niet de slechtste nuchtere kalveren, die ster-
ven, integendeel, het vleesch van deze is vaak zeer goed. Indien men nu het in
consumtie brengen van dit vleesch strafbaar gaat stellen, zal een zekere categorie
van menschen — de boerenarbeiders — geen vleesch meer kunnen nuttigen,
terwijl ze vroeger nog wel eens een stukje kalfsvleesch konden machtig worden.
Dit nu te voorkomen, is de strekking van het voorstel.

XLI 7

-ocr page 122-

De heer van der Slooten: Het is vooral van veel belang, dat de z.g. „dood-
trekkers" die bronnen van infectie zijn, niet in consumtie komen.

Prof. de Jong: De „doodtrekkers" zijn\' bijna niet te keuren, en het is onge-
wenscht de veeartsen telkens voor dergelijke keuringen te plaatsen.—

Het voorstel der afdeelingen Friesland en Noord-Brabant wordt met bijna
algemeene stemmen verworpen.

Rondvraag.

Prof. de Jong: Ik zou gaarne de toezegging krijgen, dat, wanneer het wets-
ontwerp in een verder stadium gekomen is en aan de wenschen der Maatschappij
al of niet is voldaan, het Hoofdbestuur zal overwegen, een algemeene vergadering
bijeen te roepen.

De Voorzitter: Wij zullen, als dit noodig is, de zaak aan de leden voorleggen
en zouden niet gaarne alleen de verantwoordelijkheid willen dragen voor de houding,
die de Maatschappij in deze zal aannemen.

De heer Winkel: Het zal aanbeveling verdienen, dat het vrijbankwezen bij
de wet wordt geregeld^ deze instelling is mij zeer sympathiek; vooral op het platte-
land zou zij van groot belang zijn.

De heer Barendregt: Het gebruik van vleescli door den minderen man op
het platteland is zeer gering. Kan men dit dus door de vrijbank binnen zijn bereik
brengen, dan zou dit een groote weldaad zijn.

De heer Dhont: Deze kwestie is maar niet even in deze vergadering uit te ma
ken, daar waarschijnlijk een groot deel der aanwezigen niet precies weet, wat do
instelling van de vrijbank in de practijk beteekent. Het is een aangelegenheid,
die bij de uitvoering der wet overwogen moet worden.

De heer Picard: Mij is door de afdeeling Utrecht opgedragen, erop te wijzen,
dat in art. 41, waarin over de merken gesproken wordl, meer éénheid zeer ge-
wen sclit is.

De heer Nedkrveen: In de afdeeling Zeeland was men het er over eens, dat
uil een hygiënisch oopgunt de keuring bij het leven aanbeveling verdient.

De Voorzitter: Deze kwestie is in het rapport reeds voldoende besproken;
ze zal in het adres nog meer worden uitgewerkt.

Alvorens tot een volgend punt over te gaan, wensch ik namens de Maatschappij
en namens het Hoofdbestuur in het bijzonder, de Commissie van Rapporteurs
en speciaal haar voorzitter, den heer
Dhont, dank te betuigen voor de degelijke
critiek op het wetsontwerp geleverd. Ook zou ik te kort schieten, wanneer ik
Prof.
De Jong geen hulde bracht voor het aandeel dat hij in zoo\'11 ruime mate
aan de gehouden discussies heeft genomen, (lëekenen van instemming).

De Voorzitter: Door de afdeelingen Oronmgen-Drentlie, Friesland en Utrecht
is, in verband met de aan het Hoofdbestuur gegeven opdracht om een enquête
in te stellen naar den aard der werkzaamheden van de keurmeesters, een voorstel
gedaan, waarin het wordt uitgenoodigd een reeks van vragen op te stellen, die iedere
veearts voor zijn omgeving zal hebben te beantwoorden.

X? onderling overleg zijn wij tot het besluit gekomen, dat het niet mogelijk is

-ocr page 123-

■omtrent dit onderwerp een bepaald stelsel van vragen op te maken. Het onderzoek
kan ook zeer goed zonder deze geschieden.

Ik zou b.v. wel eens vragen van deze vergadering willen vernemen.

De heer Dhont: Men zou er in de omgeving van den veearts b.v. naar kunnen
informeeren of door den keurmeester werkzaamheden worden verricht, die niet
strooken met zijn bevoegdheid.

De Voorzitter: Men zou de strekking daarvan nog nader moeten omschrijven.

De heer Dhont: Is diegene, die in de afdeeling Utrecht , het voorstel dat nu
behandeld wordt ter tafel heeft gebracht, in deze vergadering tegenwoordig?

Prof. De Jong: Ik was die voorsteller. Ik geloof niet, dat het moeilijk is, de
vragen op te maken. Ziehier eenige voorbeelden.

De Voorzitter: Ik blijf er bij dat het onderzoek veel gemakkelijker zal zijn
zonder die vragen.

De heer van der Si.ooten: Voor het samenstellen van een goed gedocumenteerd
rapport zijn uitgebreide inlichtingen noodig en deze kan men zich o.m. verschaffen
door de antwoorden, die op vooraf gestelde vragen inkomen.—

De Voorzitter: Ik had, in verband met de belangrijkheid van deze kwestie
verwacht, dat zoodra het Hoofdbestuur daarover in het Tijdschrift schreef, de
mededeelingen van alle kanten zouden toevloeien, echter, er is nog niets bij ons
binnengekomen.—

Het Hoofdbestuur wil een vragenlijst rondzenden, mits de afdeehngen, die
het voorstel daartoe deden, de vragen zelf opstellen, want wij zien er geen kans toe.

De heer Overbeek: Ik geef in overweging i°. den vastgestelden termijn te
verlengen tot 15 December, en 2°. ontwerp vragen te zenden aan.de secretarissen
der afdeelingen. Het komt mij namelijk voor, dat die vragen van verschillende
afdeelingen verschillend zullen moeten luiden, daar er in de eene streek heel andere
toestanden bestaan, dan in de andere. Indien men daarmede rekening houdt,
zal men een rijk feitenmateriaal verkrijgen, waaruit een goed eindrapport samen-
gesteld kan worden.

De Voorzitter: Het Hoofdbestuur zal de zaak nader overwegen.

De heer Barendregt: In de afdeeling Nieuw Zuid-Holland is er op aange-
drongen, te trachten van het Rijk een subsidie te verkrijgen voor het Tijdschrift;
de Vereeniging tot bevordering van veeartsenijkunde in Ned.-Indië, wordt jaar-
lijks met f Xoo.— gesteund.

De Voorzitter: Wij zullen deze zaak overwegen.—

De Voorzitter doet alsnu de bijeenkomst overgaan in geheime zitting.

Na heropening der vergadering niets meer aan de orde zijnde, wordt deze na
dank aan de aanwezigen voor hun belangstelling gesloten.

H. J. C. van I.ent.

H. A. Kroes.

L. H. J. Hoogkamer.

-ocr page 124-

Utrecht 29 December 1913-

Aan zijne Excellentie den Minister van B. Z.

Aan Heeren Leden der Staten-Generaal.

Geeft met verschuldigden eerbied te kennen het Hoofdbestuur der Maatschappij
ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland, handelende in opdracht der
Algemeene vergadering van den 29en November 1913, dat zij met groote belang-
stelling heeft kennis genomen van het door Uwe Excellentie voorgestelde ontwerp
van Wet houdende bepalingen tot wering van vleesch en vleeschwaren, die voor
de Volksgezondheid schadelijk zijn;

dat het, gezien de buitengewone belangrijkheid van dit ontwerp voor de volks-
gezondheid en doordrongen van de noodzakelijkheid dat in deze bij uitstek vee-
artsenijkundige materie het oordeel der deskundigen zou worden kenbaar ge-
maakt, gemeend heeft uit haar midden eene speciale commissie te moeten aan-
wijzen om dit ontwerp in studie te nemen;

dat door bedoelde Commissie, bestaande uit de H. H. Dhont, Kruijt en van
der
Vliet aan de opdracht is voldaan door de inzending van een rapport waarin
met waardeering van het vele goede in het ontwerp neergelegd, tegelijkertijd met
grooten nadruk is gewezen op de zeer ernstige gebreken die het ontwerp aankleven;

dat dit rapport in hare algemeene vergadering van den 2gen November is be-
handeld met het gevolg, dat met algemeene stemmen aan de hand van dit rapport,
de volgende conclusie werd aangenomen:

De Maatschappij tot bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland spreekt
als hare overtuiging uit, dat het Ontwerp van Wet, houdende bepalingen tot wering
van vleesch en vleeschwaren, die voor de gezondheid schadelijk zijn, geen vol-,
doende waarborgen geeft tot bescherming der Volksgezondheid en dus niet be-
antwoordt aan het bij de samenstelling voorop gezette doel, omdat:

ie. het in de memorie van toelichting vooropgezette beginsel niet op konsekwente
wijze in de artikelen is verwerkt en daardoor het hoofddoel van de Wet, bevorde-
ring van de Volksgezondheid meermalen om bijkomende belangen is achteruitgezet;
2e. de wet niet voor alle gemeenten bindend zal zijn;
3e. de huisslachtingen niet aan het toezicht worden onderworpen;
4e. de uitvoering van de Wet feitelijk voor een groot deel aan de gemeente wordt
overgelaten;

5e. uit de bepalingen der wet niet blijkt dat de centrale leiding zal worden toe-
vertrouwd aan een Hoofdinspecteur-veearts;
6e. de wet geene administratief geheel vormt.

Het Hoofdbestuur veroorlooft zich aan Uwe vergadering mededeeling te doen
van de overwegingen, die tot bovenstaande conclusie hebben geleid. De mede-
deeling waarmede de memorie van toelichting aanvangt, dat het aangeboden wets-
ontwerp strekt ter voldoening aan een zoowel in als buiten de Tweede Kamer der
Staten-Generaal herhaaldelijk uitgesproken wensch, zal zeker door ieder worden
beaamd en verwondering kan het slechts wekken, dat niet reeds eerder getracht is

-ocr page 125-

— iog —

maatregelen te nemen, om een einde te maken aan de ergerlijke toestanden, die op
het gebied van den vleeschhandel resp. de vee- en vleeschkeuring in ons land be-
staan! Dit kan toch alleen zijn oorzaak vinden in de maar al te veel heerschende
meening, dat aan eene algemeene regeling van de vleeschkeuring te groote, schier
onoverkomelijke bezwaren zouden verbonden zijn! Mag worden toegegeven dat
eene goede en afdoende regeling veel arbeid en groote uitgaven zullen eischen, dit
neemt niet weg dat met eenigen goeden wil de bezwaren allerminst onoverkomelijk
zijn en al mag de dadelijke invoering eener vleeschkeuringswet in haar geheelen
omvang een al te zware taak worden geacht, het lijdt geen twijfel dat binnen korten
tijd het groote doel bereikt kan worden, wanneer slechts van den aanvang af
precies wordt vastgesteld, wat men bereiken wil en daarvan ter wille van geen
enkel belang worde afgeweken. Hoofddoel van de wet moet zijn bescherming van
de
volksgezondheid en elke bepaling in de wet, die met dit beginsel transigeeren
wil, om andere wenschen tegemoet te komen, m. a. w. waarbij dit beginsel op de
tweede plaats wordt gesteld, bederft de wet en maakt haar krachteloos.

Wij stellen dit beginsel voorop omdat naar ons voorkomt daartegen door sommige
artikelen in het ontwerp zwaar wordt gezondigd.

Een tweede beginsel dat den wetgever klaar voor oogen moet staan is, dat de
bron van het te bestrijden kwaad niet gevonden wordt in de groote bevolkings-
centra, zelfs niet in de kleine steden, maar op het platteland, tot in de kleinste
gemeenten! De groote steden stichtten niet zonder reden hunne openbare slacht-
huizen en beletten den vrijen invoer van vleesch in zooverre, dat zij eischen, dat
het vleesch zoodanig wordt aangevoerd dat het volledig gekeurd kan worden. Alle
dieren toch, die op het platte land in nood moeten worden gedood of aan ziekten
zijn gestorven moeten door de groote steden worden geconsumeerd. Amsterdam,
Rotterdam en \'s Gravenhage zijn speciaal aangewezen voor de consumptie van
alle minderwaardig vleesch en de plattelandsgemeente, enkele uitzonderingen
daargelaten, bekommert zich in geen enkel opzicht om de gevolgen van dien in-
voer; de belanghebbende m. a. w. de eigenaar van het zieke of doode dier, die alleen
den hoogsten prijs tracht te bedingen voor zijn minderwaardig, gevaarlijk goed,
kan daar vrijelijk zijn bedrijf uitoefenen.

Medewerking van de gemeentebesturen der kleine gemeenten werd slechts schaars
ondervonden. De discussie in den gemeenteraad van Diemen, toen daar de vraag
ter sprake kwam om zich aan te sluiten bij den keuringsdienst van Amsterdam,
zegt m dit opzicht alles en zoo is het in doorsnee overal. Het treft daarom zeer
in het ontwerp eene bepaling te vinden (art. 10) waarbij de Regeering sommige
gemeenten ontheffing kan verleenen van de bepalingen dezer Wet en nog wel op
dezen grond,
dat de toepassing van de voorgestelde bepalingen in sommige gemeenten
geen zin zou hebben, omdat daar geen handel in vleesch wordt gedreven.
De wet kan,
lezen wij verder in de toelichting, door andere plaatselijke omstandigheden b.v.
zeer afgezonderde ligging, eene overtolligheid worden!

Er kan zeker niet sterker tegen het voorop gezette beginsel worden gezondigd
dan door eene dergelijke bepaling, waarom deze uit de Wet moet worden ver-
wijderd. De gemeenten zonder handel in vleesch hebben niettemin vleeschetende
bewoners en deze moeten even goed worden beschermd, omdat zij aan dezelfde ge-
varen blootstaan, die de reden waren voor de samenstelling van dit ontwerp. Waar-

-ocr page 126-

om ook deze uitzondering? Heeft men er ooit aan gedacht de Wet op het Openbaiar
Onderwijs, de verschillende Belastingwetten, de Gezondheidswet of welke wet dan
ook, niet toepasselijk te verklaren op enkele gemeenten? Door de mogelijkheid van
uitsluiting wordt het beginsel, keuring door het gansche Rijk, geheel omverge-
worpen en wordt het doel zeker niet bereikt.

Wanneer de uitvoering van de Wet uitsluitend door ambtenaren van het Rijk
zou moeten geschieden, dan zou men zich kunnen indenken dat in streken wa;ar
weinig wordt geslacht tegen de aanstelling, van geen voldoende werk vindende
personen zou worden opgezien, doch waar de uitvoering aan de gemeenten wordt
overgelaten, daar vervalt dit bezwaar en zullen de gemeenten waar weinig gekeurd
moet worden met geringe kosten in den dienst kunnen voorzien.

Leest men nu daarnaast in de Memorie van toelichting, bij de mededeeling d.at
het instellen van gemeentelijke keuringsdiensten slechts traag toeneemt: „dit leve-rt
„voor den handel groote bezwaren van tw-eeërlei aard. Gemeenten met een keurings-
dienst moeten zich,naarmate die dienst beter is ingericht en werkt, scherper te-
,,teweerstellen tegen den handel in vleesch, dat afkomstig is uit gemeenten, wa.ar
„geen of een onvoldoende keuringsdienst bestaat. Herhaaldelijk hebben zich hier-
„door moeilijkheden voorgedaan, die zoowel van de zijde der gemeenten als van
„die der belanghebbenden den wensch deden opkomen, dat de rijkswetgev-er
„in deze uitkomst zou bieden", dan dringt zich nog sterker de overtuiging op, dat
de samensteller van het wetsontwerp niet doordrongen is van het beginsel, dat
in de eerste plaats de volksgezondheid moet worden beschermd en daarna ook
andere belangen door deze wet gebaat kunnen worden. Wanneer b.v. door te nemen
maatregelen ten slotte ook de handel zal worden bevorderd, dan beschouwen
wij dit als een gelukkige uitkomst; maar dit gevolg mag nimmer als doel worden
vooropgesteld.

Alleen een wet, die voor alle gemeenten geldt en in alle gemeenten op dezelfde
wijze wordt toegepast, mag aanspraak maken op den naam van Rijkswet en kan
doen bereiken wat in de Memorie van toelichting als doel van het ontwerp is voorop
gesteld! Iedere vrijheid ten deze aan de gemeente gelaten is eene verslapping en
wreekt zich aan de volksgezondheid.

Is de mogelijkheid tot vrijstelling van eenige gemeenten een fout, nog erger moet
het stellen van huisslachtingen buiten de Wet worden veroordeeld.

Een groot deel van het effect der Wet gaat daardoor geheel verloren en hij, die
huisslachtingen buiten het toezicht wil stellen, is onbekend met den aard en den
omvang daarvan en is niet doordrongen van het doel dat met deze wet moet worden
bereikt.

Huisslachtingen in den zin, dat alles wat van het geslachte dier afkomstig is in
eigen huishouding wordt gebruikt, zijn zoo uiterst zeldzaam dat zij practisch niet
bestaan, men weet toch dat schenkingen aan familie of vrienden daarbij steeds voor-
komen. Doch dit niet alleen, een zeer groot deel van de in den handel gebrachte
hammen (Geldersche) zijn van huisslachtingen afkomstig en wie met dit feit bekend
is ziet dus dadelijk in dat door de bedoelde vrijstelling het nut van de wet vrijwel te
niet wordt gedaan. Ook worden dienstbaren, \'kostgangers en eventueele gasten
verplicht ongekeurd vleesch,
dat zonder twijfel meermalen afkomstig zal zijn van
in nood gedoode dieren
, te consumeeren, een feit waar de overheid zonder eenige

-ocr page 127-

terughouding hare medewerking aan wenscht te verleenen, doch dat naar onze
meening in strijd is met de grondgedachte van de wet en niet mag worden toe-
gestaan. Bovendien zal juist door de vrijstelling der huisslachtingen de weg tot
ontduiking van de Wet als het ware worden aangewezen. Wij zijn van meening dat
door de gewraakte vrijstelling veel meer personen met den Strafrechter in aanmer-
king zullen komen op grond van handelingen in strijd met de bepalingen der Wet
en dat dus ook van moreel standpunt geëischt moet worden, dat de huisslachtingen
aan keuring worden onderworpen. Bovendien lijdt het geen twijfel dat vele slach-
tingen in nood door de eigenaren in de rubriek huisslachtmgen zullen worden onder-
gebracht, waardoor deze gevaarlijke objecten aan de keuring worden onttrokken.

Is dus uit hygiënisch oogpunt den eisch te stellen, dat de huisslachtingen onder
de bepalingen der wet worden gebracht, ook de belangen van den handel eischen
dit! Duizenden va.n die in huis geslachte varkens worden n.1. uitgevoerd en vallen
niet onder de bepalingen der wet op de uitvoerkeuring van vleesch 1907 (Staatsblad
No. 217). Duizenden hammen worden uitgevoerd o. a. naar Amerika, waar bij den
invoer eene verklaring moet worden overgelegd van een veearts, dat zij afkomstig
zijn van vóór en na de slachting gekeurde dieren. Wordt de wet dus in dit opzicht
niet aangevuld, dan wordt den handel een zware slag toegebracht.

De regeeriug wil blijkbaar alleen die slachtingen als huisslachtingen beschouwen,
waarbij het vleesch van het geslachte dier uitsluitend door den eigenaar en diens
gezin wordt gebruikt en stelt het voor alsof de verplichting tot aangifte het middel
is om ontduiking te voorkomen, leder die den toestand op het platteland kent is
overtuigd, dat van de bedoelde aangifte, die geen gevolg heeft, nimmer iets terecht
zal komen. Op dit punt zal de wet spoedig een doode letter zijn,terwijl het verbruik
van het vleesch niet te controleeren is. Men denke slechts aan de verduurzaming
van dit vleesch (zouten en rooken).

Een ander punt, voor de veterinaire politie van zoo bijzonder belang, nl. de zoo
vroeg mogelijke opsporing van besmettelijke ziekten onder het vee bij het bestaan
eener algemeene keuring, wordt door het vrijstellen der huisslachtingen ten zeerste
benadeeld. De ondervinding in dit opzicht opgedaan met de Openbare Slachthuizen
is alleszins bevredigend.

De opneming der huisslachtingen in de wet is beslist noodzakelijk om dat naar de
meening der veeartsen-deskundigen het nut van de wet met betrekking tot de
volksgezondheid daarvan afhangt.

Deze fout moet met de vorige uit het ontwerp verdwijnen en mocht dit ondanks
de uitdrukkelijke wenschen der deskundigen toch niet gebeuren, dan moet aan de
gemeenten de bevoegdheid worden gegeven deze slachtingen onder haar toezicht
te brengen.

De keuring van alle slachtdieren is noodzakelijk; dit is het algemeene oordeel der
veeartsen.

Waar de regeering in de memorie van toelichting zegt:

„De mogelijkheid van eigen bescherming is ten deze evenwel uitgesloten. De
„leek kan, tenzij in de uiterste gevallen van bederf, de hoedanigheid van vleesch
„of vleeschwaren niet beoordeelen", levert zij daar niet zelve het bewijs dat ookde
huisslachtingen moeten worden gecontroleerd en geen enkele gemeente van het
toezicht moet worden uitgesloten?

-ocr page 128-

Met de voorgestelde regeling dat de keuring eene gemeentelijke zij, onder toezicht
van Rijkswege, kunnen de veeartsen zich vereenigen, de bepalingen van het wets-
ontwerp geven echter geen enkelen waarborg dat het oppertoezicht over deze bij
uitstek veeartsenijkundige wet in handen van een veearts zal worden gelegd. De
in de memorie van toelichting omtrent de met het toezicht belaste ambtenaren
geplaatste zinsnede geeft daaromtrent allerminst zekerheid en voor eene goede
en vooral uniforme uitvoering van de wet is het beslist noodzakelijk! Hoe zal den
inspecteurs de zóó noodzakelijke eenheid van handelen kunnen worden opgelegd,
wanneer niet een veearts, maar b.v. een medicus of pharmacent met de hoofdleiding
wordt belast? De moeilijkheden, die zich zonder twijfel bij de uitvoering van de wet
zullen voordoen kunnen alleen worden uit den weg geruimd door den specialen
deskundige, die weet wat hij wil en wiens woord wetenschappelijk gezag heeft.

Ware dit wetsontwerp onder het ressort van het Departement van Landbouw
gebleven, dan had deze kwestie van zelf hare oplossing gevonden. Nu men het
toezicht tot een onderdeel van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid heeft
gemaakt, treedt zij echter onmiddelijk naar voren. Er is in dit Staatstoezicht geen
plaats voor dezen tak van dienst. Bij de indiening van het hierop betrekking heb-
bende wetsontwerp is er in de bladen reeds op gewezen, dat men er rekening mede
moest houden, dat te eeniger tijd een wet op de vleeschkeuring zou worden tot
stand gebracht en dat een speciale deskundige zitting zou nemen in den centralen
gezondheidsraad!

Die stemmen werden toen niet gehoord, thans nu wij aan den vooravond staan
van de invoering dezer wet dringen wij er nogmaals met klem op aan, dat een af-
zonderlijke Hoofdinspecteur voor het geheele land zal worden aangesteld,
die met de uitvoering der wet zal worden belast. Eerst dan zal verkregen
worden: éénheid van beginsel, éénheid van toepassing en éénheid van uitvoering,
waardoor de onmisbare uniformiteit voor het gansche land wordt geboren!

In de algemeene vergadering der Maatschappij gehouden op 29 November werd
als uitvloeisel dezer denkbeelden, met algemeene stemmen, de volgende motie aan-
genomen;

„De vergadering spreekt als hare meening uit, dat de leiding van de uitvoering
„eener wet op de keuring van vleesch en vleeschwaren dient te worden toever-
trouwd aan een veeartsenijkundigenHoofdinspecteur en onder hem aan veeartsenij-
„kundige inspecteurs; welk beginsel in de wet moet worden uitgedrukt."

Naar onze meening kan het wetsontwerp in dezen zin gemakkelijk worden ver-
beterd, wanneer men slechts openlijk erkennen wil, dat het Staatstoezicht op de
Volksgezondheid er niet op berekend is, eene dergelijke regeling van de vleesch-
keuring op zich te nemén. Men zal dan èf de regeling van het Staatstoezicht op de
Volksgezondheid moeten wijzigen öf de vleeschkeuringsdienst naast den reeds be-
staan den dienst moeten invoeren!

Met groote bevreemding werd opgemerkt, dat in het ontwerp geene bepalingen
werden opgenomen omtrent de wijze waarop de jaarverslagen van de verschillende
diensten zullen worden uitgebracht. Wij zouden wenschen dat jaarlijks door
alle gemeenten een beredeneerd verslag over den toestand van den keuringsdienst,
volgens door den Minister van Binnenlandsche Zaken te geven voorschriften,
werd gegeven, waarvan afschrift zou moeten worden gezonden aan den Hoofd-

-ocr page 129-

inspecteur met de uitvoering van de Wet belast, die dan vervolgens een beredeneerd
jaarverslag over den keuringsdienst door het gansche land aan den Minister zou
moeten uitbrengen, een verslag dat in druk verkrijgbaar zou moeten
worden gesteld. Daardoor zou van de Wet ook een administratief geheel
worden gemaakt en een beeld worden verkregen van de resultaten, die door de
invoering der Wet zijn bereikt. Dit verslag zou bovendien belangrijke mededeelingen
van allerlei aard kunnen bevatten, ook uit wetenschappelijk oogpunt van belang.
Daaruit zou blijken dat werkelijk een Rijkswet was tot stand gekomen wat in het
ingediende ontwerp geenszins naar voren komt.

Omtrent de voornaamste artikelen het volgende:

Art. 8.

Reeds in de algemeene bespreking van het wetsontwerp werd opgemerkt hoe
de grootere gemeenten zijn aangewezen om alle in nood gedoode dieren te con-
sumeeren, zoodat bij de samenstelling dezer Wet nauwlettend moet worden ge-
zorgd, dat de groote gemeenten niet in slechtere conditie zullen geraken dan zij tot
heden bij plaatselijke regeling der materie verkeeren. Tal van dieren en juist die,
welke voor de consumptie de meeste gevaren opleveren worden thans in de openbare
Slachthuizen der groote gemeenten geslacht, omdat de slagers hebben leeren be-
grijpen, dat bij volledig onderzoek, voor hen de grootste kans op goedkeuring
bestond m. a. w. dat het risico voor hen minder werd, wanneer zij de wrakke dieren
levend naar het battoir voerden. Bij de invoering van de wet wordt de toestand
nu juist andersom De keuring op het platteland zal nooit zoo volledig kunnen
worden uitgevoerd als in de openbare slachthuizen, de kans op goedkeuring daar
kan daardoor grooter worden en de slager brengt dus in het vervolg zijn dier in
geslachten toestand naar de groote stad, waar het volgens art. 8 „uitsluitend kan
. onderworpen worden aan een onderzoek om na te gaan of het nog verkeert in den
„toestand, waarin het volgens het keuringsmerk moet verkeeren".

Afgezien van de mindere duidelijkheid dezer bepalingen zijn zij in haar wezen
onjuist, daar elk stuk vleesch dat is vervoerd
in hoedanigheid verandert al is het
traject zelfs kort, dus nooit in denzelfden toestand verkeert
, waarin het verkeerde
toen het keuringsmerk er op werd geplaatst. Ware het daarom niet beter geweest
de bepaling als volgt te redigeeren:

„Indien vleesch, gekeurd volgens de bepalingen van deze wet f van de wet op de
uitvoerkeuring van vleesch 1907 (Staatsblad No. 217) in eene andere gemeente
wordt ingevoerd, kan het in die gemeente uitsluitend onderworpen worden aan een
onderzoek, of sedert het oogenblik dat het in de gemeente van uitvoer werd ge-
keurd geene veranderingen zijn opgetreden, waardoor het vleesch ondeugdelijk
(bedorven) moet worden verklaard."

Dit toch is de bedoeling van deze bepaling, doch de Commissie meent hiermede
niet tevreden te mogen zijn. Waar voor normale slachtingen geene bezwaren tegen
deze regeling bestaan, daar meent zij, dat dit bij noodslachtingen wel degelijk het
geval is en dit is geen bloote veronderstelling, maar de ervaring heeft geleerd, dat
in menig geval verwerping van de eerste uitspraak absoluut noodig bleek. De met
de uitvoering der wet belaste deskundigen zijn allen feilbaar en het zou als een

-ocr page 130-

groote fout door ons worden beschouwd aan den keurmeester van de gemeente
waar wordt ingevoerd het recht te ontnemen, bij gerechten twijfel aan de eerste
uitspraak een nader onderzoek in te stellen. De kwestie is moeilijk, wij geven dit
geredelijk toe, maar het algemeen belang eischt meerderen waarborg dan het wets-
ontwerp geeft. Naar onze meening kan deze worden verkregen door aan art. 8 de
volgende bepaling toe te voegen:

„Bij invoer van vleesch afkomstig van in nood gedoode dieren moet een bewijs
worden overgelegd, afgegeven door den keuringsveearts op de plaats waar het
dier werd geslacht, waarin wordt vermeld om welke reden het dier in
nood werd gedood en welke veranderingen bij het onderzoek zijn waarge-
nomen. Den keuringsveearts op de plaats van invoer wordt het recht verleend bij
gegronden twijfel een nader onderzoek in te stellen. Wanneer deze van dit recht
wenscht gebruik te maken wordt daarvan door hem onverwijld kennis gegeven
aan den met het toezicht belasten inspecteur."

Wat het tweede gedeelte van art. 8 aangaat meent de Commissie dat de bedoeling
duidelijker zou worden uitgedrukt, wanneer de redactie was als volgt:

„De deswege te heffen rechten mogen slechts geheven worden tot een zoodanig
„bedrag, dat het ingevoerde vleesch niet hooger worde belast dan het in de gemeente
,,zelf geslachte vleesch, tenzij door ons behoudens het bepaalde in art. 254 der
„Gemeentewet, een hoogere heffing wordt goedgekeurd."

Door deze bepaling wordt de handel niet belemmerd en de slachthuis-gemeente
niet in gevaar gebracht.

Art. 9.

De eerste alinea, bevattende de vrijstelling van de huisslachtingen, moet ver-
vallen.

Art. to.

Moet worden teruggenomen.

Art. 18 en 21.

In artikel 18 wordt aangegeven welke zaken bij maatregel van algemeen bestuur
zullen worden geregeld, terwijl later in artikel 21 wordt aangegeven, welke vcor-
schriften elke gemeenteverordening zal moeten bevatten met betrekking tot de
uitvoering van den keuringsdienst.

Wij meenen dat de voorgestelde regeling niet de juiste is en dat zij, voor het ver-
krijgen eener uniforme keuring in het gansche land, geheel waardeloos is. Zoo
cal
de vorm voor de kennisgeving, bedoeld in art. 6 en 7, het model voor de vergunnng
en de voorwaardelijke vergunning tot slachten, het onbruikbaar maken voor
voedsel van vleesch of vleeschwaren en den termijn binnen welken herkeur.ng
van vleesch gevraagd moet worden (art. 21
a-b-d-e) niet aan de gemeeite
moeten worden overgelaten, maar bij algemeenen maatregel van bestuur moe:en
worden geregeld.

Wanneer het de bedoeling is een keuring van rijkswege in te stellen, die door de
gemeenten zal worden uitgevoerd, dan kunnen wij ons om vele redenen daarbij
neerleggen, maar door het overlaten van de genoemde voorschriften aan de 5e-

-ocr page 131-

meente streeft men zijn doel voorbij en gaat veel wat door de Wet zou kunnen
bereikt worden, verloren. Het beginsel dat in alle gemeenten de wet op dezelfde
wijze zal worden uitgevoerd is
onmisbaar en dient tot in kleinigheden in de wet te
worden neergelegd. Men komt door de voorgestelde regeling maar al te zeer onder
den indruk dat men wel in groote trekken heeft willen aangeven wat gewenscht is,
maar dat men de invoering, waar het dan toch eigenlijk op aankomt, maar liever
aan de gemeente overliet! Zou het niet te betreuren zijn, wanneer men niet trachtte
van deze wet ook een administratief geheel te maken, terwijl wij vragen of het voor
de controle op de uitvoering van de wet niet een gebiedende eisch is, dat de uit-
voering zoodanig geschiede, dat het geheel overzichtelijk worde en de administratie
der wet daarom overal dezelfde zij!

De onder a, b, d en e in art. 21 genoemde regelingen behooren dus naar ons ge-
voelen bij algemeenen maatregel van bestuur te worden vastgesteld, maar wij zou-
den daaraan nog een zeer gewichtige zaak willen toevoegen n.1. de
tijden, waarop
en waarbinnen, alsmede
de wijze waarop zal worden gekeurd en de tijden, waarop
en waarbinnen, alsmede de wijze waarop de herkeuring zal worden verricht.

De bepalingen onder a en c van art. 18 schijnen hetzelfde te bedoelen voor wat
de wijze van onderzoek betreft maar drukken dit volkomen onverstaanbaar uit,
terwijl over de tijden waarop en waarbinnen moet worden gekeurd gezwegen
wordt. De noodzakelijkheid, het onderzoek zoowel van het levende als van het ge-
slachte dier bij daglicht of bij voldoende kunstlicht te verrichten, moet zeer duide-
lijk in de wet worden uitgesproken, omdat dit een absolute eisch is, waartegen
maar al te licht zou kunnen worden gezondigd.

Wat art. 18; 2 betreft, vermeenen wij te mogen opmerken, dat de in de toelichting
gegeven opmerking door ons niet kan worden aanvaard en wij meenen dat het
vraagstuk van de wijze waarop moet worden geslacht, wel degelijk voor oplossing
rijp is. Wij wenschen daarom in de wet de bepaling opgenomen te zien, dat alle
slachtdieren vóór de bloedonttrekking zullen worden bedwelmd, tenzij dit om
bijzondere redenen verboden is (ritueele slachting).

Art. 23.

Het in dit artikel neergelegde beginsel zal zonder twijfel niet alleen de oprichting
van openbare slachthuizen bevorderen, maar door het onder
b. bepaalde mede-
werken, dat zooveel mogelijk veeartsen zullen kunnen worden aangewezen voor
de uitvoering van de wet. Wij wenschen hier de opmerking te plaatsen, dat zooveel
mogelijk moet worden gestreefd om ook de keuring ten plattelande en in de kleinere
steden in handen van den veearts te brengen. De veeartsen moeten er daarom naar
streven bij het tot stand komen dezer wet, van den aanvang af, eene levenspositie
te verwerven in de uitsluitende uitoefening der vleeschkeuring, dus als keuringsvee-
arts. De gemeentebesturen moeten overal in die richting worden voorgelicht en de
veeartsen moeten, in hun welbegrepen belang en in het belang van de goede uit-
voering van de wet dit doel krachtig bevorderen; juist het onder
b voorgestelde
maakt dit doel uitvoerbaar.

-ocr page 132-

Dit artikel zouden wij als volgt geredigeerd wenschen:

Met de keuring van slachtdieren en van vleesch worden alleen belast personen,
die in het bezit zijn van het diploma van veearts, bedoeld in art. B. van de wet van
8 Juli 1874. (Staatsblad N°. 99).

Waar de uitgebreidheid van den dienst zullks noodzakelijk maakt, kunnen aan
deze ambtenaren, in de bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen ge-
vallen, personen worden toegevoegd, die volgens regels,bij algemeenen maatregej
van bestuur vast te stellen, bevoegd zijn als hulpkeurmeester van vee en vleesch
op te treden. Voor het verrichten der herkeuringen worden door ons een of meer
commissies van deskundigen benoemd.

Wij meenen dat, wat het eerste gedeelte van het artikel betreft, daardoor
beter de bedoeling wordt uitgedrukt dat uitsluitend veeartsen met de uitvoering
van de Wet mogen worden belast en de hulpkeurmeesters dus alleen als
hulp mogen
worden aangesteld.

De vergadering sprak dan ook als hare meening uit, dat het noodzakelijk is,
dat in de uitvoeringsbepalingen de taak dezer hulpkeurmeesters zeer nauwkeurig
wordt afgebakend.

De met de herkeuring te belasten veeartsen moeten uitsluitend gerecruteerd
worden uit de keuringsveeartsen, die door kennis en ervaring, ook in de publieke
opinie, als de meest bevoegden worden beschouwd en dit is te bereiken door het
instellen der bedoelde commissiën.

Wat de in het ontwerp voorgestelde straffen betreft zijn wij van nieening, dat elke
overtreding waarbij de gezondheid der consumenten direct wordt bedreigd, steeds
met hechtenis moet worden gestraft, daar de ervaring overal leert, dat geldboete
maar al te gemakkelijk aanvaard wordt en den overtreder niet van recidieve terug-
houdt.

Art. 32 en 33.

Ten einde ontduiking te voorkomen, is het wenschelijk in deze artikelen te spreken
van vleesch
en vleeschwaren. De eigenaar, die ongekeurd versch vleesch wenscht
te vervoeren zou zich voor straf kunnen behoeden door het vleesch, vóór het
vervoer b.v. in te zouten.

Namens het Hoofdbestuur:

Dirk l. Bakker,

Voorzitter.
H. J. C. van Lent,

ie Secretaris.

-ocr page 133-

Vereeniging van Directeuren van gemeentelijke slacht-
huizen in Nederland.

Trichinen-onderzoek bij varkens.
Op de laatst te Utrecht gehouden vergadering van Directeuren
van gemeentelijke slachthuizen in Nederland, is de vraag over-
wogen, of het, in verband met de in Nederland voorgekomen ge
vallen van trichinose, niet wenschelijk moet worden geacht, dat
aan alle gemeentelijke slachthuizen en keuringsdiensten van vee
en vleesch, een regelmatig onderzoek ingesteld wordt naar de aan-
wezigheid van
trichinen in varkensvleesch.
Deze vraag werd bevestigend beantwoord.
Algemeen was men van gevoelen, dat de in 1912 en 1913 aan
enkele slachthuizen waargenomen gevallen van trichinenziekte
bij varkens, en de vermoedelijk daarmede in verband staande
ziektegevallen bij den mensch, de noodzakelijkheid van een derge-
lijken maatregel voldoende in het licht gesteld hadden.

De vergadering nam ten slotte de volgende conclusies met al-
gemeene stemmen aan:

De vereeniging van directeuren van gemeentelijke slachthuizen
in Nederland,

overwegende, dat slechts in zeer enkele gemeenten in ons land
een regelmatig onderzoek naar de aanwezigheid van trichinen
in varkensvleesch wordt ingesteld;

in aanmerking nemende, dat de trichinose onder de varkens in
Nederland, blijkens de in den laatsten tijd opgedane ervaring,
veel meer voorkomt, dan tot nog toe algemeen aangenomen werd;

gelet op het gevaar dat aan het gebruik van trichinen-houdend
vleesch voor den mensch verbonden is;

spreekt als haar meening uit, dat het instellen van een stelsel-
matig onderzoek op trichinen bij varkens, overal in den lande dient
te worden bevorderd;

en geeft den gemeentebesturen in het belang van de volks-
gezondheid, dringend in overweging ten spoedigste daartoe maat-
regelen te willen nemen.
Leiden, 29 December 1913. W. Stuurman.

-ocr page 134-

19 December 1913.

Ministerie van Koloniën.

Oproeping van een veearts voor den Indischen dienst.

Voor de waarneming gedurende twee jaren van de betrekkingen
van leeraar aan de Inlandsche veeartsenschool en van assistent
bij het laboratorium voor veeartsenijkundig onderzoek te Buiten-
zorg wordt een jong veearts gevraagd.

De bezoldiging bedraagt ƒ 425.— (vierhonderd vijf en twintig
gulden) \'s maands, terwijl aan de uitzending verbonden zal worden:

a. eene vergoeding voor uitrustingskosten ad / 1500.— (een
duizend vijfhonderd gulden);

b. overtocht naar Batavia als gouvernementspassagier der ie
klasse, casu quo ook voor het wettig gezin;

c. eene voorloopige bezoldiging van ƒ150. — (eenhonderd vijftig
gulden) \'s maands ingaande met den dag van inscheping
naar Indië tot den dag waarop de activiteitsbezoldiging
volgens de deswege bestaande bepalingen daar te lande,
ingaat.

Na twee jaren tijdelijken dienst, dan wel binnen twee jaren,
in geval van ontslag, mits dat niet meebrengt de verplichting om
ingevolge de na te noemen verbintenis gelden terug te storten,
bestaat recht op overtocht terug naar Europa op den boven aan-
gegeven voet, welk recht evenwel slechts gedurende één jaar zal
bestaan.

De uit te zenden persoon zal zich schriftelijk moeten vier binden
tot teruggave aan \'s lands kas van de gelden welke aan hem en
te zijnen behoeve zullen zijn voldaan, zoo wegens vergoeding van
uitrustingskosten als wegens overtocht naar
Nederlandsch-Indië,
bijaldien hij binnen twee jaren, of vijf jaren in geval van-overgang
van tijdelijken in vasten dienst, na zijne aankomst op
Java, om
andere redenen dan wel bewezen ziels- of lichaamsgebreken, buiten
eigen toedoen ontstaan (ter beoordeeling van de Regeering) uit
\'s Gouvernementsdienst wordt ontslagen of indien hij niet binnen
den hem aan te wijzen tijd naar
Indië vertrekt, dan wel de reis
derwaarts moedwillig afbreekt.

Zij die voor uitzending in aanmerking wenschen te komen,
moeten zich zoo spoedig mogelijk bij een op zegel geschreven request,
tot het Departement van Koloniën wenden, onder overlegging van:

i°. hun diploma;

2°. een bewijs van goed maatschappelijk gedrag, afgegeven

»

-ocr page 135-

— IIQ —

door den burgemeester hunner woonplaats;

3°. een bewijs van voldoening aan de Militiewet, afgegeven dooi-
den burgemeester der gemeente waarvoor de sollicitant
geloot heeft, en

4°. hunne geboorte-akte.

De requesten moeten de mededeeling inhouden of de sollicitanten
al dan niet zijn gehuwd en casu quo het aantal en den leeftijd hunner
kinderen.

De uit te zenden persoon wordt vóór zijn vertrek onderworpen
aan een geneeskundig onderzoek, opdat blijke of hij physiek ge-
schikt is voor den Indischen dienst.

\'s Gravenhage, December 1913.

De Minister van Koloniën,
Voor den Minister,

Dc Secretaris-Generaal,
(w.get.) Staai..

Berichten.

Verslagen. Begrootingen en andere publicaties van Rijkswege.

Staatsbegrooting 1914. Hoofdstuk X.

Landbouw, Nijverheid en Handel.

Memorie van Antwoord.

Openbare behandeling op :8 Dec. en volgende dagen.

In het overzicht van bovenstaande onderwerpen zullen hier alleen die artikelen
worden opgenomen, die tot gedachtenvvisseling aanleiding hebben gegeven, welke
voor veeartsen belangrijk is te achten.

Art. 30. Gebouwen, hulppmiddelen enz., Rijksveeartsenijschool.

Tn de M. v. A. bericht de Minister, dat het z.i. niet noodig is, om ,,aan mannen
uit de praktijk gelegenheid te geven tot het ontvangen eener opleiding in vee-
verloskunde en het inenten met serum." De Minister vondt deze meening op het
toenemend aantal studenten aan \'s R. V. S. en het streven der veeartsen om de
verloskundige praktijk aan zich te trekken. Ook tegen de inenting met sera, door
dergelijk lieden teekent de minister protest aan op grond van de wet van 8 Juli \'7.4

In de openbare behandeling werd over deze punten geen discussie gevoerd.—

Art. 32. Paardenfokkerij.

Een nieuw ontwerp van wet op de paardenfokkerij wordt in de M. v. A. toegezegd,
waarin bepalingen zullen worden opgenomen, regelende het hooger beroep tegen
eene afkeuring door een keuringscommissie.

-ocr page 136-

De vraag of subsidies noodig zijn, werd niet met meerdere gegevens toegelicht,
het oordeel van den minister\'is, dat zonder subsidies de toestand in meer dan een
provincie weer even onbevredigend zou worden als voorheen. De minister meent
voorts, dat de krachtsversnippering op dit gebied, voortkomt uit tweeërlei oorzaak.
Door het verdwenen zijn van de Inlandsche paardenrassen, moeten de fokkers
trachten „een nieuwe kern van zuiver gefokte paarden, aan de Nederlandsche
paardenfokkerij te verschaffen", terwijl ook tweeërlei fokrichting, die van het
„tuigpaard" en van het „trekpaard" om den voorrang strijden. Het kruisen van
trek- en tuigpaarden bemoeilijkt volgens de M. v. A. het vormen van stammen
van zuiver gefokte dieren. Bij het handhaven van de vrijheid van fokrichting
moet de steun van de overheid er op gericht zijn, dat de zuivere teelt w-ordt bevor-
derd. De minister meent, dat eer aan vermeerdering, dan aan vermindering van steun
aan de paardenfokkerij moet worden gedacht.

Openbare discussie werd hierover niet gehouden.

Art. 33. Rundveestamboeken.

M. v. A. De minister geeft een kort historisch overzicht van het stamboekwezen
voor rundvee in ons land en betoogt, dat sedert het prijsgeven van de rassen-
indeeling naar de provinciën, in den regel geen provinciale Stamboeken voor sub-
sidies in aanmerking komen. Een uitzondering maakt hierop het Friesche stam-
boek, dat om zijn degelijke inrichting en uitstekende oude reputatie naast het Ned.
Rundv. Stamb. wordt gesteund.

Aan het Stamboek Noord-Holland, kan echter niet naast het Ned. Rundv,
Stamb. subsidie worden verstrekt. Het Groninger Rundvee Stamboek kan vooi
subsidie niet in aanmerking komen, omdat het een zuiver provinciaal karakter heeft,
zich niet over het geheele zwartblaarde veeslag uitstrekt en omdat deze steun tot
versnippering van krachten aanleiding zou geven.

Bij de openbare behandeling betoogde de heer de Jong, dat de fokkers in Noord-
Holland het Ned. Rundvee-Stamboek tegenwerken, omdat zij zich niet kunnen
onderwerpen aan de sterke centralisatie, die daarbij wordt toegepast. Hij verzoekt
den minister te willen bevorderen, het houden van een vergadering van alle belang-
hebbenden onder leiding van den heer
van Foreest ((Afgevaardigde voor Alkmaar).
De minister zegde overweging van dit verzoek toe.

Art. 34. Trekhondenwet.

Door bemiddeling van den Bond tot bescherming van den Trekhond in Neder-
land, zal de Minister de fokkerij dezer dieren trachten te bevorderen door:

a. bijdragen in de kosten van aankoop en onderhoud van goed fokmateriaal.

b. toekenning van fok- en aanhoudingspremiën,

c. het houden van concoursen.

Art. 41. O. A. Salarissen Hulpkeurmeesters.

De minister is van oordeel, dat een salaris van / 730—/ 1200— voor de hulp-
keurmeesters en veeopzichters voldoende is te achten, de heer
Ter Laan (Rotter-
dam) bepleitte in de openbare behandeling met klem een maximum van
f 1500.—
Ook vestigde deze afgevaardigde de aandacht op de lange diensttijden dezer ambte-
naren en drong op bekorting aan.

Art. 44. Riiks-Seruminrichting;

De minister bericht, dat geen serum, door de Rijks Seruminrichting aan

-ocr page 137-

Vereenigingen werd verstrekt, dit geschiedt uitsluitend aan Veeartsen. De minister
is tegen het kosteloos verkrijgbaar stellen van het serum.

Art. 46. Bestrijding besmettelijke veeziekten.

Uit de M. v. A. blijkt dat tot op 11 Nov. 1913 nog sporadische gevallen van
Mond- en klauwzeer in ons land voorkwamen. Engeland eischt dat ons land, zes
maanden geheel vrij van deze ziekte zij, wil de invoer van hooi van hieruit worden
toegelaten.

C. F. van Oyen.

Inlandse veeartsen.

In het Eindverslag der Commissie van rapporteurs (Eerste Kamer)
over het ontwerp van wet tot vaststelling der begrooting van Ned.-Indië
voor 1914. Vide afdeeling, onderafd. 174, lezen wij dat de Minister van Koloniën
er zich niet van bewust (is) te hebben verklaard, dat veeartsen uit Nederland den
toestand van den Indischen veestapel beter zouden kunnen beoordeelen dan het
inlandsche personeel. Wel heeft hij in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig
Verslag der Tweede Kamer bij deze onderafdeeling te kennen gegeven, dat hij
Europeesche veeartsen noodig acht voor de leiding van den veeartsenijkundigen
dienst. Dat, zooals in het Voorloopig Verslag wordt gemeend, het verschil in aard
tusschen het vee hier te lande en dat in Indië de voorkeur aan inlandsch personeel
zou moeten doen geven, acht de ondergeteekende zeer twijfelachtig, vooral indien
men bedenkt, dat ook de inlandsche veeartsen hoofdzakelijk hun kennis ontleenen
van in Westersche landen vergaarde wetenschap. Intusschen is hij voorstander
van een ruim gebruik, voor zooveel mogelijk, van inlandsche krachten.

Vrijburg.

De Vereeniging tot bevordering van Veeartsenijkunde in Ned.-Indië telde in
1913,55 leden en 82 inteekenaren.

Het bestuur was als volgt samengesteld:

President: Dr. L. de Blieck; Vice president: W. van den Burg; Penningmeester:
Dr. Ph.
van der Poel; Secretaris J. Ch. F. Sohns. Vh.

Het oud-Friesche paard. Onder voorzitterschap van jhr. mr. C. van Eysinga
heeft zich een commissie gevormd, welke zich ten doel stelt het fokken van het
oud-Friesche paard, gekenmerkt door zwaar behang, hoogen stepgang en gitzwart
haar, te bevorderen.

Er zal getracht worden een vereeniging te stichten, die zich met het aanhouden
van goede Friesche hengsten belast en ook in andere opzichten de belangen van de
fokkerij van dit ras voor zal staan.

Het Friesche paard is door veelvuldig kruisen met ingevoerde hengsten grooten-
deels verdrongen, en doordat nog slechts enkele Friesche hengsten voorhanden zijn,
dreigt het geheel te zullen verdwijnen.

Nieuwe Rott. Crt.

-ocr page 138-

Staal van de gedurende de maand November 1913 in de Rijkskeuringsdiensten van
voor uitvoer bestemd vieesch verrichte keuringen.

w

a

«

H

m

O

B
£

z

u
«

H
O

z

O
«

2
M

CL
<

X

O

Ifl

z

u
*

os
<

>

<

K
N

E

M
>

Ter keuring aangeboden ...... 419

Voor uitvoer goedgekeurd .... 417
Voor uitvoer ongeschikt bevonden 2
Na voortgezette keuring voor con-
sumptie goedgekeurd ...... 2

Na voortgezette keuring voor-
waardelijk goedgekeurd ....
Na voortgezette keuring afge-
keurd ..................

Voor consumptie afgekeurde
organen en deelen.

80167

78383

1784

1606
116
62

2758
2754
4

3

40191

40134

57

1929
1887
42

35

— 49

Baarmoeders .....

Beenderen (in K.G.)
Borstorganen (alle).

Borstvliezen .....

Buikorganen (alle)

Buikvliezen......

Darmen (partijen)

Darmscheilen .....

Gewrichten .......

Harten..........

Huid (in K.G.) ..

Koppen ........

Levers ..........

Longen ..........

Lymphküeren ....

Magen ..........

Maag en darmen . .

Milten ..........

Nieren ..........

Ondervoeten ....

Ooren ..........

Tongen ..........

Uiers ..........

Vet (in K.G.) ----

Vieesch (in K.G.)

Vruchten ........

Zwezeriken ......

2

i I

28
258-

14

2 —

— 1
107

— 108

11 40

433

14

109
86i
112
1859
3773
783

5

41

9077:
4274

16

— 7

5 —

22
2l

43°
54
374

74i

551

* Hiervan werden voor ,.bacon" bereid 10246 varkens.
Voorts werden 18264 J K G afzonderlijke organen en deelen ter keuring
aangebodeu, waarvan 99 stuks voor consumptie werden afgekeurd.

-ocr page 139-

Personalia. Bij beschikking van den Minister van Landbouw, Nijverheid en
Handel, van 23 December 1913, Directie van den Landbouw, n°. 11231, iste
afdeeling, is, met ingang van 16 Januari 1914, aan
D. W. Zuydam te Utrecht,
op zijn verzoek, eervol ontslag verleend als tijdelijk assistent aan \'s Rijks veeartse-
nijschool, aldaar.

Bij Koninklijk besluit van 30 December 1913 n°. 69 is:

I. met ingang van 1 Januari 1914 benoemd tot conservator, tevens assistent
aan het Instituut voor parasitaire en infectieziekten van \'s Rijks veeartsenij-
school te Utrecht, Dr. E. A. R. F.
Baudet, thans tijdelijk als zoodaning
werkzaam ;

II. voor het tijdvak van 1 Januari 1914 tot 1 Januari 1915, benoemd
tot conservator aan het het instituut voor parasitaire en infectieziekten van
\'s Rijks veeartsenijschool te Utrecht, tevevens belast met het geven van onder-
wijs in tropische veeartsenijkunde aan die inrichting, Dr.
A. Vrijburg, te
\'s Gravenhage.

De paardenarts 2de klasse A. Kuipers, van het 4de regiment huzaren te
Deventer, wordt overgeplaatst bij het iste regiment veldartillerie te Utrecht.

Aan de Universiteit te Bern promoveerden 18 December 1913 tot Doctor me-
dicinae vetérinariae:

Joh. Buitenhuis op een proefschrift getiteld: Experimentelle Untersuchungen
über die Wirkung des Terpentinöls bei infectiösen Prozessen;

C. J. Folmer op een proefschrift getiteld: Beitrag zur Kenntnis der klinischen
Bedeutung des Ameurysma verminosum equi;

J. Kets op een proefschrift getiteld: Sind die Impfungen gegen Kotlauf für
die Ausbreitung desselben förderlich?

Nieuw uitgekomen boeken.

Bericht über die Kön. tierärztl. Hochschule zu Dresden 1912. Neue Folge VII.
Dresden,
von Zahn u. Jaensch, 1913, 8°. Mit Abb. in Taf. III 318 S. M. 1.7s.

Bericht über das Veterinärwesen im Königreich Sachsen 1912. 57 Jahrg. Dresden,
von Zahn und Jaensch, 1913. 8°. V 2285. S. M. 1.75.

Herm. Uhlich, Landwirtschaftliche Tierheilkunde. Erste Hilfe bei Erkrankungen
der Haustiere.
Leipzig, Weber, 1913. 8°. Mit 67 Abb. in 4 Taf. XVI 157 S. Geb.
Leinen. M. 4.—

P. Cagny et R. Gouin, Hygiène et maladies du bètail. 2e. ed. Paris, Bailliére
et fils, 1914. 8°. Avec 187 fig. XI 528 p. Broché 5 fr., cartonné 6 fr. Encyclopédie
agricole.

R. Bax, A nleitung zum Erkennen und Behandeln von Hunde-Krankheiten durch
Laien.
Cöthen, Schettlers Erben, 1913. M. 3.—

Fred. Hobday, Surgical diseases of the dog and cat (with chapters on Anaesthetics
and Obstetrics).
2e. ed. London, Bailliére. Tindall & Cox, 1913. 8°. With 243 ill.
366 p. 10 sh. 6 d.

G. D. Lander, Veterinary Toxicology. London, Bailliérre, Tindall & Cox,
1913. With 39 ill. XII 312 p. 7 sh. 6 d.

W. Scott, Clinical Bacteriology and vaccine therapy. London, Bailliére, Tindall
& Cox. 1913. With 12 pl. and 37 fig. XVI 222 p. 7 sh. 6 d.

-ocr page 140-

L. Franck, Handbuch der tierärztl. Geburtshilfe. 5te Aufl. hrsg. von M. Albrecht.
2te Hälfte. Berlin, Parey, 1914. Gr. 8°. Mit 242 Abb. X 4- S. 321—740. M. 10.—
(Compl. M. 16.50, Geb. M. 18.—)

Fr. Sigmund, Physiologische Histologie des Menschen — in Säugetierkörpers,
dargestellt und mikrosk. Original-Präparaten mit Text und Zeichnungen.
3te Lief.
Nervensystem, Stuttgart,
Franckh, 1913 8°. 485 mit 35 Abb. nebst Präparaten-
Mappe (11 Präparate auf
10 Objektträgern) M. 10.—

Jahresbericht über die Fortschritte der Tierchemie uder der physiol pathol. Immun-
chemie in der Pharmakologie.
Begr. von R. Maly, hrsg. von R. Andreasch u
K. Spiro. 1912. Bd. 42 Iste Abt. Wiesbaden, Bergmann, 1913. 8°. VIII 4- S. 1—720
M. 22.40.

R. von Ostertag, Handbuch der Fleischbeschau, 6te Aulf. Bd. II. Stüttgart
Enxe, 1913. 8°. Mit 258 Abb. u 3 Taf. XVI 4- 890 S. M. 24.— Geb. Leinw. M. 26.—
(Compl. M. 36.—, Geb. 39.60).

A. Scheunert u. A. Schattke, Der Ablauf der Magenverdauung des normal
gefütterten und getränkten Pferdes.
Jena, h ischer, 1913. 8°. Mit 20 Abb. VI 79 S.
M. 2.— Abdruck aus „Zeitschrift für Tiermedizin," Bd. 17.

A. Lungwitz and J. W. Adams, A textbook of horse-shoeing for horseshoers and
veterinarians.
uthe ed. Philadelphia and London, Lippincoth Company, 1913.
With 229 ill. 216 p. 7 sh. 6 d.

J. E. V. Boas, Lehrbuch der Zoologie. 7te Aufl. Jena, Fischer, 1913. Mit 648 Abb.
8°. X 701 S. M. 14.—, Geb. M. 16.—

G. Kafka, Einführung in die Tierpsychologie auf experimenteller und ethologischer
Grundlage,
Bd. I. Die Sinne der Wirbellosen. Leipzig, Barth, 1914. 8°. Mit 362 Abb.
XII
4- 594 S. —. M 18.— Geb. Leinw. M. 19.50.

-ocr page 141-

Naamlooze Vennootschap

KONINKLIJKE PHARMACEUTISCHE

FABRIEK

v.h. BROCADES & STHEEMAN - MEPPEL.

Installatie van Apotheken
voor Veeartsen.

Direct na bestelling.

Levering van alle Chemicaliën
en verdere benoodigdheden.

Subcutane injecties - Bacillol
Bacillol-capsules - Ichtyol-Bougies.

Prijscourant gratis en franco op aanvraag.

-ocr page 142-

BACILLOL

aanbevolen als goedkoopste
desinfectiemiddel bij besmette-
lijke ziekten van verschillenden
aard en in \'t bizonder bij

Mond= en Klauwzeer.

Tegen Scheede-catarrh behalve
Bacillol-capsules volgens
Dp. jutbrbock,

Dr. JÜTERBOCK samengesteld.
Eenige fabrikanten: Bacilloiwerke Hamburg.

Verkoop voor Nederland en zijn koloniën alleen door:

BROCADES & STHEEMAN te MEPPEL.

-ocr page 143-

Openbaar Slachthuis

te Rotterdam.

Aan het Openbaar Slachthuis te Rotterdam

is te vervullen de betrekking van

Keuringsveearts

waaraan eene bezoldiging is verbonden van
f 2200,- tot f 3200,— per jaar en waarvoor
uitsluitend in aanmerking komen veeartsen, die
aan een Openbaar Slachthuis of bij den Rijks-
keuringsdienst zijn werkzaam geweest.

Sollicitanten worden uitgenoodigd zich vóór 1 Februari
e. k. bij gezegeld verzoekschrift tot Burgemeester en
Wethouders te wenden. Diegenen, met wie nadere
kennismaking wordt verlangd, zullen daarvan bericht
ontvangen

Veearts.

Ter standplaats Dreumel, wordt voor de veerijke dorpen
Wamel, Dreumel en Alphen gevraagd

een gediplomeerd Veearts.

Er wordt ingestaan voor eene belooning van f 800,— per
jaar. In functie treding zoodra mogelijk. Stukken, adres op
zegel, vrachtvrij vóór 20 Februari a.s. aan den Burgemeester
te
Dreumel.

G. Hönnicke, Civiel=Ingenieur

Berlijn W. 57, Bülowstrasse 48.

Apparaten voor slachthuizen en voor de vleesch»
hygiëne in den ruimslen zin, voor het verwerken
- van bijproducten en van het afval etc. -

Vleeschsterilisators, bakken voor afgekeurde deelen,
apparaten voor het verwerken van afgekeurde deelen,
geheele cadavers en van bloed, verbrandingsovens,
toestellen voor het smelten en koken van vet, voor het
stoomen van beenderen, voor het drogen van borstels,
voor het verkrijgen van heet water, vetopvangers, etc.

-ocr page 144-
-ocr page 145-

Anatomische, histologische und bakteriologische Unter-
suchungen über elf Fälle von Hundetuberkulose,

VON

H. SCHORNAGEL.

(Schluss.)

Fall VII.

Teckel, männlich, ungefähr \\ Jahr alt, Protokollnummer A. 437.

Am 20. August 1910 wegen Hydrops ascites mittels Strychnin
getötet und am selben Tage seziert.

Sektionsbefund: Magerer, anaemischer Kadaver. In der
Bauchhöhle mehrere Liter klare, seröse Flüssigkeit. Peritoneum
nicht entzündet.

Das Omentum ist knotig verdickt, die Knoten sind auf der
Schnittfläche von gelblicher Farbe und zentral verkäst.

Die Milz ist von fester Konsistenz, etwas vergrössert, die Fol-
likel treten deutlich hervor, die Milzpulpa und die Trabekel sind
normal; die lienalen Lymphknoten sind diffus vergrössert, nicht
verkäst.

Magen und Darm normal; die mesenterialen Lymphknoten
sind vergrössert und zentral verkäst.

Die Leber ist etwas vergrössert, die Farbe ist grau-gelb. Das
Leberparenchym ist durchsät mit sehr kleinen, runden, hyalinen
Herdchen, von welchen die grössten höchstens \\ m.m. Diameter
haben. Die portalen Lymphknoten sind vergrössert und zeigen
auf der Schnittfläche zahlreiche gelbe, verkäste Stellen.

Die Nieren, Pankreas und andren Bauchorgane sind normal.

Die Brustorgane sind normal; nur die vorderen mediastinalen
Lymphknoten sind vergrössert und auf der Schnittfläche stellen-
weise verkäst.

Die übrigen Lymphknoten sind alle normal.

Deckglaspräparate nach Ziehl aus den veränderten Organen
angefertigt enthalten zahlreiche Tuberkelbazillen. Die Bazillen
sind sehr lang und schlank, die meisten gekrümmt; die Tingierung
ist nicht homogen, die Mehrzahl der. Stäbchen enthält helle
I.ückchen neben stark gefärbten Körnern.
xli 8

-ocr page 146-

Histologische Untersuchung: Im Omentum be-
finden sich zwischen den Fettzellenhaufen breite Stränge neuge-
bildeten Gewebes. Die Stränge bestehen zum kleineren Teile aus
Bindegewebe, hauptsächlich aber aus wuchernden Fibroblasten,
sprossenden Blutkapillaren, Lymphozyten und Leukozyten. Die
bindegewebigen Stränge sind im Zentrum mehr oder weniger
nekrotisch, überall ist ein starker Kernzerfall zu konstatieren;
in den peripheren Partieen findet eine lebhafte Neubildung von
bindegewebigen Zellen statt.

Die Leber ist völlig durchsät mit kleinen, runden Anhäufungen
von epithelioiden Zellen.- Die Herdchen liegen unregelmässig
zerstreut; eine Nekrose im Zentrum oder eine Bindegewebsneu-
bildung an der Peripherie ist nicht anwesend. Nur in den grössten
Herden sieht man im Zentrum Kerntrümmer. Lymphozyten sind
nur in sehr geringer Zahl anwesend, die Knötchen sind fast nur
aus epithelioiden Zellen aufgebaut.

In der Milz finden sich einige kleine aus epithelioiden Zellen
bestehende Herdchen.

Die vergrösserten Lymphknoten zeigen grössere, nekrotische
Stellen, an deren Peripherie sich eine Zone von epithelioiden
Zellen, Lymphozyten und Chromatinkörnern befindet.

In keinem der Schnitte habe ich Riesenzellen wahrgenommen.

Nach Ziehl gefärbte Schnitte zeigen eine grosse Masse \'I uberkel-
bazillen in den verschiedenen affizierten Organen. 1

Diagnose; Akute Miliartuberkulose von Leber und Milz nebst
ihren Lymphknoten; chronische Tuberkulose von Omentum, mesente-
rialen und vorderen mediastinalen Lymphknoten. Hydrops ascites.

Kulturversuche: Vom tuberkulösen Omentum und von
der Leber werden einige Partikelchen auf Glyzerinserum ausge-
strichen. Nach 13 Tagen zeigen einige Röhrchen ein deutliches
Wachstum. An der Serumoberfläche sind kleine, trübe, weisse
Pünktchen zu sehen; diese Pünktchen nehmen rasch an Grösse zu,
werden zu Schüppchen, und diese zu grossen, runden, platten
Auflagerungen, welche mit der Serumoberfläche nur lose ver-
bunden sind. Auf der Flüssigkeit bilden sich dünne Häutchen,
welche an dem Glas emporsteigen.

Am 23. September werden die Kulturen auf Glyzerin-Kartoffeln
und auf Glyzerinbouillon übergeimpft. Das Wachstum auf Kar-
toffeln ist sehr üppig, dicke blumenkohlähnliche Auflagerungen
werden gebildet. Auf Bouillon wächst der Bazillus sehr schnell
und bildet eine gleichmässig-dicke, gerunzelte Haut, welche nach
etwa 3 Wochen die ganze Oberfläche bedeckt.

-ocr page 147-

Mikroskopisch sind die auf den verschiedenen Medien gezüch-
teten Bazillen, sehr lang, schlank, etwas gekrümmt und ungleich-
mässig tingiert.

Tierversuche: Am 20. August werden zwei Meerschwein-
chen subkutan infiziert mit einer Emulsion der Leber resp. des
Netzes des Hundes.

Die Tiere werden nach 48 Tagen getötet, die Sektion gibt bei
beiden Tieren dasselbe Bild: kleiner Ulcus und ausgedehnter
Käseherd an der Impfstelle: die regionnären Lymphknoten ver-
grössert und verkäst; Leber und Milz grosse verkäste Herde;
Lungen Miliartuberkulose, Tuberkel zentral verkäst; alle wichtigen
Lymphknoten vergrössert und verkäst.

In den verschiedenen tuberkulösen Geweben sind Tuberkel-
bazillen in geringer Anzahl nachzuweisen; sie sind lang, schlank
und ungleichmässig koloriert.

Impfungen mit Reinkulturen: Die Reinkulturen werden verimpft
auf Kalb, Ziege, Kaninchen und Meerschweinchen.

Kalb: Ein 6 Monate altes Kalb wird vorher mittels 200 m.gr.
Tuberkulin, subkutan, auf Tuberkulose untersucht. Die Prüfung
ergibt negatives Resultat; die gemessenen Temperaturen sind:

Vor der Impfung
27 II—\'11

Nach

28

der Impfung
—II \'11.

8

12

6

10

6

8

10

12

2

4

6

Stunde

Abends

Nachm.

Vormitt.

Mitt.

Nachm.

Injek»

Vormitt.

Mitt.

tion.

Temperatur

39"

38°9

38°7

38"9

38"2

38°6

39°4

39"3

39" 1

38"8

38"7

Am 8. März 1911 erhält dieses Kalb, subkutan an der rechten
Halsfläche eine Emulsion von 60 m.gr. Tuberkelbazillen in5 c. c. m.
physiologischer Nährsalzlösung injiziert. Die Kartoffelkultur trug
folgende Daten: 20—vii \'n; 23—ix \'n; 10—xn \'11; 24—1 \'12.

Klinischer Befund: 10—in, schmerzhafte Anschwellung der
Impfstelle und der Bugdrüse.

14—in. Anschwellung faustgross, sehr schmerzhaft; Bugdrüse
vergrössert. Temperatur 39°8.
21—in. Impfstelle heiss, knotig. Temp. 39°9-
Von dieser Zeit werden die lokalen Erscheinungen geringer, die
Temperatur sinkt und bleibt immer unter 39°5-

-ocr page 148-

Der Tumor an der Impfstelle ist anfangs hart, wird dann weicher,
fluktuierend und entlastet am
19. April spontan eine Menge dünnen,
schleimigen Eiter. In diesem Eiter belinden sich eine Anzahl
langer, schlanker, stark granulierter 1 uberkelbazillen.

Von jetzt ab werden die lokale Anschwellung und die Bugdrüse
stets kleiner; schliesslich bleibt nur noch eine kleine, harte Scheibe
in der Haut übrig. Die Temperatur bleibt normal.

Am 19. Dezember, also nach mehr als 9 Monaten, wird das Kalb
durch Verblutung getötet.

Sektion: An der Impfstelle eine kleine, derbe, fibröse Neubildung
in der Haut. Die regionnäre Bugdrüse ist ein wenig grösser und
feuchter als die der andern Seite. Uebrigens zeigt das gutgenährte
Tier keine Abweichung.

Mikroskopisch finden sich in der rechten Bugdrüse kleine An-
häufungen epithelioider Zellen nebst Riesenzellen und Lympho-
zyten. Die Knötchen sind von einer bindegewebigen Kapsel um-
geben; Nekrose ist nicht anwesend. In diesen Herdchen habe ich
keine Tuberkelbazillen gefunden.

Ziege: Eine 14. Monate alte Ziege wird mit diesem Bazillus
intravenös infiziert. Vorher ist das Tier tuberkulinisiert worden,
die Reaktion auf
300 m.gr. Tuberkulin subkutan ist negativ, die
folgenden Temperaturen sind gemessen worden:

Vor der

Impfung

Nach

der Impfung

6 III— 11

7

-III—

•11.

8

12

6

10

6

8

10

12

2

4

6

Stunde

Vormitt.

Mitt.

Nach,
mitt.

Abends
Injek»
tion

Vormitt.

Mitt.

Nach,
mitt.

Temperatur

38"3

38"8

38"5

39"2

38"5

38"7

38"6

t

38"6

39"5

39"3

39"

Am 8. März igu wird dieser Ziege in der rechten Jugularvene
eine Emulsion mit
20 m.gr. Bazillen injiziert; die Bazillen rühren
von derselben Kultur her, wie die womit das Kalb injiziert worden
ist. Abends nach der Injektion ist die Temperatur 40°; am folgenden
Tage ist sie wieder normal; 38°3, 38°5, 38°4. Die Temperatur
bleibt niedrig bis zum
21. März, an diesem Tage steigt sie plötzlich
an bis 40°3. Von jetzt ab ist die Temperatur stets febril, sie schwankt
zwischen 39°5 und 40°^.

Zur selben Zeit ist auch eine deutliche Abmagerung eingetreten.

-ocr page 149-

Diie Fresslust lässt nach, die Abmagerung wird immer stärker;
das Tier liegt fast den ganzen Tag, ist schwer krank. Atem wird sehr
frequent, Husten wird nicht gehört. Am 6. April sinkt die Tempera-
tur plötzlich bis 35°8, 35°5, 35°7; am folgenden Tage, also 29 Tage
nach der Impfung, stirbt die Ziege.

Sektion: Das Tier wird am 8. April seziert. Am stark abgemagerten
Kadaver ist folgendes zu sehen:

Die Lungen sind durchsetzt mit zahllosen miliaren und sub-
mrliaren Tuberkeln; die meisten sind hyalin, einige aber haben
bereits ein gelbes, trübes Zentrum. Bronchiale und mediastinale
Lymphknoten sind vergrössert und teilweise verkäst.

Die Milz ist etwas vergrössert, aber von fester Konsistenz, die
Follikil treten deutlich hervor.

Die übrigen Organe und die Lymphknoten, nebst der Impfstelle,
sind makroskopisch normal.

Mikroskopisch zeigen die Lungen und die Milz das Bild einer
akuten Miliartuberkulose; in der Lunge sind schon viele Tuberkel
zentral verkäst.

Die Lymphknoten enthalten Tuberkel welche teils ganz verkäst
sind; zum anderen Teile enthalten die Tuberkel nur einige zer-
fallene Zellen im Zentrum.

In allen Schnitten sind zwischen den Epithelioidzellen schöne
Riesenzellen anwesend. Tuberkelbazillen können in allen tuber-
kulösen Organen in ziemlich grosser Anzahl nachgewiesen
werden.

Die Bazillen haben ihre lange, schlanke Gestalt behalten.

Die Ziege ist also einer akuten Miliartuberkulose der Lungen
und Milz erlegen.

Kaninchen: Zwei Kaninchen bekommen subkutan je 10 m.gr.
und ein Kaninchen intravenös 0.1 m.gr. Bazillen.

Ein subkutan infiziertes Kaninchen wird nach 4 Monaten ge-
tötetlBei der Sektion zeigt sich das Bindegewebe an der Impfstelle
auf einer Oberfläche von etwa 4 c.m. 2 ödematös. In den Lungen
befinden sich einige sehr kleine, fibröse Knötchen.
Mikroskopisch
bestehen diese Knötchen aus gewucherten Fibroblasten; die
Alveolarepithelien sind an diesen Stellen ein wenig verdickt,
die Alveolarsepta sind noch deutlich sichtbar. Riesenzellen, Epi-
thelioidzellen und Nekrose sind nicht anwesend. Tuberkelbazillen
sind weder an der Impfstelle noch in den Lungenherdchen nach-
gewiesen worden.

Das intravenös infizierte Kaninchen wird nach mehr als 5
Monaten und das zweite, subkutan geimpfte Kaninchen nach 7

-ocr page 150-

Monaten getötet. Beide Tiere sind bei der Sektion vollkommen
normal. Alle drei Tiere die bei Beginn des Versuches etwa 2500 gr.
wogen, haben während des Versuches 150—200 gr. an Gewicht
zugenommen.

Meerschweinchen: Ein Meerschweinchen, das subkutan 5 m.gr.
Bazillen erhalten hatte, wurde nach 45 Tagen getötet. Bei der
Sektion zeigt sich eine allgemeine Impftuberkulose. An der Impf-
stelle ein grosser Käseherd; Miliartuberkulose von Leber, Milz
und Lungen; alle makroskopisch sichtbaren Lymphknoten sind
vergrössert und mehr oder weniger verkäst. Die tuberkulösen
Organe enthalten eine nicht grosse Quantität, langer, schlanker,
granulierter Tuberkelbazillen.

Fall VIII.

Schottischer Hirtenhund, weiblich, 1 Jahr alt, Protokollnum-
mer A. 443.

In die Klinik gebracht am 13. September 1910 wegen Lähmung
der hinteren Gliedmassen nach Hundestaupe. Eine Behandlung
wird nicht vorgenommen; das Tier wird am selben Tage durch
eine intrakardiale Strychnin-Injektion getötet.

Sektionsbefund: Die Sektion findet zwei Stunden nach
dem Tode statt. Kadaver in sehr gutem Ernährungszustand.

Alle Organe sind makroskopisch normal, ausgenommen die
mesenterialen Lymphknoten. Einer dieser Lymphknoten und zwar
der, welcher unmittelbar neben dem Blinddarm liegt, ist vergrös-
sert; auf der Schnittfläche zeigt sich zentral, eine trockene, ziemlich
feste, gelbe, käsige Masse.

Ein nach Ziehl gefärbtes Deckglaspräparat zeigt sehr viele,
lange, schlanke, leichtgebogene Tuberkelbazillen. Die Tingierung
ist nicht homogen, die meisten Stäbchen haben viele Lücken; oft
sind nur einige Körner, welche hinter einander liegen, zu sehen.
Also
Tuberkulose eines mesenterialen Lymphknotens.

Histologische Untersuchung: In den Schnitten
ist kein Lymphknotengewebe mehr zu erkennen. Das Zentrum ist
ganz nekrotisch, verkäst; das übrige Gewebe besteht aus jungem
Bindegewebe mit deutlicher Gefässneubildung. Nur dicht am
Rande der käsigen Masse sind viele und sehr schöne, epithelioide
Zellen anwesend, eingebettet in ein Retikulum von faserigem
Bindegewebe. Riesenzellen habe ich nicht wahrgenommen. Die
grosse Menge Fibroblasten, die Gefässwucherung, und das viele
faserige Bindegewebe, machen den Eindruck, dass der tuberkulöse

-ocr page 151-

Prozess nicht fortschreitend ist; für diese Meinung spricht auch
die Tatsache, dass Leukozyten und Lymphozyten nur sehr spärlich
anwesend sind.

Nach Ziehl gefärbte Schnitte zeigen im käsigen Gewebe sehr
viele, säurefeste Stäbchen.

Bakteriologische Untersuchung: Kulturver-
suche mit der käsigen Masse fielen negativ aus; wiewohl das Gewebe
sehr reich war an Tuberkelbazillen, blieben die geimpften Nähr-
böden steril.

Tierimpfung: Am 14. September 1910 wird ein Meerschwein-
chen subkutan geimpft mit einer Emulsion vom tuberkulösen
Gewebe; die Emulsion enthält zahlreiche Tuberkelbazillen. Das
Tier zeigt keine Krankheitserscheinungen, nur die Kniefalten-
lymphknoten der betreffenden Seite werden grösser; das Gewicht
nimmt stets zu. Am 21. August 1911, also nach 321 Tagen, wird
das Tier getötet. Das Gewicht beträgt dann 980 gr., d.h. eine
Zunahme von 545 gr.

Sektion: Das Meerschweinchen ist, wie zu erwarten, sehr fett.
Die vergrösserten Kniefaltendrüsen sind in einem Fettpolster
eingebettet. Diese Lymphknoten sind beim Durchschneiden
derb-fibrös; auf der Schnittfläche zeigen sie ein homogenes Ausr
sehen, bestehen anscheinend aus derbem Bindegewebe.

Die Milz ist nicht vergrössert, enthält aber einige hanfkorngrosse,
gelbe, teils hyaline, teils nekrotische Herdchen. Die übrigen Organe
und Lymphknoten sind alle normal.

Mikroskopisch zeigen die Kniefaltendrüsen einen knotigen,
bindegewebigen Bau; zwischen den Knötchen befindet sich an
einigen Stellen noch Lymphdrüsengewebe. Die Knötchen bestehen
aus festem, fibrillärem Bindegewebe mit einem Zentrum von
Epithelioid- und Riesenzellen. Die Riesenzellen sind sehr gross
und enthalten sehr viele Kerne. Lymphozyten sind nur spärlich
anwesend.

Nach Ziehl sind im Zentrum der Knötchen zwischen den
Epithelioid- und Riesenzellen Tuberkelbazillen leicht aufzufinden.
Nekrose ist nicht nachweisbar.

Die Knötchen in der Milz bestehen zum Teil aus nekrotischem
Gewebe, und zum anderen aus derbem Bindegewebe, mit einigen
wenigen Riesenzellen und epithelioiden Zellen. Tuberkelbazillen
konnten in der Milz nicht nachgewiesen worden.

Dieser Fall ist nicht weiter untersucht worden.

-ocr page 152-

Fall IX.

Deutscher Vorstehhund, männlich, 3 Jahre alt, Protokollnummer
A. 488.

Gestorben am 30. November 1910; Sektion am selben Tage.

Sektionsbefund: Gut genährter Kadaver. Bie Öffnung
der Bauchhohle und vor der Öffnung der Brusthöhle, steht das
Zwergfell nicht im normalen Exspirationsstand, sondern es ist
schlaff und nach der Bauchhöhle
7,11 gewölbt.

In der linken Hälfte der Brusthöhle befindet sich eine Menge
haemorrhagischen fibrinös-purulenten Exsudates; das Medias-
tinum ist nach der linken Seite stark hervorgewölbt. (Pneumo-
thorax). Rechts in der Brusthöhle befindet sich ein gleiches Exsudat,
aber in grösserer Menge. Die Pleura costalis, pulmonalis und dia-
phragmatica ist erheblich verdickt und bedeckt mit flachen, weichen,
gelblichen Granulationen; an mehreren Stellen aber sind die
Auflagerungen flockig, und dadurch hat die Pleura stellenweise
eine rauhe Oberfläche. Die Dicke der Granulationen beträgt bis
2 m.m.

Das Mediastinum, das nach Entfernung der linken Brustwand
ballonartig sich hervorwölbte, ist ebenfalls verdickt. Die Ober-
fläche ist uneben, und durch flockige Granulationen hat es ein
rauhes Aussehen. An anderen Stellen befinden sich weiche fibrinös-
purulente Auflagerungen, besonders in den Falten. Die Farbe
des Mediastinums ist blassrot.

Die Lungen sind durch den Druck des Exsudates stark zusam-
mengefallen, haben ein kleines Volumen und schweben in dem
Exsudate.

Nach Herausnahme der Lungen zeigt es sich, dass im caudalen
Teile des rechten Hauptlappens ein grösserer pneumonischer
Herd anwesend ist. Dieser Herd ist auf dem Durchschnitte nicht
scharf von der Umgebung abgegrenzt, ist ziemlich fest und zeigt
mehrere erweichte resp. verkäste Teile und Kavernen. In der
linken Lungenhälfte befinden sich eine Anzahl ungefähr erbsen-
grosse Herdchen, welche beim Durchschneiden ziemlich derb sind
und grau-glänzend aussehen.

Die grössern Bronchien haben ein normales Aussehen, in den
Lumina befinden sich Streifen einer trüben mukös-purulenten
Flüssigkeit. Die kleineren Bronchien sind stellenweise unregel-
mässig erweitert, die Wand\' ist verdickt und der Inhalt muco
purulent.

Die bronchialen und hintern mediastinalen Lymphknoten sind

-ocr page 153-

ein wenig vergrössert und feucht auf dem Durchschnitte; die
vordem mediastinalen Lymphknoten sind stark vergrössert,
Herdchen sind aber nicht darin vorhanden.

Herz, Omentum, Leber, Milz und Nieren nebst Lymphknoten
sehen normal aus.

Die mesenterialen Lymphknoten sind stark vergrössert, zentral
erweicht und teils verkalkt.

Magen und Darm sind, abgesehen von einem leichten Katarrh
im Duodenum durch Ascariden, normal.

Alle Lymphknoten sind makroskopisch normal.

Diagnose: Chronische tuberkulöse Pleuritis, tuberkulöse käsige
Bronchopneumonie, Tuberkulose der mesenterialen Lymphknoten.
Pneumothorax.

Ein Defekt der Lungenpleura welcher Ursache des Pneumo-
thorax sein könnte, habe ich nicht gefunden, vielleicht ist eine
anwesend gewesene Öffnung durch das fibrinöse Exsudat wieder
geschlossen worden.

Histologische Untersuchung: Die Wucherungen
auf der Pleura geben das Bild einer chronischen Entzündung. Die
Auflagerungen bestehen aus Fibroblasten, Lymphozyten, wu-
chernden Blutkapillaren und faserigem Bindegewebe. Ein knotiger
Bau ist nicht zu erkennen. An der Oberfläche ist das Epithel
verschwunden; statt dessen befindet sich hier eine Schicht im
Zerfall begriffenen Fibrins mit Leukozyten und Lymphozyten;
tiefer sind Fibroblasten und Bindegewebsfasern in der Mehrzahl.
Wuchernde Blutkapillaren sind an dieser Stelle zwar anwesend,
doch in geringer Anzahl. Die Granulationen, welche makroskopisch
ein flockiges Aussehen haben, sind mikroskopisch reicher an
Bindegewebe und tragen an der Oberfläche noch eine Epitheldecke.

Das Mediastinum gibt grösstenteils dasselbe Bild; an mehreren
Stellen jedoch sind hier die Deckepithelien stark verdickt und in
lebhafter Wucherung. Das subepitheliale Gewebe ist mit Lympho-
zyten infiltriert und sehr reich an weiten Gefässsprossen mit
verdickten Endothelien.

Es zeigt sich, dass der pneumonische Teil in der rechten Lunge
aus einer Zusammenschmelzung kleiner Herdchen entstanden ist.
Diese Herdchen, welche zentral eine starke Nekrose zu sehen geben,
sind hauptsächlich durch Lymphozyten gebildet. Zwischen den
Lymphozyten sind auch Fibroblasten, Leukozyten und Binde-
gewebsfasern; die Lymphozyten sind aber in der Mehrzahl. Vom
normalen Bau des Lungengewebes ist in diesen Herdchen nichts
mehr zu erkennen.

-ocr page 154-

Die kleinern Bronchien sind stark erweitert, haben eine sehr
unregelmässige Form, und haben grössere Ausbuchtungen und
Einschnürungen; die Wand ist durch Bindegewebswucherung
verdickt. Das Epithel ist an mehreren Stellen desquamiert und
das Lumen mit Epithelien, Lymphozyten, Leukozyten und Zell-
detritus gefüllt. An mehreren Stellen steht das Lumen der Bronchien
in offener Verbindung mit den obengenannten Herdchen.

Die derben Herdchen in der linken Lunge bestehen mikroskopisch
aus Bindegewebe. Im übrigen hat das Interstitium beider Lungen
stark zugenommen. An mehreren Stellen ist das Bindegewebe der
Alveolarsepta so mächtig, dass die AI veolarwände einander berühren;
das Alveolarepithel ist an diesen Stellen verdickt und stellenweise
desquamiert.

Die thorakalen Lymphknoten zeigen mikroskopisch kleine
Anhäufungen von epithelioiden Zellen, Nekrose ist hier nicht
anwesend.

Die mesenterialen Lymphknoten sind nicht mikroskopisch
untersucht worden.

In keinem der Präparate habe ich Riesenzellen gefunden.

Schnitte nach Ziehl zeigen in allen Organen Tuberkelbazillen.
Die meisten werden gefunden in den nekrotischen Partieen der
Lunge und im Bronchialinhalt. In den Lymphknoten und Pleura-
granulationen sind nur nach langem Suchen einige Bazillen zu
finden.

Die Bazillen sind alle homogen tingiert, ziemlich kurz, jedenfalls
nicht lang und schlank. Die längeren Stäbchen sind leicht gebogen,
und haben entweder ein wenig verdickte oder mehr spitze Enden.

Bakteriologische Untersuchung: Es ist mir nicht
gelungen den Bazillus in Reinkultur zu züchten. Mehrere Versuche
eine Kultur aus dem Meerschweinchen zu erhalten sind misslungen,
und als am
7. Oktober \'11 das einzige Versuchstier an einer Misch-
infektion von Streptococcen und ovoiden Bazillen starb, habe
ich die Untersuchungen dieses Falles eingestellt.

Doch habe ich wahrgenommen, dass dieser Bazillus eine grosse
Virulenz für kleine Versuchstiere besass. Von den tuberkulösen
Organen des Hundes habe ich zwei Meerschweinchen subkutan
geimpft.

a. Ein Meerschweinchen erhält am 1. Dezember \'10 eine Emul-
sion vom Herde in der rechten Lunge; dieses Tier stirbt am
16.
Januar \'11, also nach 46 Tagen, an allgemeiner Tuberkulose.
Gewichtsverlust
190 gr.

b. Ein Meerschweinchen wird am selben Tage subkutan infiziert

-ocr page 155-

mit einer Emulsion des vorderen mediastinalen Lymphknotens;
dieses Tier stirbt am 7. Januar \'n, also nach 37 Tagen, an
allgemeiner Tuberkulose. Gewichtsverlust: 117 gr.

Das Bild der Tuberkulose ist in beiden Fällen ähnlich und zwar:
an der Impfstelle ein Ulcus, in der Schenkelmuskulatur ein grosser
Käseherd; Milz miliar; Leber diffuse Käseherde, beginnende
Zirrhose; Lungen akute Miliartuberkulose, alle Lymphenknoten
vergrössert und teils verkäst.

In den verschiedenen Organen waren schlanke, aber nicht
lange Tuberkelbazillen anwesend, welche den Farbstoff gleich-
mässig aufgenommen haben; einige aber zeigen eine ungleich-
massige Tinktion, dunkle und helle Partieen neben einander.

Von diesen Meerschweinchen sind behufs Erlangung von Rein-
kulturen wieder neue Tiere geimpft; die kultivierung ist mir aber,
wie oben gesagt, nicht gelungen.

Kaninchen. Am x. Juli \'11 wird mit einer Milzemulsion eines
Meerschweinchens ein Kaninchen subkutan geimpft. Dieses Tier
stirbt am 6. September, also nach 67 Tagen, unter starker Ab-
magerung; Gewicht bei der 1 mpfung 2360 gr. und beim \'I ode 1560 gr.

Die Sektion ergibt einen grossen tuberkulösen Herd an der
Impfstelle, und zwar eine Höhle welche mit einer teils käsigen
teils erweichten Masse ausgefüllt ist. Die lumbalen Lymphknoten
sind vergrössert und verkäst. Die Lungen sind durchsät mit
miliaren Tuberkeln. Die Tuberkel sind zentral verkäst, peripher
hyalin.

Die andern Organe und namentlich die Nieren, Milz und Leber
sind normal.

In den tuberkulösen Geweben sind sehr viele, ziemlich kurze,
Tuberkelbazillen anwesend.

Die mikroskopische Untersuchung der Organe des Meerschwein-
chens
zeigt einen starken Zerfall; wenig Riesenzellen und nicht-
tvpische Epithelioidzellen.

Die Tuberkel in den Lungen des Kaninchens sind aus schönen
Epithelioidzellen aufgebaut, und haben eine schmale Zone von
Lymphozyten an der Peripherie. Zentral ist eine starke Nekrose
anwesend und in den grössten Herden auch schon Verkalkung.
Riesenzellen sind nur in geringer Anzahl vorhanden.

Fall X.

Pinscher, männlich, 7 Jahre alt, Protokollnummer A. 509.
In Behandlung genommen wegen Hustens und Abmagerung

-ocr page 156-

am 17. Januar 1910. Gestorben am 20. Januar. Sektion am selben
Tage.

Sektionsbefund: Kadaver eines abgemagerten Hundes.
In der Brusthöhle ein wenig klare, serös-haemorrhagische Flüssig-
keit. Pleura pulmonalis und Pleura costalis verdickt und bedeckt
mit kleinen, platten, weichen Neubildungen von gelblicher Farbe.

Das Mediastinum ist ebenfalls verdickt und mit gelblichen,
platten Granulationen versehen.

Die Lungen enthalten subpleural einige stecknadelkopfgrosse,
hyaline Knötchen; das Lungengewebe ist übrigens normal. Die
Bronchien sind erweitert, die Bronchialschleimhaut verdickt und
mit einem puruleuten Exsudate bedeckt.

Die bronchialen und mediastinalen Lymphknoten sind stark
vergrössert und derb; auf dem Durchschnitte gelblich-weiss, keine
Verkäsung.

In der Leber befinden sich eine grosse Anzahl rundlicher Neu-
bildungen, welche scharf vom umgebenden Gewebe getrennt sind;
ihre Durchmesser schwanken zwischen 1 m.m. und i j c.m. Auf der
Schnittfläche sind diese Neubildungen ziemlich weich und speckig;
die Farbe ist fast weiss; die grösseren sind zentral verkäst. Die
portalen Lymphknoten sind vergrössert, ziemlich derb, aber nicht
verkäst.

Die Lymphknoten der Bauchhöhle sowie die Fleischlymph-
knoten sind, ebenso wie das Bindegewebe, des ganzen Kadavers,
ödematös.

Omentum, Milz, Magen, Darin nebst Lymphknoten sind normal.

In Deckglaspräparaten der Leberknoten werden lange, sehr
schlanke Tuberkelbazillen gefunden, welche meistens leicht
gebogen und stark granuliert sind.

In einer grossen Anzahl Präparaten des Bronchialexsudates
wurde vergeblich nach Tuberkelbazillen gesucht. Gestützt auf
den anatomischen Befund wurde folgende
Diagnose gestellt:

Chronische tuberkulöse Pleuritis, geringe miliare Lungentuberku-
lose, chronische Tuberkulose der thorakalen Lymphknoten, der Leber
und der portalen Lymphknoten; wahrscheinlich chronische tuberkulöse
Bronchitis.

Histologische Untersuchung: Die veränderten
Lymphknoten zeigen ein ungefähr gleiches Bild. Vom normalen
Gewebe sind nur sehr kleine Reste übrig, die Hauptmasse wird
durch neugebildetes Gewebe geformt. Dieses Gewebe besteht aus
grössern und kleineren Knoten, welche durch starke Bindegewebs-
züge getrennt sind; die grössern Herdchen sind offenbar durch

-ocr page 157-

Zusammenschmelzung kleinerer Knoten entstanden. Zentral be-
stehen die Knötchen aus schönen Epithelioidzellen; hierauf folgt
eine Zone von epithelioiden Zellen, Lymphozyten und Leukozyten;
diese Zone wird nach der Peripherie hin immer ärmer an Epithelioid-
zellen und reicher an spindelförmigen Fibroblasten. An manchen
Stellen dringen vom umgebenden Bindegewebe schmale, gefäss-
führende Faserzüge in die Tuberkel hinein. Verkäsung ist nur
im Zentrum grösserer Herde anwesend.

Die Neubildungen auf der Pleura und dem Mediastinum be-
stehen aus spindelförmigen Fibroblasten, Leukozyten und Lympho-
zyten, und einem feinfaserigen, gefässhaltigen Bindegewebsgerüst.
In diesem Granulationsgewebe liegen eine Anzahl runder An-
häufungen von epithelioiden Zellen eingestreut; Nekrose ist nicht
anwesend.

Die Leberherdchen sind durch eine Bindegewebshülle vom
umgebenden I.ebergewebe scharf getrennt. Die grössern Herdchen,
welche durch zusammenstossen kleinerer entstanden sind, zeigen
Zentral eine ausgebreitete Verkäsung. Hierauf folgt eine Zone
von Fibroblasten, Lymphozyten und einige Leukozyten. Die
Fibroblasten haben oft die Form von epithelioiden Zellen, es sind
aber auch viele spindelförmige Zellen anwesend. Zwischen diesen
Zellen befinden sich, besonders an der Peripherie, viele neugebildete
kapilläre Blutgefässe, welche von zarten Bindegewebszügen um-
geben sind.

Die ödematösen Lymphknoten zeigen keine tuberkulösen Ver-
änderungen.

Die Lungen sind leider nicht mikroskopisch untersucht
worden.

In allen veränderten Organen sind in Schnitten Tuberkelbazillen
nachgewiesen worden; die Leberknoten sind am reichsten mit
Bazillen versehen; in den Pleura.granulationen sind nur wenige
gefunden worden. Die Bazillen sind lang, sehr schlank und meistens
leicht gebogen.

Bakteriologische Untersuchung: Ein Meer-
schweinchen wird subkutan geimpft mit einer Emulsion eines
tuberkulösen Bronchiallymphknotens, ein anderes mit Material
von einem Leberknötchen.

Das erste Tier stirbt nach 88 Tagen an allgemeiner Tuberkulose;
Gewicht bei Beginn 430 gr. beim Tode 385 gr.

Das zweite Meerschweinchen wird nach 90 Tagen getötet;
Gewicht im Anfange 500 gr. und am Ende des Versuches 425 gr.
Sektion: Allgemeine Impftuberkulose; die Organe enthalten nur

-ocr page 158-

wenig Bazillen. Von diesem Meerschweinchen wird ein neues
geimpft behufs Kulturzwecke, und ebenso ein Kaninchen.

Das Kaninchen wird nach 7 Monaten getötet und gibt dann
einen völlig negativen Sektionsbefund; das Gewicht war gleich
geblieben.

Nach mehreren Meerschweinchenpassagen gelang es mir den
Bazillus auf Rinderserum rein zu kultivieren. Die primären Kulturen
zeigen anfangs einen feinen, körnigen Belag, welche Körner all
mählich grösser und schliesslich zu platten Schüppchen werden.
In Deckglaspräparaten sind die Bazillen der Serumkultur ziemlich
kurz und nicht sehr schlank; die Tinktion ist homogen.

Auf Kartoffeln ist das Wachstum sehr üppig, dicke, warzen-
förmige Auflagerungen werden hier gebildet.

Auf Glyzerinbouillon wird in kurzer Zeit eine gleichmässig
dicke Haut gebildet, welche sich bald in Falten legt, und an der
Glaswand emporsteigt. Die Bazillen dieser Kulturen sind länger
und schlanker als die der Serumkulturen, die meisten Exemplare
sind leicht gebogen, andere haben eine gerade Form.

Tierimpfungen mit Reinkulturen.

Kalb. Ein 4 Monate altes Kalb wird vorher mittels 200 m.gr.
Roh-Tuberkulin subkutan, auf Tuberkulose untersucht. Die
Reaktion ist negativ, die gemessenen Temperaturen sind folgende:

Vor der Impfung
2—VII—\'12

Nach der Impfung
3—VII—\'12.

Stunde

8

Vormitt.

6

Nach,
mitt.

10

Abends
Injek*
tion

6

Vormitt.

8

10

12
Mittags

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

38"7

39"1

38"9

39"

38"9

38"7

39"2

39"

39" 1

39"

Am 9. Juli 1912 bekommt dieses Kalb subkutan an der linken
Halsfläche eine Emulsion von 60 m.gr. Tuberkelbazillen in 6 c. c.m.
Nährsalzlösung. Die Bazillen rühren her von einer 28 Tage alten
Bouillonkultur; die Bouillonkultur ist die dritte Umzüchtung des
Bazillus.

Klinischer Befund: Zwei Tage nach der Infektion ist
an der Impfstelle eine kleine platte Neubildung in der Subkutis
anwesend, welche sich warm anfühlt und nur wenig schmerzhaft
ist; die betreffende Bugdrüse ist ein wenig vergrössert. Die Tempe-

-ocr page 159-

ratur ist etwas erhöht; von n his 17—vii steigt die dreimal
täglich gemessene Temperatur bis zu 40°. Dann wird die Temperatur
iewder normal und bewegt sich bis zum Ende des Versuches zwi-
schen 38.°2 und 39.°2; die Körperwärme ist durchschnittlich 38.°8.

Das Allgemeinbefinden bleibt stets ungestört; das Wachstum
ist normal.

Die lokale Reaktion geht bald zurück und nach etwa 4 Wochen
ist nur noch ein haselnussgrosses, derbes Knötchen wahrzunehmen,
das bis zum Tode anwesend bleibt.

Am 14. Oktober \'12 wird das Kalb der intradermalen Tuberkulin-
probe unterworfen, welche sehr deutlich positiv ist. Nach 24 Stunden
ist an der Impfstelle ein kleines Knötchen anwesend; nach 48
Stunden ist dieses Knötchen erbsengross, derb, die Schwanzfalte
zeigt eine starke, diffuse, ödematöse Anschwellung. Am folgenden
Tage ist die ödematöse Anschwellung geringer; das Knötchen ist
erst nach 6 Tagen völlig verschwunden.

Am 11. November 1912 wird das Tier behufs Unterrichtszwecke
mit virulentem Rauschbrandfleisch-Pulver intramuskulär infiziert;
dieser Infektion erliegt das Kalb am 13. November am späten
Nachmittag. Sektion am folgenden Tage.

Sektionsbefund: 128 Tage nach der Infektion.

An der Impfstelle in der Subkutis und der Hautmuskulatur
ein unregelmässiger, etwa haselnussgrosser, derber Knoten. Diese
Neubildung besteht an der Aussen fläche aus derbem Bindegewebe;
beim Durchschneiden kommt aber eine Menge dünnflüssigen Eiters
zu Tage, der Knoten erweist sich als ein Abszess mit fibröser Aussen-
fläche und verkalkter Innenwand.

Die nicht vergrösserte, linke Bugdrüse zeigt auf dem Durch-
schnitt subkapsulär ein etwa hanfkorngrosses, verkalktes Herd-
chen.

Uebrigens sind am gut genährten Kadaver keine tuberkulösen
Veränderungen wahrzunehmen.

Mikroskopische Untersuchung: Im Eiter des Impfabszesses sind
im Deckglaspräparate lange, schlanke Tuberkelbazillen nachzu-
weisen, aber in geringer Quantität. Von der Bugdrüse werden
Schnitte angefertigt. Die Herdchen zeigen sich hier als zentral
verkalkte Tuberkel, mit einer sehr schmalen Zone von Epithelioid-
zellen und einem dicken Mantel von fibrinösem Bindegewebe;
dieser Prozess ist also anscheinend auf dem Wege der Heilung.
Nach
Ziehl sind in den Tuberkeln noch wenige Tuberkelbazillen
nachzuweisen.

Ziege: Eine 2 jährige Ziege wird am 2. Juli \'12 mittels einer

-ocr page 160-

subkutanen Injektion von 200 m. gr. Roh-Tuberkulin auf Tuber-
kulose vorgeprüft; die Reaktion ist negativ, folgende Temperaturen
sind gemessen worden:

Vor der Impfung
2—VII—12.

Nach der Impfung
3—VII— 12.

Stunde

8

Vormitt.

12

Mitt.

6

Nachm.

10
Injek-
tion.
Abends

6

Vormitt.

8

10

12
Mitt.

2

Nachm.

4

6

Temperatur

38"4

38"5

38"8

38"9

39"

38"5

384

38"5

38"7

38"5

Am 9. Juli \'12 bekommt diese Ziege 40 m. gr. Bazillen, von
derselben Kultur wie die des Kalbsversuches, emulgiert in 4 c.c.m.
Kochsalzlösung, in die Jugularvene.

Klinischer Befund: Die Hautschnitt, welcher bei der Injektion
gemacht worden war, heilte anfangs per primam, wurde aber
vor der völligen Genesung von der Ziege aufgekrätzt, was eine
Wundinfektion zur Folge hatte.

Am 17. Oktober befindet sich an der Vorderfläche des Halses
eine ausgebreitete, knisternde Phlegmon, Temperatur 41."3. Durch
geeignete. Behandlung wird der Prozess in wenigen Tagen zur
Heilung gebracht und wird die Temperatur wieder normal. Bis
zur Tötung schwankt dann die Körperwärme zwischen 38.°i und
39-°5-

Das Allgemeinbefinden ist immer sehr gut. An der Impfstelle
hat sich eine etwa kastaniengrosse Neubildung entwickelt, welche
allmählich an Grösse abnimmt, aber nicht ganz verschwindet.

Am 14. Oktober wird die Ziege tuberkulinisiert nach der Methode
von
Moussu und Mantoux. Die Reaktion verläuft positiv, an
der Impfstelle entwickelt sich eine starke diffuse Anschwellung,
und ein kleines Knötchen an der Einstichstelle. Die lokale Reaktion
erreicht nach 48 Stunden ihren Höhepunkt und nimmt dann all-
mählich ab. Nach 4 Tagen ist an der Impfstelle nichts abnormales
mehr zu sehen.

Am 9. November 1912, also gerade 4 Monate nach der Infektion,
wird das Tier durch Verblutung getötet.

Sektionsbefund: Kadaver einer gutgenährten Ziege. An der Impf-
stelle befindet sich eine ungefähr haselnussgrosse Abszesshöhle,
welche mit einer weichen käsigen Masse gefüllt ist.
Mikroskopisch

-ocr page 161-

enthält dieser Käse, neben sehr spärlichen Tuberkelbazillen,
Staphylococcus albus, welcher wahrscheinlich von der Wund-
infektion stammte.

Die Vena jugularis ist normal; die Intima ist glatt.

Die linke Bugdrüse makroskopisch und mikroskopisch normal.

In den andern Organen ist keine einzige tuberkulöse Affektion
wahrgenommen.

Kaninchen-. Ein 2200 gr. schweres Kaninchen erhält intravenös
0.1 m.gr. Bazillen. Das "lier bleibt gesund und wiegt bij der Tötung
nach 122 Tagen 2280 gr. Die
Sektion ergibt in den Lungen drei
zentral verkäste Herdchen von ± 2 m.m. Durchmesser.
Mikros-
kopisch
bestehen diese Herdchen aus einem nekrotischen Zentrum
und einer Peripherie von Epithelioidzellen, Kiesenzellen und
Lymphozyten. Die Herdchen sind reich an langen, schlanken
Tuberkelbazillen.

Ein zweites Kaninchen bekommt subkutan 10 m.gr. Bazillen.

Nach 122 Tagen wird das immer gesund gewesene Tier, getötet.
An der Impfstelle befindet sich eine haselnussgrosse abgekapselte
Höhle zwischen den Muskeln; die Höhle ist mit einem schleimigen
Eiter gefüllt, worin sich einige wenige Tuberkelbazillen finden.
Sonst sind keine tuberkulöse Affektionen wahrnehmbar. Die
Gewichte am Anfange und am Ende des Versuches waren 2460 gr.
resp. 2630 gr.

Meerschweinchen: Ein 400 gr. schweres Meerschweinchen wird
subkutan geimpft mit 5 m.gr. Bazillen. Das Tier wird anfangs
schwerer, bis zu 570 gr., magert dann ab und wiegt bei seinem
Tode, nach 122 Tagen, 430 gr.
Sektionsbefund: allgemeine chroni-
sche Impftuberkulose.

Fali XI.

Grosser Ziehhund, männlich, 3 Jahre alt. Protokollnummer
A 557-

Wegen chronischer, einseitiger Pleuritis am 8. Juli 1911, mittels
Strychnin getötet und einige Stunden nach dem Tode obduziert.

Sektionsbefund: Gut genährter Kadaver. In der linken
Hälfte der Brusthöhle befindet sich eine grosse Menge (^ 7 Liter)
klare seröse Flüssigkeit; in der rechten Hälfte nur etwa 100 c.c.m.

Die linke Pleura costalis ist verdickt und hat eine gelbliche
Farbe; an mehreren Stellen, besonders im caudalen Teile, befinden
sich kleine, blumenkohlähnliche Granulationen. Die Pleura pul-
monalis ist ebenso erheblich verdickt und mit kleinen, körnigen
Neubildungen versehen. Die Pleura diaphragmatica hat ein gleiches
XLI 9

-ocr page 162-

Aussehen wie die Pleura costalis; durch Kontraktion des Zwerch-
fells zeigt sie aber eine Anzahl parallel verlaufende Furchen. Das
Mediastinum ist ungleichmässig verdickt; der grösste Teil hat
eine Dicke von 2 bis 4 m.m.; an mehreren Stellen befinden sich
aber dicke Knoten von der Grösse einer Kastanie; die ganze Ober-
fläche des Mediastinums ist mit feinkörnigen Granulationen bedeckt.

Die knotenförmigen Verdickungen sind beim Durchschneiden
derb, an der Schnittfläche ist deutlich wahrnehmbar, dass diese
Knoten aus einer Anhäufung zahlloser kleiner Körner bestehen.
Die Körner, welche ein weisses, nekrotisches Zentrum haben,
sind durch Bindegewebszüge getrennt und haben einen Durch-
messer von V4-1 m.m.

Die Pleura der rechten Brusthälfte zeigt nur einige wenige
Granulationen und hat im übrigen ein normales Aussehen. Die
Neubildungen auf der Pleura diaphragmatica sind nur an der linken
Hälfte anwesend, gerade bis an die Stelle, wo Mediastinum und
Diaphragma an einander stossen.

Die linke Lunge ist ganz luftleer (Druckatelektase); die rechte
Lunge ist normal. Im Lungengewebe und in den Bronchien sind
sonst keine Abweichungen wahrnehmbar. Die bronchialen Lymph-
knoten sind nicht vergrössert und haben eine normale Schnittfläche
Die vorderen mediastinalen Lymphknoten sind gleichmässig
vergrössert und ein wenig derb beim Durchschneiden.

Dieübrigen Organe und Lymphknoten zeigen keine Abweichungen.
In Ausstrichpräparaten können nach
Ziehl keine Tuberkel-
bazillen nachgewiesen werden; jedoch wird, gestützt auf den
anatomischen Befund, die Diagnose gestellt:
Chronische, links-
seitige, tuberkulöse Pleuritis.

Histologische Untersuchung: Das mikroskopische
Bild der verschiedenen Teile des Brustfelles ist fast überall gleich;
ein deutlicher Unterschied ist aber merkbar zwischen flachen und
körnigen Neubildungen

Die flachen Neubildungen bestehen aus faserigem Bindegewebe,
Fibroblasten, Lymphozyten und sprossenden Blutgefässen. An
den meisten Stellen ist das faserige Bindegewebe überwiegend
und dazwischen liegen die Fibroblasten und Lymphozyten unregel-
mässig zerstreut. An anderen Stellen ist aber das faserige Binde-
gewebe nicht so stark entwickelt und sind mehrere runde Anhäu-
fungen von Fibroblasten zu sehen; diese Stellen sind auch reicher
an Lymphozyten und Blutgefässen als die erstgenannten.

Die körnigen Granulationen zeigen ein andres Bild. Diese
Neubildungen bestehen aus dicht neben einander liegenden Herd-

-ocr page 163-

chen, welche alle von einer dicken Bindegewebshülle umgeben
sind. Die Herdchen, welche einen Diameter von 1/i bis 3/4 m.m.
haben, bestehen aus Fibroblasten und haben fast, alle ein nekro-
tisches Zentrum. Bei starker Vergrösserung zeigt der nekrotische
Teil einen faserigen Bau; in Schnitten nach
Van Gieson färben diese
Fasern sich schön rot und erweisen sich damit als Bindegewebs-
fasern. Dann folgt eine ziemlich dicke Zone von Fibroblasten,
wovon die meisten die Form von Epithelioidzellen haben. An der
Peripherie sind einige spindelförmige Zellen bemerkbar, zwischen
welchen Bindegewebsfasern auftreten; dieses Gewebe geht un-
merkbar in das umgebende Bindegewebe über.

Das bindegewebige Interstitium zwischen den Inseln epithelioider
Zellen enthält an mehreren Stellen zahlreiche, wucherende Fi-
broblasten und Blutgefässe.

Das körnige Granulationsgewebe besteht also aus zahlreichen
kleinen, runden Anhäufungen von epithelioiden Zellen, welche
Anhäufungen ein Bindegewebsfasern enthaltendes, nekrotisches
Zentrum und eine ziemlich starke Bindegewebshülle besitzen.
Fibrin habe ich in den Knötchen nicht nachweisen können.

In den vorderen mediastinalen Lymphknoten sind an einigen
Stellen kleine Herdchen von Epithelioidzellen anwesend; im
übrigen . zeigen diese Schnitte eine erhebliche Neubildung von
Bindegewebe.

Die bronchialen Lymphknoten zeigen sich mikrokopisch als
normal. Riesenzellen habe ich in keinem der Präparate gesehen.

In Schnitten nach Ziehl sind sehr wenige Tuberkelbazillen
nachzuweisen. Die Bazillen sind kurz, nicht schlank, meistens
leicht gebogen und homogen tingiert. Wiewohl die Bazillen in sehr
geringer Anzahl anwesend sind, so habe ich sie doch in allen affi-
zierten Organen gefunden.

BakteriologischeUntersuchung: Wie oben schon
gesagt ist, wurden sofort nach der Sektion in den Neubildungen
keine Tuberkelbazillen gefunden. Zwei
Meerschweinchen werden
subkutan infiziert mit einer Emulsion vom Mediastiuum. Nach
42, resp. 73 Tagen getötet, geben die Tiere das Bild einer generali-
sierten Impf tuberkulöse und zwar: Ulcus und Käseherd an der
Impfstelle, tuberkulöse verkäste Herde in Leber und Milz, Miliar-
tuberkel in den Lungen, und Verkäsung aller Lymphknoten.
Die Gewichte betrugen am Anfange des Versuches und beimTode
650 gr. und 570 gr. resp. 610 und 490 gr. In den verschiedenen
Organen sind nur wenige Tuberkelbazillen gefunden worden.

Behufs Erlangung von Reinkulturen werden neue Meerschwein-

-ocr page 164-

chen geimpft; nach mehrmaligen Passagen durch den Meerschwein-
chenkörper werden Reinkulturen erhalten von der Milz eines
Meerschweinchen, das am 6. Juli 1912 getötet worden ist. Einige
der Serumröhrchen zeigen ungefähr 3 Wochen nachdem sie mit
tuberkulöser Milz geimpft sind sehr kleine, weisse Pünktchen.
Diese Pünktchen werden die nächsten Tage etwas grösser und
bekommen einen, schmalen, platten Saum. Am 12. August ist
die ganze Oberfläche des Serums bedekt mit einem sehr zarten,
grau-weissen, trüben Häutchen, das an mehreren Stellen eine
flache knotige Verdickung zeigt; auf der Flüssigkeit ist ein dünnes
Häutchen gewachsen.

In Deckglaspräparaten nach Ziehi. zeigen die Bazillen sich als
ziemlich kurze, nicht schlanke, leicht gebogene Stäbchen, welche
meistens homogen tingiert sind; die Dicke ist nicht immer überall
dieselbe, mehrere Bazillen haben verdickte oder etwas zuge-
spitzte Enden.

Auf Kartoffeln ist das Wachstum sehr träge; nach mehreren
Wochen werden auf diesen Nährböden feine, weisse Körnchen
gebildet, welche nur sehr langsam grösser werden.

Auf Glyzerinbouillon wird ein sehr zartes Häutchen gebildet,
das an einigen Stellen knotige Verdickungen zeigt; in 5 bis 6 Wochen
alten Kulturen ist die Oberfläche noch nicht ganz bedeckt.

Mikroskopisch sind die Bazillen der Kartoffel und besonders die
der Bouillonkulturen, länger als die der Serumröhrchen; die Stäb-
chen waren jedoch noch ziemlich kurz.

Tierimpfungen mit Reinkulturen: Eine 5 Wo-
chen alte Bouillonkultur, welche von einer primären Serumkultur
stammte, wurde zu den Impfversuchen benutzt.

Kalb. Ein 12 Wochen altes Kalb wird am 25—ix \'12 mittels
150 m.gr. Roh-Tuberkulin subkutan, auf Tuberkulose untersucht;
die Reaktion verläuft negativ; die gemessenen Temperaturen sind:

Vor der Impfung

25—IX—\'12

Nach der Impfung
26—IX —\'12.

Stunde

8

Morgens

12

Mittags

6

Nach,
mitt.

10
Abends
Injek.
tion

6

Vormitt.

8

10

12
Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

38"6

39"3

39"5

39"6

39"3

39"3

39"3

39"3

39" 1

39"2

39 "4

-ocr page 165-

Am 28. September 1912 wird dieses Kalb mit einer Emulsion
von 50 m.gr. Bazillen in 5 c.c.m. Kochsalzlösung, subkutan an
der rechten Halsfläche, geimpft.

Klinischer Befund: Am 30—ix ist an der Impfstelle eine kleine,
flache Anschwelllung anwesend; die Bugdrüse ist deutlich ver-
grössert und schmerzhaft. Diese lokale Reaktion nimmt täglich
zu; am 8—x, also 10 Tage nach der Impfung, ist die Bugdrüse
mehr als hühnereigross, der Tumor an der Impfstelle ist handteller
gross und sehr empfindlich bei Druck; Temp. 40°i.

Am 11—x wird zum erstenmal Husten gehört; das Allgemein-
befinden ist, trotz der erhöhten Körperwärme, gut; Temp. 4i°i.

Von jetzt ab wird die Fresslust geringer, bald tritt Abmagerung
ein; trauriger Blick, trockene Haare und frequentes Husten.

Am 27—x wird die Atmung sehr frequent; das Tier liegt fast
den ganzen Tag; am 30—x kann es nicht mehr aufstehen, ist sehr
kurzatmig und hustet fortwährend.

Am 2—xi, also 35 Tagen nach der Impfung, liegt das Kalb
tot im Stall.

Sektionsbefund: Kadaver stark abgemagert, hydraemisch. An
der Impfstelle, in Subkutis und Muskulatur eine kartoffelgrosse,
mit einem weichen Käse, gefüllte Höhle; die rechte Bugdrüse ist
hühnereigross und grösstenteils verkäst.

Lungen dicht durchsetzt mit miliaren und submiliaren Tuberkeln,
teils hyalin, zum grössten Teile aber mit verkästem Zentrum.
Pleura normal.

Sämtliche Lymphknoten der Brusthöhle stark vergrössert und
die meisten grösstenteils verkäst.

Leber und Milz vergrössert und mit miliaren, hyalinen und
gelben Knötchen durchsetzt.

Die Nieren enthalten eine Anzahl submiliarer, hyaliner
Tuberkel.

Der Dünndarm zeigt kleine gelbe, nekrotische Pfröpfchen in
den Peyer\'schen Platten; die mesenterialen Lymphknoten sind
ein wenig vergrössert, enthalten aber keine mikroskopisch sicht-
barer. tuberkulösen Veränderungen.

Die Lymphknoten der Bauchhöhle sind alle mehr oder weniger
tuberkulös; die Fleischlymphknoten sind geschwollen und ent-
halten kleine verkäste Stellen.

Mikroskopische Untersuchung: Impfstelle und Bugdrüse sind
grösstenteils nekrotisch, mit einer Peripherie von Epithelioidzellen
und Lymphozyten.

Die Lungenherdchen erscheinen als nicht scharf begrenzte

-ocr page 166-

»

z

.3

5

6

r

s

9

10

LI

n

13

it

16

fr

IS

J9i

>0

n

ZJ>

2r

Z<?

3/

Ja

33

3M

3:3

36

«

Jfl*

w

-

-

_

_

-

= ;

r

9

h

-

A

-

r

A

[Z

=

W
38*
58°

Xs
T

■J

f

1

=

-

*

V

A

J

4

\\

L

f

_

J
-

=

t=

=

P

3

t

-

t

r

t

l

-

E

s

KJ

-

-

1

] •
f

_

-
-

V

J

il

1

1

t

7

_

V

5

A

i

t

k
1

lij
1

Fieberkurve des Kalbes, Fall XI.

_ .

-ocr page 167-

Tuberkel, welche grösstenteils aus Epithelioidzellen und Lvmpho-
zyten bestehen, die grössten zeigen zentral körnigen Zerfall. Die
benachbarten Alveolenwände sind mit wuchernden Epithelien
bekleidet, und enthalten desquamierte Epithelien und Leukozyten.

Die Bronchien enthalten ein Exsudat welches aus Epithelien
und Leukozyten besteht, die Bronchialwand ist intakt.

Die Veränderungen in den Peyerschen Platten sind nicht tuber-
kulöser Natur; die mesenterialen Lymphknoten enthalten sehr
kleine, junge Tuberkel.

Die übrigen Organe, Leber, Milz, Nieren nebst Lymphknoten,
zeigen alle das gewöhnliche Bild einer akuten Miliartuberkulose;
die Tuberkel, ausser denen der Lymphknoten, enthalten nur sehr
wenig Riesenzellen.

Alle tuberkulösen Organe sind sehr reich an Tuberkelbazillen
besonders die Lungen und die Milz. Die Bazillen sind lang aber
nicht sehr schlank, leicht gebogen und homogen tingiert.

Ziege: Eine sehr kräftige, zehn Monate alte Ziege, wird am 17.
September 1912 mittels der subkutanen Tuberkulinprobe (200m.gr)
auf Tuberkulose geprüft; die Reaktion ist negativ; die gemessenen
Temperaturen sind folgende:

Vor der Impfung

17 IX—\'12

Nach der Impfung

18—IX—\'12.

Stunde

8

Vormitt.

12

Mitt.

6

Nach,
mitt.

10

Abends
Injeks
tion

6

Vormitt.

8

10 12

Mitt.

2

Nach,
mitt.

4

6

Temperatur

38"9

38"3

38"6

38"6

38"5

38"5

38"8 38"6

38"2

38"7

38%

Am 21—ix \'12 erhält die Ziege in der linken Jugularvene eine
Emulsion von 35 m.gr. Bazillen in 3.5 c.c.m. Nährsalzlösung.
Da das Tier bei der Impfung sich energisch wehrte, gelangte ein
Teil der Flüssigkeit in Muskulatur und Subkutis.

Am 5. Tage nach der Injektion steigt die Temperatur plötzlich
bis zu 39°9 und bleibt dann während 6 Tagen zwischen 39°3 und
39°9. Die Impfstelle ist diffus verdickt, die Bugdrüse vergrössert,
das Allgemeinbefinden ungestört.

Am 1—x, also am i2ten Tage nach der Impfung, steigt das
Thermometer biszu40°2; die lokale Schwellung nimmt an Umfang zu.

Die Temperatur schwankt dann vont—x bis zu 22—x zwischen

-ocr page 168-

— 148 —

40°2 und 4o°9 und steigt am 5—x bis 41°2 und am 10—x bis 4i°3
Während dieser Zeit tritt eine starke Abmagerung auf; das
sonst sehr lebhafte Tier wird traurig, matter Blick, steile
Haare, wenig Fresslust. Am 12—x, also am 22. Tage nach der
Impfung wird zum ersten Male ein schwaches Husten gehört,
dieses Husten wird von da an immer frequenter. Am 22—x ist
Atem und Puls sehr frequent; das Tier ist sehr krank.

Am 23—x sinkt die Temperatur plötzlich bis 38°8, 38% 38°i;
am 24—x ist die Temperatur um 8 Uhr morgens 37°8 und um
11 Uhr, also 31 Tage nach der Infektion, stirbt die Ziege.

Sektionsbefund: Die Obduktion wird 3 Stunden nach dem Tode
vorgenommen. Der Kadaver zeigt einen sehr starken Muskel-
schwund, in der Bauchhöhle ist das Fett aber noch in grosser
Quantität anwesend.

An der Impfstelle befindet sich in Subkutis und Muskulatur,
ein wallnussgrosser Abszess mit weichem Käse gefüllt; die Intima
der Jugularvene zeigt einige sehr kleine verkäste Knötchen. Die
betreffende Bugdrüse ist stark vergrössert und teilweise verkäst.

Die Lungen, welche nur sehr wenig zusammengefallen sind,
enthalten Miliartuberkel in sehr grosser Quantität, hyaline, zentral
verkäste und konfluierte. Die Brusthöhlenlymphknoten sind alle
vergrössert und teilweise verkäst. Herz und Brustfell sind
normal.

Leber und Nieren enthalten wenige hyaline Tuberkel; die Milz
ist vergrössert und enthält zahlreiche hyaline und verkäste nadel-
kopfgrosse Knötchen. Magen, Darm, Mesenteriallymphknoten
und Peritoneum zeigen keine tuberkulöse Veränderungen. Die
wichtigsten Lymphknoten sind alle speckig geschwollen und die
meisten an der Peripherie verkäst.

Deckglaspräparate aus den verschiedenen affizierten Organen
zeigen eine grosse Menge ziemlich langer, nicht schlanker, leicht
gebogener Tuberkelbazillen, welche homogen koloriert sind.

Mikroskopische Untersuchuno: Die Lungentuberkel, welche
scharf vom umgebenden Lungengewebe getrennt sind, bestehen
aus einem verkästen Zentrum und einer Peripherie, welche aus
Epithelioidzellen, Lymphozyten und Riesenzellen aufgebaut sind
Die Verkäsung ist in den meisten Tuberkeln schon weit fortge-
schritten.

Alle anderen makroskopisch veränderten Organe erweisen sich
auch mikroskopisch als tuberkulös; die Prozesse in der Leber
und den Nieren befinden sich noch im jüngsten Stadium, wiewohl
ein zentraler Zerfall schon in geringem Maasse anwesend ist.

r

-ocr page 169-

w

ifO\'s

Ho°
W

-

-

1

L

-

*

5

-A

A

c
rt

/

I

0

i

(T"

u

i

-M

i-
-

-—

3

/

4

l

i

5

/

6

£

2

\\

r

i

t

i

9

A

2

V

ö

E

=

1

l

l
rs

1

c

3

2
\\

H

%

2
i

5

_

*
£

6

-

l

?

L

Z

8

5

2

9

ä

3

y

3

2

A

3

2.
\\

-

J3

3

4

yy
w

38°
3P

-i

!
r>

p

i

.3

l

9

f

-

-
u

£

sf

-

z

sl

\\

:r

-

_


-

-

-

-

-

-1

-

=

V
1

S
t

Fieberkurve der Ziege, Fall XI.

»

-ocr page 170-

Die Organe enthalten alle sehr viele Bazillen.

Kaninchen: Ein 2760 gr. schweres Kaninchen bekommt 0.1 m.gr.
Bazillen intravenös und stirbt nach 20 Tagen an allgemeiner
Tuberkulose, unter einem Gewichtsverlust von 140 gr. Die
Sektion
ergibt akute Miliartuberkulose von Lungen, Milz und Leber; die
Nieren sind makroskopisch normal; die Milz ist stark vergrössert
und enthält zahllose, zentral verkäste Tuberkel.
Mikroskopisch
zeigte der Prozess das gewöhnliche Bild; in den Nieren konnte
keine Tuberkulose nachgewiesen werden. Die erkrankten Organe
sind überaus reich am Tuberkelbazillen.

Ein zweites Kaninchen von 2450 gr. erhält subkutan 10 m.gr.
Bazillen. An der Impfstelle, Innenfläche der linken Schenkel,
entwickelt sich allmählich eine weiche Anschwellung unter der
Haut. Nach 48 Tagen erliegt das Tier der Infektion unter einem
Gewichtsverlust von 480 gr. Die
Sektion ergibt einen unregel-
mässigen, grossen Käseherd an der Impfstelle; der Käse ist sehr
weich, hier und da eiterähnlich. Weiter miliare Tuberkulose der
Lungen und der Nieren; die Leber und Milz enthalten nur sein
wenig, kleine Tuberkel. Die tuberkulös veränderten Partieen sind
sehr reich an Tuberkelbazillen.

Meerschweinchen: Ein Meerschweinchen bekommt subkutan
5 m.gr. Bazillen; es stirbt nach 56 Tagen an ausgebreiteter Impf-
tuberkulose; Gewichte 740 gr. resp. 530 gr. Die Organe enthalten
nur wenig Bazillen.

Die Bazillen bei den drei letztgenannten Tieren waren nicht
lang und ziemlich schlank, gerade oder leicht gebogen; meist ho-
mogen koloriert; nur beim Meerschweinchen war die Mehrheit
der Bazillen ungleichmässig gefärbt.

Zusammenfassung.

Frequenz, anatomisches, histologisches.

In der Frist September 1906 bis September 1912 wurde am
hiesigen Institute unter 568 sezierten Hunden, n Mal Tuberkulose
gefunden; d. i. bei 1.9% der untersuchten Kadaver. Bei diesen
11 Hunden war dreimal die Tuberkulose ein zufälliger Befund;
in den 8 andern Fällen war die Tuberkulose so ausgebreitet, dass
sie entweder den Tod des Tieres verursacht hatte, oder Ursache
war, dass der Hund als unheilbar getötet werden musste.

-ocr page 171-

Was die Häufigkeit der Krankheit in den verschiedenen Organen
betrifft, so fand ich:

Tuberkulose der mesenterialen Lymphknoten in 7 Fällen.
„ Lungen „ 5

,, bronchialen Lymphknoten ,, 5 ,, •

des Brustfelles ,, 4

„ der Leber ,, 4 ,,

,, ,, mediastinalen Lymphknoten ,, 3 ,,

,, des Netzes ,, 3

,, der Milz ,, 2 ,,

,, vom parietalen Bauchfelle, Mesenterium, Pan-
kreas und Nieren in je 1 Fall.

Generalisierte, chronische Tuberkulose in 3 Fällen und generali-
sierte, akute Miliartuberkulose in 1 Fall.

Wenn ich das allgemeine Bild der Veränderungen in den ver-
schiedenen Organen kurz zusammenfasse, dann zeigt es sich, dass
die Tuberkulose des Hundes, derjenigen der andern Haussäuge-
tiere, ausgenommen die Katze, nicht sehr ähnlich sieht.

Die tuberkulösen mesenterialen Lymphknoten waren meistens
nur wenig vergrössert und am Durchschnitte verkäst; der Käse
war in der Regel sehr weich, oft eiterähnlich.

Was die Lungen anbelangt, so fand ich in einem Falle einige
subpleurale Miliartuberkel, aber eine Disseminierung von Tuber-
keln, wie man dies bei andern Tieren kennt, habe ich nicht wahr-
genommen. Der Prozess bestand meistens in einer diffusen, käsigen
Pneumonie, chronischer, käsiger Bronchitis, Bronchiektasieen,
Kavernenbildung, und in einigen Fallen in einer Bildung von
unregelmässigen, derben Knötchen mit zentraler Nekrose. Die
jiingern Prozesse in der Umgebung älterer Herde glichen oft
einer akuten katarrhalischen Bronchopneumonie. Der Käse war
meistens sehr weich; makroskopisch erkennbare Verkalkung
habe ich nicht wahrgenommen.

Die bronchialen und mediastinalen Lymphknoten waren mehr-
mals makroskopisch normal; mikroskopisch zeigten sie sich aber
öfters tuberkulös. In andern Fällen waren diese Lymphknoten nur
wenig vergrössert und teilweise nekrotisch; einige Male waren
sie sehr stark vergrössert, mehr oder weniger derb, hatten eine
homogene Schnittfläche und waren einem Sarkom, bezw. Fibro-
sarkom, sehr ähnlich. Auch die tuberkulösen portalen Lymph-
knoten hatten ein sarkomartiges Aussehen.

Bei der chronischen tuberkulösen Pleuritis war meistens viel
flüssiges Exsudat anwesend, (serös, sero-fibrinös, fibrinös-purulent)

-ocr page 172-

Die Wucherungen auf der Pleura waren in den meisten Fällen
platt, weich und von glatter Oberfläche und gelblicher Farbe; auch
war die Pleura einige Male triibe, gefaltet und diffus verdickt,
dies kam besonders vor an der Pleura pulmonalis; das Mediastinum
war immer erheblich verdickt. Wucherungen welche offenbar
aus Knötchen aufgebaut waren, sah ich nur einmal (Fall XI); hier
hatte der Belag auf der Pleura ein feinkörniges Ansehen und an
Durchschnitten sah man zahllose, sehr kleine, zentral nekrotische
Knötchen. Mehrere Autoren betrachten fast alle chronischen Pleuri-
tiden des Hundes als von tuberkulöser Natur; die chronischen
Brustfellentzündungen, welche in den letzten sechs Jahren in
diesem Institute beim Hunde beobachtet wurden, waren auch
alle durch den Tuberkelbazillus verursacht.

In einem Falle habe ich akute Miliartuberkulose der Leber
konstatiert, wobei die Tuberkel noch so klein waren, dass ich sie
bei der Sektion übersehen hatte, und sie erst bei der mikrosko-
pischen Untersuchung wahrnahm. In einem andern Falle sah ich
disseminierte akute Miliartuberkulose der Leber und der Milz,
die Tuberkel waren makroskopisch kaum sichtbar. In zwei Fällen
war die Leber mit erbsen- bis kastaniengrossen, runden, weissen,
sarkomähnlichen Neubildungen durchsetzt.

Das Omentum war meistens erheblich verdickt und zusammen-
gezogen; die Oberfläche war in zwei Fällen glatt und in einem
Falle exsudativer Peritonitis trübe. Am Durchschnitte war das
Gewebe grösstenteils verkäst.

Das Peritoneum parietale war in einem Falle purulenter Perito-
nitis, trübe, verdickt und mit weichen Granulationen und Fibrin-
auflagerungen bedeckt.

Das Pankreas war einmal mit Milz, Omentum und Mesenterium
zu einer grossen, teils verkästen Masse verwachsen.

In einem Falle enthielt eine Niere einige hyalinen Tuberkel in
der corticalen Substanz.

Histologisch war in den meisten Fällen die tuberkulöse Natur
nur schwer zu erkennen. Einen typisch aufgebauten Tuberkel
habe ich nicht gesehen. In einigen Fällen bestanden die Knötchen
aus einem nekrotischen Zentrum mit, mehr oder weniger deut-
lichen Epithelioidzellen und Lymphozyten; meistens waren aber
die Fibroblasten mehr spindelförmig und oft fehlte zentrale Nekrose.

Die diffusen Entzündungen in den Lungen gaben das Bild einer
chronischen Pneumonie mit Nekrose. Die Pleuraneubildungen
bestanden aus Granulationsgewebe, das reich war an wuchernden
Fibroblasten, sprossenden Blutkappillaren und Lymphozyten.

-ocr page 173-

Im allgemeinen war der Knötchenbau selten, die Fibroblasten
waren mehr spindelförmig als epithelioid, die Neubildungen waren
öfters sehr reich an wuchernden Gefässen.

Ricsenzellen habe ich in keinem einzigen Schnitte gefunden. Ver-
kalkung sah ich nur einmal, und dann noch im geringen Grade.

In einigen Fällen, besonders bei chronischer Lymphknoten-
und Lebertuberkulose, waren die Veränderungen dem Bilde von
Fibrosarkom sehr ähnlich, allein es bestand, wenn auch nicht sehr
deutlich, mehr oder weniger ein Knötchenbau. Der Fund von
Tuberkelbazillen und der positive Impfversuch an Meerschwein-
chen bestätigten die Diagnose Tuberkulose.

Bakteriologisches.

Was den Reichtum an Bazillen betrifft, wechselte dieser stark ab.

Die Fälle 1 (mesent. Lymphknotentub.), II (general. Tuberku-
lose der Bauchorgane), III (Mesenteriallymphkn. Tub.), VII
(akute Miliartub. der Bauchorgane), und VIII (Mesenteriallymph-
kn. Tub.) waren sehr reich an Bazillen. Fall V (chron. Lungentub,
mit Kavernenbildung) enthielt weniger, doch noch sehr viele Ba-
zillen. Fall IV (tub. Pleuritis, tub. Lungenabszess), Fall IX (Tub.
von Lungen, Pleura und mesent. Lymphknoten) und Fall X
(chron. Tub. von Lungen, Pleura, mesent. Lymphknoten und Lebei^
waren arm an Bazillen; während Fall VI (chron. Tub. von bronch.
Lymphknoten, Lungen. Leber, Omentum und einer Niere) und
Fall XI (chron. tub. Pleuritis) sehr arm an Bazillen waren.

Bevor ich zur Zusammenfassung der Morphologie, der Kultur, und der pathogenen
Eigenschaften, der von mir untersuchten Tuberkelbazillen des Hundes übergehe,
erscheint es mir, zwecks bequemer Orientierung erwünscht, den jetzigen Stand
der Tuberkuloseforschung kurz zu skizzieren.

Wiewohl schon seit längerer Zeit bekannt war, dass die Tuberkelbazillen vom
Menschen und vom Rinde sich gegenüber Versuchstieren nicht in derselben Weise
verhielten, so wurde doch bis zum Jahre 1901, die Einheit der Säugetiertuberkulose
fast allgemein angenommen. Im Jahre 1901 aber sprach
Koch (41) auf dem Londe-
ner Tuberkulosekongresse u. a. folgende Sätze aus:

„Die Tuberkelbazillen der Menschen tuberkulöse sind verschieden von denen
,,der Rindertuberkulose. Menschen können durch Riudertuberkelbazillen infiziert
„werden; aber schwere Erkrankungen kommen hierdurch sehr selten zustande.
„Verhütungsmassregeln gegen Tuberkulose sollten deshalb in erster Linie gegen die
„Verbreitung der Menschentuberkulosebazillen gerichtet sein."

Koch gründete diese Aussprache auf die Resultate von Versuchen an verschiede-
nen Säugetieren, die er zusammen mit
Schütz eingestellt hatte (42). Es zeigte
sich dabei, dass Rinder, Schafe und Schweine sehr resistent waren gegen eine

-ocr page 174-

Infektion mit Tuberkelbaziilen, welche vom Menschen stammten; dagegen erlagen
diese Tiere regelmässig einer Infektion mit Rindertuberkelbazillen. Die Behauptung,
dass die Rindertuberkelbazillen sehr selten beim Menschen eine schwere Tuberkulose
verursachen und der Umstand dass deshalb Massregeln gegen den Genuss von
Tuberkelbazillen-enthaltender Milch, Fleisch, Butter u. s. w. für unnötig erklärt
wurden, erregte grosses Aufsehen.

Zur Nachprüfung der Sätze Koch\'s wurde in England „The Royal Commission
appointed to inquire into the Relations of human and animal Tuberculosis" er-
nannt, die im Jahre
1911 ihren Schlussbericht veröffentlichte, und in Deutschland
wurden am Kaiserlichen Gesundheitsamte von
Kossel, Weber und Heuss (43)
ausgebreitete Versuche gemacht. Weiter wurden durch eine grosse Zahl von For-
schern Untersuchungen angestellt, um die Frage zur Klarheit zu bringen.

Welche auch die Resultate dieser Untersuchungen sein mögen, die Sätze Koch\'s
haben doch den grossen Verdienst, dass sie viele Forscher in diese Richtung getrie-
ben haben und dass dadurch mehr Klarheit in die Tuberkulosefrage gekommen ist.

Die meisten Untersucher waren bestrebt, aus menschlichen tuberkulösen Or-
ganen, Bazillen zu isolieren, welche sich als pathogen für das Kind erwiesen. Des
wegen wurden besonders Tuberkuloseformen untersucht, bei welchen eine Infektion
mit Rinderbazillen wahrscheinlich war.

In einer Tabelle geben Cornet und Kossel (44) eine Uebersicht über die Ver-
öffentlichungen der letzten zehn Jahre. Von
1290 veröffentlichten Fällen, wobei
eine sichere Altersbestimmung möglich war, sind
732 Fälle von Lungentuberkulose.
Die Zahl der Untersuchungen über diese Form von Tuberkulose ist verhältnis-
mässig gering, da nach
Koch von allen Menschen, die an Tuberkulose zugrunde
gehen, ungefähr 11/12 an Lungentuberkulose und ]/12 an anderen Formen der
Krankheit sterben.

Aus 732 Fällen von Lungentuberkulose wurden 4 Mal (0.56%) Bazillen mit
Rindervirulenz gezüchtet, unter diesen
4 Fällen kamen einmal humane Bazillen
und Bazillen mit Rindervirulenz gleichzeitig vor (
Kossel).

In andern Fällen von Tuberkulose (Knochen, Gelenke, Meningen, Halslymph
knoten, Abdominalorgane und generalisierte Tuberkulose) wurden Rindertuber-
kelbazillen viel häufiger angetroffen. In
558 Fällen von diesen verschiedenen
Formen von Tuberkulose wurden
116 Mal, d. i. in 20.8% der Fälle, bovine Bazillen
isoliert, und zwar
13 Mal bei Personen über 16 Jahren, d. i. bei 8.4% der unter-
suchten tuberkulösen Erwachsenen, und
103 Mal bei Personen unter 16 Jahren,
d. i. bei
27% der untersuchten tuberkulösen Kinder.

Die Zahlen zeigen also, dass bei Lungenschwindsucht, die weitaus frequenteste
und gefährlichste Form der Tuberkulose, nur sehr selten bovine Bazillen fest-
gestellt worden sind, dagegen ziemlich häufig bei andern Formen der Tuberkulose,
besonders bei Kindern. Tuberkulose der Abdominalorgane wird sehr oft durch
Rinderbazillen verursacht: in
99 Fällen dieser Krankheit wurden bei Erwachsenen
7 Mal (13.6%) und bei Kindern 23 Mal (49%) Rindertuberkelbazillen gefunden.
Jedoch ist die Zahl der Fälle von primärer Tuberkulose des Intestinaltraktus
sehr gering im Vergleich der Häufigkeit der Einverleibung von Tuberkelbazillen
mittels Milch, Fleisch u. s. w.

Neben humanen und bovinen Tuberkelbaziilen kommen bei den Säugetieren

-ocr page 175-

noch zwei andern Typen vor, und zwar der Bazillus der Geflügeltuberkulose
und Tuberkelbazillen mit teils bovinen, teils humanen Eigenschaften, sogenannte
intermediäre Formen.

Das Vorkommen von Geflügeltuberkelbazillen bei Säugetieren und besonders
auch das Vorkommen von Zwischenformen, spricht dafür, dass die verschiedenen
Tuberkelbazillentypen im Grunde gleich sind. Es ist denn auch sehr wahrscheinlich,
dass die verschiedenen Typen eine gemeinschaftliche Stammform haben. Die
humanen Bazillen aber haben sich dem menschlichen Organismus angepasst und
die bovinen dem Rinde. Wenn dies der Fall ist, so müssen derartige Verände-
rungen der Eigenschaften auch jetzt noch stattfinden, und dass dem auch wirklich
so ist, zeigen die Ergebnisse mehrerer Forscher, welche dies durch geeignete
Tierversuche zu Stande gebracht haben; und auch das Vorkommen von
intermediären Formen bei spontaner Säugetiertuberkulose spricht dafür.

Mögen denn auch die verschiedenen Typen im Grunde identisch sein, so sind
doch, nach dem heutigen Stand unsres Wissens, die humanen Bazillen für die
Verbreitung der Tuberkulose unter den Menschen viel gefährlicher zu erachten
als die Rinderbazillen, wenn auch die Gefahr für eine Infektion mit letzteren nicht
gering einzuschätzen ist.

In diesem Sinne wurden denn auch auf dem VII. Internationalen Tuberkulose-
kongres in Rom (45) u. a. folgende Schlüsse angenommen:

„Mit einigen seltenen Ausnahmen wird die Lungenschwindsucht des Menschen
„verursacht durch Tuberkelbazillen des Typus humanus."

„Die Infektion durch den Rindertuberkelbazillus durch Vermittlung von Milch
„und Fleisch von tuberkulösen Tieren spielt nur eine secundäre Rolle bei der
„Verbreitung der Tuberkulose unter den Menschen."

„Im Kampfe gegen die Menschentuberkulose sollen die Massregeln namentlich
„gegen die Infektion von einem Menschen auf den andern gericht sein, ohne jedoch
„die Massregeln gegen die Rindertuberkulose zu mildern, diese sollten im Gegenteil
„noch verschärft werden."

Mit Hinsicht hierauf ist es natürlich von grossem Werte zu wissen, ob humane
Tuberkelbazillen auch im stände sind, spontane Tuberkulose bei Haustieren her
vorzurufen, welche Tiere dann wieder gefährlich für den Menschen sein können.
Gerade beim Hunde, einem Haustier, dass eng mit dem Menschen zusammenlebt,
sind in dieser Hinsicht nur wenige Untersuchungen gemacht worden. Es ist denn
auch vor allem aus diesem Grunde, dass ich versucht habe, bei den von mir wahr-
genommenen Fällen von spontaner Tuberkulose beim Hunde, den Typus des Ba-
zillus zu bestimmen.

Bei der Definierung des Typus habe ich mich gerichtet nach den Resultaten
der bekanntesten Untersuchungen
(Koch—Schütz (42); Kossei., Weber und
Heuss (43); Englische Kommission (46).

Die Merkmale, welche jetzt als massgebend angegeben werden bei der Bestim-
mung des Typus der Tuberkelbazillen, sind folgende:

Morphologie: Ueber die Form (lang oder kurz, gerade oder gebogen, homogene
oder ungleichmässige Färbung) sind die verschiedenen Autoren nicht einig. Im
allgemeinen wird angegeben, dass die humanen Bazillen länger und schlänker sind
als die bovinen. Da aber die Art der Nährböden, das Alter der Kulturen u. s. w.

-ocr page 176-

von grossem Einflüsse auf diese Eigenschaften sind, ist hierauf kein grosser Wert
zu legen.

Wachstum: In den ersten Generationen wächst der humane Bazillus viel üppiger
als der bovine. Auf Glyzerinbouillon bildet der Menschentuberkelbazillus einen
gleichmässigen, dicken, gerunzelten Belag; der bovine Bazillus wächst kümmerlich,
bildet ein feines schleierartiges Häutchen mit warzigen Verdickungen. Durch huma-
ne Bazillen wird in Kulturen oft ein rötlichgelber Farbstoff gebildet.

Pathogenität: Eine Quantität von 50 m.gr. Rindertuberkelbazillen einer drei
Wochen alten Kultur, verursacht bei subkutaner Einverleibung bei einem 6 Wochen
alten
Kalbe eine tödlich verlaufende allgemeine Tuberkulose.

Eine gleiche Menge humaner Bazillen ruft nur eine vorübergehende, lokale
Tuberkulose hervor. Die Impfstelle zeigt eine heftige Reaktion, welche bald wieder
zurückgeht; die benachbarten Lymphknoten werden tuberkulös, doch ist der Prozess
nicht progredient, sondern heilt meistens wieder ganz aus. Weiter können nach der
Tötung in den innern Organen geringgradige tuberkulöse Veränderungen gefunden
werden, welche aber meistens verkalkt sind und keine oder nur sehr wenige Bazillen
enthalten.

Bei Meerschweinchen verläuft die Tuberkulose nach einer Infektion mit Rinder-
bazillen im allgemeinen schneller als nach Einverleibung humaner Bazillen.

Kaninchen sind sehr empfindlich gegenüber bovinen Tuberkelbazillen, dagegen
ziemlich resistent gegenüber einer Infektion mit humanen Tuberkelbazillen.
Bei der Prüfung der Pathogenität für Kaninchen bin ich den Angaben der engli-
schen Kommission gefolgt:

Typus bovinus.

Nach intravenöser Infektion mit
0.01 bis o. 1 m. gr. Bazillen folgte inner
halb 5 Wochen der Tod an allgemeiner
Tuberkulose.

Nach subkutaner Infektion mit
10 m. gr. Bazillen starben die Tiere
nach 28 bis 101 Tagen, und bei Einsprit-
zung von 1 m. gr. Bazillen nach 29 bis
165 Tagen an allgemeiner Tuberkulose.

Die Rinderbazillen rufen beim Kaninchen eine progrediente, generalisierte
Tuberkulose hervor. Bei Infektion mit humanen Bazillen bleiben die Tiere meistens
am Leben; nach subkutaner Impfung entwickelt sich an der Impfstelle ein abge-
kapselter Abszess und nach intravenöser Jmpfung findet man nach .Tötung bis-
weilen einige kleine, fibröse oder verkalkte tuberkulöse Herdchen 111 den inneren
Organen.

Ich habe von jedem isolierten Hundebazillus Kaninchen sub-
kutan mit 10 m.gr. und intravenös mit 0.1 m.gr. Bazillen geimpft.

Ausser auf obenstehende Eigenschaften, habe ich auch die
Virulenz für Ziegen geprüft. Hierbei habe ich die intravenöse
Infektion angewandt. Einerseits weil beim Anfange dieser Ver-

Typus humanus.

Nach intravenöser Infektion mit
o. 1 bis i 111. gr. starben einige .Male
die Tiere; meistens aber blieben sie
am Leben.

Nach subkutaner Infektion mit
1 bis 100 m. gr. Bazillen lebten die
Tiere noch nach 94 bis 72; Tagen.

-ocr page 177-

suche (1908), die Ziege ziemlich resistent gegen Tuberkulose
gehalten wurde, andrerseits weil diese Weise der Impfung nach
einigen Forschern
(df. Jong 33)) sicherere Resultate gibt als die
subkutane. Die eingespritzte Menge wechselte von 20— 60 m.gr.
Bazillen.

Im Schlussbericht (S. 5) der Englischen Kommission lesen wir
in dieser Hinsicht: „Other properties of the bovine tubercle ba-
,,cillus may be mentioned. It invariably produces acute tuber-
culosis in the chimpanzee, monkey and guinea-pig, by subcutaneous
„inoculation in very small doses. In the
goat, pig and cat gene-
ralised tuberculosis is also readily induced by it. Indeed, the
„results of ;m adequate dose in the goat, pig and cat have an equal
„value with those obtained in calves and rabbits in differentiating
„the bovine, tubercle bacillus from the tubercle bacillus found in
„other kinds of tuberculosis."

End weiter (S. 7.): „The goal and the pig are not to any great
„extent affected by the human tubercle bacillus. In both animals
„the inoculation of this bacillus leads only to a slight retrogressive
„tuberculosis."

Von den oben beschriebenen 11 Fällen von Hundetuberkulose
ist es mir in 8 Fällen gelungen die Bazillen reinzuzüchten, in 3
Fällen misslang dies. Die Kultur gelang in 4 Fällen (n°.
I, II, III
und VII) direkt a\\is dem Hundekörper, und in 4 Fällen (n°. IV,
V, X und XI) aus dem Meerschweinchenkörper, oft erst nach
mehreren Passagen.

Von Fall VI wurde, wie gesagt, ein Meerschweinchen geimpft
mit einer Aufschwemmung von einem tuberkulösen Lymphknoten,
in dessen Ausstrichen ich keine Bazillen gefunden hatte. Das Tier
starb nach 66 Tagen an Pseudotuberkulose; in den veränderten
Organen konnten Tuberkelbazillen nachgewiesen werden. Diese
Bazillen waren wenig virulent für das Meerschweinchen, denn nach
66 Tagen war die Impftuberkulose noch so gering, dass sie fast
vollständig von den rezenteren pseudotuberkulösen Veränderungen
verdeckt waren.

VonFallVIII wurde ein Meerschweinchen geimpft mit tuberkulöser
Masse eines Mesenteriallymphknotens. Dieses Gewebe war ausser-
ordentlich reich an Tuberkelbazillen, welche stark gekrümmt
und sehr lang waren. Nach ungefähr einem Jahre wurde das viel
schwerer gewordene Meerschweinchen getötet; es hatte nur stark
vergrösserte Kniefaltenlymphknoten und einige Knötchen in der
Milz. Die Veränderungen zeigten einen schönen Knötchenbau
mit vielen Riesenzellen, aber auch mit einem starken Bindegewebs-

xli 10

-ocr page 178-

mantel. Der Bazillus war also sehr wenig virulent. Zu meinem
Bedauren habe ich keine Impfversuche an Kaninchen und Hühnern
angestellt, da die Möglichkeit bestand, dass dieser Bazillus zum
Typus aviaticum gehörte. Gegen diese Auffassung spricht die Tat-
sache, dass, trotz des grossen Reichtumes an Bazillen, es mir
nicht gelungen ist direkt Kulturen zu gewinnen aus dem Hunde-
körper, und der Vogelbazillus bekanntlich leicht aus den erkrankten
Organen zu kultivieren ist. Die grosse Länge und die starken
Krümmungen waren in dem Meerschweinchenkörper nicht so
ausgeprägt wie im Hunde. Jedenfalls gehörte dieser Bazillus wohl
nicht zum Typus bovinus.

Von Fall IX wurden mehrere Meerschweinchen und ein Kanin-
chen geimpft. Die Meerschweinchen starben nach kurzer Frist,
37 bis -|6 Tagen, an ausgebreiteter Impftuberkulose. Ein Kaninchen
subkutan geimpft mit tuberkulösem Gewebe eines Meerschweinchens
starb nach 67 Tagen an miliarer und konfluent-miliarer Lungentu-
berkulose. Bei den fortgesetzten Impfversuchen an Meerschwein-
chen behufs Kulturzwecke, trat leider eine Mischinfektion auf,
weshalb ich die bakteriologischen Untersuchungen über diesen
Fall eingestellt habe.

Von diesen drei Fällen ist mit Bestimmtheit nicht viel zu sagen.
Fall VI und VIII sind wohl nicht verursacht durch eine Infektion
mit Rinderbazillen; Fall IX stammt wahrscheinlich von einer
Infektion mit Bazillen des Typus bovinus, aber dies bleibt fraglich.

Ich werde jetzt eine Uebersicht über die Eigenschaften der
reinkultivierten Tuberkelbazillen geben.

Morphologie: Was die Morphologie betrifft, so fand ich es auf-
fallend, dass die Bazillen beim Hunde in den meisten Fällen sehr
lang und stark gebogen waren; dies ist auch von andern Autoren
wahrgenommen
(Jensen, du Jong). Diese Eigenschaft verschwand
aber in Kulturen und in den tuberkulösen Organen von mit diesen
Bazillen geimpften Versuchstieren.

Weiter habe ich keine bedeutende Unterschied in der Form
der Bazillen wahrgenommen. In Kulturen war ein bestimmter
Bazillus meistens auf Bouillon länger und schlänker als auf Kar-
toffel oder Serum. Da nach meiner Erfahrung die Form und Gestalt
eines selben Bazillenstammes stark wechselt, so lege ich auf die
Morphologie keinen grossen Wert; nur schien es mir, dass die Ba-
ziden mit starker Rindervirulenz im allgemeinen kürzer, weniger
schlank, unregelmässiger gestaltet und homogener tingiert waren
als die mit Eigenschaften des Typus humanus.

-ocr page 179-

Fall
n°.

Hasse und Hauptleiden
Alter. oder
(Protokollnummer) zufäll. Befund

Pathologisch-anatomische Diagnose; Gestalt und Wachs-
Bazillenreichtum. tum der Bazillen.

TIERIMPFUNGEN.

Kalb.

Ziege.

Kaninchen. Kaninchen.

Meerschweinchen.

subkutan 150 m.gr. Reinkultur; getötet
nach
285 Tagen;

üppiges Wachstum, einzelne verkalkte Knötchen in bronch.-

Lymphknoten.

Fox-Terrier
I Jahr alt.
A. 160.

Tuberkulose der mesent. Lymphknoten; sehr lang und schl.

Zufälliger Befund.

sehr reich an Bazillen.

[intravenös 50 m.gr. Reinkultur; getötet

nach 19 Monaten:
verkalkte Knötchen in Subkutis und1
unteren Hals-, Mediastinal- und Mesen-
teriallymphknoten.

subkutan 10 m.gr. Reinkultur;
getötet nach
148 Tagen:
negativ.

intravenös 0.1 m.gr. Reinkultur;
getötet nach
140 Tagen:
negativ.

subkutan 5 m.gr. Reinkultur;
gestorben nach
127 Tagen an allgem.
Tuberkulose.

Tub. von Leber, Milz, Bauchfell,
Omentum, mes. Lymphknoten, Pan-
kreas, unteren Halslymphknoten;
sehr reich an Bazillen.

sehr lang, schlank 100 m.gr. subkut. nach 13 Monaten
und gebogen; getötet; an der Impfstelle fibröse Neu
üppiges Wachstum. bildung mit Kalkkörnern.

50 m.gr. intravenös, stirbt nach 13
Wochen an nicht-tub. Enteritis, an
der Impfstelle Thrombus in Vena
j ugularis.

10 m.gr. subkutan;
getötet nach
9 Monaten:
Abszess an der Impfstelle.

0.1 m.gr. intravenös; 5 m.gr. subkutan;

stirbt nach 61 Tagen an Miliartuberkulose stirbt nach 144 Tagen an allgem. Tu-
der Lungen. berkulose.

Pinscher
Monate alt.
A.
236.

II

Hauptleiden.

150 m.gr. subkut, nach 8 Monaten
getötet: kleine verkalkte Herdchen an
Impfstelle.

lange, schlanke
Bazillen;
üppiges Wachstum.

Schott. Hirtenhund
4 Monate alt.

A. 319.

Tub. der mesent.lymphknoten;
reich an Tuberkelbazillen.

III

Zufälliger Befund.

50 m.gr. intraven; nach 8 Monaten
getötet; verkalkte Knötchen subpleu-
ral und in bronch. und mesent. Lymph-
knoten.

10 m.gr. subkutan;
nach
137 Tagen getötet;
negativ.

0.1 m.gr. intravenös;
nach
137 Tagen getötet:
negativ.

5 m.gr. subkutan;
stirbt nach
75 Tagen an allgem.
Tuberkulose.

Tub. Pleuritis und Lungenabszess;
Tub. der mesent. Lymphknoten;
wenig Bazillen.

Boxer
2 Jahre alt.
A. 378.

IV

Hauptleiden.

kurze Bazillen; Emulsion tub. Milz eines Meerschwein-
kümmerliches chens (viel weniger als
50 m.gr. Bazillen)
Wachstum. stirbt nach
45 Tagen an allgem. Tub.

nicht geimpft.

10 m.gr. subkutan;
stirbt nach 113 Tagen an allgem. Tub.

0.1 m.gr. intravenös;
stirbt nach
27 Tagen an allgem. Tub.

5 m.gr. subkutan;
stirbt nach
41 Tagen an allgem. Tub.

Tuberkulöse Bronchopneumonie;
ziemlich viel Bazillen.

Schosshündchen
5 Jahre alt.
B.
294.

lang und schlank;
üppiges Wachstum.

Hauptleiden.

Subkut. 55 m.gr.; nach 6 Monaten
getötet: geringe Tub. von Pleura und
Peritoneum; nicht-tub. Nephritis und
Hepatitis.

40 m.gr. intravenös; nach 6^2 Monaten
getötet; kleines Herdchen an Impfstelle,
verkalkte Herdchen in Bugdrüse.

10 m.gr. subkutan;
nach
180 Tagen getötet:
Abszess an der Impfstelle,
fibröse Tuberkel in Lungen.

0.1 m.gr. intravenös;
nach
18 Tagen getötet:
fibröse Tuberkel in den Lungen.

5. m.gr. subkutan;
stirbt nach
78 Tagen an allgem. Tub.

Tuberkulose von bronch. Lymphknoten,
Lungen, Omentum, Leber, 1. Niere;
arm an Bazillen.

Fox-Terrier
4 Jahre alt.
A. 435-

ziemlich lang;
nicht kultiviert.

nicht geimpft.

VI

Hauptleiden.

nicht geimpft.

nicht geimpft.

nicht geimpft.

Meerschw. geimpft mit tub. Organen des
Hundes, stirbt nach 66 Tagen an Pseu-
dotuberkulose.

60 m.gr. subkutan; nach 9 Monaten 20 m.gr. intravenös, stirbt nach 29 Tagen 10 m.gr. subkutan; nach 4 Monaten
getötet; geringe Tub. an Impfstelle an akuter Miliartuberkulose von Lungen getötet: einige fibröse Tuberkel in den

Dachshund Tuberkulose von Omentum, Leber,

6 Monate alt. Hauptleiden. Milz, mesent. und mediast. Lymphkn;

A. 437. reich an Bazillen.

0.1 m.gr. intravenös;
nach
7 Monaten getötet:
negativ.

sehr lang und schl.
üppiges Wachstum.

5 m.gr. subkutan;
stirbt nach
45 Tagen an allgem. Tub.

VII

and in Bugdrüse.

und Milz.

Lungen.

VIII

Schott. Hirtenhund
1 Jahr alt.
A. 443.

Zufälliger Befund.

Tub. der mesent. Lymphknoten;
sehr reich an Bazillen.

sehr lang,
stark gekrümmt;
nicht kultiviert.

nicht geimpft.

nicht geimpft.

nicht geimpft.

nicht geimpft.

geimpft mit tub. Lymphknoten des
Hundes, nach
321 Tagen getötet, geringe
Tuberkulose.

IX

Deutscher Vorsteh-
hund,
3 Jahre alt.
A.
448.

Hauptleiden.

Tub. der Lungen, Pleura, bronch. und
mesent. Lymphknoten;
arm an Bazillen.

ziemlich kurz ;
nicht kultiviert.

nicht geimpft.

nicht geimpft.

subkut. geimpft mit tub. Milz Meerschw.
stirbt nach
67 Tagen an Lungentuberk.

nicht geimpft.

Meerschweinchen geimpft mit tuberkul.
Gewebe, sterben nach
37—46 Tagen.

Tub. der Pleura, Lungen, bronch. und
mediast. Lymphknoten, Leber;
arm an Bazillen.

Pinscher
7 Jahre alt.
A.
509.

Hauptleiden.

60 m.gr. subkutan;
nach
128 Tagen getötet:
üppiges Wachstum, kleine Herdchen in Subkutis und Bug-
drüse.

10 m.gr. subkutan;
nach
122 Tagen getötet:
negativ.

40 m.gr. intravenös;
nach
4 Monaten getötet;
Abszess an der Impfstelle.

schlanke Bazillen;

o.r m.gr. intravenös;
nach
122 Tagen getötet:
fibröse Tuberkel in den Lungen.

5 m.gr. subkutan:
stirbt nach
56 Tagen an allgem. Tub.

50 m.gr. subkutan; 35 m.gr. intravenös; 10 m.gr. subkutan; 0.1 m.gr. intravenös;

stirbt nach 35 Tagen an allgem.Tuberk. stirbt nach 31 Tagen an allgem. Tuberk. stirbt nach 48 Tagen an allgem. Tub. stirbt nach 20 Tagen an allgem. Tub.

Ziehhund,
3 Jahre alt.
A.
557.

Chron. tuberkulöse Pleuritis;
sehr arm an Bazillen.

ziemlich kurz;
wächst langsam.

XI

Hauptleiden.

5 m.gr. subkutan:
stirbt nach
56 Tagen an allgem. Tub.

-ocr page 180-

Wachstum: In der Schnelligkeit des Wachstums der neu-rcin-
gezüchteten Bazillen auf Serum oder Kartoffeln war ein deutlicher
Unterschied wahrnehmbar; einige Bazillen liessen sich viel leichter
züchten als andern. Der Unterschied im Wachstum war besonders
deutlich auf Glyzerinbouillon; in einigen Fällen war das Wachstum
üppig und schnell und in andern Fällen kümmerlich und bei
diesen letzten wurde nicht ein dicker, gerunzelter Rasen gebildet,
sondern nur ein schleierartiges Häutchen mit warzigen Verdickun-
gen. Eine regelmässige Färbstoffbildung sah ich nicht, ich nahm
sie oft wahr bei humanen und bei bovinen Typen, die schon lange
in Vitro weitergezüchtet winden, aber ich fand sie nicht als kon-
stantes Merkmal.

Schnellwachsend waren die Bazillen der Fälle 1, II, III, V, VII
und X; kümmerlich war das Wachstum der Bazillen in den Fällen
IV und XI.

Pathogenität. Die Resultate meiner Impfversuche habe ich in
einer Tabelle übersichtlich zusammengefasst.

Wenn wir diese Tabelle betrachten, zeigt es sich, dass die Ba-
zillen der Fälle IV und XI ohne Zweifel dem Typus bovinus ange-
hören. Diese Bazillen erwiesen sich sehr pathogen für Kalb, Ziege,
Kaninchen und Meerschweinchen: weiter gehörten sie zu den
kümmerlich wachsenden und ziemlich kurzen Bazillen.

Zum Typus humanus rechne ich die Bazillen der Fälle 1, II, III
und X. Die Bazillen dieser Fälle riefen beim Kalbe, bei der Ziege
und beim Kaninchen nur sehr geringgradige tuberkulöse Verän-
derungen hervor; auch die geimpften Meerschweinchen blieben
viel länger am Leben als in den Fällen IV und XL Die Bazillen
zeigten ein üppiges Wachstum und waren lang und schlank. In
Fall II starb das intravenös infizierte. Kaninchen zwar nach 6i
Tagen an Miliartuberkulose der Lungen; es ist aber bekannt,
dass dies nach Injektion von o.i m.gr. Bazillen möglich ist; weiter
sprachen alle andern Merkmale für den humanen Typus.

Das Kalb vom Falle V war durch nicht-tuberkulöses Nieren-
und Leberleiden in seiner Resistenz gegen eine Tuberkulosein-
fektion wahrscheinlich erheblich zurückgesetzt und dadurch war
eine nicht ausgebreitete Tuberkulose vom Brust- und Bauchfelle
entstanden. Die übrigen Merkmale des Bazillus sprechen für den
humanen Typus. Doch beweist dieser Fall, dass ein absoluter
L\'nterscliied zwischen den pathogenen Eigenschaften der beiden
Bazillentypen nicht festzustellen ist. Die Prozesse in Leber und
Nieren waren von älterem Datum als die Tuberkulose von Pleura
und Peritoneum. Man darf jedoch annehmen, dass diese Prozesse

-ocr page 181-

zur Zeit der Tuberkuloseimpfung noch nicht bestanden; der
klinische Befund spricht dafür, und in der ersten Zeit nach der
Impfung machte die Tuberkulose keine Fortschritte. Erst später als
das Tier durch sein I.eber- und Nierenleiden erheblich geschwächt
war, traten die bis dahin latent gebliebenen Tuberkelbazillen
aggressiv auf und verursachten eine fortschreitende Tuberkulose.

In Fall VII war der Bazillus nach seinem Benehmen gegenüber
Kalb und Kaninchen und nach seinen kulturellen Eigenschaften
zum Typus humanus zu rechnen. Die Ziege aber erlag innerhalb
29 Tagen einer intravenösen Infektion mit 20 m.gr. Bazillen,
wiewohl andere Ziegen eine Einspritzung von 40 bis 60 m.gr.
Bazillen der andern humanen Typen ohne Schaden ertrugen.

Wenn ich die Resultate meiner Untersuchungen zusammenfasse,
so stellt es sich heraus:

a. dass üppiges Wachstum und geringe Pathogenität für das
Kalb immer parallel gehen;

b. dass geringe Pathogenität für das Kalb und für die Ziege
nicht immer zusammengehen;

c. dass die Resultate der Kaninchenimpfungen deutlich positiv
sind bei Rindervirulenz, und negativ oder zweifelhaft bei
humaner Virulenz. Impfungen am Kaninchen sind an
sich allein nicht genügendzumFeststellendesBazillentypus1);

d. dass Meerschweinchen nach Impfung mit Rinderbazillen
innerhalb einer kürzeren Frist sterben als nach Impfung
mit Tuberkelbazillen des Typus humanus;

e dass von acht Stämmen von Tuberkelbazillen des Hundes,
zwei zum Typus bovinus und vier zum Typus humanus
gerechnet werden müssen; während von den übrigen zwei
Stämmen der Typus nicht genau zu definieren ist (Ueber-
gangsformen).

Im Fall V war beim Kalbe, das im Laufe des Experimentes
an Nephritis und Hepatitis erkrankte, neben den Veränderungen
der Impfstelle und der Bugdrüse, eine geringe Tuberkulose von
Pleura und Peritoneum entstanden; und im Falle VII erlag die
Ziege der intravenösen Infektion, durch eine akute Miliartuberku-
lose der Lungen und der Milz — in beiden Fällen würde man übri-
gens geneigt sein, die Bazillen zum Typus humanus zu rechnen.

Das Resultat im Falle VII bei der Ziege ist beweisender, als das

\') Reinhardt (47) konnte bei subkutanen Impfungen an 30 Kaninchen mit
kulturen verschiedener Herkunft nicht immer einen deutlichen Unterschied
in Pathogenität wahrnehmen.

-ocr page 182-

im l\'alle V beim Kalbe, weil dieses Kalb während des Experimentes
an andren Leiden erkrankte und das Tier
nach 6 Monaten getötet
wurde, sodass es fraglich bleibt, ob die Tuberkulose sich hier
wirklich als progressiv gezeigt haben würde.

Anders bei. der Ziege; dieses Tier starb nach 29 Tagen an akuter
Miliartuberkulose der Lungen und der Milz.
Nach dem Betragen
beim Kalbe muss der Bazillus entschieden zum Typus humanus
gerechnet werden, aber das Resultat bei der Ziege erklärt diese
Schlussfolgerung für nicht zulässig.
Jedenfalls beweist dieses Resultat,
dass die Virulenz der Typen kein konstanter Faktor ist.
Es ist also
im Einklang mit den Ergebnissen der Untersuchungen von
Arloing 8.49). Dammann und Müssemeier50), Eber51.52), de
Jong63), Malm31).

Wenn wir an der Differenzierung der obengenannten Typen
festhalten, so kann aus den Experimenten geschlossen werden,
dass 50% der Hunde aus denen der Tuberkelbazillus kultiviert
wurde, mit Menschentuberkelbazillen infiziert waren; dass bei
25% dieser Hunde eine Infektion mit Rinderbazillen stattgefunden
hatte und dass bei weiteren 25% Uebergangsformen vorgefunden
wurden. Der tuberkulöse Hund bildet also eine nicht gering zu
schätzende Gefahr für die Gesundheit des Menschen.

Wenn wir andrerseits grossen Wert darauf legen, dass, wie oben-
gesagt, die Virulenz der Typen kein konstanter Faktor ist, wenn
wir selbst für einen Augenblick mit
de Jong (I.e.) annehmen,
dass der Rindertuberkelbazillus durch seine pathogene Wirkung
nicht zu unterscheiden ist und es also nicht erlaubt ist, aus der
Pathogenität Schlüssen zu ziehen über die Frequenz der Rinder-
bazillen, so muss zugegeben werden, dass die Möglichkeit besteht,
dass z.B. unter den Bazillen des s. gen. humanen Typus Rinder-
tuberkelbazillen vorkommen, dass also auch die 50% der oben-
erwähnten Hunde ganz oder teilweise durch Rindertuberkelba-
zillen infiziert waren, welche im Hundekörper derweise in ihrer
Virulenz und übrigen Eigenschaften modifiziert wurden, dass sie
sich experimentell als Menschentuberkelbazillen erwiesen.

Die Mitteilung von Weber und Steffenhagen84) über einen
Fall von Tuberkulose bei einem Knaben, welcher nach diesen
Untersuchern von
bovinem Ursprünge sein sollte, ist in dieser
Hinsicht sehr interessant. Nach der ersten Untersuchung haben
sie den Bazillus noch vier Mal kultiviert; drei Mal wurden die
Eigenschaften des bovinen Bazillus nicht zurückgefunden, ein
Mal waren diese Eigenschaften zweifelhaft.

Wie es auch sein mag, es ist zweifellos, dass die Tuberkulose-

-ocr page 183-

— I62 —•

forschling noch nicht für beendet gehalten werden darf; die aus-
führlichen Untersuchungen welche nach dem Jahre 1901 fast auf
der ganzen Welt angestellt worden sind, haben eine Fülle sehr
wichtiger Tatsachen in ungeahnter Verschiedenheit hervorgebracht;
sie weisen darauf hin, dass die Verhältnisse auch in dieser Materie
komplizierter sind als man anfänglich glaubte.

Deshalb stimme ich dem Rektor-Magnifikus der Utrechter
Universität, dem Professor Dr. C. E
ykman55), bei in seinem
paradoxal klingenden Motto:
Simplex non veri sigilluni.

Im April 1913.

Literatur.

Verzeichnis der in dieser Arbeit zitierten Autoren.

1. Römer. K., Ueber Tuberkulose beim Huiul. Arbeiten auf dem Gebiete
der path. Anatomie und Bakteriol. Bnd.
VII. H. i. Leipzig 1909.

2. Cadiot. La tuberculose du chien. Paris 1893.

3. Cadiot. Etudes de pathologie et de clinique, recherches expérimentaires
Paris 1899.

4. Petit. Sur les rapports qui existent entre la tuberculose de l\'homme et
celle des carnivoris domestiques.
Receuil de medec. veterin. 1935 p. 713.

5. F röhner, Statistische Mitteilungen über die Häufigket der wichtigsten
innem Krankheiten beim Hund.
Monatshefte f. prakt. Tierheilkunde.
Bnd.
VI, 1895.

6. Eber. A., Die Tuberkulose der Tiere. Ergebnisse der allgem. Patholog
und path. Anatomie von Lubarsch und Ostertag. IVter Jahrg.
1897.

7. Eber. A., Die Tuberkulose des Hundes und der Katze. Ergebn. d. allgem.
Pathologie und path. Anatomie v. Lubarsch u. Ostertag. ~X.ter Jahrg.
1904—\'05.

8. Jensen. C. O., Tuberkulose beim Hund und bei der Katze. IJ. Zeitschr.
f. Tiermedizin und vergleich. Pathologie.
1891 Bnd. XVII.

9. v. Ratz. Die Tuberkulose der Hunde. Veterinarius n°. 17, 19, 21. 1898.
(Ref. in Baumgarten und Tangl\'s Jahresberichte. 1898 XlVfcr Jahrgans).

10. Berichte über das Veterinärwesen im Königreich Sachsen, für die Jahre
1893 bis 1911.

it. Thomassen. Sur la tuberculose animale en Hollande. Comptes rendus
du Congrès pour l\'étude de la tuberculose chez l\'homme et chez les animaux.
1er Sessien
1888.

12. Cramer. Drie gevallen van tuberculose bij den hond. Tijdschrift voor
Veeartsenijkunde. Deel
XV 1888.

13. Thomassen. Sur la transmissibilité de la tuberculose. Receuil de medeç.
vétérinaire. Tome
V, 1888. pg. 784.

14. De Jong. Rapports entre la tuberculose de l\'homme et du gros bétail,
de la volaille et d\'autres animaux domestiques, (notamment du chien).

-ocr page 184-

Comptes rendus du Vlllme Congres internat, de medec. veter. Budapest 190:.
Tome II. pg. 3.

15. Roos. J., Cronische pleuratuberculose bij den hond. Tijdschrift voor
Veeartsenijkunde.
1912. Deel 39. bladz. 779.

16. Auger. Tuberculose ganglionnaire généralisée chez un chien. Journal de
med. vétér. Dec.
1908. Tome 59.

17. Hobday and Belcher. Two interesting cases of tuberculosis. The vet.
Journal. Oct.
1908.

18. Joest. Tuberkulose beim Hunde. Zeitschr. f. Infekt. Krankh. paras.
Krankh. und Hyg. d. Haustiere.
1909, 5 Bnd. 3/i H.

19. Péchérot. Sur un cas de péricardite tuberculeuse. Journ. de mèdec
vétér. Déc.
1909. Tome 60.

20. Auger. Un cas d\'ostéo-périostite diffuse chez un chien, avec coexistence
de tuberculose viscérale.
Journal de méd. vétér. Dec. 1909. Tome 60.

21. Cadiot. Sur les ostéo-arthropathies d\'origine tuberculeuse. Ree. de médic.
vétér.
1912. Tome LXXXIX n°. 7.

22. Guérin. Un nouvel exemple de transmission de la tuberculose humaine
chez le chien.
Ree. de médéc. vétér. 1910. Tome LXXXVII, n°. 12.

23. Craig. Tuberculosis in a Scotch Terrier. The vet. Journal. Nov. 1910.

24. Marchand, Petit et Douville., Tuberculose bulbo-ponto-cérébelleuse
chez un chien,
Ree. de médec. vétér. 1910. Tome LXXXVII. n°. 13.

25. Létard. Adénopatliie tuberculeuse trachéo-bronchique et tuberculose
ulcéreuse des bronches (chien).
Bullet, et méin. de la soo. centr. de méd. vétér.
19t 1. Tome LXXXV1II. n°. 6.

26. Schenzle. Ein Fall vom Lungentuberkulose beim Hunde. D. tierärztl.
Wochenschr. n°.
20. r9ii.

27. Schlesinger. Miliary Tuberculosis in a Do g, with ulcerative Endocar-
ditis.
American vet. Review. May 1912. Vol. XVI.

28. Petit. Tuberculose des centres nerveux chez le chien. Bullet, et mim. de
la soc. centr. de médéc. vétér.
1912. p. 165.

29. Zschokke. Tuberkulose beim Hunde. Sachs. Berichte, Jahrg. 11°. 55.
(Ref. in Tierärztl. Zentralblatt. 1912. S. 482)

30. Zwick. W., Vergleichende Untersuchungen über die Tuberkelbazillen des
Menschen und der Haustiere.
Zeitschr. f. Infektionskrankheiten, parasit.
Krankh. und Hygiene der Haustiere.
1908, Bnd. IV. Heft.

31. Malm. dr. O., Ueber die sogenannten bovinen und humanen Typen des
Tuberkelbazillus.
Centralbl. f. Bakt. Orig. 1912. Bnd. 65, Heft 1/3 , 5. 42.

32. Koch. R., Die Aetiologie der Tuberkulose. Mitteil, aus dem Kaiserl.
Gesundheitsamtes, Bjnd.
II, Berlin 1884.

33. De Jong. dr. D. A., De eenheid der zoogdiertuberkulose. Leiden 1902,

34. Leudet et Petit. Résultats d\'expériences d\'inoculation de la tuberculose
humaine au chien. Infection naturelle de ce dernier par les voies digestives.
Recuil de médéc. vétér. 1904. p. 298.

35. Findel, dr. H., Vergleichende Untersuchungen über Inhalations- und
Fütterungstuberkulose.
Zeitschr. f. Hyg. u. Infektionskrankheiten, 1907.
Bnd. LVII. S. 104.

-ocr page 185-

36. Zitiert von Titze und Weidanz, siehe n°. 37.

37. Titze, dr. C. und Weidanz. 6 Infektionsversuche an Hunden mit Tuberkel
bazillen des Typus bovinus und Tuberkelbazillen des Typus humanus,
Tuberkulose-arbeiten aus dem Kaiserl. Gesundh. Amt. 1908. H. 9.

38. Sticker. Lymphosarcomatose und Tuberkulose beim Hunde. Archiv
f. wissensch. u. prakl. Tierheilkunde.
1910. Und. XXXVI, suppl. Bnd.

39. Eggert Schrvm. lieber Hundetuberkulose. Inaug. Diss. Bern. 1910.

40. Chaussée. La Tuberculose mésenterique occulte réalisée expérimentalement
chez le chien.
Receuil de médec. vétér. 1910. tome LXXXVII, n°. 17.

41. Koch. R., Die Bekämpfung der Tuberkulose unter Berücksichtigung
der Erfahrungen, welche bei der erfolgreiche Bekämpfung anderer Infek-
tionskrankheiten gemacht sind.
Vortrag, gehalten auf dem Londener Tuber-
kulosekongres. D. Mediz. Wochenschr.
1901. n°. 33.

42. Koch und Schütz. Menschliche Tuberkulose und Rindertuberkulose.
(Perlsucht).
Gesammelte Werke von Robert Koch. Bnd. II, Teil II. S. 10^4.
Leipzig 1912.

43. Kossel, Weber und Heuss., Vergleichende Untersuchungen über Tu-
berkelbazillen verschiedener Herkunft.
Tuberkulose-Arbeiten aus dem
Kaiserl. Gesundheitsamte.
1904. H. 1.

44. Cornet. G. und Kossel. H., Tuberkulose. Handb. der pathog. Mikroorga-
nismen herausgegeb. v. Iiolle und Wasserman.
1912. He Aufl. Bnd. V. S. 391.

45. Vile Congrès international de la tuberculose. Revue générale de médec. vit.
1912, Tome XIX. pg. 505.

46. Final Report of the Royal Commission appointed to inquire into the Rela-
tions of human and animal Tuberculosis. Londen 1911

47. Reinhardt. L., Die Empfänglichkeit der Organe de? Kaninchens und
Meerschweinchens für Tuberkulose.
Inaug. Diss. Bern 1909.

48. Arloing. S., Démonstration expérimentale de 1\' unité de la tuberculose.
Journ. de médec. vit. et de zootechnie■ 1903.

49. Arloing S. et Arloing F., Des relations de la tuberculose humaine et
de la tuberculose bovine.
Journ. de médec. vêt. et de zootechnie. 1912 t>. 321.

50. Dammann und Müssemeier. Untersuchungen über die Beziehungen
zwischen der Tuberkulose des Menschen und der Tiere.
Hannover 1905.

51. F.ber. A., Experimentelle Uebertragung der Tuberkulose vom Menschen
auf das Rind.
Zeitschr. f. Fleisch- und Milchhyg. Heft 7. 190;; Id. Id. Heft 7
1906; Zeitschr. f. Infekt. Kravkh. parasit. Iirankh. und Hyg. d. Haustiere.
Bvd.
IV5/SH. 1908; Deutsche tierarztl. Wochenschr. n°. 40, 41, 191 i\'Centralbt
f. Bakt. Orig. Bnd.
59. 1911.

52. Eber. A., Die Umwandlung vom Menschen stammenden Tuberkelbazillus
des Typus humanus in solche des Typus bovinus.
Berl. tierarztl. Wochen
sehr. n°.
15. 1910.

53. de Jong. D. A., Rundertuberkelbacillen bij den mensch, en het met
standvastig zijn van de zoogenaamde „typen" van tuberkelbacillen.
\\ede>
landsch Tijdschrift voor Geneeskunde. Eerste helft, 11°.
6. 1913.

54. Weber und Steffenhagen. Was wird aus den mit Perlsucht infizierten
Kindern und welche Veränderungen erleiden Perlsuchtbazillen bei jähre-

-ocr page 186-

langem Aufenthalt in menschlichen Körper? Tuberkulose-Arbeilen aus
dem Kaiserl. Gesundheitsamte, ir. Heft.
1912.

55. Eykman. C., Simplex non veri sigillum. Rede uitgesproken op den 2yysten
Gedenkdag van de stichting der Utrechtsche Hoogeschool, den 13den Maart
1913. Utrecht 1913.

Verzeichnis der weiter benutzten Literatur.

56. Bang. B., Die Tuberkulose unter den Haustieren in Dänemark, Deutsche
Zeitschr. f. Tiermedizin Bnd.
XVI. 1890.

57. Bang. O., Geflügeltuberkulöse und Säugetiertuberkulose. Centralbl. f.
Buht. Orig. Bnd.
XLVI. 6. Heft. 1908.

58. Basenau. F. und van der Sluis. IJ., Beitrag zur Uebertragbarkeit tieri.
scher Tuberkulose auf dem Menschen.
Zeitschr. f. Fleisch- und Milchhyg
XIX. Jahrg. 1909.

59. Cadiot. Sur la tuberculose du chien. Bullet, et mém. de la soc. centr. de
médec. vêt. Tome
X. 1892.

60. Cadiot., Sur la tuberculose du coeur chez le chien; Tuberculose de
l\'encéphale.
Bullet, et mém. delà soc. centr. de médec. vét. Tome XII. 1S94.

61. Calcar. R. P. van, Tuberkulose und Immunität. Leiden 1910.

62. Calmette. Importance relative des bacilles tuberculeux d\'origine bovine
et humaine dans la contamination de l\'homme.
Bullet, de l\'Institut Pasteur,
p.
97. 1911.

63. Chaussé. Nouveau caractère distinctif des bacilles tuberculeux humains
et bovins.
Compt. rend, de l\'Académie des sciences. Tome CLIV. p. 143. 1912.
(Ref. in Revue générale de méd. vét. Tome XIX. n°. 226).

64. Coquot. L\'épreuve de la tuberculine dans la tuberculose des carnivores.
Ree. de méd. vH. n". 10. 1909.

65. Dammann und Lydia Rabinovvitsch. Die Impftuberkulose des Menschen-
zugleich ein Beitrag der von Mensch und Rind stammender Tuberkel-
bazillen.
Deutsche tierärztl. Wochenschr. n°. 27. 1908.

66. Fiebiger. J. und Jensen. C. O., Uebertragung der Tuberkulose des Men-
schen auf das Rind.
Herl. hlin. Wochenschr. n°. 38. 1902.

67. Friedberger und Fröhner. Spezielle Pathologie und Therapie der Haus-
tiere. 6ste Auflage.

68. Fröhner. Klinische Mitteilungen aus dem Spital für kleine Haustiere
Monatshefte f. prakt. Tierheilkunde. Bnd. V. 1894.

69. Fröhner. Dreizehn weitere Fälle von Tuberkulose beim Hunde. Monats-
hefte f. prakt. Tierheilkunde. Bvd.
VI. 1895.

70. Hutyra und Marek. Spezielle Pathologie und Therapie der Haustiere.
3te Auflage, 1911.

71. de Jong. Expériences comparatives sur l\'action pathogène pour les
animaux, notamment pour ceux de l\'espèce bovine, des bacilles tubercu-
leux provenant du boeuf et de l\'homme.
Annales de médec. vêt. 1902.

72. De Jong. Steigerung der Virulenz des menschlichen Tuberkelbazillus
zu der des Rindertuberkelbazillus.
Centralbl. f. Bakt. Orig. Bnd. XXXVIII.
5. 146. 1906.

-ocr page 187-

73. de Jong. Het verband tusschen zoogdier- en vogel tuberkulöse. Vétérinaire
Pathologie en Hygiene, p.
448. Leiden 1908.

74. de Joxg. Rapport entre la tuberculose aviaire et celle des mammifères-
Annales de l\'Institut Pasteur, p. 895. 1910.

75. Kari.inski. Zur Frage der Uebertragbarkeit der menschlichen Tuber-
kulose auf Rinder.
Oest. Monatsh. f. Tierheilkunde. S. 481. 1901.

76. Kitt. Lehrbuch der pathologischen Anatomie.\' 4te Auflage 1911.

77. Koch. Die Aetiologie der Tuberkulose. Berl. klin. Wochenschr. 1882.

78. Koch. Ueber die. Aetiologie der Tuberkulose. Verhandl. des Kongresses
f. innere Medizin. Erster Kongres. Wiesbaden
1882.

79. Koch. Kritische Besprechung der gegen die Bedeutung der Tuberkel-
baziilen gerichteten Publikationen.
Deutsche mediz. Wochenschr. 1883.

80. Koch. Uebertragbarkeit der Rindertuberkulose auf den Menschen. D.
mediz. Wochenschr. n°.
48. 1902.

81. Koch. Das Verhältnis zwischen Menschen- und Rindertuberkulose. Berl.
klin. Wochenschr. n°.
44. 1908.

82. Kossel. Tierische Tuberkulose und menschliche Lungenschwindsucht.
Deutsche med. Wochenschr. n°. 43. 1911.

83. Lienaux. Un cas de tuberculose aiguë chez le chien. Annales de méd
vétér. vol.
XLI. 1892.

84. Markus. Tuberkulose beim Pferde (13 Fälle). Zeitschr. f. Thiermedizin.
6. Band, 1902. S. 369.

85. Nocard. Tuberculose cérébrale du chien. Bullet, et mém. de la soc. centr.
de médcc. vétér. tome
XII. p. 544. 1894.

86. Nocard et I.eclainche. Les maladies microbiennes des animaux. Troi-
sième Edit. Tome II. Paris 1903.

87. Orth. Rinder- und Menschentuberkulose. Vortrag des Gekeimt, .ƒ. Orth
in der Gesamtsitz, der Kgl. Preuss. Akademie der Wissenschaften von
8 Febr.
1912. Besprochen von Lydia Rabinowitsch. Berl. tierärztl. Wochenschr. 16.
1912.

88. Pftit. Tuberculose du cliien. Bullet, et mém. de la soc. ccntr. de méd. vét.
tome
XIX, p. 457. 1901.

89. Petit. Péricardite tuberculeuse du chien. Bullet, et mém. de la soc. centr.
de méd. vét. p.
264. 1901.

90. Petit. Sur la tuberculose du chien. Ree. de méd. vét. 1904.

91. Petit. Sur les rapports qui existent entre la tuberculose de l\'homme et
celle des carnivoires domestiques.
Ree. de méd. vét. p. 7x3. 1905.

92. Petit et Basset. Notes sur la tuberculose du chien. Ree. de med. vét. 1901.

93. Rabinowitsch. L., Untersuchungen über die Beziehungen zwischen der
Tuberkulose der Menschen und der Tiere.
Sonderabdruck aus ,,Arbeiten
aus dem Path. Institut zu Berlin". Berlin
1906. (Ref. in Zeitschr. f. Fleisch
und Milchhyg
1905—1906.

94. Rabinowitsch. L., Die Beziehungen der menschlichen Tuberkulose zu
der Perlsucht des Rindes.
Berl. klin. Wochenschr. n°. 24. 1906.

95. Siedamgrotzky. Tuberkulose beim Hunde. Bericht über das Veterinär-
wesen im Königreich Sachsen fur das Jahr
1871. S. 61.

-ocr page 188-
-ocr page 189-

Fig. III

Fig. IV

-ocr page 190-
-ocr page 191-

Fig VII

Fig. VIII

-ocr page 192-
-ocr page 193-
-ocr page 194-

Kwade droes in Nederland,

door

A. VAN LEEUWEN.

Het referaat van den heer Vrijburg in het Tijdschrift van 15
Sept. 1.1., aangaande de geringe besmettelijkheid en de genecs-
baarheid van malleus in Indië, geeft mij aanleiding mijn ervaring
aangaande deze ziekte in Nederland mede te deelen. Zij loopt over
ruim
16 jaren, gedurende welk tijdsverloop ik het Veeartsenijkundig
Staatstoezicht heb mogen dienen.

Mijn eerste invasie heb ik meêgemaakt in 1905. In de gemeente
Midwolda werd toen malleus waargenomen bij het paard van een
vrachtrijder, dat met nog
2 andere paarden bij den eigenaar op
stal stond. Ook deze
2 paarden bleken bij nader onderzoek aan
malleus te lijden. Alle
3 de paarden werden afgemaakt en de stal
werd ontsmet. Verder bleek dat het eerst aangetaste dier ongeveer
2 jaar te voren uit Rusland was ingevoerd, en dat de paarden
wekelijks een of meermalen werden gestald in een uitspanning te
Winschoten, waar op marktdagen vele paarden uit de omgeving
eenigen tijd verblijf hielden.

Ik moet erkennen dat ik mijn hart vasthield bij de gedachte,
wat hiervan wel de gevolgen zouden zijn. Ofschoon niet zeker, was
het toch waarschijnlijk dat het eerste paard althans ongeveer
2
jaar in de gelegenheid was geweest om de besmetting te verspreiden,
ongerekend de
2 andere paarden. Het eerste paard toch had reeds
geruimen tijd sterke neusuitvloeiing gehad volgens de mede-
deelingen.

Intusschen, de gevolgen vielen meê. Geen enkel geval van malleus
kwam in de omgeving voor. Alleen de stalgenooten waren wegens
het langdurig en innig contact besmet geworden.

Mijn tweede invasie had plaats in de gemeente Nijkerk in 1909.
Een paard van een landbouwer aldaar werd lijdende bevonden
aan acute malleus. Bij nader onderzoek bleek de eigenaar ook in
het bezit te zijn van een pony, voor ruim 1 jaar aangekocht en uit
Rusland herkomstig. Dit dier werd lijdende bevonden aan malleus
in een chronischen vorm. Deze hit was dus vermoedelijk weer de
oorzaak. Zoowel de pony als het paard werden voor allerlei werk
gebruikt, ook op den openbaren weg. Het paard werd voor en na
ook wel gestald bij anderen. Het geval had dus merkwaardig veel
overeenkomst met dat in Midwolda. Ook het gevolg was hetzelfde.

-ocr page 195-

— 169 —

Alleen de stalgenoot van de lijdende pony was besmet geworden;
geen enkel paard in de omgeving werd later lijdende bevonden.

Het derde geval speelde zich in hetzelfde jaar af in Wijk bij
Duurstede, geheel onafhankelijk van het geval te Nijkerk.

Een paard werd wegens langdurig en hevig snotteren door den
eigenaar opgeruimd en zonder eenige voorzorg naar het slachthuis
te Utrecht vervoerd. Hier bleek het dier lijdende te zijn aan malleus.
Een onmiddellijk ingesteld onderzoek op het besmette erf te Wijk-
bij Duurstede bracht aan het licht dat zich daar nog een pony
bevond, welke vóór anderhalf jaar was aangekocht en uit Rusland
ingevoerd. Ook dit dier leed aan kwaden droes, en werd eveneens
afgemaakt. Weer dus hetzelfde verloop. En ook hier weer, evenals
in Midwolda, de zeer ongunstige bijomstandigheid dat de hit, die
de ontsmetting had aangebracht en duidelijke neusuitvloeiing
had, geregeld werd gebruikt voor een fruitkar, waarmede in de
gemeenten Zeist en Driebergen werd gevent. Daarbij werd ook
zonder mankeeren telkens aangelegd bij een klein café onder Drie-
bergen, waar de hit werd gevoerd uit een verplaatsbare houten
voederbak, waaruit dagelijks meerdere paarden hun voeder ont-
vingen. Honderd gelegenheden dus om besmetting teweeg te
brengen. En toch, geen uitbreiding van beteekenis.

Wel werd eenige maanden daarna een pony, toebehoorende aan
den eigenaar van liet eerstbedoelde paard te Wijk bij Duurstede,
wegens verschijnselen verdacht gehouden van malleus. Na twee
malleïnaties, beide met positieven uitslag, werd het dier afge-
maakt aan \'s Rijks Veeartsenijschool, waar bij de sectie bleek dat
slechts in één long enkele doorschijnende knobbeltjes werden ge-
vonden, welke het vermoeden op het bestaan van long-kwaden
droes schenen te bevestigen.

Verder werd bij een paard, afkomstig van Zeist, en in Januari
1910 ter behandeling aangeboden aan \'s Rijks Veeartsenijschool,
acute malleus geconstateerd. Dat dit geval verband hield met de
gevallen te W ijk bij Duurstede is\' niet zeker, ofschoon na het mede-
gedeelde omtrent het gebruik dat van de eerstbedoelde pony werd
gemaakt, wel denkbaar. Indien dit zoo is, zou dan, behalve de stal-
genooten, één paard besmet zijn geworden, want overigens werd
van kwaden droes in die omgeving niets meer vernomen.

De vierde en laatste invasie was ernstiger. Hiervan was het
verloop als volgt: In Maart 1912 werd een pony, ter behandeling
aangeboden aan \'s Rijks Veeartsenij school, en kort te voren (in
Februari) met een transport ponys uit Rusland ingevoerd, lijdende
bevonden aan malleus en afgemaakt. Korten tijd daarna, in April,

r

-ocr page 196-

werd gewag gemaakt van een pony, toebehoorende aan een koop
man in kalveren te Lopik, welke eveneens aan kwaden droes zou
lijden. Dit bleek ook inderdaad het geval te zijn, terwijl tevens
bleek dat dit dier met het eerstbedoelde had behoord tot hetzelfde
transport, in Februari ingevoerd. Ook dit dier werd afgemaakt.
Beide hebben geen besmetting teweeggebracht.

Weer een maand later, in Mei, werd een paard van een land-
bouwer te Westbroek, in hevige mate lijdende bevonden aan acute
malleus. Bij navraag bleek dat kort te voren op diens stal een paard
was geweest van zijn zwager te Breukelen, welk paard een weinig
neusuitvloeiing had gehad. Bij ingesteld onderzoek ter plaatse
bleek dat dit paard enkele verdachte knobbeltjes had aan de binnen-
zijde van een der schenkels, maar overigens geen verschijnselen
van malleus had. Het was eenigen tijd te zamen gestald geweest
met een pony van een buurman, welke nu en dan hoestte. Om kort
te gaan, beide dieren bleken aan kwaden droes te lijden, terwijl
bij informatie verder bleek dat ook deze pony afkomstig was van
hetzelfde transport Russen, waartoe ook de twee eerstbedoelde
hadden behoord.

Eenige maanden daarna, in December 1912, werd nog een ander
paard, dat in het voorjaar op de besmette boerderij was geweest
om eenig landwerk te verrichten, lijdende bevonden en afgemaakt,
hetgeen niet verhinderde, dat ook het tweede paard van den-
zelfden eigenaar hetzelfde lot onderging (in Januari 1913).

Nog later, in April 1913, werd nog een paard van een vierden
landbouwer, wonende onder de gemeente Ruwiel, lijdende be-
vonden. Hiermede schijnt deze invasie, die veel kwaadaardiger
bleek dan alle vorige, thans te zijn afgeloopen. Uitgebreide en
herhaalde inspecties in de omgeving van alle paarden, die mogelijk
met de zieke dieren in aanraking konden zijn geweest, hebben
althans geen resultaat opgeleverd. Wel kwam in December 1913
opnieuw kwade droes voor bij een twee maanden te voren
uit Zuid-Holland ingevoerde pony, verblijf houdende onder
Breukelen, maar dit geval kan tot nog toe niet met de voor-
gaande in verband worden gebracht.

Indien er nu eenige conclusie te trekken valt uit de boven ge-
schetste gevallen, dan zou het deze zijn dat ook in ons land de
besmettelijkheid van malleus in den regel vrij gering is. De vele
sporadische gevallen van kwaden droes, in de veeartsenij kundige
jaarverslagen vermeld, versterken deze meening. In den regel
toch is de verbreiding der ziekte zeer langzaam, ja, zij blijft soms
geheel uit, zelfs in gevallen waarbij men het tegendeel eerder zou

-ocr page 197-

verwachten. In den regel worden alleen de stalgenooten, dus na
langdurig en innig contact, besmet. Evenwel, het geval te Breukelen
heeft geleerd, dat men op de goedaardigheid der ziekte niet te veel
kan vertrouwen. De laatstbedoelde Russische pony toch is middel-
lijk of onmiddellijk oorzaak geweest van de besmetting op vier
boerderijen, hetgeen aan 5 paarden het leven kostte.

Een tweede conclusie is deze, dat in ons land voortdurend be-
smetting wordt teweeggebracht door uit Rusland ingevoerde ponys.
Ook deze meening vindt steun in de vele berichten daaromtrent
in de jaarverslagen. Hieraan knoopt zich echter een vraag vast
en wel deze: Zouden deze ponys niet veel meer besmetting teweeg-
brengen dan wij weten en zouden niet vele gevallen, b.v. van
geringen longen-malleus, in genezing overgaan? Na de mededee-
lingen in de Veeartsenijk. bladen voor Ned. Indië schijnt mij dit
volstrekt niet onmogelijk. Ook hier te lande wordt reactie op
malleïne meermalen gevolgd door non-reactie, zoodat genezing van
kwaden droes ook ten onzent mogelijk, althans denkbaar is.

Utrecht, Jan. 1914.

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Het Hoofdbestuur heeft de eer ter kennis van de leden te brengen,
dat op Zaterdag, den 14e" Maart 1914 te Utrecht eene Buiten-
gewone algemeene vergadering (art. 18 van de statuten) zal
worden gehouden ter behandeling van het wetsontwerp tot regeling
van het landbouw- en het veeartsenijkundig hooger onderwijs.

Namens het Hoofdbestuur:
P. K. M. Houba, Voorzitter,
Dr. H. A. Vermeulen, iste Secretaris.

Het Hoofdbestuur heeft hierbij de eer ter kennis van de leden
te brengen het rapport der Commissie belast met een onderzoek
naar het ontwerp van wet tot regeling van het landbouw-en het
veeartsenijkundig hooger onderwijs.

Het Hoofdbestuur:

P. K. M. Houba, Voorzitter.

Dr. H. A. Vermeulen, iste Secretaris.

-ocr page 198-

Alkmaar
\'s graVENHAGE

Leiden

den 27ste)! December 11)13.

\'s Graven Hage
Tiel.

De commissie, door de Maatschappij ter bevordering der Vee-
artsenijkunde belast met het onderzoek van het ontwerp van wet
tot regeling van het landbouw- en het veeartsenijkundig hooger
onderwijs, heeft de eer u hierbij ingesloten het verslag van haar
onderzoek te doen toekomen.

Mocht de Maatschappij zich met de zienswijze der commissie,
betreffende het wetsontwerp en de verschillende onderdeden kun-
nen vereenigen, dan geeft de laatste in overweging daarvan mede-
deeling te doen aan de Regeering en aan
alle leden van de beide
Kamers der Staten-Generaal, daarbij echter inliet belang van het
diergeneeskundig onderwijs en in het belang van het algemeen,
uitdrukkelijk vragend een afzonderlijk curatorium met eigen
secretaris voor elk der beide hoogescholen, en opneming der non-
activiteitsbepaling betreffend het lidmaatschap van de Staten-
Generaal, terwijl het aanbeveling verdient de bovenbedoelde
zienswijze toe te lichten, hetzij door overlegging van het rapport
der commissie, hetzij door een andere vanwege de Maatschappij
te geven toelichting.

l)e commissie voornoemd:

Aan

H. J. C. van Lent.

het Hoofdbestuur der Maatschappij ter
bevordering der Veeartsenijkunde in
Nederland, den heer Dr. D.
L. Bakker,

Dirk L. Bakker.
A. W. Heidema.
D. A. de Jong.
J. M. Knipscheer

loco-voorzitter, te Alkmaar.

Rapport, uitgebracht door de commissie uit de Maatschappij
tot bevordering der Veeartsenijkunde, belast met een onderzoek
van ,,het ontwerp van wet tot regeling van het landbouw- en het
veeartsenijkundig hooger onderwijs.\'\'\'\'

Het behoeft geen betoog dat de commissie het bedoelde wetsont-
werp, met name voor zoover daarin regeling van het hooger on-
derwijs in geneeskunde der dieren wordt voorgesteld, met zeer
bijzondere belangstelling heeft onderzocht. Eindelijk toch wordt

-ocr page 199-

daardoor uitzicht geopend op vervulling van de zoo herhaaldelijk
van veeartsenijkundige zijde geuite wenschen; wenschen zoodanig
billijk, dat het onbegrijpelijk is waarom eerst in het jaar 1913 de
Nederlandsche regeering den tijd gekomen achtte het vóór dien
geketende veeartsenijkundige onderwijs in zijn ontwikkeling viif
te maken
in elke richting, en niet langer een toestand te (Toen
voortduren, die toch eigenlijk voor docenten en studenten minder-
waardig was, en bovendien de algemeene belangen op bedenkelijke
wijze schaadde.

Zeker is de Nederlandsche veeartsenijkunde dank verschuldigd
aan minister
Talma, die het initiatief in deze aangelegenheid nam,
en groote erkentelijkheid aan minister
Treub, nu het wetsontwerp
bij het optreden van een nieuwe regeering niet werd ingetrokken,
en hij de verdediging op zich wenscht te nemen.

Misschien zou het gevoel van dankbaarheid in belangrijke mate
getemperd moeten worden, indien het wetsontwerp slechts in
schijn de zoo zeer noodige verbeteringen trachtte te brengen,
inderdaad echter niet in staat mocht worden geacht de vrijmaking
te verzekeren. De commissie wil dus reeds dadelijk als haar mee-
ning uitspreken, dat het wetsontwerp werkelijk in staat moet wor-
den geacht aan de thans aan \'s Rijks Veeartsenijschool heerschende
onhoudbare toestanden een einde te maken, ook al is de voorge-
stelde oplossing niet de eenige om hetzelfde doel te bereiken.
Doch ook bij aanvaarding van het in het wetsontwerp neergelegde
stelsel, d.w.z. regeling in één zelfde wet
met het hooger landbouw-
onderwijs, kan het ontwerp inderdaad de belangen van het onder-
wijs in diergeneeskunde waarborgen, mits slechts die bepalingen,
welke bij handhaving een blijvende belemmering zouden vormen,
worden geschrapt of in gunstigen zin gewijzigd.

Uit het voorgaande valt reeds af te leiden, dat de commissie
bedenkingen heeft tegen gedachten, die bij den ontwerper van de wet
hebben voorgezeten, en tegen verschillende onderdeelen van het ont-
werp, welke als uitvloeisel daarvan zijn te beschouwen. Zij wenscht
die achtereenvolgens te behandelen, zonder daarnaast telkens te
wijzen op het vele goede en het vele doelmatige in het wetsontwerp.
Zij zal met name op den voorgrond dringen de naar haar meening
ernstige tekortkomingen opdat, indien zij door de Maatschappij
worden erkend, door tijdige publicatie het wetsontwerp is te
verbeteren.

Zoo wenscht de commissie allereerst in verband met de reeds

xli 11

-ocr page 200-

genoemde regeling van landbouw- en veterinair onderwijs in één
ontwerp
dadelijk als haar meening uit te spreken, dat het misschien
zijn goede zijde kan hebben om opportuniteitsredenen de regeling
van beide onderwijzen aanhangig te maken, echter overigens
zulke opportuniteit niet alleen niet is te vinden in een oorspron-
kelijk verband, hetwelk tusschen beide zou bestaan, doch dat het
bovendien het wezen van beide takken van onderwijs geweld
aandoet een dusdanig verband te leggen. Het veeartsenijkundig
onderwijs is in wezen
geneeskundig onderwijs, is nooit anders
geweest en moet ook nooit iets anders worden. Daarmede is voor
goed gezegd dat er geen innig verband met het landbouwonder-
wijs bestaat, en dat elke band die wordt gelegd, gewrongen moet
zijn. Dat de landbouw van de geneeskunde der dieren profiteert
wil allerminst zeggen, dat er tusschen het einddoel van de land-
bouwkundige- en de diergeneeskundige, studie eenig verband moet
worden gelegd; en indien men aan de laatstgenoemde vooral als
einddoel zou willen opleggen bevordering van de belangen van den
landbouw, dan verliest men ten eenenmale uit het oog dat men het
geivenschte einddoel d. i. de zoo hoog-wetenschappelijk mogelijke
opleiding in de vakken van geneeskunde der dieren, zou willen
prijsgeven. In dit opzicht kan de commissie met de in de memorie
van toelichting ontwikkelde beweegredenen niet medegaan, iets
waarop nog nader bij de bespreking van de omvorming der Rijks
Veeartsenijschool in lioogeschool en van het gemeenschappelijke
college van curatoren wordt teruggekomen. Het feit dat de Rijks
Veeartsenijschool en de Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool
onder één departement zijn samengebracht vormt in dit opzicht
geen deugdelijk argument. Inderdaad ware het veeartsenijkundig
onderwijs als zijnde geneeskundig onderwijs zeer goed aan het de-
partement van binnenlandsche zaken te verzorgen, waartoe het
trouwens vroeger behoorde.

Onjuist acht de commissie ook te meenen, dat er een band
tusschen veeartsenijkundig- en landbouwkundig onderwijs zou
moeten bestaan, omdat de beide te stichten hoogescholen gemeen-
schappelijke belangen zouden hebben, en vooral omdat de leerlingen
der beide scholen later den landbouw en de landbouwers zullen
hebben voor te lichten. Gemeenschappelijke belangen bestaan
er niet, ten minste de commissie weet ze niet te noemen, en moge
het genoemde levensdoel voor de dierenartsen zijn weggelegd,
dan mag zulks allerminst aanleiding vormen het onderwijs aan beide
inrichtingen
naar elkander te richten, zooals het in de memorie
van toelichting heet. Daarmede zou dan reeds dadelijk het karakter

-ocr page 201-

van hooger onderwijs, en de vrije ontwikkeling der wetenschap worden
aangetast, iets wat zeer zeker in diergeneeskundige kringen nooit
waardeering zou kunnen vinden. Bovendien is de meening, als zou
de toekomst van het overgroote meerendeel der veeartsen het
dienen van landbouwbelangen zijn, inderdaad niet juist. De mili-
taire paardenartsen, de keuringsveeartsen, de slachthuisdirecteuren
en de dierenartsen in verschillende niet al te kleine steden zijn niet
te beschouwen als directe landbouwdienaren!

Welke opvattingen in landbouwkundige kringen te dezen op-
zichte mogen bestaan laat de commissie in het midden, doch waai
het algemeen belang het meest gebaat is met de vrije ontwikkeling
van het veeartsenij kundige onderwijs is elke band, die zulks in
gevaar brengt,
te verwerpen.

Wenscht men dus ter regeling van veterinair en landbouwkundig
hooger onderwijs de stichting van twee hoogescholen tot stand te
brengen dan kan, gelijk gezegd, om gelegenheidsredenen tegen
de gelijktijdige schepping geen bezwaar bestaan, doch er dient geen
band te worden gelegd ter wille van een verband, hetwelk niet
bestaat. De stichting van één landbouw- en veeartsenij kundige
hoogeschool, waarop in de memorie van toelichting wordt gedoeld
zou dan ook ongetwijfeld een zeer onpractische oplossing zijn
door het te eng aaneenkoppelen van ongelijksoortige wetenschappen.
Het faculteitskarakter zou aan elk der onderdeelen van een der-
gelijke hoogeschool moeten worden toegekend, een curatorium
zonder neiging om een knellenden band te leggen zou ingesteld
moeten worden, waardoor dus feitelijk weder twee zelfstandige
hoogescholen zouden ontstaan. Ware het curatorium daarmede
niet in overeenstemming, dan waren voortdurend ernstige geschil-
len te vreezen.

Wenscht dus de commissie de regeling van het landbouw- en het
veeartsenij kundig onderwijs in één wetsontwerp, niet als doelmatig
te erkennen omdat er verband in onderwijs zou bestaan, zij wenscht
ook uit te spreken dat de benaming veeartsenij kundig onderwijs
onjuist is, omdat het woord „veeartsenij kundig" niet aanduidt tot
welke wetenschap het opleidt. De commissie kan dus niet alleen
niet medegaan met den door de ineenschakelingscommissie inder-
tijd gebruikten titel voor veterinaire hoogeschool, doch is van mee-
ning dat de termen „veeartsenijkundig hooger onderwijs", „vee-
artsenijkundige hoogeschool" en „veearts" dienen te worden ge
wijzigd als gevende niet aan, wat er mede is te bedoelen. De com-
missie merkt in dat opzicht zeer beslist op dat, hoeveel eerbied
zij heeft voor een overeenstemmend advies ter zake van eenige

-ocr page 202-

letterkundige hoogleeraren, dat advies niet dient te worden op-
gevolgd, wanneer het niet de juiste oplossing brengt. De veearts
van tegenwoordig behandelt meer dan hetgeen men onder „vee"
verstaat. Hij behandelt „dieren". Het „artsenijkundig" in vee-
artsenijkundig drukt niet duidelijk uit dat „geneeskundig" wordt
bedoeld. De commissie meent dus dat gesproken dient te worden
van „diergeneeskundig hooger onderwijs", „dierenarts" en „dier-
geneeskundige hoogeschool."

Tn de memorie van toelichting wordt er op gewezen dat de drang,
opgemerkt bij de dierenartsen, om in den vreemde te gaan pro-
moveeren, mag geacht worden te bewijzen, dat de neiging der stu-
deerenden tot wetenschappelijke studie in hun vak in hooge mate
aanwezig is, en daaruit wordt mede de wenschelijkheid der offi-
cieele sanctie als hooger onderwijs betoogd. De commissie wenscht
er evenwel op te wijzen, dat
spoedige voorziening hier gewenscht is,
omdat de promotie in het buitenland de waarde van den doctors-
titel in Nederland in het gedrang dreigt te brengen. Trouwens, de
Minister voelt dit, want verder in de memorie van toelichting
wordt gezegd dat hij van meening is „dat de promotie met zoo-
danige waarborgen moet worden omgeven, dat zij een werkelijke
wetenschappelijke waarde verkrijgt en behoudt; het zal zijn streven
zijn daarop toe te zien bij de nadere regeling der examens en pro-
moties." Inderdaad, hier heeft de wetsontwerper zich een goed
doel voor oogen gesteld, doch dan is ook de wijziging van den
bestaanden toestand een
eisch van het oogenblik!

En iets later wordt gewezen op het belang van het bezit van
wetenschappelijke veeartsen voor landbouw en volksgezondheid,
terwijl niet wordt gerept van het groote nut van wetenschappelijk
gevormde militaire paardenartsen, en dierenartsen in de steden.
De commissie wijst hier nogmaals op om te doen uitkomen, dat de
opleiding aan een diergeneeskundige hoogeschool in velerlei rich-
ting geschiedt.

De regeling van het veeartsenij kundig hooger onderwijs is o.m.
noodig, zoo zegt de memorie van toelichting, omdat de thans
bestaande wettelijke bepalingen van 8 Juli 1874 zoodanig ver-
ouderd zijn, dat aan herziening niet kan worden gedacht. Niets
is meer waar, doch er dient te worden toegevoegd dat er periculum
in mora is. De toevloed van leerlingen in de laatste jaren is zoodanig
geweest, dat de thans bestaande, door de Wet voorgeschreven
studie-indeeling en examenregeling aanleiding geven tot allerlei
moeilijkheden, welke de studie op allerbedenkelijkste manier
benadeelen, omdat een ongeordende toestand is ingetreden.

-ocr page 203-

De regeering heeft gemeend het vraagstuk van liet veeartsenij -
kundig onderwijs tot oplossing te moeten brengen door voor te
stellen de bestaande Rijks Veeartsenijschool in een veeartsenij -
kundige hoogeschool om te zetten. Inderdaad schijnt het der
commissie, dat daardoor het gewenschte doel te bereiken is, en
vele der in de memorie van toelichting genoemde argumenten moe-
ten in dit opzicht als steekhoudend worden beschouwd. Zoo zullen
er voorzeker moeilijkheden bestaan om de regeling tot stand te
brengen door het instellen van een zesde — diergeneeskundige
faculteit aan de Utrechtsche universiteit. Bestonden die echter
niet dan zou de commissie een dergelijke oplossing zeer toejuichen.
Ook daarom zou, naar de meening der commissie, een zoodanige
faculteit aanbeveling verdienen, omdat de propaedeutische vakken
aan andere faculteiten konden worden onderwezen, terwijl zij meent
dat het diergeneeskundig onderwijs geen bijzondere behoefte
heeft aan een afzonderlijke propaedeusis. Om deze redenen zou zij
het ook, wanneer dit kon geschieden, en al mocht geen afzonderlijke
faculteit mogelijk zijn, en dus een afzonderlijke hoogeschool de
eenige oplossing vormen, niet erg vinden wanneer zelfs dan door
de studenten verschillende propaedeutische vakken aan de uni-
versiteit werden gehoord.

Misschien gaf dit besparing van kosten, terwijl de omgang met
de studenten aan de universiteit een groot voordeel is te achten.
Opneming in de medische faculteit zou echter, zooals in de memo-
rie van toelichting terecht wordt gezegd, een zeer ondoelmatige
oplossing vormen, alleen ware zij in ongunstigen zin te overtreffen
door de vroeger besproken vereeniging met een landbouwhooge-
school. Het is dan ook der commissie eenigermate onduidelijk hoe
de regeering, die zoo goed het ondoelmatige van het onderbrengen
in de medische faculteit inziet, even verder in de memorie van
toelichting, er werd reeds op gewezen, niet het grootc gevaar ziet
dat het leggen van verband tusschen landbouw- en veeartsenij-
kundig onderwijs onvermijdelijk voor het laatste moet opleveren.
Daardoor bestaat eerst recht gevaar in het gedrang te komen.

De commissie wil niet verzuimen hier een speciaal onderdeel
te bespreken, waaruit eventueel verband tusschen veeartsenij kundig
en landbouwonderwijs af te leiden zou zijn, anderzijds echter het
argument van een niet bestaand verband te baat genomen zou
kunnen worden oni het veeartsenij kundig onderwijs in een bepaald
onderdeel te benadeelen. Het betreft de vorming van zoogenaamde
zoötechnici, veefokkerij specialisten, veeteeltconsulenten, de des-
kundigen op het gebied van de huisdierteelt.

-ocr page 204-

Het lijdt geen twijfel of de studie aan een hoogeschool voor dier-
geneeskunde, waar anatomie en physiologie met embryologie en
histologie zeer uitvoerig worden behandeld, verschaft grondige
voorbereiding voor de beoefening der huisdierteelt, een bij uit-
stek wetenschappelijke voorbereiding; verder eischt de dier-
pathologie ook deugdelijk onderwijs in de meer bijzondere zoö-
technische vakken, omdat de patholoog het normale en het deugde-
lijke in de dieren grondig dient te weten. Dat brengt dus als van
zelf mede dat een dergelijke hoogeschool ook uitmuntend geschikt
is voor de vorming van de bedoelde specialisten. Zij gaat aan deze
hoogeschool als het ware van zelf, is een natuurlijk uitvloeisel van
de richting daarvan, en zulks blijkt ook wel tiit het feit, dat in
Zuid-Duitschland, in tegenstelling met het noordelijke deel. het
meerendeel der huisdierteelt-leeraren wordt gevormd uit het
corps dierenartsen, en vooral ook uit het feit dat bij ons te lande
het meerendeel der cursussen in exterieur, paardenfokkerij en
veeteelt aan veeartsen worden toevertrouwd, en zij zeer gewaar-
deerde adviseurs zijn voor fokvereenigingen, enz.

Dat een landbouwhoogeschool eveneens en misschien meer in
het bijzonder op de vorming van dergelijke specialisten wordt in-
gericht, is misschien even natuurlijk, alhoewel de daar gevormde
deskundigen, juist wat de wetenschappelijke basis betreft, waar-
schijnlijk minder uitvoerig worden onderlegd. Doch dit feit op
zich zelf behoeft geen band tusschen twee inrichtingen te leggen,
die op zich zelf twee afzonderlijke richtingen der natuurweten-
schappen behartigen, en dus niet innig tc verbinden zijn. Het al-
gemeen belang brengt mede dat men geen druk uitoefent, door
het
scheiden der inrichtingen, terwijl het eveneens medebrengt, dat
men de zoötechnische studiën aan de diergeneeskundige hooge-
school, welke door haar aard zooveel anders zijn dan aan een
landbouwhoogeschool, in het bijzonder bevordert. De veterinaire
voorbereiding in dit opzicht dient gesteund tc worden, onafhanke-
lijk van de opleiding aan de landbouwhoogeschool. Zou men even-
tueel, in het belang der bedoelde specialisten zelf, de voordee-
len van beide richtingen willen combineeren, dan zou b.v. voor
dergelijke landbouw-ingenieurs het bezit van het diploma van
candidaat in de dier-geneeskunde verplichtend te stellen zijn.
Doch, het zij herhaald, het feit, dat de diergeneeskundige studie
opleidt tot, en, zooals van zelf spreekt, opleiden moet tot de
vorming van zoötechnici, kan nooit beduiden dat er een band moet
worden gelegd tusschen diergeneeskundige hoogeschool en land-
bouwhoogeschool. Dan ware eventueel de door den minister zelf

-ocr page 205-

- i79 —

terecht veroordeelde toevoeging aan een faculteit van geneeskunde
nog beter te verdedigen.

Waar dus elk verband, juist om verschil in studierichting, is
te veroordeelen, daar kan zeker niet worden aanvaard het beginsel
van het gemeenschappelijke college van curatoren, dat in dit op-
zicht voor het verband meer in het bijzonder zou hebben te waken.
De diergeneeskundige hoogeschool dient een college van curato-
ren te hebben, dat voor haar belangen waakt, en niet een college
dat haar belangen toetst aan die van de landbomvhoogeschool, zoo-
als de minister het toch eigenlijk in de toelichting van artikel
32 wil zeggen. De objectiviteit kan in dit opzicht niet bestaan.
Het onvermijdelijk gevolg moet zijn een college van curatoren
dat voor de
landbouwbelangen, zetelende in de beide inrichtingen,
waakt. Voor geneeskunde is daar geen plaats, en juist die richting
mag in het curatorium der diergeneeskundige hoogeschool niet
ontbreken. Die school moet een eigen curatorium hebben, en som-
mige leden der commissie achten zelfs, om de gewraakte bepaling
alleen het wetsontwerp uit een oogpunt van veterinaire belangen
onaannemelijk!

Na bet voorgaande heeft de commissie slechts weinig mede
te deelen omtrent de verschillende titels en artikelen van het
wetsontwerp. Zij meent dat Titel
II niet over de „scholen" doch
over cle „hoogescholen" zou moeten handelen en is verder slechts
matig ingenomen met den „administrateur," in artikel 6 genoemd,
die volgens artikel 43 het geldelijk en administratief beheer der
hoogeschool zal hebben te voeren, en die zelfs volgens artikel 26
lagere beambten zal kunnen aanstellen. Het lijkt duidelijk dat een
dergelijke ambtenaar een machtsondermijner is van curatoren en
van hoogleeraren, bovendien als staande tusschen curatoren en
senaat zeker moeilijk zal worden geduld. Wil men curatoren een
ambtenaar toestaan, die voor hen geldelijk en administratief be-
heer voert, dan kan daartegen allerminst bezwaar bestaan. Doch
het is zeer onpractisch naast het college van curatoren nog een
ambtenaarspositie te scheppen, waaraan zeker ook macht is ver-
bonden, die zelfs op senaat en hoogleeraren zal uit te oefenen zijn.
De toelichting, bij artikel 6 omtrent de functie van den admini-
strateur gegeven, is in dit opzicht onvoldoende, daar uit niets de
noodzakelijkheid, of zelfs het gewenschte blijkt om in dit opzicht
een ambtenaar, die niet onder de curatoren staat, in de wet op te
nemen. De docenten en bun technische hulpkrachten van admini-
stratieve bezigheden te ontlasten gaat doodeenvoudig niet, daar

-ocr page 206-

de docenten de directeuren der instituten en afdeelingen vormen,
die bij hun leiding daarvoor hebben te zorgen, dat zij het budget
niet overschrijden, doch zeer zeker niet zullen kunnen werken en
leiden, indien er een comptabel ambtenaar bestaat, die meent onaf-
hankelijk genoeg te zijn om eenig gezag uit te oefenen. Wil men
in dit opzicht degelijk te werk gaan. dan stelle men natuurlijk
administratieve hulpkrachten onder curatoren aan, doch geve ook
aan de afdeelingen of instituten, waar veel administatrief werk is,
een afzonderlijke administratieve hulpkracht. Zooals de zaak wordt
voorgesteld, waarbij de instructie van den administrateur niet door
curatoren zou worden geregeld, deze zelfs lagere ambtenaren zou
kunnen aanstellen, is de duidelijke kiem voor groote onaangenaam-
heden gelegd.

Omtrent artikel 8 meende de meerderheid in de commissie dat
onder s. de „landhuishoudkunde" diende gelezen te worden de
„algemeene landbouwkunde", omdat onderwijs hierin den aan-
staanden dierenarts eenig belang zou kunnen inboezemen, doch
onoverkomelijke bedenkingen heeft de commissie legen artikel i8, het
welk overeenkomt met de artikelen 44 en 91 der hoogeronderwijs-
wet. met dit verschil echter dat is weggelaten de volgende
bepaling:

„Hoogleeraren, het lidmaatschap van eene der beide Kamers van
„de Staten-Generaal aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaat-
schap van rechtswege op non-activiteit en genieten de helft hunner
„jaarwedde als verlof-traktement."

Zooals uit de toelichting blijkt is dit tweede lid met opzet weg-
gelaten. Men leest daar „Het overeenkomstige artikel uit de
„hoogeronderwijswet (art.91) is niet geheel overgenomen; wat
„in het tweede lid van dat artikel is bepaald zou, in verband
„met artikel 16 van het ontwerp en met de vaak zeer beperkte
„keuze van speciale deskundigen in strijd kunnen komen met de
„belangen van het landbouw- en veeartsenij kundig onderwijs."

Deze opvatting dient toch inderdaad met kracht bestreden te
worden. Moge de keuze voor hoogleeraren beperkt zijn, zoo is dit
ook voor andere wetenschappen het geval, en evenmin als daar mag
zulks hier een bezwaar vormen, nu in het algemeen voor hoogleeraren
in de Wet werd vastgesteld het beginsel, dat zij bij benoeming tol
Kamerlid non-actief worden en de halve jaarwedde genieten.
Komen dergelijke gevallen voor bij hoogleeraren der te stichten
hoogescholen dan moet ook daar het algemeen belang den door-
slag geven, en de beoefenaars der veeartsenijkunde en der land-
bouwkunde mogen eischen. dat hun hoogleeraren het bekleeden

-ocr page 207-

van het kamerlidmaatschap niet onmogelijk wordt gemaakt. Het
betreffende artikel dient dus te worden aangevuld.

In artikel 30 moet, naar de commissie meent ,,Het tweede en
het derde lid, enz." gelezen worden: ,,Het tweede en het vierde lid,"
terwijl in artikel 32 het beginsel van twee gescheiden colleges
van curatoren met twee secretarissen dient te worden vastgelegd.

Omtrent het bepaalde in artikel 47 meent de commissie den
wensch te moeten uitspreken den hoogleeraren en lectoren ook,
daar de examens zeer vermoeiend en tijdroovend zijn, voor het
afnemen der examens een vergoeding uit de examengelden, bij
artikel 50 geregeld, toe te kennen. Wat artikel 49 betreft is de
commissie in kleinst mogelijke meerderheid van meening, dat het
aantal te verrichten abnormale verlossingen op twee bepaald kan
blijven, wijl moeilijkheden worden gevreesd ten opzichte van het
verkrijgen van het voorgestelde getal van vijf

Uit het medegedeelde blijkt dat het wetsontwerp zeer gemakkelijk
is te wijzigen in den zin als door de commissie ivordt noodig geacht\',
terwijl in het algemeen de regeling van het diergeneeskundig onder-
wijs, als in het wetsontwerp voorgesteld, instemming verdient.

Mocht de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
zich met de zienswijze der commissie, betreffende de verschil-
lende onderdeelen, kunnen vereenigen, dan zou de commissie
haar in overweging willen geven de stappen te doen, nader aange-
geven in het dit rapport begeleidende schrijven.

Alkmaar
\'s Gravenhage
Leiden

\'s Gravenhage
Ti kl

De Commissie voornoemd:

Dirk L. Bakker.
A. W. Heidema.

den 27sten Deo. 1913. D. A. de Jong.

J. M. Knipscheek.
H. J. C. van Lf.nt.

Algemeene afdeeling. Aangenomen als lid de heer I). P>. Wagenaar
te Apeldoorn.

Nieuwe afdeeling Zuid-Holland. Bedankt als lid de beeren:
J. M. Fillekes te Hillegersberg; Prof. Dr. J. Pof.ls te Rotter-
dam, Dr. H. F.
Reeser te Rotterdam; overgegaan tot de
afdeeling Friesland C.
Tenhaeff te Leeuwarden.

-ocr page 208-

Programma van de Buitengewone Algemeene Ver-
gadering der Maatschappij, te houden Zaterdag 14
Maart 1914 in de groote bovenzaal van het Hötel
de I\' Europe te Utrecht, des namiddags I uur.

1. Openen der Vergadering.

2. Ingekomen stukken.

3. Behandeling van het rapport uitgebracht door dc Commissie,
belast met een onderzoek naar het ontwerp van wet tot regeling
van het Landbouw- en het Veeartsenij kundig honger onderwijs,

Praeadviês van het Hoofdbestuur.

Het Hoofdbestuur gaat, behoudens een tweetal kleine redactie-
wijzigingen en een enkele principieele wijziging, welke het meent
aan de Ruitengewone Algemeene Vergadering te moeten voor-
stellen, geheel mede met de in het rapport neergelegde conclusiën.

Het rapport spreekt van ,,de regeling van beide onderwijzen".
Het Hoofdbestuur stelt voor te lezen „de regeling van dit Land-
bouwkundig en dit Veeartsenij kundig onderwijs."

Voorts zegt het rapport „daarmede zouden reeds dadelijk het
karakter van hooger onderwijs en de vrije ontwikkeling der weten-
schap worden aangetast."

Het Hoofdbestuur stelt voor te lezen „daarmede zouden reeds
dadelijk
zoowel het karakter van hooger onderwijs als de vrije ont-
wikkeling der wetenschap worden aangetast."

De kleinst mogelijke meerderheid der rapporteurs is van oor-
deel dat, overeenkomstig het bepaalde in art: 49 van het wetsont-
werp, het aantal abnormale verlossingen dat iedere candidaat,
alvorens in aanmerking te kunnen komen voor het afleggen van
het examen voor hef verkrijgen van het diploma van veearts,
moet hebben verricht, op twee kan blijven bepaald. De kleinst
mogelijke meerderheid van het Hoofdbestuur achtte het gewenscht
dat aantal op vijf te brengen en er de verplichting aan toe te voegen,
dat iedere candidaat tevens minstens vijf abnormale verlossingen
van groote huisdieren moet hebben bijgewoond. Het moet van
zéér overwegend belang worden geacht, dat de aanstaande veeartsen
méér en beter dan tot op heden het geval is kunnen zijn op verlos-
kundig gebied practisclie ervaring opdoen. Dc kleinst mogelijke
meerderheid van het Hoofdbestuur was van oordeel dat deze. eisëlv

-ocr page 209-

gezien cle gewijzigde omstandigheden welke bij het in werking tre-
den van de wet op het Veeartsenij kundig hooger onderwijs tot
stand komen, geen onoverkomelijke bezwaren medebracht en de
moeilijkheden welke zij den candidaten veroorzaakt niet opwegen
tegen het zeer groote belang dat gelegen is in een deugdelijk
practisch onderlegd zijn als verloskundige. De meerdere tijd welke
verplichtend is gesteld voor de clinische voiming der candidaten
maakt het hen tevens mogelijk ook op verloskundig gebied meer-
dere ervaring op te doen; wel is waar bestaat voor allen aan de ver-
loskundige cliniek van de aanstaande diergeneeskundige Hooge-
school geen gelegenheid het voorgestelde aantal verlossingen te
verrichten, daar tegenover staat dat iedere candidaat zich in de
practijk van een practiseerend veearts hiervoor kan schadeloos
stellen. • Zeer zeker zijn alle candidaten in bovengenoemde cliniek
in de gelegenheid minstens vijl abnormale verlossingen bij te wonen,
hetgeen ongetwijfeld mede voor de practische opleiding zeer nuttig
moet worden geacht.

4. Mededeelingen van hei Hoofdbestuur.

5. Vrije »\'.ededeelingen.

6. Sluiten der vergadering.

Het Hoofdbestuuur
P. K. M. Houba, Voorzitter,
Dr. H. A. Vermeulen, isle Secretaris.

Mededeei.ing.

In cle Decemberaflevering van „Cultura", het orgaan van het Necl. Instituut
van landbouwkundigen komt op pag. 486 eene opwekking voor, door het bestuur
van dit Instituut gericht tot H.H. leden en donateurs, om de congresvergadering
door voornoemd bestuur uitgeschreven, te houden op Woensdag 14 Januari 1914
in het hotel Krasnapolsky te Amsterdam en waarin het ontwerp van wet op de
paardenfokkerij alsmede de verschillende uitgebrachte prae-adviezen zullen worden
behandeld, bij te wonen. Blijkens hetzelfde schrijven heeft het bestuur van het
Ned. Instituut van landbouwkundigen de verschillende regelingscommissiën
voor de paardenfokkerij in de verschillende provinciën, de besturen van paarden-
stamboeken en enkele particulieren uitgenoodigd deze vergadering bij te wonen,
„om zoodoende te bereiken, dat iedereen, die zich voor deze wet interesseert, op volkomen
onzijdig terrein, zijn oordeel kan uitspreken en deze vergadering ten slotte mag be-
schouwd \'worden als de bijeenkomst, waarin door alle
BELANGHEBBENDEN EN
BELANGSTELLENDEN
duidelijk de richting is aangegeven, waarin men de ver-
beteringen wil zien aangebracht.

-ocr page 210-

— T84

Aangezien liet Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenij-
kunde in Nederland eene dergelijke uitnoodiging tot het bijwonen dezer vergadering
niet heeft ontvangen en het gebleken is dat ook de Heer Voorzitter
a an de Sub-
commissie A. van de Algemeene Keuringscommissie voor de Kijkshengstenkeu-
ringen hierin is gepasseerd, heeft het Hoofdbestuur in zijn vergadering van 10
Januari 1914 gemeend het navolgende schrijven te moeten richten aan de Ver-
gadering van het Ned. Instituut van landbouwkundigen te houden op Woensdag
i.j Januari 1914 in het hotel Krasnapolsky te Amsterdam, adres den Heer !-. K.
Posthuma, voorzitter van voornoemd Instituut.

„Het Hoofdbestuur van de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland heeft kennis genomen van het schrijven van het bestuur van het
Ned. Instituut van landbouwkundigen, voorkomende in de Decemberaflevering

1913 van „Cultura" en gericht tot H.H. leden en donateurs van dit Instituut,
waarin deze worden aangespoord op de vergadering te komen die gehouden wor-
den zal op Woensdag 14 Januari 1914 in liet hotel Krasnapolsky te Amsterdam,
alwaar de prae-adviezen inzake het vraagpunt „Wet op de paardenfokkerij en
de richting waarin zij moet worden verbeterd" ter sprake gebracht zullen worden,
alsmede van de mededeeling dat het bestuur van het Ned. Instituut van land-
bouwkundigen eene uitnoodiging tot het bijwonen dezer vergadering heeft ge-
richt tot de verschillende regelingscommissies voor de paardenfokkerij in de ver-
schillende provinciën, aan de besturen van paardenstamboeken en aan enkele
particulieren.

Het Hoofdbestuur der voornoemde Maatschappij spreekt zijn verbazing uit
over het feit dat het bestuur van het Ned. Instituut van landbouwkundigen in
gebreke is gebleven het, als zijnde het vertegenwoordigend lichaam van de Neder-
landsche veeartsen, mede uit te noodigen deze vergadering bij te wonen en dat ook
de Heer voorzitter van de subcommissie A van de Algemeene Keuringscommissie
voor de Rijkshengstenkeuringen mede is gepasseerd geworden, redenen waarom het
Hoofdbestuur van voornoemde Maatschappij meent krachtig te moeten protes-
teeren tegen de clausule, voorkomende in bovengemeld schrijven
,,dat de verga-
dering, te houden door het Ned. Instituut van landbouwkundigen, op
14 Januari

1914 te Amsterdam beschouwd zal mogen worden als de bijeenkomst waarin door
ALLE BELANGHEBBENDEN EN BELANGSTELLENDEN duidelijk de
richting is aangegeven waarin men de verbeteringen in de wet op de paardenfokkerij
wil zien aangebracht.

Namens het Hoofdbestuur van de Maatschappij ter
bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland,

P. K. M. Hou ba. Voorzitter,
H. A. Vermeulen, iste Secretaris.

Maastkicht, 12 Januari 1914.

-ocr page 211-

Berichten.

Staatsbegrooting 1914. Hoofdstuk VIII. Departement van Oorlog.

Onderart. 84. Traktementen, toelagen, vergoedingen en schadeloosstellingen
van de militaire paardenartsen / 82.332.—.

Nadat: reeds in het Voorloopig Verslag was aangedrongen op verbetering van de
omstandigheden, waaronder onze militaire collega\'s hunnen dienst moeten ver-
richten en de minister in de
memorie van antwoord op de in enkele garnizoenen
aangebrachte veranderingen had gewezen onder toezegging van dergelijke maat-
regelen in andere, heeft de heer
Smeenge een warm pleidooi gehouden voor v er-
hooging der tractementen van deze officieren (vergadering van 13 Januari 1914
Handelingen blz. 1187 e. v.). Het aan den minister gerichte adres van de Heeren
Vermast, van Dorssen en Gai.i.anijat Huet, waarin de bovenbedoelde tekort-
komingen worden aangetoond, werd door hem voorgelezen. Hij herinnerde tevens
aan hetgeen de heer
I.ieftinck en hij ten vorigen jare hierover in het midden hadden
gebracht. Zijne, tot den minister gerichte peroratie luidde: „Ik heb goeden moed,
dat waar de Minister zoo straks gezegd heeft, dat hij geen cent zal uitgeven als hij
er geen goede waar voor krijgt, hij ook in deze goede «aar voor goede centen zal
willen hebben, en
dat hij het corps paardenartsen, dat van onberekenbaar nut is voor
het leger, goed zal bezoldigen en goede promotiekansen zal geven,
opdat daarvoor goede,
neen uitnemende krachten kunnen worden geëngageerd."

De Heer Bosijoom, Minister van Oorlog, antwoordde: Mijnheer dc Voorzitter!
Ik wil gaarne de toezegging doen die de geachtt afgevaardigde, de heer Smeenge, heeft
gevraagd.
 Van Oyen.

Rijksvoorjaarskeuringen van dekhengsten. De Minister van Landbouw,
Nijverheid en handel;

Gelet op dc Wet op de paardenfokkerij 1901, gewijzigd bij de wet van 28 April
1906 (
Staatsblad n°. 100) en op het Koninklijk besluit van 14 Augustus 1901 (Staats-
blad
n°. 204), gewijzigd bij de Koninklijke besluiten van 25 Juni 1906 (Staatsblad
n°. 135) en 6 November 1906 (Staatsblad 11 . 278);

Gezien de ingekomen ambtsberichten
Heeft goedgevonden:

te bepalen, dat de gewone Rijksvoorjaarskeuringen van tot dekking bestemde
hengsten in 1914 gehouden zullen worden:

voor N oordbrabant:

op 2 Maart te \'s Hertogenbosch;

op 3 Maart te Zevenbergen;

voor Gelder la ml:

op 27 Februari te Tiel;

op 28 Februari te Eist;

voor Zuidholland:

op 12 Februari te Rotterdam;

voor Noord holland:

op 16 Februari te Haarlem;

-ocr page 212-

voor Zei-land:

op 9 Februari ie Kattendijke,
op
io Februari te Hulst;
op ii Februari te Oostburg;

voor Utrecht:

op 18 Februari te Utrecht;

voor Vriesland:
op 25 Februari te Leeuwarden;

voor Overijssel:

op 5 Maart te Zwolle;

voor Groningen:
op 23 en 24 Februari te Groningen;

voor Drenthe:

op 19 Februari te Assen;

voor Limburg:

op 13 Februari tc Maastricht;
op 14 Februari te Roermond.

\'s Gravenhage, 13 Januari 1914. Voor den Minister,

l)e Secretaris-Generaal,
Versteeg.

Personalia. JOe paardenarts ie klasse J. Maas, van het 3e regt. huzaren te
Amsterdam, is overgeplaatst bij het 4e regt. van dat wapen te Deventer.

l)e paardenarts 2e klasse, H. J. Weekenstroo, van het ie regiment veld artillerie
te Utrecht, wordt overgeplaatst bij het 3e regiment huzaren te Amsterdam.

Benoemd tot veearts bij den burgelijken veeartsenijkundigen dienst in Ned.
Oost-Indië
J. C. Numans.

lijdelijk toegevoegd aan den gouvernementsveearts te Cheribon, de gouver-
nementsveearts
W. C. A. Doeve.

Bij Koninklijk besluit van s Januari 1914 n°. 34 zijn, met ingang van 16 Januari,
tot wederopzegging benoemd tot plaatsvervangers van den districtsveearts wicn
Rotterdam als standplaats is aangewezen, de geëxamineerde veeartsen A. A.
R
arendregt, te Barendrecht, dr. I>. J. Copi>er D. Jzn. te Rotterdam, dr. S. 1. M.
M
ogendorff, te Schoonhoven, D. \\. Oskam, te I.ekkerkerk, en dr. G. G. J.
Westholz, te Rotterdam.

Eervol ontheven van den burgerl. veeartsenijkundigen dienst ter hoofdplaats
Soerabaja en te Kamal de gouvernementsveearts te Soerabaja
J. K. F. de Does.

Belast met den burgel. veeartsenijkundigen diesnst ter hoofdplaats Soerabaja,
met standplaats Soerabaja de gouvernementsveearts J. C.
NVmans.

De districtsveearts P. J. \'t Hooft, te \'s Hertogenbosch is door Gedeput.
Staten van N. Brabant benoemd tot lid van de regelingscommissie ter bevorde-
ring van de paardenfokkerij in Noord-Brabant.

De veearts G. A. de Raadt is sinds 15 Maart 1913 benoemd en gevestigd als
gemeente-veearts van Tietjerksteradeel te Hardegarijp. (op verzoek medegedeeld).

Schornagel.

-ocr page 213-

STAAT van de gevallen van besmettelijke veeziekten, in Nederland geconstateerd gedurende
de maand December 1913.

Opgemaakt door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.

(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal eigenaren aan onder wier vee de ziekte werd
geconstateerd).

a

V)

cd

<D

j3

■ r-,

cd

O
s-,

Vh

O

»C

0

co

-O

u

C

p

p

<y

cd

^

£

0

TD

c

0)

(ƒ)

U
cd
cd

a

Honds-
dolheid.

<d

UI

0)

IX

n

g

<v

o
hj

■s

3


3
c

■ó
c

O

g.

a>

H
^

O
«

O

a

ui

a

CS
rt

c

O

c
\'3

Provincie.

li = ■
J.3 ■Sj!

aj "

2(2) — 5(3) —

\'(O

,(,) _ 6(5) - -

- 4(4) - -

- 18(1) — 3o(7) — — 3(2) — —

2(2) 5(3) - — 38(13) — 13(8) - —

_ _ _ _ _ _ 8(8) - -

3(3) 115(16) — 61(26) 42(17) 55(46) — —

Vroeger geconstateerde ziektegevallen, welke begin December 1913nog niet geëindigd, waren.

5(3)

Friesland
Groningen
Drenthe . .
Overijssel
Gelderland
Utrecht . .
Noord Holland
Zuid- Holland

Zeeland .....

Noord Brabant

Limburg.....

liet Rijk ____

16(10)

29(11)

63(1) - 5(5)
1(1) - - 5(0

— —

9(1)
21 (4)
12 (2)

— — —

— —

738 (69) — — —
17 (0
51 (6)

6 (i)

— —

40 (3)

31 (3) -

— —

- !

123(8)

16 (.5) "

211(19) — 853(94) — —

Schornagel

Gelderland .
Zuid holland
Noordhollaiu
Utrecht . . .
Friesland
Groningen .
Drenthe . . .

HET RIJK

-ocr page 214-

Referaten.

Opthalmoreactie bij Mullens.

K. F. Meyer onderzocht 210 van kwaden droes verdachte paarden met be-
hulp van verschillende diagnostische methoden: oogreactie, subcutane malleïnatie,
agglutinatie en komplementbinding. Bij genoemde paarden viel de komplement
binding 58 keer
positief uit, de oogreactie 56 keer. Bij de sectie werd de ziekte
geconstateerd bij 58 paarden, zoodat de oogreactie dus
2 miswijzingen aangaf (2
keer geen reactie bij aan malleus lijdende dieren).

Na herhaalde subcutane inspuitingen om de 14 dagen reageerden de aan kwaden
droes lijdende paarden niet meer (d.w.z. de temperatuur steeg niet meer na de
injectie) daarentegen gaf bij deze dieren de conjunctivale applicatie van malleïne
een positief resultaat.
Meyer „will certainly place this test in the first rank of
the diagnostic methods for glanders." Zijne conclusies luiden:

i°. De ophthalmoreactie is zeer vertrouwbaar. Ze kan in korten tijd en zonder
groote kosten door iederen veearts in de praktijk worden uitgevoerd en stelt ook
den ongeoefende in staat de diagnose van kwaden droes zeer nauwkeurig te stellen

2°. l>e serumproeven dienen voor de centrale controle en tot ondersteuning der
diagnose bij onteigenen in afmaking.

(Opm: Het komt mij voor, dat het laatste deel van de eerste conclusie wel wat
al te optimistisch is uitgedrukt.)

Journal of infecl. iliseases 1913 p. 170.

In Band XXV 1/2 Heft van de „Monatshefte fiir praktische Thierheilkunde"
(4 Oct. 1913) refereert I
röhnkr omtrent vorengenoemde reactie nog het
volgende:

„Terwijl de subcutane malleïnatie invloed uitoefent op de serologische onder
zoekingen (agglutinatie, komplementbinding) wordt volgens onderzoekingen van
Klimmer, Schnürer, Miessnkr, K. I . Meyer, Müli.er, Gachtgens en Aohi
door de conjunctivale malleïnisatie noch de agglutinatietiter, noch de bindings-
waarde gestoord. Bloedonderzoekingen kunnen dus gelijktijdig met ophthal-
moreactie worden uitgevoerd."

Bij de conjunctivale (en ook bij de cutane) enting is blijkbaar de in den bloed-
stroom opgenomen hoeveelheid antigeen (malleïne) te klein om de vorming van
eene aantoonbare hoeveelheid antilichamen op te wekken."

Het is mij bekend, dat in den laatsten tijd door ambtenaren van het Veeartse
nijkundig Staatstoezicht in ons land ook van de oogreactie wordt gebruik gemaakt
voor de onderkenning van kwaden droes: zoodat wellicht, binnen niet al te langen
tijd, ook hier de resultaten, met deze eenvoudige diagnostische methode verkregen,
kunnen worden gepubliceerd.

R\'dar.i. Ti.

The conjunctival reaction for glanders.

Meyer paste bij ongeveer 600 paarden de Qphtalmo-malleïne-reactie toe.

Hij gebruikte het malleinum siccum van 1\'oth, waarvan kort voor het gebruik
een 5% ojilossing in physiol. Na Cl.-oplossing werd gemaakt. Met een oogdruppel-

-ocr page 215-

buisje (een glasstaafje of fijn borsteltje kan desnoods ook dienst doen) werden
2 a 3 druppels in de conjunctivaalzak op het slijmvlies van het onderooglid gede-
poneerd. De positieve reactie bestaat, zooals bekend, in een suppuratieve con-
junctivitis, die (individueel) meer of minder sterk kan zijn. Een lichte conjunc-
tivitis met grijsachtig slijmig exsudaat in binnen ooghoek, beteekent een twijfel-
achtige reactie.

M. constateerde bij 8u% der positief reageerende paarden een rectale tempe-
ratuurstijging van i—2° C\'. in de eerste iR uren, in de 6 volgende uren weer
daling. Deze temp. verhooging trad bij gezonde paarden niet op — daar echter de
oogreactie voldoende is in de praktijk, kan men de temp. opname in den regel
achterwege laten. —
Tijd en duur der reactie zijn verschillend. Sommige onder-
zoekers
(Schnürer o.a.) geven aan, dat ze niet voor het 3e uur begint. M. zag ze
steeds later optreden, na 7 uren dikwijls duidelijk zichtbaar, en na 12 a 15 uren
meestal op het hoogtepunt. Na 24 uren is een derde inspectie wenselijk, daar
sommige paarden atypies reageeren en pas na 24 uren. Bij sommige verschijnen
en verdwijnen de verschijnselen vrij plotseling. Volgens M. waren zijne atypiese
reageerders in een
acuut infectiestadium. De reactie-verschijnselen zijn gewoonlijk
12—36 uren zichtbaar; soms korter (6 uren) soms langer (72 uren).

Bij twijfelachtige reactie kan dezelve desnoods na 24 uren reeds herhaald worden,
\'t geen van groot belang is. Gezonde dieren blijven negatief reageeren; bij malleus-
paarden is bijna altijd de tweede reactie positief; de conjunctiva schijnt door de
eerste instillatie gevoeliger geworden te zijn voor de tweede. Bij verdachte ge-
vallen dient steeds 14 dagen na dc eerste twee instillaties, een derde indruppeling
te geschieden, daar het mogelijk is dat bij de eerste proef de dieren in het incubatie-
tijdperk der ziekte verkeerden, en dergelijke dieren reageeren negatief. (M. kon
dit bij twee paarden opmerken). Meer dan driemaal vindt M. niet raadzaam,
daar liij bemerkte dat de reactie reeds de 3e maal minder sterk was en bij de 4e
en ;e proef nog geringer, zelfs bij dieren die de eerste of tweede maal typies po-
sitief gereageerd hadden.

Hoeveel dagen na de besmetting de dieren positief reageeren op de ophtalmo-
malleïnatie, is natuurlijk verschillend al naar de wijze en de sterkte der infectie.
Verschillende onderzoekers vonden 5 tot 18 dagen;
de Blieck, die een reeks
proeven hieromtrent deed, geeft 4—14 dagen aan

De ophtalmo-reactie wordt niet beïnvloed door een subcutanc malleïnatie,
die 24 of meer uren vroeger of later is toegepast. Gezonde paarden die een sub
cutane mallêïne-injectie hebben ondergaan, blijven negatief reageeren op de oog-
proef, terwijl malleus-paarden in dat geval een positieve reactie vertoonen.
Ook heeft omgekeerd de ophtalmo-reactie geen invloed op een volgende sub
cutane malleïnatie; alleen treedt, als 3—14 dagen na een positieve opthalmo-
reactie, subcutaan malleïne wordt gegeven, ten gevolge van die subcutane in-
jectie, ook een duidelijke oogreactie op. (dit is door verschillende onderzoekers
opgemerkt).

Gelijktijdige ophtalmo- en subcutane malleïnatie, is niet raadzaam, daar dan
bij aan malleus lijdende paarden, de oogreactie dikwijls atypies verloopt.

Malleus-paarden, die eenige malen, met 14 daagse tussenpoozen subcutaan
waren gemalleïneerd en door het gewend raken daaraan, niet meer met koorts

-ocr page 216-

reageerden, hadden toch een positieve ophtalmo-reactie. Dit is van groot belang,
daar
na de snbeutane malleinatie zooals bekend is, de serum-reacties onbetrouw-
baar zijn.

Volgens Meyer (en ook andere onderzoekers) is de ophtalmo-reactie minstens
even vertrouwbaar als de subcutane malleinatie, en daarom wegens hare eenvou-
digheid te verkiezen. Ze is zekerder dan de
aglutinatieproej en staat wat vertrouw-
baarheid betreft, ongeveer gelijk met de
complementbindingsmethode, welke laatste
als laboratoriumproef verdient in stand gehouden te worden.

Bij verse infecties is de ziekte soms eerder door de complementbindingsmethode
dan door de oog-reactie aan te toonen. Het omgekeerde werd echter door M. ook
in sommige gevallen gezien. Ook is bij verse infecties de ziekte soms eerder
door de aglutinatieproef dan door de complementsbindingsreactie te diagnosti-
ceeren.

De praecipitatie methode is minder vertrouwbaar, geeft dikw ijls onjuiste aan-
wijzingen. Ook de
cutane-reaktie is volgens Schnürer minder vertrouwbaar dan
de oogreactie.
Lorenz had ook goede resultaten met de ophtalmo-reactie. Bij 12
paarden alle lijdende aan malleus, bevestigd door sectie (bij vijf was de ziekte
latent) was de reactie bij alle dieren positief. Bij twree der paarden waren aglu-
tinatie- en complementproef negatief geweest. Bij een ander paard met dubieuse
serum-reacties, was de oog-reactie negatief; bij sectie werd geen malleus gevonden.

Am. vet. review 1913 A\'LIII. 3.

Vrijburg.

Konglutinatie-reactie bij malleus.

Pfeiler en Wi.hkr beschrijven in de Berl. \'lier. W\'och. 1912. 28. n°. 43. en
/eitschrift f. fnfect. Kr. der Haustiere 1913, 12. 5, een nieuwe serodiagnostiese
methode bij malleus, de
Konglutinatie-reactie. Deze gelijkt veel op de komple-
mentbindingsproef en
berust op de eigenschap van geïnactiveerd (op 56° C. ver-
warmd) runder-serum, om vreemde bloedlichaampjes op te lossen en samen te
klonteren, nadat de bloedlichaampjes (door toevoeging van vers paarde-serum), alexine
(komplement) hebben opgenomen.
Bij twee paarden, waarbij de aglutinatie en de
komplementproef negatief waren, konden
P. en W. door de konglutinatieproef
malleus aantoonen (door sektie bevestigd).

Bordet en Streng noemen de stof in het runderserum die deze reactie veroor-
zaakt,
konglutinine, en beweren dat het geen aglulinine is en ook geen ambozeptor
of een alexine. Mengt men nu (geïnactiveerd) serum van een malleus-paard met
extract van malleusbacillen en vers paardeseruni (in bepaalde verhouding)
en voegt nadat, het mengsel een uur op 37° heeft gestaan, geïnactiveerd runder-
serum en schapebloedlichaampjes toe, dan treedt de reactie niet op; ze wordt
verhinderd door een (hypothetiese) stof in het malleusserum, die anti-konglu-
tinine gedoopt is. Deze stof ontbreekt in normaal serum, want neemt men in plaats
van malleus-serum, serum van een gezond paard, dan wordt de reactie niet ver-
hinderd, en ziet men de roode bloedlichaampjes 11a eenigen tijd samenklonteren
(aglutineeren).

(Het lijkt mij eenvoudiger aan te nemen, dat door het malleusbacillen-extract
-| malleus-serum het complement uit het verse paardeserum gebonden
wordt, en dat daardoor de reactie uitblijft. Verdere proeven moeten leeren

-ocr page 217-

in hoever deze nieuwe reactie een blijvende plaats verdient, naast de be-
staande. Is ze even vertrouwbaar en gevoelig, als de gewone komplementbindings
reactie, dan heeft ze de grootere eenvoudigheid in haar voordeel. Een nadeel is
de moeilijker beoordeeling, daar hamolyse eerder in het oog valt dan samenballen.

Daar alle serum-reacties alleen immuniteitsreacties zijn, zal een van malleus
genezen paard, dat nog anti-lichamen in zijn bloed heeft, positief reageeren. Het
is daarom theoreties onjuist, een paard alleen op positieve serum-reacties af te
maken; het dient alleen geïsoleerd te wórden. Is controle van het laatste niet
mogelijk, dan kan het uit een practies oogpunt overweging verdienen de positief-
reageerders toch af te maken; zulks moet bij ieder voorkomend geval beoordeeld
worden. Ref.)

Behalve deze bloedlichaampjeskonglutinatie, beschrijven P. en \\V. een bacillen
conglutinatie.
(Berl. \'fier. Woch. 1912 XXVIII 47. en 1913 XXIX 25.)

Onderzoekingen van Streng toonden reeds aan dat normaal runderserum een
konglutineerende werking op bacterien heeft. Mengden P. en W. nu het (geïnacti-
veerde) te onderzoeken serum met malleusbacillen-extract en normaal paardeserum
(komplement) en voegden na een poos daaraan toe geïnactiveerd runderserum
malleusbacillenemulsie (in physiol. NaCl.-oplossing), dan trad na eenige ( 5) uren
(hij 37° C) de reactie op, daarin bestaande, dat in de buisjes, waarin het te onder
zoeken serum afkomstig van gezonde paarden, de bacillen op den bodem lagen in
klonters, die zich bij schudden niet verdeelden; de bovenstaande vloeistof was helder;
in de buisjes met malleus-serum daarentegen was de vloeistof melkachtiggeblevenen
de fijne bacillen-hoopjes op den bodem verdeelden zich weer bij schudden.Hetfeit dat
juist <le
sera der gezonde paarden de met aglutinatie overeenkomende reactie ver-
oorzaakten, bewees, dat de reactie niet ontstond door de stof, die men
aglutinine
genoemd heeft, want dan zou juist het omgekeerde optreden, daar toch malleus-
serum de malleus-bacillen sterker aghitineert dan normaal serum. De bacillen
konglutinatie-reactie bleek niet zoo vertrouwbaar als de bloedlich. kongl. reactie;
er waren nu en dan miswijzingen, het kwam nl. voor dat serum van malleus-paarden
ook konglutinatie veroorzaakte. Verdere proeven leerden nu, dat het komplement
toegevoegd in den vorm van normaal prardeserum, voor de bacillen-konglutinatie-
reactie niet alleen niet noodig, maar zelfs schadelijk was, daar het juist miswijzingen
veroorzaakte. Toevoeging van inactief runderserum bleek ook niet strikt noodig,
versterkte echter de reactie. Verhitten van het te onderzoeken serum was nood-
zakelijk, want werd het niet vooraf geïnactiveerd, dan vertoonde niet alleen het
serum van gezonde paarden maar ook in de meeste gevallen dat van malleus-
paarden positieve reactie. De reactie is dus zeer eenvoudig. Controle-onder-
zoekingen zullen verder licht moeten verspreiden over hare vertrouwbaarheid en
over den aard van het proces en de daarbij in het spel komende anti-lichamen.

Stranigg kreeg met de konglutinatie-methode juiste resultaten bij 35 aan mal-
leus lijdende en 47 gezonde paarden die door hem onderzocht werden.

Zeitschr. f. Infekt Kr. der Haustiere 1913. 14.

Vrijburg.

-ocr page 218-

Immuniseeren tegen malleus.

Mohi.er en Hichhorn schrijven in het Am. vet. review 1913 XLIV.I over proeven
om dieren tegen malleus te immuniseeren. Zij werkten met gedoode en gedroogde
malleusbacillen-culturen die ze subcutaan inspoten bij 16 caviae en 15 paarden.
I)e caviae kregen 3 injecties van verschillende en stijgende hoeveelheden entstof,
varieerende van 0.1 tot 2 c.c. (1 c.c. = 2 m. g. gedroogde bacillen) Zij kregen
20 a 40 dagen na de laatste enting a öse virulente malleus-bacillen subcutaan,
en het bleek dat ze (vergeleken met contröledieren) geen immuniteit hadden
gekregen door de voorafgaande behandeling. De paarden werden ook in den
loop van een maand 3 a 4 maal geënt met verschillende doses gedroogde
bacillen-emulsie (van 1—12 c.c.) Twee werden een week 11a de laatste enting
met virulente malleus-bacillen op het neusslijmvlies besmet en kregen
malleus De andere geënte dieren werden in een paddock gelaten met twee ge-
zonde (controle) paarden en twee met malleus geïnfecteerde paarden. De laatst
hadden cliniese verschijnselen en neusuitvloeiing. De dieren hadden een gemeen-
schappelijke drinkbak en hooiruif. In de paddock was een stal waarin een van de
malleuspaarden stond; in de standen daarnaast werden alle paarden achter
eenvolgens een week geplaatst; de voerbakken waren zoo gejjlaatst dat het mid-
delste (zieke) paard ook uit de voerbakken van zijn buren kon eten. Een der pre-
ventief geënte paarden kreeg na 14 dagen cliniese verschijnselen van malleus
en stierf. De andere paarden werden toen ze 2 maanden met de malleus-paarden
hadden samengewoond aan de ophtalmo-malleïne proef onderwonen. Twee
der geënte dieren reageerden positief, en ook een der controle-paarden. Een maand
later werd de oog-])roel herhaald, met gelijken uitslag.

Het bleek verder dat het aglutineerend en komplementbindend vermogen van
het serum der geënte (en clinies gezonde) dieren tot 2 A 3 maanden
na de laatste
bacillen-inspuiting verhoogd was, later niet meer.
Het schijnt dus dat de immuniteit
(of liever het vormen van anti-lichamen) 11a 3 maanden reeds verdwenen is. De
inspuiting van de gedroogde bacillen had in dit opzicht niet meer uitwerking
dan de injectie van een doses malleïne.

Drie van de geënte ert aan besmetting blootgestelde, niet reageerende en clinies
gezonde paarden werden gedood, bij de sectie werd geen malleus gevonden. De
andere dieren waren nog in observatie. De uitslag van het immuniseeren met
gedoode, gedroogde malleus-bacteriën was dus niet bevredigend.
Vrijburg.

EpizQOtic lymphangitis and its treatment.

Harber schrijft in de Veterinary Journal (Sept. 1913) over de door cryptococcus
farciminosis
veroorzaakte epizootiese lymphangitis. Hij zag deze ziekte in Natal
bij paarden en ezels en gelooft dat ze veelal door vliegen wordt overgebracht;
andere wijze van besmetting, b.v. door tuig en stalgereedschap, komt natuurlijk
ook voor.

Als behandeling raadt hij aan: zoo spoedig mogelijk openen der aangedane en
gezwollen lymphfollikels en ook der lymphkanalen (strengen) als ze erg gezwollen
zijn en pus bevatten, uitkrabben met scherpe lepel en de uitgekrabde ruimte
opv ullen met permanganas-kalicus-kristallen (die meteen stypties werken tegen
de bloeding).

-ocr page 219-

De omtrek der wond om de 2 éi 3 dagen insmeren met een mengsel van 1 hout-
teer en 4 castorolie om de vliegen weg te houden, (de handen eventueel met puim-
steen of oxaalziiur-oplossing te wassen om de roode kleur te verwijderen .

H. zag de aandoening meestal aan de beenen; bij niet-behandeling verspreidt
de infectie zich langzamerhand langs lymphogenen weg over huid en onderhuid.
Laesies in inwendige organen zag H. niet. In Ned-.Indië had men in niet te ver-
gevorderde gevallen wel succes met jodium-behandeling; inwendig joodkali;
ook wel subcutaan jodipine, en locaal na uitkrabben der zweren joodtinctuur.
Ungt. bijodel hydrarg, of 10 % joodvasogeenzalf.

Vrijburg.

Uebev die Bildungsstatte des komplementbindenden A ntikörpers.

Tsuzumi en Kohda deden proeven daaromtrent met konijnen en typhusba-
cillen en vonden dat de anti lichamen het eerst in de milt konden worden aan-
getoond (reeds na 20 uren). De milt is volgens hen de voornaamste fabriek der
anti-lichamen waarschijnlijk worden ze ook (maar later) gevormd in beenmerg
en lymphklieren.

Zeitsehrift f. Immunitdtsforschung u. exp. Ther. 1 Teil 19—5.

Vrijburg.

Behandeling van runderptroplasmose (Bubesiose)

Theiler deed proeven met Trypan-blauw bij de behandeling van piroplasmose
(redwater) van runderen. (Vet. Journal febr. 1912).
Nuttall, e. a. hebben dit middel
met succes gebruikt bij honden lijdende aan piroplasmosis cauis. Later pasten
Nuttall en Hadman het ook toe bij runderpiroplasmose. Vijf koeien met piro-
plasmose en haemoglobinurie kregen ieder 130- 200 cc. verzadigde waterige op-
lossing, in één inspuiting (1 intraveneus en 1 subcutaan). De parasieten verdwenen
dadelijk na de inspuiting uit het bloed; bij sommige dieren traden 11a 4 dagen weer
enkele piroplasmen op. Alle = koeien herstelden. Van 4 niet-behandelde dieren
stierf een.

Stockman paste het middel toe bij 17 aan piroplasma-haeinoglobinurie lijdende
koeien, die alle herstelden. Ook hij constateerde het spoedige verdwijnen van de
parasieten. Bij drie andere koeien, die met piroplasmose geënt waren, werd trypaii-
blauw toegediend, terstond na het begin der ent-reactie. Deze dieren werden slechts
licht ziek; het kwam niet tot haemoglobinurie en de parasieten traden later op
dan gewoonlijk en in klein aantal.
Theiler behandelde 12 aan ent-piroplasmose
lijdende runderen met 100—200 cc. (al naar de grootte der dieren) i% trypau-
blauw-oplossing (in éénmaal subcutaan ingespoten).

Van zijn runderen stierf één, die naar zijn oordeel te laat behandeld werd. Hij
stelde vast, dat de inspuiting meestal onmiddellijk gevolgd werd door een verhoogiiyg
der koorts, waarschijnlijk, veroorzaakt door het te gronde gaan van parasietenen
dientengevolge vrij komen van to\\ines in het bloedplasma. Binnen 24—48 uur
werd de temp. normaal en bleef
zulks. De parasieten, die na dc inspuiting uit het
bloed verdwenen, traden gewoonlijk later weer op, maar in klein aantal en ver-
oorzaakten geen verdere ziekte-verschijnselen. De betreffende dieren bleken later

-ocr page 220-

immun te zijn tegen natuurlijke (teken) besmetting, evengoed als niet-behanclelde
herstelde dieren. Dit zou waarschijnlijk niet het geval zijn als alle parasieten door
het middel gedood waren, daar de ondervinding leert, dat wanneer alle piroplas
men uit het lichaam verdwenen zijn, de dieren weer vatbaar zijn voor nieuwe
infektie.

Theiler houdt Trypanblauw voor een zeer bruikbaar middel tegen piroplasmose
het is echter zaak, het zoo spoedig mogelijk toe te dienen, en in zware gevallen
intraveneus — Vooral ook is het nuttig bij preventief-entingen tegen de ziekte,
en instaat om de te zware ent reactie bij sommige dieren gunstig te beïnvloeden.
Het werkt alleen op de Piroplasma (Babesia) bigeminum en is niet bruikbaar bij
Anaplasma marginale.

Op de injectieplaats ontstaat dikwijls een abces en een blauw-groene ver-
kleuring der huid.

Vrijburg.

Bergschicker vermeldt in het Berl. Tier. Woch. 1913 XXiX. 28, genezingen
van piroplasmose (Blutharnen) in Duitsland door trypan-blauw. Bij een zeer boos-
aardige vorm der ziekte met
80—9;% sterfgevallen had hij sedert het gebruik van
dat middel geen sterfgevallen meer. Hij spuit intraveneus in
3 gram trypan-blauw
in
200 c.c. gesteriliseerd aqua destil. op lichaamstemp. verwarmd. Pas 36 uren na
de injectie verbeterde de toestand der patiënten, de urine werd gewoonlijk pas den
4en dag geheel helder. (Blauw gekleurde vingers met chloorkalk te reinigen.)

Evers prijst ook het middel aan dat volgens hem de aan deze ziekte lijdende
koeien binnen de 24—48 uren geneest.

Schmidt behandelde aan piroplasmose lijdende koeien intraveneus met Iohtargan.
(Berl. lier. Woch. 1913 XXIX n°. 28) en had daarmee ook succes — (dosis = 1
grom opgelost in
30 gram aq. dest.) Volgens hem treedt de therapeutiese werking
sneller op dan bij trypan-blauw waarom hij het prefereert. Daar het irriteerend werkt
kan het alleen intraveneus en niet subcutaan gebruikt worden.

In ons land werd de ziekte door Barmen \'r Loo (Barneveld) met succes behan-
deld door intraveneuze injectie van argentum colloidale
0.5 gram opgelost in 50 c.c.
aq. destillata. Spoedige behandeling is noodig. Bestaat de ziekte reeds eenige dagen
dan helpt volgens B. \'t. 1 . het middel niet meer. Verschillende collega\'s passen
preventieve enting met immun bloed toe. Zooals bekend is geven
twee preventieve
entingen
een vrij groote mate van immuniteit, zoodat de geënte dieren in den
regel de ziekte later hoogstens in lichten graad krijgen. Absolute
zekerheid heeft
men dienaangaande nooit, ik zag verleden zomer in friesland een melkkoe die in
dezelfde wei (door
natuurlijke besmetting) de ziekte reeds driemaal had gehad.
Een groot
nadeel van de preventieve enting is, dat alle geënte dieren hun leven
lang virusdrager
blijven. Voor hen zelf kan dit het nadeel hebben, dat ze, wanneer
ze door de een of andere oorzaak (ziekte, vermoeienis) minder weerstand biedend
worden (zonder nieuwe besmetting) een instorting van de ziekte kunnen krijgen;
worden zulke dieren naar andere (piroplasma vrije) streken vervoerd dan kunnen
ze bij aanwezigheid van teken (welke laatste zich door bloedzuigen bij hen in

-ocr page 221-

fecteeren) de oorzaak zijn van het uitbreken van piroplasmose in een tot dus
verre van de ziekte vrije streek en van het besmetten der weilanden daar.

Is dus de medicamenteuse behandeling der ziekte zoo afdoende als door ver-
schillende deskundigen wordt beweerd,dan verdient die voor ons land de voorkeur.

Vrijburg.

Ueber den endemischen Kropf in Bayern.

Schitteriielm en We re hardt komen op grond van onderzoekingen tot de
conclusie dat de geologiese formatie in een streek niet de primaire oorzaak is van
krop, maar waarschijnlijk een begunstigende omstandigheid.

Primaire oorzaak is zeer zeker een besmetting van het watermet een nog onbekend
agens. Krop is zooals bekend in verschillende bergstreken endemies en wordt
veroorzaakt door het drinken van het daar voorkomende bronwater. Kookt men
het water
voor \'t gebruik, dan veroorzaakt het geen krop.

Kutschera maakt echter in de Münch. Med. Woch. 1913 S. 393 er attent op,
dat vele mensen die in dezelfde buurt wonen als de kroplijders en hetzelfde water
drinken geen krop krijgen. Hij houdt de krop voor een besmettelijke ziekte die
aan bepaalde woningen gebonden is.

Münch. Med. Woch. 1912. 59. 48. Vrijburg.

Zur Verbreitung der Diphterie und Lepra durch die Faeces.

Delbanco maakt opmerkzaam op het feit dat bij diphterie en lepra, urine en
faeces de pathogene ba ;illen kunnen bevatten, en dal dus desinfectie van die
produkten op zijn plaats is.

Deut. Med. Woch. 1912. 38 46. Vrijburg.

Zur operativen Behandeling der Post-partum-blutungen.

Bij post-partale bloedingen komt het dikwijls voor dat alle gebruikelijke mid
delen, als ergotine, heete of koude uterusspoelingen met sterke kaliumpermanga-
naat of chloorwater, tamponade, zelfs met gaas bevochtigd met ijzerchloride ol
joodtinctuur, niets helpen. Dit komt doordat de atonische uterus niet meer in
staat is, op die middelen te reageeren. Wordt dan niet operatief ingegrepen, dan is
„ophouden der bloeding door hartzwakte" de eenige geringe kans op redding.—
Om de dreigende dood, door verbloeding te voorkomen, raadt
Kehrer aan snel
de uterus te amputeeren. Zoodra de uterus onderbonden is, en daarmee de bloeding
gestild, wordt door een helper in de vena mediana cubiti langzaam 1000 c.c. physiol.
NaCl.-opl. ingespoten, waaraan 0.3—0.4 c.c. suprareninum syntheticum als car-
diacum, is toegevoegd. Hartmiddelen en physiol-keukenzout-opl. mogen niet
worden toegediend voordat de bron der bloeding gestopt is, daar ze anders verdere
bloeding zonden bevorderen en de dood verhaasten.

Münch. Med. Woch. 1912 16. Vrijburg.

Spasme facial chez le cheval.

Douviixe zag een geval van facialis-krainp bij een paard. Rustig op stal vertoonde
het dier geen verschijnselen. Door uitwendige invloeden, schrik b.v., werd een
aanval opgewekt, die ongeveer vijf minuten duurde, en bestond uit krampachtige

-ocr page 222-

bewegingen van oogleden lippen en ooren. Ook onder liet werk traden de krampen
op. D. schrijft de aandoening toe aan een bulbo-spinale irritatie, op de plaats van
oorsprong van het 7de paar.

In de literatuur vond hij slechts één dergelijk geval bij het paard.

Bij honden, na hondenziekte, zijn krampen in het gebied der facialis, wel bekend.

Revue de n:éd. vH. 30 mai 1912. Vrijburg.

Varkenspest.

Holterbach geeft in een artikel „die Schweinepestfrage" (Oesterreich. Wochen-
schrift f. Tierheilkunde 1913, 38—38) in overweging, met het oog op de vele voor-
komende gemengde infecties, de varkens te enten met een
gemengde entstof tegen het
ultravisibele pest-virus, de bac. siiipestifer en de bac. suisepticus.

Preston Hoskins schrijft over varkenspest (hogcholera) in Minnesota. U. S.
(Am. vet. review. 1913 XLIII. 5). Hij laat niet tegen de ziekte enten als erin de
buurt geen gevallen zijn. Is dat wèl het geval dan raadt hij de
simultaan (virus-
scrum) methode
aan. Is de ziekte in de kudde dan is serum-enting aangewezen.

Het is gebleken dat biggen van immune moeders immuniteit mee ter wereld
brengen, die enkele weken aanhoudt. Deze immuniteit kan men versterken door,
als de dieren 344 weken oud zijn, een kleine dosis virus in te spuiten en desnoods
later nog een dosis. In deze richting worden in Minnesota proeven genomen.

Deux nouveaux cas de paralyse générale chez le chien.

Marchant en Petit constateerden reeds vroeger drie, en nu weer twee ge-
vallen van algemeene paralyse bij den hond, steeds met doodelijken afloop.
Cliniese verschijnselen waren „verandering van karakter (prikkelbaarheid) — een
der dieren had nu en dan krampen en agitatieverschijnselen — later apathie,
onzekere gang, neiging tot vallen, vermindering der verstandelijke vermogens.
Een der dieren werd blind en doof, zonder dat bij de sectie histologies ver-
anderingen aan oogen of zenuwen gevonden werden.

Duur der ziekte acht maanden tot een jaar. De pathol. anatom. diagnose
luidde : „meningo-encephalitis diffusa sub-acuta."

De schrijvers gelooven dat het lijden met vroegere doorstane hondeziekten
in verband staat. Vier der honden waren 1—i j jaar — één was eenige jaren oud.

De sectie-verschijnselen kwamen overeen met die van dementia paralytica, bij
den mens, welke ziekte gewoonlijk
in verband wordt gebracht met syphilis.

Volgens Hutyra en Marek zijn deze gevallen bij de hond niet op één lijn testel-
len met bovengenoemde ziekten bij den mens, daar clinische en anatomische
veranderingen toch verschillen.

Recueil de tnéd. vét. 1912. 15 août. Vrijburg.

-ocr page 223-
-ocr page 224-

Fig. I. 1. l.gl. subparotideale; 2. l.gl. mandibularis;
3. l.gl. retropharingea lateralis.

Fig. II. 1. l.gl. retropharingea medialis; schematisch.
J. J. WESTER. Abscessen en tumoren in de keelstreek bij het rund.

-ocr page 225-

Abscessen en tumoren in de keelstreek bij het rund,

DOOR

J. WESTER.

Anatomie.

In de keelstreek van het rund zijn vier lymphklierpakketten,
die onze aandacht trekken.

i°. de lymphoglandula parotidea\\ (oorlymphklier), onder het oor,
op den kaakrand gelegen, half verborgen onder den parotis.

De toevoerende lymphbanen komen uit de huid van het aange-
zicht, van de meeste spieren aan den kop, van de voorste helft
van de neusschelpen en de neusscheiwand, van de lippen, van het
tandvleesch, van neus-, voorhoofd- en jukbeen, de oogleden enz.

De afvoerende vaten gaan naar de l. gl. retropharingea lateralis.

2°. de lymphoglandula mandibularis (submaxillaris); (keelgangs-
lymphklier).
Op den rand, respectievelijk aan de binnenvlakte
van de achterkaak, tusschen de kaakronding en de vaatuitsnijding.
De toevoerende vaten komen uit de huid van het aangezicht,
de spieren en enkele aangezichtsbeenderen; van het wangslijmvlies,
het tandvleesch en het harde gehemelte. (Fig. I).

De afvoerende vaten gaan naar de lateraal gelegen retropharin-
geale klieren.

3°. de lymphoglandulae retrophanngeae medialis; op den pharinx,
tusschen den pharinx en de buigers van den kop. Deze zijn in den
regel twee in aantal, vlak naast elkaar gelegen, als balletjes in
vet gebed. De toevoerende vaten komen uit de tong, van het
tandvleesch, van den bodem van de mondholte, het harde gehe-
melte, en uit de buurt van de tonsillen, van den pharinx en den
larinx. (Fig. II).

De afvoerende vaten gaan naar de l.gl. retropharyngeae lateralis.

4°. de lymphoglandula retropharyngea lateralis ligt onder het
boveneinde van de •submaxillaire speekselklier, of ook wel gedeel-
telijk er achter: dus vlak vóór (onder) den vleugel van den atlas.
Soms zijn er meer dan één. De vasa afferentia komen van de tong,
van de speekselklieren, van het mondslijmvlies, en van de mediale
retrophargeale lymphklieren.

De vasa efferentia vormen den ductus trachealis sinister, welke
aan de linkerzijde van de trachea verloopt, en waarin later ook
uitmonden de halslymphvaten 1).

Pathologische anatomie; aetiologie.

Deze klieren kunnen pathologisch veranderd zijn.

Dr. H. Baum. Das Lymphgefasssystem des Rindes.
XLI

-ocr page 226-

Abscessen veroorzaakt door de gewone pyogene bacillen van
het rund (bac. pyogenes, streptococcen en necrosebacillen),
komen veelvuldig voor; vooral in de 1. gl. mandibularis en in de
mediale retropharingeale klieren.

Tuberculeuse processen ziet men in al deze klieren optreden,
maar vooral in de retropharingeale klieren, blijkbaar van uit de
tonsillen geïnfecteerd meestal. In de retropharingeale klieren ziet
men ook veelal gemengde infecties van etterbacillen en tuberkel-
bacillen,

Actinomycotische infecties van deze klieren komen ook voor,
intusschen lang niet zoo veel als men vroeger wel meende, toen men
zich tevreden stelde met macroscopisch onderzoek. Ten onrechte
denkt men, dat actinomycose in het spel is als er „zandige" etter
wordt gevonden. Dit is geen verschijnsel van actinomycose, maar
komt bij alle oude etteringsprocessen voor, en speciaal als er een
neveninfectie met tuberkelbacillen bestaat. De „zandkorrels"
zijn kalkconcrementen, zooals men die b.v. ook wel in den luchtzak
bij paarden aantreft.

Klinische gegevens.

I.ymphogladulae subparotidcale.

Deze klieren abscedeeren door • invasie van uitsluitend pyogene
bacillen zeer zelden. Wel komen er
chronische etteringsprocessen
met fistelvorming in voor, maar deze worden dan veroorzaakt
door de gemengde infectie met t. b. c. of ook met actinomyces.
Dikwijls bestaat een harde knobbelige zwelling door tuberculeuse
woekering. In verreweg de meeste gevallen bestaat zwelling van
deze klieren, naast die van een of meer andere keellymphklieren
en is ze dan van tuberculeusen aard.

Therapie. In verband met het feit dat vooral tuberculeuse
infecties hierbij een rol spelen, is exterpatie dikwijls het eenige
middel om de klierzwelling te doen verdwijnen. Exterpatie van deze
klieren geeft dan echter in den regel ook niet het gewenschte re-
sultaat, omdat de naburige klieren meestal tegelijk zijn aangetast.

Naar mijn ervaring mag men dan ook wel eerst de zaak ernstig
overwegen, voor men tot exterpatie overgaat.

Dit is ook nog om twee andere redenen zeer gewenscht.

De tuberculeuse woekeringen in deze klier zijn in den regel
ook in de omgeving verspreid, en de klier is dikwijls vast met de
omgeving vergroeid, zoodat totale exterpatie van al het tubercu-
leuse weefsel wel eens bezwaarlijk is.

De exterpatie is ook wel eens bezwaarlijk omdat vlak achter

-ocr page 227-

I

-

• •

-ocr page 228-

Fig. III. Absces in de l.gl. mandibularis; de klier
werd gespleten.

Fig. IV. Tuberculeuse ontsteking van
de l.gl. subparotidea en l.gl.
mandibularis.

J. J. WESTER. Abscessen en tumoren in de keelstreek bij het rund.

-ocr page 229-

den kaakrand de vena maxillaris interna loopt, die dus licht kan
worden aangesneden, en dan tot een lastige bloeding aanleiding
kan geven.

Wanneer men bij exterpatie van de klier deze bloeding met
zekerheid wil vermijden, kan men de vena peripheer van de klier
onderbinden.

Een inconvenient kan bij exterpatie ook nog optreden doordat
men de parotis kan aansnijden, die deze oorlymphklier gedeeltelijk
bedekt. Wanneer dit is geschied krijgt men eenige speeksel-afschei-
ding in de wond. De wond cicatriseert echter even goed. De speeksel-
vloed is trouwens niet groot, omdat slechts het bovendeel van de
parotis dan is aangesneden.

Wanneer men echter de overtuiging heeft gekregen na nauw-
keurig onderzoek, dat slechts primaire
locale tuberculose in deze
klieren aanwezig is, vallen al deze bezwaren weg tegenover het
groote voordeel dat men kan behalen met exterpatie van de
aangetaste klieren.

Lxmphoglandulae mandibularis.

Zwelling van deze klieren uit zich door tumorvorming achter den
kaakrand. Hoe grooter de zwelling hoe verder komt de klier van
zijn oorspronkelijke ligplaats af, door gebrek aan ruimte. (Fig. III).

Deze klieren zijn meestal geïnfecteerd door gewone etterbacteriën;
ook wel door t. b. c; veel minder door actinomycose. Reeds ma-
croscopisch gelukt het menigmaal den aard van de zwelling te
bepalen. Is de infectie van actinomycotischen aard, dan is de klier
meestal met de huid vergroeid, en er vormen zich fistelopeningen
waaruit gele etter vloeit. Wanneer tuberkelbacillen in het spel
zijn, dan is de zwelling hard, knobbelig, en bestaat ze dikwijls
tegelijk met zwelling van naburige klieren. Ook hierbij kunnen
fistelopeningen zich vormen. I)e etter is dan
wit en bevat naast
tuberkelbacillen de gewone pyogene bacteriën. Is een etterhaard in
de diepte aanwezig dan ontdekt men bij nauwkeurig betasten
fluctuatie, tenzij de hoeveelheid zeer gering is, wat ook hier evenals
bij borstbuilen bij paarden voor kan komen. Eventueele door-
braak leidt hierbij tot herstel: fistvorming treedt zelden op. Spon-
tane doorbraak komt echter zelden voor. (Fig. IV).

Therapie. Vele practiseerende veeartsen behandelen deze klier-
zwellingen met jodium in- en uitwendig, meestal echter met slechts
half of geen succes. Toch is er met deze therapie soms meer
succes te bereiken dan men vermoeden zou, uitgaande van de
wetenschap dat actinomycose hier slechts zelden voorkomt. Dit

-ocr page 230-

komt omdat vrijwel alle lymphklier-processen in meerder of
mindere mate door jodium worden beïnfluenceerd. Ook zelfs tuber-
euleuse processen.

Ik stel mij voor, dat dit feit ook voor een deel de oorzaak is
waarom de legende zoolang is kunnen blijven leven, dat actinomv-
cose ongeveer steeds oorzaak zou zijn van deze klierzwellingen.

Toch geeft de jodiumtherapie in den regel slechts half succes,
of ook wel in \'t geheel niet. Daarom is het beter deze zwellingen
dadelijk chirurgisch te behandelen; zelfs ook als er actinomycose
met zekerheid geconstateerd mocht zijn.

Het is den practicus bekend, dat joodkalium het zekerst werkt
bij actinomycose van de tong.

Kaak- en klieractinomycose zijn niet zoo prompt met de jodium-
therapie te genezen: i°. doordat bij tongactinomycose de jodium,
die met het speeksel wordt uitgescheiden steeds de aangetaste
tong omspoelt, wat bij kaak- of klieractinomycose natuurlijk niet
geschiedt, en 2°. doordat bij kaak- en klieractinomycose steeds
ook andere lagere organismen in het spel zijn, die niet onder invloed
van de jodiumtherapie komen.

Wanneer etter in de diepte aanwezig is, wat veelal het geval is,
kan men ook met ruim splijten volstaan en behoeft niet de geheele
klier worden weggenomen. Proefpunctie vooraf kan zoo noodig
de diagnose zeker helpen stellen.

De proefpunctie geeft echter wel eens aanleiding tot het zaaien
van de bacillen in de subcutis, omdat bij het terugtrekken van
den trocartcanule de huid wel eens wat aankleeft. Dit kan tot
een onaangename verbreiding van het etteringsproces zelfs tot
necrose op vrij uitgebreide schaal aanleiding geven. Punctie met
de bistouri verdient daarom de voorkeur.

Wanneer tuberculose in het spel is, is slechts exterpatie aange-
wezen. De totale exterpatie van deze klier is in den regel gemakke-
lijker als van de oorlymphklier, omdat ze in den regel niet zoo met de
omgeving is vergroeid. Toch komt het ook hierbij voor, bij oude
processen, dat tuberculeuse-woekeringen buiten den klierkapsel
zijn gedrongen, en zich in de omgeving van de klier hebben ont-
wikkeld en verbreid. Totaal verwijderen van al het tuberculeuse
weefsel gaat dan zeer bezwaarlijk.

Overigens bestaat ook hier gevaar voor het aansnijden
van een vena (v. maxillaris externa), die er vlak naast loopt; en
ook hier bestaat gevaar voor het aansnijden van de nabijgelegen
speekselklier (de gl. submaxillaris).

De „kop" van deze speekselklier wordt wel eens aangezien

r

-

-ocr page 231-

vor eeon tuberculeus gezwollen lymphklier. De speekselklier ligt
echter meer mediaal, en kan bij eenig nader onderzoek gemakkelijk
als zoodanig worden onderkend.

Is deze speekselklier aangesneden dan krijgt men daardoor
sterke speekselvloed uit de wond, weshalve het dan niet aan te
bevelen is een afsluitende hechting aan te leggen, maar de wond ten-
minste gedeeltelijk open te laten. De cicatrisatie volgt in dit geval
wat langzamer, maar geschiedt toch zonder dat een speekselfistel
zich vormt.

Ter vermijding van het aansnijden van de ader is het aan te
bevelen de klier aan een touwtje ver naar buiten te trekken. Des-
gewenscht kan men ook reeds vóór de operatie de vena onderbinden,
wat echter nogal omslachtig is.

De exterpatie geschiedt heel gemakkelijk onder locale anaesthesie,
(i% cocainesolutie) daar het anaesteticum rondom de zwelling
kan worden ingespoten.

Retropharingeale lymphklier en.

Ik kan niet ontkennen dat actinomycose van deze klieren voor
kan komen. Ik heb het echter nooit gezien. De zwelling van deze
klieren wordt naar mijn ervaring of veroorzaakt door
etterbacteriën,
of door tuberculose, of, en dit in de meeste gevallen, door een ge-
mengde infectie
van deze bacteriën.

Abscessen kunnen hier acuut, zelfs peracuut zich vormen waarbij
één grootc abscesholte ontstaat. Ze kunnen zich echter ook meer
sleepend ontwikkelen en dan is de etter veelal in verschillende
abscesholten gevormd.

Tuberculose treedt hier steeds zeer sleepend op, en geeft eerst
op den duur tot functie-stoornissen aanleiding.

Ook de gemengde infectie veroorzaakt natuurlijk een sleepend
proces.

Men krijgt dikwijls bij sectie of exterpatie den indruk dat hierbij
invasie der tuberkelbacillen eerst later is gekomen. Men ziet n.1.
bij zulke gemengde infecties dikwijls litteekens van doorbraak in
den pharinx, en adhaesies met den pharinxwand.

Deze doorbraak nu komt zelden voor wanneer t. b. c. in het
spel is.

Het meest zijn aangetast de mediale retropharingeale klieren.
Abscesvorming beperkt zich meestal tot deze mediale klieren.
Wanneer tuberculose in het spel is, zijn dikwijls ook de laterale
retropharingeale lymphklieren aangetast, en daarnevens nu en
dan ook de oor- en keelgang-lymphklieren, zoodat dan de geheele
keelstreek vol tumoren zit.

-ocr page 232-

Symptomen. Vergroote retropharingeale klieren, vooral de
mediaal gelegene (waarmee we het meest te maken hebben) drukken
op den pharinx en den larinx en geven daardoor aanleiding tot
functiestoornissen; n.1. ademhalings- en slikbezwaren.

Aangezien overigens de verschijnselen en vooral ook de te nemen
therapeutische maatregelen zeer verschillen naar den aard der
processen, lijkt het mij wenschelijk achtereenvolgens te bespreken:
acute abscesvorming; chronische abscesvorming en tuberculose
der retropharingeale lymphklieren.

Acute abscesvorming in de retropharingeale klieren.

Symptomen: De dieren beginnen in het verloop van enkele
dagen heftig te
snurken, tengevolge van het dichtdrukken van den
pharinx en door druk op den larinx. Het stenosegeruisch treedt op
bij inspiratie zoowel als bij experatie. Eigenaardig is hierbij menig-
maal dat de inspiratie door de neus geschiedt en de expiratie door
den mond, met opblazen van de wangen gepaard gaande. Dit
treedt op doordat deze acute klierzwelling geen tijd heeft gehad
naar beneden langs den larinx af te zakken, en derhalve ver
naar voren in de buurt van de choane zetelt. De choane wordt
daardoor meer of min afgesloten, vooral bij expiratie, als de zwel-
ling er tegenaan wordt geduwd door de geëxpireerde lucht. Bij
chronische processen ziet men dit zoo niet.

De ademhalingsbezwaren treden vooral op bij het eten of her-
kauwen.

Ook slikbezwaren zijn aanwezig. Bij het eten en herkauwen hou-
den de dieren in verband daarmede den kop gestrekt. Als ze
grazen wordt zoo nu en dan de kop opgeheven om slikken moge-
lijk te maken: de pharinx wordt hierdoor ruimer.

Deze slikbezwaren treden natuurlijk op door vernauwing van
den pharinx en ook door het feit dat tengevolge van druk op de
pharinx-spieren deze niet lege artis den voedselbrok kunnen voort-
bewegen. In verband met het verslikken treedt hoesten op bij het
eten en het herkauwen.

De zwelling dier klieren verraadt zich behalve door deze ver-
schijnselen ook door
zwelling van den parotisstrcek. Dit is echter
bij acute abscessen niet zoo zeer het geval als bij chronische pro-
cessen, omdat dan de klieren meer naar achteren en naar beneden
plaats zoeken. Er kunnen dan ook vrij groote abscessen in deretro-
pharingeaalklieren voorkomen zonder dat de keelstreek noemens-
waard gezwollen is.

In verreweg de meeste gevallen zijn acuut optredende functie-
stoornissen van dezen aard aan zwelling der retropharingeale klie-

-ocr page 233-

ren toe te schrijven. De mogelijkheid bestaat echter dat andere
acute processen, aanleiding geven tot stenosegeruischen en slik-
bezwaren.

Daarom is het noodig, waar mogelijk, oraal de klieren te gaan
betasten. (Bij pinken en kalveren gaat dit echter niet).

Daartoe neemt men met de linkerhand de tong vast (of men
kan ook de tong niet fixeeren) en gaat met de op de kant gehouden
rechterhand tusschen de kiezenrijen door in de pharinxholte. Bij
abscesvorming voelt men dan een meer of minder groote bal van
boven af den pharinx dichtdrukken, en ook meer of min de choane
afsluiten. De larinx ligt daarbij dieper dan gewoon.

Wanneer men na fixatie van de tong den pharinx bekijkt kan
men de uitpuiling onder gunstige omstandigheden zeer goed zien.
Is de zwelling eenzijdig, wat meestal het geval is, dan ziet men de
isthmus faucium scheef getrokken naar de niet aangetaste zijde.

Na dit onderzoek is het voor den eenigszins ervaren practicus
vrijwel onmogelijk zich hiermee te vergissen.
Differentieel diag-
nostisch
is er bij volwassen runderen naar mijn weten haast geen
lijden dat met acute abscedeering dezer klieren verward kan
worden.

Bij kalveren echter kunnen diptherili^che zweren van het larin-
geaal slijmvlies soortgelijke verschijnselen doen optreden als
deze abscessen van de retropharingeale klieren. Oraal kan men
dan natuurlijk de keel niet betasten. Lichte druk op den larinx
doet echter bij aanwezigheid van die zweren in het lumcn, de
ademhaling geheel onmogelijk worden; terwijl men bovendien
bij het betasten van den keelstreek toch wel steeds eenige notie
krijgt van de klierzwelling in de diepte wanneer abscessen in het
spel zijn.

Het is mij echter toch wel eens overkomen, dat ik voor de
differentieel diagnostiek (en opvolgende therapie) niets beter
wist te doen bij zoo\'n kalf, dan eenvoudig den larinx open-
leggen, wat trouwens zonder veel gevaar kan geschieden, zooals
tegenwoordig ook wel blijkt bij de operatie van
Williams.
(ziektegeschiedenis N°. n).

Therapie. Men zou met eenig recht kunnen zeggen dat de thera-
pie door de natuur wordt aangewezen. Het gebeurt n.1. menigmaal
dat deze abscessen spontaan doorbreken, en dan steeds naar de
pharinxholte.

Men ziet dan bij zoo\'n dier plotseling een vrij groote hoeveelheid
etter uit de neusopeningen komen, en de ademhalingsbezwaren
zijn daarna soms als bij tooverslag geweken. De doorbraak

-ocr page 234-

geschiedt dan steeds vooraan, in de nabijheid van dechoane, omdat
daar de pharinxwand het dunst is. Vandaar ook dat men de
etter meestal, uit de neus ziet komen en niet uit den mond.

Deze door de natuur aangegeven weg kan men bij acute abscesseri,
met succes volgen.

Men gaat daartoe met de hand in den pharinx en puncteert het
absces vooraan, dicht bij de choane, met den vinger. Als men tot
het juiste oogenblik wacht vindt men daar steeds een zachte plek„

Beter is het echter, zoo mogelijk het absces te openen meteen
snijdend voorwerp (bestouri caché, of omwoeld scalpel of dracht-
naald) omdat men dan een minder verscheurde wond krijgt, en
men de opening bovendien grooter kan maken.

Het is n.1. een groot bezwaar bij punctie met den vinger en ook
bij spontane doorbraak, dat de opening licht te klein is, en daardoor
etter achterblijft en recidive waarschijnlijk wordt.

Men zou aanleiding kunnen hebben te vreezen, dat een grootc
wond in den pharinx tot ophooping van voedsel achter den
pharinx kon leiden. Het is echter verrassend zoo spoedig als
deze wonden zich blijkbaar door spiercontractie sluiten, zoodat
men hiervoor in het algemeen weinig vrees heeft te koesteren.

Er zijn echter aan deze therapie, hoe eenvoudig overigens, eenige
bezwaren verbonden.

Ten eerste kan men bij kleine dieren op deze wijze bezwaarlijk
den pharinx bereiken.

Ten tweede dient men steeds te wachten tot het absces
ongeveer rijp is voor doorbraak, en dus ademhalingsbezwaren zeer
erg zijn geworden.

Ten derde krijgt men door onvoldoend afvloeien van etter licht
recidive.

Ten vierde komt het voor, dat woekeringen van de pharinx-
wond na doorbraak, tot herhaling der stenosegeruischen aanlei-
ding geven, en deze zijn dan niet gemakkelijk op te heffen.

Ten vijfde kan de pharinxwond een porte d\'entrée vormen voor
een tuberculeuse of actinomycotische neveninfectie; ik heb er reeds
op gewezen dat dit gevaar niet denkbeeldig is.

Hoewel men dus de voordeelen van deze eenvoudige therapie
volkomen kan waardeeren dient men ook niet blind te zijn voor de
nadeelen.

In verband daarmede wenschte ik de aandacht te vestigen op
een modus operandi, die in zeker opzicht voordeelen biedt.

De pharinxholte is volstrekt niet de eenige plaats waar men die
retropharingeale abscessen kan openen, al geeft de natuur dien

-ocr page 235-

weg aan, doordat ze daar het meest aan de oppervlakte komen.

Deze abscessen vinden op de plaats waar de klier is gelegen geen
plaats, en bochten daarom den pharinxwand naar beneden uit.
Ze zoeken echter ook plaats naar achteren en beneden, in de keel-
streek, tot op den larinx.

Wanneer men nu in de mediaanlijn, op den larinx een huidvvond
maakt (10—15 cM. groot), de spieren daar scheidt, en vlak langs
den larinx stomp naar boven dringt, stuit men heel spoedig op deze
gezwellen. (Fig. V).

Eenmaal zoover zijnde kan men de etter door punctie nut den
vinger of een instrument laten afvloeien, en de holte uitspoelen.
Men kan ook een gedeelte van den absceswand (dus klierkapsel)
wegnemen, en men kan ook het geheele absces (dus de geheele
klier) exterpeeren. Dit laatste geschiedt bij acute abscessen zeer
gemakkelijk doordat de klierkapsel volstrekt niet met de omge-
ving vergroeid is. Men dient dan echter voorzichtig te werken,
omdat de klierkapsel licht berst en dan de wond licht kan worden
geïnfecteerd. In den regel leidt dit echter tot geen bezwaren. Men
maakt overigens bij exterpatie van de klier natuurlijk een
grooter wond.

In den regel wordt door de omstandigheden in dezen den weg
gewezen. Noodzakelijk is echter in ieder geval, dat de opening
voor de afvloeiing van den etter niet te klein zij, anders wordt het
beoogde voordeel n.1. recidive te voorkomen, niet verkregen.

De operatie is heel eenvoudig, en ongevaarlijk omdat men onder
het zenuw- en vaat net van de parotisstreek blijft.

De nabehandeling bestaat in openhouden van de wond tot in
de diepte, opdat het secretum kan blijven afvloeien. De huidwond
wordt daarom slechts gedeeltelijk gehecht.

Aangezien zwelling van de keelstreek door reactieve ontsteking
kan optreden, verdient het wel aanbeveling te overwegen of tracheo-
tomie
vooraf aangewezen is. Men kan dit ook doen als het later
noodig blijkt.

Bij exterpatie van oude abscessen, en vooral van tuberculeuse
tumoren is tracheotomie vooraf noodzakelijk; omdat de reactieve
ontsteking dan door de meer bezwaarlijke exterpatie zeker niet
uitblijft. Bovendien kan men dan veel rustiger werken, aangezien
de dieren onder de operatie niet benauwd worden.

Men doet het verstandigst bij runderen tracheotomie te ver-
richten door een paar ringen van de trachea te splijten en van
elkaar te buigen. Op die wijze krijgt men ruimte genoeg den tubus
te doen passeeren. Neemt men zooals bij het paard een stuk uit de

-ocr page 236-

trachea, dan loopt men gevaar, dat na wegnemen van den tubus,
het lidteekenweefsel de toch reeds smalle luchtpijp in die mate ver-
nauwt, dat bij de operatieplaats stenose optreedt.

Chronische abscesvorming in de retropharingeale klieren.

Abscesvorming met chronisch verloop kan voorkomen doordat
etter is teruggebleven na doorbraak in den pharinx. Maar ook
kan de ettervorming reeds dadelijk inplaats van een heftig, snel
verloopend, tot doorbraak leidend karakter een sleepend karakter
vertoonen. In het eerste geval is meestal de heele klier in ver-
ettering overgegaan, vormt dus één etterzak; in het tweede geval
zijn veelal multipele abscessen in de klier aanwezig. Dit is vooral
het geval als gemengde infecties van pyogene- en tuberkelbacillen
het proces veroorzaken. De etter is veelal met kalkconcrementjes
doorspekt, als het proces heel oud is.

Symptomen: In verband met de aetiologie zijn de verschijnselen
eenigszins verschillend. Het kan n.1. voorkomen, dat een acuut
absces doorbreekt, waarna gedurende eenigen tijd de functie-
stoornissen zijn verdwenen, terwijl ze later, maar dan langzamer
weer terugkeeren.

Het kan ook zijn dat de functiestoornissen, vooral de stenose-
geruischen, meer of minder langzaam optreden, zonder dat er ooit
van vermindering door doorbraak sprake is geweest. Bij zeer lang-
zaam verloop kan het maanden duren voor ernstige bezwaren op-
treden.

De symptomen zijn ook overigens eenigszins afwijkend van die,
welke bij acute ahscedeeringen optreden. Het buccaal-respectieve-
lijk labiaal ademen komt hierbij niet zoo zeer voor. doordat de
gezwellen tijd hebben eenigszins naar beneden te zakken en dus
de choane bij expiratie niet zoo wordt dicht gedrukt.

Door dit zakken krijgt men sterkere zwelling van de parotis-
streek, die dan veeal beiderzijds uitpuilt omdat deze abscessen
dikwijls bilateraal voorkomen.

Door het langzamerhand naar beneden zakken van den tumor
wordt de larinx gedrukt, en ziet en voelt men den larinx
promineeren. Wanneer men de hand op den larinx legt voelt men
het fibreeren der arykraakbeenderen en der stembanden. Dit
promineeren en fibreeren van den larinx heeft menig veearts op
een dwaalspoor gebracht, waardoor chronische laringitis werd
gediagnosticeerd inplaats van abscesvorming.

Inderdaad komt bij chronische laringitis door tuberculose (of
een enkele keer ook actinomycose) veroorzaakt, hetzelfde promi-
neeren en fibreeren en ook het snurken voor.

-ocr page 237-

Voor de differentieel diagnostiek is het dan ook van het grootste
belang daarmee rekening te houden.

Bij uitwendig betasten van de keelstreek blijkt bij laringitis
dat sterke zwelling van de retropharingeale klieren niet aan-
wezig is. Het kan echter voorkomen dat geringe tuberculeuse
vergrooting toch ook hierbij wel aanwezig is, immers de toevoe-
rende lymphbanen komen voor een deel ook uit den larinx.
Daarom is de aangewezen weg de organen oraal te betasten.

Bij chronische abscesvorming vindt men de bekende uitpuiling
in den pharinx. Deze voelt nu niet zacht maar hard aan. Soms
zijn er lidteekens te voelen.

Bij chronische laringitis voelt men met den binnendringenden
wijsvinger verdikking van het slijmvlies van het strottenhoofd
hetzij diffuus of ook wel granuleus. In den regel is het niet noodig
zoo diep door te dringen, en kan men met bet betasten van
den epiglottis volstaan, die meestal in de eerste plaats is verdikt,
afgeronde randen en knobbeltjes vertoont.

Voor de differentieel diagnostiek is het ook zaak op nog enkele
andere aandoeningen te letten bij het inwendig betasten van de
keelstreek.

De stenosegeruischen kunnen n.1. ook worden veroorzaakt door
tumoren bij de choane (of in den pharinx), welke dan meestal van
carcinomateusen aard zijn.

Ook kan snurken (in geringe mate) wel het gevolg zijn van woe-
keringen
op de plaats waar vroeger de doorbraak van een retro-
pharingeaal absces heeft plaats gehad.

Een en ander kan men zeer gemakkelijk constateeren, zoodat
ten slotte de diagnostiek van het z.g.n. ,
snurken"\' tenminste bij
volwassen runderen op deze wijze ondernomen tot de gemakke-
lijke zaken behoort.

Therapie: Voor chronische abscessen helpt geen punctie meer
natuurlijk.

Men heeft hierbij ook wel van buiten af de punctie uitgevoerd,
n.1. \' door de parotisstreek. Dit is echter een operatie die tot
weinig resultaat kan leiden, omdat men toch steeds recidive krijgt,
en bovendien is ze door het gevaar voor bloedingen, verzakkingen
en acute ontstekingen niets aanbevelenwaardig.

Het eenige, wat tot resultaat kan leiden is exterpatie van de
klier.

Wanneer de infectie uitsluitend door pyogene bacillen werd
veroorzaakt is deze exterpatie gemakkelijk te verrichten en geeft
veelal goed resultaat. Wanneer echter ook tuberculose in het spel

-ocr page 238-

is, is zoo niet altijd, toch veelal de kapsel met de omgeving ver-
groeid en is de exterpatie moeilijker, doordat men de klier als het
ware uit de omgeving los moet pellen.

De modus operandi is overigens zooals ik die bij de acute absces-
sen besprak. Men dient echter hierbij steeds tracheotomie te doen,
en een groote huidwond te maken, zoodat men met de geheele hand
tot in de diepte kan doordringen. Het verdient aanbeveling voor
het beter doen glijden van de doordringende hand b.v. creoline-
vasogeen te gebruiken.

Wanneer het blijkt bij de operatie, wat trouwens ook reeds bij
het klinisch onderzoek meestal wel kan worden vastgesteld, dat
de klieren bilateraal zijn aangetast, dan kan men door dezelfde
wond de andere klier ook naar buiten brengen.

Tuberculeuse ontsteking der retropharingeale klieren.

Deze kunnen hun oorsprong dus vinden in gemengde infectie,
en ook in pure tuberculeuse infectie. In het eerste geval gaan ze
gepaard met ettering, in het tweede geval zijn ze meestal droog,
verhard, verkaasd en knobbelig. (Fig. VI).

De zuiver tuberculeuse infecties zijn veelal daardoor van de
abscedeeringen onderscheiden, dat ze tenminste op den duur
aanleiding geven tot multipele klierzwellingen in de keelstreek,
zoodat men dan niet zelden de beide mediale retropharingeale
lymphklieren aangetast ziet, en tevens ook één of beide laterale
retropharingeale klieren of ook een of beide mandibulaire, of een
of beide subparotideale klieren, zoodat de heele keelstreek dan soms
vol tumoren zit.

Overigens is het bij chronische tumorvorming in de keelstreek
wel eens bezwaarlijk om klinisch vóór de eventueel te onder-
nemen operatie uit te maken of er tuberculose in het spel is of niet.
En toch is dat van zeer groot belang, omdat het succes veel grooter
is bij niet tuberculeuse processen, dan bij tuberculeuse.

Tuberculinatie voert ons hierbij niet op den rechten weg, omdat
reactie even goed kan optreden door een onschuldige haard ergens
in een bronchiaalklier. Men dient mede af te gaan op de chro-
niciteit, in zooverre als zuiver tuberculeuse processen nog veel
langzamer zich ontwikkelen dan chronische abscessen na gemengde
infectie of door pyogene bacillen veroorzaakt. Ook dient men
zeer zorgvuldig te zoeken naar eventueel aanwezige tuberculeuse
processen ergens anders in het organisme (boegklieren, pleura,
peritoneum). Ten slotte kan harpoeneeren van de tumoren de
diagnose helpen stellen.

-ocr page 239-

Fig. VII. Exterpatie van een mediale retropharingeale klier bij een pink.
(subacute tuberculose.)

J. J. WESTE.R. Abscessen en tumoren in de keelstreek bij het rund.

-ocr page 240-
-ocr page 241-

Therapie. Exterpatie van tuberculeus ontstoken retropharingeale
klieren is steeds mogelijk. Bij chronische abscessen waarbij eerst
later de tuberculeuse infectie is opgetreden, waarbij dus de etter-
vorming op den voorgrond is gebleven, is de exterpatie niet bijzon-
der moeilijk, omdat dan vergroeiingen nog niet zoo zeer zijn
opgetreden. (Fig. VII). Harde tuberculeuse tumoren echter zijn
steeds vast met de omgeving verbonden, en zijn zeer bezwaarlijk
los te pellen.

Daarbij komt nog het bezwaar dat het tuberculeuse proces
ook al zou het uitsluitend gelocaliseerd zijn in de keelstreek niet
met wortel en tak is uit te voeren omdat de omgeving der klieren
dikwijls ook is geinfecteerd. Zelfs kan men zich voorstellen, dat
men door in een dergelijk met tuberculose bezaaid veld een
groote versche wond te maken, de mogelijkheid van metastase
naar andere organen in hooge mate bevordert; iets wat ik meen
wel eens ervaren te hebben.

Om die redenen is het beter deze oude, harde, tuberculeuse
processen stilletjes met rust te laten totdat eventueel de slager
zijn operatie moet verrichten.

Gemengd geïnfecteerde klieren, die ook met de omgeving zijn
vergroeid dient men eveneens met rust te laten.

Bij jonge dieren echter (kalveren tot vaarzen) kan men steeds
de zwellingen exterpeeren, omdat ze dan nog niet erg lang hebben
bestaan. Bovendien geeft de exterpatie bij deze jonge dieren veeal
meer succes omdat men meer kans heeft dat het proces uitsluitend
nog in deze klieren is gelocaliseerd. Het is mij wel eens gelukt
door wegnemen van een dergelijke klier een reeds eenigszins ver-
magerd pink nog te redden, terwijl anders toch vroeg of laat het
proces zich wel gegeneraliseerd zou hebben, tenzij reeds eerder het
dier op de slachtbank zou zijn terecht gekomen. Men kan echter
ook bij kalveren te laat komen met de exterpatie.

Ter verduidelijking van het hierboven geschrevene meen ik,
dat het nuttig kan zijn enkele ziektegeschiedenissen mee tedeelen
van geopereerde dieren; men kan zich dan beter een oordeel vor-
men over de waarde, respectievelijk de onwaarde, van de operatie
welke ik beschreef.

i°. Een rund snurkte gedurende enkele dagen heftig en ver-
toonde bij expiratie labiaal ademen. Slikken ging zeer bezwaarlijk.
Geconstateerd werd een groot retropharingeaal absces. Na tracheo-
tomie werd met een omwoelde scalpel het absces langs den mond
geopend, waarna met den vinger de opening werd vergroot. Er

-ocr page 242-

vloeide ongeveer i Liter dun vloeibare eter af. Na enkele da^en
was de koe hersteld. Van recidieve is mii niets bekend geword>n.

2°. Het behandelde dier snurkt sedert l maanden, eet en driikt
goed, en is overigens gezond. Het snurkei was gedurende enkele
weken verdwenen geweest. Het stenose jeruisch treedt vooral >p
bij inspiratie; bij expiratie wordt meertal door den mond fe-
ademd, de lippen worden daarbij niet omgeblazen.

In de parotisstreek is weinig zwelling cp te merken; de vinger-
toppen kan men echter boven den larinx niet samen brengen.

Bij oraal onderzoek van den pharini blijkt de rechter retio-
pharingeale klier gezwollen.

De zwelling voelt week aan en wordt dadelijk met den vinjer
geperforeerd, waarop een sterke uitvloeiing van kruimelige etter
met kleine concrementen volgt. In de diep:e van het absces wordsn
nog veel van deze concrementen gevoeld

Hoewel lang niet alle etter afvloeide was het snurken dadeljk
na de perforatie verdwenen. Een uur na de operatie was het mij
niet mogelijk de wond te verruimen, omiat ik geen vinger meer
in de opening kon brengen. Er was toen voorloopig geen aanleiding
de heele klier te exterpeeren, of er nog meer
aan te doen. Later
heb ik het dier niet meer gezien.

3°. Ter behandeling werd mij aangeboden een cachectisrh
uitziende koe, welke zeer sterke ademnood vertoonde, en niets
kon slikken als een weinig slobbering en melk-en-water.

De expiratie geschiedde met den mond open, of met buccaal
ademen.

De parotisstreek was aan weerszijden diffuus gezwollen. De
larinx promineerde sterk.

De keelholte bleek sterk vernauwd, door beiderzijdsche sterke
klierzwelling.

Het dier hoestte voortdurend, blijkbaar door afvloeien van
speeksel in den larinx. I)e longen schenen goed. Na tracheotomie
werd sputum verkregen, wat geen tuberkelbacillen bevatte. Ook
rectaal was niets verdachts te voelen.

Daarom w7erd bij wijze van proef tot de operatie besloten.

Getracht werd ioo gr. chloral in te geven, wat door de slik-
bezwaren niet gelukte.

Gedurende de operatie werd het dier gechloroformiseerd. Naast
den larinx werd een wond gemaakt van ± 15 cM. Vlak boven de
larinx was de linker klier als een platte bal te voelen. De tumor

-ocr page 243-

was zeer los in het bindweefsel gebet en kon gemakkelijk door de
opening verwijderd worden. Ze woog 1030 gram, was van tuber-
culeuzen aard maar tevrms met kleine etterhaarden doorweven.

Dadelijk daarop wend ook de rechter klier verwijderd. Bij
het losmaken van de bovenste top bleek hier een absces aanwezig
te zijn. De absceswand scheurde, en de etter liep in de gemaakte
ruimte. Tegelijk werd ook de pharinx geperforeerd op de plaats
waar het absces was geadhaereerd geweest. Door de opening kon
ik twee vingers steken. Deze tweede klier woog 800 gram. Na
het wegnemen der klieren werd de gemaakte holte duchtig uitge-
spoeld met leidingwater en daarna met boorwater. De huidwond
werd voor \'t grootste de<el gehecht, en voor een klein deel getam-
poneerd met jodoformgaas.

Dadelijk na de operatie was de ademnood verdwenen. De slik-
bezwaren bleven nog enkele dagen aanwezig.

De wond genas voorspoedig, en na ± 3 weken vertrok het dier,
in veel gunstiger conditie dan waarin het gekomen was.

Later gaf de koe, die vrijwel droog was geweest, weer 10 Liter
melk, en verkeerde in goeden voedingstoestand. Na ongeveer 6 maan-
den trad weer eenige vermagering op, weshalve het dier voor de
slachtbank werd verkocht.

40. Een graskalf van ± een half jaar oud snurkte sedert
3 maanden en bleef achter in voedingstoestand.

Uitwendig was na zorgvuldig palpeeren links tusschen de takken
van het tongbeen een ronde zwelling te bespeuren. Bij bezichtiging
van de keelholte bleek, dat de achterst^ pharinxwand een weinig
naar voren was gewelfd, en de isthmus faucium naar links was ver-
schoven. Manuaal was de keel niet te onderzoeken.

Ook bij dit kalf werd dezelfde operatie uitgevoerd. De huidwond
was ongeveer 10 cM. Bij vergissing werd de submaxill. speekselklier
aangesneden.

De wond werd geheel gehecht. Het snurken verergerde de eerste
dagen bedenkelijk; en er trad vrij sterke zwelling op van de parotis-
streek. Enkele hechtingen werden toen uit de wond verwijderd,
en nu stroomde er een groote massa speeksel uit: de zwelling was
hoofdzakelijk het gevolg van speekselophooping. De speeksel-
vloed bleef nog enkele dagen aanhouden, maar hield toen lang-
zamerhand op.

Het dier genas prompt, en heeft later zijn kameraden volkomen
ingehaald.

-ocr page 244-

De klier woog 260 gram, was tuberculeus ontstoken, met
ettervorming in het centrum.

5°. Een groote 5-jarige koe snurkte vooral bij het eten, en was
eenigszins vermagerd, scheen overigens wel gezond. Tuberculose
van andere organen was klinisch niet te vinden.

De linker mandibulaire lymphklier was sterk gezwollen, en
geperforeerd; de huid was ter plaatse verdikt en gewoekerd.

Links was de parotisstreek gezwollen; vooral achter de parotis,
bij de halswervels.

De larinx promineerde sterk. Buccaalademen was niet te be-
speuren. Bij manuaal onderzoek van de keelholte was links een
uitbochting van den pharinxwand te voelen. Bij bezichtiging
blijkt de choane naar rechts verschoven.

De operatie geschiedde onder chloral- en chloroformnarcose. De fis-
telopening werd omsneden en nu werd getracht de submaxill. klier
stomp los te werken. Dit gelukte niet. De vena maxill. externa
werd aangesneden, en een heftige bloeding trad op. Na de exterpatie
van deze klier werd door dezelfde wond de linker mediale retro-
pharingeale klier weggenomen, die 560 gram, en de linker laterale
retropharingeale klier, die 280 gram woog. De submaxillaire lymph-
klier woog 570 gram. Alle deze klieren waren tuberculeus. De
submaxillaire klier was sterk met de omgeving vergroeid. Ook uit
de omgeving moesten nog tuberculeuze haardjes worden verwijderd.
Tot op en in de submaxillaire speekselklier had zich het proces
voortgezet zoodat van deze klier een stuk moest worden verwijderd.

Er trad vrij sterke stuwing op, en eerst ook weer speekselop-
stopping. Hierdoor verminderde in het begin het snurken niet,
integendeel verergerde eerst.

De eetlust was in de eerste 4 dagen totaal afwezig, waarschijnlijk
door de groote hoeveelheid chloroform.

Langzamerhand kwam echter alles terecht, behalve dat er een
woekering optrad van de speekselklierstomp waarvan de aard
niet duidelijk is geworden, en die enkele keeren is moeten worden
gecuretteerd. Na vijf weken was het dier oogenschijnlijk genezen,
en groeide in één week 15 kilo. Eenige maanden later werd het
dier afgemaakt wegens algemeene tubercolose.

6°. Een 5-jarige koe had een tuberculeuse zwelling met door-
braak naar buiten, van de linker subparotideale-klier. Het dier
snurkte, was overigens oogenschij nlij k gezond. De linker parotis-
streek was gezwollen. De bovenste keelwand naar voren uitgebocht.
Geen buccaal expireeren.

-ocr page 245-

De subparotideale klier werd geëxterpeerd. Ze werd met moeite,
gedeeltelijk stomp, gedeeltelijk met het mes weggenomen. Ook
hierbij werd de vena aangesneden en trad sterke bloeding op, die
met tampons werd gestelpd. Deze wond genas naar wensch.

Na herstel hiervan werden de retropharingeale klieren geëxter-
peerd. De linker klier bleek zeer sterk met de omgeving vergroeid,
zoodat het losmaken veel moeite en tijd kostte. Vooral was dit het
geval doordat de tumor de musculus jugulo hyoïdeus had omwoe-
kerd. Daardoor werd het noodig ook een opening te maken achter
de submaxillaire speekselklier. Hierlangs kon toen met de schaar
de spier worden doorgeknipt.

De rechter retropharingeale klier bleek nog sterker met de om-
geving verbonden.

Ten slotte kwam ook deze klier uit de wond te voorschijn. Het
bleek echter dat een lap van het pharingeaalslijmvlies was mee-
gegaan, en moest worden afgeknipt om de klier geheel naar
buiten te krijgen. Hierdoor ontstond een vrij groote wond in den
pharinx vlak boven denlarinx. De lucht stroomde door de gemaakte
uitwendige wonden. Bij het uitspoelen van de mondholte stroomde
het water grootendeels door de wond in de achterste pharinxwand
langs den mond naar buiten.

Het bleek dat de rechter klier met een putvormig lidteeken
aan den pharinx was verbonden geweest.

De eene tumor was 460 gram, de andere 370.

In verband met de te verwachten verergering der ademhalings-
en slikbezwaren werd reeds dadelijk tracheotomie gedaan. In de
eerste 4 dagen kreeg het dier slechts melk en water. Er kwam echter
niets uit de wonden; wel uit de tracheaalwond. Den 5en dag werd
weer wat hooi verstrekt, wat het dier met graagte en zonder be-
zwaren opat.

De wonden genazen spoedig naar wensch. Lang bleef er echter
in de pharinx een uitpuilend lidteeken bestaan op de plaats waar
de perforatie had plaats gehad.

Steeds bleef er gekauwd voedsel uit de tracheaultubus loopen,
zonder dat het dier zich blijkbaar verslikte, of tenminste zonder
daarbij te hoesten. Werd de tubus weggenomen, dan hoestte het
dier echter bij het eten en herkauwen wel, blijkbaar door het dieper
afloopen van voedselpartikels in de bronchiën.

Hoewel ik niet in de gelegenheid ben geweest het te controleeren,
schijnt het mij wel zeker toe, dat in dit geval de nervus laringeus
superior is verscheurd geraakt, waardoor ongevoeligheid van den
larinx optrad.

XLI 1,

-ocr page 246-

Na ± een half jaar moest de patiënt wegens algemeene tuber-
culose worden afgemaakt.

7°. Een 4 jarige koe werd ter behandeling aangeboden wegens
snurken en slikbezwaren, wat reeds een paar maanden bestond,
echter in den laatsten tijd sterk was verergerd. Door palpatie uit-
wendig en oraal was de diagnose retropharingeaal absces
gemakkelijk te stellen. Bij de operatie brak de absceswand; er
vloeide ongeveer 1 L. etter af. Een stuk van de absceswand werd
weggenomen, de holte uitgespoeld en voorloopig getampo-
neerd. Na ^ 10 dagen was de wond gesloten en het dier hersteld.

8°. Een 5-jarige koe snurkte sedert ^ 4 weken. Uitwendig
was geen zwelling waar te nemen. Bij oraal betasten bleek de
pharinxwand dicht bij de choane rechts sterk naar voren en bene-
den gedrongen. Het gezwel (absces) werd op de gewone wijze ge-
exterpeerd. De wond genas voorspoedig. Het dier is hersteld.

90. Bij een vaars waren de rechter mediale, en de rechter laterale
retropharingeale klier erg gezwollen, zoodat de patiënt zeer be-
zwaarlijk meer kon eten en heftige stenose geruischen liet hooren.

De toestand was in de laatste weken verergerd, echter waren de
verschijnselen in mindere mate reeds maanden aanwezig geweest.
Het dier was door een veearts met Jd. K. behandeld, en volgens
den eigenaar was de toestand daardoor wel iets verbeterd.

De voedingstoestand was nog goed. Het hard aanvoelen van de
klieren deed toch t.b.c. vermoeden. Tuberculinatie gaf positief
resultaat. Vermoed werd dus dat de gezwollen klieren tuberculeus
zouden zijn aangetast; en slechts aarzelend werd tot de operatie
overgegaan. Het bleek dat de mediale retropharingeale klier zeer
gemakkelijk was te verwijderen, dus niet met de omgeving was ver-
groeid en niet tuberculeus was veranderd. De laterale klier werd
toen met rust gelaten in de hoop dat deze wellicht nog zou gere-
sorbeerd worden, in het verloop van het te verwachten ontstekings-
proces.

De wondholte werd opgevuld met tampons. Blijkbaar door druk
op de vaten kreeg het dier des avonds nerveuse toevallen: het
rilde, had een stupide blik, viel omver, en de lippen vertoonden
fibrillaire contracties. Na het verwijderen van de tampons ver-
dwenen deze verschijnselen weer.

De wond genas voorspoedig. Na drie weken was ze gesloten, en
ook de laterale retropharingeale klier was verdwenen, geresorbeerd.

-ocr page 247-

Het dier hield zich enkele weken goed. Daarna is het volgens
mededeeling van den eigenaar weer gaan snurken en werd jood-
kalium meegegeven. Omtrent den afloop van het geval is mij
verder niets bekend.

io° Een vierjarige koe snurkte reeds ongeveer een half jaar;
vooral bij expiratie waren de ademhalingsbezwaren groot. De
algemeene toestand was goed. De retropharingeale klieren waren
zoowel links als rechts gezwollen. Vooral de linker promineerde
sterk zoowel uitwendig als in de pharinxholte. Het dier was
hoogdrachtig.

De eigenaar wenschte de operatie verricht te hebben, daar
anders toch het dier vóór het kalven nog zou moeten worden ver-
kocht.

Beide mediale retropharingeale lymphklieren werden verwijderd.
Ze waren doorspekt met abscessen. De wondgenezing had voor-
spoedig plaats. Het dier was na een paar weken totaal genezen en
is dat gebleven.

ii°. Een graskalf van enkele maanden oud snurkte sedert
enkele dagen, en vermagerde. Het dier at en dronk slecht. De
parotisstreek was iets gezwollen. De inspectie van de pharinxholte
door den mond gaf geen resultaat. De diagnose kon niet met
zekerheid worden gesteld; geaarzeld werd tusschen abscedeering
van de retropharingeale klieren en diphteritis van het laringeaal-
slijmvlies. Na splijten van den larinx bleek het slijmvlies normaal.
In de opening werd daarna een kleine tracheotubus geplaatst, en
de wond voor het overige gehecht.

Naast den larinx werd toen stomp naar binnen gedrongen.
Beide mediale retropharingeale klieren bleken gezwollen. De rech-
ter klier werd geheel weggenomen; de linker werd slechts geopend.
De etter stonk, bevatte geen tuberkelbacillen. Na enkele weken
was het kalf hersteld. Eenig snurken bleef nog langen tijd over.

12°. Een graskalf van ± 8 maanden oud snurkte reeds een paar
maanden; in de laatste weken was dit verergerd.

De klieren in de keelstreek promineerden sterk. Langs den mond
kon niet worden gepalpeerd. Door operatie langs den larinx werden
vijf vergroote klieren uit de keelstreek verwijderd: n.1. de twee
mediale retropharingeale klieren; de twee laterale retropharingeale
klieren en één der bovenste halsklieren. Alle vijf bevatten tuberkel-
bacillen. Na de operatie werd eerst slechts melk verstrekt.

-ocr page 248-

De eerste paar dagen verliep de wondgenezing vrij normaal,
er kwam echter zeer veel melk uit de tracheotubus, zonder hoesten
op te wekken. Later bleek de wond geïnfecteerd met bac. necro-
phorus; wat met zeer veel zorgen ten slotte werd gekeerd. Het
slikken bleef echter steeds bezwaarlijk en kon op het laatst in het
geheel niet meer geschieden. De tubus kon niet worden gemist
door de ademhalingsbezwaren. Een zesde klier in de keelstreek
(boven halsklier) werd langzamerhand dikker. In het neussecretum
werden later zeer veel tuberkelbacillen gevonden. Ten slotte werden
verschijnselen van algemeene tuberculose geconstateerd en werd
het pink afgemaakt.

Bij de sectie bleek algemeene tuberculose te bestaan. Vele kleine
kliertjes boven pharinx en larinx waren tuberculeus aangetast.
Naast de tonsillen bestond er beiderzijds een absces ter
grootte van een kindervuist, gevuld met verkaasde etter en uit-
mondende in de pharinxholte. Waarschijnlijk was dit proces pri-
mair. Alle bezwaren, die na de operatie zijn waargenomen konden
hieruit worden verklaard. Wanneer oraal had kunnen worden ge-
exploreerd was de operatie natuurlijk niet geschied.

130. Een ongeveer zesjarige koe hoestte en snurkte reeds ±
een half jaar, vooral bij het eten. De retropharingeale klieren
schenen gezwollen, en afgezakt tot vlak boven den larinx. Van
tuberculose was niets te bespeuren, zelfs was de tuberculine reactie
negatief (ophtalmo- en thermoreactie). Bij de operatie bleek
slechts één der mediale retropharingeale klieren aangetast. Ze
drukte sterk op het bovendeel van den slokdarm, en den larinx.
Ze was vrij gemakkelijk uit te pellen, en woog 1750 gram: de zwaar-
ste die ik ooit heb verwijderd. De lengte was 23 cM., de breedte 14
cM. (Fig. VIII). De wond bloedde in de diepte vrij sterk, werd daarom
met jodoformgaas getamponeerd, en daarna dicht gehecht\'. Den
volgenden dag dronk het dier niets en was tympanitisch. De keel
was sterk gezwollen. Na verwijdering der aanwezige bloedcoagula,
ging het voorloopig beter; de bloeding trad echter weer op. Daarom
werd eerst weer den tweeden dag een gedeelte van het coagulum
verwijderd, en de wond uitgespoeld. Daarna ging de wondgenezing
voorspoedig. De tracheaalwond begon echter later te ulcereeren
door de scherpe lippen van een slechten tracheotubus, weshalve
de tracheotubus weer lager moest worden ingezet. Eerst drie weken
na de operatie wrerd de tubus weggelaten. Vijf weken na de operatie
werd de koe volkomen hersteld naar huis gezonden.

-ocr page 249-

Fig. VIII. Geëxterpeerde retropharingeale lymphklier van buitengewone
grootte (23 cM lang.) oud absces.

J. J. WESTER. Abscessen en tumoren in de keelstreek bij Het tund.

-ocr page 250-

:

-ocr page 251-

14°. Een ± vijfjarige koe was ongeveer een maand geleden
gaan snurken, en had toen plotseling sterke etteruitvloeiïng uit
den neus gekregen. Daarna was het snurken wel wat overgegaan,
maar bleef toch steeds eenigszins bestaan. Bij oraal onderzoek
bleken er woekeringen op de pharingeaalwand te bestaan, die
waarschijnlijk zich ontwikkeld hadden aan den rand van de absces-
opening. In de veronderstelling dat ze van actinomycotischen
aard konden zijn, werd Jd. K. verstrekt. Het dier genas.

150. Een ± 6 jarige koe snurkte reeds eenigen tijd. Dit was
echter in dien tijd ook eenige dagen niet aanwezig geweest. Bij
manuaal onderzoek bleek de rechter retropharingeale klier gezwol-
len en de pharinxwand putvormig naar binnen getrokken en vast
met het gezwel vergroeid, blijkbaar na doorbraak ontstaan. De
operatie werd in verband met deze vergroeiing niet verricht en
Jd.K. werd verstrekt. Het dier verbeterde daardoor in sterke mate.
Van actinomycose kon naar mijn meening echter toch geen sprake
zijn.

Utrecht, Januari 1914.

Ervaringen over miltvuur bij het rund,

door

K. J. VROF.MEN.

In de tientallen van gevallen, dat ik geroepen werd in zake
miltvuur of van deze ziekte verdachte runderen was als regel de
patiënt gestorven of verkeerde in het letale stadium. Gelegenheid
om het beloop der ziekte te volgen werd mij gegeven op stallen,
waar korten tijd van tevoren een dier aan miltvuur was gestorven;
enkele gevallen kwamen in behandeling bij veehouders, die de ge-
woonte hadden bij ziekte onder het vee spoedig geneeskundige
hulp in te roepen.

De ziekte kwam voor in elk seizoen van het jaar; steeds merkte ik
op, dat het gras of hooi, dat aan de zieke of gestorven dieren ge-
voederd was geworden, afkomstig was van weilanden, die eenmaal
of meermalen gedurende het jaar onder water stonden; zij trad
zoowel op bij dieren gevoederd met eigen geteeld graan, als bij die
waarvan het voedsel gecombineerd was met geïmporteerde granen;

-ocr page 252-

de leeftijd, het geslacht en de voedingstoestand van het dier was
van geen invloed op het voorkomen van miltvuur; echter zij opge-
merkt, dat miltvuur bij dieren, jonger dan één jaar, relatief minder
en bij jonge goed gevoerde stieren van i—3 jaar oud relatief meer
voorkwam. Het betrof sporadische gevallen met 1 geval, soms 2,
een enkele keer meer gevallen op dezelfde boerderij in een streek,
waar overwegend stalvoedering gewoonte is.

De modus van infectie schrijf ik toe aan het gebruik van door
miltvuursporen geïnfecteerd voedsel, speciaal van hooi, gras, rogge-
en haverstroo.

Het drinkwater speelt bij stalvoedering geen of dan toch zeker
een zeer ondergeschikte rol als bron van infectie, anders zouden op
hetzelfde erf veel meer gevallen zich voordoen dan nu regel is.

De symptomen bij deze ziekte wijken van die eener zware indiges-
tie voor het oog van den veehouder soms niet veel af, en dat vele
spontane lichte gevallen bij het rund voorkomen en door de na-
tuurlijke verweermiddelen waarover het lichaam beschikt, in ge-
nezing overgaan, dat leeren ons die gevallen op erven, waar korten
tijd te voren miltvuur is voorgekomen en de mededeelingen der
eigenaars in sommige gevallen met doodelijk beloop, waar bij het
gestorven dier eenigen tijd geleden verschijnselen van zware indiges-
tie zich voordeden. Het dier wordt weer gezond, doch na 2 a 3 weken
opnieuw ziek en succombeert aan miltvuur.

Een nauwkeurig physisch onderzoek van den patiënt doet zulke
gevallen van die eener gewone indigestie onderscheiden; de tem-
peratuur is als algemeene regel verhoogd tot boven de 40°, doch
schommelt nog al eens, waardoor gedurende het beloop tempera-
turen beneden 40° voorkomen; veelal is de temperatuur boven
410. De hartsactie is frequent en blijft dit bij lagere temperaturen,
zoodoende een factor vormend voor de diagnose van groot gewicht.
De temperatuur varieert gewoonlijk van 40°4—4i°9; de pols is
klein, het aantal slagen van 84—120 en meer; de ademhaling is
frequent. De gewone verschijnselen zijn verder: de lust tot eten en
drinken verminderd of met het herkauwen geheel opgehouden;
de melkgift sterk gedaald of opgehouden, al of niet tympanitis,
koortsrillingen gepaard soms met locaal zweeten, al of niet koliek-
verschijnselen; zoo de ademhaling vrij frequent is, gaat hiermede
kreunen samen; knarsen op de tanden komt voor.

Het dier blijft overeind staan of ligt, de huidtemperatuur is ver-
hoogd of verlaagd, de ooren en horens zijn dan koud, dan afwisselend
koud en warm; verstopping is in mindere of meerdere mate aan-
wezig, of spoedig of later treedt diarrhee op.

-ocr page 253-

Bij zwaar aangetaste dieren en als symptoom van een spoedig
naderenden dood ziet men zwakte in het achterstel. Bloedingen
aan de natuurlijke openingen, vooral achter, kunnen voor-
komen.

Gloss-anthrax is door mij, en — mondelinge mededeeling — door
districtveearts
Goossens, die honderde gevallen van miltvuur ge-
constateerd heeft, ook niet waargenomen, (waarom hij het be-
staan van dezen ziekte-vorm bij het rund betwijfelt.)

Een geval van oedeem der huid van linker- en rechterborstwand
en van den rug met ter plaatse aanwezige zweren en een vuil,
donker bloederig exsudaat, heb ik waargenomen bij eene koe, die
volgens den eigenaar acht dagen ziek was geweest; het cadaver zag
er walging-wekkend uit.

Het beloop is verschillend; in peracute gevallen treedt de dood
als het ware plotseling of na enkele uren in, de boer vindt meer-
malen het rund \'s morgens dood op stal liggen; in vele gevallen is
het beloop letaal binnen i, 2, 3 dagen.

Bij patiënten zag ik verdwijnen der symptomen en daarna bin-
nen 4 dagen een of tweemaal recidieve gevolgd door genezing. Eene
koe lijdende aan ent-miltvuur stierf na 7 dagen, den derden dag
werd eerst hulp ingeroepen; eene andere vertoonde ruim veertien
dagen ante mortem volgens den eigenaar ziekte-verschijnselen, die
verdwenen, om na 9 dagen terug te keeren met na dagen letale af-
loop. Om met zekerheid de diagnose miltvuur te stellen, behoort te
worden aangetoond, dat er miltvuur-bacillen in het bloed van het
levende dier of in dat van het cadaver aanwezig zijn; daar nu bij het
levende dier de tijd niet kan vastgesteld worden, waarop de bacil-
len in het perifere bloed verschijnen en de bloedingen uit-
wendig, zoo aanwezig, eerst ontstaan in een zeer geavanceerd
stadium, is deze wijze van diagnostiek voor den clinicus practisch
van geen belang met het oog op de behandeling.

Hij is daarom gebonden aan de clinische symptomen, die in ver-
band met omstandigheden, die zich op of in de nabijheid van het
erf hebben voorgedaan, hem toch reden genoeg geven om eene be-
handeling tegen miltvuur in te stellen.

Boven zeide ik, dat om zekerheid te hebben, dat een dier aan
miltvuur geleden heeft, men de bacillen in het bloed moet hebben
aangetoond; eene uitzondering meen ik te mogen maken bij een
geval van ent-miltvuur, waarbij in het perifere bloed geen bacillen
aanwezig waren, en in dat van de milt — laat ik ze noemen — ver-
kümmerte bacillen; deze waren korter dan die van miltvuur,
doch ongeveer even breed; enkele vertoonden naar het eene uit-

-ocr page 254-

einde eene ongelijkmatige zwelling; de kapselkleuring bleef zonder
gevolg en het aantal bacillen was gering.

De omstandigheid, dat het dier twee dagen voor de ziekte de
2de enting tegen miltvuur had ondergaan en het geheele symptomen-
complex typisch dat van miltvuur was, het beeld der partiëele
sectie, waarbij bloedingen voorkwamen aan de uitwendige lichaams-
openingen, onder de huid, op de pens, het feit dat de milt zeer
gezwollen was, (bij insnijding eene zwartgekleurde, dun-vloeibare
massa vertoonde, zoodat de slager verdere manipulaties aan het
cadaver weigerde) geven mij voldoenden grond, om te zeggen, dat
hier een miltvuurgeval aanwezig was, waarbij door de bacterio-
lytische werking van het bloed de bacillen waren verdwenen, en
dat de bacillen, nog in de milt aanwezig, gedegenereerde exemplaren
waren; aanleiding tot het vermoeden van colibacteriën uit den
darm afkomstig was volgens mij niet aanwezig. De patiënte kwam
eerst den derden dag in behandeling en haar werd subcutaan inge-
spoten
200 gram serum, den volgenden dag ioo gram, daarna
werd ze twee dagen behandeld met terpentijn en den laatsten dag
met creoline; alles zonder succes.

De pols bleef steeds boven ioo en de temperatuur boven 40°4;
den
2 Nov. 1913, 2 jaar en 5 dagen later, is op hetzelfde erf een 15
maanden oude vaars aan miltvuur gestorven.

Ter kleuring van de bacil maak ik gebruik van eene 2 ^q waterige
oplossing van gentiana-violet; de kleuring geschiedt 1 minuut lang
zonder te verwarmen. De kapsel-kleuring geschiedt volgens
Olt
niet 3% waterige saffranine-oplossing. Men ziet dan mooi recht-
hoekig afgesneden donkergekleurde roodbruine staafjes met licht-
geel gekleurde breede kapsel; de staafjes liggen voor het over-
wegend deel in kettingvorm — van 2—
7 stuks heb ik geteld. —

Een zeer eenvoudige methode tot het aantoonen van miltvuur-
bacillen in bloed bestaat sinds jaren in het district Limburg: een met
eene dunne laag bloed bestreken voorwerpglas wordt boven de
vlam van een lamp of op het deksel van een kachel verwarmd tot de
bloedcellen goed verschroeid zijn; men onderzoekt met droogsysteem
zonder dekglas; bij daglicht ziet men de bacil donkergekleurd met
een duidelijk lichtgrijze kapsel. (Differentiatie van de rand en de
centrale zóne der miltvuurbacil treedt dus op bij matige verwar-
ming!)

De prognose is verschillend; zoo vroegtijdig hulp verleend wordt,
is evenwel het vooruitzicht op genezing vrij gunstig.

Ontegenzeggelijk komt de ziekte in lichten graad vaak voor met
gunstigen afloop.

-ocr page 255-

Diarrhee is een zeer ongunstig en de bloedingen aan de uit-
wendige openingen een letaal verschijnsel.

Dc differentiaal diagnose. Bij het leven van het dier komen in ons
land niet veel ziekten voor die bij nauwkeurig physisch onderzoek
gevoegd bij de anamnese, met miltvuur kunnen verwisseld worden;
ik sluit uit long-oedeem, longbloeding, hersencongestie\', koliek,
invaginatie of strangulatie van den darm, septicaemische metritis,
maligne oedeem, Rauschbrand. Aan het ongeopend cadaver is bij
geen of onvolledig voorbericht moeielijk een oordeel uit te spreken
in gevallen als hierboven geciteerd, als ook bij planten- en kunst-
mestvergiftiging, of bij verdrinken en strangulatie. Dat een cadaver
langer dan anderhalve dag ligt, zal eene zeldzaamheid zijn of be-
hooren te blijven in ons land, en dan wijst het onderzoek van het
periphere bloed gemakkelijk aan, of men al of niet met miltvuur
te doen heeft.

Dc therapie. Een streng dieet is aangewezen; geen voedsel en
slechts enkele keeren daags ongeveer 3 liter lauw-water verstrekken
met afzondering op een rustige, koele plaats van het erf en warm
toedekken leidt tot gunstig gevolg.

Als geneesmiddel gebruik ik voor volwassen dieren 150 gram
terpentijn-olie in salebdrank met oleum raparum in te geven; treedt
binnen 6 uur geen aanmerkelijke beterschap in, dan de dosis her-
halen, 150 gram creoline in 3% oplossing werkt ook goed, desnoods
twee keer per dag te herhalen.

Op een stal, waar veertien dagen te voren eene koe aan miltvuur
lijdende was afgeslacht vertoonden de overige 4, symptomen van
miltvuur; het dieet werd slecht opgevolgd; drie patiënten ge-
nazen.

De andere oud 10 jaar, die het laatst ziek werd, had twee dagen
te voren gekalfd; de begin-koortstemperatuur was 41 °4 en van het
begin af was diarrhee aanwezig; gedurende de behandeling bleef
de temperatuur boven 40°, de pols boven 100 en de diarrhee aan-
houden; overdag toonde het dier wel wat beterschap, doch 2\\ dag
na mijn eerste visite was de rectaal-temperatuur 37 de pols 120,
groote zwakte in het achterstel met bloed aan de vulva, waarin
miltvuurbacillen; 7 uur later volgde de dood.

Onmiddellijk na toediening van de creoline-oplossing trad merk-
bare beterschap op; de rillingen hielden op, de ademhaling werd
minder frequent, de tympanitis nam af, de blik werd levendig en
bij een dier trad zweeten op (alle dieren hoestten na het ingeven)

Snelle daling van de temperatuur werd opgemerkt, o.a. binnen
het uur van 41.—39-°5 en binnen een kwartier van 41.°4—40.°4

-ocr page 256-

De dieren vertoonen na creoline-behandeling spoedig grooten
eetlust.

Gedurende de behandeling kan recidieve voorkomen. Het kan zijn
nut hebben den eigenaar een thermometer mee te geven.

De dosis van terpentijn en van creoline kan voor de eerste gift
zelfs grooter genomen worden. Enkele gevallen behandelde ik met
miltvuurserum hiermee had ik geen succes; om het snel beloop der
ziekte en omdat men persoonlijk niet altijd ter plaatse kan zijn,
vooral bij recidieve, prefereer ik de terpentijn, en deze boven de
creoline, die een onaangename reuk aan de melk geeft. Na terpentijn
toediening heb ik in den stal een onaangename, penetrante reuk
waargenomen als afkomstig van urine, die geruimen tijd in een vat
in de lucht heeft gestaan.

Als preventief middel geldt in de allereerste plaats de enting met
het vaccin-charbonneux van Pasteur uit Parijs. De entingen bleken
mij efficace en zonder onaangename gevolgen voor het dier te zijn.

Het oordeel der veeartsen in Limburg is eensluidend gunstig;
de districtveearts
Goossens en zijn voorganger Janné vonden de
entstof Pasteur onovertroffen.
Janné was zoo overtuigd van het
succes, dat hij zonder bijzondere prijsverhooging financieel borg
bleef voor de entingen.

De veterinaire politie dient er voor te waken, dat cadavers bij
miltvuur-vermoeden, volstrekt niet geopend worden; het ge-
vaar voor verspreiding van de smetstof is daardoor te groot. Bloed
van een stuk oor, dat aan de basis afgebonden is om ongewenschte
nabloedingen te voorkomen, is het aangewezen materiaal voor on-
derzoek.

Bo ekaankondigingen.

Heinrich Jakob. Diagnose und therapie der inneren Krankheiten des Hundes
einschliesslich der Haut-, Atigen- und Ohrenkrankheiten, sowie einiger chirurgischer
Leiden.
Verlag von Ferdinand Enke 1913. Prijs ± 13 gld.

Bovenbedoeld boek werd door collega Jakob dezer dagen in het licht gegeven.
De redactie zond het mij ter beoordeeling. Ik doe dit gaarne, omdat ik daardoor
nog eens weer gedwongen werd mijn aanteekeningen, die ik gedurende de 41/2 jaar,
dat ik ook de hondenkliniek aan de Veeartsenijschool had te leiden heb verzameld,
in te zien, en ook omdat er inderdaad van dit boek veel goeds valt te zeggen.

Het werk is opvallend mooi uitgevoerd; zooveel en zoo fraaie photo\'s zal men

-ocr page 257-

zeker zelden in een boek verzameld zien; de heer Jakob blijkt een uitnemend
photograaf van dieren te zijn.

De inhoud doet den ervaren man kennen, die veel op dit terrein gezien en goed
gerien heeft.

De inhoud is verdeeld in een algemeen en een speciaal deel. In het eerste wordt
gesproken over een algemeen onderzoekingsplan, en enkele onderzoekingsmethoden
in het algemeen. In het specieele deel worden de verschillende orgaanziekten be-
sproken, waaraan telkens de betreffende onderzoekingsmethoden voorafgaan.

Sommige hoofdstukken zijn zeer goed geschreven, b.v. dat over oogaandoeningen,
over long- en hartziekten. Minder geslaagd vind ik b.v. het hoofdstuk over huid-
aandoeningen.

Collega Jakob heeft gewenscht, zooals in het „Vorwort" staat, zoowel voor den
student als voor den praktikus een bruikbaar werk te scheppen. Hij is daar inder-
daad wel in geslaagd. Echter brengt deze combinatie hare eigenaardige bezwaren
mede, die ook op dit werk hun stempel hebben gedrukt.
B.v. de uitwijding over de
anamnese zal voor den student misschien nuttig kunnen zijn, de practicus zal het
haastig overslaan. Dit is ook toepasselijk op het hoofdstukje over thermometrie.
Over \'t geheel zou vooral voor den practicus de tekst meer compact kunnen zijn,
en meer overzichtelijk wellicht. Dit zou het boek minder dik en ook minder duur
hebben gemaakt; ook enkele photo\'s zouden als overbodig kunnen vervallen.

Ten slotte meen ik de opmerking te mogen maken, dat de soms zeer lange
zinnen het lezen van het boek hier en daar bemoeilijken.

J. Wester.

Veterinärrat A. Tapken. Die Praxis des Tierarztes .Em Leitfaden nach den Er-
fahrungen aus
35 fahriger Praxis. Mit 16 Abbildungen. Verlag von Richard Schoetz,
Prijs, brosch. 10.50 Mark.

Tapken heeft zijn mémoires geschreven. Als zoodanig kan bovenbedoeld werkje
worden opgevat, omdat niet alleen over ziekten van dieren, en over verloskunde
wordt gesproken, maar ook over den levensloop van den schrijver, over toestanden
in de Veeartsenijkunde uit zijn jeugd; over landbouwtoestanden enz. De inhoud is
verdeeld als volgt: Tierärtzliche Praxis in Vergangenheit und Gegenwart, 119 blz.;
Landwirtschaftliche Verhältnisse, 53 blz. Fleischbeschau, 14 blz. Krankheiten
des Rindes, 100 blz. Krankheiten des Pferdes, 19 blz. Krankheiten der Schafe,
2 blz. Krankheiten der Ziegen, 1 blz. Krankheiten der Schweine, 8 blz. Ueber
Castration, 10 blz. Erfahrungen über Geburtshilfe beim Rind, 90 blz. Geburtshilfe
bei der Ziege und dem Schaf. 10 blz. Krankheiten nach der Geburt, 3 blz. Geburts
hilfe beim Pferd, 22 blz. Geburtshilfe beim Schwein, 34 blz.

Een inhoud dus voor den practicus om haastig naast te grijpen. Bij doorlezen
valt echter de inhoud niet overal mee. Waar
Tapken schrijft over landbouw-
toestanden beschrijft hij Hollandsche toestanden: de verhoudingen zijn vrijwel
gelijk, vooral als men gaat vergelijken met Groningen valt dit op.
Tapken klaagt
hier over het terugdringen van de veeartsen bij keuringen. Dit verschijnsel is
internationaal, en niet meer te keeren naar mijn meening. Hij maakt eigenaardige
opmerkingen over de nieuw gebouwde stallen, die lang zoo goed niet zijn geven-
tileerd als de oude zegt hij, vooral door de ondoordringbare zoldering. Hij schrijft

-ocr page 258-

daaraan toe het verschijnen en toenemen van de septische pleuro-pneumonie bij
kalveren, en zegt dat ook „Brustseuche" en droes daardoor meer voorkomen
dan vroeger.

Interressant is wel, wat hij meedeelt over de vleeschkeur. De veeartsen hadden
zich, zegt hij, gespitst op den invoer der vleeschkenrwet (zooals ook hier). Volgens
zijn gevoelen is dat echter bitter tegengevallen. Ook leekenkeurmeesters werden
in de zaak betrokken, (zooals ook hier de bedoeling is) en daardoor waren de
tarieven laag. Als de veearts serieus is, en inderdaad zijn plicht doet, krijgt hij het
te kwaad met de slachters en wordt hij zwart gemaakt bij het gemeentebestuur.
De bond van Schlachthofarzte wenscht daarom dat de „Diziplinargewalt" aan de
regeering kome, m.a.w. dat ze staatsambtenaren zouden worden.

Ook de keuring bij noodslachting is niet de prettigste arbeid voor den veearts
zegt
Tapken. Ze is moeilijk, verantwoordelijk, en wordt slecht betaald.

Men had volgens Tapken in Duitschland wel gezegd dat door deze vleeschkeur
de stand der veeartsen zou worden verhoogd. Hij is het daar volstrekt niet
mee eens, tenminste wat het platteland betreft, omdat ook de „Fleischbeschauer"
het werk mogen verrichten.

De ondergeteekende vreest dat ook hier de practiseerende veeartsen niet veel
plezier van de vleeschkeurwet zullen beleven.

Dit gedeelte kan dus ook de meer ervaren veearts wel met belangstelling lezen.
Waar
Tapken spreekt over ziekten van de dieren valt het echter bitter tegen. Het
is niet veel meer dan een opsomming van het aantal geconstateerde gevallen, en
verder wat casuïstiek; over aetiologie en therapie weinig of niets, en dan ook nog
niet veel goeds.

Beter is daarentegen weer het gedeelte wat over verloskunde handelt. Dit kan
worden opgevat als een aanvulling van het boek van
de Bruin (Tapken) door de
mededeeling van veel casuistiek. Toch wordt voor zooverre het de verloskunde
bij het rund betreft weinig nieuws gegeven. Ook schudt men hier en daar
wel eens met het hoofd, b.v. als de schrijver heel kalmpjes meedeelt, dat hij na het
losmaken van een voorbeen, het er met 6 tot 8 man uit laat trekken. Dat begrijpt
de Nederlandsche practicus eenvoudig niet. Hij, die zich dit b.v. in Noord-Holland
veroorlooft is voor zijn leven zijn reputatie kwijt.

Wat Tapken schrijft over de verloskunde bij de andere dieren is over \'t geheel
het lezen wel waard. Vooral is dit het geval voorzoover het de verloskunde van
het varken betreft, waaromtrent hij blijkbaar veel ervaring heeft. Prolapsus uteri
bij het varken acht
Tapken niet te reponeeren. Hij laat de dieren slachten. Dit is
echter niet steeds aangewezen naar mijn meening. Interressant is wellicht te weten,
dat een gerenommeerd collega de uterus bij varkens terugbrengt met behulp van
een gewicht aan een draad, hetwelk hij na \'t varken achter te hebben doen oplichten
in den omgestulpten hoorn laat zakken.

J. Wester.

-ocr page 259-

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Naar aanleiding van het protest van het Hoofdbestuur gericht
tot de Vergadering van het Nederlandsch Instituut van Land-
bouwkundigen, gehouden op 14 Januari 1914 te Amsterdam,
(zie aflevering 3 van het tijdschrift pag. 183) is bij het Hoofdbestuur
het volgend schrijven ingekomen:

\'s Gravenhage, 15 Januari 1914.

Aan het Hoofdbestuur der Maatschappij ter be-
vordering der Veeartsenijkunde in Nederland,
p. a. den Heer K. Houba, veearts, Maastricht.

Uw schrijven, gericht aan de Vergadering van het Nederlandsch
Instituut van Landbouwkundigen, te houden op Woensdag 14
Jan. 1914 in het hotel Krasnapolsky te Amsterdam en geadres-
seerd aan ondergeteekende, kwam in goede orde in mijn bezit.

Ik betuig U mijn leedwezen dat aan Uwe Maatschappij niet een
circulaire is toegezonden en ik doe dit gaarne omdat ik uit Uw
schrijven meen te mogen opmaken, dat het door U op prijs zou zijn
gesteld als Uwe Maatschappij zich op deze vergadering had kunnen
doen vertegenwoordigen.

Aannemende, dat mijne meening juist is, wordt het door mij
betreurd, dat door U niet met een enkel regeltje aan ons werd
medegedeeld, dat wij in verzuim waren, omdat wij dan ons verzuim
gaarne hadden hersteld en omdat dan de zaak, die toch zeker ook
bij U het zwaarst weegt, beter gediend zou zijn dan door een pro-
test.

U nogmaals onze excuses aanbiedende heb ik de eer te zijn,

De voorzitter van het Nederlandsch Instituut
van landbouwkundigen.

W. g. POSTHUMA.

Hierop is door het Hoofdbestuur het volgende antwoord ge-
zonden:

Utrecht, 19 Januari 1914.

Aan den Heer Voorzitter van het Ned. Instituut
van landbouwkundigen, den Heer F. E. Posthuma,
Obrechtstraat
310, \'s Gravenhage.

Het Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der Veeartse-
nijkunde in Nederland heeft de eer U te berichten, dat het met groote
voldoening van Uw schrijven van den I5en dezer heeft kennis

-ocr page 260-

genomen. Het betreurt dat de aankondiging der vergadering
van het Ned. Instituut van landbouwkundigen, gehouden te Am-
sterdam op 14 Januari 1914, te laat onder zijn aandacht is versche-
nen waardoor het niet in de gelegenheid is geweest om het gerezen
misverstand te voorkomen.

Het Hoofdbestuur:
w. g.
P. K. M. Houba, voorzitter,

Dr. H. A. Vermeulen, ic secretaris.

Heeren afdeelingssecretarissen, welke nog in gebreke zijn ge-
bleven, worden nogmaals verzocht de ledenlijsten voor het jaar
1914 bij den ondergeteekende in te zenden.

Met klem wordt aangedrongen op getrouwe naleving van het
bepaalde in art. 9 van het huishoudelijk reglement. Ten einde een
correcte verzending van het tijdschrift mogelijk te maken moet
de ondergeteekende in staat worden gesteld den uitgever van het
tijdschrift,
zoo spoedig mogelijk, in kennis te stellen van eventueele
mutaties.

Het is ondergeteekende nu reeds herhaaldelijk voorgekomen,
dat de uitgever hem inlichtingen vroeg betreffende het verzenden
van het Tijdschrift naar leden die niet meer op de ledenlijst voor-
kwamen, omdat zij waren overgegaan naar een andere afdeeling
en de respectieve afdeelingssecretarissen verzuimd hadden van de
niutatiën mededeeling te doen.

Eveneens houdt ondergeteekende zich dringend aanbevolen
voor het tijdig ontvangen van de jaarverslagen der afdeelingen.

de isle Secretaris van het Hoofdbestuur,
Dr. H. A. Vermeulen.

Nieuwe Gracht 165, Utrecht.

Algemeene afdeeling: Aangenomen als lid de heeren: dr. Th.
J. van Capelle te Ede; W. Voorthuyzen te Haarlem; D. W.
Zuydam te Haarlemmermeer.

-ocr page 261-

Ministerie van Koloniën.

Veeartsen voor Indië.

Voor den burgerlijken veeartsemjkundigen dienst in Nederlandsch-
Indië worden veeartsen gevraagt, niet ouder dan 30 jaar en bij
voorkeur met practische ervaring. De bezoldiging bedraagt / 275.—
\'s maands met zes driejaarlijksche verhoogingen elk van
f j5.—
\'s maands. De tijd van practische werkzaamheid telt voor de helft
mede bij de vaststelling der aanvangsbezoldiging en eventueel
bij de toekenning van de traktementsverhoogingen in Indië.

Voor nadere bijzonderheden wende men zich tot de afdeeling
,.Personeel" van het Departement van Koloniën.

Permanente commissie voor de Internationale Veeartsenij
kundige Congressen.

Ingevolge de besluiten van de op 25 October 1912 te Lyon
gehouden vergadering werd het secretariaat van af den isten
Januari 1914 definitief in
Den Haag gevestigd, onder bescherming
van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel.

Het adres is als volgt :

Secretariaat van de Permanente Commissie voor de Internationale
Veeartsenij kundige Congressen te \'s-Gravenhage, Stationsiveg
74.
(Int. Tel. 848).

Brieven en andere stukken voor de Commissie zijn, voor zoo-
ver zij niet onmiddellijk gericht worden aan den Voorzitter der
Commissie, Geheimer Oberregierungsrat Dr. A.
Lydtin te Baden-
Baden
of aan den Secretaris, Prof. Dr. D. A. De Jong te Leiden,
te adresseeren aan het Secretariaat bovengenoemd.

De Secretaris der Commissie,

D. A. De Jong.

Bij Koninklijk besluit werden benoemd:

tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau Dr. A. Lydtin,
Geheimer Oberregierungsrat te Baden-Baden, Voorzitter en lid
\\ oor
Duitschland, en

tot officier in dezelfde orde, Professor G. Barrieb, Inspect ur
général des Ecoles vétérinaires, te Alfort, lid voor
Frankrijk
van de bovenstaande commissie.

-ocr page 262-

Voorloopig programma van het lOde Internationaal Veeartsenijkundig Congres
te Londen, 3-8 Augustus 1914, opgemaakt door het Britsche Organisatie-Comitee.

The Tenth International Veterinary Congress will be held in London from the
3rd: to the 8th: August, 1914.

This is the Jubilee Congress, and it is being held in London by the express desire
of the veterinarians of the world in honour of a distinguished English veterinarian
— John Gamgee —- at whose suggestion international veterinary congresses were
first instituted.

Although it is not customary for British Governments to finance international
congresses of any description, the British Government is taking a great interest in
the coming Congress, and invitations in the following form have been issued by
the British Foreign Office to the various countries inviting them to send official
delegates.

Foriign Office,

September 1913.

His Majesty\'s Representatives
Abroad.

Sir,

I transmit to you herewith copies of the programme of the Tenth International
Veterinary Congress which it is proposed to hold in London from August 3rd: to
8th: next year, with the request that you will communicate it to the Government
to which you are accredited inviting them at the same time to send delegates
thereto.

The history of these Congresses is as follows:

Forty nine years ago at the suggestion of a distinguished British Veterinarian,
John Gamgee, the first International Veterinary Congress was held. Gamgee\'s
suggestion was put forward on account of cattle plague which had travelled from
Russia practically all over Europe devastating the herds, and he recognised that
the control of animal plagues could not depend entirely upon each country itself,
but must be the common care of all. The wisdom of
Gamgee\'s suggestion was
immediately recognised by all the European countries. These Congresses interalia
discuss all international questions in relation to animal plagues.

Arrangements could not unfortunately be made to hold the first or any of the
other Congresses in Great Britain, but they have been by arrangement held every
five years in various capitals of Europe. The Governments of the various countries
concerned have always issued invitations to other Governments to send delegates.

The 9th: Congress was held at the Hague in 1909 and on that occasion the
•Governments of Argentina, Austria (including Bohemia, Croatia and Slavonia),
Bavaria, Belgium, Bulgaria, Colombia, Cuba, Denmark, Germany, (including
Saxe Weimar), France (including Algeria and Tunis), Greece, Guatemala, Hungary,
Italy, Japan, Luxemburg, Mexico, Norway, Netherlands, Roumania, Russia.

-ocr page 263-

Saxony, Servia, Sweden, Switzerland, United States of America, Uruguay
and Wurtemburg were representend, as well as Great Britain and certain of the
British oversea Dominions.

Although the Congress is not promoted by His Majesty\'s Government they take
a great interest in the objects for which it is being summoned and would learn with
pleasure that the invitation had been accepted. They would also view with
satisfaction the separate representation at the Congress of such Educational,
Scientific, or other bodies in foreign countries as are interested in promoting the
veterinary and kindred sciences.

The Britisch Committee of Organisation extend a hearty invitation to their
foreign colleagues in every country, and they desire to inform visitors to the Con-
gress from abroad that it will be more convenient if they try to arrive in London on
Saturday, the ist: August. It is the intention of the British Committee to hold a
preliminary reception on the evening of Sunday, the 2nd: August, to enable member
to meet each other, to discuss the arrangements for the official opening of the Con-
gress, and to obtain any further information regarding the arrangements they
may desire.

The official opening will take place on Monday, the 3rd: August, 1914, when
the Committee hope to secure the patronage of an exalted personage to open the
Congress, but arrangements with regard to this matter have not yet been completed.

Place of meeting.

The meetings of the Congress will be held at Central Buildings, Westminster,
London, which offer exceptional facilities for the purpose.

The place of meeting is close to the Houses of Parliament, and the position is
exceptionally convenient in relation to hotels, restaurants, and amusements.

Entertainments.

The Foreign Office has consented to give an entertainment in honour of the
Congress. The arrangements for the other banquets and receptions which will be
given in honour of the Congress have not yet been completed, but full particulars
will be circulated to the National Committees for publication at as early a date as
possible.

The British Committee are also organising excursions of the following descrip-
tion:

1 . Visits to noted herds and studs within easy reach of London. They have
already been informed that permission will be granted to visit the Royal
herds at Windsor.

2 . Visits to the Quarantine and Research Stations of the Board of Agriculture.

3 . Excursions after the congress to places of historical interest and places noted
for beautiful scenery.

In designing the itineraries due regard will be paid to the wishes of those who
may desire to combine pleasure with instruction by visiting districts in which
there are noted studs, herds, and flocks.

XLI r.

-ocr page 264-

Travelling.

The Committee are trying to arrange with various raillway and steamship com-
panies in Great Britain and abroad to allow special concessions to those attending
the Congress, and they have thought it advisable to seek the advice of Messrs: Thos.
Cook and Son, who have undertaken to give every assistance and to provide inter-
preters at the various railway Stations on
Saturday the ist: August for the con-
venience of those arriving from abroad who are not wrell acquainted with London.

Those arrangements will form the subject of a further publication when they are
completed.

Hotel Accomodation.

There is an enormous number of good hotels and restaurants within a stone\'s
throw, as it were, of the meeting place. Hotels and restaurants in London are
excellent, and the tariffs are very moderate. The tariff in good hotels varies from
5/— upwards for a single room, bath, and English breakfast. Visitors who do not
desire to take pension will have no difficulty in obtaining rooms in first class hotels
at prices from 5/—.

It is not possible in this article to furnish a complete list of good hotels which are
situated conveniently for the place of meeting. A full list, however, together with
their tariffs and approximate distance from the place of meeting -will form the sub-
ject of another publication when the arrangements with the various proprietors
have been completed.

Subscription of Membership.

The British Committee have fixed the amount of the subscription for ordinary
members at one pound =
20 marks = 25 francs. The subscription for lady mem-
bers has been fixed at five shillings = 5 marks = 6 francs 25 centimes.

Subscriptions should be sent to the Honorary Treasurer Mr: F. W. Garnett,
J. P.., M. R. C. V. S., 10 Red Lion Square, London, W.C. It has been suggested by-
several of the National Committees that the various Secretaries of these Committees
might collect subscriptions in their own countries and forward them in bulk. The
Honorary Treasurer desires it to be known that while he thinks it would be simpler
for the purpose of accounting, that each individual should send his own subscription,
he has no objection to the subscriptions being sent in bidk, provided full details in
connection with each subscription are furnished by the Secretary of each National
Committee.

Subjects for Discussion and Reporters.

The following is a list of the subjects which will be discussed together with the
names of those savants who will act as Reporters:

-ocr page 265-

GENERAL MEETINGS,
i.

Official Opening.
2.

Foot and mouth disease.

Reporters (Those marked* have not yet replied).
Herr Geheimer Regierungsrat Dr.
Nevermann, Berlin.

M. E. Leclainche, Inspecteur Général, Chef des Services Sanitaires, au Ministère
de l\'Agriculture, Paris.

Dr. Möhler, United States Department of Agriculture.

M. le Docteur Remmelts, Chief Inspector of the Veterinary Service, The Hague,
Herr Prof. E.
Hess, in der Fakultät der Veterinärmedizin, Universität, Bern.
Prof. A. E.
Mottam, Principal, Royal Veterinary College of Ireland.
Herr Dr.
J. Rddovsky, Veterinärreferent, Bruun.

3-

Tuberculosis.

Herr Prof. Dr. Eber, Direktor des Veterinär Instituts, Leipzig.

M. le Prof. Vallée, Directeur de l\'école Vétérinaire, Alfort.

Prof. Sir John Mc Fadyean, Principal, Royal Veterinary College, London.

M. G. Regner, Veterinary Department, Ministry of Agriculture, Stockholm.

M. le Prof. de Jong, University, Leiden.

4-

Epizootic abortion.

Herr Regierungsrat Prof. Dr. Zwick, Kaiserliches Gesundheitsamt, Berlin.
M. le Prof. Moussu, L\'école Vétérinaire, Aifort.

Herr Sanitätstierarzt Sven Wall, Öffentlicher Schlachthof, Stockholm.

Sir Stewart Stockman, Chief Veterinär)\' Officer, Board of Agriculture, London.

5-

Public control of the distribution and sale of milk in the interests

of public Health.

Dr. A. D. Melvin, Chief of the Bureau of Animal Industry, Washington.
Herr Geheimer Regierungsrat Prof. Dr.
von Ostertag, Direktor der Veterinärab-
teilung des Kaiserlichen Gesundheitsamtes, Berlin.
M. S. P. Nystedt, Erste stadtierarzt, Stockholm.

Mr. J. W. Brittlebank, D. V. S. M., M. R. C. V. S., Public Health Department,
Manchester.

-ocr page 266-

6.

Closing Meeting.

Sectiom. (VeterinaryScience in Relation toPublicHealth)

1. Meat Poisoning — Its Pathogenesis and the Measures necessary to guard against.

it.

Herr Prof. Bongert, Tierärztliche Hochschule, Berlin.
Schlachthofdirektor Dr.
Hans Messner, Karlsbad.

*Dr. Guillaume, Directeur de l\'abattoir de la Ville de Nice.

2. General Principles to be observed in the Inspection of Carcases and Organs of
Tuberculous Animals with a view to Determine their safety as Articles of Human
Food.

M. le Dr. Stubbe, Inspecteur Vétérinaire Général au Ministère de l\'intérieure,
Brussels.

M. Cesari, Vétérinaire Sanitaire de la Seine, Paris.
Herr Obertierarzt Dr.
Nieberle, Hamburg.
*Herr Sanitätsveterinär Hy.
Hansson, Stockholm.

3. Disinfection of Wagons.

M. le Prof. Dr. R. Bidart, à la Faculté de Médecine Vétérinaire, Université,
Buenos Aires.

Herr Regierungsrat Dr. Titze, Kaiserliches Gesundheitsamt, Berlin.
M.
Rabieaux, Inspecteur Général des Services Sanitaires aux Ministère de
l\'Agriculture, Paris.

*Prof. Meloni, Naples.

Section II. Pathology and Bacteriology.

1. Johne\'s Disease.

M. le Dr. Olaf Bang, Copenhagen.

Herr Prof. Dr. Miessner, Tierärztliche Hochschule, Hannover.

Mr. A. L. Sheather, B. S.C., M. R. C. V. S., Roval Veterinary College, London.

2. Bovine Piroplasmoses (European).

Herr Prof. D. Knuth, Abteilungsvorsteher im Hygienischen Institut, Tier-
ärztliche Hochschule, Berlin.

M. le Prof. S. von Ratz, L\'école Vétérinaire Supérieure, Budapest.

Mr. W. G. Wragg, M. R. C. V. S., Laboratory of the Board of Agriculture, London

3. Ultra-visible Viruses.

Dr. K. F. Meyer, University of California, U. S. A.
M. le Prof. Panisset, L\'école Vétérinaire, Lyon.

*Herr Dozent Dr. Pfeiler, Leiter der Abteilung für Tierhygiene am Kaiser
Wilhelm Institut, Bromberg.

-ocr page 267-

4. Distemper — Etiology and Vaccination.

Herr Prof. Dr. S. Sigismund Markowski, Tierärztliche Hochschule, Lemberg.
M.
Carré, Chef de Laboratoire au laboratoire de Recherches du Ministère de
l\'Agriculture, l\'école Vétérinaire, Alfort.

Section III. Epizootiology.

1. Anthrax.

Dr. W. H. Dalrymple, Louisiana State University, U. S. A.
Herr Dr. Aladar Lukacs, Laboratorium für Schutzimpfstoffe, Budapest.
Herr Rektor und Prof. Dr. J.
Szpilman, Tierärztliche Hochschule, Lemberg.
Major
Holmes, Imperial Bacteriologist, Muktesar, India.

2. Swine Fever.

Dr. Marion Dorset, U. S. A. Department of Agriculture, Washington.

Herr Hofrat Rektor und Prof. Dr. Hutyra, Tierärztliche Hochschule, Budapest.

*Herr Bezirkstierarzt Dr. R. Frauenberger, Friestadt, Austria.

*Herr Dr. GLässER, Repetitor an der Tierärztlichen Hochschule, Hannover.

3. Glanders.

M. H. de Roo, Inspecteur Vétérinaire Principal au Ministère de L\'Agriculture,
Brussels.

M. Drouin, Vétérinaire Directeur de la Cavalerie de la Cie. Générale des Voitures
de Paris.

Herr Prof. Dr. J. Schnürer, Tierärztliche Hochschule, Vienna.
Mr.
J. R. Jackson, M. R. C. V. S., Board of Agriculture, London.
Herr Prof. Dr.
Peter, Landestierarzt, Hannover.

4. Sarcoptic Mange of the Horse.

M. le Vétérinaire Principal A. Barrier, Paris,
Col.
Butler, War Office, London.

Herr Landesveterinärreferent Theophil Halski, Czernowitz, Austria.

Section IV. Veterinary Medicine and Surgery.

1. Anaesthesia.

M. le Prof. Hendricks, l\'école Vétérinaire, Brussels.
Dr. L. A.
Merillat, Chicago, U. S. A.

Herr Prof. Vennerholm, Tierärztliche Hochschule, Stockholm.
Prof. G. H.
Wooldridge, Royal Veterinary College, London.

2. Laminitis.

M. le Prof." Liénaux, l\'école Vétérinaire, Brussels.

M. le Vétérinaire Principal Joly, du ç)ième corps l\'armée, Tours.

Prof. James Macqueen, Royal Veterinary College, London.

3. Surgical Treatment of Roaring.

Herr Prof. Dr. Eberlein, Tierärztliche Hochschule, Berlin.

-ocr page 268-

Dr. W. L. Williams, Cornell University, U. S. A.

M. le Prof. Dr. Fontaine, l\'école de Cavalerie, Saumur.

Mr. F. T. G. Hobday, F. R. S. E., F. R. C. V. S., London.

4. The Use of Drugs in the Treatment of Disease caused by Nematode Worms.

M. le Prof, van den Eckhout, l\'école Vétérinaire, Brussels.

M. le Prof. Railliet, l\'école Vétérinaire, Alfort.

Prof. J. F. Craig, M. A., M. R. C. V. S., Royal Veterinary College of Ireland,
Dublin.

M. le Prof: Perroncito, R. Università di Torino, Institute di Parassitologia,
Turin.

Section V. Tropical Diseases.

i. Diseases Transmitted by Ticks; their Classification, Treatment, and Prevention.

*Dr. D. E. Salmon, Washington, U. S. A.

M. le Prof. J. Lignières, Faculté de Médecine Vétérinaire de l\'Université,
Directeur de 1\' institut National de Bactériologie, Ministère de l\'Agriculture, Buenos
Aires.

Sir A. Theiler, K. C. M. G.,Director of Veterinary Research, Transvaal.

Mr. C. E. Grey, M. R. D. V. S., Principal Veterinary Surgeon, Transvaal.

*Dr. Paulo Parreiras Horta, Directoria du Service de Veterinaria, Rio de
Janeiro.

4. Diseases transmitted by Winged Insects; their Classification, Treatment and
Prevention.

M. Cazalbou, Vétérinaire en 1ère au 7oième d\'artillerie, Rennes.

Mr. R. E. Montgomery, M. R. C. V. S., Veterinary Bacteriologist, Department
of Agriculture, Nairobi, British East Africa.

*Dr. L. O. Howard, Bureau of Entomology, Department of Agriculture,
Washington. U. S. A.

*Dr. Pinto Guedes, Rio de Janeiro.

*Dr. Christino Cruz Filho, Rio de Janeiro.

Prof. A. Lanfranchi, Directeur Institut de Pathologie Vétérinaire, Parma,
Italie.

Vereeniging van Rijkskeurmeesters in algemeenen dienst,

Rapport der Commissie uit de Vereeniging van Rijkskeurmeesters i.a.d., belast met
een onderzoek naar de doorvoerbaarheid van de keuring van huisslachtingen in

Nederland.

De taak, ons opgedragen, een onderzoek in te stellen naar de al- of niet-door-
voerbaarheid der keuring van huisslachtingen, bleek, hetgeen vooraf reeds ver-

-ocr page 269-

moed werd, geen gemakkelijke te zijn. Desondanks meenen wij te mogen consta-
teeren, dat de poging toch heeft geleid tot eenig meerder inzicht in dit zoo belangrijk
vraagstuk.

Wij hebben deze kwestie toch opgevat als een vraagstuk, hetgeen de door ons
verspreide circulaire ten duidelijkste uitspreekt.

Wij meenden in dezen oproep niet verder te moeten ingaan op hetgeen het onder-
zoek nog meer zou kunnen opleveren, dit verslag moge de resultaten vermelden.

Hoewel wij in de gelegenheid zijn, door onze beschouwingen voldoende aan te
toonen, welk standpunt wij innemen, zij er vooraf nog op gewezen, dat de gedachte,
die bij enkelen is opgewekt, als zouden wij de noodzakelijkheid van keuring van
huisslachtingen willen aantasten, geheel ongerechtvaardigd is. Men mag een
dergelijk voornemen niet verwachten van veeartsen, wien qualitate qua het goede
recht toekomt, beschouwd te worden het met de eerste beginselen der vleesch-
hygiëne eens te zijn. Doch ook uit onze circulaire kan men dergelijke voornemens
niet lezen.

Wij willen bij de drijfveer, die ons het onderzoek heeft doen aanvatten eenigszins
uitvoerig stilstaan. Het is niet te ontkennen, dat de opzet van ons onderzoek in
bekeren zin een reactieven geest ademt. Wij hadden na de aanneming van het
rapport der Commissie, belast met een onderzoek naar het ontwerp Wet op de
Vleeschkeuring, ter algemeene vergadering te Utrecht, dienen te gelooven in de
doorvoerbaarheid der keuring van huisslachtingen. Tegenover de mogelijkheid
(lezer doorvoering stond onze Vereeniging min of meer sceptisch. Men zal ons
Allicht toevoegen, dat het niet op onzen weg lag deze kansen te berekenen; doch
Wij vvenschen er dan den nadruk op te leggen, dat juist waar op zoo uitdrukkelijke
wijze is gewezen op het feit, dat geen of geen voldoende rekening is gehouden
mei de eischen der hygiëne bij de samenstelling van het ontwerp en deze grief tot
haar volste recht komt, als men de toelichting tot het bewuste art. 9 leest, waarin
he-tonnoodig wordt geacht, zich met iets wat buiten de publieke gezondheid ligt,
te bemoeien, dat dit ontwerp blijkens de bekende critieken te veel den handel
dieit ten koste der hygiëne, dat men tegen de keuring van huisslachtingen, die
in laar totaal een cijfer bereiken, wat veel grooter is, dan wat bij den slager ter
keuring komt en een regeling vereischt, die naar evenredigheid meer samengesteld
is, bezwaren zal ontmoeten, die wij nu reeds onder de oogen willen zien.

Wat hebben, waar men voor den handel reeds enkelen wenscht te sparen, onze
ver.vachtingen van een opneming der huisslachtingen dan voor praktische be-
teelenis? Of zal het feit, dat de interpretatie van het begrip huisslachting door
den wetsontwerper,\' niet de juiste is geweest, hem voldoende zijn de keuring in
de wet op te nemen? We erkennen, dat hier in zeker opzicht het zwaartepunt
der kwestie voor ons, veterinairen, ligt. Wij waren echter, zooals reeds gezegd,
niel optimistisch gestemd en allerminst overtuigd, dat met de aantooning van
hetgeen huisslachting in de werkelijkheid beteekent, het pleit is te winnen.

I)e verschillende beweegredenen voor onzen twijfel, welke ons aanleiding gaven
het onderzoek aan te vatten waren de volgende:

De te geringe erkenning van het hygiënisch beginsel in het ontwerp, aan-
getoond door de Commissie van rapporteurs onzer Maatschappij.

A De uitsluiting van de keuring van huisslachtingen in de Duitsche Wet.

-ocr page 270-

3°. Onze eigen meening, dat keuring van huisslachtingen als zoodanig meer
te beteekenen heeft dan de rest te zamen en het werkelijk geen overdaad is, ook
aan de praktische zijde dezer zaak de volle aandacht te schenken.

4°. Onze wensch, met de resultaten te mogen aantoonen, dat het meest voor
de hand liggende en inderdaad grootste bezwaar tegen de invoering, niet onover-
komelijk zou zijn. Versterkt zijn we geworden in onze opvatting door meerdere
antwoorden op onze circulaire, inhoudende, dat keuring van huisslachtingen
op tal van plaatsen onmogelijk wordt geacht.

Voor ons eerste motief verwijzen we naar het vorenstaande.

Indien men nagaat, wat in Duitschland de bezwaren zijn geweest om deze
keuring op te nemen, dan kan men ons inziens uit de motiveering, welke de re-
geering aan haar standpunt gaf, ten duidelijkste opmaken dat men haar a priori
niet heeft gewild. Hoewel het verre van ons ligt, den wetsontwerper ten onzent
een dergelijke opvatting toe te schrijven, in zake zijn toelichting tot de uitsluiting
der huisslachtingen, lijkt het ons, nu van andere zijde deze zienswijze als onjuist
is gekenmerkt, een aangename taak er op te mogen wijzen, dat de meest reëele
moeilijkheid in ons land, de doorvoerbaarheid, geen aanleiding mag worden,
de keuring eveneens uit te sluiten. Wij achten het niet overbodig hier één en ander
te vermelden van de toelichting tot art. 2 betreffende de uitsluiting van keuring
van huisslachtingen in de Duitsche Wet. Zij bevat o.a.:

i°. Runderslachtingen hebben er zeer weinig plaats.

2°. Varkens, schapen en geiten beneden 3 maanden lijden zeer weinig aan
ziekten, dus kan keuring overbodig worden geacht; (alsof de praktijk niet leert,
dat dieren van dien leeftijd zelden voor huisslachting worden bestemd).

3°. Uitsluiting van keuring is niet toegestaan, wanneer hetzij aan het levende,
hetzij aan het geslachte dier, kenmerken eener ziekte zijn te constateeren of daar-
aan twijfel bestaat.

Men voegt er aan toe, dat in dit geval de keuringsplicht des te gebiedender is,
daar ook het gezin van den huisslachtende gevaar kan loopen.

Deze onjuiste en naïeve beweegredenen, versterkt door het bezwaar der slechte
wegen, hebben in Duitschland gegolden om de keuring uit te sluiten. Welke agra-
rische of andere invloeden eveneens een rol hebben gespeeld, willen we in \'t mid-
den laten; dat ze er niet in voorkomt pleit voor de noodzakelijkheid de werkelijke
moeilijkheden onbevooroordeeld onder de oogen te zien.

Daar tegenover is van belang het feit, dat enkele Staten zooals o.a. Saksen en
Hessen-Nassau deze keuring verplicht hebben gesteld en dat ze daar voldoet.

Een bloemlezing gevende uit de verschillende antwoorden, zou den lezer met
zeer gemengde gevoelens vervullen. Slechts enkelen onzer durven te beweren,
dat keuring van huisslachtingen overbodig is, gelukkig ziet men in \'t algemeen
de noodzakelijkheid ervan volkomen in, doch talrijke collegae meenen, dat ze
niet of slechts met groote kosten uitvoerbaar is. Uit onze beschouwingen moge
genoegzaam ons eigen standpunt blijken.

Na deze uiteenzetting willen we overgaan tot de behandeling van het eigenlijk
doel van dit rapport.

Reeds uit de circulaire heeft men kunnen opmaken, dat de beantwoording
ons^niet in de gelegenheid zou stellen een definitief oordeel uit te spreken omtrent

-ocr page 271-

de al- of niet doorvoerbaarheid. Bescheidenlijk hebben wij dan ook gesproken
van conclusies, welke wij zouden
trachten te trekken, welke conclusies den grond-
slag zouden
kunnen vormen voor de overweging of deze keuring in de praktijk
al of niet mogelijk is.

Zooals we onzen lijst hebben samengesteld konden we van bijna 400 gemeenten
gegevens verwachten, intusschen hebben slechts ruim 100 collegae aan onze roep-
stem gehoor gegeven en betreft het overzicht dus nog geen 1/10 deel van het totaal
der ons land vormende gemeenten. De antwoorden zijn echter afkomstig van
streken met geheel verschillende verhoudingen, zoodat tal van betreffende ge-
meenten beschouwd mogen worden als het type van vele andere en dus gegevens
van alle in zeker opzicht niet beslist noodzakelijk zijn voor onze
beschouwingen.

Gaan wij de verhoudingen na, dan zijn daar in de eerste plaats de groote en
kleinere centra van bevolking, waar aan de uitvoering dezer keuring niet het
minste bezwaar is verbonden; in de tweede plaats het platteland met zijn kleine
en groote gemeenten, waar de bevolking voor een deel weer gecentraliseerd, voor
een groot deel zeer verspreid woont.

Het zijn de grootte dezer gemeenten en van de complexen van gemeenten,
die een gezamenlijke keuringsdienst zullen instellen en dus van uit één of enkele
centrale punten moeten bediend worden, de verdeeling harer bevolking, de toestand
van de wegen en ten slotte het aantal huisslachtingen, die grootendeels de vraag
beheerschen of een keuring al of niet doorvoerbaar wordt. Bovendien heeft men
daarbij in aanmerking te nemen, dat deze slachtingen vrijwel uitsluitend over
den tijd van 2 a 3 wintermaanden geschieden en dus in dien tijd gekeurd moeten
worden, terwijl ook de omstandigheid dat het veterinaire personeel beperkt is,
te denken geeft.

Wij hadden natuurlijk een ruimer blik op den omvang der eens op te richten
keuringsdiensten gehad, indien wij den collegae verzocht hadden, gegevens te
mogen ontvangen uit het ressort, waar ze practiseeren, de opgave van het aantal
gemeenten toch zou hiermede reeds zijn uitgebreid; deze vraag is intusschen niet
gesteld; wij zouden in verband met het korte tijdsbestek, te veel van onze collegae
gevergd hebben.

We zijn ons bewust, dat we bij \'t nagaan der verschillende factoren een voor
velen wellicht bekend terrein betreden; het is van algemeene bekendheid, dat er
groote gemeenten zijn, dat de verdeeling der bevolking zeer verschillend is, dat
er goede en slechte wegen zijn en dat het aantal huisslachtingen zeer veel bedraagt.
We willen deze factoren wat nader beschouwen, Men mag aannemen, dat indien
eens de keuring van huisslachtingen is ingevoerd in de groote gemeenten en de
combinaties van kleinere diensten in \'t leven geroepen zullen worden, waar één
veearts aan het hoofd staat, gesteund door een min of meer uitgebreid hulpper-
soneel. Uit onze gegevens is desnoods een voorstelling te construeeren, hoe de ver-
houdingen in een dergelijke combinatie zich zullen voordoen. Daar deze echter
met die in groote gemeenten overéénstemmen, kunnen we bijv. de gemeente Ede,
waar de afstanden van het centrum naar de verschillende windstreken ongeveer
2, 3 en 4 uur gaans bedragen, als voorbeeld nemen. Deze gemeente bestaat uit 5

-ocr page 272-

dorpen, vele gehuchten en zeer veel verspreid liggende woningen hetgeen het
aantal zielen, dat 19000 bedraagt, gaarne doet aannemen.

Het aantal runderhuisslachtingen is niet noemenswaard, dat der varkens min-
stens 5000; de wegen zijn er slecht. Volgens de meening van collega
Abspoel
mogen bij een keuring der huisslachtingen hem wel 10 hulpkeurmeesters ter zijde
staan. Het ligt voor de hand, dat dergelijke groote gebieden oogenschijnlijk groote
bezwaren aan bedoelde keuring in den weg zullen leggen, vooral als zeer slechte
wegen het verkeer nog gaan belemmeren. Dat wij de bezwaren niet licht meenen
te moeten tellen moge uit onze nadere beschouwing in verband met de wijze,
waarop de oplossing in zulke gemeenten zal moeten worden gezocht, blijken.

Ten opzichte van de verdeeling der bevolking schijnen er in ons vaderland
eigenaardige verschillen te bestaan. Het heeft onze aandacht getrokken dat bijv.
in Friesland, waarvan 20 collegae ons bericht zonden, de vorming van dorpen en
gehuchten zeer sterk op den voorgrond treedt. Gemeenten met 10, 20 tot 30 van
dergelijke centra zijn er zeer talrijk. Daarnevens vinden we echter ook vermeld
zooals trouwens in elke plattelandsgemeente, dat er nog vele verspreid wonenden
tusschen deze centra liggen.

Over \'t algemeen luidt de opgave dat de bevolking in één of enkele centra woont,
doch een groot deel verspreid over de rest der gemeente. Ook naar den toestand
der wegen hebben we gevraagd. Deze omstandigheid zal zeer zeker eveneens
van grooten invloed zijn op de organisatie van den dienst.

De veenwegen in het Oosten van Drente, die, soms uren lang, voeren naar
de kleine woningen der veenarbeiders, die ook hun varken slachten, wegen waar-
langs het verkeer in de wintermaanden zoo goed als stil ligt, omdat er geen ver-
keer mogelijk is, zijn wellicht aan weinigen bekend. Slechts een geboren veenmensch
kan zich in deze oerwereld bewegen, een vreemdeling die er kennis mede maakt
zal ze zich zijn leven lang herinneren. Gelukkig echter zijn deze wegen hoe veel-
vuldig ook in bepaalde streken geen maatstaf ter beoordeeling voor geheel ons
land, toch dient men er mede bekend te zijn, dat dergelijke toestanden bestaan.

Een groot gedeelte der provinciën Friesland, Gelderland, N.-Brabant, Over-
ijsel, hebben hun zandwegen, die tegenwoordig door den fietser langs het rijwiel-
pad grootendeels zijn te berijden, overigens gedurende de wintermaanden over
\'t algemeen slechte verkeerswegen zijn.

De berichten uit verschillende streken der Betuwe, uit Z.-Holland en Zeeland
waar de kleiwegen in de bietencampagnes in den natten tijd niet mede werken
om het verkeer te vergemakkelijken, gaven eveneens te denken. Tal van ver-
spreid liggende veehouders en arbeiders zijn slechts te bereiken langs klei-, zand-,
of landwegen of in \'t geheel geen wegen en natuurlijk slechts te voet.

Wat het aantal der huisslachtingen betreft kunnen wij opmerken, dat dit voor
runderen betrekkelijk gering is en een keuring van deze zeer weinig bezwaren
zal opleveren.

Anders is dit echter voor de varkens. Daar dit aantal wel geheel afhankelijk
is van de verdeeling der bevolking, ligt het voor de hand, dat de cijfers sterk uit-
eenloopen. In groote centra is het ten opzichte van de gewone slachtingen on-
beteekenend, hoe kleiner deze centra, hoe meer de bevolking uit elkaar woont,
des te meer neemt dit aantal echter toe.

-ocr page 273-

Voor dichtbevolkte plattelandsgemeenten in enkele provinciën zien we de cij-
fers van beide soort slachtingen elkaar niet veel ontloopen. Voor de groote en
dun bevolkte echter wordt het verhoudingscijfer anders. Barneveld, Rijssen en
Gendringen wijzen b.v. een cijfer aan van resp. 1 op 4, op 6, en op 10, het aantal
H. S. bedraagt in deze gemeenten resp. ± 2000, ± 2000, en ± 3500. Om nog enkele
cijfers te noemen, vermelden we voor Z.-Holland een aantal huisslachtingen van
100—300. Voor vele Geldersche en Brabantsche gemeenten 1000—1500, ge-
middeld voor Groningen 500—
1000, terwijl Friesland een cijfer van 500—750
opgeeft.

Te lang willen we bij dit punt niet stilstaan, er zij slechts op gewezen, hoe naast
talrijke gemeenten, waar de keuring van huisslachtingen weinig of niets beteekent,
er ook vele zijn, waar deze heel wat meer beduidt dan de keuring van gewone
slachtingen.

Voor Ede noemden we reeds minstens 5000 stuks, -wat dus in 2 a 3 mnd dient
gekeurd levend en geslacht. Op de cijfers veel te baseeren, is gevaarlijk spel, ze
kunnen echter een leiddraad vormen voor de wijze waarop de keuring het meest
rationeel is in te voeren. Men zal zonder bepaalde voorwaarden aan alle eige-
naren te willen stellen, reeds bij een betrekkelijk klein aantal huisslachtingen een
zeer lastige uitvoering verkrijgen. Het ligt voor de hand, dat in de vele gemeenten,
waar 1000 en meer varkens in het seizoen ter slachting komen een regeling zonder
bindende bepalingen, zonder voorwaarden, die tijd en geld kosten, tot de on-
mogelijkheden zal behooren. Wij staan nu voor de vraag op welke wijze de keuring
het best is door te voeren. Waar er een zekere verhouding zal moeten bestaan
tusschen het aantal van het keurend personeel en het aantal slachtingen daar
zal men slechts daar de keuring zonder beperkende bepalingen kunnen invoeren,
waar óf de gemeenten zeer klein óf de overige bovengenoemde omstandigheden
uitermate gunstig zijn. Daar zal zonder beperking de dienst goed kunnen wor-
den verricht, waaronder we dan verstaan, dat deze zoo goedkoop mogelijk is
en toch een goede keuring waarborgt. In den regel echter zal bij het regelen van
den dienst rekening moeten worden gehouden met één of meer der reeds genoemde
ongunstige omstandigheden. Deze moeilijkheden, die de doorvoerbaarheid der
keuring beheerschen laten zich naar onze meening langs de volgende wegen op-
lossen. Wij zullen daarbij tevens trachten de noodige aandacht te schenken aan
de meest voor de hand liggende n.1. de financieele zijde der kwestie. Hierbij dient
op den voorgrond gesteld, dat naar onze meening de uitgaven voor het personeel
de zwaarste druk voor de gemeentefinanciën wordt; elke poging dus om zonder
dat de dienst er onder lijdt, dit personeel zoo klein mogelijk in aantal te maken
zal dus de gemeentekas ten goede komen.Waar er door één persoon een minimum
aantal keuringen per dag moet kunnen worden verricht, hetgeen vooral eisch
wordt als het totaal zeer hoog loopt; daar is, wil het toch mogelijk zijn dat in
den korten slachttijd het personeel het werk af kan, centralisatie in een min of meer
gunstige vorm, de eenige weg om aan het vele dure personeel te ontkomen. Deze
centralisatie is een natuurlijke, ongedwongene daar waar we centra van bevol-
king hebben. De op min of meer afgelegen plaatsen om de centra wonenden kun-
nen hun slachtdier in het dichtst bijgelegen centrum slachten, hetgeen bijv. voor
een groot deel van Friesland met zijn talrijke centra, die slechts kleine afstanden

F

-ocr page 274-

tusschen zich laten, zonder veel bezwaren is te doen. Indien verder, rekening
houdende met de wenschen der eigenaars, de slachtingen van bepaalde centra
of bepaalde tijden worden gesteld dan is in dergelijke streken de keuring door
te voeren.

Vanuit eenige streken van Friesland en ook van onzen Collega van Texel ont-
vingen we bericht, dat het daar gewoonte wordt, dat de eigenaren hun slachtdier
naar den slager in het dorp brengen, het daar laten slachten om het den volgenden
dag geheel of gedeeltelijk terug te halen. Hoe veelbelovend in zeker opzicht zal naar
onze meening deze toestand niet algemeen worden en vooral bij den arbeidenden
stand geen ingang vinden. Dat intusschen, daar straks de slachtplaatsen der slagers
aan bepaalde eischen zullen moeten voldoen, deze gelegenheden in vele gevallen
ook van gemeentewege na overleg als publieke slachtplaats zouden kunnen worden
aangewezen, laat zich denken.

De groote moeilijkheid vooral uit financieel oogpunt leveren die gemeenten op,
waar geen voldoende centra, die een vlotte keuring begunstigen, aanwezig zijn.
Voor deze gemeenten en het zullen er vele zijn, moet men het beginsel reeds door
den wetsontwerper op lofwaardige wijze gehuldigd, gaan toepassen, n.1. door
oprichting van slachtgelegenheden; de centralisatie kunstmatig bevorderen opdat
ook daar de keuring doorvoerbaar worde. Reeds gaven collega
Veenbaas en eenige
anderen middelen aan de hand op welke wijze in \'t algemeen aan deze noodzake-
lijke maatregel is tegemoet te komen. Van het oprichten van kleine slachtplaatsen,
zooals deze voor het beoogde doel noodig zullen zijn, behoeft men zich geen zwaar-
tillende denkbeelden te vormen. Terwijl we hieronder nog op één en ander de kosten
betreffende willen terugkomen, zullen we vooraf nog een oogenblik stil staan bij
de samenstelling van een dienst, waar de keuring van huisslachtingen een groote
rol zal spelen, deze samenstelling dan in enkele lijnen in verband met de oprichting
van slachthuizen geschetst. De gemeente Ede kan ons ook hiervoor als model
dienen. Indien door deze gemeente 3 centra werden gevormd, welke onderling 1
a 11/2 uur van elkaar verwijderd liggen en in elk centrum gedurende 21/2 maand 1500
a 2000 varkens werden geslacht, dan zou per dag een aantal van 20—25 varkens
een beurt krijgen, welk aantal op zich zelf reeds vrij gering is. Voor een dergelijke
dienst zouden dan 3 hulpkeurmeesters noodig zijn.

Men zou zich met een dergelijke regeling tevreden kunnen stellen, indien de
moreele plicht niet bestond, voor de bevolking de lasten zoo licht mogelijk te maken.
Men zou daar door verdeeling over 4 centra, het aantal op elke plaats ter keuring
komende dieren aanmerkelijk kunnen verminderen, terwijl het mogelijk zou zijn
het personeel op één dag 2 slachtplaatsen te laten bedienen, één \'s morgens en één
\'s middags, een regeling die meer slachtgelegenheden doch minder personeel noodig
zou maken. Oppervlakkig lijkt deze regeling wellicht fictief, onmogelijk is ze echter
absoluut niet. Rekent men in de wintermaanden de slachting te beginnen des
ochtends 7 uur, de keuring van het geslachte om 8 uur dan kan zelfs bij de minst
vlotte loop van zaken, waar niet meer dan 10 a 15 varkens door 3 a 4 slagers behoe-
ven te worden geslacht tegen 12 uur dit werk verricht zijn. Van 1—4 uur kan het-
zelfde geschieden in een slachthuis van een aangrenzend centrum. Het zal slechts
een kwestie van regelen zijn, die zeer zeker krachtig dient te zijn en krachtig dient
gehandhaafd. Een als boven bedoelde vermeerdering van slachtgelegenheid zal

-ocr page 275-

de bevolking zeer te stade komen terwijl en hierop zij met nadruk gewezen, cén
dergelijk slachthuis meer, voor de gemeente heel wat minder zal kosten dan een
hulpkeurmeester; ook hierop komen we nog terug. Met een behandeling van de
toestanden zooals de gemeente Ede aanbiedt, waar alle omstandigheden blijkbaar
zeer ongunstig zijn en de moeilijkheden zich op haar breedst zullen voordoen, meenen
we te kunnen volstaan. Het doel van dit werk is thans een blik te geven op de
moeilijkheden en schematisch de middelen aan te geven waarmede ze zijn te over-
winnen.

Op nog enkele zaken willen we nader ingaan. Reeds werd er op gewezen hoe
noodig het is het aantal personeel zoo klein mogelijk te houden, dit niet alleen
om de kosten, doch ook om het feit, dat in verband met den korten slachttijd het
hulppersoneel slechts gedurende deze wintermaanden voldoende werk zal vinden;
het zou een onbestaanbare toestand worden, wanneer er menschen noodig zouden
zijn, die gedurende 9 maanden van het jaar zoo goed als geen werk zouden te ver-
richten hebben.

Wij willen met enkele cijfers aantoonen, hoe óók met het oog op de kosten,
beperking van het aantal personeel de meeste aanbeveling verdient. De grootte
van een eenvoudig slachthuis zal rekening houdende met het aantal dagelijks
ter slachting komende dieren bijv. 20 stuks, niet meer behoeven te bedragen dan
100 M2. In deze ruimte is plaats voor 3 broeikuipen, benevens de noodige tafels
e. a. en kunnen naar onze berekening 6 varkens tegelijk worden geslacht. De prijs
van een dergelijk uit steenen opgetrokken van een cementen vloer voorzien slacht-
huis, voorzien van het benoodigde materiaal zal volgens door een deskundige
verstrekte inlichtingen ± 3000 gld. bedragen. Stellen we het jaarlijks inkomen
van een hulpkeurmeester op 800 a 1000 gld. dan behoeft het geen nader betoog,
dat ook ondanks afschrijving e. a. de oprichting van een dergelijk slachthuis finan-
cieel verre is te verkiezen boven vermeerdering van personeel.

Wij willen onze beschouwingen niet eindigen alvorens een blik te hebben ge-
slagen op de ontvangst, die de wet van de zijde van het publiek, dat direct vooral
de onaangenaamheden zal voelen, te wachten heeft.

Hoe mild deze wet ook zou zijn, zij zal vooral wanneer huisslachtingen in de wet
worden opgenomen, geen aanspraak kunnen maken op populariteit; doch men
behoeft daarop ook niet te rekenen, waar van regeeringswege de dringende nood-
zakelijkheid van een vleeschkeuring is ingezien. Het blijft intusschen zooals gezegd
een moreele plicht de noodzakelijke lasten zoo dragelijk mogelijk te maken. De
kosten, welke de huisslachter zich zal hebben te getroosten verdienen zeer zeker
de aandacht. Deze zullen bestaan in de eerste plaats in het eventueel te heffen
keurloon en verder voor transport van het dier van en naar zijn woning.

Door samenwerking van meerdere bewoners uit één buurtschap, door gebruik
van eigen vervoermiddelen zal in \'t algemeen het bedrag der transportkosten ver-
minderd kunnen worden. Wat de heffing van een keurloon betreft; voor velen zal
dit volstrekt niet hinderlijk zijn, doch men zal dit voor vele minvermogenden tot
een minimum moeten beperken. Echter zal op grond van het feit, dat van de huis-
slachtingen als regel wordt verkocht, de verkoopsprijs daarvan kunnen stijgen,
waar immers ook het vleesch van den slager door keurloon belast wordt, terwijl
zoodoende dus een gedeelte der lasten op de burgerij, die ook door de keuring

-ocr page 276-

wordt beschermd, zal worden overgedragen. In \'t algemeen zullen dan de onkosten,
die uit de keuring voortvloeien den arbeider niet of niet noemenswaard behoeven
te drukken.

Aan het slot onzer beschouwingen wenschen wij te bekennen, dat het resultaat
van het onderzoek ons niet in alle deelen voldaan heeft.

Van de zoo belangrijke materie, die wij in vele richtingen onder de oogen hebben
gezien, hadden wij verwacht, meer essentieels te kunnen zeggen.

Desondanks meenen wij in de eerste plaats een ruimer blik gegeven te hebben
op den omvang van de huisslachtingen en op de beteekenis eener eventueele keuring
van deze, alsmede dat wij, zij \'t ook in \'t algemeen en met behulp van de bescheiden
gegevens, hebben aangetoond dat deze keuring in ons land doorvoerbaar mag
geacht worden.

Bij de overweging of een opneming van keuring van huisslachtingen in de wet
op haar plaats is, dient voornamelijk rekening gehouden met de volgende factor.

fs zij, hoewel gebiedend om hygiënische redenen, uit finantieel en moreel oog-
punt te verdedigen?

Wij mennen aan de hand van ons betoog bevestigend op deze vraag te mogen
antwoorden.

De moeilijkheden, die ontegenzeggelijk zich zullen voordoen, dienen niet onder-
schat, doch ze mogen niet opwegen tegen de meerdere beteekenis, die de wet krijgt
door opname van het beginsel der keuring van huisslachtingen.

Wij wenschen den collegae voor de ons verstrekte opgaven onzen dank op deze
plaats te betuigen.

De Commissie ti.n.

Dr. A. J. ^ViNKKi..

J. Zweers.

Berichten.

Vergadering der afd. Groningen-Drenthe 21 Januari 1914. Aanwezig 19 leden.
Na afdoening der huishoudelijke werkzaamheden worden vraagpunten vastgesteld
in zake het onderzoek naar de werkzaamheden verricht door veeopzichters en
hulpkeurmeesters, welke vraagpunten aan de afdeelingen Friesland en Utrecht
ter beoordeeling zullen worden toegezonden, om ze daarna in handen van het
hoofdbestuur te stellen — een en ander volgens opdracht van de bijzondere
algem. vergadering van 29 Nov. jl.

Naar aanleiding hiervan ontspon zich eenige discussie.

Sommige leden waren de meening toegedaan, dat dikwijls van hulpkeur-
meesters en veeopzichters gebruik wordt gemaakt in strijd met art. 2 der wet van
20 Juli 1870 S. 131 en dat, nu hunne opleiding thans ook gedeeltelijk aan de dis-
trictsveeartsen is opgedragen, zij ook in zake onderkenning van veeziekten het hoofd
zullen opsteken, zooals zij het thans doen op het gebied van de vleeschkeur.

-ocr page 277-

Door den heer Lamerus van Warffum wordt ingeleid:

„Praktische ervaringen op \'t gebied van ruggemergsaandoeningen."

Aan de hand van een door hem geschreven artikel over stalmiasme in het Tijd-
schrift voor Veeartsenijkunde (jaargang 1862) wijst hij er op, dat zich in zijn praktijk
van tijd tot tijd ziektegevallen bij paarden voordeden, onder verschijnselen die
tegenwoordig zouden doen denken aan haemoglobinaemie, doch daarmee toch niet
geheel overeenstemmen en welke vroeger, wanneer men niets anders kon vinden
en men te doen had met slechte stallen, wel aan stalmiasme werden toegeschreven,
alhoewel het begrip stalmiasme de meesten niet recht duidelijk was.

Onder verschijnselen van vrij plotseling optredende verlamming, slap worden
van den staart, ongevoeligheid der ledematen, weeke, volle, niet versnelde pols,
later ademhalingsbezwaren, aanvankelijk weinig gestoorde eetlust, verloor spreker
in den winter van 1864-65 25 patiënten in een bepaalde streek zijner praktijk in
de richting Oost-West, binnen den tijd van 4 weken. Ook runderen werden in het
lijden betrokken onder verschijnselen van slikbezwaren. In Friesland werd iets
dergelijks gezien en kregen zelfs de eenden bewegingsstoornissen, zoodat ze niet
meer konden zwemmen.

Toen het stalmiasme had uitgediend, dacht men aan intoxicatie en wel door
cummulatieve werking.
Billroth (Groningen) dacht aan Uredosoorten op de granen.
De veronderstelling werd gemaakt, dat gedurende den zomer in een bepaalde streek
en in een bepaalde richting invloeden op de planten zouden werken, welke in den
winter schadelijke gevolgen zouden hebben. Echter op het graan voedsel der be-
trokken boerderijen was niets te zien. Wel wees een plantenonderzoek door Dr.
Ritsema Bos, ook in de richting van Uredosoorten als oorzaak. Inleider kan niet
aannemen dat hier haemoglobinaemie in het spel is, het ziektebeeld is trouwens
ook niet geheel daarmee overeenstemmend.

Ook F. B. Venema (Bedum) constateerde dergelijke ziektegevallen en schreef
ze toe aan bedorven voedsel (boonenstroo, kaf). Aan het stroo was echter niets te
zien, doch toen het werd onthouden, traden de ziekteverschijnselen terug,
v.
d. Wal (Grijpskerk) gelooft ook niet dat we in deze te doen hebben met haemo-
globinaemie, welke ziekte voor misschien 95% buiten den stal optreedt, terwijl
de onderhavige ziektegevallen op stal worden waargenomen.

D. Muller (Loppersum) sluit zich hierbij aan en doet ook mededeeling van 11
sterfgevallen in één week en in één richting van zijn praktijk. Hij kwam tot
conslusie haververgiftiging, tengevolge van een omzetting in den korrel tijdens
den groei.

Bruyel (Talbert) zag slikbezwaren bij koeien door het stof van roestige tarwe,
door
Muller (Loppersum) en D. Bruins (Eenrum) werd dit waargenomen zelfs
bij menschen bij de dorschmachine.

R. Bosscher (Veendam) constateerde bewegingsstoornissen na het gebruik van
het loof van zaadbieten. Door
Bruins en W. ten Hoopen (Groningen) wordt in
deze aan gistingsprocessen en alcoholvorming gedacht. Door den laatsten spreker wordt
verder nog gewezen op de goede resultaten in Friesland verkregen door inspuiting
van streptococcen-serum bij kwade kopziekte, terwijl
Bruins meent dat sommige
acuut verloopende enteritiden terug te brengen zijn tot kwade kopziekte. Hij zag
bij deze darmaandoeningen ook verschijnselen aan de slijmvliezen van den kop en

-ocr page 278-

aan de vulva. Ook wijst hij op de goede resultaten verkregen door inspuiting met
abortus-serum, wanneer eerst het bloedonderzoek der verdachte dieren het ver-
moeden had bevestigd.
 Kroes.

Verslagen, Begrootingen en andere publicaties van Rijkswege.

Staatsbegrooting 1914, Hoofdstuk VII B. (Departement van financiën) Openbare
behandeling in de 2de kamer der Staten Generaal. Vergadering van
14 Jan. Hande-
lingen bldz.
1217 e.v.

Naar aanleiding van de desbetreffende gedachten wisseling in Voorloopig Verslag
en Memorie v. Antwoord dringt de heer
Fleskens aan op afschaffing van den
accijns op geslacht. Hij geeft als zijn meening te kennen, dat de landbouwers
(fokkers) deze belasting opbrengen en niet de consumenten. Door den invoer van
Argentijnsch bevroren vleesch zou aan laatstgenoemde groep een zoo hevige con-
currentie worden aangedaan dat hun ondergang nabij is. Voor het ingevoerde
Australische vleesch zou volgens hem geen accijns verschuldigd zijn, hoewel de
minister in de Memorie van Antwoord verklaarde dat f6.— per 100 K G invoer-
recht wordt geheven.

Minister Bertling heeft hierop geantwoord (Handelingen bldz. 1232) dat hij de
meening van dezen afgevaardigde niet deelde, en van oordeel was, dat deze be-
lasting door de consumenten wordt gedragen. Had de afgevaardigde een ander
argument aangevoerd dan het belang van den boerenstand, nnii dat het gewenscht is
het vleesch zoo goedkoop mogelijk te doen zijn, zoo had de minister zijn spijt
betuigd, dat hij aan dit streven niet kon voldoen.

In zijn dupliek heeft de heer Fi.eskens (Handelingen bldz. 1239) er nogmaals
op aangedrongen, dat de minister den invoer van gekoeld en bevroren vleesch
in ernstige studie zou nemen. Het geldt hier volgens dezen afgevaardigde een zeer
gewichtige quaestie vooral een groot boerenbelang.

Minister Bertling zeide nog wel overweging toe (Handelingen blz. 1242) maar
deed reeds nu uitkomen, dat deze overweging niet zal leiden tot eenigen maat-
regel om het bevroren vleesch zwaar te belasten, omdat daardoor het verkrijgen
van goed en goedkoop vleesch zeer zeker zou worden tegengegaan.

Staatsbegrooting 1914. Hoofdstuk V (Binnenlandsche zaken, IIIe Afd. Volksge-
zondheid en armwezen.)

Openbare behandeling in de 2de kamer der Staten Generaal Vergadering van 22 Jan.
1914. Handelingen bldz. 1409 e.v.

Bij de bespreking van Art. 31 hield de heer de Wijkerslooth de Weerdesteijn
eene belangrijke rede. Na over de relatief geringe hoeveelheden vleesch, die hier
te lande per hoofd en per jaar worden genuttigd eenige beschouwingen te hebben
gehouden, komt deze afgevaardigde tot de slotsom, dat om hierin verbetering te
brengen het vleesch zoo goedkoop mogelijk moet worden gehouden

het vleesch zooveel mogelijk waarborgen van deugdelijkheid uit hygiënisch
oogpunt moet bieden

gewaakt moet worden tegen bedrog in den vleeschhandel.

Hij constateert, dat bij behoorlijke keuring het Argentijnsche vleesch \'niet goed-
kooper is, dan een in voedingswaarde gelijke hoeveelheid inlandsch vleesch. Waar

-ocr page 279-

geen keuring is, werd eerstbedoeld vleesch goedkooper verkocht, doch hij is van
oordeel, dat een op zoodanige wijze verkregen voordeel, meer een nadeel is te
achten. Ook meent deze afgevaardigde, dat de prijs van het Argentijnsche vleesch
door trust, kunstmatig hoog wordt gehouden.

Tegenover de zienswijze van den Inspecteur der Volksgezondheid Dr. Wolte-
ring,
dat het Argentijnsche vleesch daar te lande voldoende streng wordt gekeurd,
stelt hij o.a. uitspraken van den directeur van het Openbaar slachthuis te Rotter-
dam en van de Vereeniging van slachthuisdirecteuren, waaruit blijkt dat bedoelde
keuring niet voldoende is te achten. Uit het rapport van de heeren
Löhnis en de
Jong, uitgebracht op het tweede internationale Koudecongres te Weenen (October
1910) citeert hij twee zinsneden, waarin de nadruk wordt gelegd op het gemakkelijk
plegen van bedrog, door Argentijnsch rundvleesch te leveren aan hen die inlandsch
denken te ontvangen. Hij concludeert dan: Noch uit het oogpunt van prijs, noch
uit het oogpunt van hygiëne, noch uit dat van den eerlijken vleeschhandel ver-
dient dus dit vleesch als volksvoedsel aanbeveling.

Ten einde de vleeschvoeding te verbeteren geeft hij de volgende wenschen aan
aan den minister in overweging:

dat de Minister in afwachting van de totstandkoming der wet op de vee- en vleesch-
keuring bevordere, dathetK.B. van 8 Dec. 70 Stbl. N°. 197. ook toepaslijk worde
gemaakt op het Argentijnsche vleesch, zoodat eene behoorlijke keuring vóór het
binnenkomen hier te lande plaats grijpe,

de regeering steune de oprichting van volksgaarkeukens, die het gebruik van
paarden vleesch populariseeren,

de regeering bevordere den invoer van slachtpaarden, door afschaffing van
invoerrechten, en het bedingen van billijke vrachten bij de spoorwegmaatschappijen.

In zijn antwoord geeft Minister Cort van der Linden, als zijn meening te ken-
nen (Handelingen blz. 1470 e.v.), dat de invoer van Argentijnsch vleesch wel eene
verlaging der vleeschprijzen ten gevolge kan hebben en dat de wenschelijkheid
van den eisch van het ter voldoende keuring medezenden der organen, een open
vraag is. Hij citeert een uitspraak van Prof.
Calmette te Parijs, waarin bedoelde
eisch overbodig wordt genoemd. De minister achtte het onmogelijk het door den
heer
de Wijkerslooth bedoelde K.B. ook toepaslijk te maken op Argentijnsch
vleesch, daar dit besluit alleen in werking mag worden gesteld wanneer binnen- of
buitenslands eene besmettelijke veeziekte dreigt.

Tegen de bevordering van het gebruik van paardenvleesch, voerde hij aan, dat
vleesch van z.g. „mijnpaarden", minderwaardig zou zijn.

In zijn dupliek, wijst de heer de Wijkerslooth de Weerdesteijn erop (Han-
delingen blz. 1475 e.v.), dat het K.B. van 8 Dec. 1870 Stbl. N°. 194, gedurende
eenigen tijd wel in toepassing werd gebracht, bij den invoer van Argentijnsch
vleesch, en deze toestand eerst later is gewijzigd, hij verdedigt de stelling, dat aan
de uitspraak der Vereeniging van Slachthuis-directeuren meer waarde moet wor-
den toegekend, dan aan die van een buitenlandsche autoriteit, daar deze laatste, de
hier te lande op dit gebied heerschende toestanden niet kent. Ook weerspreekt hij
de meening van den Minister, dat het argentijnsche vleesch goedkooper zou zijn
dan het inlandsche en legt er den nadruk op dat paardenvleesch van zgn. „mijn-
paarden" beslist niet minderwaardig is te achten. C. F. v. O.

-ocr page 280-

Slaat van de gedurende de maand December 1913 in de Rijkskeuringsdiensten var
voor uitvoer bestemd vleesch verrichte keuringen.

Graskalveren.

Nuchtere
kalveren.

Runderen.

Schapen.

Varkens.*)

Vette kalveren.

Ter keuring aangeboden ......

127

2575

i

37236

10578

2966

Voor uitvoer goedgekeurd ....

125

2531

37136

102939$

2956

Voor uitvoer ongeschikt bevonden

2

44

1

100

2238*

10

Na voortgezette keuring voor con-

2047J

sumptie goedgekeurd ......

2

39

i

90

5

Na voortgezette keuring voor-

waardelijk goedgekeurd ....

133

2

Na voortgezette keuring afge-

58*

keurd ..................

5

10

3

Voor consumptie afgekeurde

organen en deelen.

Baarmoeders ................

8

Beenderen (in K.G.) ..........

Borstorganen (alle)...........

198

3

Borstvliezen ................

122

Buikorganen (alle) ............

195

3

Buikvliezen ..................

68

i

Darmen (partijen) ............

Darmscheilen ................

i

454

5

Gewrichten ..................

13

Harten ......................

1

3

955

2

Huid (in K.G.) ..............

83

Koppen ....................

i

165

Levers ......................

4

i

8347

2228

16

Longen ......................

15

25

3758

4462

112

Lymphklieren................

916

Magen ......................

Maag en darmen..............

336

i

Milten ......................

53

Nieren ......................

i

8

4°3

16

Ondervoeten ................

7

Ooren ......................

5

Tongen ......................

Uiers ......................

Vet (in K.G.) ................

39

Vleesch (in K.G.) ............

2

3

959

Vruchten ....................

9

Zwezeriken ..................

i

* Hiervan werden voor „bacon" bereid 6379 varkens.
Voorts werden
21762 J K.G. afzonderlijke organen en deelen ter keuring
aangeboden, waarvan
99 stuks voor consumptie werden afgekeurd.

-ocr page 281-

Rijksveeartsenijschool. Den 24sten Januari j.1. werden tot veearts bevorderd de
heeren: G.
van Herwaarden, Woerden; D. M. Hoogland, Utrecht; J. M.
Hoogland, Utrecht, en N. R. Slop, Wouw.

Personalia. Den i9den Januari 1914 is in den ouderdom van 79 jaren overleden
te \'s Hertogenbosch de oud-kapitein-paardenarts H.
Schouten.

Eervol ontslagen de milit. paardenarts der 2de klasse n. o. I. leger, J. L. van Eck.

Benoemd tot veearts bij den bürgert veeartsenijkundigen dienst in N. O. Indië:
J.
L. van Eck.

Verleend acht maanden verlof naar Europa aan den milit. paardenarts 2e klasse
N. O.
I. leger, F. H. Sardemann.

Bij Koninklijk besluit van 23 Januari 1914 n°. 14 is, met ingang van 1 Februari
1914, benoemd tot Rijkskeurmeester in algemeenen dienst 2de klasse, J.
Th. van
Lohuizen, te Winterswijk, onder toekenning van gelijktijdig eervol ontslag als
Rijkskeurmeester in bijzonderen dienst aldaar.

Gevestigd te Haarlemmermeer de veearts D. W. Zuydam.

Aan de Universiteit te Bern is bevorderd tot doctor nedicinae veterinariae,
de veearts R. Bergema, te Leens, op een proefschrift getiteld: Untersuchungen
über die Zusammensetzung und die Eigenschaften der Milch von Kühen bei inneren
und äusseren Krankheiten.

Overgeplaatst: van Batavia naar Malang de mil. paardenarts 2e kl. dr. J. M. G.
Numans; van Malang naar Padalarang de mil. paardenarts 2e kl. L. E. Hinrichs.

Bij Koninklijk besluit van 3 Februari 1914 n°. 33 zijn, met ingang van 16 Fe-
bruari 1914, tot wederopzegging, benoemd tot plaatsvervangers van den districts-
veearts, wien Utrecht als standplaats is aangewezen, de geëxamineerde veeartsen
D. J. H. H. Monné, te Soest, en J. L. Petten, te Houten. Schornagel.

Referaten.

Miltvuur.

Fischoeder hield een voordracht over de hulpmiddelen bij de miltvuurdiagnose,
(Berl. T ier. Woch. 1913 N°. 36, 37, 38). Hij wijst op het wenselijke van spoedige
sectie en direct ter plaatse strijkpreparaatjes maken van bloed enz. Bij toezending
van materiaal naar het laboratorium vindt hij verpakking in glazen buisjes met
wattensluiting beter dan geïmbibeerd in vloeipapier of gipsstaafjesjHij wijst er verder
op dat de typiese groei van de miltvuurbacil op en in den voedingsbodem niet zoo
karakteristiek is als men vroeger dacht, maar ook aan sommige andere staafjes
eigen is, terwijl verzwakte miltvuurkiemen soms een atypiese cultuurvorm hebben.
Belangrijker dan de cultuur vindt hij de enting van proefdieren. Bij subcutane
enting van muizen met verdacht materiaal raadt hij aan reeds na 12 uren en later,
van de omgeving der entplaats strijkpreparaten te maken, daar het kan voor-
komen dat de entdieren herstellen en men dan later niets vindt. Met de door
Schütz-Pfeiler gewijzigde Ascoli-reactie had F. zeer goede resultaten en hij
beveelt die aan in gevallen waarbij door strijkpreparaten, cultuur en enting geen

-ocr page 282-

miltvuurbacillen konden worden aangetoond en toch de omstandigheden voor
miltvuur pleiten. De reactie is in die gevallen
voor hem beslissend.

Over de vraag of de komplementbindingsreactie voor de miltvuurdiagnose bruik-
baar is en of dus in het miltvuurserum specifieke komplementbindende anti-
lichamen zijn, heerst verschil van opinie.

Bordet en Gengou e. a., en in den laatsten tijd Djoubelieff kregen positieve
resultaten terwijl
Bail en Sobernheim in den regel geen specifieke reactie waar-
namen.

Bierbaum en Boehncke herhaalden de proeven van verschillende voorgangers
en vonden dat het meerendeel der miltvuur-immunsera geen komplementbindende
eigenschappen heeft.
(Zeitschr. f. Infekt. kr. enz. der Haustiere 1913. 14 4-5). Twee
niet precipiteerende miltvuursera (van runderen afkomstig) gaven positieve
reactie als antigeen miltvuurbacillen-extract werd gebruikt en negatieve als
miltvuurorgaan-extract gebezigd werd.

Bij de precipiteerende miltvuursera konden B. en B. in de meeste gevallen wel
een komplementbindend vermogen waarnemen. Deze eigenschap was echter niet
specifiek
(daar die sera ook met verschillende andere (niet-miltvuur) antigenen bv.
cholera- of colibacillen-extract positieve reactie vertoonden) en waarschijnlijk meer
een bijzondere eigenschap van het serum der diersoorten (muildier, ezel, paard),
die voor de bereiding van het precipiteerend serum werden gebruikt. Runderserum
heeft die storende eigenschap niet. Vólgens B. en B. zal misschien precipiteerend
miltvuur-runder-serum ook met miltvuurorgaan-extract als antigeen, positieve
reactie geven.

B. en B. vonden nog dat toevoeging van karbolzuur bij het bacillen- of orgaan-
extract, de reactie versterkte.
(Fignorelli vond dat ook de Wasserman\'sc syphi-
lisreactie door phenoltoevoeging versterkt wordt (Zeitschr. f. Immunitatsforschung
Teil 1, 1913).

Zooals bekend is komen verschillende morphologies en biologies op miltvuur-
bacillen gelijkende micro-organismen als saprophyten in de natuur voor en kunnen
door secundaire infectie of na den dood van uit het darmkanaal (waar zij toevallig
terechtgekomen waren) in verschillende organen geraken. De culturen van de meeste
miltvuurstammen vooral die welke pas uit het dierlichaam zijn gekweekt, zijn ech-
ter toch wel iets verschillend van die van verwante staafjes.

Pfeiler en Drescher probeerden door de precipitatie-methode de miltvuur-
bacillen te onderscheiden van de pseudo-miltvuurbacillen (Zeitschr. f. Infekt.
kr. enz. der Haustiere 1913. 7 S. 391). Precipiteerend miltvuurserum werd op de
bekende manier voorzichtig in reageerbuisjes bij extract van verschillende bacillen-
stammen gevoegd. Het bleek nu dat bij verschillende pseudo-miltvuurstammen
op de grens der vloeistoffen ook een ringvormige troebeling ontstond, die bij som-
mige stammen zwakker, bij de meeste echter sterker was dan die van het echte
miltvuurbacillenextract.

Deze methode is dus in de praktijk niet bruikbaar voor de differentieel diagnose.
Deze uitslag der proeven van P. en D. klopt wel met de meening van verschillende
onderzoekers dat de miltvuurbacillen oorspronkelijk saprophyten zijn en door het
zich gewennen aan het leven in het dierlijk lichaam, langzamerhand pathogeen zijn
geworden.

-ocr page 283-

Richmann en Joseph beschrijven in het Zeitschr. f. Infekt. kr. enz. der Haustiere
1913, 13-7, de bereiding van
miltvuurimmunserum en entstof te Höchst. Zij prefe-
reeren de daar gevolgde
methode van Sobernheim (enting met serum en virulente cul-
tuur) boven de
Pasteur-enting met de twee vaccins, daar de eerste in één dag verricht
wordt en de immuniteit sneller intreedt. De graad van immuniteit is in beide ge-
vallen gelijk. De virulentie der bij
Sobernheim gebruikte bacillen staat gelijk met
vaccin II van
Pasteur. Voor het prepareeren der serumdieren wijzen R. en J.
op de wenselijkheid van verse, niet te lang buiten het dierlichaam gekweekte miltvuur-
stammen
en van verschillende stammen (ten einde poli-valent serum te krijgen),
die bij voorkeur subcutaan en niet intraveneus bij de serumdieren worden inge-
spoten.
R. en J. vonden dat 12 dagen na de laatste infectie geen levende bacillen
meer in het bloed der serumleverende dieren waren aan te toonen. Het immunserum
geeft, volgens door hen genomen proeven een passieve immuniteit van 2—3 maan-
den.

Als curativum voor lijders aan natuurlijk- of ent-miltvuur, raden ze aan een
intraveneuse serum-inspuiting en dadelijk daarna een subcutane injectie, ver-
volgens zoolang de temp. hoog blijft, subcutane injecties van kleine doses serum.

Miltvuur bij varhens.

Schlegel maakt in het Berl. Tier. Woch. 1913 XXIX. 41, 42, 43, er op opmerk-
zaam, dat
miltvuur bij varkens veel meer voorkomt dan men vroeger dacht. Hij
geeft een korte beschrijving van de tot dusver door verschillende deskundigen
geconstateerde gevallen.

Ook Nieberle wijst op het dikwijls voorkomen van miltvuur bij varkens (Zeitschr.
f. Infekt. kr. enz. d. Haustiere. 1913-14
-1 S. 41). Hij bestudeerde aan het Hamburger
slachthuis de intestinale miltvuur-infecties bij het varken. Volgens hem is het
miltvuur bij deze diersoort in de eerste plaats
intestinaal. De bacillen kunnen zoowel
in de keelholte door de tonsillen, als (en gemakkelijker) in de dunne darm, door
de darmvlokken, door kliertjes en de noduli-lymphatici, het organisme binnen-
dringen, zonder hulp van andere bacteriën.

Aan de tonsillen treden dan zweervorming en zwelling op. De macroscopiese
veranderingen aan het darmslijmvlies zijn gewoonlijk gering en weinig karakteris-
tiek, de vorm der zweren is niet typies. Van uit de plaats van infectie woekeren de
bacillen in het omliggend weefsel en lymphvaten en vandaar naar de lymphklieren
van dat gebied. De bloedvaten blijven vrij en eerst door de ductus thoracicus
komen ze in de bloedbaan. Over het algemeen heeft de aandoening veel neiging
om locaal te blijven en beperkt tot de plaats van infectie en de eerstkomende lymph-
klieren.

ELsassEN en Siebf.l maken attent op het dikwijls locaal-blijven van miltvuur
bij het varken en het uitblijven van algemeene ziekteverschijnselen. Bij gezonde
geslachte varkens vonden ze soms een aangedane darmlymphklier met of zonder
necrotiese haarden en infiltratie van het darmscheil, in eenige gevallen met darm-
zweren, een en ander veroorzaakt door miltvuurbacillen, die (volgens proeven)
nog virulent waren.

-ocr page 284-

Bij de in den laatsten tijd in Duitsland optredende miltvuurgevallen bij varkens,
speelt volgens onderzoekingen, het voeren met vismeel een rol.

Behalve het varken is ook de rat weinig gevoelig voor miltvuur. Zwick besmette
subcutaan 66 ratten met miltvuur (Zeitschr. f. Infekt, kr. enz. der Haustiere. 1913-
14-2-3-) daarvan werden 27 ziek — bij 11 trad een meer chronische vorm van milt-
vuur op, die van 16—
38 dagen doodelijk verliep, met multipele, langs haematogene
weg ontstane haarden in verschillende organen, vooral in de lever. Bij de gezond-
gebleven dieren werden
72 dagen na de besmetting nog levende bacillen op de
entplaats gevonden; in de inwendige organen werden ze niet aangetroffen. Bij het
varken nam
Z. ook twee gevallen waar, waarbij uit de lever miltvuurbacillen werden
gecultiveerd. Een dezer dieren had geen ziekteverschijnselen gehad en had een chro-
niese haardvormige hepatitis met (voor muizen virulente) miltvuurbacillen.

Zwick meent dat chronies miltvuur, dat niet altijd lokaal behoeft te zijn, bij het
varken voorkomt en dat verschillende chroniese ziektegevallen met onbekende
oorzaak (of aan andere oorzaken toegeschreven) misschien op miltvuurinfectie
berusten. Hij vestigt de aandacht der collega\'s op dit punt. Voor de bacteriol.
diagnose wijst hij er op dat microscopies onderzoek, aanleggen van cultuur en
Ascoli-proef niet altijd voldoende zijn om verwisselingen met pseudo-niiltvuur
te voorkomen maar dat het
uit een prakties oogpunt noodig is de virulentie aan te
toonen door
muizen-enting (ook al zou men overigens van meening zijn, dat de
miltvuurbacil zijn virulentie kan verliezen en saprophyt worden).

Vrijburg.

Zur Behandlung des äusseren Milzbrandes.

GRär is het niet eens met Becker e. a. die bij „pustula maligna" de conserva:ieve
(afwachtende) methode aanraden. Hij behandelt de
„pustulae" als ze vroeg geioeg,
binnen ongeveer 3 dagen, in behandeling komen, met kalium-causticum-stift. Van
75 in een jaar behandelde gevallen, had hij 61 snelle genezingen (gewoonlijk zonder
algemeene verschijnselen — snel verdwijnen van het oedeem, alleen een necrotsche
korst, tengevolge van de kali-werking).

10 genazen na zware ziektesymptomen, 4 stierven.

Andere artsen hadden van 309 zoo behandelde gevallen, 13 dooden.

De miltvuurpuist lijkt in het begin op een gewone furunkel, maar is niet pijilijk
bij druk — heeft een ingezonken, donkergekleurde, necrotische kern, omg\'.ven
door een harde, geinfiltreerde, met een blaasje bedekte, wal.

De stompe, van boven met watten omwikkelde kali-stift wordt stevig op het
midden der puist gedrukt en gewreven — ongeveer een minuut lang. (Het is ioeH-
matig, het necrotische centrum vooraf met een schaar voorzichtig vlak af te lnip-
pen, en de omgeving voor de werking der kali te beschutten door eenige ltgein
hechtpleister). De bewerking is pijnlijk, maar toch dragelijk.

Komen in de eerste 24 uren na de behandeling, aan den rand weer blaasjes,met
daaronder harde plekken, dan heeft een na-branden van die plekken met de calii-
stift soms nog succes — zoo niet, dan kan de algemeene infektie niet meer wodein
verhinderd. Het Kali-causticum werkt ook in de naaste omgeving, en miide-r
lokaal, dan de Paquelin — is ook minder pijnlijk.

Münchener med. Woch. 1912 N°. 16, S. 870. Vrijburg

-ocr page 285-

Zur Frage der Desinfektion M ilzbrandsporenhaltiger Häute und Felle. (Zeitschr.
f. Hygiene u. Infekt, kr. der Haustiere.
1913, 13, y.S . 439.)

lieber die Desinfektion der Häute von Rauschbrandkadavern. (Arb. a. d. Kais. Ge-
sundheitsamt.
1913. 44. 2.)

Seveik vond dat de methode Seymone Jones om miltvuurhuiden te desinfec-
teeren, (oplossing van 0.02% sublimaat -)- 1% mierenzuur) niet vertrouwbaar is —
zelfs niet bij de 10 voudige hoeveelheid sublimaat en 48 uren inwerking.

De methode van Schattenfroh (oplossing van 2% H Cl 10% NaCl inwerkende
bij 22—23 C. temp.) was ook niet in staat, zelfs na 72 uren inwerking, runderhuiden
en niet ontvette schaapsvellen vertrouwbaar te desinfecteeren. Dunne huiden
werden door deze methode steriel, de bewerking is goedkoop en schaadt de huiden
niet.
S. is van plan met een meer geconcentreerde zoutzuur-oplossing, verdere
proeven te nemen.

Maasz deed proeven met verschillende desinfectie middelen voor huiden van aan
houtvuur gestorven dieren
en vond dat het meest geschikte voor de praktijk, een
mengsel is van zoutzuur en keukenzout. Een oplossing van 2% zoutzuur en 10%
keukenzout doodt binnen 24 uur alle boutvuurkiemen.

Vrijburg.

Die Empfänglichkeit der Schweine für Rauschbrand.

Volgens Arloing, Cornevin en Thomas zouden varken, hond, kat, konijn,
grijze muis, eend, hoen en duif, zeer weinig vatbaar (bijna immun zijn) voor bout-
vuur.

Bij het varken zijn door verschillende onderzoekers boutvuurgevallen waarge-
nomen en konijnen en duiven zijn ook met positief gevolg geënt.

Von Ratz infecteerde 9 varkens met materiaal (vers spiersap) van aan boutvuur
gestorven runderen — de dieren werden alle ziek, 2 dieren hadden geen zwelling
maar alleen kreupelheid — bij 7 ontstond aan de entplaats de voor boutvuur
eigenaardige crepiteerende zwelling, bij één was een geringe zwelling zonder verdere
verschijnselen — de overige 6 hadden alle hevige verschijnselen die op een algemeene
infectie wezen, 3 ervan stierven, de overigen herstelden.

(Zeitscht. f. Infekt, kr. enz. der Haustiere. 1913. 14-1 S. 1). Vrijburg.

Ueber plötzliches A uftreten einer gehäuften Zahl von Rauschbrandfällen.

Guillebeau maakt er op opmerkzaam dat dikwijls te weinig gelet wordt op het
feit, dat aan boutvuur gestorven dieren, bronnen van infectie kunnen zijn. Bij niet
zorgvuldige behandeling van het cadaver wordt de omgeving gemakkelijk met
sporen verontreinigd. Deze zijn dikwijls zeer virulent, en verliezen zelfs door een
overwintering hun virulentie niet.

Schweizer Archiv f. Tierh. 54. 11. Vrijburg.

Arsenical poisoning from Smelter-smoke.

Salmon zag bij paarden, grazende in weilanden in de buurt van arsenikum-fa-
brieken, zweren in den neus, dicht bij de onderste neus-openingen. Deze zweren
hadden soms ix/2—2 inch diameter, waren met korsten bedekt, waaronder een ne-
crotische massa en veel substantieverlies. Na genezing, was door lidteekencontractie

-ocr page 286-

het neusgat dikwijls scheef getrokken en soms bijna gesloten. In enkele gevallen
waren er zweren aan het neusmiddenschot, met perforatie van het septum. De
aandoening werd veroorzaakt door oplosbaar arsenicum bevattende stof, dat uit
de fabrieksrook op het gras neersloeg en zich bij het grazen als een grijszwart be-
legsel aan de binnenkant der neusgaten afzette. In de korsten en het necroties
weefsel van de zweren werd een hoog percentage arsenicum gevonden.
Salmon
mengde witte arsenicum met water, en bestreek daarmee de neusgaten van een paard
éénmaal daags gedurende 10 dagen. Na de inwrijving werd het dier 20 mimiten
vastgehouden om te verhinderen, dat het door schuren en wrijven het middel ver-
wijderde. Twee dagen na het begin der behandeling was er locale irritatie, na een
week een zweer, na twee weken een groote ulcus, precies gelijk aan die, veroorzaakt
door de rookstof in het weiland.

Runderen, onder dezelfde omstandigheden grazende, kregen geen neuszweren.
S. schrijft dit daaraan toe, dat runderen het gras niet zoo dicht bij den grond af-
bijten, en daardoor minder stof in den neus krijgen — hun huid is ook minder ge-
voelig, en bij irritatie zullen ze met hun bewegelijke tong de pijnlijke plek likken en
zoo de stof verwijderen. Bij schapen werden ook zweren gezien, gewoonlijk kleiner
dan die bij het paard. Bij mensen die veel in aanraking komen met arsenikhoudende
stof, werden ook zweren in den neus waargenomen, tegelijk met uitslag aan wangen,
oogen en lippen.

Amer. vet. review. May and June 1912. XLI. Vrijburg.

Azoturia in Work-Oxes.

Burson zag bij verschillende trekossen ziekteverschijnselen, gelijkende op de
(paralytische)
haemoglobinaemie van het paard, en onder dezelfde omstandigheden
optredend. De dieren verrichtten n.1. bij zware voeding, zwaren arbeid—hadden
toen enkele dagen rust, en werden daarna, onder het werk ziek.

Twee stierven binnen enkele uren. Bij de anderen, die herstelden, waren de
verschijnselen: kreupelheid, pijnlijke, hard-aanvoelende en gezwollen spieren
(vooral lenden-, kruis- en dijspieren) onzekere gang. — Geen koorts — eetlust vrij
goed. Een der dieren werd gedood. Sectie: nephritis, myositis, gezwollen milt en
teerachtige consistentie van het bloed. De voeding der dieren bestond uit gemalen
katoenpitten — andere runderen, die hetzelfde voedsel kregen, bleven gezond.

(Volgens Hutyra en Marek komen in de literatuur maar weinig vertrouwbaar
waargenomen gevallen bij ossen voor, waarbij de verschijnselen wijzen op boven-
genoemde ziekte. (Ref,).

Amer. vet. review, May 1912. XLI. 2. Vrijburg.

Castration de la jument par la voie inguinale.

ViNsOT vindt de gewone manier van castreeren van merries verwerpelijk, omdat
het bevestigen van het staande paard lastiger is en eerder aan ongelukken bloot-
stelt en omdat de vagina onmogelijk asepties is te maken. Hij probeerde daarom
met goed gevolg de operatie door de liesstreek en raadt deze nieuwe methode aan.

Recueil de med. vet. 1913 XC. 2 pg. 39.

Vrijburg.

-ocr page 287-

Veterinaire vraagstukken,

door

K. HOUBA.

Aan het slot mijner vorige beschouwing heb ik er kortelings
op gewezen, hoe bij de samenstelling der wet op het Veeartsenij -
kundig Staatstoezicht meer aandacht is geschonken aan de com-
merciëele belangen van den Landbouw dan aan algemeene sani-
taire belangen en hoezeer het verband tusschen den gezondheids-
toestand van den Veestapel en de algemeene volksgezondheid
is verwaarloosd.

Moge ook al eens in den loop der jaren het vermoeden zijn gerezen,
dat zekere instellingen de sanitaire belangen van den veestapel
bedreigden, moge zelfs in de jaarverslagen van het Veeartsenij-
kundig Staatstoezicht de meening zijn uitgesproken, dat eene
contrôle op samenmelkerijen, stoomzuivelfabrieken, coöperatieve
melkfabrieken of welken naam die instellingen ook voeren mogen,
dringend vereischte bleek, toch heeft ten slotte tot nu toe het
oeconomisch belang van den veehouder de bovenhand behouden.
Toegegeven moet intusschen worden, dat meerdere samenmelke-
rijen zelf dat gevaar hebben ingezien en dat het particulier initia-
tief op enkele plaatsen deze leemte in ons Veeartsenij kundig
Staatstoezicht heeft aangevuld. Doch deze goede voorbeelden
zijn uitzondering en hebben slechts weinig navolging gevonden,
vooral waar zulk toezicht voor vele leden met een doorkankerden
veestapel een ware ruïne zoude beduiden. Toch eisclit het sanitair
belang van den veestapel hier dringend ingrijpen al moge dat ook
met offers gepaard gaan. Ik stel mij voor daarop in het volgende
nader terug te komen, daar dit eenigszins samenhangt met hetgeen
ik over het gebrek aan verband tusschen den gezondheidstoestand
van den veestapel en de algemeene volksgezondheid wensch in
het midden te brengen.

Alles immers wat de wet van 1870 over dat verband bepaald
heeft, is te vinden in de tweede alinea van art. 10, hetwelk in dit
opzicht de volksgezondheid genoegzaam gewaarborgd achtte
door te bepalen, dat de districtveearts van eene voor menschen
gevaarlijke veeziekte aan den geneeskundigen inspecteur (sedert
1902 den inspecteur bij de Gezondheidswet belast met het toezicht
op de handhaving van de wettelijke bepalingen betreffende be-
smettelijke ziekten) zoude moeten kennis geven en met hem in
overleg zoude moeten treden over de te nemen maatregelen.

XLI 14

-ocr page 288-

De vaagheid van het voorschrift reeds springt duidelijk in het
oog als men er op wil letten, dat nergens bepaald wordt welke
veeziekten voor menschen gevaarlijk worden geacht en dat nergens
eenig nader voorschrift woïdt gegeven over het gemeenschappe-
lijk overleg betreffende de te nemen maatregelen tusschen den
districtsveearts en den inspecteur. Daarenboven, zoude men de
vraag kunnen stellen of die bepaling alleen op het oog heeft zoo-
danige veeziekten, welke onmiddellijk — d.w.z. door het enkele
feit van het bestaan der ziekte — voor den mensch gevaarlijk zijn,
of dat daarmede ook worden bedoeld de zoodanige, welke ook
middellijk — d.w.z. door gebruik van daarvan afkomstig vleesch
of melk of anderszins — gevaar voor de volksgezondheid kunnen
opleveren.

Doch zelfs bij de zuiverste opvatting dier bepaling in laatst-
gemelden zin, dient men er op te letten, dat er groot meenings-
verschil bestaat over het gevaarlijke of contagieuse karakter
van veeziekten ten opzichte van menschen, zelfs indien die ziekten
werkelijk besmettelijk zijn voor den veestapel.

En ten slotte komt daarbij nog het feit, dat zelfs niet alle vee-
ziekten, welke besmettelijk zijn voor den veestapel, door het
Koninklijk Besluit van 1896 zijn aangewezen als vallende onder
de werking der wet van 1870.

De wetenschap, welke reeds lang heeft vastgesteld, dat de
tuberculose onder het vee met betrekking tot den veestapel
eene besmettelijke ziekte is, is nog lang niet geneigd te verklaren, dat
dezelfde veetuberculose "eenzelfde gevaarlijk en besmettelijk ka-
rakter toont ten opzichte van de menschen. Of mond- en klauw-
zeer ten opzichte der menschen eene gevaarlijke ziekte is, is even-
eens niet boven allen twijfel verheven.

En toch wordt de veetuberculose niet, het mond- en klauwzeer
wel onder de besmettelijke veeziekten gerangschikt, terwijl de
wetenschap eerder geneigd zou zijn de tuberculose gevaarlijker
voor de menschen te achten dan het mond- en klauwzeer.

Zoo ziet men, dat zelfs bij het heerschen van besmettelijke veeziekten
het voorschrift van art. 10 naar gelang van de meening van den
betrokken districtsveearts toepassing zal vinden of niet.

Men moge dan over het gevaarlijke karakter van meerdere
veeziekten van meening verschillen, de meeningen van voor- en
tegenstanders naast elkander plaatsen, hun beiderzijdsche argu-
menten in de weegschaal leggen tot bepaling van hun gewicht
aan meerdere of mindere aanneembaarheid en bewijsbaarheid,
zoolang daaromtrent nog geene
definitieve gegevens aanwezig zijn,

-ocr page 289-

zal in sanitair opzicht de meest mogelijke reserve in acht moeten
worden genomen.

Geen enkele, zelfs ter zake zeer deskundige zal ieder verband
tusschen de voortwoekerende tuberculose onder de menschen en
het vee
beslist durven ontkennen; niemand, die het, — bij den
huidigen stand der wetenschappelij ke gegevens — wagen zal
b.v. open uiertuberculose ongevaarlijk te achten voor menschen,
al moge hij overigens een voorstander zijn der stelling, dat de vee-
tuberculose in het algemeen door melkgebruik niet kan worden
overgebracht op den mensch.

Indien dus mijne beschouwing meer ten doel had de quaesties
uit de tweede alinea van art. 10 voortspruitende aan een nauw-
keurig onderzoek te onderwerpen, dan zoude daaromtrent nog
tal van opmerkingen ook van meer wetenschappelij ken aard
zijn te maken.

Nu evenwel mijne beschouwing meer in het algemeen wenscht
in het licht te stellen de voornaamste aangelegenheden, waar
het gebrek aan verband tusschen den gezondheidstoestand van den
veestapel en de algemeene volksgezondheid in het practische leven
wordt gevoeld, is het voorgaande voldoende om aan te toonen,
hoe weinig waarde is te hechten aan de bepaling, waarmede de
wetgever van 1870 meende zoodanig verband te hebben aange-
bracht.

Te verwonderen blijft het intusschen, dat de wetgever zoo
lang verzuimd heeft, den schakel te slaan, welke beide belangen
nauwer kon verbinden en zoolang blind is geweest voor de sani-
taire zijde van het vraagstuk van Veeartsenij kundig Staatstoezicht.

Te meer verwondering moet dit baren waar in de laatste jaren
dat verband meer op den voorgrond is gebracht door de gebleken
dringende noodzakelijkheid om het vleesch, voor de consumptie
bestemd, aan eene Rijkskeuring te onderwerpen.

Wel heeft, wat de Rijkswetgever zoo lang heeft verwaarloosd,
de gemeentelijke wetgever trachten aan te vullen door gemeen-
telijke verordeningen, doch zulks is, vooral ten plattelande niet
overal het geval. Daarenboven heeft de ondervinding geleerd,
dat door de ongelijkvormigheid der voorschriften, door de meer
of minder strenge toepassing of het ongeregelde toezicht en meerdere
andere factoren, de algemeene werking in tal van gevallen wordt
illusoir gemaakt.

Over de noodzakelijkheid eener Rijkswetgeving op dat gebied,
geldend voor het geheele land, bestaat dan ook geen twijfel meer
en te verwonderen is het slechts dat bij deze communis opinio.

-ocr page 290-

zoolang gedraald wordt een einde te maken aan de misstanden,
welke op dit gebied heerschen.

Eigenaardig is het ten slotte, dat het ontwerp van Wet op
de vee- en vleeschkeuring, ofschoon gevolg van langgevoelde
behoefte en herhaaldelijk uitgesproken wensch in onze
volksvertegenwoordiging, nog steeds wacht op openbare
behandeling.

Het ongunstig oordeel, dat intusschen over dat ontwerp van
Wet
in zijn tegenwoordigen vorm is geveld door de Maatschappij
ter Bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland, kan zeker
door tegemoetkoming aan de geenszins onoverkomelijke bezwaren
en eischen, worden gewijzigd, temeer waar dat oordeel is geba-
seerd op de minder consequente doorvoering en toepassing van
het overigens te beamen beginsel der wet.

Gevorderd wordt voor eene goede werking dier wet op de eerste
plaats, dat hare toepassing zij eene strikt algemeene en eene zoo
gelijkvormig mogelijke in geheel het land; dan is noodig, dat aan
haar worden onderworpen alle slachtingen, onverschillig waar
en onder welke omstandigheden plaats vindend, dat hare uit-
voering zooveel mogelijk worde gecentraliseerd en overal dezelfde
vereischten worden gesteld.

Maar dit alles zal niet voldoende blijken en blijvend en volledig
succes zal niet worden verkregen, indien met de uitvoering niet.
worden belast die personen, die door hun wetenschappelijke op-
leiding en vorming de aangewezen uitvoerders behooren te zijn,
indien niet ten eenenmale worde gebroken met het systeem der keur-
meesters, wier kennis slechts op practische oefening, op machinaal
werken en geenszins op eenige meer wetenschappelijke kennis
is gebaseerd.

Vooral waar thans ter onderkenning van menige ziekte zelfs
de man der veterinaire wetenschap voor vraagpunten wordt ge-
steld, welke van hem het meest nauwgezette onderzoek eischen,
zal het meer en meer veldwinnend instituut der keurmeesters
geen deugdelijken waarborg opleveren, dat werkelijk de meest
mogelijke voorzorgen voor de algemeene volksgezondheid worden
genomen.

En zelfs zoude het nog de meeste aanbeveling verdienen, dat alle
slachtvee levend werde gekeurd voor de slachting, alvorens eenige
nadere keuring van het vleesch toe te laten.

Ik geef toe dat al deze vereischten groote moeilijkheden met
zich brengen, doch afdoend zal deze zoo gewichtige aangelegenheid
ook niet met halve maatregelen kunnen geregeld worden en op

-ocr page 291-

haar zal toepasselijk zijn te verklaren het ,,aux grands maux,
les grands remèdes".

Een tweede punt, niet alleen allerbelangrijkst voor de sanitaire
gesteldheid van den veestapel, doch ook noodig voor de algemeene
volksgezondheid is het door mij boven reeds besproken toezicht
op wat men onder den algemeenen naam „samenmelkerijen" kan
samenvatten.

Het is zeker reeds een verblijdend feit, dat dit meerdere toezicht
niet slechts door de met de uitvoering der wet van 1870 belaste
districtsveeartsen herhaaldelijk als noodig en nuttig is aangeprezen
en door die ambtenaren op wettelijke maatregelen te dien aanzien
is aangedrongen, doch dat ook in belanghebbende kringen reeds
de meening ingang heeft gevonden en is doorgedrongen, dat ein-
delijk een einde moet gemaakt worden aan meer dan ergerlijke
toestanden, welke het gevolg zijn van het niet tijdige volgen van
wetenschappelijke en deskundige raadgevingen.

De onoordeelkundige raadgevingen der landbouwspecialiteiten
die slechts oog hadden voor het onmiddellijk nuttig effekt van
zoodanige instellingen en daarbij de voornaamste sanitaire be-
langen verwaarloosden, hebben van de samenmelkerijen gemaakt
haarden van besmetting, welke hun verkankerenden invloed hebben
doen gelden tot groot nadeel voor den algemeenen gezondheids-
toestand van den veestapel en tot gevaar voor de algemeene
volksgezondheid.

En toen men eindelijk aan die zijde tot het inzicht kwam, dat
er iets niet in den haak was met het bedrijf en dat de daartoe
behoorende veestapel één algemeen ziekteproces vertoonde, heeft
men getracht door pasteuriseering van de bijprodukten de verdere
verbreiding van die ziekteprocessen tegen te gaan en daarna trium-
fantelijk de loftrompet gestoken over de behoorlijke waarborgen,
welke de pasteuriseering verleent tegen de voortwoekering van even-
tuëele ziektekiemen, afkomstig van tot de instelling behoorend vee.

En zoo werden dan de verstrekkende maatregelen, welke ge-
eischt werden door de mannen der veterinaire wetenschap met het
oog op de sanitaire belangen van den veestapel en vooral voor
de afnemers der instellingen, hooghartig door onze landbouwspe-
cialiteiten afgewezen.

Immers wat de veterinaire deskundige mannen eischten, waren
niet waarborgen voor de
verspreiding der ziektekiemen, doch dat
waren op de eerste plaats waarborgen voor eene zoo volledig
mogelijke
bestrijding der veeziekten, dat waren de preventieve
maatregelen, welke van de samenmelkerijen verre hielden alle

-ocr page 292-

verdacht en clinisch ziek vee, hetwelk tot nu toe zijn producten
met die van het goede en gezonde vee te zamen kon brengen en
zoodoende meer als winstgevende zaak dan als gevaarlijke produ-
cent en drager van ziektekiemen door de veehouders-leden dier
instellingen werd beschouwd.

Van het geldelijk standpunt der betrokken personen beschouwd,
waren die voorgestelde maatregelen zeker hard, maar getoetst
aan en geplaatst naast de grootere en algemeenere belangen, ten
wier behoeve die maatregelen waren voorgesteld, lag daarin de
overtuigende kracht, welke zij gebleken heeft te bezitten.

Maar waar zooveel particuliere belangen botsen met die maatre-
gelen, welke nuttig en noodig zijn en wier noodzakelijkheid geen
vraagpunt meer mag zijn, voor hem die niet is blindgestaard op
dat oogenblikkelijk geldelijk nut, daar is de wetgever verplicht in
het algemeen belang in te grijpen, nu het particulier initiatief
te kort schiet, om datgene te doen, wat het algemeen belang te
dezen opzichte eischt.

Nu grijpe de wetgever in en stelle alle tot die instellingen be-
hoorend vee onder voortdurende controle van ter zake deskundigen,
nu gebicde zij een veterinair deskundig onderzoek, voordat door
langer uitstel onherstelbaar nadeel aan den veestapel is toege-
bracht, dat in verre toekomst zijn invloed zal doen gelden.

Ik heb in vorenstaande regelen in zeer korte trekken trachten
aan te toonen, welke beide groote factoren in ons tegenwoordig
Staatstoezicht zijn verwaarloosd geworden, waardoor over het
algemeen dat wettelijk geregeld toezicht iets onsamenhangends,
ondoelmatigs en onvolkomens heeft verkregen.

De oorzaken van dezen achterstand zijn meerdere en vereischen
een meer uitgebreidere bespreking, dan dat ik ze nu als slot. tot
deze beschouwing zou gaan gebruiken, waardoor meerdere kort-
heid zoude moeten worden betracht.

Ik stel mij daarom voor, om ze als onderwerp, — naast een
korte meening over het veeverzekeringswezen — voor een derde
beschouwing te bewaren.

Maastricht, Januari 19x4.

-ocr page 293-

Beschouwingen naar aanleiding van eene worstvergiftiging
veroorzaakt door een virulente Coliachtige bacil,

door

Dr. S. G. ZWART, te Arnhem.

In Juni j. 1. werd mij een stuk leverworst ter hand gesteld met
het verzoek te willen onderzoeken of de bacteriologische toestand
van deze worst ook de zich voorgedaan hebbende vergiftigings-
verschijnselen bij de familie v. d. B. te E. zou kunnen hebben te-
weeggebracht. Door de welwillendheid van den arts Dr. B. te D.
werd mij het navolgende omtrent bedoelde vergiftiging bekend.

Alle leden van het huisgezin der genoemde familie, zijnde 4 per-
sonen: moeder, oudste zoon, jongste zoon en vader hadden van de
worst gegeten.

De moeder heeft na het gebruik hevig gebraakt, terwijl een
enorme diarrhee met küitkrampen, echter geen collaps optrad. Het
braken heeft lang aangehouden en is na 2 dagen weer teruggekomen
na het gebruik van tannogeen met c.a. 7 mgr. calomel, terwijl
ook de tot staan gekomen diarrhee weder terugkwam (15
X in 1
a 2 uur). Daarna volgde spoedig herstel.

De oudste zoon heeft eenigc uren in geringen collaps gelegen.
Zeer snelle kleine pols (120) en koude extremiteiten. De toestand
van collaps verdween eerst weer na een intramusculaire inspuiting
van 200 c c Ringer-oplossing met 1 cc 1 % adrenaline-oplossing.
De patiënt had tevens onstilbaar braken en hevige diarrhee met
kuitkrampen. Ook bij hem kwam na het gebruik van de tannogeen
met calomel de diarrhee terug.

De temperatuur steeg tot 390, was echter na 2 dagen tot de ge-
wone hoogte gedaald, waarna spoedig herstel met nablijvende
slapte volgde.

De jongste zoon heeft eenige malen gebraakt en een paar maal
diarrhee gehad, vertoonde overigens niets abnormaals.

De vader is in het geheel niet ziek geweest.

Aan het mij ter hand gesteld stuk leverworst, een aangesneden
stuk van ongeveer 0.4 K.G. was macroscopisch niets bijzonders
te bespeuren. De worst had een normaal uiterlijk, terwijl ook
consistentie en reuk normaal waren.

Eerst werd een microscopisch praeparaat der worst gemaakt,
teneinde een indruk te krijgen van het bacterie-gehalte der worst
(telling der kolonies in later te gieten platen is natuurlijk beter,

-ocr page 294-

maar daar het niet gaat om het juiste aantal bacteriën, naar mijn
meening overbodig). Een weinig der worstinhoud werd op een
voorwerpglas uitgestreken, in de vlam gefixeerd, ontvet, en met
verdunde carbolfuchsine gekleurd. In dit praeparaat konden, of-
schoon vrij zeldzaam, lange bacillen aangetoond worden.

De worst werd nu gehalveerd en met het aan één eind door den
darmwand geheel omgevene gedeelte verder gearbeid.

Van de sneevlakte werd een gedeelte der worst afgebrand en
dit met een steriel mes afgesneden. Op steriele wijze, uit het mid-
den. zoowel als van de kanten genomen stukjes werden voor een
gedeelte op schuins gestolde agar gebracht en voor een ander ge-
deelte met io cc. bouillon geschud, waarna de bouillon ter ver-
krijging van „Anreicherung" ongeveer 3 uur bij 370 werd ge-
laten. Van deze bouillon werden agar- en gelatineplaten gegoten,
terwijl een gedeelte 20 minuten op 70° verhit werd om de sporen-
vrije organismen uit te schakelen en de sporen vormen de over
te houden en zoo doende omtrent de eigenschap „sporenvor-
ming" der te vinden microorganismen nader te worden ingelicht.

Als resultaat van dezen arbeid konden 2 soorten van micro-organis-
men worden aangetoond. De overhand bleek te hebben een groote
plompe sporenvormende bacil die voor muizen niet pathogeen was
(vertoonde veel overeenkomst met Bac. mesenteroides). Voorts
deed zich voor een korte dikke, voor muizen pathogcnc, niet sporen-
vormende bacil.

De worst, met brood (ongeveer van elk 4 G.) in kleine hoeveel-
heden aan een muis gevoederd deed reeds na 24 uur ziektever-
schijnselen bij deze opwekken, terwijl de dood na 36 uur intrad.

De opgetreden ziekteverschijnselen bestonden in het aanwezig
zijn van een dor baarkleed, samengekleefde oogleden en geduren-
de de laatste uren voor den dood, niet meer reageeren op uitwendige
prikkels. Bij de sectie konden als afwijkingen slechts een lichte
enteritis en een gezwollen milt geconstateerd worden.

Onmiddellijk na het intreden van den dood, hetgeen door mij
werd bijgewoond, werd de milt op steriele wijze verwijderd en van
de miltpulpa culturen aangelegd. Uit de miltpulpa bleek nu te
groeien een reincultuur van korte dikke bacillen, waarvan depatho-
geniteit voor muizen op hun beurt weer aangetoond werd.

Deze bacil en de dadelijk uit de worst geïsoleerde korte dikke
bacil werden nader onderzocht en bleken nu de zelfde navol-
gende eigenschappen te hebben, zoodat wel mag worden aange-
nomen, dat wij met hetzelfde micro-organisme te doen hadden
en tevens dat de ziektesymptomen, welke door het gebruik van

-ocr page 295-

deze worst bij den mensch optraden aan deze bacil toe te schrijven
zijn.

De bacil dan bleek te zijn: bewegelijk, (bewegelijker dan nor-
maliter B.-coli commune, echter niet zoo bewegelijk als typhus-
bacillen). niet sporen vormend, Gram negatief, met de andere
gebruikelijke kleurstoffen gemakkelijk ofschoon ongelijkmatig
kleurbaar.

Omtrent de groei het volgende:

Deze is zoowel bij kamertemperatuur als bij broedstooftempera-
tuur krachtig. In agarplaten ontstaan lichtgrijze koloniën met ge-
kartelde randen. In steek agar wit-grijze, geen uitloopers vormen-
de cultures. Op schuins gestolde agar uitgestreken, een blauw-
achtig grijze band, met troebeling van het condenswater. De vorm
der kolonies op gelatine doet aan wijnbladeren denken, anders
verhoudt de bacil zich tegenover gelatine als tegenover agar, ver-
vloeit deze niet. In bouillon ontstaat een diffuse troebeling. Melk
wordt gecoaguleerd onder gasvorming.

Indol wordt gevormd (aangetoond door toevoeging van i cc.
0.02 % kaliumnitriet oplossing en i cc. 25% zwavelzuur aan 10
cc. pepton-bouillon cultuur en uitschudden met amylalcohol.)

De bacil doet melk- en druivensuiker gisten. In Lackmusmolke
nach Petruskv (van Dr.
G. Grürt.er & Co Leipzig) ontstaat een
blijvende intensieve roodkleuring.

Op Endo-agar: roode kolonies op roodachtige voedingsbodem.

De bacil bleek voor caviac veel minder pathogeen dan voor
muizen, want caviae subcutaan ingespoten met 4 cc. van een 24
uur oude pepton-bouilloncultuur, vertoonden de eerste dag wel
ziekteverschijnselen, herstelden echter volkomen.

De uitgebreidheid van mijn onderzoek is uit den aard der zaak.
vooral waar het de dierproeven betreft en door de beschikbare
tijd aan bepaalde relatief enge grenzen gebonden. Het is dan ook
niet om de methode van onderzoek dat ik genoemde worstvergifti-
ging beschrijf, als wel om de beschouwingen welke ik naar aan-
leiding er van meen te moeten houden.

Toch meen ik met gerustheid te mogen aannemen, dat de ziekte-
verschijnselen, welke zich bij de leden der familie v. d. B. te E. heb-
ben voorgedaan, zijn teweeggebracht door een coliachtige bacil
welke een zekere graad van virulentie bezit. De andere leden, dan
de Coli-achtigen, der Typhus-Coli-familie, waaronder ook de
om hunne vleeschvergiftigende eigenschappen zoo beruchte Para-
typhus B.-enteritidis-groep meen ik te mogen uitsluiten wegens de
geconstateerde indolvorming en verkregen bovenvermelde resul-

-ocr page 296-

taten na enting op de volgende voedingsbodems: Lackmusmolke
naar Petrusky, Endo-agar, in melk, in druiven- en in melksuiker.

Ik betreur het echter ten zeerste, dat mijne daartoe in het werk-
gestelde pogingen om serum der patiënten te verkrijgen, op moei-
lijkheden zijn afgestuit en ik dus door het ontbreken der agglutina-
tieproeven een krachtig bewijs van het bovenstaande mis. Daar
genoemde worst, zelfs bij de meest nauwkeurige inspectie geen af-
wijkingen vertoonde, moet ik tot dezelfde conclusie komen als
Van
der Slooten
(Tijdschr. v. Veeartsenijk. Deel 39 afl. 17) waar hij
zegt, dat de best georganiseerde keuringsdienst van toebereide
vleeschwaren niet in staat is dergelijke (hij behandelt een rook-
vleesclivergiftiging) vergiftigingen te voorkomen. Alle worsten etc.
zijn toch niet bacteriologisch te onderzoeken.

Zeer goed wordt dit ook gedemonstreerd door het gebeurde te
Gent in 1894. Een slachthuisinspecteur verklaarde een cervelaat-
worst (waaraan de ziekteoorzaak van 12 personen werd toegeschre-
ven), omdat er macroscopisch niets bijzonders aan was te bespeuren,
voor de consumptie geschikt. At zelf, om de juistheid van zijn ge-
zegde te bewijzen, 2 stukjes en stierf onder cholera-achtige ver-
schijnselen.
Gaertner toonde in de worst, zoowel als in het bloed
en de organen van het cadaver een zeer virulente Bac. enteritidis
aan.
(Würzburger Abhandlungen VIII Heft ®/4).

Daarmede is echter nog niet toegegeven de juistheid der be-
wering van
Van der Slooten, dat ook geen algemeene Rijks-
keuring dergelijke vergiftigingen zou voorkomen. Om dit te be-
wijzen, zou men moeten aantoonen, dat het vleesch van vleesch-
vergiftiging veroorzaakt hebbende vleeschwaren afkomstig was
van een gezond dier. Al is de volledige casuistiek der vleesch-
warenvergiftigingen uit den aard der zaak (immers de herkomst
van het vleesch is niet zoo gemakkelijk vast te stellen, als bij
vleeschvergiftigingen) niet zoo groot, toch is het sprekend, dat
voor zoover mij bekend is, geen geval vermeld is in de literatuur,
waarbij positief is aangetoond dat het vleesch, waaruit b.v. een
vleesch vergiftiging veroorzaakt hebbende worst is samengesteld,
afkomstig is van een gezond dier. Daarentegen is van de navolgen-
de vleeschwarenvergiftigingen wel bekend dat het vleesch af-
komstig is van een ziek of in nood geslacht dier. En wel van die van
Neunkirchen (Drigalski 1903) Röhirdorf (Gaffky & Park 1885) Lahr
(Bollinger 1866) Garmisch (1878) Gruiszbeckerzell (1876) Piesen-
kam (1891) Friedberg (1890) Bischofswerda (1894) Kempen (1896)
etc. Genoemd vleesch behoeft daarom nog niet intra-vitaal geïn-
fecteerd te zijn, zelfs is het meer plausibel dat het post mortem

-ocr page 297-

geïnfecteerd is (zie mijn artikel in het Tijdschr. v. Veeartsenijk.
Deel 40 Afl. 16). Het toebereide vleesch, afkomstig van sommige
zieke dieren, verleent aan dit vleesch infecteerende micro-organis-
men vleesch vergiftigende eigenschappen.

Verklaard is daarmede tevens, waarom alle deelen van een ziek
dier, nog geen vleeschvergiftiging behoeven te geven (kunnen n.1.
onder verschillende omstandigheden verkeeren).

Het is natuurlijk overbodig te vermelden, dat het positieve be-
wijs van het bovenstaande alleen geleverd kan worden, wanneer
men aantoont dat een avirulente paratyphus B stam bijvoorbeeld,
op vleesch van sommige geslachte zieke- of in noodgeslachte dieren
gebracht, werkelijk pathogeen wordt, met welk onderzoek ik mij
dan ook bezig houd. Toch lijkt het mij niet geheel nutteloos er op
te wijzen, dat de omstandigheden waaronder ook vleeschwaren-
vergiftigingen zich openbaren er op wijzen, dat een dergelijke wer-
king moet bestaan. Deze voorstelling nu der genesis der vleesch- en
vleeschwarenvergiftigingen heeft dit voordeel boven de andere
evenmin nog onomstootelijk vaststaande opvattingen, dat ze voor
zoover mij bekend niet strijdig is met de omstandigheden waar-
onder zich, welke vleesch(waren)vergiftiging ook, heeft geopen-
baard.

Begrijpelijk wordt zoo ook de volgens Ostertag (Handbuch der
Fleischbeschau 5de druk bldz. 629) onverklaard gebleven vleesch-
vergiftiging van
Friedberg in 1890.

21 Personen werden ziek door het eten van gezouten vleesch
en worst van een wegens naziekten van mond- en klauwzeer in
nood geslacht rund, terwijl zich bij personen, welke het versche
vleesch van dit dier gegeten hadden, geen ziekteverschijnselen
openbaarden. Het vermogen om aan infecteerende bacteriën
ziekteverwekkende eigenschappen te verleenen, bezat natuurlijk
al het vleesch, maar de kans dat deze verleend zouden worden, was
bij de worst en het gezouten vleesch grooter dan bij het versche
vleesch (grooter oppervlak — langer bewaard onhygiënische
cautele).

Het wil mij voorkomen, dat het hebben van vleeschvergiftigen-
de eigenschappen veel frequenter is, dan men wel eens aanneemt
en absoluut niet tot de micro-organismen der Paratyphus
B-enteritisgroep beperkt is, maar dat ze ons bij andere micro-organis-
men dikwijls ontgaan omdat ze daar niet in zoo hevige mate aan-
wezig zijn. Het bovenbeschreven geval bewijst echter hun aan-
wezig zijn bij Coliachtige bacillen. Ook
Scheef (Med. Korespondenz-
blatt des Württ.-Arztl. Landesvereins 1896) vond Bac. coli in tot

-ocr page 298-

vleesehvergiftiging aanleiding gegeven hebbende leverworst (naast
Bac. enteritides en streptococcen).

Waargenomen werden genoemde eigenschappen verder door Levi
en Pfuhl bij Bac. proteus vulgaris, door Hamburger bij Bac.
cellulaeformans,
Pouchet bij Coccobacillus suinum, Denijs bij
staphylococcus pyogenes albus en door
Kuborx bij staphylo-
coccus pyogenes flavus en albus.

Oppervlakkig zou men denken dat colibacillen, stammende uit
het darmkanaal, veelvuldig in worst zouden moeten voorkomen.
Wanneer echter de darmen goed schoongemaakt en gezouten zijn,
komen ze in worst, van vleesch van gezonde dieren gemaakt,
niet voor. J.
C. v. d. Slooten (Bakteriologische Wurstuntersuchung
I. D. Bern 1907) vond er bij zijne onderzoekingen geene.

Toch hebben andere onderzoekers wel een enkele maal coli-
achtige bacillen in worst aangetroffen. Daar zij ze echter ook in
leverworst vonden en coliachtige bacillen niet sporenvormend zijn,
terwijl voor de bereiding van goede leverworst een verblijf van
minstens 20 minuten bij 8o° vereischt is, dient te worden be-
twijfeld of deze bacillen wel uit het darmkanaal afkomstig waren.

In aanmerking genomen, dat de leverworst in kwestie den in-
druk gaf in goed schoongemaakte darmen te zijn gestopt, dat de
leverworst tot de gekookte worsten behoort, dat zelfs leverworst
van het vleesch van een aan colibacillosis gestorven kalf geen coli-
bacillen bevatte (J. C. v. d.
Si.ooten 1. D. Bern 1907) mede in ver-
band met het hierboven besprokene, is het mijn meening, dat de
bewuste leverworst der fam. v. d. B een goed toebereide worst is,
waarvan het vleesch afkomstig is van een ziek of in noodgeslacht
dier, terwijl de worst van buiten af is geïnfecteerd.

Ik ben in deze meening gesterkt door de lezing van de verdere
onderzoekingen van J. C.
van der Slooten met den leverworst
gemaakt van vleesch van een aan Colibacillosis gestorven kalf.

Bedoelde worst bevatte geen voor muizen pathogene bacteriën,
echter na 5 dagen bewaard te zijn, stierven 2 muizen, subcutaan
met worstmateriaal geënt aan een Bac. proteus septichaemie.
Oorspronkelijk waren er in de worst geen proteus bacillen. De worst
is dus later geïnfecteerd met proteusbacillen en heeft door hare
specifieke gesteldheid (afkomstig van een aan colibacillosis gestor-
ven kalf) vleeschvergiftigende eigenschappen aan die proteus
bacillen verleend.

De proteusbacillen van deze worst zijn dus te vergelijken met
de colibacillen der worst van de familie v. d. B.

Volgt uit bovenstaande, dat eene algemeene Rijksvleesch-

-ocr page 299-

keuring, welke zich tot taak stelt, vleesch, dat pathogene micro-
organismen bevat of het vermogen bezit aan micro-organismen
pathogene eigenschappen te verleenen, van de consumptie
uit te sluiten, niet alleen de vleesch- maar ook de vleesch-
warenvergiftigingen tot een minimum zal doen reduceeren. Het-
geen echter niet wegneemt dat ook met den voor het ontstaan van
een vleesch(waren)vergiftiging meestal vereischten tweeden fac-
tor, n.1. de infectie van buitenaf, dient rekening gehouden te wor-
den, zoodat de strekking der Rijksvleeschkeuringswet ook in die
richting moet zijn, dat zorg gedragen wordt, dat zoowel de be-
waring als de bereiding van vleeschwaren zoo hygiënisch mogelijk
geschiede.

Augustus 1913.

Een geval van klaververgiftiging bij het paard,
(Schweinsberger Krankheit ?)

door

J. C. NUMANS.

Daar in de laatste jaren door gebruikmaking van kunstmest-
stoffen meer en meer heidegrond wordt ontgonnen en een groot ge-
deelte daarvan tot weiland wordt gemaakt, waarop behalve gras
veel klaversoorten worden uitgezaaid, lijkt mij het bovengenoemd
ziektegeval niet alleen uit een veeartsenijkundig, doch ook uit een
landbouwkundig oogpunt van belang en vermeldenswaard, aange-
zien een dergelijke voor eenige jaren aangelegde weide de oorzaak
was van het optreden dezer ziekte, die als hier volgt zich voordeed.

Van de 55 jonge Iersche paarden, die vanaf eind Mei j.1. nabij
Apeldoorn bij den Heer v. d. V. gezamentlijk werden geweid, kreeg
ik 6 Augustus bericht, dat N°. 579, 3-jarige bruine merrie, ziek was.

Den volgenden morgen werd het paard door mij bezocht en tijdens
het voortgezet onderzoek de volgende
anamnese vernomen:

Het was den weide-eigenaar en militairen oppasser, die de paarden
dagelijks observeerden, opgevallen, dat N° 579 gedurende de laatste.
5 a 6 weken in voedingstoestand achteruitging en er dikwijls loom
en slaperig bijstond. De eetlust was echter goed en de pogingen,
die werden aangewend om het dier in handen te krijgen en te laten

-ocr page 300-

onderzoeken, waren niet gelukt; het paard werd dan ook niet bepaald
voor ziek gehouden.

Toen echter 5 Aug. de paarden werden verweid en N° 579 toe-
vallig achterbleef, doordat het nog eerst ging drinken, werd van
die omstandigheid partij getrokken het te isoleeren en op te vangen,
waarna het in een ruimen stal werd losgelaten om het bij een der
wekelijksche inspecties aan den dienstdoenden paardenarts te
laten zien.

Behalve de vermagering konden noch de weide-eigenaar, noch
de weide-wachter iets bijzonders aan het paard bespeuren; de eet-
lust was goed, gesneden gras en haver werden met graagte gegeten,
de avondtemperatuur was 37°.8.

Den volgenden dag, 6 Aug. vertoonde het dier op stal echter een
onzekeren gang en liep tegen de krib en stalwand aan, de eetlust
was totaal verdwenen, alleen werd nog een weinig water gedronken;
de temperatuur was 38°. 6 en de vermagering nog meer in \'t oogval-
lend.

Status -praesens op 7 Augustus.

Het toegedekte vermagerde dier lag in den ruimen gesloten stal
op den rijk met turfstrooisel bedekten vloer in halve borstligging
naar rechts, het hoofd met den mond steunend op den grond. Het
openen van de deur en afnemen van het dek liet patiënte achteloos
toe, zonder van houding te veranderen, hetgeen wees op groote
mate van sopor. Ook bij het opnemen van den pols, welke klein en
onvoelbaar was, 45 slagen in de minuut, en het bezichtigen der geel-
rood gekleurde conjunctivae was het dier absent. Het aantal diepe
ademhalingen bedroeg 14, de temperatuur 38°.9, de hartslag was
bonzend. De huid van neus en voorhoofd, vooral op de oogbogen
was geschaafd. Patiënte bleek over het geheele lichaam gevoel-
loos voor speldeprikken, reageerde echter bij steken van den vinger
diep in het oor door optillen van het hoofd en dit zwaarmoedig
heen en weer te schudden; bij herhaald insteken richtte het zich
van voren en daarna geheel doch onzeker op. Bij het naar buiten
brengen bleek de gang waggelend, de beenen werden daarbij ver
uiteen gezet. De pupillen waren verwijd, terwijl een onaangename
ichoreuse lucht uit den mond kwam; de lippen waren een weinig
gezwollen en niet geheel gesloten. Hoewel patiënte tegen veel voor-
werpen aanliep, zag ze toch nog wel de grootere als hoornen en hek-
ken. Buiten den stal eenmaal in gang gebracht, stapte zij in het
nabijgelegen weitje onzeker in een cirkel rond. Over \'t geheel was
het dier buiten den stal levendiger dan tevoren. Het openen der
mond lokte verzet uit, de tong bleek aan de punt gewond, livide

-ocr page 301-

van kleur, met oppervlakkige stinkende slijmvlieserosies, ver-
moedelijk door klemmen tusschen de snijtanden ontstaan; overigens
vielen daar geen afwijkingen te bespeuren. Het verzet uitte zich
in naar voren dringen en aannemen van een eigenaardigen hoogen
gang (Spaansche tred).

Het laten halen van een emmer water in den nabijgelegen vijver
wekte eene ongewone levendigheid op. Patiënte liep zwak hinne-
kend naar het hek den oppasser tegemoet en stak gretig den mond
in den emmer, krampachtige pogingen aanwendend om te drinken,
hetgeen echter niet gelukte en na 3 vergeefsche pogingen werd
opgegeven, waarna de toestand van lusteloosheid weder intrad.

Er bleken dus duidelijk slikbezwaren te zijn en groote behoefte
aan drinken.

Door middel van een trechter en dunne slang werd daarom door
mij beproefd om door de neus water in den slokdarm te brengen.

Het invoeren van de slang ging goed doch bij laten doorloopen
van water trad weder hevig verzet op. Rij het daarna ingestelde
rectaal onderzoek bleek het rectum verwijd en gevuld met dun
breiachtige faeces, de blaas was zoo goed als leeg. Verder onder-
zoek der buikorganen verliep negatief, borborygmi waren goed
hoorbaar. Ook het onderzoek van hoofd en hals naar diepere laesies
leverde geen resultaten op.

Diagnose.

Met zekerheid viel geen diagnose te maken. Domineerend waren
de hersenverschijnselen en slikbezwaren. Een veronderstelde ver-
giftiging kon met zekerheid worden uitgesloten, het laatst toege-
diende gras en de haver waren van goede hoedanigheid, evenzoo
het drinkwater. De weide waarin patiënte het laatst had geloopen
en de stal waarin ze stond, waren jaren in gebruik ën leverden bij
herhaald onderzoek geen bijzonderheden op.

Daar er nog steeds gevallen van goedaardigen droes onder die
paarden voorkwamen, werd vermoed, dat hier een goedaardige-
droes-absces zich in de hersenen of in de keel ontwikkelde of een
vreemd voorwerp daar aanwezig was en de zenuwverschijnselen
een gevolg waren van opgenomen giftige ontstekingsprodukten.

Therapie.

Een afwachtende houding werd aangenomen. Patiënte in den
stal teruggebracht en daar los gelaten, een emmer drinkwater bin-
nen haar bereik gesteld en alleen de keelstreek ingewreven met
laurierzalf.

Verdere verloop.

8 Augustus was de toestand weinig veranderd, patiënte lag veel,

-ocr page 302-

stootte echter bij loopen telkens tegen de stalwanden aan, waar-
door het hoofd meer en meer geschaafd en oedemateus gezwollen
raakte. De verschijnselen van amaurosis namen dus toe terwijl
door de gezwollen neus een reutelend ademhalingsgeruisch op-
trad. De eetlust bleef weg, een paar pogingen werden echter aan-
gewend om te drinken. De defaecatie was dun breiachtig, urine-
loozing werd eens waargenomen; de hoogste lichaamstempera-
tuur was dien dag 38°. 1, de pols vrijwel onvoelbaar, de ademhaling
benauwd, 30 in de minuut, de slijmvliezen vuil geel-rood gekleurd,
het linker oog bijna dichtgezwollen. Den volgenden dag was pa-
tiënte nog meer achteruitgegaan, de oogleden dichtgezwollen,
ademhaling benauwd reutelend, hoogste temperatuur 38°.5, de buik
erg opgetrokken. Patiënte lag bijna voortdurend in dezelfde hou-
ding, waarin zij den eersten dag was aangetroffen.

In den morgen van xo Aug. succombeerde zij onder verschijnselen
van beenkrampen.

Sectic ruim 24 uur na den dood.

In de eerste plaats was de aandacht gevestigd op het hoofd,
waarvan het geheele frontaalgedeelte geschaafd en oedemateus
gezwollen was; en op de keelstreek, aangezien in een van beide de
ziekteoorzaak vermoedelijk gevonden zou worden.

Aan mond- en keelholte viel, behalve de tijdens het leven gecon-
stateerde verwonding van de punt der tong, eene lichte ontsteking
op van het pharyngiaal slijmvlies, dat verdikt bleek en eene vuil-
grijze onaangename riekende oppervlakte vertoonde, terwijl de
oesophagiaalwand verslapt en verlamd geleek. Onderzoek der
boezems en schedelholte met inhoud was negatief, de groote her-
senen waren iets weeker als normaal, een absces werd echter niet
gevonden.

Bij openen der borstholte bleken de longen niet geheel samen-
gevallen, uit de trachea liep veel schuimig helder vocht, een gevolg
van eene beginnende slikpneumonie. Verder was het hart een
weinig vergroot en het daarin aanwezige bloed slecht gestold.

Het openen van den sterk ingevallen buik liet een normaal
peritoneum zien, er vloeiden echter een weinig sero-haemorrhagisch
vocht af. De zichtbare ingewanden waren leeg, gedeeltelijk met
gassen gevuld, aan het linker colon zat een kastanje groot gezwel,
dat bij insnijden een pushaard bleek te zijn. Bij verwijderen der
ingewanden vielen de zeer groote lever en de sterk uitgezette maag
bijzonder op. De lever was i1/2 a 2 maal vergroot, grauwgrijsgeel ge-
marmerd van kleur, vast aanvoelend met verdikte randen en hard

-ocr page 303-

bij insnijden, verschijnselen eener interstitieele hepatitis (hyper-
trophische cirrhose). —

De verwijde normaal liggende maag bleek geheel gevuld met
fijngemalen zuur riekend groenvoer gemengd met haverresten, het
onderzoek der inhoud wees niets bijzonders aan, ontstekings-
verschijnselen ontbraken. De milt was normaal, de nieren een weinig
s ap op het gevoel doch overigens zonder zichtbare afwijkingen, de
blaas ledig.

Pathologisch-anatomische diagnose.

De interstitieele hepatitis en de verschijnselen van slokdarm-
n maagparalyse wezen met de ontstekingsverschijnselen van tong
en keel, het slecht gestolde bloed en de cerebrale verschijnselen
tijdens het leven op eene vergiftiging. Nogmaals nauwkeurig na-
gaan van stal, weiden en laatst genuttigd voedsel bleef echter zon-
der resultaten. De hepatitis was trouwens reeds vrij lang bestaande
terwijl het ziekteverloop in 4 dagen letaal was geweest. Een be-
paalde diagnose viel dan ook niet direkt temaken. Het nalezen van
de hoofdstukken over verschillende vergiftigingen en leverziekten
in het handboek van
Friedberger und Fröuner bracht echter hei
noodige licht en wel speciaal de hoofdstukken. ,,Die sog. Klee-
krankheit," de ,,Chron. interstitieele Hepatitis (Lebercirrhose) en
, .Schweinsberger Krankheit."

Een korte beschrijving van deze ziekten lijkt mij niet overbodig.
Afgaande op de handboeken van
Friedberger und Fröuner
en Hutyra u. Marek oefent volgens vele schrijvers speciaal de
bastaard- of Zweedsche klaver (trifolium hybridum), kenbaar aan
de rozeroode bloem en weelderigen groei, in groote hoeveelheid of
uitsluitend aan paarden gevoed, op die dieren een schadelijken in-
vloed uit, hetgeen
Kovats alleen ook na het eten van roode klaver
(trif. pratense) waarnam.

De lichtere ziekteverschijnselen openbaren zich in een min of
meer hevige ontsteking der witte huidgcdeelten aan hoofd (sneb,
bles) en onderbeenen. waarbij het zelfs tot afstooten van stukken
gemummificeerde huid kan komen. Ook het mondslijmvlies is
dikwijls min of meer ontstoken, hetgeen gepaard gaat met ge-
stoorde eetlust en temperatuursverhoogingen.

I)ie aandoeningen genezen gewoonlijk gemakkelijk, doch niet
zelden komt het tot ernstige ziekteverschijnselen, veel overeen-
komende met die van lupinevergiftiging. De dieren gaan dan
langzamerhand in voedingstoestand achteruit, krijgen digestie-
stoornissen, soms koliekaanvallen, icterische verkleuring der slijm-
vliezen, zenuwstoornissen, groote mate van loomheid naast aan-
xli 13

-ocr page 304-

vallen van razernij of epilep^ieën, verlammingsverschijnselen, wag-
gelenden gang, amaurosis, slikbezwaren en halfzijdige verlam-
mingen. De ziekte treedt vaak enzoötisch op en verloopt in de
ernstige gevallen snel letaal.

De eigenlijke ziekteoorzaak is nog onbekend, doch wordt van een
bepaalde schimmelsoort (Uromyces apiculatus), welke op deze
klaversoort veel voorkomt, geweten, of aan scherpe plantaardige
stoffen.

Sectiebevindingen zijn niet vermeld.

„Die Schweinsberger Krankheit," later ook in Beieren. Kaden
en andere streken geconstateerd, speciaal voorkomende op laag
gelegen, moerassige, ondergeloopen weiden doch ook op hooge
gronden waargenomen, zich dikwijls voordoende als eene locale
stationnaire enzoötie, tast paarden aan van alle leeftijden en ver-
loopt slepend, veel overeenkomst weer toonend met chronische
lupinose.

De ziekteverschijnselen zijn in \'t begin vaag, het hoofdsymptoom
is vermagering, daarbij nu en dan digestiestoornissen, verminderde
eetlust, geeuwen, likken en bijten aan hekken en boomen, soms
koliekaanvallen, verder algemeene depressieverschijnselen.

Nadat de ziekte weken en soms maanden heeft bestaan treedt
icterus op, hetgeen echter ook geheel kan ontbreken; de pols wordt
sneller en er doen zich hersenverschijnselen voor, veel overeen-
komende met die van stille kolder. De vermagering neemt toe, de
digestiestoornissen verergeren, de eetlust neemt af en verdwijnt ge-
heel, terwijl de lichaamstemperatuur een weinig is verhoogd.

Verwisselen van voedsel geeft soms tijdelijke verbetering, doch
weldra treden de vorige verschijnselen weder te voorschijn. De dieren
vermageren erg, worden zwak, krijgen oedemen aan de beenen en
sterven na verloop van meerdere weken tot 3/4 jaar, in enkele ge-
vallen na 3 of 4 dagen.

Soms voert een maagruptuur onverwacht tot den dood.

De ziekteoorzaak is ook hier onbekend en wordt voor dezelfde
gehouden als bij klaververgiftiging; in het Glonthal wordt de
klavervoeding algemeen voor de oorzaak gehouden. Andere schrij-
vers houden het voor eene infectie, ook wordt ze aan het ontstaan
van abnormale gistingsprodukten in maag en darmen toegeschreven.

Het eene jaar treedt de ziekte meer op den voorgrond als het
andere.

Bij de sectie vindt men hier de typische leververanderingen, iu
\'t begin der ziekte het beeld eener hypertrophisch cirrhose, in een
later stadium, dat der z. g. n. schrompellever (atropische cirrhose),

-ocr page 305-

zooals bij chronisch alcoholisme. Daarnaast bestaat dikwijls eene
belangrijke maag verwijding en chronische maagdarm-catarrh.

Wij zien hier dus een langzaam ziekteverloop met in het begin
geheel ontbreken van typische verschijnselen en daarom des te
ernstiger, daar bij het waarnemen der ziekte ze gewoonlijk reeds
zoover gevorderd is, dat alle behandeling vruchteloos blijkt. De
dieren zijn in \'t begin nog opvallend levendig van gangen en wor-
den door de met het verdere verloop der ziekte op de hoogte zijnde
eigenaars dikwijls nog tijdig verkocht.

Wat het beschreven ziektebeeld van paard N° 579 betreft, zien
wij dat dit veel overeenkomst heeft met het voorgaande en wordt
dat nog duidelijker door het volgende:

De 55 jonge Ieren, waartoe N° 579 behoorde, waren nadat zij
vanaf eind Mei een oude gras-weide hadden afgegraasd, op 18 Juni
in een 12 bouws groot weiland gelaten, dat voor een 3 tal jaren
op hooggelegen heidegrond was aangelegd. Op dit weiland had,
waarschijnlijk onder begunstiging van den natten voorzomer, de
klaver dit jaar verre de overhand gekregen en wel speciaal de voren-
genoemde bastaard- of Zweedsche klaver, die nog in volle bloei
stond en f 3 dM. hoog was opgeschoten. Nadat de paarden daar
ongeveer een week hadden geloopen, bleek het weinige aanwezige
gras hef éérst opgegeten en toonde de weide het beeld van één
uitgestrekt bloeiend, witroze gekleurd klaverveld, zoodat ik reeds
meende dat de dieren dat niet wilden eten. De volgende weken werd
echter alles schoon afgegraasd en ook een daarnaast gelegen 8
bouws groot gelijktijdig met het zelfde zaad bestrooide en dus on-
geveer hetzelfde plantenbeeld vertoonend land kaalgegeten. De
dieren zagen er over \'t geheel uitstekend uit. Na ongeveer 14 dagen
in deze weiden te hebben geloopen rapporteerde de oppasser echter,
dat N° 536, bruine ruin met doorloopende bles en twee witte achter-
voeten, een gezwollen neus had en twee ontstoken achterbeenen,
hetgeen hij aan insectensteken toeschreef en met aldaar aanwezige
laurierzalf werd ingewreven. Eenige dagen later had N° 635, met
smalle doorloopende bles, iets dergelijks en was de neus van
N° 536 hoog opgezwollen en met korsten bedekt. N° 553 kreeg in
die dagen een dergelijk korstig gezwollen linker achterbeen, welk
hoog witbeen de eenige afteekening van dat dier was. Later trad
bij N° 611 een soortgelijke ontsteking op aan het linker achter-
been. Die huidaandoeningen werden door collega
Eggink, die de
paarden mede geregeld inspecteerde, en mij gehouden voor eczema
solare, temeer daar er een paar warme zonnige dagen waren ge-
weest. De paarden N° 635 en 536 met de ontstoken huid aan neus

-ocr page 306-

en bovenlip hadden eenige dagen minder eetlust, hetgeen aan de
pijnlijke huid werd toegeschreven, waarvan bij N° 536 een vrij
groot gemummificeerd gedeelte op den neus afstootte. Jammer
genoeg werd verzuimd, de mond van die paarden na te zien. Over
\'t geheel genazen die huidaandoeningen vrij vlug na verdere be-
handeling met zinkzalf en vaseline, het afschilferen der huid hield
v rij lang aan en is thans bij N° 611 zelfs nog zichtbaar.

In \'t geheel hebben de paarden ongeveer 4 weken in de klaver
geloopen en gingen daarna weder in eene oude goede grasweide.

De ziekteverschijnselen bij het gestorven paard N° 579 traden
op 6 Augustus, dus ongeveer 6 weken nadat het in de klaver was
gekomen en nadat het reeds
14 dagen weder goed gras had gegeten.

Huidaandoeningen waren bij dit dier, dat geen afteekeningen
had, niet waargenomen.

Het paard N° 635 met de meest hevige ontsteking van de neus-
huid, in \'t begin een der best uitziende dieren, was erg afgevallen
eveneens N° 611, die nu en clan verminderde eetlust vertoonde en
er dikwijls lusteloos bijstond, hetgeen met N° 635 ook min of meer
het geval was.

Na het constateeren der klaververgiftiging werden de overige
paarden nauwkeurig nagegaan, doch kon weinig positiefs worden
opgemerkt. Den eersten tijd gingen zij, hoewel in een goede weide
loopend, wat achteruit, hetgeen echter ook een gevolg kan zijn
van de groote hitte in die dagen, later verbeterde de voedingstoe-
stand weer, doch kregen een 5-tal goedaardige droes, waardoor
die erg afvielen.

Van de vier paarden, die huidaandoeningen hadden gehad, is
aan drie thans niets bijzonders meer te zien; N° 61 x heeft zich dus
ook weer hersteld, terwijl de andere 2 er altijd goed hadden uitge-
zien. — Alleen N° 653, de meest ernstige, ziet er thans in het
Remonte-Depót nog mager uit, zit dor in het haar en is minder
levendig. De slijmvliezen zijn anaemisch, pols, ademhaling en tempe-
ratuur echter normaal, de digestie is goed, een leverlijden niet te
diagnostiseeren, de mogelijkheid bestaat echter dat dit paard toch
nog dientengevolge komt te sterven.

Aan beide achterhoeven wijst een evenwijdig met de kroonrand
verloopende roode hoornring nog op de plaats gehad hebbende ont-
steking der onderbeenen.

Ongetwijfeld zijn de waargenomen huidaandoeningen en het
leverlijden van paard N° 579 een gevolg geweest van het te veel
eten van bastaard of Zweedsche klaver. Het ziekteverloop van
N° 579 komt echter geheel overeen met dat der Schweinsberger

-ocr page 307-

Krankheit, welke ook in het Glonthal aan die klaver wordt toege-
schreven.

\\\\ at de oorzaak is geweest van het plotseling verergeren en op-
treden der hersenverschijnselen na het plaatsen op stal, is niet met
zekerheid te zeggen, misschien heeft de aldaar heerschende duister-
nis eene deprimeerende werking uitgeoefend, waarvoor zou pleiten
het feit, dat het dier buiten minder soporeus was; het is echter ook
mogelijk dat de hoeveelheid aldaar opnieuw met het gesneden
gras toegediende bastaardklaver het ziekteverloop heeft be-
spoedigd.

I)e twee genoemde klaverweiden zijn reeds een paar jaar voor
paarden gebruikt en het laatst alleen bemest met kalk en stalmest,
zoodat salpetervergiftiging, ook al om het daarbij optredende andere
ziekteverloop, kan worden uitgesloten, daar er tevoren geen ziekte-
gevallen zijn voorgekomen; in den drogen zomer van 1911 stond er
nog maar weinig gras en klaver, in 1912 echter voldoende doch
lang niet zooveel als in dezen vochtigen voorzomer.

De paarden uit de weiden van den heer v. d. V. zagen er echter,
ondanks het vele erin aanwezige gras in het goede toezicht ook
vorige jaren minder doorvoed uit, zoodat de mogelijkheid niet is
uitgesloten dat lichtere leveraandoeningen wel zijn voorgekomen
maar weder genezen.

Het zaad voor die weiden was geleverd door de Iieide-maat-
schappij, die, zooals mij gebleken is, veel bastaardklaver hier in den
omtrek verspreidt, zoodat onder gunstige omstandigheden meer-
dere ziektegevallen niet zullen uitblijven en het zaak is de belang-
hebbenden daarmede bekend te maken.

In diezelfde 12 bouws groote klaverweide liet de eigenaar eind
Augustus 25 kalveren loopen, pas op de Utrechtsche markt gekocht.
Die dieren groeiden daar uitstekend. De Zweedsche klaver had
nog de overhand hoewel thans de andere klaversoorten en vooral
de grassen veel beter waren opgeschoten. Van die 25 kalveren
^uccombeerden er echter twee op één clag onder het vertoonen van
hersen verschijnselen, nadat zij daar ruim 14 dagen hadden geweid.

Het ziekteverloop was hier peracuut. Dr. Eggink verrichtte
nauwkeurig sectie doch kon geen andere afwijkingen constateeren
als eene geringe vochtophooging tusschen de weeke hersenvliezen.
Alleen
Friepberger u. Fröhner geven bij de aetiologie der
„Kleekrankheit" aan, dat deze soms ook bij koeien voorkomt, het-
geen hier zeer waarschijnlijk ook het geval is geweest.

Milt.igen, 15 October 1Q13.

-ocr page 308-

Necrologie.

R. J. SCHOUTEN, f

Richardus Johannes Schouten, geb. 4 Mei 1844 te Utrecht,
begon i September 1860 zijn studie aan \'s Rijks Veeartsenij-
school en werd 7 Juli 1864 tot veearts bevorderd. Nog in
hetzelfde jaar werd hij bij Koninklijk besluit van 14 October
benoemd tot paardenarts 3de klasse bij het leger hier te lande.
Op 31 Januari 1870 werd hij 2de klasse en 29 December 1879
iste klasse.

Schouten bleef \'s Hertogenbosch, zijn laatste garnizoen wonen
en overleed aldaar op 20 Januari 1914.

Hij was gehuwd met Mejuffrouw Van Gorkom uit Utrecht,
die met vier dochters en een zoon den diep betreurden vader
nastaart.

Op literair gebied heeft Schouten zich nimmer bewogen.

w. c. s.

Boekaankondigingen.

Dr. R. von Ostertag, Handbuch der Fleischbeschau für Tierärzte, Aerzte
und Richter. Sechste, neu bearbeitete Auflage, Zwei Bände. Verlag von
Ferdinand
Enke,
Stuttgart. 1913.

Dank zij de vorderingen welke de veeartsenijkundige wetenschap op het gebied
der vleeschhygiëne de laatste jaren gemaakt heeft, is de wetenschappelijke beoe-
fening der vleeschkeuring een studievak van groote beteekenis geworden. Hier-
van levert de nieuwe uitgave van
Ostertag\'s handboek der vleeschkeuring een
sprekend bewijs.

Van dit bekende werk, waarvan in 1906 de 5de druk het licht zag, is thans een
nieuwe druk in 2 deelen verschenen. Feitelijk betreft dit alleen het 2de deel; het
iste deel 11.1. verscheen reeds in 1911. Dat het 2de deel niet minder dan twee jaar
op zich heeft doen wachten, vindt, gelijk de schrijver in de voorrede opmerkt,
zijn verklaring in de omstandigheid, dat verschillende hoofdstukken opnieuw
moesten worden bewerkt, waarbij uit den aard der zaak viel rekening te houden
met de zeer uitgebreide nieuwere literatuur. Dit heeft echter het voordeel gehad,
dat verschillende voor de vleeschkeuring hoogst gewichtige vraagstukken, als:
de beoordeeling van vleesch van tuberculeuze dieren, het bacteriologisch vleesch-
onderzoek en dergelijke, in het licht van den huidigen stand der wetenschap
konden worden bezien.

Het boek is in vele opzichten verbeterd, aangevuld en uitgebreid, waardoor

-ocr page 309-

ook de omvang enorm is toegenomen. Beide deelen te zamen tellen niet minder
dan 1372 bladzijden, tegen 781 in den vorigen druk. Het aantal figuren in den
tekst steeg van 265 op 378. De verdeeling van de stof onderging geen verande-
ring Evenals bij den vorigen druk is de inhoud in XVII hoofdstukken verdeeld,
waarvan het iste deel hoofdstuk I—VIII omvat, het2de deel hoofdstuk IX—XVII.
Het zou Ref. te ver voeren ook maar enkele onderdeelen van dit veel omvattende
werk meer in bijzonderheden te behandelen; daarvoor zij naar het boek zelf ver-
wezen. Slechts enkele der voornaamste punten, waardoor deze uitgave zich van de
vorige onderscheidt, vinden hier bespreking.

In het iste deel is het hoofdstuk, handelende over de in Duitschland geldende
wettelijke bepalingen op het gebied der vee- en vleeschkeuring, uitgebreid met
een reeks toelichtingen, aanwijzingen, en voorschriften, welke voor de Duitsche
collega\'s die de vleeschkeuring beoefenen, ongetwijfeld waarde zullen hebben,
voor de Nederlandsche veeartsen echter van minder beteekenis zijn. Alleen dient
melding gemaakt te worden van het feit, door den schrijver in de voorrede van
het 2de deel gereleveerd, dat de Rijkswet op de vleeschkeuring van 3 Juni 1900,
na 10 jaren in werking te zijn geweest, geen wezenlijke veranderingen behoefde
te ondergaan. Ofschoon dit ongetwijfeld voor de deugdelijkheid van de wet pleit,
zou Ref. toch willen opmerken, dat het niet-opnemen in de wet van de huisslach-
tingen, ook in Duitschland als een leemte wordt aangemerkt.

Behalve van de vroeger meest gebruikelijke methoden van onderzoek ter onder-
kenning van vleesch van de verschillende slachtdieren, als in worst en andere
gemengde vleeschwaren, treft men in het iste deel een uitvoerige beschrijving
aan van het biologisch vleeschonderzoek (praecipitatie, complementbinding,
anaphylaxiereactie). l)e korte verhandeling over physiologische vergiften bi]
visschen in het iste deel, alsook die over vischparasieten en schadelijke eigen-
schappen van bedorven visch, in het 2de deel, zij den collega\'s, die zich met visch-
keuring bezighouden, ter lezing aanbevolen.

In het 2de deel zijn de hoofdstukken over trichinen, trichinenonderzoek, pyae-
mie, septichaemie, miltvuur, tuberculose, vleeschvergiftigingen en bacteriologisch
vleeschonderzoek, opnieuw bewerkt. Van zijn vroegere indeeling der lagere para-
sieten (naar
Braun) is Ostertag teruggekomen en volgt thans die van Poflein
/De in de nomenclatuur van sommige parasieten gebrachte wijziging, verdient
naar het oordeel van Kef. geen toejuiching. Uit een zoölogisch oogpunt moge de
nieuwe benaming juist zijn, practisch heeft een voortdurende wisseling van namen
ongetwijfeld zijn bezwaren. Zoo wordt gesproken van dicroceulium lanceolatum,
in plaats van distomum lanceolatum; van dyctiocaulus viviparus, in plaats van
strongylus micruris; van synthetocaulus capillaris, in plaats van strongylus ca-
pillaris, enz. Tegen het in Duitschland geldende voorschrift, dat het vleesch van
éénfinnige dieren niet kan worden goedgekeurd, tenzij het geheele dier in stukken
van 21L K.G. gesneden wordt en geen levende finnen meer worden gevonden, of
wel tenzij het geheele dier drie weken wordt gekoeld, verheffen zich telkens meer-
dere stemmen.
Muller, Noack, Lauff en nog van recenten datum Dohmann,
pleiten voor een onvoorwaardelijke goedkeuring, indien na nauwkeurig onderzoek
der praedilectieplaatsen geen levende finnen meer worden gevonden. Het verdee-

-ocr page 310-

len van een slachtdier in stukken van 2i K\'.G. stuit op practische en economische
bezwaren, terwijl terecht op te merken valt, dat de kans om event. nog voorko-
mende tinnen op deze wijze op te sporen, zeer gering is. Deze opvatting vindt steun
in de door
Zeinerts verzamelde gegevens, waaruit blijkt, dat van 684 éénfinnige
runderen, waarvan het vleesch aan een nader onderzoek werd onderwoqjen,
slechts 2.18% nog meerdere finnen herbergden.

De trichine (trichinella spiralis) wordt door Ostertag, in navolging van Braun
gerangschikt onder de familie der trichotrachelidae, terwijl de schrijver in zijn vorig
boek de indeeling naar
Schneider volgde. Het ware te wenschen, dat de zoölo-
gen omtrent de plaats welke de verschillende parasieten in het dierenrijk behooren
in te nemen als ook omtrent de benaming, meer éénstemmig waren. Dit zou het
voordeel hebben, dat zij, die geen zoöloog zijn, zich gemakkelijker dan thans
op het gebied der parasitologie zouden kunnen oriënteeren.

De in Duitschland gebruikelijke methode van trichinenonderzoek, waarbij
van elk varken 24 spierpraeparaten (resp. uit pilaren middenrif, costaal gedeelte
middenrif, strottenhoofds- en tongspieren) worden onderzocht, is den laatsten
tijd door
Reiszmann vereenvoudigd. Bij de Reiszmann\'scIic methode, welke
in sommige steden van Duitschland reeds is ingevoerd, worden uitsluitend spier-
monsters (ten getale van 14 bij elk varken) uit het middenrif ter onderzoek ge-
nomen. De nieuwe methode heeft boven de oude voor, dat zij minder tijd vereischt
en daardoor besparing van kosten geeft. Omtrent de resultaten zijn de meenin-
gen in Duitschland nog zeer verschillend. Sommigen hebben de ervaring opgedaan
dat bij zwak-trichineuze varkens de oude methode nog steeds de beste uitkom-
sten geeft.

Vermelding verdienen de in verschillende landen waargenomen gevallen van
lokaal miltvuur bij het varken. Het zoude wellicht nuttig zijn, indien ook in ons
land daaromtrent een nader onderzoek werd ingesteld.

Onder het hoofdstuk Tuberculose vindt men een uitvoerig resumé van de nieu-
were onderzoekingen van
Bongert over „die tuberkulöse Infiltration mit strah-
liger Verkäsung", en van
Nieberi.e over „die disseminierte verkäsende und
konfluierende Miliartuberkulose der Lymphdrüsen" en „die herdförmige tuber-
kulöse Bronchopneumonie des Rindes". Gelijk bekend betreffen dit gevallen
van tuberculose, welke anatomisch van het gewone beeld van tuberculose af-
wijken en zich bovendien onderscheiden door grooten bacillenrijkdom van de
organen, terwijl zij niet zelden gepaard gaan met acute bloedinfectie, zoodat zij
uit een oogpunt van vleeschkeiiring in het bijzonder de aandacht verdienen.

Een andere zoowel uit een hygiënisch, als economisch oogpunt hoogst gewich-
tige aangelegenheid, welke de laatste jaren vooral in Duitschland de gemoederen in
beweging heeft gebracht, betreft de beoordeeling van het vleesch van aan chronische
algemeene tuberculose lijdende dieren. Volgens de onderzoekingen van
Bongert,
Nieberle, Titze, Thieringer, Jahn
en anderen, is het vleesch vrij van tuber-
kelbacillen en van tuberculeuze veranderingen, indien zich in de daarbij behoorende
vleeschlyinphklier slechts oude tuberculeuze haarden bevinden. Ook
Ostertag
is de meening toegedaan, dat in gevallen van algemeene tuberculose, waarbij
het proces tot staan gekomen is (abgelaufene Generalisation), het vleesch vrij
van tuberkelbacillen is. Hij herinnert in dit verband aan de onderzoekingen van

-ocr page 311-

Nocard, Bongert, Titze, Bartel en Neumann, die bewezen hebben, dat al-
leen bij acute bloedinfectie, tuberkelbacillen tijdelijk in de bloedbaan voorkomen.
Ref. wil geenszins ontkennen, dat zich gevallen van chronische algemeene tuber-
culose voordoen, waarbij het proces in een zoodanig stadium van genezing is
overgegaan, dat tot onvoorwaardelijke goedkeuring kan worden besloten, doch
dit zal in vele gevallen niet dan na een zeer nauwkeurig microscopisch en his-
tologisch onderzoek kunnen worden vastgesteld. De mogelijkheid toch is niet
uitgesloten, dat naast het oorspronkelijk proces een nieuwe eruptie van tuber-
kelbacillen in de bloedbaan heeft plaats gehad, zonder dat zich daarbij nog macros-
copisch zichtbare tuberkels gevormd hebben. In twijfelachtige gevallen, en dit
zijn er vele, zal daarom steeds een nauwgezet laboratorium-onderzoek aanbe-
veling verdienen. Voor het histologisch onderzoek is dan de snel-insluitmethode
(aceton-paraffine) aangewezen. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren,
en hierop wordt ook door den schrijver de aandacht gevestigd, dat al mag voor
sommige gevallen van chronische algemeene tuberculose worden aangenomen,
dat het vleesch vrij van tuberkelbacillen is, dit nog niet zeggen wil, dat al der-
gelijke dieren zonder meer kunnen worden goedgekeurd, omdat afgezien van
het eigenlijke spierweefsel, andere tot het vleesch behoorende bestanddeelen,
als lymphvaten, beenderen, gewrichten enz. tuberculeus veranderd kunnen zijn.

Van verschillende zijden (Bongert, Titze e.a.) wordt in Duitschland ook gea-
geerd tegen het aldaar geldende voorschrift (§ 37 II der uitvoerbepalingen van de
Rijkswet) dat vierendeelen van dieren, waarvan één vleeschlymphklier is aange-
tast, niet dan na sterilisatie mag worden vrijgegeven.
Ostertag wenscht in der-
gelijke gevallen, niet name wanneer zich in de intramusculaire lymphklier slechts
oudere, verkaasde of verkalkte haarden bevinden, tot onvoorwaardelijke goed-
keuring overgaan. Dat dit een besparing van kapitaal zoude geven moge hieruit
blijken, dat alleen aan het Berlijnsche abattoir in 1907 niet minder dan 881 vieren-
deelen van runderen en 900 vierendeelen van varkens om genoemde redenen
werden gesteriliseerd.

Een bijzonder uitgebreide verhandeling bevat Ostertag\'s werk over „nood-
slachtingen, vleeschvergiftigingen, vleeschvergiftigingsbacteriën, en bacterio-
logisch vleeschonderzoek". Wat daarbij in de eerste plaats de aandacht trekt
is de in Duitschland vrij algemeen gehuldigde opvatting, dat vleeschvergifti-
ging zonder vleeschvergiftigingsbacterién (Bac. paratyphosus B en Bac. enteri-
tides
GäftTNER) niet mogelijk wordt geacht. Ostertag drukt zich daaromtrent
als volgt uit: „Nicht jede der für die Entstehung der Fleischvergiftungen in
Betracht kommenden septischen und pyämischen Erkrankungen der Schlacht-
tiere verursacht Schädlichkeit des Fleisches, sondern ist nur bei denjenigen der
Fall, die durch die Fleischvergiftungsbakterien erzeugt werden." Indien deze
stelling juist is, en Ref. geeft toe dat de juistheid ervan op grond van hetgeen de
geschiedenis der vleeschvergiftigingen omtrent de aetiologie heeft geleerd, nau-
welijks kan worden betwijfeld, dan is zij voor de vleeschkeuring van fundamenteele
beteekenis, terwijl zij tevens de richting bepaalt waarin het bacteriologisch
vleeschonderzoek zich in de eerste plaats zal hebben uit te strekken. Overigens
ligt hierin natuurlijk geenszins opgesloten, dat het vleesch van dieren welke aan
septichaemie of pyaemie geleden hebben en waarbij geen vleeschvergiftigings-

-ocr page 312-

bacteriën in het spel zijn, zonder meer kan worden goedgekeurd. Zoo zullen
ook andere bacteriën, dan de even genoemde, indien zij in grooten getale in het
vleesch voorkomen, tot afkeuring leiden. Voorts heeft de ervaring op het gebied
der vleeschvergiftigingen voldoende geleerd, dat het vleesch van dieren met
septische ziekten veel gevaarlijker voor de menschelijke gezondheid moet worden
geacht, dan dat van aan pyaemie lijdende dieren, terwijl tevens bewezen is, dat
runderen en kalveren veel meer tot vleeschvergiftiging aanleiding geven dan de
overige slachtdieren. Toch komen
Müller e.a. op grond van hunne onderzoekingen
tot de conclusie dat de vleeschvergiftigingsbacteriën als ziekteverwekkers o.a.
bij het volwassen rund slechts zelden voorkomen. Daarentegen heeft
Winzer
bij 30 in nood geslachte aan sepsis lijdende kalveren 8 maal paratyphusbacteriën
kunnen aantoonen. Als vaststaand schijnt wel te mogen worden aangenomen,
dat vooral bij in nood geslachte, slecht uitgebloede of den natuurlijken dood
gestorven dieren, de meeste kans voor vleeschvergiftiging bestaat, omdat de
bacteriën in den regel eerst in het stadium der agonie in de bloedbaan geraken.
Daarnaast valt rekening te houden met het feit dat vleesch post-mortaal kan
worden geïnfecteerd, alsmede dat de paratyphusbacteriën als saprophyten in
de natuur lang niet zeldzaam zijn. Pogingen aangewend om de niet-pathogene
van de pathogene te onderscheiden, zijn nog niet geslaagd. Dat dit voor de practijk
der vleeschkeuring moeilijkheden kan geven, behoeft geen nader betoog. Men
denke slechts aan het vinden van paratyphusbacteriën in worst en andere ge-
mengde vleeschwaren. Ofschoon men van Duitsche zijde geneigd is aan het vinden
van dergelijke bacteriën in voedingsmiddelen alle waarde te ontzeggen, omdat
zij bijna nooit tot vleeschvergiftiging bij den mensch aanleiding geeft, valt, naar
het oordeel van Ref., de mogelijkheid toch niet te ontkennen, dat bij gebruik
van ziek, reeds vóór de bereiding besmet vleesch, ook de daarvan afkomstige
producten, schadelijke eigenschappen zullen vertoonen. Met die mogelijkheid
zal zeker rekening te houden zijn in streken waar de noodslachtingen niet regel-
matig aan keuring onderhevig zijn.

Het hoofdstuk bevat verder een reeks wetenswaardige, grootendeels aan de
nieuwere literatuur ontleende, gegevens op het gebied der bacteriologische
vleeschkeuring, waarvan ieder veearts, die zich op het terrein der vee- en vleesch-
keuring beweegt, dient kennis te nemen. Zoo vindt men uitvoerig behandeld:
de aetiologie der vleeschvergiftigingen; de paratyphusbacteriën als ziekte-oorzaak
bij de slachtdieren; infectieproeven met vleeschvergiftigingsbacteriën bij slacht-
dieren; het voorkomen van tot de paratyphusgroep behoorende bacteriën bij
gezonde dieren en in de buitenwereld; indeeling, morphologie en biologie der para-
typhusbacteriën; techniek van het bacteriologisch vleeschonderzoek; het voorkomen
van bacteriën in het vleesch van gezonde dieren, enz.

Zij, die met de keuring van toebereid vleesch belast zijn, vinden aan het slot
van het 2de deel een uitvoerige beschrijving van de verschillende methoden van
onderzoek bij het opsporen van vervalschingen, kleurstoffen en chemische con-
serveeringsmiddelen in worst en andere toebereide of gemengde vleeschwaren.

Aan het boek zijn 2 goedgeslaagde gekleurde platen toegevoegd.

Ostertag\'s handboek der vleeschkeuring behoeft geen aanbeveling. Het werk
getuigt van ernstige studie en groote kennis van den schrijver, die er op uitstekende

-ocr page 313-

wijze in geslaagd is de nieuwe uitgave van zijn boek op de hoogte van den
tegenwoordigen stand der wetenschap te brengen. Moge het door vele Nederland-
sche veeartsen worden aangeschaft en benut!

W. Stuurman.

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

De Nieuwe afdeeling Z.-Holland heeft voor 2e Secretaris van het
Hoofdbestuur candidaat gesteld den Heer
J. J. F. Dhont te
Rotterdam.

Berichten.

Verslag van de vergadering van de afdeeling Friesland, te Leeuwarden 27
December 1913.
Aanwezig 19 leden en de heeren Ten Hoopen en S. Zwart Jr.
Als candidaat voor de functie van 2de Secretaris van het Hoofdbestuur werd,
in aanmerking nemende het streven der practiseerende veeartsen, zich de leidende
rol in het bestuur der Maatschappij te verzekeren, de heer
Veenbaas, veearts
te Wolvega verkozen.

Van de Friesche Maatschappij van Landbouw kwam in behandeling een schrijven,
met verzoek, drie tweetallen van veeartsen op te maken, waaruit een keuze zou
gedaan kunnen worden, om bij de samenstelling der arbitrage-commissies voor
den veehandel rekening te houden. Dit schrijven was ontvangen op een desbe-
treffend voorstel aan die Maatschappij dat, als uitvloeisel eener uitvoerige
gedachtenwisseling betreffende de invoering der arbitrage-commissies in Friesland
inhield, zoo mogelijk in elk dezer commissies een drietal veeartsen zitting te doen
nemen en het totaal der leden dan te stellen op vijf. Dit voorstel was aangenomen
in afwijking van dat van den heer M. J.
Veenstra te Leeuwarden, die na een
zeer interessante beschouwing over deze kwestie, meende, dat de veeartsen
moesten eischen een drietal zetels in deze commissies, of daarin absoluut geen deel
in willen hebben. Na een korte stemming werden gekozen voor de drie commissies
welke in Friesland zullen worden geconstitueerd, de heeren
Boer, Bosma en
Veenbaas, als plaatsvervangers resp. de heeren Plet, Kingma en Eggink Sr.
De heer
Veenbaas bracht daarna uitvoerig verslag uit van het verhandelde op
de vergadering, welke hij met nog vier leden der Maatschappij, door het Hoofd-
bestuur daartoe aangezocht, op uitnoodiging van den Heer Directeur-Generaal
van den Landbouw en met aanwezigheid van den Heer Inspecteur van den Vee-
artsenij kundigen Dienst te \'s-Gravenhage had bijgewoond ter bespreking van
het ontwerp wet op de veeartsenijkundige politie. Het rapport in zake het vee-

-ocr page 314-

verzekeringswezen werd daarna door den heer Plet ingeleid; de heer Ten Hoopen,
in verband met de behandeling van dit punt uitgenoodigd door het Bestuur,
onderwierp het rapport aan een uitvoerige critiek. Daar een en ander op de Algem.
vergadering wederom ter sprake zal komen, zal hierbij niet langer worden stil-
gestaan. Vervolgens kwam bij monde van den heer
Plet een zaak in behandeling,
die eenig misverstand had gebracht tusschen den districtsveearts en enkele
practiseerende veeartsen. Het betrof het afgeven van advies aan de Gedep. Staten
van de provincie betreffende financieele beteekenis van bepaalde standplaatsen,
in verband met de al of niet toekenning van provinciale subsidie. Na uitvoerige
gedachtenwisseling bleek, dat velen zich een verkeerde voorstelling van een en
ander hadden gemaakt en kwam de kwestie, dank zij de opheldering van de zijde
van den districtsveearts tot een bevredigende oplossing.

Winkel.

(Staatsblad n°. 26.) Besluit van den 26sten Januari 1914, tot wijziging van het
Koninklijk besluit van den \\/\\den Augustus
1901 (Staats-
blad
n". 204), ter uitvoering van de artikelen 8, 11, 13,
19
en 21 der Wet op de paardenfokkerij 1901, gelijk dat
besluit laatstelijk is gewijzigd bij Koninklijk besluit van den
13den Februari 1913 (Staatsblad n°. 56).

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel
van 22 December 1913, Directie van den Landbouw, n°. 10297, 2de afdeeling,
bureau A;

Overwegende, dat het wenschelijk is het Koninklijk besluit van den I4den
Augustus 1901 (
Staatsblad n°. 204), ter uitvoering van de artikelen 8, 11, 13, 19
en 21 van de Wet op de paardenfokkerij 1901, gelijk dat besluit laatstelijk is ge-
wijzigd bij Koninklijk besluit van 13 Februari 1913 (
Staatsblad n°. 56), andermaal
te wijzigen;

Den Raad van State gehoord (advies van 13 Januari 1914, 11°. 17;)

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 23 Januari
1914, Directie van den Landbouw, n°. 514, 2de afdeeling, bureau A;

Hebben goedgevonden en verstaan:

te bepalen.

Artikel 1.

De punt aan het eind van het eerste lid van artikel 15 van het Koninklijk be-
sluit van den I4den Augustus 1901
(Staatsblad n°. 204), ter uitvoering van de
artikelen 8, 11, 13, 19 en 21 van de Wet op de paardenfokkerij 1901, gelijk dat

-ocr page 315-

besluit laatstelijk is gewijzigd bij Koninklijk besluit van 13 Februari 1913
(Staatsblad n°. 56), wordt veranderd in een komma punt en aan dat lid worden
toegevoegd de woorden:

„12e. Premiën wegens invoer van fokdieren;

13e. Bewaringspremiën voor hengsten en merriën;

14e. Medailles en getuigschriften voor hengsten en merriën".

Artikel 2.

ïusschen de artikelen 23 en 24 van het in artikel 1 bedoeld besluit wordt een
nieuw artikel opgenomen luidende:

„Artikel 23bis.

Bij de toekenning van premiën en bijdragen kan door de provinciale regelings-
eommissiën worden bedongen, dat, ingeval van niet nakoming der bij de toekenning
gestelde voorwaarden, hij, aan wien de premie of bijdrage is toegekend, verplicht
is tot betaling eener bepaalde geldsom tot een maximum van tweemaal het bedrag
der premie of bijdrage."

Artikel 3.

Dit besluit treedt in werking op den 2den dag na de dagteekening van het
Staatsblad en de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Onze Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel is belast met de uitvoe-
ring van dit besluit, dat in het
Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van
State.

\'s Gravenhage, den 2Ósten Januari 1914.

WILHELMINA.

De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
treub.

Uitgegeven den zevenden Februari 1914.

De Minister van Justitie,
B. Ort.

Personalia. Belast met de waarneming van de betrekking van adjunct-
inspecteur bij den burgel. veeartsenijkundigen dienst te Soerabaja, de veearts
J. K. F.
de Does.

Verleend acht maanden verlof naar Europa aan den leeraar aan de inlandsche
veeartsenijschool te Buitenzorg,
Dr. G. Leurink.

Bevorderd tot dirigeerend paardenarts ie klasse van het N. O. I. Leger, de
dirig. paardenarts 2de klasse
W. van den Burg. Schornagel.

-ocr page 316-

STAAT van de gevallen van besmettelijke veeziekten, in Nederland geconstateerd gedurende
de maand Januari 1914.

Opgemaakt door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.
(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal eigenaren aan onder wier vee de ziekte werd
geconstateerd).

Q.
rt
—. ri

S3

t: c

3 U
O T3

<S>

n
rt
o.

8 S

•S §

« "H
%

W g

Honds-
dolheid.

■S
3

c

* <u

•ó
c

O

s

a
3

c
c

Provincie.

o
«

>

JP

«8 I 2

Friesland

6(1)

29(2)

4(4)
3(3)

Groningen

Drenthe . .

16(9)

13(7)

Overijssel

- 1(1)

2(1)

1(1)

(i)1)

4(4)

Gelderland

Utrecht ..
Noord Holland — —
Zuid Holland

4(i)2) - 10(3)
11(1)

Zeeland

— ! 8(8) —
— — 12(12) —
32(12) |a(i) 40(40) —

Noord-Brabant

Limburg

Het Rijk ____I —

(i)

4(4) 26(H)

63(13)

\') Het zieke en verdachte vee is geslacht.

2) Bij paarden.

3) Abattoir te Rotterdam 28(9)

Vroeger geconstateerde ziektegevallen, welke begin Januari 1914 nog niet geëindigd waren.

Zuidholland
Noordholland
Friesland
Groningen . .
Drenthe ....

HET RIJK . .

27 (4)

_

_

— _

_

_

30 (3)

558(62)

— _

43 (3)

— _

_

6 (3)

— I _

18(7,

27 (21)

_

81(17)

628 (86)

— . — 1

Schornagel

-ocr page 317-

Bibllografle.

A system of veterinary medicine. By various writers. Ed. by E. Wallis Hoare.
I. Chicago, Chicago medical books comp. 19x3. 1366 p. In 2 dl. compl.
Geb. S 7-5°.

Bericht der K. Tierärztlichen Hochschule in München für 1912—1913.
München 1913.

A. Tapken, Die Praxis des Tierarztes. (Ein Leitfaden nach den Erfahrungen
aus 35-jähriger Praxis). Berlin R.
Schoetz. 1913. Mit 16 Abb. M. 10.— Geb M. 11.50.

Reinhardt, Wandtafeln zum geburtshilflichen Unterricht beim Rind.
4 farbige Taf. mit Beschreibung in Papprolle. M. 25.—

K. Zopf, Die Geschichte der Therapie der Hernia umbulikalis der Haustiere
Inaug. Diss. Dresden 1913.

Ad. Scheidegger, Die Sterilität des Rindes, ihre Ursachen und ihre Be-
handlung unter besonderer Berücksichtigung des ansteckenden Scheidenkatarrhs.
Bern,
Fr. Semminger, 1914. 8°. IV 166 S. M. 2.70.

P. Daners, Beitrag zur Regeneration der Huflederhaut des Pferdes. Inaug.-
Diss. Berlin.

C. Görte, Leitfaden des Hufbeschlages für die Schmiede der berittenen
Truppen. 3te Aufl. Berlin, A.
Hirschwald, 1913. 8°. Mit 80 Fig. Kart. M. 2.50.

Becker, Unarten, Krankheiten und Feinde des Geflügels. 2te Aufl. Berlin.
Pfrnningstorff. Mit Abb. M. 1.60.

Fr. Ganser, Ueber Fangobehandlung beim Pferde. Inaug.-Diss. Berlin.
R. Traut, Der Einiluss der Sommerschur auf die Hauttemperatur des Schafes.
Inaug.-Diss.
Giessen 1913.

F. Hammerer, Geschichte des Wesens und der Therapie der Schale. Ein Bei-
trag zur Geschichte der Tierheilkunde. Inaug.-Diss. Dresden.

H. A. Vermeulen, Das Kehlkopfpfeifen beim Pferde. Utrecht, A. Oosthoek.
19x4. 8°. 98 S. 17 Abb. u. 6 Taf. M. 4.50.

D. Koll, Untersuchungen über die Wirkung des Sennatins bei Haustieren.
Inaug.-Diss. Dresden.

G. Müller, Lehrbuch der Pharmakologie für Tierärzte. Unter bes. Berück-
sichtigung des deutschen Arzneibuches und der Pharmacopoea Austriaca. 2te
Aufl. Hannover, M. u. H.
Schaper. 1914. 400 S. 72 Abb.

L. Montani et E. Bourdelle, Anatomie regionale des animaux domestiques
I. Cheval. Paris,
Bailliere et fils. 1913. 1069 p. 564 ill. 32 fr.

I. Anatomie topograph, du cheval.

Contributions to the anatomy and development of the salivary glands in the
mammalia. Studies in cancer and allied subjects. Conducted under the
George
Crocker
Special Research Fund at Columbia University. Vol. IV. New-York.
Columbia Univ. Press. 1913. 364 p. 100 pi. 5 dollar.

H. Reimers, Der Plexus Cumbalis et sakralis des Rindes und Schweines.
Inaug.-Diss. Dresden.

G. Steen, Blutuntersuchungen bei gesunden Hühnern. Inaug.-Diss. Dresden.
J. M.
Fadyean, The comparative anatomy of the domesticated animals.
I. 2. ed. Edinburgh.
Johnston, 1913. 10 sh.

Part. I. Osteology and arthrology.

-ocr page 318-

J. M\'. Fadyean, The anatomy of the horse. A. dissection guide. 2d. ed.

£ i 4 sh.

P. Martin, Lehrbuch der Anatomie der Haustiere. Bd. 2, iste Hälfte. (Ana-
tomie des Bewegungsapparates des Pferdes mit Berücksichtigung seiner Leis-
tungen). 2te Aufl. Stuttgart,
Schickhardt & Ebner, 1^4. Mit 204 Fig. im Text
u. auf 48 Taf.
 M.15.— Geb. M. 17.50

W. Ellenberger u. S. von Schumacher, Grundriss der vergleichenden
Histologie der Haussäugetiere. 4te Aufl. (2te u. 3te Aufl. von
Ellenberger u.
G. Günther).
Berlin, P. Parey, 1914. Mit 468 Abb. VIII -f 379. S. M. 13.—.

C. von Hess, Die Entwickelung von Lichtsinn und Farbensinn in der Tier-
reihe. Wiesbaden,
Bergmann, 1913. M. 1.60.

H. Triepel, Die Ursachen der tierischen Entwickelung. Jena, Fischer. 1913.
47 S. M. 1.50.

Sammlung anatomischer und physiologischer Vorträge und Aufsätze. Heft 20.
(Bd. II. H. 7).

Terminologie der Entwicklungsmechanik der Tiere und Pflanzen. In Verbindung
mit
C. Correns, A. Fischel u. E. Küster hrsg. von W. Roux. Leipzig,
Engelmann, 1913. 8°. Geb. M. 10.—.

V. A. Moore, Bovine tuberculosis and its control, Ithaca (N.-Y.), Carpenter
Co., 1913. X. 164 30 (plates). S 2.—n.

H. W. Graybill, Action of arsenical dips in protecting cattle from infestation
with ticks.

U.S. Department of agriculture. — Bureau of animal industry. Bulletin.

167.

V. Marjanen, Beiträge zur Histologie der Serosentuberkulose des Rindes.
Inaug.-Diss. Dresden.

H. Wirsching, Untersuchungen über Papillome der Haut beim Jungrind.
Inaug.-Diss. Dresden.

G. Hermann et C. Morel, Précis d\'anatomie pathologique. Paris, O. Doin
et Fils, 1914. 2 vol. 18 fr.
Collection Testut.

T. W. Twort and G. L. Y. Ingram, A monograph on Johne\'s disease. London
Balliere, Tindall and Cox. 1913.

C. Puppe, Untersuchungen über die experimentelle Diagnose der Lungen-
seuche des Rindes.

Sonderabdruck aus „Arbeiten aus dem Kais. Gesundheitsamte."

E. A. Lindemann, Untersuchungen über die Isolierung des Typus humanus
und des Typus bovinus aus einer Tuberkelbazillenkultur mit atypischer Virulenz,
sowie aus künstlichen Mischkulturen.

Sonderabdruck aus „Arbeiten aus dem kais. Gesundheitsamte.

C. Dammann u. L. Rabinowitsch, Ueber die Häufigkeit des Vorkommens
von Rindertuberkelbazillen bei Menschen.

Sonderabdruck aus „Zeitschrift f. Tuberkulose."

H. GLäsER, Mitteilungen des Ausschusses zur Bekämpfung der Dasselplage.
Nr. 5 Ueber Dasselfliegen. Berlin,
Günther &■ Sohn.

F. Hutyra, u. J. Marek, Spezielle Pathologie und Therapie der Haustiere. 4te

-ocr page 319-

Aufl. Jena, Fischer, 1913. 2Bde. 1144 und 1088 S. Mit 213 u. 207 Abb. u. 12 und
7 Taf. M. 50.— Geb. M. 56.—.

R. Abel, Bakteriologisches Taschenbuch, i7te Aufl. Würzburg, Kabitzsch.

1913. 138 S. Geb. M. 2.—.
Mit Papier durchschossen.

J. A. Murray, The chemistry of cattle feeding and dairying. London,
Longhans, Green and Co., 1913. 6 sh.

F. von Ziegler, Die Fleischbeschauer in Bayern. Starnberg, Verlag der
Zeitschrift für Fleischbeschau u.s.w. 1913.

Kalender für Fleischbeschauer und Trichinenschauer für das Jahr 1914. Hsrg.
van
W. Bonatz. 2ter Jahrg. Hannover. M. u. H. Schaper. 1914. M. 1.50.

I\' E. Titze, H. Thierincer und E. Jahn, Beitrag zur Frage der Beurteilung
des Fleisches tuberkulöser Rinder als Nahrungsmittel.

Sonderabdruck aus „Arbeiten aus dem Kais. Gesundheitsamte.
J. Rennes, Guide pratique de police sanitaire et d\'hygiène vétérinaires.
Paris,
Masson, 1913. 247 p. 3 fr.

A. Eloire, Le mouillage du lait; son contrôle par l\'examen du petit-lait au
séro-densimètre.

J. Rennes, Guide pratique de police sanitaire et d\'hygiène vétérinaires.
Paris,
Masson et Cie., 1913. 120. 247 p. 3 fr.

M. Klimmer, Veterinärhygiene. Grundriss der Gesundheitspflege und der
Fütterungslehre der landwirtschaftlichen Haussäugetiere. 2te Aufl. Berlin, P.
Parey, 1914. Mit 207 Abb. Geb. M. 15.—

Strauch, Anleitung zur Aufstellung von Futterrationen und zur Berechnung
der Futtermischungen und der Nährstoffverhältnisse für Rinder, Pferde, Schweine
und Schafe. 24te. Aufl. Leipzig,
Voigt. 1913. 80 pf.

Johne, Gesundheitspflege der landwirtschaftlichen Haussäugetiere mit be-
sonderer Berücksichtigung der Fütterungslehre. 2te Aufl. Hrsg. von
M. Klimmer.
Berlin. P. Parey, 1913. Mit Abb. M. 2.50.

P. H01 defleiss, Die Beziehungen zwischen Pflanzen- und Tierzüchtung.
Berlin. 1913.

Deutsche Gesellsch. für Züchtungskunde.

G. Laurer, Beiträge zur Abstämmlings- und Rassenkunde des Hausrindes.
Berlin,
P. Parey. 1914. M. 2.—.

Berichte des landwirtschaftl. Instituts der Universität Königsberg. Hrsg.
von Prof.
Hansen, nr. XIV.

Kronacher, Die Grundzüge der Züchtungsbiologie.

J. Wrightson, Sheep, breeds and management 7th. ed. London, Vinton <~ Co.,

1914. With 48 ill. 8°. 3 sh. 6 n.
Live Stock Handbooks, nr 1.

G. Hesse, Inzucht- und Vererbungsstudien bei Rindern der Westpreuszischen
Herdbuchgesellschaft, Hannover, M. H.
Schaper, 165. 1913. VI. 215.
Arbeiten der deutschen Gesellschait für Züchtungskunde. H. 18.
Het Drentsch Paardcnstamboek. Afl. 17. 1913.

Jahrbuch für wisse nschaftl. u. prakt. Tierzucht einschl. der Züchtungsbiologie
Hrsg. von den Deutschen Gesellschaft f. Züchtungskunde. Bearb. von
Wilsdorf

-ocr page 320-

und K. Müller. Ster Jhrg. Hannover, M. &• H. Schäfer, 1913. Mit 32
Abb. u. 1 Tai\'. M. 13.50.

Em. Rade, Geschichte der biologischen Theorien in der Neuzeit. I. 2te Aufl.
Leipz. u. Berlin. W.
Engelmann, 1913. IX 351 S. M. 9.—

H. KRäMER, Aus Biologie, Tierzucht u. Rassenlehre. Gesammelte Vorträge
u. Aufsätse. Bd. 2. Stuttgart.
E. Ulmer 1913. Mit 67 Abb. 320 S. 9 M.

Junghanns u. Schmid, Zucht, Haltung, Mästung und Pflege des Schweines.
4te Aufl. Stuttgart,
Ulmer, 1913. Mit 15 Abb. u. 10 Taf. Geb. M. 1.50.

„Des Landmanns Winterabende". Bd. 32.

Chr. Mommsen, Stellung und Aufgaben der Viehzucht und Viehhaltung
in der modernen intensiven Ackerwirtschaft. Hannover.
M. <~ H. Schaper. 1913.
Heft 17 der deutschen Gesellschaft für Züchtungskunde.

H. Grevers, Veemeting. Handleiding tot bepaling van het geweicht van liet
rundvee. i3de dr. herz, door W. B.
Luxwolda. Zwolle. Erven \'f jl, 1913. f 0,80
Tierärztlicher Taschenkalender für 1914. Bearb. u. hrsg. von M. Albrecht u.
H. Bürchner. München, Gotteswinter, 1914. M. 4.50.

Die Rinderwage in der Tasche oder die Bestimmung des Lebend-Gewichts des
Rindes durch zwei Masze. Nach
Klüver\'s Methode umgearb. u. verb. von R.
Strauch. löte Aufl. der KLüvER-strauch\'schen Tabelle. Berlin, P. Parey,

1914- 8°. 75 Pf-

Deutsches Hunde-Stammbuch, 34ter Band. Geb. M. 3.—-

A. Eloire, Le lion en captivité; reproduction et élevage. — La maladie des
lionceaux.

Kühn\'s Veterinär-Taschenbuch 1914. 23ter Jhrg. Hrsg. von F. Train. Berlin,
Kühn, 1914. 8°.

Deutscher Veterinär-Kalender für das Jahr 1913—1914. 25ter Jahrg. Hrsg. von
R.
Schmaltz. Mit Beiträgen von Arndt, Ellinger, Glage, Hartenstein u.s.w.
Berlin, R. Schötz 1913. M. 5.—.

Veterinär-Kalender für das Jahr 1914. Hrsg. von Rautenberg. 48ter Jahrg.
Berlin,
Hirschwald. 1914. M. 4.—.

Referaten.

Voedervergiftiging.

Gilruth beschrijft (in het Am. vet. review 1913 XLIII. 4 bl. 362) een in
Zuid-Australië bij paarden en runderen veel voorkomende ziekte, die naar de
meening van
G, veroorzaakt wordt door een (nog onbekend) toxies agens in
hei voedsel. Bij runderen bestaan de verschijnselen in onvermogen om het voedsel
te grijpen, te kauwen en te slikken, door partieele of geheele verlamming der
betreffende spieren, dientengevolge speekselvloed. Na eenige dagen dood onder
verschijnselen van uitputting en coma. Sectie geeft weinig opvallends te zien.
Tussen tongbasis en zachte gehemelte meestal een brok halfgekauwd voedsel,
soms ook weinig in de slokdarm, verder catarrh van dunne darm. — Bij paarden
bestaan de verschijnselen meer in algemeene paralyse, dikwijls gepaard met inter-

-ocr page 321-

mitteerende koliek en dood 11a 12 uren tot eenige dagen. Bij de sectie werd in een
paar gevallen een abnormaal groote hoeveelheid (helder) cerebro-spinaalvocht
gevonden. Verder catarrh in voorste deel der dunne darm.

Bakteriologies onderzoek en entproeven gaven steeds negatief resultaat.

G. kon met voer (haksel van haverstroo gemengd met een weinig haver en
zemelen) afkomstig uit een stal waar 3 paarden aan de ziekte waren bezweken,
de tvpiese ziekteverschijnselen opwekken bij 4 paarden en een koe. I )e dieren
werden ziek enkele dagen na het begin der voedering en stierven. Het voer zag
er niet bedorven of beschimmeld uit,\'t onderzoek er van gaf geen aanhoudspuntén,
het werd door de dieren gretig gegeten.

De ziekte komt ook voor bij runderen op de wei, bij paarden werden in de wei
geen gevallen waargenomen. G. denkt dat de oorzaak een nog onbekende giftplant
is, die waarschijnlijk door de paarden in de wei gemeden wordt. Verdere voeder-
proeven zullen worden gedaan.
 Vrijburg.

Castratie van het staande paard.

Dn Vine schrijft hierover in de Am. vet. review, 1913 XLIII. 3. Hij heeft de
laatste 15 maanden minstens 750 hengsten gecastreerd en daarvan minsten 90%
staande geopereerd. Heeft men eenmaal de noodige handigheid en durf, dan zal men
volgens hem nooit meer een paard voor de castratie werpen (bepaalde gevallen, als
hernia inguinalis, natuurlijk daargelaten). Gevaar voor fracturen, peesscheuringen,
wondverontreiniging, bestaan niet of zijn minder, alsook de kans op darmprolapsus,
die volgens hem, in sommige gepraedisponeerde gevallen, door hevig verzet en dien-
tengevolge beleediging van het lieskanaal, bij het liggende paard eerder zal op-
treden. Naar aanleiding van bovengenoemd artikel ontspon zich in de Am. vet.
review een gedachten wisseling tussen voor- en tegenstanders van deze methode.
De nieesten waren van oordeel dat bij zeer lastige paarden het verkieselijk is, het
dier voor de operatie te werpen.
 Vrijburg.

Ueber die Kultivierbarkeit des Lepgraerregers und die Uebertragung der Lepra auf
Af)en

Reenstjerna deed kuituur- en entproeven (aap) met leprabacillen. Het gelukte
hem\' in een bepaalde voedingsvloeistof (glycerinebouillon met ascitesvloeistof en
stukjes hersenen) uit bloed en neussecreet van lepralijders zuurvaste staafjes te
kweeken, overeenkomende met de officieele leprabacil. De cultuur kon hoogstens
(in één geval) tot in de 4e generatie (7 weken) in vitro gekweekt worden. Bij twee
culturen (van denzelfden patiënt afkomstig) traden bij de 2e generatie in eens
niet-zuurvaste vormen op, deels gelijkende op de gewone leprabacil, deels op diplo-
en strepto-coccen.

Een aap, geënt met uit leprabloed gekweekte zuurvaste leprastaafjes, kreeg na
52 dagen en later, roode vlekken, die 11a een poos weer verdwenen, en waarin zoowel
zuurvaste als niet-zuurvaste bacillen aangetoond werden — de zuurvaste waren
staafjes in verschillenden vorm en grootte — de niet-zuurvaste waren korte staafjes
of hadden diplo- en streptococcenvorm. Al deze vormen waren ook in de boven-
genoemde culturen gezien waarbij oorspronkelijk van zuurvaste leprastaafjes was
uitgegaan.

-ocr page 322-

Met reinculturen van uit leprabloed gekweektestreptokokken-vorniige microben,
werden apen ingespoten — een der dieren had na 42 dagen en later, eenige roode
vlekjes met blaasvorming, waarin zoowel zuurvaste staafjes als niet-zuurvaste
korte staafjes diplo- en streptococcen. De bacterien lagen deels vrij, deels in (lepra)
cellen ingesloten. Een andere aap kreeg na 49 dagen een roode vlek, waarin een
gering aantal niet-zuurvaste staafjes van de vorm en groote van de diphterieha-
cillen.

Door deze proeven is R. tot de overtuiging gekomen, dat de lepra-microbe zeer
polymorph is,
en als diplo- en streptococcen. kleiner of grooter staafjes kan
optreden.

I)e zuurvastheid der bacil is een eigenschap die maar onder bepaalde omstandig-
heden voorkomt.

De verschillende vormen zijn volgens R. waarschijnlijk te beschouwen als af-
gebroken en zich zelfstandig verder ontwikkelende deelen van een hoogere zwam-
soort, waartoe dan de lepra-microbe zou beliooren.

Ook van de tubercelbacil vermoedt R. een dergelijke niet-zuurvasten vorm.
(Ook andere onderzoekers vonden in culturen van leprabacillen verschillende
vormen en verschillende zuurvastheid. Rel.).

Deut. med. IVoch, 1912. 38. 38. Vrijburg.

I \'eber das Plombieren von Zalmen bei Tieren.

Emshoff vestigt de aandacht der veeartsen op het plombeeren van tanden en
kiezen bij paarden en honden. Hij zegt, dat dit bij deze dieren zeer goed mogelijk
is, als men maar niet wacht tot het te laat is. Een mond-inspectie van tijd tot tijd
is daarvoor noodig, en dikwijls zonder bezwaar door te voeren, \'l ot nu toe werd
in de betrekkelijk weinige gevallen dat plombeeren van tanden hij dieren plaats had,
meestal guttapercha gebruikt. E. gebruikt als vullingsmateriaal
koperamalgama
(een mechanies mengsel van koper en kwik) en silikat-cement. Koperamalgama is
week en heeft antiseptiese werking en kan gemakkelijk in de holte worden ingedrukt,
(verontreiniging met speeksel hindert niet). Het heeft ook voldoende vastheid om
bij het kauwen niet ingedrukt te worden. Silikat-cement kan bij wortelvulling en
als onderlaag voor amalgama-vulling gebruikt worden in grootere holten (speeksel-
toetreding moet hierbij verhinderd worden). Het is weeker dan koperamalgama.
Voor het toiletteeren der holten en het inbrengen van de vulling zijn bepaalde
instrumenten noodig (excavator, boor, tangen, enz.). Voor de snijtanden van
paarden en honden gebruikt E. instrumenten der menselijke tandheelkunde. De
operatie geschiedt bij het staande of liggende paard. De holten worden met mes,
excavator en boor klaar gemaakt voor de vulling, met blaasbalgje schoongeblazen
en met lauwwarm water uitgespoeld, dan met sterk carbolzuur gedesinfecteerd
en met watten en aether drooggemaakt. Daarna wordt de amalgama in kleine stuk-
jes ingebracht en vastgedrukt, tot de holte meer dan vol is — \'t overtollige wordt
verwijderd met spatel (van het midden naar de kanten strijkende). In 2 uren is de
vulling hard. De dieren mogen de eerste uren niet eten.

Zeitschr. j. Veterinürkunde, 1913, 25, 10. Zeitschr. f. Tiermedizin 1912 Bd. 16.

Vrijburg.

-ocr page 323-

Enkele klinische gegevens omtrent aandoeningen bij honden,

door

J. WESTER. »)

Bij het nagaan van mijn aanteekeningen over hondenziekten
vond ik o. a. het hierondervolgende vermeldenswaard:

i°. Huidaandoeningen.

a. Papuleus- en apostcmateus eczeem, rusten dikwijls op denzelfden
aetiologischen basis. Het apostemateus eczeem wordt meestal ver-
oorzaakt door staphylococcen, welke men echter ook in de lymph-
banen bij papuleus eczeem wel vindt. Belangrijk is dat bij apostema-
teus eczeem deze coccen veel verder in de lymphbanen der om-
geving zijn doorgedrongen dan de ontstekingsverschijnselen uiter-
lijk zouden doen vermoeden. Dit is de oorzaak dat ook na extirpatie
van een huidabscesje zoo licht recidive optreedt. Bij operatief in-
giijpcn dient men dus steeds op ruime schaal ook nog uiterlijk
gezond weefsel mee weg te nemen.

In ditzelfde verband wijs ik er op, dat subcutane en ook intracu-
tane injecties van carbol (2 \\ %) in de omgeving der huidabscessen
succes kunnen geven.

b. Therapie bij eczeem.

In het boek van collega Jakob mis ik lotio kummerfeldi en
chrysarobinezalf als middelen bij chronisch eczeem. Toch kunnen
ze wel goede resultaten geven. Chrysarobinezalf met axungea of
ook met vasogenum spissum (1:10—20) is een der beste middelen
tegen chronisch papuleus eczeem met sterke huidverdikking.
Vooral in laatst bedoeld voermiddel dient men echter voorzichtig
te zijn met de applicatie om vergiftiging te voorkomen.

Vasogeenrecepten trouwens in het algemeen werken bij het
dikwijls zoo hardnekkig chronisch eczeem soms zeer gunstig,
tengevolge van het verweekend en diep doordringend vermogen
van vasogeen.

Het best doet men, de recepten met de zalfachtige vasogenum
spissum te bereiden. Zoo ol. cadinum met vasogeen (1:20—40);
ichthyolvasogeen (1:40); creolinevasogeen (1:20); teervasogeen
1:20. 01. cadinum en teer kan men bij sterk verdikte huid ook nog
wel in eenigszins sterkere concentratie gebruiken. Men zij echter
voorzichtig met het middel door niet het geheele lichaam tegelijk
te doen inwrijven, vooral niet bij zeer kortharige honden, respec-
tievelijk bij een kale huid. Het is mij een enkele keer overkomen, dat

\') Dit artikel behoort eigenlijk bij de boekbespreking over het werk van
Dr.
H. Jakob, welke ik in het No. van 15 Januari leverde. J. w.

XLI l6

-ocr page 324-

inwrijven met creolinevasogeen op zeer ruime schaal, tot een doode-
lijke intoxicatie aanleiding gaf, met haemorrhagische nephritis,
verlaging van temperatuur en krampen, later coma.

De zeer dure praeparaten uit den handel behoeft men niet te
gebruiken; men kan heel goed zelf b. v. creoline met vasogeen tot
een liniment of een zalf bereiden.

Bij huidverdikkingen werken ook pcroxyden, speciaal zinkpero-
xyde (1:8 met axungea) wel gunstig. Natriumperoxvdezeep wat
wel werd aanbevolen, werkt veelal te irritatief.

Niet te onderschatten is ook de gunstige werking van J odiumtinc-
tuur
bij papuleus eczeem en huidverdikkingen.

Strooipoeders. Collega Jakob gebruikt blijkbaar veelal strooi-
poeders in den vorm van
talcum venetum of bolus alba. Inderdaad
voldoen deze poeders aan enkele eischen, welke men aan goede
strooipoeders moet stellen.

Een goed strooipoeder dient in de eerste plaats te zijn zeer fijn
gepulveriseerd, opdat het opslorpend vermogen zoo groot mogelijk
zij. Immers het opslorpend vermogen is indirekt sterk desinfec-
teerend aangezien door het uitdrogen de ontstoken huid een veel
minder goeden voedingsbodem vormt voor bacteriën. De fijnheid
maakt het poeder ook minder irritatief.

In de tweede plaats moet het zijn niet of weinig oplosbaar; waar-
door het middel indifferent is ten opzichte van de huid, dus niet
irriteert. Talcum venetum en bolus alba zijn onoplosbaar.

Door dit absoluut onoplosbaar zijn treedt echter een zeer ge-
wenschte eigenschap wel wat te veel op den achtergrond.

Hierdoor zijn ze n.1. slechts indirekt en niet actief dcsinfec-
teerend. Deze direkt desinfecteerende werking is eigen aan poeders
als tannoform, xeroform, pheniform, jodoform, dermatol welke om
die reden in vele gevallen ook bij huidziekten naar mijn meening
de voorkeur verdienen. Ze irriteeren weinig, doordat ze zeer
weinig oplosbaar zijn. Ze hebben echter het nadeel, dat ze veel
duurder zijn.

Therapie bij acarusschurft. Mij is in enkele gevallen ook bij
acarusschurft het gebruik van vasogeen als voermiddel zeer goed
bevallen (met creoline 1:6; eens per dag de aangetaste plaatsen
in te wrijven.)

Wanneer slechts enkele ronde huidplekjes zijn aangetast, heb ik
wel eens goed resultaat verkregen met intracutane injectie van
carbolzuursolutie (2 %).

Een algemeene, inwendige therapie bij eczeem wordt veelvuldig
toegepast, geeft echter veelal teleurstelling. Noch liq. fowleri, noch

-ocr page 325-

joodkali geven in den regel duidelijk merkbaar succes. Het beste is
wellicht nog de Fransche therapie met lac. sulfuris. Een enkele keer
meen ik succes te hebben verkregen met creosootvasogeen inwendig.

De inwendige secretie van de schildklier wordt ook wel met eczeem
in verband gebracht. Een paar keer heb ik experimenten genomen
met schildklierpraeparaten bij uitgebreid papuleus eczeem, even-
wel zonder resultaat.

H ersenwater zucht.

1. Een hondje (black and tann terrier) was volgens de anam-
nese normaal geboren. Op een leeftijd van ± 14 dagen was het
hoofd dikker geworden en tegelijkertijd was het diertje suf gaan
worden, zoog minder goed, jankte voortdurend, en draaide steeds
linksom in de rondte.

De schedel was zeer sterk gebombeerd, de schedelbeenderen
waren van elkaar geweken en lieten ter weerszijden in de slaap-
streek een ronde, zachter fluctueerende plek open. Vooral links was
het hoofd sterk gebombeerd. Het diertje was blind, de oogen ston-
den naar beneden gericht, het linker oog tevens buitenwaarts. De
patiënt vertoonde wijzerbewegingen naar links, het draaide steeds
op het linker achterbeen in een cirkel rond. Het dier jankte voort-
durend, vooral als op den schedel werd gedrukt.

Op een gegeven oogenblik bleek de spanning in den schedel veel
geringer te zijn, en toonde het diertje ook veel minder pijn.

Blijkbaar was de aquaductus Silvii nu en dan meer passabel en
kon dan het vocht zich naar het ruggemergskanaal verplaatsen of
langs de foramina lateralis afvloeien tot onder de hersenvliezen.

Met een Pravazspuit werd ± 20ccM. haemorrhagisch vocht uit
de ventrikels opgezogen. Het S. G. daarvan was 1.017. Bij centri-
fugeeren bleken slechts enkele endotheelcellen aanwezig.

Het diertje stierf den volgenden dag in coma.

2. Een halfjarige black and tann terrier vertoonde de volgende
verschijnselen: Het diertje voelde zich blijkbaar heel gezond, en
groeide uitstekend. Het was echter blijkens zijn doen en laten niet
wel bij \'t hoofd; het sprong en wipte door het hok en snapte naar
vliegen zonder dat er één aanwezig was. De gezichtsuitdrukking
was imbécil. De hond hoorde wel, maar wist blijkbaar de geluiden
niet behoorlijk te onderscheiden en hun plaats te bepalen. Hij was
blind, de pupillen waren sterk verwijd de oogen overigens normaal.
Het hoofd werd steeds hoog gedragen en iets naar links. Bij het
gaan werd steeds een kring naar links beschreven; de beenen wer-
den daarbij hoog opgebeurd. Het eten en drinken geschiedde op
normale wijze.

-ocr page 326-

Bij de sectie bleek in sterke mate hersenwaterzucht te bestaan.

Blijkbaar komen bij honden door overdreven familieteelt deze
en dergelijke afwijkingen van het centraal zenuwstelsel voor.
Bij geiten heeft men na voortgezette incestteelt ook wel hersen-
waterzucht zien optreden.

Eigenaardig is het dat deze verschijnselen bij honden waarge-
genomen, zoo zeer afwijken van die welke bij paarden met hersen-
waterzucht optreden.

Bij een koe zag ik eens hersenwaterzucht gedurende de jaren dat
ik praktiseer; en wel na endometritis. Het dier vertoonde exci-
tatieverschijnselen: was schrikachtig, en had krampen, trismus,
en opistotonus.

Cytodiagnostiek. Interessant en nuttig is het exsudaten en transu-
daten na centrifugeeren microscopisch te onderzoeken. Exsudaten
bevatten meestal veel polynucleaire leucocythen, echter bij chro-
nische processen ook wel in hoofdzaak lyniphocythen. Transudaten
bevatten hoofdzakelijk lymphocythen en in beperkte hoeveelheid.

Eigenaardig is het dat bij tumorvorming in de buikholte het
ascitesvocht, wat eventueel daarbij is opgetreden, bepaalde cel-
verhoudingen vertoont. Er treden dan namelijk soms groote ,,pla-
katen" van endotheelcellen op. Vooral is dat het geval bij maligne
tumoren.

Het aantal polynucleaire leucocythen is daarbij veelal grooter dan
in gewone transudaten. Het vocht gaat meer gelijken op exsudaat.

Waar het grensgevallen betreft kan een en ander voor de
diagnostiek van beteekenis zijn.

Proeflaparotoniie. Voor de diagnostiek van aandoeningen der
buiksorganen bij honden heeft mij proeflaparotomie soms wel goede
diensten bewezen. Men maakt dan lege artis een kleine opening in
den buikwand, waardoor men met den wijsvinger in de diepte kan
dringen en de ingewanden kan betasten. Wanneer men steriel en
ook overigens vlot en goed werkt, ondervindt het dier van deze
kleine operatie geen nadeel.

Op dergelijke wijze onderzoek ik tegenwoordig menigmaal koeien
met longaandoeningen, door n.1. tusschen twee ribben door in de
pleuraholte te dringen. Dit kan soms zeer aardige en onverwachte
resultaten geven. Tuberculeuse pleuritis, longemphyseem en
chronische pneumoniën kan men zoo al heel gemakkelijk van el-
kaar onderscheiden, wat met de andere onderzoekingsmethoden
wel eens niet meevalt. Ook deze operatie, mits goed verricht, schaadt
de patiënt niet; de binnenstroomende lucht wordt spoedig weer
geresorbeerd; adhaesies treden niet op.

-ocr page 327-

Overigens spreekt het van zelf, dat dergelijke proefoperaties
in hoofdzaak tot de klinieken zullen beperkt blijven. Bij gerechte-
lijke gevallen echter zou ook de practicus hiervan soms met voor-
deel gebruik kunnen maken

Microscopisch faecesonderzoek. Voor den veearts gaat het microsco-
pisch onderzoek van faeces van dieren meer en meer een groote rol
spelen. Distomatose en strongulose kan men bij schapen b.v.op die
wijze onderscheiden. Bij koeien desgelijks; en bij deze dieren kan
ook het onderzoek op zuurvaste bacillen afdoend resultaat geven.
Bij paarden dient men de faeces microscopisch te onderzoeken om
ascariasis, strongylose en schinmielintoxicatie te onderkennen.
Bij honden met het oog op taeniasis en ascariasis.

Ik wil er echter voor waarschuwen bij dieren niet te veel jacht
te maken op een enkel parasietenei. Een enkele ascaris kan het
onderzoek op wormeieren positief doen uitvallen, zal echter het
dier niet ziek maken.

Een enkel strongylusei kan geen strongylose doen constateeren:
ze komen ook bij gezonde dieren wel voor. Een enkel distomumei
zelfs mag niet steeds doen besluiten tot de aanwezigheid van een
ernstige leverbotzickte; immers enkele leverbotten vindt men dik-
wijls bij gezonde schapen en koeien.

Daarom is het niet steeds aanbevelenswaardig de faeces van dieren
b.v met antiformine op te lossen en daarna te centrifugeeren. Wel is
men dan beter in staat ook slechts enkele parasieteneieren te vinden,
maar dit kan de aandacht wel eens te veel van andere klinische ge-
gevens aftrekken. Men onderzoekt daarom de faeces het best door
ze met een weinig water of azijnzuur aan te mengen, en dan een
druppel onder het microscoop te bekijken. Vindt men regelmatig
parasieteneieren in een dergelijke pracparaat, dan is therapeutisch
ingrijpen daartegen wenschelijk. Van faeces van planteneters, die
in zoo groote hoeveelheid worden gedeponeerd kan men de grofste
partikels door zeven verwijderen.

Dit geeft meestal beter bruikbare resultaten als pogingen om een
enkel parasietenei uit de faeces op te diepen.

Zoo vond ik eens in faeces van een hond één strongylusei, en
dacht natuurlijk dadelijk aan dochmiasis, (welke ziekte mij totaal
onbekend was en nog is.) Het bleef echter bij dat eene ei, en na den
dood werd er niet één worm gevonden.

Sacharomyces in de faeces. Dat microscopisch faecesonderzoek
tot interessante vondsten aanleiding kan geven blijkt wel uit het
volgende.

Mij werd ter onderzoek gezonden faeces van een hond, waarin

-ocr page 328-

kleine wormpjes. De veearts vroeg de wormpjes te determineeren.
Bij microscopisch onderzoek werden tevens gevonden zeer veel
kleine, gele, dubbel gecontoureerde lichaampjes van i 12 bij 20
mier. en waarvan de beteekenis voorloopig een raadsel bleef.
Bij een later onderzoek bleek mij de volstrekte gelijkenis met
de cellen van de gewone gist: dezelfde grootte, dezelfde vorm, zelfs
hier en daar knopvorming. De wormpjes waren proglottiden van
dipilydium caninum.

Uit de litteratuur bleek mij, dat ook bij den mensch wel secun-
dair sacchaiomyces voorkomen bij aanwezigheid van dierlijke para-
sieten ir. de darmen.

Deze bijzaak werd in het begin ten onrechte door mij voor hoofd-
zaak aangezien.

A cphritis. Merkwaardig is het verband hetwelk bestaat tusschen
chronische dermatitis en chronische nephritis. Vooral bij oude
honden gaat de eene ziekte dikwijls met de andere gepaard. Ook bij
menschen schijnt die combinatie nog al eens voor te komen.

Men vraagt zich af: wat is primair en wat secundair? Theoretisch
kan zoowel het een als het ander plaats grijpen. Immers beide
organen zijn secerneerende organen voor stofwisselingsprodukten.
Functioneert de huid niet voldoende door uitgebreid chronisch
eczeem, dan blijven vele toxische stoffen terug, die dan zoo goed of
zoo kwaad als het gaat door andere organen moeten worden ge-
elimineerd. Vooral de nieren zullen dan meer werk moeten verrich-
ten en zullen door de vreemde toxische stoffen tot chronische ont-
steking kunnen worden geprikkeld.

Omgekeerd laat het verband zich echter even goed verklaren.
Slechts uitgebreide en nauwkeurige klinische waarnemingen zullen
dit vraagstuk op kunnen lossen.

Merkwaardig is ook dat oedemen bij chronische nephritis bij dieren
(ook bij den hond) veel minder intensief en veelvuldig optreden
als bij den mensch naar \'t schijnt het geval is. De vergelijkende
pathologie zou wellicht daarom een woordje mee kunnen spreken
ter verklaring van het ontstaan van die oedemen, waarvan men
nog niet alles afweet. Blijkbaar is het wel eens retentie van
keukenzout, hetwelk bij chronische nephritis door nierinsuffis-
cientie een groote rol speelt. Immers abstinentie van keukenzout
kan de oedemen soms doen verdwijnen. Ook vaatalteratie endaar-
door meer passabel worden van den vaatwand voor bloedplasma
door toxische stoffen speelt blijkbaar soms een rol. Zijn dit
stofwisselingsproducten, of is de inwendige secretie van de nier in
het spel?

-ocr page 329-

Spelen ook de in het lichaam zich vormende zuren een rol, doordat
ze aanleiding geven, dat het colloidale weefsel meer water kan be-
vatten, zooals
Martin Fischer meent? Dit laatste wordt door
velen ontkend.

Fischer wil ook het ontstaan van nephritis toeschrijven
aan zuurvorming in de nier Ook dit wordt dooi anderen
ontkend.

Toch is het een feit dat ook bij planteneters, bij chronische in-
duratieve nephritis de urine zuur is; en eveneens is het een feit,
dat men voor die chronische nephri:tis ook bij honden geen beter
middel kan voorschrijven dan
bicarbonas natricus, waardoor de
urine spoedig alkalisch wordt.

Het schijnt dat de vermeerderde alkalescentie van het bloed op
de ontstoken nieren een grooten invloed uitoefent. De albuminurie
verdwijnt soms bij deze therapie; natuurlijk blijft de schrompel-
nier bestaan.

Wanneer de combinatie bestaat van eczeem en nephritis gaat
dikwijls de verbetering van de kant der nieren hand aan hand
met het verdwijnen van de huidziekte.

Zeer nuttig zou het uit een algemeen wetenschappelijk oogpunt
zijn, als uitgebreide en nauwkeurige vergelijkende bepalingen van de
alkalescentie van het bloed bij gezonde dieren en bij dieren met
chronische induratieve nephritis werden verricht.

Therapeutisch kan men soms bij chronische nephritis ook wel
iets bereiken met „organotherapie" b. v. met het voederen van
nieren. Met een Fransch nierextract „Nephrine" heb ik nu en dan
wel aardige resultaten verkregen

Urotropine (Hexamethylentetramine, aminoform) Dit formal-
derivaat kan door afsplitsing van formaline in de urinewegen een
sterk desinfecteerenden invloed uitoefenen. Ter illustratie het
volgende ziekte geval.

Een reu leed reeds geruimen tijd aan blaaskatarrh met uitschei-
ding van veel epitheel, ettercellen en zelfs bloed in de urine.
Streptococcen waren in reincultuur in de urine aanwezig.

Dagelijks werd 2 X 0.75 gr. urotropine gegeven. Na een week
was de urine veel meer normaal geworden: de streptococcen waren
nog slechts in enkele korte ketens aanwezig. Het dier kreeg echter
diarrhee, weshalve de therapie daarna enkele dagen werd uitge-
steld. Na vijf dagen was de blaaskatarrh weer in even sterke mate
aanwezig als voorheen. Toen kreeg de patiënt gedurende 6 dagen
3x1 gram urotropine. De streptococcen waren daarna ver-
dwenen. Bij verder doorgaan met de therapie verdwenen daarna

-ocr page 330-

0ok achtereenvolgens de witte bloedlichaampjes en de epitlieelcellen.
Het digestieapparaat leed daaronder niet.

Ook bij paarden en koeien js urotropine bij blaasontstekingen
het aangewezen middel. Men geeft bij deze dieren 2 a 3 x dgs.
8 gram.

praeputium. Collega Jakob wijst in zijn boek op het voor-
kom611 van Sezwollen
follikels in het praeputiaalslijmvlies bij
c]lronische praeputjaajj<atai.rj1 p>eze follikels gelijken precies op
die, welke zich jn gelegde van koeien vormen bij de granuleuse
schee^eontsteking. Toch is van de volgens
Ostertag voor die
vaginaa rrh specifieke streptococcen in het praeputium dan
geen sprake. Ze worden veroorzaakt door de voortdurende aan-
wezigheid van allerlei lage organismen. Ook bij bokken komt deze
follikelzwelling in het praeputium voor (evenals bij stieren). Ik vond
dan wel
wel eens groote, grampositieve streptococcen. In verband
met een en ander heb ik het wel eens gewaagd te twijfelen aan de
uitsluitende specifiteit van de streptococcen van
Ostertag bij
de z. g. n. granuleuse scheedekatarrh bij koeien. Ik ben trouwens,
geloof ik, de eenige niet in dit opzicht.

Wat betreft de therapie bij praeputiaalkatarrh wensch ik op te
merken, dat 11a reiniging met vloeistoffen, men wel eens het succes
kan verhoogen door inblazen van antiseptische en adstringeerende
poeders zooals xeroform, phenyform e. d. Tannoform is voor deze
therapie minder goed geschikt, verliest door de vermenging met
veel vocht haar werkzaamheid. Ook bolus alba kan voor deze
medicatie wel gebruikt worden.

Bij de bespreking van de behandeling van condylomen in het
praeputium wijst collega
Jakob er op, dat de wonden, die men
eventueel van buiten af in het praeputium zou maken om de
woekeringen beter te kunnen verwijderen slecht genezen, en daarom
deze modus operandi geen aanbeveling verdient. Dit is volkomen
juist. Zelfs is er nog een ander bezwaar n. 1. dat de penis daarna
gemakkelijk aan het praeputium vast kan groeien, en dus later het
uitschachten en ook het dekken onmogelijk kan worden. Toch heb
ik wel eens, teneinde raad, met toestemming van de eigenaars
honden op deze wijze geopereerd en prompt genezen, echter met
adhaesie van den penis aan het parietaalblad van het praepatium.

Beenderenstelsel. Collega Jakob zegt in zijn boek, dat ,,osteo-
malacie" hoogst zelden ot niet voorkomt bij honden. Ik ben
het daarmee eens, weshalve de mededeeling van een enkel geval
door mij waargenomen gerechtvaardigd is.

Een sterk gebouwde, goed gevoede, vierjarige trekhond (reu)

-ocr page 331-

werd langzamerhand erg pijnlijk bij het loopen. Na opname in de
kliniek bleek het dier voortdurend koorts te hebben (temp. steeds
^ 40%). De pols was frequent (120) de ademhaling versneld. De
pijnlijkheid werd in een paar weken zoo groot, dat de patiënt gaan
noch staan kon.

Eerst werd gedacht aan spierrheumatisme; spoedig bleek echter
dat de beenderen zeer pijnlijk waren, ook bij druk.

Het dier werd op verzoek afgemaakt. Bij de sectie bleek dat alle
beenderen en vooral de epiphysen zeer week waren, als kaas te
snijden en doorspekt met haemorrhagiën. Vooral de ribben waren
sterk aangetast.

Osteomalacie mag een dergelijke beenaandocning zeker wel ge-
noemd worden. Ze is echter niet identisch met de z.g.n „osteoma-
lacie" van het paard en de geit. Overigens levert ook deze korte en
onvolledige ziektegeschiedenis weer het bewijs dat deze becnver-
weeking niet steeds kan worden toegeschreven aan kalkarm voedsel,
zooals men naar mijn meening te veel blijft denken. Infectie en
intoxicatie zullen zich meer en meer op den voorgrond dringen
als aetiologische momenten in dezen. In deze richting dienen
naar mijn meening de onderzoekingen omtrent de oorzaken van
osteomalacie (ook bij paarden) te worden geleid.

Bij paarden kan men onderscheiden: rachitis, osteomalacie en
wat de Fransche collega\'s noemen „osteïtismus" (osteïte de
fatigue"). Dit laatste nu heb ik ook eenmaal bij een hond ge-
constateerd.

Een jonge boxer ging steeds met den baas (een arts) op praktijk.
Het dier begon pijnlijk te worden en kon niet meer meekomen.
Verschillende middelen vooral tegen mvositis gericht werden ge-
probeerd, zonder resultaat. Daarna kwam het dier in mijn kliniek.
Bij onderzoek bleek dat de beenderen van de extremiteiten bij druk
pijnlijk waren. Na eenige injecties van phosphorolie subc.utaan
(2 m gr. phosphor per dag) en rust was het dier genezen.

Utrecht, Januari 1914.

De Cammidge-reactie bij honden,

door

J. WESTER.

Volgens Spaeth wordt deze reactie op volgende wijze uitgevoerd.
De versche urine wordt van eventueel aanwezig eiwit en suiker

-ocr page 332-

bevrijd, gefiltreerd en bij 20 ccm. van het filtraat wordt 1 ccm.
zoutzuur van 1.16 S.G. gevoegd. Het mengsel wordt langzaam
op een zandbad verhit in een klein kolfje met een trechter als
condensor en 10 min. gekookt. Na het afkoelen wordt de inhoud
weer op 20 ccm. gebracht. Het overschot van zuur wordt met 4 gr.
loodcarbonaat geneutraliseerd. Na eenige minuten filtreert men door
een vochtig, dicht filter en schudt het filtraat flink met basisch
loodacetaat. Na eenigen tijd wordt tot helder gefiltreerd en in het
filtraat de overmaat van lood door toevoegen van ,2 gr. natrium-
sulfaatpoeder verwijderd; men verwarmt tot het kookpunt,
koelt in stroomend water af en filtreert. 10 ccm. van het volkomen
helder filtraat wordt tot 18 ccm. aangevuld met aq. destill. Nu wordt
0.8 zoutzure Phenylhydracine, 2 gr. Natriumacetaatpoeder en
i ccm. 50 % azijnzuur toegevoegd. Dit mengsel wordt in een klein
kolfje, zooals in het begin werd aangegeven, 10 min. lang op een
zandbad gekookt, dan door een met heet water bevochtigd filter
gefiltreerd en tot 15 ccm. met water bijgevuld. Na eenige uren
komt soms een helder geel vlokkig neerslag op, hetwelk bij micro-
scopisch onderzoek uit helder gele haarfijne kristalnaalden bestaat,
die tot bosjes zijn vereenigd. De kristallen lossen in 33 % zwavel-
zuur op, als men deze vloeistof onder het dekglas doorzuigt.

Cammidge beweerde, dat op deze wijze bij positieve reactie
aandoeningen van het pancreas konden worden gediagnostiseerd.

Waardoor de reactie juist bij pancreasaandoeningen zou op-
treden, en welke de stof is, die er aanleiding toe geeft is nog
niet duidelijk geworden. Er is voor zooverre het betreft de ge-
neeskunde van den mensch na 1904 heel wat over geschreven.

De een beweert dat de methode bruikbaar is, de andere keurt
haar af.

Het interesseerde mij om te weten, wat van de zaak moest
worden gedacht voor zooverre het den hond betreft. Daarom zijn
hieromtrent door mij verschillende onderzoekingen gedaan \'). Ze
dateeren echter reeds van 1908 en 1909 en 1910. Aangezien na
dien tijd echter in de veterinaire litteratuur nog weinig of niets
over dit onderwerp verscheen, en de zaak tot op heden onder
de medici niet is uitgevochten, acht ik publicatie van mijn ge-
gevens, hoe onvolledig ze mogen zijn, ook nu nog wel gerecht-
vaardigd.

i°. Een éénjarige hond had reeds eenigen tijd geen eetlust
en werd mager en lusteloos. Sedert een week was diarrhee op-

De reactie werd in het laboratorium van collega Sjollema uitgevoerd.

-ocr page 333-

getreden. De temperatuur was normaal (38°.i). De therapie bestond
in het geven van 2
X daags 4 gram tannoform, zonder resultaat
evenwel. Nu werd de urine volgens
Cammidge onderzocht, met
positief resultaat. Daarna werd gegeven versche pancreasklier van
runderen (2
X dgs. 50 gram). Na een vijftal dagen was de eetlust
goed, het dier vroolijk, de faeces veel beter, het gewicht hooger.
De
cammidge-reactie was toen nog positief. Vier dagen later wa-
de hond genezen, en de
Cammidge-reactie negatief.

2°. . Een halfjarige hond met chronische diarrhee bleek noch
met andere middelen, noch met pancreasklier te genezen. Toch
was de
CAMMiDGE-reactie positief. Bij sectie bleek de pancreasklier
normaal; de darm was ontstoken.

3°. Een windhond eet tamelijk maar wordt mager. De tem-
peratuur is niet verhoogd\', de urine is normaal, de ontlasting is
dun. Bij microscopisch onderzoek van de faeces wordt niets posi-
tiefs gevonden. Het dier werd achtereenvolgens behandeld met
tannine, bicarbonas natricus, tinct. chinae, somatose, echter alles
zonder resultaat. Nu werd de urine nader onderzocht en bleek de
reactie van
Cammidge positief.

Daarop werd per dag aan de patiënt 100 gr. versche pancreas-
klier van het varken verstrekt, met het verrassend resultaat,
dat spoedig daarop de eetlust uitstekend werd en de faeces normaal.

Na acht dagen met deze therapie te zijn doorgegaan,
werd de urine weer onderzocht en nu was de CAMMiDGE-reactie
negatief.

De pancreastherapic werd 24 dagen volgehouden met steeds
blijvend resultaat. Toen werd met deze behandelingsmethode
opgehouden omdat het de bedoeling was bij het dier controle-
proeven te nemen omtrent vet en stikstofresorptie. Dadelijk daarop
ging het dier weer achteruit: de ontlasting werd dun, de eetlust
weer minder goed. Na een 14 dagen werd bij urineonderzoek de
reactie van
Cammidge weer positief bevonden. De experimenten
werden nu niet uitgevoerd en weer werd pancreasklier gegeven.
Tien dagen daarna was de
CAMMiDGE-reactie weer negatief; de eet-
lust werd weer beter, de ontlasting meer gebonden. Echter werd na
een week in weerwil van de pancreas-therapie de toestand weer
veel slechter. De ontlasting werd weer dun, slijmerig en donker
en de eetlust werd weer slechter, hoewel \'t gewicht niet erg afnam.
Na een maand sukkelens werd de hond afgemaakt.

Bij de sectie bleek de pancreasklier macroscopisch en microsco-
pisch normaal. Een gastro-enteritis bleek aanwezig. Vooral het
duodenum was verdikt en met een slijmlaag bedekt.

-ocr page 334-

Was hier retentie van het pancreasvocht in \'t spel door de
duodenaalkatarrh?

4°. Een Dobermannpincher van zes maanden oud had reeds
gedurende 3 maanden diarrhee. Het dier was sterk vermagerd,
had dunne ontlasting met onverteerde voedselbrokjes er in. De
CAMMiDGE-reactie was positief. De pancreaskliertherapie kwam
te laat. Het dier stierf na een paar dagen. Bij de sectie was een
enteritis aanwezig (vooral van het ileum). De pancreasklier was
bleek, overigens blijkbaar normaal.

50. Een tienjarige St. Bernhard had eczeem, diarrhee en ver-
magerde sterk. De ontlasting was in den regel grijs, soms wit van
kleur. De eetlust was vrij goed.

Omdat bij diarrhee reeds eenige keeren de CAMMiDGE-reactie
van de urine positief was gebleken, werd ook nu hierop onderzocht.
De reactie bleek positief. Nu werd 100—120 gr. rauwe pancreasklier
gegeven en nu en dan ook tannoform.

Na een week was de hond wel iets levendiger, maar de diarrhee
bleef toch steeds bestaan. Nu werd 200 gr. pancreasklier per dag
verstrekt. Na een week was nu de ontlasting veel beter. De
Cam-
midge
-reactie was echter nog positief, hoewel minder sterk.

Een proeflaparotomie werd verricht, om te tasten naar eventu-
eele zwelling van de pancreasklier of andere afwijkingen, zonder
resultaat evenwel. De wond genas voorspoedig.

In weerwil van de pancreasvoedering werd na een week de ont-
lasting weer dun en wit.
Het vetgehalte van de faeces bleek 6 %
van de natte stof;
26.7 % van de droge mest (normaal 7 ag%).
De CAMMiDGE-reactie was nu negatief. In verband met de mogelijk-
heid, dat deze acholische, vetrijke mest door een leverlijden werd
veroorzaakt, werd de urine onderzocht op gal kleurstoffen, met
negatief resultaat.
Steeds meer bestond er dus aanleiding aan een
pancreaslijden te denken.
Na ongeveer een maand werd opgehouden
met de pancreaskliertherapie.
De toestand werd hierop in de eerste
week volstrekt niet slechter.
De CAMMiDGE-reactie was na die week
echter weer sterk positief.

Nu werd de proef van Loewi uitgevoerd, door indruppelen in
het oog van V1000 Adrenalinesolutie. Bij pancreaslijden zou dan
mydriasis ontstaan, (men acht adrenaline een antagonist van het
inwendig secretum van de pancreasklier). Het resultaat was nega-
tief.

Ook werd de proef van Schmidt toegepast. Zwezerikklier werd
n.1, in een gazen zakje gedaan met de bedoeling dit door den darm
te laten digereeren en bij wederverschijnen uit het rectum te onder-

-ocr page 335-

zoeken of er nog kernen in de resten zouden zijn aan te toonen.
Deze proef mislukte omdat het zakje te groot bleek, voor de pilorus
bleef steken en bij de sectie in de maag werd teruggevonden.

Ten slotte werd de hond ook nog alleen vleesch gegeven om te
constateeren of vrije onverteerbare spiervezels zouden kunnen
worden teruggevonden, wat bij onwerkzaamheid van de buik-
speekselklier het geval zou zijn. Van vleesch werd echter niets in
de faeces teruggevonden.

Nadat de toestand bij de patiënt nog eenigen tijd vrijwel sta-
tionair was gebleven, werd het dier op verzoek van den eigenaar
afgemaakt. Bij sectie bleek de pancreasklier sterk gezwollen, met
bloedingen en witte plekken aan de oppervlakte. Het microscopisch
onderzoek van de klier gaf weinig positief resultaat. Het gewicht
van de klier was 107.5 gram; normaal zou i 25 gram zijn geweest
bij dezen hond, die 33 kilo woog. De lever bleek vergroot en ver-
hard, (zonder dat toch galkleurstoffen in de urine waren verschenen)

De darm was chronisch ontstoken, vooral het duodenum was
verdikt en met een dikke slijmlaag bedekt.

6°. Een hond had suikerziekte: polyurie, polydj\'psie, lusteloos-
heid, slechte eetlust, cataract, suiker en eiwit in de urine. De reactie
van
Cammidge werd wel verricht, maar gaf helaas geen betrouwbaar
resultaat door toevallige omstandigheden. De pancreasklier bleek
gezwollen (130 gr.; gewicht van den hond 23 K.G.) Etterhaardjes
werden er in aangetoond.

Dit zijn de, helaas zeer onvolledige, onderzoekingen,welke ik
heb verricht omtrent de
cammidge-reactie. Nog werd in een viertal
gevallen uit de consultatieve kliniek bij honden met diarrhee de
reactie positief bevonden, maar zonder dat een diepergaand onder-
zoek is kunnen worden verricht, doordat de dieren niet werden
teruggezien.

Door verandering van werkkring werden na dien tijd deze onder-
zoekingen door mij niet voortgezet. De nauwgezette lezer zal
hebben gemerkt, dat de zaak overigens alleszins een nader en meer
nauwkeurig onderzoek verdient. Voor de vergelijkende pathologie
lijkt mij dit een zeer vruchtbaar veld.

Zooveel is in ieder geval wel uit het vorenstaande gebleken,
dat de reactie van
Cammidge met de secretie van de pancreasklier
wel iets heeft uit te staan.

Utrecht, Januari 1914.

-ocr page 336-

Het rapport der Commissie in zake het veeverzeke

ringswezen,

door

Dr. S. R. FERWERDA.

Het rapport der commissie in zake het veeverzekeringswezen
lokt onwillekeurig een nadere bestudeering uit, in \'t bijzonder dat
gedeelte waarin de maatregelen worden besproken om het onder-
ling verzekeringswezen tot meerdere bloei te brengen.

Ik moet erkennen dat ik in eerste instantie, het systeem Carillon
daargelaten, vrijwel meeging met hetgeen door de commissie in
deze als wenschelijk werd voorgesteld.

Nadere studie bracht echter meerdere punten van meening-
verschil, die ik belangrijk genoeg vind om onder de aandacht van
belangstellenden te brengen.

Ik begin daartoe enkele statistische gegevens omtrent de vee-
verzekering uit Beieren, Baden en Nederland aan een vergelijkend
critisch onderzoek te onderwerpen

Allereerst iets over de landen zelve, de hoeveelheid van het aan-
wezige rundvee enz., waaruit m. i. niets blijkt, dat een vergelijking
als bovenbedoeld onjuist zou kunnen maken.

In het geographisches Taschenbuch van Carj. Chun uitgegeven
in 1911 vind ik dat Beieren een grootte heeft van 75.860 qkm en
6.876.497 inwoners.

De grootte der rundveestapel bedroeg in 1894, en het spijt me
dat geen nieuwere gegevens mij ten dienste staan, 3.037.098 stuks,
dat is dus op de 100 inwoners 49.2.

Baden daarentegen is slechts 15066 qkm, heeft 2.140.605 in-
woners en een rundveestapel ook in 1894 van 593.526 stuks, dus
per 100 inwoners 37.8.

Nederland is 33080 qkm, heeft 5.853.037 inwoners, en in 1910
2.026.943 stuks runderen, dus per 100 inwoners 34.8 stuks.

In alle drie landen is het klein-veebezit zeer sterk overwegend,
in Beijeren zelfs in die mate dat een der argumenten tegen het ver-
plichte stelsel van veeverzekering o. m. deze was: „dat vele klein-
veebezitters onmachtig waren de premie te betalen.

Voor de wettelijke regeling was in Beijeren een zeer klein deel
van het aanwezige vee bij private maatschappijen verzekerd, maar
werkten (1893) ook reeds 527 fondsen, waarbij in \'t geheel 125.074
runderen stonden ingeboekt.

-ocr page 337-

In Baden is het onderlinge verzekeringswezen van zeer ouden
datum. Reeds in de eerste decenniën der 19e eeuw bestonden 60
onderlinge fondsen, door het streven van de Landwirtschaft-
liche Verein für Baden in het leven geroepen. Zelfs bestond in
het district Lörrach een herverzekeringskas, waarvan de aange-
gesloten fondsen een normaal statuut gemeen hadden.

In 1888 dus korten tijd vobr de wet van 26 Juni 1890 bestonden
in Baden 496 locale fondsen.

Een wettelijke regeling van het vee verzekeringswezen kwam
in Beieren tot stand 11 Mei 1896.

Onder die wet, waarvan de bepalingen bekend zijn, leeft men
thans nog.

De eerste wettelijke regeling in Baden van 26 Juni 1890, werd
gewijzigd bij de wet van 12 Juli 1898. De voornaamste verandering
bestond hierin dat thans 2/3 der veebezitters beslist over de op-
richting van een veefonds en toetreding tot de federatie, terwijl
vroeger het aantal stemmen bepaald werd naar het aantal koeien
waardoor de groot-veebezitters meer kans hadden de vorming
van een fonds tegen te houden.

De wet van \'98 is nog weer gewijzigd bij de wet van October
1910, echter niet ingrijpend.

Wettelijke regeling van het veeverzekeringswezen bestaat dus
in Beieren reeds zestien jaar, in Baden reeds drie en twintig.

En nu de resultaten. De statistiek toont aan dat Beieren begon
met 814 aangesloten locale fondsen en verzekerde runderen tot
een aantal van 194.402 verdeeld over 39.201 eigenaren, hetgeen
dus ongeveer 5 koeien per eigenaar bedraagt.

Tot 1900 zien we dan jaarlijks het aantal fondsen met ruim twee
honderd stijgen. We zijn gaarne bereid dat zeer voldoende te noe-
men al moeten we opmerken dat het aantal koeien per eigenaar
blijkbaar daalt.

De stijging 1900—1901 van 1500-1551 fondsen is reeds niet
moedgevend, terwijl de stijging 1901—1902 bepaald slecht is.
Letten we nu op 1902 en 1910 dan blijkt dat het aantal fondsen
steeg van 1552 tot 1692, maar ook dat de daling van het verzekerde
aantal runderen, die in 1901 reeds begon en in 1902 aanhield, zich
in de loop van de volgende 8 jaar niet alleen niet heeft hersteld,
maar is blijven aanhouden, zoodat in 1910 zelfs minder vee is ver-
zekerd dan in 1902.

Wanneer we er nu aan herinneren, dat de groote waarde der vee-
verzekering eerst dan haar volle beteekenis erlangt, als een zoo
groot mogelijk percentage van het aanwezige vee verzekerd is, dan

-ocr page 338-

dient erkend dat de werking der regeling in Beieren daaraan niet
heeft voldaan niet alleen, maar dat er teekenen zijn, die er op
wijzen, dat ze er niet aan kan voldoen.

Keken toch een oogenblik dat de veestapel in Beieren sedert
1894 niet grooter is geworden en nog bestaat uit 3.037.098 stuks,
dan blijkt dus waar 1910— 306.851 verzekerde dieren aangeeft, ±
10% verzekerd, een cijfer, dat ook om andere reden nog veel te
mooi is bovendien.

De statistiek voor Baden die met 1893 begint is slechts volledig
tot 1903.

Het begin was daar niet moedgevend. Men had gedacht minstens
met 200 fondsen en 100.000 koeien te zullen beginnen, en in 1893
waren nog slechts 87 fondsen aangesloten. We zien dat de stijging
van het aantal fondsen in de eerste jaren slechts uiterst matig is, de
regeling gaf aan de grootveebezitters te veel macht. Dat blijkt zeer
duidelijk uit de jaren volgende op de wetswijziging van \'98, toen
de jaarlijksche stijging aanmerkelijk grooter werd. De abnormali-
teit in de statistiek van Beieren treedt hier echter niet in.

We merken dan dat in 1902 verzekerd is een totaal aantal van
80523 runderen. Maken we hier dezelfde fout als zooeven voor
Beieren en vergelijken dit aantal met het in 1894 aanwezige vee
dan blijkt dat ^ 14% verzekerd is.

Ook dit cijfer is geflatteerd, maar we moeten niet vergeten dat
de wet van \'98 nog maar vijf jaar werkte en dat het aantal fondsen
van 1902-1910 steeg van 256 tot 426, wat dus een gemiddelde jaar-
lijksche stijging geeft van 21 stuks.

Opmerkelijk, we komen hierop nog kortelijk terug, is het feit dat
in 1899 nog 589 niet-aangesloten fondsen bestonden waarbij 195.083
verzekerde dieren stonden ingeboekt of te wel 31.77% van al het
in Baden aanwezige vee.

En nu Nederland, waar geen wettelijke regeling is, waar geen
dwang bestaat allerminst, maar waar ieder fonds dat opgericht
wordt er komt door den drang der noodzakelijkheid en het initiatief
van belanghebbenden.

De statistiek, die me voor ons land beschikbaar staat, meldt de
toestand van het jaar 1903, van 1906 en 1911, en is te vinden in de
bijlagen achter de Verslagen van den Landbouw, welbekend.

Het jaar 1903 toont aan dat er toen in ons land waren 713 rund-
veefondsen, waarin 208.309 koeien waren verzekerd, toebehoorende
aan 60919 eigenaren.

Per eigenaar waren dus verzekerd 3.4 stuks. In 1906 is het aantal
fondsen gestegen tot 748. Per jaar zijn er dus ±11 fondsen bij-

-ocr page 339-

gekomen. Het aantal verzekerde runderen steeg tot 273.099. Deze
dieren behoorden aan 72.797 eigenaren, waaruit blijkt dat thans
per eigenaar 3.7 stuks verzekerd zijn.

De statistiek van 1911 toont een zeer belangrijke stijging van
het aantal fondsen, daar dit thans reeds 885 bedraagt. Hieruit
blijkt dus dat er gedurende de laatste vijf jaar ongeveer 25 fondsen
per jaar bijkwamen.

Ook het aantal verzekerde dieren steeg zeer aanzienlijk en be-
droeg 377.540 over 89.748 eigenaren, wat een gemiddelde van 4.2
verzekerde dieren per eigenaar geeft.

Dat gemiddelde bedroeg dus over 1903, 1906 en 1911 respectieve-
lijk 3.4,3.7 en 4.2 stuks.

Ik neem gaarne aan dat die stijging gedeeltelijk is te danken
aan een meer intensieve grondcultuur, waardoor het houden van
meer vee voor den klein-veebezitter mogelijk is, maar dan toch
blijft die stijging een zeer gezond teeken, en steekt gunstig af bij de
daling die we elders waarnamen.

Ook de stijging van het percentage van het totaal aantal aan-
wezige vee, dat verzekerd was, is niet ontmoedigend.

Dit blijkt uit het volgende staatje:

Totaal aantal vee verzekerd vee in procenten

1903 1690500 208309 I2j

1906 1858721 273099 15

191i 2026943 377540 18

Uit deze cijfers waarin kleine onnauwkeurigheden niet ont-
breken, maar die toch over het geheel een juiste kijk geven op de
ontwikkeling van het rundveeverzekeringswezen blijkt dat wat
betreft het percentage van het verzekerde vee we bij Baden verre
achter staan, maar ook dat de ontwikkeling gestadig vooruit gaat,
en we niets aantreffen wat daarin ongezond kan worden genoemd,
en dat vonden we elders wel.

Aan onze landbouwers steun en hulp verleenen om dien weg
voort te varen, dat moet het streven zijn. Maar daarover nog later.

Nu weet ik zeer goed, dat mijn beschouwing alleen liep over de
rundveeverzekering, cijfers voor een vergelijkende beoordeeling
der onderlinge paardenverzekering staan me niet ten dienste. Wat
ik er van weet, wijst er alleen op dat we ook hierin niet zoo bijzonder
achteraan komen, en mag dat misschien wel het geval zijn voor de

voor het aantal in 1906 aanwezige vee reken ik het gemiddelde van 1903 en 1911.
XLI 17

-ocr page 340-

verzekering van het klein vee, dan zijn er echter ook hiervoor
teekenen die op verbetering wijzen.

Ik kan dan ook niet meegaan met het gevoelen der commissie
als ze op bldz. 514 van het rapport na een kort resumé van het ver-
zekeringswezen in Nederland, zonder verdere argumentatie de
toestand treurig noemt, en het verwondert mij zeer als ze in de
slotconclusies op bldz. 519 neerschrijft dat in ons land hier en daar
onderlinge veeverzekeringen aanwezig zijn.

Immers de statistiek wijst toch uit dat in 4/5 van de elf honderd
in ons land aanwezige gemeenten gemiddeld zoo\'n vereeniging voor
rundvee voorkomt.

We gaan verder en vestigen de aandacht op de beide rubrieken
in de statistieken waarop aangegeven staan:

ie het gemiddelde percentage runderen waarvoor vergoeding
is betaald ;

2e de gemiddelde jaarlijksche premie.

Bij een vergelijking van die cijfers uit Beieren, Baden en Neder-
land blijkt duidelijk, dat het percentage der vergoede runderen in
de beide eerste landen over alle jaren bijna hooger is, dan het ge-
middelde over 1906 en 1911 in ons land, waarbij dan nog komt dat
het percentage voor 1911 tengevolge van de tongblaar waarschijn-
lijk nog al hoog was.

De reden daarvoor zullen we hier niet nagaan. Ziet men echter
naar de premies, dan bemerkt men juist dat deze in Beieren en
Baden lager zijn dan in Nederland, terwijl men juist het omgekeerde
zou verwachten.

Nu zijn in de Duitsche statistieken opgegeven de totale premies,
dwz. de premie waarvan de Staatssubsidie nog niet is afgetrokken.
Er moeten dus oorzaken zijn, waardoor deze schijnbare tegen-
strijdigheid verklaard wordt.

Dit nu schijnt onder enkele andere te zoeken in de beide volgende
factoren:

ie is de opbrengst van het te vergoeden dier hooger.

2e op de geschikte tijd van noodslachting wordt in Duitschland
meer gelet dar bij ons.

Deze beide factoren staan tot elkaar in oorzakelijk verband en
dat het sub 1 genoemde inderdaad waar is blijkt hieruit dat men
in Duitschland het zoogenaamde Verwertungziffer dwz. de procent-
verhouding van het te vergoeden dier tot de totale te betalen som
gemiddeld op
33.93% stelt. Dörrwachter geeft zelfs een ge-
middelde van 41% aan, een cijfer dus waaraan in Nederland wel
niemand zal durven denken.

-ocr page 341-

Lees ik dus op bldz. 521 van het rapport „of deze laatste (d.i. de
„groot-veebezitter) zich zelf dan wel zich bij het een of andere fonds
„zal verzekeren is hoofdzakelijk een kwestie van berekening. Veel
„hangt hierbij af van de hoogte der veeprijzen, de grootte der te
„betalen premie en eveneens voor een groot deel van de vraag of
„de vdeeschkeuring voor het geheele land zal geregeld worden.
„Wanneer toch de gestorven en uit nood geslachte dieren niet meer
„zoo gemakkelijk en vaak nog voor goeden prijs aan koudslachters
„kunnen worden van de hand gedaan, zal ook voor den grooten
„veehouder de scha bij sterfte of noodslachting grooter worden
„en hem eveneens in de handen der veeverzekering drijven," dan
schijnt die laatste bewering niet onaardig, maar mist toch alle
redelijke grond.

Immers de statistiek wijst uit dat in landen waar verplichte
vleeschkeuring bestaat de opbrengst van dergelijk vee in \'t minst
niet kleiner behoeft te zijn als in Nederland.

Nu moeten we in verband hiermede nog een opmerking maken
over hetgeen we vinden op bldz.
556 van het rapport en in art. 14
van het aanbevolen huishoudelijk reglement.

Artikel 14 luidt aldus: „Wanneer door den behandelenden vee-
,,arts een onteigeningsverklaring is afgegeven en het afdeelings-
,,bestuur kan zich met de noodzakelijkheid der onteigening niet
„vereenigen, dan is dit bestuur verplicht binnen
2 X24 uur het
„advies van een gediplomeerd collega in te roepen. Wanneer
„dit advies afwijkt van de meening van den behandelenden vee-
„arts wordt het dier op kosten der verzekering in gemeen
„overleg verder behandeld."
en op bldz.
556 lezen we: „Naar onze overtuiging is tijdige nood-
slachting een krachtig middel om de geleden schade zoo ge-
ding mogelijk te doen zijn en in elk reglement dient dan ook
„de bepaling voor te komen dat het bestuur ten allen tijde
„het recht moet hebben over te gaan tot slachting van zieke
„dieren."

Ik hoop dat ik me vergis maar als ik ook nog op bldz. 521 sub 7
lees :

„het bestuur moet ten allen tijde het recht hebben een ziek
„dier te onteigenen en te doen afmaken, teneinde, de scha welke
„het fonds lijdt, zoo gering mogelijk te doen zijn",

dan schijnt het me toe dat de commissie in dezen wel wat al te veel
verwacht van het bestuur.

Wat toch leert te dezen opzichte de ondervinding in Beieren en
Baden ?

-ocr page 342-

In het normaalstatuut van Beieren lees ik in art. 18

,,Drie bestuursleden gaan het zieke dier zien en ontbieden zoo
noodig een veearts",
en in art. 20

,,Het bestuur kan noodslachting gelasten wanneer een dier
ervan verdacht wordt aan een ongeneeslijke aandoening te
lijden."

Hier dus de macht aan het bestuur.

In de Badensche regeling is dit aanmerkelijk anders. Art. 18
van het uitvoeringsreglement toch luidt:

„op last van het bestuur is de eigenaar verplicht veeartsenij-
kundige hulp in te roepen".

Art. 19 „Bij moeilijk geneesbare en ongeneeslijke ziekten kan het
bestuur, den veearts gehoord, slachting gelasten ;"
en art. 20 „Zonder toestemming van het bestuur mag geen ziek dier
gedood worden. I)e noodzakelijkheid van een noodslachting
is ter beoordeeling van den veearts."

Hier treedt dus de veearts op den voorgrond. En nu de resul-
taten.
Dörwachter geeft daarvoor de volgende zeer leerrijke
statistiek.

1899.

Veeartsenijkundig

Schade % der

van

de vergoede dieren

waren

behandeld

dieren

gestorven

in nood geslacht

vroegtijdig geslac

Baden

86.36

2.40

10.54

82.24

7-2 2 %

Beieren

59.08

2.74

3038

65.22

4.40 %

Is dus inderdaad en, wie zou het ontkennen, de tijdige noodslach-
ting een middel om de premie zoo laag mogelijk te doen zijn, dan
hechte men niet te veel aan de bevoegdheid van het bestuur daar-
toe, maar denke in de allereerste plaats aan den veearts.

Noode kan ik me dan ook met het in art. 14 voorgestelde ver-
eenigen, omdat ik de vrees niet kan onderdrukken, dat er nog al eens
besturen zullen zijn, die van de bevoegdheid een tweede veearts te
kunnen halen zullen gebruik maken, en ook omdat bij die veeartsen
de collegiale collega\'s a la
Van der Sande niet zullen ontbreken.

En nu de eigenlijke voorstellen der commissie. Ze wil geen ver-
plichte verzekering. Op bldz. 555 lezen we als volgt:

,,Het principe van verplichte verzekering lijkt ons niet
„aanbevelenswaardig en wel in de
eerste en voornaamste
„plaats omdat verplichting tot verzekering niet noodzakelijk
„is te achten voor den bloei van het veeverzekeringswezen

_

-ocr page 343-

„zelf. Die bloei is veel meer afhankelijk van de goede werking
„der verzekering en het bedrag der premie."

Nu ben ik ook inderdaad geen voorstander van verplichte ver-
zekering. Of een veehouder de verliezen die hem door veesterfte
dreigen zelve wil risikeeren of zich bij een veeverzekering aansluiten
dat is toch wezenlijk niet een ding waarin de Staat te beslissen
heeft, dat blijve toch geheel overgelaten aan het wijs beleid
van den man zelve, tenminste in zoover het algemeen belang
niet mee gaat spreken.

Maar overigens zou ik zeggen heeft, een verplichte verzekering
toch wel wat voor. Immers zoo duurt het geen jaren voordat een
klein percentage verzekerd is, zooals we dat voor Beieren zagen,
maar is het aantal verzekerde dieren in een slag 100%, en dat is toch
ook het percentage waarop een niet verplichte verzekering aan-
stuurt.

Tn ieder geval de eenvoudige bewering van de commissie lijkt me
niet wel in staat veel van de voorstanders van verplichting in
tegenstanders te veranderen. Immers ze beweren met tal van argu-
menten juist het tegenovergestelde.

Afgezien van het principieele standpunt waarop ik me plaats,
schijnt me een beslissing in deze zeer moeilijk Het is maar niet zoo
apodictisch uit te maken wat hier het beste is. Theoretisch
schijnt verplichte verzekering mooi, maar de uitvoering ervan zal
op talrijke hinderpalen stuiten en niet het minst, de. commissie
merkt dat ook op, de volkswil zal hier ook geducht mee gaan
spreken.

Geen verplichte verzekering dus. Maar wat wil de commissie
dan wel?

I)it vinden we op bldz. 529 van de desbetreffende aflevering van
ons Tijdschrift, waar de commissie het als haar meening uitspreekt
dat het onderlinge vee verzekeringswezen het best volgens het vol-
gende schema tot een krachtige ontwikkeling ware te brengen:

„Uitgaande van de locale fondsen, zouden deze locale fond-
,,sen
vereenigd moeten worden in een gemeentelijk veefonds,
„terwijl deze gemeentelijke zich zouden
moeten vereenigen in
„een
provinciale herverzekering" en later op bldz.\'556.

„Een punt van groot gewicht is, dat de fondsen, die zich
„voor herverzekering aanmelden een
genoegzaam groot aantal
,,dier en
verzekerd hebben" en verder

„Een ander punt van overweging is, dat men het aandeel
,,hetwelk de fondsen
zelf in de geleden verliezen moeten bijdragen
,,niel te klein
moet maken. Eerst dan wanneer de fondsen een

-ocr page 344-

„belangrijk percentage zelf moeten dragen, en ook wanneer
„volgens het systeem
Carillon hun bijdrage aan de herver-
„zekeringskas stijgt naar mate ze meer uit de kas ontvangen,
„zullen de fondsen voldoende geïnteresseerd zijn bij een goede
„oordeelkundige behandeling hunner dieren."

Dit alles nu schijnt theoretisch mooi, maar wat leert de prac-
tische ervaring in Baden opgedaan? Daar deed men net anders om.
Het vierde deel der premie kwam ten laste van het fonds, drievierde
ten laste der federatie, er kon een groote staatssubsidie worden
gebruikt, men rekende er zoo op met 200 fondsen en 100.000 dieren
te zullen beginnen, en het resultaat was, de statistiek van Baden
wijst het uit, dat in \'93 nog slechts 87 fondsen met slechts
29.231 dieren waren toegetreden, dat zelfs in 1902 nog geen 100.000
dieren waren verzekerd, en dat de 496 onderlinge fondsen die in
1888 aanwezig waren en die bij aanneming van het normaal-
statuut konden toetreden, toch maar prefereerden op eigen
wieken te blijven drijven. Sterker nog, dat in 1899 terwijl enkele
steenen des aanstoots uit de wet verwijderd waren zelfs 589
fondsen waarbij 31.77% van al het in Baden aanwezige vee
verzekerd was, zelfstandig bleven, deden alsof er geen federatie
bestond en alsof er geen subsidie van duizende marken voor
het veeverzekeringswezen werd gegeven.

Zou nu de profetie gewaagd zijn, dat bij de heel wat ingrijpender
voorwaarden die de commissie stelt, stel ze werden eens verwezen-
lijkt, de teleurstelling in Nederland, die in Baden zou overtreffen\'

Op bldz. 517 acht de commissie het verkieslijker dat niet de staat
ingrijpt, maar dat dit werk wordt overgelaten aan belangstellenden.

Ik ken niet de overwegingen die de commissie tot deze meening
hebben gebracht. Voorhands zou het mij toeschijnen dat de meer-
dere autoriteit van den Staat de zaak ten goede zou komen.

Recht duidelijk is het me ook niet, hoe de verhouding van den
Staat tot de onderneming zou wezen, waar wel subsidie van Staat
en Provincie gaarne zal worden aanvaard.

Voorts wordt de subsidie gewenscht geacht volgens de Beiersche
regeling, dat wil dus zeggen een jaarlijksche tegemoetkoming van
100.000 Mark en een reservefonds van 500.000 Mark.

Alles samengevoegd schijnt het me toe, dat de commissie voorstelt
een systeem, dat wel eenigzins afwijkt van het stelsel in Beieren
gevolgd, maar dat toch in de practische toepassing er ongeveer aan
zal gelijk blijken.

-ocr page 345-

De commissie deelt naar het schijnt zelve die meening ook, waar
ze in het buitenlandsch overzicht de Beiersche regeling uitvoerig
bespreekt en op haar belangrijkheid en het groote voordeel aan dit
stelsel verbonden wijst.

Met dit stelsel kan ik niet meegaan, en wel omdat m. i. het stelsel
in Beieren in de practijk toegepast fiasco heeft gemaakt. Een stelsel
toch dat na dertien jaar werkzaam te zijn geweest er nog niet in is
geslaagd 10% van het aanwezige vee als verzekerd geboekt te
hebben lokt niet tot navolging uit.

Aan een dergelijke proefneming, die vooral in den beginne des-
organiseerend en verwarrend gaat werken moeten we m. i. ons
onderling veeverzekeringswezen, dat zich de laatste jaren tamelijk
bevredigend ontwikkelt niet blootstellen.

Of ik er dan voorstander van ben voorhands deze zaak te laten
rusten? In geenen deele.

Ik wensch zelfs dat het veeverzekeringswezen voor onze Regee-
ring mag zijn een voorwerp van voortdurende zorg, omdat ik zoo
geheel den heer
Löhnis geloof als hij schrijft:

„Veilig kan men aannemen, dat tal van fondsen een lijdens-
geschiedenis achter den rug hebben en dat het bij velen nog
„niet is zoo als het zijn moet."

Het liefste zag ik dan in de eerste plaats onderscheid gemaakt
tusschen die sterften, die door infectieziekten worden veroorzaakt en
die, welke optreden als een gevolg van sporadische ziekten.

De Staat heeft zich als taak gesteld bepaalde infectieziekten
onder het vee door politiemaatregelen te bestrijden. Met het oog
hierop, schijnt me de zorg voor de verzekering tegen scha door
deze ziekten veroorzaakt in de eerste plaats op den weg van den
Staat te liggen. En het is zulk een ding van belang.

Wirtz noemde de verplichte aangifte de ruggegraat van onze
vétérinaire politie. Met een trouw opvolgen van deze verplichting
staan of vallen al onze maatregelen. En juist die spoedige aangifte
wordt door verzekering bevorderd. Geen veehouder, wetende dat
het nalaten hiervan hem de schavergoeding van een bv. aan milt-
vuur gestorven koe zal doen missen, zal daartoe ligt overgaan.

Er komt nog iets bij waarop MuLLER-Lisse de aandacht vestigt
in zijn voor de afdeeling Zuid-Holland gehouden voordracht
over de bestrijding der tuberkulose.

Pakt men de bestrijding van sommige infectieziekten krachtig aan,
dan vordert dat zeer veel geld.

Muller vraagt nu of een deel van de kosten der bestrijding der

-ocr page 346-

tuberculose niet kunnen gedekt worden door de heffing van hoorn-
gelden, door bijdragen dus van de veehouders zelve.

Ook deze zeer moeilijke vraag kan bij een eventueele „Vieh-
seuchenversicherung" haar beantwoording vinden.

Voorts vergete men niet, dat door de scha door infectieziekten
veroorzaakt afzonderlijk te regelen, de bloei van het onderling
veeverzekeringswezen in het algemeen en de levenskracht der
fondsen afzonderlijk ten zeerste wordt bevorderd.

De eenige weg daartoe is de heffing van een veebelasting,
een omslag dus over alle veehouders naar het aantal vee dat ze
bezitten.

In Zwitserland doet men dat anders, maar we hebben nu een-
maal geen beduidende in- of doorvoer van vee, dus die weg is af-
gesloten.

Trouwens reeds vele jaren bestaat in de meeste Duitsche
Staten een dergelijke veebelasting, om scha door infectieziekten
veroorzaakt te bestrijden. Met zeer goed resultaat naar het
schijnt.

De nieuwe Duitsche Rijkswet van 26 Juni 1909 heeft aan die
omslag over de veehouders geen einde gemaakt, maar bepaalt o. a.
in art. 67 dat voor afgemaakte dieren een zeker bedrag door de
Staat wordt vergoed, terwijl aan het oordeel der afzonderlijke
Staten wordt overgelaten dat bedrag te verhoogen door bijdragen
van de veehouders zelve.

Hiervan hebben de meeste regeeringen gebruik gemaakt.

Wat voorts het onderlinge veeverzekeringswezen betreft, het
heeft, ik zei het reeds, leiding en steun noodig. En om die leiding
en steun te geven ook daartoe stelle de Staat zich beschikbaar.
Wat heeft de leiding die van de Regeeringstaat is uitgegaan op
het gebied van landbouw, veeteelt en zuivelbereiding geen won-
deren gedaan. Welnu ik voor mij geloof dat gewerkt in den zelfden
geest op het gebied van het onderling veeverzekeringswezen veel
meer bereikt zal worden dan door systeem dit of wettelijke regeling
dat.

Bevorderd moet worden dat zooveel mogelijk onderlinge fondsen
worden opgericht. Juist de medewerking der Rijks-ambtenaren
in Frankrijk ^na rondschrijven van den Minister daartoe had
schitterend succes.

Verder dient een met zorg opgemaakt normaalstatuut lang-
zamerhand door al de locale fondsen aangenomen.

Voorts dient er gewezen door woord en geschrift op de vele
dingen, die noodig zijn voor een gezond onderling verzekerings-

-ocr page 347-

wezen, ook op die zaken die van belang zijn om de premie zoo laag
mogelijk te krijgen.

En eindelijk trachte men het groote belang van een goed inge-
richt herverzekeringswezen zoodanig ingang te doen vinden, dat,
niet van boven opgelegd, maar door de werking der fondsen onder-
ling, hierin bijgestaan door advies van Regeeringswege, ook de
herverzekering er komt.

En als dan bovendien onze Regeering gevonden wordt om ook
financieele steun te geven, dan zal voor haar m.i. daarmee ook de
gelegenheid open staan om aan die financieele steun de voor-
waarden te verbinden, die naar haar meening absoluut noodzake-
lijk zijn.

-ocr page 348-

Het onderling veeverzekeringswezen in Nederland in 1906.

Aantal

Aantal

Verzekerde

Verzekerde

Vergoede

Dito in

Provinciën

Premie

fondsen

deelhebbers

dieren

som

dieren

procenten

Groningen

27

3°59

9215

1218183

192

2.1

1-39

Friesland

37

6086

27718

3611777

612

2.2

1.52

Drenthe

62

6539

28471

3201623

436

1 • 5

1.08

Overijssel

82

8468

24345

2825848

446

1.8

i-39

Gelderland

166

17066

38853

4471002

799

2.0

1.65

Utrecht

5

346

1426

90110

37

2-5

4.00

N.-Holland

55

5533

48815

1000

2.0

Z.-Holland

7

534

5631

839616

119

2. i

1.62

Zeeland

11

688

6885

79I7SI

187

2.7

1.60

N.-Brabant

163

13328

49399

789

1.6

Limburg

133

11150

32341

677

2.1

748

72797

273099

in 1911

Groningen

43

4593

14097

2127972

361

2.6

1.98

Friesland

47

6842

30847

4701626

768

2.5

1.56

Drenthe

71

9196

42784

5615887

830

1-9

i .42

Overijssel

106

10470

36848

437^619

674

1.8

1.64

Gelderland

193

19749

51653

6748127

1295

2-5

2.13

Utrecht

8

1078

3746

399864

136

3-6

3-26

N.-Holland

60

8271

84191

38 71

4.6

Z.-Holland

9

1702

11821

2427252

255

2.2

i -93

Zeeland

11

779

7897

1067354

254

3-2

2.69

N.-Brabant

\'93

15549

59135

1298

2.2

Limburg

M4

11519

34521

1008

2.9

885

89748

37754°

-ocr page 349-

Het onderling veeverzekeringswezen in Beieren.

Jaar

Aantal
fondsen

Aantal
deelnemers

Verzekerde
dieren

Verzekerde

som
in Marken

Vergoede
dieren

Dito in
procenten

Premie
per 100 M.

1897

814

39201

194402

39498175

4614

2-37

i. 11

189S

1008

50523

238774

49561545

6336

2.65

1.05

1899

1270

62967

285138

59905610

7804

2.74

i. 14

1900

1500

72705

326570

68308535

9420

2.88

1.24

1901

1551

74020

326214

68040405

10080

3-09

1.32

1902

1552

74829

307760

66524415

9855

3.20

1.28

1910

1692

83062

306851

2.82

1.19

in Baden

1893

87

9396

29231

6202400

829

2.84

1.10

1894

in

11642

37449

9941030

1078

2.87

i. 40

1895

118

12466

43174

12375975

988

2.29

1.29

1896

119

12544

44407

i1979180

1224

2.76

1.63

1897

!23

12803

44827

12002755

1411

3-15

1.3 7

1898

124

12749

45142

12501525

1276

2.82

1.28

1890

185

17238

62832

18698925

1506

2.40

i .08

1900

202

18948

67279

1999605-,

1809

2.69

1.18

1901

236

22254

74877

22717215

2156

2.88

i .22

1902

258

22769

80523

25693745

1994

2.48

i. 10

1910

426

2.72

I -27

-ocr page 350-

Militaire Veterinaire Vereeniging.

Algemeene Vergadering op Zaterdag 28 Maart 1914 in het
Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.

Ochtendvergadering 11 uur:

1. Opening door den Voorzitter.

2. Ingekomen en uitgegane stukken.

3. Rekening en Verantwoording van den Penningmeester.

4. Vaststelling der contributie over het jaar 1914.

5. Ballotage der nieuwe leden.

Middagvergadering te 1V4 uur.

1. Installatie der nieuwe leden.

2. Voordracht van Majoor Hoogkamer :

De chloroformnarcose bij het paard.

3. Bespreking opleiding van paardenartsen.

4. Reorganisatie Veterinaire Dienst en finantieele positieverbetering.

5. Vrije mededeelingen.

Na afloop gemeenschappelijke maaltijd, waarbij de nieuwe
leden als gasten aanzitten.

Dë Secretaris,

Gai.i.andat Huet.

Berichten.

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL.

voorloopig verslag over het wetsontwerp tot wering van vleesch en
vleeschwaren, die voor de volksgezondheid schadelijk zijn.

Het afdeelingsonderzoek heeft aanleiding gegeven tot de volgende beschouwingen
en opmerkingen.

Algemeene beschouwingen.

§ i. Inleiding. Algemeen had men met erkentelijkheid de indiening van dit
wetsontwerp begroet, overtuigd dat slechts eene wettelijke regeling in staat zal
zijn de schade te weren, welke het gebruik van ondeugdelijk vleesch voor de volks-
gezondheid doet ontstaan. Met de indiening van een wetsvoorstel van deze strek-
king wordt dan ook voldaan aan den herhaaldelijk in en buiten de Kamer kenbaar
gemaakten wensch om een einde te maken aan de misstanden, welke op het gebied

-ocr page 351-

van den vleeschhandel ten onzent bestaan en ernstige gevaren voor den algemeenen
gezondheidstoestand medebrengen.

Dat met de voorgestelde regeling het beoogde doel zal worden bereikt, werd
evenwel door vele leden betwijfeld, door anderen zelfs ontkend.

Eensdeels werden verscheidene leden tot de ontkenning geleid, omdat zij geen
regeling doeltreffend
konden achten, waarin niet het stelsel van eene algemeene,
gelijkmatig werkende Rijkskeuring wordt gevolgd. Naar hunne meening kan de
regeling van dit wetsontwerp, waarin aan de gemeenten eene op verschillende
wijze uitvoerbare taak wordt opgedragen, niet de zekerheid geven, dat na hare
invoering slechts deugdelijk vleesch in consumptie zal worden gebracht. Ander-
deels vond twijfel omtrent de doeltreffendheid der regeling zijn grond in het gemis
van gestrengheid waarvan het wetsontwerp in verschillende opzichten blijk geeft.
Sommige leden hadden den indruk gekregen, dat de zucht om toch vooral niet aan
de handelsbelangen in den weg te treden tot eenige al te lankmoedige bepalingen
had geleid, die de regeling veel van haar kracht deden verliezen. Te recht stelt
de Memorie van Toelichting bescherming der volksgezondheid als hoofdbeginsel
van het wetsvoorstel voorop. Elke bepaling die met dat beginsel transigeert en aan
dat hoofddoel eene tweede plaats toekent, verzwakt de werking der wet in groote
mate. Men had hierbij vooral het oog op de mogelijkheid de voornaamste voor-
schriften voor verschillende gemeenten buiten werking te stellen en op de
bepaling, welke huisslachting onder zekere omstandigheid van de verplichte
keuring uitzondert.

Vervolgens achtten sommige andere leden het voorstel noodeloos omslachtig,
waar het tot dubbele keuring, een vóór en een na de slachting verplicht.

De hier aangeduide bezwaren mogen in de volgende paragrafen nader worden
uitgewerkt. Alvorens hiertoe wordt overgegaan zij echter nog op twee punten de
aandacht gevestigd.

Vooreerst vroeg men of het juist is, dat de belanghebbenden bij het slagersbe-
drijf niet bij de samenstelling dezer regeling zijn geraadpleegd. Men had zulks ver-
nomen en zou het bevreemdend achten waar eene regeling als deze diep ingrijpt
in de belangen van hen, bij dit bedrijf betrokken; in het bijzonder werd gewezen
op de kostenregeling; art. 20 lokt de gemeenten uit door heffing van een keurloon
de kosten zooveel mogelijk te bestrijden; door opvoering van dat keurloon kunnen
de belangen van het slagersbedrijf zeer in het gedrang komen.

In de tweede plaats had sommige leden de groote mate van vrijheid getroffen,
welke bij dit wetsontwerp aan de Regeering wordt gelaten. Men wees op de be-
paling van het tweede lia van art. 1, die de bevoegdheid geeft voor ten hoogste
twee jaren bij algemeenen maatregel van bestuur de wet geheel of ten deeleopandere
dieren dan de in het eerste lid bedoelde van toepassing te verklaren; op het tweede
lid van art. 2, dat zonder eenige beperking toestaat bij algemeenen maatregel van
bestuur allerlei voorschriften te geven betreffende het verduurzamen en de berei-
ding van vleesch en vleeschwaren; op de nader ter sprake komende verleeningen
van ontheffing ingevolge aft. xo en art. 43; en op de ruime wijze, waarop in art. 18
de nadere regeling der keuring aan een algemeenen maatrégel van bestuur wordt
overgelaten. Ook het tweede lid van dit artikel, dat omtrent het uitvaardigen en
den inhoud van voorschriften betreffende de wijze van slachten volslagen onzeker-

-ocr page 352-

heid laat bestaan, vond in dit opzicht kritiek. Men betwijfelde zeer of het juist is
in de wet slechts de hoofdlijnen aan te geven om de nadere regeling, waarmede
veelal belangen van diep ingrijpenden aard zijn gemoeid, over te laten aan de
wisselende inzichten van bewindslieden, die uit den aard der zaak zelf meesten-
tijds niet deskundig, op ingewonnen adviezen hun beslissing moeten doen steunen.

§ 2. Uniformiteit der keuring. Taak der gemeenten. Vele leden, die steeds van
meening waren geweest dat slechts eene eenvormige regeling, waarbij gelijkwaardig-
heid van alle keuringen zou worden verkregen, in staat zou zijn het in consumptie
brengen van schadelijk vleesch tegen te gaan, waren zeer teleurgesteld door het
stelsel, dat de Regeering heeft aanvaard en waarbij de regeling der keuring aan de
gemeenten wordt overgelaten, terwijl de taak van het Rijk meer bepaaldelijk tot
het oefenen van toezicht wordt beperkt.

De lezing van de Memorie van Toelichting wekte wel den indruk, dat ook de
Regeering van een algemeene, gelijkmatig werkende Rijkskeuring de beste uit-
komsten verwachtte, doch zij scheen voor de consequenties te zijn teruggeschrikt
en ter wille van allerlei belangen, ondergeschikt aan die der volksgezondheid, te
zijn overgegaan tot het aannemen van een halfslachtig stelsel, dat op nader te
noemen gronden gelijkwaardigheid van alle keuringen bezwaarlijk kan doen ver-
wachten .

Art. 20 van het ontwerp draagt de regeling van den keuringsdienst aan de
gemeenten op en art. 21 geeft eenige aanwijzingen omtrent hetgeen de overigens
met groote vrijheid vast te stellen gemeentelijke verordeningen zullen moeten be-
vatten.

Men merkte op, dat hierbij eenigszins het stelsel der Woningwet was gevolgd.
Wel wordt bij dit wetsontwerp aan de gemeenten eene minder ver strekkende taak
opgelegd. Terwijl toch de bouwverordeningen het zwaartepunt vormden van het-
geen de wetgever tot verbetering der woningtoestanden wenscht te zien verricht,
zullen de verordeningen ingevolge de Vleeschkeuringswet eer het karakter van uit-
voeringsmaatregelen hebben. Echter is ook hiervan het belang niet te onderschat-
ten, en, ook al bevatten wet en algemeene maatregel van bestuur verschillende
bepalingen om tot gelijkwaardigheid van keuring te leiden, deze zal door de aan
de gemeenten gelaten vrijheid tot eene fictie kunnen worden gemaakt. Blijkens
de toelichting zullen de gemeenten „in de organisatie van den keuringsdienst
en in de uitvoering moeten worden vrijgelaten." Men vreesde, dat van die vrijheid
dikwerf een zoodanig gebruik zal worden gemaakt, dat het aan een groot aantal
soms onnoodige en hinderlijke bepalingen niet zal ontbreken, doch geen systema-
tische, gelijkmatige keuring zal worden verkregen.

Men merkte hierbij op, dat de wet zich vooral heeft te richten op de ten platte-
lande bestaande toestanden. In de groote steden zijn op dit gebied veelal reeds
maatregelen getroffen, die, voor zoover zulks thans in haar macht is, eene doel-
treffende keuring van vleesch waarborgen. Voor die gemeenten is deze wet vooral
van belang in zoover zij het behoort onmogelijk te maken, dat aan de werking
van de daar bestaande keuringsvoorschriften afbreuk wordt gedaan door de zorge-
loosheid van andere gemeenten. Zal echter de wet hierin voorzien en ook op het
platteland zelf geregelde toestanden in het leven roepen? Naar verscheidene leden

-ocr page 353-

meenden, zal haar uitvoering in plattelandsgemeenten dikwijls te wenschen over-
laten, omdat daar, meer dan in groote steden, persoonlijke belangen den doorslag
geven, een gevaar dat des te grooter is, waar het geldt maatregelen te treffen en
te handhaven, waarbij niet alleen het belang der eigen gemeente, maar ook dat
van andere, omliggende plaatsen is betrokken.

Al dadelijk zal zich het gemis doen gevoelen van eene bijzondere bepaling, welke
voorziet in het geval dat eene gemeente in gebreke blijft aan art. 20 uitvoering te
geven. De Regeering scheen het onnoodig te achten ten deze de Woningwet te
volgen.

Een voornaam punt, wat de uitvoering der wet in kleinere steden en op het
platteland aangaat, betreft ook de vraag, welke personen met de keuring zullen
worden belast. De wet laat de mogelijkheid open de keuring aan hulpkeurmeesters
op te dragen. Het is niet waarschijnlijk, dat bij deze vrijgevige bepaling vele platte-
landsgemeenten bereid zullen worden bevonden gediplomeerde veeartsen voor dit
doel aan te wijzen. Het behoeft echter geen betoog, dat daardoor de gelijkwaardig-
heid der keuring over het geheele land — waar grootere gemeenten steeds over de
diensten van veeartsen beschikken — moet lijden. Bedoelde ongelijkmatigheid
in de keuringen wordt bovendien in de hand gewerkt door het feit, dat grootere
gemeenten beschikken over abattoirs of keurlokalen, terwijl het platteland deze
en andere middelen der moderne techniek veelal mist.

Ook de Regeering blijkt in te zien dat de keuringen in de groote gemeenten niet
met die op het platteland op één lijn kunnen worden gesteld, o.m. waar zij in de
toelichting tot art. 23 en art. 25 voor eene goede werking van de vleeschkeuring
slachthuizen van onschatbaar nut en van van beteekenend hygiënisch voordeel
acht, en den weg aangeeft, waarlangs het Rijk de oprichting er van zal kunnen be-
vorderen. Zal echter deze wet het getal slachthuizen eenigszins belangrijk doen
toenemen? Deze vraag achtte men gerechtvaardigd, omdat het te voorzien is, dat
gemeenten — al stelt het Rijk op voordeelige wijze geld daarvoor beschikbaar —
van de oprichting zullen afzien, wijl immers toch steeds vrijelijk uit andere ge-
meenten vleesch zal kunnen worden ingevoerd, dat aan minder goede controle
is onderworpen geweest en de wet aan de gemeenten — ook in de nader te bespreken
artikelen S en 9 — de middelen onthoudt om zich tegen invoer van ondeugdelijk
vleesch te beschermen.

Een belangrijk beletsel tegen het verkrijgen van eene eenvormige, algemeene
keuring wordt voorts in den weg gelegd door de wijze waarop van de voornaamste
bepslingen der wet ontheffing kan worden verleend. Levert de Regeering zelve niet
het bewijs weinig vertrouwen te hebben in eene goede uitvoering van de wet, waar
de Kroon zich in art. 10 het recht voorbehoudt ten aanzien van een of meer ge-
meenten ontheffing van den keuringsplicht te verleenen en in art. 43 den Minister
van Binnenlandsche Zaken de bevoegdheid toekent, binnen zekere grenzen ge-
meenten van de eerste keuring vrij te stellen? Vooral tegen het ruim geredigeerde
artikel 10 rees bij verscheidene leden bezwaar. Men achtte de onbeperkte vrij-
heid, welke hier aan de Regeering wordt gelaten en die aan het beginsel van alge-
gemeene keuring alle kracht kan ontnemen, in deze wet geenszins op haar plaats.
De bron van het te bestrijden kwaad schuilt vooral in de kleinere gemeenten,
waarvoor de Regeering ontheffing mogelijk wil maken; de nalatigheid dezer ge-

-ocr page 354-

meenten moet juist door deze regeling worden tegengegaan en de strafbepaling
van art. 32 zal veelal — wegens gebrek aan toezicht of gemis van bewijs — niet
toegepast kunnen worden. Nu wordt art. 10 door de Regeering verdedigd met
een beroep op gemis van handel in vleesch in sommige kleine gemeenten en op
plaatselijke omstandigheden, als afgezonderde ligging. Echter bedoelt deze wet
de volksgezondheid algemeen te bevorderen ; waar nu in gemeenten, als hier
aangeduid, evenzeer vleesch wordt gebruikt, is er, afgezien van den mogelijken
uitvoer naar andere gemeenten, geen reden de bescherming, welke de wet beoogt,
niet tot haar uit te strekken.

Tegenover het voorstel der Regeering stelden verscheidenen der hierboven aan
het woord zijnde leden de voordeelen van eene streng doorgevoerde Rijkskeuring
opnieuw in het licht. Zij meenden, dat de Regeering, die in dezen het belang der
volksgezondheid zoo overwegend acht, niet onveranderd behoort te handhaven
eene regeling, welke door de groote vrijheid, aan de gemeentebesturen gelaten,
en door het toelaten van verschillende uitzonderingen en afwijkingen, grootendeels
van haar kracht kan worden beroofd. Wanneer eenmaal eene Rijksregeling in het
leven wordt geroepen, behoort \'s lands overheid, die over de vereischte organen
en middelen beschikt, eene gelijkmatige uitvoering te waarborgen. Gelijkvormig-
heid zal aan de eenvoudigheid der regeling bovendien ten goede komen, terwijl
daarvan geenszins het gevolg behoeft zijn dat de ten laste der gemeente komende
kosten worden verzwaard.

§ 3. Hiiisslachting. Had de bepaling van art. 10 reeds verscheidene leden de
opmerking doen maken, dat te groote toegevendheid aan het effect van een wets-
ontwerp als dit zijn groote waarde kan ontnemen, ook de bepaling van art. 9,
waarin huisslachting voor eigen gebruik van den keuringsplicht wordt uitgezonderd,
werd door deze leden in dit licht beschouwd.

Blijkens de Memorie van Toelichting acht de Regeering bescherming der volks-
gezondheid van overheidswege bij de huisslachting misplaatst. Deze opvatting,
zoo merkte men op, houdt geen rekening met de ernstige gevaren, welke ook de
huisslachting voor de volksgezondheid oplevert. Zij is niet te verdedigen, zelfs
indien het vleesch, door huisslachting verkregen, alleen en uitsluitend wordt ge-
nuttigd door de huisgenooten, en het is in strijd met de grondgedachte van het
wetsontwerp, inwonende kostgangers, dienstboden, enz. wel aan de gevaren van
ongekeurd vleesch bloot te stellen. Bovendien wijzen de feiten uit, en ieder die met
de practijk op het platteland bekend is, weet, dat een groot gedeelte van hetgeen
door particulieren geslacht wordt, zijn weg vindt naar huurlieden, familieleden en
ook kooplieden. Zeer veel in den handel gebracht vleesch is van huisslachtingen
afkomstig en in deskundige kringen wordt gevreesd, dat vooral den uitvoer-
handel door deze vrijstelling schade zal worden toegebracht. Nu vergat men hier-
bij niet, dat art. 9 verschillende beperkingen inhoudt, dat kennisgeving van de
slachting moet geschieden en dat gestorven en in nood gedoode dieren ook hier
aan de keuring na het slachten zijn onderworpen. Doch men verwachtte niet, dat
deze beperkingen en voorschriften het kwaad zouden wegnemen of tegenhouden
hetwelk de vrijstelling der huisslachting kan veroorzaken. Dit toch schuilt vooral
hierin, dat wetsontduiking sterk in de hand wordt gewerkt. Het slachten van zieke

-ocr page 355-

dieren zal door de eigenaren niet als noodslachting worden beschouwd en het valt
te betwijfelen of de strafbepaling van art. 32 — waar eene juiste controle vrijwel
ondoenlijk is — hiertegen \\eel zal kunnen uitrichten. Ook is het een vraag of
aan de verplichting tot kennisgeving der slachting de hand zal worden gehouden
in de gemeenten, waaraan de in art. 10 bedoelde ontheffing is verleend, terwijl
men ook overigens vreesde, dat op het platteland van die verplichting niet veel
terecht zal komen.

Voorts werd gewezen op den achteruitgang, waartoe art. 9 sommige gemeenten
dwingt, welker verordening de huisslachting aan gelijke keuring als de bedrijfs-
slachting onderwerpt. Behoorde althans niet aan de gemeenten de vrijheid te wor-
den gelaten ook de huisslachting in de keuring te trekken, zoo plaatselijke omstan-
digheden dit gewenscht doen voorkomen?

Ten slotte vestigde men de aandacht op het belang van zoo vroeg mogelijke op-
sporing van besmettelijke ziekten onder het vee. Dit belang zal door de vrijgevige
bepaling van art. 9 schade lijden.

§ 4. Dubbele keuring. Art. 4 van het wetsontwerp verplicht tot keuring vóór
en na het slachten. Verscheidene leden achtten de verplichting om slachtdieren
vóór het slachten te doen keuren niet voldoende gemotiveerd door hetgeen in de
weinige bewoordingen daaromtrent in de Memorie van Toelichting wordt vermeld.

De verplichting tot keuring vóór de slachting zal weinig bezwaar opleveren in
de gemeenten, waar zich openbare slachthuizen bevinden. Echter zal men door
deze bepaling in groote moeilijkheden geraken waar deze instellingen ontbreken.
De huisslachting zal, naar men meende, er zeer door worden belemmerd, terwijl
naar het oordeel van deskundigen deze wijze van slachten, ook met het oog op de
bereiding van verduurzaamde vleeschwaren, de voorkeur verdient boven de massa-
slachtingen in de abattoirs.

Was men goed ingelicht, dan was uit technisch oogpunt de keuring vóór de
slachting overbodig. Alleen dieren, welke den leek gezond toeschijnen, zullen ter
„levende keuring" worden gebracht. Immers in geval van ziekte ontslaat het tweede
lid van art. 4 van deze keuring. Is echter „levende keuring" noodzakelijk, omdat
daarbij gebreken aan het licht treden, welke n& de slachting niet zouden kunnen
worden ontdekt? Deze vraag werd ontkennend beantwoord. Integendeel; elke
afwijking bij oogenschijnlijk gezonde dieren schijnt gemakkelijker en met grooter
juistheid na den dood vastgesteld te kunnen worden.

Was op dezen grond eene verplichting tot „levende keuring" reeds moeilijk te
verdedigen, te meer aarzelde men haar in de wet op te nemen, als men naging welke
hinderlijke bepalingen in de wet daarvan het gevolg zijn. Men wees op het voorschrift
van art. 5, volgens hetwelk de slachting en de na-keuring moeten plaats hebben
in de gemeente waar de vóór-keuring is geschied. Voorts herinnerde men aan art.
n, dat den eigenaar bindt aan een termijn, waarbinnen hij na de eerste keuring
tot slachting moet overgaan. De arbeid der keuringsambtenaren en de admini-
stratie worden vervolgens in aanzienlijke mate door de verplichting tot „levende
keuring" vermeerderd.

De leden hier aan het woord hoopten, dat overweging van deze bezwaren de
Regeering, die bovendien in gebreke bleef de noodzakelijkheid van „levende keuring"

XLI 18

-ocr page 356-

in het licht te stellen, er toe zal doen besluiten deze uit het wetsvoorstel te doen
vervallen. Belangrijke vereenvoudiging zal hiervan het gevolg zijn. Immers de
bijzondere bepalingen betreffende noodslachtingen zullen, met die in zake „levende
keuring", kunnen worden geschrapt. Xe eerder vertrouwden deze leden, dat de
Regeering aan hun verlangen zal te gemoet komen, waar zij zelve, blijkens de in
art. 43 aan den Minister van Binnenlandsche Zaken verleende bevoegdheid om
ontheffing der eerste keuring te verleenen, de volstrekte noodzakelijkheid dier
keuring niet erkent.

Ook hierbij wees men op de moeilijke contrôle ten aanzien van de niet aan de
eerste keuring onderworpen noodslachting. Langs dezen weg zal men in vele ge-
vallen aan die keuring trachten te ontkomen en het zal achteraf meestal moeilijk
zijn vast te stellen of er voor noodslachting voldoende reden aanwezig was, zoodat
de toepassing van de in art. 31 opgenomen strafbepalingen dikwijls achterwege
zal moeten blijven.

Andere leden verdedigden de verplichting tot „levende keuring" en meenden,
dat de in het buitenland opgedane ervaring zich tegen de opneming dier verplich-
ting in de wet niet verzet. De „levende keuring," zoo werd betoogd, bevordert de
doeltreffendheid der keuring nà de slachting, omdat zij aanwijzingen geeft, die hij
de tweede keuring van groot belang kunnen zijn.

§ 5. Leemten in het wetsontwerp. Op een drietal leemten in het wetsontwerp
werd de aandacht gevestigd.

Sommige leden waren van oordeel, dat in het wetsontwerp niet mocht ontbreken
eene bepaling, volgens welke dieren, die een natuurlijken dood zijn gestorven,
onvoorwaardelijk moeten worden afgekeurd.

Vervolgens waren eenige leden van oordeel dat het wetsontwerp niet voldoende
waarborgen schenkt tegen de gevaren, welke meer onmiddellijk met de fabrieken
van vleeschwaren verband houden. Op dit punt is het wetsvoorstel uiterst sober.
Zij meenden, dat eene regeling van toezicht op de fabrieken, waar bereiding van
vleeschwaren geschiedt, niet in de wet mocht ontbreken. Het ontwerp mist hier
voldoende strengheid. Men wees ook op art. 32, lid 2, en art. 33, waarin naast
„vleesch" ook „vleeschwaren" behooren genoemd te worden, wil men niet de
mogelijkheid voor allerlei misbruiken openen.

Voorts drong men aan op eene bepaling, die tot het indienen van een jaarver-
slag zou verplichten. Dit zou door het hoofd der inspectie kunnen worden samen-
gesteld, welke ambtenaar onder meer in gemeentelijke jaarverslagen betreffende
den keuringsdienst, gegevens daarvoor zoude kunnen vinden.

Artikelen.

Artikel 4.

Wat de in het eerste lid opgelegde verplichting tot dubbele keuring betreft
moge worden verwezen naar hetgeen hieromtrent in § 4 der algemeene beschouwingen,
werd opgemerkt.

Voorts meenden enkele leden, dat de f lotwoorden van het derde lid „tenzij het

-ocr page 357-

-vleesch . . . onbruikbaar wordt gemaakt" konden vervallen. Bestond hier-
tegen bezwaar, dan zouden zij die zinsnede verduidelijkt willen zien.

Al blijft ingevolge art. V der Additioneele Artikelen het eerste lid van art. 152
■der Grondwet nog buiten toepassing, zoo achtten sommigen het toch wensche-
lijk om in overeenstemming met den geest der Grondwet met de vernietiging,
bedoeld in lid 3, schadeloosstelling gepaard te doen gaan.

Artikel 8.

Eerste lid. In verband met hetgeen hierboven werd gezegd omtrent de kans
dat ingevolge dit wetsontwerp de keuring op het platteland minder streng zal zijn
•dan in de groote steden, zoodat er groote vrees bestaat dat de laatste zich niet
voldoende zullen kunnen beschermen tegen invoer van vleesch, door haar minder-
waardig geacht, drongen verscheidene leden op wijziging van deze bepaling aan.
"Volgens dit voorschrift kan het ingevoerd vleesch „uitsluitend onderworpen
worden aan een onderzoek om na te gaan of het nog verkeert in den toestand,
waarin het volgens het keuringsmerk moet verkeeren."

In de eerste plaats werd opgemerkt dat elk stuk vleesch, dat vervoerd wordt,
in hoedanigheid verandert ook al is het traject slechts kort, zoodat het wellicht
aanbeveling verdient de redactie over te nemen, in het
Tijdschrift voor veeartsenij-
kunde,
aflevering van 15 October 1913 (bladz. 880) aan de hand gedaan, en voor
bovenaangehaalde woorden te lezen: „uitsluitend onderworpen worden aan een
•onderzoek, of sedert het oogenblik dat het in de gemeente van uitvoer werd ge-
keurd geen veranderingen zijn opgetreden, waardoor het vleesch ondeugdelijk
moet worden verklaard."

In de tweede plaats wees men er op, dat de bepaling, ook al werd zij in genoem-
den zin gewijzigd, niet. afdoende kon heeten. Immers het is meermalen gebleken
■dat eene keuring herziening behoeft; vooral waar het noodslachtingen betreft is
zulk een herziening dikwijls niet overbodig. Waarom moet aan een keurmeester
in eene gemeente, die zich groote kosten oplegt om tot een voor de volksgezond-
heid alleszins bevredigenden toestand te geraken, de bevoegdheid onthouden
worden andermaal tot keuring over te gaan als er rechtmatige twijfel rijst omtrent
•de juistheid der eerste keuring? Deze bevoegdheid schijnt te moeten worden ge-
-geven. Ook zoude bij invoer van vleesch afkomstig van in nood gedoode dieren
•een bewijs kunnen worden geëischt, afgegeven door den keuringsveearts op de
plaats waar het dier werd geslacht, waarin wordt vermeld om welke reden het
■dier in nood werd gedood.

Men wees hierbij op het adres van 25 October 1913, aan den Minister van Binnen-
iandsche Zaken gericht door het gemeentebestuur van Amsterdam, waarin met
klem op wijziging van art.8, eerste lid, wordt aangedrongen. Daarin wordt betoogd,
-dat herhaaldelijk vleesch zal kunnen worden ingevoerd, dat door anderen dan
gediplomeerde veeartsen is gekeurd, terwijl in Amsterdam deze keuring als regel
aan veeartsen is opgedragen. Het wordt in dit adres in het belang der openbare
gezondheid noodzakelijk geacht bovenbedoelde bevoegdheid tot herkeuring te
geven, zoo de keuring door een uit den aard der zaak minder deskundigen hulp-
lieurmeester is geschied.

-ocr page 358-

Anderzijds werd hiertegen aangevoerd dat eenheid van keuring in hetgeheele
land grondslag van dit wetsontwerp is; zulks brengt mede, dat een eenmaal aan-
gebracht keuringsmerk het vleesch overal in den lande toelating moet verschaf-
ten. Te recht stelt de Memorie van Toelichting dit in het licht. Verscherpende be-
palingen als bovenbedoeld zouden den handel ten behoeve van plaatselijke be-
langen kunnen belemmeren.

Hiertegenover werd echter wederom opgemerkt, dat art. 8 inderdaad verdedig-
baar was, indien dit ontwerp tot eenheid van keuring in het geheele land zou
leiden. Waar echter op goede gronden was betoogd, dat de beoogde gelijkwaardig-
heid slechts een fictie zou blijken, moest art. 8 ook grootere vrijheid voor herkeuring
toestaan.

Tweede lid. Gewezen werd op hetgeen in bovengemeld adres van het gemeen-
tebestuur van Amsterdam wordt opgemerkt omtrent de in dit lid getroffen rege-
ling betreffende de vergoeding van het onderzoek en de keuring, in het eerste lid
bedoeld. In plaatsen waar geen afzonderlijk keurloon wordt geheven zal de in het
tweede lid aangewezen maatstaf worden gemist, zoodat de bepaling wijziging be-
hoeft.

Ook meenden sommige leden, dat de bepaling eenige verruiming behoorde te
ondergaan ten einde de gemeenten, waar slachthuizen worden in stand gehouden
niet te benadeelen. Om hieraan te gemoet te komen wordt in bovenbedoeld artikel
in het
Tijdschrift voor Veeartsenijkunde, de volgende redactie voorgesteld: „De
deswege te heffen rechten mogen slechts geheven worden tot een zoodanig bedrag
dat het ingevoerde vlecsch niet hooger worde belast dan het in de gemeente zelf,
geslachte vleesch, tenzij door Ons behoudens het bepaalde in art. 254 der Gemeente-
wet eene hoogere heffing wordt goedgekeurd."

Artikel 9.

De bepaling, waarbij huisslachting van de keuring wordt uitgezonderd, kwant
reeds in § 3 ter sprake.

Het tweede lid gaf nog aanleiding tot de opmerking dat het aanbeveling ver-
dient — overeenkomstig den in bovenbedoeld adres van het gemeentebestuur
van Amsterdam kenbaar gemaakten wensch — de bepaling van vrijen invoer te
beperken tot verzending per postpakket of op overeenkomstige wijze. Immers,
indien een slager uit eene naburige gemeente vrij is om zonder nader onderzoek
of keuring een ongelimiteerd aantal klanten te bedienen, dan zal de controle, of
zijne waren ook aan personen, werkzaam in het slagersbedrijf, worden gebracht,
bezwaarlijk afdoende kunnen zijn; aldus zal hij in veel voordeeliger conditie ver-
keeren dan zijn bedrijfsgenoot in de gemeente van invoer, wiens vleesch aan een
strenge keuring is onderworpen.

Vervolgens meende men dat de term „bloedverwanten" zonder gevaar door den
ruimeren term „personen" kan worden vervangen.

In overeenstemming met het slot van het eerste lid ware ook in het tweede lid
te lezen: „handel in vleesch of vleesch waren."

-ocr page 359-

Artikel 10.

Ook omtrent de hierin vervatte bepaling moge naar de algemeene beschouwingen
(§ 2) worden verwezen.

Artikel 17.

In het tweede lid wordt teruggave aan den belanghebbende van in beslag genomen
vleesch afhankelijk gesteld van de goedkeuring van den ambtenaar van het open-
baar ministerie. Men vreesde dat dientengevolge zooveel vertraging in de terug-
gave kan ontstaan, dat het vleesch inmiddels onbruikbaar voor de consumptie
wordt, zoodat de bepaling van geen practisch belang zal zijn.

Artikelen 18 en 21.

In deze artikelen wordt geregeld hetgeen bij algemeenen maatregel van bestuur
en hetgeen bij gemeentelijke verordening ter uitvoering van de wet zal zijn te be-
palen.

Verscheidene leden, die reeds hun vrees omtrent het gemis van gelijkmatige
keuring over het geheele land hadden uitgesproken, waren van oordeel, dat al-
thans verschillende punten, onder art. 21 vermeld, naar art. 18 moeten worden
overgebracht. Gewezen werd op den vorm voor de kennisgeving, bedoeld in de
artikelen 6 en 7 (art. 21, a), welke naar hun inzien overal gelijk behoort te zijn.
Hetzelfde gold naar hun oordeel voor het model voor de vergunning en de voor-
waardelijke vergunning tot slachting, bedoeld in artikel 11 (art. 21,
b), het onbruik-
baar maken voor voedsel van vleesch en vleeschwaren (art. 21,
d) en den termijn,
binnen welken herkeuring van vleesch gevraagd moet worden (art. 21,
e). Wordt
de uitvoering aan de gemeente overgelaten, dan dient zooveel mogelijk zorg te
worden gedragen, dat de uitvoering overal op dezelfde wijze geschiedt en een ad-
ministratief geheel worde verkregen.

Gewezen werd voorts op den in meergemeld opstel in het Tijdschri/t voor Vee-
artsenijkunde
kenbaar gemaakten wensch om in den algemeenen maatregel van
bestuur eveneens voorschriften op te nemen omtrent de tijden, waarop en waar-
binnen, alsmede de wijze waarop keuring en herkeuring moeten geschieden. Die
wensch wordt toegelicht met de mededeeling, dat de bepalingen onder
a en c van
art. 18 niet duidelijk aangeven wat wordt bedoeld en dat voor keuring daglicht of
voldoende kunstlicht een volstrekte eisch is, terwijl over de tijden waarop en waar-
binnen moeten worden gekeurd het artikel geenerlei bepalingen bevat.

Wat het tweede lid van art. 18 aangaat, weerspraken sommige leden de opvat-
ting der Regeering, dat het vraagstuk van de wijze, waarop moet worden geslacht,
voor eene oplossing nog niet rijp is. Zij wenschten in de wet te zien bepaald, dat
alle slachtdieren vóór de bloedonttrekking zullen worden bedwelmd, tenzij bij-
zondere redenen, b. v. ontleend aan ritueele slachtwijzen, zich daartegen verzetten.

De aanhef van het artikel ware, evenals die van art. 19 in actieven vorm om te
zetten.

Artikel 19.

Sommige leden waren van meening, dat ook in dit artikel eene te ruime bevoegd-
heid wordt gegeven aan de Regeering, welke allerlei ver strekkende bepalingen ten

-ocr page 360-

aanzien der daarin genoemde inrichtingen zal kunnen vaststellen. Bovendien
rees de vraag of een zoo onbeperkt toezicht noodig is op slachthuizen, welker
oprichting getuigt van den zin der gemeente om aan belangrijke hygiënische
eischen te voldoen.

Voorts werd de opmerking gemaakt, dat verschillende van de in dit artikef
genoemde inrichtingen vallen onder de bepaling van art. 2, VI en X, der Hinderwet
en soms ook onder de bepalingen der Veiligheidswet. Men vreesde dat moeilijk-
heden voor belanghebbenden zullen ontstaan; een verband wordt gemist, als in
artt. iiïm\'s en 12
bis der Hinderwet gelegd werd ten aanzien van Hinderwet en
Veiligheidswet.

Artikel 22.

Dit artikel verzekert het toezicht van Gedeputeerde Staten op de verordening
op den keuringsdienst. Men achtte het intusschen gewenscht, dat ook de instruc-
ties, in de gemeenten voor de keuringsambtenaren vast te stellen, aan gelijke con-
trole zullen worden onderworpen.

[n het tweede lid wordt van ,,den inspecteur, belast met het toezicht op de na-
leving van deze wet" gewaagd. In art. 41 wordt van „inspecteurs," in het meer-
voud, gesproken. Men verzocht inlichtingen omtrent de voorgenomen inrichting:
der inspectie en drong er op aan deze zoo eenvoudig mogelijk te doen zijn.

Sommige leden betwijfelden of dit toezicht met het Staatstoezicht op de Volks-
gezondheid behoorde te worden vereenigd en wenschten in elk geval de centrale
leiding aan een hoofdinspecteur-veearts te zien toevertrouwd.

Artikel 23.

Het openen der gelegenheid tot het geven van Rijksbijdragen in de voor rekening
der gemeenten blijvende kosten voor de keuringsdiensten vond vooral instemming,
bij sommige leden, die als gevolg daarvan verwachtten, dat de keuring ook ten
plattelande en in de kleine steden aan veeartsen zal worden opgedragen. Eene be-
hoorlijke uitvoering der wet zal daardoor zeer worden bevorderd. In dit verband
werd gevraagd, welke voorwaarden omtrent de inrichting van den gemeentelijken
keuringsdienst aan het verleenen der Rijksbijdragen ?ullcn wc.rden verbonden.

Gevraagd w:erd of niet binnen zekere grenzen tot het oprichten van abattoirs
zou kunnen worden verplicht.

Artikel 24.

Ten aanzien van de critiek waartoe het opdragen der keuringen aan meer en
minder deskundige personen aanleiding gaf, moge worden verwezen naar hetgeen
hieromtrent in § 2 der algemeene beschouwingen werd opgemerkt. Hier werd nog.
de vraag gesteld, welke in het algemeen de eischen zullen zijn voor de bevoegd-
heid om als hulpkeurmeester op te treden. Naar sommiger meening zouden dezen
slechts als „hulp" mogen dienst doen, wanneer de werkzaamheden groote uitge-
breidheid aannemen en dan slechts in nader bij algemeenen maatregel van bestuur
aan te duiden gevallen. Herkeuring zou naar het gevoelen van deze leden door eene
commissie van deskundigen moeten geschieden.

-ocr page 361-

Artikel 25.

Gevraagd werd met welke bedoeling hier wordt afgeweken van art. 4, 30. der
Hinderwet, in zooverre onderscheiden wordt tusschen „slachterijen, slachtplaatsen
en slachthuizen" en afzonderlijk „vetsmelterijen" genoemd worden.

Men merkte op, dat voor de werkzaamheden die in vetsmelterijen geschieden,
de gemeentelijke abattoirs niet geschikt zijn.

Gevraagd werd, of de bepaling van art. 4, y. der Hinderwet betreffende den
duur der verordening opzettelijk niet in het wetsontwerp is overgenomen.

Artikel 29.

Sommige leden verzochten nadere aanduiding van de vleeschwaren welke inge-
voerd mogen worden, alsook van de voorwaarden, waaraan bij den invoer moet
worden voldaan. Willekeur behoort hier te worden uitgesloten.

Artikel 37.

Men vestigde er de aandacht op, dat in hetgeen hier wordt bepaald reeds voor
een gedeelte wordt voorzien door de artikelen 174 en 175 van het Wetboek van
Strafrecht.

Artikel 39.

Eenige leden zouden openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak niet steeds
facultatief willen gesteld zien.

Anderen achtten imperatieve bepalingen op dit punt niet gewenscht, ook om-
dat zulks niet in overeenstemming zoude zijn met het in het Strafwetboek gevolgde
stelsel.

Artikel 40.

De vraag rees of het in art. 37 vermelde strafbare feit — zoo dit opzettelijk wordt
gepleegd — niet tot de misdrijven behoort te worden gerekend. Het schijnt ook niet
in overeenstemming met ons strafstelsel het willens en wetens verkoopen, afleveren
enz. van ondeugdelijk vleesch, dat afgekeurd of onbruikbaar gemaakt is, onder de
overtreding te rangschikken.

Ook werd de opmerking gemaakt, dat in gevallen, waar de volksgezondheid
onmiddellijk wordt bedreigd, oplegging van boete uitgesloten moest zijn.

Artikel 47.

De vraag werd gesteld of ook de slachtingen aan de Rijksveeartsenijschool te
Utrecht niet van de toepassing dezer wet moesten worden uitgezonderd.

Artikel 48.

Waarom, zoo vroeg men, wordt ter aanhaling van de wet hier —• in tegenstel-
ling met andere gevallen — aanduiding van jaartal en nummer van het
Staats-
blad
niet noodig geacht. Men wees hier op het eveneens kortgeleden ingediende
wetsontwerp betreffende woonwagens en woonschepen en op de aanhaling in art.
47 van het hier behandelde wetsontwerp.

-ocr page 362-

Artikel 49.

Aan den term „nader door Ons te bepalen tijdstip" werd door verscheidene le-
den, als dienstig voor alle gevallen en ter wille van gelijkvormigheid, de voorkeur
gegeven boven de in dit artikel gebruikte uitdrukking.

Aldus vastgesteld den 5 Februari 1914.

Smeenge.

van Hamel.

Ketelaar.

Jannink.

Bichon van IJsselmonde.

Verslagen, begrootingen en andere publicaties van Rijkswege.

Staatsbegrooting 19x4 Hoofdstuk 10. Landbouw, Nijverheid en Handel. Behan-
deling in de Eerste Kamer op 21 Febr. 1914. Handelingen blz. 317 e. v.

De Heer Michiels van kessenich verklaarde m;t belangstelling te hebben ver-
nomen, dat een nieuw wetsontwerp betreffende de paardenfokkerij spoedig te ver-
wachten is, waarbij een regeling van het hooger beroep over de uitspraken der
keuringscommissies zal worden getroffen. Vervolgens hield hij een beschouwing
over de wenschelijkheid van staatshulp aan de paardenfokkerij. Hij hoopte dat
weldra een voor geheel Nederland geldend paardenstamboek zou worden gesticht,
voor het zoogenaamd koudbloed ras. De paardenfokkerij wordt volgens dezen
afgevaardigde weder een loonend, ja winstgevend bedrijf, doch hij vraagt of dit
een reden voor de Regeering kan zijn om de aan deze fokkerij verleende subsidiën
op te heften.

De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, de heer Treub, antwoordde
hierop (Handelingen blz. 321), dat hij zich in hoofdzaak bij het gesprokene aan-
sloot, en dat hij het nadeelig zou achten op het oogenblik de steun der regeering aan
de paardenfokkerij te onttrekken. Hij vervolgt dan:
Natuurlijk zal er naar moeten
gestreefd worden, dat op den duur de paardenfokkerij zich zelf kan bedruipen.
De
Minister wil echter eerst door middel van de nieuwe wet meer eenheid trachten te
verkrijgen bij het fokken van zuivere rassen, alvorens aan vermindering van sub-
sidies te gaan denken. Men kan er van verzekerd zijn, dat de Regeering er niet aan
denkt, hare handen van deze zaak af te trekken. C. F. v. O.

Mond- en klauwzeer.

Van wege den directeur-generaal van den landbouw, is het volgende schrijven
gericht aan alle bestuurders van zuivelfabrieken hier te lande:

In de laatste weken hebben zich hier te lande weder enkele gevallen van mond-
en klauwzeer voorgedaan. Hoewel geen dezer gevallen tot nu toe aanleiding tot
uitbreiding heeft gegeven, dient de omstandigheid, dat deze ziekte zich liier en
daar weder vertoont, een aansporing te wezen, om te zorgen tijdig gereed te zijn,
ten einde met de grootst mogelijke kans op succes de bestrijdingsmaatregelen te
kunnen toepassen. Van groot gewicht zijn in dit opzicht de zuivelfabrieken. Zooals
voldoende bekend is, schuilt het gevaar van de verspreiding der ziekte voor een niet

-ocr page 363-

gering deel in besmette, voor veevoeder, bestemde nevenproducten der zuivel-
bereiding. Het zal een ieder duidelijk zijn, dat de melk van door mond- en klauw-
zeer aangetaste, dus smetstofafscheidende dieren, in de fabriek verwerkt, aanleiding
moet geven tot besmetting der bijproducten, die, naar elders vervoerd, plotseling
een belangrijke uitbreiding der ziekte kunnen veroorzaken en dat een dergelijke
verbreiding van smetstof reeds kan hebben plaats gevonden, vóórdat de ziekte
is onderkend en de bestrijdingsmaatregelen konden zijn toegepast.

De ter bestrijding noodzakelijke afmaking van zieke en verdachte dieren zal dan
vele bedrijven treffen en gepaard moeten gaan met bijzondere maatregelen van
afsluiting en beperking van veevervoer, maatregelen, hoogst oonaangenaam voor
de eigenaren en dikwijls zeer hinderlijk voor eene geheele streek.

Om bij het onverwacht uitbreken der ziekte ongewenschte verspreiding van
smetstof te voorkomen, is het daarom van het grootste belang, èn voor het suc-
ces der algemeene bestrijdingsmaatregelen, èn voor hen, wier veestapel op de voor-
noemde wijze zou kunnen worden besmet, dat de grootst mogelijke zekerheid be-
staat, dat de producten, die de zuivelfabrieken verlaten, geen smetstof van mond-
en klauwzeer met zich voeren.

Hiervoor is het noodig, dat deze producten naar behooren worden verhit. Ik
doe daarom een beroep op de bestuurders der zuivelfabrieken, om maatregelen te
nemen, ten einde door pasteurisatie de nevenproducten onschadelijk te maken.

Het ware mij aangenaam van u te mogen vernemen, welk gevolg door u aan dit
schrijven zal worden gegeven.
 N. Rott. Courant.

Cursus tot opleiding van onderwijzers in practisch hoefbeslag aan \'s Rijks
veeartsenijschool.
Alle 6 leerlingen die den cursus in 1913 volgde, slaagden
11a afleggen van het einde-tarnen. Het diploma werd uitgereikt aan de Heeren:
O. H. Baakda te Harlingen

K. Ballast te Coevorden

F. J. Lengers te Baarn

W. Meyer te \'s Gravenhage

A. P. Saris te Tongelre (N. Br).
J. Visser te Nieuwe Niedorp.

Voor het toelatingsexamen van den cursus in 1914 hadden zich 17 smeden aan-
gtmeld Volgens het reglement kunnen 6 leerlingen toegelaten worden.
De nieuwe cursus is nu begonnen met de volgenden leerlingen:
H.
Barendsr Jr. te Vorden
F C. M. v. Lamof.n te Gorinchem

H. Mul

te Zevenhuizen
te Sneek
te Lottuna (L).
te Doesburg.

G. Rypkema
J. Turlings

H. Vossers

Kroon.

Personalia. Gevestigd te Breukelen : de veearts D. M. Hoogland.
Bij Koninklijk besluit dd. 2 Maart 1914 n°. 64 is, met ingang van dien dag,
tct wederopzegging benoemd tot Rijkskeurmeester in bijzonderen dienst te
Bjxtel,
C. M. van Rooijen, plaatsvervangend districtsveearts aldaar.

-ocr page 364-

STAAT van de gedurende het jaar 1913 in Rijkskeuringsdiensten van voor uitvoer
bestemd vleesch verrichte keuringen.

Graskalveren.

Nüchteren
kalveren.

Runderen

Schapen.

Varkens.(*

Vette
kalveren.

Ter keuring aangeboden......

4 400

157 143

197

223 895

676 275

58 242

Voor uitvoer goedgekeurd ...

4 357g

153 522

145è

223 557

661 136

58 066

Voor uitvoer ongeschikt bes

vonden....................

42,1

3 621

5iè

338

15 139

176

Na voortgezette keuring voor

13 0521

consumptie goedgekeurd.. . .

3(H

3 022

21*

296

110

Na voortgezette keuring voors

22

waardelijk goedgekeurd ....

5

1

1

1 481

Na voortgezette keuring afge»

11*

605 i

kcurd ....................

598

30 j

41

44

Voor consumptie afgekeurde

organen en deelen.

Baarmoeders ................

_

_

3

278

1

Beenderen (in K.G.)..........

_

1144

Borstorganen (alle) ..........

3

2

1

1 835

18

Borstvliezen ................

2

4

9

1

643è

7

Buikorganen (alle) ..........

4

1

1 773

14

Buikvliezen.................

3

1

5

32

330

12

Darmen (partijen)............

Darmscheilen................

27

35

12

H

3 787

76

Gewrichten..................

13

60

9

Harten......................

13

34

15

28

7 450

28

Huid (in K.G.)..............

760i

Koppen ....................

3

5

] 1

1

944

12

Levers ......................

247

106

31.1

38 552

18 095

310

Longen ......................

1995

685

60

23 172

30 185

1634

Lymphklieren................

3

8 921

28

Magen......................

Maag cn darmen ............

6

6

10

3

3 286

37

Milten ......................

3

5

2

764

29

Nieren......................

71

105

23

165

3 174

719

Ondervoeten ................

4

12

2

3

102

59

Ooren ......................

_

_

5

Tongen......................

1

6

18

1

Uiers ......................

m

17

Vet (in K G.)................

5

326 k

7

Vleesch (in K.G.)............

94

166

67è

5 429

22

Vruchten....................

2

180

o

Zwezeriken..................

17

*) Hiervan werden voor ,,bacon" bereid 156 538 varkens.

Voorts werden 221690 K.G. afzonderlijke organen en deelen ter keuring aangeboden, waarvan 1883 stuks
voor consumptie werden afgekeurd.

-ocr page 365-

STAAT van de gevallen van besmettelijke veeziekten, in Nederland geconstateerd ges
durende de maand Februari 1914.

Opgemaakt door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.
(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal eigenaren aan onder wier vee de ziekte werd
geconstateerd).

Provincie.

(r,
<U
Ch
4J
JU

4>

.2

V
*N
60
c

(-1
<u
li
N

£
3

e

c

rj

** c

V C

0 n
i-.
0

T3 js

-o

ft bij paard
schaap.

c

aj

0
O,

V)

Ch

<L»

O.
3
<U

J2

Ó
N

ó
-M

<U

\'N
C
<u
C

3

3

>

Honds»
dolheid.

S

0
>4

"O
fi

O
£

-3 =

ns -C

s
*

5 c

3 u
J2

u
0n


J3

u
C/3

O

ai

>

lc

u

H

s

-3

S «

J-*

—, c
£ ü

Bij alle

vee.

Friesland ....

(l)1)

3.2)

1(1)

6(6)

Groningen

6(3)

Drenthe......

37t,19)

2(2)

KI)

Overijsel ....

Gelderland ..

Utrecht.....

1(1)

NoordsHolland

-

(1)\')

4(4)

4(1)

6(3)

ZuidsHolland

(l)1)

4(4)2)

29(13) s)

9(7)

-

Zeeland......

(l)1)

2(2)

Noord=Brabant

(1)\')

4(4)

Limburg......

8(8)

Het Rijk ....

(5)\')

45(17

9*5)

30(14)

48(40) -

\') Het zieke en verdachte vee is geslacht.
J) Bij paarden.
c) Abattoir te Rotterdam.

Vroeger geconstateerde ziektegevallen, welke begin Februari 1914 nog niet geëindigd waren.

Noordholland

- 21 (2)

_

367 (38)

_

—.

Friesland ...

-

_ _

92 ( ti)

Groningen.. .

_ _

3( 1)

-

--

■ —

Drenthe......

-- 1 —

24(17)

-

Gelderland. . . .

- 9 (1)

HET RIJK ..

-

- 30 (3)

486(62)

Schornagel.

-ocr page 366-

BlbllograQe.

Jahresbericht über die Verbreitung von Tierseuchen im Deutschen Reiche. Bearb.
im Kais. Gesundheitsamt zu Berlin. 27ter Jhrg. 1912. Berlin,
Springer, 1913.
Mit 4 färb. Uebersichtskarten. 8°. VI 120 254 S. M. 12.—

A. Eber, Bericht über das Veterinär-Institut mit Klinik u. Poliklinik bei der
Universität Leipzig für 1911 und 1912. Berlin, R.
Schoetz, 1913. Gr. 8°.8oS. M.2—.

Cad£ac, Pathologie interne: nutrition, auto-intoxication, appareil urinaire,
peau. 2e ed. Paris,
Bailliüre et fils, 1914. 180. 534 p. 143 fig.

L. Wunderlich, Wandtafeln für den landwirtschaftl. Unterricht in der Ge-
burtshilfe des Rindes. Leipzig, Leipziger Lehrmittel.-Anstalt, 1914. 10 Taf. je ca
69.5
x 63.5 c.M. M 8.—; auf Doppelpapier m. Rand u. Oesen M. n.—; auf Pappe
M. 17—; auf Leinw. m Stäben M. 20—.

A. Lungwitz, Der Lehrmeister im Hufbeschlag. Ein Leitfaden für die Praxis
und die Prüfung, neu bearb. von M.
Lungwitz. i4te Aufl. Hannover, M. & H.
Schaper, 1913. Mit 208 Abb. M. 2.50

Leisering und Hartmann, Der Fuss des Pferdes in Rücksicht auf Bau, Ver-
richtungen, Hufbeschlag und Hufkrankheiten. I2te Aufl. neu bearb. von
M.
L
ungwitz. Hannover, M. &■ H. Schaper, 1913. Gr.8° XII 536S. 470 Abb. Geb.
M. 12.—

G. Quaas, Untersuchungen über den krummen Huf mit bes. Berücksichtigung
der Hornkapsel. Inaug. Diss. Dresden 1913.

H. Erle, Untersuchungen über die Hufknorpel des Pferdes. Inaug. Diss. Dres-
den. 1913.

E. von Müller, Untersuchungen über den krummen Huf des Pferdes mit
Ausschlusz der Hornkapsel. Inaug. Diss. Dresden 19x3.

K. Fischer, Untersuchung über die Ringbildung am Hufe des Pferdes und
ihren diagnostischen Wert. Inaug. Diss. Dresden. 1913.

R. Schmaltz, Präparierübungen am Pferd. Eine ausführliche Anweisung zur
Anfertigung sämtl. für das Studium der Anatomie des Pferdes erforderl. Präparate
nebst anat. Repetitionen. 3ter Teil. Situs viscerum u. Sections-Technik; Einge-
weide-Präparate. 2te Aufl. Berlin, R.
Schoetz, 1913. Gr. 8°. VIII 231 S. 6 Taf.
2r Abb. Geb. M. 7.50.

P. Uhlenhuth u. P. Mulzer, Atlas der experiment. Kaninchensyphilis. Berlin,
J.
Springer, 1914. 8°. XI 58 S. 39 Taf. (20 färb.) M. 28. Geb. 29.80.

H. Schornagel, Anatomische, histologische und bakteriol. Untersuchungen
über elf Fälle von Hundetuberkulose. Inaug. Diss. Bern. Utrecht, Beyers, 1914.
87
S. u. 6 Taf. 8°.

L. Hoffmann, Sichere und rasche Bekämpfung und Vertilgung der an sich
harmlosen Maul- u. Klauenseuche. Der grosse Erfolg des andauernden Nieder-
gangs der Seuche in Deutschland, u. neue Versuche u. Beweise ges. in Aug. u.
Sept. 1913 auf der Hochalpe Fallermühlen. (Graubünden. Schweiz) 3 Tl. Stutt-
gart, Stähle & Friedel, 1914. Gr. 8°. III S. 297—408. M. 2.—

R. von Ostertag, Wandtafeln für den Unterricht in der Fleischbeschau. 2te
Serie. Berlin,
R. Schoetz.

4 Taf. 80 x 112. M. 14.—

R. Edelmann, Lehrbuch der Fleischhygiene mit bes. Berücksichtigung der

-ocr page 367-

Schlachtvieh- u. Fleischbeschau. 3te Aufl. Jena, 1914. Gr. 8°. XVI 442 S.
Mit 4 Farbentaf. u. 22
t Abb.

Ch. Martin, Laiterie. 3e éd. Paris, Baillière et fils, 1913. 180. 450 p. 200 fig.
Encyclopédie agricole. Br. 5 fr. cart. 6 fr.

H. Martel, L\'industrie de l\'équarrissage. Traitement rationnel des cadavres
d\'animaux, des viandes saisies, des déchets de boucherie etc. Paris,
Dunod et
Pinat, 1914. 8°. 376 p. 122 fig. Broché 12.50 fr. Cart. 14.— fr.

Heine, Das Reichsfleischbeschaugesetz vom 3 Juni 1900 nebst den Ausführungs-
bestimmungen des Bundesrats sowie den preuszischen Ausführungsbestimmungen.
2te Aufl. Hannover,
M. & H. Schaper, 1914. Geb. M. 1.50

A. Moreao, L\'abbattoir moderne. 2e éd. (In druk).

W. Erk, Konservierung der Proben für die bakteriol. Fleischbeschau beim
Versandt. Inaug. Diss. Dresden. 1913.

Oei.kers, Flügge und Wurthmann, Gewerbekunde der Fleischer. Bremen,
Guthe, 1913 M. 1.50

W. Ernst, Grundriss der Milchhygiene für Tierärzte. Stuttgart, Ferd. Enke,
1913. Mit 26 Abb. u. 5 Taf.

C. Becker, Das Schleswiger Pferd. Hannover, M &■ H. Schaper, 1914. Mit
6 Taf. Karte und 61 Abb. Leinw. M. 4.—

Monographien landwirtsch. Nutztiere. Bd. n.

R. Wille, Der tierärtzliche Beruf — Ein Wegweiser bei der Berufswahl. Studium
und Hochschulen. Die Aussichten im tierärztl. Beruf. Hannover, M.
<5- H. Schaper,
1914- M. 2.—

R. Löns, Hundesport und Hundezucht. Leipzig, Grethlein.
A.
Reichl, Das Buch von der Tierhilfe. Klagenfurt, Buchhandel des St. Josef
Vereines, 1913 8°. 239. S. 54 Fig. Geb. 2.20

K. Wigge, Das „Problem" der Krallschen Pferde. Kritische Beobachtungen.
Düsseldorf,
Smitz <&■ Olbertz, 1913. M. 0.50

Reber, Der bewährte Haustierarzt. Ein erprobter Ratgeber in der Aufzucht
u. Gesundheitspflege, so wie bei allerhand Krankheiten der Plerde, des Rindviehs
u.s.w. nebst Anhang: Die gesetzl. Hauptmängel u. kurze Darstellung der wichtig-
sten Haustierrassen. Reutlingen, Enszlin Laiblin, 1913. kl. 8°. 210 S. Mit Abb.

M.—80.

A. F ratzscher, Das örtliche Viehversicherungswesen im Königreich Preuszen.

Berlin, P. Parey, 1914. M. 2._

Veröffentl. des Kgl. Preusz. Landes-Oekonomie-Kollegiums H. 14.

Du Buy.

-ocr page 368-

Referaten.

Tuberkelbacillen in het bloed bij longtuberculose.

Bij longtuberculose van den mens is infektie van het bloed met tuberkelbacillen
geen zeldzaamheid.
Uilgermann en Lossen onderzochten bij 64 gevallen van long-
tuberculose het bloed op tuberkelbacillen:

Zij namen 10 c.c. bloed, schudden dat met 20 c.c. 3 % azijnzuuroplossing, lieten
liet mengsel een half uur staan en centrifugeerden. Het sediment werd met de
3 voudige hoeveelheid 10 % antiformine-opi. gemengd en 1 a 5 uur in de broedstoof
op 37° gezet, tot het opgelost was. Daarop werd weer ongeveer een uur gecentri-
fugeerd, het zich vormende sediment werd met steriel gedestill. water gewassen
en weer gecentrifugeerd, en op objektglazen gebracht, gefixeerd en volgens
Ziehl-
Neelsen gekleurd.

In 17 der bloedmonsters, dus ongeveer 25 % werden tuberkelbacillen gevonden
steeds in
zeer kleine hoeveelheid. De positieve resultaten betroffen niet alleen klinies
vergevorderde stadiën, doch ook eenige nog weinig uitgebreide gevallen.

Verband tussen bacillen in het bloed en koorts kon niet worden aangetoond.
Wel schijnt de prognose bij gevallen met bacillen in het bloed ongunstiger te zijn,
zonder dat daarom nog van beginnende algemeene (miliair) tuberculose sprake
behoeft te zijn.

Verschillende andere onderzoekers hielden zich bezig met het onderzoek van
bloed op tubercelbacillen, de resultaten waren verschillend.
Rosenbergen vond in
100% van alle tuberculosegevallen bacillen, in \'t bloed.
Schuitter in 32 %. 1<ura-
siiige
vond bij 155 longtuberculose patiënten steeds, dus in 100% bacillen in \'tbloed
en dacht er over de tuberculose te beschouwen als een primaire bacillaemie met locale
haarden in longen en andere organen.

Rumi\'f en Zeissler vonden ook bij tuberculose steeds bacillen in \'t bloed en
Rumpk wijst ook op de mogelijkheid van het ontstaan van longtuberculose langs
haematogenen weg, evenals de tuberculose der vrouwelijke geslachtsorganen
volgens de gynaecologen ook van haematogenen oorsprong is en
Unna ook voor
sommige huidtuberculosen den haematogenen weg aanneemt. Bovengenoemde
hooge cijfers werden door latere onderzoekers tegengesproken o.a. door
Rot-
hacker
en Charon. Deze konden het geregeld voorkomen van tubercelbacillen
in het bloed
in alle stadiën der ziekte niet bevestigen. Zij vonden alleen bacillen in
het bloed bij zware gevallen en bi] miliairtuberculose (gelijk ook vroeger algemeen
werd aangenomen). Ook
Lange en Lindemann vonden dat de berichten over tuber-
celbacillen in \'t bloed zeer zeker niet altijd juist waren en dat waarschijnlijk andere
zuurvaste staafjes, roodgekleurde kristallen, stukjes fibrine of andere bij de mani-
pulaties ontstane artefacten voor tubercelbacillen zijn aangezien.

Bij dieren werden onderzoekingen gedaan door Ishiwara en Binder. Ishiwara
deed aan het Miinchener slachthuis onderzoekingen bij 28 caviae, 30 runderen en
40 varkens, die alle in hooge mate tuberculeus waren:

Asepties opgevangen hartbloed (van caviae 1 c.c. van rund en varken 3-4 c.c.)
mengde hij met 2 % azijnzuur om stolling te voorkomen, daarna werd 30 % anti-
tormin toegevoegd, gecentrifugeerd en met aq.dest. gewassen. Van het neerslag wer-

-ocr page 369-

den strijkpreparaten gemaakt, gekleurd en op tub. bacillen onderzocht. Van de 23
caviae, die 6 weken tevoren intraperitoneaal waren besmet werden bij 6 tub.bacillen
in \'t bloed gevonden.

Van de runderen hadden 5 = 16.6% en van de varkens 7 = 17.5 °/o bacillen in \'t
bloed. Verder entte I. met bloed van 12 zwaar tuberculeuse caviae. In 6 gevallen
= 18.7 °/0 werden de entdieren tuberculeus. De proeven van 1. leeren dat ook bij
dieren alleen tubercelbacillen in \'t bloed gevonden worden bij zeer vergevorderde
tuberculose en vooral bij miliairtuberculose en bij sterk progressieve vormen met
verweekingshaarden.

Binder onderzocht het bloed van 9 runderen, die subcutaan of intraveneus met
reinculturen van tubercelbacillen waren besmet. Hij gebruikte ook de
Zeissler\'seen
STaUBLi-ScHNiTTER\'SE
methode (waarbij de bloedlichaampjes door het antiformin
vernietigd worden en dus niet hinderen) en vond in alle 9 gevallen in het bloed
tubercelbacillen, echter niet veel, hoogstens 3 a 5 per gezichtsveld en nooit in
hoopjes liggend. Van zijn runderen hadden 6 algemeene tuberculose of miliair-
tuberculose, 3
echter (waarvan 1 intraveneus en 2 subcutaan geinfecteerd waren)
bij de sectie (220 en 258 dagen na de infektie)
alleen locale tuberculose. Bij de zwaar-
zieke werden meer en vaker bacillen in \'t bloed gevonden dan bij de niet-zwaarzieke
dieren. Na de intraveneuse infecties werden de bacillen al 11a 3-11 dagen in \'tbloed
gevonden, verdwenen dan om na 17-30 dagen weer te verschijnen. Bi] de (5)
subcutaan besmette dieren werden resp. na 24, 41, 70, 70 en 91 dagen bacillen in
\'t bloed gevonden.

Van 5 cavia-entingen met uit het bloed afkomstige tub.-bacillen verliepen 3 nega-
tief en 2 positief, deze laatste vertoonden locale haarden waarin tub.-bacillen. De
virulentie van de bloedtub-bacillen was dus niet groot, de verzwakking ontstond
niet door de antiforminbehandeling gelijk door contróle-proeven werd aangetoond.
De bacillen worden zeer zeker door het bloed verzwakt en dikwijls vernietigd,
anders zou in veel meer gevallen miliairtuberculose optreden.

Binder vindt met het oog op die geringe virulentie de prognostieke beteekenis
van tub.-bacillen in het bloed niet groot, alleen het klinies verloop den ziekte is voor
de prognose van belang.
Münch. med. woch. 1912, 59, Nos. 19, 36.
Zeitschr. f. Infekt. kr. und Haustiere 1913. 14, 2/3 S. 147.
Centralblatt f. Bakt. Orig. 69, 7, S. 478

Berl. Tier-Woch. 1913. XXIV No. 41. Vrijburg.

Experimentelle Untersuchungen über das Vorkommen von Tuberkelbacillen im
Samen tuberkulöser Menschen.

Verschillende onderzoekers onderzochten bij tuberculeuse mensen en dieren
(zonder zichtbare genitaaltuberculose) het sperma op tubercelbacillen. Soms met
positief in andere gevallen met negatief resultaat.

Doi.d en Rothacker konden bij 24 tuberculeuze lijken (mens) 16 maal in het
sperma tubercelbacillen aantoonen door dierproef, (slechts 3 maal door kleur-
methode). Dit waren alle gevallen van zware longtuberculose.

Bij de lichtere vormen waren in het sperma geen tub.bacillen aan te toonen. In

-ocr page 370-

liet sperma van drie (levende) aan chron. longtuberculose mannen lijdende vonden
D. en R. ook geen tubercelbacillen.

Cenlralblatt /. Bakteriologie Orig. 1913. 69, 5/g, S. 379. Vrijburi,.

Versuche über den Wert neuer Methoden zur Enlnahme von Lungenanswurf
für die Feststellung der offenen Lungenliiberkulose des Kindes.

Titze en Matschke deden proeven bij 17 tuberculeuze runderen. Zij vonden
dat de bloedige methode om runderen sputum te verzamelen (tracheotomie,
daarna inbrengen van metaaldraad met watje volgens
Poeis e. a.) beter is dan de
nietbloedige (door de keel) daar ze minder gevaar oplevert voor verontreinigen
met toevallige zuurvaste bacillen. Meer vertrouwbaar dan beide is echter de cavia-
tent) proef die hun positieve resultaten gaf in gevallen waar ondanks nauwkeurig
;oeken geen tub-bacillen waren gevonden.

Berl. Tier-Woeh. 1913. XXIV. 18. Vrijburg.

Ueber die intrakutane Anwendung von Vogeltuberkulin zur Feststelleng der
Hühnertuberkulose.

De proeven tot nu toe door verschillende onderzoekers genomen om met tuber-
culine vogeltuberculose te diagnostiseeren hadden een negatief resultaat.
Van Es
wendde ook zonder succes de oogproef aan. Tegelijkertijd probeerde Jhij het met
de
intacutane methode. Zijn tuberculine was op de gewone manier van culturen van
Vogeltubercelbacillen bereid, hij gebruikte
5o°/0 oplossing en spoot die meteen
klein Pravaz\' spuitje in de huid van kam en keellellen. De keellcllen zijn als injectie-
plaats te verkiezen daar ze uit losser weefsel bestaan en de eventueele zwelling
daardoor duidelijker en grooter is. Volgens hem moet de inspuiting
zeer opper-
vlakkig
geschieden, in de Malpigi\'se huidlaag per kip ± 1.2 a 1.3 c.c.

Na 24, 48 en 72 uren werd het resultaat nagegaan bij positieve reactie trad locale
zwelling op die gew. na
48 uren \'t grootst was en na 4 dagen verdwenen. Algemeene
lchaanisstoringen kwamen niet voor.

Van 207 getuberculineerde hoenders werden de resultaten door sectie gecon
troleerd, daarna werd bij
108 tuberculose gevonden.

Van de 207 hadden 75 positief gereageerd\' daarvan waren 73 — 93-3°/q tuberculeus.
„ 53 dubieus „ „ „ 27 = 50.9%

79 negatief „ „ „ 8 10.1%

een der positief reageerende en bij sectie niet-tuberculeuze kippen had toch tub.
bacillen in milt en lever en van de negatief reageerende tuberculeuse dieren hadden
sommige uitgebreide tuberculeuze veranderingen. Zooals bekend is reageeren bij
zoogdiertuberculose dieren met uitgebreide laesies soms niet op tuberculine.

Vele dieren, die twijfelachtig of negatief hadden gereageerd werden na ± 30
dagen nog eens getubercuhneerd. De tweede reactie kwam in de meeste gevallen
met de eerste overeen en over \'t geheel maakte de tweede tuberculineering de
zaak niet veel duidelijker.

De intrakutane tuberculineering der hoenders bleek hier dus een maatregel te
zijn van
praktiese waarde, al was ze ook niet onfeilbaar. Als men ook de twijfel-
achtig reageerenden uitrangeert, is men zeker de ziekte in een kippenfokkerij tot
een minimum te verminderen. Ook verdient het aanbeveling nieuwe kippen te
tuberculineeren, alvorens ze bij de andere toe te laten. v. E. stelt zich voor nog
verdere proeven te doen, ook met andere tuberculine-preparaten.

Zeitsehr. f. Infekt. kr. enz. der Haustiere 1913. 14. 4/s. Vrijburg.

-ocr page 371-

Acuut oedeem bij het rund,

door

Dr. J. VAN DER VEEN.

De ziektetoestand, welke met het bovenstaande opschrift
bedoeld wordt, heeft als voornaamste symptoom een meer of
minder sterk, zeer plotseling optredend huidoedeem; ook andere
organen kunnen echter in het oedeem worden betrokken.

In de literatuur komt van de hand van A. Tapken, destijds
Ambtstierarzt te Varel in Oldenburg, een meer uitvoerige en in
vele opzichten een zeer juiste beschrijving van deze ziekte voor1).
Waar echter mijn ervaringen in enkele opzichten nog al afwijken
van die van collega
Tapken, meen ik dat het zijn nut kan hebben
hierop de aandacht te vestigen.

Na in 1893 deze ziekte meer algemeen beschreven te hebben
komt T. er in 1899 in bijzonderheden op terug in een artikel „Ueber
den Nesselausschlag beim Rind"2).

Hij schrijft: „Wenn ich die Krankheit unter dem Namen Nes-
selausschlag beschreibe, so geschieht das, weil unter anderen
Friedberger und Fröhner, sowie Anacker sie dazu zählen.
Mag das nun auch zutreffend sein, so handelt es sich bei der hier
geschilderten Krankheit doch jedenfalls um eine besondere Form
des Nesselfiebers.

Hier zu Lande is das Leiden unter dem Namen „Blattern"
bekannt.

Ich habe die Krankheit nur bei wohlgenährten Kühen, niemals
bei Ochsen oder Jungvieh beobachtet. Sie kommt zu jeder
Jahreszeit, sowohl im Winter als auch im Sommer vor. Bisweilen
tritt sie im Laufe weniger Tage mehrfach auf; es können aber
auch Monate verlliessen ohne dass sie sich zeigt.

Ueber die Ursachen vermag ich nichts Bestimmtes anzugeben.
Es wird jedoch von Seiten der Landwirte angenommen, dass
die Blattern in Folge einer Aufregung entstehen. In der That lautet
der Vorbericht gewöhnlich, die Kuh sei während der Vorberei-
tungen zum Füttern, oder nachdem sie sich mit einer anderen
Kuh gestossen habe oder beim Trinken, etc. erkrankt.

Die Krankheit kennzeichnet sich namentlich durch Schwel-
lungen, die plötzlich an verschiedenen Körperstellen auftreten.
Sie beschränken sich in den leichteren Fällen, welche die Mehrzahl

\') Mededeelingen omtrent deze ziekte versehenen ook van de hand van
Waldrafe, Zipperlen en Albrecht.

5) Monatshefte für praktische Tierheilkunde Bd. IV en Bd. X.

XLI 19

-ocr page 372-

bilden, auf die Augenlider, den unteren Thei! des Kopfes, die
Umgebung des Afters, die Scham; in schwereren Fällen finden
sie sich aber auch am Euter, an der Kniefalte, an der inneren
Fläche des Vorarms und des Unterschenkels, im Kehlgang, an
der Vorderbrust und an den Seitenwandungen der Brust und
des Bauches etc. Am Kopf sind die Augenlider und der untere
Theil des Kopfes, die Umgebung des Mauls, stets am auffallendsten
geschwollen, sodass das Thier ein unförmliches Aussehen hat.
Ausnahmsweise ergreift die Schwellung auch die Ohren. In der
Regel ist dabei starker Thränenfluss vorhanden. Die Quaddeln
an Brust und Gliedmassen sind sehr flach, scharf begrenzt und
fühlen sich hart an, während die Geschwulst am After, Wurf
und an der Schweifrübe stärker hervortritt und unregelmässig
und wulstförmig gestaltet ist und beim Betasten eine ödeinatöse
Beschaffenheit zeigt.

Im Beginn der Krankheit sind die Patienten manchmal unruhig
und trippeln hin und her. Puls und Athmung sind beschleunigt,
die Respiration ist haüfig stärker als gewöhnlich hörbar, schnar-
chend oder schniefend und mitunter von Stöhnen und Husten
begleitet. Bei starker Schwellung des Afters kann sich heftiges
Drängen einstellen. Es hat sich dann die Geschwulst wahrscheinlich
auf die Mastdarmschleimhaut fortgesetzt. Juckreiz ist nicht
bemerkbar. Die Futteraufnahme und das Wiederkäuen hören
auf.

Die Krankheit tritt ohne irgend welche Vorboten plötzlich
auf und erreicht etwa innerhalb einer Stunde ihren Höhepunkt.
Nachdem dieser kaum eine Stunde bestanden hat, pflegen die
Anschwellungen schon abzunehmen, und diese verschwinden
fast ausnahmlos innerhalb 12—24 Stunden. Appetit und Rumina-
tion stellen sich gewöhnlich bereits ein, sobald eine merkliche
Verringerung der charakteristischen Krankheitssymptome ein-
getreten ist. In allen von mir beobachteten Fällen erfolgte Heilung.
Eine Behandlung leite ich nicht ein."

De bovenbeschreven ziekte, waarvan ik twaalf gevallen waar-
nam, is in de omgeving mijner standplaats bekend onder de popu-
laire namen van „blaar", „blost" of ook wel „blauw".

Uit het aangehaalde blijkt dat T. de ziekte niet bij jongvee
heeft waargenomen. Bij kalveren trof ik de ziekte ook niet aan,
wel eenmaal bij een pas afgekalfde vaars.
Albrecht1) nam de
ziekte ook waar bij een hokkeling. Wat de symptomen betreft,

]) Prof. Albrecht fe München, „Die Nesselsucht beim Rinde" Monatshefte
für praktische Tierheilkunde Bd. XI.

-ocr page 373-

zag ik de tranenvloed niet zoo dikwijls optreden, wel vrij geregeld
een zwelling aan de basis der oorschelpen. Verder rillingen in be-
paalde spiergroepen. Zoo was er een koe, waarbij de broekspieren
van het linker achterbeen vrij sterk trilden, terwijl dat rechts
veel minder sterk was.

Bij een ander dier rilde de huidspier zeer sterk.

Wat de lichaamstemperatuur betreft nam ik aanwijzingen
waar wisselende van 38.4 tot 39. Dus eerder te laag dan te hoog.
T. schijnt geen temperaturen te hebben opgenomen, althans
hij vermeldt ze niet. Aanleiding om te spreken van
Nesselfieber
is er dus niet.

Herhaalde malen zag ik bij de patiënten een duidelijke graad
van tympanitis; in zes gevallen kon ik deze ervaring opdoen.
In zijn artikel van 1899 vermeldt T. deze omstandigheid niet,
wel schreef hij in 1893, dat bij een patiënt lijdende aan het oedeem
penssteek moest worden verricht wegens hooge graad van tym-
panitis.

Ik vestig in het bizonder de aandacht op de verschijnselen
van den kant der luchtwegen, daar juist van deze zijde volgens
mijn ervaring gevaar voor het leven dreigt.
Tapken nam geen
doodelijken afloop waar. Wel schreef hij in 1893 ,,Es sollen mitunter
Todesfälle vorkommen".

Bij de twaalf door mij genoteerde gevallen was het achtste
doodelijk, hierbij was long-oedeem zonder twijfel in het spel ge-
weest. Toen ik ter plaatse van de patiënt aankwam was het dier,
een hoogdrachtige koe, reeds gestorven. De eigenaar deelde mede,
dat het dier in erge mate de verschijnselen van ,,de blaar" had
vertoond en daarbij zeer benauwd was geworden. Bij een zeer
frequente ademhaling was de tong uit den mond naar voren ge-
strekt, terwijl schuim uit neusgaten en mond te voorschijn kwam.
Het dier hoestte daarbij af en toe hevig.

Er was bij deze patiënt gelegenheid lijkschouwing te verrichten.
Macroscopisch waren, op de longen na, alle organen normaal,
ook de hersenen en de vliezen. Ruggemerg en larynx waren kapot
gehakt en versneden, dus niet voor onderzoek geschikt. De longen
vertoonden sterk oedeem. Een gedeelte van het hart, milt en
lever werd ter onderzoek gezonden aan het Pathologisch Instituut
te Utrecht.

Dr. H. Markus berichtte mij, waarvoor mijn dank, dat uit
het stukje lever aangelegde entingen steriel waren gebleven,
terwijl de hartspier, behoudens het voorkomen van enkele sarco-
sporidiën, geheel normaal was. Van de zijde van het hart, was dus

-ocr page 374-

de doodsoorzaak uit te sluiten, ook van infectie kon, gelet op de
sectie en het bericht van
Dr. Markus, worden afgezien.

Hoewel niet geheel met zekerheid is uitgemaakt of glottis- en
longoedeem, dan wel longoedeem alleen de doodsoorzaak is ge-
weest, is het mijn meening, dat oedeem der ademhalingsorganen
den exitus letalis heeft veroorzaakt.

Het negende geval betrof een zevenmaands drachtige koe.
Hierbij trad een zoo hëvige mate van longoedeem op, dat het leven
van het dier geruimen tijd in gevaar was. Het huidoedeem was
duidelijk, doch in geringe mate aanwezig. Alleen aan den kop in
de omgeving der oogleden en aan de vulvo-anaal-streek was het
waarneembaar. Dit dier vertoonde rillingen van de huidspier. De
temperatuur was 38.6° C. Het dier herstelde.

Dit geval was hierom instructief, daar er uit bleek, dat bij een
geringe mate van huidoedeem het longoedeem toch zeer hevig
kan zijn. De graad van het huidoedeem geeft dus geen oordeel
over den ernst van den toestand. Men kan de gevreesde complicatie
van longoedeem ook bij gering huidoedeem verwachten.

Het twaalfde geval was interessant, doordat dyspnoe optrad
ten gevolge van glottis-oedeem. De zwelling was bij dit niet-drach-
tige dier vrij sterk aan den kop, vooral tusschen kaaktakken en
verder langs den hals. De ademhaling was versneld en stootend,
ging gepaard met een snorkend geluid, dat op vrij grooten afstand
hoorbaar was. Aan de longen waren geen reutels waar te nemen.
De huidspanning in de keelgangstreek door het oedeem veroorzaakt,
was zeer gering, zoodat niet kan worden aangenomen, dat door
uitwendigen druk op de glottis het stenosegeluid te voorschijn
kwam. De temperatuur was 38.7° C. De patiënt herstelde na een
flinke aderlating. Drie uur 11a de venasectie was het dier weder
normaal.

In aansluiting met deze gevallen vermeld ik er nog twee door
Albrecht waargenomen, waarbij ook een hooge graad van
dyspnoe aanwezig was.

Bij het eerste geval bleek: „dass hier eine Schwellung in der
Rachenhöhle oder im Kehlkopfe vorhanden sei, die den normalen
Durchgang der Luft behindere."

Het tweede geval kenmerkte zich door een zeer gevaarlijke
dyspnoe.
Albrecht schrijft: „Zu dem Thiere gerufen constatirte
ich hochgradig röchelndes Athmen. Die Auscultation ergab, dass
dieses durch einen pathologischen Zustand in der Rachenhöhle
oder im Kehlkopfe bedingt sein musste. Ab und zu trat Husten

i) plaats geciteerd.

-ocr page 375-

ein. Die Zahl der Athemzüge betrug 5—8 pro Minute mehr, als
der Norm entspricht. Kopf und Hals hielt das Thier gestreckt.
Besondere Unruheerscheinungen waren nicht mehr vorhanden.
Am Kopfe und Hintertheile beobachtete man die dem Nessel-
ausschlage eigenthümlichen Schwellungen. Die Mastdarmtempe-
ratur betrug 39.70 C.

Ich hatte übrigens das Thier nicht während der Höhe der
Respirationsstörungen gesehen. Nach Mittheilung des Eigen-
thiimers war das Athmen zuerst nicht röchelnd,s ondern rauh-
pfeifend; dabei soll die Kuh geschäumt haben und sehr unruhig
gewesen sein. Nach etwa 20 Minuten langer Dauer dieser gefahr-
drohenden Erscheinungen soll nach einigen heftigen Hüsten-
stössen eine blutig schäumende Flüssigkeit entleert worden sein,
worauf Erleichterung eintrat. Das anfangs vorhanden gewesene
rauhpfeifende Athmen soll dann röchlender geworden sein."
Het dier herstelde.

Naar mijn meening heeft dit dier mede geleden aan longoedeem.
Vooral het feit, dat een
schuimende vloeistof werd opgehoest pleit
daarvoor vrij sterk.

Albreciit schrijft nog verder: ,,Es können bei der im Alge-
mcincn ganz ungefährlichen Urticaria des Rindes gefahrdrohende
Athmungsstörungen auftreten". Bij hooge graad van glottis-
oedeem beveelt hij tracheotomie aan.

Collega Steenbergen te Emmen deelde mij mede, dat hij
koeien lijdende aan ,,de blaar" onder hevige dyspnoe had zien
sterven.

De door Tapken beschreven symptomen met betrekking tot
de respiratieorganen zijn: „ademhaling versneld; de respiratie
is dikwijls sterker dan gewoonlijk hoorbaar, snorkend of snuivend
en soms begeleid door steunen en hoesten." Dit wijst er op, dat
ook hij de toestand dezer organen dikwijls verre van normaal
aantrof.

De genoemde symptomen lezende, krijgt men den indruk,
dat er een begin van glottis- of longoedeem in het spel is geweest.

De bovenstaande feiten in verband met elkander beschouwd,
vestigen bij mij nog te meer de overtuiging, dat in het beschreven
oedeem, wat alleen tot de huid beperkt kan zijn, ook andere or-
ganen betrokken kunnen worden en dat het van de zijde der
respiratieorganen de dood kan veroorzaken.

Het niet instellen eener behandeling is derhalve onverantwoor-
delijk. Een flinke aderlating is aangewezen om de gevaarlijke
complicatie te voorkomen of gunstig te influenceeren.

-ocr page 376-

Het resultaat der venaseetie is dikwijls verrassend. Ik nam
een keer waar, dat na het afvloeien van ongeveer vier liter bloed
sterke huidoedemen ziender oogen verdwenen en de patiënt binnen
een half uur geheel normaal was.

Zooals Tapken opmerkte wordt dit acute oedeem in de hand-
boeken gerangschikt en benoemd als urticaria. Dit moge van
algemeen pathologisch standpunt juist zijn, in verband met de
cliniek is het m. i. ongewenscht. Streng opgevat is urticaria of
het oedema urticosum slechts een
papillair huidoedeem, dat
in geringe uitgebreidheid op verschillende plaatsen te gelijk op-
treedt. Dat de clinicus kan worden geroepen om bij urticaria long-
of glottisoedeem te bestrijden klinkt vrij paradoxaal. Men doet
beter de gedachte aan urticaria te laten varen en te spreken van
„het acute oedeem bij het rund". Een argument te meer hiervoor
is het feit, dat urticaria bij lang niet alle gevallen van het oedeem
optreedt. De opvatting, dat bij het min of meer uitgebreid oedeem,
als speciale vorm urticaria kan optreden, lijkt mij de juiste.

De bovenbeschreven ziekte is uit een oogpunt van diagnostiek
en therapie niet zoo buitengewoon belangrijk. De diagnose is
zeer gemakkelijk te maken en de behandeling is eenvoudig.

Interessant wordt zij echter, beschouwd van algemeen patho-
logisch standpunt om de opmerkelijke overeenkomst, welke er
bestaat tusschen dit ziektebeeld en de reactie-verschijnselen bij
serumanaph3\'laxie van het rund na
subcutanr injectie en reïn-
jecties.

Van Alphen1) beschrijft in zijn dissertatie „Anaphylaxie" ver-
scheiden anaphylactische ziektebeelden, welke door Hollandsche
collega\'s zijn waargenomen na reïnjectie van curatief paardeserum
bij het rund.

Ik citeer het volgende:

„In Januari 1906 werden alle runderen bij een veehouder, na
het voorkomen van een geval van miltvuur, met 10 gram paarde-
serum ingespoten. Na verloop van maand werden deze runderen
ieder met dezelfde hoeveelheid serum behandeld. Een half uur na
deze tweede injectie werden vijf runderen ziek, waarvan drie ern-
stig. De verschijnselen waren :

Onrust. Zwelling van de oogleden, de neus, de anus en de vulva.
Heftige dyspnoe. Hypersecretie van het neusslijmvlies. Na aan-
houdend begieten met koud water werden de dieren na 1 tot 2 uur

J) A. J. S. van Alphen. Anaphylaxie. Inaugural-Dissertation Bern 1911

-ocr page 377-

weer rustig; gaven \'s avonds echter maar het halve maal melk.
Geen der dieren is gestorven.

Bij een tweeden veehouder werden in October 1906, ook wegens
het voorkomen van miltvuur, 27 runderen ieder met 10 gram milt-
vuurserum behandeld. Ongeveer 13 maanden later werden deze
runderen weder met 10 gram van dit serum ingespoten.

Spoedig na de injectie begon een der runderen te hoesten, kreeg
dyspnoe en stierf binnen een half uur. Sterke oedemen vertoonden
zich aan den kop, den anus, de vulva en ook aan den uier en de buik.

Bij de sectie viel in hoofdzaak het sterke longoedeem op.

De overige 26 runderen bleven gezond en vertoonden na deze
tweede seruminjectie geen ziekteverschijnselen. Ongeveer zes weken
later werden 24 dezer runderen weer met 10 gram serum ingespoten.
Binnen een uur na deze derde injectie werden alle dieren ziek, waar-
bij zes stuks vrij ernstige en acht zeer zware ziekteverschijnselen
vertoonden.

Ook hier weer verschijnselen van onrust, oedemateuse zwellingen
aan oogleden, neus, mond, anus, vulva en uier. De dieren, waarbij
de neusgaten bijna door het oedeem werden dichtgedrukt, verkeer-
den in gevaarlijke dyspnoe. Drie runderen welke moriebund waren
herstelden weder, nadat ze in de frissche lucht gebracht waren en
voortdurend met koud water waren begoten.

Bij een anderen veehouder stierf een rund uit een beslag onder
dezelfde verschijnselen, toen dit rund na een jaar voor de tweede
maal met 10 gram serum ingespoten werd. Het was opmerkelijk,
dat bij dit dier het oedeem vooral op de witte huidplaatsen tot ont-
wikkeling kwam.

Bij een volgenden veehouder werden de runderen in een tijdsver-
loop van 84 dagen n. 1. op 5 en 7 Augustus, den 3den en i7<ien Sep-
tember en 27 October, dus vijfmaal met 10 gram serum ingespoten.
De eerste vier injecties verliepen zonder dat er iets bizonders ge-
beurde. Ongeveer twee uur na de vijfde injectie werd een rund
tympanitisch, bleef telkens liggen, kreeg frequente ademhaling en
stierf vijf minuten na het constateeren der dyspnoe. Toen stierf een
kalf onder dezelfde verschijnselen, hier was echter geen tympanitis
aanwezig. Ook dit dier vertoonde oedemateuse zwellingen aan den
kop op de witte huidplekken. Bij de sectie dezer runderen werd
weder een hooge graad van
longoedeem geconstateerd.

Ook collega van Zij verden te Zierikzee nam de anaphylactische
reactie bij kalveren waar. Twee kalveren vertoonden hevige be-
nauwdheid en zwellingen. Een dezer kalveren stierf.

Van Alphen schrijft verder: „Het schijnt, dat de dood gewoonlijk

-ocr page 378-

veroorzaakt wordt door het acute longoedeem. Voor zoover de
onderzoekingen doorgevoerd konden worden, scheen tijdens de
anaphylaxie geen temperatuursverhooging op te treden. Dit brengt
ons nader tot de bevinding van
Pfeifer en Mita, die bij de studie
over eiwitanaphylaxie bij de proefdieren constant een dikwijls be-
langrijke daling der temperatuur waarnamen; zoo constant, dat
zij deze negatieve phase der temperatuur als het meest karakte-
restieke symptoom der anaphylaxie beschouwen."

Ik wees er reeds op, dat ook bij ,,de blaar" heel dikwijls een
subnormale temperatuur was waar te nemen.

Het behoeft na het voorgaande m. i. geen verder betoog, dat deze
anaphylactische reactie bij het rund frappant veel gelijkt op het
ziektebeeld van „de blaar". Beide zijn zeer goed samen te vatten
onder het begrip van een min of meer algemeen acuut oedeem.

Het is bekend, dat anaphylactische reactie ook kan verloopen
onder het dikwijls zeer vage beeld van „shock." Het is opmerkelijk,
dat wanneer „shock" optreedt, dit bijna als regel geschiedt na
intraveneuze reïnjecties, althans bij het rund. De dood is dan veelal
het gevolg.

Dat de clinische overeenkomst der boven vergeleken ziektebeel-
den van theoretische beteekenis kan zijn ligt voor de hand.

Wanneer het experiment omtrent de oorzaken van de anaphy-
laxie voldoende licht zal hebben verschaft, is het m. i. niet onwaar-
schijnlijk, dat daardoor ook een verklaring kan worden gevonden
voor het ontstaan van „de blaar" en misschien dat ook veel, wat nog
duister is in den leer van het oedeem in \'t algemeen of wat daarin op
hypothese berust, tot helderheid wordt gebracht. Deze meening
steunt mede op enkele feiten ontleend aan de aetiologie van het
probleem. Reeds uit den tijd der lamsbloedtransfusie bij den mensch
is het bekend, dat behalve koorts en haemoglobinurie ook dikwijls
urticaria na de transfusie optrad.

Albrecht1) injicieerde een paard i Liter gedefibrineerd runder-
bloed in de buikholte en nam na uur een zeer heftige urticaria,
dus een speciale vorm van oedeem, waar. Hij zegt verder: „In
diesem Falie musste also das injicierte Rindsblut-wahrscheinlich
Producte der zerfallenden Blutkörperchen desselben— die Ursache
der Urticaria gewesen sein." M. a. w. en iets meer algemeen uitge-
drukt, kan men zeggen, dat waarschijnlijk afbraakproducten van
eiwitten acuut oedeem kunnen opwekken. Wanneer ik hierbij aan-
haal de wel wat veel omvattende definitie der anaphylaxie van

\') plaats geciteerd.

-ocr page 379-

Schlittenhelm1): „Unter Anaphylaxie im weiteren Sinne sind
alle die Folgezustände zusammenzufassen, die durch einen paren-
teralen Eiweissabbau überhaupt hervorgerufen werden, sowie
Krankheitsgruppen, denen allen das einheitliche Moment zukommt
dass, die Noxe in eiweissartigen Stoffen und Eiweissabkömmlingen
resp. in den Producten der parenteralen Eeiweissverdauung oder
der Eiweisshydrofyse zu suchen ist." dan blijkt duidelijk, dat bij
de anaphylaxie de oorzaken ook worden gezocht in eiwitachtige
stoffen of hare afbraakproducten.

Waar er nu clinisch en aetiologisch een duidelijk verband tus-
schen de serumanaphylaxie bij het rund en het acute oedeem niet
te miskennen valt, acht ik het waarschijnlijk, dat de studie der
anaphylaxie dit verband onder de juiste belichting zal plaatsen.

Nog een enkele opmerking van praktischen aard. Het schijnt
mij, mede in verband met het succes dat venasectie heeft bij „de
blaar", meer rationeel deze behandeling bij het optreden van ana-
phylactische verschijnselen toe te passen, dan de begietingen met
koud water, waarin meerdere collega\'s heil hebben gezocht.

Roden, December 1913.

Is het van een oeconomisch standpunt gezien wenschelijk,
dat ten opzichte van besmettelijke ziekten van het pluim-
vee politiemaatregelen worden genomen ?

door

C. TENHAEFF.

Nu de reeds enkele jaren geleden in omloop zijnde geruchten
omtrent een nieuwe Wet ter bestrijding van de besmettelijke
veeziekten in ons land, door het feit, dat het gereedzijnde Wets-
ontwerp reeds door enkele commissies is beoordeeld, een meer
zekere vorm hebben gekregen, komt het mij gcwenscht voor
aan bovenstaande vraag, die reeds geruimen tijd mijne aandacht
heeft getrokken, eene bespreking te wijden.

Dat de pluimveeteelt, en meer in het bijzonder de hoender-
teelt in ons land in de laatste jaren een aanzienlijke vlucht heeft
genomen, blijkt wel uit het feit, dat onze hoenderstapel volgens

\'\') geciteerd naar Dr. H. Falk ,,lst die Gebarparese des Rindes ein anaphy-
laktischer Vorgang". Berliner T. W. No. 46. 1913.

-ocr page 380-

de in 1910 gehouden veetelling sinds 1903 met minstens 36%
is vermeerderd. En volgens het verslag der telling is de vooruit-
gang in werkelijkheid nog grooter; het resultaat dezer telling
was, dat in Juni 1910 aanwezig waren 3.068.369 kuikens en
6.709.593 oudere kippen. Nemen we hierbij in aanmerking, dat:

i°. Nederland eerst sedert 1907 een eieren-exporteerend land
is geworden (de uitvoer overtrof den invoer in 1911 met 7.560.000
K.G. eieren) en deze handel dus nog in haar beginstadium van
ontwikkeling verkeert, en

2°. men eerst in de laatste jaren meer aandacht is gaan schenken
aan de pluimveehouderij, dank zij het krachtig streven van de
Vereeniging ter bevordering van de pluimveehouderij en tamme
konijnenteelt in Nederland, (een Rijkssubsidie van / 6000.—)
de aanstelling van een pluimveeconsulent enz., dan kan redelijker
wijze in de komende jaren een nog aanzienlijker vermeerdering
van den hoenderstapel worden verwacht.

Reeds thans is in sommige streken, als Gelderland, de kippen-
houderij een zeer belangrijk onderdeel van het landbouwbedrijf
geworden en het is te voorzien, dat van andere provincies als
Limburg, Drenthe ënz. spoedig hetzelfde getuigd zal kunnen
worden.

Waar het zóó gesteld is met de hoenderteelt, is het duidelijk,
dat het behartigen van den gezondheidstoestand van den
hoenderstapel van groot belang is. Het succes van de fokkerij is
immers in hooge mate afhankelijk van den meer of minder goeden
gezondheidstoestand van de betreffende dieren of m. a. w. afhan-
kelijk van de mate, waarin besmettelijke ziekten onder deze
dieren voorkomen. Op enkele parasitaire ziekten na, zijn het
toch uitsluitend de besmettelijke ziekten, die verliezen in
grootcn getale kunnen veroorzaken.

En wat weten we eigenlijk omtrent het heerschen van besmet-
telijke ziekten onder het Nederlandsche pluimvee?

Wanneer we ons tot taak stellen op deze vraag een in alle op-
zichten bevredigend antwoord te geven, dan leggen we ons een
niet te volbrengen taak op de schouders, eenvoudig omdat de
daartoe benoodigde gegevens ons niet ten dienste staan. Wel
weten we uit tal van mededeelingen, dat de gezondheidstoestand
van het pluimvee in het algemeen nogal te wenschen overlaat;
daartoe behoeven we slechts de tijdschriften, die zich op het gebied
van de pluimveefokkerij bewegen, na te slaan. Onmiddellijk
wordt onze aandacht getrokken door de talrijke mededeelingen
over het heerschen van ziekten onder het pluimvee en wanneer

-ocr page 381-

we deze berichten wat nauwkeuriger nagaan dan kan men, afgaande
op de ziektebeschrijving en op de veelal daarbij genoemde sterfte-
cijfers, de conclusie trekken, dat er eene besmettelijke ziekte
in het spel is.

Maar ook uit meer officieele berichten blijkt wel, dat het pluim-
vee ncgal eens met besmetteli ke ziekten te kampen heeft. In
het verslag over den Landbouw in Nederland in 1911 (Verslagen
en mededeel\'ngen van de Directie van den Landbouw 1912, N°. 4)
treft men op bldz. XLII het volgends aan:

,,De gezondheidstoestand van den hoenderstapel liet in 1911
,,veel te wenschen over. In het najaar stierf bij den aanvang der
,,regenperiode, volgende op de langdurige droogte, op meerdere
„plaatsen een groot aantal hoenders aan diphterie. Vooral onder
„de kuikens van 3—4 maanden stierven de dieren bij massa\'s".

De diphteritis schijnt derhalve in 1911 nogal te hebben huis-
gehouden onder de hoenders; van het voorkomen van andere
besmettelijke ziekten onder de hoenders vinden we in genoemd
verslag geen mededeclingen.

Meer licht in deze zaak wordt ons verschaft door de eenige
deskundige gegevens, die we ter beschikking hebben, n.1. de ver-
slagen van de werkzaamheden der Rijksseruminrichting. Reeds
in het eerste verslag, loopende over de jaren 1904 en 1905 wordt
door Prof.
Poels de aandacht gevestigd op de vogelziekten en als
besmettelijke ziekten die bij de ter onderzoek aan de inrichting
gezonden vogels zijn geconstateerd, worden vermeld: Tuberculose,
Diphteritis en Vogelcholera. Ook de volgende verslagen bevatten
belangrijke mededeelingen over vogelziekten; in het verslag over
1906 wordt het onderzoek van
Van Straaten over de bij hoenders
voorkomende
„klein\'sche ziekte" gepubliceerd en zooals men
uit de sinds dien tijd verschenen verslagen kan gewaar worden,
wordt deze ziekte veelvuldig geconstateerd, zoodat zij in dit opzicht
ten volle een plaats bij de 3 reeds genoemden verdient. Naast
dit 4-tal zijn nog andere besmettelijke ziekten als Rhinitis infec-
tiosa enz. geconstateerd en tijdens mijn verblijf aan de Rijksserum-
inrichting, waar ik in opdracht van den Directeur-Generaal van
den Landbouw van 5 Februari tot 5 Juni 1912 was gedetacheerd
met het doel eene studie te maken van de bij vogels in Nederland
voorkomende ziekten, trof ik bij kippen een Colibacillosis aan,
veroorzaakt door een voor hoenders, duiven, konijnen, caviae
en muizen uiterst pathogenen colibacil. Deze ziekten worden
echter betrekkelijk zelden geconstateerd en zullen daarom verder
buiten bespreking blijven; in hoofdzaak hebben we volgens meer-

-ocr page 382-

genoemde verslagen te doen met Tuberculosis, Diphteritis, de
KxEiN\'sche Ziekte en Vogelcholera.

Wanneer we de verzamelstaten van de onderzoekingen van het
gedurende de jaren 1904 tot en met 1911 ingezonden pluimvee
nagaan en de gegevens in een tabelvorm rangschikken, dan krijgt
men het volgende overzicht:

Jaar

Aantal
onderzochte
vogels.

Aantal hierbij geconstateerde gevallen van :
Tuberculose Diphteritis Vogelcholera

l!l04s\'05

58

11

7

3

_

1906

102

14

11

6

1907

132

17

4

11

13

1908

156

24

15

11

10

1909

184

21

17

13

10

1910

177

26

12

12

16

1911

220

34

38

20

15

Totaal:

1038

147

104

76

64

In het totaal werden dus in genoemd tijdsverloop 1038 vogels
onderzocht, waarbij in 391 gevallen, d.i. 37.5 % een der genoemde
besmettelijke ziekten werd geconstateerd\' en wel Tuberculose
t>ij ± 14 %, Diphteritis bij ± 10 %, Vogelcholera bij ± 7 %en
de
KLEiN\'sche Ziekte bij ± 6 %.

Nu zou men bij oppervlakkige beschouwing hiertegen kunnen
aanvoeren, dat het voor de hand ligt, dat de hulp van de Rijks-
seruminrichting grootendeels in de gevallen, waar men met aan-
zienlijke sterfte en dus hoogst waarschijnlijk met besmettelijke
ziekten te doen heeft, zal worden ingeroepen; in dit geval zouden
deze cijfers de verhouding van het voorkomen van besmettelijke
ziekten tegenover andere ziekten eenigszins onjuist weergeven.
Bij een grondige bestudeering van de bedoelde staten blijkt echter,
dat van het grootste deel van het ingezonden materiaal met zeker-
heid kan worden gezegd, dat er geen besmettelijke ziekte in het spel
was. Het is derhalve juist omgekeerd en mochten de bedoelde cijfers
de verhouding niet juist weergeven, dan is de onjuistheid dus in
hun nadeel en beslist niet in hun voordeel.

Gedurende mijne detacheering te Rotterdam werden door mij
102 vogels onderzocht en hierbij werd 18
x de KLElN\'sche ziekte, 8 X
Tuberculose, 3 x Vogelcholera en 7 x Diphteritis geconstateerd; in
het geheel was dus in 36 gevallen, d.i. ± 36 % een dezer ziekten in
het spel

Bedenkt men, dat de aan de inrichting gezonden vogels in den
regel, en zeer zeker tijdens mijne detacheering, voor een aanzien-
lijk deel uit R. en de onmiddellijke omgeving daarvan afkomstig

-ocr page 383-

zijn, dan geven de genoemde cijfers ons zeker niet het recht om aan
te nemen, dat de bedoelde ziekten
in dezelfde verhouding in ons land
voorkomen. Het aantal onderzochte dieren is, ook al ware het mate-
rieel, precies in overeenkomst met de grootte van den hoenderstapel
van iedere provincie ingezonden, m. i. te gering om het trekken van
bovenbedoelde conclusie te rechtvaardigen.

Zooals reeds eerder is gezegd, statistieken, die ons een goed in-
zicht zouden geven in het voorkomen dezer ziekten in ons land be-
staan niet en we zijn derhalve naast bovengenoemde verslagen aan-
gewezen op de mededeelingen, die ons zoo nu en dan onder de oogen
komen. Wel weet men ongeveer hoeveel hoenders er jaarlijks aan
ziekten te gronde gaan, maar welk gedeelte hiervan te wijten is aan
de genoemde ziekte is niet uit te maken; dit kan alleen door schatting
eenigszins benaderd worden, maar het zal steeds een minder be-
trouwbare basis zijn.

Uit de talrijke mededeelingen is echter wel af te leiden, dat de
4 genoemde ziekten in ons land veelvuldig moeten voorkomen.
Pluimveefokkers spreken er in hun vaktijdschriften herhaaldelijk
over, het aangehaalde bericht van den pluimveeconsulent geeft
zulks, wat de Diphteritis betreft, reeds vrij duidelijk te kennen en
ook in de verslagen van de Rijksseruminrichting wordt dit her-
haaldelijk bevestigd. Aan de inrichting is het tevens bekend, dat
de ziekten in sommige streken van ons land in meerdere mate voor-
komen als in andere gedeelten en men weet, dat in Limburg en
N.-Brabant bepaalde vogelcholeradistricten zijn.

Wat de klein\'sche ziekte betreft hiervoor behoef ik slechts te
verwijzen naar ons Tijdschrift, Deel
39, aflevering 20 van 15 Octo-
ber
1912, bldz. 902 en 903, waar wordt medegedeeld, dat de ziekte
vooral in Overijssel, Noord-Brabant, Zeeland en op de Veluwe veel
voorkomt. Als sterftecijfer wordt voor
1912, 50000 hoenders aan-
gegeven, een cijfer, dat te denken geeft; volgens de medcdeeling van
Dr.
Markus op bldz. 903 van genoemd Tijdschrift moet de ziekte
onder de kippen in de omgeving van Utrecht dikwijls op uitgebreide
schaal voorkomen en staat in frequentie zeer ver boven de vogel-
cholera.

Op bldz. 28 en 29 van dit Tijdschrift, Deel 41 aflevering 1 van
i Januari 1.1. vindt men opgemerkt, dat de ziekte in de laatste jaren
in ons land veel voorkomt en de hoenderstapel van Amersfoort en
omstreken schijnt er in
1912 geducht van geleden te hebben.

De Tuberculose veroorzaakt onder onze hoenders een belangrijk
aantal slachtoffers; volgens
Te Hennepe (blijkens mededeeling op
pag.
29 van laatstgenoemde aflevering) lijden in de omstreken van

-ocr page 384-

Amersfoort meer dan 25% der kippen aan deze ziekte. Jammer ge-
noeg is uit deze mededeeling niet op te maken of dit cijfer het resul-
taat is van door
t. H. verrichte speciale onderzoekingen (in welk
geval de mededeeling aan belangrijkheid veel zou winnen) of dat
het door schatting is verkregen.

Van de zijde der pluimveehouders kreeg ik vaak een veel hooger
cijfer te hooren, maar de een heeft steeds met de ziekte te kampen
en de ander heeft er nog nooit of slechts weinig last van gehad.
Hoe het ook zij, toch blijkt er wel uit, dat de Tuberculose onder
onze hoenders veel voorkomt en veel meer, dan men bij een opper-
vlakkige beschouwing zou denken.

In het buitenland staat Nederland ten opzichte van deze ziekte
in een kwaden reuk; ik behoef daarvoor slechts in herinnering te
roepen de mededeeling van
Y. Vosgien in L\'hygiène de la viande
et du lait van 10 April 1912, N°. 4 getiteld „Tuberculose des poules."
V. was vanaf Januari 1910 belast met de inspectie aan de Halles
centrales te Parijs en vestigde daarbij speciaal zijn aandacht op het
voorkomen van Tuberculose bij hoenders; hij onderzocht de inge-
voerde dieren op het voorkomen van tuberculeuze lymphklieren
langs den hals en autopsie was dan verder onnoodig. Reeds in 1908
heeft H.
Martel in zijn „Rapport sur les opérations du service
vétérinaire sanitaire", de aandacht gevestigd op het voorkomen
van tuberculeuze lvmphklieren langs den hals van kippen en
Vos-
gien
en Godbille beweren, op grond van hunne onderzoekingen,
dat deze gezwollen klieren
altijd van tuberculeuzen aard zijn.

Het resultaat van V\'s onderzoek was, dat in de maanden Februari,
Maart en April 1910 in totaal 226 ingevoerde kippen tuberculeus
werden bevonden en deze kippen, die allen in beslag werden ge-
nomen, waren voor 70 % uit Nederland afkomstig.

Hoewel deze onderzoekingen slechts over een periode van 3
maanden loopen, vormen ze een bewijsstuk meer, bij het verdedigen
van de stelling:
de Tuberculose komt onder de Hollandsche hoenders
veel voor.
Wenschelijk is het, dat volgens deze methode bij ons te
lande onderzoekingen op uitgebreiden schaal worden ingesteld, wel-
licht zal men dan een beter inzicht krijgen in het voorkomen van
Tuberculose onder onze hoenders, dan thans het geval is. Dat door
deze ziekten een aanzienlijke schade wordt veroorzaakt, zal nie-
mand ontkennen, men denke slechts aan het bij het heerschen van
de
IvLEiN\'sche ziekte in 1912 genoteerde verliescijfer. Soms wordt
en wel voornamelijk bij laatstgenoemde ziekte, de helft of meer van
de aanwezige hoenders vernietigd. Bij de vogelcholera gaat het al
evenzoo en als men met Tuberculose te kampen heeft, ziet men den

-ocr page 385-

den geheelen hoenderstapel geleidelijk wegkwijnen, terwijl bij
Diphteritis vooral de kuikens in massa sterven (het sterftepercen-
tage bedraagt hier meermalen 50—70).

De grootte en de geldswaarde dezer verliezen zijn, mede door het
ontbreken van betrouwbare gegevens omtrent het aantal slacht-
offers, niet nader te bepalen, maar naast het door de gestorven
dieren vertegenwoordigde kapitaal, dat, wanneer het fokstations
van waardevolle dieren betreft, zeker niet onbeduidend is, hebben
wij nog te noteeren de schade, die door de tijdelijke teruggang van de
fokkerij, alsmede door het verlies aan eieren wordt geleden. Zelfs
het maken van een ruwe schatting dezer schade, durven personen,
die goed op de hoogte zijn van hetgeen in de pluimveefokkerij ge-
beurt, niet aan, al zijn ze eenparig van oordeel, dat de schade aan-
zienlijk is en in ieder geval zoo groot, dat het nemen van maatre-
gelen om de ziekten te bestrijden volkomen te billijken is. Hiervoor
zij verwezen naar de reeds genoemde afleveringen van dit Tijdschrift,
waarin wordt medegedeeld wat de afdeeling „Amersfoort" van de
V. P. N. ter bestrijding van de
KLEiN\'sche ziekte gedaan heeft.

Wanneer we hierbij in aanmerking nemen dat onze pluimvee-
stapel een aanzienlijk kapitaal vertegenwoordigt (toch minstens
5 a 6 mill. gulden) en men voorts denkt aan de handelsbelangen, die
er bij in het spel zijn, dan is het van een oeconomisch standpunt ge-
zien, wenschelijk, dat er maatregelen worden genomen om de schade
te beperken. Waar het hier besmettelijke ziekten geldt, is het m. i.
noodig, politiemaatregelen te nemen om de ziekte te voorkomen en
bij heerschen ervan te beteugelen. Bovendien hebben eigenaars van
hoenderstapels, die aan het gevaar van besmetting zijn blootgesteld,
het recht om maatregelen te eischen, waardoor zij zooveel mogelijk
voor besmetting van hun stapel worden beheerd.

Reeds thans wordt, zooals uit het aangehaalde voorbeeld van de
afdeeling „Amersfoort" der V. P. N. blijkt, door particulieren het
initiatief genomen de ziekte te bestrijden, maar hoezeer dit in het
algemeen ook te loven valt, toch is het een bekend feit, dat de een-
ling het gewenschte doel niet bereikt, zoolang de maatregelen niet
algemeen worden toegepast. Voor een goede bestrijding is het
noodig, dat de maatregelen in het algemeen worden toegepast en
bovendien is zulks om redenen, die reeds eerder genoemd zijn, in het
belang van den staat.

Daarbij komt nog een zaak, die maar al te veel over het hoofd ge-
zien wordt; vogeltuberculose toch levert, zoowel voor den mensch
als voor het varken en andere diersoorten een niet denkbeeldig be-
smettingsgevaar op. Daar waar men de kippen hun verblijfplaats

-ocr page 386-

heeft toegewezen boven de varkenshokken is dit gevaar zeer groot.
In dit geval kan de hoenderfaeces in het varkenshok, de voeder-
bakken enz. komen en wanneer er hoenders onder zijn, die lijden
aan darmtuberculose (de bacillen worden als dan met de faeces
uitgescheiden) dan zullen de varkens gemakkelijk geïnfecteerd
kunnen worden. Hieromtrent deelde de Districtsveearts, de Heer
Van Staa, alhier, mij mede, dat eenige jaren geleden, toen door
hem het district Groningen—Drenthe werd waargenomen, erin
Groningen een varkenshouder was, die voortdurend met tuber-
culose onder deze dieren te kampen had. Wat er ook gedaan werd,
niets hielp, de ziekte bleef onder de varkens voorkomen.

Boven het varkenshok was de verblijfplaats van de kippen en
aangezien alle andere wijzen van infectie waren buitengesloten,
moest wel worden aangenomen, dat de varkens door vogeltuberkel-
bacillen werden besmet; aan den varkenshouder is door den
Districtsveearts in overweging gegeven voor de kippen een andere
verblijfplaats te bestemmen.

Naar ik meen, wordt het gevaar, dat er in het aanwezig zijn van
het kippenhok boven het varkenshok, voor de varkens schuilt,
te veel over het hoofd gezien.

Voor het besmettingsgevaar voor den mensch zij kortheidshalve
verwezen naar de studieboeken, enz. Ook om deze reden is het
gewenscht, dat maatregelen tegen de ziekte genomen worden.

Door de pluimveehouders zal het nemen van maatregelen tegen
de genoemde ziekte worden toegejuicht, gezien wat uit eigen
beweging door hen reeds gedaan is en wordt; voor tegenwerking
zal men geen vrees behoeven te koesteren en wanneer ik goed
ingelicht ben, is door hen reeds overwogen, aan de Regeering te
verzoeken in te grijpen.

Dat de bestrijding moeilijkheden zal opleveren valt niet te ont-
kennen, maar deze moeilijkheden zullen niet grooter zijn, dan die,
welke men bij de bestrijding van de besmettelijke veeziekten te
overwinnen heeft en daarbij bedenke men, dat het hier dieren
geldt, die in vergelijking met het overige vee, slechts een geringe
geldswaarde vertegenwoordigen. Een eventueel noodzakelijke
toepassing van het zoogenaamde „afmaaksysteem" zal hier dus,
zoowel uit een financieel oogpunt, als om andere redenen, grootte
van het object, vervoer, enz., minder bezwaarlijk zijn. Waar we
bovendien weten, dat een bestrijding der ziekte mogelijk is, in
Amersfoort en omstreken heeft men een succes kunnen boeken,
en in Duitschland heeft men b.v. met de bestrijding van de vogel-

-ocr page 387-

cholera en hoenderpest goede resultaten gehad, vormt dit een aan-
sporing te meer om politie-maatregelen te nemen.

Ten opzichte van de tuberculose, die m. i. de meest-verbreide
der genoemde ziekten is, zou men uit hoofde hiervan voor het nemen
van maatregelen kunnen terugdeinzen; ik meen echter te moeten
opmerken, dat dit juist een argument is, om niet langer te talmen
met het aanpakken van de bestrijding dezer ziekte.

De Hoenderpest, die in Italië, Duitschland en Oostenrijk veel-
vuldig voorkomt, is, voor zoover mij bekend, in ons land nimmer
geconstateerd en men zou zich hierbij dus kunnen beperken tot
het nemen van grensmaatregelen bij den invoer van uit deze landen
afkomstige dieren.

In het algemeen zal de bestrijdingsmethode voor deze ziekten
moeten bestaan uit:

i°. afzondering van de zieke en van ziekte verdachte dieren
van het gezonde pluimvee, en zoo noodig afmaken der zieke en
verdachte dieren;

2°. verbranding of op andere wijze onschadelijk maken van
gestorven en afgemaakte dieren, hunne uitwerpselen enz., ver-
branden verdient natuurlijk de voorkeur;

3°. ontsmetting van de hokken, voederbakken enz., kortom
van alles, wat met smetstof bezoedeld kan zijn, en

4°. voor enkele dezer ziekten, nl. vogelcholera en de KLEiN\'sche
ziekte, kan de aanwending van de betreffende sera, zoowel preven-
tief als curatief, goede diensten bewijzen, terwijl bij de diphteritis
de chirurgische en medicamenteuse behandeling kan worden toe-
gepast.

Voegen we hier nog aan toe de verplichte aangifte, het plaatsen
van een kenteeken (borden), verbod van uit- en invoer, toezicht
op markten, tentoonstellingen, het vervoer van pluimvee, alsmede
grensmaatregelen om het binnendringen van ziekten uit het buiten-
land te voorkomen, dan meen ik een schema van de bestrijdings-
methode gegeven te hebben.

Gaan we vervolgens na hoe het in het buitenland met deze ziekten
is gesteld. In bijna alle landen van Europa heerschen de genoemde
ziekten in meerdere of mindere mate. De „Jahresberichte über
die Verbreitung von Tierseuchen im Deutschen Reiche" (Bearbei-
tet im Kaiserlichen Gesundheitsamte zu Berlin) bevatten statistie-
ken omtrent het voorkomen van besmettelijke hoenderziekten in
onderscheidene Europeesche Staten, als Oostenrijk-Hongarije,
Spanje, Bosnië, Herzogowina, Roemenië, Zweden, enz. en ook de
„Jahresberichte über die Leistungen auf dem Gebiete der Veterinär-

-ocr page 388-

Medizin (van Ellenberger en Schütz) geven eenzelfde overzicht
in het statistische gedeelte. Van de hoenderziekten treffen we
slechts vogelcholera, diphteritis en hoenderpest aan.

Het geven van een overzicht van het voorkomen dezer ziekten
in de genoemde landen meen ik kortheidshalve achterwege te
moeten laten, ieder, die er belang in stelt, kan de cijfers in de
genoemde berichten vinden; genoeg zij het mede te deelen, dat
deze ziekten in bijna alle landen van Europa voorkomen. Opge-
merkt zij nog, dat cijfers omtrent de
KLEiN\'sche ziekte en de
Tuberculose ontbreken.

Of in alle genoemde landen politiemaatregelen ter bestrijding
dezer ziekten worden genomen, is mij niet bekend, maar afgaande
op het feit, dat we in de genoemde berichten officieele mededeelingen
omtrent het voorkomen dezer ziekten aantreffen, is men geneigd
aan te nemen, dat dit het geval is. Moeilijk kan ik mij voorstellen,
hoe men aan deze cijfers zou gekomen zijn, indien de aangifte
der ziekten niet verplicht is.

Het zou ons bovendien te ver voeren de eventueel in al deze
landen genomen maatregelen te bespreken, vandaar dat ik mij
zal beperken tot Duitschland en Oostenrijk-Hongarije.

In eerstgenoemd Rijk heeft men reeds in 1903 maatregelen
voorgeschreven tegen de vogelcholera en de hoenderpest. De
aangifte voor deze ziekten was verplicht voor het geheele Rijk en in
Pruisen, Beieren, Saksen enz. gaf men voorschriften voor de
bestrijdingsmaatregelen, overeenkomstig het bij de publicatie
van 16 en 17 Mei 1903 gegeven model, welke maatregelen in hoofd-
zaak overeenkomen met het hiervoor gegeven schema. Ten op-
zichte van de uit Italië ingevoerde vogels, heeft men met het
oog op de Hoenderpest bijzondere maatregelen voorgeschreven,
n.1. onderzoek voor het ontladen, 8 dagen observatie en daarna
wederom onderzoek door een Amtstierarzt".

Dat deze maatregelen succes hebben gehad, blijkt wel uit de
mededeelingen in de „Jahresberichte vom Kaiserlichen Gesund-
heitsamte", welke als volgt luiden: ,,Die Verbreitung der Seuche
(bedoeld wordt vogelcholera) ist zurückgegangen". Ook schijnt
de uitvoering geen bijzondere moeilijkheden opgeleverd te hebben,
men treft althans geen mededeelingen hiervan aan. Toch heeft
men het noodig geacht nog strenger tegen deze ziekten op te
treden, want bij de nieuwe wet, ,,das Viehseuchengesetz vom
26 Juni 1909," welke in 1912 in werking is getreden zijn inderdaad
veel strengere maatregelen vastgesteld.

§ i alinea 2 dezer wet luidt: Vieh im Sinne dieses Gesetzes sind

-ocr page 389-

alle nutzbaren Haustiere einschliesslich der Hunde, der Katzen
und
des Geflügels en onder de ziekten, waarvan de aangifte ver-
plicht is, zijn in § 10 de Vogelcholera en de Hoenderpest opge-
nomen. De algemeene maatregelen zijn: verplichte aangifte en
onmiddellijke afzondering van de zieke en verdachte dieren
onderzoek door den ,,beamteten Tierarzt", het nemen van voor-
loopige maatregelen door dezen ambtenaar om uitbreiding tegen
te gaan. Is de ziekte geconstateerd, dan kan de „Polizeibehörde"
de noodige „Schutzmassregelen" gelasten, deze kunnen bestaan
uit afzondering en bewaking van de zieke, verdachte of voor
de ziekte vatbare dieren, beperking van personenverkeer op het
erf en van het vervoer van de zieke of verdachte dieren, afsluiten
van besmette plaatsen, ontsmetting van hokken, stallen enz., enz

De invoer van vogels, die aan een besmettelijke ziekte lijden
of daarvan verdacht zijn, is in Duitschland verboden.

Naast deze algemeene maatregelen zijn in de Wet geen bijzondere
voor de 2 ziekten vastgelegd. In de door den Bondsraad gegeven
Ausführungs-Vorschriften zum Viehseuchengesetze vom 17 Dezem-
ber 1911, (welke voorschriften in het algemeen veel verder gaan
dan de Wet), is o.a. bepaald, dat de „Landesregierung" kanvoor-
schrijven, dat vogels, in het bezit van handelaren op markten,
tentoonstellingen enz. voorzien moeten zijn van gezondheids-
en oorsprongscertificaten.

Het voor het vervoer van hoenders gebruikte materiaal moet
na het gebruik gereinigd worden en de „Landesregierung" heeft
de bevoegdheid de desinfectie van vervoermiddelen en voor-
werpen na het gebruik te gelasten.

Ook zijn in deze uitvoeringsbepalingen bijzondere maatregelen
voor de genoemde ziekten vastgelegd, die in hoofdzaak betreffen
het bekendmaken van het uitbreken der ziekte, het plaatsen
van borden, het afsluiten, zoogenaamd „sperren", van het erf,
het verbod van uit- en invoer voor de besmette plaats, het op-
treden der ziekten in een transport vogels, het desinfecteeren
van de verblijfplaatsen der vogels, het intrekken der maatregelen.

Vooral de desinfectie is uitvoerig beschreven en nauwkeurig
is aangegeven wat bij de sectie van gestorven of geslachte dieren
moet worden onderzocht.

Het zou ons echter te ver voeren al deze maatregelen hier nauw-
keurig te beschrijven, uit de opsomming blijkt reeds voldoende
op welke wijze men in Duitschland de bestrijding dezer ziekten
ter hand heeft genomen.

In Oostenrijk heeft men reeds sinds 1909 politie-maatregelen

-ocr page 390-

tegen de Vogelcholera en de Hoenderpest genomen (Gesetz vom
6 August 1909, betreffend die Abwehr und Tilgung von Tier-
seuchen) en in hoofdlijnen komt de in dit Rijk gevolgde methode
overeen met de Duitsche, slechts enkele bepalingen eruit wil ik
even vermelden. Als bijzondere bepaling treffen we o. m. aan:

„Beim vereinzelten Auftreten der Geflügelcholera und Hühner-
pest in einer von diesen Seuchen sonst freien Gegend kann von
„der politischen Bezirksbehörde die Tötung der seuchenkranken
„und verdächtigen Tiere in dem Falle geordnet werden, wenn
„anzunehmen ist, dass hierdurch die Seuche aller Voraussicht nach
„schleunigst getilgt werden wird (§ 45)."

Bij de uitvoeringsbepalingen is o. m. vastgesteld, dat zoo mogelijk
bij het afmaken rekening moet worden gehouden met verzoeken
van eigenaars van dieren, die een hooge fokwaarde hebben en
tevens dienen algemeene, het landbouwbedrijf van den eigenaar be-
treffende, omstandigheden daarbij in aanmerking worden genomen.

Eieren mogen, met toestemming van den „Amtstierarzt", slechts
na zorgvuldige afwassching met soda-oplossing, de besmette
boerderij of plaats verlaten.

Verder geven de voor dit land vastgestelde maatregelen geen
aanleiding tot bijzondere vermelding.

België tracht eveneens het binnensluipen van besmettelijke
vogelzickten te voorkomen en heeft hiervoor bij het Koninklijk
besluit van 29 Augustus 1901 bepaald, dat de invoer van hoenders
in het algemeen slechts langs bepaalde plaatsen en op daarvoor
vastgestelde tijden mag geschieden. De hoenders worden aan
de grenzen onderzocht en in quarantaine gehouden; in ernstige
gevallen kan de Minister den invoer verbieden. De kosten, voort-
vloeiende uit het in quarantaine-houden zijn voor den invoerder.
Het gevogelte mag alleen worden ingevoerd als het door den
controleerenden veearts is onderzocht en van besmettelijke ziekten
(Diphteritis, Coryza contagiosa en vogelcholera) is vrij bevonden.
Constateert de veearts een dezer ziekten, dan moeten de dieren
worden teruggezonden naar het land van uitvoer en wel de zieke
vogels, alle dieren uit de mand, waarin de zieke vogels zich be-
vonden en de vogels, die tot dezelfde zending behooren of in
denzelfden wagen zijn vervoerd. Wil de ontvanger echter alle dierer
dooden, dan behoeft het terugzenden niet te geschieden. Bij
ongeschiktverklaring voor de consumptie .n.1. als een van de
3 genoemde ziekten worden geconstateerd), worden de cadavers
in tegenwoordigheid van de politie verbrand en de kooien gedes-
infecteerd.

-ocr page 391-

Voor doorvoer zonder overladen gelden deze bepalingen niet.
Over zee is de invoer op vastgestelde dagen, uren en plaatsen
(\\ntwerpen, Gent en Ostende) toegestaan.

Uit het hier aangehaalde blijkt voldoende dat onze beide on-
middellijke naburen reeds geruimen tijd geleden het nut hebben
ingezien van het in het leven roepen van politie-maatregelen
om de bij hen het meest voorkomende vogelziekten te bestrijden
en het gevaar van overbrengen daarvan uit het buitenland te
beperken.

Hoewel het bovenstaande er zeker geen aanspraak op kan
maken een volledige studie van het behandelde onderwerp te
zijn, meen ik toch voldoende te hebben aangetoond, dat op de
als titel van dit artikel gestelde vraag een bevestigend antwoord
moet worden gegeven:

Het is van een oeconomisch standpunt gezien, wenschelijk,
dat politie-maatregelen worden genomen ten opzichte van de
bij vogels voorkomende navolgende ziekten:

Diphteritis, Vogelcholera, KLEiN\'sche ziekte en Tuberculose.

Leeuwarden, 26 Januari 1914.

(Mededeelingen uit het laboratorium van het Openbaar Slachthuis te \'s Gravenhage).

Het voorkomen van den bacillus enteritidis Gärtner bij

kalveren,

door

Dr. H. WARNECKE.

Meerdere malen vindt men in den laatsten tijd, vooral in de
Duitsche literatuur, gevallen vermeld, waarbij bovengenoemde
parasiet bij kalveren werd aangetroffen.

WiNZER1) bericht over 8 gevallen, waarin bij hij kalveren, welke
septicaemische verschijnselen vertoonden, den bacil kon aantoonen.

Fally2) heeft den bacil vastgesteld bij een wegens diarrhee, in
nood geslacht kalf.

Riemer2) vond in 3 gevallen van diarrhee en 1 van pneumonie,
den enteritidisbacil in de organen van kalveren.

!) Zeitschriit f. Fleisch u. Milchhygiene Bnd. 22 blz. 81.

1) Geciteerd naar: Hübener. Fleischvergiftungen und Paratyphusinfektionen
blz. 56 e. v.

r

-ocr page 392-

Junack2) trof bij 3 kalveren met darmontsteking een bacil aan,
behoorend tot de groep der vleeschvergiftigers.

Franke2) constateerde bij 5 kalveren met septicaemische ver-
schijnselen, bakteriën uit de paratyphusgroep.

Ook Titzel en Weichel2) konden meerdere malen den Gart-
NER\'schen bacil bij aan enteritis gestorven kalveren waarnemen.

In het slachthuislaboratorium te Assen werden enteritidisba-
cillen vastgesteld bij een in nood geslacht kalf met hyperaemie der
dunne darmen.

Miessner en Kohlstock3) constateerden als oorzaak van een
enzoötisch optreden de croupeuse enteritis bij runderen, den bacillus
enteritidis
Gartnf.r. De infectie was uitgegaan van een kalf, dat
gedurende langeren tijd aan diarrhee had geleden en waarbij na
slachting dezelfde bacillen in de organen konden worden aangetoond.
In nog 2 gevallen waren zij in staat in de organen van kalveren,
welke onder diarrhoeische verschijnselen kort na de geboorte
gestorven waren, deze bacillen waar te nemen.

Ook mij is het, kort na elkander, twee maal gelukt den enteritidis-
bacil bij kalveren vast te stellen.

Het eerste geval betrof een geslacht nuchter kalf, hetwelk des
avonds aan het slachthuis alhier ter keuring werd aangeboden. Het
dier had het aspect van in nood te zijn geslacht, niettegenstaande
de organen er volkomen normaal uit zagen. Bij nader onderzoek
bleek echter, dat deze er kunstmatig in waren bevestigd, zoodat
niet met zekerheid was te zeggen dat zij tot het dier behoorden.
Eerder was aan te nemen, dat dit laatste niet het geval was en men
waarschijnlijk den keurmeester om den tuin wilde leiden, vooral in
aanmerking genomen, de persoon, welke het dier bracht. Wat de
lichaamslymphklieren betreft, deze waren sterk gezwollen. Door den
directeur van het slachthuis, de heer
H. G. v. Harrevelt, werden
dienzelfden avond nog platen gegoten van het vleesch, en het sap
van een der lymphklieren uitgestreken op Conradi-Drigalski en
malachietgroen-agar. Daags daarna waren er verscheidene koloniën
gegroeid, welke de Conradi-Drigalski-plaat blauw en de malachiet-
groenplaat geel gekleurd hadden. Ook de platen, welke van het
vleesch gegoten waren, vertoonden sterke groei. Het onderzoek door
mij voortgezet bracht het volgende aan het licht.

De culturen uit de lymphklier waren rein en bestonden uit
Gram-negatieve beweeglijke staafjes, die gelatine niet vervloeiden,
druivensuiker vergistten, melk- en rietsuiker daarentegen niet.

\') Zie noot op bldz. 357.

») Centraiblatt f. Bakteriologie Abt. I Bnd. 65 blz. 38.

-ocr page 393-

Bouilllon werd gelijkmatig getroebeld, indol niet gevormd, melk
niet gestold en neutraalrood-agar verkleurde geel. Enteritidis-im-
munserum agglutineerde in hooge verdunning de bacillen. Ook in
het vleesch was dezelfde bacil aanwezig. Een muis, subcutaan
geënt met cultuur was na 8 uur ziek en na 60 uur dood.

In bloed, milt en nieren kwamen staafjes voor met dezelfde eigen-
schappen.

De aetiologie van dit geval is moeilijk na te gaan, daar de
organen niet met de natuurlijke hechtmiddelen waren verbonden
geweest en bovendien geen darmen aanwezig waren. Het feit echter,
dat de lichaamslymphklieren zoo sterk gezwollen waren en den
bacil in reincultuur herbergden, wijst er wel op, dat hier een
in tra vitale infectie heeft plaats gehad.

Den tweeden maal hadden we te doen met een kalf van 3 a 4 weken
oud, hetwelk uit een andere gemeente geslacht werd ingevoerd.
Vanuit deze gemeente was de invoer van geslachte dieren zonder
organen toegestaan, mits het dier voorzien was van goedkeurings-
stempels. Ook hier dus geen organen aanwezig. Daar vleesch en vet
hevig icterisch waren, werd besloten, dit kalf niet goed te keuren,
voor en aleer er een bacteriologisch vleeschonderzoek had plaats
gehad.

Ook nu gelukte het den bacillus enteritidis Gartner uitliet vleesch
af te zonderen. De afwezigheid der organen maakte ook ditmaal de
aetiologie duister. De vrij hevige icterus, misschien ontstaan door
afsluiting der ductus choledachus tengevolge eener darmontsteking
duidt er m. i. echter wel op, dat ook in geval een intravitale
infectie had plaats gevonden,
\'s
Gravenhage, October 1913.

Een geval van vleeschvergiftiging,

door

Dr. H. WARNECKE.

Op Vrijdag den 25sten Juli van dit jaar werden door den heer
W. alhier, enkele dunne schijfjes gebraden varkensvleesch aan het
openbaar slachthuis gebracht, welke volgens zijn mededeeling,
afkomstig waien van een z. g. fricandeau, die, genuttigd op een
bruiloftsmaal, bij bijna alle gasten ziekteverschijnselen (braken,
diarrhee, temxiratuurverhooging, gevoel van ziek zijn) zou ver-

r

-ocr page 394-

oorzaakt hebben. Dat het vleesch ook werkelijk de oorzaak ervan
zou zijn, verklaarde men daaruit, dat enkele personen, welke niet
aan het feestmaal hadden deelgenomen, maar wel van het vleesch
gegeten hadden, onder dezelfde verschijnselen ziek waren geworden.

Omtrent ziekteverloop en diagnose heb ik van medische zijde
geen nadere inlichtingen kunnen krijgen, daar geen der patiënten
het noodig had gevonden den dokter te laten halen. Het bovenbe-
doelde stuk vleesch was des Dinsdagavonds door den slager gebracht
en direct daarop gebraden. Daags daarop had men het weer naar den
leverancier teruggebracht, teneinde het te laten snijden. Dienzelf-
den dag werd het genuttigd en \'s nachts en den volgenden dag
hadden zich de verschijnselen geopenbaard.

Des Vrijdagmiddags, dus ± 3 X 24 uur na de bereiding, kreeg ik
de plakjes ter onderzoek. Het vleesch bleek goed doorbraden te zijn,
maar was natuurlijk in sterke mate verontreinigd, zóó zelfs, dat
met het bloote oog bakteriënkolonies te zien waren.

Een oogenschijnlijk het minst verontreinigd stukje werd uitge-
sneden, fijn geknipt en geschud met enkele ccm. physiologische
keukenzoutsolutie. Dat hierbij alle regelen omtrent steriliteit in
acht genomen werden spreekt van zelf. Met deze oplossing werden
een Conradi-Drigalski-en een malachietgroen-plaat geënt. Zooals
te verwachten was, ontstonden er talrijke bakteriënkolonies van
zeer verschillend aspect, waaronder er echter enkele waren die door
vorm en verkleuring der plaat, reeds verdenking op een paratyphus-
achtige bacil deden vallen. Na herhaalde overenting op clectief-
voedingsbodems gelukte het dan ook ten slotte een Gram-negatief,
beweeglijk staafje te isoleeren, dat alle eigenschappen bezat van de
vertegenwoordigers der parathyphus-enteritidis-groep. Daar op
dat oogenblik geen immuunsera meer in mijn bezit waren, was een
verdere differentiatie door middel der agglutinatie niet mogelijk.

Een muis, welke subcutaan geënt werd met cultuur, stierf bin-
nen 2
X 24 uur en vertoonde in bloed en organen hetzelfde staafje.

Wat is nu de oorzaak geweest van het voorkomen van dit schade-
lijk microorganisme in het vleesch?

Naar mijne meening hebben we hier te doen gehad met een in-
fectie van het toebereide vleesch en wel om de volgende redenen:

i°. andere gevallen van vergiftiging bij personen, welke vleesch
van hetzelfde varken gegeten hebben, zijn mij niet ter oore gekomen
en

2°. heeft het stuk vleesch speciaal in dit geval volop gelegen-
heid gehad om geïnfecteerd, te worden daar het vóór het gebruik
nog door talrijke handen is gegaan.

-ocr page 395-

Evenals Van der Slooten in zijn artkiel „Rookvleeschvergifti-
ging te Utrecht," in dit tijdschrift (afl. 17,1912) beweerde, is het
ook mijne meening, dat zelfs de best ingerichte keuringsdienst, der-
gelijke gevallen van vleeschvergiftiging niet kan voorkomen. Slechts
de grootst mogelijke reinheid bij de behandeling van vleesch en
hooge zindelijkheid van de lokalen waarin het bewaard wordt, zijn
de eenigste voorzorgsmaatregelen.

Voorts bewijst dit geval weer eens de aanwezigheid van een para-
typhus-achtige bacil als saprophyt.
\'s
Gravenhage, October 1913.

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Algemeene afdeeling: Aangenomen als lid de heer D. M. Hoogland
te Breukelen.

Afdeeling Gelderland-Overijsel: Aangenomen als lid de heeren:
Dr.
J. van Dorssen te Arnhem, A. B. Vaandrager te Delden,
G.
H. Hommels te Oldenzaal.

Afdeeling Utrecht: Aangenomen als lid de heeren: F. LaméRIS te
Milligen, H.
van Vuuren te Utrecht.

Verkozen tot ondervoorzitter de heer dr. J. H. Picard te Zeist.

Nieuwe afdeeling Zuid-Holland. Verslag over het jaar 1913.

Mochten wij in het vorige verslag met tevredenheid terugzien op het afgeloopen
jaar, thans is zulks tot ons leedwezen in mindere mate het geval.

Zoo moeten wij in de allereerste plaats melding maken van het groot verlies, dat
de afdeeling leed, door het overlijden van hem, die gedurende zoo langen tijd haar
leider was.

Te recht werd in de rede door den w.d. voorzitter, aan zijne nagedachtenis ge-
wijd, gewezen op zijn groote liefde voor de diergeneeskunde, zijn buitengewone
mate van toewijding, op zijn takt en bescheidenheid en zijn eerbied voor de mee-
ning van ouderen, eigenschappen, die hem zoo bizonder geschikt maakten voor het
bekleeden dezer functie, onder zijn bestuur kon de afdeeling tot grooten bloei ge-
raken; moeilijk zal de leegte, die de overleden heer
J. T. Laméris in ons midden
heeft achtergelaten, aangevuld kunnen worden.

Als zijn opvolger werd met groote meerderheid van stemmen gekozen: Prof. Dr.
J. Poei.s, helaas, deze zag zich genoodzaakt reeds in de maand September voor
zijn lidmaatschap der maatschappij en als zoodanig ook voor het voorzitterschap
te bedanken.

-ocr page 396-

Het zou ons van deze plaats niet passen in een beoordeeling te treden van de
overwegingen, die Z. HoogGel. tot het nemen van dit besluit hebben geleid; wij
hebben dit slechts te eerbiedigen.

Maar wel meenen wij in den geest van alle leden te handelen, als wij openlijk
ons groot leedwezen over dit verlies voor onze afdeeling en voor de geheele veeartse-
nijkunde in Nederland uitspreken.

Wat Professor J. Poei.s voor de eerste is geweest, hoe hij meegewerkt heeft aan
hare oprichting en gedurende 21 jaren lang het secretariaat heeft bekleed op een wijze,
boven ieders lof verheven, hoe hij door zijn wetenschappelijke mededeelingen de
aantrekkelijkheid harer bijeenkomsten in hooge mate bevorderde en wat de laatste
aan hem verschuldigd is? het is u allen bekend, wij achten het overbodig daarom-
trent nog in verdere bizonderheden te treden.

Wij willen daarom besluiten, met de hoop uit te spreken, dat wij hem nog één-
maal in ons midden terug zullen mogen zien.

Zijn plaats als voorzitter werd aangevuld door den Heer J. J. F. Dhont, wien wij
van harte toewenschen dat hij lange jaren onzen leider zal mogen blijven.

Vier der leden verzochten hun ontslag, daarentegen traden 3 nieuwe toe, zoodat
het geheele aantal op ultimo December 50 bedroeg.

Door één hunner werd de wenschelijkheid van een samensmelting van de af-
deelingen Zuid-Holland en Nieuw Zuid-Holland bepleit, hetgeen leidde tot de op-
dracht aan het bestuur, met eerstgenoemde dienaangaande in nader overleg te
treden.

Gekozen werden:

a. als afgevaardigden en pl. afgevaardigden voor de 54e algemeene vergadering,
onderscheidenlijk de
H.H. Dr. H. E. Reeser en Dr. A. Vrijburg; van de op 27
November van het verslagjaar gehouden buitengewone algemeene vergadering de
H. H. J. J. F. Dhont en Dr. K. Büchi.i.

b. als candidaat-lid van het hoofdbestuur, tevens voorzitter, de Heer K. Houba,
te Maastricht.

c. als idem, tevens ie secretaris de Heer L. J. Hoogkamer te \'s Gravenhage.

d. als candidaat-lid der notul en-commissie, laatst genoemde. Betreffende de
verkiezing van 2 redactie-leden van het tijdschrift, voor een lid van de commissie
van boeroepsbelangen en van een idem tot reorganisatie van het veeartsenijkundig
onderwijs, werd den afgevaardigde vrij mandaat verleend.

De contributie werd vastgesteld op het door de maatschappij aangegeven bedrag,
vermeerderd met f 2.—, zoodat deze voor 1914 f 16 zal bedragen.

In het geheel werden er 4 vergaderingen gehouden, bezocht onderscheidenlijk
door 23, 8, 8, en 15 of gemiddeld 14 leden; de belangstelling in het afgeloopen jaar
was dus niet bizonder groot.

Herziening van art. 16 van het huishoudelijk reglement werd in overweging ge-
geven, ten einde eventueele veranderingen daarin, spoediger dan tot op heden, haar
beslag te kunnen doen krijgen.

Wetenschappelijke voordrachten werden gehouden:

door den Heer A. A. Barendrecht over: Een weinig bekenden vorm van
abortusverspreiding bij het rund en hare bestrijding.

-ocr page 397-

Daar ze in haar geheel in ons Tijdschrift is verschenen, vermeenen wij te kunnen
volstaan, met daarnaar te verwijzen

2°. op uitnoodiging van het bestuur door den Heer M. H. Kroon over:
Mendelisme en de beteekenis voor de runderteelt. Uitvoerig, en aan de hand van
fraaie afbeeldingen, werd door spreker de leer van
Hendel behandeld.

Er op wijzende, dat de praktische resultaten daaruit voortvloeiende, voor-
loopig nog niet groot zijn, werden de voordeelen van deze voor den fokker met groote
klaarheid uiteengezet.

Verwacht mag worden, merkte hij op, dat deze binnen niet al te langen tijd,
wel meer dan tot op heden, naar voren zullen komen.

De lezing, die ruim uur duurde, werd door allen met de grootste aandacht
gevolgd en aan het eind met levendig applaus begroet. Te recht sprak de voorzitter
zijn spijt uit, dat zóó weinig leden, nl. slechts 8 van de 51 aanwezig waren, naardien
het hier toch een bij uitstek praktisch onderwerp gold.

Onder de vrije mededeelingen vestigde Prof. Poels de aandacht op de thera-
peutische beteekenis van het, bij verschillende infectie-ziekten vaccineeren met
bacteriën, afkomstig van een patiënt zelf, op de zoogenaamde auto-vaccinatie dus,
ten einde langs dezen weg het lichaam tot de vorming van anti-lichamen aan te
zetten en langs bactericiden weg genezing te verkrijgen.

Voor den mensch, aldus merkte hij op, wordt van deze methode een ruim gebruik
gemaakt en staat niets ons in den weg haar ook toe te passen in de diergeneeskunde.

Bij aandoeningen veroorzaakt door staphylococcen, streptococcen, gonococcen,
bij bronchitis worden gunstige resultaten vermeld. Bij voorkeur neme men bac-
teriën van denzelfden stam als die, welke de ziekte veroorzaken. Van de toediening
van het vaccin bij febriciteerende patiënten onthoude men zich echter. Prof.
Poei s
vermeldt zeer goede uitkomsten bij mastitis, in het bizonder bij een koppel runderen
te Gouda, uit welken vóórdien tal van runderen ten gevolge van dit lijden waren
gesuccombeerd.

Met een woord van opwekking aan de praktizeerende veeartsen, aan deze nieuwe
therapie hun volle aandacht te wijden, besloot spreker zijn mededeeling.

De heer A. Overbosch sprak over kruising van goudvinken en kanaries, de
Heer
J. Laméris over de toepassing van ergotine bij de zoogenaamde „dampig-
heid" der paarden, de Heer
J. van Driest over een voordracht van Prof. Dr. D. A.
de Jong, betreffende de enzoötische abortus, veroorzaakt door Paratyphus B. en
de Heer
A. A. Barendregt over miltvuurkoorts bij runderen.

In de November-bijeenkomst werd uitvoerig van gedachten gewisseld, omtrent
de ontwerpwet op de vleeschkeuring.

Hulde brengende aan de samenstellers, vereenigde men zich algemeen met den
inhoud van het daarover uitgebrachte rapport door de commissie:
Dhont, Kruijt
en Van Vliet.

De betrokken afgevaardigden werden uitgenoodigd het standpunt der afdeeling
in deze op de bizondere algemeene vergadering uiteen te zetten en zoo noodig te
verdedigen.

Namens het Bestuur:
De Secretaris:

\'s-Hage, 5 Maart 1914. Hoogkamer.

-ocr page 398-

Verslag van den toestand der afdeeling Zuid-Holland over 1913.

Het verslagjaar begon met 25 en eindigde met 23 leden.

In de maand Februari verloor de afdeeling haar oudste lid, de heer E. A. Kok,
die gedurende eenige jaren haren Secretaris was en behoorde tot de getrouwste
bezoekers der vergaderingen; zelfs toen zijn gezondheidstoestand reeds veel te
wenschen ging overlaten miste men hem zelden. Als gevolg van het groote door
de leden in hem gestelde vertrouwen werd hij meermalen naar de Algemeene
Vergadering afgevaardigd.

In de vergaderingen was Kok dikwerf de vraagbaak, in het bijzonder waar
het maatschappelijke vraagstukken betrof en het was hem een groot genot iemand
van dienst te zijn.

Na het door den Heer Dr. W. C. Schimmel in de aflevering van 1 Maart 1913
omtrent hem medegedeelde, gaan we hierop niet verder in doch willen niet eindigen
zonder er op gewezen te hebben dat
Kok was een trouw collega.

Er werden drie vergaderingen te Rotterdam gehouden, die zich kenmerkten
door een collegialen geest.

In de eerste werd Dr. P. Vermaat als Voorzitter herkozen en hield Dr. H. A.
V
ermeulen eene causerie over: „Organotherapie, met bespreking der praepa-
,,raten die in de veeartsenijkundige therapie toepassing vinden." Een kort verslag
hiervan is te vinden in het 40e Deel, aflevering 4 Bladz. 172 van het Tijdschrift.

Een gezellige gemeenschappelijken maaltijd, waaraan de Heer Vermeulen
als gast aanzat, besloot deze vergadering.

In de tweede vergadering werden de onderwerpen voor den vervolg-cursus
voor Veeartsen vastgesteld.

In de derde vergadering werden als afgevaardigde en plaatsvervanger naar
de Algemeene Vergadering aangewezen resp. de Heeren
Ellerman en Dr. Vermaat.

De behandeling van het Programma voor die vergadering was over de ver-
schillende vergaderingen verdeeld.

De financieele toestand was niet ongunstig.

Van de ter sprake gekomen praktische mededeelingen worden hier vermeld:

de Heer H. van Aken: Het door Veeartsen lichtvaardig afgeven van attesten.

Beleedigingen van de vagina bij den hond na coïtis.

Prolapsus oculi bij den hond.

„ „ W. F. Altevogt: Zwelling aan het hoofd bij een veulen.

Longemphyseem bij het rund.

„ ,, D. de Bruin: Haematurie bij een paard met zwelling aan den hals.

,, „ J. C. Colder: Vergoeding van Bureaukosten voor den plaatsver-
vangenden Districts-Veearts.

„ „ H. L. Ellerman Lz.: Pogingen om de gevolgen, van niet gewenschte
paring, bij een hond te voorkomen.

,, „ C. de Graaf: Straalkanker bij het paard.

„ „ A. J. van Hemert: Kreupelheid bij een paard.

„ „ J- J- Hendrikse: Het door veeartsen afgeven van verklaringen.

„ „ Dr. S. J. M. Mogendorff: De financieele positie van den veearts
, bij dagvaarding voor den Rechter in strafzaken.

-ocr page 399-

de Heer P. Stehouwer: Voorkoming van de gevolgen van coitis bij den hond

Kreupelheid bij een paard.

Snorken bij eene koe, met zwelling in de oorklierstreek.

„ „ Dr. P. Vermaat: Epilepsie bij een rund.

Inspuiten van tetanusserum. De Secretaris

H. L. Ellerman Lz.

Verslag der afdeeling Groningen—Drenthe over 1913.

In 4 vergaderingen werden de belangen der Maatschappij en die der afdeeling
Groningen—Drenthe door ons behandeld. Een der bijeenkomsten werd gehouden
te Assen, de overige te Groningen; steeds was het aanwezige ledental zeer
bevredigend, werden er belangrijke onderwerpen ingeleid en behandeld, terwijl
elke vergadering werd besloten met een gemeenschappelijk diner.

Tot de belangrijke gebeurtenissen onzer afdeeling over 1913 rekenen wij in
de ie plaats de voortzetting en de beëindiging van de vervolgcursussen voor vee-
artsen, gegeven door de heeren Prof. Dr. D.
A. de Jong en J. J. Wester, welke
cursussen levendige belangstelling ondervonden en zeker veel hebben bijgedragen
tot aanvulling en versterking van het wetenschappelijk peil der talrijke deel-
nemers. In de Maartvergadering hield Dr.
Overbeek een belangwekkende voor-
dracht over „Veearbitrage".

fn de Mei-vergadering werd door een daartoe benoemde commissie rapport
uitgebracht omtrent een wenschelijke herziening der enttarieven en het vast
stellen van een uniform minimum-tarief.

In de Augustus-vergadering was het woord aan de heer W. ten Hoopen in
zake veeverloskunde, terwijl in de laatste vergadering de heer
Beunders prachtige
praeparaten demonstreerde.

Behalve de bemoeiingen in zake enttarieven was de afdeeling op maatschap-
pelijk gebied werkzaam, door het voorstellen van amendementen op voorstellen
voor de algemeene vergadering, door het doen plaatsen van een punt van be-
handeling op de agenda dier vergadering, door haar rapport in zake pensioen-
regeling en door de bespreking van de wetsontwerpen in zake vleeschkeur en
hooger onderwijs en het rapport der commissie van veeverzekering.

Evenals in 1912 viel ook in 1913 een onzer leden, de heer R. Bosscher, de eer
te beurt, te worden benoemd tot Ridder in de Oranje-Nassau orde, terwijl aan
twee onzer leden de heeren
J. Buitenhuis en J. Kets de doctorstitel werd
verleend.

Tegenover het vertrek van de leden Dr. Overbeek en J. Goedhart staat een
aanwinst van nieuwe leden n.1. de heeren
W. ten Hoopen, C. J. G. van der Kamp,
R. Bergema en J. Brandenburg.

Een verlies trof ons door het overlijden van het lid F. Boerhave, veearts te
Dieverbrug.

In het bestuur der afdeeling kwam geen verandering zoodat het blijft samen-
gesteld uit de heeren: K.
J. Laméris, voorzitter, Dr. J. Staal, vice-voorzitter;
P.
D. Beunders, penningmeester; H. A. Kroes, ie secretaris; K. Huizinga.
2e secretaris.

-ocr page 400-

Het ledental op i Januari 1914 bedroeg: 43 t. w.: Jhr. W. Alberda van Eken-
stein,
R. Bergema, L. van Bergen, R. Bosscher, J. Bruijel, B. Bruins, J.
Doornbos, C. A. van Dorssen, Th. Edens, D. de Fluiter, M. B. ten Have,
R. Hess, H. H. Huizinga, K. Huizinga, J. Knol, A. J. Koster, FI. A. Kroes,
K. J. Laméris, D. S. R. Mensema, D. Muller, R. Nijhoff, J. Niks, P. J.
Offeringa, H. R. Rentema, M. G. Smit, Dr. J. Staal, A. H. Steenbergen,
Dr. J. v. d. Veen, F. B. Venema, H. Venema, A. van der Wal, H. G. Werkman,
K. F. Wiersma, A. Wolf, H. Wolters, P. D. Beunders, H. G. O. Boom, C.
J. G. van der Kamp, W. ten Hoopen, Dr. J. Kets, J. M. A. van Nes, J. Bran-
denburg
en Dr. J. Buitenhuis.

De ie Secretaris der afd. Groningen—Drenthe.

Groningen, Januari 1914. H. A. Kroes.

Jaarverslag van de afdeeling Overijssel over 1913.

De eerste vergadering dezer afdeeling waarvan de oprichting tot stan<l kwam na-
dat meerdere collega\'s sympathie hadden betuigd met het streven van enkelen onzer
om voor de veeartsen in Overijssel en enkele Geldersche gemeenten een zelfstandige
afdeeling te formeeren, had plaats 31 Jan. Op deze vergadering werd het huishoude
lijk reglement samengesteld, een bestuur geformeerd en voor de volgende vergade-
ring voordrachten toegezegd door
Tervoert, Schat, Luxwolda en Ferwerda.

Op deze vergadering 16 April d v. gehouden, leidde Tervoert in „de verhouding
van den veearts tot provincie en gemeenten, hield Dr.
Luxwolda een lezing over
de vleeschkeuring ten plattenlande en besprak
Ferwerda de verhouding van den
veearts ten opzichte der veefokkerij.
Van Veen deelt een geval van braking mee,
waargenomen bij een paard, waarschijnlijk ten gevolge van een divertikel van den
slokdarm.

De 15 Augustus-vergadering werd in hoofdzaak besteed aan een bespreking van
<le punten van behandeling voor de Algemeene Vergadering.

Daarom werd op voorstel van De Jong besloten een October-vergaderng te
houden om die aan meer wetenschappelijke dingen te wijden.

Op die vergadering 17 October gehouden gaf Vlaskamp belangrijke mededeelingen
over de behandeling van klauwziekten bij het rund en hield de voorzitter zijn
lezing over de aetiologie der kalverziekten.

De laatste vergadering 21 November gehouden, werd weer in hoofdzaak be
steed aan de punten van behandeling ter Algemeene vergadering.

Zie ik goed, dan kunnen we als jeugdige afdeehng over 1913 tevreden zijn. Het
bezoek was zeer middelmatig, een klacht meer gehoord. Voor \'t overige werd door
allen met ambitie aan de besprekingen deelgenomen.

Iets mis ik en dat zijn de mededeelingen uit de practijk. Dat 1914 daarin ver-
andering brenge. De afdeeling telt thans
15 leden nl: Boonstra, Steenwijk; Bulk,
Ommen; Brink, Wijhe; De Beijl, Coevorden; De Jong, Olst; Kattenwinkel,
Kampen; Van Goor, Epe; Dr. Ferwerda, Oldebroek; Dr. Luxwolda, Enschede;
Van der Mast, Staphorst; Tervoert, Zwolle; Dr. Schat, Zwolle, Van Veen,
Avereest; Vlaskamp, Deventer; Witkamp, Raalte. De Secretaris,

Dr. Ferwerda.

-ocr page 401-

Verslag van de afdeeling Limburg.

Door het toetreden van den Heer De Vink, districtsveearts te Venlo, steeg het
ledental der afdeeling tot 22. Er werden vier vergaderingen gehouden, welke ge-
middeld bezocht werden door 66 °/0 der leden.

In plaats van den Heer P. van Kempen, werd gekozen tot ondervoorzitter de
Heer
J. Billekens. In de maand April doken er plotseling geruchten op, dat onze
districtsveearts, de Heer
Goossens, verplaatst zou worden. Gelukkig werd dit on-
heil nog bijtijds van onze afdeeling afgewend.

In de April-vergadering wenscht de voorzitter hem namens de afdeeling geluk
met zijn blijven in Limburg, er op wijzende, dat onze districts-veearts niet alleen
in zijn optreden als ambtenaar ons aller sympathie heeft, maar dat wij tevens
in hem behouden een trouw lid onzer afdeeling, die geregeld de vergaderingen bezoekt
en wiens adviezen daar steeds gaarne worden gehoord. Hij hoopte hem nog lange
jaren op onze vergaderingen te zien verschijnen. Bij deze gelegenheid werd tevens
op eene leemte in ons reglement gewezen, dat niet toeliet, leden, die zich voor eene
afdeeling bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt tot eereleden daarvan te be-
noemen. Verder werd in deze vergadering eene commissie benoemd bestaande
uit de Heeren
Goossens, Sala, L. v. Kempen, Dr. E. Duysens en Bloemen, ten
einde aan de volgende vergadering een rapport uit te brengen over het wetsont-
werp in zake vleeschkeuring.

Candidaat werd gesteld voor voorzitter der maatschappij de Heer Houba.

De Juli-vergadering werd gehouden te Sittard bij gelegenheid der provinciale
tentoonstelling, waarbij als gasten aanwezig waren de Heeren
Kroon, De Vink,
en Hameleers, de laatste candidaat-veearts. Tot afgevaardigde naar de alge-
meene vergadering werd benoemd Dr.
Duysens en tot diens plaatsvervanger
de Heer
Houba.

De Heer Kroon hield eene uiterst interessante lezing, waarna een gezellig diner
volgde.

In de September-vergadering heette de voorzitter allereerst hartelijk welkom
de Heeren
Kroon en Paimans. De eerste bewees hierdoor, dat zijn eerste bezoek aan
Limburg hem goed was bevallen, terwijl de Heer
Paimans, als ondervoorzitter der
vroegere afdeeling Noord-Brabant en Limburg nog steeds aangename herin neringen
bij ons opriep. Vervolgens feliciteert hij den Heer
Houba bij gelegenheid van zijn
30 jarig jubileum als veearts. Hij behoort zeker tot de verdienstelijke leden der
maatschappij. De voorzitter hoopt, dat hij nog lange jaren met woord en geschrift
onze belangen zal verdedigen. Vervolgens werden voor de vacatures van voorzitter
en iste secretaris der maatschappij respectievelijk gekozen de Heeren
Houba en
Dr.
Vermeulen. Tot redactie-leden de Heeren Dr. Markus en Paimans. De be-
spreking van het programma der algemeene vergadering vorderde veel tijd, waar-
bij er stemmen opgingen of het in de toekomst misschien gewenscht zou zijn Maat-
schappij en Tijdschrift te scheiden.

De Heer De Vink werd op deze vergadering door den voorzitter als lid geïnstal-
leerd. Het rapport der commissie inzake het vleeschkeuringswet-ontwerp werd
aan de leden tobgezonden.

Door de Heeren Beel en L v. Kempen werden eenige interessante pathologische
preparaten gedemonstreerd.

-ocr page 402-

In de November-vergadering bracht Dr. Duysens een degelijk verslag uit van
de algemeene vergadering, terwijl de Heer
Houba benoemd werd tot afgevaardigde
naar de bijzondere vergadering.

Onze voorzitter feliciteert den Heer Houba namens onze afdeeling met zijne be-
noeming tot voorzitter der Maatschappij.

De Heer Beckers doet mededeeling van eene langdurige kreupelheid bij een
paard, waarbij extirpatie van os carpale 3 en 4 noodig bleek, hetgeen tot volkomen
herstel leidde.

Het bestuur der afdeeling bestaat uit P. v. Kempen voorzitter; J. Billekens
onder-voorzitter, H. Sala iste secretaris, H. J. C. Horbach 2de secretaris en
J. Duysens penningmeester. De Secretaris,

SALA.

Verslag van de afdeeling Noord-Holland over het jaar 1913.

Op i Januar; 1913 bedroeg het ledental 36, doch al spoedig onderging dit aan-
tal een verandering door het overlijden van den heer J. H.
van Oijen, Directeur
van het Openbaar Slachthuis te Haarlem op 17 Januari.

Door vertrek naar Leiden bedankte de heer Dr. D. G. Ubbels met ingang van
i Januari 1914 voor het lidmaatschap onzer afdeeling.

Als nieuwe leden traden toe de heer H. W. Schiphorst te Alkmaar en verder
met ingang van
1 Januari 1914 de heeren Dr. D. L. Bakker te Alkmaar en J. A.
Klauwers, J. G. A. Reeser, M. L. O. Verkerk en C. A. Bonn te Amsterdam,
zoodat het ledenaantal nu 40 bedraagt.

Er werden 3 gewone vergaderingen gehouden welke respect, door 19, 15 en 18
leden werden bezocht.

In de vergadering van den 7den Februari werd door den penningmeester rekening
en verantwoording gedaan van zijn beheer over het vorige jaar. In dezelfde ver-
gadering werd door den heer
De Leur de wenschelijkheid geuit het daarheen te
leiden, dat door de regeering een verhooging der vacatiegelden zou worden toege-
staan, waaruit geboren werd een voorstel voor de algemeene vergadering.

Verder werd door den heer De Leur ter tafel gebracht de besprekingen over
het vaststellen van een uniform tarief voor het enten van varkens. Wel werd door
de leden in beginsel hiertoe besloten, doch men kon zich niet vereenigen met het
voorstel om tarieven vast te stellen, die bindend zouden zijn voor alle leden der
afdeeling. In het vormen van kleine kringen waarin men over de tarieven tot over-
eenstemming kon komen, zag men meer resultaat. Deze kringen zouden zich dan
langzamerhand kunnen uitbreiden. Deze besprekingen hebben tengevolge gehad,
dat zich korten tijd na de Februari-vergadering de vereeniging van practiseerende
veeartsen heeft gevormd boven het Noordzeekanaal, die o.a. de kwestie der ta-
rieven voor het enten van varkens goed voor elkaar heeft gezet.

In de vergadering van den 22sten Augustus had de benoeming plaats van een
afgevaardigde en plaatsvervangend afgevaardigde naar de 54ste algemeene ver-
gadering, waarvoor werden gekozen de heeren
De Leur en Geerlings.

In deze vergadering werd tevens besloten de bibliotheek op te heffen. Het cir-
culeeren der tijdschriften vond steeds slecht plaats. Toch wenschte men het be-

-ocr page 403-

drag, dat anders voor de tijdschriften werd uitgegeven, een goede bestemming te
geven en ieder jaar te storten in het
Van EsvELD-fonds.

Aan het einde der vergadering hield de heer C. Folmer uit Hoofddorp een korte
voordracht over het onderzoek van longslij m van runderen op tuberculose, waar-
in hij speciaal de aandacht vestigde op de bloedige methode met behulp van tra-
cheotomie en waarbij hij aangaf met welk instrumentarium deze eenvoudige en in
de praktijk zeer goed door te voeren operatie kan plaats vinden.

In de November-vergadering werd tot penningmeester benoemd de heer G.
H
annema te Zaandam in de plaats van der J. Y. Swierstra, die niet terstond her-
kiesbaar was. Het bestuur is dus voor 1914 als \'t volgt samengesteld:
J. Mazure
Czn, voorzitter, Dr. F. P. Keyser, secretaris en G. Hannema, penningmeester.

Tot afgevaardigde naar de buitengewone algemeene vergadering te houden op
29 November te Utrecht werd gekozen de heer Dr. Y.
van der Sluis te Amsterdam
en tot diens plaatsvervanger de heer Dr. J. Y.
Swierstra te Zaandam.

De contributie voor 1914 werd verhoogd en gebracht van f 12.50 op f 16.50.

De Secretaris
Keyser.

Congres te Londen.
3—8 Augustus 1914.

Het Nederlandsche Comité voor het congres te Londen roept de
Nederlandsche Collega\'s, met hun dames, ter bijwoning op!

Bij voldoende deelneming zouhet mogelijk zijn de reis gezamenlijk,
dus per zelfde gelegenheid te maken.

Het niet beheerschen van de Engelsche taal behoeft allerminst
een reden te zijn om het congres niet te bezoeken. En dat het congres
nooit zonder de aanwezigheid van Hollandsche dames kan slagen,
spreekt van zelf.

Londen is een zeer groote en buitengewoon belangwekkende
stad, waar men zeer gemakkelijk den weg vindt. Laat dus niemand
verzuimen van de gelegenheid haar te leeren kennen gebruik te
maken. De Nederlandsche veeartsen zijn het tegenover Engeland
verplicht het congres met alle krachten te steunen en blijken te geven
van sympathie met land en bewoners.

Het lidmaatschap kost een pond sterling, voor dames vijf shillings.
Men zendt het bedrag in bij „Mr.
F. W. Garnett, I. P„ M. R. C. V.
S.,
10 Red Lion Square, London, W. C." De tweedeondergeteekende
is echter gaarno bereid de bedragen van het lidmaatschap over te
maken indien hein daarvoor f 12.25 respectievelijk f 3.15 wordt toe-

XLI 2I

-ocr page 404-

gezonden aan zijn adres: Morschsingel 3 te Leiden. Hij zal de ont-
vangen lidmaatschapskaarten, enz. aan de leden doen toekomen.

Het logies is te Londen goedkoop en goed. De firma Thos. Cook
en Zoon te Amsterdam, Damrak 83\', wil daaromtrent gaarne in-
lichtingen verschaffen, ook wat de prijzen betreft, die in verband
met het congres zullen worden verlaagd. Naar die conditiën kan de
firma logies verschaffen tegen inning van een deposito, waarvoor een
kwitantiebewijs wordt afgegeven, hetwelk de hoteleigenaar tegen
zijn volle waarde in gedeeltelijke betaling der rekening zal aannemen.
De firma
Cook is gaarne tot verdere bespreking bereid.

In een binnenkort vanwege het Nederlandsche Comité te houden
vergadering zullen verschillende zaken, die in het belang van de
Nederlandsche congresbezoekers mochten zijn, nader worden be-
sproken.
Het comité wekt met aandrang tot deelneming op!!

Nu het programma ook in dit Tijdschrft werd bekend gemaakt
is gebleken, dat het Engelsche uitvoerende comité ongetwijfeld veel
moeite heeft gehad om de talrijke rapporteurs over de verschillende
landen, zoowel groote als kleine, te verdeelen. Mochten er echter
Nederlandsche collega\'s zijn, die omtrent dein het programma ver-
melde onderwerpen een mededeeling wenschen te doen of aan de
discussies wenschen deel te nemen, dan geven de ondergeteekenden
hun in overweging daarvan bericht te zenden, eventueel onder
toezending van manuscript, aan den tweeden ondergeteekende,
die daaromtrent dadelijk in overleg zal treden met het uitvoerende
Comité te Londen.

Het Nederlandsche Comité voornoemd,
W. C Schimmel.

Voorzitter.

D A. de Jong,

Secretaris

Utrecht

, 6 Maart 1914

Leiden

-ocr page 405-

Secretariaat van de Permanente Commissie voor de Inter-
nationale Veeartsenijkundige Congressen.

Congres te Londen.

Circulaire van de firma Thos. Cook en Zoon, Damrak 83, AMSTERDAM.

L. S.

Met het oog op een bezoek aan bovengenoemd congres zijn wij zoo vrij U onze
diensten aan te bieden voor het regelen Uwer reis daarheen.

Wij kunnen reisbiljetten verschaffen over elke route en onderkomen bespreken
in vele hotels van verschillenden rang waarmede wij sinds jaren in connectie staan.

Onze , ,interpreters" in uniform aan de verschillende groote stations verleenen
alle hulp aan houders onzer reisbiljetten; inlichtingen over trein- en andere ver-
bindingen worden gratis door ons verschaft.

Voor deelnemers, die voor uitstapjes in en om de groote steden gebruik wen-
schen te maken van ons systeem ,,begrootingsreizen" reserveeren wij behalve
het hotelonderkomen tevens een localen gids, met wien de stad bezichtigd wordt,
terwijl alle onkosten voor privé, rijtuig, entrées en fooien worden ingesloten.

Gaarne zullen wij U, of andere bezoekers van het Congres, met gewenschte in-
lichtingen van dienst zijn, en wachten wij Uwe berichten.

Hoogachtend

Thos. Cook & Son.

Officieele Passage-Agenten voor boveng. congres.

P. S. Indien congresleden reductie toegestaan wordt op sporen, booten, enz.
wordt hiermede door ons rekening gehouden.

Militair Veterinaire Vereeniging.

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Oorlog te
\' s-Gravenhage.

Geven met verschuldigden eerbied te kennen, Vermast, Pieter Franciscus,
medicinae doctor, arts te Etten (N.B.), oud-Paardenarts en oud-reserve-officier
van Gezondheid bij het Leger hier te lande,

Van Dorssen, Johan, doctor medicinae veterinariae, Paardenarts ie klasse
te Arnhem,

Gallandat Huet, Rudolf Hendrik Johan, doctor medicinae veterinariae*

-ocr page 406-

Paardenarts 2e klasse te Utrecht; respectievelijk voorzitter, vice-voorzitter en
secretaris-penningmeester der Militair Veterinaire Vereeniging;

dat in de kortelings verschenen begrooting van Oorlog geen melding wordt
gemaakt van positieverbetering van de Paardenartsen, noch van de reeds zoolang
in uitzicht gestelde reorganisatie van den Militairen Veterinairen dienst;

dat zij met de meeste bescheidenheid de achterstelling van de Paardenartsen
bij de Officieren van Gezondheid onder de aandacht van Uwe Excellentie brengen;

dat de promotiekansen van de paardenartsen ten zeerste achterstaan bij die
der wapens;

dat de paardenartsen vermeenen recht te hebben op een opklimming, over-
eenkomende met die der Officieren van Gezondheid, zoowel wat betreft de finan
ciëele positieverbetering als de promotiekansen;

redenen waarom ondergeteekenden Uwe Excellentie beleefd uitnoodigen de
positieverbetering van het korps Paardenartsen bij de aanstaande behandeling
der Oorlogsbegrooting alsnog in welwillende overweging te willen nemen

\'t welk doende,

(get.) Vermast,

Van Dorssen,
Gallandat Huet.

October, 1913.

Afschrift gezonden aan elk der Leden van de 2e Kamer der Staten-Generaal.

Aan

Zijne Excellentie den Minstet van Oorlog te
\'s-Gravenhage.

Geven met verschuldigden eerbied te kennen, Vermast, Fieter Franciscus,
medicinae doctor, arts te Etten (N. B.), oud-paardenarts en oud-reserve-officier
van Gezondheid bij het Leger hier te Lande;

Van Dorssen, Johan, doctor medicinae veterinariae, paardenarts ie klasse
te Arnhem;

Gallandat Huet, Rudolf, Hendrik, Johan, doctor medicinae veterinariae,
paardenarts 2e kl. te Amersfoort; respectievelijk voorzitter, vice-voorzitter en
secretaris-penningmeester der Militair Veterinaire Vereenigng;

dat zij zich beleefd de vrijheid veroorloven, als toelichtirg op hun verzoek-
schrift aan den Minister van Oorlog, toegezonden in October laatstleden, alsnog
een nadere Memorie van Toelichting nopens dat verzoekschrift onder de aandacht
van Uwe Excellentie te brengen.

\'t welk doende,

(get.) Vermasi,

Van Doissen,

22 December 1913. Gallaneat Huet.

-ocr page 407-

Memorie van Toelichting, behoorende bij het rekest aan Zijne Excellentie den
Minister van Oorlog van P. F.
Vermast, J. van Dorssen en R. H, J. Gallandat
Huet, d.d. 22 Dec. 1913.

Aan de organisatie van den Militairen Veterinairen Dienst kleven nog altijd
groote gebreken, als gevolg waarvan deze Dienst, ten opzichte van het Ministerie
van Oorlog en van de Chefs der wapens en Dienstvakken onvoldoende naar voren
treedt en het Leger daarvan, tot schade van den Lande, niet het gewenschte
nut trekt.

Het meest opvallende is wel, dat het toezicht op en de leiding van dezen tak
van dienst in handen zijn gelegd van een arts, den Chef van den Geneeskundigen
Dienst.

Het moge waar zijn, dat deze autoriteit, dank zij de nauwe verwantschap tus-
schen de geneeskunde van den mensch en die der dieren in staat is de weten-
schappelijke vraagstukken op veeartsenij kundig gebied, uit een algemeen oogpunt
beschouwd, te beoordeelen.

Het kan toch niet ontkend worden dat vele, vooral die, welke meer de tech-
nische bijzonderheden van de uitoefening van het vak betreffen — en op deze komt
het in het dagelijksch leven voornamelijk aan — geheel vreemd voor hem zijn.

Ware dit niet het geval, welnu, met hetzelfde recht, als waarmede den arts
de bevoegdheid tot oordeelen over veeartsenijkundige aangelegenheden is gegeven,
zou men de belangen van den geneeskundigen dienst, voor zooverre zij den mensch
betreffen, kunnen toevertrouwen aan het toezicht van den paardenarts.

Het is waar, wel wordt bedoelde dienstchef voorgelicht en bijgestaan door
den oudsten en hoogsten in rang der paardenartsen, waarmede dus de verant-
woordelijkheid voor een deel op dezen overgaat, het neemt niet weg, dat de leiding
ten slotte bij hem blijft berusten.

En — zeer begrijpelijk — de ondervinding heeft geleerd, dat men deze onver-
kort in eigen handen wenscht te houden.

Zij kan, daar waar de noodige vakkennis en om die reden de vereischte be-
langstelling ontbreekt, nimmer tot haar recht komen en het verdeelen van de
verantwoordelijkheid over 2 personen kan niet anders dan nadeelige gevolgen
hebben.

Het is een zoo voel- en tastbare waarheid, dat adressanten zich kortheidshalve
van nadere beschouwingen of toelichtingen dienaangaande vermeenen te moeten
onthouden.

Geldige redenen tot het doen voortduren van dezen toestand kunnen wij nergens
ontdekken.

Het korps is voldoende sterk voor de aanstelling van een deskundig hoofd
en voor de meemng, dat een paardenarts, die een wetenschappelijke opleiding
achter den rug heeft, en ruimschoots in de gelegenheid is geweest militair ge-
vormd te worden, de vereischte eigenschappen voor chef zou missen, ontbreekt
iedere aannemelij ken grond; terwijl de door ons gewenschte organisatie geen
uitgaven van belang na zich sleept. Wij hebben de eer Uwe Excellentie beleefdelijk
nogmaals te verwijzen naar ons verzoekschrift met de uitgebreide memorie van
toelichting d.d.
19 Juli 1911 aan het Ministerie van Oorlog toegezonden.

-ocr page 408-

Als een tweede groote fout moeten wij aanmerken, dat de dirigeerend paarden-
arts met den rang van majoor dezelfde verantwoordelijkheid bezit als de paarden-
arts der ie kl. Afgezien van het feit, dat zulks weinig ten goede komt aan het
aanzien van den hoofdofficiersrang, is hieraan, meenen wij, vooral dit groote
nadeel verbonden, dat laatstgenoemde, zoolang hij niet bepaald ongeschikt geacht
wordt,
niet voor bevordering voorbijgegaan kan worden en men ten slotte voor
Luitenant-Kolonel (die iets meer verantwoordelijkheid draagt) een keuze moet
doen uit hen, die nog te bewijzen zullen hebben, dat zij als zoodanig bruikbaar zijn.

Alzoo — niet de besten komen in aanmerking voor hoofdofficier, maar een ieder
die geduld genoeg heeft om zijn beurt af te wachten.

Dat elk corps onder zulke Omstandigheden zijn zoo noodzakelijke frischheid
daarbij moet inboeten, wie zal daaraan nog twijfelen?

Op eenvoudige wijze ware aan het bezwaar tegemoet te komen door het in
het leven roepen van divisiepaardenartsen met den rang van Majoor en van
Luitenant-Kolonel. Het zal alsdan gemakkelijk vallen om tot eene schifting van
de geschikten en mindergeschikten te komen; terwijl de daaraan verbonden meer-
dere verantwoordelijkheid een gewenschten prikkel tot voortarbeiden zal blijken
te zijn en men eindelijk ook verzekerd zal wezen van een behoorlijke bevordering
in de hoogere rangen.

Dat er voor hen geen passende werkkring zou zijn, kunnen wij niet aannemen.
De controle op de onder hen gestelde paardenartsen, de opleiding en de vorming
van de pas aangestelde officieren van den veterinairen dienst; hunne voorlichting
aangaande de remonteering, hunne eindadviezen bij het op reform stellen van
troepenpaarden en de bij de divisie voorkomende vraagstukken van hygiënischen
aard als fourage, vleesch, stallenbouw en andere, de voorbereidende werkzaam-
heden op veterinair gebied voor de manoeuvres, dat alles zal hen voldoende in
beslag nemen.

De klachten over onvoldoende verpleging onzer zieke paarden, ten opzichte
waarvan we enkel maar naar voren willen brengen het feit, dat de gelegenheid
daarvoor in de meeste gamizoens ontbreekt; over de gebrekkige vorming en op-
leiding der jonge paardenartsen, over gemis aan de noodige waardeering door
de wapens en dienstvakken, zullen, als zijnde het uitvloeisel van de fouten, ge-
noemd onder i en 2, spoedig verstommen, indien deze langs den door ons aange-
geven weg worden opgeheven.

In de derde plaats rest ons nog te constateeren, dat de paardenartsen eerst
op veel te hoogen leeftijd tot dirigeerend paardenarts worden bevorderd, zoodat
zij bij hun tijdgenooten ver ten achter staan.

Terwijl zij namelijk dien rang pas bereiken op hun 55e jaar (als regel), wordt
men daartoe bevorderd (gemiddeld genomen): bij de cavallerie op een leeftijd
van 46 jaar, bij de artillerie op een leeftijd van 48 jaar, bij de infanterie op een
leeftijd van 48 jaar, bij de intendance op een leeftijd van 47 jaar, bij de genie en
en Officieren van gezondheid op een leeftijd van 52 jaar, bij de Koninklijke Mare-
chaussée op een leeftijd van 47 jaar.

Volgens de tegenwoordige bepalingen zullen de H.H. Folmer, Van Zijverden
Verberne, Gallandat Huet, Klerk De Reus en Kuypers tot majoor worden
benoemd, als zij onderscheidenlijk 56, 56, 59, 60, 61, 60 en 57 jaar oud zijn geworden.

-ocr page 409-

Het spreekt vanzelf, dat men dezelfde ongunstige verhouding ook aantreft
voor den Rang van Luitenant-Kolonel. Nu heeft men wel getracht de bevor-
dering tot en met Kapitein gelijken tred te doen houden met die der overige wapens
en dienstvakken, daarbij lettende op den zooveel langeren studietij den als gevolg
daarvan het zooveel later in dienst treden. Men is echter ten eenenmale in gebreke
gebleven met dit beginsel ook rekening te houden voor de hoofdofficieren.

Bedenkt men nu, dat zij nimmer een hoogeren rang kunnen behalen dan dien
van Luitenant-Kolonel, dat deze voor verreweg het grootst aantal hunner onbe-
reikbaar is, zoo zal men ons moeten toegeven, dat hun vooruitzichten allertreurigst
zijn.

Er is noch voor hen, noch voor hunne weduwen en weezen eenigen kans op
een redelijk pensioen.

Dit, en de eigenaardige en ongewenschte verhoudingen, die voor den dag treden,
indien paardenartsen ie kl. en dirigeerend paardenartsen onder de bevelen worden
gesteld van officieren, aanmerkelijk jonger dan zij, heeft een mate van moedeloos-
heid en verslapping in het leven geroepen, die hoogst nadeelig voor de belangen
zijn, welke aan hunne handen zijn toevertrouwd.

Men zou zich bij dit alles nog eenigermate kunnen neerleggen, indien men in
casu te doen had met een corps officieren, die tot de minst ontwikkelden in het
leger behoorden of wel met een categorie, aan wier arbeid weinig waarde is toe
te kennen.

Waar dit niet het geval is, waar integendeel de paardenartsen na de officieren
van gezondheid — bij gelijke vooropleiding als deze — de langdurigste studie
hebben door te maken (gemiddeld 5 jaren), zij alzoo staan in de voorste rij der
best ontwikkelden en een allerbelangrijkste taak (verpleging en behandeling
onzer kostbare legerpaarden) hebben te vervullen, treedt de onbillijkh \'id dezer
slechte vooruitzichten dubbel sterk naar voren.

Bij de overweging, dat men desondanks het corps nog voltallig kan houden,
moet men niet uit het oog verliezen, dat zich ook veeartsen aanmelden, die of
geen lust gevoelen in de uitoefening der particuliere praktijk of om deze of gene
reden in de burgermaatschappij minder goed zijn kunnen slagen. Of echter het
leger met dergelijke krachten gediend is, wij ontkennen dit ten stelligste.

Het bovenstaande samenvattende zijn wij, na rijp beraad, tot het besluit ge-
komen dat, bij aldien men een corps officieren van den veterinairen dienst wenschl,
berekend voor zijn taak, men tot een zoodanige reorganisatie zal moeten over-
gaan, dat

ie. aan het hoofd van den dienst wordt geplaatst een chef paardenarts, met
den rang van kolonel, onder de onmiddellijke bevelen van den Minister van Oorlog.

2°. een viertal divisie-paardenartsen, waarvan twee met den rang van Luitenant-
Kolonel en twee met den rang van Majoor worden aangesteld en er d us gebroken
worde met het op heden gevolgde stelsel van bevordering tot hoofdofficier na
een zeker aantal dienstjaren.

3°. de bezoldiging in geen geval geringer is dan die der overige officieren, doch
integendeel die der officieren van gezondheid zeer nabij komt.

-ocr page 410-

Berichten.

Hollandsche Maatschappij van Landbouw. Te Amsterdam heeft heden de Holland-
sche Maatschappij van Landbouw haar 92ste buitengewone algemeene vergadering
gehouden onder leiding van den heer Jhr. Mr.
P. van Foreest.

De voorzitter opent met een kort woord van welkom de vergadering; in het bij-
zonder begroet spr. den directeur-generaal van den landbouw, den heer P.
van
Hoek.

Aan de orde komt daarna het voorstel der afdeeling Oudewater en Omstreken om
het hoofdbestuur op te dragen, alle gepaste middelen aan te wenden tot opheffing
van het ministerieel besluit, waarbij de kostelooze verstrekking van sera en entstof-
fen stop gezet worde.

In de toelichting betoogt de afdeeling, dat sedert het besluit van 11 Februari 1913
van kracht is geworden, het gebruik van sera en entstoffen achteruit is gegaan, tot
schade van den veehouder en van \'s Rijks schatkist. Vooral de kleine boer en de
arbeider zien nu tegen de kosten op, in de hoop, dat de ziekte aan zijn woning
voorbij zal gaan. Aan den anderen kant is het schadelijk voor het rijk, daar deze de
kosten van ontsmetting te dragen heeft bij miltvuur en vlekziekte, en die kosten
bij meer gevallen der ziekte grooter zullen worden. Hetgeen het rijk dus wint door
de opbrengst der verko9hte sera en entstoffen wordt verloren door meerdere uit-
gaven voor ontsmetting.

Op grond van deze overwegingen wil de afdeeling weer kostelooze verstrekking.

Het hoofdbestuur is er niet voor, dit verzoek tot de regeering te richten, daar zij
meent, dat de lage prijs, welke geheven wordt, geen bezwaar kan zijn om de be
noodigde inspuitingen te doen geschieden. Tevens herinnert het hoofdbestuur aan
het besluit van de algemeene vergadering van 20 Maart 1913, waar deze kwestie
ook reeds ter sprake gekomen is, en waar toen een geheel bevredigend antwoord
ontvangen werd. De directeur-generaal van den Landbouw deelde toen n.1. mede,
dat voor proeven met nog onbekende entstoffen deze kosteloos verstrekt zullen wor-
den evenals tot toen geschiedde.

De afdeeling Oudewater spreekt haar leedwezen uit over het praeadvies van het
hoofdbestuur, daar dit totaal niet gemotiveerd is. Zij is het tevens niet met het
hoofdbestuur eens, dat de onkosten zoo laag zijn. Voor sommige categorieën b.v.
jong vee kunnen de uitgaven wel van beteekenis zijn. Ook meent de afdeeling,
dat het vcrige jaar nog geen opinie omtrent de werking van het besluit bestaan kon
op 20 Maart, daar het besluit pas 15 Februari van kracht geworden was.

Aan de hand van gegevens, welwillend verstrekt door de rijks-serumin richting
toont de afdeeling aan, dat in het jaar 15 Febr. 1913—1914 belangrijk minder
voorbehoedende entingen plaats gehad hebben dan in het jaar, voorafgaande aan
den datum, waarop het ministerieel besluit van kracht werd. Vooral voor vlekziekte
zijn de cijfers zeer duidelijk.

Hierna deelt de voorzitter mede, dat verzocht was iemand van de seruminrichting
ter vergadering te doen komen om de vragers te beantwoorden.

Daarop kwam het bericht, dat de directeur-generaal zelf zou komen om het tarief
te verdedigen.

-ocr page 411-

De heer van Hoek zegt, dat spr. zelf de persoon is geweest, die den minister
voorgesteld heeft het tarief in te voeren. Door gratis-verstrekking heeft men de
sera en entstoffen bekend gemaakt bij de landbouwers, wanneer dat doel bereikt
is, en dat is nu langzamerhand zoo, dan is het toch niet goed te praten om steeds
voort te gaan met gratis verstrekken van die geneesmiddelen. Spr. noemt dat be-
deeling; daarmede versterkt men niet de kracht van de landbouwers; waar de
armste arbeider voor een ziek kind geen diphterie-serum gratis kan krijgen, is het
dan niet onbillijk, dat voor een ziek varken gratis geneesmiddelen verstrekt worden?

Bovendien groeide de seruminrichting steeds en kostte steeds meer geld, waar
zou de grens zijn. Behalve dat de uitgaven steeds stijgende waren, werd ook niet
met zuinigheid met de sera omgesprongen, ja er werd zeer roekeloos mee omgegaan.
Er werd veel meer aangevraagd dan noodig was. Daar het toch ook gewenscht is,
dat een zaak eenigszins kaufmännisch gedreven wordt en om al de bovengenoemde
redenen, is spr. een groot voorstander van een tarief, doch het moet matig zijn,
en dat is het tegenwoordige.

Indien de menschen minder entstoffen aanvragen, dan is dat nog geen bewijs,
dat er minder geënt zal worden, want men zal er nu veel zuiniger mee zijn.

Wil men niet enten, dan moet men door schade en schande maar wijs worden.
De regeering geeft toch ook geen geld aan een boer, die geen kunstmest gebruikt.

Bovendien zijn de kosten niet zoo hoog; indien de veeartsen er echter wat op
leggen, dan is dat een zaak van boer en veearts.

De groei van de seruminrichting was ook te snel.

De heer Anker, die voor de afdeeling Oudewater spreekt, repliceert. Het spijt
hem te hebben vernomen, dat de directeur-generaal zelf de groote voorstander van
dat tarief is.

Spr. vraagt zich af, worden ook niet andere maatschappelijke groepen door sub-
sidie geholpen, is dat dan bedeeling?

De vergelijking met het diphterie-serum gaat volgens spr. niet op, daar er hier
sprake is van het redden van een menschenleven. Spr. is niet overtuigd.

De heer Van Hoek komt nog even terug op zijn woorden. Overal dient orde te
zijn, dus ook bij de directie van den landbouw. Nu was spr. er niet van overtuigd,
dat de gelden, welke voor de seruminrichting uitgegeven worden, goed gebruikt
worden, en daarom wilde spr. daar orde in brengen. Daarom was een tarief zeer
gewenscht.

Spr. vindt het een ongezond beginsel, dat het rijk de risico van het landbouw-
bedrijf zou moeten dragen.

De heer Stam afgevaardigde van Hoorn vraagt wat het inenten van een varken
van pl. m. 100 K. G. tegen vlekziekte kost. Dit in verband met het tarief van vee-
artsen in Noord-Holland.

De heer Van Hoek geeft de cijfers, welke prof. Poels hem verstrekt heeft. Spr.
heeft het plan deze cijfers te publiceeren, doch heeft daar nog mee gewacht, daar spr.
niet gaarne wrijving ziet tusschen landbouwers en veeartsen.

De afgevaardigde voor Schermer de heer De Boer, deelt mede, dat zijn afdeeling
tegen het voorstel-Oudewater is daar deze meent, dat de kosten geen beletsel mogen
zijn, deze zijn zeer gering, doch de veeartsen nemen er te veel bij en daar kan de
seruminrichting niets aan doen.

-ocr page 412-

De heer Boekel gaat ook mede met het voorstel van het hoofdbestuur.

Verschillende sprekers vallen het hoofdbestuur nog bij.

De voorzitter meent, dat de kwestie nu genoeg bekeken is. Wanneer spr. nog even
het woord neemt, dan is het om den heer v.
Hoek te danken voor zijn welwillend-
heid om zelf hier ter vergadering te komen om zijn standpunt te komen verdedigen.

Daarna wordt het voorstel-Oudewater door opstaan in stemming gebracht, en
blijkt, dat een groote meerderheid
tegen het voorstel is.

N. Rott. Courant.

Rijksveeartsenijschool. Blijkens mededeeling van den directeur-generaal van den
landbouw zal het natuurkundig examen voor a.s. veeartsen worden gehouden in de
maanden Mei en Juni e. k.

Voor deelneming aan het veeartsenijkundig examen in 1914 moeten candi-
daten zich vóór 1 April e. k. schriftelijk opgeven aan den voorzitter der
commissie, den heer Dr. W. C.
Schimmel.

Voor deelneming aan het admissie-examen moeten candidaten zich opgeven
vóór 15 Mei e. k. aan den directeur, den heer Dr. W. C.
Schimmel.

Personalia. De paardenarts 2de klasse van het iste regiment veldartillerie.
H.
J. Weekenstroo is overgeplaatst bij het 5de regiment huzaren te Amsterdam.

Benoemd tot veearts-keurmeester te Zwolle de heer Dr. Th. J. van Capelle.

Schornagei..

-ocr page 413-

STAAT van de gedurende de maand Januari 1914 In de Rijkskeuringsdiensten van
voor uitvoer bestemd vleesch verrichte keuringen.

DIERSOORT.

z

h
û.

S i

z

*

z

>

Si £

X

w

z

w —

h tt

m
<

K

K g

a «
Z 2

O

§

OS

<

X

u
t/3

b

ai
$

h —

ju >
>
<

O

Ter keuring aangeboden......

134

6317

1

14 689

120 044

3 214

Voor uitvoer goedgekeurd ....

132

6 216

14 648

117 314

3 202

Voor uitvoer ongeschikt bes

vonden....................

2

101

1

41

2 730

12

Na voortgezette keuring voor

consumptie goedgekeurd....

1

85

1

36

2 4695

7

Na voortgezette keuring voors

Nwaardelijk goedgekeurd----

1

185J

1

a voortgezette keuring afge»

16

5

75

4

Koor consumptie afgekeurde

organen en deelen.

_

_

_

9

_

_

_

_

_

_

7

_

Borstorganen (alle) ..........

_

_

228

1

Borstvliezen ................

_

117a

-

228

-

127

Darmen i partijen)............

-

_

2

_

_

469

4

_

_

_

_

4

_

1

1

_

_

1234

l

Huid (in K.G.)..............

_

_

_

_

50 i

_

Koppen ....................

_

196

1

2

1

3932

2342

13

57

29

1463

4592

52

Lymphklieren................

4

1084

Magen......................

_

_

_

_

_

_

_

1

_

_

392

3

Milten ......................

1

2

_

_

88

3

_

9

586

21

_

1

_

4

3

_

_

_

2

_

Tongen......................

_

_

_

_

4

2

Uiers .....................

_

_

_

_

_

Vet i in K.G.)................

_

_

_

_

36

_

Vleesch (in K.G.)............

_

_

_

14

1116

_

Vruchten....................

_

_

_

14

_

_

Zwezeriken.................

-

•) Hiervan werden voor ,,bacon" bereid 8 030 varkens.

Voorts werden 27 354 K.G. afzonderlijke organen en deelen ter keuring aangeboden, waarvan 25 stuks
voor consumptie werden afgekeurd.

-ocr page 414-

Referaten.

Bestehen zwischen dem ansteckenden Scheidekatarrh und dem Bläschenausschlag
der Rinder ursächliche Beziehungen?

De deskundigen zijn het er niet over eens of de besmettelijke aandoening der
vagina bekend als vaginitis granulosa, en het blaasjesuitslag der genitaliën, al of
niet verschillende ziekten zijn.
Zwick en Gminder deden aan het „Kaiserl. Gesund-
heitsamt" hierover onderzoekingen. Zij besmetten gezonde koeien (vaarsen),
door een weinig etterig sekreet van koeien lijdende aan blaasjesuitslag, op het
vaginaslijmvlies te wrijven.

Hunne proefdieren hadden reeds na de besmetting locale ontstekingsverschijnse-
len en blaasjes, die de volgende dagen in aantal toenamen. Na
12 a 20 dagen was
alles weer normaal. Na eenige (12321) dagen werden weer ontstekingsverschijnselen
waargenomen en ontwikkelden zich op het slijmvlies kleine knobbeltjes, gelijk aan
die bij de granuleuse vaginitis, die maandenlang bleven bestaan. Ook een paard,
dat op dezelfde wijze besmet werd, vertoonde hetzelfde ziektebeeld.

Een paar reeds aan vaginitis granulosa lijdende koeien werden even als de vorige
proefdieren besmet. Ook nu had de infectie een blaasjesuitslag tengevolge en daarna
trad weer de oude ziekte op. Gedurende het blaasjesuitslag waren de knobbeltjes
verdwenen. Een der dieren werd
17 dagen na de eerste blaasjesinfectie opnieuw
met blaasjesmateriaal besmet en kreeg weer een blaasjesuitslag, dat alleen spoedi-
ger genas dan het eerste. Een rund werd besmet met blaasjes-smetstof die 5 weken
in de ijskist bewaard was. Dit dier kreeg geen blaasjesuitslag, maar na
10 dagen
vaginitis granulosa.

Met vaginaalsekreet van verschillende van bovengenoemde aan secundaire
vaginitis granulosa lijdende runderen, werden gezonde dieren besmet. Deze kregen
na ongeveer
7 dagen, een granuleuse vaginitis, een bewijs, dat het na het genezen
van het blaasjesuitslag opgetreden granuleus proces, besmettelijk was.

In de praktijk ziet men dikwijls granuleuse vaginitis in een veestapel optreden
zonder blaasjesuitslag. Besmet men met vaginasekreet van dergelijke runderen
gezonde dieren, dan krijgt men vaginitis granulosa en geen blaasjesuitslag.

De genomen proeven maken het waarschijnlijk dat de beide aandoeningen ver-
schillende ziekten zijn met een verschillende incubatietijd. Om meerdere zekerheid
te krijgen is het wenselijk het nog niet met zekerheid bekende virus van de ziekten
te isoleeren en daarmee proeven te doen.

Ostertag houdt, gelijk bekend is, een Streptococcus voor de oorzaak der vaginitis
granulosa (infectiosa).

Z. en G. hadden bij hun proeven waarschijnlijk telkens met gemengde infekties
te doen.

Berl. Tier. Woch. 1913, XXIX. 23.

Schermer schrijft in de Berl. Tier. Woch. 1913, XXIX N°. 34 over de Scheiden-
katarrh
(besmettelijke vaginitis) bij koeien en merkt op dat de ziekte een goedaardig

-ocr page 415-

karakter heeft en nooit aanleiding tot abortus geeft. Hij had succes inet een be-
handeling met bacillolzalf:

bacillol 500.
lanolin 1000.
aq. dest. 500.
vaselin f la v. 2000.
ol. olivar
1000.

de eerste week dagelijks, de 1°. week om de 2 dagen, de 3°. week om de 3 dagen
inwrijven. De stieren die zieke koeien hebben gedekt, krijgen inspuitingen van
waterige bacilloloplossing.

Vrijburg.

De gevolgen van extirpatie van de Hypophyse.

Ascoli en Segnani verwijderden bij jonge honden de hypophysis cerebri, de meeste
dieren stierven binnen 2—3 dagen na de operatie — bij de weinige dieren wien het
gehikte, zonder hypophyse in leven te blijven, namen A. en
S. de volgende ver-
schijnselen waar: opvallende physieke en geestelijke zwakte, belemmering in de
groei (dwerg vormen) vertraagde ossificatie der beenderen, daardoor verkrommin-
gen. Verder voedingsstoringen, zich meestal uitende in vetzucht, of soms in
algemeene slechte voedingstoestand, niet tot ontwikkeling komen der geslachts-
organen, verandering aan milt, thymus, schildklier en bijnieren.

De symptomen doen denken aan een storing in de inwendige (klier) sekretie, en
wijzen op de korrelatie die er bestaat tussen de klieren zonder afvoerbuis, thyroi-
dea, bijnier en hypophyse.

(Münch. med. Wochenschr. 1912 59 N°. 10.

Todesgefahr in/olge von A naphylaxie.

Asam beschrijft een geval van anaphylaxie bij een vrouw, die voor de derde
maal aan diphterie leed. De eerste twee malen, een jaar na elkaar, was ze ook met
serum behandeld. Bij de derde aanval, 10J jaar na de tweede, volgde na
15 minuten
op de intraveneuze serum-inspuiting een hevige anaphylactische reaktie, die met
genezing eindigde. Merkwaardig zijn in dit geval het snelle optreden der reaktie,
in verband met den langen tijd sedert de vorige inspuiting.

Münch. med. Woch. 1912. IST. 15. Vrijburg.

Die Auslösung von Ueberempfindlichkeitserscheinungen durch körpereigene Er-
weisssubslanzen und ihre klinische Bedeutung.

Het is reeds lang bekend dat een voor een bepaalde diersoort vreemd eiwit, bij
een eerste intraveneuze toediening goed verdragen wordt, doch na een bepaalde
tijd (het prae-anaphylactisch stadium) weer ingespoten, giftig kan werken. Deze
verhoogde gevoeligheid noemt men
anaphylaxie. Wolff-Eisner en Vertes deden
nu proeven bij konijnen en caviae, die ze inspoten met lichaams-eiwit van
dezelfde
diersoort als het proefdier (testikel-lever-nier en hersensubstantie.) De dieren kregen
bij herhaalde injectie hevige ziekteverschijnselen, precies gelijkende op de gewone
anaphvlaxie-symptomen. De
eerste inspuiting van eigen eiwit (hetzij intraveneus,
subcutaan of intraperitoneaal) had dus hier ook
sensibiliseerend gewerkt. Dit feit is

-ocr page 416-

van groote beteekenis en kan misschien nieuwe gezichtspunten openen, in verband
met
auto- intoxicaties en inwendige sekreties, en beter inzicht geven in het wezen van
sommige ziekten.

De Eclampsia puerperalis wordt door Rosenau, Wolff-Eisner e.a. toegeschreven
aan resorptie van placenta-albumine en als een anaphylaxie beschouwd.

Ook de kaljziekte van het rund wordt in den laatsten tijd door verschillende des-
kundigen voor een anaphylaxie gehouden.

Münch, med. Woch. 1912 59. N\'. 21. Vrijburg.

Ueber Immunität und Anaphylaxie.

In een artikel dat zich niet leent voor een referaat merkt Traube op, dat de stu-
die der
Immuniteit en anaphylaxie in Duitsland, ten onrechte geheel beheerst
wordt door de
chemische theoriën. (EHRLicH\'se Seitenkettentheorie, eiwitverval bij
anaphylaxie enz.) Volgens hem zijn de verschijnselen eenvoudiger volgens
phy-
sische wetten
en theoriën te verklaren en komen chemische processen eerst in de
tweede plaats in aanmerking.

Ook Bordet, Zangger, Landsteiner e.a. trachten het wezen der Immuniteit
en der anaphylaxie grootendeels
volgens physische wetten te verklaren.

Münch, med Wochenschr. 1912. 5. 9. 19. Vrijburg.

-ocr page 417-

Bijdrage tot de kennis van de „Influenza" ziekten van

het paard,

door

Dr. E. BEMELMANS, Kapitein-paardenarts.

> 1.

Het wezen en de bestrijding van de „Influenza Catarrhalis" (Pferdestaupe).1)

Inleiding.

Het is aan den Anglo-Normandischen dekhengst Demi-Monde,
als zijnde actieve smetstofdrager, te danken, dat eene grondige
bestudeering van de Pferdestaupe of Rotlaufseuche, (ficvre tv-
phoide, — pink eye.), kon plaats vinden en gedurende geruimen
tijd kon voortgezet worden.

In het najaar van 1906 werd Demi-Monde voor rekening van de
Nederlandsche Harddraverij- en Renvereeniging bij den heer
Roy te Neuilly aangekocht. In Februari 1907 werd hij gestation-
neerd te Bemmel. In betrekkelijk korten tijd dekte Demi-Monde
63 merriën, waarvan 31 drachtig werden. Het meerendeel dezer
merriën werd enkele dagen na de dekking ziek. De symptomen
waren: koorts, lusteloosheid (depressie), verminderde eetlust,
5Welling van de oogleden en van de subcutis van de beenen; op
stal infecteerde de gedekte merrie de overige aanwezige paarden.
Op zijn station werd Demi-Monde evenals twee gedekte merriën
door eene Commissie, bestaande uit de heeren
DeBruinchWester,
leeraren aan de R ij ksveeartsen ij school, onderzocht. De 2 merriën
bleken aan typische Pferdestaupe lijdende te zijn.

Teneinde meerdere zekerheid te verkrijgen, had aan de Rijks-
vee;irtsenijschool opneming en observatie van Demi-Monde plaats,
aan welken hengst niets abnormaals te constateeren viel. Het
rapport luidde: zeer zeker is overbrenging van Pferdestaupe door
den hengst mogelijk, ook al is hij niet ziek noch ziek geweest.
Geadviseerd werd, Demi-Monde voor het seizoen 1907 aan de
fokkerij te onttrekken.

Het gelukte echter niet een ziekmakende oorzaak bij Demi-
Monde te ontdekken. Van de Veeartsenijschool vertrok Demi-
Monde naar de boerderij van den heer
Wickevoort Crommelin
te Heemstede, alwaar de verschillende hengsten (i 12) van de
Nederlandsche Harddraverij- en Renvereeniging, terugkomende

>) Gedeeltelijk gepubliceerd in het Centratblatt für Bakteriologie Orig. 1913.
Bd.
68 h. 1.

xli 22

-ocr page 418-

van hunne stations, gestald worden.^De boxen zijn zoodanig ge-
maakt, dat de dieren elkaar kunnen zien door ijzeren traliën;
niet uitgesloten is aanraking met lippen en tong. Gedurende den
tijd, dat Demi-Monde aldaar gestald was, werd nimmer eenig spoor
van ziekte, noch bij hem, noch bij zijn stalgenooten geconstateerd.
Op den 6den Februari 1908 liet de heer
Crommelin een eigen merrie,
welke gestald was bij zijn woonhuis ,,de Berkenrode" op de boer-
derij dekken door Demi-Monde. Na de dekking keerde de merrie
naar haren stal terug, waarin zich nog 5 paarden bevonden. Op
den i2den Februari 1908 werd voor deze merrie bij collega
Kruymel
veterinaire hulp ingeroepen; de diagnose luidde Pferdestaupe.

Een paar dagen later openbaarden zich bij vier der vijf in den-
zelfden stal aanwezige paarden dezelfde symptomen. Niettegen-
staande dit frappante geval van besmetting werd besloten, den
hengst wederom ter dekking te stationneeren. Op 28 Februari
1908 werd Demi-Monde geplaatst te Opynen. Op de keuring te
Tiel waren de fokkers in extase over de buitengewone qualiteit
en den draf van den hengst. In de eerste helft van-Maart dekte
Demi-Monde 11 merriën; 7 werden ziek en vertoonden dezelfde
symptomen als de gedekte ziek geworden merriën van het vorige
jaar. Andermaal moest de hengst dus buiten dienst gesteld worden.

Het was dus niet gelukt opheldering te erlangen; dat gedekte
merriën ziek werden van een gezonden hengst, dat ging het begrip
van velen te boven. Toch is dit niet zoo vreemd als het voorgesteld
werd; de literatuur nagaande, bleek reeds meerdere malen gecon-
stateerd te zijn, dat een hengst nog wel één, ja zelfs twee jaren
na zijn herstel de Pferdestaupe kan overdragen op merriën, welke
hij dekt.

Literatuur.

James Clark: [Transmission of Pink Eve from apparently
healthv stallions to mares (Journ. of Comp. Path. en Therap.
Bd. V. 1894)] deelt mede, dat in zijne omgeving een Clvdesdale
hengst ter dekking gestationneerd werd, waarvan bekend was,
dat hij het vorige jaar Pferdestaupe had gehad. Van 11—27 April
dekte deze hengst 21 merriën. 6—9 dagen na de dekking leden er
14 aan Pferdestaupe. De ziekte verliep typisch en breidde zich in
de geheele streek uit.

In de laatste 30 jaren was daar slechts éénmaal Pferdestaupe
voorgekomen en wel ongeveer 8 a 9 jaren geleden bij 2 ingevoerde
paarden, tot welke de ziekte beperkt bleef.

De eerste ziekteverschijnselen traden 6—9 dagen na de dekking

-ocr page 419-

op. Merriën, door dezen hengst gedekt, infecteerden na terugkeer
op eigen stal de verder aanwezige paarden. Een deel der gedekte
merriën werd drachtig.

Gelijktijdig berichtte Clark, dat een ander veterinair Mr.
Pottie verschillende jaren vroeger en zelfs herhaaldelijk op der-
gelijke gevallen gewezen heeft, zonder echter geloofd te worden.
I)e symptomen, welke genoemd worden, zijn echter zóó karakte-
ristiek voor Pferdestaupe, dat twijfel aan
Clark\'s waarnemingen
volkomen uitgesloten is.

Na het heerschen der Pferdestaupe gedurende 1890—1893
in Denemarken, is door een 12-tal veterinairen geconstateerd,
dat hengsten, die aan Pferdestaupe geleden hadden, 1 tot 2 jaren
later nog in staat waren de ziekte bij dekking op merriën over
te dragen.

Prof. Jensen verzamelde de gegevens zijner Deensche collega\'s
(Deutsch Ztschr. f. Thierm. 1894), die voor een groot deel met
Clark\'s mededeeling overeenstemmen. De incubatietijd bedroeg
4—7 dagen.

Jensen vermoedde, dat de smetstof op het slijmvlies van de
geslachtsorganen van de hengsten vegeteerde en zich aldaar kiem-
krachtig vermocht te houden. Het hevigst trad de Pferdestaupe
op, als de dekking kort na het herstel van den hengst had plaats
gevonden, en in den regel in geringeren graad, als het reeds twee
jaren geleden was, dat de hengst aan de Pferdestaupe lijdende
was geweest. Korten tijd na het herstel van den hengst werden
na dekking zeer weinig merriën drachtig; naarmate de hengst langer
hersteld was, nam het drachtig worden der gedekte merriën ge-
leidelijk toe.

Reeks bericht in the Journ. of Comp. Path. and Therap. 1902
het volgende aangaande de overdraging van Pferdestaupe door
schijnbaar gezonde hengsten op merriën.

Reeds in 1901, nadat de hengst na herstel van de Pferdestaupe
merriën bij dekking geïnfecteerd had, maakte
Reeks den eigenaar
opmerkzaam, dat dit het volgende jaar weder zou kunnen gebeuren.
Om die reden werd besloten, alvorens den hengst ter dekking te
stellen, eerst het resultaat af te wachten der dekking van de
merriën op eigen stal. Aldus handelde de eigenaar en nadat de
hengst 14 merriën op stal gedekt had en deze gezond gebleven
waren, werd de hengst in de omgeving rondgeleid. Tal van merriën
werden echter geïnfecteerd en leden na dekking aan Pferdestaupe.
Het gezond blijven der gedekte merriën op eigen stal was het
gevolg van verkregen immuniteit.

-ocr page 420-

Dr. Grimme (Deutsche tierartzliche Wochenschr. 1903) con-
stateerde, dat merriën, welke de Belgische hengst „Boxbart"
tusschen
3 Maart en 4 April 1902 dekte, 6—8 dagen na de dekking
aan Pferdestaupe lijdende waren. De hengst was
3 Maart door eene
aan Pferdestaupe lijdende merrie geïnfecteerd. Alleen de merrie,
die het eerst gedekt was en de ziekte verspreidde, stierf, evenals
haar veulen. In het geheel werden
48 paarden op 14 boerderijen
ziek. De ziekte was goedaardig en verliep zonder complicaties;
en na 8—
14 dagen trad herstel in. Vijf weken later dekte de hengst
weder voor het eerst, na geregelde desinfectie der geslachtsdeelen.
Toch trad bij
5 van de 7 gedekte merriën 6—8 dagen na de dekking
Pferdestaupe op. In het geheel werden nu
21 paarden in 5 stallen
ziek. Slechts
10 van de 28 merriën werden drachtig. Minstens
14 weken na doorzieken bleek Boxbart nog in staat bij dekking
te infecteeren.

Collega Steenbergen constateerde in 1905 ongeveer hetzelfde
bij den hengst „Frank". Uit de beschrijving der ziekte blijkt
zonder twijfel, dat ook hier sprake was van Pferdestaupe.
25 van
de gedekte merriën werden ziek. Het hevigst trad de ziekte op
bij de veulenmerriën. Als incubatietijd werd opgegeven 2—
10
dagen. De ziekte verliep goedaardig zonder sterfgevallen; ook
deze hengst werd ter behandeling naar \'s Rijks veeartsenij school
opgezonden.

Op 26 en 27 November dekte „Frank" eene 9-jarige merrie,
wier gezondheidstoestand volkomen normaal was. Tot en met
2 Jan. viel niets bijzonders te constateeren. Op 3 Jan. was de tempe-
ratuur
39.8 en had de merrie geen eetlust. Overigens waren geen
afwijkingen te bespeuren, noch aan de urine noch aan het bloed,
waarvan praeparaten microscopisch onderzocht werden. Weldra
was de temperatuur en de eetlust weder normaal. Met het ure-
thrasecreet, opgevangen onmiddellijk na de dekking, werd een
muis — subcutaan — en een cavia — intraperitoneaal — geënt.
Dez£ laatste bleef normaal, terwijl de muis succombeerde. Geen
bacteriën werden in het bloed gevonden. Op
13 en 14 Jan. dekte
de hengst weder een merrie, welke volkomen gezond was. Behalve
eene temperatuursreactie vertoonde de merrie geen andere ziekte-
svmptomen. De temperatuursreactie was als volgt:

Datum: 15 Jan. 16 17 19 19 20 21 22 23
Temp. : 38 38.8 39.2 39.2 39.3 41. 39.8 39. 37-8

Eene cavia en een konijn, intraveneus en intraperitoneaal
geënt met versch bloed, ondervonden hiervan geen nadeel.

Een langer verblijf van Frank aan de Rijksveeartsenijschool

-ocr page 421-

werd overbodig geacht. Als gevolg hiervan reisde" deze, die aldaar
steeds gezond was gebleven, op 23 Jan. af. Na als dekhengst te
zijn afgekeurd, werd Frank voor rekening van het Rijk aangekocht
en kwam hij op 26 April weder aan de Veeartsenijschool. Ook
thans bleek hij volkomen normaal. Op 2 Juni dekte Frank weder
eene gezonde merrie. De temperatuursreactie was als volgt:

Datum: 3 Juni 4 56 78 9 10 11 12

Temp.: 37.6 37.8 38.1 40.3 40.5 39.5 38.9. 38.8 38.4 37.5

Alleen op den 5den Juni was de merrie lusteloos en nam hij
slechts een deel van haar gewone voedsel op. Overigens viel niets
abnormaals waar te nemen, was de merrie steeds zonder eenige
stoornis in haar gezondheidstoestand. De experimenten met Frank
liepen hiermede ten einde en verdere opheldering omtrent de
ziekmakende oorzaak bleef uit. Uit vorenstaande blijkt echter,
dat „Frank" ruim één jaar drager was van Pferdestaupevirus.

In 1908 kwamen te Ede verschillende gevallen van Pferdestaupe
voor. Ter plaatse een onderzoek instellende, vernam ik van collega
Abspoel het volgende. De Pferdestaupe werd overgebracht door
een merrie, die bij dekking door een hengst te Barneveld was
geïnfecteerd. De ziekte verbreidde zich in den stal van den eigenaar
dezer merrie. Doordat deze met een ziek paard de markt te Ede
bezocht, openbaarde de ziekte zich spoedig in stallen, waarvan
paarden in dezelfde herbergstalling vertoefd hadden, waar de zieke
merrie uitgespannen was. Vier dezer aldus besmette paarden stier-
van aan eene secundaire pneumonie; drie daarvan deden dienst
bij voerlieden, één was landbouwpaard. Met alle vier was door-
gewerkt geworden, zoodat veterinaire hulp te laat ingeroepen werd.

Aan de berichten der Deensche veeartsen, gepubliceerd door
Prof.
Jensen en aan de overige vermelde waarnemingen heeft
men echter weinig waarde gehecht.

Hutyra en Marek plaatsen in hun leerboek: Specielle Patho-
logie und Therapie 1909 achter Prof.
Jensen\'s publicatie een?

Friedberger en Fröhner drukken zich in hun leerboek dien-
aangaande als volgt uit: Dagegen scheint es (das Kontagium)
sich in Tierkörper unter Umständen sehr lange zu erhalten. Prof.
Dr.
Szpilman zegt echter in een rapport, uitgebracht op het 9de
Intern. Veeartsenij kundig Congres te den Haag Sept. 1909, „Meiner
Ansicht nach ist die Behauptung
Jensen\'s und anderer Autoren,
dass die von Influenza geheilten Hengste noch nach Monate,
ja sogar 1—2 Jahren diese Krankheit durch Vermittelung des
Beschälaktes auf Stuten übertragen, unhaltbar.

Auf meine Veranlassung wurden 119 Hengste, die die Seuche

-ocr page 422-

für 2 bezw. 4 Monaten überstanden, und sich nach wiederholter
Untersuchung erwiesen haben zum freien Verkehr und zum Be-
legen als unbedenklich dh. ohne Gefahr derjWiederverschleppung
der Brustseuche zugelassen. Während der ganze Deckperiode,
sowie auch später (ii Jahr nachher) würde kein einziger Fall
der Ansteckung einer Stute zur Anzeige gebracht." Wat echter
voor de Brustseuche geldt, behoeft toch niet voor de Pferde-
staupe het geval te zijn, te meer daar Brustseuche en Pferdestaupe
twee zelfstandige, aetiologisch geheel verschillende en klinisch
karakteristieke ziekten zijn, die
,,normaal verloopend", mijns in-
ziens minder juist door wijlen den eminenten professor
Diekerhoef
gebracht zijn tot de groep „Influenza", waarop nader zal terug-
gekomen worden.

Prof. Dr. Poels, Directeur der Rijksseruminrichting te Rotter-
dam, heeft echter steeds groote waarde aan de mededeelingen
van Deensche zijde gehecht, te meer, daar hij meermalen in stallen
van de Rotterdamsche Tram Maastchappij waarnam, dat onder
de nieuwkoopen in het najaar de „Pferdestaupe" uitbrak, wanneer
zij naast paarden gestald werden, die dikwijls maanden geleden
aan de Pferdestaupe lijdende wären geweest. In verband met deze
persoonlijke ervaring kende Dr.
Poels aan de publicatie van prof.
Jensen groote waarde toe, zoodat, toen Demi-Monde onder zijne
behandeling kwam, hij het oog gericht had op de Pferdestaupe,
overtuigd zijnde, dat het dier een smetstofdrager zou zijn van deze
ziekte.

Door zijn verblijf op de boerderij te Heemstede, aan \'s Rijks-
veeartsenijschool, in den stal op de dekstations te Bemmel en
te Opijnen, evenals aan de Rijksseruminrichting, stond onloochen-
baar vast het feit, dat Demi-Monde onder gewone omstandig-
heden de Pferdestaupe niet op andere paarden overdroeg, zoodat
hij onder gezonde paarden kon verkeeren, zonder deze te besmetten.
Eerst als hij dekte, verspreidde zich de smetstof. Dit was eveneens
het geval met de hengsten „Frank" en „Boxbart", zoowel als
met de hengsten, waarvan sprake was bij de mededeelingen van
Clark, Reeks en Jensen. Daardoor moet men aannemen, dat
de smetstof niet afkomstig is van de nieren, maar uit het genitaal-
apparaat. Ten einde het vraagstuk zoo mogelijk tot oplossing
te brengen, kwam het Dr.
Poels wenschelijk voor, het sperma
van den hengst te spuiten in de vena jugularis van gezonde paar-
den. Op grond van de pathogenese der „Pferdestaupe" moet men
aannemen, dat de smetstof zich bij deze ziekte langs de bloed-
baan in het lichaam verspreidt, omdat na een incubatietijdperk

-ocr page 423-

van enkele dagen de meest verwijderde plaatsen van het lichaam
nagenoeg gelijktijdig worden aangetast, n.1. het zenuwstelsel,
het slijmvlies van de oogen, het digestiekanaal, en de subcutis van
de oogleden en de beenen. Op deze overweging was de inspuiting
van het sperma in de vena jugularis gebaseerd. Medio Mei 1908
werden deze eerste proefnemingen door Dr.
Reeser verricht.
Het dier waarbij ± 5 cc. sperma, vermengd met physiologische
keukenzoutsolutie, was ingespoten, vertoonde na een incubatie-
tijdperk van 4 a 5 dagen alle verschijnselen, welke men voor de
Pferdestaupe stellen mag. Vervolgens werd de proef herhaald
met sperma, dat door een
berkenfeld-bougie gefiltreerd was
geworden en wel met hetzelfde resultaat. Met het gewone evenals
met het gefiltreerde bloed van paarden, welke na de infectie met
sperma ziek waren geworden, kon eveneens de „Pferdestaupe"
bij paarden te voorschijn worden geroepen. Daar geen voorzorgs-
maatregelen genomen waren, breidde de ziekte zich in den stal
van zelf door besmetting uit, zoodat spoedig 24 serumpaarden
aangetast waren. Om deze reden moesten voorloopig verdere
proefnemingen gestaakt worden. Op x Juli werd ik „ter nadere
bestudeering van besmettelijke paardenziekten" aan de Rijks-
seruminrichting gedetacheerd en werden mij deze verdere proef-
nemingen opgedragen.

Demi-Monde is in vele opzichten een goedig dier, zoowel op
stal als bij het dekken. Hij is echter uiterst lastig te beslaan, ter-
wijl het betasten van de geslachtsdeelen, het exploreeren en op-
nemen van de lichaamstemperatuur zéér gevaarlijk zijn. Het
aanbrengen van een preservatief, ten einde het sperma op te
vangen, liet hij niet toe.

Het inbrengen van een pessarium bij de merrie tot hetzelfde
doel gaf evenmin resultaat. Het sperma werd verkregen door
eene gedesinfecteerde schaal \'te houden onder de vulva bij het
afglijden van den hengst. Hetgeen na dekking uit den penis
druppelde, werd eveneens opgevangen. Het op deze wijze verza-
melde sperma werd verdund met eene geringe hoeveelheid ge-
steriliseerde keukenzoutoplossing en door een dun laagje watten
gefiltreerd, ten einde vaste partikeltjes (smegma) terug te houden.
Het filtraat werd voor de intraveneuse injectie bij proefdieren
gebruikt. Na de injectie werd steeds gesteriliseerde keukenzout-
solutie nagespoten, ten einde te voorkomen, dat bij terugtrekken
iets van het filtraat uit de canule onder de huid geraakte, hetgeen
abscedeering kon ten gevolge hebben. Als proefdieren werden
voornamelijk op reform gestelde troepenpaarden en jonge re-

-ocr page 424-

montepaarden gebruikt. Fnkele troepenpaarden bleken immuni-
teit voor de Pferdestaupe te bezitten. Was dit het geval, dan kon
meestal nagegaan worden, dat in het garnizoen, waaruit zij ge-
komen waren, „Pferdestaupe" had geheerscht. Na de uitbreiding
der Staupe onder de serumpaarden bij de eerste proefnemingen
door Dr.
Poels werden bij de verdere proefnemingen de proef-
paarden steeds geïsoleerd. Voor het dekken werden meestal de-
zelfde merriën gebruikt, in het geheel 10. Tijdens de verspreiding
der Pferdestaupe in den stal waren deze meerendeels aangetast
geworden, zoodat zij bij verdere dekking voor de ziekte onge-
voelig bleven. Slechts twee dezer merriën werden drachtig. De
een aborteerde 2 veulentjes, terwijl de andere een normaal, doch
min veulentje baarde, dat echter, drie weken oud zijnde, overleed.
Dit normaal veulenen is des te merkwaardiger, als men weet,
dat aan bedoelde merrie, geïmmuniseerd zijnde tegen miltvuur,
minstens 2 malen per maand 6 a 7 liter bloed afgetapt was ge-
worden.

Proefnemingen, aangaande de filtreerbaarheid van het
Pferdestaupevirus.

De verdere proefnemingen ter nadere bevestiging der filtreer-
baarheid van het virus der Pferdestaupe waren als volgt:

PROEFNEMINGEN:

Proef No. I.

Demi-Monde dekte op 2 Juni 1908 serumpaard No. 59; sperma werd opgevangen
en door watten gefiltreerd. Hiervan werd direct 10 cc. intraveneus ingespoten
bij paard No. 16, dat volkomen normaal was.

Data: Juni 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Temp.: 37.8 37.6 37.3 37.6 38.— 38.6 39.2 40.2 39.— 37.4 37.3

Den 8sten Juni, dus 6 dagen na de inspuiting, was paard No. 16 zeer ziek en
gedeprimeerd en vertoonde verder: geen eetlust, zwelling van de oogleden, con-
junctivitis, photophobie, zwelling van de subcutis der beide achterbeenen. Den
iiden Juni was het dier weder volkomen normaal.

Proef No. II.

Op den 3den Juni werd het paard No. 59 nogmaals gedekt. Het opgevangen
sperma werd met gesteriliseerde physiologische keukenzoutsolutie gemengd en

-ocr page 425-

onmiddellijk gefiltreerd door een berkenfeld-bougie; 20 cc. van het heldere
filtraat werd intraveneus ingespoten bij paard No. 23.

Data: Juni 34 5 6 7 8 9 10 11 12 13

Temp.: 37.4 37.6 37.5 36.8 37.6 39.— 39.3 40.— 38.9 37.6 37.2

De verdere symptomen waren: verminderde eetlust tijdens het koortsstadium,
zwelling van het linker oog en geringe zwelling van de subcutis der achterbeenen.

De gedekte merrie No. 59 werd niet ziek.

Proef No. III.

Op 9 Juni werd paard No. 16 (proef No. I.), bij rectale temperatuur van 40.2,
ongeveer 300 cc. bloed afgetapt. Dit bloed werd gedefibrineerd en 10 cc. hiervan
intraveneus ingespoten bij paard No. 32.

Data: Juni 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18
Temp.: 37.1 37.6 37.6 38.1 38.8 39.3 40.— 39.4 37.9 37.1

Proef No. IV.

De rest van het gedefibrineerde bloed werd gefiltreerd door berkenfeld-bougie
en hiervan werd
20 cc. intraveneus ingespoten bij paard No. 24.

Data: Juni 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18
Temp.: 37.5 37.4 37.1 38.2 37.8 38.9 39.3 39.— 37.4 37.2

Den i4den en 1 jden Juni vertoonden beide paarden Nos. 32 en 24, evenals de
paarden 16 en 23, na eene incubatie van
5 a 6 dagen, dezelfde typische verschijn-
selen, welke men voor de „Pferdestaupe" stellen mag.

I)en 15den Juli werden van de Rijschool te Amersfoort 2 op reform gestelde
paarden overgenomen: eene
7-jarige merrie wegens recidiveerende kreupelheid, en
eene
16-jarige dampige merrie. Beide paarden waren op 17 Juli volkomen normaal.

Proef V en VI.

Op 17 Juli dekte de hengst paard No. 68. Het opgevangen sperma werd op de
bekende wijze behandeld. Om
4 uur werden 13 cc. intraveneus bij elk paard inge-
spoten. De jonge
7-jarige merrie reageerde als volgt:

Data: Juli 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27

Temp.: 37.2 37.8 37.4 37.4 37.3 38.3 38.7 39.5 39.2 37.9 37-4

De verdere symptomen waren: geen eetlust van 22—24 Juli, zeer geringe zwelling
van de oogen en de subcutis der beenen.

De dampige oude merrie reageerde niet op de inspuiting.

-ocr page 426-

Proef VII.

Op 14 Augustus dekte de hengst weder, thans No. 67. Het opgevangen sperma,
vermengd met physiologische keukenzout-solutie werd gezogen door een
Maassen-
filter. Hiervan werden 5 cc. intraveneus ingespoten bij een 5-jarig zwaar landbouw-
paard, niet in de Rijksseruminrichting gestald. Er volgde geen reactie.

Proef VIII.

De merrie No. 59, welke reeds enkele malen door den hengst gedekt was,werd
op
24 Augustus ueder door Demi-Monde gedekt; daarna werd haar 10 cc. door
watten gefiltreerd sperma intraveneus toegediend. Hierop volgde geene reactie,
de merrie bleef volkomen gezond;
3 maanden geleden was dit paard aan de Pferde-
staupe lijdende geweest.

Proef IX.

Den 6den Sept. werd van de Koninklijke Militaire Academie te Breda een op
reform gesteld paard ontvangen. Dit paard werd denzelfden dag
20 cc. door watten
gefiltreerd sperma intraveneus ingespoten. Ook hier volgde geen reactie, hetgeen
verwacht werd, daar in het garnizoen Breda korten tijd geleden influenza onder
de troepenpaarden had geheerscht.

Proef X.

Op 8 October dekte de hengst merrie No. 5. 10 cc. van het opgevangen sperma,
gefiltreerd door
berkenfeld-bougie, werd intraveneus ingespoten bij paard No. 9,
dat op 6 October was aangekomen.

Data: Oct. 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
Temp.: 37.6 37.2 37.9 37.5 37.1 37.6 37.8 38.— 38.8 40.1 40.3 38.9 37.6 37.1 37.2

De verdere symptomen waren: geen eetlust van 17 tot en met 19 October,
zwelling oogleden, conjunctivitis; brijachtige defaecatie, zwelling subcutis van de
voor- en achterbeenen.

Op 17 October werd j liter bloed afgetapt en na detibrineering door Berkenfeld
gefiltreerd.

Proef XI.

Van dit filtraat werden 20 cc. intraveneus ingespoten bij eene 5-jarige merrie,
welke op
15 October van het Remonte-Depot overgenomen was.

Data: Oct. 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26
Temp.: 37.3 37.2 37.7 37.1 37.8 38.— 38.3 39.7 38.1 37.4

Behalve geringen eetlust was eenige zwelling van de oogleden en van de subcutis
van de achterbeenen te constateeren.

-ocr page 427-

Van 2 acuut zieke rijkspaarden a en b van het garnizoen Amersfoort, alwaar
Pferdestaupe heerschte, en die een temp. van 40.3 en 40.4 hadden en verder alle
typische Pferdestaupe-symptomen vertoonden, werd op 23 Oct. bloed steriel
afgetapt en gedefibrineerd. Voorts werden verschillende soorten van voedings-
bodems direct door een canule, met bloed uit de halsader geënt, en uitstrijk-
praeparaatjes gemaakt, welke in absoluten alcohol gefixeerd werden.

Proef XII.

Op 2 November werden van paard b uit Amersfoort, dat van 24 Oct. tot 2 Nov.
bij 370
c. heeft gestaan, 20 cc. door chamberland-bougie F gefiltreerd bloed intra-
veneus ingespoten bij paard No.
11, afkomstig van het 3de Regiment Huzaren
(den Haag).

Data: Nov. 23 4 5 67 8 9 10 ix 12 13 14

Temp.: 37.4 37.x 37.6 37.4 37.6 37.438.-38.7 38.9 39.3 39.9 38.7 37.4

Verder waren typische Pferdestaupe-symptomen aanwezig.

Van dit paard werd op 12 November | liter bloed afgetapt en gedefibrineerd.

Proef XIII.

Van het gedefibrineerde bloed van paard 11 (proef 12) gefiltreerd door Berken-
feld
-bougie, werden 10 cc. intraveneus ingespoten bij paard 12 van het 2de Regi-
ment Huzaren te Roermond overgenomen.

Data: Nov. 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Temp.: 37.5 37.2 37.7 38.2 39.8 40.1 38.2 37.7 37.4

Patiënt had gedurende het koortsstadium geen eetlust, was down, terwijl tevens
flinke zw-elling van de subcutis der achterbeenen te constateeren was. Op 21 Nov.
werd van dit paard \\ liter bloed afgetapt en gedefibrineerd.

Proef XIV.

Op 28 November dekte de hengst merrie No. 87

Het opgevangen sperma, vermengd met physiologische keukenzoutsolutie,
werd gefiltreerd door
chamberland-bougie. Van het filtraat werd 5 cc. intraveneus
ingespoten bij paard No.
13. Hierop volgde geene reactie.

Proef XV.

Op 9 December dekte de hengst en werd 10 cc. van het op de bekende wijze
door watten gefiltreerde sperma ingespoten bij paard No.
14, dat 3 Dec. ontvangen
was van het 4de Regiment Huzaren te Deventer. Er was echter na die injectie
niet nagespoten met steriele physiologische keukenzoutsolutie.

Bij het terugtrekken van de canule is een weinigje van het ingespoten sperma

-ocr page 428-

onder de huid geraakt. Na enkele dagen ontwikkelde zich een pijnlijk absces,
hetgeen met koorts gepaard ging. Na 10 dagen werd het absces geopend; de etter
bevatte hoofdzakelijk strepto- en staphylococcen. Of het dier op de intraveneuse
injectie had gereageerd, kon in verband met deze complicatie niet uitgemaakt
worden.

Proef XVI.

Om zekerheid te verkrijgen omtrent het al- of niet meer infecteerend vermogen
van het sperma van Demi-Monde stelde de Nederlandsche Harddraverij en Ren-
vereeniging eene 2-jarige (No. 16) en een 3-jarige (No. 17) merrie disponibel, waar-
van met zekerheid bekend was, dat zij niet lijdende waren geweest aan Pferde-
staupe. Op 10 Februari dekte de hengst paard No. 21.

Sperma werd opgevangen en op bekende wijze behandeld. Op 10 Februari 1909
des namiddags om 4 uur werd:

10 cc. intraveneus bij de 3-jarige (No. 17) ingespoten.

5 cc. ,, „ ,, 2-jarige (No. 16)

3-jarige merrie:

Data: Febr. 10 11 12 13 t4 15 16 17 18 19 20 21 22

Temp: 37.6 37.8 38.— 38.— 37.9 38.1 39.2 39.4 39-9 3«-4 3^-2 38.1 37.8

2-jarige merrie:

Data: Febr. 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22

Temp.: 37.4 37.6 37.8 38.— 38.1 38.4 39.x 39.3 38.9 38.9 38.4 37.9 37.6

Behalve deze temperatuursverhooging viel slechts geringe zwelling van de achter-
beenen te constateeren.

Op 16 Februari werd van de 3-jarige merrie bij eene temperatuur van 39.2 een
liter bloed getapt en daarna gedefibrineerd.

Een gedeelte van het gedefibrineerde bloed werd door berkenfeld-bougie ge-
filtreerd en geplaatst bij 37° C.

Proef XVII.

Op 12 Maart dekte de hengst; het opgevangen sperma werd op de bekende wijze
behandeld en intraveneus ingespoten bij eene 6-jarige merrie;

Data: Maart x2 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Temp.: 37.4 37.5 37.7 38.5 38.1 39.—
37.7 37-5 37-7 37-3

Op 17 Maart werd de haver slechts gedeeltelijk opgenomen en kwam als verder
symptoom alleen zwelling van de subcutis der achterbeenen voor.

-ocr page 429-

Proef XVIII.

De rest van het op 12 Maart opgevangen sperma werd gefiltreerd door Chamber-
land-
F. Van het heldere filtraat werd intraveneus 10 cc. ingespoten bij een nieuw
aangekocht paard.

Data: Maart 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23

Temp.: 38.— 38.4 38.4 38.2 38.9 39.6 40.1 38.4 38.6 38.1 37.8

Op 18 Maart had deze patiënt geringen eetlust en matig gezwollen achterbeenen;
op
20 Maart geen eetlust, gezwollen beenen en oogleden met traanafscheiding.

Proef XIX.

Op 14 Maart werd 10 cc. van de hoeveelheid gedefibrineerd bloed, dat afkomstig
was van de
3-jarige merrie (17 Febr.), en op eene koele plaats bijna één maand
was bewaard, subcutaan ingespoten bij twee vierjarige remonte-paarden, Nos.
407 en 304.

De reactie bij No. 407 was als volgt:

Data: Maart 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26

Temp.: 37.9 37.6 37.8 38.6 40.3 39.6 39.— 37.7 37.7 37.7 37.7 37.7 37.8

De reactie bij No. 304 was:

Data: Maart 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26

Temp.: 37-7 37-4 37-i 38.2 38.1 38.9 40.1 39.1 39.4 37.5 37.3 37.5 37.4

l)e verdere voorgekomen symptomen bij No. 407, gedurende het koortsstadium,
waren: verminderde eetlust en geringe zwelling van de subcutis der achterbeenen,
terw ijl bij No.
304 alléén temperatuursverhooging geconstateerd werd. Op 20 Maart
werd van beide paarden 1 liter bloed afgetapt en gedefibrineerd.

Op 17 Maart werden bij 6 vierjarige remonte-paarden, afzonderlijk geplaatst,
de volgende inspuitingen verricht:

Proef XX.

Bij No. 402 intraveneus 10 cc. gedefibrineerd bloed, afkomstig van de aan
Pferdestaupe lijdende
3-jarige merrie, op 17 Febr. getapt en bij kamertemperatuur
gestaan hebbende:

Data: Maart 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26
Temp.: 27.8 37.4 37.2 39.2 40.2 38.8 38.8 38.1 37.9 37.4

De eetlust was tijdens het koortsstadium niet gestoord, terwijl de zwelling van
de subcutis der achterbeenen zeer gering was.

Proef XXI.

Bij No. 351 subcutaan 10 cc. gedefibrineerd bloed gefiltreerd door Berkenfeld-

-ocr page 430-

bougie en afkomstig van aan Pferdestaupe lijdende 3-jarige merrie (17 Febr.).
Tot 15 Maart gestaan bij kamertemperatuur.

Data: Maart 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27

Temp.: 37.4 37.5 37.4 37.8 38.2 39.8 39.3 38.5 37.9 37.5 37.3

Op 22 Maart bij eene temperatuur van 39.8 C. was geringe eetlust te constateeren
en zwelling van de achterbeenen. Op dien datum werd 1 L. bloed afgetapt en ge-
defibrineerd.

Proef XXII.

Bi] No. 308 intraveneus 10 cc. bloed gedefibrineerd door Chamberland-F van
de aan Pferdestaupe lijdende
3-jarige merrie, op 16 Februari en tot 18 Maart ge-
staan bij kamertemperatuur.

Vóór de inspuiting:

Data: Maart 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27

Temp.: 37.6 37.3 37.8 37.9 38-6 39-7 39-2 38.4 37-2 37-3 37-4

Slechts verminderde eetlust tijdens verhoogde temperatuur en geringe zwelling
van de subcutis der achterbeenen, waren te constateeren.

Proef XXÏU.

Bij No. 750 subcutaan io cc. sperma gefiltreerd door Chamberland-F.

Vóór de inspuiting:

Data: Maart 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27

Temp.: 37.5 37.6 37.8 38.3 38.7 38.8 39.2 39.— 38.3 37.9 37.3

Gedurende de temperatuurstijging was het dier minder opgewekt. Andere
symptomen waren niet te constateeren.

Proef XXIV.

Bij No. 388 subcutaan 10 cc. sperma met physiologische keukenzoutsolutie,
gefiltreerd door
berkenfeld-bougie.

Data: Maart 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27

Temp: 37.9 37.9 37.7 37.8 37.8 38.3 39.2 38.4 37.8 37-8 37-7

Behalve deze geringe temperatuursverhooging waren geen andere symptomen
waar te nemen.

-ocr page 431-

Proef XXV.

In Mei 1909 werden 2 jonge paarden, waarvan met zekerheid bekend was, dat
zij nimmer aan Pferdestaupe lijdende waren geweest, met 10 cc. gedefibrineerd
bloed ingespoten, dat sedert 16 Februari bij kamertemperatuur ± 3 maanden
bewaard was. Bij geen van beide paarden vertoonde zich eenige reactie.

Proef XXVI.

Teneinde aangaande den duur der immuniteit eenig inzicht te verkrijgen, werden
op 26 September 1909, drie paarden, Nos. 376, 213 en 273, welke in Maart 1909,
dus 6 maanden geleden aan Pferdestaupe geleden hadden, met ± 10 c.M3. virulent
bloed intraveneus ingespoten; daarop volgde geene reactie.

576

213

273

20 Nov.

37-9

37-5

38.1

21 ».

37-3

37-1

37-3

22 „

37-7

37-6

37-5

23

37-6

38.—

37-2

24 ..

37-8

37-7

37-4

25 ..

37-7

38.1

37-i

26 „

37-5

37-4

37-7

Proef XXVII.

De hengst „Frank", welke in de jaren 1905 en 1906 volgens de mededeelingen
van collega
Steenbergen en de proefnemingen aan \'s Rijksveeartsenijschool
actieve Pferdestaupe-virus-drager was, werd aan de Rijksseruminrichting afgestaan,
nadat hij ruim 4 jaren geleden aan de Pferdestaupe geleden had. Met het sperma
van dezen hengst gelukte het niet meer, paarden te infecteeren, terwijl de intra-
veneuse inspuiting van 10 c.M3. virulent Pferdestaupe-bloed bij dezen hengst,
zonder eenige reactie verliep.

Proef XXVIII.

Op 20 November 1909 werden driejarige remonte paarden intraveneus met
10 cc. sperma in physiologische keukenzoutsolutie ingespoten. Hierop volgde
geene reactie, waaruit met zekerheid kon geconcludeerd worden, dat het sperma
van Demi-Monde zijn infecteerend vermogen verloren had.

Uit deze proefnemingen volgt, dat Pferdestaupe kon verwekt
worden:

1. Met het sperma van Demi-Monde, zoowel als met het Altraat
van het sperma door
Berkenfeld- en chamberland-bougie F.

2. Met het bloed van een door sperma-injectie aan Pferde-
staupe-lijdend paard, zoowel als met het Altraat van dit bloed
door
Berkenfeld en Cbamberland F.

-ocr page 432-

3- Met het bloed, zoowel als met het filtraat van dit bloed door
Berkenfeld en Chamberland F, afkomstig van op natuurlijke
wijze geïnfecteerd zijnde paarden (epidemie Amersfoort).

4. Met gedefibrineerd bloed, zoowel als met het filtraat van dit
bloed door
Berkenfeld en Chamberland F, dat gedurende
één maand bij kamertemperatuur was bewaard; terwijl ten opzichte
van -de virulentie van het Pferdestaupe-virus en de verkregen
immuniteit bleek, dat:

a. Met het gedefibrineerde bloed, dat 6 maanden bij kamer-
temperatuur was bewaard, afkomstig van een aan tvpische
Pferdestaupe lijdend paard niet meer viel te infecteeren;

b. De inspuitingen van virulent bloed bij paarden, die vóór
6 maanden aan de Pferdestaupe leden, negatief verliepen;

<:. Geen reactie kon geconstateerd worden na de injectie van
10 cc. virulent bloed bij den hengst „Frank", die voor 4 jaren aan
de Pferdestaupe lijdende was.

5. Op de intraveneuse injectie van sperma, afkomstig van
normale hengsten (Proef 27 en 28) volgt geen reactie.

In het Recueil de Med. Vétérinaire van 15 Sept. 1912 komt
voor een artikel: „Cause déterminante de la fièvre typhoide
(Pferdestaupe) du cheval", waarin
Basset de resultaten zijner
proefnemingen mededeelt. Alhoewel deze later en op minder
uitgebreide schaal ingesteld werden, zijn zij als eene bevestiging
van vorenstaande resultaten te beschouwen.

Met gedefibrineerd bloed van een aan Pferdestaupe lijdend
paard kon
Basset een gezond paard infecteeren; de incubatietijd
was daarbij 4 dagen.

Ook met gedefibrineerd bloed met 10 x het volume physiologi-
sche keukenzoutoplossing verdund en gedefibrineerd door
Berken-
feld
-filter V, gelukte de infectie.

Basset beweert echter, dat het doorstaan van de ziekte geen
immuniteit geeft. Ik vermeen, dat ik het tegendeel duidelijk heb
aangetoond.

Bacteriologische onderzoekingen.

Hiertoe werden aangewend alle bekende kweekmethoden en
voedingsbodems. Daar de smetstof zich langs de bloedbaan door
het lichaam verspreidt, werden tal van voedingsbodems samen-
gesteld, met wisselende hoeveelheid paardenserum. Eveneens
werd als uitgangspunt voor de bereiding der voedingsbodems
het kalfsvleesch vervangen door paardenvleesch.

-ocr page 433-

De verschillende voedingsbodems werden geënt:

a. Met bloed van typisch zieke paarden.

Ka voorafgaande grondige desinfectie van de huid werd eene
gesteriliseerde canule in de vena jugularis gebracht en het uit-
stroomende bloed direct in de voedingsbodems opgevangen.

Dit vond geregeld dagelijks plaats bij proefdieren, die met viru-
lent bloed of sperma geïnfecteerd waren van den eersten dag na
de infectie af, tot op den dag, dat volkomen herstel was ingetreden.

b. Met het filtraat van het gedefibrineerde virulente bloed en
het sperma na passage door de verschillende bougies.

De voedingsbodems bleven evenwel alle steriel. Zelfs na dagen,
weken en maanden, zoowel bij kamertemperatuur als in broed-
stoof bij 370 C. gestaan te hebben, gelukte het nimmer, groei te
kunnen aantoonen.

Ook aan Basset gelukte het niet, door enting van het bloed
op kunstmatige voedingsbodems eene cultuur te verkrijgen.

Het bacteriologisch onderzoek van het sperma direct na opvan-
ging, gaf tot resultaat, dat dan steeds werden aangetroffen:

Staphylococcen, aureus en albus; diplo- en streptococcen, bac.
pyocyaneus, bac. coli en bac. subtilis. De verschillende entings
proeven van muizen, cavia\'s, duiven, konijnen met virulent bloed
en met het filtraat zoowel van dat bloed, als van virulent sperma,
vielen steeds negatief uit.

Microscopische Onderzoekingen.

Van het virulente bloed werden uitstrijkpraeparaten gemaakt,
direct na uitstrooming uit de vena jugularis van fian typische
Pferdestaupe lijdende dieren. Dit vond eveneens geregeld iederen
dag plaats, totdat herstel was ingetreden.

Voorts werden coupes gemaakt van het bloed met toepassing
van de bekende fixeer- en kleurmethoden en na op verschillende
wijzen gehard te zijn; nimmer gelukte het evenwel bacteriën,
noch protozoën (trypanosomen-spirochaeten) aan te toonen. In
de uitstrijkpraeparaten van het bloed, afkomstig van 2 paarden,
die aan typische Pferdestaupe leden (het eene na intraveneuse
injectie van sperma-physiologische zoutsolutie; het andere op
natuurlijke wijze geïnfecteerd tijdens eene Staupe-epidemie in
het garnizoen Amersfoort), werden na kleuring met
Löffler\'s
methyleenblauw en na zeer nauwkeurig en herhaald onderzoek
met oculair 5 en 1/li Olie-immersie enkele nauwelijks waarneembare
microdiplococcen afzonderlijk in roode bloedlichaampjes aan
getroffen. Met het virulente bloed dezer 2 paarden werden tal

XLI 23

-ocr page 434-

van voedingsbodem? geënt; het gelukte echter absoluut niet
eenigen groei te constateeren. Proefpaarden intraveneus en sub-
cutaan ingespoten met serumbouillon voedingsbodems, die geënt
waren met bloed (öse) van bedoelde 2 paarden afkomstig, en die
zoowel bij kamertemperatuur, als in broedstoof bij 370 C. meerdere
dagen gestaan hadden, konden echter niet geïnfecteerd worden.
Verdere onderzoekingen om de oorzaak van de Pferdestaupe
nader op te helderen, vonden niet plaats, daar in verband met de
hulpmiddelen een gunstig resultaat niet verwacht kon worden.

Uit deze onderzoekingen, die enkele zoo uitvoerig konden
ingesteld worden, wijl Demi-Monde actieve smetstofdrager was,
blijkt, dat het contagium der Pferdestaupe is:

Ultravisible-Ultramicroscopisch.

Het is bijna overbodig hieraan toe te voegen:

dat hengsten, welke aan de Pferdestaupe leden, slechts bij
uitzondering
de eigenschap bezitten bij dekking deze ziekte op
merriën over te brengen; en ook dat deze eigenschap niet in direct
verband schijnt te staan met de hevigheid der doorgestane ziekte.

Nadat in de medische literatuur gewezen was op de groote
beteckenis, die, van eene besmettelijke ziekte oogenschijnlijk
genezen individuen z.g. chronische smetstofdragers op de ver-
spreiding van deze ziekte nog kunnen hebben, kwamen er onder-
zoekers, die dit proefondervindelijk wilden aantoonen.

Wanneer men in dc literatuur de gevallen nagaat, waarin de
smetstof nog aanwezig bleek bij individuen, die reeds lang van
de ziekte hersteld waren, dan komt men tot het besluit dat de
smetstof zich op verschillende plaatsen in het organisme kan
ophouden; zoo is het o.a. van de gonococcen bekend, dat ze zich
in slijmvliesuitstulpingen en uitloozingsbuizen van klieren, zoowel
bij den man als bij de vrouw ophouden en nadat de lijders sinds
geruimen tijd van genorrhoe zoogenaamd genezen zijn, zonder
dat er van een nieuwe infectie sprake is, plotseling weder genorrhoe
bij beiden kunnen doen optreden.

Diphtheriebacillen zijn nog y\\ maand, nadat patiënt hersteld
was van diphtherie, gevonden op de gezonde mucosa van het
mond- en neusslijmvlies.

1 nfluenzabacillen zijn eveneens bij den mensch nog één jaar
nadat patiënt hersteld was, in het sputum aangetoond;
48 dagen
na herstel der ziekte werden door
Kolle, cholerabacillen in de
faeces aangetoond; zelfs werden de FRANKEL\'sche pneumonie-

-ocr page 435-

coccen nog 3 jaren na herstel der ziekte in het sputum gevonden,
(Nette), terwijl Gotschlich pestbacillen kon aantoonen in het
normaal uitziend sputum van personen, die sinds 76 dagen van
pestpneumonie hersteld waren.

Het is voorts een feit, dat in de galblaas van patiënten, die aan
typhus geleden hebben, maanden later virulente typhusbacillen
kunnen voorkomen.
(I enz, Herbert, Kutscher, Frosch en
Hübner).

Evenals dit aanwezig blijven van smetstof bij den mensch was
vastgesteld, werd het nu ook bij dierziekten bevestigd o.a. voor
vlekziekte
(van der Veen).

Gedurende eene periode van ruim 30 jaren is het Poels bij ver-
schillende ziekten van dieren gebleken, dat smetstofdragers èn
uit een enzoötisch èn uit een epizoötisch oogpunt van ver strek-
kende beteekenis zijn.

In eene lezing, door Poels op 19 April 1908 te Utrecht gehouden,
werd medegedeeld, dat smetstofdragers o.a. kunnen waargenomen
worden bij de longziekte der runderen, bij de uierziekten van het
rund en van het schaap, bij abortus en vaginitis, bij mond- en
klauwzeer, bij varkenspest en bij de borstziekten der varkens.

Op de vraag, waar zich in het geval Demi-Monde de smetstof
ophoopte, en zoolang levensvatbaar kon blijven, kan het antwoord
niet luiden: het ultravisible agens bevindt zich in het bloed en
wordt zoo door de testikels uitgescheiden, daar de hengst steeds
kerngezond was. Onwaarschijnlijk was het tevens, dat na herstel
der ziekte chronische veranderingen in testikels zouden opgetreden
zijn, of dat de smetstof daarin een soort depöt gevormd had,
want de testikels waren normaal; de hengst kon bevruchten.
Eveneens kan niet aangenomen worden, dat het virus in staat
was te leven en te vegeteeren op het slijmvlies der urinewegen.
Was dit wèl het geval, dan zou immers de smetstof met de urine
uitgescheiden zijn en infectie ware opgetreden. Dit bleek thans
alléén het geval te zijn tijdens het dekken, zoodat dus alleen de
zaadblaasjes en de prostata als depóts voor het virus overbleven.
Voor de zaadblaasjes was dit het meest waarschijnlijk, daar deze
min of meer gering functionneerende organen zijn. Door de in-
teressante onderzoekingen van collega
Gali.andat Huet betref-
fende de aanwezigheid van bacteriën in de zaadblaasjes:

a. van geslachte paarden, stieren, varkens, enz.

b. bij caviaes en konijnen na kunstmatige infectie met ver-
schillende ziekteverwekkers,

mag met eenige zekerheid worden aangenomen, dat in het

-ocr page 436-

geval Demi-Monde het Pferdestaupe-virus in de zaadblaasjes
aanwezig was en aldaar levensvatbaar gebleven is.

Bijna 3 jaren bezat Demi-Monde het vermogen te infecteeren,
en bleef gedurende dien tijd aan de fokkerij onttrokken, waarvoor
hij thans weder volkomen geschikt is.

Proefnemingen betreffende actieve immunisatie tegen de

Pferdestaupe.

In het verloop der proefnemingen betreffende de filtreerbaarheid
van het Staupe-contagium bleek, dat de virulentie van het sperma
van Demi-Monde geleidelijk aan het afnemen was. Zoo bleek o.a.
bij proef N°. 16 dat de
2- en 3-jarige merrie na de directe intra-
veneuse sperma-injectie slechts in geringe mate reageerden. De
temperatuur bereikte haar hoogste punt, n.1.
39.4 en 39.9, den
7den en 8sten dag na de injectie, terwijl als verdere symptomen
slechts waargenomen konden worden: sopor, trage eetlust en
geringe zwelling van de subcutis der achterbeenen. Verondersteld
werd nu, dat het gedefibrineerde bloed dezer jonge merriën wel-
licht als entstof (vaccin) zou kunnen aangewend worden. Om
dit na te gaan, werd toestemming verzocht eene voorloopige
proef met
25 jonge paarden in het Remonte-depót te mogen nemen.
Op
19 Februari 1909 kon na bekomen machtiging tot bedoelde
proefneming overgegaan worden.

Fik paard ontving subcutaan 5 cc. gedefibrineerd bloed,
afkomstig van het op
17 Febr., bij eene temperatuur van 39*4 O,
afgetapte bloed van de
3-jarige merrie. De reactie was als volgt
(zie temperatuurstaat). Alle
25 paarden reageerden op de injectie.

Bij 4 van de 25 paarden steeg de temperatuur niet tot 390 C.

Bij 2 van de 25 paarden was de hoogste temperatuur 40° C.

Bij de overige schommelde de temperatuur tusschen 390 en 40° C.

De stijging begon op den 4den, 5den of 6den dag en bereikte
den 7den, meestal den 8sten dag na de injectie haar maximum.
Op den ioden dag na de injectie waren alle weder normaal. De
verdere symptomen waren: Van den 5den tot en met den 8sten
dag na de infectie, gedurende de verhoogde temperatuur, waren
de paarden soporeus, en was weinig of geen eetlust aanwezig.
Verder kwamen voor: zwelling oogleden, ptosis en conjunctivitis,
zwelling subcutis van de voor- en achterbeenen. Pols
(60—70)
en ademhaling tijdens het koortsstadium frequent. De zichtbare
mucosae eenigszins geïnjiciëerd. Bij enkele deed zich in geringe mate

-ocr page 437-

fell 11

:

-ocr page 438-
-ocr page 439-

— 403 -

Nummers FEBRUARI MAART

19

20

21

22

23

24

25

26

27

28

i

2

3

84

37

4

37

2

37

3

37

2

33-7

37-4

3»-7

39.8

38

3

37-7

31-9

37

2

37-6

107

38

i

38

2

38

i

37

7

38

38.3

38.

4

38

38

9

37-i

37

7

37

4

37

702

37

7

37

8

37

7

37

7

38.6

37-7

38

2

38.9

39

6

37-3

37

8

37

5

37 •1

838

38

2

38

38

.1

38

3

37-6

37-2

40

39-5

37

4

37-5

38

6

37

3

37-6

263

37

5

37

6

37

7

37

5

37.9

38

38

7

39-2

39

3

37

38

i

37

9

37-3

853

37

37

6

37

i

37

3

38.4

37-i

38

38.6

39

3

36.9

37

8

37

37

666

37

8

37

6

37

5

36

2

37-5

37-6

39

39-2

40

39

37

2

36

7

37-2

687

37

6

37

7

37

8

37

5

39.1

38.1

37

5

39.6

38

1

38

37

3

36

9

36.7

844

38

37

5

37

3

37

6

39.1

38.2

38

5

38.9

39

4

39-3

37

7

37

5

37.6

284

37

5

37

4

37

36

8

37-4

37

37

4

38.6

38

9

37

37

36

6

36.5

698

37

6

37

2

37

3

37

37-4

37-5

38

38

39

1

38.9

37

6

37

36.9

287

38

37

7

37

5

37

7

38.9

38-3

38

3

38.2

39

5

38.3

37

5

37

7

37

745

38

i

38

37

5

37

7

39.1

37-9

38

i

38.2

39

1

38.7

37

3

36

9

36.9

290

37

7

37

4

37

6

37

9

36.6

38.2

39

38.4

38

5

38.2

37

37

5

37-2

857

37

8

37

8

37

3

37

2

38.3

37-2

37

9

38.5

38

5

38

38

4

37

9

36.8

720

37

6

37

4

37

5

37

5

37-5

36-9

38

38.4

39

38.7

37

6

36

9

36.7

79

37

8

37

5

37

8

37

5

37-7

37-6

37

9

38.6

39

9

39-3

37

8

36

9

37-i

830

37

2

37

4

37

3

36.8

38.2

37-6

38

4

38.5

38

36.9

36

5

36

8

36-7

780

37

7

37

7

37

6

37

4

38.1

37-7

38

4

38

39

1

39

37

6

37

2

36.2

199

37

7

37

6

37

4

38

38.9

3»-i

6

38.8

39

6

38.7

37

6

37

37-3

763

37

6

37

3

37

2

37

7

37-8

37-9

38

3

38.9

39

8

38.7

37

8

37

i

36.3

646

37

5

37

5

37

4

37

8

39.2

39-3

39

4

39\'

39

i

38.3

37

i

37

36.7

282

37

9

37

•3

37

37

5

39

38.3

38

4

39.3

39

2

37-6

37

i

37

4

36.8

848

38

2

37

.6

37

i

37

5

38.3

37-3

38

4

39.1

39

3

38.3

37

5

37

4

37-4

641

37

8

37

6

37

6

37

5

37-7

37-5

38

8

38.6

38

6

36.3

38

37

3

37-4

re

2e

3e

4e

5e

6e

7e

8e

9e

dag

na in

jectie.

heldere vochtafscheiding druppelsgewijze uit den neus voor.
Auscultatie en percussie thorax steeds negatief. Geringe sympto
men van darmcatarrh (brijachtige mest), mondholte heet, droog,
beslagen. Te betasten lymphklieren normaal. Bij enkele paarden
bestond polyurie. De urine reageerde zuur en was eiwithoudend.

De gemiddelde duur der ziekte bedroeg -4 10 dagen. Bij het
afnemen van de koorts verdwenen geleidelijk de verschillende
symptomen. Na de ziekte waren de dieren eenigszins verzwakt.
Deze
25 paarden stonden in stal 4 (zie plattegrond Remonte-
depot). Stal N°.
4 behoort tot het complex van stallen 1, 2, 4 en 5,
waar een wachtmeester aan het hoofd staat. Het verdere per-
soneel bestaat uit een korporaal en
12 manschappen. Groot gevaar
was er dus, dat de paarden in deze stallen door het personeel
zouden geïnfecteerd worden. Dit bleek echter alleen het geval
te zijn met de paarden in stal
5. De oorzaak hiervan was, dat een
geïnfecteerd paard uit stal
4 op den qden dag na de injectie ter
behandeling van eene verwonding in den ziekenstal was gekomen
en aldaar in contact was geweest met een paard uit stal
5. 23 paar-
den, welke in stal
5 gestald waren, werden ziek en vertoonden
dezelfde verschijnselen. Ook hier had de Pferdestaupe hetzelfde

-ocr page 440-

goedaardige verloop. Tot de stallen 4 en 5 bleef de ziekte beperkt,
niettegenstaande van 8 uur \'s avonds af om de 2 uur de beide
dienstdoende korporaals bij beurten alle stallen inspecteerden
en met den dienst in deze verschillende stallen één wachtmeester
is belast, die geregeld dagelijks meermalen in deze en andere
stallen kwam, en alle manschappen der verschillende stallen
dezelfde eet- en slaapzaal hebben, m.a.w. voortdurend met el-
kander in aanraking komen.

In verband met deze waarnemingen moet geconcludeerd wor-
den, dat bij de Pferdestaupe de „infectie" dus van paard op paard
en niet door z.g. „Zwischenträger" geschiedt (als personen, hooi,
stroo, tuigdeelen, thermometer, enz.). Ter nadere bevestiging
dezer conclusie dient vermelding dat in Februari 1909 Pferde-
staupe heerschte onder de troepenpaarden der Veldartillerie te
Amersfoort. Deze paarden bevonden zich onder één dak met de
paarden van de Rijschool. Door een muur was echter onderling
contact dezer paarden uitgesloten. De epidemie bleef beperkt
tot de paarden der Veldartillerie.

Daar de enting der 25 jonge remonte-paarden als volkomen ge-
slaagd kon beschouwd worden, werd machtiging verzocht, deze
eveneens bij de overige remonte-paarden toe te passen. 550).

Op 20, 22, 23 en 24 Maart werd dezen paarden, na bekomen
machtiging, subcutaan ± 5 cc. gedefïbrineerd virulent bloed (ver-
mengd met steriele phvsiologische keukenzoutsolutie) geïnjecteerd.
Het virulente bloed was afkomstig van de aan Pferdestaupe
lijdende paarden Nos. 407 en 304 (zie proef 19), en van N°. 351
(zie proef 21).

Verklaring der teekens,

behoorende bij de temperatuurslijsten van de met virulent Pferde-
staupe bloed ingespoten remonte-paarden op 20, 22, 23 en 24
Maart 1909.

Teeken Verklaring.

-ocr page 441-

Stal N°. i Ingespoten 23 Maart 1909.

37\'
2

374
371
2

371

36»

i 373
2

373

37\' !

I

37" 1
36" 1

37"

371
2

373

37\'
r.2

4

378

37°
2 !

376 !
2 !
378 \'

I

37J !
I 37"

i

373

4°\' ! 394

373 |was niet ingespoten

Hoef-

Datums

nummer

2 3

1 24

1

: 25
1

1 26

27

28

29

31

i

2

3

i

i

¥.2

2

2

475

372

372

378

38

375

38

38«

394

40\'

38°

37®

37®

2

2

2

2

2

2

2

2

2

2

482

37

37

384

374

37\'

374

378

85

3

384

374

373

268

373

374

384

375

378

384

38\'

38j

384

38

37\'

37\'

1

1.2

2

r.2

2

576

37

373

373

37\'

382

38°

388

393

39°

385

372

37

394

375

374

39°

383

396

39\'

38°

38"

383

3 74

374

372

I

i

i

i

647

37\'

378

385

379

384

57\'

383

39«

38«

37"

374

37\'

2

2

2

2

1.2

r.2

1.2

1.2

2

2

322

37°

373

39

37\'

383

385

391

40»

38\'

39

37"

375

2

2

2

2

2

323

376

375

384

37°

381

38"

39

392

39\'

378

374

373

i

i

i

i

i

i

i

i

480

37®

37®

383

38\'

38\'

38=

38°

394

398

39

37\'

37

213

39°

37\'

38®

379

38j

38»

388

38«

40\'

395

379

371

1.2

1.2

2

2

498

373

373

381

38s

38\'

385

40

40«

38«

381

379

37®

i

i

i

1.2

2

2

2

354

37\'

374

38

37°

384

384

38\'

39

38»

37s

373

37\'

i

r.2

1.2

2

2

2

2

661

376

37"

37°

38\'

38

38®

39

398

38*

38

374

372

2

2

1.2

1.2

2

2

684

373

374

376

392

391

391

38»

393

393

I

38\'
i

37*

36»

377

371

37\'

38\'

379

38®

39

392

403

393

384

37®

37

2

2

1.2

1.2

1.2

1.2

361

372

373

4

379

384

38»

383

394

38»

37°

37®

37\'

2-3

2-3

2-3

2.3

2

880

374

374

379

38

38

38\'

393

393

392

38"

375

372

i

T

I

i

1.2

2

2

2

2

349

371

38\'

39

38°

384

392

393

392

38"

37°

37\'

3 74

2

2

2

2

2

2

34°

372

37

37"

376

38\'

373

373

38®

39"

378

372

374

1.2

1.2

1.2

1.2

1.2

1.2

1.2

1.2

2

2

324

378

375

°382

37°

378

373

38

394

39\'

38

37

374

i

i

i

i

1.2

1.2

2

2

2

273

372

37\'

38"

393

38°

382

38«

40l

398

378

37®

375

2

2

2

1.2

1.2

2

840

37°

37"

383

38

384

38«

38"

38«

39\'

38"

38

37®

211

i

1.2

1.2

39\'

40

398

38°

Cavalerie 5 jaar (overjarige) aankoop 1907. Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 442-

Hoef-

Datums

nummer

23

24

2 5

26

27

! 28

29

30

31

T

2

3

4

5

54

37

374

381

373

376

! 379

378

38«

39

37"

372

37

37

246

374

37l

381

375

376

38»

37"

376

38

37\'

373

395

2

44

373

37°

38»

3 78

392

395

393

393

392

38\'

374

382

376

6

37"

378

39°

37\'

38

38®

38«

394

39\'

38®

376

37\'

375

4

4

\'4

17

371

372

38\'

372

38"

394

39"

398

403

391

371

37

372

2

2

2

2

2

2

X

371

37

376

375

379

38\'

38«

39\'

38»

382

37\'

374

373

2

2

2

1.2

1.2

1.2

1.2

1.2

81

37\'

376

384

38\'

38

393

392

396

401

39®

404

4i4

40®

1.2

2

2

2

2

65

378

374

38\'

1

38®

38\'

38®

38»

392

38\'

37\'

38®

373

84

37

372

38®

373

381

373

39

39\'

395

38

36«

37

374

180

375

376

37s

37"

38»

38

38®

38»

40"

40\'

376

376

378

180

37°

375

37°

37"

38«

38

383

38»

4

40\'

376

376

378

2

2

2

2

2

97

374

376

38"

393

38»

394

39°

39\'

40»

38®

373

38®

376

2

2

2.4

2.4

2.4

2.4

2

2

83

37°

37\'

384

378

38»

383

386

38»

394

384

394

379

376

86

I

1-4

1.4

1.24

1.24

1.24

r.24

375

371

375

375

392

391

39\'

2

4°°

40

39®

39"

bi)

39\'

96

37\'

37"

37"

376

38\'

37

37°

392

38\'

37°

374

376

ai

384

37°

8

38«

376

38

375

38°

37"

40\'

38®

37"

374

0

374

4

4

°4

N

64

37\'

378

382

38

38°

38"

382

38®

38\'

373

372

373

C

376

1.2

1.2

1.2

1.2

<u
g

21

37\'

37»

38®

37\'

39°

39"

39\'

401

2

38®

38

37\'

0

378

78

375

378

37"

378

384

372

38\'

37\'

38®

38

374

376

<u

37"

2

2

2

2

2

°2

138

37°

376

37*

385

38®

383

38"

392

4

391

36®

393

:

379

4

T.4

1.4

1.4

4

-

10

374

376

381

376

39

399

401

40"

404

38®

37\'

37"

\'2

378

r.2

1.2

1.2

2

2

2

2

»2

°2

2

2

3

38

39\'

39 ! 38"

37

37

3 75

37"

375

376

374

37*

373

i

I

I 1

i

1

102

373

37"

38\'

384

392

38«

38\'

39\'

396

381

36®

37\'

373

99

376

37*

375

37\'

38°

392

1

39

T

394

j

379

37\'

373

378

37\'

i

i

i

i

i

i

i

i

176

375

375

38*

37\'

39

38°

393

398

39®

392

38

37\'

378

75

378

379

392

379

382

398

38"

j

394

39"

38\'

37

3 74

375

67

374

375

37\'

37\'

38\'

38«

39

39\'

j

396

384

j

37"

373

37°

i

i

1.24

1.24

1.24

2.4

»2

2

47

376

37\'

383

372

399

39\'

394

401

4°\'

38«

374

37

37®

26

37®

373

394

376

39

38«

392

40\'

39\'

38\'

378

371

373

20

375

37\'

37®

378

384

385

38»

39

399

378

375

375

37\'

1.2

1.2

1.2

2

2

2

"2

8

375

37\'

37\'

382

398

399

393

401

39\'

382

376

372 \'

3 76

248

378

37"

382

378

38\'

39s

38®

393

392

38®

37\'

378 1

37\'

2

2

2

2

2

2

247

373

3 75

381

384

39

39\'

39\'

39\'

40

382

374

378 \'

37"

371

2

2

2-3

2-3

2.3 !

109

37

379

378

378

391

38®

39\'

39®

372

378

37\'

378

i

i

i

i

i

i

i

i

i

i 1

i

27

375

36®

381

37°

383 1 378

38®

391

392

38®

376

37

378

48

378

3<59

382

36"

37

36»

3&\'

373

37;

373

36®

36®

372

91

3 r

37"

37\'

372

378

375

37\'

37"

376

378

374

37\' 1

375

1.2
40

Op 2 April een dood
veulen geworpen.

Inlanders 4 en 5
tusschen ruimten.

jaar. Aankoop. 1908. Geplaatst in opstal stal (tusschen de boomen zonder

39"

401

1

372

1.2

385

1.2
392

37

I

_

-ocr page 443-

Stal N°. 8 Ingespoten 23 Maars 1909.

Hoef- Datums

nummer

23

24

_

25

26

27

28

29

31

I

2

3

4

5

1

1.2

1.2

2

2

2

2

364

378

37s

38«

38

38«

402

402

39"

39

38

379

37\'

3 74

i

i

1.2

1.2

2

2

2

375

901

372

36» ! 38\'

37

392

38s

38

38»

37"

37°

372

378

372

435

376

37\'

378

37"

38\'

38a

383

383

393

382

373

37\'

375

i

1.2

1.2

1-23

2-3

2-3

2

4°3

374

37"

38

38«

394

385

385

39

38\'

376

373

378

375

437

375

374

375

39\'

393

38®

385

38\'

403

38°

374

373

372

2

2

2

2

454

376

378

37\'

379

392

39

39\'

38»

383

376

37

371

37\'

456

37\'

37\'

381

38\'

40

393

393

38»

382

383

375

37"

bib

375

i

I

I

i

I

■ö

896

37\'

372

381

381

398

38

38

38

391

37\'

36»

36\'

e
0

36»

2

2

2

2

2

N

874

372

374

389

384

40

40

38\'

38®

39

37

36\'

3 72

c
0)

37\'

S97

37l

37\'

38«

38«

38\'

393

394

39\'

38\'

36»

36"

36»

s

0
ü

368

2

2

2

2

2

2

2

2

2

4>

914

378

378

382

386

38»

385

38\'

40

39»

38\'

37\'

37\'

p.

37°

761

372

378

38®

378

382

39

395

392

39\'

37\'

374

373

-p

37\'

i

i

i

1.2

2

2

2

999

372

37\'

37"

38«

394

39

38«

39"

39\'

38«

374

373

2

373

.

2

2

2

2

313

372

37"

37\'

374

38«

38

38\'

394

38\'

383

373

373

37\'

3

3

3

1019

373

376

38\'

378

38\'

39

392

398

394

375

374

374

374

1014

374

371

378

37°

4

38\'

39

398

398

38«

374

374

372

2

2

2

2

1021

373

373

37\'

378

38s

69

38"

38»

388

38\'

378

378

37"

i

1.2

1.2

1.2

2

2

2

1020

37\'

37s

385 1 383
1

38«

39\'

38\'

398

40\'

38\'

373

375

375

X380

-

38»

379

38»

381

39

38«

375

37J

37\'

was

niet i

ngesp

oten.

Cavalerie 4 jaar aankoop 1908. Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 444-

— 4o8 -

Stal N°. io Ingespoten 22 Maart 1909.

Datums
82 29 ! 30 31

Hoef-

23 | 24 25 j 26 \' 27

nummer 22

38« I 38« ! 39 I 382
381 1 38\' I 395 ; 391
i ! i I i I

391 | 392 I 37l
! i i
38° ! 39 | 392

I i !

374
37\'

375
37\'
37°
378

37\'
1
372
37"
378
378

38\'
i

38"
1

39\'
i

39

38\'
i

395

38»

38\'

38\'

39\'

384
i

38\'
i

395

39»

381 j 38\'
37\' i 38»

38»
38«
394

38»

385
38«
378
38\'

38\'

38\'
x

38»

38\'

384

38\'
37"
38j
38«
378
376

37"
i

38°
i

38\'
i

393
38\'

37"
1 ■ 5

394
i

398

378

39

38\'

384

376

38

39

381
379
37\'
37\'
376
37\'
378
37\'
37*
394
38
38®

376

38®

37\'

I

382 1 39

383
382
383
38\'
38»
382
398
385
38\'
388
402

2
38«

39\'

373 1 372

37
37\'

37
37\'

38 I 378

37\'

37\'

37"

38

378

378

376

378
37\'

379
37\'
378
37\'

37

375
37\'
37\'

376
374
374
374
374
37\'
37\'
374
376

39\' ! 383

I I i

5 I 393
1

39\' 39\'
i

39\' 39\'

392 39\'
i i

392 | 39
i |
392 i 39s

394 I

I

38» I 396
40 | 38\'

1 I I

39\' ! 38\'

1 I 1

39\' 1 38«

4° I 39

(

38® I 406

i

392
i

39\'
i

39\'
i

39\'

39"
i

39
i

40\'
i

37\'
i

39\'
39\'

38*
382

I

398
38\'

I

384 ; 38

38» | 38\'

I i
381 ! }88

i

381 ! 39
i

39

395

395
i

394

37"
378
38
375

39
38»

392

38® ! 38«

39

38«
39"

394
i

680

697
690

7H
725
728
728
718

730

733

734
7 36
738
743
746
748
818
769
883
699
821
750
817
756
783
778
777
772

37J 378 I 38\' 1 38\'

37\'

37\'
37°

376

37°

375

37*

37s

375

37\'

37J

378

375

37\'

378

37\'

37"

37"

37s

37\'

373

378

373

374
378
37\'

375
375

37"

378
375

373

378 ! 38" 1 38\'
378 1 38\' ! 38\'

37"
37"

37° 378 ! 38\' ! 38"

39
38"

376 j 39\' I 384

I

37* | 38^ ! 38* 393

37\' i 378

398

39» I 39° 384

37 \'

38° ! 372 ! 388
376 I 376 ! 373

374 I 37\' 1 371 !
! 1
372 ! 371 I 37°

39\' ! 38\' 37\' | 37\' 1 372

i

36\'
38\'
378
378
37\'
378
378
38*
37\'
38

375
3?6

tc
es
•O
C
O
N

37"

373

374
378
37°
37"

37\' I 37
374 i 375

37\' 1 372
378 \' 374
372
I 376
378 I 37
- i 37\'

37"
373
37"
373
376
373

37\' I 378 ! 37\'

I !

372 ! 374 1 374

i 1 1 I

378 378 ! 37" j

| j

378 37" ! 376 |

| |

378 375 i 375 \'

! I

373 I 378 |
i | i ]
2 i 378 ( 37° |

1 ! 1

374 ! 378 ! 374 !

I j I
378 I 372 1 373|

2 ! 38\' I 382 ! 39 39s I

37°

378
375

37

I

37° |

37\' I

378

378 1

378

37°

37e

373

378

37\'

37\'

373
37°
378
3 74
375

374
37\'

374
373

375
378
37
378

-ocr page 445-

(Vervolg) Stal N°. 10 Ingespoten 22 Maart 1900.

Hoef-

Datums

37fi 38 ! 382

37° 37
38 37\'
37\' 376

374 I 37" 372
374 ! 376 37\' ! 37\'

I

37° I 374 ! 37\'! 383
82 29 1 30

26 ! 27

22 I 23 j 24

375
37\'
375
37\'

37
37\'
37\'
372

774
789
771
811

831

751
753

384 ! 379

37\'
38®
383

37

381

37\'
375

37

374

375

37°

Cavalerie 5 jaar. Aankoop 1908. Geplaatst in remontestal (loopstal)

37

_i__I_

1 1

381 I 393 I 404

T I 1

39 39 ! 39s

i

37" 38\' ! 39\'

384 392 i 38«
37" 38 i 391

i j X

381 38\' i 39\'
31

39 37"
i i

391 37®
i

394 374

3S2 39\' j 403 S 396

37\'

37\' I 388
373 i 372

i

37
39\'
i

382 376 I 37

2 I 3

3 I

37"

373

374
37a

■37\'
376
37\'

374

37\'

373

375

37

37\'

378

37\'

375
375

-ocr page 446-

Datums

Hoef-

22 23 I 24 1 25 I 26 27 I 28 ! 29 I 30 31 I i I 2

- , j 1

nummer 20 21

582

643
665
850
926
486
888

1009

io3

863

311

1010
1007

653
1006
979
256

37"

37

37°

37®

37

374

37®

37®

37\'

374

376

374

37\'
374

37°

378

37\'

37\'

I

\' 37

\' 37\'

37\' 375

374 372

4 37\'

37\' 375

37\' 384

37\' 37\'

37 37
376
I 37
37\'
37\'
37\'
37:
37\'
37\'
37
37

4 I

37\'

38\'

37°
37\'

37\'

37\'

37\'

37\'

37\' 37\'

37\' 37°

38\' 37\'

37\' 376

37\' 37®

1

38»

38\'

392

39\'

38\'

38\'

37"

374

374

37®

I

i

i

i

i

I

382
j

37\'

38\'

38\'

37\'

38\'

37"

37\'

37®

374

1

38\'

392

37\'

38\'

39

38\'

37\'

37\'

37\'

37

i

1

I

38\'

38\'

38\'

39\'

392

379

37\'

37"

371

37\'

1

1.2

2

2

38\'

39\'

38\'

38«

39"

39

37\'

37\'

37

374

1.2

1.2

2

2

2

2

38

381

381

1

39\'

38*

37\'

374

375

3 72

38\'

37\'

39\'

38*

394

38\'

374

374

372

37

2

2

2

2

391

38

37\'

38\'

384

37°

37\'

37\'

374

37\'

392

38»

382

38\'

38*

38\'

379

37®

37\'

37\'

i

1.2

2

2

2

j 394

39\'

39"

39

39"

39

37®

371

37\'

37®

1 i

2

2

2

5

1 39\'

39\'

38»

406

391

39\'

37\'

37\'

374

372

8

1.2

3

3

! 392

38»

391

39°

40\'

39\'

394

37\'

37®

37\'

1 40\'

38"

38\'

38\'

39\'

38\'

376

372

37

37®

2

2

39

38\'

38«

39\'

39\'

392

37°

37\'

37®

37®

i

1.2

2

2

2

39\'

39

38\'

384

391

394

37\'

37\'

37\'

374

38

37\'
j

38"

38\'

39\'

37\'

37

37"

374

37

39

39\'

39\'

39\'

2

39\'

38\'

37®

37\'

37\'

2

2

1.2

1.2

2

1

Overjarige artillerie Ieren 5 jaar. Aankoop 1907 geplaatst in Remontestallen (loopstal).

692

37®

374

758

37\'

372

1048

37®

37\'

1030

37\'

37\'

859

37\'

37\'

329

374

37®

1035

372

37\'

847

37\'

37\'

1

851

37\'

37\';

1031

37®

38 1

1026

374

37®

671

37\'

37\' 1

371 378

38 37\'

37" 381

38\' 37\'

379 37\' ! 38\' 385
376 37

37\' 378
37\' 38\'

39\'

401

37®

37®

.1.5

401

40

39\'

38\'

i

i

i

40

394

38

37\'

1

394

38»

37®

37\'!

1

394

38\'

39

37"

374

37®

37®

37\'

i

i

39\'

40

39\'

37®

I

1

1 39\'

38\'

37®

37® 1
1

1 399

39\'

38\'

374 j

1 38\'

_

-

! 379

37®

37"

37" 1

! 2

2

2

1 39

: 39\'

392

37" !

I I
38*

38«

38\'

38\'

39\'

39®

39

39\'

3S9

38»

38\'

38®

38®

392

37\'

374

I

37\'
837\'
37\'
37\'
378
37\'
37\'
37\'
374
372

39
39\'
39\'
38\'

37

375
37\'
37®

376
375
37\'

37°

37\' I 37\' 37\' ! 39\' | 378 1 38 40

T

38 I 38\' 37\' 391 I 374 ! 38\' 39 | 38\'
37\' I 382
38 ! 38" 1 37= I 38\'
j i ! 2 1 2
379 I 39\' I 39 i 395

Artillerie Ieren 5 jaar. Aankoop 1908 geplaatst in Remontestal (loopstal).

-ocr page 447-

4ii -

Stal N°. 12 Ingespoten 14 Maart 1903.

Hoei-

Datums

nummer

M

15

16

17

18

1 19

1 20

21

22

! 23

1

24

25

26

27

28

1.2

11.2

2

2

2

407

37®

37®

37"

37\'

40

39®

403

396

39

137\'

37\'

37\'

37®

37\'

37®

304

37\'

37"

37\'

3

!

3»®

38\'

38»

40\'

!

39\'

! 39J

1

1

37\'

37®

38«

37\'

371

N°. 407. Cavalerie 4 jaar had op 22 Maart geen eetlust, en 4 dikke beenen, is op 19
en 20 Maart bloed afgetapt. N°. 304 is artillerie 4 jaar 1er, beiden aankoop 1908.

Stal N°. 12 Ingespoten 20 Maart 1909.

Hoef-

Datums

nummer

20

21

22

23

24

25

26

27

28

29

30

31

i

2

3

334

37®

37®

375

37\'

37\'

38\'

38»

38»

39"

39®

384

374

374

37\'

37

188

37\'

37®

37®

38

38\'

38®

39\'

39

39®

1

402

39

38\'

37\'

37"

37\'

i

3

1-3

123

1.2

2

227

37\'

37"

374

37"

38

3«\'

39\'

39"

39"

39\'

37"

37®

37*

37®

37®

992

37\'

37"

38"

38\'

58»

38"

38«

405

393

4°\'

38

37®

37®

37\'

37®

t

2

23

2-3

2

677

37*

37\'

381

38

38*

38«

38»

40\'

39\'

38\'

374

74

37®

37\'

448

3 7\'

37®

379

38\'

39

38»

39»

38\'

37\'

394

37®

37\'

37®

374

37®

N°. 334 Artillerie 1er overjarige 5-jarige aankoop 1907

N°. 188 Cavalerie overjarige 5-jarige aankoop 1907.

N°. 227 Cavalerie overjarige 5-jarige aankoop 1907.

N°. 992 Artillerie 1er overjarige 5-jarige aankoop 1907.

N°. 677 Artillerie 1er overjarige 6 jarige aankoop 1906.

N°. 448 Cavalerie overjarige 6 jarige aankoop 1907.

-ocr page 448-

Stal Nc. 17 Ingespoten 22 Maart 1909

Hoef-

Datums

nummer

23

24

25

26

27

28

29

30

31

i i

1

2

3

4

5

; 1

1034

375

37

375

9

384

378

38\'

39\'
i

394

i

395

i

39\'

37\'

37\'

37

37\'

970
1015

373
373

37s
373

372
371

385
393

38\'
39

38®
i

392

38\'
i

39\'

394

I

393
i

394
i

39

i

1

37\'
i

381

373
37

37
372

37\'
376

919

373

37\'

373

384

37\'

37\'

38\'

384

373

37\'

373

37

924

37

37

37\'

378

37"

378

382

393
i

37\'

37\'

373

37

374

931

37\'

373

374

374

373

37\'

37\'

38®
i

3S9

375

373

373

37\'

973

37\'

373

37\'

38»

38\'

378

39\'

39\'

37\'
37"
37\'

374
i

37\'

17\'
i

38«

372

37°

374

942

948

959
934
I033
1036

373
376

371
37\'

372
37\'

374
373

37
37\'

372

373

37\'
372

378
37\'
37\'
374

37\'
39\'

38\'
39\'
378
388

37\'
39\'

38«
398
384
372

38\'
i

38\'
i
i

394

38«

394

58®

382
395

I
1

39s
40®

394
39

38"
i

39\'
i
i

39\'
1.2
402
i

2
1.2
40\'

38\'
1.3
38®
i
i

38\'

1.2
395
1-3
38\'
i-35
394

1.3

39\'
3

37\'
1.3

3S8

I

38«

37\'
373

37
37\'
37
372

374
37\'

37
37
37
37

Niet opgenomen Zondag.

374
37\'

37\'
37\'
371
373

1025

37"

37\'

37\'

392

39\'

382

398

2

38«

37\'

374

37

1046

37\'

37\'

375

38®

38\'

39

398

39\'

373

373

37\'

372

960
969

37
37"

38
37\'

37\'
37\'

38\'
382

38®
W
38

38
378

38\'
39\'

37\'
40«

37\'
37\'

37\'
373

37\'
37\'

37\'
37

962

37\'

37

37\'

38\'

38

37\'

394

40

394
3

39\'
1-3
39\'
i-3
39"

3»\'

38

37

37\'

987

37s

373

37\'

374

38\'

376

38®

38\'

392

37\'

37\'

37\'

994

37\'

371

374

38»

37\'

37\'

38\'

403

373

372

374

374

1012

371

37

378

378

38

384

392

37\'

37\'

374

37

!

Deze paarden zijn den dag na de inspuiting voor het eerst opgenomen.
Cavalerie 4 jaar. Aankoop 1908. Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 449-

4X3 —

Ingespoten 22
Datums.

nimmer

23 !

24 |

25 !

26

27

1

l

28

29

30

31

1 i

1 2

3

4

?

i

1

i

i-3

i

1027

37\'

372

38\'

38\'

384

378

38\'

39"

403

382

37\'

372

378

i

i

i

i

i

i-3

909

373 1 38

38\'

394

396

394

40

402

38\'

372

37"

374

374

i

i

i

i

i-3

i-3

895

378

37

392

38\'

388

38\'

39 8

405

39

378

378

37\'

37\'

i

i

i

i

1.2

1-3

656

37"

375

38*

394

38®

382

391

39®
i

395

T 3

378

38

375

374

244

37\'

374

382

38°

38\'

38\'

39®

40®

1 \'J

40"

382

378

38\'

37\'

i

1.2

i-3

239

37\'

37

378

394

38®

394

404

403

39

374

37\'

37e

37®

242

38\'

384

38

38«

37\'

37

375

375

3

378

37\'

37®

3»\'

38\'

392

1.2

i-3

235

378

378

381

392

394

38\'

39\'

T
1

403

37\'

37®

37\'

37\'

243

372

38®

38

38\'

388

392

398

403

40

388

37®

37®

38

105

372

37\'

38\'

378

38

382

393

T

395

I

38\'

I

375

374

37"

37\'

23

374

374

38\'

3S4

392

393

39»

40

39®

37\'

372

373

374

i

i-3

I

i

i

123

37\'

37\'

378

4

4

39\'

396

39\'

39®

38

38\'

37®

376

i

1.2

i

i

i

72

37\'

371

37®

394

38\'

39\'

2

4O8

4

40

384

37®

37\'

i

r

i

i

i

i

I

I

234

l

403

40*

40\'

40\'

40»

4

395

382

373

37\'

376

37\'

i

i

i-3

i

2 36

38\'

37\'

37s

396

38»

401

402

298

398

38«

38\'

378

37\'

i

i

x

i

I

i

i

I

1-3

I

i

i

i

i

218

403

40

40\'

408

4i2

40\'

402

40

39®

39«

38»

382

38"

38

226

378

37\'

38

378

392

374

393

39®

39«

382

373

373

37"

I

I

i

i

i

i

i

240

38\'

38\'

39

38°

38\'

374

402

403

384

38"

39"

38\'

37®

1 i

i

1.2

1-3

225

384

3 7\'

37\'

378

40

40\'

40\'

I

4 O4

X

39®

I

374

37"

374

375

220

378

372

38

38\'

38

38»

4

4

392

37°

378

37\'

37\'

t

I

1.2

1.3

i

228

398

39

394

393

38\'

392

398

402

40\'

38\'

378

378

37®

219

37\'

372

37"

375

38

384

38\'

39

384

38

37\'

378

372

i

i

i

i

i-3

i

i

i

i

231

375

375

38

393

398

39\'

40»

4i3

408

395

39«

39

392

392

232

37\'

373

38

38\'

395

405

39\'

39®

3

38\'

38»

38*

378

37\'

230

37"

38

378

38®

382

38\'

3 83

395

39*

38®

37\'

378

37°

233

37\'

37\'

384

38\'

38"

38«

38\'

T

3

38\'

I

37\'

378

37s

375

224

376

378

38*

38\'

391

393

39®

396
I

39\'

38

384

37®

378

223

37\'

37

37\'

39

37\'

38\'

*

38«

39\'

39

38

38\'

37®

37\'

221

378

38

37\'

38\'

384

38«

394

2

394

3

392

37®

372

37"

40\'

249

37\'

38

378

375

37\'

37\'

38\'

38\'

39\'

38\'

i

398

250

38

38

382

39°

378

381

384

378

38\'

378

38°

i

i

i

i

i

25 r

38

378

378

38

38

37®

38\'

38®

40\'

402

401

398

37\'

38\'
37!

38\'

Maart 1909.

Stal N.-. 18.

40\'

391

38\'

39

Droes

37°

37\'
374

39\'

Deze paarden zijn den dag na
Inlanders 4 jaar aankoop 1908. Geplaatst in

inspuiting voor het eerst opgenomen.

opstal stal (tusschenboomen) zonder tusschenruimte.

-ocr page 450-

Datums.

24

25

26

27

28

29

31

1

2

3

1

1

1

37

372

38

38\'

38

378

39\'

39\'

375

378

378

37\'

37®

38®

384

382

38j

38«

38«

38

37®

37®

1

1

1.23

1

372

38l

37\'

39®

38»

392

39\'

39®

38\'

372

374

373

37®

37\'

37\'

384

37®

376

37\'

1

373

I

39

38®

373

378

37®

37®

38®

378

37\'

398

38®

372

37®

1

1

1-23

1

37®

37\'

375

38®

39

40

38"

39®

38«

378

378

37\'

37®

378

382

38®

38®

382

38l

398

37\'

371

1

1

123

I

374

38

374

39®

398

398

39®

39\'

38\'

37\'

37®

1

1

123

1

371

378

38

38«

38»

39®

39®

39®

39®

38

378

1

1

1

1.23

1

37

38\'

37\'

384

392

39"

394

39®

38«

37®

372

1

1

1

t

13

1

371

37®

37"

382

38®

38\'

381

391

38®

374

37®

1

1

1

123

372

37\'

37"

37\'

38\'

38\'

38®

39\'

384

37\'

373

1

1

1

123

1

1

37®

37\'

37®

38®

39

39®

39®

39

391

37®

378

1

1

1

1235

t

i

37®

39®

38®

38\'

38\'

38®

38\'

39

37"

37®

37®

1

1

1

1

i

37°

37\'

378

39»

38®

378

38»

38«

38®

37\'

37 4

1

i-3

1

372

38®

4

38\'

391

38\'

401

39\'

39

378

38®

1

13

1

374

378

378

39

381

38\'

394

39®

38®

37®

38

1

13

1

37\'

374

37®

38"

37\'

381

38\'

39®

38®

373

37®

1

1

1

1

i-3

1

i

37®

38\'

37®

38\'

398

39\'

402

408

38»

3 74

374

1

1

1

123

1

374

38®

38\'

38

38«

38«

39\'

394

384

37®

374

1

\'1

i

123

1

374

392

38»

38\'

394

39\'

4o>

40

382

378

376

1

123

1

372

38®

37®

38\'

38

38®

39\'

392

O

378

37\'

37®

37

37®

37®

38®

38®

38\'

395

39\'

38

37®

372

Cavalerie 4 jaar aankoop 1908. Geplaatst in Remontestal (loopstal).

Hoei

6 1

23

I 37°
j 378

37®

I 38\'

| 376
!

I 374
378
37"
372
37®
376
372 I
37\'
I 37:

i 38

!

! 37\'
!

138

I

| 37:
| 38

( 37\' i

I

! 37r \'
I

I 37

|

! 37

37

375

37®
37"

373

373

37\'

39°

39

60
tfl
■o
a
o
N

37

373

373

373

37®

372

373
33

374
378
37
373
37
37\'

j 393
| 1

I 392

37\'
37\'

37

-ocr page 451-

— 4i5 —

Stal No. 2i. Ingespoten 23 Maart 1909.

Hoef-

25 I 26

23 24

i I i

388 396 I 38»

I

38\' I 39\'

37 37

15

210
7\'

70
60
173

207

;3
30
122
28

166

124

198

\'34
128
ut

in

171

187
204

25

191

200

35

\'77
94
200

74

37" I 38
382 I 382

I I
38\'! 39

374
39

378

373

38®
39l

383

37"
33*

373

37

38

372
378

374
37

375

37
38\'

7
38®
383

39»

37"

37" I 37
I

384 ! 38 I 384
i \'

374 373 I 37\' ! 38
37\' ! 372 I 37° I 37"
37\' 1 376 38* : 392
373 I 374 I 374 1 37"

372 ! 375 ! 38 i 382

38»
37r

383 \' 38\'
378 I 38\'
38® I 39\'

38
38\'
1.2
39°

2
30®

38"

I

39\'
1.2
39\'
I i

i 38\'
I 2

373 374 ! 375 ! 37"I 38\' 37° ! 39l

38
378
i

39s

37\'
37\'

374

373
, 376

37s
37\'
37\'
378

374

378

378

37"

37

376

37\'

378

374

374
373

38 I 38\' I 38\' ! 38\'
374 1 37\' ! 37°

39
39

I

394
i

39 I 40\'
\' i \'

; 38\' I 384

374 ! 38 I 378

I I I i

39 1 39

39\'
374
371

38* I 37\' I 37\'

I

37\' I 383

378 i 378

I

3S2 I 382

392 I 39
37\' i
38\'

38\'

125

39\'
1.2

392
i

I

38\'

1

39\'

394

39\'
398

39 i 38\' I 382

2

38®
2

382

38\'

38\' ! 392 398 I 404

375 I 3«6

373 I 38* ! 38 I 382

» ! I I \'

37 i 38 ! 38 I 37\'

I ! !

372 I 38® ! 38\' i 39®

I ! !

37\' ! 386 I 378 | 38®

37 1 379 I 381 I 381
37\' ! 37" ! 39 I 378
37\' I 37\' ! 37\' I 39\'

I 1

372 j 374 \' 37\' I 378

I I !

374 I 378 i 37\' I 37\'

! I I

37\' I 37\' I 37\' ! 378
372 ! 378 I 37\' ! 37\'

j 38\' I 393
! i

38\'
i

405
39\'

392
39\'

39
i

394
38®

38®
384

39 I 302

Datums.

27 28 I 29 I 30

1.2
398

I

38«
38\'

I

398

38 I 40 ] 38®
i i i 1 i
38" ! 383 ! 39\'

39 ! 38"
375 I 374

382 I 38® I 37»

38® I 38»

I

38 I 38®

38\' ! 374 ! 372

38»

3\'

i

2

3

4

5

I

1

39\'

37\'

374

37"

37"

1.2

i

395

3S4

374

373

37\'

38\'

38

37\'

378

37\'

I

1

40
x

39

37\'

37\'

39\'

378

378

37\'

37\'

1.2

I

i

40»

398

38\'

37\'

37\'

1-23

i

40

39\'

378

37\'

37\'

375

37\'

37\'

37\'

375

394

37\'

37\'

37\'

37\'

38\'

37\'

37°

37\'

37\'

38\'

37\'

37\'

37\'

375

I

I

1

40\'

393

37\'

374

375

ei

d

39\'

38

37\'

37\'

X)

37\'

394

38\'

37\'

373

0
N

37\'

i 23

I

E

40\'
x

39

37"

373

QJ

s

37\'

0

38"

37\'

37\'

37\'

c

0)

37\'

I

I

i

cc

0.

398

38®

37\'

37\'

0

378

u

37\'

37\'

376

37\'

£

37\'

I

I

39\'

38®

37\'

372

37\'

\'•5

\'5

39\'

382

37\'

37®

374 \'

I

i

398

374

375

374

37\'i

I

i

i

392

I

38®

37\'

374

37\' !

39
i

37\'
i

37\'

37\'

37\'

40

0

392

37\'

372

378

39 I 38®
1 1

37\'

374

37\'

39\'

378

37°

37\'

37°

39\'

38®

373

378

378

38\'

38

37 5

373

374

1

38\'

374

37\'

374

37\'

392

383

372

373

374

2

398

37\'

37\'

37\'

37\'

372

372

37°

374

37\'

-ocr page 452-

Vervolg Stal No. 21.

Hoef-

Datums

nummer

23

24

25

2 6

27

28

29

30

31

i

2

3

4

r
5

6

104

3*7 2

37\'

374

37"

37®

37\'

37®

38\'

2

38\'

38\'

374

37\'

374

189

37\'

373

381

37\'

3S2

384

39

39\'

39®

38

38

373

37\'

135

37\'

37\'

378

38«

38\'

39\'

39®

38

392

38\'

37®

37®

372

203

37°

371

372

38"

38®

372

38\'

39\'

384

37\'

37"

37\'

37®

I

i

i

1.2

I

20T

378

37\'

38\'

39\'

39\'

39\'

402

405

392

37\'

37"

37®

37®

i

1.2

I

i

127

374

372

374

38\'

37®

38\'

394

39®

40\'

38®

374

37®

37"

I

i

i

I

167

37\'

38

37\'

39®

38«

38«

39\'

38\'

38\'

37®

374

374

37"

i

i

I

i

89

384

37\'

38»

38«

38®

38®

4°\'

392

39

374

37

373

372

205

37\'

37\'

37\'

391

38®

38®

384

38\'

39\'

382

37®

37\'

37°

\\

Inlanders 4 en 5 jaar. Aankoop 1908. Geplaatst tusschen boomen zonder tusschenruimte.
Stal No.
23 Ingespoten 22 Maart 1909.

Datums

22 \\ 23 24 25 26 I 27 s 28

381 I }82

38" 1 ?84

I 5

37\' ! 38
I I
38\' i 4°4
I I
407 I 401

29

30

31

I

2

3

4

5

39\'

39\'

T

39\'

38

37\'

37®

384

1

392

,

38\'

37"

37\'

37\'

37\'

39

37\'

37\'

37\'

37®

37®

37®

382

39\'

38®

372

37\'

37\'

37°

38®

38"

38\'

37®

37

37\'

374

i

t

38®

39\'

38"

37\'

37\'

372

i

1

T

i

38\'

39\'

39®

37\'

37\'

37\'

bh
rt

37\'

i .2

2

2

2

2

2

c

t"4

39\'

38®

37\'

374

37\'

0
N

37\'

i

i

e

38\'

39\'

37\'

372

37\'

OJ
g

372

1

0

37"

39\'

39\'

37®

37"

37®

c

4>

372

38\'

39\'

385

37

374

37\'

tc
P.

37®

i

I

I

O

38"

392

38*

372

37\'

37\'

ï

374

i

I

g

38®

39\'

38\'

38»

37\'

37\'

37\'

i

I

39®

40«

382

372

37\'

37*

374

402

39\'

38\'

37\'

37\'

37\'

2-3

2-3

2-3

2

2

2

39\'

39\'

39®

39\'

38"

37®

39\'

,

39\'

39\'

38

___

37

374

37®

Hoef-

38» ! }94 1 38«

I I

! 379 I 37°
38 I 37\'
382 I 38

I

38\' ( 37\'

I

38\' j 384
382 I }83

1 I

"" \' 393

38 I 3»3
38 ! 37®

38\' 39

374
38\'
37\'

37°

37\'
376
372

37\'

37\'

379

37\'

374

375
37\'

38\'

37\'

3 74

38

37\' I
38\' !
394 !

38\'

588

595
501

406

876

917

949

947

338
352

372

740

697

670
609

37
378

374

371

37\'

374

37®

37"
37®

38\'

37
373

37°

379

379

37®

372

37\'
37\'

37\'

38 I 39\'

39 i 392

!

38 ! 38°

38\'

37\'

38

37\'

38

39
392
398
37\'

38\'

37\'
38\'

38\'

38\'
383

37°

38
37\'

37\'

38\'

37®

39\'

39\'

4

37\' 374

37"
374
37\'
37\'

37
37\'

37\' 1 37\'
!

37\' I 37\'

I

Artillerie Ieren

37° I 37"

I I ! I _

4 jaar. Aankoop 1908. Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 453-

r

— 417 -

Stal No. 24. Ingespoten 23 Maart.

23

24

25

26

27

37"

37\'

384

37®

i

38\'

37®

37\'

38®

37®

374

37®
37®

37®
37\'

382
38

39\'
i

37®

37®
i

38\'

37\'

37s

38\'

37®

37®

374

37®

379

37®

37®

37

37®

37®

37\'

38\'

37®

372

374

37®

37\'

37
374

37
374

37\'
37®

37\'
37"

38
37®

37®

37®

37®

374

37®

37-<

37\'

394

38®

374

374

37®

37\'

37\'

37®

372

37®

37"

382

34\'
37"

37®
37®

37\'
37®

37J
382

38\'
38"

37®

37\'

38\'

37®

374

37\'

37®

37®

38

38

37\'

37®

37\'

37\'

38\'

j

37\'

37®

37\'

37\'

38®

37®

37\'

37®

38

39

374

37"

37®

37®

38

37®
374
37®

37®

37

37\'

38
38

37®
37\'

37®
38

37

37\'

39

372

38®

37®

374

37®

37®

37\'

3
3

Datums.

i

38®

38"
i-3
39\'

T

38»

38®

39\'

39®

39®
i

399
392

38\'

37"

I

39
37®

i

37"
2

37®

37

372

37®

37

3^\'
1-3
37®
2

371

372

36\'

868
I 196

193
383
- 360
985
972
971

93°
907

008

562

875

5/2

183
858

861
x74

168
175
871

169

172
206
238

I95
882

39

39®
1-3

39°

384

382
39®
39®
38®

I

36®
2

37®

36\'

37®
2

36\'

37®
2

374
374
38\'
37®
36®

37®
37®

38®
392

19ó
2

38 I 384 ! 39

39®
i

39®

I

81

38\'

I

40®

37\' !

39®

384

375

38®

I

31 t

i

394

37°
39®
2

382 392

38\'
39

39
2

i

i

i

39\'

382

374

2

22

1.2

39®

38®

37®

T-3

3

3

39®

382

37\'

I

39®

384

37

i

i

39®

38®

37®

I

39®

37®

37

i

i

40

394

37®

2-3

1.23I 1.23

39\'

394

38\'

1.2

1.2

2

38»

37®

37\'

37®

37\'

372

i

i

4°\'

38\'

37®

I

i

394

40

382i

i

1.2

1.2

392

392

37®

3

1.3

3

39®

38®

37"

39®

38\'

37®

1.2

2

2

403

384

36\'

i

i

39\'

38\'

37®

2

1.2

2

39

394

38®

I

i

i

40®

392

39

I

i

39®

38®

38®

I

i

392

38\'

37®

1.2

1.2

2

38®

38®

37®

40

394

38

i.6

i

372

i

j

394

38®

37®

3 • 4

384
381
39\'
38\'
38\'
38\'
38*

385

38»
37\'

38"
6

37®
38\'

37\'
4

36® I

2 I
37\' I

374 I
37\' I
2 I
374 I

37\'
2 !
37® I

I

36® I

I

37\' I

I

37 1

I

37\' i

I

37\'!
37\' I

I

374 I

Cavalerie 5 jaar overjarig aankoop 1907. Geplaatst in Remontes tal (loopstal).

-ocr page 454-

Hoef-

Datums

nummer

23

24

25 1

25

27

28

29

31

i

2

3

4

5

6

53°

37°

37\'

37®

37\'

394

3S2

38«

i

39\'

r

39\'

3S\'

373

373

374

597

37®

37«

_

— !

465

373

374

37\'

38\'

38

37«

37«

38\'

392

37\'

37®

371

374

2

2

2

1.2

1.2

190

37"

37«

37\'

38\'

38

381

384

37®

392

37®

17®

37\'

i

i

I

i

1-3

i-3

3

3

295

373

37\'

38

37«

391

39\'

39\'

39\'

39\'

381

37

37\'

37\'

269

37

_

442

37\'

1

561

373

_

_

1

•145

37"

37\'

37\'

37\'

38\'

384

38

392

39\'

37«

374

37\'

37«

630

37"

374

37\'

38

38\'

37\'

38\'

38\'

39®

37\'

37«

372

372

2

1.2

1.2

2

483

37\'

37\'

38\'

374

37«

38

38\'

38\'

39®

38\'

374

37\'

374

1.2

2

2

603

37\'

37«

375

37\'

38\'

382

38

38\'

39

37«

37®

37\'

37®

612

37\'

37\'

37\'

384

37\'

38\'

37\'

392

39«

392

374

37«

cüo

372

1-3

i-3

1-3

rt

T3

622

372

37\'

37\'

37\'

38\'

38

38\'

384

2

384

37®

37

ß

372

538

37\'

0
N

379

372

37«

38

37\'

38

384

39\'

394

39\'

37\'

37\'

374

C

37*

826

37\'

38\'

38\'

381

38\'

39\'

39\'

39«

I

39\'

I

37\'

38\'

37®

a

0

37\'

i-5

i

i

i

I

I

i

s

37

37"

37

39«

384

38\'

39®

37\'

39\'

394

37«

37\'

374

0

37\'

713

37®

37«

38\'

37\'

38\'

37\'

384

38\'

40

38\'

37®

37«

j
0

37\'

2

1.2

2

2

2

2

126

37\'

37\'

38

37\'

38\'

37\'

384

38\'

39\'

38\'

38\'

37"

374

i

i

I

I

i

i

i

i

!

336

37\'

37«

37\'

38\'

39

38®

391

39

39\'

39

372

374

374

350

37"

37\'

38\'

38»

38\'

38

394

39\'

I

39\'

37®

37\'

39\'

37\'

427

37\'

37\'

38«

38»

384

38\'

38«

39\'

38«

374

37\'

T

374

373

I
1

1039

374

372

38

373

38\'

382

381

38«

I

39\'

3S2

1

37\'

37\'

37«

i
1

925

37«

37\'

381

37«

38\'

38\'

39\'

40\'

I

4°\'

39\'

37«

37®

37°

878

37"

371

37\'

37\'

37\'

37"

384

391

39«

39

38\'

37\'

37®

i

i

i

I

i

2

2

903

37\'

37\'

38«

38«

39

38»

38\'

39\'

37®

372

37«

36«

372

I

1.2

2

2

2

2

2

446

38\'

37\'

38

38\'

38\'

38«

40®

40"

394

36\'

37"

37\'

37\'

I

411

374

37\'

38\'

37\'

39

37«

38®

39®

40

38\'

37®

37«

374

1

348_____

37"

-

1

Artillerie Ieren 5 en 6 jaar. Aankoop 1908. Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 455-

Datums

Hoet-

27

28

I 29

3\'

39

392

402

I

T 99

i

37\'

38\'

378

39

38®

384

i

i

i

I

405

40\'

404

40®

398

i

i

i

I

1.2

40"

40\'

40®

39\'

40

i

1.2

389

39\'

394

37\'

38\'

i

i

384

39e

39®

39\'

398

i

I

38\'

3S2

381

39\'

392

3

3

37®

38®

38

39"

T

394

38\'

378

38®

1

39\'

38®

i

i

38

38®

38®

394
j

40

381

38\'

388

I

39°

40\'

i

i

384

38®

40®

39»

39\'

38\'

-

37\'

378

382

2

38\'

36«

39\'

39\'

1

39\'

38\'

38\'

38\'

37"

37\'

I

i

i

I

39

378

38®

39\'

39\'

i

38®

37\'

38®

39®

40

2

2

39

394

39\'

30®

394

38

40®

398

394

404

382

378

38®

39

39"

38

37\'

384

392

38\'

38®

39®

40\'

40

39\'

38\'

38\'

384

38®

401

i

I

392

379

384

394

__

39\'

23 \' 24 ; 25 1

I_i_ I

37" 1 39 !
37 1 37\'I
! i i
391 I 391
i

I I
36" j
37\'"

37\'

37\'

37\'

373

38\'

38

r.2

1.2

37

37

3

3

37\'

37\'

i

373

37\'

38\'

37\'

3

378

378

372

37

i

i

37\'

37®

38\'

38\'

i-3

3

38\'

i

37\'

37\'

2

2

378

37®

i

I

38

37\'

38

372

382

37®

2

2

37\'

37®

1.2

2

38\'

38

372

37\'

37

i

I

382

38

i

385

37\'

I ■

38

37\'

382
38\'

i

408
i

2
39\'

383

378

379
394
378
38\'
37\'

88

82

72

394

38\'

37\'

374
3 74

38I
4<>5

398

397

387

347

34?

365

333

332

389

371
362
935
1013
1041

1015

1016
712

463

855

544
573
432

37®
37\'

374

2

372

37

38\'

37

3

374

36\'
i

374

37®

38\'

37"
2

37®

37"

374

37®
2

39\'
2

37®

37®
37\'

37\'

37\'
37\'

37
372

378
37\'
37\'
37\'
37\'

38
37\'
374

379

37\'

374

378

37\'

37"

37*

37\'

37\'

37\'
37"

378

37
37\'

39\'

39

38»

378

38\'

38"

37"

38\'

382

38\'

37\'

37\'

37"

38

37\'

37\'

38\'
39«

37

37\'

378

378

38\'

37\'

37\'

37\'

37\'

38\'

37

37\'

37"

37\'

37\'

371
37\'

38

37

! 378

I 378

I 37®
I

I 37\'

7\'

74

7\'

37®

7

7\'

7\'

7\'

37\'
2

38

37\'

72

73
7\'

38 I 38

378 I 38 37\' 392 379 | 384 i 394 39® i 38 | 37\' 37\' i 37\'

__I.........1

Cavalerie 5 en 6 jaar. Aankoop 1908. Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 456-

420

Hoef-

Stal No. 29 Ingespoten 24 Maart 1909.

Datums

24 I 25 j 26 27 28

I

39°

374
i

39\'

384
i

39®

1

2

393

394
4

394

382

I

38

37\'
38\'
3

38\'

I

39\'
38\'
37\'
3

378

383
383

36\'
382

37\' 38

37\'
374

36\'

39\' 38"

39\'
1.2
38\'

38\'
40\'
123
39\'
1.2
40
i

39«

38

i-3

39
39
38-
1.2

39
i

393
39\'

I

392 382
37\' ! 382

37\' 1

37
i ! i

39° I 372 1 37°
379 \' 379 \' 373

2 3

36®

36\'

374
37\'
37\'

I

37\'

3<58

37\'

378

374

37

372
37\'

37

3*\'

37\'

37\'

36»
378
37\'

36\'

37\'

37

37\'

37\'

375
i

39\'

1

2

378

384
1-4
37\'

■ ! 5

36\'
37\'

37
37"
38\'

37\'
36\'
37\'

38

bc
ct
S

a
o

si

37\'

372

374
372

372
37\'

373

37 37

364
36®
37\'

36»
37\'!

37\' !

I

374 I
36\'I

37 36\' I

37\'
374l

37
36«

37\'
374

372

37\'

37\'

36\'
37\'

37

372
36\'

362

37\'

37\' I
37 !
36» I

373 i
37\'

374

3*2
37\'

372

372

37

29

3° 31

1081

1089

1090

1094

1076

1059

1077
1083
1108

905
1061
1073

1105

1057
1096

1112

1073

1068

1107
ro8o

1071

1106
1104

1078
1088
1087

X098

1060

1074

1086
1085

36
37\'
37\' i
375 i
37\'I

37\'

373
37*

374
37\'

37

373
382

372
37\'

374
37\'

373

371
37\'

373

373

37\'

37\'

372

36\'
364

374

375
37\'

372

37

37\'

374

36\'

374
i

37\'
378

37
i

37\'

384

384

382

38

378

38\'
37\'

37\'
i-S
38

374

37\'

38
i

38

3S4

38\'

38\'
398

I

39
38\'

I

393

37
36\'

39

373
372

36»
37\'

37
378

38

38\'
i

383
37\'

378

38

375
i

38\'
393

38

37\'

38

37\'

37\'

374

37\'
37\'

Niet ingespoten

38\'
38»
38\'

I

38»
39\'

37"
i

38
38\'
i

38
i

383

37\'

37\'

37\'
i

38

37\'

37*
i

375
38\'
1.2
37

37\'

37

I

38

38\'
r

38\'
4

38\'

I

38\'

I

39\'
1.2

38\'
374
37\'

I

38\'

I

383

37"
i

384

399

1.2

382

37\'

38
i

37\'
i

38

37\'

383
x

393
i

382
i

382

38\'

37\'

38\'
39\'
123

39
1.2

37\'
i

38\'

I

36«

I

i

37\'
39\'
392
1.2

39\'
i

39
ï-5
39
i

38
36\'

3S3
i

39"
37\'

372 384

38®
37\'

36\'
37\'
37\'

372

372

38

37\'
36®

39

37\'
37\'
37\'

38\'
1-3
384

37\'

38
375

37\'
37\'

38\'

38\'
i-3
38

37\'

37\'
374

374 37° I

38\' I
37\'

37" I 372

37" ! 382

-ocr page 457-

(Vervolg) Stal No. 29 Ingespoten 24 Maart 1909.

Hoef-
nummer

24

25

26 ! 27

28

29

31

Datums
I 2

3

I 4

1

1 5

1 6

7 1

1

1.2

1.2

2

1

1084

372

37"

38

36°

38°

394

39\'

391

39®

374

37

36\'\'

372

1082

8

372

376

5

38\'

375

378

38

38®

38»

36«

36\'

37

10Ç6

371

373

37®

37°

385

37®

38»

37\'

38

379

37®

371

36®

i

i-3

3

3

1103

37

37\'

37"

36»

379

37\'

37J

378

39®

38®

3fl"

37\'

37

I

i

i

1.2

1.2

2

2

1072

374

374

385

375

38®

387

39®

39°

38

37®

372

371

1116

37

372

372

373

383

38®

4

38®

382

374

3<5®

37®

37®

i

i

1.2

1.2

2

Veulen

38

38\'

379

38\'

38

382

39®

38

378

382

38

38\'

Cavalerie en Artillerie 4 en 5 jaar. Aankoop 1908 (Ieren).
Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 458-

I )atums.

28

29

3i

r

2

1 3

1 4

1

5

I

I

i

i. 2

1-3

i

i

39

39»

402

39®

37

37

37

37®

i

i

i .2

i

38®

38®

394

38®

37®

374

37"

37®

394

37\'

37®

4

37®

37®

36«

36

37\'

37®

38®

37\'

374

37\'

37

i

i

i

i

4°\'

40

392

391

37®

37

37®

37®

i

i

i

i

38®

384

39®

38\'

37\'

37®

37\'

37

37®

37®

38®

39

38

37®

37\'

37\'

i

i .2

i

38®

37\'

39

38®

38\'

37®

374

37\'

i. 2

i

i

i

38®

39

39

38®

37

37\'

37®

37®

37"

38®

39®

38\'

37\'

37

37\'

374

i

i

i

i

394

39®

40\'

38®

38\'

37\'

37\'

37\'

i

i 2

i

i

37®

394

38®

37\'

37\'

374

37\'

37\'

i

i

I

392

39®

394

38\'

37®

37\'

37®

374

384

38®

39\'

38®

37\'

37"

37®

37®

i

i

12

38\'

38

39

381

37®

37®

36\'

36®

38»

38«

39

392

37®

37*

372

37®

37®

38\'

392

392

38®

37\'

37®

37®

38»

38®

394

39®

39®

372

374

37®

i

i. 2

i

i

i

38®

392

40

39®

37\'

37

38®

37®

i

i

i

392

38®

39\'

37®

374

37\'

37®

37\'

38

38®

38\'

38®

37\'

37®

37®

37*

I

i

i

38

39®

39®

39®

38\'

n "9

37

37®

37"

37®

38»

37"

37®

38

372

38\'

372

i

i

1 -5

i

40

40®

40\'

39\'

38

374

37®

37\'

38

38®

382

38

38

37®

374

37®

38®

39»

38\'

38®

37\'

372

37®

37®

i

i

i

38®

40®

39®

39®

I

37®

37®\'

37®

37®

38®

38\'

40\'

394

X

38®

37®

37®

37®

38*

384

3S4

39

37®

37®

37\'

374

38®

38®

39

394

38

37®

374

37®

39

39\'

39«

38\'

37®

37®

37®

37®

391

39\'

39\'

38\'

.37®

37®

37®

37\'

i

i

i. 2

i

38\'

38

38®

2

37\'

37®

37®

37\'

39

39®

39

384

37®

374

372

37®

37®

37®

39®

384

38

37

37®

37®

38®

38®

39®

39

382

374

374

37\'

i

i

i

i

i

i

39\'

39\'

39®

38

37®

37®

37\'

37®

i

i

i

i

i

37®

38®

40

40®

384

37®

37®

37®

ac
rt

o
N

Cavalerie 5 jaar (overjarige). Aankoop 1907. Geplaatst in remontestal (loopstal).

Hoef-
nummer

24 25 j 26

23

37\'

37®

37"
37®

37®

37\'
37®

37\'

37\'

37®

37®

37"

37®
37®

37®
37\'

37\'
37\'

372

37\'
37®

36»
37®

372
374
37®

37®

37\'

37\'
38

37\'

37

37\'
37\'

37®

37®

37\'
37®

37®
37\'
37\'

38\'
37®
372

38\'

38\'

38
37®

38

37®
38\'

38®
37®
38\'

38\'
37\'

38
37®

37\'
382

38\'
37"

38»

38®
37®

38\'

37\'
i

39®
37®
38®

38\'

37®

37\'
374

38»
37\'

38\'
38\'

38®
382
i

39
38

38>

38

37®
38®

372

38\'

38

30®

37®

37®

37®

37®

38\'
382

37\'
39®

37®
37®

39

392
38®

39\'
37®

38®
39\'
394

38\'
37\'

38®
384

37®
37\'

38
38®

39\'
38®

38®
38®

37

373

379
378

374

37®
37\'

37\'

37\'

37\'

37\'

37\'

37®
374

374
37\'

37®
37®

37\'

37®
374

37®
37\'

37®
374
37®

37®

374

374
37®

37®

38

374
37®

37\'
374

37®

37®

374 37®

382
37®

37®

37®

37\'

37®

37®

38®
37\'

37®
374

38\'
37"

38>
37®

374

37®

37®

38\'

38

37®
37®

37®
37®

37®
37®

s

o
ca

tu
bo
0<
O

37° 37®

37®
37»

37®
37\'

37\'
37®
37®

37\'

37\'

37®
37®

37"
37®

37®
37®

37®
37®

37\'

37\'

38\'
384

37®
37®

38\'

38

37®

38\'

37\'

38
38

37®
382

38
38\'

38
38

37\'

37\'

Ï5

-ocr page 459-

Stal No. 27. Ingespoten 23 Maart 1909.

Hoef-
nummer

23

24

25

26

27

28

r

i

802

37\'

374

38®

378

378

39

i

i

i

776

37\'

374

2

37\'

38®

392

764

37\'

37\'

38®

378

38®

38®

I

i

I

749

37\'

37\'

38

37°

38\'

37\'

668

37

37

378

373

382

37\'

719

37\'

37\'

382

37\'

38®

38®

828

373

36®

37\'

37°

38\'

384

791

37\'

37\'

37\'

37°

37°

374

709

37\'

378

381

37\'

384

394

691

378

37\'

378

374

38®

373

636

37\'

378

37°

374

374

37\'

721

37\'

38

378

37\'

38\'

382

810

374

374

37\'

373

38®

38\'

669

37\'

378

37

37\'

38»

37\'

792

37\'

38

37°

38

38

384

31

374

37°

384

37\'

38®

37\'

293

373

374

38®

37\'

37\'

39®

57

378

37\'

382

372

382

374

280

37\'

37°

38®

37\'

38®

37\'

3°5

374

36®

-

—■

-

T86

374

37\'

38»

378

38®

39\'

620

37\'

37\'

38®

38\'

39

39\'

326

36®

37°

-

■—

9

372

372

38®

37\'

38»

393

14

371

373

381

37°

38\'

38\'

272

372

37\'

37\'

38®

38\'

39\'

116

37°

38

38\'

37\'

37\'

37\'

80

37\'

37\'

384

374

39\'

257

37\'

37°

374

38®

37"

378

X367

X749

I i

38\' j 38®
1 I I I
395 I 395
I I

39

37«!

38 38

was niet inge-
spoten.

1.2

1.2

1.2

40

40

39°

1.2

1.2

i

39

38®

37\'

Datums.

3° 31

2 1 3

1

375
1.2

37\'
37\'

373

2

37\'

372

37
37\'
1.2

378
»1

37\'

T

394
1-23
37°
1.2

37s

374
i

37\'
378
2

372

37"
372
37\'
37\'
1-3
37"

37\'

374

37°
i-3

38
i

38®
i

374
i

i 1 i

38® I 37®
1.2 I 2
39® I 37

I I

37

37\'

37\'

37\'
I i

I 40\'

373

372
37"

37\'

37\'

374
37\'

373
372

37\'

I 372

37°
2

374

378

38

37

378
37\'
37

2

378
37\'

382

3

37\'
1.2

37\'
37\'

372
378

372

37\'
374
37
37\'
3

37\'

372

37°

37"
3

37\'
i

37\'
i

37®

I

I

39"
392

396

38
37\'

399

38\'

39
i-3
40\'

38
384

384
398

391

38\'\'
392

382
38®
38®

40®

38®

37\'

39"

384
38®

38®
38"

394

38
1.2
378

1

38®
378
38\'

2

38

392
i

39

123

38

39"
2

39
x

40\'

38®

394
2

394

38\'

384
1-23
40\'

39\'

M>
rt
■ö
a
o
N

2 ! 1.2
39
39

39°
38®

384
38
2

378
2

37r

39
39\'

2

39\'

2

394
39® I 37\' I
39® I 37\'I
39\' I 38® I

3 I 1.3 I

40 I 38® I

! t I
38® j 3661

1 ! I I
392 ! 38\'I

2 I 2 I
39\' ! 37\'I
1-3 ! 1-3 I
40® I 39® I

! i !
39\' 39\' I

37"

378
37\'
37\'
374

378
36»

374
37\'
37"
37\'
37\'
37\'

392 I 38\'
37\' ! 38\'
37\' ! 38*

39® I 394

I

40® j 39®

I

38« ] 38®

I I
39\' I 4°
2 I 2
38» ! 39
i i
39\' i 40®

38® 38®
I \'

401 j 305

I

38\' I 384

38\'
405

382

I

395

37\' I 37\'

I

I I I

39 i 372

i I
401 I
1.2 I

394 i

i

39\'
1.2
391

Cavalarie 6 jaar, aankoop 1908. Geplaatst in Remontestal (loopstal).

-ocr page 460-

Datums.

Hoef-

29 I 3° 31 1

26

27 28

nummer

24

I

37

38\'

39

38"
37®
379

37®

37"

38®
38®
37®

38\'
37®

38®
38"

37
4

359 376

37°

37® ! 379 ! 372

37®

37\'
37®

37® 38®

38®

37® j 374 389
37® I 37® 389

I !

372 372 I 38

i I

37\' j 37® ! 392
37® i 37\'

37\'

37

1

39®

2

39®

38

i I i

39\' I 39®
i 2
38® ! 38«

37® ! 37®

I

37® ( 37

I

37° I 37®
i I i
38® ! 37"

37l

37®
37.

37®
37\'
37®
37®
37®

37
37®

379

37®

37®

38

37°
37®
36®
37\'
36®

37®
37®
I 37®

36®

37

374

37"

37®

37®

I

I

38\' I 38\'

379 I 379 I 379
I ! 2.3
37\' I 38 I 38"
i j i
38\' I 37®
2 I 2
38 I 38»

38\'
2

394

37\'
37\'
372

37®

37\'

38

36\'

37®

37® I 37\'

I i

37® I 392

I

37® I 38

I I
38\' i 37\' I 38®
! i I i
37® i 37® \' 38®

I

37® I 37® \' 38"
I i
37® I 384

-4

38\'
379
38«

38®
382
37®
37\'
37®

37

___37;_____

Cavalerie 5 jaar aankoop 1908

38\'
37\'

38®

38®
379
37 !

37°
37®

36»

37®
39"
38®

372

37® I 37®

1051
1079
1065

1064

1062

1063

IUI

1102

37

36"

37°

36ä
37

37

38

37
37®

38

372
37\'
372

376

37

37\'

37®
36«

38\'

38®
i

372
37®

38\'
2

39
38®

I

38»

39

374

38

38®

2

384

384
37®

i

39®
2

38®

I

37®
2-3
391
i

38®

394 I 38b

I

37\' ! 37®
\' 1.2

374 i 3«2
i !
39* 1 38«

2.3 I 2.3
39\' I 38\'

36\' I 374

37\'
37\'
36«

37
37\'

373

38
37\'1

37

384 I 38"

I

I I 1.2
39\' ! 38«

I

38® I 37"
1.2

392

I

38

37°
2

37®
371

38«
38®

2

38"
2

389

37®
37®

39° I 39®

I

ië \\ 2

38\'! 39

39

2-3
399

I

38® I
38" I

1 I

38\' !

2 i
39®

2

394
2

39

I

39\'

1

39®

2

40

38®

36® I
I

, 38® I
40 j 38" I

I I
37® ! 3Ö4 I
38® ! 37® 1

1 1 1

39® I 382

2 !

39® I 38\'
2 j 2
39» I 37\'

2 ! 1

37® 1 37®

1 I 1

39\' I 37®

I 1

38\' I 37«

2 I 1.2 I
39® I 371
I

T-3

394 ! 39\'
i

38

1

384
2-3
38®
39®
i

39®
i

384
3

39®

2

37
i

38®
2.3

39®
38"
i

38®
i

374
i-3
39®
1.2

392

36\' !
\'3 j
392 I

2 I

37® !

39 I 39\'

2 !

37\' I
3 !
37® !
i I
38\' j
I

38* I
I

38\' !
37® I
37

38®
i

39
i

38
2

38»

38\'

1.2

40
2

39®

38"

37\'

37
1.2
39®

382
2

39\'
38\'

1.2

404

1.2
40\'

38"
382

37

36®

36\'
37®

2

38\'

37®

37®
374

379

374
372

bo

cU

9 \'S

37 -

v o .

N I

37\' c ! 36® ! 36" I

» at a

37®

37\'
37
37
37l I

37°

36»
36»

37\'

37\'
38®

371
37\'
37®
37®
38\'

372

37®
37\'

I

37

371
5
36®

372
37°
37* I
37

I I\'

! I

37®

! 374

.S i

2 I 37»
I

! 37\'

I

i 36®

I

i 36\'

I

I 37\'

! 37"
37®

37®
37"

I I

I

!

37\' I 3<5® i
37\' I 372 I
I

374 I 37°

38\' I 36®

37\'
3

37°
374

Geplaatst in Remontestal (loopstal).

! 372 ! 37\'

i 37® ! 374
! I
! 372 I 372

37\'

! 37\'

37

372
37\'

372

37®

374
37®

374

374
38\'
374

37

37 1
37\' i

I

372

371

38\'
37

37\' I

372!
I

I

I

372 I

I

37\' I
1

37® I

I

372 !

-ocr page 461-

Hoef-

nummer

22

23

24

25

836

379

37®

38

38

849

378

37\'

38

37\'

843

376

37\'

37®

374

956

37\'

378

374

37®

866

37®

37\'

37®

38

841

37®

37"

378

378

667

37\'

374

37®

378

978

37\'

378

37\'

37\'

977

37®

37®

38

38\'

976

37\'

378

37®

967

37®

37°

37®

38®

8 77

37\'

374

37\'

378

951

374

37\'

378

379

939

378

37®

376

38®

870

37\'

37®

38

37®

950

37"

37 s

37®

37®

583

378

37\'

376

38

569

37®

374

37*

37\'

554

37s

37"

37®

38\'

628

37®

37®

378

37\'

607

37\'

37\'

37®

375

781

37\'

37"

37®

37®

618

374

37®

38

372

613

376

37"

37®

37\'

564

373

37®

37\'

38®

556

37®

37\'

37®

38

610

37®

37"

379

384

629

374

37"

37®

39«

993

37®

37\'

374

38®

1049

37®

38®

382

391

1047

373

37®

37®

374

700

37®

37

37®

37®

575

373

375

37\'

379

568

37®

374

37®

37

26 I 27 I 28

I

379 !
37" !
I

39
39
391
i

39
38\'
1.2 i
to2 i
1.2
39 I
i i
39 i

\'■3

40
38\'

I

40\'
i

39e
39\'
i

39\'
384
i

38\'
i

393
38\'

i

40
38«
392
392

I

405
39®
38s

I

375

394
i

ä

39«

39
38°
i

39°

37®
37®

37\'

37
37

36®
37"

374

37\'
i

382
i

37*

374
i

37

36s

37\'
378

373

37
372

36®
37°

B
o
a

V

be

a.
o

36® 37\' I

36»
( 37®

I 37\'
I 374
! 37
I 372

I 37\'
I 372
j 374

! 376
\' 36\'

I

: 381
! 372
! 372
37

374 I
37® !

I

375 I
37° !
37° I
37\' !

I

378 I
37\'

37° !

I

37® I
374 I

374 [
37® !
37\'
37® I

37" I

I

I

385
38s

39\'
i

39\'
39\'
1-5
38"
38\'
i I

37" j 37"
i I T

38® I 37s

393 I 374

1.5 I ,

38° ! 37
38\' 137

38® i 38\'
39\' ! 37s
i ! i

394 I 37\'
39\' j 378
308 I 374

i I

398 I 38
37 I 37
i j i
385
37\'
37"

! 37s
I 37®
I 37"
37°

39

38\'

391

382
1.2
379

37

38»

I

37\' i 37\'

Datums.

30 ; 31

I ! 2

38® ! 37\'
i I i

3« 394

37°
i

37"

37

374

37\'
374

37®

372

374

37°

I 37®
37®
372

37\'
37s

37\'

374

37"

37\'

372

373

374
37®

37®
37s

I

137

I 374
! 378

I

37"

I 37®
1 373
! 373
I

I 37\'
I 37®
! 37®

I

37®

37

374
372
37°

374

37®

374

37

37\'

39\'

38
39«

i

382
391
1-3

39«
i

38®

I

38s

37

37

38
i

372
37®

373
37\'
37s

j I
i 37® ! 38

38\' I
392
378

37\'
38

38»

38 I 378

I i
37" 383

38\' ! 37®
373 I 374
37\' ! 38
I

38 ! 37\'
382 i 37"
i I
4°\' 1 39\'

38®
383
38®

I

37\'
39\'
i

40s
I

39s
38»

38
38s

1.2
405
38\'

I

394

I

39®
39
i

39
384
1.2
39
i

392
38\'

38s
38

38"

38*
37s I

37" j

37° I

37\'

38* 39
38 ! 384
!

37s ! 38\'
38 1 ^82
i I i
38s I 37s

I

37" I 39
37s 1 38s

i

394 I 38" I 38j 39»
37" i 37\' ! 38 382
382 1 37° ! 38s 38\'
38\' I 37\' \' 382 1 38s

! I J I

38s j 39\' j 39" j 40\'1

39 I 38 : 38® I 39°

37s I 37\' I 373 ! 37®

I i i \' i

38 ! 379 j 40 j 391
38® ! 38 1 392 ! 39\'

I 1 ! i

39 I 392 ! 394 ( 39
38s 1 38® I 38\' I 39«
37\' ! 38s
i 38\' ! 38
38» i 38® I 38\' I 393

! ! I i

391 1 384 ! 38\' f 40

Cavalerie 5 jaar aankoop 1908. Geplaatst in Remontestal (loopstal).

-ocr page 462-

Hoef-
nummer

22

23

24

25

26

27

28

29

Datums.
3° j 31

i

____

2

3

4

5

1040

37«

-

-

-

371

1032

37°

37®

37®

372

3S8

382

38®

392

38®

37

3<52

37

318

378

3 7®

37\'

378

38®

37®

-

39

39

38\'

37\'

37®

37®

37\'

312

37\'

37\'

37®

37®

381

37®

39

39

38®

37

37

374

37°

1

i

i

1

1.2

i

i

1

i°43

37\'

37J

38

38

38\'

40\'

_

40

40

39®

372

36»

36®

37®

|

i

i

i

i

i

1042

37"

37\'

37°

372

38\'

38®

38®

382

372

36

37

37®

37®

1017

37

378

381

38

38®

382

39®

39®

I

37\'

37\'

374

37\'

37®

1028

374

37\'

37\'

37®

38®

382

38®


1.2

39

37\'

37

37"

37®

1029

375

37\'

38\'

37

384

38»

_

39

4

39

374

37"

37®

372

1045

37"

37°

38\'

372

38®

39

39®

39\'

I

37®

37®

37

37"

37*

1022

37®

378

38\'

37®

39®

38®

--

38®

39®

38"

37®

37®

374

37"

974

37\'

37\'

37°

372

39®

.38®

40

39®

x

38®

37®

374

37®

373

1038

37®

37"

38

38

392

38\'

_

39\'

40

39\'

38\'

37

382

üi>

373

696

376

37®

37®

37"

38\'

38®

39®

39®

39\'

374

36»

37®

4

37®

1023

37®

378

37\'

38

38\'

37®

38®

39\'

382

384

378

37"

§

37®

1

1.2

i

1

N

1044

37\'

375

37®

37

38"

37®

394

39®
1.2

382

37\'

37\'

37\'
i

fl

37

1050

37\'

37\'

38

38

38\'

38

38\'

39

j

-

_

37

38

a

s

0

37

95«

37®

37"

37®

382

383 | 38

-

38\'

39

37\'

378

37

373

s

37\'

129

378

37\'

37®

37®

38

37\'

38\'

392

-37\'

36«

378

OH

37" i

26 <

37

374

37"

37\'

38®

372

38

38\'

38\'

37

372

372

°

371 I

302

378

37\'

37"

37®

392

38

38®

39®

392

37®

37\'

37®

.s

371 |

3M

37\'

37"

37®

37®

37"

37®

38®

39\'

38\'

37

36®

37®

2

372 !

267

37®

37®

37°

372

37\'

37®

39®

392

i
1

384

378

374

374

.37

271

37\'

37\'

37\'

37®

382

38

38»

1

38®

37\'

37

37®

37®

298

378

37\'

37\'

37"

38\'

372

38

37\'
i

384
1

37\'

T

37®

37"

372

II7

371

371

37®

37®

38\'

37®

39®

40

394

1

37\'

37

37®

37

255

37\'

374

38\'

394

38 ! 382

-

39\'

382

39\'

38

37"

37®

37\' 1

115

37\'

37®

37\'

37\'

38

38\'

39°

39\'

1
1

38

T

37\'

37

37\'

37

29

378

374

37\'

37\'

383

378

_

39

39®

1

38\'

378

3 72

37®

37\' |

32 5

376

37\'

37®

38\'

38®

__

40\'

40

4

37

1

36\'

37\'

372

320

37\'

37\'

37®

37\'

38

37®

_

39

393

x

39

37®

37\'

37®

37"

328

37°

37\'

378

37®

39

38»

40

393

3Q2

.38

37®

37"

372

296

378

37®

37\'

37\'

38\'

3S4

384

39®
1.2

38®

37\'

37®

37*

37®

279

378

374

37\'

38

38

392

39

39

X

38® | 37®

37"

37\'

372

110

37"

37°

37\'

374

37®

37®

__

38\'

38®

38«

37\'-

37®

37\'

37\'

283

373

37

37\'

37\'

37\'

382

38®

39"

39\'

374

37

37®

372

51

37\'

37\'

37®

i

i

i

37"

37®

38

.38\'

38

38«

40

402

38\'

37\'

374

37\'

37\' !

I 1

Cavalerie 5 jaar. Aankoop 1908. Geplaatst in remontestal (loopstal).

-ocr page 463-

Het resultaat dezer entingen was als volgt:

Bij het meerendeel der geïnfecteerde paarden was op den 4den
of 5den dag na de injectie verhoogde temperatuur waar te nemen.

Het incubatiestadium variëerde tusschen 3 en 5 dagen. De
stijging van de temperatuur hield tot op den 6den of 7den dag
aan en bereikte op den 7den of 8sten dag na de injectie het maxi-
mum, om daarna vrij plotseling te dalen, zoodat behoudens enkele
uitzonderingen de temperatuur op den ioden dag na de injectie
normaal was. Bij een io-tal lastige paarden vond de injectie niet
plaats wegens gevaar voor operateurs en helpers. Zij werden
evenwel door de naaststaande paarden geïnfecteerd; de ziekte-
verschijnselen traden echter ongeveer 2 a 3 dagen later op.

Bij enkele paarden slechts vielen buiten de typisch verloopende
thermische reactie geen andere symptomen te constateeren.
Gedurende de temperatuursstijging waren alle paarden soporeus
en viel deze samen met geringen eetlust; bij slechts weinige kwam
anorexie voor. Was de eetlust gestoord, dan verteerde de opgenomen
haver slecht en was de faeces brijachtig, (proctitis). De verdere
symptomen waren catarrhale conjunctivitis, zwelling van de
subcutis der conjunctivae en van de beenen. Bij sommige dieren
traden de eerste, bij andere de tweede symptomen meer op den
voorgrond. Ook afzonderlijk kwamen deze s\\ mptomen voor.

Bij de 5-jarige Iersche paarden, welke het langst in het depot
en dus het meest op krachten waren (aankoop 1907) en die in
de meest gunstig hygiënische conditie verkeerden wat stalling
betreft, was de reactie het geringst. Terwijl deze bij de inlandsche
paarden, die slechts kort in het depót waren, aankoop 1908
(najaar) en Januari 1909, het meest typisch was. Deze paarden
waren minder op krachten en onder minder gunstige h\\ giënische
condities opgestald. De temperatuur bij deze inlandsche paarden
steeg minstens tot 40° C., bij twee was de maximum-temperatuur
41.3 en 41.70 C., terwijl de aandoening van den digestietractus
en van de subcutis van conjunctivae en beenen frappant was.
Bij één dezer inlandsche paarden viel absoluut geen reactie te
constateeren, hetgeen waarschijnlijk aan immuniteit moet toe-
geschreven worden. Bij slechts 12 paarden trad diarrhee op, n.1.
den 7den, 8sten of 9den dag na de enting; deze hield slechts 1
of 2 hoogstens 3 dagen aan (één geval). Bij 3 dezer paarden ging
deze diarrhee gepaard met kolieksymptomen. Een dezer paarden,
N°. 562, dat als koliekrecidivist bekend stond, en de fatale gewoonte
had zich alsdan herhaaldelijk vrij onzacht op den grond te storten,
trad de dood plotseling in, welke bij sectie het gevolg bleek te

-ocr page 464-

zijn geweest van „miltruptuur" (inwendige verbloeding). Een
inlandsch paard, N°. 138, aborteerde, waarvan het geen nadeel
ondervond. Rij een deel der paarden was in zeer geringe mate
heldere vocht-afscheiding uit den neus, druppelgewijs, waar te
nemen.

Bij slechts 12 paarden werd tijdens het verloop der ziekte
„hoesten" waargenomen, terwijl bij 1 paard duidelijk verschijnselen
eener lobaire pneumonie te constateeren waren. Het hoesten en
deze pneumonie werden teruggebracht tot secundaire streptococcen-
infecties, te meer, daar de longaandoening gunstig verliep na
behandeling met pneumostreptococcenserum. Bij één der in-
landsche paarden trad gelijktijdig goedaardige droes op; ook
deze aandoening nam een betrekkelijk abortief verloop (de onder-
kaaksklieren abscedeerden niet) door injecties van goedaardige-
droes serum.

In stal 6 waar 40 oude treinpaarden gestald zijn, deed zich geen
enkel geval van Pferdestaupe voor.

In verband met deze gunstige resultaten is het wenschelijk,
zoodra zich gevallen van typische Pferdestaupe hetzij in militaire
of particuliere stallen (sleepers, tram- en rijtuig maatschappijen,
enz.) voordoen, zoo spoedig mogelijk de verder aanwezige paarden
met bloed van het geïnfecteerde paard subcutaan te enten.

O]) den voorgrond moet echter gesteld worden, dat men de
dieren volkomen rust geven kan. In dat geval is vrijwel alle gevaar
uitgesloten.

Worden bij het uitbreken van de Pferdestaupe alle paarden
geënt, dan zullen deze dieren op denzelfden tijd ziek worden,
doch tevens gelijktijdig weder gezond zijn. Het verloop der ziekte
wordt aldus aanzienlijk verkort; in 14 dagen is herstel ingetreden,
en kan de daaropvolgende desinfectie doeltreffend zijn.

In de garnizoenen zullen de paarden bij zoodanige entingen
niet zoo lang aan den dienst onttrokken worden, want 2 a 3 weken
na het herstel mag men reeds lichten arbeid van de dieren vragen,
en de oefeningen op kalme wijze met hen hervatten. Hiervan
kan geen sprake zijn, als men de enzoötie haar gewonen loop
laat nemen.

Noodzakelijk zijn bedoelde entingen wanneer internationale
verwikkelingen voor de deur staan.

Ook om andere redenen zijn dergelijke entingen zoowel voor
militaire als voor burgerpaarden van groot belang. Van de 600
paarden, die in het Remonte-depót aan ent-Pferdestaupe leden,

-ocr page 465-

kon slechts bij een 12-tal bij zeer nauwkeurige waarneming
„hoesten" en slechts bij één paard een pneumonie waargenomen
worden.

Uit deze waarneming vermeen ik te moeten besluiten, dat aan-
doeningen van de ademhalingsorganen niet tot svmptomen der
Pferdestaupe mogen gerekend worden. Door mij werden deze
aandoeningen beschouwd als complicaties, ten gevolge van de
secundaire inwerking speciaal van streptococcen.

Wijlen de eminente prof. Dieckerhoff deelde de Pferdestaupe
en Brustseuche in, als: influenza catarrhalis en influenza pectoralis,
Met kracht moet ik hiertegen opkomen en wel:
i°. omdat aandoeningen van de ademhalingsorganen niet tot
het normale verloop van de Pferdestaupe behooren;

2°. omdat de Pferdestaupe en Brustseuche aetiologisch geheel
verschillend en klinisch karakteristieke ziekten zijn, welke zonder
complicatie verloopend,
niets met elkaar gemeen hebben. Toch
treft men geregeld in de literatuur mededeelingen aan, waarin het
tegendeel beweerd wordt.

Dat de Pferdestaupe en de Brustseuche zelfstandige, karakte-
ristieke ziekten zijn, blijkt uit het volgende:

Sedert de oprichting van het Remonte-depót in October 1886
is er geen jaar voorbijgegaan of onder de jonge remonte-paarden
trad de borstziekte op.

In stal N°. 4 was gedurende de borstziekte-enzoötie 1908—\'00
voordat de voorloopige proefneming, de actieve immunisatie
tegen de Pferdestaupe plaats vond, nog geen geval van Brust-
seuche voorgekomen. Op den igden Februari geschiedde de enting
met het vermelde gunstige verloop; de geënte paarden waren
op den isten Maart alle weder volkomen normaal. Een maand
later kwam het paard N°. 857 van stal 4 voor Brustseuche in
behandeling, hetwelk 14 dagen later door een 2e geval gevolgd
werd, terwijl gedurende de maand April alsnog 10 paarden aan
Brustseuche leden, in totaal dus 12 van de 25 paarden.

Behalve in stal N°. 4 waren eveneens in de stallen Nos. 8 en
17 vóór de Pferdestaupe-entingen op 22 en 23 Maart geen gevallen
van Brustseuche voorgekomen, gedurende de maanden April—
Juni trad de Brustseuche bij 7 van de 19 in stal 8 en bij 8 van de
21 paarden in stal 17 op. In de stallen Nos. 1, 2, 11, 12, 23, 27 en
30 had de Brustseuche in 1908 geheerscht en waren na 1 Januari
1909 geen gevallen van Brustseuche meer waargenomen, terwijl
in de stallen Nos. 10, 21, 28, en 31 de Brustseuche uitsluitend
gedurende de maanden Januari en Februari 1909 was opgetreden.

-ocr page 466-

Zooals vermeld, leden al de paarden in deze stallen na de entingen
op 20—24 Maart aan tvpische Pferdestaupe. Daar in den aanvang
van Maart geen nieuwe gevallen van Brustseuche voorkwamen,
vermeende collega Dr.
Gallandat Huet, die met den veteri-
nairen dienst in het Remonte-depot was belast, dat de Brust-
seuche-enzoötie 1908—\'09, waarschijnlijk als geëindigd kon worden
beschouwd, niettegenstaande de Brustseuche in de stallen 4—8
nog niet opgetreden was. In verband hiermede vonden de Pferde-
staupe-entingen op 20—24 Maart bij zeer gunstige weergesteld-
heid (helder vriezend weer, plaats. De Brustseuche-enzoötie
bleek niet geëindigd en zooals reeds gemeld deden zich verschillende
gevallen van Brustseuche gedurende de maanden April—Juni
in de stallen 4, 8 en 17 voor. Doch ook in de stallen 18, 20, 23, 25,
26 en 29 kwamen na de Pferdestaupe-entingen in de maanden
April—Mei en Juni alsnog verscheidene paarden voor Brustseuche
in behandeling, zooals uit de volgende opgave blijkt:

Stal
nummers

Aantal
paarden

Aantal paarden, welke vóór
de PfeTdestaupe-entingen
aan Brustseuche leden

Aantal Brustseuche-geval-
len na de Pferdestaupe-
entingen.

18

32

7

6

20

25

16

3

23

17

8

4

25

30

14

3

26

25

11

3

29

38

16

6

Hieruit blijkt dus, dat de Brustseuche en de Pferdestaupe
twee zelfstandige ziekten zijn.

Een feit is het evenwel, dat de Pferdestaupe praedisponeert
tot ziekten van de ademhalingsorganen en het is voornamelijk
hieraan, dat de herhaalde verwarring dezer beide ziekten moet
toegeschreven worden.

Als bewijs hiervoor haal ik de volgende waarnemingen aan.

In 1908 kwamen in de omgeving van Ede verschillende gevallen
van Pferdestaupe voor. Volgens mededeeling van collega
Abspoel
stierven vier patiënten ten gevolge van pneumonie, wegens te
laat inroepen van veterinaire hulp. Drie dezer paarden deden
dienst bij voerlieden; één was landbouwpaard. Met deze vier paar-
den was geregeld gewerkt.

Daar toen te Ede geen veearts gevestigd was, oefende collega

-ocr page 467-

Abspoel er praktijk uit. Hieraan was het te danken, dat hij deze
gevallen van Pferdestaupe kon melden aan den Inspecteur van den
Geneeskundigen dienst der Landmacht, hetgeen van groot belang
moest heeten, aangezien hiermede rekening kon gehouden
worden bij de inkwartiering van troepenpaarden tijdens de aan-
staande legeroefeningen in de omgeving van Ede.

Poels deed gedurende den strengen winter 1890—\'91, tijdens
het heerschen der Pferdestaupe te Rotterdam, de volgende in-
teressante waarneming. Het vervoer te water was gestremd wegens
het dichtliggen van de Maas, zoodat eene groote hoeveelheid
goederen zich ophoopte en de sleepers met werk overladen waren.
Om deze redenen was het niet mogelijk den aan Pferdestaupe-
lijdende paarden de noodzakelijke rust te geven. Niettegenstaande
ernstige waarschuwing om de zieke paarden geen dienst te doen
verrichten, kon de eigenaar, meerendeels door nood gedwongen,
dit advies niet opvolgen. Het gevolg was, dat de paarden ± 3 a
dagen later aan een acute pneumonie succombeerden. Hetzelfde
lot ondergingen binnen 8 dagen de nieuwkoopen, welke de ge-
storven paarden vervingen en die in denzelfden stal geplaatst
waren, ofschoon ook hiertegen gewaarschuwd was. Het aantal
paarden, dat op deze wijze gedurende deze Pferdestaupe-epidemie
verloren ging, was legio.

Kan men den Pferdestaupe-patiënt de noodzakelijke rust geven,
dan is deze ziekte beslist goedaardig. Dit blijkt duidelijk uit de
resultaten der Pferdestaupe-entingen in het Remonte-depot en
uit de militair veterinaire statistieken der verschillende landen.

Het verliesprocent bedraagt slechts 0.5%, hetgeen voornamelijk
te danken is aan het spoedig stopzetten van den dienst en het
plaatsen in de buitenlucht (bivakkeeren).

Tot dit verliesprocent dragen in hoofdzaak bij de paarden, die
het eerst geïnfecteerd worden en wel: x°. door het niet tijdig con
stateeren der enzoötie en
2°. door het niet tijdig uit dienst nemen
van een geïnfecteerden patiënt.

Meestal heeft plotseling succombeeren plaats, ten gevolge van
eene secundaire pneumonie. Eerst na een zoodanig sterfgeval
en het ziek worden van meer paarden, wordt de ziekte „ontdekt".

Ook hiervan zijn mij voorbeelden in garnizoenen bekend. Treedt
in het verloop der Pferdestaupe of spoedig na herstel dezer ziekte
eene secundaire longaandoening op, door het dier te spoedig in
dienst te nemen bij ongunstige weersgesteldheid, dan moet de
prognose ongunstig gesteld worden, tenzij tijdig veterinaire
hulp ingeroepen wordt en door aanwending van serum de long-

XLI 25

-ocr page 468-

aandoening kan bestreden en tot staan gebracht worden. Voor
verreweg het grootste gedeelte moeten deze secundaire longaan-
doeningen op rekening der pneumoniestreptococcen gesteld worden.

Krijgt men nu een zoodanigen patiënt in behandeling en zijn
de tvpische Pfeidestaupe-svmptomen, als zwelling oogleden,
ptosis, conjunctivitis, zwelling van de subcutis der onderbeenen
niet meer waarneembaar, dan is klinisch een onderscheid met de
borstziekte (Brustseuche) moeilijk, vandaar dat in de practijk
secundaire Pferdestaupe pneumonie meermalen als Brustseuche
gediagnostiseerd wordt. Vaker wordt evenwel gebruik gemaakt
van den verzamelnaam ,,influenza", waarmede, mits niet nader
aangeduid met de toevoeging Pferdestaupe of Brustseuche, men te
kennen geeft, dat men niet in staat is eene juiste diagnose te stellen.

Ook onze voorschriften, betreffende den Militair Veterinairen
Dienst bij het leger in tijd van vrede waarin slechts van „influenza"
sprake is, verdienen in dit opzicht dringend wijziging. De nadere
vaststelling eener juistere benaming van beide ziekten op het
aanstaand Internationaal Veeartsenij kundig Congres te Londen
lijkt mij dan ook zeer gewenscht. Experimenteel is het
mogelijk beide ziekten nader te definiëeren. Daar de Pferdestaupe
in haar wezen eene
bactcriaemie is — - het ultravisibele virus be-
vindt zich in de bloedbaan — en de Brustseuche eene
tuxicaemie
is, (het is absoluut onmogelijk met bloed afkomstig van een Brust-
seuche-patiënt deze ziekte over te brengen), kan mijns inziens
langs evperimenteelen weg, door subcutane of intraveneuse enting
van enkele ccm. bloed, al dan niet gefiltreerd door een bougie
nadere uitkomst verkregen worden, mits gedurende de secundaire
longaandoening tijdens het verloop der Pferdestaupe, het circu-
leerend bloed alsnog Pferdestaupe-virus bevat.

Ten opzichte der troepenpaarden en meer speciaal voor de jonge
remonte-paarden zijn de Pferdestaupe-entingen van groot belang.
Zooals reeds door mij vermeld werd, heeft PoELS meermalen in
de stallen van de Rotterdamsche Tram-Maatschappij waarge-
nomen, dat onder de nieuwkoopen de „Pferdestaupe" uitbrak,
wanneer zij naast paarden gestald werden, die maanden geleden
aan Pferdestaupe geleden hadden. Aan deze waarneming hecht ik
in verband met de Pferdestaupe-entingen bij de jonge remonte-
paarden groote waarde.

Na nauwkeurige inlichtingen is mij met absolute zekerheid
gebleken, dat met uitzondering der
Pferdestaupe-entingen in
Februari en Maart 1909 de Pferdestaupe gedurende de laatste
12 jaren niet in het Remonte-depot geheerscht heeft.

-ocr page 469-

In de maanden Augustus en September worden jaarlijks ±_ 450
paarden aan de verschillende regimenten en depots afgeleverd.
Tal van bewijzen zijn voorhanden, dat de voor Pferdestaupe niet
immune jonge remonte-paarden enkele weken na aankomst in
de garnizoenen begonnen te lijden aan de Pferdestaupe en zoo-
doende aanleiding gaven tot het optreden van eene epidemie
welke als het ware abortief verliep, naar gelang de oudere paarden
voor 2 a 3 jaren (en meer) aan Pferdestaupe lijdende geweest
waren. In 1907 te Bergen-op-Zoom in garnizoen zijnde, deed ik
eene zoodanige waarneming. Ongeveer 40 paarden werden direct
na aankoop bij den fokker naar Bergen-op-Zoom gedirigeerd,
voor de oprichting eener nieuwe batterij. Enkele weken na aan-
komst trad de Pferdestaupe heerschend bij deze jonge paarden op.
Onder hetzelfde dak van den stal dezer paarden, niet door muren
totaal geïsoleerd, bevonden zich de paarden eener andere batterij,
welke ongeveer voor 3 jaren te \'s Hertogenbosch aan Pferdestaupe
geleden hadden. Ten gevolge van het gezamenlijk optreden van
Pferdestaupe en goedaardige-droes was het verloop der enzoötie
onder de jonge paarden vrij ernstig en succombeerden 3 dezer
paarden aan secundaire pneumonieën. Het verloop der Pferdestaupe
onder de oudere paarden van de andere batterij was zeer gunstig,
hetgeen moest toegeschreven worden aan bestaande gedeeltelijke
immuniteit. De temperatuursstijging bedroeg maximum 1.50 C.
boven de normale temperatuur, terwijl gestoorde eetlust, zwelling
van de oogen en van de subcutis der onderbecnen slechts gedurende
i of 2 dagen in geringe mate, afzonderlijk of gezamenlijk voor-
kwamen.

Is het nu niet merkwaardig, dat juist in het najaar van 1909
en 1910, tijdens de aflevering van de jonge remonte-paarden,
die aan ent-Pferdestaupe in het Remonte-depot geleden hadden,
in de verschillende garnizoenen geen Pferdestaupe-enzoötiën
zijn voorgekomen?

Nauwelijks zijn in 1911 in de maand Augustus aan het corps
Rijdende Artillerie te Arnhem jonge remonte-paarden afgeleverd,
of enkele weken later heerscht er onder de troepenpaarden Pferde-
staupe. Te meer opmerkelijk, daar zich onderscheidene gevallen
dezer ziekte bij burgerpaarden hebben voorgedaan. Deze gevallen
bevestigen mijns inziens de wenschelijkheid om de jonge remonte-
paarden, tijdens hun verblijf in bet Remonte-depót, met ent-
Pferdestaupe te infecteeren.

Volledigheidshalve dient nog de vraag beantwoord te worden:
welke tijd leent zich daartoe het best? Het antwoord op deze vraag

-ocr page 470-

moet luiden: zoo spoedig mogelijk na aankomst der paarden in
het Rèmonte-depót, en wel om de volgende redenen:

i°. omdat alsdan nog minstens één geheel jaar rest om te dieren
op kracht te brengen en in gunstige conditie te kunnen afleveren.

Overbodig zal het zijn nader te zeggen, dat de Pferdestaupe
jonge, slappe individuen flinker aanpakt, zoodat men deze minstens
gedurende 8 weken na het gezamenlijk herstel der ziekte absoluut
moét sparen, en

2°. ter voorkoming van recidieve der peesscheede-ontstekingen,
welke bij bepaalde borstziekte- (Brustseuche-) patiënten optreden,
m.a.w. de Pferdestaupe moet voorafgaan aan de borstziekte,
welke in het Remonte-depot te Milligen jaarlijks enzoötisch
heerscht. Niet alleen recidieve van peesscheede-ontstekingen,
doch ook .recidieve van voorafgaande acute ontstekingen van
andere serosae, als bursitis en arthritis door kneuzingen, kwamen
na de Pferdestaupe-entingen voor. Al deze aandoeningen bleken
echter zeer goedaardig, en kwamen door rust en de applicatie
van broeiverbanden spoedig tot genezing, zonder nadeelige ge-
volgen achter te laten. Om deze redenen is het gewenscht de
Pferdestaupe-entingen aan het optreden der borstziekte (Brust-
seuche) te doen voorafgaan.

In verband met vorenstaande meen ik dergelijke Pferdestaupe-
entingen in Remonte-depóts ten zeerste te moeten aanbevelen.
Ook om dezelfde redenen blijf ik dit zeer wenschelijk achten bij
het optreden van de Pferdestaupe in sleepers-, tram-, en rijtuig-
maatschappijstallen, doch moet ik tot voorzichtigheid aanmanen
in fokcentra met het oog op het verwekken van actieve smetstof-
dragers, al is dit gevaar mogelijk ook zeer gering.

Wellicht kan de toekomst leeren, dat die vrees ongegrond is,
en dat met eene dergelijke methode, het subcutaan enten van
enkele ccm. bloed of blaarinhoud, al of niet verdund met physio-
logische keukenzoutoplossing, een positief resultaat kan verkregen
worden ter bespoediging van het verloop eener mond- en klauw-
zeer-enzoötie. Van i Febr. tot en met Maart 1909 vonden de Pferde-
staupe-entingerr bij ±_ 600 remonte-paarden plaats. Ongeveer 6
maanden later arriveerden 550 jonge paarden uit alle deelen des
lands en uit het buitenland (Ierland). Bij geen enkel dezer paarden
trad de Pferdestaupe op. De kans tot het verwekken van smet-
stofdragers is dus waarschijnlijk niet zoo groot, te meer, daar ook
in de literatuur ten opzichte van hengsten slechts een betrekkelijk
gering aantal waarnemingen vermeld is. Ook in verband hiermede
kan de kunstmatige infectie van remonte-paarden bij aankomst

-ocr page 471-

in Remonte-depóts en bij beginnende enzoötiën onder militaire
en burgerpaarden aanbevolen worden.

Uit vorenstaande onderzoekingen is gebleken:

i°. Het virus der InHuenza catarrhalis (Pferdestaupe) is
ultravisibel. Met het door bougies gefiltreerde bloed zoowel van
kunstmatig, als natuurlijk geïnfecteerde paarden kan de
Pferdestaupe overgedragen worden.

2°. Het virus der Influenza catarrhalis (Pferdestaupe) kan
gedurende langen tijd, zelfs 3 jaren lang, in de zaadblaasjes van
een in alle opzichten gezonden hengst levensvatbaar blijven, en
wel in zoodanigen vorm, dat de hengst in staat is andere paarden
(maar dan\'ook uitsluitend) tijdens het dekken te infecteeren.

30. De gedekte merrie infecteert na de ontwikkeling der ziekte
op gewone wijze de verdere paarden van den stal.

40. De infectie van paard op paarden geschiedt niet door z.g.
„Zwischenträger".

50. Bij kunstmatige infectie bedraagt het incubatie-stadium
3—5 dagen.

6°. Het virus (virulent bloed) ,bij kamertemperatuur bewaard,
verliest zijn virulentie in
± 3 maanden.

70. Het verloop der ent-Pferdestaupe is goedaardig (uitgezonderd
bij veulens en drachtige merriën). In normale omstandigheden
treedt in 10-12 dagen herstel op.

8°. Ter bespoediging eener Pferdestaupe-enzoötie is gcwenscht
zoo spoedig mogelijk alle paarden, uitgezonderd hengsten en
fokmerriën, van denzelfden stal kunstmatig te infecteeren, mits
de noodige rust kan gegeven worden.

90. Het is zeer gewenscht, remonte-paarden zoodra mogelijk
na hun aankomst in Remonte-depóts kunstmatig met virus der
Pferdestaupe te infecteeren.

io°. De Pferdestaupe moet niet worden gerekend tot de ziekten
der ademhalingsorganen; zij praedisponeert echter tot secundaire
aandoeningen daarvan.

-ocr page 472-

Veterinaire Vraagstukken,

DOOR

K. HOUBA.

Komende lot de oorzaken van den algemeenen achterstand en
de practische ondoelmatigheid van de regeling van het Veeartsenij-
kundig Staatstoezicht bij de steeds toenemende eischen tot aan-
passing aan de practisch-sociale en -sanitaire behoeften en ver-
langens, durf ik met volle overtuiging vooropstellen, dat deze
vooral en op de eerste plaats gelegen zijn in de geringe belangstelling,
welke men ten opzichte der veeartsenijkunde in Regeeringskringen
heeft gekoesterd.

Nu zij het mij na deze generaliseering der oorzaken vergund,
terstond op te merken, dat er eene kentering ten goede in dien
toestand schijnt gekomen te zijn en dat men eindelijk is gaan
inzien, dat door eenvoudige veronachtzaming en terzijdestelling
van alle eischen op veeartsenij kundig gebied, een zóó gevaarlijke
toestand wordt geschapen, dat met recht aan de goede werking
van dat Staatstoezicht mag worden getwijfeld. Niettemin mag mij
dat niet weerhouden op deze wondeplek den vinger te leggen en
te trachten aan te toonen, dat er, niettegenstaande die veranderde
inzichten en wijziging van denkbeelden, toch nog gevaar bestaat,
dat men zich in Regeeringskringen niet genoeg zal weten te ont-
rukken aan die oude banden en nog geen onbenevelden blik zal
kunnen slaan op wat reeds zoo lang bleek wensch of behoefte te
zijn.

Te lang immers heeft die geringe belangstelling bestaan en te
lang hebben landbouw-, zuivel-, melk-, veeteelt en andere
specialiteiten een te grooten invloed ook op sanitair terrein kunnen
uitoefenen, dan dat men zich thans op eenmaal volkomen bewust
kan worden van de fundamenteele ontwrichting van dat Staats-
toezicht.

Te lang hebben oeconomische factoren dat Staatstoezicht
beheerscht en haar geleid in banen, waar door aanpassing daarvan
speciale landbouwbelangen waren te behartigen, doch waar die
verderfelijke aanpassing alle veterinair-sanitaire factoren moest
smoren, dan dat nu plotseling het volle begrip en de volle omvang
dier ontwrichting zou zijn doorgedrongen.

Voeg daarbij het feit, dat het veterinair element zoolang aan de
betrekkelijke afdeeling van het Departement van Landbouw heeft

-ocr page 473-

ontbroken en de wenschen van de met het Veeartsenij kundig
Staatstoezicht belaste ambtenaren in den bureaucratischen omme-
gang door ter zake meestal ondeskundige ambtenaren moesten
worden bewerkt en geschift en het zal velen duidelijk zijn, dat
daaruit gemis aan belangstelling voor naar hunne meening schijn-
baar ideëel sanitaire belangen moest voortspruiten tegenover
tastbaar oogenblikkelijke oeconomische voordeelen.

Is het niet van algemeene bekendheid, dat de afdeeling, waar-
onder de veterinaire dienst ressorteert, dat gebrek aan belang-
stelling treffend heeft geïllustreerd, door uit hare bureaux ver-
wijderd te houden de mannen der veterinaire wetenschap, de
veeartsen en dat men zelfs, toen er sprake was van een Inspecteur
van den Veeartsenijkundigen Dienst, in en buiten de Kamer met
klem er op heeft moeten aandringen, dat die Inspecteur zou zijn
een veterinair ontwikkeld man, een gediplomeerd veearts, daar
men zeer goed wist, dat men daarvoor reeds een landbouwspeciali-
teit op het oog had.

En is het ten slotte niet opmerkelijk, dat zelfs thans, nu er
sprake is van een ontwerp wet op den Veeartsenijkundigen Dienst
en van een ontwerp wet vee- en vleeschkeuring, men onder de
mannen der veterinaire practijk wederom stemmen hoort opgaan,
welke komen aandringen op het vastleggen in de wetten, dat de
betreffende ambtenaren met de uitvoering dier wetten belast,
veeartsen behooren te zijn.

Iets wat zelfs een leek zoo van zelf sprekend, zoo natuurlijk
zou vinden, dat wordt op het Departement van l andbouw nog
lang niet als eene noodzakelijkheid ingezien en er wordt daar
van de veronderstelling uitgegaan, dat ook een landbouwspecialiteit
die specifiek veterinaire aangelegenheden best zou kunnen be-
disselen.

Nu zij het verre van mij te beweren, dat deze geringe belang-
stelling het gevolg is van geringschatting of mindere waardeering
van de werkzaamheden der met het Staatstoezicht belaste ambte-
naren en den wetenschappelijken arbeid der veeartsen in het
algemeen, doch verschillende factoren, behalve de reeds voormelde,
wijzen toch daarop.

Immers de omstandigheid, dat men in het veeartsenijkundig
verband reeds sedert lang van regeeringswege heeft ingevoegd
en met den gediplomeerden veearts gelijkwaardig tracht te ver-
klaren, de zoogenaamde veeopzichters, keurmeesters en andere
wetenschappelijk on- en minontwikkelde personen, aan wien men
de uitvoering van meerdere maatregelen en werkzaamheden van

-ocr page 474-

verschillende beteekenis poogt op te dragen, wijst daarop ontegen-
zeggelijk.

Ja, zelfs wordt beweerd, dat de Regeering voornemens zou zijn,
die ambtenaren in het
wettelijk verband (— den Veeartsenijkundigen
Dienst —) op te nemen en aan hen naast de veeartsen de uitvoering
van dien Dienst bij de wet op te dragen, zonder eenige nadere
preciseering van beider werkkring, of toekenning van meer of
mindere rechten; dat men derhalve deze beide categoriën ambte-
naren op gelijken trap wenscht te stellen en voor alle wetenschappe-
lijk onderzoek ook den ondeskundige bevoegd verklaart.

Er zijn zeker werkzaamheden, welke evengoed, wellicht voor-
deeliger door een veeopzichter dan door den districtsveearts of
zijn plaatsvervanger kunnen geschieden (men behoeft slechts te
denken aan voortdurend politietoezicht op quarantainestallen,
op ontsmetting, enz.), doch dan behoort de districtsveearts of zijn
plaatsvervanger toch in ieder bijzonder geval te beoordeelen, of
een opzichter zal worden belast met bepaaldelijk door hem aan te
geven werkzaamheden, welke zeker niet mogen bestaan in des-
kundig onderzoek of dergelijke.

Want het zal toch wel een ieder duidelijk zijn, dat de weten-
schappelijk ontwikkelde man in ieder bijzonder geval zal dienen
te beoordeelen, of en in hoeverre medehulp van niet-deskundigen
mag worden toegelaten.

Wil echter de Regeering den veeopzichter plaatsen naast den
veearts, en hem daaraan gelijkwaardig stellen, dan ware het te
wenschen, dat de veeartsen spoedig daartegen een woord van
ernstig protest deden hooren.

Dat van Regeeringswege zoo lange jaren en op zoo onverant-
woordelijke wijze — niettegenstaande alle daartoe door belang-
hebbenden en deskundigen gedane vertoogen — de opleiding
der veeartsen is verwaarloosd, wijst eveneens op mindere waar-
deering van den veearts in het algemeen.

En zelfs thans, nu de berg zal gaan baren en aan de veterinaire
wetenschap nieuwe levenssappen wil gaan toevoegen, wijzen alle
voorteekenen op eene misgeboorte, op eene nietige „rediculus
mus".

Immers vastkoppeling van het veeartsenij kundig- met het
landbouw-hooger onderwijs is een stap verder op den verkeerden
weg, welke ik zoo even reeds heb aangeduid, een gevolg te meer
van den buitensporig grooten invloed, van alles wat landbouw-
specialiteit is, op een gebied, dat verre buiten hun bereik gelegen is.

Zoo komt het, dat de wetenschap, waarvan de landbouw langen

-ocr page 475-

tijd de profijten heeft getrokken, zich thans in hare vlucht beperkt
ziet, nu men — tot het inzicht gekomen zijnde, dat zij niet alleen
landbouwbelangen te dienen, doch ook meer sanitaire belangen
te behartigen heeft — haar desondanks in die oude banden wil
blijven kluisteren en haar de vrijmaking van die lijfeigenschap
tracht te betwisten.

En is het nu te verwonderen, dat daar stemmen opgaan, die
luider en luider om de vrijmaking roepen en die wenschen, dat de
Veeartsenij kundige Dienst worde ondergebracht naar een ander
Departement dan dat van Landbouw, hetwelk den ruimen blik
mist, het Veeartsenij kundig Staatstoezicht ook in een ander
daglicht dan dat van de landbouwspecialiteit te beoordeelen.

Zelfs de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel sprak
bij de behandeling der Staatsbegrooting in 1910 in de Tweede
Kamer de gedenkwaardige woorden, dat men — om de quaestie
der tuberculose te begrijpen — een studie moest gemaakt hebben,
,,die niet zeer compatibel is met den overigen arbeid van het
Departement".

Het allereenvoudigste voorbeeld levert daarvan wel de nieuwe
maatregel omtrent de tuberculose, alom geprezen als paedago-
gische maatregel bij uitnemendheid, alom verdedigd als de grond-
slag, waarop verder de tuberculose voet voor voet en volgens vaste
lijn uit den stal verdreven kan worden.

Ja van landbouwstandpunt meer speciaal van het standpunt
van den fokker beschouwd, een goede maatregel (althans in theorie)
maar waar blijft het toezicht op de door de tuberculose aangetaste
koeien van den gewonen boer, die dagelijks ten nadeele der volks-
gezondheid zijne melk in onze huizen aflevert?

Waar is in die landbouw-paedagogische maatregel de sanitaire
zijde te bespeuren, welke toch, dunkt mij, zwaarder moet wegen?
En wat geeft het al, of na lange jaren — want het zal jaren duren,
eer die paedagogische maatregel zijn volle werking zal ontplooien
kunnen — de tuberculose van onze stallen is geweerd, als dan
onze volksgezondheid een onherstelbaren knak heeft gekregen,
en onder onze bevolking de tuberculose woedt?

Zoolang het Departement van Landbouw zich niet kan opwerken
tot de hoogte, waarop ook die zijde van het veterinair vraagstuk
is te overzien, zoo lang moeten hare maatregelen noodwendig
dien gewichtigen factor verwaarloozen en daardoor hunne algemeene
werking beïnvloeden en verzwakken.

Waar men de uitvoering der wet op de vleeschkeuring wil toe-
vertrouwen aan het Departement van Binnenlandsche Zaken,

-ocr page 476-

waartoe zeker ook het Veeartsenij kundig Hooger Onderwijs zal
moeten behooren, daar zou het zeker aanbeveling\' verdienen,
het geheele Veeartsenijkundig Staatstoezicht onder te brengen,
te meer, daar onder dat Departement eveneens ressorteert de
algemeene volksgezondheid.

Zoodoende zal ook den Veeartsenijkundigen Dienst een ruimere
plaats worden toegekend en beter verband kunnen gezocht
worden tusschen dien Dienst en de Volksgezondheid.

Het denkbeeld is niet nieuw, zooals men weet, doch de gelegen-
heid is thans geschikt om daarop met kracht aan te dringen, nu
het samenstel der wetten betreffende den Veeartsenijkundigen
Dienst in bewerking is en ontwerpen daarvan spoedig te verwachten
zijn.

Gekomen aan het einde mijner oppervlakkige beschouwing van
de verschillende vraagstukken, welke thans in veeartsenij kundige
kringen belangstelling wekken, zij het mij vergund er op te wijzen,
hoezeer het noodig is, dat de mannen der praktijk die belangstelling
ook naar buiten trachten te wekken.

Immers, het is bekend, dat in onze vertegenwoordigende lichamen
niet genoegzaam deskundige mannen aanwezig zijn, die de
Regeering de noodige voorlichting kunnen verschaffen om de
bij uitstek deskundige eischen naar voren te brengen.

Daar is het evenwel plicht der veeartsen, vrijmoedig hun
practische ondervinding in het licht der wettelijke bepalingen te
stellen en meer en meer trachten duidelijk te maken, dat de Regee-
ring niet langer mag talmen de eischen en verlangens der veeartsen
meer recht te doen wedervaren, indien zij wenscht de goede werking
der wet te handhaven.

Niet alleen de verslagen der districtsveeartsen, die immers
slechts het wettelijk gevorderde kunnen vermelden, moeten der
Regeering tot basis dienen, doch ook alles, wat in de veterinaire
praktijk buiten die wettelijke bepalingen om wordt nagestreefd,
tot betere voorziening in het oeconomisch en sanitair belang van
den veestapel.

Als mijne korte en oppervlakkige beschouwingen er toe mochten
leiden, dat meerdere collega\'s vrijmoediger naar de pen grepen
om hun gegevens omtrent werking onzer verschillende wettelijke
bepalingen en hun denkbeelden aangaande nieuwe banen, welke
voor het Veeartsenijkundig Staatstoezicht kunnen worden geopend,
te verwerken, dan is het doel bereikt, hetwelk ik mij bij het schrijven
dezer verhandeling heb gesteld.

-ocr page 477-

Bij nadere beschouwing van het vraagstuk is mij gebleken, dat
het verkieslijker en verstandiger is, de netelige quaestie der Vee-
verzekering in een nader, afzonderlijk artikel te behandelen.

Maastricht, Februari 1914.

Boekaankondigingen.

Veterinarhygiene, Grundriss der Gesundheitspflege und Fütterungslehre de Land
wirtschaftlichen Haussaügetiere von
Prof. Dr. Martin klimmer-Dresden
2te Auflage.

Toen in 1907 de eerste druk van dit boek verscheen wees ik er reeds op, dat na
het werk van
Dammann slechts enkele en dan nog veelal onvolledige of eenzijdige
werken het licht zagen, doch dat
Klimmer nu een handboek leverde, goed van in-
deeling en inhoud en bijgewerkt tot op den tegenwoordigen tijd. Een geregeld ge-
bruik van het boek heeft mijn aanvankelijke meening bevestigd,
Klimmers boek
is goed doorwerkt, al moge het aantal feiten en waarnemingen minder groot zijn
dan in
Dammann\'s Gesundheitspflege.

Deze tweede druk is een,,verbeterde en vermeerderde".De verbetering zit vooreerst
in het aanbrengen van een groot aantal voor een belangrijk deel nuttige en goede
afbeeldingen en verder in het opnemen van wat de laatste jaren voor nieuws op
hygiënisch gebied brachten. De vermeerdering van den text is mijns inziens niet
bijzonder gelukkig. Zonder dat het boek veel grooter mocht worden heeft
Klimmer twee hoofdstukken toegevoegd, „Untersuchung der Futtermittel"
en ,,Infections- und Invasionskrankheiten." Het eerste had dunkt mij, wegge-
laten kunnen worden, omdat men aan een beschouwing over het onderzoek alleen
wat heeft, als alles uitvoerig wordt nagegaan. Dit hoort echter niet thuis in een
werk over „Veterinarhygiene." Het hoofdstuk over besmettelijke en parasitaire
ziekten, neemt 25 pagina\'s in; dit alleen doet reeds zien. hoe kort en beknopt dit
uitvoerige onderwerp behandeld moest worden. Door dit nieuwe hoofdstuk is het
boek vollediger geworden, doch voor veeartsen heeft een dergelijke behandeling
geen nut.
 Kroon.

Veterinaire Studenten Almanak 1914. 28ste Jaargang. Uitgegeven door het
Veterinaire Studentencorps „Absyrtus".

Ik kan beginnen met te zeggen, dat de redactie er in geslaagd is een almanak
samen te stellen, welke zich, zoowel wat vorm als inhoud betreft waardig aansluit
aan de reeks zijner voorgangers. De taak der redactie is geen gemakkelijke toch
hebben de heeren J. v.
d. Hoeden, \\V. F. G. van Capelle, G. van der Most.
F. W. K. de Moulin en H. R. H. Hofstra deze glansrijk volbracht. Hartelijk
wensch ik hun geluk met het verkregen resultaat.

De portretten van Prof. Dr. D. A. de Jong, Dr. M. C. Dekhuijzen, J. C.
van Effen en de Senaat van het veterinair studentencorps „Absyrtus" en een

-ocr page 478-

groot aantal aardige teekeningen en vignetten van J. v. d. H. en D. K. doen direct
bij het doorbladeren van het boek zien, hoeveel werk van het geheel gemaakt is.
De reproductie der foto\'s alleen zou, dunkt mij, nog mooier kunnen zijn. Wat de bij
de portretten gegeven biologiën betreft wil ik opmerken, dat de redactie deze steeds
moet doen samenstellen door personen, die geheel bekend en thuis zijn op het weten-
schappelijk terrein waarop de besprokene gewerkt heeft.

De vele rubrieken heeft de redactie nog weten aan te vullen, in de eerste plaats
met een overzicht van de troonsopvolging, waarmede zoogoed als niemand op de
hoogte is, en ten tweede met een hoofdstuk „Titulatuur," dat menigeen dikwijls
zal raadplegen.

De verslagen der vereenigingen doen zien, dat de meeste in een tijdperk van
bloei verkeeren. Het zou mij te ver voeren ze afzonderlijk te bespreken, toch wil
ik opmerken dat ik het wat Demosthenes betreft geheel eens ben met de opmer-
king het vorig jaar in de beoordeeling van de almanak in dit tijdschrift gemaakt,
dat Herkules, die een vorig jaar scheen te zullen herleven weer ingeslapen is, zij het
dan wellicht niet voor goed en dat twee nieuwe vereenigingen de dam- en schaak-
vereeniging „Hermes," en de veterinaire kegelclub ,, Duim in \'t gat" verslag geven
van hunne werkzaamheden.

In de terugblik over het jaar t Sept. 1912—i Sept. 1913 worden hier en daar
verbeteringen in overweging gegeven, welke naar wij hopen niet zullen uitblijven.

De vele andere bekende rubrieken zijn zooveel mogelijk aangevuld en verbeterd;
vooral betreffende de veeartsen in N.O. Indié vonden wij meer dan in vorige al-
manakken.

Het mengelwerk en de varia moeten aantoonen, dat de geest nog steeds vaardig is
onder de studenten. Het ligt hier niet op mijn weg om verzen en proza te beoor-
deelen, ik wil alleen zeggen dat men dit gedeelte met genoegen doorleest. Niet-
tegenstaande het studenten-maandblad steeds gevuld is, ook met letterkundige
bijdragen, blijft de almanak voldoende medewerking houden. Enkele van de be-
kenden vindt men in iederen almanak weer.

Als ik ten slotte den geheelen almanak nog eens doorblader, verwondert mij een
ding, en wel, dat nog zoovele veeartsen niet geabonneerd zijn op dit jaarboek.
Wij hebben geen Nederlandsch jaarboekje voor veeartsen geen veeartsenijkundige
(of wel men dierengeneeskundige of veterinaire) kalender zooals men die in andere
landen kent en waarin de veearts vele gegevens vindt, welke hij noodig heeft, de
veteriniare studentenalmanak echter vult deze leemte op uitstekende wijze aan. De
veearts, die meeleeft met zijn tijd, die belang stelt in zijn collega\'s en hun streven
vindt in dien almanak zeer veel. Niet alleen voor den student is de almanak on-
misbaar; ook voor den veearts is hij nuttig. Ieder veearts abonneere zich, het in aan-
raking blijven met de jeugd brengt nog het groote voordeel mee, dat dikwijls
een deel van haar frischheid op den andere overwaait.

Kroon.

-ocr page 479-

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Mededeelingen.

Het Hoofdbestuur heeft de eer te berichten dat voortaan de
geheele leiding in zake „vervolgcursussen voor veeartsen" is
opgedragen aan den onder-voorzitter, Dr. D. L.
Bakker, districts-
veearts te Alkmaar.

Namens het Hoofdbestuur:
de ie Secretaris,
H. A. Vermeulen.

Het Hoofdbestuur brengt ter kennisse van de leden dat, naar
aanleiding van een aanklacht, bij schrijven van 2 Februari 1914,
door de Afd. Noord-Holland bij het Hoofdbestuur ingediend tegen
het lid der Maatschappij H.
W. Schiphorst, veearts te Alkmaar,
op 14 Maart 1914 te Utrecht eene vergadering is gehouden, over-
eenkomstig Art. 15 van het Huishoudelijk Reglement,

dat op deze vergadering genoemde aanklacht gegrond bevon-
den is,

dat, dientengevolge, overeenkomstig het bepaalde in Art. 15
van het Huishoudelijk Reglement, sub c, het lid der Maatschappij
H. W.
Schiphorst te Alkmaar als zoodanig is geschorst voor den
tijd van één jaar, ingaande 14 Maart 1914 en aldus eindigende
op 13 Maart 1915.

Namens het Hoofdbestuur:

P. K. Hou ba, Voorzitter.

H. A. Yermeui.en, ie Secretaris.

Bedankt als lid van de Maatschappij: H. W. Schiphorst te
Alkmaar.

Mededeelingen van de Redactie.

Een regeeringsopdracht.

Verleden jaar zijn van de bokken en geiten van het fokstation
van de Vereeniging tot verbetering van het Geitenras in Zeeland,
te Serooskerke (Walcheren) verschillende exemplaren overleden
aan de wormziekte. Daar deze ziekte ook voorkomt in verschillende
deelen van Duitschland, als Sleeswij k-Holstein, Neder-Rijn,
Mecklenburg, Pommeren, Saksen en West-Pruisen, is door de

-ocr page 480-

regeering aan den heer C Zwagerman te Middelburg, Rijks-
zuivelconsulent voor Zeeland, en secretaris-penningmeester van
genoemd proefstation, opgedragen, een studiereis bij onze Oostelijke
naburen te maken, om deze ziekte nader te bestudeeren. De heer
Zwagerman zal daartoe vermoedelijk 24 Maart naar Bonn ver-
trekken, om allereerst aan de Universiteit aldaar inlichtingen in
te winnen en dan enkele plaatsen in Duitschland,waar de gevreesde
ziekte voorkomt, bezoeken.

Bovenstaande regelen lazen we in de Telegraaf.

Wij hebben het Hoofdbestuur van onze Vereeniging er van in
kennis gesteld en zijn van meening, dat het op den weg ligt dei-
Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde, om bij de
Regeering met klem te protesteeren tegen een dergelijke ergerlijke
geringschatting en negeering van de Veeartsenij kundige Weten-
schap.
 De Redactie.

Wij vernemen, dat bovengenoemde opdracht inmiddels door de
Regeering is ingetrokken.
 Red.

Aan de veeartsen die promoveeren, wordt beleefd verzocht auto-
referaten van hunne dissertaties aan ons tijdschrift in te zenden.

De Redactie.

Erratum.

In mijn artikel over ,,Veeverzekering" sloop een zeer hinderlijke
fout in. Op bldz. 308 staat: „collegiale collega\'s a la
Van der
Sande".
Men gelieve te lezen: collegiale collega\'s, gesproken a
la
Van de Sande, enz.

Dr. S. R. Ferwerda.

Oldebroek.

10e Internationaal Veeartsenijkundig Congres te Londen

Augustus 1914.

LOGIES TE LONDEN.

Hotrl Accommodation.

For the purpose of assisting Delegates attending the Congress, Messrs. Thos.
Cook & Son, have undertaken to reserve any Hotel Accommodation which may
be required, and a list of Hotels, together with the rates applicable for the various

-ocr page 481-

classes of accommodation, will be found mentioned below. Members wishing to
avail themselves of these facilities should send a deposit of £ i (Frs. 25.00; Lire
25.00; Mks. 20.25; Kr. 24.00) to
Thos. Cook 5: Son, Ludgate Circus, Londen,
or to any of their offices, when the desired rooms will be reserved. A receipt will
be issued for the amount in question, and this will be accepted in part payment
of the Hotel Bill

The charges given below are the minimum rates for rooms, and as the Hotels
anticipate being fully booked in the early part of August, it is desirable that De-
legates allow Messrs.
Thos. Cook & Son, some latitude in regard to the price
of room to be reserved, in order to avoid unnecessary correspondence and disap
pointment. The approximate time taken to reach the Central Hall from the Hotel
is given in brackets.

SAVOY HOTEL, Strand, W.C. (10 minutes) Single rooms, light and attendance
from 12/6; double rooms from 18/6; private sitting-rooms from 21/—; break-
fast 2/— & 3/6; lunch and dinner a la carte.
HOTEL CECIL, Strand, W.C. (10 minutes) Single rooms, lights and attendance
from 7/6; double rooms from 12/—; private sittingrooms from 15/—; break-
fast 2/— & 3/6; lunch 4/—; dinner 6/—.
GRAND HOTEL, Northumberland Avenue, W.C. (8 minutes) Single rooms,
light and attendance from 7/6; double rooms from 12/—; private sitting-
rooms from 15/— ; breakfast2/— & 3/6; lunch 4/ —; dinner6/—.
METROPOLE HOTEL, Northumberland Avenue, W.C. (8 minutes) Single rooms,
light and attendance from 9/—; double rooms from 15/—; private sitting-rooms
from 22/6; breakfast 2/6 and 3/6; lunch 4/—; dinner 6/—.
GROSVENOR HOTEL, Victoria, S.W. (5 minutes) Single rooms, light and atten-
dance from 8/6; double room from 13/6; private sitting-rooms from 20/—;
breakfast 2/— & 3/6; lunch 4/—; dinner 6/—.
VICTORIA HOTEL, Northumberland Avenue, W.C. (8 minutes) Single rooms,
light and attendance from 6/5; double rooms from 11/6; private sitting-rooms
from 15/—; breakfast 2/— & 3/6, lunch 3/6; dinner 6/.—
PICCADILLY HOTEL, London W. (15 minutes) Single rooms, light and atten-
dance from 12/6; double rooms from 18/—; private sitting-rooms from
21/—; breakfast 2/— & 3/6; lunch in restaurant 5/—; in grill room 3/6;
dinner in restaurant 7/6; in grill room 5/6.
HYDE PARK HOTEL, Knightsbridge, S. Wr. (15 minutes) Single rooms, light
and attendance from 9/—; double rooms from 15/—; private sitting-rooms
from 21/—; breakfast 1/6 & 3/6/; lunch 4/—, dinner 7/6.
St. ERMIN\'S HOTEL, St. James\'Park, S.W. (3 minutes) Single rooms, light and
attendance from 5/—; double rooms from 10/—; private sitting-rooms from
10/6; breakfast 1/6 & 3/—; lunch 3/—, dinner 5/—.
ALEXANDRA HOTEL, Hyde Park Corner, S.W. (10 minutes) Single rooms,
light and attendance from 7/—; double rooms from 10/6; private sittings-rooms
from 10/6; breakfast 2/— & 3/6; lunch 3/6, dinner 6/6.
STAFFORD HOTEL, St. James\' Place, S.W. (15 minutes) Single rooms, light
and attendance from 5/—; double rooms from 9/—; private sitting-
rooms from 7/6; breakfast 2/— & 3/6] lunch 3/6; dinner 4/6.

-ocr page 482-

HOTEL CURZON, Mayfair, W. (15 minutes) Single rooms, light and attendance
from 4/—; double rooms from 9/—; private sitting-rooms from 9/—; break
fast 2/— & 3/6; lunch 3/6; dinner 5/6.

I)E KEYSER\'S HOTEL, Victoria Embankment, E.G. (10 minutes) Single rooms
light and attendance from 6/—; double rooms from 9/—; private sitting-rooms
from 10/—; breakfast 1/6 & 3/6; lunch 2/6 & 3/6; dinner 5/—.

ROYAL PALACE HOTEL, Kensington, W. (20 minutes) Single rooms, light
and attendance from 5/—I double rooms from 8/6; private sitting-rooms from
8/6 & 10/6; breakfast 2/— & 3/—; lunch 3/—; dinner 4/6.

BUCKINGHAM PALACE HOTEL, Buckingham Gate, S.W. (10 minutes) Singel
rooms, light and attendance from 6/6; double rooms from 10/6; private sitting
rooms from 12/6; breakfast 2/— & 3/6; lunch 3/6; dinner 6/—.

LANGHAM HOTEL, Portland Place, W. (20 minutes) Single rooms, light and
attendance from 5/—; double rooms from 8/6; private sitting-rooms from 12/6;
breakfast 2/ & 3/—; lunch 2/6 & 4/\'—; dinner 5/—.

WESTMINSTER PALACE HOTEL, London, S.W. (3 minutes) Single rooms,
light and attendance from 4/—; double rooms from 8/—; private sitting-rooms
from 7/6; breakfast 1/6 & 2/6; lunch 2/6; dinner 4/—.

DE VERE HOTEL, Kensington, W. (20 minutes) Single rooms, light and atten-
dance from 5/6; double rooms from 8/6; private sitting-rooms from 10/6;
breakfast 2/— & 2/6; lunch 3/6; dinner 6/—.

HOTEL WINDSOR, Westminster, S.W. (5 minutes) Single rooms, lights and at-
tendance from 4/—; double rooms from 7/—; private sitting-rooms from 8/—!
breakfast 2/— & 3/—; lunch 3/—; dinner 5/—.

SOUTH KENSINGTON HOTEL, Queen\'s Gate Terrace, S.W. (10 minutes)
Single rooms, lights and attendance from 5/6; double rooms from 10/—; pri-
vate sitting rooms from 10/6; breakfast 2/— & 3/—; lunch 3/—; dinner 5/—.

BAILEY\'S HOTEL, Gloucester Road, S.W. (10 minutes) Single rooms, light and
attendance from 5/6; double rooms from 10/—; private sitting-rooms from 9/—;
breakfast 2/— & 3/—; lunch 3/6; dinner 5/—.

HOTEL EUROPE, Leicester Square, W.C. (15 minutes) Single rooms, lights and
attendance from 5/—; double rooms from 10/—; private sitting-rooms
from 10/6; breakfast 1/6 & 2/6; lunch 2/6; dinner 4/—.

HOTEL RICHELIEU, Oxford St. W. (20 minutes) Single rooms, lights and at-
tendance from 5/—; double rooms from 8/6; private sitting-rooms from 7/6;
breakfast 1/6 & 2/6; lunch 2/—; dinner 3/6.

GRAFTON HOUSE, Tottenham Court Road, W. (20 minutes) Single rooms,
lights and attendance from 4/—•; double rooms from 3/—; private sitting-
rooms from 7/6; breakfast 1/6 & 2/—; lunch 2/—; dinner 3/—.

MARBLE ARCH HOTEL, Hyde Park, W. (15 minutes) Single rooms, lights
and attendance from 4/—; double rooms from 8/—; private sitting-rooms from
6/—; breakfast 1/6 & 2/6; lunch 2/6; dinner 4/—.

BERNER\'S HOTEL, Berner\'s St. W. (20 minutes) Single rooms, lights and atten-
dance from 6/—; double rooms from 11/—; private sitting-rooms from 10/—;
lunch 2/—; dinner 3/6. The rates for rooms both single and double include
breakfast.

-ocr page 483-

GOLDEN CROSS HOTEL, Strand W.C. (10 minutes) Single rooms, lights and
attendance from 4/6; double rooms from 9/—; private sitting-rooms from 7/6;
breakfast 1/6 & 2/6; lunch 2/6; dinner 3/— & 4/—.

WILTON HOTEL, Victoria, S.W. (5 minutes) Single rooms, lights and attendance
from 3/6; double rooms from 6/—■; private sitting-rooms from 5/6; breakfast
1/3 & 2/—; lunch 2/—; dinner 3/—.

YORK HOTEL, Berner\'s street, W. (20 minutes) Single rooms, lights attendance
and breakfast from 6/—; double rooms and breakfast from 11/—. private sit-
tings-rooms from 10/—; lunch 1/6; dinner 2/6.

REGINA HOTEL, Southampton Row, W.C. (20 minutes) Single rooms, lights at-
tendance and breakfast from 6/—; double rooms and breakfast from 12/—;
private sitting-rooms from 5/6; lunch 2/—; dinner 3/—.

BOLTON MANSIONS HOTEL, South Kensington, S.W. (10 minutes) Single
rooms, lights and attendance from 3/6; double rooms from 6/—; private sitting-
rooms from 6/—; breakfast 1/6 & 2/—; lunch 2/6; dinner 3/6.

IMPERIAL HOTEL, Russell Squares, W. (20 minutes) Single rooms, lights and
attendance from 3/—; double rooms from 6/—; private sitting-rooms from 7/6;
breakfast 1/6 & 2/—; lunch 2/—, dinner 3/—;

BEDFORD HOTEL, Southampton Row, W.C. (20 minutes) Single rooms, lights
and attendance from 3/—; double rooms from 5/6; private sitting-rooms from
6/6; breakfast 1/6 & 2/—; lunch 1/6 & 2/—; dinner 3/—.

HOTEL REMBRANDT, Tliurloe Place, South Kensingtonfio minutes) Single rooms,
lights and attendance from 6/6; double rooms from 12/—; private sitting-
rooms from 15/—; breakfast 2/— & 3/—; lunch 3/—; dinner 5/—.

HOTEL VANDYKE, Cromwell Road, Queen\'s Gate, S.W. (10 minutes) Single
rooms, lights and attendance from 5/6; double rooms from 10/6; private sit-
ting-rooms from 12/6; breakfast 2/— & 3/—; lunch 3/—; dinner 5/—.

THE KNIGHTSBRIDGE HOTEL, Knightsbridge, S.W. (15 minutes) Single
rooms, lights and attendance from 5/—; double rooms from 8/—; private sit-
ting 10/6; rooms from; breakfast 2/— & 2/6/; lunch 3/—; dinner 3/6 & 5/—.

SLOANE GATE HOTEL, Basil Street, Knightsbridge, S. W. (15 minutes) Single
rooms, lights and attendance from 4/6; double rooms from 3/—; private sit-
ting-rooms from 6/6; brekfast 1/6/ & 2/—; lunch 2/6; dinner 3/6.

ARTILLERY MANSIONS HOTEL, Victoria St., Westminster, S.W. (8 minutes).
At this establishment only inclusive arrangements can be made, the charges
being 12/6 per day for single rooms and 21/— per day for double rooms, which
would provide for bedroom, lights, attendance, breakfast, lunch and dinner.
Sitting-rooms from 7/6.

HORREX\'S HOTEL, Strand, W.C. (12 minutes) Single rooms, lights, and atten-
dance from 6/6; double rooms from 13/—; private sitting-rooms from 7/—;
lunch 2/—; dinner 3/6; the rates for rooms also include breakfast.

NORFOLK HOUSE, Surrey St., Strand, W.C. (10 minutes) Single rooms, lights,
attendance and breakfast from 6/6; double rooms and breakfast from 13/—;
private sitting-rooms from 7/—-; lunch 2/—; dinner 3/6.

-ocr page 484-

TEMPERANCE HOTELS.
K1NGSLEY HOTEL, Hart St. Bloomsbury Square, W.C. (20 minutes) Single
rooms, lights and attendance from 3/6; double rooms from 7/—; private sitting-
rooms from 10/6; breakfast 1/3 & 2/—; lunch 2/—; dinner 2/6.
THACKERAY HOTEL, Great Russell Street, W.C. (20 minutes) Single rooms,
lights and attendance from 3/6; double rooms from 7/—; private sitting-rooms
from 10/6; breakfast 1/3 &2/—; lunch 2/—; dinner 3/—.
CRANSTON\'S IVANHOE HOTEL, Bloomsbury St. W.C. (20 minutes) Single
rooms, lights, attendance and breakfast from 5/—; double rooms and breakfast
from 10/—; private sitting-rooms from 6/—; lunch 2/—; dinner
2/6.
CRANSTON\'S KENILWORTH HOTEL, Bloomsbury Street, W.C. (20 minutes)
Single rooms, lights, attendance and breakfast from 5/—; double rooms and
breakfast from 10/—; private sitting-rooms from 6/—; lunch 2/—; dinner 2/6.
CRANSTON\'S WAYERLEY HOTEL, Southampron Row. W.C. (20 minutes)
Single rooms, lights, attendance and breakfast from 5/—; double rooms and
breakfast from 10/—; private sitting-rooms from 6/— ; lunch 2/—; dinner 2/6.
ESMOND HOTEL, Russell Square, W
.C. (20 minutes) Single rooms, lights and
attendance from 3/—; double rooms from 5/6; breakfast 1/3 & 2/—; lunch
2/— ; dinner 2/6.

There are many excellent grill rooms, restaurants and places where light refresh-
ments can be obtained within easy distance of the Congress Hall, particulars of
which will be obtainable in London.

Visitors to the Congress will find either of the following maps of London very
useful as they show the main streets which converge on Westminster where the
Congress Hall is situated:

(a) Bacon\'s map of London, price one shilling.

(f) The Geographia map of London, price one shilling.

Berichten.

Personalia. Bij Koninklijk besluit van 27 Maart 1914 n°. 35 is, op den voet
van het liepaalde bij art. 2, onder
2°., van het Koninklijk besluit van 11 Maart
1909 n°. 12 en alzoo voor den tijd van acht jaren, gerekend van de dagteeke-
ning van eerstgenoemd besluit, benoemd bij het reserve-personeel der landmacht,
tot reserve-paardenarts der 2de klasse, de heer G.
van Herwaarden, veearts.

Bij Koninklijk besluit van 28 Maart 1914 n°. 53 is, met ingang van 1 April
1914, benoemd tot leeraar aan \'s Rijks veeartsenijschool te Utrecht,
J. H. Hartog,
thans buitengewoon leeraar aan die onderwijsinrichting.

Bij Koninklijk besluit van 3 April 1914 n°. 48 is benoemd bij het personeel
van den geneeskundigen dienst der landmacht, tot paardenarts der 2e klasse,
de veearts
H. van Vuuren.

Bij Koninklijk besluit dd. 1 April 1914 n°. 38 is, met ingang van dien dag,
benoemd tot Rijkskeurmeester in algemeenen
dienst 2e klasse, de geëxamineerde
veearts M.
J. Veenstra, te Leeuwarden. Schornagél.

-ocr page 485-

Bibliografle.

Eber, Veterinärmedizin. Berlin. R. Holling, 1914.

Sonderabdruck aus: „Deutschland unter Kaiser Wilhelm II."

Wiener tierärztliche Monatsschrift. Hrsg. von G. Günther, R. Hartl, K. Keller
u. A. Jhg. I. Wien, Braumüller, 1914. 12 Hefte p. Jahr. Ab. M. 15.—

E. Courtenay, Manual of the practice of veterinary medicine. 3d ed. rev. by
F.
T. G. Hobday. London, Balliere, Tindalland Cox, 1913. 450 p. 77 111. losh. 6d.

Jos. Bayer, Augenheilkunde. 3te Aufl. Wien u.s.w., Braumüller, 1914. Gr. 8°
XIII 630 S. 284 Abb. u. 20 Taf. Cart. M. 21.—

Handbuch der tierärztl. Chirurgie und Geburtshilfe, hrsg. v. Bayer 11. Fröhner.
Bd. 5.

G. Gökel, Beurteilung des Augenspiegelbefundes, insbes. bei Remonten. Her-
mannstadt, Selbstverlag, 1914. • Kr. 2.—

H. Kahn, Ueber einen Fall von Mikrophthalmus mit Orbitalkyste beim Schwein.
Inaug. Diss.
Giessen.

Goldbeck, Das Euter und Euterkrankheiten. Plauen i. V., Verlag allgem.
Stallschweizer Bund, 1914. 32. S. 1 Abb. M. 0.75.

H. Caulton-Reeks, Common colics of the horse, their causes, symptoms, dia-
gnosis and treatment. 3d ed. London, Balliere, Tindall and Cox, 1914.

XVI 370 p. 32 ill. 6 sh.

H. Roettinger, Zur Kenntnis der Frakturen der kleinen Sprunggelenkskno-
chen des Pferdes. Inaug.-Diss. Berlin.

J. Grahl, Geschichte der Therapie der Sehnenentzündung des Pferdes. Inaug.
Diss. Dresden.

Fr. Gutenacker, Die Lehre vom Hufbeschlag. Eine Anleitung f. die Praxis
und die Prüfung, neu bearb. von E.
Moser, lite Aufl. Stuttgart, Schickhardt &■
Ebner, 1914. Gr. 8°. XV. 255 S. 310 Abb. Geb. M. 3.50.

Th. Bellut, Untersuchungen über die Hepatitis interstitialis chronika multi-
plex und ihre Beziehungen zum Milzbrand des Schweines. Inaug. Diss. Hannover.

M. Burk, Ueber Darmfisteln bei unseren Haustieren. Inaug. Diss. Giessen.

N. Maier, Ueber Osteosarkome beim Pferd. Inaug. Diss. Giessen.

W. Lentz, Die prakt. Verwertung der Präzipitationsmethode zum Nachweis von
Fleischvergiftungen. Inaug. Diss. Dresden.

H. Huflage, Wieweit ist die Präzipitation zur Diagnose der Rotzkrankheit ver-
wertbar. Inaug. Diss. Hannover.

A. Roecke, Experiment. Untersuchungen über den Abbau von Thymusgeweben
durch Serum gesunder Haustiere mittels des Abderhaldenschen Dialysierver-
fahrens. Inaug.-Diss. Hannover.

E. Brumpt, Précis de parasitologie. 2e éd. Paris, Masson et Cie., 1913. 8°. 1011
p. 698 fig. 4 pl. en couleur. Cart. 14 fr.

Chr. Meyer, Behandlung des Morbus makulosus des Pferdes mit Gelatine.
Inaug. Diss. Dresden.

Nevermann, Desinfektionsanweisung bei Druse der Pferde. Berlin, R. Schoetz,
1914. M5.—für 100 Ex.

Nevermann, Formular zur Anordnung von Schutzmassregeln bei Druse der
Pferde. Berlin, R.
Schoetz, 1914. M. 4.—f. 100 Ex.

-ocr page 486-

R. Schmaltz, Atlas der Anatomie des Pferdes. III. Berlin, R. Schoetz, 1914.

III. Die Lage der Eingeweide nach Gefrier-Präparaten mit Darstellung der
Rumpf- Muskulatur in Segmentabschnitten. Geb. M. 15.—.

O. Hagemann, Lehrbuch der Anatomie und Physiologie der Haustiere. Thl.I.
2te Aufl. Stuttgart, Ulmer, 1914. 8°. XX 501 S. 211 Fig. 1 Taf.

I Anatomie nebst Gewebelehre, .Anatomie des Pferdes, der Wiederkäuer,
Schweine u.s.w mit bes. Berücksichtigung des Pferdes. M. 12.—.

K. Balcke, Ueber das Vorkommen von Fett in der Milz unter normalen u. pathol.

Verhältnissen. Inaug. Diss. Dresden.

H. Euken, Untersuchungen über den Fettgehalt der Lymphknoten unter nor-
malen u. pathol. Verhältnissen. Inaug. Diss. Dresden.

A. Barthol, Beiträge Zur Anatomie u. Histologie der Magenschleimhaut von
sus skrofa domestica. Inaug. Diss. Dresden.

H. Krieger, Ueber den Glykogengehalt der Magenwand und der Wand der
Duodenaldrusenzone des Darmes bei felis domestica. Inaug. Diss. Dresden.

W. Heinonen, Anatomische und histol. Untersuchungen über die Zervix uteri
von sus skrofa. Inaug. Diss. Dresden.

Frohwein, Die Bedeutung der Feststellung des Lebend- und Schlachtgewichtes
des Rindes durch Messungen. Berlin, F.
Grabow. Brosch. M. 0.50

Jahn, Pyricit, ein neues Desinfektionsmittel für die Schlachthofpraxis.

Arbeiten aus dem Kaiserl. Gesundheitsamte.

Breitreich—Voltz, Gesetz betr. Schlachtvieh- u. Fleischbeschau. 2te Aull.

Geb. M. 5.—

K. Priedel u. A. Keller, Deutsche Milchwirtschaft in Wort u. Bild. Halle
a. S., C.
Warhold, r9i4.

J. Alan Murray, The chemistry of cattle feeding and dairving. London, Long-
mans,
Green & Co. XII 343 p. 27 ill. 6 sh.

K. Goldschmidt, Einführung in die Vererbungswissenschaft. 22 Vorlesungen
2te Aufl. Gr. 8°. XI 502 S. 189 Abb. Geh. M. 12.—.

Geb. M. 13.—

F. M. Bléas, Les chevaux bretons. Etude historique, physiol., régionale et
commerciale sur la Bretagne hippique. Morlaix (Finistère), Bureaux de la Bretagne
hippique, 1913. 8° obi. Av. carte et 71 ill. Frs. 6.25

K. Sauer, Viehkauf und Viehgewährschaft. Gemeinverständl. Erläuterung
des deutschen Viehgewährschaftsrechtes auf Grund der Rechtsprechung der
Gerichte, mit zahlreichen Beispielen. Berlin,
P. Parey, 1914. Cart. M. 2.—

Groninger Rundveestamboek. 5de Jg. (1913).

J. Vlaskamp, De besmettelijke veeziekten, hare oorzaken, wijze van ontstaan,
voorkomen, de schade, die zij aan den landbouw en aan den exporthandel ver-
oorzaken en de wijze, waarop zij worden voorkomen en bestreden. Leeuwarden,
Meijer & Schaafsma, 1914. 8° VIII-f-222 blz. Met afb. / 1.50

Gabr. Steiner, Der Tierversuch in Psychiatrie und Neurologie. Akad. An-
trittsvorlesung. Wiesbaden,
J. F. Bergmann, 1914. Gr. 8°. 22 S. M. 0.80

M. Wiesengrund, Tierärztliches Rezeptbuch zum Gebrauche für Landwirte
u. Viehhändler. Diessen,
J. C. Huber, 1914. Kl. 8°. 117 S. Geb. M 2.50

Du Buij.

-ocr page 487-

Referaten.

Zur Frage der Schutz-impfung gegen die infektiöse Pleuro-pneumonie (Brustseuche)
des Pferdes.

Koneff te Charkow vond in het bloed van aan borstziekte lijdende paarden
een kleine sporen vormende bacil, door hem voor de oorzaak der ziekte gehouden (en
reeds in 1909 op het Haagse congres door hem gepubliceerd). Streptococcen en
ovale bacillen veroorzaken volgens hem slechts de secundaire infecties. De bacil is
gedurende de eerste 3—4 dagen aanwezig in het bloed van die dieren die hooge temp.
hebben (het gelukte hem niet altijd de bacil uit het bloed te kweeken.) In stallen
waar de ziekte was uitgebroken entte
K. nu de gezonde paarden met bloed van een
dergelijk ziek dier. Hij entte subcutaan met 1 ä 2 c.c. gedefibrineerd jugularisbloed.
Schadelijke gevolgen zag hij niet — de geënte dieren bleven gezond en de ziekte
breidde zich niet verder uit in de betreffende stallen. Wèl daarentegen in de stal-
len waar niet geënt was.

K. entte in \'t geheel 667 paarden en raadt de collega\'s aan zijn methode te pro-
beeren. die berust op een actieve immunisatie. Het asepties (in een steriel kolfje met
glasparels) opgevangen en gedefibrineerde bloed kan desnoods eenige dagen in
ijskast bewaard worden.

(Berl.-Tier. Woch. 1913. XXIX. 33) Vrijburg.

Erfolgreiche Behandlung des Petechialfiebers beim Pferde mit dänischem poly-
valenten Serum nach Jensen.

De petechiaal-typhus (morbus maculosis) kan waarschijnlijk door verschillende
bakterien (resp. bakterie-toxinen)veroorzaaktworden,zoodoor dedroes-streptococ,
de borst-ziekte bacil, de streptococcus-pyogenes en waarschijnlijk nog andere.

Jensen (Kopenhagen) maakte een polyvalent serum; hij spoot bij zijn serum-
dieren verschillende streptococenstammen, afkomstig van petechiaal-typhus paar-
den intraveneus in en mengde het gewonnen serum nog met droes-serum. Van dit
gemengde serum kregen de aan petechiaaltyphus lijdende dieren intraveneus 200
c.c. en daarna nog een of tweemaal 100 c.c..
Fröhner behandelde 12 zware gevallen
met dit serum en had 3 sterfgevallen (van dit laatste kwam 2 zeer laat in behande-
ling en de derde had ongeneeslijke complicaties). Bij andere behandelingsmethode
was het sterftecijfer 40 ä 5o°/0 . Bij de na seruminspuiting herstelde dieren was de
genezing in \'t oog vallend snel en het oordeel van
Fröhner over het serum is gunstig.

Volgens Bemelmans kwam in het remonte-depót te Miliigen geen morbus macu-
losis als naziekte voor sedert men de dieren een preventieve inspuiting gaf van
droesserum en serum tegen depneumoniestreptococcen. (Centralblatt. f. Bakt. Orig.

1913- 7o 3/4.)

Monatsh. /. Tierheilkunde 1913 XXV 1/„.

Beiträge zur Kenntnis der Virusträger bei Rotlaufseuche (Influenza erysibelatosa)
des Pferdes.

Bergmann bericht over een 21 jarige schijnbaar gezonde hengst, voor 6 jaren ge-
kocht uit een streek waar influenza heerste, die tijdens d e 6 jaren in zijn nieuw
dekgebied, waar te voren de ziekte niet voorkwam^ alle door hem gedekte merries
besmette met influenza.

-ocr page 488-

De dieren werden ziek, na een incubatietijd van 4—6 dagen,en besmetten weer
andere paarden die in dezelfde stal stonden. De hengst was dus virusdrager. Het
ziekteverloop bij de merries was in de laatste tijd goedaardiger dan in de eerste
jaren.

De hengst werd geslacht. Geslachtsorganen normaal,alleen catarrh van het slijm-
vlies der zaadblaasjes. Door microscopies onderzoek en cultuur werden in testicels,
zaadleiders, zaadblaasjes en prostata een klein aantal coccen en coli-bacillen ge-
vonden, die bij subcutane enting op gezonde paarden echter geen ziekteverschijn-
selen veroorzaakten.

Drie paarden, die een subcutane injektie kregen, resp. met inhoud van zaad-
blaasjes prostata en zaadleider, hadden na 5—8 dagen verschijnselen van influenza;
evenzoo een merrie in de bronstperiode, die intravaginaal besmet was, door wrijven
met zaadblaasjes-inhoud om de uitwendige baarmoedermond. Een niet-hengstige
merrie op dezelfde manier besmet, werd niet ziek. (Verschillende onderzoekers
hebben reeds vroeger influenza overgeënt met sperma en bloed van zieke dieren)
Bergmann gelooft (met vele andere onderzoekers) dat het virus der influenza
ultra-visibel is.

Verder merkt hij op, dat bij de, door de hengst besmette paarden geen enkele
was die verschijnselen van borstziekte (brustseuche) had; uitsluitend influenza
erysipelatosa nl. verminderde of opgehouden eetlust, zwakte, matheid staan met
hangend hoofd en halfgesloten oogleden, gezwollen, roode soms iets icteriese con-
junctiva, tranen, lichtschuwheid, soms troebeling van cornea, koorts (40—41 °) ge-
durende 3 a 4 dagen met toenemende hartzwakte, oedemen, vooral aan beenen,
geen zware digestie-storingen (de dieren kregen geregeld Karlsbaderzout) en geen
pneumonie of pleuritis.

B. houdt het daarom voor waarschijnlijk dat influenza en brustseuche geen
vormen van dezelfde ziekte zijn
, zooals Dieckerhoff, Hutvra en Marek e.a.
meenen,
maar verschillende ziekten.

Het overbrengen van influenza (pferdestaupe) door de coitus is door verschillen-
de onderzoekers geconstateerd.

Zeitschriftf. Infect. kr. u. s. w. der Haustiere 1913. 13 3/4. Vrijburg

Uurstkuren bei chronischen Bronchialerkrankungen.

Bij chroniese aandoeningen der respiratie-wegen heeft het optreden tegen de
vermeerderde expectoratie zeer dikwijls weinig succes. Door inhalaties en andere
middelen kan men wel het taaie sekreet meer vloeibaar maken en expectoratie
bevorderen, maar het gelukt dikwijls niet, de hoeveelheid bronchiaalsekreet te
verminderen: ook niet met geneesmiddelen als balsamica en inwendig desinfec-
teerende middelen.

Singer had bij mensen met chroniese bronchiaalaandoeningen succes met
dorstkuren. Hij begint met 1 a 3 dorstdagen, waarop de patiënt slechts 200—400
c.c. vloeistof krijgt.

De 3e of 4e dag wordt 1200—2000 c.c. vloeistof toegestaan. Deze kuur wordt
met 2 drinkdagen per week, 4 a 6 weken voortgezet.De kuur is niet ingrijpend, toch
komen zwakke personen en nierlijders en tuberculoselijders niet in aanmerking.
De hoeveelheid sputum werd door de kuur zeer verminderd en de beterschap was
niet voorbijgaand maar aanhoudend.

Deut. med. Wochenschrift 1912. 38. 51. S. 2401 ^ rijburg.

-ocr page 489-

Acetonaemie,

dook

A. H. VEENBAAS, te Wolvega.

Een veearts, die bekend is met de runderpractijk, heeft telken
jare weer de gelegenheid een ziektebeeld te observeeren, dat onge-
veer aldus optreedt.

In een termijn, die valt tusschen twee dagen na den partus
tot eenige weken zelfs een paar maanden, begint \'t rund belangrijk
in melkgift te verminderen, slechten eetlust te vertoonen, waarbij
\'t vooral in de keuze harer spijzen zeer grillig is. Ze likt aan muren
en kleeren, ze eet bij voorkeur slecht, schimmelig hooi; eet van-
daag nog lijnkoek, terwijl ze die morgen laat liggen en liever brood
nuttigt.

Haar levensopvatting schijnt van groote traagheid te getuigen.
Traag in \'t opnemen van spijzen, trage pensactie, trage defaecatie
in den regel met zeer harde faeces, waarop bij de ontlasting dik-
wijls geperst wordt; zooals we dat bij beginnende kalfziekte zien
en bij vergiftigingen waarbij de peristaltiek is stilgelegd.

De ademhaling is dikwijls minder frequent, maar vertoont
tevens een
typische buikademing, waarbij de buik telkens zeer
hoog wordt opgetrokken.

Vele veehouders, herkennen hieraan \'t lijden als overigens nog
weinig op den voorgrond tredende symptomen aanwezig zijn.

Verder vertoont ze zeer dikwijls excitatie-verschijnselen, zich
uitende in voortdurend omkijken en loeien, vooral als er iemand
in den stal komt. Men denkt dikwijls, dat \'t dier loeit om voedsel
of drinken, doch wanneer haar dit wordt aangeboden weigert ze.

In plaats van excitatie-verschijnselen, wordt ook dikwijls sopor
geconstateerd. Slappe slingerende gang, lekzucht, speekselvloed zijn
alle een gevolg van de uitbreiding van het proces tot het zenuw-
stelsel.

Ten slotte komt hierbij een karakteristieke geur van de uitge-
ademde
lucht, die aan chloroform herinnert.

Ook de melk ruikt dikwijls eveneens naar chloroform en is
bitter van smaak. De ziekte komt voor bij de runderen, waarbij
men veel kalfziekte waarneemt. Dus
beste melkgeefsters, die in
goeden voedingstoestand verkeeren en van middelbaren leeftijd
zijn; toch zien we \'t ook herhaaldelijk bij jonge runderen.

Wanneer een rund tijdens of na den partus aan kalfziekte lijdt,
zal in diezelfde lactatieperiode deze ziekte uitblijven; een volgend
jaar echter zien we dikwijls de boven beschreven symptomen.

xli 26

-ocr page 490-

Wanneer een rund eenmaal deze ziekte trof, herhaalt die zich
meestal elk jaar, en wel telkens in ergere mate. Tal van dieren
worden om die reden verkocht. Andere veehouders laten ze in
den zomer kalven, daar op de weide zelden dit lijden wordt gezien.

In sommige stallen ziet men jaarlijks meerdere dieren ziek.

Intoxicatie door aseptische lochiën noemt De Bruin in z\'n Verlos-
kunde een lijden, wat niet volkomen in symptomen weergeeft
\'t hier beschrevene, doch blijkbaar toch sterk in deze richting gaat.
Hij zegt er \'t volgende van. Dieren die\' in een
uitstekenden voedings-
toestand verkeeren, hebben dikwijls tengevolge van de vetinfil-
tratie een onvoldoende contractie van den uterus na den partus.
Daardoor blijft in den uterus een zeer eiwitrijke vloeistof achter,
die door chemische omzetting
toxinen vormt, welke na resorptie
\'t lichaam ziek maken. Een
paar dagen na den partus wordt
\'t dier ziek. Temperatuur, pols en ademing zijn normaal, geen
lochiën-excretie heeft plaats. (Dit past niet bij \'t door mij beschre
vene; immers daar is de ademhaling abnormaal, typische buik-
ademing, terwijl zeer dikwijls de lochiën rijkelijk vloeien; ziek
worden treedt soms veel later op).

Met 3 gram liquor ferri sesquichlorati zag de Bruin succes.

Ten Hoopen, die in de afdeeling Friesland van de Mij. t.b. d.
Veeartsenijkunde deze ziekte besprak, wenschte haar met den
naam
chronische kalfziekte te bestempelen.

Voorkomend bij \'t zelfde type runderen als waarbij kalfziekte
voorkomt, even gemakkelijk genezend na luchtinsufllatie in
den uier als de kalfziekte, meent hij hier te doen te hebben met
een intoxicatie van uit den uier.

I)e eigenaardige aroma van de uitgeademde lucht kan hij niet
verklaren.

(Bij de discussies wordt er op gewezen, dat bij suikerbieten-
vergiftiging deze zelfde lucht voorkomt.)

\'t Is dit vraagstuk geweest, wat mij naar de diepere oorzaak
van dit lijden deed zoeken.

W\'anneer de uitgeademde lucht, en soms ook de melk een stof
bevatten, die een dergelijke geur verspreiden, dan moest ook de
urine die in zich hebben.

Ten einde deze stof op te sporen, verzocht ik een pharmaceut
een paar monsters urine met mij te willen onderzoeken. Ze werden
onderzocht op:
eiwit en suiker.

Toen bij een der urines, de suikerreacties positief uitvielen
(wat een bijzondere reden had) werd er aan gedacht ook op
aceton
te onderzoeken, zooals dat bij diabeteslijders regel is.

-ocr page 491-

Inderdaad bevatte deze urine aceion, en werkelijk bleek mij de
geur der uitgeademde lucht aan aceton te herinneren.

In hoeverre ons deze ontdekking nader bracht tot het opsporen
van het aetologisch moment der ziekte, zal nader worden belicht.

Bij \'t nagaan een litteratuur over acetonurie, werd in Marek\'s
Klinische diagnostiek, \'t volgende gevonden.

Azetonkörper sind zwar keine Abbauprodukte der Kohlehydrate,
sondern solche von Fetten und Eiweisskörper." Toch worden ze
onder de rubriek koolhydraten in de urine behandeld, omdat
er zoo groote samenhang is tusschen verminderde
suikeromzetting
in \'t organisme en \'t optreden van aceton in de urine.

Tot de acetonlichamen behooren het [i-oxyboterzuur, aceet-
azijnzuur
, en aceton. Door oxydatie gaat aceetazijnzuur over in
aceton.

Bij onvoldoende koolhydraattoevoer, bij uitsluitend vleesch-
voeding, zware digestie-stoornissen, bij koorts, maligne tumoren
treedt \'t op.

Kiesel vond \'t in alle paardurines, Jöhnk bij postpuerperalc
maagatonie
der koeien, die hij daarom „Azetonämie" noemt.

Waar ik dus meende deze acetonaemie \'t eerst gezien te hebben,
daar deed ik niet anders, dan gevolg geven aan de uitnoodiging
van
Jöhnk aan \'t slot van z\'n artikel in de Müchner T. W.
n. m. 1. zijne bevindingen „nachprüfen".

Bij diabetes mellitus kunnen de acetonlichamen een zuurintoxi-
catie te weeg brengen, zich uitende in
diepe moeilijke ademing,
collaps, hartzwakte, acetonlucht bij de uitademing.

Marek geeft dan nader aan de manier om deze lichamen in
de urine op te sparen.

Aceetazijnzuur: Gerhardt neemt 10 % ijzerchloridoplossing
en voegt dubbele hoeveelheid urine toe. Hij ziet dan een rood-
bruine
kleur optreden. Is geen aceetazijnzuur aanwezig, dan zien
we bij runderurine een
grauwbruin neerslag (Jöhnk).

Valt deze reactie positief uit, dan is de acetonreactie niet meer
noodig, want dan is zeker ook aceton aanwezig.

Acetonreacties: Wanneer ik de beschikbare litteratuur naga,*)
dan is \'t aantal reacties groot, waarvan de nauwkeurigheid nog
al uiteenloopt. Voor wie ze wenscht te kennen, verwijs ik naar

*; Litteratuur\'. Lenobel. Urineonderzoek

Jönhk. Münchener T. W. 1211 en 1912.

Otto Siegel. Beitrag zur Kenntnis des Acetons und Urobilins beim Rind.
In. Dissert. Dr.
Sinn Beitrag zur Kenntnis der Acetonurie bei den Haustieren.
In Dissert.

-ocr page 492-

— 456 —

onderstaand litteratuurstaatje, dat voor uitbreiding zeer vatbaar is.

Ik heb altijd toegepast de reactie van Legal, aangevuld door
Lenobel.

Neem een versch bereide oplossing van nitroprussied natrium
in water, 15% kaliloog en geconcentreerde azijnzuur.

Wanneer men bij de öcetofzhoudende urine nitroprussied natrium
en kaliloog druppelt, treedt er
donker roode kleur op, robijnrood.
(Dit doet elke urine). Na toevoeging van azijnzuur wordt de robijn-
roode een
karmozijnroode kleur, die zeer dieprood is. Tot zoc-
ver
Legal.

Kookt men nu, dan ziet men een neerslag van Berlijnsch blauw
optreden.
(Lenobel.) Ik neem 2 urines van den mensch, die vol-
komen normaal zijn, doch voeg aan de eene urine een paar
druppels
aceton toe.

Voeg ik bij A. (normale menschenurine) nitroprussied natrium
en kaliloog, en daarna azijnzuur, dan zie ik geen donkerroode,
doch een stroogele verkleuring met eenige fluorescentie bij B_
(acetonhoudende) is de kleur dieprood.

Na verhitting blijft bij A de kleur, bij B ontstaat een neerslag
van
Berlijnsch blauw.

Neem ik normale runderurine, dan zie ik na azijnzuurtoevoeging
niet de overgang van robijnrood in carmozijnrood, doch evenals
bij de menschenurine de geelgroene kleur. Na koken krijg ik echter
mijn neerslag van Berlijnsch blauw.

I)it dient aldus opgevat. De reactie van I.egal is niet gevoelig
genoeg om de sporen aceton in normale runder-urine aan te toonen.
Ga ik echter volgens
Lenobel koken, dan treedt wel de reactie
op, zoodat voor meerdere gevoeligheid \'t
lknobf.i.\'sche gedeelte
dient toegevoegd.

De gevoeligste reactie schijnt de Jodoformproef:

Lieben geeft aan dat, aceton, alkohol en jodium in alkalische
oplossing
Jodoform geven.

Men destilleere de urine, voegt bij het destillaat druppelsgewijs
kaliloog en Jood-Joodkali opl. 1:4: 100. Zijn sporen aceton aan-
wezig dan ontstaat na een uur of meer een gering neerslag, is
veel aanwezig, dan zien we naar een paar minuten
Jodoform
neerslag in kristallen van typisch aroma. Vooral de tabellen van
Dr.
Siegel geven duidelijk de fijngevoeligheid dezer reactie aan.

Ik heb tot dusverre deze reactie niet gebruikt. De legal\'sche
reactie kon mij voldoende den weg in deze materie wijzen, daar
ze prachtig op eenvoudige wijze pathologische vermeerdering,
van aceton aanwees.

-ocr page 493-

Van ongeveer 50 runderen allen lijdende aan bovenbeschreven
ziektebeeld, werd urine onderzocht volgens
Legal, bij alle met
positief resultaat, behalve bij twee, die reeds door mij medica-
menteus waren behandeld, waar de LEGAL\'sche reactie negatief
uitviel, \'t
Is dus zaak de urine te onderzoeken vóór medicamenten
zijn verstrekt.
Jöhnk noemt dit lijden aeetonaemie.

Juist in twijfelachtige gevallen, kan deze LEGAL\'sche reactie
ons den weg wijzen.

Thans hebben we ons de vraag te stellen, geven urines van andere
runderen dan die, lijdende aan bovengenoemde ziekte, ook
positieve
acetonreacties?

A. Van verschillende normale runderen werd urine opgevangen;
van enkele op stal van andere in de weide. In alle termijnen van
de lactatieperiode werd onderzocht en altijd met \'t zelfde resultaat.

De LEGAL\'sche reactie viel negatief uit. In plaats van donker-
roode verkleuring na toevoeging van azijnzuur, treedt een grijsgele
kleur op, zooals we dat ook zien bij normale menschenurine.

Werd volgens Lenobel verwarmd tot koken, dan zag ik een
neerslag van
Eerlijnsch blauw optreden, wat men bij normale
menschenurine niet ziet, daar houdt de urine dezelfde kleur.
Bij
elk rund komt dus een volgens Legal-Lenobel aan te toonen
hoeveelheid aceton in de urine
voor, doch niet in die mate, dat
ze volgens
Legal is aan te toonen.

B. Runderen lijdende aan kalfziekte.

Hoewel talloos vele runderen aan kalfziekte lijdende, tegenwoordig
onze waarneming ontsnappen, is \'t me toch gelukt van eenige
urine op te vangen.

Deze werden in de eerste plaats aan de reacties van Nijlander
•en Fehling onderworpen, welke reacties positief uitvielen. Ter
controle werd urine van gezonde runderen, die pas gekalfd hadden,
-onderzocht met \'t zelfde positieve resultaat.

Ten opzichte van de acetonreacties gedraagt de urine zich
iils die van normale onder groep A genoemde runderen. De
LEGAL\'sche reactie valt negatief uit, de LEGAL-LENOBEL\'sche
positief.

Hier is dus de groote tegenstelling met de „volgens Ten Hoopen"
genoemde chronische kalfziekte, de aeetonaemie.

Wel is de LEGAL-LENOBEL\'sche reactie niet altijd even sterk
positief uitgevallen.

C. Runderen die blijven liggen na den partus zonder dat er
anatomische afwijkingen te constateeren zijn, aan beenen of
wervelkolom, \'t Komt voor bij die dieren, waarbij men ook
kalf-

-ocr page 494-

ziekte of acetonaemie waarneemt. De ziekte treedt op tijdens
den partus tot 48 uren na dien tijd. Somtijds is de eetlust eeniger-
mate gestoord, meestal is die goed. Ontlasting en urineloozing
zijn normaal.

\'t Eenige ziekelijke verschijnsel is meestal \'t niet kunnen staan.
De dieren gaan tijdens of na den partus liggen en kunnen niet
weer opkomen; na 2 a 3 dagen staan ze weer.

De urine werd eenige malen onderzocht.

Van een rund, waarbij de NijLANDER\'sche en FEHLiNG\'sche
reactie positief waren, was ook \'t quantum aceton in de urine
vermeerderd. Drie weken na dien tijd, waren de suikerreacties
negatief, de
acetonreaetie nog positief.

Bij een ander rund, dat reeds 2 maal 24 uur na den partus heeft
gelegen vallen eveneens de reacties positief uit.

In andere gevallen onderzocht ik urine waar de LEGAL\'sche
reactie negatief uitviel.

D. Retentio secundinarum.

Van een koe van den heer P. te H., die 4 x 24 uren na den partus
nog met de nageboorte stond, een temperatuur van 41° C. vertoon-
de, daarbij hevige diarrhee had, vielen de suikerreacties negatief,
de acetonreaetie positief uit.

Zeer vele urines werden opgevangen, wat hier gemakkelijk
gaat, daar trekken aan de nageboorte, urinelooping doet volgen,
waarvan \'t resultaat ten opzichte van aceton-onderzoek
negatief was,
zooverre \'t betreft de
LEGAL\'sche reactie, doch waar wel na koken
een zwaarder of minder zwaar neerslag van Berlijnsch blauw ontstond.

Wanneer we \'t resultaat van het onderzoek der verschillende
urines na den partus onderzocht kort samenvatten, blijkt dat
bij
géén der onder groep A. B. C. en D genoemde runderurines
de LEGAL\'sche reactie positief is, al mag een enkele maal een
uitzondering voorkomen, die dan op andere omstandigheden
in \'t lichaam dier runderen aanwezig, is terug te brengen.

Het groot aantal runderen, dat ik als lijdende aan een intoxicatie-
door lochiën
na \'t kalven behandelde (benaming volgens De Bruin)
gaf altijd een urine van positieve legal\'sche reactie.

Bij de runderen, waarbij \'t ziektebeeld me zeer deed twijfelen,
gaf steeds de acetonreaetie me den doorslag en behoedde me
voor groote vergissingen in \'t stellen van een diagnose.

Ik wensch thans een ziektegeval te beschrijven, wat dit laatste
nader zal kunnen aantoonen, en tevens eenigen kijk kan geven
op
de oorzaak van het aanwezig zijn van aceton in den bloedbaan,
alsmede de therapie speciaal de werking der luchtinsufflatie.

-ocr page 495-

Een koe van den heer B. te H. in uitstekenden voedingstoestand
verkeerend, kalfde voor de vierde maal en beloofde, gezien den
goed gevulden schoonen uier, zeer veel melk te zullen geven. Be
melkgift die een week na den partus 24 liter per dag bedroeg
begon echter spoedig te verminderen, de uier schrompelde, de
eetlust werd van dag tot dag slechter, zoodat tien dagen na den
partus mijn hulp werd ingeroepen.

Bij inspectie waren de overheerschende symptomen van dien
aard, dat aan een
kersentijden gedacht moest worden. Het dier
stond met gestrekten kop, de beenen eenigszins in elkaar ge-
plaatst. Bij aanraken van den kop vertoonde \'t zeer sterk nerveuse
verschijnselen. Als ik het dier op stal wilde heen en weer doen
stappen leek \'t geval een beginnende kalfziekte-aanval, waarbij
met groote moeite nog \'t evenwicht werd gehouden.

Waar ik kalfziekte uit kon schakelen, was ik geneigd tot een
hersenlijden te concludeeren. Alleen \'t feit, dat \'t dier kort 11a
den partus ziek werd, bewoog me \'t dier nog vaginaal te exploreeren.
Aan de uitgeademde lucht had ik niets bijzonders geroken. Ware
de
chloroformluckt aanwezig geweest, dan zou dit belangrijk de
diagnose vereenvoudigd hebben.

Bij exploratie bleek een min of meer atonischen toestand van
den uterus aanwezig. De cervix was voor twee vingers passeerbaar
en spoedig voor meerdere, terwijl vestibulum en uterus een groote
hoeveelheid lochiën bevatten. Van deze eiwitrijke vloeistof werd
een deel in een flesch meegenomen ten einde die nader te kunnen
onderzoeken. Den veehouder werd verzocht urine op te vangen
in een flesch en ze daarna direct bij mij te bezorgen. Na onderzoek
bleek de
LEGAL\'sche reactie zeer duidelijk positief.

Voor \'t stellen van een juiste diagnose was hier dereactie m. i.
beslist noodzakelijk.

Gezien de eenvoud in de uitvoering mag deze dan ook in twijfel-
achtige gevallen
nimmer nagelaten worden.

Voor \'t onderzoek van de lochiën werd een pharmaceut gevraagd,
dit onderzoek met mij te willen verrichten.

Na in een kolf met water te zijn verdund, werd de inhoud ge-
destilleerd. Na geruimen tijd werd een troebel kleurloos destillaat
verkregen, wat nader op \'t acetongehalte werd onderzocht, en
wat een niet onduidelijke zwavelwaterstof-aroma verspreidde.

Volgens Lieben werd een gedeelte met kaliloog en jood-joodkali
behandeld, waarna spoedig de typische jodoformlucht optrad
en zeer spoedig daarna de eigenaardig jodoformkristallen in
groote hoeveelheid in de vloeistof zichtbaar werden.

-ocr page 496-

Wanneer we de legal\'sche reactie trachtten toe te passen
bleek \'t destillaat met nitroprussied natrium oplossing direct een
eigenaardig roodachtig violette kleur op te leveren, wat verder
uitvoeren van de reactie onmogelijk maakte, en wat z\'n oorzaak
in de aanwezigheid van sulfiden in het distillaat scheen te hebben.

De acetonrcactie volgens Lieben was zoodanig positief dat
\'t aan geen twijfel meer onderhevig is, dat de
inhoud van den
atonischen uterus acetonen bevatte.

Ik vind dit goed vast te leggen van het grootste belang, wat
straks nader zal blijken als ik op de beschouwingen van
Siegel
over aeetonaemie terug kom.

Eerst wensch ik echter even nader den levensloop van patiënte
te beschouwen. Haar werd verstrekt een poeder van de volgende
samenstelling: Herba sabinae 20, sulfas ferrosus 5, sal carolinum
50 en gentiaan 20 gram. Dit poeder werd drie maal daags gegeven
met \'t resultaat, dat de toestand na twee dagen veel gunstiger
was geworden. Bij m\'n komst weer twee dagen later, vond ik
patiënte echter slechter dan ooit te voren; met groote moeite
hield ze zich staande, waarbij \'t hoofd weer de gestrekte houding
had en dienst scheen te doen als een roer, heen en weer bewegend
den evenwichtstoestand bewarend.

Thans werd besloten de luchtinsufflatie in den uier toe te passen.
Onder deze manipulatie zag men \'t dier hevig beginnen te rillen,
de eigenaardige nerveuse verschijnselen, als knippen met de
oogleden, kauwbewegingen maken, speekselen enz. namen sterk
toe. Den veehouder werd bevolen pas in den uitersten nood, de
lucht uit den uier te melken, en gewezen op de kans op tijdelijke
verslechtering van patiënte,
wat na luchtinsufflatie altijd het geval is.
Bij m\'n komst den volgenden dag ongeveer 24 uren na de behande-
ling bleek mij, dat ongeveer een uur na de insuffllatie \'t dier zeer
heftige nerveuse verschijnselen had gehad, ten slotte neergevallen
was, en den veehouder zou hebben verleid zoo ik niet gewaar-
schuwd had, \'t dier den hals af te snijden, daar \'t leek dat \'t met
den dood worstelde. Langzaam was nu herstel ingetreden, en thans
lag \'t dier zeer regelmatig te herkauwen, terwijl de kop een normale
houding had. \'t Opstaan ging gemakkelijk. De eetlust was beter,
doch nog niet in orde. Thans werd weder \'t oorspronkelijke recept
voorgeschreven.

Wat de oorzaak van de aeetonaemie betreft, meen ik de uterus
als zetel van \'t lijden aan te moeten wijzen. Een sectie op een
rund 7 weken na den partus door mij tegen aeetonaemie behandeld
met negatief resultaat, had mij reeds in die richting gedreven,

-ocr page 497-

hoewel de doorslag door vorengaand onderzoek werd gegeven.
Bij dit rund, dat alle verschijnselen, vroeger opgesomd, vertoonde,
bleek een uterushoorn belangrijk vergroot en een vrij groote
hoeveelheid eiwitrijke vloeistof te bevatten. Patiënte vertoonde
tevens een chronisch leverlijden. Verder werden tal van dieren
die acht tot veertien dagen na den partus werden behandeld
tegen acetonaemie, vaginaal geëxploreerd, waarbij steeds een
openstaan van den cervixmond, rijken lochiëninhoud van den uterus
werd waargenomen. (Bij die gevallen waar \'t ziekteproces vele
weken na den partus optrad was dit niet te constateeren, doch
dit zijn er zeer weinigen).

Mijn opvatting strijdt met die van I)r. Siegei.. Na den partus
zegt hij, stijgt \'t acetongehalte van de urine belangrijk vooral
na een paar dagen, terwijl \'t na 4 — 6 dagen weer normaal wordt.
In
kolostrum vond hij veel aceton. \'t Gehalte was echter zeer wissel-
vallig.

Hij neemt nu aan, dat in de melkklier rijkelijk aceton gevormd
wordt uit de intermediaire vetstofwisseling. Wordt na een dag
of tien de toestand normaal in het lichaam, dan verdwijnt de aceton
uit de urine. Zijn er omstandigheden, die dit beletten, dan treedt
acetonvergiftiging op als door
Jöhnk beschreven. Ook op \'t proces
van de
kalfziekte zal de acetonquaestie waarschijnlijk invloed
hebben.

Bij kalfziekte, waarbij de verschijnselen zooveel intenser zijn,
moest, wanneer deze op vergiftiging door acetonen zouden be-
rusten, m. i. de urine zeer rijk aan aceton zijn. Mijn onderzoekingen
hebben aangegeven, dat ze weinig aceton bevat, wat dan ook
\'t verband tusschen kalfziekte en bovengemeld lijden zeer zwak
maakt. Dat de
luchtinsuflatie bij beide ziekten goede diensten
doet
bewijst niets, ze doet \'t bij meerdere intoxicaties.

Dat colostrum rijk aan aceton kan zijn, kan z\'n reden vinden
in dezelfde oorzaak, die ook de urine en uitgeademde lucht er
rijk aan doet zijn, n.m.1. in de lochiënmassa in den uterus, waaruit
acetonen gevormd worden.

De juiste benaming voor bovengeschetst lijden is m. i. dan ook
acetonaemie door resorptie van lochiën.

Dat de beste melkgeefsters bierdoor worden getroffen, welke
tevens in goeden voedingstoestand verkeeren, zou kunnen liggen
daaraan, dat bij \'t nieuw-melk worden veel vet onttrokken wordt
aan het organisme en veel lactose gevormd. Als waar is, dat de
lever hierbij glycogeen levert, wat volgens sommigen noodzakelijk
is en waardoor \'t gehalte van de lever daaraan zou verminderen,

-ocr page 498-

en dan ook tevens de afbrekingskracht van acetonen door
de lever, die met het glycogeengehalte daarvan zou samenhangen,
dan zouden de beste melkgeefsters \'t meest vatbaar zijn. Dat de
lever bij vorming en afbreking van acetonen een rol speelt heeft
men aangetoond. Dat een leverlijden \'t herstel van acetonaemie
tegengaat toonde mij een sectie. Ontstaat pas na eenige weken
\'t lijden, dan zou langzame aanvoer uit den uterus, gepaard aan
slechte afbraak door den lever, oorzaak kunnen zijn.

Een en ander samenvattende, meen ik te mogen concludeeren,
dat er post-puerperaal toestanden in het runder-organisme kunnen
voorkomen, die zich uiten in een eigenaardig symptomenbeeld
als boven beschreven, welke hun oorzaak vinden in de
resorptie
van eiwitrijke massa\'s en hunne producten, acetonen, die volgens
Lieben daarin zeer duidelijk zijn aan te toonen, uit den uterus.

Deze splitsingsproducten zijn in melk, urine en uitgeademde
lucht
zeer duidelijk waarneembaar, bevinden zich dus in den
geheelen bloedbaan.
I)e naam door Jöhnk aan dit ziektebeeld
geschonken kan in verband met de aetiologie \'t best gecomple-
teerd worden, door toevoeging:
Acetonaemie door resorptie van
ochliën.

BIJLAGE A. 1,
Urines van
Runderen:

A. 8 uren na den partus, vol-
komen normaal, staat met
nageboorte.

B. 14 dagen 11a den partus.

C. 1 week na den partus.

Blauw neerslag.
Iets blauw in schuim.

D. 18 uren na den partus, eet
goed, perst op nageboorte.

E. 14 dagen na den partus.

F. Hoogdrachtig, paar dagen
voor \'t kalven.

G. 4 maanden drachtig.

Urine onderzoek.

Legal-Lenobel.

Bij koken zeer weinig
blauw in schuim.

Zeer weinig blauw

in schuim.
Zeer weinig
blauw
in
schuim.

Neerslag Berlijnsch
blauw.

Zeer weinig blauw.

Fehling

Nijlander1 Legal.

Ik heb een paar staatjes gegeven. Om alle uitgevoerde -acetonreacties hier weer te
geven, zou veel te omslachtig zijn en nergens toe dienen. Voor acetonaemie volsta men
met de aangehaalde gevallen en de verzekering dat tallooze urines werden onderzocht.

-ocr page 499-

Urine van Runderen lijdende aan kalfziekte.

BIJLAGE B.

Toelichting.

a 36 uren na den partus
tevens retensie van de
secundinae.

b. Urine van een rund 24
uren na den partus.

c. Van een rund 38 uren
na den partus lijdende
aan kalfziekte en reten-
sie van het secundinae.

d. 40 uren na den partus.

e. 12 uren na den „

f. 48 uren „ „ „

g. 48 uren „ „

h. 40 uren „ „ „

i. Drie etmalen.

Nijlander.
Positief.

Negatief.

REACTIE VAN
Fehling. I Legal. I Lenobel.

Positief. Negatief. Na koken een

neerslag.

Negatief.

-ocr page 500-

BIJLAGE C.

Runderen lijdende aan:
Liggen blijven na den partus.

a. 24 uren na den partus, goed
gezond, niet opstaan.

b. 2 x 24 uren na den partus,
ligt \'t dier nog steeds, 2 maal
is luchtinsufflatie door vee-
houder toegepast.

c. 2 x 24 uren na den partus
kan niet opstaan, retensie
van de secundinae.

d. 4 x 24 uren na den partus
kan niet opstaan overigens
normaal.

e. 36 uren na den partus blijft
\'t rund liggen; staat na 24
uren weer op.

f. Drie maal 24 uren na den
partus blijft een rund liggen.

Fehling

Nijlander Legal.

Legal-Lenobei..
Na koken.

Neerslag Berlijnsch
blauw.

Zwaar neerslag.

Een weinig neerslag.

Weinig neerslag.

Weinig neerslag.

Weinig neerslag.

Artikel 8 van het Wetsontwerp, houdende „Bepalingen
tot wering van vleesch en vleesehwaren, die voor de gezon-
heid schadelijk zijn",

DOOR

S. DOUMA.

Bovengenoemd artikel, eerste lid, luidt:

,,Indien vleesch, gekeurd volgens de bepalingen van deze wet
of van de „wet op de uitvoerkeuring van vleesch 1907 (Staats-
blad n°. 217)" in eene andere gemeente wordt ingevoerd, kan
het in die gemeente uitsluitend onderworpen worden aan een
onderzoek om na te gaan of het nog verkeert in den toestand,
waarin het volgens het keuringsmerk moet verkeeren."

-ocr page 501-

Hierin wordt dus de kwestie der keuring van vleesch bij invoer
in eene gemeente geregeld. Hierbij bestaan 2 mogelijkheden:
ie. onbeperkte vrije invoer, zoodat er geene keuring meer mag
plaats hebben. 2e. in de gemeente van invoer wordt het vleesch
opnieuw aan keuring onderworpen. Uit bovengenoemde zinsnede
volgt dus, dat de regeering zich heeft geplaatst op eerstvermeld
standpunt en blijkens de Memorie van Toelichting is ze daarbij
geleid door de gedachte „eenheid van keuring in het geheele
land" waarmede dan wordt bedoeld, dat een eenmaal aangebracht
goedkeuringsmerk het vleesch overal in den lande toelating moet
verschaffen. Terecht heeft men hierbij echter opgemerkt, dat bij een
zoo aan veranderingen onderhevig product als vleesch toch wel
eenige beperking aan dien vrijen handel dient te worden gesteld
en daarom is zeer zeker het volgende er aan toegevoegd: „Verkeert
het vleesch niet meer in dien toestand, clan wordt het, voor zoo-
veel mogelijk, aan keuring onderworpen en in overeenstemming
met de bepalingen dezer wet en de te harer uitvoering gegeven
voorschriften voorwaardelijk goedgekeurd of afgekeurd."

Wanneer dus vleesch in beginnend bederf of totaal bedorven
is, want daar gaat het dan toch om, mag het aan keuring worden
onderworpen; anders niet. Het dwaze van dit artikel wordt ook
door de Commissie, namens de Maatschappij ter bevordering der
Veeartsenijkunde in Nederland belast met een onderzoek naar
dit wetsontwerp, in haar rapport nader uiteengezet, waar ze
er op wijst, dat elk stuk vleesch, dat is vervoerd, in hoedanigheid
verandert, al is het traject zelfs kort, dus nooit in denzelfden
toestand verkeert, waarin het verkeerde, toen het goedkeurings-
merk er op werd geplaatst, waarom ze dan ook deze bepaling
anders wenscht te redigeeren, gelukkig er aan toevoegende, dat
ze met de bedoeling, welke dan toch precies eender blijft, niet
tevreden meent te mogen zijn, omdat de ervaring heeft geleerd,
dat in menig geval verwerping van de eerste uitspraak absoluut
noodig bleek en het als een groote fout beschouwd moet worden,
aan den keurmeester van de gemeente, waar wordt ingevoerd,
het recht te ontnemen, bij gerechten twijfel aan de eerste uitspraak,
een nader onderzoek in te stellen.

Ook de gemeenteraad van Amsterdam heeft bij den Minister
van Binnenlandsche Zaken aangedrongen op wijziging van dit
artikel, omdat herhaaldelijk vleesch zal kunnen worden inge-
voerd, dat door anderen dan gediplomeerde veeartsen is gekeurd,
terwijl in Amsterdam deze keuring alleen aan veeartsen is opge-
dragen. Het wordt door den raad in het belang der openbare

-ocr page 502-

ge7.ondheid noodzakelijk geacht bevoegdheid tot herkeuring te
geven zoo de keuring door een minder deskundigen hulpkeur-
meester is geschied.

Men ziet, het bedoelde artikel is in deskundige kringen niet
gunstig ontvangen; daaraan is het zeker te danken, dat ook in
het Voorloopig verslag over het afdeelingsonderzoek in de Tweede
Kamer der Staten-Generaal vorengenoemde bedenkingen daar-
tegen worden ingebracht, zoodat de mogelijkheid niet uitgesloten
is, dat alsnog de gewenschte veranderingen worden aangebracht.

Ook ik zou dit ten zeerste toejuichen, daar ik het in hooge
mate zou betreuren, dat gemeenten, die zich moeite noch kosten
hebben ontzien om te komen tot een goed ingerichten keurings-
dienst en door de oprichting van Openbare Slachthuizen de volks-
gezondheid zooveel mogelijk hebben trachten te beschermen,
zich de vruchten hiervan gedeeltelijk zouden zien ontgaan door
de tot standkoming eener wet, die haar verplicht den onbelemmer-
den invoer van vleesch en vleeschwaren toe te staan van uit,
vooral plattelandsgemeenten, waar de keuring nooit zoo volledig
zal kunnen geschieden als in een openbaar slachthuis of een goed
ingericht keurlokaal en waar misschien, waartoe de wet de ruimte
laat, de keuring is toevertrouwd aan minder deskundige personen,
zonder een nader onderzoek, behalve op bederf, te mogen verrichten.
Hierdoor zou de wet een groot gedeelte van hare goede werking
verliezen; de groote gemeenten zouden toe moeten zien, dat binnen
hare grenzen vleesch werd verkocht, waarvan de keuring zeer
twijfelachtig is geweest, zonder daartegen de noodige maatregelen
te kunnen nemen en dat deze keuring twijfelachtig kan wezen,
volgt uit:

1. iedere deskundige is feilbaar.

2. de wet laat de mogelijkheid open, dat met de keuring minder
bevoegde personen worden belast.

3. minder nauwgezette ambtenaren, die het met de keuring
niet zoo precies nemen, hebben vrij spel.

Vooral dit laatste is van groot belang, want hoe mooi en uit-
stekend ook het Rijkstoezicht zal zijn ingericht, ieder deskundige
zal moeten toegeven, dat de controle op de ambtenaren, in de
gemeenten belast met den keuringsdienst, uiterst moeilijk, zoo
niet onmogelijk zal zijn; wil een ambtenaar een dier goedkeuren,
dat afgekeurd diende te worden, hij zal dat dikwijls zonder gevaar
voor zich zelf kunnen doen, want overal waar het wordt ingevoerd,
mag slechts op bederf worden gekeurd en worden er menschen
ziek tengevolge van het gebruik van dat vleesch, dan is het meestal

-ocr page 503-

onmogelijk om met voldoende zekerheid uit te maken, dat bedoelde
ambtenaar zieh aan grof plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt.
Juist in het toelaten van herkeuring in de gemeenten van invoer
schuilt een prachtig controle middel. Een ambtenaar zal zich dan
wel eerst goed bedenken, alvorens een uitspraak te doen, indien
hij weet, dat in andere plaatsen, waar de keuring zeer volledig
kan worden uitgevoerd en men over alle mogelijke hulpmiddelen
beschikt, het vleesch nogmaals nauwkeurig wordt nagekeken en
dat zulks noodig is, meen ik te kunnen aantoonen met de volgende
gevallen, die zich in den loop van het vorige jaar aan het Openbaar
Slachthuis te \'s-Gravenhage hebben voorgedaan. Trouwens, ieder
deskundige, werkzaam aan een abattoir, zal deze wel met eigen
ervaring kunnen aanvullen.

1. In het keurlokaal werd een rund ter keuring aangeboden,
waarbij, aangezien van uit de gemeente van herkomst geen vrijen
invoer in Den Haag was toegestaan, de organen op de aangegeven
wijze aanwezig waren. Het dier was zeer vermagerd en de eigenaar,
niet geheel zeker van de goedkeuring, had het daarom eerst in
z\'n eigen gemeente laten keuren, waar het dan ook voorzien was
van een goedkeuringsmerk. Er bleek aanwezig te zijn eene hevige
miliairtuberkulose van de longen.

Het dier werd afgekeurd en vernietigd.

Eeftigen tijd later deed zich een dergelijk geval voor.

2. Eveneens in het keurlokaal werd een geslachte koe aan-
gevoerd, waaraan reeds op het eerste gezicht te zien was, dat
we te doen hadden met eene noodslachting: ook de organen wezen
daarop. Een nauwkeurig bacteriologisch onderzoek werd ingesteld,
waarbij bleek, dat het dier aan miltvuur had geleden.

De betrokken districtsveearts deelde mede, dat de koe door een
keurmeester was goedgekeurd. Ze werd natuurlijk afgekeurd en
vernietigd.

3. Dit betrof een geval, hetwelk ook reeds door Warnecke
is beschreven in zijn artikel „Het voorkomen van den bac. enter.
Gärtner bij kalveren" in het Tijdschrift v. Veeartsenijkunde 1 April
1914. Een icterisch kalf, voorzien van de goedkeuringsmerken eener
andere gemeente, bleek in het vleesch te bevatten de zoo gevaarlijke
bac. enteritidis
Gärtner. Ook dit dier werd afgekeurd en ver-
nietigd.

Had art. 8, zooals dat wordt voorgesteld, toegepast moeten
worden, een koe met miltvuur was in consumptie gegaan, een kalf
met in het vleesch den bacillus enteritidis
Gärtner had moeten
worden goedgekeurd, aangezien bij deze dieren van bederf geen

-ocr page 504-

sprake was en dus geen nader onderzoek had mogen worden
ingesteld.

Hieruit blijkt dus ten duidelijkste, hoe noodig het is, dat er
behoorlijk toezicht is op de uitspraak van sommige met de keuring-
belaste ambtenaren en dat er wel degelijk gevaar bestaat bij
nnbeperkten invoer van eenmaal goedgekeurd vleesch. Dat bij de
invoering der wet zooiets niet meer zou plaats hebben, is niet
aan te nemen; integendeel, deze gevallen zullen zich, vooral in den
beginne, nog meer voor doen dan nu het geval is, vandaar, dat het
eene besliste noodzakelijkheid is, artikel 8 zoodanig te wijzigen, dat
bij invoer in eene gemeente een nieuwe keuring kan plaats hebben.
Misschien zal men mij tegenwerpen, dat daardoor inbreuk wordt
gemaakt op het beginsel „eenheid van keuring door het geheele
land", maar dat is toch niet het geval, want de keuring op zich
zelf wordt geregeld in art. :8, volgens hetwelk bij algemeenen
maatregel van bestuur zal worden aangegeven, wat dient te worden
goed- of afgekeurd en hoe dient te worden gekeurd; daaraan
heeft ieder ambtenaar zich te houden, ook hij, die de keuring
verricht in de gemeente van invoer; hij zal dus dezelfde voorschriften
moeten toepassen als de keurmeester, die de eerste keuring ver-
richtte en slechts met hem in conflict komen, wanneer hij meent,
dat de eerste uitspraak onjuist is geweest; dan dient echter, wanneer
dit ook het geval blijkt te zijn, die eerste uitspraak te worden
vernietigd; daartegen kan toch geen bezwaar bestaan. Aan de
eenheid van keuring doet dit absoluut geen nadeel, integendeel,
deze zal er juist door worden bevorderd.

Wanneer dan in beginsel is aangenomen, dat bij invoer aan
de gemeente meerdere vrijheid gelaten moet worden dan in
artikel 8 het geval is, komt de vraag op: „hoe dient dit dan ge-
regeld te worden," want dat daarbij eenige beperkende bepalingen
gemaakt moeten worden, spreekt vanzelf. De wet moet ook de
waarborgen verschaffen, dat geen misbruik wordt gemaakt van
de toegestane vrijheid. De bovengenoemde Commissie heeft dat
ook ingezien en daarom voorgesteld het artikel als volgt aan
te vullen:

„Bij invoer van vleesch, afkomstig van in nood gedoode dieren
moet een bewijs worden overgelegd, afgegeven door den keurings-
veearts op de plaats, waar het dier werd geslacht, waarin wordt
vermeld om welke reden het dier in nood werd gedood en welke
veranderingen bij het onderzoek zijn waargenomen. Den keurings-
veearts op de plaats van invoer wordt het recht verleend bij
gegronden twijfel een nader onderzoek in te stellen. Wanneer

-ocr page 505-

deze van dit recht wenscht gebruik te maken, wordt daarvan
door hem onverwijld kennis gegeven aan den met het toezicht
belasten inspecteur."

Ik meen, dat hierin voldoende waarborgen gelegen zijn tegen
willekeur en zou het toejuichen, indien de regeering er toe mocht
besluiten, naast andere gewenschte veranderingen, die ook in
het bedoelde rapport voorkomen, artikel 8, eerste lid, zoodanig te
wijzigen, dat de ertegen ingebrachte bezwaren komen te vervallen.

Verwijdering van vreemde lichamen uit den slokdarm,

door \'

A. H. VEENBAAS.

Naar aanleiding van een artikel verschenen in de Berliner T. W.
N°. 13, 1913 van de hand van Dr.
Johan onder den titel „Entfer-
nung von Fremdkörpern aus dem Schlund auf operativem Wege"
meende ik in dit Tijdschrift \'t volgende te moeten opmerken.

Na gewaarschuwd te hebben tegen \'t aanwenden van brute
kracht bij \'t appliceeren van de slokdarmsonde, teneinde het
vreemde lichaam te verwijderen, wordt aangeraden, eerst te trach-
ten met de sonde \'t corpus alliënum naar de pens te voeren,
daarna, zoo dit bij groote voorzichtigheid niet gelukt, te trachten
\'t zeer voorzichtig naar boven te drukken, om, zoo dit ook mislukt,
over te gaan tot
tracheotomie; daarna \'t vreemde voorwerp naar
boven te laten duwen en dan zelf met een stuk koperdraad in
de hand den mond binnen te dringen, dit onder \'t voorwerp door
te schuiven en daarna aan te trekken. Dit koperdraad, hiervoor
in eigenaardigen vorm gebogen, heeft den heer
Johan herhaal-
delijk groote diensten bewezen.

W anneer ik een en ander overweeg, komt mij deze manipulatie
zeer omslachtig voor, waartoe, vooral met \'t oog op de nabehandeling,
de tracheotomie niet weinig meewerkt.

Voor den praktizeerenden veearts, die vooral op het platteland,
dikwijls een zeer groot gebied van veterinaire hulp moet voor-
zien, is in de eerste plaats eenvoud in de manipulaties op operatie-
gebied geboden; en moet de nabehandeling tot een minimum
gereduceerd. Meevoeren van groote vrachten instrumentarium
is uit den booze, vooral bij de moderne manier van verplaatsen.

Herhaaldelijk wordt hier, vooral in den herfst, als aardappelen
xli 27

-ocr page 506-

aan \'t vee gevoerd worden, m\'n hulp ingeroepen bij runderen,
die lijden aan obturatie van den slokdarm. Ook bij lijn-
koekvoedering komt het herhaaldelijk voor, dat een stuk lijn-
koek zich in den slokdarm vastzet.

De plaats waar dit geschiedt, is bijna zonder uitzondering op
V, van den hals. Nu is mij tot dusverre gebleken, dat men nooit
een slokdarmsonde noodig heeft, reden waarom ik die dan ook
voor dit doel nooit meer meeneem.

\'t Aantal oesophagusperforaties dat ik zag, wanneer veehouders
met een zweep of anderszins getracht hadden genezing aan te
brengen, heeft me van de sonde-therapie afscheid doen nemen.

Ik laat bij m\'n komst direct een halve flesch olie aan den patiënt
geven, wat zeer langzaam wordt toegediend. Nadat de kop goed
gefixeerd recht vooruit wordt gehouden, strijk ik met de duimen
door de jugularisgroeven, waarbij \'t bij ecnige inspanning zeer
dikwijls gelukt (vooral als \'t heele aardappels betreft) ze weer
in den mond terug te brengen. Gelukt dit niet, wat vooral voor-
komt als een stuk lijnkoek in den slokdarm zit ingeklemd, dan
laat ik door iemand van de omstanders, nadat ik \'t vreemde
voorwerp van buiten heb gefixeerd, met de duimen vooruit drukken;
neem daarna de tong met de linkerhand vast, om met de rechter
\'t obtureerende object vast te pakken, wat dank zij de gladde
slokdarm door raapolie bevochtigd, mij altijd mogelijk was.

Ongelukken zijn bij deze werkwijze niet voorgekomen; nimmer
zag ik eene verscheuring of collateraal oedeem optreden; aan-
leiding voor tracheotomie bestond nooit.

Slokdarmsonde bij rund en varken,

door

W. DE BEIJL, te Coevorden.

Dit najaar komt het nog al eens voor, dat vreemde voorwerpen
vooral aardappels uit de slokdarm of zwelgkeel verwijderd moeten
worden. Wat het rund betreft, beaam ik in hoofdzaak het ge-
schrevene in dit tijdschrift
(i Sept. 1913) door collega Ten Hoopen.

In de eerste plaats wensch ik er de aandacht op te vestigen,
dat de sonde moet zijn even als een veer uit eene gewone rijtuig-
lantaarn, dus erg buigzaam en niet zooals een zweep of balein-

-ocr page 507-

Vervolgens wensch ik op te merken dat de gewone, ook de door
mij in der tijd gekochte sonde,
te dun is.

In het begin mijner praktijk gebruikte ik de sonde alleen inge-
olied; nu maak ik haar aanmerkelijk dikker, door er een stuk
doek om heen te wikkelen. Dit is m. i. van veel belang, vooral
bij pink, kalf of varken, waar er meestal geen sprake van is, het
voorwerp met de hand door de mondholte te verwijderen.

Als proef gebruikte ik dezer dagen, met gunstig gevolg bij
een kalf van een jaar oud, de gewone, op bovengenoemde manier
verdikte, rundersonde, welke nu een diameter had van 4 c.M.
(onverdikt is de sonde slechts de helft: 2 c.M.).

Bij varkens van ± 100 K.G. gewicht gebruik ik een sonde van
2 c.M.

Ten slotte nog dit: Ook ik heb ervaren, dat, mocht men het
vreemde voorwerp niet kunnen verwijderen, men maar een af-
wachtende houding aan moet nemen; natuurlijk alle voedsel
verbieden. Meestal, soms na 2
x 24 uur nog, glijdt het voorwerp
in de maag.

Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland.

Verslag van de Buitengewone Algemeene Vergadering van de Maatschappij ter
bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland, gehouden op Zaterdag 14 Maart

1914 te Utrecht.

De Voorzitter: Ik open de vergadering en heet den Inspecteur van den Land-
bouw, als vertegenwoordiger van den Directeur-Generaal, welkom; het spijt ons,
dat deze, die steeds zooveel belang stelt in aangelegenheden van veeartsenijkundigen
aard, niet zelf aanwezig kan zijn.

Voorts roep ik mede een welkom toe aan de verschillende aanwezige eereleden,
den directeur en de leeraren van \'s Rijksveeartsenijschool, de afgevaardigden en
overige leden onzer Maatschappij, en aan de vertegenwoordigers van de pers, en in
het bijzonder aan onze militaire collegae. Welke ook de reden van de tijdelijke af-
scheiding dezer laatsten was, spr. hoopt, dat nooit meer eenige dissonnant de onder-
linge harmonie zal verstoren. (Applaus). Wil de organisatie sterk zijn, dan moeten
allen schouder aan schouder staan om de belangen van de veeartsenijkunde te
verdedigen.

Ik heb mij de verkiezing tot voorzitter der Maatschappij laten welgevallen, al
vroeg ik mij af: Qu\'allez-vous faire dans cette galère? Ik zal noch despotisch,
noch imperialistisch den scepter voeren, maar er naar streven de gedweeste leider

-ocr page 508-

te zijn en iedereen tegemoet te komen, met inachtneming van de beginselen, die bij
het Hoofdbestuur en de verschillende afdeelingen voorzitten. Noodzakelijk is
daarvoor, dat de afdeelingsvergaderingen door het geheele corps veeartsen worden
bezocht, wat des te meer gewenscht is daar thans op veterinair gebied veel aan-
hangig is.

In bezielende woorden kan ik niet het woord tot de vergadering richten, maar
het zal mij aan goeden wil, om met een ieder samen te werken tot verheffing der
Veeartsenijkunde, niet ontbreken. (Applaus).

II. Mededeeling aanwezige leden.

De Secretaris deelt mede, dat de volgende afdeelingen vertegenwoordigd zijn:

Afd. Friesland vert.

door den hr. Veenbaas, uitbr.

19 stemmen

„ Groningen-Drente „

„ „ ,, W. ten Hoopen, „

12

„ Gelderl.Overijsel ,,

„ „ Dr. C. J. Rab,

19

,, Overijsel ,,

,, ,, „ Dr. Luxwolda, „

8

„ Utrecht „

,, „ „ Dr. Picard, „

10 „

„ Noord-Holland ,,

,, „ „ J. Mazure, „

23

„ N.-Zuid-Holland „

,, „ „ L. J. Hoogkamer » ,,

io-i3 »

„ Zuid-Holland ,,

„ ,, „ L. J. Ellerman. „

10

„ Noord-Brabant „

,, „ ,, F. v. Hootegem, ,,

10 „

,, Zeeland

,, ,, ,, Dr. van NederViEEN, „

11

De afdeeling Limburg is niet vertegenwoordigd, wegend ziekte van den afge-
vaardigde.

b. dat de Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel\' bericht heeft gezonden
door ambtsbezigheden déze vergadering niet bij te kunnen wonen. Ook Dr. \\\\ . I\'.
Ruijsch was verhinderd tegenwoordig te zijn.

Ingekomen is een verzoek van de afdeelingen Utrecht en Groningen-Drenthe,
ondersteund door het Hoofdbestuur, om in deze bijeenkomst zoo mogelijk ook
het rapport omtrent het veeverzekeringswezen te behandelen.

De secretaris der afdeeling Nieuw-Zuid-Holland zond een brief, waarin de mede-
deeling, dat in de afdeelingsvergadering van 4 Februari 1.1. het feit ter sprake
werd gebracht, dat het Nederlandsch Instituut van Landbouwkundigen een ver
gadering heeft belegd ter bespreking van het ontwerp wrt op de paardenfokkerij.
Zij sprak de wenschelijkheid uit, dat onze Maatschappij cp dit gebied meer werk-
zaam zou zijn en dat telkenmale indien belangrijke wetttn bij de Staten Generaal
worden ingediend, deze door bevoegde veeartsen zullen worden onderzocht en het
resultaat daarvan ter kennis van de afdeeling zal worden gebracht. Het bestuur
wenscht deze aangelegenheid straks bij monde van den heer
Barendrecht nog
verder te doen toelichten.

De afdeeling Friesland verzocht in de gelegenheid g.steld te mogen worden
een vraag tot het Hoofdbestuur te richten in verband m<t het doen afdrukken in
ons tijdschrift van een proefschrift in de Duitsche taal. Verder wenscht iij haar
meening kenbaar te maken omtrent het opnemen in he orgaan der vereeniging
van verslagen, begrootingen en andere publicaties van Rijkswege, alsmede van
berichten, overgenomen uit nieuwsbladen, enz.

De Voorzitter: Het vorige jaar is een commissie, lestaande uit de Heeren

-ocr page 509-

Van Dui.m, Plet en Kroon benoemd, belast met het onderzoek naar het wets-
ontwerp op de paardenfokkerij.

De heer De Jong: Zouden de door den secretaris medegedeelde berichten niet
aan het eind der vergadering besproken kunnen worden?

De Voorzitter: Alle ingekomen stukken komen bij de „vrije mededeelingen"
aan de orde.

III. Behandeling van het rapport uitgebracht door de Commissie, belast met
een onderzoek naar het ontwerp van w-et tot regeling van het Landbouw- en het
Veeartsenijkundig hooger onderwijs.

De heer Hoogkamer: De nieuwe afdeeling Zuid-Holland heeft mij in zake de
gedachtenwisseling en de beslissing over deze ontwerp-wet vrij mandaat gegeven,
zoodat, wat ik hier ga zeggen, geacht kan worden de meening van die afdeeling
te vertolken.

Eindelijk zal men dan ook in ons land komen op het punt, waarnaar zoo ver-
engend is uitgezien. Nadat de meeste landen ons reeds 25 jaar geleden voorgegaan
zijn, is ook hier een wetsontwerp ingediend, om het veeartsenijkundig onderwijs
onder het Hooger-onderwijs te brengen. Dat we hiermede op een gewichtig keer-
punt in de veeartseni kundige geschiedenis zijn gekomen, staat vast, want eerst
daarna zal aan de studenten een wetenschappelijke opleiding in de vollebeteekenis
van het woord kunnen gegeven worden. Wij ouderen, die deze hebben moeten
missen, die zich met gewoon vakonderwijs hebben moeten tevreden stellen, wij
hebben maar al te zeei onze tekortkomingen bij het intreden in de maatschappij
gevoeld, dan dat we ons over dezen ommekeer niet zouden verheugen.

Gaat men nu na, wat deze Wet ons brengen zal, zoo blijkt, dat het gedaan zal
zijn met de veel te kor:e vierjarige studie en dat het onderricht er zich niet meer
naar te regelen zal hebben, om de studenten in deze periode zooveel mogelijk vak-
kennis bij te brengen. Integendeel, de professoren zullen, behoudens de goed-
keuring van Senaat, Oratorium en Minister, de noodige vrijheid hebben, hun leer-
programma zoodanig ii te richten, dat het door hen te geven onderwijs inderdaad
beantwoordt aan de eiichen van Hooger Onderwijs. De jonge collega\'s zullen dus
beter toegerust dan vcorheen in de maatschappij treden, terwijl de veeartsenij-
kunde een meer waard ge plaats onder de andere takken van wetenschap zal in-
nemen, waardoor nooewendig de maatschappelijke positie der dierenartsen in
aanzien zal kunnen stijgen. Ik zeg „kunnen", want voor een niet gering deel is zij
afhankelijk van de wijze, waarop deze in de maatschappij optreden.

De Wet geeft dus vel aanleiding tot dankbaarheid. Toch zijn onze gevoelens
van erkentelijkheid niet onverdeeld, omdat men in het ontwerp regelingen aantreft,
die wij gaarne anders gtzien zouden hebben. Ik zal mij nu alleen tot de hoofdzaken
bepalen en het aan amleren overlaten, meer op de bijzonderheden in te gaan.

In de eerste plaats dtn is het niet juist gezien, de veeartsenijkundige hoogeschool
samen te koppelen aan tle landbouwhoogeschool. Dat dit de bedoeling is blijkt over-
tuigend uit het instellen van een gemeenschappelijk curatorium en uit de
motieven, die de Minister daarvoor aanhaalt. Z.Ex. zegt dienaangaande: dat beide
onder één departemeit zijn gebracht en daaronder ook behooren te blijven en
dat beide overeenkomstige belangen hebben. Het overgroote deel van de leerlingen

-ocr page 510-

van beide Hoogescholen, zegt de Minister, zal den landbouw en de landbouwers
hebben voor te lichten en veelal in het practische leven moeten samenwerken,
zoodat het gewenscht geacht moet worden, daarop steeds het oog gevestigd te
houden. Voorts wordt het economisch geacht, het onderwijs aan beide Instituten,
waar dit er aanleiding toe geeft, naar elkaar te richten. Ja, de ontwerper is
van die samenhoorigheid zóó overtuigd, dat hij, indien niet het overwegend be-
zwaar bestond, dat of op de ééne plaats of op de andere, vele en kostbare zaken
moesten worden opgeofferd, niet zou aarzelen één veeartsenij kundige en land-
bouwkundige hoogeschool voor te stellen. Twijfel aangaande de inzichten van
den ontwerper op dit punt is dus uitgesloten.

Dat beide scholen onder één departement zijn gebracht en daaronder ook moeten
blijven, legt m.i. zeer weinig gewicht in de schaal. Immers nog niet zoo lang geleden
behoorde de veeartsenijkundige school onder het Departement van Binnenlandsche
Zaken en het ging haar niet beter of slechter dan onder het Departement van Land-
bouw. Het is volkomen waar, dat de leerlingen van beide hoogescholen later den
landbouw en de landbouwers zullen hebben voor te lichten en practisch zullen
moeten samenwerken. Maar, wat heeft dit nu eigenlijk met de
opleiding te maken?
M. i. absoluut niets. De studie van den landbouw en die van de geneeskunde der
dieren, want dit is, wat verstaan moet worden onder veeartsenijkunde, zijn in het
wezen der zaak volkomen vreemd aan elkaar. In werkelijkheid wordt elke weten-
schappelijke band tusschen deze gemist, terwijl de leer der zoötechnie slechts een
zeer klein onderdeel van de diergeneeskunde vormt. Het wil mij voorkomen, dat
de ontwerper de fout gemaakt heeft, de veeartsenijkundige opleiding te vereen-
zelvigen met de veeartsenijkundige praktijk en den veeartsenijkundigen dienst.
In den gedachtengang van den ontwerper zou het werkelijk overweging verdienen
tot een reorganisatie van de opleiding onzer artsen over te gaan, zóó, dat ook deze
naar „Landbouw" werd overgebracht. Want, veel meer, dan aan een goeden vee-
stapel, bestaat er voor den landbouw behoefte aan gezonde, flinke boeren.

Zonder boeren is geen landbouw mogelijk, zonder veestapel is er altijd nog wel
wat van te maken. Dus — landbouw en geneeskunde onder één curatorium!

Ten opzichte van de irrigatie in Ned.-Indië bestaat er reeds zoo\'n nauwe aanra-
king tusschen de civiele ingenieurs en den landbouw, dat er ernstige stemmen zijn
opgegaan voor het denkbeeld, om het toezicht daarop, en het beheer daarvan,
aan de ingenieurs te onttrekken en over te brengen naar het departement van land-
bouw. Zou men nu daarom de opleiding dezer ingenieurs moeten gaan verbinden
aan die der landbouwkundigen?

Men ziet, tot welke consequenties het beginsel, dat den ontwerper voor oogen
heeft gestaan, leidt. Dat dierenarts en landbouwkundige hier en daar samenwerken
is een verschijnsel, dat men ten opzichte van haast elk beroep kan opmerken.

Desondanks is de wetgever tot op heden steeds uitgegaan van het beginsel,
dat de opleiding tot, en de uitoefening van een beroep in de maatschappij, twee van
elkaar volkomen onafhankelijke zaken zijn.

Duidelijk blijkt dit hieruit, dat de opleiding tot jurist en tot ingenieur behoort
bij het departement van binnenlandsche zaken, terwijl zij in de practijk onder het
departement van Justitie en van Waterstaat komen te staan.

Wat nu de economische eischen betreft, eerlijk gezegd, ik heb de bedoeling van

-ocr page 511-

den wetgever niet kunnen doorgronden, daarvoor is de toelichting in te algemeens
termen gesteld. Alleen blijkt er duidelijk uit, dat beide takken van wetenschap
zich in hare ontwikkeling naar elkander zullen moeten richten.

De aangevoerde gronden voor het instellen van een gemeenschappelijk cura-
torium zijn dan ook moeilijk houdbaar, terwijl uit de opvatting van den ontwerper
zeer ernstige nadeelen voor de diergeneeskunde zullen voortvloeien. Noch deze,
noch de landbouwkunde zullen zich ongedwongen kunnen ontwikkelen, als zij ver-
plicht worden, zich naar elkaar te richten. Bovendien is dit ten eenenmale in strijd
met het karakter van het Hooger Onderwijs, dat vóór alles in zich sluit, vrijheid
van alle knellende banden. Uit deze combinatie zullen vooral voor de veeartse-
nijkunde groote nadeelen voortvloeien. Zij zal niet opgewassen blijken te zijn tegen
massa van de landbouwers, die, in ruime mate in de Staten-Generaal vertegen-
woordigd, langs indirecten weg invloed op den gang van zaken kunnen uitoefenen.
De landbouwbelangen zullen in dat college van curatoren dan ook ter dege ver-
tegenwoordigd zijn en meer op den voorgrond treden dan die der veeartsenijkunde.
Practisch zal de regeling van den Minister er toe leiden, dat de laatste in den knel
komen.

Of ik deze zaak niet te duister inzie? Ik geloof het niet. Dertig jaar heb ik het
Nederlandsch-Indische leger, waarin de geneeskunde van menscli en dier tot één
afdeeling, onder één arts als Chef, vereenigd zijn, als millt. paardenarts gediend.
In dien tijd heb ik kunnen waarnemen wat het gevolg is van al de hier bedoelde
combinaties. De numeriek en maatschapplijk meest krachtige zorgt eerst voor zich
zelf en gaat daarna pas aan anderen denken. Nu hoop ik niet M. d. V., dat men
uit het door mij aangevoerde, de conclusie zal trekken, dat ik den landbouw een
minder goed hart toedraag, en haar daarom minder edele neigingen te dezen in
de schoenen wil schuiven, in geenen deele, de te verwachten gang van zaken is eer»
logisch gevolg van de ijzeren wet van den strijd om het bestaan, en als de veeartse-
nijkunde hier in de meerderheid was, zou ik de landbouwers toeroepen: ,,Pas op
de veeartsen". Daarom zie men af van een regeling die de vrije ontwikkeling van
twee takken van wetenschap in den weg zal staan en tot een voortdurenden
strijd aanleiding zal geven.

Een 2e misgreep, m.i. de principieële fout in het ontwerp is, dat men een af-
zonderlijke hoogeschool wil stichten op den voet van de Polytechnische Hoogeschool
te Delft, of liever: een hoogeschooltje voor diergeneeskunde in een stad, waar reeds
een universiteit is.

De ontwerper acht toevoeging aan de medische faculteit niet wenschelijk, omdat,
volgens de besliste uitspraak van deskundigen, punten van afwijking tusschen de
geneeskunde van den mensch en die der dieren zoo vele zijn, ook de gevolgde onder-
zoekingsmethoden zoo uiteenloopen, dat de vereeniging van beide in één faculteit
feitelijk geheel op de vorming van een nieuwe faculteit zou neerkomen en in geen
geval tot besparing zou leiden. Ook zegt de Minister, dat de door bevoegde be-
oordeelaars geuite vrees, dat de veeartsenij kundige belangen wel eens in het ge-
drang zouden kunnen geraken, hem niet geheel ongegrond voorkomt.

Voor die ineensmelting is inderdaad veel te zeggen, zoowel uit een wetenschappe-
lijk, als uit een finantieel oogpunt, omdat men, wat het eerste betreft, afgescheiden
van het object, bij de geneeskunde van mensch en dier, op geen principiëele ver-

-ocr page 512-

schillen stuit; het gaat hier om de geneeskunde der zoogdieren, een stelling, reeds
lang geleden door wetenschappelijke mannen als juist erkend. Uit een finantieel
oogpunt is zij aan te prijzen, omdat er aan de universiteit leerkrachten en labora-
toria zijn, waarvan ook voor de diergeneeskunde gebruik ware te maken, in welk
verband ik denk aan de natuurkundige en aan wellicht nog enkele andere vakken.

Toch komt ook mij die vereeniging niet wenschelijk voor, omdat ik de vrees van
den ontwerper deel, dat bij die ineensmelting de vrije ontwikkeling van de dier-
geneeskunde wel eens belemmerd zou kunnen worden. Het is wel zonderling, dat
de minister bang is, hier in den knel te geraken, terwijl hij dit gevaar blijkbaar mei
inziet bi] een vereeniging met de landbouwkundigen, althans daar er over .zwijgt.
In het ontwerp wordt alleen gesproken van het voegen der diergeneeskunde bij
de medische faculteit, maar heeft men in dit opzicht wel eens gedacht aan de
filosofische faculteit? In België is men dien kant reeds gedeeltelijk uitgegaan,
en worden aan de veeartsenij kundige school te Cureghem alleen toegelaten zij,
die in het bezit zijn van een diploma, waaruit blijkt, dat zij zijn candidaat in de
natuurkundige wetenschappen. Te overwegen ware, of men hier nog niet een stapje
verder zou kunnen gaan en alles onderbrengen bij de filosofische faculteit.

Ik zal mij hierover echter geen oordeel aanmatigen, daar ik te weinig bekend
ben met de regeling van het onderwijs aan de universiteit, ik wensch er alleen de
aandacht op te vestigen.

Verworpen wordt ook het denkbeeld, een afzonderlijke zesde faculteit in het
leven te roepen. Dit zou, zegt de minister, beteekenen: het invoeren van een in-
grijpende nieuwigheid bij het universitair onderwijs. Voorts zou veel moeten worden
onderzocht en overwogen, zoodat het geruimen tijd zou duren, alvorens men tot
een resultaat zou komen. Daarom heeft men om practische redenen besloten af te
zien van een dezer beide wijzen van oplossing en is het denkbeeld van afzonderlijke
hoogescholen gekozen naar het voorbeeld van de Technische Hoogeschool te
Delft. Ook wordt met betrekking tot deze aangelegenheid, in het ontwerp verwezen
naar de meening van de Staatscommissie, die in haar rapport de stichting van
hoogescholen voor beide deelen van onderwijs bepleit met motieven, die de Minister
tot de zijne maakt.

Toen spr. dit alles las, heeft hij zich afgevraagd: Zijn dat nu argumenten en
gronden, die een beslissing over zulk een gewichtige aangelegenheid als het hier
geldt, rechtvaardigen? M.i. in geenen deele, want in werkelijkheid komen de opge-
somde bezwaren neer op de nieuwigheid van het geval en op de ambtelijke soesah,
verbonden aan het treffen der onderwerpelijke regeling. Wat doet het er toe, of
men te doen heeft met een novum, als men daarmede kan komen tot de best mo-
gelijke regeling. Daarvoor terugdeinzen staat gelijk met het tegenhouden van iedere
verandering en verbetering. Dat men veel moet overwegen, wil ik gaarne aan-
nemen, maar waarom, toen de reorganisatie aan de orde kwam, eerst in 1903 en
toen in 1909 niet dadelijk de meest voor de hand liggende en rationeele oplossing,
d.w.z., de inlijving bij de Utrechtsche Universiteit, op den voorgrond gesteld?
In dit verband wil ik de aandacht vestigen op hetgeen met de Indologen te Leiden
is gebeurd. Deze worden als student ingeschreven bij den rector magnificus en volgen
de colleges van de hoogleeraren der juridische- en literarische faculteit, terwijl
examens voor telkenjare ingestelde afzonderlijke commissies worden afgelegd.

-ocr page 513-

Deze nieuwigheid kwam zonder veel overwegen en in korten tijd tot stand. Mij
wil het voorkomen, dst men aan het departement van Landbouw wel gevoeld
heeft dat de universitaire opleiding de meest gewenschte is, maar dat men dien
weg, om mij onbekende reden niet opgewild heeft en daarom wel voor den dag is
moeten komen met zulke gezochte en niets zeggende bezwaren. Het denkbeeld
van een zesde faculteit is daarmede allerminst weerlegd, in tegendeel, de leegheid
van de argumenten vormt een pleidooi vóór de universiteit. Of dan het stichten
van een afzonderlijke hoogeschool geen aanbeveling verdient? M. i. in geenen deele.
Het onderricht aan een hoogeschool draagt altijd een meer technisch karakter,
is
meer gericht op de practijk, minder op het weten. Wetenschappelijk staat het
daarom noodwendig beneden dat aan een universiteit. En aangezien de diergenees-
kunde evenzeer tot taak heeft als de geneeskunde van den mensch, om de medische
wetenschap vooruit te brengen en in nieuwe banen te leiden, zich alzoo niet
kan
bepalen tot de practische toepassing van datgene wat deze ons reeds heeft geleerd
en nog zal leeren, staat een hoogeschool haar vrije ontwikkeling in meer of mindere
mate in den weg. Wie omtrent het verschil tusschen universiteit en hoogeschool
voorlichting wenscht, raadplege de Memorie van Toelichting op het ontwerp van
wet tot wijziging van de wet tot regeling van het hooger onderwijs van de Staats-
commissie, in zake de reorganisatie van het onderwijs (bl. 698—708).

Dan komen met die hoogeschool professoren en studenten in een veel te ge-
isoleerde positie, uitsluitend aangewezen op zich zelf, waardoor hun wetenschappe-
lijke gezichtskring tot schade van hun onderwijs noodwendig te eng begrensd
zal blijven.

In de derde plaats zal een diergeneeskundige hoogeschool te LItrecht steeds verre
in de schaduw gesteld worden door de universiteit. In de maatschappelijke waar-
deering waarop zij recht heeft, zal zij daardoor gevoelig worden getroffen. Of
zulks er toe medewerken zal om bij hoogleeraren en studenten het gepast gevoel
van eigenwaarde te onderhouden en aan te kweeken? ik ben er zeker van, van niet.
Het is altijd grievend en ontmoedigend, door zijn omgeving voor wetenschappelijk
minderwaardig te worden aangezien. Zoo iets drukt ter neder en is allerminst
geschikt voor de vorming van jonge karakters.

En eindelijk weegt bij mij ook zwaar, dat de Staat door de oprichting der hooge-
school zich onnoodige uitgaven op den hals haalt, omdat voor het onderwijs in
de natuurkundige vakken van de leerkrachten en de laboratoria aan de univer-
siteit geprofiteerd kan worden. Is dus het denkbeeld „hoogeschool" om redenen
van wetenschappelijken, opvoedkundigen en finantieelen aard te verwerpen,
het verdient bovendien geen steun, omdat daarmede aan de diergeneeskunde
wordt onthouden het beste dat men haar kan geven. En dat beste is een dierge-
neeskundige faculteit aan de universiteit te Utrecht.

Groot, zeer groot zijn de daaraan verbonden voordeelen. Behalve dat, zooals
we gezien hebben het onderwijs op breeder wetenschappelijk basis zal steunen,
zouden de geneeskunde van mensch en dier op het gebied der vergelijkende patho-
logie, bacteriologie, protozoölogie, pathologische anatomie, enz. elkaar den meest
mogelijken steun kunnen verleenen. Hoe dicht heeft de protozoölogie, de bacte-
riologie, artsen en dierenartsen niet reeds bij elkaar gebracht, zóó, dat zij elkaar
niet meer kunnen missen. Wij zien dit practisch reeds aan de redenen die geleid

-ocr page 514-

hebben tot de laatste uitbreiding van het Instituut voor Tropenziekten te Ham-
burg. Daarvoor heeft men 700.000 Mark gevraagd en verkregen, ten einde, beter
dan voorheen, in staat te worden gesteld de verschillende tropische ziekten bij de
dieren te bestudeeren, omdat, naar men met recht meende, studie van die ziekten
bij den mensch, niet mogelijk is zonder ook die der dieren ter hand te nemen.

Hetzelfde ziet men ook van de Seruminrichting te Rotterdam, tot welke tal van
praktizeerende artsen zich om voorlichting wenden en die in de bestrijding der
cholera, enkele jaren geleden, een zeer welkome steun voor de gemeentelijke over-
heid was. En profiteeren wij dierenartsen, niet dagelijks van de nieuwe ontdek-
kingen en wetenschappelijke gezichtspunten, bij de geneeskunde van den mensch?
Wijst de oprichting van een leerstoel in de vergelijkende pathologie en de practische
bacteriologie aan de universiteit te Leiden er niet zonneklaar op, dat ook de Re-
geering veeleer dan naar een scheiding, gaat streven naar bijeenvoeging voor
samenwerking?

De voorstanders van de hoogeschool merken misschien op, dat de onderlinge
samenwerking en belangstelling evengoed wordt verkregen bij het bestaan eener
afzonderlijke hoogeschool, daar beide toch in één stad zijn. Ik geloof, dat z,ij,
die aldus spreken, geen rekening houden met de praktijk. Eerst de wetenschappe-
lijke gelijkstelling, de voortdurende aanraking van onze professoren en studenten
met die van de medische faculteit, zoowel in het officieele als in het dagelijksch
leven maakt, dat men elkaar geestelijk nadert, in eikaars arbeid belang gaat stellen
en, kan het zijn, daarvan ook nut wil trekken,

Is dus de inlijving van de diergeneeskunde bij de universiteit in het belang van
de geneeskunde van mensch en dier, niet minder is zij dit om de groote daaraan
verbonden voordeelen voor de veterinaire studenten, uit een oogpunt van opvoeding,
voortvloeiende uit den omgang met de studenten van andere faculteiten. De hier-
van uitgaande invloed is ongetwijfeld van vèrstrekkenden aard; het samenleven
met verschillende studenten werpt later in het maatschappelijk leven nog in ruime
mate zijn vruchten af.

Ik herinner er aan, dat vroeger wel eens ter sprake is gebracht, dat het aantal
universiteiten in ons land eigenlijk te groot was, zoowel om de daarmede gepaard
gaande kosten als wegens de moeilijkheden, steeds overal in de behoefte aan
competente leerkrachten te voorzien. Het denkbeeld werd toen geopperd aan
elke universiteit één of meer faculteiten op te offeren, zoodat men feitelijk zou
krijgen, afzonderlijke hoogescholen voor juristen, medici, literatoren enz. Van de
meest bevoegde zijde werd tegen de eenzijdigheid der aldus bedoelde inrichtingen,
waarbij het begrip universiteit verloren zou gaan, een krachtige oppositie gevoerd.
Volgens het deskundig oordeel van hen, die zelf een universitaire opleiding ge-
noten hadden, werd daarbij tevens op den voorgrond gesteld, dat de gunstige
invloed van het verkeeren tusschen studenten van verschillende faculteiten, niet
hoog genoeg aangeslagen kan worden. En nu zou men, nu men zoover gekomen is,
dat men de veeartsenijkunde eindelijk de jjlaats wil geven die haar toekomt, ten
aanzien der veterinaire studenten in dezelfde fout gaan vervallen? Want sticht men
een afzonderlijke diergeneeskundige hoogeschool in een universiteitsstad, het staat
gelijk met deze school te isoleeren, met ze in een hoek te dringen. Voor onze artsen
heeft men universiteitsopleiding en opvoeding noodig geacht.

-ocr page 515-

Welnu, vanaf het oogenblik dat de Staat, van de dierenartsen dezelfde eischen
van vóóropleiding is gaan stellen als aan dezen, hebben zij het recht verkregen
op een gelijkwaardige opleiding, op een gelijkwaardige vorming.

Indien ik hier spreek van opleiding en vorming, dan doe ik dit met opzet, omdat,
voor den student, naast het opdoen van de vereischte wetenschappelijke kennis,
ook op den voorgrond treedt zijn opvoeding, voor welke een universiteit een beter
milieu is, dan een hoogeschool.

En hiermede heb ik mijne meening over deze zaak gezegd. Gaan we thans na,
hoe ouderen over dit vraagstuk denken. In de eerste plpats de leeraren van de
Rijks-veeartsenijschool. Tot mijn spijt moet ik zeggen, dat ik het oordeel van allen
niet ken, maar ik heb goede gronden om aan te nemen, dat onderscheidene van hen
zich niet kunnen vereenigen met het denkbeeld eener afzonderlijke hoogeschool.
De directeur, de heer Dr. W.
C. Schimmel, zeide bij de beantwoording van Prof.
Eijkman, bij gelegenheid van de uitreiking van het eeredoctoraat aan de Univer-
siteit te Utrecht, dat hij hoopte, dat de weldra te verwachten hoogeschool eenmaal
als zesde faculteit in de universiteit zou worden opgenomen.

Het hoofdbestuur van de Maatschappij, aangevuld door een commissie uit de
leden, stelde in zijn request aan minister
Kuyper, ad 18 Augustus 1903, de oprich-
ting van een zesde faculteit aan de universiteit op den voorgrond. Eerst later,
bij brief van 26 October 1903, meent het om
opportuniteitsredencn de voorkeur te
moeten geven aan de veeartsenij kundige hoogeschool. Door den Minister van
Binnenlandsche Zaken gevraagd, welke regeling voor ons land de meest wenschelijke
werd geacht, luidde het antwoord daarop woordelijk: „vooropgesteld zij, dat een
antwoord niet gemakkelijk is, omdat in beide richtingen, dus zoowel door middel
van
faculteit als van hoogeschool, het veeartsenijkundig onderwijs te redden valt."
En later zegt het, onder verwijzing naar de organisatie van de Technische Hooge-
school, dat het uit een oogpunt van wetenschappelijke opleiding onverschillig is,
welke oplossing voor de veeartsenijschool gekozen wordt. Over dit advies denke
men hoe men wil, vast staat, dat deze commissie enkel het oog had op de weten-
schappelijke opleiding; over opvoeding, over vorming, zoozeer noodig, werd geen
woord gerept.

De commissie van praeadvies over dit wetsontwerp zou het liefst den overgang
naar de universiteit zien. Ook deze stelt met enkele woorden in het licht het groote
voordeel, van den omgang met studenten der verschillende faculteiten, maar zij
is helaas, naar het schijnt, ook tevreden met een hoogeschool.

Aan de universiteiten te Giessen, Ziirich en Bern bestaan reeds faculteiten in
de veeartsenijkunde, en als de voorteekenen ons niet bedriegen, zal de hoogeschool
te Dresden spoedig worden ingelijfd bij de universiteit te Leipzig. Dezen zomer,
op een reis met den heer
J. Hartog te Giessen zijnde, besprak ik de vraag: Uni-
versiteit of hoogeschool met prof.
Martin. Deze was van de hangende
kwestie zeer goed op de hoogte, hij wist, dat men hier een hoogeschool wilde
stichten.

Met warmte pleitte hij voor de universiteit; hoog gaf hij op van den invloed
voor de veterinaire studenten van den omgang met die der andere faculteiten,
en betreurde het ten zeerste, dat men in Nederland, met de Universiteit vlak naast
de deur, een hoogeschool ging oprichten. Op mijn betrekkelijke vraag, kreeg ik

-ocr page 516-

ten antwoord, dat de veterinaire studenten volledig in de overige opgingen; van
eenig verschil, in welk opzicht ook, was geen sprake.

In Duitschland wacht men kalm den gang van zaken af, wel wetende, dat men
zal komen, waar men meent te moeten komen. Ook daar is de wensch algemeen,
de opleiding naar de universiteiten over te brengen. Maar nergens vindt men aan
dat verlangen sterker uiting gegeven dan in een artikel voorkomende in de Berl.
Tierarztl. Wochenschr., N°. 5, 1914, bl. 87.

Dat door hoogleeraren in de geneeskunde van den mensch, op verschillende
plaatsen en bij verschillende gelegenheden reeds voor het overbrengen der V. A. K.
naar de Universiteit is gepleit, zal U wel niet onbekend zijn.

Alzoo, zoowel in binnenland als in buitenland, door allen die tot oordeelen
bevoegd zijn, wordt de voorkeur aan de universitaire opleiding gegeven. Ik hoop
dan ook, dat deze vergadering het denkbeeld , ,hoogeschool" zal verwerpen en de
Maatschappij al haar krachten zal inspannen, den minister van zijn plan af te
brengen. Zoo niet, dan zal ook op haar de verantwoordelijkheid rusten, om er toe
medegewerkt te hebben de studenten in de diergeneeskunde den weg tot de uni-
versiteit te versperren.

Ik weet zeer goed, dat er reeds sinds geruimen tijd ten opzichte van het onderwijs
een noodtoestand bestaat, die zoo spoedig mogelijk een eind moet nemen, maar
honderd maal liever nog een tijd van noodtoestand, nog een tijd van voortsukkelen,
dan te aanvaarden een Instituut, dat ons voor onafzienbaren tijd den weg zal
afsnijden om tot de meest gewenschte, de beste wijze van opleiding te komen.

M. d. V. de Nieuwe afdeeling Zuid-Holland acht de ontwerpwet, en om den band,
die zij tusschen de veeartsenij kundige en de landbouwkundige studie legt, en om
het daarin voorkomende beginsel van een afzonderlijke hoogeschool, niet in het
belang van een afdoende regeling van het onderwijs in de diergeneeskunde en stelt
daarom het volgende voor:

de tegen haar gerezen bezwaren ter kennis te brengen van de leden der
Staten-Generaal, deze in overweging te geven, haar voor onaannemelijk te ver-
klaren en Zijn Excellentie, den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel,
uit te noodigen een nieuw ontwerp in te dienen, uitgaande van het beginsel, dat
het aantal faculteiten aan de universiteit te Utrecht vermeerderd zal worden met
één, die der diergeneeskunde;

2°. een afschrift van het adres aan de leden van de Staten Generaal aan te bieden
aan den minister voornoemd.

De heer Dr. Dekhuyzen: De warme rede van den heer Hoogkamer heeft mij
getroffen, doch ik wensch er even warm tegen in te gaan. Wat de heer
Hoogkamer
verdedigde, beschouw ik als funest. Universitair onderwijs kan uitstekend zijn;
het is ook mijn einddoel. Het is echter verkeerd, het thans gebodene niet aan te
nemen en zich bovendien aan het onjuiste adres te richten. Het spreekwoord:
Le mieux est 1\'ennemi du bien, is ook hier van toepassing. Bestrijdt men het thans
ingediende ontwerp, dan komt van de geheele verandering niets. Er heerscht
een noodtoestand, omdat een eind moet komen aan het promoveeren buitenslands.
Het gaat niet aan, dat proefschriften hier worden klaar gemaakt en dat daarop
een buitenlandsche faculteit het doctorsdiploma uitreikt. Universitair onderwijs
zou mijn ideaal zijn, als het goed was. Ik heb daarvan eenige ervaring, in verschil-

-ocr page 517-

lende kwaliteiten. De universiteit kan het onderwijs benadeelen; aan een uni-
versiteit wordt onderwijs gegeven bijv. in dierkunde. Men benoemt daarvoor iemand,
die in zijn vak zekere verdienste heeft, maar of hij de lust en de bekwaamheid
heeft om te doceeren, daarvan is kwalijk sprake. En zijn verdienstelijke, weten-
schappelijke hoogleeraren, die het college voor de artsen en de philosophen voor het
candidaatsexamen opdragen aan een assistent. Ik zeg niet, dat deze het niet goed
doet, maar ik ben zelf arts en meen, dat het onderwijs der artsen niet deugt. Een
arts heeft noodig wetenschappelijk vakonderwijs. Zooals het onderwijs aan de
veeartsenijschool op het oogenblik is, kan het de vergelijking met dat aan elke
universiteit doorstaan en het steekt er zelfs voordeelig bij af; het is feitelijk reeds
lang hooger onderwijs.

Eén opmerking van den heer Hoogkamer heeft mij onaangenaam aangedaan,
n.1., toen deze zeide, dat de zaken even goed gingen onder het Departement van
Binnenlandsche Zaken als onder dat van Landbouw. Tegenwoordig vaart de
veeartsenijschool er uitstekend bij. Uitwendig ziet zij er wel nog altijd uit als vroe-
ger, maar inwendig is de inrichting kolossaal vooruitgegaan. Het Ministerie weigert
eigenlijk nooit iets. Wel wordt iets somtijds op de lange baan geschoven, maar
men heeft toch de meeste medewerking van het Departement van Landbouw.

Al erken ik, dat het krijgen van een zesde faculteit ook mijn ideaal is, wensch
ik toch te zeggen: leg geen steen in den weg aan het ontwerp. Heeft men eenmaal
dezen stap gedaan, dan is de tijd gekomen 0111 een krachtige actie te beginnen,
om in de richting van een universiteit te gaan. Laat ook de universiteit haar on-
derwijs reorganiseeren. Prof.
Wtnkler heeft gezegd, dat het bewaarschoolonderwijs
eigenlijk het best is, het universitair onderwijs is op verschillende punten zeer ver-
keerd. De studenten der Utrechtsche universiteit doen veelal examens op dictaten
van de leerlingen der veeartsenijschool. Ik ontraad de aanneming van het voorstel
van den heer
Hoogkamer, al breng ik dezen hulde voor de moeite, die hij zich
getroost heeft.

De heer Hoogkamer: Met genoegen heb ik gehoord, dat de heer Dekhuizen
de opleiding aan een universiteit, niettegenstaande de gebreken, toch als een desi-
deratum beschouwt. Door de hoogeschool moet men dan dus komen tot de uni-
versiteit; van die uitspraak van een man van het onderwijs mag wel nota worden
genomen. Nu kan men van meening verschillen omtrent hetgeen men thans moet
eischen, maar dit blijft altijd een kwestie van opvatting. De een zegt: als ik het
beste niet kan krijgen, blijf ik liever voortsukkelen, terwijl een ander het mindere
zal aanvaarden. Wanneer het onderwijs aan de veeartsenijschool zóó goed is, waarom
wil men dan daarin verandering brengen? Ik heb eerbied voor hetgeen de leeraren
dezer school presteeren en voor hetgeen zij van de leerlingen nog weten te maken.
Met geen woord heeft de heer
Dekhuyzen echter de opvoeding der studenten
aangeraakt. Nu weet ik wel dat er aan de echte corpsgeest aan de universiteit
tegenwoordig veel ontbreekt, er zullen verscheidene der vet. studenten geen corps-
lid worden, maar de overige zullen wel toetreden en daarvan ook later nog nut
trekken. Ik wend mij geenszins aan het onjuiste adres. Mijn voorstel om de be-
zwaren tegen de ontwerpwet bij de Staten-Generaal in te brengen geschiedde
uit overweging, dat zij het departement van den minister reeds heeft verlaten.

De heer Dr. van der Plaats: Ik erken, dat de Maatschappij bij uitstek be-

-ocr page 518-

voegd is, om over het aanhangige wetsontwerp haar meening uit te spreke 1, doch
men moet zich niet vleien met de gedachte, dat het oordeel van deze vergadering
aangaande bepalingen in het wetsontwerp, waaromtrent reeds vóór de indiening
aan vele mannen van gezag en ervaring in deze materie advies is gevraagd, veel
indruk zal maken of de opvatting van Minister en Kamerleden zal doen omslaan.
Het is welicht te verdedigen, dat de Commissie van praeadvies zich in haar rap-
port duidelijk heeft uitgesproken in zeer krasse termen als: „geketend onderwijs,
moeilijk te dulden, onaannemelijk, onoverkomelijk bezwaar, allerbedenkelijkst",
doch ik ben met een dergelijke omschrijving tegenover de buitenwereld niet in-
genomen. Ik zou dan ook de toelichting aan de Regeering een weinig willen wijzigen.

De Commissie voert een drietal bezwaren aan, welke eigenlijk minder de veeartse
nijkunde raken, maar die meer van taalkundigen, politieken en administratie-
ven aard zijn.

Zij acht primo de benaming ,,veeartsenijkundig onderwijs" onjuist, wijl dit
woord niet aangeeft, wat daarmede wordt bedoeld. Het woord „veeartsenijkunde"
is niet nieuw. „Arts" komt van het Grieksche „archiatros", d.i. eerste lijtarts,
dus beteekent: menschelijk geneeskundige van den hoogsten rang. Het woord
„artsenijkunde" wordt reeds door
Vondel in de beteekenis van geneeskunde
gebruikt. Er zijn tal van woorden zooals: scheikunde, letterkunde, en ook genees-
kunde, die slechts een gedeelte der bedoeling uitdrukken, maar toch denkt nie
mand er in ernst aan, deze af te schaffen; het zijn door het gebruik geijkte termen.
Men bedenke bovendien, dat „diergeneeskundig hooger onderwijs" ook niet in
allen deele juist de bedoeling weergeeft. Ik ken in Utrecht twee gebouwen, jong,
gezond en welgemaakt, en toch staat boven beide: „Pathologisch Instituut"!
Wie dan ook zou willen doen aan taalzuivering, zou nog heel wat meer kunnen
vinden.

Secundo heeft de Commissie „onoverkomelijke bedenkingen" tegen art. 18,
een sterke uitdrukking om .... niets. Het is begrijpelijk, dat hoogleeraren in de
rechten kamerlid worden, gelijk ook theologen van allerlei richting, als
Schaepman,
Küyper, Eerdmans, of een enkele maal een hoogleeraar in de letteren als b.v.
Jonckbloet, maar in de laatste vijftig jaar is geen enkel actief hoogleeraar uit
de faculteit der geneeskunde of wis- en natuurkunde tot deze functie geroepen
geworden. En terecht. Hoe spoedig wordt niet het advies gekleurd door partij-
overwegingen! Er is trouwens weinig kans, dat uit het kleine corps onzer hoog-
leeraren een lid der Staten-Generaal zal voortkomen, en wie zoover van den rechten,
strengen weg der wetenschap afdwaalt, dat hij mede wil roeren in den heksen-
ketel der politiek, moet maar liever de schoolwetenschap vaarwel zeggen.

Ten slotte verwerpt de Commissie een gemeenschappelijk curatorium. Ik wijs
er evenwel op, dat de vijf faculteiten der universiteit te samen ook één curatorium
hebben, waarin in den regel slechts vertegenwoordigers van één faculteit zitting
hebben. Bij het in het leven roepen van twee curatoriums zullen deze gaan con-
cureeren, en het hangt dan maar van omstandigheden (dikwijls niet van vol-
komen zakelijke) af, wie het meeste verovert. De beslissing zal dan ook doorgaans
berusten bij een ambtenaar van het Departement.

M. i. zijn de argumenten van Minister Talma en van vele andere deskundigen
op dit gebied afdoende, en ik zou dit punt, waarop men zijn zin wel niet zal krijgen,

-ocr page 519-

niet hebben aangeroerd, ware het niet, dat hieraan iets vastzat, dat mij onaange-
naam heeft getroffen, dit nl.:

De onverholen oppositie tegen de landbouwkundigen.

De landbouwkunde en de veeartsenijkunde dienen beide groote en nauw ver-
wante belangen van ons vaderland. Is het dan niet treurig, dat men verdeeldheid
zaait en strijd zoekt daar, waar samenwerking mogelijk is en men zich van beide
kanten sterker en nuttiger zou kunnen maken? I.aat men toch, niet zoo kortzichtig
zijn, om wegens een wrijving of een belang van het oogenblik de blijvend noodige
harmonie voor wie weet hoelang, te verstoren!

De heer Wester: Na het uitvoerig betoog van den heer Hoogkamer wil ik
eveneens gaarne mijn meening omtrent deze gewichtige aangelegenheid uitspreken.
Ik ben het op twee punten eens met Dr.
van der Plaats, n.1. dat het beter is,
de geijkte term „veeartsenijkunde" te handhaveti tegenover die van „diergenees-
kunde" en de politiek van de school te verbannen. Hij, die de betrekking van Kamer-
lid wenscht, heeft reeds zeer veel tijd besteed aan politiek, een tijd, die hij beter
had kunnen wijden aan de wetenschap en aan de school.

In zake het curatorium ben ik het niet eens met Dr. van der Plaats. De meest
wenschelijke oplossing zou zijn, indien voor de veeartsenijschool één geheel op
zich zelf staand curatorium wordt aangewezen. Alle combinaties, hetzij de vee-
artsenijschool wordt een onderdeel van de medische faculteit, hetzij zij een af-
zonderlijke faculteit gaat vormen, zijn uit den booze, want altijd zal men het
vijfde rad aan den wagen blijven.

Men houde toch zooveel mogelijk rekening met de practijk! Het universitair
onderwijs, speciaal op artsenijkundig gebied, staat blijkbaar niet hoog, daar het
toch niet wenschelijk kan worden geacht, dat de professoren het doceeren aan de
assistenten overlaten. Welnu, het onderwijs in de veeartsenijkunde heeft tot nu
toe op practischer basis gerust, waaraan een eind zou komen bij de universitaire
opleiding, welke ongetwijfeld een hoog-wetenschappelijke is

Dit bezwaar heeft men ook in de kringen der artsen gevoeld. Onder dezen is
een kentering gekomen in
die richting, dat men het vak-onderwijs meer op den
voorgrond wil zien geplaatst. Zoo klaagt men in Duitschland steen en been over
de opleiding der artsen en wenscht men deze een meer afgerond geheel te doen
vormen. Het blijkt derhalve, dat men schier algemeen weinig ingenomen is met
de universitaire opleiding. De heer
Hoogkamer voerde wel aan, dat de zaak in
Giessen, Zürich en Bern anders is geregeld dan men hier doen wil, maar dat neemt
niet weg, dat m. i. het onderwijs aldaar ver achterstaat bij het onze, hetgeen ik
meen te moeten toeschrijven aan de combinatie met de universiteit.

De heer Hoogkamer: Ik verschil van meening met den heer Wester, dat men
bij welke combinatie ook steeds het vijfde rad aan den wagen zou worden, daarvoor
bestaat geen enkele aannemelijke reden, de beschaafde, ontwikkelde jongelui
zullen in universitaire kringen altijd zijn: , \'ebienvenu,het zou eenvoudig aan de
studenten zelf liggen wanneer zij tot die oneervolle rol werden teruggedrongen.

In tegenstelling met den heer Wester kan ik het vakonderwijs niet verkiezen
boven het universitaire onderwijs en ik sta daarin met alleen, want alom in het
buitenland is er juist een streven merkbaar naar de universiteit.

De heer Wester vond de inrichtingen te Giessen, Zürich en Bern beneden peil,

-ocr page 520-

ik ook, en alle andere, die ik in den algeloopen zomer heb gezien, ook die, waar de
hoogesehool hoogtij viert. Daaruit blijkt dat al dadelijk, dat de conclusie van collega
Wester mank gaat; de oorzaken daarvan liggen veel dieper en op veel oudere
plaats.

De heer Wester: Ik blijf er bij dat vak-onderwijs in iedtr geval te verkiezen is
boven universitair onderwijs. Ik ben daarom liever professor aan de veeartsenij-
school dan aan de hoogesehool; in het eerste geval loopt men rechtop, in het tweede
gebogen. In Bern en Ziirich is gemakkelijk te constateeren, dat men het vijfde rad
aan den wagen is.

De heer Hoogkamer: Prof. Martin heeft mij in tegenwoordigheid van collega
Hartog uitdrukkelijk verklaard, dat daarvan in Giessen geen sprake is en als dit
in Zwitserland het geval is, zal men de reden daarvan te zoeken hebben in eigen
boezem.—

De heer Dr. Remmelts: De ontwerp-wet heeft voor mij niet veel moeilijkheden
opgeleverd en ik kan mij zeer goed vereenigen met het advies van het Hoofdbestuur,
terwijl ik zelfs de beschouwingen van Dr.
van der Plaats in hoofdzaak deel.
Wanneer de Regeering inderdaad het veterinair onderwijs op hoogen peil wenscht
te brengen, zal zij het waardeeren, dat men haar in die pogingen wil steunen en
zullen de Kegeeringsambtenaren, die met deze taak zijn belast, het op prijs stellen
als men hier onomwonden zijn meening uitspreekt. Het is mijn overtuiging, dat er
in het wetsontwerp veel zal worden gewijzigd en rekening zal worden gehouden
met de wenschen der maatschappij.

M. i. verdient het instellen van een zesde faculteit, boven iedere andere oplos-
sing, de voorkeur. Zoolang men niet meedeelt, welke personen hebben geadviseerd,
de zaak in den door de Regeering voorgestelden vorm te gieten, en welke argu-
menten men daarvoor heeft aangevoerd, zal ik pleiten voor deze reorganisatie.

Ons onderwijs is herhaalde malen gewijzigd en aangevuld, maar thans zal men
een dak op het huis gaan zetten. Zoodra een besluit omtrent dit vraagstuk is ge-
nomen, zal alle belangstelling gevlogen zijn niet alleen, maar zullen we voor jaren,
van nieuwe verbeteringen verstoken blijven.

De heer Hoogkamer sprak voornamelijk vanuit een oogpunt van opvoeding.
Zeer zeker is die band tusschen de studenten onderling een niet te versmaden
voordeel. Meermalen heb ik dien in mijn studietijd gezocht; al is het mogelijk,
dat ik niet altijd de beste elementen tot mij trok, ik heb mij nimmer over die kennis-
making beklaagd.

Onderwijs op universitaire leest zal ongetwijfeld hooger staan dan dat aan een
veterinaire hoogesehool. Aan onze school hebben wij mannen van groote kennis
en beteekenis gehad, maar voor en na hebben zij deze verlaten. Ik wijs op Prof.
D.
Th. Mac Gillavrv, Prof. van \'t Hof, Prof. Zwaardemaker, Dr. de Jager,
Prof. van Itallie, Prof. Hamburger, Prof. Nierstrass, Dr. Woltering enz.;
zij allen hebben de veeartsenijschool vaarwel gezegd, om een andere roeping te
volgen. Ik twijfel er niet aan, of de heer
Dekhuyzen zou liever verbonden wen-
schen te blijven aan de veeartsenijschool, maar men vergete niet, dat het onderwijs
met buitengewone schreden vooruit gaat. Gebouwen, instrumenten en dergelijke
hebben met die ontwikkeling geen gelijken tred gehouden, hetgeen te wijten is
aan de Regeering, die in gebreke is gebleven, in deze in te grijpen!

-ocr page 521-

Men bedenke, dat de medische faculteit voort zal gaan met de beste krachten
aan de veeartsenijkunde te onttrekken; en al mocht men ook met geheel zijn hart
gehecht zijn aan de veeartsenijschool, ten slotte zal men voor de verleiding be-
zwijken. Voortdurend zullen ten nadeele van de laatste mutaties plaats vinden,
maar Nederland met zijn reusachtigen veestapel moet, wat betreft de ojileiding
van den aanstaanden veearts, vóóraan blijven staan in de rij der staten, hetgeen
volgens mijn wijze van zien het best geschieden kan door het oprichten van een
diergeneeskundige faculteit aan de universiteit.

Dat men in medische kringen deze opvatting deelt, bewijst het feit, dat Prof.
Eijkman onlangs sprak van een „zusterwetenschap". Welnu, beide behooren
daarom onder hetzelfde dak thuis; waarom moet de eene zuster uit het gezin worden
gedreven? Heeft zij zich misdragen, of is haar opvoeding nog niet voltooid? Geens-
zins! Zij heeft zich integendeel ontwikkeld tot een jeugdige kracht, ten einde een
haar waardige plaats onder haar zusteren in te nemen. Of heeft zij vrijwillig het
gezin verlaten? Ook niet. Zoolang men mij geen afdoend antwoord op die vragen
geeft, blijf ik de voorkeur geven aan een afzonderlijke faculteit.

Ik meen, dat het praeadvies in dien zin zou kunnen worden gewijzigd, dat de
wensch naar de universitaire opleiding meer naar voren komt en dat men er zich,
bij gebleken onmogelijkheid bij neer zal leggen. Aan een band tusschen veeartse-
nij kundige en landbouwkundige opleiding is
ilit gevaar verbonden, dat men de
bestaande antithese allicht zou verscherpen en nog meer aanleiding tot wrijving
zou geven. Daarbij acht ook ik het niet onmogelijk, dat de veeartsenijkunde in
het gedrang zou komen.

Al is derhalve het voorstel, om over te gaan tot de oprichting van een hooge-
school,
aannemelijk, het eindpunt dient toch te zijn de faculteit, een regeling die
wetswijziging eischt, hetgeen altijd moeilijkheden oplevert, zoodat daarmee dus
rekening moet gehouden worden.

Wranneer het Hoofdbestuur de verschillende bezwaren in een nota aan den Mi-
nister uiteenzet, zal de Maatschappij ten volle verantwoord zijn, indien de be-
slissing niet wordt genomen in den zin, zooals zij deze wenscht.

De heer Dr. Schimmel: M. i. behoeft men er zich niet druk over te maken, of
er een lioogeschool dan wel een faculteit zal worden opgericht, dit is slechts een
kwestie van opportuniteit. De wet van 1874 legt het veterinaire onderwijs geheel
aan banden; zoo moet men een lange rij van overgangs-examens afleggen, die
nergens toe dienen. Zoowel Minister
Talma als Minister Treub hebben verklaard,
dat het oprichten van een faciliteit onmogelijk was, omdat dit zou moeten uitgaan
van het Departement van Binnenlandsche Zaken. Wanneer de hoogeschool een-
maal zal zijn tot stand gekomen, zal na verloop van jaren de inlijving bij de uni-
versiteit te Utrecht van zelf wel volgen, daarom heeft de bespreking van de vraag:
hoogeschool of faculteit nu geen zin, daar deze laatste over 25 jaar zeker tot stand
gekomen zal zijn.

In het curatorium, zooals men zich dit heeft gedacht, zullen zeer zeker landbouw-
kundigen van beteekenis plaats nemen en is het gevaar niet denkbeeldig, dat deze
den boventoon zullen voeren en de veeartsen zullen beschouwen als „quantité
négligeable". Om die reden vermeen ik een afzonderlijk curatorium de voorkeur
te moeten geven.—

XLI 28

-ocr page 522-

Ik zou de positie van den administrateur niet in den Wet willen zien geregeld
maar bij ministerieel besluit. Het lijkt mij onmogelijk, dezen te plaatsen tusschen
het curatorium en de professoren; dit zou tot zeer groote onaangenaamheden aan
leiding kunnen geven.

Ik zou in deze wel voor naamsverandering zijn. Men schijnt nu eenmaal aan een
naam te hechten, omdat die het aanzien van het beroep verhoogt. „Tandarts"
klinkt beter dan „tandmeester", en het blijkt, dat de namen in den loop der tijden
voortdurend veranderen. Ik geef de voorkeur aan Veterinaire Hoogeschool, omdat
het woord „veterinair" over de geheele wereld wordt gebruikt. Zoo heeten de
paardenartsen in het chauvinistische Duitschland „Veterinararzte". „Diergenees
kunde" komt mij te uitvoerig voor, terwijl die naam bovendien niet juist is. Ook de
ineenschakelingscommissie beveelt veterinaire hoogeschool aan.

De heer Hoogkamer: Ik ben het met den heer Schimmel, dat de faculteit over
25 jaar er zal zijn, in het geheel niet eens, daarvoor loopt onze Kegeeringsmachine
te log, te traag; het zal al heel mooi zijn als we over 50 jaar het voorrecht eener
universitaire opleiding hebben. Ik heb zelf reeds gezegd, dat er ten opzichte van
het onderwijs een soort van noodtoestand bestaat, maar dat kan voor mij geen
motief zijn, me neer te leggen bij een instelling, die niet overeenkomt met de be-
hoefte en die ons nog een halve eeuw zal onthouden, wat ons toekomt.

De heer Dr. Schimmel: In Duitschland zullen te Dresden en te Miinchen de
hoogescholen bij de universiteiten worden gevoegd; dit kan in Nederland ook
binnen een kwart eeuw worden verwacht. Men is nu eenmaal langzaam in het
maken van wetten; men heeft te bedenken dat nu niet eens examen in vleesch-
keuring, in bacteriologie afgenomen kan worden. Daarom vermeen ik, dat men
datgene, wat de Regeering thans biedt, dient te aanvaarden, en dat men later ver-
der kan zien.

De heer Remmelts: De Maatschappij heeft in deze niet te beslissen, maar kan
slechts van voorlichting dienen. Men kan, zooals Dr.
Schimmel, optimistisch zijn
voor de toekomst, maar kan men waarde hechten aan beloften en toezeggingen
van menschen, die er toch ook ééns niet meer zullen zijn? De vergadering dient
zich thans duidelijk uit te spreken, opdat de voorlichting in allen deele goed zij.
Het is inderdaad van nationaal belang, dat het veeartsenijkundig onderwijs tot
den hoogsten graad wordt opgevoerd. Om die reden stel ik de navolgende motie
voor:

„De vergadering van de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland,

gehoord de discussies,

spreekt als haar oordeel uit, dat de eind-oplossing van het vraagstuk „veeartse-
nijkundig onderwijs" moet worden gevonden in de stichting van een zesde faculteit
aan de Utrechtsche universiteit".

De heer Overbeek: Ik kan mij zeer goed vereenigen met het praeadvies der
Commissie. Het wenschelijke van een zesde faculteit staat vrijwel bij ons allen
vast, maar dit neemt niet weg, dat men thans moet aanvaarden hetgeen ons wordt
geboden.

Alle bezwaren betreffende het Kamerlidmaatschap en de naamsverandering, zijn,
vergeleken bij het vraagstuk van een zelfstandig curatorium, slechts van onder-

-ocr page 523-

geschikten aard. Men beweert, dat de Regeering, door de beide hoogescholen te
stellen onder één curatorium, de minder goede verstandhouding tusschen land-
bouwkundigen en veeartsen zou wenschen te verbeteren, maar m.i. zal dit de minder
vriendschappelijke stemming slechts verscherpen, en zal één der partijen, terecht
of ten onrechte, zich verongelijkt gevoelen. Ik herinner in dit verband aan een
redevoering van den heer
Löhnis, die voor een betere verstandhouding pleitte,
maar deze zal zeker niet bevorderd worden door een gemeenschappelijk curatorium.

De heer Prof. De Jong: Ik wil op den voorgrond stellen, dat de Commissie
het indienen van amendementen op ons rapport wenscht te vermijden; dit dient
ongewijzigd te worden aangenomen; kan de vergadering zich daarmede niet ver-
eenigen, welnu, het staat haar vrij, aan een ander de voorkeur te verleenen.

De verdediging is niet aan een bepaald commissielid opgedragen, elk der leden
kan voor zich spreken. Wat mij betreft, op enkele zaken wil ik even ingaan.

Het rapport op zich zelf, heeft bijna geen tegenkanting gevonden. Wel zijn er
enkele denkbeelden verkondigd, waarmede ik uit een oogpunt van wetenschappelijk
en hooger onderwijs en uit welbegrepen staatsbelang niet kan meegaan, maar
<laar zal ik maar slapjes tegen opkomen.

Zoo heeft er, om met de deur in huis te vallen, een debat plaats gehad tusschen
den Heer
Hoogkamer, die de instelling van een zesde faculteit heeft bepleit,
en den heer
Dekhuyzen, welke die zesde faculteit eenigszins heeft voorgesteld
als van den duivel, zich daarbij beroepende op de opleiding aan de Nederlandsche
Universiteiten.

Die kwestie is zoo oud als de weg van Kralingen.

De heer Hoogkamer zal met zijn analj\'satie-vermogen reeds hebben gezien,
<lat
Commissies niet altijd onverholen steun vinden daar, waar zij dien steeds
moesten ontvangen. Zoo dikwijls hebben deze te kampen met denkbeelden, die
<le zaak zelf zeer weinig vooruit brengen.

Men heeft de zesde faculteit beschouwd als het ideaal. Den illusionist wordt
evenwel dadelijk een douche toegediend wanneer hij verneemt, dat het medische
onderricht aan de hoogeschool niets anders is dan vakonderwijs. De opleiding
tot arts is tegenwoordig een zuivere vakopleiding. Niet te absurd is dan ook het
denkbeeld, om terug te gaan tot de z.g.n. klinische school van vroeger en om in
het belang van de practische uitoefening van het bedrijf van arts een vakschool te
hebben, waarbij da.n nog tevens de gelegenheid moet bestaan, de faculteit te bezoeken.
De vraag doet zich voor, welk nut een diergeneeskundige faculteit, die eenvoudig
wordt ingelijfd bij de hoogeschool, zou hebben? Eigenlijk betreft het hier slechts een
onderwijs-reorganisatie. Ik erken gaarne, dat de opvoeding in dit opzicht zeer veel
gewicht in de schaal \'.egt, maar kan men de verzekering geven, dat deze alsdan
beter gewaarborgd is? Ik heb tot mijn teleurstelling moeten bemerken, dat de
studenten zich in deze nimmer hebben uitgesproken en dat er bij hen geen neiging
schijnt te bestaan, om zich bij den voorgestelden toestand verongelijkt te gevoelen.
Hoe het ook zij, men wachte liever nog een 25 jaar, en ga voort met de Regeering
op bestaande leemten te wijzen, en men zal ten slotte tot de beste organisatie komen.

Er zijn ongetwijfeld verschillende bezwaren tegen het instellen van een zesde
faculteit, zoo zal men er op stuiten, dat behalve Utrecht ook Leiden en Groningen
hun 6e. faculteit zullen wenschen. Het voorbeeld van den heer
Hoogkamer be-

-ocr page 524-

treffende de Indische inrichting te Leiden houdt geen steek, want ik heb tot nu
toe geen zesde faculteit te Leiden kunnen ontdekken.

De heer Hoogkamer: Dat heb ik ook niet beweerd.

Prof. de Jong: Ik verklaar mij hiermede niet tegen deze, geenszins, ik zou het
zelfs gelukkig achten indien zij, gelouterd van alle fouten en gebreken in het leven
geroepen werd.

Men heeft gesproken van een vergadering, op het Ministerie te Den Haag, waar
zich verschillende personen omtrent dit wetsontwerp konden uitspreken. Ook ik
heb mijn meening daar kenbaar gemaakt, maar ik zou daarom niet aarzelen om,
wanneer sinds dien nieuwe gezichtspunten tot mij waren gekomen, mij daarmede
opnieuw tot den Minister te wenden. De Maatschappij heeft dan ook niet alleen
het recht, maar de dure plicht, om den verantwoordelijken Minister haar meening
bloot te leggen.

Thans enkele détails van het wetsontwerp).

Al is het mij onverschillig, of men ons daarin „veearts" dan wel „veterinair-arts"
noemt, ik begrijp, dat ik te bedenken heb, dat sommige leden van de Maatschappij
niet meer tevreden zijn met een titel, dien zij voor hun beroep onvoldoende achten.
Men zou zeer goed kunnen spreken van een „Veterinaire Hoogesehool\', maar
weer niet van „veterinaire geneeskunde". Inderdaad, men zou verschillende ter-
men moeten veranderen, en daarom heb ik tot den Voorzitter der Maatschappij
een brief gericht met verzoek te willen overwegen of, wanneer het Hoofdbestuur
zich kon vereenigen met het rapport der Commissie, de naam ,,Maatschappij ter
bevordering der veeartsenijkunde in Nederland" niet moest worden veranderd.
Ik herinner mij nog, dat indertijd de heer
Van der Sluys, een der waardigste
leden van de Maatschappij, niet wilde .toegeven, dat het beter was, den titel „keur-
meester" voor een veearts te vervangen door dien van „keuringsveearts". Men
kan begrijpen, welk een voldoening het voor mij was, toen B. en \\V. van Amster-
dam voorstelden, aan te stellen „keurings-veeartsen". Deze benaming is nu in-
geburgerd, en daarmede zijn tevens de wetenschappelijk onderlegde personen
onderscheiden van degenen, die eenvoudig tot keurmeester worden opgeleid.
Indien men thans de gelegenheid, om den naam te veranderen, ongebruikt zou
laten voorbijgaan, zou dit later, wanneer de stroom in deze richting wast, aan-
leiding kunnen geven tot verwijten en, het wetsontwerp zal er niet beter of slechter
door worden.

Ik zou het een achteruitstelling noemen van den hoogleeraar, wanneer te zijnen
opzichte te voren werd bepaald, dat hij, eventueel tot Kamerlid verkozen, niet
zou deelen in de voorrechten, welke zijne collega\'s in een dergelijk geval genieten.
Waarom moet deze benoeming a priori onmogelijk of moeilijk worden gemaakt?
Men acht zulks niet in het belang van het onderwijs, men wenscht de goede krachten
daaraan niet te onttrekken; welnu dit is een persoonlijke opvatting. Ik wensch
in deze zoo vrij mogelijk te zijn ook in het overdragen van mijn taak aan een assi-
stent, al blijft de verantwoordelijkheid voor den goeden gang van zaken natuurlijk
bij mij. Wanneer men als Kamerlid meer in het belang van het veterinaire onder-
wijs zou kunnen doen dan in zijn hoedanigheid van hoogleeraar, zou men op deze
wijze daarin eenvoudig worden gehinderd en indien dit wetsontwerp inderdaad
een geest van gelijkstelling ademt, moet hierin voorzien worden.

-ocr page 525-

Het heeft mij smartelijk aangedaan, dat men in het debat over het gemeenschap-
pelijk curatorium gesproken heeft van jalousie ten opzichte van de landbouwkun-
digen. Ik heb mijn ooren nauwelijks kunnen gelooven. Dergelijke opvattingen
wensch ik dan ook als zuiver persoonlijke te beschouwen. M. i. is een combinatie
zoowel voor de landbouwkunde als voor de veeartsenijkunde een misstap, waar-
mede men alzoo beide partijen een slechten dienst bewijst. Uit een oogpunt van
organisatie en ministerieële verantwoordelijkheid is het niet juist gezien, zulke
twee heterogene zaken aan elkander te koppelen, al doet zich dan het geval voor,
•dat beiden in de practijk dezelfde belangen hebben te dienen. Indien men dit als
beginsel voorop wilde stellen, zou men zooals reeds door den heer
Hoogkamer
werd betoogd, op velerlei gebied nog tal van combinaties moeten invoeren.

Het aandringen op een afzonderlijk curatorium geeft blijk van liefde voor de
wetenschap en voor zin naar zelfstandigheid, men wil het bewijs leveren, dat men
het hoogere veterinaire onderwijs door eigen kracht kan organiseeren.

Ook Dr. Remmelts heeft een krachtig pleidooi gehouden voor het creëeren van
een zesde faculteit en meent dat er ernstige bezwaren bestaan tegen het oprichten
van een hoogeschool. Ik zou hier willen zeggen „over smaak valt niet te twisten",
onmogelijk is een zesde faculteit niet en wanneer ik eens Minister mocht worden
zou ik haar dadelijk in het leven roepen.

Thans voor een dergelijke taak geplaatst, zou ik moeten verklaren: De bezwaren
zijn onoverkomelijk. Zoo blijkt het, dat voor dit eenvoudige wetsontwerp reeds
wijziging van de wet op het Hooger Onderwijs noodzakelijk was; bovendien hadden
<le andere universiteiten zich dan krachtiger moeten uitspreken.

Dit wetsontwerp geeft mij de vrijheid, die ik als docent begeer; het doet mij
niet afhankelijk zijn van een raad van bestuur, maar laat mij vrij in de inrichting
van mijn onderwijs. Indien ik vermeen de hersenen der studenten niet te veel te
moeten vermoeien met wetenschappelijke zaken, welnu dan geef ik vakonderwijs;
in het omgekeerde geval behoud ik eveneens mijn vrijheid.

Men hange niet te veel aan woorden. In werkelijkheid is toch de Technische
Hoogeschool te Delft een universitas: het is een hoogeschool met verschillende
afdeelingen, en bij een vacature wordt door die afdeelingen, gelijk bij de andere
hoogescholen, eenvoudig een voordracht opgemaakt. De hoogeschool, in dit wets-
ontwerp neergelegd, leent zich dan ook zeer goed voor een universitaire organisatie.

Het heeft mij getroffen, dat men hier minder gunstig oordeelde over het verkeer
en den omgang onzer studenten met die van de universiteiten, eeii omgang, die
niet anders dan zeer gunstig moet werken. Echter deze zaak is voor discussie nog
niet rijp, wij missen nog de
cummunis opinio, omdat men in dit opzicht nog niet
over voldoende gegevens kan beschikken.

De directeur van de veeartsenijschool heeft zich zeer zacht uitgedrukt, toen hij
sprak van een noodtoestand, ik zou het willen noemen een rommel, en wanneer
er inderdaad niet spoedig verandering komt, wordt deze rommel nog grooter!
Met de examens komt men in groote moeilijkheden. Het is slechts te danken
aan de groote krachtsinspanning van leeraren en studenten, dat de toestand niet
veel erger is en de gevolgen van dien rommel niet naar buiten tot uiting zijn gekomen.

Blijft het aantal studenten toenemen, zoo moet op een gegeven oogenblik de
bom bersten. Daarom zou ik dit wetsontwerp zoo spoedig mogelijk tot wet willen

-ocr page 526-

zien verheven. Daarmede wordt vrijheid van onderwijs gewaarborgd, terwijl
men voortdurend kan blijven aandringen op wetswijziging, ten doel hebbende,
het instellen van een zesde faculteit. Voor dat werkplan valt toch zeker iets te zeg-
gen! Beschouwt men de zaak vanuit dit standpunt, dan is er voor de Commissie
zeker reden, dank uit te spreken aan den afgetreden Minister van Landbouw.
Nijverheid en Handel en aan den tegenwoordigen Minister, die zonder groote
bezwaren de verdediging van deze wet op zich heeft genomen. Al zijn alle wenschen
hiermede niet bevredigd, de Maatschappij zal er toch dankbaar voor moeten zijn,
indien het ontwerp spoedig tot wet wordt verheven.

De heer Dr. Bemmelts: De redevoering van Prof. de Jong heeft vele van mijn
bezwaren doen vervallen. Wanneer men echter uit zijn mond moet vernemen, dat
er een noodtoestand bestaat, mag men niet aarzelen het wets-ontwerp aan te nemen,
ook al wordt men niet ten volle bevredigd! Ik heb ook met genoegen geconstateerd,
dat de heer
De Jong de meening deelt, dat de eindoplossing moet zijn gelegen in
het instellen van een zesde faculteit en hij derhalve geen bezwaar heeft tegen de
voorgestelde motie.

Eén bedenking is niet weerlegd, n.1. deze, dat door de geneeskundige faculteit
voortdurend uitnemende krachten aan de veeartsenij kundige hoogeschool zullen
worden onttrokken. Indien de studenten van de veterinaire hoogeschool den toe-
gang tot de colleges der medische faculteit werd toegestaan, zou deze gedeeltelijk
ondervangen worden, doch waar dit niet het geval is, blijft het bestaan.

Ik meen daarom mijn motie te moeten handhaven.

De Voorzitter, resumeerende de besprekingen, constateert met genoegen,
dat tegen het praeadvies als zoodanig geen principieele bezwaren te berde zijn
gebracht, het debat was niet gericht tegen het door de Commissie ingediende rap-
port. Het is dan ook een groote voldoening voor het Hoofdbestuur, wanneer het
de zekerheid heeft, dat het in zijn pogingen, om, tot een goed wetsstelsel te geraken,
de geheele Maatschappij achter zich heeft.

De heer Dr. van der Plaats: Ik zou thans nog een enkel woord willen zeggen
omtrent de inwendige regeling.

Ten opzichte\'van het promoveeren zal het wetsontwerp niet veel verandering
brengen, dit zal in het buitenland mogelijk blijven; aan den bestaanden toestand
voegt men alleen de gelegenheid toe, om in Nederland den doctorstitel te verkrijgen

De Commissie spreekt in haar rapport de meening uit, dat het diergeneeskundig
onderwijs geen bizondere behoefte heeft aan een afzonderlijke propaedeusis, maar
die propaedeusis op de veeartsenijkundige hoogeschool zal beter zijn dan die op de
universiteit, terwijl voor vijftig nieuwe leerlingen geen plaats zou zijn op de uni-
versiteit. Voor het onderwijs in physica, botanie, zoölogie, parasietenleer, urine-
onderzoek enz., zal men op de universiteit vele hulpmiddelen missen, waarover wij
beschikken. De medische hoogleeraren benijden dan ook de wijze, waarop bij
de veterinaire opleiding de anatomie in het eerste jaar reeds wordt behandeld.
Ook meen ik, dat het veel beter zou zijn, wanneer de aanstaande veeartsenij-
kundigen in hun onmiddellijke nabijheid inlichtingen en hulp kunnen verkrijgen.

Met den heer Schimmel ben ik het eens, dat het wenschelijk is, de positie van
den administrateur niet in de wet te regelen, buiten dezen kunnen wij echter niet,
daar de hoogleeraren te veel van hun kostba.ren tijd zouden moeten missen voor

-ocr page 527-

het voeren der administratie. Zoo heeft Prof. Hamburger zeer veel moeite met het
beheer van het physiologisch instituut en het zou wel eens kunnen gebeuren, dat er
ten slotte geen geld meer overbleef voor verwarming! Het voordeel van één hooge-
school is dan ook, dat het geheele beheer in één hand kan worden gesteld. De hoog-
leeraren dienen zooveel mogelijk te worden ontlast van de administratie; het feit, dat
zij eenigszins worden beperkt in hun vrijheid, is eerder een voor-dan een nadeel.

De heer Prof. de Jong: De opmerking van Dr. van der Plaats, dat door het
scheppen van de gelegenheid, om aan de veeartsenij kundige hoogeschool te pro-
moveeren, niet wordt belet, dat men promoveert in het buitenland, is zeer juist.
Degene, die den doctorstitel in het buitenland heeft gehaald, kan dien met succes
in ons land voeren, en nu moge men daaraan minder waarde toekennen dan aan
die, in eigen land verkregen, beide geven toch aan, dat de bezitter daarvan een
belangrijke hoeveelheid werk achter den rug heeft.

Waar de promotie in het buitenland echter mede plaats heeft op een proefschrift,
daar meende de Commissie, dat het den Minister had getrcffen, dat het schrijven
van een proefschrift in het buitenland wel wat al te vlug van stapel loopt. Stelt
men echter in het buitenland even hooge eischen als hier te lande, zoo zijn alle
bezwaren opgeheven. Ik vermeen dat vele van die buitenlandsche proefschriften,
hoogstens als bijdrage in een wetenschappelijk tijdschrift in aanmerking zouden
kunnen komen. Het denkbeeld, dat men maar naar Bern behoeft te gaan om ge-
makkelijker zijn doctorstitel te halen en men daar kan slagen met een proefschrift
van anderhalve pagina, moet verdwijnen. Men kan nu wel zeggen, dat de eene
candidaat daaraan meer moeite besteedt dan de andere, maar per slot van rekening
komen zij er allen. Werkelijk, ten opzichte van de promoties in het buitenland
is er
something rotten in the state!" Daarom meende de Commissie, dat ons land
een gunstig voorbeeld zou geven, wanneer de gelegenheid werd opengesteld, om
hier te lande te promoveeren op dissertaties, zooals bij de universiteiten en aan
de Technische Hoogeschool gebruikelijk is, maar zij wenscht geen verbod op het
voeren van een, in het buitenland behaalden doctorstitel.

De positie van den administrateur zal allesbehalve een onschuldige zijn; staande
tusschen curatorium en senaat zal hij tot op zekere hoogte eigen inzichten kunnen
volgen, hetgeen noodwendig aanleiding geven moet tot wrijving. Bovendien moet
men den directeur van het instituut niet ontlasten van de verantwoordelijkheid
voor de administratie. De hoogleeraren dienen voor een bestelling niet vooraf
den administrateur te raadplegen te hebben, daar deze, als het verlof afkomt,
dan wel eens overbodig zou geworden kunnen zijn. De administrateur mag derhalve
net zijn iemand, die met een soort van gezag wordt bekleed.

Ik heb Prof. Hamburger eens naar zijn administratieve werkzaamheden ge-
vraagd, en deze deelde mij mede, dat nu alles op gang was, de last gering was.

De heer Dhont: Ik vermeen te kunnen constateeren, dat er twee stroomingen
in de vergadering zijn: de ééne gevoelt meer voor het rapport der Commissie en
de andere meer voor het denkbeeld van den heer
Hoogkamer. Wanneer beide
zaken aan het oordeel van de vergadering worden onderworpen, zal in ieder geval
de motie van Dr.
Remmelts overbodig zijn.

De heer Prof. de Jong: Het voorstel van den heer Hoogkamer kan niet in
stemming komen, wijl het niet in behoorlijken vorm is ingediend.

-ocr page 528-

Men kan een besluit nemen over het praeadvies van het Hoofdbestuur en over
de motie van Dr.
Remmelts, maar niet over het eerste.

De heer Dhont: Ik zou het den meest aangewezen weg vinden, wanneer aan
de Regeering een verslag van deze vergadering werd aangeboden, wijl men alleen
daardoor een juist inzicht kan krijgen in de opvatting van de leden der Maatschappij.

De heer Dr. Bakker: De vergadering dient eerst te beslissen omtrent het rapport
der Commissie en daarna over de motie van Dr.
Remmelts. Het voorstel van den
heer
Hoogkamer kan volgens het Reglement niet in stemming worden gebracht.

De heer Mazure zegt, dat men eerst de opinie der afgevaardigden zou kunnen
vragen, wijl de meesten een bindend mandaat hebben.

De heer Dr. Bakker: Men zou eerst een beslissing over het geheel kunnen
nemen, en daarna het oordeel vragen over eventueele aanvullingen.

De heer Hoogkamer: Waarom kan mijn voorstel niet in stemming worden
gebracht?

De heer Dr. Bakker: Krachtens art. 31 van het huish. Reglement, luidende:

„Voorstellen, niet in het programma opgenomen, worden niet in behandeling
gebracht, tenzij zij voor den aanvang van de vergadering den Voorzitter schrifte-
lijk zijn aangeboden en door minstens drie afgevaardigden of, van het Hoofdbestuur
uitgaande, door twee afgevaardigden worden ondersteund".

De Heer Hoogkamer: Mij wel; de zaak verandert er niets door, daar uit een
uitslag van de stemming over het praeadvies voldoende zal blijken of men ten
opzichte van het vraagstuk Hoogesehool of Universiteit, mee wil gaan met de
denkbeelden der commissie of met die van mij.

De Voorzitter: Ik stel voor, eerst de door het Hoofdbestuur voorgestelde
redactie-wijzingen in het rapport der Commissie in stemming te brengen.

Dienovereenkomstig wordt besloten.

Het voorstel van het Hoofdbestuur, om het aantal abnormale verlossingen te
brengen op vijf, mèt de verplichting, dat iedere candidaat tevens minstens vijf
abnormale verlossingen van groote huisdieren moet hebben bijgewoond, wofdt in
stemming gebracht en
aangenomen met 131 tegen 24 stemmen, terwijl 1 stem in
blanco was uitgebracht.

Vervolgens wordt het geheele rapport der Commissie in stemming gebracht en
aangenomen met 112 tegen 11 stemmen en 1 stem in blanco.

Tha>ns komt aan de orde de motie van Dr. Remmelts.

De heer Dr. Schimmel: Deze motie is in strijd met het praeadvies, zoodat de
Regeering aangaande de denkbeelden in de Maatschappij, aan het weifelen zal
geraken.

De heer Paimans: De motie is overbodig, nu het rapport van de Commissie
is aangenomen, vooral, waar zij slechts een wensch uitdrukt.

De heer Dr. Remmelts: De motie kan zeer goed worden gehandhaafd. Ik zou
gaarne het oordeel van de vergadering over deze willen vastleggen; het Hoofdbestuur
kan er altijd nog een toelichting voor de Regeering bijvoegen.

De heer Dr. Bakker: Ik dring er op aan, dat zij in stemming wordt gebracht.
Het is zeer wenschelijk, dat de vergadering zich omtrent de zesde faculteit uit-

-ocr page 529-

spreekt, zoodat het Hoofdbestuur bij aanneming van deze, een uitvoerige toelich-
ting aan de Regeering zal kunnen overleggen.

De heer Dr. Schimmel: Nu men haar vergezeld wil doen gaan van een uitvoerige
toelichting, heb ik tegen het in stemming brengen, geen bedenkingen meer.

De heer Wester: De motie kan moeilijk in stemming komen. Persoonlijk ben
ik tegen deze; en het zou kunnen gebeuren, dat ik mij niet kan vereenigen met
de stem, die door de afgevaardigde van mijn afdeeling wordt uitgebracht. In ieder
geval zal de stemming onzuiver zijn.

De heer Paimans: Ik ben het daarmede eens. De afgevaardigden hebben zich
nog niet omtrent de motie kunnen beraden.

De heer Dr. Bakker: De stemming behoeft volstrekt niet onzuiver te zijn, want
de afgevaardigden hebben zich toch een oordeel kunnen vormen na de gehouden
gedachten wisseling?

De motie van Dr. Remmelts, luidende:

,,De vergadering van de Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland,

gehoord de discussies,

spreekt als haar oordeel uit, dat de eind-oplossing van het vraagstuk „veeartsenij-
kundig onderwijs" moet worden gevonden in de stichting van een zesde faculteit
aan de Utrechtsche universiteit".

wordt in stemming gebracht en aangenomen met 146 tegen 2 stemmen.

IV. M ededeelingev van het Hoofdbestuur.

De ie Secretaris deelt namens het Hoofdbestuur het navolgende mede:

ï Het Hoofdbestuur heeft gemeend, geen uitvoering te moeten geven aan het
voorstel van de Afdeeling Nieuw-Zuid-Holland, om een onderzoek in te stellen,
of in het buitenland een zesde faculteit, dan wel een geheel zelfstandige lioogeschool,
mécr voldoet. De ervaring op dit gebied is nog te gering, terwijl een dergelijk onder-
zoek tevens te tijdroovend zou zijn.

2". Aan den Directeur-Generaal is toegezonden een rapport omtrent de dis-
cussies, gehouden op de bizondere algemeene vergadering van 29 November 1913,
naar aanleiding van het gesprokene door den afgevaardigde van de Afdeeling
Groningen-Drenthe over de verhouding tusschen de veeartsen en de rijksserum-
inrichting, welk rapport is ontleend aan gegevens uit de notulen.

3°. Aan de dochter van wijlen den heer Van Esveld, Mevr. S. J. Weener
geb. Van Esveld, is een gebonden, gecalligrafeerd verslag van de stichting en de
overdracht aan het Hoofdbestuur van het
„Van EsvELD-fonds" geschonken.

4°. Het eerelid Dr. D. F. Driessen is op 2 Januari 1914 overleden. In afle-
vering 2 van het Tijdschrift is een waardeerende biograpliie van de hand van Dr.
Schimmel verschenen. Het Hoofdbestuur heeft een brief van rouwbeklag aan de
familie gericht, waarop een dankbetuiging is ingekomen van Mevr. de Wed. Dr.
D. F. Driessen geb. Van der Ven, mede namens de familie; ook is een krans
gezonden, terwijl de heer
Quadekker de Maatschappij aan het station heeft ver-
tegenwoordigd bij het overbrengen van het lijk naar het crematorium te Bremen.

5°. Het rapport omtrent het veeverzekeringswezen zal in behandeling worden
genomen, wanneer daartoe voldoende tijd beschikbaar blijft.

-ocr page 530-

De heer Prof. De Jong. Ik zou wenschen dat, wanneer in het vervolg weer
rapporten werden uitgebracht door het Hoofdbestuur aan den Directeur-Generaal,
de Maatschappij daarmede in kennis werd gesteld.

De heer Dr. Bakker. Ik zal deze zaak nader toelichten. Nadat de Directeur-
Generaal de gedachtenwisseling omtrent de rijksseruminrichting had bijgewoond,
vroeg hij het Hoofdbestuur, een overzicht daarvan, met advies. Wij hebben
derhalve van voorlichting gediend, als Hoofdbestuur en niet namens de Maatschap-
pij. Het is zeer goed mogelijk, dat het rapport nog in het Tijdschrift ter kennis
der leden wordt gebracht.

De heer Prof. De Jong: Ik zal niet dieper op deze zaak ingaan, alleen ik zou deze
bespreking gaarne nauwkeurig genotuleerd zien, omdat ik later nog op deze kwestie
wensch terug te komen.

V. Vrije medecLeelingen.

De heer Barendregt: In de vergadering van 4 Februari j.1. der afdeeling
Nieuw-Zuid-Holland, heb ik niet kunnen nalaten, uiting te geven aan de teleur-
stellende gedachte, welke bij mij was opgekomen na kennisname van het feit, dat
het Nederlandsch Instituut van Landbouwkundigen een congres had uitgeschreven
en door praeadviseurs doen voorbereiden, ten einde het wetsontwerp op de paarden-
fokkerij te bespreken. Toen vroeg ik mij n.1. af: Waarom de landbouwkundigen
wèl en de veeartsen niet?

Niemand in den lande zal toch openlijk durven tegenspreken, dat wetenschappe-
lijke veeteelt of zoötechnie een essentieel onderdeel der veeartsenij kundige studie
is. Wanneer men dan ook daarop betrekking hebbende wetten of wetswijzigingen
gaat uitvaardigen, rust op ons de onafwijsbare plicht, deze goed onder de oogen
te zien en den inhoud te toetsen aan het algemeen belang en aan dat der veeartsen.
Mocht daarbij blijken, dat die voorschriften daartegen ingaan, zoo late men zijn
waarschuwende stem hooren, opdat zij zal doordringen tot in de regeeringsbureaux
en de wetgevende vergadering.

Het stellen van de vraag, waarom de landbouwkundigen wèl en de veeartsen
niet hun aandacht aan deze zaak wijden, sluit in zich een stil verwijt aan het adres
onzer Maatschappij.

Het heeft mij echter aangenaam getroffen, in het Tijdschrift te hebben kunnen
lezen het protest van het Hoofdbestuur aan het Nederlandsch Instituut van Land-
bouwkundigen. Ik wensch gaa.rne een eeresaluut te brengen aan het Hoofdbestuur,
dat het niet heeft geschroomd daar, waar men ons ter zijde heeft gesteld, dit in
onomwonden termen kenbaar te maken.

Het mag toch wel eens gezegd worden, dat de behandeling, die de veeartsen-
veeteeltkundigen moeten ondervinden van de zoogenaamd wetenschappelijke
landbouwkundigen, is grievend en beleedigend. Het is dan ook begrijpelijk, dat de
laatsten trachten de veeartsen dood te zwijgen; ik denk hier aan het voorgevallene
te Amsterdam.

Wat nu hiertegen te doen?

Ik wil vooropstellen, dat het mij een fout voorkomt, zich op een onzalig oogenblik
te hebben laten verleiden den naam der Maatschappij te wijzigen en daaruit te
schrappen de woorden „
en veeteelt". Men moge nu zeggen, dat „veeartsenijkunde"

-ocr page 531-

in zich sluit „veeteelt", de zaak staat anders, wanneer men de woorden „en veeteelt"
met opzet doet vervallen, te meer, waar men zich in de laatste jaren officieel weinig
of niet aan veeteeltkundige onderwerpen heeft laten gelegen liggen.

Vooral in deze zaak geldt echter het bekende: Waar een wil is, is een weg. Boven-
dien, men heeft hier keuze.

Het Hoofdbestuur kan de toezegging doen, zelf de vraagstukken op dit gebied
aan te vatten en deze bij voorkomende gelegenheid op de algemeene vergadering
te doen behandelen; tot praeadviseurs zouden dan steeds de meest geschikte mannen
worden uitgekozen, zij, die ten opzichte van hun kennis geen leentjebuur behoeven
te spelen en waarop men rekenen kan.

Een andere weg ware de benoeming eener permanente Commissie voor veeteelt -
aangelegenheden, welke het Hoofdbestuur van een deel zijner taak zou kunnen
ontlasten en de verantwoordelijkheid van de voorbereiding en de besprekingen
zou dragen. Ik ben in het algemeen echter geen voorstander van het instellen van
dergelijke permanente commissies, weshalve ik aan den eersten weg de voorkeur
vermeen te moeten geven. Misschien zijn er nog wel andere oplossingen mogelijk.

Waar onze afdeeling medegaat met mijn voorstel, om tegenover de steeds van
alle zijden opdringende landbouwspecialiteiten de collega\'s, welke zich geroepen
gevoelen, bij veeteeltzaken op den voorgrond te treden, te ruggesteunen, zoo noodig
door een goed gemotiveerde uitspraak der Maatschappij, daar zou het mij aange-
naam zijn, van vergadering en het Hoofdbestuur de toezegging te mogen verkrijgen,
dat op het gebied der veeteelt, in onze Maatschappij meer werkzaamheid dan tot
op heden zal worden ontwikkeld.

Ik twijfel niet, of men zal de noodzakelijkheid hiervan inzien, al ware het slechts
om allen, die buiten de Maatschappij staan, te overtuigen, dat onder de veeteelt-
specialiteiten van verschillende opleiding de veeartsen altijd zullen blijven een niet
te verwaarloozen groep, die er trotsch op kan zijn, in den loop der tijden haar
sporen op dit gebied te hebben verdiend en welke bereid is, haar beste krachten
te wijden aan de bevordering der rationeele veeteelt, een bron van welvaart voor
ons vaderland, die te rijkelijker zal vloeien naarmate onder de landbouwers juister
begrippen veld winnen, begrippen welke de praktizeerende veeartsen zonder
op-
houden hebben te propageeren.

Ten slotte moet mij een andere stuitende zaak van het hart, n.1. de van
rijkswege toegekende belooning aan de veeartsen, leiders bij het veeteeltonderwijs
aan de landbouw-wintercursussen. Wat de landbouwkundigen de veeartsen ook
mogen benijden, het zal zeker niet zijn het loon van / i.— per lesuur. Spr. is één-
maal het twijfelachtig genoegen te beurt gevallen, zulk een cursus te geven,
maar toen hij een tweede keer daarvoor werd aangezocht, heeft hij den Voorzitter
der betrokken afdeeling gesteld voor de keuze van een hooger loon, of kosteloos
onderwijs met officieel bedankje na afloop. Ik geloof dat het Hoofdbestuur een
goed werk zou verrichten met de bestaande misstanden op dit gebied onder de
oogen te zien en te trachten, te bevoegder plaatse hierin verandering ten goede
te brengen.

De heer Overbeek: Ik moet opkomen tegen de woorden ,,zoogenaamde land-
bouwkundigen". Ik zou den heer
Barendregt gaarne willen verzoeken deze
woorden terug te nemen.

-ocr page 532-

De heer Barendregt: Wanneer iemand daarin iets stuitends vindt gelegen,
doe ik dit gaarne. Het is mijn bedoeling niet geweest, iemand, ook maar in het minst
te kwetsen. Ik heb gezegd: „zoogenaamd wetenschappelijke landbouwkundigen",
omdat ik niet precies weet hoe de titel is van de te Wageningen gevormde landbouw-
kundigen.

D e V o o r z i t t e r: Er is reeds een commissie benoemd voor de belangen van
de paardenfokkerij. In ieder geval zal rekening worden gehouden met hetgeen de
heer
Barendregt te berde heeft gebracht.

De heer Barendregt: Dit doet mij veel genoegen. Het zal echter raadzaam
zijn, belangrijke mededeelingen in het Tijdschrift te doen; zoo is het zeer wensche-
lijk, dat het vraagstuk van de runderfokkerij eens onder de oogen wordt gezien
en beveel ik ook de kwestie van de belooning in de aandacht aan.

De Voorzitter: Het Hoofdbestuur zal deze zaken in overweging nemen
en ten opzichte daarvan deligent blijven.

De heer Prof. De Jong: In welk stadium verkeert thans de kwestie, die onlangs
verdeeldheid in de Maatschappij heeft gebracht en oorzaak is geweest dat de re-
dactie van het Tijdschrift nog niet voltallig is?

D e V o o r z i 11 e r: Besloten is deze aangelegenheid in de volgende algemeene
vergadering tot oplossing te brengen.

De heer Prof. De Jong: De enquête-commissie zju zoo spoedig mogelijk rapport
uitbrengen; ik ben dienaangaande zeer teleurgesteld en zou gaarne eenige inlich-
tingen ontvangen.

De heer l)r. Bakker: Ik herinner aan het besluit, dat de driehoofdige redactie
zou blijven bestaan tot na het indienen van het rapport der enquête-commissie,
zoodat we dit dus eerst zullen hebben af te wachten. Het Hoofdbestuur heeft zich
met de tegenwoordige redactie verstaan, die momenteel geen bezwaren heeft op
dezelfde wijze door te gaan.

De heer Prof. De Jong: Ik dank Dr. Bakker voor de gegeven inlichtingen en
breng thans het volgende ter sprake:

In het wetsontwerp tot wering van vleeschwaren, die voor de gezondheid scha-
delijk zijn, komt een bedenkelijke passage voor, welke de veeartsen hebben te
danken aan hun collega\'s, ik bedoel de kwestie van de keuring vóór het slachten.
Nu zal binnenkort te Maastricht een Congres voor Openbare Gezondheidsregeling
worden gehouden, waarop dit wetsontwerp in den breede zal worden besproken
en waaromtrent een Commissie praeadvies zal uitbrengen. De mogelijkheid bestaat,
dat de zaak in een minder gewenschte richting gestuurd wordt, waarom ik het
noodzakelijk vind, dat alle veeartsenijkundigen, die belang stellen in het wets-
ontwerp, naar het Congres optrekken. Mede geef ik in overweging, een groot aan-
tal competente mannen daarheen af te vaardigen, opdat de verdediging zoo sterk
mogelijk zij.

Tevens zou ik zooveel mogelijk invloed willen zien uitoefenen op de zuster-
verenigingen, b.v. de vereeniging van slachthuis-directeuren, die reeds een publi-
catie omtrent dit wetsontwerp het licht heeft doen zien. De Maatschappij is ver-
plicht bewijs te geven, van veel belangstelling in het wetsontwerp.

De heer Dr. van der Plaats: Ik deel in deze de meening van Prof. De Jong,
doch wil er op wijzen dat het Gezondheidscongres geen besluiten neemt. Het

-ocr page 533-

verslag der gedachtenwisseling wordt eenvoudig aan de Regeering gezonden en
behoeft dus het aantal bezoekers niet grooter te zijn dan het aantal sprekers.

De heer Prof. De Jong: Het is mijn bedoeling, een zoo groot mogelijk aantal
sprekers uit veeartsenijkundige kringen te doen optreden. Het zou een allerbe-
denkelijkst verschijnsel zijn, indien tegenover een klein aantal van dezen, vele
»nX-veeartsenijkundigen op het congres het woord voerden. Een résumé van de
besprekingen wordt aan de Regeering toegezonden, maar daaruit blijkt dan ook
de mate van belangstelling in het wetsontwerp van de zijde der eersten.

De Secretaris: De afgevaardigde van de afdeeling Friesland zou een be-
spreking inleiden, doch met het oog op den vergevorderden tijd zal hij deze tot
een volgende vergadering uitstellen.

De heer Dr. Van der Sande: Inspecteur van het Landbouwonderwijs. Ik wensch
aan de vergadering mijn dank uit te spreken voorde mij aangeboden gelegenheid, om
deze zeer belangrijke discussies bij te wonen. Ik zal niet in gebreke blijven, den
directeur-generaal van deze op de hoogte te stellen. Aangezien de ontwerp-wet
onderwijs eerstdaags in de afdeelingen der Tweede Kamer in behandeling zal
komen kan van de zijde der Regeering daarover geen overleg meer worden gepleegd,
doch ik twijfel niet, of de Minister en de directeur-generaal zullen met belangstelling
van de hier gehouden besprekingen kennis nemen. Het is mij aangenaam te kunnen
constateeren, dat er bij de vergadering geen twijfel bestaat, of het is inderdaad
de bedoeling der Regeering geweest, aan de veeartsenijkundige wetenschap die
plaats te geven, welke zij voor haar ontwikkeling noodig heeft.

DeVoorzitter: Ik geloof deze bijeenkomst te kunnen sluiten, maar vooraf
mijn dank aan den heer Dr.
Van der Sande voor zijne belangstelling; het was
ons bizonder aahgenaam hem in ons midden te mogen zien. Ook mijn dank aan
de commissie van rapporteurs, de afgevaardigden en aan de overige leden, in \'t
bizonder aan hen die aan de verschillende debatten hebben deelgenomen.

2 April, 1914- Hoogkamer.

Kroes.

Vermeulen.

-ocr page 534-

Berichten.

Bepalingen tot wering van vleesch en vleeschwaren, die voor de volksgezond-
heid schadelijk zijn.

MEMORIE VAN ANTWOORD.

28 Maart

(Ingezonden bij brief van - 1914)-

3 April

In antwoord op de beschouwingen en opmerkingen, voorkomende in het Voor-
loopig Verslag, wordt het volgende aangevoerd.

Ai.gemeene beschouwingen.

§ 1. Inleiding. Met voldoening werd door de ondergeteekenden in het Voor
loopig Verslag gelezen, dat men algemeen de indiening van het wetsontwerp
met erkentelijkheid had begroet. Wordt die voldoening eenigszins getemperd
door de uiting van twijfel of met de voorgestelde regeling het beoogde doel zal
worden bereikt, de ondergeteekenden zijn door de opmerkingen in het Verslag
niet geschokt in hun vertrouwen, dat dit wel het geval zal zijn. Zij hebben dan
ook goeden moed, dat het met gemeen overleg zal gelukken, op den voorgestelden
grondslag een regeling tot stand te brengen, die inderdaad doeltreffend zal zijn.

Hieronder zal blijken, dat op verscheidene punten aan bezwaren en wenschen
wordt tegemoet gekomen, maar de ondergeteekenden achten, den grondslag van
het ontwerp, n.1. uitvoering van de wet door gemeentelijke keuringsdiensten,
onveranderd te moeten handhaven. Niet, omdat zij gemeentelijke diensten feil-
loos achten of omdat zij zich zouden overgeven aan den waan, dat met die diensten
het doel van het wetsontwerp in volmaaktheid zal worden bereikt. Zij zijn zich
van de onvolkomenheden, die de praktijk te aanschouwen zal geven, zeer wel
bewust, maar zij achten de ontworpen regeling met die onvolkomenheden, — die
geenszins zullen beletten, dat het groote doel van deze wetsvoordracht wordt
bereikt — in \'s lands belang verre te verkiezen boven een Rijksdienst, die in ieder
geval zeer duur zou werken, daar de centraliseering een ongewenschte en onvader-
landsche richting zou inluiden en de volmaaktheid van werking zekerlijk ook
niet zou brengen. Gaf de rijksdienst automatisch uniformiteit — en alleen daarvoor
kan hij bepleit worden — dan bleven zeker klachten over starheid en gemis aan
voeling met de bevolking niet uit; werd daarentegen bij een rijksdienst aange-
stuurd op eenige soepelheid met inachtneming van het gestelde doel, dan werd
den gemeentelijken diensten genaderd en verviel het motief voor de instelling
van een rijksdienst.

Met betrekking tot de beide punten, waarop in dit deel van het Verslag de
aandacht wordt gevestigd, wordt het volgende opgemerkt.

In het allereerste stadium van voorbereiding van dit wetsontwerp is overleg
gepleegd met het bestuur van den Slagershond; later heeft overleg niet plaats
gehad. Tijdens de samenstelling van deze Memorie heeft den eerst-ondergeteekende
evenwel een uitvoerig schrijven van den Nederlandschen Slagershond bereikt;

-ocr page 535-

aan de daarin uitgesproken wenschen, die niet veel afwijken van de beschouwingen
in het Verslag, is goeddeels voldaan.

De vrijheid, die volgens het wetsontwerp aan de Regeering zal worden gelaten,
is niet grooter, dan de aard van het onderwerp vordert, en is inderdaad onmisbaar.

i°. Artikel i, tweede lid. De wet zal, volgens de voorgestelde redactie, be-
antwoorden aan de tegenwoordige behoeften. Het is evenwel mogelijk, dat het
vleeschverbruik zich wijzigt en dat de behoefte opkomt aan bescherming van
de volksgezondheid tegen ondeugdelijk vleesch van andere, dan in het eerste
lid genoemde, dieren. Die behoefte kan min of meer tijdelijk zijn. Tegenover
deze onzekerheden is de beperkte vrijheid, die het 2de lid zal geven, vrijwel on-
misbaar. Binnen den termijn van 2 jaar zal beslist moeten en kunnen zijn, of
het eerste lid van artikel 1 der wet gewijzigd zal worden.

2°. Artikel 2, tweede lid. De voorschriften zullen binnen het kader van de
wet: wering van voor de volksgezondheid schadelijke vleeschwaren, moeten blijven,
maar voeling moeten houden met den steeds wisselenden stand van industrie,
techniek en wetenschap. De wet kan dat niet doen.

3°. Artikel 10 is vervangen door eene andere bepaling, waarover hieronder.
Artikel 43 (nieuw 46) is niet dan een overgangsmaatregel, die, zooal niet nood-
zakelijk, dan toch gewenscht is om aanpassing aan de wet gemakkelijk te maken.
Welk bezwaar deze beperkte vrijheid tot tijdelijke verlichting van lasten kan
opleveren, vermogen de onder^eteekenden niet in te zien.

4°. Artikel 18. Bij dit artikel is gevolgd het voorbeeld van de wet op de uit-
voerkeuring van vleesch. Al de, in art. 18 genoemde, onderwerpen zijn van tech-
nischen aard. Zou het inderdaad een goede methode van wetgeving zijn, indien
de volksvertegenwoordiging moest vaststellen, bijv. welke ingewanden aan een
ter keuring aangeboden geslacht dier moeten zijn gehecht; welke ziekteverschijn-
selen aan lever, milt en dergelijke, aanleiding tot afkeuring mogen geven; welke
methode van chemische of andere bewerking van vleesch moet worden gevolgd
voor bruikbaar- of onbruikbaarmaking van vleesch? Het gaat hier in hoofdzaak
om het vastleggen van, meer dan eens wisselende, uitkomsten van wetenschappelijk
onderzoek en ervaring. Terecht wordt de opmerking gemaakt, dat de bewinds-
lieden op deze punten zelf niet deskundig zijn. Zouden niet, evenzeer als zij, ook
de leden van de volksvertegenwoordiging moeten afgaan op adviezen van des-
kundigen?

Voor zoover de belangen van handel of bedrijf in het gedrang kunnen komen,
kan daartegen worden gewaakt door betrokken corporaties te hooren. En mocht
met die belangen niet in die mate als noodig en mogelijk is, rekening worden ge-
houden, dan zal de verantwoordelijke bewindsman tot verdediging van zijn stand-
punt of tot wijziging van de voorschriften gebracht kunnen worden.

§ 2. Uniformiteit der keuring. Taak der gemeente. Ten onrechte wordt in
het \\ oorloopig Verslag de veronderstelling geuit, dat de Regeering eigenlijk van

-ocr page 536-

een rijkskeuring de beste uitkomsten verwachtte maar voor de consequenties
was teruggeschrikt. Zij heeft integendeel een rijkskeuring van den aanvang af
verwerpelijk geacht. Uit de wijzigingen van eenige artikelen van het ontwerp zal
blijken, dat met opmerkingen van het Verslag rekening is gehouden, opdat de
eenheid nog beter gewaarborgd worde, maar de grondslag — uitvoering door
de gemeenten — achten, gelijk reeds in § i bleek, de ondergeteekenden onver-
anderd te moeten handhaven.

Een vergelijking met de Woningwet kan niet dan zeer gebrekkig zijn. Immers
de volkshuisvesting bleef ook na de invoering dier wet zaak van gemeentelijke
huishouding. De vleeschkeuring zal, wordt dit ontwerp wet, rijkszaak, zaak van
plaatselijk zelfbestuur worden. Daardoor is thans ook geen behoefte aan bepalingen
als van art. 8 der Woningwet. Is aan art. 20 niet voldaan binnen den, krachtens
art. 45 (nieuw 48) vast t\' stellen, termijn, dan zullen de artt. 126 en 127 der Ge-
meentewet toegepast moeten worden. In verband hiermede is in het ontwerp
een nieuw artikel 23 ingevoegd. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd,
dat, ook volgens het oorspronkelijk ontwerp, de gemeente in de organisatie van
den keuringsdienst en in de uitvoering van de wet niet onbeperkt zouden worden
vrijgelaten; de verordeningen zouden aan de goedkeuring van Gedeputeerde
Staten worden onderworpen.

Het gewijzigde artikel 22 en het nieuwe artikel 23 geven aan het hooger gezag
voldoende macht, om ook in plattelandsgemeenten een behoorlijke uitvoering
van de wet te waarborgen.

Volkomen gelijkwaardigheid van de keuringen door het geheele land is, naar
de meening van de ondergeteekenden, een hersenschim. Al was er een rijksdienst,
en al zouden er, in voldoend aantal, slachthuizen over het geheele land verspreid
zijn, (dit oj) zich zelf is reeds vrijwel onbereikbaar) dan nog zou het Rijk het niet
in zijn macht hebben, een voorname voorwaarde voor gelijkwaardigheid van alle
keuringen te vervullen: een stel keurmeesters van gelijke bekwaamheid en degelijk-
heid en gelijk oordeel. Ten onrechte wordt dan ook in het Verslag te veel nadruk
gelegd op de absolute gelijkwaardigheid van alle keuringen, die immers niet zoozeer
in het belang der volksgezondheid als wel van den handel verlangd wordt. De
eerste vraag, die te stellen valt is: zal met de voorgestelde regeling voor de gezond-
heid schadelijk vleesch geweerd worden? Die vraag mag veilig bevestigend beant-
woord; het Verslag behelst trouwens geen argument van ontkennende strekking.
Na die vraag komt deze andere: hoe kunnen de belangen van den handel het
meest gebaat worden? Daarom streeft het ontwerp naar gelijkwaardigheid van
de keuringen, en de wijzigingen, in art. 18 aangebracht, hebben datzelfde doel.
Maar hier zal men steeds zich in onvermijdelijke onvolkomenheden hebben te
schikken. En gesteld al, dat het mogelijk ware, alle keuringen volkomen gelijk-
waardig te maken, bij het vervoer van de eene gemeente naar ecne andere zou
het vleesch toch steeds aan zooveel schadelijke invloeden blootgesteld blijven,
dat absoluut vrije invoer in eene andere gemeente reeds uit dien hoofde niet te
aanvaarden zou zijn.

Voor zoover men in de oude artikelen 8 en 9 een beletsel zien kon voor de op-
richting van slachthuizen, is dat bezwaar door de wijziging
van die artikelen onder-
vangen.

-ocr page 537-

Bij nadere overweging is de oorspronkelijke bepaling van art. 10 uit het wets-
ontwerp geschrapt, omdat inderdaad de bescherming van de volksgezondheid
in geen enkele gemeente ten volle ontbeerd kan worden.

Overigens kan noch aan dat artikel noch aan art. 43 (nieuw 46) ontleend worden
een argument voor de stelling, dat de Regeering weinig vertrouwen zou hebben
in een goede uitvoering van de wet. In het algemeen reeds is het een, voor den
ernst der Regeering weinig vleiende, veronderstelling, dat zij zelve weinig vertrou-
wen zou hebben in eene goede uitvoering van een wetsvoorstel, dat zij doet. Hoe
kan men een dergelijke veronderstelling verbinden aan ééne bepaling, die alleen
werd voorgesteld om de wet niet verder te doen reiken dan noodig zou kunnen
blijken, en aan een andere bepaling (art. 43 oud), die uitsluitend ten doel heeft
een tijd van overgang te laten om aanpassing aan de volledige doorvoering der
wet te vergemakkelijken? In de Memorie van Toelichting is duidelijk uiteengezet,
dat dit het eenige doel was.

§ 3. Huisslachting. De schrapping van het eerste lid van art. 9 maakt ingaan
op de hier voorkomende beschouwingen overbodig.

§ 4. Dubbele keuring (tweeledige keuring). Ook 11a gezette overweging van-
de bezwaren tegen de tweeledige keuring meenen de ondergeteekenden, het wets-
ontwerp op dit punt onveranderd te moeten handhaven. Van veterinaire zijde
wordt, zooal niet eenstemmig, dan toch in overgroote meerderheid de keuring
vóór het slachten onmisbaar geacht voor een afdoende vleeschkeuring. De waar-
neming van het levende dier wordt noodig geacht om sommige verschijnselen
in het geslachte dier te kunnen begrijpen. De Duitsche wetgeving stelt dan ook
de keuring vóór het slachten verplicht. Bovendien is die keuring onmisbaar ter
controleering van noodslachtingen. Zonder plicht tot keuring vóór het slachten
zou de weg geopend zijn, om vleesch van zieke dieren ter keuring aan te bieden
met verzwijging van de ziekte; de waarborgen voor een juiste uitspraak zouden
daardoor zeer worden verminderd. Ziekte op zich zelve ontslaat niet van de keuring
— zooals in het verslag wordt verondersteld. Immers, ingevolge art. 3 is nood-
slachting alleen geoorloofd in geval van ziekte, gepaard met onmiddellijk dreigend
levensgevaar. Niet licht zal een veearts, zelfs een ervaren hulpkeurmeester, als hij
weet met noodslachting te doen te hebben, ten aanzien van den ziektetoestand
van het dier vóór de slachting op een dwaalspoor geleid worden. Valt de keuring
vóór het slachten weg, dan vervalt ten deze ook alle zekerheid.

Dat de huisslachting zou worden belemmerd door de keuring vóór het slachten,
kan niet worden toegegeven, aangezien die keuring zal kunnen geschieden ter
plaatse van en onmiddellijk vóór de slachting. Het beroep, in het Voorloopig
Verslag op de huisslachting gedaan, zou, gesteld dat het argument op zich zelf
juist ware, alleen kunnen gelden tegen een verplichting tot oprichting van slacht-
huizen, vermits daardoor op den duur de huisslachtingen (slachtingen te huis)
onmogelijk zouden worden gemaakt.

Acht de Regeering het behoud van de „levende keuring" op grond van weten-
schap en praktijk dus noodig, zij kan niet toegeven, dat die keuring tot hinderlijke
bepalingen aanleiding zou geven. De keuring kan betrekkelijk eenvoudig zijn voor

-ocr page 538-

den deskundige en, zoo noodig, ter slachtplaats geschieden. Eenige vermeerdering
van arbeid veroorzaakt zij wel, maar die kan niet groot zijn en wordt ruimschoots
opgewogen door de zekerheid, die zij, volgens het oordeel van de deskundigen,
zal geven.

Dat ook hier op art. 43 (nieuw 46) geen beroep kan worden gedaan tegen het
voorstel der Regeering zal uit de Memorie van Toelichting en uit het boven aan-
gevoerde duidelijk zijn geworden. Ten overvloede wordt er nog op gewezen, dat
de ontheffing niet alle slachtdieren zal betreffen.

§ 5. Leemten in het wetsontwerp. Dieren, die een natuurlijken dood zijn ge-
storven, behoeven niet onvoorwaardelijk te worden afgekeurd. Vleesch van een
dier, dat is overleden b.v. tengevolge van hartverlamming, maagzweer (bij kal-
veren) of trommelzucht, kan voor menschelijk voedsel nog goed zijn.

De ondergeteekenden achten, dat het wetsontwerp voldoende waarborgen
schenkt met betrekking tot de fabrieken van vleeschwaren. Art. 2, 2de lid, voorziet
in het bereiden van vleeschwaren en in het gebruik van stoffen daarbij; de wet
zelve zal de strekking hebben te waken tegen het gebruik daarbij van ondeugdelijk
vleesch; art. 19 voorziet in de eischen, waaraan de inrichtingen zullen hebben te
voldoen, terwijl ten slotte art. 42 (nieuw 45) voorziet in het toezicht en het op-
sporen van overtredingen. Waaraan, naast dit alles, ter beveiliging van de volks-
gezondheid nog behoefte zou bestaan, is niet duidelijk.

De bepaling van art. 32 (nieuw 35) is, in verband met het nieuwe art. 10, aange-
vuld met: „vleeschwaren". Bij art. 33 (nieuw 36) behooren vleeschwaren niet
genoemd te worden, omdat dit artikel alleen terug slaat oj) d§ artt, 27—29. De
bepalingen betreffende vleeschwaren (art. 30) worden gedekt door art. 34 (nieuw
37)-

Een wettelijke verplichting tot het uitbrengen van een jaarverslag is niet noodig.
In dit onderwerp kan worden voorzien bij den algemeenen maatregel van bestuur
ter uitvoering van art. 31 (nieuw). Zie over dat artikel hieronder.

Artikelen.

Artikel 4. De slotwoorden van het derde lid beteekenen niet hetzelfde als
„vernietigen". Vernietigen kan geschieden door b.v. verbranden, maar niet overal
zal gelegenheid tot vernietiging zijn. Onbruikbaar maken geschiedt door een of
andere chemische bewerking — (b.v. overgieten met petroleum) —, dat kan wel
overal geschieden. Daarom moet op behoud van de slotwoorden prijs worden
gesteld.

In de gevallen, waarin vernietiging of onbruikbaarmaking van vleesch zal moeten
plaats vinden, heeft men te doen met absoluut ondeugdelijke, zelfs schadelijke,
waar. Al ware art. 152 iste lid, der Grondwet reeds in werking getreden, dan zou
er alle aanleiding zijn, daarom bij deze wet schadeloosstelling uit te sluiten. V oor
toekenning daarvan bestaat naar de meening van de ondergeteekenden geen enkele
reden. Er wordt in de bedoelde gevallen geen schade geleden, omdat het gaat
om een onverhandelbaar en onverbruikbaar product.

-ocr page 539-

Artikel 8. De redactie van het eerste lid is gewijzigd in overeenstemming met
de opmerking in het Voorloopig Verslag.

In verband met de gewijzigde lezing van art. 24 (nieuw: 25) is tegemoetkoming
aan den wensch van het gemeentebestuur van Amsterdam niet noodig en niet
wel mogelijk. Volgens het gewijzigde art. 24 zal steeds onder verantwoordelijkheid
van een veearts gekeurd worden. Het is reeds praktijk in de gemeenten met keurings-
diensten, dat de eenvoudige keuringen geschieden door hulpkeurmeesters en de
moeilijkere gevallen worden behandeld door den veearts. Op dit punt zal dus de
toestand overal dezelfde zijn.

Speciale bepalingen voor noodslachtingen zijn almede daardoor niet noodig.

Het tweede lid van het artikel is gewijzigd in overeenstemming met de opmerking
in het Voorloopig Verslag.

Artikel 9. De vrijstelling van de huisslachting is geschrapt, op grond van de
overweging, dat huisslachting alleen voor huiselijk gebruik vrijwel niet schijnt voor
te komen.

Het tweede lid is gewijzigd overeenkomstig de opmerkingen, in het Voorloopig
Verslag gemaakt, behoudens dat de invoer niet beperkt is tot die, welke plaats vindt
door middel van den openbaren dienst. Er is geen enkele reden om een slager te
beletten, zijn klanten in eene aangrenzende geijieente per fiets door zijn knecht te
laten bedienen. Ter wering van misbruik is evenwel een bepaling opgenomen in
art. 21 onder
e, krachtens welke de gemeenteraad voorschriften zal vaststellen
om controleering mogelijk te maken. Bepaald zal kunnen worden b.v., dat de mand,
waarin het vleesch bezorgd wordt, den naam van den slager zal moeten dragen;
dat bij het vleesch een briefje moet zijn, vermeldende den naam van den klant, voor
wien het bestemd is, enz.

Artikel 10. Nader is overwogen, in hoever de regeling nog versterkt zou kunnen
worden, opdat de gemeentelijke diensten zoo goed mogelijk w-erken. Het is denkbaar,
dat men in een gemeente genoegen neemt met personeel, dat zijn jilicht niet meet
voldoende betracht, en dat alle middelen om het gemeentebestuur tot ingrijpen te
overreden, falen. Dit zou in de eerste plaats leiden tot een onbillijkheid tegenover
andere gemeenten, naar welke vleesch zou worden uitgevoerd en die haar keurings-
diensten wel goed zouden doen werken. Daarom zou tegenover de nalatige gemeente
■een afzonderingsmaatregel toegepast moeten worden, n.1. verbod van uitvoer van
vleesch en vleeschwaren. Die maatregel zal den handel wel spoedig tot inkeer brengen
en met hem het gemeentebestuur. Heeft zoo de landsregeering gewaakt voor de
belangen van de burgerij in de andere gemeenten, dan mag het veilig aan de inge-
zetenen der gemeente zelve worden overgelaten, de eigen zaken in orde te brengen
-en een beteren toestand in het leven te roepen. Is dat geschied, dan kan het verbod
worden ingetrokken. Deze gedachte is neergelegd in het eerste en het derde lid van
art. 10.

In het tweede lid worden twee uitzonderingen op het verbod gemaakt. In de eerste
plaats de zuiver particuliere zendingen (art. 9), die voor de verantwoordelijkheid
der belanghebbenden kunnen worden gelaten, wanneer het verbod in de
Staats-
courant
is geplaatst. In de tweede plaats de uitvoer-keuringen. Vleesch, dat krachtens

-ocr page 540-

de wet van 1907 tot den uitvoer wordt toegelaten, wordt voorzien van een ,,label."
Wordt het niet tot dien uitvoer toegelaten, dan wordt het, almede door ambtenaren
van den rijksdienst voor de uitvoer-keuring, voor binnenlandsch verbruik goedge-
keurd of afgekeurd en dienovereenkomstig gemerkt. Er is geen reden, om vleesch,
dat aldus is gekeurd, door het verbod te treffen; maar het spreekt van zelf, dat de
rijksdienst voor de uitvoer-keuring zich niet zal laten gebruiken voor de ontduiking
van een verbod, indien blijkt, dat de uitvoer naar het buitenland niet dan een voor-
wendsel is om het vleesch gekeurd te krijgen.

Artikel 16. Het tweede lid is gewijzigd in verband met de wijziging van art. 8,
iste lid.

Artikel 17. Goedkeuring van den ambtenaar van het openbaar ministerie
wordt door den Minister van Justitie noodig geacht omdat het vleesch stuk van
overtuiging ten dienste van de Justitie is.

Artikelen 18 en 21. l)e bepalingen van artikel 21, a (vorm van de goedkeuring),
h, d en e zijn overgebracht naar artikel 18 ter tegemoetkoming aan de geopperde be-
denkingen. Bovendien is de redactie van
e (nieuw d) verduidelijkt. Bepaling van de
tijden, waarop en waarbinnen, en d» wijze, waarop de keuring en herkeuring moeten
geschieden, dient, naar het oerdeel van de ondergeteekenden, te worden overgelaten
aan de gemeenteraden, vermits daarbij met plaatselijke gebruiken en toestanden
rekening moet worden gehouden. In artikel 21 is intusschen nog als verplicht onder-
werp opgenomen: de termijnen voor de kennisgevingen. Men kan ten deze met te
meer gerustheid vertrouwen op de plaatselijke regelingen, omdat artikel 22 de voor-
schriften onderwerpt aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten. Bovendien is de
waarborg van dat artikel nog versterkt.

In verband met de wijzigingen van deze artikelen is de redactie van de artt. 4, 3e
lid, 6 en 7 gewijzigd.

De ondergeteekenden achten het, ook na overweging van hetgeen daartegen is
aangevoerd, gewenscht, de bepaling van de wijzen van slachten over te laten aan een
algemeenen maatregel van bestuur. Het is geen goede methode van wetgeving,
technische voorschriften als deze in de wet vast te leggen, omdat de wet te weinig
zich kan aanpassen aan mogelijke veranderingen van techniek of wetenschappelijk
inzicht. Voor wettelijke omschrijving zou de in het Voorloopig Verslag aangegeven
bepaling zeker riet deugdelijk zijn, omdat 1 onder bedwelming ook valt narcoti-
seering, die toch zeker niet bedoeld wordt;
2°. behalve de beoogde bedwelming ook
dooden door een schietmasker voorkomt en toelaatbaar is.

Artikel 19. De redactie van het artikel is eenigszins gewijzigd om duidelijker te
doen uitkomen, dat de voorschriften alleen ten doel mogen hebben wering van, voor
de volksgezondheid schadelijke, producten. Overigens moge — wat betreft de vrij-
heid, die hier aan de Regeering zou worden gegeven — worden verwezen naar het in
§ i aangevoerde.

In de bepalingen ter uitvoering van de wet op de uitvoerkeuring van vleesch
komen mede voorschriften voor ten aanzien van slachthuizen. Van botsing met

-ocr page 541-

Hir.d ;rvvet en Veiligheidswet is daarbij nooit sprake geweest, doordat die voor-
schriften — met een beperkte strekking — een gansch ander doel hebben dan de
bepalingen van beide genoemde wetten. De ervaring leert, dat zij naast die wetten
staan en onmisbaar zijn. Een verband, als in artt. n
bis en 12bis der Hinderwet ge-
legd, is hier daarom niet noodig. Het ligt in de bedoeling, bij de uitvoering van deze
wet in hoofdzaak bovenbedoelde voorschriften te volgen.

Onder slachthuizen worden in het artikel ook en vooral bedoeld particuliere in-
richtingen. De gemeentelijke slachthuizen zullen van de te geven voorschriften geen
hinder ondervinden, omdat zij aan veel hoogere eischen beantwoorden dan in het
Koninklijk besluit ten aanzien van particuliere inrichtingen gesteld zullen kunnen
worden.

Artikel 21. Men zie voor de bepaling onder e hetgeen bij artikel 9 is aangevoerd.
Tegen overtreding kan bij de plaatselijke verordening straf worden bedreigd. Zwaar-
dere strafbedreiging is niet noodig, omdat de overtreding alleen kleine hoeveel-
heden vleesch kan betreffen.

Artikel 22. Aan de eerste opmerking is gevolg gegeven door aanvulling van het
eerste lid.

Ten aanzien van de inrichting der inspectie wordt verwezen naar de nieuwe
artikelen 31 en 32. In dit artikel wordt bedoeld de inspecteur van het district.

In navolging van art. 35 der Armenwet is het artikel alsnog in dien zin gewijzigd,
dat ook de inspecteur bij de Kroon in beroep kan komen Dit ter betere waar-
borging van een doeltreffende regeling.

Artikel 23 (nieuw). In het ontwerp ontbrak dusver een bepaling, die den ge-
meenteraad zou verplichten met de uitspraak van Gedeputeerde Staten of van de
Kroon rekening te houden. Het nieuwe artikel 23 waarborgt, dat ook hier de artt.
126 en 127 der Gemeentewet, zoo noodig, toegepast zullen kunnen worden.

Artikel 23 (nieuw: 24). De voorwaarden, onder welke voor de inrichting van
den gemeentelijken keuringsdienst rijksbijdragen verleend zullen worden, zijn nog
niet in bijzonderheden overwogen. In hoofdzaak zal een bijdrage alleen gegeven wor-
den, indien de kosten van een behoorlijken dienst te hoog zijn om doorkeurloonen

/

gedekt te worden en de financieele toestand van de gemeente hulp billijkt. Vóór dat
tot de vaststelling wordt overgegaan, zal met Gedeputeerde Staten overleg worden
gepleegd.

Wettelijke verplichting tot oprichting van slachthuizen, zij \'t ook binnen grenzen,
achten de ondergeteekenden voorhands niet geraden.

Artikel 24 (nieuw: 25). Het artikel is in dien zin gewijzigd, dat een hulpkeur-
meester alleen onder verantwoordelijkheid van een veearts zal mogen werkzaam zijn.

Voor de bevoegdheid, om als hulpkeurmeester op te treden, zullen in het algemeen
zekere eischen van bekwaamheid worden gesteld. Hoever daarbij zal worden ge-
gaan, staat nog niet vast. Hierover zal met veterinair deskundigen overleg worden
gepleegd. Van de eischen zal ook afhangen, hoever de bevoegdheid zal kunnen gaan.

-ocr page 542-

Wettelijke plicht om de herkeuring op te dragen aan meer dan één veearts zou
verder gaan dan thans praktijk is. Meermalen toch nemen ook belanghebbenden ge-
noegen met herkeuring door één veearts, indien deze iemand van onbetwist gezag is
Het is raadzaam dit punt aan de plaatselijke verordeningen ter regeling over te
laten.

Het behoeft geen nader betoog, dat meer dan ééne gemeente zich de diensten van
een zelfden veearts, zelfs van een zeilden hulpkeurmeester zal kunnen verzekeren.

Artikel 25 (nieuw: 26). Bij nadere overweging is de redactie in overeenstemming
met die van art. 4, 30. der Hinderwet gebracht. Vetsmelterijen worden hier af-
zonderlijk genoemd, omdat zij ook in art. 19 afzonderlijk zijn genoemd. Zooals te-
recht in het Verslag wordt opgemerkt, zijn voor de werkzaamheden, die in vet-
smelterijen geschieden, de gemeentelijke (en ook andere) slachthuizen in het al-
gemeen minder geschikt. Daarom zullen voor vetsmelterijen, als afzonderlijke inrich-
tingen, ook afzonderlijke voorschriften gegeven moeten worden.

De bepaling van art. 4, 30. der Hinderwet betreffende den duur der verordening
is hier niet overgenomen, omdat een verbod kan blijven gelden zoolang de gelegen-
heid in de andere gemeente openstaat.

Artikel 26 (nieuw: 27). Alsnog is aan dit artikel een nieuw lid toegevoegd,
analoog aan het tweede lid van art. 29 (nieuw: 30). Nadere motiveering is hierbij
overbodig.

Artikel 27 (nieuw: 28). De redactie is gewijzigd in overeenstemming niet die van
art. 29 (nieuw: 30) onder
b.

Artikel 29 (nieuw: 30). Nadere aanduiding van vleeschwaren is hier niet moge-
lijk en niet raadzaam. De industrie wisselt onophoudelijk; wettelijke begrenzing zou
neerkomen op gelegenheid tot wetsontduiking. Het belang van de volksgezondheid
vordert op dit punt onbeperkte vrijheid van de Regeering.

De redactie van de bepaling onder b is gewijzigd ter verduidelijking.

Artikelen 31 en 32 (nieuw.) Toen het wetsontwerp werd voorbereid en ingediend,
was tevens aanhangig een wijziging van de Gezondheidswet, ten doel hebbende o.m.
de invoering van vakhoofdinspecteurs. Was die regeling wet geworden, dan had bij
dit wetsontwerp nadere voorziening achterwege kunnen blijven. Thans moet alsnog
voorziening getroffen worden.

fn het Verslag wordt bij artikel 22 terecht de wensch geuit, dat de centrale leiding;
van den nieuwen dienst aan een hoofdinspecteur-veearts zal worden toevertrouwd-
Van de zijde der veeartsen is eenzelfde verlangen met klem te kennen gegeven. De
ondergeteekenden achten, dat deze speciale dienst ook onder speciale leiding moet
staan, zal het doel der wet bereikt worden en de speciale deskundigheid en de
noodige eenheid gewaarborgd zijn. Het ligt in de bedoeling, den hoofdinspecteur te
benoemen tot buitengewoon lid van den Centralen Gezondsheidsraad. Dat College
zal daardoor in staat zijn, zich op de hoogte van dezen dienst te stellen (de hoofd-
inspecteur zal den Raad van voorlichting moeten dienen) en der Regeering ad-
viezen te geven, terwijl aan den anderen kant de hoofdinspecteur zijn krachten in

-ocr page 543-

hoofdzaak aan dezen dienst zal kunnen geven en niet een goed deel van zijn tijd in
beslag zal zien genomen door de, dikwijls tijdroovende, beslommeringen, die het
gewoon lidmaatschap van den Raad medebrengt. Vooral in den eersten tijd zal dit
een groot voordeel zijn; op het beleid van den hoofdinspecteur zal voor de goede en
toch gemakkelijke doorvoering van de wet zeer veel aankomen.

Het ligt in de bedoeling, den dienst zoo eenvoudig als mogelijk is, in te richten,
maar het is thans nog niet mogelijk, dienaangaande reeds vaste lijnen te trekken.

Artikel 31 (nieuw: 34). Het artikel is alsnog aangevuld zóó, dat ook strafbaar
zal zijn slachten in strijd met de voorschriften van den algemeenen maatregel van
bestuur. Voorts is aan het artikel een tweede lid toegevoegd ter waarborging, dat
een geslacht dier in den voorgeschreven toestand aan keuring worde onderworpen.
Het ontbreken van een orgaan kan aan een onwillekeurige omstandigheid te wijten
zijn, maar het kan ook gevolg zijn van een toeleg, om den ambtenaar, met de
keuring belast, op een dwaalspoor te leiden. In het laatste geval zal, bij herhaling,
straf moeten volgen.

Artikel 32 (nieuw: 35). De redactie van het artikel is aangevuld zóó, dat vast
staat, dat de keuring moet zijn geschied overeenkomstig deze wet.

Het tweede lid is — in verband met de vervanging van art. 10 — gewijzigd.

In een nieuw, derde lid is alsnog een strafbedreiging opgenomen tegen vervoer van
vleesch in strijd met de gegeven voorschriften.

Artikel 36 (nieuw: 39). Wanneer beslist is, dat vleesch door sterilisatie bruik-
baar moet worden gemaakt, is een andere behandeling b.v. zouten, niet toelaatbaar.
Vernietiging zou een uiterste zijn, waarmede in den regel deze ongehoorzaamheid
niet behoeft te worden gestraft, omdat de volksgezondheid het niet vordert. Daar-
om is de strafbedreiging alsnog aangevuld ter voorziening in dit geval.

Artikel 37 (nieuw: 40). Zooals terecht wordt opgemerkt, wordt, in hetgeen hier
is bepaald, voor een gedeelte voorzien in de artt. 174 en 175 van het Wetboek van
Strafrecht. Dit maakt intusschen deze speciale voorziening niet overbodig.

Immers de artt. 174 en 175 vinden door hun beperkte omschrijving betrekkelijk
weinig toepassing. Bij de jongste voorstellen tot herziening van het Wetboek van
Strafrecht is dan ook een ruimere redactie ontworpen.

De speciale regeling zal derogeeren aan de algemeene van het Wetboek van Straf-
recht. Valt iemand onder het bereik van de beide strafbepalingen, dan wordt, volgens
het algemeen beginsel, toegepast de strafbepaling met de zwaarste hoofdstraf.

Artikel 39 (nieuw: 42). De ondergeteekenden achten een plicht tot openbaar-
making van de uitspraak bij een eerste veroordeeling niet gewenscht, wijl, wellicht,
noodeloos hard. Anders is het in geval van herhaling. Voor dat geval kunnen zij
dan ook niet instemmen met het, in het Verslag aangevoerde, bezwaar tegen im-
peratieve openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Zij achten integendeel
imperatieve openbaarmaking der uitspraken bij herhaling van de, in dit artikel
bedoelde, ernstige feiten gewenscht.

Artikel 40 (nieuw: 43). Het komt den ondergeteekenden niet noodig voor, het
in art. 37 (40) vermelde strafbare feit, — zoo dit opzettelijk wordt gepleegd —-,

-ocr page 544-

tot de misdrijven te rekenen. De rechter zal, indien het ieit een ernstig karakter
vertoont, tot hechtenis kunnen veroordeelen, wat wel voldoende zal zijn om de
wet te doen naleven. De ondergeteekenden beamen niet de opmerking, dat, in
alle gevallen, waar die gezondheid onmiddellijk wordt bedreigd, oplegging van
boete moet zijn uitgesloten. Alles hangt hier af van den ernst van het feit en van
den omvang van het gevaar. Bij voorbaat is te dien aanzien een uitspraak niet
wel mogelijk.

Artikel 41 (nieuw: 44). In verband met de nieuwe artt. 31 en 32 wordt voor:
„inspecteurs" gelezen: „ambtenaren, ingevolge art. 31." Ook de hoofdinspecteurs
moet de, in dit artikel omschreven, bevoegdheid hebben.

Artikel 47 (nieuw: 50). De slachtingen aan de Rijksveeartsenijschool behoeven
niet te worden uitgezonderd, omdat in die inrichting alleen met wetenschappelijk
doel wordt geslacht.

Wordt er, bij hooge uitzondering, eens een dier, dat ter verpleging in de inrichting
was opgenomen, in nood geslacht, dan wordt het overeenkomstig de plaatselijke
verordening door den eigenaar ter gemeente-slachtplaats aan keuring onderworpen.

Het artikel is nader aangevuld, opdat in de behoeften der praktijk zoo volledig
mogelijk voorzien worde. Er wordt vleesch uitgevoerd naar b.v. Duitschland. De
toestand, waarin het voor dien uitvoer moet verkeeren, laat keuring volgens de voor-
schriften van het ontwerp niet toe. Andere landen kunnen almede bijzondere eischen
stellen. Om dezen uitvoer niet te belemmeren, moet het vleesch aan de toepassing
van de binnenlandsche keuring onttrokken worden. Er zullen evenwel voorschriften
noodig zijn ter wering van misbruik. Welke die voorschriften zullen moeten zijn,
zal afhangen van de eischen, die het buitenland stelt. Zij moeten daarom bij alge-
meenen maatregel van bestuur gegeven worden.

Voorts kan vleesch, dat goedgekeurd is volgens de wet van 1907, (zie de toelichting
tot art. 10, 2de lid), veilig tot het verbruik worden toegelaten. Nadere voorschriften
zijn ook hierbij evenwel noodig, omdat het kan voorkomen, dat op een oogenblik
een groote hoeveelheid, aldus goedgekeurd, vleesch in eene gemeente aanwezig is.

Artikel 48 (nieuw: 51). In het ontwerp van de Armenwet kwam aanduiding van
jaartal en nummer voor. Die aanduiding is daaruit geschrapt op verzoek va,n de
Commissie van Voorbereiding, die met een beroep op aanhangige andere wetsont-
werpen de overbodigheid daarvan bepleitte. Die overbodigheid werd destijds en
wordt ook thans nog door de Regeering beaamd.

Artikel 49 (nieuw: 52). De hier gebruikte uitdrukking stemt overeen met de in
andere wetten voorkomende o.a. in de Armenwet en de Invaliditeitswet. Waarom
zij niet goed zou zijn, wordt niet aangetoond. Daarom schijnt er voor verandering
niet voldoende reden.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,
CORT V. D. LINDEN.

De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
TREUB.

-ocr page 545-

Gewijzigd ontwerp van wet houdende bepalingen tot wering van vleesch en
vleeschwaren, die voor de volksgezondheid schadelijk zijn.

Wij WILHELMtNA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is bepalingen
vast te stellen tot wering van vleesch- en vleeschwaren, die voor de volksge-
zondheid schadelijk zijn;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:

Algemeene Bepalingen.

artikel i.

1. Deze wet verstaat onder slachtdieren: eenhoevige dieren, runderen, scha-
pen, geiten en varkens.

2. Bij algemeenen maatregel van bestuur kan deze wet geheel of ten deele
voor ten hoogste twee jaren op andere dieren dan de in het eerste lid bedoelde
van toepassing worden verklaard.

artikel 2.

1. Deze wet verstaat onder:

a. vleesch: gestorven of gedoode slachtdieren of deelen van deze, daaronder
begrepen ongeboren vruchten, mits die dieren of die deelen noch verduurzaamd,
tenzij door afkoeling, noch toebereid zijn.

Van de voorgaande bepaling zijn uitgezonderd hoornen, hoeven, klauwen,
borstelsj wol, huiden, voor zoover deze laatste niet afkomstig zijn van varkens,
en andere bij algemeenen maatregel van bestuur aan te geven, voor technische
doeleinden bestemde, deelen;

b. vleeschwaren: verduurzaamd, tenzij door afkoeling, of toebereid vleesch,
ook indien het met andere stoffen vermengd is.

2. Bij algemeenen maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven
betreffende het verduurzamen en toebereiden van vleesch en wordt bepaald,
welke stoffen bi] het bereiden van vleeschwaren niet mogen worden gebruikt.

artikel 3.

Deze wet verstaat onder dooden in nood: het dooden van een slachtdier,

a. dat door een ongeval ernstig is getroffen;

b. dat door ziekte in onmiddellijk dreigend levensgevaaar verkeert;

c. dat onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of
goeceren.

artikel 4.

1. Slachtdieren zijn vóór en na het slachten aan keuring onderworpen.

2. Gestorven en in nood gedoode slachtdieren zijn aan de keuring na het
slactten onderworpen.

-ocr page 546-

3. Doodgeboren dieren; ongeboren vruchten; gestorven eenhoevige dieren
en runderen, welke jonger zijn dan zeven dagen; en gestorven schapen, geiten
en varkens, welke jonger zijn dan dertig dagen, worden vernietigd, tenzij het vleesch
overeenkomstig de voorschriften, vastgesteld krachtens artikel 18, voor voedsel
voor mensch en dier onbruikbaar wordt gemaakt.

artikel 5.

1. Een slachtdier wordt geslacht en na het slachten gekeurd in de gemeente,
waar het vóór het slachten gekeurd is.

2. Gestorven en in nood gedoode slachtdieren worden gekeurd in de gemeente,
waar zij gestorven of in nood gedood zijn, tenzij zij ter keuring en verdere slach-
ting overeenkomstig de voorschriften van de plaatselijke verordening worden
vervoerd naar het slachthuis van eene naburige gemeente.

artikel 6.

Hij, die een slachtdier wil slachten of doen slachten, geeft daarvan vooraf
kennis overeenkomstig de voorschriften, vastgesteld krachtens de artikelen 18
en 21.

artikel 7.

De eigenaar, houder of hoeder van een slachtdier, dat gestorven of in nood
gedood is, geeft daarvan kennis overeenkomstig de voorschriften, vastgesteld
krachtens de artikelen 18 en 21.

artikel 8.

1. Indien vleesch, gekeurd volgens de bepalingen van deze wet of van de
„wet op de uitvoerkeuring van vleesch 1907 (
Staatsblad n°. 217)" in eene andere
gemeente wordt ingevoerd, kan het in die gemeente uitsluitend onderworpen
worden aan een onderzoek, of sedert de keuring in de gemeente van uitvoer
veranderingen zijn opgetreden, waardoor het voorwaardelijk goedgekeurd of
afgekeurd moet worden.

2. Voor de keuring, bedoeld in het eerste lid, mogen rechten slechts geheven
worden tot zoodanige bedragen, dat het ingevoerde vleesch niet hooger worde
belast dan vleesch van, in dezelfde gemeente geslachte, dieren, tenzij door Ons,
behoudens het bepaalde in artikel 254 der Gemeentewet, eene hoogere heffing
wordt goedgekeurd.

artikel 9.

Vleesch, dat gekeurd is volgens de bepalingen van deze wet of van de „wet
op de uitvoerkeuring van vleesch 1907
(Staatsblad n°. 217)" kan bij eene hoe-
veelheid van ten hoogste vijf kilogram in eene andere gemeente zonder onderzoek
of keuring worden ingevoerd, inelien de persoon, voor wien het bestemd is, en
de, met hem samenwonende, personen niet werkzaam zijn in het slagersbedrijf,
in het bedrijf der verduurzaming of bereiding van vleesch of in den handel n
vleesch of vleeschwaren.

artikel 10.

i. Indien in eene gemeente de voorschriften van deze wet of te harer ui-
voering gegeven onvoldoende worden nageleefd, kan door Ons het vervoer van

-ocr page 547-

vleesch en vleeschwaren uit die gemeente verboden worden. Ons besluit wordt
met redenen omkleed en in de
Nedcrlandschc Staatscourant geplaatst.

2. Het verbod treft niet het vervoer van vleesch, bedoeld in artikel 9, en het
vervoer van vleesch, dat krachtens de „Wet op de uitvoerkeuring van vleesch
1007
(Staatsblad n°. 217)" tot uitvoer naar het buitenland wordt toegelaten of
is goedgekeurd en als zoodanig gemerkt.

3. Het verbod wordt ingetrokken, zoodra de goede naleving van bovenbe-
doelde voorschriften verzekerd is.

artikel ii.

1. Bij de keuring vóór het slachten wordt, schriftelijk, vergunning of voor-
waardelijke vergunning tot slachten gegeven.

2. De vergunning vervalt, indien het dier niet geslacht is binnen tweemaal
vier en twintig uren na den dag, waarop de keuring plaats vond. Deze termijn
kan tweemaal telkens met ten hoogste tweemaal vier en twintig uren verlengd
worden.

artikel 12.

Bij de keuring na het slachten wordt het vleesch goedgekeurd, voorwaardelijk
goedgekeurd of afgekeurd.

artikel 13.

1. De eigenaar, houder of hoeder van een slachtdier kan in geval van voor-
waardelijke vergunning tot slachten, en de eigenaar van het geslachte dier kan
in geval van voorwaardelijke goedkeuring of van afkeuring van het vleesch, her-
keuring vorderen op kosten van ongelijk.

2. Met betrekking tot de herkeuring geldt hetgeen in de artikelen 11 en 12
is bepaald met betrekking tot de keuring.

artikel 14.

1. Indien bij de keuring het vleesch voorwaardelijk is goedgekeurd niet
binnen den, bij de goedkeuring gestelden, termijn aan de voorwaarden is voldaan
en herkeuring niet is gevorderd, wordt het vleesch onbruikbaar gemaakt voor
voedsel voor mensch en dier.

2. Indien bij de herkeuring het vleesch voorwaardelijk is goedgekeurd, en
niet binnen den daarbij gestelden termijn aan de voorwaarden is voldaan, wordt
het vleesch onbruikbaar gemaakt voor voedsel voor mensch en dier.

artikel 15.

Indien bij de keuring het vleesch is afgekeurd en herkeuring niet is gevorderd,
of indien bij de herkeuring het vleesch wordt afgekeurd, wordt het onbruikbaar
gemaakt voor voedsel voor mensch en dier.

artikel 16.

1. Bij de keuring of de herkeuring vóór het slachten wordt het slachtdier en
bij de keuring of de herkeuring na het slachten wordt het vleesch voorzien van
één of meer merken.

2. Indien bij invoer in eene andere gemeente het vleesch wordt goedgekeurd,
wordt het voorzien van één of meer merken.

-ocr page 548-

artikel 17.

1. Indien een der, bij de artikelen 35 of 39 strafbaar gestelde feiten is op-
gespoord, wordt het vleesch, waarmede dat feit is gepleegd, in beslag genomen
en, op kosten van den overtreder, voor zooveel mogelijk, gekeurd of herkeurd.

2. Indien het vleesch wordt goedgekeurd of voorwaardelijk goedgekeurd,
wordt het, met goedkeuring van den betrokken ambtenaar van het openbaar
ministerie, aan den belanghebbende teruggegeven, nadat deze de kosten der keu-
ring zal hebben voldaan.

3. Indien het vleesch wordt afgekeurd, of indien in geval van voorwaardelijke
goedkeuring, niet binnen den, bij de keuring gestelden termijn aan de voor-
waarden is voldaan, wordt het vleesch, in het laatste geval, na andermaal in be
slag te zijn genomen, evenwel tijdens den loop der strafzaak niet dan na ver-
kregen goedkeuring van den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie,
onbruikbaar gemaakt voor voedsel voor mensch en dier.

4. Indien een der, bij de artikelen 36, 37 of 40 strafbaar gestelde feiten, is
opgespoord, worden het vleesch of de vleeschwaren, waarmede het feit is gepleegd,
in beslag genomen en onbruikbaar gemaakt voor voedsel voor mensch en dier.
welke onbruikbaarmaking evenwel tijdens den loop der procedure niet kan ge-
schieden dan na verkregen goedkeuring van den betrokken ambtenaar van het
openbaar ministerie.

artikel 18.

1. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald:

«. de vorm voor de kennisgeving, bedoeld in de artikelen 6 en 7;

h. wat bij de keuring onderzocht moet worden;

c. in welke gevallen moet worden afgekeurd of voorwaardelijk goedgekeurd;

d. in welken toestand een geslacht dier moet verkeeren, totdat met de keu-
ring wordt begonnen;

e. de modellen voor de vergunning en de voorwaardelijke vergunning tot
slachten, bedoeld in artikel 11;

/. op welke wijze voorwaardelijk goedgekeurd vleesch btuikbaar mag worden
gemaakt voor voedsel;

g. op welke wijze slachtdieren en vleesch bij de keuring en de herkeuring
worden gemerkt;

h. de termijn, binnen welken herkeuring van vleesch gevraagd moet worden:

i. op welke wijze vleesch en vleeschwaren voor voedsel voor mensch en dier
onbruikbaar moeten worden gemaakt;

k. aan welke voorwaarden bij het vervoer van vleesch van de eene gemeente
naar de andere, uitgezonderd het vervoer, bedoeld in art. 9, moet worden vol-
daan.

2. Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden ge-
geven met betrekking tot de wijzen, waarop slachtdieren mogen worden geslacht.

artikel 19.

Bij algemeenen maatregel van bestuur worden ter wering van, voor de volks-
gezondheid schadelijke, producten eischen gesteld, waaraan slachterijen, vleesch-
winkels, bewaarplaatsen van vleesch, vleeschwarenfabrieken, vilderijen, penserijen,

-ocr page 549-

— 5i3 —

drogerijen, rookerijen, zouterijen, van dierlijke stoffen, vetsnielterijen en inrich-
tingen, bestemd tot bewaring of verwerking van bloed of dierlijken afval, moeten
voldoen.

Van den keuringsdienst.

artikel 20.

1. De gemeenteraad regelt den keuringsdienst bij verordening.

2. De kosten van den keuringsdienst worden, voor zoover zij niet door de
heffing van een keurloon worden bestreden, gedragen door de gemeente.

artikel 21.

1. De verordening op den keuringsdienst bevat, behalve andere bepalingen,
die de raad te dien aanzien wil maken, voorschriften met betrekking tot:

a de plaats voor de kennisgeving, bedoeld in de artikelen 6 en 7;

b. de plaats voor de keuring vóór en na het slachten en voor de keuring, be-
doeld in artikel 8, eerste lid;

c. den termijn, binnen welken de kennisgeving, bedoeld in artikel 7, en den
termijn, binnen welken na de kennisgeving, bedoeld in de artikelen 6 en 7, de keu-
ring moet geschieden;

d. de ambtenaren, die met de keuring en de ambtenaren, die met de her-
keuring belast zijn;

e. voorwaarden, waaraan moet worden voldaan bij den, in artikel 9 bedoelden,
invoer van vleesch uit eene andere gemeente, voor zoover die invoer niet geschiedt
door middel van een openbaren dienst.

2. De gemeenteraad stelt voor de, onder d van het vorige lid bedoelde, amb-
tenaren eene instructie vast, waarbij mede worden geregeld hunne benoeming,
hunne schorsing, hun ontslag en hunne bezoldiging.

artikel 22.

1. De besluiten tot vaststelling, aanvulling, wijziging of intrekking van de ver-
ordening op den keuringsdienst en van de instructie voor de, met de keuring en de
herkeuring belaste, ambtenaren zijn onderworpen aan de goedkeuring van Gede-
puteerde Staten. De artikelen 196 en 197 der Gemeentewet zijn van toepassing
met dien verstande dat de daar genoemde termijn wordt gesteld op twee maanden.

2. Alvorens te beslissen winnen Gedeputeerde Staten het advies in van den
inspecteur, belast met het toezicht op de naleving van deze wet. Zij zenden den
inspecteur afschrift van hun besluit.

3. Het besluit van Gedeputeerde Staten, waarbij de goedkeuring wordt ge-
weigerd, wordt met redenen omkleed.

4. De gemeenteraad en de inspecteur kunnen van het besluit van Gedeputeerde
Staten binnen dertig dagen na ontvangst van het afschrift van het besluit bij Ons
in beroep komen. Artikel 201 der Gemeentewet is van toepassing.

5. Wordt, buiten het geval van voorziening, bedoeld in het vierde lid, het be-
sluit van Gedeputeerde Staten door Ons vernietigd, dan hebben deze opnieuw
uitspraak te doen met inachtneming van Onze beslissing.

6. De artikelen 166 en 169—173 der Provinciale Wet en de artikelen 166,168,
172 en 174- 177 der Gemeentewet zijn van toepassing, met dien verstande, dat de

-ocr page 550-

afkondiging geschiedt binnen veertien dagen na de dagteekening van het besluit,
waarbij de goedkeuring is verleend, en dat het formulier van afkondiging bij alge-
meenen maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

artikel 23.

Indien de goedkeuring is geweigerd, neemt de gemeenteraad, met inachtneming
van de uitspraak van Gedeputeerde Staten of, ingeval van beroep, van Ons een
nieuw besluit binnen drie maanden na de dagteekening van het besluit van Gedepu-
teerde Staten of van Ons.

artikel 24.

Onder voorwaarden, bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen, kunnen
uit \'s Rijks kas aan gemeenten, afzonderlijk of gezamenlijk:

a. rentedragende voorschotten worden verstrekt voor de oprichting van open-
bare slachthuizen,

b. bijdragen worden verleend in de voor rekening der gemeenten blijvende
kosten van de keuringsdiensten.

artikel 25.

Met de keuring en de herkeuring van slachtdieren en van vleesch worden alleen
belast personen, die in het bezit zijn van het diploma van veearts, bedoeld in artikel
13 van de wet van 8 Juli 1874
(Staatsblad n°. 99); met de keuring, onder toezicht
en verantwoordelijkheid van deze personen, kunnen in de, bij algemeenen maat-
regel van bestuur aan te wijzen gevallen, mede worden belast personen, die volgens
regels, bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen, bevoegd zijn als hulp-
keurmeester van vee en vleesch op te treden.

artikel 26.

i Een gemeenteraad kan verbieden het oprichten, hebben of gebruiken van
slachterijen, vilderijen, penserijen, drogerijen, rookerijen, zouterijen van dierlijke
stoffen, vetsmelterijen en inrichtingen, bestemd tot bewaring of verwerking van
bloed of dierlijken afval, indien de ingezetenen van die gemeente krachtens eene
regeling het bedrijf kunnen uitoefenen in een slachthuis in eene naburige gemeente.

2. Het bepaalde in de artikelen 22 en 23 is op de verordening en op de regeling,
bedoeld in het eerste lid, van toepassing.

Van den invoer van vleesch en vleeschwaren.

artikel 27.

1. Invoer van vleesch heeft plaats langs de, door Onzen Minister van Binnen-
landsche Zaken in overleg met Onzen Minister van Financiën aan te wijzen, eerste
kantoren, waar het op kosten van den invoeder door een, door Ons aan te wijzen,
ambtenaar wordt gekeurd.

2. Het eerste lid is in de, bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen
gevallen niet van toepassing op kleine hoeveelheden vleesch, bestemd uitsluitend
voor huishoudelijk gebruik van, aan de grenzen wonende, personen.

3. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken kan den invoer toestaan var
vleesch, dat zich bevindt in of op een middel van vervoer en bestemd is uitsluitend
voor het persoonlijk gebruik van hen, die daarin of daarop verblijven.

-ocr page 551-

artikel 28.

Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald, onder welke voorwaarden
de invoer van vleesch geoorloofd is.

artikel 29.

1. Ingevoerd vleesch wordt goedgekeurd of afgekeurd en als zoodanig ge-
merkt.

2. Afgekeurd vleesch wordt volgens, door Ons te geven, voorschriften door de
zorg van den ambtenaar, bedoeld in artikel 27, eerste lid, onbruikbaar gemaakt voor
voedsel voor mensch en dier, tenzij het binnen tweemaal vier en twintig uren door
de belanghebbenden wordt uitgevoerd nr.ar het land van herkomst.

3. Onbruikbaarmaking voor voedsel voor mensch en dier geschiedt onverwijld,
indien het vleesch dreigt in ontbinding over te gaan.

artikel 30.

1. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald:

a. welke vleeschwaren ingevoerd mogen worden;

ti. onder welke voorwaarden de invoer van die vleeschwaren geoorloofd is.

2. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken kan den invoer toestaan van
vleeschwaren, die niet in den algemeenen maatregel van bestuur zijn genoemd,
indien zij zich bevinden in of op middelen van vervoer en bestemd zijn uitsluitend
voor het persoonlijk gebruik van hen, die daarin of daarop verblijven.

Van het toezicht.

artikel 3i.

Onder de bevelen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken wordt het
toezicht op de naleving van deze wet opgedragen aan een hoofdinspecteur en aan
inspecteurs, die door Ons worden benoemd, geschorst en ontslagen, en wier werk-
kring en bevoegdheden bij algemeenen maatregel van bestuur worden geregeld.

artikel 32.

Burgemeester en wethouders geven aan den bevoegden ambtenaar alle ver-
langde inlichtingen betreffende de naleving van deze wet en van de, te harer uit-
voering gegeven, voorschriften. De hoofden en bestuurders van bedrijven en onder-
nemingen, op welke voorschriften van deze wet of te harer uitvoering gegeven
van toepassing zijn, geven aan den bevoegden ambtenaar de verlangde inlichtingen
omtrent zaken en feiten, de naleving van die voorschriften betreffende.

Strafbepalingen.

artikel 33.

Hij die de kennisgeving, voorgeschreven in de artikelen 6 en 7, niet of niet over-
eenkomstig de daar bedoelde voorschriften doet, wordt gestraft met hechtenis van
ten hoogste acht dagen of geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

artikel 34.

i. Hij die een aan keuring onderworpen slachtdier zonder vergunning slacht,
of bij het slachten handelt in strijd met voorwaarden, waaronder de vergunning

-ocr page 552-

tot slachten is verleend, of met de, krachtens artikel 18, tweede lid, vastgestelde,
voorschriften met betrekking tot de wijzen, waarop slachtdieren mogen worden
geslacht, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete
van ten hoogste driehonderd gulden.

2. Hij die een geslacht dier, dat niet verkeert in den toestand, beschreven
krachtens artikel 18, eerste lid, letter d, ter keuring aanbiedt, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd
gulden.

artikel 35.

1. Hij die vleesch, dat aan keuring is onderworpen, doch niet van het voor-
geschreven merk is voorzien, of vleesch, dat niet overeenkomstig deze wet of de, te
harer uitvoering gegeven voorschriften is gekeurd, verkoopt, te koop aanbiedt,
vervoert, doet vervoeren, aflevert, ten geschenke geeft, tot vervoer of aflevering
voorhanden heeft, of, tenzij in afwachting van de keuring, in voorraad heeft, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste
driehonderd gulden.

2. Hij die in strijd met een verbod, uitgevaardigd krachtens artikel 10, uiteene
gemeente vleesch of vleeschwaren vervoert of doet vervoeren, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd
gulden.

3. Hij die, behoudens het bepaalde in artikel g, vleesch van de eene gemeente
naar de andere vervoert zonder dat aan de voorwaarden, vastgesteld krachtens
artikel 18, eerste lid, letter k, wordt voldaan, wordt gestraft met geldboete van ten
hoogste honderd gulden.

artikel 36.

Hij die vleesch invoert in strijd met het bepaalde in artikel 27, of in strijd met de
bepalingen van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 28, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste
driehonderd gulden.

artikel 37.

Hij die wederrechtelijk of zonder inachtneming der, te dien aanzien, gegeven
voorschriften vleeschwaren invoert, of, wetende, dat zij aldus zijn ingevoerd,
vleeschwaren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten geschenke geeft, tot ver-
voer of aflevering voorhanden heeft, in voorraad heeft, vervoert of doet vervoeren,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden.

artikel 38.

Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of eene onderneming van verduur-
zamen en toebereiden van vleesch of van bereiden van vleeschwaren, waarin een
der voorschriften van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2,
tweede lid, wordt overtreden, of het hoofd of de bestuurder van eene inrichting, als
bedoeld in art. 19, welke niet voldoet aan de eischen, gesteld bij den algemeenen
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste dertig dagen cf geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

-ocr page 553-

artikel 39.

Hij die vleesch wederrechtelijk onttrekt aan keuring of herkeuring, of aan bruik-
baarmaking of onbruikbaarmaking voor voedsel voor mensch en dier, wordt ge-
straft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten hoogste
driehonderd gulden.

artikel 40.

Hij die vleesch, dat afgekeurd is, of onbruikbaar gemankt is voor voedsel voor
mensch en dier, of dat bedorven of op andere wijze ondeugdelijk geworden is, of
vleeschwaren, die bereid zijn in strijd met de voorschriften van den algemeenen
maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, of die bedorven of op andere
wijze ondeugdelijk geworden zijn, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten ge-
schenke geeft, tot vervoer of aflevering voorhanden heeft, in voorraad heeft, of,
tenzij ter naleving van eenig wettelijk voorschrift, vervoert of doet vervoeren,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dertig dagen of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden.

artikel 41.

Het maximum van de straffen, bij de artikelen 33 -40 bepaald, wordt verdubbeld,
indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert
eene veroordeeling van den overtreder wegens een der, in die artikelen strafbaar
gestelde, feiten onherroepelijk is geworden of de, bij die veroordeeling opgelegde
geldboete is betaald.

artikel 42

1. Bij eene eerste veroordeeling wegens een der, in de artikelen 34, 35, 3-, 39
of 40 strafbaar gestelde feiten, kan de rechter de openbaarmaking van zijne uit-
spraak gelasten.

2. Indien de overtreder binnen vijf jaren, nadat de eerste veroordeeling onher-
roepelijk is geworden of de opgelegde boete is betaald, andermaal wegens een die
feiten wordt veroordeeld, gelast de rechter de openbaarmaking van zijne uit-
spraak.

artikel 43.

I)e, bij deze wet strafbaar gestelde feiten, worden beschouwd als overtredingen.

artikel 44.

Met het opsporen van de, in deze wet en in de, bij deze wet bedoelde, plaatselijke
verordeningen strafbaar gestelde, feiten zijn behalve de ambtenaren, aangewezen
bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering, belast de marechaussee, de
ambtenaren van de Rijks- en gemeentepolitie, de ambtenaren, belast met de
keuring van slachtdieren, en de ambtenaren, ingevolge artikel 31, belast met het
toezicht op de naleving van deze wet.

artikel 45.

1. De personen, bedoeld in artikel 44, zijn bevoegd binnen den kring, waarin
zij werkzaam zijn, erven, weiden, diergaarden, stallen, middelen van vervoer,
slachterijen, vleeschwinkels, bewaarplaatsen van vleesch, vleeschwarenfabrieken,
vilderen, penserijen, drogerijen, rookerijen, zouterijen van dierlijke stoffen, vet-
smelterijen en inrichting, bestemd tot bewaring en verwerking van bloed of dier-

-ocr page 554-

lijken afval, en voorts alle lokalen of plaatsen, waar een der, in artikel 44 bedoelde,
strafbare feiten plaats vindt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat
zoodanig feit plaats vindt, binnen te treden. Wordt hun de toegang geweigerd dan
verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm.

2. In plaatsen, in het eerste lid bedoeld, die tevens woningen zijn of alleen
door eene woning toegankelijk zijn treden zij tegen den wil van den bewoner niet
binnen dan op vertoon van een schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester
of den kantonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen procesverbaal opge-
maakt, dat binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengene, in wiens woning is
binnengetreden, in afschrift wordt medegedeeld.

Overgangs- en slotbepalingen.

artikel 46.

Door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken kan ten aanzien van eene ge-
meente voor ten hoogste vijf jaren na het in werking treden van deze wet ontheffing*
worden verleend van de keuring vóór het slachten van schapen, geiten en varkens,
onder voorwaarde, dat vleesch van die dieren niet uit die gemeente wordt uitgevoerd.
Van deze voorwaarde is uitgezonderd het vervoer, bedoeld in artikel 10, tweede lid.

artikel 47.

Inrichtingen, bedoeld in artikel 19, welke op 1 Januari 1913 bestonden, zijn ge-
durende vijf jaren na het in werking treden van den, in dat artikel bedoelden, al-
gemeenen maatregel van bestuur vrijgesteld van de daarin te stellen eischen. Het
bepaalde in artikel 38 is, voor zocveel die eischen betreft, op de houders van die
inrichtingen gedurende dien termijn niet van toepassing.

artikel 48.

1. De verordeningen op den keuringsdienst worden in gemeenten, waar zij nog
niet bestaan, vastgesteld binnen een, door Ons te bepalen, termijn.

2. Voorschriften van plaatselijke verordeningen, regelende het onderwerp,
waarin deze wet voorziet, worden binnen een, door Ons te bepalen, termijn in over-
eenstemming gebracht met de bepalingen van deze wet.

artikel 49.

Alle stukken, uit deze wet voortvloeiende, zijn vrij van rechten en kosten en van
de formaliteit van registratie.

artikel 50.

Deze wet is niet van toepassing op dieren, welke voor wetenschappelijk onder-
zoek zijn bestemd en, onder nader bij algemeenen maatregel van bestuur te bepalen
voorwaarden, op vleesch, dat bestemd is voor uitvoer naar het buitenland of dat
goedgekeurd is krachtens de „wet op de uitvoerkeuring van vleesch 1907 (
Staats-
blad
n°. 217)."

artikel 51.

Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van „Vleeschkeuringswet."

artikel 52.

Deze wet treedt in werking op een, nader door Ons te bepalen, dag.

-ocr page 555-

Voor, met name aan te wijzen, artikelen kan in de werkingtreding vroeger wor-
den bepaald dan voor het overige gedeelte der wet.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle
Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aan-
gaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel

Personalia. Bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken,
van 23 April 1914, n°. 5987, afdeeling Onderwijs, voor het tijdvak van
i Mei tot en met 31 December 1914, benoemd tot assistent aan de Rijks-
universiteit te Leiden voor de vergelijkende pathologie, dr. J. Roos, thans
assistent buiten bezwaar van \'s Rijks schatkist, aldaar.

-ocr page 556-

STAAT van de gevallen van besmettelijke veeziekten, in Nederland geconstateerd ges
durende de maand Maart 1914.

Opgemaakt door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.
(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal eigenaren aan onder wier vee de ziekte werd
geconstateerd).

Provincie.

Veepest.

Longziekte.

Monds en klauwzeer

Kwade droes en
huidworm.

Schurft bij paard
en schaap.

Schaapspokken.

Rotkreupel.

Vlekziekte.

Trichinenziekte.

Miltvuur.

Hondss

dolheid.

Ja-* " <u
—■c ïf
2 " —

Friesland ....

1(1)

1(1)

6(6)

6(6)

Groningen ..

1(0

1(1)

Drenthe......

1(0

611)

3(3)

M)

Overijsel ....

1(1)

8(6)

Gelderland ..

6(2)

8(3)

7(7)

Utrecht.....

(1)\')

-

1(1)

NoordsHolland

-

(l)1)

88(ll

12(3)

5(5)

ZuidsHolland

10(2)

26(10)

ll(H)

_

_

_

_

_

NoordsBrabant

-

5(5)

Limburg......

-

17(16)

Het Rijk ....

(2)\')

1(1)

111(7..

17(8)

41(20)

62(59)

\') Het zieke en verdachte vee is geslacht.

Vroeger geconstateerde ziektegevallen, welke begin Maart 1914 nog niet geëindigd waren.

Zuidholland ..

4 (2)

_ ; _

Noordholland

26 (4)

301 (32)

— —

-

Friesland ...

68 ( 4)

— _

Drenthe......

11 ( 9)

HET RIJK ..

—\'\'

-

30 (6)

380 (45)

— —

Schornagel.

-ocr page 557-

Referaten.

Ueber den Ablauf der .Magenverdauung des normal gefütterten und getränkten
Pferdes.

Scheunert en Schattke deden zeer interessante proeven omtrent bovenstaand
onderwerp:

Hnnne conclusies komen op het volgende neer: de maag van een normaal en op de
gewone tijden gevoederd paard is nooit leeg, maar bevat altijd resten van een of soms
meer vorige maaltijden. De hoeveelheid van de vorige maaltijden achtergebleven, is
dikwijls zeer groot. De bij de verschillende maaltijden geslikte hoeveelheden liggen
laagsgewijs op elkaar. Het totaal gewicht der maaginhoud bedraagt doorloopend
gewoonlijk minstens 9 K.G. In de maag heeft doorloopend vertering van eiwitten
en koolhydraten plaats; het % gehalte aan verteringsprodukten is steeds ongeveer
hetzelfde. De wateropname heeft geen waarneembaren invloed op de vertering en
werkt niet storend. Het opgenomen drinkwater verlaat voor het grootste gedeelte
zeer spoedig weer de maag, gaat uit de slokdarm, langs maagwand en maaginhoud
naar de pvlorus, het omspoelt de maaginhoud en dringt er meer of minder dii p in
door, het diepst bij geringe (voedsel) vulling. Het water passeert dus voor het groot-
ste gedeelte de maag. Het is van geen belang of men voor of na het eten laat drinken
en hoeveel water wordt opgenomen; men kan dat dus aan de dieren zelf overlaten.
Opgeloste geneesmiddelen gaan natuurlijk met het water, voor \'t grootste deel in
den darm. Het opgenomen water dringt voorzoover het niet reeds te voren geresor-
beerd is, na ongeveer een uur tot in den blinden darm door.

Zeitseh, f-, Tiermedizin 1913. 177. Vrijburg.

Behandeling van Koliek.

Forssell schrijft in het Zeitsch. f. Tiermedizin 1913. 13. 1. over maagkoliek bij
paarden, tengevolge van vertraagde afvoer naar den darm en daardoor gisting van
de inhoud en maagve-rwijding, die maagbersting (van de achter (rechter ) maagwand)
kan tengevolge hebben. Overvoedering behoeft niet altijd oorzaak te zijn, dikwijls
is het grondlijden eem chroniese maagaandoening, (die door slecht gebit kan zijn
veroorzaakt). De diagnose kan dikwijls slechts door rectaal onderzoek gesteld wor-
den; men voelt de milt naar achteren verplaatst.

Wat de behandeling betreft, is invoeren van slokdarmcatheter en aftappen van
gas en vloeibare inhoud van belang. F. vond echter meer baat bij behandeling met
melkzuur 1.2 gram 75 % melkzuurop 1/2L. water, dat bij voorkeur met het Gold-
beck\'se apparaat (gebogen metaalbuis net op \'t eind een caoutehouc ballon) wordt
ingegeven. Meestal is één gift voldoende, desnoods na 1/2^3Ji "ur een 2e dosis. Het
middel moet zoo spoedig mogelijk worden toegediend, en daar het in geen geval
schaadt, ook in die gevallen waar alleen de
waarschijnlijkheidsdiagnose maagkoliek
luidt. Na de behandeling laat men het dier een dag vasten.

Bij de behandeling van koliek veroorzaakt door verstopping van het colon bij paar-
den
waarschuwt Merillat in de Amer. vet. review 1913. XLIV. 2, tegen middelen
als eserine en arecoline die meer kwaad dan goed doen. Een eerste vereiste is de

-ocr page 558-

enorme uitgedroogde voedselmassa in het colon te verweeken en dit kan het best
geschieden door toediening van een groote hoeveelheid warm water zoowel door de
maag (met maagcatheter) als per anum. Na de aanwezige faeces in het achterste deel
der dikke darm door clysma te hebben verwijderd, brengt M. een caoutchoucslang
zoover mogelijk in den darm en vult het rectum met natte proppen, die hij bij persen
van het dier met de hand tegen den anus, tegen houdt, teneinde het weer uitwerpen
van het water te beletten. Langzaam en gedurende geruimen tijd wordt water in-
gebracht, telkens ophoudende wanneer het dier perst. Op deze manier dringt het
water tamelijk diep in den darm. Na afloop kunnen andere middelen worden
aangewend bv. aloè en lijnolie.

Parker raadt in de Amer. vet. review. 1913. XLIII 3. p. 328, aan bij elk koliek-
geval opium te geven; het neemt kramp-irritatie en pijn weg, hetgeen in \'t begin hoofd-
zaak is.
Dikwijls wordt te kleine dosis gegeven. P. geeft een paard 110 gram lau-
danum ineens, en ieder uur weer 55 gram, tot de verschijnselen over zijn. (In het
Recueil de méd. vét. schreef enkele jaren geleden
Dassonville een interessant
artikel over koliek, en beval ook opium aan in groote dosis. — Ref. meent ook dat
bij koliek een symptomatiese behandeling (tegen de pijn) een eerste vereiste is,
en geeft steeds een groote dosis opium of extr. hyoscyami. Daarna kan zoo noodig
en zoo mogelijk, een causaalbehandeling worden ingesteld.

In enkele gevallen, bv. bij vergiftiging, kan het aangewezen zijn daarmee direct
te beginnen. Waarschijnlijk is het dikwijls mogelijk, door een vroege behandeling
niet narcotica, secundaire storingen, als darmdislocaties, te voorkomen.

Vrijburg.

Du diagnostic de quelques gastropathies ehroniques du cheval par l\'hypersialie.

Pécus maakt bij chroniese gastritis van het paard attent op de verhoogde speeksel-
afscheiding
van dergelijke dieren. Verdere verschijnselen bij deze chroniese maag-
lijders kunnen zijn: magerheid, nu en dan koliek, grillige eetlust.

De verhoogde speekselafscheiding uit zich van tijd tot tijd — soms \'s morgens
vóór het eten, soms direct na het eten of later. Het dier gaat dan kauwbewegingen
maken, slikt speeksel door en likt met de tong aan zijn voerbak of aan andere voor-
werpen. P. raadt een behandeling aan als door
Hayem bij den mens toegepast, en
die eigenlijk neerkomt op een soort
Karlsbader kuur.

Gedurende enkele weken \'s morgens een sterk verdunde oplossing van chloor-
natrium en sulphas sodae soms met toevoeging van bicarbonas sodae.

Recueil. de méd. vét. 1913 XC 2. p. 45. Vrijburg.

Moven pratique pour administrer de force les liquides médicimenteux.

Combaret, een frans veearts geeft een eenvoudige praktiese manier aan om aan
paarden dranken in te geven. Het hoofd van het dier wordt op de gewone wijze
hoog gehouden (\'t best door het op te trekken aan twee touwen, aan weerzijden aan
het stalhalster bevestigd.) De ingever plaatst zich op een verhevenheid en giet een
gedeelte van de drank in de mond (boven de tong.) Direct daarop giet hij of een
helper in een der neusgaten een kleine hoeveelheid zuiver en iets lauwwarm water
(hoogstens een paar eetlepels vol). Door de prikkel van het water, wordt reflectories

-ocr page 559-

een slikbeweging opgewekt, zoodra men dat merkt, houdt men op met water in den
neus te gieten. Men herhaalt deze handelwijze tot de heele drank opgedronken is.
Bij eenige oefening gaat het zeer vlug en verliest men geen druppel. (Deze methode is
wel te onderscheiden van het ruwe en gevaarlijke en afkeurenswaardige ingeven
van medicijnen door de neusgaten.)

Recueil de méd. vét. 10 dec. 1911. Vrijburg.

Magen-darm-störingen bei Haut- und Schleimhauterkrankungen.

Vele dermatosen, b.v. pruritis, urticaria, erythemen, furunculose, enz. en even-
eens aandoeningen
van het mondslijmvlies, kunnen verbonden zijn met gastro-intes-
tinale anomaliën,
welke laatste dikwijls de primaire oorzaak zijn van de betreffende
ziekteprocessen. Een behandeling van de primaire aandoening is, naast een lokaal-
behandeling wenselijk, en daarop wordt volgens
Sfiethoff nog veel te weinig
de aandacht gevestigd.

Hij vond b.v. bij pruritis in 75 % der gevallen, maagstoring; evenzoo bij 58 %
der gevallen van chron. urticaria en erytheem. (soms per —, meestal sub — of in-
aciditeit.)

De wisselwerking tussen maaganomalie en dermatose is nog niet volkomen opge-
helderd, maar berust zeer zeker op
intoxicatie — hetzij door van buiten ingevoerde
giftstoffen, tenzij door toxine-vorming in het darmkanaal door abnorme inwendige
sekretie of wel door darmbacteriën.

Münch. med. Woch. 1912 59. n°. 18. Vrijburg.

Rupture of the Abomasum.

Whitehouse constateerde een geval van lebmaagruptuur bij een koe. Het or-
gaan was enorm uitgezet door voedselmassa, en op drie plaatsen gescheurd, met uit-
storting van voedsel in de buikholte.

Omasum en reticulum ook sterk met voedsel gevuld. Rumen niet erg gevuld, met
droge inhoud. Oorzaak onbekend. — W. vergat de pylorus te onderzoeken.

(Amer. vet. review. Maij 1912. XLI. 2.) Vrijburg.

Diagnose en chirurgiese behandeling van entero-lithiasis bij paarden.

In de cliniek van prof. Ghisleni kwam een paard in behandeling dat steeds na de
maaltijden gedurende korten tijd koliek-verschijnselen had. Onder aan de buik,
tussen sternum en navel was een zwelling, die bij palpeeren uit een groote harde
zware massa bleek te bestaan en in geringe mate bewegelijk was. Rectaal onderzoek
leverde niets op.

G. maakte de diagnose darm-calculus in colon of voorste gedeelte van coecum.
Hij narcotiseerde het paard met aether, bracht het in rugligging en maakte een
30c.M. lange incisie door de buikwand links van de mediaanlijn. Het was echter
niet mogelijk de steen naar buiten te brengen, en de wond werd weer gehecht en was
in 20 dagen genezen. Twee maanden later werd nog eens de operatie beproefd; de
laparotome werd nu een weinig hooger gedaan, en ook weer evenwijdig aan de linea
alba. De steen die in het voorste gedeelte van het coecum bleek te zitten werd met

-ocr page 560-

moeite buiten de wondopening gebracht — een paar ligaturen werden om het
coecum gelegd om terugglijden in de buikholte te voorkomen. De steen werd ver-
wijderd, de darmwanden gehecht, serosa tegen serosa. Het paard was in 20 dagen
hersteld en had geen koliek meer. De steen woog
8 K.G.

II moderne Zooiatro (ref. in am. vet. review. 1913. XL1II 3). Vrijburg.

Zur Behandlung der Typhusbazillenträger.

De radicale genezing van chroniese typhusbacillendragers (na genezen typhus)
door interne medicamenten, is tot nog toe niet gelukt.

Deze bacillendragers vormen een doorloopend gevaar voor hun omgeving en zijn
zelf ook steeds blootgesteld aan auto-infekties als, chole-cystitis typhosa, hard-
nekkige darmcatarrh enz. Daar in die gevallen galblaas en gal wegen voornamelijk
als broedplaatsen der typhusbacillen zijn te beschouwen, raadt
Dehler, bij derge-
lijke personen cholezystektomie aan. Hij haalt eenige voorbeelden aan, waarbij na
wegnemenig der galblaas en tijdelijke drainage naar buiten van de ductus hepaticus
de faeces der patiënten typhusbacillenvrij werd.

Münch, med. Woch. 1912. N 16. Vrijburg.

Joodtinctuur bij tuberculeuse peritonitis.

Hofmann behandelde 4 gevallen van buikvlies tuberculose (mens) door na lapa-
rotomie de zieke deelen, zoowel net Peritoneum parietale als de aangedane darm-
lussen, met 10% Joodtinctuur te bepenseelen, en daarna de operatiewond te sluiten.

Er ontwikkelt zich een chemotactische peritonitis zonder koorts. Herstel in onge-
veer 4 weken.

Münch, med. Wochenschr. 1912, 59. nG. 10. Vrijburg.

Zur rationellen Therapie der Cholera asiatica.

Emmerich schrijft over de nieuwere behandeling der cholera.
De ziekte symptomen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door het, door de
cholera
vibrionen
uit de nitraten van het in de darm aanwezige voedsel, gevormde vrije
salpeterigzuur
en nitrieten. Het organisnu reageert daarop door enorme transsudatie
yan vloeistof van het bloed in de darm, waardoor 1/3 tot 2/3 van de bloedvloeistof
verloren gaat.

Rogers behandelt de zieken met groote hoeveelheden rijstwater dat door zijn
sterk alkaliese reaktie het giftige zuur in het minder schadelijke natriumzout ver-
andert. Verder spuit hij intraveneus hypertoniese zoutoplossing in. Later gebruikte
R. met uitstekend succes inplaats van rijstwater, permanganas kalicus in o. 1—0.5
promille-oplossing dat hij ad libitum inplaats van water liet drinken.

Emmerich stelt voor liever het geheel onschadelijke kolloide Mn. 0.2 (mangaan
peroxyde) te geven, met wat zoutzuur zuur gemaakt en met water verdund.

Kan men reeds bij de allereerste verschijnselen ingrijpen dan is een nitraat-vrije
voeding reeds instaat prophylacties de cholera aanval te voorkomen. E. laat dan
bovendien de patiënt 1 pro-mille-oplossing van
amido-sulfo-zuur in kleine hoeveel-
heden drinken, dat het salpeterigzuur in vrije stikstof verandert.

Münch, med. Wcch. 1912. 59. 48—S.. 2609. Vrijburg.

-ocr page 561-
-ocr page 562- -ocr page 563-

Korte mededeelingen uit de chirurgische cliniek van
\'s Rijks veeartsenijschool,

DOOR

J. H. HARTOG.

1°. Een geval van polydactylie bij het paard.

(Met afbeeldingen.)

Den I3den September 1913 werd in de stationnaire cliniek ter
behandeling opgenomen een i^-jarige bruine merrie van gekruist
Belgisch ras. De eigenaar had verzocht een bij teen, welke aan de
mediale zijde van het rechter voorbeen aanwezig was, operatief te
verwijderen.

Door het lange behang was van den bij teen weinig te zien; al-
leen het ondereinde van het hoefje was zichtbaar. De afmetingen
er van zijn af te leiden uit de nevenstaande afbeeldingen. De over-
tollige teen bleek door middel van een vrij grooten gewrichts-
knobbel te articuleeren met het distale einde van het mediale
griffelbeen. Alleen het hoefje van den teen was geïsoleerd, het
overige, kroon- en kootbeen, was vergroeid met den hoofdteen.

Het dier was zeer boosaardig, waarom het, voor de bediening
door het stalpersoneel en de nabehandeling, door het dagelijks
toedienen van brometum natricus (60 gr. de die) in het drink-
water, kalm werd gehouden.

Voor het verrichten der operatie werd het veulen den 25sten
September in de travail-bascule gebracht en in rechter zij ligging
gehouden. Door het linker voorbeen naar voren te fixeeren was de
mediale zijde van het rechter onderbeen voor manipulaties goed
toegankelijk. Bloedledigheid werd verkregen door het spiraals-
gewijs omwinden in centrale richting van een
EsMARCH\'sehe
lis, welke werd vastgelegd onder den carpus, terwijl het operatie-
veld gevoelloos werd gemaakt door subcutane injecties van 1 %
novocaïne-oplossing. Om het teenlid gemakkelijk te kunnen ïso-
leeren, werden in de lengterichting van den teen twee gebogen
huidsneden gemaakt, welke elkander eenerzijds boven het koot-
gewrichtje, anderzijds in de plooi naast de kroon van het hoefje
ontmoetten. Met het oog op de aan te leggen hechting werd evenwel
zooveel mogelijk van de huid gespaard. Verder bestond de ope-
ratie in het opheffen der losse verbinding van het kroon- en koot-
beentje met de omgeving en opvolgende exarticulatie in het
XLI 29

-ocr page 564-

kootgewrichtje. Bij dit laatste moesten de buigpeesjes worden
doorgesneden. Deze konden nog ver naar boven, naast het griffel-
been, worden vervolgd. Om de achterblijvende difformiteit zoo
gering mogelijk te doen zijn, werd het sterk ontwikkelde distale
einde (gewrichtshoofd) van het griffelbeen in schuine richting
afgezaagd, terwijl de scherpe randen der zaagvlakte met een beitel
werden afgerond. De huidwond werd gehecht met knoophech-
tingen van zijde en bedekt met een droog antiseptisch verband.

Bij de eerste vernieuwing hiervan, den 2gsten Sept. bleek,
dat de wondsecretie nog al belangrijk was, zoodat genezing per
primam niet was verkregen en de hechtingen konden worden
verwijderd. De verdere behandeling bestond nu in het dagelijks
reinigen der wond, in massage der wondranden met ung. acidi
borici (daar deze neiging vertoonden calleus te worden), het cau-
teriseeren der granulaties met lapis infernalis en opvolgend ver-
binden met een antiseptisch droog verband.

Met nog een kleine streepvormige granuleerende wond, waarvan
verdere behandeling aan de cliniek onnoodig was, kon het dier den
27sten October naar den eigenaar terugkeeren. De achtergebleven
difformiteit was, zooals uit de afbeelding blijkt, uiterst gering-
Kreupelheid was noch vóór, noch na de operatie aanwezig.

2°. Tandcyste bij een paard.

(Met afbeeldingen.)

Den I3den September 1913 kwam aan de chirurgische cliniek
een 2-jarige donkerbruine merrie van gekruist inlandsch ras in
behandeling. Het dier had aan de basis van het rechter oor een
cyste ter grootte van een eendenei. Dicht aan den uitwendigen
benedenrand van de oorschelp was een kleine opening aanwezig,
waaruit zich bij sterk drukken een grijsachtig slijmig vocht ont-
lastte. De difformiteit, welke aan het slaapbeen bestond en het
onderzoek met de sonde waren voldoende om de aanwezigheid van
een tandmassa vast te stellen.

De operatie, welke moest bestaan in exstirpatie van de cysteuse
membraan in toto en de verwijdering van de kies geschiedde bij
het liggende dier onder aseptische cautelen en locale anaesthesie
en anaemie. Dit laatste was verkregen door inspuiting in de om-
geving van de cyste met novocaïne-adrenaline-oplossing. Nadat
een huidsnede was gemaakt door de fistelopening in de lengterich-
ting van het hoofd, kon de cyste worden los geprepareerd van de
omgeving. Om collabeeren van den gevulden zak, door afvloeien

-ocr page 565-

Tandcyste bij een paard.

-ocr page 566-
-ocr page 567-

van het vocht, te voorkomen werd de kleine opening er in met een
chirurgische lis dichtgesnoerd. Dit maakte de bewerking gemakke-
lijker.

Op de plaats, waar de cyste innig was verbonden met het on-
derliggende been werd zij afgesneden; hierna vloeide de inhoud
onmiddellijk af. Nu was zichtbaar een sterk gewelfde, onregel-
matig gevormde beenplaat, welke bij nader onderzoek op enkele
plaatsen doorboord, op andere plaatsen zoo dun bleek te zijn, dat
zij met de vingers was in te drukken. Na verwijdering van deze
plaat, hetgeen geschiedde met behulp van beitel en koorntang,
was een weeke weefselmassa zichtbaar, waarbij pulpa-strengen
waren aan te toonen, welke naar de diepte liepen. Het lag dus voor
de hand, dat het verwijderde beenplaatje den alveolus had gevormd
voor de kies, waarvan thans de wortel was blootgelegd.

Ier onderscheiding van de meest voorkomende eigenlijke tand-
cyste, waarbij de kroon van den tand in het inwendige van de
cyste is gelegen, was bij deze patiënte dus aanwezig een tand-
wortelcyste, waar het eerst de wortel wordt aangetroffen.
(Cadiot).

Een kiezentang volgens Günther werd, zoover als mogelijk was,
op den wortel aangelegd, waarmede na veel moeite een zeer groote
kies werd verwijderd. Zooals de afbeelding doet. zien, is nagenoeg
de gewone vorm aanwezig. De moeilijkheid aan deze extractie ver-
bonden, was toe te schrijven aan de aanwezigheid van nog twee
kleinere kiezen, welke op de eerste pasten en elke beweging er van
belemmerden. Deze konden nu gemakkelijk met den exporteur
worden geëxtraheerd. Eén hiervan bleek slechts een vormlooze
tandmassa te zijn, terwijl de andere zeer duidelijk de prachtige
structuur der email-plooien liet zien.

Op het slaapbeen was het negatief van de kroon der eerstver-
verwij derde kies goed te voelen; de indeukingen kwamen volkomen
overeen met de verhevenheden en omgekeerd.

Nadat de nog aanwezige beenpuntjes waren verwijderd,werd het
bovenste twee derde gedeelte der huidwond met knoophechtingen
van zijde gehecht, het onderste derde gedeelte werd ten behoeve
van drainage open gelaten. Gedurende een drietal weken na de
operatie geschiedde de nabehandeling aan de cliniek; daarna werd
zij aan den eigenaar overgelaten.

De kiezen wogen gedroogd resp. 75.501, 18.971 en 5.601 gram,
zoodat het drietal gezamenlijk het niet geringe gewicht van 99.893
gram vertegenwoordigde. De afmetingen zijn af te leiden uit
de boven de afbeelding aangebrachte maat.

-ocr page 568-

3". Selerostomum edentatum in een tumor aan den navel en een ontstoken
zaadstreng bij een veulen.

Den 8sten October 1913 werd aan de chirurgische cliniek van
\'s Rijks veeartsenijschool ter behandeling aangeboden wegens een
vermoede navel- en balzakbreuk een 1 ^-jarige ruin, schimmel,
van gekruist inlandsen ras.

Bij onderzoek bleek ter plaatse van den navel een gezwel te
bestaan ter grootte van een ganzenei. De consistentie er van deed
denken aan een week fibroom. Een breukpoort was niet aan-
wezig en repositie kon niet worden bewerkstelligd. De zwelling
werd gediagnostiseerd als een tumor, waarvan de aard eerst na
exstirpatie was vast te stellen.

In de linker scrotaalstreek bevond zich een harde peervormige
zwelling ter grootte van een vuist. Deze intumescentie zette zich
niet voort in het lieskanaal. Hier werd dus aanwezig geacht een
funiculitis zonder fistelopening.

Ten behoeve van de operatie in de schaamstreek werd het dier
den i/den October in de travail-bascule in linker zijligging gebracht;
het rechter achterbeen werd in gebogen toestand naar voren uit-
gebonden. Na behoorlijke desinfectie van het operatieveld werd
voor het verkrijgen van locale anaesthesie en anaemie een 1 % novo-
caïne-adrenaline oplossing gespoten in de omgeving van den
tumor. Ten einde de nabijheid van den hals er van te bereiken,
werd een lange canule (15 c.M.) gebruikt. Nu kon zonder reactie
van het dier rondom het castratie-litteeken een ovalair-snede
worden gemaakt, waarvan de lengte-as ongeveer 15 c.M. bedroeg.
Vervolgens werd de sterk verdikte zaadstreng van de omgeving
geïsoleerd, wat voor een groot deel stomp met de vingers, voor een
ander deel met behulp van schaar en scalpel geschiedde. Arteriëele
bloeding werd door torsie of onderbinding tot stilstand gebracht.

Het beloop van de operatie leerde mij tevens te doen te hebben
met een hernia scrotalis epiploica; in den steel-van den tumor
onder de uitwendige liesring was bij palpatie de aanwezigheid van
net in de vaginaalscheede vast te stellen. Dit was een complicatie,
welke mij verhinderde de funiculitis op de gewone eenvoudige
wijze, met behulp van den emasculateur, te verwijderen. De breuk-
zak met inhoud werd nu eenige malen rondgedraaid en zoo hoog
mogelijk een houten klem geappliceerd.

Vervolgens werd overgegaan tot exstirpatie van den tumor in
de navelstreek. Na de noodige voorbereidingen, als scheren, desin-
fecteeren en plaatselijk anaestheseeren, werd in de mediaanlijn

-ocr page 569-

een huidsnede gemaakt ter grootte van het gezwel. Daarna
werd het gezwel vrij geprepareerd tot aan de onduidelijk
gesteelde basis. Het leek alsof de tumor uit de buikholte sproot.
Hoewel een eigenlijke breukpoort niet aanwezig was, bleek de
navelopening toch niet normaal afgesloten te zijn, maar opgevuld
met week weefsel, dat gemakkelijk indrukbaar was. Vermoed werd,
dat er een communicatie, hoe klein ook, moest bestaan van de
peritoneaal-holte met een mogelijk aanwezige ruimte in den tu-
mor. Veiligheidshalve werd daarom het gezwel met een elastische
ligatuur afgebonden. De tumor, ontdaan van de dikke huid, was
van buitengewoon weeke consistentie; hij gaf geheel den indruk
van een met vocht gevulden zak. Evenwel kwam bij herhaald
pungeeren geen vloeistof te voorschijn. Eenige centimeters be-
neden de ligatuur werd het gezwel afgesneden en nader onderzocht.
Bij insnijden bleek het te zijn structuurloos, gelatineus weefsel
(vandaar de fluctuatie) van vuilbruine kleur, terwijl hierin verspreid
werd aangetroffen een zes-tal strongyliden, waarvan de soort
als
sclerostomum edentatum werd vastgesteld.

Het ligt dus voor de hand, dat de woekering een product was
van de invasie dezer strongyliden, afkomstig, hetzij uit de peri-
toneaal-holte, hetzij van buiten het peritoneum, namelijk uit de
ruimte tusschen peritoneum en musculatuur.

Zes dagen na de operatie werd de ligatuur en het necrotische
weefselfragment afgestooten. De achterblijvende granuleerende
wond met nog eenigszins verdikte randen genas vrij spoedig onder
een antiseptische emolliëerende behandeling.

Drie dagen na de operatie werd de verdikte zaadstreng eenige
centimeters beneden de houten klem afgesneden en nader onder-
zocht. Ook hierin vond ik tot mijn verrassing vijf, voor een deel
nog levende, strongyliden; deze waren opgesloten in een weeke
weefselmassa. Ongetwijfeld is dus ook deze chronische funicu-
litis met weefseldegeneratie door de strongyliden veroorzaakt.

Den 27sten October, dus 10 dagen na de operatie,viel de houten
klem af en de wond welke achterbleef, was den ioden November
zoover genezen, dat het dier naar den eigenaar kon worden terug-
gezonden.

Utrecht, December 1913.

-ocr page 570-

Uit de afdeeling voor inwendige ziekten van \'s Rijks veeartsenijschool.

Over terpentijninjecties bij paarden,

door

J. \\YESTER.

In het tijdschrift van 1911, pag. 573, publiceerde ik een arti-
keltje over terpentijnolie waarin o.a. wordt gezegd, dat de onder-
huidsche injectie van dit middel geen hyperleucocytose zou veroor-
zaken. Ik heb deze uitspraak nog eens weer aan een nadere
controle onderworpen en ben daardoor tot een ander inzicht
gekomen.

Mijn assistenten de H.H. Beyers, van Soest en Schuitemaker
hebben tellingen verricht, met het volgende resultaat:

i°. Bij een dampig, overigens gezond cavaleriepaard, werden
geteld:

10 December 79x2000 roode bloedlich. en 9700 witte bl. lich.

11 ,, 7832000 ,, ,, en 9200 witte bl. lich.
Daarna op dienzelfden dag injectie aan de voorborst subcutaan

van 10 c.c.M. ol. terebinthinae.

12 December (16 uur na de injectie) 8792000 roode bl. lich.,
12600 witte bl. lich.-, lymphocyten 20%, polynuclcaire leucoc. 80%.

13 December 8520000 roode bl. lich. 11750 witte. bl. lich. (sterke

zwelling).

15 ,, 8850 witte bl. lich.. lymphocyten 32%, leuco-

cyten 68%.

2°. Bij een ander dampig, eveneens overigens gezond cavalerie-
paard werden geteld:

Vóór de injectie 9900000 roode bl. lich. 12700 witte bl. lich.

Na de injectie van 10 c.c.M. 01. therebinthinae:

den eersten dag: 824000 roode bl. lich. 15250 witte bl. lich.

(de zwelling was nog gering),
den tweeden dag
9712 roode bl. lich. 23750 witte bl. lich.

(sterke zwelling, groote pijnlijkheid),
den derden dag roode bl. lich.
7064000, witte bl. lich. 15000.
den vierden dag roode bl. lich. 8032000, witte bl. lich. 16350.
den zesden dag roode bl. lich. 10000000, witte bl. lich. 11840.
30.
Bij een paard met voortdurend te hooge, schommelende
temperatuur en sterke vermagering waarvan de oorzaak niet
met zekerheid is bekend geworden, werd als curativum 8 gram
ol. terebiuthinae geïnjicieerd.

-ocr page 571-

Vóór de injectie werden geteld: roode bl. lich. 9200000.

witte bl. lich. 7000.

De verhouding was: neutrophile (polynucleaire) leucoc. 30%.

lymphocyten 60 %.

Den eersten dag na de injectie: roode bl. lich. 12400000.

witte bl. lich. 22400.

Verhouding: neutrophile leucoc. 67 %. lymphocyten 30%.

Na vier dagen (sterke zwelling). Roode bl. lich. 7360000.

witte bl. lich. 14400.

Verhouding: neutrophile leucoc. 59.8%. lymphocyten 35%.

Later daalde het aantal witte bloedlich. weer tot 9000. Het aantal
polynucl. lcucocythcn bleef echter hooger dan vóór de injectie.
(± 50% tegenover ± 40% lymphocyten).

Resultaat heeft deze injectie overigens niet gehad. De tempe-
ratuur schommelde gedurende een paar dagen na de injectie
niet zoo sterk, was later echter weer als te voren. Ook de algemeene
toestand was niet verbeterd.

40. Den 28sten Maart 1913 kwam een paard in behandeling met
infectieuse pleuro-pneumonie, waarbij de pleuritis vooral op den
voorgrond trad. Het verloop was sleepend, zoodat na 14 dagen
de demping nog bestond, de temperatuur nog te hoog was en schom-
melde. Het aantal
witte bloedlichaampjes was in \'t begin 17523
geweest (polynucleaire leuc. 80%, lymphoc. 20%) en was toen nog
12882 (polynucleaire leuc. 74%, lymphoc. 25%). Een maandna
aankomst was de toestand nog vrijwel dezelfde: steeds verhoogde,
schommelende temperatuur; pols iets boven 40. De demping was
nog niet geheel verdwenen.

Toen werd besloten

. \' 2 3 4 5 6 7 het dier met ol. tere-

40

binthinae te behande-
len (aan de voorborst
ter weerszijden van de
mediaanlijn 6 gram).

38Vóór de injectie:

erythrocyten 5800000.
leucocylen 126000.

Na de injectie: i°. dag. leucocyten 20000; neutrophile leuc. 84%.
lymphocyten 15%, eosinophile leuc. 0.2%.

2°. dag: leucocyten 18800, neutrophile leuc. 87%. lymphocyten
9%, eosinophile leuc. 0%.

30. dag leucocyten 17220, neutroph. leuc. 80%. lymphocyten
18%, eosinophile leuc. 0.8%.

2 3 4 5 6 7

-ocr page 572-

4°. dag leucocyten 17880.

5°. dag leucocyten 14820, neutrophile leuc. 64%. lymphoc. 24%,
eosinophile leuc. 8.3%.

140. dag leucocyten 9950. Het paard was toen volkomen genezen.

Interessant is ook te zien hoe den vijfden dag na de injectie de
temperatuur daalt, en 9 dagen er na de temperatuur onder 38°
komt en daar blijft. Toen eerst was het dier definitief genezen.

Mijn indruk was dat het genezingsproces inderdaad, zooal niet
opgewekt door de terpentijn dan toch in ieder geval hierdoor is
bespoedigd. l)e hyperleucocytose die optrad, zal hieraan door ver-
meerderde phogocytose wel niet vreemd zijn.

Opmerking verdient het, dat vooral de polynucleaire leuco-
cythen door de terpentijninjectie vermeerderen.

Utrecht, Januari 1914.

NASCHRIFT. Dezer dagen werd in mijn kliniek wederom
een paard met pleuritis, met ol. terebinthinac geïnjicieerd. Hierbij
werd echter hoegenaamd geen vermeerdering van leucocythen
waargenomen. Het aantal werd na de injectie niet hoogcr dan
ruim 8000. Het dier stierf.

Utrecht, Mei 1914.

Artikel 8 van het wetsontwerp op de vleeschkeuring,

door

S. DOUMA.

Na de inzending van mijn beschouwing in de vorige aflevering
over art. 8, is verschenen de Memorie van Antwoord nopens be-
doeld wetsontwerp en is tevens ingediend een gewijzigd ontwerp
van wet. Hierin is de redactie van bedoeld artikel, eerste lid,
gewijzigd in overeenstemming met opmerkingen in het Voorloopig
Verslag en geworden als.volgt:

„Indien vleesch, gekeurd volgens de bepalingen van deze wet
of van de „wet op de uitvoerkeuring van vleesch 1907 (Staatsblad
n°. 217)" in eene andere gemeente wordt ingevoerd, kan het

-ocr page 573-

in die gemeente uitsluitend onderworpen worden aan een onder-
zoek, of sedert de keuring in de gemeente van uitvoer verande-
ringen zijn opgetreden, waardoor het voorwaardelijk goedgekeurd
of afgekeurd moet worden."Alleen dus een keuring op veranderingen,
het aangebrachte goedkeuringswerk geeft overigens vrijen toe-
gang en daaraan mag niet getornd; ook niet bij gerechten twijfel;
ook niet in de gevallen, door mij genoemd en die zich, vooral in
den beginne, nog wel eens voor zullen doen. Hoe moet dan de be-
trokken keuringsveearts handelen? Enkele collega\'s, die ik daar-
naar vroeg, antwoordden: „O, daar houd ik me dan niet aan."
Natuurlijk niet, omdat ze de verantwoordelijkheid niet op zich
wenschen te nemen van fouten, door anderen begaan; maar dit kan
toch onmogelijk de bedoeling van den wetgever wezen en moeilijk-
heden zullen dan ook niet uitblijven.

Volgens het gewijzigde art. 24 (nieuw art. 25) zal steeds onder
verantwoordelijkheid van een veearts gekeurd worden. Daarmede
wordt dus de mogelijkheid, dat hulpkeurmeesters zelfstandig met
de keuring worden belast, uitgesloten en vervalt dus de door mij
onder ten 2e geopperde bedenking en het door het Gemeentebe-
stuur van Amsterdam aangevoerde bezwaar. Met deze, ook door
mij zeer gewaardeerde wijziging, meent de regeering alle bezwaren
tegen art. 8 te hebben weggenomen en oogenschijnlijk is dit ook
het geval, waar toch overal de veeartsen de verantwoordelijke
personen zullen zijn, moet toch ook een goedkeuringsmerk het
vleesch overal vrijen toegang verschaffen, behalve dan voorzoover
het daaraan mogelijk optredende veranderingen betreft en toch is
dit volgens mij niet het geval. Ieder deskundige is feilbaar en
onder iedere catagorie van ambtenaren treft men er aan, die het
met hun werk niet zoo precies nemen en zoo zullen er ook onder de
met de uitvoering dezer wet belaste ambtenaren zijn, die de voor-
schriften niet zullen toepassen zooals dat voor eene goede werking
der wet en voor de volksgezondheid noodzakelijk is en juist deze
personen zullen vrij spel hebben, zooals ik reeds heb aangetoond;
hiertegen dient gewaakt en het eenige middel daartegen zal zijn:
toelating der keuring bij invoer in eene gemeente, niet alleen op
veranderingen, maar op alle mogelijke afwijkingen, natuurlijk
onder de noodige waarborgen tegen willekeur, zoodat de ambte-
naar, die het vleesch toelaat, daarvan ook de verantwoordelijkheid
op zich kan nemen.

In de Memorie van Antwoord wordt onder pag. 2. bij „Unifor-
miteit der keuring" gezegd:

, Volkomen gelijkwaardigheid van de keuringen door het ge-

-ocr page 574-

heele land is, naar de meening van ondergeteekenden, een hersen-
schim. Al was er een rijksdienst en al zouden er in voldoend aantal
slachthuizen over het geheele land verspreid zijn (dit op zich zelf
is reeds vrijwel ondenkbaar) dan nog zou het Rijk het niet in zijn
macht hebben, een voorname voorwaarde voor gelijkwaardigheid
van alle keuringen te vervullen: een stel keurmeesters van gelijke
bekwaamdheid en degelijkheid en gelijk oordeel."

Hoewel dit volkomen juist is, wat het laatste betreft, ben ik toch
ten opzichte van de gelijkwaardigheid der keuringen minder pes-
simistisch gestemd en meen ik dit niet als een hersenschim te
moeten beschouwen, want juist in de te geven voorschriften vol-
gens art. 18 en de uitvoering daarvan ligt de uniformiteit der keuring;
vooral op de uitvoering komt het aan, vooral bij de noodslachtingen,
die voor het grootste gedeelte worden geconsumeerd in de groote
steden, waar goed ingerichte keuringsdiensten bestaan en alle
waarborgen aanwezig zijn, dat het vleesch nog eens goed wordt
nagekeken, zoodat geen dieren in consumptie worden gebracht,
welke afgekeurd moesten worden, maar die bij eersten uitspraak,
om welke reden dan ook, voorzien zijn van een goedkeuringsmerk.
Hier zit dus de controle op de uitvoering van de gegeven voor-
schriften, welke controle veel zal bijdragen tot de gelijkwaardigheid
en de uniformiteit der keuringen.

Verder heet het in de M. v. Antwoord:

„De eerste vraag, die te stellen valt, is: zal met de voorgestelde
regeling voor de gezondheid schadelijk vleesch geweerd worden?
Die vraag mag veilig bevestigend beantwoord; het Verslag behelst
trouwens geen argument van ontkennende strekking."

Ik meen opgrond van eigen ervaringen de aangehaalde gevallen
die vraag niet zoo positief bevestigend te kunnen beantwoorden
en acht een vraagteeken hier zeer op zijn plaats. Deze twijfel is
echter door eene geringe wijziging weg te nemen.

Niettegenstaande dus, nevens vele andere, ook de wijziging,
volgens welke de veearts als hoofd van den gemeentelijken keurings-
dienst zal optreden, het wetsontwerp veel beter doet beantwoorden
aan haar doel, meen ik toch, dat de volksgezondheid nog beter
beschermd zal wezen, indien art. 8 alsnog in de, ook door de uit de
Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde benoemde
Commissie aanbevolen wijze wordt veranderd. Dat daarbij speciale
bepalingen gemaakt moeten worden voor noodslachtingen, acht ik
niet noodzakelijk, daardoor wordt het geheel meer ingewikkeld en
omslachtiger. Wel is wenschelijk eenige waarborg tegen willekeur
zooals dat ook door genoemde Commissie is aangegeven.

-ocr page 575-

De steriliteit van het rund,

door

W. J. PAIMANS.

(Voordracht gehouden in de vergadering van de afdeeling Noord-Brabant)

Mijne Heeren!

Zooals het programma van deze vergadering vermeldt, zal ik
een voordracht houden over de steriliteit van het rund.

Mijn bedoeling hierbij is, U een en ander mede te deelen over de
voornaamste oorzaken en de behandeling der steriliteit van het
vrouwelijk rund, voor zoover dit uit een practisch oogpunt van
belang is.

Ik zal dus niet uitwijden over de oorzaken, waardoor ook de
stier de schuld kan zijn van het gering resultaat der door hem ver-
richte dekkingen en U ook niet vermoeien en wellicht vervelen
met uitvoerige theoretische beschouwingen over de steriliteit
van het vrouwelijk rund in het algemeen.

Slechts in het voorbijgaan wil ik er op wijzen, dat men kan on-
derscheiden congenitale en later verkregen steriliteit, blijvende
en voorbijgaande; verder steriliteit doordat de bronst, de tochtig-
heid achterwege blijft en die, waarbij verschijnselen van tochtig-
heid wel en somstijds in sterke mate worden waargenomen.

Wanneer tochtigheid wel optreedt kan steriliteit aanwezig zijn
doordat de dekking niet behoorlijk kan plaats hebben, veel meer
echter niettegenstaande deze goed wordt verricht.

Nu zal ik niet verder gaan napluizen op hoeveel manieren die
verschillende vormen van steriliteit kunnen voorkomen.

Prof. Broman zegt, dat een Amerikaansche kwakzalversfirma
beweert dat er bij den mensch 276 soorten van steriliteit zijn,
welke zij echter alle genezen kan. Ook als men het laatste er af
laat, zal het wat het rund betreft, even goed als voor den mensch,
nog wel wat overdreven zijn.

Toch is het aantal groot, maar de meeste hebben in hoofdzaak
theoretische waarde,en practische slechts in zooverre dat ze mogelijk
zijn en werkelijk wel eens ooit worden geconstateerd.

Verreweg de meeste van die zaken treden slechts sporadisch op
en kunnen dus niet de oorzaak zijn van de klachten, welke men
hier en daar van de veehouders verneemt, dat verscheidene koeien
niet drachtig worden.

Van veel meer practische beteekenis acht ik daarom met U na

-ocr page 576-

te gaan, wat wel de oorzaak kan zijn, dat somtijds in enkele streken
een groot aantal koeien niet of heel moeilijk, d.i. slechts na veel
dekkingen, drachtig worden; want hierover hoort men van den kant
der veehouders ook hier te lande wel klachten.

Opmerkelijk evenwel is het dat van den kant der veeartsen
hier in Nederland nog niet zooveel daarover is gehoord.

Vermoedelijk is dit wel daaraan toe te schrijven dat de vee-
houders wel in \'t algemeen er over klagen, maar dat zij, aangezien
de koeien niet ziek zijn, niet in concrete gevallen den veearts vragen
een onderzoek in te stellen. Was dit wel het geval, dan zou het
zeker meer de aandacht hebben getrokken.

In enkele andere landen, voornamelijk Zwitserland en later ook
Denemarken is dat geschied; maar daar zijn de omstandigheden
ook anders.

Daar zijn, vooral in Denemarken, veel groote bedrijven van 100,
200 en zelfs veel meer runderen, waarbij in hoofdzaak melkerij en
weinig fokkerij en nog minder vetweiderij wordt uitgeoefend.

Wanneer daar 10, 20 tot zelfs 30% van de koeien niet drachtig
worden, dan is dat een enorme schade; zij moeten met veel verlies
worden opgeruimd en door dure andere worden vervangen.

Hier in de kleinere bedrijven, waar het aantal natuurlijk niet
zoo groot is en waar ze meestal in het eigen bedrijf vetgeweid en
door eigen vaarzen vervangen kunnen worden, is de schade niet
zoo groot en geeft het wel aanleiding tot klachten, maar niet in
zoo ernstige mate.

Intusschen het bestaat hier te lande ook wel.

De veehouders moeten echter eerst weten dat er ook wel wat
tegen te doen is, voor zij er de veeartsen over opreken.

De veeartsen zullen dus als het ware het initiatief moeten nemen,
zij zullen zich tot de veehouders moeten wenden en met hen er
over spreken. Dit acht ik dan ook den weg. Natuurlijk niet in dien
zin dat de veearts rondgaat om zijn diensten te presenteeren, maar
zoo, dat bij gelegenheid in een gemoedelijk praatje of in de pers
van de gewone boeren, gewezen wordt op de mogelijkheid om het
drachtig worden te bevorderen, niet door poeders en flesschen
zooals die door kwakzalvers in den handel worden gebracht, maar
door de koeien daarvoor te behandelen.

Intusschen, dan moet de veearts vasten gror.d onder de voeten
hebben, dan moet hij weten, in de eerste plaats welke in de ver-
schillende gevallen de oorzaken zijn en in de tweede plaats welke
behandeling in de verschillende omstandigheden moet worden
ingesteld.

-ocr page 577-

Deze twee vragen hebben we dus te behandelen.

In \'t begin heb ik er op gewezen dat steriliteit in veel verschillende
vormen kan optreden.

\\\\ ij hebben hier voor ons doel alleen te maken met de twee
volgende: i°. op het oog gezonde runderen,welke al of niet drachtig
zijn geweest, dus koeien of vaarzen worden niet tochtig en 2°.
op het oog gezonde runderen welke al of niet drachtig zijn geweest,
worden geregeld alle drie weken of soms een of twee dagen binnen
de drie weken tochtig, soms zelfs vrij hevig, maar ze worden niet
drachtig, niettegenstaande zij worden gedekt door een stier, welke
andere runderen wel bevrucht.

Deze twee vormen heel scherp uit elkander houden is echter
niet mogelijk, daar bij den eersten later ook wel tochtigheid op-
treedt en deze bijgevolg dan overgaat in den tweeden.

En welke zijn nu de oorzaken?

In het jaar 1900 heeft\' Zschokke de resultaten medegedeeld
van zijn belangrijke studies en onderzoekingen omtrent steriliteit
Hij gaf uitvoerige theoretische beschouwingen en vestigde er de
aandacht op dat ovariaalcysten niet alleen bij brulzieke koeien
voorkomen, maar ook en zelfs meer, bij runderen, welke geen ver-
schijnselen van nymphomanie vertoonen en toch niet drachtig
worden. Hij sprak daarbij van „Stillochsigkeit."

Zschokke wees er verder op dat, behalve de cysten, welke hij
uitvoerig behandelt, in het ovarium nog andere abnormaliteiten
kunnen voorkomen en meer speciaal het corpus luteum persistens,
het blijvend corpus luteum.

Normaliter verdwijnt het corpus luteum verum spoedig na den
partus, maar somtijds, vooral bij aanwezigheid van abnormalen
inhoud in de uteruis door chronische endometritis en volgens
Zschokke ook bij verstrekking van veel krachtvoeder, wordt het
niet geresorbeerd en zoolang het persisteert, wordt het rund in
den regel niet tochtig.

Deze mededeeling van Zschokke over het corpus luteum persis-
tens heeft buiten Zwitserland, waar het blijkens de woorden van
den schrijver bij de veeartsen reeds lang bekend was, weinig de
aandacht getrokkken. Althans ik heb het nergens, waar overigens
het werk van
Zschokke werd aangehaald, vermeld gevonden.
Eerst nadat
Hess er in 1906 en 1909 meer uitvoerig over heeft
geschreven, is er meer rekening mee gehouden.

In 1905 werd door Hess in het rapport over de enquête bij de
Zwitsersche veeartsen naar de folliculaire of granuleuse scheede-
catarrh er op gewezen, dat veel veeartsen meenen, dat deze ziekte

-ocr page 578-

dikwijls de oorzaak is van steriliteit, vooral van het zoogen. „Um-
rindern."

Dit vond vooral weerklank in Duitschland en de scheedecatarrh
kreeg algemeen de schuld van het niet-drachtig worden en van het
opbreken niet alleen maar ook van het veelvuldig aborteeren.

Later is evenwel gebleken dat men de scheedecatarrh wel wat
al te zwart had afgeschilderd. In sommige streken vond en vindt
men nog overal scheedecatarrh, zoowel in stallen waar de fokkerij
normaal verloopt, als in stallen, waar men moet sukkelen; en wan-
neer meerdere runderen aborteeren, zijn blijkens ingestelde onder-
zoekingen, bijna altijd de bacillen van
Bang in het spel.

Toch is aan den anderen kant de scheedecatarrh beslist niet
geheel onschuldig. Afgezien van de mogelijkheid dat de stier niet
alleen in het praeputium wordt aangetast, maar ook in de diepere
deelen en daardoor niet meer wil springen of impotent wordt,
kan in het acuut stadium wanneer dit aanwezig is, tijdelijk sterili-
teit het gevglg zijn en in sommige speciale gevallen kan dit ook
in het chronisch stadium en zelfs na het herstel nog het geval zijn.

In 1906 deelde Hess mede dat zijn ondervinding hem had ge-
leerd, dat menigmaal koeien, welke volkomen normaal hadden
gekalfd, met normalen afgang der secundinae, en ook zelfs vaarzen,
welke niet drachtig waren geweest, geregeld alle drie weken, of
somtijds i of 2 dagen binnen dien tijd, tochtig en meestal flink
tochtig, maar niet drachtig werden. Hierbij was meestal geen
spoor van endometritis, maar wel een vergroot corpus luteum.
Dit was dus geen corpus luteum verum persistens, want het stond
niet in verband met een voorafgaande drachtigheid, maar het was
een corpus luteum spurium hypertrophicum. Tevens gaf hij als
zijn vermoeden te kennen en later in 1909 en 1911 heeft hij aan de
hand van statistieken bewezen, dat deze runderen, of wel lijdende
waren aan chronische folliculaire scheedecatarrh, of wel daaraan
geleden hadden. Ook indirect kan dus dc chron. foll. scheede-
catarrh somtijds aanleiding geven tot steriliteit.

Intusschen had ook in Denemarken de steriliteit de aandacht
getrokken en het is voornamelijk
Albrechtsen die daar zijn
licht heeft doen schijnen in 1909 en 1910.

Deze wees er op dat koeien, veel meer dan men zoo oppervlakkig
wel meent, lijden aan chronische endometritis, dat fluor albus
en chron. endometritis niet synoniem zijn. Bij doelmatig en nauw-
keurig onderzoek vindt men heel dikwijls chronische endometritis,
zonder dat uitvloeiing bestaat. Menigmaal bestaat alleen hyper-
aemie en hypertrophie van de portiovaginalis en de koeien welke

-ocr page 579-

aanvankelijk niet tochtig werden, kunnen dat later dan wel worden
maar ze worden niet drachtig. En wanneer men dan tevens een
corpus luteum persistens of een cyste in een ovarium vindt,
dan is dit slechts secundair, het gevolg der prikkeling door de
endometritis en men behoeft er zooals
Albrechtsen toen be-
weerde, geen rekening mee te houden.

Die chronische endometritis zou voornamelijk het gevolg zijn
van het niet tijdig afgaan der secundinae en wijl dit het meest
voorkomt bij abortus, indirect van de infectieuse abortus.

Veel veeartsen meenen evenwel dat chronische endometritis
ook dikwijls door andere oorzaken ontstaat, en meer speciaal
ook door den stier kan worden overgebracht.

Als oorzaken van de steriliteit, voor zoover we die bij de vrouwe-
lijke runderen moeten zoeken, hebben we dus, afgezien van die
sporadische oorzaken, welke we laten rusten en behalve de acute,
folliculaire scheedecatarrh ook de cysten in het ovarium,welke niet
zoo heel veel worden waargenomen, verder het corpus luteum verum
persistens en de chronische endometritis,welke meestal met elkaar
in verband staan en ten slotte het corpus luteum spurium hyper-
trophicum, dat volgens
Hess het gevolg is van de chron. follicul.
scheedecatarrh.

Maar welke oorzaken hebben nu in Nederland de schuld? Wat
leert hier dc ondervinding?

Heel groot is deze, wat mij persoonlijk betreft, nog niet. Wan-
neer de veehouders niet om hulp vragen dan loopt men ze niet zoo
direct achterna en de veehouders met een gemoedelijk praatje
er opmerkzaam op te maken, daarvoor ben ik niet zoo goed in de
gelegenheid als de practicus. Het is dan ook eigenlijk met het doel
U daartoe op te wekken, dat ik er hier over spreek.

Toch zijn wij in de buitenpraktijk in de gelegenheid geweest
enkele koeien te onderzoeken, met het volgens resultaat:

1 koe endometritis 8 vaars corp. lut. hypertroph.

2 vaars corp. lut. hypertr. g koe id. id.

3 koe cyste in \'t ovar. io ,, id. id.

4 ,, endometr. en corp. lut. ir ,, endometr. en corp. lut.

5 ,, vergr. cervix en corp. lut. 12 ,, id. id.

6 ,, id. id. 13 ,, corp. lut. hypertr.

7 ,, endometr. en corp. lut. 14 ,, id. id.

15 ,, (brul) cyste en corp. lut.

16 koe endometr. en corp. lut.
Wanner we dit lijstje van 16 koeien nagaan, blijkt dat er slechts

één bij was, zonder verandering in het ovarium, (wel een bewijs,

-ocr page 580-

dat het ovarium van beteekenis is) en als men de vergroote cervix
ook nog als endometritis beschouwt,
7 met endometritis en een
corpus lut., maar dan toch nog 6 met enkel een corpus luteum
hypertrophicum.

Nu was het ons niet mogelijk na te gaan, of dit laatste steeds
het gevolg was van chron. folliculaire scheedecatarrh, zooals
Hess
beweert. Enkele runderen leden er aan, andere niet en bij deze
laatste was niet altijd met zekerheid uit te maken, of ze er al dan
niet aan geleden hadden.

Wellicht kan het zijn nut hebben, even te wijzen op de manier,
waarop het onderzoek plaats heeft.

Men stelt in een vaginaal en een rectaal onderzoek; het laatste
is van de meeste beteekenis.

Vaginaal voelt men even of de cervix vergroot en of zij geopend
is; dit is heel eenvoudig.

Het rectaal onderzoek is ook eenvoudig, maar daarbij zijn toch
enkele zaken, waarmee rekening gehouden moet worden.

Het rectaal onderzoek betreft de uterus en de ovariën. Men baalt
eerst de faeces uit het rectum of meestal komen ze vanzelf wanneer
men de hand, zoodra ze de anus is gepasseerd, een w7einig terugtrekt,
en dan de vingers uitspreidt, zoodat lucht in het rectum komt.

Daarna gaat men met de hand weer in het rectum en wacht het
geschikte oogenblik af om het onderzoek in te stellen, want noch
wanneer het rectum ballonvormig is verwijd, noch wanneer het
gecontraheerd is, kan men de noodige palpatie verrichten. Dit is
alleen mogelijk, wanneer de wand van het rectum goed slap is,
maar dan kan men ook zonder gevaar de uterus en de ovariën
betasten niet alleen, maar zelfs geheel omvatten.

Men moet er wel aan denken, dat bij het rund de ovariën betrek-
kelijk klein zijn, het rechter is altijd iets grooter dan het linker,
volgens
SiMON rechts gemiddeld 4.3 c.M. lang, 2.8 c.M. breed en
2.53
c.M. dik, links 3.71 c.M. lang, 2.36 c.M. breed en 2.15 c.M.
dik, wegende rechts gemiddeld
14.33 Gram en links 10.11 Gram.

Om zich bij het onderzoek te oriënteeren, zoekt men eerst in
den regel op den voorrand van den bekkenbodem de cervix,
welke heel gemakkelijk als een langwerpig, betrekkelijk dik en
tamelijk vast aanvoelend lichaam wordt gevonden. Men vervolgt
deze naar voren en voelt dan duidelijk de bifurcatie van de uterus.
Daarna vervolgt men de beide hoornen en voelt of het corpus
uteri en een of beide hoornen verdikt zijn, dus of de uterus al of
niet uitgezet en symetrisch is.

-ocr page 581-

Het aanvoelen der uterus kan verschillend zijn; dat hangt er
van af of ze al dan niet in erectie is.

Wanneer men onmiddellijk rectaal exploreert, dan is dat, al-
thans wanneer de koe niet tochtig is, meestal niet het geval, maar
door het wrijven over de uterus komt ze in erectie; men bemerkt
dan dat ze wat vaster wordt op het gevoel en dat de groote curva-
tuur van de hoornen wat meer omhoog komt.

Heeft men onmiddellijk te voren vaginaal geëxploreerd, dan is
ze meestal reeds in erectie door het wrijven langs den vaginaal-
wand en het betasten van de portio vaginalis.

Het is van beteekenis dat men hiermee rekening houdt, anders
zou men uit het verschillend aanvoelen soms verkeerde conclusies
trekken.

Wanneer de koe niet drachtig en de uterus normaal is, dan zijn
de hoornen vrijwel symetrisch en dun. Is ze drachtig, dan wordt
reeds na 6 weken a 2 maanden de uterus merkbaar asymetrisch.
De drachtige uterus, vooral de bevruchte hoorn, wordt dan slap
fluctueerend.

Hierdoor kan men de drachtige uterus zeker onderscheiden van
de normale niet-drachtige en ook
vrij zeker van de uterus eenigszins
uitgezet door een purulenten inhoud. Hierbij toch is meestal de
uitzetting symetrisch en wat strakker gespannen, meestal is de
utêrugwand een weinig verdikt en men voelt contracties van de
uterus-musculatuur.

Ik zeg meestal, want het gebeurt wel eens dat het verschil
niet zoo heel duidelijk is.

In dat geval kan men vaginaal de cervix onderzoeken. Deze is
bij drachtige runderen vast gesloten en in het orificium externum
bevindt zich taai slijm. Bij chronische endometritis is het orificium
externum geopend en er bevindt zich geen zuiver taai slijm, doch
meer een vuile mucopurulente massa. Nu en dan, en volgens
Albrechtsen niet zoo heel zelden, is dit ook het geval bij drach-
tige dieren; maar dan zou volgens hem in den regel abortus
volgen.

Nadat men aldus de uterus heeft onderzocht, en het is van zeer
groot belang dit onderzoek nauwkeurig te verrichten, want men
moet, voordat men verder gaat, met zekerheid weten of al dan niet
drachtigheid aanwezig is, volgt men met de vingers eerst den eenen
en dan den anderen uterushoorn en voelt dan vanzelf het ovarium
aan het einde daarvan. De beide ovariën worden dan onderzocht op
de aanwezigheid van cysten en abnormale corpora lutea; hetzij
dan corpora lutea vera persistentiae of corpora lutea spuria hyper-

xli 30

-ocr page 582-

trophica. Bij aanwezigheid van een cyste voelt men een fluctueeren-
de, bij aanwezigheid van een abnorm corpus luteum een niet fluc-
tueerende verdikking of in \'t laatste geval eigenlijk meer een aan-
hangsel.

Als het rectum goed slap is, kan men het ovarium evengoed
betasten als de uterus en dan kan men den toestand daarvan ook
goed beoordeelen.

Mocht bij het onderzoek blijken dat het rund niet drachtig is
en werd aan cervix, uterus noch ovarium iets abnormaals gevonden,
dan zou men de cervix nog kunnen bezichtigen volgens de methode
van
Albrechtsen, om te zien of de cervix soms alleen hyper-
aemisch is en niet of slechts heel weinig gezwollen. De wijze waarop
men dat doet is dezelfde als we aanstonds bij de behandeling nader
zullen bespreken.

Wanneer moet nu een dergelijk onderzoek worden ingesteld?

Over deze vraag zou men breedvoerige beschouwingen kunnen
houden, maar
Gebauer heeft onlangs in de Deutsche Tierarztl.
Wochenschrift in het kort de indicaties aangegeven en daarmee
kan ik me wel vereenigen; daarom zal ik die weergeven.

Het is volgens Gebauer noodig een onderzoek in te stellen:

i°. Als een op het oog gezonde koe 2 maanden na het kalven
niet tochtig wordt; dit met het oog op endometritis, cysten in \'t
ovarium of corpora lut. pcrsist.

2°. Als een vaars niet op tijd tochtig wordt (cysten).

30. Als een vaars of koe wel tochtig wordt maar niet drachtig
(corp. lut. hypertr. en ook chron. endometritis, cysten en corp.
lut. persist.).

40. In stallen, waar opbreken in sterke mate heerscht, 2 a 3
maanden na de laatste dekking om te weten of drachtigheid aan-
wezig is of een cyste in \'t ovarium.

Nu blijft ons nog te bespreken welke behandeling moet worden
ingesteld; wat moet behandeld worden, het ovarum of de uterus?

Dat hangt af van de bevinding bij het onderzoek.

Nu zult ge het wellicht overbodig vinden dat te zeggen, maar
geheel overbodig is het toch niet, want als men de eerste verhan-
deling van
Albrechtsen, en een vroegere van Hess leest, dan
maakt de eerste den indruk dat men altijd de uterus moet behan-
delen en dat dan de afwijkingen in de ovarien wel vanzelf ver-
dwijnen en de tweede juist omgekeerd.

In hun allerlaatste mededeelingen, Hess 1911 en Albrechtsen
1913 zijn ze intusschen wel wat minder exclusief geworden.

-ocr page 583-

Wij zullen dus behandelen naar gelang van de bevinding bij het
onderzoek.

Een corpus luteum wordt rectaal afgeknepen. Wie dat het eerst
heeft aangegeven, is mij niet bekend.
Zschokke schreef in 1898
en 1900 dat het toen reeds veel door de Zwitsersche veeartsen
werd gedaan, volgens
Zschokke was Viluger in Auw, ruim 40
jaar vroeger een der eersten. Buiten Zwitserland heeft pas de meer
uitvoerige bespreking daarvan door
Hess in 1906 de aandacht
getrokken.

Dat afknij pen der\' corpora lutea gaat in den regel heel gemakke-
lijk. Als men er maar even met vinger en duim op knijpt dan laten
ze los; slechts zelden zitten ze wat vaster. Dit is dus heel eenvoudig
en als men zich vooraf goed heeft overtuigd dat de koe niet drachtig
is, kan men bij het onderzoek direct de behandeling instellen.
Maar men moet zeker zijn dat de koe niet drachtig is, want zou
men een corp. lut. verum uitdrukken, dan zou verwerpen vrij
zeker het gevolg zijn. Ook deze mededeeling door
Zschokke in
1900 gedaan, vindt men nergens aangehaald; alleen
Hess heeft
ze in 1906 weer herhaald. De practische zaken door
Zschokke
in 1900 aangegeven zijn behalve door Hess vrijwel over het hoofd
gezien; alleen de zuiver theoretische heeft men aangehaald.

Behalve drachtigheid is er nog een zaak, welke niet uit het oog
verloren mag worden, dat is de nabloeding in het ovarium.

Alle schrijvers wijzen er op, dat nabloeding voorkomt en dat
zelfs verbloeding mogelijk is. Van de verbloeding haalt echter
niemand een voorbeeld aan, behalve
Zschokke, die er op wijst,
dat
Graber in 1898 een geval heeft medegedeeld, dat door dezen
in 1892 werd waargenomen.

Van den eenen kant hoort men nu dat duizenden corpora lutea
worden afgeknepen, want niet alleen in Zwitserland maar ook
in sommige streken van Duitschland, Zweden en Denemarken
wordt deze behandeling veel toegepast. Volgens mondelinge mede-
deeling van een Zweedsch veearts, gaan veel veeartsen in Dene-
marken en Zweden niet met
Albrechtsen mee om alleen de uterus
te behandelen.

Wanneer men nu van den anderen kant nagaat, dat nog altijd
wordt verwezen naar dat eene geval van verbloeding in 1892, dan
zal dat gevaar wel niet zoo groot zijn en zal dat geval wel aan heel
speciale omstandigheden, misschien haemophylie, toegeschreven
moeten worden en men zal dus daarmee geen rekening behoeven te
houden.

-ocr page 584-

Zoo zou ik tot voor enkele weken hebben gesproken, maar sinds
dien tijd is het anders.

In de eerste plaats is een van de koeien, welke op de buiten-
praktijk werden behandeld, aan verbloeding gestorven en een
paar dagen daarna zag ik dat
Wyssman in het Schweizer Archiv
elf gevallen mededeelt, van hem zelf 3 en van twee collega\'s elk 4.

Wyssman vestigt er de aandacht op, dat in 9 van deze 11 geval-
len de uterus eenigszins was uitgezet door een purulenten inhoud.
Dit was eveneens het geval bij de koe in onze buitenpraktijk.
Vooral in die gevallen is het dus zaak met de mogelijkheid der
verbloeding rekening te houden.

Vooral in die gevallen, maar ook anders, moet men daarom na
het afknijpen van het corpus luteum gedurende eenigen tijd het
ovarium tusschen vinger en duim vasthouden, om daardoor de
bloeding te verhinderen.

Bij eenige uitzetting van de uterus door een purulenten inhoud,
zou men misschien zelfs nog verder kunnen gaan en den eigenaar
na de behandeling zeggen dat hij het moet laten weten als de
koe eenige uren later soms ziekteverschijnselen vertoont. De
verbloeding geschiedt natuurlijk vrij langzaam en men zou dan
door alsnog het ovarium saam te knijpen, de verdere bloeding en
door toepassing van physiol. NaCl-oplossing, de gevolgen der reeds
bestaande bloeduitstorting kunnen voorkomen. In het geval
door ons waargenomen, was de koe des namiddags om circa drie
uur behandeld; \'s avonds zag de eigenaar dat ze ziek was en den
volgenden morgen om 6 a 7 uur stierf ze. Als de eigenaar het \'s a-
vonds had laten weten, was de koe misschien nog te redden geweest.

Graber, die dat geval van verbloeding mededeelt, zegt een
tweede koe door later comprimeeren van het ovarium nog gered
te hebben. Tevens moet men nog rekening houden met de mogelijk-
heid, dat het corpus luteum recidiveert, zoodat somtijds het af-
knijpen herhaald moet worden.

Bevindt zich een cyste in een ovarium, dan behoeft men die
slechts stuk te knijpen.
Zangger heeft dit reeds in 1859 gedaan,
maar buiten Zwitserland is het bekend geworden door
Zschokke
in 1900.

Hiervoor moet in den regel wat harder geknepen worden dan bij
een corpus luteum, maar meestal gelukt het toch wel. Natuurlijk
moet men het alleen probeeren wanneer het rectum verslapt is,

Gaat het zóó niet, dan gelukt het soms nog wel wanneer men
met de eene hand in het rectum gaat en met de andere in de vagina.
Een enkele maal gelukt het ook dan nog niet en dan zou men

-ocr page 585-

onder fixeering van het ovarium door de hand in het rectum met
een troicart of spitse bistouri de cyste door de vagina kunnen
aansteken, of men zou ook een poosje kunnen afwachten in de
hoop dat dan de cyste wat grooter en de wand dunner zal zijn.

Inspuiting van alcohol of joodtinctuur in de cyste door middel
van een door
Bertschv in 1906 daarvoor aangegeven speciale
spuit, heeft niet veel resultaat gegeven volgens
Lagner (Zurich
1909).

Voor de aandoening van de mucosa van uterus en cervix is als
behandeling vooral van beteekenis de methode van
Albrechtsen.
Hiervoor zijn speciale instrumenten noodig. Het volledig instrumen-
tarium in étui, zooals
Albrechtsen het heeft aangegeven, kost
135 Mark, maar zooals we zullen zien heeft men het volledige nu
juist niet noodig.

Voor de behandeling volgens deze methode, evenals ook voor
de bezichtiging van de cervix, waarover we bij het onderzoek
spraken, haalt men de cervix naar buiten, dat is ongeveer tot aan
de vulva. \'Dat gaat heel gemakkelijk. Men doet het nadat men eerst
een vaginaalspeculum van
Albrechtsen heeft ingebracht, welke
men laat vasthouden door een helper, die den staart terzijde houdt.
Dan neemt men een dubbel haakje in de hand, gaat daarmee in de
vagina, slaat het haakje in de cervix, haalt deze naar zich
töê êiï grijpt ze dan ter betere fixeering met een haaktang. Het
haakje en de haaktang laat men vasthouden door een 2den helper.

Meer instrumenten heeft men eigenlijk niet noodig; de andere
kan men wel missen.

Indien de uterus vergroot is en een purulenten inhoud heeft,
gebruikt
Albrechtsen wel verschillende catheters en zoo noodig
zelfs dilatators om de cervix te verwijden, maar dat is overbodig.
Als maar rekening wordt gehouden met het eigenaardig zigzag-
vormig verloop van het cervix kanaal dan kan men ook met een
gewone wondspuit wel de c..a. 50C
.c. l.uGOL\'schesolutie (13—97)
in de uterus brengen. Met de korte canule heeft men niet evenals
met de sonde het gevaar van de uterus te perforeeren.

Bovendien penseelt men de portio vaginalis met Tinctura Jodii,
althans wanneer deze hypertrophisch of hyperaemisch is, wat
meestal wel het geval is. Is de hypertrophie heel sterk, dan kan het
soms wenschelijk zijn aanhangsels met een gewone schaar er af
te knippen. Vooral wanneer de uterus wat sterk is aangetast, moet
volgens
Albrechtsen de behandeling wel eens en enkele malen
zelfs meer dan eens, herhaald worden.

In zijn eerste mededeeling liet Albrechtsen het voorkomen,

-ocr page 586-

alsof de ovariaalaandoeningen, de cyste en het corpus luteum
persistens slechts het gevolg waren van het uteruslijden niet alleen,
want dat kan tot zekere hoogte wel waar zijn, maar ook dat ze na
de behandeling van de uterus verdwenen. Wellicht in gevolge
de pertinente verklaring van
Hess, dat zulks althans zeker voor
de cyste niet opgaat, hetgeen hem gebleken was bij cysten, welke
niet stuk geknepen konden worden, heeft
Albrechtsen in zijn
laatste mededeeling (1913) ook aangeraden de cysten zoo mogelijk
stuk te knijpen, maar van het wegnemen van een corpus luteum
wil hij nog niets weten, dat acht hij overbodig.

Hij raadt daarentegen wel sterk aan, vooral prophylactisch te
werken, door bij retentio secundinarum niet tevreden te zijn met
zoo spoedig mogelijk de nageboorte te verwijderen, maar ook de
endometritis te behandelen door herhaalde rijkelijke uitspoeling
met physiologische NaCl-oplossing. In het begin als de uterus
nog groot is, gebruikt hij wel 30 en zelfs 40 liter.

Hess verviel aanvankelijk in een ander uiterste en wilde alleen
maar het corpus luteum persistens afknijpen; daardoor treden
uteruscontracties op,welke men volgens
Zieger, en Hess wijst daar
ook op, nog kan bevorderen door rectale massage van de uterus.

Volgens zijn laatste mededeeling (1911) wil Hess echter ook naast
het ovarium de uterus behandelen, althans wanneer deze een puru-
lenten inhoud heeft en dan met een adstringeerende, desinfecteeren-
de irrigatie. Hij raadt daarbij aan de door
Messerli aanbevolen
0.5 % oplossing van Nitras argenti.

Volgens Reistnger kan men de eenvoudige catarrh van uterus
en cervix ook behandelen door Jodium bougies (Novojodin 2,
Tannine 0.5, Butyr-cacao 3.5) in de cervix te brengen. Door
anderen zijn, wanneer de cervix voldoende geopend is, ook ichtyol-,
bacillol- en tannoform-bougies aangeraden.

Bovendien kan men de uterus-contractie bevorderen door
geneesmiddelen, secale cornutum inwendig of het extract daarvan
subcutaan en vooral ook Oleum terebinthinae inwendig; maar
dit schijnt in \'t algemeen toch overbodig te zijn.

Ofschoon nu, zooals uit het medegedeelde blijkt, de beide hoofd-
personen
Hess en Albrechtsen wel wat tot elkaar zijn gekomen
en de meeste veeartsen in Denemarken en Zweden ook de ovariën
behandelen, is het toch opvallend, dat in Zwitserland de ovariën
en in Denemarken de endometritis meer de aandacht trokken.

Vermoedelijk is dit wel daaraan toe te schrijven, dat in Dene-
marken meer infectieuse abortus als primair lijden voorkomt en
in Zwitserland meer de infectieuse vaginitis. Deze veroorzaakt wel

-ocr page 587-

het corpus lut. spurium hypertrophic., maar daarop heeft Hess
pas later de aandacht gevestigd; aanvankelijk zal men de beide
abnormale corpora lutea wel met elkaar verward hebben.

Aangezien nu in Nederland de beide primaire aandoeningen
wel voorkomen, zal het zeker voor ons wel het verstandigste zijn,
met uterus en ovarium beide rekening te houden. Mijn statistiekje
leert ook wel dat zulks noodig is, maar het is nog zoo klein, dat
men daar niet al te veel op kan rekenen. Een grootere ondervinding
zou wel eens een andere verhouding kunnen geven.

En hiermede, M. H., heb ik U den tegenwoordigen stand van
zaken zoowat meegedeeld; ik hoop dat Gij U daardoor aangespoord
zult gevoelen, ook aan het werk te gaan, niet alleen wegens de bron
van inkomsten voor de praktizeerende veeartsen, ofschoon dit
natuurlijk niet uit het oog verloren behoeft te worden, vooral
wanneer binnen heel enkele jaren het aantal veeartsen zooveel
grooter is, maar vooral ook wegens het groot belang voor de vee-
houders. De bestrijding van de steriliteit is mijns inziens werkelijk
als een nationaal belang te beschouwen.

Verslag van het 1ste Internationale Congres voor Vergelijkende Pathologie,

door

T. VAN HEELSBERGEN.
Conservator aan het Instituut voor Parasitaire en Infectieziekten te Utrecht.

PAR ATYPHUS-INFEKTIES BIJ MENSCH EN DIER.

In verband met de vele gevallen van vleeschvergiftiging welke voor en na bij
den mensch worden waargenomen bracht Prof.
de Jonc. het volgende rapport uit:

Les relations des infections paratyphiques de Vhomme et des animaux.

Prof. de Jong wijst er op dat de meeste gevallen van vleeschvergiftiging bij
den mensch veroorzaakt worden door de Bacillus enteritidis
Gärtner of door den
paratyphus-B. bacillus type
Schottmült.er.

Vooral deze laatste oorzaak doet de vraag ontstaan welk verband er kan be-
staan tusschen de gevallen van vleeschvergiftiging en den paratyphus van den
mensch welke mede door een paratyphus-B. bacillus type
Schottmüller kan
worden veroorzaakt. Tot op heden is deze vraag echter nog niet beantwoord,
hoewel we mogen aannemen dat de paratyphus bij den mensch in de meeste ge-
vallen niet veroorzaakt wordt door het consumeeren van ondeugdelijk vleesch.

Wat nu de vleeschvergiftigingen aangaat, deze worden dikwijls waargenomen
na het gebruik van vleesch, afkomstig van merkbaar zieke of den natuurlijken
dood gestorven dieren.

-ocr page 588-

Vooral het vleesch van in nood geslachte dieren of van die, welke den natuur-
lijken dood gestorven zijn, is in dit opzicht gevaarlijk. Wat ligt meer voor de hand
dan het vermoeden, als zouden deze dieren geleden hebben aan eene ziekte,
veroorzaakt door hetzelfde microörganisme als dat, aangetroffen bij den besmet-
ten mensch.

Echter leert ons de kennis der dierziekten, dat bij hen infekties veroorzaakt
door de bacillen van
Gartner of Schottmüller niet talrijk zijn, terwijl de prak
tijk bewijst, dat wanneer dergelijke ziekten voorkomen, het vleesch van deze
dieren in den regel niet gevaarlijk is. Prof.
de Jong is dan ook de meening toege-
daan dat het aetiologisch verband tusschen deze dierziekten en gevallen van
vleeschvergiftiging zeer gering is. Hij wenscht veel meer naar voren gebracht
te zien het feit, dat vleesch, afkomstig van in nood geslachte of den natuurlijken
dood gestorven dieren daardoor in zoo hooge mate gevaarlijk is voor de gezond-
heid van den mensch, omdat gebleken is, dat dergelijk vleesch eene zeer geschikte
voedingsboden vormt voor vele bacteriën, zoo ook voor den bacil van
Gartner
en van Schottmüller.

Deze beide laatste bacteriën nu komen zeer verspreid in de natuur voor en
zijn in staat een saprophytisch bestaan te leiden.

Men heeft ze zoowel in het water als in den bodem aangetroffen.

in 1906 en 1907 gelukte het aan Prof. de Jong bedoelde bacteriën uit spina-
zie en andijvie af te zonderen.

Verder zijn microben met de eigenschappen van den paratyphus B.-bacillus
of van den bacil van
Gartner gekweekt uit de uitwerpselen van volmaakt ge-
zonde dieren,

Zoodra het lichaam door een of andere oorzaak ziek wordt, haasten zich der-
gelijke bacillen datzelfde lichaam secundair te besmetten, treedt de dood in, dan
dringen ze ook postmortaal in de verschillende deelen van het cadaver binnen,
vooral in het spierweefsel, waarbij ze de vaatscheden en het bindweefsel
volgen.

Aan het einde van het rapport worden de volgende feiten of waarschijnlijk-
heden geresumeerd.

i°. Dat de ziekten onzer slachtdieren, veroorzaakt door bacillen uit de para-
typhus. B. enteritis-groep, slechts bij hooge uitzondering de oorzaak kunnen zijn
van de vrij talrijke vleeschvergiftigingen.

2°. Dat de bacillen, waarvan hier sprake is, in de natuur als saprophyten voor-
komen en gedeeltelijk als uitscheidingsproducten van zieke of genezen dieren en
menschen (bacillendragers).

3°. Dat zij zelfs normaal kunnen voorkomen bij menschen of dieren, die niet
ziek zijn geweest.

40. Dat zij in die gevallen gemakkelijk de oorzaak kunnen worden van secun-
daire infecties.

5°. Dat zij zich eveneens gemakkelijk in de cadavers of dierlijke producten
kunnen gaan vermenigvuldigen, zelfs wanneer die afkomstig zijn van gezonde
dieren, maar vooral wanneer zij afstammen van zieke dieren, omdat, in dit
laatste geval, die cadavers of producten een bijzonder gunstigen voedingsbodem
voor bacteriën vormen.

-ocr page 589-

Prof. de Jong zou ter voorkoming van vleeschvergiftiging bi] den mensch
de volgende maatregelen getroffen willen zien.

i°. Het vleesch, afkomstig van wegens ziekte geslachte of van gestorven dieren,
worde niet tot het verbruik toegelaten niet alleen omdat in bepaalde gevallen
de oorzaak der z\'ekte of van den dood een vertegenwoordiger van de paratyphus-
B. of van de
gartner-groep kan zijn, doch vooral, omdat in dergelijke geval-
len het vleesch gemakkelijk secundair door dergelijke bacteriën wordt besmet,
hetzij tijdens de ziekte, of wel na den dood.

2°. Eventueele latere besmetting van dergelijk vleesch of andere voedings-
middelen worde bestreden door zindelijkheidsmaatregelen en deugdelijke be
waring.

3°. De besmetting van vleesch of andere voedingsmiddelen, mogelijk door
aanraking met menschen of dieren, die bacillen uitscheiden, moet worden ver-
meden.

KANKER.

Over dit belangrijke onderwerp werden door Menetrier, Clunet, en Borrei
rapporten uitgebracht.

i°. Rapport: Menetrier et Ciunet: Données fournies par l\'experimentation
sur la nature et la pathologie des cancers.

In dit vrij uitvoerig rapport geven genoemde onderzoekers een zeer interes-
sant overzicht van het kankervraagstuk.

In het eerste deel van hun verslag worden die onderwerpen behandeld, welke
reeds in
1910 aan de internationale conferentie te Parijs bekend waren. Achter-
eenvolgens worden behandeld:

1° de eenheid van het zoogdiercarcinoom

2° de contagiositeit van het kankergezwel.

3°. de seniliteitsinvloeden.

4°. chronische prikkelingstoestanden, welke velen eene aetiologische waarde
toekennen.

50. het voortkweeken van kankerweefsel, door middel van dierentingen.

6°. het experimenteel opwekken van carcinomata.

7°. spontane, verkregene en therapeutisch opgewekte immuniteit tegen en-
tingen met kankerweefsel.

Het tweede deel, van het rapport vermeldt die ontdekkingen welke na 1910
betreffende het kankervraagstuk zijn gedaan.

De meest belangrijke zijn:

i°. Murray heeft aangetoond dat de progenituur van aan kanker lijdende
muizen percentsgewijze meer behept is met carcinomata dan die wier ouders vol-
komen gezond zijn.

Men dient alzoo eene zekere herediteit aan te nemen.

2°. Peyton Rous zou het gelukt zijn om bij kippen kankergezwellen op te
wekken, door bij deze dieren eene gefiltreerde kankercellenemulsie in te spuiten.

-ocr page 590-

Wanneer deze proeven van Peyton Rous nader bevestigd worden, zullen
voorzeker de opvattingen welke men omtrent de aetiologie, van de kanker hul-
digt, belangrijk worden gewijzigd.

3°. Carrel en Burrows is het gelukt om in vitro vermeerdering van kanker-
cellen te verkrijgen. Het gelukte hun om door middel van de verkregene cultuur
carcinoom bij dieren op te wekken.

Bij deze proeven werden de kankercellen gebracht in het bloedserum van het
dier, waarvan de tumor afkomstig was.

4°. Pierre Marie, Jean Clunet en Raulot Lapointe is het voor de tweede
maal gelukt om bij een rat een kwaadaardig gezwel door middel van X-stralen
op te wekken. Zij konden dezen tumor bij dieren gedurende 4 generaties voort-
kweeken.

5°. Haaland heeft getracht om door bepaalde immunisatiemethoden, welke
tegen het experimenteele kankergezwel (kankerweefsel enten bij gezonde dieren)
beschutten, ook de spontaan optredende tumor te bestrijden. Zijne proeven had-
den echter allen een negatief resultaat.

6-°. Wasserman heeft begin 1912 medegedeeld, dat het hem gebleken was, dat
de zouten van het element
selenium een destructieve werking op kankerweef-
sel zouden uitoefenen. Deze destructieve werking zou ook langs de bloedbaan te
bereiken zijn. Ongelukigerwijze grenst de therapeutische dosis van
Wasser-
man\'s
praeparaat zoo dicht aan de letale, dat het experimenteeren er zeer gevaar-
lijk door wordt gemaakt.

Een ander bezwaar is nog, dat het bedoelde praeparaat (seleneosine) zeer moei-
lijk is samen te stellen en bij het transport spoedig van samenstelling verandert.

Een en ander is mogelijk de oorzaak geweest, dat de onderzoekingen van
anderen schipbreuk hebben geleden.

Men dient alzoo, voorzichtigheidshalve, zijn oordeel omtrent de waarde van
dit middel nog eenigen tijd op te schorten.

Rapport : Borrel: Le cancer.

In tegenstelling met Menetrier en Clunet is deze onderzoeker van oordeel
dat we als oorzaak der kanker een voorloopig nog onbekend virus hebben aan
te nemen.

Hij grondt deze meening op het bestaan van zijn kankerhuizen en kankerkooien.

Borrel heeft aan het instituut Pasteur te Parijs waargenomen, dat zoodra
in een kooi met muizen een geval van kanker zich voordeed, langzamerhand alle
oude muizen aan deze ziekte gingen lijden. Andere kooien, waarin de muizen
geheel onder dezelfde
omstandigheden werden gehouden, bleven daarentegen
geheel van kanker verschoond.
C\'est tout ou rien, zooals Borrel zich terecht
uitdrukt en de meest voor de hand liggende verklaring voor dit feit is voorzeker
eene bepaalde smetstof als ziekmakende oorzaak aan te nemen.

Eene tweede opvatting, welke mede door Borrel wordt gehuldigd, is dat
genoemde onbekende smetstof door parasieten zou worden overgebracht. Hij
baseert deze meening op het volgende feit:

Bij ratten komen veelvuldig in de lever sarcomen voor.

-ocr page 591-

— 55i -

In het centrum van deze kwaadaardige gezwellen treft men nu altijd een cy-
sticercus of resten ervan aan. Deze parasieten zouden dus de smetstof in het
weefsel brengen,
Borrel is van meening dat zeer veel gevallen van kanker hun
ontstaan vinden in de verwonding welke vele parasieten in den darm van mensch
en dier veroorzaken. Het kankervirus, dat volgens
Borrel dikwijls de parasiet
vergezelt, zou dan mede in de wond worden geïnoculeerd. Wat de seleneosine van
Wasserman aangaat, daarover laat Borrel zich niet bijzonder gunstig uit.

Hij acht het geen specificum en brengt de actie ervan geheel terug op de necro-
tiseerende werking, welke deze stof in groote dosis gegeven, op de vaatendotheliën
van den tumor uitoefent. Het tumorweefsel wordt dus slechter gevoed.

Geeft men zoodanige doses, dat de necrotiseerende werking achterwege blijft,
dan wordt volgens
Borrel juist de groei van den tumor bevorderd.

Borrel wenscht prophylactisch de kanker te bestrijden, ten ie door de grootst
mogelijke reinheid van het lichaam in acht te nemen en ten 2de door uit den
darmtractus de parasieten te weren resp. te verwijderen.

PLANTAARDIGE PARASIETEN.

Prof. de Jong, de Beurman en Gougerot en Bodin, brachten betreffende dit
onderwerp rapporten uit.

Prof. de Jong: Sur quelques detmatomycoses communes a l\'homme et ax<x
animaux au point de vue hygiénique.

In dit rapport wijst Prof. de Jong op het gevaar van besmetting hetwelk er
voor den mensch uitgaat van dieren, welke lijdende zijn aan herpes tonsurans,
favus of sporotrichose. Hij acht het wenschelijk dat wettelijke bepalingen ten op-
zichte van genoemde dierziekten in het leven worden geroepen en de volgende
maatregelen daarbij in acht worden genomen.

i°. In die landen, ^aar men veel gevallen van trichophytie bij den mensch
waarneemt, en waarbij men als ziektemakende oorzaak parasieten moet aannemen,
welke ook bij dieren kunnen voorkomen, is het aan te bevelen, deze ziekte bij de
dieren door wettelijke bepalingen te bestrijden.

2°. In landen, waar bij den hond veelvuldig huidziekten voorkomen en vooral
daar waar veel honden zijn, die geen eigenaar bezitten, moet men dergelijke zieke
honden van overheidswege laten vangen en eventueel doen afmaken. Een en
ander met de bepaling dat zulks niet geschiedt, wanneer de eigenaar in staat is
een certificaat van een veearts te overleggen, waarin vermeld staat, dat de hond
niet lijdende is aan een voor den mensch gevaarlijke ziekte.

3°. In geval van trichophytie of microsporie bij dieren is de veearts verplicht,
zooveel mogelijk maatregelen te treffen om de besmetting van den mensch tegen
te gaan.

40. Hetzelfde, als onder 3, geldt voor gevallen van favus, welke bij dieren worden
aangetroffen.

5°. Waar gevallen van sporotrichose bij paard en hond als een lijden van de
huid en van de subcutis worden aangetroffen, daar is het in het belang van de ge-
zondheid van den mensch wenschelijk, dat men zich omtrent de uitgebreidheid
dier gevallen bij onze dieren op de hoogte stelt.

-ocr page 592-

6°. Daar het waarschijnlijk is, dat onder de paarden, ziekten met name
„lymphangitis épizoötica en hyphomycosis destruens," zich gevallen van spor-
strichose bevinden, welke uit den aard harer ziekteoorzaak in staat zijn den
mensch te infecteeren, zoo is het vooral uit een diagnostisch oogpunt wenschelijk
genoemde ziekten nader te bestudeeren.

2°. Rapport: De Beurman en Gougerot; Sporotrichose spontanée des
animaux. (pathologie\'comparêe)

Die ziekteaandoeningen, welke tegenwoordig onder den naam van sporotri-
-chosen bekend zijn en welke tot de groep der schimmelziekten behooren, werden
tot voor korten tijd niet onderkend. Meestal werden dergelijke aandoeningen be-
schouwd als te zijn van tuberculeusen, malleusen of syphilitischen aard en golden
dan meestal voor ongeneeslijk. We danken het voornamelijk aan de onderzoekingen
van
de Beurman en Gougerot dat we omtrent de parasitaire natuur van dit
lijden beter onderricht zijn en tevens in staat zijn de ziekte te genezen. De onder-
kenning van sporotrichose is tegenwoordig zelfs vrij eenvoudig. De groeiwijze
der schimmel op bepaalde voedingsmedia is zoo karakteristiek, dat men zich in
deze bezwaarlijk kan vergissen. Ook het cultiveeren van de parasiet uit de sporo-
tricheuse haarden levert weinig moeilijkheden op.

De Beurman en Gougerot beschrijven in hun rapport eerst de spontane
sporotrichose bij de rat, de hond, het muildier en het paard.

Daarna geven zij een overzicht over gevallen van sporotrichose, welke zij ex-
perimenteel bij dieren hebben kunnen opwekken.

Zij waren in staat alle tot nu toe bekende vormen van sporotrichose bij proef
dieren op te wekken en nader te bestudeeren.

Dat deze schimmelziekte wat zijn karakter aangaat niet ver afstaat van de
gewone infektieziekten (schizomyceten) bewijst het feit, dat ook hier in het bloed
van het aangetaste individu immuunstoffen worden gevormd. De agglutinatie
geldt ook hier als een waardevol ondérkenningsmiddel.

De cuti-reactie, de subcutane reactie en de intra-dermo-reactie gaan ook bij deze
ziekte op. Ze bezitten echter weinig zelfstandige waarde, daar gebleken is, dat
in de mondholte vegeteerende gistzwammen reeds in staat zijn een positieve
reactie te voorschijn te roepen. Ze kunnen dan ook hoogsten dienen ter onder-
steuning van de klinische diagnose. Wat de therapie bij deze ziekte aangaat, be-
reikt men meestal een gunstig resultaat met een jood-joodkaliumbehandeling.
Inwendig geeft men joodkalium, terwijl men de oppervlakkige huidaandoeningen
met joodtinctuur bestrijkt.

Ten einde recidive te voorkomen, dient men na de genezing nog minstens een
maand met deze behandeling door te gaan.

De prognose hangt volgens de Beurman en Gougerot geheel af van de onder-
kenning der gevallen.

Wordt de ziekte echter niet onderkend en worden geen jodium-praeparaten
verstrekt dan is het lijden in zeer veel gevallen ongeneeslijk.

-ocr page 593-

3°. rapport: Bodin: La quaestion des teignes humaines et animales en 1912

In zijn rapport geeft Bodin allereerst een historisch overzicht van de verschil-
lende schimmelziekten.

Daarna volgt eene uitvoerige beschrijving van de favus, de microsporie en de
trichophytie.

Favus bij den mensch.

Deze is gekarakteriseerd door twee opvallende symptomen nl. ie de napvorming
(scutula) en ten 2e het favushaar.

De nap is meestal rond een haarfollikel gelegen en bestaat uit een conglomeraat
van schimmelelementen.

Of het haar in het midden der follikel oorzaak is van de eigenaardige schotel-
vormige rangschikking der schimmelelementen of dat deze van nature eene derge-
lijke groei bezitten is tot op heden niet met zekerheid uitgemaakt.

Alhoewel ook op kunstmatige voedingsbodems de favusschimmel eenigszins de
napvorm aanneemt, toch schijnen de meeste onderzoekers tegenwoordig geneigd
om de haar in de follikel als oorzaak der napvorming aan te nemen.

Het tweede belangrijke symptoom is het favushaar.

De favus-haren zijn in tegenstelling met die, welke we bij herpes aantreffen,
lang en niet afgebroken.

Voordat de haren door de parasieten zijn aangetast en alvorens de nap gevormd
is, parasiteeren de schimmelelementen in de oppervlakkige epidermislagen en
veroorzaken ter plaatse een erythema scjuamosa. Wat de leeftijd der patiënten
aangaat worden zoowel volwassenen als kinderen door de ziekte aangetast.

Over de favus bij dieren zegt Bodin niet veel.

Ze komt voor bij de muis, de kat, de kip, de kalkoen, de hond en het paard.

Wat deze beide laatste diersoorten aangaat beschikt de literatuur nog over
weinig authentieke gevallen.

Het vormen van scutula is ook bij de dieren een pathognomonisch symptoom
alhoewel het soms zeer lastig is ze te onderkennen. Vooral bij de vogels is de nap-
vorming moeilijk waar te nemen. Dit is de reden geweest dat men er eenige jaren
geleden toe neigde de tot dien tijd als favus aangeduidde aandoeningen bij de kip
en de kalkoen voor trichophytie te houden, totdat het in 1909 aan
Sabouraud,
Suis en Suffran gelukte op grond van nauwkeurige klinische waarnemingen
(positief de scutulavorming vastgesteld) deze quaestie op te lossen en de betreffende
aandoeningen bij deze dieren als echte favus te identificeeren.

Microsporie.

Bij den mensch komt deze schimmelziekte in hoofdzaak voor op de behaarde
hoofdhuid van het kind.

Zoodra de leeftijd der puberteit intreedt, zien we de ziekte meestal van zelf
in genezing overgaan. Aandoeningen bij volwassenen behooren dan ook tot de
groote uitzonderingen. Men kan twee typen van microphyton onderscheiden.

i°. het type humaine

2°. het type animal

Beide typen komen bij den mensch voor, doch al naar mate men door een van
beiden is aangetast verschillen de veroorzaakte huidlaesies.

-ocr page 594-

Het type humaine veroorzaakt op de hoofdhuid van het kind kale min of meer
ronde plekken. Deze plekken zijn niet zeer talrijk en zijn met grijze schubben be-
dekt. Wat de haren aangaat, deze vertoonen een paar zeer karakteristieke eigen-
schappen. Ze zijn n.1. op ongeveer 4 a 5 m.m. afstand van de huid afgebroken en
door een grijzen mantel van schimmelsporen omgeven.

Ze verschillen dus vrij veel van het trichophyton-haar, hetwelk meestal direct
bij de huid is afgebroken en dat niet van een boven de huid uitstekende sporen-
mantel is voorzien. Ook de sporen zelf verschillen van die, welke we bij de tricho-
phytonschimmel aantreffen. Ze zijn klein en vormen door hunne ligging een soort
mozaïkwerk, terwijl de trichophytonsporen over het algemeen meer in rijen zijn
gerangschikt. Het type humaine veroorzaakt laesies, welke niet door ontstekings-
verschijnselen worden begeleid. Daarentegen treden deze in de huidaandoeningen
welke het type animal bij den mensch teweegbrengt sterk op den voorgrond.

Bij het type animal is zelfs in de lichtste gevallen een roodheid der aangetaste
huid waar te nemen. Zeer dikwijls treden echter de ontstekings-verschijnselen in
veel heviger mate voor den dag.

De bestaansvoorwaarden van het type animal schijnen eenigszins minder
beperkt te zijn dan die van het type humaine. Treffen we deze laatste in hoofdzaak
aan op de behaarde hoofdhuid van het kind, het type animal vinden we bovendien
bij den volwassen mensch in den baard en op de behaarde huid.

Wat de microsporie bij onze dieren aa.igaat, daaromtrent tasten we nog eenigs-
zins in het duister.

Uit eenige door Sabouraud, Cazalbou, Almy en Bodin medegedeelde geval-
len weten we dat ze voorkomt bij het paard en bij den hond.

De gevallen bij het paard beschreven, betroffen meest jonge dieren. De betref-
fende huidaandoeningen manifesteeren zich meestal aan de bovenvlakte van den
romp. Bij geen der dieren waren de extremiteiten in het proces betrokken. In het
beginstadium der ziekte gaan op de aangetaste huidplaatsen de haren eerst
overeind staan om daarna uit te vallen. Zoodoende blijven totaal kale plekken
over, welke meestal met droge, grijsachtige schubben zijn bedekt.

De gevallen welke bij den hond zijn geconstateerd, geleken in het algemeen
op die bij het paard.

Soms treft men echter bij deze dieren in aansluiting met het mycotische proces
eene etterige folliculitis aan.

Trichophytie.

De trichophytonschimmels worden onderverdeeld:

i°. die welke alleen in het inwendige v.h. haar parasiteeren (endothrix)

2°. die welke in en rondom het haar leven (ectothrix)

3°. die welke eigenlijk in het haar thuis hooren, doch in het beginstadium ook op
of rondom het haar vegeteeren (neo-endothrix).

AI deze drie soorten komen bij den mensch voor. De trichophyton ectothrix
rekent men echter als te zijn van dierlijken oorsprong.

De trichophyton endothrix. Deze kenmerkt zich bij den mensch klinisch als volgt.

De meeste gevallen bepalen zich tot de behaarde hoofdhuid van het kind, doch

-ocr page 595-

de onbehaarde lichaamshuid en het nagelbed kunnen eveneens door deze schim-
mel worden aangetast.

Op de behaarde hoofdhuid bestaan de laesies meestal uit talrijke, weinig om-
vangrijke, ronde, ovale of onregelmatige plekken, welke met schubben zijn bedekt.
Meestal bevinden zich op deze aangedane plaatsen nog vrij veel haren, waardoor
de plekken gemakkelijk de opmerkzaamheid kunnen ontgaan.

Tusschen de nog gezonde haren, bevinden zich die welke ziek en afge-
broken zijn.

(let trichophyton haar breekt als regel direct bij de huid af.

De ziekte door deze endothrix vorm veroorzaakt is meestal zeer besmettelijk
en van langen duur.

De Trichophyton neo-endothrix. Meestal tasten deze schimmels den baard aan
en veroorzaken zij laesies, welke slechts van geringe ontstekingsverschijnselen zijn
vergezeld.

In de meeste gevallen, kan men bij deze huidziekte drie opeenvolgende stadia
onderscheiden.

i°. Een beginstadium, waarin de schimmel in de epidermis woekert, doch waar
bij de haren nog niet in het proces zijn betrokken.

2°. een stadium, waarin de haren worden aangetast en waarbij de huidaan-
doeningen op den achtergrond geraken.

3°. een stadium, waarin onderhuidsch gelegene abscesjes optreden.

Ook wat hun klinisch beeld aangaat, staan deze neo-endothrixschimmels dus
tusschen de endothrix en de ectothrixvormen in.

Bij de endothrixinfecties blijven n.1. de ontstekings-verschijnselen vrijwel
achterwegej terwijl de ectothrixaandoeningen met hevige ontstekings-verschijn
selen gepaard gaan. In zeer veel gevallen zijn de infecties bij den mensch van
dieren afkomstig.

De Trichophyton Ectothrix. Wanneer deze schimmelvorm de menschelijke huid
invadeert, dan zijn meestal diepgaande laesies, vergezeld van hevige ontste-
kingsverschijnselen het gevolg ervan.

Men neemt aan dat deze ectothrixvormen van dierlijken oorsprong zijn en dat
de besmetting alzoo van af het dier kan geschieden. Voor onbekende huidziekten
bij het paard, het rund, den hond, de kat en het varken zij men dus eenigermate
op zijn hoede.

De aandoeningen, welke deze schimmelvorm bij den mensch veroorzaakt, kunnen
zich op verschillende leeftijden en op verschillende plaatsen van de huid voor-
doen. Niet alleen dat de behaarde hoofdhuid in het ziekte-proces kan worden
betrokken, doch ook de baard en de onbehaarde lichaamshuid worden aangetast.
Wat de grootte der sporen aangaat dient men de trichophyton ectothrix, nogmaals
in tweeën onder te verdeelen n.1. die vorm waarbij men steeds kleine sporen aan-
treft, de
trichophyton microides en die waarbij de sporen aanzienlijk grooter zijn, de
trichophyton megalosporon.

Beide soorten parasiteeren in het haar, zoowel als in de wortelscheede.

Over het algemeen vertoont de trichophyton microides microscopisch groote
overeenkomst met de microsporon, doch de rangschikking der sporen, welke
overigens in grootte overeenstemmen is verschillend. Is ze bij de trichophyton

-ocr page 596-

microides parelsnoervormig bij de laatste vormen de sporen een soort van mozaik-
werk hetwelk het aangetaste haar gelijk een scheede omgeeft.

De triehophyton megalosporon is microscopisch gekenmerkt door zijn groote,
onregelmatige sporen, welke 4 a 8 micron in diameter zijn en eene verwarring
met de microsporen totaal buitensluiten.

Over het algemeen grijpt de microides-infektie vrij snel om zich heen, daar de
exsudatieve prccessen, welke de aandoeningen meestal vergezellen, de haren
snel doen uitvallen.

Bij de triehophyton megalosporon treden ook de ontstekingsverschijnselen,
sterk op den voorgrond, doch de klinische verschijnselen zijn over het algemeen
minder konstant als bij de microidesinfektie.

Over de trichophytie bij onze dieren zegt Bodin in zijn rapport niet veel.

We weten dat ze voorkomt bij het rund, het paard, de ezel, bij den hond; doch
de goed geconstateerde gevallen zijn nog zeer weinig in aantal.

De trichophytie bij den mensch is dan ook oneindig beter bekend dan die van
het dier en het is te hopen dat de veterinaire onderzoekingen zich wat meer in
deze richting gaan bewegen.

Bij het paard zijn de volgende trichophytonschimmels waargenomen.

Triehophyton pypseum.

Deze schimmel werd het eerst in 1893 door Sabouraud gevonden. Het ge-
val betrof een furunkuleuze aandoening terzijde van het neusgat bij een paard.
Later is dezelfde schimmel door tal van onderzoekers beschreven geworden.

•2°. Triehophyton equinum.

Deze schimmel werd in 1898 door Matruchot en Dassonville geïsoleerd. Zij
zijn de eerste geweest, aan wien we eene goede klinische beschrijving der waarge-
nomen gevallen te danken hebben.

De gevallen betroffen een troep paarden, bij welke dieren zich op kruis en schou-
der talrijke kale plekken voordeden.

Het klinische verloop bepaalde zich tot de volgende feiten: Allereerst gingen
op de aangetaste huidplaatsen de haren min of meer onregelmatig overeind
staan. Daarna vielen ze uit en bleven er vochtige, grijze plekken achter. Deze
droogden spoedig op en zagen er dan uit als of ze met meel waren bestrooid.

3°. Triehophyton granulosum.

Sabouraud isoleerde deze schimmel in 1909. De gevallen werden te Sedan
bij paarden waargenomen en kwamen klinisch veel overeen met de van
Matru-
chot
en Dassonville.

40. Triehophyton fuviformes.

Het eerst gevonden docr Bodin in 1896, daarna door Sabouraud en Mayet in
1910.

De aandoeningen welke door Bodin werden waargenomen bestonden uit groote,
kale plekken, welke somtijds conflueeren, zich kringsgewijs uitbreidden en meestal
met droge korsten en schubben waren bedekt.

Trichophytie bij het rund.

De trichophytie bij het rund is reeds geruimen tijd bekend en onderzoekers als
Neumann hebben ze reeds beschreven.

-ocr page 597-

Toch zijn het meest zeer oppervlakkige gegevens welke we omtrent de ziekte
bij deze diersoort bezitten.

Tot nu toe heeft het den schijn dat er bij het rund minder verschillende tricho-
phytonsoorten voorkomen dan bij het paard. Het is voornamelijk de
Trichophyton
faviformes,
welke uit de huidaandoeningen bij runderen is geïsoleerd.

Trichophytie bij den hond.

Fox en Blaxall hebben in 1896 een Trichophyton faviformes beschreven en
in 1902 vonden
Matruchot en Dassonville bij den hond een trichophyton,
waaraan zij den naam van Trichophyton caninum gaven. Waar bij deze dier
soort de huidziekten zoo talrijk zijn en de aetiologische momenten bij velen nog
in het duister liggen, daar is het voorzeker hier gewenscht dat de studie der ver-
schillende schimmelziekten ernstig wordt ter hand genomen.

T h era p i e.

Wat de behandeling der verschillende schimmelziekten aangaat, deze is enorm
vooruitgegaan sedert de toepassing der radiotherapie. Waar men in vele gevallen
vroeger machteloos tegenover stond, daar weet men tegenwoordig soms in enkele
weken genezing te verkrijgen. De onderzoekingen van
Freund, Schiff, Shegler,
Kienbock en anderen, welke loopen van 1896 tot 1903 hebben ons geleerd dat de
X-stralen een zeer eigenaardige werking op de haarpapil uitoefenen.

Waar deze stralen in groote dosis geappliceerd de papil snel dooden, daar stel-
len middelmatige hoeveelheden de papil slechts tijdelijk buiten werking ; waarbij
dan het haar als vreemd voorwerp voorloopig wordt uitgestooten.

Wil men dus een epilatie der haren bewerkstellingen, ten einde daarmede de
schimmel mechanisch uit de huid te verwijderen, dan is de Röntgen behandeling
als het ware daarvoor het aangewezen middel. Op één zaak stuitte deze therapie
vroeger echter af, n.1. op de juiste doseering der stralen. Liet men de stralen slechts
even te krachtig inwerken, dan was dit reeds voldoende de haarpapil te dooden
en een continu haarverlies te veroorzaken. Geringe hoeveelheden hadden echter
de uitdrijving van het haar niet ten gevolge en brachten dus geen genezing. Om
kort te gaan, het was uiterst moeilijk de juiste doseering der X-stralen te bepalen
en de prognose was steeds dubieus. Totdat het in 1904 aan
Sabour mjd en Notré
gelukte een instrument (radiometer) uit te denken, waarmede het mogelijk is
de juiste hoeveelheid stralen nauwkeurig te bepalen. Van dat moment af aan
is de radiun-behandeling een standaardtherapie geworden en vindt dan ook
ter genezing van bepaalde schimmelziekten bij den mensch zeer veel toepassing.

XLI

-ocr page 598-

- 55» -
Necrologie.

G. GOOSENS. f

Geerling Goosens werd 15 April 1861 te Harderwijk geboren
en begon zijn studie aan \'s Rijks Veeartsenijschool op 1 September
1877; hij behaalde het diploma van met goed gevolg afgelegd
natuurkundig examen op 23 Juni 1880 en werd 27 Juli 1882 tot
veearts bevorderd. Bij koninklijk besluit van 19 Augustus 1882
werd hij, met ingang van 1 September d.a.v. voor den tijd van drie
jaar benoemd tot assistent bij de leervakken van ondergeteekende.
Hij was een goed assistent, zoodat het mij leed deed, dat hij zich
met ingang van 24 Februari 1885 te Houten ging vestigen, na bij
koninklijk besluit van 12 Februari eervol als assistent te zijn ont-
slagen.

In Houten praktizeerde destijds een oude empiricus; Goosens
was overtuigd dezen weldra op zijde te zullen streven. De oude
man stierf spoedig na
Goosens\' komst en na korten tijd mocht
de laatste zich in een uitgebreide praktijk verheugen. Hij was in
Houten en omgeving zeer gezien en nam ook ijverig deel aan de
vergaderingen van de afdeeling Utrecht der Maatschappij ter
bevordering der veeartsenijkunde.

Helaas werd hij een 15-tal jaren geleden ziekelijk, en naarmate
deze ziekelijkheid toenam, trok hij zich meer en meer uit de veteri-
naire kringen terug en verminderde zijn praktijk. Dit was dermate
het geval, dat zich in 1913 een jong collega naast hem vestigde.
Zijn gezondheidstoestand liet intusschen steeds meer te wen-
schen over, tot hij op 6 Mei 1914 in den ouderdom van 53 jaar
overleed, nalatende een weduwe met twee kinderen.

Goosens beloofde als assistent veel. Van zijn hand verschenen
toen de volgende artikelen in het Tijdschrift voor Veeartsenij-
kunde:
Over het uitwendig gebruik van jodojorm (Deel 12, blz. 199);
Kreupelheid bi] een paard ten gevolge van een kneuzing van den
nervus radialis
(Deel 21, blz. 207); Over vreemde voorwerpen, met
het voedsel opgenomen
(Deel 23, blz. 3).

In 1889 was hij lid der Commissie in zake het verrichten van
heelkundige operatiën door de leerlingen van \'s Rijks Veeartse-
nijschool.

Goosens werd op 9 Mei te Houten begraven.

W. C. Schimmel.

-ocr page 599-

Boekaankondigingen.

Prof. Dr. REINHOLD SCHMALTZ. Atlas der Anatomie des Pferdes. Drilter
Teil. Die Lage der Eingeweide nach Gefrierpraparaten.
Verlagsbuchhandlung
von
Richard Schoetz. Berlin 1914. Preis 18 Mk.

Van bovengenoemde atlas verscheen in 1901 het eerste, in 1009 het tweede en
ziet thans het derde deel het licht. Het laatste handelt over de ligging der inge-
wanden, gedemonstreerd door 12 dwarsdoorsneden van het bevroren paarden-
lichaam en door twee mooie, groote teekeningen van den romp van het paard,
waarvan resp. de linker- en rechterborst- en buikwand zijn weggenomen. De ver-
houding van de oppervlakkig gelegen ingewanden ten opzichte van elkander zijn
hierop zeer duidelijk en overzichtelijk aangegeven. Ter nadere verklaring zijn op
een doorschijnend papier, dat de plaat geheel kan bedekken, niet alleen de namen
der verschillende deelen vermeld, maar ook de ribben, het schouderblad, de achter-
rand der anconei, enz. zijn hiêrop geteekend, waardoor de ligging der ingewanden
ten opzichte van verschillende vaste punten der lichaamswand kan worden be-
paald, zoodat op eenvoudige wijze de orientatie bij het levende dier kan plaats
vinden. Deze beide platen verhoogen de waarde van het derde deel van dezen atlas
ten zeerste.

Minder overzichtelijk, maar voor een nauwkeurige studie van de ligging der
ingewanden van belang zijn de twaalf afbeeldingen der dwarscoupes. De eerste 4 be-
handelen de situs viscerum in het cavum pectoris, in de volgende 3 wordt naast het
caudale deel der borstkas een overzicht gegeven van het intrathoracale gedeelte
der buikholte met de organen, die daar zijn gelegen. Duidelijk blijkt uit deze af-
beeldingen hoe gauw men dit gedeelte bij het levende dier te klein schat. De laat-
ste 5 zijn doorsneden van de rest der buikholte en van het cavum pelvis.

Behalve, dat uit deze platen een voorstelling gemaakt kan worden van de lig-
ling der ingewanden, kan men zich ook een goed idee vormen van de topografie
der spieren aan den romp en de bovenste gedeelten der ledematen.

De schrille kleuren, waarin deze figuren zijn uitgevoerd, mogen de organen zeer
zeker duidelijk naast elkander laten zien, de schoonheid van het geheel wordt er
niet door verhoogd.

Aan de afbeeldingen gaat een stukje tekst vooraf, waarin naast verklarende
mededeelingen over de platen ook eenige praktische mededeelingen worden ge-
maakt, o.a. over de ligging en exploiratie van de milt, over de plaats van darm-
punctie. Nauwkeurig wordt de ligging van coecum en colon gedemonstreerd. Men
moet bij het lezen er van er om denken, dat
Schmaltz zijn eigen nomenclatuur
gebruikt, die afwijkt van die welke in de handboeken van
Martin en Ellen-
berger
-Baum wordt gebruikt; zoo kent hij o.m. geen klein of vlottend colon, maar
rekent het tot het rectum; hij spreekt niet van flexura diaphragmatica, maar van
flexura gastrica. Afgezien van het feit, welke der namen een juistere aanduiding
geven, moet het betreurd worden, dat in de voornaamste veterinair-anatomische
werken niet dezelfde nomenclatuur werd gebruikt.

De tekst wordt besloten met de mededeeling, van de wijze waarop de ,,Gefrier-
durchschnitte" zijn gemaakt. Hierbij vind ik o.a. een opmerking over de methode

-ocr page 600-

van Paulli. Terecht noemt Schmaltz dit een zeer goede manier voor de demon-
stratie van de ligging der ingewanden. Zij bestaat hierin dat het cadaver wordt op-
gespoten met een sterke formaline-oplossing. Na eenige dagen is het dier volkomen
stijf en kan zelfs op zijn vier beenen staan met hoofd en hals gestrekt.

Door het maken van groote vensters in borst- of buikwand, zelfs door wegname
van de geheele buikwand kan dan de situs viscerum gedemonstreerd worden.

In hoeverre deze methode te verkiezen is boven die van bevriezen durf ik niet
aan te geven, omdat ik de laatste nooit heb zien toepassen. Wel kan met groote
zekerheid worden gezegd dat de eerste voor het onderwijs gemakkelijker en voor de
afdeeling goedkooper is.

Het geheele derde deel van Schmaltz\' atlas maakt een aangenamen indruk
en is keurig afgewerkt. De veterinaire litteratuur is er met een goed werk door
vermeerderd.
 Krediet.

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde
in Nederland.

Heeren afdeelingssecretarissen, die nog niet hebben voldaan aan
het bepaalde in art 11 van het Huishoudelijk reglement (indienen
jaarverslag) worden beleefd verzocht zulks alsnog zoo spoedig
mogelijk te doen.

De iste Secretaris vam het hoofdbestuur,

H. A. Vermeulen.

Voorstel van de aedeeling Friesland.

De Mij. ter bevordering van de Veeartsenijkunde in Nederland be-
sluite de kosten, voortspruitend uit de exploitatie van het Tijdschrift
voor Veeartsenijkunde, aanzienlijk te doen verminderen door toe-
passing der volgende middelen:

i°. afschaffing van het honorarium van inzenders van copie;

2°. het zetten, drukken, etc. tegen een lagere prijs te doen plaats
hebben;

30. de verslagen, begrootingen en andere publicatiën van Rijks-
wege, alsmede de staten van uitvoerkeuringen en de uit de dagbladen
overgenomen veeartsenij kundige en veeteeltkundige aangelegenheden
betreffende berichten, niet meer in het Tijdschrift op te nemen-,

40. geen dissertatiën in haar geheel in ons orgaan te doen afdrukken.

Toelichting.

Daar de exploitatiekosten van het Tijdschrift in de laatste
jaren aanzienlijk zijn gestegen, — in 1908 bedroegen deze ongeveer

-ocr page 601-

f 1600, terwijl voor 1914 ± f 5000 is begroot — en deze stijging
niet het minst gedurende de jaren, dat het tijdschrift tweemaal
per maand verschijnt, is waar te nemen, dient de vrees gekoesterd,
dat het orgaan binnen enkele jaren de draagkracht van de Maat-
schappij te boven zal gaan.

De afdeeling heeft daarom gezocht naar middelen ter bezuini-
ging en meent deze te hebben gevonden in het sub 1 tot 4 voorge-
stelde.

Sub 1. Door de afschaffing van het honorarium zal jaarlijks
ongeveer f 700 bespaard worden en het komt den leden der af-
deeling voor, dat de veeartsen uit liefde voor de Maatschappij
gaarne gratis hun copie zullen blijven leveren.

Sub 2. De afdeeling meent, dat de prijs per vel druks, die thans
betaald wordt, veel te hoog is; naar ingewonnen berichten kan
het drukken etc. voor ongeveer 10 gulden per vel minder geschieden.

Sub 3. Met betrekking tot de sub 3 bedoelde publicatiën zij
opgemerkt, dat men de opname dezer berichten in ons orgaan
overbodig acht, aangezien van deze mededeelingen reeds veel eer
door de dagbladen kennis kan worden genomen.

Waar deze, naar hare meening, overbodige lectuur, bovendien
de Maatschappij in 1910 op ongeveer f450, in 1911 op ongeveer
f 750 kwam te staan, acht de afdeeling het aangewezen, met deze
opname te staken.

Sub 4. De leden zijn voorts de meening toegedaan, dat ons
orgaan niet bestemd is, om dissertaties in haar geheel op te nemen;
zij acht de hieruit voortspruitende kosten (de plaatsing van de
dissertatie in het Tijdschrift van 15 Januari en 1 Februari 1914,
wordt met inbegrip van het honorarium geschat op ongeveer
f400.—) te groot en zij meent dus te moeten opmerken dat het
geheel overbodig is, een werk, waarvan voor de kennisneming
voldoende gelegenheid buiten het Tijdschrift geboden wordt, in
ons orgaan te doen afdrukken.

Daarentegen zou het op prijs worden gesteld, indien, gelijk
voorheen een kort referaat der dissertaties van Nederlandschc
collegae werd opgenomen.

Voorstel van de afdeeling Friesland.

De Maatschappij ter bevordering van de Veearstenijkunde in Ne-
derland spreke de wenscheli]kheid uit, dat zich in hare af deelingen
commissies vormen, bestaande uit drie personen, welke tot taak heb-
ben, den leden desgewenscht van advies te dienen inzake hun ambte-

-ocr page 602-

lijke en finantieele verhouding tot provincie, gemeente cn ander pu-
bliekrechtelijke lichamen.

Toelichting.

Enkele nog zijn de klachten, welke voor en na op afdeelings-
vergaderingen worden gehoord, betreffende de finantieele positie
van gemeente- en provinciale veeaFtsen.

In die gemeenten, waar men de keuring van vee en vleesch
wenscht in te voeren en dus een zekere evenredigheid dient gezocht
tusschen belooning en daarvoor verrichte prestaties, ondervond
een enkel collega reeds moeilijkheden.

Men is van meening, dat deze straks, als de wet op de vleesch-
keuring er is, niet zullen verminderen.

Eveneens zal dan, naar hare meening, daar, waar verordeningen
op de vleeschkeuring dienen ontworpen te worden, waarbij veler-
lei belangen van de betrokken veeartsen op \'t spel komen te
staan, deze belangen in het gedrang kxinnen komen.

Niet minder, waar het geldt geschillen met lichamen als vee-
verzekeringmaatschappijen, zal goede raad op prijs gesteld kunnen
worden. Ter wille van deze aangelegenheden en wellicht van nog
vele meer, meent de afdeeling, dat een groep van eenige te dier
zake ervaren collegae, voor elke afdeeling afzonderlijk, een wel-
kome instelling zal zijn.

Zij is, ondanks het bestaan eener Commissie van beroepsbelangen
overtuigd, dat een dergelijk afdeelings-commissie kan waarborgen
een meer vlotte en deugdelijke behandeling, omdat i°. persoon-
lijk contact tusschen de betreffende leden zonder veel bezwaar
zal kunnen worden verkregen;
2°. de leden meer op de hoogte
kunnen worden geacht van locale en provinciale aangelegenheden,
als collegae uit andere streken des lands.

Voorstel van de afdeeling Noord-Holland.

Het Hoofdbestuur dringe er ter bevoegder plaatse op aan, dat aan
de Rijkskeuringsdiensten een onderzoek zal worden ingesteld naar
het voorkomen van trichinose onder de voor uitvoer geslachte varkens.

Toelichting:

De gevallen van trichinose in het afgeloopen jaar geconstateerd
aan het slachthuis te Haarlem, bij dieren afkomstig uit de omgeving
van deze stad, hebben het vraagstuk der keuring op deze ziekte
naar voren gebracht. In één der vergaderingen van slachthuis-

-ocr page 603-

directeuren is deze keuring urgent verklaard met het gevolg, dat
reeds op enkele slachthuizen een geregeld onderzoek naar deze
parasieten plaats vindt en dat deze kwestie op andere plaatsen
aanhangig is gemaakt. In de gemeentelijke slachthuizen wordt
echter maar een klein percentage der varkens uit Nederland ge-
slacht. Wil men een oordeel vellen over het voorkomen van tri-
chinose in Nederland, dan kan men met de gegevens welke de
slachthuizen verstrekken, niet volstaan. Toch meent de afdeeling
Noord-Holland, dat het van zeer groot belang is, gegevens te
verzamelen die betrekking hebben op het geheele land, omdat
van het voorkomen van deze ziekte afhankelijk is de al of niet
verplichte keuring van ieder geslacht varken. Ze heeft gemeend,
dat, behalve de gegevens welke de gemeenteslachthuizen kunnen
verstrekken, de rijkskeuringsdiensten van voor uitvoer bestemd
vleesch in de eerste plaats voor deze aangelegenheid in aanmerking
komen, immers deze keurings-diensten zijn over het geheele land
verspreid en krijgen hun slachtdieren toegezonden uit alle oorden
van het Rijk. Wanneer aan deze keurings-diensten enkele jaren
alle varkens op trichinen worden onderzocht, dan is men in staat
te beoordeelen. mede in verband met de gegevens door de ge-
meente-slachthuizen verstrekt, van welke uitgebreidheid de ver-
spreiding der trichinose is, of er maatregelen genomen dienen te
worden tot de invoering van een algemeene keuring of dat de
besmetting in de omgeving van Haarlem geheel op zich zelf staat
en men dus dit tijdroovend onderzoek weer op zij kan zetten.

VoOHSTF.LI.EN DER AFDEELING GELDERLAND-OVERIJSSEL.

i°. Het Hoofdbestuur wordt uitgenoodigd een onderzoek in te stellen
en daaromtrent rapport uit te brengen, in zake de exploitatie van het
Tijdschrift voor Veeartsenijkunde.

Toelichting.

De steeds stijgende contributie, welke voor dit jaar reeds f 14.—
bedraagt, heeft de afdeeling Gelderland-Overijssel aanleiding ge-
geven zich ernstig met deze aangelegenheid bezig te houden. Men
was algemeen van gevoelen, dat de vermoedelijke oorzaak der
hooge contributie, die naar men meende in geen geval meer op-
gedreven mocht worden, kon gelegen zijn in de exploitatie van het
Tijdschrift voor Veeartsenijkunde.

Daarin toch werden sedert eenigen tijd vellen druks aangetrof-
fen, die misschien weggelaten hadden kunnen worden zonder,,

-ocr page 604-

dat aan de wetenschappelijke voorlichting der leden der Maat-
schappij werd te kort gedaan.

2°. De Af deeling Gelderland-Overijssel heeft de eer op nieuw in te
dienen haar voorstel van het vorig jaar betreffende de Bestuursin-
richting der Maatschappij, luidende:

De Algemeene vergadering of het Hoofdbestuur benoeme een Com-
missie van drie of meer leden met de opdracht een statuten- en regle-
mentswijziging voor te bereiden, ten einde tot een reorganisatie van het
Hoofdbestuur te komen.

De toelichting ten vorige jare bij dit voorstel ingediend is ook
thans geldig.

Voorstellen van de Nieuwe afdeelixg Zuid-Holland

ie. De algemeene vergadering overtuigd, dat het op den weg der
Maatschappij t.b. der veeartsenijkunde ligt om meer dan tot op heden
het geval is geweest, zich bezig te houden met de behandeling en be-
spreking van veeteeltkundige aangelegenheden, draagt het hoofdbe-
stuur op om:

a. telkens indien wetsontwerpen, rekende de veeteelt en de be-
langen der veeartsen, bij de Staten-Generaal nader ingediend, deze,
door daartoe bij uitstek bevoegde lieden der Maatschappij te doen
onderzoeken.

b. het door dezen uitgebrachte schriftelijk prae-advies ter kennis
te brengen der afdeelingen en

c. dit op de algemeene vergaderingen te doen behandelen.

Toelichting: Zie notulen Biz. alg. vergadering 14 Maart 1914.

2e. De algemeene vergadering besluite een Commissie te benoemen,
wier taak zal zijn, met bekwamen spoed, een onderzoek te doen naar
de wijze, waarop het onderwijs in veeteelt voor de a.s. landbouwers
binnen de grenzen der geldende wettelijke bepalingen in Nederland,
kan worden verbeterd.

Toelichting:

Waar op de van rijkswege gesubsidieerde rijkslandbouwcur-
sussen het onderwijs in veeteelt in den beginne steeds werd opge-
dragen aan veeartsen is deze taak veelal overgelaten aan onder-
wijzers met acte landbouw (lager onderwijs), welke acte geen
waarborg geeft dat het onderwijs in veeteelt behoorlijk tot zijn
recht komt.

Daar het aantal jonge a.s. landbouwers, hetwelk die cursussen

-ocr page 605-

bezoekt steeds grooter wordt, is dit voor de latere veefokkers
een onvoldoende opleiding en geeft zij dikwijls aanleiding tot min-
dere of onvoldoende waardeering van wetenschappelijk onder-
legde veeteeltkundigen en tot dwaalbegrippen, die later moeilijk
kunnen worden bestreden.

Het is wenschelijk deze cursussen uitsluitend te doen geven
door daartoe goed onderlegde veeartsen of landbouwkundigen.

Afdeeling Friesland: Aangenomen als lid de heer W. Oosten-
brug,
te Hardegarijp.

Congres te Londen.

Het Britsche Organisatie-Comité noodigt de leden van het
Congres allerdringendst uit de begroetingsbijeenkomst op Zon-
dagavond, den tweeden Augustus, in Hotel Cecil, Londen, te
willen bijwonen.

De Secretaris van het Nederlandsch Comité,
D. A.
de Jong.

Het Nederlandsche Comité, hetwelk op Zaterdag 2 Mei te Utrecht
vergaderde, acht het gewenscht een hernieuwde oproeping tot
deelneming aan het Congres te Londen te richten tot de collega\'s
en hun dames. Het is van meening, dat velen zich misschien zul-
len laten terughouden wegens de tot nu toe zeer spaarzame mede-
deelingen, verstrekt door het organisatie-comité te Londen,
anderzijds door de niet zeer duidelijke gegevens omtrent logies
en hötelprijzen, terwijl het ten slotte ook vreest dat, ondanks de
verzekering in de vorige opwekking gegeven, het niet voldoende
machtig zijn van de Engelsche taal een bezwaar zal worden geacht.

Het Comité wil er met nadruk op wijzen, dat werkelijk de kos-
ten aan logies en verblijf in Londen verbonden, niet hooger zijn
dan b.v. in ons eigen land het geval is, en dat men toch heusch
met het oog daarop niet van een bezoek aan Londen behoeft af
te zien.

Lieden uit ons land, die in Londen en Engeland zeer goed bekend
zijn, geven de verzekering, dat men in Londen, wat hotels, verblijf
in boardinghouses, restaurants, enz. betreft, inderdaad zeer

-ocr page 606-

goed en zeer goedkoop terecht kan, en dat men zich in geen geval
daardoor moet laten afschrikken nu er een welkome gelegenheid
bestaat om niet alleen veel beoefenaars van de wetenschap bijeen
te zien, doch om een van de voornaamste wereldsteden te leeren
kennen.

Bovendien, wij zijn aan Engeland thans ook wel wat belang-
stelling verplicht. Op geen enkel internationaal veeartsenij kundig
Congres waren zooveel Engelschen tegenwoordig als op dat in
den Haag, en wij mogen dus in dat opzicht wel iets terugdoen.

De taal kan verder geen bezwaar vormen. In een Metropolis
als Londen komt men terecht zonder dat men Engelsch kent.
Doch men vergete bovendien niet, dat men er als Hollander niet
alléén zal zijn. Afgezien van de zorgen die het Engelsche Comité
ongetwijfeld tot alle Congresbezoekers, niet het minst de dames,
zal uitstrekken, zou niets zoo aardig en zoo gezellig zijn als het
gezamenlijk reizen en verblijven van alle deelnemers uit Holland,
zoodanig, dat men ook daardoor voor onnoodige uitgaven wordt
gevrijwaard.

Juist omdat het Engelsche Comité nog geen voldoende gegevens
heeft kunnen verstrekken, de Hollandsche deelnemers echter zoo
spoedig mogelijk dienen te weten, waaraan zij zich te houden heb-
ben, werd in de vroeger genoemde vergadering van 2 Mei be-
sloten een tweetal heeren uit te noodigen
een Commissie te vormen,
die een uitgebreide volmacht heeft
om alle noodige gegevens te ver-
krijgen omtrent een gezamenlijk, degelijk, niet duur en gezellig
verblijf te Londen, en omtrent het bedrag, hetwelk overtocht
en verblijf vermoedelijk zullen eischen. Het Nederlandsche Comité
meent, dat de collega\'s het instellen van deze Commissie zullen
toejuichen, begrijpende dat zulks hun bezoek aan Londen, zeer
ten goede kan komen. Ware het mogelijk dat in Londen de Hol-
landsche deelnemers met hun dames in een, of in twee kort bij
elkander gelegen, hotels konden verblijven, dan zou dit het genot
van het uitstapje zeer verhoogen, en zouden in het bijzonder
ook de Hollandsche dames met genoegen aan het Congres kunnen
deelnemen.

Laat men zich dus in grooten getale, ook wat de dames betreft,
als lid aanmelden. De voorzitter van de Maatschappij ter bevor-
dering der Veeartsenijkunde zal zijn best doen in de verschillende
afdeelingen sympathie voor het Congres te wekken. De voor-
zitters der verschillende andere veterinaire vereenigingen zullen
eveneens tot deelneming aansporen, en de andere leden van het
Nederlandsche Comité zullen in eigen kring het doel zooveel mo-

-ocr page 607-

gelijk bevorderen. Laten dus velen zich nu reeds voornemen de
reis mede te maken. Wij zijn het aan ons land en aan onzen stand
verplicht!

De tweede ondergeteekende blijft steeds bereid de bedragen
voor het lidmaatschap over te maken, indien hem f12.25 voor
een heer, of f3.15 voor een dame,- wordt overgemaakt. Maar
bovendien houdt hij zich aanbevolen voor mededeeling van de
namen van hen, die zich rechtstreeks te Londen als lid hebben
aangemeld, omdat daardoor het Nederlandsche Comité bekend
zal worden met het aantal der deelnemers uit Nederland, waardoor
het uitwerken van de plannen voor gezamenlijke overtocht, enz.
wordt vergemakkelijkt.

Alle verdere gewenschte inlichtingen worden zoo mogelijk,
gaarne verstrekt door den tweeden ondergeteekende, terwijl
de namen van de leden der bijzondere Commissie, in de vergadering
van 2 Mei benoemd, zoo spoedig mogelijk bekend zullen worden
gemaakt.

Het Nederlandsche Comité,

W. C. Schimmel,

Voorzitter,

I). A. de Jong,

Secretaris,

Berichten.

Bestrijding der Klein\'sche kippenziekte. Naar aanleiding van liet bericht over
dit onderwerp op blz. 28 van dit deel van het Tijdschrift wil ik zeer kort mijn
ondervinding met de enting mededeelen.

12 Juli 1913 entte ik op een boederij 115 of 116 kippen met serum tegen de
Kleinsche ziekte. Meerdere dieren waren al gestorven, een cadaver was opge
zonden naar de Seruminrichting. Diagnose: Kleinsche ziekte. Raad: enten eerst
met serum, 11a twaalf dagen met „entstof." (wat is dat?). 24 Juli 1913 kwam ik
dus weer voor de tweede enting; toen waren er nog maar een klein aantal in leven.
Daarop is de enting verricht. Sterfgevallen kwamen voor tot 30 Augustus. Sedert
niet meer; 11 kippen zijn in leven gebleven. De zeer filosofisch aangelegde boer
zeide bij mijn tweede bezoek; „nu ben ik er tenminste gauw af, vroeger stierf
telkens eens een, nu sterven ze bij troepjes." Vijf pas gestorven hoenders lagen
niet ver van elkaar bij de schuur.

Een koppel jonge kippen, die totaal van de andere afgezonderd waren geweest,

-ocr page 608-

zijn niet geënt geworden, maar naar een vrij ver verwijderd land gebracht, waar
een hok met ruime ren getimmerd werd.

De districtsveearts voor Overijsel, Dr. P. Schat, die bij het bezoek op 24 Juli
tegenwoordig was, adviseerde: drie weken 11a het laatste sterfgeval alles goed
schoonmaken, zoo mogelijk een nieuw hok in de schuur op een andere plaats
timmeren, en daarna de jonge hoenders pas op de boederij brengen. Dat is geschied
en met succes. Geen der jonge dieren is ziek geweest of is gestorven; ze leggen
goed.

Conclusies: 1. de enting is niet zeker, de veearts doet voorzichtig niette veel
te beloven; (dat komt meer voor; omgekeerd heb
ik zeer veel succes met
abortus-entingen, andere collegae weinig).

2. Ook met algemeene maatregelen is zeer veel te bereiken.

Vedere bespiegelingen wil ik niet houden, alleen er op wijzen, dat ik ook uit
andere streken van slechte resultaten gehoord heb, uit weer andere trouwens
ook van zeer goede; en verder dat ik duizenden varkens geënt heb en dus ook wel
in staat zal zijn kippen te enten; dat het gewenscht is evenzeer de slechte resul-
taten te publiceeren, als de goede; en even herinneren dat de diagnose Klein\'sche
ziekte gesteld is door de seruminrichting zelf aan een gezonden cadaver.

Hengelo. E. J. üommerhold.

Pluimveehouderij. De Vereeniging tot bevordering der pluimveehouderij en
tamme konijenteelt in Nederland heeft te Utrecht haar algemeene voorjaars-
vergadering gehouden.

De voorzitter, de heer F. E. Posthuma wees er met genoegen op, dat ter zake
van het onderwijs en de fokkerij reeds gunstige resultaten zijn bereikt. De bestrij
ding van de hoenderziekten kan nog niet op systematische wijze worden gevoerd,
vooral door gebrek aan hulp van den consulent, toch zijn reeds door verschil-
lende onderafdeelingen uitstekende maatregelen getroffen en kon ook hier en
daar, waar technische hulp kon worden verkregen, met succes worden opgetreden.
Spr. merkte verder op, dat de V.
P. N. meer en meer begint te worden een
landbouwvereeniging.

In 1912 werd de eerste cursus in pluimveeteelt te Amersfoort gehouden. In 1913
werd die cursus herhaald en weer volgden 25 personen dezen cursus. In 1912 wer-
den drie wintercursussen in pluimveeteelt gehouden. Van de 27 in 1913 aange-
vraagde wintercursussen zijn er in het afgeloopen winterseizoen 24 gehouden,
■bcor de regeering werd hiervoor een subsidie van f 1827 toegestaan, waarvoor
dank betuigd wordt. Ook voor 1914 is weder een verzoek aan de regeering gedaan
tot het geven van steun voor den cursus te Amersfoort. Reeds nu hebben zich een
25 tal, meest landbouwonderwijzers, zich voor het volgen van dien cursus opge-
geven. Zoodra het proeffokstation zal zijn tot stand gekomen zullen meer cursussen
worden gegeven, o.a. voor opleiding van arbeidskrachten of voor hen, die zelf
een bedrijf hebben te besturen Ook in de wijze van verbetering van den hoender-
stapel is een belangrijke vooruitgang te constateeren.

Op de landbouwtentoonstelling heeft de V. P. N. voor het eerst al haar fok-
materiaal bijeengebracht. Jaarlijks stelt de V. P. N. f 2200 voor een keuring fok-
toomen beschikbaar. Wenschelijk is, dat van regeeringswege voor verbetering

-ocr page 609-

van den hoenderstapel door middel van fokstations een bijzondere subsidie werd
verleend. Met groot genoegen werd gewezen op de medewerking van de regeering
tot het verkrijgen van steun voor het centraalproeffokstation. Plannen hier-
voor zijn in bewerking. Met de uitvoering zal worden begonnen, zoodra de gel-
den door de beide kamers zijn toegestaan. Ter zake van het pluimveeteelt-con-
sulentschap zijn belangrijke stappen te wachten. Het proeffokstation zal den con-
sulent in de gelegenheid stellen zijn werkkracht nog nuttiger aan te wenden in het
belang van alle pluimveehouders.

Daarvoor zullen hem assistenten moeten worden toegevoegd. Reeds is in deze
met de regeering overlegd gepleegd en vertrouwd wordt, dat dit tot goede resulta-
ten zal leiden. Het consulentschap legt aan de V. P. 3ST. een financieele last op van
f 3000 per jaar, welke last de V. P. N. niet langer kan dragen. De kwestie zal dus
tot een oplossing moeten komen.

Dank zij de V. P. N. is een krachtige actie in verschillende deelen des lands be-
gonnen tot wering van hoenderziekten; op de Veluwe, waar jaarlijks honderd
duizenden guldens verloren gaan, wordt met kracht opgetreden. Spr. bracht
hierbij dank aan dr.
ten Hennepe voor zijn groote medewerking.

De heer H. B. Beaufort, de pluimveeteelt-consulent gaf daarna verslag van
zijn werkzaamheden in 1913. Deze bepaalden zich hoofdzakelijk tot de landbouw-
tentoonstelling, den cursus voor pluimveeteelt te Amersfoort en de wintercur-
sussen, de proeffokstations en de bestrijding der hoenderziekte. Aan de bestrijding
van de hoenderziekte kon niet datgene worden gedaan, wat wenschelijk was, daar
onderwijs en proeffokstations voorgaan. Noodig is daarom de aanstelling van
assistenten in verschillende deelen des lands. De wintercursussen zullen in het
komende seizoen belangrijk in aantal toenemen. Van die in den afgeloopen win-
ter gehouden , waren de resultaten goed. Wat de fokkerij betreft, deelde spr. mede
dat er in ons land 12 fokstations bestaan waarnaast 158 foktoomen. Veel werd
gedaan om de verbetering van den hoenderstapel zooveel mogelijk te bevorderen.
Gewenscht is de oprichting van meerdere fokstations met foktoomen als aanvulling.

Wat de hoenderziekte betreft, meende spr. te kunnen zeggen, dat de hoender-
cholera hier te lande ingevoerd werdt door invoer van daarmede belaste kippen
uit België. Hij kan zich echter niet vereenigen met voorstellen tot sluiting van de
grenzen voor den invoer dier kippen, daar dit repressaille-maatregelen tenge-
volge zou kunnen hebben, Wel acht hij wenschelijk en doeltreffend beperkende
bepalingen voor dien invoer. Ook had spr. bezwaar de hoenderziekte in de wet op
te nemen. Wel acht hij het wenschelijk, voorstellen te bevoegder plaatse te doen
inzake het vervoer en den verkoop van in zieken toestand zich bevindende hoenders.

N. Bolt. Courant.

Uit het bovenstaande blijkt dat de V. P. N. niet alleen haar aandacht schenkt
aan de hoenderfokkerij, maar ook aan de
kippeziektcn. Om te voorkomen dat dit
geheel buiten de veeartsen om gaat, wordt het hoog tijd, dat zij zich meer met
die ziekten bemoeien. Ook zou het aanstellen van regeeringswege van een of twee
veearts-specialiteiten in hoenderziekten, geen slechte maatregel zijn. V.

-ocr page 610-

Ontwerp van wet tot regeling van het Landbouw en het Veeartsenijkundlg

hooger onderwijs.

Aan

Zijne Excellentie den Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel.

A an

Hecren Leden der Staten Generaal.

Geeft met verschuldigden eerbied te kennen het Hoofdbestuur der Maatschappij
ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland, overeenkomstig de opdracht
der Buitenge wQne Algemeene Vergadering, gehouden te Utrecht, 14 Maart J914,
dat in deze vergadering behandeld is geworden het rapport, uitgebracht dooreene
Commissie uit genoemde Maatschappij, bestaande uit de Heeren:

Dr. D. L. Bakker, A. W. Heidema, Prof. Dr. D. A. de Jong, J. M. Knipscheer
en H. J. C. van Lent, waarin de resultaten zijn neergelegd van een onderzoek van
het ontwerp van wet tot regeling van het Landbouw- en het Veeartsenijkundig
hooger onderwijs.

Aangezien de voornoemde Buitengewone Algemeene Vergadering der Maat-
schappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in\'Nederland slechts in een enkel
onderdeel van het rapport eene principieele wijziging heeft wenschelijk geacht,
meent het Hoofdbestuur te kunnen volstaan genoemd rapport, in bedoelden zin
gewijzigd, onder Uwe aandacht te brengen.

Rapport, uitgebracht door de commissie uit de Maatschappij ter bevordering der
Veeartsenijkunde in Nederland, belast met een onderzoek van „het ontwerp van wet
tot regeling van het landbouw- en het veeartsenijkundig hooger onderwijs."

Het behoeft geen betoog, dat de commissie het bedoelde wetsontwerp, met name
voor zoover daarin regeling van het hooger onderwijs in geneeskunde der dieren
wordt voorgesteld, met zeer bijzondere belangstelling heeft onderzocht. Eindelijk
toch wordt daardoor uitzicht geopend op vervulling van de zoo herhaaldelijk van
veeartsenij kundige zijde geuite wenschen; wenschen zoodanig billijk, dat het on-
begrijpelijk is waarom eerst in het jaar 1913 de Nederlandsche regeering den tijd
gekomen achtte het vóór dien geketende veeartsenijkundige onderwijs in zijn
ontwikkeling vrij te maken
in elke richting en niet langer een toestand te doen voort-
duren, die toch eigenlijk voor docenten en studenten minderwaardig was en boven-
dien de algemeene belangen op bedenkelijke wijze schaadden.

Zeker is de Nederlandsche veeartsenijkunde dank verschuldigd aan minister
Talma, die het initiatief in deze aangelegenheid nam, en groote erkentelijkheid
aan Minister
Trkub. nu het wetsontwerp bij het optreden van een nieuwe regeering
niet werd ingetrokken en hij de verdediging op zich wenscht te nemen.

Misschien zou het gevoel van dankbaarheid in belangrijke mate getemperd
moeten worden, indien het wetsontwerp slechts in schijn de zoo zeer noodige ver-
beteringen trachtte te brengen, inderdaad echter niet in staat mocht worden geacht

J

-ocr page 611-

de vrijmaking te verzekeren. De commissie wil dus reeds dadelijk als haar meening
uitspreken, dat het wetsontwerp werkelijk in staat moet worden geacht aan de thans
aan \'s Kijks Veeartsenijschool heerschende onhoudbare toestanden een einde te
maken, ook al is de voorgestelde oplossing niet de eenige om hetzelfde doel te be-
reiken. Doch ook bij aanvaarding van het in het wetsontwerp neergelegde stelsel
d.w.z. regeling in éénzelfde wet
met het hooger landbouwonderwijs, kan het ontwerp
inderdaad de belangen van het onderwijs in diergeneeskunde waarborgen, mits
slechts die bepalingen, welke bij handhaving een blijvende belemmering zouden
vormen, worden geschrapt of in gunstigen zin gewijzigd.

Uit het voorgaande valt reeds af te leiden, dat de commissie bedenkingen heeft
tegen gedachten, die bij den ontwerper van de wet hebben voorgezeten en tegen
verschillende onderdeelen van het ontwerp, welke als uitvloeisel daarvan zijn te
beschouwen. Zij wenscht die achtereenvolgens te behandelen, zonder daarnaast
telkens te wijzen op het vele goede en het vele doelmatige in het wetsontwerp.
Zij zal met name op den voorgrond dringen de naar haar meening ernstige tekort-
komingen opdat, indien zij door de Maatschappij worden erkend, door tijdige
publicatie het wetsontwerp is te
verbeteren.

Zoo wenscht de commissie allereerst in verband met de reeds genoemde regeling
van landbouw- en veterinair onderwijs
in één ontwerp dadelijk als haar meening
uit te spreken, dat het misschien zijn goede zijde kan hebben om opportuniteits-
redenen de regeling van dit landbouwkundig- en veeartsenij kundig onderwijs
aanhangig te maken, echter overigens zulke opportuniteit niet alleen niet is te
vinden in een oorspronkelijk verband, hetwelk tusschen beide zou bestaan, doch dat
het bovendien het wezen van beide takken van onderwijs geweld aandoet een dus-
danig verband te leggen. Het veeartsenijkundig onderwijs is in wezen
geneeskundig
onderwijs, is nooit anders geweest en moet ook nooit iets anders worden. Daarmede
is voor goed gezegd dat er geen innig verband met het landbouwonderwijs bestaat
en dat elke band die wordt gelegd, gewrongen moet zijn. Dat de landbouw van de
geneeskunde der dieren profiteert wil allerminst zeggen, dat er tusschen het eind-
doel van de landbouwkundige- en de diergeneeskundige studie eenig verband moet
worden gelegd; en indien men aan de laatstgenoemde vooral als einddoel zou wrillen
opleggen bevordering van de belangen van den landbouw, dan verliest men ten
eenenmale uit het oog, dat men het
gewensrhte einddoel, d.i. de zoo hoog-weten-
schappelijke opleiding in de vakken van geneeskunde der dieren, zou willen prijs-
geven. In dit opzicht kan de commissie met de in de memorie van toelichting ont-
wikkelde beweegredenen niet medegaan, iets waarop nog nader bij de bespreking
van de omvorming der Rijks Veeartsenijschool in de hoogeschool en van het ge-
meenschappelijke college van curatoren wordt teruggekomen. Het feit dat de Rijks
Veeartsenijschool en de Hoogere Land-, Tuin- en Boschbouwschool onder één
departement zijn samengebracht vormt in dit opzicht geen deugdelijk argument.
Inderdaad ware het veeartsenijkundig onderwijs zeer goed aan het departement
van binnenlandsche zaken te verzorgen, waartoe het trouwens vroeger behoorde.

Onjuist acht de commissie ook te meenen, dat er een band tusschen veeartsenij-
kundig- en landbouwkundig onderwijs zou moeten bestaan, omdat de beide te
stichten hoogescholen gemeenschappelijke belangen zouden hebben en vooral omdat
de leerlingen der beide scholen later den landbouw en de landbouwers zullen hebben

-ocr page 612-

voor te lichten. Gemeenschappelijke belangen bestaan er niet, ten minste de com-
missie weet ze niet te noemen en moge het genoemde levensdoel voor de dierenartsen
zijn weggelegd, dan mag zulks allerminst aanleiding vormen hef onderwijs aan beide
inrichtingen
naar elkander te richten, zooals het in de memorie van toelichting heet.
Daarmede zou dan reeds dadelijk zoowel het karakter
van hooger onderwijs als de
vrije ontwikkeling der wetenschap
worden aangetast, iets wat zeer zeker in dierge-
neeskundige kringen nooit waardeering zou kunnen vinden. Bovendien is de mee-
ning, als zou de toekomst van het overgroote meerendeel der veeartsen het dienen
van landbouwbelangen zijn, inderdaad niet juist. De militaire paardenartsen, de
keuringsveeartsen, de. slachthuisdirecteuren en de dierenartsen in verschillende
niet al te kleine steden zijn niet te beschouwen als directe landbouwdienaren!

Welke opvattingen in landbouwkundige kringen te dezen opzichte mogen be-
staan laat de commissie in het midden, doch waar het algemeen belang het meest
gebaat is met de vrije ontwikkeling van het veeartsenijkundig onderwijs is elke
band, die zulks in gevaar brengt,
te verwerpen.

Wenscht men dus ter regeling van veterinair en landbouwkundig hooger onder-
wijs de stichting van twee hoogescholen tot stand te brengen dan kan, gelijk gezegd,
om gelegenheidsreden tegen de gelijktijdige schepping geen bezwaar bestaan, doch
er dient geen band te worden gelegd ter wille van een verband, hetwelk niet bestaat.
De stichting van één landbouw- en veeartsenij kundige hoogeschool, waarop in
de memorie van toelichting wordt gedoeld zou dan ook ongetwijfeld een zeer on-
practisclie oplossing zijn door het te eng aaneenkoppelen van ongelijksoortige
wetenschappen Het faculteitskarakter zou aan elk der onderdeelen van een der-
gelijke hoogeschool moeten worden toegekend, een curatorium zonder neiging
om een knellenden band te leggen zou ingesteld moeten worden, waardoor dus
feitelijk weder twee zelfstandige hoogescholen zouden ontstaan. Ware het curato
rium daarmede niet in overeenstemming, dan waren voortdurend ernstige geschillen
te vreezen.

Wenscht dus de commissie de regeling van het landbouw en het veeartsenijkundig
onderwijs in één wetsontwerp niet als doelmatig te erkennen, omdat er verband
in onderwijs zou bestaan, zij wenscht ook uit te spreken, dat de benaming veeartse-
nijkundig onderwijs onjuist is, onulat het woord „veeartsenijkundig" niet aanduidt
tot welke wetenschap het opleidt. De commissie kan dus niet alleen niet meclegaan
met den door de ineenschakelingscommissie indertijd gebruikten titel voor vete-
rinaire hoogeschool, doch is van meening, dat de termen,, veeartsenijkundig hooger
onderwijs", „veeartsenijkundige hoogeschool" en „veearts" dienen te worden ge-
wijzigd als gevende niet aan, wat er mede is te bedoelen. De commissie merkt in
dat opzicht zeer beslist op dat, hoeveel eerbeid zij heeft voor een overeenstemmend
advies ter zake van eenige letterkundige hoogleeraren, dat advies
niet dient te
worden opgevolgd, wanneer het niet de juiste oplossing brengt. De veearts van
tegenwoordig behandelt meer dan hetgeen men onder „vee" verstaat. Hij behandelt
„dieren". Het „artsenijkundig" in veeartsenijkundig drukt niet duidelijk uit dat
„geneeskundig" wordt bedoeld. De commissie meent dus dat gesproken dient te
worden van „diergeneeskundig hooger onderwijs", „dierenarts" en „diergenees-
kundige hoogeschool".

In <le memorie van toelichting wordt er op gewezen, dat <le drang, opgemerkt

-ocr page 613-

bij de dierenartsen, om in den vreemde te gaan promoveeren, mag geacht worden
te bewijzen, dat de neiging der studeerenden tot wetenschappelijke studie in hun
vak in hooge mate aanwezig is en daaruit wordt mede de wenschelijkheid der offi-
cieele sanctie als hooger onderwijs betoogd. De commissie wenscht er evenwel op
te wijzen, dat
spoedige voorziening hier gewenscht is, omdat de promotie in het
buitenland de waarde van den doctorstitel in Nederland in het gedrang dreigt te
brengen. Trouwens, de Minister voelt dit, want verder in de memorie van toe-
lichting wordt gezegd dat hij van meening is ,,dat de promotie met zoodanige
waarborgen moet worden omgeven, dat zij een werkelijk wetenschappelijke waarde
verkrijgt en behoudt; het zal zijn streven zijn daarop toe te zien bij de nadere rege-
ling der examens en promoties". Inderdaad, hier heeft de wetsontwerper zich een
goed doel voor oogen gesteld, doch dan is ock de wijziging van den bestaanden
toestand een
eisch van het oogenblik!

En iets later wordt gewezen op het belang van het bezit van wetenschappelijke
veeartsen voor landbouw en volksgezondheid, terwijl niet wordt gerept van het
groote nut van wetenschappelijk gevormde militaire paardenartsen en dierenartsen
in de steden. De commissie wijst hier nogmaals op om te doen uitkomen, dat de
opleiding aan een diergeneeskundige hoogeschool in verlerlei richting geschiedt.

De regeling van het veeartsenijkundig hooger onderwijs is o.m. noodig, zoo
zegt de memorie van toelichting, omdat de thans bestaande wettelijke bepalingen
van 8 Juli 1874 zoodanig verouderd zijn, dat aan herziening niet kan worden ge-
dacht. Niets is meer waar, doch er dient te worden toegevoegd dat er periculum
in mora is. De toevloed van leerlingen in de laatste jaren is zoodanig geweest, dat
de thans bestaande, door de Wet voorgeschreven studie-indeeling en examenregeling
aanleiding geven tot allerlei moeilijkheden, welke de studie op allerbedenkelijkste
manier benadeelen, omdat een ongeordende toestand is ingetreden.

De regeering heeft gemeend het vraagstuk van het veeartsenijkundig onderwijs
tot oplossing te moeten bfengen door voor te stellen de bestaande Rijks Veeartsenij-
school in een veeartsenijkundige hoogeschool om te zetten. Inderdaad schijnt het
der commissie, dat daardoor het gewenschte doel te bereiken is en vele der in de
memorie van toelichting genoemde argumenten moeten in dit opzicht als steek
houdend worden beschouwd. Zoo zullen er voorzeker moeilijkheden bestaan otn
de regeling tot stand te brengen door het instellen van een zesde —■ diergenees-
kundige — faculteit aan de Utrechtsche universiteit. Bestonden die echter niet,
dan zou de commissie een dergelijke oplossing zeer toejuichen. Ook daarom zou,
naar de meening der commissie, een zoodanige faculteit aanbeveling verdienen,
omdat de propaedeutische vakken aan andere faculteiten konden worden onder
wezen, terwijl zij meent dat het diergeneeskundig onderwijs geen bijzondere be
hoefte heeft aan een afzonderlijke propaedeusis. Om deze redenen zou zij het ook
wanneer dit kon geschieden en al mocht geen afzonderlijke faculteit mogelijk zijn
en dus een afzonderlijke hoogeschool de eenige oplossing vormen, niet erg vinden,
wanneer zelfs dan door de studenten verschillende propaedeutische vakken aan
de universiteit werden gehoord.

Misschien gaf dit besparing van kosten, terwijl de omgang met de studenten
aan de universiteit een groot voordeel is te achten. Opneming in de medische facul-
teit zou echter, zooals in de memorie van toelichting terecht wordt gezegd, een zeer

-ocr page 614-

ondoelmatige oplossing vormen, alleen ware zij in ongunstigen zin te overtnffen
door de vroeger besproken vereeniging met een landbouwhoogesclhool. Het is da.11
ook der commissie eenigermate onduidelijk hoe de regeering, die zoo goed he: on-
doelmatige van het onderbrengen in de medische faculteit inziet, even verd;r in
de memorie van toelichting, er werd reeds op gewezen, niet het groote gtvaar
ziet dat het leggen van verband tusschen landbouw- en veeartsenijkundig onderwijs
onvermijdelijk voor het laatste moet opleveren. Daardoor bestaat eerst rechc ge-
vaar in het gedrang te komen.

De commissie wil niet verzuimen hier een speciaal onderdeel te bespreken, vaar-
uit eventueel verband tusschen veeartsenijkundig en landbouwonderwijs if te
leiden zou zijn, anderzijds echter het argument van een niet bestaand veóand
te baat genomen zou kunnen worden om het veeartsenijkundig onderwijs ii een
bepaald onderdeel te benadeelen. Het betreft de vorming van zoogenaamde zoötech-
nici, veefokkerijspecialisten, veeteeltsconsulenten, de deskundigen op het gtbied
van de huisdierteelt.

Het lijdt geen twijfel of de studie aan een hoogeschool voor diergeneeskunde,
waar anatomie en physiologie met embryologie en histologie zeer uitvoerig worden
behandeld, verschaft grondige voorbereiding voor de beoefening der huisdierteelt,
een bij uitstek wetenschappelijke voorbereiding; verder eisclit de dierpathologie
ook deugdelijk onderwijs in de meer bijzondere zoötechnische vakken, omda.t de
patholoog het normale en het deugdelijke in de dieren grondig dient te weten.
Dat brengt dus als van zelf mede, dat een dergelijke hoogeschool ook uitmuntend
geschikt is voor de vorming van de bedoelde specialisten. Zij gaat aan deze hooge-
school als het ware van zelf, is een natuurlijk uitvloeisel van de richting daarvan
en zulks blijkt ook wel uit het feit, dat in Zuid-Duitschland, in tegenstelling nïêt
het noordelijk deel, het meerendeel der huisdierteelt-leeraren wordt gevormd
uit het corps dierenartsen en vooral ook uit het feit, dat bij ons te lande het meren-
deel der cursussen in exterieur, paardenfokkerij en veertelt aan veeartsen \\\'ordt
toevertrouwd en zij zeer gewaardeerde adviseurs zijn voor fokvereenigingen, enz.

Dat een landbouwhoogeschool eveneens en misschien meer in het bijzonder
op de vorming van dergelijke specialisten wordt ingericht, is misschien even natuur-
lijk, alhoewel de daar gevormde deskundigen, juist wat de wetenschappelijke
basis betreft, waarschijnlijk minder uitvoerig worden onderlegd. Doch dit feit
op zich zelf behoeft geen band tusschen twee inrichtingen te leggen, die op zich zelt
twee afzonderlijke richtingen der natuurwetenschappen behartigen en dus niet
innig te verbinden zijn. Het algemeen belang brengt mede, dai men geen druk
uitoefent door het scheiden der inrichtingen, terwijl het eventens medebrengt,
dat men de zoötechnische studiën aan de diergeneeskundige hoogeschool, welke
door haar aard zooveel anders zijn dan aan een landbouwhooges:hoo], in het bij-
zonder bevordert. De veterinaire voorbereiding in dit opzicht dient gesteund te
worden onafhankelijk van de opleiding aan de landbouwhoogeschojl. Zou men even-
tueel, in het belang der bedoelde specialisten zelf, de voordeelei van beide rich-
tingen willen combineeren, dan zou b.v. voor dergelijke lanibouw-ingenieurs
het bezit van het diploma van candidaat in de diergeneeskundt verplichtend te
stellen zijn. Doch, het zij herhaald, het feit, dat de diergeneeskuncige studie opleidt
tot en, zooals van zelf spreekt, opleiden moet tot de vorming vai zoötechnici, kan

-ocr page 615-

nooit jeduiden, dat er een band moet worden gelegd tusschen diergeneeskundige
hoogeschool en landbouwhoogeschool. Dan ware eventueel de door den minister
zelf terecht veroordeelde toevoeging aan een faculteit van geneeskunde nog béter
te vercedigen.

Waar dus elk verband, juist om verschil in studierichting, is te veroordeelen,
daar kan zeker niet worden aanvaard het beginsel van het gemeenschappelijke
college van curatoren, dat in dit opzicht voor het verband meer in het bijzonder
zou hebben te waken. De diergeneeskundige hoogeschool dient een college van
curatoren te hebben, dat voor haar belangen waakt en niet een college, dat haar
belangen toetst aan die van de landbouwhoogeschool, zooals de minister het toch
eigenlijk m de toelichting van artikel 32 wil zeggen. De objectiviteit kan in dit op
zicht liet bestaan. Het onvermijdelijk gevolg moet zijn een college van curatoren,
dat voor de
landbouwbelangen, zetelende in de beide inrichtingen, waakt. Voor
geneesrunde is daar geen plaats en juist die richting mag in het curatorium der
diergeneeskundige hoogeschool niet ontbreken. Die school moet een eigen cura-
torium hebben en sommige leden der commissie achten zelfs om de gewraakte
bepaliig alléén het wetsontwerp uit een oogpunt van veterinaire belangen
onaan-
nemelijk!

Na iet voorgaande heeft de commissie slechts weinig mede te deelen omtrent
de verschillende titels en artikelen van het wetsontwerp. Zij meent dat Titel II
niet over de „scholen", doch over de „hoogescholen" zou moeten handelen en is
verder siechts matig ingenomen met den „administrateur", in artikel 6 genoemd,
cliê vólgens artikel 43 het geldelijk en administratief beheer der hoogeschool zal
hebbel» te voeren en die zelfs volgens artikel 26 lagere beambten zal kunnen aan-
stellen. Het lijkt duidelijk, dat een dergelijk ambtenaar een machtsondermijner
is van curatoren en hoogleeraren, bovendien als staande tusschen curatoren en se-
naat zeer moeilijk zal worden geduld. Wil men curatoren een ambtenaar toestaan,
die voor hen geldelijk en administratief beheer voert, dan kan daartegen allerminst
bezwaar bestaan. Doch het is zeer onpractisch naast het college van curatoren
nog een ambtenaarspositie te scheppen, waaraan zeker ook macht is verbonden,
die zelfs op senaat en hoogleeraren zal uit te oefenen zijn. De toelichting, bij artikel
6 omtrent de functie van den administrateur gegeven, is in dit opzicht onvoldoende,
daar uit niets de noodzakelijkheid, of zelfs het gewenschte blijkt om in dit opzicht
een ambtenair, d:e niet onder de curatoren staat, in de wet op te nemen. De do-
centen en hun technische hulpkrachten van administratieve bezigheden te ont-
lasten gaat doodeenvoudig niet, daar de docenten de directeuren der instituten
en afdeelingen vormen, die bij hun leiding daarvoor hebben te zorgen, dat zij het
budget niet overschrijden, doch zeer zeker niet zullen kunnen werken en leiden,
indien er een comptabel ambtenaar bestaat, die meent onafhankelijk genoeg te
zijn om eenig gezag uit te oefenen. Wil men in dit opzicht degelijk te werk gaan,
dan stelle men natuurlijk administratieve hulpkrachten onder curatoren aan,
doch geve ook aan de afdeelingen of instituten, waar veel administratief werk is,
een afzonderlijke administratieve hulpkracht. Zooals de zaak wordt voorgesteld,
waarbij de instructie van den administrateur niet door curatoren zou worden ge-

-ocr page 616-

regeld, deze zelfs lagere ambtenaren zou kunnen aanstellen, is de duidelijke kiem
voor groote onaangenaamheden gelegd.

Omtrent artikel 8 meende de meerderheid in de commissie dat onder s. de „land-
huishoudkunde" diende gelezen te worden de „algemeene landbouwkunde",
omdat onderwijs hierin den aanstaanden dierenarts eenig belang zou kunnen in-
boezemen, doch
onoverkomelijke bedenkingen heeft de commissie tegen artikel 18,
hetwelk overeenkomt met de artikelen 44 en 91 der hoogeronderwijswet, met dit
verschil echter dat is weggelaten de volgende bepaling:

„Hoogleeraren, het lidmaatschap van een der beide Kamers van de Staten-
„Genera<J aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van rechtswege op
„nonactiviteit en genieten de helft hunner jaarwedde als verlot-tractement."

Zooals uit de toelichting blijkt, is dit tweede lid met opzet weggelaten. Men leest
daar „Het overeenkomstig artikel uit de hoogeronderwijswet (art. 91) is niet geheel
„overgenomen; wat in het tweede lid van dat artikel is bepaald zou, in verband
„met artikel 16 van het ontwerp en met de vaak zeer beperkte keuze van speciale
„deskundigen in strijd kunnen komen met de belangen van het landbouw- en
„veeartsenijkundig onderwijs."

Deze opvatting dient toch inderdaad met kracht bestreden te worden. Moge
de keuze voor hoogleeraren beperkt zijn, zoo is dit ook voor andere wetenschappen
het geval, en evenmin als daar mag zulks hier een bezwaar vormen, nu in het al-
gemeen voor hoogleeraren in de Wet werd vastgesteld het beginsel, dat zij bij be-
noeming tot Kamerlid non-actief worden en de halve jaarwedde
genieten.Komen
dergelijke gevallen voor bij hoogleeraren der te stichten hoogescholen dan moet
ook daar het algemeen belang den doorslag geven en de beoefenaars der
veeartsenijkunde en der landbouwkunde mogen eischen, dat hun hoogleeraren
het bekleeden van het kamerlidmaatschap
niet onmogelijk wordt gemaakt. Het
betreffende artikel dient dus te worden aangevuld.

In artikel 30 moet, naar de commissie meent „Het tweede en het derde lid,enz."
gelezen worden: „Het tweede en het vierde lid", terwijl in artikel 32 het beginsel
van twee gescheiden colleges van curatoren met twee secretarissen dient te worden
vastgelegd.

Omtrent het bepaalde in artikel 47 meent de commissie den wensch te moeten
uitspreken den hoogleeraren en lectoren ook, daar de examens zeer vermoeiend
en tijdroovend zijn, voor het afnemen der examens een vergoeding uit de examen-
gelden, bij artikel 50 geregeld, toe te kennen.

Wat art. 49 betreft is het gewenscht, dat het aantal te verrichten abnormale
verlossingen bij groote huisdieren (paard of rund) op vijf bepaald wordt, terwijl
daaraan de bepaling dient te worden toegevoegd, dat iedere candidaat niet alléén
minstens tien normale, doch bovendien nog minstens vijf abnormale verlossingen
van groote huisdieren moet hebben bijgewoond.

Het Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in
Nederland neemt de vrijheid op te merken, dat, wanneer in het onderhavige ont-
werp van wet zoodanige wijzigingen worden aangebracht als in het voorafgaand
rapport zijn voorgesteld, inderdaad
onder de thans gegeven omstandigheden waar-
borgen gegeven worden, dat, wanneer het ontwerp tot wet verheven zal zijn,

-ocr page 617-

het veeartsenij kundig onderwijs zich zal kunnen ontwikkelen op een wijze, die
beantwoordt aan het doel en in overeenstemming is met den tegenwoordigen
stand der veeartsenij kundige wetenschap.

Het einddoel mag echter hiermede niet geacht worden te zijn bereikt.

Dat einddoel ligt besloten in de navolgende motie, met overgroote meerderheid
van stemmen door de Buitengewone Algemeene Vergadering bovenbedoeld aan-
genomen, welke luidt:

De Buitengewone Algemeene Vergadering der Maatschappij ter bevordering
der Veeartsenijkunde in Nederland, gehouden te Utrecht op 14 Maart 1914, ge-
hoord de discussiën over het ontwerp van Wet tot regeling van het Landbouw-
en het Veeartsenijkundig hooger onderwijs, spreekt als haar oordeel uit dat de
eind-
oplossing
van het vraagstuk „Veeartsenijkundig Onderwijs" dient te worden ge-
vonden in de toevoeging van een 6e. faculteit aan de Utrechtsche Universiteit.

Het Hoofdbestuur der Maatschappij ter Bevordering
der Veeartsenijkunde in Nederland.

P. K. M. Houba, Voorzitter.

H. A. Vermeulen, iste Secretaris.

Verslag van de bijzondere vergadering der afdeeling Friesland op den 3ien Maart
1914 te Leeuwarden gehouden. Deze vergadering, bijeengekomen ter bepaling van
hel standpunt, door de Friesche veeartsen in te nemen tegenover de iste Frie-
sche Ond. landbouwpaarden-Verzekeringmaatschappij, werd door twaalf vee-
artsen bezocht.

Nadat per advertentie door de afdeeling was bekend gemaakt dat na 1 Juli
19 r 4, paarden, bij genoemde Maatschappij verzekerd, niet meer in behandeling
zouden worden genomen, was van de zijde van enkele paardenhouders de wensch
uitgesproken, dat een compromis de intrekking van het door de veeartsen genomen
besluit als gevolg mocht hebben.

Daar het geschil is gerezen, doordat de Maatschappij, na afkeuring van paarden,
deze door niet-deskundigen liet „behandelen", werd besloten, dat de afdeeling
op den wensch zou ingaan, doch een vergelijk slechts op den volgenden grondslag
mocht verwacht worden.

In geval van ziekte of ongeval heeft de behandeling plaats door een veearts,
de Maatschappij dient een tweeden veearts te benoemen, die in voorkomende
gevallen, in overleg met den eersten, een onderzoek instelt en advies uitbrengt,
welk advies de Maatschappij dient op te volgen.

Aan de Heeren Plet en Winkel werd opgedragen deze zaak met een commissie
uit de paardenhouders, te bespreken en zoo mogelijk tot een goede oplossing te
brengen.

Akkrum, 12 April 1914. Winkel.

Personalia. Gevestigd te Delfzijl de heer A. Wolf van Nieuwwolda.

Gevestigd te Westwoud, de heer J. W. Koelemey van Blokker.

-ocr page 618-

Met ingang van i Juli a.s. is benoemd tot Rijkskeurmeester in A. D te Box-
meer, de heer J.
Kets, thans als zoodanig werkzaam te Gieten.

Bij Koninklijk besluit van 27 April 1914 n°. 31 is, met ingang van 1 Mei 1914,
benoemd tot Rijkskeurmeester in algemetnen dienst iste klasse, de Rijkskeur-
meester in algemeenen dienst 2de klasse H. A.
Welman, te Vlissingen.

Bij Koninklijk besluit dd. 1 Mei 1914, is met ingang van 1 Juli 1914 be-
noemd tot Rijkskeurmeester in algemeenen dienst 2de klasse, de geëxamineerde
veearts dr. S. F
erwerda, te Oldebroek.

Bij Koninklijk besluit van 6 Mei 1914, No. 60 is met ingang van 1 Juni
1914, aan den dirigeerend paardenarts, met rang van majoor, C.
van Heels-
bergen,
op zijn aanvrage, ter zake van langdurigen dienst, eervol ontslag uit
den militairen dienst verleend.

Schornagel.

Bibliografie.

Fêtes du cent cinquantenaire de 1\'école nationale vétérinaire de Lyon. 26—27
Oct. 1912. Lyon. 1913. 8°. 155 p. 2 prts.

Statistischer Veterinär-Sanitäts-Bericht über die Baierische Armee für das Rap-
portjahr 1912. München. 1913.

Handbuch des Medizinal- u. Veterinärwesens im Kön. Sachsen. Nach dem
Stande vom 1.1. 1914. Bcarb. im Kgl. Landesgesundheitsamt. Dresden, C.
Hein
rich,
1914. Gr. 8". 158 S. Mk. 1.60.

H. Kösters, Lehrbuch des Hufbeschlages. 6te Aufl. Hrsg. von Schlahe. Berlin,
Selbstverlag, 1914. 290 Abb. M. 6.50

W. Spierling, Ueber einen neuen Versuch die Erregbarkeit des Nerven ob-
jektiv zu messen. Inaug.-Diss. Berlin.

Lina Stern, Ueber den Mechanismus der Oxydationsvorgänge im Tierorganis
mus. Jena, G.
Fischer, 1914. Gr. 8°. VI 61 S. 12 Abb. Mk. 2.90

Fr. Fromme, Untersuchungen über die tunika muskularis, die Ostia und die
plikae permanentes am Dickdarm der Haussäugetiere. Inaug.-Diss. Berlin.

W. Schulz, Untersuchungen über die Fossae synoviales (fossae nudatae)
des Pferdes. Inaug.-Diss. Berlin.

W. Ellenberger u. H. Baum, Lehrbuch der topograph. Anatomie des Pferdes.
Berlin,
P. Parey, 1914. Geb. M. 22.—.

Alb. Oppel, Leitfaden für das embryologische Praktikum und Grundriss der
Entwicklungslehre des Menschen und der Wirbeltiere. Jena, G.
Fischer, 1914.
Mit 323 Abb. Brosch. M. 10.—

L. G. Neumann, Parasites et maladies parasitaires du chien et du chat. Paris,
1914. Kl. 8°. X 348 p. 156 fig. Frs. 4.50.

Das Reichs-Viehseuchengesetz vom 26 Juni 1909 nebst den Ausführungs-
bestimmungen des Bundesrats und deren Anlagen sowie dem Preuszischen Aus-
führungs-Gesetz und der viehseuchenpolizeil. Anordnung. Textausgabe mit
Anmerkungen von H.
Bojunga. Hannover, M. & H. Schaper, 1914-

Geb. M. 4.50.

-ocr page 619-

J. Buch, Praktikum der pathol. Anatomie für Tierärzte u. Studierende. 4te

Aufl. von B. Schubert. Berlin, R. Schoetz, 1914.

Geb. M. 5.—

H. Zwaenepoel, Hygiene vétérinaire comprenant 1\'hygiëne générale et 1\'hy-
giène spéciale des équidés, des bovidés, des ovidés, des races caprines, des suidés.
8 . 562 p.

J. Klein, Erfolgreiche Milchwirtschaft. Anleitung zum ration. Betriebe. 2te
Aufl. Berlin,
P. Parey, 1914. Mit 98 Abb. M. 7.—

W. Müller—Lenhartz, Hygienisch einwandfreie Milch, ihre Gewinnung, ihre
Behandlung und ihr Wert. In Verbindung mit F.
Löhnis hrsg. Berlin, P. Parey,
1914. M. 5 Taf. u. 3 Abb. M.

Handbuch der Nahrungsmitteluntersuchungen. Hrsg. von Beythieu, C.
Hartwich u. Klimmer. Lief. 1. Leipzig, Tauchnitz, 1914. 8°. 96S. 12 Abb. M. 2. 50.
Lief. 1: Das Fleisch.

G. Wilsdorf, Die Herdbuchführung im Dienste der Landestierzucht. Berlin,
Verlag der deutschen Gesellschaft für Züchtungskunde, 1914. M. 2.—

G. Bau, Die wichtigsten Blutströme in der Hannoverschen Pferdezucht, ihre
Charakteristik, Bedeutung und Verwendung, sowie ihre Träger. Berlin. Verlag
der Deutschen Gesellsch. f. Züchtungskunde. 314
S. 62 Abb. u. 258 Ahnentaf M. 3.50
J. Schmidt, Die mitteldeutsche Rotviehzucht. Hannover, M. & H. Schaper,
1914. 112 S. 20 Abb. M. 4.—.

Arbeiten der Deutschen Gesellsch. für Züchtungskunde. H. 19.
A.
Brosch, Die Literatur über das Schwein von 1538 bis zur Gegenwart. Ber-
lin, Verlag Vereinigung Deutscher Schweinezüchter. Geb. M. 4.—.
Hfig. V. d. Verein Deutscher Schweinezüchter.

O. Knispel, Führung der Zuchtregister. Berlin, Deutsche Landwirtschaftsges,
1914.

C. W. Gay, Productive horse husbandry. Philadelphia and London, J. B.
Lippincott Company. 300 p. 173 ill. S 1.50

Brosch. M. 4.

Kalender >ür den Kälte-Techniker. 1914. Hersg. von Geo. Göttsche. 6ter Jhg.
Altona, Verlag f. Kälte-Industrie, 1914. Kl. 8°. VII 277
S.m. Abb. Geb. M. 5.—
Krabbe, Unser Tierarzt oder: wie kuriere ich meine Tiere selbst? Ein unent-
behrl. Ratgeber zur Erkennung, Heilung und Verhütung der Krankheiten des
Viehs, Pferdes, Hundes u. Geflügels. Berlin, L.
Schwarz & Co, 1914. Kl. 8°. 95 S.

f 2.50.

Du Buy.

M. 1.50 Geb. M. 2.—

L. Wagenfeld, De bekwame veearts. Groot volledig handboek der genees-
en verloskunde van het vee. 5de dr. bew. door
W. F. Steygerwalt. Rotterdam,

D. Bolle, 1914. 500 bl. 9 uitsl. pl.

Probst, Erfolgreiche bäuerliche Schweinezucht u.-Mast sowie die Anlage
zweckmässiger Schweineställe. Hrsg. vom Verband oberpfälz. Schweinezüchter

in Weiden 1914.

-ocr page 620-

Referaten.

Zur Lehre der Spontanheilung der Karzinome.

Theilhabf.r beweert dat de spontane genezing van carcinoom niet zoo zeldzaam
is als gewoonlijk wordt aangenomen. De casuistiek telt zelfs in de laatste jaren over
de 200, waarvan sommige zelfs tamelijk vergevorderde, gevallen. Ook bij operaties
waar niet alles verwijderd kon worden, blijft soms recidive achterwege. Volgens
T.
ontwikkelt het carcinoom zich niet in normaal weefsel — bepaalde factoren, b.v.
slechte locale voedingstoestand zijn noodig — daarom is ook het litteeken der
operatiewond een praedilectie-plaats voor recidive.
T. tracht de natuurgenezing
te ondersteunen door hyperaemie en door cacodyl-inspuitingen.

Deut. mtd. W-<ch. 1912. 38. 26. Vrijburg.

Reinzüchtung der Syphilis-spirochaeten.

Tot nog toe was het zeer moeilijk syphilis-spirochaeten in reincultuur te krijgen.

Schereschewsky slaagde hierin. Hij entte een sy philispapelin gestold paarde serum
en doodde na 5 dagen de in de bovenste serumlagen optredende cultuur en bacterie-
verontreinigingen met 70 % alkohol. Na nog 5 dagen was in de onderste serumlaag
een reincultuur van spirochaeta pallida.

Deut. med. Woch. 1912. 38. 28. Vrijburg.

The treatment of rinderpest and haemorrhagie septicaemia with permangate of potash.

Walker behandelde een aantal gevallen van runderpest en haemorrhag. septi-
caemie, met permangan. kalicus, en had een grooter procent genezingen dan zonder
behandeling. Hij meent dat verdere proefnemingen aan te bevelen zijn. Hij gaf
aan volwassen dieren 3.5 gram maar gelooft dat men wel meer kan geven,\'b.v.
5.5 gram en zelfs tot 14 gram, aan dieren boven de 230
K.G.

Journal of Comp. Path. and Ther. 1912 XXV. 3. Vrijburg.

De la médication arsenico-mercurielle en therapeutique veterinaire.

Boulin had bij verschillende infectie-ziekten (haemorrhagiese septicaemia van
het schaap, typho-anaemie (influenza) van het paard, septicaemiese polyartliritis
bij pasgeboren veulens, succes met intra-musculaire injecties van een mengsel van
arseen- en kwikverbindingen, n.1.
kwikzilver benzoaat en natrium arseno-methylicum.
(\'t laatste is een gedeeltelijk organiese As. verbinding, ook arrhenol genoemd
CHj
AsO 33Na2 5 H30). Van ieder 1 gram, \'t geheel opgelost in 200 gram physiolog
NaCl-oplossing. Het ontstaande neerslag weer op, als men de vloeistof vóór
\'t gebruik in heet water dompelt.

Dosis der oplossing — paard en rund 40 c.c. — Na 2 dagen de dosis herhalen en
verder alle 3 a 4 dagen 20 c.c.

Recueil de med. vei. 1912. 30 Nov. Vrijburg.

-ocr page 621-

Maatschappij ter bevordering der Veeartse-
z nijkunde in Nederland. z

Aan H. H. Leden !

Het Hoofdbestuur der Maatschappij ter bevordering der
Veeartsenijkunde in Nederland neemt de vrijheid den Leden
in herinnering te brengen, dat dit jaar van 5 — 8 Augustus te
Londen het Xde Internationaal Veeartsenijkundig Congres zal
worden gehouden.

Het Hoofdbestuur is van meening, dat de Nederlandsche
veeartsen op dit Congres
ook een moreelen plicht te vervullen
hebben. Door het schitterend succes van het in 1909 te
Scheveningen gehouden lXde Congres heeft de Nederlandsche
Veeartsenijkunde zich een eervolle plaats veroverd bij de
internationale bemoeiingen om de Veeartsenijkunde tot hoogen
wetenschappelijken bloei te brengen. Als direct gevolg van
het welslagen in 1909 is ons land de eer te beurt gevallen
dat het Permanent Comité der Internationale Congressen op
zijne vergadering van
2 Juni 1911 te Baden-Baden besloot te
\'s Gravenhage het Permanent Secretariaat te vestigen, voor
welke vestiging een belangrijke bijdrage is verleend geworden.
Voegt men daarbij nu nog het feit dat onze Engelsche Collegae
zich in 1909 waarlijk niet onbetuigd gelaten hebben, dan moet
de overtuiging postvatten dat thans op ons de moreele ver-
plichting rust onzen roem te handhaven en dat zal geschieden
wanneer de Nederlandsche Veeartsenijkunde in Londen niet
alléén waardig wordt vertegenwoordigd door officieele afge-
vaardigden, maar ook door een groot aantal andere collegae.

Nederlandsche veeartsen, wordt lid van het Londensche
Congres en zoo eenigszins mogelijk, gaat er heen !

Het Hoofdbestuur:
P. K. M. HOUBA,
Voorzitter.
Dr. H. A. VERMEULEN, Secretaris.

XLI

-ocr page 622-

Lidmaatschap iode Internationaal Veeartsenij-
=z kundig Congres. — Londen. .

Contributie ad f 12.25 (£ 1.-) voor een heer en

f3.15 voor een dame, te zenden aan:

Prof. DE JONG te Leiden of

Mr. F- W. GARNET, J. P., M. R. C. V.S., io Red Lion Square,

London, W. C.

-ocr page 623-

Therapeutische, casuïstische en statistische mededeelingen
uit de Kliniek voor Kleine Huisdieren van \'s Rijks-
Veeartsenijschool,

door

heinrich jakob.

In het afgeloopen kliniekjaar (i September 1912 tot 31 Augustus
1913) werden in de polikliniek voor kleine huisdieren 2742 honden,
359 katten, 78 konijnen, 244 kippen en 91 andere vogelsoorten,
dus te zamen 3514 zieke dieren, ter onderzoek aangeboden.

Daar deze dieren gemiddeld drie maal onderzocht en behandeld
werden, geeft dit te zamen 10542 consulten van poliklinische
patiënten.

In de stationaire kliniek werden 268 honden opgenomen, be-
nevens een pauw en een haan. Daar enkele van de stationair ter
behandeling aangebrachte honden lijdende waren aan twee vol-
komen van elkaar gescheiden ziekten (intern en chirurgisch)
wordt het totaal cijfer met 318 ziektegevallen vermeerderd. Deze
werden tezamen 20417 keer behandeld, d. i. gemiddeld 56 behan-
delingen per dag.

Wat betreft de parasitaire en infectieziekten kwam in de eerste
plaats veel voor:

hondenziekte (Febris catarrhalis et nervosa infectiosa) (361 ge-
vallen), in de tweede plaats

Helminthiasis (Ascariasis, Taeniasis) (126 gevallen poliklinisch en
één geval stationair) erï verder:
Acariasis of Demodikosis (117 gevallen).

De hondenziekte kwam in de warmere jaargetijden gemiddeld
meer voor als in koudere nnaanden (speciaal December en Januari).
De diagnose hondenzieklte werd alleen dan gemaakt, wanneer
twee van elkaar verschillende ziekten voorkwamen, bijvoorbeeld
de exanthematische vorm gepaard gaande met bilaterale rhinitis,
of een bilaterale blennorrhoïsche conjunctivitis samengaande
met gastrische afwijkingen. Het veelvuldiger optreden van de
hondenziekte in de warmere jaargetijden (zomer, voorjaar, herfst)
moet wel daaraan toegeschreven worden, dat de in het najaar of
in \'t begin van den winter geworpen jongen in huis groot gebracht
worden, daardoor weinig aan de buitenlucht zijn blootgesteld
en dan op een leeftijd van 4 maanden tot 1 jaar veel vatbaarder
zijn voor het hondenziekte-virus dan de in het voorjaar (April
en Mei) ter wereld gekomen dieren, die veel meer in de vrije
natuur zijn.

-ocr page 624-

De ziekte kwam in alle vormen voor. Het meest kwam
evenwel de gastro-intestinale vorm (201 gevallen) voor, die va-
rieerde tusschen een eenvoudige maagdarmcatarrh en een hae-
morrhagische gastro-enteritis, deze laatste meest gepaard gaande
met subnormale lichaamstemperatuur (temperaturen van 35—36.6°
C. waren geen zeldzaamheden).

Ook de nerveuze vorm werd 23 keer gediagnostiseerd. Daarbij
traden in vergevorderde stadia naast een gedeeltelijke soms ver
voortgeschreden verlamming van groote spiergroepen, die het
staan of opstaan van deze patiënten onmogelijk maakte, rhyth-
misch op elkaar volgende klonische krampen op, vooral van de
musculatuur van de slapen en van de voorste- en achterste extre-
miteiten, welke krampen zich uitsluitend tot de betrokken spier-
groep beperkten, en dikwijls wisselden in hevigheid. Voor dezen
vorm van hondenziekte werd overeenkomstig de optredende klini-
sche symptomen de naam
Akinesis et Hyperkinesis rhythmica
partialis
gekozen.

Wat den ouderdom betreft van de honden die voor hondenziekte
in behandeling kwamen, kon deze in 195 gevallen tamelijk nauw-
keurig bepaald worden. De meeste patienten kwamen op een
leeftijd variëerend tusschen 4 maanden en 1 jaar in behandeling
en wel het grootste aantal op een leeftijd van 6 maanden (34 geval-
len) en één jaar (22 gevallen).

Uit de tabel die een overzicht geeft van de gevallen waarbij
de leeftijd tamelijk nauwkeurig was vast te stellen (195 in getal)
is dit op te maken.

Leeftijd

Aantal gevallen

Leeftijd

Aantal gevallen

Leeftijd

Aantal gevalle

3 weken

i

6 maanden

34

i jaar 8 mndn.

2

4 weken

i

7 maanden

16

i jaar 4 mndn.

i

5 weken

2

8 maanden

M

i jaar 6 mndn.

13

6 weken

2

9 maanden

16

i jaar 8 mndn.

i

7 weken

2

10 maanden

6

2 maanden

7

11 maanden

3

Te zamen 195

9 weken

3

i jaar

22

10 weken

i

i jaar 2 mndn.

2

3 maanden

10

i jaar 1 mnd.

2

4 maanden

15

5 maanden

19

-ocr page 625-

De therapeutische maatregelen beperkten zich, naast een
hygiënisch-diëetetische behandeling, tot een symptomatische.
Nu en dan werd een desinficiens inwendig gegeven, zooals guajaco-
lum of het goedkoopere carbonas Creosoti in hoeveelheden
variëerend tusschen 50—200 mgr. (0.05—0.2 gr.) tot zelfs 0.5 gr.
Verder werd voorgeschreven liquor arsenicalis Fowleri druppels-
gewijze toegediend in stijgende dosis tot ten hoogste 12—15 drup-
pels per dag voor groote honden; ook werd wel (hier meer met
prophylactische bedoelingen) lactas calcicus in hoeveelheden van
2—5 gr. door het voedsel gegeven. Genoemde geneesmiddelen
geappliceerd naast de hygiënisch diëetetische maatregelen, bleken in
geringe en niet te hevige gevallen van hondenziekte, goed te voldoen.

Subcutane injecties van Joodtrichloride i%o (2 maal daags,
10 dagen lang) waren bij hevige pulmonale en myelitische gevallen
onwerkzaam. Ook een intraveneuse injectie van neosalvarsan
(per K.G. 20 m.gr.) (0.02 gr.) driemaal toegediend, gaf in ver
gevorderde stadia van de myelitische vorm niet de minste ver-
betering.

In één geval van Akinesis et hyperkinesis rhythmica clonica
partialis werden intralumbale injecties toegepast (insteekplaats
tusschen de laatste lendenwervel en het os sacrum) van verschillende
concentraties van alypine-oplossingen gedeeltelijk mèt en gedeelte-
lijk zónder toevoeging van zoutzure adrenaline-oplossing (1 : rooo).
In het kort worden deze proeven medegedeeld:

Hollandsche herder, reu, 7 maanden, 10 K.G. lichaamsgewicht,
met akinesis et hyperkinesis rhythmica clonica partialis. Patiënt
is niet meer in staat op te staan, jankt en blaft bijna aldoor.

Den eersten dag werd het dier 5 c.c. van een 1 % Alypine-op-
lossing intralumbaal en 5 c.c. van dezelfde oplossing subcutaan
geïnjiceerd. Na vijf minuten heft het dier den kop op; 10 minuten
later wordt het dier geheel en al rustig, de clonische en rhythmische
krampen aan den hals en het linker achterbeen worden 20 minuten
na de injectie duidelijk minder. Na een uur is de toestand weder als
voor de injectie.

Den tweeden dag krijgt het dier een subcutane injectie van 10
c.c. van een 1 % alypine-oplossing. De werking is ongeveer dezelfde
als die van den vorigen dag, vooral wat betreft het rustiger worden
van het dier. De clonische krampen worden 10 minuten na de
injectie zeer veel minder in intensiteit, verder is de anders totaal
verlamde hond, in staat, zich eenige keeren, zei het ook moeilijk,
op de voorbeenen op te richten. Na een uur is weer hetzelfde ziekte-
beeld aanwezig als te voren.

-ocr page 626-

Den derden dag werd het dier intralumbaal (insteekplaats ter
zijde achter de derde lendenwervel) 150 mgr. (0.15 gr.) alypine,
opgelost in 10 c.c. water (gesteriliseerd) ingespoten. Drie minuten
later houdt het aanhoudende janken op; de hond wordt rustig.
De krampen worden na 10 minuten iets minder in intensiteit; 20
minuten na de injectie staat het dier spontaan op en loopt met
ataktische bewegingen gedurende eenigen tijd (5—6 minuten)
in de kliniek rond. Bij snelle wendingen valt het daarbij nog
met het achterstel omver. Eenmaal rolt het over den rug heen
en staat daarna, met het hoofd schuddend, weer op.

Later bij het "liggen wordt het hoofd goed opgeheven, de blik
is levendiger en de hond reageert op alle toeroepingen, waarop hij
voor de injectie geen acht gaf. Dit betrekkelijk welzijn houdt ii
uur aan. Daarna nemen de clonische krampen weer toe in sterkte,
het dier heft nu slechts langzaam en moeilijk den kop
op, die beverig in de hoogte gebracht kan worden en dan
daarna öf op den grond öf in zijwaarts afgebogen houding op de
zijvlakte van den hals, krachteloos terugvalt. De jankaanvallen
treden in deze periode niet op. Intoxicatie-verschijnselen werden
niet waargenomen, ofschoon den hond 15 mgr. (0.015 gr.) alypina
pro K.G. lichaamsgewicht geïnjiceerd werden.

Den vierden (daaropvolgenden) dag krijgt de hond, die wat
betreft zijn vroegeren toestand, niets verbeterd is, dezelfde alypine-
hoeveelheid; (0.15 :10 aq. steril.) deze wordt intralumbaal achter den
laatsten lendenwervel geïnjiceerd. De verschijnselen zijn dezelfde
als die van den vorigen dag. Intoxicatieverschijnselen niet
aanwezig.

Den daaropvolgenden (5en) dag worden behalve een intralumbale
injectie van 10 c.c. alypineoplossing nog 0.03 gr. (30 mgr.)

zoutzure morphine subcutaan toegediend, om te trachten de
kalmeerende werking eenigen tijd te doen aanhouden. Vier minuten
na de injecties, die direct na elkaar geschieden, houdt het janken
en blaffen op, heft de patiënt den kop op en komt van zij- in buik-
ligging. De clonische krampen zijn zwakker. Negen minuten
na de injecties begint de hond luid te janken en tracht vóór op te
staan,wat hem evenwel niet lukt; 15 minuten na de injecties houden
de krampen bijna volkomen op. Na dertig minuten treden ze
evenwel weer te voorschijn. Na circa een uur bestaat weer de
vroegere toestand. Een langere kalmeerende werking is door de
geringe hoeveelheid morphine niet opgetreden.

Den zesden dag wordt nogmaals de alypinedosis verhoogd.
Het dier krijgt 0.2 gr. (200 m.gr.) alypine opgelost in 10 c.c. steriel

-ocr page 627-

water subduraal. Het janken, dat de hond bijna aldoor doet,
tenminste in meer of minder sterke mate, houdt direct na de in-
jectie op. Tien minuten na de injectie tracht het dier overeind te
komen, maar nauwelijks op zijn beenen staande, valt het weer neder;
20 minuten na de injectie belikt de hond zich eenige keeren. De
psyche schijnt veel vrijer, verder reageert hij op elke toeroeping
door een levendig en goed oorenspel, terwijl hij den kop opheft en
met den staart kwispelt. De krampen zijn iets minder. Twee uur
na de injectie vervalt de hond weder in zijn vroegeren toestand.
Opvallende intoxicatie verschijnselen traden niet op.

Den 7en dag werd de intralumbale alypinedosis opgevoerd tot
0.3 gr. (300 mgr.) alypine, opgelost in 10 cc. steriel water. Dadelijk
na de injectie houdt het janken op en wordt de psyche van het
dier veel vrijer. Het dier heft enkele minuten daarna den kop op
en blijft hem gedurende 40 minuten lang met een opvallende
frischheid dragen. De krampen worden evenwel niet veel beïnvloed.

uur na de injectie tracht de hond zich weer op te heffen, komt
ook werkelijk op de been, valt daarna echter dadelijk weer
neder. Twee uur na de injectie gelukt het \'t dier weer overeind
te komen en bijna 10 minuten lang een flink eind (300 M.) teloopen.
Bij het staan wordt het linker achterbeen dat rhythmische clonische
krampen vertoont, niet belast. De defecatie, die anders bij het
liggen afging, geschiedt nu staande, hoewel zeer moeilijk, terwijl
het dier dreigt om te vallen;
2\\ uur na de injectie is het dier nog
rustig en zijn de krampen bij het liggende dier minder sterk. Na
drie uur is dezelfde ziektetoestand weer opgetreden als vroeger
(deels naar aanteekeningen van den, den hond behandelenden
med. vet. cand.
Scheltema).

Den achtsten dag krijgt de hond 0.5 gr. alypine opgelost in 10 cc.
gesteriliseerd water, waaraan is toegevoegd
20 druppels van een
i %o oplossing van Hydrochloras Suprarenini (adrenalinum).
De adrenaline werd gekozen, om een meer intensieve vaat-
vernauwing en daardoor zoo mogelijk een langzamere resorptie, een
langere werking en een mindere intoxicatie door de alypine bij deze
hooge dosis 0.05 gr. (50 mgr.) alypine pro K.G. lichaamsgewicht
te verkrijgen. Direct na de injectie treedt een duidelijke tremor
musculorum op; de kop wordt evenwel toch in de hoogte gebracht;
de psyche wordt vrijer. Het janken houdt op. Na 20 minuten
verheft zich de hond spontaan en loopt wankelend op drie beenen
eenige keeren de kliniek rond. Het vermoeid zijn treedt
tamelijk snel weder op en wel veel vlugger dan den vorigen
dag. Na twee en een half uur vervalt de hond, die altijd nog een

-ocr page 628-

bepaalde hoeveelheid voedsel tot zich genomen heeft, in zijn
vroegeren toestand.

Den 9en dag werden 0.6 gr. (600 mgr.) alypine tezamen met 10 cc.
gesteriliseerd water intra-lumbaal geïnjiceerd. Hierbij treden
ernstige intoxicatieverschijnselen op. Ofschoon direct na de in-
jectie het janken ophoudt en de kop met meer kracht opgeheven
wordt, de tonische-tetanische krampen, twee minuten na de in-
jectie, wijzen er op, dat een heftige intoxicatie is opgetreden
(pro K.G. lichaamsgewicht 0.06 gr.!) Deze tonisch-tetanische
krampen treden vooral op aan de voor- en achterbeenen en
verder ook aan hals en kopmusculatuur.

Nadat de halsmusculatuur de krampen gaat vertoonen treedt
onder steunen een glottiskramp op, die heftige dyspnoe veroorzaakt
waardoor het dier elk oogenblik dreigt te stikken. Korten tijd daarna
komt er schuim op de lippen en wordt de ademhaling zeer frequent
en rochelend. Verder is bilaterale mydriasis opgetreden. Cornea
reflex is nog aanwezig. Het aantal polsslagen wordt frequenter,
de hartslag wordt zwakker. De lichaamstemperatuur, die voor
de injectie 38.5° C. was, daalt tot 37.50; 10 minuten later tot 36.5°.
Als sedativum krijgt de hond nog 0.1 gr. hydrochloras morphini,
waarop na eenige uren de dood intreedt.

Uit deze experimenten blijkt, dat x°. alypine intralumbaal (even-
tueel ook subcutaan) bij deze hevige myelitis en encephalitis,
(veroorzaakt door hondenziekte), waarbij verlammingen en par-
tiëele rhythmische en clonische krampen aanwezig waren, een
voorbijgaande, gunstige werking bezit; dat 2°. de hond zeer
hooge doses verdragen kan. Opvallende intoxicatie-verschijnselen
waren zelfs bij een doseering van 0.05 gr. alypine pro K.G.
lichaamsgewicht niet aanwezig. Daar bij dezen hond intra vitam
een myelitis, vooral van het lendenmerg bestond, kon men niet
met zekerheid bepalen, of de na de sectie gevonden en microsco-
pisch vastgestelde kleine bloedextravazaten in het lendenmerg en
de degeneratieve veranderingen van de gangliëncellen in de grijze
ruggemergsubstantie, niet gedeeltelijk moesten worden toegeschre-
ven aan de intralumbale injecties.

Enkele malen werden honden met hondenziekte ook met serum
behandeld van de Rijksseruminrichting te Rotterdam (serum
tegen hondenziekte). De injecties geschiedden slechts bij poli-
clinische patiënten, zoodat een nauwkeurig oordeel hierover
niet is te vellen.

Na de hondenziekte kwam de Helminthiasis met 126 gevallen

-ocr page 629-

policlinisch en één stationair het meest in behandeling. Bij jonge
honden tot circa 9 maanden was het voornamelijk ascaris mystax,
bij oudere dieren taenia cucumerina (dipylidium caninum) en
taenia coenurus. Dikwijls kwamen ook gevallen voor waarbij naast
de ascariden meerdere taeniae met de faeces afkwamen. Aan jonge,
nog krachtige honden werd santonine (0.03—0.15 gr. met 0.5 gr.
saccharum lactis) gegeven, 2—3 uur daarna gevolgd door een
ricinusemulsie; in enkele gevallen werd ook santonine tegelijk
met calomel (van dit laatste 0.05—0.15 gr.) te zamen met saccharum
lactis voorgeschreven. Als antitaenicum bleek dat gelijke deelen
kamala en verscli geraspte arecanoot in hoeveelheden van aa
0.25—5 gr. in alle gevallen goed werkzaam waren, wanneer de
honden daags te voren vastten en het middel in rauw vleesch
werd toegediend. Het daarna laten drinken van wat water voor-
kwam in den regel het hoesten en het braken. Aan de eigenaars
werd verzocht de afgekomen wormen in de policliniek te brengen,
wat ze ook meestal deden; daardoor kon veelal de taeniasoort,
resp. de ascaridensoort vastgesteld worden.

Heel dikwijls, namelijk bij 103 policlinische en 14 stationaire
patiënten (tezamen bij 117) kon
acariasis resp. demodikosis
in verschillende uitbreiding worden vastgesteld. De naam demo-
dikosis werd daarom gekozen, omdat in de zoölogische werken
van den laatsten tijd meer de naam demodex dan acarus gebruikt
wordt. Ook voorkomt de naam demodikosis verwisseling met
ascariasis.

Het procentgetal van de demodikosis was bij de aan huidziekte
lijdende honden 20.7. De demodikosis werd vooral bij jonge
honden geconstateerd op een leeftijd van 5—10 maanden en
dikwijls samengaande met de hondenziekte. In één geval evenwel
was een hond met circumscript squameus eczeem in het verloop
van demodikosis, 5 jaar oud. In de meeste gevallen van squamo-
papuleuse (nodeuse) eczeemvormen bleek de behandeling met
balsamum peruvianum syntheticum (Perugeen) met spiritus
fortior (meestal in verhouding van 1 : 9 spiritus) goede resultaten
op te leveren. Dit werd öf locaal gebruikt öf ook wel helftsgewijze
ingeborsteld. Ook het zeepkresolliniment, bestaande uit een
x a 2% oplossing van Liquor cresoli saponatus (concentratie al naar
grootte en ouderdom van den hond) met gelijke deelen spiritus
(ook spiritus dilutus) en sapo kalinus bleek dikwijls goede werking
te hebben. Voor de rest werd bij de bestrijding van demodi-
kosis vooral aandacht geschonken aan de aanwezige dermatitis en

-ocr page 630-

werd deze overeenkomstig behandeld. Zoo werd bijvoorbeeld een
stationaire hond (q maanden oud, bulldog) met heftige huidaandoe-
ningen, die in alle mogelijke vormen optraden, in het kort als
volgt behandeld: Een purulo-haemorrhagische dermatitis werd
tweemaal daags gedesinfecteerd met een lauw-warme 2 % op-
lossing van Liquor cresoli saponatus daarna bepoederd met
bolus alba, waaraan (0.5 : 50) kaliumpermanganaatpoeder als
desodorans was toegevoegd. Na drie weken vormden zich droge
korsten. Vervolgens werd zinkzalf aangewend, totdat de huid
tamelijk glad was geworden en weinig oneffenheden meer
vertoonde. Daarna werden spiritueuse middelen te baat ge-
nomen (zeepkresol (2%), pix liquida (1 : 10), perugeen (1 : 10).
De verdikte huid aan de extremiteiten werd tweemaal, elke keer
veertien dagen lang, met tanninezalf (1 : 10 ungt. paraffïni) ge-
masseerd.

Gedurende de heele behandelingsperiode (1 jaar) sliep en at de
hond verbazend goed en veel. Nu, na verloop van een jaar, is
bij den hond, die vroeger geheel kaal was, met uitzondering van de
nekstreek, waar de huid nu nog iets verdikt is, het haarkleed weer
geheel teruggekeerd. In de nekstreek worden eerst na het maken
van meerdere preparaten nog enkele mijten gevonden.

Bij drie aan demodikosis lijdende en gestorven honden (2 daarvan
werden korten tijd policlinisch, één 4 dagen lang stationair be-
handeld, de laatste vertoonde verschijnselen van gastroenteritis
(hondenziekte-enteritis) luidde de pathologisch-anatomische
diagnose als volgt:

i°. Acute gastroenteritis — chronische nephritis — keratitis —
acariasis;

2°. parenchymateuse nephritis — subacute gastro-enteritis —
dilatatio cordis ventriculi sinistri — acariasis;

30. chronische induratieve nephritis — chronische maag-
catarrh — dilatatio cordis ventriculi sinistri — mucopurulente
bronchitis et pneumonia catarrhalis — ascariasis — acariasis.

Uit deze drie sectie verslagen blijkt dat de dieren niet ge-
storven zijn aan acariasis, maar dat verschillende zware orgaan-
aandoeningen, vooral nephritiden, maag- en darmaandoeningen en
eenmaal een purulente bronchopneumonie, ziekten, die in het
verloop van hondenziekte dikwijls worden aangetroffen, den dood
van bovengenoemde honden veroorzaakten.

Dergelijke sectie beelden treft men ook aan bij niet be-
handelde dieren, zoodat de therapeutische maatregelen, vooral
wat betreft de geneesmiddelen, zoools die in onze kliniek

-ocr page 631-

gebruikt en voorgeschreven worden, niet als oorzaak van de ziekte
van deze inwendige organen kunnen aangemerkt worden.

De nog meer geconstateerde Phthiriasis (28 gevallen policlinisch
en 4 stationair) was grootendeels toe te schrijven aan
vlooien
(ctenocephalus). Slechts in twee gevallen waren haematopinen de
oorzaak, die in ontelbaar aantal vooral in de nek- en halsstreek,
en op de staartwortel genesteld waren. Door den hond geheel te
wasschen met 1—% oplossingen van Liquor cresoli saponatus,
dat om de drie dagen en in het geheel vier keer aangewend
werd, bleek er na een tijdsverloop van 12 dagen genezing opge-
treden te zijn.

Uiterst zelden (bij een totaal van 565 honden lijdende aan een
huidaandoening in slechts 6 gevallen) werd als de veroorzaker
van een met hevige jeukte en hoofdzakelijk squamopapuleus eczeem
verloopende huidziekte
sarcoptes gediagnostiseerd. In één geval
was het sarcoptes minor in de andere gevallen sarcoptes squamiferus
(major). De behandeling door helftsgewijze inborstelen (bij kleine
honden en jongehondenVadeel perdag)met Liquor Cresoli saponatus
(2%) bij kleine honden 1%) en gelijke deelen sapo kalinus en spi-
ritus
(Braridl. Gmeinersche liniment) voerde steeds, zelfs in ver
gevorderde stadia in een tijdsverloop van drie weken tot 2^ maand,
tot het gewenschte doel. Hoewel de twee in de stationaire cliniek
behandelde honden als „verbeterd" ontslagen werden, moet dit
daaraan toegeschreven worden, dat de eigenaars, de nog niet
volkomen behaarde dieren, om kosten te besparen gaarne verder
thuis zelf nabehandelden.

Dit was ten deele ook de reden, waarom bij andere huidaandoe-
ningen bijv. bij demodikosis en eczemen van honden in de sta-
tionaire cliniek, deze patiënten bij hun vertrek onder de rubriek
„verbeterd" moesten worden ondergebracht.

De overige huidziekten werden al naar de huidveranderingen
behandeld. Opvallend is het groote aantal vooral van policlinisch
ter onderzoek aangeboden honden met niet-parasitaire eczemen,
die vooral in de warmere jaargetijden van April tot September
veel voorkwamen.

Ook ontstekingen der uitwendige gehoorgang, in diverse vormen,
kwamen poliklinisch in de warme jaargetijden meer voor als in
den Winter. Een stationair behandelde hond met onge-

De secties, zoowel als de pathologisch-histologische onderzoekingen (ook van
tumoren) werden in het pathologisch instituut gedaan: Directeur Dr.
Markus
en prosector Dr. Schornagel. Beiden heeren betuig ik hier mijn dank daarvoor.

-ocr page 632-

neeselijke chronische verruceuze otitis externa werd op verzoek
van den eigenaar pijnloos afgemaakt. Daar bij dezen hond (10-
jarige bastaard pointer) het lijden reeds meer dan drie jaar bestond,
en een uiterst stinkende reuk uit de met purulent exsudaat
gevulde gehoorgang kwam, en men bovendien bij de sondeering,
die uiterst voorzichtig moest geschieden, maar toch goed met
een knopsonde kon uitgevoerd worden, direct op oneffen been-
stukjes (gehoorbeentjes, mediale wand van het pars-tympanica
ossis petrosi) meende te stooten, werd bij dezen hond een per-
foratie van het trommelvlies en een etterige middenoorontsteking
aangenomen. Bij de sectie bleek er evenwel geen perforatie aan-
wezig te zijn, het middenoor was intact, slechts in de nabijheid
van het trommelvlies een weinig hyperaemisch. Men mag
hieruit besluiten dat de sondeering van het trommelvlies, dat
individueel bij den eenen hond meer dan bij den anderen gespannen
is, wat betreft de diagnose van een trommelvliesperforatie, geen
nauwkeurige resultaten geeft. Bovendien leert dit geval ons, dat
zelfs bij het bestaan van een etterige otitis externa met foetide
stank gedurende drie jaar er nog geen hevige, in ieder geval nog
geen purulente ontsteking van het middenoor aanwezig behoeft
te zijn.

Wat het optreden van Emphysemen als ziekte v/h respiratie-
apparaat (4 policlinische gevallen) betreft, handelde het hier in
drie gevallen over ouderdomsemphysemen (honden boven de 10
jaar). De achterste grenzen van het volle percussieveld van de
longen strekten zich meestal uit tot aan den rand van het hypo-
chondrium, tenminste in het bovenste en middelste percussiege-
bied. Arsenic
(Liquor arsenicalis Fowleri) verzachtte dit lijden.

Naast catarrhen van den larynx (39 gevallen policlinisch,—
6 gevallen stationair) kwamen ook veel
btonchitiden en broncheoli-
tidcn,
vooral van chronischen aard, voor. In eenige gevallen
van chronische broncheolitiden kon duidelijk een bilaterale
fremitus bronchialis geconstateerd worden.

Bij een, wegens chronische bronchitis ongeneeselijk verklaarden
Hollandschen herdershond, bevonden zich, bij de sectie direct bij
de bifurcatie van de trachea en vandaar uit tot enkele cM. in de
bronchiaalstammen, multipele tot erwtgroote granulaties van
het slijmvlies. De rest van het bronchiaal slijmvlies was iets ver-
dikt en vertoonde de verschijnselen van een chronische bronchitis.
Bij de palpatie van de trachea was bij dezen hond een duidelijke
tracheale fremitus en bij de palpatie van den thorax een duidelijke
bronchiale bilaterale fremitus te constateeren. De fremitus was

-ocr page 633-

evenwel ook bij de palpatie van het strottenhoofd, hoewel in ge-
ringe mate, te voelen (laryngeale fremitus), ofschoon bij de sectie,
de larynx en het cervicale deel der trachea voor zoover deze kli-
nisch onderzocht konden worden, niet gestenoseerd waren. Ook
was bij het dier nu en dan, vooral na geforceerde bewegingen,
clinisch meer een laryngeale dan tracheale stridor te hooren, terwijl
de door de granulaties sterk vernauwde plaats aan het einde van
de trachea was gelegen en eigenlijk meer een tracheale resp. bron-
chiale stridor had moeten te voorschijn roepen.

Van de ziekten van het digestie_ apparaat domineerde in de eerste
plaats de
acute gastritis (93 gevallen policlinisch, 10 stationair).
Bij 7 van de stationaire patiënten, die reeds 4—5 dagen bij den
eigenaar zeer ziek waren, bleef elke behandeling (warme omslagen,
kunstmatige voedering door rectale infusie van melk met druiven-
suiker) vruchteloos. De sectie toonde meestal het bestaan van een
hevige haemorrhagische gastritis aan, gedeeltelijk ook gepaard
gaande met intestinale veranderingen. Ook de
haemorrhagische
gastro-enteritis
vorderde een groot aantal offers, ondanks de behan-
deling 2—3 maal daags (ei en melk per os of door infusie, tanno-
form, tannalbine, rectale infusies en desinfecties van het darm-
kanaal met i
—i°/oo kalium-permanganaat, 1—2 % aluin, 1 % acidum
tannicum, \\—1% creolin, Liquor cresoli saponatus, bacillol in
olieachtige suspensies). (Van 9 stationaire patiënten gingen er 7
aan de ziekte ten gronde). Volledigheidshalve zij hier medege-
deeld, dat de stationair opgenomen patiënten steeds de ernstig
zieke dieren betroffen — dit geldt ook gedeeltelijk voor de andere
stationair behandelde patiënten — die niet zelden bijna reeds ster-
vende waren. Het opnemen van dergelijke patiënten, schijnt mij
evenwel gewenscht toe, daar zeer zieke dieren voor de studie veel
belangrijker materiaal zijn (clinische onderzoek, behandelings-
methode, sectie enz.), dan minder zieke, welke daarna ge-
nezen — ten minste in de meeste gevallen — de cliniek weer ver-
laten. Voor de genezing van deze minder ernstige gevallen
van gastroenteritis is het voorschrijven van dieët wel één van
de voornaamste factoren om tot genezing te komen.

In één geval werd bij een 8-jarige Iersche Setter, die stationair
behandeld werd, en waarbij de eigenaar sedert £ jaar verschijnselen
van moeheid, weinig eetlust en langzaam in sterkte toenemende
omvangsvermeerdering van het achterlijf had opgemerkt, op grond
van clinische onderzoekingen, de daaraan volgende proefpunctie,
de physische, chemische en microscopische onderzoeking van de

-ocr page 634-

door punctie verkregen vloeistof de diagnose: hydrops-ascites hae-
morrhagicus, tumor hepatis
gesteld. I)e sectie bevestigde de eerste
diagnose: er was in de buikholte i L. serohaemorrhagische vloei-
stof aanwezig. Daarentegen was de bij de palpatie van de buik
duidelijk voelbare matig weeke gezwelmassa, die het grootste
deel van het abdomen opvulde en onder het hypochondrium zonder
clinisch aan te wijzen grenzen direct in de leverstreek overging,
geen levertumor, maar een menschenhoofd-groote tumor van de
milt,
die aan het ventrale deel van deze was gelegen en direct aan
de lever grensde. De tumor fluctueerde op diverse plaatsen en
vertoonde op doorsnede multipele, holten gevuld met een serohae-
morrhagische vloeistof en fibrine (haematoom resp. angioma
spienis). De lever, de nieren en de darmlissen waren zeer anae-
misch. Tweemaal werd ook een
maagdraaiing (torsio ventriculi)
gediagnostiseerd (acute tympanitis van het achterlijf binnen enkele
uren, links sterker dan rechts, vooral in het middelste mesogastrium.
Sterk tympanitische toon met metalen bijklank vooral ongeveer
een handbreedte achter het hypochondrium in het middelste
mesogastrium gedeelte). Beide gevallen verliepen doodelijk. Bij
de eene patiënte trad de dood binnen 24 uur op, bij de andere eerst
na 5 dagen, ofschoon bij dit dier bij de sectie van de maag bleek, dat
er een draaiing van 360° had plaats gehad. Laatstgenoemde hond
werd met infusies in de maag behandeld, in aansluiting waar-
van snelle wentelingen over den rug van rechts naar links, en
massage. van de buikstreek, werden aangewend. Bij de eerste
werd na 16 uur (tamelijk laat) tot laparotomie onder aethernarcose
overgegaan, waarna de maag in bijna normale positie werd
teruggebracht. Daarbij werd de hond op de rechterzijde neer-
gelegd, de huid op de gewone wijze voorbereid en daarna in
het middelste mesogastrium vlak bij het hypochondirum een zoo
groote lapsnede in T vorm gemaakt, dat men met de eene hand
langs het net gaande tot aan de rechter nier en bovenste lenden-
streek kon komen en met de andere hand in de nabijheid van de
ventrale leverrand tastte. Daarna pakte men met de bovenste
hand de groote, rechts liggende curvatuur van de tympanitisch
gezwollen maag en werd deze voor zoover dit mogelijk was,
naar den anderen kant teruggetrokken, terwijl met de andere hand
getracht werd, de naar links verschoven pylorus- en duodenaal ge-
deelten hunne normale ligging terug te geven. Daarbij werd een
duidelijk waarneembare verschuiving van de maag in de gewenschte
richting waargenomen. Daar evenwel de milt door de tympani-
tisch opgezette maag en den ventralen linkerleverlap abnormaal

-ocr page 635-

ver gedisloceerd was, was een volkomen repositie, vooral van dit
orgaan, niet mogelijk. Uit de ligging van de milt en uit de tympa-
nitische verandering van de maag, mocht men besluiten dat de
maag zeker meer dan i8o° gedraaid was. I)e sectie van den hond
die in den loop van den nacht na de laparotomie was overleden,
gaf \'t volgende te zien: torsio ventriculi om de verticale as, van
achteren naar links en naar voren tot 90° toe. Hevige bloedingen
en stuwingsverschijnselen in de maag en darmwand. Maaginhoud
dunvloeibaar gemengd met een schuimige massa. Maag heel sterk
tympanitisch, milt sterk gestuwd en hoefijzervormig omgebogen.
De ligging van deze was tusschen maag en linker leverlappen.
Lever anaemisch. Bij den anderen hond, die verscheidene dagen
reeds policlinisch behandeld werd voor een oorverwonding en
getracht had het aangelegde oorverband door heftig schudden
en rollen, —• dit laatste wel de oorzaak zijnde der torsie — te ver-
wijderen, was het therapeutisch ingrijpen nutteloos. Bij de sectie
bleek er een torsio ventriculi van 360% te bestaan van rechts
naar links (intra vitam was slechts een middelmatige tympanitis
aanwezig). Deze sectie gaf het volgende beeld :

Geringe stuwingsverschijnselen. Milt slechts weinig vergroot.
Lever anaemisch. De darmen vertoonen geen stuwingshyperaemie.
in de maag slechts tot een bepaalde plaats gelocaliseerd. Meerdere
erosies Yan de mucosa bij den overgang van oesophagus in het
cardia-gedeelte van de maag. De maag bevat eenige geschilde
aardappelen en aardappelstukken en een groote hoeveelheid slij-
mig-vloeibare massa. De maag niet erg tympanitisch (wat misschien
in verband staat met het dikwijls inbrengen van de slokdarmsonde
waarbij zich soms groote hoeveelheden gas ontlasten). Zelfs
bij deze torsie van 360° was het intra vitam mogelijk nog een gummi-
sonde van i c.M. dikte door den oesophagus in den maag te brengen.
Dat de erosies van de mucosa, op den overgang van oesophagus
in \'t cardiagedeelte van de maag, aan deze sondeeringen zijn toe
te schrijven, is niet onwaarschijnlijk.

Bij de ziekten van het hart was vooral een 10 maanden oude
barzoi, met hartdilatatie, gepaard gaande met hydropische uit-
stortingen in het pericard, den thorax en het abdomen, interessant.
Bij dezen hond trad in een tijdperk van 4 weken, driemaal een
spontane resorptie op van de hydropische uitstortingen en wel
in zoo\'n mate dat men clinisch geen vloeistof meer kon aanwijzen.
De clinische diagnose (twee dagen voor den exitus letalis toen meer
duidelijke hydropische toestanden waren opgetreden) luidde:

-ocr page 636-

Dilatatio cordis. Insufficientia valvularum atrio-ventricularis.
Hydropericardium, Hydrothorax, Hydrops-ascites (haemorrhagisch
transsudaat) Tumor hepatis. Nephritis. Ren migrans (ophthal-
moreactie met tuberculinum Koehii: negatief). De pathologisch-
anatomische diagnose was de volgende: hydrops ascites, hydro-
thorax en hydropericardium met zeer veel haemorrhagische vloei-
stof. In het pericardium was de hoeveelheid gering. Dilatatio cordis,
vooral rechts, maar ook links. De rechter ventrikelwand hoogstens
\\ c.M. dik. Daarbij een insufficientie van de atrioventriculair
kleppen. Linker nier zeer bewegelijk. Weinig niervet. De nier kan
een handbreed van de wervelkolom verwijderd worden. Anaemische
en haemorrhagische infarcten in de linkernier, ook in de rechter
maar hier minder. Lever is zeer groot en week, geringe veneuse
stuwing; Hepatitis.

De klinische diagnose „tumor hepatis" werd na de punctie
van het abdomen daarom gesteld, omdat zich vooral de ventrale
leverkwabben tamelijk hard en oneffen lieten palpeeren, verder
omdat de lever niet in toto duidelijk vergroot was, (onderzocht per
palpationem et percussionem) daarentegen wel in het ventrale
mesogastrium — en in het onderste middelste hypochondriumdeel,
terwijl de andere verschijnselen van een hepatitis intra vitam niet
aanwezig waren. De nephritis werd gediagnostiseerd door het
eiwitgehalte van de urine (2%0 EsBAcn)en door het aantoonen van
enkele nierepitheliën. Daar de hond zeer vermagerd was en de
verdenking bestond dat dit op tuberculcusen grondslag berusten
kon, werd de ophthalmoreactie met alt-tuberculinum (Koen) in
één oog toegepast, evenwel zonder positief resultaat. De sectie
toonde ook geen tuberculose aan.

Van de ziekten van het urogenitaal apparaat kwamen vooral voor,
de bij de mannelijke honden veelvuldig optredende purulente
catarrhale postkitiden, die bij policlinische honden in 12 gevallen
en stationair in één geval behandeld werden (intrapraeputiale
uitspuitingen met 1 a 2% aluin, £ —1 °/00 kaliumperman-
ganaat), en bij de vrouwelijke honden de
lactatio abnormalis,
(11 policlinische, 2 stationaire gevallen) gewoonlijk precies in
die periode, dat zij hun jongen geworpen zouden hebben. Deze
teven hadden reeds vroeger verscheidene keeren jongen ge-
worpen of ze hadden nog nooit jongen ter wereld gebracht.
Het proces bij deze lactatio verliep in het algemeen goedaardig.
Slechts bij één hond ontwikkelde zich aan de laatste twee
mammae een etterige mastitis met sterke abscedeeringen, bij een

-ocr page 637-

andere vormden zich daarna kleine chondrofibromen in twee
melkklieren. De behandeling bestond in een voorzichtig uitdrukken
van de dikwijls sterk gevulde mammae, deels ook door applicatie
van adstringeerende en desinficeerende vloeistoffen (aluin, azijn-
zuurwasschingen, loodwater-wasschingen), verder in \'t aanleggen
van matige drukverbanden, nu en dan bij geringe lactatie uit-
sluitend in het geven van natrium- of kaliumjodide (0.5—1 gr.),
in strooperige oplossingen.

Van de ziekten van het centrale zenuwstelsel kwamen verscheidene
gevallen van
eclampsie van jonge honden voor, die zich in hun
groeiperiode bevonden (24 gevallen policlinisch) en 10 gevallen
van
reflexepilepsiën-, aan de eersten werden hoofdzakelijk broom-
preparaten (broomkalium, broomnatrium, broomcalcium), aan de
laatsten naast dcriveerende, laxeerende geneesmiddelen (calomel),
evenzoo dezelfde sedativa toegediend.

Ook in dit jaar kwam weer een typisch geval van idiopathische
epilepsie
bij een driejarige airedale terrier voor, die door broom-
kalium-giften verbeterde. Volgens den eigenaar leed deze hond
dikwijls aan deze aanvallen (dikwijls 2—3 keer per maand, vooral
in de warmere jaargetijden). Een dergelijke aanval werd een-
maal in den stal geconstateerd. Deze aanval werd voorafgegaan
door een kortdurende, geringe evenwichtsverstoring, die zich
uitte door waggelen met het lichaam van het staande dier
naar voren en naar achteren en in geringe mate naar zijwaarts.
Daarnaast werden geringe trekkingen van de oogleden waar-
genomen, evenzoo van de aangezichtsmusculatuur en kort daarop
van de geheele huidmusculatuur. Bijna oogenblikkelijk volgden
hierop bliksemsnel tonisch-tetanische krampen van alle spieren,
die ook op de spiergroepen van de extremiteiten overgingen, het-
geen een bijna oogenblikkelijk neervallen van den hond op de rech-
terzijde tengevolge had; op dit oogenblik jankte de hond op klagende
wijze. Gedurende het liggen domineerden in het ziektebeeld meer
de tonische, aanvalsgewijze optredende spierkrampen, die dan een
ruksgewijze kort heen en weer schudden van het dier tengevolge
hadden. Daarnaast traden kauwspierkrampen op van tonisch-
clonischen aard, een tamelijk sterk speekselen, hevige nystagmus
rotatorius, volkomen bewustzijnstoornis, verhoogde ademhalings-
frequentie gepaard gaande met op verren afstand hoorbaar laryn-
geaal in- en exspiratiegeluid, terwijl de mond halfgesloten was.
Dit waren de begeleidende symptomen van den slechts 1}—2
minuten durende epileptischen aanval.

-ocr page 638-

Na het ophouden van de clonische krampen stond de hond
weer langzaam op, toonde zich vermoeid, bleef eenigen tijd met
den kop tegen den muur gedrukt staan, schudde zich daarna heel
zwakjes, toonde onder het loopen een waggelenden gang, liep met
den hangenden kop nog eenige keeren, maar steeds in minder
sterke mate, dan tegen het eene, dan tegen het andere voorwerp
aan, en was in circa 5—6 minuten, gerekend vanaf het begin
van den aanval geheel hersteld.

Niet zelden werden paraparesen of ook paralysen door druk
op het ruggemerg opgemerkt
(compressus (compressio) medullae
spinalis).
De naam „compressus" is daarom gekozen omdat hij
,,het samendrukken" van het ruggemerg op deze of geene plaats,
vooral in het lenden- of halsgedeelte van de medulla spinalis dui-
delijker op den voorgrond stelt, dan „compressio" „de omarming"
wat meer een drukwerking op het ruggemerg in circulaire richting
aangeeft.

Bij eenige ongeneeselijk zieke honden werd voor pijnloos af-
maken chloralhydraat
gekozen, opgelost in mucilago gummi arabici,
als clysma met een kleine spuit rectaal ingespoten. In één
geval geschiedde dit bij een pinscher (I), lichaamsgewicht
xi K.G., in een ander geval bij een Duitsche staande hond (II)
van 30 K.G. lich. gewicht. De eerste kreeg 2 gr. pro K.G. — de
laatste 1 gr. pro K. G. lich. gewicht. De hoeveelheden 22 en 30 gr.
chloralhydraat werden in 30 resp. 60 gr. mucilago gummi arabici
opgelost en lauwwarm intrarectaal geïnjiceerd. Zoodra de dieren
diep ingeslapen waren, werd verder chloroform toegediend. De
dieren werden neergelegd en gefixeerd en na de injectie achter
iets in de hoogte gehouden. Het verloop was als volgt:

I. 2 minuten na de injectie: hond wordt rustiger.

5 ,, ,, „ ,, : reflexen sterk verminderd.

6 ,, ,, „ ,, defaecatie; de reflexen der oog-

leden zijn verdwenen. Pupil-
reflex nog aanwezig. De tong
hangt zijdelings uit den bek.

9 „ ,, ,, ,, de hond is in vasten slaap, hoort

niets meer.

10 ,, ,, „ ,, prolapsus van de membrana nicti-

tans, bilaterale myosis. Pols
is nog krachtig: 150 slagen in
de minuut (tachycardie). De
ademhaling iets frequent, maar
rustig; 36 ademhalingen.

-ocr page 639-

12 minuten na de injectie: hond krijgt watten gedrenkt met

chloroform voor den neus. Het
dier beweegt zich niet en blijft
in dezelfde houding liggen. De
ademhaling wordt wat frequen-
ter en wat oppervlakkiger: 42
per minuut. Pols wordt zwak,
klein en onregelmatig (5 minu-
ten later).

22 minuten na de injectie: ademhaling houdt op, het hart

slaat nog zwakjes.

24 ,, „ ,, ,, Het hart staat stil.

II. Pols bedraagt voor de rectale infusie 124.

12 minuten na de injectie: hond kan niet meer opstaan.

20 „ ,, ,, ,, er treedt volkomen anaesthesie

op. De reflexen, behalve de
patellairreflex, die nog in ge-
ringe mate aanwezig is, zijn
verdwenen. De pols stijgt tot
152 en is iets arhythmisch.
Gehoor is verdwenen. De adem-
haling wordt wat frequenter
en oppervlakkiger.

22 ,, ,, ,, ,, vaste slaap; toediening van chlo-
roform. Hond blijft in dezelfde
houding liggen en beweegt zich
niet \'t minst. De ademhaling
wordt wat dieper.

25 „ ,, ,, ,, de ademhaling houdt op en kort

daarna ook het hart.

Bij drie andere honden, die eveneens pro K.G. lich. gewicht
i—2 gr. chloralhydraat kregen (op dezelfde wijze toegediend), trad
echter niet deze rustige slaap op, maar vertoonden een 5—10
minuten lang aanhoudend exitatie-stadium, gepaard gaande met on-
rust en jankaanvallen; dit waren evenwel geen ernstig zieke patiën-
ten. Bij heftig zieke dieren is chloralhydraat evenwel een zeer goed
bruikbaar narcoticum. Het sectie beeld wordt echter bij deze rectale
chloralhydraatinjecties of -infusies dermate veranderd, dat de
rectaal- en colonslijmvliezen sterk geplooid komen te liggen, als
gelooid er uitzien, hetgeen voor het eventueel aantoonen van ont-
stekingsprocessen in deze darmgedeelten moeilijkheden geven kan.

-ocr page 640-

Voor het snelle afmaken bij ongeneeselijke ziekten werd meestal
nitras Stryehnini in hoeveelheden van 150—350 m.gr. (0.15—0.35)
opgelost in warm water (10—20 gr.) intrapulmonaal of intracar-
diaal geïnjiceerd. Typisch is hierbij, dat honden dadelijk na de
strychnineinjectie bliksemsnel over het lichaam \'gaande tetanische
krampen, met dikwijls kleine remissies, vertoonen, maar dat na
den dood alle
karakteristieke verschijnselen van een strychninedood
afwezig zijn en het cadaver zich in niets meer onderscheidt van een
dier, dat niet door een vergift, hetwelk krampen veroorzaakt,
gedood is. Dikwijls treden, bij enkele honden kort na het op-
houden van de tetanische krampen, hevige, clonische krampaan-
vallen op, vooral van de extremiteiten, nu en dan onderbroken
door een strekkramp, verder nystagmus oscillatorius, zoodat het
aanbevelenswaardig is in dergelijke gevallen, nadat de injectie
heeft plaats gehad, het dier toe te dekken en het aan den kop te
fixeeren.

Als hoogste lichaamstemperatuur werd bij een bastaard-dog met
acute pleuritis 40.9 C.° en als
laagste, bij een vier jaar ouden hond
met gastroenteritis-haemorrhagica een half uur voor den dood
30.8 C.° aangetroffen.

Van de chirurgische ziekten van den hond werden naast wonden
van alle soort (120 policlinische, 13 stationaire) en contusies van
de spieren
(87 puliclinisch, 4 stationair) vooral fracturen aan de
extremiteiten in allerlei vorm, gediagnostiseerd (52 policlinisch,
10 stationair). Bij dieren boven de 8 jaar, werd in drie gevallen
bij dislocatio ad longitudinem cum distractione slechts fibreuse
callusvorming geconstateerd, hoewel de dieren kalk per os kregen
en de breukvlaktcn door middel van aluminiumijzerdraad en gips-
verbanden zoo goed als mogelijk tegen elkaar kwamen te liggen.
Deze honden belastten later wel het lidmaat een weinig, maar op
de plaats van de fractuur kon evenwel nog steeds een groote be-
wegelijkheid van de beenderen geconstateerd worden. Ook werden
dikwijls intracapsulaire fracturen gediagnostiseerd, die bij jonge
honden door dikwijls heel sterke callusvorming in 3—4 weken
genazen. Meestal evenwel veroorzaakten zij een ernstige ankylose
van het betrokken gewricht en daardoor blijvende stoornissen in
de actie van de stijfgehouden extremiteit. Groot was ook het aantal
Tumoren, welke na voorafgaande locale anaesthesie met 1—2 %
alypine vermengd met 5 druppels zoutzure adrenalineoplossing
(1 : 1000) op elke xo c.c., operatief werden verwijderd. Voorname-
lijk waren het tumoren van de melkklieren, verder van de huid,

-ocr page 641-
-ocr page 642-

Fig. 2.

JAKOB. Mededeelingen uit de kliniek
voor Kleine Huisdieren.

-ocr page 643-

Fig- 3-

Fig. 4.

-ocr page 644-
-ocr page 645-

het praeputium, de testes, de vagina en van het vestibulum vagi-
nae. Deze laatste was een lang gesteeld fibroom (Fig. i).

In bijgaande tabel, waarin ook enkele bij katten wegge-
nomen tumoren zijn opgenomen en ook van vogels (Fig. 2), is
de aard van de tumoren, voor zoover deze histologisch zijn onder-
zocht, aangegeven.

Diersoort

Plaats van herkomst.

Pathologisch-histologische diagnose.

Hond

if
>>

>>

)f

>)

))

>>

mamma

Spoelcellig sarcoom.

Chondro-cyst-adenosarcoom.

Chondroma myxomatodes.

Fibrochondro-osteoma.

Adenocai cinoom

Cysto-carcinoom.

Cystoma-papillilerum.

Chondro-fibroma oedematosa.

Fibrochondroadenoom.

Adenocarcinoom.

Fibrochondroadenoom.

planum nasale

Carcinoom.

>S

))
;;

huid
ji

Fibroma ossificans.
Fibroma oedematosa.
Fibroma durum.
Rondcellig sarcoom.
Fibreuse huidverdikking.
Chronische ontsteking van de huid.
Purulente ontsteking van het cutane en
subcutane bindweefsel. Prolileratie van
de talkklieren.

>)

praeputium

Rondcellig sarcoom
Rondcellig sarcoom.

))
>>

testis.

Groct rondcellig sarcoom.
Klein rondcellig sarcoom.
Groot. rondcellig sarcoom.

Onder de tong(subling.)

l.ipoma.

vagina

Rondcellig sarcoom.
Fibroleiomvoma.

))

vestibulum vaginae.

Fibroma pendulum.

>>

membrana nictitans.

Hypertrophia glandulae membranae nicti-
tantis superficialis.

palpebra en membrana

Melanosarcoom.

nictitans.

Kat.

huid

Adenocarcinoom.
Carcinoom.

Kip

huid

Rondcellig sarcoom.

Bij de katten kwam dikwijls (27 gevallen) policlinisch de scabies
sarcoptica
voor. Meestal werd deze met goed gevolg behandeld
met de HELMERicHsche zwavelzalf. Twee typische gevallen van
Favus werden evenzoo geconstateerd. De napvormige, krater-
achtige, weeke en rondachtige, ca. £ c.M. hooge schimmellagen
op de huid zaten bij een jonge kat van 4 maanden, vooral aan de

-ocr page 646-

onderborst- en onderbuikstreek. Ze vertoonden verder een meer
langgestrekte vorm, week-crusteus en kwamen vooral bij de elle-
boogstreek in verschillende afmetingen voor (Fig. 3). Deze
schimmellagen konden gemakkelijk met den scherpen lepel afge-
krabd worden en werden microscopisch als achorion
Schönleiniï
herkend. De jongen, die de kat in de polikliniek bracht, was even-
eens met Favus besmet,zoowel in het gezicht als aan zijn achter-
hoofd. Een bepenseelen 2—3 keer van de door de favus aangedane
huidplekken met jodiumtinctuur of een 2—3 maal daags inwrijven
van de zieke huidplaatsen met x a 2 % creoline-oplossing, resp.
cresolzeepzalf (0.5—1 %) voerden tot het gewenschte resultaat.

Van de ziekten der oogen was vooral eigenaardig een door het
invallen van een tafelmes in het rechter oog veroorzaakte
prolapsus
iridis
met prolapsus van den lens en een deel van het corpus vitreum.
De uit een spleetvormige opening in de cornea prolabeerende
cylindrische massa was met bloedcoagula bedekt (Fig. 4). De
therapie bestond hierin, dat na desinfectie en locale anaesthesie
van het oog, het grootste deel van de prolabeerende massa werd
weggenomen, verder in toucheeren met helsche steen, en in boor-
zalfverband.

Bij een policiinisch aangebrachten kater van 7 jaar, met cataract
van het linker oog, werd een
chronische exsudatieve peritonitis ge-
diagnostiseerd. Lichaamstemperatuur 38.4° C., pols 200, getal der
ademhalingen 44. De ademhaling wat dyspnoïsch. Sterke bilaterale
uitzetting van het abdomen. Door middel van punctie krijgt men
iets meer dan een Liter geelwitte troebele vloeistof met een soortelijk
gewicht bij 150 van 1017, alcalische reactie, 4% eiwit
(Esbach).
Microscopisch werden in de veel sediment bevattende vloeistof
talrijke endotheliën gevonden, evenzoo witte bloedlichaampjes,
grootendeels uiteengevallen en vettig gedegenereerd (Fig. 5).
De overige inwendige- en chirurgische ziekten werden op dezelfde
wijze als bij den hond behandeld. Onder de
corpora aliena, waarvoor
8 patiënten in behandeling kwamen, werden 5
vischhaken en drie
naalden met draad verwijderd. De vischhaken zaten aan het eind
van het rectum en hadden de perineaalhuid geperforeerd. Nadat
de weerhaakjes van de haken door de huid gedrukt en met een
fijne tang afgeknepen waren, kon men de rest heel gemakkelijk
van uit het rectum verwijderen.

Konijnen (in het geheel 78) kwamen vooral voor oorschurft
(16 gevallen) policiinisch in behandeling. De mijten (dermatocoptes)
konden heel makkelijk microscopisch en in allerlei stadia aange-

-ocr page 647-

toond worden zelfs wel in het copulatiestadium. De therapie bestond
in het verweeken van de korsten met oliën, verder in de appli-
catie van antiparasitaire zalven (3—5 % Liquor cresoli saponatus
met axungia, 5% creolinezalf, etc.), die meestal twee keer per
dag in de gehoorgang ingewreven werden.

Tweemaal werd bij konijnen 4—5 dagen nadat ze gejongd hadden,
puerperale eclampsie geconstateerd, gepaard gaande met clonisch-
tonische krampen van de extremiteiten en verhoogde, gedeeltelijk
dyspnoïsche, ademhaling (78 pro minuut). Warme inwikkelingen
en het toedienen van broompreparaten bleken het verloop der
ziekte gunstig te beïnvloeden.

Onder de kippen en andere vogels werden van de infectieziekten,
vooral de diphtherie (39 gevallen) verder de contagieuse coryza
(13 gevallen) en de cholera gallinarum (6 gevallen) policlinisch
behandeld; ook werd er dikwijls in de policliniek gevraagd om ge-
neesmiddelen tegen de
Klein\'scAö ziekte, die vele offers eischte. In
deze gevallen werd den eigenaars aangeraden hun kippen te laten
inenten, \'tzij op aanvrage, door de rijksseruminrichting, \'tzij door
den leeraar van de ambulatoire cliniek (prof\'.
Paimans).

Besmette koppels worden eerst een of meermalen geënt met
immunserum, daarna met bacillen-cultuur. Gezonde toornen worden
alleen met bacillen-cultuur (vooraf op 70—80 °C. verhit) geënt.

Bij de diphtherie werd naast warmhouden van de dieren voor-
geschreven de zieke van de gezonde dieren te scheiden, desinfectie
van de plaats, waar ze gezeten hadden met kalkmelk (vooral wan-
neer er veel ziek waren), weeke voedering, verwijderen van de los-
zittende diphtherische massa\'s en locale bepenseeling met jodium-
tinctuur (5) en glycerine (20—25) of toediening van
kreosoot (10—
15 m.gr. (0.01—0.05 gr.) pro die) in emulsie of pillenvorm, hetgeen
volgens enkele kippenhouders goede resultaten gaf. Bij de
cholera
gallinarum
werd voornamelijk in het drinkwater kopersulfaat
(één theelepeltje op \\ L. water) gegeven.

Als expectorans en anticatarrhalicum, deels ook als stomachicum
werden bij
coryza en ook wel bij vogeldiphtherie, in het begin-
stadium, kleine hoeveelheden bicarbonas natricus, tezamen met
chloretum natricum en gelijke deelen gepulveriseerde semina
foenugraeci en fructus anisi door het voedsel heen gegeven (bic.
natric., chlor. natr.aa 100, pulv. sem.foenigraeci et fruct. anisi aa5o).

Minder dikwijls dan de ingluviïtis kwam de obstructio ingluvie
policlinisch in behandeling. Deze werd operatief behandeld door,
nadat de huid op de gewone wijze was voorbereid, een 7—8 c.M.

-ocr page 648-

lange huidsnede aan te brengen en daarna een 5—6 c.M. lange
kropsnede, waarna met een pincet de voedselmassa — meestal
was het samengepakt stengelig gras —werd weggenomen. Na hech-
ting van den krop en van de huidwond werden de wondranden
met jodinmtinctuur bestreken. Een wegnemen van de hechtingen
was later meestal niet noodig. De wonden genazen meestal goed.
Alleen in enkele gevallen, waarin de kippen de Onderste
hechtingen met den snavel konden uittrekken of uitpikken, was
een genezing onmogelijk. Bij de
ingluviïtis (kropcatarrh) bestonden
de therapeutische maatregelen in het voorschrijven van diëet,
het ledigen, resp. uitdrukken van de meestal zeer zure en penetrant
stinkende, dunslijmige kropinhoud (omhoog houden van de dieren
aan het abdomen en voorzichtig, aan sterkte toenemend, kneden van
den krop), verder in het uitspoelen van den krop met 2% aluin-
oplossing. Den eigenaar werd verder de raad gegeven, naast tamelijk
streng diëet (2 dagen), den dieren slechts in gekookte melk geweekt
wittebrood te geven en verder 3—4 eetlepels vol van een 1 % aluin-
oplossing.

Dikwijls kwamen ook bij de vogels gevallen voor van paresen
en paralyscn, resp. paraplegiën, gedeeltelijk beperkt tot de pooten;
soms ook waren de vleugels er tegelijkertijdinbetrokken(58gevallen
policiinisch). In drie gevallen werd ook een verlamming van
de nervus vestibularis aangetoond. Ook bij een duif werd een
verlamming van de nervus vestibularis aangetroffen. Deze duif
(Fig. 6, 2 jaar oud) kon nauwelijks meer staan en wanneer het dier
trachtte te loopen, viel het, over den kop heen, neer. Wanneer het
opgebeurd werd, liet het zijn kop en hals slingerend naar beneden
en 180° gedraaid, hangen. Het gehoor scheen niet meer aanwezig;
maar dit is ook bij de vogels niet precies na te gaan daar bijvoor-
beeld geheel gezonde kippen op snel inblazen van de lucht in de
gehoorgang nadat de, de gehoorgang bedekkende vederen zijn
weggestreken, daarop weinig of in het geheel niet reageeren.

Interessant was het geval van een kip, die een volkomen spastische
paralyse van de extremiteiten
en een partiëele parese der vleugels
vertoonde (Fig. 7). De anamnese luidde, dat de hen (2% jaar oud)
een goede eierlegster was, dat ze sedert drie dagen niet meer loopen
en de vleugels bewegen kon, ofschoon de voedselopname nog heel
goed was. De overige kippen (14 stuks) vertoonden geen ziekte-
verschijnselen. De psyche was bij de goedgevoede hen vrij. Li-
chaamstemperatuur 40.8. Aantal ademhalingen 26. Ademhaling
rustig. Pols 340 in de minuut. Harttonen zuiver. Faeces normaal
van uiterlijk. Krop matig met graan (voornamelijk maïs) gevuld.

-ocr page 649-
-ocr page 650-

Fig. 6.

JAKOB. Mededeelingen uit de kliniek
voor Kleine Huisdieren.

Fig- 5-

-ocr page 651-

Fig. 7

-ocr page 652-
-ocr page 653-

Zichtbare slijmvliezen rood gekleurd. Het dier schreeuwt luid.
Ooglid en pupilreflex nog aanwezig. De rechtervleugel is motorisch
verlamd, maar nog gevoelig. Aan de beide achterste ledematen is
de motiliteit en sensibiliteit verdwenen. Femur-tibiaalreflex resp.
patellairreflex is niet meer op te wekken. Therapie bestond,
naast rust en warmte, (zacht stroobed) in subcutane injecties van
nitras strychnini (om den anderen dag1/5m.gr. per kilo lich. gewicht).
Na 5 injecties werd de huid in de omgeving van de insteekplaats
wel iets necrotisch (blauwgroen gekleurd), maar voor de rest was
het dier veel verbeterd. Het kon de pooten weer heel goed belasten;
ook was de eenzijdige verlamming van den vleugel verdwenen.

Een heel sterk uitgebreid subcutaan emphysecm, dat zich vanaf
de voorste halsstreek tot in de vleugelstreek beiderzijds uitbreidde
en dat in drie dagen ontstaan zou zijn, werd bij een pas 14 dagen
oud kuiken, geconstateerd (Fig. 8). De lich. temperatuurwas4i.4°C.;
het aantal ademhalingen liep tot 44. De ademhaling was
moeilijk en dyspnoeïsch. Men hoorde, vooral bij diepe inspiraties
een duidelijk bilateraal nasaal ademhalingsgeruisch. Pols 380.
Na trocareeren stroomde door de trocar tamelijk veel, iets
stinkende, lucht naar buiten, die ten slotte vermengd werd met een
witte schuimende vloeistof.

Voor een 7 dagen te voren geleverd hanengevecht, moest een
krachtige haan boeten met een
phlcgmoneusc ontsteking van den kam
en de lellen,
die het dier te gronde richtte. De kam en lellen waren
zeer warm en sterk oedemateus gezwollen en zoo in gewicht toe-
genomen dat zij den kop en hals van het dier naar beneden deden
vallen. Het uitgeputte dier liet den kop steeds rusten op deze ge-
zwollen deelen (Fig. 9).

Ofschoon het „de eieren niet kunnen kwijtraken" bij de kippen in
het algemeen veel voorkomt, zijn er dan toch meestal tè groote,
maar van een kalkschaal voorziene eieren aanwezig. In één geval
van
retentio ovorum kon mijn vroegere assistent, Dr. Doeve, nu
gouvernementsveearts te Cheribon, bij een Hollandsche boerenkip,
die bij eersten oogopslag tengevolge van het sterk opgevulde ab-
domen den indruk maakte van een kip lijdende aan hydrops-ascites,
8 eieren zonder kalkschaal (
vlieseieren), door voorzichtig te
drukken op het abdomen de een na den ander door de cloaca
verwijderen. Twee eieren werden bij de extractie stuk gedrukt,
de overige zes eieren, die slechts door een week elastisch, zijdeachtig
vlies omgeven waren, waren voor het spontaan leggen van de hen
veel te groot. Het gewicht van deze eieren was 75, 77, 79, 82, 85
en 88 gr. De omtrek op hun dikste plaats bedroeg 14.5—15 c.M.,

-ocr page 654-

de lengte 17-18 c.M. Van de twee stuk gedrukte eieren, en van een
derde, was de inhoud crème-geel. Het eene ei met crême-gele inhoud
was ondoorzichtig. Na het stukbreken van dit ei was van een dooier
niets te zien. De inhoud had geen bizonderen reuk en was tamelijk
dun vloeibaar. De vijf andere eieren waren doorzichtig met uit-
zondering van een meer of minder ronde, geelachtige schijf (eier-
dooier), die bij bewegen van het ei zich steeds mee bewoog. De
diffuus gele inhoud van het eene ei coaguleerde bij het koken niet
zoo snel als de eiwitmassa van een doorzichtig, voor dit doel
geopend, ei. De reactie van de inhoud der onderzochte eieren was
alcalisch. Het specifiek gewicht van de diffuus gele inhoud
bedroeg 1,033, dat van de eiwit-massa van het eene onderzochte,
doorzichtige ei met afzonderlijken dooier, 1035 (Fig. 10 toont 4 van
deze vlies-eieren).

De beste methode om vogels goed en rustig te onderzoeken,
bestaat daarin, dat bij het op de zijde neergelegde dier, de hals in
rechte richting, naar voren, langzaam en voorzichtig gestrekt wordt
en verder met de linkerhand de kop en het voorste halsdeel
zoo gefixeerd blij ft, (waar bij evenwel iedere sterke drukuitoefening
vermeden dient te worden), dat de duim van de hand achter den kam,
de wijsvinger in de ondersnavelstreek vóór de lellen en de overige
vingers achter de lellen en iets gebogen komen te rusten (Fig. 11).

Daar het aantal polsslagen bij de hoenders dikwijls stijgt tot
boven de 400, kan de nauwkeurige bepaling van het aantal slagen
slechts geschieden door telkens tot 10 te tellen en elk tiental met
een vinger aan te duiden.

Teneinde bij kleine dieren (hond, kat en vogels) alle voorkomende
temperaturen te bepalen, heeft men hiervoor een thermometer
noodig met een graadverdeeling van 30.5—450 C.—

Aan alle collega\'s die aan de Kliniek voor kleine huisdieren
materiaal voor het onderwijs stuurden, betuig ik gaarne mijn dank,
en ik hoop, dat onze kliniek zich steeds in hun belangstelling zal
mogen blij ven verheugen.

-ocr page 655-
-ocr page 656-

Fig. 8.

JAKOB. Mededeelingen uit de kliniek
voor Kleine Huisdieren.

-ocr page 657-

Fig. Ii.

-ocr page 658-
-ocr page 659-

— 6O7 —
POLIKLINIEK. HONDEN.

AARDDF.R ZIERTEN.

September. |

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

a
3

1—1

3
i—>

Augustus.

Totaal.

Parasitaire en

Infeetie Ziehten.
Acariasis........

Scabies sarcoptica . . .

Phthiriasis ......

Helminthiasis......

Febris catarrhalis et
nervosa infectiosa . .

Ziehten van de Haren, de
Oogen, de Huid, de Ooren
Alopecia .......

Oedema cutis.....

Erythema cutis ....

Pachydermie .....

Furunculosis......

Eczema........

Acanthosis nigricans . .

Paronychia......

Blepharitis ......

Conjunctivitis catarrhalis

Keratitis et ulcus corneae

Staphyloma corneae . .

Cataracta .......

Chalazion.......

Hyalitis........

Cyclitis........

Leucoma.......

Macula corneae ....

Otorrhoe et Otitis externa

Otitis media......

16

9

8

9

16

5

5

5

6

7

5

12

103

i

i

2

4

8

i

2

4

i

i

i

4

6

28

14

13

5

7

19

13

16

7

16

8

9
29

9

9

126

39

35

22

38

13

48

36

30

22

361

i

2

2

i

3

4

i

i

i

i

i

18

i

i

2

i

3

i

i

2

3

i

14

i

i

2

i

i

2

44

18

22

13

17

19

21

31

21

29

33

43

311

i

i

i

i

2

i

i

6

i

i

i

i

2

2

i

i

2

2

14

9

3

3

5

4

7

9

5

n

12

6

6

76

5

3

2

3

i

i

4

6

3

i

3

3

35

i

i

i

i

2

i

i

6

i

i

i

i

i

i

i

i

4

i

i

5

8

7

4

4

3

4

7

6

13

5

70

i

i

2

-ocr page 660-

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

Juni.

1—>

Augustus.

Totaal.

Ziekten v. d. Respiratie-

Organen.
Rhinitis catarrhalis . . .

Laryngitis catarrhalis . .

Pharyngo-laryngitis . .

Bronchitis et Broncheolitis

Broncho-pneumonie . .

Pneumonia crouposa . .

Emphysema pulmonis . .

Pleuritis .......

Epistaxis.......

Ziekten van de Digest ie-

organen.
Stomatitis.......

Pharyngitis......

Catarrhus ventriculi . .

Catarrhus intestinalis . .

Catarrhus ventriculo-
intestinalis .....

Gastritis acuta ....

Enteritis acuta ....

Gastro-enteritis acuta . .

Koprostasis......

Proctitis .......

Peritonitis sicca ....

Peritonitis exsudativa

Hydrops ascites ....

Icterus catarrhalis . . .

Torsio ventriculi ....

Obstructio ösophagi . .

i

i

i

5 •

i

2

i

12

39

i

4

5

3

4

--

2

7

5

8

i

x

i

i

i

2

i

3

il

5

3

i

i

i

2

4

2

4

i

i

25

i

i

2

2

3

9

2

2

i

i

i

i

4

2

2

i

i

2

2

2

3

3

3

i

8

5

i

2

i

31

i

2

i

6

to

7

15

8

3

3

3

2

6

5

12

3

67

4

i

i

x

2

i

2

i

i

x

i

16

5

7

i

2

5

i

5

i

2

2
il

4

2

30

6

xo

5

6

il

8

14

5

2

8

93

4

i

i

i

i

5

2

7

3

25

4

i

5

4

6

3

9

2

9

14

ii

13

81

8

8

3

3

3

2

i

2

4

6

5

9

54

i

i

i

i

i

i

i

i

i

i

4

i

i

i

i

i

5

i

i

i

i

2

-ocr page 661-

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November.

December, j

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

c
3
i
—i

"3

1—1

Augustus.

Totaal.

Haematemesis.....

i

i

Z iekten van de Circulatie-
organen en lymphklieren.
Myodegeneratio cordis

i

i

Endocarditis valvularis .

i

i

i

• 3

Dilatatio cordis ....

i

i

Lymphangitis,

Lymphadenitis ....

i

z

i

3

i

i

2

■ 10

Ziekten van het

uro-genitaalapparaat.
Nephritis.......

1

i

3

Uro-cystitis......

2

i

3

Colpitis........

i

i

i

i

i

5

Endometritis .....

i

2

i

i

i

6

I.actatio abnormalis . .

2

i

i

2

i

3

i

11

Mastitis . . , , , ; , .

i

i

2

Postitis catarrhalis puru-

3

3

i

2

3

12

Retentio secundinarum .

i

i

2

Haematurie......

i

i

Ziekten van het centrale en

periphere zenuwstelsel.
Leptomeningitis cerebri .

i

i

2

Encephalitis .....

i

i

2

Contusio cerebri ....

i

i

i

i

4

Epilepsia (reflectorica) .

i

2

i

i

i

i

2

i

io

Neurasthenia .....

i

2

i

i

S

Compressns medullae spi-
nalis ........

i

2

2

3

i

i

i

i

12

Pruritus cutaneus . . .

3

2

i

4

3

13

Eklampsia ......

6

3

i

2

i

3

i

2

i

2

2

24

Myelitis spinalis ....

i

2

6

i

i

3

i

i

i6

-ocr page 662-

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

Juni.

P
i—i

Augustus.

Totaal.

Neuritis........

Paresis........

Paraplegia ......

Neuralgia cervicalis . . .

Ziekten van het bloed en

van de slofwisseling.
Anaemie .......

Rhachitis.......

Obesitas .......

Cachexia.......

Intoxicatie ......

Ter Onderzoek.....

Chirurgische Ziekten.
Ulcera cutis......

Necrosis cutis.....

Haematoma cutis . . .

Tncarnatio unguis , . ,

Enucleatio unguis . . .

Ulcus conchae auris . . .

Othaematoma.....

Caries et cremor dentium

Prolapsus recti cum inva-
ginatione......

Partus abnormalis . . .

Prolapsus et inversio va-
ginae ........

Paraphimosis .....

Tendovaginitis ....

Myositis .......

Periostitis ......

Fissura .......

i

2

2

4

5

14

i

2

i

i

2

i

3

i

i

i

14

2

2

i

i

i

7

2

2

i

i

8

7

3

i

2

2

2

2

2

5

i

3

38

i

i

2

i

i

i

2

i

21

4

io

29

2 7

15

23

25

38

14

25

22

13

262

i

i

i

i

i

i

6

i

i

i

i

i

i

i

i

6

2

i

i

i

2

i

i

3

12

i

i

2

i

i

i

i

i

3

2

i

i

2

3

i

i

11

i

i

i

1

i

i

i

i

4

i

1

i

i

3

3

3

2

4

2

3

4

4

3

31

2

i

2

i

2

8

i

i

2

-ocr page 663-

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November. \'

December. J

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

g
3
1—)

3

Augustus.

Totaal.

Fractura .......

5

6

6

5

i

6

8

4

4

5

2

52

Distorsio .......

i

i

i

3

i

2

i

4

Arthritis et Periarthritis .

4

3

3

i

i

i

i

14

i

i

i

3

7

7

10

13

10

10

8

10

10

10

12

13

120

Contusio musculorum . .

9

5

6

4

3

5

10

11

7

13

6

8

87

Abscessus.......

i

i

i

i

i

2

2

i

10

Tyloma........

i

i

i

i

4

Struma........

i

i

i

i

4

Epulis ........

i

i

i

3

Kystoma cutis ....

i

i

Condyloma penis ....

i

2

i

i

i

6

Papilloma cutis ....

4

i

i

i

i

2

i

i

i

i

4

2

20

Lipoma........

i

i

Sarcoma .......

i

i

Carcinoma ......

i

i

2

I

I

2

Andere Tumoren ....

4

2

5

4

5

4

6

4

7

4

4

2

51

Hernia umbilicalis . . .

7

I

2

2

I

I

I

4

4

23

Hernia ventralis ....

I

I

Corpora aliena.....

I

i

I

3

Emphysema cutis . . .

I

I

Fistula........

I

i

Hyperonychia.....

2

2

4

I

I

I

3

2

16

Torticollis ......

I

i

Alveolitis.......

I

i

Kreupelheid......

4

I

2

I

2

2

I

I

I

15

-ocr page 664-

— 6l2 —
POLIKLINIEK. KATTEN.

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November, j

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

Juni.

Juli.

Augustus.

Totaal.

Parasitaire en Infectie-

Ziekten.
Phthiriasis ......

Scabies sarcoptica . . .

Helminthiasis.....

Favus ........

Ziekten van de huid, ooren,
oogen.

Eczema........

Conjunctivitis.....

Keratitis.......

Prolapsus iridis . .

Otorrhoe et Otitis externa

Ziekten v. d. Respiratie-

Organen.
Epistaxis.......

Rhinitis catarrhalis . . .

Bronchopneumonie . .

Pleuritis .......

Ziekten van de Digestie-

Organen
Stomatitis.......

Catarrhus ventriculo-in-
testinalis......

Gastritis .......

Enteritis.......

Gastroenteritis ....

Obstipatio ......

Hydrops ascites ....

Peritonitis chronica . . .

Ziekten van het itro-

genitaalstelsel.
Nephritis.......

i

2

3

i

3

7

3

2

3

4

2

4

i

i

2

2

27

i

i

i

i

i

i

5

i

i

3

i

2

5

2

4

i

6

5

3

i

30

2

2

i

2

i

i

2

i

i

i

i

i

i

6

i

i

2

i

i

i

5

i

i

i

i

2

i

--

i

r

4

i

i

i

10

-

i

i

2

2

i

i

6

3

i

i

i

x

7

i

5

3

4

5

i

8

i

2

i

31

i

i

3

3

2

3

x

i

15

7

2

2

i

2

i

i

i

17

3

5

i

2

2

3

3

19

i

i

2

i

--

i

i

i

J

-ocr page 665-

r

-

AARD DER ZIEKTEN.

September. |

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

a,

<;

Mei.

Juni.

~3

1—>

Augustus.

Totaal.

Endometritis .....

i

i

2

Mastitis........

i

i

\'dekten van het
Zenuwstelsel.
ïyperaemia cerebri . . .

i

i

i

i

4

\'lyelitis spinalis . . .

i

2

i

4

^ontusio medullae spinalis

i

2

i

4

Paralysis.......

i

i

2

Ziekten van de
Stofwisseling.
Rhachitis.......

i

i

\\naemie .......

i

i

2

Intoxicatie.......

i

i

i

3

Wer onderzoek.....

i

i

i

i

3

i

2

3

2

i

16

Chirurgische Ziekten.
Slcera cutis......

i

2

3

ffaematoma cutis . . .

i

i

lypertrophia membranae
5 nictitantis......

i

i

)torrhoe et Otitis externa

i

i

fresia vulvae.....

ïclampsia puerperalis

i

i

\'.ontusio musculorum . .

2

i

3

2

i

5

2

i

17

Linus........

i

i

5

3

2

3

9

2

3

7

36

übscessus .......

i

2

i

4

^haematoma.....

i

i

i

i

4

ïemor et caries dentium

i

i

•olapsus uteri.....

i

i

yositis .......

i

i

ssura ........

i

i

actura .......

2

i

i

i

i

4

3

2

15

-ocr page 666-

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November. |

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

Juni.

Juli.

Augustus. j

Totaal.

Papilloma.......

Tumor........

Hernia umbilicalis . . .
Hernia ventralis ....
Corpora aliena ....
Kreupelheden.....

i

i

i

i

2

i

2

i

2

io

i

i

j

i

i

3

i

i

i

r

2

2

8

i

i

2

359

POLIKLINIEK. KONIJNEN.

AARD DER ZIEHTEN.

September.

October.

November. 1

December, j

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

\'8

1—>

•—>

Augustus.

Totaal.

Inwendige en Chirurgische

Ziehten.
Scabies psoroptica . . .

Phthiriasis ......

Febris catarrhalis

infectiosa......

Conjunctivitis.....

Rhinitis catarrhalis . . .

Catarrhus ventriculo-intes-
tinalis .......

Gastritis .......

Gastroenteritis ....

Myelitis spinalis ....

Paresis........

Paralysis .......

Anaemie .......

Eclampsia puerperalis . .

3

3

i

3

4

2

16

i

i

i

i

i

2

3

i

i

i

i

2

i

2

i

i

i

i

7

i

i

2

2

i

7

i

2

3

2

i

i

4

2

3

^

i

i

2

i

i

2

-ocr page 667-

AARD DER ZIEKTEN.

September. |

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

Juni.

Juli.

Augustus.

Totaal.

Vulnus........

i

i

2

Vbscessus .......

i

i

2

3

i

8

^ontusio musculorum . .

i

i

2

Tumor........

i

i

i

3

fer onderzoek.....

i

i

4

3

9

78

POLIKLINIEK. KIPPEN.

AARD DF.R ZIEKTEN.

September. |

October. J

November, j

II

December.

Januari.

Februari.

Maart.

II

April.

Mei.

Juni.

Juli.

Augustus.

Totaal.

nwendige en Chirurgische
Zieklen.
loryza........

2

4

4

2

i

13

diphtheria ......

2

3

i

2

3

8

2

4

5

4

5

39

Solera gallinarum . . .

i

i

i

3

6

)ermatomycosis ....

i

I

2

icabies dermatoryctica .

i

i

I

i

i

i

2

i

9

5ithiriasis ......

i

i

2

lelminthiasis.....

i

I

lonjunctivitis.....

i

i

i

i

4

•aralysisnervi vestibularis

i

i

2

5

2

i

i

5

5

3

6

4

4

2

•38

»bstructio ingluviei . .

i

2

i

i

5

jstarrhus ventriculi . .

3

i

1

2

7

itarrhus ventriculo-
intestinalis .....

i

i

i

i

4

i

i

10

nteritis .......

i

i

2

i

2

i

2

6

ift

-ocr page 668-

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

p t
<

\'55
§

\'3

3

Juli.

Augustus.

Totaal.

Cloacitis .......

Prolapsus cloacae ....

Icterus catarrhalis . . .

Rhinitis........

Hydrops ventriculi cerebri

Myelitis spinalis ....

Paresis........

Paralysis.......

Paraplegia ......

Ataxia spinalis.....

Hydrops ascites ....

Anaemie .......

Rhachitis.......

Necrosis cutis.....

Emphysema subcutaneum

Vulnus........

Oedema inflamatorium
(Kam.).......

Contusio musculorum . .

Abscessus.......

Arthritis .......

Fractura .......

Haematoma.......

Corpus alienum ingluviei

Retentio ovorum ....

Tumor........

Ulcus cutis......

Kreupelheden.....

Ter onderzoek.....

i

i

2

--

2

2

2

3

5

3

i

3

21

i

i

2

4

i

i

i

i

2

i

i

4

i

7

3

8

4

4

3

i

33

i

i

i

2

3

2

i

I

2

i

15

i

i

2

i i

2

i

2

3

l

i

8

i

i

4

3

i

i

3

14

i

i

i

i

i

i

i

7

2

2

I

I

i

i

I

3

t

i

i

i

i

3

i

2

i

4

i

i

i

3

3

i

3

7

i

i

i

i

2

i

i

i

i

2
i

2

i

7

i

2

4

2

2

3

3

i

2

4

4

7

4

4

38

-ocr page 669-

POLIKLINIEK. ANDERE VOGELS.

AARD DER ZIEKTEN

September.

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

\'C
<

\'53
S

Juni.

"3

1—>

Augustus.

Totaal.

Inwendige en Chirurgische

Ziehten.
Diphtheria ......

Cholera........

Epithelioma contagiosum

Phthiriasis ......

Inghiviitis ......

Gastritis .......

Gastroenteritis ....

Prolapsus cloacae ....

Obstipatio.......

Rhinitis . .

Encephalitis .

Arthritis .......

Lymphadenitis.....

Anaemia .......

Ataxia cerebralis ....

Laryngitis.......

Alopecia .......

Bursitis........

Tracheitis.......

Ter onderzoek......

Paresis........

Paralysis nervi vestibularis
Hyperonychia.....

2

--

j

2

3

3

4

14

29

3

3

6

--

i

i

2

4

i

i

i

i

i

i

i

i

2

2

i

5

12

--

i

---

i

i

2

7

i

i

i

i

i

2

4

i

i

i

2

i

-

i

2

i

8

i

i

i

i

2

6
8

2

i

i

2

i

i

i

i

2

i
i

i

i

i

3

2

--

2

i

i

i

i

4

i

i

2

i

i

i

i

i

i

i

i

3

i

i

3

i

i

i

i

-ocr page 670-

AARD DER ZIEKTEN.

September.

October.

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

\'5
g

Juni.

Juli.

Augustus.

Totaal.

Spasmus .......

Emphysema cutis . . .

Conjunctivitis.....

Tumor........

Dermatomycosis ....

Keratitis .......

Panaritium......

Kreupelheid......

i

, ------

i

i

i

i

i

i

i

i

i

i
i

I

i

90

STATIONAIRE PATIENTEN.

AARD DER ZIEKTEN.

September. |

October.

November.

December.

Januari.

\'u

a
c

j3
03
lb

Maart.

April.

\'5

Juni.

~5
•—1

in
3

-w

&

3

60
<

Verbeterd.

Genezen.

Gestorven, i

Afgemaakt. 1

Acariasis (Demodicosis! .

Scabies sarcoptica . . .

Helminthiasis ....

Phthiriasis ......

Eczema .......

Otitis externa.....

Conjunctivitis.....

Keratitis .......

Haemophthalmus . . .

Hypertrophia membranae
nictitantis......

Hyalitis, Cvclitis . . .

Blepharitis ......

Entropium ......

2

2

3

i

2

2

i

i

4

9

i

i

i

2

i

I

2

2

4

8

5

3

3

8

5

7

6

2

3

4

i

6

42

5

2

i

2

I

i

2

2

i

3

6

i

2

i

i

2

2

2

i

i

3

i

i

i

i

i

-

i

i

i

i

--

i

i

-ocr page 671-

KD DER ZIEKTEN.

September. i|

October. 1

November.

December.

Januari.

Februari.

Maart.

April.

Mei.

Juni.

~3

I—)

CO

3

tn

3

be

3

<

Verbeterd. 1

Genezen.

Gestorven.

Afgemaakt. 1

Totaal.

latitis et cremor den-
im ........

I

I

I

I

2

nla........

I

I

I

ma sublinguale . . .

I

I

I

is ........

I

I

2

2

ritis .......

I

I

3

I

2

I

I

I

2

7

10

io ventriculi ....

I

I

I

iritis .......

I

I

3

I

2

I

2

7

9

ipatio.......

2

I

I

2

3

rceratio herniae peri-
(alis........

I

I

I

rns catarrhalis . . .

I

I

I

I

2

3

apsus recti.....

I

I

*

rops ascites ....

2

I

3

3

3

6

I

I

I

I

2

3

taxis.......

I

I

I

|ngitis.......

I

2

I

2

3

2

I

6

ichitis et broncheolitis
ronica ......

2

2

2

ichopneumonie . . .

I

I

I

I

I

I

3

pcarditis......

I

I

I

2

I

3

pegeneratio cordis

I

I

I

hritis.......

I

3

2

2

4

ystitis catarrhalis

I

I

I

ystitis haemorrhagica

I

I

I

;mie .......

I

I

I

atrophia prostatae .

I

I

I

I

2

phimosis .....

I

I

I

atio abnormalis . .

I

I

2

2

-ocr page 672-

AARD DER ZIEKTEN.

September. 1

October.

November. ||

December.

Januari. 1

Februari.

Maart.

ft

<

\'53
S

\'5

3

1—>

"3

Augustus. I

Verbeterd, j

Genezen.

Gestorven, i

Afgemaakt. 1

Partus abnormalis . . .

Posthitis chronica puru-
lenta........

Endometritis .....

Prolapsus vaginae . . .

Hypertrophia testis . . .

Commotio cerebri . . .

Compressus medullae
spinalis.......

Paresis Paralysis . . .

Paraplegia ......

Epilepsia genuina . . .

Neuritis........

Hvperkinesis localisata .

Contusio musculorum . .

Othaematoma.....

Vulnus........

Ruptura musculorum . .

Ulcus.........

Fistula........

Amputatio caudae . . .

Amputatiopollicis (Huber-
tus klauwtjes) ....

Haematoma cutis . . .

Caro luxurians.....

Abscessus.......

Phlegmone ......

Luxatio........

Arthritis .......

I

---

I

I

I

I

——

--

I

I

I

I

I

2

I

I

I

I

I

3

I

I

3

2

5
3

2

4

--

I

I

I

2

I

I

I

2

I

I

---

I

I

I

I

2

I

I

2

I

I

I

I

2

X

I

I

I

2

2

2

I

I

I

3

I

4

2

I

3

I

I

4

4

4

I

I

I

I

I

-

I

I

I

I

I

I

I

I

---

I

I

3

I

6

I

I

I

I

I

I

2

I

I

—j

I

I

I

I

I

I

I

I

2

-ocr page 673-

ARD DER ZIEKTEN

o
H

O

Ititis ........

iriostitis.......

actura .......

ernia inguinalis ....

imor........

ruma........

[pilloma cutis ....

reupelheid......

«rmatocoelia.....

r Onderzoek.....

36

37

i
11

Vogels.

phteria van een Pauw

ralysis vestibularis van
en Haan......

Totaal, 318

Uit de kliniek voor inwendige ziekten van \'s Rijksveeartsenijschool.

Maag-darmstrongylose bij geiten,

DOOR

J. WESTER.

Merkwaardigerwijze is in de litteratuur zeer weinig te vinden
over strongylose bij geiten, wat scherp afsteekt tegenover het vele
wat daaromtrent bij schapen bekend is. Reeds gedurende een paar
jaren was het mij bij het microscopisch onderzoek van de faeces
van zieke geiten opgevallen, dat strongyliden toch ook bij deze
dieren menigvuldig voorkomen.

-ocr page 674-

In den laatsten tijd was ik in de gelegenheid deze zaak wat nader
te bestudeeren.

Voor een goed inzicht komt het mij wenschelijk voor, een drietal
typische gevallen te beschrijven.

i°. Een éénjarig geitje werd aan de Veeartsenijschool ter onder-
zoek afgestaan.

De anamnese luidde, dat het diertje steeds magerder werd in
weerwil van goed eten. De ontlasting was nooit dun geweest. De
patiënt dronk veel. Een broertje van het dier was om dezelfde ziekte
reeds bij een vilder terecht gekomen, terwijl de moeder ook eenigs-
zins vermagerde in weerwil van veel eten. De geiten waren meestal
op stal, werden echter ook wel eens vastgezet op een naburig stukje
hooggelegen weiland.

Status praesens. De patiënte is zeer mager en dor. De slijmvliezen
zijn zeer anaemisch. Temp. 38°5. Pols no. De faeces zijn iets
harder dan gewoon. Hierin worden veel strongyluseieren gevonden.
In de urine is een geringe hoeveelheid eiwit aanwezig, overigens is
ze normaal. Hgl. (Sahli) 30. Het aantal roode bloedlichaampjes
is tot 9 mill. gedaald (normaal -f 16 mill.). Het aantal witte is
10000 (normaal). Galkleurstoffen zijn in het serum niet aanwezig.
De erythrocyten vertoonen verschillenden vorm (poikylocytose),
verschillende grootte (anisocytose) en zijn als met hagel door-
schoten (ongekleurde plekken). Geen kernhoudende erythrocyten;
geen basophile punctatie, geen polychromatie.

De verhouding der witte bloedlichaampjes is: polynucleaire
leucocythen 69%; lymphocythen 30%; eosinophile cellen 1%.

Het diertje werd meer en meer kachectisch, at zeer weinig meer,
en werd na een week afgemaakt. Een behandeling werd niet in-
gesteld.

Sectie. Het cadaver was zeer oedemateus. De buikholte bevatte
ongeveer \\ Liter transsudaat (S. G. 1.008, eiwitgehalte 0.2 %
geen cellen). Eveneens was vocht in borst en pericardiaalholte
aanwezig. De lymphklieren waren oedemateus gezwollen. I)e
organen waren normaal. Een paar cystic. tenuicollis bevonden zich
aan het schijl.

De inhoud van de lebmaag en van den dunnen darm bevatte
behalve massa\'s amoeben van verschillend soort,
tweeërlei soort
wormen
met bijbehoorende eieren.

a. Strongylus contortus; rood, soms kurketrekkervormig ge-
kronkeld,
met om den darm geslingerden uterus; ^ 13 m.M. lang,
en 300 micron breed. Het mannetje heeft aan het achtereind
een groote klok, met twee lange naar achteren uitstekende

-ocr page 675-

spicula. Het vrouwtje heeft een spitse staart. De eieren zijn ovaal,
bevatten geen embryonen, zijn onduidelijk gedeeld, en zijn 4- 70
bij 50 micron groot (half zoo breed als lang).

Deze strongyliden werden los in de lebmaag-inhoud gevonden,
niet aan het slijmvlies vast gezogen; wellicht doordat het onder-
zoek van de lebmaag eenigen tijd na den dood plaats vond. Ze
waren in betrekkelijk gering aantal aanwezig en konden op zichzelf
door hun aantal bezwaarlijk tot de geconstateerde cachectische
verschijnselen aanleiding geven.

b. Daarnevens werden echter in zeer groot aantal gevonden, heel
dunne, draadvormige, witte wormpjes, welke nauwelijks met het
bloote oog te zien waren. Ze zijn dwarsgestreept; de lengte is —
5-J m.M., de breedte -J- 75 micron., de verhouding is dus ongeveer
i : 60—70. Het vooreinde is dunner dan het achtereinde.

Op 4 150 mier. van de mondopening is een inkeeping te con-
stateeren; blijkbaar op de plaats waar de porus secretorius
(van het watervat-stelsel) is gelegen.

Deze inkeeping is een typisch kenmerk voor deze worm. De

slokdarm is zeer lang; de anus ligt
dicht bij het achtereinde. Het man-
netje heeft een klok, met twee korte
spicula; het vrouwtje een korte spitse

Vooreinde van trichostrongylus subtil,s; staart. De yulva som£ moeilijk
indeuking op de plaats van de porus t(j ^^ düürdat zg geen kjep

S&CY ctOY\'lliS •

vertoont, maar een weinig opval-
lende opening. Ze is gelegen op ongeveer \\ van de lichaamslengte
van achter af gerekend.

Er waren veel meer vrouwelijke dan mannelijke individuen aan-
wezig. De dieren waren geslachtsrijp; de vrouwtjes bevatten
eieren. De eitjes zijn
lang ovaal. De afmetingen varieeren nog al,
b.v. 87 bij 40 micron of 97 bij 45; of 45 bij 118. Dit hangt ook af
van den stand welke het ei onder het microscoop heeft ingenomen.
De eieren zijn blijkbaar meer of min napvormig, wat te zien is
als er een met den vloeistofstroom wordt meegesleept, en om zijn as
rolt. Daardoor komt het dat dikwijls de eenc zijde vlak is, of in-
gedeukt in plaats van convex gebogen; echter kan het ei in een
anderen stand ovaal schijnen.

Tegenover de eieren van str. contortus valt steeds de lengte
op. Het protoplasma is weinig gedeeld. In geen enkel ei werd een
embryo gezien.

Niet geslachtsrijpe exemplaren (larven) werden er slechts zeer
enkele gevonden, ter lengte van 250—300 micron.

-ocr page 676-

De inhoud van den blinden darm bevatte slechts eieren; in de
faeces werden evenmin wormen of larven gevonden.

Het slijmvlies van maag en darmen was niet ontstoken. Ook
knobbeltjes werden er op gemist. De kachexie moet dus worden
toegeschreven aan het zeer groot aantal medeëters naast de pro-
ductie van toxische stoffen. Wellicht opmerkenswaardig is echter,
dat de anaemische verschijnselen hierbij niet zoo sterk gepronon-
ceerd waren als bij distomatose in het laatste stadium voorkomt.
Dan vindt men steeds kernhoudende erytrocythen, basophil gegra-
nuleerde roode bloedlichaampjes, polychromatie, sterke poikylo-
cytose en anisocytose, terwijl hier slechts een niet zeer sterke
poikylocytose en anisocytose was te constateeren. Trouwens bij
distomatose daalt het aantal roode bloedlichaampjes ook veel
sterker, dan hier het geval was. Ook hier weer geen eosinophilie,
wat ik trouwens nooit door darmparasieten bij dieren heb waar-
genomen (wel bij vermineuse bronchitis).

Vermeldenswaard is wellicht, dat de inhoud van de lebmaag
zeer weinig zuur reageerde, een omstandigheid, die trouwens bij
anaemie van andere origine ook schijnt voor te kunnen komen.

Bij het nagaan der litteratuur over strongyliden uit maag en
darmen bij herkauwers bleek mij, dat de hier door mij beschreven
strongylus-soort wellicht identisch is met de
trichostrongylus sub-
tilis
door Looss in 1895 in Egypte gesignaleerd (Centralblatt für
Bact. und Parasitenkunde (originale) Bd. 39), en later door hem
geïdentificeerd met
Strongylus gracilis (Raillet). De teekeningen
door Looss gepubliceerd van het staarteinde der wijfjes en der
bursa der mannetjes komen overeen met de vormen, die deze kleine
wormpjes bij onze geiten vertoonen. Echter zijn de opgegeven
maten voor de eieren eenigszins anders, en spreekt hij, noch
Baillet
noch iemand anders, over de toch zoo in het oog vallende en typische
inkeeping bij de porus secretorius.

2°. Een mager, tweejarig geitje werd ter behandeling aangeboden,
en aangekocht. Het dier was zeer mager, at weinig, vertoonde diar-
rhee, en was sterk anaemisch. Bij microscopisch onderzoek van de
faeces werden zeer vele
strongyluseieren gevonden, vele strongylus-
larven
en ook distomumeieren. In één preaparaat, ongecentri-
fugeerd, 45 str. eieren, 25 larven, en 4 distomum-eieren.

De eieren waren 85—100 mier. lang en 40—50 mier. breed. Het
protoplasma was moerbeivormig geconglomereerd (morulavorm).
Daarom heen is een heldere doorschijnende ruimte, waaromheen
weer de dunne schaal. De vorm van de eieren is in den regel niet
zuiver ovaal; aan één zijde zijn ze afgeplat of soms zelfs concaaf.

-ocr page 677-

Enkele eieren werden gevonden met de afmetingen 50 bij 70; —
dus waarschijnlijk afkomstig van
strongylus contortus. De andere
eieren waren blijkbaar weer die van
Trichostrongylus subtilis
(,gracüis).

De diagnose luidde dus Strongylose en distomatose.

Hier werden in tegenstelling met het onder i°. beschreven geval
veel embryonen in de faeces gevonden. Ze verkeerden alle in het-
zelfde stadium van ontwikkeling, en waren 250—300 mier. lang
en 12—20 mier. breed. De mond was ongewapend, de staart zeer
kort, de beweeglijkheid gering.

Merkwaardigerwijze waren in de eieren geen embryonen te zien,
zooals dat bijv. bij longwormziekte zoo duidelijk is waar te nemen
bij de eitjes, welke met de faeces worden geëlimineerd, en ook
bij sclerostomatose van paarden wordt gevonden.

Het bloedonderzoek had de volgende resultaten: Hgl. (Sahli)32.
Roode bl. lich. 7000000; witte bl. 8000 (normaal 16000000 en 8000—
10000). Poikilocytose, anisocytose. Geen eosinophilie. Het serum
was dun, bleek, bevatte een weinig galkleurstoffen (door de disto-
matose).

De urine bevatte niets abnormaals; ook geen galkleurstoffen,
noch urobiline, wat overigens door de distomatose heel goed
mogelijk was geweest.

Sectie: De inhoud van de lebmaag, bevatte slechts zeer weinig
volwassen wormpje; weinig larven, en veel eieren. In tegenstelling
dus met geval het onder 10., waar veel wormen in de lebmaag-
inhoud werden gevonden. Desgelijks was het gesteld met de in-
houd van den dunnen darm. In het coecum waren meer larven
aanwezig, en nog meer in den dikken darm. Ook het aantal eieren
was in de faeces betrekkelijk grooter dan in de inhoud der voorste
darmgedeelten, natuurlijk tengevolge van het indikken van den
darminhoud.

De vraag was nu: „waar zijn de wormen, die al die eieren hebben
geproduceerd ?"

In het af schraap set van het Icbmaagslijmvlies waren massa\'s ge-
slachtsrijpe
trichostrongyliden te vinden en ook enkele larven. —
Macroscopisch waren ze niet te zien. Na drukken van een stukje
slijmvlies tusschen twee voorwerpglaasjes waren de wormpjes bij
vergrooting als
roode strepen te vinden. De lebmaag was niet ont-
stoken ; geen knobbeltjes.

De vorm en grootte kwam overeen met de trichostrongylus
onder i°. beschreven, slechts de bursa scheen nu anders gevormd,
doordat de twee lappen waren toegeslagen.

-ocr page 678-

In het afschraapsel van het dunne darmslijmvlies waren slechts
enkele wormpjes te vinden. In de mucosa van het coecum waren
ze
niet aanwezig.

In de galgangen waren zeer veel distomen; de lever was sterk
gealtereerd.

De luchtwegen waren normaal; geen longwormziekte. Ik wijs
daarop, omdat hier toch larven werden gevonden in de faeces,
welke nu dus afkomstig waren van de maag- (darm) strongyliden.

Marek merkt op; dat de eieren uit de faeces bij strongylose van
maag en darmen nooit embryonen bevatten, en eieren, die wel
embryonen bevatten afkomstig zijn uit de luchtwegen.

Ik ben ook steeds van die meening geweest. In dit geval vond
ik nu toch larven in de faeces. De longen bleken intact. Hoewel er
wel is waar geen eieren werden gevonden met embryonen, zullen
er toch moeten geweest zijn, anders kan men het groote aantal
larven in het soecum niet verklaren. Onder bepaalde omstandig-
heden schijnen dus de larven ook bij maag- (darm) strongylose
reeds in den tractus intestinalis uit de eieren te kunnen kruipen.

3°. Een ter onderzoek aangebrachte, drachtige tweejarige
geit, vertoonde sneeuwwitte slijmvliezen, slechte eetlust en
eenigszins dunne ontlasting.

In de faeces werden distomum- en strongyluseieren gevonden.
De gemeten strongyluseieren hadden de volgende afmetingen:
81—45 (ovaal); 84—35 (concaaf op een zijde); 75—30 (napvormig);
60—48 (vlak op één zijde). De diagnose was dus
distomatose
en strongylose.

In verband met de afmetingen van de eieren werd vermoed,
dat naast strongylus contortus (60—48), en trichostrongylus sub-
tilis (84—35) nog een derde strongylussoort aanwezig zou zijn.

Bij de sectie werden massa\'s distomen in den lever gevonden.
Dit was de hoofdzaak blijkbaar.

In de inhoud van de lebmaag en den dunnen darm werden weer
weinig wormen gevonden (opening dadelijk na den dood). Ook op
het slijmvlies van den dunnen darm waren weinig strongyliden te
vinden. Des te meer echter waren ze vertegenwoordigd op het
slijmvlies van de lebmaag, vooral van het pylorus-gedeelte.

Er waren drieërlei soort aanwezig: i°. str. contortus (weinig);
2°.
trichostrongylus subtilis (gracilis) en 30. een derde soort. De tricho-
strongylus kon weer slechts gevonden worden door microscopisch
onderzoek van het oppervlakkig schraapsel van de lebmaag (ver-
grooting 30 en meer). Hun aantal was betrekkelijk niet groot.

De derde strongylussoort is zeer lang gestrekt, zoo ongeveer als

-ocr page 679-

de trichostrongylus gracilis. Het voorste deel is betrekkelijk nog
iets dunner. De lengte is ongeveer tweemaal zoo groot als die van
trichostrongylus. Deze wormpjes zijn dus met het bloote oog zeer
wel te vinden. Op een versche lebmaag zijn ze als fijne, roode
draadjes te zien. De lengte van de wormpjes is 7—9 m.M.; de
vrouwelijke individuen zijn iets langer.

De mond vertoont zijdelingsche verbreedingen, en lijkt daardoor
plat. De porus secretorius is duidelijk te zien, en ligt op 250—350
mier. van den mond. De slokdarm is ongeveer 600 mier. lang.

De vul va ligt op ongeveer één vijfde tot één zesde van de
lichaamslengte, van het staarteinde gerekend. Ze is van een klep
voorzien, die bij oudere individuen een enkele keer rosarood is.
Ter plaatse is de omvang van het lichaam iets grooter (— 20 mier.).
De anus ligt op ongeveer 130 mier. van het staarteinde. De staart
is bij de vrouwelijke individuen vrij lang en draagt aan het
einde een
sierlijke knop.

Dit laatste bleek mij een typisch kenmerk.

Er zijn bij de mannetjes twee spicula aan-
wezig, die niet uitsteken buiten de bursa. De
bursa vertoont niet duidelijk een specialen
vorm. Het onderzoek ervan wordt bemoeilijkt
doordat ze meestal toegeslagen schijnt. Dit is
trouwens ook bij de andere strongyliden, welke
niet vrij in maag of darminhoud worden ge-
vonden, veelal het geval, waardoor de onder-
kenning der soorten naar de eigenschappen der
bursa, zooals bij de zoölogen gebruikelijk is,
mij voor den klinicus bezwaarlijk lijkt. Door de typische knop aan
het uiteinde van den staart is onderzoek van het wijfje, naar het
mij voörkomt, tenminste voor deze strongylusvorm, ter identifi-
ceering beter geschikt.

De eieren bleken bij meten in de baarmoeder, of dadelijk na het
uitdrukken, ongeveer 90 bij 40 mier. en hebben een moerbeivormig
geconglomereerd protoplasma (morula-vorm).

Bij het nagaan der litteratuur bleek mij, dat de hier beschreven
strongylusvorm het meest overeenkomt met de
str. ventricosus
zooals die door Rudolphi e.a. is beschreven. Een nauwkeurige
beschrijving met maten vindt men echter nergens. Van de typi-
sche knop aan het uiteinde der staart bij de wijfjes is nergens
sprake. Ook is het „buikige" van deze worm bij onze geiten
weinig opvallend

40. Bij meerdere magere, dorre geiten vond ik als oorzaak

Knop aan het staart-
einde van strongylus
ventricosus.

-ocr page 680-

maag-(darm) strongylose. De dieren toonden dikwijls behalve
blijvende magerheid, weinig ziekteverschijnselen.

Resumé: Bij geiten in Nederland komt maag- (darm) strongylose
veelvuldig voor. Ze wordt veroorzaakt door minstens drie strongy-
lusvormen, die te zamen of afzonderlijk kunnen voorkomen. Dik-
wijls komen ze tegelijk voor met distomum hepaticum.

Wanneer ze in betrekkelijk groot aantal voorkomen, geven ze
aanleiding tot anaemie en vermagering, in weerwil van goed eten;
soms zelfs tot kachexie.

De diagnose is zeer gemakkelijk. Men maakt daartoe met water
een papje van de faeces, en neemt dadelijk na het omroeren een
weinigje van het vocht ter onderzoek op strongyluseieren. Men
zoekt de eieren het best met Obj. 4 en Oc.
1 Leitz (vergrooting 90).
Men dient er vooral voor te zorgen, dat het faecespapje eerst duchtig
wordt omgeroerd, omdat anders de eieren naar beneden zijn ge-
zonken, en in de bovenste laag niet, of spaarzaam te vinden zijn.

De intensiteit van de invasie beoordeelt men naar het aantal
eieren, welke men gemiddeld in eenige praeparaten vindt.

Experimenten ter onderzoek van de beste therapie worden ge-
nomen.

Het resultaat daarvan zal ik later meedeelen.

Utrecht, Mei 19x4.

Maag-darm-strongylose bij geiten.

Bij de Saaner-geiten, die in den laatsten tijd veel in Nederland
worden gehouden, komt nog al eens strongylosis voor. Bij uit Zee-
land in 1913 aan de Seruminrichting gezonden geiten, die anae-
mies en mager waren, werd als oorzaak der ziekteverschijnselen,
een strongylus gevonden, die door collega Dr. H.
van Straaten
en ondergeteekende, als strongylus retortaeformis (Zeder) werd
gedetermineerd. (Syn. Strong. colubriformis
Giles, Strong. insta-
bilis
-railliet, Strong. gracilis-mac Fadyean).

Vrijburg.

-ocr page 681-

— 629 —
Necrologie.

J. Th. VAN LOHUIZEN. f

Na een ongesteldheid van twee dagen overleed op 13 Mei 1914
te Winterswijk, in den ouderdom van 48 jaar,
Jan Theodoor
van Lohuizen.
Hij werd 14 Februari 1866 te Epe geboren en begon
zijn studie aan \'s Rijks Veeartsenijschool in September 1882. Op
3 Juli 1885 bekwam hij zijn diploma wegens met goed gevolg af-
gelegd natuurkundig examen en werd 4 Augustus 1887 tot veearts
bevorderd. Den isten November van dit jaar vestigde hij zich te
Lemmer, doch vertrok reeds 1 April 1888 naar Geesteren en 1 Mei
1890 naar Winterswijk, in welke laatste plaats hij tot gemeente-
veearts en keurmeester was benoemd. Op 6 Augustus 1901 werd hij
voor den tijd van 3 jaar benoemd tot plaatsvervanger van den
districtsveearts wien Zutphen als standplaats was aangewezen;
na afloop van dezen termijn werd hij daarvan definitief plaats-
vervanger.

Van i April 1907 was hij dienstdoend districtsveearts en belast
met het onderzoek van uit Duitschland aan de grensstations Win-
terswijk en Kotten weder ingevoerd vleesch, nadat het in Duitsch-
land was geweigerd.

Bij Koninklijk besluit van 9 Januari 1909, n°. 19, werd hij tot
31 December van dat jaar aangesteld tot rijkskeurmeester voor
het onderzoek van voor uitvoer bestemd vleesch te Winterswijk.

Met ingang van 1 Januari 19x2 werd hij voor één jaar benoemd
tot rijkskeurmeester in buitengewonen dienst, en bij Koninklijk
besluit van 23 Januari 1914, n°. 14, werd hij met ingang van
i Februari daaraanvolgend rijkskeurmeester in algemeenen dienst
2dé klasse, onder toekenning van gelijktijdig eervol ontslag als
rijkskeurmeester in bijzonderen dienst.

Van Lohu izen heeft zijn leven gewijd aan de veterinaire praxis
en aan de keuring van vleesch, bestemd voor in- en export; hij kende
nauwelijks andere behoeften. Ten einde zich, vooral voor de laatste
meer te bekwamen, nam hij in Augustus 1903 deel aan een cursus
voor practische vleeschkeuring, en in September 1904 aan een
zoodanigen voor elementair bacteriologisch onderzoek, beide te
Utrecht.

Ook wat betreft de publicatie zijner rijke ervaring heeft hij zich
niet geheel onbetuigd gelaten. In deel 23 van het
Tijdschrift voor
Veeartsenijkunde
schreef hij over: Periodieke kreupelheid van het
xli 35

-ocr page 682-

paard, en in deel 32 van dit Tijdschrift over: Uterusruptuur intra
gravitatem
en De extractor volgens Pflanz.

Sedert 29 Juli 1892 was hij met Mejuffrouw Piiilippina Gezina
Aletta le Cavelier
gelukkig gehuwd; dit huwelijk is kinder-
loos gebleven. Zijn begrafenis op 16 Mei werd onder anderen bij-
gewoond door den Inspecteur van den Veeartsenijkundigen Dienst
Dr. H.
Remmelts, door den Districtsveearts F. S. J. Veeze en
den Heer M.
de Ridder, namens de afd. Geld.-Overijsel der Maat-
schappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland. Hoe
de afgestorvene daarbij werd gehuldigd, moge blijken uit het vol-
gende, voorkomende in de Winterswijksche Courant van 19 Mei
1914.

„Zaterdag is het stoffelijk overschot van den heer J. Th. v. Lo-
huizen,
vroeger rijksveearts, alhier, sinds 1 Maart rijkskeurmeester
2de klasse in buitengewonen dienst aan den schoot der aarde toe-
vertrouwd. Toen de kist in de groeve was gedaald trad de heer
F.
S. J. Veeze, Districtsveearts te Arnhem, naar voren en zei het
volgende:

Hier gekomen om de laatste eer te bewijzen aan onzen collega,
mijn vriend
van Lohuizen, wil ik niet van hier gaan alvorens,
ook namens mijn collega\'s, met een enkel woord van sympathie
en dankbaarheid zijn nagedachtenis te hebben geëerd.
Van Lo-
huizen
was iemand, die zich geheel gaf aan zijn werkkring. Hij
voelde zich alleen gelukkig in zijn werk en aan den huiselijken haard,
bij haar, die in weerwil van haar dikwijls wankele gezondheid,
met zooveel toewijding in lief en leed meer dan 23 jaren met
hem door dit leven is gegaan.

In het maatschappelijk leven trad Van Lohuizen weinig of niet
op den voorgrond. Het lag niet in zijn aard. Met zijn bescheiden-
heid en zijn grooten eenvoud, die kenmerken zijner degelijkheid,
was het hem als het ware een behoefte geworden zich min of meer
terug te houden. Wij, zijn collega\'s weten evenwel,
wie en wat hij
was.

Groot was steeds de belangstelling, waarmee door ons in de
wetenschappelijke vergaderingen der afd. Gelderland-Overijssel van
de Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in Nederland,
alwaar hij zoo gaarne in ons midden vertoefde, werd geluisterd
naar hetgeen hij daar ten beste gaf, en niet minder groot was die
belangstelling in de artikelen, welke in zijn gezonde dagen, van zijn
hand verschenen in het Tijdschrift der zooeven genoemde Maat-
schappij .

In de lange periode van meer dan 30 jaren, dat ik hem ken,

-ocr page 683-

heb ik hem steeds meer leeren waardeeren en hoogachten, niet
alleen als een bekwaam veearts van Winterswijk en als plaats-
vervangend districtsveearts, waarbij hij zich deed kennen als ijverig
en nauwgezet ambtenaar met een zeer hoog staand plichtsbesef.

Voor onze Regeering waren zijne bekwaamheden en goede
karaktereigenschappen niet verborgen gebleven. Vandaar dan ook,
dat hij nog slechts enkele weken geleden werd aangesteld tot rijks-
keurmeester in bij zonderen dienst en daarmede werd opgenomen
in het corps der staatsambtenaren.

Van Lohuizen is te vroeg van ons heengegaan. Zoo gaarne
hadden wij hem een langer leven gegund, ook al, omdat hij nog vele
jaren nuttig werkzaam had kunnen zijn in zijn nieuwen werk-
kring, waarin hij zich zoo goed op zijn plaats gevoelde en dat ook
werkelijk was.

Van Lohuizen is als het ware midden uit zijn arbeid weggerukt.

Van hem kan worden gezegd, dat hij gewerkt heeft, zoolang
als zijn gezondheid het toeliet, zoolang als het dag voor hem was.

En nu, nu de nacht over hem is gekomen, die nacht, waarin
niemand meer arbeiden kan, is het voor ons, zijn collega\'s, een
behoefte van deze.plaats te getuigen van zijn bekwaamheid, van
zijn plichtsbetrachting, van zijn vele goede karakter-eigen-
schappen, welke wij ons steeds zullen blijven herinneren.

Moge dit mede ten troost zijn voor zijn zoo zwaar getroffen
echtgenoote en familie, ook voor zijn reedszoo hoogbejaarde moeder.

Toen deze rede, met bewogen stem uitgesproken, was geëindigd,
trad de heer H.
M. van Dam, de oudste der hulpkeurmeesters
op de slachterij naar voren. Hij gevoelde zich als oudste, namens
de keurmeesters, gedrongen een woord tot afscheid te spreken aan
het graf van den heer
Van Lohuizen, hun chef. Wat was deze
in zijn leven steeds vol van den keuringsdienst, en thans is hij
plotseling uit zijn werkkring en zijn familiekring weggerukt.

Hij heeft getoond een humaan, welwillend chef te zijn, onder
wiens leiding het een lust was te werken; hij was voor allen een vriend
in den waren zin des woords.

Namens de collega\'s nam de heer van Dam dan ook afscheid
van den besten chef, wiens nagedachtenis bij zijn ondergeschikten
in dankbare herinnering zal blijven. De familie kan er van overtuigd
zijn, dat hij en zijn collega\'s ten zeerste deelnemen in dit zoo groote
verlies.

Namens de weduwe, moeder, broers en zusters en andere
familie zeide de heer professor J.
Ritsema Bos, de oudste zwager

-ocr page 684-

van den overledene, allen hartelijk dank voor de bewijzen van sym-
pathie in den vorm van bloemen en woorden.

Spreker eindigde geroerd met een: „Rust zacht, beste zwager."

Daarna ging men van den doodenakker in het besef een be-
kwaam en uitstekend burger weggebracht te hebben."

Een tweetal kransen dekte de baar; één van de afdeeling
Gelderland-Overijsel der Maatschappij ter bevordering der Vee-
artsenijkunde en één van de onder hem werkzaam geweest zijnde
hulpkeurmeesters.

W. C. Schimmel.

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde
in Nederland.

In de maand April j.1. is aan alle leden der Maatschappij een
vertrouwelijke circulaire toegezonden en verleden week een vragen-
lijst in zake den werkkring van hulpkeurmeesters en veeopzichters.
Indien er, onverhoopt, leden mochten zijn, die een of beide beschei-
den niet ontvangen hebben is ondergeteekende gaarne bereid
deze op aanvrage, alsnog toe te zenden.

De iste Secretaris,
H. A. Vermeulen.

Nieuwegracht 165. Utrecht.

Berichten.

Enquête-commissie. De Commissie van enquête naar de grieven der veeartsen
heeft, naar aanleiding van vele aanvragen van tal van collegae, de eer mede
te deelen, dat haar rapport in de laatste dagen van de maand Maart aan het
Hoofdbestuur is toegezonden.

De Secretaris,

Hengelo, 21 Mei 1914. Dommerhold.

-ocr page 685-

Bepalingen betreffende de Staatszorg voor de Paardenfokkerij.

ONTWERP VAN WET.

Wij W ILHEI. MINA, bij de gratie Gods, Koningin der nederlanden»
Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de bij de toepassing der Wet
op de paardenfokkerij 1901 opgedane ervaring heeft aangetoond, dat het wenschelijk
is nieuwe wettelijke voorschriften tot regeling van de Staatszorg voor de paarden-
fokkerij uit te vaardigen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der
Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en ver-
staan bij deze:

TITEL I.

Algcmeene bepalingen.

Artikel i.

De Staatszorg voor de paardenfokkerij omvat:

a. de zorg, dat voor dekking van merriën worden gebruikt hengsten, die als
fokdieren zijn goedgekeurd;

b. het verleenen van subsidiën ten behoeve van de paardenfokkerij;

c. het verstrekken van steun aan openbare paardenstamboeken en andere
vereenigingen op het gebied der paardenfokkerij;

d. het onderhouden van een hengstveulendepöt.

Artikel 2.

In rleze wet wordt veifslaan:

a. door erf, de aanhoo>righeid van eene woning, alsmede een van de omgeving
kennelijk afgescheiden, niet openbaar terrein;

b. door houder van een hengst of eene merrie, hij, bij wien de hengst of de
merrie blijvend is opgestald.

TITEL II.

Van de zorg voor de dekkingen.

Artikel 3.

Het is verboden tot dekking van merriën hengsten te gebruiken, die niet zijn
goedgekeurd, hetzij voor het geheele Rijk, hetzij voor het gedeelte van het Rijk,
waarin de dekking plaats vindt.

Het in het vorige lid bepaalde is niet van toepassing, indien tijdens de dekking
en de tien daaraan voorafgaande dagen de hengst en de merrie in vollen en on-
voorwaardelijken eigendom toebehoorden aan één persoon of aan meer personen,
behoorende tot één gezin.

-ocr page 686-

Artikel 4.

Voor de keuring van hengsten worden Rijkscommissiën ingesteld.

Artikel 5.

Ieder der in het vorige artikel bedoelde commissiën bestaat uit drie leden en
ten minste vier plaatsvervangende leden.

De leden en plaatsvervangende leden worden door Ons benoemd, geschorst
en ontslagen.

Hetgeen verder op de commissiën en hare werkzaamheden betrekking heeft,
wordt bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.

Artikel 6.

De commissiën worden voor het veeartsenijkundig onderzoek bijgestaan door
een of meer veeartsen.

De in het vorige lid bedoelde veeartsen en hunne plaatsvervangers worden door
Ons benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 7.

De keuringen door de commissiën worden jaarlijks in de onderscheiden provinciën
gehouden op de door Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel aan te
wijzen plaatsen en dagen.

Artikel 8.

In iedere provincie worden de keuringen en de daarmede verband houdende
werkzaamheden in overleg met de betrokken commissie geregeld en geleid door
eene provinciale regelings-commissie.

De leden van de provinciale regelingscommissiën worden, onder goedkeuring
van Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, benoemd door de
Gedeputeerde Staten, de in de provincie gevestigde landbouwmaatschappijen
welke meer dan zeshonderd leden tellen, en vereenigingen, welke een openbaar
paardenstamboek hebben aangelegd, of afdeelingen daarvan gehoord.

Artikel 9.

Aan iedere provinciale regelingscommissie wordt door Onzen Minister van Land-
bouw, Nijverheid en Handel, in overleg met Onzen Minister van Oorlog een lid
toegevoegd.

Artikel 10.

Hetgeen verder op de provinciale regelingscommissiën en hare werkzaamheden
betrekking heeft, wordt bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.

Artikel 11.

Bij de keuringen wordt onderzocht, of de hengsten, het ras in aanmerking ge-
nomen, geschikte fokdieren zijn.

De commissiën blijven buiten de beoordeeling van de fokrichting.

Artikel 12.

De commissie, die de keuring heeft verricht, geeft den eigenaar of den houdei
van den hengst zoo spoedig mogelijk kennis van den uitslag, onder mededeeling,
n geval van afkeuring, van de redenen, welke tot afkeuring hebben geleid.

-ocr page 687-

Artikel 13.

Indien een hengst wordt afgekeurd, staat den eigenaar of houder gedurende
drie dagen schriftelijk beroep open bij eene commissie van beroep, samengesteld
uit de betrokken commissie, aangevuld met vier plaatsvervangende leden.

Indien de commissie van beroep een nieuw veeartsenijkundig onderzoek noodig
acht, wordt zij voor dat onderzoek bijgestaan door drie door Onzen Minister van
Landbouw, Nijverheid en Handel aan te wijzen veeartsen, bedoeld in artikel 6.

Artikel 14.

Indien een hengst in beroep wordt afgekeurd, stort de eigenaar of houder een
door Ons te bepalen bedrag voor vergoeding van kosten in \'s Rijks kas.

Artikel 15.

Bij algemeenen maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent
de keuringen.

Artikel 16.

Door Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel kunnen vereenigingen,
welke een openbaar paardenstamboek hebben aangelegd en welke voldoen aan de
bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, worden bevoegd
verklaard, om in het stamboek ingeschreven hengsten goed te keuren voor dekking
in het bij de bevoegdverklaring te vermelden gedeelte van het Rijk, waarin de
vereeniging werkt.

Artikel 17.

Alle goedgekeurde hengsten worden voorzien van een merk, waarvan het model
en de wijze, waarop het zal worden aangebracht, door Onzen Minister van Land-
bouw, Nijverheid en Handel zullen worden vastgesteld.

Aan den eigenaar of houder van een goedgekeurden hengst wordt een schrifte-
lijk bewijs afgegeven, dat de hengst voor dekking is goedgekeurd.

Artikel 18.

Het is verboden een niet goedgekeurden hengst van twee jaar of ouder te houden
op een erf, waar een goedgekeurde hengst tegen betaling beschikbaar is voor
dekking.

Door of namens Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel kan ont-
heffing worden verleend van de in het vorige lid veivatte verbodsbepaling.

Artikel 19.

Aan den eigenaar of houder van een goedgekeurden hengst worden een of meer
dekboeken met dekbewijzen verstrekt.

Artikel 20.

De eigenaar of houder van een goedgekeurden hengst is verplicht de hem ver-
strekte dekboeken en dekbewijzen nauwkeurig in te vullen.

Artikel 21.

De eigenaar of houder van een goedgekeurden hengst, welke tot dekking is
gebruikt, geeft op de eerste aanvraag binnen het jaar van dekking aan den eigenaar
of houder van de merrie een dekbewijs af, volgens een door Onzen Minister van
Landbouw, Nijverheid en Handel vast te stellen model.

-ocr page 688-

Artikel 22.

Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt vastgesteld aan welke verdere
verplichtingen de eigenaar of houder van een goedgekeurden hengst zal moeten
voldoen.

Artikel 23.

Ieder, die eigenaar of houder is van een tweejarigen of ouderen hengst, is verplicht
hiervan bij den burgemeester der gemeente zijner inwoning aangifte te doen binnen
eene maand, nadat de hengst twee jaar is geworden of in zijn bezit is gekomen,
alsmede vóór den eersten Februari van elk jaar.

De burgemeester geeft van deze aangifte kosteloos een bewijs af, volgens een
door Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel vast te stellen model.

Artikel 24.

De eigenaar of houder van eene merrie, welke een veulen heeft geworpen, is
zoolang het veulen niet is gespeend, verplicht, om op vordering onmiddellijk het
betreffende dekbewijs te vertoonen aan de in het eerste lid van artikel
37 bedoelde
ambtenaren.

Met het dekbewijs, bedoeld in het vorige lid, wordt gelijkgesteld eene verklaring,
gewaarmerkt door het bevoegde gezag eener buitenlandsche gemeente, dat de merrie
in die gemeente is gedekt.

Artikel 25.

Het in het vorige artikel bepaalde is niet van toepassing, indien de eigenaar
van eene merrie een bewijs, als bedoeld in artikel
23, kan overleggen en hieruit
blijkt, dat hem tijdens de dekking en de tien daaraan voorafgaande dagen een hengst
van twee jaar of ouder in vollen en onvoorwaardelijken eigendom toebehoorde.

Eveneens is het in het vorige artikel bepaalde niet van toepassing in de bij al-
gemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen gevrllen.

TITEL III.

Van de subsidiên.

Artikel 26.

Jaarlijks wordt ten behoeve van subsidiên voor de paardenfokkerij een bedrag
op de Staatsbegrooting uitgetrokken.

Artikel 27.

De verdeeling der gelden geschiedt, na toekenning van een vast bedrag voor
iedere provincie, naar den maatstaf van het aantal merriën, die gedurende het
afgeloopen jaar in ieder provincie zijn gedekt door een goedgekeurden hengst.

Eene merrie, gedekt buiten de provincie, waar zij thuis behoort, wordt geacht
en ziju gedekt in de provincie van herkomst.

Artikel 28.

Het beheer over en de besteding van de gelden is, met inachtneming van de door
Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel te geven voorschriften,
opgedragen aan de provinciale regelingscommissiën.

-ocr page 689-

Artikel 29.

De gelden worden gebruikt:

a. tot het toekennen van premiën en bijdragen aan den eigenaar of houder
van daarvoor in aanmerking komende paarden;

b. ten behoeve van andere bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen
doeleinden.

Artikel 30.

De toekenning van premiën en bijdragen geschiedt door een of meer provinciale
keuringscommissiën.

De provinciale keuringscommissiën worden benoemd door de provinciale rege-
lingscommissiën.

Artikel 31.

De provinciale keuringscommissiën worden voor het veeartsenijkundig onderzoek
bijgestaan door ten minste één veearts.

Aan iedere provinciale keuringscommissie wordt door Onzen Minister van Land-
bouw, Nijverheid en Handel in overleg met Onzen Minister van Oorlog een lid
toegevoegd.

Artikel 32.

Voor piemiën cn bijdragen komen bij uitsluiting in aanmerking paarden, die
in de provincie, waar de keuring plaats heeft, thuis behooren, of, voor zoover
het dekhengsten betreft, daar gestationneerd zijn of worden.

De toekenning van premiën en bijdragen geschiedt vergelijkenderwijze, doch
alleen voor paarden, welke, op zichzelf beschouwd, waardig zijn, om te worden
bekroond.

Artikel 33.

Voor premicn en bijdragen kemen bij uitsluiting in aanmerking paarden, die zijn
ingeschreven in de door de provinciale regelingscommissiën onder goedkeuring
van Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel aan te wijzen openbare
paardenstamboeken, of, indien zij jonger zijn dan drie jaren, afstammen van een
hengst en ecne merrie, welke in de stamboeken zijn ingeschreven.

Hengsten van drie jaar of ouder moeten bovendien zijn goedgekeurd voor dekking.

Indien het stamboek, waarin een hengst van drie jaar of ouder is ingeschreven,
is aangelegd door eene vereeniging, welke bevoegd is verklaard, om in het stamboek
ingeschreven hengsten goed te keuren voor dekking, moet deze hengst, zoolang
hij zich bevindt in het gebied, waarover de vereeniging werkt, om voor een premie
of bijdrage in aanmerking te komen, door de vereeniging voor dekking zijn goed-
gekeurd.

Artikel 34.

Hetgeen verder op de toekenning van premiën en bijdragen betrekking heeft,
wordt bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.

-ocr page 690-

TITEL IV.

Va>i den steun aan openbare stamboeken en andere vereenigingen.

Artikel 35.

Bij algemeenen maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent
het verstrekken van steun aan vereenigingen, welke een openbaar paardenstamboek
hebben aangelegd, en aan andere vereenigingen op het gebied der paardenfokkerij.

TITEL V.

Van het Rijkshengstveulendepól.

Artikel 36.
Er is een Rijkshengstveulendepöt.

Bij algemeenen maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven betreffende
de inrichting en werkzaamheden van het in het vorige lid bedoelde depót.

TITEL VI.

Strafbepalingen.

Artikel 37.

Met het opsporen van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn belast, behalve
de bij artikel 8, i° tot en met 6°, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen
ambtenaren:

a. de marechaussee;

b. alle andere ambtenaren van Rijks- en gemeente-politie.

Met het opsporen van overtredingen van de artikelen 20 en 21 en van den alge-
meenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
22, zijn bovendien belast de
secretarissen der provinciale regelingscommissiën.

Artikel 38.

De in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde ambtenaren zijn bevoegd
besloten lokalen en erven binnen te treden. Indien dit binnentreden geschiedt
tusschen zonsonder- en zonsopgang, wordt door hen een proces-verbaal opgemaakt,
dat binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengene, in wiens lokaal of erf is
binnengetreden, in afschrift wordt medegedeeld.

Indien hun de toegang wordt geweigerd, verschaffen zij zich dien desnoods
met inroeping van den sterken arm.

In woningen treden zij tegen den wil van den bewoner niet binnen dan op vertoon
van een schriftelijken, bijzonderen last van den burgemeester of van den kanton-
rechter. Van dit binnentreden wordt door hen een proces-verbaal opgemaakt,
dat binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengene, in wiens woning is binnen-
getreden, in afschrift wordt medegedeeld.

Artikel 39.

Wordt gestraft met geldboete van ten hoogste:

n. f 300.— de eigenaar, houder of geleider van een hengst, die dezen tot dekking
van eene merrie bezigt of doet of laat bezigen in strijd met het bepaalde bij artikel
3;

b. f 100.— de eigenaar of houder van eene merrie, die deze laat dekken door
een hengst in strijd met het bepaalde bij artikel
3;

-ocr page 691-

c. f ioo.— hij, die in het openbaar tot dekking van eene merrie een hengst
aanbeveelt of aanbiedt, die volgens artikel 3 daarvoor niet mag worden gebezigd;

d. f 100.— overtreding van artikel 18;

e. f 50.— overtreding van artikel 20;

/. f 50.— overtreding van artikel 21;

g. f .50.— overtreding van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in
artikel 22;

h. f 10.— overtreding van het eerste lid van artikel 23;

i. f 100.— overtreding van artikel 24.

Artikel 40.

Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft hij, die een
merk, als bedoeld in artikel 17, valschelijk plaatst of een echt vervalscht, met
het oogmerk om den hengst, waarop het is geplaatst, te gebruiken of door anderen
te doen gebruiken, alsof het merk echt en onvervalscht was.

Artikel 41.

Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft hij, die een dek-
bewijs opmaakt valschelijk of vervalscht, met het oogmerk om het als echt en
onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Artikel 42.

De in artikel 39 bepaalde geldboeten worden verdubbeld of hechtenis van ten
hoogste drie maanden wordt opgelegd, indien tijdens het plegen van de overtreding
nog geen jaar is verloopen sedert de schuldige wegens een der in artikel 39, 40
of 41 strafbaar gestelde feiten onherroepelijk is veroordeeld of de opgelegde geld-
boete of het maximum van een der in artikel 39 bedreigde geldboeten betaald is.

Artikel 43.

De in deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen,
behalve de bij artikel 40 of 41 strafbaar gestelde feiten, welke als misdrijven worden
beschouwd.

TITEL VII.

Slot- en overgangsbepalingen.

Artikel 44.

De krachtens deze wet opgemaakte stukken zijn vrij van zegel en van de for-
maliteit van registratie.

Artikel 45.

Ieder, die op het tijdstip van het in werking treden van artikel 23 dezer wet
eigenaar of houder is van een twee-jarigen of ouderen hengst, is verplicht hiervan
binnen eene maand aangifte te deen bij den burgemeester der gemeente zijner
inwoning.

Artikel 46.

Met het in werking treden van artikel 3 dezer wet vervalt de wet van 21 Juni 1901
(Staatsblad n°. 156), houdende bepalingen betreffende de Staatszorg voor de paar-
denfokkerij.

Alle commissiën, ingesteld ingevolge de wet van 21 Juni 1901 (Staatsblad

-ocr page 692-

n°. 156), houdende bepalingen betreffende de Staatszorg voor de paarden-
fokkerij, blijven hare werkzaamheden verrichten, tot dat zij door andere, volgens
deze wet, zijn vervangen.

Artikel 47.

Deze wet kan worden aangehaald onder den titel van Paardenwet.

Artikel 48.

De tijdstippen, waarop onderscheidenlijk de voorschriften dezer wet zullen in
werking treden, worden door Ons vastgesteld.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
Ministeriëele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel.

Memorie van toelichting.

(Aan de memorie van toelichting ontleenen wij het algemeen gedeelte, en de
toelichting betreffende enkele artikelen speciaal voor veeartsen van belang. Red.)

Bij Koninklijke Boodschap van 27 Maart 1911 werd aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal ter overweging aangeboden een ontwerp van wet, tot aanvulling
en wijziging van de wet van 21 Juni 1901
(Staatsblad nü. 156), houdende bepalingen
betreffende de Staatszorg voor de paardenfokkerij. Afgezien van verschillende
wijzigingen van eenigszins ondergeschikt belang, was de bedoeling van dit ontwerp
in de eerste plaats het dekken van merriën met niet goedgekeurde hengsten met
meer kracht te kunnen keeren en voorts om rle toekenning van subsidiên ten be-
hoeve van de paardenfokkerij te regelen op een grondslag, die meer rekening zou
houden met het streven om het bedrijf der paardenfokkerij ook in op het oogenblik
achterlijke streken te versterken.

Dit wijzigingsontwerp vestigde de bijzondere aandacht van belanghebbenden
bij en belangstellenden in de Nederlandsche paardenfokkerij op de bestaande
regeling van de Staatszorg voor dezen tak van het landbouwbedrijf, waarbij
velen tot de slotsom kwamen, dat de thans van kracht zijnde wet gebreken
heeft, welke door het wijzigings-ontwerp niet zouden worden weggenomen; ja,
dat enkele dier gebreken door dat ontwerp nog in hooge mate zouden worden
verergerd. Een en ander moge door de volgende uiteenzetting worden verduidelijkt.

§ 1. Zooals bekend is, tracht de wet van 21 Juni 1901 de paardenfokkerij te
bevorderen door eene verplichte hengstenkeuring met vrijlating van de fokrichting,
terwijl daarnaast voor \'t verleenen van premiën en bijdragen aan provinciale re-
gelingscommissiën subsidiên worden verleend. I)e keuring der hengsten geschiedt
door eene algemeene keuringscommissie, bestaande uit twee onafhankelijk van
elkaar werkende subcommissiën, waarvan de subcommissie A, bestaande uit drie
veeartsen, voor alle provinciën dezelfde samenstelling heeft, terwijl de subcommissie
B wordt gevormd uit den voorzitter der algemeene keuringscommissie en twee voor

-ocr page 693-

iedere provincie wisselende leden, zoodat zij voor iedere provincie eene anderesa-
menstelling heeft en er dus feitelijk 11 subcommissiën B bestaan.

Ten einde de vrijheid van fokrichting, d.i. de vrijheid om dat type vt;n paarden —-
tuigpaard, trekpaard, harddraver, pony, enz. — te fokken, hetwelk de fokker
in zijn bedrijf en in zijne omstandigheden het voordeeligst acht, of hetwelk het
meest met zijne neigingen strookt, te verzekeren is in de wet voorgeschreven (art.
7, lid 3) dat de subcommissie B de hengsten beoordeelt naar bouw, stand en gang,
het ras in aanmerking genomen, doch dat zij
buiten beoordeeling blijft vim de
fokrichting. Moet b.v. een Oldenburgsche hengst worden gekeurd, dan heeft
de subcommissie B alleen te beoordeelen ot dit dier voldoet in bouw, stand en
gang aan de eischen, die aan een goeden Oldenburgschen hengst moeten worden
gesteld. Voldoet het dier daaraan, dan moet het door deze commissie worden goed-
gekeurd, ook al is het geplaatst in eene streek, waar uitsluitend Belgische paarden
worden gefokt en dus de fokrichting van het trekpaard bestaat.

Nu brengt de wisselende samenstelling der subcommissie B mede, zooals de
ervaring heeft geleerd, dat de inzichten dezer commissies niet steeds dezelfde zijn,
zoodat niet zelden een hengst, die in het eene gewest wordt afgekeurd, in een ander
wordt goedgekeurd niet alleen, doch later met de hoogste premie wordt bekroond.
De grond voor dit verschillend oordeel moet eensdeels hierin worden gezocht,
dat de subcommissie B in de eene provincie hare eischen hooger stelt dan hare
zuster in een andere provincie; anderdeels daarin, dat de eene commissie meer
dan de andere van het te keuren dier verlangt, dat het beantwoordt aan het plaat-
selijk of persoonlijk gewenschte type en minder aan dat van het ras, waartoe het
behoort. Ook schijnt het voor te komen, dat eene commissie zich bij hare beoor-
deeling laat leiden door het getal hengsten, hetwelk zij voor de fokkerij in hare
provincie noodig acht, ten einde de concurrentie te verminderen en het dekgeld
op een hooger peil te kunnen houden. Voldoen in zulk eene provincie b.v. 80 heng-
ten in meerdere of mindere mate aan de eischen, welke men aan geschikte fokdieren
mag stellen, doch acht men voor de fokkerij slechts 60 noodig, dan worden er
ook slechts ongeveer 60 goedgekeurd. Elke aanvoer van jonge of nieuwe hengsten
brengt in zoo\'n geval de kans op afkeuring van enkele andere hengsten mede.

De gevolgen van de verschillende beoordeeling van denzelfden hengst in twee
provinciën sticht in de eerste plaats verwarring bij de fokkers, doch geeft ook aan-
leiding tot zonderlinge toestanden. Het is b.v. voorgekomen, dat een hengst,
gestald ndbij de Noord-Hollandsche grens in Utrecht, in deze provincie werd af-
gekeurd, doch in Noord-Holland werd goedgekeurd. Liet de eigenaar het dier in
Utrecht dekken, dan pleegde hij eene strafbare handeling; over de grens, in Noord-
Holland, geplaatst, mocht de hengst echter alle merriën, welke hem uit Utrecht,
Noord-Holland en andere provinciën werden toegevoerd, bespringen. Dat dergelijke
toestanden den eerbied voor de wet niet verhoogen, zal wel voor ieder begrijpelijk
zijn.

§ 2. Eene tweede moeilijkheid, voortspruitende uit de wisselende samenstelling
der subcommissie B van de algemeene keuringscommissie, is de slechts voor ééne
provincie geldende goedkeuring, welke het gevolg heeft, dat de verhuizing van
fokhengsten van de eene provincie naar de andere met allerlei bezwaren gepaard

-ocr page 694-

gaat, daar telkens een nieuwe keuring vereischt wordt, waarbij, al is het dier ook
ergens goedgekeurd, de mogelijkheid van afkeuring volstrekt niet uitgesloten is.
Welke moeilijkheden hieruit voor verkoopers van fokhengsten voortvloeien, werd
telken jaie ondervonden bij den verkoop van hengsten, opgefokt in het hengst-
veulendepót te Bergen op Zoom. Door de commissie voor den verkoop goedgekeurde
en voor hooge prijzen verkochte hengsten moesten in de provinciën, waarheen
ze vervoerd werden, opnieuw worden gekeurd en tengevolge van afkeuring, waar-
door ze hunne waarde grootendeels verloren, worden teruggenomen.

§ 3. Eene derde moeilijkheid van de bestaande regeling is, dat in iedere pro-
vincie ééne commissie alle hengsten, tot welk ras zij ook behooren, moet keuren.
Hiervoor wordt eene kemiis vereischt, waarover slechts weinig personen beschikken.
Nu zijn er op dit oogenblik bij de verplichte hengstenkeuring ongeveer 60 personen
a)s vaste, wisselende en plaatsvervangende leden betrokken, van wie een belangrijk
aantal zich niet volledig op de hoogte kan stellen en houden van den stand dier
paardenfokkerij in de streken, vanwaar fokmateriaal wordt betrokken, en dus
van de eischen, aan elk paardenras te stellen. Evenmin kunnen zij zich de noodge-
kennis van de beste fokstammen en hunne geschiedenis verwerven. De vraag is
daarom gerezen of onder deze omstandigheden wel steeds de personen worden
gevonden, aan wie de beoordeeling der hengsten van zoo uiteenloopende rassen
met gerustheid kan worden toevertrouwd. Ook al worden aan de commissie plaats-
vervangende leden toegevoegd bij wier benoeming in \'t bijzonder rekening wordt
gehouden met hunne kennis vin een bepaald paardenras, dan blijft dit bezwaar
doch bestaan, hetgeen bij den invoer van dure hengsten en het introdjceeren
van eene nieuwe fokrichting niet zonder bedenking is te achten. Bij het steeds duur-
der worden van goede fokhengsten mag ieder eigenaar eischen, dat de keurings
commissie, die zijn eigendom door afkeuring zoo aanmerkelijk in waarde kan doen
dalen, tot het beoordeelen van zijn dier in alle opzichten bevoegd is.

Het wijzigingsontwerp, dat in iedere provincie naast de subcommissie B ook
nog eene commissie van beroep voor elk paardentype voorschreef, maakte de
benoeming van nog een gxooter getal deskundigen noodig, waardoor een bestaand
gebrek nog werd vergroot.

§ .j. Blijkt uit het vorenstaande, dat de wijze, waarop de samenstelling der
subcommissie B van de algemeene keurings-conimissie is geregeld, niet vrij is van
bedenking, het splitsen dier keuringscommissie in twee subcommissiën, A en B,
wordt ook bezwaarlijk geacht. Iedere subcommissie toch keurt op zich zeil en let
daarbij op bepaalde onderdeelen: subcommissie A keurt op stillen kolder, gebreken
aan oogen, ademhalingswerktuigen en geslachtsdeelen; subcommissie B op bouw,
stand en gang enz. Het dier wordt pis het ware in tweeën geplitst, waardoor tegen-
over een door de subcommissie A gevonden gebrek niet gesteld kunnen worden
de door de subcommissie B geconstateerde voortreffelijke eigenschappen, hetgeen
tengevolge kan hebben, dat dieren worden afgekeurd, die, indien ze door ééne
commissie waren gekeurd en waarbij goede en minder goede eigenschappen tegen
elkaar in de weegschaal hadden kunnen worden geplaatst, zeker zouden zijn goed-
gekeurd.

-ocr page 695-

Hieruit volgt meteen, hoe bezwaarlijk het is in de wet voor te schrijven, welke
gebreken beslist tot afkeuring van een hengst moeten leiden, en dit te meer, daar ten
aanzien van de overerfelijkheid van bepaalde gebreken de denkbeelden zich met den
tijd kunnen wijzigen. In de bestaande wet is, zooals reeds werd opgemerkt, voor-
geschreven, dat de subcommissie A keurt op stillen kolder en op gebreken aan oogen,
ademhalingswerktuigen en geslachtsdeelen. ,,Het constateeren van een of meer
dezer gebreken," zoo luidt het voorschrift verder, „moet in den regel tot afkeuring
leiden."

Hierin is te weinig en te veel bepaald. Een dier met stillen kolder zal wel nimmer
worden voorgebracht, en zoo ja, dan stellig moeten worden afgekeurd. Toch kan
met het bestaande voorschrift goedkeuring bij wijze van uitzondering op den regel
plaats vinden. In dit geval is dus het voorschrift niet streng genoeg. Ten opzichte
van de gebreken aan oogen, ademhalingswerktuigen en geslachtsorganen gaat het
voorschrift veel te ver, wijl in het geheel geen onderscheid is gemaakt tnsschen
erfelijke en niet erfelijke gebreken, zoodat b.v. een overigens uitstekende hengst,
die door een ongeluk één o<g heeft verloren, als regel moet worden afgekeurd.

Gelukkig is dit nimmer gescnied, daar de subcommissie A zich niet aan de letter
der wet heeft gehouden, doch zooveel mogelijk gehandeld heeft naar hare eigen
inzichten. Ware zij daarbij niet met veel beleid, gematigdheid en voorzichtigheid
opgetreden, dan zoude het wettelijk voorschrift a.anleiding tot groote moeilijk-
heden hebben kunnen geven. Ten opzichte van één gebrek, te weten comage,
heeft zij echter, in verband met eene haar verstrekte mondelinge opdracht, voor
hengsten beneden jaar het voorschrift der wet opgevat, alsof dit geene enkele
uitzondering toeliet. Dit heeft de afkeuring van dure hengsten, die overigens in alle
opzichten uitmuntten en waarvan enkele naar het buitenland zijn verkocht en al-
daar met hooge prijzen zijn bekroond, tot gevolg gehad.

Daardoor is duidelijk de onhc udbaarheid gebleken van het stelsel van twee
onafhankelijk van elkaar werkende keuringscommissiën en tevens de noodzakelijk-
heid van ééne commissie, die, voorgelicht door veeartsen, de goede en minder goede
eigenschappen van een hengst tegen elkaar kan doen opwegen.

In de gebleken noodzakelijkheid tot wijziging van het besproken voorschrift
ligt mede een der bezwaren tegen de handhaving der bestaande wetgeving.

§ 5. De bestaande regeling brengt mede. dat alle hengsten ieder jaar opnieuw
moeten worden gekeurd. Da.arbij komt het niet zelden voor, dat oude hengsten,
die jaren achtereen zijn goedgekeurd, ja zelfs geprimeerd, zonder dat op de afstam-
melingen wordt gelet, wegens ouderdomsgebreken, — te weinig drafbeweging,
te slappen rug enz. —, worden afgekeurd. Deze nimmer ophoudende keuring
maakt een fokhengst als bezitting onzeker en is daardoor niet bevordelijk aan den
lust om van zoo\'n dier eigenaar te wezen.

Ten slotte zij opgemerkt, dat de bestaande wetgeving geene rekening houdt met
den vooruitgang der fokleer. De hengsten worden slechts naar het uiterlijk gekeurd,
terwijl met hunne afstamming en overervende eigenschappen in het geheel geene
rekening behoeft te worden gehouden. Wat helpt echter het mooiste exterieur,
wanneer het niet overerft? Eokdieren moeten niet wordeen beoordeeld naar het
exterieur alleen, doch naar hunne fokwaarde, welke, behalve van het exterieur,
in de allereerste plaais afhankelijk is van hunne afstamming en overervingsver-

-ocr page 696-

mogen. Zoolang alleen op het exterieur wordt gelet, rust het streven naar vooruit-
gang in de fokkerij niet op voldoend deugdelijke gronlslagen.

Het was niet mogelijk aan J deze bezwaren, welke de grondslagen van de be-
staande wetgeving raken, tegemoet te komen door aanvulling van het wijzigings-
ontwerp. De ondergeteekende meende daarom in eene herhaalde wijziging van het
ontwerp geen uitkomst te moeten zoeken, doch tot intrekking er van en tot den op-
bouw eener geheel nieuwe wettelijke regeling te moeten besluiten.

§ 6. Zoodra aan dit voornemen gevolg was gegeven, heeft de Directeur-Gene-
raal van den Landbouw, vergezeld van den Inspecteur van den Landbouw en den
ambtenaar, die met het ontwerpen dei wettelijke regeling belast is, zich naar de
onderscheiden provinciën begeven, ten einde over het systeem voor de nieuwe
wettelijke regeling met de provinciale regelingscommissiën voor de paardenfokkerij
van gedachten te wisselen. ïe voren was wel is waar reeds meermalen met afge-
vaardigden dier commissiën beraadslaagd, doch in verband met het groote belang
der zaak scheen het wenschelijk alle leden dier commissiën als het ware in hun
eigen huis te hooren. Daarna is het ontwerp van wet nog besproken met het Be-
stuur van het Nederlandsché Landbouw-Comité, met afgevaardigden van de in
Nederland bestaande parrdenstamboekvereenigingen, met afgevaardigden van de
verschillende provinciale regelings-commissiën, benevens de voorzitters van de
subcommissiën der algemeene keuringscommissie en met enkele personen meer.
Op zeer geringe uitzonderingen na hebben al deze corporaties en personen zich met
het stelsel van het ontwerp vereenigd.

In het thans aangeboden ontwerp zijn de hoofdbeginselen der bestaande wet:
de gedwongen hengstenkeuring, de vrijheid van fokrichting en het steunen der
paardenfokkerij door toekenning van premiën en bijdragen, gehandhaafd. In de
wijze, waarop de verplichte hengstenkeuring is geregeld, worden echter belangrijke
veranderingen voorgesteld.

Volstrekt onverdeeld was men in alle provinciën van oordeel, dat de verplichte
hengstenkeuring moest worden gehandhaafd. Hoezeer men ook in beginsel de
voordeelen van een stelsel van vrijheid niet kon miskennen, was het algemeene
gevoelen, dat die vrijheid nog niet kon worden toegekend, zonder de paarden-
fokkerij een gevoeligen slag toe te brengen. l)e fokkers, zoo was het algemeen oor-
deel, zijn nog niet tot dat stadium van ontwikkeling gekomen, dat zij aan zichzelf
overgelaten kunnen worden. Te meer zou een dergelijke sprong in het duister
onverdedigbaar zijn, daar niet kan worden ontkend, dat de geldende wet van ?.i
Juni 1901 op de ontwikkeling van de paardenfokkerij een gunstigen invloed
heeft gehad. Niet door een sprong in het duister, doch geleidelijk, door ontwik-
keling van de belanghebbenden, de fokkers, moest men aan het euvel van den
dwang trachten te ontkomen en aansturen op een stelsel van grootere vrijheid.
Het gehandhaafde stelsel van dwang moet worden verzoend met een stelsel van
opvoeding tot meervrijheid; op dien grondslag is, zooals nader zal blijken, hetwets-
ontwerp opgebouwd.

Ook de vrijheid van fokrichting moet worden gehandhaafd. Niet de overheid,
maar de fokker zelf moet beslissen, welke fokrichting voor zijn bedrijf en in zijne

-ocr page 697-

omstandigheden moet worden gevolgd om blijvend de meeste voordeelen te kun-
nen behalen. Elke wettelijke regeling, welke in dezen den lokker aan banden zoude
leggen, zoude niet te handhaven zijn, doch tevens eene verantwoordelijkheid op de
Regeering leggen, welke door haar niet kan worden gedragen.

Ten aanzien van den geSdelijken steun voor de paardenfokkerij zij opgemerkt,
dat deze nog niet kan worden gemist, zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.

§ 7. Eene belangrijke wijziging wordt voorgesteld ten aanzien van de ver-
plichte hengstenkeuring en de wijze, waarop deze zal worden toegepast. Zal aan
de bezwaren, welke hiervoor in de §§ 1—3 zijn ontwikkeld, worden tegemoet ge-
komen en tevens de vrijheid van fokrichting worden gehandhaafd, dan zal de
keuring moeten geschieden door Rijkscommissiën, die over het geheele land keuren
en zoodanig zijn samengesteld, dat de hoofdtypen der paarden gekeurd worden
door afzonderlijke commissiën. Bij zoodanige regeling wordt voorkomen, dat de
locale inzichten, zich uitende in de richtingen, waarin de fokkerij zich beweegt,
en in het «streven der verschillende paarden-stamboekvereenigingen, zoodanig
op den voorgrond treden, dat de vrijheid van fokrichting daardoor geheel aan
banden wordt gelegd. Bij de bestaande regeling komen deze laatste inzichten, o.a.
tot uiting in de wisselende leden der subcommissie B. en in het getal leden der
keuringscommissiën voor het toekennen van premiën "en bijdragen.

Het ontwerp van wet, houdende bepalingen betreffende de Staatszorg voor de
paardenfokkerij, aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij
Koninklijke boodschap van 14 Mei 1900, schreef in artikel 2, eerste lid, voor: „De
algemeene keuringscommissie bestaat uit
vijf vaste en twee voor iedere provincie
wisselende leden." Van de vijf vaste leden zouden drie veeartsen zijn, vormende
samen de subcommissie A. De subcommissie B zoude worden samengesteld uit
twee Rijksleden en twee provinciale leden en zulks om aan geen der beide groepen
een bepaald overwicht te geven. Er werd naar gestreefd „om gelijktijdig het Rijks-
belang te behartigen en de verschillende locale inzichten tot hun recht te doen
komen."

Men wenschte echter van verschillende zijden de plaatselijke inzichten meer
tot hun recht te doen komen en stelde voor de subcommissie B samen te stellen uit
twee Rijksleden en drie provinciale leden of uit één Rijkslid en twee provinciale
leden. In den laatstgenoemden zin is ten slotte beslist: de subcommissie B bestaat
uit één vast lid en twee voor iedere provincie wisselende leden.

Ook bij de provinciale keuiingscommissiën, welke belast zijn met de keuringen
voor de toekenning van premiën en bijdragen, is er in de meeste provinciën naar
gestreefd de locale inzichten te doen domineeren en zijn steeds naast den veearts
en het door den Minister van Oorlog aangewezen militaire lid
drie provinciale
leden benoemd in bijna alle provinciale keuringscommissiën.

i en einde wrijving te voorkomen tusschen de provinciale regelingscommissiën
en de stamboekbesturen, heeft men latei steeds bevorderd, dat de leden van de
stamboekbesturen zooveel mogelijk eene plaats weid gegeven in de provinciale
regelingscommissiën.

Van de too leden dier gezamenlijke commissiën zijn dan ook 69 tevens lid van
het bestuur eener stamboekvereeniging.

XLI 36

-ocr page 698-

Op deze wijze zijn echter de plaatselijke inzichten bij de verplichte keuring
hier en daar zoodanig naar voren gekomen, dat de vrijheid van fokrichting, een der
grondslagen van de wet, waardoor de rechten der minderheden moeten worden
gewaarborgd, niet overal meer verzekerd is en met een beroep op „den stand der
paardenfokkerij" of op het „niet passen van een hengst in eene provincie" dieren
worden geweerd, die, hoe goed ook in hun soort, niet passen in de fokrichting,
welke de betrokken commissie voor eene provincie of een deel ervan de beste acht,
waardoor het den landbouwers, die eene andere meening zijn toegedaan, bezwaar-
lijk wordt gemaakt die paarden te tokken, welke zij voor hun bedrijf en in hunne
omstandigheden het meest passend achten.

De ondergeteekende heeft er geen enkel bezwaar tegen, ja, hij acht het zelfs
noodzakelijk, dat bij de premiekeuringen gelet wordt op de fokrichting, welke de
meeste aanmoediging verdient; hij wenscht ook aan den invloed van locale inzichten
niets te kort te doen en deze zelfs gelegenheid te geven tot vergrooting van invloed,
mits de vrijheid van fokrichting onverminderd gehandhaafd blijft.

Hij meent deze tegenstrijdigheid van belangen te kunnen ondervangen door,
meer dan tot dusverre is geschied, medezeggenschap te geven aan de stamboek-
vereenigingen. Daardoor is het mogelijk in de thans gevolgde lijn voort te werken
niet alleen, doch tevens een stap te doen in de richting van meerdere vrijheid voor
hen, die fokken met stamboekpaarden. In het ontwerp wordt in verband met een
en ander voorgesteld de goedkeuring van hengsten voor dekking op te dragen aan
Rijkscommissiën en daarnaast — onder bij algemeenen maatregel van bestuur
te stellen voorwaarden, — aan de stamboekvereenigingen, de bevoegdheid te ver-
leenen tot goedkeuring van die hengsten voor dekking, welke in het stamboek zi n
ingeschreven. Deze laatste goedkeuring zal zich uit den aard der zaak tevens moeten
beperken tot het gebied, waarover de betrokken vereeniging werkt.

Heeft bij de bestaande iegeling na de goedkeuring der hengsten bij de verplichte
Rijkskeuring desverlangd de beoordeeling voor de inschrijving in een stamboek
jilaats, in den gedachtengang, die aan het ontwerp ten grondslag ligt, zal bij aan-
neming ervan eerst de inschrijving en goedkeuring voor het stamboek der tot
goedkeuring bevoegd verklaarde stamboekvereenigingen kunnen plaats vinden.
De dan nog overgebleven hengsten, die niet in het stamboek zijn ingeschreven en
goedgekeurd, hetzij omdat zij tot eene andere fokrichting behooren, hetzij omdat
zij niet aan de voor de inschrijving en goedkeuring gestelde eischen voldoen, of
omdat zij niet voor de inschrijving werden aangeboden, worden gekeurd door
Rijkscommissiën, in dier voege, dat ten minste drie commissiën worden benoemd:
eene voor de trekpaarden, eene voor de tuigpaarden en eene voorde hiervan afwij-
kende vormen (dravers, volbloeden, pony\'s).

Aanvankelijk zal er wellicht op gerekend moeten worden, dat niet alle ver-
eenigingen, die openbare stamboeken hebben aangelegd, de bevoegdheid tot
goedkeuring van hengsten voor dekking zullen kunnen erlangen, en zullen dus de
Rijkscommissiën op den voorgrond treden. Naarmate echter die vereenigingen
zich meer ontwikkelen en hare stamboeken voldoen aan de voorwaarden, welke
daaraan met het oog op de eischen van een rationeel stam boekwezen redelijker-
wijze moeten worden gesteld, kunnen de stamboekjury\'s de eerste plaats gaan
innemen en de Rijkscommissiën meer eene aanvullende taak verkrijgen en belast

-ocr page 699-

zijn met de zorg, dat geen onrechtvaardigheden worden begaan en de vrijheid
van fokricliting wordt gewaarborgd. Bij de voorgestelde regeling wordt dus aan
belanghebbenden de gelegenheid geven zelf de behartiging hunner belangen in
handen te nemen. Daardoor verkrijgt de wet eene opvoedende strekking en ver-
liest zij voor een deel het karakter van politiewet. Hierin is naar de meening van
den ondergeteekende een groot voordeel gelegen.

Op dit oogenblik bestaan de volgende openbare stamboeken, welke voor de
fokkerij van landbouwpaarden van beteekenis zijn:

i. het Groningsch Paardenstamboek (voor het type tuigpaard);

z. het Groningsch-Belgisch Paardenstamboek (voor het type trekpaard);

3. het Friesch Paardenstamboek (voor het type tuigpaard),

4. het Drentsch Paardenstamboek (voor het type tuigpaard);

5. de Nationale Vereeniging tot bevordering der paardenfokkerij in Neder-
land (voorheen het Nederlandsch Paardenstamboek), werkende over de
provinciën Overijssel, Utrecht, Noordholland, Zuidholland en Noordbra-
bant (met afzonderlijke stamboeken voor het tuig- en het trekpaard.);

6. het Geldersch Paardenstamboek (met afzonderlijke afdeelingen voor het
tuig- en het trekpaard);

7. het Stamboek van het Zeeuwsch-Belgisch trekpaard;

8. het Limburgsch Paardenstamboek (voor het type trekpaard.)

Waar hier van tuigpaarden sprake is worden in hoofdzaak Oldenburgsche en
Oostfriesche of daarmede gekruiste paarden bedoeld, terwijl van de trekpaarden
uitsluitend het Belgische wordt gefokt. Niet iedere provincie brengt een eigen
paard voort, doch de beide hoofdvormen worden in verschillende provinciën ge-
fokt. Friesland, Drenthe, Overijssel, Utrecht en Noordholland fokken nog bijna
uitsluitend tuigpaarden; Zeeland en Limburg uitsluitend trekpaarden, terwijl in
Groningen, Gelderland, Zuidholland en Noordbrabant zoowel tuig- als trekpaar-
den worden gefokt.

Uit het ge/egde vloeit voort, dat eene provinciesgewijze organisatie van de
stamboeken niet rationeel is. Er moet naar meerdere samenwerking tusschen de
stamboeken worden gestreefd, zóó .dat de fokkers van hetzelfde paardentype
samenwerken in ééne stamboekvereeniging. Wenschelijk ware één stamboek voor
het Nederlandsche tuigpaard en één stamboek voor het Nederlandsche trekpaard,
benevens kleinere stamboeken voor afzonderlijke typen, zooals de Hackney, het
Friesche paard enz.

Sedert de werking der Wet op de paardenfokkerij 1901 is ook het stamboek-
wezen in ons land meer ontwikkeld, en niettegenstaande de gebreken, welke de
bestaande organisaties aankleven, is toch de invloed der stamboekvereenigingen
voortdurend toegenomen, zoodat tegenwoordig vele fokkers niet alleen den eisch
stellen, dat een hengst volgens de wet is goedgekeurd, doch ook, dat hij in een stam-
boek is ingeschreven. Gewoonlijk worden dan ook de meeste goedgekeurde heng-
sten in stamboeken ingeschreven, zooals uit het volgende staatje moge blijken.

-ocr page 700-

Aantal goed-

In een stam-

gekeurde

boek opgeno-

hengsten, dek-

men.

Piovinciën.

tijd 1912.

Trek-

Tirig-

Trek-

Tuig-

paard.

paard.

paard

paard.

Groningen......

5

73

1

63

Friesland......

i

44

37

Drenthe.......

34

20

Overijssel......

3

20

2

13

Gelderland .....

56

88

43

77

Utrecht ......

37

28

Noordholland ....

7

44

3

35

Zuidholland.....

32

39

27

Zeeland.......

142

133

Noordbrabant ....

56

25

46

22

Limburg ......

27

Totaal . .

34°

404

282

32 5

Nu zoude men van oordeel kunnen zijn, dat deze toestand kon worden bestendigd,
doch dan zoude men de stamboekvereenigingen steeds in een toestand van on-
mondigheid houden en tevens in hare vrijheid van beweging belemmeren. De
paardenfokkers moeten zelf hunne zaken leeren behartigen, evenals dit ook de
rund veefokkers met succes doen. Niet de Regeering moet door hare organen aan-
wijzen, welke hengsten voor de fokkerij mogen worden gebruikt, doch de georgani-
seerde fokkers moeten dit doen. Het Rijk moet daarbij steun geven door, zoolang
dit nog noodig blijkt, te zorgen, dat voor de fokkerij ongeschikte hengsten niet
voor dekking worden gebruikt, er tevens voor wakende, dat de vrijheid van fok-
richting niet wordt belemmerd en er geene onbillijkheden worden begaan. Van
Rijkswege moet tevens, door aanstelling van consulenten, voor de noodige voor-
lichting der fokkers worden gezorgd.

Door vasthouding aan de bestaande regeling zouden de stamboekvereenigingen
ook in hare beweging worden belemmerd. Al meer en meer toch beginnen de be-
ginselen der nieuwere fokleer door te dringen en leert men begrijpen, dat niet al-
leen wat uiterlijk aan een dier valt waar te nemen een maatstaf is voor zijn waarde
als fokdier, doch dat zijne fokwaarde vooral wordt bepaald door datgene, wat
het van zijne ouders en voorouders heeft geërfd en op zijn nakroost overbrengt.
Men leert al meer en meer de beteekenis inzien van het fokken volgens bloed-
lijnen en eischt tevens van een stamboek, dat het niet uitsluitend een register
is van uitmuntend geachte dieren, doch als het ware een „burgerlijke stand" van
stammen van dieren, waarin zoowel de goede als minder goede leden worden
opgenomen, zoodat de bloedlijnen niet worden verbroken en er over de fokdieren al
de gegevens worden medegedeeld, welke voor de beoordeeling hunner waarde
noodig zijn.

In verband hiermede wint dan ook het oordeel veld, dat de inschrijving in een

-ocr page 701-

stamboek niet steeds moet worden voorafgegaan door eene keuring, doch dat af-
stammelingen van stamboekdieren ook krachtens recht van geboorte in het stam-
boek moeten kunnen worden ingeschreven. De Nationale Vereeniging tot bevorde-
ring der paardenfokkerij in Nederland heeft dienaangaande reeds de noodige
maatregelen getroffen.

Hoe meer de beginselen der nieuwere fokleer ingang vinden, hoe meer de over-
heid zich van ingrijpen moet onthouden en hoe meer zij moet overlaten aan de
fokkers zeiven. Door steun, leiding en voorlichting moet de overheid trachten
de maatschappelijke krachten tot ontplooiing en tot zelfstandig werken te brengen.
De bedoeling van artikel 16 is, dit opvoedende element te brengen in de wet tot
regeling van de Staatszorg voor de paardenfokkerij.

Is eene stamboekvereeniging naar eisch georganiseerd en voldoen zij en haar
stamboek overigens aan bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen voor-
waarden, o.a. omvattende, dat men zich bij de goedkeuring der hengsten zal hou-
den aan voor te schrijven regelen, die in overleg met belanghebbenden zullen wor-
den vastgesteld, dan kan haar door den Minister de bevoegdheid tot goedkeuring
van in het stamboek ingeschreven hengsten voor dekking worden verleend.

Deze goedkeuring zal slechts gelden voor het gedetlte van het Rijk, waarover
de stamboekvereeniging werkt, eensdeels om concurrentie van de stamboekvereeni
gingen te vermijden, doch voornamelijk om den prikkel tot samenwerking te be-
houden. Werkt eene stamboekvereeniging, die bevoegdheid tot goedkeuring van
hengsten voor dekking heeft, over slechts ééne provincie, dan zullen de door haar
goedgekeurde hengsten niet in eene andere provincie mogen dekken zonder vooraf-
gaande goedkeuring door eene Rijkscommissie of door eene aldaar tot goedkeuring
bevoegde stamboekvereeniging. Werkt de eerstbedoelde vereeniging echter over
meer dan eene provincie, dan is de kring, waarbinnen een door haar goedge-
keurde hengst mag dekken zonder eene tweede keuring te ondergaan, veel ruimer.
De verschillende eigenaren en houders van stamboekhengsten en derhalve ook de
bonden van hengsthouders en de stamboekvereenigingen krijgen daardoor meer
belang bij onderlinge samenwerking.

Aangezien de hengsten, welke door de Rijkscommissiën worden goedgekeurd,
zullen mogen dekken in het geheele land en de door stamboekvereenigingen goed-
gekeurde hengsten ook ter keuring aan de Rijkscommissiën kunnen worden aange-
boden, zijn door de voorschriften in het wetsontwerp alle bezwaren tegen de provin-
ciale regeling, welke de grondslag der bestaande wetgeving uitmaakt, opgeheven.
Ook het hengstveulendepót zal zich beter kunnen ontwikkelen, terwijl het ge-
ringer getal leden der Rijkscommissiën in staat kan worden gesteld zich meer
volledig op de hoogte te stellen in binnen- en buitenland van de fokkerij der paar-
den, welke zij moet keuren, zoodat men verzekerd kan zijn van bevoegde keurders,
te meer, daar het aantal te keuren typen en rassen gelijktijdig voor ieder commissie-
lid kleiner wordt.

§ 8. In het wetsontwerp is tevens tegemoetgekomen aan het tot dusverre be-
staande bezwaar, dat de keuring van hengsten geschiedt door twee onafhankelijk
van elkaar werkende commissiën, door deze, evenals zulks overal in het buitenland
plaats vindt, op te dragen aan eene commissie, welke voor het veeartsenijkundig
onderzoek wordt bijgestaan door een of meer veeartsen. Het ligt daarbij in de be-

-ocr page 702-

doeling, dat bij de keuringen, waarop eer. groot getal dieren wordt voorgebracht
steeds drie veeartsen zullen aanwezig zijn, doch dat bij de keuring van slechts,
enkele dieren de bijstand van een of twee veeartsen zal worden gevraagd.

Ten einde de stamboekvereenigingen in staat te stellen de keuring van hengsten
voor dekking naar behooren te verrichten, zullen één of meer veeartsen op den-
zelfden voet als voor de Rijkscommissiën ter beschikking van de keuringscommissie
der stamboekvereeniging worden gesteld. In hoeverre het wenschelijk mocht zijn
aan de stamboekjury\'s van Regeeringswege een lid toe te voegen, kan bij de vast-
stelling der voorwaarden, waaronder aan stamboekvereenigingen de bevoegd-
heid tot keuring van hengsten wordt verleend, nader worden overwogen.

§ 9. Verder is voldaan aan het reeds zoo dikwijls geuite verlangen, dat op de
keuringen beroep zal zijn. De regeling van het beroep is als volgt.

Tegen het besluit tot afkeuring van hengsten door eene Rijkscommissie staat
beroep open bij eene commissie van beroep, bestaande uit de commissie, die in
eerste instantie keurde, aangevuld met vier plaatsvervangende leden. Acht deze
commissie van beroep een nieuw veeartsenijkundig onderzoek noodig, dan worden
daarvoor drie plaatsvervangers van de veeartsen, die het eerst keurden, aange-
wezen. Hiervoor zijn niet meer in \'t bijzonder de klinische leeraren der Rijks-
veeartsenijschool aangewezen, omdat aan dezen bezwaarlijk bij de wet eene taak
kan worden opgelegd, welke op een bepaald oogenblik niet door hen zoude kunnen
worden vervuld. Wel ligt het in de bedoeling de meeste der genoemde leeraren
onder de plaatsvervangers op te nemen.

Wranneer een in een stamboek ingeschreven hengst ter keuring voor dekking
aan eene stamboekjury wordt aangeboden en wordt afgekeurd, dan kan de eige-
naar of houder zijn dier ter keuring voorbrengen bij eene Rijkscommissie en komt
bij afkeuring door deze zijn geval dus overeen met dat van een eigenaar of houder,
die terstond zijn hengst bij eene Rijkscommissie heeft voorgebracht en wiens dier
door deze is afgekeurd.

§ 10. Waar het beginsel van verplichte keuring in de wet gehandhaafd blijft,
ontstaat voor den wetgever de plicht te waken, dat de desbetreffende bepalingen
niet tot eene bespotting worden gemaakt en is het dringend noodig met meer kracht
dan volgens de geldende wet het dekken van merriën met niet goedgekeurde
hengsten te keeren. Zooals reeds in de toelichting tot het thans ingetrokken ont-
werp werd meegedeeld, zijn, hoewel het euvel niet in alle deelen van ons land in
even sterke mate optreedt, de klachten over overtreding der wet algemeen.

De meeste misbruiken schijnen plaats te vinden in Noord-brabant, Zuidholland,
Noordholland en Limburg, hoewel ook in Gelderland en Utrecht overtredingen der
wet volstrekt niet tot de zeldzaamheden behooren. Uit eene door de Gedeputeerde
Staten van Noordbrabant ingestelde enquête blijkt zelfs, dat van de 7X35 in die
provincie in 1907 gedekte merriën niet minder dan 1070, dat is bijna een zevende
gedeelte, door ongekeurde of afgekeurde hengsten zijn gedekt

Dat de bij de wet verboden dekkingen een zoo grooten omvang hebben kunnen
aannemen, is in het bijzonder te wijten aan de omstandigheid, dat vele
paardenfokkers niet voldoende overtuigd zijn zichzelf te benadeelen door hunne
merriën door ongekeurde of afgekeurde hengsten te doen dekken. In de hand ge-

-ocr page 703-

werkt wordt verder, deze betreurenswaardige toestand, doordat de overtredingen
in vele gevallen bijzonder moeilijk vast te stellen zijn; allerhande voorzorgen wor-
den genomen, om de overtredingen aan het oog van de politie te onttrekken. In de
eerste plaats doen de oveitreders daartoe de dekking meestal plaats vinden in een
besloten lokaal, waarin de politie niet dan met inachtneming van de bij de wet
voorgeschreven formaliteit mag binnentreden. Ook door fictieven verkoop van de
merrie aan den hengsthouder, waardoor van de uitzonderingsbepaling van het
tweede lid van artikel i der bestaande wet gebruik kan worden gemaakt, wordt de
wet ontdoken. Ten slotte zijn de betrekkelijk geringe straffen, welke tegen over-
treding der wet zijn bedreigd, er niet op berekend, om van het kwaad af te schrikken.
Om al deze redenen kan, naar de stellige overtuiging van den ondergeteekende,
zonder nadere voorschriften het kwaad niet doeltreffend worden bestreden.

Herhaaldelijk en met nadruk werd reeds op het onvoldoende der bestaande
wettelijke voorschriften de aandacht gevestigd door de met de handhaving der
wet belaste rechterlijke ambtenaren, door de algemeene keuringscommissie en de
provinciale regelingscommissiën voor de paardenfokkerij en door sommige provin-
ciale besturen. Maar ook van de zijde der hengstliouders zelve worden telkens
weer klachten vernomen en wordt op verbetering van den bestaanden toestand
aangedrongen. Daar toch, anders dan in andere landen, zooals Duitschland en
Frankrijk, in ons land het hengsthoudersbedrijf uitsluitend aan het particulier
initiatief is overgelaten, is van concurrentie met minderwaardige hengsten, welke
natuurlijk tegen een zeer laag dekgeld kunnen dekken, in verband met de groote,
aan het houden vun veelal kostbare hengsten verbonden risico\'s, in vele streken
verlies voor de hengstliouders het gevolg en worden particulieren er steeds meer
van afgeschrikt om zich Werkelijk deugdelijke hengsten aan te schaffen.

Ondeivindt zoo het bedrijf der paardenfokkerij in het algemeen van den be-
staanden toestand groote nadeelen, ook het gezag van en de eerbied voor de wet
worden er door ondermijnd.

Ten einde aan deze bezwaren tegemoet te komen, zijn in het ontwerp de noodige
voorschriften gegeven, welke bij de behandeling der artikelen nader ter sprake
zullen worden gebracht.

§. 11 Evenals de gedwongen hengstenkeuring, is ook het stelsel van het be-
vorderen der paardenfokkerij door het toekennen van premiën en bijdragen in de
ontworpen wettelijke regeling behouden. Met dit stelsel kan nog niet worden ge-
broken, daar er nog veel te verrichten valt, om de paardenfokkerij in ons land op
die hoogte te brengen, waarop zij zal moeen staan om blijvend een viuchtdragende
tak van het landbouwbedrijf te worden.

Zooals bekend is, zijn de van ouds bestaande Nederlandsche paardenrassen
bijna geheel verdwenen en worden er in de laatste jaren krachtige pogingen aange-
wend om nieuwe landrassen op te bouwen, waarvoor ten behoeve van het tuig-
paard het materiaal grootendeels wordt ontleend aan Oldenburg en Oost-Fries-
land (Hannover) en ten behoeve van het trekpaard aan België. Dat de invoer
van manlijk fokmateriaal uit deze landen van beteekenis is, moge blijken uit de
navolgende gegevens.

-ocr page 704-

Getal ingevoerde dekhengsten.

Jaren.

Uit
Duitschl.

Uit
België.

In totaal

1905

1906

1907

1908

1909

1910

354

110

136

129
189
"5
109
121

"5

36
35

74
37
73
86

1911

1912

Het is nu van groot belang te achten, dat bij de vorming van een kern van
zuiver gefokte stammen van tuig- en trekpaarden van Rijkswege steun wordt
verleend, eensdeels om den invoer van kostbaar fokmateriaal te bevorderen, ander-
deels om beste dekhengsten en fokmerriën in het land te bewaren en in de derde
plaats door de stamboekhouding, grondslag voor eene zuivere teelt, zooveel moge-
lijk te ontwikkelen en op eene goede basis te vestigen.

Bij de bevordering van de paardenfokkerij van Rijkswege moet hoofdzakelijk
het oog gevestigd zijn op de instandhouding en voortdurende versterking van de
zuivere teelt, derhalve op het behoud en de vermeerdering van het fokmateriaal
en niet op het fokken van handelsdieren, voorzoover deze door kruising worden
verkregen.

Om dit doel te bereiken, kan geldelijke steun van het Rijk niet worden ont-
beerd, doch moet deze ook doelmatig worden gegeven. Dit kan het best ge-
schieden, door bij uitsluiting de premiën en bijdragen te verleenen voor in stam-
boeken ingeschreven hengsten en merriën en daarvan afstammende jonge dieren.
In het voorgestelde ontwerp is dan ook een voorschrift met deze strekking opge-
nomen.

Evenals in de bestaande wet is in het ontwerp de verdeeling der beschikbare
subsidiën gebaseerd op het totaal getal gedekte merriën in het afgeloopen jaar in
iedere provincie. Het ligt echter in de bedoeling, dat voortaan ook de kosten van
de keuringen en de verdere uitgaven voor de provinciale regelingscommissiën
uit de subsidiën worden bestreden. Deze uitgaven bedragen jaarlijks ruim
f22.000. In verband hiermede zal het noodig zijn het jaarlijks op de Staatsbe-
grooting uit te trekken bedrag voor subsidiën van f 75.000 op f 100.000 te brengen
Dit bedrag is echter niet, zooals bij de bestaande regeling, in het ontwerp veimeld,
opdat de vrijheid behouden blijve om naar bevind van zaken te handelen. Verder
wordt voorgesteld ten behoeve van iedere provincie een vast bedrag, hetwelk
voorloopig op f 2500 ware te bepalen, beschikbaar te stellen en de verdeeling van
de dan nog resteerende gelden te doen geschieden naar den maatstaf van het aan
tal gedekte merriën per provincie in het afgeloopen jaar. Op deze wijze zal het
ook mogelijk zijn eenigen meerderen steun te geven aan die provinciën, waar de
paardenfokkerij op dit oogenblik nog achterlijk is.

-ocr page 705-

Ten einde een juist beeld te verkrijgen van de financieele gevolgen, ivelke eene
verdeeling van het Rijkssubsidie volgens den hiervoor omschreven maatstaf zal
hebben, worden de feitelijk in
1912 uitgekeerde bedragen in den hieronder volgenden
staat vergeleken met die, welke provinciesgewijze zouden zijn uitgekeerd, indien
voor iedere provincie een vast bedrag van
f2500 ware toegekend en het totaal
bedrag der subsidiën op f
100.000 was berekend.

Provinciën.

Aandeel

van
iedere
provin-
cie
volgens
de oude

ver-
deeling.

Aand<
iedere p
volgens
gestelde
lir

vast
bedrag

:el van
rovincie
de voor-

verdee-
>g-

even-
redig
bedrag

Totaal.

Meer.

Groningen

f 7085

f 2 500

f 7 721

fio 221

f2 23Ó

Friesland . .

4 880

2 500

4 716

7 216

2 336

Drenthe . .

4 3°5

2 500

4 162

6662

2 357

Overijssel

2 185

2 500

2 106

4 606

2 421

Gelderland .

11 715

2 500

11 331

13 831

2 116

Utrecht . .

2 640

2 500

2 541

5 041

2 401

Noordholland

4 600

2 500

4 446

6 946

2 346

Zuidholland

9 160

2 500

8 861

11 361

2 201

Zeeland . .

14 115

2 500

13 651

16 151

2 036

Noorabrabant

9 760

2 500

9 438

11 938

2 178

Limburg . .

3655

2 500

3 527

6 027

2 372

f75 000

f 27 500

f 72 500

fioo 000

f 25 000

Ten slotte moge worden opgemerkt, dat ten aanzien van enkele onderwerpen,
welke thans in de wet van
21 Juni iqoi zijn geregeld, wordt voorgesteld deze te
regelen bij algemeenen maatregel van bestuur. Het ligt in de bedoeling deze be-
stuursmaatregelen te ontwerpen in voortdurende samenwerking met deskundigen
en belanghebbenden.

Artikelen 4, 5 en 6. Het ligt in de bedoeling ten minste drie Rijkscommis-
siën te benoemen, ééne voor de keuring van trekpaarden, ééne voor de keuring
van tuigpaarden en ééne voor de keuring van hiervan afwijkende vormen zooals
dravers, volbloeden, pony\'s, enz. Mocht blijken, dat b.v. voor de keuring van tuig-
paarden twee of meer commissiën noodig zijn, dan moet voor de benoeming daar-
voor gelegenheid wezen. Vandaar dat niet wordt voorgesteld een bepaald getal
Rijkscommissiën te benoemen.

Elke commissie zal bestaan uit drie leden ten minste vier plaatsvervangende
leden. Dit laatste in verband met de samenstelling der commissie van beroep,
bedoeld in artikel
13.

Aangaande den duur der benoeming, de aanwijzing van den voorzitter, de wijze
waarop deze wordt vervangen, den bijstand, te verleenen door een secretaris enz.
en hetgeen betrekking heeft op de werkzaamheden der commissiën, wordt eene

-ocr page 706-

regeling voorgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur. Ook bij de bestaande
regeling worden verschillende onderwerpen betreilende de samenstelling en de werk-
zaamheden der algemeene keuringscommissiën bij zoodanigen maatregel geregeld
(artikel n, sub
a, b, c, i, k, /,) Ondergeteekende achtte het wenschelijk deze de-
tailregelingen niet in de wet op te nemen.

Voor de toelichting van artikel 6 moge allereerst worden verwezen naar het-
geen in § 8 wordt vermeld, terwijl voorts wordt opgemerkt, dat de taak der vee-
artsen niet, zooals thans, beperkt blijft tot een onderzoek op stillen kolder en
gebreken aan oogen, ademhalingswerktuigen en geslachtsdeelen, doch hun onder-
zoek zich uitstrekt tot alle gebreken, ten einde dienaangaande de commissie van
advies te dienen.

Artikel 7. Het ligt in de bedoeling jaarlijks in het voor- en najaar de ge-
wone keuringen te houden. Ondergeteekende acht het echter niet noodig in de wet
vast te leggen, dat deze keuringen moeten geschieden, zooals thans is voorge-
schreven, in Februari of Maart, in September, October of November. Evenmin
behoeft naar zijne meening in de wet te worden opgenomen, welke colleges en
commissiën voor de vaststelling der dagen en plaatsen voor het houden der keuringen
moeten worden gehoord. Een en ander dient z.i. te worden geregeld in een regle-
ment voor de keuringen, waarvan bij artikel 15 nader sprake zal zijn.

Artikel 15. Het ligt in de bedoeling in overleg met deskundigen en belang-
hebbenden een keuringsreglement samen te stellen en dit vervolgens bij algemeenen
maatregel van bestuur te doen vaststellen, waarin alles wat op de keuringendoor
de Rijkscommissiën en de commissiën van beroep betrekking heeft, wordt geregeld.

Ondergeteekende geeft hieraan de voorkeur boven eene regeling van enkele
hoofdzaken in de wet, zooals is geschied in art. 7, sub. 3 en 4, van de wet van 1901.
De te regelen materie toch is geheel van technischen aard, terwijl bij de te geven
voorschriften rekening moet worden gehouden met den stand der overervings-
leer en der veeartsenij kundige wetenschap. Evengoed als de keuringscommissie
geacht wordt te weten, welke eischen zij aan een goeden fokhengst van een be-
paald type moet stellen, evengoed weten ook de veeartsen, welke gebreken een
hengst als fokdier ongeschikt maken. In de nieuwste keuringsreglementen zooals
o.a. dat, hetwelk geldt voor Rijnpruisen, wordt dan ook geene opsomming meer
gegeven van erfelijke gebreken, welke aanleiding tot afkeuring moeten geven.

Aangezien, zooals hiervoor reeds is betoogd in § 4, de mogelijkheid moet bijven
bestaan, dat de commissie bij hare beoordeeling goede en minder goede eigenschap-
pen tegen elkaar in de schaal legt, wordt het uiterst moeilijk in de wet bepaalde
voorschriften te geven. De deskundigen alleen kunnen in overleg met belang-
hebbenden een gedragslijn vaststellen, waaraan zij zich als regel zullen houden,
ten einde de eenheid in de keuringen te verzekeren. Die gedragslijn kan beter in
een keuringsreglement dan in de wet worden neergelegd.

Het ligt in de bedoeling de nakoming van de daarvoor in aanmerking komende
bepalingen van het keuringsreglement op te nemen onder de voorwaarden, te
stellen aan stamboekvereenigingen, welke de bevoegdheid tot goedkeuring van
ingeschreven hengsten voor dekking wenschen te erlangen. Aangezien de keurings-

-ocr page 707-

commissie eener stamboekvereeniging wordt bijgestaan door dezelfde veeartsen
als de Rijkscommissie, is de eenheid van keuring gewaarborgd. Wenscht eene
stamboekvereeniging echter hoogere eischen te stellen ten aanzien van som-
mige gebreken, dan behoeft daartegen van de zijde der Regeering geen bezwaar
te worden gemaakt.

Artikei.en 30 en 31. Evenals tot dusverre geschiedde, wordt voorgesteld
ook in \'t vervolg de provinciale keuringscommissiën te doen benoemen door de
provinciale regelingscommissiën.

Het komt den ondergeteekende niet noodig voor, dat, zooals thans het geval is,
in iedere provinciale keuringscommissie een geëxamineerd veearts zitting heeft.
Wel dient aan iedere commissie voor het veeartsenij kundig onderzoek een veearts
te worden toegevoegd.

Op dezelfde gronden als in de toelichting bij artikel 9 werd uitgezet, is het wensche-
lijk te achten, dat aan iedere provinciale keuringscommissie door den Minister van
Landbouw, Nijverheid en Handel in overleg met den Minister van Oorlog een lid
wordt toegevoegd. Door deze regeling, waarmede de Minister van Oorlog zich
heeft vereenigd, zal het mogelijk zijn het getal leden der provinciale keuringscom-
misiën tot drie te beperken.

Het ligt in de bedoeling ten aanzien van de benoeming der provinciale keurings-
commissiën voorschriften te geven in den algemeenen maatregel van bestuur,
bedoeld in art. 10.

De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
Treub.

ACADÉMIE ROYALE DES SCIENCES ET DES LETTRES DE DANEMARK
Questions mises au concours pour l\'année 1914

Legs Classen

(prix: 800 couronnes)

Les veaux nouveau-nés sont très sujets à des infections mortelles ayant l\'intes-
tin pour foyer et pour agents divers bacilles appartenant au groupe: Eberth-coli.
A l\'encontre de ces formes pathogènes, qui ont fait l\'objet de recherches assez
approfondies, les bacilles, du même groupe, qu\'on rencontre dans l\'intestin des
veaux nouveau-nés bien portants, sont peu connus.

Une étude sérieuse de ces derniers aurait quelque chance de contribuer à la
solution de cette question, également importante aux points de vue pratique et
scientifique, qui est de savoir si les bacilles virulents ci-dessus nommés doi-
vent être regardés comme des formes spécifiques ou bien s\'il faut y voir des mi-
crobes intestinaux acquérant, dans des conditions spéciales, une certaine virulence.
L\'Académie offre donc un prix de 800 couronnes, prélevé sur le legs Classen, pour
une réponse satisfaisante au sujet suivant;

-ocr page 708-

Étude comparée des formes de microbes, appartenant au groupe: Eberth-coli,
qui se rencontrent dans le canal intestinal des veaux nouveau-nés bien portants, et
de celles, appartenant au mfme groupe, qui déterminent des infections intestinales
chez les veaux nouveau-nés. On devra surtout tenir compte des propriétés séro-
logiques des formes en question et de leur faculté de provoquer la fermentation
des saccharides et des alcools polyvalents.
Le délai expirera le 31 octobre 1915.

Le réponses aux questions de concours peuvent être rédigées en danois, en
danois-norvégien, en suédois, en anglais, en allemand, en français ou en latin.
Les mémoires ne porteront pas le nom de l\'auteur, mais une devise et seront ac-
compagnés d\'une enveloppe cachetée portant la même devise et renfermant le nom
la profession et l\'adresse du concurrent. Les membres danois de l\'Académie ne sont
pas admis à concourir. Le prix accordé à une réponse satisfaisante, lorsqu\'aucun
autre prix n\'est spécifié, est la médaille d\'or de l\'Académie, d\'une valeur de 320
couronnes (environ 440 francs).

Avant l\'expiration du délai indiqué pour chaque question, les mémoires devront
être adressés au secrétaire de l\'Académie, M. H.-G. Z
eutiif.n, ancien professeur
à l\'Université de Copenhague. Les décisions seront publiées dans le mois de février
suivant, après quoi les auteurs pourront retirer leurs mémoires.

Paardenarts Ned. O.-I. Leger. Staatscourant No. 118 bevat een oproeping van
sollicitanten vcor militair paardenarts in Nederlandsch Indië.

Personalia. Te Bern is gepromoveerd tot doctor in de veeartsenijkunde op
een proefschrift: „Metritis beim Hinde, aetiologisch betachtet", de heerB.
Eggink,
veearts te Twello.

Bij beschikking van den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel,
van 22 Mei 1914. Directie van den Landbouw, n°. 4182, iste afdeeling, is met
ingang van 16 Juni 1914, aan den tijdelijken assistent bij de cliniek en de heel-
kundige leervakken aan \'s Kijks Veeartsenijschool te Utrecht, H.
Detmers, en
aan den tijdelijken assistent bij de cliniek en de bijzondere ziektekunde en
geneesleer aan diezelfde inrichting, K.
Schuytf.maker, op hun verzoek, eervol
ontslag als zoodanig verleend.
 Schornagel.

-ocr page 709-

STAAT van de gevallen \\an besmettelijke veeziekten, in Nederland geconstateerd ges
durende de maand April 1914.

Opgemaakt door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.
(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal eigenaren aan onder wier vee de ziekte werd
geconstateerd).

%-4

CJ

c

-0

Provincie.

1ft
U

a

.s

V
*N
Öfi
c

N
£
rt
J2

E/> e
w —

0 n
t-i 0

-0 *

bij paai
schaap.

V

0

O.

(/)

w
CL
3
V
b*


\'N

J2

u
N

c

V

h
3

3
>

Honds*
dolheid.

>

0

-0
c
0

S

-0 3

n

5 c

3 w
J3

O
C/3

J3
u

C/5

O
CA

>

u
\'E-
H

£

[ Bij hond
1 en kat

Bij alle

vee.

Friesland ....

KI)

11(1)

3(2)

14(9)

_

Groningen ....

Drenthe......

1(1)

45(10)

8(7)

Hl)

Overijsel ....

10(1)

2(1

4(3)

Gelderland ..

— \'

KI)

6(6)

-

Utrecht ......

2(1)

Noord=HoIland

-

(1

-

8(4)

76(7)

1(1)

Zuid>Holland

6(3)

-

33(1)

29(13)

3(3)

Zeeland......

-

2(2)

NoordsBrabant

...

15(18)

Limburg......

10(10)

Het Rijk ....

(1)

7(4)

64(16)

128(16)

35(17)

58(51)

Vroeger geconstateerde ziektegevallen, welke begin April 1914 nog niet geëindigd waren.

10 (2)
- 114 (5)

9 0)

Zuidholland ..
Noordholland

Utrecht ......

Friesland
Groningen
Drenthe......

258 (28)

69 ( 5)
1( 1)
11(11)

133 (8) — 339(45)

HET RIJK

Schornagel.

-ocr page 710-

Referaten.

Death of mules due to parasites (sclerostomum).

Bradley zag van 25 muilezels in 18 dagen 14 sterven; ziekteverschijnselen waren,
bleeke slymvliezen, zwakte, slijmige ontlasting — duur der ziekte 1 a 2 dagen. Bij
sektie werden in het coecum slijmvlieslaesies gevonden en in darm en darmwand
massa\'s wormen, n.1. sclerostomum tetracantum en scl-equinum.

De dood werd toegeschreven aan toxaemie, veroorzaakt door de toxines der wor-
men. (In ons land komen sterfgevallen bij veulens tengevolge van
sclerostomiasis
herhaaldelijk voor.— Collega Beunders wees er in een vergadering der afd. Gro-
ningen-Drente zeer terecht op dat die aandoening meer de aandacht verdient).
Zooals bekend is, komen er bij het paard vier soorten voor. De laive van
sclerosto-
mum vulgare
(bidentatum) veroorzaakt vooral de bekende worm-aneurysmata in
de darm-arteries, met in sommige gevallen doodelijke darmaandoening met koliek
(door vaatverstopping). Meer kwaad doen de
sclerostomum larven echter direct in
de darmwand, waar ze of met de bloedstroom, of in de meeste gevallen zelfstandig,
(door aanboring) terecht komen, en wormknobbeltjes veroorzaken, die in later sta-
dium met het darmlumen communiceeren. Verschillende primaire of secundaire
(door bacterie-infectie) storingen kunnen het gevolg zijn van enteritis.

De sclerostomum edentatnm is vooral voor veulens kwaadaardig.

De ontwikkelingsgang der larven in het paardelichaam is nog niet volledig be-
kend. Volgens sommige onderzoekers b.v.
Raii.liet behoort het verblijf in de bloed-
vaten tot de ontwikkelingscyclus der parasiet, terwijl anderen b.v.
Colin, van meen-
ning zijn, dat de in de bloedvaten geraakte larven, verdwaalde exemplaren zijn
en dat de gewone ontwikkelingsgang bestaat in inkapseling in den darmwand.
De duur der ontwikkelingsgang is ook nog niet voldoende bekend; na een infectie
duurt het zeer zeker enkele maanden, voor geslachtsrijpe wormen in den darm
zijn en de gastheer dus wormeieren in zijn faeces heeft.

De spoedig uit de eieren vrijkomende larven gaan in het water of door uitdrogen
spoedig te gronde, blijven op vochtige plaatsen echter in leven, ondergaan in
i a 3 weken een paar vervellingen en wachten dan als rijpe larven op een nieuwen
gastheer. De rijpe larven zijn veel resistenter en kunnen niet alleen op vochtige
plaatsen, maar ook in water en bij lage temp. van bijna 0°. in leven blijven.

Medicamenteuze behandeling der ziekte met de bekende wormmiddelen en syinp-
tomatiese behandeling kunnen in bepaalde gevallen in aanmerking komen. Van
meer belang is het echter de ziekte te voorkomen. Met het oog op de groote uitbrei-
ding en het feit dat ook vele gezonde paarden sclerostomen hebben, is het in de
praktijk vrij wel onmogelijk alle parasietendragers (door microscopies onderzoek
der faeces) op te sporen en hunne parasieten door wormmiddelen te dooden. Het
eenige wat
wel te bereiken is, is de gelegenheid tot infektie zooveel mogelijk te beperken.
De paarden besmetten zich op stal of in de wei. Het is nu zeer goed mogelijk het
leven der larven in de stal onmogelijk te maken door te zorgen voor een zindelijke
droge stal, zonder spleten en gaten waar zich vochtige mest in kan verzamelen.
Turfstrooisel zal zeker de voorkeur verdienen boven stroo. (Dr.
Capeli.e wees hier
reeds op (blz. 113 van dit tijdschrift). De mest moet niet blijven liggen maar zoo

-ocr page 711-

dikwijls mogelijk worden verwijderd. Weilanden die niet al te laag liggen (tenzij in
een polder) zou men kunnen draineeren en nivelleeren, de slootkanten door stekel-
draadheining afzetten, zoodat de dieren daar niet kunnen drinken, en een drink-
plaats voor het vee aanleggen, desnoods in een der slooten, die daarvoor ter plaatse
voldoende uitgediept is. De toegang tot de drinkplaats moet droog en niet modderig
zijn; en er moet gezorgd worden, dat geen waterplanten in de drinkplaats groeien
en dat de dieren zelf er niet in kunnen loopen. Een en ander om de volgende reden:
De wormlarven blijven wel in leven in het water, maar zakken heel spoedig op den
bodem en blijven daar liggen, als men niet in het water roert — bij strongylus-
en ook ankylostomum-larven nam ik dat herhaaldelijk waar. Zorgt men nu dat de
dieren gedwongen zijn uit diep, helder water te drinken, dan hebben ze geen kans
zich te infecteeren. Het overgroeien van waterplanten moet verhinderd worden
daar de larven zich daaraan vast kunnen hechten. Ook tegen besmetting in de wei
met andere wormen b.v. leverbotten en strongylussoorten bij rund en schaap zouden
bovengenoemde maatregelen heilzaam zijn. Of ze prakties uitvoerbaar zijn, moet
in ieder speciaal geval uitgemaakt worden.

Am. vet. review. XLll 2. Vrijburg.

Bij runderen (kalveren uitgezonderd) moet men van medicamenteuze behande-
ling van maag- en darmwormziekten niet veel verwachten, daar de toegediende
vaste of vloeibare geneesmiddelen eerst in de pens terechtkomen, en daar zoo wor-
den verdund, dat zeer waarschijnlijk van een inwerking op de wormen in lebmaag
en darm geen sprake meer is — ik kon mij door herhaalde proeven daarvan
overtuigen (zie Ree. de méd. vét. Maart 1907). Bij schapen en geiten zal het
wel niet anders zijn. Prophylacties kan men echter veel doen; n.1. zorgen voor
een zindelijken, drogen stal. In stallen voor geiten kan men voor dat doel
de houten vloer een paar voet of meer boven den grond leggen en met een
trap of schuine plank met den beganen grond vei binden. In de stal moet men iuif
en voerbak aanbrengen, opdat de dieren niet van den grond behoeven te eten. De
jias uit de (in de mest der dieren aanwezige) wormeieren komende larven gaan door
uitdroging spoedig te gronde. Zorgt men nu door hygieniese maatregelen dat
de dieren weinig gevaar loopen zich telkens weer op groote schaal te besmetten,
dan zullen niet te zwakke, goed gevoede en verzorgde dieren in de meeste ge-
vallen een niet al te hevige infectie wel kunnen doorstaan, en herstellen. De in de
darm aanwezige wormen sterven toch na verloop van tijd af (met ankylostomum-
duodenale besmette mensen, zijn zonder nieuwe infectie, na 5 jaar wormvrij).

Re/.

El R\'ock (cachexie et anémie progressive des ovins et bacille de Preisz-Nocard.)

Boquet (Algiers) vond bij een schaap, gestorven aan een in Algiers bekende
schapenziekte El R\'ock, in het bloed, in het synoviaalvocht van het ontstoken heup-
gewricht, in de pus van een subcutaan abces en in de faeces kleine onbewegelijke
staafjes met afgeronde einden, en in hunne eigenschappen overeenkomende met
de bacil van
Preisz-Nocard. — Subcutane enting met culturen der bacil bij eea
schaap, veroorzaakte een abces, intraveneuze inspuiting van 5 c. c. serumbouiHon-
cultuur (sedert 6 dagen uit bloed gekweekt), gaf een ziektebeeld gelijk aan de na-

-ocr page 712-

tuurlijke ziekte: snelle vermagering, verlies van eetlust, cachexie, dood. Ook toe-
diening van culturen per os had vermagering, diarrhee en cachexie ten gevolge,
soms met doodelijlcen afloop. Een lam dat eerst een subcutane inspuiting van
bacillencultuur had gehad met abcesvorming, verdroeg later een dosis per os, zonder
ziekteverschijnselen, was dus door de subcutane enting immun geworden.

B. concludeert, dat bovengenoemde ziekte, die gewoonlijk aan lebmaagstrongv-
liden wordt toegeschreven, een infectie is van het darmkanaal uitgaande en ver
oorzaakt door de Preizs-Nocard\'se bacil. — (Daar B. met zijn bacillen de ziekte-
verschijnselen kon teweeg brengen, moeten ze wel als de oorzaak beschouwd wor-
den). Sommige franse onderzoekers zijn anders geneigd de rol van maag- en darm-
nematoden als ziekteoorzaak gering te schatten, ze zouden alleen door verwonding
van het slijmvlies aan pathogene bacteriën een porte d\' entrée verschaffen. Deze
zienswijze is zeker overdreven. Verschillende maag- en darmnematoden kunnen
wel degelijk in groote hoeveelheid optredend, ziekte en dood van den gastheer
veroorzaken, zoo b.v. strongylus bij schaap en geit, en sclerostomum bij het paard,
en ankylostomum bij den mens. De werking berust zeer zeker gedeeltelijk op
toxinen, gedeeltelijk op mechaniese irritatie en ontsteking van het slijmvlies. In
vele gevallen zullen echter secundaire bakterie-infekties een rol spelen).

Recueil de med. vét. 1912. 30 Oct. Vrijburg.

Examen des sérums de cheveaux atteintis d\'ascaridiose par la méthode d\' Abderhalden.

Rubinstein en Julien onderzochten volgens de methode van Abderhalden,
het serum van paarden met ingewandswormen (ascaris megalocephala) om te
zien of dat serum ook specifieke fermenten bevat ten opzichte van de eiwitstoffen
van het wormtoxine. Zij experimenteerden met het (eiwithüudende) lichaamsvocht
der wormen en vonden dat van 20 sera van met ascariden behebde paarden, 18 een
positieve reactie gaven. Hunne onderzoekingen bewijzen dat bij aanwezigheid
van darmwormen de wormtoxinen door den gastheer worden geresorbeerd en dat
daartegen specifieke stoffen in het bloed worden afgescheiden.

(C. R. de la Soc. de Biol. 1913 LXXV. 28. Vrijburg.

Die Behandlung der Schlaflosigkeit.

Meijer wijst er op dat slapeloosheid slechts een symptoom is (gewoonlijk van
functioneele nerveuze storingen) en men in de eerste plaats er op bedacht moet zijn,
de oorzaak te behandelen. Dikwijls is het echter noodig, direct tegen het verschijn-
sel op te treden, en dan zijn, als men met hypnose of hydrotherapie niet kan vol-
staan, de volgende médicamenten het
minst schadelijk: Valeriaan preparaten,
broomzouten, aspirine
(0.5 gr. volwassen mens), veronal, dit. volgens onderzoe-
kingen van
Jacoby liever niet bij storingen in de bloedsomloop, zoo bij hart- en
longaandoeningen en arteriosclerose, (0.5—1 gr.),
adoline en luminal. Het is raad-
zaam, met de middelen af te wisselen, en niet te lang achtereen slaapmiddelen
te gebruiken.

Deut. med. Woch. 1912.38.37. • Vrijburg.

-ocr page 713-

Lidmaatschap iode Internationaal Veeartsenij-
— kundig Congres. — Londen.
-

Contributie ad f 12.25 (£ 1.-) voor een heer en

f3.15 voor een dame, te zenden aan:
Prof. DE JONG te Leiden of

Mr. F. W. GARNET, J.P., M. R. C. V.S., io Red Lion Square,

London, W. C.

-ocr page 714-

-ocr page 715-

Bijdrage tot de kennis van de „Influenza" ziekten van

het paard,

door

Dr. E. BEMELMANS, Kapitein-paardenarts.
II.

Het wezen van de „Influenza pectoralis". (Brustseuche, Borstziekte, Pleuro-
pneumonia contagiosa.)

Inleiding.

Niettegenstaande de van vele zijden ingestelde bacteriologische
onderzoekingen, verkeerde men bij den aanvang der twintigste
eeuw omtrent het wezen der borstziekte volkomen in het duister.

E. Klebs schijnt in 1877, de eerste geweest te zijn, welke in
gehepatiseerde longen van den mensch „schizomyceten" waar-
nam. In 1881 vond
Eberth in een geval van pneumonie en
meningitis, kleine bijna ronde lichaampjes, terwijl één jaar later
Friedländer coccen van elipsvormige gedaante in het infil-
traat der alveoli beschreef. In 1884 na de onderzoekingen van
Fraenkel, toenmaals assistent van Prof. von Leyden, werd alge-
meen als de oorzaak van de pneumonie van den mensch aange-
nomen, een diplococcus, van ovale of lancetvormige gedaante.

Vóór Schütz, welke na zijne onderzoekingen in 1887 een diplo-
streptococcus als oorzaak van de borstziekte der paarden be-
schouwde, schijnt
Friedberger in 1874, evenals Siedamgrotzki
reeds bij microscopisch onderzoek in het pleuritis exsudaat van
een paard ,,coccen" te hebben aangetoond.
Peterlein, Perroncito
Brazzola
evenals Mendelsohn vonden in gehepatiseerde
longen van paarden ,,diplococcen" gelijkende op die van den
mensch.
Lustig meende in 1885 de verwekker van de borstziekte
gevonden te hebben; de resultaten zijner proefnemingen werden
echter nimmer bevestigd.

De onderzoekingen van Rust (1887) Hell en Foth (1888),
Chantemesse & Delamotte (1888), Cadéac (1889) Fiedler (1891),
Falke, en Silvestrini & Antonini (1899) bevestigden Schütz\'
meening.

Volgens deze onderzoekingen gelukte het bij paarden eene
pneumonie te verwekken door inspuiting van diplo-streptococcen
culturen in de longen
(Schütz) evenals in de trachea (Hell).
Dit gelukte Cadéac eveneens bij ezels, terwijl Fiedler volgens

xli 37

-ocr page 716-

zijne mededeelingen met reinculturen typische pleuropneumonieën
opwekte.

Tegenover deze groep van onderzoekers staan zij, die aan de
ovale bacillen als oorzaak van de borstziekte grootere beteekenis
tcekennen.

Persoonlijk deelde collega Lavalard, die reeds meer dan 40
jaren aan het hoofd der Parijsche Rijtuig-Maatschappij staat, mij
mede, dat zelfs
Pasteur in 1881 zijne aandacht aan de borst-
ziekte wijdde.
Pasteur entte konijnen met neussecreet. Deze
succombeerden en uit verschillende organen kweekte hij ovale
bacillen in reincultuur (bouillon), welke zeer veel overeenkomst
vertoonden met den verwekker der Vogelcholera. Nimmer heeft
Pasteur echter deze ovale bacil als de oorzaak der borstziekte
beschouwd. In 1890 verschenen de onderzoekingen van
Babès,
welke hij als voortzetting van Pasteurs\' onderzoek opvatte.

Babès vond in de longen van paarden, naast diplostreptococcen,
welke overeenkwamen met die door
Schütz aangegeven, ovale
bacillen, die zoowel wat morphologische als pathogene eigenschap-
pen betreft, zeer veel overeenkomst vertoonden met de ovale ba-
cillen der konijnensepticaemie en der vogelcholera. Directe in-
spuitingen dezer ovale bacillen in de longen verwekten doodelijke
pneumonieën met necrotische haarden. Ook in het pleuritis exsu-
daat, het bloed en het peesscheedevocht werd de aanwezigheid
dezer ovale bacillen bacteriologisch vastgesteld.

Als voortzetting der experimenten van Babès moeten de onder-
zoekingen van
Lignières (1896—1900) beschouwd worden.

Lignières stelt zich de werking der ovale bacteriën in verband
met de diplostreptococcen van
Schütz als volgt voor. De ovale
bacillen overstroomen het organisme van het paard slechts in het
aanvangstadium der ziekte, waarbij zij den bodem voor inwerking
der
Schützsche diplostreptococcen voorbereiden en gaan daarna
snel ten gronde.

Waar is het, dat zeker bij 90% en meer der gevallen de ovale
bacillen bacteriologisch niet aangetoond kunnen worden.
Lignières
hypothese past zich ten opzichte hiervan dus aan de werkelijkheid
vrijwel aan.

Na 1900 werden voornamelijk in Duitschland nadere onder- ■
zoekingen aangaande het wezen der borstziekte ingesteld, o.a. door
den Oberstabs-veterinair Dr.
Tröster, bacterioloog aan de Mili-
tair Veterinair Akademie en Prof. R.
Ostertag, welke in het Kon.
Institut für Infektionskrankheiten te Berlijn plaats vonden.
Tröster bracht aan den Minister van Oorlog, Ostertag aan den

-ocr page 717-

Minister van Landbouw uitvoerig verslag uit van hunne onder-
zoekingen gedurende 1900—1902.

De onderzoekingen van Tröster welke in het bijzonder inge-
steld werden ter kunstmatige verwekking van de borstziekte
vielen negatief uit. Ook
Ostertag verkreeg geen resultaat. Het
slot van zijn rapport luidde:

„Die Versuche sind schliesslich abgebrochen und auf eine
gelegenere Zeit verschoben worden, da die weitere experimen-
telle Verfolgung der Frage mit den gegebenen Hilfsmittelen Aus-
sicht auf Erfolg nicht versprach".

Daar de borstziekte in het bijzonder voor de slagvaardigheid van
het leger steeds een groot gevaar oplevert, verzocht Z. M. Keizer
Wilhelm, Prof. Robert Koch naar het wezen der borstziekte
onderzoekingen in te stellen. Nu mocht men veronderstellen, dat
dienaangaande spoedig meer licht zou verspreid worden. Helaas,
bleek dit niet het geval, want de door
Koch verkregen resultaten
leverden geen nieuwere inzichten in het wezen der borstziekte,
dan die welke Z. M. reeds vernomen had door de ijverige onder-
zoekingen zijner bekwame militair-veterinairen, van welke vooral
dienen genoemd te worden: wijlen General-Veterinair
Hell en
de Oberstabs-Veterinair Dr.
Tröster.

In het bijzonder kon Koch aan de diplostreptococcen, hoe
vaak deze ook in de luchtwegen en de zieke longen gevonden
werden, slechts beteekenis toekennen van secundaire ziektever-
wekkers, te meer, daar:

i°. met een reincultuur dezer diplo-streptococcen de borst-
ziekte niet kan verwekt worden, en

2°. in enkele, wel is waar zeer acute, gevallen van borstziekte
de aanwezigheid dezer diplo-streptococcen niet kan aangetoond
worden.

Dit bleek evenmin het geval met de overige in de aangedane
longen vaak aangetroffen bacteriën, waaronder na de diplo-
streptococcen, de ovale bacillen uit de groep der haemorrhagi-
sehe septicaemieën dienen genoemd te worden.

Eveneens werd zeer nauwkeurig nagegaan, zooals men dit van
dezen eminenten onderzoeker gewend is, of eventueel andere
d.eren als hospes of overdrager der smetstof in aanmerking kwa-
men, zooals vaak verondersteld werd.

Muizen en ratten, met faeces van borstziekte patiënten gevoe-
derd, werden nimmer ziek, zoomin als gezonde paarden, welke
gevoederd werden met faeces van muizen en ratten, en met
insecten, die in besmette stallen waren gevangen.

-ocr page 718-

Vliegen, muggen, spinnen, kevers, wandluizen, scorpioenen
e. a. insecten, welke in besmette stallen aangetroffen waren,
werden met het stof dezer stallen gebracht in onbesmette stallen
en op gezonde paarden, zonder dat het een enkele maal gelukte
eene besmetting te verwekken. Ook vielen de infectie-onderzoe-
kingen met het eenige bloedzuigende insect, de haematopinus
marcrocephalus, dat tot nog toe bij het paard aangetroffen is,
negatief uit.

Het resultaat der serodiagnostische onderzoekingen was, dat
een extract van borstziekte organen gevoegd bij geïnactiveerd
serum van borstzieke-reconvalescenten niet de eigenschap bezat
complement (versch caviaserum) te binden.

Deze zeer uitvoerige onderzoekingen van Koch, welke ten
opzichte van het wezen der borstziekte absoluut negatief resultaat
opleverden, vonden ongeveer gelijktijdig plaats met die van Prof.
Tartakowsky welke op verzoek van de Russische Haupt-Militär-
Medizinal-Verwaltung ingesteld werden.
Tartakowsky beves-
tigde ,,im grossen Ganzen" de conclusies van
Babès en Lig-
nières,
doch tevens, dat er buitendien, enzootieën en epizootieën,
evenals zelfstandige aandoeningen bij paarden voorkomen, die
eendeels met de borstziekte, anderdeels met Dieckerhoff\'s Scalma
overeenkomen, en die alléén door diplo-streptococcen zonder
medewerking der ovale bacillen verwekt worden; dit zouden zijn
atypische en boosaardige vormen van droes met verschillende
complicaties, zooals Pharyngitis, laryngitis, pharyngo-laryngitis,
bronchopneumonieën en pleuropneumonieën.

In 1907 verschenen de onderzoekingen van Prof. Lorenz, die
gevolgd werden door de mededeelingen van Dr.
Koneff uitge-
bracht in een rapport op het 9e internationaal veeartsenij kundig
Congres te den Haag in 1909, onder den naam van „Bacillus
pleuropneumoniae contagiosae equorum". Tijdens de discussie
zeide Prof.
Lorenz met verwijzing naar zijn publicatie woordelijk
het volgende:

Ich habe im Winter 1905/6 die Brustseuche deutlich in Form
einer Hautkrankheit auftreten sehen, es ist mir aber seit dem diese
Form nicht wieder zur Beobachtung gekommen und es ist daher
erklärlich, dass Andre diese Form nicht kennen.

Ich habe dreimal und zwar damals im Winter 1905/6 und später
noch zweimal aus der Haut des Patienten einen Coccus in Rein-
kultur züchten können, der sich in der Blutbahn von Kaninchen
in feine Stäbchen umwandelte, deren Reinzüchtung aus dem
Blut dieser Tiere mir gelungen ist. Ich habe aber daher jedesmal

-ocr page 719-

beobachtet, dass mit dem Auftreten der Stäbchen im Blut die
Coccen darin verschwunden.

Ich habe mit aller Sicherheit im Jahre 1907, die Umwandlung
der Coccen in Stäbchen und umgekehrt die dieser Stäbchen in
Coccen in der Kultur beobachtet. Ich habe im Jahre 1908 genau
die selben Stäbchen in dem Sekret der Schleimhäute der Nase,
der Augen, und der Scheide von Brustseuchepatienten gesehen
und sie daraus in einzeln Fallen in Reinkultur erhalten, und ich
bin geneigt zu glauben, dass die von dem Referenten Herrn
Koneff
aus den Blut brustseuchekranker Pferde gezüchteten Stäbchen
ebenfalls dieselben sind.

Voor belangstellenden stelde Collega Koneff virulente culturen
zijner bacil disponibel. Ik had het voorrecht twee agar-agar
culturen te ontvangen. Bij het bacteriologisch verwerken van een
dezer culturen bleek mij weldra, dat mij een reincultuur van Bac.
Subtilis ter hand gesteld was. Het onderzoek van de andere cul-
tuur leverde hetzelfde resultaat op. Op het oogenblik, dat ik den
bacil in den hangenden druppel bestudeerde, bracht
Koneff
een bezoek aan de Rijksseruminrichting. Ik was aldus in de
gelegenheid den ontdekker der bacil uit te noodigen mij te willen
zeggen of de bacil, in den hangenden druppel onder microscoop
aanwezig, de door hem aangegeven bacil der borstziekte ver-
tegenwoordigde. Dit werd bevestigd. Toen ik hierop mededeelde,
dat ik deze bacil voor Bac. Subtilis hield, werd toegegeven, dat
de door hem ontdekte bacil met Bac. Subtilis zeer veel overeen-
komst vertoonde, doch dat het verschil slechts te vinden was
in de spoorvorming. Volgens teekening van Dr.
Koneff vormt
de spoor zich in het centrum van de Bac. Pleuropneum-cont.-
equorum loodrecht op haar lengte-as, terwijl bij de Bac. Sub-
tilis de lengte-as van de spoor zich evenwijdig aan de lengte-as
der bacil uitstrekt.

Uit het verder bacteriologisch onderzoek der aangeboden cul-
turen bleek zonder eenigen twijfel, dat de „ontdekte" bacil van
de borstziekte identisch was met de Bac. Subtilis. Volgens
Koneff is de bacil gedurende de eerste 3—4 dagen aanwezig in
het bloed van die dieren die hooge temperatuur hebben. Opmer-
kelijk is het, dat het hem niet altijd gelukte de bacil uit het bloed
te kweeken. In de Berl. Tierärztl. Woch. 1913 XXIX 33 publi-
ceerde
Koneff de „gunstige" resultaten, volgens zijne methode
bij de bestrijding der borstziekte verkregen. In verband met hetgeen
ik over de z.g.
KoNEFF\'sche Bac. pleuropneumonia cont. equorum
mededeelde, zal het wel overbodig zijn nader op deze „methode"

-ocr page 720-

in te gaan. Wegerer ging bij de bestrijding van de borst-
ziekte onder de paarden van het ie Masurische Veld-Artillerie
Regiment volgens
Knoff\'s aanwijzingen te werk. Zooals te
verwachten was werd in geen enkel opzicht eenig resultaat bereikt.
Het slot van
Wegerer\'s mededeeling (Tierärztl. Rundschau
April 1914) luidde:

,,Da besondere Umstände, auf die das Fehlergebnis der Impfung
zurückgeführt werden könnte, nicht vorhanden waren, so erscheint
es, dass der Konewschen Schutzimpung der angegebene Wert
nicht unter allen Umständen beizumessen ist.

De veronderstelling van Lorenz was dus wel een weinig
voorbarig.

In het Zeitschr. f. Infektionskrankheiten Bd. 8 Hft. 2/3 1910,
verschenen de onderzoekingen van
Pfeiler. Aanleiding tot deze
onderzoekingen was n.1., dat bij eene intraveneuse inspuiting
van 120 cc. eener diplostreptococcenbouillon-cultuur bij een
proefpaard van het Hygiënisch Institut symptomen optraden,
die aan „borstziekte" deden denken.

In hetzelfde tijdschrift Bd 6 Hft. 1 1909 zijn door Pfeiler
met medewerking van Hempel mededeelingen gedaan over
„Komplementbindungsversuche mit dem Diplococcus-pleuro-
pneumoniae
Schütz".

Prof. Dr. Gaffky, directeur van het Institut für Infektions-
krankheiten te Berlijn, werd na den dood van
Koch aangewezen
diens onderzoekingen voort te zetten. Deze onderzoeker heeft
nu, met medewerking van officieren van gezondheid en militaire
paardenartsen, nogmaals miscroscopische onderzoekingen inge-
steld en wel in den ruimsten zin en met gebruikmaking der
nieuwste methodes.

Hij heeft 523 deelen van organen en over de 4000 dekglas-
praeparaten onderzocht met verschillende hardings- en kleurings-
methodes en geen bacteriën of protozoën gevonden.

Ook de op groote schaal aangelegde culturen op voedingsmedia
van verschillende samenstelling gaven een negatief resultaat. De
gekweekte lagere organismen verschilden niet van die bij gezonde
paarden gevonden en waren niet in staat de ziekte te verwekken.

De groote moeilijkheid bij de onderzoekingen was over jonge
paarden te kunnen beschikken, waarvan men met zekerheid
wist, dat deze niet aan de ziekte geleden hadden. Van de jonge
remontepaarden kon men dit niet altijd met zekerheid te weten
komen, wel van de zes maanden oude veulens door de land-
bouwkamer van
Brandenburg verstrekt.

-ocr page 721-

Proeven werden genomen om na te gaan in welke organen het
eerste ziekteproces optrad en tevens getracht het incubatietijd-
perk te bepalen. In twee gevallen moet een incubatietijdperk van
-j- 30 dagen worden aangenomen.
Koch had ook reeds gevonden
dat de ziekte eerst na 19—32 dagen uitbrak bij paarden in be-
smette stallen geplaatst.

Evenals Koch kwam ook Gaffky tot de ervaring dat het niet
mogelijk was konijnen, caviae evenals veulens ziek te
maken door toediening van afscheidingsproducten of organen
van een aan borstziekte lijdend veulen; ook niet door muizen en
ratten als tusschendragers te gebuiken. Uitvoerige proeven met
allerlei insecten en parasieten, in de stallen voorkomende, gaven
eveneens een negatief resultaat.

Den ien Juli 1908 werd ik door den Inspecteur van den genees-
kundigen Dienst der Landmacht na overleg van den Minister
van Oorlog met den Minister van Landbouw, bij de Rijksserum-
inrichting gedetacheerd, ten einde besmettelijke paardenziekten
nader te bestudeeren.

Volgens de resultaten verkregen bij de officiëele onderzoekingen
door
Ostertag, Tartakowsky en Koch, waarbij zelfs laatst-
genoemde het wezen der borstziekte der paarden volkomen open
verklaarde, was de hoop eenig resultaat bij de bestudeering dezer
ziekte te verkrijgen zeer gering.

De bestudeering der borstziekte strekte zich uit tot:

1. Bacteriologisch onderzoek van longaandoeningen van ver-
schillenden aard, welke geconstateerd werden bij de wekelijks aan-
gevoerde engelsche slachtpaarden, welke aan het abattoir te
Rotterdam geslacht werden.

2. Bacteriologisch onderzoek van bloed, secreta, exsudata
en van verschillende organen, afkomstig van aan borstziekte
lijdende of gestorven dieren.

3. Dierexperimenten, de overdraging der borstziekte betref-
fende.

4. Bereiding van polyvalente sera, ter bestrijding van de di-
plostreptococcen en van de ovale bacillen, bacteriën, waaraan
door tal van onderzoekers verschillende beteekenis in verband
met de aetiologie der borstziekte, is toegekend.

5. Agglutinatie en Serodiagnostische onderzoekingen.

6. Klinische waarnemingen.

7. Prophylactische en curatieve Sera-inspuitingen.

8. Intraveneuse inspuitingen van „Salvarsan."

-ocr page 722-

I. Bacteriologisch onderzoek van Longaandoeningen van ver-
schillenden aard.

Het resultaat dezer onderzoekingen, die steeds met de noodige
voorzichtigheid met het oog op Malleus, werden ingesteld, was,
dat de bacteriën, die bij de verschillende longaandoeningen (zooals
chronische lobaire pneumonie; broncho-pneumonia catarrhalis
acuta en subacuta; interstitieele pneumonie; purulente broncho-
pneumonie; chronische pneumonie; broncho-pneumonie met
etterhaardjes), afzonderlijk en gezamenlijk aangetroffen werden,
meerendeels waren:

Coccen, n.1. staphylococcus albus, aureus en citreus; diplo-
coccen; strepto-coccen; sarcina; bipolaire bacillen; staafvormige bac-
teriën van verschillende vorm en grootte (meestal bac. subtilis en
bac. pyocyaneus) en voorts coli-bacillen.

II. Bacteriologisch onderzoek van Bloed, Secreta, Exsudata, enz.

De verkregen resultaten kunnen als volgt samengevat worden.

a. Bloed.

Bij de talrijke onderzoekingen van het bloed uit de vena
jugularis, van aan normaal verloopende borstziekte lijdende en
herstellende paarden konden nóch microscopisch noch bacterio-
logisch bacteriën aangetoond worden.

b. Sputum.

Het roestkleurig sputum, dat slechts in zeer geringe mate uit
de neusopeningen bij borstzieke patiënten, met duidelijk waar-
neembare pneumonie symptomen te voorschijn kwam, bleek in
den regel te bevatten:

Diplostreptococcen; staphylococcen albus en aureus; subtilis
en colibacteriën; sarcina en bac. pyocyaneus. Zeer sporadisch
bleek het voorkomen van ovale bacillen.

c. Pleuritis-exsudaat:

Negatief was het bacteriologisch onderzoek van het pleuritis-
exsudaat uit de borstholte van paarden, waarbij volkomen her-
stel in korten tijd intrad. De kleur van dit pleuritis exsudaat was
als die van bloedserum. Tijdens de borstziekte enzoötieën igio-\'n
en 1911—\'12 in het remonte-depót werd het onderzoek zoowel
van het bloed als van het pleuritis-exsudaat, welke beide vochten
terstond verwerkt konden worden, tal van malen herhaald, steeds
echter met negatief resultaat; nócb bacteriën noch protozoën
konden aangetoond worden. De voedingsbodems, waarin de enting

-ocr page 723-

geschiedde, bestonden uit: bouillon, serum-bouillon; agar-agar;
serum-agar-agar, en gestold bloedserum.

Daarentegen werden zoowel in het bloed der longen als in het
pleuritis-exsudaat van aan borstziekte- (pleuro-pneumonie) ge-
storven paarden, zoowel vóór als na den dood, diplostreptococcen
aangetoond.

Dit was o.a. het geval bij de paarden Nos. 19, 651 en 917 welke
tijdens de enzoötieën 1910—\'12 aan pleuro-pneumonie succom-
beerden. In deze gevallen was de kleur van het pleuritis-exsudaat
steeds vuilrood. Muizen subcutaan met dit pleuritis-exsudaat geënt,
stierven binnen de 36 uren. In het pleuritis-exsudaat was het
voorkomen der diplostreptococcen meer dat van streptococcen.
(korte ketenen van 4—6 coccen)

cl. Peesscheedevocht:

Het bacteriologisch onderzoek van het vocht eener peesscheede-
ontsteking (groote sesamscheede), welke bij een der reconvalescenten
was opgetreden 14 dagen na zijn herstel van borstziekte, viel be-
treffende de aanwezigheid van diplostreptococcen positief uit.

Behalve streptococcen waren eveneens staphylococcen aan-
wezig. Alhoewel dit vocht onder aseptische cautelen was opge-
vangen, kon mogelijke verontreiniging hebben plaatsgevonden,
want door de verzending per post kon het verwerken eerst 2 dagen
na het verzamelen geschieden. Stabveterinair
Aulich deelde
in het Ztschr. f. Veterinairkunde 1908 Heft 1 mede, diplostrep-
tococcen te hebben aangetoond in het vocht eener peesscheede-
ontsteking, welke na borstziekte was opgetreden. Tijdens de
borstziekte enzoötieën 1910—\'11 en 1911—\'12 in het remonte-
depót was ik in de gelegenheid herhaalde malen terstond bij het op-
treden dezer secundaire peesscheede-ontstekingen dit vocht
bacteriologisch te verwerken, thans gelukte het mij nimmer bac-
teriën daarin aan te toonen. Meer dankbaar was het onderzoek der
uit verschillende streken van ons land toegezonden longen van
paarden, die tijdens het verloop van „Influenza," zooals de
diagnose meestal zonder nadere aanduiding luidde, gesuccombeerd
waren. Zeer waarschijnlijk zullen onder deze longaandoeningen
pneumonieën zijn voorgekomen, welke tijdens het verloop van
Pferdestaupe optraden. De bacteriën, welke na volledig bacterio-
logisch verwerken werden aangetroffen, waren:

Diplostreptococcen, (in vloeibare media tot kleine streptococcen
uitgroeiend); staphylococcen (albus, aureus, en citreus); ovale
bacillen; sarcina; subtilis; pyocyaneus en coli-bacillen. Over-
wegend was steeds de aanwezigheid der diplostreptococcen.

-ocr page 724-

Door het uitstrijken op agar-agarvoedingsbodems zoowel als
door enting van muizen en cavia\'s werden deze verschillende bac-
teriën in reinkultuur verkregen. Slechts in een naar verhouding
klein aantal gevallen konden ovale bacillen uit het bloed van
caviae in reincultuur gekweekt worden.

Bij twee acute lobaire pneumoniën, welke te Rotterdam
direct bacteriologisch verwerkt konden worden, bleken strepto-
coccen in bijna reine cultuur aanwezig te zijn. Immers de tweede
uitstrijk bleek bij nauwkeurig onderzoek reeds alleen diplo-strepto-
coccen coloniën te bevatten, die zeer virulent bleken te zijn (na
subcutane enting van muizen trad de dood binnen 24 uur in).

Slechts in deze 2 gevallen kon van eene „specifieke" infectie
(van eene streptocococcen-pneumonie) sprake zijn, terwijl in de
overige gevallen mijns inziens van „gemengde" infectie moest
gesproken worden.

Ook in het neusslijm van gezonde paarden, kon herhaalde malen
de aanwezigheid der genoemde bacteriën aangetoond worden. Het
microscopisch onderzoek van verschillende organen, als lymph-
klieren, hart, lever, milt, nieren, door uitstrijkpraeparaten, hebben
niet tot bijzondere uitkomsten geleid. Evenmin gelukte het in uit-
strijkpraeparaten van bloed en andere lichaamsvochten met toe-
passing van de verschillende kleurmethoden protozoën (trypano-
somen en spirochaeten) aan te toonen.

III. Dierexperimenten:

1. Muizen subcutaan met roestkleurig sputum geënt stierven
in den regel binnen 2 of 3 x 24 uur. Uit het hart werden vaak
staphylococcen gekweekt. In verschillende gevallen bleek de muis
tengevolge eener diplo-streptococcen-septicaemie, slechts spora-
disch tengevolge eener ovale bacillen-septicaemie te zijn gesuc-
combeerd.

2. Muizen subcutaan geënt met secreet uit de bovenste lucht-
wegen van aan borstziekte gestorven paarden stierven in den regel
binnen de 24 uur tengevolge eener diplostreptoccen septicaemie.

3. Met bloed op verschillende dagen genomen van typisch
lijdende paarden in normaal verloopende ziektegevallen werden
geënt:

a. muizen subcutaan

b. caviae subcutaan

c. konijnen subcutaan en intraveneus

-ocr page 725-

d. paarden, subcutaan, intraveneus, intratracheaal en intra-
pulmonair.

steeds echter met negatief resultaat.

4. Evenmin gelukte het bij deze proefdieren met het helder ge-
kleurde
pleuritis-exsudaat eenige reactie te voorschijn te roepen.

Na paarden subcutaan ingespoten te hebben met peesscheede-
vocht
van peesschedenontstekingen, die tijdens of in het reconvale-
scent stadium optraden, kon bij deze dieren na 24 uur ter plaatse,
slechts resorptie geconstateerd worden.

Uit deze onderzoekingen bleek dus, dat de borstziekte in
haar wezen niet is eene
bacteriaemie.

5. Het vuilrood, haemorrhagisch pleuritis-exsudaat, her-
haalde malen ingespoten zoowel intraveneus als intratracheaal,
kon paarden niet infecteeren. Dit pleuritis-exsudaat, was afkomstig
van paarden lijdende aan pleuropneumonie, en zoowel vóór als
na den dood dezer paarden steriel afgetapt. Bacteriologisch kon-
den in dit exsudaat steeds diplo-streptococcen aangetoond worden.

Een veulen, waarvan met zekerheid bekend was, dat het nim-
mer aan de borstziekte geleden had, werd:

1. intratracheaal ingespoten met 10 cc. eener longmassa, welke
als volgt verkregen was. Een croupeus longstukje, van een aan
pleuro-pneumonie gestorven borstziektepatiënt, werd op steriele
wijze fijngesneden en in steriel mortier met gesteriliseerde keu-
kenzoutsolutie gemassereerd. Ter verwijdering van vaste partikeltjes
werd deze massa door een dun laagje watten gefiltreerd.

Alvorens ingespoten te worden, werd daaruit geënt. De intratra-
cheale reactie verliep zonder eenige reactie.

2. Veertien dagen later werd bij hetzelfde veulen 10 cc. eener
dergelijke massa
intrapulnwnaal ingespoten, deze massa bevatte,
evenals de voor de intractracheale injectie gebruikte vloeistof in
hoofdzaak; diplo-streptococcen; staphylococcen; ovale en subtilis
bacillen. Hierop volgde slechts eene geringe thermische reactie
van i,2°C, welke nauwelijks 24 uur aanhield.

Hetzelfde experiment geschiedde bij een 4-jarig paard. Hier-
bij werd 10 cc. eener als boven gepraepareerde en door watten
gefiltreerde longmassa
intraveneus ingespoten. Ook thans was het
resultaat negatief. Meerdere malen werd dit experiment bij andere
paarden herhaald, doch steeds zonder resultaat. Het gelukte dus
niet paarden, die onder dezelfde omstandigheden en in denzelfden
stal verkeerden, waarin reeds meerdere gevallen van borstziekte
opgetreden waren, met
bloed met pleuritis-exsudaat of met pees-
scheedevocht
afkomstig van paarden, die aan borstziekte lijdende

-ocr page 726-

waren en hiervan herstelden te infecteeren, niettegenstaande ver-
schillende maanden later geconstateerd werd, dat de paarden,
waarbij deze verschillende vochten ingespoten waren, tijdens de
proefneming niet immun voor de borstziekte waren. Evenmin ge-
lukte het paarden de borstziekte te bezorgen met
pleuritis-exsu-
daat
en met longmassa\'s van gestorven paarden, waarin zoowel
diplo-streptococcen als ovale bacillen aanwezig waren.

Het bleek dus absoluut onmogelijk op kunstmatige wijze
gezonde niet immune paarden te infecteeren.

Onderzoekingen met het door bougies gefiltreerde bloed, zoo-
als deze door
Pfeiler ingesteld waren, hadden dus ook geen
zin.

Daar het noch aan Ostertag, noch aan Koch gelukt was met
reinculturen zoomin door SCHÜTz\'sche diplo-streptecoccen als door
LiGNiÈREs\'sche ovale bacillen de borstziekte bij gezonde paarden
te doen optreden, was het overbodig deze nauwkeurige experi-
menten, die met het oog op de proefdieren tevens zeer kost-
baar zijn, te herhalen.

Pfeiler ging alsnog daartoe over (Ztschr. f. Infektionskrankh.
2.3. Heft 1910). Zoowel reincultuur van diplo-streptococcen als
van ovale bacillen werden afzonderlijk of gezamenlijk op verschil-
lende wijze bij een 24-tal proefpaarden ingespoten.
Pfeiler meent
uit deze experimenten te moeten concludeeren, dat het gelukt is,
met intraveneuse inspuitingen van ScHüTz\'sche diplo-streptococ-
cen bij paarden pleuropneumonie verwekt te hebben. Mijns inziens
zijn deze onderzoekingen meer als een bijdrage te beschouwen tot
de vraag: „In hoeveel tijd en met welke hoeveelheden van virulente
diplo-streptococcen en ovale bacillen, afzonderlijk of na elkan-
der intraveneus ingespoten, zijn paarden te dooden?

Zij, die zich bezighouden met de bereiding van sera tegen de
pneumonie-streptococcen en tegen de ovale bacillen, weten hoe
nauwkeurig rekening moet gehouden worden met de hoeveelheid
van de, vooral in den aanvang der immunisatie en ook later, in te
spuiten virulente culturen, ter voorkoming van ernstige verliezen
van serumpaarden tengevloge van septicaemieën en van compli-
caties, die tot afmaking leiden. Een intraveneuse inspuiting door
Pfeiler van 150 cc. eener ovale bacillen-cultuur bij een paard,
had binnen de 24 uur den dood ten gevolge (septicaemie), terwijl
eene intraveneuse injectie van 500 cc. diplo-streptococcenbouillon-
cultuur bij een paard door Prof.
Ostertag, reeds na 3 dagen aan-
leiding gaf tot afmaking van dit paard.

De verkregen resultaten van enkele dezer proefnemingen zijn

-ocr page 727-

eehter in zooverre interessant dat complicaties als peesscheeden-
en oogontstekingen evenals hoefbevangenheid konden verwekt
worden, waarop nader zal worden teruggekomen.

IV. Bereiding van Sera tegen dt pneumonie-streptococcen en
tegen de ovale bacillen.

Daar de onderzoekingen van Ostertag, Tartakowsky en
Koch, tot geen resultaat hadden geleid, lag het voor de hand, dat
eensluidende bacteriologische onderzoekingen, het volgen van
denzelfden weg dezer eminente bacteriologen, stellig geen andere
uitkomst zou verkregen worden. De mogelijkheid was echter niet
uitgesloten, dat door het zich begeven op een zijweg iets kon bereikt
worden, hetgeen aanleiding kon geven, dat de sluier, die de aetio-
logie der borstziekte bedekt, zou worden wegegenomen.

Deze zijweg was gedeeltelijk betreden door Ostertag, doch
is door hem verlaten geworden. Met het betreden van dezen
zijweg wordt bedoeld: de bereiding van sera ter afwering van
diplo-streptococcen als van ovale bacillen infecties.

Ostertag begon zijne experimenten in Juli 1900 bij 3 paarden,
één ezel, 2 schapen en 2 geiten. Beide laatstgenoemde dieren suc-
combeerden aan gewrichtsontstekingen, tengevolge van de in-
spuitingen met streptococcen. Een van de drie paarden stierf
reeds in September aan purulente peesscheede-ontstekingen, ter-
wijl het tweede paard in Maart 1901, 2 uur na de laatste cultuur-
injectie sneuvelde. Wat er geworden is van het derde paard en den
ezel, die ten slotte een scrum leverden, dat bij eene inspuiting van
0.2. cm. muizen tegen eene doodelijke streptococcen dosis beschut-
te, heeft
Ostertag niet nader meegedeeld.

Het gelukte mij, met voorkoming van complicaties, die tot
afmaking der serumpaarden moesten leiden, binnen 8 maanden
polyvalente sera te verkrijgen. Daar het optreden van complica-
ties niet uitgesloten was, bleek het gewenscht alsnog met de im-
munisatie van twee paarden te beginnen, Medio 1910 had ik
totaal 6 paarden te mijner beschikking, waarvan 3 paarden voor
de bereiding van serum tegen de pneumonie-streptococcen en de
andere 3, voor de bereiding van serum tegen de ovale bacillen, in
behandeling waren. Van Juli 1908 tot Juli 1910 moesten 2 paar-
den die met pneumonie-streptococcen geïmmuniseerd werden we-
gens purulente gewrichtsontsteking, door verbloeding gedood wor-
den. De verschillende pneumonie-streptococcen en ovale" bacillen,
welke bij het bacteriologisch verwerken der onder 1 en 2 genoemde
onderzoekingen in reincultuur verkregen waren, werden ter in-
traveneuse inspuiting bij de serumpaarden aangewend.

-ocr page 728-

V Serodiagnostiscke Onderzoekingen:

i. Coviplementhinding.

Deze onderzoekingen werden met medewerking van Dr. H. E.
Reeser, bacterioloog bij de Rijksseruminrichting verricht en
werden ingesteld om na te gaan of in geïnactiveerd serum tegen de
diplo-streptococcen en tegen de ovale bacillen, bloed en pleuritis-
«xsudaat van aan typische borstziekte lijdende paarden comple-
mentbindende stoffen aanwezig waren ten opzichte van diplo-
streptococcen en ovale bacillenextracten.

De te onderzoeken vochten (bloed, bloedserum en pleuritis exsu-
daat) werden ter inactiveering gedurende \\ uur verhit op 56° C.

Het complement bestond uit versch cavia serum, dat als volgt
verkregen werd. Na desinfectie van den hals werd het bloed na
eene halssnede in eene
petri\'sche schaal opgevangen. Door
schuinplaatsing na stolling van den bloedkoek werd het serum ver-
zameld. Was dit roodgekleurd, dan werd het vóór het gebruik ge-
centrifugeerd.

Voor elke nieuwe proef werd eene andere cavia opgeofferd,
<iaar het complement zijne werkzaamheid spoedig verliest.

De 5 % oplossingen van gewasschen roode schapenbloedichaampjes
werd als volgt verkregen. Een schaap werd -[- 50 cc. bloed afge-
tapt. Dit werd ^ 15 min. gedefibrineerd en in steriele buisjes ^ 10
minuten gecentrifugeerd (4000 omwentelingen per minuut).

Vervolgens werd het serum afgeheveld, vervangen door physio-
logische keukenzoutsolutie. (0.8%) geschud en nogmaals gecen-
trifugeerd. Dit werd alsnog 2 malen herhaald. Aldus verkrijgt men
schapenbloedlichaampjes, waarin het serum door physiologische
keukenzout-solutie vervangen is. Een 5 % emulsie wordt hier-
van gebruikt.

Het haemolytisch serum voor schapenbloed, werd verkregen door
een konijn intraveneus 40 cc. gewasschen schapenbloedcellen
in te spuiten. Na 14 dagen wordt onder aseptische cautelen het
bloed van het konijn verzameld (maximum -[- 80 cm3), en na 24 uur
gestaan te hebben wordt het serum op steriele wijze afgezogen.
Is het niet steriel of niet helder dan werd het door
Maassen bougie
gefiltreerd. Door gedurende i uur te verhitten op 56° C. wordt dit
haemolytisch serum van zijn complement beroofd.

Ter bereiding van het ovale bacillen extract werd uitgeggaan van
9 verschillende ovale bacillen stammen, terwijl voor de bereiding
van het
diplo-streptococcen-extract ruim 20 verschillende stammen
dienden. De ovale bacillen, zoowel als de diplo-streptococcen
agar-agar-culturen waren 3
X 24 uur bij 370 C. gecultiveerd.

-ocr page 729-

De cultuur van deze buizen werd met behulp van een plati-
nanaald na vooraf op iedere cultuur 5 cc. steriele physiologische
keukenzout-solutie gedaan te hebben in een steriel fleschje ge-
bracht. Dit werd geplaatst één uur bij 6o° C. in waterbad en vervol-
gens 5 dagen bij 370 C., waarin het steeds zoo veel mogelijk ge-
schud werd. Daarna werd het gecentrifugeerd. De op den bodem
der centrifuge buis neergeslagen ovale bacteriën resp. diplo-strep-
tococcen, werden in steriele mortier gebracht en met de heldere
vloeistof uit de centrifugebuizen onder toevoeging van kwarts-
.zand gedurende één uur flink gewreven. Na centrifugeeren verkreeg
men het heldere extract.

Bij iedere proef ging vooraf de bepaling van de hoeveelheid
haemolytisch serum noodig om 1 cc. eener 5 % emulsie van schapen-
bloedcellen met behulp van complement op te lossen
(de waarde-
bepaling van den heamolytischen amboceptor).

De titreering van het haemolytische serum geschiedde als volgt:

-

N°.

Complement

5% schapen-

Inactief hae-

ster. phys.

Resultaat

bloedlich.

mol. serum.

keukenz. sol.

i

0.2 cc

i cc

0.1 cc

haemolyse.

2

tt

0.05

j>

3

11

>>

11

4

>)

ti

o.oi „

Bijvullen

5

>)

0.005 11

tot gelijke

11

6

>y

n

0.003 „

volumina.

11

7

8

j>
11

)>
}>

o.ooi ,,
0.0005
11

11

haemolyse

9

11

ti

0.0003 „

gedeeltelijke
remming.

10

11

tt

o.oooi ,,

remming.

Aangezien 0.0005 cc. de kleinste dosis haemolytisch serum was,
welke met een overmaat van complement volkomen haemolyse
van i cc. eener 5 % oplossing van gewasschen schapenbloed-
lichaampjes gaf, werd, bij het controleeren van het serum tegen de
ovale bacillen, gebruik gemaakt van 0.001 cc. Ter beantwoording
van de vraag: met welke dosis complement moet de proef verricht
worden; werd als volgt te werk gegaan;

-ocr page 730-

Titreering van het complement.

Complement.

5% schapen-
bloedlich.

Inact. hae-
mol. serum.

Ster. phys.
keukenzout-
solutie.

Rseultaat.

1

0.1 cc

I cc

0.001 cc

haemolyse

2

0.05 „

>>

ti

idem.

3

0.04 „

))

a

Bijvullen tot

gedeeltelijke

gelijke

haemolyse.

4

°-°3 ..

, }>

volumina.

gedeeltelijke

haemolyse.

5

0.02 „

H

u

remming.

6

O.OI „

jj

a

ti

7

0.005

»

11

ti

Als complementdosis werd gebruikt 0.05 cc. dat is de kleinste
dosis waarbij nog juist volkomen haemolyse intrad.
Het verloop van de eigenlijke proef volgt hieronder.

Proef A.

Ovale bacillen extract. Immun serum tegen de ovale Bacillen.

N°.

Complement

ovale bacillen Inactief ovale
extract. bacillenserum

Steriele phys.
keukenzout-
solutie

Inactief
haemolytisch
serum.

5% oplossing
van schapen-

KIAOH 11 1-»

Resultaa

I

0.05

I cc

o-5

0.001

I cc

remming.

2

a

0.2

} >

id.

3

11

°-3

0.1

1,

>>

id. j

4

11

0.2

0.2

))

id.

5

11

0.2

0. i

>}

id.

6

11

0.2

0.05

))

))

id.

7

11

0.1

0.2

rt\'

))

id.

8

0.1 „

0.1

•S

id.

9

a

0.1

0.05

c
3

)>

)>

id.

10

it

0.05 „

0.2

"0

))

J>

gedeeltelij

11

11

°°3 „

0.1

))

gedeeltelij

12

:»

0.01 „

0.1

))

>>

bijna volkon

13

11

0.005 „

0.1

>y

)>

id.

14

11

0.2

euo

}}

))

id.

15

0.05

0.1

0

O.OOI

I cc

haemolysi

16

0.05

}}

id.

17

11

id.

18

1 11

_

3

id.

19

11

0.2

>

id.

20

11

0.1

<

>)

id.

21

11

°-°3 „

})

)>

id.

22

0.01 „

>)

)>

id.

23

-

)}

remming

24

-

1

)>

id.

25

-

0.2 „

>>

id.

26

-

°-°3 „

))

))

id.

27

-

0.2

})

id.

28

-

0.1

))

id.

29

-

1

0.2

))

id.

30

-

0.2

0.1

id.

31

°°3 „

0.1

L » u

id.

J

-ocr page 731-

Uit vorenstaande volgt:

a. Het serum tegen de ovale bacillen bevat complement-
bindende stoffen.

b. De onderste grens, waarbij het extract nog voldoende werk-
zaam is, ligt bij o.i cc.

Thans werd nagegaan A. of pleuritis exsudaat en B. of bloed-
serum afkomstig van een borstziekte patiënt, ten opzichte van een
extract van ovale bacillen complementbindende stoffen bevat.

Patiënt had typische borstziekte, het pleuritis exsudaat was op
steriele wijze afgetrapt. Alvorens tot de proef over te gaan werd
van het pleuritis exsudaat op agar en gelatine geënt. Voorts werd
een muis subcutaan en een cavia intraperitoniaal geënt, terwijl
een stukje stolsel onder de huid van een konijn werd gebracht. Geen
dezer proefdieren succombeerde. Om volkomen helder pleuritis-
exsudaat te verkrijgen, werd dit door een
Maassen filter gefiltreerd.

De bereiding van het extract geschiedde op dezelfde wijze; de
5 % gewasschen roode schapenbloedlichaampjes werden echter
vooraf gesensibiliseerd.

Ter verkrijging van gesensibiliseerde roode bloedlichaampjes
werd als volgt te werk gegeaan.

Bij 50 cc. gewasschen schapenbloedcellen wordt een overmaat
van inactief haemolytisch serum toegevoegd; na schudden laat
men ze £ uur bij 370 C. staan, waarbij de bloedcellen zich met
den haemolytischen amboceptor laden. Vervolgens wordt gecentri-
fugeerd en de bovenstaande vloeistof afgeheveld en vervangen
door physiologische keukenzout-oplossing.

(De afgehevelde vloeistof wordt bewaard voor de amboceptor-
contröle proef). Schut opnieuw en centrifugeer nog 2 malen. De
aldus verkregen roode bloedlichaampjes zijn voldoende met
haemolytischen amboceptor geladen om na toevoeging van com-
plement, haemolyse, te doen ontstaan.

De amboceptor controle-proef dient verder om uit te maken of
voldoende haemolytischen amboceptor aan de roode bloedlichaam-
pjes is toegevoegd. Is nu overmaat toegevoegd, dan is in de af-
gehevelde massa vrije haemolytische amboceptoren aanwezig
en moet bij deze vloeistof, roode bloedcellen en complement ge-
voegd, haemolyse optreden.

Bij de volgende proef gaven het titreeren van het complement
en de amboceptor-contröleproef het volgende resultaat.

38

XLl

-ocr page 732-

Complement

Gesensibiliseerde
schapenbloed lichaampj es

Ster. physiol.
NaCl solutie

Resultaat.

i

0. i

I cc

aanvullen tot

haemo yse

2

0.05

gel. volumen

3

0.03

4

0.02

j,

5

0.015

n

,,

6

0.01

,,

y,

7

0.005

,,

gedeeltelijke

Remming

8

O.I

ï cc gewassch. bldlich.

Remming

9 \'

O.I

i cc

1 cc

haemolyse

amboceptor

controle

De grensdosis waarbij nog juist haemolyse intrad was 0.01;
bij de proef werd daarom gewerkt met 0.015. Controle N°. 8 geeft
aan, dat de dosis komplement (o.icc.) toegevoegd aan icc. ge-
wasschen roode bldl., die dus niet geladen waren met haemolyt.
amboceptoren, uit zich zelf geen haemolyse verwekt, terwijl N°. 9
aangeeft, dat in icc. van de heldere vloeistof, na de eerste maal
centrifugeeren van bloedlichaampjes en haemolytisch serum ver-
kregen en aangegeven onder den naam „amboceptorcontröle"
voldoende haemolytische amboceptoren aanwezig waren om na toe-
voeging van o.icc. complement en 1 cc. gewasschen roode bldlich.
haemolyse te doen ontstaan, waaruit volgt dat de gesensibili-
seerde roode bldlichaampjes volkomen met haemolytische am-
boceptoren geladen waren.

De eigenlijke proef geschiedde als volgt:

Proef R. Ovale bacillen extract, ten opzichte van het pleuritis-

exsudaat van borstziekte-patiënt N°. 874.

Complement

Ovale bac.
extract

Inact. pleur,
exsudaat

Ster. physiol.
NaCl solutie

5% ges ens.
schpbldlich.

Resultaat.

i

0.015 cc

0.3 cc

0.5 cc

I cc

remming

2

>J

0.2 „

0.2 „

})

11

3

0.2 „

O.I „

)>

11

4

0.2 „

0-05 „

>>

\'i

5

O.OI „

0.2 „

}>

a

6

O.I „

O.I „

i>

ged. remming

7

j)

O.I ,,

0.05 „

bijvullen tot

tj

„ haemolyse

8

ly

0.2 „

—r—

gel. volumina

))

a

9

>>

O.I „

-

a 11

10

>}

0.2 „

}>

11 11

li

a

O.O5 „

a 11

12

t,

O.I „

a a.

13

14

II
11

-

it
a

a 11

„ remming

15

-

0.2 ,,

-

11

11 11

16

-

O.I „

-

11

H II

17

4

0.2 „

a

II II

18

-

O.I ,,

11

II II

-ocr page 733-

Proef C. Ovale bacillenextract ten opzichte van bloedseram borst-
ziekte patiënt N°.
364.

Complement

Ovale bac.
extract

Inact. bloed
serum

Ster. physiol.
NaCl oploss.

5% gesens.
bloedlich.

Resultaat.

i

0.015

0.2

0.2

I cc

haemolyes

2

))

0.2

O.I

>>

3

0.2

0.05

>>

i)

4

>j

O.I

0.2

>>

1}

5

>)

O.I

O.I

j>

6

ij

0.1

0.05

aanvullen tot

>>

1)

7

8

>}

0.2

O.I

_

gel. volumina


>>

> •

9

>}

0.2

>>

t>

10

1 >

O.OI

)>

11

11

ti

0.05

))

,,

12

)>

>y

,,

13

remming

14

0.2

,,

15

O.I

>>

16

0.2

17

O.I

>>

18

0.05

Uit vorenstaande proeven B. en C. blijkt:
Het pleuritis-exsudaat afkomstig van paard N°. 874 dat aan
borstziekte (pleuropneumonie) lijdende was, bevatte complement-
bindende stoffen, daar het met een ovale bacillen extract ver-
mocht remming der haemolyse te veroorzaken.

Volgens proef C. bleek dit niet het geval te zijn voor het bloed-
serum afkomstig van paard N°. 364. Bij dit paard was tijdens de
borstziekte in geringe mate eene longcongestie aanwezig.

A. Proef met diplo-streptococcenextract en pleuritis-exsudaat
Borstziekte patiënt N°. 254.

De complementcontröleproef had uitgewezen, dat als comple-
mentdosis 0.05 cc. moest genomen worden,
ie. De eigenlijke proef geschiedde als volgt:

Complement

Extract
diplo-
streptococcen

Pleuritis
exsudaat

Steriele phys
NaCl-solutie

5% gesensib.
schapen-
bloedlich.

Resultaat

i

2

3

4

5

6

7

0 05

»

j,
j>
>
j

0 3
0 2
0 2
0 2
0
i
0 1
0 1

0 5
0
2
0 1
0
05
0 2
0 i
0
05

aanvnllen tot
gel. volumina

1 cc

remming

it
j>

i>

>t
j j

gedeeltelijke
remming

-ocr page 734-

Complement

Extract
diplo-
streptococcen

Pleuritis
exsudaat

Steriele phys.
NaCl.-sslutie

5% gesensib.
schapen-
bloedlicü.

Resultaat.

8
9

10

11

0 05
)j

ji
> »

0 2
0
i

0 2
0 i

aanvallen tot

I cc

haemolyse

12

13
\'4

15

16

11

0 2
0 i

0 05

gel. volumina

>)
>>

remming

> j

17

18

19

0 2
0 i
0 05

>)
i
>

B. Proef. Diplo-streptococcen-extract met bloedserum borstziekte-
patiënt
n°. 417.

Complement

streptococce
extract

Inactief seru
patiënt n°
41

Steriele phys.
NaCl-solutie

5% gesensib.
roode schapen Resultaat
bloedlich

1

0 05 cc

0 2 cc

02 cc

remming

2

>>

0 i ,.

>>

3

ij

)i

o°5 „

>>

4

0 01 ,,

5

O I cc

02 „

6

01 „

11

7

8

tl
ti

005 „
0.01 „

))

9

11

0.2 cc

haemolyse

10

0.1 cc

})

11

) 1

02 cc

))

12

j j

°1 „

13

j)

005 „

<i

))

\'4

fj

0 01 „

e

15

02 „

1
d

>>

16

"3

17

>

remming

18

O I cc

V

ja

>)

19

0.2 cc

0.2 cc

5*

ë

20

0.1 cc

0.2 „

60

0

21

0.2 „

0

-

>>

Inact.norm.

c

V

Inactief nor-

3

maal paarden

serum.

B

22

0.05 cc

0.2 cc

0.2 cc

haemolyse

23

n

0.1 „

24

ti

° °5 „

25

))

0.01 „

} J

26

))

0.1 cc

0.2 ,,

JJ

27

>)

II

0.1 „

28

II

0-05 „

29

11

0.01 „

30

II

0.2 „

31

11

0.1 „

>>

32

° °5 „

33

11

0.01 „

JJ

34

0.2

remming

35

0.2 cc

0.2 „

*

36

0.1 „

0.2 „

-ocr page 735-

C. Proef, di-plo-Streptococcen extract — immun Serum tegen de
diplo-streptoccoccen.

N°.

Complement

Diplo-strep-
tococ.-extract

Inact. immun Steriele phys.
serum NaCl-solntie

5 % gesensib.
schapen-
bloed lich.

Resultaat

i

0.05

0.2

0.2

I cc

remming

2

0.2

O.I

3

0.2

0.05

aanvnllen

11

4

jj

O.I

0.2

tot gelijke

a

5

j)

O.I

O.I

volumina

6

>1

O.I

0.05

11

7

i)

0.05

0.2

a

8

}>

0.03

O.I

11

9

11

O.OI

O.I

Uit deze drie proefnemenigen kan dus geconcludeerd worden,
dat het serum tegen diplo-streptococcen, zoowel als het bloed-
serum en het pleuritis-exsudaat van verschillende aan borstziekte
lijdende paarden complement-bindende stoffen bevatten, daar zij
met diplo-streptococcen-extract remming der haemolyse vermogen
te veroorzaken.

De proef werd herhaald voor het paard N°. 806 dat aan normaal
verloopende borstziekte lijdende was. Het bloed was op den der-
den dag bij eene lichaamstemperatuur van 40.3C. genomen. Klinisch
kon met zekerheid geen aandoening der longen gediagnostiseerd
worden. Vooraf was bepaald, dat als complement-dosis 0.075 cc.
moest genomen worden.

Complement

Diplo-strep-
tococ.extract

Inactief se-
rum patiënt
N°.
806.

Steriele phys.
NaCl-solutie

5% gesensib.
schapen-
bloedlich.

Resultaat

i

0.075

0.1

0.1

aan-

I cmi.

remming

2

>>

0.1

0.05

vullen

11

11

3

»>

0.1

0.01

tot

11

11

4

))

0.05

O.I

gelijke

11

11

5

j j

0.05

0.05

volumi-

a

6

0.05

0.01

na

a

ged. „

7

)>

0.1

0.005

11

„ haemol

8

»

0.05

0.005

11

11

9

O.I

11

10

11

-

0.01

li

Met ovale bacillen extract viel de reactie negatief uit, zoodat het
bloed van den patiënt in dit geval geen complementbindende stof-
fen bevatte. Remming der haemolyse werd dus alleen met diplo-
streptococcen en niet met een ovale bacillen extract verkregen.

-ocr page 736-

Pfeiler & Hempel waren bij soortgelijke onderzoekingen tot de
volgende resultaten gekomen:

„Es ist nicht gelungen, mit Hilfe der Komplementbindings-
methode zu ermittelen, ob der SciiüTz\'sche Brustseuche-strepto-
coccus oder die Pasteurella equina (ovale bacillen) Beziehungen zur
Brustseuche der Pferde haben."

Ten opzichte van de ovale bacillen kwam het verkregen resultaat
met het onze overeen; niet echter met dat der diplo-streptococcen,
daar wij dienaangaande steeds positieve uitkomsten bij onze on-
derzoekingen verkregen.

2. Agglutinatie-onderzoekingen.

Deze onderzoekingen werden ingesteld om de betrekking na te
gaan van de pneumonie (diplo) streptococcen en van de ovale
bacillen, tot de borstziekte.

Ten opzichte van deze bacteriën werd het agglutine gehalte
bepaald van serum.

a. afkomstig van borstzieke paarden, op verschillende dagen na
het optreden der ziekte;

b. afkomstig van paarden, die gedurende hun verblijf in het
remontedepöt voor de borstziekte onvatbaarheid getoond had-
den;

c. afkomstig van oude treinpaarden ( ^ 15 j.) en

d. afkomstig van een veulen, waarvan met zekerheid bekend
was, dat het steeds gezond was geweest.

De agglutinatie is het eerst door Gruber-Durham e.a. be-
schreven. Zij merkten op, dat het serum van menschen, die aan
Cholera of Typhus leden of wel in het reconvalescentstadium ver-
keerden, in staat was, cholera-resp. thyphusbacteriën, welke eerst
homogeen in de cultuur verdeeld en beweeglijk waren tot vlokken
te doen samenballen. Microscopisch zag men, dat de beweeglijk-
heid verloren was, de bacteriën lagen op hoopjes. Het scheen als-
of de bacteriën aan elkaar kleefden, vandaar den naam agglutinatie.
Daar ook normaal serum deze eigenschap bezit moet men eene grens
trekken; men houdt de reactie voor positief indien in sterke ver-
dunning van serum met de cultuur de agglutinatie nog plaats vindt.
Normaal serum geeft vaak nog agglutinatie bij 1:50 terwijl het
serum van typhuslijders in veel sterkere verdunning soms zelfs
1:5000, nog een fraaie agglutinatie geeft. De bacteriën worden hier-
bij niet gedood, ze kunnen zich nog vermenigvuldigen en zijn ook
nog virulent.

Bij de beschreven bacteriologische onderzoekingen en bij de

-ocr page 737-

bereiding van sera tegen de pneumonie-streptococcen had ik
geconstateerd, dat deze pneumonie-streptococcen in verband met
hun groei in bouillon in twee groepen kunnen verdeeld worden. Tot
de eene groep behooren zij, die in bouillon kleinere of grootere
vlokken vormen, die op den bodem bezinken of die gesuspen-
deerd blijven; tot de andere, de kleinste groep behooren de diffuus
groeiende pneumonie-streptoccocen.

Het waren de culturen der streptococcen dezer laatste groep,
18 a 24 uur bij 370 C. gecultiveerd, welke zich uitsluitend voor
het onderzoek der verschillende bloedsera leenden.

Ten einde miswijzingen met homogene pneumonie-streptococ-
cen-bouillonculturen te voorkomen, werden eveneens controle-
proeven ingesteld, die als volgt plaats vinden:

Van eene 24 uur oude pneumonie-streptococcen-serumbouillon
cultuur werd de serumbouillon na centrifugeeren door steriele
physiologische keukenzoutsolutie vervangen. Laatstgenoemd werd
weder door afhevelen en door filtreerpapier van het bezinksel
verwijderd.

Aan den vloeistofrand van elk reageerbuisje gevuld met het te
onderzoeken serum in verschillende verdunningen werd nu eene
2 m.gr. öse pneumonie-streptococcen-bezinksel zorgvuldig af-
gestreken. Deze reageerbuisjes werden van een wattenprop voor-
zien en minstens zes uur in een broedstoof geplaatst.

Het resultaat dezer onderzoekingen was:

ie. De minste verdunning van het serum, waarbij agglutinatie
alsnog optrad was 1:10000. Dit gold o.a. voor sera afkomstig
van borstzieke patiënten op den 3den en 4den dag na de infectie.

2. De verkregen agglutinatie-waarden bij paarden, die ge-
durende hun verblijf in het remontedepöt niet aan de borstziekte
geleden hadden, ging het getal 2000 niet te boven.

3e. Met het serum van oude treinpaarden kon bij eene verdun-
ning van 1:500 en zelfs van 1:1000 positief resultaat verkregen
worden.

-ocr page 738-

5- Voor ovale bacillen vielen de agglutinatie-onderzoekingen
negatief uit; met uitzondering van het serum van paard N°. 874

Hiermede kon bij eene verdunning van 1:500 positief resultaat
verkregen worden. (Het pleuritis exsudaat van dezen patiënt be-
vatte eveneens complementbindende stoffen ten opzichte van een
ovale bacillen extract).

VI. Klinische Waarnemingen.

Alvorens tot de vermelding van klinische waarneming en de be-
strijding der borstziekte enzoötiën van 1910—\'11 en 1911—\'12
over te gaan, lijkt het mij gewenscht het een en ander aangaande
onze remontepaarden te doen voorafgaan.

Regel is, dat alle paarden, welke ten behoeve van het leger
worden aangekocht, eerst in het remontedepöt komen.

Verreweg het grootste contingent leveren de jaarlijks in Ierland
aangekochte jonge paarden.

In 1910 bedroeg dit aantal 447; in 1911:403. De aankoop heeft
om bepaalde redenen steeds plaats einde April of begin Mei.

Alvorens de voor de commissie geschikt lijkende paarden uit
alle deelen van Ierland, afkomstig uit stallen van fokkers, van
particulieren, gekocht op markten, onbeslagen heen en weer ge-
zonden en vervoerd per spoorwagen en per boot, op stal van den
handelaar zijn gekomen, hebben deze dieren reeds heel wat achter
den rug, en mocht dit nog niet het geval zijn, dan draagt het
hernieuwde contact met paarden uit andere streken op den voor-
loopigen eindstal, stellig het zijne bij, dat weder een deel der paar-
den aan verschillende min of meer ernstige aandoeningen van den
luchtweg gaan lijden. Met eenige zekerheid kan gezegd worden, dat
verschillende dezer jonge paarden op het oogenblik, dat zij als
remontepaard aangekocht worden, zich bevinden in het incubatie
stadium van ziekten speciaal van die der ademhalingswegen. Als
men nu denkt, dat „het leed" na aankoop geleden is, dan heeft men
het mis. Alvorens deze dieren in onze weiden aankomen, valt er
nog zeer veel voor, hetgeen uit het volgende blijkt:

Bekend is het, dat verschillende dezer jonge paarden tijdens
het transport naar Nederland noch drinken noch eten willen.
Het vijf malen in en uitladen zoowel van spoor als schip, alvorens
in de weide te zijn aangekomen; de langdurige reis na voorafgaande
vermoeienissen; de overgang van het meer gelijkmatige klimaat
van Ierland naar ons klimaat met de in de maand Mei dikwijls
groote temperatuursverschillen; de veeal vochtige ligplaats in de
weide; de verandering van water en voedsel van vaak niet vol-

-ocr page 739-

doende samenstelling; het niet voortdurend deskundig toezicht,
dat in verafgelegen weiden niet mogelijk kan zijn, ziedaar zoovele
oorzaken dat deze jonge paarden er spoedig slecht uitzien en ont-
zettend slap worden en dat zij minder weerstand kunnen bieden
aan de inwerking van bacteriën op de luchtwegen, waarvoor jonge
paarden in het algemeen eene praedispositie bezitten. Nadeelige
gevolgen blijven dan ook nimmer uit en jaarlijks worden verliezen
geleden, welke vooral het gevolg zijn van ernstige ontstekingen der
diepere luchtwegen. Het zenden van de Iersche remontepaarden
naar de weiden is noodzakelijk, aangezien in het remontedepöt
bij hun aankomst nog geen ruimte beschikbaar is. De hier aan
wezige paarden van den vorigen aankoop zijn dan nog niet naar de
corpsen vertrokken. De weiden bevinden zich in de nabijheid van
Leiden, Utrecht, Apeldoorn en Deventer, waar particulieren bij
contract de zorg voor het weiden op zich hebben genomen.

Met de behandeling van en het toezicht op de weidepaarden zijn
belast de militaire paardenartsen der nabijgelegen garnizoenen.
Waar paarden geweid worden is een militaire wachter, die onder
meer er op heeft te letten of een paard hoest, of het wel graast en
de overige paarden wel volgt. Hij moet een ziek paard kunnen be-
merken en zorgdragen, dat een dergelijk wellicht aan borstziekte
of goedaardigen droes lijdend paard wordt opgestald.

Dat dit toezicht als voldoende kan beschouwd worden, zoo-
dat een ziek, koortsig paard tijdig opgemerkt wordt en zoodoende
voorkomen wordt, dat het gedurende een kouden nacht of in aan-
houdende regen in de weide blijft, kan volgens mij niet beweerd
worden.

Meestal blijven deze paarden tot de eerste dagen van September
in de weide. Mijns inziens is dit veel te lang. Voedzaam gras is
de laatste maanden gewoonlijk niet aanwezig. Van de enorme
vliegenplaag in de maand Augustus hebben de dieren zeer veel te
lijden. Beschutting tegen de brandende zon (als boomen of een
open stal) is in de meeste weiden niet aanwezig. Is laatstgenoemde
er wèl, dan komen de dieren alleen bij avond en \'s nachts naar
buiten om te grazen. Vaak zijn de nachten reeds koud of valt er
aanhoudend regen en vinden de dieren geen droge ligplaats. Het
verblijf in de weide in het najaar is niet alleen oorzaak, dat zij
sterk in voedingstoestand teruggaan, maar zij komen dan tevens
in het slechtste jaargetijde in het remontedepöt. Zij zijn door
en door slap, terwijl dikwijls maanden verloopen voor zij een
weinig op kracht komen. Het sterk achteruitgaan in voedings-
toestand ophet einde van den weidegang moet eveneens op rekening

-ocr page 740-

gesteld worden van het gelijktijdig optreden van parasieten als:
strongylus, gastrophilus, pediculae en herpes, die het hunne
bijdragen tot vermindering van het weerstandsvermogen. Met het
achteruitgaan in voedingstoestand en het optreden dezer para-
sieten gaat dan als het ware gepaard het optreden van aandoeningen
van de voorste en diepere luchtwegen zooals neuskeelcatarrh en
bronchiaalcatarrh.

Hiermede staat het tijdstip van het optreden der borstziekte
in het remontedepöt in verband, hetgeen ten opzichte van de
aetiologie dezer ziekte mijns inziens van belang is.

In afl. 12 van het „Tijdschrift voor Veeartsenijkunde 1912
beschrijft
Van Zij verden de contagieuse pleuro-pneumonie onder
de remontepaarden.

Behalve eene beschrijving van de verschijnselen, waaronder
de ziekte optreedt en hoe deze moeten worden behandeld, worden
middelen aangegeven om de ziekte zooveel mogelijk te voorkomen
en om het verliescijfer er van zoo laag mogelijk te maken.

Van Zijverden zegt nu aangaande het tijdstip van optreden
der borstziekte in het remontedepöt:

„Het is de vraag of deze aandoeningen waarmede de jonge paar-
den uit de weide in het remontedepöt aankomen, de borstziekte
niet inleiden, in elk geval hebben ze een grooten invloed op het
verloop er van."

Behalve Iersche komen ook inlandsche paarden in het Remon-
tedepöt. In 1910 ten getale van 136, in 1911 ten getale van 120.
Deze worden bij gedeelten door de inlandsche remontecommissie,
gedurende het geheele jaar (met uitzondering van de maanden Mei
en Juni) meestal direct van de fokkers gekocht. Deze inlandsche
paarden zijn 3 tot 5 jaren oud en uitsluitend bestemd voor de
Veld-Artillerie. Zij komen rechtstreeks naar het remontedepöt.
Maar voor ze daar aankomen is er, hoewel in mindere mate dan
met de Iersche remontpaarden, heel wat mee gebeurd. Wanneer
eene infectie-ziekte onder de paarden van een fokker uitbreekt
kan meestal als aanleidende oorzaak opgespoord worden: „con-
tact met vreemde paarden." Meerendeels zijn deze inlandsche
paarden dan ook niet aan goedaardige droes en andere infecti-
euse aandoeningen der luchtwegen lijdende geweest, niettegen-
staande met eenige zekerheid gezegd kan worden, dat in het al-
gemeen wat inrichtingen der stallen en verpleging der paarden
betreft bij de fokkers, aan geringere hygienische eischen voldaan
wrordt, dan in het remontedepöt.

De reis; het herhaald in- en uitladen; de veranderde omstandig-

-ocr page 741-

heden, het voorafgaand veel van het dier vergend onderzoek op
cornage in een jaargetijde waarin ongunstige weersgesteldheid regel
is, zijn oorzaak, dat deze inlandsche remontepaarden ziek met neus-
catarrh, hoestende of met verhoogde temperatuur in het depot
aankomen. Weldra blijken zij ook aan goedaardigen droes te lijden.
Zij zijn nu eene nieuwe bron van infectie en maken dat op deze wijze
de goedaardige droes in het remontedpöt voortdurend in mindere
of meerdere mate blijft heerschen. Zij leveren niet alleen eene nieuwe
bron van infectie op voor de aanwezige paarden, maar zij zijn zelf
ook veel vatbaarder voor de in het remontedepöt jaarlijks op-
tredende borstziekte.

Vaak traden dan ook bij deze nieuwe aankomende paarden z.g.
menginfécties (Mischinfektionen) op, welke veel kwaadaardiger
zijn en ongunstiger verloopen dan dit anders het geval is.

Dank zij de preventieve aanwending van het droesserum trad
hierin, hetgeen nader blijken zal eene groote verandering ten goede op.

Bijzonderheden en waarnemingen betreffende de borstziekte vanaf
de oprichting van het remontedepöt.

Daar in 1908 de woning, het archief, door het afbranden van het
herstellingsoord is vernield, ben ik aan de mededeelingen van
Generaal
Knel oud-Directeur van het remonte-depot en aan die
van collega
Knipscheer veel verschuldigd, te meer, daar zij mij
verschillende gegevens verschaften, die ik vermeen als bewijzen te
kunnen te berde brengen tot het verklaren van het wezen der borst-
ziekte. Sedert de oprichting van het remontedepöt in October 1886 is
er bijna geen jaar voorbijgegaan of onder de aangekochte paarden
trad borstziekte op.

De wijze van optreden was volgens Knipscheer (Tijdschr. v.
Veeartsenijkunde 1908) meestal dezelfde. Slechts aangaande het
tijdstip van de optreding der eerste ziektegevallen, was verschil
waar te nemen. Zoo deden zich in het najaar van 1907 reeds bin-
nen één week na aankomst uit de weiden eenige gevallen voor, zoo-
als
Knipscheer zich uitdrukt: „met een volledig ziektebeeld, on-
der meer met uitgebreide pneumonie." Vaak verloopen weken, dat
geen enkel verdacht verschijnsel kan worden waargenomen, alle
paarden goed eten en niet hoesten. Meestal kort na elkander laten
dan in verschillende stallen plotseling enkele paarden hun haver
geheel of gedeeltelijk onaangeroerd, hoesten een weinig en hebben
verhoogde lichaamstemperatuur. Dikwijls heeft herstel in 24
uur plaats. Eenige dagen later laten weder enkele paarden hun
haver liggen. Dit herhaalt zich, in de eerst aangetaste stallen

-ocr page 742-

komen wederom gevallen voor, de symptomen vermeerderen zich en
worden ernstiger en duidelijke gevallen van aandoening der borst-
organen zijn dan waar te nemen."

Dit kan ik onderschrijven voor de enzoötiën 1910—\'11 en 191 r —
\'12; 4 weken na aankomst der weidepaarden in het depot werd
de borstziekte volgens de voorschriften als ,,heerschend" gemeld.

Ik deel Knipscheer\'s meening, dat de oogenschijnlijk gezonde
weidepaarden de smetstof medebrengen. Dat de bron van be-
smetting in het depót zelf zou gelegen zijn, wat buitenstaanders
wel eens beweren is ook daarom niet aannemelijk, omdat jaar-
lijks vóór de komst der nieuwe paarden alle stallen terdege wor-
den schoongemaakt en ontsmet.

Dit geschiedt aldus:

De bodem der stallen, welke uit vastgeloopen aarde en zand be-
staat, wordt afgegraven; de voerbakken worden buiten den stal
gebracht en gereinigd; zolders, ramen, deuren en muren afgestoft,
afgeschrobd en met behulp van een handbrandspuit met creoline-
oplossing bespoten; de muren worden gewit en de bodem met
nieuwe aarde aangevuld. Persoonlijk heb ik kunnen waarnemen,
dat eene dergelijke reiniging voldoende is,

In Februari en Maart bezorgde ik kunstmatig, door subcutane
inspuiting van enkele c.M3. virulent bloed, aan ruim 600 jonge
remontepaarden de ,,Pferdestaupe,"

Uit mijn studie over deze ziekte, aan welker besmettelijkheid
niet te twijfelen valt, is gebleken, dat na de genoemde reiniging der
stallen bij geen enkel der in September nieuw aangekomen paar-
den deze ziekte optrad.

Ik vermeen aan de volgende waarnemingen eene bijzondere
beteekenis te moeten toekennen.

ie. In de naaste omgeving van het remontedepöt kwamen
nimmer gevallen van borstziekte heerschend voor;

2e. Het roggestroo (1200.000 K.G. per jaar) wordt geregeld ge-
durende het voorkomen der borstziekte door 250 boeren ge-
leverd en per wagen bespannen met één of twee paarden aange-
voerd, zelfs van plaatsen 25 K.M. van het remontedepöt verwijderd.

3e. De mest der paarden van het remontedepöt wordt per
spoor naar tal van ver afgelegen plaatsen vervoerd, zelfs naar
het buitenland. Nimmer heeft dit tot het heerschend optreden van
de borstziekte aanleiding gegeven.

-ocr page 743-

4e. Meer dan eens is door paardenartsen ernstig getracht door
onmiddellijke verwijdering en afzondering reeds bij het allereerste
verdachte ziektegeval en van de daarna komende zieken de uit-
breiding tegen te gaan, doch steeds zonder resultaat.

Als bewijs hiervoor haalt Knipscheer aan: Bij de enzoötie van
1905—\'06 waren de paarden uit de weiden te Beekbergen, waar
borstziekte tot kort voor hun vertrek naar het remontedepöt
was voorgekomen, opgestald in de verwijderd liggende zoogenaam-
de quarantaine stallen N°. 28 en 29 (± 10 minuten gaans van de
groote groep van stallen gelegen).

Doch onder deze paarden trad de ziekte vooreerst niet meer
op. Dit geschiedde eerst geruimen tijd later, nadat de borst-
ziekte reeds langen tijd had geheerscht in de groote groep van stal-
len waar paarden gestald waren uit weiden, gelegen in geheel andere
streken.

5e. Het is voorgekomen, dat de borstziekte niet binnendrong
in twee stallen, ofschoon ze tusschen de andere lagen, waarin de
ziekte gedurende lange maanden uitgebreid heerschte. Zelfs
opzettelijk ingebrachte zieken (waarvan er één ter plaatse stierf)
vermochten geen besmetting te brengen. En hoogst merkwaardig
juist op den dag, voor het vertrek dezer schijnbaar onvatbare
paarden en toen in het depot geen enkel geval meer voorkwam,
trad onder hen het eerste geval van borstziekte op. Daarna hebben
zich onder deze paarden nog 25 gevallen voorgedaan, waarvan
twee met doodelijken afloop.

6e. De andere -J- 40 oudere werkpaarden, z.g. treinpaarden,
worden niet door de borstziekte aangetast, ofschoon hun stal
waarin zij zijn ondergebracht (No. 6) te midden der andere ligt.
Het is maar eenmaal voorgekomen en wel gedurende de enzoötie
1905—1906 toen 2 dezer paarden en een officierspaard duidelijk
aan borstziekte leden met lichte pneumonie, doch zonder pleu-
ritis.

Deze 40 paarden zijn in 15 jaren ongeveer 4 maal verwisseld,
zoodat zij als ± I5° paarden mogen worden aangemerkt.

7e. Meestal blijven 100 a 200 van de op 3-jarige leeftijd aan-
gekochte remontepaarden gewoonlijk nog in het tweede jaar in
het depot. Hebben deze het jaar te voren eene borstziekte-enzoötie
medegemaakt, dan is het eene groote zeldzaamheid als 1 of 2 van
dit aantal het volgend jaar opnieuw wordt geïnfecteerd, meestal

-ocr page 744-

geen. Tijdens de enzoötie van 1910—\'11 constateerde ik een zeer
slepend verloop der ziekte in stal 25, met ieer onregelmatige
tusschentijden. Er verliepen zelfs 3 maanden alvorens zich weder
een nieuw geval voordeed.

Op deze wijze werden 2 paarden ziek, die reeds langer dan een
jaar in dezen zelfden stal waren.

8e. Stal No. 26 ligt tusschen No. 25 en 27 en was van 1907—
1908 bezet met 5-jarige paarden; de drie stallen behooren tot een-
zelfde blok en hebben dus hetzelfde personeel. In September brak
de borstziekte uit, weldra in 25 en later in 27, maar in Februari
was 26 nog de eenige der 30 stallen, waarin zich geen geval had
voorgedaan. Ten slotte trad ook in dezen stal de borstziekte op,
zeer slepend en het aantal patiënten was gering.

9e. De verspreiding der ziekte in eenzelfdsn stal is vaak zeer
merkwaardig.

De eerste patiënt wordt meestal vlug door meerdere gevolgd;
na één of twee weken wordt het melden van zieken minder, na
maanden sporadisch.

ioe. Gedurende de verschillende enzoötiën evenals voor die van
19x0—\'11 en 1911— \'12 is in het remontedepöt geconstateerd, dat
meestal een der hoekpaarden van den stal het eerst aan borstziekte
leed.

11e. In die stallen, welke het laatst gebouwd zijn en die wat in-
richting, ruimte en luchtverversching betreft aan billijke hygiensche
eischen voldoen, is het verloop der borstziekte langzamer en blijft
deze ziekte maanden lang heerschen.

12e. In eenzelfde enzoötie gebeurt het enkele malen, dat een
paard, nadat het geheel hersteld was, voor de tweede maal aan de
ziekte ging lijden, na een min of meer groot tijdsverloop.

13e. Uit meteorologische gegevens valt moeilijk af te leiden hoe-
veel invloed de weersgesteldheid op het ontstaan der ziekte oefent.

De meeste ziektegevallen worden tegelijk gemeld bij vochtig-,
guur-, winderig- of mistig weer, in het bijzonder bij N.W. wind.
Helder, zonnig, droog weer zonder scherpen wind, heeft een merk-
baar gunstigen invloed op het verloop der ziekte. Hierbij dient
echter te worden opgemerkt, dat bij ongunstige weersgesteldheid

-ocr page 745-

de paarden meer in de stallen verblijven. Zij krijgen alsdan be-
weging in den stal. Door het losloopen, stoeien etc. wordt veel stof
veroorzaakt, zoodat de gelegenheid tot besmetting aldaar veel grooter
is dan in de loopplaatsen en in de weide, alwaar tevens de verschil-
lende lagere organismen, die met de geëxpectoreerde en andere
secreta uitgescheiden door de inwerking van de zon, het licht en
andere invloeden eerder vernietigd worden. Op zon- en feestdagen
blij ven de paarden binnen. Rioleering is in de stallen niet aanwezig-
urine en mest, hoewel deze laatste zooveel mogelijk verwijderd
wordt, verspreiden schadelijke gassen. De temperatuur en de at-
mospheer laten dan ook bij ongunstig weder of na en op zon- en
feestdagen te wenschen over. In direct verband staat hiermede het
aantal nieuwe borstziekte-gevallen. Hoe vaker en hoe langer te
stallen geventileerd en de paarden in de drijf- en loopplaatsen ge-
lucht kunnen worden, des te geringer is het aantal paarden, dat
voor borstziekte in behandeling komt.

(Wordt vervolgd).

Moeilijkheden bij het samenstellen van gemeentelijke
Keuringsverordeningen

DOOR

Dr. W. LUXWOLDA, Enschede.

Een van de eerste vereischten, waaraan een goede Gemeentelijke
Keuringsdienst moet voldoen, is het bezitten van een logisch ge-
dachte en uitgewerkte verordening. Zonder deze staat de geheele
dienst op losse schroeven en hangt zijn succes af van de meer of
mindere gevatheid van de personen, wier bedrijf door de verorde-
ning aan banden gelegd wordt. Het mag dus wel verwondering
baren, dat er zoovele verordeningen zijn, die in talrijke opzichten te
wenschen overlaten.

Een verklaring van dit verschijnsel is door ieder, die wel eens de
wordingsgeschiedenis van een vleeschkeurverordening heeft bij-
gewoond, gemakkelijk te geven.

Keuringsveeartsen zijn nu eenmaal geen juristen, zij bepalen
zich tot het aangeven van de regeling uit een technisch oogpunt, of
wat, jammer genoeg, nog vaker het geval is, zij maken een ontwerp
kant en klaar na meerdere bestaande verordeningen geraadpleegd te
hebben, door uit alle eenige bepalingen over te nemen. De jurist,

-ocr page 746-

die deze lappendeken ter beoordeeling krijgt, is in den regel niet
competent om een dergelijk technisch stuk in zijn volle draag-
wijdte te beoordeelen en bepaalt zich tot kleine redactie-wijzigingen
zonder de kern te durven aanraken. Zoo ontstaat door te goed ver-
trouwen van den een in den ander zeer dikwijls een mislukt pro-
dukt, dat in de praktijk al spoedig fiasco lijdt. Daarbij komt nog,
dat het genus slager en vleeschverkooper uit den aard der zaak over
een groote dosis behendigheid beschikt om door de mazen der
wet te kruipen, dikwijls op bewonderenswaardige wijze.

Zoo langzamerhand worden nu wel deze mazen gestopt en wordt
het den overtreders al moeilijker en moeilijker gemaakt, doch nog
tal van verordeningen vertoonen bedenkelijke leemten en gapingen.
Een leidraad, evenals eenige jaren geleden voor melkkeuring is ge-
publiceerd, zou daarin goede veranderingen kunnen teweeg-
brengen.

Want vrijspraken op grond van slechte redactie en deze komen
meer voor dan men oppervlakkig denkt, kunnen niet anders dan het
prestige der keuringsdiensten verlagen.

Enkele gevallen van zoodanige vrijspraken en leemten wil ik
hier in \'t kort memoreeren:

Tal ven verordeningen in gemeenten met slachthuis bevatten
de volgende bepaling: „het is verboden versch vleesch hetwelk
„niet op het openbaar Slachthuis is gekeurd en
ten blijke daarvan
„overeenkomstig de voorschriften enz. is gemerkt, teverkoopenenz.

De N. R. Ct. van onlangs (Februari of Maart) bevatte een
voorstel van B. en W. van Rotterdam tot wijziging van dit artikel.
De reden zal wel zijn, dat ieder vrijgesproken
moet worden, die
„ongestempeld" vleesch verkoopt enz. Immers het artikel stelt uit-
drukkelijk alleen en uitsluitend strafbaar het vcrkoopen van vleesch
dat aan twee eischen niet voldoet, t.w.

i°. niet op het Openbaar slachthuis gekeurd is doch tevens
2°. ten bewijze, dat het daar
niet gekeurd is, gestempeld is.
Van ongestempeld vleesch blijkt dus niet door een stempeling
dat het niet aan het openb. slachthuis gekeurd is en de verkoop
hiervan kan derhalve straffeloos plaats hebben.

*) De heer van Oven Haarlem schreef mij naar aanleiding hiervan, dat de
Veterinair-hygiënische Vereeniging een dergelijke leidraad gepubliceerd had. Door
informatie bij den secretaris, den heer
van Harreveld, is mij gebleken, dat
deze leidraad nog omgewerkt moest worden, alvorens gepubliceerd te kunnen
worden. Het exemplaar, dat ik door de welwillendheid van den heer
van Oyen
ter inzage heb ontvangen, bleek mij een nagenoeg getrouwe copie te zijn van
een verordening (of omgekeerd) waarmede ik thans moet werken en die in
velerlei opzichten in de praktijk te kort is geschoten. Den heer
van Oyen betuig
ik hier voor zijn voorlichting mijn hartelijken dank.

-ocr page 747-

Andere verordeningen stellen wel den vorm en het aantal der
goedkeuringsmerken vast, doch bepalen niet de plaatsen, waar
deze merken gezet moeten worden.

\\\\ ordt nu iemand in zoo\'n gemeente bekeurd wegens het ver-
koopen van vleesch b.v. een vierendeel van een dier zonder goed-
keuringsmerken, dan verdedigt hij zich door te zeggen, dat nergens
in de verordening verplichtend is gesteld, dat op dat vierendeel
de goedkeuringsstempels moeten worden aangebracht, en dat de
mogelijkheid niet buitengesloten is, dat de stempels op de andere
drie vierendeelen hebben gestaan.

Met het z.g. „losse vet" is het nog erger gesteld, ja ik meen te
kunnen zeggen, dat een handige vethandelaar nooit bekeurd zal
kunnen worden wegens het voorhanden hebben van ongestempeld1)
vet. Als hij zorgt, dat van ieder heel nierbed, krans of net een stuk
afgesneden wordt, dan kan hij volstaan met te beweren, dat op dat
afgesneden stuk, dat hij toevallig juist verkocht heeft, het stempel
gestaan kan hebben.

Zoo is ook niet de invoer van hersenen en zwezerikken uit
andere gemeenten waar geen keuring bestaat tegen te gaan, zoolang
men in de gemeente zelf deze organen van in de gemeente ge-
slachte dieren niet Van een bepaald goedkeuringsmerk voorziet.

Ook is het bekend, dat van sommige organen de merken door het
vervoer of door herhaald overpakken kunnen verdwijnen ten-
minste wanneer zij, zooals gebruikelijk is, bestaan uit alcohol,
glycerine en een kleurstof. Vooral voor levers, speciaal runder-
levers geldt dit. Uit proeven, die ik hieromtrent heb genomen,
bleek mij, dat op goed afgedroogde runderlevers, die na het stempelen
en nadat de stempelinkt opgedroogd was, in een emmer leiding-
water werden gelegd, dikwijls na twaalf uren geen spoor van een
stempel, zelfs geen blauwkleuring van de gestempelde plaats meer
zichtbaar was. Varkenslevers vertoonden zelfs na een dag nog het
stempel en longen en vleesch waren op deze wijze niet van het
stempel te ontdoen. Men zal er dus toe moeten overgaan om
runderlevers op een andere wijze te merken b.v. door ze een brand-
merk te geven 2). Zooals bekend is, worden dikwijls levers geruimen
tijd in water gelegd, voordat zij tot worst verwerkt worden en deze
handeling, die de verdwijning van het stempel tengevolge kan heb-
ben, is moeilijk te verbieden,

\') Ik heb hier alleen het oog op het voorhanden hebben, niet op het invoeren.
W:aar ik hier spreek van ongestempeld, bedoel ik natuurlijk: niet van gemeente-
wege van goedkeuringsstempels voorzien.

) Als ik mij niet vergis geschiedt dit o.a. reeds te Amsterdam.
XLI

-ocr page 748-

Voorts zijn er verordeningen, die verbieden den verkoop van
ongekeurd vleesch. Nu rijzen de vragen: in welke gemeente ge-
keurd, door een gemeente-ambtenaar of door den slager gekeurd,
het mag dus ook afgekeurd zijn, als het maar gekeurd is.

Andere verordeningen weer bepalen, dat van de voorgenomen
slachting „kennis moet worden gegeven" ten bureele van den
Keuringsdienst. Iemand die slacht zonder aan te geven wordt
vrijgesproken omdat de verordening niet imperatief voorschrijft,
dat hij zelf de aangifte moet doen, doch de mogelijkheid open laat,
dat een ander het voor hem doet.

Vele verordeningen schrijven voor, dat de lymphklieren niet
aangesneden en de baarmoeder
onopengesneden moeten zijn. Ver-
wijdering van lymphklieren en opentrekken van den baarmoeder
met een haak mag dus wel geschieden.

Ik wil hiermede het als inleiding bedoelde aangeven van spits-
vondigheden en technische onvolmaaktheden sluiten en een andere
belangrijker kwestie behandelen n.1. deze:

Hoe moet gehandeld worden met vleesch, waarmede een over-
treding gepleegd is.?

Ik stel mij hier op het, in alle keuringsverordeningen aange-
nomen standpunt, dat de uitspraak omtrent het al of niet deugde-
lijk zijn van het vleesch in de allervoornaamste plaats afhangt van
den toestand der organen en dat een bakteriologisch vleeschonder-
zoek wel meerdere zekerheid kan geven, doch niet in de plaats
mag treden voor het totnutoe gevolgde systeem van vleesch-
keuring.

Ik heb hier dus het oog op vleesch, dat:
of
ingevoerd wordt, hetzij frauduleus, hetzij volkomen overeenkom-
stig de bepalingen, doch waaraan een of meer organen ontbreken,
of ongestempeld wordt aangetroffen bij vleeschverkoopers in de ge
meente of in de gemeente vervoerd wordt.

of fraudideus wordt ingevoerd, resp. aanwezig is, terwijl de organen,
die voor de keuring noodzakelijk zijn er aan bevestigd zijn.

Toen ik voor de taak gezet werd, deze kwestie te regelen, deed
ik, wat te doen gebruikelijk is, ik raadpleegde verschillende be-
staande keuringsverordeningen. En daarbij kwam ik tot het
verrassende resultaat, dat er verordeningen zijn, die deze kwestie
in \'t geheel niet regelen, zelfs er met geen woord van reppen,
terwijl andere dit slechts ten halve doen. Beide manieren zijn na-
tuurlijk even ongewenscht.

De verordeningen verbieden den invoer van versch vleesch in
kleinere stukken dan heele of halve dieren en bepalen dat aan een

J

-ocr page 749-

•der helften de organen met de natuurlijke verbindingsmiddelen
bevestigd moeten zijn. Wordt vleesch in afwijking van deze be-
paling ingevoerd, dan is er derhalve een overtreding gepleegd.

Voorwerpen, waarmede een overtreding gepleegd is, kunnen of
moeten worden in beslag genomen, niet alleen om als stuk van over-
tuiging te kunnen dienen, maar ook dikwijls om bij rechterlijk
vonnis verbeurd verklaard te kunnen worden, om dus de straf-
maat te kunnen verhoogen. Ten opzichte van enkele voorwerpen,
namelijk de levende voorwerpen en aan bederf onderhevige
waren, waaronder dus versch vleesch behoort, brengt deze inbe-
slagname eigenaardige moeilijkheden met zich mee. Immers tot het
moment dat het vonnis onherroepelijk is geworden, moet het
in beslag genomen voorwerp,
dat ter griffie gedeponeerd moet
worden,
bewaard blijven. Wordt de verdachte vrijgesproken, dan
moet hem het vleesch in denzelfden staat, waarin het op het
oogenblik van de aanhouding verkeerde, worden teruggegeven.
Men mag derhalve het vleesch of het vet niet op een of andere
wijze conserveeren door zouten, rooken of smelten, omdat het
.daardoor in waarde vermindert.

Voor levende voorwerpen is deze kwestie hier en daar geregeld.
Gevangen vogels, die in beslag genomen zijn, mogen of moeten
dadelijk worden losgelaten, ondermaatsche gevangen visch wordt
dadelijk in het water geworpen. Ook de Jachtwet geeft een op-
lossing aan en wel in dier voege, dat gestroopt wild, dat in be-
slag genomen is, aan den meestbiedende verkocht wordt waarna
de opbrengst ter griffie gedeponeerd wordt.

Doch in de praktijk der vleeschkeuring is de zaak ingewikkel-
der geworden door de omstandigheid, dat dergelijk vleesch niet
gekeurd kan worden, dat de deskundige zich onthouden moet van
het uitspreken van een oordeel en dat het vleesch niet in con-
sumptie gebracht mag worden alvorens te zijn goedgekeurd.

Wettelijk zou het geheel juist zijn, dergelijk vleesch in beslag
te nemen en ter griffie te deponeeren en het verder aan den
griffier over te laten, wat hij met het vleesch wil doen, doch
praktisch komt dit natuurlijk neer op een vernietiging van het
vleesch en dit is niet altijd gewenscht. Ik stel bijvoorbeeld de
mogelijkheid, dat iemand geheel te goeder trouw een geslacht
dier invoert, doch bij het vervoer raken een of meer organen los,
of hij heeft een of ander orgaan bij de slachting los gesneden.
Is zulk vleesch niet bedorven of ondeugdelijk, mag men dan zoo
ver gaan den eigenaar alles af te nemen en het vleesch door het te
deponeeren aan de vernietiging prijs te geven? Men kan natuur-

-ocr page 750-

lijk deze vraag bevestigend beantwoorden door te zeggen, dat de
menschen dan maar beter moeten oppassen en dat de goeden het
met de kwaden moeten ontgelden, doch blijkens de meeste keurings-
verordeningen blijken talrijke mijner collega\'s de meening toege-
daan te zijn, dat deze maatregel ook hen te kras is, althans nage-
noeg overal wordt een andere weg ingeslagen om tot een oplos-
sing te komen en wel door den invoerder in de gelegenheid te stel-
len, het vleesch onder zekere voorzorgen uit de gemeente te ver-
wijderen.

En voor deze maatregel valt veel te zeggen. Den ambtenaar
moet natuurlijk in dezen eenig vertrouwen worden gegeven in
zijn beleid. Hij moet kunnen beoordeelen of de overtreding ge-
heel te goeder trouw en onbewust heeft plaats gehad, dan wel
of er van opzet sprake is. Ook moet hij weten, dat er geen kans
bestaat, dat het onder toezicht uitgevoerde vleesch wederom de
gemeente binnen gesmokkeld kan worden. Het is toch herhaalde
malen voorgekomen, dat de overtreder die onder politietoezicht
met zijn vleesch over de grens werd gezet, even over de grens een
café binnen ging en de politie uren achtereen liet schilderen,
totdat het hem behaagde verder te trekken. Ook is het gebeurd,
dat dergelijk vleesch onder toezicht naar het station werd gebracht
en daar werd bevracht, doch door den eigenaar even later werd
opgehaald en in veiligheid gebracht buiten het bereik van de
ambtenaren. Met al deze zaken moet men rekening houden als
men dergelijk vleesch uit de gemeente wil voeren. Men moet de
waarborgen kunnen vinden en eischen, dat de uitvoer werkelijk
plaats heeft op zoodanige wijze, dat het niet gemakkelijk weer
ingevoerd kan worden. Is dit mogelijk, dan is het principe van
onthouding van keuring, tenzij het ondeugdelijk blijkt te zijn,
(als het bedorven is, of hydropisch of i.d.) mijns inziens wel aan-
bevelenswaardig, al moge de toepassing van het bekende gezegde:
ben ik mijns broeders hoeder, uit een moreel oogpunt tot be-
denkingen kunnen leiden. Waar het hier echter betreft een keuze
te doen uit meerdere halve oplossingen, zal allicht die, welke
voor de betrokken gemeente het gemakkelijkst is, worden gekozen.

Het vleesch afkeuren omdat het schadelijk kan zijn, komt neer
op vernietiging van maatschappelijk kapitaal, waar zulks mis-
schien niet noodig is. Door het ontbreken der organen kan men
het niet goedkeuren, het ter griffie deponeeren komt eveneens
neer op vernietiging. W eliswaar stelt men door het terugzenden
andere gemeenten bloot aan het gevaar, dat in het nuttigen van
ongekeurd vleesch gelegen is, maar men dient hierbij wel in het

-ocr page 751-

oog te houden, dat de gemeente, waarheen het vleesch gezonden
wordt, in den regel de gemeente van hérkomst is en reeds uit de
verzending uit die gemeente blijkt, dat daar geen goed geor-
ganiseerde keuringsdienst bestaat, zoodat deze gemeente, ook
buiten dit spreciale geval om, haar inwoners ten allen tijde onge-
keurd vleesch laat nuttigen. En verder kan men nog tegenover het
nobele motief der tegenstanders van de verwijdering de even
menschlievende meening stellen, dat bij afkeuring van dergelijk
vleesch ook de invoerder te goeder trouw geheel noodeloos ge-
troffen kan worden.

Iets anders wordt de zaak, wanneer vleesch frauduleus wordt
ingevoerd of in de gemeente wordt aangetroffen, wanneer daarvan
de voor de keuring noodige organen bevestigd zijn. Hier bestaat
dus de mogelijkheid om een uitspraak over de al of niet deugde-
lijkheid te doen.

Er zijn verordeningen, die bepalen, dat ook dit vleesch niet
gekeurd mag worden, doch voorzoover het niet ondeugdelijk
blijkt te zijn, met toestemming van den Directeur buiten de ge-
meente mag worden gebracht. Zoo bevat de Amsterdamsche
keuringsverordening de navolgende bepaling: „Vleesch dat niet
overeenkomstig de bepalingen ter keuring wordt aangeboden of
dat wegens overtreding der Algemeene Politie-Verordening naar
het abattoir is gebracht, wordt niet van de goedkeuringsmerken
voorzien. Het kan indien het niet ondeugdelijk blijkt te zijn,
met toestemming van den Directeur hetzij door de eigenaar buiten
de gemeente worden vervoerd of op het abattoir worden be-
handeld als vleesch, bedoeld in art. 16 (vleesch dat gesteriliseerd
of gezouten kan worden).

Hierbij rijst de bedenking of de redactie: niet overeenkom-
stig de bepalingen enz. ter keuring wordt aangeboden of dat
wegens overtreding der Alg. Pol. verordening naar het abattoir
is gebracht, wel goed gekozen is. De beslissing of werkelijk niet
overeenkomstig de bepalingen der verordeningen is gehandeld
en of er een overtreding heeft plaats gehad, berust niet bij den
bekeurenden ambtenaar, noch bij den directeur, deze mogen
slechts vermoeden, de rechter alleen beslist of werkelijk een over-
treding is gepleegd. En volgens dit artikel zou met het uitvoeren
uit de gemeente of het steriliseeren dus gewacht moeten worden
tot de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Men zal dus moeten spreken, wanneer men tenminste de op-
lossing op deze wijze wenscht aan te geven, van vleesch, waarvan
door den directeur vermoed wordt, dat het niet overeenkomstig

-ocr page 752-

de bepalingen is ingevoerd enz., hoewel men hierbij een bepaling
maakt van een nagenoeg onbegrensde draagwijdte, terwijl den
directeur een uitvoerende macht wordt gegeven van zoo grooten
omvang, dat zij waarschijnlijk gequalificeerd zal worden als
machtsoverschrijding.

Hetzelfde geldt natuurlijk in even sterke mate ten opzichte
van ingevoerd of in de gemeente aanwezig vleesch, dat wegens
het ontbreken der organen niet gekeurd kan worden, doch hierbij
is mijns inziens geen andere oplossing mogelijk, terwijl bovendien
de bepaling zoodanig kan geredigeerd, dat men spreekt van
vleesch, dat wegens het ontbreken der organen of anderszins niet
gekeurd kan worden. Dit kan natuurlijk de directeur beslissen en
hierbij blijft dus de ongeoorloofde machtsdelegatie uit.

Voor vleesch, dat wel gekeurd kan worden, is echter nog een andere
oplossing van de moeilijkheid mogelijk en wel deze: het aan een
onderzoek onderwerpen en het goed of afkeuren. Ingeval van
afkeuring wordt verder de gewone, in de verordering voorge-
schreven behandeling gevolgd, alleen wanneer het goedgekeurd
wordt, komen weer vragen, die tot oplossing gebracht moeten worden..

In de eerste plaats: moet het vleesch, na goedkeuring zonder
meer aan den overtreder teruggegeven worden? Maar werkt men
dan niet juist de fraude in de hand? Wordt de overtreder genoeg-
zaam afgeschrikt wanneer hij weet, dat hij, ingeval hij aange-
houden wordt, weliswaar een kleine geldboete krijgt, maar toch
nog de kans heeft, dat hij zijn vleesch terug krijgt, een kans die
er na de veelvuldige toepassing van het bakteriologisch vleesch-
onderzoek niet kleiner op is geworden? En zal daarenboven de
straf, die de rechter uitspreekt, niet in het voordeel van den be-
klaagde beïnvloed worden, als deze magistraat, die als leek op
het gebied der vleeschkeuring niet zoo\'n groote overtreding zal
zien in het frauduleus invoeren of vervoeren van vleesch, dat
blijkens het onderzoek „toch immers goed was," verneemt
dat het vleesch goedgekeurd is?

Ik vrees, dat door teruggave, van het vleesch na goedkeuring
het doel, wering van fraude, niet bereikt wordt, en daarom voel ik
er veel voor om de strafmaat, zij het dan ook indirect, te ver-
hoogen, door den overtreder in de gelegenheid te stellen, ook dit
vleesch onder toezicht uit de gemeente te verwijderen en het niet
van de goedkeuringsmerken te voorzien. Mocht de invoerder
dit niet wenschen of mochten zich andere bezwaren voordoen,
die het uitvoeren beletten, dan blijft slechts de wettelijke weg open
van de inbeslagname.

-ocr page 753-

Er is nog een andere oplossing mogelijk, doch deze druischt
lijnrecht tegen de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering
en de Gemeentewet in, dat is n.1. het vleesch na goedkeuring
taxeeren en het aan den belanghebbende terug geven nadat de
geschatte som ten kantore van den keuringsdienst gestort is.
In enkele gemeenten blijft het geld daar tot de uitspraak, in
andere wordt het naar de griffie van het kantongerecht overge-
bracht. Beide manieren zijn wettelijk niet juist.

Art. 161 der Gemeentewet bepaalt:

,,De Raad kan op overtreding zijner verordeningen, voor zoo-
veel daartegen niet bij eene Wet een algemeene Maatregel van in-
wendig Bestuur of eene provinciale Verordening is voorzien,
hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste
vijfentwintig gulden stellen, alsmede verbeurdverklaring van de
voorwerpen door middel van de overtreding verkregen, of waar-
mede de overtreding is gepleegd, voorzoover zij den veroordeelde
toebehooren."

Deponeeren van een geschat bedrag en verbeurdverklaring van
dat bedrag door den kantonrechter is dus onmogelijk, ook al geven
sommige keuringsverordeningen dat aan. Wil of moet men in
beslag nemen, dan moet het voorverp waarmede de overtreding
gepleegd is, in beslag genomen worden. Daarenboven mag dit
vleesch niet aan het keurlokaal blijven, doch het dient onmiddel-
lijk als stuk van overtuiging ter griffie te worden gedeponeerd.
Wat de griffier met dit vleesch wil doen kan ons vrijwel onverschil-
lig zijn, doch één handeling mag hij er beslist niet met doen; hij
mag het niet verkoopen en de opbrengst tot de uitspraak be-
waren.

En toch was deze oplossing voor inbeslaggenomen en goed-
gekeurd vleesch de eenige juiste en de eenige billijke oplossing.
In de Jachtwet, die ook verbeurdverklaring van inbeslaggenomen
voorwerpen voorschrijft, heeft men deze moeilijkheid, die zich ook
ten opzichte aan het inbeslaggenomen wild deed gelden, geregeld
op de door mij voor inbeslaggenomen goedgekeurd vleesch ge-
wenschte doch thans nog onuitvoerbare manier, n.1. door het te
verkoopen en de opbrengst ter griffie te bewaren, zoodat later
door den kantonrechter verbeurdverklaring van de opbrengst
uitgesproken kan worden of ingeval van vrijspraak of wanneer
blijkt, dat het inbeslaggenomen wild den veroordeelde niet toebe-
hoort, teruggave van het geld kan geschieden.

Artikel 161 van de Gemeentewet, waarschijnlijk gemaakt in een
tijd toen er van gemeentelijk toezicht op voedingsmiddelen, die

-ocr page 754-

aan bederf onderhevig waren, nog weinig of geen sprake was,
eischt mijns inziens in dezen geest dringend een aanvulling. De
Ambtenaar van het O.M. moet de bevoegdheid hebben om het
goedgekeurde in beslaggenomen vleesch te verkoopen en den kan-
tonrechter moet de bevoegdheid gegeven worden om tot ver-
beurdverklaring te kunnen overgaan van de inbeslaggenomen
voorwerpen of hun opbrengst in geld. Zoolang dit niet geschiedt,
blijft het sukkelen met elke inbeslagname van aan bederf onder-
hevige voorwerpen.

In gemeenten, waar men reeds nu het principe van waardeering
van inbeslaggenomen en goedgekeurd vleesch en het teruggeven
van dit vleesch na storting van het geschatte bedrag heeft aan-
vaard, kan zich nog de mogelijkheid voordoen, dat de overtreder
weigert dit bedrag te storten. Dit is o.a. in deze gemeente geschied
met vet, dat niet overeenkomstig de bepalingen was ingevoerd
en voordat het teruggegeven kon worden, eerst gesteriliseerd
moest worden. De invoerders weigerden het vet na de sterilisatie
tegen de getaxerde waarde terug te nemen. Nu wilde het noodlot,
dat, blijkbaar onopzettelijk, in de strafbepalingen, de verbeurd-
verklaring ontbrak, hoewel andere artikelen wel spraken van inbe-
slagname en verbeurdverklaring, terwijl tot overmaat van ramp
de overtreders nog op den koop toe werden vrijgesproken wegens
een andere onvolkomenheid in de verordening, waarin de vol-
gende bepaling voorkwam:

„Door den Raad kan onder nader vast te stellen voorwaarden aan
„bepaalde personen vergunning worden verleend tot het invoeren
van ingewanden enz.
van elders geslachte dieren."

De vrijspraak van den rechter grondde zich hierop, „dat het
„artikel de verplichting om bij invoer van deelen van dieren
„het ingevoerde voorzien te hebben van stempels en verklaringen
„van goedkeuring van den veearts-keurmeester in de plaatsen
„van herkomst, afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat die
„dieren
elders geslacht zijn!! Het wettelijke bewijs, dat dit vleesch
inderdaad niet van in de gemeente Enschede geslachtte dieren
afkomstig was, daarna uitgevoerd en daarna weer ingevoerd,
scheen niet geleverd te kunnen worden.

En zoo kreeg men niet alleen de vrijspraak maar daarenboven
nog adressen van de invoerders om schadevergoeding voor hun vet,
dat intusschen talk geworden was en hun vleesch, waarvan natuur-
lijk niets meer over was.

Omdat wij, niet-juristen zoo gemakkelijk verdwalen in het
doolhof van het strafrecht, ben ik persoonlijk, en zeker wel meer-

-ocr page 755-

dere collega\'s met mij, huiverig mij daarin te wagen en hoewel
■de ervaringen van de laatste jaren ons langzamerhand den weg
hebben geleerd, blijven er nog genoeg dwaalwegen bestaan. Alleen
de rechte weg, het deponeeren en verbeurdverklaren van geld
inplaats van vleesch, kan ons helpen, doch deze weg is tot nu toe
nog niet gebaand.

Mijns inziens had men de strijd om schadevergoeding kunnen
voorkomen door het goedgekeurde vet, na de weigering om het
tegen betaling terug te nemen, over te brengen ter griffie als inbe-
slaggenomen voorwerp en het aan den griffier of den Ambtenaar
van het O. M. over te laten, wat er verder mee moest gebeuren.
Of deze handelwijze billijk was, laat ik in \'t midden doch zij werd
gerechtvaardigd door de recalcitrante houding der belanghebbenden

Zoolang echter art. 161 der gemeentewet niet is gewijzigd,
zoolang zal men met aan bederf onderhevige inbeslaggenomen
voorwerpen niet anders kunnen handelen dan het ter griffie te
deponeeren en het daar te laten totdat het vonnis onherroepelijk
is geworden.

En zoolang deze aangegeven leemte blijft bestaan, voel ik er
billijkheidshalve veel meer voor om den eerst aangegeven weg
te bewandelen en het vleesch, waarmede een overtreding gepleegd
is, of waarvan vermoed wordt, dat er een overtreding mee ge-
pleegd is, voorzoover er geen termen bestaan om het af te keuren,
niet van de goedkeuringsmerken te voorzien en het onder geleide
uit de gemeente te doen brengen. Ik geloof dat men dan van
twee kwaden het minst erge gekozen heeft.

Men voorkomt hierdoor de zekerheid, dat het vleesch bederft,
men laat zich niet in met de vraag of het den veroordeelde toebe-
hoort en men \'verzwaart er in sommige gevallen de dikwijls te
kleine straf door en men voorkomt daarenboven de vraag of
het vleesch bij eventueele vrijspraak wel rechtmatig in beslag
genomen is.

Doch de nadeelen, die aan deze handelwijze verbonden zijn en
die de moreele plichten van de gemeenten ten opzichte van el-
kaar raken, moeten hierbij niet geheel weggecijferd worden, al
heeft de eene gemeente ook meer verantwoordelijkheidsgevoel
dan de ar.dere. En bovendien is en blijft dit uitvoeren toch een
oplossing, die voor de Ambtenaren gemakkelijk is, doch die tot
onbillijkheden kan leiden. Het is en blijft een halve oplossing,
omdat een geheele niet te vinden is.

Ligt het daarom niet op den weg van de belanghebbenden,
directeuren van slachthuizen en hoofden van keuringsdiensten

-ocr page 756-

om te trachten een aanvulling van artikel 161 der gemeentewet
te krijgen, waarbij in beslag genomen en goedgekeurde goederen
die aan bederf onderhevig zijn, getaxeerd of verkocht kunnen wor-
den terwijl de rechter de gestorte geschatte waarde of de opbrengst
van de verkoop kan verbeurd verklaren?

Enschede, April 1914.

Iets over boosaardige kopziekte bij het rund,

door

Br. BRUINS Pz.

Voor eenige jaren werd deze ziekte voor het eerst door mij waar-
genomen. Op een hoeve kreeg ik bericht, dat een der kalveren erg
ziek was, n.1. erge diarrhee. Den volgenden dag was het reeds dood.
Vervolgens nog een paar kalveren en hokkelingen. Ik dacht aan
een vergiftiging en stelde er den districtsveearts mede in kennis.
Aanvankelijk was geen zekere diagnose te maken. De patiënten
werden plotseling erg ziek, hadden heftige diarrhee en waren binnen
24 uren dood.

Bijna alle runderen op deze boerderij kregen tranende oogen
in verband met een weinig conjunctivitis. Ook oudere koeien werden
aangetast, het proces duurde langer, er ontwikkelde zich niet
alleen een conjuctivitis maar ook een keratitis. De cornea werd
wit, troebel, en bij sectic aan het abbatoir in Groningen kregen we
het volgende ongeveer te zien.

Toen het hoofd van de romp gescheiden werd, liep heel wat
vocht uit de hersenholte, en was een meningitis aanwezig. Verder
een croupeus diphterische ontsteking van de neus-slijmvliezen,
en conjunctivitis met keratitis, een croupeus-diphterische ontsteking
van de baarmoeder en een haemorrhagische ontsteking der darmen.

Bij slechts één rund, er stierven of werden afgemaakt zeven stuks,
zag ik hersenverschijnselen en was het dier erg opgewonden, liep
tegen den muur etc.

Eenige werden met ichthargan behandeld. Omtrent de resultaten
valt weinig te zeggen, in elk geval is behandeling hiermede niet
afdoende. Het was des zomers, de runderen liepen in de weide,
dus van donkere stallen, etc., wat gewoonlijk mede als oorzaak
wordt opgegeven, geen sprake.

-ocr page 757-

Sedert werd deze ziekte meermalen door mij waargenomen, zoo
ook den 15 Nov. 1.1.

Ik werd gehaald bij een rund, hetwelk verstopt heette. Daags
te voren thuis gehaald, had het nog niet gemest. Bij onderzoek
vond ik het volgende:

De oogen waren gezwollen, traanden, de conjunctivae waren
erg rood en gezwollen.

Ook de neus vloeide en het neusslijm vlies zag er rood uit, terwijl
eveneens het scheedeslijmvlies er rood uitzag en met slijmige etter
bedekt. De temperatuur was 4i-5°C., de hartstoonen volgden snel
op elkaar, doch de toonen waren goed te onderscheiden. Het dier
stond erg suf, had een moeilijke ademhaling, rilde voor en na, terwijl
de horens, vooral aan de basis heet aanvoelden. Mijn diagnose was
boosaardige kopziekte.

Therapie: ichthargan intraveneus, terwijl ik tevens een kleine
dosis sulfas natricus toediende.

Den volgenden dag was de temperatuur nauwelijks 40X., doch
de toestand slechter. Het dier stond nog suffer en lusteloozer,
het hart werkte veel slechter, snel en bonzend. Descheede was niet
meer zoo diffuus rood, doch meer pleksgewijs als kleinere en groo-
tere bloedingen in het slijmvlies.

Daar ik vreesde voor miltvuur, nam ik een weinig bloed uit
jugularis, maakte een paar uitstrijkpreparaatjes en kleurde met
1 % saffranineoplossing. Ik vond geen miltvuurbacillen maar kleine
ovale bacillen, waarvan soms de uiteinden iets donkerder gekleurd
waren dan de rest. (Het bloed was zoo aseptisch mogelijk opge-
vangen in een steriel flesc.hje waarin het vloeide door een gutta-
percha buisje, dat met de aderlaatnaald verbonden was).

Was eerst mijn plan het dier te laten afmaken bij negatief onder-
zoek, thans liet ik het leven, daar, waar hier zoo duidelijk het beeld
eener septichaemie aan \'t licht kwam, ik het dier na afmaking
toch niet goed kon keuren voor de consumptie.

Den hierop volgenden morgen was het dier dood en kon ik sectie
verrichten voorzooverre dit aan een boerderij mogelijk is.

Hierbij vond ik het neusslijm vlies en dat der boezems donker-
rood gekleurd. In de holten zat een vuile slijmerige etter.

Vooral de basis van de tong, de keel en het strottenhoofd waren
erg ontstoken, ook het slijmvlies van de trachea. De longen zelf
toonden weinig afwijkingen. Aan de oogen was weinig te zien
behalve conjunctivitis.

Maag en darmen waren bloederig ontstoken, de darminhoud
bloederig.

-ocr page 758-

Baarmoeder en blaas waren een weinig rooder als normaal.

De hersenvliezen waren duidelijk ontstoken. De milt was wel
gezwollen, maar stevig.

Het geheel toonde het beeld eener septichaemie. Met hoofd-
verschijnselen van neus, keel en mond.

Ik vond het laatste geval juist daarom zoo interessant, daar
hierbij in het bloed kleine ovale bacillen werden aangetroffen.

Als men de literatuur nagaat, zijn het vooral Nocard en
Leci.ainche geweest die op dit gebied onderzoekingen hebben
verricht.
Nocard vond n.1. op de pseudemembranen van de keel-
bacillen, welke veel overeenkomst hadden met die van de haemorrh.
sceptichaemi.

Volgens Leclainche zou de ziekte verwekt worden door een
virulente variëteit der coligroep. Deze bacil zou in cultuur een
zwaar vergift afscheiden, hetwelk in weinige minuten reeds zeer
ernstige vergiftigingsverschijnselen bij jonge runderen verwekt na
inspuiting.

Hij stelt zich voor, dat de bacil in groote hoeveelheid zich in de
darmen vermenigvuldigt, naar de darmschijlsklieren gaat en on-
dertusschen toxine produceert, welke toxine de verschillende af-
wijkingen verwekt. Tevens zegt hij echter, dat de bacil behalve
in het darmkanaal en bijbehoorende klieren ook in de hoornen
en sublinguale lymphklieren door hem gevonden werd. Mij dunkt,
dat deze verspreiding moeilijk anders, dan langs de bloedbanen
te verklaren is.

Verder wordt in \'t algemeen aangenomen, dat deze ziekte niet
besmettelijk is, sedert ik echter deze ziekte bij zoovele dieren tegelijk
waarnam, acht ik het toch steeds gewenscht de zieken van de
gezonden af te zonderen. Ook in de litteratuur worden heel wat
voorbeelden genoemd, waarbij meerdere dieren tegelijk aangetast
waren.

Tuberculose onder melkvee op Java,

door

J. A. LENSHOEK.

Op blz. 722 van deel 40 van dit Tijdschrift deelt Raabe twee
gevallen van tuberculose mee, welke hij geconstateerd heeft bij
runderen van melkerijen in zijn ressort. Uit deze gevallen put hij
het bewijs, dat ook in Indië tuberculose in hevige mate bij runderen
kan voorkomen, al is het dan ook bij de niet-inheemsche rassen.

-ocr page 759-

Blijkbaar was Raabe niet op de hoogte van de litteratuur over
tuberculose onder het rundvee in Indië, want reeds meermalen
is hierop gewezen.

Door \'t Hoen werden in 1901 te Pajacombo 52 inlandsche
runderen getuberculineerd, waarvan 2 dieren dubieus reageerden
en de voerige negatief (Veeartsenijkundige bladen in Nederlandsch
Indië 1902).

Penning schreef in de Veeartsenijkundige Bladen van 1905
en 1906 een uitvoerig artikel over zijn in 1904 verkregen resultaten
bij de tuberculinatie van het in de melkerijen ter hoofdplaats
Semarang aanwezige melkvee. Hij tuberculineerde 303 runderen.
Hiervan waren stuks geïmporteerde Australische runderen
en de overige 262 inheemsche, meest gecroiseerde runderen. Aan
tuberculose werden 3 dieren lijdende bevonden, n.1. één Australi-
sche geïmporteerde koe en twee gecroiseerde, hier geboren. Een der
twee laatste was door de eerste geïnfecteerd, terwijl van de tweede
de oorsprong der ziekte niet was na te gaan.

Op blz. 337 en volgende van deel 22 (1910) der Veeartsenijkundige
Bladen deelt
De Blieck een en ander mede over het resultaat
zijner proeven met tuberculine. In vereeniging met
Van Velzen
werden de runderen eener melkerij te Soerabaia getuberculineerd
en reageerden 5 der 32 dieren positief. Uit dit onderzoek, alsmede
in verband met de resultaten der tuberculinaties, door
\'t Hoen
en Penning verricht, komt De Blieck tot de volgende conclusies:

1. Tuberculose komt in Indië hoofdzakelijk bij melkrunderen
voor.

2. De ziekte is en wordt nog steeds voor het grootste gedeelte,
zoo niet geheel, geïmporteerd met Hollandsche en Australische
runderen, die uitsluitend voor de melkerijen bestemd zijn.

3. De subcutane tuberculinatie moet in Indië, wegens de in-
constante lichaamstemperatuur in het bijzonder bij pas geïmpor-
teerde runderen, alsmede door de klimaatinvloeden waarschijnlijk
anders beoordeeld worden dan in koelere streken; het is noodig
uitvoerige proeven hieromtrent te nemen.

4. De conjunctivale tuberculinatie geeft zeer goede resultaten
voor de onderkenning der tuberculose.

Hetzelfde is te verwachten van de andere locale tuberculinaties;
het is gewenscht ook dit met zekerheid vast te stellen.

5. De bestrijding der tuberculose moet zich uitstrekken:

a. tot het geregeld onderzoek der geïmporteerde buitenlandsclie
runderen, welk onderzoek bij voorkeur in de quarantainestallen
moet geschieden.

-ocr page 760-

b. tot het onderzoek van de runderen van alle in Ned. Indië
aanwezige melkerijen. Van Gemeentewege kan een tuberculose-
onderzoek van in haar ressort aanwezige melkrunderen geboden
worden; hiermede dient echter een onteigeningsmaatregel gepaard
te gaan.

c. tot de verplichte aangifte van clinisch-tuberculeuze dieren.

Het genoemde onder a. en b. dient te geschieden, omdat elke

import van runderen, afkomstig uit landen buiten Ned. Indië,
waar tuberculose voorkomt, aanleiding kan geven tot uitbreiding
der ziekte en omdat de melkerijen de brandpunten der ziekte zijn.
De verplichte aangifte is natuurlijk eveneens van belang en wel
om de tuberculeuse dieren buiten de melkerijen te bereiken; men
kan echter aannemen, dat dit getal gering zal zijn.

Op blz. 17 en volgende van deel 23 (1911) der Veeartsenij kundige
Bladen deelen
De Blieck en Smit de resultaten mee der verdere
onderzoekingen omtrent tuberculose en tuberculinatie in Ned.-Indië.

Op de methoden van tuberculinatie en de wettelijke voorschriften
daaromtrent acht ik niet noodig verder in te gaan, daar mijn doel
alleen is aan te toonen, dat reeds geruimen tijd het bestaan van
tuberculose onder rundvee in Indië bekend is.

Ten slotte nog een enkele opmerking. Raabe schrijft aan het
eind van zijn mededeeling: Het gevaar van besmetting der om-
geving blijkt evenwel minder groot te zijn dan in Holland (als
bewijs daarvan gelde, dat géén der overige runderen van den Heer
D. te M. reageerde op de tuberculinatie, terwijl bedoeld ziek dier
toch maandenlang tijd gehad heeft haar buren te infecteeren).
Zeer zeker is dat voor een groot deel te danken aan de ruime, luch-
tige en gewoonlijk zeer zindelijke stallen, welke wij hier op Java
bij door Europeanen gedreven melkerijen in den regel aantreffen.
Het spijt mij te moeten constateeren, dat ik het in dezen niet
met
Raabe eens kan zijn. Integendeel, niettegenstaande de
ruime, luchtige en zindelijke stallen is het gevaar voor besmetting
der omgeving absoluut niet te onderschatten, hetgeen kan blijken
uit de sedert 1 Januari 1911 in alle melkerijen in de gemeente
Soerabaia verrichte tuberculinaties. Niettegenstaande in 191 x en
1912 in alle melkerijen de positief op de tuberculinatie gereageerd
hebbende dieren onteigend en afgemaakt zijn, blijkt in dit jaar bij
scherper doorgevoerde controle in verschillende melkerijen nog vrij
veel tuberculose voor te komen, een gevolg van infectie door de
in de vorige twee jaren aangehouden dubieus gereageerd.hebbende
dieren.

In vereeniging met den Gouvernementsveearts De Does zijn

-ocr page 761-

door mij sinds i Januari van dit jaar tot op heden getuberculi-
neerd
1083 runderen, waarvan 52 positief reageerden en zijn afge-
maakt. Ik dien hierbij op te merken, dat het percentage meer dan
5 % is, daar van die 1083 runderen vele dieren twee en drie maal-
zijn onderzocht en dan telkens als nieuw dier zijn aangeteekend.

Over de resultaten door De Dof.s en mij verkregen zal eerst-
daags een mededeeling in de Veeartsenij kundige Bladen ver-
schijnen.

Soerabaia, 16 December 1913.

Boekaankondigingen.

Veeartsenijkundige dienst in Ned.-Indië over 1912.

Het jaarverslag van den Inspecteur Penning vermeldt, dat op i Jan. 1913 aan-
wezig waren 31 gouv. veeartsen, 10 inlandse veeartsen en 116 vee-mantri\'s. Aan de
formatie van 40, ontbraken dus nog 9 gouv.-veeartsen. Het voortdurend gebrek
aan veeartsen moet natuurlijk storend werken op den dienst. De ambitie van
hollandse veeartsen om naar Indie te gaan in gouvernements-dienst is in de laatste
jaren niet groot. Over de oorzaken is reeds herhaaldelijk geschreven en gesproken;
ze zijn: onvoldoende bezoldiging, waardoor de vooruitzichten in Nederland beter
zijn dan die in Indië, en ontevredenheid in het corps, waardoor jongeren niet worden
aangemoedigd maar afgeschrikt. De eerste oorzaak kan en moet door het gouver-
nement worden weggenomen, dat verplicht is aan zijn ambtenaren een menswaardig
bestaan te verschaffen en tot nu toe met tractementen en pensioenen lang niet
genoeg rekening heeft gehouden met de mindere waarde van het geld, bij vroeger
vergeleken. Het is noodig die traktementen te verbeteren. Het „lokaas" studie-
toelage kan dan vervallen, het heeft ook het groote nadeel, dat het van beide kanten-
iets , ,gedwongens" geeft; men is aan elkaar gebonden, ook bij later gebleken mindere
geschiktheid of lust.

Voor een geest van ontevredenheid in het corps zijn in zooverre de chefs aan-
sprakelijk te stellen, dat zij moeten trachten door humaan en tactvol optreden
het zoover te brengen, dat hunne ondergeschikten met liefde dienen. Minderwaardige
elementen dienen zoo mogelijk geweerd, en indien aanwezig, ontslagen te wprden.
daar ze in het onderhavige geval veel meer kwaad dan goed doen. De niet-minder-
waardigen hebben echter aanspraak op een zekere mate van zelfstandigheid in
hun ressort, waar ze al spoedig de eerste en beste deskundige zijn. Treedt een chef
betweterig, ontactvol en onwelwillend op, wil hij alles altijd alleen en beter weten,
duit hij geen zelfstandige meening, die niet met de zijne overeenkomt, blaamt hij
steeds zonder ooit te prijzen, dan kweekt hij ten laatste al naar den aard der be-
trokken personen, mismoedigheid, onverschilligheid of oogendienarij, en hij dient
de zaak slecht, daar hij toch onmogelijk ondanks ijver en groote werkkracht, alles
alleen kan doen en weten.

-ocr page 762-

Wanneer het gouvernement de grieven der gouv.-veeartsen wegneemt, zal het
zich niet te beklagen hebben over onvoldoende toevoer van hollandse veeartsen.
Maar eerder de ,,embarras du choix" hebben, want ontdaan van die grieven is de
betrekking voor wetenschappelijk aangelegde jongelui
zeer aantrekkelijk.

Ondanks het gebrek aan veeartsen was het jaar 1912 voor de Indiese veestapet
niet ongunstig.

Runderpest kwam niet voor.

Miltvuur werd waargenomen op Java (Batavia, Cheribon), Madoera en Sumatra
(Palembang en Padang Sidempoeam) in \'t geheel 144 gevallen.

Septichaemia epizoötica kwam vrij veel voor onder buffels op Java en Madoera;
752 zieken, waarvan maar 4 herstelden. 438 werden geslacht en 310 stierven.
Bij deze ziekte worden alle karbouwen in de besmette kampongs zoo spoedig
mogelijk op stal gezet, de dieren die de smetstof dan nog niet hebben opgenomen,
blijven gezond. De maatregel wordt pas opgeheven, 28 dagen 11a het laatste ziekte-
geval. Daar de meeste inlandse veehouders maar een of twee karbouwen hebben
is deze maatregel niet al te bezwaarlijk, [n Bantam werd een deel der verdachte
dieren (3542 stuks) geënt met een
vaccin van het veeartsenijkundig laboratorium
te Buitenzorg (de bereidingswijze wordt niet opgegeven). Van deze dieren stierven
20, is 0.22 %, 14 tot 30 dagen na de enting, aan de ziekte, die dieren hadden dus
door de enting geen voldoende immuniteit gekregen. De inspecteur is over die enting
niet erg te spreken en voelt meer voor opstallen der veestapel en eventueel behande-
ling der ziektegevallen met immunserum. Hij zegt in het rapport, dat het een
onmogelijkheid is gebleken om door immuniseeren van alle dieren eener streek
door middel van vaccinatie, de verbreiding der ziekte te voorkomen,
daar in dit
geval niettegenstaande opstallen en vaccinatie de ziekte zich toch verbreidde.
Om bij
deze eene, niet geslaagde proef, direct die
onmogelijkheid te decreteeren, gaat wel
wat ver. Als de entstof niet krachtig genoeg was, kan men men een sterkere pro-
beeren. In het verslag van het veeartsenijkundig onderzoek en onderwijs laat de
chef van het veeartsenijkundig laboratorium,
De Blieck, zich over bovengenoemde
enting in Bantam veel gunstiger en meer optimisties uit. Volgens hem ziet de
bevolking het nut van de preventieve vaccin-enting in, en kwamen in verschillende
kampongs waar geënt was, geen verdere gevallen voor, terwijl in naburige, niet-
geënte kampongs de ziekte verder ging. Een voordeel van de. enting is ook, dat de
dieren niet zoo lang behoeven gestald te worden.

Curatief had soms immunserum een goede werking en het is aan te raden, als
men het spoedig aan de zieke dieren kan toedienen. Natuurlijk is bij septichaemia
epizoötica, in streken waar de ziekte dikwijls optreedt en waar men over voldoende
hulppersoneel beschikt, de
preventieve enting met verzwakte bacillencultuur of
de simultaan-enting met immunserum en bacillencultuur,
de aangewezen methode.
Het is dan ook te hopen dat de proeven in die richting worden voortgezet.

Mond- en klauwzeer kwam veel voor op Java en Madoera en Sumatra\'s Oost-
kust — vooral in de streken waar veel vee-verkeer is. — De inspecteur zegt zeer
terecht dat het te betwijfelen is, of het wel gelukken zal deze riekte uit te roeien;
dat zal zeker niet lukken, de strenge maatregelen daartoe noodig, zijn moeilijk
door te voeren, daar in Indië geen melkvee is, is de materieele schade ook geringer
dan in Europa.—

-ocr page 763-

Malleus werd nog op vele plaatsen aangetroffen op Java, Madoera, Lombok,
Soembawa, Celebes en op sommige andere eilanden sporadies, in \'t geheel 2152
gevallen, waarvan 1472 op Java en Madoera en 550 op Soembawa. Door de nieuwe
wet van 1912 is het mogelijk de door klinies onderzoek of door malleïnisatie ziek
bevonden dieren te onteigenen en af te maken. Door stelselmatig opsporen der
ziektehaarden is de kwade droes in de laatste jaren met veel succes bestreden en
zal het mogelijk zijn deze plaag van het paardenras in Indië binnen eenige jaren
geheel uit te roeien. Aan het veeartsenijkundig laboratorium te Buitenzorg werden
proeven gedaan om paarden tegen malleus te immuniseeren door middel van bacil-
len-preparaten. Het resultaat was onbevredigend. De experimenten worden voort-
gezet en men hoopt
een geschikte immunisatie-methode voor de praktijk te vinden,
en men stelt zich voor dat dit een belangrijk hulpmiddel bij de bestrijding van malleus
zal zijn.
Ik kan mij dit laatste moeilijk voorstellen en hecht aan die proeven alleen
wetenschappelijke waarde. Hoogstens zou men kunnen trachten, occulte (goed con-
troleerbare) gevallen van malleus te behandelen volgens de
wright\'se vaccine-
methode,voor de
bestrijding van malleus is men in Indië voldoende uitgerust, en zijn
geen verdere methodes noodig, hoogstens meer personeel.

Surra werd in alle residenties van Java en Madoera geconstateerd, meestal
sporadies, eenmaal in Solo als kleine enzootie; toch kwamen op Java en Madoera
onder paarden, runderen en buffels ruim 1100 sterfgevallen aan die ziekte voor.
Op Soembawa stierven er 5000 paarden en 3000 buffels aan. Op dit eiland werd
veel te laat een onderzoek naar den aard der ziekte ingesteld, toen er al eenige
duizenden dieren gestorven waren. Worden de eerste sterfgevallen gerapporteerd
en onderkend, dan is het dikwijls mogelijk maatregelen te nemen. Deze bestaan in
het tijdelijk opsluiten der dieren in stallen, die eenigszins donker moeten gehouden
worden, opdat geen bremzen en horzels binnenkomen; deze vliegen brengen in
Indië de ziekte over. Bij paarden heeft deze maatregel succes — na eenige dagen
zijn de dieren die besmet waren, ziek geworden en kunnen gedood worden, daar ze
toch aan de ziekte sterven, de overigen kunnen worden losgelaten en blijven ge-
zond zoolang ze niet door een horzel worden gestoken, die
pas te voren bij een surra-
ziek dier bloed heeft gezogen. Bij runderen en buffels is de zaak veel moeilijker,
daar bij deze dieren surra zeer chronies verloopt, soms zonder duidelijke verschijn-
selen. Het opstallen kan hier niet prakties doorgevoerd worden en de dieren kunnen
maandenlang smetstofdrager blijven. Surragevallen onder runderen en buffels
komen veelvuldig op Java en Sumatra voor en het is niet mogelijk deze ziekte uit
te roeien. Enzootieën kunnen ontstaan, wanneer (gelijk ook in het jaarverslag
wordt opgemerkt) door schaarste aan veevoeder of drinkwater de dieren genood-
zaakt zijn zich op een kleine oppervlakte te verzamelen (b.v. bij een drinkplaats) —
zij loopen dan de kans, gestoken te worden door een horzel, die pas bij een ziek dier
heeft gezogen, en dus met surra geënt te worden.

Aan het veeartsenijkundig laboratorium werden proeven gedaan om surra bij
het paard te genezen. Ofschoon het gelukte, ent-surra (door virulent bloed inspui-
ting opgewekt) te genezen met een gecombineerde kuur met atoxyl en auripigment,
hielp dat middel niet bij spontane surragevallen. In Engels-Indië, en ook een
enkele maal in Ned.-Indië, heeft men met arsenicum- en antimoon-preparaten
surragevallen genezen. De behandeling is nog te omslachtig om in het groot toe-

XLI 40

-ocr page 764-

gepast te worden. Verdere proeven worden in die richting gedaan, ook te Buiten-
zorg.

Dourine (dekziekte) werd in 1912 niet waargenomen.

Piroplasmose „kwam zeer verbeid voor — echter werden slechts sporadiese
gevallen geconstateerd." Dat is alles wat in het jaarverslag van den inspecteur
over deze belangrijke ziekte (of liever ziekten) wordt gezegd. Het constateeren van
sporadiese gevallen, moet niet worden opgevat als zou de ziekte sporadies voor-
komen. In vele streken heeft ieder rund piroplasmose in latenten vorm. Ofschoon
de inheemse dieren er veelal weinig onder lijden, krijgen pas ingeweide dieren de
ziekte in hevigen, soms doodelijken vorm, zoodat ze soms een bezwaar vormt
tegen het verbeteren van het inlandse rund door andere rassen. Maatregelen tegen
de ziekte zijn in Indië niet gemakkelijk te nemen, echter zouden in aanmerking
dienen te komen: enting van geïmporteerde dieren met immun-bloed, en bestrijding
der ziekteoverbrengende teeken door teekenbaden.

In het veeartsenijkundig laboratorium te Buitenzorg werden ook bij buffels
piroplasmen gevonden, en wel de soorten: babesia mutans en anaplasma vaginale.
Bij het rund komt behalve deze twee, nog de Babesia bigemina voor. Het syste-
maties onderzoek van de bloedzuigende insekten in Indië (met het oog op de ver-
schillende veeziekten, waarvan ze de overbrengers zijn), is zooals
de Blieck zeer
terecht opmerkt, urgent.

Tuberculose kwam nog voor onder australies melkvee in Oost-Java; door krachtige
maatregelen (tuberculinatie van de verdachte, en afmaken van de zieke dieren)
zal het mogelijk zijn, binnen korten tijd deze ziekte geheel te doen verdwijnen.

Rabies werd over geheel Indië verspreid, waargenomen. Aan het Instituut
Pasteur werd hondsdolheid vastgesteld bij 312 honden, 5 katten, 2 koeien, 3 apen
en i varken.

Lymphangitis infectiosa, dat gewoonlijk op Sumatra\'s Oostkust bij runderen
voorkomt, werd in 1912 niet gerapporteerd.

Pleuro-pneumonia contagiosa (besmettelijke longziekte) onder runderen, werd
te Soerabaja ontdekt onder melkvee; 34 zieke- en verdachte runderen werden af-
gemaakt; waarschijnlijk is daarmee de ziekte uitgeroeid. Longziekte is uit Australië
ingevoerd, de invoer van vee uit Australië is daarom sedert 1911 verboden.

Varkenspest en borstziekte bij varkens, kwam voor op Sumatra\'s Oostkust. Deze
ziekte was vroeger in Indië onbekend en werd sedert 1908 in Deli en later in de
Karo-Battaklanden, waargenomen; waarschijnlijk is ze in 1908 door varkens uit
China of Australië ingevoerd. Onderzoekingen aan en door het veeartsenijkundig
Laboratorium te Buitenzorg, maakten uit, dat men werkelijk met varkenspest
te doen had (mijn veronderstelling, dat het runderpest zou zijn, is dus onjuist
gebleken). Er zijn maatregelen voorgeschreven om de ziekte te bestrijden, en de
invoer van varkens uit het buitenland is tijdelijk verboden.

Veeteelt.

Ter bevordering der runderfokkerij en ter verbetering van het inlandse ras,
werden in 1912 weer van gouvernementswege fokstieren aan de bevolking verstrekt,
en wel 685 stuks. Begin 1913 waren op Java en Madoera aanwezig 2182 gouverne-

-ocr page 765-

ments-fokstieren, waarvan 928 van het javaanse, 29 van het balineese, 548 van
het madoereese, 610 van het bengaalse en 67 van australiese of hollandse rassen.
Ook werden weer eenigen (44) bengaalse koeien gekocht, zoodat begin 1913
aanwezig waren 597 stuks. Hieruit werden in 1912 maar 163 kalveren geboren,
dat is zeer weinig. Ook naar Soemba werden 10 bengaalse koeien en een stier ge-
zonden. Het doel van het aanschaffen van bengaalse koeien is, om op den duur
duur zelf bengaalse fokstieren te kweeken en minder afhankelijk te zijn van Engels-
Indië.

Naar de eilanden Flores, Adoenara, Soemba en Timor werden madoereese fok-
koeien en -stieren gezonden; in \'t geheel 120 koeien en 10 stieren. Ook werden op
Soemba 24 australiese wolschapen ingevoerd, om te trachten daar een ras te fokken,
dat door zijn wolproductie, een bron van inkomsten voor de bevolking zou kunnen
worden. In de Kampongs, worden in de Javaanse nederzettingen aldaar, met gouver
nementshulp, runderfokkerij op kleine schaal gedreven.

Langs de noordkust van Java waar de bevolking de slechte gewoonte heeft,
de beste karbouwen te verkoopen, waardoor het ras degenereert, werden pogingen
aangewend, goede buffelstieren te laten aanhouden. Deze pogingen hadden niet
overal succes.

Om de paardenfokkerij te bevorderen, heeft het gouvernement in verschillende
residenties op Java en op Sumatra dekhengsten gestationneerd, in \'t geheel waren
begin 1913 op Java 12Q, en op Sumatra\'s Westkust 69 en op Sumatra\'s Oostkust
14 aanwezig.

Op Soemba, Flores en Soembawa werden ook dekhengsten aangeschaft, van
Sandelhout, of inheemsch ras, terwijl op Soemba 8 arabiese dekhengsten aan ver-
schillende fokkers in bruikleen werden afgestaan. De bedoeling van de laatste
maatregel is, een ras te fokken dat grooter is dan de Sandelhouten, die langzamer-
hand te klein werden. De resultaten zijn voorloopig goed. Op Soemba is een veulen-
depót opgericht, waar men zal trachten, de beste jonge hengsten aan te koopen,
om ze op de omliggende eilanden als dekhengst te stationneeren.

Op de gouvernements-stoeterij te Padalarang waren begin 1913 aanwezig,
3 Sandelhout-dekhengsten, 35 Sandelhoutfokmerries, 7 australiese en 4 gekruist
Sandel-australiese fokmerries, 112 Sandelhoutveulens en 17 gekruiste veulens.
Daar de behoefte gevoeld werd, paarden te fokken grooter en met meer massa,
dan de Sandelhouts, werd besloten de reinteelt van Sandelhouts te Padalarang
te beperken en maar 20 Sandelhout-merries daarvoor aan te houden, verder om
10 Sandelhoutmerries te kruisen met een arabier-hengst, en nog 20 australiese
merries aan te schaffen, om met Sandelhout-hengsten te kruisen. De eerste generatie
van deze kruisingen zal niet voor de voortteling gebruikt worden, ook de 2e genera
tie meerendeels niet, pas de derde komt in aanmerking. Het zal de vraag zijn ol
deze genoeg „massa" zal hebben om aan de gestelde eischen te voldoen, en in elk
geval zal het vele jaren duren, eer op deze manier een voldoende aantal dekhengsten
gefokt zijn. Dit is ook wel gevoeld en daarom is besloten één volbloed australiese
pony-hengst aan te koopen en te stationneeren, ten dienste van de merries 4er
bevolking in de Preanger. In plaats van één, was het waarschijnlijk doelmatiger
geweest, een grooter aantal aan te schaffen.

Om het geitenras op Java te verbeteren, zijn in verschillende residenties fok

-ocr page 766-

stations opgericht voor bengaalse of halfbloed-bengaalse geiten met bengaalse-
bokken — over de resultaten kon nog niet voldoende worden geoordeeld.

Voor de varkensfokkerij werd op Sumatra (Tapanoeli) een poging gedaan, om
met Yorkshire-varkens uit Australië, het inheemse ras te verbeteren. De inge-
voerde dieren of hunne afstammelingen gingen te gronde, zoodat deze proef mis-
lukte.

Over \'t geheel ontbreekt het bij het gouvernement niet aan goeden wil, om de
veeteelt van de bevolking in Indië te verbeteren — dat de pogingen daartoe niet
altijd slagen, ligt voornamelijk aan gebrek aan medewerking en indolentie van die
bevolking. Vroeger waren ook wél eens slechte voorlichting en onvoldoend des-
kundig toezicht, oorzaken van niet-slagen; de lijdensgeschiedenis van de maatrege-
len ter bevordering der paardenfokkerij op Java is in dit opzicht leerrijk. Het
spreekt van zelf, dat leiding en toezicht in handen moeten zijn van
zootechnici, en dat
zijn in Indié hoofdzakelijk de gouvernements-veeartsen. De bevolking moet door
overreding tot medewerking gebracht worden, de inlandse veeartsen en veemantri\'s
kunnen hiertoe veel bijdragen. Gedwongen castratie van de mannelijke dieren,
die niet voor de fokkerij in aanmerking komen, is noodig; veetentoonstellingen,
aanhoudpremies voor goede fokdieren, zijn wenselijk.

Aan de inlandse veeartsenijschool te Buitenzorg studeerden in 1912—1913,.
31 leerlingen, waarvan 15 van Java, 11 van Sumatra en 5 van Menado.

Den Haag, April \'14. Vrijburg.

Maatschappij ter bevordering der veeartsenijkunde in

Nederland.

Het Hoofdbestuur heeft gemeend, naar aanleiding van het
door den Heer Directeur-Generaal van den Landbouw op de Alge-
meene Vergadering van de Hollandsche Maatschappij van Land-
bouw, gehouden te Amsterdam op j 1 Maart j.1. gesprokene over
de tarieven, door veeartsen voor entingen tegen vlekziekte vastge-
steld, den Heer Directeur-Generaal een rapport aan te moeten
bieden, waarin de besproken en veroordeelde tarieven zijn ver-
dedigd. Hieronder volgen het verslag van genoemde rede en een
afschrift van het den Heer Directeur-Generaal toegezonden rapport

Namens het Hoofdbestuur,
P. K. M. Houba, Voorzitter,
H. A. Vermeulen, iste Secretaris.

-ocr page 767-

Het kosteloos verstrekken van sera en entstoffen.

In de Algemeene Vergadering der Hollandsche Maatschappij van Landbouw,
«ten nen Maart j.1. te Amsterdam gehouden, kwam o.m. aan de orde een voorstel
van de afdeeling Oudewater en Omstreken, luidende:

,,De Algemeene Vergadering van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw
„draagt aan het Hoofdbestuur op, alle gepaste middelen aan te wenden tot het
,,verkrijgen van intrekking van het Ministerieel Besluit van n Februari 1913, N°. 35,
,,in het belang van den veehouder en van \'s Rijks schatkist. "

Het praeadvies van het Hoofdbestuur luidde:

„Het Hoofdbestuur is van meening dat de lage prijs, die voor de sera, sinds de
,,nieuwe regeling, moet worden betaald, geen beletsel zal en mag zijn voor de
„landbouwers om deze sera te gebruiken.

„Het kan zich dus niet vereenigen met den wensch van de Afdeeling Oudewater,
„om de regeering te verzoeken genoemd Ministerieel Besluit weder in te trekken."

Ten einde de vergadering voldoende in te lichten en in staat te stellen zich een
oordeel te vormen over de werking der Rijksseruminrichting, had het Hoofdbestuur
aan de Regeering verzocht, iemand van harentwege deze vergadering te doen bij-
wonen, om, desgewenscht, in- of voorlichting te geven.

De Directeur-Generaal van den Landbouw, de heer P. van Hoek, had dit .ver-
zoek gaarne ingewilligd en was zelf gekomen om de noodige inlichtingen te ver-
strekken. Hij dankte den Voorzitter voor de gelegenheid hem geboden, om iets te
zeggen over de werking van de Rijksseruminrichting en over het, door de Afdeeling
Oudewater aangevallen tarief van het serum en sprak daarna ongeveer het volgende:

Allereerst moge ik een opmerking maken van algemeenen aard.

Dat aanvankelijk de sera en entstoffen gratis verstrekt werden, vond zijn grond
in dezelfde gedachte, als die, welke ten grondslag ligt aan het verleenen van gelde-
lijke bijdragen, waardoor het initiatief bij de landbouwers wordt opgewekt en hun
de weg wordt gewezen ter ontw\'ikkeling van hun bedrijf. Door kosteloos deze stof-
fen te verstrekken, wilde men haar nuttige werking algemeen bekend maken en de
aanwending ervan ingang doen vinden.

Men is daarbij zelfs zoover gegaan, o.a. bij de inenting tegen miltvuur, dat deze
niet alleen op kosten van den Staat geschiedde, doch dat deze tevens de risico op
zich nam, ingeval van sterfte van ingeënte dieren binnen 365 dagen.

Nu is het doel, bekendmaking van de nuttige werking van entstoffen door gratis
verstrekking zeker uitmuntend, doch eenmaal moet dat doel worden bereikt en
dan is er geen enkele aanleiding meer om met die kostelooze verstrekking van be-
kende entstoffen voort te gaan.

Men kan natuurlijk van meening verschillen over het oogenblik, waarop de
nuttige werking van entstoffen voldoende bij de landbouwende bevolking is door-
gedrongen, doch ieder zal het toch wel met mij eens moeten wezen, dat men niet
kan blijven doorgaan, met de kostelooze verstrekking ervan. Dan toch zou deze
vorm van Staatsbemoeiing den vorm aannemen van Staatsbedeeling, waarbij
de Staat de risico-premie van een deel van \'t bedrijf van den landbouwer gaat
dragen en hem gratis geneesmiddelen verschaft.

De sera en entstoffen toch werken öf voorbehoedend öf genezend. Bij \'t toe-
passen van voorbehoedende entingen tracht de belanghebbende de risico, die hij

-ocr page 768-

loopt, dat zijn dieren ziek zullen worden, te verminderen en daardoor schade te
voorkomen. De kosten van de entingen kunnen dus eenigszins worden vergeleken
met de premie voor brandverzekering. En evenmin als men verdedigen kan, dat
de Staat de brandverzekeringspremiën van de landbouwers zoor zijn rekening moet
nemen, evenmin kan men verdedigen, dat de Staat de kosten van \'t enten der
landbouwdieren in gewone omstandigheden moet betalen. Ook bestaat er geen
enkele grond om van Staatswege de geneesmiddelen voor zieke landbouwdieren
te bekostigen.

Wanneer eenmaal het doel der kostelooze verstrekking van entstoffen is bereikt,
moet daarmede worden opgehouden, niet alleen omdat men anders onbillijk zoude
worden tegenover andere bedrijven, die niet op dezelfde wijze door den Staat worden
gesteund, doch ook omdat men den landbouwenden stand zou leeren vegeteeren
op \'s lands kas, waardoor noch de zelfstandigheid van de landbouwers wordt ver-
sterkt, noch hun zedelijke kracht wordt verhoogd.

Aangezien verwacht mocht worden, dat genoeg was gedaan om de sera en ent-
stoffen ingang te doen vinden, was het oogenblik gekomen om met de kostelooze
verstrekking op te houden en de bekende sera en entstoffen tegen een bepaald
tarief ter beschikking te stellen.

Djt tarief is zoo laag gesteld, dat ongeveer 1/a wordt gerekend van de prijzen in
het buitenland, van enkele zelfs nog veel minder. In elk geval wordt ver beneden
den kostenden prijs geleverd, zoodat de Staat nog altijd geld op de Rijksserum-
inrichting toelegt.

Behalve op dezen algemeenen grond over de instelling van een tarief moge ik
op enkele andere wijzen.

De aanvragen om sera en entstoffen namen zoodanig in omvang toe, dat de be-
grooting voor de Rijksseruminrichting voortdurend klom, en er niettegenstaande
de steeds toenemende productie toch nog klachten werden geuit over gebrek
aan sera, niet tijdige zending enz.

Aan die voortdurend stijgende uitgaven kon onmogelijk op den duur worden
voldaan, tot groote schade van de ontwikkeling en de werkzaamheid der Rijks-
seruminrichting en dus ook tot schade van den landbouw, voor welke deze nuttige
inrichting in \'t leven is geroepen.

Alleen wanneer tegenover de uitgaven voor deze inrichting ook inkomsten kwa-
men te staan, zou haar gestadige ontwikkeling verzekerd zijn.

In de tweede plaats werd met de sera en entstoffen niet zuinig gehandeld.

Van alle zijden werden klachten gehoord over de wijze waarop met deze stoffen
werd omgesprongen. Met dure sera werden tal van inspuitingen gedaan, die, hadden
ze door belanghebbenden moeten worden betaald, achterwege zoud n zijn gebleven.
Overtollige hoeveelheden werden aangevraagd, terwijl velen niet de noodige zuinig-
heid met het verstrekte materiaal betrachtten. Gevallen hebben zich voorgedaan,
dat kistjes met sera en entstoffen bij landbouwers werden achtergelaten en in
handen vielen van onbevoegden. Ik meen dat op die manier duizenden van guldens
zonder eenig nut verloren zijn gegaan.

Zoo iets kon onmogelijk langer worden bestendigd. Wat mij aangaat, ik wenschte
voor dien toestand niet langer de verantwoordelijkheid op mij te nemen.

-ocr page 769-

Voorts wensch ik nog op te merken, dat het taiief ook noodig was om de waarde
der sera en entstoffen voor de practijk te bepalen. Hoe nauwkeuriger de prijs
daarvan wordt bepaald in verhouding tot den kostprijs, hoe beter maatstaf men
omtrent de economische beteekenis dier stoffen krijgt. Hoe belangrijk een entstof
ook moge wezen uit een wetenschappelijk oogpunt, wanneer ze te duur is om alge-
meen ingang te kunnen vinden, hoe minder haar beteekenis is voor den landbouw.
Gaat men gratis entstoffen verstrekken, dan ontbreekt elke maatstaf voor de be-
paling der economische waarde dier stoffen en gaat men voort met de bereiding
van te dure entstoffen, dan besteedt men schatten gelds voor iets, wat toch geen
toekomst heeft.

Aan de vaststelling van het tarief liggen dus goede, degelijk gronden totgrond-
slag.

Dat de invoering ervan van invloed zou wezen op de hoeveelheden sera en ent-
stoffen, die zouden worden gevraagd, was te voorzien, eensdeels omdat er misschien
minder zou worden geënt, anderdeels omdat er zuiniger met de entstoffen zou
worden gehandeld.

Wanneer nu uit de door de seruminrichting verzonden sera en entstoffen in 1911,
1912 en 15 Februari 1913—15 Februari 1914 blijkt, dat die hoeveelheden belangrijk
zijn ingekrompen, dan is onmogelijk uit te maken, voor welk gedeelte dit aan het
geringer aantal entingen en voor welk gedeelte dit aan de grootere zuinigheid bij
het gebruik der stoffen is toe te schrijven.

De grootere zuinigheid speelt hierbij zonder twijfel een belangrijke rol.

Dat er minder geënt wordt en is, is zeer goed mogelijk; een bewijs dat nog niet
allen van \'t nut der entingen zijn doordrongen. Dit mag echter geen reden zijn om
tot kostelooze verstrekking terug te keeren, daar zij, die nu nog niet overtuigd zijn,
ook door het gratis verstrekken dit niet zullen worden.

Zonder twijfel werkt hier ook, dat sommige entstoffen in verhouding tot het te
verkrijgen of te verwachten resultaat, te duur zijn. Welnu, dan hebben deze ook
geen voldoende practische waarde.

Dat de entingen o.a. tegen vlekziekte door de invoering van het tarief zooveel
duurder zouden zijn geworden, kan ik niet toegeven.

Volgens den directeur van de Rijksseruminrichting bedragen de kosten voor
inenting van varkens, indien men zooveel ent dat ongeveer 50 c.M3. serum en
5 c.M3. cultuur wordt gebruikt,

p. varken p. ziek varken p. Verdacht varken

van i—50 K.G.
van 50—75 K.G.
van 75—100 K.G.
van boven 100 K.G,

/ 0.16
/ 0.27
/ 0-37
/ 0.516

/ 0.06
/ o. 10
/ 0.12
/ 0.19

ƒ o.10
/ 0.17
/

/ 0.325

Bij een grooter getal wordt de prijs aanmerkelijk lager. Volgens het oude tarief
was de entprijs 30 ct. Deze zou dus nu bij preventieve enting van 36—50 ct. moeten
loopen. Verschillende veeartsen hebben echter tarieven van / 0.60 tot / 1.— vast-
gesteld. Het duurder worden der entingen is dus niet uitsluitend aan het tarief
te wijten. Moet een groot getal varkens geënt worden, dan zou dat ook nu nog wel
voor / 0.30 per stuk kunnen worden gedaan.

-ocr page 770-

Ten slotte zij meegedeeld, dat de directeur der Rijksseruminrichting mij o.a.
in Juni 1913 schreef:

„Ik heb steeds gemeend, dat de ontwikkeling der Rijksseruminrichting zelfs te
„snel heeft plaats gehad, en dat het personeel en de beschikbare localiteiten niet
„geëvenredigd waren aan het vele werk, dat er thans reeds moet gedaan worden.
„Erkend moet worden, dat het ingevoerde tarief de werkzaamheden tot meer
„normale verhoudingen heeft teruggebracht."

Ik ben van oordeel, dat we op den goeden weg zijn. Met genoegen heb ik uit het
praeadvies van \'t Hoofdbestuur gezien, dat dit van meening is, dat het tarief moet
worden gehandhaafd, en ik hoop voor de eer der Hollandsche landbouwers, dat
deze vergadering het gevoelen van \'t Hoofdbestuur zal deelen.

Deze rede oogstte bijna algemeenen bijval; de vergadering vereenigde zich blijk-
baar geheel met de aangevoerde motieven, en verwierp met bijna algemeene stem-
men het voorstel der Afdeeling Oudewater.

(Ned. Landbouw-weekbl., 21 Maart 1914).

Maastricht

—-- , 30 Mei 1914.

u trecht

HoogEdelGestrenge Heer.

Waar Uw HoogEdelGestrenge op de 54ste algemeene vergade-
ring der Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in
Nederland, gehouden te Utrecht, den 2Öen en 27en September
1913 er Uwe bevreemding over hebt te kennen gegeven, dat ver-
schillende klachten omtrent de Rijks Seruminrichting en de aan-
wending in de veeartsenijkundige praktijk der van genoemde in-
richting betrokken sera en cultures U geheel onbekend waren en
U daaraan hebt toegevoegd, dat U het in den vervolge op prijs
zoudt stellen wanneer dergelijke klachten te Uwer kennis werden
gebracht, heeft het Hoofdbestuur de eer Uwe welwillende aandacht
te vragen voor de volgende opmerkingen, die het meent te moeten
maken naar aanleiding van het verslag der door Uw HoogEdel-
Gestrenge op den nen Maart 1914 te Amsterdam gehouden alge-
meene vergadering der Hollandsche Maatschappij van Land-
bouw, uitgesproken rede, zooals dit verslag te vinden is in
het nummer van het Nederlandsch Landbouwweekblad van
21 Maart 1914.

Deze opmerkingen gelden de door U in bovenbedoelde rede ge-
noemde cijfers, U verstrekt door den Directeur der Rijks Serum-
inrichting. Deze berekening is in de eerste plaats gebaseerd op
het vroegere „dertig cents tarief," hetwelk bij de praktiseerende

-ocr page 771-

Veeartsen indertijd algemeen, en, naar de meening van het Hoofd-
bestuur zeer terecht, groote ontevredenheid verwekte.

De veeartsen hebben dan ook noode en vooral omdat zij aan
deze, ten opzichte der vlekziekte, goede geneesmethode geen be-
lemmering wilden in den weg leggen, dit tarief aanvaard.

Echter waren de veeartsen gerechtigd, behalve een honorarium
van dertig cents per varken, bovendien, nog de visite in rekening
te brengen, hetgeen dan ook in sommige streken wel, in andere
weer niet, in toepassing werd gebracht. Hieruit volgt reeds, dat
de tarieven opgesteld, in verband met de door den Directeur der
Rijks Seruminrichting verstrekte gegevens, niet onaanvechtbaar
te achten zijn.

In de tweede plaats echter zijn deze gegevens gebaseerd op de
aanwendingsvoorschriften, zooals die door bovengenoemde in-
richting worden aangegeven. Deze voorschriften zijn nu in de prak-
tijk blijkens ingewonnen inlichtingen onjuist gebleken.

De hoeveelheid serum, welke bij de preventieve enting dient te
worden ingespoten, bedraagt bij varkens
tot 50 K.G. jo gram,

van 50 tot 100 K G. 20 gram,

en van meer dan 100 K.G. 25 gram,

zoodat uitgaande van een serumprijs per 100 gram en een cultuur-
prijs per 5 c.c.M. de prijs per enting bedraagt 9, 17 en 22 cent, en
waar nu de in te spuiten varkens gemiddeld behooren tot de 2e
rubriek, bedraagt de gemiddelde prijs per varken voor de eerste
enting f 0.17 en voor de 2e enting (alléén cultuur) / 0.02.

In aanmerking nemende:

dat gezorgd moet worden voor aanschaffing, onderhoud en zorg-
vuldige reiniging van instrumenten, waarbij vooral de injectie-
naalden herhaaldelijk vernieuwd of hersteld moeten worden;

dat serum en cultuur — verloren gegaan door breuk tijdens het
vervoer van af de verzending door de Rijks Seruminrichting, door
bederf bij het in voorraad houden in tijden van gering gebruik,
door vernietiging van overschotten (vooral cultuur) — betaald
moeten worden;

dat op de boerderij vaak de noodige hulp ontbreekt, zoodat ver-
schillende praktiseerende veeartsen er reeds noodgedrongen toe
zijn overgegaan voor eigen rekening een helper mede te nemen;

dat eindelijk het inenten van varkens tegen vlekziekte aan
schoeisel en kleeding een meer dan normale slijtage veroorzaakt;

dat het tot één van de meest onaangename gedeelten der veeartse-

-ocr page 772-

nijkundige praktijk behoort, welke zeer onaangename arbeid ook
gehonoreerd dient te worden;

dat buitendien ook de visite (afstandsgeld) moet worden in reke-
ning gebracht;

dan wil het Hoofdbestuur voorkomen, dat een tarief van zestig
cents voor ie enting en veertig cents voor de 2e enting, zooals
dit tarief door de vereeniging van praktiseerende veeartsen be-
noorden het Y voor preventieve entingen is vastgesteld, zeer bil-
lijk te achten is.

Wat de noodentingen betreft, heeft bovengenoemde vereeniging
— wier tarieven als voorbeeld worden genomen, omdat de op-
positie tegen de voor entingen in rekening gebrachte prijzen
hoofdzakelijk uit Noord- en Zuid-Holland stamt —als tarief aan-
genomen voor biggen f 0.60 en voor oudere varkens f 1.—. De be-
noodigde hoeveelheid serum bedraagt voor verdachte varkens het
dubbele der hoeveelheid voor preventieve entingen en kost dus het
serum bij enting van verdachte varkens gemiddeld f 0.34, terwijl
voor zieke varkens gemiddeld 50 gram serum wordt gebruikt en
de kosten hiervoor dus gemiddeld f 0.40 bedragen.

Waar nu bij enting van verdachte of zieke varkens steeds een
„spoedvisite" moet worden afgelegd, daar vroegtijdig ingrijpen
een eerste vereischte is, kan naar de meening van het Hoofdbe-
stuur het gemiddeld tarief van f 0.80 voor noodentingen niet on-
billijk worden geacht.

Waar zeer zeker de veehouders recht hebben op een billijke be-
handeling door de praktiseerende veeartsen, is het echter even-
eens het goed recht van de laatsten hunne belangen te verdedigen.

Reden waarom het Hoofdbestuur voor bovenstaande uiteen-
zetting beleefd Uwe aandacht vraagt.

Aan Het Hoofdbestuur voornoemd,

den Heer Directeur-Generaal van den

... . , _ , P. K. M. Houp.a Voorzitter.

Landbouw te s-Gravenhage.

H.A.Vermeulen, i & Secretaris.

De Maatschappij zal op het a.s. Xe Internationale Veeartsenij-
kundige Congres te Londen vertegenwoordigd worden door haren
Voorzitter, den Heer P. K. M.
Houba. te Maastricht.

Heeren Leden wordt bekend gemaakt dat het huishoudelijk
gedeelte van het programma van de a.s. Algemeene Vergadering
zéér uitgebreid zal zijn.

-ocr page 773-

— 719 —

Teneinde de discussiën zooveel mogelijk te bekorten, wordt
dringend verzocht de a.s. Zomervergadering van de Afdeelingen,
waarin bovengemeld programma moet worden besproken, te
bezoeken, zoodat de Afgevaardigde de tolk kan zijn van zeer
velen, zoo mogelijk van allen.

De ie Secretaris,

H. A. Vermeulen.

Algemeene Afdeeling: Aangenomen als lid de heer Dr. M. H-
J. C.
Thomassen te Breda.

Overgegaan van de afd. Noord-Brabant tot de Algemeene
afdeeling de heer Jos. G.
Th. Arntz.

Verslag van de Afdeeling Friesland over 1913.

De vijf vergaderingen in het jaar 1913 gehouden, gaven alle het bewijs van een
opgewekt vereenigingsleven; respectievelijk bezochten
15, 18. 19, 25 en 30 leden
de verschillende bijeenkomsten.

Daar de leden geregeld zorgden voor een goed voorziene agenda, welke zoowel
vak- als wetenschappelijke onderwerpen bevatte, mochten de vergaderingen ook
steeds een vruchtbaar karakter dragen.

In het begin van het jaar werd een eind gemaakt met de vervolgcursus 1912 -1913
waar Prof. de Jong de leer van Infectie en Immuniteit in gecondenseerden vorm
ten gehoore bracht.

Het moet den veearts, die uit den aard van zijn werkkring niet in staat is, de
snelle ontwikkeling dezer wetenschap bij te houden, een verkwikking des geestes
zijn bij monde van den heer
De Jong van dit gebied, in zoo korten tijd, als die in
een vervolgcursus voor dergelijke onderwerpen is uitgetrokken, zooveel en op zoo\'n
wijze te mogen opnemen, als hier het geval was.

Een uitvoerig verslag van een voordracht van Prof. de Jong over „Nieuwigheden
voor de praktijk, op het gebied der besmettelijke ziekten", gehouden te Groningen,
werd door den Heer
Attema uitgebracht.

Wetenschappelijke mededeelingen, over verloskunde in voordrachtvorin, door
den Heer
Ten Hoopen, alsmede vele in korter bestek, werden op meerdere ver-
gaderingen afgestoken.

Vooral de behartiging der vakbelangen nam een groot deel in van den vergader-
tijd.

Over de medewerking van den veearts in de veearbitrage, over tarieven in zake
gezondheidscertificaten en entingen, niet minder over onderwerpen van oecono-
mischen en hygienischen aard, als veeverzekering, het ontwerp-wet betreffende het
Veeartsenijkundig Staatstoezicht, de Vleeschkeuring, werd gesproken.

Het Bestuur bestaat uit de heeren J. R. Huizinga, voorzitter; A. H. Veenbaas,
vice-voorzitter; S. Kingma, penningmeester; Dr. A. J. Winkel, secretaris.

-ocr page 774-

Leden: J. Attema, Kollum; K. Bergsma, Oosterwierum; R. Bergsma, Sneek;
R.
Boer, St. Anna-parochie; A. de Boer, Akkrum; K. T. de Boer, Drachten;
Th. Bosma, K. Edel, Balk; C. A. Eggink, Gorredijk; H. F. Eggink, Beetsterzwaag;
R.
Feddema, Ferwerd; G. Feikema, Sneek; M. A. Hibma, Franeker; B. J. C.
Hubenet, J. R. Huizinga, Murmerwoude, J. Jansma, Joure; S. Kingma, Menaldum

G. v. d. Meulen, Huisum; Dr. J. Nauta, Witmarsum; J. Plet, Heerenveen;

H. Postma, Oosterwolde; G. A. de Raadt, Hardegarijp; S. H. Schaap, St. Nicolaas-
ga;
S. P. Schaap, Surhuizum; J. Schuurmans, Bolsward; H. van Staa, Leeuwarden;
W.
van Staa, Sneek; C. Tenhaeff, Leeuwarden; G. Terpstra, Roordahuizum;
A.
Veenbaas, Wolvega; H. Veenstra, Leeuwarden; M. J. Veenstra, Leeuwarden;
Dr. H. J.
de Vries, Harlingen; Dr. A. J. Winkel, Akkrum; H. Ymker, Koudum;
J.
M. A. Zwart, Leeuwarden, J. Zweers, Wolvega.

Winkel.

Jaarverslag van de Afdeeling Gelderland-Overijssel over 1913.

Op i Januari 1913 telde de afdeeling 45 leden; een verlies van 2 leden valt te
boeken, waarvan
1 door vertrek naar elders n.1. Dr. D. L. Bakker naar Alkmaar,
terwijl de heer
J. Vlaskamp te Deventer als lid der afdeeling bedankte wegens
overgang naar de afdeeling Overijssel.

De ontslagname ging echter eerst in op i Januari 1914. Het ledental vermeerder-
de met 2, door ballotage der H.H.
G. Langeler te Markelo en G. van Soest te
Borculo, zoodat het getal leden op 31 December 1913 47 bedroeg.

In de November-vergadering had de benoeming plaats van een penningmeester
ter vervanging van den heer
E. J. Dommerhold, die periodiek aftrad; in zijn plaats
werd gekozen de heer M.
de Ridder. Overigens had geen wisseling in het bestuur
plaats. Vijf vergaderingen werden gehouden, waarvan 3 te Arnhem en 2 te Zutphen.
De Januarivergadering was een bijzondere als uitvloeisel van een genomen be-
sluit in de Decembervergadering van het vorige jaar, om het rapport betreffende
de reorganisatie van de bestuursinrichting der Maatschappij, nader te bespreken.
Het resultaat van de daarover gevoerde discussie, die zich kenmerkte door rijk-
dom aan opinies en woordenweelde, was, dat eene toelichting tot een eventueele
wijziging zoude worden ingediend.

De vier overige vergaderingen hadden plaats in Maart, April, September en
November.

De opkomst der leden naar de verschillende vergaderingen, was meer dan be-
droevend. Het absenteïsme woedde dit jaar in nog heviger mate dan in 1912. Op
elke vergadering moest de voorzitter wanhoopsverzuchtingen slaken over de blijk-
baar minimale belangstelling die nagenoeg steeds dezelfde leden schijnen te ge-
voelen voor het vereenigingsleven; een gevolgtrekking die men wel maken moet,
wanneer toch de presentielijsten uitmaken dat gemiddeld 11 leden aanwezig zijn;
dus weer gemiddeld 6 belangstellenden minder op elke vergadering, dan het vorige
jaar. Nog duidelijker treedt dit euvel aan den dag, waar juist in dit verslagjaar
op 3 vergaderingen zeer belangrijke voordrachten zijn gehouden. Zelfs op de April-
vergadering, waar Professor
de Jong als spreker optrad en waar niemand, tenzij
onoverkomelijke bezwaren had mogen ontbreken, waren slechts 16 leden aanwezig.
Is het wonder, dat dit chronisch absenteïsme telkens en telkens onderwerp van

-ocr page 775-

bespreking uitmaakte, dat naar de oorzaak gevorscht werd en naar eventueele
middelen ter verbetering? Veler opinie was dat voor niet-weinigen der wegblijvers
de prima causa gelegen was in het vergaderen op Zondag. Ten einde hieromtrent
meerdere zekerheid te verkrijgen, werd de volgende maatregel genomen. Aan alle
leden werd een circulaire van onderstaanden inhoud gezonden, met een er bij ge-
voegde, gefrankeerde briefkaart, waarop gedrukt het adres van den secretaris.

De circulaire luidde als volgt:

Zwolle, 18 November 1913.

Geachte Collega,

Op elke afdeeelingsvergadering is tot onzen spijt geconstateerd dat de opkomst
der leden zóó zeer te wenschen overlaat. Bovendien heeft het de aandacht getrokken
dat onderscheiden leden in de laatste jaren
geen enkele bijeenkomst bezochten; zoo
wèl, dan bij
hooge uitzondering. De beteekenis van trouwe opkomst behoeft niet
nader uiteengezet te worden. — het Bestuur is overtuigd dat elk lid zich hiervan
volkomen bewust is.

Er moet derhalve een bepaalde oorzaak zijn, een bezwaar, dat voor de steeds
afwezige medeleden, een
overwegend motief is, om hun wegblijven te rechtvaardigen,

Verondersteld werd dat in het vergaderen op Zondag voor meerder leden de reden
van hunne afwezigheid is gelegen.

Teneinde hieromtrent vaste gegevens te verkrijgen, om daarop afgaande, de
gedragslijn ten deze in de toekomst te kunnen bepalen, is op de afdeelingsvergade-
ring op 21 September 1.1. te Arnhem gehouden, besloten elk lid een gefrankeerde
briefkaart te doen toekomen, met verzoek daarop zijne zienswijze over deze aan-
gelegenheid kenbaar te willen maken. Voor het geval men
niet op Zondag wenscht
te vergaderen en voorliefde voor een bepaalden dag mocht hebben, kan men in-
vullen aan welken
werkdag men de voorkeur geeft.

Ondergeteekende verzoekt vriendelijk, ingesloten kaart ingevuld terug te zenden
binnen 14 dagen na ontvangst.

Namens het Bestuur:

Aan den Geadresseerde. De Secretaris,

Dr. H. C. L. E. Berger.

Ofschoon de, in verband met de ingesloten antwoorden te volgen gedragslijn,
eerst in de Maartvergadering van 1914 zal kunnen worden bepaald, kan onderge-
teekende thans reeds mededeelen dat uit de in 1913 ingekomen antwoorden van
38 leden er 13 bezwaar hebben om op Zondag te vergaderen.

Wetenschappelijke voordrachten werden gehouden door:

M. G. de Ridder, over: Veeartsenijkundige controle der Amhemsche melkinrich-
ting;
waarin spreker de vraag behandelt, hoe eene controle moet zijn die beantwoordt
aan billijk gestelde hygiënische eischen, welke practisch uitvoerbaar zijn en boven-
dien niet te duur voor eene inrichting die zich ten doel stelt, goede gezonde melk
in den handel te brengen tegen een prijs die de draagkracht der bevolking niet te
boven gaat. Uit de uiteenzetting blijkt dat bij de Arnhemsche melkinrichting de
controle, bestaande uit een chemische, en veeartsenijkundige, aan de gestelde
eischen voldoet.

-ocr page 776-

Professor Dr. D. A. de Jong, over „Immuniteit." Waar de hoog begaafde sprekei
meende te moeten opmerken: De gustibus non est disputandum"omdat hij verwacht
had dat de leden dezer afdeeling, die er eene is bij uitstek van practitci, gevraagd zou-
den hebben een voordracht over de
toepassing der immuniteitsleer, scheen intusschen
de professor toch wel begrepen te hebben, dat de leden onder den korten
titel van
het onderwerp toch ook verwacht hadden bij een bespreking over immuniteit
een en ander te vernemen over hare
toepassing; immers in dezen geest werd het
onderwerp behandeld.

Welke indruk deze voordracht op de aanwezigen maakte?

Ik meen, ter beantwoording van deze vraag niet beter te kunnen doen dan uit
de betreffende notulen eenige zinsneden te lichten.

,,De voorzitter zegt den begaafden spreker bijzonderen dank voor de bereid-
willigheid betoond, om voor deze afdeeling te hebben willen spreken; de professor
„heeft ons hoogelijk verplicht; het aandachtig gehoor en de bewijzen van instem-
„ming na afloop, gaven duidelijk weer, de algemeene sympathie. Kan het anders?
„vraagt de voorzitter. De methode van uitleg, de zinsbouw, kortom het geheel
„maakte niet alleen indruk, maar kon aangrijpend genoemd worden.

„Degustibus non est disputandum! zoo zeide de geachte professor in den aan-
„vang van zijn voordracht. Maar de voorzitter zegt: onze smaak was nog zoo
„slecht niet. Het behandelde onderwerp heeft massa zaken duidelijk gemaakt,
„die we ons nog niet konden verklaren — door de voordracht is dat alles duidelijk
„geworden. Hij eindigt zijne verplichtende woorden tot Prof.
de Jong met den
„wensch: Tot weerziens in onze afdeeling."

De 3e wetenschappelijke voordracht hield Dr. S. G. Zwart, met het onderwerp
keuring van noodslaehtingen door practiseerende veeartsen."

Een zeer interessant overzicht van de microörganismen, welke vleeschvergif-
tiging bij de consumenten teweegbrengen, en de plaatsen waar deze lagere orga-
nismen zich bevinden, werd den aanwezigen gegeven, terwijl spreker daarna aan-
gaf hoe, in gevallen van noodslaehtingen, te handelen.

Uit de gestelde vragen bleek dat zoowel de voordracht van den heer De Ridder,
als die van Dr. Zwart ook in hooge mate de belangstelling der toehoorders had-
den weten te boeien.

Nog dient vermelding de excursie die de leden onder leiding van collega De
Ridder maakten naar de stallen van Bronbeek. Op maatschappelijk gebied hield
de afdeeling zich bezig met de questie van de werkzaamheden der hulpkeurmees-
ters waar deze in gemeenten werkzaam zijn buiten leiding van veeartsen; verder
met het ontwerp vleeschkeurwet en met het vee verzekeringswezen.

Zooals van eene vereeniging, waarin de practiseerende veeartsen 90% van het
ledental uitmaken, te verwachten is, werden onder vrije mededeelingen belangrijke
zaken betreffende de praktijk behandeld, terwijl daarnaast interessante mede-
deelingen uit vleesch- en melkhygiëne werden verstrekt. Met welk een schat van
ervaringen, naar aanleiding van vragen, inlichtingen en mededeelingen, die men
onderling zoude kunnen uitwisselen, zouden de leden niet kunnen verrijkt worden,
als de meesten eens braken met dat ellendige stelsel van
laissez faire, laissez passer.

Aan het einde van het verslag is een woord van waardeering op z\'n plaats aan
bet adres van Dr.
Bakker, die door zijne benoeming tot districtsveearts te Alk-

-ocr page 777-

hiaar — als lid onzer afdeeling bedankte. Dr. Bakker heeft zich steeds als een bui-
tengewoon ijverig lid doen kennen; zijne altijd deugdelijke adviezen werden zeer
op prijs gesteld.

De secretaris,

Berger.

Verslag over den toestand van de Afdeeling over 1913,

In het vereenigingsjaar 1913 werden drie vergaderingen gehouden, n.1. op 22
Februari, 26 Juli en 22 November, welke vergaderingen werden bezocht door resp.
17, 12 en 16 leden. Een groot deel van den tijd werd besteed aan het behandelen
van huishoudelijke zaken der afdeeling en van de belangen der Maatschappij.
De afdeeling zag een voorstel uit haar midden, n.1. dat, betreffende onderzoek naar
den werkkring der hulpkeurmeesters van vee en vleesch, door de 54ste Algemeene
Vergadering aangenomen.

Behalve mededeelingen uit de practijk, welke hieronder volgen, en meestal
aanleiding gaven tot een geanimeerde gedachtenwisseling, werd door den heer
J. H. Hartog een voordracht gehouden over de operatie tegen cornage volgens
Williams,
en werden door den heer Dr. Baudet Trypanosomen gedemonstreerd,
levend en in gekleurden toestand.

De volgende vrije mededeelingen werden gedaan:

Een bijzonder geval van eczema solare bij het rund, door den heer E. H. Berch
Gravenhorst;

Boutvuurenting, door den heer Dr. J. H. Picard;

Ascariden in de galgangen bij het varken, door den heer J. P. van der Slooten.

De financieele toestand der afdeeling was gunstig; het saldo vermeerderde
met
f 30.—-. De contributie voor het jaar 1914 werd, in verband met de verhoogde
bijdrage aan het Hoofdbestuur, bepaald op / 15.—.

Het aantal gewone leden bedroeg op 1 Januari\'13, 5i;het aantal buitengewone2.
Gedurende het jaar 1913 bedankten als lid de heeren
K. T. de Boer, C. J. G.
van der Kamp, J. van Klaveren en dr. H. Markus — in dienzelfden tijd werden
als nieuwe leden aangenomen de heeren dr. G.
Krediet, J. L. Petten, H. S.
Frenkel en A. J. M. Rutgers — zoodat op 1 Januari 1914 het aantal gewone
leden 51, en het aantal buitengewone leden 2 bedroeg.

In de plaats van den periodiek aftredenden voorzitter, den heer H. Anker,
werd verkozen de heer J. J. Wester; in de hierdoor ontstane vacature werd tot
ondervoorzitter verkozen de heer dr.
J. H. Picard.

Het bestuur der afdeeling is thans als volgt samengesteld: Voorzitter. J. J. Wes-
ter;
Onder-voorzitter: dr. J. H. Picard; Penningmeester: J. P. van der Slooten;
Secretaris: dr. H. Schornagel.

De secretaris,

H. Schornagel.

-ocr page 778-

Gemeenschappelijke reis naar het Congres te Londen.

Op uitnoodiging van het Nederlandsche Comité zullen onderge-
teekenden trachten de noodige voorbereidingen te treffen, opdat
de Nederlandsche bezoekers van het congres niet te duur een ge-
zellig verblijf wordt verzekerd.

De eerste stappen daartoe zijn reeds gedaan. We stellen ons voor
de reis gezamenlijk te maken, in hetzelfde hotel te logeeren en
een programma uit te werken voor de geheele week, waartoe wij
medewerking hebben verkregen van Dr.
van Rijn te Londen. Na-
tuurlijk wordt hierbij rekening gehouden met de plannen, die het
Engelsche Comité ten aanzien van festiviteiten of uitstapjes maakt.

Het ligt voorloopig in de bedoeling Zaterdag x Aug. te vertrek-
ken met de dagboot van Vlissingen ^ n uur v.m. Behalve het
genoegen van een zeereis bij mooi weer, biedt dit het voordeel, dat
nog bij daglicht de treinreis van Queenboro naar Londen wordt
gemaakt.

Indien de tijd het toelaat, kan de avond nog worden besteed
aan een bezoek aan een der vele interessante variété-theatres.

Zondag bezoek aan Hampton Court, \'s avonds de bekende
reünie in het Hotel Cecil (invitatie van het Engelsche Comité).

Eenige Nederlandsche dames en heeren, woonachtig te Londen
zijn bereid gedurende den geheelen duur van het verblijf aldaar ons
gezelschap van dienst te zijn. Hoofdzaak is intusschen, dat
we zoo spoedig mogelijk weten, hoeveel personen van de partij
zullen zijn.

Het zal eerst daarna mogelijk zijn een goede regeling te treffen
voor het logies en een raming van de kosten te maken.

Wie medegaat, wordt verzocht zich zoo spoedig mogelijk, uiter-
lijk voor
i Juli a.s., aan te melden bij den 2en ondergeteekende,
adres: Bankastraat 4k, Den Haag.

J. J. F. Dhont.

H. Remmelts.

-ocr page 779-

Berichten.

Verslag der vergadering van de afdeeling Groningen-Drenthe, gehouden 16 Mei J.l.

Als candidaat voor de a.s. vacature in het hoofdbestuur wordt gekozen de heer
A. H.
Veenbaas met 11 stemmen; op den heer Dhont waren 3 stemmen uitgebracht.

Door den heer W. tenHoohen wordt,als afgevaardigde ter j.l. gehouden bijzon-
dere algemeene vergadering, verslag uitgebracht. De heer
Kroes houdt een voor-
dracht, over het paard. Aan de hand van
Wilhelm Bölsche geeft hij een over-
zicht over de ontdekkingen van den laatsten tijd op palaeonthologisch gebied;
hoe b.v. naast de meerdere lichamelijke ontwikkeling van het paard, ook z\'n been-
stelsel is geperfectioneerd, op een wijze, die het mogelijk maakt dat dit groote dier
zich snel kan verplaatsen, waardoor z\'n strijd om het bestaan, zooveel gunstiger
wordt, omdat de groote verdediging van het paard bestaat in z\'n vlucht en z\'n
groote opmerkzaamheid,
waar en wanneer er gevaar dreigt. Het verband tusschen
z\'n hersenen en z\'n beenen is zeer groot; de zintuigen,
reuk en gehoor zijn goed ont-
wikkeld, niet het gezicht. Het paard moet kunnen vluchten op de onbeperkte
ruimte, niet door water of bosch gestoord; het moet de hindernissen op grooten
afstand waarnemen. Wanneer het in de cultuurstaat vlucht — op hol slaat —
maakt het zich zelf en anderen tot slachtoffer.

De naam Equus Caballus, beduidt dat het een dier is dat vaak in \'t span wordt ge-
bruikt, waarbij dan opgelijkheid (aequalitate) wordt gelet, en dat hetuitdekribbeeet.

Bij de oude geschiedschrijvers vindt men zeer merkwaardige mededeelingen
uit het leven van het paard en vooral Dr.
Jonstons heeft op dat gebied veel ver-
zameld. Er blijkt uit dat dit dier reeds in de oudheid zeer in aanzien stond, b.v. bij
de Sirkassiers mocht de gemeene man geen paarden houden,
Atheus, koning der
Scyten, roste zelf zijn paarden; terwijl in veel landen de uitvoer van paarden was
verboden en ze door hun eigenaren zeer werden verwend.

Over den anatomischen bouw en de levensverrichtingen heerschten vele dwaal-
begrippen, toch wist
Absyrtus reeds, dat het paard geen galblaas had en bepaalde
men reeds vroeg den ouderdom naar den vorm der tanden.

Steeds werden de manen als het grootste sieraad van het paard genoemd en gold
het als een vernedering, wanneer de manen werden afgeknipt. De trots van het
paard werd er mee gebroken; het paard zonder manen liet toe, door een ezel
gedekt te worden.

Het geslachtsleven wordt door Aristoteles, Absyrtus, Plinius e.a. beschre-
ven, als zeer opgewekt, terwijl toch een groote kieschheid aan den dag werd gelegd
ten opzichte van de geslachtsgemeenschap. Evenals
Oedipus, schaamt zich de
hengst, die ontdekt dat hij met z\'n moeder gepaard heeft, en ook hij zoekt al zwer-
vende den dood.

Niet altijd was er geslachtsgemeenschap noodig voor de produktie van een
veulen, \'t geschiedde ook volgens sommigen door den wind en door fluiten, terwijl
weer anderen merriën zeer moeilijk laten opnemen, alleen b.v. in de namiddag.
De maan heeft veel invloed, dat spreekt van zelf. Een merrie, 3 dagen vóór volle
maan gedekt, geeft een hengstveulen; 3 dagen na volle maan, wordt het een merrie.
Abortus wordt opgewekt door kaarsrook en door ezels, die drachtige merries
dekken, terwijl de verlossing wordt bevorderd door het dichtknijpen van de neus-

-ocr page 780-

gaten. Heimaphroditen kende men ook en met verachting wordt er op gewezen
dat
Nero dergelijke gedrochten bereed.

De deugden van het paard op het gebied van snelheid, volharding, aanhanke-
lijkheid, liefde tot het veulen worden hoog geroemd en met historische feiten ge-
staafd; b.v. Bucephalus (ossekop) van
Alexander de Groote bracht, toen het
gewond was, eerst z\'n meester in veiligheid, alvorens neer te storten en de paarden
van
Patroklus weenden bij den dood van hun meester.

Wolven, olifanten en kameelen zijn voor het paard een gruwel; het dier wordt
zelfs zenuwachtig door het geluid van een trom met wolfsleer bespannen, terwijl
Cvrus de paarden van Croesus op de vlucht dreef, door het neerwerpen van ka-
meelenlijken.

De invloed van de plantenwereld op het paard, is ook zeer interessant; zoo
zijn er planten die de hoefijzers doen afvallen wanneer het paard ze betreedt.

Het spreekt van zelf dat ook de produkten van het paard van groote beteekenis
zijn. Paardemelk geeft vruchtbaarheid aan de vrouwen, paardebloed geneest geel-
zucht, het vet drijft de nageboorte af, de gal is zeer kwaadaardig, paardenharen,
ergens opgehangen weren de vliegen, paardeschuim en urine drijven wormen af
en geven, aan daarmee ingewreven wapenen het vermogen, steeds doorbloedende
wonden toe te brengen. Pest en tuberculose zijn door paardenspeeksel te genezen.

Ook de rassenleer der paarden, wordt door de oude geschiedschrijvers behandeld
en hier en daar treffen we mededeelingen aan, die thans nog zeer geldende zijn;
zoo wordt b.v. van het Hollandsche-, vooral het Zuid-Hollandsche paard gezegd,
dat het kloek was; het Friesche moedig en vleezig, geschikt voor krijgspaard, en
was het Geldersche — van de Hoogduitsche paarden — alleen strijdbaar.

Uit alles blijkt, dat veel uit het leven van het paard is opgeteekend, dat het
weliswaar met dikwijls onvoldoende hulpmiddelen en met de begrippen van eertijds
uitvoerig is bestudeerd en een belangstelling en vereering genoot, die wel wat af-
steekt bij den gaandeweg minderen omgang van den mensch met het paard, nu
zooveel aandacht wordt geschonken aan z\'n belagers, zooals het rijwiel, de auto enz.

Bij de rubriek: „Vrije Mededeelingen", wordt vernomen dat door verschillende
leden bijdragen zullen worden gegeven in de eerstvolgende veigadering.

De heer v. Bergen kan zich niet houden aan het door de afdeeling vastgestelde
enttarief bij varkens, omdat z\'n collega\'s in het afwijken daarvan, voorgaan.
De voorzitter — de heer
Lameris — toont zich geen voorstander van tarieven;
opgedane ervaringen hebben hem dat geleerd; zooveel mogelijk moeten de gelde-
lijke zaken buiten de afdeelingsvergaderingen blijven. De heer
Staal wenscht
— zonder zich voor ieder speciaal geval gebonden te achten — wel eenige regeling
in de vergoedingen voor veeartsenij kundige verrichtingen. Bestaat dat niet, dan
worden we met elkaar de dupe. De enttarieven zijn werkelijk niet hoog en de vee-
houders kunnen en willen ze allen zonder tegenzin betalen, wanneer ze begrijpen
dat ze vroeger daarin zijn verwend. De heer
Wolf zou gaarne een voordracht
hooren van een der heeren der seruminrichting over entstofbereiding en wenscht
z\'n verzoek in de eerstvolgende vergadering nader te verklaren. Naar aanleiding
daarvan ontspon zich een vrij levendige discussie.

De eerstvolgende vergadering zal worden gehouden te Assen en zoo mogelijk
worden besloten met een diner, waarbij ook dames zullen aanzitten.
 Kroes.

-ocr page 781-

STAAT van de gevallen van besmettelijke veeziekten, in Nederland geconstateerd ge*
durende de maand Mei 1914.

Opgemaakt door het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.
(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal eigenaren aan onder wier vee de ziekte werd
geconstateerd).

Provincie.

i/i
O
Cu

CJ

SJ

ftj

V
\'hï
ta
G

en klauwzeer

c

<u

wi ê
4
J c

0 n
u O

-o S

"O

ft bij paard
schaap.

g

V

.X

0
0.

l/l
O.

"u
c.

3
V

H

cj

<u
\'N

«j
N

c

V

G

i*
3

3
>

Hondss
dolheid.

0

"O
C

O

s

-0 3

K J3
ï
V.

3 0

u
co

«

u
GO

O
06

>

u

H

§

Bij hond
en kat

Bij alle

vee.

Friesland ....

• . I-

48(11)

13(9)

5(5)

_

Groningen

20(9)

Drenthe......

12(4)

5(5)

2 2)

Overijsel ....

3(1)

2(2)

Gelderland ..

2(1)

58(6)

7(4)

4(4)

-

Lz

Utrecht.....

NoordsHolland

-

72(9)

4(4)

ZuidsHolland

2(2)

35\'3)

27(10)

5(5)

-

Zeeland......

1(1)

Noord=Brabant

1(1)

7(6)

Limburg......

16(16)

Het Rijk ....

4(3)

70(10)

180(37)

52(26)

45(44)

Vroeger geconstateerde ziektegevallen, welke begin Mei 1914 nog niet geëindigd waren.

Zuidholland ..

9 (2)

_

Noordholland

103 (7)

210(20)

-

Friesland ....

-

Groningen ....

-

67 (4)

-

Drenthe......

38 (6)

1(1)

14(12)

HET RIJK ..

-

— 150(15)

292 (37)

_

_

Schornagel.

-ocr page 782-

Bibliografle.

Gedtnkboek der Haagsche tentoonstelling. Maastricht, Leiter-Nypels, 1914.
4°. 264
biz. 289 afb. Premie van ,,De Veldbode".

It. Luxe-editie. Ibid. 1914. 296 blz. 363 afb. f 3.20

(Voor abonnés van „De Veldbode" f 2.50)
P. T. Cadiot et F. Breton, Médecine canine. Paris, Asselin et Houzeau, 1914.
E
ug. Fröhner, Lehrbuch der Arzneimittellehre für Tierärzte, iote Aufl.
Stuttgart,
F. Enke, 1914. XV 538. M. 14.—

G. Müller, Handbuch der Arzneiverordnungslehre f. Tierärzte. Berlin, 1\'.
Parey, 1914. Geb. M. 7.50

A. I.ungwitz, Wandtafeln zur Beurteilung der natürlichen Pferde-Stellungen.
Suppl. Wandtafeln zur Beurteilung der Füsse u. Hufe des Pferdes m. Rücksicht
auf Zehenachse und Hufform. 7te Neudr. durchgesehen von
M. Lungwitz. Han-
nover,
M. & H. Schaper, 1913. 10 Taf. u. 1 Bl. 78 x 52.5 C.M. In halbleinw.-

Mappe. M 12.—

H. Kösters, Lehrbuch des Hufbeschlages. 6te Aufl. Hrsg. von Schlake. Berlin,
Selbstverlag,
1914.

A. Oppel, Lehrbuch der vergl. mikroskopischen Anatomie der Wirbeltiere.
In Verb, mit
Ballowitz, Brock, Disselhorst u. A. hrsg. Tl. 8. Die Hvpophysis
cerebri von W.
Stendell. Jena, F\'ischer, 1914. Gr. 8°. X -I- 168 S. 92 Abb. M. 8.—
E. Th. von Brücke, Der Säugetierorganismus und seine Leistungen. Tl. 1.
Leipzig, Reclam, 1914. 192 S. Mit 4 bunten u. drei einfarb. Taf. u. 21 Zeichn.

Zus. m. Tl. 2 geb. M. 1.75. In Ldr. o. Pgm. M. 2.50
Bücher der Naturwissenschaft hrsg. v. Siegm. Günther. Bd. 22.
E. Rühl, Stoffwechselversuche mit Elastin und über den Einfluss grosser
W\'assermengen auf das Drehungsvermögen des Blutplasmas resp. Serums. Inaug.-
Diss. Berlin 19
14.

E. Mangold, Die Erregungsleitung im Wirbeltierherzen. Ein Vortrag nach
vergl. physiol. Untersuchungen. Jena, G.
Fischer, 1914. Gr. 8°. 36 S. 16 Fig.

M. 1.20.

Sammlung anat. u. physiol. Vorträge u. Aufsätze hrsg. von E. Gaupp u. W.
Trendelenburg. H. 25 (Bd. III, H i.)

P. Friedrich, Die Verknöcherung der Kehlkopf- und oberen Luftröhren-
knorpel des Pferdes. Inaug.-Diss. Berlin.
1914.

O. Charnock Bradley, The Dissection of the dog. London, Longmans, Green
& Co, 1914. 40. W. 69 ill. (41 col.) Sh. 10/6 n.

Kisskalt und Hartmann, Praktikum der Bakteriologie und Protozoölogie.
Th. 1. Bakteriologie. 3te Aufl. Jena, G.
Fischer, 1914. 8". VIII 4-112 S. 40
Abb. Brosch M 3.— Geb. M 4.—

Merkbüchlein über den ansteckenden Scheidenkatarrh oder die Knötchen-
seuche der Rinder. Hrsg. von Zuchtverband für Fleckvieh in Niederbayern.

R. Offermann, Ueber die serologischen Untersuchungsmethoden als Hilfs-
mittel zum Nachweis der Trypanosomenkrankheiten, im bes. der Beschälseuche.
Inaug.-Diss. Berlin.
1914.

C. Dammann, Die Bekämpfung der Tiertuberkulose. Leipzig, J. A. Barth,
1914. Separat-Abdruck aus „Handbuch der Tuberkulose". Bd. 1.

-ocr page 783-

Paul Th. Müller, Vorlesungen über allgemeine Epidemiologie. Jena, G
F
ischer, 1914. Geb. M. 6.50

B. Kahnert, Beiträge zur Bakteriologie der Zahnkaries beim Pferde. Inaug.-
Diss. Berlin. 1914.

R. O. Neumann u. M. Mayer, Atlas und Lehrbuch wichtiger tierischer
Parasiten u. ihrer Ueberträger mit bes. Berücksichtigung der Tropenpathologie.
München,
Lehmann\'s Verlag, 1914. 8°. VI 580S. M 1300 färb. Abb. auf.
45 lithogr. Taf. und 237 Textfig. Geb.
M 40.—

Lehmann\'s mediz. Atlanten. Bd. 11.

A. Kuszmaul, Zwanzig Briefe über Menschenpocken- und Kuhpockenimpfung.
Gemeinverständi. Darstellung der „Impffrage". Hrsg. von H. A.
Gins. Berlin,
R. S
ciioetz, 1914. 8°. VIII 116. M 1.75

H. Waldmann, Untersuchungen über die beim Pferde und Hunde vorkommen-
den braunen Zahnbeläge. Inaug.-Diss. Berlin. 1914.

J. R. Möhler, A. Eichhorn and J. M. Buck, The diagnosis of dourine by
complément fixation. Pathological division, Bureau of Aminal Industy. U.S.A.

K. Schoeps, Ueber die Veränderungen der äusseren Haut bei der Schweine-
pest. Inaug.-Diss. Berlin. 1014.

H. Braun u. E. Teichmann, Erfahrungen über die tierischen Tripanosomen-
Krankheiten Deutsch Ost-Afrikas. Leipzig, J. A.
Barth, 1914. 39 S. 2 Abb. u.
1 Taf.
 M 1.75

Beiheft zum Archiv f. Schiffs- und Tropenhygiene u.s.w. hrsg. von C. Mense.
Deutsche Milchivirtschaft in Wort und Bild. Red. von K. Priedel und A. Keller.
Halle, C. Marhoi.d, 1914. M 6.—

Annuaire de la station agronomique de l\'Etat, station laitière, Bruxelles. 1913.
Schcts eener melkwet. Uitg. van het „Genootschap ter bevordering van melk-
kunde".

Nassauisches Stutbuch, Bd. 1. Hrsg. von der Stutbuchcommission der Landwirt-
schaftskammer f. den Regierungsbezirk Wiesbaden. M 5.—
Schröter, Haustierzucht in den Tropen und Subtropen. Hamburg, F. W.
T
haden, 1914.

Deutsche Tropenbibl. Bd. 6.

R. Bartens, Vererbungs- und Exterieur-Studien im englischen Vollblut.
Dargestellt an deutschen Vollblutbeschälern und ihrer Nachkommenschaft.
Berlin, Verlag der Sport-Welt.

Harter, g., Das Rätsel der denkenden Tiere. Wien u.s.w., Braumüller 1914.
v.
Maday, Gibt es denkende Tiere? Leipzig, u.s.w., W. Engelmann, 1914.
K. Schade, Veronika, Erlebnisse und Beobachtungen eines Soldatenpferdes
von ihm selbst erzählt. Dresden, Selbstverlag. Mit 24 Abb. u. Anhang. M. 0.6c

Du Buy.

-ocr page 784-

Referaten.

Die Salzsaure-behandlung der perniziösen Andmie.

Croftan had bij pernicieuze a.naemie (mens) die gepaard ging met achylie of
hypochlorhydrie, succes met groote doses zoutzuur. Per dag 6 maal 15 druppels,
na de maaltijden,. daarbij sterk vleeschdieet en rast en darmspoelingen. Beterschap
na enkele weken.

Deut. med. Woch. 1913. 39.5. Vrijburg.

Behandeling van slraalkanker.

Oyen beveelt in het Berl. Tier. Woch. 1913 XXIX, N°. 30 als behandeling van
straalkanker aan: zorgvuldige verwijdering der losse hoorn, drooghouden der zieke
deelen en alle i a 2 dagen penseelen met acet. pyrolignos. 2. formalin 1.

In hardnekkige gevallen, zoo noodig daarna bepoederen met airol. Hij had spoe-
dige genezing en geen recidive.
 Vrijburg.

Traitement des synovites tendineuses chroniques par l\'injection iodée et la cauteri-
sation en pointes.

Floriot behandelde (op voorbeeld van Cadix, die de methode met succes toe-
paste)
chroniese tendo-vaginitis bij paarden met Jodium tinctuur-inspuiting.
Door de canule der Pravaz. spuit, laat hij eerst eenige c.c. synoviaal vocht uit-
loopen, daarna wordt al naar de grootte der gal 2 a 4 Joodtinctuur ingespoten.
Na het verdwijnen der eerste ontstekingsverschijnselen tengevolge van de injektie
(na ± 14 dagen) wordt op de huid met brandijzer punten gebrand.
F. behandelde
vier paarden met goed gevolg: de verdikkingen verdwenen geheel of bijna geheel.

Recueil de med. vit. 1913, XC. 19. Vrijburg.

Les pansements osmotiques.

Bouchet maakt bij de behandeling van oedemateuse zwellingen der achter-
beenen van paarden gebruik van de wetten der osmose, volgens welke een hypo-
toniese vloeistofoplossing door een permeabele membraan stroomt naar een hyper-
toniese oplossing die zich aan de andere kant der membraan bevindt. Hij begint
met het betreffende been te reinigen en te desinfecteeren, door wassen met zeep-
water en vervolgens met heete creolien-oplossing. Nu wordt eenmaal daags, van
kogel tot spronggewricht, tegen de haarrichting ingesmeerd met een mengsel van
2 glycerine 1 verzadigde keukenzoutoplossing in water. In twee, zoo behandelde
-gevallen was na 6 dagen het been normaal. Een causaalbehandeling moet natuurlijk
zoo mogelijk ook plaats hebben. Ook kan de behandeling soms gecombineerd worden
met andere middelen, massage, afstappen, enz.

Recueil de med. vét. 1913 XC. N . 16. Vrijburg.

Flexor-tenotomy.

Vansant schrijft over tenotomie der buigpezen bij peescontractuur, en is van
meening, dat de operatie bij niet al te ver gevorderde gevallen van steltvoet steeds
gedaan behoort te worden en dat 60—75% der dieren weer volkomen bruikbaar,

-ocr page 785-

en 15—25% weer tijdelijk (voor enkele jaren) bruikbaar worden. Van groot belang
is, dat men na de operatie, het paard eenige passen laat doen om te zien hoe het
doortreedt (dit moet liefst iets meer zijn dan normaal, met het oog op latere lid-
teeken-contractie). Bij te steile stand of te sterk doortreden, moet men dan terstond
trachten te verbeteren door doelmatig hoef besnijden en geschikt hoefijzer. Bij
te sterk doortreden is het wenselijk dat het paard de eerste tijd veel ligt.

V. sneed meestal beide pezen door, soms alleen de hoefbeenbuiger.

Cary deed in tw\'ee gevallen (achterbeen) tenotomie der hoefbeenbuiger beneden
het kogelgewricht, met uitstekend succes en beveelt deze operatie aan.

Amer. vet. review. 1913 XLIII. 2 p. 139 — 4 p. 400. Vrijburg.

Radial paralysis and its treatment by mechanical fixation of knee and ankle.

Berns geeft een beschrijving (met teekeningen) van behandeling van paarden
met radialis paralyse. Aan het zieke been wordt een ijzeren apparaat bevestigd
bestaande uit een gebogen staaf, loopende van hoef tot elleboog — aan het hoef-
ijzer en om het been bevestigd en met watten gevoerd. Het toestel zou de genezing
bespoedigen, en het dier in de gelegenheid stellen aan het zieke been rust te geven
en er ook op te steunen.

Amer. vet. review. 1912. XLII. 1. Vrijburg.

Notes cliniques sur la teigne tonsurante.

Lebasque probeerde bij paarden, lijdende aan herpes, verschillende middelen
en raadt de volgende behandeling aan: Haren kortknippen, huid op en om de aan-
gedane plekken afwassen met zeepwater en daarna met aether, vervolgens pen-
seelen met een mengsel van: acid. carbol, cryst. 15 gram.

tinct. jodii. 25 „ .

hydrat. chloral. 10 „ .

2e en 3c dag nog eens penseelen. Er vormt zich een korst die na ^ 14 dagen
afvalt. In 3 weken zijn de paarden weer voor den dienst geschikt.

Borstels, stal, enz. natuurlijk ontsmetten tegelijkertijd.

Recueil de med. vét. 1913. XC. N . 16. Vrijburg.

Eenige nieuwere geneesmiddelen.

Skopolamine.

Brunner spoort aan tot voorzichtigheid in het gebruik met skopolamine, dat
in den laatsten tijd voor narcose veel gebruikt wordt, tegelijk met
morphine of
pantopon, als subcutane injectie, een uur voor de toediening van chloroform of
aether.
B. had een sterfgeval, dat hij aan de skopolamine toeschrijft.

Munch. Med. Wochenschr. 1912. 59.—3. S. 134.

N arcophin.

Straub en Zehbe bevelen een nieuw opiumpreparaat aan, dat de voordeelen
van opium moet hebben en niet de nadeelen. (in constant gehalte aan alkaloiden).

Het bevat in hoofdzaak morphine en narkotine, is in water oplosbaar. Dosis =
3V2 x morphinedosis. In vergelijking met andere opiumpreparaten staat het het
dichtst bij
pantopon (dat echter soms niet gewenste bijwerkingen heeft).

Als hoestmiddel is het iets zwakker dan codeine, wordt echter beter verdragen.

Munch. Med. Wochenschr. 9 Juli 1912.

-ocr page 786-

Digifolin.

Dit nieuwe digitalispreparaat bevat volgens Harting alle op het hart werkende
glycosiden van de foliae digitalis, zonder de overtollige of schadelijke bestand-
deelen van die bladeren. Het wordt in oplossing (in ampullen) en in tabletten
in den handel gebracht. Eén cc. ampul inhoud = i tablet o. 100 gram foliae
digitalis titrata. De tot nog toe gebruikelijke digitalis-preparaten hebben het
nadeel, dat ze niet
alle werkzame glycosiden der bladeren bevatten, ook zijn som-
mige b.v. digitoxine en digitaline, moeilijk in water oplosbaar.

Munch. Med. Woch. 1912. 59. No. 36.

Hormonal.

Kretschmer vermeldt een geval van vergiftiging met Hormonal (intraveneus
wegens chroniese obstipatie toegediend). Verschijnselen: zware collaps, die drie
uren duurde en subcutane toediening van coffeine en adrenaline-kcukenzout-
oplossing noodig maakte.
Rosenkranz bericht ook over een geval, waarbij na intra-
veneuse inspuiting van 10 cc. terstond verschijnselen optraden als bij
embolie,
hevige benauwdheid, (luchthonger) daarna zware hoofdpijn- Ook FrischBERG zag
in een geval dergelijke hevige en onaangename nevenwerkingen. Hij roemt overigens
de snelle en voortreffelijke therapeutische werking.

(Hormonal werd door Zülzer het eerst aanbevolen tegen chronische obstipatie.

Münch■ Med. Woch. 1912. 59. No. 9 en 18.

Luminal.

Geissler gebruikte in de psychiatrische kliniek in Keulen dit nieuwe slaap-
middel met succes.
Luminal (phenylathylbarbituurzuur) is een met veronal
verwant preparaat dat zich van andere gebruikelijke slaapmiddelen daardoor
onderscheidt, dat het niet alleen per os doch ook subcutaan goed bruikbaar is.
(voor subcut. gebruik wordt het in water oplosbare natriumzout genomen). Werking
na i— i1/,, uur en gewoonlijk de heele nacht aanhoudend. Geen onaangename neven-
of nawerking. Dosis mens 0.4 gram.

Münch. Med. Wochenschr. 1912. 59. No. 17.

Extractum cannabis.

Prof. Gill van het New-York American Vet. College gebruikt met uitstekend
gevolg
extractum cannabis als anaesteticum bij operaties o.a. cornard operatie,
ovariotomie, enz. Paarden van 400 a 600
K.G. kregen 10 a 15 cc. gefiltreerd vloei-
baar extract van cannabis americana intrajugulair. De dieren werden na weinig
minuten slaperig en vielen spoedig in vasten slaap, die nog wel een uur na afloop der
operatie aanhield, daarna waren ze nog eenige uren slaperig.

(Het middel is in de veeartsenijkunde weinig bekend. Fröhner zag bij honden
zelfs met groote doses (per os) weinig werking. Het herba cannabis indicae is als
haschisch bekend om zijn verdoovende werking.

Amer. vet. review 1913 XLII. 6. Vrijburg.

-ocr page 787-

(Uit de kliniek voor inwendige ziekten van \'s Rijksveeartsenijschool).

Onregelmatige en intermitteerende hartslag bij dieren,

DOOR

J. WESTER.

Een gezond dierenhart klopt regelmatig. De prikkel tot con-
tractie ontstaat door het veneuse bloed in den sinus venosus op
den grens van de vena cava en den rechter-boezem. Daardoor
ontstaat eerst de contractie van de boezems.

De prikkel wordt langs den spierbundel van His voortgeleid
op de kamers, die zich daarna ook contraheeren.

Feitelijk komt daardoor dan ook physiologisch de kamercontrac-
tie iets later dan de boezemcontractie.

Na de ventrikel-contractie treedt de refractaire pauze in, n.1.
de periode waarin physiologisch het hart niet tot contractie kan
worden gebracht. Deze rustpauze stelt het hart in staat zich voor
de volgende contractie voor te bereiden. Die pauze tusschen de
hartscontracties is bij gezonde individuen steeds vrijwel even lang.
Hierdoor is de hartslag rhytmisch en regelmatig.

Drie eigenschappen van het hart leiden dus tot dit resultaat:
i°. de contractiliteit; 2°. de periodiek terugkeerende prikkelbaar-
heid; 3°. het geleidingsvermogen voor den prikkel.

Soms is de hartslag onregelmatig, arythmisch, door wijziging
van die eigenschappen.

i°. De prikkelbaarheid kan door zenuwinvloed vermeerderd zijn.

Daardoor kan een contractie optreden vlak achter den voor-
gaande, dus eigenlijk in de rustpauze. Dit noemt men dan een
extrasystolé. Deze is kleiner dan gewoon.

Het hart heeft door die snelle opvolging meer behoefte gekregen
aan rust dan na een gewone hartslag. Ten behoeve hiervan wordt
de opvolgende rustpauze langer dan gewoon. De pauze wordt
dan zo\'
veel verlengd, dat de derde hartslag weer op zijn gewone

XLI 4i

-ocr page 788-

plaats valt (compensatorische pauze). Men ziet echter ook wel
extrasystolés optreden, zonder sterke pauzeverlenging.

Het kan zijn, dat de tweede kleinere hartscontractie (de extra-
systolé) ook een polsgolf doet ontstaan. Men voelt dan dus ook aan
de periphere arterie deze extracontractie.

Het komt echter dikwijls voor, dat deze extrasystolé niet in staat
is de bloedgolf tot in de peripherie op te stuwen (
frustrane con-
tractie).
De polsslag vertoont dan een z.g.n. intermissie; (er blijft
een slag weg); terwijl de hartslag slechts verplaatst werd. Echter
spreekt men in geval van extrasystolé ook van hartsintermissies.
Dergelijke extrasystolés treden in den regel onregelmatig op;
soms zeer zelden, soms menigvuldig.

2°. De contractiliteit kan verminderd zijn. Men hoort dan
meestal slechts een zwakke eerste hartstoon, zonder dat de tweede
toon volgt. De hartscontractie is dan dus niet sterk genoeg om
een behoorlijke hoeveelheid bloed in de arteriën te stuwen. Van harts-
intermissie kan ook hierbij eigenlijk geen sprake zijn. De polsslag
echter valt uit, en is dus wel intermitteerend. Deze contractiliteits-
vermindering treedt op bij extrasystolé, echter ook wel daar zonder.

3°. Het geleidingsv er mogen kan verminderd zijn, (door degene-
ratie van den bundel van His). Dat vermogen wordt dan nog
slechter na hartsarbeid. In plaats van zich in de rustpauze weer
geheel te herstellen wordt het na iedere contractie telkens zwakker
en zwakker en is de geleiding b.v. na 2 of 3 of 4 slagen voor een
oogenblik opgeheven. Er valt dan dus een hartslag weg, om de 2—3
of 4 slagen. Deze intermissies kunnen soms zeer regelmatig terug-
keeren b.v. telkens om de 2, of 3 of 4 slagen
(allorythmie). Op
verschillende dagen kan dit bij hetzelfde dier eenigszins varieeren.
(Voorbeelden hiervan vindt men in de curven op blz. 736.)

Dat het geleidingsvcrmogen in zoo\'n geval verminderd is, blijkt wel
hieruit, dat de boezems zich dan soms wel samentrekken bij de op-
tredende prikkel, maar de kamers niet. Men hoort dan een korten
zachten tik in het bovenste gedeelte van het hart. De kamers trekken
zich niet samen, dus een polsgolf ontstaat dan niet. Wanneer
dit slechts nu en dan optreedt, spreekt men van
,,partieel
hartblok".

Er dient te worden opgemerkt, dat sommigen het geheel
wegvallen van een hartslag wel als een gevolg van overprikkeling
van den N. Vagus opvatten, en in het algemeen aan zenuw-
invloeden, bij het tot stand komen ook van deze onregelmatig-
heden in den hartslag een groote rol toeschrijven.

Het komt ook bij dieren voor, dat het geleidingsvermogen totaal

-ocr page 789-

is opgeheven, en wel bij hartsdilatatie en ook bij myocarditis soms.
De boezems kloppen daarbij snel, de prikkel wordt echter niet op de
kamers overgebracht. Dan treden in de kamers automatische
contracties op, onafhankelijk van de boezemcontracties. Deze
kamercontracties geschieden dan in den regel langzaam (
brady-
cardie).
Er bestaat dus disaccoord (dissociatie), tusschen boezem
en kamercontracties. Dit noemt men
,,totaal hartblok\'\\

Doordat de prikkelbaarheid, de contractiliteit en het geleidings-
vermogen bij degeneratieve processen in het hart ook gelijktijdig
kunnen hebben geleden komen er overgangen en combinaties
dezer intermissievormen voor.

Het zijn vooral paarden en honden waarbij men deze intermissies
kan waarnemen.

Bij koeien neemt men het verschijnsel zeer zelden waar. Van
718 koeien, in dit opzicht door mij gecontroleerd, hadden slechts
3 een intermitteerende pols. Van 105 legerpaarden vertoonden
daarentegen 20 hartsintermissies.

Het is vooral over de hartsintermissie bij paarden, dat ik gegevens
heb verzameld. Het resultaat daarvan wenschte ik hier te publi-
ceeren.

Slechts in enkele gevallen heb ik sphygmogrammen, respectieve-
lijk cardiogrammen gemaakt, en wel omdat het registreeren van
pols- en hartslag bij paarden zeer tijdroovend is, en niet gemakke-
lijk. Daarbij komt nog, dat men eigenlijk voor het goed analy-
seeren van de polscurve tegelijk een sphygmogram, een cardio-
gram en een curve van den jugularispols dient te maken, zooals
bij den mensch dan ook geschiedt. Dit heeft voor de gewone
vétérinaire kliniek geen waarde als zijnde veel te tijdroovend.
Wel kan ik mij echter voorstellen, dat voor de vergelijkende pa-
thologie van dergelijke dieper gaande studie bij paarden zeer wel
nut is te verwachten, omdat de intermissies bij paarden zoo
menigvuldig zijn.

De sphygmogrammen heb ik verkregen door onder het kogel-
gewricht een elastische bandage vrij strak aan te halen, waardoor
de arterie boven den kogel oploopt. Hier werd dan de pelotte
geplaatst. De zoo verkregen curve is heel goed bruikbaar, vertoont
echter geen groote uitslagen.

Omdat de registratie met de genoemde bezwaren gepaard gaat,
heb ik mij dus in hoofdzaak tevreden moeten stellen met klinische
waarnemingen met het oor; waardoor dus demonstratie van
verkregen resultaten niet kan worden gegeven.

Enkele der verkregen sphygmogrammen volgen hier.

-ocr page 790-

6 8 15 8 7/a 7/2 15 7 6/i 16 6/z 6/2 8 WA

Allorrhytmie met groepen van drie of vier polsslagen. De cijfers geven de tijds-
eenheden aan.

■■■hu

/ ..\',.. ill\'.

l\'ïlMi

7 15 7 7 *23

6

23

Langaanhoudende intermissies. De periode 7, 6, 23, herhaalt zich soms vier

keer achter elkaar.

\'* 7 \'\' jj W^

^ll l\\\' i\\". i ll i ll l\'\\ v l\\ ll JIi l.. jI. j li - li > )j S»\' \' 1

7 7

Tweemaal intermitteerende pols.

-ocr page 791-

7 8X* 5 IO/2 6 11/2 7 7 13

V\'VVVV\'.A/\'Vyvnii^^vvwKv\'sKWA^\'iVv- vvVvvv.w .

19 1 5 ,1^/V 12

Bij a extrasystolé.

WW.\'WWVMMAM^^

, 6 ^u^JL^t/^

Bij paarden kan men soms polsintermissies waarnemen bij
schijnbaar gezonde, krachtige dieren. Dan blijkt dus klinisch van
schadelijke gevolgen weinig. Maar ook komen gevallen
voor waarbij de polsintermissies gepaard gaan met vermindering
van uithoudingsvermogen.

In het eerste geval kan men niet bepaald spreken van een hart-
lijden, in het tweede geval kan er wel van een hartlijden in optima
forma sprake zijn.

Veelal is men de meening toegedaan, dat de intermissies bij paar-
den, die behoorlijk hun werk kunnen verrichten, dus die van de
eerste categorie, eigenlijk physiologisch zijn. Ik ben echter tot de

-ocr page 792-

conclusie gekomen, dat het verschijnsel ook dan pathologisch is,
en wijst op een degeneratie-proces in het hart. Op welke gronden
zal blijken.

Ik moet echter toegeven, dat pathologisch-anatomisch daarbij
degeneratie-verschijnselen niet steeds zijn aan te toonen. Trouwens
slechts seriecoupes vooral van de plaats waar de prikkel tot con-
tractie optreedt, en van de geleidingsbaan kunnen in dezen behoorlijk
resultaat geven. Deze zijn door mij niet gemaakt. Slechts in enkele
gevallen was ik in de gelegenheid de hartspier macroscopisch en
microscopisch te onderzoeken.

In gevallen van intra-vitam en post-mortem gemakkelijk te
constateeren hartaandoeningen, b.v. pericarditis en endocarditis
zijn dikwijls weinig intermissies op te merken.

Chronische myocarditis maakt daarop echter een uitzondering.
Daarbij ziet men steeds intermissies, met veelal zeer onregelmatigen
hartslag. Bij acute myocarditis echter is de hartslag in den regel
ook niet intermitteerend, evenmin als bij een acute endocarditis of
pericarditis. De hartslag is dan slechts zeer frequent. Acute
myocarditis, endocarditis of pericarditis zijn dan ook in het begin-
stadium bezwaarlijk van elkaar te onderkennen.

De hartsintermissies bij z.g.n. gezonde paarden neemt men het
best, het meest menigvuldig waar in absolute rust. Als de dieren
droomerig en volkomen kalm staan, hoort men b.v. regelmatig
om de drie of vier slagen een hartslag wegvallen. Ook wel minder
veelvuldig, en dan ook minder regelmatig.

Het meest neemt men intermissies waar, veroorzaakt door
vermindering van geleidingsvermogen. Met een goede phonendos-
coop hoort men dan de korte zachte boezemtoon in plaats van de
twee hartstonen der ventrikelcontractie. Veelal echter is de
boezemtoon niet of zeer slecht te hooren. Dit zou men
echte
intermissies kunnen noemen.

Extrasystolés door overprikkeling komen veel minder voor bij
paarden.

Vrij onschuldige hartsintermissies verdwijnen bij excitatie
veelal. Vooral vermeerdering van frequentie van den hartslag
door beweging kan ze doen verdwijnen. Bij beweging wordt de
hartslag dan niet abnorm frequent. Ook bij het eten verdwijnen ze,
evenals bij heftige pijn. Zelfs het opzetten van een praam kan de
hartslag regelmatig doen worden bij de eerste excitatie. Ook bij
een maagkatarrh heb ik de intermissies wel zien verdwijnen.

Hieruit heeft men wel de conclusie willen trekken, zooals reeds
gezegd werd, dat deze intermissies feitelijk binnen de grenzen

-ocr page 793-

van het normale liggen. Deze conclusie mag echter niet zoo maar
worden getrokken, omdat het hart over zeer groote reservekrach-
ten beschikt.

De hartslag, welke na de intermissie komt is steeds sterker dan
die, welke aan de intermissie voorafgaat. Wanneer b.v. regelmatig
om de 4 slagen de intermissie komt, worden de contracties hoe
langer hoe minder sterk totdat de intermissie intreedt. Daarna
komt dan de sterkere hartslag.

Ook is er wel eens verlangzaming te bespeuren van den hartslag
tot de intermissie komt. Na de iets langere rustpauze geschiedt
de opvolging dan weer iets frequenter.

Ik heb mij de vraag gesteld of deze z.g.n. onschuldige intermis-
sies eventueel toch het uithoudingsvermogen verminderen, al blijkt
dit in het gewone gebruik niet.

Objectief is dit niet steeds aan te toonen. Veelal wordt door den
gebruiker over vermindering van uithoudingsvermogen niet ge-
klaagd, wat echter ook niet bewijst dat het paard niet sterker zou
zijn als de intermissies er niet waren.

Ik heb in menig geval de „Leistungsfahigkeif\'van het hart
trachten te onderzoeken door arbeidsproeven, n.1. door controle
van de hartslag vóór en na een draf- of trekproef.

Ik moet echter erkennen, dat in menig geval van intermissies, de
hartslag na een geforceerden drafproef niet extra frequent werd,
noch extra lang frequent bleef. Dit heb ik trouwens zelfs soms
opgemerkt bij paarden, die toch wel verminderd uithoudings-
vermogen hadden, wat reeds bij het gewone gebruik was gebleken.
Onze klinische onderzoekingsmethoden zijn echter ten dezen op-
zichte nog alles behalve volmaakt.

Dit over de z.g.n. onschuldige intermissies.

De intermissies zijn echter lang niet altijd zoo onschuldig als
de hierboven beschrevenen.

Klinisch vertoonen de ernstiger te beoordeelen intermissies enkele
eigenaardigheden, die ze van de meer onschuldige kunnen doen
onderscheiden.

i°. Bij de meer ernstige gevallen wordt n.1. de hartsfrequentie
soms plotseling zeer groot, b.v. reeds door hard aanspreken, of
bij het omzetten, of na geringe beweging. Het hart is dan dus
meer excitabel, wat prognostisch van belang is. Zoo\'n sterk
excitabel hart met intermissies is
zeker gedegenereerd, en
functioneert niet naar behooren. Dergelijke paarden hebben
weinig uithoudingsvermogen.

Na de excitatie of beweging komen dan de intermissies vooral

-ocr page 794-

voor den dag in de overgangsperiode tot langzamer hartslag. De
hartslag is dan dikwijls rommelend.

2°. Bij zulke dieren treden de intermissies veelal sterker op bij
beweging, terwijl bij de meer onschuldige intermissies beweging
steeds de onregelmatigheid doet verdwijnen.

3°. Ook is bij de meer ernstige gevallen veelal op te merken,
dat de eerste hartstoon is gedeeld, dubbel, of gespleten.

Dat gespleten zijn treedt dan ook weer sterker op, hoe meer de
intermissie nadert. Na de intermissie is het eerst weer niet zoo zeer
aanwezig, waaruit blijkt, dat in die gevallen de verdubbeling van
den eersten hartstoon en de intermissies op dezelfde oorzaak
berusten.

De verdubbeling van den eersten hartstoon kan echter ook vrij
onschuldig zijn.

Soms zijn de verschijnselen met intermissie gepaard gaande zeer
ernstig en uiten zich in onmacht en zenuwverschijnselen.

Op een en ander kom ik later nog terug.

Oorzaken. Er zijn voor het optreden van intermissies bij dieren
vooral drie oorzaken aan te wijzen, n.1. i°.
ziekten, speciaal infec-
tieuse borstaandoeningen; 2°.
overinspanning; 3°. intoxicaties.

Pneumoniën geven zeer spoedig aanleiding tot degeneratie van
de hartspier, waaraan de dieren meestal in laatste instantie sterven.
Veelal blijven bij herstel in verband met die degeneratie intermissies
achter, die dan dikwijls eerst optreden in het stadium van recon-
valescentie, waarschijnlijk voor een deel in verband met het dan
langzamer worden van den hartslag.

Die intermissies na ziekten kunnen blijvend zijn; ze kunnen
echter ook bij langdurige rust weer volkomen verdwijnen.

Overinspanning komt voor bij paarden in allerlei dienst; vooral
echter bij coursepaarden. Daarbij worden dan ook dikwijls inter-
missies geconstateerd en juist bij die dieren, die z.g.n. „het eind
niet kunnen uitloopen". Deze functiestoornis staat dan meestal in ver-
band met een vroeger opgetreden hartsdilatatie na te sterke inspan-
ning („cceurforcé").

Bij jonge paarden komen daarmee in verband zelden inter-
missies voor, tenzij ze te vroeg voor zware diensten worden ge-
bruikt. Ook zware landarbeid kan bij zeer jonge temperament-
volle paarden blijvende intermissies tengevolge hebben.

Bij paarden in het boerengebruik ziet men overigens betrek-
kelijk weinig intermissies. Degene die ze in sterke mate vertoonen
zijn dan nog al eens op reform gestelde leger- of trampaarden.

Bij legerpaarden ziet men zeer menigvuldig intermissies. Hoe

-ocr page 795-

— 74i —

ouder de dieren worden, hoe frequenter het verschijnsel. Van 72
artilleriepaarden te Utrecht vertoonden 11 intermissies (15 %).
Van 32 treinpaarden 9 (28 %). De mogelijkheid bestaat, dat dit
in verband staat met het onder de legerpaarden veelvuldig voor-
komen van borstziekte, respectievelijk streptococcen-infecties.

Bij schimmelintoxicatie komen somwijlen sterke intermissies
voor, die na enkele dagen weer verdwijnen.

Dit ziet men ook wel optreden bij koeien. Aangezien de inter-
missies bij koeien overigens zoo weinig voorkomen, dient men bij
aanwezigheid er van bij het rund steeds aan de mogelijkheid van
schimmel-intoxicatie te denken.

Eigenaardig is ook dat ikterus bij honden dikwijls gepaard gaat met
intermissies van den hartslag en verlangzaming van de pols. Naar\'t
schijnt moet dit aan de intoxicatie door de circuleerendegalzure zou-
ten worden toegeschreven. Bij oude honden ziet men het verschijnsel
ook vaker dan bij jonge. Vooral bij trekhonden komen inter-
missies en later har tsdilatatie in die mate voor,dat men wel van een be-
roepsziekte zou kunnen spreken, zooals emphyseem dat is bij paarden.

Ziektegeschiedenissen.

Enkele meer of min typische gevallen laat ik hier volgen.

i°. Een sterke, sneldravende russische hit liep iederen morgen in
zeven minuten van de Bilt naar Utrecht; wegens zijn temperament
kreeg het dier weinig krachtvoeder.

Na eenigen tijd vertoonde het dier verschijnselen van onmacht,
bestaande in ramen, slingeren, vallen.

Na een dergelijken aanval werd het paard ter behandeling
aangeboden.

Het dier was vrij sterk gedeprimeerd, vertoonde echter toen
in den gang geen afwijkingen meer.

De pols was zeer onregelmatig en intermitteerend, en werd bij de
minste beweging zeer frequent, ging als het ware op hol. De eerste
hartstoon was dubbel, de hartslag rommelend. Vergrooting van het
hart was niet objectief waar te nemen (door percussie).

De therapie bestond in rust, goede voeding en digitalis. Na een
week was de hartslag veel verbeterd; na 14 dagen was hij weer vrij
goed. Na dien tijd deed de hit weer dienst, maar nu kalmer.

Vijf maanden na de behandeling, bleek de hartswerking vrij goed.

In rust, was toen het hart volkomen normaal. Bij excitatie of na
eenige beweging vielen er echter nog enkele hartslagen uit, of
waren minder scherp geaccentueerd. Tien maanden na de behande-
ling bleek het hart volkomen normaal.

-ocr page 796-

2°. Een harddraver werd ter onderzoek aangeboden, omdat het
dier „kolderachtige" verschijnselen vertoonde zoo nu en dan.
Het was voor rijtuigdienst verkocht, omdat het uithoudings-
vermogen sterk was verminderd.

Het dier was nu en dan erg suf, viel dan wel en ging door deketting.
Vooral trad dit verschijnsel op na een spoorreis.

De pols was langzaam, sterk arythmisch, en vertoonde een ge-
deelde eerste hartstoon. Rij de minste excitatie ging het hart op
hol. Hartsvergrooting was niet te constateeren. Het dier werd
in boerengebruik genomen. Na ± een jaar was de hartslag weer
normaal.

3°. Een sterk, robust, temperamentvol rijtuigpaard leed twee
keer aan pneumonie. Het longlijden genas prompt. Het hart was
echter iets arythmisch gebleven.

Daarna ging het dier op hol met een rammelend landbouwwerk-
tuig, liep door een hek, verwondde zich sterk en viel.

Ten behoeve van een carpaalwond moest het enkele dagen opgebon-
den staan, maar telkens viel het dier door het halstertouw, en ver-
toonde dan verschijnselen van depressie. („Hartblok"?) De hartslag
was daarbij sterk arhytmisch, met gedeelden eersten hartstoon.
Bij eenige excitatie ging het hart ophol, werd de pols zeer frequent.

Later kon het dier sleehts met intensieve voeding eenigszins
behoorlijk zijn dienst doen. Na eenige inspanning was de ademhaling
steeds zeer frequent, en stond er schuimig vocht op de neus-openingen.
De hartslag was steeds sterk arythmisch.

Ten slotte stierf het dier op den weg, na zeer sterke inspanning
voor een vrachtwagen, aan bloedingen in de hartspier.

4°. Een luxe-rijtuigpaard werd ter behandeling aangeboden
omdat het zeer spoedig vermoeid was, erg zweette en een zoo slappe
gang had, dat het vrijwel onbruikbaar was. Het dier was abusievelijk
op twee en een half jarigen leeftijd voor den vollen dienst
gebruikt, wierp onverwacht op drie jarigen leeftijd een veulen,
werd toen ziek, en was daarna nooit meer de oude.

Geen enkel orgaanlijden kon worden gevonden. Het hart was
echter arrhytmisch, en vertoonde een gedeelden eersten hartstoon.
De hartslag werd bij eenige excitatie dadelijk zeer frequent.

Sterke voeding werd voorgeschreven, voorzichtig gebruik aange-
raden, en liquor fowleri verstrekt. Het paard is daarop veel beter
geworden. Volkomen normaal was het hart een half jaar na het
eerste onderzoek nog geenszins.

5°. Een oude, eertijds beroemde Amerikaansche harddravers-
hengst vertoonde bij aankomst hier te lande reeds hartzwakte. Na
in training te zijn genomen traden spoedig zeer ernstige ver-

-ocr page 797-

schijnselen van circulatiestoornis op. Na eenige ronden te zijn
gereden, gedroeg het dier zich zeer wild, steigerde en viel neer.
(„Hartblok"?)

Na zoo\'n aanval was het paard gedeprimeerd, en had een wanke-
lenden gang. Dit bleef nog een paar dagen aanwezig, en dan was
het dier weer normaal.

De hartslag was langzaam (30 in de minuut) vol, week en sterk
intermitteerend, nu en dan zeer onregelmatig, zelfs filant. De harts-
tonen waren niet sterk, maar zuiver. De eerste hartstoon was nu
en dan gedeeld. Na enkele passen ging het hart steeds als \'t ware
op hol. Telkens herhaalden zich de aanvallen bij training tot einde-
lijk de toestand van depressie stationair werd. Na langdurige be-
handeling met koude douches, arsenicum, joodkalium en rust
werd het dier oogenschijnlijk weer normaal, ook de hartslag nader-
de
in rust tot het normale; slechts enkele intermissies konden wor-
den waargenomen. Na een honderd Meter draven echter was de
hartslag steeds weer zeer fequent en onregelmatig; zoodat het dier
niet meer in courses mee kon loopen.

6. Een renpaard was in tra ining genomen, echter al spoedig als on-
bruikbaar verkocht. Het dier kwam voor een chirugisch lijden in be-
handeling,waardoorik gelegenheid had ook het hart te onderzoeken.

De hartslag was langzaam (22—24) onregelmatig-intermitteerend
Bij de geringste excitatie (door aanroepen b.v.) werd de hartslag
zeer frequent, onregelmatig en bonzend. De eerste hartslag was ge-
deeld, vooral bij overgang tot den rustigen hartslag (,,bruit de
galop"). Dan kwamen de intermissies om de 2 a 3 slagen; in vol-
komen rust om de 6 a 7 slagen.

Bij het eten van haver was de hartslag regelmatig, zelfs nog een
half uur daarna was soms geen intermissie, noch gedeelde eerste
hartstoon te hooren, soms. De hartslag varieerde trouwens ook
in rust; de afwijkingen waren lang niet altijd dezelfde.

Het dier stond eenige weken op stal. De hartslag werd meer
en meer normaal; maar steeds bleef abnorme frequentie na eenige
excitatie bestaan, en steeds bleef het ,,bruit de galop" bestaan in
den overgang tot rust.

7. Een stalhouderspaard kwam in behandeling met de anamnese,
dat het niet eten wilde nadat het den vorigen dag een rit van 15
Kilometer naar buiten had gemaakt. Dit was reeds meer gebeurd.
Wanneer het dier zijn gewone dienst, voor een dokterskoetsje, in
stad deed, was het altijd even monter en opgewekt.

Het dier vertoonde een sterk intermitteerende pols. In rust
kwam om de 4 slagen telkens een rustpauze, overeenkomende met

-ocr page 798-

vier slagen. De rustpauze duurde telkens ongeveer 5 seconden. De
polsfrequentie was 24 in de minuut.

Nu en dan hoorde men slechts den eersten hartstoon als een
korten tik; de tweede toon bleef weg, een polsslag was dan natuurlijk
niet te voelen.

Na een honderd Meter draven was de hartslag zeer frequent (80)
maar regelmatiger. De eerst hartstoon was na de beweging gedeeld.

Den volgenden dag, na rust, was de hartslag veel beter. De eerste
hartstoon was krachtiger, de intermissies waren zeldzaam.

Den daarop volgende dag, terwijl toch het dier steeds op stal
had gestaan was het hart weer minder krachtig. De intermissies wa-
ren echter toch niet zoo menigvuldig als in het begin. Wanneer een
intermissie in aantocht was werd de eerste hartstoon langzamer-
hand minder krachtig en ook gedeeld. Na de intermissie verdween dit
weer. Na een paar weken rust was de hartslag nu en dan nog sterk
intermitteerend, en dan weer beter. Na eenige excitatie (door het
hooren gaan van een ander paard b.v.) was de hartslag frequenter,
maar regelmatiger.

Ten slotte waren intermissies steeds aanwezig en werd het dier
maar weer in gebruik genomen. Na een half jaar bleek dat de
dienst voor een doktersrijtuig steeds uitstekend werd verricht. Een
reisje naar buiten had echter nog steeds ten gevolge, dat het paard
een paar dagen niet at.

8. Een harddraver kon de in den laatsten tijd „het eind niet
meer halen," draafde wel 500-1000 M. minder dan gewoon. Het had
dikwijls lichte neus-bloedingen gedurende de courses.

Het hart was intermitteerend, en spoedig abnormaal frequent,
Na een paar weken rust en wat arsenicum was het dier weer hersteld.

9. Een sleeperspaard had eenige zeer zware dagen achter den
rug. Het was toen paretisch, wankelde, struikelde, en was gedepri-
meerd. De hartslag was 60 in de minuut, zeer onregelmatig met inter-
missies om de 3 slagen, en nu en dan tachycardie.

Ook enkele maanden te voren had het dier na zwaren dienst
deze verschijnselen vertoond.

Na een aderlating, en eenige dagen rust deed het dier weer be-
hoorlijk dienst. De intermissies waren wel verminderd, maar toch
nog aanwezig.

10. Een op reform gesteld legerpaard had bij den verkoop in-
termissies. Later verdwenen ze vrijwel.
Een dag stevig werken echter
kon ze weer te voorschijn doen komen.

11. Een geïmporteerde Hackney was een paar maanden ge-
leden zwaar ziek geweest (pneumomie en infectieuse enteritis). Het

-ocr page 799-

dier was oogenschijnlijk weer gezond, at goed, maar was nog z.g.n.
„slap". Het hart sloeg onregelmatig intermitteerend. Soms kwamen
de intermissies om de 3 slagen, dan weer om de 5 of 7 slagen b.v.,
een enkele keer bleven twee slagen weg. Nu en dan was slechts de
boezemtoon te hooren. De eerste hartstoon was iets gedeeld, wat erger
werd tegen den tijd dat de intermissie optrad.

Na tien Meter gaan of eenige excitatie was de pols ± 80 slagen
in de minuut. De hartslag was dan regelmatiger.

Na honderd Meter draf in zwaar terrein was de pols 110 en bonzend.

12. Een boerenpaard had pneumonie gehad. De hartslag
was sterk intermitteerend (om de 3—4 of 5 slagen, soms twee uit-
vallend: De
tweede hartstoon was verdubbeld. De ademhaling
frequent. Na een kwartier rijden was het dier zeer vermoeid, de
polsslag 100 en ademhalig zeer frequent.

Door een toeval stierf het paard. Degeneratie van de hartspier
kon niet worden aangetoond. Hier en daar bleken de pleuraplaten
door brides verbonden. De frequente ademhaling zal voor \'t minst
wel aan dit laatste moeten worden toegeschreven.

13. Een Hackney uit Engeland geïmporteerd is na aankomst
ziek geworden. Afgeleverd en in gebruik genomen blijkt het dier geen
behoorlijk uithoudingsvermogen te hebben. De veearts consta-
teerde een hartsgebrek. Ter fine van advies werd het paard naar
de veeartsenijschool gezonden.

Het dier was oogenschijnlijk volkomen gezond. De pols vertoonde
echter intermissies om de 3 slagen. Het aantal was 32. Om het
uithoudingsvermogen te controleeren werd het dier ingespannen en
een uur in draf gereden. Na terugkomst was de pols 60 met slechts
een enkele intermissie. Na 20 minuten rust was de pols reeds weer
38 na een half uur 35. Het paard at dadelijk was dus niet extra ver-
moeid.

Den geheelen dag bleven de intermissies vrijwel weg. Den vol-
genden dag waren ze weer aanwezig, maar nog minder frequent
dan gewoon.

Hoewel dus het hart bij deze proef geen bepaalde aanwijzingen
gaf omtrent verminderd uithoudingsvermogen, bleek toch bij het
rijden, dat het paard niet het temperament had en het uithoudings-
vermogen hetwelk men van een dergelijk jong raspaard mocht ver-
wachten. Het hart verbeterde gedurende den tijd dat het dier in
observatie was.

14. Een paard hetwelk aan de Veeartsenijschool werd behandeld
voor een absces aan den kogel, werd plotseling ernstig ziek. Het
dier had profuse diarrhee, en stonk enorm. Temperatuur 39."7. Pols

-ocr page 800-

88. Bij den eersten hartstoon waren geruischen te hooren op het
punctum maximum van den mitralis.

Na enkele dagen zijn de geruischen verdwenen, de frequentie
wordt minder (60) maar er treden nu intermissies op, en „valsche
contracties" (boezemtoon)

Na 14 dagen was de pols 48 a 50, en bestonden de intermissies
nog. Na vier weken was het hart weer normaal.

15. Een paard hetwelk voor vlekziekteserumbereiding had
gediend kwam aan de veeartsenijschool.

Het dier was oogenschijnlijk gezond. De pols was echter zeer
frequent (75—85) en zeer onregelmatig, met periodes van tachy-
cardie en intermissies. De intermissies volgden echter volstrekt niet
regelmatig, integendeel ze komen zeer onregelmatig op. De
polsslagen zijn inaequaal; enkele zijn ternauwernood te
voelen. Na vijf minuten stappen was de frequentie tot 120
gestegen, en was de pols zoo onregelmatig, dat ze moeilijk te
volgen was.

Na en dan werd eenig bijgeruisch gehoord na den tweeden
hartstoon. Het hart bleek bij percussie eenigszins vergroot.

Het paard werd later afgemaakt wegens beenbreuk. Bij sectie
bleek de hartspier doorspekt met bindweefsel. Vlekziektebacillen
waren er niet meer in te vinden. (Naar mij werd meegedeeld komen
er onder de paarden, die gebruikt worden voor de bereiding van
vlekziekteserum zeer veel hart aandoeningen (ook endocarditis) voor).

16. Een wegens kreupelheid op reform gesteld artilleriepaard
werd door de Veeartsenijschool overgenomen, omdat het dier
regelmatig terugkeerende intermissies vertoonde. Na een maand
waren de intermissies verdwenen. Na een dag werken in het land
kwamen ze weer terug, hoewel in minder sterke mate.

17. Een zesjarige Hackney was wegens ongeneeslijke stijfheid
onbruikbaar geworden en werd door de school overgenomen,
omdat het dier allorrhytmie vertoonde. Regelmatig bleven om de
drie of vier slagen één of twee hartslagen weg, in den regel was dan
een korte, zachte tik van de boezems te hooren.

Teekenen van een hartlijden waren overigens niet aanwezig.
Toch kwamen bij het gebruik van cardiotonica (b.v. terpentijn
subcutaan) steeds geruischen voor den dag bij den eersten hartstoon.

Na den dood is geen hartlijden geconstateerd. Toch wijst een en
ander zeker wel op een degeneratief proces.

De toestand bleef gedurende de twee jaren dat het paard nog
aan de school leefde, steeds precies dezelfde.

Van dit paard zijn enkele der gereproduceerde polscurven

-ocr page 801-

afkomstig; de meeste der genomen experimenten die hieronder
volgen zijn op dit dier genomen.

18. Een achttienjarig artilleriepaard werd op reform gesteld,
omdat het den dienst nier meer kon verrichten, n.1. spoedig ver-
moeid was en een onregelmatige hartslag vertoonde. Drie jaar
te voren was het op de manoeuvres neergevallen (,,Hartblok"?).
Later had het verschillende keeren neusbloedingen.

De polsslag was onregelmatig intermitteerend (extrasystolés)
Om de twee, drie, of vier slagen ongeveer trad een grootere pauze
op. Polsintermissies kwamen meer voor dan hartsintermissies.
De frequentie was 36. Het dier leefde nog ^ een half jaar, zonder
dat het hart verbeterde. Sectie is niet kunnen worden verricht.
Ook van dit dier zijn enkele der curven afkomstig.

19. Bij een ouden dekhengst was de polsfrequentie normaal (32).
Vlak op den hartslag volgde nu en dan een tweede kleinere extra-
systolé. De opvolging was niet regelmatig. Ze geschiedde gemiddeld
2 a 3 keer in de minuut. De pols vertoonde dezelfde afwijking.

20. Een stalhouderspaard leed aan maag-darmkatarrh, door
het eten van schimmelig hooi. De hartslag was zwak en inter-
mitteerend, na eenige beweging bonzend.

Na verstrekken van beter voedsel en Sal carol. fact. was binnen
enkele dagen de maag-darmaandoening genezen en was ook de
hartslag weer normaal, zonder intermissies.

21. Een ander paard had eveneens een maag-darmkatarrh
door het schimmelig voedsel. De iste hartstoon was dubbel, de
hartslag zéér onregelmatig, intermitteerend. Na 5 dagen behandelen
met sal carol. factitium was de eetlust verbeterd en de hartslag
normaal.

Resumeerende wijs ik er op, dat de intermissies vooral voorkomen:

i°. bij course-paarden;

2°. bij oude paarden;

3°. na ziekte;

4°. door oververmoeidheid;

5°. door schimmelintoxicatie;

Daartegenover weinig bij runderen en bij jonge prarden maar
weer zeer veel bij trekhonden.

Al kan dus niet steeds gemakkelijk objectief, naden dood bij dieren
met intermitteerenden hartslag, degeneratie van het hart of een
andere anatomische afwijking worden aangetoond, mag men toch
op grond van een en ander wel aannemen, dat tenminste veelal
hartsdegeneratie aan dit verschijnsel ten grondslag ligt.

r

-ocr page 802-

Experimenten.

Op grond van de overweging, dat hartsdegeneratie wellicht
een rol speelt bij het optreden van intermissies in den hartslag,
heb ik gedacht, dat dieren, welke dit verschijnsel vertoonen, in
zekeren zin materiaal konden vormen voor het bestudeeren van de
werking van cardiotonica en enkele andere middelen, door den
invloed van deze op de intermissies na te gaan.

Echter ben ik mij wel bewust, dat hier veel\'voetangels en klem-
men liggen, omdat de intermissies ook door andere omstandig-
heden, zooals uit het voorgaande gebleken is, zeer kunnen vari-
eeren.

Ik zal dan ook zonder veel commentaar het resultaat van mijn
experimenten meedeelen.

i°. Het paard bedoeld in de ziektegeschiedenis n°. 7, kreeg
7
gram pulv. foliorum digitalis. Den volgenden dag was de toestand
aanmerkelijk verslecht. In plaats van om de 4 slagen, kwamen
de intermissies reeds om de twee slagen, terwijl spoedig hartkloppen
optrad. Ook bij andere paarden heb ik dezelfde werking van digitalis
opgemerkt. Wanneer b.v. slechts enkele intermissies aanwezig
waren vóór het geven van digitalis, werd na het gebruik van 5
gram digitalisbladeren, gedurende enkele dagen, de toestand veel
slechter en traden b.v. de intermissies telkens op om de drie slagen.

Ook bij den mensch is opgemerkt dat digitalis bij intermissies
geen gunstigen invloed heeft.

2°. Vijf dagen na dit experiment, nadat de hartslag weer gewoon
was geworden (intermissies om de 4 slagen) werd 15gram
,,digalen\'"
subcutaan, geïnjicieerd.

Na 17 uur werd her resultaat voor het eerst nagegaan. Toen
bleek dat de hartslag volkomen normaal was: geen intermissies
meer, geen verdubbeling van den eersten hartslag. Het dier was
iets nerveus. Na 24 uur was de hartslag weer als vóór de proef,
de nervositeit was weer verdwenen.

Bij de eerste opname was op de injectieplaats een diffuse pijn-
lijke zwelling te bespeuren, die spoedig weer slonk.

Een ander paard met hartsintermissies (om de 3 of 4 slagen bleven
er een of twee weg,) en gedeelden eersten hartstoon, werd subcutaan
15 gr.
digalen geïnjicieerd. Na eenige uren was het paard iets suf,
en was de eetlust verminderd. De hartslag was nog als te voren,
hoewel de digalen toch blijkbaar reeds een algemeene invloed
op het organisme had. Na 24 uur was de pols krachtig (40); de
intermissies waren verdwenen, de hartstonen waren zuiver. Toen
was er een pijnlijke zwelling op de injectieplaats waar te nemen.

-ocr page 803-

Hiermede in verband steeg de temperatuur tot 390. De zwelling
vermeerderde, de polsfrequentie en de temperatuur raakten ver-
hoogd gedurende een vijftal dagen, Al dien tijd was de pols regel-
matig en krachtig. Toen de zwelling verdween werd ook de pols
weer als vóór de proef.

Een derde paard met allorhytmie (intermissies om de 3 slagen
en boezem toon) kreeg 5 gram
digalen intraveneus, wat zonder
invloed op de intermissies bleef.

Na enkele dagen werd het dier 15 gram digalen intraveus
geïnjicieerd. Twee uur na de injectie was de ie hartstoon in drieën
gedeeld („bruit de galop"). Invloed op de intermissies was niet
te constateeren.

Ik heb van de werking van digalen dus dezen indruk gekregen,
dat de pijnlijke zwelling op de injectieplaats na subcutane inspuiting
feitelijk, in hoofdzaak ten minste, de verbetering van den hartslag
voor hare rekening heeft, en dat overigens digalen evenmin als de
digitalisbladeren op de intermissies een specifieken invloed uitoefent.

Dat pijn deze hartsversterkende invloed kan hebben, bleek mij
toevallig doordat laatstbedoeld paard eens plotseling zeerpijnlijk
werd aan één der extremiteiten door kogeldistorsie. Gedurende
drie dagen waren toen de intermissies totaal verdwenen. Toen de
pijnlijkheid afnam, kwamen ook de intermissies terug.

30. Een paard met allorrhytmie -(intermissies om de 4 slagen,
gedeelde eerste hartstoon) kreeg gedurende drie dagen twee maal
15 gram
Digitalis dyalisaat („Bürger") overeenkomende met
6 gram digitalisbladeren. De hartslag ging hierdoor van 29 a 30
op 24 a 25 terug. De intermissies vermeerderden nog eenigszins
in aantal en ze werden langer.

De conclusie kan dus zijn, dat digitalis en digitalis praeparaten
geen gunstigen invloed op de intermissies hebben. Zou de werking
op den nervus vagus hierbij in het spel zijn?

4°. Een paard met allorrhytmie, (om de 3 slagen een a twee
slagen weg) en harts-frequentie 32, werd 8
Liter bloed uit de veua
jugularis
genomen. Dadelijk daarna was de hartslag 50, krachtig
en zonder intermissies. Na 6 uur was de frequentie 42, en de
hartslag nog krachtiger en regelmatig. Twintig uur na de
aderlating was de frequentie 38, en kwamen de intermissies terug,
voorloopig nog minder in aantal. Na 2 dagen was de hartslag als
vóór de proef, wellicht zelfs iets minder sterk.

De cardiotonische invloed van aderlating, die bij hart- en asthma-
lijders meer en meer wordt geëxploiteerd bij den mensch, kwam
dus ook hier voor den dag.

-ocr page 804-

De gunstige werking moet worden toegeschreven aan de
minder sterke vulling van het hart na de aderlating, waardoor
gedurende eenige tijd de hartspier zich minder heeft in te spannen.

5. Laatstbedoeld paard kreeg per os 400 gram alkohol van 20%.
Na een kwartier kwamen de intermissies minder veelvuldig voor.
Na een half uur waren er perioden van b.v. 20 slagen zonder één
intermissie. Na een uur naderde de toestand weer die van voor
de proef. Na twee uren waren de intermissies weer aanwezig als
voor het ingeven.

6. Hetzelfde paard kreeg eenige dagen later 800 gr. spiritus
van
40%, waardoor een stomatitis optrad, die hoewel niet ernstig,
toch het dier gedurende zes uren den eetlust benam. Werking
op het hart was echter niet te bespeuren. De intermissies bleven
bestaan; den volgenden dag was de hartswerking zelfs nog iets
slechter (weer intermissies).

Deze negatieve werking van de alkohol is moeilijk te rijmen
met die onder 5 beschreven; tenzij men aanneemt dat de dosis
te groot is geweest, en de exciteerende werking plaats maakte
voor een deprimeerende, resp. indifferente.

7. Ter controle werd het paard later 800 gr. alkohol van 44%
ingegeven. Den eersten dag was de werking op het hart vrijwel
nihil. De cardiotonische werking van alkohol was dus ook nu
afwezig. Wel was den volgenden dag de hartslag zonder inter-
missies; het paard had echter toen een heftige stomatitis, die wellicht
door de pijn deze werking tengevolge had.

8. Hetzelfde paard werd 40 gram campherolie (1:4) subcutaan
geïnjicieerd, waarna geen werking op de intermissies viel waar
te nemen.

9. Intraveneuse injectie van 2 gram campher opgelost in 80
gram alkohol (20%) en 320 aqua. Het eerste uur verliep zonder
werking. Anderhalf uur na de injectie was de polsfrequentie
50, de hartslag krachtig en zonder intermissies; daarbij eenige
excitatie en spierrillingen. Na vier uur was de pols weer 38 en be-
gonnen de intermissies weer terug te komen. Na acht uur was de
toestand weer als te voren.

10. Injectie 40 c.M3. aether sulfuricus subcutaan. In rust bleven
de intermissies dezelfde. Wel werd het hart meer excitabel, de
frequentie was n.1. bij het binnenkomen in den stand dadelijk 80.
De pijnlijke zwelling op de injectieplaats kan daartoe medegewerkt
hebben. Van gunstige werking op de hartsintermissies was geen
sprake.

11. Later werd 20 c.M3. aether met. physiologische keukenzout-

-ocr page 805-

— 75i -

solutie (1:5) intraveneus geïnjecieerd, zonder werking uit te
oefenen.

Ook 50 gram aether sulfurieus met 1 Liter NaCl. solutie intra-
veneu bleef zonder invloed op het hart.

12. Hetzelfde paard werd subcutaan 50 m.gr. sulfas atropini
ingespoten. Na twintig minuten was de pols frequentie 80, de
hartslag was regelmatig geworden, zonder intermissies. Het
dier was iets geëxciteerd, en at gedurende een achttal uren niet;
de pupil was sterk verwijd.

Dezelfde werking werd verkregen met 25 en met 10 m.gr.
atropine. Ook daarna werd de pols zeer frequent en de intermissies
verdwenen.

Na ongeveer 4 uur was de polsfrequentie weer tot 46 gedaald
(vóór de proef was ze 30). Reeds toen kwamen de intermissies terug.

In verband met het feit dat verhoogde polsfrequentie steeds
de intermissies deed verdwijnen, en de intermessies reeds terug-
keerden terwijl er nog een eenigszins hoogere frequentie bestond,
meen ik dat er feitelijk geen aanleiding bestaat te concludeeren
tot een speciale intermissie verdrijvende werking van atropine.

Ik wijs daarop, omdat men steeds in de boeken leest, dat het
verdwijnen van de intermissies na atropineïnjectie wijst op den
invloed van den nerv. vagus als oorzaak der intermissies. Het wil
mij voorkomen dat men daarbij niet genoeg rekening houdt met
de polsversnellende werking van dit middel, wat op zichzelf reeds
aanleiding kan zijn, dat de intermissies verdwijnen.

13. Injectie van 0.5 gr. hydrochloras cocaïni had geen vermin-
dering van de intermissies tengevolge. Ik enjicieerde dit alkaloïd,
omdat het wel wordt gebruikt bij de z.g.n. „doping" van course-
paarden.

14. De injectie van 10 gram adrenaline (1:1000) gaf geen
verbetering der intermissies te zien; 20 gram adrenaline deed naast
heftig zweeten en spierrillingen, wel sterker polslag optreden,
zonder echter de intermissies te doen verdwijnen. Adrenaline staat
bij den mensch als een sterk candiotonicum bekend.

15. Subcutane injectie van oleum therebinthinae (6—10 gram)
deed strijk en zet de intermissies verdwijnen, terwijl daar
nevens de hartslag veel krachtiger werd. Men dient hierbij echter
vooral niet uit het oog te verliezen, dat deze terpentijninjecties
aanleiding geven tot zeer pijnlijke zwellingen.

Ter vergelijking werd 7 gram terpentijnolie in ol. olivarium
intratracheaal ingespoten. Het middel bleef toen zonder uit-
werking.

-ocr page 806-

16. Ter vergelijking werd ook intraveneus 20 gram Tallianine
ingespoten (geozoniseerde terpentijnolie). Hierna werd inderdaad
vermindering der intermissies waargenomen, en versterking van
den hartslag. Den volgenden dag werd de injectie herhaald waarna
de werking nog beter te bespeuren was. Zooals bekend is werd
Tallianine vroeger nogal veel gebruikt bij borstziekte.

17. Ten einde den invloed te bepalen van sterkere spanning
der bloedmassa op de hartspier, werd 4
Liter NaCl. solutie
intraveneus
geïnjicieerd. Den eersten dag daarop was volstrekt
geen verbetering waar te nemen; den volgenden dag scheen
eenige vermindering van het aantal intermissies te constateeren,
en ook minder gespleten zijn van den eersten hartstoon; in ieder
geval echter is de werking gering geweest, als ze er al was.

November 19x3.

„Hartblok" bij een hond door hartsdilatatie.
(Adam-Stokes\' ziekte).

Een oude, sterk gebouwde trekhond werd aan de kliniek van
de veeartsenijschool ter behandeling aangeboden omdat het dier
in den laatsten tijd zijn dienst niet meer kon verrichten, wijl
het na eenige beweging telkens neerviel.

Het dier werd aan de school afgestaan.

De hartslag en de pols waren sterk verlangzaamd (24—28—32)
maar regelmatig en uiterst krachtig.

Daarnaast echter was het bij bezichtiging en auscultatie duidelijk
waarneembaar, dat het bovenste deel van het hart (de boezems
zich -J- 120 keer in de minuut contraheerde. Een duidelijke vene-

-ocr page 807-

Bij den eersten hartstoon trad later een niet scherp omschreven,
en weinig klankvol geruisch op. (Door insuffiscientie der atrio-
ventriculairekleppen). Het hartspercussieveld was sterk vergroot.
Wanneer het dier zich enkele passen bewoog, werd de hartslag
zeer frequent, en hield dan plotseling op. Het dier viel dan om,
en bewoog zich niet meer, was als dood. (Hersenanaemie?)

Na ongeveer een halve minuut kwam er een enkele hartslag
terug, eerst heel langzaam zich herhalend, later weer als tevoren.
Het dier stond dan weer op, en ging weer langzaam en lusteloos
mee. Deze aanvallen van onmacht (Adam-Stokes\' symptomen-
complex genoemd bij den mensch) herhaalden zich hoe langer hoe
meer ; op het laatstliggend in den stal, zonder eenige beweging
van te voren. Ten slotte bleef de patiënt in zoo\'n aanval.

In het begin waren sterke stuwingsverschijnselen aanwezig, (hydrops-
ascites en oedemen) later waren ze merkwaardigerwijze verdwenen.

Bij de sectie werd zeer sterke hartsdilatatie geconstateerd, zoo-
wel van het rechter- als van het linkerhart. De kleppen waren nor-
maal. Het hart woog 408 gram; de afstand van de punt tot de
coronair-arteriën was 11 c.M.; de dwarse doorsnee daar 12 c.M.

pols aan de jugularis correspondeerde hiermee. Totale dissociatie
dus tusschen de kamer- en boezemcontracties.

Overigens bestonden bruine longinduratie, muscaatlever, milt-
tumor, en schrompelnieren, alle karakteristieke gevolgen van
langdurige stuwing.*)

-ocr page 808-

Reflectorische polsarrhytmie bij een hond.

Een krachtige, 5-jarige colli leed aan sluiting van de rechter-
neusgangen. De pols was sterk onregelmatig-intermitteerend.
Het bovenste deel van de neusstreek, rechts, was eenigszins
gezwollen. Bij trepanatie bleek de rechterbovenste neusgang totaal
afgesloten door een myxomateusen tumor met beenige omgeving.
De tumor werd uitgekrabt en de opening doorgespoeld. Na korten
tijdwas de polsslag veel regelmatiger. De wond sloot zich voorspoedig.

De hartslag bleef voorloopig vrij goed, tot langzamerhand de
oude onregelmatigheid terugkeerde. Op grond hiervan werd reeds
het vermoeden uitgesproken, dat de tumor bezig was te recidiveeren,
wat bij trepanatie ook inderdaad bleek. Het dier werd daarop
afgemaakt.

Blijkbaar bestond er dus verband tusschen de arrhytmie en den
tumor.

Iets dergelijks is bij den mensch geconstateerd en experimenteel
bij honden en konijnen opgewekt. Het bleek dat er in de bovenste
rechter neusgang bij honden een plekje bestaat, hetwelk bij prik-
keling reflectorisch tot een onregelmatigen hartslag aanleiding
geeft. (
Pflügers Archiv Bnd. 125. Blz. 377). Deze klinische
waarneming klopt hiermee volkomen.

Een zeer frequente en onregelmatig intcrmitteerende pols heb
ik ook wel eens waargenomen bij een paard met heftige neus-
bloeding (uit de luchtzak). De mogelijkheid bestaat dat daarbij
ook deze reflectorische prikkel in het spel was.

Utrecht, November 1913.

-ocr page 809-

(Uit de kliniek voor inwendige ziekten van \'s Rijksveeartsenijschool.)

Een geval van „hartblok" bij het paard,

door

J. A. BEIJERS.

Gedurende de zomervacantie kwam aan de interne kliniek ter
behandeling een paard met z.g. hartblok, een hartsgebrek, dat
blijkbaar bij het paard zelden voorkomt en daarom hier beschreven
worde.

Op 6 Aug. werd mijn advies gevraagd door den heer V. d. L. voor
een 8-jarigen vosruin, die zou lijden aan kruiskolder en waarvan hij
gaarne opname in onze stallen zag. De anamnese luidde: Het
paard heeft steeds goed zijn werk gedaan, op 24 Juil is het van
Utrecht naar Haarzuilen geloopen in kalmen draf voor een licht
rijtuig; is bij aankomst aldaar neergevallen en heeft volgens de
koetsier koliek gehad. In stap naar huis geleid, heeft het onderweg
niets bijzonders vertoond, ging dadelijk goed aan het eten enz. Van
dien dag af of zou het paard van achteren slap zijn en tel-
kens in elkaar zakken. Het is met een scherp smeersel op den
rug behandeld. Bij stap, noch bij draf of bij beweging in het rond
zag ik iets van ataxie en ik was reeds geneigd den eigenaar te zeggen,
dat ik niets abnormaals kon ontdekken, toen plotseling bij een
achterwaartsche beweging, die ik het dier liet maken, het achteruit
viel en plat op den grond sloeg. Onmiddellijk stond het dier weer
op. Al dadelijk vermoedde ik, dat dit geen spierzwakte of iets derge-
lijks was, doch wel degelijk een aanval van vertigo. Een vluchtig
onderzoek van het hart maakte dit nog waarschijnlijker.

Patiënt werd nu voorzichtig naar school getransporteerd en aan
een nader onderzoek onderworpen. De voedingstoestand is vrij
goed, de algemeene indruk van het dier normaal; opvallend is, dat
verschillende lichaamsdeelen koud aanvoelen, b.v. het kruis en de
achterbeenen.

De pols is krachtig, vol, met vele op onregelmatige tijden terug-
keerende intermissies. Nu eenszijn de intermissies van langen, dan
weer van korten duur; soms is de pols betrekkelijk langen tijd
(} minuutb.v.) geheel regelmatig. Vandaar ook het wisselende aantal
polsslagen per minuut, nu eens telt men er 20 of nog minder dan
weer 40 a 50 per minuut; gemiddeld 28. Bij auscultatie van het hart
blijkt de eerste harttoon krachtig, gerekt, de tweede zwak, soms
bijna onhoorbaar. De hartslag is bonzend; de hartstoot in de 5e

-ocr page 810-

intercostaal ruimte zeer duidelijk te zien, duidelijker dan bij andere
paarden.

Gedurende een intermissie hoort men in de 4e en 5e intercostaal
ruimten zwakke tonen, die ontstaan door de contractie der boezems.
Gemiddeld tel ik 72 boezemtonen per minuut. Ze zijn regelmatig.
Bijgeruischen niet te constateeren. Het gebied der absolute demping
blijkt zoowel naar boven als naar achter vergroot te zijn; naar achter
reikt het tot de 7e rib (normaal tot de 6e), dorsaal is de grens naar
schatting een paar vingerbreed hooger dan normaal. Ook rechts is
demping te constateeren..

De Vena jugularis vertoont een venenpols, niet echter steeds
duidelijk waar te nemen. Temperatuur en respiratie gewoon. De
slijmvliezen zijn iets vuil-geel. De eetlust is uitstekend. Het onderzoek
van faeces en urine levert niets afwijkends op. Het paard wordt in de
broek geplaatst en krijgt dagelijks 3 injecties van 30 gram kamfer-
spiritus; later, als door deze injecties zwellingen en een enkel absces
optreden, wordt kamferolie (1:4) ingespoten. Bovendien wordt
het paard 2x5 gram tinct. strophanti per os toegediend. Van
eenig effect dezer cardiotonica valt niets te bespeuren. De aanval-
len van vertigo herhalen zich telkens, zoowel in rust als in beweging.
Zet men het dier buiten op het gras, dan gaat het kalm grazen,
bij auscultatie hoort men het boven beschrevene; op een gegeven
moment hoort men secunden lang niets dan boezemtonen; het
paard begint te snuiven, de blik wordt angstig, het dier begint te
wankelen, en komt er op dat oogenblik niet een flinke kamercon-
tractie, dan valt het tegen den grond en buitelt daarbij niet zelden
over het hoofd. Doch niet zoodra ligt het paard of het springt ook
weer op en begint opnieuw te grazen, \'t Is werkelijk frappant te
zien, hoe snel alles in zijn werk gaat en hoe geheel normaal de pa-
tiënt dadelijk weer is. Het aantal aanvallen in een bepaald tijds-
bestek varieert zeer; soms wacht men er tevergeefs eenige uren opT
dan weer herhalen ze zich zes en meermalen per uur. Eigenaardig
is, dat bij voorzichtig longeeren in de manege de hartslag niet
noemenswaard versnelt; ook de intermissies blijven hetzelfde.

Het bloedonderzoek, verricht op 10 Aug. toont aan, dat het
haemoglobinegehalte normaal is (60 %); het aantal erythrocythen
en leucocythen is verhoogd (resp. 13. 760.000 en 11.100), de ver-
houding der verschillende leucocythen-vormen is normaal. De hoe-
veelheid galkleurstoffen in het serum is vermeerderd; dit wijst op
een stuwing in de lever. Gedurende den geheelen tijd van waar-
neming blijft dit zoo;

Ik heb getracht, curven van de hartsbeweging en de pols te

-ocr page 811-

maken; van de pols lukte mij niet, daar ik op geen der daarvoor in
aanmerking komende arteriën een voldoende uitslag kreeg. Ook
maakte de beweging van het paard het mij niet mogelijk. Weinig
oefening zal de derde factor voor de mislukking zijn. Een pelotte
op de hartstreek gaf tamelijk goede uitslagen. Ik heb in fig. A. een

Mll

1 M l I i

_L_LJ_JLL

Fiff.B.

Fig. B. geeft een denkbeeld, hoelang de pols uitbleef voor een aanval
optrad. Bij
a is de laatste kamercontractie opgeteekend, de laatste
polsslag gevoeld en ziet men verder alleen maar boezemtracties; bij
b
heb ik de buis van de pelotte naar het regisstreer-apparaat dicht ge-
drukt, omdat het dier begon te wankelen en men dan natuurlijk aller-
lei uitslagen krijgt; bij
c viel het paard om. Telt men dit tijdsverloop
uit, dan ziet men, dat de. pols minstens 22 sec. is weggebleven.
Aan de hand van deze gegevens meen ik de diagnose te mogen stel-

XO-LLL I ! I 1 I

__^-------------- -------„--