-ocr page 1-

yz-t/c. Q

TIJDSCHRIFT

VOOR

DIERGENEESKUNDE

UITGEGEVEN DOOR DE

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

onder redact1e van

Prof. Dr. H. M. KROON. Prof. C. F. VAN OYEN en
Dr. A. VRIJBURG.

__________i ii.uh—"

" SIBLIOTHSiK DPR
K
JJKSUNlVERilTIIT

UTRECHT

ZES EN VIJFTIGSTE DEEL.

UTRECHT
J. VAN BOEKHOVEN
1929.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

INHOUD.

A. Bladz.

Abattoirs 603, 610, 638, 639, 640, 722, 769, 770, 772, 773, 889, 996, 1015, 1108,

1110, 1163, 1230, 1399

Abortus 32, 101, 211, 265, 267, 546,642, 662,671, 782, 783,823,1005,1006,1118, 1323
Abortus. Voorkomen van brucella abortus Bang in melk en boter (v.
d. Hoe-
den) ......................................................
217, 295

Actinomycosis ...................................................... 1065

Agalactia Suis...................................................... 56

Alphen, Dr. A. J. S. van, Het inspuiten van chloorcalcium-oplossing .. 1333
Alphen, Dr. A. J. S. van, Bepalen der voedingsbodem-reactie bij vlekziekte-
culturen ......................................................... 232

Altersbestimmung. Die Lehre der — bei den Haustieren. (Boekaank.)...... 864

Anaestesie .................................104,211,323,377,843,963, 1179

Anaemie. Infectieuze — ........................................963. 1116

Anatoxine ......................................................... 106

Anthrax............................435, 656, 665, 783, 957, 1171, 1241, 1251

Arzneimittellehre. Lehrbuch der —- fiir Tierärzte (Boekaank.) .......... 1156

Artikels.... 4, 21, 22, 29, 57, 68, 80, 112, 128, 131, 166, 175, 180, 187, 188, 217,
232, 236, 243, 244, 253, 254, 257, 273, 284, 295, 304, 309, 325, 334, 339,
352. 359. 361, 362, 381, 389, 437, 446, 450, 458, 463, 504, 514, 525, 553,
568. 573. 576. 588, 613, 673, 691, 703, 709, 734, 789, 806, 810, 819, 845,
862, 901, 903, 906, 965, 979, 990, 1021, 1032, 1073, 1077, 1078, 1088,

1128, 1133, 1137, 1144, 1181, 1205, 1285, 1303, 1315
Assen, Dr. J. van ................................................. 313

B.

Bacteriofaag ..............................................................................................................951

Baudet, Dr. E. A. R. F................... 166, 259, 325, 446, 525, 613

Baudet, Dr. E. A. R. F., de Ontwikkeling van Parascaris equorum ............166

Baudet, Dr. E. A. R. F., Trichostrongylosis bij schapen ............................325

Baudet, Dr. E. A. R. F., Het gebruik van tetrachloorkoolstof als middel

tegen distomatosis ................................................................................................446

Baudet, Dr. E. A. R. F., Tracheophilus sisowi. Een monostomumsoort bij

eenden ....................................................................................................................525

Baudet, Dr. E. A. R. F., Hectopsvlla psittaci bij fazanten............................613

Beek, Dr. W. F. van, Therapie van slokdarmverstopping bij het rund .... 253

Bekkenfracturen. Diagnose en prognose van — bij den hond (H. Jakob) 22

Berg, H. v. d..........................................................................................................532

Berichten 1, 38, 89, 137, 200, 313, 364, 401, 468, 535, 603, 638, 718, 767,

823, 888, 946, 994, 1056, 1107, 1163, 1229, 1317, 1318, 1397
Besmettelijke Veeziekten in Nederland. . . . 45, 139, 262, 370, 539, 541, 608,

724, 828, 949, 1061, 1170, 1325, 1326

Beyers, Dr. J. A....................................................................................................1121

Bibliografie .... 91, 207, 316, 425, 543, 646, 777, 893, 999, 1112, 1234, 1401

-ocr page 4-

Blaaswormen. Is bij geslachte keuring van vette kalveren onderzoek op —

wenschelijk ? (de Graaf).......................................... r 137

Bladen. Nederlandsch-Indische Bladen voor Diergeneeskunde.... 96, 484.

656, 952, 1326

Bladvulling. 134, 136, 216, 235, 242, 294, 308, 370, 380, 400, 429, 436, 457,
513, 567, 575, 616, 637, 702, 732, 748, 766, 861, 905. 978, 1043, 1061,

10721106, 1158, 1233, 1316, 1396

Blauwzuurvergiftiging ........................................ 483, 1252

Blieck, Prof. Dr. L. de, ..................................... 892, 1230

Bloedstolling. Werking van speeksel en maagsap op —•.................. 263

Bloedtransfusie .............................................. 540, 663

Boorzuur. Resorptie van — door de normale huid..................... 548

Bos, Dr. W. P. C.,.....................142, 376, 435, 495, 665, 838, 1065

Boutvuur ................................................... 495, 656

Brands, Dr. C............. 103, 143, 158, 550, 662, 667, 840, 897, 1072

Brandwonden (behandeling) ......................................... 1332

Breedveld, I. 96, 144, 157, 267, 434, 484, 550, 552, 653, 656, 662, 670, 952,

1008, 1013, 1063, 1064, 1245, 1326
Bruyel, J. Een nieuwe methode van embryotomie bij het rund met behulp

van een nieuw instrument.......................................... 691

Büchli, Dr. K.............. 51, 55, 489, 667, 843, ion, 1062, 1239, 1331

Burg, W. van der.............................. 313, 598, 941, 1078, 1382

Burg, W. van der, Electrische bedwelming van slachtvee ...... 1078, 13S2

Buy, Mr. J. B. du, 91, 207, 316, 425,543, 646, 777,893,999, 1112, 1234, 1401

Bijenziekten........................................29, 1181, 1287, 1331

Bijenziekten in Nederland (A. J. Winkel)............................ 29

Bijen en Bijenziekten (A. J. Winkel)........................nSr, 1287, 1346

C.

Capelle, Dr. Th J. van,..................................... 1052, 1159

Castratie van varkens..............................................................................................r245

Centraal-Lab. Verslag over 1927 en 1928 van het — te Utrecht........371, 1319

Chirurgie .......................... 163, 215, 548, 839, 962, 1009, 1331

Chirurgie. Die — des Tierarztes (Boekaank.)....................................................1157

Chloorcalcium-oplossing. Inspuiten van — (v. Alphen) ................................1333

Chloorcalcium-therapie. De — bij melkziekte en kopziekte (M. C. Reisinger) 862

Chloorcalcium-therapie. Over — bij Melkziekte (R. P. Sybesma)....................814

Chloorcalcium-therapie. Naar aanleiding der —• (B. Sjollema)........................361

Chloorcalcium-therapie. Naar aanleiding van de — bij kalfziekte (B. Sjollema) 463

Clarenburg, Dr. A.,................ 112, 265, 434, 671, 787, 837, 1021, 1088

Clarenburg, Dr. A., Neurofibromatosis bij het Rund ................................112

Clarenburg, Di. A., Waarde van nieuwere methoden tot kweeken van

tubercelbacillen voor de veterinaire pathologie ................ 1021, 1088

Coccidiosis........................376, 493, 658, 666, 734, 990, 1032, 1063

Coccidiose. De Therapie der —. Hoendercoccidiose (B. J. Krijgsman)............734

Coccidiose. Overbrenging en prophylaxis der — (B. J. Krijgsman) . .. . . . 1032

Coli. Bacterium —..................................... 96, 430, 961. 1177

Commissie. Verslag van de — in zake sera en entstoffen....................................405

Commissie ter bestudeering van abortus infectiosusen febris undulans............642

Congressen.. 44, 51, 203, 262, 314, 315, 422, 539, 787, 828, 891, 1060, 1111,

1169, 1231, 1400

Cordis. Insufficientia (decompensatio) — bij een hond. (H. Jakob)................553

Cysticercosis ................................................. 321, 1240

Cysticercosis. Keuring van slachtdieren lijdende aan — (v. Oijen)................504

Cysticercosis bij vette kalveren (A. J. Holtz)..................................................901

Cysticercosis bij den hond......................................................................................1246

-ocr page 5-

D.

Darmbacteriën. Onze kennis omtrent de —■ der huisdieren................ 1117

Dermatologie. Het gebruik van teerolie in de —■ van honden (Dr. A. Klaren-

beek) ........................................................... 709

Dhont, Dr. J. J. F.................................................. 401

Diemont Jr., Dr. Aug. Een zelden voorkomend geval.................. 187

Dierenartsen. De gemiddelde studieduur van — ....................... 598

Dierenbescherming (J. P. van der slooten) ..................y...... 588

Diermeel........................... 270, 597, 636, 762, 821, 865, 941, 1044

Dierenmeel. Voederproeven met —. (Dr. R. H. van Gelder)............ 352

Diermeel. Een en ander over — (Dr. B. J. C. te Hennepe)................ 568

Diermeel. Ptomainen in — ? Wie zal destrueercn ? (Dr. B. J. C. te Hennepe) 1044

Diermen, Dr. F. A. A. van ........................................ 502

Digestiekanaal. Beschutting van het — tegen infecties.................. 547

Diphterie. Ivalver — en hare complicaties (D. Goedhart) .............. 359

Diphterie. Vogel \'—- en vogelpokken.......................147, 148,729, 784

..Diphteriemiddel" Endiphthocid...................................... 1383

Directie van den Landbouw. Verslagen en Mededeelingen . . 540, 605, 828, 1323

Distomatosis ....................... 107, 374, 435, 551, 665, 776, 903, 1329

Distomatosis. Het gebruik van Tetrachloorkoolstof als middel tegen — (Dr.

E. A. R. F. Baudet)............................................. 446

Distomatosis bij den menscli ........................................ 55\'

E.

Echinococcosis bij den mensch..............................................................................1014

Echinococcosis. De keuring van levers op — (de Graaf) ............................284

Eichholtz, P. C................42, 43, 91, 3J5. 369. 472> 775. "7°. T322. \'4°°

Electrisch bedwelmen van slachtvee.................... 149. 321, 401, 1174

Electrische bedwelming van slachtvee (Roos) .........t..............................1315

Electrische bedwelming van slachtvee (W. van der Burg) ........ 1078, 1382

Embryotomie. Een nieuwe methode van — bij het rund met behulp van een

nieuw instrument (J. Bruyel)..........................................................................691

Endiphthocid „Diphtheriemiddel" ....................................................................1383

Enterococcen................................................. 269, 492

Epitheellichaampjes. Verzamelen van — bij slachtdieren voor de Organothe-
rapie..........................................................................................................................958

Errata................................................... 424. 73*. io72

Eshuis, J., Torsio uteri bij het rund..................................................................573

Ethiek. Grepen uit de diergeneeskundige — (T. D. Sigling) .....................188

F.

Febris undulans.................................265,267,642,782,783, 1006

Febris undulans. Epidemiologie der — in Nederland (v. d. Hoeden) .. 217, 295

Ferwerda, Dr. S............................................ 46, 161. 836

Filariosis. Micro —....................................................................................................434

Flohil, J., Genezing van chronische haemorrhagische purulente metritis bij

honden langs medicamenteusen weg ..............................................................810

Frenkel, Dr. H. S........................................ 57. 789, 834

Frenkel, Dr. H. S., Bacteriologisch Vleeschonderzoek..................................57

Frenkel, Dr. H. S., Over zoogenaamde natuurlijke koepokken en daar-
mede samenhangende infectie bij den mensch................................................789

Fiitterung der Haustiere (Boekaank.) . ...............................................................1381

Fysiologie.................................................... 140. 662

-ocr page 6-

— IV —
G.

Geburtshilfe. Tierärztliche — und Gynäkologie einschliesslich der Krank-
heiten des Neugeborenen (Boekaank.) ............................................................134

Geflügelkrankheiten. Handbuch der —• und der Geflügelzucht (Boekaank.) 1380

Gelder, Dr. R. H. van, 51, 106, 131, 153, 352, 514, 651, 761, 762, 763, 841, 865

Gelder, Dr. R. H. van, Invloed van Ultra-violette stralen............................314

Gelder, Dr. R. H. van, Sputum opvangen........................................................13 t

Gelder, Dr. R. H. van, Voederproeven met dierenmeel................................352

Gele koorts ................................................................................................................264

Geneesmiddelen .... 107, 142, 143, 267, 374, 376, 434, 494, 612, 659, 667, 668,

839, 900, 953, 990, 1007, 1063, 1120, 1178, 1180, 1332, 1404

Geneesmiddelen. Toediening van — .............................. 56, 732

Geneesmiddelen. Depóts van — in het lichaam ..............................................1007

Goedhart, D., Kalverdiphterie en hare complicaties......................................359

Graaf, Dr. C. de, 39, 48,89, 137, 149, 200, 260, 284, 321, 364, 401, 430,
469, 535. 549, 603, 608, 638, 717, 721, 725, 769, 823, 829, 888, 946, 955.

994, 1014, 1056, 1107, 1137, 1163, 1171, 1229, 1245, 1319, 1397

Graaf, Dr. C. de, De keuring van levers op Echinococcosis........................284

H.

Haemoglobinurie, Piroplasmose en Halistersis (B. Jonker)............................1144

Haren. Ziekten van —............................................................................................836

Harmsen, L.............................................................................................................528

Hartog, Prof. Dr. J. H......................................437, 1157, 1158

Hartog, Prof. Dr. J. H., Eenige tand (kies) ziekten bij het paard ................437

Haustiere. Fütterung der — (Boekaank.) ........................................................1381

Hectopsylla psittaci bij fazanten. (Dr. E. A. R. F. Baudet) ........................613

Heelsbergen, Dr. T. van, Ivopziekte bij het rund ........................................1077

Helminthologie. Manuel of med. and vet. — (Boekaank.)................................259

Hennepe, Dr. B. J. C. te...................568, 636, 764, 941, 1044, 1383

Hennepe. Dr. B. J. C. te, Een en ander over diermeel ..............................56S

Hennepe, Dr. B. J. C. Ptomaïnen in diermeel ? Wie zal destrueeren ? .... 1044

Herkauwers. Ziekten van — ... 106, 163, 373, 495, 665, 955, 1062, 1063. ro77

Hermaphrodieten. Een zelden voorkomend geval (Dr. Aug. Diemont Jr.).. 187

Hermaphroditisme. Intersexualiteit of — bij zoogdieren (G. Krediet) 845 006

Hibma, A. M., .............................................. 143, 175

Hibma, A. M. Uitroeiing van de tuberculose onder het rundvee op Ter-
schelling ................................................................................................................175

Hoeden, Dr. J. van der, .. 93, 267, 546, 671, 782, 950, 962, 1005, 1071. 1116

Hoeden, Dr. J. van der, Epidemiologie der febris undulans in Nederland 217. 295
Hoefbeslag. Het —- met kalkoenen en de beschadiging van het wegdek. (Prof.

Dr. H. M. Kroon)................................................................................................458

Hoefnagel, K.,.................................. 196, 597, 821, 998, 1253

Hoen, Dr. H. \'t............................................... 536, 1231

Hoenderziekten, zie Pluimveeziekten .

Hofstra, L., ...............................................................1228

Hol, G. H. G., ........................................................................................................1063

Holtz, A. J., Cysticercosis bij vette kalveren....................................................901

Honden en katten. Ziekten van —, zie Ziekten van kleine huisdieren.

Hondenziekte. De stand van het —• vraagstuk (Dr. A. Klarenbeek)................450

Hondsdolheid zie Rabies

Hoogland, M. H........................................................................................................1317

Hoogland, Dr. H. J. M.,................................. 148, 785, 1004

Hoogkamer, L.,........................................................................................................397

Hoopen, W. ten, ............................................ 211, 765

-ocr page 7-

Hormonen der Hypophyse-voorkwab. (Dr. G. M. van der Plank)........ 334

Huidverbranding ................................................... 264

Huisdieren. Ziekten van kleine— ................. 659,1128,1178,1246,1251

I.

Implantatie......................................................... 104

Ingewandswormen. Ziekten door — .......... 103, 159, 732, 964, 1239, 1251

Ingezonden stukken 86, 135, 196, 313, 363, 465, 527, 597, 636, 714, 762, 821,

865, 941, 105;, 1159, 1228, 1317

Institut Pasteur d\'Algérie ........................................... 776

Internationaal Bureau voor Veeziekten ......................... 997. io59

Internationaal landbouw-instituut te Rome............................ 1231

Intraveneuze injectie.......................................... 136. 1008

J.

Jaarboekje.................................138, 262, 315, 370, 1060, 1167

Jacob, Prof. Dr. H., ............................. 22, 31, 553, 724, 1156

Jacob, Prof. Dr. H., Diagnose en prognose van bekkenfracturen bij den hond 22

Jacob, Prof. Dr. H., Insufficienta (Decompensatio) cordis bij een hond. . . . 553

Jahrbuch für Schlacht- und Viehöfe (Boekaank.)..............................................1153

Jong. Prof. Dr. D. A. de — Stichting ...... 718, 733, 767, 774, 1058, 1168

Jonker, B., Haemoglobinurie, Piroplasmose en Halisteresis............................1144

K.

Kaay, Dr. F. C. van der,................................ 134, 389, 1064

Kaay, Dr. F. C. van der, Abormale Verlossingen 1927—1928.......... 389

Kalfziekte .....................212, 214, 361, 463, 814, 862, 979, 1062, 1064

Kalfziekte. Onderzoek over — en verwante syndromen (Sjollema)...... 243

Kalfziekte. Naar aanleiding van de chloorcalcium-therapie bij — (B. Sjol-
lema) ........................................................... 463

Kalfziekte. Over de stoornissen der minerale stofwisseling bij kalf- en kop-

ziekte. (B. Sjollema en L. Seekles).............................. 979

Kanker ...................................................... 785. IO°4

Kastration der männlichen Haustiere. (Boekaank.)...................... 1158

kerstens, C. J. A........................................ 260, II40, t322

Kerstens, C. J. A., Het toezicht op gesteriliseerde vleeschconserven .... 1140
Keuring. Over de — van slachtdieren lijdendeaan cysticercosis (v.
Oijen) 504. 576
Keuring. Is bij geslachte — van vette kalveren nader onderzoek op blaas-

wormen wenschelijk ? (dé Graaf) .................................. JI37

Keuring. Gemeentel. — op ingevoerde vleeschwaren (v. Santen) ........ 4

Keuringsregulatief. Beschouwingen over de Ministerieele beschikking van

15 Juli 1920 (K. Reitsma) ........................................ 244

Keuringsregulatief. Ontwerp van een nieuw — (R. H. Veenstra) . . 1303, 1336

Keuringsveearts-practicus............................................ 1161

KINGMA, S., ................................................. 215, 962

Klarenbeek, Dr. A......42, 91, 180, 315, 381, 450, 660, 709, 821, 1170, 1400

Klarenbeek, Dr. A., De ontwikkeling van de pelsdierteelt en wij........ 180

Klarenbeek, Dr. A., Het vraagstuk der longworminfectie bij zilvervossen 381

Klarenbeek, Dr. A., De stand van het Hondenziekte vraagstuk ........ 450

Klarenbeek, Dr. A., Het gebruik van teerolie in de dermatologie van honden 709
Koepokken. Over zoogenaamde natuurlijke — en daarmede samenhangende

infectie bij den mensch. (Dr. H. S. Frenkel)........................ 789

Konijnen. Ziekten van -— en hazen..........................493, 836, 990

Kooi, W. van der, Sarcoptes — schurft bij runderen.................. 819

Kopziekte bij het rund (Dr. T. van Heelsbergfn).................... 1077

-ocr page 8-

Kopziekte (boosaardige) ....................................379, 979, 1077

Kramer, Dr. V. M., Streptococcenmastitis............................ 68

Krediet, Pref. Di. G., Intersexualiteit of Herniapliroditisme bij zoogdieren 845, 906

Kroes, H. A., .................... 88, 138, 203, 467, 1055, 1106, 1124, 1167

Kroon, Prof. Dr. H. M., ......... 30, 31 458, 464, 673, 749, 965, 1285, 1381

Kroon, Prof. Dr. H. M. De strijd tusschen auto en paard, en zijn invloed op

de paardenfokkerij in Nederland ............................. 673, 749

Kroon, Prof. Dr. H. M., Het beslag met kalkoenen en de beschadiging van

het wegdek ...................................................... 458

Kroon, Prof. Dr. H. M. De invloed van ultraviolette stralen op de melk-
productie ........................................................ 965

Kroon, Prof. Dr. H. M., De invloed van ultraviolette stralen op de melkpro-
ductie bij geiten.................................................. 1285

Krijgsman, Dr. B. J., Overbrenging en prophylaxis der coccidiose........ 1032

Krijgsman, Dr. B. J., De Therapie der coccidiose; Hoendercoccidiose. . .. 734

Krijgsman, Dr. B. J., De creolinetherapie der konijnencoccidiosis........ 990

Kuipers, K. R., Bestrijding der Tuberculose.......................... 80

L.

Landschwein, Entwicklung der Zucht veredelten — s. (Boekaank.)................464

Lenshoek, J. A................................................ 21, 1166

Lenshoek, J. A., Gebruik van den tracheaalcanule..........................................21

Leptospira ictero-haemorrhagiae................................ 372, 950

Levertraan. Voeding met —..................................................................................1239

Longworminfectie. Het vraagstuk der —■ bij zilvervossen (Klarenbeek) .. 381

Longziekte. Besmettelijke — ................................................................................376

Lourens, Dr. L. F. D. E.,....................................................................................474

Luchtinfectie..............................................................................................................839

Lymphglands. The regional — of food-animals. (Boekaank.)............................133

M.

Maagbersting (paard) ..............................................................................................160

Maatschappij voor Diergeneeskunde: 74ste Algemeene Vergadering.. 868, 1384
Maatschappij voor Diergeneeskunde .. 32, 88, 137, 200, 206, 396, 466, 530,

599. 637, 717, 766, 823, 866, 945, 993, 1054, 1106, 1162, 1228, 1384

Malleüs........................................ 434, 536, 952, 1117, 1326

Maltakoorts. Zie Febris undulans.

Mastitis ...................................106, 163, 374, 378, 480, 842, 1073

Mastitis, Streptococcen — (Y. M. Kramer)........................................................68

Mastitis. Streptococcen — (S. Simons)................................................................1073

Melk. Diergeneeskundig toezicht bij de winning van model —. (C. F. van

Oijen) ....................................................................................................................703

Melkhygiëne ...........................38, 51, 153, 480, 651, 774, 841, 951

Melkmachines ............................................................................................................155

Melkproductie. De invloed van ultraviolette stralen op de — (Prof. Di. H.

M. Kroon) ............................................................................................................965

Melkziekte. De Chloorcalcium-therapie bij —en kopziekte. (M C. Reisinger) 862

Melkziekte. Over Ca Cl2 -Therapie bij —. (B P. Svbesma) ............................814

Melkziekte. Zie Kalfziekte.

Metritis. Genezing van chronische haemorrhagische purulente —- bij honden

langs medicamenteuzen weg (J. Flohil) ........................................................810

Metritis........................................................................................................................211

Milchkontrolle. Tierärztliche —. Boekaank......................................................761

Milchkontrollen. Ueber hygienische —. Boekaank..............................................762

Miltvuui. Zie Anthrax.

-ocr page 9-

Mogendorff, Dr. S. 1. M., ......................................... 135

Mond- en klauwzeer .................... 35. 37. 155. 3l6. 422> 472. 536- I059

Mond- en Klauwzeer. Verklaring van het goedaardig verloop van het —•

(Dr. A. A. Overbeek) ...................................... 128, 528

Mond- en Klauwzeer. Bijdrage tot de kennis der bestrijding van het —.

(Dr. A. J. Winkel) ..........................................273, 339

Mond- en Klauwzeer. Behandeling van het — (H. Poot)................ 254

Mond- en Klauwzeer. Poging ter verklaring van het goedaardig verloop van

het —. (Dr. A. J. Winkel)................................. 309, 714

Mosselvergiftiging................................................... 1248

Morbus maculosus................................... 490, 1240, 1242, 1248

N.

Narcose ........................................... 323. 843, 1179, 1332

Necrologieën: Th. G. van Rijssel, 2 ; P. H. A. van Aelst 109; Jan Brand
Bloemendal iii
; Prof. Dr. H. Remmelts 468, 497 ; Abraham de Jong
502
; W. S. Stüven 1121 ; F. B. Venema en R. Bosscher 1124; 1. Breed-
veld 1253.

Nederveen, Dr. H. J. van, ........................138,651,665,728, 786

Neurofibromatosis bij het Rund (Dr. A. Clarenburg).................. 112

Nieschulz- en Wawo-Roentoe : Invloed van miltextirpatie op het verloop

van Surra bij honden............................................. 1128

Nieschulz en Wawo-Roentoe : Sublimaatreactie volgens Bennett en

Kenny en Surra-diagnose bij runderen............................ 1133

Nieuhoff, G. A. R., Bijzonderheid bij obstructio oesophagi bij twee run-
deren ............................................................
806

0.

Oesophagi. Bijzonderheid bij Obstructie •—- bij twee runderen, (G. A. R.

Nieuhoff) ....................................................... 806

Oesophagoskopie bei Hunden und Katzen. (Boekaank.) ................ 31

Oogziekten......................................... 143, 164, 550, 1080

Overbeek, Dr. A. A.,.......................................... 128, 528

Overbeek. Dr. A. A., Verklaring van het goedaardig verloop van het Mond-
en Klauwzeer ...................................................
128

OijEN, Prof. C. F. van, 38, 40, 504, 576, 598, 652, 703, 774, 1058, 1086, 1153,

1167, 1380, 1383

OiJEN, Prof. C. F. van, Over de keuring van slachtdieren lijdende aan

Cysticercosis .................................................504, 576

Oijen, Prof. C. F. van, Diergeneeskundig toezicht bij de winning van model-

melk ............................................................ 70;

P.

Paard. De strijd tusschen auto en —• en zijn invloed op de paardenfokkerij

in Nederland (Kroon) ...................................... 673, 749

Paarden (Ziekten van —)...................... 103, 158, 434, 667, 897, 1072

Paardenartsen. De positie der Militaire —...................197, 313, 941

Parascaris equorum. Ontwikkeling van — (Dr. F. A R. F. Baudét) .... 166
Paratyphus .. 40, 95, 269, 322, 323, 423, 432, 546, 549, 611, 612, 725, 784,

830, 832, 84t, 1016, 1017, 1019, 1176, 1177, 1247, 1248, 1249

Pathologie. Vergelijkende — .................. 263, 295, 546, 782, 1004, 1116

Pathologischen Anatomie. Handbuch der Spez. — der Haustiere (Boekaank.) 312

Pelsdieren .........................................45, 180, 660, 661, 821

Pelsdierteelt. De ontwikkeling van de — en wij. (Dr. A. Klarenbeek) . . . . 180

-ocr page 10-

Pelsdierziekten ..................................................... 661

Personalia .......46, 139, 262, 316, 370, 424, 542, 608, 645, 725, 777, 829,

892, 950, 1061, mi, 1170, 1233, 1400

Physiologie. Allgemeine vergleichende — der Tiere. (Boekaank.).......... 864

Piroplasmose .................................. 485, 658, 665, 776, 1144

PlEL, H. P........................................................ Il6l

Plank, Dr. G. M. van der............................ 140, 236, 334, 663

Plank, Dr. G. M. van der, Hormonen der Hypophyse-voorkwab........ 334

Plank, Dr. G. M. van der, Productiecontröle in de pluimveeteelt........ 236

Pluimveeteelt. Productiecontröle in de — (v. d. Plank)................ 236

Pluimveeziekten. Zie Ziekten van vogels.

Pokken........................................ 548, 789, ion, 1119, 1169

Poot, H., Behandeling van mond- en klauwzeer....................... 254

Postma Dr. C..................................................... 133

Pullorum-infectie ................................... 271, 612, 964, 1008

Pyelo nephritis ..................................................... 547

R.

Rabies ................................................ 98, 659, 776, 782

Rachitis, osteomalacie..................... 263, 786, 1066, 1205, 1241, 1256

Rachitis, osteomalacie, osteofibrose (Wester) ...................1205, 1256

Rattenbestrijding .................................. 727, 775, 1016, 1397

Redactie....................................... 1, 87, 165, 313, 733, 1057

Reeser, J. A. G............................................... 423, 1166

Referaat, Auto..................................................... 617

Referaten 46, 95, 140, 211, 263, 321, 371, 430, 484, 546, 608, 651, 725, 782,

829, 897, 950, 1004, 1062, 1116, 1171, 1239, 1326, 1404

Reisinger, M. C.......................................... 136, 862, 1159

Reisinger. M. C,, De chloorcalcium-therapie bij melkziekte en kopziekte. . 862
Reitsma, Dr. K., Ministerieele Beschikking van 15 Juli 1920 (Keurings-
regulatief) ....................................................... 244

Rinses, J.......................................................... 397

Röntgenstralen. Invloed van — op de vruchtbaarheid.................. 961

Roos, Prof L)r. J......................................... 3^3. 864. I3\'5

Roos, Prof. Dr. J., Electrische bedwelming van slachtvee.............. 1315

Runderhorzelbestrijding ................................... 164, 206. 473

Runderpest .......................................... 108, 376, 657, 665

Rijksseruminrichting ...................................... 165, 202, 474

Rijksuniversiteit Utrecht .... 42, 203, 315, 370, 472, 724, 774, 949, 1061, 1400

S.

Sande, Dr. A. ten, .................... 203, 315, 497, 539, 1107, 1169, 1231

Santen, Dr. R. van, Gemeentel, keuring op ingevoerde vleeschwaren............4

Sarcoptes-schurft bij runderen (W. van der Kooi)............................................819

Sarcosporidiën ............................................................................................................105

Scabies....................................................... 660, 819

Schaap. Ziekten van het —........................ 495. 552. 666, 1062, 1064

Schornagel, H........................................................................................................3\'3

Seekles 1..................................................................................................................979

Septichaemia haemorrhagica.................................. 99. 49°. 665

Sera en entstoffen. Verslag van de commissie in zake — ............................405

Serumwet ? Waar blijft onze —............................................................................I3J7

Sigling, T. D............................................ 188, 257, 465

SiGLiNG, T. D., Grepen uit de diergeneeskundige Ethiek ................................188

Sigling, T., D. Het Trekhondenvraagstuk ....................................................257

Simons, S., Streptococcen-Mastitis........................................................................1073

-ocr page 11-

bladi.

sjollema, Prof. Dr. B............................. 243, 361, 463, 979

Sjollema, Prof. Dr. B , Onderzoek over kalfziekte en verwante syndromen 243

Sjollema, Prof. I)r. B., Naar aanleiding der Chloorcalcium-therapie ............361

Sjollema, Prof. Dr. B., Naar aanleiding van de chloorcalciumtherapie bij

kalfziekte ..............................................................................................................463

Sjollema, Piof. Dr. B. Over de stoornissen der minerale stofwisseling bij

kalf- en kopziekte..................................................................................................979

Slager. M.................................................... 42, 3&3

Slokdarmverstopping. Therapie van — bij het rund. (W. F. van Beek). .. . 253

Slooten, J P. van der, Dierenbescherming....................................................588

Spelling. Vereenvoudigde— ....................................1052, "59

Spierbloedingen bij varkens.......................... 324, 1014, 1016, 1175

Sputum opvangen (Dr. R H. van Gelder)........................................................131

Staupe. Die — der Hunde und Silberfüchse etc. (Boekaank.)........................821

Stickstoff-düngemittel (Boekaank.) ......................................................................3°

Stofzuigers om paarden te poetsen ........................................................669

Straaten, Dr. H. van........................................ 371- 55°

Streptococcen-mastitis (Y. M. Kramer)..............................................................68

Streptococcen-mastitis (S. Simons) ......................................................................i°73

Studenten, Diergeneeskundige —......................527, 724, 1057, 1230

Subcutane inspuiting................................................................................................43^

Surra. Invloed van miltextirpatie op het verloop der — bij honden, Nie-

schulz en Wawo-Roentoe ............................................................................1128

Surra-diagnose. De Sublimaatreactie volgens Bennett en Kenny en de —

bij runderen ..........................................................................................................1133

Surra........................................ 100, 484, 486, 536, 953. "28

Sybesma, R. P., Over Ca Cl2. therapie bij melkziekte........................................814

landziekten.................................................. 103, 437

Tand(kies)ziekten. Eenige — bij het paard (J. H. Hartog)............................437

Teerolie. Het gebruik van — in de dermatologie van honden (Dr. A. Klaren-

beek) ......................................................................................................................7°9

Tenhaeff, C , ..........................................................................................................86

Testikel. De ontwikkeling van den — en de urogenitaalverbinding bij het

rund. (Dr. J G. C. van Vloten) Auto-referaat ............................................617

Tetanus ................................................. 55°. 897. "16

Tetrachloorkoolstof. Het gebruik van — als middel tegen distomatosis. (Dr.

E. A. R. F Baudet)........................................................................................44^

Thrombo-phlebitis. Purulente — venae portae bij het paard. (Dr. J. G. C. van

Vloten) ................................................................................................................3°4

Thrombose en embolie............................. 548, 664, 786, 898, 1008

Tierheilkunde und Tierzucht (Boekaank.) ..........................................................464

Toman, Dr R. V......................................................................................................1062

Torsio uteri bij het rund (G. Eshuis)..................................................................573

Torsio uteri bij het rund............................ 212, 215, 765, 573

Tracheaalcanule. Gebruik van de — ..................................................................21

Tracheophilus Sisowi. Een monostomum-soort bij eenden. (Dr. E. A. R. F.

Baudet)..................................................................................................................525

Transplantatie van ovariën ..................................................................................158

Trekhonden................................................ 43. 257, 363

Trekhonden, Het — vraagstuk. (T. I). Sigling)................................................257

Trichinella-besmetting in Ned.-Indië....................................................................t397

Trichinella-infectie. Mechanismus der —............................................................1118

Trichostrongylosis bij schapen. (Dr. E. A. R. F. Baudet)................................325

-ocr page 12-

Tuberculose. 49, 153, 271, 304, 371, 465, 482, 489, 552, 651, 671, 776, 786, 837,

1009, 1021, 1068, 1088

Tuberculose. Bestrijding der — (K. R. Kuipers) ........................................80

Tuberculose. Bestrijding van —......35, 36, 44, 80, 204, 205, 537, 538, 776,

786, 1009, 1068

Tuberculose. De uitroeiing van de — onder het rundvee op Terschelling.

(A. M. Hibma) ....................................................................................................175

Tubercelbacillen. Waarde van nieuwere methoden tot kweeken van — voor

de veterinaire pathologie (Dr. A. Clarenburg).................. 1021, 1088

Tularemia ................................................................................................................269

Tijdschrift. Ned. — voor Hygiëne, Microbiologie en Serologie .... 95, 950, 1326

Tijdschrift. Ned.-Indische Bladen voor Diergeneeskunde. . . . 96, 484, 656, 952

Typhus ...........................40,95,196,372,550,783,961,1177, 1249

U.

Ultraviolette stralen ......,.....!"..................... 514, 748, 965, 1285

Ultraviolette stralen. Invloed van— (v. Gelder)...................... 514

Ultraviolette stralen. De invloed van — op de melkproductie. (Prof. Dr. H.

M. Kroon) ...................................................... 965

Ultraviolette stralen. De invloed van ■— op de melkproductie bij geiten

(Kroon) ........................................................ 1285

Urogenitaalverbinding. De ontwikkeling van den testikel en de — bij het

rund (Dr. J. G. C. van Vloten) auto-referaat ...................... 617

V.

Varkens. Ziekten van— 55, 232, 269, 475, 489, 537, 549, 608, 666, 777, 782,

829, 843, 963, ion, 1239

Veeartsenijkundige dienst............................ 607, 641, 775, 952

Veeartsenij kundige dienst in Nederlandsch-Indië ............ 536, 948, 1231

Veenbaas, A. H.............................................. 49. i°68

Veenendaal, Dr. H., ........................................ 1178, 1251

Veenstra, R. H., Over uniformiteit in de vleeschkeuring, speciaal wat aan-
gaat de leverdistomatose ....................................................................................9°3

Veenstra, R. H., Ontwerp van een nieuw Keuringsregulatief......!303, 1336

Veestapel in verschillende landen ........................................................................542

Vereenigingen. Diergeneeskundige —..........42, 43, 369, 472, 775, 1322, 1330

Vergiftiging van Runderen (C. van de Werf) ................................................362

Vergiftigingen.....................................158, 2O4. 1063, 1173, 1252

Verloskunde........................................79, 211, 389, 548, 961

Verlossingen. Abnormale— 1927—1928. (v. d. Kaaij)....................................389

Vermaat, Dr. P., ......................................................................................................2

Vermeulen, Dr. H. A., .................................. 466, 531, 599

Virulentie van bacteriën ........................................................................................951

Vischkeuring en Vischziekten. . . 46, 161, 724, 775, 833, 836, 889, 1058, 1248

Vischvarkens ............................................................................................................152

Vitaminen ........... 53. 141, 142, 154, 156, 270, 315, 663, 731, 1180, 1239

Vleeschconserven. Het toezicht op gesteriliseerde — (Kerstens)................1140

Vleeschhygiëne . . 39, 57, 86, 89, 137, 149, 200, 260, 321, 364, 401, 422, 430,
469, 535. 608, 638, 721, 725, 769, 823, 829, 888, 947, 955, 994, 1014,

1056, 1106, 1163, 1171, 1229, 1245, 1319. 1397
Vleeschkeuring. Over uniformiteit in de •—, speciaal wat aangaat de lever-
distomatose. (R. H.
Veenstra)........................................................................903

Vleeschonderzoek. Bacteriologisch—. (Frenkel) ............................................57

Vlekziekte-culturen. Voedingsbodem-reactie bij — (v. Alpen)....................232

Vloten, Dr. J. G. C. van, De ontwikkeling van den testikel en de urogenitaal-
verbinding bij het rund. Auto-referaat..............................
..............................617

-ocr page 13-

Vloten, Dr, J. g. c. van, Purulente Thrombo-Phlebitis venae portae bij het

paard ........................................................... 304

Voedingsbodem. Bepalen der -— reactie bij vlekziekteculturen (v. Alphen) 232

Voedingsleer van mensch en dier. (Boekaank.).......................... 31

Voedingsleer ....................................................... 140

Vogels. Ziekten van— 49, 102, 146, 612, 271, 487, 612, 728, 734, 788, 833,

953. 963. IO°8. 1013, 1230, 1327

Vogeldiphterie (en vogelpokken) ..................... 147, 148, 729, 784

Volksgezondheid.................................................... 40

Vries, L. P. de— 106, 146, 262, 270, 493, 495, 538, 552, 612, 659, 729, 963, 1008
Vrijburg
. Dr. A. 44, 51, 91, 108, 134, 136, 142, 204, 216, 235, 242, 262, 265,
294.
3°8, 315. 316. 37°. 376, 38°. 4°°. 422, 434, 436, 457, 472, 473, 494,
513. 54°. 541. 542. 547. 567. 575. 605, 607, 616, 637, 655, 664, 665, 702,
732, 748, 766, 774, 776, 785, 787, 827, 839, 861, 905, 948, 961, 978,
1007, 1043, 1052, 1059, 1061, 1063, 1071. 1072, 1106, 1119, 1161, 1167,

1169, 1233, 1255,1316,1326, 1331, 1396, 1404

VI.

Wavo-Roentoe .............................................. 1128, 1133

Warenwet ......................................................... 135

Wet. Proeve van -— (Boekaank.) .................................... 5311

Werf, G. van de, Vergiftiging van Runderen.......................... 362

Werf, G. van de............................................. 362, 397

Wester, Prof. Dr. J. Rachitis, Osteomalacie, Osteofibrose........1205, 1256

Wiederkauermagen. Methodik der Untersuchungen des — (Boekaank.).... 363

Winkel, Dr. A. J......................... 29,273,309,339,1181, 1287, 1346

Winkel, Dr. A. J. Bijenziekten in Nederland........................ 29

Winkel, Dr. A. j. Bijdrage tot de kennis der bestrijding van het Mond-
en Klauwzeer ................................................
273, 339

Winkel, Dr. A. J. Poging tot verklaring van het goedaardig verloop van het

Mond- en Klauwzeer........................................ 309, 714

Winkel, Dr. A. J., Bijen en bijenziekten................. 11S1, 1287, 1346

Wondbehandeling............................................ 839, 840

Wormeieren .............................................. 547, 668, 1251

Z.

Ziekten van Bijen............................... 29, 1181, 1287, 1331,

Ziekten der geslachtsoiganen ...................... 158, 211, 961, 1062, 1243

Ziekten van kleine huisdieren................659, 810, 1128, 1178, 1246, 1251

Ziekten van herkauwers.....106, 163, 495, 665, 901, 955, 1062, 1063, 1077, 1133

Ziekten door ingewandswormen................... 103, 159, 964, 1239, 1251

Ziekten van konijnen en hazen ............................ 493, 836, 990

Ziekten der oogen. Zie Oog-ziekten.

Ziekten van paarden........................ 103, 158, 434, 667, 897, 1072

Ziekten van schapen..............................495, 552, 666, 1062, 1064

Ziekten van varkens 55, 232, 269, 475, 489, 537, 549, 608, 777, 782, 829, 843,

963, 101i, 1239

Ziekten van visschen ................... 46, 161, 724, 775, 833, 836, 889

Ziekten van vogels 49, 102, 146, 271, 487, 612, 728, 734, 788, 833, 953, 963,

1008, 1013, 1230, 1327

Zilvervossen. Het vraagstuk der longworminfectie bij — (Klarenbeek) . . 381

Züchtungslehre. (Boekaank.) ......................................... 464

Zwartwaterkoorts .................................................. 263

Zwijnenberg, Dr. h. a., ................................. 163, 373, 434

-ocr page 14-
-ocr page 15-

56e Jaargang van het Tijdschrift.

Het is voor de Redactie een aangename taak allen dank te
zeggen, die aan het Tijdschrift voor Diergeneeskunde in 1928
lubben medegewerkt.

De ingekomen copy kon regelmatig worden verwerkt. De samen-
werking met de firma
van Boekhoven mag ook dit jaar zeer
aangenaam genoemd worden. De verhooging van de door de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde verleende subsidie en de voor-
deeliger voorwaarden waaronder het Tijdschrift wordt uitgegeven,
stelden de Redactie in staat, verschillende verbeteringen aan te
brengen. Steeds talrijker zijn de bewijzen, die wij ontvangen, dat
het Tijdschrift ook in het buitenland zeer de aandacht trekt en
tot de vooraanstaanden op dit gebied wordt gerekend.

Omtrent den jaargang 1929 kan de Redactie het volgende mede-
deelen. Dr. W
inkel deed de toezegging, de door hem op uitnoodi-
ging van ,,het jubileum-Fonds" der Veeartsenijkundige Faculteit
gehouden voordrachten over
Bijenziekten, voorzien van aanvul-
lende hoofdstukken, voor publicatie in het Tijdschrift gereed te
maken.

Van verschillende zijden werd de wensch uitgesproken in ons
Tijdschrift artikelen op te nemen onder den verzamelnaam ,,Cli-
nische Lessen" naar aard en inhoud overeenkomende met stuk-
ken, die onder dezen titel in het Ned. Tijdschrift voor Genees-
kunde zijn verschenen.

De Redactie was zoo gelukkig de hoogleeraren de Blieck,
Hartog, Jakob en Wester bereid te vinden elk een artikel als
hier bedoeld in den loop van dit jaar voor het Tijdschrift samen
te stellen. Te gelegener tijd zal de Redactie nagaan hoever aan
deze rubriek uitbreiding gegeven kan worden.

Redactie.

i

lvi

-ocr page 16-

Th. G. VAN RIJSSEL. f

Den iöen November 1928 overleed te Rotterdam Theodorus
Gerardus van Rijssel, in den ouderdom van 78 jaar, bij velen
onzer bekend, doordat hij tot voor korten tijd nog steeds met de
meeste opgewektheid de Algemeene Vergaderingen onzer Maat-
schappij bezocht. Wie hem daar zag met zijn gezond, vroolijk
lachend gezicht, vollen haardos en grooten knevel, zou hem zijn
leeftijd niet hebben aangezien, al hadden de haren vanzelfsprekend
wel hun pigment verloren.

Hij kon meespreken van dingen, die het meerendeel van ons
niet uit eigen aanschouwing kent, b.v. van de longziekte en van
de schaapspokken, waarover hij in de vergadering van Inspecteurs
van den Veeartsenijkundigen Dienst nog een voordracht hield,
nadat hem reeds pensioen was verleend. Zoo vertoonde hij mij
op de feesten van 1921, ter herdenking van het honderdjarig bestaan
van onze diergeneeskundige onderwijsinrichting, het programma
van de feestviering van het vijftig-jarig bestaan.

Geboren te Poortvliet (Z.) op 4 Juni 1850, als zoon van den
geneesheer E. C.
van Rijssel, bezocht hij eenigen tijd de H. B. S.
te Middelburg en deed in 1870 met goed gevolg toelatingsexamen
tot de Veeartsenijschool te Utrecht. In 1874 vestigde hij zich, na
het diploma te hebben verworven, eerst te Poortvliet en in 1876
te Klaaswaal, waar hij zich te midden van tal van empiristen een
diergeneeskundige praktijk wist te scheppen.

Bij Besluit van 14 Juni 1881, No. 8, benoemd tot plaatsvervan-
gend Districtsveearts, volgde met ingang van 1 Januari 1890
(Besluit van 23 December 1889, No. 14), zijn benoeming tot Districts
veearts. Zijn district, met standplaats Dordrecht, waar hij met
ingang van 1 Mei 1890 zich vestigde, omvatte Zuid-Holland, be-
neden Maas en Lek en Zeeland. Dit eilandendistrict was uiterst
moeilijk te bereizen, wegens de gebrekkige verbindingsmiddelen;
veel moest met trage stoombooten en nog meer met paardentrek-
kracht worden afgedaan en daar
van Rijssel veel zelf wilde zien
en afdoen, zal hij niet veel rust gekend hebben. Het was hem echter
nooit te koud en nooit te warm ; als beschutting tegen de zonne-
stralen bediende hij zich van het velen onzer bekende grijze zonne-
scherm.

In 1894 volgde hij een cursus in bacteriologie te Utrecht, onder
leiding van Dr.
de Haan en Dr. Straub, terwijl hij ook zitting
had in een Staatscommissie voor Mond- en Klauwzeerbestrijding
en zich interesseerde voor de kennis van het hoefbeslag, zoodat
hij vele jaren zitting had in examen-commissies voor dat vak.

-ocr page 17-

Bij de uitbreiding van den veeartsenijkundigen dienst in 1913
werd hij overgeplaatst naar Breda. Zijn district omvatte toen
West-Brabant en Zeeland. In 1914 nam hij deel aan de vordering
van paarden voor het leger.

Met ingang van 1 October 1918 werd hem eervol ontslag ver-
leend, met dankbetuiging voor de gewichtige diensten, den lande
bewezen en vestigde hij zich te Utrecht, waar hij zijn zoon, medicus
als diens grootvader, hielp bij het ordenen van het museum van
het Pathologisch Instituut der Rijks-Universiteit.

In 1920 verhuisde hij naar Rotterdam, wel als gevolg van de
benoeming van dien zoon tot prosector aan het pathologisch labo-
ratorium van het groote ziekenhuis aan den Coolsingel. Ook daar
(waar toen ook zijne beide dochters woonden), bleef hij onverdroten
werkzaam en kon hij, door zijn uitgebreide kennis van besmette-
lijke veeziekten, dikwijls gegevens van groote waarde verschaffen.

Na 1922 nam hij, door zijn benoeming tot plaatsvervangend
Inspecteur van den Veeartsenij kundigen Dienst, nog meermalen
deel aan keuringen van voor uitvoer bestemd vee en vleesch.

Tot op zijn laatste ziekbed, bleef hem de liefde tot de dierge-
neeskundige wetenschap bij, de lectuur op het gebied der genees-
kunde, door zijn zoon hem verschaft en die van ons tijdschrift
trokken, toen nog, hem het meeste aan.

Als persoonlijke herinnering, afkomstig van een der laatste ont-
moetingen, die ik met hem te Rotterdan had, wil ik nog gaarne
neerschrijven, met hoeveel gerechtvaardigden trots hij sprak over
zijn zoon, zijn naamgenoot-kleinzoon in Breda en ook over zijn
andere familieleden, mij voor het overgroote deel persoonlijk be-
kend.

Mogen zij allen, met mij, een aangename herinnering bewaren
aan den ijverigen, opgewekten man, haren echtgenoot, hunnen
vader en grootvader.

Hij ruste in vrede.

Vermaat.

-ocr page 18-

GEMEENTELIJKE KEURING OP INGEVOERDE VLEESCH-
WAREN,

door

Dr. R. VAN SANTEN, Adjunct-Directeur v. h. Openbaar Slachthuis Nijmegen.

Zeer goed wetende, dat ik mij bij het bespreken van deze kwestie
en vooral bij het breken van een lans voor deze keuring op glad
ijs waag, meende ik toch, na veel wikken en wegen goed te doen,
de voor- en nadeelen alsmede de keuring zelf en de resultaten
ervan eens wat uitvoeriger op deze plaats te bespreken.

Ik meende hiertoe des te meer aanleiding te mogen vinden,
omdat in enkele grootere plaatsen stemmen opgaan om deze keu-
ring in te voeren en door de Directeuren van Vleeschkeurings-
diensten in die Gemeenten reeds stappen in die richting zijn
gedaan.

Deze keuring heeft tot doel om door het inprikken met houten
of stalen pennen
die vleeschwaren eruit te halen, die door een
abnormale geur, welke oorzaak ook aan die geur ten grondslag
ligt, voor het publiek niet zijn te consumeeren en voor den winke-
lier onverkoopbaar zijn ; als hoofdrubriek dus omvattende de be-
dorven vleeschwaren.

Uitsluitend zich bepalend tot dit engere doel, zal iedere Directeur
van een Vleeschkeuringsdienst die de invoerkeuring toepast on-
middellijk beamen dat dit volkomen wordt bereikt, hoewel hij
evenmin blind zal zijn voor het feit, dat het algemeene doel van
iedere keuring, nl. het preventief weren van vleeschwaren welke
voor de Volksgezondheid schadelijk kunnen zijn, door het onvol-
maakte van de keuring in het geheel niet wordt bereikt, noch
zelfs maar wordt benaderd.

Dit zal bij een systematische bespreking van de voor- en na-
deelen aan deze keuring verbonden wel voldoende aan het licht
komen.

De keuring zelf is heel eenvoudig en meer een kwestie van
routine, doch de gevonden afwijkingen zijn dikwijls interessant
genoeg om een onderzoek naar de oorzaak bij den Vleeschwaren-
fabrikant in te stellen.

De houten pen is het meest geschikt, omdat daaraan de inwen-
dige geur van de vleeschwaren het beste en den langsten tijd blijft
hangen, hoewel voor het harde paardenrookvleesch misschien een
stalen pen is te verkiezen. Grootere stukken spek, ham, rook-
vleesch enz. moeten op verschillende plaatsen worden ingeprikt ;
kleinere stukken en diverse worstsoorten op één plaatsen de wor-
sten het liefst aan een uiteinde omdat na het inprikken steeds
een grauwe verkleuring optreedt rondom het kanaal dat de pen
heeft afgelegd, hetgeen dus een schade voor den winkelier beteekent.

-ocr page 19-

Het dichtdrukken van de ontstane opening na het inprikken
verdient in verband hiermede aanbeveling.

Na het vinden van een bedorven stuk vleeschwaar moet de pen
worden afgeschrapt of een nieuwe pen worden genomen om ver-
gissingen te voorkomen.

Na de goedkeuring geschiedt het merken. Dit is altijd een bui-
tengewoon lastige kwestie geweest en zal straks bij de bezwaren
welke aan de invoerkeuring zijn verbonden uitvoerig worden be-
sproken.

Het officieele goedkeuringsmerk van Nij-
megen is een rond stempelmerk met in den
rand de woorden ,,Gemeente Nijmegen" en
een dwarse band eroverheen met het woord
,,Goedgekeurd".

De doorsnede is 3 c.M. Iedere worst krijgt
aan beide uiteinden een stempelmerk en de
kleinere stukken spek en ham aan den
vleeschkant eveneens.

Op grootere stukken zelfs verscheidene stempelmerken om steeds
bij de controle, ook al is er een stuk van de vleeschwaar opgesne-
den toch nog de stempelmerken te kunnen constateei\'en.

In verband met den Israelitischen Ritus, moet men voor Jood-
sche invoerders van Koschere vleeschwaren een apart stempel-
kussen en stempel, alsook aparte pennen voorhanden hebben.
Na een proces-verbaal, in Nijmegen opgemaakt tegen een slager
die frauduleus koschere vleeschwaren invoerde en de daarop ge-
volgde polemiek voor den kantonrechter alhier, zijn wij tot dezen
maatregel moeten overgaan.

De nadeelen, aan deze invoerkeuring verbonden (tenminste als
men bij een keuring, die beoogt en ook bereikt om bedorven ma-
teriaal uit de consumptie te weren en waarbij iedere afkeuring dus
een winst is voor de Volksgezondheid, nog van nadeelen mag
spreken tenzij deze van zeer ingrijpenden aard worden) zijn de
volgende :

ie. Het aanbrengen van een duidelijk stempelmerk is buiten-
gewoon moeilijk. Hij die vleeschwaren in de Gemeente invoert
en ter keuring aanbiedt heeft m. i. recht op een zoodanige wijze
van merken, dat een gemeentelijke controleur te allen tijde kan
constateeren, dat de vleeschwaren werkelijk in zijn eigen gemeente
ter keuring zijn aangeboden en goedgekeurd. Nu en dan toch komt
het in Nijmegen voor, dat er vleeschwaren worden ingevoerd welke
reeds een rond stempelmerk dragen als bewijs dat ze al eens in
Tilburg of \'s Hertogenbosch zijn goedgekeurd, geheel terecht, doch
dat bij bezorging door den expediteur blijkt, dat de kwaliteit bv.
niet is zooals die, bij opgave van de bestelling aan den fabrikant,
was overeengekomen.

-ocr page 20-

De winkelier stuurt dan soms de zending naar de fabriek terug en
later verzendt deze er bv. weer een gedeelte van naar Nijmegen.
Wil nu een winkelier fraudeeren en is het stempelmerk niet dui-
delijk dan kan men nooit constateeren of deze vleeschwaren wer-
kelijk in Nijmegen ter keuring zijn aangeboden. Het volgende
geval, betrekking hebbende op de onduidelijke stempeling der
vleeschwaren heeft zich b.v. alhier voorgedaan :

,,Als resultaat van een ruzie tusschen een vleeschwarenwinkelier en zijn knecht,
kwamen wij te weten dat de winkelier maar een klein gedeelte van zijn vleesch-
waren liet keuren en de rest frauduleus invoerde en ,,afstempelde" met een kurk
van ongeveer dezelfde doorsnede als ons stempelmerk en in welke kurk aan de
„stempelvlakte" verschillende hiëroglyphen waren ingesneden welke na afdrukken
op de worst zoodanig den indruk maakten van een stempelmerk, dat het den con-
troleur nooit was opgevallen.

Na inbeslagname der kurk en van de eigengemaakte stempelinkt vertelde de
winkelier dat hij de worsten vaak schoonmaakte omdat ze beslagen waren met
schimmel en daarna met het oog op de controle, met de kurk de imitatiestempels
aanbracht, doch dat hij de vleeschwaar bij invoer eerst liet keuren en stempelen.
Wij wisten wel beter, doch juist omdat vooral op vette worst en op spek onze stem-
pels vaak zeer onduidelijk zijn en alleen een ronde blauwe vlek waarneembaar is,
welke vlek dus het officiëele goedkeuringsmerk is, kostte het de grootste moeite een
veroordeeling te bewerkstelligen."

Dank zij de samenwerking met dc Spoorwegen ontvangen wij
thans iederen morgen een opgave van dc vleeschwaren welke den
vorigen dag in Nijmegen zijn ingevoerd alsmede de adressen voor
wie ze bestemd waren. Blijkt, dat een winkelier den vorigen dag
minder heeft laten keuren dan op de lijst van dc Spoorwegen staat
vermeld, dan kan dus spoedig en op de juiste plaats worden ge-
controleerd. Ontduikingen komen dan ook weinig voor.

De Directie van het Postkantoor alhier wil tot op heden zoo\'n
lijstje nog niet afgeven, zoodat de per post ingevoerde vleesch-
waren onbekend zijn.

Heel vaak zijn de stempels echter heel goed zichtbaar en blijven
dit ook langen tijd. Een voorname factor is dat men de stempels
eerst even laat opdrogen voordat de vleeschwaren worden inge-
pakt. Aangezien echter het afhalen van het station, het aan het
slachthuis ter keuring aanbieden en het thuisbezorgen der Vleesch-
waren meestal loopt over één of meer plaatselijke expediteurs,
voor wie tijd geld is, laat dit vaak te wenschen over en worden
de vleeschwaren meestal met de nog natte stempelmerken weer
ingepakt, wat de duidelijkheid der merken later niet ten goedekomt.

Verder wordt meestal gestempeld met blauwe stempelinkt,
welke op het bijna zwarte paarrlenrookvleesch later onzichtbaar is.
Alles hebben wij geprobeerd, tot zelfs gestempeld met speciaal
door
Talkns bereide witte stempelinkt, doch ook deze methode
faalde. Op den vleeschkant van de hammen en het spek, vooral
wanneer deze gerookt zijn, is een stempelmerk bijna onmogelijk
blijvend zichtbaar aan te brengen.

-ocr page 21-

Wij probeerden toen de rauwe hammen en het spek te stempelen
met electrisch gloeiend gemaakte stempels, waardoor de letters
G. N. in het zwoerd werden gebrand. Dit gaat heel goed, alleen
het houdt veel langer op en het gevaar voor electrocutie van den
stempelaar is niet denkbeeldig, en zelfs gebeurde het hier, dat,
door een defect aan dienstempel, ik door den grilligen electrischen
stroom een flinken schok kreeg, terwijl ik ongeveer 4 M. was ver-
wijderd van den stempelaar, en wel via een heele partij met elkaar
contact makende worsten, welke dus onder stroom stonden.

Tegenwoordig wordt veel gezouten paardenvleesch in vaten ge-
ïmporteerd uit Amerika. Kletsnat van de pekel komt dit vleesch
in stukken uit de vaten, wordt kletsnat gestempeld, en als men
dan weet dat dit vleesch bij de Paardenslagers nog eens 24 uur
in het water wordt gezet, dan afgewasschen, soms in kleinere stuk-
ken gesneden en daarna nog wordt gerookt, dan kan de vraag of
er nog iets van een stempelmerk zichtbaar is als dat vleesch uit
de rookkast komt, gevoegelijk achterwege blijven.

Op plockworst die, wil ze goed zijn, zoo hard is als een steen,
kan onmogelijk een stempelmerk duidelijk worden aangebracht.
Deze worst, evenals het paardenrookvleesch en gezouten paarden-
vleesch, dient men dus te merken met draad, lood en plombeertang,
hetgeen liier zoo nu en dan ook geschiedt.

O. a. is er bv. één slager die steeds speciaal verzoekt om een
duidelijke merking met draad, lood en tang van de plockworst die
hij regelmatig ter keuring aanbiedt.

De slagers zijn n.1. ook verplicht die vleeschwaren, die zij ver-
koopen aan plaatselijke winkeliers te laten keuren en merken
zonder dat daarvoor een keurloon is verschuldigd zooals dat voor
van elders ingevoerde vleeschwaren wel is bepaald. Strikt geno-
men is dit niet geheel billijk. Evengoed als door de slagers reeds
keurloon is betaald voor het materiaal in verschen toestand, is
dit toch ook het geval met de vleeschwarenfabrikanten elders. Zij
betalen opnieuw een vergoeding voor het keuren en merken van
hun in Nijmegen ingevoerde vleeschwaren. Deze keuring en mer-
king geschiedt voor de plaatselijke vleeschwarenfabrikanten in
casu de slagers gratis, zoodat de hefting van keurloon van de
elders gevestigde vleeschwarenfabrikanten is te beschouwen als
een protectionistische maatregel in engeren zin ten bate van de
plaatselijke concurrenten.

Wel moeten natuurlijk de slagers betalen voor van elders door
hen ingevoerde vleeschwaren welke zij in hun winkel verkoopen
en aangezien hun eigen fabrikaat, verkocht in hun eigen winkel
vrij is van keuring en van stempeling, doet zich weieens het geval
voor dat een slager frauduleus invoert, waardoor het bij inspectie
bijna een onmogelijkheid wordt om de ingevoerde vleeschwaren
te onderscheiden van het fabrikaat dat hij zelf heeft gemaakt.

-ocr page 22-

Dit is te voorkomen door alle vleeschwaren ook het eigen fabri-
kaat en zelfs verkocht in eigen winkel te laten keuren en stem-
pelen, zij het dan gratis. Eenige maanden hebben wij dit gepro-
beerd, doch als volslagen onmogelijk spoedig opgegeven.

Het spreekt vanzelf, dat de verschillende wijzen van merken
door de Gemeentelijke verordening regelende den keuringsdienst
van vee en vleesch van rechtskracht moeten worden voorzien om
eventueel proces-verbaal te kunnen opmaken.

Ik heb voor mij persoonlijk het niet duidelijk kunnen merken
van de gekeurde vleeschwaren als één der grootste bezwaren ge-
voeld, hoewel toch, behoudens het genoemde feit van de „stempel-
kurk" er nooit eenige kwestie is geweest, dank zij het feit dat vrij-
wel iedere weldenkende winkelier inziet dat ook hij zelf het grootste
belang bij de keuring heeft.

De genoemde bezwaren van het merken zijn dus wel velerlei,
doch men bedenke, dat zij eigenlijk zijn neergeschreven als geza-
menlijk resultaat van een jarenlange ervaring, die eerlijkheidshalve
moeten worden vermeld, doch die in de practijk natuurlijk geen
dagelijks voorkomende gevallen zijn.

Bij inspectie is op de vleeschwaren meestal öf een vrij goed lees-
baar stempelmerk óf een fragment ervan te ontdekken waardoor
nog wel is aan te toonen dat zij de invoerkeuring zijn gepasseerd.

Van alle voor en na ingebrachte bezwaren tegen de keuring van
ingevoerde vleeschwaren is dit echter het eenige waarmee men
practisch weieens te maken heeft.

De thans volgende bestaan theoretisch zeer zeker, doch hebben,
althans te Nijmegen nooit eenigen last veroorzaakt.

2e. Men keurt op bederf en andere abnormale geuren (waarover
straks) welke aan de vleeschwaren kleven.

Als bewijs van goedkeuring wordt de vleeschwaar voorzien van
een goedkeuringsmerk en komt in het vrije verkeer. De mogelijk-
heid bestaat, en doet zich inderdaad ook voor, dat eenige uren
later een controleur van den Keuringsdienst van Waren een mon-
ster komt nemen van de door den Vleeschkeuringsdienst goedge-
keurde vleeschwaren teneinde een scheikundig onderzoek te doen
instellen naar b.v. de eventueele aanwezigheid van te veel salpeter,
te veel zetmeel, aanwezigheid van kleurstof enz. Stel dat er bij
dit onderzoek blijkt dat er een strafbare handeling bij de bereiding
van deze vleeschwaren plaats vond, dan wordt misschien om
scheikundige reden korten tijd na de goedkeuring door den Vleesch-
keuringsdienst de vleeschwaar door den Keuringsdienst van Waren
in beslag genomen en vernietigd Dat dit een eigenaardige gedachte
opwekt bij de betrokken personen spreekt vanzelf, omdat men
denkt met het goedkeuringsmerk van den Vleeschkeuringsdienst
tegen alles gedekt te zijn. Nogmaals, het zijn geen dagelijks voor-
komende gevallen, doch het gebeurt soms. Het is daarom zaak

-ocr page 23-

om steeds de bedoeling van deze invoerkeuring in ruime mate
aan de betrokken winkeliers bekend te maken en dan valt dit
bezwaar erg mee.

3e. Bij de keuring van de vleeschwaren op bederf is het consta-
teeren van een abnormale geur het hoofddoel. Dit is dus een zeer
eenvoudige, zeer éénzijdige keuring, zóó eenzijdig zelfs, dat het
den naam van „keuring" nauwelijks verdient.

Onder een keuring toch verstaat men in het algemeen een op-
eenvolgende reeks van handelingen met het doel om te consta-
teeren of het te keuren voorwerp beantwoordt aan alle eischen die
men van te voren voor een bepaald doel aan dat voorwerp stelt.
In dit geval is het doel van iedere keuring in de Vleeschhygiène
om te constateeren of een voorwerp niet schadelijk is voor de ge-
zondheid. En dit bereikt men met de keuring op bederf ten eenen-
male nooit. Een worst, een ham, een stuk rookvleesch enz. dat
niet stinkt en dus wordt goedgekeurd kan een uur later een Vleesch-
vergiftiging veroorzaken. Men bestempelt dus eigenlijk de vleesch-
waren als zijnde niet schadelijk voor de gezondheid, zonder dat
men, zooals dat bij de gewone vleeschkeuring het geval is, alle
factoren heeft kunnen benutten om tot een wetenschappelijk
gemotiveerde beslissing te komen.

Gedurende al de jaren dat in Nijmegen een invoerkeuring op
vleeschwaren bestaat, heeft zich zulk een geval nog niet voorge-
daan, hoewel het theoretisch mogelijk is. (Men kan hier echter
onmidellijk tegenover stellen, dat zonder een invoerkeuring op
vleeschwaren de kans op een vleeschvergiftiging niet minder wordt
en dat men misschien met het afkeuren van tal van stinkende
vleeschwaren wel eens een vleeschvergifliging in kleinen kring
heeft voorkomen).

, In elk geval blijft dit argument tegen een invoer-keuring op vleesch-
waren steeds een gevaarlijk wapen in de hand der tegenstanders.

4e. Het vereischt, vooral in grootere plaatsen meer personeel.
Zeker, en niet weinig ook. Doch de uitgaven voor deze keuring,
aan stempelaars, meer controleurs, meer deskundig personeel en
beschikbaar te stellen ruimte worden uit den dienst zelf betaald.
Het keuren brengt verder een heele rompslomp, drukte en ver-
antwoording met zich mede en vereischt een vrij groote mate van
standvastigheid, omdat het uitsluitend een keuring op bederf is
en de vleeschwarenfabrikant, misschien terecht, zich minstens even
deskundig gevoelt als degene die met de keuring is belast.

Herhaaldelijk is er dan ook verschil van meening, doch dit ge-
beurt altijd, wanneer nu eenmaal een persoonlijk belang moet
worden opgeofferd voor het algemeen welzijn, zooals dat bij de
gewone vleeschkeuring ook geschiedt. Dit 4e argument dat men
wel eens hoort verkondigen is dus als niet steekhoudend weg te
cijferen.

-ocr page 24-

5e. Sommigen zeggen dat men men met een repressieve controle
op vleeschwaren hetzelfde kan bereiken tenminste als die controle
intensief wordt uitgeoefend.

Men kan zeer zeker met een goed georganiseerde inspectie veel
bereiken, doch bij lange na niet aan bedorven materiaal achter-
halen wat men bij de preventieve keuring eruit haalt.

6e. Men heeft ook als motief tegen de invoer-keuring op vleesch-
waren met de noodzakelijk daaraan verbonden heffing van rech-
ten, aangevoerd, dat het niet aangaat om den Middenstand, hetzij
dan winkelier of vleeschwarenfabrikant nog maar meer te belasten,
zoodat ten slotte het publiek het toch weer moet betalen.

Men vergeet echter, dat als het voor een andere zaak noodig is,
men "niet schroomt diezelfden middenstand veel zwaardere lasten
op te leggen voor een vaak heel wat minder ideaal doel dan het
bevorderen van de Volksgezondheid.

Deze 6 genoemde bezwaren en nog enkele veel minder belang-
rijke hoort men algemeen tegen deze keuring aanvoeren.

Ik geef toe, tezamen vormen ze een waarlijk stevige barrière
tegen den aanval van de voorstanders van deze keuring.

Na de opsomming van de bezwaren volgen nu de voordeelen
van deze keuring voor de Volksgezondheid en andere economische
voordeelen.

ie. Heeft een afkeuring plaats gehad, dan ontvangt de winkelier
een officieel afkeuringsbewijs, zoodat hij zonder protest van den
vjeeschwarenfabrikant de factuurwaarde van het afgekeurde van
zijn, totale nota kan aftrekken. Zonder de keuring en eventueel
afkeuringsbewijs is het voor een winkelier buitengewoon lastig om
vleeschwaren die op den rand van bederf staan of al iets bedorven
zijn. van den fabrikant vergoed te krijgen omdat de ervaring on-
omstootelijk heeft vastgesteld dat geen enkele fabrikant spontaan
wil erkennen dat er aan zijn fabrikaat wat kan haperen. Het is
eigenaardig, doch het eerste wat men hoort als er over een afkeu-
ring wordt getelefoneerd of gecorrespondeerd, is : „Dat kan niet,
dat is een onmogelijkheid, daar begrijp ik niets van". Men behoeft
niet te vragen hoe een winkelier in een dergelijk geval zal varen
zonder steun van den Vleeschkeuringsdienst. Zeker, ik weet wel
dat bij een repressieve controle altijd de winkelier in een verdacht
geval den Vleeschkeuringsdienst kan waarschuwen en dan ook
een afkeuringsbewijs kan bekomen, doch dit gebeurt meestal niet
eerder dan nadat er klachten zijn gekomen, dus te laat en clan
kan de fabrikant altijd zeggen dat er al te langen tijd isverloopen,
dat de vleeschwaren onoordeelkundig bewaard zijn enz.

2e. Herhaaldelijk is mij door verschillende winkeliers verzekerd
dat zij er voor hun zaak een voordeel in zien, wanneer door de

-ocr page 25-

invoer-keuring op bederf voorkomen wordt, dat zij hun klanten
vleeschwaren verkoopen waarop iets valt aan te merken. Het
tegenwoordige publiek dat weieens als „lastig" wordt gekwalifi-
ceerd omdat het goede waar voor goed geld eischt, moet niets
hebben van vleeschwaren waar iets op valt aan te merken en is
spoedig geneigd hun winkelier de leverantie te ontzeggen wan-
neer het ondeugdelijke waar krijgt thuisgestuurd. En dat zooiets
zonder invoer-keuring absoluut moet plaats hebben zal blijken
uit de nog te bespreken afkeuringen.

3e. Een ander voordeel is, dat op een centrale plaats, hetzij
slachthuis of een andere aan te wijzen localiteit, alle ingevoerde
vleeschwaren samenkomen. Wat een buitengewoon mooie gelegen-
heid om een gezonde samenwerking te doen plaats vinden tusschen
Vleeschkeuringsdienst en Keuringsdienst van Waren, zooals dat
in Nijmegen gelukkig het geval is.

Constateeren wij kleurstof in omhulsels van worsten, hammen
enz., of wordt door de typische prikkelende onaangename lucht,
(waarover straks) een overmaat van salpeter vermoed, dan wordt
direct de Keuringsdienst van Waren gewaarschuwd en bij bewezen
overdracht de fabrikant geverbaliseerd. Wat een groot voordeel
voor de Keuringsdiensten van Waren om direct vanaf het tijdstip
van invoer, de schilderkunst van Vleeschwaren die overal in ons
land, vooral in groote plaatsen nog in grooten bloei verkeert, den
kop in te drukken. Welk een voordeel boven de repressieve keu-
ring zooals die door den Keuringsdiensten van Waren elders wordt
toegepast. En nu weet ik wel, dat wij daarmee niet veel te maken
hebben, wanneer wij ten minste het eenige doel van den Vleesch-
keuringsdienst voor oogen hebben, doch ten slotte is onze dienst
toch ook maar een onderdeel van den grooten dienst ten bate der
openbare gezondheid.

Bovendien voorkomt men door deze samenwerking met den
Warendienst gedeeltelijk het bezwaar, genoemd onder No. 2 (af-
keuring door den Keuringsdienst van Waren na goedkeuring dooi-
den Vlecschkeuringdienst).

4e. De invoer-keuring op vleeschwaren oefent correctie uit op
de vleeschwarenfabricage. Ik voor mij weet positief dat er wel
degelijk door de fabrikanten rekening wordt gehouden met het
feit of zij moeten verzenden naar een Gemeente waar invoer-
keuring is, of naar een Gemeente waar zij frank en vrij maar naar
toe kunnen sturen.

Uit een oogpunt van algemeen belang weet ik wel, dat dit argu-
ment vervalt, omdat het voor de algemeene volksgezondheid ten
slotte hetzelfde is of Gemeente A. de minderwaardige vleeschwaren
niet krijgt toegestuurd en dus niet consumeert en Gemeente B.
een dubbele portie.

Men kan, wat dit punt betreft een vergelijking maken met de

-ocr page 26-

tuberkulosebestrijding in Friesland. Het is hierbij ook zoo gemak-
kelijk om te zeggen dat de overige provinciën van ons land meer
tuberkuleuse koeien krijgen omdat Friesland ze opruimt en dat
dus uit een oogpunt van algemeene hygiëne voor den Nederlandschen
veestapel de resultaten veel minder zijn dan ze schijnen. Zou echter
overal dezelfde bestrijding plaats vinden, dan eerst zou men over
de heele linie uitstekende resultaten krijgen.

Zoo is het ook met de invoer-kcuring van vleeschwaren. Men
kan ook hier zoo gemakkelijk zeggen, evenals bij de tuberkulose-
bestrijding in Friesland : „Het helpt voor het algemeen belang zoo
weinig want de plaatsen waar niet gekeurd wordt krijgen vanzelf-
sprekend de slechtere kwaliteiten vleeschwaren toegestuurd".

Eerst wanneer overal keuiing plaats vindt, zal de toestand veel
beter worden. De Vleeschwarenfabrikanten, vooral de goede (en
de meesten rekenen zichzelf hiertoe) hebben ook zelf het grootste
belang bij een goede invoer-keuring omdat hierdoor stelselmatig
hun slechtere concurrenten worden gehandicapt en er dus auto-
matisch een selectie wordt uitgeoefend

5e. Bestaat er bijna algemeen in ons land een plaatselijke invoer-
keuring dan zal de belangstelling in de vleeschwaren zeer zeker
stijgen.

Op het oogenblik is de belangstelling voor de keuring en het
onderzoek van Vleeschwaren nu niet bijzonder groot. Wanneer
men er echter dagelijks mee te maken krijgt zal dit allicht een stoot
worden om er eens meer van te willen weten en vooral op histolo-
gisch gebied er eens iets naders van te onderzoeken. Uit het eene
onderzoek wordt nu eenmaal het andere geboren.

6e. Men keurt een massa vleeschwaren af die bedorven zijn of
door andere oorzaken een abnormale geur verspreiden en bevor-
dert hierdoor de Volksgezondheid. Nu weet ik wel, dat alle afge-
keurde bedorven vleeschwaren geen ziekte zouden hebben ver-
oorzaakt, zooals ik ook ontken dat in plaatsen waar geen invoer-
keuring bestaat persé vergiftigingen moeten voorkomen, hoewel
nooit te contröleeren zal zijn hoeveel kinderen in een of anderen
vorm schade hebben ondervonden van het consumeeren van aan
den zelfkant van bederf staande vleeschwaren.

En ten slotte is het willens en wetens toelaten en dus ook van
het laten consumeeren van bedorven vleeschwaren veel slechter te
verdedigen, dan het afkeuren in den gewonen Vleeschkeurings-
dienst van nieren wegens infarcten, levers wegens angiomatose,
nieren wegens cysten en wegens geringe nephritis fibroplastica enz.

Dat verder het aantal afkeuringen wegens verschillende oor-
zaken vrij belangrijk is, toont wel het lijstje van afkeuringen welke
in den loop der laatste jaren in Nijmegen hebben plaats gehad en
welk staatje thans volgt :

-ocr page 27-

AFKEURINGEN IN KILOGRAMMEN.

Afgekeurde

Vleeschwaren

1920

1921

1922

1923

1924

1925

1926

1927

1928

tot
i Nov.

Worstsoorten . .

20.1

621

472.8

111.7

3"-5

648.7

356-5

216.5

413

Spek..........

34ï

"5 5

2474

65.1

212.5

217.6

328.7

:53

214

Runderrook-

vleescli

16

17

176.6

39-7

47

75-2

17.1

12.5

223

Paardenrook-

vleesch

12-5

96

259-5

72

34

122

20.3

122

40.5

Ham..........

39-5

52

37°-9

93-7

288.5

1507

151

200

427

Rundertong ge-

rookt .......

2.8

34

8.4

I

228

Leverpastei ....

!-7

Preskop........

5-4

Zwoerd gezouten

2

in

66

Gesmolten vet .

54-5

70

Leverkaas .....

i

Paardenvleesch

gezouten

122

5

110

6-5

Rolpens........

i-5

Hoofdkaas.....

2

Gezouten Kieu-

wen .........

7

Totaal ........

122.2

901.5

1593.6

383.2

927 5

J337-7

1070

881

1559

Dit alles dus voor een plaats waarvan de fabrikanten weten
dat alle vleeschwaren streng op abnormale geuren worden ge-
keurd.

Deze afgekeurde vleeschwaren, vermenigvuldigd met een getal
dat aangeeft het aantal malen dat de bevolking van Nijmegen is
begrepen in die van grootere plaatsen, vermeerderd met een toe-
slagpercentage voor de wetenschap dat er geen preventieve invoer-
keuring is, demonstreeren toch wel hoeveel slecht vleeschwaren-
materiaal in die plaatsen wordt ingevoerd.

De vrij groote afkeuringen in de eerste tien maanden van 1928
zijn te verklaren door de aanwezigheid in Nijmegen van een firma
die verschillende winkels heeft en momenteel de aanstichter is
van een „vleeschoorlog" hier ter stede.

Deze firma concurreert sterk, koopt zoo voordeelig mogelijk
in en het gevolg is een invasie van minderwaardige vleeschwaren,
waarvan het resultaat der keuring zich demonstreert in boven-
staand lijstje, wat een zeer sprekend bewijs is dat de goedkoopere
vleeschwaren voor afkeuringen zijn gepraedisponeerd.

Er bestaat zelfs een vleeschwarenfabriekje dat maar opgehouden
heeft om naar Nijmegen te verzenden.

Ik vraag mij alleen af, waar zijn die vleeschwaren altijd naar
toe gegaan, waar gaan zij nog steeds naar toe en waar zullen ze
voorloopig nog naar toe gaan? Wat gebeurt ermee zonder pre-
ventieve keuring? Het antwoord laat zich raden.

-ocr page 28-

Met huid en haar verslonden door die plaatsen in ons land waar
geen invoer-keuring op bederf en op andere abnormale geuren
bestaat.

Een voorbeeld : „Verleden jaar werd aan het slachthuis alhier
een partij vleeschwaren aangevoerd, (ham), afkomstig van een
vleeschwarenf abri kant waarvan zelden of nooit ham wordt afge-
keurd. Het grootste gedeelte van deze partij werd echter vernie-
tigd en wat bleek? Dat de partij bestemd was voor een andere
plaats waar geen invoer-keuring op vleeschwaren bestond en bij
vergissing naar Nijmegen was gedirigeerd".

Een anderen keer klaagde een winkelier in vleeschwaren mij zijn
nood, dat hij nooit eens een goedkoope partij vleeschwaren ,,op
den kop kon tikken" omdat de fabrieken die ,,goedkoope" vleesch-
waren niet keurvrij naar een plaats waar invoer-keuring bestond
wilden leveren. Dat alles zegt dus genoeg.

Zeker zal een repressieve keuring veel achterhalen, maar vaak
te laat en dan nog lang niet in
die mate als een preventieve keu-
ring.

Bestaat er een invoer-keuring, dan kan bij controle de aandacht
vooral besteed worden aan de slagerswinkels en daar wordt nogal
eens bedorven vleeschwaar in beslag genomen. Dit geschiedt bij
een vleeschwaren winkelier hoogst zelden, tenzij hij de vleesch-
waren frauduleus invoerde en een enkelen keer \'s zomers.

De controle op de vleeschwaren winkeliers is hier dan ook voorname-
lijkeen controle op de aanwezigheid van ongestempelde vleeschwaren
en neemt dus veel minder tijd in beslag\'dan wanneer men, zooals
bij een repressieve keuring het geval is, niet alleen bij de slagers,
doch ook bij de vleeschwarenwinkeliers alle vleeschwaren op be-
derf moet gaan contröleeren.

Men heeft dus bij een repressieve keuring meer controle-personeel
in de stad noodig en bereikt lang zoo\'n gunstig resultaat niet als
bij de preventieve invoer-keuring.

De verschillende afwijkingen welke men regelmatig aantreft
zijn de volgende :

ie. Bij het inprikken van beenham ontdekt men soms een abnor-
male lucht welke een verschijnsel is van een begin van bederf.
Vaak is die afwijking zeer gering, zóó gering zelfs dat de fabrikant
ze vaak niet kan of beter gezegd niet wil ruiken, maar die toch
aanwezig is en bij langer bewaren zich steeds sterker zal open-
baren. Oorzaak is dat op die plaats langs het hambeen (pijp) de pe-
kel slecht kan doordringen en het vleesch aldaar a. h. w. in verschen
toestand laat. Komt dan die ham in den rook, dan treedt een begin
van bederf op door de temperatuur van de rookkast. Het rooken
is dus altijd een goede controle op de vakkundige behandeling
door den fabrikant.

Bij zulk een licht bedorven ham ziet men op de sneevlakte een

-ocr page 29-

plaatselijk donker roode verkleuring, terwijl die plek kleverig
aanvoelt. De fabrikant zegt dan dat die ham geen zout heeft
„gepakt".

Oorzaak is öf het onvoldoende zouten öf de toestand van het
varken vóór het slachten waardoor het vleesch voor zouten minder
geschikt wordt.

Aangezien meestal de afwijking gering is, denkt men wel eens
dat die geur juist de fijne hamsmaak veroorzaakt, doch sommigen
mogen dan gesteld zijn op een pikant smaakje van de ham, een
begin van bederf is het zeer zeker, want meermalen lieten wij
dergelijke hammen eenigen tijd op kamertemperatuur hangen en
dan was die lucht veel sterker geworden.

Ook de zwavelwaterstof lucht wijst op een bederf-proces.

Bij een fabrikant die er prijs op stelt ham af te leveren waaraan
men bijna geen zout proeft doch die juist genoeg zout heeft ge-
kregen om niet te gaan bederven, kan zooiets licht voorkomen.
Men kan het aangetaste deel wegsnijden en de rest goedkeuren.

Wordt zoo\'n licht riekende beenham ontdaan van de pijp, gerold
en daarna goed gekookt, dan verdwijnt clie geur. Vaak wordt
echter een rolham z.g. „geweld", d. w. z. langdurig aan een tem-
peratuur beneden het kookpunt blootgesteld, waardoor vaak een
dikke ham binnenin, en dat is juist de plaats waar eerst de pijp
zat, niet goed wordt doorkookt.

De rottingsbacillen blijven leven en prikt men later zoo\'n ge-
kookte ham dan is ze bedorven en de oorspronkelijk donkerroode
kleur bij de rauwe rolham is veranderd in een grijs-groene kleur
welke-meestal door de heele ham heenloopt.

Is de ham gerold, clan is natuurlijk het aangetaste deel lastiger
te verwijderen omdat het dan in het midden is komen te liggen.

2e. Een andere afwijking welke men vaak bij rolham aantreft
is de volgende :

Reeds bij het inprikken, vooral wanneer men aan den vleesch-
kant van de ham inprikt, bespeurt men een eenigszins hol geluid,
alsof zich een hoeveelheid lucht in de ham bevindt. Aan de pen
blijft een onaangename prikkelende scherpe geur hangen. Op de

sneevlakte ziet men dat zich aan de periferie van den

vleeschkant een geelachtig verkleurde zone bevindt,

welke die onaangename lucht veroorzaakt. In die zone
bevinden zich tallooze kleine gaatjes (soms is die zone echter
compact) welke bij percuteeren van den vleeschkant een hol geluid
veroorzaken. De rest van de ham, dus de spekkant is normaal.

Na wegsnijden van het aangetaste deel kan de rest goedgekeurd
worden.

Na correspondentie en mondelinge navraag bleek de oorzaak
van deze afwijking, die dikwijls voorkomt, de volgende te zijn :

-ocr page 30-

„Aan fabrieken waar steeds een groote partij hammen tegelijk
worden gefabriceerd, worden deze nadat ze zijn gezouten op elkaar
gestapeld teneinde ze te laten uitlekken en drogen, zóó, dat de
onderste laag met den zwoerd (spek)kant naar onder op den grond
wordt gelegd. Daarop wordt de tweede laag gestapeld met den
vleeschkant op den vleeschkant van de onderliggende laag. Al
naar de verkoopkracht van den fabrikant liggen deze hamstapels
längeren of korteren tijd. Liggen ze langen tijd, dan zijn de vleesch-
kanten van die hammen ook langen tijd tegen elkaar gedrukt en
a. h. w. van de buitenlucht afgesloten en dan schijnt in die onderste
sector van de ham die eigenaardige vaak optredende afwijking te
ontstaan gepaard met gasvorming welke het weefsel uiteendrukt
en vergezeld gaat van een onaangename scherpe geur. Deze geur,
alsmede de geelachtige verkleuring wijzen op een gistingsproces
waarbij de vetten (glyceriden) worden gesplitst in glycerine en
vetzuren en de glycerine in aldehyden en ketonen welke laatste

3e. Bij plockworst valt het soms op, dat de consistentie buiten-
gewoon slap is. Bij inprikken krijgt men dan weieens een scherpe
muffe lucht in den neus en bij doorbreken ziet men dat de 2 helften
nog trachten door lange dunne elastische slijmachtige draden
aan elkaar verbonden te blijven. Deze slijmige gisting is natuurlijk
een reden van afkeuring. Het komt niet vaak voor.

4e. Oude plockworst en oude metworst, zelfs al is ze goed ge-
maakt, en hard, geven bij inprikken soms een geur af, precies
gelijkende op de geur besproken onder No. 2. Ook hier die scherpe
onaangename prikkelende lucht, die soms tot hoesten noopt en
ook hier bij doorsnijden dezelfde gele verkleuring, maar dan over
de heele doorsnede en vooral van het vet of het spek dat in de
worst is verwerkt. Ook dit is een kwestie van sterke ranzigheid,
ook hier weer de ontleding van de vetten welke tot onverkoopbaar-
heid en dus tot afkeuring van de worst aanleiding geeft. Typisch

-ocr page 31-

is dat men in deze harde worst niet ziet de gasophooping zooals
men die bij gedeeltelijk ranzige ham bijna altijd aantreft.

Misschien laat dit materiaal, dat uit veel steviger en harder
stukken is opgebouwd dan het zachte materiaal van de ham geen
uit elkaar dringen toe.

5e. Ook in rookvleesch speelt zich een proces af waarbij de vetten
worden ontleed en gasvorming optreedt.

Het geeft weer dezelfde prikkelende lucht af en bij insteken van
de pen hoort men een hol geluid, terwijl het geheele stuk wanstaltig
dik is geworden en erg slap door de gasophooping. Ook hierbij is
het een reden tot afkeuring. Het komt zeer zelden voor, althans
wij zagen het hier maar een paar keer.

6e. Bij inprikken van runderrookvleesch is in het najaar en in
den winter vaak een typische knollenlucht waar te nemen, die
zich door pekel en rooklucht heen heel duidelijk openbaart. Soms
is die lucht bepaald hinderlijk. Het lijkt ons geen oorzaak voor af-
keuring hoewel een enkele maal weieens rookvleesch door een
klant is teruggebracht vanwege de knollensmaak en -geur.

Men zou dan ook soms een rund om die reden moeten afkeuren.
Want ook hiervan zijn soms roastbeef, biefstuk, staartstuk en
alle half rauw genuttigde stukken zoo goed als oneetbaar door den
knollensmaak.

7e. In gerookte rauwe metworst komt vaak een afwijking voor
welke
Mollek noemt „stickigkeit". Deze naam lijkt mij heel
juist gekozen. Typisch is dat men deze afwijking \'s zomers, wan-
neer er minder vraag is naar rookworst
nooit waarneemt, doch
zoo gauw is het najaar en de winter niet gekomen met hun enorme
vraag naar metworst of direct komen de afwijkingen. Het uitwen-
dig symptoom is de opvallende slapte van de worst. Prikt men
ze in, neen nog beter, breekt men er een door, dan deinst men
terug voor de sterke H2S lucht die er a. h. w. uitbarst.

In dikke worsten is het veel en veel erger dan in dunne en inder-
daad is deze worst wat men in \'t hollandsch noemt „gestikt".
Door de groote vraag naar rookworst in het najaar kunnen de
fabrieken bijna niet genoeg maken. De jonge runderen, speciaal
voor die worstsoorten geschikt, zijn nog niet bestorven of gekoeld,
of reeds legt de worstmaker beslag op het vleesch en het wordt nog
bijna warm verwerkt.

Er gebeurt nu hetzelfde als wanneer een partij reuzeis of levers
warm worden ingepakt, n. 1. men krijgt een rotting, met ontwik-
keling van H2S en een vieze lucht welke bij bewaren steeds ster-
ker wordt. Is de worst eenmaal gekookt, dan proeft men er weinig
meer van maar zulke worst kan niet goedgekeurd worden. Deze
afwijking is een der lastigste geweest om te beteugelen. Thans is
de aanvoer van die worst althans naar Nijmegen gestopt, hoewel
verschillende fabrieken aan dit euvel leden, doch niet dan nadat

lvi 2

-ocr page 32-

tallooze opwekkende debatten met verschillende fabrikanten wa-
ren gevoerd. Nu is het uit, maar ik heb de absolute overtuiging
dat die worst nog steeds wordt gemaakt. Alleen Ouo Vadis . . . .??

Dan kunnen verder nog gerookte rundertongen, boterham worst,
rookvleesch, preskop, zwoerd, enz. ondeugdelijk zijn door slechte
pekel, te warm, en te lang rooken, door onvoldoende koken, alle-
maal verkeerde handelingen die zich later in den vorm van abnor-
male geuren aan de houten pen mededeelen en oorzaak van af-
keuring kunnen zijn.

Nog is er één abnormale lucht, waar echter de Keuringsdienst
van Waren aan te pas moet komen. Vooral boterhamworst schijnt
daarvoor al bijzonder de gunst van de fabrikanten te genieten.
Ik bedoel de lucht van een overmatig gebruik van nitraten. Bij
inprikken krijgt men een prikkelende, hoestverwekkende, metaal-
achtige lucht in den neus welke met eenige routine onmiddellijk
een gehalte van meer dan 0.2 % salpeter doet vermoeden. Vaak
wordt op deze wijze nog gezondigd omdat salpeter nu eenmaal den
naam heeft van kleur aan te kunnen brengen waar het van nature
niet is. Dit is slechts juist als het in kleine hoeveelheden wordt toe-
gepast, doch een boterhamworst waarin zich een overmaat van
salpeter bevindt, boet aan goede kleur, in, wordt grijs, grauw, en
juist slechter van kleur.

Soms is die lucht zóó doordringend, dat tot afkeuring wegens
abnormale geur moet worden overgegaan.

Men kan daarna den Keuringsdienst van Waren waarschuwen
die, wanneer de overdracht klopt, tegen den fabrikant met succes
proces-verbaal kan opmaken.

(Zoo juist lees ik in ,,Fleisch und Milclihygiene" dat de stad
Leipzig de toevoeging van salpeter aan versche worst geheel ver-
boden heeft).

Verder komt men bij de invoer-keuring nog andere minder be-
langrijke afwijkingen tegen zooals uitwendig sterk beschimmelde
ham en worst hetgeen meestal niets te beteekenen heeft en door
afvvasschen met pekel is te verhelpen, hoewel het nu en dan voor-
komt dat de schimmeling zich aan den binnenkant van den darm
voortzet en dan een reden wordt van afkeuring.

Uit dit alles blijkt dus, dat de bereiding van vleeschwaren een
buitengewoon subtiel werk is. Er is veel vakkennis voor noodig
en zelfs dan komt het nog herhaaldelijk voor, dat men voor raad-
selen staat en de oorzaak van den een of anderen vorm van bederf
zelfs voor den fabrikant volkomen onbekend blijft.

Ook de vleeschwaren in blik, welke worden uitgesneden dienen

-ocr page 33-

— ig —

aan een preventieve inspectie te worden onderworpen wanneer er
in die plaats een invoer-keuring op vleeschwaren is. Want laat
men de blikwaren vrij, dan komt. zooals wij hebben ervaren alles
in blik, tot zelfs gesmolten vet in een emmer met een dichtgesol-
deerd deksel.

De blikken worden nagezien ot ze gebombeerd zijn, nu en dan
wordt een steekproef genomen door een blik te openen en de
schade wordt dan aan den winkelier vergoed.

Na goedkeuring wordt op de blikken met sneldrogende lijm een
dun stukje vierkant papier geplakt waarop met een gummistempel
hetzelfde ronde stempelwerk is gezet als op de vleeschwaren.

Zonder totale beschadiging is dit stukje papier niet van het blik
te verwijderen. Deze blikwarenkeuring is nog meer onvolkomen
dan de vleeschwarenkeuring, doch heeft men de eene keuring aan-
vaard, dan is de andere bijna noodzakelijk geworden. Alleen kleine
uit de hand te verkoopen blikjes, zooals leverpastei zijn vrij.

Ook van de vleeschwaren in blik moeten hier zoo nu en dan
afkeuringen plaats vinden, doch lang niet zooveel als van de ge-
wone vleeschwaren.

En nu de consequentie van het betoog. Iedereen die dagelijks
met de invoer-keuring is belast, kan niet ontkomen aan de ge-
dachte dat er zeer zeker veel aan hapert, doch ook heel ,heel veel
goeds mee wordt bereikt. Alles wat men aan materiaal achterhaalt
dat schadelijk voor de Volksgezondheid
kan zijn is winst. Die ge-
meenten die een invoer-keuring hebben op bederf dienen die met
alle macht te houden, want met het groeien van de gemeente groeit
stelselmatig die dienst mee zonder veel bezwaar.

Moeilijker wordt het voor die plaatsen, vooral grootere die de
invoer-keuring nog niet hebben.

Principieel zullen vele Directeuren van Vleeschkeuringsdiensten
voorstanders van deze keuring zijn, doch om practische redenen
ervoor terugdeinzen, misschien ook omdat zij zich een intensieve
repressieve controle bijna gelijkwaardig suggereeren aan een pre-
ventieve keuring. Inderdaad is het organiseeren van de invoer-
keuring in een groote gemeente een moeilijk werk, waar, vooral
in het begin even door een zuren appel moet worden heengebeten,
doch „Paris vaut bien une messe".

Ligt het slachthuis van zoo\'n groote gemeente aan den zelf-
kant der stad, dan wordt het bezwaar veel te groot om alle inge- •
voerde vleeschwaren daarheen te laten vervoeren. »

Men kan natuurlijk ook in het centrum der stad een gebouw
ervoor benutten met het noodige personeel, ressorteerende onder
de Directie van het slachthuis, of desnoods zelfstandig.

De kosten worden door den Dienst zelf betaald en er blijft
(liefst met een kleine letter drukken) nog wel een appeltje van over.

-ocr page 34-

De bedoeling van dit artikel is geweest om naast de principieele
en practische bezwaren die velen zeer terecht tegen deze invoer-
keuring hebben, ook eens de vele voordeelen te bespreken.

En wanneer slechts één weifelaar, liefst van een groote gemeente
hierdoor wordt overgehaald, dan hebben deze woorden hun doel
meer dan bereikt.

Nijmegen, 2 Nov. 1928.

ZUSAMMENFASSUNG.

In dieser Arbeit meldet Verfasser, dasz in der Stadt Nijmegen alle importierte
Fleischwaren (Würste, Schinken etc.) nach einem Zentral-Gebäude transportiert
werden, wo der Beschau vorgenommen wird. Mit einem Stift (aus Stahl oder Holz)
sticht man in die Fleischwaren und wenn beim herausziehen des Stiftes ein abnor-
maler Geruch beobachtet wird, so werden die betreffenden Waren für untauglich
erklärt.

Diese Methode hat folgende Nachteile :

ie. sie ist unvollständig, unzureichend. Es kommt auch vor, dass Fleischwaren
mit normalem Geruch Fleischvergiftungen zu Folge haben. Fälschungen auf che-
mischem Gebiete (zu viel Salpeter, zu viel Stärkemehl, Farbstoff) werden nicht
immer entdeckt.

2e. Das Stempeln der Waren mit Tinte bringt oft Schwierigkeiten mit sich ; in
diesen Fällen muss man mit einer Plombierzange Plomben anlegen.

3e. Man braucht Personal.

Der grosze Vorteil ist jedoch dasz Hunderte von Kilogrammen untaugliches
Fleisch, die sonst in den Handel gelangt wären, ermittelt und vernichtet werden.

Bei der Fleischkonservenbeschau werden die durch Gasbildung gewölbten Büch-
sen für untauglich erklärt. Auch werden ab und zu Stichproben genommen und
Büchsen geöffnet.

Im Interesse der Volksgesundheit wäre es sehr zu begriissen, wenn der präven-
tieve Fleischwarenbeschau in allen Gemeinden vorgenommen würde.

SUMMARY.

This paper deals with the municipal inspection of imported meats in the town
of Nimeguen. In order to facilitate inspection all imported meats (sausages, hams
etc.) are conveyed to a central place. The meat is inspected by pricking initwitlia
wooden or steel pin. If an abnormal smell is observed, when the pin is withdrawn,
the meat in question is declared unfit for consumption.

The disadvantages of this method are :

ie. it is incomplete. There are also cases in which meats with a normal smell
cause poisoning. Chemical adulterations (too much salpetre, too much amylum,
colouring matter) are not always detected.

2e. It is often impossible to apply a stamp with ink. In those eases a plomb has
to be applied by means of sealing-pliers.

3e. it requires personnel.

On the other hand this method has a great advantage in that it is practicable.
Hundreds of kilogrammes of deteriorated meats, which otherwise would have been
consumed, are detected and destroyed.

At the inspection of tinned meats, the bulged tins are condemned. Sometimes
proofs are taken and tins are opened.

From a public health point of view the adoption of a preventive meatsinspection
in all the municipalities would be of the greatest interest.

RÉSUMÉ.

Cet article a pour sujet l\'inspection municipale des viandes importées. Dans la
ville de Nimégue toutes les viandes importées (saucisses, jambons, etc.) sont en-
voyées à un édifice central où l\'inspection a lieu.

-ocr page 35-

L\'inspection se fait de la façon suivante : avec une aiguille de gros calibre, de
bois ou d\'acier on perce dans la viande et si l\'on observe une odeur a normale en
extrayant l\'aiguille, la viande en question est jugée impropre à\'la consommation.

Les désavantages de cette méthode sont les suivants :

ie. Elle est incomplète. Il est des cas dans lesquels des viandes d\'une odeur nor-
male provoquent des empoisonnements. Des adultérations chimiques (trop de sal-
pêtre, trop d\'amydon, de la matière colorante) ne sont pas toujours décelées.

2e. L\'application d\'une estampille avec de l\'encre est souvent difficile; en ce cas
li faut se servir d\'une pince à plomber pour appliquer un plomb.

3e. On a besoin de personnel.

Par contre, cette méthode a comme avantage qu\'elle est pratique, et que des cen-
taines de kilos de viandes détériorées, qui autrement seraient livrées à la consom-
mation, sont reconnues et détruites.

A l\'inspection des conserves d\'origine animale les boîtes bombées sont refusées.
De temps en temps on tire des épreuves et on ouvre des boîtes.

Au point de vue de l\'hygiène publique il serait d\'importance si l\'inspection
préventive des viandes était prescrite dans toutes les communes.

IETS OVER HET GEBRUiK VAN DE TRACHEAALCANULE.

DOOR

J. A. LENSHOEK.

I-Iet artikel van Dr. van Gelder op blz. 1137 en ix38 Jaar-
gang 1928 van dit tijdschrift over bovenstaand onderwerp geeft
mij aanleiding wat over mijn ervaring op dat gebied mede tedeelen.

Toen ik in 1912 te Soerabaja met een georganiseerde tubercu-
lose-bestrijding onder den melkveestapel begon, werd natuurlijk
ook uitgekeken naar een methode om sputum op te vangen.

Daar inlanders en Chineezen nog huiveriger voor een operatief
ingrijpen ziin dan de Hollandsche boer, durfde ik in den beginne
niet over te gaan tot toepassing van de tracheaalcanule. Het con-
stateeren van tuberculose-gevallen onder het vee van een Euro-
peeschen eigenaar bracht mij de welkome gelegenheid. Op de wijze,
zooals Dr.
van Gelder beschrijft, werd de canule ingebracht en
sputum opgevangen. Doordat het Inlandsch personeel een soort
reclame voor deze methode maakte, kon ik ook in andere melke-
rijen op dezelfde wijze het onderzoek verrichten.

Doch het vochtige Indische klimaat was oorzaak, dat ik al
spoedig niet kon vertrouwen op de metaaldraden, die, niettegen-
staande zij mij door de firma
Hauptner in afzonderlijke enveloppe
waren toegezonden, toch hier en daar roestplekjes vertoonden, op
welke plaatsen de draden bij geringe buiging doorbraken.

Toen dan ook een keer bij het inbrengen een der best uitziende
draden brak, heb ik de methode verlaten en ben overgegaan tot
de slokdarmsonde met het bekertje, waarmede ook goed sputum
verkregen kan worden, mits men de dieren geruimen tijd van te
voren laat vasten en men, alvorens de sonde in te brengen, de
mondholte behoorlijk uitspoelt.

Met de sonde heb ik goede sputa verkregen.

-ocr page 36-

(Uit de kliniek voor Kleine Huisdieren der Veeartsenijkundige Faculteit van
de Rijks-Universiteit te Utrecht, Directeur: Prof. Dr. H. JAKOB).

BIJDRAGE TOT DE DIAGNOSE EN PROGNOSE VAN BEKKEN-
FRACTUREN BIJ DEN HOND,1)

DOOR

H. JAKOB.

In de Tierärztliche Rundschau van 29 Juli 1928, No. 31, heeft
J.
Carlin, Stokholm, zijn ervaringen over bekkenfracturen bij
den hond (Beckenbrüche bei Hunden) medegedeeld. De tusschen
den tekst geplaatste röntgenologische afbeeldingen komen evenwel
op het daarvoor minder geschikt papier onvoldoende tot hun
recht, waardoor de beoordeeling ervan soms wordt bemoeilijkt
en men zich niet steeds gemakkelijk oriënteeren kan. Hoewel mijn
bevindingen en ervaringen in het algemeen met die van
Carlin
overeenkomen, lijkt het mij toch niet ongewenscht, iets meer
omtrent onderzoek, diagnose en prognose van bekkenfracturen
bij den hond te zeggen. Wanneer ik daarbij van het overvloedig
mij ter beschikking staande materiaal, slechts de ziekteverslagen
van de gevallen, welke in den loop van de laatste vier jaren in de
kliniek zijn voorgekomen, heb nagegaan, 7.00 geschiedde zulks
voornamelijk daarom, omdat sedert regelmatig van de in de sta-
tionnaire kliniek verpleegde patiënten met fracturen, röntgenolo-
gische opnamen werden gemaakt. Het blijft echter mijn gewoonte,
de dieren waarbij fracturen voorkomen, vooraf klinisch nauwkeurig
te onderzoeken. Zulks is vooral ook om paedagogische redenen
absoluut noodzakelijk, daar toch als regel de meeste dierenartsen
niet over een röntgeninrichting beschikken.

Ter aanvulling en vergelijking wordt eerst daarna de röntgen-
photo gemaakt en nagegaan of de klinisch gestelde diagnose hier-
mede wel al of niet overeenstemt. Slechts zelden blijkt het dan
noodig te zijn, de diagnose te wijzigen. Mocht zulks nochtans het
geval zijn, dan geschiedt dit meestal eerst, wanneer nog eens op-
nieuw het dier klinisch onderzocht is.

Bij het klinisch onderzoek wordt achtereenvolgens nagegaan of
er al of niet bestaan afwijkingen in lichaamshouding, bewegings-
stoornissen, zichtbare veranderingen als : zwellingen, wonden,
bloedingen (huid- en slijmvliesbloedingen). Verder wordt daarbij
gelet op locale pijnlijkheid, warmte en consistentie van de zwellin-
gen, beweeglijkheid der gebroken beenderen, crepitatie, stand der
breukeinden, dislocaties en andere deformiteiten. Zoo wordt b.v.
bij beenbreuken steeds het geheele lidmaat systematisch van onder
naar boven onderzocht, teneinde fracturen, welke eventueel nog
op andere plaatsen mochten voorkomen, niet over het hoofd te zien.

\') In de duitsche taal gepubliceerd in de Tierärztl. Rundschau No. 47, 1928.

-ocr page 37-

Kunnen bij onderzoek van kreupelheden achter, fracturen der
beenderen van de achterste extremiteiten worden buitengesloten,
clan eerst wordt het bekken nader onderzocht. Allereerst heeft een
uitwendig onderzoek daarvan plaats, waarbij de palpatie geschiedt
op de manier zooals door
Carlin is beschreven. Hierop volgt steeds
een
inwendige palpatie van het bekken en wel door middel van rectale
exploratie,
waardoor, tenminste in veel gevallen, een juiste voor-
stelling van de plaats en den aard van de bekkenfractuur, kan
worden verkregen.

Bij het inwendig bekkenonderzoek brengt men bij het goed ge-
fixeerde, staande of liggende dier, de goed met olie ingewreven
wijs- of middenvinger waarmede de inwendige bekkenwand van
het zitbeen tot het darmbeen kan worden nagegaan in het rectum.
De duim van dezelfde hand wordt daarbij tegelijkertijd op de
correspondeerende plaatsen, buiten op het bekken geplaatst.

De linkerbekkenhelft kan het best met den betreffende vinger
van de rechter-, de rechterbekkcnhelft het best met die van de
linkerhand worden betast. Op deze wijze kunnen locale pijnlijk-
heid, totale of partieele fracturen en vooral ook dislocaties van
de breukeinden naar de bekkenholte toe worden aangetoond en
is men tevens meestal wel in staat den aard en de plaats van de
bekkenfractuur, ook zonder dat van een röntgenapparaat gebruik
wordt gemaakt, vast te stellen. Slechts bij groote en zeer groote
honden zijn met deze methode van onderzoek de darmbeen zuilen
en darmbeenvleugels niet of niet voldoende te bereiken ; bij klei-
nere honden evenwel gelukt zulks steeds. Intusschcn kunnen frac-
turen van de darmbeenzuilen en de darmbeenvleugels meestal
ook wel door uitwendige palpatie worden onderkend. Verder kun-
nen rectaal heel goed het kruisbeen en de eerste staartwervel wor-
den onderzocht. Ook kunnen daarbij bekkenbreuken, met slechts
geringe verplaatsing van de breukeinden, b.v. subperiostale frac-
turen in de buurt van het acetabulum worden geconstateerd, wan-
neer het dijbeen tegelijkertijd dan wat zijdelings heen en weer wordt
bewogen. Er dient evenwel hierbij rekening mede gehouden te
worden, dat bij zeer jonge honden (onder 6 maanden) bij voor- en
achterwaartsche bewegingen van het dijbeen, de bekkenhelft aan
dezelfde zijde niet zelden duidelijk medebcweegt, ook zonder dat
fracturen van de bekkenbeenderen of verscheuringen van de ge-
wrichten behoeven te bestaan. Zulks komt omdat bij deze zeer jonge
dieren, de bekkenbeenderen nog niet voldoende met elkaar vergroeid
zijn en de gewrichten nog niet stevig genoeg gefixeerd worden.

Bij oude bekkenfracturen kan het rectale onderzoek evenmin
gemist worden. Hierdoor toch kan omtrent de grootte en den vorm
van de callus en omtrent de daardoor veroorzaakte deformiteiten
een juiste indruk worden verkregen, hetgeen voor het stellen
van de prognose van belang is.

-ocr page 38-

Het aantal aan chirurgische traumatische aandoeningen lijdende
honden, dat gedurende de laatste vier jaren in de kliniek ter ver-
pleging werd opgenomen, bedroeg 120. Het grootste deel dezer ge-
vallen was een gevolg van overrijding of aanrijding door automo-
bielen.

Alle mogelijke afwijkingen kwamen daarbij voor als : kneuzin-
gen, allerlei soorten wonden, haemotomen, spier- en peesverscheu-
ringen, rupturen van het middenrif, herniae enz.

Een zeer hoog percentage hiervan vormden verder de fracturen.
Zij waren compleet of incompleet, singulair of multipel en al of
niet gecompliceerd. Een enkele maal bleken meerdere beende-
ren, tegelijkertijd op verschillende plaatsen gebroken te zijn.

Het meest kwamen femurfracturen (21) voor, daarop volgden
fracturen van de tibia en fibula (17), dan van de radius en ulna
(10), van de humerus (9), van de metacarpus en van het bekken
(ieder 7) en van de phalangae (4). Zeldzamer waren schedelfrac-
turen (2) en fracturen van lendenwervels (2), halswervels (1), staart-
wervels (1) ribben (1) en van het schouderblad (1). Van het groote
aantal fracturen, dat policlinisch werd behandeld, ontbreken
nauwkeurige aanteekeningen. Hoewel zonder twijfel de sterkst uit-
stekende deelen van het lichaam het meest blootstaan door der-
gelijke traumatische invloeden getroffen te worden, zoo mag toch
niet uit een dergelijke statistiek opgemaakt worden, hetgeen de
fout van zoo menige statistische mededeeling is, dat b.v. de bek-
ken-, respectievelijk de metacarpaalbeenderen driemaal minder
dan de femur voor fracturen gepraedisponeerd zijn.

Of een bepaalde fractuur meer of minder veelvuldig zal voor-
komen hangt zuiver van het toeval af, hoewel dan ook voor het
bekken speciaal moet worden aangenomen, dat de kans voor het
ontstaan van fracturen hiervan, als gevolg van de meerbeschutte
ligging, minder groot is dan van femur, radius en ulna en tibia-
fibula.

De bewegingsstoornissen die bij bekkenfracturcn optreden, zijn
zeer verschillend. Omtrent de plaats en den aard van de fractuur
kunnen hieruit in het algemeen bij den hond niet zooals bij het
paard conclusies worden getrokken, waarop door
Carlin terecht
wordt gewezen.

Eenzijdige bewegingsstoornissen, waarbij het betreffende been
meer of minder sterk in de hoogte wordt gehouden, wijzen wel
op een bekkenaandoening aan diezelfde zijde, maar gedogen absoluut
niet, hieruit den aard en de plaats van de fractuur vast te stellen.

Slechts bij diastase van de bekkenbeenderen in de symphysis
kan de divergeerende stand van de achterbeenen en het onver-
mogen deze in rechte richting naar voren te brengen, voor ons in
bepaalde gevallen een aanwijzing zijn, dat voornoemde afwijking
aanwezig is.

-ocr page 39-

Echter komen soortgelijke abnormale beenstanden ook wel bij
ruggemergsaandoeningen (contusies, compressies) voor, die met
niet al te hevige paraplegiën gepaard gaan.

Daar bekkenfracturen zonder kneuzingen van de omliggende
weeke deelen en van de buitenvlakte van de bekkenbeenderen niet
goed denkbaar zijn wanneer de dieren worden overreden, zoo is
zonder twijfel de intensiteit van de betreffende bewegingsstoornis
de eerste dagen na het ongeval, niet zoo zeer van de plaats en den
aard van de breuk dan wel van de met zeer veel pijn gepaard gaande
kneuzingen, welke zich vaak over de geheele bekken- en dijbeen-
streek kunnen uitstrekken, afhankelijk. Niet zeldzaam zijn ook
die gevallen, waarbij de bewegingsstoornissen niet uitsluitend het
gevolg zijn van de pijn, maar welke ten deelc ook door een gelijk-
tijdig daarbij bestaande meer of minder hevige periphere- of cen-
trale verlamming worden veroorzaakt.

Bij laesies van het lendenmerg of van de plexus sacralis kunnen
meer of minder intensieve paraplegiën optreden. Al naar den graad
van de verlamming wordt dan het betreffende been meer of minder
sterk nagesleept. Hierbij kunnen alzoo de verlammingsverschijn-
selen het beeld van de bewegingsstoornissen beheerschen. In die
gevallen, waarbij als gevolg der kneuzingen sterke zwelling in de
bekkenstreek bestaat, laat het uitwendig bekkenonderzoek ons
in den steek en kan slechts door rectale bekkenpalpatie voldoende
uitgemaakt worden of de kneuzingen al of niet met een bekken-
fractuur b v. acetabulum, darmbeenzuil of schaam- en zitbeen,
gecompliceerd zijn.

Wanneer klinisch noch aan de achterbeenen, noch aan het bek
ken fracturen kunnen worden vastgesteld en ook op de röntgen-
photo geen van het normale afwijkende veranderingen kunnen
worden gevonden, dan is bij dergelijke, met pijn gepaard gaande,
meer of minder hevige kreupelheden, ook aan traumatische myal-
giën of neuralgiën als gevolg van spier of zenuwkneuzing eventueel
spier- of zenuwrekking, te denken. Bij bilaterale bekkenfractuur,
wordt o. a. bij het loopen het achterstel wat meer in de hoogte
gehouden en het zwaartepunt van het lichaam naar voren toe
verplaatst.

Voorts worden daarbij de voorbeenen slechts even belast cn
daarmede korte pasjes gemaakt. Wanneer de dieren zich neerleggen
geschiedt dit zeer voorzichtig en onder het uiten van pijn. Derge-
lijke of daarmede overeenkomende bewegingsstoornissen kunnen
overigens ook bij alle beiderzijdsch optredende en met pijn gepaard
gaande kneuzingen van de andere gewrichten en bij beiderzijdsche
fracturen op andere plaatsen van de achterste extremiteiten op-
treden.

Omtrent de differentiaaldiagnose van bekkenfracturen, trauma-
tische heupluxaties en collum (femoris) fracturen wil ik nog het
volgende opmerken.

-ocr page 40-

Volgens Carlin zijn heupluxaties gemakkelijk aan de verkorting
van het achterbeen en aan den grooteren afstand tusschen trochan-
ter major en tuber ischii te herkennen.

Zonder twijfel geeft de diagnose van liabitueele, niet gecompli-
ceerde heupluxaties en luxaties van de femur, welke o.a. bij het
maken van een verkeerden sprong kunnen optreden en waarbij
slechts geringe zwelling der omgeving bestaat, niet veel moeilijk-
heden.

Behalve een meer of minder sterke verkorting van het betreffende
been, welke verkorting evenwel niet steeds op een heupluxatie be-
hoeft te wijzen, is bij een luxatie van de femur naar voren of boven,
(Lux. iliaca en L. supraglenoidalis), die bij honden het meest
schijnt voor te komen, de meer of minder sterk naar buiten toe
uitstekende, meestal duidelijk zichtbare verdikking van de be-
treffende streek, waardoor de zieke zijde hooger dan de gezonde
komt te liggen, een diagnostisch criterium.

Bovendien valt hierbij in den regel nog op, de iets naar binnen
toe gerichten, sclieeven stand van het wat omhoog getrokken
achterbeen, waarbij niet zelden de ondervoet daarvan, het gezonde
andere been in de mediale tarsaal- en metatarsaalstreek, raakt.

Bij heupluxaties evenwel, die na heftige, uitwendige, trauma-
tische invloeden zijn ontstaan is de diagnose, tenminste in de
eerste dagen, lang niet zoo eenvoudig.

Ten eerste kunnen bekkenfracturen en wel voornamelijk die van
het acetabulum of die, welke in de nabijheid daarvan gelegen zijn,
gelijktijdig met heupluxaties voorkomen. Terwijl de bekkenfrac-
tuur door middel van de rectale palpatie in den regel wel vast
te stellen is, kan het onderkennen van een gelijktijdig daarbij voor-
komende heupluxatie, als gevolg van de bestaande, vaak sterke
zwelling in de dorso-laterale bekkenstreek, gedurende de eerste
dagen op moeilijkheden stuiten.

Ook kan de diagnose van een niet gecompliceerde heupluxatie,
die na heftig trauma in de dorsolaterale bekkenstreck is ontstaan,
vanwege de zwelling, in de eerste dagen bemoeilijkt zijn. Verder
is bij dergelijke, meestal naar voren of boven toe plaats hebbende,
met meer of minder sterke rekking, inscheuring of verscheuring
van de gewrichtkapsel en het liq. teres gepaard gaande heupluxa-
ties, de groote afstand, die zeer zeker dan tusschen trochanter
major en tuber ischii aanwezig en meestal nog eens zoo groot als
normaal is, de eerste dagen na het trauma als gevolg van de meer
of minder sterke, al of niet met bloeduitstoring verbonden zwel-
ling, niet duidelijk waar te nemen.

In bovengenoemde gevallen kan zeer zeker röntgenologisch
sneller en beter worden uitgemaakt, met welke afwijking wij te
doen hebben.

De differentiaal diagnose van bekkenfracturen en niet gecom-

-ocr page 41-

pliceerde collumfracturen kan de eerste dagen als gevolg van de
sterke zwelling, eveneens niet gemakkelijk zijn. Klinisch geeft de
rectale palpatie ons evenwel hierbij voldoende zekerheid. Soms
komen collumfracturen en fracturen van het acetabulum gelijk-
tijdig voor. Ook in die gevallen is een rectaalonderzoek op zijn
plaats en kan dit zoo noodig later met een röntgenologisch onder-
zoek worden aangevuld.

Hoewel in \'t algemeen de prognose bij de verschillende niet ge-
compliceerde bekkenfracturen niet ongunstig is en genezing of het
normale gebruik der ledematen bij jonge honden in eenige weken.
bij oudere dieren in enkele maanden tot stand komt, zoo bestaat
toch de mogelijkheid dat een te sterke callusvorming bij dislocatie
der breukeinden naar de bekkenholte toe, o. a. tot
obstipatie aan-
leiding kan geven, waarmede dan natuurlijk ten aanzien van de
voeding, rekening dient gehouden te worden.

Verder kan bij teeven, als gevolg van de meer of minder sterke,
door de callusvorming veroorzaakte vernauwing van de bekken-
holte, de
eoitus bemoeilijkt of zelfs onmogelijk zijn en een eventueele
partus op groote moeilijkheden stuiten, waardoor de prognose ook
ten deze opzichte minder gunstig wordt.

Minder gunstig is ook de prognose bij een gelijktijdig daarbij
bestaande paralyse van het betreffende achterbeen, wanneer deze
niettegenstaande doelmatige behandeling, zelfs na eenige weken
nog geen neiging tot genezing vertoont.

Uit bovenstaande regelen komt zonder twijfel voldoende tot
uiting, dat het rectale onderzoek voor de diagnose en prognose van
bekkenfracturen van den hond, van een niet te onderschatten be-
teekenis is, waarop door
Carlin evenwel in zijn artikel te weinig
nadruk is gelegd. Ook
Foksf.ll huldigt daaromtrent een minder
goede opvatting, wanneer hij in de „Enzyklopaedie der Tierheil-
kunde und Tierzucht" van
Stang en Wirth schrijft (deel 2, 1926,
bladz. 159) : ,,Bei den kleinen Haustieren, vor allem bei Hunden
ist, wenn man nicht die Möglichkeit einer Roentgenuntersuchung
hat, die Spezialdiagnose bei Beckenbrüchen in der Regel schwerer
als bei grösseren Haustieren, da das Becken für eine Rektalunter-
suchung nicht so zugänglich ist und eine Missgestaltung der aüs-
seren Konturen im allgemeinen nicht so ausgeprägt wird" en
verder ,,Bei Palpation per rectum kann man einen Bruch von der
unteren Beckenwand nachweisen. Am sichersten wird die Diag-
nose durch die Roentgenaufnahme gestellt".

De mogelijkheid de diagnose van een bekkenfractuur door mid-
del van rectale palpatie te stellen, geeft alzoo
Forsell hier, alhoe-
wel ook slechts in zeer bescheiden mate, toe. Ik ben evenwel hier-
omtrent een andere meening toegedaan. Hoewel ik de het röntgeno-
logisch onderzoek zonder twijfel toekomende plaats in de diag-
nostiek van bekkenfracturen en heupluxaties in het geheel niet

-ocr page 42-

wil bestrijden, zoo mogen toch ook de twee andere, eenvoudige,
goedkoope, in de praktijk te allen tijde toe te passen onderzoe-
kingsmethoden (n.1. de
uitwendige inspectie en palpatie en vooral
ook de
rectale palpatie, die ons zeer waardevolle gegevens omtrent
eventueel bestaande bekkenfracturen geven, niet veronachtzaamd
worden. De gelukkige bezitter van een röntgentoestel is hiertoe
maar al te zeer geneigd, vooral ook al omdat de rectale exploratie
juist niet tot de zindelijkste onderzoekingsmethode behoort, maar
die desalniettemin in dergelijke gevallen toch niet te ontberen is.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser weist in diesem Artikel auf die Notwendigheit, bei bestehenden Bec-
kenbrüchen beim Hund nicht nur die äussere Palpation der Beckengegend, son-
dern vor allem auch die rektale Exploration in der Form der inneren Palpation des
Beckcns vorzunehmen. Auf diese Weise gelingt es in den weitaus meisten Fällen
ohne Zuhilfenahme der Roentgenuntersuchung, welche die beiden erstgenannten
Methoden zweifellos ergänzen kann, uns über die Art der vorliegenden Becken-
fraktur eine richtige Vorstellung zu machen. Da auch nur auf diese Weise Veren-
gerungen des Beckeninnern infolge Dislokationen der Bruchcnden und infolge
Callusbildung, welchc ihrerseits zu Obstipationen, erschwertem oder unmöglichem
Coitus und Partus die Veranlassung geben können, zu konstatieren sind, so ist vor
allem die rektale Exploration auch für die Prognose von Bcckenfrakturen von
grösster Bedeutung.

SUMMARY.

In this article the author points to the necessity of examining existing fractures of
the pelvis in the dog, not only by external palpation but also by rectal exploration
(internal palpation of the pelvis).

By means of the rectal palpation we arc able to ascertain dislocations of the
broken ends and callus formations which may lead to stenosis ami obstructions
and may hinder or prevent coition or partus. The rectal palpation is also of the
greatest importance for the prognostic.

RÉSUMÉ.

Dans cet article l\'auteur appelle l\'attention sur la nécessité de pratiquer en cas
de fractures pelviennes chez le chien non seulement la palpation externe du bassin
mais surtout aussi l\'exploration rectale sous forme de palpation externe du bassin.
La palpation rectale nous permet de constater des dislocations des abouts et des
formations calleuses qui peuvent provoquer des rétrécissements et des obstruc-
tions et qui peuvent gêner le coït ou le partus ou les rendre impossibles.

La palpation rectale est aussi de la plus haute importance pour le pronostic.

-ocr page 43-

BIJENZIEKTEN IN NEDERLAND

In verband met het ernstige voorkomen van Nosèma onder de
bijenvolken in Nederland, waardoor vele honderden in het voorjaar
zijn gestorven, verzocht de Vereeniging ter bevordering van de
Bijenteelt aan den Minister van Binnenlandsche Zaken en Land-
bouw.. Dr.
Winkel op te dragen zich van de vorderingen der studie
en bestrijding van deze ziekte op te hoogte te stellen, ter gelegen-
heid van de samenkomsten, welke de ,,Apis Club" in Genève en
Bern gedurende eenige dagen in Augustus had belegd.

Aan deze opdracht is voldaan en wij lezen in zijn rapport voor-
komend in het orgaan der Vereeniging het volgende :

Deze club in 1919 opgericht, is internationaal en heeft ten doel
de moderne apicultuur te bevorderen en daartoe tusschen de
bijenhouders van alle landen een geest van broederschap op te
wekken, welke tevens kan leiden tot de bevordering van eikaars
belangen. 12 nationaliteiten waren vertegenwoordigd.

Er wordt gewezen op de belangrijke studie, zoowel van de
biologie van bij en bijenvolk, als van de pathologie speciaal in
Zwitserland, Amerika, Rusland en Duitschland.

Zwitserland heeft op het gebied van bijenteelt een geschiedenis.
I)e krachtige organisatie der imkers heeft een sterke bevordering
van de bijenteelt ten gevolge gehad. Ook deels een succesvolle
bestrijding van de bijenziekten.

Tegen de broedziekten kwam reeds in 1903 een verzekering.
In 1907 kwamen ze in de wet tegen de besmettelijke veeziekten en
ging de bestrijding dus uit van den Veterinairen Dienst.

„Bieneninspectoren", ontwikkelde bijenhouders, waren met de
opsporing en uitvoering belast. Ook Amerika kent het European
(goedaardig) en het American, (boosaardig) Faulbrood. Van Ameri-
kaansche zijde werd een nieuwe bestrijdingsmethode aangegeven.

Van meer belang waren de besprekingen over de Nosèmaziekte,
voorkomend in alle landen in boos- en goedaardigen vorm.

In Zwitserland, waar zij om het andere jaar groote verwoestingen
aanricht is in 1927 een Nosèma-Commissie benoemd, die zeer
interessante rapporten heeft gepubliceerd.

In 1927 was de schade minstens 250.000 fr. (Zw.). Een uitge-
breid onderzoek werd ingesteld naar het voorkomen der ziekte.
Microscopen werden aangeschaft. Op een stand waar twee vrienden
in hun boomgaard een prachtig bijenpaviljoen voor 100 volken
hadden gebouwd, was een beste Zeiss aanwezig, waarmede zij
geregeld hun volken op de Nosèma-parasiet controleerden.

Zooals in Nederland uit voorloopige onderzoekingen is geble-
ken en uit de groote sterfte in het voorjaar, komt de parasiet
ook hier veelvuldig voor. Men was in Zwitserland bezig met be-

-ocr page 44-

handelingwij zen, waarmede reeds veel resultaat was verkregen
en welke ook in ons land toegepast zullen worden.

De mijiziekte had de grootste belangstelling.

Deze ,,Isle of Wight disease" heeft in Engeland in 20 jaren tijds
ruim 200.000 volken vernietigd, is de laatste jaren overgeslagen
naar het vasteland.

Frankrijk, Fransch Zwitserland, Tirol, Oostenrijk, vooral de
laatste landen hebben reeds zware verliezen geleden.

In ons land is zij tot heden niet waargenomen, hoewel buiten-
landsche deskundigen voorspellen, dat elk land zijn beurt zal
krijgen. Verschillende landen hebben met het oog op gevaar van
insleping verbodsbepalingen betr. invoer vastgesteld.

De Zwitsersche Verein für Deutsch Schweizerische Bienenfreunde
liet de deelnemers nog talrijke bewijzen van hun krachtige organi-
satiegeest zien, welke algemeene bewondering oogstten. Hun waar-
nemingsstations, hun reeds 40 jaar doorgevoerde rassenteelt, de
boekkouding en de ziektenbestrijding waren daarvan enkele staal-
tjes.

Een bespreking over de Bijenziekten in Nederland werd door
Dr.
Winkel aan het bekende Institnt für Milchwirtschaft und
Bakteriologie van den bekenden Prof.
Burri in Bern ingeleid.

Deze samenkomsten hebben den indruk nagelaten, dat ook op
het gebied der Bijenziekten internationale uitwisseling van ge-
dachten de bestrijding zeer ten goede kan komen.
Winkel.

BOEKAANKONDIGINGEN.

Die Stickstoff-düngemittel der I. G. Farbenindustrie Aktiengesellschaft und ihre
Erzeugungsstatten Oppau. Leuna.

Wij krijgen meermalen brochures en werkjes op landbouwgebied toegezonden
doch rcfereeren deze hier niet, omdat zij meestal geheel buiten het kader van ons
tijdschrift vallen. Voor bovenstaand boek- en plaatwerk willen wij een uitzondering
maken en wel omdat het uit de stikstof der lucht fabriceeren van stikstof-
meststoffen ook uit een zoötechnisch oogpunt van belang is. Het zal den dierenarts
zeker interesseeren dat men meent met behulp van deze meststoffen de grasop-
brengst der weilanden zooveel te kunnen vergrooten, dat op het zelfde oppervlak
het dubbele van het tegenwoordige aantal koeien kan worden gehouden. Het is
vooral de landbouwingenieur
C. Spaan te Amsterdam, die in verschillende streken
van ons land op vrij groote schaal, o. a. te Ruinerwold, met proeven aantoont, dat
Werkelijk per H.A. een dubbel aantal koeien geweid kan worden, vooral als de
weide in betrekkelijk kleine perceelen verdeeld wordt, waardoor de koeien gere-
geld verweid kunnen worden en steeds enkele stukken onbeweid en dus in rust lig-
gen. Wie de laatste jaren een landbouwtentoonstelling bezocht heeft, heeft daar
de dikwijls zeer instructieve demonstraties kunnen zien. Vooral de ureum-bemes-
ting geeft uitstekende resultaten. Verder worden in den handel gebracht en toege-
past zwavelzure ammoniak. Kalksalpeter, Leunasalpeter B. A.
S. F. en Nitrophos-

-ocr page 45-

— 3i —

ka I. G. Wij hebben gedurende een paar jaren een dergelijke bemesting toegepast
op het weiland voor de koeien van het Zoötechnisch instituut en met succes. Ter-
wijl van het weiland het terrein voor de kliniek der kleine huisdieren afgenomen is en
verder dwars door het weiland een rijweg is aangelegd en een langs de Grift geprojec-
teerde straat niet meer beweid kan worden, kunnen wij toch op het veel verkleinde
oppervlak eenzelfde aantal koeien houden als vroeger, zelfs al kunnen wij door
ligging niet zulke kleine verkavelingen maken als wel gewenscht zou zijn.

Elk dierenarts zal met belangstelling de pogingen van Ir. Spaan volgen, omdat
een belangrijke vermeerdering van den veestapel, die in de eerste plaats een natio-
naal belang is, ook hem uit eigenbelang niet onverschillig kan zijn. Bovengenoemd
werk geeft in woord en beeld een overzicht van de fabrieken voor synthetische
stikstofverbindingen.

Dat in ons land de beteekenis van de bereiding van stikstofmeststoffen uit de
stikstof der lucht wordt ingezien, blijkt ook hieruit, dat de Nederlandsche Staat
bezig is in Zuid-Limburg in het gebied der kolenmijnen een groote fabriek te bouwen
voor de vervaardiging van dergelijke synthetische meststoffen.
 Kroon.

Nieuwere inzichten op het gebied van voedingsleer Tan mensch en dier. een sup-
plement, door Ir. Jxcq
Timmermans. Uitg, N.V. Dekker Sc v. d. Vegt Nijmegen.
J. W. v. Leeuwen Utrecht en N.V. V. I. R. Roermond 1928.
Het is zeker voor Nederland, waar, door het uit den aard der zaak steeds
kleine debiet, de opvolgende drukken van boeken alleen met groote tusschen-
periode kunnen verschijnen, in het algemeen wel aan te bevelen om voordat weer
een nieuwe druk het licht ziet af en toe supplementen te laten verschijnen, die
het bock op de hoogte van den tijd houden.
Timmermans geeft nu in een supple-
ment van een half vel een aanvulling van bovengenoemd werkje, speciaal wat do
hoofdstukken Water en Zouten, Vitaminen, Eiwitten en eiwitachtige stoffen en
Vetten en Koolhydraten betreft. Natuurlijk heeft hij uit de massa literatuur maar
oen beperkte keuze kunnen doen.

Wij kondigden Timmermans\' boekje hier vroeger aan en wijzen daarom nu op
het verschijnen van het supplement.
 Kroon.

Dr. H. Suchanek Oesophagoskopie bei Hunden en Katzen. Urban uncl
Schvvarzenberg. Berlin-Wien. Prijs M. 1.80—.

De schrijver heeft over dit onderwerp een kleine brochure van 22 bladzijden met
10 (voor een deel gekleurde) afbeeldingen het licht doen zien. Hij beveelt deze me-
thode vooral aan voor de diagnose en extractie van zeer kleine corpora aliena, welke
zeer onduidelijk of in het geheel niet door middel van de Roentgenopname kunnen
worden geconstateerd. Verder acht de schrijver deze methode voor de diagnose van
tumoren, diverticelvormingen in de ocsophagus, van groote waarde, omdathetin
de meeste gevallen van dergelijke aandoeningen, die echter volgens mijn ervaring
tot de grootste uitzonderingen behooren, het eenige diagnostische hulpmiddel is
Wanneer ik ook de waarde van deze oesophagoskopie in enkele gevallen niet wil
onderschatten, zoo is deze methode, die wegens het verzet van de zijde der dieren
altijd in narcose moet worden uitgevoerd, wel voor klinieken, echter niet voor de
gewone praktijk geschikt. H.
Jakob.

-ocr page 46-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Het Hoofdbestuur heeft het navolgend schrijven gericht tot den Minister van
Binnenlandsche Zaken en Landbouw en dien van Arbeid, Nijverheid en Handel.

Afschriften er van zijn verzonden aan Dr. N. M. Josephus Jitta, Voorzitter
van den Gezondheidsraad en aan de Hoofdinspecteurs van de Volksgezondheid
Dr. H. C. L. E.
Berger en Dr. j. H. Terburgh, allen te \'s Gravenhage, benevens
het hierna volgend antwoord aan den Minister van Binnenlandsche Zaken en
Landbouw, op diens verzoek, de meening van het H.B. te mogen vernemen over
eene eventueele combinatie van Rijksseruminstituut en een nieuw op te richten
Mond- en Klauwzeerinstituut.
 De Secretaris,

H. A. Vermeulen.

\'s-Gravenhage,

------ -20 November 1028.

Utrecht,

No. 80.
Onderwerp :
Bestrijding van het enzoötisch ver-
werpen van het rund, mede in ver-
band met de Volksgezondheid.
4 Bijlagen.

Het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde heeft de eer Uwe
Excellentie te berichten, dat in de 73ste Algemeene Vergadering der Maatschappij,
gehouden te Utrecht den
i3en October j.1. door Dr. J. van der Hoeden, bacte-
rioloog aan het Centraal Laboratorium voor de Volksgezondheid te L\'trecht, een
voordracht is gehouden over ,,Het besmettelijk verwerpen der runderen, in ver-
band met ziekten van den mensch". Deze voordracht en de daarop volgende
discussies hebben het Hoofdbestuur overtuigd van de noodzakelijkheid van een
uitvoerig, deskundig onderzoek naar het voorkomen, eventueel uitbreiden van
den enzoötischen abortus van het rund hier te lande en naar de meest doeltreffende
maatregelen ter bestrijding ervan, om te trachten, met meer resultaat dan tot
op heden mogelijk is, paal en perk te stellen aan de belangrijke schaden, welke
deze ziekte den Nederlandschen veestapel berokkent, maar ook, om mogelijke,
groote gevaren voor de Volksgezondheid te voorkomen.

Het Hoofdbestuur voornoemd veroorlooft zich, in verband hiermede, de vrij-
heid Uwe Excellentie aan te bieden :

een rapport, waarin bovengenoemde aangelegenheid wordt besproken,
drie Separaten van wetenschappelijke artikelen, door Dr. v.
d. Hoeden
over dit onderwerp geschreven,

benevens een afschrift van de discussies, gehouden na de voordracht van
Dr. v.
d. Hoeden op de Algemeene Vergadering der Maatschappij op 13 Oc-
tober 1.1., en verzoekt Uwe Excellentie beleefd hieraan wel hare aandacht
te willen schenken en de voorstellen, vervat in de conclusies van het rapport,
wel in overweging te willen nemen.

Het Hoojdbe tuur,
Dhont, Voorzitter.
H. A.
Vermeulen, Secretaris.

Opmerkingen over het besmettelijk verwerpen van het rund en de mogelijke ge-
varen, verbonden aan deze ziekte, voor de gezondheid van den mensch.

Het besmettelijk (enzoötisch) verwerpen der runderen — veroorzaakt door
Bacterium (Brucella) abortus
Bang is een ziekte, die in Nederland een zeer groot
gedeelte van den rundveestapel heeft aangetast en, blijkens de gegevens, neerge-
legd in de „Verslagen aan den Minister van Binnenl. Zaken en Landbouw over
werkzaamheden van den Veeartsenij kundigen Dienst en den Gezondheidstoestand
van den Veestapel", de neiging vertoont, zich in toenemende mate te verbreiden.

De economische schade, welke door deze aandoening aan de veehouderij wordt

-ocr page 47-

berokkend is belangrijk. Dit moge Uwe Exc. o. m. blijken uit de bovengenoemde
„Verslagen".

Voorts is in den laatsten tijd komen vast te staan, dat de infectieuze abortus
der runderen de bron eener infectie kan vormen bij menschen, tengevolge waarvan
ernstige ziekte wordt teweeggebracht.

Uit onderzoekingen, verricht in de Bacteriologisch-biologische afdeeling van
het Centraal Laboratorium v. d. Volksgezondheid, te Utrecht, welke aanvankelijk
zijn medegedeeld in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde (1928, No. 5) en in een
Algemeene Vergadering der Nederl. Algemeene Ziektekundige Vereeniging, is
gebleken, dat ook in Nederland, evenals zulks reeds in Amerika, Duitschland,
Denemarken en elders was aangetoond, zich gevallen voordoen van „Banginfec-
tics" bij menschen.

Het H.B. der Mij. voor Diergeneeskunde, erkennende den ernst van deze vraagstuk-
ken, heeft in hare vergadering van 30 Juli 1928 besloten een inleiding te doen
houden tot dit onderwerp op de 73ste Algemeene Vergadering dier Maatschappij,
welke den I3en October te Utrecht zou plaats vinden.

Uwe Exc. gelieve bij dit schrijven als bijlagen aan te treffen, een afdruk van de
aldaar gehouden voordracht en de daarop volgende discussies, alsmede van de
daarmede verband houdende onderzoekingen, welke tot heden in Nederland zijn
verricht.

Daar aangenomen moet worden, dat de kans voor besmetting met abortus-
bacteriën bij menschen o. m. afhankelijk is van de mate van verbreiding, welke
de ziekte onder de dieren bezit, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat de be-
strijding van den enzoötischen abortus der dieren naast een oeconomisch belang,
tevens de bevordering der hygiëne van den mensch ten nutte komt.

Hoewel het gemiddeld aantal gevallen van febris undulans door ..Banginfectie"
bij menschen in Nederland op dit oogenblik nog niet met zekerheid is te benade-
ren, mag worden verwacht, dat — nadien de aandacht der artsen erop is gericht —,
evenals zulks het geval is geweest in Denemarken, ook hier te lande zal blijken,
dat de ziekte niet zelden bij den mensch voorkomt. Het groote aantal gevallen
in genoemd land, waar in 1927—1928 in het Staats-Instituut meer lijders aan
febris undulans werden opgespoord, dan lijders aan febris typhoidea of para-
tvphoidea, is een waarschuwing om het vraagstuk der Brucellabesmetting bij
menschen in Nederland, — waar zooals gezegd eveneens het besmettelijk ver-
werpen bij dieren in uitgebreide mate hecrscht —, ernstig onder oogen te zien.

Het is daarom, in het licht van bovengenoemde overwegingen, ten zeerste te
betreuren, dat de verschillende wijzen, waarop tot heden de strijd tegen het
besmettelijk verwerpen der runderen is aangebonden, niet tot het doel hebben
mogen leiden.

Reeds sedert ongeveer 25 jaren is getracht, naast toepassing van hygiënische
maatregelen, de ziekte te keeren door middel van voorbehoedende of curatieve
enting der runderen. Zoowel in Nederland als elders is te dien einde in uitgebreide
mate gebruik gemaakt van vaccins, bereid van gedoode of levende abortus-bac-
teriën, welke enting, al dan niet werd gecombineerd met toepassing van specifiek
serum.

Allengs is gebleken, dat, naar verhouding de meest gunstige uitkomsten worden
verkregen met de zoogenaamde ,,levende entstof", hetgeen er toe heeft geleid,
dat gedurende de laatste jaren vrijwel uitsluitend gebruik is gemaakt van dit
middel. Desondanks zijn de meeningen omtient de goede werking dezer methode
ter voorkoming van abortus bij runderen, ten zeerste verdeeld, hetgeen Uwe
Exc. moge blijken uit meergenoemd verslag van den Heer Hoofd-Inspecteur v. d.
Veeartsenijk. Dienst enz. over 1926 (blz. 31—33).

Al valt niet te ontkennen, dat in bepaalde veebedrijven door boven bedoelde
enting het besmettelijk verwerpen tot staan kan worden gebracht, uit de ten
dienste staande gegevens mag worden afgeleid, dat ondanks de ruime toepassing
hiervan, de ziekte veeleer in Nederland is toegenomen. De vraag dringt zich zelfs

3

LVI

-ocr page 48-

op, of — in tegendeel, het gebruik op ruime schaal van de levende smetstof, wel-
licht oorzaak is geweest tot verbreiding in stede van bestrijding der infectie onder
den Nederlandschen veestapel. Deze onderstelling vindt steun in onderzoekingen,
waaruit gebleken is, dat gezonde runderen, na enting met levend vaccin van Bru-
cella abortus, deze bacteriën geruimen tijd met de melk kunnen uitscheiden, waar-
door dergelijke dieren smetstofdragers en smetstofuitscheiders zijn geworden. Op
grond hiervan wordt dan ook door verschillende onderzoekers, o. a. in Noord-
Amerika, Engeland en Frankrijk aangenomen, dat de toenemende verbreiding
van het enzoötisch verwerpen in die landen, mede te wijten is aan de veelvuldig
ter voorbehoeding toegepaste enting met levende culturen (Lignières : „Dans ces
conditions, on est en droit de se demander si le vaccin n\'est pas un mode efficace
de propagation de 1\'avortement epizoötique . . . ." Buil. de 1\'Académie Vétéri-
naire de France, 1928).

Het komt het H.B. der Mij. voor Diergeneeskunde a priori niet onwaarschijnlijk
voor, dat deze ernstige beschuldiging, aangevoerd tegen het gebruik van levende
Abortusbacteriën voor enting bij het vee, gegrond mag worden geacht.

Deze overweging noopt tot het instellen van een grondig onderzoek, teneinde
aan de hand van meer tastbare gegevens te mogen besluiten, of voortgang volgens
de gedurende de laatste jaren meest toegepaste bestrijdingswijze, gewenscht is
en gerechtvaardigd kan worden, c.q. dient te worden vervangen door een andere
meer doelmatige en minder gevaarlijke.

Voorts komt het bovengenoemd H.B. wenschelijk voor, dat bij de bestrijding
van het besmettelijk verwerpen der runderen tevens aandacht worde gewijd aan
het voorkomen van „Banginfec.ties" bij andere dieren, m. n. schapen, varkens,
en paarden.

Aangenomen moet worden, dat de besmetting der runderen in de meeste ge-
vallen plaats vindt door het opnemen van smetstof met het voedsel. Ook bij men-
schen is het aantal gevallen van infectie door het gebruik van rauwe melk of room,
welke Abortusbacteriën herbergen, grooter dan door direct contact met het be-
smette vee.

Het is bewezen, dat een belangrijk aantal der besmette koeien nog geruimen
tijd de abortusbacteriën met de melk blijven afgeven.

Uit een voorloopig onderzoek is reeds gebleken, dat de consumptiemelk in de
provincie Utrecht in zeer hoog percentage deze bacteriën bevat (Voordracht,
blz, 10 onder aan).

In welke mate dergelijke melk bijdraagt tot de verbreiding van enzoötischen
abortus onder de dieren en aanleiding kan geven tot het optreden van febris un-
dulans bij menschen, is een vraagstuk, dat de volle aandacht verdient.

Verwijzende naar bovengenoemde beschouwingen neemt het H.B. der Mij. voor
Diergeneesk. de vrijheid, Uwe Exc. in overweging te geven, een Commissie te
doen samenstellen, wier taak het o. m. zal zijn, onderzoekingen in te stellen naar :

ie. de mate van verbreiding van het enzoötisch verwerpen door infectie met
Brucella
Bang bij runderen en andere dieren in Nederland.

2e. de wijze, waarop de verspreiding tot stand komt, meer in het bijzonder,
welke rol daarbij eventueel wordt gespeeld door enting met levende vac-
cins.

3e. een doelmatige wijze van bestrijding der ziekte onder de dieren, waarmede
gevaar voor smetstofverspreiding niet te vreezen zal zijn.

4e. het voorkomen van Brucella abortus in melk en melkproducten, in verband
met het besmettingsgevaar voor dieren en voor den mensch.

-ocr page 49-

\'s-Gravenhage,

------- -— 14 December 1928.

Ulrech!.

No. 89.

Onderwerp :
Antwoord op schrijven van 8 Nov.
j.i., No. 1144, Afd. 3 betreffende
Rijksseruminrichting en Instituut
voor onderzoekingen op het gebied

van Mond- en Klauwzeer. Aan

Zijne Excellentie den Minister van Bin-
nenlandsche Zaken en Landbouw te

\'s-Gravenhage.

In antwoord op het van Uwe Excellentie ontvangen terzijde vermeld schrijven,
heeft het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde de eer Uwe
Excellentie kenbaar te maken, dat naar zijn meening een vereeniging van de Rijks-
seruminrichting met een eventueel op te richten Mond- en Ivlauwzeerinstituut in
geen enkel opzicht aanbevelenswaardig is, veeleer moeilijkheden zou scheppen,
welke vermeden moeten worden. De oplossing van het zoo moeielijke isolatie-
probleem zou door eene vereeniging van beide instituten onnoodig worden ver-
zwaard. Personeel, laboratoria, stallen voor proefdieren enz. van twee dergelijke
instituten moeten, wil men de gevaren voor overbrenging van smetstof ontwijken,
zoo streng mogelijk gescheiden blijven, ieder contact moet worden voorkomen.
Bovendien verschillen beide Instituten in karakter geheel van elkaar. Een Mond-
en Klauwzeerinstituut moet zijn en blijven ,,Forschungsinstitut", het dient ge-
vestigd te zijn verre van iedere verblijfplaats van vee. Dat vestiging buiten be-
volkte centra niet zonder meer besmetting voorkomt, heeft het Instituut op het
eiland Riems bewezen. Het Hoofdbestuur is dan ook van oordeel, dat een nieuw
op te richten Mond- en Klauwzeerinstituut zonder bezwaar in het centrum van
een groote stad kan plaats vinden, vereeniging echter van beide instituten moet
het ontraden.

Bij de bespreking van dit ontwerp kwam van zelf de vraag naar voren of een
Mond- en Klauwzeerinstituut voor ons land noodzakelijk of gewenscht is. Alge-
meen was men van mcening, dat het Mond- en Klauwzeervraagstuk zoovele en
zoodanige moeilijkheden ejplevert, dat slechts oprichting van een Internationaal
Instituut, onder ele auspiciën van de Veterinaire Commissie uit elen Volkerenbond,
ele oplossing kan brengen.

Het Hoofdbestuur \\
Dhont, Voorzitter.
H.
A. Vermeulen, Secretaris.

Aan H.H. Practici

De Tuberculosebestrijding onder rundvee, met steun van de regeering, begint,
vooral in Noord-Holland en in het Zuiden van ons land (Noord-Brabant en
Limburg), vasten voet te krijgen, en het vooruitzicht bestaat, dat voor vele
practici, aan wie de feitelijke bestrijding, onder toezicht van de Inspecteurs
van den Veeartsenijkundigen Dienst, is opgedragen, hierin een dankbare taak
is weggelegd.

Door de Vereeniging voor de t.b.c.-bestrijding in Noord-Holland, de Gezond-
heidsdienst voor vee aldaar, is, in overleg met de vereeniging van practizeerende
dierenartsen in Noord-Holland boven het Noordzee-kanaal, overleg gepleegd
betreffende honorarium en verdere aangelegenheden. De onderhandelingen zijn
op de meest vriendschappelijke wijze van beide zijden gevoerd, met den uitslag,
dat aanvaard werd het minimum tarief van ƒ 1.— per onderzocht rund (onver-
schillig van welken leeftijd) en dat er zooveel mogelijk naar zal worden gestreefd,
dat de praktizeerende dierenarts bij den betrokken veehouder ook het t.b.c.-
onderzoek verricht.

-ocr page 50-

Door het bestuur van genoemde vereeniging van practici is aan alle dieren-
artsen in Noord-Holland een circulaire verzonden, waarin de aandacht op een
en ander wordt gevestigd. Ook in Zuid-Nederland werd door overleg eenzelfde
resultaat bereikt.

Het Hoofdbestuur verheugt zich in dit streven, omdat het daarin meent te
bespeuren de mogelijkheid van hetgeen zoo herhaalde malen naar voren werd
gebracht en waarvan de thans aanhangige reglementsherziening het gevolg is.

Het Hoofdbestuur geeft de besturen van de Afdeelingen, waarin deze aan-
gelegenheid nog niet geregeld is, dringend in overweging haar zoo spoedig
mogelijk ter hand te nemen, waarbij het Hoofdbestuur niet het oog heeft op
reeds bestaande overeenkomsten. Volledigheidshalve en als leiddraad, volgt hier
de bovenbedoelde circulaire van de practici in Noord-Holland, benoorden het
Noordzeekanaal.

De Secretaris :
H.
A. Vermeulen.

Hauwert, 24 October 1928.

Geachte Collega !

De uitvoering van de besluiten tot bestrijding van de T. B. C. onder het
rundvee zal voor een groot gedeelte aan dierenartsen worden opgedragen.

Dit heeft aanleiding gegeven dat deze zaak in de Vereeniging van Prakti-
seerende dierenartsen in Noord-Holland benoorden het Noordzeekanaal is be-
sproken. Daar in de vergadering werd gevoeld, dat behalve onze leden deze
zaak ook andere collega\'s in de Provincie aangaat, meent deze vereeniging goed
te doen door aan alle collega\'s in Noord-Holland de besluiten van de ver-
gadering mede te deelen.

Deze zijn :

i°. Door het bestuur dezer vereeniging zal getracht worden in overleg met de
besturen van den Noord-Hollandschcn gezondheidsdienst voor Vee, die zich
de bestrijding der rundertuberculose ten doel stellen, een voor alle onder-
vereenigingen gelijkluidende instructie voor den Dierenarts te
ontwerpen en vast te stellen.

2°. Getracht zal worden gedaan te krijgen, dat het onderzoek van een be-
paaldenveestapel zal worden opgedragen aan de dierenartsen die op
boerderijen praktiseeren waar dat vee zich bevindt.

3°. Voorde verlangde diensten zal / i.— per rund berekend worden.

4°. Op inschr ij vingen zooals deze thans reeds door enkele fabrieken worden
gehouden, zal slechts via de besturen van de afdeeling Noord-
Holland van de Mij. voor Diergeneeskunde of van het bestuur van de
Vereeniging v. Praktiseerende Dierenartsen v.n worden ingegaan.

Ons van uwe medewerking verzekerd houdende,

Voor de Ver. v. Prakt. Dierenartsen,

F. M. De Leur, Voorzitter.

J. Stapel, Penningmeestei.

K. Schuitemaker, Secretaris (Hauwert).

-ocr page 51-

Overzicht van het verhandelde in de Vergadering van het Hoofdbestuur van
8 December 1928.

Een commissie is ingesteld, welke zal onderzoeken, op lioedanige wijze de be-
looning van plaatsvervangend-inspecteurs voor de bestrijding van het Mond- en
Klauwzeer zou kunnen worden geregeld.

De afgevaardigden zullen in hunne afdeelingen feiten verzamelen, welke be-
wijzen, dat de uitvoering van de Warenwet veel te wenschen overlaat.

De afgevaardigden zullen in hunne afdeelingen propaganda voeren voor het
uniforme tarief voor de georganiseerde bestrijding van de tuberculose van het
rundvee, zijnde één gulden per rund en per jaar. Over deze aangelegenheid zal
een uitvoerige mededeeling van het H.B. in het Tijdschrift verschijnen.

Wat betreft het oprichten van een Mond- en Klauwzeer-instituut is het H.B.
van oordeel, dat de voorkeur gegeven worden moet aan een Internationaal Mond-
en Klauwzeerinstituut, te stichten door de Commissie voor bestrijding van dier-
ziekten, ingesteld door den Volkenbond. Mocht een eigen instituut voor ons
land gewenscht worden geacht, dan behoort dit niet aan de Rijksseruminrichting
verbonden te zijn. In het belang van beide instituten moeten personeel, laboratoria,
stallingen, proef- en serumdieren van beide inrichtingen streng gescheiden zijn.

Vanwege het D. F. van EsvELDfonds zal een nieuwe prijsvraag uitgeschreven
worden.

Het werkcomité van de Prof. Dr. D. A. de jong-stichting heeft statuten voor
de stichting ontworpen en zal een circulaire verspreiden voor het inzamelen van
gelden.

Besloten is aan het Nationaal LoRENTz-Comité / 50.— bij te dragen.

Van de Absyrtusschulden is alsnog een bedrag ingekomen, groot ruim / 87.—■ ;
afgestudeerden, die in dit opzicht nog nalatig gebleven zijn, zullen niet tot lid
van de Maatschappij worden toegelaten, dan nadat zij, in dit opzicht, aan hunne
verplichtingen hebben voldaan.

Het vraagstuk van de Vischkcuring is wederom ter sprake geweest.

De Secretaris,
H. A. Vermeulen.

H.H. practici worden eraan herinnerd, dat, ingevolge het besluit van de 53ste
Algemeene Vergadering, ten behoeve van Veeverzekeringsmaatschappijen, uit-
sluitend de uniforme formulieren gebruikt mogen worden, welke in 1914, in overleg
met de directies van de zeven voornaamste Veeverzekeringsmaatschappijen in
ons land, zijn vastgesteld. Deze formulieren : Keuringsformulier, Schade-, ziekte-
attest en sectieverslag zijn, in pakjes van 10 stuks, a ƒ0.20 per pakje alléén bij
ondergetcekende te verkrijgen.

Men gelieve de bestelling te plaatsen op den postwissel of op het girobillet.

H. A. Vermeulen,
Nieuwegracht 165, Utrecht.

Giro No. 46998.

Lid geworden van de Maatschappij : A. Reilingh te Soestdijk, S. Haagsma
te Workum, A. Stevense te Schore (Z.), S. van den Akker te Utrecht, M. van
Zwieten
te Fort de Kok, Dr. W. v. d. Akker te Bandoeng, A. W. M. Dogterom
te Rotterdam, G. M. van Waveren en H. H. Vink te Utrecht.

Lid geworden van de Afd. Groningen—Drente H. J. Kemna te Goor.

Bedankt voor het lidmaatschap J. J. F. Hartman te Nieuwersluis en Dr. W.
K.
Picard te Buitenzorg.

Benoemd tot afgevaardigde voor de Afd. Noordbrabant in het Hoofdbestuur
Joan Kirch te Uden.

-ocr page 52-

BERICHTEN.

EERSTE OOGST.

Verslagen van : xe. het contrôle-station der Afdeeling Melk-
hygiëne, der Verceniging voor zuivelindustrie en Melkhygiëne,
Laan van Meerdervoort 18, \'s Gravenhage. 2e. Melkcontrôle-
station Utrecht, Biltstraat 166. 3e. Melkcontrôle-station Amster-
dam, M. E. C. A., Sarphatistraat 28.

Bovengenoemde verslagen, het eerste tot 1 Juli 1928, de beide
laatste over 1927, wachten al eenigen tijd op een korte aankondi-
ging in dit Tijdschrift. Verschillende andere werkzaamheden heb-
ben dit tot mijn spijt vertraagd. Deze verslagen zijn toch voor ons
diergeneeskundigen zéér belangrijk. Zij vormen het tastbare bewijs
van de vooruitgang ten aanzien van de medewerking der dieren-
artsen op het gebied der melkhygiëne.

In Maart 1923 mocht ik in een rede voor ,,de Vereeniging voor
Zuivelindustrie en Melkhygiëne" uiteen zetten, dat er naast het
ambtelijk toezicht, bij de melkvoorziening plaats is voor onder-
zoek en toezicht van stations, door belanghebbenden zelf in te
richten. Deze klanken waren toen geheel nieuw en het strekt
bovengenoemde vereeniging tot eer, dat zij kort daarop tot de
inrichting van zulk een station, werkende over het geheele land
overging. Spoediger dan te verwachten was vond dit denkbeeld
weerklank en thans eerst 5 jaar later zijn reeds drie stations wer-
kende onder diergeneeskundige leiding- ingesteld, terwijl ook op
andere wijzen, wij denken aan de Gezondheidsdiensten voor vee,
de dierenarts bij den Keuringsdienst voor Waren te Amsterdam,
het veld door deze deskundigen wordt bewerkt.

Het eerstgenoemde jaarverslag is reeds het derde over dit sta-
tion, de beide andere zijn eerstelingen. Aandachtige studie van
alle drie voert tot de conclusie ie. dat een ruim arbeidsveld voor
deze instellingen openligt, waardoor een deugdelijk preventief toe-
zicht bij de melkwinning wordt verkregen.

2e. dat daardoor de rentabiliteit, zoowel van het veehouders-
bedrijf, als der melkinrichtingen wordt verhoogd. Minder verlies
van melk door bederf, tijdige bestrijding van veeziekten (uier-
ontsteking enz.) ;

3e. dat deze arbeid in haar vollen omvang alleen door goed
onderlegde dierenartsen kan worden geleid en beheerscht.

Ongetwijfeld zullen de gevolgde werkwijzen in de praktijk nog
worden verbeterd en aangevuld en zal een overeenstemming tus-
schen de verschillende stations in deze zeer wenschelijk zijn.

Wij zien hoe de reinheid der melk door alle drie de stations be-
langrijk wordt verbeterd, hoe met energie de strijd tegen de
mastitis wordt aangebonden.

-ocr page 53-

Ontstellend zijn de cijfers, die daaromtrent op sommige plaatsen
eerst voor den dag komen, doch geruststellend de neiging tot ver-
betering, ja bijna algeheele uitroeiing van dit euvel, welke door
samenwerking van station en veehouder wordt bereikt.

M. i. zijn de stations op den goeden weg, dezen misstand eerst
aan te pakken. Hier is afdoende verbetering binnen betrekkelijk
korten tijd bereikbaar. Daarna kan men zijn krachten beproeven
op moeilijker vraagstukken als de bestrijding der tuberculose onder
het melkvee, waaraan trouwens het M. E. C. A., dank zij royale
subsidies van het Amsterdamsche Gemeentebestuur, reeds is be-
gonnen.

Een eeresaluut willen wij hier brengen aan de pioniers op dit
gebied, de directeuren dezer stations, doch vooral aan die besturen
van corporaties van melkinrichtingen, melkslijters, veehouders,
die op eigen initiatief, zonder of met slechts geringe steun van
overheidswege, dit belangrijke werk op zoo deugdelijke wijze heb
ben aangevat en zeer zeker tot een goed einde zullen brengen, in
het belang van veehouder, melkhandel, maar vooral van den
consument. C.
F. van Oijen.

VLEESCHHYGIËNE.

Leiden sluit zich aan bij de N.V. Ned. Thermo-Chem. Fabrieken.

In een zeer nitvoerigen brief aan den Raad stellen B. en W. voor een overeen-
komst te sluiten met de N.V. Ned. Thermo-Chem. Fabrieken, om het vleesch, dat
voor gebruik van mensch en dier onbruikbaar moet worden gemaakt, af te geven
aan bovengenoemde N.V., waarbij deze zich verbindt, door haar zorg en voor haar
rekening het volgens de bepalingen der vleeschkeuringswet afgekeurde vee en
vleesch onbruikbaar, alsmede in den zin der veewet ziek en verdacht vee, dat
is afgemaakt of gestorven, onschadelijk te maken door het in door haar gestichte
fabrieken te verwerken tot technisch vet en meel, terwijl bovendien de N.V. zich
verbindt voor ieder stuk vee, dat uit het gebied der gemeente aan haar wordt
afgeleverd, aan de gemeente een vastgesteld bedrag uit te keeren.

De gemeente neemt de verplichting op zich, om de fabriek van de vennootschap,
met uitsluiting van anderen, als destructor voor haar gebied aan te wijzen en alle
uit de gemeente afkomstige cadavers en afvaldeelen aan haar af te staan, alsmede
om de vennootschap op het territoir der gemeente vrij te stellen van betaling van
gemeentelijke tol- en bruggelden en andere retributies in verband met het ver-
voer.

Ten einde na te gaan of de gemeente gerechtigd is de haar bij de vleeschkeurings-
wet opgedragen publiekrechtelijke taak aan een particuliere vennootschap over
te dragen, hoewel deze vraag in de praktijk bevestigend beantwoord was. doordat
in Friesland de vennootschap reeds deze taak van de gemeenten heeft overgeno-
men, hebben B. en W. zich nog gewend tot den Minister van Arbeid, Handel en
Nijverheid, die medegedeeld heeft, dat aard en strekking van de bepalingen in
de overeenkomst z. i. niet in strijd waren met de bij en krachtens de vleeschkeu-
ringswet vastgestelde bepalingen.

Uitvoerig zetten B. en W. vervolgens uiteen, dat een dusdanige overeenkomst
ook uit een economisch en uit hygiënisch standpunt te verdedigen valt, terwijl
het na gedaan onderzoek is gebleken, dat het onvoordeelig zou zijn van gemeente-
wege een soortgelijke fabriek op te richten, daar de exploitatie alleen dan zonder
verlies kan worden uitgeoefend, wanneer het zich uitstrekt over een zeer groot
gebied.

-ocr page 54-

Voor de buitengemeenten zouden nog de volgende redenen gelden ; n.1. het
opnieuw opgraven en in consumptie brengen van reeds begraven vleesch, verder
de moeilijkheid, bij vorst te begraven, terwijl ook de hooge grondwaterstand vaak
een beletsel oplevert. Bovendien is in de nabijheid van de noodslachtplaatsen
vaak niet voldoende ruimte beschikbaar voor het begraven.

Na langdurige discussie bij de behandeling van dit voorstel werd ten slotte
het voorstel van B. en W. aangenomen.

Hooger beroep bij keuringsbeslissingen.

Op de agenda van de jaarlijksche algemeene vergadering der Nederl, Grossiers-
bond voor den vleeschhandel komt o. a. een voorstel voor, waarbij het bondsbe-
stuur wordt opgedragen, stappen te doen bij het departement van Arbeid, Han-
del en Nijverheid tot verkrijging van een „scheidsgerecht", waarbij men in beroep
zou kunnen gaan bij eventueele afkeuringen of met betrekking tot het te lang
laten hangen in onderzoek van vleesch, dat niet direct voor afkeuring is bestemd.

In de bij dit voorstel gevoegde toelichting wordt o. m. de aandacht gevestigd
op het feit, dat dikwijls vee veel te lang in onderzoek wordt genomen, zelfs te
dikwijls in gevallen, waarin het in het geheel niet noodzakelijk is. Genoemd wer-
den enkele gevallen, waarbij het oordeel van Dr.
Berger werd ingeroepen, die
in deze gevallen dan ook den desbetreffenden keuringsveearts desavoueerde. Men
was van meening, dat, wanneer een beroep in ruimeren zin mogelijk was, heel veel
gered kon worden van wat nu wordt afgekeurd of naar de vrijbank wordt ge-
zonden.

(Daar men bij elke keuringsbeslissing steeds een herkeuring ka,n aanvragen,
welke elan echter steeds met belangrijke kosten gepaard gaat, zal het vermoede-
lijk in de bedoeling liggen een scheidsgerecht te krijgen, waarbij men kosteloos,
niet alleen voor keuringen, maar ook als men meent, dat het onderzoek te lang
duurt, in hooger beroep kan gaan. Vooral bij de keuring van z.g. noodslachtingen
(gestorven dieren) zal m. i. een uitspraak van dit scheidsgerecht worden gevraagd,
elaar dikwijls de eigenaar van een dergelijke noodslachting zich hoogst verwonderd,
zoo niet ontstemd, toont, als hij verneemt, dat niet direct een beslissing
wordt genomen en eerst een bacteriologisch vleeschonderzoek moet worden
afgewacht).

Tietjerksteradeel.

Geeleputeerde Staten van Friesland hebben hun gocdkcuiing eiok aan een derele
reorganisatieplan van den gemcenteiaad inzake den vleeschkeuiingsdienst ont-
houden en zelf een verordening e>p den keuringsdienst van vee en vleesch in Tiet-
jerksteradeel en instructies voe>r het keuringspersoncel vastgesteld. Deze ver-
ordening en instructies zijn gelijkluidend aan ele bestaande, behalve dat daarin
een overgangsbepaling is opgenomen, dat het in functie zijnde personeel wordt
gehandhaafd en is bepaald, dat de benoeming van het personeel voor onbepaalden
tijd geschiedt.

Schagen.

De gemeenteraad heeft met 9 tegen 2 stemmen besloten telegraphisch aan Ge-
deputeerde Staten van Noord-Holland te verzoeken, geen gevolg te geven aan
het verzoek van B. en W. aan dit college, om geen toestemming te verleenen voor
het stichten in deze gemeente van een verwerkingsiniichting voor afgckcurel vee
en vleesch ; de Raad stelt er wel prijs op, dat die inrichting te Schagen komt.

de G

Korte mededeelingen uit de Verslagen en Mededeelingen betreffende de Volks-
gezondheid.

Wij lezen in het zeer belangwekkende verslag van den Hoofdinspecteur van de
volksgezondheid belast met het toezicht op de handhaving van de wettelijke bepalingen
betreffende besmettelijke ziekten over
1927, Dr. Terburgh, de volgende ook voor
diergeneeskundigen zeer belangrijke mededeelingen onder de Febris typhoidea
en paratyphus (1928 No. 11 Blz. 1463—1465).

-ocr page 55-

- 4i —

Van bijzondere epidemiologische beteekenis was een epidemietje van paratyphus,
dat in de dorpen Oppenhuizen en Uit-wellingerga (gemeente Wymbritseradeel)
werd waargenomen.

De eerste gevallen werden op 2 Augustus aangegeven. Bij onderzoek bleek de
ziekte voornamelijk voor te komen in huisgezinnen, die onderling geparenteerd en
alle betrokken waren bij den handel in het slachten van vee. Ook kwam te voor-
schijn dat in een huisgezin, dat denzelfden naam als de patiënten droeg, en dat
eveneens bij het vlceschbedrijf betrokken was, reeds in Mei ziektegevallen waren
voorgekomen. Van vier leden van dit gezin was de agglutinatie van het bloed tegen-
over paratyphus B. nog resp. 1/50, 1/100, 1/500 en 1/500. Men mag dus wel aanne-
men, dat de ziekteverschijnselen in dit gezin waargenomen aan een paratyphus-
besmetting waren toe te schrijven. Verrassend was tevens het feit dat deze slager
op 26 April een noodslachting had verricht bij een rund, waarvan het vleesch voor
de comsumptie was afgekeurd en vernietigd.

Het was een eigenaardige samenloop van omstandigheden, dat ik de inspecteurs
juist opmerkzaam had gemaakt op een artikel van Dr.
Schwalbe „Der gegenwär-
tige Stand des Paratyphusproblems unel seine Auswirkung in der Seuchenbe-
kämpfung". \') Dr.
Schwalbe kwam naar aanleiding van de bestudcering van para-
typhus-epidemieön te Hameien en te Barringhausen tot de gevolgtrekking dat
kleine en ook groote paratyphus-epidemieën veel vaker voorkomen dan men vroeger
meende ; dat paratyphus niet altijd gunstig verloopt en de ziekte bij den mensch
meestal ontstaat tengevolge van het gebruik van vleesch van in nood geslachte
dieren.

Of nu te Wymbritseradeel de kleine epidemie veroorzaakt werd door de nood-
slachting in April kan niet met zekerheid gezegd worden. Toch geeft de opvolging
der feiten te denken. En al moge hier het vleesch vernietigd zijn, zoo is het toch
niet buitengesloten, dat de slager zich bij het slachten besmet heeft en op deze wijze
de ziekte in zijn gezin gebracht.

Een bezwaar tegen de veronderstelling dat de mensch door het vee besmet
worelt is in de eerste plaats, dat paratyphus minder voorkomt, dan men met het
oog op deze besmettingsmogelijkheid zou verwachten. En in de tweede plaats, dat
bij den typheusen vorm van den paratyphus
B. steeds het type Schottmüller
wordt gevonden, terwijl dit type bij het vee niet voorkomt . Een steun voor de hy-
pothese geeft echter het voorkomen van gastro-enteritische naast typheuse vormen
van paratyphus bij eenzelfde epidemie, die haar oorsprong vond in besmetting door
vleesch.

Hoewel het laatste woord ten opzichte van dit vraagstuk nog niet gesproken is,
zal het wel geraden zijn bij het onderzoek naar den oorsprong van paratyphus-
gevallen niet uitsluitend te denken aan melk- of watetinfectie, doch oe>k aan een
eventueele besmetting door middel van vleesch. Dit is voor Nederland van betee-
kenis nu, uit de uitvoerige onderzoekingen door Dr.
Doyer ingesteld, blijkt, dat
ook hier de typheuse koortsen menigmaal door den paratyphusbacil worden ver-
oorzaakt.

De rol, welke vleesch kan spelen bij het overbrengen niet alleen van paratyphus,
doch ook van buiktyphus, kwam duidelijk te voorschijn bij eenige gevallen van
febris typhoidea te Utrecht waargenomen en die veroorzaakt werden door het
gebruik van ongekookte vleeschwaren uit een zaak, waarvan de eigenaar door buik-
typhus was aangetast. Hij werd verpleegd eloor zijn vrouw en zijn broer, die tevens
den winkel bedienden. De Directeur van den Gemeentelijken Geneeskundigen
Dienst nam, in samenwerking met den Directeur van den Keuringsdienst voor Wa-
ren, de noodige maatregelen, waardoor erger werd voorkomen.

Naar aanleiding van deze gebeurtenis wendde de Burgemeester van Utrecht zich
tot den Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid met het verzoek de noodige be-
palingen in het Vleeschkeuringsbesluit op te nemen, ten einde met meer kracht

\') Zeitschrift für Medicinalbeamte und Krankenhausärzte i Juni 1927.

-ocr page 56-

te kunnen optreden, indien er gevaar voor buiktyphus-besmetting door middel van
vleesch dreigt.

De Minister antwoordde daarop, dat deze aangelegenheid reeds in overweging is
genomen en dat daaruit is voortgevloeid de opneming van verschillende bepalingen
in het ontwerp-wet betreffende de bestrijding der besmettelijke ziekten, zooals de
artikelen 5, 6 en 14. Daarmede zal in de toekomst het gevaar voor besmetting door
middel van vleesch beter te voorkomen zijn dan thans, in verband met de bestaande
wettelijke voorschriften, mogelijk is.

Wij nemen deze mededeelingen over, omdat hierdoor andermaal de dringende
noodzakelijkheid in het licht wordt gesteld van een systematische studie der epide-
miologie van die ziekten welke bij mensch
en dier voorkomen.

C. F. van Oijen.

Leesgezelschap.

De lezers zullen gedurende de eerste helft van Januari vermoedelijk met
stagnatie in de verzending onzerzijds te kampen hebben. Dit deed zich ieder
jaar voor en zal ook nu wel niet uitblijven. Zij, die nog wenschen toe te
treden, kunnen het bedrag a / 10,— storten op het gironummer van den eerst-
ondergeteekende. Herinnerd wordt, dat iedere leesgroep leest:
2 duitsche bladen,
1 fransch en een engelsch vakblad
en de beide bladen : Bedrijjspluimveehouder en
Avicullura. Het laatste blad bevat ook pelsdiervraagstukken.

Klarenbeek.

Eichholtz.

Rijksuniversiteit Utrecht.

Bevorderd tot Doctor in de Veeartsenijkundig H. Jalving, Dierenarts te Rui-
nerwold, op 13 December 1928, op een proefschrift getiteld : „Cirrhosis hepatis
enzoötica bij het rund; een plantenintoxicatie door ingestie van Senecio aquaticus
Huds. en Senecio Jacobaea".

Kring Rotterdam van Practiseerende Dierenartsen.

Op uitnoodiging en onder leiding van den Heer Dhont te den Haag kwamen
Zondag 16 December j.1. een aantal practiseerende collega\'s uit Rotterdam en naas-
te omgeving bijeen om de wenschelijkheid van het stichten van een kring van prac-
tiseerende Dierenartsen te bespreken.

Zeven van de negen collega\'s hadden aan de uitnoodiging gehoor gegeven, t.w.
de Heeren v.
d. Stolpe, Crezee, Jongeneel, Voogt en Peters, allen te Rotter-
dam, v.
d, Hoek te Barendrecht, en ondergeteekende te Hillegersberg.

De Inspecteur te Rotterdam, de Heer de Vink, kwam bij het begin der bijeen-
komst mededeelen dat hij tot zijn spijt verhinderd was de besprekingen bij te wo-
nen, maar dat een eventueel op te richten kring zijn volle sympathie had en op zijn
steun kon rekenen, voor zoover dit in zijn vermogen lag. Bij de hem hiervoor toe-
gevoegde woorden van dank van den Heer
Dhont sluit ondergeteekende zich gaar-
ne aan.

Na een uiteenzetting van den Heer Dhont werd de kring opgericht met instem-
ming van alle aanwezigen, terwijl de Heer v.
d. Stolpe tot voorzitter en onderge-
teekende tot secretaris werden benoemd.

Het doel van de kring zal zijn het behartigen en steunen van eikaars belangen in
den ruimsten zin des woords en het stelling nemen tegen elke minder gewenschte
handeling bij het uitoefenen der diergeneeskundige praktijk.

Nadat een der aanwezigen den Heer Dhont uit naam van allen bedankt had voor
de genomen moeite werd deze eerste bijeenkomst gesloten.

Na het opstellen van deze mededceling bereikte mij nog het bericht dat ook de
Heer
Fauel te Rotterdam als lid der kring wenscht toe te treden, zoodat thans alle
uitgenoodigde collega\'s behalve de Heer
Copper te Rotterdam, in den kring veree-
nigd zijn. M.
Slager.

-ocr page 57-

Diergeneeskundige kring Amsterdam.

De tweede bijeenkomst werd gehouden op 13 Dec. j.1. en bezocht door 18 leden
Inmiddels is het ledenaantal van de kring gestegen tot 25.

Naar aanleiding van de aanwezigheid van een collega uit Haarlem, werd de vraag
besproken, of er bezwaar bestaat ,ook andere collega\'s dan die woonachtig te Am-
sterdam en in de aangrenzende gemeenten, toe te laten als lid van den kring. Be-
sloten werd dat elke collega, welke daartoe de wensch te kennen geeft, na ballotage
als lid kan toetreden. Doordat de bijeenkomsten \'s avonds worden gehouden, zal
het gebied van den kring zich toch nooit zoo ver gaan uitstrekken, dat het afdee-
lingsleven van de Maatschappij er bezwaar van ondervindt.

Andermaal kwam in bespreking het voorstel van de vorige vergadering (waarbij
de stemmen toen staakten) dat de leden van den kring leden van de Maatschappij
voor Diergeneeskunde moeten zijn. Thans werd dit voorstel met algemeene stem-
men aangenomen.

Daarna verkreeg ondergeteekende te kwart voor negen het woord over het trek-
honden vraagstuk.
Spr. begon met mede te deelen dat het ondoenlijk is het gelieele
vraagstuk in extenso te behandelen in één spreekbeurt. Hij zou er zich toe bepalen
met hier en daar grepen te doen uit de litteratuur verschenen over dit vraagstuk,
om zich hoofdzakelijk te beperken tot het wetenschappelijk gedeelte, doch spr.
stelde zich intusschen beschikbaar, om dadelijk gedurende de discussie\'s ook de
oeconomische zijde van het vraagstuk te belichten.

Hiermede kwam spr. tot de kern van zijn lezing en zette uiteen waarom de hond
anatomisch veel minder geschikt is dan het paard om te dienen als trekdier. Aan
de hand hiervan, en na eenige projectie\'s van sceletten en sceletgedeelten van paard
en hond, kwam spreker tot de volgende conclusies :

ie. De hond mist massa.

2e. ,, ,, ,, een voldoende geconsolideerd scelet.

3e. ,, ,, ,, een goede overbrenging van de stuwkracht van het bekken
op romp en voorhand.

4e. ,, ,, ,, alle automatische fixatiemiddelen, waardoor groote eischen
worden gesteld aan het actieve bewegingsorgaan, i.c. de
spieren.

5e. De voetzolen van den hond zijn minder geschikt voor trekdiensten.

Uit deze vijf punten trekt spr. de eindconclusie dat de hond niet geschikt is om
als trekdier dienst te doen, doch meer gebouwd is voor snelheid en lenigheid.

Dan wees spr. nog op de pogingen die verricht worden om den hond dusdanig te
verbeteren dat hij het type trekdier naderbij komt. Spr. voerde met enkele bewijzen
aan, dat deze pogingen tot op heden minder goed gelukt zijn, mede om de reden
natuurlijk dat een hondenscelet nu eenmaal in principe niet geschikt is voor trek-
diensten.

Daarna gaf spr. nog eenige beschouwingen ten beste welke zooal gangbaar zijn
in de georganiseerde propaganda voor de afschaffing van den hond als trekdier.
Spr. liet uitkomen dat hij dit speciaal doet om de collega\'s goed op de hoogte te
brengen van de diverse stroomingen in de wereld van de trekhond-bestrijders, om
zijn collega\'s zoodoende in de gelegenheid te stellen hun standpunt inzake het
vraagstuk zuiverder te bepalen dan tot dusver misschien.

Dan laat spr. nog eenige lantaarnplaatsjes zien, waarop allerlei trekhonden-
misère wordt gedemonstreerd.

Spr. waarschuwde tenslotte voor overdrijving in de een, zoowel als in de andere
richting, en beval den collega\'s aan, in deze een nuchter en zakelijk standpunt in
te nemen, zonder onder invloed te komen van sentimenteele overwegingen.

Bij de daaropvolgende besprekingen werden allerlei argumenten voor en tegen
aangevoerd. Over het algemeen was de meening toch deze, dat een ieder tegen
trekhonden-misbruik is, en daartegen wil opgetreden zien, doch dat men het juiste
evenwicht tusschen de belangen van den mensch en van het dier moet bewaren.
Vele menschen moeten ook sloven om aan den kost te komen, en zijn ook voor hun

-ocr page 58-

tijd versleten. Het is treurig dat de keuring der trekhonden niet geschiedt
door deskundigen, d.z. de dierenartsen, doch door allerlei ,,would-be" deskundigen
op dat gebied, en dat er met de wettelijke eischen zoo gemarchandeerd wordt De
overheid kan dan ook niet beter in de kaart spelen van de voorstanders van het
totale trekhonden-verbod, dan door de gegeven voorschriften ter voorkoming van
misbruik van den trekhond niet of te slap te handhaven. Dit kan de Regeering niet
genoeg onder het oog worden gebracht.

Hiermede werden de discussie\'s wegens het vergevorderde uur beëindigd. De
voorzitter zcide dan nog woorden van dank aan een collega welke gratis in bruik-
leen afstaat een lessenaar ten gebruike der maandelijksche sprekers. Even na elf
uur sloot de voorzitter deze geanimeerde bijeenkomst. De volgende wordt bepaald
op Donderdag 3 Januari 1929. waarvan de spreker nog nader per convocatie zal
worden bekend gemaakt.
 Eichholtz

Tuberculosebestrijding in Noord-Holland.

De Commissie voor den Gezondheidsdienst van Vee in Noord-Holland, die de
regeling van de bestrijding der tuberculose onder het rundvee daar in handen had,
heeft haar laatste vergadering gehouden, voor de liquidatie. De tuberculosebestrij-
ding is nu in handen van een nieuwe vereeniging ,,de Centrale Vereeniging voor
tuberculosebestrijding onder het rundvee". Deze hield op 5 Nov. een vergadering
waarop ook tegenwoordig waren de Inspecteurs van den Veeartsenijk.dienst
\'t
Hooft
en Klauwers. De voorzitter, de heer P. Stapel Cz. deelde mede, dat zich
tot nog toe hebben aangesloten 8 plaatselijke organisaties, tezamen tellende 339
veehouders met in \'t geheel 5305 runderen. (Later zijn deze getallen vermeerderd
tot 450 veeliouelers met 7000 runeleren.

De heer \'t Hooft, vertegenwoordiger van het Veeartsenij kundig Staatstoezicht,
deeel mededeelingen omtrent het merken der reactiedieren. Runderen jonger dan
2 jaar met reactieverschijnselen zullen een voorloopig merkteeken krijgen, een
brandmerk T op de buitenklauw van het linkervoorbeen. Runderen ouder dan 2
jaar en die welke voor de tweede maal positief reageeren op de tuberculineproef
worden voorzien van het merkteeken : een gat in het .klineroor op 3 c.M. van den
oorrand.

Er werd nog discussie gevoerd over de instructie voor de dierenartsen die voor
de plaatselijke vereenigingen het onderzoek moeten doen (behalve elan het zuiver
wetenschappelijke werk volgens Regceringsvoorsclirift). Besloten werd dat voor
benoeming en ontslag van die elicrenartsen de goedkeuring der Provinciale Vereeni-
ging zal noodig zijn.

(Uit : Bijvoegsel van Holl. Mij. v. Landbouw in Alg. Ned. Landbouwblad 1928
No. 761).
 Vr.

International Association of Poultry Instructors and Investigators. (International
Review of Poultry Science, October 1928).

De Europeesche leden van bovengenoemde vereeniging hielden een bijeenkomst
op 13 Sept. 1928 in Crystal Palace, te Londen. President was Prof. F. C.
Elford,
secretaris Dr. B. J. C. te Hennepe ; verder waren een 14-tal hooglcerarcn en andere
vooraanstaande figuren in de pluimveewetenschap aanwezig.

Besloten werd, aan het voorbereidend comité van het Internationale Pluimvee-
Congres in 1930 te Londen te berichten, dat als meest geschikte data voor dit
congres beschouwd worden de laatste dagen in de maand Juli.

Dr. te Hennepe wees er op, dat van 4 tot 8 Augustus 1930 in Londen een Inter-
nationaal Veterinair Congres gehouden zal worden ; aangezien veel dierenartsen
in de pluimveewetenschappen belangstelling hebben, zou het aaneensluiten van het
eene congres aan het andere van belang kunnen zijn.

L. P. de Vries.

-ocr page 59-

Fokkers var. pelsdieren.

In het Landbouwhuis te Arnhem is gisteren de algemeene vergadering gehouden
van de Vereeniging van fokkers van pelsdieren.

Uit het verslag omtrent de keuring van pelsdieren bleek dat 114 zilvervossen aan
een keuring waren onderworpen.

De commissie kwam tot het besluit om de handelswaarde der pelsen nog niet te
publiceeren, daar het bedrijf hiervoor nog te jong is.

Van de gekeurde vossen werden er drie afgekeurd wegens rachitisverschijnselen

De commissie voor de keuring was van meening, dat men met deze 111 goed-
gekeurde vossen een goed stamboek op kan bouwen.

In het verslag werd er verder nog op gewezen, dat het nut van de vereeniging
vooral voor koopers groot zal blijken te zijn.

Een geanimeerde bespreking werd gehouden over de vraag of iedere vos, die niet
absoluut voor verderen fok ongeschikt is, in het stamboek moet worden ingeschre-
ven of is een strenge keuring noodig met classificatie.

Prof. Bakker, adviseerend bestuurslid en de heer Heelsbergen waren voor-
standers van een geleidelijke classificatie, doch van direct belang achtten deze
heeren een goede leidraad en een geleidelijken opbloei der jonge fokkerij. Prof.
Bakker verwees in dit verband nog op het Ned. Rundvee-stamboek, waardoor
de te vroege classificatie uitvoer van Ned. Rundvee gedurende een twintigtal jaren
aanzienlijk beperkt is. Wanneer men nu de zilvervossen, waarvan alleen de uiter-
lijke factoren bekend zijn, classificeert, dan kan uit een iste klas paar zeer goed een
slecht kroost komen en omgekeerd. Men keurt immers de innerlijke erfelijkheids-
factoren nog niet. Om deze reden acht Prof.
Bakker uitstel van classificatie ge-
wenscht. Keuringsregels zullen dus nog niet kunnen worden vastgesteld. Alleen kan
men de goedgekeurde dieren registreeren.

Wat de reglementen voor het stamboek betreft acht Prof. Bakker hetgewenscht
dat men zich zoo veel mogelijk aanpast bij de ontwikkeling der fokkerij, zonder een
bepaalde richting te forceeren.

De heer Burgers stelt voor bij verkoop van geregistreerde vossen een kleine ver-
goeding te vragen ten behoeve van het stamboek.

Prof. Bakker ondersteunt dit voorstel. Na eenige discussie over dit punt in eeni-
ge andere kwesties wordt ten slotte besloten tot inrichting van het stamboek over
te gaan.

Bij de bespreking over de begrooting voor 1929 wordt aangenomen een door een
der leden gedaan voorstel om aan den secretaris een vergoeding voor zijn werk-
zaamheden toe te kennen (N.R.Ct.)

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in November 1928.

\'De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op 1 Nov. nog niet waren geëindigd).

Mcmd- en Klauwzeer: bij 1017 (3499) eigenaars, waarvan in Groningen bij
135 (221) eig. ; Friesland bij 440 (2196) eig. ; Drenthe bij 33 (31) eig. ; Overijsel bij
32 (1) eig. ; Gelderland bij 44 eig. ; Utrecht bij 213 (242) eig. ; Noordholland bij
63 (369) eig. ; Zuidholland bij 92 (386) eig. ; Zeeland bij 18 (42) eig. ; Noord-
brabant bij 46 (ri) eig. ; Limburg bij 1 eig.

Scabiès (sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap : 13 gevallen bij
3 eig. (78 bij 13 eig.), waarvan in Friesland 5 bij 1 eig. (51 bij 5 eig.);
Drenthe (23 bij 7 eig.); Gelderland 7 bij ieig.; Zuidholland 1 paard (4 bij 1 eig.)

Rotkreupel bij schapen : 136 gevallen bij 9 eig. (686 bij 39 eig.), waarvan
in Groningen (6 bij 3 eig.) ; Friesland (115 bij 9 eig.); Drenthe 9 bij 3 eig. (20
bij 5 eig.); Utrecht 6 bij 1 eig., (12 bij 1 eig.); Noordholland 29 bij 3 eig.
(274 bij 18 eig.); Zuidholland 92 bij 2 eig. (58 bij 2 eig.); Zeeland 201 bij 1 eig.

Anthrax : 44 gevallen bij 40 eig., waarvan in Friesland 4 bij 2 eig\'; Drenthe
3 bij 3 eig.; Overijsel 4 bij 3 eig.; Gelderland 7 bij 7 eig. ; Utrecht 1 ; Noord-
holland 4 bij 4 eig.; Zuidholland 15 bij 14 eig.; Noordbrabant 3 bij 3 eig.;
Limburg 3 bij 3 eig )

-ocr page 60-

- 46 -
PERSONALIA.

Gevestigd te Kesteren : W. Wagenvoort.
Overleden :^Dr. T. Schat, Den Haag.

REFERATEN.

VISCH-ZIEKTEN EN VISCHKEURING.

In de Tierärztliche Rundschau van 22 Juli j.1. vangt Prof. Scheuring een arti-
kelenreeks aan over vorenstaand onderwerp. De Redactie teekent in een noot aan,
dat dit geschiedt op verlangen van velen. Merkwaardig, dat, zooals onder ons, ook
in Duitschland onder de dierenartsen de belangstelling voor deze materie wakker
wordt.

In dit eerste artikel behandelt prof. Scheuring de vischziekten ontstaan door
verandering in het milieu waarin het dier leeft, en hij wijst daarbij allereerst op de
vergiftiging, die ontstaat bij verontreiniging van het water door afvalwater der
fabrieken.

Alle visch, over groote uitgestrektheid, kan daarbij sterven, maar ook hier is
onderscheid. Karper, blei en paling bieden nog weerstand, daar waar de zalmachti-
gen alle sterven. De blei is echter voor loogen zeer gevoelig.

Het water dient, als aan een vergiftiging wordt gedacht, chemisch en biologisch
te worden onderzocht. Het onderzoek van cadavers geeft meestal weinig resultaat.
Stikkingsdood openbaart zich somtijds door het typische verschijnsel van open
staande bek en kieuwen. Hierbij moet echter worden bedacht, dat dit, benevens
door zuurstof-gebrek, ook veroorzaakt kan zijn door Haemolytica, terwijl het
typische verschijnsel ook ongelijk wordt waargenomen.

De zuurstof-behoefte bij visschen is zeer ongelijk. Forellen willen meer zuurstof
dan b.v. karpers. Bij de eerste is 2—15 ccM. in een liter gewenscht, karpers stellen
zich reeds met 0.5 tevreden.

In de tijd van het paaien is de behoefte bij alle visschen grooter.

Zuurstofgebrek treedt in sommige waters bijzonder op na een plotseling zakken
van den barometer (onweer). Door de daling der luchtdruk worden dc in de modder
teruggehouden gassen, methaan en zwavelwaterstof, vrij, zuurstof ontwijkt.

Ook een teveel aan O. kan schadelijk op de visch inwerken. In waters, rijk
aan algen, kan zich bij sterke zonneschijn veel zuurstof ontwikkelen. In \'t bijzonder
de forellen reageeren daarop door de z.g. ,,Gasblasenkrankheit". Direct onder de
opperhuid aan vinnen, kieuwdeksels, mondrand en zijlijn, ook tusschen cornea en
lens ontwikkelen zich dan luchtblaasjes. Bersten die, dan kunnen ernstige stoornis-
sen optreden. Het overbrengen in ander water kan spoedig genezing brengen.
Maar men moet hierbij voorzichtig zijn bij overbrenging van water met hooger
in water met lager temperatuur. Soms waren karpers direct dood, soms treedt een
troebeling van de huid op, gevolgd door een afsterven van de opperhuid, die dan in
groote lappen afhangt. De visch gaat door dit verlies, waarvoor de ademing zeer
ongunstig wordt beïnvloed (paling dekt voor 4/5 de behoefte aan O. door de
huid) dikwijls dood, vaak ook worden de wonden plaatsen waar parasieten of schim-
mels post vatten.

Merkwaardig zijn verwondingen bij visch. Als ze niet diep zijn regenereeren zij
spoedig, zelfs penetreerende buikwonden doen dit, met achterlating van anus
praeternaturalis.

De kieuwen der visschen kunnen verwond raken door allerlei harde partikeltjes
in het water aanwezig (vezels uit spinnerijen, weverijen, papierfabrieken enz.) ;
hechten die aan de kiewen dan raken deze verstopt.

Darmontstekingen bij visschen kunnen acuut en chronisch zijn. Afgezien van darm-

-ocr page 61-

parasieten, die veel bij visschen voorkomen, worden zij meestal veroorzaakt door
een abnormale voeding. Dan komen ze in hoofdzaak voor bij visch in kweekerijen.
Xe overvloedige tafel spreekt geheel tegen de wijze waarop visschen zich voeden.
Typisch voor darmontsteking is soms een donkerder dan gewone huidkleur. Fo-
rellen verliezen de roode teekening.

Bij het onderzoek van het cadaver moet hier wel in het bijzonder den eisch gesteld
dat dit nog frisch is, opdat zekerheid besta, dat veranderingen post mortem nog
niet zijn opgetreden.

De dierarts als deskundige bij de visehkeuring.

Onder dezen titel komt in de Berliner tierärztliche Wochenschrift van 9 Nov.
1928 een artikel voor van Dr.
Wundram, Berlin. Die zaak is in Duitschland
afdoende geregeld en beter dan ten onzent. Dr.
Wundram\'s bedoelen in zijn voor-
dracht was, na op het mooie en prikkelende van de visehkeuring te hebben ge-
wezen, de dierenartsen op te wekken tot diepgaande studie in dezen.

En dan wijst hij allereerst op de beteekenis van de vischkennis. In ben dit van
ganscher harte met hem eens, en heb daarop in mijn artikel ,,Over visehkeuring"
ook gewezen. Het schijnt mij echter, dat de eischen, die hij hier aan onze geeste-
lijke maag stelt, zoo hoog zijn, dat als wij inderdaad aan de ons hier voorgezette
maaltijd begonnen, een indigestie zou volgen, die alle verdere lust tot innemen
onherroepelijk voor altijd zou doen verdwijnen.

Het is niet gemakkelijk, zegt Wundram, vischkennis, want zij vraagt nauwkeu-
rige kennis van de verschillende Ordnungen, Unterordnungen, Familien, Gattun-
gen, Untergattungen und Arten". En elan: Es sei kurz darauf hingewiesen, dass
man bei den Seefischen elrei grosse Gruppen unterscheidet, Uferfische, pelagische
und Tiefseefische. Die Uferfische allein werden eingeteild in 70 Hauptgruppen mit
3600 Arten.

Ik geloof niet, dat het nuttig kan zijn hiermee door te gaan. Natuurlijk moet
iets van de kennis hier bedoeld ons eigen zijn, maar in \'t algemeen kunnen wij hier
volstaan met te kennen de meest gebruikte zout- en zoetwatervisschen, die zeker
tot verschillende soorten behooren, maar die men desnoods zou kunnen verdeelen
in ronel- en platvisschen. Dat daarbij allerlei anatomische eigenschappen der ver-
schillende visschen wel moeten worden gekend, Dr.
Wundram wijst daar ver-
volgens op, elat ben ik geheel met hem eens, maar ook hier schaden overdreven
eischen, en zijn wijzen op de zoogenaamde appendices pyloricae, de verschillende
insnoering van de zwemblaas, de al of niet verbinding van deze met de slokdarm
etc., hoe ke>rt ook bedoeld, hadden hier wel achterwege kunnen blijven.

Geheel ben ik het met den schrijver eens, dat hij, die als keurmeester van visch
optreedt, mede werkzaam kan zijn om de roofbouw, die bij de visclivangst vaak
gepleegd wordt, te bestrijden. Die klachten, die over een vermindering der visch-
stand alomme, heel in \'t bijzonder over een kleiner worden der visch worden ge-
hoord, eischen ter bestrijding aller samenwerking.

Hierna geeft de schrijver een beschouwing over ele bacteriën die op visch zouden
kunnen worden gevonden, waarbij hij ook ele bac. enteritidis en de bac. botulinus
noemt. In hoeverre een dergelijke beschouwing den toets der critiek kan doorstaan,
blij ve hier onbesproken. Hoewel ik verder meen, dat in conserven-fa brieken van visch
de strengste eischen aan personeel en personeelhandeling ter bevordering van hy-
giëne eisch moet zijn, lijkt het mij overdreven te zeggen, dat infectie van visch ook
geschieden kan eloor vuile handen van het personeel en onzuiver water, hoeveel
de conclusie hieruit getrokken natuurlijk juist is, dat men dan het water, dat ge-
bruikt werel, soms zou moeten onderzoeken. Bij een dergelijke uiting zou men haast
gaan meenen, dat
Wundram de practijk der vischhanelel niet kent of laten wij ons
liever anders uitdrukken, want schrijver is ongetwijfelel de stof meester, dat hij
hier van de te nemen maatregelen te groote verwachting heeft.

Hierna wordt medegedeeld, dat het vleesch van vetrijke visschen een watergehalte
heeft van 58—78%, dat van vetarme van 77—85% en dat het vet der visschen zeer

-ocr page 62-

in consistentie verschilt en van week bij makreel, paling en zalm, en halfweek bij
snoek en karper tot hard bij kabeljauw en zeetong wordt.

Wij zouden hieraan toe kunnen voegen, dat bij visschen waar veel vet in de
lever voorkomt, het vleesch meest zeer vet- arm is. De schrijver wijst er hierna op,
dat wij de autolyse na den dood, waarbij bij visch de karakteristieke vischlucht
optreedt wel van rotting moeten onderscheiden, die altijd door bacteriën wordt ver-
oorzaakt, waarna hij \'t bederf in beginnend, voortgeschreden en erge mate bedor-
ven scheidt. Uitgebreid beschrijft hij dan de veranderingen bij rotting de
ingewanden, die dan langzaam worden tot één niet meer te scheiden massa.
Van meer practisch belang, immers van de meeste visch, die ter verkoop
wordt aangeboden zijn de ingewanden reeds verwijderd, zijn de dan opgegeven
kenmerken van rotting : de huid is met een dikke, slijmige, stinkende laag bedekt,
de schubben zijn gemakkelijk af te strijken, het vleesch laat gemakkelijk los van de
graten, en is niet meer glazig, maar melkachtig troebel, dikwijls zelfs grauwgroen
verkleurd.

Hierna maakt Wundram eenige belangrijke opmerkingen over het conserveeren
van visch, waarmee de deskundige geheel op de hoogte moet zijn. Hij noemt de ver-
pakking in ijs, de methode
Ottesen, het zouten van visch en de onderscheidene
wijze van rooken, de half-conserven en de gesteriliseerde vischconserven.

Bij de marineering wijst hij er op, dat de gisting van de hier gebruikte suiker tot
onschuldige bombage kan voeren, dat zelfs hier de meeste bombages van chemische
natuur zijn, omdat de azijn de ontwikkeling van rotting tegengaat. Heel zelden
slechts komt een bacterieele bombage voor, nl. dan als de conserven te warm zijn
bewaard en daardoor de azijn de genoemde werking heeft verloren.

Hierna werden de cellulair- en de schijnbombage behandeld, waarvan de eerste
bij groote kou, de laatste bij een verkeerde fabricage van de doos voorkomt.

Is bij het openen der doozen het ontwijkende gas reukeloos en de afloopende
vloeistof helder, dan kan het product nog worden goedgekeurd. Betreft het een
gelei-conserve dan moet ook hier de gelei nog helder wezen.

Wie belang stelt in Vischkeuring, bevelen wij de lezing van Dr. Wundram\'s
artikel met warmte aan. Ferwerda.

De vischcontröle in Bremerhaven. (Frische und zubereitete Fische und ihïe Kon-
trolle.
I)r. I.eyer, Direktor der Auslands-Fleischbeschau in Bremcrhafen. — Zeit-
schr. f. Fleisch- und Milchhyg. 1928, Jg. 38, pg. 381).

Over bovengenoemd onderwerp hield Leyer in een vergadering van Duitsche
gemeenteveeartsen een voordracht, waaraan het volgende is ontleend :

Op alle aangevoerde visch te Wesermünde en Bremerhaven wordt een controle
uitgeoefend, welke hoofdzakelijk een onderzoek op deugdelijkheid omvat. Men
inspecteert daarbij vooral de kieuwen, de reuk en vastheid van het vleesch en verder
in het bijzonder nog de buikwand. Dikwijls zijn de visschen, door het op elkaar
stapelen en het groote gewicht van de boven liggende vischmassa, sterk samenge-
drukt ; dit geeft echter hoogst zelden aanleiding tot afkeuren. De toestand der
oogen is, volgens
Leyer, niet van zoo\'n groot belang als wel in de leerboeken wordt
aangegeven. Dikwijls krijgen de oogen ook tijdens het transport en door druk aller-
lei verwondingen en worden troebel. Dit zou dus niet altijd op ondeugdelijkheid
wijzen.

Ook is de roode kleur der kieuwen geen voldoende bewijs voorliet versch zijn der
visschen, daar, vooral bij de platvisschen, die op de bodem der zee leven, dikwijls
de kieuwen bedekt zijn met een laag slijm en vuil.

De lijkstijfheid is bij zcevissclien in den regel niet meer aanwezig, fs de buikwand
met een beslag bedekt, dat onaangenaam ruikt, dan is dit een bewijs van rotting.
Het vleesch is bij bedorven visch veel minder vast, en neemt vingerindrukken aan,
die langen tijd aanwezig blijven. »

De controle in het binnenland is moeilijker, omdat veelal de visschen voor het
verzenden worden schoongemaakt. In twijfelgevallen moet men dan een kook- en
braadproef doen en de graten onderzoeken op een zwarte verkleuring. Terwijl men

-ocr page 63-

bij gekookte versche visch de huid in zijn geheel kan aftrekken, scheurt deze ge-
makkelijk bij reeds in bederf verkeerende visschen; bovendien heeft men dan een
glazig, geelachtige smerige massa met onaangenamen reuk onder de huid, welke
reuk zich veelal ook aan het vleesch mededeelt.

Aan de hand van platen liet Leyer verder verschillende vischsoorten zien en
wees nog op de zeer uiteenloopende namen, welke één soort visch soms heeft en
waarvan in den handel vaak misbruik wordt gemaakt.

Daarna besprak Leyer het conseerveeren van visch. Als oudste methode is be-
kend het maken van klipvisch of stokvisch, waarbij de visch, aan een stok geregen
of liggende op de rotsen, wordt gedroogd in de zon.

Verder heeft men het rooken, waarbij men het warm- en koudrooken kan onder-
scheiden, waarmede bedoeld wordt het rooken van versche visch of van gezouten
materiaal. Gerookte visch is gedurende het transport aan meer gevaren blootge-
stelt dan versche visch. Dikwijls treedt een schimmelwoekering op bij gerookte
visch of wordt ze te warm ingepakt. Vervolgens heeft men nog het zouten van visch
en in den laatstcn tijd vooral het bevriezen volgens de methode van
Ottesen.

Ten slotte deelde Leyer nog het een en ander mede over de bereiding van visch-
conserven in blik, het bombeeren van dergelijke blikjes, enz. Bij de discussie deelde
nog een der aanwezigen mede, dat hij een proef had genomen met het voederen
van ontvet vischmeel bij varkens. Deze werden nl. tot aan het tijdstip van slachten
steeds met ontvet vischmeel gevoederd. Bij geen enkel varken was na de slachting
iets van vischsmaak of traansmaak waar te nemen.
 de Graaf.

TUBERCULOSE.

De enting volgens Calmette-Guérin bij vogels.

In het laboratorium van Prof. Panisset te Alfort heeft Dr. Harnach van de
Ecole Vétérinaire te Brno, blijkens zijn artikel in de Revue Générale van
15 Maart
[928, een studie gemaakt over de immuniseerende werking bij vogels, door in-
spuiting van de B.
C. G. van aviairen oorsprong uit het laboratorium van Prof.
Calmette afkomstig.

Bij kuikens werd een subcutane injectie van 2.5 milligram, een intramusculaire
van
5 m.gr. goed verdragen. Ingeven van 10—20 mgr. per os was voor pas geboren
kuikens te veel. Een groot deel stierf binnen enkele dagen.

5 weken na de toediening van het vaccin gaven de dieren een positieve intradermo-
reactie. Complementbinding door het serum van deze vogels met antigeen
Boquet-
Nègre
mislukte vrijwel, hoewel het bij honden gelukte. Vogels zouden dus moei-
lijk allergisch worden. Wel werd filtraat van vogeltubercelbacillen door het serum
dezer kuikens gepraecipiteerd.

Alle, op welke wijze ook geënte vogels, waren immum tegen besmetting met
2 milligram van een virulente aviaire cultuur. De controles werden tuberculeus.
Samenzijn met tuberculeuse hoenders gedurende eenige weken had geen infectie
ten gevolge. Werd een weck of
7 tot 9 na de enting 0.1 milligram cultuur intrave-
neus ingespoten, dan trad infectie op.

Schrijver vindt het immuniseerende effect tegen normale infectie voldoende.
(Wat ik persoonlijk heb meegemaakt doet bij mij de vraag rijzen ; hoe lang na de
enting is de beschuttende werking nog voldoende ? Ref.)

Immuniteit tegen tuberculose door enting met vaccin B. C. G. Referaat N. T. v. G.,
30 Juni 1928).

In Noorwegen schijnen 50 % van de studenten, die nog niet op ziekenhuizen ge-
weest zijn en van pas aangekomen verpleegsters geen positieve Pirquet te geven.
Van de groep van
140 zusters met positieve Pirquet kregen er 3 tuberculose. Van
160 met negatieve Pirquet werden 43 tuberculeus. Heimbeek besloot de zusters
met negatieve Pirquet in te spuiten met
0.05 mgr. vaccin Calmette ; na een
week of zes ontstond een klein infiltraat dat maanden bleef bestaan en meestal
niet veretterde. Na de 6e week was de Pirquet positief.

12 gevaccineerde zusters waren na een jaar vrij van t. b.c., terwijl van de 11

LVI t

-ocr page 64-

— 5o —

niet gevaccineerde, die geweigerd hadden zich te laten inspuiten 4 tuberculose
hadden. Op welke gronden de diagnose tuberculose werd gesteld wordt volgens
referent
Borst niet vermeld.

Zum Frage der Züchtung der Tuberkelbazilien im negativen Auswurfe.

Dr. Ignaz Schiller, Odessa, Centralblatt f. Bakt. etc. I Abt. Orig. Bnd. 108,
Heft 1/4 zie ook Bnd. 96, 1925, H. 2.

Reeds in 1925 wees Schiller op de mogelijkheid van het kweeken van tuberkel-
bacillen in sputum door glycerine-toevoeging. In het artikel van 25 Juli 1928 geeft
hij zijn werkwijze in details.

Hij maakt een voedingsbodem, van 75 cc. glycerine, 2—5 gram glucose en 25 cc.
aquadestillata. Deze oplossing is practisch bacterievrij. Aan te onderzoeken sputum
worden gelijke deelen van deze vloeistof toegevoegd, waarna dit mengsel in een
Petrischaal bij 370 C. 24 uren in de stoof wordt geplaatst.

Na 24 uren laat men op een voorwerpglas de glycerine boven de vlam zooveel
mogelijk verdampen daarna wordt in de vlam gefixeerd, waarna tenslotte de gly-
cerine-restes met kokend water worden afgespoeld.

De glycerine-toevoeging geschiedt voor de groei van de tuberkelbacillen ; de
glucose voor het bereiken, na omzetting door andere bacteriën, van een zuurgraad
van ongeveer 65, waardoor de verdere rottingskiemen geremd worden ; voor de
aërobe groei wordt een Petrischaal genomen. Daar glycerine de kleuring hindert
wordt deze eerst goed verwijderd. Zoo zou het herhaaldelijk gelukt zijn in micro-
scopisch negatief sputum, na 24 uren bacillen te vinden.

Groei uit onzichtbare vormen van de bacil wordt mogelijk geacht.

Microscopisch onderzoek van Tuberkelbacillen.

In bovengenoemd nummer van het Centralblatt komt een artikeltje voor van
de hand van Dr.
Kapeller assistent in het hygiënische Instituut van de universi-
teit te Marburg, waarin de kleuring volgsn
Ziehl-Neelsen aan kritiek wordt onder-
worpen. Die methoden waarbij, inplaats van zoutzure alcohol, natrium-sulfit als
terugkleuringsmiddel wordt gebruikt zouden beter aan het doel beantwoorden.

De mctohde van Konrich door Schulte Tigges gewijzigd, wordt de beste
geacht. Deze bestaat in 1—2 minuten kleuren in kokende carbolfüchsine, water-
spoelen, volledige ontkleuring met 10 % natrium-sulfit, opl., waterspoelen, Imin.
nakieuren met verzadigde waterige picrinezuur-opl. Op de kwaliteit natrium
sulfit komt het aan. Deze oplossing ontkleurt minder brute volgens schrijver.

Ook over de vraag van de wenschelijkhcid van antiformine-behandeling wordt
op grond van eigen proeven een uitspraak gedaan in positieven zin. Van 29 posi-
tieve sputa, werden 26 bij gewoon uitstrijken positief bevonden en 28 na anti-
formine-behandeling. Wil men echter, aldus schrijver, alle gevallen onderkennen
dan moet men een viertal preparaten nauwkeurig doorzien, terwijl men bij anti-
formine-behandeling met één preparaat kan volstaan. Vooral als men na het
homogeniseeren met aqua destillata verdunt.

Kan wei tuberkelbacillen bevatten ?

Uit de 58e Band. Arbeiten aus dem Reichsgesundheitsamte blijkt, dat in de
veterinaire afdeeling, nogmaals is nagegaan of wei tuberkelbacillen kan bevatten,
welke vraag ook vroeger in Nederland herhaaldelijk een positieve beantwoording
kreeg.

Voor Sputum-onderzoek vinden Giese en Beller antiformine-behandeling over-
bodig ; in 90 % vonden zij de tuberkelbacillen. Cavia-onderzoek kan men niet
missen.

Vaccin B.C. G. par Fenélon (Recueil de Méd. Vet., pag. 164, Mei 1928).

Sedert 17 Sept. 1924 zijn in drie bedrijven 149 kalveren geënt waarvan ui nog
in uitstekende conditie zijn.

De rest is langzamerhand opgeruimd en aan het abattoir gecontroleerd op aan-
wezigheid van tuberculose. Deze ziekte werd niet geconstateerd.

Het wezen der Tuberculine-reactie. Dr. G. Flüchinger, Bern.

In dit artikel, waarin overigens weinig nieuws wordt verteld vindt men nogmaals

-ocr page 65-

— 5i —

aan de hand van de theorie van Wolff Eisner, de tuberculine-werking verklaard
en met nadruk aangegeven, dat men zich tegenover een regaeerend rund niet
mag stellen als of men met een tuberculose-lijder te maken zou hebben, doch
vooral ook de aandacht aan eventueele verhoogde weerstand heeft te schenken.

Veenbaas.

Bijdrage tot de kennis der eigenschappen van de B. C. G. (D. T. W. No. 18, 1928).

Dierenarts M. Rolle te Riga heeft onder bovenstaanden titel in de D. T. W.
een overzicht gegeven van zijne proeven met de B. C. G. Hij heeft zich tot taak
gesteld de volgende 4 vragen te beantwoorden :

i°. Zijn de B. C. G.-culturen volledig avirulent of hebben zij nog de vatbaarheid,
in het organisme tuberculose (achtige) veranderingen op te wekken ?

2°. Welken invloed heeft de ouderdom der cultures ?

3°. Hoe verhouden zich de bacteriën, wanneer zij na eenigen tijd van het
eene organisme op het andere worden overgebracht

4°. Is het mogelijk met de B. C. G.-kuituren dieren te immuniseeren en van
welke factoren is de immuniteit afhankelijk ?

De korte samenvatting van zijne proeven is deze :

Jonge B. C. G.-kuituren zijn zwak virulent en kunnen aanleiding geven tot de
vorming van tuberkels.

Deze virulentie is echter zoo zwak, dat zij ook bij voor tuberculose zeer ge-
voelige dieren (zooals de cavia) geen algemeene tuberculose verwekken.

In den regel blijven de bacteriën aan de entplaats en in de nabijgelegen lymph-
klieren.

Geheel avirulent zijn ze niet, want jonge kuituren kunnen locale tuberculeuse
veranderingen opwekken.

Deze zwakke virulentie is echter juist noodig voor het verwekken van eene
immuniteit.

Avirulente kuituren bezitten geene immuniscerende eigenschappen.

(Ook Selter is van meening, dat immuniteit slechts kan worden verkregen met
virulente kuituren.

R. meent tenslotte, dat men de B. C. G.-kuituren als entstof in de diergenees-
kundige praktijk gerust kan aanwenden, vooral in koppels waarin tuberculose
voorkomt en waarbij eene t.b.c.-vrije opfok niet mogelijk is. B.

Tuberculose-besmetting in het huisgezin.

Koopman (Med. Klinik, N. T. v. G., 1928, II, blz. 4292) onderzocht 52 echt-
paren van wie óf de man óf de vrouw aan open tuberculose leed. Slechts bij 3
echtparen was het tijdens het huwelijk tot een tuberculoscbesmetting van de
echtgenoot gekomen. De (66) kinderen moeten volgens den schrijver beschouwd
worden als met tubercelbacillen te zijn besmet ; van 20 onderzochte kinderen
hadden 19 een positieve Pirquet-reactie ; echter leed slechts één kind aan tuber-
culose.
 Vrijburg.

MELKHYGIËNE

Wereldzuivelcongres 1928 (vervolg van blz. 1012).

Studies over „Dauer" pasteurisatie, Dr. G. Dalla Torre.

Schr. vond, dat bij de voorbehandeling der melk een verwijdering van het vuil
door filtreeren bacteriologisch beter resultaat gaf dan door centrifugeeren.

Bij een verwarming op 63° C. was de bacteriëndoodende werking steeds grooter
dan 99.9%. Een verontreiniging trad steeds in, wanneer de gepasteuriseerde melk
over den koeler geleid werd. (Melkzuurbacteriën, streptococcen, thermobacteriën).
Bij 37° C. bleef de melk 12—23 uur zoet, bij 30° C. 21—29 uur, bij 20° C. 27—53
uur, bij 170 C. ongeveer 3J dag, bij 9—io° C. 8 dagen.

Metalen en hun invloed op melk. O. F. Hunziker.

Schr. heeft onderzoekingen gedaan met 19 metalen om hun bruikbaarheid voor
zuivelgereedschap vast te stellen. De zichtbare etsing en het gewichtsverlies werd

-ocr page 66-

nagegaan, gedeeltelijk of geheel ingedompeld in melk, de invloed van melk en
room, zoet en zuur, warm en koud, van oplossingen van minerale en organische
zuren en zeeppoeders, chemische sterilisatiemiddelen en kali- en natriumloog.
Evenzoo werd nagegaan de invloed van deze metalen op de smaak en samenstel-
ling van zuivelproducten. De volgende indeeling naar de bruikbaarheid kan ge-
maakt worden :

1. Superascoloy, tin, nikkel.

2. Vertind koper (zwaar vertind), Aluminium en aluminium-mangaanlegeering,
Enduro Ascoloy.

3. Monel metaal en nikkel-zilver.

4. Vertind ijzer, koper, verzinkt ijzer, ijzer, zink.

De veiligheidsfactor van gepasteuriseerde melk, H. C. Corry Mann.

Bij lage temperatuur (63° C.) gepasteuriseerde melk is geschikt voor zuigelingen-
voedsel. Gedurende meer dan 3 jaar is aan kinderen onder de twee jaar zulke
melk gegeven, zonder dat tevens sinaasappelsap werd toegediend en nooit is er
een geval van scheurbuik voorgekomen. Sinds in Londen zooveel meer melk ge-
pasteuriseerd wordt, is de kindersterfte gedaald, eveneens is het aantal gevallen
van intestinale tuberculose en diarrhee bij kinderen verminderd. In de eerste
plaats moet melk rein zijn, maar voor alle veiligheid moet ze toch nog gepasteuri-
seerd worden bij een temperatuur van 63° C. gedurende een half uur. In alle steden
met meer dan 10.000 inwoners moest dit laatste wettelijk verplicht zijn. Proef-
ondervindelijk is bewezen dat de vitaminen A, C en D door pasteurisatie bij 63° C.
niet geschaad worden.

Een nieuw onderzoek betreffende pasteurisatie van melk bij lage temperatuur
en een reactie om de pasteurisatietemperatuur te controleeren,
Prof. Orla Jensen.

Rauwe melk te drinken blijft altijd gevaarlijk. Al in 1905 heeft schr. aange-
toond, dat melk het best gepasteuriseerd kan worden bij een temperatuur lager
dan 70 0 C. gedurende een langeren tijd. Ook andere, Amerikaansche en Euro-
peesche onderzoekers zijn tot de conclusie gekomen, dat pasteurisatie gedurende
een half uur bij een temperatuur van 63° C. voldoende is, zoodat in verschillende
landen de oude methode, om de melk bij hooge temperatuur te pasteuriseeren,
verlaten is. Het beste zou zijn de melk in gesloten flesschen te pasteuriseeren, want
hoe minder zij met de lucht in aanraking komt hoe minder de vitaminen te lijden
hebben. Helaas is dit echter te duur. Schr. heeft aangetoond, dat de tuberkel-
bacillen gedood worden door een verhitting gedurende 5 minuten bij 68° C., terwijl
ook chemisch de melk dan niet meer veranderingen ondergaat dan bij een verhit-
ting gedurende een half uur bij 63° C. Schr. heeft gezocht naar een middel om aan
te tooncn, dat bij lage pasteurisatie de melk ook werkelijk aan een temperatuur
van 63° C. onderhevig is geweest. Hij heeft het gevonden in het verschijnsel, dat
het oproomingsvermogen in verdunde melk (evenveel water bijvoegen als er melk
is) wanneer deze rauw is grooter wordt, terwijl bij verdunde gepasteuriseerde melk
het oproomingsvermogen vermindert. Wanneer 15 % rauwe melk wordt toege-
voegd, is dit al te merken aan het oproomen. Dat rauwe melk beter oproomt dan
verhitte ligt aan het feit dat in rauwe melk de vetbolletjes aan elkaar hangen en
zoodoende gemakkelijker kunnen opstijgen, terwijl bij verhitte melk de vetbolletjes
gescheiden zijn.

Correlatie tusschen de oppervlakte der witte vlekken bij Holstein-Friesche koeien
en hun productie,
Prof. R. Prawechenski.

Veefokkers zoeken dieren uit, bij wie de zwarte en witte vlekken regelmatig
zijn verdeeld, in het bijzonder letten zij er op, dat er niet te veel wit voorkomt
en dat de dieren geen zwarte beenen hebben. Geneologen hebben uitgemaakt, dat
dit ongegrond is, maar toch zijn eenige onderzoekers van meening, dat de vee-
fokkers niet heelemaal ongelijk hebben. Er zijn 96 koeien onderzocht, waarvan de
witte oppervlakte in procenten werd uitgerekend.

Van iedere koe was de melkopbrengst en het vetgehalte bekend en zoo kon ge-
makkelijk een vergelijking gemaakt worden. Er is gebleken, dat er geen verband
bestaat tusschen witte kleur en melkopbrengst.

-ocr page 67-

Correlatie tusschen de kleur van de snuit en de melkproductie bij Poolsch rood-
bont vee.
Prof. R. Prawechenski.

Het Poolsche roodbonte vee is een afstammeling van Bos Brachyceros. De fok-
kers van dit vee hebben een groote voorliefde voor dieren met een volkomen
zwarte snuit. 313 koeien werden in dit opzicht onderzocht. De samenhang tus-
schen melkopbrengst en kleur van de snuit is evenwel te gering om ze positief
te kunnen noemen. Het verband tusschen hooger vetgehalte en ongekleurde snui-
ten schijnt grooter te zijn, maar toch te gering om gevolgtrekkingen daaruit te
kunnen opmaken. Het uitzoeken van dieren met een zwarte snuit is ongegrond.

De individualiteit van de borstklieren van de koe, Dr. J. Proks.

Anatomisch zijn de vier borstklieren, die een uier normaliter bevat, verschillend
en ook de hoeveelheid melk, die elk afscheidt, is verschillend evenals het S. G.,
de vetvrije droogrest, vet, eiwit, asch en lactose. Er bestaat dus niet alleen ana-
tomische individualiteit, maar ook physiologische.

Bestaat er verband tusschen den ouderdom, waarop een vaars voor het eerst
kalft en de verdere melkproductie?
A. C. M\'Candlish.

De inzichten zijn zeer verdeeld op welken leeftijd een vaars voor het eerst kal-
ven moet. Schr. heeft gebruik gemaakt van aanteekeningen met ander doel ge-
daan bij 682 Ayshire koeien gedurende 4154 melkperiodes. De dieren werden in
maandgroepen ingedeeld naar den leeftijd, waarop zij voor het eerst gekalfd had-
den. De productie stijgt bij dieren, die gekalfd hebben op een leeftijd van 27 maan-
den om weer te dalen bij dieren, die ouder waren dan 30 maanden. De beste leeftijd
voor Ayrshire vaarsen om voor het eerst te kalven is dus ongeveer 2J jaar.

Standaardisatie van melkproductie-controle, H. G. Sanders.

Melkcontröle kan den veehouder van nut zijn, wanneer niet wordt vergeten,
dat het hoofddoel moet zijn een overzicht te geven van de prestaties van iedere
koe afzonderlijk. De eenige basis voor een vergelijking is de opbrengst in een
melkperiode, maar daarbij moeten wel nog vier faktoren in rekening worden ge-
bracht, nl. de maand van het jaar, waarin de koe kalft; de tijdsduur van de melk-
periode ; de ouderdom van de koe ; de tijd van de rust of de droge periode, die
vooraf ging aan de melkperiode, die wij willen standaardiseeren. Uitvoeriger is dit
alles te vinden in Journ. Agric. Sc. Vol. 17, BD. III en IV 1927 en Vol. 18, Bd.
I en II 1928. Factoren die de melkproductie verhoogen, moeten negatief berekend
worden, die, welke de melkopbrengst verminderen, positief. Zoo kan men bere-
kenen hoeveel melk de koe zal produceeren op haar besten leeftijd. De herfst of
het begin van den winter is de beste tijd voor het kalven, dan gaat de productie
geleidelijk achteruit. Het is bekend, dat te beginnen met de maand Juni, (althans
in Engeland, in andere landen misschien in een andere maand), de melkproductie
snel achteruitgaat. Wel geven de koeien, die in den voorzomer kalven in het begin
veel melk, maar er volgt daarna een steile curve naar beneden. Ook is van groot
belang de duur der dekperiode, d. i. de tijd die er verloopt tusschen het kalven en
de volgende vruchtbare dekking.

De productie van „gevitamineerde "melk (Ultra Lakta)) te Praag, V. Bronsky.

De schrijver heeft een modelstal als volgt ingericht. De koeien werden aange-
kocht in verregaande staat van drachtigheid. Als zij droog stonden werden zij
klinisch onderzocht, vooral de uier. Reageerders werden verwijderd. Wanneer
zij eenmaal hadden gekalfd werden de eierstokken weggenomen, daar in den
bronsttijd de melk abnormaal is wat betreft de physiologische samenstelling,
wat bij kleine kinderen diarrhee veroorzaken kan. De gezondheid van de dieren
wordt voortdurend gecontroleerd. De stallen zijn licht en luchtig. De bodem be-
staat uit asphalt of kurk. De vensters zijn voorzien van glas, dat de ultraviolette
stralen doorlaat. In den zomer staan er in de stallen electrische ventilators. De
koeien worden met deri stofzuiger schoongehouden..

Er wordt niet uitsluitend droog voer gegeven, daar dit arm is aan vitaminen ;
de dieren krijgen dagelijksch
8—10 K.G. rapen en in plaats van stroo jong lucerne-
gras. Het zomerrantsoen bestaat voor de helft uit groenvoer en voor de helft uit

-ocr page 68-

krachtvoer. In het bijzonder wordt voeder uitgezocht, dat rijk is aan alkaliën, om
de moedermelk meer nabij te komen. Twee maal per dag worden de koeien ge-
molken met de (Alfa-Laval) melkmachine. Voordien wordt de uier gewasschcn
met zeep en HaO. De eerste drie stralen worden weggemolken. De melk wordt
door een dubbele watteschijf gezeefd. De koeien worden niet in den stal, maar in
een daarvoor bestemd lokaal gemolken. Na het zeven wordt de melk bij een tem-
peratuur van 30—350 C. gehomogeniseerd. Dan wordt ze overgegoten in conische
flesschen van £ L. en onmiddellijk daarna afgeleverd. Tusschen het melken en
de aflevering verloopt niet meer dan 2—3 uur. Door volwassenen kan deze melk
rauw gedronken worden, door kinderen al naar de medicus het voorschrijft.Om
de antirachitische werking te verhoogen wordt de voor zuigelingen en kinderen
bestemde melk bestraald met een kwartslamp.

Over geactiveerde melk, W. Hoffmann. Weenen.

Den laatsten tijd brengt men de antirachitische werking van met ultraviolet
licht bestraalde melk terug op de activeering van een in de melk voorkomend
Sterine, het ergosterine. De moeilijkheid van de melkbestraling ligt hierin
de melk in een zoo dun mogelijke laag aan de stralen bloot te stellen, daar deze
niet dieper inwerken dan 1 m.M. De schrijver heeft daarvoor een apparaat gecon-
strueerd, waarbij de melk vloeit door een verstelbare spleet over gegolfd ijzer-
draad van cylindrische vorm, in welke cylinder zich de lichtbron bevindt.

Om smaakverandering te voorkomen wordt als lichtbron gebruikt een soort
Geisslersche buis van kwarts met condensator electroden met een kwik-argon
vulling, welke koude stralen uitzendt. Door proeven met ratten werd bewezen
dat dergelijk bestraalde melk zoowel prophylaktisch als therapeutisch werkt
tegen rachitis.

Eenige physische en chemische eigenschappen van melkpoeder, A. Miyawaki.

Bij het drogingsproces worden de physische en chemische eigenschappen dik-
wijls zoo veranderd, dat er geen melk meer van te maken is, bovendien is de houd-
baarheid niet altijd goed. Bij een onderzoek van verschillende soorten melkpoeder
blijkt, dat er vooral verschil bestaat in vetgehalte. Daarmee houden de verschillen
der andere stoffen verband. De colloidaliteit van het caseine wordt bij het drogen
dikwijls vernietigd en kan dan niet weer worden hersteld. De kleur van melkpoeder
moet lichtgeel zijn. Soms is de kleur bruin, de melk is dan te veel verhit of er is
te veel alkali aan toegevoegd.

Wanneer men bij melkpoeder, dat gedroogd is over cylindcrs weer water toe-
voegt dan gaat het vet klonteren. De werking van leb op gedroogde melk is zeer
verschillend. Daar men bij sommige melkpoeders geen volkomen oplossing ver-
krijgen kan, kan men ook met leb geen stevige en gelijkmatige wrongel krijgen.

Het volgens het spray-proces verkregen melkpoeder levert evenwel wrongel,
die zeer veel lijkt op die van versehe melk. De reactie van
Storch is bij de meeste
melkpoeders negatief. De haematoxyline-reactie stemt gewoonlijk overeen met
de reactie van
Storch. Om de houdbaarheid van melkpoeder te verhoogen moet
de lucht zooveel mogelijk uitgedreven worden, hetzij door een vacuumverpakking,
hetzij dat de lucht verdreven wordt door zuurstof, kooldioxyde of waterstofglas.
Vooral het laatste heeft goed resultaat.

Melkverbruik en groei van schoolkinderen. J. B. Orr, G. Leighton, L. Macken-
zie,
Miss M. L. Clark.

Deze proeven werden gedaan van November 1926 tot Juni 1927 in Schotsche
scholen, verdeeld over zeven steden. Op iedere school waren vier groepen van
kinderen ; 1. kreeg volle melk, 2. afgeroomde melk, 3. biscuits met dezelfde calo-
rische waarde als de afgeroomde melk, 4. niets extras. De kinderen waren van 5
tot 14 jaar oud. Al naar de kinderen ouder waren kregen zij meer melk per dag.

Het melk-rantsoen had een zeer duidelijke uitwerking op de groei van de kin-
deren, deze was grooter dan bij de groep die biscuit kreeg. Het verschil tusschen
de groep, die volle en afgeroomde melk kreeg was onbeteekenend.

In groei bleef de groep, die biscuits kreeg achter bij de groep, die niets extras

-ocr page 69-

kreeg, maar in gewicht nam ze meer toe. De onderzoekers komen tot de conclusie,
dat een toevoeging van melk aan het dagelijksch dieet van schoolkinderen de groei
met 20 % bevordert, terwijl ook het algemeene welzijn van deze kinderen beter
is. Ook afgeroomde melk bevordert den groei en heeft een voedingswaarde, die
onderschat is.

r. H. van Gelder.

ZIEKTEN VAN VARKENS.

De oorzaak van de Hepatitis interstitialis multiplex van het varken. B. T. W.

1928. No. 18.

Bugge en Müller hebben nog eens onderzoekingen ingesteld naar de oorzaak
van dit proces. Zij vonden evenals reeds vroeger door
Wolffhügel en Frenkel
is aangegeven, dat de oorzaak van parasitairen aard is en dat de veranderingen
worden opgewekt door versche boorgangen van de Fasciola hepatica.

Zij stellen voor thans den naam toe te passen van Hepatitis interstitialis disto-
ma tosa.

Vlekziekte immunisatie.

Berthold (B. T. W. No 18, 1928) heeft bij witte muizen proeven genomen met
door methylcenblauw gedoode vlekziektebacillenkultuur. Hij meent, dat deze
proeven hebben aangetoond, dat deze methode van immunisatie grootere im-
muniteit verwekt dan bij voorbehandeling met vlekziekteserum.

Vooi de praktijk zouden dergelijke proeven alleen waarde hebben, wanneer zij
bij varkens werden verricht.

Proeven omtrent infectie van varkens met vogeltuberkelbacillen.

Raebiger, Spiegl en Schmidt-Hoensdorf (Zeitschr. f. Inf. Krankheiten etc.
d. Haustiere 1928) 33ste Band 1/3 Heft, meenen, dat het varken van onze huis-
zoogdieren het meest gevoelig is voor vogeltuberkelbacillen. Ook de mensch zou
ervoor vatbaar zijn.

Amerikaansche en Deensclie onderzoekers hebben opgemerkt, dat de toeneming
van de varkenstuberculose in hoofdzaak een gevolg is van infectie met vogel-
tuberkelbacillen.

Op boerderijen, waar vogels tuberculeus waren, konden 33—75.5 % van de ge-
vallen van
varkenst.b.c. herkend worden als te zijn verwekt door uoge/tuberkel-
bacillen.

Hoewel reeds vroeger ook proeven hieromtrent zijn genomen, (Gerlach voe-
derde reeds in 1875 t.b.c.-kippen aan 2 varkens en wekte hierbij tuberculose op)
meenden bovenstaande onderzoekers, deze voor Duitschland te moeten herhalen.

De uitkomsten gaven o. a. aanleiding tot de volgende conclusies : (waarbij ook
ervaringen van andere deskundigen zijn gevoegd).

Infectie is mogelijk door injectie van vogeltuberkelbacillcn in de bloedbaan,
zoowel als door infectie per os van agarkulturen.

Ook de proeven met het plaatsen van de varkens onder verhoudingen als in
het bedrijf voorkomen verliepen positief.

Hoewel het gevolg van deze verschillende wijzen van infectie dus was, dat tuber-
culose ontstond bij de proefdieren, groeiden de varkens alle zonder uitzondering
goed. Dit komt over het algemeen met de praktische ervaringen overeen ; aan de
slachthuizen bevinden zich de varkens met gelocaliseerde
keelgangs- en darmscheils-
klieren-tuberculose
steeds in goeden voedingstoestand.

Hoewel varkens zeer vatbaar zijn voor besmetting met vogeltuberkelbacillen,
ondervindt de varkenshouderij geen groote nadeelen hierdoor. De ziekte blijft
als regel beperkt tot de lymphklieren : (mesenteriale-portalc, en keelgangslymph-
klieren).

Niettemin verdient het afkeuring om de verblijfplaatsen der kippen aan te
brengen in varkenstallen.

-ocr page 70-

Over de tegenwoordige wijze van optreden van varkenspest.

Reeds in 1909 wees von Ostertag tijdens het diergeneeskundig Congres in
den Haag op het feit, dat het karakter van de varkenspest veranderd was sedert
de ziekte zich bij hen (in Duitschland) het eerst had geopenbaard.

Gevallen als in den aanvang, toen bij het uitbreken van varkenspest in korten
tijd het raeerendeel der varkens van de aangetaste koppels stierven, zijn thans
zeldzaam geworden.

Deze uitspraak van v. O. is later door verschillende onderzoekers en practici
bevestigd.

In het Archiv. f. wissensch. u. prakt. Tierheilk., 57e Band, 2e Heft. 1928 geeft
Pröscholdt een artikel over deze kwestie, waarin 9 gevallen worden beschreven
in verschillende varkenshouderijen en waaraan beschouwingen worden vastge-
knoopt.

Aan het slot geeft hij eene ,,Zusammenfassung\'.\', waaruit het volgende is over-
genomen :

Bij de chronisch verloopende varkenspest vindt men meer of minder dikwijls
bacteriën uit de paratyphusgroep. Daardoor wordt de diagnose bemoeilijkt, omdat
ook paratyphusbacteriën ziekteverschijnselen verwekken, die kunnen leiden tot
verwisseling met varkenspest.

Zonder te ontkennen, dat er eene zelfstandige varkensparatyphus bestaat, zal
het nog al eens voorkomen, dat er een geval van viruspest wordt gediagnosticeerd
als paratyphus. Hier kunnen alleen dierproeven (infectieproeven bij varkens) de
gewenschte klaarheid brengen.

Behalve paratyphus-bacteriën worden secundaire invasies gevonden van :
streptococcen, bipolaire bacillen, colibacillen, pyogenes, enz.

Entingen tegen deze secundaire infecties schijnen een gunstigen invloed te heb-
ben bij varkens, waarbij chronische ziekten, door eene virusinfectie opgewekt,
voorkomen.

Op boerderijen, waar varkenspest vroeger acuut heeft geheerscht, schijnt lang
daarna deze ziekte nog chronisch of latent te kunnen blijven. De oorzaak hiervan
is dan dikwijls te zoeken in de virusdragers (virusuitscheiders), die zich vaak
bevinden onder de zoogenaamde „slijters".

Bij de bestrijding van de varkenspest is opruiming van deze dieren eene eerste
vereischte.

Agalactia suis. (Der Oestcrreichische Tierarzt, 16/5 1928).

Dr. Karl Schreiber zegt hiervan o. a. het volgende :

Deze ziekelijke afwijking in de melkafscheiding der zeugen komt in den regel
spoedig na den partus voor. De melk, aanvankelijk normaal afgescheiden, blijft
weg, de dieren verliezen de eetlust, krijgen hooge temperatuur en worden lusteloos
en er ontstaat eene verharding van de melkklieren, of op enkele gedeelten of van
den geheelen uier. Bij verwaarloozing komt het in den regel tot een hevige mastitis
met aanhoudende koortstemperatuur en niet zelden sterven de dieren.

In dergelijke gevallen nu had S. in den regel goede resultaten met inspuiting
(subcutaan) van 5 c.c.
Pituisan, mits vroegtijdig (24 uur) aangewend.

Pituisan is een preparaat bereid uit de hypophysis. (Syn. Glandula pituitaria.)

Toediening van vloeibare medicamenten aan varkens door den mond en door
middel van inspuiting door de neus.
T. R. No. 20, 1928.

Dr. T. Vajda te Boedapest vindt, dat ingeven van medicamenten per os bij
varkens veel tijd en moeite kost en dat daarbij dan nog dikwijls een deel van het
geneesmiddel verloren gaat. Hij is daarom op het idee gekomen inspuitingen door
een der neusgangen te probeeren en totnutoe (met een paar collega\'s te zamen
ongeveer 2000 varkens) met succes voor zoover het slechts „ölartige (Rizinusöl,
Kebal) Medikamente" betrof. Een verslikken had niet plaats.

V. gebruikt een recordspuit, brengt den conus in het neusgat, drukt de rand
van de spuit stevig tegen den neusspiegel en spuit krachtig uit. Het varken wordt
in zittende houding gebracht, de kop in bijna loodrechte richting gehouden en de
bek stevig dichtgeknepen, tot ongeveer 1 a 2 seconden na de inspuiting. B.

-ocr page 71-

Centraal Laboratorium voor de Volksgezondheid.

BACTERIOLOGISCH VLEESCHONDERZOEK,

door

Dr. H. S. FRENKEL.

Sedert de Vleeschkeuringswet in werking is getreden, waarbij
aan de bacteriologie, als een van de hulpmiddelen, om tot een
rationeele beoordeeling van het vleesch, dat voor menschelijk
voedsel moet dienen, te komen, een belangrijke plaats is inge-
ruimd, is herhaalde malen de vraag gesteld, welke voedingsbodems
voor dit onderzoek het meest geschikt zijn en welk onderzoekings-
materiaal men ervoor moet nemen. Om nu het bacteriologisch
vleeschonderzoek in de praktijk — en dan wordt speciaal gedacht
aan de combinatie van de geneeskundige praktijk met die der
vleeschkeuring — zooveel mogelijk toepassing te doen vinden, is
het noodzakelijk dat men de technische handelingen voor dat
onderzoek noodig, tot een minimum beperkt, met behoud van een
voldoende zekerheid.

Aan keuringsdiensten, waar een ambtenaar aan het hoofd staat,
die zich uitsluitend met de keuring bezig houdt, levert een uitge-
breid bacteriologisch onderzoek in den regel geen bezwaar op.
Aan verscheidene abattoirs hier te lande heeft men reeds lang
voordat de Vleeschkeuringswet in werking kwam, eigen ervaringen
opgedaan, omtrent de wijze, waarop dit onderzoek moet geschie-
den. Dat men daarbij tot verschillende technieken gekomen is,
spreekt wel vanzelf en men kan veilig aannemen, dat men aan elk
der sinds lang bestaande keuringsdiensten langzamerhand een
eigen werkwijze verkregen heeft, waarmede men bevredigende
resultaten bereikte. Daar deze werkwijzen, hoe uiteenloopend ze
vaak zijn, meestal voldoende aan de gestelde vraag — al of niet
kiemhoudend — beantwoorden, wordt het moeilijk een bepaalde
uniforme techniek voor te schrijven, waaraan niets zou mogen
worden toegevoegd of afgedaan. Het eenige wat hierbij moge1 ijk
is, is te trachten minimum eischen voor dit onderzoek te vinden
en dat is geen gemakkelijke taak, omdat daaraan velerlei gecom-
pliceerde vraagstukken vastzitten, die de leer der infectieziekten
(verspreiding van smetstoffen door het lichaam, verdeeling van
micro-organismen over de organen in de verschillende ziekte-
perioden, enz.) betreffen en voor vrijwel elk dezer ziekten ver-
schillend en gedeeltelijk nog terra incognita zijn. Ik behoef in dit
verband slechts te wijzen op het eigenaardige verschijnsel, dat bij
een muis, die men met anthraxbacillcn geïnfecteerd heeft, deze
bacillen eerst kort voor den dood in grooten getale in het bloed
verschijnen, dat bij typhus abdominalis de typhusbacillen meestal
in het eerste stadium der ziekte uit het bloed gekweekt worden

-ocr page 72-

en later bijna niet meer. Het gehalte aan micro-organismen der
verschillende organen loopt bij de bacteriaemieën ook uiteen. Wan-
neer men dus voorschriften zou willen geven, die aan streng weten-
schappelijke eischen voldoen, zou men rekening moeten houden
met de lotgevallen van het micro-organisme in elk stadium van
infectie bij de verschillende infectieziekten en dan zou men voor
onoverkomelijke moeilijkheden komen te staan.

Wij zullen hebben na te gaan welke organen bij onderzoek de
meeste kans bieden een positief resultaat op te leveren, daarbij ons
abstraheerende van bijzonderheden, die zich in het verloop van
infectieziekten kunnen voordoen. Daar de keuring over het alge-
meen niet anders is dan een op een vluchtige obductie berustende
beoordeeling of er bezwaren tegen het in consumptie brengen be-
staan, moeten wij bij deze keuring ook principieel niet anders han-
delen dan wij bij een obductie zouden doen. En wanneer wij dan
een slachtdier krijgen te keuren, dat wegens zijn verschijnselen
gedurende het leven of na den dood verdacht is van bacteriaemie,
moeten we het op gelijke wijze onderzoeken als elk ter obductie
komend van sepsis verdacht cadaver. Het spreekt vanzelf dat wij
dan in de eerste plaats voor het opsporen, welk micro-organisme
de septicaemie veroorzaakte, onze aandacht schenken aan het
bloed en de inwendige organen. De ervaring heeft geleerd, dat het
gehalte der verschillende organen en van het bloed uiteenloopend
zijn. Zoo kan men bij vlekziekte opmerken, dat vaak de nieren het
rijkst aan bacillen zijn en dit is dan dikwijls aan een uitstrijk-
preparaat waar te nemen ; in het bloed worden de bacteriën in veel
geringer hoeveelheid per uitstrijkpreparaat gevonden. Voor cul-
turen zal men, naar de ervaring leert in die gevallen, waarin men
een bacteriaemie verwacht, zeker voldoende aan het miltonderzoek
hebben, wanneer men zijn keuze tot één der inwendige organen
bepalen wil. Men kan immers veilig aannemen, dat ingeval septi-
caemie bestaat in een zoodanig stadium, dat het micro-organisme
weinig of niet in het circuleerende bloed voorkomt en men wel moet
aannemen dat het hier of daar in de inwendige organen zetelt
(reticulo-endotheliaal systeem) de milt behoort tot de organen,
waarin zich het micro-organisme zal bevinden. Mocht het al waar
zijn, dat in bepaalde gevallen bij bepaalde infectieziekten andere
organen een praedilectieplaats vormen, toch zal men de milt we-
gens zijn anatomische gesteldheid prefereeren boven andere orga-
nen (als bijv. lever en nieren), omdat de milt niet zoo gemakkelijk
postmortaal besmet wordt als de beide andere organen. Men kan
voor het onderzoek naar bacteriaemie als regel ook daarom vol-
staan met het onderzoek van de milt. omdat wanneer de septi-
caemie in het stadium verkeert, dat de bacteriën in het stroomende
bloed in een eenigszins belangrijke hoeveelheid voorkomen, deze
ook \'n de capillairen van de milt aanwez\'g zullen zijn: Is daaren-

-ocr page 73-

tegen het stadium der bacteriaemie voorbij, dan vindt men de
micro-organismen allicht in de milt.

Voor het vinden van-een bacterie als oorzaak van bacteriaemie zou
men m.i. met het onderzoek van de milt kunnen volstaan.

Het bacteriologisch onderzoek van het vleesch in engeren zin
(de musculatuur) speelt hierbij een ondergeschikte rol, omdat de
spieren in het algemeen voor het aantoonen van een septicaemie
minder geschikt zijn dan de genoemde inwendige organen. De er-
varing heeft nl. geleerd, dat ze meestal minder rijk aan bacteriën zijn.

Wanneer wij te doen hebben met een slachtdier, dat levend ge-
keurd is en waarbij deze keuring geen aanleiding heeft gegeven
tot bijzondere opmerkingen, terwijl post mortem verschijnselen
worden gevonden, die men gewoon is aan bacteriaemie of toxinae-
mie toe te schrijven, dan kan men bij een onverwijld verricht
bacteriologisch onderzoek volstaan met daarvoor de milt te ge-
bruiken. Is deze kiemvrij, dan is ook het geheele dier als kiemvrij
te beschouwen. Is de milt daarentegen kiemhoudend, dan komt
men voor de vraag te staan of in dat geval ook het vleesch kiem-
houdend is. Naar mijn overtuiging is het in dat geval veiliger aan
te nemen, dat ook het vleesch in engeren zin kiemhoudend is
en zijn beoordeeling daarnaar te richten. Temeer, daar een negatief
bacteriologisch onderzoek van het vleesch, nadat men een der
Anreicherungsverfahren heeft toegepast, positief kan worden, het-
geen de ervaring herhaaldelijk geleerd heeft. Dat men aldus han-
delende veel vleesch zou doen vernietigen, dat voor consumptie
had kunnen worden toegelaten, is niet aan te nemen.

Er is echter een gebaar verbonden aan het onderzoek van één
orgaan om er zijn beslissing van te laten afhangen, nl. het is
mogelijk dat zich in de milt locale ontstekingsprocessen bevinden,
waarin een micro-organisme voorkomt, terwijl dit in het overige
miltweefsel ontbreekt (deze opmerking geldt ook voor andere
organen). Kweekt men nu een micro-organisme uit het orgaan,
zonder dit laatste nauwkeurig op eventueel aanwezige locale pro-
cessen te hebben onderzocht, dan zou men gemakkelijk tot een
verkeerde slotsom kunnen komen en een septicaemie vaststellen,
waar deze niet aanwezig is.

Wil men dus vasthouden aan het bacteriologisch onderzoek van de
milt alleen, dan moet men daartoe niet overgaan, zonder zich van te
voren overtuigd te hebben, dat gelocaliseerde processen ontbreken.
Als
regel is het mogelijk zich een oordeel omtrent het al of niet voor-
komen van locale processen te vormen, niet steeds echter. In dit
verband behoeven we slechts te wijzen op de miltveranderingen,
die wij bij de paratyphus van het kalf aantreffen (veroorzaakt door
b. enteritidis G
aertner), waarbij meestal sterke zwelling van de
milt optreedt, die diffuus is. Het blijkt hierbij, wanneer men de
sneevlakte zeer nauwkeurig bekijkt, dat men tallooze zeer kleine

-ocr page 74-

necrotische haardjes kan opmerken, waarin zich vooral in het meer
acute stadium der ziekte, enteritisbacillen bevinden.

Beschikt men over voldoende ervaring op het gebied der patho-
logische anatomie en op dat van de bacteriologie der infectie-
ziekten, dan kan men zijn bacteriologische gegevens voor de te
nemen beslissing gerust halen uit het onderzoek van de milt alleen,
mits het betreffende dier niet wegens door ziekte dreigend levens-
gevaar geslacht werd.

De gevallen, waarin men volstaan kan met deze wijze van
bacteriologisch onderzoek behooren in hoofdzaak tot de rubriek
der met koorts verloopende ziekteprocessen, enz. enz. of ook indien
deze processen zonder koorts verloopen.

Wanneer men echter niet beschikt over de ruime ervaring, die
voor bovenaangegeven werkwijze dringend vereischt is, dan doet
men veiliger nog een ander orgaan en zoo mogelijk het bloed in
zijn onderzoek te betrekken en eerst het „kiemhoudend" uit te
spreken, wanneer uit twee of meer der onderzochte organen het-
zelfde micro-organisme gekweekt wordt.

Hoe staat het nu met de keuze der organen en deelen voor
bacteriologisch onderzoek, wanneer men van de ziekte gedurende
het leven niets afweet, m. a. w. wanneer het dier in nood gedood
of den natuurlijken dood gestorven is. Kan men ook dan nog vol-
staan met het onderzoek van bijv. de milt alleen?

De beantwoording dezer vraag hangt ten nauwste samen met
de vraag of het te beoordeelen dier werkelijk nog levend geslacht
werd, dan wel of het den natuurlijken dood was gestorven. Dit
nu is niet altijd met zekerheid uit te maken,\' hetgeen ik reeds vroe-
ger uiteenzette (i). De ervaring omtrent de ter keuring komende
dieren, waarbij om welke reden dan ook, geen onderzoek gedurende
het leven kon plaats vinden, leert dat een groot gedeelte den
natuurlijken dood stierf. En dat bij dergelijke dieren de bacteriolo-
gische verhoudingen anders kunnen zijn dan bij de bovenbedoelde,
is bekend. Vooral bij de gestorven dieren en misschien ook bij
die, welke na langdurige ziekte in agonie werden geslacht, kan men
bacteriën in de verschillende organen verwachten. Deze bacteriën
vertegenwoordigen dan meestal geen ziekteverwekkers, maar
saprophytische darmbacteriën, die langs lymph- en bloedvaten
zich door het lichaam kunnen verspreiden. Bij dezen vorm van
bacterieverspreiding is er geen enkele reden aan te nemen, dat
de milt gepraedisponeerd zou zijn. Veel meer kans heeft men in
die gevallen om uit de lever één of meer microörganismen te kwee-
ken, in verband met zijn rijke portale bloedsvoorziening, zijn open
communicatie met het darmkanaal door de ductus choledochus,
dan uit de milt, die naar wij met vrij groote zekerheid mogen
aannemen, niet in rechtstreeksch verband met het darmkanaal
staat. Ook de nieren zijn postmortaal vrij spoedig geïnfecteerd.

-ocr page 75-

De milt kan vanuit de poortader in retrograde richting met bac-
teriën besmet worden, verder langs lymphbanen en via de groote
circulatie. Zouden wij in gevallen van noodslachting (c.q. gestorven
dieren) dus alleen de milt onderzoeken en deze kiemvrij bevinden,
dan zou het nog in het geheel niet uitgesloten zijn, dat bepaalde
gedeelten van de musculatuur bacteriën bevatten, terwijl de milt
nog kiemvrij is.

Het is dus duidelijk dat men vooral bij deze twijfelachtige nood-
slachtingen niet kan volstaan met het bacteriologisch onderzoek
van de milt alleen. Het is noodzakelijk dat men zijn onderzoek
hierbij uitbreidt tot een of meer andere organen en ook tot het
vleesch en dat men eerst zijn conclusie tot kiemhoudend zijn, trekt,
wanneer verschillende der onderzochte organen hetzelfde micro-
organisme bevatten.

Vindt men één orgaan kiemhoudend en daarbij liefst nog de
koloniën van verschillende micro-organismen, terwijl de overige
organen kiemvrij zijn, dan heeft men, hetzij onnauwkeurig ge-
werkt, hetzij met een post mortem toevallig geïnfecteerd orgaan
te doen. Vindt men in verschillende organen hetzelfde micro-
organisme, dan zal men zichzelf hebben af te vragen of het tot de
parasitaire, dan wel tot de saprophytische micro-organismen be-
hoort. Vindt men een micro-organisme, dat tot de ons bekende
pathogene bacteriën behoort, dan zal de infectie in de meeste
gevallen gedurende het leven tot stand gekomen zijn. Zijn het
daarentegen de saprophytische bacteriën, dan is de verspreiding
door het lichaam vrij zeker post-mortaal tot stand gekomen en
kan men aannemen, dat het cadaver vrij lang ongeëviscereerd is
geweest, waardoor bepaalde rottingsbacteriën de gelegenheid ge-
had hebben zich in de verschillende vaatstelsels te vermeerderen.
Dat zulks gedurende het warme jaargetijde sneller gebeurt, is
algemeen bekend. Opmerkelijk is het, dat deze rottingsbacteriën
niet zelden in reinculturen in organen en vleesch voorkomen.

Het zijn juist deze gevallen, die door de houdbaarheidsproef
van
Max Müller worden bestreken en wel omdat onder deze
rubriek (naar zijn overtuiging bijna steeds gestorven dieren be-
treffende) zoo veel anaërobe infecties van het vleesch voorkomen.
Speciaal de spieren van de achterste ledematen bieden dan de
meeste kansen voor een positieve bevinding in verband met het
feit, dat deze ledematen het minst snel afkoelen, en ruim door het
kiemhoudende bloed van de v. cava posterior kunnen worden
geïnvadeerd.

Ook de methode, welke sinds jaren op het Haagsche abattoir in
toepassing wordt gebracht, haalt de anaërobe spierinfecties er uit.

Het is niet ondienstig hier even te wijzen op een bezwaar, dat
de overigens zeer bruikbare houdbaarheidsproef van
Müller kan
opleveren, nl. dat men met groote stukken vleesch onder strenge

-ocr page 76-

aseptische voorzorgen moet manipuleeren, zoodat men door zijn
technisch ingrijpen geen bacteriën op het volgens
Müller te
onderzoeken stuk vleesch brengt. Dat hierbij de localiteit, waarin
men de noodige manipulaties verricht, van groot belang is, behoeft
nauwelijks betoog. In een goed geventileerd, stofvrij laboratorium,
waar weinig geloopen wordt, heeft men minder kans een fout te
maken dan in een ruimte, die slecht geventileerd wordt en voorzien
is van een stoffige planken vloer, waarop bovendien nog veel ge-
loopen wordt. Deze opmerkingen gelden overigens voor alle bacterio-
logische onderzoekingen, waarbij het op strenge asepsis aankomt.

Beter is in dit opzicht de bovengenoemde Haagsche methode,
waarbij het stukje vleesch geringer afmetingen heeft, waarbij men
behalve afwijkingen in reuk en kleur, ook cultureelen groei kan
waarnemen. Het eenige bezwaar hiertegen is, zoo men het een be-
zwaar kan noemen, dat men met plaatvoedingsbodems moet
werken, hetgeen op abattoirs gemakkelijk te doen is, maar in de
plattelandspraktijken op moeilijkheden stuit.

De methode, waarop in het vorige en ook in dit jaarverslag (5)
reeds kort gewezen werd en die al zeer eenvoudig te noemen is,
komt op het volgende neer. Wanneer men een weinig van het te
onderzoeken vleesch heeft uitgestreken op den voedingsbodem
meestal agar — en men plaatst den geënten voedingsbodem ge-
durende ongeveer 24 uur bij 370, dan komt het vaak voor, dat men
in het geheel geen groei te zien krijgt, ook niet in bouillon, welke
naast agar meestal in toepassing wordt gebracht. Men is dan, zooals
gemakkelijk te begrijpen is, licht geneigd aan te nemen, dat het
vleesch kiemvrij is, te meer daar men met loupevergrooting ook
geen groei kan bespeuren. Het is ons daarbij echter herhaaldelijk
gebleken, dat in een uitstrijkpraeparaat van het op de agar ge-
brachte vleesch, een zeer groot aantal bacteriën kon worden aan-
getoond. Deze bacteriën waren meestal groot en plomp, maakten
geheel den indruk van rottingsbacteriën. Liet men deze steriel ge-
bleven voedingsbodems 1 of 2 x 24 uur in de broedstoof staan,
dan werd geen groei gezien. Entte men het vleesch daarentegen in
een hooge laag kort tevoren uitgekookte drui vensuiker bouillon,
dan trad hierin meestal groei op. Hieruit volgt dat de gevonden
micro-organismen tot de groep der anaëroben behooren. Het is
eigenaardig op te merken, dat deze bacteriën zich onder gewone
aërobe verhoudingen ontwikkelen. Verklaarbaar is het intusschen
wel, want de in het vleesch aanwezige rottingsbacteriën zullen in
en tusschen de spiervezelen voldoende anaërobe verhoudingen
vinden om zich bij een broedstooftemperatuur van 370 snel te
vermeerderen. Buiten het vleesch, op de agar daarentegen, zijn
de zuurstofverhoudingen van dien aard, dat geen groei tot stand
komt. Wat wij hier zien gebeuren, is per slot van rekening princi-
pieel niet anders dan wat er bij een positieve houdbaarheidsproef

-ocr page 77-

van Müller of bij de Haagsche methode gebeurt. Op de methode
van
Müller heeft de hier aangegeven werkwijze vóór, dat men
met kleine hoeveelheden materiaal kan werken, waardoor de kans
op het maken van technische fouten geringer is ; bovendien ge-
schiedt dit onderzoek in buisjes, terwijl de MiiLLERsche proef in
petrischalen wordt verricht. Daartegenover staat echter dat bij
de MiiLLERsche proef men de eventueel optredende veranderingen
beter te zien krijgt en bij de door ons gevolgde methode het ver-
vaardigen, kleuren en bezichtigen van een uitstrijkpraeparaat
noodzakelijk is. Bij de Haagsche methode, welke door
Warnecke
{2) beschreven werd, hebben wij het voordeel dat we behalve ver-
kleuring van het vleesch ook meestal een zeer ijlen groei op de
agar, tusschen glas en agar om het vleesch te zien kunnen krijgen.
Hierbij bestaat echter weer de kans, zij het in mindere mate dan
bij de houdbaarheidsproef van
Müller, dat men wegens de vrij
groote afmetingen van het op steriele wijze genomen stukje vleesch,
grooter kans op technische fouten heeft ; bovendien, dat men met
petrischalen moet werken. Weer een voordeel van
Müller\'s zoo-
wel als van de Haagsche methode is, dat een eventueel optredende
rottingslucht gemakkelijker kan worden geconstateerd.

I)e genoemde drie methoden voor het aantoonen van anaërobe
bacteriën in het vleesch, hebben alle hun eigenaardige voordeelen
en berusten feitelijk op hetzelfde. Het gaat er nu maar om, welke
dezer methoden men het gemakkelijkst vindt om voortdurend toe
te passen. Dit is, zou ik willen zeggen, een kwestie van smaak, en
het is naar mijn meening niet wenschelijk een dezer technieken
voor te schrijven. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan het maken
van een uitstrijkpreparaat van het materiaal, dat 24 uur in de
broedstoof bij 370 C. geweest is, en wel, omdat deze methode het ge-
makkelijkst algemeen in de praktijk zal kunnen worden toegepast
en de minste kansen voor het maken van fouten geeft, terwijl aërobe
bacteriën hierbij ongestoord tot ontwikkeling kunnen komen.

De houdbaarheidsproef is door de Haagsche en de door ons
gevolgde methode teruggebracht tot wat zij in wezen is, nl. een
onderzoek naar eventueel aanwezige anaërobe micro-organismen.
De optredende aseptische postmortale veranderingen (door enzym-
werking) hebben voor de houdbaarheid waarschijnlijk weinig of
geen beteekenis, voor zoover zij den groei van micro-organismen
niet begunstigen.

Past men de houdbaarheidsproef toe op een stuk vleesch, af-
komstig van een normaal slachtdier, dan zal men de rottingsver-
schijnselen het eerst waarnemen aan de oppervlakte en het sterkst
aan het gedeelte, waarop het vleesch ligt, voortschrijdend naar het
centrum ; daarentegen is de richting van het rottingsproces in
vleesch afkomstig van bepaalde gestorven dieren (pseudo nood-
slachtingen) van het centrum naar de periferie.

-ocr page 78-

Uit dit alles volgt, dat met de begrippen al of niet houdbaar, naar
mijn meening, moet worden gebroken, aangezien de houdbaarheid geheel
afhankelijk is van de micro-organismen, die wc bij ons bacteriologisch
vleeschonderzoek vinden, De houdbaarheidsproef moet worden ver-
disconteerd in het bacteriologisch vleeschonderzoek.

Kwamen wij tot de conclusie, dat voor het bacteriologisch
onderzoek van dieren, waarbij keuring gedurende het leven niet
plaats kon vinden, het onderzoek van de milt alleen onvoldoende
is, thans zullen wij moeten overwegen welke organen of deelen
er bovendien moeten worden onderzocht. Uniforme voorschriften
hiervoor te geven, lijkt mij om boven aangegeven redenen niet
wenschelijk. Men zal slechts enkele aanwijzingen kunnen geven.
Zoo zou men bijv. naast de milt, één of meer vleeschlymphklieren
en een stuk spier van voldoende afmetingen moeten onderzoeken,
omdat men hierdoor meestal in staat is, zoowel een eventueel aan-
wezige septicaemie als een postmortale vleeschinfectie te consta-
teeren. Hierbij zal dan weer rekening gehouden moeten worden
met de mogelijkheid dat zich in het lidmaat, waaruit men de
lymphklier voor bacteriologisch onderzoek nam, geen bacterieele
processen bevinden, die misleidend zouden kunnen zijn.

In het aanwenden van voedingsbodems is eveneens een groote
soberheid gewenscht, om het bacteriologisch vleeschonderzoek zoo
eenvoudig en zoo goedkoop mogelijk te maken.

Voor dit onderzoek zijn noodzakellijk : 2 schuin gestolde agar.
i druivensuikerbouillon.

2 schuingestolde agar worden\'aanbevolen in plaats van 1, ter
verkrijging van meer zekerheid ; 1 druivensuikerbouillon, om
minder gemakkelijk groeiende bacteriën sneller tot afleesbaren
groei te brengen, (streptococcen, vlekziektebacillen).

Wil men ook nog anaëroob kweeken, dan kan men druiven-
suikerbouillon in hooger laag gebruiken. Dit is echter naar mijn
meening niet noodzakelijk, aangezien men eventueel aanwezige
anaërobe bacteriën practisch in het materiaal op de agar kan aan-
toonen. Intravitaal optredende anaërobe infecties (boutvuur-
maligne oedeem — necrosebacil) geven zichtbare veranderingen en
ontgaan den keurende vanzelf niet.

Principieel verschillend met het gewone bacteriologisch vleesch-
onderzoek, is dat op het voorkomen van vleesch vergiftigings-
bacteriën. In Duitschland wordt bij het bacteriologisch vleesch-
onderzoek steeds rekening gehouden met het voorkomen van
vleeschvergiftigingsbacteriën, waardoor men genoodzaakt is, elk
onderzoek vrij uitgebreid te doen en gebruik te maken van electief-
bodems. Bij het vinden van verdachte koloniën zou men dan feitelijk
de verplichting hebben over te gaan tot determineering van den
bacil of minstens een microscopische agglutinatie moeten verrichten.

-ocr page 79-

Daar wij echter in Nederland er op uit zijn al het vleesch, dat
kiemhoudend is, te weren (behalve bij vlekziekte) kunnen we bij
het dagelijks voorkomende bacteriologisch vleeschonderzoek, dat
naar vleeschvergiftigers achterwege laten.

Het laatstbedoelde onderzoek is heel wat ingewikkelder en kost
meestal ook meer tijd.

Maken wij bij het bacteriologisch vleeschonderzoek een steriele
vlakte, van waaruit we in de diepte doordringen om materiaal voor
enting te verzamelen, bij het onderzoek naar vleeschvergiftigers
schenken wij ook onze aandacht aan de oppervlakte van het vleesch,
nemen daarvan materiaal, om daarna onder aseptische cautelen,
materiaal uit de diepte te nemen. De ervaring leert, dat deze split-
sing in onderzoek van oppervlakkig en diep vleesch, alweer als
regel niet noodzakelijk is, aangezien een stuk vleesch, dat vergifti-
ging gegeven heeft, practisch steeds geheel geïnfecteerd is. Wij
doen dit onderzoek alleen bij gevallen, waarin het vleesch verdacht
is, ziekteverschijnselen te hebben veroorzaakt.

Lu xwolda \'■) heeft nog eens aan de hand van theoretische be-
schouwingen en op grond van Duitsche gegevens in overweging,
kiemhoudend vleesch voorwaardelijk goed te keuren, waardoor
naar zijn meening van de afgekeurde dieren een zeer groot per-
centage in consumptie zou kunnen worden gebracht, hetgeen een
belangrijk oeconomisch voordeel zou beteekenen. Indien zulks
mogelijk zou zijn, zonder dat men het gevaar liep schadelijk of
ondeugdelijk vleesch in consumptie te brengen, zou men deze
suggestie zeker ernstig in overweging moeten nemen. Eenige jaren
geleden heeft
Van Oijen 4) reeds hetzelfde voorgesteld nl. om
vleesch, dat onschuldige kiemen bevat, in het klein onder toezicht
te verkoopen. In een discussie op dit voorstel zette ik uiteen,
dat ik weinig heil verwachtte van zulk een voorwaardelijke goed-
keuring en gaf als mijn meening te kennen, dat men beter deed,
steeds bij het vinden van kiemen af te keuren. Ik grondde deze
meening, die ik ook nu nog ten volle handhaaf, op het feit, dat
de besmetting van het vleesch langs haematogenen weg ontstaat,
hetzij tengevolge van een septicaemie, hetzij door een invasie met
bacteriën uit het darmkanaal tijdens de agonie, of — hetgeen lang
niet zelden voorkomt - postmortaal. Daar de ervaring leert, dat
onspecifieke septicaemieën hoogst zelden voorkomen — immers
het septicaemisch keuringsbeeld na ontstekingsprocessen is meestal
een toxinaemisch beeld — en het aantal malen, dat men werkelijk
met een z.g. onschuldige infectie te doen heeft, gering is — doet
men beter af te keuren. Dit te meer, daar men dan ook nog de ver-
plichting tot differentieering van het gevonden micro-organisme
zou hebben, hetgeen zeer tijdroovend, vaak moeilijk is en voor de
practijk op groote bezwaren zal stuiten, bezwaren, die schier on-

-ocr page 80-

overkomelijk worden, wanneer men niet over een koelruimte be-
schikt, die het mogelijk maakt het vleesch en de organen in afwach-
ting der uitvoerige bacteriologische onderzoekingen te bewaren.
Dat deze differentieering eenige dagen duren kan, zelfs in labo-
ratoria, waar men over allerlei hulpmiddelen beschikt, behoeft hier
niet verder te worden uiteengezet.

Het is dus duidelijk, dat de identificeering van het gevonden
micro-organisme vrijwel uitsluitend mogelijk geacht kan worden
aan keuringsdiensten, waar een koelhuisgelegenheid aanwezig is,
en waaraan een deskundige verbonden is, die over voldoenden
tijd kan beschikken.

Maar dan nog is de vraag hier op haar plaats : Welke der voor
het slachtdier pathogene micro-organismen kan men met zeker-
heid als voor den mensch onschuldige kiemen aanmerken? Tot
voor korten tijd zouden wij hiertoe stellig bijv. den bacillus abortus
infectiosi (
Bang) gerekend hebben, die echter blijkens de onder-
zoekingen elders en hier te lande een voor den mensch allesbehalve
onschuldige kiem is gebleken te zijn.

Men zou als vorm van voorwaardelijke goedkeuring in de be-
doelde gevallen het steriliseeren in toepassing kunnen brengen,
maar dan vraag ik mij af of het m. i. kleine aantal gevallen dat
voor deze voorwaardelijke goedkeuring in aanmerking komt, de
meerdere kosten, welke het voorgezette onderzoek met zich mee-
brengt (uitgebreidere laboratoriumoutilleering, koelgelegenheid in
alle keuringsdiensten) wettigt..

LITTERATUUR.

(1) Frenkel, Verslagen en Mededeelingen betreffende de Volksgezondheid,
No. 8, 1924.

(2) Warnecke, Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Deel 49, 1922.

(3) Luxwolda, idem, Deel 55, All. 10, 1928.

(4) v. OijEN, idem, Deel 48, 1921.

(5) Verslagen en Mededeelingen betreffende de Volksgezondheid, 1927.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die bakteriologische Untersuchung des Fleisches, in der Fleischbeschau, muss
so einfach wie möglich sein, und zu gleicher Zeit zutreffend. Es ist sehr schwierig
uniforme Vorschriften für die Technik zu geben, da die Erfahrung uns verschiedene
mehr oder weniger gute Arbeitsmethoden geliefert hat.

Ein gleichfalls schwierige Frage ist die Wahl der Organe welche untersucht
werden sollen, weil man nicht weiss in welchem Stadium der Infektionskrankheit
das Tier geschlachtet wurde und in welchen Organen die Krankheitskeimen sich
angesiedelt haben im Augenblick der Schlachtung.

Die Milz bistet die besten Chancen, wenn man nicht genügend Zeit hat zur
Untersuchung mehrerer Organe ; nur darf sie keine lokale Veränderungen zeigen

Wenn es sich um die bakteriologische Untersuchung eines notgeschlachteten
Tieres handelt, muss man immer mehrere Organe untersuchen und vor allem auch
die Muskeln, weil man oft nahezu nichts von der Krankheit des Tieres weiss,
namentlich wenn es kein deutliches Sektionsbild zeigt. Auch kann die Verbreitung
der Mikro-organismen (parasitische oder saprophytische) sehr kompliziert und
kapriziös sein.

-ocr page 81-

Als Nährböden genügen der Regel nach zwei Röhrchen Schrägagar und ein
Röhrchen Traubenzuckerbouillon.

Die Haltbarkeitsprobe des Fleisches nach Max Müller wird verglichen mit der
Methode welche von
Warnecke beschrieben wurde, und mit einer in der Veteri-
närabteilung des Centrallaboratoriums ausgearbeiteten Technik. Letzterwähnte
Methode ist sehr einfach; man braucht nur einen Ausstrich vom Fleische, dass man
auf Schrägagar 24 Stunden bei 37 gehalten hat, auf Bakterien zu untersuchen,
wenn der Nährboden Steril geblieben ist.

SUMMARY.

Bacteriological examination in meat-inspection must be easy and efficient. It is
difficult to give uniform prescriptions as to the technic, because experience on
this matter has given us several methods, which are all more or less satisfactory.

A question of equal difficulty is, which organs to choose for bacteriological
examination, because as a rule we don \'t know in what phase of the infectious
disease the animal is slaughtered, nor do we know exactly in which organs the
micro-organisms have settled.

When we have not sufficient time to examine several organs, the spleen offers
the best chances, unless it shows local infectious lesions.

When we have to examine an animal slaughtered with emergency, we must
always examine several organs and surely also the meat itself, because we often
know nothing or nearly nothing of the animal\'s disease, chiefly when it offers no
distinct lesions. The distribution of the microorganisms (parasitic or saprophytic
may be very complicated and capricious.

As nutrient media two agar slopes and one glucose-bouillonare usually sufficient.
The method to examine the meat found by
Max Müller is compared with that
described by
Warnecke and with a method elaborated in the veterinary section
of the Centraallaboratorium. The latter is very easy, because it is only necessary to
make a film from the meat that has been put on the agar and to see if there are
microorganisms, whilst the agar shows no growth.

RÉSUMÉ.

L\'examen bactériologique des viandes, dans la pratique de l\'inspection, doit
être autant simple que possible en gardant la plus grande efficacité. Il est très
difficile de donner des prescriptions uniformes pour la technique, parce que l\'expé-
rience acquise dans cette matière nous a fourni plusieurs méthodes plus ou moins
bonnes.

Les organes à choisir pour l\'examen bactériologique, c\'est également un problème
difficile à résoudre, parce que ordinairement on ne sait pas à quel stade de la ma-
ladie infectieuse l\'animal est abattu et dans quels organes les microörganismes
se trouvent au moment de l\'abattage. La rate offre les meilleures chances quand
on n\'a pas le temps d\'examiner plusieurs organes, pourvu qu\'elle n\'offre pas de
lésions locales infectieuses.

Quand il s\'agit de faire l\'examen bactériologique d\'un animal, qui a été tué
d\'urgence, il faut toujours examiner plusieurs organes et surtout aussi la viande,
parce qu\'on ne sait rien ou presque rien de la maladie de l\'animal, surtout quand
il n\'offre pas de lésions anatomo-pathologiques marquées. En outre la dissémi-
nation des microörganismes (parasitaires ou saprophytaires) peut être très com-
pliquée et capricieuse.

Pour milieux de cultures, deux tubes de gélose inclinée et un tube de bouillon
glucosé suffissent ordinairement.

La méthode de l\'inspection de la viande d\'après Max Müller est comparée avec
celle décrite par
Warnecke et avec une méthode élaborée dans la section
vétérinaire du ,.Centraallaboratorium". La dernière méthode est très simple,
parce qu\'il faut seulement faire un frotti de la viande, ensemencée sur la gélose
inclinée, et voir s\'il y a des microörganismes, tandis que la gélose elle même est
restée stérile.

-ocr page 82-

STREPTOCOCCENMASTITIS,

DOOR

Dr. IJ. M. KRAMER,
Directeur Melkcontrölestation en Gezondheidsdienst voor Vee der V.V. Z. M.

Voorkomen. Wanneer men enkele jaren geleden de verslagen van
het Veeartsenijkundig staatstoezicht en van de verschillende
Keuringsdiensten naging, kreeg men den indruk dat strepto-
coccen-uierontsteking nog al eens voorkwam, doch vooral de laat-
ste jaren is gebleken dat deze ziekte zeer veel voorkomt.

Vooral de ervaringen opgedaan door het instituut der melk-
contrölestations hebben er toe bijgedragen een beter inzicht te
krijgen in de frequentie van het voorkomen van streptococcen-
uierontsteking.

Deze stations beschikken nl. over de resultaten van het meer
of minder geregelde en dikwijls herhaalde onderzoek van monsters
afgeleverde melk van een groot aantal veehouders.

Wanneer ik deze resultaten naga blijkt mij, dat over geheel
Nederland deze ziekte zeer veel voorkomt. Het is moeilijk om hier-
omtrent cijfers te geven, omdat nog slechts van een klein deel der
veehouders geregeld de melk op streptococcen wordt onderzocht.

In het algemeen vindt men rondom de groote steden in de melk
van bijna alle boerderijen wel een of meor malen per jaar strepto-
coccen. ± 98 %.

In de kring tusschen de groote steden Amsterdam, Haarlem,
Den Haag, Rotterdam en Utrecht beschik ik over het resultaat
van het geregelde onderzoek van ongeveer 2000 veehoudersbe-
drijven. In meer dan 80 % hiervan werden een of meermalen per
jaar streptococcen gevonden.

Oorzaak. De streptococcen als oorzaak der ontsteking worden
beschreven als meer of minder lange ketens van coccen welke aan
de naar elkaar toegekeerde zijden zijn afgeplat en daardoor in de
dwarsrichting der keten gerekt lijken (staketen of palissadenvorm).

Deze typische vormen komen vrij veel voor, doch ook vele andere
vormen worden gevonden. Soms zijn de ketens zeer kort ; 2 en 3
coccen naast elkaar, terwijl deze toch in typisch verband liggen
met de cellen.

In andere gevallen vindt men ketens bestaande uit groote opge-
blazen coccen, met soms een ongekleurd centrum en omgeven door
een soort kapsel dat de coccen als het ware bijeenhoudt.

Ook worden ketentjes bestaande uit zeer kleine coccen wel ge-
vonden ; deze ketens zijn veel dunner.

Ten slotte varieert ook de afstand tusschen de coccen nog vrij
sterk.

Het meest overtuigende bewijs dat uierontstekingsstreptococcen

-ocr page 83-

voorkomen is dan ook niet het enkel voorkomen van de strepto-
coccen, doch het verband van de streptococcen met de cellen. Zeer
dikwijls vindt men streptococcen in een boog geheel aansluitend
aan leucocyten. In andere gevallen krijgt men sterk den indruk
dat ze tegen de cellen hebben gelegen, doch er als \'t ware van afge-
rukt zijn. Dit z.g. ontstekingsbeeld is wel het absolute bewijs dat
in de melk uierontstekingsstreptococcen voorkomen.

Het spreekt van zelf, dat hoe verder men van de koe komt, hoe
grooter de kans is, dat dit beeld verdwijnt.

In mengmelk van groote bedrijven, vooral als deze nog gepasteu-
riseerd en gereinigd is, is het wel eens moeilijk een dergelijk ont-
stekingsbeeld te vinden.

Wanneer een groot aantal bacteriën in het sediment voorkomen,
bedekken deze soms de cellen en ook dan is het wel eens moeilijk
een dergelijk beeld te vinden. Bovendien liggen deze bacteriën
nogal eens op rijtjes.

Ik kan me eenigszins voorstellen dat in deze laatste gevallen
wordt gesproken van melkzuur-streptococcen.

Aard der ziekte. De uierontsteking vertoont een zeer uiteenloo-
pend beeld, zoowel wat betreft de patholoog-anatomische, en de
clinische verschijnselen, als de veranderingen van de melk.

Men vindt acute gevallen met duidelijk ontstoken uiers, maar
ook zeer chronische, waarbij men dikwijls aan de uiers niets bijzon-
ders kan zien.

Tusschen deze uitersten komen alle mogelijke overgangen
voor.

Hetzelfde geldt voor de melk. In de acute gevallen is deze dik-
wijls sterk veranderd, in de zeer chronische gevallen ziet men er
macroscopisch niets aan.

In de acute gevallen is het aangetaste kwartier, warm, rood,
gezwollen, pijnlijk en de melk dikwijls bloederig, met meer of
minder groote stukjes etter er in. In deze heftige acute gevallen
is het dier dikwijls algemeen ziek.

Naast dit acute stadium vindt men zeer veel chronische geval-
len. In die gevallen is soms een kwartier grooter dan de andere,
ook wel kleiner, dan de andere, soms voelt men er verharde ge-
deelten in. In de chronische gevallen is de melk uit de aangetaste
kwartieren vaak geler dan die uit de andere kwartieren en ook
in die gevallen vindt men wel stukjes in de melk.

Soms is het eenige wat men kan opmerken, het feit dat uit een
bepaald kwartier iets minder melk wordt gegeven dan uit de andere.

Uit gesprekken en correspondentie met dierenartsen en vee-
houders en ook door persoonlijk onderzoek blijkt mij echter steeds
meer dat n vele gevallen aan uier en melk absoluut niets is te zien.

Hierop wijs ik vooral omdat er uit volgt dat het niet mogelijk
is clinisch met zekerheid alle aangetaste dieren te leeren kennen.

-ocr page 84-

Verloop. Het verloop der ziekte schijnt in het algemeen vrij
goedaardig te zijn, gezien het zeer groot aantal chronische geval-
len, waarbij van algemeene verschijnselen geen sprake meer is.

In vele gevallen gelukt het den veehouder een acuut aange-
tast dier in zooverre te genezen, dat het algemeen ziek zijn ver-
dwijnt en ook de veranderingen aan het uier sterk verminderen.
Dikwijls is clinisch aan het uier zelf slechts zeer weinig meer te
bespeuren.

Wanneer men dan bij dergelijke dieren streptococcen vindt en
bij den veehouder gaat informeeren, blijkt dikwijls dat deze dieren
toch af en toe wel eens afwijkingen van het uier vertoonen. Bij
tochtigheid, na een nacht slecht weer, na een vreemde melker,
of na slecht melken (na Zondag) is bij dergelijke dieren ,,het uier
in de war" zooals de boer zegt. Meestal geeft het dier dan iets
minder uit het aangetaste kwartier en komen in de melk van dat
kwartier stukjes voor. Dikwijls willen dergelijke koeien ook z.g.
slecht drogen. Bij het droogzetten wordt zoo\'n kwartier dan dik-
ker en de melk afwijkend. Na het afkalven zijn alle afwijkingen van
uier en melk dikwijls weer verdwenen en de boer zegt dat hij het
kwartier ,,er weer bij heeft getrokken". Om dit te bereiken melkt
hij soms het aangetaste kwartier gedurende den geheelen tijd dat
het dier droog staat.

In andere gevallen begint hij zoodra het dier voor het kalven
melk in het uier krijgt, het betrokken kwartier dikwijls uit te
melken.

Soms laat men voor dit doel het kalf eenigen tijd bij het moeder-
dier zoogen.

Naast het clinisch verloop is ook het bacteriologisch of bacterio-
scopisch verloop van belang.

Voor de beoordeeling hiervan beschik ik over verschillende ge-
gevens :

i°. Van enkele stallen wordt geregeld iedere week van iedere
koe een monster op aanwezigheid van streptococcen onder-
zocht.

2°. Van ongeveer tweehonderd boerderijen wordt geregeld i
maal per maand van iedere koe een monster melk op strep-
tococcen onderzocht en van de afgeleverde melk iedere week
uit iedere bus een monster.

3°. Van ongeveer 3000 boerderijen worden geregeld iedere week
uit iedere bus monsters op streptococcen onderzocht en
iedere keer dat streptococcen worden gevonden, van iedere
koe afzonderlijk een monster.

Uit deze verschillende gegevens blijkt dat in acute gevallen, dik-
wijls weinig streptococcen in de afwijkende melk voorkomen en
ook slechts weinig cellen. Deze cellen kleuren zich echter intensief

-ocr page 85-

- 7i —

en geven den indruk van sterke vitaliteit. Deze streptococcen zijn
veelal kort en het is alsof ze uit elkaar gevallen zijn. Soms vindt
men korte slingertjes in een leucocyt.

In de meer chronische gevallen met afwijkingen van uier en
melk vindt men dikwijls zeer veel lange streptococcen.

Soms vindt men slechts weinig streptococcen, nl. wanneer de
melk sterk veranderd is. Het is alsof de vlokjes in die melk niet
in de capillair van de sedimentbuis komen en bij het onderzoek
van dergelijke uitgestreken sedimenten vindt men een dun laagje
egaal eiwit met hier een daar een klompje cellen, waartusschen dan
enkele streptococcen liggen. Deze gevallen worden gemakkelijk
over het hoofd gezien.

Ten slotte de chronische lichte gevallen.

Hier vindt men meestal veel cellen met daartusschen uitgeloogde
dikke opgeblazen streptococcen welke als \'t ware indifferent tus-
schen de cellen liggen. Deze beelden vindt men dikwijls in de cel-
rijke melk voor het droogzetten.

Wanneer men de dieren waarbij streptococcen voorkomen ver-
volgt blijkt al zeer spoedig dat de hoeveelheid streptococcen zeer
uiteenloopt.

De eene week vindt men duidelijk streptococcen, de volgende
week soms zeer weinig of zelfs geen.

Meermalen is een sediment langen tijd zeer verdacht, zonder dat
men met zekerheid streptococcen kan aantoonen. Er is mij een
geval bekend waarbij 34 weken lang in het sediment van de melk
van een bepaalde koe veel cellen voorkwamen en soms een paar
coccen naast elkaar, doch nooit met zekerheid streptococcen kon
den worden gevonden, tot dat dit de 35e week gelukte.

Ook bij het maandelijks herhaald onderzoek komt het vrij veel
voor dat de monsters van sommige koeien meerdere maanden zeer
verdacht zijn, daarna vindt men soms de streptococcen ; dikwijls
vindt men echter ook enkele maanden niets dan wat veel cellen,
waarna de monsters weer verdacht worden tot eindelijk strepto-
coccen worden gevonden.

Uit het verloop van de hoeveelheid streptococcen in de melk van
een aangetast kwartier volgt, dat men aan de hand van het onder-
zoek van een enkel monster niet met zekerheid kan zeggen of het
dier waarvan dat monster afkomstig was
niet door streptococcen
is aangetast.

Het niet vinden der streptococcen wil nog niet zeggen dat men
bij een onderzoek eenigen tijd later toch niet streptococcen zal vin-
den.

In de lichte gevallen, waarbij men geen afwijkingen aan uier
of melk vindt, blijkt dikwijls heel duidelijk dat bij tochtigheid en
bij het droogzetten de monsters verdacht zijn of streptococcen

-ocr page 86-

bevatten. Er is mij een geval bekend, waarbij in de afgeleverde
melk van een boerderij het geheele jaar door geen streptococcen
voorkwamen, totdat deze in den herfst wel werden gevonden en
een koe als oorzaak kon worden aangewezen, welke werd droog-
gezet. Eerst een jaar later werden in de afgeleverde melk weer
streptococcen aangetoond en dezelfde koe weer gevonden. Het
daarop volgende jaar herhaalde zich dit geval weer.

In de monsters van dergelijke aangetaste dieren, waarin men
geen streptococcen kan vinden, vindt men wel veelal meer cellen
dan normaal, vooral als men bij het geregeld onderzoek rekening
houdt met het begin en het einde der lactatieperiode.

De bestudeering van het bacterioscopisch verloop der ziekte
geeft mij dan ook steeds meer de overtuiging dat een kwartier
dat eenmaal is aangetast steeds chronisch ontstoken blijft, ter-
wijl de hoeveelheid streptococcen welke in het melksediment kun-
nen worden aangetoond zeer uiteen loopt.

Soms vindt men in het sediment eigenaardige eenigszins drade-
rige slierten met cellen en streptococcen, terwijl deze daar buiten
niet kunnen worden aangetoond. Men krijgt een indruk alsof deze
slierten afgietsels vormen van een melkgang welk afgietsel plotse-
ling is los gekomen. Misschien verklaart dit ten deele het verschil
in het aantal ontoonbare streptococcen.

Onvoldoende uitmelken, leerling melkers, vreemde melkers,
tochtigheid, slecht weer, onrust tijdens het melken, droogzetten
zijn volgens de algemeene veehouders-opinie oorzaak dat de uiers
in de war raken. Al deze gevallen hebben één factor gemeen nl.
in alle gevallen blijft melk in het uier achter doordat het dier
onvoldoende wordt uitgemolken, of de melk niet laat schieten.
Ook deze factor „het achterblijven van melk in het uier" is zeer
zeker van invloed op de hoeveelheid aantoonbare streptococcen.

Ik stel mij voor dat door het achterblijven van melk in het uier,
de streptococcen in de nauwe melkgangen aanwezig, gelegenheid
krijgen zich sterk te vermenigvuldigen en het ontstekingsproces
te doen opvlammen. Dit uit zich in het voorkomen van kleine
vlokjes in de melk, iets opzetten van het aangetaste kwartier en
een verminderde melkgift uit dat kwartier. De veehouder bedoelt
dit als hij spreekt van het in de war zijn van het uier en een goede
melker merkt zelfs nog kleinere afwijkingen op, als hij zijn dieren
goed kent.

Het spreekt vanzelf dat ik hier de zeer chronische lichte ge-
vallen op het oog heb.

Slechte melkers, vreemde melkers, tochtigheid en droogzetten
worden door den veehouder dikwijls als oorzaak van het ontstaan
van uierontsteking beschouwd. Deze factoren zijn natuurlijk wel
praedisponeerend voor het ontstaan, doch ik geloof dat de uiers
welke niet tegen deze factoren kunnen, reeds zijn aangetast. Het

-ocr page 87-

feit dat vele dieren op het achterblijven van melk in den uier niet
reageeren versterkt mij in deze meening.

Diagnose. De clinische diagnose van de streptococcen-uieront-
steking is in de gevallen waarin afwijkingen aan uier of melk
voorkomen, gemakkelijk te stellen. Men moet rekening houden
met het feit, dat ook andere bacteriesoorten oorzaak kunnen zijn,
doch deze ontstekingen hebben wel hun bijzondere eigenschappen.
Zekerheid omtrent de oorzaak geeft alleen de microscoop.

Uit hetgeen bij het verloop is behandeld blijkt reeds, dat
ieder dier dat bij slecht uitmelken, vreemde melker, tochtigheid
enz. afwijkingen aan uier of melk krijgt, of z.g. slecht wil drogen
hoogstwaarschijnlijk chronisch is aangetast.

De bacterioscopische diagnose is ook in vele gevallen gemakke-
lijk te stellen. Men moet echter rekening houden met de zeer
wisselende hoeveelheden streptococcen in de melk.

Vooral in sterk besmette stallen zal het gemakkelijk gebeuren
dat men bij een enkel onderzoek der afzonderlijke koeien niet alle
aangetaste dieren vindt. Een meermalen herhaald onderzoek is
daar soms noodig.

Het spreekt vanzelf dat men om de zeer chronische gevallen
aan te toonen, zeer zeker niet op een enkel onderzoek kan afgaan.
In vele gevallen zal daarvoor een geregeld herhaald onderzoek
van de melk der afzonderlijke koeien noodig zijn.

Therapie. Uit hetgeen het onderzoek van de melk van de koeien
welke op verschillende manieren behandeld werden mij heeft ge-
leerd, krijg ik hoe langer hoe meer de overtuiging, dat geen enkele
behandeling het ontstekingsproces kan genezen en de streptococcen
blijvend uit de melk kan doen verdwijnen. Wel zijn verschillende
behandelingen van invloed op de hoeveelheid streptococcen in
de melk.

Veelal is een vermindering van het aantal merkbaar, soms ver-
dwijnen ze tijdelijk, maar wanneer men de betrokken dieren blijft
vervolgen komen ze steeds terug.

Uit den invloed van het achterblijven van melk in den uier
blijkt reeds dat het wegnemen van deze factor van groot belang
zal zijn.

Goede melkers doen in vele gevallen het aantal streptococcen
sterk verminderen. Hiervan zijn mij typische gevallen bekend.

Zoolang de knecht de aangetaste koe melkt, veel streptococcen
in de melk, zoodra de boer het dier gaat melken een sterke ver-
mindering.

Goed en dikwijls uitmelken is dan ook momenteel m. i. het
eenigste wat men kan doen. Dat daarmee de ontsteking absoluut
geneest geloof ik niet.

Bestrijding. Voor de bestrijding der ziekte is in de eerste plaats
noodig, dat de dieren welke zijn aangetast, alle bekend zijn. Bij

LVI 6

-ocr page 88-

de diagnose is er reeds op gewezen dat men door enkel clinisch
onderzoek moeilijk alle aangetaste dieren kan vinden. Men moet
dan ook zijn toevlucht nemen tot het microscopisch onderzoek van
het melksediment.

Het meest voor de hand liggende zou zijn dat men van de melk
van alle koeien afzonderlijk geregeld monsters onderzocht. In de
practijk stuit dit echter op ernstige bezwaren, vooral wat betreft
het nemen der monsters. Daarom onderzoekt men de afgeleverde
melk van een bepaalde boerderij op aanwezigheid van strepto-
- coccen.

Hierbij doet zich echter de omstandigheid voor, dat men voor-
al bij grootere boerderijen een sterke verdunning zal krijgen, b.v.
de melk van een aangetast kwartier komt bij de melk van 30 a 40
andere koeien (1 a 2 L. bij ongeveer 200 a 300 L.). Om dit bezwaar
te ondervangen kan men de monsters nemen uit iedere bus van
40 L.

Wanneer op deze wijze in de melk, van een bepaalde boerderij
afkomstig, streptococcen worden gevonden, wordt door onderzoek
van melkmonsters der afzonderlijke koeien uitgemaakt welk dier
is aangetast, en den veehouder aangeraden dit dier het laatst te
melken, om daardoor de kans op verdere besmetting zoo gering
mogelij k te maken.

Bij dit onderzoek stuit men echter op moeilijkheden ten gevolge
van de zeer wisselende hoeveelheden streptococcen in de melk
en de moeilijkheid van liet opsporen der lichte gevallen. Er komen
dan ook steeds gevallen voor, waarbij men bij een enkel onderzoek
niet alle aangetaste dieren vindt, vooral in sterk besmette stallen.
Dan is dikwijls een herhaald onderzoek noodig.

In streken waar de veehouders van het nut der bestrijding over-
tuigd zijn, lijkt het mij zeer gewenscht, dat men niet alleen dan
wanneer streptococcen in de afgeleverde melk voorkomen monsters
der afzonderlijke koeien laat onderzoeken, doch dit in den aanvang
der bestrijding geregeld b.v. een maal per maand doet. Op deze
manier heeft men een veel grootere zekerheid dat men alle aange-
taste dieren leert kennen. Wanneer dan de veehouder slechts de
aangetaste dieren het laatst melkt, is de kans op besmetting van
andere dieren zeer gering geworden en zou men het geregeld onder-
zoek der afzonderlijke koeien kunnen staken.

Van het opvolgen van bovengenoemd advies is men echter nooit
zeker en bovendien bestaat steeds de mogelijkheid dat door speen-
betrapping of andere verwondingen nieuwe gevallen ontstaan.
Daarom zal naast het geregeld onderzoek der afgeleverde melk het
onderzoek van monsters van de melk der afzonderlijke koeien
noodig blijven, zij het met grootere tusschenpoozen, afhankelijk
van de medewerking van den veehouder.

Een vraag welke zich bij de bespreking der bestrijding voordoet,

-ocr page 89-

is wat er moet geschieden met de dieren welke zijn aangetast en
de melk uit de zieke kwartieren.

Bij beantwoording hiervan moet men rekening houden met twee
belanghebbenden nl. de veehouder en de consument van melk en
melkproducten.

Het belang van den veehouder is het zooveel mogelijk voorko-
men van verdere besmetting, het belang van den consument is dat
hij gevrijwaard wordt voor het gebruik van afwijkende melk en
melkproducten hieruit bereid. Men zal dus in de eerste plaats
moeten voorkomen dat de melk uit de aangetaste kwartieren voor
consumptie-doeleinden wordt afgeleverd.

Voor den veehouder komt het er dus op neer dat hij de melk
uit het zieke kwartier weg moet melken, of in een afzonderlijk
emmertje opvangen en later vernietigen of de z.g.n. zieke melk
in een afzonderlijke bus afleveren.

Een vierde mogelijkheid bestaat hierin, dat het zieke kwartier
wordt droog gezet. Hieraan is een zeker gevaar voor algemeen
ziek worden van de koe verbonden. In vele gevallen lukt het echter
een dergelijk kwartier droog te krijgen en de koe verder als drie-
speen door te melken. Het komt mij voor dat dit geval voor het
voorkomen van verdere besmetting het meest afdoende is.

Wanneer men den veehouder aanraadt, de melk uit het zieke
kwartier weg te melken bij voorkeur door ze in een afzonderlijk
emmertje op te vangen, begint veelal het afzonderlijk melken van
zoo\'n enkel kwartier spoedig te vervelen, en wordt het dikwijls
minder goed uitgemolken, en op deze wijze op den duur droog.
Dit is dan ook een reden dat ik voor deze wijze van bestrijding
het meeste voel.

Wanneer het droogzetten van een dergelijk kwartier niet gelukt,
of de koe er ziek door wordt zou men er toe over kunnen gaan, het
betrokken kwartier door inspuiting met scherpe oplossingen te
te doen opdrogen.

Wanneer men den veehouder toestaat de z.g.n. zieke melk in
een afzonderlijke bus af te leveren, zal hij de betrokken koe ge-
woon melken en alle melk als zieke melk afleveren. Men maakt
het op deze wijze wel gemakkelijk voor hem, doch hij zal er niet
door worden overtuigd dat het hebben van koeien met een aan-
getast kwartier voor hem schadelijk is en gevaarlijk voor zijn
andere koeien.

Bij de bespreking van wat er met de aangetaste dieren moet
geschieden, heb ik mij op het standpunt gesteld, dat absolute ge-
nezing zelden of nooit voorkomt. Wanneer een methode wordt
gevonden waarmede dit wel mogelijk is, zou men de melk na ge-
nezen verklaring weer voor aflevering toe kunnen staan.

Bij de bestrijding der ziekte heb ik steeds de veehouders aan-
geraden de melk uit de aangestate kwartieren thuis te houden en

-ocr page 90-

te vernietigen en er ook den melkhandel steeds op gewezen, indien
eenigszins mogelijk geen melk van zieke dieren te ontvangen.
Het resultaat is dan ook geweest, dat bij een groot aantal vee-
houders de overtuiging veld begint te winnen, dat zij voorzichtig
moeten zijn met het aankoopen van dieren. Verschillende vee-
houders zenden reeds direct een monster melk van aangekochte
dieren ter onderzoek op streptococcen.

Waar thans reeds een goede 3 jaar de bestrijding op hiervóór
beschreven wijze door het Contrólestation wordt toegepast, kan
ik omtrent het resultaat van deze bestrijding het een en ander
meedeelen.

In de eerste plaats zijn er vrij veel leveranciers, waarbij het
laatste jaar en bij sommige nog langer, geen streptococcen in de
afgeleverde melk zijn gevonden, terwijl deze vroeger geregeld
voorkwamen.

Het verloop van de aanwezigheid van streptococcen in de afge-
leverde melk maakt het mogelijk eenige groepen te onderscheiden
nl. ten i°. gevallen waarbij (vooral in den herfst) een enkele maal
streptococcen in de afgeleverde melk voorkomen. Dikwijls wordt
ons in dit geval bericht dat een koe is gevonden met een afwijkend
kwartier en dit dier is droog gezet, of dit geschiedt na onderzoek
van monsters melk der verschillende koeien, waarbij er een met
streptococcen is gevonden.

Hier betreft het dikwijls dieren welke gedurende het geheele
jaar slechts weinig streptococcen in de melk hebben, zoodat deze
in de afgeleverde melk niet worden gevonden. Tegen het droog-
zetten neemt de hoeveelheid streptococcen toe.

Ten 2e : Gevallen waarbij na het opsporen der aangetaste kwar-
tieren eenigen tijd geen streptococcen worden gevonden, tot deze
plotseling weer in de melk voorkomen. Dan worden direct weer
monsters van de melk van alle verschillende koeien onderzocht
en blijkt dikwijls dat een nieuw aangekochte koe en soms ook een
nieuw besmet dier de oorzaak is. De veehouder is in deze gevallen
meestal niet voldoende overtuigd van de besmettelijkheid van het
lijden.

Ten 3e : Gevallen waarbij bijna iedere week in de afgeleverde
melk meer of minder streptococcen voorkomen. Soms is onwil
hiervan de oorzaak. Dan worden ook meestal geen monsters van
de melk van de afzonderlijke koeien gezonden, of men zendt mon-
sters welke met opzet verkeerd zijn genomen om het Contrôle-
station te misleiden of het onderzoek op de proef te stellen.

Het geregeld voorkomen van streptococcen wijst echter niet
altijd op onwil.

Vooral in sterk besmette stallen vindt men door een enkel
onderzoek soms niet alle aangetaste dieren en blijven daardoor
ondanks den goeden wil van den veehouder, streptococcen in de

-ocr page 91-

afgeleverde melk voorkomen. In deze gevallen kan alleen een her-
haald onderzoek van de melk aan alle koeien afzonderlijk alle aan-
getaste dieren doen kennen.

In streken waar dit niet als een vast systeem wordt toegepast,
is het meestal moeilijk om de veehouders te overtuigen dat men
hij een onderzoek van de melk der afzonderlijke koeien niet direct
aHe aangetaste dieren vindt. Men vindt dan dat het onderzoek
niet deugt.

Ten 4e : Gevallen waarbij na het opsporen der aangetaste kwar-
tieren de bussen nu en dan nog verdacht zijn en soms zelfs strepto-
coccen bevatten. Dan wordt de melk uit de aangetaste kwartieren
meestal niet zorgvuldig genoeg uit de afgeleverde melk gehouden.
Nieuw besmette dieren komen in dit geval ook dikwijls voor.
Vooral wanneer de zieke melk mag worden afgeleverd doen zich
deze gevallen nog al eens voor. Herhaaldelijk blijkt ons dat in de
z.g.n. bus met melk van zieke dieren dan geen streptococcen voor-
komen terwijl deze in de andere bussen wel worden gevonden.

Ten 5e : Gevallen waarbij na het opsporen der zieke kwartie-
ren soms na herhaald onderzoek van melkmonsters van alle koeien,
langen tijd in de afgeleverde melk geen streptococcen meer wor-
den gevonden. Droogzetten van zieke kwartieren, verkoopen van
aangetaste dieren of zeer zorgvuldig vernietigen der zieke melk,
maken deze gevallen mogelijk.

Het aantal van deze laatste gevallen neemt steeds toe, evenals
de tijd dat reeds geen streptococcen meer in de afgeleverde melk
werden gevonden. Ik ben er dan ook van overtuigd, dat het moge-
lijk is een veestapel streptococcenvrij te maken, haar langen tijd
vrij te houden en bij weder optreden haar spoedig weer te zuiveren.

In de gevallen waarin streptococcen blijven voorkomen, zij het
meer of minder dikwijls, vinden hun verklaring in 2 feiten :

i°. Een onvoldoende bekendheid der veehouders met de be-
smettelijkheid der ziekte en de schade welke zij veroor-
zaakt,

2°. een onvoldoende bekendheid met of angst voor de bepaling
van het melkbesluit, dat het afleveren van melk met strep-
tococcen strafbaar stelt.

Hiermede kom ik aan de vraag of bestrijding der streptococcen-
mastitis wenschelijk is. Bij de bespreking daarvan kan men twee
belanghebbenden onderscheiden : vooreerst de consument, ten
tweede den veehouder.

Men kan zich op het standpunt stellen, dat streptococcen slechts
weinig gevaarlijk zijn voor den mensch, of dat ze door pasteuri-
seeren gedood worden, doch het blijft toch een zeer onsmakelijk
idee dat men het gebruik van melk of etter uit ontstoken uiers
toelaat.

Ook al is uiterlijk aan dergelijke zieke melk geen afwijking te

-ocr page 92-

zien, toch blijft het een pathologisch product, waarvoor men de
consument m. i. moet beschermen.

Voor den veehouder acht ik het ook van groote beteekenis dat
de streptococcenmastitis wordt bestreden. Daar deze ziekte alge-
meen verspreid voorkomt, zal de schade welke er door wordt ver-
oorzaakt niet gering zijn. Het is alleen zeer moeilijk hieromtrent
getallen vast te stellen.

Er zijn mij echter verschillende gevallen bekend, dat veehou-
ders klaagden over een slechte melkopbrengst, terwijl bleek dat
vele koeien door een streptococcenontsteking waren aangetast,
zij het in \'t algemeen in lichte mate.

Aan den anderen kant worden verschillende koeien, welke door die
ziekte zijn aangetast, driespeen. Vooral voor fokkers is dit een
aanmerkelijke schade.

Ten slotte blijkt dat in vele gevallen de algemeene zindelijkheid
in het veehoudersbedrijf en de reinheid van de afgeleverde melk
verbeteren, wanneer een veehouder met onze hulp de aangetaste
dieren heeft leeren kennen en streptococcenvrije melk aflevert.
Hij leert als het ware meer op zijn werk te letten.

Ook uit het oogpunt van algemeene verbetering der hygiëne bij
de melkwinning acht ik daarom het bestrijden der streptococcen-
mastitis van belang.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser behandelt Vorkommen, Ursache, Art der Krankheit, Verlauf, Diagnose,
Therapie und Bekämpfung der Streptokokkenmastitis.

Die Aufmerksamkeit wird auf die grosse Verbreitung der Krankheit und auf die
verschiedenen Formen der Streptokokken gelenkt. Die Krankheit wird in verschie-
denen Formen beobachtet, von akut bis sehr chronisch ; in den letzten Fällen
sind keine makroskopischen Veränderungen an der Milch und an dem Euter
nachweisbar.

Absolute Heilung, in dem Sinne, dasz die Milch keine Streptokokken oder Leuco-
syten mehr enthält, kommt selten oder nie vor.

In verschiedenen chronischen Fällen findet man nur am Ende der Laktations-
periode, und in andern Fällen wenn Milch im Euter zurückbleibt, Streptokokken
in der Milch. Die Rentention der Milch im Euter scheint den Entzündungsprozess
hervorzurufen und eine prädisponierende Wirkung zu haben.

Infolge der stark wechselenden Zahl der Streptokokken ist es manchmal schwer
in einem Stalle gleich alle infizierten Tiere herauszufinden.

Bei keiner Behandlung sah Verfasser eine vollständige Heilung nur oft eine
Verminderung der Zahl der Streptokokken in der Milch, wahrscheinlich auch infolge
des häufigen Ausmelkens das bei fast jeder Behandlung empfohlen wird. Um eine
weitere Infektion vorzubeugen, werden die kranken Tiere
zuletzt gemolken.

Damit alle infizierten Tiere ausfindig gemacht werden, empfiehlt es sich das
erste Jahr die Einzelproben jeder Kuh monatlich zu untersuchen, während später
eine regelmässige Untersuchung von Proben der Mischmilch genügt.

Diese Bekämpfungsmethode ergab gute Resultate.

SUMMARY.

The author discusses the occurrence, cause, course, diagnosis, therapeutics
and control of streptococcic mastitis.

Attention is drawn to the great spread of the disease and the variations in the

-ocr page 93-

types of streptococci. There is considerable variation in the form of the disease,
ranging from acute to chronic ; in the latter cases macroscopically no change is
observed in the udder and in the milk. An absolute recovery in the sense that the
milk is entirely free from streptococci or leucocytes seldom or never occurs.

In several of these chronic cases it is only at the end of the lactation-period (or
in other cases when milk is retained in the udder) that streptococci are found in
the milk. The retention of milk seems to set up inflammation and to have a very
predisposing action.

The highly varying quantity of streptococci renders it difficult to detect at
once all infected animals in the byre.

So far no treatment appears to be effective only a diminution in the number of
streptococci in the milk was observed in many cases, probably also as a result
of the regular stripping out, prescribed in nearly all treatments. In order to prevent
the disease from spreading in the byre, the infected cows should be milked last.

In order to detect all affected cows, a regular monthly sampling of the cows
separately for the period of a year is recommended, later on a regular examina-
tion of the delivered milk is sufficient.

This method of combating the disease has given good results.

RÉSUMÉ.

L\'auteur traite la cause, la marche, la diagnose et la thérapeutique de la mam-
mite streptococcique et la lutte contre cette maladie.

Il appelle l\'attention sur la fréquence de cette mammite et sur les formes diffé-
rentes des streptocoques. La maladie paraît se présenter sous des formes extrê-
mement variées, aiguës ou chroniques : dans ces derniers cas la mamelle et le lait
ont souvent macroscopiquement une apparence normale.

Une guérison absolue, en ce sens qu\'il n\'y a plus de streptocoques ou de leuco-
cytes dans le lait s\'observe rarement ou jamais.

Dans plusieurs de ces cas chroniques on ne trouve des streptocoques dans le
lait qu\'à la fin de la période de la lactation. La rétention de lait dans la mamelle
parait provoquer le processus inflammatoire et avoir une action très prédispo-
sante. Par suite de la quantité très variable de streptocoques il est parfois très
difficile de rechercher tous les animaux infectés dans une étable.

Quoiqu\'aucun traitement n\'amenât une guérison absolue, l\'auteur observait
fréquemment une diminution du nombre des streptocoques dans le lait, probable-
ment par suite des traites répétées, recommandées dans tous les traitements.

Pour prévenir la dissémination des germes dans une étable infectée, la traite est
effectuée sur les animaux malades en dernier lieu.

Afin de rechercher, tous les animaux infectés on recommande d\'examiner men-
suellement le lait des différentes vaches et cela pendant une année après quoi
on peut se contenter d\'examiner, régulièrement un échantillon du lait délivré.

Ce mode de combattre la maladie a donné de bons résultats.

-ocr page 94-

BESTRIJDING DER TUBERCULOSE,

DOOR

K. R. KUIPERS.

Hij die de verslagen van de werkzaamheden der Rijksserum-
inrichting over de jaren 1905 tot en met 1910 leest, vindt daarin
uitgebreide staten, betrekking hebbende op de bestrijding der
tuberculose onder het rundvee. Toen op 1 Januari 1905 het Kon.
Besl. van 2 Sept. 1904 in werking trad, was men van meening
dat de tuberculose niet in die hevige mate verbreid was, zooals
wij nu weten, en waren tal van deskundigen van meening, dat
uitroeiing mogelijk was. Ons land, dat zich vrij gemaakt had van
pest en longziekte, was h. i. ook in staat om tuberculose en mond-
en klauwzeer te bedwingen.

Men vergiste zich deerlijk. Theorie en praktijk zijn zoo hemels-
breed verschillend van elkaar, dat veel, wat in studeerkamer en
laboratorium mogelijk is, absoluut verkeerd uitpakt in de praktijk.

Op i Januari 1905 stonden de praktizeerende veeartsen voor
het feit het physisch onderzoek haarfijn te moeten beoefenen. In
die jaren was de differentieel-diagnostiek van tal van runder-
ziekten nog zeer moeilijk. Gebrek aan tijd, onvoldoend onderzoek,
medelijden met veehouders, welke sterk besmette koppels hadden,
waren oorzaak, dat deze wijze van bestrijding niet ging.

Voeg hierbij de weinige medewerking van tal van veehouders,
die hun wrak vee gaarne aan de regeering overdeden, maar wei-
gerden om t.b.c.-vee, dat momenteel nog voor hun bedrijf oeco-
nomische waarde had,af te staan, en de ontnuchtering van hen,
die geloofd hadden in een spoedige succesvolle bestrijding
feiten, waardoor het onmogelijk was om te slagen.

Voor de praktizeerende veeartsen waren die jaren een uit-
muntende leerschool, waarin zij zich konden bekwamen. Hun
onderzoek werd getoetst aan de sectie, en daaruit werd zeer veel
profijt getrokken.

Veel geld heeft deze bestrijdingsmethode gekost, maar wij heb-
ben ook veel geleerd, o. a. dat deze methode niet de goede was,
en dat de tuberculose niet zoo heel gemakkelijk uit te roeien was.
De opzet was in orde : nl. het physisch onderzoek.

In 1905 werden overgenomen 2556 runderen, waarvan 59.5 %
leed aan open, 16.2 % aan gesloten en 24.1 % aan andere öf geen
ziekten.

In 1906 4225 dieren : 65 % open, 16.7 % gesloten, 18.2 % aan
andere ziekten.

In 1907 4976 dieren : 68.8 % open, 16.1 % gesloten, 15.1 % aan
andere ziekten.

-ocr page 95-

In 1908 7774 dieren : 65.3 % open, 17.7 % gesloten, 17 % an-
dere ziekten.

In 1909 5720 dieren : 65.8 % open, 20.5 % gesloten, 13.7 %
andere ziekten.

In 1910 1792 dieren : 73 % open, 18.2 % gesloten, 88. % andere
ziekten.

In 1905 waren de percentages voor Zuid-Holland, N.-Holland,
en Friesland als volgt : 61.5, 58, 70 % open ; 18.5, 17.5, 12 %
gesloten, 20, 24.5, 18 % andere ziekten.

Voor 1906 : 69.3, 62.1, 71.9 % open ; 17.8, 18, 6.9 % gesloten ;
12.8, 19.9-, 22.2 % andere ziekten.

Voor 1907 : 73.3, 62.2, 72.8 % open ; 18.1, 13.6, 6.5 gesloten ;
8.6, 24.2, 20.7 % andere ziekten.

In 1905 leden van 1044 reactiedieren 59I % aan open tuber-
culose.; in 1906 van 2319 reactiedieren 67.4 %; in 1907 van 3259
reactiedieren 69 %.

In 1905 werden na koppelonderzoek aangeboden 326 runderen,
in 1906 673, en 1907 811 dieren. Van deze dieren leed een zeer
groot % aan gesloten t.b.c. öf aan andere ziekten.

Deze opsomming van cijfers, hoe droog ook, zegt genoeg. Zij
vertellen, dat het onderzoek in den loop der jaren nauwkeuriger
werd, maar dat het aantal miswijzingen een zeer groot percentage
was en bleef.

Een groot aantal runderen werd overgenomen na tuberculinatie.
Na koppelonderzoek werd een m. i. betrekkelijk gering aantal
dieren gevonden.

Door den prakticus is ook zeer moeilijk een goed koppelonder-
zoek te verrichten. Gebrek aan tijd en hulp ; onrust in den stal
en buiten ; ongunstig weer, en niet het minste, het vermoeiende
van dezen inspannenden arbsid. Een stal vee is niet te onderzoeken
in een paar uur. Begrijpelijk is dat men dan liever grijpt naar de
tuberculine — maar daarmee is ook de basis gelegd voor tal van
fouten, die zich later wreken.

De tuberculine is een machtig, diagnostisch hulpmiddel in
de handen van den ervaren klinikus, maar het gaat niet aan om
het onderzoek hierop te baseeren.

Hoe hooger de reactie is, des te minder gevaar men loopt voor
miswijzingen — maar uitgesloten zijn zij in geenen deele. Een
grenstemperatuur bepalen, waaronder men met zekerheid het
bestaan van tuberculose kan uitsluiten, bestaat niet. Komt de
temperatuur slechts tot 40° öf daaronder, dan wordt het aantal
miswijzingen grooter. Reactie geeft niets aan omtrent den aard
van het proces. Dit kan ons uitsluitend een zeer nauwkeurig

-ocr page 96-

klinisch onderzoek leeren. En zoo is het met de ophtalmoreactie
eveneens !

De tuberculosebestrijding staat thans weer in het teeken des
tijds. Praktizeerende dierenartsen zullen zoo dadelijk weer dit
onderzoek gaan verrichten, na loven en bieden. Sommigen maken
reeds reclame voor deze bestrijding, en wekken veehouders op,
maken hen warm voor deze zaak, bang zijnde, dat deze nieuwe
bron hun ontgaan zal. Groote hoeveelheden tuberculine zullen
gebruikt worden, en de geschiktheid van den dierenarts zal thans
beoordeeld worden naar het door hem gebruikte kwantum. De
zeer weinige secties zullen niet het kriterium zijn van \'s mans
capaciteiten. Wij zullen weer een klinisch onderzoek zien herleven,
als in vroeger jaren.

Het stelsel van het Kon. Besl. van Sept. 1904 ging uit van
zeer goede inzichten. Dat het fiasco leed was te wijten aan de wei-
nige medewerking van betrokkenen en aan het soepele karakter
der maatregelen. Geen dwang ; enkel een vriendelijk verzoek om
medewerking. Hiermee is in het groot niets te bereiken !

In de bestrijding der tuberculose weegt niet het zwaarste de
tuberculinatie, maar wel het klinisch onderzoek. Wanneer men
tevreden is met één onderzoek per jaar, dan kunnen wij gerust
zeggen, dat het nut nihil zijn zal. Voeg daar dan bij, dat de vee-
houders zeer moeilijk hun reactiedieren kunnen afzonderen en
niet in staat zijn te zorgen voor een tuberculose-vrije opfok, dan
kan men ook gerust profeteeren.

Een veehouder, die er uit wil komen, kan dat ook. Het kost
hem opofferingen en moeite ! Maar een bestrijding in het groot,
die zoo min mogelijk geldelijke zorgen mag brengen, en zoo soepel
mogelijk toegepast zal worden, voert tot een groote desillusie.
Het particulier belang van den veefokker vraagt om bestrijding,
die met onze kennis uit te voeren is met inachtneming van alle
mogelijke hygiënische voorzorgen. Maar deze bestrijding kost in
het groot zeer veel geld en arbeid.

De verslagen doen U zien hoeveel miswijzingen er zijn. Alles
wat geen open tuberculose is, is een miswijzing, en daartoe be-
hooren ± 30 % der secties. Het gaat niet aan om deze dieren te
merken, want het merk geeft waarschijnlijk aan dat wij het mis
hebben. Hoeveel runderen genezen er nog wel? Zes maanden ver-
blijf in een sanatorium doen bij mensch en dier wonderen. De
vleeschkeuring leert ons, dat het % tuberculose bij vet vee vrij
hoog is. De slijters ruimt de boer zelf wel op !

Men bestudeere de sectieverslagen der R. S. I. en men zal hui-
verig zijn om te adviseeren tot slachting na tuberculinatie. Zal
men de reageerende nieuwkoopen teruggeven aan de verkoopers?
Zal men ze durven slachten? Zal het Rijk dwingen tot terugname?

-ocr page 97-

Zal de behandelende dierenarts een attest afgeven, en een proce-
dure wagen?

De ondervinding leert dat menigmaal jong vee reageert, en dat
de hertuberculinatie na eenige maanden negatief is ; maar ook,
dat andere dieren een reactie vertoonen, die maanden geleden
niet reageerden, maar geïnfecteerd werden door patiënten, die
wij niet vroegtijdig onderkend hadden.

Zooals de toestand hier in de Rijnstreek is, waar de veehouders
jaarlijks tal van koeien invoeren van heinde en ver, daar zal de
bestrijding mis loopen. Een enkeling kan zijn bedrijf gaande hou-
den door aanfok, maar door de reusachtige verbreiding van be-
smettelijk verwerpen en opbrekers, moet veel nieuw vee van elders
aangevoerd worden. Wordt de tuberculose-bestrijding hier ernstig
aangepakt, dan zal de financieele schade enorm zijn, en zullen
alleen de kapitaalkrachtige veehouders slagen ; want de tuber-
culose is hier zeer verbreid !

De schade die de ziekte aan een bedrijf veroorzaakt is zeer
groot — maar iedere veehouder kan met behulp van zijn dieren-
arts haar beperken op de meest oeconomische wijze ! De bestrij-
ding met tuberculine als basis zal het bedrijf zoodanig dupeeren,
dat het kapitaal van den veehouder groot gevaar loopt.

Voorlichting van veefokkers, en tuberculosevrije opvoeding van
het jonge vee zijn m. i. de factoren die bij de bestrijding onmisbaar
zijn. Men moet verzekerd zijn van de volle medewerking van be-
langhebbenden om een kans te hebben te zullen slagen. Voegt
men hierbij een onderzoek om de 3—4 maanden, afzondering
der reactiedieren en slachting der open lijders, dan zal men resul-
taten boeken, minstens even goed en veel minder kostbaar dan
de bestrijding met tuberculineeren als hoofdfatctor.

Herhaald physisch onderzoek in den uitgebreidsten zin van de
reactiedieren is beslist noodig ! Dan blijft de tuberculine, in welken
vorm ook, het diagnostisch hulpmiddel, en blijven wij dierenarts
in de volle beteekenis des woords èn geen verstokte oogdruppelaars.
De tuberculine is niet onfeilbaar !

In Zuid-Holland waar zoo buitengewoon veel vee jaarlijks inge-
voerd wordt ; waar bijna nog overal de kaas thuis gemaakt wordt ;
waar een zeer groot aantal onhygiënische veestallen zijn, en waar
de tuberculose enorm verbreid is, daar zal de strijd lang duren
en het succes voorloopig zeer mager zijn.

Tuberculose-bestrijding is een nationaal belang. Maar dan moet
de Staat ook anders ingrijpen, dan zij thans doet. De hulp die de
Regeering thans geeft is zóó gering, dat iedere veehouder die kan
missen. Zóólang de bestrijding geschiedt als nu het geval is, ligt
het niet op den weg der Regeering controle uit te oefenen, want
het is een particuliere onderneming, en geen nationale zaak. Het
zijn thans nog particuliere belangen, en geen nationale belangen.

-ocr page 98-

Controle is alleen m. i. noodzakelijk, zoodra de bestrijding
werkelijk een Staatszorg geworden is. Nu lijkt alles op een steek-
proef, welke m. i. overbodig is.

Wil de bestrijding succes hebben, dan zal de Staat dwingend
moeten optreden ! Dan zou geëischt moeten worden, dat het fok-
vee minstens 2 maal per jaar onderzocht werd. Geëischt zou
moeten worden dat de melkfabrieken onder controle komen ; dat
consumptiemelk afkomstig moet zijn van tuberculose-vrije dieren;
enz.

Want heel eigenaardig hooren de veehouders nu alleen iets van
de melkfabrieken, als er streptococcen gevonden worden, öf wa-
ter —• maar van tuberkel-bacillen zwijgt men. En de melkboe-
ren? Wij weten allen, dat bij hun vee veel tuberculose-lijders voor-
komen.

Zooals de toestand nu gaat worden in de Rijnstreek, zal het
resultaat mimiem zijn, en één groote desillusie ! Het gaat niet aan
om de veehouders op te wekken tot toetreding met een belofte
van z.g.n. milde maatregelen en de hoop, dat de Regeering gun-
stiger voorwaarden zal geven. Het komt niet te pas te zeggen,
dat de reactiedieren toch wel zullen groeien, en geschikt zullen
zijn voor mesterij, èn dat de merken op de klauwen verdwijnen
zullen. Geef ze dan een brandmerk !

Particuliere bestrijding is mogelijk. Dat behoeft niet nogmaals
gedemonstreerd te worden. Iedere veehouder kan een tubercu-
losevrij beslag krijgen binnen enkele jaren, mits hij zijn volle mede-
werking geeft. Geeft hij die niet, èn dat is in de kaasstreek van
Zuid-Holland zeer moeilijk, dan komt hij er nooit uit, en laat hij
spoedig den moed zakken.

Wil men werkelijk eens zien hoe de tuberculose hier verspreid
is — welnu men ga zijn gang. Dat wisten wij in 1905 reeds ; maar
kunnen nu ook gerust profeteeren, dat de resultaten niet zullen
meevallen, omdat alle meewerkende factoren hier ontbreken.

Theoretisch is de tuberculose-bestrijding o zoo gemakkelijk,
maar de praktijk zal leeren, dat het op deze wijze niet zal gaan.
Zoolang de stallen zóó ingericht zijn als thans, tuberculose-vrije
opfok ontbreekt, jaarlijks tal van nieuwkoopen ingevoerd worden
en de kennis van tuberculose bij de veehouders nog miniem is ;
zóólang zal een bestrijding onmogelijk zijn.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Tuberkulose ist in Holland sehr verbreitet.

Die Bekämpfung derselber ist von grosser Wichtigkeit und wird nur dann Erfolg
haben. Wenn sie von Staatswegen unterstützt und in meist ökonomischer und
wissenschaftlicher Weise durchgeführt wird. Jedoch ist der Tierbesitzer auch ohne
Unterstützung des Staates, mit Hilfe seines Tierarztes, imstande die Tuberkulose
in seinem Viehbestande erfolgreich zu bekämpfen.

Die Tuberkulosebekämpfung soll solange noch keine praktische Immunisierungs-
methode besteht, auf folgenden Grundlagen beruhen :

-ocr page 99-

- 8.5 -

a. obligatorische, eingehende klinische Untersuchung inkl. bakteriologische Un-
tersuchung ; Schlachtung der Tiere mit offener Tuberkulose.

b. Aufzucht der Kälber mit tuberkulosefreier Milch.

c. Die Verwendung des Tuberkulins nur als diagnostisches Hilfsmittel.

d. Kontrolle der zur Verfütterung bestimmten Molkereiprodukte die den Vieh-
bezitzern zurück geschickt werden.

e. hygiënische Einrichtung der Ställe.
/. Belehrung der Viehzüchter.

SUMMARY.

The author records the widespread occurrence of tuberculosis in Holland.
The control of the disease is of national importance and will only have a chance
of succes with the assistance of the government and when applied in a most econo-
mic and scientific manner. However, much may be done by cattleowners themsel-
ves to free their herds from tuberculosis without support of the government but
in collaboration with their veterinary surgeon.

As long as there is no practical method of immunization, the control of the disease
must be based on the following measures :

a. compulsory thorough clinical examination inclusive bacteriological examina-
tion at least three times a year ; slaughter of animals with open tuberculosis.

b. calf-rearing on tubercle-free milk.

c. the use of tuberculin only for diagnostical purposes.

d. control of the dairy products which return to the farm for calf-feeding.

e. hygienic construction of cow-sheds.
/. Enlightment to cattle-breeders.

RÉSUMÉ.

La tuberculose est très répandue en Hollande. La lutte contre cette maladie est
d\'une importance nationale et n\'aura des chances de succès qu\'à l\'aide de l\'Etat.

Pourtant, aussi sans l\'intervention de l\'Etat le propriétaire peut combattre la
tuberculose dans son cheptel, seulement en collaboration de son véterinaire.

Aussi longtemps que l\'on n\'aura pas découvert une methode d\'immunisation
répondant d\'une manière suffisante aux exigences de la pratique, la lutte contre
la tuberculose devra être basée sur les directives suivantes :

ci. Un examen clinique, minutieux obligatoire, inclusivement un examen bacté-
riologique au moins trois fois par an ; l\'abatage des animaux tuberculeux avec
des lésions ouvertes.

b. L\'élevage des veaux au lait exempt de bacilles tuberculeux.

c. L\'utilisation de tuberculine seulement pour le diagnostic.

d. Le contrôle des produits de laiterie, retournés à la ferme pour la nutrition des

veaux.

c. Construction hygiénique des étables.
/. Instruction préalable des éleveurs.

-ocr page 100-

INGEZONDEN.

Onderstaand Ingezonden stuk van collega Tenhaeff in het maandblad „de
Keurmeester" namen wij over, met het onderschrift van de Redactie van dat tijd-
schrift.

Op het verkeerde pad ?

Mijnheer de Redacteur.

Tot voor korten tijd heb ik steeds met veel belangstelling het streven van Uwen
Bond gevolgd en nam ik met genoegen kennis van den inhoud van Uw blad ,,De
Keurmeester". In de laatste nummers worden mij die belangstelling en dat genoe-
gen wel wat vergald en heb ik eerlijk gezegd wel eens moeite om een krassen uitroep
te smoren.

Aanleiding daartoe vormen een richting en een streven, die ik in Uw blad meen
te moeten opmerken, waarmede ik mij noch als dierenarts, noch ambtelijk kan
vereenigen en die ik zou willen betitelen : ,,Op het verkeerde pad ?"

In een Uwer vorige bladen kwam nl. een artikel voor van den Heer Bangma,
getiteld : „Tuberculose bij het varken" en waarin ook de voortgezette keuring
wordt besproken.

Het is niet zoozeer het onderwerp, dat mijn aandacht trok, als wel de vorm,
waarin het artikel is geschreven. Die vorm toch is m.i. niet vrij te pleiten van wat
men noemt : „aanmatigend", want hier worden op autoritairen toon dingen gezegd,
die ik mij, als dierenarts wel 2 maal zou bedenken om zoo maar aan mijn Collega\'s
voor te zetten, laat staan dus als hulpkeurmeester.

Maar afgezien daarvan meen ik toch te moeten opmerken, dat het terrein van de
voortgezette keuring niet dat des hulpkeurmeesters is, hoewel de Heer
Bangma in
zijn artikel toch maar geducht doet als of.

Men oordeele maar : „Wij .... ons .... wij .... enz. ... Al zegt de Heer B.
nu niet direct die keuring te hebben gedaan, hij verwekt toch blijkens zijn aange-
haald „ons .... wij .... enz." zeker den indruk, dat hij er terdege aan heeft mede-
gewerkt.

Intusschen staat het nog te bezien of de eigenlijke gang van zaken geheel over-
eenkomstig de werkelijkheid getrouw is medegedeeld. Ik heb geen reden om aan te
nemen, dat dit zoo is, kan dit ook tegenspreken en behoef dus eigenlijk niet op te
merken, dat indien dit wel het geval zou zijn geweest, de Heer
Bangma zijn bevoegd-
heid, neergelegd in § 12, Art. 64 van het Kon. besl. van 5 Juni 1920, S. 285, op
schromelijke wijze zou hebben overschreden en dan het met mij ambtelijk al lang
aan den stok zou hebben gehad.

Nu dit echter niet het geval is, rest mij alleen te constatceren, dat de Heer B.
zich tegenover zijn collega\'s een plaats heeft toegewezen en een toon heeft aange-
slagen, waarop hij toch nóch krachtens zijn opleiding, nóch krachtens zijn bevoegd-
heid recht had of die hem paste, omdat hij het terrein van den dierenarts had be-
treden.

Voor den ter zake kundige zijn er uit het artikel voldoende uitlatingen £e halen,
die bovenstaande waarheid wettigen.

In uw Blad van October 1.1., komen verder nog twee feiten voor, die mijn aan-
dacht trokken.

Het verslag van de door de Afd. Friesland, Groningen en Drenthe van Uwen
Bond op 28 September 1.1. gehouden vergadering vermeldt het feit, dat de Hr. 15.
een lezing hield over „Tuberculose". Het spijt mij, dat de verslaggever hier niet
wat uitvoeriger is geweest en zijn verslag over de lezing in algemeene termen heeft
gehouden. Het zou mij nl. intresseeren, wat de Heer B. hier heeft medegedeeld om
te kunnen nagaan of hij hier evenzeer over de schreef is gegaan en dat te bewijzen.
Nu kan ik niet anders vaststellen, dan dat de Hr. B. voor Uwen Bond een lezing
hield over Tuberculose en vraag ik mij alleen maar af : Is dit de juiste weg ? Wordt
hier ook het terrein van den dierenarts betreden ? Mijn antwoord op deze 2 vragen
kan niet anders dan resp. ontkennend en bevestigend luiden.

-ocr page 101-

In hetzelfde blad komen onder de rubriek ,.Vragen en antwoorden" een 3-tal
vragen voor, die ook al zeer beslist tot het terrein van de diergeneeskunde behooren
en niet tot het terrein van de werkzaamheden van den hulpkeurmeester. De op de
vragen, inzake miltvuur- en eiwit-onderzoek, gegeven antwoorden bewijzen dit
trouwens voldoende, (Het Ned. Vet. Lab. der Rijksuniversiteit te Utrecht gebruikt
de volgende methode) en ik meen tevens uit dit antwoord te mogen concludeeren,
dat de Redactie het met meerbedoeld streven eens is of er althans geen stelling
tegen neemt. Anders diende toch ronduit te worden gezegd : Dat is het terrein van
den dierenarts ; wij beantwoorden Uw vragen niet.

Mijnheer de Redacteur, ik meen met bovenstaande enkele grepen wel te hebben
aangegeven, waarheen ik wil en laten wij het dus maar precies zeggen : ,,lk bedoel,
dat door den keurmeester hier een terrein wordt betreden, dat niet het zijne is en
dat hij, noch krachtens zijn opleiding noch krachtens zijn bevoegdheid, kan betre-
den. Doet hij dit wel, dan kan hem worden verweten, dat hij zich schuldig maakt
aan leekengedoe".

Men begrijpe mij hier nu goed. Ik wil niet hiermede te kennen geven, dat ontwik-
keling dient te worden tegengegaan of geremd, neen, dat kan niet anders dan wor-
den toegejuicht en gelaakt indien het niet zoo was, maar dan alleen op zijn eigen
terrein en binnen de grenzen, die in dit speciale geval door de hierboven aangegeven
factoren worden getrokken, dus in ieder geval niet op een ander terrein, waarvoor
de bevoegdheid wordt gemist.

Dit laatste acht ik het verkeerde pad. Dit acht ik niet in het belang van Uwen Bond
en dit zal, zoo zeker als iets, te eeniger tijd aanleiding moeten geven tot ongewenschte
verhoudingen met Uw Chefs in casu de dierenartsen en Hoofden van Dienst.

Dat zou niet kunnen uitblijven en dat er dan ambtelijke conflicten zouden ont-
staan is duidelijk. Tegen overschrijding van bevoegdheden zal ondergeteekende
ambtelijk moeten opkomen en stelling moeten nemen ; ook als dierenarts zou ik
dit immers moeten doen.

Dit alles zou te betreuren vallen en zoover dient het dus niet te komen.

Ik wil dan ook aannemen, dat het bedoelde streven en de bedoelde richting nog
lang niet de algemeene sympathie van den Bond wegdragen, maar dat nog slechts
enkelen deze beiden aanhangen cn voor die enkelen wil ik dan hier mijn waarschu-
wende stem laten hooren en herinneren aan het gezegde van den schoenmaker en
de leest. Ik meen daarmede niet alleen het belang van Uw Blad en van Uwen Bond,
maar ook Uw welbegrepen eigen belang te dienen, want de goede verstandhouding
tusschen keurmeester en zijn Chefs dient te blijven bestaan en niet te worden ver-
anderd door handelingen, zooals die, waarop ik hierboven de aandacht vestigde.

Hoogachtend,
C. Tenhaeff,
Inspecteur van de Volksgezondheid.

Met belangstelling en instemming lazen wij het ingezonden van Inspecteur
Tenhaeff.

Wij zijn dankbaar voor een vriend, die ons onze feilen toont.

Reeds constateert de Heer Tenhaeff dat B. zijn bevoegdheid niet heeft over-
treden. Dit verheugt ons, zulks uit dezen mond te hooren, hoewel wij het reeds
wisten. Elke overschrijding van bevoegdheid ontmoet van onze zijde even scherpe
afkeuring, als het niet berekend zijn voor hun taak, door laksheid of anderszins bij
heeren Dierenartsen.

Wat de opmerking van den Heer Tenhaeff betreft over een drietal vragen,
beantwoord in de rubriek „Vragen en antwoorden", zijn wij het in zooverre met den
geachten schrijver eens, dat ook wij dat terrein als het speciale arbeidsveld voor den
dierenarts wenschen af te bakenen. Maar dit sluit nog niet in, dat keurmeesters voor
hun algemeene ontwikkeling daar niets van mogen weten.

Op de laboratoria van eenige beteekenis zijn het toch niet uitsluitend Dieren-
artsen die de voedingsbodems en preparaten maken, doch rust deze taak voor een
groot deel op de analisten. Iedere analist is dan ook bevoegd dergelijke vragen te
beantwoorden.

(De Keurmeester No. 12, 1928). Red.

-ocr page 102-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Afdeeling Groningen-Drenthe. 15 Dec. j.1. werd in een buitengewone vergadering
met Prof. Dr.
"B. Sjollema het kalfziekte-vraagstuk en dat van verwante syn-
dromen behandeld. Vooraf werden eenige huishoudelijke aangelegenheden afge-
daan, o. a. de benoeming van een vice-voorzitter in plaats van den tot voorzitter
gekozen titularis Dr. J.
Staal. De-keuze viel op den heer J. Bruijel te Tolbert,
die de functie wenschte te aanvaarden.

Prof. Sjollema gaf aan de hand van zijne verhandeling in het T. v. D. een uit-
eenzetting van het wezen der kalfziekte en aanverwante syndromen, zooals hij zich
die voorstelt in verband met verstoorde calciumstofwisseling enz. Daarna werden
aanwijzingen gegeven omtrent de, in dat verband passende behandelingsmethoden,
nl. toediening van CaCl2 in den vorm van intraveneuze injecties, of per os, alleen
of gemengd met glucose, alsmede inspuiting van bijschildklieren-extract. Ook
werd geadviseerd tot preventieve behandeling van kalfziekte, beginnende 4 weken
voor het afkalven, welke behandeling zou moeten beginnen met, gedurende
2 dagen, toediening van CaCl2, daarna fosforzure voederkalk, daarnaast lever-
traan. Ook kan alleen, gedurende 4 weken, eiken dag 40 gr. CaCl2 worden gegeven
of éénmaal een injectie van bijschildklier-extract.

Prof. S. biedt aan de benoodigde medicamenten op aanvrage aan de dieren-
artsen te verstrekken.

Gaarne houdt hij zich inmiddels aanbevolen voor toezending van urine van,
op deze wijze, behandelde dieren, als ook bloed en urine van dieren die veel aan
kalfziekte resp. kopziekte lijden en dan wel vóór de behandeling met CaCl2.

Van dieren lijdende aan z.g. Eisenbahnkrankheit, die in Limburg ook succesvol
met CaCl2 behandeld worden, wenscht Prof. S. gaarne bloed en vetvrij vleesch
te ontvangen, terwijl ook bloed van dieren, lijdende aan z.g. „wolf in den staart"
en van vette niet uitgroeiende kalveren, alsmede gras veel voorkomend in de
weiden waarin lijders aan kopziekte, gewenscht wordt. De toezending van een
en ander moet gepaard gaan met mededeeling van de omstandigheden waar-
onder de ziekteprocessen optraden (temperatuursschommelingen, tochtigheid,
toestand van de weiden, bemesting enz.).

De inleiding van Prof. Sjollema gaf aanleiding tot een geanimeerde discussie,
betreffende het verband der onderhavige ziekten en sterke stikstofbemesting, het
in den oorlogstijd niet optreden van kalfziekte en wel van „wolf in den staart",
het gelijktijdig voorkomen van beide ziektetoestanden bij sommige koeien, de
tegenstelling van het voorkomen van kalfziekte bij oudere — en van kopziekte bij
jonge koeien, op de
goede resultaten van uier-insufflatie bij kalfziekte en de slechte
bij kopziekte, op met kalfziekte overeenkomstige ziekteverschijnselen bij afge-
zogen schapen waarbij ook uier-insufflatie succes heeft, op de mogelijkheid of
ook de z.g. maandagziekte met storing in de minerale stofwisseling in verband
staat en hier ook een CaCl2-behandeling succes zou hebben, op de reisziekte bij
uit Rusland ingevoerde hitten, welke ziekte wordt tegengegaan wanneer de dieren
onderweg weinig drinken en bij aankomst ook weinig voedsel en drank krijgen, op
de vraag of het werkelijk een feit is, dat uitmelken het ontstaan der kalfziekte
in de hand werkt?

Zooveel mogelijk werd door Prof. Sjollema een antwoord op de desbetreffende
vragen gegeven ; hier en daar is het verband met verstoring van het evenwicht
in de minerale stofwisseling moeilijk aan te toonen en moet ook aan stoornissen
in de endocrine functies, resp. vergiftigingen worden gedacht.

Prof. Sjollema werd warmen dank gebracht voor zijn onderzoekingen in het
belang van de diergeneeskunde.

Kroes.

-ocr page 103-

BERICHTEN.

Bijenziekten in Nederland.

Onder het op blz. 29, afl. 1, geplaatste stukje, is bij vergissing de naam
„Winkel" gezet.

VLEESCHHYGIËNE. Opening van het openbaar slachthuis te Winterswijk.

Onder zeer groote belangstelling werd op 17 Dec. j.1. het nieuwe abattoir te
Winterswijk geopend. In zijn openingsrede memoreerde de burgemeester het feit,
dat medio Dec. 1926 bij den Raad het voorstel werd ingediend een slachthuis
met koelhuis te bouwen, waarvan de bouwkosten, inclusief de kosten van den
grond, werden geraamd op ƒ 160.000.— Met overgroote meerderheid werd dit
voorstel aangenomen en met zulk een voortvarendheid werd aan de inrichting
gewerkt, dat thans, na 2 jaar, de gemeente Winterswijk een modern slachthuis
met koelinrichting bezit. Na de gebruikelijke toespraken werd, onder leiding van
collega
Tervoert een rondgang gemaakt door het gebouw. Zeer zeker komt ook
hem een woord van hulde toe voor wat hij bereikt heeft met de stichting van dit
slachthuis.

Een abattoir in eigen beheer der slagers te Soest.

De Gemeenteraad van Soest heeft goedgekeurd de voordracht houdende een
overeenkomst met de N.V. Centrale Slachtplaats, gevestigd te Soest. De Gemeente-
raad zal in den Raad van commissarissen van deze N.V. eenige vertegenwoordigers
hebben, doordat van de 5 leden van dezen Raad er 3 worden gekozen uit een
bindende voordracht van 6 personen, uit den Gemeenteraad aangewezen.

Een destructie-inrichting te Schagen (keuringskring Barsingerhorn).

Verschillende gemeenten in het N. van Noord-Holland hebben bezwaarschriften
ingediend bij Ged. Staten van Noord-Holland tegen het besluit der 10 gemeenten
in den keuringskring Barsingerhorn tot inrichting van een gezamenlijke nood-
slachtplaats met installatie
vpor het vernietigen van afgekeurd vleesch, terwijl
bovendien de N.V. Ned. Thermo-Chem. Fabrieken had te kennen gegeven, dat,
indien zich gemeentebesturen in N.-Holland aan aansluiting bij de N. T. F. zouden
onttrekken, zij genoodzaakt zou zijn, zich in geheel N.-Holland terug te trekken.

In een openbare vergadering van Ged. Staten zijn deze bezwaarschriften toe-
gelicht. Een groot aantal burgemeesters en andere vertegenwoordigers van de
betrokken gemeenten waren verschenen. De N.
T. F. waren vertegenwoordigd
door haar directie. De burgemeester van Castricum en een wethouder van Hoorn
spraken zich uit voor een destructie door de N. T. F., terwijl een wethouder van
Wischel het standpunt van den kring Barsingerhorn verdedigde.

Gedep. Staten van N.-Holland hebben echter toch het besluit van de 10 gemeen-
ten van den kring Barsingerhorn goedgekeurd. Het ligt nu in de bedoeling, deze
vernietigingsinrichting te Schagen te vestigen.

De Rijssensche abattoirkwestie.

De Almelosche rechtbank heeft 12 Dec. j.1. de zaak tegen een Rijssenschen slager
behandeld, die door den kantonrechter te Goor was vrijgesproken van het hem
ten laste gelegde nl. dat hij den 6en October te Rijssen in het gemeentelijk keur-
lokaal een geslachte koe ter keuring heeft laten aanbieden, welke niet zoodanig
overlangs in tweeën was gedeeld, dat de beide helften op één plaats aan elkander
waren verbonden.

Deze zaak houdt verband met de bekende abattoirkwestie, welke sinds eenige
jaren de gemoederen der Rijssensche bevolking in beweging brengt.

Op 18 December 1924 is dit abattoir, op last van den commissaris der Koningin
in Overijssel, door den burgemeester geopend, zonder dat eerst het advies der
gezondheidscommissie gevraagd was. Op grond hiervan en mede om het feit
dat de burgemeester bij de openstelling h. i. niet datgene gedaan had, wat de
wet onder openstelling in administratieven zin verstaat, meende de raad, dat het

-ocr page 104-

— go —

abattoir, dat zij niet gewild had, niet geopend was en de slagers dus niet verplicht
waren, hun koeien daar te laten keuren, daar de verordening zegt, dat tot den dag,
waarop het gemeentelijk abattoir wordt opengesteld, gekeurd moet worden ter
plaatse van slachting.

Verdachte voerde tot zijn verweer aan, dat hij heeft gehandeld uit overmacht,
omdat het openbaar slachthuis gesloten was en hij de koe door de nauwe gang,
welke zijne slagerij van de straat scheidt, niet in zijn geheel kon vervoeren. Het
tweede verweer luidde, dat verdachte niet heeft gehandeld tegen een bestaand
wetsvoorschrift, omdat er geen verplichting voor hem bestond, de koe ter keuring
aan te bieden in het bovengenoemde abattoir, het gebouwtje op de Mors. Volgens
verdachte had de koe moeten gekeurd worden ter plaatse van slachting.

Het O. M. was van meening, dat het feit, of het gebouw op de Mors was een
gemeentelijk abattoir en als zoodanig was opengesteld, geen element is van dit
strafbaar feit. In de desbetreffende bepalingen wordt met geen woord gesproken
over de plaats waar de keuring na de slachting zal moeten plaats hebben. Er
werd dan ook vernietiging van het vonnis van den kantonrechter geeischt en een
veroordeeling van verdachte tot / i.— subs. i dag hechtenis. (N. R. Ct.).

De gemeentelijke noodslachtplaats in Kollumerland.

Bij raadsbesluit van 22 Dec. 1927 werd vastgesteld een verordening op het
heffen en invorderen van slachtloonen voor slachtingen in de gemeentelijke nood-
slachtplaats. Deze verordening kan echter, zooals zij thans luidt, de Koninkl.
goedkeuring niet verkrijgen. De Minister heeft bezwaar, dat geen vergoeding
wordt gevraagd voor het gebruik van het vrijbanklokaal. Bovendien gelden de
bezwaren ook den inhoud van art. 2 der heffingsverordening, luidende : ,,Bij af-
keuring van een slachtdier wordt het betaalde slachtloon teruggegeven". Ten-
slotte meent ook de Minister, dat de te heffen slachtloonen de geheele exploitatie
van het noodslachtinggebouw moeten dekken.

B. en W. hebben getracht aan de bezwaren tegemoet te komen door mede te
deelen, dat uit de winst van den vleeschkeuringsdienst de niet door bovenbedoelde
slachtloonen te dekken exploitatiekosten ruimschoots konden worden gevonden
en daarom aan een te heffen vergoeding voor het gebruik van het vrijbanklokaal
niet behoefde te worden gedacht en ook om dezelfde redenen art. 2 was opge-
nomen, te meer daar ook bij algelieele afkeuring van een slachtdier geen keur-
loon is verschuldigd, hoewel toch ook dan gebruik wordt gemaakt van den dienst
als zoodanig.

De Minister handhaaft echter zijne meening en daar B. en W. van oordeel zijn,
dat de noodslachtplaats door een te straffe heffing van slachtloonen niet impo-
pulair dient te worden, stellen zij voor de hierboven omschreven verordening in
te trekken, waartoe werd besloten.

Abattoirs.

Te Aalsmeer zullen plannen worden ontworpen voor den bouw van een centrale
slachtgelegenheid ; raming / 5000.—.

De gemeenteraad van Oude- Pekela heeft besloten tot inrichting van een gemeen-
schappelijken keuringsdienst met de gemeente Nieuwe Pekela.

De Gemeenteraad van Geleen besloot bouwgrond aan te koopen ad / 99.000.—
voor het bouwen van een slachthuis, een sportterrein en een park.

DE G.

De Heer A. H. Veenbaas, Directeur van den Gezondheidsdienst voor vee te
Leeuwarden, zal in dezen winter een reeks voordrachten houden voor de Vereeni-
ging van oud-leerlingen der Rijks-Zuivelschool. Het ligt in de bedoeling vooral die
onderwerpen uit de microbiologie te bespreken, waarmede de zuivelbereider nu of
in de toekomst te maken heeft. Zoo staan o.a. op het programma, iets over den
bacteriophaag, het gevaar van overbrenging van ziekten door runderen op den
mensch, kennis van de in de melk aanwezige ziektekiemen en hunne bestrijding.

-ocr page 105-

beoordeeling der melk op geschiktheid voor industrieele of consumptiedoeleinden
en het zoo mogelijk vaststellen van een kwaliteitsonderzoek met voldoende uni-
formiteit voor de praktijk en in verband met één en ander het melkbesluit.

(Alg. Zuivel- en Melkhygiënisch Wkbl. 21 Dec. 1928).

Uitwassen op het gebied der spécialité\'s.

Nottebaum schrijft hierover in de Kassenarztl. Nachrichten (ref. in Pharm.
Weekblad 1928, blz. 1328) : De duitse artsenstand moet tegen het schandelijk be-
drijf, dat zich op de geneesmiddelmarkt afspeelt, energies optreden.

De redacteuren der mediese vakpers moeten in hun bladen geen artikel over
een geneesmiddel meer opnemen zonder de schriftelijke verklaring van den schrij-
ver dat hij geen financieel belang heeft bij het preparaat of de fabriceerende firma.

De advertentiekolommen der vakpers moeten streng bewaakt en gezuiverd
worden.

Aan de artsen moet de raad gegeven worden alle reclamepapieren ongelezen
in de prullemand te werpen. Een medicus die van een nieuw geneesmiddel eerst
na eenige jaren, uit vrije mededeelingen in de vakpers, iets te weten komt, heeft
in den regel niets verzuimd.

In den laatsten tijd reizen de vertegenwoordigers van geneesmiddelenfabrikanten
rond om hun middelen aan te prijzen, kostelooze monsters en veel literatuur er
over te verstrekken. Die bezoeken zijn van weinig nut, daar de arts daardoor toch
geen inzicht krijgt in werking en waarde van het aangeprezen middel.
Vr.

Prijscourant.

Wij ontvingen de nieuwe prijscourant (1929) van de Koninklijke Pharmaceutische
Fabrieken,
voorheen Brocades-Stheeman & Pharmacia, van Chemische en
Pharmaceutische producten, laboratoriumbenoodigdheden, utensiliën, verband-
en verplegingsartikelen, een boekdeeltje van 453 bladzijden.

Leesgezelschap.

Evenals vorige jaren bestaat gelegenheid tot overneming van jaargangen tegen
ƒ 1.— a ƒ1.50 per jaargang plus porti. Van ieder blad wordt één jaargang
gereserveerd om te kunnen voldoen aan aanvragen van losse nummers. Deze
worden tegen kostenden prijs verkocht. Zes Algemeene Groepen zijn met
i Januari ingedeeld Klarenbeek.

Eichholtz.

BIBLIOGRAFIE.

J. Timmermans, Voeding, verpleging en opfok van onze huisdieren. 2e dr. Nij-
megen, R. K. Ned. boeren- en tuindersbond, 1928.

J. Timmermans, Supplement op de nieuwere inzichten op het gebied der voe-
dingsleer van mensch en dier. Roermond, N.V.V.I.R., 1928. ƒ 0.10.

Suppl. op den 4en dr.

H. Jalving, Cirrhosis hepatis enzootica bij het rund, een plantenintoxicatie
veroorzaakt door ingestie van Senecio aquaticus Huds. en Senecio Jacobaea L.
Proefschrift a. d. Veeartsenijkundige Faculteit, Utrecht, fa. Schotanus & Jens,
1928. Gr. 8°. 144 blz. m. 6 afb.

Diergeneeskundig Jaarboekje 1929 Jg. 4. Uitg. door de Maatschappij voor
Diergeneeskunde. Utrecht, J. van Boekhoven, 1928. 8°. 152 blz. ƒ 2.50.

O. Nieschulz, Enkele miltvuuroverbrengingsproeven met Tabaniden, Musciden
en Muskieten.
O. Nieschulz en F. L. Huber, Over enkele boutvuur- en
paraboutvuuroverbrengingsproeven met Tabaniden. Buitenzorg, Archipel druk-
kerij, 1928. 8°.

Veeartsenijkundige mededeelingen. No. 67.

Dept. van Landbouw, Nijverheid en Handel [in Ned.-Indië],

-ocr page 106-

C. Bubberman, Verslag omtrent een dienstreis door Britsch-Indië ter bestudee-
ring van diergeneeskundige vraagstukken. Buitenzorg, Archipel drukkerij, 1928.
8°. 55 blz. met 10 pl. en 2 curven.

Veeartsenij kundige mededeelingen. No. 68.

Dept. van Landbouw, Nijverheid en Handel [in Ned.-Indië].

J. Lahaye, Maladies des volailles. Remouchamps, Impr. Steinmetz-Haenen,
1928. 8°. 393 p. av 115 fig. Belgas 8.—.

E. Nicolas, Ophtalmologie vétérinaire et comparée. 2e éd. Paris, Vigot frères,
1928. 8°. 500 p. av. 205 fig. et 9 pl. hors texte en couleurs. Cart. fr. 50.—

L. E. Perdrizet, Aide-mémoire de microbiologie. 3e éd. Paris, J. B. Baillière et
fils, 1928. 16°. 368 p.

Manuel du doctorat en médecine Paul Lefert.

H. Girard et G. Jannin, Le mouton de rapport. Exploitation rémunératrice
du troupeau. Paris, Librairie agricole de la Maison rustique, 1928. Kl. 8°. 380 p.
av. 83 fig. Broch. fr. 15.—.

Annual report of the department of veterinary science and animal husbandry
of Tanganyi ka Territory, for the year ending 31st Dec. 1927. [By
F.J. Mac
Call], London, Crown agents for the Colonies, 1928. Sh. 3.—.

J. L. Leonard, The care and handling of dogs. Garden City, N.Y., Doubleday,
Doran, 1928. 8°. 397 p. w. ill. 8 4.—.

Memorandum on the method for carrying out the double intradermal tuberculin
test in cattle with a note on the potency of tuberculin. London, H. M. Stationery
Office, 1928.

Medical Research Council.

J. F. Wilson, A method of determining the clean weights of individual fleeces of
wool. Berkeley, University of California Printing Office, 1928. 8°. 21 p. w. 8 fig.

University of California. College of Agriculture. Agr. Exp. Stat. Bull. No. 447.

J. W. Sims, Value and care of farm manure. Michigan, State College, 1928. 8°.
7 p w. 2 fig.

Michigan State College of Agriculture. Extension Division Ext. Bull. No. 71.

C. J. Babcock, Preventing feed flavors and odois in milk. Washington, Govern-
ment Printing office, 1928. 8°.

U. S. Dept of Agriculture. Leaflet No. 25.

From chick to layer with complete feeding directions by noted poultry authori-
ties. Comp. by
O. A. Hanke. Mount Morris, Poultry Tribune, 1928. 40. 32 p. w. ill.

Poultry Tribune series.

T. S. Hamilton, H. H. Mitchell and W. G. Kammlades, The digestibility and
metabolizable energy of soybean products for sheep. Urbana, Agr. Exp. Station,
1928. 8°. 63 p.

University of Illinois. Agr. Exp. Station. Bull. No. 303.

H. P. Rusk and R. R. Snapp, The utilization of soft corn in beef cattle feeding.
Urbana, Agr. Exp. Station, 1928. 8°. 28 p. w. 6 fig.

University of Illinois. Agr. Exp. Station. Bull. No. 313.

Report of the veterinary director general (G. Hilton) for the year ending March
31, 1928. Ottawa, F. A. Acland, 1928. Gr. 8°. 49 p.

Department of Agriculture, Canada.

F. W. Tanner, Practical bacteriology ; an introduction to bacteriological tech-
nic. New-York, Wiley & Sons, 1928. 8°. 234 p. w. ill. a. diagr. S 2.50.

Grawert, Die Zange. Des lustigen Tierarztbuches 2ter Bd. Berlin, R. Schoetz_
1928. 8°. 216 S. m. 16 Zeichn. Geb. M. 9.50.

Die Futterkonservierung. Hrsg. vom Verein zur Förderung der Futterkonser-
vierung in Berlin. H. 5. Berlin, P. Parey, 1928. 40. 99 S. M. 4.—.

E. Feige, Haustierkunde und Haustierzucht. Leipzig, Quelle und Meyer, 1929.
Kl. 8°. 132 S. m. 20 Abb. auf 8 Taf. u. im Text. M. r.80.

Wissenschaft und Bildung. H. 252.

-ocr page 107-

Th. Kitt und A. Koegel, Geflügelkrankheiten. Berlin, P. Parey, 1928. 8°.

106 S. m. 35 Textabb. M. 4.—.

Landwirtschaftliche Hefte. H. 56.

P. Uhlenhuth, Die Bedeutung des Tierexperiments für die Medizin, bes. für
die Erforschung des Wesens, der Erkennung und Bekämpfung der Seuchen. Frei-
burg i. B., Speyer und Kärner,
1929. Gr. 8°. 29 S. M. 1.—.

Rektoratsrede.

Freiburger Universitätsreden. 2.

W. Henneberg, Wandtafeln der Gärungsbakteriologie. Taf. 6—11. Berlin.
P. Parey,
[1928]. Je 95 x 120 c.M. Je M. 9.50.

6. Gärungsessigfabrikation. —7. 8. Milch. — 9. Butterei. — 10. 11. Käserei. 1. 2.

W. und E. Meysahn, Rationelle Milchviehhaltung. Hildesheim, Molkerei—Zei-
tung,
1929. 8°. 208 S. m. 56 Abb. M. 4.50.

W. Völtz, Wirkung natürlicher und künstlicher Lebensbedingungen auf Wachs-
tum und Konstitution der Haustiere. Halle, M. Niemeyer,
1928. 4°. 16 S. m. 2
Taf. 11. Fig. M. 1.80.

Schriften der Königsberger Gelehrten Gesellschaft. Naturw. Klasse. Jahr 5, H. 1.

Die Normal-Milchverordnung der Vereinigten Staaten von Nord-Amerika. Uebers.
und hrsg. von
K. Brandt. Berlin, P. Parey, 1928. M. 1.80.

Arbeiten der ,,Studiengesellschaftfür die Milchversorgung Berlins m. b. H." H. 1.

Tierärztlicher Taschenkalender 1929. Bearb. von J. Mayr. Jg. 33. München,
J. Gotteswinter,
1928. Kl. 8°. M. 7.50.

J. Meisenheimer, Entwicklungsgeschichte der Tiere. 2 te Aufl. Bd. 1, 2. Berlin,
W. de Gruyter & Co.,
1928. Kl. 8°. Je M. 1.50,

Bd. 1. Furchung, Primitivanlagen, Larven, Formbildung. 137 S. m. 57 Fig.

Bd. 2. Embryonalhüllen, Organbildung. 132 S. m. 47 Fig.

Sammlung Göschen Bd. 378, 379.

F. Opel, Der städtische Schlacht- und Viehhof in München. München, Deukula,
.1928. 4°. 75 S. m. Abb., 3 [1 färb.] Taf.

Festschrift.

Chr. Mommsen, Die Fütterung von Rindvieh und Schweinen. Neubearb. u. erg.
von
A. Junginger. 3te Aufl. Stuttgart, Franck, [1928]. Gr. 8°. 140 S. m. eingedr
Tab. u.
i Kurve. M. 4.60.

Geb. M. 5.80.

Bazin, Considérations sur le typhus du chien. Thèse de Paris. 1928.

Huchin, Population bovine du Pas-de-Calais. Thèse de Paris. 1928.

Mauboussin, Contribution à l\'étude clinique de la gourme. Thèse de Paris. T928.

Godet, De l\'intoxication des bovins par l\'alcool. Thèse de Paris. 1928.

Rault, Du traitement du renversement de l\'utérus chez la vache. Thèse de
Paris.
1928.

Masson, Etiologie et traitement du rachitisme par les rayons ultra-violets.
Thèse de Toulouse.
1928.

Michard, Contribution à l\'étude des névrectomies chez le cheval. Leurs indica-
tions. Leurs résultats. Thèse de Lyon.
1928.

Delorme, De l\'acclimatation du bétail européen au Maroc. Thèse de Lyon. 1928.

Jauffret, Prophylaxie de la peste bovine en Cochinchinc. Thèse de Lyon. 1928.

Couderc, Contribution à l\'étude de l\'envenimation par morsure de vipère chez
le chien. Thèse de Toulouse.
1928.

Teyssier, De la paralysie du facial chez le cheval. Thèse de Toulouse. 1928.

Haurigot, Réactions des bovidés à la tuberculine. Phénomènes d\'accoutu-
mance. Thèse de Toulouse.
1928.

Cèbe, La jumenterie de Nuoc-Hai et l\'élevage du cheval dans la haute région
du Tonkin. Thèse de Toulouse.
1928.

S. Balazs, Beiträge zur Pathologie der durch den Wasserschwaden (Glyceria
aquatica) verursachten Vergiftungen. Inaug.-Diss. Budapest.
1928.

LVI 7

-ocr page 108-

Klockenbring, Die Milchleistungsprüfungen im Zuchtgebiet der Oldenburgi-
schen Wesermarsch-Herdbuch-Gesellschaft und die Verwertung ihrer Ergebnisse.
Inaug.-Diss. Bonn-Poppelsdorf. 1928.

Thikötter, Untersuchungen über gewisse, bisher weniger erforschte Umstände,
die den Fettgehalt der Milch beeinflussen. Inaug.-Diss. Bonn-Poppelsdorf. 1928
K. Jüan, Einwirkung von Rasse und Vorbereitung (Aufzucht) auf den Erfolg
der Mast und die Einzelbestandteile der Masttiere bei Schweinen. Inaug.-Diss.
Breslau. 1928.

H. Graf, Zur Theorie der intrauterinen Kohlewirkung in ihrer Beziehung zur
Prophylaxis und Therapie der komplikativen Metritis. Habilitationsschrift Berlin.
1928.

O. Lautenschlager, Grundlagen der Aufnahme-Technik des Elektrokardio-
grammes von Pferd und Rind und ihre Ergebnisse. Inaug.-Diss. Giessen. 1928.

F. Schwan, Klinische Erfahrungen mit der Harnsedimentfärbung nach Seyder-
helm bei Pferd, Rind und Hund. Inaug.-Diss. Giessen. 1928.

W. Bögli, Verkalkungen und Nekrosen in den Nebennieren von Katzen unter
einem halben Jahr. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

P. KäsTLi, Zur Desinfektion von Fischteichen bei Furunkulosis der Forellen.
Inaug.-Diss. Bern. 1928.

W. Burkhalter, Studien über die Korrelationen von Jodstoffwechsel mit Blut-
gerinnung, Malachitzahl des Blutes und Fettgehalt der Milch. Inaug.-Diss. Bern.
1928.

P. Oberson, Beitrag zum Studium der willkürlichen Beeinflussung des Ge-
schlechts bei Haustieren. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

A. Seiler, Untersuchungen über Automatie und Erregbarkeit des überlebenden
Säugetierdarmes bei Sauerstoffmangel. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

A. Ballinari, Untersuchungen über den Wasserstoffwechsel bei Unterdruck und
unter Einfluss von Pituitrin und Euphyllin. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

Th. Siegfried, De l\'influence des injections de sang sur les tissus préexistants.
Thèse de Berne. 1928.

E. WäcHTER, Ueber den Einfluss der Entnervung der Schilddrüse auf die Grösse
der Harnabsonderung. Ein Beitrag zur Frage der sekretorischen Innervation der
Schilddrüse. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

J. Douma, Die Beurteilungsbestimmungen des Reichsfleischbcschaugesetzes in
den Niederlanden. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

H. Looser, Versuche zur Eiweissdifferenzierung in gekochten Fleischkonserven
mit Hilfe der Anaphylaxiereaktion. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

J. Motiejunas, Beitrag zur Mumifikation und Verkalkung des Rindsfötus.
Inaug.-Diss. Bern. 1928.

E. BLäTTLER, Untersuchungen über den Stickstoffumsatz in der Muskulatur
kohlehydratarmer Tiere. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

W. Witschi, Ueber die unschädliche Beseitigung von Tierkadavern und tieri-
schen Abfällen sowie deren Verwertung unter bes. Berücksichtigung der Schweize-
rischen Verhältnisse. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

J. Koch, Ueber das Vorkommen des Bilurubin im Blutserum und des Krobilins
in den Fäzes von Rindern, Kälbern, Schafen und Schweinen. Inaug.-Diss. Zürich.
1927.

G. Tuffli, Die Arterienversorgung von Hoden und Nebenhoden. Untersuchun-
gen bei Hund und Katze mit Hilfe Spalteholzscher Aufhellungs- und Injektions-
präparaten. Inaug.-Diss. Zürich. 1928.

H. Glaser, Ueber die Cephalothoracopagen und einen Prosopothoracopagus
disymmetros vom Schwein. Inaug.-Diss. Zürich. 1928.

E. Waldmeier, Das Rehherz. (Cervus capreolus L ). Inaug.-Diss. Zürich. 1928

du Buy.

-ocr page 109-

REFERATEN.

Nederlandsch Tijdschrift voor Hygiëne, Microbiologie en Serologie. Deel 2, No. 4.

V. H. van den Bergh : Bijdrage tot de Kennis van de Biochemie der Dysenterie-
Bacterièn.

In denzelfden vorm was deze arbeid reeds verschenen als proefschrift uit het
laboratorium van Prof.
W. C. de Graaff.

Van den Bergh heeft zich niet uitsluitend beperkt tot de Dysenterie-bacteriën.
maar ook in zijn studie betrokken Coli-, Typhus- en Paratyphusbacteriën.

Bij Bact. Coli, Paraty. A en B en bij Bact. Typhi heeft een zuivere gemengd
zure gisting plaats (mierenzuur, azijnzuur, barnsteenzuur en melkzuur), bij de
Dysenteriebacteriën treedt geen melkzuur op, maar treedt vooral het azijnzuur
sterk op den voorgrond.

Ook van den Bergh komt door zijn onderzoekingen tot de overtuiging, dat de
z.g. Pseudodysenterie-bacteriën
(Flexner en Hiss) feitelijk niet van elkaar kun-
nen worden onderscheiden. Een tweede bevestiging eener reeds vrijwel algemeen
geldend standpunt is, dat de Dysenterie-bacteriën niet thuis hooren in hetzelfde
enge verband met de leden der Coli-Typhusgroep. Tusschen deze en de Dysenterie-
groep zouden de Pseudo-dys.-bacteriën als overgangsvormen kunnen worden inge-
deeld.

Het is jammer, dat de onderzoeker voor zijn studie heeft gebruik gemaakt uit-
sluitend van oude laboratoriumculturen, temeer, omdat immers bekend is, dat juist
Pseudodysenterie-bacteriën op den duur veelal een gewijzigd biochemisch karakter
gaan vertoonen (Hiss). Ook missen wij een opgave der herkomst van de onder-
zochte Coli- en van het type der Paratyphus-bacteriën. De verschillende leden van
de Coli- en van de Paratyphus B. groepen gedragen zich niet alleen serologisch,
maar vooral ook in biochemisch opzicht, onderling zeer verschillend.

G. Entz : Over de rangschikking en de beteekenis van de fibrillen der Ciliaten.

P. C. Flu : De aard\'van den Bacteriophaag.

De Leidsche hoogleeraar breekt nog weer eens een lans voor de opvatting van
d\'Hérelle, dat het lytische agens der bactcriophagie een levend organisme is. Hij
steunt zijn betoog op proeven met een uit grachtwater geisoleerde bacteriophaag
ten opzichte van Coli, Shiga en pest. Bij verhitting op 56° verzwakte het lytisch
vermogen voor de eerste 2 aanmerkelijk, maar regenereerde weer volkomen na
inwerking op pest.
Flu acht een dergelijke functie bewijzend voor de levende ge-
aardheid van het agens.

Kort verslag van de Vergadering der Nederlandsche Vereeniging voor Microbiologie
op 3 December 1927.

Nederlandsch Tijdschrift voor Hygiene, Microbiologie en Serologie. Deel 3 No. 1.

M. van Riemsdijk : De invloed van de zuurstof op de bewegelijkheid der Cholera-
vibrionen. (De ,.langdurige" hangende druppel).

De beweeglijkheid der choleravibrionen in het oppervlaktevlies der bouillon-
cultuur is zeer verschillend van die daaronder. De aanwezigheid van zuurstof speelt
hierbij een rol. Volgens v.
R. moet worden aangenomen, dat de choleracultuur be-
staat uit „individueel" zeer verschillende organismen en zij waagt het een verband
te onderstellen tusschen het beeld, dat de bouillonkweek te zien geeft en het ver-
schillend klinisch en epidemiologisch verloop van de cholera.

J. de Graaff : De invloed van de soort pepton bij de gistingsproef van Eykman.

Uit een vergelijkend onderzoek is gebleken, dat de soort der gebruikte pepton
bij de coliproef van
Eykman ten behoeve van het wateronderzoek, van wezenlijke
invloed is. Het best voldoet pepton „Witte". (Zie overigens v.
Hoytema, Deel 3
No. 2).

H. H. de Wolff : Bijdrage tot de kennis der biochemische eigenschappen der Diph-
terie- en der z.g. Pseudo-diphteriebacterièn.

-ocr page 110-

G. Kapsenberg : Serumeiwitten en Antilichamen (vervolg, zie Deel 3, No. 2).

Kort verslag van de Vergadering der Nederl. Vereeniging voor Microbiologie op
22 April 1928 te Amsterdam.

Deel 3, No. 2.

A. Massink : De bepaling van het aantal coli-kiemen in water.

Teneinde faecale verontreiniging van water vast te stellen is het aantoonen van
colibacteriën van belang. Schr. bespreekt verschillende wijzen om het aantal dezer
kiemen in watermonsters te bepalen en behandelt uitvoerig de methode, die sedert
de laatste 5 jaren daarvoor wordt toegepast bij het Rijksbureau voor Drinkwater-
voorziening. Deze methode steunt op een formule, aangegeven door Mc. Crady en
waarbij in rekening wordsn gebracht het aantal ingezette proeven (gistingsproef
volgens Mc.
Conkey) met 10, 1 en 0.1 ccm. water en het aantal der hiermede ver-
kregen positieve uitkomsten, alsmede het aantal coli-bacillen, geteld in 100 ccm.
water. De kansrekening is hierbij in aanmerking genomen. Aldus is op vrij eenvou-
dige wijze, met besparing van veel materiaal, tot het doel te geraken.

G. Kapsenberg : Serumeiwitten en Antilichamen.

Samenvatting van een reeks onderzoekingen, die schr. sedert 1921 in verschil-
lende tijdschriften reeds heeft gepubliceerd en die ten doel hadden aan te toonen,
dat de antilichamen gebonden zijn aan het serumglobuline. K. neemt aan, dat de
reacties van
Wassermann en Sachs-Georgi inderdaad zijn antigeen- antili-
chaam-reacties. Hij ontwikkelt, naar aanleiding van de zelf verzamelde gegevens
en ten deele in aansluiting aan opvattingen van andere onderzoekers een theoreti-
sche beschouwing omtrent de vorming van specifieke antistoffen, ter vervanging
der voorstellingswijze van Ehrlich.

A. j. van Hoytema : Hoe kan de gistingsproef van Eykman verbeterd worden ?

De uitkomsten, verkregen met de gistingsproef van Eykman zijn voor een be-
langrijk deel mede afhankelijk van de aanwezigheid van streptococcen in het water.
De betere resultaten, die
de Graaff verkreeg met Pepton Witte, in vergelijking
met pepton Poulenc (zie deel 3 No. 1), zouden niet berusten op een wezenlijke guns-
tige beinvloeding door het eerstgenoemde product, maar op het feit, dat de pepton
Witte slechts relatief weinig gemakkelijk assimileerbare pepton bevat en daardoor
een minder gunstig milieu is voor de ontwikkeling van streptococcen, dan de veel
waardevoller pepton Poulenc. Het zelfde resultaat, als met pepton Witte, is te ver-
krijgen, door te gebruiken een slechts zeer geringe hoeveelheid van de ,,goede"
pepton Poulenc. v.
d. Hoeden.

Nederlandseh-Indische Bladen voor Diergeneeskunde.

Deel 40, 2e en 3e afl.

Kort historisch overzicht van het Veeartsenijkundig Onderwijs in Nederlandsch-
Indië.
Dr. H. J. Smit.

Op 30 Juni 1928 werd door den huidigen Directeur Dr. H. J. Smit de nieuwe
Nederlandsch-Indische Veeartsenschool te Buitenzorg geopend met een rede.

Hij vertelt ons hoe in den beginne (1860) een schooltje te Soerabaya werd opge-
richt onder leiding van den toenmaligen Gouvernementsveearts van Soerabaya :
van der Weyde; hoe later de Gouvernementsveeartsen leerlingen kregen ter oplei-
ding, totdat in 1907 te Buitenzorg het Veeartsenijkundig Laboratorium werd opge-
richt volgens de plannen van Collega
de Does (den man, die zooveel gedaan heeft
voor het wetenschappelijk onderzoek in ons vak in Indië en wien wij ouderen
allen zoo dankbaar kunnen zijn voor zijn altijd zoo groote behulpzaamheid en colle-
gialiteit, ref.).

Annex kwam de school, welke met 2 leerlingen begon met Dr. Leurink als
leeraar, dra gevolgd door Dr.
de Blieck, thans professor te Utrecht, die in 1911
benoemd werd tot Directeur.

Thans zijn er 5 veeartsenijkundigé leeraren, ieder bijgestaan door een assistent-

-ocr page 111-

leeraar-Indisch veearts en een niet veeartsenijkundig leeraar voor de propaedeuti-
sche vakken.

De school was oorspronkelijk verbonden met het Veeartsenijkundig Laborato-
rium, doch gebrek aan plaats noopte tot scheiding van de twee instituten In 1925
werd daartoe besloten onder
Hoekman wd. Directeur van Landbouw.

Thans studeeren er -J- 50 jongelui voor veearts, 99 Indische veeartsen zijn reeds
afgestudeerd. Zeer zeker zal de school veel goeds kunnen doen voor Indië.

Eugenetiek. Dr. B. Vrijburg. Lezing te Djocjakarta cp 30 Maart 1928.

Uitgaande van de studie van Dr. van Herwerden geeft spreker een overzicht
van hetgeen er in het belang der eugenetiek in verschillende landen gedaan wordt,
hoe noodzakelijk het is bij de voortteling zorg te dragen, dat zwakzinnigen en zieken
uitgesloten worden en daartoe middelen te beramen.

Hij wijst er op, hoe de dierenartsen door hun opleiding daartoe geschikt mede
kunnen helpen, waarom hij hen oproept zich aan te sluiten bij de Eugenetische ver-
eeniging in Nederlandsch-Indië.

Musculatuur van de bevruchte baarmoeder bij de Karbouw. Dr. J. Merkens :
Mededeeting uit de af deeling Veeteelt van de Ned. Ind. Veeartsenschool.

Schrijver heeft de uterus bij een 25 tal karbouwen onderzocht om de spiercellen
te bestudeeren in verschillende stadiën van zwangerschap.

De karbouwenuterus komt wat bouw betreft overeen met de runderuterus zooals
beschreven door
Rab. Er is een longitudinale en een circulaire spierlaag ; deze
laatste vormt in den cervix den sphinctcr cervicis. Bij de onbevruchte uterus
liggen de spierbundels van beide soorten tegen elkander aan, bij de hoogdrachtige
uterus is het verband veel losser : op eie zij vlakte b.v. ziet men slechts verspreide
strookjes spierbundels.

De zwangerschap van de karbouw is io£ maand. Gedurende dien tijd verlengen
zich ele spiercellen zoowel in de overlangsloopende vezels als in ele circulaire spierlaag.
Ook de breedte der spiercellen neemt toe tot de 6e drachtigheidsmaand. Na 9 maan-
den is de gewiichtstoenarne van den uterus 5.5 x die van de oorspronkelijke baar-
moeder, gedeeltelijk tengevolge van meer bloed en wcefselvocht, voornamelijk
echter door de grooter geworelen spiermassa

Ofschoon de onelerzoeker wel hypertrophie gevonden heeft, is het twijfelachtig
eif er ook hyperplasie plaats vindt.

Ook Rab heeft bij het rund dezelfde onelervinelingcn opgedaan.

Paardenfokkerij op Savoe. M. Soetisno.

Het eiland Savoe behoort tot de afdeeling Timor en eilanden eler Residentie
Timor en onderhoorigheden. Het heeft in het binnenland een golvend heuvelterrein
in hoofelzaak bestaand uit zanel-kalkstcen uit de triasformatie. In het Noorden en
Oosten is de kustvlakte eenige kilometers breed, in het Westen is een golvend heu-
velterrein en in het Oosten een plateau van 100—150 M. hoog.

Het eiland heeft een droog klimaat. Van Augustus tot en met Neivember is liet
er zeer droog ; geen grassprietje is er dan te bekennen ; bijna alle rivieren drogen op.
Water moet uit putten komen.

Het paard wordt daar benut als rijdier. Grootbezitters komen er niet voor ;
slechts enkele hoofden hebben koppels van ten hoogste 20 stuks. Selectie van heng-
stenmateriaal vindt plaats, ook wel van merries. Ook op kleur wordt geselecteerd.
De meest geliefde kleuren zijn zwart, isabel, valk, bruin en schimmel. Vossen en
bonten zijn niet gewild. Ook wordt veel waarde gehecht aan het voorkomen van
bijzondere haarwervels of oesoeran (hetgeen het fokken in het algemeen en het uit-
zoeken van fokdieren niet gemakkelijker maakt, ref.).

Men onderscheidt thans 2 hoofdtypen : het Savoeneesche paard en het gekruiste
Soemba-Savoe paard.

Het gekruiste type is iets grooter van stuk, mooier misschien van vorm. Beide
vertoonen duidelijk oostersche afkomst. (Het Soembapaard moet echter wel steeds
een grooten invloed uitgeoefend hebben).

-ocr page 112-

Vurig, droog met kleine ooren, kort hoofd, zijn ze geschikt als tuigpaard, waarvoor
ze meestal na uitvoer gebruikt worden.

Het Gouvernement neent maatregelen ter verbertering, als het aanplanten van
olifantengras en van veevoedergewassen, het plaatsen van drinkbakken, het ge-
bruik van superieure hengsten en geselecteerde merries, die in koppels van 8—12
stuks te zamen geplaatst worden.

De bevolking, welk welvaart van de paardenfokkerij afhangt, begrijpt het doel
der maatregelen, gaat er mee accoord.

De uitvoer is ook aan regelen gebonden (zie tijdschrift). Gemiddeld worden per
jaar een 400 tal paarden uitgevoerd d.i. 13.16% van het geheele aantal. Vanaf
Januari 1927 tot eind September bracht dit op ƒ 35.965.50 voor de bevolking.

De hoogte van de uitgevoerde paarden bedroeg van 1.02 tot 1.29 M.

De bestrijding van Rabies in Nederlandsch-Indië. Dr. B. Vrijburg : Lezing te
Djocjakarta
31 Maart 1928.

Vrijburg wijst op de onvoldoende bestrijding van rabies in Ned.-Indië en zegt,
dat er nieuwe maatregelen moeten worden genomen.

Uitroeien van de zwervers moet geschieden. Een belasting is daarom noodig met
belastingpenning. Honden, op wier bezit men prijs Stelt kunnen belast worden,
teven met / 10.— per jaar, reuen met ƒ
1.— zooals collega Dr. Stadhouder reeds
aangaf. De belasting moet dienen om de rabies te bestrijden, niet om een regent-
schapskas te stijven.

(Ik heb nog meegemaakt, dat alleen op plaatsen, waar Europeanen woonden,
belasting betaald werd ; over de grens was de wet niet van toepassing, rei.).

Honden zonder penning dienen opgevangen te worden en daarna afgemaakt op
humane wijze. Men zou op Java geleidelijk districtsgewijze kunnen beginnen.

Een 2de hulpmiddel is de enting. Vrijburg haalt o.a. de referaten aan van Dr.
Zwijnenburg en Breedveld in het Hollandsche tijdschrift, met name de
entingen van
Plantureaux en van Prof. Guidi Finci. Uit alles blijkt, dat de en-
ting over de geheele wereld van zeer veel belang wordt geacht.

Een 3de middel is het wegnemen van het impopulaire der tegenwoordige rabies-
bestrijding ; voornamelijk zou dit kunnen gebeuren door eigenaars van opgevatte
honden het recht te geven, dat ze die reeds binnen 24 uur kunnen terugkrijgen,
(onafgezien van de strafbaarheid van den eigenaar) ; tevens dient medewerking
verkregen te worden met machtige corporaties, zooals reeds bij andere veeziekten
gebeurt.

Vrij burg trekt de volgende conclusies.

ie. Rabies is uit te roeien. Wij hebben in Indië genoeg kennis en macht om op
uitroeiing der ziekte te werken en niet op beperking. In dat eilandenrijk kan het
tempo geleidelijk geregeld worden, zoodat de financiëele draagkracht niet behoeft
te worden overschreden.

2e. Het is onverantwoordelijk niet op andere maatregelen aan te dringen, want
de tegenwoordige deugen niet.

3e. Bij een nieuw schema moet men bedenken :

a. dat rabies juist blijft voortbestaan onder de niet verzorgde honden, de zwer-
vers, dus dat de maartegelen daartegen in iste instantie moeten worden gericht.

b. dat entingen zoowel preventief als curatief thans reeds zoo ver gevorderd zijn,
dat zij een behoorlijk hulpmiddel kunnen vormen.

c. dat zonder aan de gestrengheid der bepalingen te kort te doen, deze zoo moe-
ten gemaakt worden, dat de tegenwerking van publiek, bestuur en politie wordt om-
gezet in medewerking.

(Inderdaad is dit artikel zeer belangrijk en te wcnschen ware liet, dat het Bestuur
deze zaak eens goed onder de oogen zag. Hoe lang nog ? Reeds 30 jaar en langer
geleden was dit onderwerp al actueel, maar tot nog tce zijn er bijna nergens noe-
menswaardige veranleiingen met de bestrijding gemaakt. Jaarlijks worden nog
honderden menschen in het Instituut Pasteur behandeld, hoe velen blijven onbe-
handeld in den kampong ?

-ocr page 113-

Op Java is de toestand zoo, dat de dierenarts bij iederen zieken hond, die hij
onderzoekt, wel degelijk in overweging moet nemen, dat het dier dol kan zijn, dus
dat hij de grootste omzichtigheid in acht moet nemen. De eigenaar beschuldigt heel
dikwijls den arts van ,,
bangheid" immers zijn hondje is niet dol !

Ieder, die wel eens door een dollen hond gebeten is en een behandeling heeft moe-
ten ondergaan, zooals ook referent, weet in welken gemoedstoestand men verkeert
en kan niet anders dan dankbaar zijn voor zijn medemenschen, indien eindelijk
eens afdoende maatregelen genomen worden. En met schrijver ben ik het er over
eens, dat een eilanden rijk toch
al heel gunstige voorwaarden bezit tot verdelging
van de ziekte.

In 1900 was ik op het eiland Madoera, waar volgens opgave nog nooit hondsdol-
heid was geconstateerd. Ik deed toen het voorstel om den invoer van honden te
verbieden ; het antwoord kwam na langen tijd, dat de regeering te zijner tijd alles
regelen zou gelijk met de invoering van een hondenbelasting. Is dit ooit gebeurd ?
Ettelijke jaren daarna zeker nog niet. Ik herinner mij hoe groot mijn teleurstelling
toen was. Ik dacht iets goeds te kunnen bereiken, maar de officiëele domper werd
direct op mijn lichtje gezet en duisternis heerschte weer. En zooals ik reeds vroeger
in een referaat mededeelde had ik juist in 1899 een invasie van rabies meegemaakt
op Sumatra\'s Oostkust, een invasie van een zeer ernstig karakter ; ik had daar ge-
lukkig óók kunnen zien, hoe door samenwerking van particulier initiatief en Be-
stuur de ziekte volledig bedwongen werd. ref.).

Het vaststellen van Septichaemia haemorrhagica bij noodslachtingen. F. C. Kra-
-Veveld
en R. Djaenoedin. (Uit het Veeartsenijkundig Instituut te Buitenzorg).

Omdat bloedonderzoek van in nood geslachte dieren dikwijls negatief uitviel
werd het wenschelijk geacht na te gaan, hoeveel tijd voor den dood de scptichaemia-
bacillen in het
perifere bloed van het verdachte dier aantoonbaar zijn en ook of
men veel kans heeft tot het stellen eener foutieve diagnose bij ïntramusculair in-
spuiten van kleine proefdieren in het laboratorium.

Twee karbouwen werden kunstmatig geïnfecteerd door inwrijven van het ge-
scarificeerde tandvleesch met watjes, gedrenkt in een één dag oude bouilloncultuur.

Karbouw No. 1 werd 11 Sept. 1927 om 4.30 geënt, \'s Nachts om 12 uur scheen
het dier clinisch nog normaal, temp. 1.50 hoogcr. Dierenting met bloed gaf een posi-
tief resultaat, bloedpraeparaat-onderzoek een negatief ; daarna waren alle entin-
gen en praeparaten positief; io£ uur na ele infectie was oedeemvocht te verkrijgen
en dat infecteerde eveneens de proefdieren ; 21 j uur na de infectie stierf de kar-
bouw.

Bij karbouw No. 1 werden de kleine proefdierentingen reeds 1 uur na ele infectie
gedaan ; ook werden reeds bloedpraeparaten gemaakt.

Na 6 uur waren dicrentingen reeds positief; na 8 uur eerst het bloeelonderzoek
(kleuring van 2 praeparaten, telkens 1 met Gicmsa en 1 met carbolfuchsine). Het
elier stierf 9 uur na de infectie.

Mzoo blijkt de onderzoek-methode van toegezonden materiaal wel degelijk waar-
de te hebben en is ele kans op een foutieve diagnosis bij dierentingen al zeer gering.
In geval van negatieve uitkomst dient dus aan een andere ziekte gedacht te worden
bij ele noodslachting, temeer daar door vroegere onderzoekingen bekend is, dat
ele bacil maanden lang in niet verontreinigd materiaal kan blijven leven, ook in de
tropen.

Antisera verkregen door inspuiting van Eiwitcoagulaat. D. J. Mekkens. Mede-
deel ing uit de Af deeling Veeteelt van de Ned. Ind. Veeartsenschool.

Eujuwara bereidt hoogwaardig praecipiteerend serum met hooge soor/specifiteit
door serum van een elier te verdunnen met de tienvoudige hoeveelheid gedistilleerd
watér en daarna te koken met 1/5 hoeveelheid verzadigde NaCl-oplossing enkele
elruppels azijnzuur, totdat al het eiwit is neergeslagen. Dit eiwit wordt op een filter
zooveel mogelijk uitgeperst en onder toluol bewaard. Daarna worden om de 2 of 3
dagen, ongeveer 10 x in het geheel, konijnen met 0.02 gram coagulum 2 cc.
physiologische NaCl-oplossing in een mortier fijngewreven, in de oorvena gespoten.

-ocr page 114-

Merkens herhaalde de proeven door inspuiting in oorvenae en peritoneaal-
ruimte. Hij verkreeg inderdaad een hoogwaardig praecipiteerend serum, dat ech-
ter volgens hem
geen bijzondere aanbeveling verdient boven andere methoden, daar
door het serum
evengoed praecipitaten optreden met serum van nauwverwanle
dieren.

Antizebu-seium b.v. gaf met serum van een Balineesch rund een neerslag 2000
, Friesch-Hollandsch 1000 , karbouw 1000 , schaap 1000 en paard
10 .

Anti-Friesch-Holland-serum met een titer van 10.000 en 7000 praecipiteerde
serum van Yersey en Shorthorn éénmaal bij 7000 -(- en serum van 4 Balineezen,
3 Madoereezen, 1 Javaan ,1 Ongool en 2 Hissar bij 5000 en serum van 1 Javaan,
i Ongool, I Hissar bij 2000 -f -f .

Drie karbouwen en een schaap gaven een neerslag bij 2000 , een paard bij 10 .

Verwantschapsreacties bij de Praecipitatie. Dr. J. Merkens.

In de oudste publicaties over praecipiteerend serum wordt er reeds op gewezen,
dat er niet altijd een zuivere specifieke werking optreedt, doch dat andere nauw
verwante eiwitten ook neerslaan, dat dit zelfs wel het geval is met
niet verwante
eiwitten : Met Uhlenhuth spreekt men hier van ..heterologe Triibungen.

Door verzadigingsmethoden trachtte men die sera te verbeteren, b.v.:

Aan anti-paardenserum, dat toevallig ook sterk op menschenbloed inwerkte
werd toegevoegd 1/10 menschenbloed. Het mengsel werd gecentrifugeerd en de nu
verkregen heldere vloeistof nog eens met \'/10 menschenbloed behandeld. Het anti-
paardenserum praecipiteerde nu niet meer menschenbloed.

Eén van die methodes is die van Ilchun Yu, die verdunde antisera met verdun-
de antigenen vermengde en de heterologe praecipitaten verwijderde door centri-
fugeeren.

Merkens volgde deze methode met 2 karbouwsera en 1 ongoolserum. welke ver-
zadigd werden met normaalscrum van karbouw, Balinees, Ongool, Friescli-Hol-
lander, schaap en paard. De reacties werden daarna geprobeerd op normaals«ra
van de genoemde diersoorten, maar alle proeven op 2 na gaven geen neerslag, zelfs
niet bij 1 op 10 verdunning. Ook de homologe praecipitaten waren verdwenen.

Die methode is dus niet bruikbaar.

Het verschil in grootte van in Ned.-Indië voorkomende Trypanosomen en de be-
handeling met Naganol.
S. Bakker. Lezing Djocjaharta 30-3-1928.

Bakker vond in het ressort Sibolga, dat de sterfte aan surra voornamelijk groot
is in het Noorden; in het Zuiden werden meer de paarden aangetast. Toch komen
bij bloedonderzoek ook daar bij karbouwen en runderen genoeg parasietendragers
voor den dag, die dus latente bronnen zijn voor den paardenstapel. Bij goede voe-
ding blijft de buffel in het Zuiden in leven. Het viel
Bakker op, dat ook in streken
van voedselschaarschte langs de kust van Zuid-Tapanoeli de trypanosomen meer
vat hadden dan in andere gebieden. Het is schrijver niet bekend, hoe de voedings-
toestand der buffels in Noord-Tapanoeli over het algemeen is. Bij een tournee be-
vond hij, dat de dieren daar er niet al te goed uitzagen. Zou de grootere sterfte in het
Noorden misschien komen, doordat daar een andere soort surraparasite voorkomt?

Bij massaal onderzoek vond Bakker een verschil in grootte van diverse trypa-
nosomen. In sommige praeparaten zijn de parasieten 2 x zoo groot als in andere,
zoowel bij buffels als bij paarden.

Deze praeparaten waren van niet voorbeliandelde dieren.

Er is nog een factor, waarom men aan verschillende soorten trypanosomen mag
denken : Krachtige goedgevoede paarden sterven soms na een kort ziekteproces,
terwijl van nature zwakke dieren eerst 5 of 6 weken ziek zijn vóór te bezwijken.

Misschien komt een bepaalde surrasoort meer in het Noorden voor dan in het
Zuiden ?

Resumeerende zegt Bakker. Het voorkomen van verschillende soorten van
trypanosomen is waarschijnlijk om de volgende reden :

ie. Het waargenomen verschil in grootte tusschen de verschillende parasieten.

-ocr page 115-

2e. Het ongelijkmatige verloop der ziekte bij paarden.

3e. Het verschil in sterftecijfer bij buffels.

Indien dit waar is, moet de invloed van trypanocide middelen, meer bijzonder
Naganol op de verschillende species nagegaan worden.

(Het is een feit, dat men nu eens groote, dan kleine typen aantreft, maar men
treft die ook aan bij naast elkander levende runderen of paarden, ik heb wel eens
opgemerkt, dat bij een recente hevige uitbraak de parasieten klein waren en dat
bij oudere chronische gevallen ze grooter zijn ; ik meende ook te zien, dat die van
paarden altijd verschillen in grootte van die van runderen in dezelfde omgeving.
Behalve aan verschillende soorten, diene men ook te denken aan voeding,
atmosfeer, stalling, arbeid, gastheer, levensomstandigheden. Bij het paard is b.v.
de trypanosoom meestal veel virulenter dan bij rund of karbouw, ref ).

Naganol werd in Ivediri ingespoten bij een kudde buffels en runderen, waarvan
20% parasietendragers bleek bij het iste bloedonderzoek, waarschijnlijk dus met
diegene in het incubatietijdperk en die in het koortsvrije stadium 40% aangetaste
dieren.

Aan besmette dieren werd 5 gram naganol in 10% oplossing ingespoten; de andere
kregen 3 gram praeventief. Geen parasietendragers werden daarna meer aangetrof-
fen. l)e dieren konden doorgaan met hun arbeid.

In Zuid-Paelang Lawas werd het district Siboehoean ieder jaar gesloten voor
paardenverkeer wegens het hevig heerschen van surra in die afdeeling. Thans wordt
praeventief Naganol ingespoten en afsluiting is niet meer noodig. Het mieldel schijnt
onschadelijk : 1 rund slechts stierf onmidelelijk na de injectie ; men ziet verder wel
eens urtiearia en soms diarrhee.

Infectieuze Abortus of de Bangsche ziekte. Dr. B. Vrijburg. Lezing te Djocja-
karta
30-3-1928.

Vrijburg geeft een belangwekkend overzicht van de infectieuze abortus en
de maatregelen daartegen genomen, wijst dan op het veelvuldig voorkomen van
infectieuze abortus op ele melkerijen in Ned.-Tnelië en dringt er op aan ook in Indië
ele veille aandacht aan dit belangrijk vraagstuk te wijden.

Tot nog toï is profylaxis het voornaamste. Een stal, welke vrij is, moet men vrij-
houden en weinig-geïnfecteerde stallen vrij maken.

Een stal is vrij, wanneer er geen abortus voorkomt en de elieren op de agglutina-
tieproef niet reageeren. Men moet uit gezonde stallen biikoopen of
kalveren nemen
uit geïnfecteerde stallen, ook de aangekochte dieren moeten onderworpen worden
aan de agglutinatieproef.

Ook kan men langzaam aan een nieuwen stal aanleggen, met ele kalveren en jonge
vaarzen, die afgezonderd worden van de besmette kudde. (Ik sta voorloopig nog
pessimistisch tegenover de vele maatregelen, die genomen worden).

Enten met vol virulente culturen in besmette stallen en bij niet bezette dieren
schijnt voorloopig nog het beste te zijn tegen het
verwerpen zelf, ofschoon het toch
zeker geen middel ter
genezing is.

Maar het vrijhouden of het vrijmaken van stallen zal reusachtige moeilijkheden
opleveren en zooveel geld kosten, elat de veehouder ten slejtte van zelf staakt, om-
dat in zoo vele gevallen de veestapel het gelei niet waarel is, dat er aan besteed
wordt (in Indië).

Wanneer wij bovendien in aanmerking nemen, dat ten slotte de meeste koeien
na eenige miskramen normaal werpen, kan men aannemen, dat vooral een inlandsch
veehouder zeer weinig zal voelen voor kostbare uitgaven, te meer daar geen des-
kundige
succes kan voorspellen ; ik voor mij zou huiverig zijn maatregelen aan te
bevelen, die niet doeltreffend kunnen zijn.

Staat de op Atjeh en in Deli bekende gewrichtsziekte : ,,de dikke knieënziekte"
ook in verband met infectieuze abortus, dan wordt de zaak nog ingewikkelder,
omdat door deze ziekte zooveel trekdieren en ook melkvee waardeloos worden en
te gronde gaan.

(En in Europa staat de zaak thans weer opnieuw in het volle teeken der belang-

-ocr page 116-

stelling door de ontdekking, dat de Bangsche bacil werkelijk bij den mensch een
ziektebeeld kan verwekken, dat volkomen overeenstemt met Maltakoorts.

Veel meer studie wordt nog vereischt voor over deze ziekte(n) het laatste woord
gezegd is. Ref.).

De mannelijke Fi Bastaard van de kruising Bos sundaicus met Bos indicus vrucht-
baar of onvruchtbaar.
Dr. J. Merkens.

Uit de proeven genomen aan de Ned.-Ind. Veeartsenschool blijkt niets omtrent
onvruchtbaarheid van genoemde stieren. Ook den veefokkers is zulks niet bekend.

De proeven te Halle genomen worden dus niet bevestigd.

Bijdrage tot de kennis van de Schapenfokkerij in Nederlandsch-lndië. Dr. J.
Merkens en R. Soemirat.

De Preangerschapen schijnen minder snel te groeien dan andere bekende rassen.
De hoogtematen nemen minder snel toe. De pijpomvang wordt verhoudingsgewijze
kleiner op lateren leeftijd in vergelijking met de schofthoogte.

Extracten uit de Maand- en Jaarverslagen der Gouvernementsveeartsen. Dr. C.
P.
A. Dieben : Plenropneumonia contagiosa bovum.

Bij een partij Australische runderen, welke op 25 Juli te Tandjong Priok waren
aangevoerd, werden begin Augustus bij het slachten verdachte afwijkingen aan de
longen gevonden.

Dadelijk bij nazien werd toen gedacht aan besmettelijke longziekte, welke diag-
nose door het Laboratorium te Buitenzorg na onderzoek van een gedeelte long werd
bevestigd.

De rest van de kudde werd onder nauwkeurige voorzorgsmaatregelen geslacht.

Verscheidene runderen werden nog gevonden met aangetaste longen, volgens het
beeld ziek geworden op de reis of in Priok. Den laatsten dag werd een rund aange-
troffen met een oud proces (sequester). Dit rund is misschien de infectiebron ge-
weest.

Eendenfokkerij in het Amoentaische. Slamet, Adjunct-gouvernementsveearts te
Kandangan.

In vijf kampongs van de onderafdeeling Amoentai worden in de moerassen een-
den gehouden op lantengs, dat zijn vlotten van boomstammen ongeveer 3 Meter
breed en 12 M. lang.

Een halve meter boven deze stammen is een vloer gevlochten van bamboe, waar-
op de eenden zich bevinden. Op een helft staat een huisje voor den bewaker, meestal
eigenaar. In den natten tijd drijven deze vlotten op het meer, in den drogen tijd
rusten ze op den bodem ; er kan dan zelfs rijst geplant worden rond het vlot.

De eenden blijven dan opgesloten, maken alleen van tijd tot tijd een wandeling
onder toezicht. Op zoo\'n vlot kunnen 350 tot 400 eenden gehóuden worden. Op het
water voeden ze zich met kleine visch, sprinkhanen enz. \'s Avonds worden ze bij-
gevoerd met roembia (sagopalm) en visch (meestal gekookt voor de betere vermen-
ging met sago).

Op den leeftijd van zes maanden beginnen de eenden te leggen. De legtijd duurt
7 a 8 maanden. 145 eieren gaven bij wegen een doorsnee van 68.96 gram. 200 eenden
legden 120 tot 140 eieren per dag. Op 50 eenden is een woerd. Daarom zijn er veel
onbevruchte eieren. Uitbroeding geschiedt door Manilla-eenden of door kippen,
welke op veel eieren zitten. Een steekproef gaf 29, 23, 19 en 18 stuks.
De jonge
eendjes worden kunstmatig opgekweekt. Op een leeftijd van
4 a 5 dagen knijpt of drukt
de hoeder in of op den vleugelwortel. Mannetjes beginnen door de pijn achter elkaar te
kwaken, vrouwtjes laten bij langere tusschenpoozen een geluid hooren.

De opkoopprijs van eieren is / 3.50 tot ƒ4.50 per 100 stuks, de verkoopsprijs
ƒ5.25 tot ƒ 6.50 per 100.

Men zout de eieren ook in door ze te omringen met een mengsel van klei, asch
en zout en bewaart ze zoo 3 weken. Voor 1000 eieren gebruikt men 11 briketten
zout. (Gezouten eendeneieren zijn een pikante toespijs bij de rijsttafel. Ref.).

Slachteenden worden naar Bandjermassin uitgevoerd ; eendenvleesch wordt ook
wel geconserveerd als dengdeng, echter heel weinig.

-ocr page 117-

Behandeling met naganol. D. Koiter. Gouvernementsveearts te Poerwokerto.

Naganolinspuitingen gaven goed succes bij runderen en buffels met surra. Reeds
spoedig gaan vermagerde dieren in voedingstoestand vooruit. Bij het voorafgaande
bloedonderzoek had men weinig parasietendragers gevonden.

Een vijand der Luisvliegen. Mas Soetisno, Gouvernementsveearts te Koepang.

De bevolking van Timor beweert dat wespen (Vespa aurora nigrithorax: var du
Buys),
als „Maboen" bekend, de luisvliegen opeten.

Mas Soetisna bond paarden met luisvliegen bezet onder een boom, waarin die
wespen huisden. Inderdaad zwermden de wespen spoedig om de paarden heen, doch
door de onrustigheid van die dieren kon niet geconstateerd worden of de wespen de
luisvliegen medenamen. Na een 4 tal uren was het aantal luisvliegen echter inder-
daad verminderd. (Nemen de wespen de luisvliegen niet mede om daarin haar
eieren te leggen ? Ref.).

Jaarverslag 1927 Afdeeling Oost-Java.

Dit behelst o.a. de mededeeling, dat het bestuur der afdeeling tevens het bestuur
zal vormen van de diergeneeskundige sectie bij het natuurwetenschappelijk Con-
gres, hetwelk in 1928 te Soerabaya zal worden gehouden.
 Breedveld.

ZIEKTEN VAN PAARDEN.

Sur les kystes dentaires de la région temporale chez le cheval.

M. N. (Revue Vét. et Journ. de Méd. Vét. et de Zootechnie, Juin 1927, p. 319)
waarschuwt naar aanleiding van een door hem waargenomen geval tegen de ge-
varen bij chirurgische behandeling van z.g. oorfistels, waaraan een of meer erra-
tische kiezen ten grondslag liggen, (kystes dentaires, dentigères ou odontoides).

Hij onderschrijft in dezen volkomen de meening van Cadiot en Almy en geeft
den raad de operatie te staken, indien zich zoodanige moeilijkheden voordoen,
dat de gevreesde mogelijkheid op perforatie van de schedelholte bestaat.

Men kan dan beter het dier de verdwaalde kies laten behouden dan het gevaar
loopen van een doodelijke meningo-encephalitis op te wekken. (Ref. heeft dezen
raad enkele jaren geleden onbewust opgevolgd toen een militair paard met een
oorfistel in behandeling kwam. Na splijting van de cyste kwam een groote kies voor
den dag, die in schuine richting zeer diep in het slaapbeen was ingeplant. Met geen
mogelijkheid kon de kies worden gextraheerd zonder de geheele omgeving te ver-
woesten. Tot 4 maal toe is het paard neergeworpen om het nog eens te
probeeren, doch steeds met hetzelfde negatieve resultaat. Het paard doet nu zijn
dienst met een daarvoor passend gemaakt hoofdstel, terwijl de fistelopening
dagelijks wordt gereinigd en behandeld.

Péritonite ceptique d\'origine vermineuse des poulains de pré.

Denizot (Revue gén. de Méd. Vét., Juin 1927, p. 305) vermeldt het voorkomen
van een septische peritonitis bij veulens, die in de weide loopen. Deze ziekte wordt
veroorzaakt door ingewandswormen of hun larven, die het digestiekanaal ergens
perforeeren. Schr. releveert 5 door hem waargenomen gevallen.

In de maag zijn het gastrophiluslarven die, in groot aantal aanwezig, de maag-
wand kunnen doorboren. Of zij dit uitsluitend actief kunnen doen wordt door
Denizot betwijfeld. Waarschijnlijk moet er een of andere aanleidende oorzaak
bijkomen b.v. maagoverlading, verhoogde contracties e. d. Toch heeft deze auteur
gezien, dat de maagwand door een of meer larven werd doorboord. Evenzoo heeft
hij een perforatie van den darmwand door ascariden geconstateerd. Andere darm-
parasieten schijnen zonder gevaar te zijn, alleen kunnen hun larven en wel in het
bijzonder die van sclerostomen afwijkingen gepaard met perforaties teweegbrengen.
Het kan nl. voorkomen, dat de submuceuse tumoren, waarin de geslachtslooze
dieren eenigen tijd verblijven, worden geïnfecteerd, in abscedeering overgaan en
naar de buikholte doorbreken. Ook kunnen de larven bij het verlaten van het
aneurysma een grooter of kleiner stuk van den thrombus meenemen, hiermede
een meer of minder belangrijke abdominaal-arterie verstoppen, hetgeen ernstige
gevolgen w. o. darmverscheuringen na zich kan sleepen.

-ocr page 118-

Denizot acht de juiste diagnose ante-mortem steeds mogelijk.

Van meer belang is het echter de ziekte te voorkomen en den paardeneiger.arcn
wordt aangeraden daartoe de volgende maatregelen te treffen :

1. Gedurende den zomer de voorbeenen der paarden geregeld ontdoen van de
gastrophiluseieren.

2. In het voor- en najaar een wormkuur toedienen en de ontlaste faeces ver-
branden.

3. Zorgvuldig waken voor verontreiniging der drinkbakken met gier.

4. Gedurende het voorjaar vooral vochtige weiden bestrooien met ijzersulfaat
in hoeveelheden van 30c—500
K.G. per H.A.

Mitteilung über Implantation von Ovariumstücken bei einem Kryptorchiden.

Prof. Dr. K. Pardubsky (Prager Archiv fiir Tiermedizin u. vergl. Path. 1927,
Teil V H. 3 u. 4, p. 171) stelt zich de vraag of de verschillende z.g. verjongings-
proeven van
Steinach ook voor de diergeneeskunde praktische waarde bezitten.
Uit de literatuur heeft hij daarop geen juist antwoord kunren vinden. Volgens
Steinach krijgt een gecastreerd mannelijk Guineesch biggetje, waarbij men ge-
deelten van een ovarium heeft geïmplanteerd een meer of minder vrouwelijk ka-
rakter en vrouwelijke eigenschappen. Kan hetzelfde niet bij het paard worden
toegepast, vraagt Schr. om de onaangename kwaadaardige eigenschappen van
klophengsten, die niet of moeilijk kunnen worden geopereerd, te doen verdwijnen
of te wijzigen en de gewenschte vrouwelijke eigenschappen meer naar voren te
brengen ?

De eerste proef in die richting had plaats in 1922 bij een cryptorchide die levens-
gevaarlijk was. Reeds 10 dagen na de operatie kon het paard zonder gevaar door
iedereen worden gepoetst en gevoederd. Spoedig daarna werd het dier verkocht
en zoodoende aan verdere waarneming onttrokken.

Eerst in 1926 had Pardubsky gelegenheid ten tweeden male een dergelijke
operatie te verrichten en wel bij een rechtszijdige abdominale cryptorchide, die
links was gecastreerd. Van een voor de slachting bestemde merrie werd het ova-
ruim verwijderd en hieruit 4 gedeelten genomen elk ter grootte van twee boonen.
Deze orgaandeelen werden geïmplanteerd aan de voorborst nl. twee intramuskulair
en twee subcutaan. Deze manipulaties werden natuurlijk onder streng aseptische
cautele verricht. Na 7 dagen verliet het paard de kliniek en 70 dagen na de operatie
zond de eigenaar bericht, dat het dier veel rustiger en handelbaarder was gewor-
den, hetgeen sindsdien nog belangrijk is verbeterd.

Some Notes on Treatment of Interest to Clinicians.

James Mc. Cunn. (The Veterinary Record, 1927, No. 22, p. 469) houdt een
inleiding over verschillende behandelingsmethoden in de praktijk. Hij is een voor-
stander van de intraveneuse toediening in het algemeen, voornamelijk om de snelle
werking en omdat het geneesmiddel aldus volkomen zuiver kan worden gedoseerd.
Voor de van verschillende zijden aangevoerde complicaties is hij niet bevreesd,
mits de techniek goed wordt uitgevoerd.

Zijn mededeelingen betreffen in de eerste plaats de intraveneuse injecties van
formaldehyde, chloralhydraat en antitetanus-serum.

Hij acht de toediening van een 40 % formaldehydeoplossing aangewezen bij
chronische catarrhen van de luchtwegen en noemt haar zelfs een specificum tegen
morbus maculosus.

Chloralhydraat intraveneus toegediend is een eenvoudig, ongevaarlijk en zeer
aan te bevelen anaestheticum in de operatieve chirurgie, in het bijzonder bij tand-
operaties. Schr. erkent echter het bezwaar, dat de patiënt na het voltooien der
operatie niet dadelijk kan opstaan. Hij neemt oplossingen in sterke concentraties
van
i : 2 (Tap, die een experimenteel en klinisch onderzoek naar de waarde van
de intraveneuse chloralhydraat-narcose bij de operatieve chirurgie bij het paard
heeft verricht — Acad. proefschrift, Utrecht 1023 -— zegt, dat het voordeel van
de sterke oplossingen ligt in de omstandigheid, dat zij met behulp van een injectie-
spuit kunnen worden toegediend, terwijl het nadeel, dat velen aan het gebruik

-ocr page 119-

van een zoodanige sterke vloeistof verbonden achten, niet van zoo ernstigen aard
is. Kef.)

De intraveneuse injectie van antitetanusserum acht Sehr, de eenige methode
waarvan succes kan worden verwacht. De subdurale injectie in het ruggemerg
zooals bij den mensch wordt toegepast, is bij het paard practisch onmogelijk.
Het serum moet echter in groote doses worden ingespoten. De methode is dan
ook zeer kostbaar, maar biedt veel kans op succes, echter toch zonder absolute
zekerheid. Om de kans op een gunstig resultaat te vergrooten, acht Sehr, nog 2
nadere punten van belang nl. : i°. bij bekendheid met de porte d\'entrée deze goed
open te leggen en te cauteriseeren, om de productie van toxinen te verminderen ;
2°. de duur der incubatie, hoe langer hoe beter ; bij een incubatiestadium langer
dan 7 dagen zou geen patiënt meer behoeven te sterven aan de ziekte.

Verder beveelt McCunn in het acute beginstadium van hoefbevangenheid aan
de injectie van adrenaline ter hoogte van de vetlok, aan elke zijde van het been
2j c.c. van I°/00 -oplossing, om de sterke hyperaemie in den ondervoet tegen
te gaan. Hij heeft hiermede zeer spoedig herstel zien optreden. Daarnaast is een
koud voetbad, eventueele permanente koudwaterirrigatie gewenscht.

Bij inactiviteits-spieratrophieën na schouder- en heupkreupelheden zag Sehr,
vaak succes van intramusculaire injecties van terpentijn, 5 c.c. verdeeld over
verschillende plaatsen is voldoende. De reactie is hevig doch na een week al zoo-
ver verminderd, dat het dier weer voor lichte diensten kan worden gebruikt.

De naar aanleiding van deze mededeelingen gevoerde discussie leent zich niet
voor een referaat.

A peculiar eguine sarcosporidium in the Anglo-Egyptian Sudan. (S. C. J. Bennett
The Vet. Journal June 1927 p. 297 -304).

Hier wordt een geval van sarcosporidiosis uit den Egyptischen Soedan vermeld
bij een 9-jarige ponie. Als bijzonderheid wordt aangemerkt, dat geen parasieten in
de skeletspieren zijn gevonden, terwijl deze toch als de gewone zitplaatsen worden
aangegeven. Nu vormde de larynx een predilectieplaats.

De eerste ziekteverschijnselen, die het dier vertoonde waren zwakte, gezwollen
ledematen, dikke oogleden, huiduitslag gepaard met pleksgewijze haaruitval. Men
dacht natuurlijk aan trypanosomiasis, doch het bloedonderzoek hierop was nega--
tief; daarentegen werden een groot aantal sporen van Sarcospoiidiën waargenomen.

Het onderzoek post mortem bepaalde zich alleen\'tot de aangetaste gedeelten.
Het larijngeaalslijmvlies, voornamelijk van de stembanden, was bedekt met vele
kleine witachtige knobbeltjes ter grootte van -(- £ millimeter (sarcocysten). De
spieren waren lichtbruin van kleur, bros en vertoonden alle, de hartspier uitge-
zonderd, een duidelijke Zenkersche ontaarding, die aan de pathogenitcit van deze
parasieten moet worden toegeschreven. Zooals reeds gezegd werd geen enkele sar-
cosporidium gevonden in het groote aantal coupes, die van verschillende spieren
zijn gemaakt.

Sehr, erkent, dat deze studie niet volledig is geweest, doch meent op grond van
de afwijkingen in morphologische eigenschappen en in predilectieplaatsen, dat deze
parasieten van de gewone sarcoporidiën verschillen.

Die Behandlung hartnäckiger Obstipationen des Coecums beim Pferde durch
Punktion des Coecums, nebst Beiträgen zur Verwendung des Septojod
(Sol. Jodi
Pre.gl)
und des Bariomyl.

Dr. Adolf Molnar (Wiener Tierärztl. Monatssclir. Juli 1927 S. 385—394) wijst
op het groote aantal gevallen van koliek door verstopping van den blinden darm,
waarvan het sterftecijfer minstens 15% bedraagt. De gewone afvoer- en peristaltiek
opwekkende middelen hebben vaak geen succes. In den laatsten tijd wordt bario-
myl speciaal aanbevolen, doch sehr, zag hiermede evenmin gunstige resultaten.
Naar zijn meening is bij zulke hardnekkige blindedarmobstipaties, die weerstand
bieden aan elke medicamenteuse therapie, slechts punctie van het coecum met
daaropvolgende infusie van water, waaraan eventueel een afvoermiddel is toege-
voegd, aangewezen. Op deze wijze werd in de kliniek der Weensche Diergenees-

-ocr page 120-

kundige Hoogeschool bij 7 van de 9 gevallen, die anders zeker letaal zouden zijn
verloopen, het coecum volkomen geledigd. De operatietechniek wordt uitvoerig
beschreven.

Om het eventueel optreden van peritonitis te voorkomen werd voor en na de
punctie 40 tot 80 cc. op lichaamstemperatuur gebrachte „Sol. Jodii Pregl" intra-
peritoneaal ingespoten.

Les Anatoxines. (M. jAcquART, L\'Echo Vétérinaire Juin 1927, Jr. 175—178).

De z.g. intoxicatieziekten als tetanus, diphtheriee.a. kon men tot voorkorten tijd
slechts door serumbehandeling bestrijden. Wegens den korten duur dezer immuni-
teit en het gevaar, dat herhaalde injecties van hetzelfde serum opleveren, deed zich
de behoefte aan een practische methode ter verkrijging van een langdurige en
standvastige immuniteit sterk gevoelen.

Na talrijke onderzoekingen is Ramon er in geslaagd een vaccinatie tegen diph-
therie te vinden. Het antigeen draagt den naam van anatoxine en wordt verkregen
door aan het toxine een zeker percentage (3 a 4%) formaline toe te voegen en dit
mengsel een twintigtal dagen in de broedstoof te laten staan.

Wanneer 0.5 cc. en 1 cc. diphtherie anatoxine na elkaar met een tusschentijd
van 20 dagen subcutaan worden ingespoten, verkreeg men na 5 of 6 weken bij
90—95 van de 100 kinderen en na 2 maanden bij 98 van de 100 kinderen een zoo-
danige onvatbaarheid, dat de reactie van
Schick (een zeer kleine intercutane gift
van diphtherietoxine geeft een huidreactie bij kinderen, die voor diphtherie vat-
baar zijn. Ref.) negatief uitviel.

In navolging van de onderzoekingen van Ramon deed Descombey soortgelijke
proeven bij tetanus van het paard. Bij paarden, die door twee achtereenvolgende
injecties van tetanusanatoxine waren gevaccineerd bleek de immuniteit steeds
voldoende te zijn ; na één enkele injectie was de onvatbaarheid te zwak. De doses
bedroegen respectievelijk 10 en 20 cc. met een tusschentijd van 14—20 dagen. Na
14 dagen was de immuniteit merkbaar, doch eerst na 3 weken bevredigend. Deze
vaccinatie zal dus niet in dringende gevallen kunnen worden toegepast, omdat het
incubatiestadium van tetanus bij het paard gemiddeld 6—9 dagen bedraagt, alsdan
blijft de serotherapie aangewezen.
 Brands.

ZIEKTEN VAN HERKAUWERS.

Een nieuwe mastitisbehandeling. A. Stietenroth, B. T. W. ii Mei 1928.

Schr. heeft opgemerkt, dat bij een mastitis de bloedvaten van den uier sterk
verwijd zijn. Bij een gezond dier zijn de bloedvaten aan den rechterkant van den
uier meestal wijder dan aan den linkerkant en schr. meent ook opgemerkt te
hebben, dat mastitis vaker aan den rechterkant dan aan den linkerkant optreedt.

Zoo door-redeneerende komt schr. tot de conclusie, dat een bloedleegheid van
den uier bij mastitis een gunstige werking moet hebben Hij wil daarom een angio-
stenose opwekken en spuit daartoe subcutaan, ongeveer drie handbreedten van
den uier, op de vene die het bloed van den uier
wegvoert, een zelf gefabriceerd
preparaat „Stenosine" in evenals op de plaats, waar deze vene in de buikmuscu-
latuur verdwijnt. Hiermede verkrijgt hij de prachtigste resultaten. Na 24 uur
is de melksecretie weer normaal. Hoe de schr. zich de bloedleegheid in den uier
voorstelt is ref. niet recht duidelijk. De angiostenose wordt bewerkstelligd achter
den uier, zoodat in den uier een hyperaemie moet optreden.

R. H. van Gelder.

La stomatite vésiculeuse des Bovidés. M. E. Leclainche, Revue Générale de
Médécine Vétérinaire, No. 438.

Eeclainche wijst er op, dat het in bepaalde gevallen moeilijk is het mond-
en klauwzeer bij runderen te onderscheiden van andere stomatitiden.

Reeds in de oudere literatuur wordt melding gemaakt van een vesiculeuse
stornatitis, die behalve bij runderen, ook bij paarden voorkomt, terwijl paarden
voor het mond- en klauwzeervirus bijna ongevoelig zijn.

-ocr page 121-

In 1925 bestudeerde Cotton in de Vereenigde Staten een dergelijke vesiculeuse
stomatitis. Hij kwam op het idee, dat deze stomatitis geen mond- en klauwzeer
was, omelat de dieren alleen erupties van het mondslijmvlies vertoonden. Toen
een vijftal paarden door inoculatie in den tong besmet werd, vertoonden alle
in 24 uur typische blaren op den tong en temperatuurstijging.

Peter Olitsky in een latere studie, vond, dat de cavia op dezelfde wijze reageert
op het virus van het mond- en klauwzeer als op het virus van de stomatitis vesi-
culosa.

Ook Moussu in 1926 maakt melding van een soortgelijk lijden. Het doorstaan
van de ziekte geeft immuniteit, maar deze dieren zijn niet immuun tegen mond-
en klauwzeer ; omgekeerd geeft mond- en klauwzeer geen immuniteit tegen de
bedoelde stomatitis.

In uitzonderingsgevallen vertoonden runderen lijdende aan de stomatitis enkele
interdigitale blaren.

Leclainche vindt een en ander belangrijk uit een oogpunt van veterinaire
politie.

In twijfelgevallen zal men goed doen de smetstof bij een paard te inoculeeren.

Stovarsol, spécifique de 1\'agalaxie contagieuse du mouton et de la chèvre. (In-
stitut
Pasteur d\'Algérie), Buil. de 1\'Ac. Vét. de France 1928).

In Algiers komt een besmettelijke mastitis voor onder de daar talrijke (voor
melkproductie gehouden) geiten en schapen ; de aangetaste dieren kunnen, voor
zoover arthritiden en andere bijkomende afwijkingen zulks niet verhinderen, nog
voor de vetweiderij gebruikt worden.

Als oorzaak wordt aangegeven een microbe, die, met die van de peripneumonie,
een aparte groep vormt, waarvan de plaats in het natuurlijke systeem nog niet
geheel bepaald is (protozoen? bacteriën?)

Stovarsol (een natriumzout van oxyacetyl-aminophyl-arseenzuur), werd ge-
probeerd als specificum, subcutaan toegediend. De mededeelingen omtrent de
resultaten zijn in gunstigen zin gesteld.

Ook bij hondenziekte worden gunstige resultaten van stovarsol vermeld. (4
centigram per K.G. in 10 c.c. ged. water, intraveneus). Na toediening van sto-
varsal werden geen verliezen meer geleden wegens nerveuse complicaties, nog
wel wegens broncho-pneumonie, enteritis en cachexie.

Carbon tetrachloride in Liver-Rot of Sheep. Journal of Comp. Path. and Therap.,
1928, 3. blz. 191.
R. F. Montgomerie, Wales.

In aansluiting aan één artikel, door Montgomerie in 1926 gepubliceerd, worden
in dit artikel de ervaringen medegedeeld, opgedaan bij proeven in 1927—1928
over de werkzaamheid van tetrachloorkoolstof bij schapen, aangetast door Fas-
ciola hepatica.

Schapen uit hoog, droog land, werden kunstmatig geïnfecteerd met cercarien-
cysten. (Omstreeks 11 weken na de infectie verschenen eieren in de faeces ; vóór
dien waren de faeces steeds eierenvrij gebleken).

l)e schapen werden in verschillende koppels ingedeeld. De infectie met de cer-
cariencysten geschiedde voor alle dieren ongeveer op hetzelfde tijdstip. Voor
elk schaap was ele hoeveelheid toegediende cercarien bekend, varieerende van
25 tot 200 stuks.

De koppels werden dan op verschillende tijdstippen met tetrachloorkoolstof
behandeld ; resp. met 1 c.c., 5 c.c. en 10 c.c. in ééns per schaap.

De eerste koppel werd 4 weken na de infectie behandeld, de 2e koppel 5 weken,
de 3e koppel 6 weken, enz. Eenigen tijd na het toedienen van de tetrachloorkool-
stof werden de schapen geslacht.

Op deze wijze kon worden nagegaan op welk stadium in de ontwikkeling van
de bot het tetra het best inwerkt ; bovendien kon men zich eenigszins een oordeel
vormen over de hoeveelheid welke moet worden toegediend ten einde de para-
sieten alle te dooden.

-ocr page 122-

De conclusies, met talrijke tabellen toegelicht, luiden als volgt :

Als de periode tusschen injectie en toediening van i c.c. tetrachloorkoolstoj kleiner
ivas dan 8 weken, werden geen of weinig parasieten vernietigd.

Na 9 weken heeft een deel der botten (de ontwikkclingsduur van alle botten
is niet gelijk) een bepaalde ontwikkeling bereikt, waarop tetrachloorkoolstof
destrueerend schijnt te kunnen inwerken. Bij toediening na de 10 of i ie week
werden bijna alle botten vernietigd.

Verder werd gevonden : de leeftijd waarop de botten gevoelig worden voor
tetra varieert met de hoeveelheid tetra die wordt toegediend, is er nl. omgekeerd
evenredig mee. Een doseering van 10 c.c. in eens doodde bijv. eenige van de pa-
rasieten reeds
4 weken na de infectie ; na 5, 6, 7 of 8 weken waren met deze do-
seering bijna alle botten gedood (zooals steeds uit secties bleek).

Tetrachloorkoolstof, al doodt het jonge leverbotten niet, werkt wel remmend
op de ontwikkeling ervan ; de werking van een grootere hoeveelheid is krachtiger
dan van een kleinere : schapen, die parasieten bevatten, welke te jong zijn om
door tetrachloorkoolstof gedood te worden, scheidden na toediening van 1 c.c.
op zijn vroegst na
2 weken eieren in de faeces af; na toediening van 10 c.c. op
zijn vroegst na
4 weken.

Intoxicatieverschijnselen werden alléén waargenomen in twee gevallen, na toe-
diening van
10 c.c.

Voor de praktijk komt schrijver ten slotte tot de volgende samenvatting :

Alvorens de giftigheid van het middel niet door meer proefnemingen is onder-
zocht, schijnt het wenschelijk de dosis niet grooter te nemen dan
1 c.c. ; aange-
zien een deel der parasieten (nl. die, welke jonger zijn dan
9 weken) dan niet
gedood wordt, is
herhaling van de behandeling geboden, bijvoorbeeld eens per maand,
of in streken met hevige infectiekans vaker (desnoods iedere week). Capsules
met
5 c.c. zijn ook heel gemakkelijk in te geven ; afgezien van een (in de proeven
niet gebleken) mogelijke vergiftiging, heeft deze cosis het voordeel, sneller te
werken (nl. de botten in een jeugdiger stadium te dooden).

Studies in Lambs Dysentery. Pool, Preston en Brownlee, The Journ. of
Comp Path. and Ther., Sept.
1928.

Op het grondgebied, gelegen op de grens van Engeland en Schotland komt een
dysenterie voor onder pasgeboren lammeren. Deze dysenterie werd door genoemde
Heeren nader onderzocht.

1. llet agens kon niet worden gevonden; vermoedelijk is het ultravisible.

1. Met faeces van aangetaste lammeren konden andere lammeren geïnfec-
teerd worden.

3. Besmetting van dragende ooien had niet tot resultaat dat besmette lammeren
werden geboren. L. P.
de Vries.

Immuniseeren tegen runderpest.

Volgens Carmichael (journal of Comp. Path. a. Ther., 1928, No. 3, blz. 185)
is het prakties om bij het uitbreken van runderpest direct serum te nemen van
een hersteld dier, om andere dieren te immuniseeren, en niet te wachten tot men
hyper-immunserum heeft, daar zulks tijdverlies geeft. Om meer serum-leverende
dieren ter beschikking te hebben kan men gezonde dieren besmetten en tegelijk
met serum behandelen en na doorstaan van de entziekte, als serumdier gebruiken.

C. had in Uganda goede resultaten met deze methode.

Daubney deed in Kenya (Midden-Afrika) laboratoriumproeven en onderzoe-
kingen aangaande runderpestvirus. Hij vond met formaline behandeld infectieus
bloed of leverpulpa van geen beschuttende kracht ; beter werkten met formaline
behandeld lymphklier- of nierweefsel. Maar het beste voldeed onderhuidse enting
met geformaliseerde miltpulpa. (Voor bizonderheden, zie het artikel).

Vrijburg.

-ocr page 123-

P. H. A. VAN AELST. f

Op 13 November j.1. overleed te Maastricht na een langdurig
lijden, onze collega,
Pie van Aelst, Directeur van het Openbaar
Slachthuis te Sittard, plaatsvervangend-inspecteur van den Vee-
artsenij kundigen Dienst, gepensionneerd kapitein-paardenarts.

Pie van Aelst werd geboren te Maastricht 24 Januari 1887,
bezocht aldaar de Hoogere Burgerschool, legde in 1906 met goed
gevolg het eindexamen af, en werd in datzelfde jaar ingeschreven
aan de toenmalige veeartsenijschool.

Vele lezers van ons tijdschrift zullen zich den vroolijken, jovia-
len student ongetwijfeld nog wel herinneren. Goed corpslid zijn,
student zijn in den vollen zin des woords, was voor hem geen be-
zwaar om reeds op nauwelijks 23-jarigen leeftijd zijn diploma als
veearts te behalen.

Reeds kort na het beëindigen zijner studie ontving hij zijne
benoeming tot paardenarts 2e klasse, promoveerde later tot paar-
denarts ie klas (kapitein) en verwierf als zoodanig het kruis voor
15-jarigen trouwen dienst, benevens het mobilisatiekruis. Het
grootste gedeelte van zijn militaire loopbaan verbleef hij te Utrecht,
alwaar hij bij de Veldartillerie was ingedeeld.

In 1925 werd hij benoemd tot Directeur van het slachthuis te
Sittard, tevens keuringsveearts, hoofd van dienst in den kring
Sittard, in welk jaar hij eveneens werd aangesteld als Rijkskeur-
meester in bijzonderen dienst.

Als jongen was Pie wat men gelieft te noemen een echte „robbe-
does". Steeds haantje-de-voorste bij het uithalen van kattekwaad
had hij een hartgrondigen afkeer van tuchtmaatregelen. Zijn hel-
der verstand en vlug begrip stelde hem nochtans in staat zonder
uitzondering telken jare met goed gevolg zijn examens af te leggen.

Slechts ruim één jaar heeft hij zich ten volle aan zijn taak als
keuringsveearts kunnen geven. Noch voor zichzelf, noch voor
anderen wilde hij laten merken dat zijn sterk gestel langzaam maar
zeker door een sleepende ziekte ondermijnd werd. Met uiterste
krachtsinspanning heeft hij nog geruimen tijd getracht zijn dienst
te blijven waarnemen, en noch het gemeentebestuur van Sittard

lvi 8

-ocr page 124-

noch de inspectie konden hem ertoe overhalen, ter wille van zijn
gezondheid rust te nemen. In het begin van 1928 heeft hij den
strijd moeten opgeven. Wij hebben hem helaas niet meer mogen
terugzien bij zijn werk.

Ondanks vele tegenslagen en beproevingen die hij in den laatsten
tijd moest ondervinden — tijdens zijn ziekte verloor hij zijn vader
en zijn eenige zuster — bleef zijn geest steeds opgewekt. Ondanks
het ongunstig verloop zijner ziekte bleef hij tot het laatste oogen-
blik vol goede hoop op zijn algeheel herstel. Wij, die herhaaldelijk
bij hem op ziekenbezoek kwamen, werden telkens er door getrof-
fen, dat zooveel leed nog met even zooveel opgewektheid kon ge-
dragen worden. Eenmaal troffen wij hem, slechts één uur na het
ondergaan van een vrij ingrijpende operatie, vroolijk schertsend
op zijn ziekbed aan. Zijn gehechtheid aan het leven was zoo
sterk, dat hij blijkbaar kon noch wilde denken aan een mogelijk
fatalen afloop zijner ziekte.

Vroolijk en oprecht, ziedaar twee eigenschappen die PiE in
buitengewone mate bezat. Daarnaast gul en gastvrij. Geen wonder
dan ook dat hij zich vele vrienden had verworven.

Op 17 November had de plechtige uitvaart plaats in de O. L.
Vrouwekerk te Maastricht, alwaar
Pie in zijn ouderlijk huis op
13 November was overleden.

Behalve een groote schare familieleden en bekenden, begeleidden
hem, met het gemeentebestuur van Sittard, een vijftiental Lim-
burgsche dierenartsen naar zijn laatste rustplaats.

Aan het graf werden woorden van waardeering en deelneming
gesproken door den Burgemeester van Sittard namens het ge-
meentebestuur ; door den Inspecteur van de Volksgezondheid te
Sittard en door Collega
van Kempen te Echt namens de Limburg-
sche dierenartsen.

Voor zijne moeder en overige familieleden, die in den loop van
één jaar zoo zwaar werden getroffen, maar vooral voor zijne lieve
vrouw en zijn nog zoo jonge kindertjes beteekent zijn heengaan
een ontzettende beproeving.

Moge onze innige deelneming in hun smart, naast onze eerbie-
dige hulde aan de nagedachtenis van onzen collega en vriend, haar
eenigszins tot troost strekken.

Hij ruste in vrede.

E. J. A. A. Quaedvlieg.

-ocr page 125-

— ill —

JAN BRAND BLOEMENDAL, f

Na slechts weinige dagen geleden te hebben aan een ernstige
hartaandoening, is op 29 November 1928 te Koedoes, in den
ouderdom van bijna 40 jaren, overleden
Jan Brand Bloemendal,
Gouvernements-Veearts ie kl. aldaar.

Geboren den 2Óen December 1888 te Amersfoort, genoot hij
aldaar lager en middelbaar onderwijs en begon in September
1908 zijn studie aan \'s Rijks Veeartsenijschool, na beëindiging
waarvan hij in Gouvernementsdienst naar Indië vertrok.

Het was in het jaar 1910, toen wij kamers betrokken in het-
zelfde huis, dat ik hem eigenlijk nader leerde kennen ; en van
toen af dateerde onze vriendschap.

Slechts weinigen in zijn studententijd zullen hem goed gekend
hebben, maar zij, die hem werkelijk kenden, hebben zeer zeker
van hem gehouden om zijn gulhartigheid en groote, opofferende
kameraadschap.

Voor zijn vrienden was trouw wel zijn voornaamste karakter-
eigenschap, en met weemoed zullen zij vernomen hebben, dat de
stoere, uitermate sterke
Jan Bloemendal zóó plotseling over-
leden is.

Reeds in zijn studietijd had hij een voorliefde voor de kennis
van het exterieur der huisdieren en had hij voor dit vak een zekere
natuurlijke begaafdheid.

Het is dan ook niet te verwonderen, dat van deze eigenschap
partij werd getrokken en hij door het Indische Gouvernement
werd uitgezonden, eerst tot aankoop van hengsten in Australië,
en daarna nog eens naar Britsch-Indië.

Spoedig daarop viel zijn verlof en kwam hij in 1923 voor de
eerste maal weer naar Holland, waar hij het voorrecht mocht
hebben, een aangename vacantie bij zijn ouders in Amersfoort
door te brengen.

Reikhalzend zag hij uit naar zijn tweede verlof in 1930, van
plan zijnde dit onmiddellijk te benutten om wederom zijn ouders
te bezoeken. - Helaas, het mocht niet zoo zijn. —

Op 24 November voelde hij zich onwel, een ernstig hartlijden
openbaarde zich, waaraan hij reeds binnen 5 dagen bezweek.

Vriendenhand drukte zijn oogen toe, \'en vrienden voerden hem
ter laatste rustplaats.

Wij, die hem goed gekend hebben, en van hem hielden, wij zeg-
gen het hun na :

Hij ruste in vrede .

Vriezenveen, 14 Januari 1929.

E. Rutgers.

-ocr page 126-

— 112 —
Centraal Laboratorium voor de Volksgezondheid.

NEUROFIBROMATOSIS BIJ HET RUND,

DOOR

Dr. A. CLARENBURG.

Onder neurofibromatose verstaat men een aandoening, geken-
merkt door het optreden van multipele, tumorachtige verdikkingen
in het verloop van periphere zenuwen. Hoewel deze aandoening
bij het rund vrij vaak voorkomt, worden er in de literatuur slechts
door enkele onderzoekers uitvoerige mededeelingen over gedaan,
terwijl, voorzoover mij bekend, van Hollandsche zijde geen onder-
zoekingen over deze ziekte werden verricht.1) Bijna algemeen
wordt in de veterinaire literatuur aangenomen, dat de tumoren
van het bindweefsel i. c. het endo- en perineurium uitgaan. De
zenuwvezelen doen niet actief mee, zij worden uit elkaar gedrongen
of naar terzijde geschoven en verlaten onveranderd den tumor of
vertoonen degeneratieve verschijnselen. In de publicaties welke
van medische zijde over overeenkomstige aandoeningen bij den
mensch zijn gedaan, vindt men hierover verschillende meeningen
verkondigd. Aanvankelijk meende men hier met neuromen te doen
te hebben, dus met tumoren, waarbij een woekering en nieuw-
vorming van zenuwvezelen op den voorgrond treedt. De tumoren,
welke zoo vaak in de huid worden waargenomen, beschouwde men
als fibromen. Aan v.
Recklinghausen komt de groote verdienste
toe op het verband te hebben gewezen, dat er tusschen de huid-
tumoren en de multipele neuromen bestaat. 2) Hij toonde aan,
dat de huidtumoren ook van zenuwen uitgaan. Naar hem wordt
deze aandoening bij den mensch, de ziekte van
von Reckling-
hausen
genoemd. Deze onderzoeker leidde de tumoren af van
het endo- en perineurium, dus van het bindweefsel. In iqio deed
Verocay 3) een uitvoerige publicatie, waarin hij de opvatting
verdedigde, dat de tumoren van de Schwannsche cellen uitgaan
en stelde voor, den naam neurinoma te gebruiken.
Herxheimer
en Roth 4) deelden aanvankelijk de meening van Verocay, doch
spraken zich later meer uit voor den bindweefseloorsprong der
tumoren. Na dien tijd werd door verschillende onderzoekers de
zienswijze van
Verocay verdedigd. Toch ontbrak het niet aan

\') Voor opgave der veterinaire literatuur zij verwezen naar: Ernst Joest,
Spezielle pathologische Anatomie der Haustiere, 1921, Band 2.

) F. v. Recklinghausen, Ueber die multiplen Fibromen der Haut und ihre
Beziehung zu den multiplen Neuromen, 1882.

) Verocay, Zur Kenntnis der „Neurofibrome", Ziegler\'s Beitr. Bd. 48, 1910.

-ocr page 127-

publicaties, waarir een andere meening verkondigd werd. Zoo
meende
Krumbein1) in 1925 de opvatting van Verocay te kunnen
weerleggen. Hij toonde aan, dat de neurinomen van bindweefsel
afkomstig waren. Dit zijn slechts enkele grepen uit de omvang-
rijke literatuur, wdke hierover bestaat. Het blijkt wel duidelijk,
dat men omtrent di histogenese dezer gezwellen nog in het duister
tast. In zijn haniboek over speciale pathologische anatomie
(1922) zegt
Kaufmann dan ook: „Zur völligen Klärung der
Neurofibromatosefiage bedarf es weitere Untersuchungen".

Een andere belangrijke vraag, welke bij de bestudeering der
neurofibromen ter sprake komt, is, of in deze gezwellen nieuw-
vorming van gangliëncellen en zenuwvezelen optreedt. Ook hier-
over is men het laag niet eens en vindt men de meest uiteenloo-
pende meeningen verkondigd. Een uitzondering moet hier worden
gemaakt voor de ganglioneuromen, welke bij den mensch veelal
in de grensstreng van den sympathicus en de bijnieren worden
aangetroffen. Hierbij is de nieuwvorming der gapgliëncellen en
zenuwvezelen met zekerheid aangetoond. Aangezien deze tu-
moren bij de dieren nog niet zijn waargenomen, zullen zij verder
buiten bespreking blijven.

De localisatie, alsook de vorm, waaronder deze nieuwvormingen
optreden, is zeer verschillend. Reeds werden aan zeer vele periphere
zenuwen tumoren waargenomen, waarbij de plexus brachialis en
de nn. intercostales het vaakst waren aangedaan. Ook in het ver-
loop van den sympathicus werden deze tumoren gezien.
Joest
onderscheidt 2 vornen van neurofibromatose ;

r. Multipele neurofibromatose, waarbij in het verloop der
zenuwen multipele knobbels van verschillende grootte en vari-
eerende consistentie optreden.

2. Diffuse vorm, waarbij door een diffuse bindweefseltoename,
de zenuwen in dikke strengen veranderd zijn (neurofibroma race-
mosum s. plexiforne).

Omtrent de genese vindt men verschillende oorzaken opge-
geven. Met betrekking tot den mensch staat men heden op het
standpunt, dat wij hier te doen hebben met een systeemziekte,
waarschijnlijk op congenitalen en soms ook erfelijken grondslag.
Meerdere malen werd de ziekte van
von Recklinghausen bij
zeer jonge individuen en nauwverwante familieleden waarge-
nomen, terwijl ook vaak deze aandoening met misvormingen en
andere teratoïde tumoren was gecombineerd.
Verocay e. a. vatten
de neurofibromen als hamartomen op.

Bij het rund weiden tot dusver neurofibromen slechts bij vol-
wassen dieren aangetroffen, terwijl van een familiair optreden
niets bekend is. Over de genese dezer gezwellen vindt men dan

-ocr page 128-

ook weinig vermeld. Bosser denkt aan een hyperplasie van het
bindweefsel,
Schlegel aan een trauma, (evenals bij de ampu-
tatieneuromen), ofschoon deze laatste onderzoeker een congenitaal
ontstaan ten gevolge van ontwikkelingsstoornissen van het bind-
weefsel der zenuwen niet uitsluit.

Eigen waarnemingen.

Gedurende de afgeloopen drie jaren werden door mij een 12-tal
gevallen van neurofibromatose bij runderen waargenomen. Deze
dieren waren alle volwassen en voorzoo ver mij bekend, werden
tijdens het leven geen ziekelijke veranderingen opgemerkt. Het
waren alle toevallige bevindingen, welke bij de keuring der ge-
slachte dieren werden gedaan.

De localisatie der tumoren in de door mij onderzochte gevallen,
was zeer verschillend. Meestal waren de veranderingen niet erg
uitgebreid. Zoo werden in 8 gevallen tumoren in het verloop der
nn. intercostales en in de zenuwen der plexus brachialis gevonden,
terwijl in de overige zenuwen geen afwijkingen werden waarge-
nomen. In een ander geval werd een tumor gevonden, in het ver-
loop van een der zenuwen van het hart, vermoedelijk van een der
takjes van den plexus cardiacus, terwijl overigens geen verande-
ringen werden opgemerkt. Deze kastanjegroote tumor was voor-
namelijk gelegen in het hartspierweefsel, in het septum tusschen
beide ventrikels, en puilde in het coronaire vet van den linker
sulcus longitudinalis uit. In het 10de geval was er behalve een
tumor in de omgeving van een der bijnieren een kinderhoofdgroote
tumor in de omgeving van het hart en eenige „metastasen" in de
intercostale zenuwen. Van dit geval werden door een collega alleen
enkele stukjes van den buiktumor ten onderzoek opgezonden.
Hierbij kon de diagnose neurofibroma worden vastgesteld , terwijl
zeer waarschijnlijk vanwege de aanwezigheid van gangliëncellen,
een ganglion van de grensstreng van den nervus sympathicus als
uitgang van den tumor kon worden aangenomen.

In het 11 de geval waren tumoren aanwezig, in beide plexus
brachiales, in verschillende spieren van het voorbeen (het ver-
band met fijne zenuwen kon hierbij duidelijk worden aangetoond),
in het verloop van verschillende intercostaalzenuwen, in de longen
(ook hier weer een duidelijk verband met zenuwtakjes), in een der
lumbale gangliën van de grensstreng van den nervus sympathicus
en den plexus sacralis.

In het laatste (12de) geval waren zeer uitgebreide veranderingen
aanwezig. Vanwege de zeldzaamheid der waargenomen verande-
ringen, lijkt het mij gewenscht, dit geval eenigszins uitvoeriger te
beschrijven, waarbij dan tevens het macroscopisch aspect der ge-
zwellen zal worden besproken.

Dit geval betrof een volwassen, ongeveer 7-jarig vrouwelijk

-ocr page 129-

- ii5 —

rund, hetwelk bij oppervlakkig klinisch onderzoek geen afwijkin-
gen te zien gaf. Bij de sectie van het in goeden voedingstoestand
verkeerende dier, werd bij den
ingang van de borstholte links en
rechts een tumor waargenomen. De rechter tumor was vuistgroot,
terwijl de linker de grootte van een aardappel had. Deze tumoren
waren door een bindweefselkapsel omgeven en hadden een vrij
stevige consistentie. Ze waren grijsgeel van kleur en hadden een
vochtige sneevlakte. De oppervlakte was hobbelig. Op doorsnede
vertoonden deze tumoren bij nauwkeurige inspectie naast spek-
achtige, glazige grijze gedeelten, fasciculaire, meer opaque ge-
deelten. Door middel van dikke en ook fijnere zenuwstrengen
stonden deze gezwellen in verbinding met den plexus brachialis.
Zooals bij microscopisch onderzoek werd vastgesteld, moesten deze
tumoren aan den borstingang worden beschouwd als sterke ver-
groote gangliën van den nervus sympathicus. (Ganglion cervicale
caudale en ganglion thoracale primum). De zenuwen van den
plexus brachialis waren zoowel links als rechts veranderd in meer
dan duimdikke strengen, met vaste consistentie en glad hobbelige
oppervlakte. De verdikking dezer zenuwen werd door twee facto-
ren bepaald :

i. sterke diffuse toename van het epi- en perineurale bind-
weefsel ; 2. het optreden van knobbeltjes in het verloop der zenuw-
bundels. Deze knobbeltjes variëerden in grootte van nauwelijks
zichtbaar tat die van een kastanje en gaven de zenuwen het hob-
belige aspect. Deze knobbeltjes lagen vrij los in hun kapsel, waaruit
ze na insnijding zeer gemakkelijk konden worden verwijderd. Door
middel van fijne zenuwdraadjes aan beide einden stonden ze met
het overige zenuwweefsel in verbinding. Deze verandering is zóó
karakteristiek, dat reeds op grond hiervan de diagnose neurofi-
broma kan worden gesteld.

Op dwarsdoorsneden van de verdikte zenuwen konden duidelijk de
sterk verbreede zenuwfibrillenbundels worden opgemerkt. In enkele
der beschreven knobbelige verdikkingen werden bloedingen en hier-
mee in verband staande bruinrood gekleurde gedeelten gevonden.

Niet alleen in en tusschen de spieren der voorbeenen, doch ook
in het verloop van de nn. pectorales, dus in en tusschen de
spieren
van den borstwand
werden deze veranderingen waargenomen.

Bovendien werden in het verloop van bijna alle thoracale zenuwen
tumortjes gevonden, waarbij die gezwelletjes, welke in de nn.
intercostales gezeteld waren, het meest opvielen. Deze puilden
in meerdere of mindere mate door de intact gebleven pleura uit.
Echter waren ook de dorsale en viscerale takken van de nn. thora-
cales tot in hun fijnste vertakkingen veranderd. Steeds waren
de knobbeltjes door een dunne kapsel, het perineurium, omgeven
en vertoonden aan beide einden dunne draadjes, waarmede ze
met het overige zenuwweefsel in verbinding stonden.

-ocr page 130-

— n6 —

De zenuwvlechten van het hart vertoonden ook belangrijke
veranderingen. Aan de basis, nabij de aorta en langs den sulcus
coronarius zag men sterke verdikkingen, onregelmatig promi-
neerend en min of meer in het coronaire vet verscholen. Wanneer
het vet werd verwijderd, kwamen de zware en sterk verdikte
zenuwen, die soms vingerdikte bereikt hadden, te voorschijn.
Van deze, volgens den sulcus coronarius verloopende strengen,
waren takken te vervolgen, die langs de sulci longitudinales ver-
liepen, parallel aan de bloedvaten. Ook hier viel weer op, dat de
strengen op verschillende plaatsen spoelvormige, op ganglia ge-
lijkende verdikkingen vertoonden. In het hartspierweefsel werden
geen tumorachtige veranderingen waargenomen. Bij opensnijden
van den linker ventrikel bleek, dat de bundel van His-Tawara
opvallend dik was en gemakkelijk kon worden opgeprepareerd.
Onder de annulus fibrosus verdween de bundel in de diepte.

De longen vertoonden bij uitwendige beschouwing der beide
helften geen veranderingen. Bij den sulcus echter, in de nabijheid
van de aorta erf gelegen tegen de bifurcatie van de trachea, bevond
zich een dikke massieve streng, welke een verdikte zenuw was.
Al dadelijk viel hier de zeer ongelijkmatige verdikking op. De
streng vertakte zich volgens de beide hoofdbronchi en liet zich
langs deze vervolgen. Het bleek nu, dat zich behalve langs de beide
hoofdbronchiën ook langs de vertakkingen daarvan, strengen lieten
vervolgen, die met het verdere vertakken der broncljiën in dikte
afnamen. Beschouwde men het verloop dezer zenuwstrengen
nader, dan bleek, dat ze zich min of meer duidelijk spiraalvormig
om het bronchiaalkraakbeen wonden. Opvallend was hierbij verder
nog, dat in het verloop van deze sterk verdikte zenuwen, op onge-
lijke afstanden min of meer spoelvormige verdikkingen voorkwamen.
Op doorsnede waren deze verdikkingen glad en vochtig. De snee-
vlakte stond bol, terwijl vaak een fijn fibrillaire structuur kon
worden waargenomen.

Aan de viscerale vlakte van de lever, in de nabijheid van de
portal» lymphklieren, kwam een dubbelmansvuistgroote tumor
voor, welke door oedemateus bindweefsel van de lever gescheiden
was. Deze tumor was grijswit van kleur, vertoonde een hobbelig
oppervlak en was stevig van consistentie. Bij doorsnijden bleek,
dat de tumor uit verschillende sterk verdikte zenuwstrengen was
samengesteld. Enkele verdikte zenuwen, welke weer spoelvormige
aanzwellingen bezaten, drongen in het leverparenchym en volgden
de vertakkingen van de a. hepatica. Verschillende verdikte zenu-
wen hadden een fibrillaire structuur, waarbij een grijswitte kleur
der fibrillen opviel. Daarentegen vertoonden andere een meer
homogeen, glazig aspect. In vele zenuwstrengen kwamen beide
beelden naast elkaar voor. Overigens was de lever distomateus
veranderd. (Chronische cholangitis en cirrhosis hepatis).

-ocr page 131- -ocr page 132-

In de milt drong een duimdikke zenuwstreng, waarop weer enkele
potlooddikke zenuwen gelegen waren. Deze verdikte streng waarop
en waarin weer vele tumortjes voorkwamen, zette zich in het
verloop van de a. lienalis door de geheele milt voort, waarbij ze
allengs in omvang afnam. Links en rechts werden een 12-tal zij-
takken in de milt afgegeven, welke weer van tumorachtige aan-
zwellingen voorzien waren. (Fig. 1). Evenals bij de lever, kwamen
ook hier homogene, glazige en fibrillaire, opaque gedeelten voor.

Een zeer karakteristieke verandering vertoonde ook de grens-
streng van den n. sympathicus,
en wel het thoracale gedeelte. De
sterk vergroote voorste thoracale gangliën werden reeds vermeld.
Overigens was de grensstreng gelijkmatig verdikt en werden de
voornaamste afwijkingen aan de thoracale gangliën waargenomen.
Deze waren alle in meerdere of mindere mate vergroot, waarbij
de omvang variëerde van die van een erwt tot die van een kastanje.
Een der sterk vergroote thoracale gangliën drong door het foramen
intervertebrale tot in het ruggemergskanaal. Het macroscopisch
aspect kwam met dat der reeds beschreven tumoren overeen, alleen
was de consistentie iets minder stevig.

Het microscopisch onderzoek dezer nieuwvormingen gaf zeer
verschillende beelden te zien. Van vele tumoren, afkomstig van
zenuwen van den plexus brachialis en verschillende organen,
werden coupes vervaardigd, terwijl een drietal tumortjes uit de
intercostaalzenuwen in seriesneden werden onderzocht. Over het
algemeen werd een toename van het epineurale bindweefsel ge-
vonden, waarbij vaak een oedemateuze infiltratie van dit weefsel
kon worden opgemerkt. Het perineurium was ook meestal ver-
dikt (fig. 2). De collagene bindweefselvezelen verliepen concen-
trisch om den tumor. Tusschen de lange, platte, rustende bind-
weefselcellen kwamen meerdere jonge fibroblasten voor. Enkele
malen werden cellige infiltraten in en buiten het perineurium
gevonden. Het tumorweefsel was zeer verschillend samengesteld.
T/s
karakteristieke verandering werden in de meeste gevallen bundel-
vormige figuren waargenomen.
Deze bundels bestaan uit parallel
aan elkaar verloopende fibrillen, waartusschen vele cellen gelegen
zijn. De fibrillen kleuren zich over het algemeen zwak. De cellen
hebben een bleeke, ovale kern, met goed kleurbare chromatine-
korrels en bezitten geen zichtbare protoplasmabegrenzing. Ze
liggen met hun lengteas in de richting der fibrillen, en vertoonen
vaak de neiging in rijen bijeen te gaan liggen in het midden der
bundels. Aan de beide polen der bundels worden dan weinig of
geen cellen gevonden. Ook vindt men dikwijls deze cellen op
onregelmatige wijze bijeen liggen, a. h. w. een syncytium vormend.
Ze worden dan door een zeer onregelmatig netwerk van heel fijne
fibrillen gescheiden en omgeven (fig. 3). Deze fijne fibrillen kleuren
zich met Giesonkleurstof zwak geel. Tusschen de fibrillen der

-ocr page 133- -ocr page 134-

bovenbeschreven bundels vindt men vaak meerdere platte cellen,
met donkere staafvormige kern. Dit zijn bindweefselcellen, waar-
door meestal zware, meermalen hyaliene bindweefselfibrillen in
de bundels worden afgescheiden. Het maakt den indruk, dat deze
bindweefselcellen in een later stadium der bundelvorming op-
treden.

Tusschen deze bundels komt bindweefsel in zeer wisselende
hoeveelheid voor. Vaak is dit bindweefsel oedemateus of celrijk.
Naast fibroblasten worden veel plasmacellen, polyblasten en op
lymphocyten gelijkende cellen gevonden.
Meestal treft men aan
de peripherie van den tumor bundels van niet of weinig veranderde
zenuwfibriHen aan. Ook worden deze geïsoleerd of in kleinere bundels
midden in den tumor aangetroffen.
Verschillende dezer zenuwfibril-
len vertoonen een duidelijk verbreed neurilemma, waarbinnen
een uiterst fijne fibrillaire teekening kan worden waargenomen.
Zeer opvallend is, dat, waar vaak door middel van de kleuring
met v.
Gieso^ kleurstof weinig of geen bindweefsel in de tumoren
wordt waargenomen, deze vrijwel normale zenuwfibrillenbundels
een duidelijke teekening van endoneuraal bindweefsel, hetwelk
meestal vermeerderd is, te zien geven. Vaak worden in de tumoren
en dan meestal om kleine bloedvaten liggend, grootere of kleinere
groepen van kleine cellen aangetroffen. Deze cellen hebben een
donkere, min of meer onregelmatige kern en zeer weinig of geen
protoplasma. Omtrent den aard dezer celgroepen kan ik geen
nadere mededeeling doen. (Ontstekingsinfiltraat? microgliacellen?).

Er komen verschillende tumoren voor, die een geheel anderen
bouw te zien geven. De bundelvorming is hier op den achter-
grond getreden. Het Voornaamste bestanddeel wordt dan gevormd
door een netwerk van zeer fijne fibrillen, welke met v.
GiESON-
kleurstof meestal een zwak gele, doch ook wel zwak rose tint
aannemen. Deze fijne fibrillen liggen vaak in sierlijk gebogen
bundeltjes bijeen. Op dwarsdoorsneden zijn deze fibrillen als
fijne puntjes te zien. In dit netwerk komen vaak zeer veel cellen
voor, terwijl ook vele lymphruimten gevormd worden. Het meeren-
deel dezer cellen bestaat weer uit bleeke, rondvale tot ovale kernen,
met duidelijke chromatine korrels en geen protoplasmabegrenzing,
doch daarnaast ziet men ook vele plasmacellen, polyblasten,
enkele Mastcellen en lymphocyten. De celrijkdom kan soms zoo
groot zijn, dat de tumor op een sarcoom kan gaan gelijken. Met de
GiESONkleuring valt de overwegend geelachtige tint van het
weefsel op. Vaak worden echter ook zware bindweefselfibrillen-
bundels in deze tumoren opgemerkt.

Een andere merkwaardigheid, die ik in de veterinaire literatuur
nergens beschreven vond, is een
palissadegroepeering van de reeds
beschreven bleeke kernen. Deze kernen liggen dan in bandvorm
bijeen, welke meerdere celrijen dik is. Deze celbanden komen in

-ocr page 135-

dubbel aantal voor en loopen altijd evenwijdig aan elkaar. Tusschen
2 celbanden verloopt een groot aantal fibrillen, welke geen of
zeer weinig cellen bezitten en met v. GiESONkleurstof vaak een
roode kleur aannemen. De cellen dezer banden liggen met hun
lengteas in de richting der fibrillen (fig. 4). fn publicaties van me-
dische zijde vond ik deze bevinding wel vermeld en werd ze als
karakteristiek voor de neurofibromen aangegeven.
Krumbein *)
meent deze eigenaardige celgroepeering echter ook o. m. in uterus-
myomen te hebben waargenomen.

In coupes van verdikte zenuwen der axillairvlecht vindt men
naast tumoreus veranderde zenuwfibrillenbundels met verande-
ringen, als hierboven beschreven, ook zulke, welke weinig of slechts
geringe afwijkingen vertoonen (fig. 2). In enkele hiervan vindt
men om de zenuwfibrillen heen, doch binnen het perineurium een
losse, draderige massa, welke uit fijne korreltjes is opgebouwd en
zich met haemaluin fletsblauw kleurt. Vaak ziet men ascylinders
met zeer duidelijke Lanterman\'sche figuren. Andere bundels ver-
toonen op verschillende plaatsen oedeem van het endoneurale
bindweefsel, terwijl op andere plaatsen een duidelijke celrijkdom
vnl. bestaande uit genoemde bleeke kernen, wordt opgemerkt.
Vele fibrillen bezitten een duidelijk verbreed neurilemma, hetwelk
op dwarsdoorsneden uit min of meer concentrisch gerangschikte

\') Virchow\'s Archiv Bnd 255, 1925. S. 309.

-ocr page 136-

lagen blijkt te zijn opgebouwd en waarin weer vele cellen worden
aangetroffen.

In doorsneden van de sterk vergroote sympathische gangliën
worden dezelfde veranderingen waargenomen, als reeds hiervoren
werden beschreven. Vooral is hier weer duidelijk een fraaie bundel-
teekening te zien. Tusschen deze bundels wordt vaak oedeem-
vloeistof aangetroffen, hetgeen een verklaring geeft voor de min-
der stevige consistentie dezer gezwellen. Aan de peripherie temid-
den van merglooze zenuwfibrillen, worden vele gangliëncellen ge-
zien. Er bestaat een woekering van de tusschen de gangliëncellen
gelegen fibrillaire substantie, waardoor de gangliëncellen verder
uit elkaar zijn komen te liggen en men den indruk krijgt, dat er per
oppervlakte-eenheid minder gangliëncellen te zien zijn. Vele dezer
cellen zien er normaal uit, hebben een korrelig protoplasma, groote
heldere kern met één groote nucleolus. Andere gangliëncellen
daarentegen vertoonen duidelijk drukatrophische veranderingen.
Ze zijn kleiner en vaak sterk afgeplat (fig. 5). Het protoplasma,
zoowel als de kern zijn zeer flets of zeer donker gekleurd. Verder
ziet men een sterke vacuolaire degeneratie van het protoplasma.
De kern is veelal pyknotisch of vertoont kernwandhyperchroma-
tosis. Ook worden wel resten van gangliëncellen gezien.

-ocr page 137-

Vooral in deze veranderde gangliën worden vele kleine bloed-
vaatjes met sterk verdikten wand waargenomen. Deze verdikte
wand bestaat uit circulair verloopende lagen, waarbinnen vele
cellen in een zelfde richting gelegen zijn en een bleeke, chromatine-
ïijke kern en geen protoplasmabegrenzing bezitten. Hoewel geen
bewijs hiervoor kan worden gevonden, moet toch aan de mogelijk-
heid worden gedacht, dat deze woekeringen van de zenuwen der
vaatwanden uitgaan.

Bij het onderzoek van de seriesneden, welke van de intercostaal-
tumortjes werden vervaardigd, bleek, dat de bundelvormige figuren,
doorsneden van sterk gekronkelde en verdikte zenuwfibrillen voorstellen.
Door middel van Bielschowsky kleuringen konden enkele malen
ascylinders in het centrum van deze bundels worden aangetoond.
Tevens kon worden opgemerkt dat de tumortjes slechts van één of van
enkele zenuwvezelen uitgingen. Aan deze vezelen kon geen mergscheedc
worden waargenomen, zoodat het vermoeden gewettigd is, dat deze
tumoren van sympathische vezelen uitgaan. De overige zenuwvezelen,
welke tot denzelfden bundel behooren, worden naar de peripherie ver-
drongen, hoewel ook enkele geslingerd door den tumor verloopen.
(fig. 6). Aan deze fibrillen wordt met behulp van Sudann of kleu-
ring volgens
Spielmeyer vaak een verbreede mergscheede gezien.
De verschillende zenuwvezelen vereenigen zich weer tot een bun-
del, welke als een macroscopisch zichtbaar strengetje den tumor
verlaat.

-ocr page 138-

In het gedeelte der zenuw, dat voor den tumor gelegen is, worden
ook veranderingen opgemerkt, bestaande in een grooten celrijkdom
in de omgeving der ascylinders en een sterk geslingerd verloop der
zenuwvezelen. Evenals in den tumor komen ook hier en wel voor-
namelijk perivasculair ophoopingen van kleine cellen, met donkere
kern en weinig of geen protoplasma voor. Een enkele maal viel op,
dat twee kleine tumortjes onderling samensmolten. In de tumoren
werden meerdere zenuwvezelen met duidelijk verbreed neurilemma
gevonden, waarin vele cellen met de reeds beschreven bleeke ker-
nen werden gezien. Deze cellen waren gelegen in een fijne, fibril-
laire stof, welke zich met v. GiESONkleurstof geelachtig kleurde.

Een enkele maal werd een macroscopisch onveranderd spinaal-
ganglion histologisch onderzocht. Het bleek, dat de fibrillaire stof
tusschen de gangliëncellen sterk gewoekerd was, waardoor de
gangliëncellen op grooter afstand van elkaar waren komen te
liggen. Het tusschenliggende weefsel vertoonde een grooten rijk-
dom aan cellen, die op het eerste gezicht veel op lymphocyten ge-
leken, echter bij nadere beschouwing een grootere en meer door-
schijnende korrelige kern bezaten. De om de gangliëncellen gelegen
mantelcellen waren sterk gezwollen, hypertropisch ; hun proto-
plasma was vacuolair, zoodat van de geheele cel vaak nog slechts
de contour was overgebleven. Vaak kreeg men door deze gezwollen
cellen een eigenaardige begrenzing der gangliëncellen, nl. alsof
deze geschulpt waren. Ook aan de gangliëncellen zelf konden ver-
schillende, min of meer ernstige veranderingen worden waarge-
nomen. Vooreerst viel zeer duidelijk het verschil in kleurbaarheid
met eosine op. Sommige dezer cellen namen ternauwernood eosine
op, andere daarentegen hadden een sterk eosinophiel protoplasma.
Verder waren de gangliëncellen varieerend van grootte, hetgeen
niet alleen kon worden verklaard uit de verschillende doorsneden
door deze cellen. De kernen, zoowel als de geheele cellen, waren
vaak pyknotisch en opvallend was bovenal een eigenaardig ver-
schijnsel, dat men in vele dezer cellen aantrof, nl. structuren, die
op een uitkristalliseeren van een in het proptolasma aanwezige
substantie wezen.

Zooals in den aanvang van dit artikel werd vermeld, heerschen
omtrent de histogenese dezer gezwellen althans bij den mensch
nog zeer verschillende meeningen. Door veterinaire onderzoekers
wordt algemeen aangenomen, dat we hier met tumoren te doen
hebben, welke van het bindweefsel uitgaan. Op grond van het
door mij verrichte onderzoek meen ik, dat deze zienswijze onjuist
is. De eigenaardige groepeering der cellen, alsmede het optreden
van zeer fijne fibrillen, die zich met
Gieson geel kleuren, pleiten
tegen het bindweefselkarakter van dit weefsel.
De onderstelling
dringt zich naar voren, dat primair een woekering van Schwann\'schc

-ocr page 139-

cellen plaats vindt, waarbij in meerdere oj mindere mate bindweefsel-
nieuwvorming optreedt.
Hiermede is ook in overeenstemming het
sterk verbreede en kernrijke neurilemma, hetwelk meerdere malen
werd waargenomen. Het optreden der celbanden kan dan worden
verklaard, door aan te nemen, dat de segmentaal gerangschikte
ScHWANN\'sche cellen zich herhaalde malen deelen in een richting,
welke parallel aan de zenuwvezel verloopt.
(Francini). Ook het
verschijnsel, dat deze gezwellen uitsluitend in het verloop van
zenuwen optreden, vindt dan een ongedwongen verklaring.
Vero-
cay
voerde in 1910 voor overeenkomstige tumoren bij den mensch
den naam
neurinomen in. Ook voor de nieuwvormingen bij het
rund verdient deze benaming de voorkeur, aangezien hiermede
juister de aard van het gezwel wordt aangegeven.

Wat de genese dezer neurinomen betreft, hieromtrent zijn ver-
schillende opvattingen verkondigd. R
ibbert acht het ondenk-
baar, dat de zenuwen eerst geheel normaal worden aangelegd,
terwijl zich dan later hierin op ontelbare plaatsen echte tumoren
zouden ontwikkelen. Hij neemt daarom aan, dat deze nieuwvor-
mingen op de basis van een ontwikkelingsstoornis ontstaan. Alleen
op deze wijze is de multipliciteit en het congenitale voorkomen
bij den mensch te verklaren, alsmede de erfelijkheid en de com-
binatie met verschillende misvormingen. In verband hiermede is
«ok de hypothese van F
eindel zeer vermeldenswaard. Deze neemt
aan, dat in een heel vroeg stadium van embryonale ontwikkeling,
voordat het ectoderm zich tot epidermis en neuraalbuis gediffe-
rentieerd heeft, vele cellen een verandering in de normale ontwik-
keling ondergaan. Na voleindigde ontwikkeling bevinden zich dan
zoowel in de huid als in het zenuwweefsel ,,des éléments malfor-
més". Met deze hypothese worden dan tevens de gelijktijdig bij
den mensch optredende huidveranderingen verklaard. Ook V
eko-
cay
huldigt deze opvatting. Hoewel eigenlijk over de genese dezer
aandoening niets met zekerheid valt te zeggen, zijn de hier ont-
wikkelde denkbeelden wel aannemelijk. Ze geven althans een ver-
klaring voor het ontstaan der waargenomen veranderingen. Het
feit, dat bij nuchtere kalveren tot nu toe geen neurinomen werden
gevonden, behoeft nog niet tegen deze opvatting te pleiten, en
wel om twee redenen. In de eerste plaats is het mogelijk, dat de
weefselmisvorming hetzij spontaan, hetzij door een voor ons onbe-
kenden prikkel, eerst later tot een nieuwvorming uitgroeit. In de
tweede plaats zijn de neurinomen over het algemeen toevallige
sectiebevindingen en is het zeer goed mogelijk, dat deze verande-
ringen bij het onderzoek aan onze aandacht ontgaan, vooral waar
deze vaak door vetweefsel omsloten zijn. Ook worden de belang-
rijkste praedilectieplaatsen, nl. de axillair vlechten en de inter-
costaalzenuwen meestal niet onderzocht.

Bovendien het feit, dat deze neurinomen uitsluitend in het

lvi 9

-ocr page 140-

verloop van zenuwen worden aangetroffen, pleit er m. i. voor,
dat we hier met een stoornis in de ontwikkeling van het zenuw-
weefsel te doen hebben.

Op grond van het bovenstaande zouden deze nieuwvormingen
dus tot de hamartomen (A
lbrecht) kunnen worden gerekend.
Het zal in dit verband duidelijk zijn, dat het onjuist is hier van
metastasen te spreken (S
chlegel e. a.). De verschillende groote
tumoren, welke o.m. in de spieren en in de longen worden gevon-
den, zouden zulks op het eerste gezicht wel doen vermoeden.
Wanneer men echter nauwkeuriger toeziet, dan blijkt steeds, dat
ze van een, vaak zeer fijn, weefsclstrengetje uitgaan, dat bij micros-
copisch onderzoek uit merglooze zenuwvezelen blijkt te bestaan.
Op een andere plaats ziet men weer een fijne zenuw uittreden.

Men mag wel aannemen, dat de neurinomen in de longen en de
musculatuur, van sympathische zenuwen zijn uitgegaan. Doch ook
bleken de enkele nieuwvormingen uit de intercostaalzenuwen,
welke in seriecoupen werden onderzocht, uit merglooze zenuw-
vezelen hun oorsprong te nemen. Het lijkt mij dan ook geenszins
uitgesloten, dat de
neurinomatose bij het rund een ziekte van hel
sympatisehe zenuwstelsel voorstelt.
Een verder uitgebreid onderzoek
zal moeten uitmaken of deze onderstelling juist is.

Tenslotte zou ik willen opmerken, dat voor het verkrijgen van
een beter inzicht in de genese der neurinomatose het noodig zal
zijn een groot aantal foeten en pas geboren dieren op deze aandoe-
ning te onderzoeken.

De resultaten van dit onderzoek kunnen als volgt worden samen-
gevat :

De neurofibromen, zooals deze bij het rund worden waargeno-
men, zijn geen echte fibromen. Ze ontstaan uit gewoekerde
ScHWANN\'sche cellen, waarbij een meer of minder sterke bind-
weefselvorming kan optreden. De naam neurinoma (
Verocay) is
voor deze aandoening dan ook beter geschikt.

Nieuwvorming van gangliëncellen, eventueel van zenuwvezelen
kon geen enkele maal worden waargenomen, wel een door druk
te gronde gaan van deze elementen.

Wat de genese dezer neurinomen aangaat, sluit ik mij aan bij
de hypothese van F
eindel, die een wef fsdstoornis van het ecto-
derm aanneemt in een statdium, dat dit nog niet tot epidermis
en medullair buis is gedifferentiëerd. Deze nieuwvormingen kun-
nen tot de hamartomen worden gerekend.

De neurinomatose bij het rund is een systeemziekte.

-ocr page 141-

— 127 —
VERKLARING DER FOTO\'S. \')

Milt rund.

Duidelijk verdikte zenuw met vt rtakkingen, en talrijke knobbelvormige
aanzwellingen. \'/3 natuurlijke grootte.

Verdikte zenuw uit plexus brachialis. Vergrooting 8 x. Toename van
het epineurale bindweefsel. Meerdere weinig veranderde zenuwfibrillen-
bundels met verdikt perineurium. Links boven, een gedeelte van een
tumoreus veranderde zenuwfibrillenbundel.

Bundelvormige figuren uit sterk vergroot ganglion thoracale primum.
Vergrooting
65 X. Deze bundelvormige figuren zijn afbeeldingen van
verdikte zenuwfibrillen. In het midden enkele doorsneden, waarbij de
cellen onregelmatig bijeen liggen.

Palissadegroepeering der cellen. Vergrooting 65 x . Tusschen 2 celbanden
verloopen parallel aan elkaar gerichte fibrillen.

Druk-atropische gangliëncellen in een sympatisch ganglion. Vergrooting

65 x.

Neurinoma uit een der nn. intercostales. Vergrooting 65 x . Kleuring
volgens
Spielmeyer. De niet veranderde zenuwvezelen verloopen ge-
slingerd aan de peripherie. Enkele vezelen in de nieuwvorming zelf zicht-
baar.

ZUSAMMENFASSUNG.

In dieser Arbeit werden 12 Fälle von sogenannter Neurofibromatose beim
Rinde beschrieben. In sehr verschiedenen peripheren Nerven wurden vom Ver-
fasser Neubildungen beobachtet, wobei besonders der nervus sympathicus und
seine Ganglien angegriffen waren. Auf Grund seiner histologischen Befunde zieht
Verfasser die Schlussfolgerung, dass diese Neubildungen keine echte Fibromen
sind, aber aus gewucherten Schwann\'schen Zellen entstehen wobei eine mehr
oder weniger starke Bindegewebebildung auftreten kann. Richtiger wäre es also
den Namen Neurinoma (Ven cay), zu gebrauchen.

Eine Neubildung der Gang\' enzeilen und der Nervenfasern war nicht vorhanden ;
wohl aber können diese Elemente infolge Druc
Wirkung zugrunde gehen. Die
Möglichkeit ist durchaus nicht ausgeschlossen, dass die Neurinomatose beim
Rinde vom sympathischen Nervensystem ausgeht. In 3 Fallen wobei die Unter-
suchung mittels Serien-Schnitten vorgenommen wurde, ergab sich, dass die Tu-
moren aus marklosen Nervenfasern entstanden sind. Wahrscheinlich sind diese
Tumoren
zu den Hamartomen zu rechnen.

SUMMARY.

In this paper the author describes 12 cases of so-called „neurofibromatosis"
in the ox. In different peripheral nerves new-growths were observed ; especially
the sympathetic nerves and ganglia appeared to be affected. The author\'s histo-
logical experiences lead him to conclude, that these tumours are no real fibromata
but develop from Schwann\'cells sometimes accompanied by a more or less dense
connective-tissue-formation. Therefore the author suggests to call this affection
,,neurinoma" (Verocay).

New growth of ganglioncells and nerve-fibres was not observed but degeneration
of these elements by pressure may be seen. It is far from being excluded that
neurinomatosis in the ox originates in the sympathetic nervous system. In three
casts where examination was carried out by series-secticns the tumours appeared
to have developed from marrowless nerve-fibres. These tumours presumably
belong to the hamartomata.

1) De microfotos\' werden vervaardigd in het pathologisch instituut van de
Veeartsenijkundige faculteit der Rijksuniversiteit te Utrecht, dank zij de wel-
willende medewerking van Prof. Dr. H.
Schornagel.

Fig. 1.
Fig. 2.

Fig- 3-

Fig- 4-
Fig. 5-
Fig. 6.

-ocr page 142-

résumé.

Dans cet article l\'auteur décrit 12 cas de „neurofibromatose" chez le boeuf.
Dans de différents nerfs périph?res des néoformations furent observées ; surtout
les nerfs sympathiques et les ganglions semblaient être atteints. De ses recherches
histologiques l\'auteur conclut que ces néoformations ne sont pas de véritables
fibromes, mais qu\'elles se développent de cellules de Schvvann parfois accompag-
nées d\'une formation de tissu conjonctif plus ou moins abondante. L\'auteur
est d\'avis, que le nom ,,neurinoma" (Verocay) est bien préférable pour
désigner cette affection.

Une néoformation de cellules ganglionnaires ou de fibres nerveuses ne fut pas
constatée, mais ces éléments peuvent présenter des altérations dégénératives. 11
faut tenir compte de la possibilité que la neurinomatose prend son point de départ
dans le système nerveux sympathique. Trois cas qui furent examinés par des
coupes en séries, apportent une confirmation de cette théorie. Vraisemblablement
ces tumeurs doivent être rangées parmi les hamartomes.

VERKLARING VAN HET GOEDAARDIG VERLOOP VAN HET
MOND- EN KLAUWZEER,

door

Dr. A. A. OVERBEEK.

In zijn artikel in het nummer van 1 December j.1. zegt Winkel
dat ,,zwakke virulentie der smetstof eenerzijds, gevolg van een
in den geheelen veestapel nog doorwerkende immuniteit en deze
immuniteit zelve in de meest verschillende graden anderzijds,
als belangrijke oorzaken van het goedaardig verloop der ziekte
mogen worden beschouwd".

Het wil mij voorkomen, dat de kwestie, waarom soms en ook
in 1928 mond- en klauwzeer zoo buitengewoon goedaardig ver-
loopt en in andere tijden kwaadaardig en veel slachtoffers vergend,
met de hier gegeven verklaring niet is opgelost.

Winkel uit de stelling, dat met de korter wordende rustperiode
tusschen de verschillende epidemieën er een toenemende goed-
aardigheid in het karakter der ziekte optreedt, welke hij toe-
schrijft aan de directe en indirecte gevolgen der heerschende
immuniteit.

Ik wil in de geschiedenis iets verder teruggaan dan Winkel.
Na een lange ziektevrije periode (behoudens dan enkele spora-
dische gevallen) trad bij den, dus vol-vatbaren, veestapel in 1907
het mond- en klauwzeer op. Het werd een zachte epizoötie met
een heel goedaardig karakter.

In 1911 kwam er weer een epizoötie, zeker van over de grenzen
ingesleept, evenals die in 1907, dus weer een nieuwe. Het verloop
was aanvankelijk goedaardig. In den loop van den zomer kwam
daarin verandering. Vermoedelijk noch vroeger, noch later hebben
wij in Nederland een dergelijk ernstig verloop gehad. Echte: nog

-ocr page 143-

eens, dit ernstig karakter trad in, nadat de ziekte eenigen tijd
geheerscht had.

In 1918, volgens Winkel, na algeheele vernieuwing van den
veestapel, weer een aanval. Het verloop was in den aanvang zeer
goedaardig, herhaaldelijk zoo, dat de ziekte nauwelijks te onder-
kennen was, de ernstige gevallen kwamen veel later, in 1919.

Er treedt dus, met de korter wordende rustperiode tusschen
de verschillende epizoötiën niet altijd toenemende goedaardigheid
in het karakter der ziekte op, zooals W
inkel meent. Integendeel
ook na langere rustperioden kan het karakter wel heel goedaardig
zijn en in den loop van een epizoötie, zeer wel van goedaardig,
kwaadaardig worden.

Het is voor wie de praktijk gevolgd heeft dan ook wel heel
duidelijk dat de goedaardigheid öf kwaadaardigheid der ziekte
niet, of in ieder geval niet hoofdzakelijk direct en indirect gevolg
is van heerschende immuniteit, doch integendeel, zeker in hoofd-
zaak, van
eigenschappen der smetstof, of van andere omstandigheden
dan heerschende immuniteit, welke daarop inwerken.

Op nog een andere misvatting, naar mijn meening, in W.\'s artikel
wil ik wijzen.

Hij meent nl. dat het mond- en klauwzeer in 1919 en 1920
slechts weinig dieren onaangetast heeft gelaten, zoodat er een
algemeene immuniteit ontstond.

Ik acht het zeer bedenkelijk dat onder ons deskundigen, de fou-
tieve leekenmeening, dat de veestapel bij een epizoötie doorziekt,
post vat, en waarschuw er daarom tegen.

Er worden per jaar ongeveer 500.000 kalveren opgefokt. Hier-
van blijven in een mond- en klauwzeerjaar o.m. verreweg de
meeste vrij welke worden geboren en opgefokt op bedrijven, nadat
deze zijn doorgeziekt. Alleen aan nieuwen aanfok heeft Nederland
na een epizoötiejaar dus allicht een paar honderdduizend vatbare
jonge runderen, om van den zich wellicht voor 90 % in één jaar
vernieuwenden varkensstapel maar niet te praten. Waarbij nog
komt dat in de meest gevaarlijke gebieden voor mond- en klauw-
zeer van Zuid- en Noord-Holland, de rundveestapel ongeveer
2
maal \'s jaars wisselt en hoofdzakelijk vernieuwd wordt uit ge-
bieden, waar van doorzieken of wat er op lijkt zeker nooit sprake is.

Wat de speciaal door W. genoemde jaren 1919 en 1920 betreft,
deze staan genoteerd met resp. 31.000 en 52.000 besmette erven.
Ik stel daarnaast of tegenover 1911 met 71.000 en 1924 met 89.000
besmette bedrijven. (1925 en 1926 resp. met ongeveer 31.000 en
63.000). Wel heel duidelijk, dat zeker niet juist kan zijn dat in 1919
en 1920 slechts weinig dieren onaangetast bleven, of liever, want
daarop komt het aan, dat in de volgende jaren slechts weinig
vatbaar materiaal voor het virus aanwezig was.

Voor wie het verloop in de praktijk volgt is wel duidelijk, dat

-ocr page 144-

aphtae epizoöticae zich in dit opzicht niet zoo heel veel anders
gedragen, dan runderpest, cholera, Spaansche griep e.d. Epide-
mieën eindigen zeker niet (alleen), doordat er geen vatbaar mate-
riaal meer is. Waarom dan wel?

Ik waag mij niet aan het opstellen eener eigen verklaring of het
ondersteunen van andere in dit opzicht, meen echter dat de door-
ziektheorie gerust verdwijnen kan.
Breda, December 1928.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser wendet sich gegen die Auffassung Winkels, dass der gutartige Ver-
lauf der Maul- und Klauenseuche in Holland in 1928 hauptsächlich der Immunität
des Viehbestandes infolge der Epizootien der letzten Jahre zuzuschreiben sei.

Bei jeder Maul- und Klauenseuche-epizootie bleiben immer viele Tiere und
Gehöfe von der Krankheit verschont.

Auch wurde z. B. in 1907 eine gutartige Epizootie nach einer langen seuchen-
freien Periode beobachtet.

Die Ursachen der Bösartigkeit oder Gutartigkeit und des Erlöschens einer
Epizootie sind noch niet genügend geklärt.

SUMMARY.

The author does not agree with Winkel, when he says that the mild course
of foot- and mouth disease in Holland in 1928 should be mainly due to the immu-
nity of the stock, conferred by epizootics of the last few years.

During each epizootie there are always many farms and animals which
remain free from the disease.

Furthermore, for instance in 1907 a mild course was observed after a long
diseaseless period.

The reasons why the course of a disease is severe or mild and why the. epizootie
comes to an end have still to be determined.

RÉSUMÉ.

L\'auteur s\'oppose à la conception de Winkel qua le cours bénin de la
fièvre aphteuse en Hollande en 1928 serait du à l\'immunité du cheptel, conférée
par les épizooties de ces dernières années.

Dans chaque epizootie il y a beaucoup d\'animaux et de fermes qui restent
indemnes.

En outre, p. e. en 1907, un cours bénin fut observé après une longe période
d\'absence d\'épizooties.

Les causes de la variabilité des épizooties et celles de leur déclin ne sont
pas encore suffisamment connues.

-ocr page 145-

(Melkcontrölestation „Amsterdam".)
SPUTUM OPVANGEN,

door

Dr. R. H. VAN GELDER.

Na mijn beschrijving over het sputumvangen met de trache-
aalcanule op blz. 1137 en 1138, Jaargang 1928, verscheen van
collega L
enshoek op blz. 21, Jaargang 1929 een korte beschrijving
van zijn ervaring.

Toen wij in Amsterdam met het tuberculose-onderzoek begon-
nen, werd door mij een aanwijzing gegeven, hoe met den sputum-
vanger sputum moest worden gevangen, om zeker te zijn, dat wij
in het laboratorium het goede materiaal zouden krijgen.

Ik laat hier het voorschrift in zijn geheel volgen :

Aanwijzing hoe sputum moet worden opgevangen met den sputumvanger.
Wanneer men een koe verdenkt van longtuberculose en men wil sputum vangen,
dan zal men moeten zorgen :

ten iste, dat de betreffende koe krachtig gaat hoesten ;
ten 2de, dat het sputum, dat men opvangt niet wordt verontreinigd ;
ten 3de. dat na het verkrijgen van het sputum, dit niet kan worden besmet
met tuberkelbacillen.

Ad. i Men kan dit het beste doen door met een verstuiver, waaraan een buig-
zame catheter, poeder van Quillajaschors te verstuiven in neus en keel ; hierdoor
wordt reflectorisch hoesten opgewekt. Te voren spoelt men mond en keelholte
schoon, door een flesch water in den bek te laten lecgloopen. Om verbrijzelen van
de flesch te voorkomen, doet men goed die tegen het verharde gehemelte te druk-
ken, zoodat de snijtanden vrijblijven. Men laat de koe door iemand bij den kop
vasthouden ; die persoon gaat aan den rechterkant staan, vat met de linkerhand
den rechterhoren en met de rechterhand den kop van de koe van onder beet, buigt
die opzij en steunt hem dan in zijn elleboogholte. De neusopeningen zijn dan naar
den dierenarts gekeerd, deze pakt eveneens aan de rechterzijde staande, met de
linkerhand den neusrug van het dier en voorkomt zoodoende eveneens, dat zich
de koe door een zijwaartsche beweging van den kop onttrekt aan de catheter. Men
doet goed na het inblazen van het poeder den kop geheel vrij te laten, het beste is
het dier even geheel aan zichzelf over te laten, zoodat het niet afgeleid en het
hoesten niet onderdrukt wordt.

Ad. 2. Zoodra de koe hoest, wordt de sputumvanger ingebracht. Om te voor-
komen, dat de beker door de tong of de kiezen vastgehouden wordt, moet vanuit
een mondhoek onder draaiende beweging over de basis van de tong heen de spu-
tumvanger in de keelholte en de oesophagus gebracht worden. Degene, die assi-
steert houdt den kop weer vast, zooals boven reeds aangegeven. De dierenarts pakt
met de linkerhand op de plaats van de tandlooze tusschenruimte de tong en drukt
die stevig tegen de onderkaak, dus
niet de tong uit den bek halen. Het dier wordt
door dezen druk genoodzaakt den bek te openen. Men voert dan den sputumvanger
langs den rechtermondhoek in (het handigste werkt men, wanneer de stang in het
midden wordt beetgenomen). Is de beker over den tongwortel heen, dan laat men
de tong los. Door eenige malen den sputumvanger op en neer te trekken, schraapt
men het sputum van den slokdarmwand in den beker. Men brengt de sputum-
vanger eenige malen in, zoodat minstens 20—30 c.c. vloeistof verkregen is. Het

-ocr page 146-

opgevangen materiaal wordt in de door ons beschikbaar gestelde fleschjes gedaan
(waarin zich een weinig boorzuur bevindt, om ontwikkeling van andere dan t.b.c.-
bacillen te remmen) en onmiddellijk bekeken. Is de inhoud slechts waterig zonder
vlokken, dan moet men nog eenige malen den sputumvanger inbrengen, om het
goede materiaal te krijgen.

Ad. 3. Met een goede nauwkeurige ontsmetting staat of valt een juiste diag-
nose.

Daarom moet men na ieder gebruik den sputumvanger omspoelen, den beker
vullen met een weinig brandspiritus en boven een spiritusvlam uitgloeien (het
eenvoudigste is het deksel van een schoensmeerdoosje te nemen, daarop wat
spiritus te doen en dit aan te steken). De zich in den beker bevindende spiritus
gaat koken, er ontwikkelen zich gassen, welke in brand geraken en zoo krijgt men
de zekerheid, dat nog aanwezige micro-organismen worden gedood. Mocht het
te gevaarlijk zijn dit uitgloeien in den stal te doen, dan moet men een andere
plek kiezen.

Wij melden de veehouders altijd, wanneer hun veestapel zal
worden onderzocht en verzoeken dan hulp. De ervaring heeft ons
geleerd, dat zelfs, met voldoende hulp, het sputumvangen met den
sputumvanger dikwijls èn den dierenarts èn den boer tot wanhoop
brengt ; daarom zijn wij tot de andere methode overgegaan.

Ik geef toe, dat voor een enkele koe deze methode nog wel te
gebruiken zou zijn, maar met de tracheaalcanule krijgt men altijd
materiaal en binnen eenige minuten, terwijl men met den sputum-
vanger dikwijls zeer lang moet werken, voordat men materiaal
verkrijgt, dat ter onderzoek kan worden opgezonden.

Dat collega Lenshoek met de draden, waaraan de zijdepluim
bevestigd wordt, zoo\'n onaangename ervaring heeft opgedaan,
spijt mij voor hem.

Wij koopen prima draad en maken de draden met huls en pluim
zelf klaar. Er wordt niet meer gefabriceerd, dan wij iederen keer
noodig hebben, zoodat wij niet beangst hoeven te zijn voor ver-
gaan materiaal.

Om dan ook, omdat de draad verroest is en daardoor afbreekt,
een goede, zekere methode af te keuren, lijkt mij al te gemakkelijk.

Ook in de practijk zal men, wanneer niet roestvrije canules wor-
den gebruikt, die bij den conus door roest iets verzwakt zijn, de
kans hebben, dat wanneer een dier zich bij een injectie iets ver-
zet, juist daar bij dien conus de naald afbreekt en onder de huid
zal blijven zitten. Maar daarom zullen wij toch niet van een injectie
afzien en het middel per os gaan toedienen !

Deugt het materiaal niet, dan moet men net zoo lang zoeken
en probeeren, tot men het goede gevonden heeft.

Zoo zijn wij er met de tracheaalcanule gekomen en wij zouden
deze methode niet gaarne willen missen.

-ocr page 147-

BOEKAANKONDIGINGEN.

The Regional Lymphglands of Food-animals, by Buckley and Castor, Meat
Inspection Division, Bureau of Anima] Industry, Circular No. 32, (June 1928)
of the
U. S. Department of Agriculture, Washington.

Deze brochure van 30 bladz. moge hier een bespreking vinden, omdat zij een
soort van handleiding is voor ,,ineat-inspectors" en ons een inzicht geeft omtrent
de Amerikaansche opvattingen betreffende de anatomie van het lymphvaatstelsel
bij de slachtdieren, en omtrent de beteekenis van dat systeem voor de vleesch-
keuring.

Hen topografische beschrijving van de lymphklieren volgt op een algemeen
gedeelte. Hierbij zou uitgegaan zijn van literatuurgegevens en van eigen proeven.
Men krijgt sterk den indruk, dat de laatste zeer sporadisch moeten zijn verricht,
waardoor de eigenaardige verhoudingen bij het varken nog niet worden beschre-
ven ; en dat ook de litteratuur niet volledig is bijgehouden, daar b.v. het handboek
van
Baum niet schijnt te zijn bestudeerd en daardoor bij het rund aan den hals
toestanden beschreven worden, die bij het paard voorkomen en voor de lumbale
lymphklieren allerlei gebieden worden geannexeerd, die haar in werkelijkheid niet
toebehooren (achterstel, bekkenorganen).

Het heeft dus geen zin, en zou slechts verwarring stichten, om hier de afwijkingen
van onze kennis te noemen, temeer daar de benaming en de groepsindeeling der
lymphklieren zoo verschillend zijn van de door ons gebruikte. Op eenige op de
vleeschkeuring betrekking hebbende gegevens zij nog uit vergelijkend oogpunt
de aandacht gevestigd. Zoo wordt beschreven een methode om de axillaire lymph-
klieren bij liet rund te verwijderen, waarbij men vanuit de binnenvlakte van den
voorvoet te halver hoogte van de eerste rib, lateraal van deze rib en onder de
bedekkende spieren een insnijding maakt, en dan de lymphklieren bij de ie of
2e rib aantreft.

Op de groote beteekenis van de caudale cervicaalklieren bij het rund (te vinden
door een insnijding in het vet vóór de eerste rib parallel aan de spiervezelrichting
der halsspieren) wordt hier meer dan in de Europeesche handboeken de aandacht
gevestigd, al wordt het gebied ervan te groot voorgesteld.

Het verwijderen der lgl. poplitaeae bij het rund vindt op dezelfde wijze plaats
als ook hier te lande geleerd wordt. In dit verband moge erop gewezen worden,
dat sedert eenige jaren hier ter stede een methode toepassing vindt, die bij goede
uitvoering voor den slager minder schadelijk is. Daarbij worden in de nabijheid
van het kniegewricht het spierige gedeelte van de M. biceps femoris en de pees-
plaat door een dwarse insnijding van elkaar gescheiden, en wordt door een haak-
sche snede de spierige biceps een eindje losgeprepareerd. Men vindt dan de lymph-
klier in het diepste gedeelte van den trechter, die daarbij ontstaat.

Op enkele feiten moge hier nog gewezen worden, o. a. de beteekenis die toege-
kend wordt aan de variaties, de retrograde infectie door blokkeering (vermoedelijk
niet zeer vaak), de anastomose van verschillende gebieden door adhaesies na
ontsteking en de daardoor ontstane atypische lymphafvoer. Van het laatste wordt
als voorbeeld gegeven een verbinding der longen met het gebied van de axillaire
lymphklieren ; zulk een verband is bij den mensch ook beschreven. Op zulke
afwijkingen doelen de schrijvers als zij zeggen : ,,A11 such points must constantly
be kept in mind in order to render intelligent judgment in a seemingly unexplainable
finding". Een verband tusschen pleura- en boegkliertuberculose wordt na beschrij-
ving van den weg, die de lymphe in zoo n geval zou moeten volgen, wel moeilijk
aan te nemen. Bij tuberculose van één der bovenste cervicale lymphklieren (waar-
toe alle lymphklieren van den kop en een gedeelte van die aan den hals gerekend
worden), wordt al naar den aard van het proces, gekookt of vernietigd.

Postma.

-ocr page 148-

Tierärztliche Geburtshilfe und Gynäkologie einschliesslich der Krankheiten der
Neugeborenen.
Prof. D . Anton Otto STOSs;mit 78 Textabbildungen. Verlags-
buchhandlung von
Ferdinand Enke in Stuttgart. 1928. Rra. 24, geb. Km. 27.

Stoss, de directeur van de Verloskundige en ambulatoire kliniek der Veterinaire
faculteit te München, heeft een nieuw boek geschreven over de Veterinaire Ver-
loskunde en Gynäkologie.

Voor een Duitsch boek valt op de beknoptheid, waarmede de verschillende on-
derwerpen zijn behandeld, een beknoptheid die over het algemeen de volledigheid
niet te veel in verdrukking brengt.

Toch was het beter geweest, indien o.a. de physiologie van de drachtigheid en
van den partus wat uitvoeriger waren behandeld. Hoofdstukken zooals „Erkran-
kungen der Milchdrüse während des Puerperiums" en, Pathologie der Neuge-
borenen", welke samen 52 pagina\'s (het geheele boek telt 431 bladzijden) in beslag
nemen, hadden beter veel beknopter behandeld kunnen worden en zelfs had
Stoss
hiervan groote gedeelten kunnen laten vervallen zonder de waarde van het boek
te verminderen.

De afbeeldingen in dit boek zijn buitengewoon mooi en vaak zeer instructief en
hoewel 78 reeds een groot aantal is, had een uitbreiding hiervan op verschillende
plaatsen de waarde van het boek nog meer kunnen verhoogen.

Ik betreur het, dat vooral in de hoofdstukken over de physiologie van de gravi-
diteit en van den partus niet eenige afbeeldingen meer zijn opgenomen. Zoo waren
enkele over den bouw van de verschillende placentae, de ligging der vruchtvliezen
bij de verschillende dieren zonder twijfel kostbare aanwinsten geweest. Een goede
afbeelding zegt vaak meer dan een beschrijving van bladzijden. De afwerking en
de druk van het boek verdienen allen lof, alleen moet er voor gezorgd worden dat
pagina 10 en 11 van de inhoudsopgave worden afgedrukt.

Dit boek zal zonder twijfel naast de andere reeds bekende werken een plaats
kunnen innemen. v.
d. Kaay.

BLADVULLING.

Kofïiegebruik.

In 1927 werd in Europa ongeveer 220 millioen pond koffie verbruikt, dit is
nog geen pond per hoofd en per jaar.

In Nederland bedroeg het verbruik per hoofd en per jaar in 1827, 51/1X pond,
in 1882/86, 16.75 pond en in 1926 9.6 pond.

In de laatste 50 jaar is in verschillende landen een teruggang van koffieverbruik
en daarentegen een toeneming van het verbruik van thee en andere dranken

Verreweg de meeste koffie komt uit Brazilië ; verder komen als productielanden
in aanmerking; Columbie, Centraal-Ainerika en Ned.-Indië. (Alg. Landboiwblad
v. N.-Indië).

De wereldoogst was in 1927/28 22.600.000 balen (1 baal = 60 K.G.); daarvan
leverde Brazilië 67.3 % (Sao Paulo alleen 44.2 %).

Van het wereld-koffieverbruik komt meer dan helft voor rekening van de Ver-
eenigde Staten van Noord-Amerika.

Door de oprichting van een koffiebeschermings-instituut tracht Brazilië de
prijs voortdurend op peil te houden door de aanvoer te regelen; tot nog toe met
succes. Het belang daarvan voor Brazilië springt in het oog als men bedenkt
dat van de totale waarde van de Braziliaanse uitvoer het 3/4 werd opgebracht
door de koffie.
 Vr.

-ocr page 149-

INGEZONDEN,

Over Warenwet, Dierenarts en Melk.

Ingevolge art. 6 der Warenwet (1919 Stbl. 581) heeft iedere Gemeente een ver-
ordening op de keuring van „Waren" ; deze keuringsverordening is als regel vast-
gesteld naar het destijds door den Minister ontworpen concept. Dientengevolge
stellen die Gemeentelijke Keuringsverordeningen uitsluitend strafbaar het
„ver-
koopen"
van waren, welke niet aan bepaalde eischen voldoen. Nu is bij Arrest
van den Hoogen Raad van 5 Maart 1928 (Weekblad van het Recht No. 11819)
uitgesproken, dat de ,,
melkveehouder" niet valt onder het begrip „koopman",
noch volgens het Wetboek van Koophandel, noch volgens het spraakgebruik.
Daardoor is hetgeen Art. 1 van meergenoemde keuringsverordeningen onder
„verkoopen" verstaat, als regel
niet van toepassing op melkveehouders, en zouden
deze bij geconstateerde overtredingen van het zgn. melkbesluit vrij kunnen uitgaan.

Daarnaast is het vaak uiterst moeielijk het feit te constateeren, dat eenige
„waar" — laat ons blijven bij het voorbeeld „melk" — wordt verkocht, welke niet
overeenkomstig de voorschriften van het melkbesluit is „behandeld", voorschriften,
welke vooral wat melk betreft, in hoofdzaak zijn van hygiënischen aard, betrekking
hebben op het winnen, bereiden, bewaren of behandelen daarvan.

Al deze overwegingen zijn oorzaak, dat zeer talrijke Gemeentebesturen aan-
vulling van de betrekkelijke Keuringsverordeningen overwegen. Ten einde aan
bovenomschreven bezwaren tegemoet te komen stelt men zich voor als nieuwe
bepaling toe te voegen :
,,Het is verboden met betrekking tot waren iets te doen of na
te laten in strijd met de voorschriften krachtens de Warenwet, met uitzondering van
Art.
16 dier Wet". (art. 16 betreft invoer uit het buitenland).

En verder, om met „verkoopen" niet enkel gelijk te stellen het „ten verkoop",
doch óók het „ter aflevering" in voorraad hebben van waren, terwijl bij het „aan-
wezig hebben" van waren door het toevoegen van het woord ,,
melkveehouders"
óók voor deze overtredingen dan strafbaar gesteld zullen kunnen worden.

Het is mij bekend, dat bovenomschreven aanvullingen in talrijke Gemeenten
thans aanhangig zijn. Komen zij tot stand, ■— hetgeen zeker is te verwachten —
dan zal dat ook voor ons, dierenartsen, van belang zijn. Immers écrstgenoemde aan-
vulling zal de ambtenaren, belast met het opsporen van overtredingen, méér dan
totnutoe, de bevoegdheid geven om — ten opzichte van melk — het terrein hunner
contrôle óók uit te strekken tot de melkveestallen,
en tot hetgeen daar bij de winning
van de melk en de behandeling (en voeding) van het vee wordt ,,gedaan" of ,.nagelaten".
In deze aanvulling zit, wat men zou kunnen noemen : „perspectief" Bekijkt men
die aanvulling aan dc hand van de bepalingen in het zgn. „melkbesluit", dan blijkt
duidelijk dat de Keuringsdienst voor waren, nog méér dan vroeger, ten opzichte
van de winning van „deugdelijke" melk en de hygiëne van het melkvee nuttigen

arbeid zal kunnen verrichten. —- ,,Kunnen", mits........óók voldoend deskundig

personeel voor die controle beschikbaar zal zijn en..........aan de Keurings-
diensten voor Waren zal worden verbonden. Volgens het Kon. Besl. van 30 Sept.
1920 (Stbl. 76b) moet elke Warendienst „de beschikking hebben over één of meer
veeartsen (die geen particuliere praktijk uitoefenen)", tenzij Gedep. Staten
ontheffing van deze verplichting verleenen Het is mij niet bekend voor hoe vele
der 18 Keuringskringen in Nederland zulke ontheffingen zijn gegeven, en even-
min, in hoevele dier 18 Centrale Keuringsdiensten werkelijk de hand is gehouden
aan deze bepaling van genoemd Kon. Besluit. Het is echter méér dan duidelijk,
dat bovenomschreven aanvullingen der Keuringsverordeningen nutteloos zullen
blijven, wanneer de besturen der 18 centrumgemeenten, die het opsporingsper-

soneel moeten benoemen, ook ten deze niet consequent zullen..........worden,

overal, waar dit totnutoe niet het geval mocht geweest zijn.

Ik vestig hierop de aandacht, óók van ons actief Hoofdbestuur

Schoonhoven, 12 Januari 1929. Mogendorff.

-ocr page 150-

Intraveneuze injectie in de praktijk.

Zonder twijfel is de intraveneuze injectie van alle in de praktijk toegepaste
inspuitingen de minst gebruikte.

De voorzorgen, die men dient te nemen voor een gevaarloos verloop ervan,
zijn van dien aard, dat in den regel aan de subcutane, als zijnde de meest prac-
tische, de voorkeur gegeven wordt.

De onderzoekingen van Prof. Sjolle.ma over melkziekte en de daaruit voort-
gevloeide therapie hebben thans de intraveneuze injectie in een nieuw licht ge-
plaatst, zoodat ongetwijfeld de toepassing ervan veelvuldiger zal geschieden

De uitvoering kan, zooals bekend, geschieden door middel van sluna en trechter
of met behulp van een recordspuit. Ongetwijfeld is de eerste methode de beste,
daar de in te spuiten vloeistof onder geringen overdruk in de ader vloeit, terwijl
verder de kans op lucht-embolie uitgesloten is. Bij toepassing van de record-
spuit heeft men den druk niet zoo in de hand, terwijl het veel moeite kost,
alle luc\'nt onder den zuiger door vloeistof te doen innemen.

Dat niettegenstaande dit collega de Gier in zijn artikel over Gluco e-therapie
bij melkziekte
aan de injectie door middel van de recordspnit de voorkeur geeft,
zal zijn oorzaak wel vinden in de minder gunstige ervaringen bij toepassing van
slang en trechter, ervaringen, die ook door mij werden opgedaan en waardoor
ik tot wijziging kwam van het tot nu toe gebruikelijke instrumentarium.

Verleden jaar stelde ik proeven in met het door „Doenhardt" in den handel
gebrachte ,,1 herapogalt" tegen streptococcen-mastitis. Dit middel wordt intra-
mammair en intraveneus ingespoten.

Gedurende den weide-tijd ging deze behandeling zonder bezwaar, maar bij
stalvee kwam ik alras tot de ontdekking, dat de zoo zorgvuldig toegepaste asep-
tisclie cautele absoluut te niet werd gedaan door het stof dat door de in vele
Twentsche stallen allesbehalve dichte zoldering viel. Bovendien trok de bloed
lucht de vliegen aan, zoodat op een gegeven oogenblik ettelijke exemplaren lustig
in den trechter rondzwommen, tot mijn groote ontsteltenis ! Zou de injectie
dus op stal bruikbaar zijn, dan moest de steriele vloeistof steriel kunnen blijven
Op mijn verzoek maakte de bekende instrumenthandel
Harting-Bank te
Utrecht een metalen trechter, voorzien van een handvat en een opklapbaar dek-
seltje en deze wijziging maakte de inspuiting tot een genoegen.

De vernikkeling waarborgt roestvrijheid, het schijnbare bezwaar, dat men
niet kan zien, of de vloeistof nog in den trechter staat, valt in de praktijk weg,
doordat men met den duim af en toe het dekseltje een weinig kan oplichten

Het is natuurlijk het ei van Columbus, maar nu allicht bij de behandeling van
melkziekte de intraveneuze injectie meer zal worden toegepast, is een practisch
instrumentarium zeer veel waard.

M. C. Reisinger

BLADVULLING.

Aan eier-leggen gestorven.

v. W. vermeldt in de Kleine Veeteelt 1928, blz. 633 (overgenomen uit Feathered
World) dat in Engeland een wit leghorn-hen tot 3 of 4 eieren op één dag legde.
In een week legde zij 15 eieren, waardoor zij voor de laatste 8 maanden het cijfer
324 haalde.

De laatste dagen had zij 3 en 2 gelegd ; den daarop volgenden dag vond de
eigenaar haar dood bij het legnest ; zij was van uitputting gestorven.

Vr.

-ocr page 151-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Pluimveecursus.

De laatste voordracht van den cursus in de Afd. Utrecht zal gehouden worden
door Dr.
te Hennepe op Zaterdag 9 Februari, des n.m. 2 uur, in het Anatomisch
Instituut, einde Poortstraat, Utrecht.

Aan de leden van de Algemeene Afdeeling wordt bericht, dat de postkwi-
tanties, voor de inning van de contributie over het loopende jaar, in de eerste
week van Februari zullen worden verzonden.

De Penningmeester van het Hoofdbestuur,
W.
van den Burg,

De ondergeteekende bericht, dat zijn woonhuis, Nieuwe Gracht 165, Utrecht,
telefonisch aangesloten is, No. 13749. Als regel thuis van 12$—ij en van —

Dr. H. A. Vermeulen,
Secretaris van het Hoofdbestuur.

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Opening van het abattoir te Heerlen.

Begin Januari heeft de officieele opening plaats gehad van het nieuwe gemeen-
telijke slachthuis te Heerlen, dat / 400.000. , niet bijkomende werken zelfs
/ 600.000.— heeft gekost. De burgemeester opende de inrichting met een korte
inleiding. Daarna voerden nog het woord collega
Kars, als directeur van het slacht-
huis, de Heer v.
Lietaert Peerbolte, directeur-generaal der volksgezondheid,
de hoofdinspecteur, Dr.
Berger, e. a.

Na afloop van deze plechtigheid vereenigde men zich aan e\'. n gezellige Lim-
burgsche koffietafel en werd ten rondgang door het nieuwe gebouw gemaakt.

De toepassing van art. 23 A der Vleeschkeuringswet.

In 1922 werd tusschen de gemeenten Leimuiden en Leiden een vrijwillige over-
eenkomst aangegaan om bij wijze van proef vo.or 1923 een gezamenlijke regeling
te treffen betreffende den keuringsdienst voor vee en vleesch. In Sept. 1923 besloot
de Raad van I eimuiden deze overeenkomst niet te verlengen en met ingang van
i Jan. 1924 een eigen dienst te organiseeren.

Hoewel er pogingen werden aangewend, om de Raad op dit besluit te doen
terugkomen, bleek dit niet het geval te zijn. Zelfs had het college van B. en W.
een onderhoud met den Minister op 5 Dec. 1923, waar het nader de plannen van
den Raad uiteenzette. Dit gaf echter geen succes, want op 11 Dec. 1923 kreeg
men het bericht van den Minister, dat bij Kon. Besl. van 3 Dec. Leimuiden,
met de gemeenten Alkcinadc en Rijnzaterwoude, was aangewezen den keurings-
dienst van vleesch en vee nader met Leiden te regelen.

Leimuiden weigerde daarop aan dit besluit gevolg te geven, zoodat Ged. Staten
zelf een regeling vaststelden, welke 5 jaar zou gelden, dus tot 1 Jan. 1929. In
den loop van 1928 hebben Ged. Staten tot Leimuiden het verzoek gericht, de
overeenkomst ook na 1 Jan. 1929 te verlengen. Hiertoe nu was Leimuiden wel
genegen, mits Leiden de keurloonen belangrijk zou verlagen. Leiden acht dit
echter onmogelijk, daar zij nu reeds een verlies van ƒ 2200 - - op de bestaande
regeling met bovengenoemde gemeenten moet lijden. De Raad van Leimuiden
heeft nu een commissie benoemd, die alles in het werk wil stellen, om de over-
eenkomst krachtens art. 23 A der vleeschkeuringswet voor hare gemeente niet
van toepassing te doen verklaren. In haar verweer wijst de commissie o. a. op
verschillende andere gemeenten, als Woubrugge, Nieuwveen, Lisse, Sassenheim,
enz. wien het wel is toegestaan een eigen keuringsdienst in te richten. Verder is
de commissie van meening, dat eerst dan van de bevoegdheid tot toepassing

-ocr page 152-

van art. 23 A mag worden gebruik gemaakt, als gebleken is, dat een gemeente
niet in staat is een zelfstandigen keuringsdienst te organiseeren.

Wil men ook in den Achterhoek een destructieinrichting ?

Op uitnoodiging van het gemeentebestuur van Winterswijk werd aldaar voor
de besturen van een
12-tal omliggende gemeenten door collega Schuitemakek
uit Midwoud een lezing gehouden over de cadaververnietiging met de bedoeling
om die omringende gemeenten te wijzen op het groote nut van aansluiting bij
Winterswijk inzake het gebruik van een gemeenschappelïjken destructor. Over
het algemeen bleek wel, dat de omliggende gemeenten wel voor aansluiting waren
te vinden. In de diverse gemeenteraden zal de aansluiting een nader punt van
bespreking uitmaken.

Abattoirstrijd te Kampen.

Er wordt te Kampen een heftige strijd gevoerd over de vraag, of het stichten
van een abattoir aldaar gewenscht en noodzakelijk is. Door B: eri W. werd eenigen
tijd geleden een voorstel bij den Raad ir gediend om over te gaan tot het bouwen
van een openbaar slachthu.s, waarvan de kosten worden geraamd op /
200.000.—
Dit voorstel werd in de Raadsvergadering van 7 Dec. j.1. aan de orde gesteld. Bij
de discussie\'s bleek echter, dat de meerderheid van den Raad tegen het voorstel
was gekant. Voordat het voorstel definitief werd afgestemd wist een voorstander
van het plan de situatie te redden, door voor te stellen, de verdere behandeling
op te schorten, totdat B. en W. de Raadsleden collectief in de gelegenheid hadden
gesteld een openbaar slachthuis te bezichtigen. B. en W. namen het voorstel over,
dat toen ook werd aangenomen. In het begin van Januari zal men nu een bezoek
brengen aan het slachthuis te Winschoten.

Ook te Vlissingen een coöperatief slachthuis?

Tegen het besluit van den Gemeenteraad van Vlissingen om inplaats van het
bouwen van een gemeentelijk abattoir, aan particuliere slagers vergunning te
verleenen tot het bouwen van een gemeenschappelijke slachtplaats, hadden
eenige ingezetenen bij de Kroon geprotesteerd met het verzoek het besluit te ver-
nietigen. Van den Ministervan Binnenl. Zaken en van Landbouw is bericht gekomen,
dat er geen termen te vinden zijn om bedoeld besluit te vernietigen.

Appingedam.

De Gemeenteraad van Appingedam besloot, indien Delfzijl binnen 14 dagen
niet besluit tot medewerking aan een plan tot een gecombineerd slachthuis, zelf
over te gaan tot oprichting van een eigen openbaar slachthuis, waarvan de kosten
worden geraamd op /
76.000.—. de G.

Rectificatie. Jaarboekje 1929.

Op blz. 18,

reg. 20

v.

0.

staat : M. Karsemeijer Nieuwveen, moet zijn :
M. Karsemeijer, Voorz., Nieuwveen.

.. 37

.. 25

Kerklaan 3, Tel, 397, moet zijn : Kerk-
laan 13, Tel. 397.

.. 44

.. 15

v.

b.

,, \'Kempen, moet zijn : Kempen.

71

4

(ie kol.)

,, E. J. Dommerhold**, moet zijn: *E.
J. Dommerhold**.

.. 75

.. 3

v.

0.

(4e kol.)

*R. H. P. Fischer**, moet zijn : R. H.
P. Fischer**.

„ 98

4

v.

b.

R. H. P Fischer, moet zijn : R. H.
P. Fischer*.

Opmerkingen van 2 collegas betreffende ontstane fouten dankbaar aanvaard.
Voor mededeelingen van nog ontdekte onjuistheden houdt de redactie zich ten
zeerste aanbevolen.
 Kroes.

Prijscourant.

Van de Amsterdamsche Chininefabriek, de Wittenkade 48—50, Amsterdam W.
ontvingen wij de prijscourant
1929 (afdeeling Pharmaceutische Groothandel)
van geneesmiddelen, chemicaliën, reagentia, verbandstoffen, sera en vaccins

-ocr page 153-

Een lezing te Londen van Prof. Dr. L. DE BLIECK.

Prof. Dr. L. de Blieck, heeft op verzoek van Prof. Hobday, principal of the
Royal Veterinary College te Londen, voor de studenten van dat college een lezing
gehouden over de werkzaamheid van den dierenarts op het gebied der pluimvee-
ziekten .

Terwijl in Nederland in de laatste jaren de bemoeienis van de dierenartsen
in zake de bestrijding van de pluimveeziekten steeds toeneemt, ligt tot nu toe in
Engeland deze werkkring bijna geheel buiten de sfeer der dierenartsen.
De Blieck heeft in die lezing gewezen op de groote beteekenis voor den pluimvee-
stapel indien de dierenarts zich meer op dat gebied beweegt en ook vooral,
indien het onderwijs zich meer in die richting specialiseert. N.R.Ct.

Gedenkteeken Dr. Y. J. SCHMIDT (Kolding).

Op 3 Juli 1928 had aan de ,,Veterinaer- og Landbohojskole" te Kopenhagen
de onthulling plaats van een gedenkteeken ter eere van Dr.
Y. J. Schmidt (Kol-
ding), geschonken door de dierenartsen in de Vereenigde Staten van Noord-Ame-
rika. De onthullingsrede werd gehouden door Prof. Dr.
Bernh. Bang. (Skand.
Vet. Tidskr., Sept.
1928). v. Nederveen.

Rijks-Universiteit Utrecht.

Geslaagd voor Candidaats-examen Veeartsenijkunde de Heeren : C. Bergsma
E. de Boer, K. Brandsma, B. H. Brummelhuis
, C. A. van Dorssen, A. M.
Frens, L. Hoedemaker
, C. Hoek Spaans, S. T. Hofstra, J. Hovenier,
R. Jaarsma.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in December 1928.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op 1 Dec. nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer : bij 327 (894) eigenaars, waarvan in Groningen bij 36
(66)
eig.; Friesland bij 138 (569) eig.; Drenthe bij 15 (30) eig. ; Overijsel bij
12 (1) eig.; Gelderland bij 11 eig.; Utrecht bij 27 (53) eig.; Noordholland bij
25 (60) eig.; Zuidholland bij 31 (94) eig.; Zeeland bij 6 (16) eig.; Noord-
brabant bij
24 (5) eig.; Limburg bij 2 eig.

Malleus : 3 gevallen, 2 in Overijsel te Rijssen bij 1 eig. en 1 in Utrecht te
Utrecht.

Scabiês (sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap : 23 gevallen bij
5 e\'g- (75 bij
10 eig.), waarvan in Groningen g bij 2 eig.; Friesland 13 bij
2 eig, (55 bij 6eig.); Drenthe (15 bij 3 eig.); Zuidholland 1, paard (5 bij 1 eig.).

Rotkreupel bij schapen : 60 gevallen bij 7 eig. (651 bij 39 eig.), waarvan in
Groningen
23 bij 2 eig. (3 bij 3 eig.); Friesland 23 bij 3 eig. (88 bij 7 eig.);
Drenthe
(28 bij 7 eig.); Utrecht (18 bij 2 eig); Noordholland 10 bij 1 eig.
(255 bij 17 eig.) ; Zuidholland 4 bij i eig. (58 bij 2 eig,); Zeeland (201 bij 1 eig.)

Anthrax: 23 gevallen bij 22 eig., waarvan in Groningen 1; Friesland 2 bij
2 eig.; Drenthe 3 bij 3 eig.; Overijsel 1; Gelderland 4 bij 4 eig.; Utrecht 1;
Noordholland
4 bij 4 eig.; Zuidholland 4 bij 3 eig.; Noordbrabant 1 ; Limburg
2 bij 2 eig.

PERSONALIA.

Overleden : J. B. Bloemendal, gouv.-veearts te Koedoes (Java).

-ocr page 154-

REFERATEN.

FYSIOLOGIE; VOEDINGSLEER.

Influence des saisons sur la nutrition. Par le professeur F. Maignon, Recueil
de Méd. Vét. 1928.

Schr. noemt verschillende voorbeelden van den invloed der seizoenen op levende
wezens. De plotselinge herleving van planten in \'t voorjaar, het beëindigen der
winterslaap door dieren.

Doch ook bij warmbloedige dieren die geen winterslaap doen zijn in de ver-
schillende seizoenen veranderingen waar te nemen.

De activiteit der geslachtsorganen valt voor de wilde dieren samen met de lente;
onder invloed der domesticatie kunnen de perioden van verhoogde geslachts-
functie zich vermeerderen (herfst en ook andere tijdstippen), doch zelfs bij dieren,
het geheele jaar door geschikt voor reproductie neemt men in het voorjaar een
maximum van activiteit waar. Andere voorbeelden van seizoeninvloeden : grootere
toename van lichaamsgroei der menschen in het voorjaar, snellere dentitie, snellere
groei van nagels en haren in voor- en najaar.

Uit het gebied der pathologie : frequenter optreden van arthritiden in voor-
en najaar, meer besmettelijke ziekten in voor- en najaar (kinderziekten, griep).

Reeds in oude tijden werd getracht de nadeelen van lente en herfst te voorko-
men door b v. aderlaten en purgeeren.

Reeds in 1905 heeft schr. getracht experimenteel den invloed der seizoenen te
bestudeeren. Hij vond het g\'ycogeengehalte van denzelfden spier (biceps femoris)
bij honden schommelend met de seizoenen. Twee maxima in voor- en najaar
en twee minima in zomer en winter. Ook bij andere dieren zijn analoge waar-
nemingen gedaan. Het glycogeen-gehalte is steeds evenredig aan de functie der
ovariën. Bij mannelijke dieren was het glycogeen-gehalte steeds hooger dan bij
vrouwelijke, na castratie der mannelijke dieren vermindert het glycogeen-gehalte
l)e invloed der seizoenen kan niet toegeschreven worden aan temperatuursver-
schillen, zoowel in den zomei als winter is er een minimum. Het protoplasma
der geslachtsklieren is volgens schrijver meer gevoelig voor seizoensinvloeden ;
de werking op het geheele lichaam zou dan bestaan uit een directe op de soma-
cellen en een indirecte via geslachtsklieren. Schr. heeft zich verder afgevraagd
of de verbrand ingsprocessen in het lichaam eveneens onder invloed staan van
een niet-thermische factor.

Reeds in 1910 1911 is een verhoogde oxydatie gevonden in voor- en najaar,
bij de cavia, onder gelijkgehouden temperatuur en constante voeding.

Nu (1927—1928) zijn proeven genomen met honden. De dieren werden in ka-
mers op constante temperatuur gehouden om warmtewerking uit te schakelen
het basaal metabolisme werd bepaald en dezelfde dieren met 40 gram gekookt
vleesch gevoerd. De respiratiecoëfficiënt daalde van Mei Augustus, steeg weer
van Augustus—November en daalde tot Januari weer opnieuw.

De specifieke dynamische werking van vleesch schijnt minder te zijn in de
top der curve (dus voor- en najaar) dan in de minima (winter en zomer).

In het voorjaar van 1928 (regenachtig, bewolkte luchten) was bij hetzelfde dier
de resp. coëfficiënt (zuurstof-verbruik in Liters per uur en per K.G. gewicht)
minder hoog dan in 1927.

Ratten waren voor een eiwitvergiftiging in den winter veel minder gevoelig
dan in het najaar. Toevoegingen van vitaminen A en B veranderden de uitkomsten
dezer proeven niet.

Het is waarschijnlijk dat de beschreven verschijnselen afhankelijk zijn van de
meer overvloedige straling in voor- en najaar.

Toxische Hyperprotemamine als Todesursache bei Pferden und Schafen. (Dr.
Julius Schmidt, Berl. Tierarztl. Woch. 1928, No. 19).

In Mei 1925 werden op een ..Rittergut" 3 van de 12 paarden ziek met ver-

-ocr page 155-

schijnselen van een larynx verlamming. Twee van de drie paarden stierven na
24—48 uur, nadat zij geheel verlamd waren.

De derde patiënt herstelde na vier weken weer. Op zoek naar toxische stoffen
in voedsel of drinkwater bleken het voedsel geheel normaal te zijn, doch de
samenstelling leek den schr. niet goed. In een tijd van weinig werk (na het voor-
jaar) kregen de dieren gedurende de 4 weken vóór de ziekteverschijnselen optraden
een krachtvoer bestaande uit 5 pond haver en 5 pond sojameel per dag. Terecht
noemt schr. de hoeveelheid eiwit welke op deze wijze geconsumeerd werd veel
te hoog. Nadat het sojameel weggelaten werd, hielden de ziektegevallen op.

Op een ander bedrijf kregen in den zomer van 1927, 12 rammen die voor een
tentoonstelling in „conditie" gebracht moesten worden naast een krachtvoer-
mengsel waarin sojameel en grondnotenmeel ook lucernehooi; nadat deze voeding
aan de nog in groei zijnde, dieren een tijdlang zonder verschijnselen gegeven was,
traden plotseling na elkaar enkele sterfgevallen op. De dieren lagen \'s morgens
dood in den stal.

Bij sectie waren behalve enkele subpericardiale puntbloedingen en „trüber
Schwellung" der hartspier geen ziekelijke afwijkingen te vinden. Na weglaten
van soja- en grondnotenmeel en vervangen van lucerne door stroo hielden de
sterfgevallen op.

In December traden in hetzelfde veebeslag weer sterfgevallen op.

Gezonde dieren begonnen plotseling angstverschijnselen te vertoonen, liepen
half verlamd rond en vielen neer zonder weer te kunnen opstaan, de tijd tusschen
geheel gezond zijn en sterven was van |—3 uur.

Oorzaak (volgens Schr.) : het weer verstrekken van meer eiwitrijk voer, waarin
sojameel en grondnotenmeel en daarenboven vervangen van stroo door zeer goed
hooi.

Door nogmaals minder eiwitrijk voer te geven hielden de sterfgevallen op ;
8 weken later werd nog één bok ziek en stierf, ook nu weer nadat niettegenstaande
alles wat gebeurd was toch weer eiwitrijker voer gegeven was.

Schr. trekt een parallel met lathyrisme.

Nog even wordt de aandacht gevestigd (m. i. niet voldoende) op het feit dat
bij de extractie van olie uit sojaboonen en aardnoten (door het extractiemiddel)
vitaminen vernietigd worden.

Hoewel zonder twijfel in genoemde gevallen te veel eiwit gevoerd is, blijkt
toch hoe langer hoe meer dat de extractie vitaminen kan vernietigen (speciaal
belangrijk voor sojameel in verband met de Brabantsche ziekte).

R. Stockman in Engeland, B. Bleyer en K. Mayer (Fortschritte d. Land-
wirtsch. 1927,
S. 173) vestigen speciaal de aandacht op de vitamine-armoede
van sojameel door te sterke vetextractie ; laatstgenoemden nemen aan dat ook
in het meel voldoende vitaminen aanwezig zijn wanneer volstaan werd met een
vetextractie tot 2 %.

Steenvorming bij avitaminose van den mensch, door Sampoerno, (Geneesk.
Tijdschrift voor Ned.-Indië, deel 68, afl. 4).

Schr. geeft een uitvoerige beschrijving van een ziektebeeld bij een kind ge-
volgd door sectie-verslag.

Bij het bedoelde kindje werd gevonden : keratomalacie, steenen in het nier-
bekken (calciumoxalaat en phosphorzuur- ammoniakmagnesia). Een huidziekte
(pyodermie). Bronchopneumoiiie alopecie. Verhooring van het nierbekkenepitheel.

In het verband van dit artikel zijn vooral de beide eerste en laatste verschijn-
selen van groote beteekenis.

Uitvoerig wordt ingegaan op de literatuur. Osborne en Mendel in Amerika,
de Nederlanders
de Langen en v. Leeuwen, Mc. Carrison in Voor-Indië heb-
ben bij hun proefdieren (meest ratten) herhaaldelijk waargenomen dat een tekort
aan vitamine A (ontbreken veroorzaakt spoedig den dood) nier- en blaassteenen
ontstaan.
De Langen gaf als verklaring het alkalisch worden der urine door

10

lvi

-ocr page 156-

gebrek aan vitamine A met als gevolg een ontsteking van het slijmvlies waardoor
de steenvorming wordt bevorderd.

v. Leersum heeft verder als complicaties gevonden : nepliritis, pneumonie,
epteritis, abscessen cylindrurie en kalkafzetting in de tubuli, keratinisatie van
het epitheel der slijmvliezen, afstooting van verhoornde cellen op keratophthal-
mische oog, en op grond van deze laatste bevindingen denkt hij dat vermoedelijk
hetzelfde proces in de urine plaats heeft, waardoor aanleiding gegeven wordt tot
kalkafzetting in de blaas en dus tot steenvorming.

Wanneer wij nu verder weten (ref.). dat genoemde onderzoekers bij een dieet
met voldoende vitamine A geen nier- of blaassteenen bij ratten vinden, blijkt uit
dit artikel wel ten duidelijkste hoe de klinicus rekening heeft te houden met de
voeding, in het bijzonder de vitaminen.

Die Blutgruppenfrage, van Prof. Dr. Burghard Brejtner, (Forschungen und
Fortschritte der Wissenschaft, 4e Jahrg., No. 31, 1 November 1928).

Een gecomprimeerd artikelje waarin voornamelijk een overzicht gegeven
wordt der beteekenis van het bloedgroepen-onderzoek voor anthropologie, kli-
niek en gerecht vollediger identificatie, onderzoek vaderschap).

van der Plank.

Werking van ijzerzouten.

(Kochmann en Seel, Deut. Med. Woch., ref; W\'ijers, N. T. v. G., 1928, II,
blz. 4691), Het ijzer wordt als ferro-verbinding in het lichaam opgenomen ; de
voorkeur verdienen die ferro-zoiiten die het gemakkelijkst overgaan in ferrochlo-
ride, dat snel geresorbeerd wordt. Het is een bekend feit dat ijzerhoudende mi-
nerale wateren vaak zeer goed en snel werke;i, vooral zoolang het ijzer in „actieve
vorm" aanwezig is ; met benzidine en waterstofperoxyde ontstaat, dan een blauwe
verkleuring. Door staan aan lucht en licht wordt het aanwezige ferro-bicarbonaat
geoxydeerd tot ferrihydroxyde, dat die reactie niet geeft.

Door proeven óp ratten werd de goede werking van het ijzerhoudend mineraal-
water prakties bevestigd.

Vitamine-gehalte van bananen.

(Grüninger, Arch. f. Kinderh., ref. de B.ruin in N. T. v. G.„ 1928, II, blz.
4547.) Bananen bevatten vitamine A en
C, zijn in staat scheurbuik en xerophtal-
mie te voorkomen. Uit proeven bleek echter dat zij geen rachitis kunnen genezen
of voorkomen ; proefdieren die. uitsluitend met bananen worden gevoed komen
niet tot een normale ontwikkeling, en de onvoldoende groei van een proefdier
wordt niet verbeterd door bijvoeding van bananen. Het gehalte aan vitamine
D. kan dus niet groot zijn.
 . Vrijburg.

Caloium en eiwit in de urine bij met „Spreewaldhooi" en toegift „Vitakalk"
gevoerde runderen.
(Calcium und Eiweisz im Harn bei mit Spreewaldheu und
Zugabe von Vitakalk gefütterten Rindern.
Heinig : Archiv. f. Wissenschaft u.
prakt. Tierheilk. 58e Band, 1928, blz. 281).

Heinig onderzocht het calcium- en eiwitgehalte van urine van koeien gevoerd
met Spreewaldhooi, in stallen waar geregeld lekzucht optrad. Het calciumgehalte
werd bepaald volgens
Hempel—Spaeth, (Neubauer—Huppert : Analyse des
Harns), het eiwitgehalte volgens
Esbach. Uit de tabellen van 35 onderzochte
koeien blijkt dat gedurende Februari, Maart en April geen of zeer weinig calcium
in de urines voorkwam. Enkele urines, welke een hooger calciumgehalte hadden,
waren afkomstig van koeien, welke met een kalkhoudend „melkvoer" gevoerd
waren of van dieren, die nog slechts korten tijd Spreewaldhooi kregen.

In de 2e helft van April kreeg iedere koe ^ 70 gram Vitakalk per dag ; het
urineonderzoek gaf in 5 gevallen een aanwezigheid van Calcium (max. 0:010025 gr.
per 100 cc). In Juni was het calciumgehalte bij bijna alle dieren toegenomen en
vrijwel overeenkomend met dat, wat gevonden werd na het geven van groenvoer.

Eiwit was in de meeste gevallen aanwezig ; het sterkst bij die dieren welke
reeds, een begin van stijfheid vertoonden.

-ocr page 157-

Klinisch merkte H. als gevolg der Vitakalkverstrekking op bij dieren -welke
voor de toediening verschijnselen vertoonden van beenzwakte of lekzucht, een
verbetering na 10—14 dagen, terwijl de gezonde dieren in beter conditie kwamen
en de melkgift toenam. Bij dieren welke moeilijk opstonden, had ook vitakalk
resultaat.

Voordat klinische verschijnselen optreden kon H. op grond van het veranderde
calcium- en eiwitgehalte der urine de ziekte voorspellen:

(De klinische bevindingen komen overeen met mijn resultaten na toedienen
van kalkpreparaten ; daar echter bij de hoeveelheid calcium niet de periode van
drachtigheid of melkgift vermeld worden, hebben de tabellen m.i. alleen betrek-
kelijke waarde).
 W. P; C. Bos.

Ein Beitrag zur Ossifikation und zum Durchbruch der bleibenden Schneide-
zähne des Rindes.

In de Berl. Tierärztl. Wochenschrift van 2 Nov. 1928 geeft.X>r. .Schönberg
enkele Röntgenfoto\'s van rundergebitten, die in een meer of minder ver gevorderd
stadium van wisseling verkeeren en houdt in verband daarmede.,een beschouwing
over de positie en de ontwikkeling der blijvende tanden in de kaak, alsmede over
hunne doorbraak. Hij vertelt daarin — niet zeer volledig en duidelijk — vrijwel
datgene, wat ik eenige jaren geleden (1920) reeds in dit Tijdschrift heb medege-
deeld. Door zijne onderzoekingen voort te zetten, zal hij wellicht t.z.t. in staat
zijn, meer precies de conclusies \\yaartoe ik kwam, opnieuw we/eldkundig te maken,
terwijl een studie over de literatuur daarbij, hem misschien zal doen inzien, dat
zijne mededeeling : J(über den Zahnwechsel des Rindes liegen genaue und um-
fassende Arbeiten vor", meer van hoffelijkheid en beminnelijk optimisme dan van
groote kennis dier literatuur getuigt.
 A. M. Hibma.

OOGZIEKTEN.

A case of papilloedema in a pedigree bull. T. C. Summers, Transact, of the ophth.
Soc. of the Unit. Kingd. Bd. 47, p. 221—223, 1927).

Summer stelde bij een jongen blinden stamboekstier ophthalmoscopisch een
oedeem van de beide papillen vast en had later gelegenheid één der oogen van het
dier nader histologisch te onderzoeken. Gevonden werden teekenen van een hevige
retrobulbaire neuritis van den
N. opticus met volkomen verwoesting der zenuw-
vezelen en duidelijke zwelling der papil. Bovendien bleek te bestaan een hevige
chorio-retinitis, welke op verschillende plaatsen tot algeheelen ondergang van
het netvliesweefsel en tot plaatselijke bindweefselvorming had geleid.

De gangliëncellen ontbraken geheel en de overige lagen waren, voor zoover na
te gaan was, sterk veranderd, Ook in de chorioïdea waren veranderingen als ge-
volg van ontstekingen vast te stellen.
Summer neemt aan dat de primaire haard
waarschijnlijk retrobulbair te zoeken en de aandoening op een bacterieele oorzaak
terug te voeren is. Hij denkt daarbij aan een chronisch met syphilis van den
menscli overeenkomend ontstekingsproces. (Zou hier niet tuberculose in het
spel zijn geweest ? Ref.)

Experimentelle Untersuchungen über die schädliche Wirkung des Trypaflavins
auf das Auge.
Hiroshi Mita, Klin. Monatsbl. f. Aug. Bd. 80, 1928.

Trypaflavine is een anilinekleurstof met sterke bactericide werking. In 1912
ontdekte
Ehrlich de goede trypanocide werking. Eerst later is het middel ook
in de wondbehandeling toegepast. Op het oog zou het in 1 % ä 2 %-oplossing een
nadeeligen invloed kunnen uitoefenen, vooral wanneer hoornvlieslaesies zouden
bestaan.

Om een en ander te controleeren nam Miroshi Mita proeven bij het konijn,
nadat een epitheeldefect\' op de cófnea was g\'efna-akt. Gedurende «enige uren werd
om het half uur wat van een ^ %—1 %-oplossing in het\'oog gedruppeld. Hij kon
daarna waarnemen een gele verkleuring Van het defèct en\'een geleidelijke diffuse

-ocr page 158-

troebeling van het hoornvlies. Bij langdurig herhaalde indruppelingen traden
ook bij gezonde oogen veranderingen op.

Waargenomen werd verder dat de regeneratie van het epitheeldefect merkbaar
door het middel werd vertraagd. Zweervorming of het optreden van bloedvaten
in het hoornvlies werd in geen enkel geval en stadium opgemerkt.

Wanneer maar lang genoeg werd ingedruppeld (langer dan 15 uur) stootte zich het
endothelium bijna steeds in het midden van het hoornvlies over een meer of minder
groote uitbreiding af. Later trad hier een bindweefselachtige woekering van een
meerlagig endotheel op. In de voorste oogkamer ontstond een fibrinestolsel, waarin
maar weinig cellen voorkwamen. De iris vertoonde slechts geringe afwijkingen,
sterker veranderd was het corpus ciliare (vooral de processus ciliares).

Op de conjunctiva ontstonden pseudomembranen.

Hij vond dat trypaflavine bij herhaalde instillaties in het oog drong en dat zulks
gemakkelijker plaats greep wanneer epitheeldefecten aanweizg waren.

Furstenau heeft in het Zeitschrift für Augenheilkunde, Bd. 40, 1918, het try-
pafliavne als onschadelijk en niet prikkelend voor het oog aangegeven ; dit nu
wordt door
Mita bestreden.

Bacteriologie observations on periodic ophthalmia in horses.

Rosenow (Journ. of the Americ. Vet. Med. Assoc., Juni 1927, p. 378) had ge-
legenheid de periodieke oogontsteking (z.g. maanblindheid Ref.) bij paarden
bacteriologisch te onderzoeken en de resultaten waren zoo belangrijk, dat hij een
voorloopige vermelding hiervan wenschelijk acht.

In overeenstemming met de meening, dat het optreden dezer oogziekte in ver-
band staat met vochtige slecht gedraineerde gronden, is het feit dat aan het uit-
breken van deze gevallen een ontzettende regenval is voorafgegaan, waardoor
de weiden zeer moerassig waren geworden.

Het uit de traanzak en ook van andere plaatsen geisoleerde microörganisme
is een beweeglijk staafje van gemiddelde grootte met ronde einden en niet dik,
Gram-negatief. Het groeit traag op de gewone voedingsbodems en vormt dan glin-
sterende, doorschijnende, afzonderlijke gele tot oranje kolonies met gladde randen.
Het voortkweeken in reincultures levert groote moeilijkheden op.

In betrekkelijk groote doses is het microörganisme virulent voor het konijn, de
cavia, de witte rat" en het paard. Na intraveneusc injectie heeft het neiging om
zich in de voorste gedeelten van het oog te lokaliseeren.

Waarschijnlijk ontstaat de p. o. dan ook langs haematogenen weg en is zij niet
het gevolg van een locale infectie langs de conjunctiva.

Ook bleek, dat intraveneuse of subcutane injecties van filtraten van verzwakte
culturen de oogen van konijnen en paarden immun maakten tegen intraoculaire
infecties en dat het ontstekingsproces bij reeds aangetaste dieren daardoor schijn-
baar afnam.

De filtraten werken in het bijzonder toxisch bij het paard. De oogen van ko-
nijnen, die weer volkomen zijn genezen van de infectie met het levende organisme
of met het toxisch filtraat en de oogen van paarden die geheel zijn hersteld van
een spontane aandoening schenen niet zoo vatbaar meer te zijn voor een infectie
met het filtraat dan normale paarden.

Schr. hoopt dan ook, dat de kans bestaat een curatief antitoxisch serum te
verkrijgen.

Daar de paardenhuid zoo buitengewoon gevoelig bleek te zijn voor deze bacterie-
filtraten en zelfs verdunningen van 1 : 1000 nog duidelijke reacties teweegbrachten,
meent
Rosenow in deze huidreacties een methode te hebben gevonden om de
waardigheid van het immunserum te standaardiseeren eventueel te contro-
leeren.
 Brands.

Bijdrage tot de kennis van periodieke oogontsteking bij het paard. Prof. V. Bossi,
La Clinica Veterinaria, No. 6, 1928.

Bij het nagaan der literatuur komt Bossi tot de conclusie, dat nog nooit een

-ocr page 159-

organismus is aangetoond, hetwelk zich heeft kunnen handhaven als verwekker
van de ziekte.

Vachetta en Rolland geloofden aan rheumatische aandoeningen, doch hier-
van is bij het dier nog zoo weinig bekend. Bij den mensch heeft men bij de infec-
tieuze polyarthritis b.v. heel veel hartlocalisaties met daaropvolgende hartgebre-
ken. Die zijn bij maanblindheid nooit geconstateerd.

Potapenko vond bij zieke paarden malariaplasmodiën in de roode bloed-
lichaampjes, maar men kan aannemen, dat dit een toevalligheid is, daar het feit
niet bevestigd werd.

Verscheidene onderzoekers geloofden aan een soort malaria, maar Vachette
bracht naar voren, dat op plaatsen waar moerasziekte heerschte, de oogontsteking
onbekend was.

Van 1903 tot 1907 onderzocht Bossi te Parma een aantal gevallen. In 8 gevallen
onderzocht hij het kristalwater, doch vond niets ; 3 paarden entte hij in het oog
met kristalvocht van zieke dieren, echter zonder resultaat.

In Buenos Aires zette hij de proeven voort.

Met een steriele naald zoog hij het kristalvocht op, gemengd met exsudaat;
7 dieren werden zonder resultaat geënt, het onderzoek in hangende droppel en
op strijkpreparaten leverde niets op, evenmin cultures. Het onderzoek van paar-
debloed in verschillende stadia van de ziekte gaf geen enkele uitslag. Zijn proeven
bewijzen eerstens: het bestaan van microörganismen is niet vastgesteld.; tweedens :
de ziekte is experimenteel niet overdraagbaar.

In 1916 werden door Bossi te Buenos-Aeros onderzoekingen gedaan bij leger-
paarden. Behalve de gewone kuur, paste hij ook toe endoveneuze injecties van
bichloraat van chinine, joodnatrium, neosalversan, atoxyl, met groote dosis ge-
caffeïneerd normaalserum, enz. Een afdoende behandeling werd echter
nooit
gevonden.

Met gedefibrineerd bloed van 2 zieke paarden werden 5 paarden geënt. De
ziekte werd niet overgebracht.

De zioke legerpaarden werden verhuisd naar een wei, nog al laag en vochtig,
waar proefpaarden liepen van de polycliniek. Een 3-tal maanden daarna werden
2 van deze proefpaarden in de wei gevonden met verschijnselen van maanblindheid.

Tot nog toe waren alle weiden van de school\'vrij geweest van de ziekte. In
Augustus kwamen er nog 3 gevallen bij en later nog meer. De militaire paarden
schijnen dus wel degelijk
het pathogene element over te brengen.

(De inheemsche paarden krijgen de ziekte niet, slechts de ingevoerde en de
halfbloeden).

Van zieke paarden verzamelde Bossi gedurende 10 dagen faeces in den tijd, dat
de ontsteking aan het oplossen was, vermengde ze met water en nu werd hiermede
het voedsel bestrooid van 4 halfbloedproefpaarden. Ook werd in een box, waar
een ziek dier gestaan had, een halfbloed van 3 jaar oud geplaatst. Na 2 maanden
observatie was nog geen spoor van ziekte te zien.

Toch waren spontane gevallen van overdraging in de weide geconstateerd en
daaruit besluit Bossi :

1. paarden met maanblindheid zijn virusdragers;

2. onder zekere omstandigheden verkrijgt de specifieke infectiestof de eigen-
schappen de ziekte over te brengen.

Bossi gelooft in een filtreerbaar virus, hetwelk om pathogeen te worden
verscherping noodig heeft. Daarvoor worden misschien gebruikt tusschenwaarden
als b.v. weekdieren, insecten, haematophagen, gezien het feit, dat de ziekte meest
op waterachtige weiden voorkomt.

(Bossi vergelijkt het hier met het virus van Basset-Bemelmans, waar het influ-
enza-virus van het zieke dier niet die kracht heeft als in de atmosfeer).

De weg van infectie is nog niet vast te stellen. Aan te nemen is, dat bij een
circuleerend virus de toxische stoffen de veranderingen kunnen veroorzaken, even-

-ocr page 160-

goed echter kan het virus door zijn bijzondere eigenschappen een voorkeur hebben
voor het oog.

Bossi nam waar, dat in 60 % de ziekte unilateraal optrad. Hier zou men dus
aan een circuleerend virus kunnen denken, hetwelk een oog aanvalt met een toe-
vallig zwak vaatstelsel. Bij bilaterale gevallen constateerden sommigen echter
een infectie langs het
chiasma.

Hij wijst ook nog er op, dat de anamnese dikwijls nog al zwak is er verwarring
kan komen met andere oogziekten na goedaardigen droes en influenza, vooral
bij unilaterale aandoeningen.

Nog dient aangestipt te worden, hoe iedere aanval het oog steeds meer ver-
zwakt en gevoeliger schijnt te maken voor iederen nieuwen aanval, hoe het paard
krijgt een ,,pars minoris resistentiae".

In de praktijk worden inwendige oogziekten heel dikwijls aan maanblindheid
en haar naziekten geweten, hetgeen vooral uit een gerechts-diergeneeskundig
oogpunt nog al aanleiding tot moeilijkheden kan geven, immers bij rechtskwesties
kan het oordeel, dat een paard lijdende is aan maanblindheid den eigenaar veel
schade veroorzaken.

Nicolas beweert, dat een differentiaal-diagnose niet mogelijk is. Bossi zegt
echter, dat er toch onderscheid bestaat. Bij typische gevallen van maanblindheid
zeker wel: b.v. de hevigheid der ontsteking en de recidive, doch bij atypische
gevallen wordt het lastiger, moet men afgaan op de grootte van de anatomische
veranderingen.

In alle gevallen kan ook Bossi geen uitsluitsel geven.

Resumeerend wordt volgens Bossi de ziekte veroorzaakt door een filtreerbaar
virus,
hetwelk in het dier verzwakt is en slechts door bijzondere omstandigheden
sterk wordt.

Wij kunnen uit dit stuk ook weer de conclusie trekken, dat het vraagstuk der
periodieke oogontsteking nog heel wat studie zal kosten, voor het volkomen opge-
lost zal zijn. (Ref.).
 Breedvkld.

ZIEKTEN VAN VOGELS.

The growth of Rhode Island Reds, and the effect of feeding skim milk. H. Titus
and M. Jull. Journal of Agricultural Research.

De laatste (volgens schrijvers zelfs 35) jaren wordt de waarde van melk (onder-
melk zoowel als karnemelk, sour skim milk) als pluimveevoeder, hoog aangeslagen.

Nagegaan werd in hoeverre dit juist is ; een tweetal groepen Rhode Island Reds,
elk een kleine 200 dieren sterk, werden deels met melkproducten gevoederd, deels
niet.

In een aantal grafische voorstellingen en tabellen worden de resultaten gepubli-
ceerd ; behalve ten opzichte van de beteekenis van melk als voedingsmiddel is uit
een en ander veel wetenswaardigs te putten over de gemiddelde gewichtstoeneming,
het gemiddeld gewicht en de verschillen in groei van hennen, hanen en kapoenen
van het genoemde ras.

Tot 15 a 18 weken was de gemiddelde toeneming van het lichaamsgewicht van
de met karnemelk gevoederden grooter dan van de dieren die geen melkproducten
kregen ; na dien tijd was die toeneming van beide groepen ongeveer even groot.
De eerstgenoemden echter bleven zwaarder.

Het gunstig gevolg van melk (karnemelk) wordt in hoofdzaak toegeschreven aan
de mineralen en (misschien vooral) aan de proteïnen. Mogelijkerwijze wordt een
schakel voor het opbouwen van lichaamseiwitten, die in ander voedsel gelimiteerd
voorhanden is, speciaal in melk gevonden (lysine)?.

In elk geval eten de met (karne)melk gevoederde dieren grooter dagrantsoenen
dan de op melkloos dieet gestelden.

Trematoden in het ooglid van hoenders en eenden. Masaatsu Sugimoto. Journal
of the Japan. soc. of vet. Science.

Melding wordt gemaakt van het vinden van twee soorten van trematoden in de

-ocr page 161-

membrana nictitans, resp. bij kuikens en eenden, en wel Philophlhalmus gralli en
anatinus. In hoeverre ze pathogeen waren, wordt niet medegedeeld.

De vondsten werden gedaan bij dieren in Formosa.

Influence de ralimentation sur la composition quantitative de 1\'oeuf de poule

Tekroine et Belin, Rev. Gen. de Med. Vet. (Ref).

De auteurs toonen aan :

1. De verhouding waarin de verschillende deelen van het kippenei tot elkaar
staan (nl. het wit, het geel en de schaal) vertoont vrij groote schommelingen, maar
deze zijn onafhandelijk van de voeding.

2. De quantitatieve samenstelling van het wit en het geel van het ei is merkwaar-
dig constant, en is onafhankelijk van de voeding en zelfs van het individu dat het
■ei voortbracht.

3. In het algemeen wijzigt zich het gehalte aan vet in het ei niet, als de kip ge-
voederd wordt met een voedsel dat rijk aan koolhydraten doch arm aan vet is, of
als het voedsel vetten in overvloed bevat.

De la pluralité des virus diphtérie-variolique des volailles. Immunité. J. Lahaye

(Belgique). Annales de Médecine Veterinaire, Juillet 1928.

Reeds eerder (nl. in 1926) gaf schrijver aan (wat thans wel algemeen bekend is)
dat er verschillen bestaan tusschen het virus van de hoenderdiphterie en dat van
de duivendiphterie. Duiven zijn ongevoelig voor besmetting met hoender-diphterie-
materiaal.

Hoenders, besmet met duiven-diphterie-virus, vertoonen na eenige dagen knob-
beltjes op de scarificatie-plaatsen ; de knobbeltjes verdwijnen na 9—11 dagen.
Duiven, geent met materiaal uit genoemde knobbeltjes, krijgen weer echte diph-
terie. Door passage door hoenders schijnt dus het virus van de duivendiphterie niet
te verzwakken ten opzichte van de duif.

Na dien tijd werden door Lahaye nadere experimenten gedaan. Het bleek, dat
hoenders, behandeld met het virus van de duivendiphterie, immun werden voor het
virus van de hoenderdiphterie. Een vergelijking met de koepokentstof ten opzichte
van den mensch schijnt gerechtvaardigd ; het diphterie-virus van de duif zou kun-
nen worden opgevat als een vaccin tegen de hoenderdiphterie.

Zur Kenntnis der weissen Marksucht (Leukase, Leycomyelose) der Hühner. Prof.
Dr.
Kitt, Münch. Tierarztl. W., No. 43.

De naam Marksucht, voor Leucose, Leucaemie, bij hoenders is een door Prof.
Kitt voorgeslagen populaire naam ; omtrent de veelvuldigheid en de geografische
verspreiding van deze ziekte is men nog onvoldoende ingelicht.

Ook de aethiologie is nog niet opgehelderd ; soms komt het lijden sporadisch voor,
zoodat men aan een spontaan optreden zou denken ; in andere gevallen kan men
de ziekte zien voorkomen bij veel dieren naast elkaar.

Ellkrmann en Bang in Kopenhagen meenden contagiositeit te kunnen vast-
stellen door intraveneuse overenting ; zij denken aan een virus. Dit virus zou als
filtraat, in een verdunning van 1 : 1000 cc. physiol. Na Cl nog infectieus zijn. Mis-
schien zouden bloedzuigende parasieten overbrengers kunnen zijn ; toch gelukten
proeven in dit verband met mijten en luizen niet; eenmaal kon met een wants
(cimex lectularius) een ander hoen besmet worden.

Hoenders hebben geen afgegrensde lymfklieren ; het lymfoide weefsel komt, be-
halve in de milt, in allerlei organen en weefsels voor, in diffuus geïnfiltreerde vorm.
Verder is het myeloïde weefsel (beenmergachtige weefsel) niet tot het beenmerg
beperkt ; het schijnt zelfs dat overal waar lymfoïde cellen te vinden zijn, tevens
cellen van het myeloïde type aangetroffen kunnen worden en omgekeerd. De ziekte
bestaat nu hoofdzakelijk uit een woekering van genoemde weefsels. Daar het bloed
een mengsel van cellen afkomstig van deze weefsels bevat, is het niet te verwonde-
ren dat het microscopisch bloedbeeld veranderingen gaat vertoonen. Natuurlijk
geeft het microscopisch bloedonderzoek niet een betrouwbare aanwijzing over het
al of niet aanwezig zijn van leucose ; immers ook bij difterie, tuberculose, worm-
ziekten enz. treedt een prikkeling op van de vormingsplaatsen van bloedelementen,

-ocr page 162-

welke o.a. voert tot een vermeerdering van witte bloedcellen en onrijpe cellen in
het bloed.

De onderscheiding, die Ellermann (zie ook Hutyra en Marek) van de ziekte
geeft, in een vijftal types, slaat waarschijnlijk ook meer op de wijze van reageeren
van de bloedvormende organen op de (onbekende) oorzaak der leucose, dan op
een werkelijk onderscheid tusschen verschillende leucosen. Het is bovendien be-
kend, dat een aantal der verschillende typen in elkaar over kunnen gaan.

Het woekeren van de aangeduide weefsels heeft tot gevolg, dat verschillende orga-
nen zich sterk vergrooten terwijl op allerlei plaatsen het woekerende weefsel als
witachtige knobbeltjes en plekjes voor den dag treedt.

De diagnose kan slechts door de sectie worden gesteld. Direct valt dan op de
buitengewoon groote lever. Het oppervlak blijft glad en glanzend ; de kleur ver-
toont een eigenaardige witgespikkelde, granietachtige teekening ; de consistentie
van de lever is van normaal elastisch tot bros. Ook treden leucomyelotische haar-
den op, die als witte, vlakke verhevenheden boven de oppervlakte uitpuilen. Verder
is de milt vergroot; dit normaal erwtgroote orgaan kan den omvang van een wal-
noot bereiken.

Ook de nieren kunnen 2 tot 5 maal vergroot zijn ; zij vertoonen hetzelfde gespik-
kelde beeld als de lever.

Verder kunnen leukomyeloide nieuwvormingen als gerstekorrelgroote en groo-
tere, witte gladde knobbeltjes te zien zijn in het borst-buikvlies, in het darmschijl,
op de darmen en op allerlei andere organen en weefsels.

Soms vertoont de huid ook soortgelijke gezwellen, soms een enkele appelgroote
knobbel, soms verscheidene kleine ; zij zijn los en verschuifbaar aan de onderzijde
der huid gelegen.

Der Impf-Raspel, ein neues Instrument zur Geflügelpockenschutzimpfung. Dr.

Kurt Rasch. Berl. Tierärztl. Wochenschr., 26 Oct. 1928.

Zoowel met de vaccinotrephine-de Blieck, als met de spuit-trephine-seifried,
beide van spitse tandjes voorzien, is het mogelijk dat bij het enten bloedingen ont-
staan, waardoor de ingebrachte entstof uit de follikels kan worden weggespoeld.

Met het aan het seruminstituut der Tierärztliche Hochschule in Berlijn in ge-
bruik zijnd instrumentje tracht men aan dit euvel te ontkomen.

Aan het eind van een metalen steel bevindt zich een stompe rasp ; de rugzijde van
die rasp is glad. Met de rasp wordt de entstof op de follikels gebracht ; met de gladde
achterzijde van de rasp wordt de entstof vervolgens in de follikels gewreven. Door
een entstoffen-bedrijf „Antavine" in Klein-Ziethen zal binnenkort een Duitsche
entstof tegen vogeldiphterie in den handel worden gebracht.

L. P. de Vries.

La leucamie ou leucose transmissible des oiseaux. G. W. Andersen en O. Bang :
Festskrift til Bernard Bang 1928. Blz. 353—389.

De schrijvers publiceeren hier hun ervaringen met de overentbare kippenleucose
van
Ellermann en Bang. In de eerste plaats hebben zij zich bezig gehouden met
proeven over de natuurlijke overbrenging dezer ziekte. Daar bekend was dat intra-
veneuse inspuiting bij proefkippen de meest betrouwbare manier van overenting
is, hebben zij getracht de rol te bepalen van bloedzuigende parasieten (Dermanys-
sus avium) bij de natuurlijke verspreiding. Op allerlei verschillende manieren is het
mislukt positieve resultaten te krijgen (één positief geval bij een krachtige Ply-
mouth-Rock beschouwen zij zelf als van geen beteekenis). Ook voederproeven en
overbrenging per coitam mislukten geheel.

Overigens geven zij een oogenschijnlijk geheel andere indeeling voor de kippen-
leucosen dan
Ellermann. Zij verdeelen de verschillende vormen in intra- en extra-
vasculaire leucosen, terwijl
Ellermann onderscheidt: de myeloïde-, de lymphati-
sche- en de erythroleucose (intravasculaire lymphoïdocyten-leucose), waarbij hij
tevens de anaemische vormen rekent. De intravasculaire vormen van
Andersen
en Bang omvatten de myeloïde- en erythroleucose van Ellermann, terwijl de

-ocr page 163-

extravasculaire groep alleen de leucoblasten-leucose bevat, overeenkomende met
de lymphatische leucose (lymphoblastenleucose) van
Ellermann. Tegen de naam
lymphatische leucose maken de schrijvers bezwaar, omdat zij één leucoseg-eval
vonden met vermeerdering van lymphocyten in het bloed (de lymphoblasten- of
leucoblastenleucose is bij de kip steeds aleucaemisch), waardoor dus een verwar-
ring van echte lymphatische leucose met de lymphoblastenleucose zou kunnen
plaats vinden.

De verschillen tusschen Andersen—Bang en Ellermann liggen, practisch ge-
sproken, hoofdzakelijk daarin, dat de eersten een unitarisch en
Ellermann een
dualistisch standpunt, ten opzichte der bloedvorming, innemen.

De indeeling van Andersen en Bang lijkt mij voorloopig minder overzichtelijk
dan die van
Ellermann.

Talrijke fraaie, gekleurde afbeeldingen verhoogen de waarde van dit interessant
artikel.
 H. J. m. Hoogland.

VLEESCHHYGIËNE.

Over het electrisch bedwelmen van slachtdieren. (Zur elektrischen Betaubung. Dr.

Platschek, Zeilschr. /. Fleisch- und Milchhyg. Jg. 38, pg. 322).

fn bovengenoemd artikel merkt Platschek op, dat het gebruik van een gelijk-
stroom van 120 Volt voor het bedwelmen van slachtdieren geenszins is aan te raden.
Allereerst kan deze stroomsterkte gevaar opleveren voor de personen, die met het
toestel moeten werken en verder is lang niet altijd een volledige bedwelming aan-
wezig.
Platschek meent n.1. dat men bij gebruik van gelijkstroom een algemeene
spierkramp krijgt, ook van de oogspieren, waardoor het lijkt, dat een volledige
bewusteloosheid het resultaat is. Men heeft z. i. te doen met tetanische krampen
van willekeurige en onwillekeurige spieren. Hij noemt in dit verband de tetanus
bij den mensch, waarbij eveneens een algemeene spierkramp aanwezig is met een
algeheele bewegingloosheid, terwijl in zoo\'n geval een dergelijke patiënt bij volle
bewustzijn is, dus alles waarneemt en voelt.

Platschek vindt het derhalve aangewezen bij ossen en stieren nader na te gaan,
hoeveel volt gelijkstroom een spierkramp of een absolute verdooving ten gevolge
heeft. Verder moet men er op bedacht zijn, dat, als bij het gebruik van gelijkstroom
een dier sterft, het vleesch van een dergelijk dier ongeschikt is voor ritueel gebruik.
Het is dus noodzakelijk dat door onderzoekingen wordt uitgemaakt, of de inwer-
king van een electrische gelijkstroom werkelijk een volkomen bedwelming ten-
gevolge heeft.

Het histologisch onderzoek van vleeschmengsels. (Die histologische Untersuchung
von Fleischgemengen.
Erickinger. Zeitschr. f. Fl. und Milchhyg. Jg. 38, pg. 317
en 335.

In verband met de groote moeilijkheid, vleeschmengsels als worst, gehakt,
ragout, enz. te onderzoeken, deed
Frickinger een uitgebreid histologisch onder-
zoek bij allerlei vleeschwaren. Over de samenstelling en bereiding van de ver-
schillende vleeschwaren bestaat in Duitschland geen algemeen rijksvoorschrift,
zoodat in gerechtelijke gevallen de plaatselijke gewoonten in aanmerking worden
genomen en door een daartoe aangewezen deskundige de betreffende vleeschwaren
onderzocht moeten worden of ze al of niet in samenstelling, enz. met de plaatse-
lijke gebruiken overeenstemmen. Voor een dergelijk onderzoek is de histologische
methode bij uitstek geschikt Over de door
Frickinger toegepaste techniek zij
in het kort hieronder iets medegedeeld en wordt voor verdere bijzonderheden, naar
het origineele artikel verwezen.

Van het te onderzoeken materiaal werden op verschillende plaatsen stukjes van
ongeveer 1-—2 c.M!. oppervlakte en 5 m.M. dikte uitgesneden en deze in een
4—10 % formoloplossing gefixeerd (liefst in een broedstoof bij 37° C.). Na 12—24
uur zijn dergelijke stukjes voldoende gefixeerd en kunnen ze, na eenigen tijd
in water te hebben gelegen, gesneden worden. Moet men zoo spoedig mogelijk
eenige coupes maken, dan is het aan te bevelen volgens
Renner, de stukjes in

-ocr page 164-

een io % formoloplossing eenige malen op te koken, ze daarna te spoelen en ver-
volgens te snijden met het bevriesmicrotoom. Het onderzoek van coupes in een
trichinoscoop, door middel van een compressorium, is volgens
Frickinger niet
aan te bevelen.

Frickinger acht het nu mogelijk, door een histologisch onderzoek, in worst
en andere vleeschmengsels steeds de afzonderlijke orgaan- of weefseldeeltjes te
herkennen. Vooral zou dit het geval zijn met deeltjes van lever, nieren, long, uier
en testikel.

Wat de vervalschingen betreft vond hij bij de verschillende vleeschmengsels
o. a. de volgende afwijkingen.

Gehakt : hierin werd vooral hartspier en soms ook longweefsel aangetroffen.

Leverworst : Bij goede kwaliteiten vindt men gewoonlijk steeds min of meer
grootere stukjes leverweefsel, echter bij de goedkoopere soorten is dit dikwijls
niet het geval, vindt men meestal deelen van den maagwand van herkauwers,
vleeschafval, nier, enz. Ontbreekt het leverweefsel geheel en al, dan heeft men
met bedrog te doen als de worst onder den naam van leverworst is verkocht.

Tongenworst : waarin men stukjes gepekelde tong moet aantreffen, bevat vaak
stukjes gepekeld rundvleesch of hartspier, wat ook weer een vervalsching is.

Rolpens : bevat soms longstukken, inplaats van flink doorpekeld vleesch.

Ragout fin en vulmateriaal voor vleeschpasteien moeten vooral kalfsthymus
bevatten, worden echter met kalfsvleesch, koenier, pensdeelen en dergelijk mate-
riaal vaak vervalscht.

Ervaringen over het bacteriologisch vleeschonderzoek. (Bakteriologische Fleisch-
beschau.
Weber. Berl. Tierärzti. Wochensch. 1928, pg. 512—515).

Weber vertelt in dit artikel het een en ander over zijn ervaringen op dit gebied
en komt daarbij tot de volgende conclusie\'s.

Voor aërobe culturen is het z. i. voldoende een schuin gestold agar-buisje of
agarplaat te enten, met verder een
Conradi-Drigalskiplaat en tevens een druiven-
suiker- en melksuikerbouilloncultuur in gistingsbuisjes. Bovendien zou men,
voor verdere uitwerking, de agglutinatie kunnen gebruiken.

Bij het vinden van een intrayitale paratyphus B.-infektie bij slachtdieren moet
men deze vondst, in verband met het feit, dat de bact. paratyphus
B. Schott-
müller
slechts menschpathogeen is, steeds zeer critisch beschouwen en daarna
steeds een zoo ver mogelijk doorgevoerde differentiatie toepassen.

Verder moet men, volgens Weber, bij elk ingezonden onderzoekingsmonster
steeds de noodige aandacht besteden aan een mogelijk miltvuurgeval. De opzending
moet dan ook zoo geschieden, dat eventueel uitloopend miltsap of vleeschsap
verzameld wordt en niet kan wegloopen.

Wat betreft het volgen van cursussen in bakteriologisch vleeschonderzoek is
Weber van meening, dat dergelijke cursussen niet kort mogen duren, daar men
dan wel een overzicht krijgt over deze materie, echter geen voldoende routine ;
hij vindt, dat dergelijke cursussen minstens één jaar moeten duren.

Over de uitvoering va» het bact. vleeschonderioek. (Zur Ausführung der bakterio-
logischen Fleischbeschau.
May, Zeitsch. f. Fl. und Milchhyg. 1928, pg. 372).
. May is van oordeel, dat alle kleinere slachthuislaboratoria voorzien moeten
worden van reeds klaargemaakte cultuurplaten van de verschillende kleurvoedings-
bodems, die längeren tijd in het koelhuis of ijskast bewaard kunnen worden. Zoo
mogelijk zouden de kleinere laboratoria de gegroeide platen kunnen opsturen naar
enkele centrale inrichtingen, waar de gevonden bacteriën verder uitgewerkt kunnen
worden en geclassificeerd.

Mag men de winst van een abattoir in de gemeentekas storten en voor andere
doeleinden, dan het abattoir, aanwenden?
(Dürfen die aus den Einnahmen der
Schlachthöfe und■ Viehhöfe erzielten Uberschlüsse anderen städtischen Haushalts-
posten zugeführt werden
? Hafemann, Zeitsch. f. Fleisch- , und Milchhyg. Jg. 38,
1928, pg. 333).

Na er op gewezen te hebben, hoe verschillende steden de uit de abattoir- en

-ocr page 165-

veemarktexploitatie overgehouden batige saldi hebben aangewend voor andere
bedrijven, bespreekt
Hafemann de wettelijke voorschriften, waarop een derge-
lijke handelwijze zou berusten.

In Pruisen zou men de inkomsten van abattoirs, volgens wettelijke voorschriften
(§ ii, 2de gedeelte van het „Kommunalabgabengesetz" van 26 Aug. 1921) slechts
tot een dusdanige hoogte mogen opvoeren, dat men de jaarlijks terugkeerende onder-
houdskosten daaruit kan bestrijden, alsmede de benoodigde rente, en kapitaal voor
vernieuwing en uitbreiding.

Hieruit blijkt z. i. duidelijk, dat alle inkomsten van een abattoir slechts uitsluitend
ten bate van die inrichting mogen worden aangewend.

In dezen zin heeft, naar Hafemann mededeelt, ook de „Regierungs-prasident"
van Aken, op een klacht van de Akensche Slagervereeniging, een beslissing ge-
nomen.

Wat de veemarkten betreft, deze zijn steeds als een afzonderlijk bedrijf te be-
schouwen, dat steeds in een los verband staat met het abattoir, daar er verscheidene
abattoirs zijn zonder veemarkten en ook omgekeerd veemarkten zonder abattoirs
geexploiteerd worden. Bij de veemarkten zou het stadsbestuur dan ook volledige
vrijheid hebben, de grootte der tarieven, alsmede de bestemming van een eventueel
voordeelig saldo, te bepalen.

Hafemann komt derhalve tot de conclusie :

1. In Pruisen, krachtens een abattoirwet, en ook in de meeste andere Duitsche
landen is het niet toegelaten, dat. men de winsten van de slachthuizen voor andere
bedrijven gebruikt om daar de exploitatie sluitend te maken. De winst mag men
slechts reserveeren voor het volgend jaar.

2. Veemarkten behooren niet tot een deel van het slachthuis, zoodat alle
eventueele tarieven, winsten, enz. niet onder de abattoirwet kunnen worden ge-
rangschikt en alleen de gemeenteraad over deze gelden te beschikken heeft.

Een eiwitpraecipitatiemethode van gekookt vleesch. (liine methode der prazipi-
tatorischen Eiweiszdifferenzierung von stark gekochtem Fleisch.
Rosenberg, Central-
bi. f. Bakt. Abt I, Orig. Bd. 107, pg. 448).

Zooals bekend is de Uhlenhuthsche praecipitatiemethode niet te gebruiken bij eiwit-
praeparaten, die boven de 70° C. verwarmd zijn geweest.
Rosenberg heeft nu
een methode uitgewerkt, waarbij men ook zelfs met gekookt vleesch, bruikbare
resultaten krijgt.

Het bereiden van het extract geschiedt op de volgende manier. De vleesch massa
waaruit men zoo volledig mogelijk alle vet moet verwijderd hebben, wordt met
physiologische NaCl-oplossing vermengd in een verhouding van 1 : 5 tot 1 : 7,
daarna in een maatglas gedaan en dit in een waterbad geplaatst, dat langzaam
aan tot koken wordt gebracht en minstens 10 min. op kooktemperatuur moet
worden gehouden. Na afkoeling in de ijskast wordt gefiltreerd door een dunne
laag asbest. Het zoo verkregen extract vertoont bij schudden een sterke schuim-
vorming. Bij deze eiwitextracten van gekookt vleesch valt de kookproef met
salpeterzuur negatief uit, dus een bewijs, dat geen natief eiwit daarin meer aan-
wezig is. Het aantoonen van eiwit gelukt echter met een aantal andere chemische
reactie\'s.

Het antigeen voor het verkrijgen van een specifiek serum wordt op de volgende
wijze verkregen. Het rund- of varkensvleesch wordt, weer na verwijdering van het
.vet, door de gehaktmachine gedraaid, eenige malen gewasschen met een NaCl-
oplossing en tenslotte vermengd met een keukenzoutoplossing in verhouding 1 op
10. Na 24 uur staan in de ijskast.filtreeren door een wattenlaag. Verdunnen van
het filtraat met gelijke deelen aqua destillata en daarna toevoegen voor
-ijio van
het volume, van het uittreksel van een verzadigde NaCl-oplossing, benevens eenige
druppels i % azijnzuur. Dan verwarmen van dit mengsel, 30 minuten lang, in
een kokend waterbad en het ontstane coagulum met gewoon filtreerpapier affil-
treeren en daarna dit drogen. Vervolgens wordt het in den vorm van kogeltjes
gemodelleerd en onder toluol bewaard. Van deze substantie wordt 0.05 gram

-ocr page 166-

met 2 c.c. NaCl-oplossing tot een emulsie vermengd, welke vloeistof daarna
tot immunisatie van konijnen wordt gebruikt.

Op grond van talrijke, uitgebreide proefnemingen komt Rosenberg tot de ge-
volgtrekking, dat met de bovenomschreven methode de eiwitdiagnose, zelfs nog
bij sterk gekookt eiwit, mogelijk is. Het eiwit bevat n.1. een thermostabiele sub-
stantie, die bij verwarmen vrijkomt en in oplossing gaat. Deze stof is reeds in een
gewoon koud extract van een verhit eiwit aan te toonen. Men krijgt echter met
kookextracten, welke op bovenbeschreven manier bereid worden, betere praeci-
pitatieringen dan met koude extracten, waarom het is aan te bevelen, voor het
diagnosticeeren van sterk verwarmde eiwitpraeparaten, steeds kookextracten te
gebruiken. Het bereiden is zeer eenvoudig en meestal hebben dergelijke kook-
extracten een heldere samenstelling.

Vischvarkens. (Fischige Schweine. Schulze, Tierarztl. Rundschau, 1928, pg. 210.)

Bij het sterk toenemend gebruik van vischmeel in Duitschland, komt het zooals
Schulze mededeelt, steeds tot uitwassen, welke o. a. hierin bestaan, dat alles, wat
ook maar in het minst met visch of vischafvallen in verband staat, onder den naam
van vischmeel wordt verkocht en zoodoende dit product min of meer in miscrediet
brengt. Onder vischmeel kan men de volgende producten rangschikken, n.1. 1
vischmeel, 2 haringmeel, 3 versche visch, 4 restanten of andere producten uit de
vischindustrie, als leverrestanten, traan, enz.

Schulze geeft nu een beschrijving van de bereiding van vischmeel en haring-
meel, hun gehalte aan eiwit, phosphorzure kalk, vet en zouten, welke getallen
al naar de verschillende vischsoorten in de verschillende jaargetijden zeer kunnen
varieeren.

Dan wijst hij op de groote bezwaren, welke het mesten van varkens met versch
vischafval met zich medebrengt en die niet alleen hierin bestaan, dat het spek een
vischsmaak heeft en naar traan ruikt, maar ook door rottingsgiften aanleiding
kan geven tot ziektegevallen bij de varkens. Om handel en vleeschhygiëne te
beschermen zou men de ,,vischvarkens" onder de verborgen gebreken moeten
opnemen. Bij de vleeschkeuring wordt dergelijk vleesch gewoonlijk niet goedge-
keurd. Soms echter blijkt pas uit hammen of spek na verscheidene weken, dat
vischvarkens aanwezig zijn geweest.

Teneinde dit te voorkomen zou men ook de vischafvallen onder de „Abdecke-
reigesetz" moeten brengen en deze dan onder toezicht laten brengen naar de onder
controle staande vischmeelfabrieken. Zoolang een dergelijke handelwijze niet
wordt verricht, is het volgens
Schulze geraden, slechts duidelijk gewaarmerkt
vischmeel, met een bepaald handelsmerk, te voederen.

Op grond van eigen onderzoekingen meent Schulze, dat men varkens zonder
eenig nadeelig gevolg, tot aan de slachting met vischmeel kan voederen, dat een
50—60 % eiwit, 18—25 % phosphorzure kalk, 3—7 % vet en tot 5 % zout mag
bevatten.

Over buikvliesbloedingen bij slachtpaarden en hun oorzaak. (Blutungen im
Bauchfell der Schlachtpferde und ihre Entstehung.
KarlHertha, Zeitsch. f. Fleisch.
und Milchhyg. Jg. 38, pg. 373).

Hertha geeft een beschrijving over bloedingen in het peritoneum bij slacht-
paarden, welke bloedingen men alleen bij die paarden zou vinden, welke een zeer
dikke subperitoneale vetlaag bezitten. Meestal ziet men deze bloedingen bilateraal
in de streek van de ribbogen. De buikwand vertoont verder geen afwijkingen,
terwijl zoowel bij oude als jonge paarden deze bloedingen worden waargenomen.
Het zijn altijd paarden, waarbij men bij de levende en geslachte keuring niets
abnormaals heeft kunnen opmerken.

Bij een nader histologisch onderzoek vond Hertha dat vaatverscheuringen
aanwezig waren van in het buikvlies aanwezige bloedvaatjes.

Het bleek hem, dat deze vaatverscheuringen verband hielden met het neer-
vallen van het paard na het schieten. Het viel n.1. op, dat juist die vette paarden
de buikvliesbloedingen hadden, welke bij het vallen vooral op de buik of op de

-ocr page 167-

zijde van het lichaam terecht kwamen. In het laatste geval zag men de bloedingen
eenzijdig en juist aan de niet op den grond liggende buikwandzijde ; in het eerste
geval zag men ze bilateraal.

Hertha verklaart dit aldus. Valt een paard op ééne zijde van de buik, dan wor-
den de aan die zijde gelegen ingewanden samengedrukt, waardoor zij naar de tegen-
overgestelde buitenzijde uitwijken en daar de buikwand naar buiten doen uit-
zetten. De buikwand wordt daardoor sterk uitgerekt, vooral bij de aanhechtings-
punten aan de ribboog. De in het Peritoneum aanwezige bloedvaten worden daar-
door eveneens sterk uitgerekt en verscheuren veelal op verschillende plaatsen. Valt
een paard midden op de buik, dan krijgt men een uitrekking van de buikwand aan
weerszijden en bilaterale bloedingen. Bij een nader microscopisch onderzoek der
vaatwand vond
Hertha bij de vette paarden vaak een min of meer uitgebreide
vettige degeneratie der vaatwand, wat voor een locale verscheuring ten zeerste
bevordelijk is.
 De G.

MELKHYGIËNE.

Vetbepaling van melk volgens Höyberg. C. Salvestroni, La Clinica Veteri-
naria, Jg. 49.

Sehr, heeft 57 monsters melk op vet onderzocht, zoowel volgens Gerber als
volgens
Höyberg. Volgens de laatste methode was de uitkomst altijd lager.

De methode van Höyberg voor het bepalen van vet in melk. Mrozek en Wagner,
Milchwirtsch. Zeitung Nr. 45, 1927.

Sehr, hebben de methodes van Gerber, van Morsin en van Höyberg verge-
leken. Die van
Morsin geeft afwijkende resultaten. Als voordeelen van de Höy-
berg
-methode tegenover die van Gerber wordt opgenoemd, dat geen centrifuge
noodig is, dat de butyrometers onder het schudden niet warm worden en dat de
te gebruiken vloeistof volkomen onschadelijk is. Voor bedrijven, die zich het aan-
schaffen van een centrifuge kunnen veroorloven heeft de methode van
Gerber
de voorkeur.

Het alkaligetal van koemelk. Dr. F. E. Nottbohm, Milchwirtsch. Forschungen,
Bd. IV, Heft 3/4, 1927.

Onder het alkaligetal wordt verstaan het quotiënt NaaO: KaO. Sehr, heeft
bij een groot aantal monsters de waarden van het kalium en natrium bepaald
en tevens de platinachloride- en perchloraatmethode vergeleken. Volgens zijn
onderzoekingen wisselen de alkaligetallen van goede melk tusschen 2 en 10. Ook
het\' colostrum heeft, op enkele uitzonderingen na, een alkaligetal, dat grooter is
dan 2. Waarschijnlijk is het natrium het veranderlijke element. Aan het eind van
de lactatie-periode wordt het alkaligetal kleiner. Onmiddellijk voor dat er even-
wicht is tusschen natrium en kalium, m. a. w. nadat het natrium de overhand
heeft gekregen, treden groote veranderingen op in de samenstelling van de melk.
Het melksuikergehalte daalt sterk, het chloorgehalte stijgt. Tusschen het eerste
en laatste secreet van een melkperiode bestaat, wat betreft de alkaliën, groote
verschillen.

Het jodiumgehalte van melk. F. Kieferle, Zeitungsdienst Reichsmilchaus-
schuss, Jg. i, Nr. 5, 1927.

In Allgäu zijn met koeien proeven gedaan met gejodeerd zout. Het toedienen
van gejodeerd keukenzout heeft de melksecretie niet gestoord maar deze sterk
vermeerderd, ook wanneer de melkopbrengst al vermeerderd was door het toe-
dienen van gewoon keukenzout. De grootte van de vermeerdering is individueel.
Het jodiumgehalte van de melk steeg.

Overbrengen van tuberculose door melk en melkproducten. P. Rossi, Diss.,
Parijs 1928.

Sehr, heeft de vitaliteit onderzocht van de tuberkelbacillen na de bewerkingen,
die de melk in de industrie ondergaat, zooals coagulatie, fermentatie en verhit-
ting. Hij komt tot de conclusie, dat melk zoowel als melkproducten de bovine
tuberculose op mensch en dier kunnen overbrengen. Bij melkproducten is het

-ocr page 168-

gevaar minder groot dan bij melk, daar verhitting en uitdroging de virulentie
verminderen

De invloed van het voeren van verschillende soorten zuur groenvoer op de melk-
productie en 4e samenstelling van de melk, in het bijzonder wat betreft de boter.

Bünger, Burr, Dibbern, Eichstädt, Lamprecht en Meetz, Milchwirtsch.
Forschungen, Bd. 5, Heft 1/2, 1927.

Werden knollen gedeeltelijk vervangen door zuur voer, dan onderging de melk-
opbrengst geen verandering. Werden de knollen geheel vervangen, dan ging de
melkopbrengst achteruit. Het vetgehalte veranderde nagenoeg niet. Maissilage
werkte gunstiger op de melkopbrengst en vooral op het levend gewicht dan gras-\'
silage. Het chloorgehalte en het vriespunt veranderden niet. Bij silagevoedering
waren de vetbolletjes grooter dan bij voedering met knollen. De kleur van de
boter was bij het voeren van knolbladsilage bleekgeel, gelijk bij het voeren van
knollen. De onaangename smaak en reuk bleef dan evenwel achterwege.

Over den invloed van latente secretiestoornissen op de samenstelling van de melk
en de melkasch, de daardoor bepaalde verandering van de bacterieflora en de door
beide veroorzaakte melkgebreken en de opheffing van deze gebreken.
Dr. St. Neug-
schwendtner,
Milchwirtsch. Forschungen, Bd. 5 Heft 1/2, 1927.

Het kan voorkomen, dat ook zonder dat een ziekte aan den uier waar te nemen
is, de melk van samenstelling veranderd is. Hierdoor ontstaat ook een verande-
ring van de bacterieflora. Gewoonlijk gebeurt dit in het koude\'jaargetijde. De
melk smaakt ransig. Onder het microscoop ziet men, dat de vetbolletjes als het\'
ware aangeknaagd zijn. Dikwijls treedt. verbetering in, wanneer men de uier
met koud water behandelt, door goed uitmelken en tegelijkertijd masseeren.

Voeding, productie en onvruchtbaarheid van de melkkoe. Dr. Müller-Len-
hartz,
B. T. W. 25 Mei 1928.

Sehr, komt tot de volgende conclusies :

1. Met stijgende productiviteit moet het voederrantsoen verhoogd worden.
De controle van de weide op de aanwezigheid van verschillende planten-
soorten (20—30% papilionaceeën) is zeer gewichtig.\'

2. Het rantsoen gedroogde leguminosen moet bij hoogere productiviteit min-
stens 2 K.G. per dag en per koe bedragen om de biologische waarde van
het voedereiwit te verhoogen.

3. In deu staltijd moeten knollen gegeven worden, terwijl het voor de gezond-
heid der dieren zeer gunstig is hun een kleine hoeveelheid wortelen te geven.

4. De samenstelling van het krachtvoer moet veelzijdig zijn en bestaan uit
vertegenwoordigers van verschillende plantenfamilies.

5. De mineralen moeten aangevuld worden met een mengsel van mineraal-
zouten. Een groote rol speelt hierbij een physiologisch juist afgemeten jo-
diu mhoe veelheid.

6. Gedurende den laatsten tijd, dat een koe droog staat en gedurende de groot-^
ste melkproductie moet men per koe en per dag een of twee eetlepels biolo-
gisch gecontroleerd traanpreparaat geven.

7. De droogstaande koe en de kalveren moeten door een goede,voeding voor
de lactatieperiode worden voorbereid. •

Het verband tusschen vitamine B in het voedsel en in de melk. Bechdel en
Honeywell, Journal Agricult. Research, 1 Aug. 1927.

Sinds eenigen tijd weet men dat het gehalte aan vitamine A en C voor het groot--
ste deel afhankelijk is van het voedsel dat de koe krijgt. Sehr, hebben onderzocht ■
of ditzelfde gezegd kan worden van Vitamine B. Gedurende meer dan twee jaar
hebben zij aan drie jonge rkoeien vitamine-B-arm voedsel gegeven. • ■ »•

De melk van deze koeien werd aan ratten gegeven, maar dit gaf in het geheel
geen verschil met ratten, die melk kregen van koeien, die een goed winterrantsoen
kregen. Het blijkt dus,. dat herkauwers vitamine B zelf kunnen samenstellen,
waarschijnlijk met behulp van de microörganismen, die altijd in het rumen aan-
wezig zijn.

-ocr page 169-

De invloed van bestraling met kunstmatige hoogtezon op het bloedbeeld van
verschillende proefdieren evenals op het bacteriënaantal van geïnfecteerde koeien-
melk in het bijzonder met betrekking tot de bestralingstheraphie ter bestrijding
van ziekten in diergaarden.
E. W alther, In Diss. Berlijn, 1927.

Bij behaarde, gepigmenteerde dieren (cavia\'s konijnen) heeft ook lange, inten-
sieve bestraling met. kunstmatige hoogtezon geen invloed op het bloedbeeld of
haemoglobinegehalte, noch ontstaat erytheem. Delzefde resultaten werden, ver-
kregen bij een ongepigmenteerd varken. Bij den mensch treedt behalve erytheem
vermeerdering van de roode en witte bloedlichaampjes op. Het haemoglobine-
gehalte verandert maar weinig. Door, langdurige en intensieve bestraling kon-ge-
kookte en daarna met Paratyphus. B. en
Gartner geïnfecteerde koemelk niet
gesteriliseerd worden. De virulentie der bacteriën werd zelfs niet verminderd.
Evenmin kon bewezen worden, dat bestraling een gunstige invloed heeft op melk
van koeien, lijdende aan streptococcen-mastitis. Er moet dus ernstig gewaar-
schuwd worden tegen het gebruik van ongekookte bestraalde melk.

Iets over melkmachines, in het bijzonder de Alfa-Laval melkmachine. M. Seele-
uann,
1927, D. T. W. 35, Nr. 45.

Over de melkmachine wordt zeer verschillend geoordeeld. In veel bedrijven,
ook in Amerika, is men weer teruggekomen op het handmelken. Uit de onder-
zoekingen, door hem op dit gebied gedeaan, bleek schr. dat de grootste vijand
van de melkmachine de streptococcen-mastitis is. In bedrijven, waar de strepto-
coccen-mastitis veel voorkomt is de melkmachine niet te gebruiken. De vraag of
geheel gezonde uiers een nadeeligen invloed ondervinden van de melkmachine kan
nog niet beantwoord worden.

Over de veranderingen der melk bij mond- en klauwzeer, in het bijzonder van
het vet- en chloorgehalte.
R. Neseni, Prag. Arch. f. Tiermoed. Tl. A. Jg. 7, Nr. 1,
1927.

Door de inenting der dieren met Riemser hoogimmuunserum wordt het ziekte-
verloop zoo sterk beïnvloed, dat er geen veranderingen in de melk plaats vinden.

Bij gebruik van Aphtoclarin (Parenchymatol-MK-Atarost) ondervindt de melk
niet zoo\'n invloed als bij seruminenting.

De inwerking van mond- en klauwzeer op de melksecretie. F. E. Nottbohm,
Milchwirtsch. Forschungen, Bd. IV, Heft 3/4, 1927.

Volgens^schr. is het melksuiker- en chloor-gehalte van melk van aan mond-
en klauwzeer lijdende koeien niet veranderd. Het virus laat de melksecretie on-
beïnvloed, ook wanneer de uier uitwendig is aangedaan. Treden uierontstekingen,
op, dan zijn deze secundair.

De waarde van de Chlorofunk-methode bij het melkonderzoek. G. Fleisch-
hauer,
D. T. W. 11 Aug. 1-928.

De vereenvoudigde methode tot het bepalen van het chloorgehalte volgens
Schulze zou het mogelijk -maken de door ziekteprocessen in den uier veroor-
zaakte veranderingen in de melk aan te toonen. Door het ohlorofunk^-reagens
A en B zou het te veel aan chloriden vast te stellen zijn, dat-gewoonlijk- bij ..uier-
ziekten optreedt. Chlorofunk-reagens A bestaat uit zilvernitraat, salpeterzuur
en ferrisulfaat, reagens B uiteen ammoniumrhodanidoplossing. 10 c.c. melk wordt
met 5 c.c. A en daarna met 5 c.c. B in een buisje goed geschud. Bij afwijkingen-
roode kleuromslag, bij normale melk geen kleurverandering. Schr. heeft dit nager
gaan bij 365 melkmonsters. 69 monsters vertoonden onder het microscoop eenige •
vermeerdering van leucocyten en slijmvorming, hiervan \'reageerden - tegenover
chlorofunk 41 negatief. Fout : 59 %. 36 melkmonsters vertoonden sterk cellen-
i
en slijmgehalte. Met chlorofunk 15 negatief. Fout : 42 %. Bij 66 monsters werd
behalve leukocyten en slijm een groot aantal streptococcen gevonden onder het
microscoop. Tegenover chlorofunk waren er 35 negatief. Fout :■ 53 %. De overige
194 monsters waren in orde. Hiervan reageerden tegenover chlorofunk 42 min
of meer positief. Fout: 22 %. Het was Schr. te voren duidelijk dat chlorofunk
geen waarde zou hebben bij mengmongsters, daar eventueele zieke melk verdund^

-ocr page 170-

zou zijn door gezonde melk. Hij heeft dit onderzocht bij 172 mengmonsters. Op
1
14 monsters viel niets aan te merken, waarvan er 17 min of meer positief reageer-
den. Fout :
15 %. Bij 28 monsters werd een beetje slijm en wat cellen gevonden,
26 hiervan reageerden negatief. Fout: 93%. De 11 monsters, die sterke ver-
meerdering van leucocyten en veel slijm vertoonden, reageerden allen negatief.
Fout:
100 %. In 19 monsters waren Streptococcen aanwezig. Negatief 15. Fout :
79 %. Met de chlorofunk-methode kan dus niet nagegaan worden of melk ziekelijk
veranderd is. Integendeel, zou men er op af gaan, dan zou de strijd tegen de strep-
tococcen-mastitis ontzettend veel moeilijker worden.

Is de Chlorofunk-methode geschikt om ziekelijk veranderde melk aan te toonen?
Dr. Lerche, Zeitschr. f. Fleisch- u. Milchhygiene, 1 Aug. 1928.

Bij 503 monsters van gezonde koeien was de uitkomst 106 maal positief. Fout :
21 %. Van 67 monsters met etter waren er 18 negatief. Fout : 27 %. Van 26 mon-
sters met Streptococcen en leucocyten waren
16 negatief, fout 61.5 %. Bij melk
met een groot aantal leucocyten was de fout
44 %, wanneer tevens etter aan-
wezig was en
50 % wanneer geen etter aanwezig was. Deze getallen toonen dus
duidelijk aan, dat de chlorofunk-methode niet te gebruiken is om zieke melk aan
te toonen.

De bepaling van het chloorgehalte van de melk. Dr. R. Neseni, Zeitschr. f.
Fleisch- u. Milchhygiene, 1 Juli
1928.

Sehr, noemt de verschillende methodes, die er bestaan om het chloorgehalte
van de melk te bepalen, ook de chloorgehalte-bepaler, die de firma
Funke in
1927 in den handel heeft gebracht (Chlorofunk). Door vergelijkende onderzoekin-
gen is hem gebleken, dat dit toestel, zooals het nu geconstrueerd is, noch voor het
laboratorium, noch voor de practiseerende of controleerende dierenartsen ge-
schikt is.

De biorisatie van de melk. Ganswindt, Vet. med. Diss. Berlijn.

In Duitschland behoort ook de biorisatie (ingevoerd door Lobeck) tot de metho-
des om kiemen in de melk te dooden. Deze methode bestaat hieruit, dat de melk
onder een druk van 3—4 atmospheer met een spray verspreid wordt in een ruimte,
waarvan de temperatuur
73—750 C. bedraagt. In deze fijne verdeeling blijft zij
eenige seconden aan deze hitte blootgesteld, dan wordt ze gekoeld. Door deze
korte verhitting zouden de eigenschappen van de rauwe melk niet worden ge-
schaad en door de verspreiding zouden toch wel alle schadelijke kiemen gedood
worden. Sehr, heeft dit onderzocht en speciaal aandacht gewijd aan de tuberkel-
bacillen. Voor en na de biorisatie zijn monsters onderzocht, waaruit bleek dat
van de
42 monsters er nog 3 tuberkelbacillen bevatten, terwijl bij 36 monsters
rauwe melk er
7 tuberkelbacillen bevatten. Sterk met tubercelbacillen besmette
melk is gebioriseerd ;
16 caviae hiermee ingeënt kregen tuberculose. Ook zeer
vele Streptococcen overleefden de biorisatie. De groote moeilijkheid is de tempe-
ratuur constant te houden tijdens het bioriseeren. Sehr, merkte temperatuurs-
verschillen op van
68—80° C.

Vitakalk bij melkgebreken (niet boteren). Dr. Gerth, Tierärztliche Rundsch.,
33. Jahrg.
1927.

Vitakalk (gewoonlijk is 1 K.G. al voldoende) heeft een zeer gunstigen invloed,
als er geen boter gemaakt kan worden uit de melk en dit niet te wijten is aan
een onzindelijke melkwinning. Gewoonlijk komt dit voor bij stalvoedering, mis-
schien door gebrek aan kalk en vitaminen in het voedsel.

Het gehalte der melk aan antirachitisch provitamine. Dr. O. Mezger, Zeitschr.
f. Fleisch- u. Milchhygiene, 1 Juni
1928.

Ergosterine is het karakteristieke Sterine van gist en andere lagere schimmels
en komt eveneens altijd voor in de Sterinen van de natuur in het planten- en die-
renrijk. Deze stof is de oorzaak van het feit, dat Sterinen bij bestraling antirachi-
tische werkzaamheid verkrijgen. Prof.
Windaus (Göttingen) heeft hierover quan-
titatieve onderzoekingen gedaan en aangetoond, dat in boter en melk het ergo-
sterine zeer verschillend is. In het eene monster vond hij
20 maal zooveel als in

-ocr page 171-

het andere. Hij ging hierbij als volgt te werk ; de boter werd verzeept, uit de zeep
werd het onverzeepbare geïsoleerd. Na omkristalliseeren uit aceton (zonder van
kool gebruik te maken) verkreeg hij dan zuiver cholesterine. Het onderzoek naar
het ergosteiine-gehalte hiervan geschiedde door vergelijking met bekende ergo-
sterine-oplossingen. Deze onderzoekingen zouden m. i. nog belangrijker zijn ge-
weest, als tevens was nagegaan, of er een oorzaak te vinden was voor het groote
verschil in ergosterinegehalte van melk en boter. R. H.
van Gelder.

Het probleem van de melk. Prof. S. Belfanti, Conferentie gehouden aan de
Volksuniversiteit van Milaan, 2 Febr. 1928, La Clinica Veterinaria, No. 3, 1928.

Hen interessante lezing, welke feitelijk alles wat de melk betreft behandelt
en dit wel naar aanleiding van het feit, dat in Milaan een Centrale voor melk
zal worden opgericht.

Voor een goede melkverzorging moet men de landbouwers zich laten interes-
seeren voor de productie van gezonde en rijke melk en dit kan langs twee wegen :
door vereenigingen van producenten of door meer betaling aan producenten,
welke melk rijk aan voedingsbestanddeelen en arm aan bacteriën leveren.

Zooals bekend is de melkvoorziening in een stad des te meer foutief, naarmate
het aantal leveranciers en wederverkoopers grooter is, daar een goed toezicht
van de zijde der autoriteiten daardoor
uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk wordt.

De Commissie voor melkvoorziening in Milaan diende de volgende conclusies in :
,,Alle melk, die in Milaan komt, dient door écn of meer Centrales" te gaan, waar-
heen alle producenten ze moeten brengen. De verkoop van melk, welke deze niet
gepasseerd heeft zij verboden. De autoriteiten moeten als scheidsrechter staan
tusschen producent en consument, dus ook zorgen voor een juisten inkoop- en
verkoopprijs.

In Milaan wil men thans de melk op een dergelijke hygiënische manieropvangen,
naar een Centrale vervoeren en vandaar uit diitribueeren, dat men de
pasteurisatie
kan uitschakelen.

Dit geschiedt dan ook volgens het plan van den Ingenieur Ferrerio.

Soms echter zal spoedig veel melk ongeschikt worden, dus daarnaast zal een
Centrale komen om boter en kaas te maken van melk met te groot zuurgehalte.

Zooals van zelf spreekt moet de stalhygiëne en de zuivere opvanging en het
vervoer aan hooge eischen voldoen om goede resultaten te verwachten van een
centrale dienst zonder pasteurisatie. Fen gunstige voorwaarde is wel, dat de
melk in Milaan 2 x der dag wordt aangevoerd en gedistribueerd.

Dit geheele plan lijkt Belfanti nogal optimistisch. Hij beschrijft een systeem,
hetwelk pasteurisatie insluit. Hij raadt aan, vooral des zomers een pasteurisatie-
installatie voorradig te hebben, hetgeen hij dan ook in de toekomst in Milaan
denkt te verkrijgen, ofschoon hij direct toegeeft en in zijn kwaliteit als onder-
voorzitter der Melkcommissie mede heeft ondertcekend, dat ongekookte melk
meer waarde heeft dan gepasteuriseerde. In de praktijk, gezien den toestand der
stallen, het ontbreken van koelapparaten direct na het melken enz , zal pasteu-
risatie meestal beter voldoen.

De prijsverhooging der melk zal 9 centesimi bedragen per liter, dus iets meer
dan één cent per Liter, doch zou nog te dragen zijn ook indien zij het dubbele
ware.

Als slot zegt Belfanti : De Centrale zal zeker nuttig zijn voor de bevolking
en andere Italiaansche steden zullen dit voorbeeld volgen. F.vengoed als een slacht-
huis en een waterleiding
moet iedere gemeente een melkcentrale hebben om de
bevolking een goede voorziening te waarborgen zonder nog te spreken van de
verbetering in het melken, den toestand der stallen en dieren, welke van zelf
gelijken koers moeten houden.

Niet alleen voor Italië, ook voor Nederland schijnt mij deze zaak van groot
belang en nuttig zal het zijn het oog te houden op Milaan en de resultaten daar
verkregen.
 Breedveld.

LVI 11

-ocr page 172-

ZIEKTEN VAN PAARDEN.

Accidents déterminés par quelques Végétaux. Henry (Recueil de Méd. Vét. No.
13 —15 Juillet 1927) vermeldt een drietal gevallen van vergiftiging bij paarden en
koeien in de weide door afgevallen gedeelten van populieren. Of deze als zoodanig
giftig zijn of dat de bessen van de Marentak, welke woekerplant op de takken groeit,
daarvoor moeten worden aangezien, is uit deze waarnemingen niet met zekerheid
te concludeeren. Naar alle waarschijnlijkheid mag worden aangenomen, dat de
stengels en bladeren van de Marentak onschuldig zijn, de bessen daarentegen moe-
ten als verdacht worden beschouwd.

Ook wordt gewoonlijk de populier als onschuldig aangemerkt. Maar of dat in het
voorjaar met de schors, de takken en de knoppen zoo is, moet op grond van een der
bovengenoemde waarnemingen zeer zeker worden ontkend.

Beitrag zur Mechanik der Brustwirbelkette des Pferdes. Dr. Med. Vet. Heinrich
Bittner,
Archiv f. Wissensch, u. prakt. Tierheilk. 3 H. 56 B. 1927 S. 236.

Bij trekpaarden worden zeer vaak exostosen waargenomen aan de lichamen van
de 10de tot de 15de rugwervel. De 13e rugwervel vormt het middelpunt dezer
pathologische veranderingen, welke bestaan uit tandvormige of afgeplatte, knob-
belige verhevenheden aan de ventrale zijde der wervelranden en die het gevolg zijn
van een Periostitis door trekkingen van het Lig. longitudinale ventrale.

In de 2e plaats kunnen zij zich voordoen als verdikkingen van de geheele wervel-
epiphysen ; deze beginnen aan de randen der foveae en lei len tot Synostosen met
verdikking van de substantia compacta zonder in den regel op de gewrichten der
wervelbogen en doornuitsteeksels over te gaan (de tusschenwervelschijven blijven
behouden, doch worden bedekt).

De oorzaak dezer laatste veranderingen is een traumatische Spondylitis door
trekkingen der bandvezels van de annulus fibrosus der tusschenwervelschijven op
de inscrtieplaatsen van de wervelepiphysen. Deze trekkingen ontstaan bij het zij-
delings uitwijken van de niet samendrukbare, den druk opvangende nucleus pul-
posus van de tusschenwervelschijf. Het optreden van die trekkingen en de daar-
mede verband houdende veranderingen in het door de 10—15de wervel gevormde
ruggedeelte, dat bijna horizontaal en als geheel het zwakst is door de mindere span-
ning van spieren en banden, spreekt voor de juistheid van de door Zschokke ge-
vestigde, door
Wenger, Strasser e.a. verbreide en verbeterde opvatting over de
statika en mechanica van de wervelkolom van het paard.

Bij trekpaarden vormen dus de zoo ontstane verbreeding en verstijving van Je
middelste rugwervelgedeeltcn afgezien van de eventueel noodlottige elasticiteit -
vermindering — geen nadeelen, doch een compensatie tegen de onnatuurlijke ei-
sclien van het trekken.

Deze wervelveranderingen zijn identiek met dergelijke veranderingen aan ie
rugwervels bij den mensch ; zij hebben echter met de Synostosen der doornuit-
steeksels bij ingevallen ruggen, met de bij ezels vaak voorkomende Synostosen der
lendenwervels en met de zelden bij het paard waargenomen osteoporose der lenden-
wervels oorzakelijk niets geneem.

Sterilitätsbekämpfung beim Pferde durch Transplantation von jugendlichen
Ovarien.

(Wiener Tierärztl. Monatsschr. Aug. 1927 S. 491).

Prof. Benesch deelde op een wetenschappelijke vergadering te Weenen o.a. het
volgende geval mede :

Een 15-jarige draversmerrie werd ter onderzoek aangeboden met het bericht,
dat het dier gedurende 2. jaren geen verschijnselen van hengstigheid had vertoond.
De baarmoeder was normaal. Beide Ovarien schenen verkleind ter grootte van esn
kastanje, de consistentie opvallend hard en ruw en bij sterken druk haast onge-
voelig. Diagnose : inactiviteit der Ovarien door scleroseering van het weefsel. The-
rapie : transplantatie van een schijf van de eierstok van een 2-jarig slachtveulen in
de halsmuskulatuur. Genezing per primam. Ongeveer 4 weken hierna vertoonle
de merrie duidelijke verschijnselen van hengstigheid, zij werd gedekt en bleef drach-

-ocr page 173-

tig. Het verdient aanbeveling de weefselstukken lichaamswarm te transplanteeren,
dus op de plaats van de slachting.

Veranderingen in het aantal erythrocyten en leucocyten bij het paard na den arbeid.

1\'reve, A. Variazioni degli eritrociti et dei leucociti nel cavallo in conscquenza al
lavoro.—II Nuovo Ercolani.a XXXff No. 7p. 97—108. bibliographie. Turin 1927.

Het zijn de resultaten van bij het paard verrichte onderzoekingen om na te gaan
of na een bepaalde arbeid het aantal erythrocyten en leucocyten een verandering
ondergaat en in welke mate en of hieruit de functioneele waarde van het dier even-
tueel kan worden beoordeeld.

Schr. gebruikte daartoe legerpaarden, die gezond waren en in goeden voedings-
toestand verkeerden. Deze dieren kregen op vaste uren in twee maaltijden het vol-
gende dagelijksche rantsoen : 4 K.G. haver, 5 K.G. hooi en 1.5 K.G. stroo.

Het bloed werd op verschillende plaatsen afgenomen, nu eens uit een periphere
dan weer uit een centrale ader, maar steeds uit dezelfde voor en 11a den arbeid. Voor
de telling der roode, en witte bloedlichaampjes gebruikte schr. het toestel van
Thomas-Zeiss.

De verschillende bij 5 paarden verkregen resultaten leiden tot de volgende con-
clusies :

1. Of het werk is van korten of van langen duur, steeds ziet men daarna een ver-
mindering van het aantal erythrocyten.

2. In het meerendeel der gevallen neemt men een vermeerdering van het aantal
leucocyten waar.

3. Deze waarnemingen zijn altijd dezelfde of men het bloed neemt uit een peri-
phere ader of uit een centrale (jugularis); de veranderingen bestaan dus in degeheele
bloedcirculatie en niet slechts in de periphere vaten, zooals door enkele auteurs
wordt beweerd.

4. Die vermindering van erythrocyten en vermeerdering van leucocyten blijft
zelfs na het eindigen van den arbeid bestaan.

5. Ongeveer 4 uren nadat het werk is gedaan vermeerderen de erythrocyten zich
zoodanig, dat het normale aantal bij het rustende paard wordt gepasseerd.

6. De genoemde veranderingen houden geen verband met de hoeveelheid arbeid,
die wordt gepresteerd.

7. Met de tegenwoordige kennis op dit gebied is het zeer moeilijk de oorzaken
dier waargenomen verschijnselen te vinden. Hoofdzakelijk wegens het gemis van
eenig juist of beter constant verband tusschen de intensiteit van het werk en de
veranderingen in het bloed, zal men moeten toegeven, dat het bloedonderzoek
geen voldoende gegevens verschaft om het weerstandsvermogen der paarden tegen
vermoeienissen te schatten.

Parasitisme intestinal paraissant avoir entraîné une paralysie pharyngo-laryngée
mortelle.

G. en A. Bourchet (Rec. de Méd. Vét. 30 Nov. 1927 p. 346) maken melding van
een bijzonder ziektegeval bij een 6-jarig paard. Het dier kon niet slikken, alle voed-
sel en drank kwamen langs den neus terug. Pharyngitis en slokdarmdivertikel kon-
den worden uitgesloten, ook bleek geen oesophagismus te bestaan. De slokdarm-
sonde, die werd ingebracht bleef op ongeveer 1.70 M. diepte steken ; alleen door het
laten inloopen van veel warm water, waarin bicarbonas natricus was opgelost,
kon verdere passage naar de maag worden verkregen. Van deze gelegenheid werd
gebruik gemaakt de maag uit te spoelen, waardoor een 50-tal ascariden werden
verwijderd. De patiënt vertoonde geen verbetering.

Nogmaals werd de slokdarmsonde ingebracht, doch kwam nu in de trachea te-
recht. Hierna is het paard afgemaakt. Het sectieonderzoek vertoonde een kleine
verschrompelde maag, welke nauwelijks 1 Liter vloeistof kon bevatten. De inhoud
bestond uit een groot aantal ascariden, ook de dunne darm bevatte een massa van
deze parasieten. De slokdarm bleek volkomen intact.

Schr. meenen te doen te hebben met een sensibele en motorische verlamming
van de larynx en pharynx, waardoor het slikken onmogelijk was. De klinische ver-

-ocr page 174-

schijnselen als ongevoeligheid van de keelstreek bij druk, geen reacties bij inwen-
dige manueele exploratie, geen afweerbewegingen enz. toen de slokdarm sonde
abusievelijk de trachea passeerde, wijzen daarop.

De oorzaak dezer paralyse moet worden gezocht in de door al die ascariden in
het lichaam verspreide toxinen.

Sondage de 1\'estomac du Cheval en cas de surcharge.

Nieder (Ree. de Méd. Vét. 15 Oct. 1927 p. 632) beveelt het gebruik van de inaag-
sonde aan bij maagectasien door overlading of tengevolge van indigesties. Natuur-
lijk moeten ernstige complicaties als hernia diaphragmatica, torsio coli, darm-
steenen enz. uitgesloten zijn.

De maagsonde van Marek is voor dit doel het meest geschikt, de lengte van
2.25
M. is echter te gering, deze moet minstens 2.75 M. bedragen.

Het Amerikaansche model van maagsonde is wel handiger, doch de diameter is
te klein om naast vloeibare en gasvormige ook vastere bestanddeelen uit te he-
velen.

Den laatsten tijd wordt het sondeeren via de neus nog al aanbevolen. Schr. heeft
deze methode nooit toegepast, doch acht haar toch ook minder gewenscht, omdat
in vele gevallen het inbrengen van vloeistoffen en hevelen eenige malen moeten
geschieden en het gevoelige neusslijmvlies dat niet zal kunnen verdragen. Aan het
vrije einde van de sonde kan nog een afzonderlijke buis of slang van 70 c.M.
lengte, waaraan een trechter is verbonden, worden bevestigd.

Het inbrengen van de sonde mag niet zonder mondspiegel geschieden en schr.
prefereert een zoodanige, die niet kan verschuiven en met riemen aan het hoofd
wordt bevestigd. Toch is de wig van
Bayer uitstekend te gebruiken en dan liefst
aan elke zijde één.

De gevaren en technische moeilijkheden zijn bekend. Om de maag te bereiken
is een gemiddelde lengte noodig van 2.20 M. Is de inhoud van de maag gasvormig
of vloeibaar, dan kan deze dadelijk worden geheveld. Bij een min of meer vaste,
viltachtige inhoud, zooals meermalen voorkomt, moet eerst via trechter en slang
ongeveer 10 L. lauwwarm water, waarin eenig bicarbonas natricus is opgelost,
worden ingebracht. Nu worden trechter en slang afgenomen, het hoofd van het
paard laaggehouden en de maaginhoud via de sonde ontlast. Men herhaalt deze
operatie 3, 4, 5 maal totdat geen voedselrestcn meer meekomen.

In het meerendeel der gevallen wordt dan tevens nog 100 mgr. pilocarpine sub-
cutaan ingespoten.

Ruptured stomach in a Stallion.

Idenden. — The Vet. Record 1927 No. 48 p. 1043. — Een hengst brak los en
kon eerst na twee uren worden gevat. Het dier vertoonde toen hevige koliekver-
schijnselen en was na enkele minuten dood. Het cadaver was dadelijk zeer opgezet.
Het sectieonderzoek bracht een maagbersting aan het licht over de geheele grootc
curvatuur. De groote hoeveelheid half verteerd voedsel in de ingewanden en in de
buikholte wees er op, dat het paard zich voor dien tijd overvloedig te goed had
gedaan bij een bergplaats van voedingsmiddelen (gerst en droog veevoeder). De
bovenmatige inspanning door het galoppeeren heeft de ruptuur van den door over-
lading verzwakten maagwand veroorzaakt, terwijl de dood onmiddellijk door kol-
laps is gevolgd, daar geen spoor van een peritonitis was te vinden.

Un nouveau fer & pansement.

Labay (Annales de Méd. Vét. Déc. 1927 p. 517) heeft een nieuw verbandijzer
bedacht, dat bij straalkanker moet worden gebezigd en dat volgens zijn zeggen een
eenvoud van samenstelling en applicatie paart aan een max\'mum van duurzaam
heid.

Het idee is eigenlijk een Belgisch balkijzer met losse balk, waardoor de spalken
van plaatijzer of een enkele plaat, die de zooivlakte bedekken op hun plaats wor-
den gehouden. Een nauwkeurige beschrijving is moeilijk in een referaat weer te
geven. Daartoe wordt naar de oorspronkelijke medcdeeling verwezen.

-ocr page 175-

i6I —

Die Bedeutung der Kopfnervensymptome für die Diagnostik der Gehirnerkran-
kungen beim Pferde.

Habersang (Berl. Tierarztl. Wochenschr. 1927 No. 32 S. 530) heeft een speciale
studie gemaakt van de kopzenuwen bij het paard, meer in het bijzonder van de
ziektebeelden, die door aandoeningen en functiestoornissen dezer zenuwen ont-
staan. Enkele van deze ziekten hebben steeds de aandacht getrokken en zijn goed
bekend ; wij noemen o.a. de centrale en periphere facialisparalyse, de amaurosis
(N. opticus), de cornage (N. recurrens). Van de ziekten der andere kopzenuwen en
hersenaanhangelszijn de mededeelingen inde wetenschappelijke literatuur schaarsch
en onvolledig, terwijl hun verschijnselen toch ook voor de diagnostiek van hersen-
aandoeningen in het algemeen niet zonder betcekenis mogen worden geacht.

Schr. onderscheidt 10 groepen van kopzenuwverschijnselen en heeft hierop in
den loop der jaren een groot aantal gezonde en van hersenlijden verdachte paarden
onderzocht. In dat systeem wordt onder de 7e groep cornage vermeld, een lijden
dat voornamelijk op een verlamming van de recurrens berust en dat volgens de
vroegere onderzoekingen van
Thomassen peripheer zou beginnen. Volgens de be-
vindingen van
Vermeulen echter is cornage in niet zeldzame gevallen van cen-
tralen oorsprong en behoort zij tot een complex van kopzenuwverschijnselen ; dit
wordt door schr klinisch bevestigd.

Daarenboven hebben de onderzoekingen van Habersang uitgemaakt, dat de
recurrensverlamming meermalen in nauw verband staat met een hersenaandoening
die als stille kolder wordt aangeduid en zelfs tot de klinische verschijnselen van deze
ziekte moet worden gerekend.

In aansluiting hieraan behandelt deze auteur het forensische begrip van stille
kolder, dat de ,,Kaiserliche Verordnung" omschrijft als een ongeneeslijke aandoe-
ning der hersenen, waarbij het bewustzijn is verminderd. Een specifieke anatomi-
sche diagnose wordt hier dus niet verlangd. De daarbij eventueel optredende symp-
tomen dekken zich met de verschijnselen, die zich bij aandoeningen der kopzenu-
wen voordoen. Omgekeerd zijn uit den graad en groepeering der kopzenuwverschijn-
selen conclusies te trekken voor wat betreft de duur van het hersenlijden, of een
meer algemeene hersenaandoening bestaat b.v. hydrocephalus of dat zich haarden
hebben gevormd b.v. partieele meningitis, tumoren enz. Misschien zou men na
verdere studie zoover kunnen komen, dat een specifieke wetenschappelijke diag-
nose mogelijk werd en men de ouderwetsche forensische beoordeeling van hersen-
zieke paarden kon laten varen.
 Brands.

VISCHZIEKTEN EN VISCHKEURING.

Vischkeuring. In het tijdschrift voor geneeskunde d.d. 4 Aug. 1928 waarschuwt
de arts
H. Pinkhof om ook hier te lande een waakzaam oog te houden op visch,
vooral op geconserveerde visch uit het buitenland aangevoerd.

Hij doet dit, na de mededeeling dat in 1895 Prof. A. Scott Warthin, van de
Universiteit van
Michigan er op wees, dat de visschen der groote meren, maar
ook de bevolking rondom die meren, gevaar liep besmet te worden met de plero-
cercoid van de bothriocephalus latus. De eerste infectie zou afkomstig zijn van
Finnen, die daar ter plaatse in de kopermijnen werkten en van wie er waren, die
de worm herbergden.

Thans is die voorspelling uitgekomen, daar het aantal besmette menschen
gedurig toeneemt, gevolg van het feit dat het percentage visch dat deplerocercoid
herbergt buitengewoon bieek toegenomen.

Of voor de waarschuwing van arts Pinkhof wel die gronden aanwezig zijn, die
Prof.
Scott Warthin naar de pen deed grijpen, lijkt eenigzins twijfelachtig.

Maar het blijft er ook vrij wel gelijk om, noodig of niet noodig, het zal toch niet
gaan.

In Nederland bestaat geen vischkeuring, behalve dan in enkele groote steden

En door mannen, die keurmeesters zijn par droit de naissance.

Desnoods laat men de keuring over aan de neuzen der huisvrouwen.

-ocr page 176-

Ik bedoel met deze woorden niets kwaads, allerminst tegen de mannen van
Dr.
van Raalte. Ik ben ook van meening, dat de organoleptische keuring hier
altijd wel groote beteekenis zal blijven behouden.

Maar ongetwijfeld kan de keuring onder de vleeschkeuringswet veel en veel
beter georganiseerd worden en de waarschuwing van Dr.
Pinkhoff toont de mo-
gelijkheid, in ieder geval, dat deze keuring ook nog andere dingen zou moeten
omvatten, die nu niet direct door geboorte geesteseigendom werden. Wat wij
trouwens, ook uit andere bron, wel wisten.

Vischziekten. In de tierärztliche Rundschau van 12 Aug. ji. publiceert Dr.
Scheuring zijn tweede artikel over vischziekten en behandelt daarin, wat hij
constitutioneele ziekten noemt, waaronder hij echter ook de tumoren samenvat.

Allereerst wordt dan de constitutioneele zwakte behandeld die zich bij het
bevruchte ei openbaren kan en waarbij de jonge visch of nog in ontwikkeling of
direct na de geboorte sterft, soms eerst na nog een tijdje van levens waarin hij echter
bleekzuchtig en zwak is.

De oorzaak wordt gezocht in onrijpe eieren en onrijp zaad terwijl bij de kunst-
matige bevruchting ook overrijpe eieren een zwakke nakomelingschap geven,
waarbij dikwijls misvormingen van allerlei aard kunnen worden waargenomen.

Scheuring bespreekt daarna de waterzucht der clooierzak bij visschen. Deze
is dan sterk gezwollen en gevuld met een exsudaat, waardoor een op ascites ge-
lijkende toestand optreedt, waarbij altijd een hartsinsufficientie en bleekzucht
wordt gevonden.

De oorzaak is niet bekend, maar dat een constitutioneele fout of zwakte van
het ei deze verschijning tevoorschijn roept is zeker. Eieren van gewonde of zieke
moederdieren geven later altijd aanleiding tot dit euvel.

Gezwellen en gezwelachtige woekeringen vindt men bij de visschen lang niet
zelden en bijna alle benigne en maligne tumoren der warmbloedige dieren vindt
men ook hier.

Tot deze ziekten rekent schrijver ook de verdikking van het kiemepitheel bij
zalmen, waarbij de punten der kiemen knotsvormig zijn geworden en de dieren
zwaar lijden.

Bij karper, blei en enkele andere visschen wordt onder de naam pokken een
woekering in de huid aangetroffen, die aanleiding geeft tot een wit, melkkleurige,
eerst zacht, later hard wordende korst, waardoor de visch somtijds als in een
mantel is gehuld. Als ze een zekere dikte hebben, vallen ze af zonder een litteeken
achter te laten.

Dergelijke dieren moeten door hun uiterlijk voor de consumptie worden afge-
keurd.

De lymphocysten-ziekte bij de schol wordt niet door parasieten veroorzaakt,
zooals gaarne wordt aangenomen, maar de knobbeltjes en wratjes, die daarbij
ontstaan komen door enorme vergrooting van bindweefselcellen, waardoor het
epitheel der huid omhoog komt.

Men moet deze ziekte niet verwisselen met analoge verschijnselen, die bij som-
mige visschen gedurende den paartijd werden waargenomen.

Carcinoom werd gevonden bv. in de blaas van goudvisschen ; fibromen werden
herhaaldelijk aan de darm bij visschen geconstateerd ; fibrosarcomen soms in
groote massa in het mesenterium. Van de sarcomen wordt het interessante geval
meegedeeld, dat de tumor in de nier van een snoek werd gevonden, met uitgebreide
metastase in het lichaam, speciaal in de staartspier.

Bij lymphosarcoom van de nier is dit orgaan soms reusachtig vergroot en omdat
dan het nierwcefsel vaak is verdwenen, kan in erge mate buikwaterzucht optreden.

Bijzonder interessant zijn odontomen bij visschen, waarbij de tanden tot on-
regelmatig gevormde massa\'s uitgroeien.

Ook het kropgezwel komt bij visschen voor, bij de Salmoniden in Amerika soms
epidemisch. Deze ziekte werd ook bij zeevisschen waargenomen, die toch in sterk

-ocr page 177-

joodhoudend water leven. Onderzoekingen naar de samenhang tusschen deze
ziekte bij de visschen en bij mensch en dier hadden geen resultaat.

De paaitijd is voor veel visschen de tijd van sterven, niet alleen door verzwak-
king, maar ook omdat dan schijnbaar het levensdoel is afgeloopen. Treedt de dood
niet in dan kunnen behalve tumoren ook ovariaalcysten optreden, die soms bij
karpers zoo groot worden, dat zij de helft van het lichaamsgewicht uitmaken.

Ferwerda.

ZIEKTEN VAN HERKAUWERS.

Operatieve behandeling van Gastritis traumatica.

Kleihaner (T. Rundschau 3 Juni 1928) onderwerpt deze behandeling, welke
in de laatste jaren vrij sterk op den voorgrond wordt geschoven, aan een critische
beschouwing en zegt hierin 0.111. het volgende : De diagnose : Gastritis traumatica
wordt gemaakt uit een symptonencomplex waarbij de pijnuiting wel het aller-
voornaamste verschijnsel is. Op het oogenblik dat de maag doorboord wordt,
houdt onmiddellijk de voedselopname op, de dieren worden onrustig, slaan met
de beenen, kortom het geheel ziektebeeld staat in het teeken van ,,pijn". Druk
op de wervelkolom, zoowel als bekloppen op de linkerborstwand verhoogt de pijn.
Het hoofd van het dier wordt naar voren gestrekt, de halslijn wordt naar beneden
gedrukt, een houding welke erop gericht schijnt de ondervonden pijn te doen ver-
minderen.

Schrijver heeft in het afgeloopen jaar vijf gevallen operatief behandeld. In
c\'én geval werd geen afwijking gevonden, in de 4 overige gevallen vergroei ngen en
plaatselijke peritonitis. (Deze bevinding zal voor den prakticus die zich ook eens
wagen wil aan deze operatie, mede met het oog op den eigenaar, welke immers
steeds het scherpe voorwerp door eigen aanschouwing wenscht te zien, eene blij-
vende contraindicatie vormen. Referent).

Schrijver vermeldt ten slotte in meer bijzonderheden een geval waarbij de ver-
schijnselen al zeer typisch waren en onmiddellijk na het stellen der diagnose over-
gegaan werd tot de operatie. Deze werd verricht in tegenwoordigheid van zeer
vele belangstellenden en veehouders, welke mede als helpers fungeerden. Ook in
dat geval konden eenige vergroeiingen op de plaats waar de oesopliagus in de
pens mondt, maar geen scherp voorwerp aangetoond worden. De operatie op zich-
zelf is eenvoudig en brengt weinig bezwaren voor het dier mede. Voor het stellen
der diagnose alleen acht schrijver de operatie niet geraden, want vindt men niets
dan is de mogelijkheid niet uit te sluiten, dat „was der Todengraber zudeckt,
deckt der Abdecker auf." De ribresectie blijft ook voor het genezen dier een reden
voor waardevermindering, althans in het oog van den handelaar of slager. De
operatic moge misschien als demonstratie in klinieken haar nut kunnen hebben,
veel economischer lijkt het schrijver echter de dieren direct naar de slachtbank te
verwijzen ; immers, zeer terecht wordt opgemerkt dat de tijden allerminst geschikt
zijn\'om met de dieren der cliënten experimenten te wagen.

Behandeling van streptococcen-mastitis met behulp van vaccinatie met stal-
specifieke vaccins.

Rudolf (Therapeutische Monatshefte 1928 Heft 8), een Oostenrijksclie onder-
zoeker, heeft in een breed en degelijk opgezet onderzoek getracht verschillende
geneeswijzen, in verband met deze aandoening in den loop der tijden gelanceerd,
op hare juiste waarde nogmaals te toetsen. Met betrekking tot eene behandeling
met behulp van stalspecifieke vaccins, vermeldt hij het volgende :

De door hem gebruikte entstof werd als volgt bereid : Plaatcultuur op agar of
op runderserumagar ; 11a 3 dagen afwrijven met pliys NaCl solutie, ^ uur verwarmen
bij 58—60 C., verdunnen tot standaarddikte en ten slotte toevoeging van £ % car-
bolzuur. Na klinisch en bacteriologisch onderzoek van de uierkwartieren en de
hieruit gewonnen melk werden alle dieren met een tusschenpoos van 10—14 dagen
3 maal achtereen geënt met resp. 10. 13 en 20 cc stalspecifiek vaccin. Hoofddoel
vormde na te gaan of het mogelijk was : gezonde dieren tegen eene infectie te be-
hoeden ; praktisch gesproken, de verbreiding in een bepaalde stal te coupeeren

-ocr page 178-

ic. stal : van 84 koeien waren 29 dieren in een kwartier aangetast : klinisch
wezen de verschijnselen op een versche infectie. Het resultaat was dat de ziekte
zich niet verder uitbreidde. Na 6 maanden bleek de melk der gezond gebleven
dieren streptococcenvrij. Het ziekteverloop bij geïnfecteerde dieren werd milder.
Hoewel de klinische verschijnselen bij deze dieren nagenoeg verdwenen, werden
echter streptococcen blijvend in het sediment gevonden. (,,Gezonde streptococcen"-
kwartieren Ref). Steeds bleef dus naast eene negatieve klinische bevinding eene
positieve cultuurbevinding aanwezig. Verdere proeven in twee stallen wezen uit
dat in therapeutisch opzicht van een verbetering
geen sprake was. Wel kreeg
onderzoeker de indruk, dat aan eene verbreiding der aandoening paal en perk
werd gesteld. Toch meent
Rudolf dat de vaccinatie alleen, zonder gebruikmaking
van andere geneeswijzen als uitmelken, massage e. d. weinig verder zal brengen.
(Ook hier weer ontbreekt door het nalaten van de instelling van controleproeven
elke redelijke maatstaf van beoordeeling, een euvel, hetwelk maar al te weinig
op zijn juiste beteekenis wordt geschat bij alle pogingen om de waarde van sera
en vaccins in de praktijk aan te toonen. Ref.).

Bestrijding van Hypoderma bovis met behulp van staafjes.

Spann (Miinch T. W. S. 15 Aug. 1928) meent dat de runderhorzelbestrijding
mst behulp van zalven of vloeibare middelen dit nadeel heeft dat bij jonge worm-
bulten, welke zeer kleine openingen hebben, te weinig van de larvedoodende
substantie ter plaatse komt. De hierdoor veroorzaakte herhaling der smeerkuur
kost tijd en moeite, weshalve de vraag rijst of voor massale bestrijding deze methode
wel de meest geschikte is.
Spann heeft eerst getracht door injectie van pekelop-
lossing in de wormbuit goede resultaten te verkrijgen. Ook deze metbode stelde
teleur, zij nam te veel tijd in beslag. In overleg met de firma
Aubing heeft schrij-
ver nu staafjes ter lengte van ]o c.c. en ter dikte van 2 m.M. laten samenstellen
(het werkzame bestanddeel wordt niet vermeld), welke stuksgewijze in de worm-
knobbels worden gebracht. In drie samenstellingen aangewend,
(A., B. en C
staafjes) verkreeg schrijver een resultaat waarbij 93—98 % der behandelde bulten
genezen kon worden.

Infectieuse Keratitis bij het Rund.

Marsalsky (Ther. Monatshefte Eebr. 1928) maakte studie van een infectieuse,
keratitis, welke voor het eerst in 1914 in het Gouvernement Simbirsk optrad en
in 1922 in de streek van Omsk opnieuw werd gezien. Evenals in Holland door
wijlen PoEi-s reeds opgemerkt was, trad de ziekte bij voorkeur op in droge jaarge-
tijden ; abnormale droogte schijnt een praedisponeerend moment te scheppen.
Typische gevallen kenmerkten zich door de volgende verschijnselen. Er ontstond
een acute catarrhale conjunctivitis met gelijktijdig optreden van infiltratie op de
sclera en daarna nckrose. In enkele gevallen trad volkomen regressie op ; ook
kan het leiden tot de vorming van een leucoom. Directe overgang van dier op
dier schijnt niet voor te komen. Als verwekker werd geïsoleerd een bacil uit de
paracoli-groep. Het lijden schijnt alleen dan tot volle ontwikkeling te komen
indien het hoornvlies gelaedeerd is, en na een incubatie van 24—48 uren.

Immuniteit na het optreden der aandoening schijnt niet te ontstaan.

Twee vormen lieten zich duidelijk onderscheiden : eene productieve en eene
exsudatieve vorm. Therapeutisch-prophylactisch bewees cauterisatie met 2 %
nitras argenticus-oplossing uitmuntende diensten. In het beginstadium zou deze
behandeling het lijden volkomen coupeeren. Schrijver meent het ziektebeeld te
kunnen aanduiden als volgt : infectieuse conjunctivo-keratitis.

Zwijnenberg.

-ocr page 179-

25*Jarig bestaan der Rijksseruminrichting.

Op i Februari van dit jaar heeft de Rijksseruminrichting 25 jaren
bestaan. Een hartelijke gelukwensch van alle Nederlandsche dieren-
artsen en van alle Nederlandsche landbouwers is hier zeker op
zijn plaats. De Seruminrichting toch, kan op een schitterenden
! staat van dienst terugzien, is vanaf hare oprichting voor de dieren-
artsen van onberekenbaar nut geweest en heeft aan de Nederland-
sche landbouw onschatbare diensten bewezen.

Opgericht in 1904 op advies en onder leiding van den genialen
P
oels, bleek zij werkelijk in een behoefte te voorzien en wist zij
zich steeds meer onmisbaar te maken. De sfeer en de omvang van
hare werkzaamheden werden steeds grooter en daarmee het aantal
der aan de inrichting verbonden staf van wetenschappelijke werkers.
Men bepaalde zich niet tot het maken van sera en entstoffen tegen
besmettelijke dierziekten, maar deed onderzoekingen en proeven
op elk gebied van de diergeneeskundige en vergelijkende pathologie.
Langzamerhand hebben deze werkzaamheden zulk een omvang
\' gekregen dat de gebouwen en localiteiten, waarin de inrichting
sedert hare oprichting is ondergebracht, reeds lang geheel onvol-
doende geworden zijn. De bezoeker van de seruminrichting krijgt
dan ook sterk den indruk, dat men in dat opzicht ,,de hollandse
eenvoud" ook te ver kan drijven. Gelukkig zijn de plannen tot
verbetering reeds in vergevorderden staat en mogen wij hopen
dat binnen niet al te langen tijd de Seruminrichting een huisvesting
zal hebben harer waardig.

Mogen de volgende 25 jaren van haar bestaan even roemrijk zijn
als het afgeloopen tijdvak en moge zij ook in de toekomst de
welwillende vraagbaak blijven voor de nederlandse dierenartsen
en verder werkzaam zijn tot heil van diergeneeskunde en landbouw.

12

LVI

-ocr page 180-

Uit de Parasitologische afdeeling van het Instituut voor Parasitaire- en
Infectieziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht.

Directeur : Prof. Dr. L. DE BLIECK.

VERDERE BIJDRAGE TOT DE KENNIS VAN DE ONTWIKKE-
LING VAN PARASCARIS EQUORUM,

door

Dr. E. A. R. F. BAUDET.

Sedert de onderzoekingen van Stewart in de jaren 1916—-1924
over de ontwikkeling van Ascaris lumbricoides en Belascaris
mystax, thans Toxocara mystax (Z
eder, 1800) geheeten, is bij
verschillende Nematoden de ontwikkeling in het lichaam van dert
gastheer bestudeerd en bij deze onderzoekingen is gebleken dat in
veel gevallen de zoogenaamde lange weg noodzakelijk is.

De infecteerende larven dringen daarbij, na opname per os,
in den darmwand en gaan via de poortader naar de lever. Vandaar
worden zij met den bloedstroom gebracht naar het hart en komen
van dit orgaan in de longen. In deze organen bereiken zij de alveo-
len en worden nu mechanisch langs bronchiën en trachea naar de
keel verplaatst, bereiken zoo den slokdarm en de maag om zich
tenslotte in den darm tot volwassen parasiet te ontwikkelen.

Verschillende nematodenlarven, die behalve per os ook langs
percutanen weg den gastheer kunnen binnendringen, volgen in
hoofdzaak dezen ontwikkelingsgang.

Door de resultaten van de onderzoekingen van verschillende
auteurs was men thans langzamerhand zoover gekomen aan te
nemen dat een andere ontwikkelingscyclus dan deze zoogenaamde
lange weg voor nematoden niet mogelijk zou zijn.

In 1925 zijn echter twee publicaties verschenen van Yokogawa
en Oiso (2), waarin zij mededeelden dat het hun gelukt was aan
te toonen dat Ancylostoma caninum in staat is zich direct in den
darm van den hond te ontwikkelen.

Het bleek hun, dat wanneer men larven van A. caninum voe-
derde aan caviae, konijnen en muizen, deze larven hierbij den langen
weg volgen, dus via de longen, trachea en oesophagus. Gaf men
deze larven echter aan den juisten gastheer, in dit geval den hond,
dan ontwikkelden zij zich in den darm tot volwassen exemplaren,
zonder dus de longen gepasseerd te zijn.

Zij leverden dit bewijs door twee proefhonden met larven te
voederen, nadat de trachea bij deze dieren doorgesneden was en
dus deze weg voor de larven was onmogelijk gemaakt. Bij deze
honden vond toch een verdere ontwikkeling der larven in den
darm plaats.

Evenals de larven van A. caninum gedroegen zich de larven
van Ancylostoma duodenale. Het bleek hun ook dat deze niet

-ocr page 181-

in den darmwand drongen, maar dat zij na korter of langer tijd
uit den darm met de ontlasting verwijderd werden. Hoewel in dit
geval de hond niet de eigenlijke gastheer voor A. duodenale is,
werd hier toch geen longenpassage waargenomen.

Yokogawa en Oiso veronderstellen nu dat bij den mensch
de larven van A. duodenale zich ook direct in den darm ontwik-
kelen en niet de longpassage doormaken.

Na opname per os zijn de Ancylostomenlarven dus niet alleen
bestand tegen den invloed van het maagdarmkanaal, zooals
F
ülleborn (2) reeds in 1914 opmerkte, doch kunnen zij zich daar
zelfs tot volwassen parasieten ontwikkelen.

Fülleborn (3) herhaalde de experimenten van Yokogawa
en Oiso bij een aantal honden met larven van Uncinaria steno-
cephala en kwam wat deze parasiet betreft tot dezelfde conclusie
nl. dat een directe ontwikkeling in den darm zonder longpassage
mogelijk is.

Als gevolg van deze resultaten hervatte hij opnieuw de proeven
met larven van Strongyloides stercoralis (4), waarbij hij het vol-
gende waarnam :

Bracht men larven van deze parasiet tijdelijk onder de huid
van een dier b.v. konijn, dus onder de huid van den niet-eigenlijken
gastheer, dan veranderden deze larven reeds zoodanig dat zij zich
na orale toediening bij honden (den eigenlijken gastheer) tot vol-
wassen parasieten in den darm ontwikkelden, dus zonder long-
passage. Dit laatste bewijs werd geleverd door hiervoor proef-
honden te gebruiken, waarbij de trachea was doorgesneden.

Hoewel het verblijf van strongyloideslarven in de longen dus
niet noodig bleek om deze larven biologisch zoover te veranderen,
dat zij in staat waren zich verder in het maagdarmkanaal van den
eigenlijken gastheer te ontwikkelen, geeft volgens F
ülleborn het
verblijf in de longen voor Strongyloides en andere Angiostomen
toch betere ontwikkelingsvoorwaarden.

Wat de longpassage betreft, die bij Ancylostomen op een per-
cutane infectie volgt, meent hij dat de weg door de longen voor de
voorouders der tegenwoordige Ancylostomen noodig was, maar dat
het vermogen van deze laatsten om zich zonder deze passage
direct in den darm te ontwikkelen, een secundair verkregen eigen-
schap is.

Bij zijn proeven met larven van Uncinaria stenocephala be-
merkte hij, dat de per os opgenomen larven niet alleen eerst tijde-
lijk in de diepere lagen van het door de mucosa afgescheiden slijm
drongen, doch zich ook in het lumen van de slij maf scheidende
klieren ophielden om daarna weer in den darm terug te komen.
Dit tijdelijk indringen in het lumen der klieren is als een phylo-
genetische remeniscentie te beschouwen van den vroeger nood-
zakelijken tocht van den darm naar de lever en de longen.

-ocr page 182-

De resultaten van bovengenoemde experimenten gaven Fül-
leborn
aanleiding om te onderzoeken of larven van de verschil-
lende Ascariden mogelijk dezen langen weg via de longen ontberen
konden en dat deze misschien ook, zij het voor een gedeelte, zich
direct in den darm ontwikkelen konden.

Gezien de weinig gunstige resultaten, welke Stewart en andere
onderzoekers destijds met hun voederproeven bij het varken had-
den met geëmbryoneerde eieren van A. suilla, zou een negatieve
uitkomst in de te nemen proeven toch geen absolute beslissing
kunnen geven. Te meer verwachtte hij er hier weinig van, daar
volgens zijn meening na een doorgestane infectie b.v. van Toxo-
cara canis (S
tiles 1905), immuniteit zou ontstaan. Deze immuni-
teit, die mogelijk een gevolg kon zijn van de dikwijls voorkomende
praenatale infectie, welke toch bij honden intrauterin kan voor-
komen, zou een beletsel vormen deze dieren als proefdieren te
gebruiken.

Hierdoor zou bij deze dieren een voedingsproef dus kunnen mis-
lukken en het negatieve resultaat bij een dergelijk experiment
zou dan ten onrechte als negatief worden genoteerd, terwijl het
inderdaad echter een gevolg was van de bestaande immuniteit.

Dezelfde ongunstige ervaringen had Fülleborn opgedaan bij
infectieproeven met Toxascaris leonina, Linstow 1902 (Syn.
Toxascaris limbata).

Om al deze redenen gebruikte Fülleborn een jonge hond als
proefdier en als infectiemateriaal eieren van Ascaris suilla.

Aan dit dier werden, nadat de trachea was doorgesneden, ±
40.000 geëmbryoneerde eieren van den spoelworm van het varken
ingegeven.

Na 2s dag stierf de hond, waarschijnlijk in verband met honden-
ziekte. In de longen werden echter zeer veel Ascarislarven aange-
troffen, terwijl in maag en darmen geen eieren of larven meer
werden gevonden.

Een positieve vondst van larven in den darm zou echter toch
niet bewezen hebben dat deze larven van plan waren zich hier
zonder longpassage te ontwikkelen, daar het een bekend feit is
dat de mogelijkheid altijd bestaat dat enkele van de naar de longen
vervoerde larven niet in de trachea terecht komen, maar uit het
gebied der longarteriën door de longvenen in de linker harthelft
komen en nu via den bloedstroom allerlei organen bereiken, zooals
nieren, hersenen, uterus en dus ook den darm.

Het resultaat van bovengenoemde proef geeft dus geen steun
aan de veronderstelling dat Ascaris-larven zich direct in den darm
ontwikkelen kunnen. Aan deze proef is bovendien nog minder
bewijskracht toe te kennen omdat deze niet genomen werd bij
den eigenlijken gastheer.

Uit andere experimenten bleek het aan Fülleborn dat larven

-ocr page 183-

van Ascaris lumbricoides niet alleen in de longen, doch zich ook
in andere organen gedeeltelijk verder ontwikkelen kunnen. Het
snelst geschiedt deze verdere ontwikkeling echter in de longen.
Hij meent verband te moeten zoeken tusschen dezen ontwikke-
lingsvorm met dien van vischascariden. Bij visschen zijn „Asca-
riden" bekend, waarbij men in het vleesch en in de lever nog niet
geheel ontwikkelde „ascariden" vindt, die echter een ieugd-
stadium bleken te zijn van parasieten, welke in geslachtsrijpen
toestand in den darm van roofvisschen, watervogels, zeehonden
enz. parasiteeren.

Deze jeugdstadia zijn dus een noodzakelijke ontwikkelingsvorni
van de geslachtsrijpe parasieten en de visschen, waarbij deze
stadia voorkomen zijn als tusschen-gastheer te beschouwen.

Fülleborn is daarom van meening dat bij verschillende asca-
riden van zoogdieren oorspronkelijk ook een tusschengastheer is
noodig geweest. Dat de tegenwoordige besmetting zonder tusschen-
gastheer kan plaats vinden schrijft hij toe aan de mogelijkheid,
die de larven langzamerhand bij den definitieven gastheer ge-
vonden hebben, om zich daar speciaal in de longen tot het stadium
te ontwikkelen, dat noodzakelijk is voor de verdere ontwikkeling
tot geslachtsrijpe wormen in den darm. De tegenwoordige gastheer
der ascariden zou dus zoowel tusschengastheer als gastheer zijn.

Eigen onderzoekingen.

Terwijl Fülleborn zijn proeven met Ascarislarven uitvoerde
bij een oneigenlijken gastheer, leek het mij wenschelijk 11a te gaan
of larven van Parascaris equorum, Goeze 1782 (Syn. Ascaris
equorum Goeze 1782, A. equi, S
chrank 1788 en A. megalocephala,
C
loqüet 1824) bij den juisten gastheer, in casu het paard, de
longen noodig hadden voor haar verdere ontwikkeling. Uit mijn
onderzoekingen in 1925 (1) was reeds gebleken dat men als gevolg
van een orale infectie met geëmbryoneerde ascariseieren bij een
veulen eenige dagen daarna een groot aantal larven in het tracheaal-
slijm aantreft. Deze proef was echter niet geheel bewijzend voor
de noodzakelijkheid van de longenpassage, daar zich bij dit veulen
slechts enkele ascariden in den darm ontwikkeld hadden. Dit
negatieve resultaat werd toen beschouwd als gevolg van het on-
vermogen tot infectie der toegediende larven.

Nieuwe proeven werden daarom in 1927 en 1928 ingesteld.

Eerste proef : Twee zooveel mogelijk wormvrij opgefokte veu-
lens, afkomstig van twee veulenmerries, welke tijdens de drachtig-
heid enkele wormkuren doorgemaakt hadden, werden hiervoor
gebruikt.

Bij een veulen werd de trachea ongeveer 15 c.M. onder den
larynx doorgesneden en het thoracale gedeelte in de wond gehecht,
terwijl het orale stuk zooveel mogelijk geëxtirpeerd werd. (Zie

-ocr page 184-

foto). Door deze operatie, welke door Prof. Hartog welwillend
verricht werd, en waarvoor ik hier gaarne mijn dank betuig, was
de verbinding van de longen met den larynx totaal verbroken,
zoodat eventueel aanwezige larven niet van de longen via de
trachea naar den larynx zouden kunnen komen. In de trachea
werd een tracheotubus geplaatst, en met koperdraad aan de huid
bevestigd.

Het tweede veulen werd als contröleveulen gebruikt.

Aan beide dieren werden per os ± 10.000 geëmbryoneerde
eieren van Parascaris equorum met een maagsonde toegediend.

Behalve een toeneming van het aantal adembewegingen, werden
weinig verschijnselen als gevolg van deze infectie waargenomen.
De frequentie was het hoogst bij het tubusveulen, waar deze
op den ioen dag na de infectie 60 bedroeg.

De temperatuur der beide veulens bleef tijdens de proef grooten-
deels normaal. Gedurende de dagen dat de larven zich in de longen
ophielden werden enkele temperaturen, varieerend tusschen
39.1° en 39.40 waargenomen. Bij het tubusveulen werd eenmaal
39.9° C. genoteerd.

Den I3cn dag na de infectie werden voor de eerste maal larven

-ocr page 185-

in het tracheaalslijm van het tubusveulen gevonden en op den
17en dag na de infectie zelfs 854 stuks in 5 slijmvlokjes.

Ruim 3 maanden later werden beide veulens gedood. In den
dunnen darm van het tubusveulen werden 2 ascariden van ^
4 C..M. gevonden, terwijl bij het contröleveulen, waar een groot
aantal wormen verwacht werden, slechts 20 exemplaren van i

c.M. gevonden werden.

Deze spoelwormen waren nog niet geslachtsrijp. In den uterus
waren nog geen eieren aanwezig.

De eenige positieve conclusie, welke uit deze pi"oef te trekken
viel, was dat na een ontwikkelingstijd van 3 maanden de spoel-
wormen bij het paard nog niet volwassen zijn.

Hoe moet men verklaren dat zich bij het contröleveulen slechts
zoo weinig spoelwormen ontwikkeld hadden, terwijl toch meer
dan io.000 geëmbryoneerde eieren waren ingegeven?

Van immuniteit kan hier moeilijk sprake zijn.

De oorzaak moet m. i. ergens anders gezocht worden. De eieren,
welke bij deze proeven gebruikt zijn, waren afkomstig uit den
uterus van volwassen spoelwormen van het paard, en werden
uit de laatste gedeelten van den uterus geperst, dus uit de
deelen, welke het dichtst bij de vagina gelegen zijn. De eieren
werden verzameld op filtreerpapier ; dit papier werd op watten
gelegd, die met 2 % boorzuur bevochtigd waren. Het geheel werd in
Petri-schalen bewaard en voldoende vochtig gehouden bij ^ 26° C.

Reeds enkele dagen later kon men een beginnende ontwikkeling
waarnemen van de embryonen, welke na 6—8 dagen reeds goed
ontwikkeld en beweeglijk waren.

In mijn vorige publicatie over dit onderwerp meldde ik reeds
dat deze beweeglijkheid nog niet het infectievermogen van de
embryonen waarborgt. Deze zijn toch eigenlijk alle ontijdig ge-
boren individuen. Uit de infectieproef bij een veulen, dat des-
tijds met faeces, die geëmbryoneerde eieren bevatten, per os
besmet werd, hadden zich ongeveer 3000 spoelwormen ontwik-
keld. De embryonen waren in deze eieren op de normale wijze
ontstaan en wel in pa arden faeces, die met spoelwormeieren be-
smet waren.

Zeer waarschijnlijk is dit de oorzaak dat de verschillende infectie-
proeven met uit den uterus gekweekte eieren ook bij andere onder-
zoekers geen resultaat hebben gehad.

Tweede proej : In 1928 werden opnieuw twee veulens met eieren
van Parascaris equorum besmet. Bij een dezer dieren was een ge-
deelte van de trachea op dezelfde wijze als bij het eerste tubus-
veulen door Prof. H
artog geëxtirpeerd.

Beide dieren werden met een groot aantal geëmbryoneerde
ascaris-eieren door middel van de maagsonde besmet en wel 3
maal met 2 dagen tusschenruimte.

-ocr page 186-

Deze eieren waren afkomstig van 3 maanden oude culturen in
Petri-schalen. Om practische redenen werd geen gebruik gemaakt
van paardenfaeces met geëmbryoneerde eieren.

Ook nu werden bij het tubusveulen na 12 dagen regelmatig
larven in het tracheaalslijm gevonden, terwijl het aantal adem-
bewegingen op den i5cn dag na de eerste infectie 78 bedroeg,

Bij het contröleveulen werd een maximumfrequentie van 40 op
den i4en dag na de eerste infectie waargenomen. Noemenswaardige
temperatuursverhooging werd bij deze dieren tijdens het experi-
ment niet waargenomen.

Ruim 4 maanden na de infectie werden beide dieren gedood.

Bij het contröleveulen werden 230 spoelwormen gevonden,
terwijl er bij het tubusveulen slechts xo exemplaren aangetroffen
werden.

Geen dezer wormen was geslachtsrijp. In den uterus van enkele
der grootste exemplaren werden nog geen eieren gevonden. De
maten dezer wormen varieerden tusschen 6—11 c.M.

Uit het resultaat van deze proef zou men dus de conclusie kun-
nen trekken dat de tracheapassage voor de spoelwormen van het
paard noodig is voor de ontwikkeling van deze parasiet. Beide
veulens waren toch met dezelfde cultuur en met ongeveer dezelfde
hoeveelheid eieren besmet en er zou geen reden bestaan aan te
nemen waarom deze infectie bij het contröleveulen wel gelukt zou
zijn en niet bij het tubusveulen.

Een punt moet echter nog nader besproken worden. Bij het
tubusveulen werden enkele volwassen spoelwormen gevonden, die
afkomstig waren van een infectie in de eerste levensweken.

Dit aangekochte veulen was nl. niet worm vrij opgefokt, doch
voor het begin van de proef op spoelwormeieren onderzocht en
daarvan vrij bevonden. Bij dit veulen hebben deze wormen zich
tot geslachtsrijpe exemplaren ontwikkeld, zoodat tijdens de proef
gedurende de laatste weken ascariseieren in de faeces gevonden
werden.

De vraag doet zich nu voor of ten gevolge van deze wormen dit
veulen immuun geweest is voor de latere experimenteele infectie.
In dat geval zou het niet aanwezig zijn van een groot aantal asca-
riden bij de sectie misschien het gevolg geweest zijn van immuni-
teit en niet het gevolg van de doorsnijding van de trachea.

Ik meen het bestaan van immuniteit in dit geval ten opzichte
van spoelwormen te moeten betwijfelen.

Immers wij kennen maar al te goed de reïnfecties bij onze dieren
door de verschillende wormsoorten. Ik denk hierbij slechts aan
de maagdarmparasieten bij runderen, schapen en geiten. Wij weten
juist dat hier de reïnfecties tot een doodelijken afloop van de
ziekte voeren, terwijl door opstallen dergelijke dieren dikwijls ge-
red kunnen worden.

-ocr page 187-

De aanwezigheid van volwassen spoelwormen bij het tubus-
veulen zal waarschijnlijk ook geen belemmering geweest zijn
voor een latere besmetting ; wij kennen bij paarden toch ook
gevallen, waarbij de spoelwornen in den darm een zeer uiteen-
loopenden leeftijd hebben. De 10 jonge ascariden waren bovendien
een bewijs dat dit dier nog toegankelijk bleek voor de infectie.

Daar deze 10 exemplaren den darm onmogelijk via de trachea
kunnen bereikt hebben, is deze vondst het beste te verklaren door
aan te nemen dat de in de longen aangekomen larven niet de
trachea gevolgd hebben, doch met het bloed naar het hart terug-
gevoerd zijn en nu verder met den bloedstroom den darm bereikt
hebben.

Een infectie per os door opname van slijm uit den tubus is
practisch wel uit te sluiten, daar het tracheaalslijm binnen den
tubus bleef en aan den rand daarvan tot een harde massa indroogde,
waarin nimmer, ook niet na lichte verwarming, beweeglijke larven
werden aangetroffen.

De eindconclusie van deze experimenten kan m. i. dus wel zijn
dat voor de ontwikkeling van Parascaris equorum de luchtpijp-
passage, dus de zoogenaamde lange weg, noodzakelijk is.

Intusschen zijn thans weer twee veulenmerries aangekocht om
in het aanstaande voorjaar opnieuw infectieproeven te kunnen
instellen en dan met wormvrije veulens.
Utrecht, December 1928.

LITERATUUR.

1. F.. A. K. F. Baudet.

Bijdrage tot de kennis van Ascaris equorum.
Tijdschr. v. Diergeneesk., Dl. 52, 1925.

2. S. Yokogawa and T. Oiso.

Investigation on the life liistory of Ankylostoma and Strongyloides.
Taiwan Igakkai Zasshi, 1925, Nos. 241, 243 en 246.
Ref. Arch. f. Schiffs und Tropenhyg. Bd. 30, H. 5, 1926.

3. F. Fülleborn.

Untersuchungen ueber den Infektionsweg bei Strongyloides und Anky-
lostomum und die Biologie dieser Parasiten.

Arch. f. Schiffs und Tropenhyg. Beiheft 5, 1914.

4. F. Fülleborn.

Ueber das Verhalten der Hakenwurmlarven bei der Infektion per os.
Arch. f. Schiffs und Tropenhyg. Bd. 30, H. 10, 1926.

5. F. Fülleborn.

Ueber das Verhalten der Larven von Strongyloides stercoralis, Haken-
würmern und .Ascaris lumbricoides im Körper des Wirtes.
Arch. f, Schiffs und Tropenhyg. Bd. 31, Beihefte 2, 1927.

. ZUSAMMENFASSUNG.
Bei zwei Fohlen wurde ein Stück aus der Trachea extirpiert und die Brustportion
in die Wunde geheftet. Hiermit war die Verbindung zwischen Lungen und Larynx
aufgehoben.

-ocr page 188-

Diesen Fohlen und zwei Kontrollfohlen wurden embryonierte Parascaris equo--
rum Eier (Syn. A. megalocephala) per os verabreicht.

Das erste Experiment blieb erfolglos, denn nach 3 Monaten ergab sich, das»
sich beim Kontrollfohlen sowie beim operierten Fohlen nur sehr wenig Spul
würmer entwickelt hatten.

Den Grund hierfür sieht Verfasser darin dass die Larven in den aus dem Uterus
der Spulwürmer versammelten Eiern, nicht infektionsfähig sind. Die Beweg
lichkeit der Embryonen in den Eiern ist also keine Garantie für ihre Infektions-
fähigkeit.

Beim zweiten Versuch wurden beim Kontrollfohlen 4 Monate nach der Infek-
tion 230 Spulwürmen gefunden, während beim Fohlen mit der durchgeschnittenen
Trachea nur 10 Exemplare angetroffen wurden. Letztere sind wahrscheinlich mit
dem Blutstrom aus den Lungen im Herz und weiter in den Darm geraten.

Beim letzten Fohlen, das nicht in einer wurmfreien Gegend gezüchtet war,
wurden ein paar ausgewachsene Ascariden gefunden, welche von einer Infektion
kurz nach der Geburt herstammtem. Beim Anfang des Experiments konnten
jedoch keine Spulwürmereier im Kote dieses Tieres nachgewiesen werden.

Verfasser bezweifelt die Möglichkeit, dass diese Ascariden imstande gewesen
seien das Fohlen gegen eine spätere experimentelle Infektion zu schützen.

Die Re-infektionen, die bei den verschiedenen Nematodeninfektionen unsrer
Haustiere beobachtet werden und das Vorhandensein von Spulwürmern ver
schiedenen Alters bei einer spontanen Infektion sprechen nicht für eine erworbene
Immunität.

SUMMARY.

In two foals the author removed a part of the trachea and sutured the remaining
thoracal in the wound. By doing so the communication between the lungs and the
larynx was broken. These foals and two foals which were kept as controls, received
per os eggs (containing an embryo) of Parascaris equorum (Syn. A. mégalo-
cephala).

The first experiment remained without result as three months later in the
control-foal as well as in the foal with the tube only a few ascaris could be detected
The author describes it to the fact that the eggs collected from the uterus of ascaris
are unable to produce infective larvae.

The movableness of the embryo in the egg does not warrant the hatchability
of the egg.

In the second experiment, four months after infection occured, 230 ascaris
have been recovered from the controlfoal whereas in the foal with the cut trachea
only 10 ascaris could be detected. Probably the latter after being carried from
the lungs to the heart, reached the intestine with the bloodstream. In this foal, that
wiis not reared in a wormfree area, also a few adult ascaris were found resulting
from an infection shortly after birth. (At the commencement of the experiment
however the faeces of this animal showed no ascariseggs). The author doubts
whether these adult ascaris had been able to render the foal immune against
a later experimental infection The re-infections observed in varions nematode
infections of our domestic animals are not in favour of au immunity, nor points
the detection of ascaris of very different ages, in case of spontaneous infection
to an existing immunity in young animals.

RÉSUMÉ.

Chez deux poulains l\'auteur extirpa une partie de la trachée ; la partie thora
cique restante fut suturée dans la plaie. Ainsi la communication entre les poumons
et le larynx n\'existait plus. A ces poulains et à deux poulains de contrôle des oeufs
embryonnés de Parascaris equorum (syn. A. megalocephala) furent administrés
par voie buccale. — Le premier expèriment n\'avait pas de résultats ; au bout de
trois mois on ne trouva que très peu d\'ascaris chez le poulain de contrôle ainsi que
chez le poulain qui avait subi l\'extirpation. L\'auteur attribue cet insuccès au fait

-ocr page 189-

que les oeufs recueillis de l\'utérus d\'ascaris sont incapables de former des larves
infectives. La mobilité des embryons dans les oeufs n\'est donc pas une garantie
pour leur déreloppement.

Dans le second expériment, 4 mois après l\'infection 230 ascaris furent trouvés
chez le poulain de contrôle, tandis que chez le poulain avec la trachée coupée
seulement 10 exemplaires furent décelés. Vraisemblablement ces derniers après
avoir passé des poumons dans le coeur , ont été transportés dans l\'intestin par
voie sanguine.

Chez cet dernier poulain on trouva aussi quelques ascaris adultes, provenant
probablement d\'une infection accidentelle peu de temps après la naissance. Pour-
tant au commencement de l\'expériment les fèces de cet animal ne renfermaient
pas d\'oeufs d\'ascaris.

L\'auteur met en doute la possibilité que ces vers adultes auraient immunisé le
poulain contre une infection ultérieure. Les reinfections observées dans les diverses
affections vermineuses des animaux domestiques, de même que la présence
d\'ascaris d\'un âge très variable en cas d\'infection spontanée, ne plaident pas eu
faveur d\'une immunité.

De uitroeiing van de tuberculose onder het rundvee op Terschelling,

door

A. M. HIBMA, Terschelling.

Inleiding.

Het was voor mij sinds lang een uitgemaakte zaak, dat onder
het rundvee op Terschelling tuberculose zeldzaam voorkwam.
Mijne meening hieromtrent was gebaseerd op ervaringen door mij
opgedaan als practiseerend veearts en als keuringsveearts, alsmede
op de resultaten van de tuberculinatie van enkele veebeslagen.

De omstandigheden waren hier trouwens niet gunstig voor de
uitbreiding dezer ziekte. Ik zou in dit verband kunnen wijzen op
de pasteurisatie, die hier sinds rt)2j aan de zuivelfabriek voor-
treffelijk geregeld is. Ook wat betreft de aankoop van vreemd vee,
een handelwijze die al zooveel kwaad heeft gesticht, verkeerde
Terschelling in een gunstige positie, omdat het groote meerendeel
van het ingevoerde rundvee bestaat uit zeer jonge\' kalveren, dus
uit dieren waarbij de bedoelde ziekte weinig voorkomt. Vele der
ingevoerde kalveren verlaten het eiland bovendien weer op den
leeftijd van 2—21 jaar, als zij op het punt zijn af te kalven, of dit
juist hebben gedaan.

Herhaaldelijk is evenwel over het gevaar dat schuilt in het aan-
koopen van graskalveren (oudere dieren worden hier vrijwel nooit
ingevoerd) gesproken. En al waren de resultaten hiervan niet direct
waarneembaar, feit is, dat de veehouders daardoor hoe langer hoe
meer vertrouwd geraakten met de genoemde ziekte en met de
wijzen waarop tuberculose-vrije veestapels kunnen worden gein-
fecteerd. Er was slechts één omstandigheid, die de tuberculinatie
op groote schaal in den weg stond, nl. de kosten die het onderzoek
met zich bracht. In deze minder gunstige tijden geld uit te geven

-ocr page 190-

voor iets dat men slechts bij name kent, waarvan men de nadeeleir
nog niet heeft ondervonden, voor een zaak, waar de afnemers van
het vee, de Friesche veehandelaren, vrij onverschillig tegenover
stonden, wie zal het de veehouders euvel duiden ? ,

De nieuwe rijksregeling en de toekenning van subsidie door de
Provinciale Staten van Noord-Holland ruimden evenwel den slag-
boom uit den weg.

De organisatie.

In een vergadering van het Bestuur der Coöp. zuivelfabriek op
20 Augustus 1928, waartoe ook verschillende autoriteiten, be-
nevens vertegenwoordigers van organisaties op landbouw- en veeJ
teeltgebied waren uitgenoodigd, werd de zaak besproken, en van
toen af volgden de gebeurtenissen elkander snel op. Den 6 September
sprak de Heer Inspecteur van den Veeartsenijkundigen Dienst
\'t Hooft te West-Terschelling voor de leveranciers van consumptie-
melk (niet aangesloten bij de zuivelfabriek). Staande de vergade-
ring werd een vereeniging opgericht tot bestrijding van de tuber-
culose overeenkomstig de rijksvoorschriften, aanvankelijk met
14 leden, en werd besloten tot aansluiting bij de Vereeniging tot
bestrijding van de tuberculose onder het rundvee en van andere
veeziekten in Noord-Holland over te gaan.

Den volgenden dag had een buitengewone algemeene ledenver-
gadering van de zuivelfabriek plaats, waarin de Heeren
\'t Hooft
en P. Stapel, voorzitter van de zooeven genoemde Noordholland-
sche vereeniging, het woord voerden. Het resultaat was, dat met
op 3 na algemeene stemmen besloten werd eveneens zich aan te
sluiten bij de bovengenoemde provinciale vereeniging, waardoor
derhalve alle leden hun vee jaarlijks overeenkomstig de rijksvoor-
schriften moeten laten onderzoeken.

Den 8 November nam de Gemeenteraad met algemeene stemmen
de door Burgemeester en Wethouders ingediende voorstellen tot
wijziging van de begrooting voor 1929 en van verschillende veror-
deningen en instructies, noodig geworden in verband met de orga-
nisatie der tuberculosebestrijding, aan.

Ik laat de gewijzigde § na (,,Van de wering van veeziekten")
der Algemeene Politieverordening hier volgen.

art. 105. Het is verboden in de gemeente Terschelling vee in te voeren anders
dan tusschen 8 uur v.m. en 6 uur n.m.

Burgemeester en Wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verleenen.
art. 105a. Ieder, die vee in de gemeente invoert, is verplicht dat vee zonder op-
onthoud langs een der door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen wegen te
vervoeren naar een door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen plaats,
art. 1056. Na aankomst van de in art. 105a bedoelde plaats wordt het vee op
de in art. 105c vastgestelde uren zoo spoedig mogelijk aan een veeartsenijkundig
onderzoek onderworpen en blijft onder politietoezicht tot na afloop van dit
onderzoek.

-ocr page 191-

Voor rundvee omvat dit veeartsenijkundig onderzoek ook het onderzoek door
middel van de oogreactie op het al of niet aanwezig zijn van tuberculose,
art. 105c. Het in art. 105b bedoelde onderzoek vindt plaats dagelijks, met uitzonde-
ring van Zondagen en de door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen dagen,
van 2 uur n.m. tot 6 uur n.m. en zoo noodig op andere uren zulks ter beoordeeling
van den gemeenteveearts in overleg met Burgemeester en Wethouders,
art. 105
d. Rundvee, dat op de in art. 1056, alinea 2, bedoelde reactie positief
Reageert, moet binnen een door den gemeenteveearts in overleg met Burgemeester
en Wethouders vast te stellen tijd het eiland verlaten hebben. \')
art. 105e, Het is verboden in de gemeente Terschelling vee in te voeren, indien
Burgemeester en Wethouders bij een door hen genomen, behoorlijk afgekondigd
besluit hebben verklaard, dat naar hun oordeel wegens het heerschen van mond-
en klauwzeer in Nederland door den invoer in deze gemeente van vee gevaar voor
besmetting van den veestapel te Terschelling zal ontstaan.

art. 105/. Het besluit bedoeld in art. 105e wordt bij een behoorlijk afgekondigd
\' besluit door Burgemeester en Wethouders zoo spoedig mogelijk ingetrokken :

a. zoodra het mond- en klauwzeer in Nederland geweken is, of in zoodanige mate
is afgenomen, dat naar hunne meening het gevaar van overbrenging naar de
gemeente Terschelling als geëindigd kan worden beschouwd ;

b. indien de aanwezigheid van mond- en klauwzeer ook binnen de gemeente
Terschelling is geconstateerd en de ziekte zich naar hun oordeel dermate heeft
uitgebreid, dat het doel, waarmede dit besluit in het leven is geroepen, als vervallen
is te beschouwen.

Voorts werd bepaald, dat het ingevoerde rundvee tot na afloop
van het onderzoek in den gemeentestal blijft, en dat de kosten
voor voeding, verpleging en verzorging gedurende dien tijd, voor
rekening van de Gemeente komen.

Inmiddels waren steeds meer veehouders tot de Vereeniging van
Melkveehouders toegetreden, zoodat tenslotte
alle boeren, niet-
leden der zuivelfabriek zich hadden aangesloten, en het aantal
leden van 14 tot 49 was gestegen.

Het onderzoek.

Het onderzoek van den Terschellinger rundveestapel had den
27 October 1.1. een aanvang genomen en op 31 December d.a.v.
was bij alle runderen alhier zonder een enkele uitzondering, in
totaal 2440 dieren de herhaalde opthalmoreactie overeenkomstig
de rijksvoorschriften (3 dagen tusschenruimte tusschen de iste
«n 2de indruppeling, controle 6—8 uren daarna, oogtuberculine
van de R. S. I.) toegepast en waren de volledige signalementen
dezer dieren ingeschreven. Het resultaat was, dat er 34 dieren,
reageerden, als volgt verdeeld :

Aantal
leden.

Aantal
dieren.

Aantal
reageerders.

Procent.

Zuivelfabriek . .
Ver. v. Melkveeh.

203
49

2152
288

31
3

I.44
I.04

Terschelling

252

2440

34

i-39

1) Deze tijd is vastgesteld op 2 x 24 uur (H).

-ocr page 192-

Daar de reactiedieren, om voor de bestrijding aanspraak te
kunnen maken op subsidie van Rijk en Provincie, eventueel als
reactiedieren moeten worden verkocht, besloot het Bestuur dei-
zuivelfabriek aanvankelijk, een toeslag te geven van 5 % van den
verkoopsprijs van elk reactiedier dat naar den vasten wal verkocht
werd. Later werd deze toeslag op 15 % gebracht. Het Bestuur dei-
Ver. v. Melkveehouders volgde dit voorbeeld. De reactiedieren
verdwenen snel. Op 1 Januari 1.1. waren er nog 2 over ; deze worden
om bepaalde redenen nog eenigen tijd aangehouden, maar zullen
binnen zeer afzienbaren tijd ook worden verkocht.

Misschien zal men opmerken, dat het rijksmerk in het laatst
van 1928 nog niet officieel was vastgesteld, en dat derhalve de
reactiedieren ongemerkt verhandeld zijn. Ik stel er daarom prijs
op te verklaren, dat geen enkele der betrokken veehouders heeft
verzwegen, dat het dier hetwelk hij te koop aanbood gereageerd had.

De herkomst der reactiedieren.

De Nos. 3, 4, 28 en 29 maakten deel uit van een beslag, waarin
voor 2 jaar een open lijder, die hier als jong kalf was ingevoerd,
is opgeruimd.

De Nos. 7, 8, 11, 12, 13 en 14 behoorden tot een beslag, waarin
in het begin van het vorige jaar een longlijder, die hier als jong
kalf was ingevoerd, is opgeruimd.

De Nos. 2, 5, 6, 19, 20 en 33 zijn hier als jonge kalveren ingevoerd.

De Nos. 17, 18, 2T, 22, 24, 25, 27 en 34 zijn hier als graskalveren
ingevoerd.

No. 10 is hier als vaars, en No. 23 als enterstier ingevoerd.

De Nos. r, 9, 15, 16, 26, 30, 31 en 32 zijn op Terschelling geboren.

Van de 34 reactiedieren zijn dus 16 ingevoerd, terwijl 10 door
ingevoerde kalveren zijn geinfecteerd en 8 op Terschelling zijn
geboren. Het is mij niet gelukt uit te maken, op welke wijze de
inheemsche dieren (meest oude koeien) geinfecteerd zijn geraakt,
al werden in sommige gevallen wel bepaalde aanwijzingen ver-
kregen.

Ik heb getracht aan de hand der gegevens van de keuring van
ingevoerd vee na te gaan, welk percentage van de alhier geïmpor-
teerde jonge kalveren en graskalveren nu reageerde. Daar de
instelling van deze keuring dateert van 1 Juni 1926 kwamen na-
tuurlijk alleen de jongste thans reageerende ingevoerde dieren in
de boeken voor.

Vanaf den genoemden datum tot en met 31 December 1928 zijn
hier dan ingevoerd 364 jonge kalveren en hiervan bleken bij dit
onderzoek 4 (Nos. 6, 19, 20 en 33) te reageeren, d.i. 1.09 %. Van
de gedurende dien tijd ingevoerde 70 graskalveren reageerden
thans 6 (Nos. 17, 18, 21, 24, 25 en 27) d.i. 8.57 %. Deze percentages
zijn eenigszins geflatteerd, daar toch niet alle in dat tijdvak geim-

-ocr page 193-

porteerde dieren meer konden worden onderzocht ; er zijn er van
gestorven, terwijl andere reeds weer zijn uitgevoerd.

Dat het aantal hier gedurende 2j jaar ingevoerde dieren niet
grooter is, moet worden toegeschreven aan het feit, dat Burge-
meester en Wethouders, gebruikmakend van de hun in art. 105e
der Algem. Politieverordening toegekende bevoegdheid, den
28 Maart 1928 den invoer van herkauwende dieren en varkens
verboden, zulks met het oog op het heerschen van mond- en klauw-
zeer in Friesland en in Noord-Holland , dit verbod bestaat nog
steeds. 1) Ik mag hieraan toevoegen, dat Terschelling al dien tijd
vrij van mond- en klauwzeer is geweest.

Een enkele maal werd toestemming verleend om een dier van
Vlieland in te voeren, daar ook op dat eiland de bedoelde ziekte
niet voorkwam. Ik vermeld dit, omdat op deze wijze de vaars
No. 10, die eveneens een positieve reactie vertoonde, hier den
7 November 1928 is geimporteerd, en als zoodanig ook in de boeken
van den keuringsdienst voorkwam. Dit dier was als graskalf op
Vlieland ingevoerd.

Practisch gesproken is de Terschellinger rundveestapel dus vrij
van tuberculose, en dank zij het besluit van den Gemeenteraad tot
wering van reactiedieren, mag met recht worden verwacht, dat
hij ook vrij zal blijven. Misschien zal dat streng genomen niet
heelemaal het geval zijn, omdat de mogelijkheid bestaat, dat een
enkel jong kalf wordt ingevoerd, dat, hoewel geinfecteerd, nog niet op
tuberculine reageert. Ik herinner hierbij aan de mededeelingen van
V
eenbaas met betrekking tot dit punt in zijn laatste jaarverslag.
Veel kwaad zal zoo\'n dier evenwel niet kunnen uitrichten, daar
het bij het eerstvolgende algemeen onderzoek toch zal worden
ontdekt en dan onschadelijk zal worden gemaakt.

Een woord van waardeering voor de houding der Terschellinger
veehouders is hier tenslotte stellig op zijn plaats. Door eendrachtige
samenwerking hebben zij benijdenswaardige resultaten aangaande
de gezondheidstoestand van hun vee weten te bereiken. Mogen
zij, sterk door den steun van het Gemeentebestuur, er ook in slagen
den Terschellinger rundveestapel vrij van tuberculose en vrij van
mond- en klauwzeer te houden.

Intusschcn is met ingang van i Februari 1.1. de invoer weer toegestaan.

-ocr page 194-

DE ONTWIKKELING VAN DE PELSDIERTEELT EN WIJ,:

door \\

Dr. A. KLAREN BEEK (Priv. Doe.).

Het feit, dat de zilvervos een pelsteekening heeft, die door de
bontindustrie nog niet kon worden nagebootst en die dit in de
naaste toekomst ook waarschijnlijk niet zal kunnen, is één der
hoofdredenen, dat men sinds lang heeft getracht dit dier in ge-
vangenschap te houden. Sinds het mogelijk bleek, dat gevangen
zilvervossen, gehouden onder voor hen zoo gunstig mogelijke
condities, normaal paarden en jongen voortbrachten, die tot
krachtige dieren uitgroeiden en met een uit handelsoogpunt goe-
den pels waren voorzien, was de basis voor de pelsdierteelt en
in het bijzonder de teelt dezer dieren, gelegd. Als datum daarvoor
kan men nemen ongeveer het jaar 1890, toen op Prince Edward
Island door O
ulton en Dalton de resultaten van hun, in stilte
uitgewerkte, fokproeven, bekend werden en door hen voor pelzen
van gefokte dieren op de bontveilingen zeer hooge prijzen werden
bedongen.

Van dien tijd dateert de serieuze teelt der zilvervossen, die
gaandeweg veldwinnende, tegen den aanvang van den oorlog in
1914 in Amerika zulk een rage was geworden, dat voor een paar
fokdieren fabelachtig hooge prijzen werden besteed. De oorlog
zelf heeft in dit opzicht een nuttig effect opgeleverd. Een einde
werd op slag gemaakt aan den windhandel ; finantieel zwakke
en dubieus werkende ondernemingen verdwenen ; krachtige farms,
met gezonden basis bleven over; kortom : er trad een gezuiverde
sfeer in. Vereenigingen werden opgericht, zoowel in Canada als in
Noord-Amerika met stamboek-reglement : de uitvoer werd ook
van staatswege aan banden gelegd, zoodat alleen dieren met een
voldoend keuringsbewijs konden worden geëxporteerd. De huidige
stand van dit bedrijf in beide landen is nu zoo, dat men overal
groote farms aantreft, sommige met duizend of meer dieren,
die alle een zeer behoorlijke winst maken en die op pelsbasis werken.

Ofschoon de zilvervos oorspronkelijk werd aangetroffen in meer
noordelijk gelegen gebieden en men dus meende, dat strenge en
lange winters voor de pelsontwikkeling noodzakelijk waren, is ge-
bleken, dat de teelt ook in zuidelijker landstreken, ook met een
zeeklimaat, goede pelsuitkomsten geeft ; de vossen van het Prince
Edward Island zijn tot de beste te rekenen, die ter auctie worden
aangeboden. Overigens kent men drie typen : de
Eastern Stram,
de Western Strain en de Alaskavos. In Europa werd voorname-
lijk Eastern Strain-materiaal gekocht. Kruisingen onderling kan
gemakkelijk terugslag geven.

De invoer van fokmateriaal in Europa, dateert van na den oorlog.

-ocr page 195-

In vrijwel alle landen van Europa, de zuidelijkste, als Spanje en
de Balkanstaten, uitgesloten, hebben tal van dieren geïmporteerd.
Als voorbeeld van wat Amerikaansche reclame en handelsgeest
vermochten, diene, dat in Zweden en Noorwegen het aantal in
1928 geregistreerde vossen ongeveer zestienduizend bedroeg ; alle
dieren öf zelf import uit Canada of Amerika, öf nakomelingen
daarvan sinds het jaar 1924.

Ieder land heeft nu zijn vereeniging, behartigende de belangen
der fokkers van pelsdieren. De landen zijn sinds eenigen tijd ondtr
mede-leiding van bekende veterinairen (
de Moll, Zwicky, Henry)
in een ,,Union europêene des Eleveurs d\'Animaux a Fourrure" te
zamen gebracht. Deze Europeesche bond schrijft een uniforme
stamboekkeuring voor ; bepaalt verder de registratie-voorschriften;
regelt het tentoonstellingswezen ; zorgt voor standaardiseering van
het zilvervos-type ; waakt tegen uitwassen.

Het is begrijpelijk, dat de zeer gunstige uitkomsten met de
zilvervosteelt behaald, ook stimuleerend moesten werken tot het
nemen van proeven in gelijken zin met andere waardevolle pels-
dragers. Vooraan staat
de teelt van muskus- of bisamratten in ge-
deeltelijke vrijheid of in kooien gehouden. De vellen dezer dieren
hebben voor Canada, het land, dat wat bontproductie betreft
bovenaan staat, een nog veel grooteren invloed op de handels-
balans, dan de pelzen van welke dieren ook. Men houdt ze, nadat
ook de rentabiliteit van de teelt dezer dieren gebleken is, op be-
paalde wijze in moerassen of lage landen, waar ze verder geheel
voor eigen onderhoud zorgen en zelf hun nesten in water of bermen
bouwen. In de periode, waarin de pels ,,prime" of „rijp" is, wor-
den ze gevangen met vallen. Tegenwoordig houdt men ze ook veel
in z.g. „pensysteem", d. w. z. in bepaalde kooien, natuurlijk knaag-
vrij (b.v. met eternieten wanden), waarbij elke „pen" een hok is,
voor huisvesting van één paar ratten plus kroost. Door de teelt
dezer dieren volgens de eerste wijze, zijn de laatste paar jaar de
prijzen van vrijwel onnutte stukken grond in Noord-Amerika zeer
gestegen.

Behalve deze dieren en verschillende vossen-typen o. a. de blauw-
vossen, heeft
de teelt van Minks (Nerz) een goed deel der belang-
stelling. Deze dieren zijn uit den aard der zaak veel gemakkelijker
te houden dan zilvervossen ; zij zijn veel kleiner en behoeven
slechts een kleine ren. Over de fokresultaten zijn de meeningen nog
niet eensluidend, ofschoon reeds in Canada en Noord-Amerika
en ook in Zuid-Duitschland, vooral Beieren uitgebreide minks-
farms in goed bedrijf zijn.

De overige dieren als wasehberen (raccoon) en stinkdieren (skunks),
van welke laatste dieren de anaalklieren worden verwijderd, even-
als
de opossums, otters, marters en bevers bevinden zich nog in het

lvt i*

-ocr page 196-

beginstadium der huisdierteelt. Van doorgevoerde teelt en juiste
commercieele resultaten, gebaseerd op pelsbasis en niet op den
grondslag van fokdierenverkoop, is daarbij dus nog geen sprake.
Van de exotisch pelsdragers, die zeer waardevol bont (Persianer,
Breitschwanz) leveren, dient nog
het karakulschaap te worden
vermeld, te meer, daar de teelt dezer dieren, hoe langer hoe meer
ons land nadert.

Sedert den oorlog is mede de geheele konijnenfokkerij op andere
leest geschoeid. Talloos zijn de bedrijven, waar alleen op pels-
productie wordt gewerkt, waar honderden dieren worden geslacht
uitsluitend voor den pels. Vooraan staat daarbij het door den
Franschman D
ybowski gefokte Chinchillakonijn, dat zeer goed
het Amerikaansche knaagdiertje van dien naam, waarop de jacht
is verboden, vervangt ; spoedig volgen echter konijnen als de
Hava-
nas,
en Blauwe Weeners, om niet te spreken van de nieuwe inventie
— ook al weer een Fransche — van de diverse
Castorrex-konijnen,
d. w. z. konijnen, zonder bovenhaar.

Al speelde het konijn in de bontindustrie een zeer overwegende
rol, bovenvermelde rassen leveren nu vellen, die zonder verven
een waardevol modeartikel zijn.

Behalve deze rassen kent men nog de Angorakonijnen als pels-
dier. Deze dieren leveren door geregelde bewerking wol, die, veelal
in Engelsche spinnerijen verwerkt, van groote waarde is. Ook van
deze bedrijven zijn er zeer vele na den oorlog opgericht, ook in
ons land. In ons land bestaat een vereeniging van Angora-fokkers
met ca. 100 leden en 8000 dieren. Op het oogenblik maakt deze
fokkerij een crisis door, daar de wolafzet in Engeland zeer be-
moeilijkt is.

Keeren wij terug tot de teelt van zilvervossen, dan kunnen wij
niet ontkennen dat, door den import dezer dieren in ons land en
het oprichten van verschillende farms ook voor den dierenarts
een nieuw arbeidsterrein is toegevoegd aan de reeds bestaande.
Zij, die het werk van A
llen en Chester Mc Lure goed hebben
bestudeerd en weten wat aan de ,,Fox ranching" vast zit, weten
ook, dat uit veterinair hygiënisch oogpunt een hoogst interessant
arbeidsveld is ontstaan. Vooral voor den kenner van de ziekten
en voedingsproblemen der carnivoren hond en kat zijn de vossen
zeer belangwekkend :
de ziekten en overige problemen, die zich bij
deze dieren voordoen zijn nagenoeg geheel dezelfde, als die zich bij den
hond doen gelden.
De kennis der ziekten der kleine huisdieren heeft
daardoor ongetwijfeld een nog belangrijker toepassingsgebied ge-
kregen : op objecten, die voor het oogenblik nog van zeer hooge
economische waarde zijn en ook steeds een behoorlijke waarde
zullen blijven behouden.

In Canada heeft men het belang van een goed georganiseerde

-ocr page 197-

veterinaire voorlichting reeds lang ingezien en Allen heeft zijn
jarenlange ervaring aan het
,,Fox Research Station" van de
„Health of Animal Branch" van het Canadeesche Ministerie van
Landbouw opgedaan. Ook de Duitschers stichtten voor korten tijd
de
,,Reichs Zentrale für Pelztier- und Rauchwaren Forschung" in
de omgeving van Leipzig met het doel alle aangelegenheden weten-
schappelijk te bestudeeren en reeds menige publicatie is daarvan
het resultaat geweest.

Talrijk zijn de problemen, die de teelt dezer dieren met zich
mede brengt. Juist het feit, dat wij nog betrekkelijk in den aan-
vang der huisdierwording dezer dieren staan, maakt haar voor den
zoötechnicus zoo uitermate interessant ; vraagstukken, als krui-
sing der verschillende strains ; beïnvloeding van den pels door
kruising ; of door paring van dieren met verschillende zilverteeke-
ning ; witte vlekken in het haarkleed en vele andere zijn aan
de orde van den dag.

I)e hygiënist vindt in de voedingsproblemen een ruim en dank
baar werkterrein ; de huisvesting levert nog alle denkbare vraag-
stukken met betrekking tot terreinkeuze, hokkenconstructie, af-
rastering enz.

Ondanks over het algemeen streng doorgevoerde hygiene zijn
deze dieren veelvuldig besmet met verschillende wormen, voor-
namelijk met
darmwormen, die wij ook voor het meerendeel bij
den hond aantreffen. De moeilijkheid doet zich daarbij voor, een
paar dieren (de reu is op enkele uitzonderingen na monogaam),
dat eenmaal door wormen besmet is, door behandeling wormvrij
te krijgen en vooral ook vrij te houden.

De besmettingsbron moet in dezen allereerst gezocht worden in
de besmetting met talrijke wormsoorten der van overzee geïm-
porteerde dieren, waarvan het meerendeel zonder twijfel verschil-
lende wormsoorten herbergt. Het ware te wenschen geweest, dat
de veterinaire inspectie na de ontscheping zich ook ernstig met het
wormvraagstuk bezig hield en dat op den farm steeds een gelegen-
heid bestond, om dieren, die nieuw werden aangevoerd in een
goed te ontsmetten quarantaine-ruimte enkele dagen te plaatsen
en eventueel voor wormen te behandelen. Aldus zou een tweede
besmettingsfactor, die der herbesmetting, aanzienlijk kunnen
worden beperkt. Immers deze moet belangrijk zijn in een besloten
ruimte, welke uit den aard der zaak niet geheel is te ontsmetten
(bodemontsmetting), en zal vooral in den paartijd (Januari—
Maart), wanneer de dieren met rust moeten worden gelaten en
de hokken niet geregeld meer kunnen worden gereinigd, zeer in-
vloedrijk zijn. Als derde factor geldt, de besmetting met voedsel.
Bij de meeste fokkers heerscht nog de meening, dat men zooveel
mogelijk in alles de natuur te hulp moet roepen om de dieren zoo

-ocr page 198-

snel en goed als mogelijk in conditie te krijgen. Het is merkwaardig,
dat dit principe in de voeding soms zoo ver wordt doorgevoerd,
dat men bij voorkeur ook ingewanden met inhoud, van kip en
konijn toedient en ook verder de toestand der toegeworpen dieren
vaak niet in het minst controleert. Een dergelijke voeding moet
nadeel doen aan de overigens juist zoo angstvallig toegepaste
hygiëne.

Van de darmwormen komen verreweg het meeste voor de
Toxacara canis, d. i. de gewone spoelworm van den hond en de
Uncinaria stenocephala, (Dochmium, Ancylostomum), de haak-
worm, die ook bij honden in ons land veel wordt aangetroffen.
Beide wormsoorten kunnen vooral bij jonge dieren zeer ernstige
schade doen en ook bij oudere dieren gezondheidstoestand en
pelsontwikkeling aanzienlijk beïnvloeden.

Terwijl bij honden zeer veel lintwormsoorten voorkomen, zijn
de
Taenia-infecties bij vossen in gevangenschap gehouden, zelden.
De oorzaak daarvan schijnt ons te zoeken te zijn in de ontwikke-
lings-geschiedenis dezer wormen, die een tusschengastheer be-
hoeven.

Een moeilijk probleem is het identificeeren van longwormen,
door onderzoek van faeces. In de longen der vossen komt voor de
Crenosoma vulpis een strongylus-soort en de Eucoleus aerophilus,
een tot de Trichinellida behoorende parasiet, die ook bij de kat
wordt aangetroffen en die behalve in de bronchiën ook in de
trachea en soms in de neusholte parasiteert.

De aanwezigheid van longwormen, die ook volgens Allen als
de grootste vijanden van den zilvervos zijn te beschouwen, en bij
jonge vossen vaak aanleiding tot ernstige ziekteprocessen geven,
waartegen geen behandeling baat, is meestal aan te toonen door
faeces-onderzoek ;
Eucoleus aerophilus heeft citroenvormige eieren,
terwijl de
Crenosema vulpis levend barend is en de larven soms
in de faeces zijn aan te toonen.

Wanneer nu bij aankoop van dieren door het deskundig en
serieus ingestelde onderzoek der ontlasting deze eieren zouden
worden gevonden, zou de koop feitelijk niet door moeten gaan.
Echter wordt de differentiaal-diagnose der eieren hier uitermate
bemoeilijkt, doordat ook in den dikken darm van den vos een
tot de trichinellida behoorende parasiet voorkomt, de
Trichuris
vulpis,
die eveneens de citroenvormige eieren geeft en overigens
onschadelijk schijnt te zijn. Ofschoon met kweekproeven eventueel
met proeven op dieren, de differentiatie indirect wel is te ver-
krijgen, hebben deze methoden practisch vaak niet voldoende
belang, omdat men bij koop- en verkoop snel moet kunnen be-
slissen. Merkwaardig is het, dat A
llen in zijn werk blijkbaar
steeds het vinden van citroenvormige eieren aan longwormen toe-

-ocr page 199-

schrijft en niet rept van de blijkbaar onschadelijke dikkedarm-
parasiet. Op deze kwestie komen wij nader terug.

Ten opzichte van de behandeling der worminfecties moeten wij
het standpunt innemen, dat geen kuur wordt toegepast, zonder
gebleken noodzaak. Dat wil dus zeggen, dat wij tegen moeten
gaan, dat de fokkers vaak herhaalde kuren toepassen zonder
voorafgaand deskundig onderzoek. Dit onderzoek moet serieus
geschieden onder toepassing van de verzamelmethode (suiker,
keukenzout enz.) en centrifugeeren. De dierenarts, die daarvan
een studie maakt kan zonder twijfel spoedig voldoende routine
bezitten. Bij de in te stellen behandeling kieze men het middel
met maximum toxische werking op den gevonden parasiet. Men be-
denke echter, dat geen wormmiddel volkomen ongevaarlijk is voor
het dier zelf en houde daarmee steeds rekening bij de doseering.

Al zijn de worminvasies uit ziektekundig oogpunt in de vossen-
teelt de voornaamste factoren, ook andere invloeden kunnen den
gezondheidstoestand schaden. Verschillende parasieten kunnen
door inwerking op de huid en het gehoororgaan tot stoor-
nissen aanleiding geven.

Behalve vlooien, die \'s zomers vaak een groote plaag zijn en ge-
regeld bestreden moeten worden, zijn vooral de
mijten van belang.
Veelvuldig komen oorontstekingen voor (otitis externa) door
Psoroptes communis en door Otodectes cynotis, twee parasieten, die
ook bij hond en kat geen onbekenden zijn. De verschijnselen en
bestrijdingswijzen zijn dezelfde als voor hond en kat. Verder ko-
men mijten voor, die de Sflfco/jfcs-schurft veroorzaken.

Allen raadt aan alle dieren met sarcoptes-schurft te dooden.
Met G
raf Vitzthum zijn wij het geheel eens, dat deze bestrijding
wel wat al te radicaal is. Al hebben wij bij ons tot heden nog geen
gevallen van sarcoptcs-schurft bij zilvervossen waargenomen, wij
stellen ons toch voor, dat de behandeling, die door ons bij honden
steeds wordt toegepast en nagenoeg steeds snel de genezing ver-
wezenlijkt, ook bij den vos wel haast zeker resultaat moet geven.

Ziekten van groot belang zijn verder de rachitis, en de honden-
ziekte.

Een zeer gunstig verloop van rachitis hebben wij kunnen waar-
nemen bij een jonge blauwvos, door toediening van „Vigantol",
het vitamine-D-preparaat (gestandaardiseerd). Bij een bezoek
aan vrijwel alle farms in ons land in het najaar van 1928 konden
wij verder eenige vergevorderde gevallen van rachitis waarnemen
bij jonge vossen, geboren en gehouden in de eenige fokkerij, die
op zeer laag land was geplaatst. Wij meenen dan ook invloed
van bodem en atmosfeer op het ontstaan van rachitis hier te
moeten aannemen en bevelen alleen teelt aan op hoogen of althans
drogen grond (liefst zandgrond).

Evenals de fret is de vos zeer vatbaar voor het filtreerbare virus

-ocr page 200-

der hondenziekte. Het consigne : „geen hond binnen de buiten-
omrastering van het terrein is daarom niet overdreven". Aange-
wezen zal zijn, bij uitbreken der ziekte in een farm, hetwelk vroeg
of laat is te verwachten, zoo snel mogelijk een vaccin te maken
van een der aangetaste dieren volgens de methode L
aidlaw
en Dunkin, en te trachten de geheele fokkerij daarmede in te
spuiten. Vooralsnog bestaat nog niet een vaccin gebaseerd op
het ziekteverwekkende agens zelf, dat voldoende houdbaarheid
heeft voor den handel en waarvan ook de preventieve werk-
zaamheid bij vossen vaststaat.

Door een gesprek met Dr. Müller uit Freiburg kregen wij mede-
deeling van enkele gevallen van ernstige
miliair tuberculose bij
vossen, vooral gezeteld in de longen ; het onderzoek in het labo-
ratorium van U
hlenhuth verricht, gaf ook aanleiding tot de
conclusie, dat de virulentie der tuberkelbacillen zeer hoog was.

Uit deze beschouwing, die slechts in groote trekken deze nieuwe
materie weergeeft, moge blijken, dat wij, dierenartsen ten spoedig-
ste moeten zorgen, paraat te zijn bij de bestrijding van ziekten en
bij de behandeling van problemen op het gebied van teelt, huis-
vesting of anderszins. Want ook in ons land zullen aan het einde
van het jaar zeker een iooo—1500 dieren, ieder van hooge waarde
voor fokkerij en pelsproductie beschikbaar zijn en te verwachten
is, dat dit aantal zich nog zeer in de naaste toekomst zal uitbreiden.

Daarbij is het zeker, dat ook andere pelsdieren in teelt zullen
worden genomen ; bisamratten zijn reeds op verscheidene plaatsen
aanwezig, evenals waschbcren en skunks en minks. Niemand kan
op het oogenblik zeggen, hoe deze teelt zich zal ontwikkelen.
YVanneer men echter ziet, dat de grootste lichamen van den bont-
handel zooals de Hudson Bay Company zelf de teelt financieren
en proefstations bezitten om tot veredeling van de pelzen te ko-
men ; wanneer men weet, dat in 1930 een internationale tentoon-
stelling in Leipzig wordt gehouden door den bonthandel, waaraan
een congres is verbonden ter bespreking van alle vraagstukken
die voor de teelt der dieren van belang zijn, dan is vertrouwen in
de teelt van pelsdieren niet misplaatst en heeft het opschrift van
dit artikel voor ons vérstrekkende beteekenis.

VOOR LITERATUUR :

J. A. Allen and W. Chester, S. Mc Lure. Theory and Practice in Fox Ranching,
1926.

Frank G. Ashbrook. Fur Farming for Profit. 1928.

V. Beaune. Monbahus (Lot et Garonne) France. Elevage en Captivité d\'ani-
maux a Fourrure. 1928.

A. Ley. Die Zucht edler Silberfüchse. 1926.

Prof Dr. Demoll. Die Silberfuchszucht. 1925.

-ocr page 201-

E. \\V. A. Stein und Dr. Ing. A. Priesner. Wirtschaftsfragen der Pelztier-
zucht. 1928 München.

Van de bladen zijn aan te raden :
The
Black Fox Magazine, New-York.
Für Farming London (ook veel over konijnen).
Der Deutsche Pelztierziichter, München.

Die Pelztierzucht, Leipzig (Ook hoog wetenschappelijk peil ; neemt ook de pu-
blicaties van de Reichs Zentrale te Leipzig op).
Elevage et Fourrwe, Paris.
Avicultura, Doetinchem.

EEN ZELDEN VOORKOMEND GEVAL,

door

Dr. AUG. DIEMONT Jr., Nijmegen.

Aan het slachthuis alhier werd een varken geslacht, waaraan
bij de keuring voor het slachten niets bizonders werd opgemerkt.

Na de slachting bleek dat zich aan beide baarmoederhoornen
een „gezwel" bevond op de plaats waar zich normaliter de ovaria
bevinden. Aan eene zijde was op die plaats ook nog een klein
absces aanwezig. Bij aansnijding van een der beide hoornen bleek
er een geringe pyometra te bestaan met eenige stank gepaard
gaande. Een der „gezwellen", die bij uitwendige inspectie veel
op testikels geleken, werd ook aangesneden en had op doorsnede
macroscopisch hiermede zeer veel gemeen.

Ik meende goed te doen, de ééne helft, die intact werd gelaten,
aan Prof. K
rediet te zenden. Z.H.Gel. berichtte mij eenige dagen
later, dat het praeparaat zeer welkom was voor de verzameling
hermaphrodieten juist „omdat de tuba zoo\'n wonderbaarlijke
excursie over den testikel maakt".

Vanwege de pyometra en de testikels werd de kook- en braad-
proef op het vleesch van dit varken toegepast en wel met positief
resultaat, niet echter vanwege de pyometra maar vanwege de
testikels, want uit onze braadpan steeg zeer duidelijk de geur op,
die men zoo dikwijls gewaar wordt bij het braden van het vleesch
van een binnenbeer.

Daar dit vleesch dus bij goedkeuring zeer zeker aanleiding tot
klachten zou hebben gegeven, meende ik dit geval hier even te
moeten vermelden, daar misschien niet altijd aan het ovarium
van het varken bij de inspectie van de baarmoeder voldoende
aandacht wordt besteed om een dergelijk „gezwel" te onderkennen
van andere voor de vleeschkeuring minder belangrijke afwijkingen
zooals bijv. de vaak voorkomende ovariaalcysten met donker
gekleurden inhoud.

-ocr page 202-

GREPEN UIT DE DIERGENEESKUNDIGE ETHIEK,1)

door

T. D. SIGLING.

M. de V. M. H. De min of meer delicate taak, waarvoor ik mij,
op vereerende uitnoodiging van Uw Dagelijksch Bestuur, zie
gesteld, wil ik niet zonder een enkel inleidend woord aanvaarden.

Het is geen phrase, wanneer ik zeg, dat ik met eenigen schroom
hier voor u sta. Ik ben mij bewust, dat het onderwerp, hetwelk
ik U hoop in te leiden niet gemakkelijk is en dat het gebied der
ethiek vele voetangels en klemmen verbergt en vooral ben ik
doordrongen van het feit, dat ik mij bevind temidden van eene
vergadering van mannen, waarvan verscheidenen beter dan ik
en met meer gezag, dit gegeven voor U zouden kunnen behandelen.
Daarom moge ik aanvangen met de opmerking, dat ik niet hoop,
dat iemand Uwer de meening is toegedaan, dat ik voornemens
zou zijn hier een les in ethiek te willen geven ; mij alzoo in ethisch
opzicht Uwe meerdere te achten. Ik zou de zaak gaarne zóó willen
stellen : de omstandigheden hebben gewild, dat ik eene inleiding
over deze zeer zeker belangrijke vraagstukken in Uwe vergadering
mag houden en ik hoop, dat zulks, mede door de gedachtenwisse-
ling, welke hierop wellicht zal volgen, voor U, maar niet minder
voor mij, moge leiden tot ruimer en beter inzicht.

De beschikbare tijd laat niet toe, aangenomen, dat dit mogelijk
zou zijn, de ethiek volledig te behandelen. Ik beperkte mij dus
tot enkele grepen en begin met het eerste onderdeel mijner voor-
dracht :

a. Diergeneeskundige fatsoensleer.

Reeds meermalen kwamen de laatste jaren in uwe vergaderingen
onderwerpen ter sprake, die een ethischen ondergrond vertoonden.
Ook de vergadering van gisteravond was daaraan goeddeels gewijd.

Het blijkt derhalve, dat behoefte gevoeld wordt aan ethische
normen, die door ons allen kunnen worden aanvaard en die als
grondslag, en ter bescherming moeten dienen, voor den naam van
den diergeneeskundigen stand. De evolutie, die onze wetenschap
in de laatste 25 a 30 jaar heeft doorgemaakt, gepaard aan de tijden
van decadentie, welke wij thans beleven, hopelijk grootendeels
weder beleefd hébben, maakt het zeer noodig, dat wij ons deugde-
lijk rekenschap geven van de eischen, waaraan wij ieder individueel
dienen te voldoen, opdat wij medewerken tot het hooghouden van
den diergeneeskundigen stand.

Het ,,noblesse oublige" en het ,,c\'est le ton qui fait la musique"
zijn gezegden, die ons steeds voor oogen dienen te staan.

\') Voordracht gehouden op de 73e Alg. Vergadering der Mij. v. Diergeneeskunde
te Utrecht, 13 Oct 1928.

-ocr page 203-

— i8g —

Er is in uwe vergaderingen meermalen op gewezen, dat de
,,opvoeding tot collegiale samenwerking" bij den student dient te
beginnen. Van niet te overschatten waarde acht ik de beteeker.is
dezer coëducatie, die vroeger door het V. S. C. ,,Absyrtus" en
hare sub-vereenigingen werd nagestreefd en die thans zeker nog
een belangrijk doel is van de studenten-organisaties.

Hoewel door sommigen wordt betreurd, dat door het opheffen
van het V. S. C. „Absyrtus", het contact tusschen onze studenten
onderling en ook met de Maatschappij is verminderd en door ver-
snippering ook de omstandigheden tot het vormen van hechte
banden van kameraadschap ten ongunste zijn gewijzigd, zoo ben
ik toch met velen van oordeel, dat het meerder contact met andere
studenten de algemeene ethische en cultureele ontwikkeling ten
goede komt. Moge dit laatste in de naaste toekomst meer en meer
het geval zijn en wel in die mate, dat het gemis van al het goede,
dat ons geliefd Corps „Absyrtus" ons destijds in zoo hooge mate
gaf, daardoor ruimschoots worde vergoed !

Toch geloof ik, dat het goed is om deze materie niet geheel aan
de studenten zelf over te laten. Door onze Maatschappij en vooral
ook door het onderwijzend personeel onzer Faculteit dient het een
en ander te worden gedaan, terwille van de ethische vorming van
den aanstaanden dierenarts.

Natuurlijk werd en wordt ook nu nog door heeren professoren,
lectoren en conservatoren ongetwijfeld elke geschikte gelegenheid
benut om in deze richting hun invloed aan te wenden, maar het
dient m. i. meer systematisch te geschieden in den vorm van
voordrachten in den geest van wat Prof. T
reub deed voor de
medische studenten. Het verheugt mij buitengwoon, dat ons
H.B. ter zake en in deze richting reeds voor onze studenten is
werkzaam geweest.

Want wij moeten er, ook door onze ervaring in het leven, wel
ernstig van doordrongen zijn, dat aan de ethische vorming van
den aanstaanden dierenarts, nooit te veel zorg kan worden besteed.
Ik heb mij wel eens afgevraagd, waarom aan de aanstaande offi-
cieren van Land- en Zeemacht, die toch gemiddeld zeker niet uit
minder beschaafd milieu afkomstig zijn als onze studiosi, eene
handleiding wordt verstrekt over „vormen en briefwisseling", welk
boekje tevens als leidraad dient bij de besprekingen, welke door
de leeraren met de cadetten en adelborsten worden gehouden. Nu
weet ik wel, dat daar nog eenige, meer speciaal militaire, verhou-
dingen zijn, welke de noodzakelijkheid van zulk een handleiding
in het bijzonder doen gevoelen, en die aan dit werkje dan ook een
afzonderlijk cachet geven. Maar dit neemt niet weg, dat ik een
dergelijk werkje, dan wellicht liever in den geest van de brochure
van Prof. T
reub „Medische fatsoensleer", ook voor onze aan-
staande collega\'s hoogst wenschelijk zou achten en het zou n. m. m.

-ocr page 204-

op den weg liggen van onze Maatschappij om dit denkbeeld te
verwezenlijken.

" In hoeverre een systeem van „klasse-leiding", zooals wij dat
aan de Koninklijke Militaire Academie kennen — en waarvan ik
door eigen ervaring kan zeggen, dat het heel veel goeds heeft,
omdat ik zelf het voorrecht had eenige malen als klasse-leider op
te treden — voor onze studenten mogelijk of wenschelijk zou zijn,
wil ik niet beoordeelen. Wel weet ik thans, dat ik als student
te weinig persoonlijk contact had met de docenten, niettegen-
staande ik door allerlei corpsfuncties nog in dit opzicht bevoor-
recht was boven anderen. De diergeneeskundige fatsoensleer, die
niet vanwege het fatsoen als universeel beschavingskenmerk, maar
door de toepassing in bepaalde gevallen iets bijzonders heeft, zou
alzoo, evenals Prof. T
reub deed, in eenige voordrachten, dienen
te worden behandeld, maar daarnaast zou m. i. het persoonlijk
contact tusschen docenten en studenten, speciaal met het oog op
de opvoedende beteekenis daarvan, zooveel mogelijk bevorderd
moeten worden. Het is voor den jongen dierenarts niet voldoende,
als hij de noodige wetenschappelijke en practische bekwaamheden
bezit, welke hem in staat stellen om te voldoen aan de eischen
der verschillende examina, hij behoort, wil hij in de maatschappij
slagen en den diergeneeskundigen stand eer aandoen, ook het
noodige „savoir vivre" bezitten. Door de verstrekking aan eiken
student van een brochure, als ik zooeven bedoelde, bij den aan-
vang zijner studie, zal deze ethische vorming belangrijk onder-
steund kunnen worden.

Het zal door al deze maatregelen mogelijk zijn den student een
dosis fatsoensbegrip bij te brengen, waaraan hij later ongetwijfeld
groote behoefte zal hebben.

Want wij mogen het onszelven niet verhelen, M. H., dat ook in
onze gelederen, evenals trouwens in die van andere intellectueelen,
helaas verschillende symptomen van decadentie voorkomen.

Laat ik enkele grepen doen uit velerlei, dat zeker door U nog
ad libitum zou kunnen worden aangevuld.

Eenigen tijd geleden ontdekte ik bij een mijner cliënten een
boekje, getiteld: ,,
Handleiding bij veeziekten", uitgegeven in 1926
door het laboratorium ,,de Denneboom" en geschreven door een
collega, wiens naam en kwaliteit van Leeraar aan een Rijks-
Landbouwwinterschool op het titelblad prijkten. Prijs 90 cent.
Dat zulke boekjes een eeuw geleden bestonden is begrijpelijk, maar
dat men in dezen tijd zijn naam leent voor dergelijk onwetenschap-
pelijk geschrijf is toch wel allerdroevigst. Het wordt den lezers wel
zeer gemakkelijk gemaakt. Bij ziekte No. . .. bestelt men medicijn

No.....a f ... . Voor het geval er nog moeilijkheden in deze

kwakzalverspraktijk overblijven is de bewuste collega bovendien
voor de lezers nog gratis te consulteeren .

-ocr page 205-

Ik heb eenige jaren geleden een boekje over verpleging van en
eerste hulpverleening aan zieke dieren geschreven en bij die ge-
legenheid is mij gebleken, dat ook door personen en oudere collegae,
waarvan men dit allerminst zou mogen verwachten, werd aange-
drongen op eene eenigszins uitvoerige beschrijving van ziekten en
hunne behandeling ; ik heb mij, vermoedelijk tot mijn eigen ma-
terieele schade, daartegen verzet en meen, dat wij het belang der
dieren en hunne eigenaars het best dienen, door slechts te behan-
delen die onderwerpen, welke in beknopt bestek voor den leek be-
grijpelijk gemaakt kunnen worden, en welke slechts mogen bevatten
gegevens op het gebied van omgang met dieren, anatomie, phy-
siologie, hygiëne en verbandleer, en dan enkele eenvoudige aanwij-
zingen omtrent eerste hulpverleening. Ik geloof echter wel, dat
het publiek, en vooral natuurlijk het minder ontwikkelde, werkjes
als dat van ,,de Dennenboom" meer koopt, dan het mijne !

Dat wij ook uiterst voorzichtig dienen te zijn met het geven
van adviezen in de „vragen-rubrieken" van dag- en weekbladen,
behoeft wel geen betoog. Ik moge ter zake verwijzen naar eene
door mij destijds met succes gevoerde actie tegen dergelijke mede-
deelingen in een onzer grootste weekbladen.

Niet slechts het materieel belang van den dierenarts wordt door
dit soort „voorlichting" geschaad, maar eveneens het belang
van den eigenaar en last not least het belang van het zieke dier,
dat voor ons toch het zwaarst moet wegen.

Ook heeft het mij getroffen, dat zich den laatsten tijd het insti-
tuut van dierenarts-geneesmiddelgrossier ontwikkelt, hetwelk ik
niet minder bedenkelijk acht.

Klaargemaakte pakketten geneesmiddelen, koliekpoeders I en
II staan ons tegenwoordig ten dienste. Ik meen, dat het recht
en de goede gewoonte van den dierenarts, om zélf de voorgeschre-
ven recepten gereed te maken of te doen maken, in zijn eigen belang
èn in dat der cliënten, dient te worden gehandhaafd. Het afgeven,
gemakshalve, van recepten, heeft vaak, tot schade voor beide
partijen, de kwakzalverij bevorderd, doordat allerlei „chemische
fabrieken" deze recepten als patent-geneesmiddelen in den handel
brengen. Indien men zelf geen apotheek wenscht te houden is
een contract met een apotheek onder de algemeen geldende
voorwaarde „ne iteretur" hier het veiligst. Ter illustratie diene
hier een ondervinding een onzer collega\'s, die op zijn spreek-
uur het verzoek kreeg van iemand om het recept te mogen ont-
vangen van een met goeden uitslag bij eczeem aangewend genees-
middel. Het recept werd tegen betaling verstrekt, maar al spoedig
kwam de betrokkene terug met de mededeeling, dat hij hiermede
niets kon beginnen. Het was nl. gesteld in een code, alleen be-
kend aan de gecontracteerde apotheek !

\') Zie T. v. D. G., 1925, blz. 241.

-ocr page 206-

Hoezeer het prestige van onzen stand kan lijden door afgifte van
onbetrouwbare en slecht geredigeerde attesten, behoef ik u niet
te zeggen. Dat de verhouding tusschen ons, dierenartsen, en ver-
zekeringsmaatschappijen nog wel eens het een en ander te wenschen
overlaat is u bekend en de waakzaamheid onzer Maatschappij op
dit punt is nog steeds noodig.

Betreffen deze enkele korte voorbeelden ons optreden tegenover
de buitenwereld — ook onderling laat de toepassing der ethiek
soms veel te wenschen over. In plaats van elkaar te waardeeren
en te steunen, neemt men dikwerf een onderlingen strijd waar,
een neiging tot het elkaar afbreken en omlaag halen, ook tegen-
over derden, dat door onzen Voorzitter indertijd terecht is ge-
noemd een „kanker van den kwaadaardigsten vorm voor onzen
stand".

Een op welvoegelijke wijze wetenschappelijk debatteeren in ons
Tijdschrift kan slechts vruchtdragend zijn, maar een diergenees-
kundige polemiek in leekenbladen heeft geen zin en leidt slechts
tot depreciatie van onze wetenschap . Moge de besluiten, welke
gisteren door de vergadering zijn genomen er toe bijdragen, dal
de inter-collegiale rechtspraak, die wij niet zullen kunnen ont-
beren, in goede banen wordt geleid, en moge deze in belangrijke
mate bijdragen tot verheffing van den diergeneeskundigen stand .

Wanneer wij ons rekenschap geven van de beoordeeling onzer
faites et gestes door het publiek, dan is meer en meer voor ons van
belang om te letten op het oordeel van hen, die zich, georganiseerd
in belangrijke vereenigingen, toeleggen op de bescherming der
dieren.

Het heeft mij vaak getroffen, dat er tusschen dierenbeschermers
en dierenartsen niet steeds
die goede verstandhouding heerscht,
welke men a priori zou moeten verwachten en ... . ook voor de
dieren het meest wenschelijk zou zijn. Vooral met de toename
der klein huisdierpraktijk komt het ideëele karakter der dierge-
neeskunde en daarmede het contact met dieren-beschermers meer
op den voorgrond. De dierenarts, die toch zeker mede door ge-
negenheid voor de dieren, zijne beroepskeuze heeft bepaald, is
thans niet zoo sterk meer dan vroeger genoodzaakt om te be-
denken, dat hij slechts „kapitaal" behandelt. Maar dan mag hij
ook verwachten, dat de dierenbeschermer hem naar waarde weet
te schatten en anderzijds dient hij zich dan ook in te werken in de
beschavingsvraagstukken, welke de dierenbescherming opwerpt.
En, wanneer ik dan thans één enkel zoodanig vraagstuk wil be-
spreken, dan moge ik daaraan het tweede onderdeel mijner inlei-
ding wijden :

b. Het standpunt van den dierenarts ter zake van z.g. mode-
operaties.

Een der meest elementaire factoren, welke ons prestige beïn-

-ocr page 207-

vloeden, is wel, dat de dierenarts steeds zélf heeft te bepalen,
welke behandeling een hem aangeboden dier heeft te ondergaan.

Wij hebben echter, door den huisdierstaat van onze patiënten,
daarbij niet slechts te maken met
geneeskundige indicaties, doch
ook met
oeconomische factoren.

Daardoor ontstaan grensgevallen, waarbij het ingrijpen van
den dierenarts niet is gebaseerd op diergeneeskundige overwegin-
gen, maar een gevolg is van den wil van den eigenaar. Tot deze
grensgevallen kan men rekenen : het castreeren, coupeeren en
dooden van dieren.

Nu eischt het standsgevoel om te overwegen wat men kan
doen en wat niet. Moet in de genoemde gevallen de dierenarts
steeds de wensch van den eigenaar volgen?

Naar mijne meening zou hij dan veelal in conflict komen met
eigen geweten en tevens gevaar loopen zijn prestige te benadeelen.
I)e dierenarts is zeker wel in de eerste plaats geroepen om den
eerbied voor de levende natuur te helpen aankweeken. Daarom is
hij zedelijk verplicht te bevorderen, dat het dier worde beschermd
tegen onredelijke verminking. Ook het dooden van gezonde,
overcomplete dieren is m. i. beneden zijne waardigheid. De roeping
van den dierenarts is de zieke dieren te genezen, en indien dit niet
mogelijk blijkt te zijn, dan kan hij aan het ongeneeselijk zieke dier
de weldaad bewijzen, om het pijnloos te dooden. Maar wat de
overige gevallen betreft, kan hij door voorlichting bevorderen,
dat inrichtingen worden tot stand gebracht, waar dit door leeken-
personeel op zoo gunstig mogelijke wijze geschiedt.

De castratie is geheel gebaseerd op oeconomische motieven.

Ik voel het als een groot onrecht de dieren aangedaan, dat nog
steeds in art. r van de wet van 8 Juli 1874, Stbl. 98 is bepaald, dat
het doen van „heelkundige operaties" op gezonde dieren aan ieder
geoorloofd is en ik ben van meening, dat deze bepaling in flagran-
ten strijd is met den geest van art. 254 W. v. S., waarbij het noode-
loos toebrengen van pijn of letsel aan dieren strafbaar is gesteld.

Het „opereeren" door leeken moge vroeger om oeconomische
redenen noodig geweest zijn, ten gevolge van het gemis van een
voldoend aantal dierenartsen, thans is dit zeker niet meer het ge-
val en waar de castratie een oeconomisch noodwendige, maar toch
niet onbelangrijke heelkundige bewerking is, waarvan de juiste
uitvoering niet van leeken kan worden verwacht, dient deze
operatie te komen in handen van den bevoegden dierenarts.

Met het coupeeren van ooren en staart onzer huisdieren is het
nog weer anders gesteld. Meestal gelden hier nóch diergeneeskun-
dige nóch oeconomische motieven, maar hebben wij te doen met
een modegril of handelstruc.

Ik acht het beneden de waardigheid van den dierenarts om zich
daartoe te leenen. Ik onderschat natuurlijk niet de moeilijkheid

-ocr page 208-

voor sommige collegae om deze bewerkingen aan hunne cliënte
te weigeren. Maar ik meen, dat een nadrukkelijk afwijzende hou-
ding, in stede van hen te schaden, hen in de oogen van het publiek
zal verheffen. Ik kan de juistheid niet inzien van de stelling, dat
wij deze verminkingen zouden uitvoeren, omdat zij anders toch
door minder bevoegden (leeken) op meer pijnlijke wijze worden
verricht. Wij zijn slechts verantwoordelijk voor wat wij zélf doen
en moeten trachten op
andere wijze een eind te maken aan de,
onder deze voor onze huisdieren wel zeer verouderde wet, bestaande
misstanden. Ons voorbeeld moge hier beter werken, dan de camou-
flage, die wij anders plegen. Ik zou wel eens willen weten hoeveel
dierenartsen deze operaties uitvoeren . Ik weet wel, dat niemand
onzer deze operaties als modegril, verdedigt, slechts enkelen ze
verontschuldigen, doch velen ze verwerpen. Voor de beoordeeling
is zeker mede van belang, dat men deze operaties zelden con
amore zal doen. Elke operatie, welke wij verrichten om een ziek
dier te genezen, schenkt ons een zekere voldoening, maar deze
verrichtingen zullen bij velen een gevoel van weerzin veroorzaken.
Zoolang leeken deze operaties mogen uitvoeren, en zich daarbij op
dierenartsen kunnen beroepen, die het ook doen, zullen deze
mensch-onwaardige gewoonten blijven bestaan.

Onze houding zal er veel toe kunnen bijdragen om deze schan-
delijke misbruiken uit de wereld te helpen en aldus kunnen wij
er het onze toe bijdragen om de beschaving te helpen bevorderen.
Ik zou wel wenschen, dat deze vergadering zich ter zake duidelijk
uitsprak, ook ter wille van de velen, die zich in den lande interes-
seeren voor dierenbescherming en ik moge U opwekken om de
diergeneeskundige wetenschap te stellen in dienst van den ge-
rechtvaardigden eisch van dezen tijd : bescherming van de dieren
tegen onredelijke daden, zooals deze nuttelooze en wreede vermin-
kingen, welke helaas bij de (verouderde) wet zijn toegestaan !

M. de V. Ik dank U voor de gelegenheid, welke mij is gegeven
deze gedachten hier in Uwe vergadering uit te spreken en hoop,
dat zij eenigszins mogen bijdragen tot verheffing van onzen dier-
geneeskundigen stand.

Discussie.

Dr. Vrijburg. Ik ben het volkomen met den Heer Sigling eens, dat de dieren-
artsen zooveel mogelijk de Vereenigingen voor Dierenbescherming moeten steu-
nen, haar zoo mogelijk leiding moeten geven. Velen zal het echter gegaan zijn
als mij, ik heb mij hoe langer hoe meer daarvan teruggetrokken, omdat ik mij
te veel ergerde aan ziekelijke ontaardingen, waaraan die Vereenigingen veelal
gaan lijden. Ontaardingsverschijnselen zijn m. i. b.v. het geheel willen verbieden
den hond als trekdier te gebruiken, inplaats van alleen ongeschikte exemplaren
uit te sluiten, het willen verbieden van vivisectie, inplaats van alleen onnoodige
misbruiken tegen te gaan, het oprichten van toevluchtsoorden voor gebrekkige
honden en honden zonder eigenaar (dus nuttelooze), inplaats van die op een zachte
manier te dooden en het bespaarde geld te gebruiken ten behoeve van de lijdende
menschheid.

-ocr page 209-

De Heer Sigling. De dierenarts is m. i. de aangewezen persoon om door zijn
wetenschappelijken en persoonlijken invloed de uitersten, welke op het gebied der
dierenbescherming, evenals op elk gebied van het gevoelsleven, zeer zeker voor-
komen en die het hoofddoel dikwijls groote schade doen, te helpen vermijden.
Dit vereischt geduld en tact en men beleeft daarbij wel eens moeilijke oogenblik-
ken, maar mijn overtuiging is, dat wij niet het recht hebben ons aan die taak te
onttrekken, maar juist op onzen post moeten blijven ter wille van de belangen
der dieren.

Het oordeel, dat collega Vrijburg uitspreekt over dierenasyls bevreemdt, mij
zeer. Ik geloof, dat, wanneer wij met de zorg voor onze huisdieren moesten wachten
tot er voor de menschen geen leed meer bestond, zij nooit aan de beurt zouden
komen. Het zou er dan ook voor de diergeneeskunde slecht uitzien! Ik meen boven-
dien, dat zij, die willen helpen het leed der dieren te verminderen, niet de minsten
zullen zijn, waar het geldt eventueel hulp te verleenen aan medemenschen. Ik be-
schouw juist de dierenasyls als een zeer goed middel om de daadwerkelijke dieren-
bescherming zonder overdrijving te propageeren. Het aanhouden van dieren, die
geen redelijke levenskans als huisdier meer hebben, dient natuurlijk vermeden te
worden. Maar men vermindert het aantal zwervende dieren (c. q. smetstofdragers)
en het is zoowel voor de samenleving als voor de dieren zelf beter, dat deze pijnloos
worden gedood, indien geen tehuis gevonden wordt, dan dat zij blijven zwerven.

Dr. Van Nederveen. Ook ik onderschrijf vrijwel alle opvattingen van den
inleider, maar wensch een enkel woord te zeggen omtrent de verhouding van de
dierenartsen tot de Vereenigingen van dierenbescherming. Ik ben ervan over-
tuigd, dat ieder dierenarts in beginsel aan dierenbescherming een warm hart toe-
draagt ; dit is het eerste vereischtc voor het met toewijding vervullen van zijn
taak. Men dient echter wel een goed onderscheid te maken tusschen dierenbescher-
ming en de Vereenigingen van personen, die zich voor een dergelijk doel hebben
aaneengesloten. Deze streven in vele gevallen een doel na, waarmede ik mij niet
kan vereenigen ; het streven b.v. naar algeheele afschaffing van den hond als trek-
dier.

Wanneer dit doel zou worden bereikt zouden tal van goedwillende menschen
op het platte land in de onmogelijkheid worden gebracht in hun onderhoud te
voorzien. Bij de propaganda voor dit doel heb ik medegemaakt, dat argumenten
werden gebezigd, welke den toets der kritiek niet konden weerstaan, werden grove
onjuistheden verkondigd met betrekking tot de anatomie van den hond. Ik heb
daar toen aanmerking op gemaakt en dat bracht mij in conflict met de leidende
personen in de Vereeniging tot bescherming van dieren in de toenmalige plaats
mijner inwoning. Ik ben er zeker van dat, zoodra die Vereenigingen met hun,
in het algemeen gesproken, sympathiek beginsel, meer dan tot nu toe, rekening
gaan houden met de praktijk van het leven en zij zich onthouden van uitersten,
zij zullen kunnen rekenen op den daadwerkelijken steun van het gros der Neder-
landsche dierenartsen.

Sigling. Ik heb dezelfde ervaringen gehad als collega Nederveen, maar ik
herhaal, dat ik het mijn plicht achtte desondanks mijne medewerking te blijven
verleenen. Het kost wel eens heel veel geduld, maar tenslotte is het voor de zaak
der dierenbescherming toch het beste, dat wij stand houden, daar het geldt een
goed en mooi beginsel, een werk der beschaving tevens, dat wij naar beste weten
behooren te steunen.

-ocr page 210-

INGEZONDEN.

Typhus in een slagersgezin.

Toen in de maand September van het jaar 1927 mij door den gemeente-arts
Dr.
Idzerda werd medegedeeld, dat in het gezin van een slager te Utrecht typhus
heerschte, pleegde ik terstond overleg met den Directeur van den geneeskundigen
Dienst hier ter stede en zette hem mijn zienswijze ongeveer als volgt uiteen.

In artikel 7 en art. 8 van het Koninklijk besluit van 6 Juni 1921, (Stbl. 754)
ter uitvoering van Art. 19 der Vlceschkeuringswet staat het navolgende vermeld :

,,de Minister kan verbieden, dat personen, lijdende aan eene door hem te noemen
..besmettelijke ziekte, werkzaam zijn in da door hem aan te wijzen inrichtingen,
als bedoeld in art. 19 dezer wet. De Minister kan nadere voorschriften geven
,,voor de uitvoering van de bepalingen van dit besluit".

Afgezien van het feit, dat de Minister, voor zooverre mij bekend is, een der-
gelijke beschikking tot heden niet heeft genomen, zou zulk een beschikking stellig
niet verbieden, dat bacillen-dragers, die toch niet kennelijk ziek zijn en nog minder
van personen, die verdacht worden bacillen-dragers te zijn, werkzaam zijn in
een slagersbedrijf, Maar ook meen ik, dat er tot heden geen sprake kan zijn een
slagersbedrijf te sluiten, als in het gezin typhus heerscht.

Noch de gezondheidsdienst, noch de besmettelijke-ziekten-wet, geven, voor
zooverre mij bekend is, voorschriften tot sluiting van een bedrijf in consumptie-
artikelen. Dit blijkt reeds uit het feit, dat bet melkbesluit voorschriften ten aan-
zien van den melkverkoop bij het heerschen van besmettelijke ziekten in het
gezin van den melkverkooper heeft moeten geven.

Thans ben ik dan overtuigd, dat de tijdelijke sluiting van de slagerij behoorende
aan den slager \'1\'. alhier, volkomen onwettig is geweest. Toen echter Zaterdag
26 Augustus j.1. de gemeentearts Dr.
Idzerda mij berichtte dat door een der ambte-
naren der gemeenteslachtplaats, tijdens mijn afwezigheid, de winkel van den
slager T. was gesloten, wilde ik mij hiertegen niet terstond verzetten, omdat ik
gaarne wilde medewerken tot een dergelijke sluiting ; te meer omdat mij werd
medegedeeld, dat in een aantal gezinnen die spek uit deze slagerij hadden betrok
ken, typhus was uitgebroken. Maar toen mij later bij rustig nadenken bleek, dat
er voor een dergelijke sluiting absoluut geen rechtsgronden aanwezig waren, heb
ik den winkel wederom laten openen, zoodra de ontsmetting was afgeloopen
Ook heb ik het vleesch laten terugbrengen, hetwelk tijdelijk uit den winkel naar
het koelhuis van het abattoir was vervoerd.

Daar nu de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat vroeg of laat wederom in liet
gezin van een slager hier ter stede een besmettelijke ziekte onder de leden van
het gezin uitbreekt, stelde ik voor mondeling overleg te plegen, hoe in het vervolg
zal dienen te worden gehandeld. Het scheen mij aangewezen dat eerst getracht
wordt zekerheid te verkrijgen van het College van B. en W. alhier, dat de schade,
voortvloeiende uit de in het algemeen belang genomen sluiting, van gemeentewege
wordt vergoed.

Daarna heeft de directeur van den Geneeskundigen Dienst nog een vergadering
belegd, waarin de Heer
Dozy, Inspecteur voor de Volksgezondheid te Hilver-
sum en ook ik tegenwoordig waren. Het resultaat van dit onderhoud was, riat
werd vastgesteld, dat zoolang de besmettelijke-ziekte-wet niet is gewijzigd, er
geen rechtsgronden bestaan om een winkel in consumptie-artikelen te sluiten,
indien in het gezin een besmettelijke ziekte heerscht. Toen dan ook in den loap
van het jaar 1928 wederom typhus uitbrak hier ter stede in het gezin van den
slager B. is de winkel niet gesloten geworden.

In verband met dit alles meen ik er opmerkzaam op te mogen maken, dat de
mededeeling, in de Verslagen en Mededeelingen betreffende de Volksgezondheid
1928, No. 11, blz. 1465 (zie ook tijdschrift voor Diergeneeskunde 1929, blz. 41)
waarin wordt vermeld dat bij het heerschen van typhus in bet gezin van een

-ocr page 211-

slager hier ter stede, de Directeur van den gemeentelijken geneeskundigen dienst in
samenwerking met den Directeur van den keuringsdienst voor waren, de noodige
maatregelen namen om erger te voorkomen, onjuist is. Dit overleg is geschied met
den Directeur der gemeenteslachtplaats en niet met den Directeur van den
keuringsdienst voor waren.

De Directeur der Gemeenteslachtplaats,
Hoefnagel.

Dr. li. Bemelmans, Chef van het Vét. Hospitaal te den Haag verzoekt plaatsing
van het volgende stuk, voorkomende in ,,Het Vaderland" van 17 Jan. j.1. (Avond-
blad) .

De positie der Militaire Paardenartsen.

Men schrijft ons vari bevoegde zijde :

l)e Kamerleden van Rappard en Deckers hebben onlangs tijdens de Defensie-
begrooting een lans gebroken voor de officieren van den Geneeskundigen, den
Veterinairen en den Pharmaceutischen Dienst, in verband met de omstandigheid,
dat voor hen een diensttijd van 30 jaren beschouwd wordt als langdurige dienst
en zij uit dien hoofde bij hun ontslag in vele gevallen nog geen recht op het wette-
lijk maximum pensioen kunnen doen gelden. Alhoewel de heer
van Dijk opmerkte,
dat het niet juist is als grief te noemen, dat iemand zijn maximumpensioen niet
kan bereiken en dat het stellen van dat maximum niet de beteekenis heeft, dat
men onder normale omstandigheden een zoodanig pensioen moet kunnen ver-
krijgen, maar integendeel dat maximum het peil aangeeft, waarboven het meerdere
niet mag worden genoten, zoo heeft de Minister van Defensie deze onbillijkheid
erkend en te kennen gegeven, dat ten opzichte van bedoelde officieren een eeniger
mate tegenmoetkomende houding zal worden aangenomen in dezen zin, dat hun
ontslag zoover worde opgeschort, als met het oog op de belangen van den dienst
maar eenigszins toelaatbaar mag worden geacht.

Zeer terecht heeft de heer van Rappard echter er op gewezen, dat dit een tege-
moetkoming is, welke voor een bepaald persoon van belang kan zijn, doch : ,,het
is geen verbetering in het algemeen en dus niet afdoende."

De heer Deckers heeft o. a. als oplossing aanbevolen, dat men vastlegt, niet bij
wijze van gunst, maar bij wijze van recht, dat de officieren van den Geneeskundigen
Dienst, den Veterinairen en den Pharmaceutischen Dienst, dezen niet behoeven
te verlaten, voordat zij 35 dienstjaren hebben.

Hoe lofwaardig deze poging tot positieverbetering ook moge zijn, de uitwerking
daarvan zou buitengewoon onpractisch zijn, daar men als het ware hiermede alle
promotie vastlegt en dit vooral in een klein korps, in het bijzonder van dat der
paardenartsen en dat der phannaceuten, funest is.

Met eenige welwillendheid is er voor deze twee kleine dienstvakken toch zeker
wel een betere oplossing te vinden.

Uit vorenstaande moge gebleken zijn, dat de 3 categorieën van officieren van
den Geneeskundigen Dienst ten opzichte van de overige officieren van de land-
macht, wier benoodigde diensttijd op 40 jaren is gesteld, ten opzichte van het
niet kunnen bereiken van het wettelijk maximum pensioen in zeer ongunstige
positie verkeeren

Voor wat de paardenartsen betreft, beperkt zich deze ongunstige positie hiertoe
niet ; ook ten opzichte van de officieren van gezondheid verkeeren zij ten aanzien
van promotie en salarieering in een zeer ongunstige positie. Reeds meermalen is
de aandacht gevestigd op de billijkheid de traktementen der paardenartsen
gelijk
te stellen
met die der officieren van gezondheid. Die billijkheid was gegrond op de
overweging, dat de opleiding en de maatschappelijke positie der paardenartsen
te vergelijken zijn met die der officieren van gezondheid. Van dezelfde overweging
ging de toenmalige M. v. O. uit, toen in 191 (> de positieverbetering der paarden-
artsen werd ter hand genomen De Memorie van Toelichting op het Vllfe Hoofd-

-ocr page 212-

stuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1916 zegt dienaangaande onder
§ 1B1, 2e alinea :

,,Het ligt in de bedoeling bij deze herziening de paardenartsen te beloonen op
den voet der officieren van gezondheid, met wie zij, op grond van hunne opleiding
en hunne maatschappelijke positie te vergelijken zijn. Alleen bestaat er aanleiding
hunne traktementen een paar jaar bij die der officieren van gezondheid te doen
achterstaan, daar de paardenartsen en de militaire apothekers gemiddeld een paar
jaar vroeger in dienst treden".

Dit moge voor 1916 juist geweest zijn, doch nu sindsdien de Rijks Veeartsenij-
school, na eerst tot Hoogeschool te zijn verheven, tot diergeneeskundige faculteit
van de Universiteit te Utrecht is gepromoveerd, zijn de duur en de omvang der
opleiding, zoomede de kosten der studie van de toekomstige paardenartsen toege-
nomen, en is voor hen de aanleiding om hun traktementen, behoudens de overige
gelijkstelling een paar jaar bij die der officieren van gezondheid te doen achter-
stellen, alsmede komen te vervallen. Dit moge uit het navolgende blijken.

De gemiddelde studietijd voor een dierenarts bedraagt de laatste jaren minimum

jaar ; bij een vergelijking van den gemiddelden studietijd voor artsen bleek, dat
de Utrechtsche Universiteit over hetzelfde tijdvak artsen afleverde, welke in iets
korteren tijd hun diploma verwierven.

De paardenarts staat dan ook in ontwikkeling en kennis niet achter bij den
gewonen arts. De propaedeutische studiën voor paardenarts en arts staan gelijk.
Paardenartsen deden na twee jaar het artsexamen en daar waar zij samengaan,
ziet men den veterinair niet achteraan komen. Reeds twee veterinairen waren
buitengewoon hoogleeraar aan de geneeskundige faculteit van de Leidsche Hooge-
school en door den Senaat der Universiteiten Leiden, Utrecht en Groningen is
aan verscheidene de titel verleend van doctor medicinae honoris causa.

Arts en dierenarts werken op den huidigen dag samen in het belang der volks-
gezondheid. De dierenarts is als wetenschappelijk persoon zelfstandig geworden,
maar steeds za] hij de groote hulp in dankbare herinnering gedenken, die hem bij
de ontwikkeling van zijn wetenschap van de zijde der menschclijke geneeskunde
deelachtig geworden is.

Na eindexamen H.B.S. 5-j. c. of gymnasium heeft de paardenarts gemiddeld
bj jaar noodig om dierenarts te worden ; de studie is dus niet gering, zoodat de
paardenarts recht heeft, niet achtergesteld te worden bij den officier van gezond-
heid. De gemiddelde leeftijd van de 3 laatst aangestelde officieren van gezondheid
in 1927 bedraagt zelfs nog niet 25J jaar.

In de studietijden mag dus vroeger een gering verschil gelegen hebben en de
paardenartsen iets jonger in leeftijd in dienst zijn getreden, thans is evenwel dat
verschil totaal opgeheven. Er komen zelfs onder de paardenartsen studietijden voor
van zeven en acht jaar, met leeftijden bij aanstelling van 28 jaar en meer. Ook in
de studiekosten van arts en dierenarts kan van cenig verschil geen sprake zijn,
daarenboven ontvingen de artsen bij hun aanstelling tot officier van gezondheid
meestal nog een vergoeding in een premie van / 5000.—, of meer, terwijl zij na
8 jaar tot kapitein bevorderd worden, hetgeen voor den paardenarts eerst na 10
jaar geschiedt.

Onlangs is aan de beide oudste paardenartsen der ie klasse (kapiteins) de titu-
laire rang van majoor toegekend ; beide, met 22 dienstjaren, behouden dus het
traktement van kapitein, zijnde ƒ 5800.—, terwijl de beide laatste officieren van
gezondheid reeds na 15 en 14 dienstjaren tot majoor bevorderd, eveneens / 5800.-
na 18 dienstjaren zullen ontvangen. Gezien deze feiten is liet onbegrijpelijk, waar-
om bij de nieuwe salarisherziening, welke officieus bekend is, die verhoudingen
thans wederom zoo ongunstig voor de paardenartsen zijn gemaakt.

Uit het vorenstaande is toch gebleken dat er geen reden meer is om de paarden-
artsen bij de gewone artsen in salarieering achter te stellen. Toch is dit in niet
geringe mate geschied. Het aanvangsalaris van den paardenarts is zelfs verlaagd
,ot ƒ 2800.—; dat van den officier van gezondheid bedraagt echter / 3200. . Bij

-ocr page 213-

- i99

aanstelling tot kapitein, na 8 dienstjaren, ontvangt de officier van gezondheid
/ 4800.—, terwijl de paardenarts na 8 jaar / 4000.— ontvangt en zijn salaris na
bevordering tot kapitein, na 10 dienstjaren, slechts / 4300.— bedraagt.

De achterstelling in salaris en promotie van den paardenarts bij den officier
van gezondheid zal bij de nieuwe regeling grooter zijn dan zij reeds was. Het komt
mij overbodig voor deze achterstelling, in verband met de vluggere promotie in
de hoofdofficiersrangen der officieren van gezondheid, hier nader aan te toonen.

Vergelijkt men de traktementen, zooals de regeling zal zijn, dan blijkt, lettende
op de promotie, zooals zij thans is, dat de officier van gezondheid, na 30 dienst-
jaren, een belangrijk bedrag meer verdient dan de paardenarts, daarenboven
krijgt eerstgenoemde een grooter pensioen.

Maakt men een vergelijking met de troepenofficieren, die den dienst niet be-
hoeven te verlaten, voordat zij 40 dienstjaren hebben, dan valt de rekening nog
veel meer ten nadeele van den paardenarts uit.

De paardenarts begint toch door meer studiekosten (ongeveer ƒ 15.000) en
derving van de inkomsten welke de officieren de eerste jaren hebben (-J- ƒ 8.000.-—)
zeer zeker met een ^ / 20.000.— minder ; vervolgens gaat hij gelijk op waarmede
de rente en aflossing van dit kapitaal niet worden ingehaald en ten slotte komt
hij door de betere promotie in de hoogere rangen bij de wapens en korteren dienst-
tijd aan het einde daarvan een heel eind in bezoldiging (totaal ontvangen bedrag)
achter te staan, wat zich ook al weder in achterstand van het pensioen laat ge-
voelen.

Uit vorenstaande moge gebleken zijn, dat het te eenenmale onjuist is te meenen,
dat bij de salarisregeling de studiejaren en de hoogere studiekosten der paarden-
artsen verdisconteerd zijn, omdat zij hoogere aanvangssalarissen hebben, zooals
de Minister van Defensie beweerde in zijn antwoord aan de heeren
van Rappard
en Deckers.

Gezien de slechte promotiekansen, welke te ver achter staan bij die der officieren
van gezondheid, hadden de paardenartsen als compensatie toch zeer zeker mogen
verwachten een traktementsverbetering, minstens overeenkomende met die der
officieren van gezondheid.

Uit het voorgaande toch blijkt de billijkheid, dat de paardenartsen vermeenen
recht te hebben op een opklimming, overeenkomende met die der officieren van
gezondheid, zoowel in financicele positie als in promotiekansen.

Het gebrek aan perspectief in de bevordering zou gedeeltelijk geëlimineerd
worden door voor de paardenartsen den hoofdofficiersrang, respectievelijk dien
van majoor, na 20 dienstjaren in uitzicht te stellen met een bezoldiging van / 6000.—
met tweejaarlijksche verhoogingen van / 200.— opklimmende tot / 6800.— na
28 dienstjaren.

Mede zou hierdoor aan het bezwaar tegemoet worden gekomen, dat de paarden-
arts als subalterne officier op ouderen leeftijd bij zijn adviezen aan commandeerende
officieren geen voldoende autoriteit kan doen gelden, wat voor de goede uitoefening
van den dienst noodig is.

Wil het leger werkelijk steeds over zeer goede paardenartsen beschikken, dan
geve het den paardenarts, ten opzichte van de officieren van andere wapens en
dienstvakken, de bezoldiging en de promotie, welke hem krachtens zijn opleiding
toekomen. Laat men voor deze feiten niet blind blijven, het is een landsbelang
ze te zien.

Bij de beraadslaging over onderartikel 102 luidende „personeelsuitgaven ten
behoeve van den militairen veterinairen dienst", heeft de heer
Duymaer van
Twist
er bij den Minister van Defensie alsnog op aangedrongen om de positie van
de paardenartsen, voor wat pensioenaanspraken betreft, nog eens nader onder
oogen te zien.

Op de vraag : „Zoude de minister nogmaals willen onderzoeken, wat voor deze
categorie van officieren, die bij andere collega\'s achterstaan, kan worden gedaan,
opdat ook de officieren bij den militairen veterinairen dienst het volle pensioen

-ocr page 214-

kunnen verkrijgend" ontving de lieer Duymaer van Twist echter geen antwoord.
Te hopen is het, dat hierop alsnog door den Minister van Defensie zal geantwoord
worden.

Laat de Eerste Kamer deze landsdienaren bij de aanstaande begrooting van
Defensie niet vergeten.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Ondergeteekende, penningmeester der afdeeling Zuid-Holland, verzoekt den
leden dringend hun contributie over 1929 ad. / 22.— vóór 1 Maart a.s. op zijn
girorekening No. 95334 (Groot-Ammers) te willen storten.
 D. Hendrikse.

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

De slachttarieven te \'s Gravenhage.

De gemeenteraad van \'s Gravenhage had in zijn vergadering van 30 April 1928
een wijziging gebracht in de slachttarieven van het openbare slachthuis. Die wij-
ziging betrof een verlaging van het keurloon van zeer lichte beesten en bovendien
werd het aantal organen, dat zonder vergoeding aan het slachthuis moet worden
afgestaan, uitgebreid.

De s\' Gravenhaagsche Vleeschgrossiersvereeniging Eensgezindheid heeft zich,
mede namens de beide slagersvereenigingen te \'s Gravenhage, tot den Minister
van üinnenl. Zaken en Landbouw gewend, met het verzoek te willen bevorderen,
dat de goedkeuring aan de wijzigingsverordening, die, voor wat betreft het afstaan
van organen, zonder overleg met hen tot stand is gekomen, zou worden onthouden.
Tevens werd gevraagd te bevorderen, dat de bestaande bepalingen omtrent dit
afstaan zonder vergoeding zouden worden vernietigd. De organisatie\'s meenden,
dat dit afstaan niet toelaatbaar moet worden geacht en vreesden bovendien, dat
in de toekomst het aantal organen, dat zonder vergoeding moet worden afgestaan,
nog meer zou kunnen worden uitgebreid, zonder voorafgaand overleg.

Naar thans wordt vernomen, heeft de Minister bezwaar gemaakt de wijziging
ter goedkeuring aan de Kroon voor te leggen. De bestaande verordening, waarbij
de afgifte van enkele organen verplicht is, blijft voorloopig van kracht, doch D.
en W. bereiden een wijziging voor, waarbij de verplichte afgifte zonder vergoeding
van organen geheel wordt opgeheven.

De grossiersvereeniging zal maatregelen treffen, waardoor voorkomen wordt,
dat gemeente-apotheek, die de organen verwerkt, deze zal moeten missen.

Walvischvleesch en rendiervleesch.

In de rubriek ,,van over de grenzen" van de Vee- en Vleeschhandel van 22 Jan.
j.1. vond ik vermeld, dat te I.iverpool het eerste walvischvleesch, afkomstig uit
Nieuw-Zeeland, in den handel is gekomen. In de restaurants daar ter plaatse wordt
het als iets ,, heel gewoons" beschouwd, als men er een portie van bestelt. In de winkels
wordt dit vleesch vlot verkocht voor 15—30 cent per pond (4 J ons) Tevens kwam
er ook een proefzending walvischvleesch over van 50 kisten a 48 pond uit New-
Foundland, dat eveneens een goed debiet vond. De importeurs meenen, dat deze
handel slechts loonend voortgezet kan worden bij een verkoopsprijs van 30 cent
per pond, wat wel te verwezenlijken zal zijn, daar het artikel het gewone rundvleesch
zeer nabij komt en ook bij dien prijs nog aanmerkelijk goedkooper blijft.

In de Vereenigde Staten van N. Amerika blijkt het gebruik van rendiervleesch
zoo te zijn toegenomen, dat dit vleesch thans de officieele aandacht van de regee-
ring heeft en het Ministerie van Binnenl. Zaken reeds pogingen heeft aangewend
om de houderij van rendieren en de verwerking van het vleesch in Zuid-Alaska te

-ocr page 215-

bevorderen. Hiervoor is samenwerking gezocht met de spoorwegen, die, door
zichzelf vrachtgoed te verschaffen, tevens een markt voor het product konden
scheppen. Het ambtelijke rapport deelt hierbij tevens mede, dat 40 jaar geleden
het geringe aantal van 40 rendieren uit Siberie ingevoerd werd, hoofdzakelijk ten
behoeve der inboorlingen. Deze dieren hebben zich echter zoo voortgeplant, dat
er nu reeds een 300.000 tal in Alaska voorkomen.

De invoer van vleeschwaren uit Zwitserland.

De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid heeft bepaald, dat, met inacht
neming van de bepalingen van het Kon. Besluit tot uitvoering van art. 30 van de
Vleeschkeuringswet en van de desbetreffende beschikkingen, tot wederopzegging
eveneens vleeschwaren mogen worden ingevoerd uit Zwitserland.

Opening van het nienwe abattoir te Nieuwer-Amstel.

Op 24 Januari j.1. had, in tegenwoordigheid van vele autoriteiten en genoodig-
den, de opening plaats van het nieuw gebouwde openbare slachthuis te Nieuwer-
Amstel.

De overgangstermijn, bedoeld in art. 47 der vleeschkeuringswet.

Toen op 10 Juli 1926 de algemeene maatregel van bestuur van 6 Juni 1921 werd
vervangen door een nieuw koninklijk besluit en de eischen, waaraan de in art. 19
der wet genoemde inrichtingen moesten voldoen, werden verscherpt, werd de
vraag geopperd, of nu ook de termijn van 5 jaar, bedoeld in art. 47 der wet, opnieuw
begon te loopen voor bestaande inrichtingen. Bleef de oude datum van kracht,
dan moesten bestaande winkels uiterlijk 1 Juni 1927 aan de eischen der wet vol-
doen. Begon een nieuwe termijn te loopen, dan had men nog 5 jaar na het in werking
treden van het nieuwe koninklijke besluit op 26 Sept. 1926, dus tot Sept. 1931
tijd. Zooals ik reeds vroeger mededeelde, werd tegen een slager te Amsterdam
proces-verbaal opgemaakt wegens het feit, dat hij niet op 1 Juni 1927 zijn winkel
aan de eischen der wet had laten voldoen. Slechts met zeer groote kosten had ge-
noemde slager zijn inrichting kunnen verbouwen, terwijl het betreffende pand
bovendien niet zijn eigendom was, en de huur op 1 Mei 1929 afliep, zoodat voor
een betrekkelijk korten tijd (1 Juni 1927—1 Mei 1929) de slager deze onkosten
zou moeten maken.

Zoowel de kantonrechter als de rechter te Amsterdam stelden den slager in het
ongelijk. Deze ging daarop in booger beroep, zoodat op Maandag 21 Jan. j.1. vcor
den hoogen raad de advocaat van den slager diens standpunt nader kon toelichten.

Blijkens een mededeeling in de „Slagerscourant" van 25 Jan. j.1. wierp de ad-
vocaat een tweetal cassatiemiddelen op.

In het eerste cassatiemiddel werd betoogd dat de vleeschkeuringswet geen de-
finitie geeft van het begrip „vleeschwinkel", hetgeen van belang was, omdat bij
de onderhavige zaak het karakter van werkplaats domineert. In zijn toelichting
op dit eerste cassatiemiddel wees de advocaat er op, dat de hooge raad bij de ar-
beidswet steeds een scherp onderscheid maakt tusschen een winkel en een werk-
plaats. Het zou z.i. onaannemelijk zijn, indien 2 sociale wetten van den laatsten
tijd een verschillende definitie van het begrip winkel zouden huldigen. Daarom
moet men wel aannemen, dat de definitie, welke de jurisprudentie voor de arbeids-
wet volgt, ook voor de vleeschkeuringswet behoort te gelden. De rechtbank heeft
zich van deze vraag kort afgemaakt door te verwijzen naar hetgeen volgens het
spraakgebruik onder het begrip „vleeschwinkel" moet worden verstaan. De ge-
schiedenis met de arbeidswet leert echter dat het spraakgebruik geen voldoende
houvast biedt.

Betreffende het tweede cassatiemiddel, zijnde de eigenlijke vraag waar deze
procedure over loopt, becritiseerde de advocaat het standpunt van de rechtbank
en van de kantonrechter. Z.i. hebben volkomen terecht beide college\'s medege-
deeld, dat de wetgever heeft bedoeld een termijn van 5 jaar als overgangsperiode
en dat die termijn is aangevangen na het in werking treden van het koninklijk
besluit, bedoeld in art. 19 der vleeschkeuringswet. Niet duidelijk is echter hoe het
moet gaan, wanneer die algemeene maatregel binnen de vijfjarige periode wordt

14

LYT

-ocr page 216-

opgeheven. De advocaat verdedigde uitvoerig het standpunt, dat door het konink-
lijk besluit van 1926 een geheel nieuwe termijn was aangevangen en wel met de
volgende motieven.

a):. Art. 12 van het nieuwe besluit van 1926 geeft aan, dat het besluit van 1921
is vervallen en alleen nog maar geldt voor diegenen, die dat besluit reeds hadden
nageleefd. Voor degenen, die het besluit van 1921 nog niet hadden nageleefd, be-
stond dit besluit dus niet meer. Voor iemand, die tot deze laatste categorie behoorde,
was dit besluit voortaan een gesloten boek.

,, . .de in dat artikel (nl. art. 19 der Wet) bedoelde algemeene maatregel van
bestuur" zooals het in art. 47 der wet heet, was dus vanaf dat oogenblik : de alge-
meene maatregel van 10 - 7—1926.

b). De advocaat opperde de vraag, hoe de rechtbank en de kantonrechter zouden
hebben beslist, als de algem. maatregel van 1921 vóór het einde van de 5-jarige
periode zonder meer was afgeschaft, zonder door een nieuwe algemeene maatregel
te zijn vervangen. Zouden zij dan hebben geredeneerd, dat dit niet ter zake doet,
omdat het voldoende is, dat er een moment geweest is, waarop de verordening
,,in werking getreden" was? Naar de meening van den advocaat is het logisch en
vanzelfsprekend, dat het niet voldoende is, dat de bedoelde alg. maatregel ,,in
werking" getreden is, maar ook dat deze gedurende de 5-jarige periode en ook
daarna is blijven gelden. Aanvaardt men dit niet, dan zouden krachtens art. 47
der wet voor reeds bestaande zaken eischen gelden, waaraan nieuw te openen zaken
niet meer behoeven te voldoen.

Z.i. ware de rechtbank met haar redeneering juist geweest, indien de Alg. Maat-
regel van 1921 gedurende 5 jaar gegolden had en daarna door eene andere alg.
maatregel vervangen was. De zaak zou ook anders staan, indien de oude termijn
door de algem. maatregel van 1926 geprolongeerd was ; daarvan is echter geen
sprake, daar art. 12 van de algem. maatregel van 1926 de vorige algem. maatrege
onverkort intrekt.

Tenslotte wees de advocaat op den algemeenen regel van art. 1 van het Wetboek
van strafrecht, volgens welke regel bij wijziging in de wetgeving, nadat het straf-
bare feit is gepleegd, steeds de voor den verdachte meest gunstige bepaling moet
worden toegepast. Deze rechtsregel kan hier niet gelden, juist omdat het strafbare
feit nog niet was gepleegd. Wanneer echter de wetgever deze regel huldigt, indien
het strafbare feit reeds gepleegd is, dan moet men dezelfde gedachte des te eer
huldigen, wanneer het strafbare feit nog niet is gepleegd.

Op 4 Maart a s. zal de procureur-generaal bij den Hoogen Raad conclusie nemen

de Graaf.

25-jarig jubileum der Rijks-Seruminrichting.

In een huishoudelijke bijeenkomst van de ambtenaren en het verdere personeel
der Rijksseruminrichting op
1 Febr. \'s morgens heeft de directeur Dr. Lourens
in het kort de geschiedenis der inrichting besproken en de overleden medewerkers
herdacht, in de eerste plaats de oprichter Dr.
Poels.

Dr. Reeser sprak daarna Dr. Lourens toe, die reeds vanaf de oprichting aan
de Seruminrichting is verbonden en uitte den wensch dat Dr.
Lourens nog lang
zijn functie moge blijven vervullen.

De receptie \'s middags was druk bezocht. De Minister van Binnenlandsche Zaken
en Landbouw, Mr.
Kan, was aanwezig met Dr. Berger de Directeur van de Vee-
artsenijkundige Dienst. De Minister herdacht in een zeer sympathieke rede I)r
Poels, schetste de verdiensten van Dr. Lovink, de toenmalige Directeur-generaal
van den Landbouw, bij het tot stand komen van de Rijksseruminrichting en wees
op de nuttige en heilzame werking van die Inrichting. Hij kon tot zijn genoegen
mededeelen dat door de regeering stappen zijn gedaan om te komen tot een betere
huisvesting der Serumrinchting, welke zeer zeker niet zal worden gecombineerd
met een mond- en klauwzeerinstituut, daar de groote meerderheid der adviezen
van deskundigen die combinatie afraadt.

De Minister prees de verdiensten van Dr. Lourens, esrst als medewerker van

-ocr page 217-

Dr. Poels, later als directeur der Seruminrichting en deelde mede dat H.M. do
Koningin deze verdiensten heeft willen erkennen door Dr.
Lourens te benoemen
tot Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw. Dr.
Berger hechtte daarop
Dr.
Lourens het insigne der Orde op de borst.

Dr. Lourens dankte voor de toegekende onderscheiding die hij beschouwt als
een erkenning van de verdiensten der Rijksseruminrichting in haar geheel en gaf
de verzekering dat hij en zijn medewerkers hun best zullen doen om de Rijksserum
inrichting steeds aan haar doel te doen beantwoorden. Hij dankte ook Dr.
Berger
voor den steun steeds van hem ondervonden.

Dr. van Klaveren, de voorzitter der Rotterdamsche Gezondheidscommissie
herdacht de verdiensten van Dr.
Poels en Dr. Lourens als leden dier Commissi«
en de hulp steeds van de Rijksseruminrichting ondervonden.

Dr. Moll -van Charante van de Modelboerderij de Vaan wees op de steun aan
die inrichting verleend door de Rijksseruminrichting.

Dr. A. Vrijburg wenschte namens de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde de jubileerende Inrichting geluk en dankte voor de medewerking van
hare ambtenaren aan het tijdschrift.

Op de receptie waren verder aanwezig : de Burgemeester van Rotterdam Mr.
Drooglever Fortuyn en Wethouder Nivard ; Dr. Frenkel, hoofd van de Vee-
artsenijkundige afdeeling van het Centrale Laboratorium voor de Volksgezondheid
Dr. v.
Herwerden, directeur van den Gemeentelijken geneeskundigen Dienst
van Rotterdam ; Dr.
Burgerhout directeur van het Gemeente-Ziekenhuis ; Dr
Westhoi.z directeur van het Gemeentelijk Abattoir : Dr. de Haas vertegenwoor-
diger van het Genootschap tot bevordering der koepokinenting; Dr.
Jansen
directeur van den keuringsdienst van Waren ; oud-paardenarts Luit.-Kolonel
Hoogkamer en verschillende dierenartsen van Rotterdam en omgeving.

Telegrafische gelukwenschen waren ingekomen o.a. van den Wd. Directeur-
generaal van den Landbouw, den heer
Swaving, van de Veeartsenijkundige fa-
culteit der Rijksuniversiteit te Utrecht, van Dr.
Dhont, van Dr. Jitta voorzitter
van den Centralen Gezondheidsraad, van Dr.
Posthuma, voorzitter van de Alg.
Ned. Zuivelbond, van Dr.
Lovink, oud-directeur-generaal van den Landbouw.

Huldiging van Dr. Lourens.

Bij gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Rijks-Seruminrichting, waar-
aan hij van den aanvang af, als onder-directeur en later als directeur verbonden
was, is Dr.
Lourens door H. M. de Koningin benoemd tot ridder in de orde van
den Nederlandschen Leeuw. Wij wenschen Dr.
Lourens van harte geluk met
deze, overigens welverdiende, onderscheiding.

Nationaal Comité voor het Xle Internationaal Veeartsenijkundig Congres 1930
te Londen.

In het Nationaal Comité voor het Congres 1930 te Londen heeft alsnog
zitting genomen : Prof. Dr.
H. Schornagel, Voorzitter van de Faculteit der
Veeartsenijkunde van de Rijks-Universiteit te Utrccht.

In de mededeeling omtrent het Nationaal Comité in het Tijdschrift van
15 December 1928 staat als Voorzitter der Ned. Indische Vereeniging voor
Diergeneeskunde vermeld : Dr C.
Bubberman. Dit moet zijn: Dr. W. van
den Akker.

Intusschen is uit Indic bericht ontvangen, dat aldaar een Comité zal worden
samengesteld.

Het Nederlandsche Comité zal binnenkort tot eene vergadering worden
bijeengeroepen. De Secretaris,

a. ten sande.

Rijks-Universiteit te Utrecht.

Bevorderd tot Doctor in de Veeartsenijkunde F. J. J. Van Rijn, Dierenarts
te Wageningen, benoemd Directeur van den Veterinairen Dienst te Semarang,

-ocr page 218-

op een proefschrift getiteld : Trekproeven bij paarden. Een onderzoek naar do
trekkracht en het arbeidsvermogen van paarden in Nederland, met behulp van
het toestel van Prof.
Visser.

Bevorderd tot Dierenarts : J. Buiteman.

Geslaagd voor het Candidaats-examen Veeartsenijkunde de Heeren : J. Keestra
S. Koopmans, M. M. De Lint, J.
H. Loman, R. Lunsche, S. Makkinga, J. Mol.
S. R. Mulder,
H. Nikkels, J. S. Nyhoff, J. S. Reinders, S. W. Snijders, B.
Stonebrink, J. Spruyt, P. H. W. Tacken, P. G. Vaags, M. van Veen, M. A. J.
Verwer, M. Vis, W. M. Westerhof, J. van der Waal, W. Wijbenga.

Voor het Doctoraal examen Veeartsenijkunde eerste gedeelte : J W. van Hem-
men, K. Hofstra. J.
P. van Loo, P. Rodenhuis, j. j. Terpstra. a. T. van der
Schaaf,
Mej. J. Voet, G. H. B. Teunissen.

Rectificatie. Jaarboekje 1929.

Bladz 71 regel 24 4e rij staat *T. C.\'v. Soest, moet zijn: T. C. v. Soest.

98 ,, 14 ,. H. G. Schepens, H. G, Schepens *

22 ,, K. Bloemen, ,. K. Bloemen*

35 ,, J. H. Hamers ,, J. H. Hamers*

Blz. 94 5e r. v. 0. staat: Vlieland, Zie Harlingen. Deze regel kan vervallen,
omdat Vlieland geen keuringsdienst heeft. Er is een slachtverbod ; het benoo-
digde vleesch wordt van den vasten wal ingevoerd.

Blz 94, ne r. v. o. staat: Terschelling. Zie Harlingen moet zijn: Terschel-
ling, A. M.
Hibma

Blz. 142, r. 15 v b. staat: A. C Bos moet zijn: G. J. Smit.

,, r. 17 ,, ,, A. Visser ,, ., A. Vis. Kroes.

World\'s Poultry Science Assoeiation.

tet International revieuw of poultry science,

tom I No. 4, Dec. 1926, bevat het jaarrapport van den president Mr. F. C.
Elford, Ottawa, Canada, waarin hij o.a. een verslag geeft van zijn bezoek aan
Europa, om de Regeeringen der verschillende landen aan te sporen tot officieele
deelneming aan liet vierde,, World\'s Poultry Congress", dat 22—30 Juli 1930
in het Crystal Palace te London zal worden gehouden. Mr.
Elford bezocht toen
Engeland, Ierland, Frankrijk, Belgie, Nederland, Denemarken, Zweden, Letland,
Polen en Duitschland. Hij was daarbij, wat betreft de continentale landen, verge-
zeld van I)r.
Te Hennepe, de Secretaris van de Assoeiation voor Continentaal
Europa, die ook nog Einland bezocht, terwijl Prof.
Salvador Castei.lo van Bar
celona deelnam aan het bezoek aan Frankrijk, België en Holland. Alle bezocht?
landen hebben deelneming toegezegd aan het Congres te Londen. The world\'s
Poultry Science Assoeiation telt reeds ongeveer 300.000 leden.
 Vr.

Mededeelingen van het R ijks-instituut voor Pharmacotherapeutisch onderzoek

No. 16. 1928.

Deze Mededeelingen bevatten een artikeltje van A. A. Hymans van den Bergh,
waarin hij opkomt tegen het voorschijven van dure middelen (specialité\'s) in vele
gevallen, waar eenvoudige middelen uit de apoteek even groote geneeskracht
hebben, en verder onderzoekingen van verschillende specialite\'s en kwakzalvers-
middelen.
 Vr.

Tuberculose-bestrijding.

Op een vergadering van de Provinciale Bond van rundveefokvereenigingen in
Zuid-Holland hield de heer \'t
Hooft, inspecteur van den Veeartsenijkundigen
Dienst een voordracht over de tuberculosebestrijding onder het vee. met rijks-
steun ; hij spoorde de veehouders aan zich aan te sluiten, zooals dit reeds in Noord-
holland, Noordbrabant en Limburg geschiedt. Volgens hem komen de kosten per
rund op / 1.25 a / 1.40 of met aftrek van de regeeringssteun op ƒ 0,65. De kosten

-ocr page 219-

voor de zuivelfabrieken per 100 K.g. melk zijn 8 cent, met aftrek van regeerings-
steun 3,5 cent. Bij de discussie stelde een vertegenwoordiger van de Tuberculose-
onderlinge Voorne en Putten voor de eisch van het „merken der reactiedieren\'
te schrappen. Hieraan kon natuurlijk niet voldaan worden. Verder merkte de heer
v. d. Ban (Voorne en Putten) op, dat de praktijk leert, dat veehouders eerst hun
stal laten onderzoeken en de reactiedieren opruimen zonder dat zij gemerkt zijn
en dan pas zich aansluiten bij de bestrijdingsvereenigingen. N.R.Ct.

Bestrijding van de tuberculose onder het rundvee, in de provincie Utrecht.

De Bond van Rundveefokvereenigingen in de provincie Utrecht, heeft, in samen-
werking met de landbouworganisaties in de provincie Utrecht, ten behoeve van
bestrijding van de tuberculose onder het rundvee de volgende regeling vastgesteld

Veehouders, in het bezit van een eigen gefokten veestapel, als regel door eigen
aanfok in stanel gehouden wordend, die in hun veestapel voorkomende tuberculose
wenschen te bestrijden, verbinden zich telkens voor een jaar tot nakoming van de
volgende bepalingen, welke bij nict-opzegging door een der partijen van kracht
blijven. Zij geven van hun voornemen kennis aan het bestuur van den bond.

Alle runderen worden ten minste éénmaal per jaar onelerzocht met behulp van
tuberculine, samengaand met klinisch onderzoek van de reageerende elieren, welk
onderzoek jaarlijks, zoo mogelijk, vóór i Februari moet geëindigd zijn.

Eenmaal gereageerd hebbende dieren behoeven niet telkenmale opnieuw te
worden getuberculineerd ; ze moeten echter wel klinisch worden onderzocht.

Het bestuur kan bepalen, dat het klinisch onderzoek vóór i Juni wordt herhaald
bij de dieren, welke het meest daartoe in aanmerking komen. Twijfelachtige re-
actie op toepassing van tuberculine wordt beschouwd als positieve aanwijzing
voor instelling van klinisch onelerzoek. Jonge dieren kunnen bij herhaling met
tuberculine worden behandeld.

Dieren, welke door den behandelenden veearts worden verklaard lijdend te zijn
aan open tuberculose, worden geïsoleerd of afgemaakt, ter beoordeeling van het
bestuur, gehoord den behandelenden veearts.

Voor den veehouder verdachte gevallen kan door bemiddeling van het bestuur
tusschentijds onderzoek eloor elen behandelenden veearts worden verzocht.

Zooveel mogelijk wordt getracht, het reageerende deel van den veestapel af-
zonderlijk te stallen ; in het bijzonder zal al het mogelijke worden geelaan om te
voorkomen, elat kalveren en aneler niet-reageerend jongvee in aanraking komen
met reageerende dieren.

Van aan- en verkoop door de zich verbonden hebbende veehouders wordt aan
het bestuur kennis gegeven. Aangekochte dieren worden opgestald overeenkomstig
advies van den behandelenden veearts, rekening houdend met de plaatselijke
omstandigheden ; zij worden onderzocht binnen een week na aankoop en mogen
bij verschijnselen van open tuberculose niet in den veestapel worden opgenomen
Dieren, welke waren verkocht en later worden teruggenomen, worden beschouwd
als aangekochte dieren.

Tenzij daarin op andere wijze kan worelen voorzien, worden de uiers van reagee-
rende dieren vanwege het melkcontrólestation Utrecht eenige malen per jaar ge-
ïnspecteerd. Indien eenigermate verdenking van afwijking bestaat, wordt de melk
microscopisch onderzocht.

Bijproducten van zuivelfabrieken, voor veevoedsel bestemd, moeten zoodanig
zijn verhit, dat de reactie van
Storch niet meer optreedt ; melk van reageerende
dieren of van dieren, lijdend aan open tuberculose, mag niet als veevoe-dsel worden
gebruikt.

De betreffende veehouders zijn geheel vrij in de keuze van een behandelenden
veearts, die de veehouders van aelvies dient in alle aangelegenheden, de tubercu-
losebestrijding betreffend.

Aan de veehouders, die hun veestapel op grond van voorgaande bepalingen onder
controle hebben gesteld, worden door het bestuur, gehoord den behandelenden
veearts, gezondheidsbewijzen van de onderzochte dieren afgegeven. Deze afgifte

-ocr page 220-

vindt niet meer plaats, indien tusschen den dag van het onderzoek en den dag van
afgifte van het bewijs meer dan twee maanden zijn verloopen. Te dien einde wordt
door het bestuur een nauwkeurige registratie van den gezondheidstoestand van de
veestapels aangehouden, te welken behoeve de behandelde veeartsen de be-
noodigde gegevens aan het bestuur verstrekken.

Ieder veehouder, die op grond van deze bepalingen de tuberculose wenscht te
bestrijden, verbindt zich door onderteekening van deze regeling tot nakoming van
de bepalingen en tot opvolging van door het bestuur nader te geven voorschriften.

Bij deze zelfde vereeniging kunnen zich aansluiten veehouders, die onder rijks-
voorschrift de tuberculose wenschen te bestrijden. Zij zijn behalve hun naleving
van bovengenoemde bepalingen, verplicht, hun reactiedieren te merken. Finan-
cieele steun van de regeering komt uitsluitend hun ten goede. N.R.Ct.

Runderhorzel-bestrijding.

Den 5den Januari heeft in de groote zittingzaal van het Reichsministerium fiir
Frnahrung und Landwirtschaft te Berlijn een vergadering plaats gehad onder
voorzitterschap van Ministerialrat
KürsCHENER. In deze vergadering werden de
resultaten besproken, welke verkregen zijn met de verschillende bestrijdingsmctho-
den van de runderhorzellarve.

Aanwegig waren ook eenige hoogleeraren, o.a. Prof. Dr. Spann uit Weihenstephan
en Prof. Dr.
Peter uit Hamburg, beiden bekend op het gebied van de runderhorzel-
bestrijding.

Door bemiddeling van den Rijkslandbouwconsulent te Berlijn, den heer A. H,
Joustra, werden twee leden van de runderhorzelbestrijdings-commissie in Neder-
land, die al eenige malen op internationale samenwerking had aangedrongen, in de
gelegenheid gesteld, de vergadering bij te wonen.

Als vertegenwoordigers der Nederlandsche commissie traden op de voorzitter,
de heer
H. Lindeman te Amsterdam, en de secretaris-penningmeester, Dr. F. A.
R.
F. Baudet te Utrecht.

Met belangstelling hebben zij van de vorderingen op het gebied van de runder-
horzelbestrijding in Duitschland kennis genomen. De proeven, welke daar in het
afgeloopen jaar genomen zijn, zullen ook dit jaar worden voortgezet; ze beperken
zich in hoofdzaak tot de zalfbehandeling van de wormknobbels, dus op dezelfde
wijze als dit in Nederland geschiedt.

Verder zal worden voortgegaan met de behandelingsmethode van Prof. Spann,
die een larvendoodend middel in den vorm van lange, dunne staafjes in de worm-
knobbels brengt, waardoor de larven snel afsterven. Het voordeel van deze laatste
methode zou zijn, dat juist zeer jonge wormknobbels in behandeling genomen
kunnen worden, in tegenstelling met de zalfbehandeling, waarbij juist de zoover
mogelijk ontwikkelde knobbels worden behandeld. De methode van Prof. Dr
Spann schijnt wel toekomst te zullen hebben. Ook de Nederlandsche commissie
zal in dit voorjaar de werking van het middel van Prof. Dr.
Spann nagaan.

De zalfbehandeling met Larfug, een door Prof. Dr. Peter samengestelde zalf,
heeft bevredigende resultaten gehad. Een bezwaar was, dat deze zalf 2 i 3 maal
op de wormknobbels gesmeerd moest worden, wilde men goede resultaten ver-
krijgen. In dit opzicht werkt de door de Nederlandsche commissie aanbevolen
zalf beter.

De voorzitter van de Nederlandsche commissie, de heer Lindeman, heeft in
deze vergadering te Berlijn een uitvoerige en duidelijke uiteenzetting gegeven van
wat in Nederland op het gebied van de runderhorzel-bestrijding bereikt is. Hij
heeft er in het bijzonder op gewezen, dat in ons land de geheele bestrijding op
particulier initiatief berust, en dat de onkosten van de propaganda geheel bestreden
werden door de Amsterdamsche Huidenclub. In Duitschland geschieden deze
onderzoekingen in hoofdzaak met regeeringssteun, welke niet al te groot is,

N.R.Ct.

-ocr page 221-

BIBLIOGRAFIE.

A. F. Wande, Hans-grootmaak van melkkalvers. Pretoria, Staatsdrukkerij enz.
11)28. 8°.
20 blz. met i pl.
Unie van Suid-Afrika. Dept. van Landbou. Pamflet No. 39.

O. Nieschulz, Verdere surraoverbrengingsproeven met enkele tabanidensoorten
op Sumatra. Buitenzorg, Archipel drukkerij, 1928. 8°. II 59 blz. met 3 pl. f 0.85.
Veeartsenijkundige mededeelingen. No. 66.

Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel [in Ned.-Indiê],
Catalogus van de Bibliotheek der Veeartsenijkundige Faculteit te Utrecht. Dl. 3.
Utrecht. 1928. 8°. 170 blz.

Dl. 3. iste supplement. — 2de Supplement. — Register.
Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht.

Verslag [van de] vereeniging tot exploitatie eener proefzuivelboerderij te Hoorn
over het jaar 1927. Hoorn, A. Houdijk, 1928. Gr. 8°. XVI -f- 136 blz. m. 21 fig.
en
i pl.

Jaarverslag van den Burgerlijken Veeartsenijkundigen Dienst over 1927. Welte-
vreden, Landsdrukkerij, 1928. 8°. IV 159 blz. f 3.50.
Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel in Nederlandsch-Indië.
L.
Vaccari, Come vivono gli animali. Compendio di morfologia e biologia ani-
male. 3a ed. Torino, S. Lattes e.C., 1928. 8°. VIII -f 402 p. L. 27.-
Biblioteca di scienze naturali.

F. Faelli, Manuale di zootecnia c igiene secondo il programma ufficiale per lc
scuole mcdie di agricoltura. Vol. 1. Torino, G. B. Paravia e C., 1928. 8°. VIII

472 P- L 36.--

Biblioteca di scienze fisiche, matematiche e naturali.

R. Giuliani, Genetica animale : lezioni. Firenze, Rivista di zootecnia, 1928.
8°. loi p. L. 15.—

Pubbl. nel Bollettino dell\'Ente naz. etc.

J. E. Richelet, Fiebre aftosa. Medidas adoptadas en la Argentina. P.aris, Société
Industrielle d\' Imprimerie, 1928. 147 p.

J. E. Richelet, I.\' Argentine et les pays consommateurs de viandes frigori-
fiées. Paris, Société Industrielle d\'Imprimerie, 1928. 72 p.

E. Rabaud, Recherches sur l\'hérédité et la variation. Paris, Les Presses univer-
sitaires de la France, 1928. 8°. 316 p. fr. 60.—
Suppl. I au : „Bulletin biologique de France et de Belgique".
R.
Sabouraud, Maladies du cuir chevelu. T IV. Paris, Masson et Cie., 1928
8°. 284 p. av. 149 fig. fr. 60.—-
T. 4. Les maladies suppuratives et exsudatives. Pyodermites et eczémas.
N.
Fiessinger et H. Walter, Les procédés modernes de bilirubimétrie sanguine.
Paris, Masson & Cie., 1928. 8°. 24 p.
Extrait des „Annales de médecine". 1928.

R. Bus, L\'allaitement artificiel chez les animaux domestiques. Lyon, Le Lait.
1928. 8". fr. id.—-

Publications de la revue „Le Lait". No. 5.

Arnaud, L\'approvisionnement de Lyon en lait. Les fraudes par mouillage et
écrémage. Lyon, Le Lait, 1928. 8°. fr. 10.—

Publications de la revue ,,I.e Lait. No. 6.

E. Muffet, Contribution à l\'étude de la rétention lactée. Le sort de la caséine
dans ce processus. Lyon, Le Lait, 1928. 8°. fr. 10.—

Publications de la revue „Le Lait". No. 7.

The active principles of the posterior lobe of the pituitary gland. Detroit. 1928. 17p.
Parke, Davis & Co. Research Bull. No. 7.

Annital report and balance sheet of the National Veterinary Médical Associa-
tion of Great Britain and Ireland. Annual Congress at Newcastle-upon-Tyne
1928. London. 1928. 220 p.

-ocr page 222-

Scientific reports from the Government Institute for infectious diseases for the
year 1927. Ed. by
Y. Miyagawa. Vol. 6. Tokyo, Shirokane-Daimachi, 1928. Gr. 8°.
629 p. w. ill.

The Tokyo Imperial University.

Annual report of the Department of Agriculture of the Colony and Protectorate
of Kenya 1927. Nairobi, Government Press, 1928. 307 p. w. ill. Sh. 5.

Annual report of the Imperial Institute of veterinary research, Muktesar, for
the year ending March 31, 1927. [By
F. Ware], Calcutta, Government of Inrlia
Central Publ. Branch, 1928. 8°. 31 p.

A. Broerman and B. H. Edgington, The duration of immunity in dogs follo-
wing the single-injection method of anti-rabic vaccination. Wooster, Ohio Agr.
Exp. Stat., 1928. 8°. 13 p.

Ohio Agr. Exp. Station. Bull. No. 423.

S. Nicolau and I. A. Galloway, Borna disease and enzootic encephalo-myelitis
in sheep and cattle. London, Medical Research Council, 1928. 8°. 90 p. w. 39 fig.
a. 3 pi.

Medical Research Council. Spec. rep. No. 121.

International directory of pedigree stock breeders. Ed. and comp, bij R. de toll.
Vol. 2. Edition 1928—-1929. London. 1928. Sh. 25.—

Report of the Director of the Dominion Experimental Farms for the year ending
March 31, 1928. [By E. S.
Archibald], Ottawa, [F. A. Acland], 1928. Gr. 8°. 118 p.

Dominion of Canada. Department of Agriculture.

G. C. Lamaster, The new genetics. Akron, Author, 1928. 8". 80 p. w. 19 fig.

L. A. Rogers, Fundamentals of dairy science. New-York, Chemical Catalog
Company, 1928. 8°. 543 p. w. fig. a. graph. $ 5.50

F. W. Tanner, Bacteriology ; a textbook of micro-organisms. New-York, Wiley
& Sons, 1928. 8°. 548 p. w. diagr. 8 4
-5"

18th Report of the Development Commissioners for the year ended March 31,
1928. London, H. M. Stationery Office, 1928. Sh. 3.6.—

Live Stock Journal Annual, 1929.Studs, herds and flocks. London, Vinton & Co.,
1928. 8°. 288 p. w. ill. Sh. 2.6 —

M. H. Fischer, Kolloidchemie der Wasserbindung. 2te Ausg. Neue Ueberset-
zung der 3 amerikanischen Aufl. von
Kath. Propp. Bd. 2. Dresden u.s.w., Th
Steinkopff, 1928. 8°. 288 S. m. 75 Abb. u. i färb. Taf. M. 22.—-

Bd. 2. Wasserbindung bei Nephritis.

M. Rose, Die Inselrinde des Menschen und der Tiere. Leipzig, J. A. Barth.
1928. 4°. 158 S. m. 114 Abb. im Text und 18 Lichtdr. Doppeltaf. M. 76—

Journal f. Psychologie und Neurologie. Hrsg. von A. Forel u. C. u. O. Vogt
Bd. 37, H. 4.

G. Klein, Praktikum der Histochemie. Berlin, J. Springer, 1929. Gr. 8". V -i
71 S. m. 64 Abb. M. 4.50

Erw. aus: Methodik der wisscnsch. Biologie. Bei. 1.

A. Alfonsus, Allgemeines Lehrbuch der Bienenzucht. 2te Aufl. Neu bearb. von
O.
Muck. Unter Mitw. von K. Haager und E. Hoppe. Wien, M. Pcrles, 1929.
Gr. 8°. XIV 626 S. m. 344 Abb. und 1 Taf. M. 16.—

C. Wörz, Der Vorsteh- und Gebrauchshund, jte Aufl. Hrsg. van J. Muller
Neudamm, J. Neumann, 1928.

M. Rolle, Biologie des Bacterium pyogenes. Hannover, M. & H. Scliaper, 1929
8°.
M. 29 Abb. M. 3.60

Train\'s Veterinär-Taschenbuch. Hrsg. van F. Train. Jg. 33. 1929. Berlin, O. Teich-
gräber, [1928]. Kl. 8°. 216 - 80 S. m. Abb. Ausg. A.
M. 4.—

Ausg. B. M 4.50.

Gatermann\'s Kalender für Tierzüchter. Hrsg. von W. Gatermann. Jg. 8. 1929
Hannover, M. & H.Schaper, [1928]. Kl. 8°. 2 Tie. 268 36 ; 148 S. Leinw. M. 3.50.

Leder M. 5.

-ocr page 223-

Taschenkalender für Fleischbeschauer und Trichinenschauer. Hrsg. von P. Heine.
Jg. 2. 1929. Hannover, M. & H. Schaper, [1928]. Kl. 8°. 176 S. M. 3.—

A. Vogelsang, Die Stammschäferei Ebersbach. Untersuchungen über ihre
Leistungen, insbes. die Säugeleistung. Hannover, M. & H. Schaper, 1928. 8°.
VI
f 142 S. m. Taf. M. 7.—.

Abhandlungen des Instituts für Tierzucht und Molkereiwesen an der Univer-
sität Leipzig. Hrsg. von
Golf. H. 16.

E. K. Dii.lner, Untersuchungen über die Suspensionsstabilität der Erythro-
zyten und über das spezifische Gewicht des Blutes, Blutserums und — plasmas
beim Rinde. (Ein Beitrag zur Konstitutionsforschung). Hannover, M. & H.
Schaper, 1928. 8°. VI 88 S. m. Fig. u. 1 Taf. M. 4.50.

Abhandlungen des Instituts für Tierzucht u.s.w. an der Univ. Leipzig. Hrsg.
von
Golf. H. 17.

K. Holze, Untersuchungen über Viskosität, Refraktion und Eiweissgehalt des
Blutes, des Blutserums und des Blutplasmas beim Rinde. (Ein Beitrag zur Kon
stitutionsforscliung). Hannover, M. & H. Schaper, 1928. 8°, V. -f 53 S. M. 3.50.

Abhandlungen des Instituts für Tierzucht u.s.w. an der Univ. Leipzig. Hrsg.
von Golf. H. 18.

Zeitschrift für Immunitätsforschung und experimentelle Therapie. Gen. Reg.
für Bd.
1—50. Bearb. von K. Hundeshagen. Jena, G. Fischer, 1929. Gr. 8°
121 S. M. 6.—.

K. Belar, Die cytologischen Grundlagen der Vererbung. Berlin, Gebr. Born-
träger, 1928. 4°. IV 412 S. m. 280 Abb. und 2 Taf.

Handbuch der Vererbungswissenschaft. Bd. 1, B.

0. Kellner, Grundzüge der Fütterungslehre. 8te Aufl. Hrsg. von G. Fingerling.
Berlin, P. Parey, 1929. 8°. VII 223 S. M. 6.50.

w. Morres, Lehrbuch der Milchwirtschaft. 2te Aufl. Reichenberg, Nordböh-
mischer Verlag, 1928. 8°. IV 212 S. m. Abb. Sch. 9.50.

Jahresbericht über die gesamte Physiologie und experimentelle Pharmakologie
mit vollst. Bibliographie. Zugl. Fortsetzung des
Hermann-Weisschen Jahres-
berichts über die Fortschritte der animalischen Physiologie und des
Maly—andre-
asch—Spiroschen
Jahresberichts über die Fortschritte der Tierchemie. Hrsg. von
P. Rona und K. Spiro. Bd. 7. Bericht über das Jahr 1926. Hälfte 1,2. München
u.s.w., J. F. Bergmann, 1928. 40. M. 228.

1. Uebersichtsreferate. IV 1000 S.

2. Bibliographie. Zusammengest, von T. Peterfi. XI 4- 906 S.

J. Arnold, Die Arbeitsweise (zugl. Dienstanweisung) der Rindvieh-Kontroll-
vereine in der Rheinprovinz. [Neue Aufl.], Bonn, Landwirtschaftskammer f. d.
Rheinprovinz, 1928. Gr. 8". 15 S.

Veröffentlichungen der Landwirtschaftskammer f.d. Rheinprovinz. N. F. Nr. 5.

Hannoversches Stutbuch für edles Halbblut. Bd. 7. Hrsg. vom Provinzialverband
hannoverscher Warmblutzüchter. Hannover, Hannoversche Stutbuchgesell-
schaft, 1928.

H. Kägi, Geflügelhaltung. Stuttgart, Hallwag A. G., 1928. Kl. 8°. XVI 260 S.
m. Abb. u. färb. Taf. Schw. fr. 3.—.

Landfreund-Bücher. No. 6.

G. SeHöLZF.l, Die naturgemässc Behandlung des Hundes in Stadt und Land.
Danzig, Rats-Buchhand 1. M. Kloschies, 1928. 8°. 16 S.

A. A. Hymans van den Bergh, Der Gallenfarbstoff im Blute. Nach Unter-
suchungen mit J.
Snapper und P. Muller. 2te Aufl. Leiden u.s.w., S. C. van
Doesburgh, 1928. Gr. 8°. VIII 112
S. m. 2 Taf. M. 6.—.

Handbuch der biologischen Arbeitsmethoden. Hrsg. von E. Adberhalden. Abt. 4.
TL 6, Hälfte 2, H. 4. Berlin u.s.w, Urban & Schwarzenberg, 1928. 40. M. 6.—.

Abt. 4. Angewandte ehem. und physik. Methoden. Tl. 6, Hälfte 2. Untersuchung
der Funktion des Verdauungsapparates.
H. 4. M. Saidman, Gewinnung von Galltn-
blaseninhalt. E.
Mangold, Methodik der Untersuchungen des Wiederkäuermagens.
M. 11 Abb.

-ocr page 224-

J. \\V. Günther, Grundsätze der Fütterungslehre sowie Anleitung zur Aufstellung
von Futterrationen und Futtermischungen auf
Kellnerscher Grundlage. Berlin,
F. Parey, 1028. 8°. 98 S. M. 2.80.

Th. Vielhauer, Die Schweinezucht. Stuttgart, E. Ulmer, 1928. 8C. 64 S. m
15 Abb. M. 1.40

J. Fillis, Grundsätze der Dressur und Reitkunst. [Principes de dressage et
d\'equitation] von
G. Göbel. (Aus dem Französ.). 5te Aufl. Stuttgart, Schickhardt
& Ebner, 1929. Gr. 8°. XV 427 S. m. 1 Bilde des Verf. u. 70 Abb. auf 36 Taf. M. 15

G. Rau, Die Reiterkämpfe bei den Olympischen Spielen. Von 1912, 1920, 1924
u. 1928. Entwicklung und Stand der Reitkunst. Stuttgart, Schickhardt & Ebner.
1929. Gr. 8°. XV 293 S. m. 141 Abb. u. 1 Titelbild. M. 10.50

Unsere Pferde. H. 55/56.

R. Römer und L. Weinmiller, Wirtschaftsgeflügelzucht und -Haltung. Stutt-
gart, E. Ulmer, 1928. 8°. 280 S. m. 99 Abb. u. Tab. M. 5.—.

M. Demmel, Ueber die Züchtungsbiologie des Silberfuchses in Deutschland
Leipzig, A. Heber & Co., 1928. 8°. M. 10 Abb. u. 8 Tab.

Schriften der Reichszentrale für Pelztier- und Rauchwaren-Forschung. H. 4.

M. Indubikin, Ueber Anosteoplastica congenita beim Rind. Inaug.-Diss. Zürich.
1928.

F. Wüst, Ueber den Gehalt an reduzierenden und die Osazon-Reaktion
erzeugenden Stoffen im Serum erwachsener Tiere des Rindergeschlechtes.
Inaug.-Diss. Zürich. 1928.

E. Seiferle, Wesen, Verbreitung und Vererbung hyperdaktyler Hinterpfoten
beim Haushunde. Inaug.-Diss. Zürich. 1928.

K. Alms, Beitrag zur Lumbalanästhesie beim Rinde. Inaug-Diss. Hannover. 1928.

H. Altemeier, Das Vorkommen von B. pullorum in Bruteiern. Inaug.-Diss.
Hannover. 1928.

T. J. Tallquist, Ueber die Beeinflussung der Bakterien, insbes. der Para-
typhusbakterien, durch die Herstellung der Brühwürste mit bes. Berücksichtigung
des Wasserbades und des heissen Rauches. Inaug.-Diss. Hannover. 1928.

D.Veers, Beitrag zur Sakralanästhesie beim Rinde. Inaug.-Diss. Hannover. 1928.

W. Baade, Untersuchungen über den Einfluss verschiedener Zuckerarten auf

die Pilzflora des Käses und der Milch. Inaug.-Diss. Kiel. 1928.

P. Kaczander, Ueber den heutigen Stand der Arteriosklerose unter bes. Be-
rücksichtigung des Cholesterinstoffwechsels. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

H. Th. F. Oehme, Klinische Versuche mit Dilaudid am gesunden und kranken
Tier. Inaug.-Diss. Leipzig. 1928.

K. R. F.. Minderer, Magensaftuntersuchungen beim Hund nach rektaler Appli-
kation von Alkohol und subkutaner Injektion von Insulin. Inaug.-Diss. Leipzig.
1928.

IL A. W. L. Berenz, Welchen Wert haben die serologischen Untersuchungs-
raethoden beim Abortus infektiosus (Bang). Inaug.-Diss. Leipzig. 1928.

H. W. A. K. Dose, Das Instrumentarium der ehemaligen Tierarzneischule zu
Karlsruhe. Inaug.-Diss. Leipzig. 1928.

H. Schlieter, Versuche mit Valutin als Anthelminticum bei Pferden. Inaug.-
Diss. Berlin. 1928.

B. Pötting, Die Reaktion des Kotes bei Pferden mit bes. Berücksichtigung
der Ph. Ionenkonzentration. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

O. Pessinger, Ueber die Behandlung einiger fieberhaften Allgemeinleiden des
Pferdes mit Selektan. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

W. Kayser, Individualitätsreaktionen des Blutes von Schafen, Ziegen, Schwei-
nen und Rindern. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

H. Wagnitz, Ein Beitrag zur Behandlung der Streptokokkenmastitis. Inaug.-
Diss. Berlin. 1928.

E. Morgenstern, Die Wirkung einiger Hypophysenpräparate und des Adrena-
lins auf den isolierten Uterus des Rindes. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

-ocr page 225-

H. Abels, Die Geschwülste der Vogelhaut. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.
R.
Suhr, Die Verteilung der Kohle des Granulatstabes von der Bauchhöhle
aus. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

E. Scheer, Vergleichende Untersuchungen über die mvotische Wirkung des
Physostigmins und des Pilokarpins beim Pferd und Kind. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

L. Kramer, Heil- und Immunisierungsversuche bei Tuberkulose Katebin—
Schreiber. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.
 du Buy.

REFERATEN.

VERLOSKUNDE, ZIEKTEN DER GESLACHTSORGANEN, ABORTUS.

Welche Drahtsage zur Embryotomie ist die Beste?

Deze vraag stelt R. Hauptner in de Tierarztl. Rundschau, No. 6, 1926. In
aanmerking komen : A. Draadzaag van
W. van Staa. Deze is te beschouwen als
een pianosnaar. De snijdende draad is van brons. Twee draden zijn om elkaar
gedraaid. Deze draadzaag werkt best, maar is niet sterk. Het brons slijt te gauw
door. De draad is 2.r m m. dik.

B. Draadzaag van Ehlers. Deze bestaat uit 2 om elkaar gedraaide staaldraden
van gelijke dikte (0.6 m.m ). Nadeel van dit instrument is, dat het te weinig
,,snijdt", dus minder goed aan het doel beantwoordt ; het is sterker dan A.

C. Draadzaag, zooals door Neubart en Thygesen gebruikt. Dit is feitelijk een
dubbele draadzaag van
Ehlers, is dus ,,vierdraads". Deze „vreet" beter dan de
zaag van
Elhers, maar staat in dat opzicht nog ver ten achter bij die van van Staa.
De prijs van model B is 1.35 Mark, van C 1.65 M.

De firma Hauptner wenscht te weten, welke van beide in de praktijk het best
bevalt en zal daarom aan ieder, die
C. bestelt, een exemplaar B gratis verstrekken,
in de verwachting, omtrent de gebruiksresultaten bericht te ontvangen.

De 1\'endométrite chronique chez la vache.

Journal de Méd. Vét. et de Zootechnie. Janvier 1926. Dr. PotEkin te Diarkouli
(Rusland), beschrijft het voorkomen van een chronische endometritis bij het rund,
van infectieusen aard, uitsluitend bij slecht gevoede dieren. Het lijden duurt maan-
den. Symptomen : vermageren, onderdrukte eetlust, stinkende diarrhee, stinkendo
scheede-uitvloeiing, verlammingsverschijnselen van voorste of achterste ledematen
Ten slotte treedt tamelijk acuut algeheele verlamming op. De dieren liggen als
dood, weigeren alle voedsel en drinken. (Temperatuur, pols- en ademhalingsfrecjuen-
tie worden niet vermeld. Ref.) De therapie bestaat in baarmoederirrigaties met
kaliumpermanganaatoplossing op een temperatuur van 40°, onderhuidsche inspui-
ting van kamfer-olie en soms adrenaline en ingeven van kal. permang. opl. in olie
(2 x daags 5 lepels der opl. in 2 theeglazen olie) en 2 x dgs. 2 gr. sulf. ferros. in
het drinken. De eerste dagen worden eieren gegeven en meel in melk, met de flesch,
ongeveer 10 x daags. Na eene week wordt geirrigeerd met 3 % warme sulf. zinc.
oplossing en inwendig bittermiddelen toegediend. De behandeling duurt eene maand.
Herstel treedt langzaam in, maar blijft nimmer uit.

Vermeld zij nog, dat de slijmvliezen (conjunctivae) bleek zijn, het scheedeslijm-
vlies soms zeer rood, of wel blauw, met excoriaties en met slijm bedekt.

Ein Beitrag zur entraduralen Anaesthesie in der Praxis des Tierarztes. Dr. Karl
Sellnick.
Tierarztl. Rundschau No. 45, 1028.

Sellnick heeft extra-duraal-anaesthesie toegepast bij een door hem geopereer-
den os (laparotomie, met welk doel, wordt niet vermeld) en bij een tweetal vaarzen
in partu, ter vergemakkelijking der te verrichten embryotomie, wegens absoluut
te grootevruchten. Over het resultaat was S. zeer tevreden. [Zie voor techniek en
anaesthetieum vroeger referaat (in 1928)].

-ocr page 226-

Ueber Anteversionen und Retroflexionen des Uterus. Dr. H. Levens. Tierarzt!
Rundschau 1928, No. 47).

Dr. LeVENS beschrijft 4 gevallen van anteversio en 5 van retroflexio uteri,
door hem in zijn 38-jarige praktijk op een totaal van 2800 verlossingen bij rund
en paard waargenomen.

Doel der beschrijving is, aan te toonen, dat er steeds gevallen blijven voorkomen
in de veterinaire obstetrie, waarbij met het moderne instrumenterium als vacufact.
embryotoom van Thygesen, etc. niets is te bereiken.

Door rectaal onderzoek wist L. meestal de ligging van de vrucht te bepalen,
soms ook kon hij van uit het rectum het foetus zoodanig terugschuiven, dat extre-
miteiten en kop bereikbaar werden en extractie, eventueel na gedeeltelijke embryo-
tomie, kon volgen.

Bij de merrie had hij 2 gevallen van retroflexie. Er viel niets mee te beginnen.
Advies : slachting.

Op de 4 gevallen van anteversie (bij het rund) werden er 2 met succes behandeld ;
van de 3 retroflexies bleef één koe leven. De retroflexies bij de merrie waren naar
links (L. weet niet te verklaren, waarom), die bij de koe alle 3 naar rechts, wat L.
toeschrijft aan den invloed der links liggende pens.

Further studies in the Etiology of Milk Fever. (Professor Henry Dryerre, Edin-
burgh, and Professor
Russell Greig, Edinburgh. The Veterinary Record. No. 36,
Sept. 1928).

Schrijvers beginnen met er aan te herinneren, dat zij in Maart 1925 in the Veteri-
nary Record op grond van theoretische beschouwingen het denkbeeld opperden,
dat melkziekte zou zijn in eerste instantie,
a parathyroid dejiciency, waardoor
hypo-calcaemie. Zij bespreken vervolgens de theorie der hypo-glycaemie ; bij on-
derzoek vonden
Dryerre en Russell in 7 gevallen van melkziekte hyper-gly-
caemie, waardoor die theorie verviel. Ook anderen deden soortgelijke waarnemingen.

Ten einde hun eigen theorie te toetsen, onderzochten zij :

1. Het bloed-calcium-gehalte bij normaal-kalvende koeien.

Bij melkgevende koeien schommelt dat gehalte tusschen 9 m gr en 11 m. gr.
per 100 c.c. serum. Die cijfers kloppen met die van
Little en Wright, die echter
bij 4 koeien op één boerderij waarden vonden van 0 tot 7 m. gr. Bij 10 kalvende
koeien vonden
Dryerre en Russell 8.64 m gr. —10.97 m gr., gemiddeld 9.85 m
gr. calcium.

2. De uitwerking van de beginnende lactatie op het calcium-gehalte. Hierbij
bleek eene tijdelijke daling in te treden. Het onderzoek geschiedde bij 2 koeien.

3. Het bloedcalcium-gehaltc bij melkziekte.

De hierbij gevonden getallen liepen van 3.35 m. gr. tot 7.76 m. gr. Bij een koe,
die 2 x van te voren melkziekte had gehad, werd het blocdcalcium-gchalte onder-
zocht vóór den partus en daarna, respectievelijk 9, 5 en één dag vóór en op den
dag van 1 dag na en 4 dagen na het kalven. Gevonden werd achtereenvolgens
8.12 m.gr., 8.12 m.gr., 8.12 m.gr., 8.60 m.gr. 6.09 m.gr. en 8.02 m.gr. Op den
dag na het kalven werden verschijnselen van het initiaalstadium van melkziekte
waargenomen, die echter zonder eenige behandeling verdwenen.

4. Het resultaat der uier-insufflatie op normale melkgevende schapen.

De proeven werden genomen bij 4 melkgevende schapen, ongeveer 6 weken
na het lammeren. Het calcium-gehalte van het bloed steeg ongeveer 10 %, van
\\ uur tot minstens 5 uur na de luchtinsufflatie. Bij een onderzoek na 11 uur was
de verhooging verdwenen (tusschen 5 en 11 uur na de insufflatie werd geen bloed
onderzocht).

5. Het resultaat der uier-insufflatie op het bloedcalcium-gehalte bij melkziekte.

Hierbij bleek, dat na de insufflatie (onderzocht werd bij 5 koeien) spoedig, in

ieder geval na 5 uur eene belangrijke stijging viel te constateeren. Na 2 of meer
dagen werd een maximum bereikt, waarna weer eenige daling.

Schrijvers hebben geen gelegenheid gehad, calcium in de bloedbaan te brengen
bij aan melkziekte lijdende dieren. Zij verwachten, dat dit te snel door de nieren

-ocr page 227-

zou worden uitgescheiden om eene volledige curatieve werking te kunnen ont-
plooien. (Intusschen heeft Prof.
Sjollema aangetoond, dat door calcium in de
bloedbaan te brengen wel degelijk herstel is te verkrijgen. Ref.) Hun conclusies
luiden :

1. Het bloedcalciumgehaltc van normaal kalvende koeien blijkt niet af te
wijken van dat van koeien in gevorderde lactatie.

2. De aanvang der lactatie gaat gepaard met een voorbijgaande, doch duidelijke
daling van het bloedcalcium-gehalte dat tot normaal terugkeert als de lactatie
op gang is.

3. Bij melkziekte bestaat gewoonlijk hypo-glycaemie ; dit is echter geen con-
stant verschijnsel.

4. Bij melkziekte bestaat steeds hypo-calcaemie. De graad van het lijden loopt
parallel met de daling van het calciumgehalte.

5. Uierinsufflatie doet bij normaal melkgevende ooien het bloedcalciumgehalte
ongeveer 10 % stijgen.

6. Uierinsufflatie veroorzaakt bij aan melkziekte lijdende koeien een sterke
stijging van calcium in het bloed. De stijging gaat aanvankelijk snel en gewoonlijk
treden definitieve teekenen van herstel op, als een gehalte van 6 m.gr. is bereikt.

7. Uit 2 waarnemingen valt af te leiden, dat de top der stijging eerst den 4den
of 5den dag na de insufflatie wordt bereikt. Dan bestaat er hyper-calacemie. Daarna
treedt de normale toestand in.

8. Calcium zal waarschijnlijk een praeventivum en een curativum bij melk-
ziekte kunnen zijn.

Het artikel is van verscheidene grafische voorstellingen voorzien.

De discussie, in de Meeting of the Dumfries en Gallowag Division N.V. M. A
over dit ,,paper" gehouden, volgt op het artikel.

Aus der Praxis, zur Behandlung der Gebarparese, Dr. Jos Anreiter beschrijft
onder deze titel, in het Wiener Tierarztl. Monatschrift 1928 blz. 621. een drietal
door hem behandelde gevallen van melkziekte.

Dr. Anreiter wilde de waarde der glucose-therapie toetsen aan de praktijk.
De eerste patiënt werd 25 gr. glucose in 150 aqua intraveneus toegediend en eene
gelijke hoeveelheid subcutaan. Na 80 minuten was geen verbetering waarneembaar.
Toen werd uier-insufflatie aangewend, waarop reeds na 20 minuten verbetering
intrad.

De 2e koe kreeg 40 gr. glucose en 200 aqua subcutaan. Na uur was het ziekte-
proces verder voortgeschreden. Uierinsufflatie met coffeine-injectie bracht daarna
binnen J uur verbetering, na ruim 2 uur herstel.

Bij de derde koe gaf glucose na een uur evenmin eenige verbetering te zien
Daarop werd lucht-insufflatie subcutaan aan den hals toegepast, evenmin zonder
resultaat. Uier-insufflatie bracht ten slotte de koe vlug weer op de beenen.

Conclusie : De glucose-therapie geeft negatief resultaat.

Ein Fall von Eihautwassersucht. (Dr. E. Ruchti, Schweizer Archiv fiir Tierheil
kunde, 1927 LXIX Band 4. Heft).

Ruchti nam een geval waar van hydrallantois, waarbij 216 L. vruchtwater
afvloeide. De koe bracht 2 kalveren — deze stierven na 3 dagen — van 23 en 25 K.G.
Omdat de secundinae niet afgingen, werd de koe geslacht. In den uterus was
toen nog 8 L. vloeistejf aanwezig, totaal dus 224 L. vocht, eene hoeveelheid, in ele
litteratuur nog niet aangegeven.

The reiationship between the color and the fat content of bovine corpora lutea.
(Bleecker, Journal of the Amer. Vet. Meel. Ass. 1928 blz. 577).

BIeecker onderzocht 194 paren ovaria, verzameld van vaarzen en van koeien,
die één of meermalen hadden gekalfd. Bij eene niet-drachtige koe vond hij één
normaal ovarium met een corpus luteum, gebarsten follikels en een bijna rijp
Graaf\'s blaasje cn een testikel, klein, na harding 25 bij 19 m.M., van de consistentie
van den testikel bij een paard met cryptorchidie.

De kleur der ovaria werd bepaalrl, na 48 uur harden in 10 % fe>rmaline, met

-ocr page 228-

behulp eener tiendeelige schaal, beginnende bij 65 % wit en 35 % geel en oploopende
tot 90 % oranje en 10 % geel. Voor wit werd genomen Chineesch wit, voor geel
„cadmium" en voor oranje „chroom geel", alle drie kleuren bereid door
Favor,
Ruhl &
Co., New-York and Chicago. Door vergelijking met versch materiaal
bleek dat door het harden de kleur één schakeering terugliep.

De door Mc. Nutt verkondigde meening, dat de activiteit van het corpus luteum
evenredig is aan de hoeveelheid bloed, die uit de sneevlakte treedt bij insnijding
van het ovarium onmiddellijk na het slachten, werd niet bevestigd.

De hoeveelheid vet, in de corpora lutea aanwezig, werd bepaald door extractie
met aether. De corpora lutea werden uit de ovaria genomen, nadat deze gedurende
verscheiden maanden in 10 % formaline waren bewaard. De corpora lutea
werden verkleind en gedroogd bij 50° C.

Coupes werden gemaakt en op verschillende wijzen gekleurd (Nijl-blauw, Soedan,
hematoxylin en eosin, en olie rood O.).

Bleecker kwam tot de conclusie, dat de graad van pigmentatie der corpora
lutea bij het rund niet parallel loopt met de hoeveelheid aanwezig vet. Ook bleek
er geen verband te bestaan tusschen drachtigheid, den duur daarvan en de kleur
of de hoeveelheid vet van de corpora lutea.

De kleurstof is carotine.

Recherches sur la pathogénie de la fièvre vitulaire. ^Recueil de Méd. Vét. Tom<
C IV, Février 1928.) R. Moussu.

Moussu meent, dat de oorzaak is te zoeken in een verlaagd cholesterine-gehalte
van het bloed, waardoor voor de endogene toxinen geen voldoende bindmiddelen
meer aanwezig zijn. Dat het hem niet gelukt, met emulsies van cholesterine, sub
cutaan toegediend, eenig succes te bereiken bij melkziekte, wijt hij daaraan, dat
de ingespoten cholesterine niet gelijk is aan de in het bloed aanwezige. Zij moet
in de bijnieren en de gele lichaampjes eerst veranderingen ondergaan ; daarvoor
verloopt zooveel tijd, dat op het snel verloopend proces geen gunstigen invloed
meer is uit te oefenen.

Prophylactisch wil Moussu „steaming" toepassen, d.i. de van Fngelsche zijde
aanbevolen krachtige voeding. (Onze ervaring is, dat daardoor het ontstaan van
melkziekte wordt bevorderd. In de oorlogsjaren kwam er hier en ook in Duitschland
zeer weinig melkziekte voor. Toen de voeding weer krachtiger werd, nam het aantal
gevallen in gelijke mate weer toe. Ref.) Verder
niet melken, doch het kalf er bij laten.
(Eene methode, hier ook wel toegepast en schijnbaar niet
geheel zonder resultaat
Ref.). Zeer aanneemlijk is de opvatting van Moussu niet.

La Stérilité des vaches. Revue Générale de Méd. Vét No. 442, 15 Oct. 1928 en
No. 443, 15 Nov. 1928.

Het artikel is vertaald, overgenomen uit Clinica Veterinaria (Jan. 1928) en af-
komstig van Prof.
Stazzi, directeur van het proefstation te Milaan. Er wordt
weinig nieuws in naar voren gebracht. De slotbeschouwing beeft voor de praktijk
wel eenige beteekenis. Zij houdt in :

1. Het is in het algemeen niet aan te bevelen, tot behandeling over te gaan
bij pyometra, bij parenchymateuse metritis of pyometritis, gekenmerkt door eene
duidelijke verdikking en verharding van den uteruswand. met hypertrophie van
den uterus. Men moet niet behandelen koeien, die losbandig zijn en koeien met
bronstafwijkingen, die langer dan 8 maanden hebben bestaan.

2. Men moet niet behandelen koeien m?t atrophische metritiden, kenbaar aan
atrophie v/d uteruswand en van het collum, hetzij deze een gevolg zijn van pyome-
tra of onafhankelijk daarvan aanwezig zijn.

De resultaten der behandeling zijn ver van constant, ook al is er weinig verschil
in de aandoeningen en al wordt de behandeling technisch goed uitgevoerd. Soms
70 % genezing, onder andere omstandigheden 30 %. .

Voeding en levensverhoudingen spelen een groote rol. Groote hoeveelheden
krachtvoeder werken ongunstig, weidegang gunstig. Door veel krachtvoer ontstaat

-ocr page 229-

een congestieve toestand van den uterus, waardoor deze minder geschikt wordt
voor bevruchting.

Jonge dieren genezen door weidegang gedurende eenige maanden, met ont-
houding, veelal spontaan.

Eene flinke aderlating kan nuttig werken door bloedonttrekking aan de baar-
moeder. W.
t. H.

Torsio uteri.

In de Tierarztl. Rundschau van 31 Jan 1926 behandelt Dr. Bittner bovenge-
noemd onderwerp ; hij noemt in het kort de verschillende methodes en behandelt
daarna de door hem gevolgde werkwijze, die in hoofdzaak ook de onze is. (Ref.)
Schrijver tracht den kop zoo dicht mogelijk (bij kopligging) bij den cervix te
brengen, laat liefst de vruchtvliezen intact en steunt nu kop en hals met den onder-
arm, drukt met de vuist tegen de borstkas en brengt het kalf in schommelende
beweging om daarna flink naar beneden door te drukken en daarna naar boven,
natuurlijk in tegengestelde richting van de torsie. Als leeken trachten eene torsie,
die zij vaak voor eene abnormale ligging verslijten, op te heffen, begaan zij in den
regel de fout, niet naar beneden door te drukken, maar direct naar boven te re-
poneeren, dus tegen de torsie in (Ref.).

Moeilijker is de retorsie bij stuitligging, omdat door de lange achterbeenen het
moeilijk is, het kalf ver naar voren te pakken, terwijl verder weinig houvast
is aan het achterstel. Schrijver tracht bekken en kruisbeen op den onderarm te
steunen en verder naar voren het kalf vast te pakken ; hij waarschuwt ervoor
(terecht) te spoedig den moed op te geven om daarna tot wentelen over te gaan
Nooit moet men een been pakken om het kalf te wentelen omdat dit i.° niet lukt
en 2". gevaar oplevert voor rupturen. Bij de casuistiek, die volgt, viel het mij op,
dat zoo dikwijls de vruchtvliezen stuk zijn. Dit is m.i. niet anders te verklaren dan
dat in het buitenland veel vaker leeken ingrijpen (Ref.). Schrijver noemt zelfs een
geval, dat de secundinae los in de baarmoeder lagen.

Dr. Bittner wijst vooral op de groote moeilijkheid van retorsie bij torsio uteri ante
cervicum. Is het kalf klein, dan kan het, zonder gevaar voor de koe, worden ont-
wikkeld. Schrijver vermeldt verder nog een geval van tors\'io uteri bij tweelingen

Van Duitsche zijde wordt heel vaak aangeraden, om bij onvoldoende ontsluiting
de cervix in te snijden. Ik ben hiervoor steeds huiverig, omdat het bij normale
vruchten niet noodig is, terwijl bij emphysemateuze vruchten de kans op infectie
groot is. (Kef). Dr.
Bittner stelt de prognose voor torsio uteri gunstig, waarmee
ik het volkomen eens ben.

Ein Fall von erfolgreichen Bauchschnitt bei Torsio uteri des Rindes.

In de Deut. Tierarztl. W.schr. 1928 No. 52 beschrijft Prof. Dr. Benisch een geval
van torsio uteri bij een koe, die 37 weken drachtig was, welke torsie teruggedraaid
werd na laparotomie. Het geval is meer interessant om te laten zien, hoeveel het
lijden kan eer eene koe bezwijkt, dan ons collega\'s op te wekken tot navolgen
Het dier was 37 weken drachtig, vertoonde maar heel weinig verschijnselen van
eene naderende partus. Na het vaststellen van de diagnose werd eerst geprobeerd
volgens de methode Schreiner de torsie op te heffen, daarna door wentelen van de
koe en tenslotte door het dier aan de achterbeenen zoover op te trekken, dat alleen
nog de kop den grond raakte en nu getracht de baarmoeder terug te draaien met
ondersteuning van buiten af. Ook dit mislukte en nu werd besloten tot laparotomie.
die plaats vond bij het staande dier onder locale anaesthesie met 5 % tutocaïn-
oplossing. Bij het openen van de buikholte kwam eene rood-gele sereuse vloeistof
te voorschijn. De geheele arm werd in de buikholte gebracht, de uterus gepakt en
eerst 1800 terug gedraaid, wat nog niet voldoende was; de baarmoeder scheurde
tot in de spierlaag ; daarna nog 1800 terug gedraaid en nu was de ligging normaal

Schrijver dacht, dat de koe den vollen tijd zou dragen, maar na 6 uren begon
zij te persen en 2 uren daarna was de voetblaas in de vulva zichtbaar. Bij exploratie
brak de waterblaas ; de hand kon gemakkelijk de cervix passeeren. Omdat de weeën

-ocr page 230-

minder werden, werd de kop met behulp van ooghaken door 4 man (hoogere verlos-
kunde) buiten de vulva getrokken. Verdere verkleining van de vrucht was on-
mogelijk??? en daarom werd de rachiofoor van Stüven gehaald, de wervelkolom
stuk geboord en het kalf tot kruis op kruis getrokken en daarna door scheef en
versterkt (hoeveel man) trekken ontwikkeld. Bij onderzoek bleken geen belangrijke
verwondingen te bestaan (wel een wonder en zeker ook tot verwondering van den
professor).

Het foetus woog 40 K.G. en was niet emphysemateus. Niettemin stond de koe
na 12 uren op, maar begon sterk te persen, vertoonde eene versnelde pols en at
noch dronk. Van een inwendig onderzoek werd afgezien ; hartmiddelen en exitantia
werden toegediend, terwijl den eersten dag 8 en den volgenden dag nog 4 kool-
staven in de uterus werden gebracht, nadat van te voren de secundinae manueel
waren verwijderd. Reeds na 24 uur duidelijk beterschap en na 12 dagen verliet
het dier hersteld de cliniek.

Ondanks storende invloeden (uterus-scheur, vroeggeboorte en retentio secun-
dinarum kwam het dier er dus toch door. De operatie bij het staande dier verge-
makkelijkt zeer zeker de retorsie.

Harms raadt alleen laparotomie aan, als niets meer te verliezen is, wat mij ook
verstandiger lijkt, dan bovengenoemd geval na te volgen, omdat het wel een groot
wonder is, dat een dier, al is het eene koe, dit alles doorstaat.

Menaldum, 29 Oct. 1928. Kingma.

BLADVULLING.

Dronken ossen.

(Bouchet, Revue Vét. et journ. de méd. vét. 1928, blz. 510). Alkoholvergifti-
ging wordt herhaaldelijk in Normandie aangetroffen bij ossen die gevoed worden
met ooft dat in hoopen bewaard wordt en waarin zich, door gisting, alkohol ont-
wikkeld heeft. Ook na het eten van groote hoeveelheden suikerbieten is het op-
gemerkt.

Bacteriën op fruit.

Hoder (Deut. Med. Woch., N.T.v.G. 1928 111 blz 5843) ging den invloed na
van het wassen van fruit met gewoon water, op het aantal bacteriën aan de bui-
tenkant. J K.G. mooie, droge aalbessen van de markt, werden 5 maal, telkens met
\\ liter water gewassen. Van het waswater werd telkens 2 cc. op agar geënt ; het
aantal gegroeide bact. kolonies werd daarna geteld. Het eerste waswater (kanier-
temp.) bevatte 30.000 kiemen, waarbij 200 bact. coli ; het tweede 12000 (coli 4) ;
het derde 6000 ; het vierde en vijfde waswater ongeveer als het derde. De eerste
was had dus de grootste waarde en mag ook nooit verzuimd worden.

Begrafenis van een Cowboy\'s paard.

Mc. Muli.en vermeldt in het Journal o/t Amer. vet. med. Ass. (Nov. 1928 blz
877) de begrafenis, te Los Angeles, van de Cow-pony Muggins die op 38-jarige leef-
tijd stierf na een schitterende Wild-West-loopbaan. Het dier was steeds zonder
gebit gereden (neck-reined). Aan het graf werd een verhaal gedaan van de lotge-
vallen van dit met (bijna mensen)verstand begaafde paard. Vele Cowboys en Cow
girls waren aanwezig.

Te weinig dierenartsen in Noord-Amerika.

In de Vereenigde Staten en Canada zijn in \'t geheel 12 officieel erkende „veteri
nary colleges", met 917 vét. studenten. Dit jaar verlieten 138 als dierenarts de in-
richtingen. De redactie van het Journal of the Amer. Vet. Med. Ass. (Nov. blz. 791)
merkt hierbij op dat die aantallen te klein zijn om in de tegenwoordige behoefte aan
dierenartsen te voorzien. Aan vele aanvragen voor assistenten, door gevestigde
praktici, kon niet worden voldaan. De vooruitzichten voor de dierenartsen waren
nooit beter dan tegenwoordig. Vr

-ocr page 231-

VERGELIJKENDE GENEESKUNDE.

(Uit de Bacteriologische Afdeeling van het Centraal Laboratorium voor de
Volksgezondheid te Utrecht. Hoofd der Afd. J. P. BIJL, Arts.)

BIJDRAGE TOT DE EPIDEMIOLOGIE DER FEBRIS UNDU-
LANS VAN DEN MENSCH IN NEDERLAND,
(EEN ONDERZOEK NAAR HET VOORKOMEN VAN BRUCELLA
ABORTUS BANG IN MELK EN BOTER),

door

Dr. J. VAN DER HOEDEN.

INLEIDING.

De febris undulans van den mensch in onze streken wordt ver-
oorzaakt door de abortus-bacterie der runderen. Het aantal tot
nu toe hier te lande waargenomen gevallen is nog betrekkelijk
gering. Dit is waarschijnlijk voor een belangrijk gedeelte te ver-
klaren, doordat vele niet als zoodanig worden herkend. Voor deze
onderstelling spreekt bijv. het feit, dat bij slechts 4 der 23 gevallen,
waarvan in het ,,Centraal Laboratorium" de diagnose kon worden
gesteld, door den behandelenden arts aan de mogelijkheid van het
bestaan van febris undulans is gedacht. Daarbij is het waarschijn-
lijk, dat — evenals zulks vaak in de gebieden, waar maltakoorts
heerscht is waargenomen, een aantal ambulante gevallen niet
onder het oog van den arts komen. Dat evenwel, onder ons nog
niet bekende omstandigheden, deze ziekte een ernstige aanslag
plegen kan op de volksgezondheid, moge blijken uit de sterke
verbreiding, die dit lijden in Denemarken, Zweden en sommige
streken van Noord-Amerika heeft gekregen. Het is allerminst
ondenkbaar, dat in Nederland, met zijn groote en in hevige mate
met infectieuse abortus besmette veestapel, te eeniger tijd de
Brucella-infectie onder de menschen een dergelijk, zoo nietgrooter
aantal slachtoffers eischen zal.

Het is de taak van den epidemioloog om op te sporen, welke
factoren het zijn, die een toeneming van het aantal ziektegevallen
tot stand brengen, om, gewapend met deze kennis, de maatregelen
te kunnen aan wijzen, die in den toekomst endemisch optreden moeten
helpen voorkomen. Daarvoor is in de eerste plaats noodig op-
sporing der infectiebronnen en bestudeering van de wijzen, waarop
de infectie tot stand komt.

Bij beschouwing der buitenlandsche literatuur blijkt al spoe-
dig, dat in de meeste gevallen de besmetting met Brucella bij
den mensch moest worden toegeschreven aan liet gebruik van
rauwe melk of room. Bij een kleiner aantal hield zij verband met

LVI r,

-ocr page 232-

het verleenen van hulp bij aborteerend vee. In een niet gering
percentage tenslotte kon niet worden vastgesteld op welke wijzt
de smetstof was opgenomen.

Voor zoover het betreft de belangrijkste gebieden, waar Brucella-
infecties bij menschen zijn waargenomen, wil ik hier een kort-
opgave laten volgen der daarbij aangewezen infectiebronnen.

Amerika : Het eerste geval is beschreven door Keeper (1924)
bij iemand, die regelmatig groote hoeveelheden rauwe rundermelk
dronk. M
oore en Carpenter (1926) deelen een geval mede bij
een man, die zich had geinfecteerd bij het verwijderen der vrucht -
vliezen van een koe ; C
arpenter en Merriam (1926) noemen twee
gevallen, na het drinken van rauwe melk. In Michigan zijn door
O
rr en Huddleson (1927) 17 patiënten waargenomen, waarvan
de meesten zich hadden geinfecteerd met melk ; bij alle 7 patiënten
van S
ensenich en Giokdano was dit eveneens het geval. Drir
der 5 gevallen van H
ull en Black (1927) waren te wijten aan ln-t
drinken van ongekookte koemelk, terwijl ook bij 14 der 21 recente
gevallen van G
ilbert en Coleman (1928) moest worden aange-
nomen, dat de ziekte hierdoor was ontstaan.

In het Rapport van de Office International d\' Hygiëne Publiqur
(1928) wordt samenvattend gezegd, dat in de Vereenigde Staten
twee soorten van unduleerende koorts te onderscheiden zijn : a)
die wordt veroorzaakt door het drinken van rauwe geitenmelk
en
b) door het gebruik van rundermelk. Onder deze laatste groep
wordt ook gerangschikt het geringer aantal gevallen, dat verband
houdt met de verlossing van koeien en met het slachten van var-
kens. Met laatstgenoemde infectiebron moet in Amerika, waar
abortus door Brucella Bang bij varkens vrij veel voorkomt, wel
degelijk rekening worden gehouden, temeer, omdat de stammen,
die uit het varken zijn geisoleerd een grootere meer met dit
van Brucella melitensis overeenstemmende virulentie voor de
cavia blijken te bezitten, dan die van het rund (C
otton, 1923).
In dit verband zijn van belang de onderzoekingen van Hakl>\\
(1928) in de staat Iowa, waar 83 gevallen van febris undulan>
zijn waargenomen. Een groot gedeelte hiervan moest worden
toegeschreven aan besmette melk. Bij 11 patiënten evenwel viel
in de eerste plaats te denken aan infectie door varkens ; 6 der lijder-
waren boeren, in wier bedrijf alleen bij de varkens infectieusi
abortus heerschte, de 5 anderen waren arbeiders in een varkens-
slachterij.

In Engeland zijn tot nu toe slechts weinig gevallen van undu-
leerende koorts beschreven . de meeste zijn waarschijnlijk terug
te brengen op het gebruik van rauwe koemelk (B
amfortii 1927
M
anson-Bahr 1928).

De Fransche-, maar vooral de Italiaansche gevallen zijn grooten-
deels vertroebeld door de mogelijkheid, dat hieronder schuilt-!.

-ocr page 233-

infecties met Brucella melitensis. Zij werden ten deele toegeschreven
aan het gebruik van melk en melkproducten (F
icai en Alessan-
hrini
1925 ; Favilli 1926 . Ledoux, Archer en Clerc 1928),
voor een ander gedeelte aan verloskundige hulp bij aborteerend
vee (P
onticaccia 1925 ; Leroy 1926).

Het aantal tot heden in Duitschland beschreven gevallen bedraagt
ongeveer 20. De 4 door V
eilchenbi.au (1927) genoemde dieren-
artsen hadden zich allen besmet bij verlossingen, de 4 door H
abs
(1928) waargenomen patiënten zouden daarentegen hun ziekte te
wijten hebben aan het drinken van rauwe melk ; bij de 8 gevallen
van P
oppe (1928) hield de infectie 6 maal verband met het gebruik
van melk (één hiervan onzeker), éénmaal met het verwijderen
van de secundinae, terwijl bij één geen infectiebron was aan te
geven. *)

Uitgebreider gegevens bezitten wij uit de Noordelijke landen,
waar deze ziekte bij den mensch blijkbaar veel meer voorkomt.

Madsen (1928), grootendeels gebruik makend van de gegevens
van M. K
ristensen (1928), heeft mededeeling gedaan omtrent
209 gevallen in
Denemarken, waarvan 160 bij mannen en 49 bij
vrouwen. Van deze 209 patiënten zouden zich 43 waarschijnlijk
hebben geïnfecteerd door direct contact met besmet vee, 60 door
het vee en tevens met de melk en 68 door het gebruik van rauwe
melk. Bij 38 patiënten was de bron van infectie onzeker.

In Zweden vond King (1928) onder 25 gevallen 7 maal een
infectie door het vee. De overige 18 personen, die allen beroepen
hadden, die hen niet in contact brachten met koeien, zouden zich
door de melk hebben besmet.

Wat Nederland betreft zijn hieraan de volgende gegevens toe
t( voegen :

Van November 1927 tot Februari 1929 werden in de Bacterio-
logische Afdeeling van het „Centraal-Laboratorium" te Utrecht
opgespoord 24 patiënten met hooge serumagglutinatie en com-
plementbindingsreactie voor Brucella. In alle gevallen waren de
karakteristieke verschijnselen van febris undulans aanwezig :
andere ziekteoorzaken konden bij geen hunner worden opgespoord.
Fén dezer patiënten zal hier verder buiten beschouwing worden
gelaten. Dit was nl. een zeeman, die zich in Spanje had geïnfec-
teerd door het drinken van geitenmelk, dus die leed aan Malta-
koorts (Mittelmeerfieber), veroorzaakt door Brucella melitensis.

Onder de overige 23 patiënten waren 7 vrouwen en 16 mannen.

De beroepen der patiënten waren als volgt verdeeld :

8 veehouders of knechten in een veebedrijf, één vrouw van een
veehouder, één dierenarts, één slagersknecht, één tuinier, 2 han-

\') Noot bij de correctie: Weigmann deelt intusschen 2.7 gevallen mede in
Sleeswijk-Hotstein, waarvan 19 verband houden met het drinken van rauwe melk.

-ocr page 234-

delsreizigers, die uitsluitend het platteland bezochten, één ven te t
te plattenlande, één kantoorklerk, één leerling van het gymnasium
en 6 vrouwen zonder beroep, die geen contact hadden met veé

Nauwelijks de helft dezer personen kwam dus regelmatig in
aanraking met runderen.

De besmetting was toe te schrijven :

bij 4 patiënten aan het verrichten van verlossingen bij abor-
teerend vee,: bij 3 patiënten aan verloskundige hulp en (of) het
gebruik van rauwe koemelk (c.q. room) ; bij 9 patiënten aan het
drinken van rauwe koemelk (c.q. room) ; bij 7 patiënten aan een
onbekende infectiebron (geen verband met vee ; geen onverhitte
melk gedronken).

Deze gegevens sluiten nauw aan bij de straks besprokene uit
het buitenland.

Bij 5 patiënten, die zich door het drinken van melk konden
hebben geïnfecteerd, werd een onderzoek ingesteld naar de aan-
wezigheid van abortusbacteriën in dit voedingsmiddel. In alle
5 gevallen werden zij gevonden.

Uit liet bovenstaande is dus voorloopig af te leiden, dat de
meest voorkomende wijze van infectie, ook in Nederland, is langs
alimentairen weg, door het gebruik van rauwe melk en room.

Uit epidemiologisch oogpunt mag het daarom van belang worden
geacht, een onderzoek in te stellen naar het voorkomen van levende
Brucella abortus in de consumptiemelk.

I. ONDERZOEK NAAR HET VOORKOMEN VAN BRU-
CELLA ABORTUS BANG IN MEI.K.

Dit onderzoek is in het buitenland reeds meermalen verricht.
De eerste uitvoerige mededeelingen zijn van S
chroedek en Cotton
(1911), die toevallig bij hun caviaproeven, ten behoeve van het
onderzoek van melk op tuberculose, Brucella-Bang op het spoor
kwamen. Zij meenden evenwel een tot dien tijd nog onbekende
microbe te hebben ontdekt („Udder bacillus") en beschreven tiaar
als grampositief. M
ohlek (1912) heeft aangetoond, dat deze ,,ud-
der-bacillus" niet anders is, dan de abortusbacterie van het rund
en dat de grampositiviteit berustte op een door S
chroeder en
C
otton foutief aangewende kleuringstechniek.

Het aantal der koeien in geïnfecteerde boerderijen, die abortus-
bacteriën met de melk uitscheiden, wordt door verschillende
onderzoekers zeer uiteenloopend opgegeven. Hierbij is te bedenken
dat slechts in enkele gevallen rekening gehouden is met de niet
geringe kans van besmetting der melk vanuit de vagina, zoodat
niet alle positieve uitkomsten een aanwijzing zijn, dat inderdaad
de bacteriën uit den uier afkomstig waren.

-ocr page 235-

Schroeder (Amerika. 1914) vond Brucella abortus in de uiers
van 60 % der geïnfecteerde koeien; C
ooledge (Amerika, 1916)
vond haar bij 27 % van 118 koeien in 7 besmette boerderijen ;
W
inkler (Duitschland, 1QJ9) bij 41 %, Pfenninger (Zwitserland
1923) bij 34.8 %, S
hkather (Engeland, 1923) bij 34 %, Fitch
en Lubbehusen (Amerika, 1924) bij 29.2 %.

Schroeder en Cotton (Amerika, 1924) toonden Brucella Bang
aan in de melk bij 83.3 % van 30 koeien met hooge agglutinatie-
titers voor dit microörganisme.

Carpentiïr (Amerika, 1926) vond Brucella in de melk van
66.6 % der koeien van een geïnfecteerden koppel en C
arpenter
en Boak (Amerika, 1928), die hun onderzoek verrichten in drie
„certified dairies", waar pl.m. 20 % der koeien een positieve
serum-agglutinatie bezat voor Brucella, vonden 6.08 % der melk
van afzonderlijke koeien daarmede geïnfecteerd.

De onderzoekingen met mnrktmelk voerden ook tot sterk uit-
c(\'nloopende getallen.

Schroeder en Cotton vonden bij hun onderzoek tusschen 1907
en 1912, dat door 31 % der bedrijven abortusbacteriënhoudende
melk werd geleverd. Volgens S
chroeder (1914) zou er in den loop
der jaren een gestadige toeneming waar te nemen zijn (in 1907 :
15 %, in 1912 : 37.5 % der boerderijen). F
leischner en Meter
(1917) wezen er op, dat bijna alle melkmonsters van de bedrijven,
die in San-Francisco zoogenaamde „certified milk" leverden, abor-
tusbacteriën bevatten. W
inklek (1919) vond, door middel van
cavia-enting van 22 monsters mengmelk in Dresden 32 % besmet,
H
etz (1921) in Stuttgart, met kweekproeven slechts 4.6 % van
150 monsters en met caviaproeven geen enkele der 50 onderzochte
monsters. In 1926 kon P
röscholdt in Pommeren Br. abortus
aantoonen in 27.5 % van de markt melk, in jr % der door de
verschillend- boerderijen afgeleverde melk en in 7.4 % der mon-
sters van afzonderlijk uitgezochte koeien. Tenslotte kregen C
ar-
penter
en Baker in Ithaca (N.-Am„ 1927) bij 18 % der door
hen onderzochte markt melk een positieven uitkomst en S
chwarz
in Hamburg (1929) bij 41.5 %.

Eigen onderzoekingen.

i) Methoden van onderzoek :

Elk monster melk werd gedurende 5 a 10 minuten in een wijde
buis van pl.m. 50 Ccm. inhoud gecentrifugeerd, met ongeveer
1000* omwentelingen per minuut. De bovenstaande room, waarin
de meeste abortusbacteriën zijn opgehoopt (H
uddleson), werd
daarna afgeschept, gemengd met het sediment en verdund met
6 8 Ccm. physiologisch water. Bij twee cavia\'s werden vervolgens
2 a 3 Ccm. dezei vloeistof onder de buikhuid gespoten. De sectie

r

-ocr page 236-

der door carotissnede gedoode proefdieren geschiedde 6- 9 weken
daarna.

Met het bloedserum der cavia\'s werden agglutinatie- en comple-
inentbindingsreacties verricht t. o. v. Brucella Bang. Voor de bij
de agglutinatie-reactie gevolgde methode zij verwezen naar „Ver-
slagen en Mededeelingen betr. de Volksgezondheid", 1928, No. 10 .
de techniek der complementbindingsproef was die, welke dooi
mij is beschreven voor de diagnostiek van gonorrhoe (Versl. en
Meded. 1927, No. 8).

Het tijdstip voor serologisch en cultureel onderzoek werd op
6 tot 9 weken gesteld naar aanleiding van de uitkomsten dooi
H
agan bij zijn systematische onderzoekingen gekregen. (Het
aantal bacteriën in de organen begint iets af te nemen na onge-
veer 4 weken, maar deze vermindering is slechts gering tot de
rode a 12de week. Al naar de hoeveelheid geïnoculeerde bacteriën,
wordt een hooge agglutinatietiter bereikt na 3 tot 6 weken ; deze
daalt weer na 10 weken).

Uit de organen, steriel aan het cadaver ontnomen, werd geënt
op platen leverbouillon-agar (H
uddleson, Hasley en Torrey)
ën daarnaast ook wel op vleeschbouillon-agar en 5 % glycerine-
vleeschbouillon-agar. Daartoe werden stukjes der organen met hun
snee vlakte gestreken over de voedingsbodems.

De groei vond plaats gedurende 6—8 dagen bij 370 C. in
een met paraffine-vaselinemengsel afgesloten klok, waaruit de
lucht grootendeels was weggepompt en vervangen door een
mengsel lucht-koolzuur 10 %. Op de met gentianaviolet gekleurde
voedingsbodem van H
uddleson groeit de Brucella in dien tijd
uit tot gewelfde, glanzende, ronde kolonies, met gladde randen
en i—3 mm. doorsnede. Het gebruik dezer voedingsbodem
biedt evenwel, althans in vele gevallen, geen voordeel boven ge-
wone bouillon-agar of glycerinebouillon-agar. Dit bleek vooral
bij een vergelijkend onderzoek met 6 geïnfecteerde cavia-milten,
waarbij tevens werd bestudeerd de invloed van het gasmengsel,
waarin de platen worden gehouden. Uitvoerig op deze proeven
in te gaan valt buiten het kader van dit artikel. Het moge vol-
doende zijn de uitkomsten mede te deelen.

In alle gevallen was op den voedingsbodem van Huddleson\' en
op glycerine-agar een goede groei : de laatste deed in geen dei
gevallen onder voor de meer gecompliceerde lever-agarplaat
Op gewone bouillon-agar was in het algemeen ook een bevredigende
groei, die evenwel in sommige gevallen bij die op de andere platen
iets achter bleef. Op de voedingsbodems, die zonder-meer in de
broedstoof waren geplaatst, ontwikkelden zich maar in enkele
der proeven spaarzame kolonies. Veel betere resultaten werden
verkregen in het mengsel lucht-koolzuur (10 %). Ook in de klok
met lichtgas was meestal een goede groei : tegen deze methode

-ocr page 237-

bestaat evenwel het bezwaar, dat door de vorming van een groote
hoeveelheid water de platen zeer vochtig en daardoor gemakkelijk
geïnfecteerd worden.

De abortusbacteriën werden alszoodanig geïdentificeerd door bestu-
deering van het Grampraeparaat, en in de meeste gevallen ook door
gistingsproeven op koolhydraten en agglutinatie met specifiek serum.

2) Uitkomsten der onderzoekingen :

Het grootste deel der melkmonsters mocht ik ontvangen door
bemiddeling van den heer S. S
tuurman, directeur van het Melk-
(\'ontröle-Station-Utrecht, die mij daarbij tevens inlichtingen om-
trent de herkomst heeft willen verschaffen. Ik ben hem, evenals
Dr. J.
van dhr Kaay, die- op de boerderijen verschillende voor
mij waardevolle gegevens heeft verzameld, zeer dankbaar voor
de verleende hulp.

Afgezien van een klein aantal monsters van andere herkomst,
werden 75 uit de omgeving van de gemeente Utrecht onderzocht.
De directe kweekproef leverde bij geen der 42 aldus onderzochte
monsters een positief resultaat op ; in de meeste gevallen waren
de platen overwoekerd door snelgroeiende bacteriën en schimmels.
Veel gunstiger uitkomsten gaf de cavia-enting.

Van de 75 onderzochte melkmonsters moeten 15 worden uit-
geschakeld. omdat beide daarmede behandelde cavia\'s, reeds na
korten tijd stierven. De meeste dezer dieren gingen intercurrent
tt gronde in het warme jaargetijde, met het sectiebeeld eener
M-ptische infectie. Zonder twijfel is de oorzaak hiervoor gelegen
in het hooge kiemgehalte der melk in den zomer.

Ingespoten.

Kén cavia gestorven
binnen 8 weken

Beide cavia\'s gestor-
ven binnen 3 weken

Juli : 11 monsters ...

6 monsters

4 monsters

Augustus : 25 monsters

\'5

8

September : 4 monsters

2

0 ,,

October : 33 monsters

3 ..

November : 2 monsters

0

0

75 monsters

29 monsters

ij monsters.

Hij 60 van de 106 overlevende, ingespoten cavia\'s waren na
6 tot 9 weken de serumagglutinatie- (in verdunning 1/25) en de
complement bindingsreacties (met 0,06 Ccm.) negatief. Uit de milt
m lever dezer dieren kon Brucella niet worden gekweekt. Ook
de sera van 112 andere, niet voorbeliandelde caviae gaven negatieve
serumreacties. Dus sera van cavia\'s geven in de genoemde ver-
dunningen blijkbaar geen reactie met antigeen van Brucella.

De uitkomsten, die als positief te beschouwen zijn, worden in
onderstaande tabel aangetroffen.

-ocr page 238-

- 224

Cavia
No. >)

Gedood na

Sectie-bevinding
2)

Kweekproef

Agglutinatie

Complement-
bindingsrëactii

i

9 weken

liesklier 4
milt 4-
lever 4

milt 4-4-
lever
nier 4

i : 6400

< 0.001 Ccm. —

2

9 weken

liesklier —
milt 4-

milt 44 4

lever 4

i : i2800 4

( 0.00[ Ccm.

3

9 weken
9 weken

liesklicr
lever -
milt
4-4-

licsklier
lever
milt 4- —

milt 4
lever

milt 4 4
lever 4

i : 12800 4
i : 0400

( 0.001 Ccm. -H
\\ 0.001 \'Ccm. -H

4

81 week

liesklier —
milt 4- 4-

milt f

i : D400 4

< 0.001 Ccm. -

5

8 weken

liesklier 4-
milt -1- -f-

milt 4

N i : i2800 4

\\ 0.001 Ccm.

6

8 weken

liesklier
milt
4-
levcr

3)

i : 400 —

< 0.002 t\'cni.

7

8 weken

liesklier —
milt
lever —

i : 3200

( 0.001 Ccm. -■

8

8 weken

liesklier

milt 4
lever 4
nier

i : 30

\\ 0.0x3 Ccm.

9

7 weken

liesklier 4-
milt -(-

milt 4-

1 : 3200

A 0.001 Ccm.

io

6 weken

liesklier 4-
milt 4-
lever

milt —

i : 800 —

0.005 Ccm.

11

6 weken

liesklier —
milt -)- 4-

milt 4
lever 4-
niet 4-

i : 3200 4

< 0.001 Ccm. -

12*

7 weken

milt
lever

i : 200 -)-

0.06 Ccm.

13*
13a*

week
week

milt 4-

milt 4

nier

lever

i : 800 4
i : 1600 4

0.005 Ccm.
< 0.001 Ccm.

J) De met a genummerde dieren zijn gelijktijdig met hetzelfde melkmonster ingespoti \\
als het daaraan voorafgaande.

\') Liesklier 4- beteekent : liesplooiklier iets gezwollen; -4 — sterk \\ rgroc..
Milt beteekent: milt gezwollen; = gezwollen en knobbelig. Lever 4- beUekem :
lever gezwollen ;
4- 4 = gezwollen, met grauw-witte haardjes.
3) Kweekproeven konden niet worden verricht.

*) Deze melkmonstc-rs zijn afkomstig van dezelfde boerderij, resp. op n en 25 October.

-ocr page 239-

Cavia
Mo. >)

Gedood na

Sectie-bevinding
J>

Kweekproef

Agglutinatie

Complement-
bindingsreactu

\'4

6 weken

liesklier

milt

lever

nier

i : 1600

0.001 Ccm -»-

14«

<1 weken

milt —

lever

\' : 25 -

0.06 Ccm —

\'5

week

milt —
lever

milt -f

lever

nier

1 : 12800 4-

\\ 0.001 Ccm. -*-

>5«

hi. week

milt

lever

nier

1 : 1610

\\ 0.00x Ccm.

r6

6 weken

lever -f-

milt 4-

1 : 3200 -j-

0.003 Ccm. -

ï6a

6 weken

milt t
lever

milt -f

lever

nier

1 : 3200

0.001 Ccm. 4-

1 7

6J week

liesklier-f- 1)
milt

milt 4-
lever
liesklier -f 2)
nier

i : 0400 -j-

s 0.001 Ccm. -1-

r7"

6J week

liesklier -f 4- 3)
milt -f

milt -f
lever 4-
nier

i : 6400

y 0.001 Ccm. —

18

4 weken

liesklier -

milt f

i : H.JOO

v 0.001 Ccm. »

■9

8 weken

milt -f

nnlt 4-4-

lever

nier

i : i()00 -f

0.002 Ccm. -f-

i-ja

8 wc ken

milt f

lever

nier

1 : (1400 -

0.001 Ccm. —

\'zo

7 weken

lieskiier -f-

milt -f

i : 1600 -4-

< 0.001 Ccm. -T-

Belangrijke macroscopische orgaanafwijkingtn werden 6 tot
9 weken na de infectie niet aangetroffen. De eenige meer of minder
karakteristieke verschijnselen waren in sommige gevallen vermage-
ring, zwelling der liesplooiklieren en een vergroote milt met soms
knobbelige verdikkingen, die geleken op tuberkels in een vroeg
stadium van Koch-infectie. Bij 9 dieren vertoonde geen der in-

\') s) Zie pag. 224.

•>) Tuberculeus ; op de injectieplaals een knobbeltje.

) (lok tuberkelbacillen gevonden.

-ocr page 240-

wendige organen een met het bloote oog zichtbare verandering.
Met één uitzondering (No. 12) gelukte het steeds, waar zulks
werd beproefd, Brucella te kweeken uit de milt ; de kweekproef
was positief bij slechts 9 der 16 onderzochte levers en bij 4 det
12 nieren.

De agglutinatie-titer der sera van de verschillende cavia\'s liep
soms sterk uiteen (1/50 tot > 1/12800 ). Bij cavia 8, met vrij
zwakke complementbindingsreactie en een agglutinatie tot een
serumverdunning van slechts 1/50, werden uit de milt, lever en
nier abortusbacteriën gekweekt. Dit bevestigt de diagnostische
waarde dezer zwakke serumreacties.

Het feit, dat in de sera der cavia\'s, uit wier organen Brucella
gekweekt werd, steeds specifieke antistoffen werden gevonden, en
dat bij 172 andere cavia\'s nooit een positieve reactie werd aange-
troffen, bewijst, dat het in het algemeen reeds voldoende voor de
beoordeeling van de uitkomst der entproef zal zijn, indien het
serum van het proefdier wordt onderzocht op agglutininen en even-
tueel op complementbindende antistoffen voor Brucella. Aan de
hand van de vroeger genoemde gegevens van H
agan is aan te
nemen, dat het serumonderzoek in vele gevallen reeds vroegei
tot het doel kan leiden. Bij 3 cavia\'s kon ik door middel van hart
punctie al na 3 weken agglutininen aantoonen (1/400 en 1/1600 )
na 4 weken hadden 2 proefdieren die met bacterierijk materiaal
waren ingespoten reeds een titer tot r/12800 .

Het schijnt zelfs mogelijk, dat specifieke agglutininen worden
aangetroffen, terwijl de kweekproeven uit de organen een negatief
resultaat opleveren. Hiervoor pleit de waarneming bij cavia 12
(kweekproef uit milt en lever negatief, complementbinding nega-
tief, agglutinatie 1/200 4-) : een monster melk van dezelfde, her
komst, 2 weken later ingespoten, verwekte agglutininen en coin
plementbindende antistoffen, terwijl uit de milt spaarzame kolonies
van Brucella werden gekweekt.

De afwijkende bevindingen bij cavia 14 en 14^\', waarvan slechts
één na inspuiting met hetzelfde materiaal geinfecteerd bleek te
zijn, wijzen op een verschil in individueele gevoeligheid der cavia\'s
voor Brucella, waarover aanstonds nog zal worden gesproken.

Het was van belang een nader onderzoek in te stellen naar de
veestapels der bedrijven, van welke de onderzochte melkmonsters
afkomstig waren. Hierbij werden de volgende uitkomsten vei-
zameld :

-ocr page 241-

22 7 —

Woonplaats

Datum van het
onderzoek der
melk

Resultaat

Aantal
koeien in
den stal

Anamnestische gegevens omtrent
Brucella-infectie bij het vee-

Blauwkapel
*

26 Juli 1928
25 Oct. 1928

-f-

7

In October 1928 hebben 2 koeien ge-
aborteerd (3 a 4 maanden te vroeg)
Tevoren nooit abortus

De Bilt

14 Juli 1928

14

In 1928 hebben 6 koeien geaborte-erel
(serumreactie ). Tevoren geen
abortus.

Achttienho-
ven

1 Aug. 1928

13

In winter 1926—1927 hebben 5
koeien geaborteerel, in winter
1927—1928 géén In den zomer
1928 veel opbreken bij het vee

Achttienho-
ven
**

7 Aug. 1928

9

In januari 1928 heeft één koe 10 da
gen te vroeg gekalfd. Overigens
nooit opbreken of verwerpen in eleu
stal gehad.

Westbroek

17 Aug. 1928
27 Sept. 1928


Laatste jaren géén ,,kalf verleggers"
gehad.

Westbroek

17 Aug. 1928

17

In 1927 vier gevallen van abortus.
In 1928 géén abortus, géén op-
breken. In Februari 1929 heeft
weer één koe verworpen.

Zuilen

2 Oct. 1928

-f

25

In winter 1926—1927 hebben 3
koeien geaborteerd ; in winter 1927
-1928 één koe (3 maand te vroeg),
in winter 1928—[929 één koe. In
den zomer 1928 hebben veel koeien
opgebroken.

Maartensdijk

11 Oct. 1928
25 Oct. 1928

13

In December 1927 één koe geabor
teerel (2 maand te vroeg) ; in den
zomer 1928 hebben veel koeien op-
gebroken ; reeds meerdere jaren is
dit het geval. Éénmaal zijn de
koeien geënt met levende Brucel
la-cultuur.

Utrecht

17 Oct. 1928

24

In winter 1927 1928 hebben 5 koei
en geabeirteerel (serumagglutina
tie ). Tevoren n<x>it abortus. In
winter 1928 weer één koe ver-
worpen

Ztiilen

18 Oct. 1928

Handelsstal met steeds wisselende be
volking.

-ocr page 242-

Woonplaats

Datum van liet
onderzoek der
melk

Resultaat

Aantal
koeien in
den stal

Anamnestische gegevens omtrent
Brucella-infectie bij het vee

Groenekan
****

31 Oct. 1028

10

Tot midden Januari 1929 nooit
abortus bij het vee gehad ; l> we-
ken te vroeg geworpen, serum-
agglutinatie 1/3200 .

Elinckwijk

2 Nov. 1928

In winter 1927 1928 hebben 5 koei-
en geaborteerd ; in zomer 192S
hebben enkele koeien opgebroken ;
in winter 1928 1929 (tot Febru-
ari) nog geen gevallen van abor-
tus. Éénmaal is de veestapel ge-
ent met levende Abortus-cultuur,
Bloedonderzoek op Br. Bang te-
voren positief.

Sommige dezer gegevens verdienen een nadere beschouwing.

a) In het melkmonster * werden op 26 Juli geen abortusbacteriën
gevonden ; bij het vee waren geen gevallen van verwerpen voorge-
komen. Nadat in October zich de eerste gevallen daarvan voor-
deden, werd in de melk ook (op 25 October) Brucella gevonden.

b) In geval ** werden abortus-bacteriën in de melk aangetroffen
7 maanden, nadat één der koeien 10 dagen te vroeg had gekalfd.
Het serum dezer koe, een jaar na de vroeggeboorte onderzocht
agglutineerde Br. Hang tot verdunning 11200 ; de complement-
bindingsreactie was negatief.

c) fn de stal *** was sinds een aantal jaren abortus bij het vee
niet voorgekomen. Desondanks bevatte de melk, bij herhaald
onderzoek, Brucella Bang.

d) Bij het vee in geval **** was nooit iets waargenomen, dat op
Bang-infectie kon wijzen (volgens bericht van den boer en den
dierenarts). Desondanks werd in de melk op 31 October Brucella
gevonden. Eerst 2\\ maand later kwam de besmetting clinisch tot
uiting, toen één der koeien 6 weken te vroeg kalfde en specifieke
agglutininen werden aangetroffen in het serum van dit dier. Het
symptoom abortus is hier dus opgetreden geruimen tijd nadat de
melk reeds bacteriën bevatte. De groote affiniteit van het uier-
weefsel voor Brucella is ook o.m. gebleken bij de infectieproef,
die ik destijds heb verricht bij een 2-jarige drachtige vaars, die
intraveneus werd geinfecteerd met een uit den mensch gekweekte
Br. Bang en bij welk dier reeds spoedig deze bacteriën in het uier-
secretum waren terug te vinden en ook na den partus aanwezig
bleven (zie Tijdschr. v. Diergeneesk., 1928 No. 21).

e) In één bedrijf ben ik in de gelegenheid geweest een aantal
monsters melk van afzonderlijke koeien te onderzoeken. De vol-
gende twee waarnemingen zijn daarvan vermeldenswaard :

-ocr page 243-

Koe I : Is sedert pl.m. 3 jaren in de stal, heeft nooit geaborteerd,
is drachtig. Serumagglutinatie met Br. Bang 1/800 , comple-
mentbindingsreactie positief met ( 0,0005 Ccm. serum. De melk
bevat Br. abortus (caviaproef: agglutinatie 1/1600 , comple-
mentbindingsreactie met 0,0005 Com. serum , kweekproef
uit de milt ).

Koe II: is ruim een jaar in de stal, heeft niet geaborteerd of
opgebroken. Serumagglutinatie negatief (1/100), complementbin-
dingsreactie negatief (0,06 Ccm.). De melk bevat Br. abortus Bang
(caviaproef: agglutinatie 1/1600 , Complementbindingsreactie
positief met 0,005 Ccm. serum, Br. abortus gekweekt uit de milt).

Uit deze gegevens blijkt dus, dat niet alleen koeien, vanwelke
niet bekend is, dat zij ooit hebben verworpen, toch abortusbacteriën
met de melk kunnen uitscheiden, maar ook dat een negatieve be-
vinding bij het serumonderzoek der koe niet uitsluit de mogelijk-
heid, dat het dier bacillendrager is. Reeds vroeger heb ik er op
gewezen, dat hier waarschijnlijk een parallel te trekken is tusschen
de abortusbacteriëndragende koeien en de humane typhusbacillen-
dragers, bij welke laatsten ook na eenigen tijd de reactie van Win
ai.
blijvend negatief pleegt te worden. Ten opzichte van de vraag,
of een koe Brucella met de melk uitscheidt, (hetgeen vooral voor
zoogenaamde Modelbedrijven van belang te achten is) mag uit
het voorgaande de gevolgtrekking worden gemaakt, dat deze
slechts is op te lossen door het opsporen der bacteriën zelf. I)e
meening, dat men zou kunnen volstaan, met het serologisch onder-
zoek der koeien, berust op een misvatting.

Onder de 60 melkmonsters uit de provincie Utrecht, waarvan het
onderzoek met écn of twee proefdieren ten einde is gevoerd,
zijn tweemaal onderzocht. De 60 melkmonsters waren dus af-
komstig van 56 verschillende boerderijen.

Bij 41 der 60 monsters zijn géén, bij 19 wel abortusbacteriën
gevonden.

Drie dezer 19 monsters hadden dezelfde herkomst en zijn op
twee verschillende tijdstippen onderzocht :

monster a op 17 Augustus 4- en op 27 September ,
monster b op 11 October 4- en op 25 October 4-,
monster c op 26 Juli - en op 25 October .
Dus in de melk van 17 der 56 boerderijen werden Abortusbac-
teriën aangetoond, m.a.w. 30,3 % der boerderijen leverde met
Brucella besmette melk.

De melk der 56 boerderijen werd in consumptie gebracht door
30 slijters. Van deze slijters leverden 14 melk, die abortusbacteriën
bevatte. Voorzoover dit onderzoek reikt, bleek dus 46,6 % der
handelsmelk besmet te zijn met Brucella.

Het is niet onwaarschijnlijk, dat deze reeds zeer hooge getallen

-ocr page 244-

de werkelijkheid slechts benaderen. Mijn bepalingen berusten op
de entproef bij cavia\'s. Daarbij moet ermede rekening worden ge-
houden, dat het aantal Brucella\'s, noodig om een infectie bij dit
dier tot stand te brengen, vrij groot is (volgens H
agan minstens
i oo) en dat er soms een belangrijk verschil in individueele gevoelig-
heid der cavia\'s bestaat voor dit microörganisme. Het eerste zal
zich vooral doen gelden, wanneer de melk afkomstig is van ver-
schillende koeien, waaronder zich slechts relatief weinig bacillen-
uitscheidende dieren bevinden, zoodat de verdunningsgraad zeer
groot wordt.

Zoowel bij vroegere onderzoekingen, als bij de hier be-
sprokene heb ik een geval waargenomen, waar slechts één der
beide cavia\'s, die met hetzelfde melkmonster gelijktijdig waren
ingespoten, geinfecteerd bleek te zijn, de andere niet (serumreacties,
kweekproef). Het is dus mogelijk, dat onder het groote aantal inter-
current gestorven cavia\'s, geinfecteerde dieren waren, terwijl de
overlevende parallel-dieren gezond bleven.

Er is tenslotte nog een derde factor, waarmede rekening is te
houden. Door sommige onderzoekers is er nl. op gewezen, dat de
uitscheiding van abortusbacteriën met de melk onregelmatig ge-
schiedt. Een dergelijke periodieke bacillenuitscheiding kan invloed
hebben doen gelden, op de getallen die ik hier heb willen bepalen.

Tenslotte zij vermeld, dat ik behalve de tot nu toe besproken
melkmonsters nog 8 heb onderzocht, afkomstig van buiten de
provincie Utrecht. Vijf dezer bleken abortusbacteriën te bevatten.
Dit pleit er voor, dat ook in andere streken van ons land te ver-
wachten is, dat een groot gedeelte der melk besmet zal zijn.

Keeren wij thans terug tot onze epidemiologische beschouwingen,
dan is het opmerkelijk, dat bij een zoodanige besmetting der markt-
melk, als uit het beschreven onderzoek is gebleken, niet veel meer
ziektegevallen zich bij den mensch voordoen. Vergelijken wij boven-
dien het aantal der aan febris undulans lijdende patiënten in Neder-
land met dat in Denemarken en Zweden, waar ook de alimentaire
infectie de hoofdrol speelt, dan valt het op, dat naar verhouding in
ons land de frequentie veel geringer is. Een verschillende methodiek
voor de opsporing der gevallen kan hierbij geen wezenlijken invloed
hebben gehad (zie hiervoor Tijdschr. v. Diergeneesk. 1928, blz. 1073)
Ook kan de oorzaak voor dit verschil niet worden gezocht in het
bestaan van een grooter infectiereservoir in de Noordelijke landen.
Het is nauwelijks denkbaar, dat de mate van verbreiding der
abortus-enzoötie, zooals die onder den Nederlandschen veestapel
heerscht, elders wordt overtroffen. Het aantal personen, dat rauwe
melk pleegt te drinken, of room van onverhitte melk gebruikt, i?

zooals mij gebleken is — veel grooter, dan men in onzen tijd
van „hygiënische voorlichting" mocht verwachten. Het valt daar-

-ocr page 245-

om .niet te betwijfelen, dat een groot aantal personen dagelijks
abortusbacteriën tot zich neemt zonder belangrijke schade te lijden
aan de gezondheid.

Reeds vroeger heb ik er op gewezen, dat in verschillende gevallen
waarschijnlijk cle infectie bij den mensch is tot stand gekomen,
dank zij
bevorderende factoren. Deze begunstigende invloeden kun-
nen echter het onderhavige vraagstuk niet beheerschen. In dit
verband verdient ook aandacht de eigenaardige leeftijdsverdee-
ling der patiënten, waarvan onderstaande tabel een indruk geeft:

Denemarken (Maclsen).

Zweden (King)

Nd.-Amerika
(Evasn).

Nederland.

0 8 jr.

0

i

to jr.

0

4 (4)

0

8—19 jr.

43 (9) \')

i r

-20 jr.

5

9

4 (12)

20 -29 jr.

56

21

-30 jr.

5

\'3

8

39 jr.

59

31

40 jr.

9

17

9

40 49 jr.

27

41

-5° F

5

11

2

50—59 jr.

12

5\'

-60 jr.

I

5

0

<>0- -69 jr.

7

61

70 jr.

0

6

0

Totaal : 204

25

65

23

Een dergelijke indeeling, waarbij onder de jonge kinderen vrijwel
geen patiënten worden aangetroffen, is in tegenstelling met de be-
smettingskansen, die hier voorhanden zijn in verband met de hoofd-
bron voor infectie, de melk. Dat deze belangrijkste groep van
melkconsumenten juist valt buiten de ziektestatistiek der febris
undulans (door Br. Bang), toont o. m. aan, dat htt vraagstuk der
epidemiologie en misschien ook dat der cliniek van dit lijden nog
onbekende factoren herbergt.

Welke tenslotte de omstandigheden zijn, die onder soortgelijke
verhoudingen, in Denemarken een grooter aantal slachtoffers maken,
dan hier te lande, is moeilijk te gissen. Bezitten misschien de Bru-
cellastammen, in Denemarken een grootere virulentie voor den
mensch, dan die, welke in onzen veestapel huizen ? Hiertegen
pleit, dat ook K
ristensen nooit meer dan één patiënt heeft aan-
getroffen in de gezinnen, waar eenlijder aan febris undulans aanwezig
was. Het is echter niet onwaarschijnlijk, dat een nader onderzoek
der huisgenooten aan het licht zal brengen, dat — evenals zulks
reeds lang bij maltakoorts bekend is
[Shaw (1906)] —een aantal
der geinfecteerde personen clinisch niet ziek wordt. Een waarneming
van S
pengler (1928) wijst erop, dat dergelijke verhoudingen inder-
daad ook bij ,,Bang-infecties" heerschen kunnen.

\') Do cijfers tusschen ( ) geven aan de laagste leeftijdsgrens, die is waarge-
nomen.

(Slot volgt). "

-ocr page 246-

BK F ALEN DER VOEDINGSBODEM-REACTIE BIJ VLEK ZIEKTE -

CULTUREN,

DOOR

Dr. A. J. S. VAN ALPHEN.

Hoewel liet niet op mijn weg ligt iets mede te deelen over bacte-
riologisch vleesclionderzoek, had ik toch al reeds lang gaarne
iets willen zeggen over een punt, dat toch w 1 verband houdt inet
dit onderwerp. Het artikel van F
renkfi. over Bacteriologisch
Vleesclionderzoek in aflevering 2, 56ste deel van het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde, geeft mij nu de goede aansporing om het
navolgende te berde te brengen.

Frenkel geeft aan welke voedingsbodems men voor het onder-
zoek behoeft en noemt ook druivensuikerbouillon, om
minder ge-
makkelijk groeiende bacteriën sneller tot afleesbaren groei te brengen
(streptococcen, vlekziektebacillen).

Wat betreft de vlekziektebacillen zou ik er op willen wijzen dat
het van zoo groot belang is op welke manier de reactie van de voe-
dingsbodem wordt bepaald. Ik weet niet of het voor de keurings-
diensten van overwegend belang is, met het oog op de te nemen
beslissing, 0111 het bewijs in handen te hebben of vlekziektebacillen
al of niet aanwezig zijn in een bepaald geval. Afgezien daarvan,
geloof ik toch wel dat niemand het prettig zal vinden als de uitslag
van zijn bacteriologisch vleesclionderzoek niet overeenstemt met
de bevinding bij levende keuring (clinisch onderzoek) en het patlio-
logisch-anatomische beeld der sectie. Dergelijke frappante mis-
wijzingen kunnen zich bij het onderzoek op vlekziekte toch voor-
doen, wanneer niet gedacht wordt aan of gelet wordt op de me-
thode waarmee de alcaliciteit der te gebruiken voedingsbodems
wordt bepaald.

Wie zich daarvoor interesseert, kan ik aanraden te lezen wat in
het bekende verslag van de werkzaamheden der Rijksserurninrich-
ting over het jaar 190(1 op pag. 167
Over iiet bepalen der reactie
van bacteriologische voedingsbodems
— wordt medegedeeld.

Als regel zullen de voor de keuringsdienst te gebruiken voedings-
bodems wel worden bereid door een laborant. Deze personen ge-
bruiken maar al te graag de lakmoesmethode 0111 de alcaliciteit dei
voedingsbodems na te gaan. Het is zoo eenvoudig het werken met
lakmoespapier. Men bedenke echter wel, dat wat betreft de vlek-
ziektediagnose, men in deze omstandigheden tot negatieve uit-
komsten kan komen betreffende het bacteriologisch onderzoek,
terwijl het clinisch- en het pathologisch-anatomisch beeld beslist
aan vlekziekte doen denken.

De ervaring heeft geleerd dat zoolang de laborant werkt niet lak-

-ocr page 247-

moespapier, men niet uit de moeilijkheid komt. De vlekziekte-
bacillen zijn nu eenmaal kieskeurig wat betreft de reactie der voe-
dingsbodems. Terwijl andere bacteriën niet zien op wat meer of
mindere alcaliciteit, zijn de vlekziekte-bacillen uitermate gevoelig
voor iets te veel zuur en vooral voor iets te veel alcalie.

In het bovengenoemde artikel in het Verslag der Rijksserum-
inrichting wordt aangegeven waarom men met de lakmoesmethode
het niet in de hand heeft het goede reactiepunt voor de groei der
vlekziekte-bacillen te vinden. Gelukt dit toch dan moet men dat
als een tref beschouwen en garandeert dit niets voor een volgende
keer. De inhoud van dit artikel bevat geen nieuws voor scheikundi-
gen voor zoover het loopt over de indicatoren als zoodanig ; hun
zijn deze feiten bekend genoeg. Voor bacteriologen mogen deze
aanwijzingen nog wel eens in herinnering worden gebracht. De
bepaling der reactie langs electrometrischen weg blijve buiten be-
schouwing, daar deze methode slechts aan goed geoutileerde in-
richtingen kan worden toegepast. Volgens het aangehaalde artikel
is de beste en eenvoudigste methode de indicator-methode en wel
met
ncutraalrood als indicator. Men leest op blz. 171 :

„Dit neutraalrood is de aangewezen indicator voor de gewone
„voedingsbodem-bouillon. Deze kleurt zich wanneer hij de juiste
„alcaliciteit bezit, door toevoeging van eenige druppels alcoholi-
„sclie oplossing, oranje, terwijl een geringe overmaat van alkali
„zich door een gele tint verraadt.

„Vlekziektebacillen, welke zeer gevoelig voor aciditeits-veran-
„deringen zijn, groeien in bouillon, die bovengenoemde reacties geeft
„uitmuntend, terwijl zij zich in een voedingsbodem, welke door
„den indicator nog rood gekleurd wordt, veel langzamer ontwik-
kelen, al zal ook door lakmoespapier in \'t geheel geen verschil in
„alcaliciteit zijn waar te nemen."

Men moet tenslotte gewennen aan dergelijke indicator-metho-
den, waarbij het op kleuren zien aankomt, maar met eenigen goeden
wil krijgt men al gauw voldoende routine en zal men bij de neutraal-
ï\'ood-methode de voldoening hebben dat alle bacteriën goed willen
groeien,
zelfs de vlekziektebacillen.

Dat deze bacillen erg gevoelig zijn voor een naar hun smaak
goede reactie blijkt uit het feit, dat als men een kolf bouillon van
i Liter inhoud ontvangt, waarv-an de reactie te veel naar de zure
of alcalische kant ligt, men er niet in slaagt daarin vlekziekte-
bacillen aan het groeien te krijgen, zelfs al brengt men in de Liter-
kolf een geheele, zwaar gegroeide gelatine-cultuur van vlekziekte-
bacillen. Het behoeft, geen betoog dat met dergelijke bouillon, of
met agar of gelatine daarmede bereid, men niet de minste kans
heeft, bij enting van één oëse uit vlekziekte-organen, tot een con-
clusie te kunnen komen en daar is het tenslotte in de vleeschkeuring
toch ook om te doen.

16

LVI

-ocr page 248-

Voor de neutraalrood-methode kan men het best als volgt te
werk gaan :

Men houde gereed : ie. een druppelfleschje, bevattend alcoholi-
sche neutraalrood-oplossing in de sterkte van \\ gram neutraalrood
op ioo c.c. alcohol van 70%; 2e. een kolfje bevattend aqua destil-
lata, hetwelk men vrij van koolzuur uit de lucht maakt en houdt,
door het even op te koken en in de kurk te bevestigen een zwane-
hals gevuld met natronkalk.

Om de reactie van de bouillon te bepalen neme men in een rea-
geerbuis 5 c.c. bouillon en voegt toe 10 c.c. koolzuur-vrij aq. dest.
Na menging, druppele men bij: 2 druppels der alcoholische neutraal-
rood-oplossing. Indien men geoefend is, ziet men al reeds bij het
invallen der druppels of de reactie goed zal zijn of niet. Men moet
zich instellen op het zien van een oranje tint, zoowel bij aanzien ah
doorzien van het reageerbuisje met de gekleurde vloeistof. Een te
roode kleur wijst op te weinig alcalie, een te gele kleur geeft te veel
alcalie aan ; beide tinten zijn voor de groei van vlekziekte-bacillen
uit den booze.

Men kan ook 10 c.c. onverdunde bouillon nemen en daarbij voe-
gen 3 druppels der neutraalrood-oplossing, doch dan heeft men ook
te maken met de eigenkleur der bouillon.

Vooral wanneer men personeel heeft dat ingesteld is op de lak-
moesmethode kost het overredingskracht hen er toe te brengen
over te stappen op een andere methode, in dit geval de neutraal-
rood-methode. Niets is eenvoudiger en gemakkelijker dan een lak-
moespapiertje even nat te maken ; maar al heeft men dan voor de
neutraalrood-methode iets meer ingrediënten noodig, tenslotte
komt het toch bij beide methoden neer op het leercn kleuren bepa-
len. Heeft men dat bereikt, dan is het verschil dus dit : bij de lak-
moesmethode heeft men niets met zekerheid te verwachten over
de groei der vlekziekte-bacillen, bij de neutraalrood-methode heeft
men die zekerheid wel.

Hier zij er nog terloops op attent gemaakt, dat wanneer men
bouillon bewaart in glazen kolven, men vóór het gebruik opnieuw
even de reactie bepaalt, want vooral in nieuw glaswerk ioopt men
veel kans dat de reactie, door afgifte van alcalie uit het glas,terug-
loopt naar den alcalischen kant.

Ten slotte zou ik er nog op willen wijzen, dat het van belang is
dat men in de warme zomermaanden er op attent zij, dat men voor
de bereiding der voedingsbodems uitgaat van vleesch, waarbij de
slager geen conserveeringsmiddel heeft gedaan. Op abattoirs met
koelinrichting zal deze kans wel niet bestaan, maar wanneer men
het vleesch moet betrekken van particuliere slagers, denke men er
aan dat zoodra het warm weer wordt deze menschen, krachtens
gewoonte, het vleesch met conserveerende praeparaten (veelal
boorzuurhoudend) behandelen. Zij denken er natuurlijk niet aan

-ocr page 249-

dat met voedingsbodems, bereid uit dergelijk vleesch, geen resul-
taten te bereiken zijn. Al zijn er maar sporen boorzuur in den voe-
dingsbodem dan zullen de vlekziekte-bacillen beslist niet groeien,
ook al zou men met neutraalrood nog zoo goed de juiste reactie
bepaald hebben. In zoo\'n geval is het hopeloos zoeken naar de re-
den van het niet willen groeien, ieder en alles krijgt de schuld, ter-
wijl toch de ware oorzaak ligt bij den leverancier van het vleesch.
Men informeere om te beginnen bij den leverancier of het vleesch
niet behandeld is met conserveeringsmiddel, of zelfs maar gelegen
heeft op een plaats waar een dergelijk middel gebruikt is geworden,
dit kan veel onaangenaamheden voorkomen.

Rotterdam.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser erörtert class der Rotlauf-bazillus nicht gedeiht in zu sauren oder
zu alkalischen Nährböden. Da das Lackmuspapier als Reagens nicht zuverlässig
ist, empfiehlt er die Indikator-mcthode mittels Neutralrot. Eine Orange-färbung
deutet auf eine geeignete Alkalizität der Bouillon ; Saure Bouillon wird rot, zu
alkalische Bouillon gelb gefärbt.

SUMMARY.

The bacillus erysipelatissuis does not grow on culture-media that have a too
strong acidity or alkalicity.

As the litmus-paper-test is not reliable, the author recommends to use ,,Neutral-
red" as an indicator. By additon of a few drops of an alkoholic solution the broth
should assume an orange colour. If the colour turns into red, the medium is too
acid, whereas a yellow colour points to a too alkaline medium.

RÉSUMÉ.

En milieu trop acide ou trop alcaline on n\'obtient pas de culture du bacille
du rouget du porc. Parceque la réaction au papier au tournesol est sujet à l\'aléa,
l\'auteur recommende de vérifier la réaction du bouillon au moyen de l\'indicateur
avec le rouge-neutre (Neutralrot, En ajoutant quelques gouttes d\'une solution
alcoholique de ce colorant, le bouillon doit prendre une couleur orange, (une couleur
jaune indique une alcalcscence trop forte; si au contraire le bouillon est trop acide
on voit une coloration rouge).

BLADVULLING.

Mono-chloorbenzol tegen perniones.

Tegen wintervoeten (perniones) gebruikte Prof. v. Wai.sem (N.T.v.G. 1928 II
blz. 6054) met goed gevolg een 10% oplossing van monochloorbenzol in alkahol
(3 maal per dag mede perseelen). Vr.

Bevers in Europa.

De in Noordamcrika veel voorkomende bever (castor fiber) komt ook nog op
verschillende plaatsen in Europa voor; (Naturforscher, Der Zoölog. Garten.
1928, blz. 247) nl. in Rusland op verschillende plaatsen, in Frankrijk (mond
van de Rhöne), in Duitsland (aan de Elbe) en in Noorwegen.

Vr.

-ocr page 250-

(Uit het Zoötechnisch Instituut der Rijks-Universiteit te Utrecht,
Directeur: Prof. Dr. H. M. KROON).

PRODUCTIECONTROLE IN DE PLUIMVEETEELT,

door

Dr. G. M. VAN DER PLANK.

Zoo eenvoudig als de productiecontröle is voor den eigenaar, zoo
moeilijk is deze waar het geldt gegevens van de eigenaren door een
onpartijdige te doen controleeren.

Da productiecontröle onzer runderen is betrekkelijk gemakke-
lijk , wanneer eenmaal in de 2 of 3 ja zelfs 4 weken een controleur
bij het melken aanwezig is, kan een practisch voldoende nauwkeu-
rige berekening van de totaal-opbrengst van bepaalde dieren
gemaakt worden.

Een dergelijke controle op onze pluimveebedrijven zou alleen
dan mogelijk zijn indien op ieder bedrijf iederen dag een ambtenaar-
controleur persoonlijk de valncsten en eierlijsten controleert. Al-
leen door zeer groote bedrijven zouden de onkosten van een derge-
lijke controle gedragen kunnen worden. Toch wil een a.s. kooper
van broedeieren of kuikens wel de gemiddelde productie van een
aantal bedrijven weten om een keus te kunnen doen voor zijn aan-
koopen.

Om eenigermate een beeld te geven van hun bedrijf werden tot
voor enkele jaren uitsluitend toompjes kippen door de fokkers in-
gezonden op verschillende z.g. legwedstrijden. Naast het Rijks-
proeffokstation te Beekbergen werden op verschillende plaatsen
door landbouworganisaties en andere vereenigingen dergelijke leg-
wedstrijden georganiseerd.

De toornen van verschillende fokkers worden daar zoo goed mo-
gelijk verzorgd en een geheel jaar op den leg gecontroleerd.

Deze legwedstrijden waren en zijn te beschouwen als demon-
straties, een reclamemiddel, wanneer althans de productie niet
tegenvalt.

Nu gebeurde het wel dat een pluimveehouder, gelokt door het
beste resultaat vaneen fokker op een legwedstrijd, materiaal betrok
wat later danig tegenviel. Als een der oorzaken daarvan werd be-
schouwd de mogelijkheid dat een fokker zijn dieren voor de leg-
wedstrijden speciaal uitzoekt en deze toom ver boven het gemid-
delde van zijn bedrijf stond.

Overal werd dan ook gezocht naar een methode om een juister
beeld te krijgen van het gemiddelde productievermogen der be-
drijven.

De A(lgemeene) N(ederl.) P(luimveefokkers) V(ereeniging) be-
noemde een commissie om dit vraagstuk onder de oogen te zien.

-ocr page 251-

Deze commissie kwam met een nieuw systeem de z.g. Legcontröle
A. N. P. V.

De eerste maal werden uit ieder bedrijf een 7-tal hennen wille-
keurig genomen en deze in October verzameld op de wijze van een
legwedstrijd. Spoedig bleek dat het materiaal der verschillende
bedrijven niet goed vergelijkbaar was daar de hennen niet op het-
zelfde tijdstip gebroed waren en dus niet gelijk met leggen aan-
vingen.

Daarna werd het systeem wat gewijzigd door niet hennen van
de bedrijven te nemen doch een 50-tal eieren, deze werden all. n in
Beekbergen gebroed en uit de kuikens willekeurig 7 hennen ge-
kozen.

Op grond van berekeningen meende men dat dit monster van
7 voldoende was om het gemiddelde productievermogen van een
bedrijf te bepalen.

Gezien het belang van deze proef eener nog jonge vereeniging
meende ik toen goed te doen alleen het bestuur mijn standpunt
kenbaar te maken dat dit monster te klein is om een beeld te geven
van het gemiddelde der bedrijven. Nu in genoemde vereeniging
door den Rijkspluimveeteeltconsulent een voordracht is gehouden
geheel in mijn geest, acht ik het van belang dat collega\'s in pluim-
veedistricten practiseerend ook een overzicht krijgen van deze
voor de pluimveeteelt belangrijke kwestie.

Het gaat hierbij om een kansberekening die wiskundig niet zoo
gemakkelijk is doch waarvoor de heer K
olkmeyer, vroeger con-
servator bij Prof. K
eesom, mij een practisch hulpmiddel aan de
hand deed, waarvoor ik hem hier nog eens mijn dank betuig.

De vraag waarom het gaat is clus deze : vertegenwoordigen 7
hennen uit een pluimveebedrijf voldoende het geheele bedrijf,
m.a.w. is de gemiddelde opbrengst van deze hennen ten naastebij
dezelfde als de gemiddelde opbrengst van het geheele bedrijf ?
(Ik laat hier even buiten beschouwing de kwestie van verschillende
uitwendige omstandigheden).

Deze vraag is door berekening te beantwoorden, een becijfering
welke ik echter gaarne aan meer bevoegde wiskundigen overlaat,
wat niet wegneemt dat wij toch met een enkel woord van de daarbij
geldende overwegingen moeten spreken.

Nemen wij ter vergelijking twee bedrijven, ieder van 100
kippen, beiden met een gemiddelde productie per kip van 160 eie-
ren, dan is gemakkelijk in te zien dat de kans om een monster van
7 kippen te krijgen goed vertegenwoordigende het geheele bedrijf
in het eene geval veel grooter kan zijn dan in het andere geval. I)it
hangt nl. voor het grootste gedeelte af van de verdeeling der dieren
over de verschillende groepen m.a.w. van de variabiliteit.

In een graphische voorstelling is dit het beste te zien.

Wanneer wij aannemen dat de slechtst produceerende kip van

-ocr page 252-

ieder der beide bedrijven 90 eieren legt en de beste 220, dan zouden
beide bedrijven als volgt kunnen worden voorgesteld :

In het tweede geval is de kans om bij het monster van 7 veel lage
producenten te treffen duidelijk grooter dan in het eerste geval.

Daar de variabiliteit in verschillende bedrijven zeer uiteen loo-
pend zijn kan, is het begrijpelijk dat door kansrekening gevonden
worden kan dat een monster van 7 te klein is.

Practisch is het hulpmiddeltje mij door den heer Kolkmeyer
aan de hand gedaan. Men maakt 100 papiertjes met op ieder pa-
piertje de jaarproductie van een hen. Schudt men deze papiertjes
goed door elkaar en trekt men daarna blindelings er 7 uit dan is het
gemiddelde van de 7 gevallen het gemiddelde van het monster.
Voegt men deze papiertjes weer bij de andere, en herhaalt men de
trekking dan kan men weer een gemiddelde bepalen. Trekt men
op deze wijze b.v. 10 maal dan zou, indien een monster van 7
voldoende was altijd ± het zelfde gemiddelde moeten worden
verkregen.

Maakt men de getallen „mooi", d.w.z. ongeveer in een curve
met bijna alle varianten dicht om het gemiddelde gelegen clan
is de kans om goede monsters te trekken veel grooter dan wanneer

-ocr page 253-

de verdeeling over de verschillende productieklassen ongelijk-
matiger is. Wanneer wij de geheele loterij opzetten volgens de
uitkomsten van een bepaald bedrijf dan komt zij meer met de
werkelijkheid overeen en levert naar mijn ervaring een monster
van 7 niet voldoende waarborgen dat het inderdaad het gemiddel-
de van een bedrijf voorstelt.

Hetzelfde bezwaar bestaat natuurlijk ook voor de toompjes
welke op legwedstrijden worden ingezonden, doch van een leg-
wedstrijd wordt niet hetzelfde verwacht als van een leg
controle.

De legwedstrijden zijn meer te beschouwen als demonstraties
en met de beoordeeling der uitkomsten daarvan moeten wij even-
goed voorzichtig zijn.

Zoo licht is de kooper geneigd om uitsluitend te kijken naar
het gemiddelde van de 6 of 7 hennen en, wanneer dit gemiddelde
hooger is dan dat van een andere toom, te concludeeren dat het
bedrijf waaruit de eerste toom afkomstig is ook wat productiviteit
betreft hooger staat dan het andere.

Ook hierbij kon alleen een berekening ons leeren of dit inderdaad
mag worden aangenomen.

Als voorbeeld van een dergelijke berekening neem ik een paar
toornen W. leghorns uit het zooeven verschenen eindrapport van
de 9e Ned. Legwedstrijd.

Toom No. 28 gaf de volgende jaaropbrengsten : 151—180—
205—196—213—171—212. Van deze 7 hennen is het rekenkunstig
gemiddelde productiecijfer 1328 : 7 = 189.71.
(M). Aan dit ge-
middelde alléén hebben wij niet veel. Daarom wordt de strooiing
berekend een waarde (o) die iets leert over de afstand ( en —)
waarop de varianten van het gemiddelde
M zijn gelegen. 99 %
van de varianten zijn nl. te vinden tusschen
M 3 o en m —3 o,
wanneer het bedrijf zoo groot is dat de normale distributie-
kromme er voor geldt. De berekening van
M ^ 3 o over een
aantal van 7 kippen heeft eigenlijk nog maar een problematische
beteekenis.

<-> wordt berekend volgens de formule o =

waarin p a2 = de som der producten van het aantal varian-
ten
(p) met de kwadraten der afstanden (a)
waarop die varianten van M zijn verwijderd.
n = het aantal varianten.
Bij deze berekening is in dit geval
p — 1.

-ocr page 254-

Afwijking

Kwadraten

Gemiddelde

Varianten

van het

dier

gemiddelde

afwijkingen

151

38.71

1498.46

180

9.71

94.28

205

15-29

23378

T89.71 (M)

196

7-7i

59-44

213

23.29

542.42

171

— 18.71

350.06

212

-1- 22.29

496.84

- p «2 = 3275.28.
^54p~8 = 23.4.

Van dit toompje is dus bekend M terwijl wij eveneens aan-
nemen dat 99 % der varianten liggen tusschen 189.71 3 x 23.4
en r8g.7r — 3 x 23.4 d.w.z. tusschen 259.gr en 119.5.

\\ zp <** = y 3275-28

Wil men verder een maat hebben voor de waarde, te hechten
aan het verschil der gemiddelden
(M) van verschillende toornen
dan moet eerst berekend worden de middelbare fout (m) van
iedere M.

v,

Deze middelbare fout wordt gevonden uit de formule

en is dus m het getal van toom 28.

23-4

l/?

= 8.8

«\'m =

A/28 ± >w2s = i89-7 ± 8.8. Met
ligt M28, het gemiddelde dus,
tusschen ^3.3 en 216.1.

Wanneer men nu het verschil wil weten (Mdif/) met de. mid-
delbare fout van deze waarde tusschen M28 en
Mx het gemid-
delde van een toom * waarvan ook mx is uitgerekend, dan kunnen
wij dit verder uit de formule :

(Mag ± m2S) — (Mx ± mj = Mdi/f ± miift

= Mo« — M

waarin M,

b.v. wanneer
180 ± 13.7 dan is

di/t
wij voor

28
M

= M,

M

at/

2 = K8.82 13.72 = ^265.13 = 12.Ç
9.7 ^ 12.9.

28

terwijl 1 ^mdiff2 — m,
Ma,, ± miitt

en miitt = Vm^ mx

± mx de waarden hedden gevonden
Mx = 189.7 — r8o = 9.7.

zeer groote waarschijnlijkheid
tusschen 189.7 3 x 8.8 dus

-ocr page 255-

Alleen wanneer Mm veel grooter is dan miitt mag \'gesproken
worden van een werkelijk verschil. In dit geval mag dan ook in
\'t geheel niet geconcludeerd worden dat het bedrijf waaruit toom
28 komt een hooger gemiddelde zal halen dan bedrijf
x.

CU
1

OD

cS

0
ö
CX>
OO

in
CvJ

co

tri

CM
|

266.2

rO

■r
10

CM
1

£
Oi

ir>

NT
CU

a>
<ri

CM

1

oi

-3"

i *

CM

O
£

co
N
n

t

VB
O

191.3

t

OI

co

VD

1

In

v>

«V

CM

O
CM

£
t

01

j—
c>

CM
CM

t

Ch

iri
aO

<r

CM
I

m
O
30

Ö
K.

I
1
1
I
I

X

I
I

I
I

I

I

I
I
I
I

I

I
I
I

T

1
1

1

1
1
I

J.

I

I
I

f

I

I
I
I
I
I
I

r

1
1

1
I
1
I
I
i.
1

I

I

In bijgaande graphische voorstelling heb ik voor enkele bedrij-
ven welke mededingen bij legwedstrijd
en legcontröle de waarde
M ± 3 wi voorgesteld.

Telkens zijn genomen de 6 hennen welke mededingen, in één
geval zijn 3 waarden berekend nl. één maal
met en eenmaal zonder
een reserve hen.

Uit deze voorstelling is alleen te zien, dat de waarde M voor ieder
geval zeer waarschijnlijk ligt tusschen de beide aangegeven punten;
waar
precies is niet te zeggen , dat wij practisch dus veel opschieten
met het uitvoeren van dergelijke berekeningen zal wel niemand
willen beweren.

Uit deze beschouwing volgt :

Dat bij het vergelijken van legwedstrijd- en legcontröle-toomen,
waar het geldt het aantal eieren, niet volstaan kon worden met een
simpel vergelijken der rekenkundige gemiddelden.

Wanneer wij de Mdifl ± mdl/f van verschillende toornen eener
legwedstrijd of legcontröle gaan berekenen volgens de aangegeven
methoden vinden we bijna altijd waarden, waaruit niet geconclu-

-ocr page 256-

deerd mag worden dat er, overgeslagen over het geheele bedrijt, een
verschil bestaat.

Tot nu toe is er m.i. dan ook geen enkele methode, welke prac-
tisch doorvoerbaar is, om een objectieve betrouwbare controle uit
te oefenen op de productiviteit onzer pluimveefokkerijen.

Een methode, welke in Duitschland schijnt te worden toegepast
is alleen geschikt voor zeer groote bedrijven. Daarbij wordt voor
ieder bedrijf een controleur aangesteld en een aantal van deze con-
troleurs, b.v. een 12-tal rouleeren steeds. Iedere controleur contro-
leert dan elke maand een ander bedrijf.

Het huidige systeem legwedstrijd of legcontrôle zou bruikbare
gegevens kunnen leveren indien het mogelijk was de vertegenwoor-
digende toornen ±10 maal zoo groot te maken.

De legcontrôle heeft vóór boven de legwedstrijd dat de hennen
op denzelfden dag uit het ei komen en de eene eigenaar niet in het
nadeel komt ten opzichte van een andere doordat zijn hennen iets
te vroeg aan den leg zijn en ter plaatse van den legwedstrijd in-
plaats van eieren te leggen gaan ruien.

Concludeerende meen ik te mogen zeggen dat wij nog geen bruik-
baar systeem van controle gevonden hebben en ons nog in het sta-
dium van proefneming bevinden.

Februari 1929.

Samenvatting. De rekenkundige gemiddelden zonder meer van
de productie der toornen ter legwedstrijd of legcontrôle hebben
zeer geringe waarde voor de bepaling der productiviteit van
de bedrijven welke zij vertegenwoordigen. Er is nog geen voor
ons land bruikbare methode van controle op de productiviteit der
pluimveefok bedrijven.

De legcontrôle heeft slechts een enkel voordeel boven de leg-
wedstrijd, nl. dat de te vergelijken dieren op denzelfden tijd uit
het ei komen.

BLADVULLING.

De hond als prognose-steller.

Volgens Ebstein (Miinch. Med. Woch., Tier. Rundschau 1929 blz. 62) werd
vroeger bij diagnose en prognose van ziekten, wel gebruikt gemaak van de reuk-
zin van den hond. Egyptiese artsen mengden het zweet van zieken met brood en
zetten dat aan honden voor. Aten zij het dan was de prognose gunstig, weigerden
zij het dan werd de prognose ongunstig gesteld.

Verwonding door Cactus-stekels.

Stein (Wiener kl. Woch., Geneesk. Gids 1928 blz. 80) deelt twee gevallen mede
van granuloom aan een vinger met erysipeloïde aandoe ningder vingers, zonder lym-
phangitis of lymphadenitis, veroorzaakt door het indringen van stekels in den
huid. Met het oog op de in zwang zijnde liefhebberij om cactussen te kweeken,
raadt hij aan die niet zonder handschoenen aan te pakken.

-ocr page 257-

NAAR AANLEIDING VAN HET VOORTGEZET ONDERZOEK
OVER KALFZIEKTE EN VERWANTE SYNDROMEN,

DOOR

B. SJOLLEMA.

Naar aanleiding van mijn voortgezet onderzoek over kalf ziekte
enz. meen ik het volgende ter kennis der praktizeerende dieren-
artsen te moeten brengen.

xe. Het is in de laatste maanden gebleken, dat koeien die „blijven
liggen", hetzij enkele dagen na den partus of wel gedurende
of na de lactatieperiode, dikwijls van dezen paretischen toe-
stand door middel van een intraveneuze injectie van calcium
chloride zijn te genezen. Wanneer zij reeds enkele dagen lagen
en de voedselopname te wenschen overliet en niet zelden reeds
tevergeefs waren „opgepompt" trad het effect dezer therapie
niet altijd zoo snel op als bij kalfziekte ; de genezing trad dan
veelal eerst den volgenden dag in.1)

Ik meen in zulke gevallen in verband met den min of meer
uitgeputten toestand te moeten aanraden om intraveneus in
te spuiten —• zooals verleden jaar ook reeds eenige malen met
zeer goed resultaat bij kalfziekte is geschied — een mengsel
van calcium-chloride en glucose, b.v. 30 gr. calcium-chloride
en 60 gr. glucose te zamen opgelost in 300 cc. water. Zoodanige
oplossing, steriel bereid en bewaard, blijft zeer lang goed.
2e. Behalve de in mijn circulaire van Dec. 1928 aangegeven pre-
ventieve behandelingswijzen tegen kalfziekte, zou ik willen
adviseeren om vanaf circa drie weken vóór den kalftijd de
proef te nemen met alleen levertraan (dus zonder kalkzouten)
te geven. De hoeveelheid levertraan per dag zal dan wellicht
50 cc. of meer kunnen bedragen.
3e. Het zal mij zeer aangenaam zijn urine, geloosd enkele dagen
voor den kalftijd, te ontvangen van dieren, die vorige jaren
aan kalfziekte leden.
4e. Zeer stel ik op prijs mededeeling te ontvangen van de uitkom-
sten der door mij aangegeven therapeutische en preventieve
behandelingswijzen. Ook indien zij eventueel niet gunstig wa-
ren. Wanneer succes uitblijft ontvang ik gaarne bloed en urine.

\') Het behoeft wel nauwelijks gezegd, dat bij deze gevallen niet altijd een func-
tioneele stoornis, die met CaCl2 genezen kan, zal voorkomen noch dat er behalve
een functioneel lijden geen patholog.-anatomische afwijking zou kunnen zijn.

-ocr page 258-

ENKELE BESCHOUWINGEN OVER DE MINISTERIEELE BE-
SCHIKKING VAN DEN 15en JULI 1920, S. 138 (KEURINGS-
REGULATIEF),

door

K. REITSMA.

Het zoogenaamde keuringsregulatief staat op het oogenblik in
de belangstelling der keuringsdeskundigen. In de Vereeniging van
Slachtliuisdirecteuren is na een inleiding van Dr. L
uxwolda eene
commissie benoemd, welke tot taak heeft te onderzoeken of dit
regulatief veranderd zou moeten worden, een onderzoek, dat voor-
dien ook reeds geschiedde door eene commissie uit de Vereeniging
van Hoofden van Keuringsdiensten. Daarna werd in de op 8 De-
cember 1.1. gehouden vergadering van den Diergeneeskundigen
Kring te Utrecht dit onderwerp ingeleid door collega V
eenstka
uit Amsterdam, waardoor ik ook in de gelegenheid was, mijn
standpunt uiteen te zetten. In iets gewijzigden vorm breng ik
hierbij de daar ontwikkelde beschouwingen in een grooter kring
van deskundigen.

Het feit, dat in de beide vereenigingen van hoofden der belang-
rijkste vleeschkeuringsdiensten in het land, het keuringsregulatief
in studie is genomen, doet vermoeden, dat men in het algemeen
met dit regulatief niet tevreden is, of dat men zulke fouten heeft
gevonden, hetzij deze van den beginne af aan de voorschriften
kleefden, hetzij nieuwere onderzoekingen andere denkbeelden
brachten, dat een wijziging dringend noodig is. Men zou dan een
neerslag van dergelijke gedachten verwachten in de literatuur,
en wel voornamelijk in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.
Doch wanneer men zich hierover in dit tijdschrift oriënteert, is
de oogst schraal. Zeer kort moge ik even vermelden, wat er naar
voren is gebracht, doch verwijs voor het overige naar de aange-
haalde artikelen zelve.

De opmerkingen over het keuringsregulatief beginnen in een
verslag van Dr.
van dek Kamp *), van de bespreking, eveneens
in den Diergeneeskundigen Kring, van de volgende vragen :
,,Komt een endocarditis verrucosa, als verschijnsel van vlekziekte,
bij het varken voor zonder eenige nevenverschijnselen? Zoo ja,
is het aanleggen van culturen uit het vleesch dan gewenscht?"
Het daarop volgende jaar publiceerde K
erstens 2) verschillende
opmerkingen. Hij bespreekt de vraag, wat dierlijke parasieten zijn,
welke noch direct, noch indirect gevaar opleveren voor de gezond-
heid van den mensch, en wat een noodslachting is. Vooral het

-ocr page 259-

definieeren van de laatste soort van slachtingen, van groot belang
juist door de plaats, die hieraan in het K. R. gegeven is, lokte
een korte polemiek uit tusschen
van Oijen en van der Slooten1).
Later kwam Luxwolda op dezelfde kwestie terug. Voorts gaf in
1925
van der Kamp 2) in een leerzaam artikel over bacteriologisch
vleeschonderzoek zijn meening over nog enkele punten weer.

Dit waren over het algemeen korte opmerkingen. Het feit echter,
dat aanleiding was tot het benoemen van de reeds eerder genoemde
commissie uit de Vereeniging van Slachthuisdirecteuren, was een
referaat voor die Vereeniging gehouden over het bacteriologisch
vleeschonderzoek door Dr. L
uxwolda, hetwelk gepubliceerd werd
in het T. v. D. van 15 Mei 1928. Hoewel L
uxwolda daar voor-
namelijk dit onderzoek bespreekt, wordt niet alleen de techniek,
doch ook de plaats hieraan in het K. R. gegeven, nauwkeurig
nagegaan. Zelfs zoo nauwkeurig, dat men hier en daar L
uxwolda
van formalisme niet kan vrijpleiten, hoewel waarschijnlijk de ge-
geven feiten zoo scherp gesteld zijn, om ze beter te releveeren. Ik
kan het geheele betoog van L. niet bespreken, doch zal enkele
punten eruit als grondslag voor mijn verdere beschouwingen nemen.

Luxwolda wil het bacteriologisch onderzoek voorschrijven óók
van de zieke dieren, en meent, dat het tegenwoordige K. R. te
veel toegespitst is op de factor ,,het dooden in nood (wegens on-
middellijk dreigend levensgevaar)" en, dat wegens de zeldzaam-
heid hiervan, de indicatie tot het instellen van bedoeld onderzoek
slechts zelden aanwezig zal zijn. En voorts, dat, wanneer men dit
onderzoek instelt bij zieke dieren, geen noodslachtingen zijnde,
het K. R. ons als leidraad in den steek laat.

Natuurlijk ben ik het met L. eens, dat in het K. R. niet alles
omschreven is, maar vergeet hij daarbij niet, dat het geheele
K. R. volgens ontstaan en structuur een complicatie van „bijzondere
gevallen" is?

Immers in de artikelen 36 tot en met 39 van het K. B. van 5 Juni
1920, S. 285 wordt omschreven, wat afgekeurd en wat voorwaar-
delijk goedgekeurd wordt, en hierin wordt tevens vastgelegd, dat
de Minister bepaalt, in „welke bijzondere gevallen" moet worden
afgekeurd, en in welke moet worden goedgekeurd onder nader
aan te geven voorwaarden ! Deze bepalingen nu van den Minis-
ter zijn gegeven in het Keuringsregulatief. Wanneer dit dus niet
op een bepaald geval van toepassing is, dan is dit geen fout van
dit regulatief, en dan behoeft men ook niet voor de beoordeeling,
zooals L
uxwolda aangeeft, het aanwezig zijn van kiemen in het
vleesch te beschouwen als een „belangrijke afwijking". Neen,
doch dan behoort dit vleesch beoordeeld te worden volgens de

\') t. v. D., Deel 50, BI. 215.

-ocr page 260-

algemeene richtlijnen van de artikelen 36 tot en met 39 van het
hierboven aangehaalde K. B. Juist, omdat het geen bijzonder
geval is, zooals de Minister bedoelt. En wanneer men den geest
van het regulatief kent, en zijn taak ernstig, nauwgezet, èn we-
tenschappelijk opvat, komt men daarom
niet in botsing met, doch
kan men veeleer zijn beslissing nemen
volgens wettelijke bepalin-
gen. Ook K
erstens heeft hierop reeds gewezen.

Voorts ben ik het volkomen eens met van Oijen 1), waar hij
bij de bespreking van het artikel van L
uxwolda opmerkt, dat
de uitoefening van vleeschkeuring niet verlaagd moet worden tot
het mechanisch toepassen van een aantal voorschriften, doch als
een tak van practische uitoefening der
diergeneeskunde!

Zijn er nu werkelijk fouten in het K. R., en bovenal, zijn er
werkelijk voorschriften, die bijvoorbeeld ons zouden kunnen ver-
plichten een dier goed te keuren, dat wij een gevaar achten voor
de volksgezondheid? Zoo staan m. i. de zaken niet, doch iets
anders is, of men den tijd gekomen acht, om met enkele nieuwe
denkbeelden omtrent de beoordeeling van vleesch rekening te
houden, of zooals sommigen meenen, dat een uitbreiding van het
K. R. nuttig zou zijn voor den beginneling, en voor den „zwakken
broeder".

Het is echter de vraag of dit voor den beginneling, die thans
in de gelegenheid is, behoorlijk onderlegd van de universiteit te
komen, noodig is, en of men den „zwakken broeder" hetzij met
of tegen zijn zin, hiermede in het rechte spoor zou houden.

M. i. zal dit niet helpen, al stond de dikte van het meslemmet
in het K. R. omschreven.

Luxwolda wijst echter terecht op de wenschelijkheid om ge-
vonden kiemen te identificeeren, zoodat hieruit, volgens hem, een
belangrijke economische winst zou voortkomen, daar veel minder
dieren afgekeurd zouden worden.

Van Oijen is dit met hem eens, en ook reeds van der Kami»
merkte op, dat het toch eigenlijk absurd is, dat men vleesch
met vlekziektebacillen, en soms met tuberkelbacillen na sterilisatie
consumeert, terwijl in vele gevallen vleesch met andere bacillen
even onschadelijk zou zijn.

Afgezien van kiemen, die thermo-stabiele giften zouden kunnen
produceeren, kan ik mij hiermede volkomen vereenigen. Men
voert wel aan, dat identificatie der kiemen lang niet overal zal kun-
nen plaats vinden. Wanneer men echter weet, dat de meerd< rheid
van alle in ons land geslachte dieren aan Openbare Slachthuizen,
met in den regel geschoold personeel en goede laboratoria, wordt
geslacht, en voorts, dat ieder laboratorium vaak weer de bacterio-
logische onderzoekingen doet voor een groote kring van het oni-

-ocr page 261-

liggende platteland, vervalt dit argument, dat zich evenzeer richt
tegen het thans voorgeschreven eenvoudige onderzoek op kiemen.

Bovendien staat in het K. R., dat, wanneer b. o. is voorgeschre-
ven, en dit onderzoek niet kan geschieden, afkeuring van het
vleesch moet volgen. In plaats van „bacteriologisch onderzoek"
is toch zeer gemakkelijk te lezen „identificatie der gevonden
kiemen". En wanneer men meent, dat gedurende dit langere
onderzoek het vleesch zou bederven, dan was dit m.i. vóór het
onderzoek reeds dermate afwijkend, dat daarom afkeuring geboden
zou zijn. Dit is een natuurlijker houdbaarheidsproef dan die
van M
üller !

Wil men, alles samengenomen, om deze redenen het K. R. nader
bezien, en dat schijnt wel algemeen de opinie te zijn, dan zou het
daarbij van karakter moeten veranderen, namelijk in plaats van
een lijst van bijzondere gevallen, zou het de geheele vleeschkeuring
in compendium-vorm moeten voorstellen. Wanneer men het K. R.
in dien zin zou willen opbouwen en daarbij rekening houden met
het hierboven aangevoerde, dan dient men eerst\' de algemeene
grondslagen vast te stellen, waarop het gebouw van bepalingen
zal komen te rusten.

Deze grondslagen zou ik als volgt willen formuleeren :
ie. Vleesch met belangrijke afwijkingen wordt
afgekeurd ;
2e. Vleesch zonder of met lichte afwijkingen wordt behandeld

als volgt :

a. Vleesch, dat voor den mensch schadelijke kiemen bevat,
wordt
afgekeurd ;

b. Vleesch, dat voor den mensch onschadelijke kiemen bevat,
wordt
gesteriliseerd ;

c. Vleesch, dat in bacteriologischen zin steriel is, doch af-
komstig is van dieren lijdende aan

bloedziekten (piroplasmosis, leucaemie),
ziekten door filtreerbare vira (varkens-viruspest, mond-
en klauwzeer),
ziekten, vergezeld van eene toxinaemie (maligne oedeem,

petechiaal-typhus),
wordt
gesteriliseerd ;

d. Vleesch van niet gezonde slachtdieren (dus van zieke en
gestorven dieren en van noodslachtingen) wordt, voor zoo-
ver het steriel is, behoudens enkele nader aan te geven
uitzonderingen,
goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop
in het klein onder toezicht.

Toelichting.

Punt a. Een uitzondering zullen die ziekten maken, zooals uit
het schema op bladzijde 248 blijkt, waarvan men meent de schade-
lijkheid van het vleesch door
steriliseeren te kunnen elimineeren.

-ocr page 262-

SCHEMA voor de beoordeeling van zieke, in nood geslachte en gestorven dieren.

Vleesch belangrijk afwijkend........................................................ Afkeuren.

Goedkeuren (G) (bij lichte ziektever-
schijnselen bij de levende keuring,
en/of bij de geslachte keuring).

^ Goedkeuren onder voorwaarde van ver-
koop in het klein onder toezicht
(V.G.T.).

Steriliseeren

(V.G.).

Vleesch niet of licht
afwijkend

Imond- en klauw-
zeer.

B.o. I

l varkensviruspest

maligne oedeem
petechiaal typhus
tetanus

Toxinaemiën

-> Steriliseeren

(V.G.).

t.b.c.

vlekziekte der
borstziekte) varkens
bac. pest \'

overige ziekten -

Steriliseeren
(V.G.).

Afkeuren.

b.o. = bacteriologisch vleeschonderzoek.

-ocr page 263-

Punt b. Geeft dus een nieuwe richting aan, vordert namelijk
«en verdieping van het bacteriologisch onderzoek. Een uitzonde-
ring zullen bijvoorbeeld maken kiemen, die thermostabiele giften
produceeren.

Punt c. Het is m. i. in het algemeen gesproken, ongewenscht,
dat vleesch, dat smetstoffen of toxinen bevat, hoewel men die
bacteriologisch niet kan aantoonen, zonder sterilisatie, welke deze
stoffen vernietigt, in het verkeer gebracht wordt.

Punt d. Onder zieke dieren diene men te verstaan alle dieren,
die
algemeene ziekteverschijnselen vertoonen bij de levende keu-
ring, doch óók die, welke deze niet vertoonen, doch waarbij bij de
keuring na de slachting wordt gevonden een zwelling, degeneratie
of acute ontsteking van een of meer parenchymateuse organen,
der darmen, sereuze vliezen of lympheklieren.

De uitzonderingen, welke op dit punt betrekking hebben, zou-
den bijvoorbeeld kunnen zijn dieren, welke bij het leven geen of
weinig ziekteverschijnselen vertoonen, wat overeenstemde met de
keuringsbevinding.

Ik ben mij zeer goed bewust, dat misschien zoo op ieder punt
aanmerkingen zijn te maken, doch ik wil deze punten alleen geven
als grondslagen, als regels, die later door de uitzonderingen be-
vestigd moeten worden. Wanneer men deze grondslagen aan-
vaardt, dan is het volgende werk slechts het opzoeken dezer uit-
zonderingen, hetgeen een kwestie is van ervaring, groote litera-
tuurkennis, en ten slotte van een compromis tusschen de inzichten
der verschillende deskundigen.

Ten einde het geheel overzichtelijk te maken zijn deze punten
samengevat in bijgaand schema, dat, ik herhaal het, dus slechts
als onderwerp van verdere uitwerking wordt aangegeven.

Bij bestudeering zal blijken, dat de door Luxwolda, van Oijen
en mij gewenschte veranderingen erin zijn aangebracht, als uit-
breiding van het bacteriologisch onderzoek óók tot de zieke die-
ren, identificatie der eventueel gevonden kiemen, terwijl de nood-
slachtingen geen aparte „kaste" meer vormen, doch volgens de-
zelfde regels beoordeeld worden als de andere dieren.

Zelfs ook de gestorven dieren.

Want afgezien van de eventueele afkeuring van deelen, die ver-
anderd zijn door het iets langere contact met de ingewanden,
zijn er geen argumenten aan te voeren, waarom deze volgens een
apart principe beoordeeld zouden moeten worden.

Ook de keuring der tuberculeuze dieren past in dit schema,
indien men slechts in plaats van
bacteriologisch onderzoek stelt
het nauwkeurig
pathologisch-anatomisch onderzoek naar een versche
bloedinfectie.
Voorts is de onlogische bepaling, dat ieder wegens

■) Hiermede wordt natuurlijk niet bedoeld de bekende agonale of postmor-
tale infectie van een gestorven slachtdier met saprophvtische kiemen.

LVI 17

-ocr page 264-

tuberculose in nood geslacht dier afgekeurd moet worden, ver-
vallen. Ook deze dieren dienen rationeel te worden beoordeeld, al
naar gelang het vleesch afwijkingen vertoont en bacillen bevat.

Voorts is in het schema de beoordeeling der ziekten, veroor-
zaakt door voor den mensch schadelijke kiemen, gesplitst, en wel
in twee groepen : de eerste groep, met name genoemd (tuberculose,
vlekziekte, bacillaire-pest en borstziekte der varkens en nog an-
dere) welke gesteriliseerd kunnen worden, en een tweede groep,
welke niet met name genoemd worden, welke moeten worden
afgekeurd.

Blijkt nu bij nader onderzoek, dat het geen bezwaar oplevert
bij een bepaalde ziekte het vleesch te steriliseeren, dan wordt
deze met naam in de andere groep van het schema opgenomen.

Ik heb reeds eenige malen betoogd, dat uitzonderingen ge-
wenscht, zelfs hier en daar noodig zijn. Zoo zullen dieren, lijdende
aan hondsdolheid en veepest om redenen van veterinair-politio-
neele aard niet gesteriliseerd, doch afgekeurd moeten worden.
Zoo zullen lichte ziektegevallen van mond- en klauwzeer niet
gesteriliseerd, doch langs de vrijbank verkocht kunnen worden,
wanneer namelijk de acute phase van het proces (het circuleeren
van de smetstof in het bloed) afgeloopen is, en het proces zich
gelocaliseerd heeft.

Op deze wijze worden m. i. art. i en gedeeltelijk art. 2 (de ge-
zamenlijke infectieziekten) van het tegenwoordige K. R. samen-
gevat en gewijzigd en zou men in een reeks opmerkingen de uit-
zonderingen kunnen vastleggen, en verder, wat men onder be-
paalde gebezigde uitdrukkingen als versche bloedinfectie, ziek
dier, etc. verstaat.

Met enkele bepalingen omtrent parasieten, en de beoordeeling
van organen, en enkele andere zaken zou het regulatief compleet
zijn. Ik herhaal, dat, zooals het hier aangegeven is, dit nog niet
compleet is. Dat was ook niet de bedoeling, het is hier slechts
uitgestippeld.

Misschien mogen nu sommigen meenen, dat met deze beschou-
wingen een open deur ingetrapt wordt, en misschien heeft den
makers van het tegenwoordige regulatief indertijd een dergelijk
schema voor den geest gestaan. In dat geval is het dan toch m. i.
nuttig, dat vóór en aleer men veranderen gaat, men zich dit nog
eens helder voor oogen stelt, zoodat het resultaat van alle over-
wegingen een rationeele wijziging der voorschriften ten gevolge
moge hebben.

Velp, December 1928.

-ocr page 265-

Naschrift.

Eenigen tijd, nadat bovenstaand artikel de Redactie had bereikt,
verscheen in de aflevering van 15 Januari 1929, dat van Dr. H. S.
Frenkel, waarin deze hoofdzakelijk het bacteriologisch vleesch-
onderzoek behandelt, doch ook de kwestie van determinatie van
eventueel gevonden kiemen aansnijdt.

Met genoegen heb ik gelezen, dat ook Frenkel o.a. tot de con-
clusie komt, dat voor het bacteriologisch onderzoek van slacht-
dieren, uitgezonderd die, welke den natuurlijken dood gestorven,
of in nood gedood zijn, men kan volstaan met het onderzoek van
de milt alleen.

Dit bevestigt mijn ervaring van de laatste vijf jaren, waarin ik
reeds gewoon was, ten einde een vergelijkend overzicht te krijgen,
voor
elk onderzoek te nemen de milt, een nier, een stuk vleesch
(voor ieder 1 agar- en 1 druivensuikerbouillonbuisje) en dikwijls
één of meer lympheklieren. Dit had mij er reeds toe geleid,
om in spoedgevallen van dieren, die ik levend gezien had, en waarbij
na slachting een kleine afwijking geconstateerd werd, dan ook
alléén de
milt te onderzoeken.

Ook Kars komt in zijn dissertatie (Utrecht 1926) tot dit resultaat.

Wanneer Frenkel de in nood gedoode slachtdieren van dit
vereenvoudigde onderzoek uitsluit, doet hij dit, zooals hij mede-
deelt, omdat hij meent, dat deze veelal den natuurlijken dood ge-
storven zijn. Deze opinie zal m.i. moeten berusten op locale om-
standigheden of andere factoren. Ik weet bovendien niet, of de
onderzoekingen van
Frenkel geschiedden met materiaal, dat uit
de onmiddellijke omgeving verkregen, of — wat een groot verschil
maakt — over grooten afstand toegezonden was.

Mijn ervaring is, dat reeds vervoer over betrekkelijk korten af-
stand het aantal positieve bevindingen kan doen toenemen.

In ieder geval komen dergelijke „gestorven" noodslachtingen
hier zeer zelden voor, en daarom gaat de boven bedoelde uit-
sluiting te ver.

Van een vereenvoudigd onderzoek zouden m.i. zijn uit te sluiten
al die slachtdieren, waarvan men kan verwachten, dat voor of na
den dood een invasie van darm- of andere bacteriën heeft plaats
gevonden. Want op dit laatste komt het aan, en niet op de reeds
zooveel verwarring gesticht hebbende scheidingsmuurtjes tusschen
gestorven, in nood geslachte en andere slachtdieren.

Bovendien geloof ik, dat van het aantal opgegeven noodslach-
tingen, indien men ze alle eens op de keper ging beschouwen, er
zeer weinig zouden overblijven, die werkelijk
door ziekte in dreigend
levensgevaar
verkeerden, en daarom geslacht werden. Maar ik wil
direct toegeven, dat ook deze opinie onder invloed van locale om-
standigheden gevormd kan zijn.

Verder blijkt uit het artikel, dat Frenkel een tegenstander is

-ocr page 266-

van het scheppen van de mogelijkheid om soms kiemhoudend
vleesch voorwaardelijk te kunnen goedkeuren. En dit vooral op
den moeilijk te waardeeren grond, dat de differentiatie van de
gevonden kiemen „zeer tijdroovend, vaak moeilijk is, en voor de
praktijk op groote bezwaren zal stuiten, bezwaren, die onover-
komelijk worden, wanneer men niet over een koelruimte beschikt,
die het mogelijk maakt het vleesch en de organen in afwachting der
uitvoerige bacteriologische onderzoekingen te bewaren".

Dit laatste, de uitvoering der onderzoekingen (de uitvoerigheid
zal over het algemeen wel wat meevallen : zie
Standfusz), is echter
een zaak van tweede orde, en doet niets af aan het principe van
onder voorwaarden kunnen goedkeuren van kiemhoudend vleesch.

De eenige opmerking, die op deze beoordeeling slaat, houdt
verband met de omlangs ontdekte pathogeniteit van den abortus-
bacil voor den mensch. Afgezien van het feit, dat men veelal door
steriliseeren aan deze bezwaren zou ontkomen, doet men toch
altijd beter te werken met de gegevens, die ter beschikking staan,
dan in plaats daarvan zijn houding te bepalen op grond van nog
wel eens te verwachten mogelijkheden. En nu de differentiatie
zelf.
Frenkel wil het bacteriologisch vleeschonderzoek zoo een-
voudig mogelijk maken, zóó, dat het in de praktijk, — en dan denkt
F. speciaal aan de combinatie van de geneeskundige praktijk met
die der vleeschkeuring — zooveel mogelijk toepassing kan vinden.
Dit is best, prachtig, doch wat is aan den anderen kant het groote
nadeel? Dat men vervlakkend werkt, in plaats van bevordert, dat
alle hulpmiddelen der wetenschap toegepast worden, met het doel
niet meer vleesch te vernietigen, dan strikt noodzakelijk is. Want
scherp geformuleerd komt het hierop neer, dat de directeur van
een groot, uitnemend geoutilleerd slachthuis zijn meerder kennen
en kunnen voor dit doel niet kan en mag benutten, omdat zijn

practiseerende collega uit......... noch een koelruimte, noch

den tijd heeft, en misschien ook niet de capaciteiten bezit, om dit
meer uitgebreide onderzoek te verrichten. En nogmaals, voor den
laatste, blijft immers de beoordeeling, bij het niet uitvoeren van
dit onderzoek, gelijk aan wat nu voorgeschreven is. Dit zijn mijn
bezwaren tegen de opvattingen van
Frenkel, die ik meende aan
mijn artikel te moeten toevoegen.

-ocr page 267-

THERAPIE VAN SLOKDARMVERSTOPPING BIJ HET RUND

door

Dr. W. F. VAN BEEK.

Het heeft er alles van alsof er over bovenstaand onderwerp
moeilijk nog iets nieuws te zeggen zal zijn, daar het bovenge-
noemd euvel veel voorkomt en men dan licht ertoe komt diverse
hulpmiddelen toe te passen. Het volgende bedoelt niet iets nieuws
te zijn, toch hoorde of las ik er nog niet over.

Ik doel speciaal op die gevallen, waarbij het niet mogelijk is
om met de slokdarmsonde het verstoppende voorwerp weg te
werken en waarbij ook de mogelijkheid is uitgesloten om het met
de hand te bereiken zoodat het door den mond verwijderd
kan worden. Dus de gevallen, meest verouderde, waarbij het
verstoppende voorwerp in het borstgedeelte van den Oesophagus
zit en waarbij kramp der slokdarmspieren is opgetreden. Men
moet dan tenslotte, na veel pogingen met de sonde te hebben ge-
daan, al of niet vergezeld van ingeven van olie, de zaak aanzien
en soms om erger te voorkomen, alvast penssteek doen.

Kort geleden wederom zoo\'n geval behandelend, viel het mij
in, dat misschien sulfas atropini hier kon helpen, daar het den
slokdarmkramp opheft. Ik spoot de koe, die reeds een flinke
tympanites had, 60 mgr. in. Na ^ een half uur herhaalde ik
mijn poging om den voedselprop naar den maag door te drukken
en wel met plotseling succes.

Toegegeven dient, dat de atropine verre van gunstig is met het
oog op den tympanites, doch een trocart is allicht bij de hand.
Het buisje behoeft niet langer te blijven zitten dan gedurende
de werking der atropine, daar daarna de pensgassen langs den
gewonen weg uitwijken. Tegenover de noodzaak van het troca-
reeren staat in die gevallen toch ook het niet geringe succes, dat
men de oorzaak van alle stoornissen vermag op te heffen.

M. i. kan het zijn nut hebben, collega\'s op deze eenvoudige
therapie opmerkzaam te maken.

Numansdorp, Januari 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

Bei einer Kuh mit Verstopfung der Brustabschnittes des Schlundes durch ein-
gekeilten Fremdköper, machte Verfasser eine subkutane Atropin-einspritzung zur
Hebung des Muskelkrampfes. Bald nachher konnte er mit Leichtigkeit den Fremd-
körper mit der Schlundsondc gegen den Magen hinab stossen.

SUMMARY.

In a case of obstruetion of the thoracic part of the Oesophagus in cattle, the

-ocr page 268-

author made a subcutaneous injection of atropine, in order to relieve the mus-
cular spasm. After that the obstructing object was easily pushed down into the
stomach with a probang.

RÉSUMÉ.

Dans un cas d\'obstruction de la partie intrathoracique de l\'oesophage chez
une vache l\'auteur fit usage d\'une injection souscutaneé d\'atropine pour com-
battre la spasme musculaire. Après cela il pouvait facilement refouler le corps
étranger dans l\'estomac à l\'aide du cathéter

BEHANDELING VAN MOND- EN KLAUWZEER,

door

H. POOT. \')

Aan de artikels over behandeling van mond- en klauwzeer,
voorkomende in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 Aug.
1927 en 15 Maart 1928, wil ik nog een bijvoegen ; het betreft het
gebruik van hetzelfde praeparaat in den loop van het jaar 1928.

In het voorjaar van 1928 kregen 2 van 3 nieuw aangekochte
koeien korten tijd na aankomst op de boerderij van den landbou-
wer v.
d. E. te R. mond- en klauwzeer.

Na onmiddellijke afzondering der zieke en inspuiting van deze
en van de door deze runderen besmette koeien, tezamen 12 stuks,
waarvan 5 in zeer lichte graad doorziekten, had geene uitbreiding
van de ziekte op deze boerderij plaats ; deze trad op na aankoop
van 3 runderen 16 dagen later, bij alle drie korten tijd na aankomst.
Deze infectie was oorzaak dat het overige vee op de boerderij,
wegens begonnen uitbreiding der besmetting, moest worden inge-
spoten, tezamen, ziek en verdacht, nog 25 stuks, waarvan er nu
7 in zeer lichte graad doorziekten en de andere koeien vrij bleven.

De landbouwer v. o. K. te V. had al enkele dagen mond- en
klauwzeer onder zijn vee en dacht, naar het algemeen licht ver-
loop der ziekte bij het vee van enkele landbouwers in zijne om-
geving te oordeelen, geene maatregelen te moeten nemen. T)en
22sten Mei kwam hij \'s morgens met de boodschap, dat hij eene
ruim 3-jarige koe had, die sedert 3 dagen alle voedsel weigerde,
geen uiterlijk zichtbare teekenen van mond- en klauwzeer toonde,
geen droppel melk meer gaf, sedert een paar dagen aan eene pro-
fuse diarrhee leed terwijl de oogen steeds dieper in de kassen wegzon-
ken. Deze verschijnselen vond ik bij mijn onderzoek alle aanwezig,

\') Wij willen den heer Poot plaatsing van dit artikel niet weigeren, zullen echter
eventueele beschrijving van verdere proeven niet opnemen alvorens de schrijver
meer bizonderheden over het middel bekend maakt.

Redactie.

-ocr page 269-

terwijl de pols niet meer was te voelen. Ik spoot de koe onmiddellijk
subcutaan in en gaf aanwijzing voor de voeding. Den volgenden
dag vond ik het dier aanmerkelijk beter en na 8 dagen was het
hersteld, zonder eenige verdere behandeling en gaf de volle hoe-
veelheid melk als voor het ziek worden.

Dat het virus hier niet met zich liet spotten bewees een andere
koe, die \'s avonds den 2isten nog 8 liter melk gaf en \'s morgens
van den 22sten niet genoeg om de spenen nat te maken. Toen ik
om 9 uur op de boerdexij aankwam, leed deze ruim 4-jarige koe
aan een tremor muscularis over het geheele lichaam als gevolg
van de infectiekoorts, welk beven nog aanhield toen ik ruim 2 uur
later de boerderij verliet. Deze koe had den volgenden morgen in
hooge mate gezwollen ledematen, voor van af de klauwen tot bo-
ven het carpaalgewricht en achter tot boven het tarsaalgewricht ;
het slijmvlies van de tong werd voor het grootste gedeelte afge-
stooten ; 12 dagen na de inspuiting gaf deze koe bijna het volle
kwantum melk als voor de ziekte.

De inspuiting en het verloop der ziekte bij het overige vee op
deze boerderij weken niet af van die bij vroeger beschreven ge-
vallen.

Bij Z. te V. behandelde ik eind Juli 11 kalveren per os, de me-
dicijnen werden 3 maal daags door de gewone drank der kalveren
gemengd, toegediend 6 dagen lang ; bij het begin der behandeling
hadden juist 2 kalveren mond- en klauwzeer gekregen ; uitbrei-
ding had in deze koppel niet plaats.

Half Juli werd de kleinste helft der veestapel van den landbouwer
v. V. te S. ingespoten, de ziekte had al een paar dagen bestaan,
doch het verloop week niet af van de vroeger waargenomen en
reeds beschreven gevallen. Door samenloop van omstandigheden
had geen inspuiting plaats toen de ziekte ook onder de andere
helft uitbrak ; doch juist daardoor trad het nut der inspuiting
des te duidelijker aan het licht, de ziekte verliep in deze koppel
met tal van langdurige processen.

Begin September behandelde ik per os gedurende een week
eene z.g.n. dampige, cachectisch uitziende koe ; residu van door-
gemaakt mond- en klauwzeer in Februari. De lange, dorre, recht-
opstaande haren wezen geen enkele plek aan, waar de koe zich
nog had gelikt. Toen ik eind September het dier weer zag, was er
eene groote verandering waar te nemen ; de voedingstoestand was
aanzienlijk verbeterd, de melkgift toegenomen, de haren lagen
gesloten en tal van plaatsen op de huid wezen de plekken aan,
waar de tong terdege had dienst gedaan. De koe staat nu op stal
en scheren is niet noodig.

Prophylactisch heb ik maar eenmaal een proef genomen. Het
betrof 4 hoogdrachtige koeien van den landbouwer C. te S., die
gehouden werden op een weiland op verre afstand van de boerderij

-ocr page 270-

gelegen, waar het mond- en klauwzeer ten einde liep en al de
jonge varkens benevens een beste melkkoe aan de ziekte gestorven
waren. Voor het overbrengen van deze koeien liet ik elke koe twee-
maal daags drie dagen lang per os behandelen en na overbrenging
op besmet terrein der boerderij nog 4 dagen lang ; bij geen enkele
dezer koeien is mond- en klauwzeer waargenomen.

Bij borstziekte der varkens heb ik hetzelfde praeparaat verschei-
dene malen met succes gebruikt, terwijl het op vlekziekte geen
invloed uitoefent.

Niet gaarne zou ik willen beweren hiermede het vraagstuk der
mond- en klauwzeerbestrijding te hebben opgelost, doch zooveel
heb ik thans wel gezien, dat met dit praeparaat onnoemelijk veel
voordeel te behalen is.

Nog veel meer dan ik in de gelegenheid was te ontdekken zal
door verdere proefnemingen op de boerderijen aan het licht ko-
men ; denk aan de prophylaxe ; en het staat dan ook voor mij vast
dat verder onderzoek veel zal bijdragen om het grootst mogelijk
nuttig effect ervan te leeren kennen en spoedig zal leiden tot het
besef dat een mond- en klauwzeerinstituut overbodig is.

Het zou een dwaling zijn de gunstige uitslag der werking van
het praeparaat van de beschreven en niet beschreven gevallen
aan toevallige omstandigheden of aan mindere virulentie dei-
smetstof te willen toeschrijven.

Nadeelen heb ik van dit praeparaat nimmer gezien; als voor-
deel bezit het de eigenschap dat het in verschillende vormen kan
worden aangewend, goedkoop is in de bereiding, een vaste samen-
stelling heeft en daardoor een gelijkmatige werking, in korten tijd
in onbegrensde hoeveelheid is klaar te maken en genezende en
remmende invloed op het mond- en klauwzeer uitoefent, die des
te vollediger zijn naarmate de behandeling korter tijd na het
eerste optreden van de ziekte wordt ingesteld.

den Haag, 2 Januari 1929.

-ocr page 271-

DIERGENEESKUNDE EN DIERENBESCHERMING.

HET TREKHONDENVRAAGSTUK,

door

T. D. SIGL1NG.

Dat de nieuwe bepalingen inzake de uitvoering der Trekhonden-
wet 1910 : het K.B. d.d. 1 Augustus 1927 en de Ministerieele cir-
culaires d.d. 30 Augustus 1927, 17 December 1927 en 17 Februari
1928 stof zouden leveren voor veel commentaar, was te ver-
wachten.

En dat de „schande voor Nederland", zooals de dierenbescher-
mers, die de eenige oplossing voor misbruik van den hond als
trekdier zien in afschaffing, het gelieven te noemen, nog is blijven
voortbestaan is begrijpelijk als gevolg van de inconsequente tak-
tiek, welke ter zake is gevolgd. Het is weer eens heel duidelijk
geworden, dat het eenvoudiger is bepalingen te ontwerpen, dan
ze te doen eerbiedigen en uitvoeren. En dat de organisaties, die
tot het einddoel : „de hond afschaffen als trekdier" al hunne
energie aanwenden, in den gang van zaken aanleiding hebben ge-
vonden dit vraagstuk nog eens te activeeren ligt voor de hand.
Het is dan ook verbazingwekkend hoe weinig men zich, vooral
ten plattelande, blijkbaar van de aanschrijvingen van den Minister
aantrekt en hoe traag en onwillig men reageert op de bepalingen
door de regeering gemaakt ! Dit blijkt o.a. wel uit de beide
,,opcn
brieven",
welke aan Minister Kan zijn gericht, resp. door de Fe-
deratie van V ereenigingen inzake het gebruik van den hond als trek-
dier in Nederland"
en door ,,Dierenbelang en de Rotterdamsche Ver-
eeniging tegen Trekhondenmisbruik".

De eerste brochure groot 54 pagina\'s met zeer vele en ook actu-
ecle foto\'s (niet minder dan 28 pagina\'s bevatten uitsluitend foto\'s
genomen tusschen Juli-September 1928) vormt wel een zeer ge-
slaagd en goed gedocumenteerd betoog, dat zich gemakkelijk en
vlot laat lezen en een duidelijk bewijs levert, hoe moeilijk het is
de voorschriften, vooral wanneer deze herhaaldelijk gewijzigd
worden, te doen naleven, en hoe weinig daarvan in de praktijk
terecht komt. Vooral doordat in vele kleinere gemeenten de keu-
ring der honden was opgedragen aan weinig ontwikkelde en ter
zake onverschillige lieden, die met het metrieke stelsel weinig
vertrouwd bleken te zijn, waren de signalementen vaak zéér on-
nauwkeurig opgemaakt en werd vooral de borstbreedte veelal
verkeerd ingevuld. Van 13 c.M. werd 16 c.M. gemaakt en in één
gemeente werd de borstbreedte zelfs ingevuld als 26—34 c.M ! !

Ook de vergunning op de kar te zitten, welke als uitzondering
bedoeld is, wordt vaak al te royaal gegeven en dus vrijwel tot
regel gemaakt,
wat zeker de bedoeling van den Minister niet is.

-ocr page 272-

Ook de tweede ,,open brief" bevat een goed geordend en over-
zichtelijk feitenmateriaal met een 8-tal foto\'s en wijst er ten slotte
op, dat door de houding van den Minister in zake het trekhonden-
vraagstuk het Gezag wordt geschaad en door dit systeem van ordre
— contr\'ordre — désordre, de trekhondenhouder gaat gelooven,
dat het toch geen ernst is.

Toch besluit deze brochure met de opmerking, dat het optreden
van den Minister wellicht de zaak van den trekhond wel goed
doet. De mislukking vestigde allerwege de aandacht op deze kwestie
en de politieke partij, die de afschaffing van den hond als trekdier
op het programma zou plaatsen, zou daardoor, volgens iemand,
die den toestand wel beweert te kennen, wel een 600.000 stemmen
winnen ! Waaronder een menigte van hen, die tot nogtoe van hun
recht (lees : plicht !) nooit gebruik maakten.

De a.s. verkiezingen zullen dus wellicht dit strijdpunt ook nog
nader belichten ! Men weet, dat er vorig jaar een vereeniging is
gesticht voor z.g. „Wettelijke Dierenbescherming" (Politieke
actie), die zich speciaal ten doel stelt de volksvertegenwoordigers
en zij, die zulks hopen te worden, te activeeren en zich te doen
uitspreken over hun opvattingen, waardoor het tot stand komen
van doeltreffende wetten en voorschriften ter zake wordt be-
vorderd.

Moge de Minister in de aangehaalde „Open Brieven" aanleiding
vinden om de zaak der trekhonden ernstig te blijven volgen en
de thans vigeerende bepalingen ook zoo goed mogelijk te doen
uitvoeren !

Als het advies der Veeartsenij kundige Faculteit nu inderdaad
wordt opgevolgd, zal na 15 Febr. geen hond met minder dan 14C.M.
en over 2 jaar geen hond met minder dan 16 c.M. boegbreedte
meer gebruikt mogen worden en al is daarmede het ideaal der
dierenbeschermers: „de hond geen trekdier" niet bereikt, het lot
van de trekhonden zal dan toch in elk geval veel verbeterd zijn.

Maar het is goed, dat vereenigingen als de genoemde dit lot
blijven behartigen, want het is helaas al te waar, dat zoowel vele
gebruikers als velen van hen, die de wet moeten uitvoeren en
handhaven, maar al te gauw geneigd zijn om, onder het motto :
,,\'t Is toch maar een hondl", de zaak weinig ernstig te nemen.

Breda, 11 Februari 1929.

-ocr page 273-

— 259 —
BOEKAANKONDIGINGEN.

A Manual of Medical and Veterinary Helminthology door h. A. Baylis.
Uitgegeven door Baillière, Tindall & Cox, London. 7 en 8 Henrietta Street, Covent
Garden. Prijs 30 Shilling.

In dit boek, dat van 200 afbeeldingen voorzien is, zijn de Trematoden, Cestoden
en Nematoden behandeld.

Het is de bedoeling van den schrijver geweest, den lezer in staat te stellen om
met behulp van de beknopte beschrijving der geslachten en der soorten aan de
hand van duidelijke afbeeldingen de meeste voorkomende parasieten te dcter-
mineeren.

Om dit te vergemakkelijken wordt in het begin van elk der drie groepen para-
sieten een beschrijviug gegeven van de algemeene en meest karakteristieke eigen-
schappen van de vertegenwoordigers van die groep, terwijl nadere bijzonderheden
gemeld worden bij de bespreking van elke familie en soort.

De namen der parasieten zijn zooveel mogelijk in overeenstemming gebracht
met die, welke door de Internationale Commissie voor Zoölogische Nomenclatuur
zijn aangenomen. Deze namen zijn vet gedrukt. Voor hen die meer gewend zijn
aan de meer bekende doch thans verouderde namen, zijn deze laatste toch zooveel
mogelijk daarbij vermeld. Uitvoerige beschrijvingen der parasieten moet men
in dit boek niet zoeken, evenmin alle synoniemen van de behandelde soorten.
Dit valt buiten het kader van dit werk en zou het bock te uitgebreid gemaakt
hebben, en daardoor minder overzichtelijk voor niet-parasitologen, waarvoor het
dan toch hoofdzakelijk bestemd is.

Ook wordt de biologie van de voornaamste parasieten in het kort vermeld.

Het clinische gedeelte van de helminthologie is niet besproken ; wel worden bij
de voornaamste parasieten, welke in verband met hun biologie pathologische af-
wijkingen veroorzaken, deze laatste in het kort besproken.

Het oorspronkelijk plan om de parasieten van eiken gastheer afzonderlijk te
bespreken, heeft de schrijver niet uitgevoerd, omdat ook hierdoor het werk te
uitvoerig zou worden.

Achter in het boek vindt men echter een lijst van de verschillende gastheeren
met de daarbij voorkomende parasieten vermeld.

Als gastheeren worden genoemd :

Mensch, hond, kat, varken, rund (inclusief zebu en buffel), schaap, geit, kameel,
paard (inclusief ezel en muilezel), hoen, kalkoen, paarlhocn, eend, gans en duif.

Deze lijst is voor hen die zich omtrent een parasiet orienteeren willen van groot
gemak.

Goede diensten bewijzen daarbij eeij 12-tal tabellen, waarbij van de volgende
geslachten de kenmerken der species nader worden aangeduid :

Dyphyllobothrium, Raillietina (vogelparasieten), Dipylidium, Hymenolepis
(hiervan twee tabellen met vogelparasieten), Taenia (hond en kat), Strongyloides,
Strongylus (paard), Trichoncma (paard-ezel-muilezel), Oesophagostomum, Tri-
churis en Capillaria (vogelparasieten).

Dit boek is voor ieder die zich op de hoogte wil houden van de veterinaire of van
de medische parasitologie van zeer groot belang. Voor hen, die zelf willen trachten
parasieten te determineeren is het een goede hulp en zeer aan te bevelen.

Baudet.

-ocr page 274-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Jaarverslag over 1928 van de Afd. Limburg.

Einde December telde de afdeeling 31 leden. Tijdens het verslagjaar trad tot
de afdeeling toe de heer
Sala Jr. te Venraij. Door overlijden verloor de afdeeling
als lid den heer
I\'. H. Van Aelst, Directeur van het Slachthuis te Sittard. Dank-
baar zij hier nog herdacht, dat hij ondanks zijn minder goede gezondheid toch onze
vergaderingen zooveel mogelijk bijwoonde.

De afdeeling hield ook dit jaar twee vergaderingen. Belangrijke besprekinge werden
gewijd aan het enten tegen diphterie bij kippen en aan de pullorumbestiijding
bij kippen. Aan den cursus in pluimveeziekten werd door vele collegae-practici deel-
genomen. De in het jaar 1927 ingeleide kwestie over de tarieven bij entingen voor
varkens en kippen, kreeg in 1928 haar beslag en leverde het resultaat op, dat een
basis voor samenwerking werd gevonden. Alle practici verbonden zich, zich aan
het voorgestelde minimumtarief te houden. Verder werden nog belangrijke be-
sprekingen gewijd aan de tuberculosebestrijding bij runderen. De Inspecteur van
den Veeartsenijkundigen Dienst gaf hierbij zijn gewaardeerde voorlichting.

In de najaarsvergadering werd feestelijk herdacht het 25-jarig jubileum van
Dr.
Berger als dierenarts en werd deze tot eerelid der afdeeling benoemd. Ter
eere van den jubilaris vereenigden zich de meeste aanwezigen aan een feestmaal,
dat een zeer geanimeerd verloop had.

De heer Urlings was in 1928 onze afgevaardigde in het Hoofdbestuur, terwijl
de heer
Verselewei. de Witt-Hamer de afdeeling vertegenwoordigde op de
algemeene vergadering. T11 de samenstelling van het bestuur kwam geen verandering.

de 2e Secretaris,

Kerstens.

BERICHTEN.

VLEESCH HYGIËNE.

Nog eens den 5-jarigen termijn, bedoeld in art. 4-7 der Vleeschkeuringswet.

Zooals bekend hebben kantonrechters en ook de rechtbank tot 1111 toe het stand-
punt ingenomen, dat de overgangstermijn van 5 jaar bij de inwerkingtreding van
het Kon. Besluit van 10 Juli 1926, Stbl. 233 op 24 September 1926 niet opnieuw
is ingegaan. Verschillende veroordeelingen hebben dan ook, in overeenstemming
hiermede plaats gehad.

Thans schijnt een andere meening veld te winnen Bij vonnis van 10 januari
j.1. heeft een der kantonrechters te Amsterdam vonnis gewezen tegen een houder
van een bewaarplaats van vleesch, die geverbaliseerd was, omdat deze bewaar-
plaats, zijnde opgericht vóór r Januari 1922, niet voldeed aan de wettelijke eischen.
De kantonrechter achtte het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen,
doch niet strafbaar en ontsloeg den verdachte mitsdien van alle rechtsvervolging.

De kantonrechter overwoog, dat de Algem. Maatregel van Bestuur, vermeld in
art. 47 der Vleeschkeuringswet, is het Kon. Besluit van 10 Juli 1926, Stbl. 233.
krachtens Koninkl. Besluit d.d. 11 Sept. 1926, Stbl. 328, op 24 September 1926
in werking getreden, zoodat de bij art. 47 der Vleeschkeuringswet gegeven termijn
gerekend moet worden van 24 Sept. 1926 af. De ambtenaar van het Openbaar
Ministerie bij het kantongerecht heeft tegen deze uitspraak appel aangetcekend.

De destructor van den vleeschkeuringskring Barsingerhorn.

Naar het „Handelsblad" mededeelt, heeft de directie der Ned. Thermochemische
Fabrieken te Amsterdam tot de Kroon een verzoek gericht om het besluit van
Gedep. Staten van Noord-Holland, inzake goedkeuring van het besluit der tien
tot den vleeschkeuringskring Barsingerhorn behoorende gemeenten nopens het

-ocr page 275-

bouwen eener gezamenlijke installatie voor het vernietigen van afgekeurd vee
en vleesch, te vernietigen.

JDe N. T. F. meent, dat door een gemeenschappelijke regeling van het vernietigen
van afgekeurd vee en vleesch in verschillende kringen of gemeenten, die meenen
op meer economische wijze zelf een beslissing ter hand te kunnen nemen, de plan-
nen van requestrantc onmogelijk worden ten aanzien van die gedeelten van Neder-
land, waar een geringe veestapel is en het exploiteeren der vee- en vleeschvernieti-
ging groote finantieele bezwaren met zich medebrengt.

Zij wijst er verder op, dat hare plannen zijn opgemaakt in overleg met de De-
partementen v. Binn. Zaken en Landbouw en van Arbeid, Handel en Nijverheid,
benevens met de directie der Vereeniging van Ned. Gemeenten.

Worden deze plannen onmogelijk, dat zullen de voordeelen van een centrale
vernietiging, welke o.
a. de mogelijkheid opent, dat ook veearme gebieden zonder
kosten daarin worden betrokken, te loor gaan, waarbij h. i nog komt dat zelfs
in een gebied als waartoe Bassingerhorn e. a. behooren, de vernietiging niet zon-
der geldelijke nadeelen uitgeoefend kan worden.

Enkele bezwaren tegen de Vleeschkeuringswet.

Op de ne Algemeene Vergadering van den Nederl. R. K. Hanzebond van sla-
gerspatroons, welke vergadering op 29 en 30 Jan. j.1. te Helmond werd gehouden,
kwamen op de agenda eenige afdeelingsvoe>rstellen voor, welke bezwaren inhielden
tegen de vleeschkeuringswet en haar uitvoeringsbepalingen.

Zoo was er o. a. een voorstel om een wijziging van het vleeschwarenbesluit te
verkrijgen, waarbij meel als bindmiddel geheel vrij wordt gegeven en een hooger
percentage meel als bindmiddel in gekookte worstsoorten wordt toegestaan, ter-
wijl men ook een beperKt gebruik van onschadelijke kleurstoffen in vleeschwaren
zou willen toelaten

Blijkens een ander voorstel zou men gaarne zien dat er pogingen in het werk
gesteld zouelen worden om te bereiken dat localiteiten, zooals b.v. comestibles-
zaken, waar verkoop van vleeschwaren plaats vindt, aan dezelfde hygiënische
voorschriften zouden moeten voldoen als de slagerswinkels. Algemeen beschouwde
menden verkoop van vleeschwaren in dergelijke inrichtingen als een groote onbillijk-
heid en een oneerlijke concurrentie, daar de slagerswinkels aan verschillende
eischen moeten voldoen, alvorens men daarin vleesch of vleeschwaren mag ver-
koopen.

De Haagsche verordening en het verplicht afstaan van enkele organen.

Einde April 1928 heeft de Haagsche gemeenteraad een tariefwijziging aange-
nomen, welke eensdeels een verbetering inhield doorelat lichte kalveren en lichte
varkens voortaan minder aan slachtrccht zouden kosten dan dito dieren van
normaal slachtgewicht, doch anderdeels het aantal organen, dat zonder vergoeding
verplicht moest worden afgestaan, met twee vermeerderelc ; nl. de pancreas en
moederkoek. Met dc eerste wijziging waren de organisatie\'s op de hoogte gebracht,
van de organenuitbreiding wisten zij niets.

De vereenigingen verzetten zich clan ook en wendden zich tot den Min. van
Binnenl. Zaken en Landbouw. Blijkens een mededeeling in de „Vee- en Vleesch-
handel" van 1 Febr. j.1. maakt de Minister bezwaren, om de wijzigingsverordening
ter goedkeuring aan de Kroon voorte leggen. Ook de ouele bepalingen, die sedert
1924 dwongen tot afstand zonder vergoeding, schijnen bij den Minister en eveneens
bij Gedep. Staten bezwaren te hebben ontmoet, zoodat binnenkort een tarief-
wijziging is te verwachten, waarbij de verplichte afgifte van bepaalde organen
zal worden weggelaten.

Abattoirs.

B. en W. van Rotterdam stellen voor tot den bouw van een koelinrichting op
het abattoirterrein over te gaan. De kosten worden geraamd op / 50.000.—

De Graaf.

-ocr page 276-

Rectificatie. Jaarboekje 1929.

Blz. 28 regel 4 vo staat: raadplege men blz. lees: raadplege men blz. 105 enz.
„ 56 ,, 14 v.b. „ 73592 lees:
73593-

,, 56 ,, 17 v.b. ,, Leider polikink. I). B., lees: H. B. ld. en L. polikink.

wettelijke D. Bcsch. ; Off. D. Kr. XV; Mob. Kr
131 .. 7 v.b. ,, Militaire Academie, lees : Koninklijke Militaire Academie

Poultry Congress 1930.

Het December nummer (1928) van de International Review of Poultry Science.
(Dr. Te Hennepe) meldt, dat het World\'s Poultry Congress 1930 (te Londen)
gehouden zal worden van 22 tot 30 Juli (dus juist voor het Veterinaire Congres)
Het Congres zal omvatten ; tentoonstelling van levende dieren ; handelstentoon-
stelling ; wetenschappelijke verhandelingen.

De kosten voor het individueele lidmaatschap bedragen : een Engelsch pond.
(of het aequivalent cr van). In het bedoelde nummer worden voorts 14 bladzijden
aan het Congres gewijd. L. P.
de Vries

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in Januari 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op 1 Jan. nog niet waren geëindigd).

Mond- en Klauwzeer : bij 300 (288) eigenaars, waarvan in Groningen bij 27
(31) eig. ; Friesland bij 112 (158) eig. ; Drenthe bij 16 (12) eig. ; Overijsel bij 3
eig. ; Gelderland bij 12 eig. ; Utrecht bij 7 (15) eig. ; Noordholland bij 31 (27) eig. ,
Zuidholland bij 39 (30) eig. ; Zeeland bij 8 (6) eig. ; Noordbrabant bij 40 (9) eig. ;
Limburg bij 5 eig.

Scabiës (sarcoptes en dcrmatocoptes) bij paard en schaap : 83 gevallen bij 10
eig. (63 bij 12 eig.), waarvan in Groningen (9 bij 2 eig.) ; Friesland 2 bij 1 eig. (36
bij 5 eig.) ; Drenthe (11 bij 2 eig.) ; Gelderland 2, waarbij 1 paard, bij 2 eig. ; Utrecht
39, waarbij 1 paard, bij 2 eig. ; Zuidholland 40, paarden, bij 5 eig. (7 bij 3 eig.).

Rotkreupel bij schapen : 13 gevallen bij 6 eig. (411 bij 23 eig.), waarvan in Gro-
ningen (26 bij 4 eig.) ; Friesland 3 bij 2 eig. (73 bij 8 eig.) ; Drenthe 3 bij 2 eig.
(23 bij 4 eig.) ; Utrecht (18 bij 2 eig.) ; Noordholland 1 ; Zuidholland 6 bij 1 eig
(70 bij 4 eig.) ; Zeeland (201 bij 1 eig.)

Anthrax : 28 gevallen bij 27 eig., waarvan in Groningen 1 ; Friesland 3 bij 3
eig. ; Drenthe
1 ; Gelderland 4, waarbij i varken, bij 4 eig. ; Utrecht 6 bij 6 eig. ;
Noordholland 1 ; Zuidholland 6 bij 5 eig. ; Zeeland 1 ; Noordbrabant 4 bij 4 eig. ,
Limburg 1.

PERSONALIA.

Geplaatst : Dr. J. Kok, Inspecteur Burg. Veeartsenijk. Dienst te Semarang.
Verlof naar Europa : H. G.
van Waveren (8 maanden met ingang Febr. 1929) ;
H. D.
Senstius (8 mnd., ingang 4 Mei) ; Dr. F. Bromberg (8 mnd., met ingang
3 Juni) ; V. E. C.
van Bergen (3 mnd., met ingang Febr ).

-ocr page 277-

REFERATEN.

VERGELIJKENDE PATHOLOGIE.

Galfistels en osteoporose.

(Sénèque, Presse medic., ref. van Kopp in N.T. v. G. 1928 II blz. 6197).

Wanneer langen tijd, door de een of andere oorzaak de gal niet in het darm-
kanaal afstroomt, ontstaat osteoporose, vooral van wervels en ribben (door
Doyon
en Pawlow ook bij honden experimenteel verkregen). Ook door onderbinding
der ductus choledochus, waarbij de gal in het lichaam blijft, kan men dezelfde
verschijnselen opwekken ; ook bij complete pancreas-fistels, waarbij dan de in den
darm stroomende gal, door de afwezigheid der pancreas-fermenten, haar werking
niet kan doen. Het essentieele is dus niet het galverlics, maar het uitblijven der
galwcrking in het darmkanaal. Het calcium in het voedsel wordt dan in den darm
gebonden aan de verzeepte vetten, terwijl calcium van het lichaam in den darm
overgaat om de vetzuren te neutraliseeren. Toch ziet men niet zelden bij com-
plete galfistels geen beender-afwijking tot stand komen. Er moeten dus nog andere
factoren in het spel zijn. Bij langbestaande galfistels ontstaat hypertrophie van
de bij-schildklieren, terwijl bij ziekten van deze organen (tumoren, cysten) osteo-
porose ontstaat.

Tammann gaf honden met complete galfistel vigantol en kon daarmee de osteo-
porose voorkomen en genezen. De osteoporose zou dus verklaard moeten worden
uit kalkverlies en afwezigheid van bepaalde vitaminen.

Toediening van rundergal en alkaliën geeft geen herstel, echter zag Kopp bij
zijn patiënten met galfistel, die hij hun eigen gal liet drinken, nooit osteoporose
optreden.

Pathogenese der zwartwaterkoorts.

Rapoport onderzocht nauwkeurig alle organen van een persoon die aan malaria
had geleden, met kinine was behandeld en aan een typiese aanval van zwartwater-
koorts was gestorven. Volgens den schrijver is het niet aannemelijk dat bij zwart-
waterkoorts de haemolyse in de geheele bloedbaan plaats heeft, maar is het waar-
schijnlijk dat de verwoesting der erytrocyten in de nier tot stand komt, zooals
ook
Plehn aanneemt. Rapoport neemt aan, en licht dat met microfoto\'s toe,
dat, ten gevolge van het te gronde gaan van nierepitheliën en van de basale mem-
braan een open verbinding kan ontstaan tusschen de niercapillairen en de tubuli
der nier. Het bloed dat hierin vloeit, wordt door de inhoud dezer buisjes gehacmo-
lyseerd, zoodat de eigenlijke haematurie zou veranderen in een haemoglobinurie.
(Arch. f. S. u. trop. Hyg. ref. van Driel in Geneesk. Tijdsch. v. Ned. Indië 1928,
deel 68, blz. 821).

Werking van speeksel en maagsap op bloedstoiling.

Het speeksel heeft bloedstelpende eigenschappen. Bloedingen in de mondholte
houden vaak spoedig op en daarbij ontstaan groote stolsels. Vele dieren bclikken
hun wonden en maken daarbij instinctmatig gebruik van die eigenschappen
van het speeksel.
Hunter (Brit. J. of Surg., ref. van Kopp in N. T. v. G. 1928
II blz. 6293) deed eenige proeven. Hij bracht zijn eigen speeksel in geparafi-
neerde reageerbuisjes samen, met een bepaalde hoeveelheid kattcbloed ; 4 c
.c.
bloed waaraan £ cc. speeksel was toegevoegd, stolde in 3 minuten. Zonder
speeksel was de stollingstijd 10 minuten. Was het speeksel tevoren gecentrifu-
geerd, dan was de werking nog sterker ; filtreeren door
Berkefeld had gt en
invloed. Door verdunning werd de werking niet geringer. Ook ging hij de werking
van maagsap na op de stolling. Hoe grooter het gehalte aan vrij zoutzuur in het
maagsap was, hoe langzamer stolling. Toevoeging van speeksel bespoedigde de
stolling. Maagsap, vooral wanneer dit veel vrij zoutzuur bevat, vertraagt de
stolling.

In de praktijk blijkt dit ook. Lijders aan ulcera ventriculi, resp. duodeni hebbi n
hooge zuur-waarden en vaak sterke haematemesis; bij lijders aan maagkanker.

-ocr page 278-

waarbij weinig of geen vrij zoutzuur is, zijn de bloedingen minder overvloedig.

Bij behandeling van maagbloeding is het dus van belang te zorgen dat de functie
der speekselklieren door kauwen of zuigen van indifferente stoffen, aangezet wordt.
Toediening van kleine hoeveelheden alkali en van morfine-derivaten zullen nog
de stolling in de hand werken.

De oorzaak der gele koorts.

Aan Stokes, Bauer en Hudson gelukte het gele koorts over te brengen op
dieren. Na de arbeid van
Finlay en van Reed is vooral door de Afrikaanse gele-
koorts-commissie van de Rockefeller-Foundation belangrijk werk omtrent deze
ziekte verricht. Twee der onderzoekers zijn slachtoffer geworden van de weten-
schap ; eerst stierf prof.
Noguchi aan de ziekte en later Adrian Stokes. De meening
van
Noguchi dat de Leptospira icterogenes de verwekker der ziekte zou zijn, werd
al lang door velen, o.a.
Guitéras, Schüffner, voor onjuist gehouden. De afrik.
Commissie vond een apensoort die zeer gemakkelijk met de ziekte is te besmetten,
nl. de Macacus rhesus ; zelfs zeer lichte gevallen zijn door enting op deze apensoort
gemakkelijk vast te stellen. Verder kon de meening van
Finlay en Reed bevestigd
worden dat nl. de muskieten van de soort Aedes aegypti met zekerheid de ziekte
op andere apen kunnen overbrengen als zij op den tweeden of derden dag van de
ziekte bij een aangetasten aap V.unnen zuigen. Na den derden dag verdwijnt het
virus spoedig uit het bloed van het zieke dier, evenals zulks bij den mens het geval is.

Door inspuiting van bloed of bloedserum kon het virus worden overgebracht
van mens op aap en van aap op aap. In den tijd dat het in het circuleerende bloed
voorkomt is het virus filtreerbaar.

0.1 c.c. convalescenten -serum kon apen tegen besmetting beschermen, terwijl
2 c.c. normaal mensen-serum geen beschutting gaf.

De kliniese verschijnselen en pathologiese afwijkingen waren bij mens en aap
gelijk. De besmette muskieten bleken langen tijd het gif te bewaren, voor zoover
nagegaan, gedurende hun heele verdere leven. De beet van een enkele muskiet,
die meer dan drie maanden te voren besmet was, bleek in staat om een doodelijke
besmetting bij een aap te veroorzaken. Het virus werd niet door de eieren van de
eene muskieten-generatie op een volgende overgebracht.

Het gif uit het bloed kon worden gefiltreerd door berkefeld-filters. v,enN.
niet door
W. en door het asbest filten van Seitz. Het virus in de muskiet vinsniet
filtreerbaar.

Pogingen om het virus te kweckcn uit besmet bloed of uit muskieten hadden
geen succes.

Nooit konden spirochaeten, leptospiren of andere microörganismen worden ge-
vonden in de weefsels van besmette dieren.

Een andere apensoort, Macacus sinicus, bleek slechts matig vatbaar, terwijl
chimpansee\'s en andere apen uit die streek, ongevoelig waren evenals cavia\'s.
(Amer. journ. of trop. med., ref. van
Driel in Geneesk. Tijdschr. v. Ned.-Indië,
1928, deel 68, blz. 823.)

Thallium-vergiftiging.

(Althoff, Deut. Zeitsch. f. gericht. Med., ref. Hulst in N. T. v. G. 1928. II blz.
4549). In den laatsten tijd worden herhaaldelijk gevallen vermeld van thalliumver-
giftiging soms met doodelijk gevolg; dit vergift komt voor in Zeliopasta en zelio-
korrels, die als rattengift voor ieder verkrijgbaar zijn. Verschijnselen : steken in
<le borst bij het ademhalen, kriebelen en pijnen in voeten en teenen, langzaam
opstijgende in de beenen, geringe duizeligheid en sterk haaruitval op alle behaarde
plaatsen. Naast thallium wordt scheikundig (in beenspieren) ook veelal zink ge-
vonden, doordat bij de bereiding zinkertsen worden gebruikt.

Huidverbranding.

(Kumer, Wiener klin. Woch., ref. Nie.meyer in Geneesk. Gids 1928 blz. 938).
Van de, het leven bedreigende huidaandoeningen staat verbranding bovenaan. In
de ongevallenstatistiek staat verbranding op de vierde plaats, wat sterfte betreft.
{Na auto-ongelukken, vallen van steigers enz. en te water raken).

-ocr page 279-

De- prognose hangt vooral af van de uitgebreidheid der verbranding.\' Hij vér-
branding van het totale huidoppervlak, treedt de dood ongeveer na 7 uren iu ;
bij meer dan £ huidoppervlak na 13A uur : bij meer dan 1/1, na 43 uren ; bij meer
dan \'/,, na 90 uren. Is 10 % van het huidoppervlak verbrand dan mag men nog op
een gunstige afloop rekenen. Kinderen verdragen brandwonden slechter dan vol-
wassenen.

Verbranding van den derden graad is gevaarlijker, doch minder pijnlijk dan de
lichtere graden, doordat de huidzenuwen verbrand zijn en de bodem van do blaar
necroties is.

Gewoonlijk treedt na de verbranding koorts op, soms tot 40\' ; hierbij is gevaarlijk
de dreigende hartzwakte. Ongunstige verschijnselen zijn : braken, anurie, geeuwen,
hikken en kliniese krampen, verwijde pupillen, wankleurig worden van wonel-
granulaties, apathie Dood in de eerste 24 uren is een gevolg van shock ; bij latere
dood is intoxicatie oorzaak, al is het verbrandingsgif ook niet nader bekend.
Behandeling : narcotica (zooals morfine) tegen de pijn, is sterk af te raden ; de pijn
wordt gunstig beïnvloed door compressen gedrenkt met een liniment van.: thymol
i, aq. calcis, ol. lini ana gr. 300 en daarover compressen met liquor Burowi.

Om de gifstoffen te verdunnen : infusie van keukenzout-oplossing of druppel-
clysma. Verder eerst vasten en dan veel drinken. Baden kunnen nuttig zijn ; ook
bloedtransfusie wordt te Weenen, schijnbaar met succes, toegepast

Rheuma en dentale sepsis.

Schimdt (Murich. Med. Woch.. Geneesk. Gids 1928. blz. 943) meent, op grond
van zijn waarnemingen, dat dentale sepsis dikwijls de aetiologiese factor is bij
rheumatiek, vooral bij chroniese rheumatiese aandoeningen. Hierbij kunnen nog
virulente bacteriën uit de ziektehaard in het bloed en vandaar in gewrichten komen
(streptococcen, staphylococcen) of wel toxinen. Voor die toxinen zijn zeer gevoelig :
de slijmvliezen der gewrichten, de fascien. aponeurosen, ligamenten, pezen, pees-
scheeden en zenuwscheeden ; dit verklaart het optreden van de zeer verschillende
aandoeningen.

Het is dus zaak bij rheumatiek het gebit te onderzoeken en daarbij het Röntgen-
onderzoek niet te verwaarloozen, omdat dikwijls diep gelegen processen aan alveolen
en tandwortels door andere methoden van onderzoek niet te vinden zijn

Het acuut gewrichts-rheumatisme heeft dikwijls een andere oorzaak en vele lichte
gevallen van rheumatisme berusten op kouvatten. De echte jicht laat
Schmidt
buiten beschouwing.

Maltakoorts-besmetting in een laboratorium. In het hyg laboratorium van
Columbia is een dokter van den gezondheidsdienst bij zijn onderzoekingen over
Maltakoorts, met deze ziekte besmet. Tot dusver zijn in de Vereenigde Staten
354 goed geconstateerde gevallen van Maltakoorts waargenomen. (Journ. Am
Med. Ass.. ref.
Tinkhoe in N. T. v. (i 1929, I blz 103. Vrijburg.

Over febris undulans bij den mensch, veroorzaakt door bacterium abortus in-
fectiosi bovum Bang,
door Dr J van dek Hoeden.

Ned. tijdschrift voor geneesk. 6 Oct. 1928.

De Maltakoorts, welke vooral in Zuid-Europa bij den mensch voorkomt en ver-
oorzaakt wordt door Bact. melitensis, afkomstig van de geit, is reeds lang een ge-
vreesde ziekte. In den laatsten tijd zijn in Duitschland en Denemarken tal va:
ziektegevallen waargenomen, die overeenkwamen met do febris melitensis, echter
epidemiologisch verband hielden met hot besmettelijk verwerpen eler koeien.

Doe>r schr. is nagegaan, of ook in Nederlanel gevallen van besmetting met Bact.
abortus Bang bij menschen voorkomen. Tc dien einde onderzocht hij van een groot
aarttal patiënten het serum op agglutininen, terwijl met ele sera, die boven de
ioo-voudige verdunning de abortusbacteriën agglutineerden, tevens een comple-
mentbindingsreactie werd ingesteld. Onderzocht werden : i°. 190 sera, welke voor
onelerzoek op lues waren ingezonden. 2°. 547 sera van koortsende patiënten, ver-
dacht van typhoïd. dysenterie of sepsis ; 30. 27 sera van vrouwen, bij wie herhaal-

LVI 18

-ocr page 280-

delijk abortus nas voorgekomen, terwijl de reacties van Wassermann en die van
Sachs-Georgi negatief waren.

Van 9 patiënten met liooge serumreacties voor 13. Hang werd getracht een cultuur
aan te leggen uit het hloed en de gecentrifugeerde urine, terwijl bovendien cavia\'s
subcutaan en intraperitoneaal met dit materiaal werden geïnfecteerd. Deze dieren
werden na 6 k 8 weken door verbloeding gedood, waarna het serum werd onderzocht
op agglutininen en compleinentbindendc stoffen en getracht werd uit de organen
abortusbacteriën te kweeken.

Van de patiënten, waarbij liet serum een hoogc agglutinatie-titer voor B. Bang
vertoonde, werden klinische gegevens verzameld, terwijl bovendien ter plaatse
een epidemiologisch onderzoek werd ingesteld.

Het resultaat van het serum-onderzoek was, dat bij 14 personen, allen behoorende
tot de groep van koortsende patiënten, verdacht van typhoïd, dysenterie of sepsis,
het serum een agglutinatietiter voor bact. abortus Bang vertoonde, welke meer
dan 200 bedroeg (400—102400). Van deze 14 gevallen wordt er door schr. één als
twijfelachtig beschouwd, wat betreft het verband der ziekte met de
B. abortus
Bang. Bij de resteerende 13 positieve gevallen
Werd met 0,002 tot 0,0005 c.Ms
serum een sterke complementbindingsreactie waargenomen. Het gelukte slechts
in een geval uit het bloed van de patiënt een microörganisme te kweeken, dat in
zijn morpliologische-, cultureele- en serologische eigenschappen, alsmede wat zijn
pathogeniteit tegenover de cavia betrof, met de B. abortus Bang overeenkwam.
Een 2-jarige, in de 6de drachtigheidsmaand verkeerende vaars, werd intraveneus
met deze cultuur geïnfecteerd. Het dier vertoonde een belangrijke agglutinine-
vorming (titer 1 : 6400) ; 11 weken na de infectie was de vrucht echter nog niet
verworpen.

Uitvoerig worden de klinische verschijnselen bij de verschillende patiënten mee-
gedeeld, welke in vele opzichten met die van Maltakoorts overeenkwamen. De
behandelende arts had in geen der gevallen aan een infectie met B. abortus Bang
gedacht. De vermoedelijke diagnose luidde vaak typhus. Van de klinische symptomen
noem ik hier alleen het optreden van sterk intermitteerende of remitteerende koorts,
waarbij de temperatuurcurve een golfvormig verloop aanwijst.

Wat de wijze van besmetting betreft, veronderstelt schr. dat deze 4 maal heeft
plaats gevonden door het verleenen van verloskundige hulp bij aborteerend vee.
lijdende aan enzoötisch verwerpen, 7 maal door het gebruik van rauwe melk of
room, terwijl bij 2 patiënten beide wijzen van infectie mogelijk moeten worden
geacht. Verschillende malen werden in de melk (room) abortusbacteriën gevonden,
terwijl in het bloedscrum van verdachte runderen agglutininen tegenover B. abor-
tus Bang konden worden aangetoond.

Opvallend was, dat in hetzelfde gezin nooit meer dan een ziektegeval werd waar-
genomen. Vermoed wordt, dat een begunstigende factor (vermoeiende arbeid,
wonden, enz.) aan het ziek worden moet voorafgaan.

De vraag, of vaccinatie der runderen met levende abortuscultures infectie bij
den mensch kan veroorzaken wordt door schr. niet beantwoord. Wel worden enkele
onderzoekingen vermeld, waardoor is vastgesteld, dat bij deze gevaccineerde dieren
nog geruimen tijd de abortusbacteriën in de melk kunnen worden aangetoond.

Aan het slot van het artikel wordt gewezpn op het gevaar van het voorkomen
van abortusinfecties in z.g. ,,modelbedrijven ", die de melk leveren onder waarborg,
dat zij in rauwen toestand geen schadelijke kiemen bevat (In de goed gecontro-
leerde bedrijven worden ter onderzoek op het voorkomen van tuberkelbacillen in
de melk, inspuitingen bij cavia\'s verricht. Ter onderkenning van eventueel aan-
wezige abortusbacteriën, kan men de proefdieren na 6 è. 8 weken dooden en zijn
aandacht, behalve op veranderingen van tuberculeuzcn aard, ook op die van
abortusinfectie bepalen Ref.).

Een woord van lof voor de mooie onderzoekingen, door Dr. J. van der Hoeden
verricht, is hier alleszins op zijn plaats

Clarenburg.

-ocr page 281-

Aether aethylious als geneesmiddel tegen infectieuze longziekte. Dott. Stillo
Grignoni.
La Clinico Veterinaria No. 3 1928.

Aether wordt zelden gebruikt als geneesmiddel, wel bij dreigende collapsus.
Kinderartsen gebruiken het tegenwoordig wel bij hoest.
Kook paste het toe bij de
infectieuze laryngo-tracheitis van het paard. Schrijver spoot bij besmettelijke
pleuro-pneumonie van het paard 100 c.M3. aether onderhuids in, na 48 uren nog
eens 80 c.M3. De dieren genazen dan vlug.

Ook werd het middel geprobeerd bij een kalf oud 45 dagen met infectieuze pleuro-
pneumonie. Een dosis van 30 c.M3. werd ingespoten ; het kalf genas, ofschoon het
3 dagen bleef liggen. Misschien was de dosis te hoog en doet men beter 15 è, 20 c.M8.
te nemen.

Ook bij honden werd aether toegepast.

Grignani wil aether als iste geneesmiddel toepassen, als een paard longver-
schijnselen vertoont, hetzij deze van besmettelijken, dan wel van toevalligen aard
zijn, zooals b.v. congestie, zonnesteek, te groote warmte.
 Breedveld.

Sur la fièvre ondulante aux Etats-Unis. Office International d\'Hygiène (tublique.
XX. 9, 1928.

In de Vereenigde Staten moeten worden onderscheiden twee typen van undu-
leerende koorts, de eene veroorzaakt door het drinken van geitenmelk, die Brucella
melitensis bevat en de andere door Brucella-type Abortus, in verband met het
drinken van rundermelk, het verwijderen van de placenta bij koeien of het contact
met besmette varkens. Klinisch bestaat geen verschil. In Noord-Amerika zijn tot
heden bekend 195 gevallen.

La fièvre ondulante & B. abortus du Danemark. (Th. Madsen).

Van 2500 bloedmonsters ( 2150 patiënten) reageerde het serum in 222 gevallen
met de agglutinatieproef positief. Van 5 der 298 gevallen niet positieve reactie
vau
Widal was ook de agglutinatie met Br. abortus positief ; klinisch deden deze
gevallen het meest denken aan ..Bang-infectie".

Slechts 13 der 3175 ,,\\Vassermann-sera" gaven een zwakke complementbindings-
reactie met een antigeen van Br. Bang. Alle 50 sera van menschen uit Groenland,
waar geen vee wordt gehouden, reageerden negatief.

Van 220 der genoemde patiënten woonden 74 in steden, 146 te plattenlande.
Het aantal mannelijke patiënten overtrof verre dat der vrouwelijke. De meeste
infecties zouden hebben plaatsgehad door het gebruik van rauwe melk. Nooit
werd in hetzelfde gezin meer dan een geval waargenomen. Ook bestond geen locali-
satie der ziekte in een bepaald deel van het land. Er heerschte geen abnormale
epizoötie bij het vee. De verdeeling der ziektegevallen in verband met den leeftijd
der patiënten is voor een infectieziekte zeer merkwaardig. De jongste was 8 jaar,
de meeste gevallen kwamen voor bij mannen tusschen 15 en 40 jaar. Slechts 4 der
222 gevallen verliepen doodelijk.

La fièvre ondulante en Suède (C. Kling).

De eerste gevallen van unduleerende koorts in Zweden werden waargenomen
in het eind van 1927. Tusschen 23 December en 30 April konden 25 patiënten
worden opgespoord, van welke de meesten woonden in de Zuidelijke districten. De
jongste patiënt was 11 jaar, de meesten tusschen 31 en 40. Ook hier overtrof het
aantal mannen dat der vrouwen. Klinisch verliep de ziekte als maltakoorts. In
Zweden zijn slechts weinig geiten. Opmerkelijk is, dat deze gevallen van febris
undulans bij den mensch alle werden aangetroffen in het gebied, waar het besmet-
telijk verwerpen onder de runderen heerscht. De meeste infecties hielden verband
met liet drinken van rauwe melk
Kling meent gronden te hebben om met zekere
waarschijnlijkheid aan te kunnen nemen, dat de ziekte in Zweden vóór 1928 be-
trekkelijk zeldzamer is voorgekomen, dan thans

La maladie de Bang chez les équidés. Localisations pyogenes. Kinjard en Hilger
(Buil. de 1\'académie Vétérinaire de France. 1928. 1. p. 272).

Kinjard en Hilger bemerkten, dat op boerderijen, waar eerst sedert kort
besmettelijk verwerpen bij de koeien heerschte een sterke toeneming kon worden

-ocr page 282-

waargenomen van etteringsprocessen bij paarden, met name van schoftfistel en
nekbuil. Deze coïncidentie was voor hen aanleiding om een onderzoek in te stellen
of de aandoening der runderen en die der paarden met elkaar verband hielden.
Daarbij bleek, dat van
15 paarden met dergelijke afwijkingen niet minder dan
13 een vrij sterke serumagglutinatie vertoonden voor Brucella Bang. Normale
paardensera reageeren niet boven verdunning 1
/30. Ook de kweek- en caviaproevcn
gaven het bewijs, dat de Abortusbacterie van het rund in het spel was. In geen
der gevallen kon de infectie worden toegeschreven aan drukking of verwonding
door harnachement. De zeer pijnlijke zwelling bleef aanwezig gedurende enkele
dagen tot maanden. Bij uitzondering verdween de zwelling door resorptie, maar
in het algemeen kwam het tot doorbraak en fistelvorming.

Van belang is kennisneming van de discussie, die op deze mededeeling is gevolgd
Lignières wees daarbij op de groote verbreiding, die, ondanks de talrijke entingen,
het besmettelijk verwerpen in Frankrijk heeft gekregen en hij uitte de onderstel-
ling, of deze entingen met levende cultuur niet juist hebben bijgedragen tot ver-
spreiding der smetstof, in plaats van tot beteugeling van de epizoötie.

Fièvre ondulante d\'origine bovine chez l\'homme. Infection par Ie Bacillus abortus
Bang.
Roch, Monedjikova en Martin : (Revue Médicale de la Suisse Romande,
1928, 25 Aoüt. 10, p 657)

Naar aanleiding van 3 waargenomen gevallen in Zwitserland wordt een en ander
medegedeeld over de door Brucella abortus verwekte ziekte bij den mensch. Bij
elke langdurige ziekte met koorts, vergroote milt en leucopenie, indien typhus,
paratyphus, tuberculose of septicaemie is uit te sluiten (en malaria Ref.) denke
men aan maltakoorts of , Bang-infectie"

Febris undulans, hervorgerufen durch Bacillus abortus Bang. Niels Sjoerslew:
(Deutsche Med. W. sclir. 1928).

Beschrijving van 7 gevallen van ,,Abortusbesmetting" bij menschen waarge-
nomen in de Universiteitskliniek te Kopenhagen, waaronder een geval, waarbij
tijdens de ziekte osteomyelitis optrad. Alle patiënten hadden zich waarschijnlijk
geinfecteerd door het drinken van rauwe melk. Het verloop was mild. Autovacci-
natie scheen het proces te bekorten.

Ueber die Bedeutung der Paarungsinfektion bei der Verbreitung des seuchenhaften
Verwerfens.
Axel Thomsen (D. Tierarztl. \\Y schr. 1928, 28. p 477)

De rol. die men vroeger heeft toegeschreven aan de dekking voor de verbreiding
van het besmettelijk verwerpen onder de koeien en waarop in Denemarken zelfs
wettelijke bepalingen zijn gebaseerd heeft in de laatste jaren veel van haar
waarde verloren.
Thomsen heeft, in het instituut van (.\'. O Jensen, dit vraagstuk
langs experimenteelen weg getracht tot meer klaarheid te brengen. Als proefdieren
gebruikte hij geiten, die hij liet dekken door een bok, wiens penis was geinfecteerd
met een Bang-cultuur, of met besmette secundinae. Alle
18 geiten lamden op tijd.
Andere resultaten werden verkregen bij de infectie per os Daarbij bleek, dat er
een optimaal stadium is gedurende de graviditeit. waarin besmetting abortus
ten gevolge heeft, terwijl dit niet het geval is in ecu vroege en vergevorderde
periode (vóór
20 en na 100 dagen).

Als conclusie wordt gezegd, dat de ,,Paarungsinfektion" een slechts zeer onder-
geschikte beteekenis heeft bij de natuurlijke infectie van de enzoötische abortus
van het vee.

Die Bang-Infektion des Menschen. K Poppi : (1). Tierarztl \\V schr. 1928,
47. P. 73I).

Tn deze voordracht voor de ,,Gesellschaft Deutscher Naturforscher und Aerzte"
heeft
Poppe mededeeling gedaan van 7 nieuwe gevallen van vermoedelijke Bang-
infectie in Duitschland, die opgespoord werden, door
454 sera, (welke voor andere
doeleinden, voornamelijk voor onderzoek op typhoid. naar het laboratorium
waren gezonden) te onderzoeken op agglutinabiliteit ten opzichte van Br. Bang
Van 5 dezer personen was bekend, dat zij ongekookte melk hadden gedronken.

Het is nauwelijks denkbaar, dat de schrijver het groote aantal literatuuropgaven,

-ocr page 283-

die aan het artikel zijn toegevoegd, heeft bestudeerd. Anders zouden verschillende
onjuistheden, die in zijn overzicht zijn te vinden, stellig achterwege zijn gebleven.

La souillure des villes par les excréments de chiens. Marcel Clerc (Annales
d\' hygiëne. 192K. Dec No. 12. p. 724).

De excreta van den hond leveren gevaar op voor do gezondheid van den mensch
door de mogelijkheid, dat daarmede echinococcoso of tuberculose wordt overge-
bracht (misschien is hieraan nog toe to voegen do ziekte van
Weil Ref.)

Clerc houdt oen betoog 0111 aan to toonen, dat in onze huidige samenleving
onduldbaar is, dat legers van honden dagelijks de straten bezoedelen met hun
kwalijk riekende, walgelijke en niet ongevaarlijke darminhoud Hij wijst op do
tegenstelling, die er bestaat in do rechten van mensch en hond. Do politieverorde-
ningen bevatten tal van zeer lofwaardige bepalingen, die op straffe van vele guldens
verbieden om huisafval, zolfs papieren, op straat to deponeeren ; de hond mag
meer dan dat, hij mag ongestoord zijn ontlasting uitspreiden\' over uw stoep. Zoo
worden dagelijks in Parijs door de 64626 honden lawinen van mest over de stad
uitgestort. Do oenige kans om aan deze ellende te ontkomen zou, volgens do ver-
bitterde heer
Clerc zijn. het verblijf den honden in do steden te ontzeggen, of anders
de belasting zoo hoog to stellen, dan hot aantal sterk zal verminderen. Zoodat in
de heilstaat van don heer
Clerc onze straten nog slechts zullen worden bevuild
door de honden der rijkaards.

Die Enterokokken. M Glndki. : (Contralbl. I. Hakt clc. 1 Gr. 1928 Bd 100.
H. 7/8 p. 3841.

Hot vraagstuk der Hnterococccn begint meer en meer belangstelling te onder-
vinden, hetgeen niet ongowonscht mag worden genoemd. Want or zullen weinig
pathogene microben zijn, waaromtrent do meeningen nog zoo uiteenloopen. Veel
nieuws brengt ons dit artikel niet Ook
(ir.ydei. kan zich niet onttrekken aan de
verleiding om. zonder steun van feitelijke waarnemingen, zijn standpunt aan te
bieden op grond van overtuiging. Dat standpunt berust in het kort gezegd hierop,
dat do enterococcen zijn
0011 toevallig monschonpathogcnc variant dor melkzuur-
streptococcen, van welke zij niet langs cultureclen weg zijn to onderscheiden. Wel
is deze onderscheiding mogelijk van do pneumococcen
011 streptococcus viridans.

De vraag of do ontcrococcus parasiet kan worden (darm . galblaas-, urineblaas-
nieraandoeningen) wordt ook hier niot tot oplossing gebracht. Do onderzoekingen
daaromtrent zijn nog in gang ; do vaste overtuiging evenwel hoerscht roods !

Flirther facts about Tularemia : (Health News. N. York State Dopnrtm. of Health
Hoe. 1928, No. 50).

In Boston hooft een bijeenkomst plaats gehad, met hot doel 0111 maatregelen te
beramen, teneinde New York en de straten van New-ICngland te beschermen
vooreen invasie van tularaomia. Dr. Kdward Francis van do United Statos Public
Health Service, die tot de moest deskundigen op dit gobiod gerekend moet worden
achtte bij den invoer van levende konijnen, die de belangrijkste bron voor infectie
vormen, een quarantaine van 10 dagen noodzakelijk Goinfectcerdc konijnen zullen
binnen deze termijn to gronde gaan. Bijzondere aandacht dient ook to worden go-
wijd aan de konljnentcck, die de besmetting van dier op dier ploegt over to brengen.
Geïnfecteerde toeken kunnen gedurende 2 jaren do infectie tot stand brengen, de
teekeneieren bevatten de smetstof. In hot koude jaargetijde verlaten do teekeu
hun gastheer on blijven tot hot voorjaar in den bodem. Bij voorkeur moet hot
transport van konijnen naar niet geïnfecteerde streken dus plaats hebben in den
winter. Ook kan 111011 voor het verzenden do konijnen eenigon tijd in een koele
ruimte laten verblijven.

Die Unterscheidung der Paratyphus B, Enteritis und Suipestiferbakterien, ins-
besondere mit Hilfe der Gelatineplatte.
I.udwio Heim : (Conti. bl. f. Bakter. etc.
Or. I. Bd. 108, 1928 H. 5/6 p. 223)

Heim heeft op do hom eigen exacte wijze bestudeerd het type der verschillende
paratyphuskolonies op gelatine.

Veel nieuws brengt dit artikel wol niot. maar het is toch alleszins bestudeering

-ocr page 284-

waard, omdat H. tot de slotsom komt, dat de gelatineplaatmethode beter dan
eenige andere, in staat zou stellen de typen Schottmüller en Brcslau te onderscheiden.

Men gebruike daartoe vleeschbouillon met 10 a n % gelatine, met pH 7,5. Zoo
schematisch als H. het aangeeft, in geschrift en afbeelding, heeft ref. evenwel niet
steeds deze verschillen kunnen aantreffen.

Sur la Classlfication des „Affections typhoides" du Cheval. E. Bemelmans
(Recueil de Méd. Vét, 1928, No. 10, p. 582).

Bemelmans ontwikkelt nog eens het door hem ingenomen standpunt in zake
de indeeling en de geaardheid van de „fièvre typhoide" en de ,,griep" der paarden.
Hij verzet zich tegen het samenbrengen dezer twee, in wezen verschillende ziekten,
in een groep, de ,,affections typhoides". Het komt ref. voor, dat zoowel de naam
typheuse koorts, als griep gevaar mede brengen, dat analogiën worden veronder-
steld met de gelijknamige ziekten bij den mensch, niet alleen in klinisch opzicht,
maar ook wat de aetiologie betreft. En al moge het ook misschien tot zekere hoogte
waar zijn, dat ,,la grippe endémique de 1\'homme et la typhose (grippe) du cheval
sont, symptomatiquement, absolument identiques", het is wel een heel gewaagde
sprong, om op grond daarvan te zeggen, ..ainsi se trouve réfutéc 1\'opinion que la
première affection n\'existerait que chez l\'hommc. Het is niet rationeel de classifi-
ceering en benaming der infectieziekten te doen geschieden naar de klinische ver-
schijnselen — de juiste basis daarvoor wordt geleverd door de kennis van de ver-
wekkers der ziekten. v.
d Hoeden\'.

ZIEKTEN VAN VOGELS.

Het Octobernummer van de ,,International Heview of l\'onltry Science" (Editor
Br.
B. J. C. te Hennepe) bevat ruim 50 referaten van artikelen in de weten-
schappelijke pluimveepers verschenen.

Van enkele dezer referaten volgt hier een kort extract

The Rate of passage of food through the digestive tract of the hen (Keith, Cakd,
Mitchell ;
Journ. Agr. Research U. S.)

Kippen liet men óo uur vasten ; vervolgens werden ze gevoederd, en na eenigen
tijd gedood ; de inhoud der verschillende spijsverteringsorganen werd dan onder-
zocht.

Het bleek o. a. dat gemalen graan langer in den krop blijft dan heele korrels ;
de laatste waren in den regel na 12 tot 15 uur uit den krop verdwenen.

De hoeveelheid droge stol in de andere deelen der digestie-tractus was bij de
verschillende verstrekte voedsels (graan, gemalen graan, vleeschmeel) ongeveer
gelijk ; alleen in die gevallen waarbij het voedsel langer in den krop verbleef,
was er iets minder in de spiermaag. De hoeveelheid grit in de spiermaag was
verschillend ; er werd geen verband waargenomen tusschen de aanwezige hoeveel-
heid en eenige andere factor.

The Vaiue of Carcase Meal.

De vereenigde Duitsche cadavermeelfabrikanten zetten eenigen tijd geletien
een campagne in tegen buitenlandsch meel ; het Duitsche meel zou beter zijn.

Een diermeelfabriek in Holland beweerde dat buitenlandsch meel niet vertrouwd
kan worden wat betreft het afwezig zijn van pathogene kiemen. Dr.
te Hennepk
heeft in de Nederlandsche pers uiteengezet dat in de literatuur groote onzekerheid
bestaat of toxinen in cadavers, bij de verwerkingstemperatuur (bijv. bij 150" C.)
vernietigd worden Verder is het de vraag of de albuminen van in staat van ont-
binding verkeerende cadavers dezelfde voedingswaarde hebben als die van frisch
geslachte dieren (packers-meal); en of het meel met extract (zooals van de N. T. F.,
Ref.) beter is dan zónder. Zorgvuldige proeven hierover zouden van veel belang
zijn voor de pluimveewereld.

Ueber Bildung vom Antirachitischen Vitamln unter Licht-abschluss (Schitten-
helm, Eisler :
Klin. Wochenschr.)

Een van de groote problemen in de vitannnenleer is thans, of ergosterine iden-
tiek is met vitamine D., of dat er andere substanties zijn, die anti-rachitiscli werken

-ocr page 285-

De schrijvers merkten op, dat gerst-kiemen, behalve A, B en E vitaminen, ook
0-vitaminen bevatten. Onder invloed van licht kiemt de gerst echter niet. Hoewel
gerst geen antirachitische substanties bevat, bevatten de in donker gegroeide
kiemen deze wel.

Vitamine D derhalve ontstaat 111 donker (wat in tegenspraak zou zijn met de
theorie dat vitamine D „bestraalde" ergosterine is).

Völtz ontdekte dat Lolium perenne, dat in donker gegroeid was, ook vitamine
I) bevatte.

A Study of Fowl-Paralysis, Neuro-Lymphomatosis Gallinarum (Pappenheimer,
Dunk, Cone ;
Storrs Agric. Exp. Stat. Connecticut).

Hoenderverlamming is een ziekte met karakteristieke klinische en patholo-
gische afwijkingen. Het karakter is endemisch ; eens verschenen, treedt het lijden
in een reeks van volgende jaren op Buiten den leeftijd van 3 tot 18 maanden
wordt de ziekte niet waargenomen.

Asymetrische partieele en progressieve paralyse van vleugels en beenen vormt
het hoofdsymptoom ; soms ziet men verlamming van de nekspieren ; soms ook
grijze verkleuring van de iris en blindheid. Pathologisch-anatomisch wordt in de
perifeere zenuwen een intense infiltratie van lymphoïde-, plasma- en groote mono-
nucleaire cellen aangetroffen, met later degeneratie. Ook in het centrale zenuw-
stelsel en in de meningen worden perivasculaire infiltraties waargenomen.

Microörganismen zijn niet aangetoond ; door subdurale of intramusculaire
injectie van suspensies van zenuwweefsel van zieke dieren gelukt overbrenging
van de ziekte op gezonde dieren in 25 % van de proeven. Oogenscliijnlijk gezonde
dieren hebben soms perivasculaire infiltraties in het centrale zenuwstelsel ; der
gelijke gevallen worden beschouwd als een licht geval van de hoenderverlamming.

Er re geen verband aangetoond tusschen paralyse en infectie met coccidiën of
wormen.

Als goede naam voor de ziekte wordt voorgesteld : neuro-lymphomatosis galli-
narum.

Salmonella Pullorum-Infection in Rabbits (Olnev ; Journ. of the Am. Vet

Med. Ass.)

Een konijnenhoudei voedde zijn konijnen met (onbevruchte) eieren uit een
broedmachine. De eieren waren 18 dagen bebroed, l-fij verloor 125 konijnen. Bac-
teriologisch werd als doodsoorzaak de pullorumbacil gevonden, welke blijkbaar
111 de eieren aanwezig was geweest

The danger to Man of Bovine and Avian Tuberculosis (Mayo , Journ. of the
Am. Vet. Med. Ass ).

Het aviaire type van de tubercelbacil wordt zelden bij den inensch gevonden.
Mayo had twee patiënten waarbij vogeltuberculose kon worden vastgesteld

De eliminatie van de tuberculose van menschen kan nooit volledig zijn zoolang
er bovine en aviaire tuberculose voorkomt (naar
van Es).

Weitere Untersuchungen iiber Geflügeltuberkulose. Prof. Dr. Raebiger (Halle),
Deutsche Tierarztl. Wochenschr., 1928, No. 42.

I. Prof. Raebiger stelde eenige proeven in, waarbij kunstmatig een aantal
biggen (op verschillende wijzen) met vogel-tubercelbacillen werden geïnfecteerd.

Overeenkomstig de mededeelingen van van Es en Martin, werd ook hier ge-
vonden, dat de dieren wel enkele haarden vertoonden bij de sectie, docli de groei
van de dieren had niet geleden.

Bij één big, die „Kümmerer" werd tengevolge van pest, bleek, dat in tal van
organen en klieren microscopisch groote hoeveelheden tubercelbacillen aan te
toonen waren.

De conclusie luidt : Vogeltubercelbacillen zijn voor gezonde varkens, bij injecties
zooals die onder gewone omstandigheden voorkomen, zonder bijzondere beleeketiis

II. Uit onderzoekingen over infectieproeven bij hoenders wordt het volgende
gereleveerd.

Richters deelde mede : bij kunstmatige infectie kon 11a 2 tot 7 dagen in het

-ocr page 286-

bloed van\' de geïnfecteerde kip liet aanwezig zijn van tliberee 1 haci 11 eli worden
aangetoond.

In enkele eieren van twee tuberculeuze hoenders werden talrijke tubercel-
bacillen gevonden.

De laatste waarneming werd ook gedaan door Artault (1895), Koch en Ra-
binowitch
(1907) Titch, Lubbehusen en Dikmans (1924). De laatsten vonden
bij 076 eieren van tuberculeuze hoenders 1 °„ welke virulente tubercelbacillen
bevatten.

Löwenstein in 1913 sprak het vermoeden uit, dat door geïnfecteerde eieren
bij menschen een voedingsinfectie zou kunnen ontstaan, vooral als de vogel-
bacillen een hoogere weerstand tegen warmte zouden hebben dan toen werd aan
genomen.

Raebiger stelde zich ten doel een en ander na te gaan. Drie kippen werden
met tubercelbacillen besmet (door inspuiten in de krop, inwrijven in tong en ge-
hemelte, en door voeding). Ondanks deze infectie legden de Leghorns gewoon door.
2 en 3 dagen na de infectie konden in het bloed geen bacillen gezien worden, maar
cultureel wel worden aangetoond. Met
Richters neemt schrijver aan, dat bij hoen
ders de tuberculose in het beginstadium als bacterieaemie verloopt

Vail den ïoen dag af werden de eieren systematisch onderzocht. Den ïien dag
werden in eiwit en eidooier reeds tubercelbacillen gevonden. De van den ïien
tot den 14011 dag gelegde eieren bevatten alle tubercelbacillen (soms in den dooier,
soms in het wit ; het onderzoek geschiedde cultureel en microscopisch : nu eens-
werden de bacillen alleen microscopisch gevonden, dan weer alleen cultureel,
en ook wel volgens beide methoden ; het is opmerkelijk dat beide methodes elkaar
niet steeds dekten;.

Na den i4en dag werden de eieren alleen microscopisch onderzocht ; van af
dien dag werden 32 eieren gelegd, waarin in 19 gevallen tubercelbacillen gevonden
werden.

Althans 1 maanden na de infectie werden nog geïnfecteerde eieren gevonden.

Volgens Löwenstein worden de tubercelbacillen door koken van de eieren tol
aan de grens van hardkoken, niet gedood. Proeven hierover werden door schrijver
als volgt ingesteld :

Eieren werden van buiten .gesteriliseerd ; vervolgens werd een gaatje in de
schaal geboord, en met een spuitje 0.1 c.c. emulsie van een 2 weken oude tubercel-
bacillen-cultuur in het ei gespoten. Deze eieren werden gekookt

Cultureel (waarnemingstijd 6 weken) konden levende bacillen in het wit 11a 3
minuten koken, in het geel nog na 5 minuten koken worden aangetoond.

Hoewel zelden, komt ..hoendertuberculose" bij menschen voor, waarschijnlijk
spruitend uit een voortdurend blootgesteld zijn aan infectie (door voeding niet
rauwe eieren of omgang met tuberculeuze hoenders).

In de literatuur zijn verscheidene gevallen genoemd, doch van slechts 7 gevallen
vond schrijver de beschrijving zoo, dat met zekerheid hoendertuberculose kon
worden aangenomen.

Klinisch heeft de hoendertuberculose bij menschen een duidelijke neiging tot
septicaemie-vorming.

Steeds is miltzwelling aanwezig ; als praedilectieplaats voor haarden gelden
beenmerg en nieren. Koortsperiodes komen voor, die maandenlang duren ; af
en toe is patiënt koortsloos. Tegen het levenseinde treedt een door antipyretica
niet te stelpen continua op.

Ten slotte werden door schrijver waarnemingen gedaan in hoeverre hoender-
tubercelbacillen bestendiger voor hoogere temperaturen zouden zijn dan andere
tubercelbacillen. Het bleek da.t de hoender-tubercelbacillen bij dezelfde tempera-
tuur gedood werden, als de bovine-bacillen.

L. P. de Vries.

-ocr page 287-

BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER BESTRIJDING VAN HET
MOND- EN KLAUWZEER,

door

Dr. A. J. WINKEL.

A. Inleiding.

Naarmate de kennis eener ziekte toeneemt en de ervaring het
leert, zullen de beginselen, waarop de bestrijding berust, een verder
reikende beteekenis kunnen krijgen.

Dit te onderzoeken ten opzichte van het mond- en klauwzeer en
de consequenties ervan na te gaan, is het doel van dit opstel.

Toen in 1880 de ziekte in de wet werd opgenomen, was onze
kennis ervan nog vrij onbelangrijk. Men kende haar groote be-
smettelijkheid, samenhangend met de productie van groote hoe-
veelheden smetstof, welke in bijna onweegbare dosis in staat is,
de ziekte over te brengen.

Door den klassiek geworden arbeid van Loeffler en zijn mede-
werkers zijn in 1896 -1906 verschillende kanten van het groote
vraagstuk belicht geworden en nog behoort de bestrijdingsvorm
door middel van het serum tot hun werk.

Na 1920, met de wederontdekking van de gevoeligheid van de
cavia voor het virus der ziekte door
Waldmann en Pape, is er een
nieuw veld van onderzoek betreden, waarvan de grenzen niet zijn
te bepalen.

Ondanks dit onmisbaar geworden hulpmiddel zij toch gewezen
op het interessante feit dat twee belangrijke ontdekkingen ge-
durende de laatste jaren zijn verricht zonder behulp van de cavia.

Het gelukte toch aan Vallée en Carré, die vele jaren afkeerig
zijn geweest van de Duitsche vondst, bij het rund de niet weinig
vruchtbare ontdekking te doen van de pluraliteit van de smetstof
der ziekte, welke niet alleen epizoötologisch veel verklaart, doch
ook uit practisch bestrijdingsoogpunt, wat betreft de serumberci-
ding- en de behandeling, van onschatbare waarde is geworden.

Van groot belang moet ook worden geacht de ontdekking van
Vallée van het virus formolé, de door formaline gedoode smetstof,
welke bij het rund getoetst, een sterk immuniseerende kracht blijkt
te bezitten en dat wellicht nog eens kan uitgroeien tot het middel,
waarop men wacht.

Tot zoolang moet men zich rekenschap geven van hetgeen min-
der belangrijke studiën hebben geleverd en nagaan, wat zij voor de
practijk der bestrijding op hygiënischen grondslag waard zijn.

Men kan zeggen, dat het meerendeel der onderzoekingen, vooral
van Engelsche, Duitsche en Amerikaansche zijde, er op gericht is
het wezen der smetstof nader te leeren kennen, waarbij de cavia-
gevoeligheid een niet te missen rol speelt.

lvi 19

-ocr page 288-

Een van de bestudeerde eigenschappen van het virus is de tenaci-
teit tegen physisehe, chemische en biologische invloeden.

Behalve dat de resultaten van deze studiën aanknoopingspunten
geven voor hypothesen omtrent den aard der smetstof, welke we-
derom aanwijzingen verstrekken voor de richting, waarin het on-
derzoek naar het kweeken der smetstof moet gaan, hebben zij ook
tot practische uitkomsten geleid, daar zij
een belangrijke basis kun-
nen vormen voor een herziening van onze kennis der bestrijding
en hare
toepassing.

Zoo heeft het onderzoek naar het weerstandsvermogen tegen uit-
droging der smetstof
onder verschillende omstandigheden aan het
licht gebracht, dat dit belangrijk grooter is, dan door
Loeffler
en andere onderzoekers van vóór 1920 werd aangetoond. De zeer
uiteenloopende resultaten zijn voor een deel het gevolg geweest
van de verschillende levenskracht der gebruikte virus, alsmede
van het zeer beperkte gebruik van contröledieren.

Uit practisch oogpunt zij hier slechts vermeld het resultaat van
enkele proeven der
Engelsche Commissie 1) in 1926 genomen :

Smetstof, gedroogd aan woldraad, behield haar infectiositeit
2 a 3 weken ; aan meel 8—20 dagen ; aan aarde 2—7 weken ; aan
koehaar 4 weken ; aan zand 2 weken ; aan hooi 8 15 weken.

In het bijzonder wil ik hier wijzen op enkele finesses van de
hooiproeven.

In 9 proeven was na 4 weken in alle gevallen het hooi nog in-
fectieus ;
na 8 weken nog in 8 gevallen ; na r2 weken nog in 3 geval-
len ;
na 15 weken nog in 1 geval.

Een ander experiment gold voedering van kalveren met hooi, dat
een maand te voren geïnfecteerd en in een zak bewaard was.

Een van twee kalveren werd ziek.

I)c Amerikanen 2) bevonden het virus in hooi en aarde ook nog
na 25—30 dagen infectieus.

Deze proeven getuigen ervan, hoe speciaal op het voedsel van
verschillenden aard o. a. hooi en meel, het virus zeer lang levens-
krachtig blijft, doch ook op kleeren (woldraad), in zand ena arde
vertoont het een vrij lang weerstandsvermogen.

Deze proeven werden verricht met het virus in de lymphe. Onder-
zoekingen met
het virus in den blaarwand leverden niet minder inte-
ressante gegevens.

Traetwein 3) toonde aan, dat in de lucht gedroogde blaarwand
67 dagen infectieus blijft, in stalvuil gedroogde blaarwand 43 dagen.

 Report of the Foot-and-mouth disease commission of the United States De-
partment of Agriculture, Juni 1928.

Trautwein. Versuche zur Tenazität des Maul-und-Klauenseuchevirus in
der Aussenwelt Arch, für wiss. und prakt. Tierhk. 1926. Bd. 54. S. 273.

-ocr page 289-

De Engelsehen concludeeren, en zeer terecht, dat de resultaten
dezer onderzoekingen helpen verklaren de verschillende manieren,
waarop de infectiemogelijkheid gedurende maanden slapende kan
blijven en dan aanleiding kan worden tot nieuwe uitbraken der
ziekte.

Deze feiten zijn wellicht van grooter epizoötologische beteekenis
dan het gevaar, dat dreigt van smetstofdragers.

Dat de tenaciteit vooral mede afhankelijk is van de temperatuur is
een reeds lang bekend feit. Bij ijskasttemperatuur blijft het virus
r—2 jaar virulent.

Dat de wintertijd dus een zeer gunstige omstandigheid vormt
voor de overwintering van het virus moge uit een oogpunt van be-
strijding niet licht geteld worden.

Omtrent het weerstandsvermogen van het virus tegen chemische
stoffen
zijn de laatste 2 jaren verscheidene onderzoekingen verricht.

Trautwein heeft een vrij groote reeks bij de wet genoemde
middelen onderzocht.

Eén greep hieruit volgt hieronder, waarbij blaarwand als materi-
aal werd gebezigd.

concentr.

in %

15 min.

3 uur-

6 uur.

9 uur.

24 uur.

Kalk.......

5 %

Chloorkalk ..

30 %
5 %

Carbolzuur ..

30 %
3 %


Sublimaat ..

0.1 %

Formaline ..

T °/

1 /o

Sulfoliquid D.S.

r 0/

J O

betsekent dood.

Het virus in de lymphe wordt in belangrijk korter tijd gedood ;
in Sulfoliquid D.S. binnen 1 minuut.

De Amerikaansche commissie deelt mede, dat natronloog in 1 tot
2% het virus binnen 1 minuut vernietigt.

Door mij zijn onderzocht creoline, azijnzuur en zwavelzuur.

Creoline in 3en 5°o opl. doodt de smetstof in den blaarwand nog
niet in
6 etmalen ; het lymphe-virus leeft nog na 24 uur.

Azijnzuur onderzocht in 0.2% opl. doodt het lymphe-virus in
5 min.

Ruw zwavelzuur in 0.3% opl. in ^ 2 min.

-ocr page 290-

Blaarwandvirus resp. in 0.3, 0.2, 0.1% opl. in 15 min., 25 min. en
50 k 60 min.

Bepaalde zuren en alkaliën kunnen dus een zeer werkzaam ont-
smettingsmiddel zijn, bovendien billijk, wat betreft natronloog en
het ruwe zwavelzuur.

Over den biologischen invloed van het meer of minder sterke
rottingsproces in afvalwater en in den mest op de smetstof zijn
onderzoekingen verricht, welke niet van practisch belang zijn ont-
bloot.

Wagener heeft vastgesteld, dat het virus in blaarwand-
weefsel, al naarmate de temperatuur en de daarmede gepaard
gaande zwakkere of sterkere rotting van het afvalwater (o. a. in
slachthuizen) een levensduur heeft van 14—21 dagen in de zomer-
maanden, tot 140 dagen in den wintertijd.

Behalve de temperatuur had ook de reactie van het afvalwater
invloed, welke op haar beurt afhangt van den graad van het rot-
tingsproces. Als deze aan den zwak zuren kant was, duurde de in-
fectiositeit het kortst.

Wagener besluit met de volgende opmerking :

Während früher zur theoretischen Erklärung plötzlicher, schein-
bar unmotivierter, zusammenhangloser Seuchenausbrüche gern
und vielfach das Vorhandensein von Virusträgern, Dauerausschei-
dern u.s.w. herangezogen wurde, ohne dass es bis jetzt gelungen
sei dafür einen exakten Nachweis zu erbringen, vermögen die
vorstehenden experimentell dargelegten Verhältnisse vielleicht zur
Erklärung mancher solcher unmotivierter Seuchenausbrüche bei-
zutragen. Jedenfalls muss eine neuzeitliche M.K.S. Bekämpfung
berücksichtigen, dass nach den eingangserwähnten Arbeiten nicht
allein dem in Seuchengehöft isolierten kranken Tier b.z.w. dem
erkrankt gewesenen Tier ein so gröszes Augenmerk zu schenken ist
sondern
vielmehr musz dem Verbleib und der unschädlichen Beseiti-
gung des Ansteckungsstoffes, insbesondere den etwa abgestossenen
Aphtendecken eine ungleich grössere Beachtung als es bis heute der
Fall war, geschenkt werden
(curs. sehr.).

Dat de besmette boerderij gelegenheid te over biedt aan het
smetstofmateriaal om onder allerhande omstandigheden zijn le-
venskracht te behouden, behoeft geen uitleg.

Een vervolg op dit onderzoek is door Wagener verricht over de
tenaciteit in de gier.

-ocr page 291-

Verschillende systemen van gier verwijdering en bewaring wei-
den gebruikt bij dit onderzoek.

In zijn slotbeschouwing zegt hij dit : In de verschillende proeven
kon worden aangetoond, dat bij de bewaring van de gier op de
gewone wijze het virus van het mond- en klauwzeer langen
tijd infectieus kan blijven. De langste tenaciteitsduur bedroeg
39 dagen, een periode, welke den afzonderingstijd onder bepaalde
omstandigheden niet onbelangrijk overtreft. Jaargetijde en tem-
peratuur der gier oefenen een duidelijken invloed uit op de tenaci-
teit van de smetstof.

Daarentegen toonde hij aan, hoe door een doeltreffende bewa-
ring van de gier het virus snel wordt vernietigd. Hiervan is het ara-
moniakgehalte de oorzaak. Deze werkt sterk ontsmettend. In de
gier van stallen, waar het z.g. W
olf-Schweinsburger opstallings-
systeem werd toegepast, was de infectiositeit na 16 uur tot ii dag
verloren gegaan.

Voor ónze beschouwingen heeft de lange levensduur der smetstof
in de mest haar beteekenis.

In dit verband wil ik nog wijzen op de smetstof dragers, die op
welke wijze dan ook, in staat zouden zijn de smetstof langen tijd
bij zich te dragen, waaruit is te concludeeren, dat het weerstands-
vermogen tegen bepaalde invloeden onder zekere omstandigheden
zeer groot moet zijn.

Dat zij bestaan zeggen ons voldoende de verschillende gevallen
van uitbreken der ziekte op stallen, waarop vee wordt geplaatst,
dat sinds langen tijd is doorgezkkt.

Het komt er maar op aan, waar deze dieren de smetstof dragen
en
in welken vorm.

Ik herinner hier aan de „Doppelsohle", de plaats, waar volgens
ZscHOKkE en H
ess het virus langen tijd kan worden bewaard.

Waldmann en Trautwein stellen zich in hun monographie
over Mond- en Klauwzeer (K
olle en Wassermann, Handbuch der
pathogenen Mikroörganismen 1928) op het standpunt, dat de be-
teekenis van deze soort smetstofdragers belangrijk overschat wordt.

In Riems zijn door Brandt *) 103 ossen op aanwezigheid van
virus in klauwspleten (blijkbaar geen „Doppelsohle") onderzocht,
alle met negatief resultaat.

Er is door andere onderzoekers op gewezen, dat er ook andere
plaatsen zouden voorkomen, waar het virus zou kunnen worden
„gedragen" om bij gelegenheid actief te worden.

Wanneer wij geen anderen vorm van het virus met andere levens-
functies aannemen dan de ons bekende, waarvan wij weten, dat
het tenminste in de media waarin wij het kennen, lymphe, bloed,
speeksel, melk, urine, en faeces bij lichaamstemperatuur bewaard,

-ocr page 292-

spoedig sterft, dan geeft deze omstandigheid weinig steun aan de
veronderstelling, dat het lang bewaard kan blijven in een of ander
orgaan van het lichaam.

Dit gevoegd bij het feit, dat de smetstof in de blaarresten hetzij
nog verbonden of los in het speeksel reeds na 11 dagen is afgestor-
ven (W
aldmann en Reppin), maakt het bestaan van inwendige
dragers van het ons bekende virus\'zeer twijfelachtig. Aan den ander-
ren kant, in aanmerking genomen de groote tenaciteit van het
virus
buiten het lichaam en wellicht ook aan den buitenkant er van,
kan deze omstandigheid, overeenkomstig Engelsche, Duitsche en
Amerikaansche meeningen, inderdaad aanleiding worden tot het
uitbreken der ziekte, langen tijd na de verspreiding der smetstof.

Waldmann en Trautwein schrijven ,,dass manche Seuchenaus-
brüche zu Unrecht auf Infektion durch Dauerausscheider zurück-
geführt werden, sondern mit der hohen Tenazität des Erregers in der
Aussenwelt zu erklären sind".

Wat dit gezichtspunt beteekent voor een optreden tegen uit-
wendige smetstofdragers en een toepassing van radicale ontsmet-
tingsmaatregelen, wil ik hierna nader toelichten.

Voor de richting, waarin de bestrijding moet gaan is in het bij-
zonder rekening te houden met
de wegen, waarlangs de smetstof hel
lichaam binnendringt.

Elke wond in het slijmvlies op de voor het virus gevoelige huid-
deelen wordt een plaats, waar de smetstof zich ontwikkelt en van-
waaruit zij zich in de bloedbaan verspreidt. Het is gebleken, dat
voor locale infecties de hoeveelheid virus slechts zeer gering be-
hoeft te zijn. Het is mogelijk met een entnaald, bevochtigd met een
verdunning der smetstof van r : rooo en waarmede men even de
zooihuid van een cavia doorboort, een positieve reactie op te wek-
ken. Zelfs verdunningen van r op 5 millioen kunnen, wanneer de
smetstof sterk infectieus is en de vloeistof in vrij groote hoeveelheid
in de huid wordt gebracht, een blaar te voorschijn roepen.
Met een sterke O stam kan men met de hoeveelheid van 0.2 c.c.
van een dergelijke verdunning in de zooihuid aldus de aanwezigheid
van het virus aantoonen.

In de mond- en keelholte heeft men wondjes aangetoond, welke
de toegangspoort van het virus kunnen worden. Dat aan de tepels
der koeien vaak grootere en kleinere wondjes voorkomen, zal men
kunnen vaststellen als men een groot aantal dieren daarop nauw-
keurig onderzoekt. Tepelwonden in verband met de spoedig door
melk geïnfecteerde handen bij het melken mogen worden beschouwd
als een d r bslangrijkste toegangspoorten voor het virus.

Verschillende veehouders in het spoelingdistrict, waar veel ossen
worden gemest, hebben mij medegedeeld, dat de verspreiding onder
de koeien sneller plaats had dan onder de ossen.

-ocr page 293-

Het volgend geval demonstreert de gemakkelijke infectie bij
koeien met tepelwonden.

In een beslag vee van 50 stuks was één koe ziek en deze had een
tepelblaar. Na dit rund waren nog twee koeien door den zelfden
melker gemolken, waarvan er een alsmede nog een andere koe
kleine, hoewel duidelijke tepelwondjes hadden.

Deze laatste koe werd door den boer gemolken, die ook de zorg
voor de zieke koe op zich had genomen.

Terwijl geen enkel dier op den dag van het eerste ziektegeval
temperatuursverhooging had, was dit 24 uur later het geval bij de
eerst bedoelde koe, met tepelwond, terwijl de tweede koe 2 x 24
uur later koorts kreeg. Ongeveer 20 uur later hadden beide dieren
blaren. Eerst eenige dagen later kwamen er nog verscheidene bij.

Ter illustratie van de zeer gemakkelijke overbrenging der smet-
stof met niet deugdelijk ontsmette handen geeft ons volgende me-
dedeeling, welke temeer waarde heeft, daar zij van deskundige zijde
komt en een diepe les inhoudt.

In het Schweizer Archiv Bd. LXX. H. 10. Oct. 1928 spreekt C.
E. Eggmann, Veterinär in Amriswil er van hoe de mogelijkheden
van overbrenging der ziekte den practiseerenden dierenarts vaak
hoofdbreken bezorgen, temeer als de eigen persoon daarbij ver-
dacht wordt.

Hij deelt mede, hoe hij, huiswaarts keerend van een afmaking
van ziek vee, nog een koe vaginaal moest onderzoeken. Hij had zich
goed ontsmet, doch weinige dagen na de operatie had het dier
mond- en klauwzeer.

I)en volgenden dag onderzocht hij wederom twee dieren vagi-
naal. Wederom 2 dagen later ziekte.

Eenigen tij cl later constateerde E. een ziekte uitbraak, \'s Mid-
dags, na grondige reiniging, bij twee koeien van twee veehouders
wederom cervixdilataties ; 8 dagen later bij beide en wel bij de be-
handelde runderen mond- en klauwzeer.

Een niet alledaagsche smetstofverspreiding niet alleen door de
eigenaardige overeenstemming van den weg der besmetting waarbij
het operatief ingrijpen in de genitalia der runderen bij alle tot een
infectie had geleid, doch evenzeer om het feit, hoe een onvoldoende
ontsmetting van de handen (ondanks de tegengestelde bewering
van den onderzoeker kan geen andere verklaring worden gegeven)
aanleiding kan worden tot een ongekende verbreiding van de
ziekte.

Dergelijke onwederlegbare demonstratieve feiten zijn noodig om
de waarde van streng doorgevoerde hygiënische maatregelen te
erkennen.

Dat naast wondinfectie de infectie langs het maag-darm-slijm-
vlies een rol speelt, wordt voldoende door de ziekte onder kalveren
en biggen aangetoond.

-ocr page 294-

Een factor, welke de verspreiding nog belangrijk ondersteu-
nen kan, is die van de
vroegtijdige uitscheiding van de smetstof.

Als het virus het lichaam is binnengetreden en zich in het bloed
heeft ontwikkeld, verkeert de ziekte in het incubatietijdperk. Deze
periode is van uit het oogpunt der uitscheiding van het grootste
gewicht. Het was langen tijd de vraag of
speeksel en melk in het
begin der ziekte infectieus zijn door vermenging met blaarinhoud
of dat deze stoffen, zonder aanwezigheid van blaren, rechtstreeks
van uit het bloed besmet kunnen zijn.

Lebailly toonde aan, dat de melk bij het rund reeds de smet-
stof kan bevatten vóór het dier zichtbaar ziek is.

Proeven van Trautwein, Thomashoff en Höve2) hebben deze
meening ten opzichte van andere diersoorten bevestigd. Van
18
cavia\'s bevatte de melk in 88% 12 uur na de infectie de smetstof ;
bij 17 geiten in 30% reeds 13 uur na de infectie. Ook was het bloed
in den regel virushoudend.

Evenzeer kan het speeksel reeds smetstof bevatten vóór de dieren
ziekteverschijnselen vertoonen. Dieren, door mij intraveneus met
0.5 c.c. lymphe ingespoten, reageerden 18 uur later met tempera-
tuursverhooging en hadden virus in het speeksel.

Waldmann en Reppin3) deelen mede, dat het speeksel reeds 9
uur na enting infectieus kan zijn. Zijn runderen waren intramuceus
geënt.
Waldmann erkent later, dat deze infectie-techniek geen
waarborg biedt voor de juistheid zijner bewering.

Omtrent de infectiositeit van urine en faeces zijn de meeningen
langen tijd verdeeld geweest.
Loeffler en Uhlenhuth ontkennen
het, vele andere met hen.
Terni daarentegen, eveneens Vallée
en Carré en Gof.bel toonden in de urine de smetstof aan.

Met recht zegt Uhlenhuth later, dat de graad van de ziekte de
infectiositeit der beide uitscheidingsproducten beheerscht.

Trautwein, Thomashoff en Höve vonden bij runderen met
gegeneraliseerd mond- en klauwzeer in 36% de urine, in 17% de
faeces, het bloed in 56% virushoudend. Het virus kwam reeds voor
het eerst in het 15de resp. het 18de uur na de infectie in de urine en
de mest voor.

Uit een oogpunt van verspreiding van niet minder belang, daar
het betreft een besmetting van drinkwater of voedsel, is de om-
standigheid, dat ook in
het neusspiegelvochl de smetstof reeds in

-ocr page 295-

- 28i —

het 18de uur na de infectie kan worden aangetoond, hetgeen ik
bij twee runderen kon constateeren.

Se- en excreta kunnen dus reeds in het incubatietijdperk de
smetstof bevatten. Een belangrijk, niet te onderschatten omstan-
digheid is echter, dat zij, evenals het bloed, waarin van alle lichaams-
vloeistoffen blijkbaar het meest het virus werd aangetoond, in vele
gevallen geen aantoonbaar virus bevatten.

Het karakter der ziekte, beheerscht door de gevoeligheid van het
lichaam en de kracht van het virus, mag men, met
Uhlenhuth,
als de oorzaak aanzien van deze wisselende infectiositeit.

Evenals in het bloed, bij goedaardig verloop der ziekte, de smet-
stof slechts zeer kort of in het geheel niet is aan te toonen, zoo is
dit in nog veel sterker mate het geval in se- en excreta.

Terwijl het bovenstaande dus eenerzijds de groote infectiositeit
der ziekte duidelijk heeft in het licht gesteld, mag toch aan den
anderen kant niet worden vergeten, dat er ook tijden en omstan-
digheden zich voordoen, waarbij die besmettelijkheid zeer sterk kan
dalen, zoodat groote hoeveelheden smetstof naar verhouding noo-
dig zijn, om een dier ziek te maken. Talrijke proeven, entingen met
versch materiaal op gevoelige dieren, hebben mij overtuigd hoe
door omstandigheden, welke ik in dezen tijd wil wijten hoofdzake-
lijk aan bestaande immuniteit en een mede daardoor verzwakt
virus, dit in infectiositeit zeer sterk kan achteruitgaan.

In de practijk ziet men in de veebeslagen vaak slechts enkele die-
ren ziek worden, eerst na vele dagen volgen er nog eenige.

Immuniteit, weinig smetstofproductie en smetstof van geringe
infectiositeit zijn hiervan de hoofdredenen.

Een bestrijding zal van deze gunstige omstandigheden gebruik
moeten maken.

Het tijdstip, waarop de ziekte door den veehouder kan worden on-
derkend,
is uit bestrijdingsoogpunt een kwestie van fundamenteel
belang, uit welk beginsel de bestrijding ook wordt gevoerd.

De vroegtijdige aangifte is steeds de voorwaarde geweest waar-
van de verwachtingen der bestrijding grootendeels afhankelijk
werden gesteld.

Hoewel ik van meening ben, dat ten opzichte van de onderken-
ning van het mond- en klauwzeer de veehouders in het algemeen
een vrij scherpen blik hebben, niet te verwonderen vooral bij hen,
wien de ziekte minstens éénmaal in het jaar bezoekt, is er toch een
belangrijk verschil in de mogelijkheid van vroegtijdige onderken-
ning, al naar gelang de ziekte van een goed- of boosaardig karakter is.

Terwijl bij den eersten vorm geen opvallende vermindering in
eetlust en melkgift de aandacht trekt en eerst de verschijnselen van
smakken (soms nog geen speekselen !) en bij klauwzeer groote

-ocr page 296-

stijfheid en pijnlijkheid den boer op de gedachte brengen van de
ziekte, wekt het ernstige geval, waarbij melk- en eetlustverminde-
ring, alsmede stijfheid en trippelen zonder nog aanwezig klauwzeer,
vrij plotseling kunnen optreden reeds spoedig een sterke verden-
king op.

Terwijl het goedaardig geval dus heel vaak eerst wordt onder-
kend, wanneer er reeds blaren aanwezig zijn, kunnen de ernstige
gevallen door ervaren veehouders zeer dikwijls reeds in het pro-
dominaalstadium worden herkend. Toch is er nog een verschijnsel,
dat veelvuldig kan voorkomen, waarmede de veehouders zeer wel
op de hoogte zijn en dat uit een oogpunt van vroegtijdige onder-
kenning van groot belang moet worden geacht. Dit zijn de tepel-
blaren, die soms reeds eenige dagen vóór den uitbraak bij verschil-
lende dieren worden waargenomen en wier inhoud met het melken
gedurende dezen tijd rijkelijk kan worden verspreid. Hoe een juiste
interpretatie van dit symptoom een vroegtijdige aangifte kan be-
vorderen, ligt voor de hand.

In verband met de bestrijding zou ik op twee punten in het ver-
loof der ziekte
willen wijzen : xe Wanneer eindigt de infectiositeit
van de se- en excreta ? 2e Wanneer die van de blaarresten, welke
nog in natuurlijke verbinding met het lichaam verkeeren ?

Seigneux 1) toonde aan, dat het bloed na de ontwikkeling van
de gegeneraliseerde blaren wederom vrij van virus was, ongeveer
54 uur post infectionem.

Deze proeven zijn herhaald en op grond van serumcontrölen
is vastgesteld, dat het de zeer vroeg optredende immuniteit is,
welke het bloed reeds zoo spoedig na het oj)treden weer zuivert
van het virus.

Door Trautwein, Thomashoff en Höve is den duur der infec-
tiositeit van
urine en faeces nagegaan. In één geval bevatte de urine
nog 103 uur p.i. het virus, in de andere gevallen was het reeds voor
dien tijd verdwenen. Bij het varken was de urine reeds 50 uur p.i -
virusvrij, terwijl in de faeces in geen enkel geval virus kon worden
aangetoond.

De melk, bij 17 geiten onderzocht, was op zijn laatst nog 113 uur
na de infectie besmettelijk. Hoewel deze onderzoekingen onvolledig
zijn, daar zij omtrent de infectiositeit der rundermelk geen uitsluit-
sel geven, meen ik, dat, in verband met den korten duur van dit
verschijnsel bij de urine en zooals ik nog nader zal aangeven van
het speeksel, ook de melk na verloop van 4 dagen p.i. vrij van virus
zal zijn, voorzoover het niet vermengd wordt met blaarinhoud.

Waldmann en Reppin toonden aan dat in speeksel van dieren,
welke i tot 2 dagen p.i. entblaren vertoonden, en waarbij 1 tot 2

Seigneux. Die Virulenz des Blutes bei Maul- und-Klauen^suchekranken
Meerschweinchen, Rind und Schwein. Berl. tierärztl. W. 1922. S. 16.

-ocr page 297-

dagen later de gegeneraliseerde blaareruptie uitbrak, hoogstens nog
2 dagen hierna het speeksel virus bevatte, alzoo hoogstens 6 dagen
P-i-

Bevonden zich later blaarresten in het speeksel dan was het tot
li dag. p i., of tot 8 dagen na de generalisatie nog infectieus.

Of dit onderzoek zoodanig is uit te voeren, dat men zeker is van
absoluut weefselvrij speeksel zou ik willen betwijfelen. Praktisch
doet het weinig ter zake.

Uit deze gegevens trekken onderzoekers de volgende belangrijke
conclusie :

Die praktische Bedeutung dieser epidemiologisch wichtigen
Feststellung liegt vor allem auf veterinärpolizeilichem Gebiet.
Wirtschaftlich einschneidende veterinärpolizeiliche Masznahmen
sind bei der M.K.S. nur so lange berechtigt, als sie wissenschaftlich
begründet sind. Unsere heute geltenden Sperrvorschriften gehen von
der Ansicht aus, dass die Tiere so lange infektiös sind, bis die Rege-
nerationsprozesse an der Mundschleimhaut beendet sind und neues
Epithel die Defekte überkleidet. Diese Ansicht läszt sich auf Grund
der geschilderten Versuchsergebnisse nicht mehr aufrecht erhalten,
da das Virus in der Mundhöhle schon vor Abschluss der Epitheli-
sierungsprozesses nicht mehr nachzuweisen ist. Eine wesentliche
Abkürzung der heute geltenden Sperrfristen erscheint demnach
wissenschaftlich vollauf gerechtfertigt.

Uit het voorgaande is het volgende samen te vatten :
ie. Bij het onderzoek naar het wezen der smetstof is gebleken dat
de tenaciteit van
de smetstof buiten het lichaam zeer groot kan
zijn (honderd dagen en langer) terwijl zij
in het lichaam wat
betreft de hiermede verbonden blaarresten spoedig haar infec-
tieus karakter inboet (5—8 dagen na de blaareruptie).
2e. Bepaalde zuren en alkaliën bezitten een sterk virulicide kracht.
3e. De
beteekenis van inwendige smetstof dragers moet volgens Duit-

sche en Engelsche onderzoekers niet groot worden geacht.
4e. Hoewel
de infcctio.siteit der ziekte enorm groot kan zijn, komen
er tijden en omstandigheden voor, waarbij deze zeer gering is.
5e. Naast infectie langs maag en darmen, speelt
de wondinfectic

pathogenetisch een zeer groote rol.
6e. In
het incubatietijdperk kan reeds smetstof met het speeksel,
het neusspiegelvocht, de melk, de urine en de faeces uitge-
scheiden worden.
7e. I)e mogelijkheid van
vroegtijdige onderkenning der ziekte door

den leek hangt samen met den graad van de ziekte.
8e. Bloed, se- en excreta zijn reeds eenige dagen na de blaareruptie
vrij van smetstof.

Wordt vervolgd.

-ocr page 298-

(Uit het Laboratorium der Gemeente-Slachtplaats Utrecht. Dir.: K. HOEFN/ GEL.)

DE KEURING VAN LEVERS OP ECHINOCOCCOSIS,

door

Dr. C. DE GRAAF.

Het behoeft hier wel niet nader betoogd te worden dat het,
in het belang der volksgezondheid, ten zeerste gewenscht is, dat
de keuring van organen op echinococcosis zoo gestreng mogelijk
wordt uitgevoerd. Te meer is dit noodzakelijk, waar het percentage
van met echinococcosis besmette dieren juist hoog blijkt bij die
diersoorten, waarvan bekend is, dat de echinococcusblaas meestal
fertiel is (vooral paard, varken en schaap).

Het is daarom wel eenigszins verwonderlijk, dat het keurings-
regulatief over deze ziekte geen enkel voorschrift bevat. Slechts
in de opmerking, behoorende bij artikel 3 van het keuringsregula-
tief, vindt men een nadere aanwijzing omtrent den te volgen weg
bij aandoeningen van parasitairen aard van organen en deelen van
slachtdieren.

De eerste alinea van deze opmerking luidt, dat bij aandoeningen
van parasitairen aard de aangetaste organen en deelen moeten
worden afgekeurd, indien de parasieten
door uitsnijden niet nauw-
keurig kunnen worden verwijderd,
terwijl de derde alinea vermeldt,
dat de afgekeurde organen en deelen
zoo ruim moeten worden uit-
gesneden of verwijderd, dat slechts gezonde deelen overblijven.

Hij echinococcosis kan men nu tweeërlei opvattingen huldigen.
Eerstens kan men zich op het standpunt stellen, dat de verwijde-
ring der echinococcusblazen, mits zij slechts in enkele exemplaren
voorkomen en daarbij goed ontwikkeld zijn, althans in een waarde-
vol orgaan als de lever, zeer goed mogelijk is en men dus de rest
van het orgaan, nadat men alle cysten zorgvuldig heeft uitgesne-
den, gewoon in consumptie kan brengen, v.
Ostertag vermeldt
o. a. in zijn „Handbuch der Fleischbeschau" waar hij de beoor-
deeling van met echinococcusblazen besmette organen bespreekt :
„Die mit Echinokokken durchsetzten Organe sind nicht gesund-
heitsschädlich. Denn die in den Organen der schlachtbaren Haus-
tiere vorkommenden Larven der Echinokokkentänien vermögen
sich beim Menschen, selbst wenn sie fertil sind, nicht weiter zu
entwicklen. Die Mehrzahl der mit Echinokokken behafteten Or-
gane kann dem Konsume dadurch erhalten werden,
dasz man die
Echinokokken sorgfältig entfernt
; dies ist angängig, wenn die Zahl
und Verteilung der Schmarotzer deren gründliche Entfernung
ermöglicht. Die Entfernung selbst geschieht nach Zerschneidung
der Organe in schmale Scheiben. Die ausgeschnittenen Parasiten
und die stark mit Echinokokken durchsetzten ganzen Organe sind
untauglich".

-ocr page 299-

R. Edelmann zegt in zijn „Lehrbuch der Fleisehhygiene" het-
zelfde.

Een tweede opvatting is deze, dat men alle organen met echino-
coccusblazen onvoorwaardelijk afkeurt, welke opvatting gelukkig
wel door de meeste deskundigen wordt gehuldigd. Prof. v.
Oijen
zegt o.m. in zijne beschouwingen over het keuringsregulatief, in
verband met de opmerking bij art. 3, dat men bij het aantreffen
van één echinococcusblaas
thans van meening is, dat uitsnijden
daarvan niet voldoende is. Men wijst op het gevaar dat elders
kleine blazen verborgen blijven zitten en eischt afkeuring van
het geheele orgaan. Ook in ons tijdschrift heeft men weieens de
opmerking gemaakt, dat men bij de keuring van organen met
echinococcosis niet mag volstaan met het uitsnijden der waarge-
nomen cysten, maar onvoorwaardelijk zulk een orgaan moet af-
keuren.

Voor het onderzoek van levers op echinococcosis staan ons ver-
schillende methoden ten dienste ; nl. primo de inspectie van het
betreffende orgaan, secundo de palpatie en tertio, het maken van
insnijdingen op verdachte plaatsen, welke laatste methode men
zou kunnen splitsen in A. het maken van slechts enkele insnijdin-
gen, B. het in schijven snijden van het orgaan.

In de praktijk gebruikt men allereerst de inspectie, terwijl
daarna de palpatie en het maken van insnijdingen op de tweede
plaats komen. Uit een economisch oogpunt is practisch methode
3 B. niet door te voeren, daar hierdoor vrijwel het geheele orgaan
waardeloos wordt.

Een systematisch onderzoek of inderdaad, na het uitsnijden
van door inspectie en palpatie waargenomen blazen, toch nog
echinococcuscysten in het leverparenchym kunnen voorkomen
is, voor zoover ik heb kunnen nagaan, niet vermeld. Ook wordt
weieens beweerd, dat men nog echinococcusblazen zou hebben
waargenomen in levers, die goedgekeurd zouden zijn en waarbij
men bij de keuring geen echinococcosis zou hebben opgemerkt.

Het leek mij van belang bij een aantal levers van verschillende
slachtdieren, welke levers zoowel voor echinococcosis als voor
andere afwijkingen waren afgekeurd, de 3 methoden, inspectie,
palpatie en het in schijven snijden van ongeveer 1 c.M. dikte, toe
te passen en de resultaten naast elkaar te vergelijken. Ik ging
daarbij als volgt te werk.

Elke lever werd door mij zeer nauwkeurig geïnspecteerd ; zij
werd daartoe op de sectietafel gelegd en aan beide zijden nauw-
gezet op echinococcuscysten nagekeken. Iedere cyste, welke ik
bij deze inspectie ontdekte, werd zorgvuldig door uitsnijden ver-
wijderd en tevens werd de inhoud microscopisch nader onderzocht.
Was dit geschiedt, dan werd dezelfde lever nauwkeurig doorge-
palpeerd, niet hangende aan een haak, zooals bij de gewone keu-

-ocr page 300-

ring in de slachthal gebeurt, maar liggende op de sectietafel. Afge-
zien van vaak door andere ziekten veroorzaakte leververanderingen
(als distomatosis, angiomatosis, cirrhosis, enz.), welke de palpatie
bemoeilijkten, bleek het mij, dat men vooral de dikste gedeelten
van paardenlevers en runderlever moeilijk geheel door kan pal-
peeren. Ook de op deze wijze ontdekte cysten werden weer zorg-
vuldig uitgesneden en nader microscopisch onderzocht.

Tenslotte werd dan het geheele orgaan in schijven van ongeveer
i c.M. dikte gesneden en elke sneevlakte nagegaan op nog eventueel
niet ontdekte echinococcusblazen.

In het geheel werden door mij een 120 levers van verschillende
slachtdieren op deze wijze onderzocht. Hierbij waren 48 varkens-
levers (20 afgekeurd wegens echinococcosis en 28 om ander af-
wijkingen), 32 paardenlevers (21 met echinococcosis en 11 met
andere afwijkingen), 19 runderlevers (5 met echinococcusblazen
en 14 om andere redenen afgekeurd) en 21 schapenlevers (1 met
echinococcusblazen en 20 om andere redenen afgekeurd). In
onderstaande staten vindt men medegedeeld, wat bij elke lever
werd gevonden.

Resutaten van het onderzoek.

Staat i A. Van de 20 varkenslevers met echinococcusblazen
werden bij 7 levers, nadat de door inspectie waargenomen cysten
waren verwijderd, door middel van de palpatie, nog cysten op-
gemerkt. Deze waren alle van geringe grootte (erwtgrootte tot
17 m.M. middellijn).

Bij 5 van deze 7 levers werden bij het in schijven snijden nog
weer cysten waargenomen. Ook deze hadden geringe afmetingen.
Hierbij moet men in aanmerking nemen, dat, als de inspectie en
palpatie zorgvuldig wordt uitgevoerd, men niet anders kan ver-
wachten bij het doorsnijden zeer kleine cysten te ontmoeten.

Uit dit resultaat blijkt wel, dat men niet mag volstaan met het
verwijderen van waargenomen echinococcusblazen en de rest van
het orgaan voor consumptie goedkeuren, daar er zeer veel kans
bestaat (25 %), dat men aldus echinococcuscysten over het hoofd
ziet.

Staat i B. Bij 28 varkenslevers, niet afgekeurd wegens echino-
coccosis, werden geen enkele maal echinococcuscysten waarge-
nomen.

Staat 2 A. Bij de 21 paardenlevers met echinococcosis werden
in 8 gevallen bij de palpatie nog cysten ontdekt en zelfs in 9 ge-
vallen nog bij het in schijven snijden. Ook hier weer zeer kleine
blaasjes (10—18 m.M. middellijn). Zes maal bleken deze kleine
cysten fertiel te zijn. Dat echinococcusblazen bij het paard bijna
altijd fertiel zijn, werd ook nu weer geconstateerd. Terwijl van

-ocr page 301-

de 20 varkenslevers er 12 fertiel waren (60 %), waren er bij de
paardenlevers 18 fertiel (bijna 90 %).

Staat 2 B. Bij de 11 paardenlevers, afgekeurd wegens andere
afwijkingen dan echinococcosis, werd geen enkele maal echino-
coccosis gevonden.

Staat 3 A. Bij de 5 runderlevers met echinococcosis (waaronder
i fertiel, 20 %), werden 4 maal kleine cysten opgemerkt bij het
in schijven snijden.

Staat 3 B. 24 afgekeurde runderlevers werden nog eens nader
op echinococcusblazen onderzocht, met negatief resultaat.

Staat 4 A cn B. Slechts 1 schapenlever met echin.blazen kon
ik nader onderzoeken. Dit gaf een positief resultaat.

Bij 20 distomateuze levers was het onderzoek negatief.

vr I A.

VARKENSLEVERS MET ECHINOCOCCUSBLAZEN.

In schijven snijden van
i c.M. dikte.

Inspectie.

Palpatie

i echinococcusblaas,
middellijn 30 m.M.,
fertiel.

1 cyste, middell. 12
m.M., steriel

2 cysten middell. 10
m.M., één steriel, één
gedegenereerd.

Verwijde galgangen,
enkele distomenhaar-
den.

negatief

Een 5-tal, in grootte
varieerende (middell.
van 8—22 m.M.)
gedegenereerde cy-
sten. Microsc, mem-
braanresten, geen sco-
lices, steriel.

negatief

negatief

i cyste, 34 m.M. mid-
dellijn, membraan in
bochten gelegen, ge-
degenereerde scolices,
fertiel.

Gedegenereerde cyste,
midden in leverweef-
sel, 15 m.M. middellijn
met gedegener. scoli-
ces,
fertiel.

Enkele kleine verkalk-
te haardjes.

Een 20-tal, min of
meer oppervlakkig ge-
legen, erwtgroote blaas-
jes, microsc onduide-
lijke kopjes, blijkbaar
nog niet voldoende
ontwikkeld,
fertiel in
aanleg.

Enkele blaasjes te voe-
len, van gelijke groot-
te als bij de inspectie,
fertiel in aanleg.

Nog een zeer groot
aantal erwtgroote en
kleine blaasjes, de
meesten met aandui-
ding van kopjes,
fer-
tiel
in aanleg.

-ocr page 302-

-

— 288 —

Vervolg STAAT I A.

No.

Inspectie

Resultaat

Palpatie

Resultaat

In schijveu snijden van
i c.M. dikte

5

Een 5-tal erwtgroote
blaasjes, membraan
microsc te zien, geen
kopjes, steriel.

2 erwtgroote blaasjes\'
te palpeeren. steriel

Nog 7 kleine blaasjes
waargenomen, midden
in leverweefsel gelegen
steriel.

6

3 cysten middel], on-
geveer 30 m.M.,
fertiel.

negatief

negatief

7

i cyste, middell, 45
m.M.
fertiel.

negatief

negatief

8

3 cysten, midd. 6 c.M.,
fertiel, 1 cyste, middel-
lijn 32 m.M.,
fertiel
i cyste, 12 m.M. ste-
riel.

negatief

negatief

9

i cyste, 35 m.M., —
fertiel.

negatief

negatief

IO

i cyste, 14 m.M., ste-
riel.

negatief

-

negatief

11

1 cyste, 30 m.M., ste-
riel. i cyste, 14 m.M.,
steriel.

i cyste, 16 m.M., ste-
riel.

2 cysten, 15 m.M.,
ongeveer midden in
de leverkwal gelegen
steriel, 1 verkalkt
haardje.

12

i cyste, 35 m.M., iets
gedegenereerd, steriel.
Talrijke erwtgroote cy-
sten,
steriel.

Verscheidene kleine,
erwtgroote cysten-
steriel.

Verschillende erwt-
groote, niet gepalpeer-
1
de cysten worden aan- J
gesneden, steriel.

13

Talrijke, cysten onge-
veer 10 m.M. middel-
lijn-steriel.

Verscheidene, even-
groote cysten te voelen
— steriel.

Verscheidene malen
evengroote en iets
kleinere cysten aange-
troffen,midden inlever {
parenchym., steriel.

\'4

■ Cyste, 22 m.M., ste-
riel. 2 cysten, 15 m.M.
steriel, met geheel op-
gevouwen membraan,
weinig vocht, steriel.

negatief

negatief

15

3 groote cysten

4 c.M.) fertiel.

negatief

negatief

16

5 groote cysten (J-
7 c.M. middellijn)
fer-
tiel.

negatief

negatief

-ocr page 303-

rolg STAAT I A.

Inspectie

Resultaat

Palpatie

Resultaat

In schijven snijden van
i c.M dikte

Resultaat

I cystc, 32 m.M. mid-
dellijn,
jertiel.

negatief.

negatief.

2 cysten, -J- 40 m.M.
middellijn, steriel, uni-
loculair

I cyste, 22 m.M. mid-
dellijn, met talrijke
iiitbochtingen, blijkt
op doorsnede een
echi-
nocc. multilocularis
te
zijn.

i cyste te palpeeren,
17 m.M. middellijn,
uniloculair, steriel.

negatief

2 cysten, 30 m.M. mid-
dellijn,
jertiel.
I cyste, 12 m.M., ste-
riel.

negatief

negatief

3 cysten, 4 c.M.
middellijn,
jertiel.

negatief

negatief

AT I B. VARKENSLEVERS ZONDER ECHINOCOCCUSBLAZEN.

«

Afgekeurd wegens tu-
berculose.

negatief.

negatief

negatief

:s

Distomatosis
negatief.

negatief.

negatief

s \'

hepatitis
negatief.

negatief

negatief

.s

cysticercosis
negatief.

negatief

negatief

u il A. PAARDENLEVERS MET ECHINOCOCCUSBLAZEN.

l

2 cysten, -f- 6 c.M.,
middellijn,
Jertiel.

Talrijke verkalkte
haardjes.

Verscheidene in het
binnenste van het-
leverweefsel gelegen
verkalkte haardjes.
Verder 1
cyste, 12 m.M
waarin een opgevou-
wen, samengekronkel-
de inwendige laag,
gedegenereerde scoli-
ces,
jertiel.

20

-ocr page 304-

— 290 -

Vervolg STAAT II A. _

No.

1 nspectie

Resultaat

1\'alpatie

Resultaat

In schijven sneden van
i c.M. dikte

Resultaat

2

i cyste, io c.M., fer-
tiel.

i cyste, 7 c.M. gede-
genereerde kopjes, fer-
tiel.

Verder nog enkele
kleine, verkalkte
haardjes.

Enkele verkalkte
worm knobbeltjes.

Verkalkte knobbeltjes

-

3

i cyste, io c.M., fer-
tiel.
i cyste, 6 c.M.,
gedegenereerd, geen
scolices, steriel, i cy-
ste, 3 c.M., verkalkte
wand steriel.
Enkele verkalkte knob-
beltjes.

2 cysten, 20 m.M. fer-
tiel.

-

Een groot aantal ver-
kalkte haardjes.

—\'

4

2 cysten,^- 8c.M.,/«r-
tiel, 2 cysten, 3 c.M.,
fertiel.

i cysten, 25 mM. fertiel

tl-

In dikste gedeelte van
de groote leverkwab
kwamen bij doorsnij-
den 3
echinococcuscy-
slen,
alle 3 15 m.M.,
fertiel.

Verder nog 2 verkalkte
knobbels, waarin wel
kalklicliaampjes, ech-
ter geen scolices te
vinden waren.

-

5

i cyste, 8 c.M., fertiel.
i cyste, 0 c.M., fertiel.

negatief

i cyste, in dikste ge-
deelte leverkwab, 18
m.M.,
fertiel.

6

i cyste, 8 c.M., fertiel.
Enkele verkalkte
haardjes.

4.

negatief.

-----

Enkele verkalkte
haardjes.

7

4 cysten, 5 c.M., fertiel

Enkele verkalkte
haardjes

| Verkalkte haardjes.

-

8

Talrijke knikkergroo-
te, steenharde knob-
beltjes, in enkele door-
gesneden exemplaren
een holte, met mem-
braanresten, geen kop-
jes, steriel.
Verder 3 cysten, 2
c.M., met dunne wand
steriel.

Verkalkte haardjes.

2 cysten, 15 m.M., zeer
dunne wand, steriel.
Verkalkte haardjes.

-

-ocr page 305-

- - zgi

ervolg STAAT II A.

o.

Inspectie

Resultaat

Palpatie

-

Resultaat

In schijven snijden van
i c.M. dikte

-1

Resultaat

9

i cyste, 3i c.M., fertiel
verkalkte haardjes.

i erwtgroote cyste,
steriel.

Enkele verkalkte
haardjes.

O

1 cyste, 5 c.M., fertiel.

2 cysten, 2 c.M., fertiel
verkalkte haardjes.

negatief

negatief

I

I cyste, 5 c.M., totaal
verkalkte wand, gede-
genereerde inhoud, sco-
lices gedegen,
fertiel.
T cyste, 3 c.M., fertiel,
b. w. kapsel.

negatief

negatief

i cyste, 2^ c.M., fertiel

2 kleine cysten te pal-
pecren, 1J c.M.,
fertiel.

i cyste, midden in le-
verweefsel, 1 c.M.
fer-
tiel.

3

i cyste, 3 c.M., afge-
plat van vorm,
multi-
loculair,
steriel. Enkele
verkalkte haardjes.

2 multiloculaire cy-
sten, 2 c.M., steriel.

Verkalkte haardjes.
Een erwtgroote mul-
tiloculaire cyste-steriel

4

5 cysten, io c.M.,
met bindweefselkap-
sel,
fertiel 2 cysten,
2j c.M.,
fertiel.

Leven eenigszins chro-
nisch gestuwd en door
b.w. vorming zeer
moeilijk geheel door te
palpeeren, 2 cysten,
2 c.M.,
fertiel.

2 cysten, ij c.M., fer-
tiel.

5

3 cysten, van 3—6
c.M. groot, alle
fertiel.
Verkalkte haardjes.

Een cyste, 2j c.M. fer-
tiel.
Enkele verkalkte
haardjes.

Enkele verkalkte
haardjes.

b

1 cyste, aan den rand
van de leverkwab,

2 c.M. steriel. Enkele
verkalkte wormknob-
beltjes.

negatief

2 cysten, c.M. mid-
den in levtfrweefsel,
steriel. Verkalkte
haardjes.

7

i cyste, 2 c.M., fertiel.
Verkalkte wormknob-
beltjes.

i cyste, iJc.M. fertiel.
Verkalkte haardjes.

Enkele verkalkte
haardjes.

i

2 cysten, 3 c.M. fertiel.
I cyste, 2 c.M., fertiel.

Enkele verkalkte
haardjes.

Verkalkte wormknob-
beltjes.

—\'\'

)

i cyste, c.M., ge-
heel opgevuld met
membraan,
fertiel. 1
cyste, 2£ c.M., fertiel.
Talrijke verkalkte
haardjes.

negatief

Verkalkte haardjes.

20*

-ocr page 306-

— 292 —

Vervolg STAAT II A.

No.

Inspectie

Resultaat

Palpatie

Resultaat

In schijven snijden van
i c.M. dikte

20

3 cysten, 8 c.M., fertiel
Wormknobbeltjes.

Enkele verkalkte
haardjes, vlak onder
de kapsel te voelen.

Verkalkte haardjes.

21

7 groote cysten, 7 cM..
fertiel.

4"

negatief

I erwtgroote cyste,
steriel, i cyste, i|-c.M.,
fertiel, in het midden-
gedeelte der kwab.

STAAT li B. PAARDENLEVERS ZONDER ECHINOCOCCUSBLAZEN.

7

stuks

Afkomstig van ge-
storven dieren. Enke-
le met verkalkte haard-
jes.

negatief

negatief

2

stuks

Afkomstig van nood-
slachting.

negatief

negatief

I

In lievige mate chali-
cosis nodularis.

vele verkalkte haard-
jes.

Verkalkte haardjes

Amyloïde degeneratie

negatief

negatief

STAAT Iii A. RUNDERLEVERS MET ECHINOCOCCUSBLAZEN.

i

i cyste, 6 c.M., met
gedegener. inhoud,
iets vocht, steriel.
1
cyste, 3 c.M , steriel,
distomatosis.

4-

Enkele verdikte gal-
gangen

negatief.

2 cysten, c.M., ge-
degenereerd, steriel, in
dikste gedeelte van
de lever gelegen, dis-
tomatosis.

2

Vele kleine en groote
(3 c.M.). Cysten, en-
kele multiloculair, an-
dere weer uniloculair,
fertiel.

-f*

Versch eidenegrootere
en kleinere cysten te
voelen, steriel.

Verscheidene knikker
groote cysten, met op-
gevouwen membraan,
steriel.

2 uniloculaire blazen,
ij c.M. fertiel.

3

Talrijke verschillend
groote (3—9 c.M.) cy-
sten, steriel. Distoma-
tosis.

Distomatosis. 2 cy-
sten, 2 c.M., steriel.
Lever is zeer dik (15
c.M.) zoodat het mid-
dengedeelte der lever
niet geheel is door te
palpeeren.

3 tal cysten, ij c.M.
steriel. Distomatosis.

4

4 uniloculaii e cysten
(3—6 c.M.), steriel.

2 cysten, 3 c.M., steriel

2 cysten, 1 c.M., steriel

-ocr page 307-

rvolg STAAT III A.

- 293 —

-

»

Inspectie

Resultaat

Palpatie

Resultaat

In schijven snijden van
I c.M. dikte

Resultaat

5

i appelgroote cyste,
8 e.M., deels verkalk-
te wand, membraan
in plooien, steriel.
2
nootgroote cysten (2^
c.M.), met gedegene-
reerde, verkaasde mas-
sa, steriel.

Verharde galgangen.

Verharde galgangen.

LAT lil B. RUNDERLEVERS ZONDER ECHINOCOCCUSBLAZEN.

ks

Afgekeurd wegens
distomatosis.
negatief.

distomatosis

distomatosis

!

ks

Angiomatosis
negatief

negatief

negatief

is

tuberculosis
negatief.

negatief

negatief

Afkomstig van
gestorven dier
negatief

negatief

negatief

AT IV A. SCHAPENLEVERS MET ECHINOCOCCUSBLAZEN.

Talrijke boongroote
cysten, met ietwat
verkalkten wand, ste-
riel.

Nog vele blazen te
palpeeren, steriel.

3 erwtgrootc cysten,
steriel.

at iv B. SCHAPENLEVERS ZONDER ECHINOCOCCUSBLAZEN.

s

Alle met distomateuze
vera nderingen,
negatief.

distomatosis

distomatosis

-ocr page 308-

CONCLUSIE :

A. Bij de keuring van levers op echinococ osis, welke keuring moet bestaan
uit een zorgvuldige inspectie en palpatie van het orgaan op een tafel-, mag
men niet volstaan met het uitsnijden der waargenomen cysten, maar moet,
indien echinococcuscysten worden waargenomen, een dergelijk orgaan geheel voor
consumptie worden afgekeurd, ook al bevat het orgaan slechts één enkele cyste.

B. Wordt de keuring op echinococcosis nauwkeurig verricht, dan is het ge-
vaar, dat nog in goedgekeurde levers echinococcusblazen aanwezig zouden zijn,
zeer gering.

SUMMARY.

Examination of livers on Echinococcosis must be a careful] inspection and also
palpation of the organ, laid on a table.

It is not sufficient to remove observed cystes from the liver. Even when only
some cystes of Echinococcosis are found it is always possible, that very small
ones are neglected, so in these cases it is necessary to withdraw the whole organ
from consumption.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Untersuchung von Lebern auf Echinococcosis muss in einer sorgfältigen
Inspektion und Palpation des auf einem Tisch liegenden Organes bestehen. Man
kann sich nicht mit dem Ausschneiden der wahrgenommenen Cysten begnügen,
sondern muss bei Vorliegen von Echinococcuscysten ein derartiges Organ in seiner
Gänze vom Konsum ausschliessen. Letzteres gilt auch für den Fall, dass bloss
eine einzige Cyste gefunden wird, da allenfalls die Möglichkeit besteht, dass man
sehr kleine Cysten übersieht.

RÉSUMÉ.

L\'inspection des foies par rapport à l\'échinococcose doit être une inspection et
palpation inunitieuse de ces organes, placées sur une table. Si l\'on ne trouve qu\'un
seul kyste il ne suffit pas de l\'exciser. Un tel organe doit être aussi bien jugé
impropre à la consommation parce qu il y a toujours la possibilité qu\'on ne perçoit
pas des kystes très petits.

BLADVULLING.

Vreemde voorwerpen in de maag.

Krokodillen en struisvogels hebben de naam dat hun maag alles kan verdragen.
Vooral bij eerstgenoemde kan men bij de sectie in de maag al erlei ongerechtigheden
vinden die het dier had ingeslikt en die het weinig schenen te hinderen. Niet altijd
loopt het echter goed af. Een struisvogel in de zoölogische tuin te Berlijn stierf ten-
gevolge van verwondingen in de maag veroorzaakt door een koffielepel en een
half hoefijzer. (Den zoölog. Garten L Heft
7/9).

Slaap.

De meest bevredigende theorie over de slaap is het aannemen van een slaap-
centrum in de hersenen.

Bij de fysiologiese slaap zijn de volgende factoren als oorzaak werkzaam : ver-
moeienis, gewoonte, suggestie en uitschakeling van alle zintuigen-prikkels. Door
psychiese oorzaken kan, ondanks vermoeienis, de slaap verhinderd worden.

Als normale duur van de slaap wordt aangenomen : voor kinderen 10, voor
volwassenen 7—8, en voor mensen boven de 50 jaar 8 tot 6 uien. Zuigelingen
slapen bijna voortdurend.

Slapeloosheid werkt afmattender dan honger ; slaap kan tot op zekere hoogte
voeding, rijkelijke voeding echter minder goed slaap vervangen. De slaap bevordert
de stofwisseling, voorkomt vermoeienis en uitputting en werkt verjongend op
de levensfuncties (Mangold, Forsch. u. Forschritte 1929 No.
6). Vr.

-ocr page 309-

VERGELIJKENDE GENEESKUNDE.

(Uit de Bacteriologische Af deeling van het Centraal Laboratorium voor de
Volksgezondheid te Utrecht. Hoofd der Afd. J. P. BIJL, Arts.)

BIJDRAGE TOT DE EPIDEMIOLOGIE DER FEBRIS UNDU-
LANS VAN DEN MENSCH IN NEDERLAND,
(EEN ONDERZOEK NAAR HET VOORKOMEN VAN BRUCELLA
ABORTUS BANG IN MELK EN BOTER),

door

Dr. J. VAN DER HOEDEN.

Vervolg van bladz. 231.

II. ONDERZOEK NAAR HET VOORKOMEN VAN BRU-
CELLA ABORTUS IN BOTER.

Bij verschillende der lijders aan febris undulans kon zooals reeds
gezegd werd, geen bron van infectie worden aangewezen. Het is
zeer wel mogelijk, dat enkelen dezer, die regelmatig te plattenlande
vertoefden (handelsreizigers), zich besmet zouden hebben met de
room, die zij bijvoorbeeld bij de koffie gebruikten. Voor de bevolking
der meeste groote steden, waar de room door pasteuriseering onscha-
delijk is gemaakt, kan deze overweging niet gelden, tenzij, zooals
bij twee der patiënten het geval was, de gewoonte bestaat, om
van de melk alvorens haar voor huiselijk gebruik te koken, eerst
de room af te scheppen, teneinde die op koffie of cacao te nuttigen.

Het verdiende aanbeveling, in analogie met wat ons bij malta-
koorts in Zuid-Europa bekend is, ook hier aandacht te wijden aan
de vraag, of
melkproducten, in het bijzonder boter (en kaas), de
besmetting tot stand zouden kunnen brengen.

In de literatuur is tot heden weinig hieromtrent medegedeeld.
De recente onderzoekingen van C
arpenter en Boak (1928), die
nog na 142 dagen abortusbacteriën in boter konden aantoonen,
hebben in dit verband geen belang, omdat deze bacteriën niet in
het uitgangsmateriaal aanwezig waren, maar eerst werden toege-
voegd, nadat de boter was bereid. In 17 monsters marktboter
vonden zij geen abortusbacteriën ; maar de onderzoekers vermel-
den niet, of deze botermonsters waren vervaardigd van rauwe of
van gepasteuriseerde melk.

Eigen onderzoek.

In geen der boerderijen, van welke bij het hiervóór besproken
onderzoek was gebleken, dat de melk Brucella bevatte, werd boter
gemaakt. Het te onderzoeken materiaal moest dus worden be-
trokken van andere herkomst.

-ocr page 310-

Ik mocht daarvoor de medewerking ontvangen van den heer
P. N. B
oekel, Rijkszuivelconsulent te Utrecht, wien ik hier
gaarne mijn dank betuig.

De in onderzoek genomen botermonsters waren alle bereid uit
rauwe melk, in verschillende boerderijen van de provincie Utrecht.
Van deze boter werden
3 Ccm. in gesmolten toestand (in stoof van
370 C.), onderhuids bij een cavia gespoten. Drie der 23 cavia\'s
stierven intercurrent. Het serumonderzoek der overige proefdieren,
na 6 weken verricht, was negatief. Ook bij de sectie werden geen
afwijkingen gevonden. Uit de organen konden geen abortusbacte-
riën worden gekweekt.

Dus in geen der 20 onderzochte botermonsters is Brucella Bang
aangetoond.

Het lag voor de hand te veronderstellen, dat deze verschil-
lende uitkomsten, die het onderzoek van melk en van boter
opleverden, verband houden met het afsterven der in de melk
aanwezige arbotusbacteriën door het bij de boterbereiding ge-
vormde zuur.

Om ongeveer te kunnen bepalen op welk punt van deze wijze
van boterbereiding de abortusbacteriën tegronde gaan, heb ik de
volgende proef verricht:

Twee liter melk, waaraan 50 Ccm. karnemelk en 2 afgespoelde
agarculturen van verschillende Brucella-stammen waren toege-
voegd, werd na
25 uur gekarnd. Den volgenden dag werd de room
gespoeld, gewrongen en gezouten.

Het mengsel melk-karnemelk had aanvankelijk een pH 7,2 ;
na 3J uur was deze gedaald tot 6,6, na 6A uur tot 5,6 ; de pH der
bovenstaande wei bedroeg na
23 uur 4,5.

Dr. W. v. Dam van het Rijkslandbouwproefstation te Hoorn was
zoo vriendelijk mij mede te deelen, dat de room, waaruit in de
practijk de boter gekarnd wordt, in
21 uur een pH van 4,7 tot
4,5 bezit. Deze waarde ligt dus op dezelfde grens, als door mij bij
den proef werd bepaald.

Op verschillende tijdstippen heb ik nu door directe kweekproe-
ven (bouillonagar en leveragar in
10% C02) en door caviaënting
de aanwezigheid van levende abortusbacteriën trachten aan te
toonen.

Het aantal abortusbacteriën, waarmede de melk in deze proef
is geënt, was zoo groot, dat het zonder twijfel de hoeveelheden,
die bij natuurlijke infectie aanwezig zullen zijn, overtrof. (Het
aantal door C
arpenter en Boak in de koemelk gevonden abortus-
bacteriën bedroeg
20 tot 440 per Ccm.).

-ocr page 311-

PH

Kweekproef

Caviaproef.

elk karnemelk

7.2

? (verontreiniging met
schimmels en snel-
groeiende bacteriën).

I na 2 dagen gestorven.
II na 6 dagen gestorven.

na uur ......

6,6

zeer veel Brucellakolonies

I na 3 dagen gestorven.
II na 5 dagen gestorven.

na uur ......

5.6

zeer veel Brucellakolonies

I na 4 weken : serumag-
glutinatie 1/12800 ,
compl. b. reactie met
0,005 Ccm. serum ,
kweekproef uit milt .

II als bij cavia I.

na 23 uur ......

(wei)
4.5

uit het coagulum 2 Bru-
cellakolonies,
in de wei geen Brucella-
kolonies.

I na 4 weken : aggluti-
natie, compl. b. reactie
en kweekproef nega-
tief.

II als bij cavia I.

na 30 uur ......

uit het coagulum geen
Brucellakolonies.

I na 4 weken : aggluti-
natie, compl. b. reactie
en kweekproef nega-
tief.

II als bij cavia I.

na 2 dagen ......

(boter)

(pers-
water)
4.6

geen Brucellakolonies

I na 4 weken : aggluti-
natie, compl. b. reactie
en kweekproef nega-
tief.

II als bij cavia I.

Uit bovenbeschreven proef is dus gebleken, dat tijdens het zuren
der melk bij de boterbereiding de abortusbacteriën vrij snel af-
sterven. Na 23 uren, bij een pH 4,5 waren zoo goed als alle Brucel-
la\'s gedood ; na 30 uren waren zij geheel verdwenen. Zoo was dus
van het buitensporig groote aantal abortusbacteriën, waarmede
de proef werd verricht, geen enkele meer terug te vinden, reeds
vóórdat het bereidingsproces der boter was voleindigd.

Teneinde de invloed van de concentratie der waterstofionen op
Br. B
ang nader te bestudeeren, heb ik getracht te bepalen, bij
welke laagste grens der pH deze bacterie zich nog ontwikkelt,
resp. wordt gedood.

Het instellen van de pH der voedingsbodems geschiedde colo-
rimetrisch met m. en p. nitrophenolen en
y en a dinitrophenol.

Drie goed groeiende stammen van Br. Bang werden afgeënt op
schuin gestolde agar van verschillende pH, door zoutzuurtoevoe-
ging (6,8 . 6,6 . 6,4 . 6,2 . enz. t/m 4,4). Bij pH 5,0 en lager was-
de agar troebel en weeker, terwijl water werd uitgeperst (uitvlok
king ?). De met de Brucellastammen geënte buisjes werden 3

-ocr page 312-

dagen bij 370 C. gelaten. Tot pH 5,2 bleef de groei ongestoord ;
bij pH 5,0 was nog slechts een zwakke cultuur van één der 3 stam-
men te zien ; bij lagere pH bestond geen groei meer. Het is de vraag
of het achterwege blijven der kweek bij deze lage concentratie van de
H-ionen in werkelijkheid direct verband daarmede hield, dan wel of
de verandering in den voedingsbodem, die ook optisch waargenomen
werd op dit punt, haar ongeschikt maakte voor cultuurmedium.

Vervolgens heb ik in een tweede reeks dezelfde 3 stammen geënt
in een geschikte vloeibare voedingsbodem (buisjes met 0,5 Ccm.
vleeschbouillon 10% amnionsvloeistof) ; de verschillende con-
centratie der H-ionen werd hier verkregen door toevoeging van
normaal
melkzuur (6,8 . 6,6 . 6,4 . 6,2 . enz. t/m 4,4). Tot pH 5,0
bleef de ongeënte vloeistof helder ; bij 4,8 werd zij zwak troebel en
iets dikker van consistentie, bij de lagere waarden der pH namen
troebelheid en stroperigheid nog een weinig toe.

(Bij bepalingen met bouillon en vruchtwater afzonderlijk bleek
dat de troebelheid te wijten was aan verandering van de bouillon,
de gewijzigde consistentie aan de amnionsvloeistof).

Elk buisje werd geënt met één druppel van een dikke suspensie
eener met phys. NaCl afgespoelde agarcultuur en gedurende 24
uur bij 370 C. gelaten. Vervolgens werd nagegaan of de bacteriën
nog in leven waren, door 2 groote platinalissen uit deze buisjes af
te enten op schuingestolde glycerineagar, die 4 dagen in de stoof
van 370 werden bewaard.

Een derde reeks werd ingesteld met melkzuur, waarbij in plaats
van de vloeibare voedingsbodem, sterieele physiologische keuken-
zout van verschillende pH werd gebruikt.

PH

Groei op agar
(HC1)

Groei, resp. resistentie
in bouillon-amnionsvl.
st. (melkzuur)

Resistentie in 0,85% NaCl opl.
(melkzuur).

na 24 uur | na 3 dagen

6,8

4-4-

6,6

4-4-

4-

6,4

4-4-

4-4-

-)- 4.

4-4-

6,2

4-4-

4-4-

4-4-

4-

6,0

4-4-

4-4-

4-

5.8

4-4-

4-4-

_(_

zwak 4-

5.6

4-4-

4-

zwak 4-

5.4

4-4-

4-4-

zwak 4-

— .

5.2

4-

4-

weinig kolonies

5.0
4 8

zwak 4-

3 kolonies

4.6

4.4

Uit deze proevenreeksen bleek, dat op agar (bij toevoeging van
HC1) geen groei meer plaats had bij pH 4,8 -5,0 en in het buffer-

-ocr page 313-

rijke vloeibare voedingsmilieu, na toevoeging van melkzuur, de
Brucella\'s afstierven bij pH 5,0. In physiologische zoutoplossing
nam het aantal levende abortusbacteriën reeds sterk af bij pH 5,6
en waren alle bacteriën gedood na 24 uur bij pH 4,8 ; na 3 dagen
bij
pH 5,8. De duur van inwerking is dus van invloed, naast de
concentratie. Aangezien bij de methode van boterbereiding, zooals
die bij de 20 onderzochte monsters was toegepast, spoedig een
H-ionenconcentratie van pl.m, 4,5 wordt bereikt, zou alleen reeds
hieruit de snelle afsterving van Brucella kunnen worden ver-
klaard.

Andere bepalingen zullen noodig zijn, om nauwkeurig vast te
stellen de grens van de concentratie der H-ionen, bij welke Brucella
wordt gedood. Bij de beschreven proeven, die slechts een oriën-
teerende waarde bezitten, is ook daarmede rekening te houden, dat
deze zijn verricht met zeer oude laboratoriumstammen. Onmiddel-
lijk uit het dierlijk lichaam afkomstige bacteriën zouden een
andere gevoeligheid voor de H-ionen kunnen bezitten. Van een
bijzondere giftige werking van het ongedissocieerde melkzuur,
(waarop bijv. voor melkzuurbacteriën en B.coli is gewezen door
van Dam, Holwerda en Tekelenburg), is mij voorloopig ten
opzichte van Br. B
ang bij de gebruikte concentraties der water-
stof-ionen niets gebleken: de uitkomsten waren practisch dezelfde
bij 2 reeksen, waar de Brucella\'s waren gebracht in phys. NaCl
oplossing, resp. met zoutzuur en met melkzuur van gelijke
H-ionen concentraties.

Al deze bepalingen benaderen evenwel slechts in zeer beperkte
mate het vraagstuk, waarom het hier gaat, omdat de verhoudingen,
zooals die bij de boterbereiding in de bufferrijke gezuurde melk
worden aangetroffen, zoo veel gecompliceerder zijn.1) Verschillende
hierin aanwezige stoffen, waaronder sommige met de hun eigen
giftigheid zullen in samenwerking met de waterstof-ionen met
cumuleerend effect de zich in de zure melk bevindende micro-
örganismen kunnen benadeelen.

Wat hier boven gezegd is voor boter mag tevens gelden voor
de karnemelk en, althans grootendeels, ook voor de kaas.

De Rijkszuivelconsulent, de heer J. P. Boekel, deelde mij
mede, dat bij een uitgebreid onderzoek van zoogen. „zoete-
melksche" Goudsche kaas was gevonden een gemiddelde pH 5,25;
tijdens de bereiding zal de concentratie der H-ionen nog grooter
zijn geweest. De andere inheemsche kaassoorten zijn „zuurder"
dan de onderzochte.

Het is dus waarschijnlijk, dat — in tegenstelling met de rol,

\') Volgens van Dam bedraagt bijv. bij een melkmonster nut een ti erzuur-
graad van 16 Dornic. het waterstof-ionengehalte i/ioo.ooo van ile door titreering
aantoonbare waterstof (voornl, uit phosphaat en caseinaat).

-ocr page 314-

die aan het gebruik van geitenkaas in Zuid-Europa wordt toe-
geschreven voor de besmetting met Maltakoorts — van de con-
sumptie onzer inlandsche kaassoorten geen gevaar voor infectie
met Br. B
ang is te vreezen.

Voor de epidemiologie der febris undulans van den mensch, zoo-
wel als ten aanzien van de verbreiding van het besmettelijk verwer-
pen onder de dieren, moet bijzondere aandacht worden gewijd aan
de groote bron voor infectie, die gevormd wordt door de talrijke
koeien, die Brucella uitscheiden met de melk. Aan het gebruik van
boter (en karnemelk) schijnt voor den mensch geen gevaar voor
besmetting met Br. B
ang verbonden te zijn. Dit geldt waar-
schijnlijk ook voor kaas.

LITERATUUR
Bamforth, The Lancet, 1927, blz. 818.
Carpenter, Cornell Vet. 1926, 16, blz. 133.
Carpenter en Baker Cornell, Vet. 1927, 17, blz. 236.
Carpenter en Boak, Americ. Journ. of Public Health, 1928, 18, blz. 7.
Carpenter en Merriam, Journ. Americ. Medic. Assoc. 1926, 87, blz. 1296.
Cooledge, Journ. Medic. Res. 1916, 34, blz. 459.
Cotton, Journ. Americ. Vet. Medic. Assoc. 1923, 62, blz. 179.
van Dam, Biochem. Z.schr. 1918, 87, blz. 107.
Opstellen over moderne zuivelchemie, 1922.

Evans, Laborat. Section of Americ. Publ. Health Assoc. Chicago, 1928.

Favilli, Sperimentale 1926, 80, blz. 41.

Ficai en Alessandrini, Ann. d\'Igiene 1925, 35, blz. 1.

Fitch en Lubbehusen, Cornell Vet. 1924, 14, blz. 299.

Fleischner en Meyer, Americ. Journ. Dis. Child., 1917, 14, blz. 157.

Gilbert en Coleman, The Journ. of Inf. Dis. 1928, 43, blz. 273.

Habs, Klin. W.schr. 1928, 7, blz. 453.

Hagan, The Journ. Experim. Medic. 1922, blz. 697.

Hardy, Publ. Health Rep., 1928, 43, No. 38.

Hetz, Diss. Giessen ,1921.

van der Hoeden, Nederl. Tijdschr. v. Geneesk. 1928, 40, blz. 4907.
Tijdschr. v. Diergeneesk., 1928, 55, blz. 1065.
Versl. en Mededeel, betr. Volksgez.h., 1927, No. 8 en 1928 No. 10.
Holwerda, Acad. Proefschr. Utrecht, 1921.

Huddleson, Hasley en Torrey, Journ. Inf. Dis., 1927, 40, blz. 352.

Hull en Black Journ. Americ. Medic. Assoc. 1927, 88, blz. 463.

Keeper, Bull. John Hopkins Hosp. 1924, 35, blz. 6.

Kling, Office Internat. d\'Hyg. Publ., 1928, 20, blz. 1394.

Kristensen, Centr. bl. Bakt. etc., I, Or., 1928, 108, blz. 89.

Ledoux, Archer en Clerc, Bull. Soc. Médic. Hóp. Paris, 1928, 44, blz. 290.

Leroy, Journ. des Praticiens, 1926, 40, blz. 630.

Madsen, Office Internat. d\'Hyg. Publ. 1928, 20, blz. 1394.

Manson-Bahr, Nocht Festschr. (Ref. C. f. Bakt. 1928, 90, blz. 395).

Möhler, The Vet. Journ. 19, blz. 526.

Moore en Carpenter, The Cornell Vet. 1926. 16, blz. 147,

Office Internat. d\'Hyg. Publ. 1928, 20, blz. 1394.

Orr en Huddleson, Americ. Journ. of Publ. Health, 1927, blz. 242.

Pfenninger, Schweiz. Arch. f. Tierh. k. 1923, 65, blz. 600.

Ponticaccia, Giorn. d. Clin. Med., 1925, 6, blz. 218.

-ocr page 315-

Poppe, Deutsche Tierärztl. W.schr. 1928, 36, blz. 781.
Pröscholdt, Deutsche Tierärztl. W.schr. 1926, 34, blz. 43.
Sensenich en Giordano, Journ. Americ. Medic. Assoc. 1928. blz. 1782.
Schroeder, Americ. Vet. Rev. 1914, 44, blz. 467.

Schroeder en Cotton, Annual Rep. Bur. Anim. Ind for. 1911, 1313, blz. 139.

Schwarz, Z. f. Fleisch u. Milchhyg. 1929, 39, blz. 175.

Shaw, Royal Soc. London, 1906, 4, blz. 8.

Sheatheu, Brit. Medic. Journ. 1923, I, blz. 554.

Spengler, Wiener klin. W. sehr. 1928, 50, No. 9.

Tekelenburg, Acad. Proefschr. Utrecht ,1926.

Veilchenblau, Münch, med. W.schr. 1927, 40, blz. 1705.

Weigmann, Klin. W.schr. 1929, 8, blz. 351.

Winkler, Diss. Dresden, 1919.

Z US AMME N FASS UNG.

Es wurden im ,,Centraal Laboratorium" zwischen November 1927 und Februar
1929 24 Patienten mit Febris undulans angetroffen. Einer dieser war ein Seemann,
der sich in Spanien infiziert hatte mit Mittclmeerfieber. Die Uebrigen waren alle
in Holland infiziert, grösstenteils nach dem Genuss roher Milch oder Rahm.

Bei der Untersuchung nach der Anwesenheit von Brucella in Kuhmilch hatte das
direkte Kulturverfahren keinen guten Erfolg. Wertvolle Resultate wurden ermittelt
durch Mccrschweinclienimpfung mit einem Gemisch von Rahm und Bodensatz,
Obduktion nach ca. 6 Wochen ; Serumuntersuchung und Züchtung aus der Milz.

Die Abortusbakterien wuchsen am besten auf I.eberagar- oder Glyzerinagar-
plattcn in einer Glocke mit Luft und Kohlensäure ( 10 %) Bei der Sektion wurden
nur geringfügige Aenderungen gefunden (Milz, Leber, Kniefaltendrüsen). Meisten-
falls war die Agglutination stark positiv (1/12800), in einzelnen Fällen schwach
(1/50) ; die Komplementbindungsreaktion war in den meisten Fällen stark positiv
(, 0,001 Iüm.). Mit einer Ausnahme konnte Brucella gezüchtet werden aus allen
untersuchten Milzen, nur 9 Mal aus 16 Lebern und 4 Mal aus 12 Nieren.

In einem Falle : Agglutination 1/200 . Komplementbindungsreaktion negativ
und Kultur aus der Milz negativ ; ein Meerschweinchen zwei Wochen später ein-
gespritzt mit einem Muster derselben Herkunft gab Agglutination -f, Kompl
b.r. und Kultur .

172 Kontrollmeerschweinclien ergaben immer eine negative Agglutination
(1/25) und Kompl.b.r. (0,06 Kern.). Es genügt für diagnostische Zwecke die Seren
der behandelten Meerschweinchen nach 4 bis 6 Wochen zu untersuchen auf den
Gehalt an Agglutininen bezw. Komplementbindenden Antistoffen.

In einem der Ställe trat der erste Fall von Abortus auf 2J Monate nachdem schon
in der Milch Abortusbazillen gefunden waren. In einem anderen Stall, wo seit
vielen Jahren kein Abortusfall vorgekommen war, enthielt die Milch doch Brucella
Bang. In der Milch einer Kuh, von welche nicht bekannt war, ob sie jeh verworfen
hatte, wurde Br. Bang gefunden ; die Agglutination und Kompl. b. reaktion des
Serums dieser Kuh fielen negativ aus. Es ist also nicht genügend, bei der Unter-
suchung nach bazillenausscheidenden Kühen nur die Serumreaktion von den
betreffenden Tieren anzustellen ; in jedem Fall musz die Milch an sich untersucht
werden. Von 60 Milchproben aus der Umgebung von Utrecht enthielten 17 Abor-
tusbacillen. 30,3 % der Milchställe und 46,6 % der Milchverkäufer lieferten in-
fizierte Milch.

In 20 Butterproben, aus unerhitzter Milch bereitet, wurde kein einziges Mal
Br. Bang gefunden. Bei der Bereitung von Butter aus künstlich stark infizierter
Milch, konnten nach 23 Stunden (pH 4,5) nur noch sehr wenig Brucellakolonien
gezüchtet werden ; die Impfprobe beim Meerschweinchen war negativ; J- 16
Stunden vorher (pH 5,6) waren Impf- undnd Tierproben beide positiv. Nach
30 Stuen waren alle Abortusbazillen abgetötet. Auf Nähragar von verschiede-
nen pH, wuchsen 3 Stämme nicht bei niedrigerem pH wie 5.0. In einem Gemisch

-ocr page 316-

von Bouillon-Amnionsflüssigkeit mit Milchsäure nach 24 Stunden bei pH 5,0,
war Br. Bang abgestorben ; in physiol. Kochsalzlösung bei pH 4,8.

Mehr exakte Untersuchungen sind nötig um zu bestimmen, bei welcher H-
ionen-konzentration der Abortusbazillus getötet wird und um den Einflusz der
nicht dissozierten Säuren zu studieren.

SUMMARY.

From November 1927 until February 1929 in the ..Centraal-Laboratorium"
24 cases of frebis undulans in men, caused by Brucella were detected. One of them
was a sailor, who was infected with mediterranean fever in Spain. The remaining
part were all native cases, especially caused by taking raw milk and cream. In-
vestigating the presence of Brucella in milk, direct cultures gave no succesful re-
sults. Favorable results were obtained by inoculating guinea-pigs with a mixture
of cream and sediment, obduction after about 6 weeks ; testing the serum and
cultivating from the spleen. The microorganism grew best on plates with liver-
agar (Huddleson) or glycerin-agar in a glass-globe with air-CO, 10 %). Only
few alterations were found at the obductions (spleen, liver and inguinal glands).
In most cases the agglutinationtest was strongly positive (1/12800), only
in a few cases weakly (1/50), the complementfixationtest nearly always decidedly
positive (\\ 0,001 Ccm.). With one exeption, in all cases a culture was obtained
from the spleen, but only from 9 of the 16 livers and from 4 of the 12 kidneys.

In one case : agglutination 1/200 , Compl. fixation neg., no culture from the
spleen ; a guinea-pig, injected 2 weeks afterwards with a sample of the same origin :
agglutination , compl. fixation and culture . With 172 not infected guinea-
pigs always the serumagglutination (\'/26) and complement-fixation (0,06 Ccm.)
were negative. It is sufficient to prove the sera of injected guinea-pigs on the pre-
sence of agglutinins and eventual on complementfixating substances, after 4 -
6 weeks.

In one of the stables the first abortion among the cattle was observed 2^ months
after abortion-bacilli were already found in the milk. With another group of cattle,
where no abortion had taken place for many years, still the milk contained Bru-
cella. Abortusbacilli were found in the milk of a cow, that was unknown ever to
have had a case of abortion ; the agglutination- and complement-fixationtest of
this animal were negative. Therefore it will not be sufficient for the detection of
carriers, to test the sera of the cows, bvit the milk itself must be examined.

Sixty samples of milk from the environs of Utrecht coming from 56 farms and
30 milksellers were investigated. Seventeen of these samples gave a positive result ;
so 3°.3 % of the farms and 46,6 % of the sellers distributed milk, containing
Brucella.

In no case Br. was found in butter, prepared from unheated milk ; 20 samples
were taken. Making butter from purposely badly infected milk, after 23 hours
(pH 4,5) only very few colonies of Brucella could be cultivated, the guinea-pigs
injection gave a negative result ; about 16 hours before (plf 5,6) the cultivating-
and inoculating tests both were positive. After 30 hours all abortionbacilli were
dead. On broth-agar 3 strains did not grow beneath pH 5,0, in a mixture of broth-
amnionfluid with milkacid, Brucella died within 24 hours at pH 5,0 ; in phys.
NaCl solution at pH 4,8.

More exact examinations are necessary to point out the H-ionconcentration,
where Br. Bang is killed and to study the influence of the undissociated acids.

RÉSUMÉ.

Depuis le mois de novembre 1927 jusqu\' à février 1929 le „Centraal
Laboratorium" a révélé 24 cas humains de fièvre ondulante. A l\'exception d\'un
marin qui avait contracté la fièvre de Malte en Espagne, tous les malades étaient
tombés malade en Hollande, le plus souvent après la consommation de lait cru.

L\'auteur ne réussit pas toujours à rechercher la brucella dans le lait par des cul-

-ocr page 317-

tures directes. De bons résultats furent obtenus en injectant une mélange de crème
et de sédiment à des cobayes ; après 6 semaines ou tua les cobayes. Dans la plupart
des cas l\'agglutination de leur sérum était fortement positive (1/12800), dans quel-
ques cas faible (1/50); la déviation du complément était presque toujours fortement
positive (< 0,001 c.M3).

Des parties de divers organes, rate, foie, rein, furent ensemencées sur milieu
de culture (l\'auteur recommande les plaques de gélose de foie ou gélose glycerinée,
dans un tube en forme de cloche rempli d\'air contenant 10 % de CO.,> A l\'exception
d\'un seul, on obtint dans tous les cas examinés des cultures de la rate et seulement
9 fois (sur 16) du foie et 4 fois (sur 12) des reins.

Dans un cas l\'agglutination était 1/200 , réaction de déviation et culture de
la rate négatives ; deux semaines plus tard on injecta à un second cobaye du
lait de la même origine ; résultat : agglutination , déviation , culture -j-.

De 172 cobayes de contrôles l\'agglutination du sérum (1/25) et la réaction de
déviation du complément (0,06 Cm3) furent toujours négatives. Il suffit de re-
chercher dans les sérums des cobayes injectés, après 4—6 semaines, la présence
d\'agglutinins et, éventuellement, des substances sensibilisatrices.

Dans une des étables la premier cas d\'avortement ne se produisit que 2£ mois
après qu\'on avait trouvé des bactéries de 13ang dans le lait. Dans une autre étable,
dans laquelle des cas d\'avortement n\'étaient pas signalés depuis des années, le
lait contenait quand-même la Brucella. Dans le lait d\'une vache de laquelle on
ne savait pas si elle avait jamais avorté 011 non, on constatait des bactéries de
Bang, tandis qu= l\'agglutination et la réaction de déviation du sérum de cette
vache étaient négatives. Pour la recherche de vaches qui hébergent la Brucella
dans leur lait il ne suffit pas d\'examiner les sérums des vaches, mais il faut tou-
jours examiner le lait lui-même.

L\'examen de 17 dss 60 échantillons de lait des environs d\'Utrecht, provenant de
56 fermes et de 30 crémeries, était positif. Donc 30,3
% des fermes et 46,6 %
des crémeries fournissaient du lait avec le Br. Bang.

En 20 échantillons de beurre, faits de lait cru, la Brucella ne fut pas trouvée.
En préparant du beurre da lait fortement infecté artificiellement, on ne pouvait
cultiver que quelques Brucella après 23 heures (pH 4.5); un cobaye injecté ne fut
pas infecté. Plus que iô heures auparavant (pH 5,6) la culture et l\'épreuve du
cobaye étaient positifs tous deux. Après 30 heures on ne trouva plus de Bacilles
de Bang.

Sur de la gélose de pH différent, 3 souches ne se développaient plus au-dessous
de 5 pH. Dans une mélange de bouillon et de liquor ammii avec de l\'acide
lactique, les Brucellas mouraient dans 24 heures à 37° C (pH 5,0) ; dans l\'eau
physiologique au pH 4,8.

Des expériments plus exacts sont nécessaires pour établir à quel pH le Br. de
Bang est tué et pour étudier l\'influence des molécules non-dissociés des acides.

-ocr page 318-

PURULENTE THROMBO-PHLEBITIS VENAE PORTAE BIJ HET
PAARD MET TUBERKELBACILLEN ALS NEVENBEVINDING,

door

Dr. J. G. C. VAN VLOTEN, Kapitein van den Veterinairen Dienst.

Het rijkspaard hoefnummer 670 van de ie Schoolbatterij van
het 8e Regiment Veld-Artillerie, 14-jarige inlandsche merrie, werd
den 27en September 1927 wegens „verloren eetlust" ter behande-
ling aangeboden. Het paard maakte geen zieken indruk. De voe-
dingstoestand was slecht. Om hierin verbetering te brengen was
het reeds eenigen tijd met brood bijgevoerd, doch zonder succes.

Bij onderzoek bleken pols en ademhaling normaal te zijn, de
lichaamstemperatuur daarentegen was iets verhoogd (38.2°). De
slijmvliezen waren in geringe mate hyperaemisch. Hoesten werd
niet waargenomen. Afwijkingen der ademhalingsorganen werden
niet geconstateerd. Het gebit was goed.

Besloten werd het dier op den ziekenstal in observatie te nemen.
Weldra bleek, dat de lichaamstemperatuur steeds verhoogd bleef
en belangrijke schommelingen vertoonde (zie curve, geregeld aan-
gelegd vanaf 21 October). Daar ook het onderzoek van het digestie-
apparaat geen bijzonderheden aan het licht bracht en bij rectale
exploratie geen afwijkingen in de buikholte waren te voelen, werd
tot tuberculinatie (ophthalmo-reactie) besloten.

Deze was duidelijk positief (7 October). Wij hadden dus zeer
waarschijnlijk te doen met een tuberculeus proces en wel gezeteld
in de buikholte, daar de longen normaal functionneerden en de
beweging van den hals of den romp (werveltubcrculose) nooit was
gestoord.

Om het verdere ziekteverloop te kunnen volgen werd besloten
het paard voorloopig niet te dooden. De eetlust bleef slecht en
was zeer ongelijk. Vaak werd gedurende enkele dagen zoo goed
als niets gegeten, terwijl daarna weer tijdelijk eenige verbetering
was waar te nemen. Sterke polyurie trad op. Het dier was zeer
dorstig ; telkens werden groote hoeveelheden urine ontlast. Deze
was zuur, waterachtig, helder en lichtgeel van kleur. Het soortelijk
gewicht bedroeg 1002.

Den 7en December werd het paard, hetwelk zeer vermagerd
was, gedood. Collega
ten" Thije van het Veterinair Pathologisch
Instituut was zoo welwillend de sectie te verrichten en het verdere
onderzoek te leiden. Aan de door hem verstrekte gegevens werd
het navolgende ontleend.

Aanwezig was thrombose van den stam van de vena portae
over een afstand van ^ 15 c.M„ waarvan ongeveer de helft intra-
hepatisch. De thrombe zat tamelijk vast aan den wand, terwijl
het in de lever gelegen deel partieel was vervloeid. Door deze

-ocr page 319-

purulente thrombo-phlebitis venae portae was in de lever een
abscesachtige holte ontstaan, waarin zich, behalve de thrombe,
een dunne sero-purulente massa bevond onder druk. In enkele
grootere vertakkingen van de vena portae werd eveneens thrombose
aangetroffen. Ter plaatse van het abscesachtige deel was de wand
van de vena portae verscheidene m.M. tot i c.M. dik, terwijl ook
bindweefselnieuwvorming buiten den wand werd waargenomen.

Zelfs de geringste passage van bloed door de vena portae was
uitgesloten ; zij was totaal geoblitereerd. Darmwaarts van de
thrombe was de vena portae zeer wijd. Een zijstam vlak vóór de
thrombe was even wijd als de hoofdstam. Deze verliep caudaal
en bevatte, evenals de hoofdstam, een dik stolsel (post mortaal).

In het geheele portale gebied waren eenige stuwingsverschijn-
selen waar te nemen. De mesenteriale klieren waren ongeveer
3° % vergroot en vertoonden een oedemateus voorkomen. De
onder de miltkapsel verloopende, geslingerde venen waren over-
vuld.

De lever zelf was verkleind, de oppervlakte grof hobbelig.
Overal zag men haarden met vergroote, bleeke eilandjes, welke
aan hyperplasie van leverweefsel deden denken (werd door micros-
copisch onderzoek bevestigd). Rechts boven in de lever was een
deel ter grootte van het vierde deel van het geheele orgaan ge-
stuwd. Dit gedeelte was bloedrijk en donkerrood gekleurd en met
een geslingerde lijn scherp gescheiden van de rest van de lever.
Ook werd in dit deel de bekende woekering van leverepitheel aan-
getroffen. Bij insnijding van de gethromboseerde vena portae
dwars door de lever bleek dieper in dit orgaan nog een gethrom-
boseerde groote vene aanwezig te zijn. Deze kwam niet uit de
vena portae, doch verliep naar de vena cava. Verschillende deelen
waren verweekt en veretterd, terwijl in de omgeving ook enkele
abscessen werden gezien.

Het lcverweefsel vertoonde degeneratie en bindweefselnieuw-
vorming. De vena cava met de uitmondingen van de venae hepa-
ticae waren normaal. Collaterale bloedvaten in opvallende dikte
werden nergens waargenomen. De lymphoglandulae portalis waren
groot met woekering van lymphoid weefsel. De nieren vertoonden
een grijs uiterlijk ; het epitheel zag er dof, gekookt uit1). Het
hart was gering hypertrophisch ; de hartspier grijs, dof, murw en
gekookt. De longen waren een weinig emphysemateus ; nergens

\') Toch werden bij liet microscopisch onderzoek geen nierveranderingen waar-
genomen. Het menigvuldige drinken van het paard was dus geen gevolg van een
nieraandoening, doch stond met het leverlijden in verband. Daar de werkzaamheid
der lever als primaire ontgifter van het bloed, hetwelk het darmkanaal is gepas-
seerd, hier grootendeels was uitgevallen, trachtte het dier door veel te drinken
het bloed en dus de concentratie van de giftige stoffen in het bloed voortdurend
te verdunnen.

-ocr page 320-

werden metastatische haardjes aangetroffen. De milt vertoonde
een gezwollen voorkomen.

Tuberculeuze veranderingen werden niet gezien, ook niet aan
de keelklieren. Klieving van de wervels werd niet verricht, omdat
de beweging van den hals of den romp nooit gestoord was.

In uitstrijkjes van de verweekte thrombe van de vena portae
werden groote diplococcen gevonden, echter geen tuberkelbacillen.
Het exsudaat afkomstig uit de lever (vena portae) werd bij een
konijn aan de dij subcutaan ingespoten. Tien dagen later stierf
het dier aan een uitgebreide spiernecrose. In de microscopische
preparaten werden weer groote Grampositieve diplococcen ge-
vonden.

Met soortgelijk verkregen materiaal werd ook op dezelfde wijze
een cavia ingespoten. Van 8 December J.927 tot 17 Januari 1928
liep het lichaamsgewicht van dit proefdier terug van 650 tot 450
gram. 20 Januari stierf de cavia. Bij de sectie werd aan de ent-
plaats, behalve een klein abscesje, weer een vrij uitgebreide droge
necrose van de spieren waargenomen. In de sterk vergroote spek-
kige bronchiale en portale lymphklieren waren kleine verweekte
gedeelten. De milt en de lever vertoonden kleine witte haardjes,
waaraan de typische bouw van tuberkels niet was waar te nemen.

In coupes van deze vergroote klieren en van de lever bevonden
zich omschreven necrotiseerende ontstekingshaarden met proli-
feratie van omgevend weefsel. In op bacteriën gekleurde coupes
werden weer Grampositieve coccen gevonden.

Eindelijk werden in uitstrijkpreparaten van de verweekte deelen
van de klieren enkele duidelijke tuberkelbacillen aangetoond. Met
deze vondst werd dus bewezen, dat het paard in questie tuberkel-
bacillen in het lichaam herbergde, waardoor het op de tubercu-
linatie reageerde. Vermoedelijk moet echter aan deze tuberkel-
bacillen geen aetiologische beteekenis worden toegekend, maar is
het dier toevallig in de gelegenheid geweest deze bacillen op te
nemen. Zij hebben zich daarna gelocaliseerd in het leverproces,
waar ze zich als in een locus minoris resistentiae konden hand-
haven.

De beelden als bij de cavia beschreven waren aan Prof. Schor-
nagel
bekend uit vroegere onderzoekingen, waarbij tuberkel-
bacillen als toevallige nevenbevinding waren geconstateerd.

ZUS AMM ENFASS UN G.

Ein stark abgemagertes Pferd mit einer positiven Tuberkulin(Augen)probe
wurde abgeschlachtet. Die Sektion ergab eine Leberveränderung mit einer puru-
lenten Thrombophlebitis der Pfortader. In Ausstrichen aus den erweichten Thrombi
lagen grosse Gram-positive Diplococcen, aber keine Tuberkelbazillen vor. Material
aus der Vena portae wurde bei einem Kaninchen und Meerschweinchen am Schen-
kel eingespritzt. Das Kaninchen ging nach 10 Tagen ein ; auf der Impfstelle be-
stand eine ausgebreitete Muskelnekrose, worin die Diplococcen nachgewiesen werden

-ocr page 321-
-ocr page 322-

konnten. Das Meerschweinchen ist nach 6 Wochen eingegangen ; die bronchialen
und portalen Lymphdrüsen waren erheblich vergrössert und zeigten einen spec-
kigen Aspekt ; hier wurden ausser Diplococcen auch einzelne Tuberkelbazillen
nachgewiesen. Trotzdem durch die positive Meerschweinchenimpfung der Nach-
weis von Tuberkelbazillen in der Leberläsion des Pferdes gelang, ist Verfasser
der Meinung, dass diese mit dem Leiden nicht in einem ursächlichen Zusammen-
hang stehen und dass der Prozess daher nicht von tuberkulöser Art war.

SUMMARY.

A very emaciated horse, with positive (ophthalmo) tuberculin test was destroyed.

Autopsv revealed a liver-disease with purulent thrombo-phlebitis of the por-
tal vein.

Coverglass preparations of the softened blood-clot demonstrated large Gram-
positive diplococci but no tubercle bacilli.

An emulsion made from that clot was inoculated into the subcutaneous tissue of the
thigh of a rabbit and of a Guinea-pig. The rabbit died after 10 days and on the
place of the injection an extensive muscular necrosis in which diplococci were de-
monstrated, was found.

After six weeks the Guinea-pig died. Its bronchial and portal lymphatic glands
were heavily enlarged, had the aspect of bacon and contained not only diplococci
but also some tubercle bacilli.

So it was proved that tubercle bacilli were present in the liverlesions. Tthe
author has the opinion, that the disease mentioned above was not caused by those
bacilli and therefore of non-tuberculous nature.

RÉSUMÉ.

Un cheval fort amaigri, réagissant à l\'épreuve (ophtalmique) de la tuberculine,
fut sacrifié. A l\'autopsie on trouva une lésion du foie avec thrombo-phlebitis puru-
leuta venae portae. Des frottis du thrombus ramolli démontraient l\'existence de
grandes diplocoques Gram-positives, mais pas de bacilles de Koch.

Un peu de matière prise du vena portae fut inoculée sous-cutanée à la cuisse
chez un lapin et un cobaye. La lapin mourut après 10 jours ; à la place de l\'injection
se manifestait une nécrose musculaire étendue, dans laquelle se trouvaient des
diplocoques.

Le cobaye mourut après 6 semaines ; les ganglions bronchiques et hepatiques
étaient très agrandis et lardacés. On y trouvait outre des diplocoques aussi quelques
bacilles de Kocli.

Quoique l\'inoculation positive au cobaye prouvât l\'existence de bacilles de Koch
dans les lésions du foie, l\'auteur est d\'opinion que ces bacilles ne causaient pas
la maladie et que l\'affection n\'était donc pas tuberculeuse.

BLADVULLING.

Lange drachtigheid bij een koe.

Charitat werd geroepen om eenkoe te verlossen. Na het aan wenden van een
vrij sterke trekkracht, werd het kalf geboren; het woog 137 pond, was zeer mager
en had enorme groote klauwen. Het stierf spoedig. De boer vertelde dat de koe
ui maand te voren éénmaal
èn voor het laatst gedekt was, en Charitat zegt geen
reden te hebben om aan de waarheid van dat verhaal te twijfelen. (Kecucil. de
Med. Vet. 1928. Dec.).

Losweeken van gipsverbanden.

Emden (Pharm. Weekblad 1929 no. 8 blz. 184) raadt aan een oplossing van 200
deelen bariumchloride (Ba Cl2) in 1000 deelen water, in hydrophilegaas gedrenkt
op het gipsverband te brengen ; na 10 tot 20 minuten is het dan zoo verweekt
(door omzetting van Calciumsulfaat in Ca Cl2) dat het gemakkelijk met een ver-
bandschaar verwijderd kan worden.

-ocr page 323-

POGING TER VERKLARING VAN HET GOEDAARDIG VER-
LOOP VAN HET MOND- EN KLAUWZEER,

door

Dr. A. J. WINKEL.

Ue critiek van Overbeek geeft mij aanleiding de kwestie nog
wat nader te beschouwen van den kant, dien hij wil, van den kant
van de praktijk.

Terwijl het er mij om te doen was te pogen, uit het tijdelijk ver-
loop der epizoötiën, nl. uit de korter wordende rustperioden
vanaf
1918 —1920, de toenemende goedaardigheid der ziekte te verklaren,
in.a.w. deze
hoofdzakelijk te verklaren uit de directe en indirecte
gevolgen der immuniteit, legt O
verbeek den nadruk op het ver-
loop der epizoötien van 1918, 1911 en 1907 en wijst op de goed-
aardigheid ervan in haren aanvang, wat betreft 1918 en 1911 en
op het zacht karakter van die van 1907, welke goedaardigheid geen
verband kon houden met onvatbaarheid, daar vóór deze jaren
gedurende langen tijd de ziekte niet epizoötisch had geheerscht.

Hoe Overbeek op grond van de ervaring over rustperioden en
epizoötiën in den tijd van 1901 1918 tot een oordeel komt over
die in den tijd 1918 -1928 dat als volgt luidt :

,,Er treedt dus met de korter wordende rustperiode tusschen de
verschillende epizoötiën niet altijd toenemende goedaardigheid in
het karakter der ziekte op", is mij niet duidelijk. Doch dit wil ik
ter zijde laten.

Nogmaals wijs ik er op, dat terwijl ik mijn bewijzen dus zoek uit
i° mededeelingen in de verslagen van het Veeartsenij kundig Staats-
toezicht over de laatste 10 jaar en
het experimenteel onderzoek,
O
vekbeek de historie te baat neemt van de voorgaande 18 jaren.
Hij komt tot deze conclusie : „Het is voor wien de praktijk gevolgd
heeft, dan ook wel heel duidelijk, dat de goedaardigheid öf kwaad-
aardigheid der ziekte niet of in ieder geval niet hoofdzakelijk direct
en indirect gevolg is van de heerschende immuniteit, doch integen-
deel, zeker in hoofdzaak, van
eigenschappen der smetstof of van
andere omstandigheden dan heerschende immuniteit, welke daarop
inwerken
(curs. O.).

Voor ik op de gegevens der practijk inga, wil ik nog op één punt
wijzen, een derde bewijs voor mijn meening, dat in mijn vorig
stukje niet genoemd is en toch van groote waarde, erkend door
ieder, die de beteekenis der serumbehandeling erkent. Dat de
passieve immuniteit, het doet er niet toe of deze lang of kort duurt,
doch opgewekt door inspuiting van antistoffen, een toestand is,
waarbij de smetstof, zoowel wat betreft de infectiositeit als de
virulentie, belangrijk kan worden gedrukt, zoodat boosaardigheid
LVI 21

-ocr page 324-

in goedaardigheid kan verkeeren en men zelfs in staat is bij ge-
ringe infecties de ziekteuitbraak te voorkomen, wijst ondubbel-
zinnig op de wisselwerking tusschen het lichaam, dat een zekere
onvatbaarheidsgraad bezit, en het virus.

Overbeek merkt dan op, dat de epizoötie in 1918 in den aan-
vang
goedaardig was, in 1911 evenzoo en die in 1907 ,,een zachte
epizoötie die een heel goedaardig karakter vertoonde".

Wanneer men het karakter eener epizoötie in de onderdeden
van haar verloop nagaat, wordt de taak om enkele vaste punten
te bereiken, waarlijk niet gemakkelijker.

Over het begin der epizoötie in 19x8 heb ik het dan ook niet ge-
had. Daargelaten de kwestie van den duur van het „begin", is er
echter de gewettigde opvatting, dat een virus, ergens uit het bui-
tenland komende en waarschijnlijk weinig virulent (misschien na
passage door een half immune veestapel ergens in Polen of Siberië,
wie weet dit ?) zich eerst moet aanpassen.

Kan het geen verschil uitmaken of de smetstof al of niet eerst de
kans krijgt in het voorjaar kalveren en biggen te passeeren en
daarmede haar virulentie toeneemt, vóór zij met volle kracht het
weidevee gaat besmetten ? Zijn het geen wetenschappelijk er-
kende feiten, dat passage door verschillende diersoorten de viru-
lentie kan doen stijgen en doen dalen ?

Aanpassing is geen willekeurig begrip.

En welke zijn de omstandigheden, waardoor dit den eenen keer
snel gaat, dan anderen keer langzaam ? Deze en nog vele andere
omstandigheden, waarom het hier overigens niet gaat, zijn voor
mij dingen, even onnaspeurbaar, wat betreft het begin der aan-
gehaalde epizoötien als voor O
verbeek.

Toch, erkennende, dat het virus in zijn kracht tijdelijk op één
hoogte kan blijven staan, zal het oogenblik komen, dat na voldoende
aanpassing, een gevoelige veestapel op een kwaadaardige wijze kan
worden aangepakt, zooals dit in 19x1 en 1919 het geval was of dat
het virus stuit op een half immune veestapel en door deze immuni-
teit in toom wordt gehouden, hetgeen ik meen te mogen beweren
van de epizoötie van 1928.

En wat betreft de zachtheid van de epizoötie van 1907. Ruim
270.000 beslagen werden aangetast.

In het Verslag van het Veeartsenijkundig Staatstoezicht over
1907 vinden wij in het bericht voor N.-Holland (60.000 gevallen)
dat de ziekte goedaardig verliep, hetgeen klopt met de bewering
van O
verbeek. Van Z.-Holland (ruim r3o.ooo beslagen) staat ge-
schreven, dat het verloop der ziekte in het algemeen kwaadaardig
was. Een schadeberekening noemt een bedrag van 3 millioen. Dit
klopt niet.

Hoewel dus ook deze epizoötiën het tegendeel van mijn bewering
niet aantoonen, wil ik toch niet uitsluiten, dat het eens wel het geval

-ocr page 325-

kan geweest zijn of het nog eens kan worden. Ik verwijs nogmaals
naar het hiervoor gezegde omtrent aanpassing en naar mijn stukje,
waar ik ook heb gesproken over het feit, dat de virulentie onder
verschillende invloeden staat.

Als het ging om verklaring van het vraagstuk van de oorzaken
der boosaardigheid — een ander dan het onderhavige — waarbij
behalve vatbaarheid één of meer eigenschappen van het virus,
waaromtrent nog weinig klaarheid bestaat een rol spelen, dan zou
ik mij evenals O
verbeek daaraan voorloopig niet wagen.

Ik wil niet nalaten in dit verband toch te wijzen op een disser-
tatie van M. M
iller, München, 1921, betr.: Beiträge zur Erfor-
schung der Ursachen des bosärtigen Verlaufs der Maul- und Klau-
enseuche, 1918—1920. Zijn conclusies luiden aldus :

I. Die Bösartigkeit eines Seuchenzuges wird lediglich durch zwei Faktoren:
die Widerstandskraft der Tierbestände und die Virulenz des Seuchengiftes, be-
stimmt.

II. Beide sind wechselnde Grössen, die sich gegenseitig in der Seuchenwelt beein-
flussen .

A. Die Widerstandskraft der Bestände sinkt :

1. Beim Fehlen der Durschseuchungsmöglichkeit.

2. Beim Fehlen vererbbarer (von der Mutter übertragbarer) Immunität.

3. Bei Intensivirung der Viehhaltung (bestmöglichste Ausnützung der Ver-
schiedenen Nutzungen der Tiere).

4. Durch Verjüngung der Bestände empfänglicher Tiere (Züchtung frühreifer
Rassen) (die vererbte Immunität ist schon bei der zweiten Generation schwächer,
oft fast gleich Null).

5. Durch verweichlichende Haltung und Pflege.

6. Bei warmer Jahreszeit.

B. Die Virulenz steigt rasch :

1. Bei Passage durch hochempfängliche Tiere.

2. Durch Möglichkeit rascher Übertragung von Tier zu Tier, besonders unter
Umgehung der Blutbahn, (örtliche Infektionen im Pansen, Einreiben des Virus
im F\'lotzmaul oder Rüssel).

3. Durch Passagemöglichkeit bei jugendlichen Tiaren.

4. Durch Wechselpassag; durch empfängliche Tierarten.

5. Durch hohe Auszentemperatur. u. s. w.

Onjuist is mijn bewering geweest, dat de ziekte in 1919 en 1920
weinig dieren onaangetast liet.

Van een algemeene immuniteit kan dan ook niet worden ge-
sproken. Uoch dat de daarna aanwezige immuniteit er een geweest
is, die niet over het hoofd is gezien, getuigen de mededeelingen van
eenige inspecteurs van den Veeartsenij kundigen Dienst.

In het verslag 1923 schrijft o. a. de inspecteur te Leiden :

,,()ok werden van de veestapels lang niet alle dieren aangetast :
veelal bleven oudere koeien van 4 jaar en ouder vrij door de in
1920 verworven immuniteit".

De inspecteur te Rotterdam schrijft : „Runderen, die in 1919 en
(of) 1920 waren doorgeziekt en in besmette koppels verbleven,
bleven bijna steeds vrij."

-ocr page 326-

Ten slotte wil ik opmerken, dat wij, hoe lastig het vraagstuk
van het mond- en klauwzeer in enkele onderdeelen ook is, niet te
huiverig moeten zijn, om waar experimenteel werk ons eenige hou-
vast geeft en het werk der epizoötologen ons zooveel licht brengt,
een verband tusschen bepaalde verschijnselen te erkennen.

Rotterdam, Februari 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

Obwohl Verfasser zugibt dass der mehr oder weniger bösartige Charakter einer
Seuche von verschiedenen Sachen abhängt, war jedoch nach seiner Meinung der
günstige Verlauf der 1928er Maul- und Klauenseuche-epizoötie in Holland haupt-
sächlich die Folge der erworbenen Immunität.

SUMMARY.

Although the author admits that mildness and malignancy of an epizootie de-
pends upon different factors, he, however, persists that the mildness of the epi-
zootie of foot- and mouth disease in 1928 in Holland was mainly clue to immunity
obtained by previous outbreaks.

RÉSUMÉ.

En admettant que le caractère bénin ou sévère d\'une épizootie dépend de dif-
férentes choses, i persiste dans son opinion que la forme peu grave de la fièvre
aphteuse en Hollande en 1928, était surtout due à l\'immunité du cheptel.

BOEKAANKONDIGINGEN.

Ernst Joests, Handbuch der Speziellen Pathologischen Anatomie der Haustiere.

5. Band I Hälfte. Gefässc ; blutbildende Organe. Mit 122 Abbildungen im Text.
Berlin 1929. Verlagsbuchhandlung von
Richard Schoetz. Prijs M. 21.—.

Van de 5e band van het bekende handboek der Pathologische Anatomie der
huisdieren is de eerste helft versehenen. Achtereenvolgens worden behandeld de
bloedvaten en lymphvaten door
Ackerknecht, Zürich en Krause, Berlin, en de
bloedvormcnde organen door
Folke Henschen, Stockholm, welke hoofdstukken
resp. 172 en 210 bladzijden groot zijn.

Zonder twijfel is van een algemeen pathologisch standpunt bezien het hoofdstuk
over pathologie der bloedvormende organen het belangrijkste. Na een uitvoerige
uiteenzetting van de bloedvorming en van de functies der bloedvormcnde organen
in het normale en in het zieke lichaam, volgt een beschrijving van de verhouding
bloedvormende organen en stofwisselings- en infectieziekten, en de leucosen. Hierna
wordt afzonderlijk beschreven de pathologie van beenmerg, lymphklieren en milt.
Dit hoofdstuk is juist zoo bijzonder actueel omdat er in de laatste jaren verschil-
lende nieuwe inzichten zijn gekomen in de beteekenis van dit Systeem voor het
organisme en ook wat betreft afkomst en verwantschap van de verschillende cellen,
die deze organen opbouwen.

De bloedvormende organen behooren tot de meest bestudeerde weefsels in den
tegenwoordigen tijd. Dit is clan ook wel de oorzaak, dat in dit hoofdstuk niet zoo-
zeer de persoon des schrijvers op den voorgrond treedt, dat de auteur voornamelijk
volstaat met het weergeven van de waarnemingen van de verschillende onder-
zoekers.

Trouwens het feit, dat Joest na hst verschijnen van het eerste gedeelte van dit
groote werk b;sloot tot den naam „Handboek" en niet tot „Leerboek" stempelt
het werk vanzelf al in zekere mate tot iets onpersoonlijks, tot iets neutraals. Een
oordeel is, dat de auteurs nä
Joest, niet trachten hun persoonlijke meening aan

-ocr page 327-

de lezers op te dringen. Hen nadeel is, dat liet werk zich hierdoor, naast den grooten
omvang minder goed leent tot studieboek voor studenten.

In het eerste hoofstuk worden de ziekten van bloed- en lymphvaten beschreven
Uit den aard der zaak is dit hoofdstuk meer bezonken en eenvoudiger van inhoud.

H. Schornagel.

INGEZONDEN.

Zeer Geachte Redactie.

In het uit „Het Vaderland" overgenomen artikel „De positie der Militaire Paar-
denarts (zie aflevering 4 van den loopenden jaargang) komt de mededeeling voor,
dat in de laatste jaren de gemiddelde studieduur der dierenartsen minimum
6$ jaar bedraagt. Naar aanleiding hiervan zou ik langs dezen weg tot den onbe-
kenden schrijver van dat artikel het verzoek willen richten om in ons tijdschrift
bekend te willen stellen uit welke officieele gegevens bovenbedoelden studieduur
werd berekend. Hoogachtend,

Den Haag 20 Febr. 1929. W. van der Burg.

Aan Heeren Dierenartsen in Nederland.

Voor de menschelijke pathologie is het van groot belang een inzicht te krijgen
in het ontstaan van aangeboren misvormingen. Dit nu kan uiteraard bevorderd
worden door een vergelijkende studie van gelijksoortige aandoeningen, welke bij
de huisdieren voorkomen. Ik wijs op de aangeboren heupontwrichting bij runderen,
op de ledemaatsdefecten en aanleg van overtollige ledematen en deelen van lede-
maten, bij verschillende dieren, welke zich o. a. in lioefmisvormingen kunnen uiten,
of b.v. in het voorkomen van overtollige teenen bij kippen. Nu is mijn verzoek
aan U, om, indien de geboorte van een dier niet aangeboren misvorming te uwer
kennis komt, dit aan mij te willen melden, opdat ik het van den eigenaar kan ver-
krijgen, zoo noodig tegen betaling. Ook zal ik, indien een uwer het betreffende
dier zelf kan verkrijgen en mij opzenden, gaarne de kosten vergoeden. Terwijl het
verkrijgen van eenigc levende exemplaren mij misschien in staat zal stellen zeer
gewenschte kruisingsproeven te doen, zal ik ook op toezending van doode exem-
plaren of preaparaten grooten prijs stellen. Bij voorbaat dank ik U voor uwe
medewerking.

Rotterdam, Februari 1929.

Westersingel 103. Dr. J. van Assen Jzn, orthopaedisch chirurg.

BERICHTEN.

Te laat verschijnen van het Tijdschrift kan vermeden worden als de mede-
werkers hun inzendingen
tijdig sturen en de ter correctie ontvangen drukproeven
denzelfden, of daaropvolgenden dag naar de drukkerij terugzenden.

Inzendingen voor een bepaalde aflevering dienen minstens 14 dagen vóór
het verschijnen in het bezit der Redactie te zijn; alleen korte berichten kunnen
tot een week vóór het verschijnen, dus tot de 8e en 23e, aan de Redactie
worden gezonden.

-ocr page 328-

NATUUR- EN GENEESKUNDIG CONGRES.

Het (22ste) Nederlandsch Natuur- en Genesskundig Congres woidt (dit jaar)
te Rotterdam gehouden op 2, 3 en 4 April. Het bevat 4 afdeelingen : ie afd. Wis- en
Natuurkundige Wetenschappen, voorzitter A. D.
Fokker ; 2e a£d. Biologische
Wetenschappen, voorz. L.
F. D. E. Lourens ; 3e afd. Geneeskundige Wetenschap-
pen, voorz. H.
Burgerhout, met onderafd.: Inwendige Geneeskunde, Tropische
Geneeskunde, Gsneeskundige Statistiek, Verloskunde en Diergeneeskunde ; (voorz.
H.
E. Reeser) 4e afd. Geologisch-geographische Wetenschappen, voorz.
W. E.
Boerman.

Het programma bevat voor diergeneeskundigen veel belangrijks, zoowel op
eigen- en grensgebied als op andere terreinen der wetenschap. Van de vele voor-
drachten zijn voor ons vooral van belang : (Woensdag 3 April) T.
Folpmers : Aan-
toonen van echte colibacillen in water ; J. Roos : Iets over actiestroomen van
gladde spieren
; G. Krediet : Varkensintersexen ; (Donderdag 4 April) : H. A.
Vermeulen :
Het ruien der vogels ; A. Hagendoorn : De noodzakelijkheid om
voor physiologische onderzoekingen liomozygoot dierenmateriaal te gebruiken ;
J. H.
Akkerman : De geneeskundige werking der fermenten, aanwezig in het nor-
male bloed ; J.
Hekman : Techniek der complement-bindingsreacties bij tubercu-
leuze aandoeningen en haar beteekenis voor de kliniek der tuberculose
; F. S. P.
van Buchem ; Het mechanisme van het partieele hartblok ; L. Polak Daniels :
Over het gebdrag van het hart bij enkele infectieziekten ; W. Hondius Boldingh :
Vereenvoudigde Stereo-Röntgendiagnostiek ; P. R. Michael : over Shock ; W.
A. P. Schüffner : Gele koorts in Ned-Indië ; E. P. Snijders : Paratyphus ; P. C.
Flu :
Immunisatie tegen pest; F. Daels : Locale anaestesie ; M. A. van Bouwdijk
Bastiaanse :
Het gebruik van pituitrine in de verloskunde ; K. Büchli : Tuber-
culose bij het schaap ; H. A.
Meylink : Een voldragen foetus, 17 maanden in de
peritoneaalholte na uterusruptuur ; A.
Clarenburg : Gewijzigde methode van
Hohn vooi het kweeken van tubercelbacillen en de waarde hiervan voor de vete-
rinaire hygiëne
; C. F. van Oyen : Veeartsenijkundig toezicht bij de winning van
modelmelk
; J. van der Hoeden : Over Salmonella (Paratyphus B) typus Scliot-
miiller ; L.
de Blieck : Immunisatie tegen ovale bacillen ; B. J . C. te Hennepe :
Een en ander over diermeel ; H. S. Frenkel : Zoogenaamde natuurlijke koepok-
ken en infecties daarmede bij den mensch.

Men wordt lid van hat congres door, onder vermelding van naam, kwaliteit en
woonplaats, de contributie te storten of over te laten schrijven op de postrekening
(No. 36711 Amsterdam) der Vereen. „Het Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig
Congres". De contributie bedraagt voor
gewone leden f 3.— per jaar (men verbindt
zich voor minstens 2 jaar, en ontvangt een ex. der „Handelingen").
Tijdelijke leden
(alleen voor dit congres) betalen ƒ4. -. Programma en congreskaart zijn op de
congresdagen te verkrijgen aan het
congresbureau : op Dinsdag 2 April \'s nam. half
twee tot half vier in bovenzaal Café Restaurant Tivoli, Coolsingcl 53a ; Woensdag
3 en Donderdag 4 April van af \'s morgens 9 uur in de Handelshoogeschool Pieter
de Hoochweg 122 en in het Gemeentelijk Ziekenhuis (artsenzaal, ingang Crispijn-
laan 94). Ook kan men zich daar nog op de congresdagen als lid opgeven en de con-
tributie storten. Het congres begint Dinsdag 2 April \'s middags 2 uur met een Alg.
vergadering in bovenzaal Tivoli, Coolsingel 53a. Het is zeer te hopen dat vele die-
renartsen zich als lid aangeven en op het congres aanwezig zijn.

Het programma van het niet-wetenschappelijk gedeelte is:

Dinsdag 2 April: nam. 5 uur: Ontvangst van de Congresleden door het
Gemeente-bestuur ten Stadhuize.

\'s Avonds half negen Gezellig samenzijn in Restaurant
Bristol.

Woensdag 3 April: \'s namiddags: Een uitstapje door de havens en naar het
vliegveld.

\'s Avonds: Tooneeluitvoering in de Groote Schouwburg,

-ocr page 329-

daarna gezellig samen zijn in ,,La Gaité" Pompenbrug-
singel 7.

Donderdag 4 April: \'s avonds half zeven: Gemeenschappelijke maaltijd aan
boord van het Stoomschip Slamat der Rott. Lloyd.

Aftreden Dr. K. H. H. van der Zande.

I)r. van der Zande is met 1 Maart afgetreden als Inspecteur van het landbouw-
onderwijs, welke betrekking hij 19 jaren heeft vervuld. Hij is zoowel om zijn ver-
diensten als om zijn persoonlijkheid in hoog aanzien ; het voortreffelijk landbouw-
onderwijs in ons land is voor een groot deel te danken aan hem en zijn voorganger
Dr.
van Hoek.

Von Pirquet. t

Te Weenen overleed (door gasvergiftiging) Prof. Clemens von Pirquet, in de
diergeneeskundige wereld vooral bekend door zijn bekende tuberculose-reactie.

Nationaal Comité voor het Xle Internationaal Veeartsenijkundig Congres 1930
te Londen.

\'s-Gravenhage, 25 Februari 1929.

Van het Hoofdbestuur der Ned.-Indische Vereeniging voor Diergeneeskunde
is bericht ontvangen, dat door genoemd Hoofdbestuur een comité is samengesteld,
hetwelk op de eerstvolgende Algemeene Vergadering op 22 Maart 1929 advies
zal uitbrengen omtrent het schrijven van het bestuur van het Nederlandsche
Comité van 9 November 1928.

In bedoeld Ned.-Indische Comité hebben zitting de Heeren :

Dr. W. van den Akker, Hoofd van den Veterinair-Hygiënischen dienst te
Bandoeng, Dr.
C. Bubberman, Directeur van het Veeartsenijkundig Instituut te
Buitenzorg, J.
van Dulm, Inspecteur van den Militair-Diergeneeskundigen
dienst te Bandoeng, J. L.
van Eck, Hoofd van den Burgerlijken Veeartsenijkundi-
gen dienst te Buitenzorg, Dr. H. J.
SmiT, Directeur van de Ned.-Indische Vee-
artsenschool. De Secreataris,

A. ten Sande-

Leesgezelschap.

The Journal of the American Association, waarvan het abonnement in December
werd besteld, werd nog niet ontvangen. Vermoedelijk is er een abuis, daar ook
geen bericht van ontvangst werd gezonden ; een en ander wordt onderzocht. Alle
overige bladen komen regelmatig binnen. Wij wijzen nog op de beschikbaarstelling
van jaargangen 1928 en van losse nummers ; aanvragen te richten tot den tweeden
ondergeteekende.
 Klarenbeek.

Eichholtz.

Jaarboekje 1929. Veranderingen.

Dr. A. Diemont verhuisd van Nijmegen, Havenweg 10 naar Hillegersberg,
J. van Ghestellaan 37.

P. M. Veenstra van Hoorn, Groote Noord, 130 naar Hoorn, Gouw 17.

Op blz. 77 is bij de opgave van de Inspecteurs v.d. V. A. Dienst niet vermeld :
de Inspecteur van dien dienst
P. J. \'t Hooft P. Jz. te \'s-Hertogenbosch, die
geen district heeft doch werkzaam is ten behoeve van de tuberculosebestrijding
onder het rundvee voor het giheele land. (Zie blz. 41).

Vitamine C. in ingekuild gras.

Dr. E. Brouwer (Proefboerderij Hoorn) toonde door proeven op cavia\'s aan
dat het vitamine C., dat rijkelijk in vers gras voorkomt, door het inkuil;n grooten-
deels verloren gaat. Ook hooi is arm aan vitamine C. ; in verse koemelk komt
dit vitamine voor.
 Vr.

Rijks Universiteit te Utrecht.

Volgens mededeeling van den Ab-actis, de heer L. S. B. G. H. Harmsen,
is het abt-actiaat der Diergeneeskundige Faculteit van het Utr. Stud. Corps
(U. S. C.), verplaatst van Soenredamstraat 20 naar Oude Gracht 2i4bisA.

-ocr page 330-

Mond- en Klauwzeerbestrijding.

In de Hoofdbestuursvergadering van de Hollandsche Maatschappij van Land-
bouw, op 20 Febr. 1929, waar ook tegenwoordig waren Dr.
Berger en Dr. Lourens,
was men overtuigd van de wenselijkheid de bestrijdingsmaatregelen te hand-
haven en op de toepassing scherp toe te zien. Ofschoon door de aard van handel en
marktwezen in ons land uitgebreide seruminspuitingen niet altijd uitvoerbaar
zijn, moeten deze toch zoo mogelijk worden toegepast indien daarmede resultaat
verwacht kan worden. Verder moet gestreefd worden naar verbetering van markten
en marktstallen ; ontsmetting van vervoermiddelen (vrachtauto\'s) is wenselijk.
Alle bij de bestrijding betrokken personen, veehouders, veehandelaren, burge-
meesters, ambtenaren van den Veeartsenij kundigen dienst, dienen hun volle mede-
werking te verleenen.

In de Alg. vergadering van de Friesche Mij. v. Landbouw (op 25 Febr.) deelde
de Voorzitter, de heer J.
Wuite, mede dat hij, in een vergadering aan het Dep.
v. Landbouw heeft aangedrongen op : verstrekken van mond- en klauwzeer-
serum voor exportvee en ook (zoo mogelijk gratis of tegen lagen prijs) voor
marktvee ; ontsmetting van vervoermiddelen ; nauwkeurig inspecteeren van
markten ; zware bestraffing van overtredingen (niet-aangeven, frauduleus ver-
voer). (Alg. Ned. Landbouwblad No. 773, 1929).

Mond- en Klauwzeer in de Vereenigde Staten, Noord-Amerika.

In de buurt van Los Angeles (Californie) is in een kudde varkens mond- en klauw-
zeer uitgebroken. De diagnose werd gemaakt door Dr.
J. D. Mohler, chef van het
Bureau of Animal Industry, de 19 Jan. 1929. Reeds den volgenden dag waren
dierenartsen, bekend met mond- en klauwzeer bestrijding, ter plaatse en werd de
heele kudde van 3500 dieren geslacht en verbrand. Tot nog toe zijn geen verdere
gevallen vastgesteld. Gelukkig was de boerderij (ranch) tamelijk afgelegen ; toch
is om de plaats een quarantaine-zóne getrokken.

Er wordt onderzoek gedaan naar de wijze van besmetting ; waarschijnlijk is
deze gebracht door afvalproducten (garbage) waarmee de varkens gevoed waren
en die afkomstig waren uit een schip dat een vreemde haven had aangedaan en
later te San Pedro in Californië binnenliep.
 Vr.

PERSONALIA.

Verhuisd: Dr. Aug. Diemont Jr. van Havenweg 10 Nijmegen naar J, van
Ghestellaan 37 Hillegersberg.

BIBLIOGRAFIE.

F. J. J. van Rijn, Trekproeven bij paarden, een onderzoek naar de trekkracht
en het arbeidsvermogen van paarden in Nederland met behulp van het toestel
van Prof. Visser. Proefschrift a. d. Veeartsenijkundige Faculteit. Wageningen,
H. Veenman & Zonen, 1929. 8°. 283 blz. met 12 afb. en 5 pl.

Nederlandsch Rundvee-stamboek, 1927—1928. Groep : Zwartbont Hollandsch
Veeslag. Afl. 53, H. Den Haag, Hoofdbureau van het Ned. Rundveestamboek,
[1929]. 8°. 350 blz.

It Groep : Roodbont Maas—Rijn—IJssel Veeslag. Afl. 53, M. R. IJ. lbid. [1929].
8°. 162 blz.

It Groep : Zwartblaar of zwartwitkop Groningsch Veeslag. Afl. 53, G. Ibid.
[1929] 8°. 37 blz.

W. A. Derksen, Nuttige wenken over de kippenliouderij en edele pelsdieren-
teelt. Loo, Centraalbroederij ,,Valkenhof", 1929. 8°. M. afb.

-ocr page 331-

C. S. Th. van Gink, Natuurlijk broeden en opfokken van kuikens. Amsterdam,
Uitg. Mij. Kosmos, 1929. 8°. 47 biz. m. 32 afb. ƒ 0.75.

Weten en Kunnen. Afd. Kleinveeteelt. No. 156.

T. Provasi, Elementi di parassitologia e terapia agraria. P. 1. Livorno, R. Giusti
edit, tip., 1928. 16°. XIV 274
P- c- f> tav. L. 10.50.

P. i. I parassiti animali e. i. mezzi per combatterli.

Biblioteca degli studenti ; notize di storia, lettere, scienza ed arte. No.
704—710.

O. Rook, Contributo alio studio dell\' anafilassie sperimentale del cavallo. Pisa,
arti graf. Nistri—Lischi, 1928. 8°. 17 p.

Laboratorio di patologia e clinica medica : istituto sup. di medicina vet. di Pisa.

V. Barducci, La selezione fisiologica nel miglioramento degli animali domestici.
Catania,
F. Battiato, 1928. 16°. 65 p. L. 4.—.

Monografie agrarie e zootecniche. No. 146.

Katalog ôver Kgl. Veterinàrhôgskolan Lâsaret 1927—1929. Stockholm, J. Marcus
Boktryckeri, 1927—1928. 8°. 2 vol. 24 og 25 S.

Berâttelse over verksamheten vid Veterinarhogskolan under Liisaret 1927- 1928.
M. Bitriide av Hôgskolans lârare avg. av A. V.
Sahlstedt. Trollhàttan, Troll-
hiittans Tryckeri, 1929. 8°. 148
S.

3e Nordiske Veterinàrmete i Oslo 9—11 Juli 1928. Berctning. [Oslo, Kôlbelske
Bok-og Kunsttrykkeii, 1928.] 8°. 1021 S. m. Fig.

Meddelanden {ran Veterinarhogskolan i Stockholm. Arg. 3. 1927/1928. [Stockholm,
Statens Reproduktionsanstalt, 1929]. 8°.

Ch. Champy, Précis d\' histologie. Tom. 2. Paris, J. B. Baillière et fils, 1928. 8e.
XII -f 293 p. av. 228 fig. dans le texte

Tom. 2. Histologie des organes.

Bibliothèque du doctorat en médecine, publ. sous la dir. de P.Carnotet Fournier.

O. Navez, Technique de dissection du cheval Cureghem—Bruxelles, Thirifays,
1928. 8°. fr. 15.—

A. C. Aggarwala, The art of milking. Punjab, Department of Agriculture,
1928. 8°. W. ill.

Veterinary Bull. No. 20.

S. G. Goldschmidt, Stable wise. New-York, Scribner, 1929. 8°. 176 p. w. ill. $3.50.

L. A. Rogers, Fermented milks. Rev. by W. R. Albus. Washington, Govern-
ment Printing Oflice, 1928. 8°. 28 p.

U. S. Department of Agriculture. Bull. No. 319.

M. C. Hall, A calendar of livestock parasites. Washington, Government Prin-
ting Office, 1928. 8°. 2 14 p. w. 22 fig.

U. S. Department of Agriculture. Misc. Publ. No. 25.

Th. F. Mc Grew, Practical poultry keeping for the poultryman, the poultry-
farmer and the backyard poultry keeper. New-York, Nelson, 1928. Kl. 8°. 220 p.
w. ill. S 1.50.

Report of the Departmental Committee appointed to inquire into the Colonial
Veterinary Service. London, H. M. Stationery Office, 1929. Sh. 0.10.

Command Paper. No. 3261.

E. T. Hallman, L. B. Sholl and A. L. Delez, Observations on the pathology
of Bacterium Abortus infections. East Lansing, Agric. Exp. Stat., 1928. 8°. 19 p.
w. 17 pi.

Michigan State College. Agric. Fxp. Station. Techn. Bull. No. 93.

L. Stevenson, Parasites injurious to sheep. Ontario, Department of Agricul-
ture, 1928. 8°. 29 p. w. 33 fig.

Ontario Dept. of Agriculture. Bull. No. 337.

A. D. Ritchie, The comparative physiology of muscular tissue. New York,
Macmillan & Co., 1928. 8°. 122 p. w. diagr. S 3.—.

Cambridge comparative physiology.

-ocr page 332-

Poultry year book for 1929. A volume of reliable information for the poultry -
keeper. London, Poultry and Poultry Husbandry, 1929. 8°. 370 p. \\v. ill. Sh. 2.—.

M. J. Sutton, Permanent and temporary pastures. 2d ed. By M. H. F. Sutton
in coli, with J. Percival. London, Simpkin, Marshall, Ltd., 1929. 8°.

E. Nicolas, Veterinary and comparative ophtlialmology. Transl. and enl. by
H.
Gray. London, H. & W. Brown, 1929. 8°. 598 p. w. 225 ill. Clotli Sh. 16.—.

H. A. Baylis, Helminthology veterinary and zoological. London, Bailiiere,
Tindall & Cox, 1929. 8°. XII 304 p. w. 200 ill.

K. Brandt, Der heutige Stand der Berliner Milch Versorgung. Berlin, P. Parey,
1929. 8°. M. 45 Taf. und 39 Tab. M. 16.—.

Arbeiten der „Studiengesellschaft f. d. Milchversorgung Berlins". H. 2.

A. von Domarus, Einführung in die Hämatologie. Leipzig, G. Thieme, 1929
8°. 185 S. m. 14 Textabb. u. 3 färb. Taf. M. 14.—.

Zugleich 4te Aufl. des „Taschenbuch der klinischen Hämatologie".

C. Sprehn, Einige wichtige Helminthen-Erkrankungen der Pelztiere und ihre
Bekämpfung. Leipzig, A. Heber & Co., 1928.

Arbeiten der Reichs-Zentrale für Pelztier- und Rauchwaren-Forschung. H. 5.

R. Schmaltz, Atlas der Anatomie des Pferdes in topographischen und Einzel-
darstellungen. H. 5. Berlin, R. Schoetz, 1929. 4°. IX S., z. Tl. färb. Taf. 118—173,
Erkl. Bl. 118—173, XXI Sp., 1 färb. Titelbd. M. 48.—.

Tl. V. Der Kopf.

A. Albertini, Gutartige Riesenzellgeschwülste, eine vergleichende histologische
Untersuchung. Leipzig,
G. Thieme, 1928. 8°. 76 S. m. 24 z. T. färb. Abb.

P. Feichtinger Sen., Handbuch und Leitfaden der Biochemie. 2te Aufl. des
„Biochem. Leitfadens". Leipzig, W. Schwabe, 1929. Gr. 8°. XII 668 S. M. 15.

A. Czepa und R. Stigler, Der Verdauungstrakt des Wiederkäuers im Röntgen-
bilde. Mitteilung 2. Berlin u.s. w., Urban & Schwarzenberg, 1929. 40. IV4- 71 S. m.
50 Abb. im Text u. auf 8 Taf. [und 8 Bl. Erklärung]. M. 10.—.

Fortschritte der naturwissensch. Forschung. N. F. H. 6.

L. Michaelis, Entwicklungsgeschichte des Menschen mit Berücksichtigung der
Wirbeltiere, ute Aufl. von
R. Weissenberg. Leizig, G. Thieme, 1929. 8°. XII
294 S., 8 Bl. u. S. Erkl. m. 260 Einzelfig. in 102 Textabb. u. auf 6 teilweise
färb. Taf. M. 10.70.

H. Niemeyer, Hygiene der Milch. Berlin, P. Parey, 1929. 8°. 114S. m. 15 Text-
abb. M. 3.80.

Molkereitechnische Lehrhefte. No. 10.

Milchkontroll-Kalender. Ein Taschenbuch für Milchkontrollbeamte. Bcarb. u.
hrsg. von R. E.
Baschny. Jg. 1. 1929. Hildesheim, Molkerei-Zeitung, [1928]. Kl.
8°. 224 S. M. 2.50.

E. Gellhorn, Das Permeabilitätsproblem, seine physiologische und allgemein-
pathologische Bedeutung. Berlin, J. Springer, 1929. 8°. X 441 S. m. 42 Abb.

M. 34.—.

Geb. M. 35.40.

Monographien aus dem Gesamtgebiet der Physiologie der Pflanzen und der
Tiere. Bd. 16.

A. Lungwitz und P. Schmidtchen, Zeichenvorlagen für Hufbeschlag-Fach-
schulen. 3te Aufl. Neu durchgearb. von A.
Fischer. Hannover, M. & H. Schaper,
1929.
IV S. 34 Taf. 20 x 27 c.M. M. 12 - -.

E. Fröhner, Lehrbuch der Arzneimittellehre für Tierärzte. i3te Aufl. Stuttgart,
F. Enke, 1929. Gr. 8°. XII 460 S. M. 26.—.

Geb. M. 29.—.

A. Gstirner, Die wirtschaftlichen Leistungen aller in Steiermark gehaltenen
Rinaerschläge. Graz, Landwirtschafts-Ges. a. v. Kammer f. Land- und Forstwis-
senschaft in Steyermark, 1928. Gr. 8°. 184 S. m. 7 Taf. Sch. 3.—.

G. Wieninger, Die Geflügelzucht des Landwirtes und des Kleintierzüchters\'
3te Aufl. Neu bearb. von A.
Kromer. M. e. Anhang über künstliche Brut. Wien,
Scholle-Verlag, 1929. Gr. 8°. 60 S. m. 42 Abb. Sch. 2.—.

Scholle-Bücherei. Bd. 107.

-ocr page 333-

J. Vaeth, Die Staupe der Hunde und Silberfüchse und deren neuzeitliche Be-
handlung nebst Anh. über die Fütterung der Hunde. Hannover, M. & H. Schaper.
1929. 8°. 47 S. M. 2.—.

Amtlicher Bericht über das erste Prüfungsjahr 1925/1928. Erst, von Wein-
miller.
München. 1929. 8°. 70 S. M. t.20.

2te Bayerische Leistungsprüfung für Hühnerstämme.

K. Scharrer, Chemie und Biochemie des Jods. Stuttgart, F. Enke, 1928. 8°.
192
S. m. 18 Kurven und 76 Tab. M. 18.—.

Geb. M. 20.—.

J. Stroiil, Missbildungen im Tier- und Pflanzenreich. Versuch einer vergleichen-
den Betrachtung. Jena, G. Fischer, 1929. Gr. 8°. VIII 62
S. m. 17 Abb.
im Text. M. 3.—.

A. Richardsen, Die kombinierten Wettbewerbe in der Rinderzucht und ihr
weiterer Ausbau. Berlin, P. Parey, 1928. 4°. 32 S. M. 2.—.

Aus : Zeitschrift f. Tierzüchtung und Züchtungsbiologie. Bd. 12.

C. Kronacher, Ziichtungslehre. Eine Einführung f. Züchter und Studierende.
Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°. 384 S. m. 140 z. T. färb. Abb. M. 15.80.

Amiel, Démodécie et hypodermose des petits ruminants. Altération des cuirs.
Thèse de Paris. 1928.

Dieulouard, L\' habronémose des équidés au Brésil. Thèse de Paris. 1928.

Godard, De la strongylose gastro-intestinale. Essais de traitement par le sulfate
de cuivre et l\'huile thymoleé. Thèse de Paris. 1928.

Lecarpentier-Dubosq, La strongyloss bronchopulmonaire des bovidés. Traite-
ment et prophylaxie. Thèse de Paris. 1928.

Montaux, Recherches sur la glycémie. Thèse de Paris. 1928.

Lahogue, Nouvelle méthode de traitement de la hernie ombilicale des poulains
par pince métallique sur l\'animal debout. Thèse de Paris. 1928.

Blanchet, De l\'ascaridiose chez le cheval. Thèse de Paris. 1928.

Spielmann, La radiumthérapie par les boues radioactives permanentes en
médecine vétérinaire. Thèse de Paris. 1928.

Guillemenet, De l\'alimentation des vaches laitières par les fourrages ensilés.
Thèse de Paris. 1928.

Vimeux, Contribution à l\'étude comparative du rôle des graisses et des hydrates
de carbone dans l\'utilisation des protéines alimentaires. Thèse de Paris. 1928.

Grégoire, L\'épreuve de la phénol-sulfone-phtaléine chez le chien. Thèse de
Paris. 1928.

Choquart, Les marchés de bestiaux et le commerce du bétail au Tonkin. Thèse
de Paris. 1928.

Leroy, Etude zootechnique de quelques échantillons de laine provenant d\'
Afrique occidentale française. Thèse de Paris. 1928.

Tano, Du contrôle laitier à l\'état normal et à la suite d\'une épidémie d2 fièvre
aphteuse. Thèse de Paris. 1928.

Grasset, Les oeufs congelés. Thèse de Paris. 1928.

Menet, Contribution à l\'étude de la castration du coq et de l\'autruche. Thèse
de Paris. 1928.

Lavieille, Réflexion sur la thermométrie. Thèse de Paris. 1928.

Bedu, Contribution à l\'étude de l\'action des extraits de labe postérieur d\'hypo-
physe sur la diurèse. Thèse de Paris. 1928.

Vlalijkin, Le cancer de l\'estomac et de l\'intestin chez les animaux. Etude
anatomo-clinique. Thèse de Lyon. 1928.

Monteil, Contribution à l\'étude de la population bovine du département de la
Loire. Thèse de Lyon. 1928.

Bézert, L\'élevage du gros bétail dans le bassin inférieur du Sébou. (Maroc).
Thèse de Lyon. 1928.

Pérès, Quelques considérations sur la pleurésie tuberculeuse du chien. Thèse
de Toulouse. 1928.

Fg. Balzar, Einfluss von parenteral einverleibten Eiweisskörpern auf den Blut-
zucker und Körpertemperatur. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

-ocr page 334-

A. Philipp, Wärmeschädigung der Speicheldiastase und deren Beeinflussung
durch verschiedene Salze. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

R. Viertbauer, Ueber die Reduktionsfähigkeit der Kuhmilch bei Methylenblau
und Janusgriin. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

R. Richter, Die Probepunktior der Bauchhöhle bei den Koliken des Pferdes.
Inaug.-Diss. Wien. 1928.

A. Schirl, Der Einfluss der Leberdiät auf das Blutbild bei der posthämorrha-
gischen Anämie des Hundes. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

A. Rosendorf, Ein Beitrag zur Anatomie und Histologie des Pferdethvmus.
Inaug.-Diss. Wien. 1928.

K. Ofenschüssel, Zur Frage der Beziehung der Körpertemperatur zum Blut-
zuckergehalt. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

F. Andiel, Ueber die Wirkung einiger Antipvretica auf den Blutzuckergehalt
beim Hunel. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

j. Pindur, Zur Feststellung der Eianzahl bei der Hündin bei Erkrankungen des
Uterus und Eierstockes. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

O. Kahls, Masseninfektionen mit Myxosporidien bei Fischen. Inaug.-Diss.
Wien. 1928.

A Fuhrmann, Die körperlichen Elemente in der Hundemilch vor und nach
der Geburt. Inaug.-Diss. Wien. 1928.

A. Mazoch, Das Becken des Rindes vom Standpunkt der Geburtsmechanik.
Inaug.-Diss. Wien. 1928.

E. Weber, Zur Therapie des Tetanus. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

J. Weiser, Ueber die Durchführung und die Resultate der Typhus- und Para-
typhusschutzimpfung in Frankreich vor, während und nach dem Kriege. Inaug -
Diss. Berlin. 1928.

Z. Felkes, Vergleichende Untersuchungen über die Menge des Amino-, Harn-
stoff- und Ammonia-Stickstoffes im Blute der Kühe und Föten. Inaug.-Diss. Bu-
dapest. 1928.

J. Hetyesy, Die Wirkung des Schwefeldioxydgases auf die Hornhaut. Inaug.-
Diss. Budapest. 1928.

J. Uhsin, Vergleichende Untersuchungen über die Menge des Blutzuckers bei
Kühen und Föten. Inaug.-Diss. Budapest 1928.

G. Katona, Vergleichende histopathologische Untersuchungen über die Hercl-
nekrosen der Leber bei einigen Geflügclkrankheiten. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

S. Ronai, Vergleichend-anatomische Untersuchungen über die Brustmuskeln.
Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

J. Hof, Das Vorkommen des Bacillus gallinarum Klein in eler Kloake von Hüh-
nern. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

G. Sal, Die Pigmentation des Pferdehodens. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

J. Bencze, Fötale Blutgefässreste in den Augen neugeborener Lämmer. Inaug.-
Diss. Budapest. 1928.

S. Wagner, Neuere Angaben zur Morphologie und Biologie des Vibrio fetus.
Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

K. Rusvay, Ueber die Staupe der Hunde unter bes. Berücksichtigung deren
nervöser Form. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

J. Kerekes, Ueber die Bestimmung der Erythrozyten zahl und des relativen
Hämoglobingehaltes im Rinderblute. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

j. Hejj, Die Haut und die Hautgebilde des Kaninchens. Inaug.-Diss. Buda-
pest. 1928.

J. Ivopek, Beiträge zur Kenntnis der Mallophagen der Haus- und Wildtierc.
Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

G. Szakall, Experimentelle Untersuchungen zur Erklärung der Pathologie der
subendokardialen Blutungen der Schlachttiere. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

E. Zsovinecz, Der Augapfel des Kaninchens. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

A. Harajda, Ueber den Chlorgehalt bei Kühen und Föten. Inaug.-Diss. Bu-
dapest. 1928.
 du Buy.

-ocr page 335-

REFERATEN.

VLEESCHHYGIËNE

Het gewichtsverlies, na een 21 dagen durende koelperiode, van runderen met
cysticercosis.
(Finnige Rinder und ihr Gewichtsverlust nach 21 tägiger Kühlung.
Dr. Mahlendorff. Zeits. f. Fl. und Milchhyg., Jg. 39, pg. 8).

Van een 254 tal finnige runderen (13 ossen, 66 stieren, 51 koeien en 124 kalveren)
werd het gewicht bepaald bij het begin en het einde der koelperiode. Het bleek
Mahlendorff, dat het gewichtsverlies door indroging nogal belangrijk was en bij
de verschillende diersoorten uiteenliep. Bij ossen bedroeg het gemiddeld 5,81 %,
bij stieren 6,24 %, bij koeien 7,65 % en bij kalveren zelfs 7,8 %. Behalve dit verlies
moet gewoonlijk elk rund voor de definitieve vrijgave belangrijk worden opge-
knapt, daar veelal een groot gedeelte van het oppervlak der spieren bedekt is met
een vochtige, vettige bakterielaag. Ook dit brengt verlies mede.
Riech b.v. rekent
daarvoor gemiddeld bij elk dier een 3,13 % van het totaal gewicht. Bij de 254
bovengenoemde gevallen was, naar
Mahlendorff mededeelde, de koeling en de
vochtigheidstoestand in het koelhuis zoo goed geweest, dat slechts bij 1 rund
12 K G. vleesch moest worden afgekeurd. (Dit moet men echter als een groote
uitzondering beschouwen.)

Ten slotte wordt nog medegedeeld dat men meermalen in longen en slokdarm
cystioerci heeft aangetroffen. Eenmaal werd zelfs bij een rund alleen in de huidspier
en in één nier een blaasworm waargenomen, terwijl juist de gewoonlijk besmette
deelen (kop, tong, hart, middenrif) geheel vrij waren.

De onderscheiding van de echte Paratyphus B bacillen van de Breslau-Enteritidis
bacillen op de ammoniumchloride-rhamnose-agarvoedingsbodem.
(Unterscheidung
der echten Paratyphus B von den Breslau-Enteritisbakterien auf Ammonchlorid-
Rhamnose-Agar.
Pesch en Maschke. Klin. Wochensch. 1928, pg. 401, gerefe-
reerd in Zeits f. Fl. und Milchhyg. Jg. 39, pg. 11).

Het is mogelijk gebleken op ammoniumchloride-Rhamnoseagar Breslau-bak-
teriën te onderscheiden van Schottmüller en Gärtnerstammen. Breslaubakt. groeien
gewoonlijk na 20 uur reeds uitstekend, terwijl Schottmüller en Gärtnerbakterien
in het algemeen 11a 2 dagen nog geen groei vertoonen.

Pesch & Maschke geven het volgende voorschrift voor het bereiden van de
voedingsbodem. Aan 1 Liter 3 % agar worden toegevoegd 1 gram kalium-phos-
phaat, 0,5 gram magnesiumsulfaat, 0,02 gram keukenzout, alsmede spoortjes
ferrosulfaat en calciumphosphaat en 1,63 gram ammoniumchloride.

Nadat men in een autoclaaf de agar heeft doen smelten, wordt weer tot 1 Liter
bijgevuld en met 10 % Na OH gealkaliseerd. Daarna volgt toevoeging van 2 gram
Rhamnose, sterilisatie van 20 30 min. en het uitgieten der agar in petrischalen
(100 gram agar is voldoende voor 5 pctri-schalen met een doorsnede van 10 c.M.)

De afgekoelde hard geworden voedingsbodems worden daarna geënt met een
niet te dichte keukenzoutemulsie van de te onderzoeken stam en deze cultuur
wordt geplaatst in een broedstoof bij 37 C. Den volgenden en reeds daarop vol-
genden dag moet men de cultuur beoordeelen met doorvaliend licht.

Het beste doet men, slechts \'/3 gedeelte van de bodem te enten en de beide andere
derde deelen met een bekende Schottmüller- en Breslaustam te enten. Vervangt
men in de voedings\'bodem de agar door water, dan blijft deze bodem met paratyphus
B. en Gärtnerbakterien helder, met Breslaubakteriën krijgt men troebeling en bij
toevoeging van methylrood ook nog na 24 48 uur weer een kleuronderscheid.

Electrische en electromagnetische bedwelming van slachtvee. (Vorführung der
elektrischen Betäubung im Schlacht- und Viehhöfe zu Köln.
Dr. Bützler. Zeitsch.
f. Fl. und Milchhyg. Jg. 39, pg. 17).

Electrisch. Blijkens mededeeling van Bützi.er heeft men op 14—15 Aug. j.1.
op liet abattoir te Keulen, in het bijzijn van talrijke genoodigden, een aantal proef-
nemingen gedaan met het elektrisch bedwelmen van slachtvee, zooals reeds te
Berlijn, München, enz. had plaats gehad.

-ocr page 336-

Hierbij werd gebruik gemaakt van het door Ir. Weinberger geconstrueerde
apparaat, waarmee men de wisselstroom van het lichtnet van 220 Volt in een
gelijkstroom van 45—60 Volt kan transformeeren.

Van het groote vee werden bedwelmd 3 koeien, 2 ossen en 1 stier. Op de van
te voren natgemaakte lendenstreek en kop werd een electrode geplaatst. De stroom
werkte 1 minuut in. Onmiddellijk na het inschakelen van de stroom vielen de
dieren op den grond, zonder eenig geluid te geven en direct na de uitschakeling
werd de halssnede verricht. De uitbloeding der dieren was goed. Op 14 Aug. werd
verder tevens eerst een stier 2 maal achter elkaar electrisch bedwelmd, door de
stroom £—min. telkens te laten inwerken en liet men het dier weer bijkomen.
Het werd daarna op stal geplaatst en op den volgenden dag weer electrisch be-
dwelmd en daarna gedood. Eenige nadeelige invloed van het bedwelmen werd
bij dit dier niet waargenomen.

Tegelijk werden op denzelfden dag 14 varkens bedwelmd, in de Schermersclie
varkensval welke daarbij als electrode dienst deed. De 2de electrode, de z.g. han-
delelectrode werd het dier op de kop geplaatst. Onmiddellijk na inschakeling van
den stroom waren de varkens bedwelmd. De inwerking duurde ongeveer 10 secon-
den ; daarna werd de val omgewipt en het dier gestoken. Ook hier weer een zeer
goede uitbloeding. Evenals bij de runderen werd een varken slechts bedwelmd ;
na 2—3 minuten stond het dier weer op en liep volkomen normaal weg.

Elektromagnetisch. Op het abattoir te Halle a/d S. werd kortgeleden een proef
genomen met een elektromagnetisch penapparaat voor het bedwelmen van run-
deren. De uitvinder was H.
Lobenstein te Delitzsch. Doordat bij dit apparaat
geen patronen gebruikt worden, werkt het zeer goedkoop en zal het, aldus de
mededeeling in het Zeits. f. Fl. und Milchhyg., bij verdere volmaking zeer zeker
wel een toekomst vinden.

Het verwerken van vrijbankvleesch tot conserven. (Erfahrungen über Verarbeitung
von
Freibankfleisch zu Kimserven. Dr. Crohn, Zeits. f. Fl. und Milchhygiene, Jg. 39
pg. 22).

Op het slachthuis te Lübeck heeft men, toen te veel vrijbankvleesch aanwezig
was en men anders genoodzaakt zou zijn, het overblijvende vleesch, dat niet ver-
kocht kon worden, onbruikbaar te maken, een proef genomen door dergelijk vlecsch
tot conserven te verwerken. Niettegenstaande de prijs van dergelijke conserven
lager was dan de in den handel verkrijgbare conserven, bleek het publiek niet
veel kooplust voor de vrijbankconserven te bezitten en moest men nog vele maan-
den lang de verkoop volhouden.
Crohn trekt hieruit de conclusie, dat op plaatsen,
waar steeds voldoende verseil vrijbankvleesch voorradig is, liet conserveeren van
vrijbankvleesch nutteloos is, daar het publiek steeds het versehe vleesch boven
de conserven prefereert.

Paratyphosis bij het rund. (Paratyphus beim Rinde - L. Hübner. Der Österreich.
Tierarzt. 1928, pg. 63).

Hübner beschrijft een geval van paratyphosis bij het rund. Volgens de anamnese
zou de koe slechts zeer kort ziek zijn geweest en waren de verschijnselen groote
onrust, excitatie, moeilijke ademhaling en ten slotte neusbloedingen. Daar
Hühner
bij een vroeger geval in zijn praktijk geheel dezelfde symptomen waarnam, vraagt
hij zich af, of de paratyphosis van het rund niet klinisch tot een bepaald, vast
ziektebeeld kan worden samengevat.

Jodiumlucht aan het vleïsch. (Jodgeruch des Fleisches omphalitiskranher Kälber.
Dr. W. Hofmann. — Schweiz. Arcli. f. Tierheilk., 1928, pg. 488).

Vanaf 3 Mei 1928 werd een kalf niet Omphalitis een weeh lang behandeld niet
Jood-Joodkalizalf. Na genezing werd het dier op 19 Mei d.a.v. geslacht en onvoor-
waardelijk goedgekeurd. De slager kreeg spoedig klachten van de klanten, dat bij
het koken van het vleesch een medicijnlucht werd waargenomen. Bij nader onder-
zoek bleek inderdaad een Joodlucht aanwezig. Vooral
het beenmerg gaf bij koken
deze geur af. Aan het versehe vleesch werd niets abnormaals opgemerkt. Een
chc-misch onderzoek naar jodium was negatief.

-ocr page 337-

Na eenige dagen nam Ho*mann nog eens een analoog geval waar. Toen een
io dagen lange behandeling. Ook hier weer slechts bij koken een Jodiumlucht.

In bepaalde gevallen wordt dus het Jodium in het lichaam verzameld. De uit-
scheiding geschiedt door alle secreta en excreta, bij gevogelte zelfs door de eieren.

(Dus bij een behandeling van kalveren met Jood-Joodkalizalf is voorzichtigheid
geboden.)

Het ritueel slachten van runderen in pernocton narkose. (Schächtversuche bei
Rindern in der Pernoctcm-Narkose.
Dr. W. Lentz. — Berl. Tier. Wochens, 1928
Pg- 719).

Bij een 6 tal koeien werd intraveneus pernocton, (een praeparaat van de Chem,
Fabrik v. Riedel-Haen te Berlin—Britz) een barbituurzure natronverbinding, in
een hoeveelheid van 0,02—0,03 gram per K.G. lichaamsgewicht en opgelost in
physiologische NaCl-oplossing, ingespoten. Men kreeg daardoor een volkomen
narcose der dieren. Onmiddellijk na de injectie begint het dier te slingeren, wordt
duizelig, valt neer en is in diepe slaap. Het neerwerpen en kluisteren als bij de
Joodsche slachtmethode is dus overbodig.

Bij deze bedwelming zou dus, naar Lentz meent, aan de eischen van dieren-
bescherming worden voldaan, terwijl er tevens overeenstemming zou zijn met
de bijbelvoorschriften der Israëlieten, daar een volkomen leegbloeding van het
dier zonder laesie van de hersenmembraan mogelijk is.

Ook bestaat z.i. niet het gevaar, dat het dier, voordat men de halssnede gaat
verrichten, reeds dood is, wat men bij de electiische bedwelming niet geheel kan
uitsluiten.

Over de pathologische-anatomie van paratyphosis bij het kalf. (Zur pathologischen
Anatomie des Paratyphus der Kälber,
— K. Nieberle. •— Arch. f. wiss. Tierheil-
kunde, 1928, pg. 521).

In het verloop van de paratyphussepticaemie bij het kalf kan men, volgens
Nieberle, 2 reactieprocessen onderscheiden ; nl. een diffuse en een locale, haard-
vormige reactie. Terwijl de diffuse reactie ook bij andere infektieus-toxische pro-
cessen voorkomt, en men dus aan dit verschijnsel geen specifiek diagnostische be-
teekenis kan hechten, heeft men in de locale reactie een karakteristiek symptoom.

De tot dusver algemeen als miliaire orgaannecrose beschreven haardjes in organen
van kalveren met paratyphosis zijn of locale celwoekeringen met een necro-biotisch
karakter of het zijn van het begin af aan zuiver necrotische processen. In het necro-
biotische proces kan men, volgens
Nieberle, een woekering van de reticulo-
endothelien waarnemen. Het sterkst komt deze woekering voor in de lever, daarna
in de milt en in de lymphklieren.

Deze kleine celwoekeringen zijn specifiek voor de paratyphosis en zouden als
paratyphusknobbeltjes moeten worden aangeduid. De in deze knobbeltjes optreden-
de vaatveranderingen zou men moeten betitelen met de naam
endophlebitis para-
lyphosa.
De kalverparatyphosis kan men dus, naar de meening van Nieberle rang-
schikken onder de infectieuze granulomen. Al deze veranderingen zijn het gevolg
van de toxinen der paratyphusbacterie.

De door verschillende andere onderzoekers beschreven cyrrhotische verande-
ringen der lever staan, naar
Nieberle meent, zeer zeker in eenig verband met de
kal verpara typh us.

Hebben uien en knoflook eenigen invloed op de groei van bakteriën in worsten?

(Über den Einflusz von Zwiebeln und Knoblauch auf das Wachstum von Bakterien
in Würsten.
Danielsen, Zeitsch, f. Untersuchung der Lebensmittel, 1928, pg. 291).

Volgens een mededeeling van Schmidt & Siebert bevatten worsten gewoonlijk
op 100 deelen 0,12—3,2 deelen uien. Het knoflookgehalte is niet precies aan te
geven, zou men gerust op 0,015—°,°3 % mogen aannemen.

Danielsen trachtte nu uit te maken, of door de toevoeging van knoflook of
uien — samen tegelijk worden deze 2 bestanddeelen, volgens hem, in geen enkele
worst gebruikt — aan worstmateriaal de groei van eventueel aanwezige bacteriën
wordt bevorderd ot belemmerd. Hij deed zijn proefneming dus met versehe worsten,

-ocr page 338-

die uit versch vleesch gemaakt waren en welke later, noch aan koken, noch aan
andere bewerkingen, waren onderworpen geworden, waardoor eventueel aanwezige
bacteriën onschadelijk gemaakt zouden worden. De volgende bacteriesoorten ge-
bruikte
Danielsen voor zijn proef : nl. de aerobe proteus, mesentericus, subtilis,
coli,paratyphus Ben enteritidis Gärtner en verder de anaërode putrificus, Frankel,
Novy, Botulinus en Amylobacter.

De aërobe bacteriën vertoonden op agarplaten met knoflooktoevoeging een
goede groei; slechts coli bleef bij 0,5 % toevoeging iets achter in groei, Bij
sterke toevoeging (van 0,8 tot 1,00) groeiden alle aërobe bakt, zeer zwak.

De toevoeging van uien aan agarplaten gaf geen merkbaar verschil bij aërobe
bact. Ook in bouillon met knoflook — en uientoevoeging zag men, zoowel bij
aërobe als anaërode bact., nauwelijks eenig verschil met de contrólebuisjes.

Om nu de proef meer op de praktijk te doen gelijken, liet Danielsen ten slotte
van versehe vleeschsoorten, zonder eenige toevoeging, worst maken, deze zwak
rooken en ze daarna in schijven snijden. Deze worstschijven werden nu overgoten
met een afspoeling van 24-urige agarculturen van de aerobe bacteriën en van de
anaerobe bacteriën met een even oude leverbouiüonkultuur. In de op deze manier
behandelde worstschijven werden nu enkele stukjes knoflook of uien ingedrukt
en daarna liet men ze 24 uur groeien in de broedstoof. Ook hierbij kreeg
Danielsen
weer een negatief resultaat.

Uit dit onderzoek bleek dus dat de toevoeging van knoflook of uien aan worst-
vleesch de groei van eventueel daarin aanwezige saprophytische of pathogene
kiemen niet beinvloedt.

De oorzaak van de spierbloedingen bij het varken. (Zur Frage der multiplen Mus-
kelblutungen beim Schweine
— R. Hock — Zcitsch. f. Fl. und Milchhyg. 1928, Jg. 38,
Pg- 369).

Hock meent, dat de spierbloedingen bij het varken 111 verband staan met het
feit dat de pen van het bedwelmingsapparaat niet de groote hersenen heeft geraakt,
maar in de voorhoofdsboezem is terecht gekomen. Het dier heeft dus feitelijk een
kopslag ondergaan, wat juist de spierbloedingen zou doen veroorzaken. Verder
heeft
Hock onmiddellijk 11a het bedwelmen de hartwerking bij een io-tal varkens
nagegaan en bleek hem dat oogenblikkelijk na het schieten het hart zoo snel begint
te slaan, dat men de afzonderlijke slagen niet meer kan tellen. Langzaamaan komt
daarna het hart weer tot rust en houdt het bonzen op. Deze hartwerking duurt
ongeveer 3- 4 minuten. In verband met deze zeer sterk verhoogde hartwerking
meent
Hock, dat de spierbloedingen per rhexin, dus door vaatwandverscheuring,
zouden tot stand komen.

Men kan deze spierbloedingen voorkomen, door te zorgen, dat beslist bij het
schieten de groote hersenen worden gelaedeerd, wat men bereiken kan door in het
schietmasker een sterkere kruitlading te gebruiken (lading voor kleine runderen),
terwijl men tevens nauwkeurig acht moet geven op den stand van het schietmasker
op dc kop van het varken.
 de Graaf.

-ocr page 339-

Uit de Parasitologisehe afdeeling van het Instituut voor Parasitaire- en
Infectieziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht.

Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK.

trichostrongylosis bij schapen,

door

Dr. E. A. R. F. BAUDET.

Waar gesproken wordt over Trichostrongylosis bij onze her-
kauwers, denkt men meestal in de eerste plaats aan Haemonchus
contortus, welke parasiet in den lebmaag leeft. In de laatste jaren
is echter gebleken dat de kleinere trichostrongyliden dikwijls meer
op den voorgrond treden en in veel gevallen als hoofdverwekkers
van het maag- en darmlijden te beschouwen zijn.

Het aantoonen dezer kleinere soorten eischt onze bijzondere
aandacht daar men deze bij het gewone onderzoek van den darm
gemakkelijk over het hoofd kan zien.

Over het voorkomen van deze kleinere trichostrongyliden in
ons land wordt melding gemaakt door
Lourf.ns (6) in 1914 en in
hetzelfde jaar door
Wester (ii).

Beide beschrijven een maagdarm-ziekte bij geiten veroorzaakt
door trichostrongyliden.

Wester vond hierbij in de verschillende gevallen als oorzaak
Haemonchus contortus, gecombineerd met Strongylus subtilus
Looss 1895 (nu Trichostrongylus instabilis,
Railliet, 1893) en
Strongylus ventricosus.

Uit de beschrijving, welke Wester geeft zou men deze laatste
parasiet, in verband met de gewijzigde nomenclatuur, thans als
Cooperia oncophora (
Railliet, 1898) Ransom, 1907 moeten be-
schouwen.

De opgegeven maten doen echter ook aan Cooperia curticei
(Giles 1892) Ransom 1907 denken.

De door Lourens gevonden wormen werden niet nader ge-
determineerd. Veel gelijkenis hadden deze parasieten volgens hem
met Strongylus retortaeformis. Hij heeft hier mogelijk te doen
gehad met Trichostrongylus instabilis
Railliet 1893, Looss 1905.
Syn. Strongylus colubriformis Giles, 1892 part. of met Tricho-
strongylus colubriformis
Giles, 1892 ; Ransom, 1911. Syn. Stron-
gylus colubriformis
Giles 1892 part. ; Strongylus instabilis Rail-
liet,
1893 part. ; Strongylus retortaeformis Zeder, 1800 part.

Door Ihle (4) zijn in dit Tijdschrift (1917) een 9-tal door hem
gedetermineerde nematoden bij herkauwers nader beschreven.

Deze parasieten waren hoofdzakelijk afkomstig uit materiaal,
dat hem toegezonden was door de Kliniek voor inwendige ziekten,
het Pathologisch Instituut en de Rijksseruminrichting.

lvi 22

-ocr page 340-

Over het voorkomen van Trichostrongylosis bij kalveren en
hazen was ik in de gelegenheid in het begin van 1928 een mede-
deeling in dit tijdschrift te doen (1 en 2).

Korten tijd geleden werd de hulp van het Instituut ingeroepen
voor een ziekte bij schapen, welke verliep met symptomen van
sterke vermagering, anaemie, diarrhee en waarbij verscheidene
sterfgevallen voorkwamen.

Behalve een betrekkelijk gering aantal longwormen werden bij
de ter onderzoek ingezonden cadavers duizenden kleine tricho-
strongyliden in de lebmaag en in den darm aangetroffen.

De beste methode om deze parasieten aan te toonen bestaat
daarin dat men een zeer kleine hoeveelheid maag- of darminhoud
met een naar verhouding groote hoeveelheid water verdunt.

Bij sterk doorvallend licht kan men dan de draadvormige worm-
pjes waarnemen. Met behulp van den microscoop wordt dit onder-
zoek vergemakkelijkt.

Bij de gewone beschouwing van maag- en darminhoud vallen
deze parasieten echter niet op.

Bij 5 ter sectie gezonden schapen werden een drietal verschil-
lende trichostrongyliden aangetroffen en wel :

Trichostrongylus vitrinus, in hoofdzaak in de lebmaag, doch
verder ook in het duodenum.

Trichostrongylus extenuatus, in hoofdzaak in het duodenum,
doch ook in de lebmaag.

Nematodirus filicollis in betrekkelijk gering aantal in het duo-
denum.

De ziekteverschijnselen bij deze dieren waren dus het gevolg van
een hevige infectie met Tr. vitrinus en Tr. extenuatus.

Hieronder volgt een beschrijving van de parasieten:

Trichostrongylus vitrinus Looss, 1905 De lengte van het bedraagt 4 5.3 m.M
De beide spicula zijn grooter dan bij de overige Trichostrongyliden en hebben een
lengte varieerend tusschen 160 en 170 /(. De spicula zijn bruingeel van kleur en
eindigen in een tamelijk scherpen punt. (afb 1).

Het gubernaculum is 85 95 » lang, eveneens bruingeel van kleur Van de
ribben, welke de bursa steunen, is de externolaterale rib het breedst. De ventro-
ventrale en de postero-lateralc zijn bijna even breed en bereiken ongeveer den rand
van de bursa. I)e externodorsale rib is kort De dorsale rib is aan het einde in twee
takken gesplitst, welke meestal spits eindigen. De beide ventrale ribben loopen
divergeerend (afb 2 en 3). De lengte van het Q bedraagt 5 7 m.M. De breedte
ter hoogte van de vulva is 84 —92 11. In de omgeving van de vul va, die 1.13 1.25
m.M. van het achtereinde verwijderd ligt, bezit de cuticula onregelmatige verdik-
kingen. Bij jonge individuen zijn deze verdikkingen niet of slechts in geringe mate
aanwezig. De anus ligt aan de basis van het driehoekige spitse uiteinde. De lengte
der eieren bedraagt 84 90 ;/., de breedte 46 30 u.

Trichostrongylus extenuatus (Railliet 1898), Kansom, 1907.

De lengte van het cj bedraagt 3.4 44m..\\I De meeste door mij waargenomen
maten wisselden tusschen 3.3 3.5 m.M

De beide spicula zijn zeer verschillend van lengte. Het linker spiculum is 1 10

-ocr page 341-

Aib. i.

Icula en gubernaculum van
[Trichostrongylus vitrinus.

Bursa van Trichostrongylus vitrinus.

Afb. 3.

richostrongylus vitrinus. Bursa in zijligging.

Spicula en gubernaculum van Trichostrongylus

extenuatus van de ventrale zijde gezien.
Het linker spiculum ligt daardoor rechts op
de teekening.

-ocr page 342-

Afb. 6.

Bursa van Nematodirus filicollis in zijligging.
Ue spicula zijn ingetrokken.

00

Nematodirus filicollis.
Achtereinde van het wijfje.

-ocr page 343-

i2o li. lang en eindigt puntig. Het rechter spiculum, dat veel kleiner is en met
een stompe punt eindigt, is 85—95
11. lang.

Het linker spiculum is aan het laatste gedeelte naar binnen gebogen, zoodat
diens uiteinde vóór dat van het kortere rechter spiculum te liggen komt.

Heide spicula zijn aan de binnenzijde voorzien van een dun scherp uitsteeksel.
Op de afbeelding is dit uitsteeksel aan het rechter spiculum niet te zien. Het ligt
daar aan de achter binnenzijde, (afb. 4).

Het gubernaculum dat 50 -Go //. lang is, ligt meestal dorsaal van het rechter
spiculum, op zoodanige wijze dat het uiteinde hiervan dikwijls in het verlengde
van dit spiculum ligt, waardoor men bij mindere nauwkeurige beschouwing soms
den indruk krijgt dat beide spicula even lang zijn.

De ventro-ventrale rib van de bursa is smal ; de latero-ventrale, de externo-
latcrale en medio-laterale ribben zijn daarentegen breeder en van ongeveer de-
zelfde afmetingen.

De postero-laterale rib is weer iets smaller. De externo-dorsale rib is veel korter
en meestal ook smaller dan de postero-laterale rib. De dorsale rib is betrekkelijk
lang en smal en deelt zich in twee takken, welke elk weer gesplitst eindigen.

De lengte van het $ bedraagt 4.6—5.5 m.M. De dikte ter hoogte van de vulva
\'s 55- 7° /\'■ Deze laatste ligt ongeveer 0.8—1 m.M. van het achterste uiteinde.
De vulva is met chitineuze lippen omgeven. I)e eieren zijn 70—80
11. lang bij
35—45 !\'■ breed.

Het achtereinde van het lichaam wordt ter hoogte van de laatste bocht van het
ovarium geleidelijk smaller. Achter den anus, die 60—90 van de staartpunt
verwijderd ligt, loopt het lichaam puntig toe.

Nematodirus f i 1 i c o 11 i s Rudolphi, 1802.

Syn. Ascaris filicollis Rud., 1802 ; Strongvlus filicollis (Rud., 1802) Rud., 1803 ;
1\'usaria filicollis (Rud., 1802) Zeder, 1803.

Deze worm is nogal eens met Nematodirus spathigcr (Railliet, 1896) Railliet en
Henry, 1909 verwisseld geworden. (7). De kenmerken van N. filicollis worden
daarom iets uitvoeriger vermeld :

De lengte van den oesophagus bedraagt 0.4 o.<> m.M.

De zenuwring ligt 0.3 m.M achter het vooreinde

De excretieporus vindt men 50 - 70 11. voor het achtereinde van den oesophagus.

De lengte van het § is 8 15 m.M. De bursa bezit twee groote laterale lobben.
Ken afzonderlijke dorsale lob werd door mij niet waargenomen.

Deze parasiet bezit twee dorsale ribben, die aan het uiteinde een splitsing ver-
toonen. De beide ventrale ribben loopen dicht bij elkaar en evenwijdig, (afb. 5 en (>).
De spicula zijn zeer lang, ongeveer 750—900 en worden over het laatste 2/3
gedeelte door een membraan vereenigd, die aan het uiteinde lancetvormig ver-
breed is. Op afb. 6 ligt de parasiet in zijligging. De dorsale rib en de externo-dorsale
rib van de rechterzijde en een gedeelte van de lob van de bursa van die zijde
zijn hier te zien.

Het Q is 12 tot 20 m.M. lang en 200 tot 250 //. breed.

De anus ligt 65-—80/(van het lichaamsuiteinde verwijderd. De vulva bevindt
zich op een afstand 1/3 1/4 van de lichaamslengte van het staarteinde.

Karakteristiek voor deze parasiet is het borstelvormig aanhangsel bij het T
De lengte van dit aanhangsel bedraagt 12 -18 /(., (afb. 7).

De eieren zijn 140—180 /<. lang en 75—90 /«. breed. Door de grootte vallen
deze eieren bij faecesonderzoek onmiddellijk op.

Diagnose. In verband met [de te verwachten werking van
toegediende geneesmiddelen zou het van belang zijn te weten met
welke trichostrongylus-soorten men te doen heeft.

Men heeft in sommige gevallen gemeend aan de grootte der
eieren en aan het ontwikkelingsstadium, waarin de eieren zich

-ocr page 344-

bevinden op het oogenblik dat zij gedeponeerd worden, uit te
kunnen maken van welke parasiet deze eieren afkomstig waren.
Zoo kreeg
Sprehn (io) den indruk bij gevallen van maagtricho-
strongylosis door Ostertagia circumcincta bij schapen, dat de
eieren van deze wormen bij het onderzoek van versche faeces,
zich slanker voordeden dan de eieren van Haemonchus contortus.
Ook leken de eischalen van Ostertagia een dunnere schaal te heb-
ben. Het zal m. i. echter steeds moeilijk zijn aan de grootte der
eieren uit te maken met welke parasiet men te doen heeft, daar
de afmetingen te veel in elkaar overgaan.

Een uitzondering hiervoor maken de door haar grootte opval-
lende eieren van Nematodirus filicollis en Nematodirus spathiger.
Deze beide parasieten werden echter tot nu toe niet in zoo groot
aantal aangetroffen dat zij als zelfstandige oorzaak van ziekte
konden worden beschouwd.

Ter vergelijking diene de opgave der afmetingen der eieren
van enkele trichostrongylus-soorten :

Ei van :

Lengte:

Breedte

Tr. extenuatus

70 - 80 /<

34— 45

11

Tr. vitrinus

84— 90 11

46—50

11

Tr. instabilis

73—80—86 11

4° 43

u

Cooperia oncophora

60— 80 /<

30 //

Ostertagia circum-

cincta

70—100 /<

35— 50

11

Haemonchus contortus

75— 95

40—50

11

Nematodirus filicollis

140—180 11

75 90

/i

Nematodirus spathiger

200—260 11

100—u 0

11

Nog even wil ik de aandacht vestigen op de meening dat ge-
embryoneerde eieren in pas ontlaste faeces zouden wijzen op de
aanwezigheid van longstrongyliden. (Metastrongyliden).

Wetzel (12) heeft omtrent deze zaak een uitvoerig onderzoek
verricht. Bij 600 schapen, waarvan er een groot gedeelte aan
longwormziekte leden (Dictvocaulus filaria) heeft hij nimmer
geëmbryoneerde eieren of zelfs eieren in de faeces aangetroffen.
De embryonen komen al in het bronchiaalslijmvlies vrij. Bij deze
ziekte zou men dus diagnostisch alleen waarde kunnen hechten
aan het onderzoek van slijm uit de trachea. Indien men bij
dergelijke dieren geëmbryoneerde eieren in de faeces vindt,
zouden deze dus afkomstig moeten zijn van trichostrongyliden uit
maag of darm.

Therapie. Gezien het groot aantal middelen dat men tegen
de maag- en darmstrongyliden vermeld vindt, bewijst wel dat
men nog geen beslist afdoend geneesmiddel kent.

-ocr page 345-

Waar men nog het meeste succes van verwachten kan is koper-
sulfaat al of niet gecombineerd met tabak of arsenicum.

De kopersulfaat-oplossing ter sterkte van i % moet bereid wor-
den met het gekristalliseerde zout. De tabak wordt ook ter sterkte
van r % (bereid uit tabakspoeder) toegediend en in gelijke hoe-
veelheden met de kopersulfaatoplossing gemengd. De tabak wordt
bereid door de benoodigde hoeveelheid met water te extraheeren.

Het water wordt kokend met de tabak vermengd, waarna men
het mengsel 12—15 uur laat staan.

De dosis van deze oplossingen (kopersulfaat alleen of gemengd
met tabak) bedraagt voor schapen ouder dan één jaar 100 c.M3.
en voor dieren beneden den leeftijd van één jaar 50 c.M3.

Het middel kan gemakkelijk met een flesch ingegeven worden

Indien een groot aantal dieren behandeld moet worden kan
men beter gebruik maken van een grooter reservoir, dat met een
gegradueerd kleiner reservoir verbonden is. Hieruit wordt de be-
paalde dosis door middel van een slang ingegeven.

In het geheel worden de dieren tweemaal behandeld met een
tusschentijd van enkele dagen. Den avond te voren geeft men
geen water of voedsel. Eenige uren na de behandeling kunnen bei-
den weer verstrekt worden.

Daar kopersulfaat niet geheel onschuldig is zal men aan sterk
verzwakte dieren geen volle dosis toedienen.

De resultaten van deze behandeling zijn tamelijk bevredigend
wat betreft de bestrijding van Haemonchus contortus in de leb-
maag, maar laat vrijwel in de steek bij de bestrijding der kleinere
trichostrongyliden.

Doch ook bij H. contortus is gebleken dat na de behandeling
niet altijd alle parasieten verdreven waren ; bij sectie van behan-
delde dieren werden meermalen nog levende wormen gevonden (3).

Een viertal aan het Instituut ter verpleging opgenomen schapen
werden met kopersulfaat behandeld. Twee hiervan stierven enkele
dagen na de tweede behandeling. Ook bij deze dieren werden nog
honderden trichostrongyliden aangetroffen en wel voornamelijk,
in het duodenum. De beide overgebleven dieren zijn herstellende,
maar gaan slechts langzaam vooruit. Als eerste verbetering kon
worden opgemerkt dat de faeces, welke voor cle behandeling dun
waren, meer gebonden werden en later vrij geregeld normaal wer-
den gedeponeerd. Toch bleef de hoeveelheid eieren in de faeces
nog belangrijk. M. i. is deze verbetering ten deele toe te schrijven
aan de behandeling, doch zal grootendeels het gevolg zijn van het
opstallen der dieren, waardoor de reïnfecties, welke in de weiden
voortdurend plaats vinden, belet worden. De krachtige voeding
welke hier toegepast werd, heeft ook het hare bijgedragen tot deze
verbetering. 1)

Thans, 2 maanden later zijn de dieren in goede conditie; in de faeces
werden slechts spaarzaam eieren gevonden.

-ocr page 346-

Sprehn heeft ook minder goede resultaten verkregen met
kopersulfaat en arsenicum (4:1) en tabak en met nog talrijke
andere in de literatuur vermelde middelen, bij de door hem be-
handelde schapen, welke met Ostertagia circumcincta besmet
waren. Deze parasiet leeft in de lebmaag van het schaap.

Bij de bestrijding van trichostrongyliden bij schapen zal men
dus als allereerste maatregel de dieren opstallen en sterk voeden.
In de tweede plaats komt de behandeling met kopersulfaat al of
niet gecombineerd met tabak of arsenicum in aanmerking. Alleen
in die gevallen waar het een besmetting betreft met Haemonchus
contortus kan men van de behandeling succes verwachten. Bij
een infectie met kleinere trichostrongyliden zullen de hygiënische
maatregelen zooals opstallen en goede voeding de verbetering
moeten brengen, terwijl men er op rekenen moet dat de weiden,
waarin de zieke dieren geloopen hebben, langen tijd besmet kun-
nen blijven.

Het is nutteloos ernstig zieke dieren te behandelen.
Verklaring der letters bij de afbeeldingen :

v.v. = Ventro-ventrale rib e.d. = externo-dorsale rib

1. v. = latero-ventrale rib d. = dorsale rib

ei. — externo-laterale rib gub. — gubernaculum

m.1. -- medio-laterale rib spie. = spiculum.

p.1. = postero-laterale rib

LITERATUUR :
r. E. A. R. F.
Baudet. Trichostrongylosis bij kalveren.
Tijdschrift v. Diergeneesk. Dl. 55, Afl. 3, 1928.

2. E. A. R. E. Baudet. Trichostrongylosis bij den haas.
Tijdschrift v. Diergeneesk. Dl. 55, Afl. 6, 1928.

3. D. H. Bennett. Internal parasites affecting sheep and goats.
Texas Agric. Exp. Station, Bull. 28, 1921.

4. J. E. W. Ihle. Eeinge strongyüden uit het darmkanaal van herkauwers.
Tijdschrift v. Diergeneesk. Dl. 44, Afl. io, 1917.

5. H. Lanson, Jr. The sheep stomach worm.
Storrs Agric. Exp. Station, Bull. 28, 1925.

0. 1.. E. D. E. Lourens. Rapport over wormziekte bij geiten.
Mededeelingcn v/d Rijksseruminrichting. Dl. 1, Afl. 1, 1914.

7. A. Raili.iet et Henry. Observations sur les Strongylidés du genre
„Nematodirus"

Buil de la. Soc. de Path. Exotique, T. V, 1912

8. B. H. Ransom. The nematodes parasitic in the alimentary tract of cattle,
sheep and other ruminants.

Bur. of animal industry, Bull. 127, 1911.

9. C. Sprehn. Systematik und Bestimmungsschliissel der Nematoden des Schafes.
Zeitschr. f. Inf. Krh. der Haustiere, Bd. XXXIII, H. 1/3, 1928.

10. C. Sprehn. Ueber die Magenstrongylose der Schafe.
D. T. W. Jgh. 36, No. 19, 1928.

11. J. Wester. Maag- darmstrongylose bij geiten.
Tijdschr. v. Veeartsenijk. Bd. 41, 1914.

12. R. Wetzel.

8ge Versamrnl. der Geselsch. Deutsch. Naturf. u.s.w. D.T.W. 1926.

-ocr page 347-

ZUSAMMEN] ASSI\'NTG.

Verfasser gibt eine Beschreibung von drei, für Schafe pathogenen Trichostrongy-
liden : Trichostrongylus vitrinus Looss, 1905 ; Tr. extenuatus (Kailliet 1898)
Ramson 1907, und Nematodirus filicollis Rudolphi 1882.

In den letzten Jahren werden in Holland öfters Magen und Darmkrankheiten
bei Wiederkäuern beobachtet welche durch kleine Trichostrongyliden verursacht
werden. Diese kleinen Würmer werden bei der Obduktion leicht übersehen. Dif-
ferential-diagnostisch ist der mikroskopische Nachweis von Eiern im Kote weniger
brauchbar, da die Eier der verschiedenen Würmer ungefähr die gleichen Dimen-
sionen haben. Nur die Eier der Nematodirus filicollis und Nematodirus spathiger
sind auffällig gross. (140- 180 ,«. und 200 -260 ,».).

Behandlung : Verfasser hatte bei Haemonchus contortus-infektion Erfolg (wenn
auch nicht immer) mit Kupfersulfat. Gegen Trichostrongyliden zeigte sich das
Mittel unwirksam. Dosis für erwachsene Schafe 100 c.c. einer 1 % Lösung ; nach
einigen Tagen die Kur wiederholen Vor der Kur 16 Stunden hungern lassen.

Um Infektion der gesunden und Re infektion der kranken Tiere vorzubeugen
sollen die Tiere von den angesteckten Weiden ferngehalten und im Stall abgesondert
werden. Für kräftigende Fütterung muss gesorgt werden.

Sl\'MMARV.

In this paper three Nematodes are described, namely Trichostrongylus vitrinus
Looss. 1905, Tr. extenuatus (Railliet 1898) Ransom 1907, and Nematodirus fili-
collis Rudolphi 1882, all pathogenic to sheep.

In Holland many digestive troubles in ruminants are caused by those small
trichostrongylidae. Being very slender and hardly visible with the naked eye,
they are often overlooked at the autopsy. As to the differential-diagnosis the exa-
mination of the faeces is of little value, as the ova have much the same size ;
only the eggs of Nematodirus filicollis and Nematodirus spathiger are of a strikingly
larger size (140 180
it and 200 200 ft).

Treatment : In case of Haemonchus contortus-infection sulfate of copper
may be effective (though not always satisfactory). Dosis for adult animals :
100 c.c. of a I % Solution, atter a 16-hours fast. Within a few days the cure should
be repeated. Against trichostrongylosis this drug proved useless. As infection
takes place in pasture the animals should be isolated in the sheep fold, in order
to prevent infection of the sound and re-infection of the sick animals. The food
should be nourishing

RÉSUMÉ.

L\'auteur donne la description de trois trichostrongylides : Trichostrongylus
vitrinus Looss., 1905, Tr. extenuatus (Railliet 1898) Ransom 1907, et Nematodirus
filicollis Rudolphi 1882 ; tous les trois pathogènes pour le mouton.

Les affections gastro-intestinales chez les ruminants, causées par de petites
trichostrongylides, sont d\'observation fréquente en Hollande. A cause des petites
dimensions de ces vers le diagnostic macroscopique n\'est pas toujours facile.

L\'examen microscopique des excréments ne permet pas toujours de préciser le
diagnostic, parce que les oeufs des différentes trichostrongylides ont à peu près
les mêmes dimensions. Les oeufs de Nematodirus filicollis et de Nematodirus spa-
thiger font exception, ils sont relativement grands (140- 180 11. et 200- 260 11.).

Traitement: Le sulfate de cuivre se montrait inefficace contre les trichostrongy-
lides. Ce remède a donné de bons résultats (quoique pas toujours satisfaisants)
en cas de Haemonchus contortus. Dose pour les adultes : 100 c.c. d\'une solution
à i % ; après quelques jours répéter cette dose ; laisser les animaux à la diète
la veille.

Comme mesure prophylactique il faut éloigner les animaux des paturages
infestes et les mettre à la bergerie ; ainsi on prévient l\'infection des animaux
sains et les ré-infections des malades. Une bonne alimentation est de rigueur.

-ocr page 348-

Uit het Zoötechnisch Instituut van de Veeartsenijkundige Faculteit der Rijks-
Universiteit te Utrecht. Directeur: Prof. Dr. H. M. KROON.

HORMONEN DER HYPOPHYSE-VOORKWAB,1)

door

Dr. G. M. VAN DER PLANK.

Naar aanleiding van een artikel in het tijdschrift Züchtungs-
kunde van de hand van
J. Hammond (Cambridge) Züchtungs-
kunde 1928, Band 3, Heft 11, leek het mij wenschelijk de nieuwere
onderzoekingen uit het gebied der endocrinologie te combineeren
met hypothesen in dat artikel aangehaald.

Hammond, een physioloog die speciaal gewerkt heeft op het
gebied der vruchtbaarheid der huisdieren, neemt nl. in navolging
van
Heape nog een „Fortpflanzungsferment" aan, dat m. i.
identiek geacht moet worden met het hormon (of de hormonen)
uit de voorkwab der Hypophysis cerebri.

Het volgende beoogt : een overzicht te geven van hetgeen de
laatste jaren bekend geworden is van de hypophyse-hormonen
en tegelijkertijd aannemelijk te maken dat Fortpflanzungsferment
en hypophyse-hormonen hoogstwaarschijnlijk dezelfde stoffen zijn.

Onafhankelijk van elkaar hebben Smith in Amerika en Asch-
heim
en Zondek in Duitschland gevonden dat de primaire prikkel
voor de functie der ovariën uitgaat van de hypophysis cerebri.

De stoffen uit een deel dezer klier (voorkwab), worden door
het bloed meegevoerd en oefenen een bepaalde werking op het
ovarium uit. Dat er een nauw verband bestaat tusschen hypophysis
eenerzijds en geslachtsklieren anderzijds is niets nieuws ; ontwik-
kelingsstoornissen van kinderen met hypophysis-afwijkingen zijn
al lang bekend, terwijl, om nog maar een enkel voorbeeld te noe-
men, ook gedurende de zwangerschap de hypophyse-voorkwab
grooter wordt. In het systeem der interne secretie bestaan dus
nauwe betrekkingen tusschen hypophyse en ovarium.

Biedel (2) noemt het hormon uit de hypophyse-voorkwab een
groeihormon met specialen invloed op het ovarium.

Door Smith, Aschheim en Zondek is experimenteel aange-
toond dat hypophyse-hormonen de functie van het ovarium in gang
zetten. Zij implanteerden stukjes van verschillende klieren met
interne secretie (schildklier, bijnier, ovarium enz.) bij jonge nog
niet geslachtsrijpe proefdieren en vonden dat alleen na implantatie
van hypophyse-voorkwab de ovariën dier proefdieren reageerden
met veranderingen veel gelijkend op die welke waargenomen wor-
den wanneer normale bronst optreedt.

Mej. G. h. Elferink, analyste en den heer j. vleeschhouwer die beide
geheel belangeloos aan de onderzoekingen medewerkten betuig ik hier gaarne
mijn dank voor hun hulp.

-ocr page 349-

Een andere vondst was dat ratten, vanaf zeer jeugdigen leeftijd
met hypophyse-voorkwab behandeld, wanneer zij n maanden oud
waren het dubbele gewicht bereikten van de contróle-dieren (uit
dezelfde nesten). Deze resultaten wettigen dus wel te spreken van
een groeihormon met bijzondere affiniteit tot de eierstokken.

Voorts werd door Zondek en Aschheim gewezen op het feit
dat het hypophyse-voorkwab-hormon in de eerste zwangerschaps-
maanden in groote hoeveelheden met de urine der zwangere vrou-
wen wordt uitgescheiden. Door genoemde onderzoekers wordt dit
laatste feit benut om reeds in den aanvang, wanneer andere
methoden nog niet zijn toe te passen, zwangerschap te diagnosti-
seeren.

Deze methode is zeer eenvoudig wanneer men kan beschikken
over jonge muizen en gelegenheid heeft weefselcoupes te maken.

Enkele c.c. urine worden in een tijdsverloop van ^ z\\ dag bij
jonge, nog niet geslachtsrijpe muizen (gewicht 5—8 gram) subcu-
taan ingespoten ; na 3 dagen worden de muizen geseceerd en de
geslachtsorganen bekeken. Zijn in de urine hypophyse-voorkwab-
hormonen in groote hoeveelheden aanwezig geweest (dus wanneer
de urine van een zwangere afkomstig is) dan ziet men macrosco-
pisch het volgende beeld bij de proefmuizen.

Uterus sterk in omvang vermeerderd, bloedrijker ; ovariën
grooter, hyperaemisch soms is duidelijk een goed omschreven bloed-
plek met het bloote oog of met een loupe waarneembaar (eenmaal
vond ik een groot bloedstolsel op het linkerovarium, gedeeltelijk
ook de linkernier bedekkend).

Microscopisch vinden wij de follikels vergroot, veelal in één
(soms in verscheidene) een groote hoeveelheid roode bloedcellen,
soms ook corpora lutea atretica.

De uterusvergrooting moet als secundair verschijnsel beschouwd
worden, ontstaan door de actie van het muizenovarium.

Ziet men alleen uterusveranderingen en daarbij niet de boven-
genoemde beelden der ovariën dan mag niet worden geconcludeerd
dat hypophyse-hormon is ingespoten.

In dat geval was de urine rijk aan ovariaalhormonen, welke uit-
sluitend hun werking op den uterus uitoefenen.

Inspuitingen van ovariaalhormonen (b.v. de preparaten Men-
formon-Folliculine), geven duidelijk de veranderingen van uterus
en ook van het vaginaal slijmvlies doch hebben absoluut geen in-
vloed op de ovariën. Door injecties van ovariaalhormonen zijn
duidelijk de verschijnselen van bronst op te wekken, zelfs bij ge-
castreerde muizen, terwijl de hypophyse-hormonen slechts via
het muizenovarium bronstverschijnselen doen optreden. Hypophy-
se-hormonen zijn dus in dit opzicht bij gecastreerde muizen abso-
luut onwerkzaam.

-ocr page 350-

Spoedig na het verschijnen van een publicatie van Aschhkim
en Zondek heb ik getracht met urine van drachtige koeien de
beschreven veranderingen in de muizenovariën op te wekken.
Alle proeven verliepen echter negatief; wel zag ik soms uterus-
vergrootingen doch deze moeten worden toegeschreven aan ova-
riaal-hormon, dat in runderurine in betrekkelijk groote hoeveel-
heden aanwezig is ; nooit waren echter de muizenovariën ver-
anderd.

Hierdoor wat sceptisch geworden ten opzichte van de biologische
zwangerschapsdiagnose, wilde ik deze eerst eens toepassen met
gelijkwaardig materiaal als door
A. en Z. gebruikt. Prof. de Snoo
was zoo vriendelijk mij eenige malen uit de verloskundige kliniek
urine van zwangere vrouwen te verschaffen (uit het begin der
zwangerschap) en hiermede verkreeg ik de reacties wel zeer dui-
delijk.

Ook in enkele andere gevallen, waar de medicus in twijfel ver-
keerde en verzocht deze biologische reactie uit te voeren zijn de
uitkomsten steeds goed geweest.

Uit den aard der zaak is mijn materiaal slechts van geringen
omvang.

Aschheim en Zondek hebben in een 300-tal proeven slechts
een enkele miswijzing. In een latere publicatie vermelden zij dat
het ook hun niet is gelukt in runder- en varkensurine het hypo-
physe-hormon aan te toonen.

Waarom dit niet gelukt is nog een open vraag ; misschien dat
hierbij de niet overeenkomende placentatie of groote melksecretie
een rol spelen.

Naast een drachtigheidsdiagnose wilde ik ook in navolging van
meergenoemde onderzoekers trachten een voor toepassing bij de
huisdieren geschikt hypophyse-preparaat te bereiden. Voor sommige
vormen van steriliteit, misschien ook bij cysteuse ovariën zou dit
van nut kunnen zijn, terwijl de mogelijkheid niet is uit te sluiten
daarmede bij geiten, welke soms slechts eenmaal per jaar bronstig
worden, bronst op te wekken. Van enkele proeven, in samenwerking
met collega v.
d. Kaaij uitgevoerd, geven wij binnenkort verslag.

Resumeerende is dus nu wel duidelijk dat :

a. hypophyse-voorkwab-hormonen in de urine van zwangere
vrouwen worden uitgescheiden en wel, volgens de onderzoe-
kingen van
Aschheim en Zondek, vooral in groote hoeveel-
heden in het begin der zwangerschap (ie twee maanden),
en het aantoonen ervan als biologische zwangerschaps-
diagnose is te beschouwen ;

b. ook ovariaalhormonen in de urine van zwangere vrouwen en
drachtige runderen worden gevonden (in grootere hoeveel-
heden naarmate de zwangerschap langer geduurd heeft);

-ocr page 351-

c. de biologische reactie op hypophyse-hormonen uitgevoerd
wordt met jonge vrouwelijke muizen (primaire ovariaal-
veranderingen — secundair bronstverschijnselen) en

d. de reactie op ovariaalhormonen met gecastreerde vrouwelijke
muizen.

Dat wij nu tot de kern van de zaak zijn doorgedrongen zal wel
niemand willen beweren, ói en
hoe b.v. hormonen en vegatatief ze-
nuwstelsel in dit verband samenwerken is nog een open vraag.
Zonder twijfel hebben wij echter een beter inzicht verkregen en
bovendien een practische waardevolle proef op hypophyse-hormo-
nen naast de mogelijkheid een bruikbaar preparaat te maken. Dat
deze proef van beteekenis is bleek mij toen ik een handelspreparaat
onderzocht met volslagen negatief resultaat.

Toen ik den fabrikant dit berichtte en daarover een onderhoud
met hem had, was de oorzaak der waardeloosheid spoedig gevonden.

Teneinde het preparaat steriel af te kunnen leveren had hij ver-
hit tot boven 60° C., terwijl het bekend is dat bij ± 50° C. de werk-
zaamheid van hypophyse-hormonen tot nul wordt gereduceerd.

In gevoeligheid voor hooge temperaturen loopen hypophyse-
en ovariaalhormonen sterk uiteen, laatstgenoemden zijn bestand
tegen zeer hooge verhitting.

Dat Fortpflanzungsferment en hypophvse-voorkwab-hormonen
vermoedelijk dezelfde stoffen zijn blijkt het beste uit enkele hier
volgende citaten uit het in den aanvang genoemde artikel van
Hammond.

„Die Zahl der zur Reife gelangenden Eier hängt, wie schon
oben erwähnt, mehr von einer Substanz im Blut — „Fortpflan-
zungsferment" ab, als von dem Bau des Eierstocks als solchem";
en verder : „Mit dem Wachstum und Alter des Tieres steigt zu-
nächst die Eierproduktion, und wir vermuten, dasz das Fort-
pflanzungsferment zum Wachstum mit herangezogen wird, bis
dieses vollendet ist ..."

Wanneer wij verder in een tabel bij genoemd artikel zien dat
het gemiddelde aantal corpora lutea in de ovariën van (18) jonge
varkens was 14.30 ± 0.39, terwijl bij (9) oude zeugen 19.77 ±_
1.26 het gemiddelde is, dan lijkt het niet onmogelijk dit verschil
te verklaren uit een ruimer beschikbaar zijn van hypophyse-voor-
kwab-hormon bij deze oudere dieren.
Hammond schrijft bij deze
tabel : „Wir nehmen deshalb an, dass der Eierstock vor der Zeit
der sexuellen Reife keine Eier reifen lässt, weil die Zufuhr an
„Fortpflanzungsferment" ungenügend ist, da es zum Körper-
wachstum verbraucht wird".

Wanneer in deze citaten overal waar sprake is van „Fortpflan-

-ocr page 352-

zungsferment" gelezen wordt hypophyse-voorkwab-hormonen pas-
sen zij geheel in het kader van de eerder geschetste onderzoekingen.

M. i. zullen preparaten dezer stoffen, al laat ik hier misschien
wat toekomstmuziek hooren ons nieuwe mogelijkheden bieden.
Utrecht, 2 Januari r92g.

LITERATUUR :

Züchtungskunde. Band 3 Heft 11.

Klinische Wochenschrift 1928 Nos. 30 und 31.

Endokrinologie. Band 2 1928, Heft 4.

(Bij laatstgenoemd artikel is een groote literatuurlijst gevoegd.)

Naschrift bij de correctie.

Dezer dagen kreeg ik in handen de Münch. Mediz. Woehenschr. van 26 Oktober
1928, No. 43, 75 Jahrg. ; in een artikel in dat tijdschrift getiteld „Tierexp. Unters.
ii. die Wirkung infantilen und fetalen Hypophysenvorderlappe 11 hormons auf
infantile Keimdrüsen
(Stegmund u. Wahnert) wordt beschreven hoe zelfs hy-
pophysen vanfoeten (minimaal 5 maanden) geïmplanteerd bij muizen, de beschre-
ven verschijnselen opwekten. Hormonen worden dus dan reeds afgescheiden.

Vermoedelijk is in dat stadium de hormonproductie echter nog te gering om
het ovarium van hetzelfde dier tot rijpheid te brengen.

ZUSAMMENFASSUNG.

Das Hormon der Hvpophysis cercbri (Yorderlappen) ist im Rinderurin nicht
nachweisbar.

Aschheim und Zondek fanden es in Urin schwangerer Frauen, und betrach-
ten es als richtiges „biologisches Schwangerschafts-diagnostikum \'.

Das hypothetische Fortpflanzungsferment ist wahrscheinlich mit diesem Hor-
mon identisch.

SUMMARUY.

The hormon of the hvpophysis cerebri (front lobe) cannot bc detected in bovine
urine ; aceording to
Aschheim and Zondek it is however present in urine of
gravid wornen and may be considered as a biological sign of gravidity.

RÉSUMÉ.

L\'auteur ne réussit pas à déceler la hormone de l\'hypophysis ccrebri (partie-
frontale) dans les urines de vaches pleines.

Cependant d\'après Aschheim et Zondek elle est présente dans les urines de
femmes enceintes et peut être considérée comme signe biologique de grossesse.

-ocr page 353-

BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER BESTRIJDING VAN HET
MOND- EN KLAUWZEER,

door

Dr. A. J. WINKEL, Rotterdam.

Vervolg van bladz. 283.

Het kan niet ontkend worden, dat de resultaten van de hiervoor
genoemde onderzoekingen aan de mogelijkheid eener doeltreffende
bestrijding eenige nieuwe uitzichten hebben verschaft.

Zoolang wij niet beschikken over een middel, dat in staat is een
practische immuniteitsduur op te wekken, zal alle bestrijding een
preventieve strekking hebben, waarbij hygiënische maatregelen
onmisbaar zijn.

En de nieuwe gegevens zijn vooral voor deze maatregelen van
waarde.

Die waarde is hierin gelegen, dat zij datgene in finesses bevestigd
hebben, hetgeen wij in het algemeen reeds wisten, hetgeen is ge-
weten vanaf het bestaan der ziekte, nl. haar groote infectiositeit.
Wij zouden het een analyse kunnen noemen van dezen belangrijken
kant der ziekte.

De onderzoekingen over tenaciteit en uitscheiding der smetstof,
over pathogenese, grootendeels eerst mogelijk geworden door ge-
bruikmaking van de cavia, hebben dit resultaat opgeleverd, dat
het een bestrijding met meer vertrouwen dan vroeger doet aan-
zien.

Wij kenden den vijand voldoende, wij weten nu beter haar
zwakke plekken.

Het vraagstuk der bestrijding is echter te gecompliceerd clan
dat het alleen met toepassing van technische maatregelen, hetzij
te nemen door de belanghebbenden alleen, hetzij door den Staat
alleen, ware op te lossen.

Eén van de vragen, welke bij ieder, die eenige studie van de
ziekte heeft gemaakt, opkomt is wel de volgende :

Wat zijn de oorzaken van het besmettingsgevaar, waarmede
de veestapel voortdurend bedreigd wordt?

Hoe komt het, dat de smetstof in ons land niet eens éénmaal tot
absolute afsterving komt?

Als de veehouder bijtijds aangeeft, zal gedurende den staltijd
de achterhaling en onschadelijkmaking van de smetstof mogelijk
blijken. Maar een groot deel van de gevallen wordt niet aangegeven.
Deze gaan verzwegen den winter in en komen verzwegen den win-
ter uit.

De snictstofbronnen blijven bestaan ; de veestapel blijft dus be-
dreigd door het voortdurende besmettingsgevaar, daar de smet-
stof niet tot uitsterving kan komen.

-ocr page 354-

De meening, dat de ziekte inheemsch is geworden kan men van
verschillende kanten hooren en dat zij dit is geworden door de
omstandigheid van het verzwijgen, acht ik een zeer aannemelijke
grond.

En het verzwijgen of te laat aangeven meen ik de grootste rem
te mogen noemen voor een uitroeiing der ziekte.

Wij behoeven, daar deze mentaliteit wel in alle landen zal be-
staan, hier niets te verzwijgen.

De veehouder verkeert onder den indruk, dat wij vrijwel machte-
loos staan tegenover de ziekte. Daarom verzwijgt hij en als hij
aangeeft, doet hij het uit vrees voor de gevolgen en als hij met zijn
vee vlucht, laat hij zijn eigen belang voorgaan bij het algemeen
belang, hetgeen niet heelemaal dwaas is.

Het behoort tot het wezen der officieele bestrijding, dat de
Staat waakt voor het algemeen belang.

Met die zorg echter is de afzonderlijke boer niet gebaat, integen-
deel, die zorg brengt hem, wat de politiemaatregelen betreft, niets
dan schade.

Wanneer het mogelijk zou zijn, dat aan het persoonlijk belang
de grootste aandacht werd geschonken, dan geloof ik, dat onver-
schilligheid en vrees gingen verkeeren in belangstelling en mede-
werking en de gunstige uitwerking op het algemeen belang niet
achterwege zou blijven.

Erkenning en opvolging van de noodzakelijke plicht der onver-
wijlde aangifte bij de ontdekking der ziekte werd de eerste con-
sequentie van deze medewerking.

De aangifte zou zelfs niet meer zijn het voldoen aan een plicht,
maar het werd het uit vrijen wil genomen besluit om verzoek tot
hulp.

Toch zou dit niet gelden voor alle veehouders. De belangen
toch van hen, wier bedrijf een geregelde afzet van vee noodig
maakt, b.v. van de mesters in het spoelingdistrict, om één cate-
gorie te noemen, of van den veehandel in het algemeen, blijven
in het gedrang.

Het is mijn bedoeling niet, dit zeer lastige vraagstuk hier ver
te vervolgen. Op één enkel punt wil ik wijzen.

Hij deze veehouders vindt men de „vluchters" op grooten
schaal, die öf geheel „vergeten" aan te geven öf het te laat doen,
hetgeen op hetzelfde neerkomt. Zij zijn ook de onderhouders van
het marktgevaar.

In hoeverre de geringe ziekteschade bij onmiddellijke aangifte
en daaropvolgende toepassing van de maatregelen, gevoegd bij
de handelschade door het niet kunnen afzetten van het marktvee
opweegt tegen de schade ten gevolge van het doorzieken van het
geheele beslag zonder handelschade, is een vraagstuk, dat slechts
door ernstig onderzoek zal kunnen worden opgelost.

-ocr page 355-

Dat dit vooral de taak is van de belanghebbenden en van den
veehandel zelf, die overal waar het te pas komt, medewerking
beloven, zal niemand willen ontkennen.

Overigens zal, bij een bestrijdingsvorm, welke ik hieronder
nader wil uiteenzetten en aangevangen in een periode, waarin
de ziekte sporadisch voorkomt, de doorvoering van maatregelen,
welke schadevergoeding aan de aangetaste bedrijven ten doel
heeft, geen onoverkomelijke bezwaren in den weg staan.

Dat het principe van organisatie van dezen aard niet nieuw is,
zal ieder toestemmen, die denkt aan het reeds zoo vaak voorge-
stelde denkbeeld van heffing van hoorngelden ter bestrijding der
ziekte en aan de vereenigingen in Friesland, welke in den afma-
kingstijd ontstonden met het doel de afgemaakte beslagen harer
leden door onderlinge samenwerking te restitueeren.

Daar het uitzicht op een waarlijk effectieve bestrijding zou
kunnen worden gegeven en de wil tot samenwerking bestaat,
moet de oplossing van dit overigens netelige vraagstuk kunnen
worden gevonden. (I)e organisatie der marktinspuitingen in
Duitschland was geen gemakkelijke taak).

Terwijl ik aan het slot op nog een enkel punt betreffende de
doorvoerbaarheid en de eventueel te verwachten resultaten in
dezen tijd wil wijzen, mag men uit het voorgaande wel dit conclu-
deeren, dat een Staat de ziekte wel zal kunnen bestrijden, maar
dat zonder hulp van de belanghebbenden deze bestrijding weinig
loonend zal zijn, en dat een eventueele uitroeiing alleen mogelijk
zal kunnen worden met een zeer krachtige medewerking van de
veehouders.

Gaat men nu na, waarop de technische maatregelen neerkomen,
dan kan men zeggen, dat het
dezelfde grondslagen zijn, waarop
Pruisen de nieuwe bestrijdingsmcthodc aankondigt
: Seruminspuiting
en ontsmetting, al zou ik de waarde der beide maatregelen in
andere volgorde willen plaatsen en aan de ontsmetting, hoeveel
moeilijkheden aan een doeltreffende doorvoering ook gelegen zijn,
de belangrijkste plaats geven. Hoewel het zal blijken, dat ik
verder ga dan in Pruisen, laat toch ,,das neue Rekämpfungsver-
fahren in Preussen"1) in algemeenen zin denzelfden toon hooren.
Ter staving wil ik het hieronder, wat betreft de voornaamste
punten, weergeven.

Die Massnahmen stellen einen ausserordentlichen Eingriff in
das Wirtschaftsleben dar. Die Erfahrung hat aber gelehrt, dass
milde oder erleichterte Vorschriften nicht zum Ziele führen. Nur
einschneidende und umfassend durchgeführte Massnahmen sind
erfolgversprechend.

\') Handbuch der pathogenen Mikroorganismen. Koi.le und Wassermann.
L. 19. Bd. IX, 1928.

LVI ■ 23

-ocr page 356-

Est ist verständlich, dass die landwirtschaftliche Bevölkerung
sowie der Handel, die geschilderten Anordnungen der Veterinär-
polizei als schwere Belastung empfinden. Der Widerstand richtet
sich von jeher hauptsächlich gegen die lästigen Sperrvorschriften.

Diese Wiederstände sowie der nicht restlos befriedigende Erfolg
des ausschliesslich veterinärpolizeilichen Vorgehens haben dazu
geführt, dass man heute
die hygienischen Massnahmen der Serum-
prophylaxe
und Serumtherapie mehr und mehr in die staatlichen
Bekamp fungsmassnahmen
einbezieht. Eine intensivere, erfolg-
reiche Bekämpfung der Seuche erscheint dadurch gewährleistet,
während gleichzeitig die als drückend empfundenen Veterinär-
polizeilichen Massnahmen wesentlich erleichtert werden können.

C. Das neue Bekämpfungsverfahren in Preussen.

Der erste Schritt auf dem neuen Weg war die obligatorische Impfung auf Märk-
ten und Ausstellungen namentlich in Preussen. Damit ist eine weitgehende Sa-
nierung des Viehverkehrs erreicht worden.

Ein weiterer Fortschritt war die ausgiebige Anwendung der Serumimpfung
im verseuchten Bestand, zu deren Verbilligung beträchtliche öffentliche Mittel
seitens des Provinzen aufgebracht wurden.

Als vorbildlich jedoch mussdas Vorgehen Preussens und Württembergs bezeichnet
werden, die ein neues Bekämpfungssystem unter Kombination von Impfung
und Veterinärpolizeilichen Massnahmen in F\'inklang mit den neuen wissenschaft-
lichen Erkenntnissen ausgestaltet haben.

Das neue Verfahren beruht auf praktischen Vorversuchen grössten Ausmasses,
die zu einem günstigen, vielversprechenden Ergebnis geführt haben.
(Ostertag,
Müssemeier).

Die einzelnen Massnahmen des neuen Bekämpfungsverfahrens umfassen Si-
multan- und Heilimpfung im verseuchten Bestände, sowie in geeigneten Fällen
Schutzimpfung (sog. Ringimpfung) der Klauenviehbestände in gefährdeten
Nachbargehöften.

Es soll damit eine rasche und milde Durchseuchung sowie schnelles Erlöschen
des Seuchenherdes unter Vermeidung von Verschleppungen erzielt werden. Die
auf Zucht und Nutzviehmärkten, Tierschauen u. s w. aufgetriebenen Tiere sind
ebenfalls schutzzuimpfen.

Nach v. Ostertag hat die planmässige Durchführung dieses Verfahrens über-
raschend günstige Ergebnisse gezeitigt, und vielfach gelang die Beschränkung
der Seuche auf ihren Ursprungsherd auch in Gegenden mit stärkerem Tierverkehr

Bei dem 1926 in Ostpreussen durchgeführten Grossversuch mit dem neuen
Verfahren wurde ausserdem die Desinfektion grundsätzlich nur mit schweflicher
Säure vorgenommen.

In Konsequenz zu diesem Vorgehen konnten wesentliche Erleichterungen
der veterinärpolizeilichen Massnahmen, insbesondere Abkürzung der Sperrfristen,
zugestanden werden, die eine ausserordentliche wirtschaftliche Entlastung be
deuten.

Nach dem preussischen Ministerialerlass V 33Ö1 (Anlage A) bedeutete das
Ergebnis des Verfahrens in Ostpreussen einen vollen Erfolg von grosser epizoo-
tologischer Bedeutung ; denn es ist gelungen, „einen schnell anwachsenden Seu-
chenzug auf der Höhe der F^ntwicklung zu unterbrechen, wodurch die Provinz
Ostpreussen wahrscheinlich vor einer allgemeinen Verseuchung bewahrt wurde"

Infolge dieses günstigen Ergebnisses hat das preussische Landwirtschaftliche
Ministerium das neue Verfahren durch Erlass vom 4. Mai 1927, V 3361 für du
allgemeine Anwendung zugelassen. Dieses Vorgehen Preussens muss als etwas

-ocr page 357-

Neues bezeichnet werden. Der Erlass wird deshalb zum Schluss hier wiederge-
geben.

Der Erlass zählt zunächst die neueren wissenschaftlichen Erkenntnisse auf,
die ihm als Grundlage dienen :

,,A. Die kranken Tiere wirken, abgesehen von sog. Virusträgern, erheblich
kürzere Zeit ansteckend, als bei Schaffung des Viehseuchengesetzes angenom-
men wurde.

B. Virusträger scheiden meistens monatelang Ansteckungsstotf aus, so dass
sie zum grössten Teil durch die geltenden Schutzfristen nicht erfasst werden.
Sie kommen aber verhältnismässig so selten vor, dass ihretwegen die Schutzmass-
nahmen zur Vermeidung wirtschaftlicher Härten besser nicht unnötig verlängert
werden.

C. Mittels planmässiger Einführung der Impfung mit Immunserum in die Maul-
und Klauenseuchebekämpfung lässt sich die Seuchengefahr erheblich verkleinern
und abkürzen.

1). Neuere Desinfektionsmittel, namentlich die Präparate, die Schwefliclie
Säure als wirksame Substanz enthalten haben eine wesentliche stärkere keim-
tötende Wirkung gegen den Erreger der Maul- und Klauenseuche als die in der
Desinfektions-anweisung zum Viehseuchengesetz vom 26. Juni 190Q aufgeführten".

Hieruit moge blijken, dat men meer systematisch de reeds oude
maatregelen is gaan toepassen.

Alleen de marktinspuitingen vormen een nieuw punt in het
systeem. Deze laatste, waarlijk grootsche handeling, men moge
over de beoordeeling der uitwerking van de inspuitingen ver-
schillend denken, doet voldoende uitkomen, welke offers men
brengt voor een actieve bestrijding.

Naast seruminspuiting en ontsmetting voert men een verlich-
ting der vétériniare politiemaatregelen in, gebaseerd op de resul-
taten van het wetenschappelijk onderzoek.

De door mij gedachte bestrijding gaat uit van de volgende
overwegingen :

i°. onschadelijkmaking van de eerste smetstofbron (één of meer
zieke dieren).

2°. I)e reeds verspreide smetstof en die, welke eventueel nog kan
worden geproduceerd vóórdat verspreiding mogelijk is, vernietigen.

3°. Het ontstaan van nieuwe smetstofbronnen voorkomen.

In dezen bestrijdingsvorm steekt betrekkelijk weinig nieuws.

Isolatie is een bij de wet voorgeschreven vorm van onschadelijk-
maken.

Een uitwendige ontsmetting (punt 2) welke van af het begin
der ziekte wordt aangewend en voortgezet tot alle verspreidings-
gevaar is weggenomen is een maatregel, welke nog geen toepassing
vond en ook niet doorvoerbaar was bij gemis aan een practisch
en werkzaam ontsmettingsmiddel.

Over de beteekenis van een dergelijk ontsmettingssysteem
zou ik het volgende willen opmerken.

In de inleiding is uiteengezet, dat het weerstandsvermogen van
het virus tegen verschillende invloeden buiten het lichaam blij-

-ocr page 358-

kens het resultaat van talrijke onderzoekingen zeer groot kan zijn.
Aan de z.g. smetstofdragers binnen wier lichaam de smetstof een
levenskracht zou bezitten, veel grooter dan daarbuiten, behoeft
geen groote rol meer te worden toegekend, temeer daar ook de
klauwonderzoekingen van
Brandt negatief zijn uitgevallen.

De veronderstelling, dat de smetstof in deze dieren niet achter-
haalbaar is, heeft mede geleid tot de meening, dat de smetstof-
verspreiding nimmer in de hand zou zijn te krijgen en men dus
tegen uitbreiding der ziekte steeds machteloos zou blijven.

De dragers van smetstof aan den buitenkant van het lichaam
hebben daarmede dus aan beteekenis als smetstofverspreiders in
groote mate gewonnen.

De vernietiging van deze smetstof, alsmede van alle smetstof,
gescheiden van het lichaam en bewaard in allerhande media als
blaarwand, stalvuil, faeces, aan klompen, kleeren, hooi etc., wordt
nu, door haar tot nu ongekend langen levensduur, een onontkoom-
bare eisch. Een alzijdige en aan den aanvang der ziekte begonnen
en voortgezette ontsmetting krijgt daarmede dan ook zin.

Bij een dergelijke ontsmetting wordt de kans van ontglipping
van smetstof vanaf de boerderij wel zeer gering.

Tegenover de groote tenaciteit bezitten wij in het natronloog
en het ruwe zwavelzuur vernietigingsmiddelen van absoluut
zekere werkzaamheid, die, gevoegd bij hun onschadelijkheid, al-
zijdig en op grond van hun geringe prijs onbegrensd gebruik toe-
laten.

Hoe door seruminspuiting (punt 3) nieuwe smetstofbronnen te
coupeeren,
is een vraagstuk, waarover talrijke meeningen bestaan
en waarvan een oplossing te geven, geen gemakkelijke taak is.

In dc eerste plaats wil ik herinneren aan het woord van Loeffler
reeds op het IXe Internationale Congres in 1909 in den Haag ge-
sproken : ,,Die Wirkung des Serumschutzes ist eine beschränkte
Sie wird in ihrer Wirkung um so besser sein, wie genauer wir die
Grenzen ihrer Wirksamkeit kennen".

En de serumwerkzaamheid naar waarheid te beoordeelen is niet
gemakkelijk. Al weten wij, dat het serum belangrijk kan beschut-
ten, wanneer wij geen rekening houden met dc verschillende om-
standigheden, waaronder het wordt gebruikt, zal het gebruik
kunnen leiden tot gevolgtrekkingen, welke er zeer gauw naast zijn

Nogmaals wijs ik op Loeffler, die het standpunt innam, dat
des te meer effect van de inspuiting is te verwachten, alnaarmate
de infectie geringer is. Dat dus daar, waar aan de verspreiding
der smetstof geen grenzen wordt gesteld, de resultaten zeer ge-
makkelijk onder de verwachting kunnen blijven.

Anderzijds kan men, speciaal in dezen tijd ook een te hoogen
dunk krijgen van de serumwerkzaamheid als men geen rekening
houdt met de bestaande immuniteit. Nu in tallooze bedrijven,

-ocr page 359-

345 —

waar niets gebeurt, vaak slechts 10 % of minder van het vee ziek
wordt, is voorzichtigheid in de waardeering van het serum niet
misplaatst.

Wanneer wij het standpunt beschouwen in Duitschland inge-
nomen ten opzichte van de graad der besmetting, waaraan een
dier onderhevig mag zijn, opdat de seruminspuiting de uitbraak
der ziekte nog kan coupeeren, dan vinden wij wel zeer sterk de
meening van
Loefi-ler in deze opvatting uitgesproken.

Daargelaten de beteekenis van de eischen waaraan het vee,
bestemd voor tentoonstellingen, heeft te voldoen, eischen, welke
de gedachte opdringen, dat dergelijk vee toch wel in het geheel
niet besmet kan worden geacht en de seruminspuiting dus te allen
tijde succes moet hebben, verwacht men t. o. v. de marktinspui-
tingen ook daar slechts succes, waar de infectie
„zeer gering" is.

Wil ik nu het Duitsche standpunt vergelijken met den toestand
welke wij aantreffen op de boerderij, waar één ziek dier aanwezig
is, dan stelt men zich de vraag, welke omvang kan de verspreiding
bereikt hebben op het oogenblik van de ontdekking der ziekte.

Deze zal voor een deel afhankelijk zijn van het stadium, waarin
de ziekte verkeert.

Wanneer tepelblaren aanwezig zijn en dus handeninfectie heeft
plaats gehad, bestaat de mogelijkheid, dat alle runderen, die na
het zieke dier werden gemolken, besmet werden. Doch de besmet-
ting zal alleen bij die dieren tot uitwerking komen, op wier tepels
wonden aanwezig zijn. Een inwrijving van smetstof toch in een
volkomen gave huid leidt niet tot een reactie.

Ingeval een dier een tongblaar heeft en deze opengaat, de inhoud
terecht komt in de drinkgoot, zich vermengt met water of voedsel,
dan zal infectie van een of meer andere dieren niet uitblijven.

Dat ook doorgebroken klauwblaren aanleiding kunnen worden
tot besmetting van de klompen en wederom van het voedsel, ligt
voor de hand.

Doch wanneer tepelblaren ontdekt worden of smakken mond-
zeer of stijfheid klauwzeer verraadt, moet de veehouder ook zoo-
danig zijn ingelicht, dat hij bij ontdekking weet, wat te doen.

Als hij goed is ingelicht en ik stel mij voor, dat een goede voor-
lichtingsdienst zeer belangrijk werk kan doen ik herinner hier
slechts aan hetgeen op dit gebied in vroeger jaren reeds door de
Directie van den Landbouw werd verricht — dan zal de veehouder,
mede op grond van hetgeen hiervoor werd uiteengezet, weten,
dat onmiddellijke hulp moet worden ingeroepen, welke binnen
zeer korten tijd dient te worden verleend.

En indien de veehouder de ziekte kent (en in vele streken van
ons land, waar ze jaarlijks verschijnt, kent men haar al te goed)
zoodat hij reeds bij beginnende stijfheid, eetlust- en melkvermin-
dering aan mond- en klauwzeer denkt, dan zal de .smetstofver-

-ocr page 360-

spreiding niet dien omvang hebben behoeven aan te nemen, zooals
dit het geval is bij een dier, waarbij de eruptie tot volle ontwikke-
ling is gekomen.

Doch ook in dat geval kunnen reeds eenige dieren belangrijk
zijn geïnfecteerd; het meerendeel, voorzoover het een beslag vee
is van eenigen omvang, kan zich echter nog niet meer dan
,,gering"
hebben besmet.

Indien dan de genoemde maatregelen van ontsmetting en serum-
inspuiting worden toegepast, zal een gunstig effect mogen worden
verwacht, zooals dit wordt vermeld van de marktinspuitingen in
Duitschland.

Deze bestrijdingsvorm van passieve immuniseering en ont-
smetting heeft één gevaarlijken kant.

Wanneer de laatste niet alzijdig geschiedt bestaat het groote
gevaar, dat na de uitwerking van het serum de niet-achterhaalde
smetstof wederom actief wordt, daar de gevoeligheid van het vee
ongerept is gebleven.

De bekende simultaan-enting heeft het belangrijke voordeel,
dat met de verkregen immuniteit het gevaar van hernieuwd op-
vlammen der ziekte is uitgesloten.

Daartegenover staat het groote nadeel, dat, zij het ook in. min-
dere mate als bij het gewone verloop der ziekte, zooveel nieuwe
smetstofbronnen worden gemaakt als er gevoelige dieren zijn.
De gangbare methode der simultaan-enting toch is de locale infectie
en er heeft dus blaarvorming plaats.

Het zij terloops opgemerkt, dat de techniek der enting deze
reactie moet waarborgen, daar de onbetrouwbare stroowis-
methode weinig zekerheid schenkt, hetgeen gaaine zal worden
toegegeven.

Ik vrees echter, dat bij gevoelige dieren een locale infectie, zij
het dan ook, dat de reactie „goedaardig" en mild verloopt, nog
een belangrijke smetstof productie veroorzaakt en wij dus ten
opzichte van alle dieren een ontsmetting oneindig veel moeilijker
kunnen handhaven dan tegenover enkele.

Dat een simultaan-entingsmethode, waarbij de smetstof intra-
musculair of subcutaan wordt aangewend, waarschijnlijk gunstiger
verloop heeft, in zooverre de smetstofontwikkeling hierbij meer
onder den invloed van het ingespoten serum blijft, is een denk-
beeld, hetwelk de moeite waard is nader onderzocht te worden.

Vat ik de voordcelen der ontsmetting gecombineerd mei passieve
immuniseering
in het kort samen dan hebben wij :

i°. de kans van weinig zieke dieren, dus weinig schade.

2°. Geringe smetstofproductie, dus geringe verspreiding, terwijl
door toepassing van radicale ontsmettingsmaatregelen ;

3°. de kans van verspreiding buiten het erf weggenomen wordt,
waarmede

-ocr page 361-

347 ~

4°. de noodzakelijkheid van ringinspuitingen overbodig wordt ;

5°. dat, een verkorting en verlichting der politiemaatregelen

a. door beperking van het aantal zieken,

b. door vroegtijdige en voortgezette ontsmetting van vee
en stalling, zal kunnen worden ingevoerd ;

6°. dat tengevolge van het persoonlijke voordeel er geen reden
zal zijn tot verzwijgen, integendeel wel tot snelle aangifte.

Het groote voordeel van de werkzame simultaan-enting is de
opgewekte immuniteit.

De overige voordeelen van passieve immuniseering met ont-
smetting gelden behalve wat betreft de verkorting der politie-
maatregelen en de vroege aangifte hier öf minder sterk (schade is
altijd grooter dan bij uitsluitend seruminspuiting) of in het geheel
niet, daar de productie van smetstof belangrijk kan worden,
en de gelegenheid tot verspreiding oneindig veel grooter wordt.

Hoewel de Duitschers berichten, dat het hun is gelukt met de
simultaan-enting en ontsmetting (op ander wijze toegepast dan
door mij gedacht) de ziekte tot één erf te beperken/zal dit uitzon-
dering zijn, daar de ringinspuitingen een vast onderdeel uitmaken
van de nieuwe bestrijdingsmethode.

Ten slotte wil ik in het kort een uiteenzetting geven van de
door mij gedachte werkwijze. De onschadelijkmaking van het
eerste zieke dier kan plaats hebben :

a. door afmaking of

b. door afzondering.

Dat het mogelijk is de verspreiding van smetstof van mond-
en klauwzeer tegen te gaan door het ombinden van den mond
tot aan de oogen met een zak, gedrenkt in een ontsmettingsvloei-
stof, en evenzoo van de klauwen, heb ik op eenige stallen gedurende
verscheidene dagen kunnen waarnemen; en dat dit zelfs kan worden
aangewend bij dieren, welke tusschen gezonde staan, is mij daarbij
gebleken.

Door afwasschingen, welk ik bij meer dan honderd runderen
liet doen en welke niet de minste bezwaren opleverden, is ook de
uitwendige smetstof te vernietigen.

Het behoeft geen betoog, dat een ontsmettingsvoorschrift voor
den melker scherp gehandhaafd moet worden. Beter ware het
een persoon van den ontsmettingsdienst alle werkzaamheden
aan het zieke dier op te dragen.

Hoewel doorvoerbaar, vereischen deze werkzaamheden toch
gedurende de gevaarlijke periode, die men op zijn kortst op ±
2 dagen moet bepalen, den grootsten zorg.

Wanneer het eerste geval aldus onschadelijk gemaakt is, wordt
door temperatuuropname den verderen toestand van het beslag
gecontroleerd.

-ocr page 362-

Eventueele koortsdieren worden behandeld als de eerste d. w. z.
öf afgemaakt of afgezonderd en ingespoten met een zeer groote
hoeveelheid serum, zoonoodig de 2 a 3-voudige dosis voor preven-
tief gebruik.

3. De overige dieren krijgen de preventieve dosis, die ook ver-
dubbeld kan worden, eventueel den volgenden dag of na eenige
dagen herhaald wordt.

4. Daar tepelinfectie een der voornaamste infectievormen is,
worden de tepels alle onderzocht op eventueele verwondingen.
Dieren met tepelwonden worden op bijzondere wijze verzorgd en
het laatst gemolken. Van deze gedachte trouwens moet het ge-
heele technische bestrijdingsplan uitgaan, de behandeling van elk
dier afzonderlijk. Hoe groot de arbeid, hiermede gepaard gaande
ook is, deze moet worden verricht; een schematische behandeling
zal tot geen bevredigende resultaten kunnen leiden.

5. Alle zieke dieren worden grondig afgewasschen.

En dan blijft over de achterhaling van de smetstof, die reeds
door het eerste dier is geproduceerd en door den melker en het
overig personeel kan zijn verspreid. Het komt er op aan den toe-
stand van „geringe infectie" te blijven beheerschen.

6. Een ontsmetting van de geheele omgeving van het zieke dier
en van den geheelen stalbodem met alles wat zich daarop bevindt,
de groep, de drinkgoot met stalpalen en kettingen volgt.

7. Een van de lastigste dingen is de menschelijke smetstofdra-
gers onschadelijk te maken.

Wanneer de melker zich de handen heeft besmet, hetzij met
infectieuze melk, hetzij hij de inhoud van een tepelblaar zich tot
in de naden van de handen heeft gewreven, zal hij de dieren, welke
hij daarna melkt zeer gemakkelijk infecteeren, ingeval deze tepel-
wonden hebben.

Het gevaar van de zijde van besmette handen kan niet groot
genoeg gezien worden en daarom zal ook aan de ontsmetting van
deze nooit genoeg aandacht besteed kunnen worden. Terwijl
niemand zal ontkennen, dat juist dit een van de moeilijkst te ver-
wezenlijken voorwaarden vormt. Het vee is van stond af aan al-
zijdig onschadelijk te maken, dreigend gevaar door het veelvuldig
temperatuur opnemen op te vangen, doch de gevaarlijkste dragers,
de menschen met hun besmette handen en kleeren, zijn het zwaarst
te genaken.

Moet echter een maatregel als onuitvoerbaar worden aangemerkt,
zoolang niet alle kanten tot in bijzonderheden zijn onderzocht en
vooral getoetst, en mag een ontsmettingsprocédé deze naam dra-
gen, als wij weten, dat zeer belangrijke onderdeelen zijn nagelaten?

Zooals het afmaken met de daaraansluitende ontsmetting een
optreden vordert en een inspanning, welke voor vele buitenstaan-
ders als iets practisch onuitvoerbaars wordt beschouwd, doch

-ocr page 363-

voor de terzake kundigen nog steeds de meest effectieve bestrij-
dingsvorm is, zoo zijn er in de scherp doorgevoerde ontsmetting
evenzeer kanten, welke bij eerste kennismaking als ondoenlijk wor-
den gezien, doch bij nadere overweging wel oplosbaar blijken.

8. Vervolgens wordt eiken dag viermaal de temperatuur van
alle dieren opgenomen, telkens vóór het melken en tweemaal tus-
schen eiken melktijd.

9. De geregelde ontsmetting van melkemmers en melkgerei
wordt zorgvuldig bewaakt.

Dan blijven er nog verschillende maatregelen over, welke van
minderen omvang zijn, doch bij een volledig uitgewerkt ontsmet-
tingsregulatief hun plaats krijgen.

Kort samengevat komen de technische maatregelen neer op
het volgende :

i°. Onschadelijkmaking van het zieke dier.

2°. Ontsmetting van alle personeel.

30. Ontsmetting van stalbodem en terrein.

4°. ïepelonderzoek bij alle vee.

50. Uitwendige ontsmetting van alle dieren.

6°. Inspuiting met groote doses serum.

70. 4 x daags temperatuuropname.

8°. Voortgezette ontsmetting.

90. Event. herhaalde seruminspuiting.

Wat betreft de verlichting der veterinaire politiemaatregelen,
voor zoover deze tot volledige uitvoering komen, zij nogmaals ge-
wezen op het feit, dat door een radicale ontsmetting en strenge
controle van het vee, vanaf het begin der ziekte de kans van
verspreiding der smetstof buiten het erf wordt opgeheven, zoodat
de vrijheid van beweging weinig aan banden behoeft te worden
gelegd.

Bovendien zal door verkorting van den insluitingstijd de schade
evenzeer verminderen.

Vatten wij het geheele bestrijdingsplan in enkele hoofdpunten
samen :

i°. Wegneming van belemmeringen tot spoedige aangifte, (het
doen ophouden van vluchten en verzwijgen) hetgeen be-
reikt kan worden door :

a. samenwerking met en steun aan de organen van den
veehandel tot regeling van de schaden, veroorzaakt door
den belemmerden handel;

b. verlichting van de wettelijke voorschriften ;

c. toepassing van maatregelen, welke een directe schade
door de ziekte voorkomt of vermindert door kostelooze
serumbehandeling van het vee.

-ocr page 364-

2°. Toepassing van de technische maatregelen :

a. onschadelijkmaking van de eerste smetstof bronnen ;

b. vernietiging van de geproduceerde smetstof ;

c. voorkoming van nieuwe productie van smetstof.

Wanneer in dezen tijd van goedaardig verloop der ziekte en het
nog sporadisch voorkomen, deze maatregelen in toepassing kun-
nen komen, bestaat de kans, dat de resistente smetstof tegen den
weidetijd achterhaald is.

Ik ben van meening, dat juist deze tijd bij uitstek geschikt is,
een ernstige poging te doen.

Het verloop in 1928 heeft het ons getoond, de natuur zelve, dat
een effectief bestrijden van den goedaardigen ziektevorm niet tot
de onmogelijkheden moet behooren.

Als het den Veeartsenij kundigen Dienst gelukt den Veehandel
tot rede te brengen door te wijzen op de groote voordeelen welke
zijn individueele leden kunnen hebben door vroegtijdige aangifte
en bij toepassing van de technische maatregelen, welke de uitbrei-
ding der ziekte moeten tegengaan, dan zal de mogelijkheid tot
uitroeiing der ziekte niet denkbeeldig zijn.

ZUSAMMENFASSUNG.

Iii der Inkubationsperiode der Maul- und Klauenseuche kann schon mit den
Se- und Exkreten Ansteckungsstotf ausgeschieden werden.

Die Resistenz des Virus, ausserhalb des Tierkörpers kann sehr gross sein. Das
Virus kann sich viele Monate (besonders im Winter) lebensfähig erhalten.

Es kommt selten vor dass genesene Tiere längere Zeit Virusträger sind.

Eine Bekämpfung wird nur dann Erfolg haben, wenn sie schon von Anfang
an vorgenommen wird ; gründliche Desinfektion und Behandlung mit sehr grossen
Serummengen, welche von Staatswegen gratis verabreicht werden müssen.

Durch das sofortige fnkrafttreten der Desinfektionsmassnahmen kann man der
Verbreitung des Virus ausserhalb des verseuchten Gehöftes vorbeugen, so dass
die sogenannten ,,Ringeinspritzungen\'\' überflüssig werden.

Um das verschweigen der Krankheit und den Auftrieb von Rindern aus ver-
seuchten Gehöften auf Märkte zu verhindern, ist es erwünscht, dass der Handels-
schaden entstanden durch Sperrmassnahmen, Transportverbot etc. gegenseitig
getragen wird. Organisation der Viehbesitzer und Mitwirkung und Unter-
stützung des Staates sind dazu notwendig. Eine solche Bekämpfung wird es er-
möglichen dass die Verluste für den Viehbesitzer so herabgesetzt werden, dass
diese aus Selbstinteresse die Krankheit sofort nach deren Entdeckung angeben

SUMMARY.

During the incubationperiod the virus of foot- and mouthdisease can already
be excreted with se- and excretions.

The resistance of the virus outside the body may be very great, it may retain
its vitality for many months, especially in winter.

It seldom occurs that recovered animals are virus-carriers for a long time.

The disease can only be controlled successfully by taking rigorous measures
at the outset ; thorough disinfection and treatment with large amounts of serum ;
the latter is to be supplied gratuitously.

-ocr page 365-

By taking disinfeetion, measures immediately after detection of the disease,
the spread of the virus outside the infected premises can be prevented, which
saves serum-injections of the cattle from surrounding farms.

In order to prevent, that owners do not report the disease and that cattle from
infected premises are driven to markets, it is necessary that losses and expen-
ses resulting from isolation measures, prohibition of markets etc. are borne
pratly by the catlleowners mutually and partly by the Government.

By this means the loss for cattleowners will be reeluced to such a minimum
that it will be their interest to report the disease immediately it makes its appe-
arance.

RÉSUMÉ.

Déjà pendant la période d\'incubation de la fièvre aphteuse les produits de sécré-
tions et d\'excrétions peuvent renfermer le virus-

La résistance du virus hors de l\'animal peut être très considérable. Le virus
p ut conserver sa viabilité pendant plusieurs mois, surtout en hiver.

Il est rare que les animaux guéris restent des porteurs de virus pendant
longtemps.

La première condition pour réussir à combattre la fièvre aphteuse consiste
en la rapidité de l\'exécution eles mesures sanitaires dès l\'apparition de la maladie ;
désinfection rigoureuse et traitement avec de grandes quantités de sérum : il faut
que le sérum soit fourni gratuitement.

En prenant immédiatement des mesures propres à éviter la diffusion du virus
hors des zones contaminées, on peut s\'abstenir des inoculations des animaux
des fermes voisines.

Pour prévenir que les propriétaires cachent la maladie et que des animaux
provenant de fermes infectées sont envoyés aux foires et marchés, il faut que
les dommages résultant ele la séquestration et ele la suppression du transport et< .
soient payés par une association des propriétaires.

Il est donc essentiel que les propriétaires s\'organisent et que l\'Etat leur accorde
des subsides et donne son concours.

Par ces mesures les pertes pour les propriétaires seront réduites de telle façon
f|u\' ils ont intérêt à prévenir les autorités aussitôt (pie la maladie est décelée.

-ocr page 366-

(Melkcontrêlestation „Amsterdam").

VOEDERPROEVEN MET DIERENMEEL

door

Dr. R. H. VAN GELDER.

Bünger toonde door twee proeven met kalveren en jongvee aan.
dat vischmeel met voordeel als voedsel voor jonge dieren kon
worden gebruikt.

Hij geeft, zoodra de dieren met vast voedsel beginnen, 10 %
vischmeel van een rantsoen, dat verder bestaat uit lijnkoeken en
haver. Van dit mengsel ontvangen de dieren geleidelijk aan tot
2 Kilo op een leeftijd van 6—7 maanden, dus 200 gram vischmeel
per rantsoen.

De dieren met dit mengsel gevoerd, hadden op 2i—2f-jarigen
leeftijd een grootere pijpbeenomvang, dan de reeds volwassen
melkkoeien van hetzelfde bedrijf.

Bünger, Lamprecht, Meetz en Blöcker namen proeven met
lupinevischmeel, dit bestaat uit een mengsel van vischmeel, lever-
traan en lupine. Hun conclusie luidde, dat het mengsel graag door
de kalveren wordt opgenomen.

Groote giften van dit voedsel doen in verhouding de gewichts-
toeneming nog meer stijgen clan kleine. Per kilogram levend ge-
wicht-toeneming is het lupinevischmeel goedkooper dan een voed-
sel van haver en lijnkoeken en wel het goedkoopste bij grootere
gift. Een directe inwerking op de beengroei was niet te consta-
teeren en of er een nawerking is, zou door latere metingen moeten
worden vastgesteld.

Dezelfde onderzoekers namen ook proeven met melkkoeien en
het resultaat was bij een voedergift van 400 gram lupinevischmeel,
dat r kilogram melk een i cent duurder werd, dan bij een gewone
voeding. Duidelijker blijkt dit echter nog, wanneer men het be-
rekent op het kilo melkvet, want dan was het gemiddeld 13^ cent
duurder dan een gewoon krachtvoerrantsoen.

Daarenboven werd het levend gewicht door de voeding met
lupinevischmeel niet beïnvloed

Fkichtinger nam voederproeven met vischmeel bij koeien.
Drie groepen ieder van negen koeien werden hiervoor gebruikt.
Van groep I kreeg iedere koe per dag \\ kilo, groep II per koe per
dag £ kilo en groep III kreeg geen vischmeel bij het gewone rant-
soen. De proef werd dertig dagen volgehouden.

Nadat de dieren aan de reuk van het meel gewend waren, hetgeen
ongeveer een week duurde, werd het graag gegeten.

Het resultaat was, dat de hoeveelheid melk van de dieren, die
het vischmeel hadden gegeten, belangrijk was gestegen en aan het
einde van den proeftijd bij groep I meer dan groep II. doch deze

-ocr page 367-

laatste vertoonde nog een duidelijke vermeerdering boven de
controlegroep III.

De toeneming der melk van groep I bedroeg i,6r liter, van
groep II 1.15 liter en van de controle 0.76 liter.

De gewichtstoeneming der dieren bedroeg van groep I 24 kilo,
van II 19 kilo, van de controle 13 kilo per dier.

Na berekening bleek, dat de kosten van het meel juist werden
gedekt door de grootere melkopbrengst, doch dat het voordeel
daarin bestond, dat het lichaamsgewicht toenam. Het vischmeel
wordt daarom aanbevolen voor de koeien van consumptiemelk-
veehouders, die hun koeien regelmatig verkoopen, nadat ze afge-
molken zijn. Hierdoor zou het waardeverlies worden gereduceerd.

Staffe onderzocht de invloed van dierenmeel, aan koeien ge-
voerd, op de samenstelling der melk en de toeneming van het
lichaamsgewicht.

Twee groepen koeien kregen hetzelfde grond- en krachtvoer.
Groep I kreeg daarenboven nog 0.5 en r.o kilogram dierenmeel. Door
deze toegift steeg de melkopbrengst 7.49 %, terwijl bij de controle-
groep een achteruitgang van de melkopbrengst van 1.1 % gecon-
stateerd werd

Het vetgehalte van de melk werd door het dierenmeel even-
eens verhoogd. Het soortelijke gewicht van de melk veranderde
niet, daarentegen werd het gehalte aan droge stof der melk door
het bijvoeren van dierenmeel verhoogd. Het eiwit- en chloorge-
halte en het chloorsuikergetal werden verhoogd. Geen invloed
werd uitgeoefend op het melksuikergehalte, de refractie van het
chloorcalciumserum en de
smaak der melk.

De pH verschoof naar den zuren kant.

Ook het lichaamsgewicht der koeien, die met het dierenmeel
werden gevoerd werd gunstig beïnvloed.

Alvorens nu proeven te nemen met het bijvoeren van dierenmeel
aan melkkoeien was het eerst noodig dat een inzicht verkregen
werd omtrent de hier te lande het meest gebruikte meelsoorten
van dierlijken oorsprong.

Te dien einde werden proeven genomen met :

Liebig\'S vleeschmeel, Carnarina N. S., N. T. F. meel (Nederl.
Thermo-chemische Fabrieken), Vischmeel (Fabriek Noord-Hol
land, Beverwijk).

Deze proeven werden gedaan bij ratten.

Vijftig ratten werden in tien groepen verdeeld in glazen bakken
met een metaalgazen deksel ; houtschaafsel werd als strooisel
■ gebruikt.

De groepen werden zoo gelijkmatig mogelijk ingedeeld. Een
controlegroep werd met melk en brood en groenvoer gevoerd, dit
alles niet in een vastgelegd gewicht, doch slechts om na te gaan,

-ocr page 368-

hoe de proefdieren zich ten opzichte van deze controlegroep zou-
den verhouden. Behalve in de controlegroep werden de geslachten
gescheiden.

Van iedere meelsoort werd de proef in duplo gedaan. In iedere
bak bevonden zich bij den aanvang der proef vijf ratten ; daar
er echter in eenige bakken dieren stierven, werden de groepen
op vier teruggebracht en de uitkomsten daarop omgerekend.
Bekend is dat een rat ± 15 gram voedsel per dag noodig heeft
en hier werd rekening mede gehouden bij het eerste rantsoen, want
dit werd zoo samengesteld, dat de dieren ongeveer deze hoeveel-
heid kregen. Aanvankelijk tweemaal per week. werden de ratten
later eenmaal per week gewogen op een balans tot op 1 gram
nauwkeurig. Van ieder dier was het signalement opgeteekend, zoo-
dat verwarring niet mogelijk was.

Wij noemden de groepen : Liebig I en II : Carnarina I en II ;
N. T. F. I en II : Vischmeel I en II.

De groepen kregen tweemaal per dag hun rantsoen, dat bestond
uit een mengsel van het betreffende meel met broodkruim en water
tot een pap aangemaakt. Als vitaminegift werd gegeven, iederen
dag sinaasappel en een kleine hoeveelheid gist, tweemaal per week.

Gezorgd werd dat iedere rat zijn deel van het vitamine rant-
soen kreeg.

Begonnen werd per dier per keer met drie gram meel en twee
gram broodkruim ; na eenige dagen werd dit rantsoen opgevoerd
tot vier gram meel en twee gram broodkruim. Getracht werd het
rantsoen per dier en per keer tot vijf gram meel op te voeren, doch
dit gelukte slechts bij de Vischmeelgroepen, terwijl de andere
groepen dan een overschot hielden.

Daarom werd weer op vier gram per dier en per keer terugge-
gaan, alleen de Vischmeelgroepen kregen vijf gram per dier per keer.

De groepen, die LiEBiG\'s-vleeschmeel en Carnarina N. S. kregen,
aten aanvankelijk hun rantsoen met smaak op, maar langzamer-
hand verminderde de eetlust. Bij de groepen, die N. T. F. meel en
Vischmeel kregen was het juist andersom ; werd aanvankelijk
het voedsel geweigerd, dit werd alras anders en met graagte ge-
nuttigd.

In den beginne waren de groepen N. T. F. meel en Vischmeel
erg dorstig, later verminderde dat ; bij de
Liebig- en Carnarina-
groepen was dit juist omgekeerd. Na iederen maaltijd kregen de
ratten water te drinken.

In vergelijking met de contröledieren urineerden de andere groe-
pen veel, vooral de Carnarina- en Vischmeelgroepen ; de
Liebig-
groepen wat minder evenals de N. T. F. groepen. Een ander ver-
schil met de contröledieren was de levendigheid der proefdieren.

De proef is begonnen 28 November 1928 en volgehouden tot
26 Januari 1929, dus gedurende 59 dagen. Toen zijn de groepen

-ocr page 369-

onderling verwisseld en na veertien dagen, dus negen Februari nog
een keer gewogen.

De verwisseling geschiedde zoo, dat de groepen Liebig gedu-
rende veertien dagen vischmeel kregen, de Vischmeelgroepen
L
iebig, de N. T. F. groepen Carnarina en de Carnarina N. T. F.-
meel.

Wij laten hier de gewichtscijfers van iedere groep volgen en be-
rekenden daaruit het percentage van de gewichtstoeneming voor
iedere groep.

LIEBIG I.

Datum

28—11

i—12

8—12

12—12

15—12

22—12

29—12

5—1

t2 — I

19—i

26—1

kat I ...

141

156

1694

i&3

175

\'75

188

198

202 \\

205

2Ioi

{at II . . .

118

131

135 i

135

140J

\'44

141J

\'434

\'43*

140

I42

Jat III . .

125J

141

L54

146

149

\'54

140

149

I5Iè

148

146

{at IV . .

125*

[36

129

134

\'33

\'42è

r55i

166

171

171

\'75

---------

\'otaal . .

5i°

564

588

578

5974

6i5i

625

656J

668 £

664

673 4

Toeneming = 163.5 = 32 %■

LIEBIG II.

tat 1 ...

1434

1614

168

165

171

175

180*

1874

192

\'95

\'97

lat 11 . . .

111

120

130

128

(28$

127

1274

136

141

140

\'37

lat III . .

140

\'45

\'53

149

149

136

\'3\'4

\'37

160

\' 7°

189

Lat IV . .

142

141

\'55

156

160

\'53

1584

\'594

162

162

167

\'otaal . . .

536*

5674

606

598

608 $

59\'

598

620

655

667

690

Toeneming = 153.5 28.6%.

carnarina i.

at 1 ...

at II . . .
at III . .
at IV . .

1554

141
88*
114

1434
1464
100

113

164

1594
109
128

\'594
162

1094

121

165

159
109
124

\'43
\'534

114
120

148

1654

117

124

I.5\'4

166

Il5

126

\'55
172

"3

123

\'5°

t68

"5
118

152
178
118
127

otaal . . .

499

5<>3

5604

552

557

53O4

5544

5584

563

55\'

575

Toeneming 76 = 15.2 %.

CARNARINA II.

at I ...

I3I4

144

\'474

\'254

124

103

113

116

110

105

106

at II . . .

994

110

117

1144

117

n 14

1214

123

128

\'27

\'30

at 111 . .

119

114

129

149

145

\'32

\'43

142

140

\'44

\'44

at IV . .

8iJ

894

100

904

92

904

104

102 J

107

i r i

118

otaal . . .

43\'4

4574

4934

4794

478

437

4814

4834

485

487

498

Toene

ming

66.5

= \'5 4 %•

-ocr page 370-

N. T. F. F

Datum

28—11

i—12

8—12

12—12

15—12

22—12

29—12

5—i

12—i

19—I

2(1—

Kat I . . .

Il6|

121

T3°i

130

125

I2Ó{

132

138

140

137

145

Rat II . . .

119

123

130

136

135

138

\'43

143

140

138

140

Rat III . .

135

143

144

I52i

167

!73

177

180

190

Rat IV . .

98

95 è

107

111

111

119

133

143

145

148

\'53

Totaal . . .

464

474i

500 £

521

511 i

536

575

597

602

603

628

Toene

ming =

= 164

= 35 3

%■

N.

T. F.

II.

Rat I . . .

99i

104

109 £

i io£

118

ii9

I27i

135

I4°è

\'45

lA

Rat 11 . . .

"4

IOI

98 è

nol

105

iiif

r 16

129

133

135

134

Rat III . .

IOli

IOli

"54

r 20

119

125è

126

126

130

131

Rat IV . .

91

92

i°5

110

111J

114

I23i

126

129

125

12O

Totaal . . .

406

428*

444 £

454*

4634

492 i

5if>

528J

535

--1

539

Toeneming = 133.5 - 32.8 %•

VISCHMEEL I.

Rat I . . .

H3è

120

128

127

129

132

I42i

\'34è

140

140

140

Rat \' II . .

9i

IOI

110

110

1 i8

119J

>33

139

137

140

\'43

Rat* III . .

9°i

90 J

IOI J

104

ui

111

123

125

128

127

124

Rat IV . .

iöii

165

184

190

199}

196

215

211}

204

201

20 7

Totaal . . .

45f)i

476-1

52

531

5574

558*

6i3è

610

609

608

614

Toeneming = 157^ 34.5 %.

VISCHMEEL. II.

Rat I . . .

116

117}

I25i

126

131

134

146

155

157

161

104

Rat II . . .

130

141

131

1264

138

135

146

149

144

142

148

Rat 111 . .

97 4

114

151

153

159

162

182

i89è

187

190

195

RatJV . .

i33è

125

116J

122

127

130

140

143 £

138

>35

i4jci

_j

Totaal . . .

477

4974

524

527

555

5f>t

614

637

626

628

M

Toeneming = 171 35.8 %.

Om deze toenemingen zuiverder te stellen werden ze omgerekend
op het gehalte aan eiwitachtige stoffen van ieder meel afzonderlijk.
De analyses waren vooraf opgemaakt van het meel dat gebruikt
werd. (Proefstation Wageningen).
De berekening geschiedde als volgt :

100

-x G = X

p x q

p = hoeveelheid gebruikt diermeel ;
q = gehalte aan eiwitachtige stoffen
G = gewichtstoeneming.

-ocr page 371-

De Liebig groepen hebben ieder 1880 gram meel gehad, terwijl
het gehalte aan eiwitachtige stoffen 77.7 % bedroeg en de gewichts-
toeneming der groepen resp. f63.5 en 153.5 gram ; de gewichts-
toeneming uitgedrukt in het eiwitgehalte bedroeg van groep
I = o.ri2 en van groep II = 0.105.

De C.arnarinagroepen hebben ieder r832 gram meel gehad,
terwijl het gehalte aan eiwitachtige stoffen 68.8 % bedroeg en de
gewichtstoeneming der groepen resp. 76 en 66.5 gram ; de gewichts-
toeneming uitgedrukt in het eiwitgehalte bedroeg van groep
I = 0.060 en van groep II = 0.053.

De N. T. F. meelgroepen hebben ieder 1880 gram meel gehad,
terwijl hier het gehalte aan eiwitachtige stoffen 55.8 % bedroeg
en de gewichtstoeneming der groepen resp. 164 en 133.5 gram ; de
gewichtstoeneming uitgedrukt in het eiwitgehalte bedroeg van
groep I = 0.156 en van groep II = 0.127.

De Vischmeelgroepen hebben ieder 2272 gram meel gehad,
terwijl hier het gehalte aan ei witachtige stoffen 59 % bedroeg en
de gewichtstoeneming der groepen resp. 157.5 en 171 gram ; de
gewichtstoeneming uitgedrukt in het eiwitgehalte bedroeg resp.
van groep I = 0.118 en van groep II = 0.128.

Zooals boven reeds werd vermeld werden de verschillende groe-
pen wat het rantsoen betreft onderling verwisseld en volgen hier
de gewichtstabellen :

24

Liebig krijgt 26—1 Vischmeel.
groep i. groep ii.

Datum

26 Jan.

9 Febr.

Datum

26 Jan.

9 Ftbr

i

2io\\

200

i

197

\'85

ii

142

142

ii

137

128

iii

146

145

iii

189

\'85

iv

175

165

iv

167

* 72

Totaal . .

67 3è

652

Totaal . . .

690

670

Achteruit 2i£ G. Achteruit 20 G.

Vischmeel krijgt Liebig.
groep i groep ii.

Datum

26 Jan.

9 Febr.

Datum

26 Jan.

9 Febr.

i

140

160

i

169

ii

143

152

ii

148

gestor-

iii

124

122

iii

203

ven.

iv

207

208

iv

t4i

Totaal . . .

614

642

Totaal . . .

648

Toeneming 28. g.

lvi

-ocr page 372-

N. T. F. krijgt Carnarina.
GROEP I. GROEP II.

Datum

26 Jan.

9 Eebr.

Datum

26 Jan.

9 Febr.

I

145

143

I

148

173

II

140

131

II

i34i

127

III

190

180

III

131

140

IV

153

154

IV

126

131

Totaal . . .

628

608

Totaal . . .

539*

571

Rat I van groep II was zwanger, daardoor is deze groep in zijn geheel toege
nomen, doch in wezen achteruitgegaan.

Achteruit 20 G. Toeneming 13^ G.

Canarina krijgt N. T. F.
GROEP I. GROEP II.

Datum

26 Jan.

•9 Febr.

Datum

26 Jan.

9 Febr.

I

152

154

I

I06

115

II

178

185

11

130

137

III

118

ir4

III

144

141

IV

127

147

IV

118

129

Totaal . . .

575

600

Totaal . . .

498

522

Toeneming 25 G. Toeneming 24 G.

Van groep II Vischmeel (die nu Liebig kreeg) stierven drie
dieren, zoodat deze groep toen uitgeschakeld werd en slechts
groep I overbleef.

Van groep II N. T. F. (die nu Carnarina kreeg) was een rat ont-
vlucht en bij die gelegenheid zwanger geworden, vandaar de toe-
neming dezer groep, terwijl groep I sterk achteruitgegaan was.

Van de contrölegreop kunnen wij mededeelen, dat zij meer aan-
kwamen dan alle andere groepen, doch daar niet van een vast
rantsoen wat het gewichtspercentage van het voedsel betreft was
uitgegaan, kunnen deze groepen niet met de proefgroepen verge-
leken worden.

Aangezien deze proeven bedoeld waren voor een vergelijking
van de waarde der eiwitachtige stoffen, is het rantsoen bestaande
uitsluitend uit dit meel en brood vrij eenzijdig gekozen, waardoor
de gewichtstoeneming voor alle groepen beneden het normale ge-
bleven is. Daartegenover staat, dat nu duidelijk uitkomt, welke
der meelsoorten als meest volledige eiwitbron kan worden be-
schouwd.

Te dien aanzien volgt uit deze proeven, dat het N. T. F. extract-
diermeel als de meest volledige eiwitbron moet worden beschouwd.
Hierop volgt practisch onmiddellijk het Vischmeel, fabriek Noord-
Holland, Beverwijk ; daarna L
iebig\'s vleeschmeel, terwijl Car-
narina N. S. bij deze drie soorten belangrijk ten achter staat.

Gemakshalve geven wij hieronder de getallen, die weergeven

-ocr page 373-

de gewichtstoeneming uitgedrukt in het percentage van de ver-
bruikte eiwitachtige stoffen.

Groep I

Groep II

N. T. F. extractdiermeel .........

0.156

0.127

Vischmeel Beverwijk ............

0.118

0.128

Liebig\'s vleeschmeel.............

0.112

0.105

Carnarina N.S.................

0.060

0.053

LITERATUUR.

Bünger, Lässt sich Fischmehl bei den Aufzucht von Kälbern und Jungvieh mit
Vorteil verwenden?

Mitteilungen der D. L G. 1928, No. 4.
Bünger, Lamprecht, Meetz, Blöcker, Zwei Fütterungsversuche mit Lupinen-
fischmehl ,,Original Holsatia" an Kälber und Milchkühe.
Milchwirtschaftliche Forschungen Bd. 7, 3 u. 4 H. 1929.
F\'eichtinger, E. Ueber einen Fütterungsversuch mit Fischfuttermehl bei Milch-
kühen

Fortschr. d. Landwirtschaft Jg. 2, 1927.
Staffe, A. Beobachtungen bei der Verfiitterung von Tierkörpermehl an Milch-
kühe.

Milchwirtschaftliche Forschungen Bd. 5, 34, 4 H. 1928.

K ALVER DIPHTHERIE EN HARE COMPLICATIES,

door

D. GOEDHART.

De ziekte is eiken dierenarts zeker bekend ; de verwekker is
de Bacillus necroseos Bang.

Misschien is het niet iedereen opgevallen, maar de laatste 6
jaren is de kalverdiphtherie enorm toegenomen en eischt zij zelfs
slachtoffers, door dat de diepere organen welke met medicamenten
niet te bereiken zijn, thans ook worden aangetast b.v. strotten-
hoofd, trachea, bronchiën.

Nu is mij ook opgevallen dat een andere ziekte bij pinken en
runderen, welke ik vier jaar geleden nog nooit in mijn praktijk-
had ontmoet, plotseling veelvuldig sporadisch is gaan optreden.
Ik dacht toen nog niet aan verband met kalverdiphtherie. Deze
plotseling optredende ziekte met teerachtige mest en anaemische
slijmvliezen, deed mij eerst denken aan piraplasmose in verge-
vorderd stadium, zoodat ik, om het acuut letaal verloop, de hulp
inriep der Rijksseruminrichting. Samen met Dr. B
üchli hebben
wij zoo\'n rund geseceerd , de sectie geschiedde in het open veld
en wij vonden geen oorzaak, ook niet bacteriologisch.

Nu had ik de vorige maand alweder zoo\'n letaal verloop. Ik

-ocr page 374-

dacht aan darmzweren of maagzweren waardoor doodbloeden
ontstaan was.

Van anus tot maag heb ik de digestie-tractus onderzocht en
vond de lebmaag vol bloed. Na uitwassching constateerde ik wel
dertig groote en kleine maagzweren, meest grillig van vorm en
bedekt met een dik diphtheritisch beslag. Het enorme aantal
zweren en het diphtheritisch karakter deden vermoeden dat er
verband bestaat met kalverdiphtherie.

Het laatste slachtoffer was een pink van 8 maanden dus eigen-
lijk nog een oud graskalf ; het verkeerde in uitstekenden voeding-
toestand. Nu kent ieder dierenarts de necrotische haarden in den
kalvermond en weet hoe de diertjes vaak die necrotische stukken
doorslikken ; de maagaandoening is misschien op deze wijze te
verklaren.

Typisch is de verbreiding van beide ziekten, zij houden gelijken
tred en typisch is, dat beider verbreiding is van de laatste 6 jaar.

De necrose-bacillus komt zeer verbreid voor in stallen en in
de darmen en andere organen van het vee.

Ligt hier soms werk voor het veeartsenij kundig staatstoezicht?
Kalverdiphtherie toch is
zeer besmettelijk.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser beobachtete in seiner Praxis mehrere Krankheitsfälle bei Rindern,
bisweilen mit tötlichem Verlauf : die Tiere waren anämisch ; Faeces teerähnlich.
Bei einem gestorbenen Kalbe fand er Blut im Labmagen und in der Labmagen-
wand über 30 Geschwüre. Er betrachtet diese Krankheit als eine Komplikation
der Kälberdiphterie, welche in der Gegend herrschte.

SUMMA RY.

The author met with many cases of diphteria in calfs in bis practice and sevcral
cases of an acute and sometimes lethaldisease incattle. A postmortem-examination
showed a bloodclot in the abomasum and a great numbcr of ulcéra in its wall.
According to the author\'s opinion the latter disease is a complication of diphteria.

RÉSUMÉ.

L\'auteur fait mention d\'une maladie acute, quelquefois mortelle, chez le bétail
de sa clientèle. L\'examination post mortem d\'un veau lévéla la présence d\'une
considérable quantité de sang dans la caillette et d\'une trentaine d\'ulcères dans
sa paroi. L\'auteur croit qu\'il s\'agit d\'une complication de la diphtérie des veaux
qui régnait dans les environs.

-ocr page 375-

NAAR AANLEIDING DER CHLOORCALCIUMTHERAPIE

door
B. SJOLLEMA.

Naar aanleiding der chloorcalciumtherapie bij kalfziekte enz.
wensch ik er op te wijzen dat er behalve het kristallijne kristalwa-
terhoudend-calciumchloride, dat ik voor intraveneuse injectie heb
aanbevolen, nog een zuiver zout bestaat, dat watervrij is en een
sterk alcalische reactie bezit.

Een oplossing van één gram van dat zout is, doordat het water-
vrij is, bij oplossing tot 10 c.c. ongeveer tweemaal zoo sterk als
een oplossing i tot 10 van het waterhoudend zout.

Ik meen wegens de reactie uitdrukkelijk tegen aanwending van
het watervrije zout te moeten waarschuwen.

In verband met het door sommigen ondervonden bezwaar van het
ontstaan van verdikkingen en enkele malen necrose indien een
deel der ingespoten oplossing van chloorcalcium buiten de vene
terecht komt, is het, in verband met den hypertonischen toestand
eener 10 % oplossing in de gevallen dat men niet zeker is te
zullen kunnen verhinderen, dat er iets buiten de ader terecht
komt, wellicht te prefereeren om de in te spuiten steriele oplossing,
— ook indien het kristalwaterhoudend zout wordt gebruikt, —
verdun der te nemen dan 10 % ; bijv. tusschen 5 en 8 %, dus
30 gr. op te lossen tot 400 a 500 gr. Dat het bij voorzichtig
werken niet noodig is om te verdunnen bleek bij de vele tien-
tallen van injecties, die dit voorjaar zijn verricht. Zelfs spoot
de heer C. J.
de Gier herhaaldelijk met succes een oplossing
van 25 % (50 gr. tot 200 c.c.) in.

Het is mij bekend, dat sommige dierenartsen geregeld de steriele
CaCl2-oplossing eenvoudig met een groote recordspuit van bijv.
200 c.c. snel inspuiten.

Wanneer men inspuit met behulp van canule, gummislang en
trechter (of de recordspuit zonder zuiger als trechter gebruikend)
en de calciumchloride-oplossing op het bloed in den trechter giet,
kan men nadat de vloeistof bijna tot den steel van den trechter
is gedaald, met eenige c.c.\'s., bijv. 25, steriele physiologische
zoutoplossing overgieten, zoodat bij wegneming van de canule deze
nog slechts physiologische zoutoplossing bevat.1)

Ten slotte een opmerking over den meest gewenschten dosis
calciumchloride in te spuiten bij kalfziekte.

Van enkele zijden verneem ik, wat ik verleden jaar reeds als
mogelijk aannam, dat 30 gr. en evenmin 40 gr. altijd voldoende

\') Men kan ook, nidat [het CaCI2 verdwenen is, de slang van de canule
losmaken, een weinig bloed door ds canule weg laten loopen en deze daarna
wegtrekken.

-ocr page 376-

zijn om recidive te voorkomen. Nu dit voorjaar dit middel op
ruime schaal wordt toegepast, zal het mogelijk zijn veel ervaringen
omtrent de doseering op te doen en houd ik mij voor mededee-
linge\'n dienaangaande zeer aanbevolen. Van den heer
de Gier
vernam ik dat hij bij de 8 patientën, die hij met 200 c.c. eener
25 % oplossing van CaCl2 6 aq. inspoot, nooit recidive had en
dat de genezing steeds buitengewoon vlug tot stand kwam.

VERGIFTIGING VAN RUNDEREN

DOOR

G. VAN DE WERF.

Op 8 Januari ^29 werd mij ter onderzoek aangeboden het vee,
in \'t geheel 25 stuks, van den landbouwer van S. De dieren waren
plotseling allen vrij ernstig ziek geworden : eetlust geheel ver-
dwenen, herkauwen opgehouden, faeces waterachtig, sterk stin-
kend. De dieren bleven zooveel mogelijk liggen, waren erg suf-
hadden een versnelde pols, geen temperatuurverhooging. De melk,
opbrengst was tot op een vierde verminderd.

De verschillende toegediende voedselsoorten werden ter onder-
zoek opgezonden aan de Rijksseruminrichting ; in de lijnkoeken
werd veel ricinus aangetoond.

Door dieet is het gelukt alle patiënten te behouden.

De leverancier van de lijnkoeken werd met het onderzoek in
kennis gesteld. Deze deelde mij mede, dat de voor deze koeken
als grondstof gebruikte schilfers van een Rotterdamschen ver-
kooper afkomstig waren. Een door hem naar Wageningen opge-
zonden monster bevatte eveneens veel ricinus.

Op 23 Januari was de melkopbrengst nog slechts de helft van
de normale. De dieren herstellen zich dus zeer langzaam en het is
zeer te betwijfelen of het vee weer de melkhoeveelheid zal produ-
ceeren van voor het ziekteproces.

Uit deze vergiftiging, die op verscheidene plaatsen is waarge-
nomen, volgens de N. Rott. Ct. van 8 Februari ook te Houten,
blijkt wel de noodzakelijkheid grondstoffen vóór de verwerking
eerst te doen onderzoeken.

Raamsdonksvecr, 8 Febr. 1929.

-ocr page 377-

— 363 —
BOEKAANKONDIGINGEN.

De nieuw verschenen aflevering voor het ,,Handbuch der biologischen Arbeits-
methoden",
uitgegeven door Abderhalden, bevat een ruim 50 bladzijden lange
beschrijving door
Ernst Mangold van de ,,Methodik der Untersuchungen des
Wiederkäuermagens".
De titel geeft reeds aan, dat het opstel niet bestemd is
voor een kring van lezers die ingelicht wenschen te worden over de functie van
de magen der herkauwers, voor zoover deze bekend is. Niet, dat het voor deze niet
veel wetenswaardigs zou bevatten, doch wie eenig inzicht in het mechanisme
verlangt heeft meer succes door het lezen van een monografie zooals o. a. gegeven
is door
Wester, Benkendörfer, Mangold en Klein, Schalk en Amadon ;
of door het opslaan van de gebruikelijke handboeken. En hij mag zich gelukkig
achten gespaard te blijven voor het gevoel van wanhoop dat hem mogelijk zou
bekruipen als hij zag, dat de nieuwe aflevering, een boekje van 120 bladzijden,
de 280ste aflevering vormt voor een handboek . Reeds meters boekenplank neemt
het in, en alloen een index op den index zal het kunnen redden van een eeuwige
gevangenschap in de boekenkast, indien redden mogelijk is.

Wie belangstelling heeft voor de methoden waarop het vraagstuk onderzocht
werd, zal in het opstel veel van zijn gading vinden ; doch hij zal zich desondanks
niet kunnen onttrekken aan den indruk, dat bekorting op tal van plaatsen was
mogelijk geweest, zonder het geheel te schaden. De schrijver denke niet alleen aan
zijn plicht tot schrijven doch ook aan diegenen, die niet ongenegen zijn tot lezen.

En na het verschijnen van dit splinternieuwe hoofdstuk bereiken ons weer
onderzoekingen met een gewijzigde, in sommige deelen verbeterde techniek.
Voorspelt dat wederom een aanvulling, evenals dit opstel een ,.Ergänzung" vormt
van een in 1925 verschenen aflevering over de graphische registratie van de maag-
bewegingen \'

Nogmaals : la charité. s\'il vous plait .

Utrecht, 7 Maart 1929. J. Roos.

INGEZONDEN.

DIERGENEESKUNDE EN DIERENBESCHERMING.

Het Trekhondenvraagstuk.

Naar aanleiding van het artikeltje van collega Sigling onder bovenstaande
titel in het Tijdschrift van 1 Maart zou ik gaarne het volgende opmerken.

Het gaat niet aan om alles wat speciaal in de ,,open brief" van Dierenbelang
en de Rotterdamsche Vereeniging tegen Trekhondenmisbruik staat maar zonder
meer als juist aan te nemen, zooals blijkbaar collega
Sigling heeft gedaan.

Op blz. 10 van die brief lezen wij (het gaat hier over het misbruik dat er gemaakt
zou worden van het verleenen van zitvergunningen op de karren) : ,,de gemeente
Berkel (Z.-H.) waar de veldwachter inplaats van den Burgemeester de zitver-
gunningen met vrije hand verleende".

Tegen deze onjuistheid moet ik met klem protesteeren.

De trekhonden in Berkel zijn verleden jaar, evenals dit jaar, door mij gekeurd,
en
de Burgemeester verleende slechts zitvergunning (en niet de veldwachter),
nadat de betrokken eigenaar een medisch attest had overgelegd dat hij zich niat
dan gebrekkig kon bewegen of om zijn leeftijd minder geschikt was om naast de
kar te loopen. In totaal zijn er dan ook slechts
drie zitvergunningen verleend.

Mij is bekend dat de Burgemeester van Berkel den Minister op deze afwijking
van de waarheid heeft gewezen, onder overlegging van de betreffende medische
verklaringen.

Toegerust met de wetenschap dat de samenstellers van bedoelde open brief
het met de waarheid niet al te nauw nemen, verliezen dergelijke schrifturen veel,
zoo niet alles van haar waarde, en lijkt het er veel op dat vereenigingen als hier-
boven genoemd zelf de zaak weinig ernstig nemen.

Hillegersberg, 7 Maart 1929. M. Slager.

-ocr page 378-

BERICHTEN.

Dr. DHONT 75 JAAR.

Dr. Diiont is 29 Maart j.1. 75 jaar geworden.
Wij bieden hem, bij de vele gelukwenschen die hij zal hebben
ontvangen, ook onze beste wenschen aan, en wij weten, dat wij
daarbij namens alle collega\'s spreken.

Dat wij onze geachte sympatieke Voorzitter (die men hoogstens
65 jaar zou geven) nog lang in ons midden mogen houden, en dat
hem nog vele gelukkige jaren mogen worden toebedeeld, is ons
aller wensch.

VLEESCHHYG1ËNE.

De destructie van afgekeurd vee en vleesch.

Van de zijde d r N. V. Ned. Thermo-Chemische Fabrieken te Amsterdam schijnt
de laatste maanden een levendige propaganda uit te gaan voor haar verwerkings-
systeem, misschien min of meer bedoeld als tegenactie tegen het tot dusver slechts
in bepaalde deelen van ons land opkomend streven, om de verwerking van het
afgekeurde vee en vleesch zelf in kleinere kringen ter hand te nemen, naar het
voorbeeld van de destructor te Midwoud. Nadat wij kort geleden kennis maakten
met een brochure van de N. T. F., waarin men, a la portefeuille-vorm, een ver-
zameling van afdrukken vond van attesten van een groot aantal gemeentebesturen
uit het Noorden van ons land, waaruit op voldoende wijze zou blijken, hoezeer
men in deze diverse gemeenten ingenomen is met de aangegane overeenkomst
met de N. T. F. en men, vooral wat betreft den ophaaldienst, geen klachten van
beteekenis heeft, werd ons enkele dagen later toegestuurd een tweede brochure,
getiteld : „Destructie van afgekeurd vee en vleesch", welke brochure, voorzien
van een aantal foto\'s, een duidelijk beeld geeft van de werkwijze van de N. T. !•\'.,
terwijl men uit een duidelijke schetskaart van ons land een indruk krijgt van de
wijze, hoe de N T. F. zich de verwerking van al het afgekeurde vee en vleesch over
ons geheele land, behoudens kleine uitzonderingsgebieden, voorstelt.

Fchter ook van andere zijden komen berichten over groote belangstelling voor
dit vraagstuk Zoo heeft het Hoofdbestuur van de
Holl. M aalschappij van Landbouw
aan een Commissie opgedragen een nadere studie te maken van de organisatie der
destructie van vee en vleesch. Het
rapport van deze Commissie verscheen in het
bijvoegsel van het Algemeen Nederl. Landbouwblad van 28 Febr. j.1. Het lijkt
mij aangewezen, dit rapport eens nader hier te beschouwen. Zoowel te Bergum
als te Midwoud werd een bezoek gebracht. Voor een finantieele bcoordeeling van
de-e beide inrichtingen acht de commissie de tijd nog niet gekomen, daar in ons
land nog betrekkelijk korten tijd de destructie van vee en vleesch plaats vindt en
de bedrijven nog niet voldoende gestabiliseerd zijn. Het geheele vraagstuk heeft,
volgens hen, 3 zijden nl. :

ie. Hen hygiënische zijde ; 2e een bedrijfseconomische zijde en 3e. een sociale zijde.

1. Hygiëne. Naar het oordeel der commissie is de hygiënische uitvoering bij
groote inrichtingen als te Bergum meer gewaarborgd dan bij kleine, als te Mid-
woud.

Voordeelen voor Bergum zijn :

a). De gestationeerd? rijks-controleur oefent een doorloopend toezicht uit, terwijl
de kosten daarvan verhaald worden op de N.
t. F. Deze permanente controle
is bij het stichten van een groot aantal kleine destructoren onuitvoerbaar of te
kostbaar.

Bij kleine inrichtingen zal de dierenarts, hoofd van den keuringsdienst, veelal
de leider zijn ; bijgestaan door hulpkeurmeesters. Oefent deze dierenarts praktijk
uit, dan is niet te verwachten, dat deze steeds op alle gewensclite tijdstippen aan-

-ocr page 379-

wezig is om persoonlijk de controle uit te oefenen. Ook het andere personeel zal
veelal naast andere bezigheden aan de destructie moeten arbeiden. Te veel hangt
hier at van de ambitie van den dierenarts.

b). Bij miltvuur wordt te Midwoud van dezelfde slachtruimte en ketel gebruik
gemaakt als voor andere cadavers. Bovendien moeten alle groote cadavers dus
ook miltvuurcadavers, in stukken gesneden worden om te kunnen worden ver-
werkt.

Te Bergum gaan de miltvuurcadavers in hun geheel in de ketel en is voor
miltvuur aparte ruimte, ketel en bediening beschikbaar. Verwerking te Midwoud
duurt 8 uur, te Bergum 2 uur. Ingeval van miltvuur moeten de andere cadavers
te Midwoud 8 uur op de verwerking wachten.

c.) Bij groote inrichtingen kan het personeel gespecialiseerd worden. Zij, die
in het onreine gedeelte werken, behoeven nimmer in het reine gedeelte te komen.

d). Door de voortdurende controle kan er voor gewaakt worden, dat van de
badgelegenheid en andere hygiënische voorzorgen een regelmatig gebruik wordt
gemaakt.

Midwoud geeft, volgens de commissie, de volgende voordeelen :

De gemeentebesturen van den keuringskring, welke tezamen de noodslachtplaats
met destructor exploiteeren, hebben direct belang bij een hygiënische en econo-
mische exploitatie en vormen alzoo een meer of minder werkzaam plaatselijk toe-
zicht.

Wat het vervoer betreft meent de Commissie, dat de lengte van het vervoer
niets met de hygiëne heeft uit te staan, daar het vervoer in goed geïsoleerde wagens
geschiedt ; wel is van belang de tijdsduur tusschen de aangifte van een gestorven
dier en het tijdstip, dat liet wordt weggehaald. Meestal bedraagt deze tijdsduur
24 uur.

Het zou te ver voeren, hier ook nog de bedrijfs-economische zijde en de sociale
taak nader mede te deelen. Ik wil alleen nog de conclusies vermelden, waartoe
de commissie kwam.

il. Het algemeen belang inzake de hygiëne kan zoowel bij kleine als bij groote
destructors gewaarborgd zijn, doch het zekerste bij groote.

2). De gecentraliseerde destructie biedt, over ons geheele land genomen, belang-
rijke hygiënische en economisrhe voordeelen. Veerijke streken zouden met voor-
deel zelfstandige destructors kunnen stichten. Dat eenige van deze destructors
gesticht worden kan nuttig zijn, vooral als hierdoor de gecentraliseerde destructie
in de rest van ons land niet in ernstig gevaar wordt gebracht.

3). De belangen der veehouders hangen bij kleine destructors intusschen af
van het uitkeeringssysteem. dat gevolgd wordt.

4). De wijze, waarop thans de gecentraliseerde destructie georganiseerd is,
acht de Commissie niet de juiste. Zij zou gaarne meer zeggenschap zien van de
overheid en eene regeling, waarbij de veehouders in de eventueele winst deelen
en veerijke streken niet goed moeten maken wat vee-arme streken en wellicht
stedelijke abattoirs aan verliezen zullen opleveren De Commissie is om deze reden
niet enthousiast over de N. T. F., ofschoon niet ontkend kan worden, dat de vee-
rijke gemeenten in de toekomst steeds nog hun invloed bij de N.V. kunnen laten
gelden om eventueele betere condities te verkrijgen. De wijze, waarop de N. T. F.
de taak, welke zij op zich genomen heeft, volvoert is intusschen wel in staat om
vertrouwen te wekken in den hygicnischen en economischen opzet.

Ook in de ,,Vee■ en Vleeschhandel" van 8 Febr. j.l. verscheen een artikel over
,,de vernietiging van afgekeurd vleesch", waarin de schrijver opmerkt, dat de wet
de uitvoering der vleeschkeuring, met den aankleve van dien, uitdrukkelijk heeft
overgelaten aan de gemeenten, hetgeen beteekent een gedecentraliseerde uitvoe-
ring van voor het geheele rijk geldende voorschriften. Wanneer nu op een zoo
belangrijk punt als de vernietiging van afgekeurd vleesch, zijnde het uiteindelijke
resultaat der vleeschkeuring, de wettelijke voorschriften gecentraliseerd toegepast
dienen te worden, behoorde de wetgever dit systeem voor te schrijven. Tot nu

-ocr page 380-

toe is dit achterwege gebleven, hetgeen niet wegneemt, dat het zeer wenschelijk
zou zijn, dat de wetgever zich in deze buitengewoon belangrijke zaak uitsprak
en uiteraard dan tevens over de vraag, of de destructie al dan niet als uitsluitend
overheidstaak is te beschouwen. Aan de uit een economisch oogpunt inderdaad
bestaande bezwaren tegen ver doorgevoerde decentralisatie der destructie zou
tegemoet kunnen worden gekomen, door het van overheidswege (staat of provin-
cie; oplichten van eenige destructors op dezelfde wijze als de N. T. F. zich dat
voorstelt, maar dan geheel als overheidsbedrijf.

De N. T. F. geeft, als kantteekening bij dit artikel, de opmerking, dat men
zich, wat de destructie in ons land betreft, allereerst moet afvragen : ,,Op welke
wijze wordt de destructie van afgekeurd vleesch in Nederland het beste georga-
niseerd ?"

Het beste is dan ongetwijfeld centrale destructie door het Rijk voor het geheele
land. Nu dit systeem niet gevolgd is, moet overwogen worden welke oplossing
de ,,next best" is. En dit is, naar de N. X. F. meent, zonder eenigen twijfel niet
een verzameling van kleine destructoren, die voor het overgroote deel slechts
geld kosten. De conclusie van de N. T. F. is dus, dat, wanneer een centrale destruc-
tie van overheidswege niet is te bereiken, een centrale destructie door particu-
lieren verre te verkiezen is boven een gedecentraliseerde door de gemeenten ;
mits slechts bij de eerste voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een afdoende
hygiënische uitvoering. Deze waarborgen worden h. i. gevonden in de wettelijke
bepalingen en in den inhoud van de met de aangesloten gemeenten gesloten over-
eenkomsten.

Moet de vleeschkeuringswet door het Rijk of door de Gemeenten worden uitge-
voerd ?

Zeer vaak wordt op de algemeene vergaderingen der Slagersbonden geklaagd
over de wijze van uitvoering der vleeschkeuringswet door de gemeentebesturen
en vormen deze klachten een belangrijk deel van de agenda. Op de laatst in Januari
gehouden vergadering van de Nederl. R. K. Hanzebond van Slagerspatroons
werd door het bestuur van dezen bond, in verband met de ter vergadering geuite
klachten over het uitponden, het verschijnen aangekondigd van een brochure,
waarin het standpunt zal worden verdedigd dat het beter is de vleeschkeurings-
wet door het Rijk inplaats van door de gemeentebesturen te doen uitvoeren. Naar
aanleiding van deze aankondiging verscheen er in de ,,Vec- en Vleeschhandel"
van i en 8 Maart een verhandeling over dit onderwerp, waaraan ik het volgende
ontleen :

De vleeschkeuringswet huldigt het systeem van uitvoering door de gemeenten,
terwijl de van rijkswege ingestelde inspectie toezicht moet houden op de naleving
der wet door de gemeenten.

De klacht, w.dke veel gehoord wordt, is, dat aan de gemeenten te groote zelf-
standigheid is toegekend, waardoor de uitvoering der wet niet op uniforme wijze
geschiedt. De vraag is nu maar, of men, om hierin verbetering te brengen, moet
overgaan tot een radicale systeemverandering in de uitvoering der vleeschkeuring,
nl. deze geheel aan het rijk overlaten met totale uitschakeling der inmenging der
gemeenten of wel de gemeenten, door de vleeschkeuringswet te wijzigen, meer
aan banden moet leggen.

Deze vraag is niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. Op het platteland lieer-
schen geheel andere toestanden dan in de grootere gemeenten met abattoirs.
Indien het rijk zelf de vleeschkeuring tot zich zou willen nemen, zullen ook de
abattoirs door het rijk moeten worden overgenomen. Exploitatie van abattoirs
door gemeenten en uitvoering der keuring door het rijk, zal bezwaarlijk gaan,
daar men dan 2 kapiteins op één schip krijgt. De keuring grijpt nl. te veel in de
abattoirexploitatie zoo dat een tweehoofdige leiding noch in het algemeen belang,
noch in dat der slagers moet worden geacht.

Is het nu, met behoud van het huidige grondprincipe, nl. uitvoering der vleesch-

-ocr page 381-

keuringswet door de gemeenten, mogelijk aan de voornaamste bezwaren tegemoet
te komen? Deze bezwaren kan men verdeelen in :

a) de te groote zelfstandigheid der gemeenten, en b) het onvoldoende toezicht.

a). De groote zelfstandigheid der gemeenten heeft tot oorzaak, dat de wet ver-
schillende belangrijke zaken ongeregeld laat en art. 21 der wet onvoldoende aan-
wijzingen geeft omtrent bepalingen, welke de gemeentelijke verordening op den
keuringsdienst moet bevatten. Als zaken, waarin de gemeenten ten onrechte vrij
zijn gelaten, kunnen o. m. worden genoemd : vaststelling van keurloonen (behalve
die voor ingevoerd vleesch en de krachtens de gemeentewet vereisclite goedkeu-
ring), verkoop van vleesch op den openbaren weg, wijze van vleeschvervoer bin-
nen de gemeente, het al of niet instellen van eene gemeentelijke invoerkeuring,
het stichten van noodslaehtplaatsen of openbare slachthuizen, het gebruik van
noodslachtplaatsen voor normale slachtingen, het verhuren van gemeente-slacht-
plaatsen aan uitponders, het uitponden zelf. Verder dient als een belangrijke
leemte in de wet te worden genoemd het niet strafbaar zijn van het vervoer, enz.
van vleeschwaren, afkomstig van voor zuivere huisslachting aangegeven dieren.

Omtrent de hierboven aangegeven zaken zou S. de volgende voorschriften in
de wet willen zien opgenomen :

tl Keurloonen (inclusief slachtloonen aan abattoirs). Hieromtrent ware te be-
palen, dat de keuringstarieven zoodanig behooren te worden gesteld, dat deze
geen overschot van beteekenis overlaten, b.v. een zeer gering percentage der ont-
vangsten of wel van het stichtingskapitaal van het openbaar slachthuis. Om even-
tueele financieele handigheden van gemeentebesturen tot verdoezeling van win-
sten te voorkomen, zouden voorschriften moeten worden gegeven omtrent de
inrichting der te voeren financieele administratie van keuringsdiensten en abattoirs.

2). Verkoopen van vleesch op den openbaren weg. Dit behoortinart. iqderwet ver-
boden te worden en niet meer aan het inzicht der gemeenten overgelaten te blijven.

3). 1 \'leeschvervoer binnen de gemeenten. Hierin zijn de gemeenten thans vrij,
maar moet uniformiteit komen, hetgeen plaats kan vinden door art. 18 sub k. der
wet aan te vullen.

4). Keuring van vleesch bij invoer in een andere gemeente. Aan de tot dwaasheid
leidende bevoegdheid der gemeenten, om zelfs bij doorvoer keurloon te heffen,
moet een einde komen. Er zijn meermalen stemmen opgegaan om den geheelen
invoer vrij te stellen van keuring, dus ook het z.g. onderzoek op bederf af te schaffen.

Het feit, dat de keuringsdiensten er dikwijls nog verschillende opvattingen op
nahouden, wat aangaat de keuring, waardoor de eene keuringsdienst afkeurt
datgene, hetwelk de andere goedgekeurd heeft (de leverkwestie) en ten opzichte
waarvan de inspectie blijkbaar onvoldoende ingrijpt, is geen propaganda voor
de afschaffing der invoerkeuring. De invoerkeuring is belemmerend voor den
vleeschhandel en somtijds, praktisch gesproken, onnoodig. Misschien zou, volgens
S., een maximumafstand kunnen worden bepaald, binnen welken het vervoer
geheel vrij is ; dit met het oog op gevallen, waarin de gemeente van uitvoer grenst
aan de gemeente van invoer.

5). Het stichten van noodslachtplaatsen en abattoirs. De gemeenten zijn hierin
thans geheel vrij. Het misbruik bestaat, dat sommige gemeenten verschillende
gewon? slachtplaatsen als noodslachtplaatsen aanwijzen, hetgeen een juiste uit-
voering der wet belemmert. In elke gemeente of keuringskring dient een behoor-
lijke noodslachtplaats te zijn, zulks in de wet te bepalen, waarbij tevens bepaald
dient te worden, dat deze noodslachtplaats niet voor gewone slachtingen mag
worden gebruikt.

Wat het oprichten van abattoirs betreft, is de inspectie over het algemeen
voorstander van het oprichten van openbare slachthuizen ; met den economischen
kant der zaak wordt niet altijd voldoende rekening gehouden. Tot oprichting van
een openbaar slachthuis behoorde niet te kunnen worden overgegaan, indien bij
een van hoogerhand vast te stellen, algemeen geldend maximaal tarief de exploi-
tatie niet sluitend kan worden gemaakt.

-ocr page 382-

6). Het uitponden. De oorzaak van dit kwaad is in de eerste plaats gelegen in
art. 19 der wet, waarin een omschrijving ontbreekt van het begrip der daarin ge-
noemde inrichtingen (slachterij, bewaarplaats van vleesch, vleeschwarenfabriek).
Voorts is niet in de wet bepaald, dat het slachten, uitgezonderd dat van zuivere
huisslachtingen, uitsluitend mag plaats vinden in een aan de eischen der wet vol-
doende slachtplaats.

Evenmin verbiedt de wet het ten verkoop, aflevering, enz. voorhanden hebben
van vleesch, in lokalen (niet zijnde vleeschwinkels), welke niet aan de voor win-
kels gestelde eischen voldoen. Het stellen van dit verbod is thans aan den ge-
meentelijken wetgever overgelaten. Veel beter ware het, als de wet zelve hier
regelend optrad.

y). De handel in tot vleeschwaar verwerkt vleesch, afkomstig van de van keuring
vrijgestelde huisslachtingen.
In 1927 bedroeg het als „zuivere huisslachtingen\'\'
aangegeven aantal varkens 279.673 stuks. Bedoelde handel is thans niet tegen te
gaan, omdat er geen verbodsbepaling bestaat voor het vervoer, enz. van derge-
lijke vleeschwaren.

b). Het onvoldoend toezicht, uitgeoefend van rijkswege.

De vleeschkeuringswet wijdt slechts 2 artikelen (31 en 32) aan de inspectie.
De rol, welke deze speelt, is vrijwel geheel passief. Slechts ten opzichte van het
vaststellen van de gemeentelijke verordeningen op den keuringsdienst heeft de
inspectie directen invloed.

Het zou, naar S. meening, ten zeerste aanbeveling verdienen, indien de inspectie
directen invloed zou kunnen uitoefenen op de benoeming van hoofden van keu-
ringsdiensten, waardoor dan meer waarborgen zouden bestaan, dat de meest
kundigen werden benoemd.

Vanzelfsprekend dienen ook de inspecteurs allen doorkneed te zijn in de prak-
tische vleeschkeuring.

Verder zou het zeer wenschelijk zijn, dat de salaris-regeling der keurings-ambte-
naren aan de goedkeuring van hooger bestuur zou zijn onderworpen, teneinde
aldus te voorkomen, dat te lage salarissen worden toegekend.

Bovendien zou S. voorschriften willen zien omtrent het verschaffen van ge-
gevens nopens de keuring, jaarverslagen daaronder begrepen. Iedere keurings-
dienst is nu baas in eigen huis, dus ook omtrent het samenstellen van de jaar-
verslagen, waaruit weer volgt, dat onvoldoend statistisch materiaal ter beschik-
king komt en vergelijking der resultaten zeer moeilijk is.

Het resultaat, waartoe S. komt, is dus, dat met niet al te ingrijpende verande-
ringen de vleeschkeuringswet reeds veel verbeterd zou kunnen worden.

Invoer van vleeichwaren uit Hongarije.

De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, gelet op het bepaalde bij de
artikelen 2 en 3 van het Kon. Besluit van 6 Juli 1922 ; gezien zijne beschikkingen
van 20 Maart, heeft bepaald, dat vleeschwaren, met inachtneming van de bepa-
lingen van genoemd besluit en van de genoemde beschikkingen, tot wederopzegging
eveneens mogen worden ingevoerd uit Hongarije.

Abattoirs, enz.

De gemeenten Velsen en Oostvoorne besloten tot het sluiten van een contract
met de N.V. N. T. F. inzake de destructie van afgekeurd vee en vleesch, terwijl
de gemeente
Egmond-Binnen daartoe wil overgaan, indien de gemeente Alkmaar
ook tot aansluiting overgaat.

Voor de betegeling van de slachthallen in het openbaar slachthuis te Groningen
werd door de raad f 16.240.— gevoteerd.

Te Terborg is een vergadering gehouden van gemeentebesturen in den Geldcr-
schen Achterhoek ter bespreking van het vraagstuk der cadaververnietiging.
Vertegenwoordigd waren de gemeenten Doetinchem, Wisch, Hummelo en Keppel,
Aalten, Gendringen, Lichtenvoorde, Eibergen, Dinxperlo, Zeihen, Winterswijk,
Bergh en Groenlo. Er werd geen beslissing genomen, maar over het algemeen
voelde men meer voor aansluiting bij Winterswijk dan bij Bergum.

-ocr page 383-

In den op 21 Febr. j.1. gehouden raadsvergadering te Assen werd door den raad
voor deskundige voorlichting bij den bouw van een abattoir, in het bijzonder met
het oog op de koelinrichting, aan B. en W. een crediet van / 4000.— verleend.

De destructie van vleesch te Amsterdam.

De gemeenteraad van Amsterdam heeft eenigen tijd geleden het besluit ge-
nomen om voor ƒ 27.000.— een desctructor te doen bouwen voor de vernietiging
van afgekeurd vleesch. Met dit besluit werd tevens het aanbod afgewezen van
de N. T. F. tot aansluiting bij hare destructor. Het Amsterdamsche raadslid, de
Heer A.
Weisz, stelde aan Ged. Staten voor dit raadsbesluit te schorsen. Ook
de N. T. F. verzochten vernietiging van het betreffende raadsbesluit.

Ged. Staten van N.-Holland hebben op 13 Maart j.1. deze aangelegenheid be-
handeld. De bezwaren van belanghebbenden werden als volgt verklaard :

De N. T. F. willen centralisatie van de vleeschvernietiging, hetgeen ook de be-
doeling is van de regeering. Amsterdam is een van de belangrijkste plaatsen in
dit opzicht, omdat er bijzonder groote hoeveelheden bedorven vleesch zijn. Be-
sluit Amsterdam nu om de centralisatie niet te bevorderen, dan moet onvermijde-
lijk volgen, dat streken, waar maar weinig vleesch te halen is, en waarvan de
exploitatie door gemeenten als Amsterdam ,.goedgemaakt" moet worden, niet
in het centrale verband opgenomen kunnen worden. Door dit Amsterd. besluit
wordt het algemeen belang dus direct geschaad. Verder werd aangevoerd dat aan
de hygiënische voorwaarden door de N. T. F. evengoed zal worden voldaan als
door een eigen Amsterdamsch bedrijf.

Dit laatste meent het gemeentebestuur van Asd. in twijfel te moeten trekken,
en evenzeer of op deze wijze wel een algemeen belang geschaad wordt. Het cen-
traliseeren van vleeschvernietiging door een particuliere onderneming lijkt het
gemeentebestuur niet gewenscht. Overigens heeft de hoofdstad een jaarlijksch
overschot op de vernietiging, van / 11.000.— en ook daarom meent zij, dat keu-
ring en destructie in één hand moeten zijn. Reeds gedurende 41 jaar is dit het
geval in Amsterdam en er is geen aanleiding om het systeem te veranderen. Ged.
Staten zullen later een beslissing nemen.
 de Graaf.

Diergeneeskundige kring Amsterdam.

De 3e Kringvergadering werd gehouden 20 Febr. j.1. Bijzonder groot was de
opkomst niet, vermoedelijk toe te schrijven aan i-iekte en ongunstige weersge-
steldheid.

De Voor, itter deelde mede, dat door bemiddeling van één der collega\'s voor
voordracht met lichtbeelden er een gratis gelegenheid voor projectie zal zijn.
Verder is or een regeling aangaande het serveeren van thee getroffen. Een nieuw
lid werd na ballotage aangenomen, zoodat de kring thans 25 leden telt.

Bij de huishoudelijke besprekingen werd gewezen op het gedrag van een col-
lega in de stad, die op voor onzen stand minder wenschelijke manier, het publiek
kennis geeft, dat er gelegenheid bestaat hem voor een koopje te consulteeren.
Deze collega verspreidt een soort van prospectus, een getypt velletje papier,
waarop na onderteekening volgt : ,,Zegt het voort".

Algemeen was men van meening dat het gedrag van de gewraakte collega in
deze ver beneden peil is ; vanwege de ernst van deze betreurenswaardige geschie-
denis werd de zaak ter nadere afdoening verwezen naar de afdeeling Noord-
Holland der Maatschappij voor Diergeneeskunde, onverminderd de nader te be-
palen houding van dan kring zelve, welke zich voorloopig tot een afwachtende
zal bepalen naargelang de maatregelen welke de afdeeling voornoemd zal treffen.

Daarna verkreeg collega R. H. Veknstra het woord voor zijn inleiding over
Cysticercosis bij mensch en dier.

Aangezien deze inleiding met de daaropvolgende discussie\'s vermoedelijk als
artikel in dit tijdschrift zal verschijnen, kunnen wij gevoegelijk voorloopig daar
naar verwijzen Wij betreuren dat voor deze inleiding niet méér belangstelling was

De volgende kringvergadering zal per convocatie worden bekend gemaakt.

Fichholtz.

-ocr page 384-

Veranderingen : Jaarboekje 1929.

Blz. 56 regel 6 v. b. staat : Justus v. Effenstr. 11, moet zijn : Justus v. Elfen-
straat 1.

Rijks-Universiteit Utrecht.

Bevordert tot veearts: W. D. Graafsma, W. J. L, de Graaf en G. S. e.
Vegter.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in Februari 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op 1 Febr. nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer: bij 203 (218) eigenaars, waarvan in Groningen bij 16
(22)
eig.; Friesland bij 79 (106) eig.; Drenthe bij 5 (10) eig.; Overijsel bij 3
eig.. Gelderland bij 12 eig.; Utrecht bij 10 (4) eig.; Noordholland bij 16 (30)
eig.; Zuidholland bij 25 (34) eig.; Zeeland bij 3 (1) eig.; Noordbrabant bij 34
(4) eig.

Scabiës (sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap: 23 gevallen bij 7
eig, (97 bij 14 eig.), waarvan in Groningen 9 bij 3 eig. (8 bij 1 eig.) ; Friesland
6 bij i eig. (38 oij 6 eig); Drenthe (11 bij 2 eig.); Overijsel 4 bij 1 eig.;
Zuidholland
4, waarbij 1 paard, bij 2 eig. (40 bij 5 eig.).

Rotkreupel bij schapen: 44 gevallen bij 4 eig. (608 bij 35 eig.), waarvan in
Groningen
(26 bij 4 eig.) ; Friesland 1 (70 bij 7 eig.) ; Drenthe 2 bij 1 eig. (23
bij 4 eig.); Utrecht (12 bij 1 eig.); Noordholland (208 bij 14 eig.); Zuidholland
41 bij 2 eig. (68 bij 4 eig.); Zeeland (201 bij 1 eig.).

Anthrax: 32 gevallen bij 24 eig., waarvan in Friesland 4 bij 3 eig.; Drenthei,
Overijsel
2 bij 2 eig. ; Gelderland 5, waarbij 2 paarden, bij 5 eig. ! Noord-
holland 1 ; Zuidholland
7, waarbij 1 varken, bij 6 eig.; Noordbrabant 8 bij 2
eig.; Limburg 4 bij 4 eig.

PERSONALIA.

Verhuisd : J. H. ten Thije naar Jan van Scorelstraat 37, Utrecht.

BLADVULLING.

Miltvuur-besmetting door een kat.

Een dame werd door een kat gekrabd en kreeg een karbonkel; door spoedig
inroepen van geneeskundige hulp verliep het geval gunstig. De kat had kort
te voren gespeeld met een doode vogel (kauw) ; men veronderstelde nu dat de
vogel zich aan een miltvuur cadaver had besmet. Collega
Führer die dit
berichtje in de Wiener tierarztl Monatschr.
(1929. Heft 6) plaatste geeft er de
goede raad bij, steeds ook kleine niet bloedende wondjes terstond zorgvuldig
te behandelen.
 Vr.

-ocr page 385-

REFERATEN.

£ UIT HET VERSLAG OVER 1927 VAN HET CENTRAAL-LAB. TE UTRECHT.

Filtrabel tuberculose-virus.

Door J. P. Bijl werden onderzoekingen verricht naar aanleiding van proeven
in de laatste jaren vooral door
Franschen genomen aangaande het bestaan eener
filtreerbare ultravisibele vorm van het virus der tuberculose. Als afwijkingen bij
proefdieren, welke kenmerkend zouden zijn voor een infectie met het ultravirus,
gelden : i. lichte, voorbijgaande tuberculose aantoonbaar door een pos. tuber-
culinereactie. 2. bacillose (tuberkelbacillen, althans zuurvaste „vormsels") der
lymphklieren, welke zelf al of niet veranderd zijn. 3. duidelijke zwelling der long-
klieren, met bacillen, doch niet of geringe zwelling der entklieren. 4. geen ulcus
op de entplaats.

Schrijver gebruikte voor zijn proeven Berkefeld-, Chamberland- Pasteur-, en
E.K.-filters. Gefiltreerd werden sputum, organen, culturen, pus en urine, zoo
noodig verkleind en in verdunden toestand.

Als proefdieren cavia\'s van -J- 300 Gr. te voren intracutaan getuberculineerd.
en wel 29 met E. K.-filtraten, 7 met Berkefeld-, 8 met Ch.PL3 en 7 met Ch.PLa.

Resultaten : punt 1: zeer zelden duidelijke tub-reactie d.w.z. rosctvorming, wel
dikwijls zwelling, roods verkleuring en soms een necrotisch plekje.

Punt 2 : bij 2 van de 51 cavia\'s zuurvaste vormsels (geen bacillen) in de niet-
veranderde lies- en longklieren. Met deze klieren werden echter geen cavia\'s geënt.

Overigens beschouwt hij de „specifieke verschijnselen" aan de hand van andere
gegevens en van aparte proefnemingen. Zoo acht hij de afwijking onder 4 (ulcus)
niet specifiek, omdat hij bij de cavia\'s, op het C. Lab. voor inspuiting met tuber-
culeus materiaal gebruikt, welk materiaal opzettelijk met vloeistof tot 5 c.c. ver-
dund werd, zelden een echte ulcus waarnam.

Voorts vindt hij een door velen aangenomen positieve tub.-reactie geen bewijs
ervoor, dat een voorbijgaande infectie met tuberculeus ultravirus heeft plaats
gehad, immers tuberculan van
Spronck, een met carbol geconserveerd filtraat
uit tuberculeus weefsel of uit producten daarvan, bezit volgens experimenten
een antigene werking, zoodat dc bedoelde ultrafiltraten even goed als een leven-
loos antigecn kunnen werken. De sectiebeelden, vroeger bij een deel der cavia\'s
verkregen welke met 60 microscopisch en cultureel negatieve spinaalvochten waren
gespoten, werden wel is waar opvallend en overeenstemmend bevonden (geen
ulcus, weinig of geen zwelling der entklieren, gezwollen longklieren en longhaard-
jes) doch toegeschreven aan het inspuiten van slechts weinige bacillen. Thans
werd het in verband gebracht met een mogelijk in die spinaalvochten aanwezig
ultravirus. Deze mogelijkheid kon echter niet aannemelijker worden gemaakt dan
de vroegere opvatting, nl. na het nemen van een 3-tal proevenreeksen met cavia\'s
geinfecteerd met een minimale hoeveelheid bacillen in phys. NaCl.

Cultureel onderzoek op tuberkelbacillen.

Hierover levert Dr. G. Korthof een artikel en wel over de methode van Hohn
(concurent van de cavia-enting, en middel om spoedig over een eigen stam te
beschikken voor eventueele autovaccinatie). Berust op de resistentie van tub-
bac. tegen sterke zuren, zoodat begeleidende bacteriën in allerlei onderzoekings-
materiaal worden uitgeschakeld. Ze is afkomstig van
Sumigoshi en Lowenstein,
die i deel sputum vermengden met 5 d. 40 % \'s zwavelzuur of 30 %\'s zoutzuur
schudden, centrifugeeren en wasschen en dan het sediment entten op glycerine-
aardappel. In plaats van aardappel gebruikten anderen de vaste eivoedingsbodsm
volgens
Lurenau. Hohn gebruikte eveneens de Lubenau-vb, maar streek daarop
het sediment ongewasschen uit (1—2 c.c. materiaal, schudden met 10 c.c. 10 %\'s
HjS04 ged. 20 min., 5 min. centrifugeeren en het sediment uitstrijken op 3 a 4
buisjes v. b. bij sterke verontreiniging 12 %\'s
H,S04 en 30 min. schudden). De
kolonies worden zichtbaar na gemiddeld 10 dagen. Zijn resultaten waren gunstig.

-ocr page 386-

Hij bereidt zijn zuur met volumen procenten. Korthof neemt aanvankelijk 2 x
normaalvloeistof, later 1
x , en tenslotte £ normaal, en als voedingsbodem, na
vergelijking, de vloeibare eivoedingsbodem volgens
Besredka, waarin de tub.-bac.
het best groeiden, en meerendeels op den bodem zinken, al of niet gemengd met
een buffervloeistof, (phosphaatmengsel volgens
Sörensen met Ijh 7.6). Resul-
taten : 45 urines, negatief met Ziehl. en antiformine waren 8
x positief met Bes-
redka,
4 x positief met Lubenau.

3 urines, negatief mjt Ziehl., verdacht m;t antiformine, waren zoowel met B.
als met L positief.

Van 87 sputa, negatief met Ziehl en waarvan 6 twijfelachtig met antiformine,
waren van de laatste 3 positief een van de overige 81 veertien positief.

Van 13 lumbaalvochten, microscopisch negatief waren 4 positief.

Van 5 monsters pus, 3 positief.

Vergelijkende cavia-proeven in voldoend aantal, zijn nog niet genomen.

Eer de cultuur-methode naast de microscop. methode als routine-onderzoek
kan worden ingevoerd, zijn nog vele moeilijkheden te overwinnen.

Virulentie van typhus-bacillen na vaccinatie van typhusbac.-dragers.

Korthof heeft bij 5 bac-dragers de virulentie der uitgescheiden bac. nagegaan
vóór en na de vaccinatie dier dragers en wel bij cavia\'s. Dit was naar aanleiding
van een publicatie van
Schwer te Allenstein die, nadat hij geen invloed van vac-
cinatie had gezien op de uitscheiding der bacillen de vraag stelde of de vaccinatie
dan tenminste geen vernietigende werking had op de virulentie der uitgescheiden
bacillen. Zijn proeven met intraperit. enting van cavia\'s vielen gunstig voor die
vraag uit, doch het waren slechts
cavia\'s, en eenige controle over vermindering
van besmettingsgevaar der patiënten had hij niet, daar het goed geisoleerde ver-
pleegden in een krankz.-gesticht betrof.

De proeven van Korthof, betreffende 5 bac.-dragers werden eveneens op cavia\'s
genomen. Bij 2 dragers zoowel voor als na de vaccinatie, bij een alleen er na en
bij 2 alleen ervoor.

De intrap, dosis bedroeg resp. \'/,0, \'/5 en £ oese agarcult. van 24 uur.

Bij de eerstgenoemde dragers was eenmaal het resultaat „grillig", bij de tweede :
onbeduidende virulentie-vermindering. Bij de derde (er na) : \'/10 oese dood, \'/s oese
blijft leven, £ oese dood.

Het onderzoek kon wegens de kleinheid geen duidelijke resultaten afwerpen.

Proeven met Leptospira icterohaemorrhagiae door Korthof.

Een der moeilijkheden is de cultuur, waarbij vele mislukkingen voorkomen.

ScHtiFFNER verving daarom reeds het konijnenserum in de voedingsbodem door
paardenserum zonder veel verbetering te verkrijgen. Een voedingsb. volgens
Vervoort, waarin konijnenscrum, bij het Centr. I.ab. in gebruik geeft dikwijls
mooie, maar ook wel geen resultaten.

Getracht is de oorzaak van de mislukking op te sporen. Het bleek dat het groei-
optimum ligt bij een
Ph van 7.3 a 7.4, voorts dat Utrechts leidingwater met en
zonder serum ongeschikt, en grachtwater beter dan gedest. water was. In gracht-
water werken echter de vel; door het filter passeerende fijn? partikeltjes zeer sto-
rend bij de donkerveld-waarneming. Bouillon, zoutoplossingen, peptonoplossing,
ascitesvloeistof of haemoglobine, alle gesteld op
Ph 7-4. in plaats van aq. dest.
met zouten, buffervloeistof en serum leidden tot niets. Wat het serum als bestand-
deel der voedingsbodem betreft, blijken sommige konijnen altijd geschikt serum
te leveren, andere nooit. Menschenserum werd evenals paardenserum ongeschikt
bevonden.

Een wilde rat die een serum leverde even voortreffelijk als het meest geschikte
konijn, bleek bij sectie onbesmet van leptospirae. En een konijn dat ongeschikt
serum leverde, bleek een jaar geleden te zijn ingespoten met leptospirae. Vraag :
zijn alle ongeschikte konijnensera soms van dieren afkomstig welke vroeger be-
smet waren? Het onderzoek bij 20 zulke konijnen, direct of in gefixeerde Levaditi-
preparaten was negatief. In de gebruikelijke voedingsbodem is 0.4 c.c. konijnen-

-ocr page 387-

serum op 5 c.c. Een paar flinke, geschikt bevonden konijnen kan men daarvoor
om de 3 a 4 weken zonder bezwaar uit de oorader tappen (20 a 30 c.c. bloed per
konijn).

Betreffende de door Klarenbeek bestudeerde hcmdewleptospirose zijn onder-
zoekingen verricht naar het agglutincerend vermogen van het serum van normale
en zieke honden, en is tevens gepoogd het virus uit de nieren van verdacht ge-
storven honden te kweeken.

12 hondjes beneden enkele weken oud aggl. beneden 1 op 100. Van 6 vrij jonge
honden 4 beneden 100, een 1 op 1000 en een 1 op 2500.

Van 21 oudere honden 4 boven 1 op 1000 (tot 25000) 17 beneden 1 op 1000.

Van 9 zieke honden ,,waarbij leptospirose niet zeker was niet te sluiten", 3 be-
neden i op 100 een 1 op 50.000, een 1 op 25000, twee 1 op 5000 en twee 1 op 2500.

Als cultuur werd in hoofdzaak de caviacultuur waarbij 2—5 c.c. bloed in de
buikholte van cavia\'s werd gespoten. De cultuur van een hond met een titer van
50.000 mislukte. Van den hond met 25000, welks urine in het donkerveld herhaal-
delijk positief bleek, werd de urine bij 12 cavia\'s ingespoten. Enkele hiervan stierven
onder Weü-verschijnselen. in een stukje lever van een dezer werden de parasieten
in het donkerveld gezien en konden in cultuur worden gebracht. Van een ander
dier cavia\'s groeiden de parasieten-cultures uit de nieren uitstekend, die uit de
lever minder, en die uit het hartebloed, nog minder. Zoowel voor honden- als voor
menschenleptospirae bleek de lysis- en aggl.titer van een konijnenserum, voorbe-
handeld met menschenleptospirae, dezelfde, nl. 50.000.

Hetzelfde gold voor konijnenserum, voorbehandeld met hondenlept. ten op-
zichte van leptosp. van honden, menschen en ratten. Eveneens serum van een
Weilpatiënt t.o.v. leptosp. van honden en menschen. Van 7 Goudsche ratten bleken
3 microsc.- en cultureel positief. Van 15 Utrechtsche ratten 5. Deze rattenstammen
hadden t.o.v. konijnenserum met menschenstammen bereid, gelijke titers als de
menschenstammen zelf.

Zooals bekend, geven positieve Weilsera agglutinatie voor typhusbacillen.
Het omgekeerde bleek volgens proef met 10 typhussera niet op te gaan.

van Straaten.

ZIEKTEN VAN HERKAUWERS.

Darminvaginatie na het dekken.

Eröschl ((Der Üster. T: ir Oct. 1928) meent dat elke mededeeling uit de
praktijk er het hare toe kan bijdragen onze kennis te verbreeden en te verdiepen.
Schrijver wijst erop dat darminsnoering, uitgezonderd de bij den Strangula-
tio ductospermatica (Überwurf) optredende, tot de zeldzaam opgemerkte
aandoeningen behoort. Schrijver meent daarom gerechtigd te zijn het volgende
geval te publiceeren :

Schrijver werd geroepen bij eene zwaar zieke koe. welke 3 dagen tevoren bij den stier
was toegelaten en daarbij op ruwe wijze door het mannelijke dier „niedergerittcn"
was. Op den thuisweg vertoonde het dier een waggelende gang. Na dit ongeval had
het geen voedsel meer tot zich genomen en toonde het zich zeer lusteloos. Daarna
begonnen zich koliekverschijnselen te vertoonen. Daarbij bestond tympanitis.
Door den eigenaar zelve was reeds eene behandeling ingeleid met behulp van
kamillenthee, decoctum sem.lini en sulf. natr. Hierop was slechts een vuistgroote
harde faecesbal, zwart van kleur gevolgd. Eene behandeling werd ingesteld op
den basis van verstoppingskoliek. Twee dagen later volgde noodslachting, waarbij
bleek dat twee dundarmlissen, donkerblauw van kleur, in elkaar gedreven waren.
Het net, vormde ter plaatse van de insnoering een harde knobbel. In de buikholte
bevond zich 2 a 3 Liter sereus exsudaat.

Schrijver meent op goede gronden een verband tusschen de gevonden afwijking
en de ruwe wijze, waarop het dier gedekt was, aannemelijk te kunnen maken.

LVI 25

-ocr page 388-

Tetrachloorkoolstof tegen Distomatose bij schapen en geiten.

Seddon (Austr. Net. Journ. Bd. IJl, en Shaw en Simms, Journ. of the Am. Vet.
Med. Ass. Bd. 71, referaat in het April-nummer 1928, der Therap. Monatshefte)
stelden in eene reeks van proeven het therapeutisch effect van Tetrachloorkoolstoof
bij distomatose van schapen en geiten vast.

Eerstgenoemde toonde aan dat dit middel tegenover distomen een prompte
werking vertoont. Voor een groot schaap is een dosis van 1 c.c. ruim voldoende.
Tot 8 c.c. toe worden zonder schadelijke nevenwerkingen verdragen. Een vastkuur
is overbodig. Het middel kan toegediend worden in capsulevorm of in vloeibare
parafine 1 : 4. Het is zeer goedkoop en werkt doeltreffend, behoort echter van tijd
tot tijd herhaald te worden.

Laatstgenoemden beproefden het middel, eveneens met doorslaand succes, bij
geiten. Ook hier bedroeg de therapeutische dosis 1 c. c. Herhaalde behandeling
wordt ook hier aanbevolen.

Nachweis und Bekämpfung der Euterentzündung beim Rinde.

Skar (Zeitschrift f. Inf. krankh. parasit. 11. Hyg. der Haustiere 43. Bd. 1 Heft.)
wijst erop, hoe langzaam maar zeker in de meeste cultuurstaten het bewustzijn door-
dringt, welke enorme verliezen door de streptococcen-mastitis veroorzaakt worden.
Hetvaak chronisch verloop doet de werkelijkheid slechts langzaam bij den veehouder
doordringen. Schrijver meent dat het niet voldoende mag zijn de veranderde melk
uit het vrije verkeer te weren, doch dat de noodzakelijkheid voor de hand ligt naar
middelen te helpen zoeken de kwaal effectief te bestrijden. Hij oppert hiertoe het
volgende plan :

ie. Het opsporen der Mastitisstreptococcen in de mengmelk, en hierop aansluitend
onderzoek van het vee van die boerderijen, waar het onderzoek positief uitviel ;

2e. Onderzoek van melkmonsters vóór deze melk in het verkeer wordt toegelaten ;

3e. Voortdurende en systematische controle van die melk, welke onder garantie
van streptococcenvrij wordt verkocht ;

4e. Een systematische voorlichting van de veehouders, in het bijzonder om-
trent de wijze waarop het lijden langs den weg eener prophvlaxis bestreden kan
worden.

Schrijver geeft allereerst eene modificatie der Gramsche kleuring aan, welke in
het bijzonder voor de onderkenning van Mastitis-strcptococcen geschikt zou zijn.
Deze komt hierop neer, dat vóór de behandeling met Sol. lugoli, het praeparaat ge-
kleurd wordt met o.ij—0,18 % methylviolet 6 B-oplossing. In plaats van absolute
alcohol kan 96 % gebruikt worden. Hierdoor zou overkleuring verhinderd worden,
waardoor de dwarsstreeping beter tot haar recht zou komen. Vooral voor massa-
onderzoek zou deze kleurmethode hare voordeelen bieden. (Geen controle op tijds-
duur). De karakteristieke involutievormen der sterptococcen zouden hierdoor vol-
ledig aan den dag treden. Daarbij worden de gedegenereerde en doode ketens zoo
goed als niet gekleurd, waardoor scheiding in pathogene en niet-pathogene stammen
aanmerkelijk zuiverder kan geschieden. In het bijzonder wanneer verouderde ge-
vallen in hetspelzijn. is het bij de methyleenblauw-kleurmethode zeer moeilijk om
de spaarzaam aanwezige ketens zichtbaar te krijgen. Uit dezen hoofde heeft schrijver
in het bijzonder voor het onderzoek van mcngmelk de methyleenblauwkleurmethodc
verlaten. Bij een verdunning van 1 : 1.000000 zou het nog zeer gemakkelijk zijn
de coccen te vinden. Bij de chronische vorm zouden de korte ketens overheerschen.
Van belang is het, uit het microscopisch onderzoek zich een oordeel te vormen
over het actute, chronische of tusschenkarakter. Dit is volgens
Skar bij eenige
routine zeer wel mogelijk en bespaart in vele gevallen veel moeite en werk. De
niet-pathogene Streptococcen vormen vaak korte, stijve ketens, sterk Gram-positief;
de leden hiervan zijn langgerekt ovaal, soms rond ; dwarsstreeping ontbreekt ge-
woonlijk. Zij maken den indruk gemakkelijk uit elkaar getrokken te kunnen worden.
In het eerste stadium vormen zij vaak
lange ketens, welke een geslingerd voorkomen
hebben (Sie sind biegsam, sodass ihr Aussehn an eine hingeworfene Kette erinnert).
De dwarsgestreepte leden liggen vaak dicht opeengehoopt, de omtrekken zijn niet

-ocr page 389-

erg duidelijk, terwijl kapselvorming geregeld aanwezig is. Naarmate het chronisch
karakter meer op den voorgrond treedt, wordt de kapsel minder duidelijk
zichtbaar.

Ten gevolge van reactieve inwerkingen van de zijde van het lichaam, ontstaan
zeer spoedig typische degeneratievormen, welke in hoofdzaak kenbaar zijn door-
dat het kapsel zich onvollediger afteekent. Ook ontstaat de neiging tot de vorming
van knotten. De neiging tot ketenvorming gaat verloren, het kleurvermogen
der verschillende coccen wordt zeer ongelijk. De studie der degeneratieve vormen
kan met succes geschieden, door het gewonnen secretum eenigen tijd te laten staan
en hierna te onderzoeken. Verdunt men dit afwijkend secretum met frissche, ge-
zonde melk, dan gaat dit proces veel langzamer. Een tweede karakteristiek teeken,
dat wijst op weerstand van de zijde van het organisme, is de omstandigheid dat de
ketens
korter worden. In het chronische stadium zal men weinig degeneratievormen
treffen, men zou kunnen zeggen : de bacterie heeft zich geacclimatiseerd. Dit gaat
echter niet in alle gevallen op. Toch is aan te nemen dat in chronische
gevallen, het aantal korte ketens
domineert. In die gevallen waarbij in een als
klinisch acuut onderkende mastitis veel korte ketens gevonden worden heeft men
rekening te houden met de mogelijkheid dat het hier een opnieuw acuut geworden
proces betreft, (l)eze gevallen zijn het, welke bij den aankoop van vee de meeste
aandacht voor zich opeischen en aanleiding kunnen zijn tot het ontstaan van een
stalenzoötie Kef.)

Wat de phagoevtose betreft, in normale melk vormen de phagocyten geen hoop-
jes! Het verdient aanbeveling voor een systematisch bestrijdingssysteem niet het
resultaat af te wachten van steekproeven, uit de mengmelk genomen, doch on-
middellijk te beginnen met het onderzoek van monsters van elk der boerderijen.
Hierdoor zal het mogelijk zijn in preventieve richting voorzorgen te nemen. Worden
nu in de mengmonsters der boerderijen streptococcen gevonden, dan volgt klinisch
onderzoek van alle dieren door den plaatselijken dierenarts ; de kosten hiervan
worden verhaald op de veehouders. De sluitsteen van het onderzoek in loco wordt
gevormd door onderzoek van omnsters, afkomstig van elke koe afzonderlijk.

Het bacteriologisch onderzoek geschiedt kosteloos. Al spoedig bemerken de
veehouders dat de controle ook voor henzelf voordeelen oplevert en zonder verderen
dwang wordt vaak de melk van verdachte dieren teruggehouden. Ten slotte zal
voor de doorvoering van het systeem eenë intensieve voorlichting geboden zijn.
Schrijver geeft verder de beschrijv ing van een door hem ontworpen instrumenta-
rium, waardoor het mogelijk gemaakt kan worden honderden monsters tegelijk
veilig den weg van leveranciers naar het laboratorium te doen maken. Uitdrukkelijk
wijst schrijver erop hoe in veestapels, waar de aanvulling geschiedt door middel
van aankoop van hoog-drachtigc dieren uit andere streken, er dringend op gelet
dient te worden of deze dieren ook lijdende zijn aan latente en hierna weder op-
vlammende mastitiden. (De ervaring leert dat in de handel in dergelijke koeien
een bron van besmetting van de allerergste soort is aan te nemen. Ref.) Voor de
orienteerende diagnose in den sta) reeds wordt gemaakt gebruik van de Jacobsen-
sche melkkatalase-proef. De techniek hiervan is de volgende : Een buisje, ter lengte
van 12 c.M.,en een diameter van 12 m.M. wordt voor 2/3 volgemolken. Men melke
daarbij, om schuimvorming te voorkomen, tegen den wand van het buisje. Hierna
toevoeging van 9 % II20.., ter hoogte van 2 c.M. in het buisje, waarna flinke
vermenging door schudden wordt bewerkstelligd. Bij aanwezigheid van een acute
mastitis „kookt het buisje over". Wanneer na verloop van J a 1 minuut een schuim-
laag van 4—5 m.M. gevormd wordt, behoort de melk uit het bewuste kwartier
teruggezonden te worden.

Uit dit met zorg en toewijding geschreven artikel blijkt voor de zooveelste keer
dat het de hoogste tijd wordt, te trachten, het vraagstuk der streptococcenmastitis
tot oplossing te brengen, waarbij zoo mogelijk de belangen van melkleverancier
zoowel als die van consument gelijkelijk behooren te worden gediend.

ZWIJNENfeERG.

-ocr page 390-

Enting tegen runderpest.

Boynton (Filipijncn) en Kakisahi en anderen (Japan) slaagden er reeds in
tegen runderpest te immuniseeren met extract van weefsels van aan de ziekte
lijdende dieren.

Ivelser (Journal of the Amer. med. vet. Ass. 1928, dec., vol. 27. No. 1, blz. 28
en 42) te Manila, verbeterde deze methode. Op een bepaalde manier geprepareerd
en fijn gemalen weefsels (lymphklieren, milt, lever) van dieren, gedood in het acute
stadium der ziekte, worden gemengd met 0.75 % chloroform. Deze entstof is ter-
stond bruikbaar en minstens een jaar houdbaar.

Drie doses van 20 c.c. voor karbouwen en 10 c.c. voor runderen ingespoten met
tussenpoozen van een week gaven aan karbouwen en runderen immuniteit tegen
sterke (natuurlijke) infectie ; misschien is, vooral bij runderen ook één inspuiting
voldoende.

Besmettelijke longziekte (pleuro-pneumonia contagiosa) in Australië.

Max Henry de Chief. vet. surgeon van New South Wales, schrijft daarover in
de Australian vet. journal (1928, No. 3, blz. 82).

De ziekte werd in 1858 in Australië (Melbourne) ingevoerd. Ofschoon de diag-
nose gemaakt werd en de besmette kudde werd afgemaakt, bleek dat, door onvol-
doende afzondering, de besmetting zich had verbreid. Vier jaar later was de
ziekte reeds in het noorden van Queensland. Ofschoon pogingen tot bestrijding
werden gedaan (in 1861 62 werden in New South Wales (> tot 7000 runderen afge-
maakt) bleef de ziekte zich uitbreiden en het geheele australiese continent werd
besmet.

Op het oogenblik is de toestand zoo dat in alle staten van het australies con-
tinent de ziekte heerst, het ergst in Victoria en het minst in South-Australia en
het zuidwesten van Western Australia. Tasmania is steeds vrij gebleven, ook New
Zealand.

De bestrijding is ongeveer als volgt : bij vaststellen van de ziekte wordt het
betreffende vee afgezonderd gehouden tot 60 dagen na het laatste sterfgeval of
de laatste geslaagde enting en (zoo mogelijk) geregeld onderzocht.

Slachting der aangetaste dieren wordt zooveel mogelijk doorgevoerd maar in
grootere kudden is het geregeld en voldoende inspecteeren soms onmogelijk en
blijven er „zoogenaamd" herstelde dieren als smetstof verspreiders. Ook in de
melkerijen in de steden, is de controle moeilijk. Alle dieren die met de zieken in
aanraking kunnen zijn geweest worden geënt. De enting geschiedt met natuurlijk
virus (pleura-exsudaat van een ziek dier) of laboratoriumvirus en in de staart.
In sommige gevallen schijnt de enting geen voldoende immuniteit gegeven te
hebben
(Heslop meent dat dit misschien toe te schrijven is aan het vermoedelijk
bestaan van verschillende virusstammen). Het ent-virus wordt gewoonlijk met
glycerine (tot 30 %) verdund en is dan 6 weken houdbaar.

Australië ondervindt veel nadeel van de ziekte, vooral ook door export-belem-
mering. New Zealand heeft alle invoer verboden.

In Ned. Indië wordt, onder bepaalde voorwaarden, (behalve van Tasmania)
alleen vee van New South Wales en Victoria toegelaten. In Java werd reeds enkele
malen longziekte ingevoerd ; alleen door doeltreffende maatregels werd besmetting
verhinderd). Amerika heeft op bezwarende voorwaarden, invoer van australiese
schapen toegestaan.

Voor afdoende bestrijding der ziekte in Australië, zijn noodig : uitwerken van
een betere methode van enting tegen en diagnostiseeren van de ziekte. Slachting
van alle zieke dieren ; onder toezicht houden (tot aan het abattoir) van alle ver-
dachte dieren. Streken van de ziekte vrij maken en vrij houden
Vrijburg.

Behandeling van coccidiosis bij het rund met methyleenblauw med. „Hoechst"

(Behandeling der Kokzidienruhr des Rindes mit Methylenblau med „Hoechst",
Konatsch. Therap. Monats-h. f. Veterinarmed. 1928, Band 2, blz. 93).

In den natten zomer 1926 trad bij een kudde Simmentaler vee diarrliec op,

-ocr page 391-

gepaaid gaande niet heftig persen, terwijl na 2—3 dagen de faeces bloederig wer-
den. Bij één der dieren, dat in nood geslacht werd, werd bij de sectie microscopisch
coccidiosis geconstateerd.

Daar de tot nu toe toegepaste therapie met kool, tannoform, etc. niet afdoende
blijkt stelde K. een proef in met methyleenblauwoplossing.

Aan 12 koeien werd 3 x daags rectaal 3 L. 0.4 % methyleenblauw-oplossing,
op lichaamstemperatuur verwarmd, toegediend, (wat een hevig persen tengevolge
had). Bovendien kregen de dieren 3 x daags 250 c.c. der oplossing per os.

Na 3 dagen trad beterschap in, de bloeddiarrhee hield op. Met toedienen der
clysmata werd opgehouden, doch per os werd de oplossing nog verstrekt gedurende
3 dagen.

Na eenige dagen trad weer bloeddiarrhee op ; de oplossing werd weer per os
gegeven, (clysmata achterwege gelaten) en 3 dagen na de toediening waren de
koeien weer hersteld. De behandeling werd nog een week voortgezet. Op grond van
deze proef komt K. tot de conclusie, dat methyleenblauw „Hoechst" een gunstig
werkend middel is bij runder coccidiosis. Verdere onderzoekingen beveelt hij
echter aan.

Sacraal- en lumbaal anaesthenie bij het rund. (Erfahrungen mit der Sakral- und
Bumbalanasthenie beim Rinde. Götze. D. Tierartzl. VYochenschr 1928. S. 834).

Na een vrij u tvoer ge literatuur-bespreking van de toepassing der sacraal-anaes-
thesie in de menschclijke chirurgie, komt G. tot een beschrijving van door hem
toegepaste sacraalanaestherie bij 200 runderen.

Bij de sacraalanaesthesie wordt de narcotiseerende stof in het filum terminale
van het wervelkanaal gebracht ; de injectie blijft steeds extraduraal. Evenals bij
de menschelijke chirurgie maakt G. Ook bij de veterinaire, onderscheid in een liooge
(craniale) en diepe (caudale) anaesthesie. Voor de craniale anaesthesie wordt inge-
spoten op de zachte plaats tusschen de doornuitsteeksels van laatste kruis- en eerste
staartwervel ; voor de caudale op de zachte plaats, tusschen ie en 2e staartwervel.
De injectieplaatsen zijn te vinden door aftasten van de doornuitsteeksels onder
tegelijkertijd bewegen van de staart ; waar het eerst een beweging in het doornuit-
stceksel gevoeld wordt, is de eerste staartwervel.

Na desinfectie van de injectieplaats wordt een steriele 6 cM. lange en 1.8 m.M.
dikke injectienaald onder een hoek van 45 6o° met den wervelkolom, cranio-
ventraal zoover ingestoken, tot de weerstand plotseling verdwijnt. De naald zit
op de goede plaats, wanneer dadelijk 11a het insteken iets lucht instroomt en de
vloeistof zonder grooten druk kan worden ingespoten. De injectie kan bij liet
staande en liggende dier worden uitgevoerd.

Als narcotica werden door G. voor den caudale anaesthesie tutocaïne en novocaïne
gebruikt in dezelfde doseering met gelijke resultaten. De doseering hangt af van de
ingrijpendheid van de operatie. Voor een normale koe was 10 cc. 0.5 % opl. van
tutocaïne of novocaïne voldoende. Bi j deze doseering is het mogelijk, dat de dieren
kunnen blijven staan ; zijn ze gaan liggen, dan kunnen ze met eenige hulp ook weer
opkomen. Is de anaesthesie onvoldoende, dan kan de dosis worden vergroot; de
koeien blijven dan niet meer staan. Ook kan de anaesthesie eenige dagen achtereen
worden herhaald.

De gevoelloosheid bepaalt zich na toediening van 10- 40 cc. eener 0.5 % op-
lossing tot : scheede, vulva, anus, rectum en naaste omgeving, staart en staart-
wortel en een smalle strook over de doornuitsteeksels van het kruisbeen ; de duur
is |—i uur.

Als indicaties voor de caudale sacraalanaesthesie worden opgegeven : zware
verlossingen, torsio uteri, retentio secundinarum, prolapsus uteri, amputatio
uteri, behandeling van steriliteit.

Bij de craniale anaesthesie wordt het achterstel van de koe hoog geplaatst en bij
kleine koeien 80 100 c.c., bij grooterc 120- -150 c.c. van een 1 % opl. tutocaïne
ingespoten. Na 7- 15 minuten vallen de dieren. Craniaal gaat de anaesthesie tot
de laatste ruggewervel, terwijl verder gevoelloos .zijn :

-ocr page 392-

scheede, vulva, rectum en anus, de schenkelspieren tot aan de klauwen, en uier,
eventueel scrotum, penis praeputium. Als indicaties voor de craniale anaesthesie
geeft G. op : penis-operaties, sectio caesaria, amputatie van de uier.

Voor de lumbaalanasthesie is de injectieplaats gelegen in de mediaanlijn, tus-
schen laatste lenden- en eerste kruisbeenwervel, welk punt door aftasten van de
ruggestreng als een weeke plaats achter het laatste doornuitsteeksel van de lenden-
wervels te vinden is. Na desinfectie van deze plaats wordt een 14 cM. lange en
1.7 mM. dikke entnaald met mandrin loodrecht in het midden ingestoken. Wanneer
de weerstand bij het insteken opgeheven is, bevindt zich de naald in het wervel-
kanaal en als nu de mandrin verwijderd wordt, zal een weinig lucht naar binnen
stroomen. Het inspuiten der vloeistof moet nu zonder grooten druk kunnen gebeuren.

Als anaestheticum werd gebruikt 20—30 c.c. 3 % pl. tutocaïne. 5 minuten 11a
de injectie traden bewegingsstoornissen op, welke na 15 minuten zoo sterk waren,
dat de dieren gingen liggen. Na 8—30 minuten was de aesthesie volledig over:
ledematen tot aan de klauwen, anus, vulva, scrotum, praeputium, koker, penis,
event. uier, en rompoppervlak vanaf 10e rib.

Bij de meeste runderen waren de gevolgen der anaesthesie den volgenden dag
verdwenen ; bij enkele bleef tot 3 dagen na de operatie een locomotiestoornis ;
verscheidene dieren waren de eerste dagen suf, lagen veel en aten minder. Afwij-
kingen in pols, temperatuur en ademhaling kwamen niet voor.

Daar volgens G. de sacraal anaesthesie voldoende is, komt de lumbaal anaesthesie
bij hem voor praktisch gebruik niet in aanmerking. Als indicaties geeft hij echter
op ; uieramputatie, sectio caesaria en penis-operaties.

(Hoewel het onderzoek van G. uit een oogpunt van vergelijkende geneeskunde
zeer zeker van belang is, kan ik deze anaesthesie nog niet ..unentbehrlich" inde
runderpraktijk vinden. In geen geval zou ik torsio uteri en prolapsus uteri onder
de indicaties noemen. Bij het eerste komt ons nl. meestal een persen van het dier
goed te pas om de vaak ver verwijderde vruchtdeelen te kunnen krijgen, terwijl
na repositie van een uterus m.i. afstappen van het dier het beste middel is, om de
baarmoeder op haar plaats te krijgen ; dit afstappen zou niet mogelijk zijn, daar
door de houding van het dier, een caudaal bedoelde sacraalanaesthesie, craniaal
zal worden).

Streptococcenmastitis. (Beitrag zur Streptokokkenmastitis. Pröscholdt, Arch. f.
wissensch. u prak. Tierheilk. 1928 blz. 485).

In een uitvoerige statistiek (onderzocht werden vanaf 1925 tot en niet de eerste
helft van 1928, ruim 45000 melkmonsters) komt P. tot de conclusie dat 20.08 %
der onderzochte koeien in Pommeren lijdende waren aan streptococcenmastitis.

Het onderzoek van de eerste 6950 monsters gebeurde microscopisch, en gaf een
percentage van 12.49 % streptococcenmelk ; bij de rest waar ook cultureel werd
onderzocht, steeg dit tot 24.92 %.

Bij onderzoek van de stallen vond P. naast een beslag van 114 koeien met 4 %
aangetast, ook een stal van 72 koeien met 70 %, terwijl in het meerendeel der ge-
vallen meer dan 20 % van een veebeslag aangetast bleek. In het algemeen kwam
de streptococcenmastitis het meest voor in groote veebeslagen, en dan voornamelijk
bij goede mclkgeefsters. In een deel der gevallen waren klinische afwijkingen te
bespeuren : alleen klinisch onderzoek bleek echter bij lange niet voldoende.

Bij klinisch onderzoek bleken de aangetaste uierkwartieren meestal kleiner
(soms grooter) en waren bij aanvoelen harder en droger, terwijl in veel gevallen
hazel- tot walnoot groote knobbels te voelen waren. In acute gevallen was het
uierkwartier wat vergroot, warm en pijnlijk.

De algemeene toestand der dieren was bij het grootste gedeelte niet veranderd.
In enkele gevallen beschrijft P. het typische beeld van mastitiden, gepaard gaande
niet arthritiden.

Het vetgehalte van de melk van geinfecteerde uiers was over \'t algemeen niet
veranderd. In enkele gevallen waarbij de melkgift verminderde, werd het vetge-
halte hooger, in andere gevallen daarentegen daalde het. Bij 289 monsters, waar

-ocr page 393-

microscopisch cn cultureel streptococcen waren aangetoond was in 248 gevallen de
katalase verhoogd in 203 gevallen de Trommsdorff-proef positief, 143 maal het
chloorgehalte verhoogd, 111 maal een verlaagde zuurgraad en in 7 gevallen (meest
bloedige melk) een verhoogde zuurgraad. Uit de chemische en biologische veran-
deringen der melk was dus zonder meer geen streptococcen mastitis vast testel-
len ; microscopisch en cultureel onderzoek waren overwegend.

De meeste koeien welke leden aan streptococcen mastitis waren in de 3e tot 6e
lactatieperiode, terwijl de ziekte het meest optrad bij pas afgekalfde veel melk-
gevende koeien. Voedering van pulp, ingekuild voer, enz. zou streptococcen mastitis
in de hand werken, volgens P. door onttrekken van calcium aan bet lichaam,
en door de dunne faeces, waardoor verontreiniging van de stal optrad. Ook een
te sterk voeren op de melk, met krachtvoer, zou door verzwakking van de koe
de ziekte in de hand werken. Verder scheen abortusinfectie het ontstaan der masti-
tis te beinvloeden, terwijl ook na mond- en klauwzeer, door de vorming van blaren
aan de tepels, dikwijls de aandoening optrad.

Teneinde de mastitis te voorkomen wijst P. op het groote belang van goed melken,
bij pasgekalfde koeien met niet te lange tusschenpoozen ; verder moeten verwon-
dingen van tepel en tepelopening worden voorkomen, evenals ruwe drukkingen
op den uier. Van groot belang is het te zorgen voor droge, schoone stallen met
schoon strooisel ; uitmelken van zieke kwartieren in stal of weide mag niet ge-
beuren. Verder dient te worden gewaakt tegen eenzijdige voedering of te sterk
drijven op de melkproductie.

Hoewel het onderzoek van P. weinig nieuwe gezichtspunten oplevert, werpt
het een hel licht op het frequente voorkomen van streptococcenmastitis in Pom-
meren. Een dergelijk onderzoek zou misschien ook bij ons verrassende resultaten
opleveren, en tevens een stoot in de goede richting kunnen geven aan de be-
strijding der streptococcenmastitis, welke niet alleen de melkerijen, maar ook de
zuivelindustrie groote schade toebrengt.

Bijdrage tot de aethiologie der boosaardige kopziekte. (Weitere Beitrage zur
Aetiologie des bosiirtigen Katarrhalfiebers,
Ottk, Berl. Tierarztl Wochenschr. 1028,
blz. 878).

Allereerst trekt Otte ten strijde tegen de opvatting dat de kopziekte een bacte-
rieelc oorzaak zou hebben. Het bewijs van de onhoudbaarheid dezer veronder-
stelling tracht hij echter uit het ongerijmde te leveren, door naar voren te brengen,
dat bij verschillende nict-bactericele aandoeningen zooals b.v. intoxicaties door
plantaardige en dierlijke vergiften, ook temperatuursverhooging optreedt, dus
waarom zou dan ook de koorts bij kopziekte niet een niet-bacterieele kunnen zijn?

Met enkele onderzoekers is O. het eens. dat de verschijnselen toe te schrijven zijn
aan aandoeningen der organen met inwendige secretie (in het bijzonder de schild-
klier) en van hersenen en sympathisch zenuwstelsel. Deze aandoening beschouwt
hij als veroorzaakt te zijn door wormlarven (en de gevormde toxinen), welke hij
in organen van aangetaste dieren vond, cn als larven der Dictyocaulus viviparus
kon determineeren.

Hij een kalf, lijdende aan boosaardige kopziekte, vond schr. resten der larven
in de neusuitvloeiing ; het faecesonderzoek was echter negatief ; 14 en 32 dagen
later echter werden in de facces talrijke larven der dictyocaulus viviparus gevon-
den ; bij een koe, welke leed aan boosaardige kopziekte en derhalve in nood werd
geslacht, vond O, de larven in de schildklier.

liet feit verder, dat de dityocanlas viviparus ook voorkomt bij in het wild levende
herkauwers en dez.- dieren ook vatbaar zijn voor boosaardige kopziekte, sterkt
schr. in zijn meening.

l)e infectie stelt hij zich als volgt voor : Met het drinkwater komen cristalislarven
(een vliegenlarve), welke als tusschengastheer voor de dictyocauluslarve dienst
doen, in neus en keelholte der dieren. Hier komen de dictyocauluslarven vrij en
gaan via de lymphbanen naar schildklier, vandaar naar v. jugularis, hart en longen.
De larven welke direct in de maag komen, zullen ook via de bloedbaan dé longen
bereiken.

-ocr page 394-

De ziektesymptomen zullen nu ontstaan door prikkeling van de schildklier
(waardoor vetafbraak met temperatuurstijging) en een waarschijnlijke werking
op de vaguskern, waardoor de hartzwakte zou optreden.

De dikwijls gevonden colibacterien bij dieren welke lijdende waren aan kop-
ziekte, verklaart schr. als te zijn opgenomen door de dictyocaulus lar%\'en, die voor
een deel vrijlevend in neusholte en darmkanaal der runderen, volop in de gelegen-
heid zijn colibacillen in hun lichaam op te nemen. Deze zouden dus secundair aan-
wezig zijn.

Als therapie beveelt O. nog aan een behandeling der hartzwakte met 40 50 cc.
25 % glucose-oplossing intraveneus, of een inspuiting van 10 c.c. glycozymine-
solutie (glycos. 18) subcutaan. De injectie van glycozymine dient samen te gaan
met het toedienen van 300 Gr. rietsuiker per os.

(Misschien heeft Otte in de door hem onderzochte gevallen werkelijk met de
dictyocaulus viviparusals oorzaak te doen gehad. Daar deze parasiet (str. micrurus)
bij het hert vrij algemeen voorkomt, zonder de kopziekte ten gevolge te hebben,
terwijl ze ook in sommige streken bij het rund niet zeldzaam is, is het m.i. wel wat
al te sterk uitgedrukt van
de oorzaak der boosaardige kopziekte te spreken.

Waarschijnlijker komt het mij voor dat wij onder den naam „boosaardige kop-
ziekte" met verschillende aandoeningen te maken hebben, waarbij de aetiologic
zeer uiteen kan loopen). W. P. C. Bos.

BLADVULLING.

Invloed van testikel-implantatie op bevruchting en zwangerschap.

Reifrich (Med. Ivlinik., rel\'. Driessen in N. T. v. G. 1929 I blz. 970) deed de
volgende proeven bij konijnen en muizen : gehalveerde testikels werden onder
de buikspieren, op het peritoneum gehecht bij geslachtsrijpe vrouwelijke dieren,
die meestal reeds jongen hadden gehad ; bij witte muizen ook in andere spieren.
Tot aan de 13e dag na de operatie konden de proefdieren nog bevrucht worden,
daarna werden zij steriel zoolang nog iets van de ingebrachte klier aanwezig was ;
(eenige maanden, soms langer dan een jaar, daarna was de klier geheel gedegene-
reerd). Meestal lieten zij het bespringen niet eens toe of maakten zelf achieve coha-
bitatiebewcgingen.

Bij een tweede serie proeven werden bij zwangere konijnen den nden tot i8den
dag i of 2 testikels ingebracht. Bij alle dieren ging de zwangerschap terug, zooals
uit de proeflaparotomic bleek, (bij controlcdieren waarbij een even groot stukje
spier was ingeplant, ging de zwangerschap door).

De steriliteit door implantatie verkregen was slechts tijdelijk ; een konijn we.nl

6 maanden na de resorptie weer zwanger. Bij verschillende konijnen werd vastge-
steld dat de baarmoeder sterk atrophieerde zoolang de testikel aanwezig was ;

7 maanden later was de uterus weer grooter geworden Het is de vraag of het bij
de mens mogelijk is door toediening van hormoonpreparaten kunstmatig een
zwangerschap af tc breken. Een proef bij een imbccile vrouw, met testiglandol
genomen, had een negatieve uitkomst. (Het zou interessant zijn proeven bij onze
kleine huisdieren te nemen. Ref).

Slapende dieren.

Volgens Ivnottnerus Meyer (ref. Zoölog. Garten. 1929. 1 Heft 7/9) slaapt
geen dier staande, ook paarden en olifanten niet. (iaat een dier niet meer liggen
dan wijst dat op ziekte. De olifant slaapt gewoonlijk ongeveer van middernacht
tot aan het aanbreken van den dag. Vu.

-ocr page 395-

(Uit de kliniek voor Kleine Huisdieren der Veeartsenijkundige Faculteit van
de Rijks-Universiteit te Utrecht, Directeur: Prof. Dr. H. JAKOB).

HET VRAAGSTUK DER LONG WORMINFECTIE BIJ
ZILVERVOSSEN,

door

Dr. A. KLARENBEEK (Priv. Doe.).

(Met 5 Afbeeldingen).

Een vraagstuk van groote beteekenis voor de vossenteelt is de
bestrijding van verschillende wormsoorten, vooral van Ascariden,
Ankylostomen en van twee in den respiratieweg voorkomende
wormen, de
Capillaria aerophila (Crepun 1839), ook Trichosoma
aerophilum
(Creplix 1839) en Eucoleus aerophilus (Creplix 1839)
genoemd en de
Crenosoma vulpis (Dujardin 1845). Andere namen
voor den laatsten parasiet zijn o.a. Strongylus decoratus
(Creplix
1847) ; Crenosoma Semiarmatum (Molix 1861).

De rol, die de beide laatste parasieten in het organisme van het
dier spelen, is nog zeer onvoldoende bekend. Een feit is echter,
dat de Amerikaansche en Canadeesche fokkers vooral voor den
eerstgenoemden parasiet, de Capillaria aerophila, zeer bevreesd
zijn en de sterfte bij jonge dieren er door veroorzaakt, groot achten.
Dit is ook de meening van
Allen, die in het werk van Ai.lex and
Chester Mc. Lure voornamelijk deze longworm bespreekt. Hij
acht deze parasiet de oorzaak van de gevaarlijkste parasitaire in-
fectie van den vos. De worm werd het eerst onderkend in rgrS
bij de Canadeesche vossen en bleek daarna zeer verspreid in vele
fokkerijen voor te komen.

De haardunne Capillaria komt in de luchtpijp en de bronchiën
voor ; het rijpe wijfje legt daar tallooze eieren, die via de keel en
slokdarm naar maag en darmen worden getransporteerd. De
infectie is dus klinisch meestal merkbaar door onderzoek van de
uitwerpselen. Ofschoon de ontwikkelingsgeschiedenis niet ten volle
bekend is, moet vrijwel vaststaan, dat de eieren na verlaten van
het lichaam met faecaliën weer per os worden opgenomen, daar-
na in maag of darm hun schaal verliezen ; de larven gaan dan door
den darmwand in den bloedstroom en komen ten slotte in de lucht-
wegen ; zelfs ook in de neusboezems.
Allen schrijft over de
besmetting het volgende :

In vele gevallen wordt klinisch geen enkel symptoom waarge-
nomen, daar enkele Capillariae nog geen ziekte veroorzaken. Juist
aldus besmette dieren acht
Allen voor de fokkerij het gevaar-
lijkst : men onderkent ze klinisch niet en besmetting van de om-
geving heeft onverminderd plaats. Zijn
vele parasieten aanwezig, dan
treedt veelal chronische bronchitis op: dik slijm, waarin wormen en
tallooze eieren. Acute en chronische pneumoniën kunnen ontstaan,
mede als gevolg van de goede infectiekans met andere microörga-
nismen (secundaire infecties). Door de longworminfectie treden dus

lvi 26

-ocr page 396-

direct of indirect longverschijnselen en longafwijkingen van ver-
schillende intensiteit op.

Het geïnfecteerde dier verraadt de besmetting vaak door een ty-
pisch suizend geluid bij de ademhaling ; verder door diepe hoest,
vooral \'s nachts. Vaak wordt de bek open gehouden, als gevolg van
de benauwdheid. Soms : plotselinge dood ; meestal echter chronisch
verloop — maanden — met verschijnselen van anaemie en verma-
gering. Niet zelden hebben dergelijke lijders een slijmige neus-
secretie ; verwarring daardoor bij oppervlakkige beoordeeling met
hondenziekte is mogelijk. De invloed van den slechten gezondheids-
toestand op de pels is vaak zeer duidelijk : de pels is zonder glans
en lichter van kleur.

Nooit treden de verschijnselen bij pups op onder de n weken.
Het verlies aan materiaal is het grootst bij dieren van de 5e tot de
18e maand. Daarna treedt een toestand van relatief immuun-zijn
in ; mogelijk door vorming van antistoffen.

Komen deze longwormen nu ook bij de zilvervossen in ons land
voor ? Het leek waarschijnlijk, dat ook wij in ons land in faeces-
monsters van vossen de Capillaria aerophila zouden aantreffen.
De dieren stammen vooral van Canadeesche vossen, komen althans
direct of indirect uit Canada of van het Prince Edward Island en
hebben dus vrij zeker ook hun gasten meegebracht.

Deze veronderstelling werd dan ook dit jaar door de feiten be-
vestigd. Bij het onderzoek van 62 monsters ontlasting van vossen
van verschillende fokkerijen bleken niet minder dan 23 dieren be-
smet te zijn met de voor de Capillaria aerophila karakteristieke
citroenvormige eieren, terwijl bij 2 dieren larven werden aangetrof-
fen, die aan de Crenosoma vulpis vrij zeker toebehoorden. I)e be-
smetting met de citroenvormige eieren was vaak zeer sterk ; in
het verzamelpreparaat (keukenzout ; suiker) werden soms 10—20
eieren in één gezichtsveld geteld. Geen der dieren vertoonde kli-
nische verschijnselen, die op ziekte wezen ; van vele was de voe-
dingstoestand opmerkelijk goed ; het symptoom : hoesten, werd
door de verschillende fokkers niet opgemerkt. Het betrof vrijwel
steeds dieren van ongeveer 9 maanden, die dus tegen Januari in
pas gevormde paren voor de fokkerij waren bestemd.

Deze bevindingen deden de vraag opkomen, of bij een dusdanige
uitgebreide besmetting en een oogenschijnlijk zoo geringe patho-
geniteit voor het geïnfecteerde dier, koopvernietiging op grond van
het vinden van citroenvormige eieren in de faecaliën niet op den
duur practisch onuitvoerbaar zou zijn te achten.

Daarbij kwam nog het volgende :

Sprehn, een Duitsch onderzoeker, wees er op, dat het vinden van
citroenvormige eieren alleen niet voldoende een diagnose : besmet-
ting met Capillaria aerophila, wettigde. Immers verschillende Tri-
chinellida hadden deze eieren en een van deze was de bij den vos ook

-ocr page 397-

voorkomende, in dedikke darmen levende, Trichuris vulpis, een worm,
waaraan geen pathogene eigenschappen worden toegeschreven.

Het was dus allereerst zaak, uit te maken of bij de, met de citroen-
vormige eieren besmette dieren van longworm, of darmworm sprake
was. In afwachting van een onderzoek op een cadaver hebben wij
toen getracht de diagnose in een van beide richtingen waarschijn-
lijker te maken door de volgende proef.

Bij een drietal vossen, besmet met Uncinaria, Ascaris en met
citroenvormige eieren werd na 24 uur vasten een wormkuur toe-
gepast met tetrachlooraethyleen, dat ons reeds eerder zeer gunstige
resultaten had gegeven. Na vijf dagen werd de ontlasting gecon-
troleerd. Gevonden werden alleen citroenvormige eieren. Ofschoon
niet bewijzend, maakt de proef infectie met Trichuris vulpis bij
deze dieren toch onwaarschijnlijker.

Het onderzoek van longen en luchtpijp, benevens van het maag-
darmstelsel van drie gestorven vossen van verschillende eigenaars,
gaf ons ten slotte de gewenschte opheldering. Bij twee der dieren
werden in de luchtpijp en de bronchiën tot zelfs in de fijne vertak-
kingen eenige Capillaria aerophila gevonden ; bij een dezer dieren
waren slechts twee exemplaren vindbaar ; het waren twee rijpe
wijfjes, die duizenden eieren produceerden.1) Zij zaten in het bo-
venste deel van de trachea ; ontstekingsverschijnselen ter plaatse
konden niet bij macroscopische beschouwing worden waargenomen
evenmin als slijmproppen. In de overige deelen van de trachea en
de bronchiën konden geen wormen worden aangetoond. Ofschoon
zeer nauwkeurig naar de moeilijk zichtbare haardunne parasieten
werd gezocht. Bij het andere dier was de trachea wormvrij ; juist
ter plaatse van de splitsing werden enkele exemplaren in slijm-
propjes aangetroffen ; ook in de verdere vertakkingen werden ze
gevonden. Dit dier was in tegenstelling met het vorige zeer mager.
Vermeld dient echter tevens, dat een heftige darmbesmetting bleek
te bestaan met Uncinaria. Bij beide vossen werden in de ontlasting
vele citroenvormige eieren gevonden.

Bij het derde dier, hetwelk door een ongeval stierf .werden, eveneens
in de bronchiën, enkele exemplaren van Crenosoma vulpis gevonden.
In de rijpe wijfjes konden de larven gemakkelijk worden vastgesteld.

Wat leert ons dit onderzoek ? Wij weten dus nu, dat de beide door
Allen vermelde longwormen ook in ons land bij de vossen voor-
komen ; dat vooral het aantal dieren met de Capillaria aerophila
groot is en dat de besmette volwassen dieren meestal weinig ver-
schijnselen vertoonen.

Voor verdere beoordeeling is het nu van belang verder de mee-
ning van
Sprehx over de infectie met deze wormen weer te geven,
vooral ook, omdat zij afwijkt van die van
Allen.

De Crenosoma vulpis, een tot de Strongylida behoorende ronde

\') De identificeering van den parasiet bij dit dier geschiedde door Dr. Baudet.

-ocr page 398-

worm, acht Sprehn op grond van de bevindingen bij secties van
vossen in Duitschland die zooals bekend eveneens uit Amerika geïm-
porteerde of afstammelingen daarvan zijn, voor deze dieren zeer
gevaarlijk. De worm leeft volgens de literatuuropgaven, die echter
slechts spaarzaam zijn, in de bronchiën en trachea en veroorzaakt
in den regel geen opvallende verschijnselen van wormpneumoniën.
Niettemin doet de chronische bronchitis, die door de wormen ont-
staat, het dier sterk verzwakken. Wanneer slechts weinig wormen
aanwezig zijn, kunnen klinische verschijnselen ontbreken ; toch
kunnen zij plotseling een verergering te weeg brengen, die tot den
dood voert. In andere gevallen treedt een sleepend verloop op met
tot einde den dood. De klinische diagnose is slechts door onderzoek
van sputum, tracheaalslijm of
verschc ontlastingmonsters mogelijk;
men vindt er in de jonge larven van den worm, dus geen eieren.
De parasiet legt geen eieren, maar is levendbarend. De met de
faeces der dieren afgaande larven ontwikkelen zich in de vrije
natuur en komen met voedsel enz. weer in het vossenlichaam.

De tweede worm is, volgens Sprehn, veel minder gevaarlijk. In
dit opzicht staat hij merkwaardigerwijze tegenover
Allen. De
Capillaria aerophila of Eucoleus aerophilus, behoorende tot de
Trichinellida komt behalve bij den vos ook bij de kat voor. Volgens
Henry komt hij ook bij den hond voor ; verder werd hij door Mül-
ler
bij den marter en door Henry bij den steenmarter gevonden.
De parasiet vindt men in bronchiën ; zelden in de neusholte. Tot
heden zijn — volgens
Sprehn — alleen trac.heaal- en neusslijmvlies-
aandoeningen, door deze wormen veroorzaakt, beschreven. Deze
meening is echter zonderling ; het werk van
Allen moet toch aan
Sprehn bekend zijn.

Bestrijding van deze beide wormen is tot heden zonder resultaat
gebleven.
Sprehn acht het, ondanks het feit, dat over ernstige aan-
doeningen slechts weinig is geschreven, van groot belang, dat het
vraagstuk nauwkeurig wordt bestudeerd, vooral wat de Crenosoma
vulpis-infectie betreft.

Uit het voorgaande blijkt, dat men omtrent het voorkomen van
beide parasieten bij de vossen der fokkerijen voldoende is ingelicht;
zoowel bij de Canadeesche dieren als bij de afstammelingen der
import vossen werden ze aangetroffen, ook in ons land. Over de
pathogeniteit dezer parasieten zijn de gegevens nog niet eenslui-
dend en nog zeer onvoldoende.

De dierenarts, die met de fokkerijen van vossen contact houdt,
zal goed doen zijn volle aandacht aan deze parasieten te wijden,
daar het verlies van enkele jonge dieren een economisch groot
nadeel beteekent. Geregeld klinisch onderzoek zal noodig zijn, waar
vermagering, hoesten worden waargenomen. Nauwkeurig onder-
zoek van faecesmonsters, waarbij in versche verzamelpreparaïen

-ocr page 399-

moet worden gezocht naar Capillaria-eieren en Crenosoma-larven,
zal moeten plaats vinden.

Bestrijding van de longwormziekte zal moeilijk zijn. De prophy-
laxis zal daarbij wel steeds de voornaamste factor zijn, althans
voorloopig. Geregeld verwijderen van faecaliën uit hokken en ren-
nen ; het adviseeren tot het vervaardigen van rensystemen, waar
de vloerbedekking ontsmet of vernieuwd kan worden. Op groote
fokkerijen in Amerika worden transportabele machines, waarmede
groote hoeveelheden kokend water kunnen worden aangevoerd,
daarvoor met blijkbaar goed succes gebruikt ; het zand van de ren
wordt ermede ontsmet. Beter zal zijn het reeds hier te lande be-
staand systeem der cementen bodembedekking (tegels, beton).
Het daarover aangebrachte laagje zand kan worden ververscht.

Voor directe bestrijding: i°. kan gebruik gemaakt worden van
middelen, die per os opgenomen, door de longen grootendeels worden
uitgescheiden, zooals creosoot, terpentijnolie, eucalyptusolie ;
2°. kunnen dampbaden (inhalaties) worden gegeven, waardoor het
slijmvlies van de besmette deelen met teer-, creosoot- of terpentijn-
dampen wordt bereikt ; de behandeling is echter tijdroovend en
practisch moeilijk door te voeren ; 30. kunnen intratracheale in-
spuitingen worden toegepast, waarvoor
Henry b.v. creosoot en
oleum olivarum (1 : 9) (1—2 c.c.) aanbeveelt ; 40. kan getracht
worden met een tracheoscoop, ingebracht door den mond, de be-
smette deelen te bereiken. Gezien echter de zitplaats der para-
sieten vaak diep in de trachea en zelfs in de bronchiën zal deze
methode vermoedelijk slechts theoretische waarde hebben. De
toekomst zal verder moeten leeren, in hoeverre de pathogeniteit
der verschillende parasieten een behandeling noodig maakt en
welke therapie zich voor deze dieren als de minst gevaarlijke
en meest werkzame het beste zal leenen.

LITERATUUR.

Allen and Chester. Theorv and Practice in fox ranching 192S.

Sprehn. Endoparasiten und die durch sie hervor gerufenen Erkrankungen

bei Pelztieren. Vorträge der Reichszentrale für Pelztier- und Rauchwaren

Forschung. Leipzig 1928.
Sprehn
. Die wichtigsten tierischen Parasiten unserer Pelztiere, D. T.W. 36, 192S.

No. 46. S. 763—767.
Henry
. Elevage et Fourrure Dec. \'28.

Etudes scientifiques. Capillariose respiratoire du renard argentc.

ZUSAMMENFASSUNG.

Bei 23 von 62 untersuchten Faecesproben von Silberfüchsen von verschiedenen
Zuchtanstalten wurden citronenförmige Eier gefunden. Bei der Sektion von zwei
Füchsen wurde Capillaria aërophila in der Trachea und in den Bronchien gefunden,
bei einem dritten Fuchs Crenosoma vulpis. Während
Sprehn den erstgenannten
Parasiten für ziemlich ungefährlich hält, ist
Allen der entgegengesetzten
Meinung. Ueber die Pathogenität sowohl von Capillaria aëropliyla als auch von
Crenosoma vulpis sind deshalb noch weitere Untersuchungen nötig.

-ocr page 400-

RÉSUMÉ.

L\'auteur examina les fèces de renards argentés et trouva 23 fois (sur 62) des
oeufs de nématodes en forme de citron.
A l\'autopsie de deux des renards il décela
des ,,capillaria aerophila" dans la tracheé ; chez un troisième des ,,crenosoma
vulpis". L\'auteur croit que le capillaria n\'est pas très pathogène
; Allen est d\'une
opinion contraire. Des recherches ultérieures sur la pathogénité des deux vers,
sont nécessaires.

SUMMARY.

The author examined the faeces of silverfoxes. In 23 out of 62 he detected lemon
shaped wormeggs. At the post-mortem examination on the foxes he found capil-
laria aerophila in the trachea ; in a third fox : crenosoma vulpis.

The author takes it that the capillaria is not very pathogenic. Allen is of op-
posite opinion. Further investigations are necessary as to the pathogenicity of
the two worms.

VERKLARING DER AFBEELDINGEN :
Afbeelding I.
Capillaria aerophila (Eucoleus aerophilus). Rijp wijfje grooten-
deels opgevuld met eieren. De lichtgele worm is gemiddeld 3 4 cM..
lang en zeer dun. De eieren zijn citroen-vormig.
Afbeelding II. Als I. De eieren zijn in hoopjes uit de uterus gedrukt en liggen

buiten het lichaam van den worm.
Afbeelding III. Eieren van Capillaria aerophila in een verzameipreparaat van
de uitwerpselen.

Afbeelding IV. Crenosoma vulpis. Karakteristieke kop; de over elkaar schuivende

ringen geven den indruk van uitstekende scherpe punten.
Afbeelding V. Als IV. Achtereinde van den circa 1,5 c.M. langen worm, conisch
toeloopende. De uterus is vrijwel geheel opgevuld met larven,
(levend barend). Het mannetje is circa 8 m.M. lang en heeft een
bursa copulatrix met verdere uitsteeksels.

-ocr page 401-
-ocr page 402- -ocr page 403-

ABNORMALE VERLOSSINGEN

UIT DE KLINIEK VOOR VETERINAIRE VERLOSKUNDE DER RIJKS-
UNIVERSITEIT TE UTRECHT

GEDURENDE HET CURSUSJAAR 1927—1928

door

Dr. F. C. VAN DER KAAY, Conservator.

In het cursusjaar i September 1927—r September 1928 werd
door de Kliniek voor Veterinaire Verloskunde verloskundige hulp
verleend bij 299 runderen, 18 paarden, 4 schapen, 3 geiten, 36
varkens, 38 honden en 12 katten te zamen 4ro dieren.

Runderen.

Van de 299 runderen, waarbij onze hulp werd ingeroepen, kalf-
den 121 dieren normaal, terwijl bij 178 runderen de geboorte een
abnormaal verloop had. Onder deze 178 abnormale geboorten
deden zich de volgende gevallen voor :

Bij 49 runderen bleef het kalf, hetzij nadat de eigenaar het voor-
stel had doen geboren worden, of nadat wij den. partus zoover
getermineerd hadden, kruis op kruis zitten. Het te groote achter-
stel werd op de gebruikelijke maier met de kettingzaag gehal-
veerd en de partus getermineerd.

Bij een dezer koeien trad een vrij hevige vaginitis op. I loewel
dit proces aanvankelijk neiging vertoonde te genezen en de vagina
wederom een genezen slijmvlies vertoonde, bleef de koe steeds
meer of minder persen en bleek zich een parametritis ontwikkeld
te hebben, welke aanleiding gaf het dier ongeveer 4 weken na den
partus te slachten.

In 19 gevallen kwamen het hoofd en twee voorbeenen in de
vagina, maar was de omvang van het kalf te groot om dit zonder
embryotomie geboren te doen worden. Steeds werd hierbij be-
gonnen met het wegnemen van het hoofd met behulp van het
toestel van
Thygesen of met de prionofoor van Eikelenboom.
Het hoofd werd precies achter de ooren afgezaagd, zoodat wij een
lange halsstomp overhielden. Daarna werd, indien de ruimte het
eenigszins toeliet de halsstomp teruggebogen naar de zijde waar
het voorbeen niet werd weggenomen en ondertusschen het weg
te nemen voorbeen aangetrokken De halsstomp ligt nu veilig
teruggeslagen tegen de ribwand en het voorbeen kan dan ver
buiten de vulva worden getrokken en gemakkelijker subcutaan
worden los gemaakt, dan wanneer men de halsstomp rechtuit
in de vagina laat liggen. Is het voorbeen los gemaakt, dan wordt
de halsstomp weer recht gelegd en het voorbeen verwijderd.

In al deze gevallen kon het kalf nu kruis op kruis getrokken
worden en werd daarna het achterstel met de kettingzaag gehal-
veerd.

-ocr page 404-

Voor het afzagen van het hoofd prefereeren wij het toestel van
Thygesen boven dat van Eikelenboom, omdat het laatste meer
ruimte inneemt en zoodoende de reeds sterk gerekte vaginawand
nog meer op den proef stelt.

Bij een dezer gevallen ontwikkelde zich na drie dagen binnen
24 uur een sterke phlegmoneuse ontsteking van vulva, vagina en
omgeving (Geburtsrauschbrand), welke noodzaakte het dier den
dag daarop te slachten.

In 16 gevallen liet de afmeting van het bekken der koe niet toe,
dat hoofd plus 2 voorbeenen in de vagina kwamen en bleef het
hoofd voor het bekken in den uterus liggen. Hierbij werd een
voorbeen subcutaan verwijderd, nadat het hoofd wat op zijde was
geduwd.

Daarna kon het hoofd plus het tweede voorbeen in de vagina
komen en het kalf tot kruis op kruis geboren worden, waarna het
achterstel op de gebruikelijke manier werd gehalveerd.

In 4 gevallen was een abnormale ligging van het hoofd de
aanleiding, dat onze hulp werd ingeroepen.

In een geval was het hoofd op de ribwand teruggeslagen en be-
stond ook een beiderzijdsche carpaalligging. Na repositie verliep
de partus normaal. Bij een tweede geval was de kop ook vrij ver
op zijde teruggeslagen, maar was door sterke vergroeiing dei-
halswervels onmogelijk te reponeeren en werd de hals met het
toestel van
Thygesen doorgezaagd ; daarna kwam het kalf kruis
op kruis en werd, nadat het achterstel was gehalveerd, de partus
getermineerd.

In het derde geval was het hoofd ook opzij de teruggeslagen en
de uterus zoo sterk gecontraheerd, dat repositie gevaarlijk werd .
meer ruimte hiertoe werd verkregen, nadat een voorbeen subcu-
taan was verwijderd.

Bij het vierde geval lag het hoofd eenigszins gedraaid voor den
bekkeningang ; na draaiing van het hoofd met behulp van de
duim in het eene en de middelvinger in het andere oog, kon dit
in de vagina gebracht worden, waarna de partus normaal verliep.

Een of beiderzijdsche carpaalligging eischte in 11 gevallen onze
hulp. In 9 gevallen kon de repositie vrij gemakkelijk plaats vinden
en de partus daarna worden beëindigd.

In een geval moest ook nog het achterstel gehalveerd worden
Eenmaal trad carpaalligging gecombineerd met rugligging op ;
nadat repositie had plaats gevonden, verliep de partus verder
normaal.

Beiderzijdsche schouderligging werd aangetroffen bij één koe.
Repositie was vrij lastig, daar er een geringe contractuur van de
buigpezen bestond.

Bij normale stuitligging bleek in 12 gevallen een te groote
vrucht aanwezig te zijn. Steeds werd in deze gevallen een achter-

-ocr page 405-

been afgezaagd met behulp van het toestel van Thygesex. Indien
het mogelijk is, moet men de zaag leggen aan de andere zijde der
staart dus tusschen staartwortel en tuber i s s c h i i van de andere
zijde, men zaagt dan ook tevens een groot deel van het bekken
weg en verkleint zoodoende de omvang van het achterstel nog
aanmerkelijker. Nadat een achterbeen plus ingewanden verwijderd
waren, kon het kalf in deze gevallen geboren worden.

Gemakkelijker zou het bij deze stuitliggingen zijn, indien het
toestel van
Thygesex nog 10 a 15 c.M. langer was.

Bij 5 kalveren was het wegnemen van een achterbeen en
ingewanden niet voldoende en moest ook nog het voorstel ver-
kleind worden. Volgens de methode van
Linthorst werd één
voorbeen weggenomen en toen kon de vrucht geboren worden.

Bij i kalf was de wegname van één voorbeen niet voldoende en
werden beide volgens de methode van
Linthorst verwijderd,
waarna de borstkas kon passeeren.

Zijn een of beide voorbeenen verwijderd, clan vormt hoogst
zelden de afmeting der borstkas nog een bezwaar om te passeeren.
Ook wanneer in deze gevallen het lijkt, dat het borstbeen meer
of minder naar beneden voor het bekken uitsteekt en het bekken
juist buiten gebracht kan worden, bereikt men met wegname
van i of 2 beenen vrijwel steeds zijn doel. De borstkas kan zich
nu gemakkelijk aan den ingang van het bekken aanpassen en het
is maar hoogst zelden noodig dan nog een ribwand weg te nemen.

Het wegnemen van de geheele wervelkolom zooals van Diermex
in het tijdschrift van 1 Juli 1928 beschrijft lijkt mij niet eenvou-
diger dan een of twee voorbeenen volgens de methode van
Lint-
horst
weg te nemen. Het eenige bezwaar, dat men ondervindt
bij de methode van
Linthorst is de bevinding, dat het onderste
deel der voorbeenen achter een uteiusplooi schuil gaat en men
wel eens moeite moet doen deze hier achter van daan te halen.
Een lange arm is dan van veel nut. Heeft men het bejn eenmaal
naar achteren gehaald, dan is het ook vrij vlug te verwijderen, los-
spatelen en splijten der huid zijn vaak reeds voldoende.

Hij een zeer sterk ontwikkelde eenigszins emphysemateuse
vrucht was het ons onmogelijk met het toestel van
Thygesex
een achterbeen af te zagen. Dit werd dan ook subcutaan verwij-
derd. Het tweede werd verwijderd met behulp van het instrument
van
Thygesex. Daarna bleef het bekken van de vrucht nog voor
het moederlijk bekken stuiten. Ingewanden en een bekken helft
werden verwijderd, nog was het onmogelijk de vrucht iets verder
te krijgen, wij hebben toen geadviseerd het dier te slachten. Hierbij
bleek toen een voorstel aanwezig te zijn, dat nog 125 pond woog.

Voor het wegnemen van een achterbeen is het toestel van Thy-
gesex
te verkiezen boven dit van Eikelenboom, daar het eerste
veel minder ruimte inneemt.

-ocr page 406-

Beiderzijdsche heupligging werd in 7 gevallen geconstateerd.

Hierbij is bij zes kalveren een achterbeen met behulp van het
toestel van
Thvgesen afgezaagd daar repositie te gevaarlijk was
en eenmaal bestond een ingetreden heupligging, waarbij met be-
hulp van 2 Weinmannsche lussen de partus als zoodanig getermi-
neerd kon worden.

Bij een koe, waarbij 24 uur geleden een kalf normaal geboren
was en die bleef persen, vonden wij nog een kalf met een eenzijdige
tarsaalligging en sterk opgesloten cervix. Het been werd ge-
amputeerd onder de tarsus met het toestel van
Thvgesen en
daarna had de partus plaats.

Beiderzijdsche tarsaalligging werd waargenomen bij 2 kalveren.

Beide malen werd het been in de heup met het toestel van Thy-
gesen
afgezaagd.

Een koe werd ons ter behandeling aangeboden, nadat het achter-
stel van een emphysemateus kalf na trekken door 4 personen van
het voorstel was afgetrokken. Nadat 2 voorbeenen volgens de
methode van
Linthorst verwijderd waren, kon het overige
gedeelte geboren worden.

Bij tweelingdrachtigheid werd 6 malen hulp verleend. Een dezer
koeien vertoonde een zeer groote buikomvang, terwijl links en
rechts een kalf was te stooten. Juist voor den partus ontwikkelde
zich in den loop van twee dagen een hernia uteri rechts voor den
uier. Op den morgen, dat het begin van de hernia was waar te
nemen, mestte de koe vast en at slecht. Rectaal was een lichte
anteversio uteri te voelen. Bij den partus kwam de allantoïs nor-
maal buiten, maar door de slechte werking der sterk uitgezette
uterus en van de gedeeltelijk verscheurde buikspieren werd het
kalf niet in den geboorteweg gedreven, maar bleef hiervoor steken
en moest met behulp van touwtjes achter de ooren en aan de
beenen verwijderd worden. Het tweede kalf lag met terugge-
slagen hoofd ; na repositie hiervan verliep de partus verder ge-
makkelijk.

Bij een tweede koe lagen hoofd en 2 achterbeenen en 2 voor-
beenen in carpaalligging voor het bekken. Na repositie der
carpaalligging en terugduwen der achterbeenen werden de
kalveren geboren.

Bij de derde bestond een eenzijdige schouderligging plus een
beiderzijdsche tarsaalligging. Beide waren te reponeeren.

Bij 3 koeien lag een kalf voor den bekkeningang in heupligging.
Een achterbeen werd met
Thvgesen afgezaagd en daarna kon
het kalf met behulp van een Weinmannsche lus geboren worden.
Voor repositie was in deze gevallen de uterus reeds te veel ge-
contraheerd.

Bij torsio uteri werd in 21 gevallen hulp verleend : 15 maal be-
stond een torsio uteri naar links, wisselende in sterkte van 90—1803,

-ocr page 407-

welke alle met de hand werden opgeheven ; ri malen werd hierbij
een levend kalf geboren en 4 malen een dood kalf, maar dit was
eerst gedurende korten tijd dood. Afwijkingen aan deze doode
vruchten waren niet aanwezig, de haren van de kalveren lieten
niet los. Bij deze koeien was het vruchtwater vrijwel steeds nog
geheel aanwezig.

Bij een torsie van 270° naar links was al het vruchtwater afge-
vloeid, het kalf gestorven en de uterus sterk gecontraheerd. Met
de hand de torsie op te heffen gelukte niet, eenmaal wentelen van
de koe met fixatie der vrucht gaf succes. De cervix moest daarna
manueel opgerekt worden.

Bij een koe bestond een torsi van r8o° naar links. Geringe hoe-
veelheid stinkend vruchtwater was aanwezig en het kalf was dood.
Geheel met de hand de torsie op te heffen gelukte niet, eenmaal
wentelen herstelde de normale ligging. De cervix moest daarna
manueel verwijd worden.

Bij een koe bestond een torsie naar links van r8o°, welke reeds
geruimen tijd bestond ; (het kalf was dood) ; manueel was ze op
te heffen. Cervix en uterus waren vrij sterk gecontraheerd, zoodat
bij het extraheeren van het kalf de uterus juist craniaal van de
cervix scheurde en de koe geslacht moest worden.

Bij twee koeien bestond een torsie naar rechts ; een dezer koeien
was reeds 3 dagen ziek, at niet meer en had dunne faeces. De
uterus was 1800 gedraaid.

Het kalf was dood ; manueel werd de torsie opgeheven en daar-
na de cervix voorzichtig met de hand opgerekt ; de partus verliep
verder zonder bezwaar.

De tweede koe had een week geleden aanstalten gemaakt om
te kalven. De banden waren evenwel weder teruggekomen, het
uier was weer geslonken, de koe was ziek geworden. De torsie was
1800 sterk, het kalf was dood ; stinkend secretum vloeide af.
Nadat de uterus manueel was gereponeerd, bleek de cervix zoo
sterk te zijn opgesloten, dat deze niet meer op te rekken was en
er werd geadviseerd tot slachten.

Bij een koe bestond een praecervicale torsie. Vaginaal waren
geen plooien te voelen, alleen de cervix voelde erg dik aan en was
gedeeltelijk geopend. Rectaal was de torsi goed waar te nemen
Met de hand kon de draaiing opgeheven worden en een levend
kalf geboren worden.

Bij 14 vroeggeboorten, wisselende van 3 maanden tot 2 weken
voor den normalen kalftijd, werd hulp ingeroepen. In de meeste
dezer gevallen betrof het afwijkingen in de ligging van het kalf
n.m. carpaalligging, heupligging, tarsaalligging, afwijkingen in de
ligging van het hoofd. Enkele dezer kalveren waren emphysema-
teus. Repositie was meestal eenvoudig en daarna kon de geboorte
plaats vinden.

-ocr page 408-

In enkele gevallen lag het kalf normaal, maar waren de uterus-
contracties onvoldoende.

Eenmaal moest bij een schistosomum reflexum hulp verleend
worden.

De staart, twee krom gegroeide bee-nen plus ingewanden van
het kalf waren voor de bekkeningang te voelen. Eenvoudige
trekkracht was hierbij voldoende de geboorte te doen plaats
hebben.

Bij twee koeien traden onvoldoende uteruscontracties op. Een
dezer leed aan een sterke prolapsus vaginae met tumorvorming
in de vagina. Met touwtjes aan het hoofd en beenen vond de partus
gemakkelijk plaats. Bij de tweede koe was geen afwijking te vin-
den, maar werd het kalf niet in de geboorteweg gedreven ; ook
hier was trekkracht voldoende de partus te beëindigen.

Een koe werd ter behandeling aangebracht, omdat zij reeds
lang over tijd zou zijn. Vaginaal was geen onderzoek in te stellen
omdat de vagina te nauw was. De banden waren niet weg, de uier
was slap. Rectaal was een kleine sterk gecontraheerde uterus te
voelen waarin een vrucht aanwezig was. Na 2 dagen werd zonder
hulp een kleine gemummificeerde vrucht uitgedreven.

Bij een koe lag het kalf in rugligging, 2 voorbeenen lagen in
de vagina. Nadat touwtjes aan de beenen waren bevestigd en
zachtjes hieraan werd getrokken kon vrij gemakkelijk het kalf
gedraaid en geboren worden.

Paarden.

Bij 18 paarden werd verloskundige hulp verleend ; 14 merrie s
veulenden normaal. Eén merrie aborteerde op ongeveer 4 maanden.
Bij één merrie kwamen de achterbeenen tot aan de kogels buiten
de vulva, maar verder vorderde de partus niet. Met eenige trek-
kracht werd het achterstel geboren. Ook het voorstel zat een
oogenblik vast. Toen het veulen geboren was, bleek er een geringe
torticollis te hebben bestaan. Bij twee merries lag het veulen in
stuitligging ; bij één hiervan in rugligging en bij de andere in zij-

1\'gging-

Terwijl eenige trekkracht werd uitgeoefend, gelukte liet de rug-
en zijligging op te heffen en kon het veulen, hoewel moeilijk, nog
juist zonder embryotomie geboren worden.

Schapen.

Bij 4 schapen werd verloskundige hulp verleend ; 2 leden aan
prolapsus vaginae. De vruchten stierven en konden met veel
moeite door de nauwe cervix verwijderd worden. Bij het derde
waren onvoldoende uteruscontracties aanwezig, waarschijnlijk
doordat het dier lijdende was aan een hevige mastitis. Bij het
vierde bestond paraplegia antepartum ; één groot dood lam
werd verwijderd. Na verloop van eenige weken is het dier weer
op de been gekomen.

-ocr page 409-

Geiten.

Bij 3 geiten werd verloskundige hulp verleend.

Bij allen betrof het eenvoudige repositie\'s.

Varkens.

Bij 36 varkens werd verloskundige hulp verleend.

In 12 gevallen werd sectio caesarea verricht, 9 herstelden hier-
van en drie stierven. Bij de herstelde dieren zijn er ook enkele
doode soms zelfs emphysemateuse biggen verwijderd. In 2 gevallen
kwamen varkens met een lichte prolapsus vaginae ter behande-
ling. De partus verliep met behulp van een pituglandol-injectie
vrij normaal. Bij een hiervan ontstond 12 uur na de partus een
prolapsus recti. Het dier begon plotseling zoo hevig te persen, dat
de rectumwand scheurde en de ingewanden plus uterus naar
buiten kwamen. Bij de tweede ontstond ongeveer 5 weken na de
partus vrij plotseling een sterke prolapsus vaginae. Het dier begon
tijdens het vervoer sterk te persen. De vaginawand scheurde en
er ontstond een prolapsus van de vesica urinaria en dunne darmen.

Bij een varken was gedurende de drachtigheid een sterke pro-
lapsus vaginae ontstaan. Bij het vervoer naar de verloskundige
kliniek scheurde de vaginawand en ontstond een prolapsus van
de bevruchte uterus. Bij 3 varkens met een vrij groote prolapsus
vaginae, welke in partu aangebracht werden en waarbij ook na
pituglandol-injectie de biggen niet of slechts gedeeltelijk verwijderd,
waren, werd sectio caesarea verricht ; allen stierven.

Bij de overige werden met behulp van intraveneuse of subcutane
pituglandol-injecties en met behulp van haakjes en varkensstrop-
jes de biggen geboren.

Honden.

Bij 38 honden werd hulp ingeroepen. Bij 9 honden werd hyster-
ectomie of sectio caesarea verricht. 5 dieren stierven, 4 genazen.

12 honden wierpen normaal.

Bij 17 honden werd met behulp van subcutane pituglandol-
injecties en tangetjes de partus beëindigd. Een hond werd aange-
bracht met een sterk uitgezette en gespannen buik. Deze was
langzamerhand ontstaan nadat zij gedekt was. Het dier had het
zeer benauwd. Teekens, die er op wezen dat de partus reeds be-
gonnen was waren niet aanwezig. Laparotomie werd verricht en
een sterke hydrops ascites werd gevonden. De uterus was vergroot,
maar niet dragend. De ovariën waren sterk cysteus ontaard.
E :kele uren na de operatie stierf het dier. Een duidelijke oorzaak
voor de hydrops ascites werd noch tijdens de operaties, noch bij
de sectie op het gestorven dier gevonden.

Katten.

Bij 12 katten werd verloskundige hulp verleend. Met behulp
van pituglandol-injecties en tangetjes werden de jongen ver-
wijderd.

-ocr page 410-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Afdeeling Zuid-Holland.

Het Bestuur heeft onderstaande circulaire aan de leden der Afd. Zuid-Holland
toegezonden :

\'s Gravenhage, 7 Maart 1920.

Geachte Collega,

Naar aanleiding van de bestaande plannen, ook in de provincie Zuid-Holland
met de bestrijding der Tuberculose onder het rundvee aan te vangen, aan welke
uit den aard der zaak de dierenartsen een levendig aandeel zullen moeten nemen,
werden deze op de, d.d. 22 Februari j.1. te Rotterdam gehouden bijeenkomst onzer
leden, uitvoerig besproken.

Aangezien nu ook de niet ter vergadering aanwezigen bij die bestrijding zijn
betrokken en ter bevordering der gewenschte samenwerking in deze, werd ons
bestuur uitgenoodigd, het ondervolgende ter kennis van onze leden te brengen :

ie. Het is, om verschillende redenen, wenschelijk, dat het onderzoek van een
bepaalden veestapel of van een rund, opgedragen worde aan den dierenarts, welke
praktiseert bij den eigenaar, bezitter van dit vee.

2e. Voor de gevraagde diensten, met inbegrip van de daaraan verbonden
administratieve werkzaamheden, zal. als minimum, /i. per rund in rekening
gebracht worden aan de leden elcr Vereeniging
met Rijkssteun, aan die eener Yer-
eeniging
zonder Rijkssteun per rund ƒ1.15 bij de toepassing van de ophthalmo
/ 1.25 bij die der subcutane methode (in beide gevallen dus / 1.—, plus de keistcn
eler gebruikte tuberculine), een tarief, waarbij zich ook de dierenartsen in de pro-
vincie Noord-Holland en Utrecht hebben aangesloten.

3e. Het zal aanbeveling verdienen, in antwoord op de uitnoodiging eener
Vereeniging om tot eene verbintenis toe te treden, deze te verwijzen naar het
bestuur van de afd. Zuid-Holland der Mij voor Diergeneeskunde, Secretariaat
Fred. Hendrikplein 6 te \'s-Gravenhage. Een dergelijke regeling is ook in Noord-
Holland en in Utrecht in het leven geroepen.

Alleen langs dezen weg zal, meenen wij, eene voor alle dierenartsen geldende
regeling tot stand kunnen komen, eene regeling, die zoowel de persoonlijke, als
onze standsbelangen in het algemeen, ten goede komt.

Ter verkrijging der zoo zeer gewenschte samenwerking alzoo, noodigen wij l
beleefd uit, ons mede te deelen, of U zich bij het bovenstaande wenscht aan te
sluiten. Indien niet, zoo houden wij ons aanbevelen. Uwe bedenkingen terzake
alsnejg te vernemen.

Op een spoedig antwoord, en in ieder geval vóór of e>p 25 Maart a.s. wordt onzer-
zijds veel prijs gesteld.

Hoogachtend,

Het Bestuur.

Jaarverslag over 1928 van de Afd. Noord-Brabant.

Het aantal leden van de Afdeeling is in het afgeloopen jaar gestegen tot |o.
Slechts een paar practiseerende collega\'s staan nog buiten het Afdeelingsverband,
hetgeen niet gewenscht is, vooral niet, nu ele Maatschappij voor Diergeneeskunde
zich meer gaat oriënteeren in de richting van de vakbeweging.

Door de Provinciale Staten werd eiverwogen de subsidie van enkele collega\'s in
te trekken. Om dit te voorkomen, werd een bespreking gehouden met den griffier
der Staten, hetgeen helaas niet het verlangde resultaat mocht opleveren.

Met den Noord-Brabantschen Christelijken Boerenbond werden onderhandelingen
geopend tot het verkrijgen van een uniform tarief voor het enten van kippen
In afwachting van de te nemen beslissingen van de Commissie voor Beroepsbe-
langen zijn deze besprekingen nog niet definitief beëindigd.

-ocr page 411-

Di.\' Afdeeling heeft in liet bijzonder haar aandacht gewijd aan het programma
van de Alg. Vergadering, de pullorumbestrijding en het organiseeren van een
cursus voor pluimveeziekten, welke cursus door bijna alle practici in een der lokalen
van het gemeentelijk slachthuis te Tilburg gevolgd zal worden.

In de voorjaarsvergadering werd door collega Veenbaas een voordracht ge-
houden over het besmettelijk verwerpen der runderen.

In de najaarsvergadering werd collega Kirch gekozen tot afgevaardigde in het
Hoofdbestuur.

Het Afdeelingsbestuur bleef, door herverkiezing van den isten Secretaris, onge-
wijzigd.
 De Secretaris,

Raamsdonksveer, Maart 1929. G. van de Werf.

Jaarverslag over 1928 van de afdeeling Noord-Holland.

In den loop van het jaar bedankte 1 lid wegens vertrek naar elders en werdeu
3 nieuwe leden ingeschreven, zoodat op 31 Dec. 1928 het aantal leden bedroeg 59,
waaronder 1 eerelid. Als secretaris werd in de plaats van ondergeteekende gekozen
collega P. C. E
ichholtz, zoodat het bestuur thans als volgt is samengesteld :
J. A. Klauwers, Voorzitter; K. Schuijtemaker, Vice-Voorzitter ; P. C. Hich-
holtz,
Secretaris en M. 1). Booij, Penningmeester.

I11 het afgeloopen jaar werden 3 vergaderingen gehouden, waarin door de col-
lega\'s
j. Flohil, Dr. J. van der Hoeden en S. Simons respectievelijk werden inge-
leid de volgende onderwerpen : De urgentie van het nemen van wettelijke maat-
regelen tegen Sarcoptesschurft bij runderen ; Febris undulans bij den mensch,
veroorzaakt door Bacterium abortus infectiosi Bang en de ziekteverzekering van
het Nationaal Boerenveefonds. Voorts werden in een der hallen van het Amster-
damsche abattoir demonstraties gehouden door onze leden
K. H. Veenstra en
Dr. C.
Postma betreffende het lymphestelsel bij het rund en liet varken. Bij de
rondvraag der vergaderingen werd o. m. geklaagd over de te geringe vergoeding
voor de seruminspuitingen tegen mond- en klauwzeer en wederom over het toe-
nemen der kwakzalverij.

Aan het Hoofdbestuur werd op een desbetreffende vraag geantwoord, dat een
tarief van / 0.075 voor het bloedaftappen bij de pullorumbestrijding te laag moet
worden geacht en dat voorloopig slechts genoegen kan worden genomen met een
tarief van minstens / 0.10.

Voor de door de afdeeling op verzoek van het Hoofdbestuur georganiseerde
pluimveecursus bestond zooveel belangstelling, dat het aantal deelnemers, in
totaal 39, werd gesplitst in een groep van practici en een van keuringsveeartsen.
De cursus voor de eerste groep is nog in het afgeloopen jaar, tot volle tevrederheid
der deelnemers, afgewerkt en met een gezellig toepasselijk pluimvee-diner besloten.

Nog dient in dit verslag te worden vermeld, dat de toestand van de kas geen
reden tot klagen geeft. Behalve aan liet zuinig beheer van onzen penningmeester
is dit zeker ook te danken aan het feit, dat niet zelden de hoofdschotel der agenda
van de vergaderingen wordt verzorgd door een onzer leden, waardoor de verga-
deringskosten tot een minimum worden beperkt. Fen woord van dank voor de
medewerking dezer leden is hier zeker op zijn plaats.

De Secretaris,

J. Rinses.

Verslag over 1928 van de Afd. Zuid-Holland

Op het afgeloopen jaar kan men, wat de werkzaamheden onzer afdeeling
betreft, met tevredenheid terugzien Des te meer is het te betreuren, dat zoo\'11
groot aantal leden (ca. 1 3) op hare bijeenkomsten afwezig was. Veel meer zou het
vereenigingsleven tot zijn recht komen, als meer algemeene belangstelling werd
getoond. Nog steeds schijnt men niet in te zien. dat juist in de afdeelingen het
belangrijkste werk kan geschieden.

LVI 27

-ocr page 412-

Wegens vertrek naar N. O.-Indië verzocht één der leden van de ledenlijst afge-
voerd te worden, zoodat het aantal leden per uit. December go bedroeg.

In het geheel werden 4 vergaderingen gehouden. In de samenstelling van het
bestuur kwam geen wijziging, daar de aftredende penningmeester met algemeene
stemmen herkozen werd.

De toestand der finantiën was bevredigend, de kas sloot met een voordeelig
saldo van
f 185.47.

In de Maartvergadering werd door collega S. Simons het onderwerp „Ziekte-
verzekering" ingeleid (voor de bizonderheden zij verwezen naar ons tijdschrift).
Bij de daarop gevolgde gedachtenwisseling bleek, dat de H.H. practici voorloopig
nog bezwaren hadden deze te steunen, waarom zij meenden de verdere ontwikke-
ling der instelling nog te moeten afwachten.

Den Heer Simons werd bij monde van den Voorzitter dank betuigd voor de
moeite, die hij zich had willen geven, de bizonderheden nader te belichten.

Hierop volgde de voordracht van den Heer Dr. A. Klarenbeek over de toe-
passing van Röntgenstralen in de diergeneeskunst.

Hij begon met de ontdekking dezer stralen te bespreken, schetste het nut van
een transfoimator, van de veranderingen van stroom van lage in die van hooge
spanning, behandelde de eigenschappen der stralen ten opzichte van het te be-
stralen weefsel, het doordringingsvermogen, het begrip harde en zachte stralen,
zoomede haar invloed op de photografische plaat .... enz. enz. De practische
toepassing bij mensch en dier, zeide hij, loopt nog al uiteen. Daargelaten den prijs
der foto\'s, levert ze voor de diergeneeskunst nog vele moeilijkheden op, als daar
zijn, de voor doorstraling ongunstige anatomische verhoudingen (vergelijk schou-
der- en kniegewricht van mensch en dier), het bezwaar onze patiënten een oogen-
blik rustig te houden, vooral voor wat aangaat de opname van lichaamsgedeelten
met physiologische bewegingen (longen, hart, middenrif) welke echter grooten-
deels ondervangen kunnen worden door moment-opnamen, groote stroomsterkte
en eene zoo hoog mogelijke spanning. Dank zij de technische vorderingen is reeds
veel bereikt ; van de hand van Prof.
Eberlein, die lange jaren de medische bij-
eenkomsten voor Röntgenologie voorzat, verschenen de eerste artikelen op dier-
geneeskundig Röntgengebied. Bepaald practische uitkomsten heeft men pas
sinds de laatste 2 jaren verkregen, zoodat het kleine huisdier ons geen moeilijk-
heden van bcteekenis meer in den weg legt. De voordeelen van het kleine Philips-
toestel voor den practicus werden mede besproken ; binnen zekere grenzen is het
geschikt voor kleine huisdieren, voor de groote is de capaciteit te gering en zal
het de bestaande toestellen niet kunnen vervangen. Zonder
R.-apparaat zoo
eindigde de spreker is op dit oogenblik de klinische diagnose bij vele processen
niet als volledig te beschouwen. Ten slotte werden nog tal van fraaie en zeer dui-
delijke foto\'s vertoond van chirurgische afwijkingen en van verschillende aandoe-
ningen van inwendige organen bij kleine huisdieren.

Bij de rondvraag werd naar de reden van den hoogen prijs der foto\'s gevraagd.
In hoofdzaak, zeide inleider, wordt deze beinvloed door de hooge afschrijvingen
op de inrichting. Met een waardeerend woord van dank door den Voorzitter werd
de belangrijke rede besloten.

In de Mei-vergadering hadden wij het voorrecht Dr. G. M. v. d. Plank te hooren
over de : „interne secretie in verband met veeteeltvraagstukken ". Ook deze rede
had de onverdeelde aandacht en belangstelling der aanwezigen, zoodat allen
met de woorden van dank door den Voorzitter, ten volle instemden.

In de November-bijeenkomst sprak Dr. H. S. Frenkel over „grepen uit de
vleeschhygiëne".

In den breede behandelde hij het vraagstuk van het bacteriologisch vleesch-
onderzoek met de daaraan verbonden moeilijkheden, stond uitvoerig stil bij de
keuze der voedingsbodems, besprak de vraag, welke en hoeveel organen bij dit
onderzoek in aanmerking komen .... enz. enz. Voor de bizonderheden vermeenen

-ocr page 413-

wij tc mogen verwijzen naar het artikel van zijn hand : ,,Bact. Vleeschonderzoek"
in ons tijdschrift van 15 Januari 1929, afl. 2.

Het spreekt wel van zelf, dat bij de belangstelling die er tegenwoordig, ook
onder de practici, voor de uitvoering der voorschriften in zake de Vleeschhygiëne
bestaat, nog verschillende vragen werden gesteld, die door den spreker uitvoerig
werden beantwoord en toegelicht.

Als nog werd door hem de aandacht gevestigd op de methode „Loewenstein"
tot het sneller kweeken, dan tot op heden mogelijk was, van tubercelbacillen.
Vaak ziet men bij de toepassing van deze reeds binnen enkele dagen de groei voor
den dag komen. Voor de vleeschkeuring is ze, voorloopig althans, nog van betrek-
kelijke waaide, omdat het proces daarvoor nog te langzaam verloopt.

Met een kort woord werd nog besproken, de veelvuldig bij het rund voor-
komende neurofibromatose, een systeemziekte voornamelijk van het sympa-
tische zenuwstelsel.

Den Heer Frenkel werd aan het eind zijner rede, warmen dank gebracht door
Voorzitter en leden.

Aan de pluimvee-cursussen zullen door 20 leden deelgenomen \'worden, liefst
in het najaar. Eene regeling kon worden vastgesteld, zóó, dat de persoonlijke
offers het cijfer / 25.— niet zullen overschrijden.

De door enkele leden betoogde wenschelijkheid, om bij het onderricht onzer
studenten, meer dan tot op heden, aandacht te wijden aan de kaasbereiding,
leidde er toe, dat de Voorzitter dit vraagstuk met den betrokken hoogleeraar
besprak, met het gevolg, dat deze daarmede zijn instemming kon betuigen en
de verzekering gaf bij zijn onderwijs er rekening mee te zullen houden.

Ook werd aangedrongen op onderwijs in bijen- en vischziekten. Met de eerste
zal reeds spoedig een aanvang gemaakt kunnen worden ; over de laatste geschiedt
nog nader overleg, een overleg, dat, dank zij de belangstelling in deze van de
zijde van het Hoofdbestuur, vermoedelijk reeds spoedig de gewenschte oplossing
zal kunnen brengen.

Ook gingen er stemmen op om het ,,wild" mede in de keuring te betrekken ;
gewezen werd o. m. op de gevolgen van een spoedig bederf van het wild, bij
borst- en buikschoten.

De bestrijding va*n de ..pullorumziekte" onder het pluimvee had de volle be-
langstelling, althans van hen, die op onze bijeenkomsten verschenen. Gaarne
stelde men zich beschikbaar op de, in de ons bekende circulaire aangegeven voor-
waarden, daaraan mede tc werken. Voor zooveel noodig zou de techniek der agglu-
tinatie, die, meende men, het best door de dierenartsen zelf ware te verrichten,
op de pluimvee-cursussen behandeld kunnen worden.

Eén onzer leden vestigde er in onze Maartvergadering de aandacht op, dat
zoowel de keuring als de herkeuring der trekhonden in handen is gelegd van politie-
agenten, van menschen dus, die daarvoor, meende men algemeen, de vereischte
bekwaamheden missen. In de daaropvolgende bijeenkomst kon onze Voorzitter
reeds meedeelen, dat de herkeuring der honden voortaan geschieden zal door
den betrokken inspecteur van den veeartscnijkundigen dienst of diens plaats-
vervanger.

Verschillende leden lieten hun afkeuring hooren over het schrijven door dieren-
artsen ; in leekenbladen als : ,,Avicultura", „Veldbode", ,,de Vee en Vleesch-
handel" .... enz. enz. Zij waren van oordeel, dat dit veelal ons vak-aanzien schaadt,
in het bizonder, als men zich gaat bewegen op therapeutisch gebied.

Anderen, erkennende dat sommigen der onzen de grens overschrijden, meenden,
dat het schrijven voor een leeken-publiek ook wel zijn goede zijden heeft. Leeken
toch, en zelfs zij, die men onder de inteilectueelen rekenen mag, hebben op dier-
geneeskundig gebied nog veel voorlichting noodig ; menigmaal staat men ver-
baasd over de onder hen ten deze heerschende begrippen. Zeer sterke voorbeelden:
werden dienaangaande meegedeeld. Grootendeels heeft men de schuld daarvan
bij de dierenartsen zelf te zoeken, omdat zij te weinig voeling houden met het

-ocr page 414-

groote publiek, hun kennis te veel onder de korenmaat houden. Het inzenden
van goede bijdragen over onze wetenschap en over onze kunst door een ieder op
eigen gebied, zou aan die onkunde en aan het daaraan voortvloeiende gemis aan
waardeering, niet weinig ten goede komen. Het spreekt vanzelf, dat men daar-
mede niet den weg moet opgaan van bepaalde medicaties of behandelingsmethoden
voor te schrijven, maar, dat men de zich daarvoor eigenende onderwerpen slechts
van een algemeen standpunt heeft te behandelen. Een en ander gaf onzen Voor-
zitter aanleiding dit vraagstuk o. m. ook in zijne openingsrede op de laatste alge-
meene vergadering aan te roeren. Wij willen hopen, dat het ditmaal geen ,.roepen
in de woestijn" geweest zal mogen zijn.

Verschillende onderwerpen van practischen aard werden op de bijeenkomsten
besproken onder de ,,vrije mededeelingen". onderwerpen, die nu en dan tot een
levendige gedachtenwisseling aanleiding gaven. Voor het meerendeel echter
bleef men met deze, evenals met die in de voorgaande jaren, te veel aan de opper-
vlakte. omdat zij onvoldoende voorbereid en uitgewerkt ter sprake worden ge-
bracht. De vraag, of onze klinici, die vaak zooveel oiider de oogen krijgen, de stof
niet meer wetenschappelijk zouden kunnen voorbrengen, mag allicht van deze
plaats wel toelaatbaar worden geacht.

Ten slotte moet ik er nog melding van maken, dat de Voorzitter in onze laatste
bijeenkomst de aandacht der aanwezigen vroeg voor het feit. dat hem nu en dar.
berichten van mineier collegiale hanelelingen van Kotterdamsche collega s be-
reiken. Onelerlinge, kameraadschappelijke aanraking wordt daar ten eenenmale
gemist; vooral de jongeren onder hen houden zich terug. Ik zal, zeide hij, niet
uitweiden over de gevolgen daarvan voor onzen stand in het algemeen, ze liggen
voor een ieder voor het grijpen. De vraag is nu bij mij gerezen, of het niet mogelijk
zou zijn een kring te vormen, ten einde op deze wijze elkaneler beter te leeren
kennen en waardeeren, iets. waarvan ik mij veel goeds kan voorstellen.

Deze, zijne denkbeelden werden tenzeerste toegejuicht en hadden tot gevolg, dat
de Voorzitter werd aangezocht, het initiatief tot het oprichten van een dergelijken
kring te nemen, waarin hij, aanvankelijk met eenige aarzeling, gaarne toestemde-

Enkelen, uit Rotterdam aanwezig, hem dankende voor zijne bereidwilligheid,
zegden toe, zich gaarne aan zijne le\'iding te willen onderwerpen.

Namens het Bestuur,

den Haag, 20 Maart 1929. Hoogkamer, Secretaris.

BLADVULLING.

Gevaar van lichtgevende verf.

Martland (Journ. of the Am. mcd. Ass., ref. N. T. v. G. 1929, 1, blz. 1407)
schrijft hierover: In New-Jersey is sedert 1917 een fabriek waar lichtgevende
wijzerplaten worelen gemaakt ; tot f924 zijn daar 800 meisjes werkzaam geweest
(250 tegelijk) ; het werk is niet zwaar en wordt goeel betaald. Onder de meisjes die
meer dan een jaar daar gewerkt hebben zijn een groot aantal ziektegevallen voor-
gekomen. De verschijnselen komen pas naelat de meisjes één tot zeven jaar aan
de stralen der radio-actieve stoffen zijn blootgesteld geweest. Zijn zij inmiddels
elders gaan wonen dan zal de diagnose voor den arts soms moeilijk zijn. Vijftien
van de meisjes zijn gestorven.
 Vr

Sterilisatie in Californië.

De wet op de sterilisatie van voor de voortplanting uit te sluiten individuen
dateert van 1907. Tot 1928 zijn meer dan 5000 van deze kunstbewerkingen ver-
richt (viermaal zooveel als in alle andere lanelen tezamen). Het meerendeel der
patiënten leed aan schizophrenie, manisch-depressive psychose en 5 % bestond
uit epileptici en alkoholisten.

De leeftijd was van 15—25 jaar ; het geslacht : 3 mannen tegen 2 vrouwen .
echter meer gehuwde vrouwen clan gehuwde mannen. Vóór 1928 waren meer dan
1000 personen wegens zwakzinnigheid geopereerd. (Geneesk. Gids 1929, blz. 265),

Vr.

-ocr page 415-

BERICHTEN.

De van de zijde der Maatschappij ondervonden belangstelling
bij gelegenheid van de herdenking van mijn geboortedag op
29 Maart j.1. is voor mij een der meest gewaardeerde blijken
van medeleven geweest, die ik van verschillende kanten mocht
ontvangen. Ik breng daarvoor door dezen mijn welgemeenden
dank en hoop nog lang getuige te mogen blijven van den bloei
en den vooruitgang onzer Maatschappij.

De Voorzitter der Mij. voor Diergeneeskunde,
Dhont.

VLEESCHHYG1ËNE.

Een elektrische varkensval.

Blijkens een mededeeling in het „Zeitsch. f. Fleisch- und Milchhygiene van
i Jan. 1929 heeft men op het abattoir te München proeven genomen met een elec-
trische varkensval, een uitvinding van Prof.
M. Muller en Hoofding. Weinberger.

Het geheele apparaat is feitelijk een kleine rutschbaan, welke van boven als
een vischfuik gesloten is, naar onder puntig toeloopt en, wat het onderste gedeelte
betreft, onder stroom staat. Het varken wordt van een verhoogd platvorm in
deze fuik gedreven en glijdt dan, met de kop vooruit, naar beneden. Aan het
onderste gedeelte van de val komt de kop van het varken noodgedwongen in aan-
raking met de electrische stroom, waardoor het dier oogenblikkelijk bedwelmd
wordt. In het geheel moet de stroom 5 seconden inwerken. Daarna kan men de
val, door middel van een handel, mechanisch openslaan, rolt het bedwelmde var-
ken eruit en kan het dier gestoken worden.

De electrische bedwelming moet tot gevolg hebben, dat het dier in een zeer geringe
mate agonale krampen heeft. Wellicht zit in de methode een toekomst?

Wat is vleesch?

Naar Dr. A. van Raalte in „Voeding en Hygiëne" mededeelt, is in Amsterdam
een proces aanhangig, waarbij door den kantonrechter bovenvermelde vraag is
beantwoord. Deze beslissing van den kantonrechter kan, zoo zij in hooger beroep
wordt bevestigd, van groote beteekenis worden voor de praktijk, daar er uit zou
volgen, dat de keuring van wild, gevogelte en visch niet tot de competentie van
de keuringsdiensten van waren behoort.

Wat is het geval?

Voor den kantonrechter stond een verkooper van gevogelte terecht wijl hij kip-
pen ten verkoop in voorraad had gehad, die in ondeugdelijken toestand verkeer-
den. Volgens het proces-verbaal van den keurmeester van den keuringsdienst van
waren ging het hier om gestorven kippen, welke de verkooper na den dood van een
halssnede had voorzien.

De kantonrechter vroeg den deskundige, of de keuring van die kippen van schei-
kundigen aard was, waarop een ontkennend antwoord was gevolgd.

Toen overwoog de kantonrechter in zijn mondeling vonnis :

dat art. 2 van de keuringsverordening verbiedt het verkoopen van waren, die
in ondeugdelijken toestand verkeeren ;

dat onder waren, blijkens art. 1 der verordening, hetzelfde wordt verstaan wat
art. i van de Warenwet daaronder verstaat ;

dat art. 1 van de Warenwet onder waren verstaat : eet- en drinkwaren, met uit-
zondering van vleesch en vleeschwaren, hetzij de keuring daarvan is van schei-
kundigen aard ;

dat kip vleesch is, en de keuring — volgens den deskundigene - niet van schei-
kundigen aard en sprak den beklaagde vrij.

-ocr page 416-

De ambtenaar van het Openbaar Ministerie is van het vonnis in hooger beroep
gegaan.

De Heer v. R. is het met deze beslissing niet eens. Volgens hem, al geeft de wa-
renwet geen definitie van vleesch, doet de vleeschkeuringswet dit wel, nl. in art. 2
Deze wet zegt daar, dat onder vleesch wordt verstaan : „gestorven of gedoode
slachtdieren of deelen van deze", terwijl art. i onder slachtdieren verstaat : een-
hoevige dieren, runderen, schapen, geiten en varkens.

Verder is er één vleeschwarenbesluit, dat zoowel op de vleeschkeuringswet als op
de Warenwet betrekking heeft en wordt in dit besluit nog nadrukkelijk aangegeven,
dat onder vleesch wordt verstaan, wat daaronder in de vleeschkeuringswet wordt
verstaan. De wetgever en de Kroon zijn derhalve van oordeel, dat onder „vleesch"
slechts het vleesch van slachtdieren moet worden verstaan.

Al mag dit nu zoo zijn, men moet m. i. toch ook toegeven, dat gevogelte, en in
dit geval een gestorven kip, toch eigenlijk ook vleesch is, zoodat er ook veel voor
de opvatting van den kantonrechter is te zeggen.

De nadere rechterlijke uitspraak zal dus verre gevolgen hebben. Krijgt de kan-
tonrechter gelijk, dan zou dit beteekenen, dat op wild, gevogelte en visch geen toe-
zicht kan worden uitgeoefend, daar dan noch op de warenwet, noch op de vleesch-
keuringswet een dergelijk toezicht zou kunnen steunen.

Het modernste abattoir der wereld.

In de rubriek „Van over de grenzen" van de Vee- en Vleeschhandel van 26 Febr.
j.1. vond ik vermeld, dat het modernste slachthuis, naar veler meening, thans te
Lyon, in Frankrijk, zou worden aangetroffen. Het complex van dit abattoir be-
slaat 25 H.A., waarop zich 80 afzonderlijke gebouwen verheffen, die door een 250
Meter breede overdekte straat met elkander verbonden zijn. Met dit abattoir
staat de veemarkt in onmiddellijke verbinding, die ingericht is voor een dagelijk-
schen omzet van 2000 runderen, 5000 schapen en 3000 varkens, welke het abattoir
kan verwerken. De totale stichtingskosten beliepen 80 millioen francs.

Naar men verzekert kan op geen enkel slachthuis ter wereld zulk een methodisch
in elkander sluitende arbeidswijze worden toegepast als te Lyon en moet het totaal
onmogelijk zijn. dat van welke verrichtingen ook, die in dit bedrijf moeten wor-
den uitgevoerd, er twee met sikander in botsing zouden kunnen komen en is vanaf
de toegangsdeuren tot de stallen cn boxen alles met de pijnlijkste nauwkeurigheid
overlegd en beproefd. Vooral voortreffelijk zijn de hygiënische inrichtingen ; er is
gezorgd voor volmaakte zindelijkheid, waartoe o. m. een automatisch systeem
van waterspoeling bijdraagt, terwijl zeer omvangrijke voorzorgsmaatregelen ge
troffen zijn om ongevallen te voorkomen. In tegenstelling met de werkwijze der
groote N.- en Z.-Amerikaansche slachterijen geschiedt de geheele verwerking vrijwel
uitsluitend gelijkvloers en — mede door een zeer geperfectioneerd railsysteem
met tot nu toe ongekende vlugheid. In het bijzonder worden vermeld de schitte-
rende inrichting voor de bespoediging der ambtelijke vleeschkeuring, evenals de
inrichting om onbruikbaar vleesch onmiddellijk te verwijderen, alsmede de voor-
beeldige luchtverversching, waarvoor overal door middel van samengeperste lucht
wordt gezorgd.

De abattoirkwestie te Rijssen.

Begin Februari deed het gerechtshof te Arnhem in hooger beroep uitspraak in
de bekende procedure tusschen een slager te Rijssen als eischer en collega
Bosch
aldaar, als gedaagde.

De Heer Bosch was door genoemden slager gedagvaard tot betaling van kosten,
schaden en interessen, door laatsgenoemde geleden tengevolge van de weigering
van collega B. als keurmeester om de geslachte keuring van een door den slager
geslachte koe te verrichten ter plaatse van slachting, zijnde het huis van den slager.

Het hof bevestigde het vonnis der Rechtbank, waarbij het verweer van den ge-
daagde, dat niet hij doch de gemeente R. aansprakelijk was, omdat hij had gehan-
deld als orgaan van de gemeente, werd bevestigd. Het Hof
overwoog verder,
dat de ingestelde vordering tot schadevergoeding moest worden afgewezen op

-ocr page 417-

grond dat de door den slager gestelde schade niet door den schuld van den keur-
meester was veroorzaakt.

Xaar een mededeeling in het Handelsblad zou de Raad der gemeente Rijssen
besloten hebben het abattoir met bijbehoorenden grond te verkoopen, zoodat
wellicht het einde van deze kwestie is te verwachten.

Uitspraak van den Hoogen Raad over den termijn van 5 jaar, bedoeld in art. 47
der Vleesehkeuringswet.

Op 4 Dec. 1928 heeft de Rechtbank te Amsterdam (Weekblad van het Recht,
No. 11922) uitspraak gedaan in een procedure tegen een slager aldaar, die zijn
winkel niet in overeenstemming had gebracht met de eischen van het Koninkl.
besluit van 10 Juli 1926. Reeds vroeger heb ik dit geval iets uitvoeriger in deze
berichten medegedeeld.

Ten aanzien van de vraag, van welken dag de termijn van 5 jaar, gesteld in
art. 47 der vleesehkeuringswet, moet worden gerekend, overwoog de rechtbank :

dat het Koninklijk besluit van 6 Juni 1921, waarbij aanvankelijk uitvoering
werd gegeven aan art. 19 der wet, is vervangen door het Koninklijk besluit van
10 Juli 1926, in werking getreden 24 Sept. 1926;

dat immers bij art. 12 van laatstbedoeld besluit is bepaald, dat het besluit van
1921 vervalt, met uitzondering evenwel van de bij dat besluit gegeven regelen
voor inrichtingen, welke op den datum van inwerkingtreding van het nieuwe be-
sluit in overeenstemming waren met de bij het oude besluit gestelde eischen, zoo-
lang zij aan die eischen voldoen ;

dat dit echter niet wegneemt, dat de termijn van 5 jaren, bedoeld in art. 47
der vleesehkeuringswet is aangevangen op 1 Juni 1922, toen het besluit van 6
Juni 1921 ter uitvoering van art. 19 der wet in werking trad en derhalve op 31
Mei 1927 verstreken is.

Bij hetzelfde vonnis heeft de rechtbank nog beslist ;

ie. een winkel is aangesloten op de drinkwaterleiding, wanneer zich in een kast\'
daarin een kraan bevindt, die op de waterleiding is aangesloten ;

2e. nu de vleesehkeuringswet geen definitie van winkel geeft, moet daaronder wor-
den verstaan een inrichting, die naar het gewone spraakgebruik een vleeschwinkel is;

3e. Dezelfde localiteit kan zoowel een winkel zijn als een werkplaats in den
zin der arbeidswet ;

4e. Als overmacht om niet aan de eischen der wet te voldoen kan niet gelden
een belangrijk finantieel nadeel, dat uitvoering der wettelijke bepalingen zou
meebrengen.

Beklaagde ging in hooger beroep.

De Hooge Raad heeft nu 18 Maart j.1, uitspraak gedaan in deze zaak en beslist,
dat
na het laatste Koninklijk beslui! van 10 Juli 1926, in werking getreden 24 Sept.
1926, een geheel nieuwe termijn voor bestaande slagerijen is begonnen,
om hunne werk-
plaatsen in overeenstemming te brengen met de eischen der vleesehkeuringswet.
Dit betreft dus alleen inrichtingen, opgericht vóór i Januari 1922.
Tot 24 Sept. 1931
hebben dus de slagers nog uitstel.

Uit het jaarverslag over 1928 van den keuringsdienst van waren voor het gebied
\'s-Gravenhage.

Voor zoover de keuring van vleeschwaren is van scheikundigen aard, hoort zij
thuis bij den keuringsdienst van waren. In hoofdzaak strekt het toezicht op worst
en andere vleeschwaren zich uit tot een onderzoek op kleurstoffen, conserveer-
middelen en vreemde bestanddeelen (als meel, taptemelkpoeder, kaasstof, enz.)

Dat nog talrijke slagers niet kunnen nalaten hun worst te kleuren, blijkt wel
hieruit, dat tegen niet minder dan 32 worstbereiders proces-verbaal werd opge-
maakt wegens het voorkomen van kleurstof in de worst.

Vijf slagers werden verbaliseerd omdat zij in hun worst belangrijk grooter hoe-
veelheden meel (meer dan 4 %) hadden verwerkt, dan geoorloofd is.

Herhaaldelijk werd nog boorzuur in vleeschwaren aangetroffen, zoodat aan
23 slagers een waarschuwing moest worden gezonden.

-ocr page 418-

Ook in gehakt zijn conserveermiddelen aangetroffen en wel in den regel sul-
fieten.

Wijziging van het Koninklijk Besluit van 6 Juni 1922, Stbl. 395 betreffende den
invoer van vleeschwaren uit het buitenland.

Bij koninklijk besluit van 22 Eebr. 1929, Stbl. 54 zijn de volgende wijzigingen
aangebracht in het besluit van 6 Juni 1922.

ie. Achter het woord ,.vetten" in de laatste alinea van artikel 2 van het besluit
van 6 Juni 1922 in te voegen de woorden : „en van door hem aan te wijzen andere
vleeschwaren" ;

2e. artikel 4, onder b, te lezen : B. gepekeld, gezouten, gekookt, gerookt en
op andere wijze, ten genoegen van den Minister, verduurzaamd vleesch ;

3e. aan artikel 4 een nieuw lid toe te voegen : E. Organen, mits zij door den
Minister zijn aangewezen ;

4e. in te voegen een nieuw artikel igbis, luidende : „Vleeschwaren, ten aanzien
waarvan aan den Rijkskeuringsveearts wordt aangetoond, dat zij uit Nederland
zijn uitgevoerd, en vanuit het land van bestemming weder naar Nederland zijn
teruggezonden, kunnen worden ingevoerd zonder toepassing van de volgens dit
besluit geldende bepalingen".

Een nieuwe grondslag voor de heffing van slachthuisrechten.

In het R.K. Slagersvakblad van 1 Maart vond ik mededeeling gedaan van een
ontwerp-tarief voor het gebruik van het eerstdaags te openen nieuwe abattoir te
Breda. Als grondslag voor de heffing wordt aangenomen een zeker bedrag per K.G.
slachtgewicht. Voor dit bedrag zal men dan tevens mogen beschikken over alle
verschillende inrichtingen, waarvan men op het abattoir gebruik kan maken (als
weeginrichting, stallen, koelhuis, sterilisatie, enz.). Een op een dergelijke basis be-
rustend tarief zou dit groote voordeel voor den slager hebben, dat hij weet waar
hij mee af is en niet telkens voor het gebruik van bepaalde onderdeelen van het
slachthuis weer opnieuw een zeker bedrag moet betalen.

Een tweede voordeel zou zijn dat door de belasting van de slachtdieren per K.G.
gewicht het lichte en het zware slachtdier niet gelijk in de kosten worden aange-
slagen, zooals dit bij het tot nu toe algemeen gevolgde systeem wel het geval is.

De slachtdieren van mindere kwaliteit zullen dus onder dit tarief in verhouding
niet zwaarder worden belast dan de zwaardere slachtdieren. Naar medegedeeld
wordt is het ontworpen tarief zoo gesteld, dat ongeveer per rund
f 9.— en per
varken / 4. moet worden betaald, waarin dan dus alle rechten, ook koelrechten,
gebruik van koelcellen, wegen, stallen, enz. zijn begrepen. In vergelijking met de
tarieven van in den laatsten tijd gebouwde abattoirs zijn deze bedragen niet hoog.

Niet vermeld wordt, of voor alle diersoorten eenzelfde eenheidstarief per K.G.
wordt vastgesteld of wel dat voor iedere diersoort apart een afzonderlijk bedrag
wordt aangegeven. Hoewel het eerste minder administratieve rompslomp zal ge-
ven, is de tweede methode billijker te achten, als men nl. de waarde der verschil-
lende slachtdieren in aanmerking neemt.

Abattoirs.

In de Raadsvergadering van 7 Dec. j.1. te Kampen is in behandeling geweest
het voorstel van B. en W. om in beginsel tot den bouw van een openbaar slacht-
huis met koelinrichting te besluiten. Dit voorstel werd toen aangehouden. Ter be-
antwoording van de vraag, in hoeverre de particuliere inrichtingen niet voldoen
aan de eischen der Vleeschkeuringswet en welke verbeteringen eventueel daaraan
moeten worden aangebracht, hebben B. en W. toen van deze aan te brengen ver-
beteringen een staat overgelegd en daarbij tevens de bedragen vermeld, die daar-
mede zouden zijn gemoeid. Volgens die opgave zouden 24 slagers voor verbouwing
van hunne inrichtingen samen ƒ 6820.— moeten besteden en zouden 12 slagers een
geheel nieuwe slachtplaats moeten bouwen of huren, als er geen openbaar slacht-
huis gesticht werd. Toen het later bleek, dat er omtrent de vraag, aan welke eischen
slachtplaatsen, enz. moeten voldoen, geen voldoende overeenstemming bestaat,
hebben B. en W. nogmaals, na omtrent deze kwestie de noodige voorlichting te

-ocr page 419-

hebben ontvangen van den inspecteur der volksgezondheid, een onderzoek doen
instellen. Zij kwamen toen tot de conclusie, dat 14 slagers een geheel nieuwe slacht-
plaats moesten bouwen (kosten / 42.000.—), terwijl da overige 22 slagers hun
inrichtingen nog kunnen verbouwen (gezamenlijke kosten / 8305.—).

Hat voorstel van B. en \\V. van Bergen (N.-H.) om een slachthuis met koelhuis
(kosten / 60.000.—) te bouwen, is door den Raad niet aangenomen.

De gemeenten Klaastvaal en Zuilen besloten tot aansluiting bij de N.V. de Ned.
Thermo-Chemische Fabrieken.

B. en W. van Middelburg deelen den Raad mede dat zij, nu de Minister van
Arbeid, Handel en Nijverheid geen termen heeft gevonden, om het besluit van
den gemeenteraad van Vlissingen tot intrekking van de samenwerking met Mid-
delburg ten opzichte van het stichten van een abattoir, voor vernietiging voor
te dragen, gebruik zullen maken van de machtiging, hun door den Raad verleend
om plannen en een ontwerp te laten maken voor de stichting van een slachthuis
alleen voor Middelburg.

B. en W. van Overschie verzoeken den Raad hen machtiging te verleenen met
de N.V. N. T. F. een overeenkomst aan te gaan.

Men deelt uit Schagen mede, dat de plannen voor den bouw en installatie der
noodslachtplaats, verwerkingsinrichting met koelinstallatie en een automobiel-
garage, waarvan de kosten op / 125.000.—- worden geraamd, zijn opgedragen
aan het technisch bureau
Joh. J. van Dorp, te den Haag, in samenwerking met
de architecten
Huurman & Stok. de Graaf.

Het verslag van de Commissie in zake de toepassing van sera en entstoffen ten
gebruike bij dieren,
is verschenen. De Commissie werd benoemd bij beschikking
van den Minister van Binnenl. Zaken en Landbouw van 22 Febr. 1926 en dooi-
den Minister geinstalleerd op 22 Maart 1926. Leden waren :

Prof. Dr. L. de Bi.ieck, Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, Voorz.

Dr. A. ten Sande, Inspecteur van den Veeartsenijkundigen Dienst in Alge-
meenen Dienst, te \'s-Gravenhage, Secretaris.

Dr. H. C. L. e. Berger. Directeur van den Veeartsenijkundigen Dienst, te
\'s-Gravenhage ;

Dr. L. F. D. E. Lourens, Directeur der Rijksseruminrichting, te Rotterdam ;

Dr. H. S. Frenkel, Chef der Veterinaire Afdeeling van het Centraal Laborato-
rium voor de Volksgezondheid, te Utrecht ;

A. Veenbaas, Directeur van den Gezondheidsdienst voor vee in Friesland,
te Leeuwarden ;

Dr. A. Vrijburg. Geëxamineerd Veearts, te \'s-Gravenhage ;

Mr. Dr. K. J. Frederiks, Referendaris aan het Departement van Binnenlandsche
Zaken en Landbouw, te \'s-Gravenhage ;

D. A. Oskam, Lid van de Maatschappij voor Diergeneeskunde, Geëxamineerd
Veearts, te Lekkerkerk ;

Dr. D. M. Hoogland, Vertegenwoordiger van den Christelijken Boeren- en
Tuindersbond in Nederland, Geëxamineerd Veearts, te Breukelen ;

Ir. V. R. Y. Croesen, Voorzitter van het Koninklijk Nederlandsch Landbouw-
Comité, te \'s-Gravenhage ;

J. Th. Verheggen, Voorzitter van den Nederlandschen R.-K. Boeren- en
Tuindersbond, te Buggenum.

In plaats van Mr. Frederiks, wien op zijn verzoek eervol ontslag als lid
werd verleend werd later benoemd Mr. D. G. \\V.
Spitzen, Hoofdcommies bij
het Dep. van Binnenl. Zaken en Landbouw te den Haag.

Aan de Commissie werden de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd :

1. Is het wenschelijk regelingen te treffen, waardoor de aanwending van sera
en entstoffen in de diergeneeskunde aan anderen dan aan veeartsen is verboden?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, zal gaarne worden
Vernomen op welke wijze de noodige regelingen daartoe waren te treffen.

-ocr page 420-

3. Is het wenschelijk den invoer uit het buitenland van sera en entstoffen te
verbieden, dan wel deze aan voorwaarden te binden of den invoer onvoorwaarde-
lijk toe te staan?

4. Indien voorwaardelijke invoer wenschelijk wordt geacht, zal gaarne eene
ontwerp-regeling daaromtrent worden tegemoet gezien.

5. Is het, in verband met de voorgaande vragen en de bestaande wettelijke
voorschriften, noodig een nadere definitie vast te stellen omtrent de begrippen ;

,,inenten", ,,sera" en „entstoffen"?

6. Bij bevestigende beantwoording van vraag 5 zal gaarne worden vernomen
welke omschrijving de Commissie van deze begrippen meent te kunnen geven.

7. Wordt het noodig geacht de bestaande voorschriften van en krachtens
de Veewet te wijzigen of aan te vullen?

Zoo ja, dan zie ik gaarne een welomschreven advies en redactie hieromtrent
tegemoet.

8. Is het wenschelijk, dat de bereiding van sera en entstoffen in eigen land,
uitsluitend geschiedt in een Staatsinstituut?

9. Bijaldien vraag 8 ontkennend beantwoord mocht worden, acht de Commissie
dan controle door een Staatsinstituut, op de sera en entstoffen der particuliere
inrichtingen noodig?

Voor bestudeering van die vragen werden sub-commissies gevormd die advie-
zen uitbrachten die in vergaderingen werden besproken. Naar aanleiding daarvan
werden eventueel wijzigingen en aanvullingen aangebracht om ten slotte te ko-
men tot een definitief advies der Commissie.

Teneinde te kunnen beoordeelen in hoever buitenlandsche regelingen wellicht
een richtsnoer zouden kunnen vormen, werden die bestudeerd ; een samenvatting
van de regelingen in de verschillende landen is aan het verslag toegevoegd.

Daar het opnemen van de behandeling van alle vraagpunten en toelichtingen
teveel plaatsruimte zou vergen, vermelden wij alleen die welke voor onze lezers
van belang zijn, en verder de conclusies en de voorgestelde wetsveranderingen.

BEHANDELING VAN DE VRAAGSTUKKEN.

Vraagpunten 1, 2, en 5, 6\'.

De betreffende Subcommissie heeft omtrent vraagpunt 1 het hieronder volgende
rapport uitgebracht, waarmede de Commissie zich vereenigde.

Toen in 1870 de wet tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en
de veeartsenijkundige politie was afgekondigd, werd de behoefte aan een wet op
de uitoefening van de veeartsenijkunst gevoeld.

In de Memorie van Toelichting bij het betrekkelijk wetsontwerp werd er door
den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken den nadruk op gelegd, dat
het
algemeen belang vordert, dat de Staat zorg draagt, dat niet door de behandeling
van ziek vee door onbevoegden het leven van personen en de bezitting van derden
in gevaar worden gebracht.

De argumenten destijds voor en tegen art. 1 van de wet van 8 Juli 1874 (Wet
op de uitoefening der Veeartsenijkunst) aangevoerd, zijn thans nog in vele opzichten
van kracht en zijn ook bij de discussies in onze Commissie voor een groot deel
naar voren gekomen.

Blijkens de woorden van den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken,
had het wetsontwerp met de wet van 20 Juli 1970, betreffende de regeling van het
veeartsenijkundig Staatstoezicht, de strekking om in zijn geheelen omvang eeu
tak van Staatszorg te regelen, waarbij de nationale welvaart en de volksgezond-
heid betrokken waren. De Minister betoogde, dat het algemeen belang dient te
beslissen of het geoorloofd is, de vrijheid van den veehouder om zijn vee te doen
behandelen door hem, dien hij daartoe het meest geschikt acht, te beperken.

Wanneer de Staat zich in het belang van de veeteelt groote uitgaven getroost.

-ocr page 421-

zou hij dan niet gerechtigd zijn om van den veehouder een kleine opoffering te
vragen van zijn vrijheid terwille van het algemeen belang?

Het kan de Staat betrekkelijk onverschillig laten of een bepaalde veehouder
door ondoelmatige behandeling vee verliest, maar niet onverschillig is het den
Staat, dat diezelfde veehouder daardoor aanleiding geeft, dat een besmettelijke
ziekte niet wordt onderkend, waardoor de besmetting zich verspreid en schade
aan derden wordt berokkend, terwijl juist de Staat zich ten doel stelt deze ver-
spreiding ten koste van geldelijke offers tegen te gaan.

Het zijn deze overwegingen geweest, die tot het voorstel leidden om art r van
de wet tot regeling van de uitoefening der veeartsenijkunst, waarin het zwaarte-
punt van de wet is gelegd, als volgt te formuleeren :

U itoefening der veeartsenijkunst, waaronder de wet het verleenen van genees-
en heelkundigen raad of bijstand voor vee als bedrijf verstaat, is alleen geoor-
loofd aan hen, die na afgelegd examen hier te lande een akte van bevoegdheid tot
die uitoefening hebben verkregen.

l\'itoefening der verloskunst en het doen van heelkundige operatiën op gezond
vee, met
uitzondering van inenten, is aan ieder geoorloofd.

Uitoefening der verloskunst, aderlating, enz. wordt vrijgelaten aan ieder, die
zich daartoe bekwaam acht, dit kan echter niet gelden voor het inenten, waarbij
én het verkeer van onbevoegden tusschen ziek vee én de keuze door onbevoegden
van de noodige entstoffen onttrokken worden aan het Staatstoezicht, ten nadeele
van den veestapel De Minister argumenteerde derhalve voor 50 jaren reeds op
dezelfde wijze als wij dit thans nog moeten doen.

Toen, blijkens de betreffende handelingen, een der Kamerleden groot gevaar ducht
te voor het scheppen van een monopolie voor den gediplomeerden veearts, werd
door den heer
Idzerda opgemerkt, dat er een groot onderscheid bestaat of de
Staat aan een bepaald aantal personen de uitoefening van een maatschappelijke
betrekking vergunt met uitsluiting van alle anderen, bv. het notariaat, dan wel
of de Staat in het algemeen belang eischen van bekwaamheid stelt als voorwaarde
voor het uitoefenen van een maatschappelijke betrekking, zonder
eenige beperking
van het getal, zooals dit met een groot aantal wetenschappelijke vakken het geval
is als rechtsgeleerdheid, geneeskunde, enz. Naarmate het aantal zich uitbreidt,
zijn de gevaren aan bovengenoemden toestand verbonden, kleiner. Toen een der
leden van de Tweede Kamer, den Minister vroeg of wel gedacht was aan het op-
stellen van een tarief, antwoordde de Minister, dat het nut van dergelijke tarieven
zeer te betwijfelen is.

Hij wilde de vrijheid tot het aangaan van transactiën tusschen personen dan
ook niet belemmeren. Mochten er later groote klachten zijn, dan zou het tijd zijn
om een tarief vast te stellen.

Sedert de wet in de Kamers der Staten-Generaal is aangenomen, hebben wij een
groote uitbreiding van het aantal veeartsen over het geheele land gekregen en is
de animo voor dit beroep thans blijkbaar zoo groot, dat de vraag langzamerhand
gewettigd schijnt, of aan een zoo sterke uitbreiding geen gevaren verbonden zijn.
In ieder geval zijn thans in den lande voldoende veeartsen om overal veeartsenij-
kundige hulp en bijstand te verleenen. Van landbouwzijde wordt daartegenover
gewezen op het gevaar van trustvorming tot toepassing van bepaalde tarieven.

Toch wordt blijkens de, in de bijlagen overgelegde, door den heer Oskam ver-
zamelde gegevens, nog veelvuldig gebruik gemaakt van de hulp van onbevoegden,
ook voor het inenten van vee, hoewel dit reeds in 1874 werd verboden bij de wet
en ondanks het feit, dat bij het Koninklijk besluit ter uitvoering van art. 11 der
Veewet, het volgende is bepaald : Het is verboden vee in te enten met levende
entstoffen, welke aanleiding kunnen geven tot het optreden of verspreiden van eene
der in art. 7 der Veewet genoemde of door ons uit de opsomming van art. 45 der
Veewet aangewezen besmettelijke veeziekten, tenzij de eigenaar eene schriftelijke
vergunning heeft verkregen van den Burgemeester der gemeente, waar de inenting
zal geschieden. De vergunning wordt slechts verleend, indien de Inspecteurdistricts-

-ocr page 422-

hoofd van den veeartsenijkundigen dienst daartegen geen bezwaar heeft en onder
de door dezen te stellen voorwaarden

»Bij de behandeling van vraagpunt i kwam de meening naar voren, dat nog
altijd van kracht moet blijven de argumentatie, dat opoffering van persoonlijke
vrijheid alleen dan geoorloofd is, indien het algemeen belang dit eischt. Daarbij
dient er evenwel voor te worden gewaakt, dat het in het leven roepen van een
monopolie in het algemeen belang, niet leidt tot het scheppen van een monopolie
in het belang der gediplomeerde veeartsen.

Door onvoldoende inzicht bij leeken in de problemen, welke zich bij de bestrij-
ding van besmettelijke ziekten voordoen, eischt inderdaad het algemeen belang,
dat niet wordt toegestaan, dat deze personen de behandeling van vee ter onder-
kenning, genezing of voorkoming van deze ziekten op zich nemen.

Het zwaartepunt ligt in het vaststellen van de oorzaak van het lijden, om daarna
rationeele maatregelen te treffen.

Alleen door breeele studie verkregen inzicht van deskundigen, gesteund door
goed geoutilleerde onderzoekingslaboratoria, kan een doelmatige inperking van
veeziekten mogelijk maken.

Het toepassen van middelen, zonder de ziekte te onderkennen, waartegen moet
worden opgetreden, kan leiden tot bestendiging van besmettingshaarden, tot ver-
spreiding van smetstof waardoor gevaar voor de omgeving ontstaat.

Door verkeerde toepassing, het geven van onvoldoende of te groote hoeveel-
heden, het geven van verkeerde sera en entstoffen (bv. bij varkenspest, vlekziekte,
boutvuur e.a.), het niet ontsmetten van instrumenten, het slordig hanteeren van
entstoffen, kan groot gevaar voor den gezondheidstoestand van den veestapel
van derden ontstaan.

Bovendien ontstaat door het verrichten van deze handelingen door onbevoegden
het gevaar, dat de aanraking tusschen de belanghebbenden en de veeartsen ver-
mindert.

In ele eerste plaats dient elus verboden de enting tegen verschillende besmet-
telijke ziekten door empiristen, veeverloskundigen, enz.

Ook aan de toepassing van sera en entstoffen door de veehoueiers zelf bij hun
eigen vee, zijn hygiënische bezwaren verbonden.

Het instandhouden van smetstofbronnen eloor niet onderkennen van de ziekte
kan van groot nadeel zijn voor derden.

Door verkeerde toepassing van entstoffen kunnen smetstofbronnen ontstaan.

Ten einde voor zoover de stand der wetenschap zulks mogelijk maakt het
meest gunstige resultaat te verkrijgen, is een nauwe samenwerking noodig tusschen
den veehouder, den veearts en de inrichtingen voor wetenschappelijk onderzoek
en bereiding van sera en entstoffen. Elk conflict tusschen deze groepen dient ver-
meden te worden. Georganiseerd overleg trede daarvoor in de plaats, opdat de
mcxlerne methoden van veeziektenbestrijding algemeene toepassing vinden

Voortbouwende op de gedachtengang, welke reeds de wetgever van 1874 bezielde,
meent de Commissie unaniem dat het noodzakelijk is in het algemeen belang, dat
maatregelen worden getroffen waardoor de aanwending van sera en entstoffen bij
het vee aan anderen dan aan veeartsen is verboden.

In de Commissie is echter van zekere zijde de vrees naar voren gekomen, welke
ook reeds bij de behandeling van de wet in 1874 is uitgesproken, of deze maat-
regelen niet zullen leiden tot het opvoeren van de tarieven, waardoor de aanwen-
ding van sera en entstoffen een geringere toepassing zou vinden dan voor een doel-
matige bestrijding van veeziekten wel wenschelijk is. Het kan toch nimmer in de
bedoeling der Overheid liggen maatregelen voor te schrijven, die den gezondheids-
toestand van den veestapel zouden kunnen benadeelen.

Het zal dus noodig zijn, dat het oogenblik, waarop maatregelen worden getroffen,
waardoor in het belang van den gezondheidstoestand van den veestapel, de toe-
passing van sera en entstoffen uitsluitend in handen van veeartsen wordt gebracht,

-ocr page 423-

gelijktijdig, onafscheidelijk daaraan verbonden, een regeling tot stand komt, waar-
door het berekenen van billijke tarieven is gewaarborgd.

Niet alleen een afwijking daarvan naar boven, doch evenzeer het berekenen van
te lage tarieven, wordt een gevaar voor de ongestoorde toepassing van sera en ent-
stoffen geacht, aangezien hierbij het gevaar niet denkbeeldig is, dat daardoor de
deugdelijkheid der aanwending zoude kunnen lijden.

De heer Croesen wenschte daartegenover op te merken, dat maximum-tarieven
noodzakelijk zijn. doordat aan het in het leven roepen van een monopolie voor de
uitoefening van de veeartsenijkunst onafwendbaar verbonden is het in het leven
roepen van een monopolie voor bepaalde personen, maar, dat het vaststellen van
minimumtarieven eene gezonde concurrentie zou dooden.

De thans bestaande wettelijke bepalingen en besluiten zijn niet toereikend om
tot tariefregeling te komen

Het komt in verband met het bovenstaande der Commissie gewenscht voor de
wet van 1874 zoodanig te wijzigen en aan te vullen, dat voor ieder voldoende duide-
lijk blijkt, dat het inenten van vee alleen geoorloofd is aan veeartsen en in deze wet
bepalingen te treffen, die het mogelijk maken, dat de Overheid de maxima der
betreffende tarieven bepaalt, gehoord eene deskundige commissie van advies
Overtreding dezer bepalingen brengt den overtreder in aanraking met de straf-
bepalingen der wet.

Een nauwkeurige definitie omtrent het begrip „inenten" en de woorden „serum"
en „entstof" zal voor een en ander onontbeerlijk zijn.

Het wil de Commissie voorkomen, dat de Commissie van advies bovenbedoeld
moet bestaan uit 7 leden, nl. hoogstens drie veeartsen, hoogstens drie veehouders
met een jurist als voorzitter.

Ter meerdere waarborg voor de uitsluitende toepassing van sera en entstoffen
door veeartsen, zal het voorts noodig zijn bepalingen te treffen ten aanzien van
het bereiden, invoeren, het in voorraad hebben, het afleveren en het gebruik dezer
stoffen. Hiertoe is noodig uitbreiding van artikel 11 der Veewet, waarbij de noo-
dige regelingen waren te treffen bij Algcmeenen Maatregel van Bestuur.

Vraagpunt 5 houdt in hoofdzaak verband met vraagpunt 1. In overeenstemming
met de bevestigende conclusie ten aanzien van de vraag of het wenschelijk is, rege-
lingen te treffen, waardoor de aanwending van sera en entstoffen in de diergenees-
kunde aan anderen, dan aan veeartsen is verboden, wordt
vraagpunt 5 eveneens
in bevestigenden zin beantwoord. In eene regeling toch, welke beoogt zooveel
mogelijk zekerheid te scheppen, opdat de toepassing van sera en entstoffen in de
diergeneeskunde uitsluitend aan veeartsen zij toegestaan, kan eene juiste definitie
omtrent de begrippen, waarom het gaat, niet gemist worden. Bovendien hebben
de begrippen : „inenten", „serum" en „entstof" in den loop der jaren eene veel
ruimere beteekenis verkregen.

Het is gewenscht in eene regeling, als hier is bedoeld, zich niet te houden aan de
wetenschappelijke beteekenis van het woord
serum, nl., dat dit is bloedwei, ontdaan
van bloedlichaampjes en fibrine, of van beide, omdat daardoor gevaar zou kunnen
ontstaan, dat bij geringere wijzigingen in de bereiding of door toevoeging van bloed-
bestanddeelen men zou kunnen meenen, niet te doen te hebben met serum in den
zin der Wet en derhalve overtredingen mogelijk zouden zijn.

Behalve serum toch, gebruikt men voor de behandeling van dieren ook wel :

1 Bloed, dat gedefibrineerd is, zoodat in het serum de bloedlichaampjes nog
aanwezig zijn ;

2 . Bloed, dat door toevoeging van chemicaliën niet is gestold, zoodat in het

serum de bloedlichaampjes en de fibrine nog aanwezig zijn ;
3;. Bloed, dat door toevoeging van chemicaliën niet is gestold, doch waaruit
door separeeren of centrifugeeren de bloedlichaampjes zijn verwijderd, zoodat
in het serum de fibrine nog aanwezig is.

Door toevoeging van de woorden „ook indien deze gedroogd en niet van bloed-
lichaampjes en fibrine of van beide ontdaan is" wordt aan het begrip „serum"

-ocr page 424-

een zoo ruime beteekenis gegeven, dat alle hierboven genoemde preparaten daar
eveneens onder zijn begrepen.

Het is wenschelijk te doen uitkomen, dat het hetzelfde is of serum zich in vloei-
baren of gedroogden vorm bevindt.

Tenslotte lijkt het noodzakelijk er op te wijzen, dat niet alleen serum van indivi-
duën, die speciaal zijn voorbehandeld wordt bedoeld, doch ook, dat, afkomstig
van herstelden of zelfs van zulken, waarvan het niet bekend is, dat zij eene bepaalde
ziekte hebben doorstaan.

Teneinde te voorkomen.dat men bloed of serum, bereid voor andere doeleinden,
dan voor de behandeling van dieren, onder het begrip van „serum\'\' zou kunnen
begrijpen, is aan de definitie toegevoegd „dat redelijkerwijze geacht moet worden
bestemd te zijn ter voorkoming, genezing of onderkenning van ziekten".

Als entstoffen worden op dit oogenblik gebruikt bacterieculturen en filtreerbare
smetstoffen, hetzij onverzwakt, verzwakt of gedood, preparaten bereid door middel
van bacteriën, ziektestoffen op bepaalde wijze behandeld, bacteriophagen enz.\'

Deze stoffen „antigenen" zijn allen van eiwitachtigen of van lipoiden aard.

Daar het onbekend is, of hierin binnen afzienbaren tijd verandering zal komen,
is dit begrip „antigeen" zoo ruim mogelijk genomen, zonder bepaalde omschrijving,
wat betreft de herkomst en de aard.

Daar echter al deze stoffen, ook in de toekomst, ten deel hebben of wel zullen
hebben als antigeen verweerstoffen op te wekken, kan met eene omschrijving als
hierboven is gegeven, worden volstaan.

Hoewel in het algemeen de toepassing van entstoffen langs parentcralen weg zal
geschieden, dient men rekening te houden met het feit, dat bepaalde stoffen, ook
langs het digestiekanaal toegediend, onvatbaarheid kunnen opwekken. Het is
daarom niet gewenscht eene nadere omschrijving van de wijze van toediening te
geven.

Stoffen, bestaande uit ziektekiemen of producten ervan, welke worden gebruikt
om het al dan niet bestaan van ziekten vast te stellen, behooren eveneens tot ent-
stoffen te worden gerekend.

In het algemeen geschieden de inentingen thans door inspuitingen onder de huid
in de huid of in de bloedvaten ; door inwrijving in de oppervlakkig verwonde
huid of in de slijmvliezen ; door inbrengen langs natuurlijke lichaamsopeningen.
Aangezien bij den mensch reeds compressen, gedrenkt met entstoffen, worden toe-
gepast. is het niet ondenkbaar, dat deze ook in de diergeneeskunde zullen worden
gebruikt.

Het is derhalve niet uitgesloten, dat de wijze van inenting in de naaste toekomst
nog verandering zal ondergaan. Daarom is het gewenscht in de definitie voor de
inenting geen omschrijving te geven betreffende de wijze van toepassing, doch het
gebruik van serum of entstof als zoodanig, als inenting te bestempelen.

fn verband met het bovenstaande zal de omschrijving der begrippen : „inenten",
„serum", „entstof in de eerste plaats dienen te worden verwerkt in de „uitoefe-
ningswet".

Art. zo, dat eene omschrijving geeft van het begrip „dieren", schijnt het meest
geschikt om ook plaats te verleenen aan de omschrijving van deze begrippen

Vraagpunt 2. Wijziging en aanvulling van de herhaaldelijk gewijzigde wet van
8 Juli 1874,
Staatsblad 98 (Wet op de uitoefening der Yeeartsenijkunst).

Algemeen : In verband met de diersoorten, welke voor de aanwending van sera
en entstoffen in aanmerking komen, wordt in alle artikelen het woord „vee" ge-
wijzigd in „dieren".

Artikel 1. Na het woord ..bedrijf\' in het iste lid wordt tusschengevoegd : „als-
mede het inenten van zieke en gezonde dieren".

Het artikel luidt na deze wijziging als volgt :

Uitoefening der veeartsenijkunst, waaronder de wet het verleenen van genees-
en heelkundigen raad of bijstand voor dieren als bedrijf, alsmede het inenten van
zieke er. gezonde dieren verstaat, is alleen geoorloofd aan hen, die na afgelegd

-ocr page 425-

examen hier te lande, ecne akte van bevoegdheid tot die uitoefening hebben ver-
kregen.

Uitoefening der verloskunde van dieren en het verrichten van operatiën op
gezonde dieren zijn, onverminderd het in het iste lid ten aanzien van inenten be-
paalde, aan ieder geoorloofd.

Hen nieuw artikel n bis wordt bijgevoegd ; artikel 20 wordt gewijzigd,

Vraagpunten 8, 9, 3 en 4. De hiermee belaste subcommissie diende bet volgende
rapport in :

De behandeling van deze vragen, welke met elkaar verband houden is vervat
in de volgende beschouwingen en conclusies, waarin is opgenomen het verslag
van de reis, welke de leden Prof. Dr.
de Blieck en Dr. Lourens ingevolge opdracht
van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw naar
Duitschland hebben gemaakt ter nadere bestudeering van de controle, bereiding
en aflevering van sera en entstoffen aldaar. \')

Ten einde voor onzen veestapel met sera en entstoffen het grootst mogelijke
effect te verkrijgen, is het wenschelijk, dat deze onder het bereik van een zoo
groot mogelijk aantal belanghebbenden kunnen komen. Dit zal slechts het geval
zijn, indien de bereiding niet uitsluitend aan één (Staats)instituut, doch daarnaast
ook aan andere Instituten is veroorloofd die, ieder voor zich, het gebruik zooveel
mogelijk zullen trachten te bevorderen. Hierdoor zullen zoowel de belangen van
de veehouders, als die van de veeartsen, het meest worden gediend.

Bovendien zal daardoor het wetenschappelijk onderzoek naar verbetering
van sera en entstoffen en het vinden van nieuwe praeparaten worden bevorderd.

Ter verkrijging eener gezonde concurrentie, welke slechts aan het algemeen
gebruik en de werkzaamheid der sera en entstoffen ten goede kan komen, is
monopoliseering der bereiding in een Staatsinstituut niet gewenscht.

Van veterinair wetenschappelijk standpunt beschouwd, behoeft (behoudens
controle van Staatswege, zooals deze in de beantwoording van de vraag omtrent
dit punt wordt aangegeven) geen bezwaar te bestaan tegen de bereiding van sera
en entstoffen ook in particuliere bedrijven.

Bovendien zal, indien eventueel invoer van sera en entstoffen uit het buitenland
blijft toegestaan, monopoliseering der bereiding in een Staatsinstituut uitgesloten
zijn, aangezien Nederlandsche ingezetenen niet bij het buitenland zouden mogen
worden achtergesteld.

Op grond van het bovenstaande is de Commissie unaniem van gevoelen, dat
het niet wenschelijk is, dat de bereiding van sera en entstoffen in ons eigen land
uitsluitend aan een Staatsinstituut geschiedt.

I)e conclusie van het verslag van Dr. de Bj.ieck en Dr. Lourens naar aan-
leiding van het bezoek aan Duitsche seruminrichtingen, luidt :

„Ofschoon theoretisch alles volkomen in orde is, krijgt men niettemin het gevoel,
dat er zich hier of elaar toch hiaten kunnen bevinden en dat in kleinere fabrieken
de controle niet „effektiv" zal kunnen zijn. Dat deze inderdaad ook bestaan, wordt
bewezen door eigen onderzoekingen. Meermalen zijn aan de Rijksseruminrichting
fleschjes Duitsch serum onderzocht, waarvan de sluiting en verzegeling onge-
schonden waren en welk serum desniettegenstaande tal van bacteriën bevatte,
dus niet kiemvrij was.

Op grond hiervan moet men wel aannemen, dat eene Staatscontrole, die theo-
retisch goed in elkaar zit, toch niet onder alle omstandigheden die waarborgen
geeft, welk men ervan verwacht."

Wanneer men eene controle van Staatswege op de bereiding van sera en entstof-
fen zou willen instellen, waaraan, binnen de beperkte grenzen als hiervoor is aange-
geven, waarde is te hechten en waardoor dan ook te elien opzichte betere waar-

\') Van dit verslag is hier kortheidshalve alleen de conclusie opgenomen. In
Duitschland zijn staatsinstituten en particuliere inrichtingen voor bereiding van
sera en entstoffen. De laatste staan onder staats-veeartsenijkundig toezicht.

-ocr page 426-

borg zou worden verkregen, dan moet in elke fabriek of instituut, die sera of vaccins
bereiden en afleveren, geregeld een deskundig Staatsambtenaar toezicht houden
teneinde zorg te dragen :

1°. dat alleen volkomen gezonde dieren voor de serumproductie worden gebezigd ;
2°. dat, wat betreft de polyvalente sera, de dieren met eenige virulente stam-
men van verschillende herkomst worden geïmmuniseerd ;
3°. dat het bloedtappen en serumbereiden zoo steriel mogelijk geschiedt ;
4°. dat de bemonstering der verschillende hoeveelheden sera en entstoffen en

de opzending der monsters naar het controle-instituut plaats vinden ;
5°. dat geen serum of entstof wordt afgeleverd, welke niet aan de vastgestelde

eischen heeft voldaan ;
6°. dat de entstoffen worden bereid op eene wijze, dat verwacht kan worden, dat
zij onschadelijk zullen zijn en eene behoorlijke onvatbaarheid zullen opwekken.
Wanneer de monsters in het daartoe op te richten controle-instituut zijn onder-
zocht en bevonden is, dat zij aan de gestelde eischen voldoen, dan kan de Staat
verklaren :

a. dat er geen schadelijke stoffen in aanwezig zijn ;

b. dat de antitoxische sera een bepaalde hoeveelheid A.E. per ccm. bevatten :

c. dat bepaalde, bij name genoemde anti-infectieuse sera en ook bepaalde ent-
stoffen op zoodanige wijze zijn bereid, dat met
waarschijnlijkheid aange-
nomen mag worden, dat zij voldoende werkzaam zullen zijn.

Nu is het echter de vraag of de kosten, aan eene dergelijke controle verbonden,
evenredig zijn aan de daarmede te behalen voordeelen. Praktisch is de contrôle
alleen van belang voor het vlekziekteserum, doch ook deze methode kleven uiter-
aard onnauwkeurigheden aan, zoodat eene bepaling van de hoeveelheid aan werk-
zame bestanddeelen toch steeds benaderend blijft.

l)e methode voor de waardebepaling van het mond- en klau wzeerserum verkeert
nog niet in een zoodanig stadium, dat een vaste maatstaf kan worden aangenomen,
welke voor een officieele controle van het serum zou kunnen dienen.

De controle van het virus-varkenspestserum moet geschieden door het experi-
menteel toepassen bij een groot aantal jonge varkens, waardoor deze controle
zeer kostbaar wordt.

Tetanusserum, vogelcholeraserum en andere stoffen, welke te controleeren zijn,
worden in ons land niet in die mate gebruikt, dat dit de kosten van eene zoo in-
gewikkelde onderzoekingsmethode wettigt. Tuberculine maakt hierop eene uit-
zondering.

Bereiding van serum en entstof is ten slotte een kwestie van vertrouwen. Men
moet overtuigd zijn, dat het instituut, waarvan dergelijke stoffen worden betrok-
ken, de meest mogelijke zorg besteedt, zoowel aan de bereiding als aan de controle
en dat het geen stoffen zal afleveren, waarvan redelijkerwijze kan worden aange-
nomen, dat zij niet werkzaam zullen zijn of gevaar zullen opleveren voor de te
behandelen dieren.

Op grond van het bovenstaande adviseert de Commissie voorloopig niet over
te gaan tot het instellen van een controle van Staatswege op werkzaamheid van
sera- en entstoffen, doch meent dat de mogelijkheid in de wet moet worden open-
gelaten, opdat te gelegener tijd, wanneer de methoden van waardebepaling dezer
stoffen meer geconsolideerd zullen zijn, bindende voorschriften te dezer zake
kunnen worden gegeven

Daar het echter wel gewenscht is, dat van Staatswege zooveel mogelijk wordt
zorggedragen, dat geen minderwaardige producten in den handel worden gebracht,
doordat deze worden bereid door daartoe niet bevoegde personen, waarvan het
niet bekend is, dat zij aan de bereiding de noodige zorg besteden, dient te worden
bepaald :

i°. dat het verboden is sera en entstoffen te bereiden en af te leveren anders
dan door instituten of personen, welke daarvoor van de Regeering toestem-
ming hebben ontvangen ;

-ocr page 427-

2 dat bij de aanvrage moet worden aangegeven welke sera en entstoffen zullen
worden bereid.

De Kegcering zal dan slechts toestemming verleenen tot bereiding van sera en
entstoffen, indien de inrichting tot bereiding voldoende is uitgerust en de aanvrager
voldoende waarborgen biedt voor eene deskundige bereiding en behandeling van
de sera en entstoffen

Weigering of herroeping dezer vergunningen zoude slechts mogen geschieden op
gronden, ontleend aan het belang van den gezondheidstoestand der betreffende
dieren

De Regeering zal zicli het recht moeten voorbehouden :

ie. Te allen tijde een onderzoek te kunnen instellen naar :
<i. den gezondheidstoestand der dieren, die voor serumbereiding dienen ;
h de onschadelijkheid der geproduceerde sera en entstoffen.

>c. De invoer van sera en entstoffen enz., anders dan met toestemming van den
betrokken Minister, te verbieden.

De Minister zal geen toestemming verleenen tot invoer van dergelijke preparaten,
dan aan veeartsen, apothekers, hen, die eene vergunning tot bereiding hebben ver-
kregen en hen, in wier inrichtingen een veearts of apotheker werkzaam is, en niet
dan voor sera en entstoffen, welke afkomstig zijn van inrichtingen, die voldoende
waarborgen geven ten aanzien van de deugdelijkheid.

Bij de aanvraag tot invoer zal moeten worden opgegeven, welke sera of vaccins
zullen worden ingevoerd, ten einde te voorkomen, dat stoffen worden geïmporteerd,
welke gevaar opleveren voor den veestapel. Tevens moet worden medegedeeld
van welke fabriek de in te voeren stoffen afkomstig zijn.

Zoowel de hier te lande bereide preparaten, als de ingevoerde stoffen, zullen
alleen in origineele verpakking en onder het etiquette der fabriek mogen worden
verkocht.

Eenmaal gegeven toestemmingen als hierboven bedoeld, moeten, wanneer
daartoe aanleiding bestaat, door den Minister kunnen worden ingetrokken.

Zoowel de toestemming tot het bereiden, respectievelijk tot den invoer van sera
en entstoffen, alsmede de eventueele intrekking van een gegeven toestemming,
zullen geschieden na ingewonnen advies van eene Commissie van advies, waarin
zitting hebben : Een jurist als voorzitter, drie veeartsen en drie vertegenwoor-
digers van den landbouw

Tevens ware ook te bepalen aan welke straffen de producenten hier te lande,
alsmede de importeurs, zich blootstellen, wanneer aan de gegeven voorschriften
niet de hand wordt gehouden

Vraagpunt 4 Wijziging en aanvulling van de Veewet (Wet van den 2(>sten Maart
1920
Slbl. 153, houdende bepalingen tot regeling van het Veeartsenijkundig Staats-
toezicht).

Aangezien artikel 1 1 der Veewet het eenige artikel is in deze wet, dat betrekking
heeft op sera en entstoffen, is het aangewezen, ter uitvoering der conclusies, dit
artikel in de eerste plaats de noodige wijziging en aanvulling te doen ondergaan.

In verband met de noodzakelijkheid voorschriften te geven betreffende : be-
reiding, invoer, het in voorraad hebben, het afleveren en het gebruik van sera en
entstoffen worde een
nieuw artikel 1 rbis toegevoegd, dat deze materie regelt.

Bovendien dient artikel 78 (der Strafbepalingen) in verband met bovenstaande
wijzigingen en aanvullingen eveneens te worden aangevuld.

Vraagpunt 7. Eerst, nadat de Commissie hare conclusies ten aanzien der
verschillende gestelde vragen had vastgesteld, kon een aanvang worden gemaakt
met de behandeling van bovenvermelde vraag Hierbij bleek, dat niet alleen de
bestaande voorschriften van en krachtens de Veewet gewijzigd en aangevuld
behoorden te worden, doch dat eveneens wijziging en aanvulling der wet van
<8 Juli 1874,
Staatsblad No. 98, tot regeling van de uitoefening der Veeartsenij-
kunst, noodig was ter uitvoering van de verschillende noodzakelijk geoordeelde
regelingen.

LVI 28

-ocr page 428-

v De conclusies omtrent de vraagpunten i, 2, 5 en 6 kunnen worden verwezenlijkt
door wijziging en aanvulling der „Uitoefeningswet" : de conclusies omtrent de
vraagpunten 3, 4, 8 en y maken wijziging en aanvulling der „Veewet" nood-
zakelijk.

In beide wetten dient voorts, in verband met de diersoorten, welke voor de
aanwending van sera en entstoffen in aanmerking komen, de betreffende definitie
te worden gewijzigd.

Aangezien de bepalingen der Veewet grootendeels slechts toepassing vinden
ten aanzien van eenhoevige- en herkauwende dieren en varkens, moet de in artikel
4 dezer wet vervatte bepaling van hetgeen door ..vee" wordt verstaan, ongewijzigd
blijven. De gewenschte wijziging ware in deze wet te regelen door in artikel II,
dat uitsluitend op de toepassing van sera en entstoffen betrekking heeft, behalve
,,vee" ook te noemen : „honden, katten, konijnen en pluimvee".

fn de „uitoefeningswet" vormt wijziging in het algemeen van het begrip „vee"
geen bezwaar. In alle artikelen waar gesproken wordt van „vee" ware alzoo dit
woord te vervangen door „dieren".

In artikel 20 dienen- voorts aan de aanduiding van hetgeen onder „dieren"
wordt verstaan „katten, konijnen en pluimvee" te worden toegevoegd.

V K RZAMELDE CONCLUSIES.

I. Conclusies ten aanzien der vraagpunten 1, 2, 5 en 6.

Conclusie vraagpunten 1 en 2.

I-Iet is wenschelijk, dat maatregelen worden genomen, waardoor, beter dan tot
dusverre, het verbod van de aanwending van sera en entstoffen door anderen
dan veeartsen wordt gehandhaalfd en dat, ten einde belanghebbenden te be-
schermen tegen eventueel misbruik van bovenbedoelde uitsluitende bevoegdheid
der veeartsen, de Overheid regelend optrede ten aanzien der betreffende tarieven,
hierbij voorgelicht door eene deskundige Commissie van Advies.

De noodige regelingen daartoe kunnen worden getroffen door wijziging en aan-
vulling der wet van 8 Juli 1974.
Staatsblad 98 tot regeling van de uitoefening der
Veeartsenijkunst

Conclusie vraagpunten 5 en b.

De Commissie acht het, in verband met de voorgaande vragen en de bestaande
wettelijke voorschriften, noodig eene nadere definitie vast te stellen omtrent de
begrippen „inenten", „sera" en „entstoffen" en meent van de betreffende begrip-
pen eene omschrijving te kunnen geven.

II. Conclusies ten aanzien der vraagpunten 3, 4, S en g.

Conclusies vraagpunten 3 en 4.

Het is wenschelijk den invoer uit het buitenland van sera en entstoffen te ver-
bieden, behoudens dispensatie van dit verbod door den betrokken Minister onder
bepaalde voorwaarden.

Eene ontwerp-regeling omtrent bovenstaande conclusie kan worden getroffen
door wijziging en aanvulling der Veewet.

Conclusies vraagpunten 8 en g.

Het is niet wenschelijk, dat de bereiding van sen en entstoffen in ons eigen
land, uitsluitend aan een Staatsinstituut geschiedt.

Controle door een Staatsinstituut op de sera en entstoffen der particuliere in-
lichtingen wordt voorloopig niet wenschelijk geacht. De mogelijkheid tot controle
dient evenwel te worden opengelaten in afwachting van eene betere consolideering
der methoden van waardebepaling der betreffende stoffen.

III. Conclusie ten aanzien van vraagpunt 7 :

De Commissie acht het, ter uitvoering van de verschillende noodzakelijk geachte
regelingen noodig, de bestaande voorschrfiten van en krachtens de Veewet te
wijzigen en aan te vullen. Bovendien is wijziging en aanvulling der wet van 8 Juli

-ocr page 429-

1874, Staatsblad, 98, tot regeling van de uitoefening der Veeartsenijkunst, nood-
za"kelijk.

De voorgestelde wijzigingen en aanvullingen der beide wetten volgen hier-
onder.

UITOEFENINGSWET.

Artikel 1 :.....genees- en heelkundigen raad of bijstand voor dieren als be-
drijf, alsmede het inenten van zieke en gezonde dieren verstaat.....

Uitoefening der verloskunst van dieren en het verrichten van operatiën op
gezonde dieren zijn. onverminderd het in het iste lid ten aanzien van inenten
bepaalde, aan ieder geoorloofd

Artikel 3 :.....zijn bevoegd, ten behoeve van dieren, de geneesmiddelen.....

Behalve ten behoeve van ele door hen behandelde dieren......

Artikel 6 :.....en van den persoon ten behoeve van wiens dier of dieren de

aflevering is gedaan.

Artikel II :.....kennis te geven van alle door hen opgemerkte ziekten van

dieren, welke besmetting van dieren of menschen kunnen veroorzaken of op andere
wijze gevaarlijk voor den gezondheidstoestand van mensch of dier kunnen worden.

Artikel 11 bis :..... De veeartsen zijn verplicht voor het verrichten van in-
entingen geen hoogere kosten te berekenen elan die, vastgesteld bij een door Onzen
met de zaken van den Landbouw belasten Minister, eene Commissie van Advies
gehoord, bepaald tarief, hetwelk voor onderscheidene gedeelten van het land
verschillend kan zijn.

De samenstelling der Commissie van Advies bedoeld in het vorige lid, wordt bij
Algemeenen Maatregel van Bestuur geregeld.

Bij Algemeenen Maatregel van Bestuur kunnen met betrekking tot de controle
op de naleving van het bepaalde in het eerste lid nadere bepalingen worden vast-
gesteld.

Artikel 12:.....8, 9, 11 of IIbis dezer wet.....

Artikel 20 : Door liet woord dieren worden in deze wet aangeduiel eenhoevgie
en herkauwende dieren, varkens, honden, katten, konijnen en pluimvee.

Door het woord ,,inenten" wordt in deze wet verstaan het in toepassing brengen
bij gezonde, van ziekte verdachte of zieke dieren van serum of entstof, zoowel
afzonderlijk als gelijktijdig, ter voorkoming, onderkenning of genezing van ziekten.

Door het woord ,,serum" wordt in deze wet verstaan bloedwei, welke redelijker-
wijze moet worden geacht bestemd te zijn ter voorkoming, genezing of onder-
kenning van besmettelijke ziekten van dieren, ook indien eleze bloedwei gedroogd
is en niet van bloedlichaampjes of fibrine of van beide ontdaan is of indien daaraan
chemische stoffen zijn toegevoegd.

Door het woord ,,entstof" wordt in deze wet verstaan elke stof, die redelijkerwijze
moet worden geacht bestemd te zijn ter voorkoming, genezing of onderkenning
van besmettelijke ziekten van dieren, door opwekking van verweerstoffen in het
lichaam.

De Algemeene maatregel volgens art. 11 bis (Commissie van Advies) is gelijk-
luidend aan artikel 1 van het voorgestelde Koninklijk besluit ingevolge de artikelen
11 en
nbis der Veewet.

Toelichting.

De wijziging van den tekst van artikel 1 bedoelt duidelijker dan in het bestaande
artikel, aan te geven, dat het inenten van dieren door onbevoegden, verboden is.

Voorts in het 2e lid is, als onnoodig, het woord „heelkundige" weggelaten.

De wijziging in de artikelen 1, 3, 6, n en 20 van het woord „vee" iri „dieren",
is noodig in verband met ele aanwending van sera en entstoffen bij honden, katten,
konijnen en pluimvee.

De toevoeging van artikel 11 bis is noodig ter regeling van ele, door de veeartsen
te berekenen tarieven.

De Algemeene Maatregel van Bestuur volgens dit artikel, kan gelijkluidend zijn

-ocr page 430-

aan artikel i van den Algemeenen Maatregel van Bestuur, ingevolge artikel it
der Veewet, zooals dit thans is ontworpen

De Algemeene Maatregel van Bestuur bedoeld aan het slot van artikel s ibis
beoogt, indien dit in de toekomst noodig mocht blijken, het in het leven roepen van
plaatselijke Controle-Commissies op het toepassen van de voorgeschreven tarieven.

Artikel 20. De aanvulling met de begrippen: „inenten", ,,serum" en „ent-
stof" is noodig, teneinde artikel 1 der wet duidelijker te doen spreken en omdat
het begrip „inenten" eene veel ruimere beteekenis heeft verkregen, dan destijds,
ïn 1874, bij het tot stand komen der wet het geval was.

Om dezelfde reden is ook de definitie van ,,serum" en „entstof" in dit artikel
opgenomen.

VEEWET.

Ar.ikel 11. 1. Het is verboden, sera en entstoffen, bestemd voor gebruik bij vee,
honden, katten, konijnen en pluimvee te bereiden, in te voeren of in voorraad te
hebben zonder schriftelijke vergunning van Onzen Minister van Binnenlandsche
Zaken en Landbouw.

2. De bepalingen van het vorige lid zijn niet van toepassing ten aanzien van
veeartsen :

a. voor zooveel het in voorraad hebben betreft ;

b. voor zooveel de bereiding, uitsluitend voor eigen gebruik, betreft, van door
Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw, de Commissie van Ad-
vies, bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, gehoord, aangewezen sera en ent-
stoffen ;

3. De voorwaarden, gesteld voor het verkrijgen van de vergunningen, in liet
eerste lid bedoeld, worden bij Algemeenen Maatregel van Bestuur geregeld.

4 Deze vergunningen worden geweigerd of herroepen uitsluitend op gronden,
ontleend aan het belang van den gezondheidstoestand der in het eerste lid genoemde
dieren. De besluiten tot weigering en die tot herroeping, bevatten de gronden,
waarop zij steunen Tegen deze besluiten staat gedurende 30 dagen 11a de dagtee-
kening daarvan beroep bij Ons open.

5. Alvorens omtrent eene aanvrage tot het verkrijgen van eene vergunning, als
bedoeld in het eerste lid, of omtrent herroeping van eene verleende vergunning
te beslissen wint Onze Minister het advies in van eene Commissie van Advies,
waarvan de samenstelling bij Algemeenen Maatregel van Bestuur wordt geregeld.
Indien \'s Ministers beslissing afwijkt van het advies dier Commissie, wordt zij.
met het advies, in de
Nederlandsche Staatscourant geplaatst.

Artikel 11 bis. Bij Algemeenen Maatregel van Bestuur worden voorschriften ge-
geven betreffende bereiding, invoer, het in voorraad hebben, het afleveren cn het
gebruik van sera en entstoffen, als in artikel 11, eerste lid, bedoeld en wordt bc-
paalel, welke stoffen voor ele toepassing van eieze wet als sera en entstoffen be-
schouwd of daarmede gelijkgesteld worden.

Zij, die sera en entstoffen bereiae\'n. invoeren of in voorraad hebben, zijn ver-
plicht aan de ambtenaren, met de uitoefening van den Veeartsenijkundigen Dienst
belast, zonder geldelijke vergoeding, op eerste aanvraag de voor een onderzoek
noodige hoeveelheid van de sera en entstoffen, als bedoeld in artikel 11, iste lid,
af te staan.

Artikel 78. „Overtreding van het bepaalde in de artikelen 11. istelid, 13, 17 ... .
of krachtens de artikelen 6, 8, 10, 11,
irbis, 12.....

Toelichting

Aangezien artikel 1 i der Veewet het eenigc artikel is in deze wet, dat betrekking
heeft op sera en entstoffen, is het aangewezen, ter uitvoering der voorstellen, dit
artikel de noodige wijziging en aanvulling te doen ondergaan.

Artikel 11. I. Gezien het groote gevaar voor den gezondheidstoestand van den
veestapel, verbonden aan het vrijlaten van de bereiding en de toepassing van sera
en entstoffen op den huidigen voet, is liet noodig het bereielen. den invoer en het
in voorraad hebben dezer stoffen aan eene vergunning van Staatswege te binden.

-ocr page 431-

2. Teneinde de veeartsen zoo min mogelijk belemmering in hunne particuliere
practijk te veroorzaken, zijn de uitzonderingen in dit lid ontworpen.

Wat sub b. betreft, zij opgemerkt, dat iedere veearts steeds in dc gelegenheid
moet zijn, bij zijn eigen patiënten autovaccins te bereiden en toe te passen.

Met auto-vaccins gelijk te stellen zijn o. a. reconvalescent serum bij mond- en
klauwzeer of eventueel andere ziekten, serum van moederdieren te gebruiken
bij het jonge dier enz.

5. Omtrent de in dit lid genoemde Commissie van Advies worden bijzonder-
heden vermeld in artikel 1 van den Algemeenen Maatregel van Bestuur ingevolge
dit artikel.

Artikel 11 bis. Naast de vergunning bedoeld in artikel tl, iste lid, is het noodig
voorschriften te geven betreffende : bereiding, invoer, het in voorraad hebben,
het afleveren en het gebruik van sera en entstoffen. Bovendien, is het noodzakelijk
in de Veewet de begrippen „serum" en „entstoffen" vast te leggen.

ALGEMEENE MAATREGEL VAN BESTUUR TER UITVOERING VAN
DE ARTIKELEN 11 EN 11 BIS DER VEEWET.

Artikel r De Commissie van Advies, bedoeld in art. ir der Veewet, bestaat uit
zeven leden, waarvan drie veeartsen, drie vertegenwoordigers van den landbouw
en een rechtsgeleerde, die als voorzitter optreedt. De leden-veeartsen en de leden-
vertegenwoordigers van den landbouw worden aangewezen respectievelijk door
de door Onzen met de uitvoering van dit besluit belasten Minister aangewezen
veeartsen- en landbouworganisaties en het lid-rechtsgeleerde door Onzen voor-
noemden Minister.

Onze voornoemde Minister stelt voorschriften betreffende de plaats van vesti-
ging en de wijze van werken dezer Commissie vast.

Artikel 2. 1. Eene vergunning tot het bereiden van sera en entstoffen, als be-
doeld in artikel 11 der Veewet, kan slechts worden verleend indien de inrichting
tot bereiding voldoende is uitgerust en de aanvrager voldoende waarborgen biedt
voor eene deskundige bereiding en behandeling van de sera en entstoffen.

2. Eene vergunning tot invoer van sera en andere dan levende entstoffen,
als bedoeld in artikel ir der Veewet, kan slechts worden verleend aan veeartsen,
apothekers, hen, die eene vergunning tot bereiding hebben verkregen en hen, in
wier inrichting een veearts of apotheker werkzaam is en niet dan voor sera en
entstoffen, welke afkomstig zijn van inrichtingen, die voldoende waarborgen geven
ten aanzien van de deugdelijkheid.

3. Eene vergunning tot invoer van levende entstoffen, als bedeeld in artikel
li der Veewet, kan slechts worden verleend aan veeartsen, hen, die eene vergun-
ning tot bereiding hebben verkregen en hen, in wier inrichting een veearts werk-
zaam is ; en niet dan voor entstoffen, welke afkomstig zijn van inrichtingen, die
voldoende waarborgen geven ten aanzien van de deugdelijk!«id.

4. Eene vergunning tot liet in voorraad hebben van sera en entstoffen, als be-
doeld in artikel 11 der Veewet, kan slechts worden verkend aan apothekers en
hen, in wier inrichting ecu veearts of apotheker werkzaam is en wordt voorts geacht
te zijn begrepen in de vergunning tot het bereiden en die tot invoer van die waar.

5 In elke vergunning worden de sera en entstoffen waarvoor zij geldt, aange-
geven.

Artikel 3. Het is verboden sera en entstoffen in te voeren of in voorraad te heb-
ben, welke bestanddeelen bevatten, waardoor bij gebruik, eene andere, voor de
dieren schadelijke uitwerking zou kunnen worden verkregen dan van de toepassing
der soort sera en entstoffen, waartoe zij behooren, te verwachten is.

Artikel 4. Zij, die sera en entstoffen bereiden, invoeren of in voorraad hebben
zijn verplicht aan de ambtenaren, met de uitoefening van den Veeartsenijkundigen
Dienst belast, zonder geldelijke vergoeding, op de eerste aanvraag, de voor een
onderzoek noodige hoeveelheid van die sera en entstoffen af te staan.

-ocr page 432-

Artikel 5. Bereiden.

Hij, die sera en entstoffen bereidt, draagt zorg :

a. dat voor de serumbereiding geen dieren worden gebruikt, welke volgens
deskundig oordeel daarvoor niet mogen dienen ;

b. dat aanwezig en voor de ambtenaren, met de uitoefening van den vee-
artsenij kundigen dienst belast, ter inzage is, een register, waarin alle dieren, die-
nende voor de serumbereiding, zijn aangeteekend en waaruit blijkt, of deze dieren
met levende of met doode stoffen zijn behandeld en voor de bereiding van welk
serum de dieren dienen ;

c. dat de gebouwen en stallen voldoen aan billijke eischen van hygiëne en de
inrichting daarvan zoodanig is, dat daaruit geen smetstof wordt verspreid ;

d. dat, voor zoover door Ons, ten aanzien van het gehalte, aan voor hunne wer-
king specifieke stoffen, bepaalde eischen zijn vastgesteld, de bereide sera en ent-
stoffen aan deze eischen voldoen.

Artikel 6. Invoer.

Het is verboden, sera en entstoffen, welke in het land van herkomst aan Staats-
controle zijn onderworpen, in te voeren zonder dat deze het daar te lande vereischte
kenmerk, dat zij aan de gestelde eischen voldoen, dragen.

Artikel 7. In voorraad hebben.

Het is verboden, eenig serum of eenige entstof, als bedoeld in artikel it der
Veewet, in voorraad te hebben, welke niet voorzien is van een etiquet, vermeldende
den naam van het serum of de entstof benevens den naam van den bereider, den
datum van bereiding en den tijd van bruikbaarheid.

Artikel S. Afleveren.

Het is verboden :

a. levende entstoffen af te leveren aan anderen dan veeartsen, tenzij zij, krach-
tens eene vergunning als bedoeld in artikel 2, tot het ontvangen van de betreffende
levende entstoffen bevoegd zijn ;

b. sera en alle overige entstoffen af te leveren aan anderen, dan veeartsen of
apothekers, tenzij houders van eene vergunning tot bereiding, tot invoer of tot
het in voorraad hebben van de betreffende sera en entstoffen.

Artikel 9. Gebruik.

Het is verboden dieren als bedoeld in artikel 11 der Veewet in te enten met
levende entstoffen, welke aanleiding kunnen geven tot het optreden of verspreiden
van eene der in artikel 7 der Veewet genoemde of door Ons uit de opsomming
van artikel 45 der Veewet aangewezen besmettelijke veeziekten, tenzij de eigenaar
eene schriftelijke vergunning heeft verkregen van den burgemeester van de ge-
meente, waar de inenting zal geschieden.

De vergunning wordt slechts verleend, indien de Directeur van den Veeartsenij-
kundigen Dienst daartegen geen bezwaar heeft en onder de door dezen te stellen
voorwaarden.

Artikel 10. Indien en voor zoover de Directeur van den Veeartsenij kundigen
Dienst het noodig oordeelt, wordt, bij de verleening der in het vorig artikel be-
doelde vergunning, den eigenaar de verplichting opgelegd, de ingeënte dieren,
alsmede de stallen en gebouwen, waar zij zich sedert de inenting bevonden hebben,
binnen den door den Directeur van den Veeartsenij kundigen Dienst bepaalden ti jd
te ontsmetten of te doen ontsmetten.

Artikel n. Onze Minister, met de uitvoering van dit besluit belast, is bevoegd
in bijzondere gevallen de inenting bedoeld in art. 9 te doen geschieden op kosten
van het Rijk.

Artikel 12. Als ,,serum" wordt voor de toepassing van de Veewet beschouwd
bloedwei welke redelijkerwijze moet worden geacht bestemd te zijn ter voorko-
ming, genezing of onderkenning van besmettelijke ziekten, ook indien deze bloedwei
gedroogd is en niet van bloedlichaampjes of fibrine of van beide ontdaan is of
indien daaraan chemische stoffen zijn toegevoegd.

-ocr page 433-

Als ..entstof\' wordt voor de toepassing van de Veewet beschouwd elke stof,
die redelijkerwijze moet worden geacht bestemd te zijn ter voorkoming, genezing
of onderkenning van besmettelijke ziekten door in het lichaam verweerstoffen op
te wekken.

Toelichting.

Artikel i. Het ligt in de bedoeling te bevorderen, dat voor de hier bedoelde
Commissie van Advies, alsmede voor de Commissie van Advies bedoeld in artikel
i ibis der Uitoefeningswet, dezelfde personen worden aangewezen.

Artikel 2. i. De hierin bedoelde vergunning wordt uitsluitend verleend aan
veeartsen en apothekers en aan inrichtingen e\'.ie over deze personen beschikken,
omdat genoemde personen, op grond van hunne opleiding, de eenigen zijn, die
daarvoor in aanmerking komen. Teneinde waarborgen te hebben voor de deugde-
lijkheid worden slechts sera en entstoffen toegelaten van bepaalde buitenlandsche
inrichtingen.

2. Met het oog op het gevaar aan levende entstoffen verbonden, is de vergun-
ning tot invoer daarvan, uitsluitend toegestaan aan personen en inrichtingen, in
dit lid bedoeld.

3. Behalve personen en inrichtingen, elie zich bezig houden met het bereiden
en invoeren van sera en entstoffen, zijn er ook die deze stoffen uitsluitenel ver-
handelen. Met het oog hierop, is dit lid ontworpen.

Artikel 3. bedoelt voorschriften te geven, waardoor de toepassing van schade-
lijke sera en entstoffen kan worden tegengegaan.

Artikel 4 regelt het nemen van monsters, welke noodig kunnen zijn voor de con-
trole op ele naleving der voorschriften.

Artikel 5 en volgende. Hierin zijn vervat de uitvoeringsbepalingen bedoeld in
het ontworpen artikel 1
ibis der Veewet.

In de artikelen 9, 10 en 11 zijn overgenomen de bepalingen, van den Algemeenen
Maatregel van Bestuur ingevolge het bestaande artikel 11 der Veewet, evenwel,
met het oog op de gewenschte uniformiteit in de voorschriften, in dien zin gewij-
zigd, dat, waar in ele bepalingen gesproken wordt van „Inspecteur-districtshoofd
van den Veeartsenijkundigen Dienst" worelt gelezen: „Directeur van den Vee-
artsenijkundigen Dienst".

TOEKOMSTIGE HUISVESTING DER RIJKSSERl \'MINRICHTING.

Bij schrijven van s Juni 192O, Directie van den Landbouw No. (>93, 3de Afdee-
ling, verzocht de Minister van de Commissie te mogen vernemen, of zij ook ten
aanzien van het vraagstuk der toekomstige huisvesting der Rijksseruminrichting van
advies zoude willen dienen en, zoo ja, of in verband hiermede nog andere deskun-
digen aan de Commissie zouden moeten worden toegevoegd. Als zoodanig vestigde
ele Minister de aandacht op een vertegenwoordiger van elen Rijksgebouwendienst.

Aanleiding tot het aanhangig maken van het betreffende vraagstuk was, vol-
gens bovenaangehaald schrijven, in de eerste plaats de omstandigheid, dat de
huurtermijn van liet gebouwen- en landerijencomplex thans voor de Rijksserum-
inrichting in gebruik, 1 September 1929 eindigt en dat de mogelijkheid tot ver-
lenging van dc huurovereenkomsten twijfelachtig was. Voorts vooral ook de tal-
rijke bezwaren tegen de gebrekkige inrichting der tcgenwoeirdige gebouwen, met
het oog op de bestemming.

Aan ele vraag, wat in de naaste toekomst zoude moeten geschieden, zag ele Mi-
nister voorts gaarne vastgekoppeld de overweging, of het wensehelijk ware over
te gaan tot het stichten van een Rijksgebouw alsmede omtrent de plaats (Gemeente)
van vestiging.

De Commissie verklaarde zich, in antwoord op dit schrijven, gaarne bereid
hare werkzaamheden in den daarin bedoelden zin uit te breiden,

De sub-commissie elie met deze taak belast werd, noodigde twee van hare leden,
de heeren
Lourens en van Lyndbn, uit om een onderzoek in te stellen. Het rap-

-ocr page 434-

port door deze heeren uitgebracht luidde, dat een S/na/sinrichting voor de bereiding
van sera en entstoften noodig is, daar de Staat in dezen niet geheel van particu-
lieren afhankelijk mag zijn.

Wat de plaats van vestiging betreft, achtten zij vestiging te Utrecht, speciaal
in verband met het onderwijs in de veeartsenijkunde, niet bepaald noodzakelijk ;
bovendien is de seruminrichting opgelicht ten behoeve van de landbouw en
niet voor het onderwijs. Zij pleiten voor vestiging te Rotterdam,
hoofdzakelijk
om geldelijke redenen.
Zeer waarschijnlijk toch zou de gemeente Rotterdam
genegen zijn een belangrijke bijdrage in de bouwkosten te verleenen en een ge-
schikt en voldoende groot terrein op billijke voorwaarden beschikbaar te stellen.

Met den inhoud van dat rapport verecnigde zich aanvankelijk de subcommissie,
met uitzondering van Dr.
Hoogland die zijn bezwaren uitvoerig toelichtteen
als volgt samenvatte :

Verplaatsing der Rijksseruminrichting naar Utrecht is beter dan nieuwbouw te
Rotterdam :

i . door samenwerking met de faculteit der Veeartsenijkunde zal het nuttig
effect voor den landbouw grooter worden ;

2°. bij de inrichting der R. S. 1. te Utrecht kunnen beperkingen worden toe-
gepast, welke te Rotterdam moeilijk zijn door te voeren, zonder het bedrijf in zijn
ontwikkeling te schaden ;

y. in aanlegkosten krijgt men te Utrecht groote besparing, vooral wanneer
men gebruik kan maken van militaire gebouwen. Bovendien zullen in Utrecht
de bedrijfskosten geringer kunnen zijn, door de sub > , genoemde beperkingen ;

4 . de centrale ligging van Utrecht zal voordeelen bieden bij de exploitatie
(transport- en reiskosten). In bepaalde gevallen zal deze ligging voor den land-
bouw van buitengewone beteekenis zijn ;

5 . in Utrecht is voldoende Rijksgrond disponibel. Dit staat tegenover liet
aanbod der gemeente Rotterdam. Bovendien blijkt niet duidelijk of liet aanvaar-
den der eventueele bijdrage van Rotterdam inderdaad een bezuiniging zou betee-
kenen op de bouw- en latere exploitatiekosten.

Het onderzoek inzake de vestiging der Rijksseruminrichting is m. i. niet vol-
ledig, wanneer niet bekend is: a het oordeel van curatoren der Universiteit te
\'Utrecht en der Veeartsenijkundige faculteit en het oordeel der Maatschappij
voor Diergeneeskunde ;
b. of inderdaad in Utrecht bruikbare militaire gebouwen
zijn, en r. wat de gemeente Utrecht wil doen om een vestiging te Utrecht te be-
vorderen .

Deze beschouwingen deden nog de leden I)r. Vrijburg en Verheggen op hun
aanvankelijke meening terugkomen, in verband waarmede de Voorzitter het wen-
schelijk achtte de beide opvattingen in eene algemecnc vergadering ter sprake te
brengen.

lil deze vergadering werden de verschillende gezichtspunten ter sprake gebracht.

Ten slotte werd. naar aanleiding van de conclusies van Dr. Hoogland bij meer-
derheid van stemmen besloten, alsnog aan curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht
advies te vragen omtrent de meest wenschelijke plaats van vestiging nl. Rotter-
dam of Utrecht.

De heer Oskam verklaarde zich voorts bereid alsnog overleg te plegen met het
Hoofdbestuur van de Maatschappij voor Diergeneeskunde ten aanzien dezer
aangelegenheid.

Ingevolge bovenbedoeld besluit, werd namens de Commissie een schrijven aan
,het College van Curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht gericht.

Het antwoord van het College van Curatoren was een sterke aanbeveling voor
vestiging der Rijksseruminrichting te Utrecht, welke aanbeveling overeenstemde
met een advies van de Senaat der Utrechtsche Hoogeschool en van de faculteit

\') Bij Ministerieele beschikking van 7 Juni 1927 werd daarom aan de Commissie
toegevoegd: J. C. li. Baron
van Lynden, Hoofd van den Rijksgebouwendienst.

-ocr page 435-

der Geneeskunde te Utrecht, wier meening door liet College van Curatoren was
gevraagd, en met het advies van de faculteit der Veeartsenijkunde wier meening
reeds vroeger door de commissie was gevraagd.

De argumenten van de Utrechtsche Heeren betreffen voornamelijk onderwijs-
belangen : Als de rijksseruminrichting, als zelfstandige instelling onder eigen
Directeur, te Utrecht komt zal samenwerking tusschen dierenartsen en serum-
inrichting worden bevorderd, daar de eersten reeds als student volledig kennis
kunnen maken met inrichting en werkwijze. Veel inkomend materieel zal tevens
voor het onderwijs dienstig kunnen zijn, ook de serumdieren.

Contact met talrijke wetenschappelijke instellingen te Utrecht zal allen ten
goede komen. Gemeenschappelijk gebruik van sommige zaken, als bibliotheek,
verzamelingen zou liet budget der seruminrichting kunnen ontlasten.

De faculteit der Geneeskunde bepleitte vooral de wenschelijkheid van samen-
werking tusschen de inrichtingen voor serumbereiding ten behoeve van menschen
en dieren.

De faculteit der Veeartsenijkunde wees op de centrale ligging van 1\'trecht en
op het beschikbaar zijn van rijksgrond en rijksgebouwen als landsbelang voor
vestiging elaar.

Van het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde bepleitte de
meerderheid (7 van de 10 leden) vestiging te 1\'trcclit (wanneer althans de vesti-
ging daar niet aanzienlijk duurder zal worden dan te Rotterdam, en bij gewaar-
borgde zelfstandigheid der Rijksseruminrichting) vooral met het oog op onderwijs-
belangen en uitwisseling van wetenschap.

Twee leden waren onvoorwaardelijk voor vestiging te Rotterdam ; drie lieten
zich uitsluitend leiden door financieele overwegingen.

De inhoud dezer antwoorden heeft der Commissie de overtuiging geschonken,
elat de serumbereiding ten behoeve van menschen en die ten behoeve van dieren,
gescheiden beliooren te blijven, aangezien zij van meening is, dat daardoor het
best de volkomen zelfstandigheid der Rijksseruminrichting als veeartsenijkundig
wetenschappelijk onderzoekingsinstituut is gewaarborgd en hare ontwikkeling
en werkzaamheid in het belang van den gezondheidstoestand van den veestapel
het best tot hun recht zullen komen.

Nadat alle Commissieleden van de ten slotte alsnog ingewonnen adviezen kennis
hadden genomen, bleef de meerderheid der Commissie zich met het rapport l.ou-
kexs van Lijnden vereenigen en verklaarde de minderheid zich nog versterkt
in hare voorkeur voor vestiging der Rijksseruminrichting te 1\'trccht.

Conclusies.

De Commissie is unaniem van gevoelen :

Dat zoo spoedig mogelijk moet worden overgegaan tot het stichten
van een Rijksgebouw, dat volkomen beantwoordt aan de eischen, welke
ten aanzien van eene moderne seruminricliting behooren te worden
gesteld, met de noodige aangrenzende landerijen.

De meerderheid der Commissie is voorts van meening, elat, hoewel
de
wenschelijkheid van vestiging te L\'trecht niet kan worden ontkend,
voor vestiging te Rotterdam zooveel factoren pleiten, elat deze elen
doorslag moeten geven voor advies in laatstgenoemden zin.

De minderheid der Commissie nl. ele heeren Dr. Hoogland l)r.
Vrijburg en Verheggen is integendeel van gevoelen, dat gevolg dient
te worden gegeven aan het advies van het College van Curatoren en dat
derhalve de Rijksseruminrichting te Utrecht behoort te worden gevestigd.

-ocr page 436-

Van het Land- en Tuinbouwbureau der / C,. Farbenindustrie A. G. ontvingen
wij brochures over : Leunasalpeter B.A.S.I ., Chilisalpeter, ammoniakmeststoffen-
salpetermeststoffen, voorschriften voor den zandboer, meer vee op het weidebedrijf
met kunstmest, zeekleibedrijf, 10 voorschriften voor den zandboer

Mond- en klauwzeer in Californië in 1929.

Dertien dagen na liet uitbreken van mond- en klauwzeer in de kudde varkens
{zie bericht, in 15 Maart N". blz. 31(^1) werd de ziekte bij rundvee vastgesteld, op
8 mijl afstand van daar en binnen een week (31 Jan. -6 Febr.) werden in het ge-
heel 4 kudden runderen besmet bevonden.

Waarschijnlijk was de besmetting door een veekooper overgebracht.

Alle vee binnen een straal van ongeveer 20 mijl om de besmette plaatsen werd
nauwkeurig onderzocht. De aangetaste kudden werden afgemaakt, de plaatsen
ontsmet.

In de havenplaatsen van Californië wordt streng toegezien om verdere besmet-
ting van uit het buitenland te verhinderen.

(Journal of the Amer. Vet. med. Ass. march. 1929). Vr.

Het (22ste> Natuur- en Geneeskundig Congres, (Zie blz. 314 vorig tijdschrift
No.) op 2, 3 en 4 April te Rotterdam gehouden, was druk bezocht.

De door diergeneeskundigen gehouden voordrachten waren, behalve dan de
in de afd. Biologie gehouden voordrachten van Prof. Roos en Prof.
Krediet,
bijna uitsluitend door dierenartsen bezocht. Dit is te betreuren , daar zij ook voor
beoefenaren van aangrenzende wetenschappen belangrijk waren. Eveneens wer-
den op de andere afdeelingen voordrachten gehouden die ook voor dierenartsen
nuttig waren ; daar men echter maar in één afdeeling tegelijk kan zijn moet men
herhaaldelijk van het bijwonen van belangrijke voordrachten afzien. Dit is ook
de reden (op dit en vorig congres) waarom onze afdeeling zoo weinig door buiten-
staanders bezocht was, en het zal moeilijk zijn hierin verandering te brengen
daar de tijd van een congres niet te lang mag zijn ; de meeste bezoekers kunnen
niet langer dan enkele dagen aanwezig zijn.

De vergadering der onderafd. Diergeneeskunde op Donderdagmorgen werd
door bijna 50 diergeneeskundigen bijgewoond.

Dit getal, hoewel niet gering is toch nog veel te klein en moet veel grooter wor-
den. Alle aangekondigde voordrachten, behalve die van Prof.
de Blieck. (Prof.
de Blieck was verhinderd) werden gehouden. Er was weinig discussie ; met het
oog op de karig toegemeten tijd had dit ook zijn goede zijde.

De voordrachten zullen zeer waarschijnlijk alle in het tijdschrift verschijnen.

Als voorzitter voor de diergeneesk. afdeeling van het volgend Congres, in
1931, dat te Delft zal worden gehouden, werd bij acclamatie Dr.
Frenkel be-
noemd.
 Vr.

Verkort Verslag der vergadering van Directeuren van Gemeentelijke Slachthuizen
in Nederland, gehouden op Zaterdag 16 Maart 1929 te Utrecht.

Een der leden vestigde de aandacht op een belangrijk artikel voorkomende in
de Deutsche Schlachthofzeitung van 10 Januari 1929, waarin een beschrijving
gegeven wordt van een aan het Openbaar Slachthuis te Dusseldorf bestaande
installatie tot zuivering der lucht, afkomstig van de darmenslijmerij en de tech-
nische vetsmelterij. Bij die installatie worden de dampen gezogen door een lucht-
wasscher, bestaande uit een aantal watersproeiers, welke een neveldamp versprei-
den, waardoor de dampen over een langen afstand geleid worden. Daarna wordt
de lucht geozoniseerd, om vervolgens gezuiverd in de werklocaliteiten terug te
keeren. In die lokalen kunnen de ramen niet geopend worden. Om te voorkomen
dat met het openen der deuren de zich in de lokalen bevindende verontreinigde
lucht naar buiten uitwijken kan. staan deze lokalen onder minder dan 1 Atm.
druk.

Naar aanleiding van deze medeeling werd de vraag gesteld, zulks in verband

-ocr page 437-

met de groote kosten aan een dergelijke inrichting verbonden, of de oplossing van
het vraagstuk dezer nevenbedrijven niet gezocht moet worden in verplaatsing
daarvan naar een speciale industrie-wijk.

Opgemerkt werd, naar aanleiding van een desbetreffend artikel in ,,De Vee-
en vleeschhandel", dat het bewerken van darmen afkomstig van aan het slacht-
huis geslachte dieren moeilijk van het terrein van het abattoir te weren is. Wel
werd dit laatste mogelijk geacht voor inrichtingen, waarin ook van elders afkom-
stige darmen als industrie worden bewerkt. Gewezen werd ook nog op de moeilijk-
heden om het darmslijm te verwerken, daar tlit ongeschikt is voor mest, tenge-
volge van den hevigen stank, en verbranden daarvan onmogelijk is door het hooge
vochtgehalte.

Door den Voorzitter werd een voordracht gehouden over het onderwerp „Die-
renbescherming", welke in haar geheel in het „Tijdschrift" wordt afgedrukt.

Op deze voordracht volgde een levendige discussie, waarbij gewezen werd op het
bekend verschil in de voorschriften betreffende bedwelming krachtens de Veewet
en die ingevolge de Vleeschkeuringswet.

Door een lid werd vervolgens de aandacht gevestigd op het hem bekende feit,
dat in een bepaalde plattelandstreek het bedwelmen der varkens vóór het slachten
geheel nagelaten werd met het oog op de aan het bedwelmen verbonden kosten.

De behoefte werd gevoeld om het onderwerp „Dierenbescherming" steeds als
punt op de agenda der te houden vergaderingen te vermelden.

Voorts kwam ter sprake de moeilijkheid, voortvloeiende uit de structuur der
Wet, om afdoende maatregelen te nemen tegen Keuringsdiensten, welke vleesch
goedkeuren in strijd met het Keuringsregulatief. Eenige voorbeelden eener dus-
danige handeling werden genomed.

Mededeeling werd gedaan van een door een lid ondervonden bezwaar bij het
verrichten eener herkeuring. In het bedoelde geval waren de darmen van het be-
trokken slachtdier niet meer aanwezig toen de herkeuring verricht werd. In deze
moest uitsluitend worden afgegaan op de mededeelingen van den betrokken keu-
ringsveearts dat het dier bij het leven een temperatuur had van 40.2 C. en dat
aan de darmen ontstekingsverschijnselen waren waar te nemen, tenzij de her-
keuring zou zijn geweigerd op grond van het ontbreken der darmen.

Namens het Bestuur der Vereeniging van Direc-
teuren van Gemeentelijke Slachthuizen in Ne-
derland.

j. g. a. reeser.

Jaarverslag 1928 van de Vereeniging van Directeuren van Gemeentelijke Slacht-
huizen in Nederland.

De Vereeniging kwam in het afgeloopen jaar 3 maal in algcmeene vergadering
bijeen. Deze vergaderingen werden bezocht respectievelijk door 18, 14, en 17 leden,
zoodat van een bevredigende opkomst kan gesproken worden. De hoop in het vorig
jaarverslag uitgesproken, dat de klacht dat er nog steeds leden zijn, waaronder
Directeuren van Slachthuizen in groote gemeenten, welke slechts zelden de ver-
gaderingen bezoeken in dit verslag niet meer tot uiting zou behoeven te komen,
is helaas niet verwezenlijkt. Genoemde leden zijn nog steeds niet doorelrongen van
het nut geregeld de vergaderingen bij te wonen.

Ook dit jaar bevatten de agenda\'s der •gehouden vergaderingen belangrijke
onderwerpen. Zoo kreeg onze Vereeniging in haar Juni vergadering te behandelen
een ons door den Directeur-Generaal van de Volksgezondheid om aelvies toege-
zonden vóór-ontwerp tot wijziging van de Vleeschkeuringswet met een ontwerp
van een Memorie van Toelichting. Deze uiterst belangrijke ontwerpen werden uit-
voerig en met kennis van zaken door verscheidene leden besproken. Als resultaat
werden in een uitvoerig rapport aan den Directeur-Generaal talrijke op- en aan-
merkingen dienaangaande gemaakt en verschillende wijzigingen en toevoegingen
voorgesteld

-ocr page 438-

Behalve korte mededeelingen van verschillende leden vallen verder nog te ver-
melden : ie. de door den Heer
Van Oijen gehouden beschouwingen naar aanlei-
ding van de door den Heer
Luxwolda in het vorig verslagjaar gehouden voordracht
over bacteriologisch vleeschondeizoek ; 2e. het voorstel van den heer
Th. J v.
Capelle om over te gaan tot benoeming van een Commissie, welke tot taak heeft
voorstellen tot wijziging van het keuringsregulatief aan de Vereeniging voor te
leggen. Dit voorstel werd door de vergadering aangenomen en als leden van de
Commissie werden benoemd de Bestuursleden der Vereeniging en de Heeren
Van Oijen en Luxwolda In de October-vergadcring hield de Heer Quadekker
een bespreking over de onderzoekingen betreffende cysticercose aan het Abattoii
te Nijmegen en de cventueele konsekwenties van dat onderzoek. Op deze bespre-
king volgde een uitvoerige dicsussie, welke evenwel geen eensgezind besluit hoe
in deze kwestie in den vervolge te handelen tot resultaat had.

Vermeld dient nog te worden de onderscheiding, welke den Voorzitter te beurt
viel, door zijn aanwijzing van Kegeeringswege als lid van ele Commissie ingesteld
ter bcoordeeling der ingekomen plannen voor een nieuw Abattoir te Sofia.

In cle samenstelling van het Bestuur kwam geen verandering. De Heer Stuur-
man,
die in den loop van dit jaar voor periodiek aftreden in aanmerking kwam,
werd als penningmeester herkozen en bleek bereid opnieuw de hem toevertrouwde
taak te aanvaarden.

De Vereeniging had ele aanwinst van 3 leden te boeken nl. de Heeren Van
Haselen
te Amersfoort, Keitsma te Rheden en Slop te Gouda.

Aangezien er in verschillende gemeenten plannen bestaan voor den bouw van
een openbaar slachthuis mag de verwachting worden gekoesterd, dat het ledental
onzer Vereeniging zich in stijgende lijn zal bewegen. Op 31 December bedreieg dit
aantal : 30, n.1. 1 eerelid, 1 buitengewoon lid en 28 gewone leden.

Met ele beste wenschen voor den toenemenden groei en bloei, onzer Vereeniging
eindige dit verslag.
 De Secretaris.

J. G. A. Reesek.

PERSONALIA.

Benoemd tot Directeur van liet gemeente Slachthuis te Wageningen C. van
Ginkei ,

Overleden te Nijmegen : J. de Jongh. Oud-Paardenarts ie kl. Ned.-Ind. leger.
VV K.
van Rooy, geplaatst te Koctaradja ; Dr. A. P. le Coultre geplaatst te
Soera karta,

M. van Zwieten, overgeplaatst naar Benkoelen ; B. Bonga, overgeplaatst naar
Baligé
; Mas Soetisno overgeplaatst naar Koedoes; J. H. Heck overgeplaatst
naar hort ele Koek.

Dr. R. Soeratmo, benoemd tot gouv. veearts ie klasse.

ERRATA.

Op bladz. 347, 1 April No. afl. 7, 4e regel van onderen : staat : 2 dagen, moet zijn
8a 10 dagen.

-ocr page 439-

BIBLIOGRAFIE.

A. F. W ande, Voedingsproewe met slagossc. Pretoria, Staatsdrukkerij, [1928].
S3. 31 blz. met 17 afb.

I. Katoensaadmeel vs. gebreekte katoensaad vir vetmaak van osse.
IF Voedingstrappe bv vetmaak van osse.

Departement van Landbou. l\'nie van Suid-Afrika. Pampbl. No. 42.
H. J. Smit, De nieuwe Nederlandsch-Indische Veeartsenschool te Buitenzorg.
Buitenzorg, Archipel drukkerij,
,1928]. 8°. 7 18 blz. m. [32] afb.
Veeartsenijkundige mededeelingen. No.
69.
Dept. van Landbouw, Nijverheid en Handel in Ned.-Indië.
\\V. Jansen, C. J. Broos en P. J. Renders, Handboek voor den bedrijfspluini-
veehouder.
M. medew. van E. A. R. F. Baudet. Arnhem. Drukkerij en Uitg.-Mij.
De Vlijt,
1929. 8 . ƒ 1.—

I\'erslaf; omtrent het openbaar slachthuis en den keuringsdienst van vee en vleesch
te Leiden over het jaar
1927. [Door \\V. Stuurman], Leiden. E. Ydo, [1929]. 8°.
36
blz.

\\Y. Sietema. Handleiding bij het theoretisch onderwijs van melkcursussen.
Doetinchem, Uitg.-Mij. C. Misset,
1929. 8". / 1.—.

Destructie van afgekeurd vee en vleesch. Amsterdam, Ned. Thermo-Chemische
Fabrieken,
1929. 8 . M. photo\'s

Jaarboek der Rijks-Universiteit te Utrecht, 1927—192S. Utrecht, Klectr. Druk-
kerij ,,de Industrie",
1928. S . IV 307 blz. ƒ 3.—
Stamboek voor het Nederlandsche trekpaard. (Belgisch type). [Dl. 12. 1928].
Maastricht, Leiter-Nijpels, \'1029] Gr. 8°.
Hengsten. 1346—1394
Merricn.
12879 i4oo\'8.
Veulens.
55670 59570.

Bijgevoegd : „Ledenlijst met ingeschreven paarden" en „Aanvulling dl. 1 11".
H.
Magnusson, Husdjurens vanligaste actinomvkosformer och deras étiologi.
Malmö.
1928. 8 . 78 S. m. 21 Fig.

A. Breuer und A Gulyas, Geschichte des Budapester Rindviehschlachthofes
und Rindviehmarktes
1872 1922. Budapest, Hauptstädtischer Verlag. 1928.
M. 9 Abb. u. r PI.
In het Hongaarsch.

P. Hauduroy, Les ultravirus et les formes filtrantes des microbes. Paris, Masson
et Cie.,
1929. 8°. 392 p. - fr. 40.—.

A. J. J. van de Velde, Vade-mecum du chimiste-bactériologiste des denrées
alimentaires. Paris, librairie polytechnique Ch. Béranger,
1928. 8 . 36 p.

J Rodillon, Le clapier modèle. L\'ouvrage le plus complet sur les races du
lapin et leur élevage .... Paris,
S. Bornemann, 1928. 8°. 240 p. av. 73 mil- fr. 15.—.
J. T. Saliou, Le téniasis du cheval. Paris, M. Lac, 1928. 8°. 54 p.
Service vétérinaire de l\'armée à l\'intérieur. Texte. Paris etc., Charles-Lavauzelle
et Cie.,
1928. 8 . 435 p.

M. Tewitk, I.\'hystérectomie chez les carnivores. Paris, M. Lac, 1928. 8°. 88 p.

II. COTTIER, Hygiène et médecine vétérinaire à la ferme Paris, Hachette, 1929.
16
. Av. ill. fr. 25.—.

Encyclopédie des connaissances agricoles. Sous la dir de E. Chancrin.
Rapport sur les opérations du Service Vétérinaire de Paris et de la Seine pour
l\'année
1927. [Par H. Martel] Paris, R. Hermieu, 1928. 40. 152 p.
République française.

P. Rossi, La tuberculose du porc ; son étiologie ; sa prophylaxie. Paris, Congrès
de l\'élevage du porc,
1928. 8°. 26 p.

R. E. Buchanan and E. J. Fulmer, Physiology and biochemistry of bacteria.
Vol. i. Baltimore, Williams & Wilkins Co.,
1928. 8:. NI 516 p. w. 78 fig.

-ocr page 440-

Vol. i. Growth phases, composition and biophysical chemistry of bacteria and
their environment ; and energetics.

B. Schwartz, Rabbit parasites and diseases. Washington, Government Printing
Office, 1928. 8 . 30 p. w. ill.

U. S. Dep. of Agriculture. Farmers\' Bull. No. 1568

P. P. Laidlaw and G. W. Dunkin, The immunization of dogs. Studies in dog
distemper. Croydon, Crubb, 1928. 8 . 18 p.

Repr. from Journal of comp, pathology and therapeutics. Vol. 41.

Report of the surgeon-general 1\'. S. Army for the fiscal year ending June 30,
1928. Washington, Government Printing Office. 1929. 8C. 400 p.

Part of it includes the Report of the U. S. Army Veterinary Corps.

Report of the superintendent about the experimental fox ranch Summcrside
for the years 1926 and 1927. [By
G. Ennis Smith]. Ottawa, F. A. Acland, 1928.
Gr. 8°. 59 p. w. 14 fig.

Dominion of Canada. Dept. of Agriculture. Dominion experim. farms.

J. Cameron, The Bureau of Dairy Industry : its history, activities and organi-
sation. Baltimore, Johns Hopkins Press, 1928. 8 . 82 p. § 1.50.

Brookings Institute for Government Research.

J. W. Papez, Comparative neurology; a manual and text for the study of
the nervous system of vertebrates. New-York, Crowell, 1929. 8°. 543 p. w diagr.

S 6. .

F. Pfenningstorff, R. Römer, L. Weinmiller, Amerikanische Geflügelzucht.
Bericht der deutschen Studienkommission über den Stand der Geflügelzucht in
den Vereinigten Staaten und Kanada. (Einrichtungen, Betriebsmethoden, Absatz-
organisationen, Lehrwesen u. s. w.) Berlin,
F. Pfenningstorff, 1928. 8°. 250 S.

M. 5.- .

Vorschrift für die Berittenmachung der .... Veterinäroffiziere .... (Beritt-\\ .).
Berlin,
E. S. Mittler & Sohn, 1929. 8°. M 1.

R. Geissi.er, Leistungsfütterung für Milchkühe in der Praxis. 7te Aufl. Berlin,
R. Kühn A
.-G., 1928. 8°. M. Abb. M. 4 .

O. Bartsch, Züchtungs- und Vererbungslehre für Geflügelzüchter. Eine leicht
verständliche Einführung in die Vererbungs- und Züchtungsregeln nebst einer
Zusammenstellung der bisher untersuchten Erbanlagen der Hühner und Vorschla-
gen für eine Stammbuchführung. 2te Aufl. Berlin, F. Pfenningstorff, 1929. Gr. 8 .
VIII 208 S. m. 116 Abb. M. 5.

A. Eckhard, Grausamkeit des Menschen gegen das Tier mit bes. Bezugnahme
auf die wissenschaftliche Tierfolter. (Vivisektion). 2te Aufl. Hannover, Tierschutz-
verein „Tierfreund", [1929]. 8°. 80 S m. Abb. Vortrag. M. 1

J. C. ScHäFER\'s homöopathische Tierluilkunst. i6te Aufl. Vollst, neubearb.
durch die wissenschaftlich-literar. Abt. der Firma W.
Schwabe. Leipzig, W
Schwabe, 1929. 8°. VII 227 S. m. Abb. u. 1 Taf. M. 6.50.

A. Kroch, Anatomie und Physiologie der Capiilaren. 2te Aufl. Ins Deutsche
übertr. von W.
Feldberg. Berlin, J. Springer, 1929. S°. IX 353 S. m. 97 Abb.

M. 26.- -.

Geb. M. 27.40.

Monographien aus dem Gesamtgebiet der Physiologie der Pflanzen und der
Tiere. Bd. 5.

J. Reinke, Wissen und Glauben der Naturwissenschaft mit bes. Berücksichti-
gung der Tierpsychologie. Leipzig, J. A. Barth, 1929. 8°. V -f 112 S. M. 4.20.

O. Engels, Kurze Fütterungslehre für praktische Landwirte .... Nebst e.
Anhang ; Futterberechnungen und Futtertabellen. Freising, F. P. Datterer &
Cie., [1929]. 8°. 73 S. M. 1.90.

Weihenstephaner Schriftensammlung f. prakt. Landwirtschaft. H. 22.

J. Wille, Chemie für Molkereifachleute. Berlin, P. Parey, 1928. 8°. 66 S.

Molkereitechnische Lehrhefte. H. 8. M. 2.60.

-ocr page 441-

427

P. Rüters, Die Betriebsmittel im Molkereibetriebe Berlin, P. Parey, 1929.
8 . 127 S. m. 78 Textabb. M. 4.00.

Molkereitechnische Lehrhefte. H. ri.

H. Neuschel, P. Naredi-Rainer, Abc der Milchwirtschaft. Tl. 1. 2. Graz,
Leykaul, 1928. Kl. 8°.

Tl. 1. Genossenschaftswesen und Milchgewinnung. VI II 174 S. m. Abb.

M. 2. .

Tl. 2. Rahm-, Butter-, Weich- und Hartkäse-Erzeugung. VI II -f- 134 S. m. Abb.

M. 1.S0.

Die neue Fleischbeschauordnung für Oesterreich. (Min.-Verordnung vom 6 Sc-pt
1924) mit Durchführungsvorschrift und Erlassen des Amtes .... nebst Dienstes-
instruktion und eine Belehrung für Laien-Fleischbeschauer zus.-gest. von der
Veterinär-Abt. der o-ö. Landesregierung. 2tc Aufl. Linz, Druckerei der o-ö. Landes-
regierung, 192S. Kl. 8 . III — 167 S. Seh. 1.80.

Handbuch der Rindvieh ucht und -Pflege. l\'nter Mitarbeit von R. Schwar hrsg.
von
Tu. Camenzind. 10 Aufl. Leipzig, F. Ch. Seyfert, 1928. 8 . XIX 459 S. 111.
7 S. Erkl m. über 300 III. u. 5 [färb. Kunstdr.-Beil 11. e. zerlegbaren bunten
Modell. M. 8.73.

E. Haselhoff &■ F.. Blanck, Lehrbuch der Agrikulturchemie. Tl. 4. Berlin,
Gebr. Bornträger, 1928. 4 . \\ III 216 S. M. 14.25.

Tl. 4. Futtermittellehre. Von F. Haselhoff.

E. Zander, Zeitgem isse Bienenzucht. H 1. 4te Aufl. Berlin, P. Parey, 1928.
•8
M. 34 Textabb. M. 2.20.

H. 1. Bienenwohnung und Bienenpflege.

Flugschriften der Deutschen Gesellschaft für angewandte Entomologie. No. 5.

A. Hesse, Lehrlings-Prüfung im Molkereigewerbe. Berlin, P. Parey, 1929. 8 .

M. 2.80.

W. L. Williams, Geschlechtskrankheiten der Haussäugetiere. [Nach dem
Amerik.] bearb. von
K. Beller. Stuttgart, Schickhardt & F2bner, 1928. 4 . XIII
f 272 S. m. 68 Abb. im Text und auf 2 färb. Taf. M. 19.50. Geb. M. 21.50.

P. CpLLicNON, Einfache Anatomie des Haushuhnes. Wie untersuche ich ein
verendetes Huhn? Berlin, F. Pfenningstorff, [1929]. 8°. 59 S. m. 49 [1 färb.] Abb.

M. 1.50.

P. Collignon, Das Kapaunisieren. 7te Aufl. Berlin, F. Pfenningstorff, [1929].
Gr. 8°. 96 S. 111. 77 Abb. M. 2.—.

P. Collignon, Moderne Nutzgeflügelzucht. 2te Aufl. Berlin, J. Pfenningstorff.
[1929]. 8=. 348 S. M. 4.—.

J. Deiche, Tierzucht und Fütterung in der Landwirtschaft der Vereinigten
Staaten von Nordamerika. Bericht über die Ergebnisse einer im Jahre 1925
durchgeführte Studienreise. Berlin, P. Parey, 1929. 4\'. V 124 S. m. 76 Textabb.

M. 6.—.

Berichte über Landwirtschaft. N. F. H. 6.

H. Henseler, Aus der Tierzucht von Australien und Neuseeland. Bericht über
Ergebnisse einer 1111 Jahre 1926/27 durchgeführte Studienreise. Berlin, P. Parey,
1929- 8 . III -f 153 S. 111. 80 Abb. u. 68 eingedr. Tab. M. 7.50.

Berichte über Landwirtschaft. N. F. Sonderh. 12.

H. Schwyter, Der schweizerische Militär-Hufschmied. 5te Aufl. Zürich. Fach-
schriften-Verlag und Buchdruckerei A. G., 1928. Gr. 8°. 829 S. m. 833 Abb.

Schw. Fr. 15.

C. Ivronacher, Das Institut für Tierzucht und Vererbungsforschung der Tier-
ärztlichen Hochschule Hannover. Berlin, P. Parey, 1929. 4 . 51 S. m. 48 Abb

-M. 3 —

Aus : Zeitschrift f. Tierzüchtung und Züchtungsbiologie. Bd. 14.

W. Müller-Lenhartz und G. von Wendt, Abhandlungen aus dem Gebiete
der Tierhaltung. H. 5. Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°. 97 — 8 S. m. 8 Textabb.

M. 3.—.

-ocr page 442-

H. 5. Die höchste Milchleistung. Anweisungen für die l\'raxis auf Grund physiol.
Studien. 2te Aufl.

Zeitschrift für genossenschaftliche Tierversicherung. Hrsg. von \\Y. Beinzger.
Jg. 1. 1929. H 1. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. 4\'. 24 S. 12 Hefte pro Jahr.

M. 12. -.

M. I". Mc Taggart, Pferd und Reiter. Ein Schlüssel zum Erfolg im Reitsport.
[Aus dem Engl, von
C. Habig und P. von Anthoine], Berlin, P. Parey, 1929.
40. XX 4- 185 S. m. Textabb. und 27 Taf. M. 20.

Anleitung zur Beurteilung des schweizerischen Braunviehes. Hrsg. vom Vor-
stande des Verbandes
Schweiz. Braunviehzucht-Genossenschaften. 9te Aufl.
l\'rauenfeld, Huber & Co., 1929. 8". 96 S. m. 9 Abb., Punktierkt. im Text und
auf 2 Taf. und 1 Messkt fr. 3.20.

\\V. Stieger, Anleitung zur Quarkbercitung und zur Handkäsefabrikation,
,,Sauermilchkäserei". 4te Aufl. Berlin, P. Parey, 1929. 8". 47
S. 111. 28 Textabb.

M. 3.-.

Grait, Etudes cliniques sur la médication par le cacodylate de soude et l\'ally-
larsinate monosodique en médecine vétérinaire. Thèse de Toulouse. 1928.

Bel, Contribution à l\'étude de la thoracentèse chez le cheval. Son utilité et
Valeur de ses applications au point de vue diagnostic, prognostic et traitement
des pleurésies. Thèse de Toulouse. 1928.

Piquemai., Contribution à l\'étude du traitement des affections nerveuses des
carnivores. Thèse de Toulouse. 1928.

Gauvin, La hernie inguinale de la chienne. Thèse de Toulouse. 1928.

Sou lié , Contribution à l\'étude du cheptel bovin du département du Lot. Thèse
de Toulouse. 1929.

Jullin, De la douleur des viscères. Thèse de Lyon. 1929.

Jouveaux, Le clavier équin dans la lutte contre les affections parasitaires
de l\'appareil digestif chez le cheval. Thèse de Paris.
1929.

Lenient, Contribution à l\'étude de la lymphadénie casée use du moutons Son
traitement avec le vaccin Carré. Thèse de Paris. 1929-

Dehecq, Contribution à l\'étude clinique de la kératite interstitielle dans la
maladie du jeune âge chez les carnivores domestiques. Thèse de Paris.
1929-

Vallaud, L\'élevage dans la région de S lint-Benoît-du-Sault. (Indre). Thèse
de Paris. 1929.

Guyon, Le cornage chronique chez le cheval et son traitement chirurgical par
l\'opération de Williams. Thèse de Paris. 1929.

Lefebvre, Castration non sanglante des équidés mâles Thèse de Paris. 1929.

Camus, Variation du Ph des viandes de boucherie. Thèse de Paris. 1929.

Guguen, Essai d\'animaliculture. De l\'élevage et de l\'exploitation de la race,
bovine cotcntine dans le département des C.ôtcs-du-Nord. Thèse de Caris.
1929.

Rossignol, Considérations sur le troupeau ovin en Seine-et-Marne. Thèse de
Paris. 1929.

Faudemer, L\'hystérectomie abdominale chez les carnivores domestiques.
Thèse de Paris. 1929.

S. Kassko, Polarisationsmikroskopische Untersuchungen an den Muskeln
der Haustiere bezüglich der Grösse der Doppclbrechung. Inaug.-Diss. Budapest.
1928.

G. Kovals, Vergleichende histologische Untersuchungen über den Kopf- und
Vorderdarm der Hausvögel. Inaug.-Diss. Budapest. 192S.

J. Lackzo, Vergleichende histologische Struktur der Milz der Hausvögel. Inaug.-
Diss. Budapest. 1928.

K. Wagener, Aufgaben der Hygiene bei der Bekämpfung der Maul- und Klauen-
seuche. Habilitationsschrift Berlin. 1929.

W. Wussow, Die Warmblutzucht in Pommern. Inaug.-Diss. Landwirtsch.
Hochschule Berlin. 192S.

-ocr page 443-

H. RäTzEL, Die Entwicklung der Rindviehzuclit und Rindviehhaltung im Bezirk
Hildesheim. Inaug.-Diss. Landw. Hochschule Berlin. 1928.

L. Zschetzsche, Das gelbe Frankenrind in Thüringen. Inaug.-Diss. Landw.
Hochschule Berlin. 1928.

A. Deckwitz, Das rotbunte Münsterländer Tieflandrind. Untersuchungen
über Körperform, Zuchtaufbau und Leistungsvererbung in der Münsterländer
Rotbuntzucht. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

K. Schultz, Die Stammschäferei Hansfelde. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.
H.
Schütte, Die Veranlagung zur Milchergiebigkeit der Kühe als Grundlage
der Milcherzeugung. Inaug.-Diss. Berlin. 1928.

W. Egner, Der Jodgelialt des Blutes und Jodausscheidungen nach Jodtropon-
eingabe. Experimentelle Untersuchung. Inaug.-Diss. Giessen. 1928.

F. Wolf, Das Verhalten der elastischen Fasern in Blutgefässen und im Lun-
gengewebe bei Gegenwart von Sklerostomum bidentatum. Inaug.-Diss. Giessen.

1928.

A. HjäRRE, Die physiologischen Variationen im Cholesteringehalt des Blutes
bei Kühen sowie das Verhalten zwischen puerperaler Hypercholesterinämie und
Acetonämie. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

H. Enderlein, Die Fauna der wendischen Burg „Poztupimi". (Potsdam).
Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

A. Holz, Die Beeinflussung des Blutbildes des gesunden Hundes durch Ultra-
violettbestrahlung. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

B. Drewke, Beitrag zur klinischen Untersuchung an Rinderaugen. Inaug.-
Diss. Berlin. 1929.

II. Zemke, Beitrag zur Fraktur und Luxation der Sesambeine. Inaug.-Diss.
Berlin. 1929.

H. Burkhardt, Zur Transpulvettherapie bei Erkrankungen der Luftwege in
der Veterinärpraxis. Inaug.-Diss. Giessen. 1929.

K. Hübel, Ein Beitrag zur experimentellen Tuberkulose des Rindes. Inaug.-
Diss. Giessen. 1928.

R. Maier, Zur Sphygmographie in der Veterinärklinik bei Pferd und Hund.
Inaug.-Diss. Giessen. 1929.

E. Albers, Beitrag zur Behandlung der Anaphrodisie des Rindes mit den
Ovarhormon Fontanon. Inaug.-Diss. Hannover. 1929.

IC. Günther, Biologische Studien über das Bactcrium pullorum und seine
Beziehungen zum Bacterium paradysenteriae gallinarum. Inaug.-Diss. Hannover.

1929.

F. Noi.ze, Untersuchungen über das Eindringen von Flüssigkeiten in das Ge-
webe gesunder Euterviertel nach intramammärer Infusion. Inaug.-Diss. Hannover.
1929.
du Buy.

BLADVULLING.

Een vruchtbare koe.

Een 24 jarige 8 maanden drachtige koe, 450 K.G. ïwaar, moest wegens
dreigende hartverlamming, geslacht worden. In de uterus werden, in twee
placenta\'s 6 goed ontwikkelde kalveren (1 stierkalf en 5 koekalveren) gevonden
die samen Goj K.G. wogen.

(Deut. tier. Woch. 1929. N°. 15, blz. 238). Vr.

29

LVI

-ocr page 444-

REFERATEN.

VLEESCHHYGIËNE.

De beoordeeling van het watergehalte van vleesch en vleeschwaren door middel
van het Federgetal.
(Beitrag zur Beurleilung des Wassergehalles im Fleisch, sowie
in Fleisch- und Wurstwaren, auf Grund der Federschen Zahl — Schupelius
— Tier-
arztl. Rundschau, 1928, pg. 403).

Schupelius vond bij zijn analysen van verschillende vleeschsoorten en worst-
soorten gewoonlijk hoogere getallen dan
Feder heeft aangegeven. Vooral bij
varkensvleesch was dit het geval; hierbij waren de schommelingen zoo groot,
dat zij in een arithmetrische formule konden worden uitgedrukt.

In tegenstelling met de meening van Feder, dat vetweefsel geheel watervrij
zou zijn, vond
Schupelius in sommige gevallen een vrij groot watergehalte in het
vetweefsel. Terwijl voor een beoordeeling van het watergehalte van vleesch en
gehakt de. tegenwoordige Federsche getallen te laag zijn genomen, is z.i. voor een
beoordeeling van worstwaren het Federgetal absoluut te verwerpen.

Hoe te handelen met vleesch, dat colibacillen, staphylococcen, proteusbacillen
en anaerobe bacteriën bevat?
(Vraagrubriek in het Zeitsch. f. Fleisch- und Milch-
hyg. 1928, Jg. 38, pg. 377).

Volgens ons keuringsregulatief is het niet kiemvrij zijn van het vleesch bij het
bacteriologisch vleeschonderzoek voldoende om het vleesch ongeschikt te maken
voor menschelijk gebruik, onverschillig de bacteriesoorten, welke in het vleesch
aanwezig zijn. In dit opzicht gaan onze voorschriften verder dan de Duitsche,
volgens welke het gelieele dier slechts dan wordt afgekeurd, als vleeschvergifti-
gingsbacteriën, in het bijzonder paratyphus B of enteritidis Gaertnerbacillen,
worden gevonden. Zijn andere bacteriën aanwezig, dan kan al naarmate de bacil-
lenrijkdom, het vleesch worden gesteriliseerd of verkocht op den vrijbank.

In verband met deze bepalingen doet iemand in de vraagrubriek van het Z. f.
Fl. u. M. de volgende vraag :

Bij het bekend maken van het resultaat van het bact. vleeschonderzoek wordt
dikwijls medegedeeld dat in de opgezonden vleeschmonsters b.v. colibacillen of
kokken, of proteusbacillen of anaërobe bacteriën, hetzij in een groot aantal, hetzij
in geringe mate, aanwezig zijn, en daarna de beslissing genomen. Volgens alge-
meene verklaringen zouden colibacillen, en staphylococcen in het vleesch, ook
zelfs bij gebruik in rauwen toestand, ongevaarlijk zijn (dit is nog niet voldoende
wetenschappelijk aangetoond Ref.).

In een bericht over vleeschvergiftigingen in de gemeente Berlijn in 1927 wordt
medegedeeld dat in Maart 2 ziektegevallen voorkwamen na het gebruik van ,,Hacke-
peter" en dat daarin slechts colibacillen gevonden waren. In Mei 3 ziektegevallen
na het gebruik van varkenscarbonaden, waarin coccen en colibacillen aanwezig
waren. Hoe zijn deze gevallen nu te combineeren met de opvatting, dat coli en
coccen ongevaarlijk zouden zijn ? Hoe moet het vleesch beoordeeld worden als
daarin colibacillen, coccen, proteusbacillen of anaerobe micro-organismen gevonden
worden?"

In het antwoord, dat v. Ostertag hierop geeft, vermeldt deze allereerst de
wettelijke bepalingen, volgens welke in Duitschland gekeurd moet worden. Verder
geeft hij nog deze opmerkingen : Ofschoon men in schadelijk vleesch weieens coli-
bacillen en coccen gevonden heeft, bewijst een dergelijke vondst nog niet, dat
deze micro-organismen de veroorzakers van de vleeschvergiftiging geweest zijn.
Men moet veeleer aannemen, dat men bij een nauwkeuriger onderzoek wel vlcesch-
vergiftigers gevonden zou hebben. Coccen en colibacillen maken het vleesch niet
gevaarlijk voor den mensch(??).

Anders is het geval als men proteusbacillen vindt. Sommige onderzoekers hebben
aangetoond, dat in ondeugdelijk en schadelijk vleesch, een groot aantal proteus-
bacillen voorkwamen, zoodat vleesch met proteusbacillen zou moeten worden
afgekeurd.

-ocr page 445-

Vindt men talrijke anaërobe bacteriën, niet behoorende tot dc bontvuurgrocp,
dan kan men een snelle ontbinding, vooral bij ondoelmatige, te warme bewaring,
verwachten. In zoo\'n geval is de houdbaarheidsproef goed te gebruiken.

Een wijziging van de Endo\'sche voedingsbodem. (Hallbare modifikation des
Fuchsinnahrbodens nach Endo.
J.v.Daranyi. Münch. mediz. Wochenschrift, 1928,
pg. 1001).

De Endoagar wordt, wegens de goede groei van de bacteriën en vooral wegens
het duidelijke kleuronderscheid tusschen coli- en paratyphuskolonies, zeer alge-
meen gebruikt, Deze voedingsbodem heeft echter één nadeel, nl. dat ze altijd
versch moet worden gebruikt, daar anders de kleurloosheid van het begin overgaat
ia een roode kleur. Om dit bezwaar te ondervangen verving
Daranyi bij dc be-
reiding het gewone fuchsine door Fuchsine S. Grübler in gereduceerden vorm,
terwijl als complementaire kleurstof nog het chrysoidine werd toegevoegd.

Bij de vervaardiging van deze voedingsbodem gaat men het beste uit van een
stamoplossing, die op de volgende wijze wordt samengesteld. In een glas voegt
men bij 8 c.M3. 10 % natriumcarbonaatoplossing 2 c.M3. verzadigde (= circa 1 %)
alcoholische clirysoidineoplossing, 0,3 gram natriumsulfiet en 1,2 gram fuchsine
S. Griiblcr. Na het mengen wordt het fuchsine S. reeds bij gewone temperatuur
door het natriumsulfiet gereduceerd. Daarna wordt 12 gram watervrije, chemisch
reine I.aktose (Merck) en 80 c.M*. aqua dcstillata toegevoegd, waarna alles, na
i—2 min. lang koken, goed opgelost wordt.

Van deze stamoplossing mengt men nu 1 deel met 10 deelcn kokende agar en
giet dit dan direct tot platen uit. Dc in het begin aanwezige kleur verdwijnt bij het
afkoelen geheel en al.

Als de agar niet de juiste zwak alcalische reactie heeft, blijft ook na het afkoelen
een roodachtige kleur over. Ook moet men een lange verwarming, zoowel van de
stamoplossing als van de voedingsbodem zelf, vermijden. Coli groeit op deze voe-
dingsbodem in roode kolonies, typlius en dysenterie nemen een geelgroene kleur
aan, evenals paratyphus. Tengevolge van zijn hoog mclksuikergehalte groeien
typhusbacteriën zeer goed.

Wegens de gemakkelijke bereiding en de groote houdbaarheid van de stam-
oplossing is deze gewijzigde endoagar bijzonder geschikt voor kleinere laboratoria.

Het vernietigen van cadavers van dieren. (Die Beseitigung der Tierkadaver. Dr.
Foth, Deutsche Tierarztl. Wochensch. Jg. 36, 1928, pg. 733).

Na eenige beschouwingen over het algemeene nut van een behoorlijke vernieti-
ging van cadavers van dieren deelt
Foth mede, hoe men in Duitschland juist
kort voor den oorlog, door een ,,Gcsetz iiber die Beseitigung von Tierkadavern"
van 17 Juni 1911, deze kwestie geheel afdoende had geregeld en men wilde over-
gaan tot den bouw van verschillende verwerkingsinrichtingen, zoodat in het ge-\'
heele land een begraven van cadavers niet meer mogelijk zou zijn. Door den oorlog
en dc daarop gevolgde inflatietijd is van dit plan niets terecht gekomen en moesten
zelfs verschillende reeds bestaande vcrwerkingsinrichtingen worden stopgezet.

Toen in 1920/1921, tijdens het heerschen van een met talrijke sterfgevallen ge-
paard gaande mond- en klauwzeerepidemic, de bestaande inrichtingen de vele
cadavers niet voldoende konden verwerken, bleven de klachten niet uit en ont-
stond allerwegc onder de veehouders een groote ontstemming over de afleverings-
dwang van cadavers.

Langzaam aan is deze strijd wat geluwd, zoodat op 28 Mrt. 1928 het Pruisische
Min. van Landbouw opnieuw in een aanvullingswet verschillende bepalingen heeft
vastgesteld. Door den eigenaars de volle prijs voor de huiden te vergoeden wil
men trachten te bereiken, dat alle gestorven dieren zullen worden afgeleverd.

Men hoopt zoodoende verschillende bodemziekten afdoende te kunnen bestrij-
den.
Foth wijst in dit verband op VViirttemberg, waar men een uitstekend geor-
ganiseerde cadaverwerking heeft en miltvuur tegenwooidig hoogst zelden voorkomt.

Foth is van meening, dat bij aflevering van alle cadavers, een verwerkings-
inrichting winst zal kunnen afwerpen, men moet dan vooral zorg dragen, dat de

-ocr page 446-

inrichting in een niet te afgelegen streek wordt geplaatst, wat juist dikwijls gebeurt
uit angst voor een verspreiding van besmettelijke dierziekten. Dit is z.i. bij goed
ingerichte vervoerauto\'s en bij goede controle uitgesloten. Ook is het verspreiden
van stank, bij de tegenwoordige vrijwel technische volmaking van apparaten en
werklokalen, tot een minimum beperkt. Wel acht hij het noodzakelijk, dat groote
inrichtingen en desnoods ook kleinere fabrieken tezamen, een eigen autoreparatie-
inrichting hebben, daar anders de onkosten voor het vervoer der cadavers te hoog
zouden zijn. Verder moet het rayon, waarover de inrichting werkt, zeer veerijk
zijn, daar dit de rentabiliteit ten goede komt.

Een Gaertnerinfectie bij runderen en cavia\'s in Japan. (Gärtnerinfektion bei Kin-
dern und Meerschweinchen in Japan.
Dr. Tsunctaro Konno, Deutsche Ticrärztl.
Wochensch, Jg. 36, pg. 573).

Terwijl in Europa en Amerika Gaertncrinfecties bij verschillende dieren niet
onbekend zijn, was dit tot voor kort wel het geval in Japan. In 1923 werd door
Konno (op het rijksseruminstituut voor dierziekten te Fusan op Korea) voor de
eerste maal bij kalveren een Gärtnersepticacmie waargenomen en in 1924 zelfs
bij vele runderen en kalveren. Van deze gevallen geeft hij in bovengenoemd artikel
eene beschrijving.

In het geheel kon hij 12 maal een Gaertnerinfectie bij rund en kalf waarnemen,
waarbij hij dc volgende klinische ziekteverschijnselen opmerkte : hooge koorts,
geen eetlust, algemeetic lusteloosheid, diarrhee en ademnood. De ziekte duurt
slechts enkele dagen ; meestal volgt binnen een week de dood. Sectie ; hypcraemie,
haemorrliagicn, hepatisatie en necrotische haardjes in longen, miltzwelling en acute
gastro-enteritis. Uit alle organen en vlcesch kon de Gacrtnerbacil gekweekt worden.

Bij 91 kalveren en 55 runderen, die als slachtdier of om andere redenen gedood
werden, kon
Konno de agglutinatieproef verrichten. Tegenover Gärtnerbacillcn
hadden 15 % der kalvercnsera en 4 % der rundersera een verhoogde agglutinatic-
titer, alhoewel het hem niet gelukte, bij dez edieren een Gaertnerstam te isolecren.
Hij vermoedt daarom dat deze dieren reeds vroeger een Gaertnerinfectie hebben
doorgemaakt.

Verder nam Konno nog een Gaertnerepidemie waar bij cavia\'s. Bij een Co-tal
secties van aan een Gaertnerinfectie gestorven caviae vond hij vooral septicaemi-
sche veranderingen, als hyperaemic en bloedingen. Karakteristiek bicken ook hier
weer necrotische haardjes in parenchymatcuze organen. Verder zag hij meermalen
miltzwelling, en bloedingen der mesenteriale lyniphklicrcn, verdikte galblaaswand.
Weinig bacteriën in liet hartbloed, zeer veel in milt, lever, gal en andere organen.
Ook kon hij bacillendragers aantoonen. Bij 61 gewone, schijnbaar gezonde caviae
kon na den dood worden aangetoond, dat 14 dieren in lever, milt, nieren, gal en
darminhoud Gaertncrbacillen herbergden. Deze organen hadden weer de specifiek
karakteristieke necrotische haardjes. Bij 8 van deze 14 bacillendragers was dc
agglutinatietiter verhoogd.

Morphologisch en cultureel waren de runder- en kalverstammen geheel identisch
met de caviastammen.

Een Gaertnerinfectie van het rund door middel van besmette kaas overgebracht
op den mensch.
(Ueber eine durch den Bazillus enterilidis Gärtner hervorgerufene
seuchenhafte Erkrankung in dem Rinderbestande des Gutes Karthäuserhof bei Koblenz
und eine durch Käse verursachte Uebertragung auf den menschen.
Bour.mer enDoETSCH
Zeitscli. f. Fl. und Milchhyg. Jg. 38, pg. 389).

Verschillende runderen en enkele kalveren, afkomstig van bovengenoemd land-
bouwbedrijf, moesten wegens diarrhee in nood worden geslacht en hadden, behou-
dens een uitzondering, alle sterk gezwollen milt, lever en nieren, terwijl in dc lever,
soms reeds macroscopisch, echter steeds met behulp van een loupe, de bekende
necrotische haardjes, veroorzaakt door de bacillus enteritidis Gärtner, konden
worden waargenomen. Niet altijd uit de musculatuur, echter steeds uit de lever,
kon men deze bacil kweeken. Ook de melk, afkomstig van dezelfde boerderij, was

-ocr page 447-

besmet met enteritisbacillen. Een 80 ziektegevallen kwamen bij den mensch voor
door gebruik van deze besmette melk en van kaas, bereid uit de melk.

Bij een nader onderzoek van de geheele stal bleek een bacillendrager onder de
koeien aanwezig. Dit dier, overigens geheel gezond, had in de faeces steeds enteri-
tisbacillen.

Uit deze onderzoekingen blijkt allereerst, van hoe groote beteekenis een goed
georganiseerde melkcontróle is. Verder vonden
Bourmer en Doetsch, dat de
pathologisch-anatomische afwijkingen bij een enteritisinfectie zeer verschillend
kunnen zijn. In het algemeen worden naast de maag-darmafwijkingen, wijzende
op een gastro-enteritis, ook waargenomen een flinke miltzwelling, een gezwollen
lever met miliaire necrotische haardjes, nierveranderingen en een geringe icterus.
De leververanderingen kunnen zoo gering zijn, dat ze zonder hulp van een loupe
niet zijn op te merken. Op het abattoir te Koblenz wordt derhalve voortaan elke
gezwollen kalfslever met behulp van een loupe onderzocht. Soms kan de milt-
zwelling ontbreken.

Verder meenen Bourmer en Doetsch, dat voor een bacteriologisch onderzoek
voortaan ook een stuk lever moet worden opgestuurd. In verschillende der door
hen waargenomen gevallen werd alleen uit de lever de Gaertnerbacil gekweekt.

Laboratoriumwerkzaamheden van het Elberfeiderslaehthuis in 1927. (Zcitsch. f.
Fleisch- und Milchhyg. 1928 1 Jg. 38, pg. 379).

In het geheel werd bij 463 dieren het bacteriologisch vleeschonderzock verricht
(bij 5,2 % van de paarden, 1,4 % der runderen, 0,5 % der kalveren, 0,1 % der
varkens en 0,2 % der schapen).

Kiemvrij waren 276 dieren, kiemarm 151 dieren, sterk kiemhoudend 3 koeien,
12 kalveren en 2 schapen. (Opmerkelijk is hiervan het zeer hoog percentage posi-
tieve gevallen nl. ruim 36 %).

Vleeschvergiftigers werden gevonden in de volgende gevallen : een paard, in
nood geslacht na een verlossing ; paard met een haemorrhagische ontsteking van
het colon ; paard met. darmkatarrh ; rund, in nood geslacht, zonder eenige path.
anatomische afwijking ; rund met peritonitis ; 2 runderen met metritis ; rund
met metritis en peritonitis ; rund met metritis en mastitis ; 3 kalveren met ge-
zwollen milt en icterus ; kalf met enteritis ; kalf met enteritis en navelontsteking ;

2 varkens met enteritis en peritonitis ; een varken met peritonitis ; varken met
pleuritis, longabscessen en darmscheilabscessen en een varken, in nood geslacht,
zonder eenige path. anatom. afwijking.

Vermeldenswaard is het volgende geval. In een stal werden binnen 6 dagen

3 koeien en 1 kalf ziek, welke dieren alle in nood geslacht moesten worden. Bij
i rund was de sectie negatief, bij 2 runderen vond men een geringe metritis en bij
het kalf een enteritis. Bij het bacteriologisch vleeschonderzock werd bij koe I uit
milt en nieren, bij koe II slechts uit dc musculatuur, bij koe III uit milt en bij
het kalf uit lymphklieren, milt en nieren een bacterie gekweekt, die zich bioche-
misch als vlecschvergiftiger gedroeg, echter noch door Breslau-, noch door Gaert-
ncr- of Schottmiillerserum werd geagglutineerd. Nader onderzocht aan de Univer-
siteit te Kiel werd de bacterie geidentificeerd als
bacillus suipestifcr (agglutinatie
i op 50.000 positief). Ook bij een noodslachting van een koe met enteritis en peri-
tonitis, echter afkomstig van een anderen eigenaar, werd de bacillus suipestifer
gevonden.

In alle 463 gevallen werd de houdbaarheidsproej van Müller verricht. Deze gaf
echter een sterk
varieerend resultaat. In de 427 gevallen waarin de muskulatuur
kiemvrij was, was de H. B. proef 22 maal slecht (dus positief). In 18 gevallen van
kiemarm zijn der spieren was daarentegen de H. B. proef 15 maal goed (dus nega-
tief) en slechts 3 maal slecht (positief). In 16 gevallen van sterke kiemhoudendheid
was de H. B. proef 10 maal goed (negatief) en 6 maal slecht (positief). In 2 gevallen,
toen vleeschvergiftigers in het vlcesch aanwezig waren, was de H. B. proef 1 maal
goed (negatief) en 1 maal slecht (positief).

(Uit dit resultaat blijkt wel, dat men aan de H. B.-proef niet zoo\'n groote waarde
mag toekennen).
 de Graaf.

-ocr page 448-

ZIEKTE VAN PAARDEN.

Behandeling van peritonitis met behulp van intraperitoneale injectie van ol.
camphor-forte.

Linde (Tilsit) deelt het volgende mede in het Aprilnummer 1928 der Thera-
peutische Monatshefte. Een paard kwam in behandeling met een lange, perforeeren-
de wond in de linkeronderbuikstreek, waaruit een 10 c.M. lang stuk net tevoorschijn
kwam. De wond werd gereinigd en met eene i°/00 Rivanol-oplossing geïnfiltreerd. Het
net werd nog 10 c.M. verder naar buiten gehaald met catgut onderbonden, afge-
sneden en de stomp werd teruggebracht in de buikholte en de wond daarna gehecht.
Twee dagen later vertoonde het dier nog goeden eetlust, waarna zich 12 uren later
het beeld van peritonitis in optima forma ontwikkelde (temp. 39°6, pols 48.)
Hierna volgde intraperitoneale injectie van 60 cc ol. camph. forte, waarop het
dier prompt reageerde ten goede (temp. 38°6, pols 60). Acht dagen later kon het
als genezen beschouwd worden. (In de humane chirurgie is de uitnemende werking
van kamferolie sinds lang bekend, Ref.).
 Zwijnenberg.

Lintwormen bij paarden.

Saliou (Revue vét. et Journ. de Méd. Vét. 1928 Janv., blz. 38) vond bij 492
(van 2400) slachtpaarden taenia\'s, dus bij 20.5 %.

Zij veroorzaken niet altijd ziekteverschijnselen, kunnen echter koliek en anaemie
veroorzaken, vooral bij veulens. Als beste geneesmiddel wordt aanbevolen terpen-
tijnolie, 100 gram in 500 gram ol. ricini.
 Vrijburg.

Weitere Untersuchungen ueber den Malleus.

Prof. S. N. Wyschelesky und W. N. Makkaweisky. Therapeut. Monatshefte
fiir Veterinarmed. Bd. II H. 4/5.

Bij verschillende proeven werden de volgende resultaten bereikt.

Veulens, die met verzwakt malleusvirus waren behandeld, vertoonden ver-
hoogden weerstand na een cutane infectie met malleus-virus.

Het serum van — tegen malleus geïmmuniseerde — veulens bezat over het
algemeen geen therapeutische werking ; evenmin antimalleïne en antitoxisch
serum.

Door injecties met ontvette melk wordt de ziekte verergerd. In versterkte mate
geschiedt dit door toediening van gedoode malleusculturen en vooral van steriele
filtraten van levende malleusculturen.

Door middel van kweeken op voedingsbodems met ongunstige pH gelukte
het niet, evenmin als door konijnenpassage of door inwerking van een antitoxisch
serum, virulente malleusculturen te verzwakken.

Voor een perorale infectie is een 100.000 maal grootere dosis noodig dan voor
een subcutane of cutane infectie. De dosis voor een perorale infectie varieert van
0.1 tot 10 mgr. en meer, terwijl hiermede niet steeds een doodelijk verloopende
infectie verkregen wordt. Het gelukt op deze wijze niet een verhooging der resi-
stentie op te wekken.

Wanneer gezonde naast zieke paarden werden geplaatst was voor het opwekken
van malleusinfectie een contact gedurende minstens 48 uur noodig.

Naar alle waarschijnlijkheid ontstaat een malleusinfectie uitsluitend door het
opstallen met een ziek dier, dat voortdurend versclie smetstof afscheidt, hetwelk
door de gezonde dieren onmiddellijk met het drinkwater of het voedsel wordt
opgenomen.
 Clarenburg.

Microfilariae bij Paarden.

Majoor H. Allen, R. A. V. C. Remount Depot Mona. Punjab, India. The Vete-
rinary Journal, Oct. 1928.

Bij bloedonderzoek, hetwelk in 1927 gedaan werd na een surra-uitbraak
werden bij 9 muilezels en 6 paarden microfilariae in het bloed gevonden.

-ocr page 449-

In 1928 werden 2 paarden ter behandeling aangeboden, een voor catarrh, het
andere voor
gebrek aan eetlust.

Bij paard No. 1 werd bij het dagelijksch bloedonderzoek slechts éénmaal een
enkele microfilaria aangetroffen ; bij paard No. 2 bijna iederen dag 1, 2 tot 5
exemplaren.

Paard No. 2 werd intraveneus ingespoten met 50 c.c. van een 10 % solutie van
„Bayer 205" en 3 x met (1 op 100) solutie van tartarus emelicus in doses van
50, 75 en 100 c.c. respectievelijk, echter zonder uitwerking op de worm.

(Roger meende succes te hebben verkregen met een antimoonbehandeling
bij Filaria Bancrofti.
Macfie vond hiervoor geen bevestiging ; hij verkreeg be-
moedigende resultaten met intramusculaire injecties van amino-arseno-phenol.
Atoxyl en neosalvarsan zijn absoluut werkeloos).

Ziektesymptomen tengevolge van de filaria werden niet waargenomen.

(Boal evenwel op de Goudkust en Velu in Marocco constateerden een inter-
mitteerende koorts.
Zaknow en Collaboratus vonden huidafschavingen ten-
gevolge van jeuk bij paarden met microfilariae in Turkestan ; die paarden waren
ook gauw moe. Dit constateerde
Wirth ook in Hongarije).

Versehe dekglaspraeparaten bedierven in 6—8 uren. Kleuring geschiedde als
volgt : Dikke lagen bloed werden gedehaemoglobiniseerd door ze in gedistilleerd
water te plaatsen. Dan werden ze met schoon water gewasschen, vervolgens ge-
droogd, gefixeerd in absolute alkohol en gekleurd met carbol-fuchsine.

De Directeur van het „Imperial Institute of Véterinarv Research," teMuKTESAR,
determineerde de parasieten als embryo\'s van de Setaria equina (Filaria papillosa
van het paard) welks gewone woonplaats het Peritoneum is.
Breedveld.

Leverbotziekten bij een paard.

(Distomatose bei einem Pferde. I.inde : Therapeutische Monatshefte f. Vete-
rinärmedium 1928, Band 2, blz. 124).

Januari 1928 kreeg L. een paard in behandeling met anamnese : slecht eten.
Behalve koorts (40.4) en licht icterische oogslijmvliezen werden geen afwijkingen
gevonden. Diagnose : dundarmcatarrh. Therapie : aloë. De temperatuur daalde
langzaam en de eetlust werd beter. Midden Februari ontstond aan onderkant
van buikwand en koker een oedemateuze, wat pijnlijke zwelling. Inwrijvingen
met kwikzalf hadden geen resultaat. De eetlust werd slechter en het dier was
spoedig vermoeid. I)e temperatuur bleef normaal.

De waarschijnlijkheidsdiagnose „leverdistomatose" werd door faecesonderzoek
bevestigd. Het paard werd behandeld met tetrachloor-koolstof, (capsules) en
reeds den 3den dag trad beterschap op. Merkwaardig is het, dat het paard niet
in de weide kwam, zoodat de infectie waarschijnlijk op stal zou zijn opgetreden.

Daar gevallen van leverdistomatosis bij het paard zelden beschreven werden,
acht L. het niet onmogelijk, dat verschillende aandoeningen welke nu op naam
van bij het paard algemeen voorkomende wormen staan, veroorzaakt worden
door de leverbot.

(Bovenstaande is weer een krachtig argument voor het microscopisch faeces-
onderzoek bij alle maagdarmaandoeningen).

Zwei atypisch verlaufene Fälle von Milzbrand bei Pferden.

(Lorscheid : Berl. tierärztl. Woch.schr. 1928. S. 905).

Schrijver kreeg in behandeling een 3-jarig paard met verschijnselen van heftige
ademnood. Bij onderzoek was de temp. 40.8", pols 80, ademhaling frequent en
gespannen ; neusslijmvlies hyperaemisch, uit de neusgaten een witte, schuimende
uitvloeiing. De submaxillarie klieren waren gezwollen en pijnlijk, het halsgedeelte
in de omgeving der retropharyngeale klieren sterk gezwollen. Oppervlakkig was
deze zwelling oedemateus : bij dieper doortasten waren de harde klieren als ver-
groot te voelen. Doordat de ademhaling fluitend was konden geen longgeruischen
worden waargenomen ; ontlasting was normaal. Als diagnose werd Pharyngitis
acuta gesteld en met het oog op de ademnood tracheotomie gedaan.

-ocr page 450-

Den volgenden dag was de toestand weinig veranderd. Plotseling werd echter
het paard onrustig, steigerde en viel over de voerbak. Na 10 minuten stond het
dier weer op, kreeg echter 20 min. daarna weer een aanval en stierf na een kwartier.

Een tweede paard, dat met het eerste in de weide was geweest, werd dezelfde
dag onder dezelfde verschijnselen ziek, doch vertoonde geen excitatieverschijnselen
Na 3 uur was ook dit paard gestorven.

Bij de sectie bleken de buikingewanden niet veranderd, terwijl geen spoor van
ontsteking bestond ; het poortaderbloed was donkerrood, meest gestold ; de milt
was staalblauw, vast, met niet gespannen kapsel, normaal van grootte ; in het
midden der ingewandsvlakte was een walnootgroote verhooging, waar de pulpa
weeker was. Op het hart waren eenige puntbloedingen, de hartspier was vast,
bruinrood, terwijl het hart met geronnen bloed gevuld was. De longen waren
oedemateus geïnfiltreerd.

Het onderhuidsche bindweefsel van het bovenste halsgedeelte en het bindweefsel
onder het keelslijmvlies, was sterk geïnfiltreerd. De retropharyngeale klieren
waren ter grootte eener kindervuist gezwollen, zeer vochtig en met groote bloe-
dingen ; de submaxillaire klieren waren in gelijken zin veranderd.

In het vocht van de gezwollen klieren werden microscopisch talrijke miltvuur-
bacillen gevonden; enkele bacillen werden ook in bloed- en in miltuitstrijkjes aange-
troffen,alleen in de milt echter wanneer het materiaal van de walnootgroote ver-
hooging genomen werd.

In de weide, waar beide paarden liepen, was vroeger miltvuur voorgekomen,
doch de laatste vijf jaar niet meer. Men had er echter een diepe sloot omgegraven,
waaruit de paarden konden drinken. L. vermoedt, dat de infectie door drinken
van water afkomstig uit besmette onderlagen tot stand kwam.

Die richtige Kanüle für die subkutane Injektion bei Pferd und Rind.

(Satella, Der Osterreich. Xierarzt, 1928. S. 295).

Teneinde de „heftige" reacties bij injecties van paard en rund door middel van
de gebruikelijke entkanule te voorkomen, construeerde
Sabella een kanule, die
geen scherpe punt heeft, maar aan het einde in een hoek van 550 uitloopt,
terwijl de buitenrand van het ovale uiteinde eenigszins scherp is bijgeslepen.

Daar, volgens S., de gewone injectienaald met de snijdende vlakken, welke
van de punt uitgaan, de huidzenuwen doorsnijdt, wat dc pijn zou veroorzaken,
worden met de kanule van S. de zenuw\'uiteinden alleen maar uitelkaar gedrukt.
Verder zou deze kanule in de subcutis niet zoo gemakkelijk verstoppen, en geen
vaatwandjes beleedigen, waardoor „lastige" nabloedingen worden vermeden.

De praktijk zal natuurlijk moeten uitmaken of deze verandering een verbetering
is ; theoretische beschouwingen hebben hier geen waarde. W. P. C. Bos.

BLADVULLING.

Schaatsrijden tegen paard.

Op 11 Maart had te Oslo een wedstrijd plaats over 1050 M., tussen den
kampioen-schaatsrijder
Oscar Mathiesen en een der snelste Noorse dravers.
Mathiesen was in het begin voor maar het paard haalde hem kort voor dc
eindstreep in en won in
1 min. 37,2 sec.; de tijd van Mathiesen i min.
40.5 sec.

(Paard en Paardenwereld, 21 Maart 1929), Vr.

-ocr page 451-

I. H HARTOC.

L

-ocr page 452-

- ■ .--

-ocr page 453-

Uit de Kliniek voor Heelkunde van de Faculteit der Veeartsenijkunde
Directeur: Prof. Dr. J. H. HARTOG.

EENIGE TAND(KIES)ZIEKTEN BIJ HET PAARD, (Vervolg)

door

J. H. HARTOG.

(Met afbeeldingen.)

B. Chronische voedsel-ophooping tusschen en om de kiezen bij
het paard.

Een gebits-anomalie, welke misschien in nog meerdere mate
dan de
Periodontitis chronica de aandacht van de zijde der prak-
tijk verdient, is de chronische voedselophooping tusschen en om
de kiezen bij het paard. Ik heb hier op het oog de totstandkoming,
resp. de aanwezigheid van een abnormaal groote ruimte tusschen
verschillende kiezen onderling in de onderkaak, ten gevolge waar-
van een in propping van voedsel
is mogelijk geworden, welke om-
standigheid op haar beurt tot meer of minder belangrijke kauw-
stoornissen aanleiding geeft.

Hoewel dit lijden, zooals de kliniek mij heeft geleerd, van groote
praktische beteekenis blijkt te zijn, zijn de mededeelingen daar-
omtrent in de vakliteratuur zeer spaarzaam en wordt aan deze
afwijking in de leer- en handboeken over chirurgie geen of onvol-
doende aandacht geschonken.

Evenwel is in den laatsten tijd, nl. in K)22, van de hand var.
Forsei.1. een artikel verschenen, waarin dit lijden als een zelf-
standige afwijking als „primaire Futtereinlagerung" wordt
behandeld en waarbij omtrent de aetiologie en de therapie uit-
voerige mededeelingen worden gedaan (Berliner Tierärztliche Wo-
chenschrift, i<)22, Xo. 35, 36 und 37). De schrijvers, die het sym-
tomenbeeld beschouwen als te behooren tot dat van de
Periostitis
alveolaris doen dit op grond van mijn bevindingen geheel ten
onrechte. Het is mij voldoende gebleken, dat een ontstekings-
proces in het wortelvlies, tenzij secundair, niet aanwezig is.
Volgens mijn oordcel behoort het lijden niet
in het kader der
alveolitis,
Periodontitis, pericementitis of hoe men het bedoelde
ontstekingsproces ook noemen wil.

Zooals reeds werd opgemerkt, heb ik het chronisch ingepropt
zijn van voedsel tusschen en om de kiezen bij het paard een zeer
groot aantal malen aangetroffen en bij paarden van het zware
ras in het bijzonder, hoewel het bij die van het lichte ras ook
geenszins een zeldzame bevinding is. Gewoonlijk zijn het paarden
op den leeftijd van 5 tot 8 jaar.

De frequentie van voorkomen bij het Belgische paard is zóó

LVI 30

-ocr page 454-

groot, dat in de eerste plaats aan de mogelijkheid van voedselop-
hooping om de kiezen kan worden gedacht, wanneer een zoodanig
paard ter onderzoek wordt aangeboden met de gegevens, dat het
moeilijk kauwt en tijdens het kauwen proppen laat vallen. Deze
gegevens in de anamnese zijn dan ook de voornaamste. Men zal
vernemen, dat het paard traag en meer of minder moeilijk het
voedsel verwerkt en vooral natuurlijk verschillende hooi- en stroo-
soorten, maar ook geschiedt het kauwen van gras met stoornissen,
terwijl het eten van haver dikwijls bevredigend gaat.

Het paard kauwt met onderbrekingen, terwijl daarbij meer of
minder verwerkte proppen worden uitgeworpen. Gewoonlijk ver-
krijgt men de mededeeling, dat deze kauwstoornissen al langen
tijd hebben bestaan zoodat, zij het dan ook veelal niet in belang-
rijke mate, in een deel der gevallen een achteruitgang in den voe-
dingstoestand is te constateeren. Voor den onderzoeker zijn deze
gegevens en waarnemingen voldoende om aan een lijden van een
kies (of van eenige kiezen) of aan dat van hare adnexa te denken.

Door het onderzoek van de mondholte, namelijk van de kiezen
en van de gingiva, heeft de nauwkeurige onderzoeker de diagnose
spoedig gesteld. Bij het betasten van de kauwvlakten der kiezen
worden evenwel in den regel geen afwijkingen gevonden ; de juiste
aard van het lijden wordt eerst onderkend door palpatie met de
vingertoppen van den lingualen, maar vooral van den buccalen
gingivaal-rand in de onderkaak.

Tusschen praemolare I en molare I, alsmede tusschen deze
laatste en de 5de kies wordt een vuile prop van gedeeltelijk ge-
kauwd voedsel (hooi, stroo) gevoeld ; deze prop wordt in een min
of meer spleetvormige ruimte tusschen de genoemde kiezen vast-
gehouden, zóódanig namelijk, dat een gedeelte ervan als een
kwastje, juist boven den rand der gingiva zoowel aan de tong-
als aan de wangzijde, uitsteekt. Het gelukt meestal niet om met
behulp van de vingers
al het ingekauwde voedsel weg te nemen ;
wel is het mogelijk om, aan deze kwastjes trekkende, een deel ervan
te verwijderen, waaraan dan, in verband met de lengte van dat
stuk, kan worden bepaald over een hoe groote diepte naar beneden
zich dat voedsel heeft bevonden en men kan dus bij benadering de
uitgebreidheid afleiden van de ruimte, welke tusschen (en naast)
de kiezen aanwezig moet zijn. Het uit de spleet verwijderde voedsel
brengt een meer of minder stinkende lucht mede, somtijds een
foetide, hetgeen er op wijst, dat er een, eventueel met ulceraties
gepaard gaande ontsteking van de gingiva aanwezig is. In enkele
gevallen verraadt de lucht een duidelijke caries.

Wanneer het ingepropte voedsel zooveel mogelijk weggenomen
is, kan men met den vingertop links en rechts naast de kies, maar
ook er achter, een gat voelen ; soms is dit aan de wangzijde wel
zóó groot, dat een deel van den vingertop er kan worden ingebracht.

In bijna alle gevallen zal men ook aan de andere zijde van de

-ocr page 455-

kaak op de overeenkomstige plaats(en) soortgelijke afwijkingen
kunnen constateeren. In de door mij waargenomen gevallen trof
ik in de overgroote meerderheid de bedoelde ruimten aan om de
4e kies ; zeer in de minderheid waren de gevallen, waarbij ik de
ruimten om de 5e kies heb gevonden. Deze ervaring is niet in over-
eenstemming met die van
Forskli. ; deze heeft juist het tegen-
gestelde geconstateerd.

De gegevens der anamnese en de bevindingen bij het onderzoek
van den mond zijn derhalve wel zóódanige, dat de diagnose ,,dia-
stase der kiezen, gepaard met chronische voedsel-ophooping" vrij
spoedig kan worden gesteld.

Zooals reeds werd opgemerkt, worden in bijna alle gevallen
aan de
beide onderkaakshelften de genoemde afwijkingen gevonden.

Dit wijst er naar mijn meening wel op, dat er aetiologisch een
zekere praedispositie voor de bedoelde gebits-anomalie moet be-
staan en te dien opzichte kan dan de vraag worden gesteld : Waarin
is deze voorbeschikking gelegen?

In dit verband is men geneigd in de eerste plaats te denken aan
een te ruim geplaatst zijn van 2 kiezen onderling, dus aan het be-
staan van een gewone diastase. Het spreekt van zelf, dat een te
wijd staan der kiezen een voedselophooping ten gevolge heeft,
welke op haar beurt weer tot secundaire veranderingen en daar-
mede tot verergering van den toestand leidt.

Wanneer men evenwel bedenkt, dat deze diastase bij een niet
te oud paard slechts zeer zelden wordt aangetroffen en men er-
varen heeft, dat de frequentie van voorkomen der primaire voedsel-
ophooping betrekkelijk groot is, komt men gemakkelijk tot de
conclusie, dat een zoodanige diastase niet de gewone aanleidende
oorzaak is. Bovendien, wanneer men bij een met dit lijden behept
paard uitsluitend de kauwvlakten der kiezen aftast zal men geen
ruimte kunnen ontdekken ; aan de kauwvlakten zal een „geslo-
ten zijn" der kiezen worden waargenomen. Bij de gewone diastase
is dat niet het geval.

Een andere mogelijkheid voor het ingepropt geraken van voedsel
tusschen de kiezen is de omstandigheid, dat een kies om haar
lengteas is gedraaid. Deze afwijking is evenwel zóó zelden, dat zij
voor de verklaring der mogelijkheid van de veelvuldig voorkomende
voedselinpropping nauwelijks in aanmerking komt. Hetzelfde
geldt ten opzichte van de oppervlakkige caries. Uiteraard zal een
defect tengevolge van een caries aan het z.g. interstitiaire cement
de gelegenheid voor voedselophooping bieden ; evenwel is deze
caries als primaire verandering zelden. Bij de vele wegens voedsel-
inpropping verwijderde kiezen kon ik deze verandering niet aan-
toonen. Een andere gelegenheidsoorzaak moet dus aanwezig zijn,
een oorzaak namelijk, welke niet een toevallige is zooals de drie
hierboven genoemden

Met betrekking tot deze kwestie acht Forsell het waarschijn-

-ocr page 456-

lijk, dat de dispositie voor de gewone ,,Futtereinlagerung" om
molare I en molare II moet worden gezocht in een abnormale
ontwikkeling der betreffende kies, welke afwijking is gelegen in een
scherp naar achteren gericht zijn van de aan den achterrand van
M I en M II aanwezige email-plooi, tengevolge waarvan de
kroongedeelten van twee naburige kiezen niet met een
volkomen
begrenzingsvlakte aan elkaar sluiten, terwijl ook vaak aan het
kroongedeelte van de kies een inbuiging aan den achterrand zou
worden waargenomen. Ook deze omstandigheid brengt mede, dat
er van een normale aansluiting van twee naast elkaar gelegen
kiezen geen sprake is.

Behalve in deze afwijkingen in bouw van de kies (kiezen) meent
Forsfi.l, dat de mogelijkheid van „Futtereinlagerung" wordt be-
vorderd door het feit, dat de wortels der kiezen, in het bijzonder
van die van M. 2 en M. 3, maar ook wel van die van M. 2 en M. 1
van ter zijde gezien, onderling in een grooten hoek zijn geplaatst.
Ten opzichte van deze „fächerförmige Stellung" van de wortels
der kiezen is er bij de verschillende individuen een belangrijk ver-
schil. Gaat een zoodanige sterke divergentie b.v. tusschen M 2
en M. 3 gepaard met de aanwezigheid van een sterk vooruitsprin-
gende email-lijst aan den achterrand van M. 2, dan is de tot-
standkoming van „Futtereinlagerung" vrijwel zeker.

Aangezien men bij het onderzoek naar de praedisponeerende
oorzaak van de bedoelde voedselophooping zoo goed als uitslui-
tend is aangewezen op dat van de kiezen, welke wegens dit lijden
door extractie, eventueel door uitstempelen zijn verwijderd, is
dit niet eenvoudig. De daarbij opgedane bevindingen, getoetst
aan die van kiezen afkomstig uit een normale rij, moeten aanwij-
zingen omtrent de aanleidende oorzaak geven. Uit den aard der
zaak is het vaststellen van een te sterke divergentie van de wor-
tels der laatste kiezen met groote moeilijkheid verbonden.

De vraag werd reeds gesteld, waarin de praedispositie voor de
totstandkoming van de voedselophooping 0111 de kiezen moet
worden gezocht. Op grond van het onderzoek van veel materiaal,
dat mij door een groot aantal paarden werd geleverd, meen ik,
dat het antwoord op die vraag moet luiden, dat deze kan zijn ge-
legen zoowel in den bouw der kies als in haren stand of hare rich-
ting ten opzichte van die, welke er onmiddellijk achter gelegen is.

Wat betreft den bouw is het mij, evenals Forsell gebleken,
dat in een deel der gevallen de achterste email-plooi eenigszins
ver vooruitspringend is, door welke omstandigheid in een mindere
mate dan normaal, een begrenzingscontact met de naburige kies
bestaat en het wil mij voorkomen, dat een
primaire geringe
cementbekleeding aan de buccale zijde van de bedoelde emaillijst
tot het vooruitspringend zijn van deze laatste bijdraagt. Zeker is
het, dat bij een langdurig bestaan eener voedsel-ophooping dit

-ocr page 457-

44i —

cement in massa vermindert, welke secundaire verandering niet
anders dan aan afslijting moet worden toegeschreven.

Het is bekend, dat, voor zoover het de kiezen in de onderkaak
betreft, de kronen der molares smaller zijn dan die der praemolares.
en bovendien is van de blijvende kiezen het achterste gideelte
minder breed dan het voorste. Derhalve is er reeds normaal
over een niet zoo groote breedte een begrenzingscontact met de
naar achteren gelegen naburige kies.

Is dus de email-lijst, welke zich aan de achtervlakte eener onder-
kaakskies bevindt, sterk vooruitspringend, dan bestaat uiteraard
een
nog geringer contact en is er, voor zoover deze niet door de
gingiva is aangevuld, een spleetvormige holte of ruimte, waarin
een zich vastzetten van voedsekleelen is mogelijk geworden.

In mijn verzameling kiezen bevindt zich een groot aantal exem-
plaren waarbij een duidelijk vooruitspringen van de achterste
emailplooi niet te constateeren is en evenmin een ingebogen zijn
van den achterrand er van, terwijl de bevindingen er toch op wij-
zen, dat aan de achtervlakte een voedsel-inpropping is aanwezig
geweest. Op grond van die waarnemingen meen ik dan ook te
moeten aannemen, dat er een voldoend aantal gevallen is, waarvan
de voedselophooping
niet door clen bouw der kies, maar door een
afwijkenden stand er van t. o. v. hare naburige kies wordt geprae-
disponeerd. Uiteraard wordt dan in de eerste plaats gedacht aan
een te sterke divergentie van de wortels der laatste 4 of 3 kiezen,
in verband waarmede er reeds vroegtijdig een spleetvormige ruimte
onder de sluitingslijn der kauwvlakten aanwezig kan zijn.

Wanneer men deze verklaring als zeker aanneemt, is het te be-
grijpen, waarom men het lijden bijna altijd bilateraal aantreft en
ook is het dan duidelijk, dat een voedsel-inpropping aan een
bovenkaaks-kiesrij een toevallige bevinding is. Immers aan de
bovenkaak loopen de assen der kiezen 3, 4 en 5 normaliter bijna
parallel, zoodat er aan de interstitiaire vlakten veel meer aanra-
king is. Bovendien is het begrenzingscontact der bovenkaakskiezen
ook veel inniger door de omstandigheid, dat deze veel breeder en
meer vierkant van vorm zijn dan die der onderkaak. Mogelijk is
het, dat een verdere ontwikkeling van de
Röntgkn-fotograf ie voor
het groote huisdier te dezen opzichte nadere opheldering verschaft.

Het spreekt vanzelf, dat een gering ruimtetje tusschen de kronen
der kiezen, ook al mocht daarin zich een weinig voedsel hebben
vastgezet, geen kauwbezwaren of althans niet van eenige betee-
kenis doet ontstaan : het bezwaar schuilt echter in de directe ge-
volgen ls eenmaal een zekere hoeveelheid voedsel ingepropt, dan
is de deur geopend. Door een steeds toenemende drukking van het
zich vermeerderende voedsel wordt de ruimte grooter en in de
eerste plaats geschiedt dat natuurlijk in de richting beneden-
waarts tengevolge van een voortschrijdende atrophie van het

-ocr page 458-

septum interalveolaris. Meermalen heb ik kunnen constateeren,
dat de atrophie van dit septum in een zoodanige mate was voort-
geschreden, dat de rand er van halverwege den wortel was gelegen.

Zij het ook in mindere mate dan aan de achterzijde, het voedsel
zal aan den gingivaalrand ook op de zijvlakten der kies ingewigt
geraken; het tandvleeschzakje wordt ruimer en het opgepropt
zijn van het voedsel aldaar leidt ook tot een atrophie van den
beenigen limbus alveolaris daar ter plaatse. Op den duur zal nog
een andere secundaire verandering de spleetvormige ruimte ver-
grooten. Het is buiten twijfel, dat een langdurig verblijf van het
in de spleet ingepropte voedsel leidt tot een afslijting van het
cement, dat zich normaliter in een vrij dikke laag aan den buiten-
sten achtersten rand van de kies bevindt, terwijl in enkele gevallen
door defecten, tengevolge van een secundaire oppervlakkige cement-
caries, de ruimte wordt vergroot.

Ik heb er reeds op gewezen, dat de schrijvers, die het onder-
havige lijden beschouwen als een periostitis alveolaris dit ten
onrechte doen, hoewel het begrijpelijk is, dat men op grond
van de waarnemingen bij het mondonderzoek, nl. door het
constateeren van de meer of minder, groote gaten naast de
kieskroon, geneigd is om het lijden als een marginale perio-
dontitis of pyorrhoe aan te zien. Mij is het meer dan duidelijk
geworden, dat het wortelvlies
niet in een toestand van ontsteking
verkeert. Juist op de plaatsen waar de bedoelde gaten zich be-
vinden is het gingivale slijmvlies gewoonlijk zeer verdikt en sterker
dan ergens anders met het periphere cement verbonden. Als con-
stant verschijnsel zal men dan ook bemerken, dat bij het uittrek-
ken van de kies een lap slijmvlies meer of minder groot aan dc
kies blijft vastzitten en dus mede wordt verwijderd. Aan elk der
kiezen van de bijgevoegde afbeelding is dit duidelijk zichtbaar.
Van een loszitten der kies is geen sprake, terwijl de wortel ook
geen enkele verandering vertoont, welke opliet bestaan van een
purulent ontstekingsproces wijst. Deze is volkomen gaaf; noch
progressieve, noch regressieve veranderingen zal men kunnen
aanwijzen. Een plaatselijke gingivitis, namelijk een gelocaliseerde
chronische ontsteking op de plaats waar het voedsel is ingepropt,
is daarentegen wel aanwezig. Dit slijmvlies is gemakkelijk bloe-
dend, hetgeen reeds blijkt uit de omstandigheid, dat de voedsel-
prop, welke bij het mondonderzoek wordt verwijderd, in vele ge-
vallen eenig bloed medebrengt. De lap slijmvlies, die met de kies
meekomt, is blauwrood van kleur en vertoont vaak oppervlakkige
ulceratieve defecten.

Het bekend zijn met de veranderingen, welke aan den beenigen
alveolus en het bedekkende slijmvlies aanwezig zijn, maakt
het duidelijk, dat de prognose, wat betreft de mogelijkheid
van herstel der integriteit, ongunstig is. Zoolang de diepe
spleetvormige ruimte tusschen de kronen en de wortels van twee

-ocr page 459-

aan elkaar grenzende kiezen blijft bestaan, is het niet te ver-
wachten, dat een herstel zal intreden. Derhalve zal de prognose
afhankelijk moeten worden gesteld van de vraag of deze spleet
al of niet kan worden opgeheven. Is dit mogelijk, dan is het vrij-
wel zeker, dat de kauwbezwaren een einde nemen ; is het dit niet,
dan zullen deze blijven voortbestaan en wellicht erger worden,

De therapie zal moeten bestaan in het toepassen van middelen,
die het opheffen van de bedoelde spleetvormige ruimte beoogen.
Door een opruimen van het ingepropte voedsel heeft men getracht
tot dat doel te geraken en ook
Forsell wijst er op, dat het in
tamelijk versehe gevallen niet zelden mogelijk is door „Ausräu-
mung" een genezing tot stand te brengen, maar dat het vaak noo-
dig is, een zoodanige Ausräumung, b.v. na 14 dagen, te herhalen,
terwijl hij ook schrijft, dat deze behandeling in ver voortgeschreden
gevallen niet afdoende is. Persoonlijk heb ik omtrent deze behan-
delingswijze te weinig ervaring om op grond van ondervinding
daarover een oordeel uit te spreken. Bij de enkele gevallen, waar
ik mij met een zoo goed mogelijke reiniging van de spleetvormige
ruimte en een opvolgend penseelen daarvan met jodiumtinctuur
heb tevreden gesteld, waren de resultaten onbevredigend en moest
toch tot extractie der kiezen worden overgegaan. Evenwel heeft
mijn materiaal en overige bevindingen mij voldoende geleerd,
dat deze milde behandeling in de meeste gevallen falen moet.
Immers de spleten, waarin het voedsel is ingeperst zijn veelal zóó
diep, dat een volledige ontruiming er van practisch onmogelijk
is. Dat blijkt ook hieruit, dat men bij de extractie-pogingen
van de kies, welke vooraf van het haar omwoelende voedsel
is bevrijd, het verschijnsel ziet van een omhoog komen van nog
in de diepte verborgen voedselproppen. Daar bovendien de voor-
waarden voor een recidive zoo bijzonder gunstig zijn is het ook
te verwachten, dat reeds spoedig na het ontruimen der spleten,
deze opnieuw met voedseldeelen zullen zijn gevuld.

Betreffende de behandeling wordt in het meergenoemde artikel
door
Forsell en in navolging van dezen door den Zweedschen
dierenarts
Larsson het afknippen van de kroon van de met voed-
selproppen omringde kies met een speciaal daarvoor geconstru-
eerde schaar aanbevolen. Dat wegnemen van de kroon moet.
zoo mogelijk, juist aan den gingivaalrand geschieden. De gegevens,
welke L. verschaft, wijzen er op, dat met deze behandeling wel
gunstige resultaten kunnen worden verkregen, maar dat de moge-
lijkheid van de ontwikkeling van een chronisch wortel-abces
met een uiting daarvan naar buiten in den vorm van een kiesfistel
op of nabij den ventralen kaakrand niet is uit te sluiten. De voor-
deelen, welke hij aan deze therapie toeschrijft zijn deze, dat het
afknippen technisch eenvoudiger is dan de kiesextractie en dat
een hinderlijke verlenging van de kroon der antagonistische
kies uitblijft wegens het feit, dat de afgeknipte molare na onge-

-ocr page 460-

veer een jaar weder tot haar oorspronkelijke lengte is uitge-
groeid.

Forsell, die de bedoelde tand- of kiesschaar heeft aangegeven,
deelt omtrent het afknippen van de kieskroon ook gunstige erva-
ringen mede en hij meent op grond daarvan deze behandeling te
moeten aanbevelen, maar toch is deze operateur niet overtuigd,
dat door die therapie altijd een afdoend resultaat kan worden
verkregen, hetgeen wel blijkt uit zijn mededeeling : „Da aber
„das disponierende Moment oder die disponierenden Momente
„fortbestehen können ist damit zu rechnen, dass die Futtereinla-
„gerung wiederkommen kann. Ob man dann noch einmal abschnei-
,,den oder ausziehen soll, müssen die vorliegenden Verhältnisse
,,in Bezug auf die Möglichkeit der Nachbehandlung u. a. bestim-
,,men".

Volkomen juist is de opmerking, dat de voor de voedselinprop-
ping praedisponeerende momenten na het afknippen van de kroon
kunnen blijven voortbestaan, althans bij eenigszins oudere ge-
vallen en deze omstandigheid, gevoegd bij de mogelijkheid van
het ontstaan van een wortelabces langs den weg van pulpitis en
pulpa-gangraen, waartoe de voorwaarden gunstig zijn indien
op de breukvlakte de pulpa-kanalen worden geopend, zijn naar
mijn meening voldoende aanwijzingen om bij de gevallen, welke
daarvoor in aanmerking komen, tot de verwijdering van de kies
in haar geheel te besluiten. Bovendien moet men bedenken, dat,
indien na het inkorten van de betreffende molare de kauwbezwaren
blijven voortbestaan, het totaal verwijderen er van op de gewone
wijze, nl. door extractie, in hooge mate is bemoeilijkt.

Met opzet werd geschreven over de gevallen, welke voor een
behandeling in aanmerking komen. Mijn bedoeling daarmede is
deze, dat meermalen paarden ter onderzoek worden aangeboden,
waarbij het wellicht beter is van de dikwijls moeilijke behandeling,
hetzij voorloopig, hetzij voor altijd, af te zien. Het is duidelijk,
dat allereerst voor een behandeling in aanmerking komen de ge-
vallen, waarbij ernstige kauwbezwaren met een achteruitgang in
den voedingstoestand is te constateeren. Op de tweede plaats
komen de gevallen, waarbij de voedingstoestand en de gebruiks-
waarde van het paard niet worden bedreigd, maar desniettegen-
staande toch een behandeling wordt verlangd ten einde te trachten
aan de kauwstoornissen een einde te maken. Kunnen deze indi-
caties niet worden gesteld, dan is het naar mijn meening ge-
motiveerd een behandeling achterwege te laten; in het algemeen
behooren hiertoe de gevallen, waar de stoornissen in het kauwen
zeer gering zijn. Men bedenke, dat de extractie van een tweetal
kiezen in de onderkaak bij een paard niet tot de eenvoudige
kunstbewerkingen kan worden gerekend, terwijl bij mislukte
extractie-pogingen de operatiewond(en), welke ten behoeve van
het uitstempelen is (zijn) ontstaan, vaak eerst na langen tijd is (zijn)

-ocr page 461-

geheeld en men in deze gevallen bovendien rekening moet houden
met de mogelijkheid van het achterblijven van een op beennecrose
berustende kaakfistel, welke een langdurige behandeling behoeft.
Voorts dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid,
dat het gemis van een tweetal kiezen bij het paard ook meermalen
aanleiding geeft tot het uitwerpen van voedsel proppen ; een ver-
betering van den toestand is dan niet verkregen.

Zeker is dit laatste het geval, wanneer aan elk der onderkaakshelf-
ten een tweetal kiezen is geëxtraheerd. Hoewel bij uitzondering is
het mogelijk, dat bij liet onderzoek van de mondholte de aanwezig-
heid van voedselinpropping is vastgesteld rondom de vierde en
vijfde kies aan de linker, zoowel als aan de rechterzijde. Een zoo-
danige bevinding is niet een indicatie voor het verwijderen \\an
deze vier kiezen, aangezien het vrijwel zeker is, dat deze operatie
de toestand niet zal verbeteren. Door het verstrekken van genak-
kelijk te verwerken voedsel zal er naar gestreefd moeten worden
den voedingstoestand en de gebruikswaarde van het dier te her-
stellen en in stand te houden.
 Wordt vervolgd.

ZUSAMMENFASSUNG.

Das Einkeilen von Futter in die Zahnlücken besonders im Unterkiefer um den
4ten und 5ten Backzahn, wird bei Pferden sehr häufig beobachtet.

Infolge Form und Stellung die.-er Zähne den angrenzenden Zähnen gegenüber
entstehen oft Spalten und Vertiefungen worin das Futter eindringt und stecken
bleibt. Durch Druck der Futtermasse atrophiert der Alveolarrand.

Verfasser ist der Meinung, dass nur in ernsten Fällen (schlechtes Kauen) eine
Operation zu empfehlen ist. Man kann den betreffenden Zahn (Zähne) ausziehen.

Forsell und Larsson empfehlen nur die Krone des Zahnes abzuschneiden.

SUMMARY.

An accumulation of particles of food between and behind the teeth, especially
in the lower jaw around the 4th and 5th molar, is a very common symptom in
horses.

The position and direction of these molars towards the adjacent teeth often
leads to the formation of fissures and hollows in which the food collects.

By pressure of the lump of food the alveolar layer becomes atrophied.

The author is of the opinion that only in serious cases, such as considerable
chewing disturbances an operation is to be recommended.

The offending tooth (teeth) can be extracted. Forsell and I.arsson recommend
to remove only the crown of the tooth.

RÉSUMÉ.

Chez les chevaux on observe souvent une accumulation de restes de nourriture
entre et derrière les dents, surtout dans la mâchoire inférieure autour de la 4-ième
et 5-ième molaire.

Par suite de la position et direction dc ces dents vis-à-vis les dents adjacentes il
y a souvent des fissures et des cavités dans lesquelles la nourriture s\'amasse. Par
pressure de cet amas de nourriture le bord avéolaire s\'atrophie.

L\'auteur est d\'avis que seulement dans des cas graves p. e. en cas de mastica-
tion difficile il faut recourir à 1\' opération. On peut arracher la dent (dents) en
question.

Forsell et Larsson recommandent seulement à couper la couronne de la dent.

-ocr page 462-

Uit de Parasitologische afdeeling van het Instituut voor Parasitaire- en Infectie-
ziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht, Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK.

HET GEBRUIK VAN TETRACHLOORKOOLSTOF ALS MIDDEL
TEGEN DISTOMATOSIS,

door

Dr. E. A. R. F. BAUDET.

Over de waarde van deze stof als afdrijvend middel tegen disto-
men is men vrijwel tot de algemeene conclusie gekomen dat de
werking zeer goed is.

Onverwachte sterfgevallen, welke men na toediening van tetra-
chloorstof in verschillende vormen heeft waargenoemn, heeft bij
sommigen de twijfel doen rijzen of het nu wel te verdedigen is dat
men een dergelijk risico op zich neemt, door CC14 tegen distomen
aan te bevelen.

In de jaren dat de distomatosis zich meer en meer uitbreidde
en het aantal ziekte- en sterfgevallen onrustbarend toenam, zijn
door verschillende fabrieken specialité\'s bereid tegen deze ziekte.
Deze middelen werden onder allerlei namen in den handel gebracht
en duur verkocht in verhouding met hun werkelijke waarde. (Zie
dit Tijdschrift, Dl.
49 en 54).

Het bleek langzamerhand dat een zeer groot aantal dezer mid-
delen als werkzaam bestanddeel tetrachloorkoolstof bevatten.

Dit is de reden geweest dat aan het Instituut voor Parasitaire-
en Infectieziekten dit middel eveneens beproefd werd en wel met
uitstekende resultaten. (Zie dit Tijdschrift, 1)1.
54).

Nadeelige gevolgen, zelfs bij toediening van groote hoeveel-
heden CClj werden nimmer waargenomen, terwijl de parasiticide
kracht zeer groot was.

Bij toeneming van het gebruik van CCl^ in de praktijk kwamen
langzamerhand hier en daar klachten over nadeelige gevolgen,
welke bestonden in tijdelijke voedsel weigering, aanvallen van dui-
zeling en zelfs sterfgevallen.

Het was in hoofdzaak bij runderen dat men dergelijke onaange-
name gevolgen waarnam, doch ook werden enkele malen bij scha-
pen, welke preventief tegen distomatosis behandeld waren, sterf-
gevallen waargenomen, die men aan het gebruik van tetrachloor-
koolstof meende te moeten toeschrijven.

Begrijpelijk is het dat zwaar zieke schapen, waarbij de lever veel
parasieten bevat, soms niet bestand zijn tegen de behandeling en
wel eensdeels omdat gedoode distomen door de toch al sterk be-
schadigde lever verwijderd moeten worden en anderdeels omdat
tetrachloorkoolstof in meer of mindere mate degeneratie-verschijn-
selen van de lever verwekken kan.

-ocr page 463-

Bij runderen heeft men in plaats van tetrachloorkoolstof hexa-
chlooraethaan gebruikt. (Zie dit Tijdschrift, Dl.
55, Afl. 9, 1928).

Deze stof is geheel onschadelijk en werkt toch zeer bevredigend
tegen distomatosis.

Bij Neo-Serapis, een zeer gewild middel, dat tegen distomatosis
bij schapen en ook bij runderen gebruikt kan worden, is tetra-
chloorkoolstof, dat oorspronkelijk in Serapis S. B.
444 voorkwam,
vervangen door tetrachlooraethyleen. De samenstelling van dit
middel is volgens de opgave van
Nöli.ek, Gluscke en Schmid (i)
thans 56 deelen tetrachlooraethyleen, 23 deelen hexachloor-
aethaan,
13 deelen handelsbenzol (toluol bevattend) en 8 deelen
aetherische olie (terpentijn).

Door de weglating van tetrachloorkoolstof en door de toevoeging
van hexachlooraethaan is het dus ook geschikt geworden voor
runderen. Toch heeft men na toepassing van dit middel ook wel
tijdelijke nadeelige gevolgen waargenomen, welke bestonden in de
reeds eerder genoemde verschijnselen van duizeling, die soms
24
uur konden duren, zelfs voorbijgaande verlammingen en ook wel
veranderingen in de geur en de smaak van de melk. Ondanks
dit wordt Neo-Serapis in de literatuur van verschillende zijden
zeer aanbevolen
(2). Thienel (3) heeft de verschijnselen, welke na
gebruik van tetrachloorkoolstof optraden, in verband willen bren-
gen met idiosyncrasie van bepaalde dieren voor dit middel.

Norris (4) merkte echter op dat tetrachloorkoolstof giftig
werkte bij schapen, die een vol rantsoen droog voer verstrekt werd,
zelfs in een dosis van
2 c.M.3, terwijl dit niet het geval was wanneer
deze dieren zelf hun voedsel zochten. Dan bleek zelfs een dosis
van
30 cc., zonder eenig nadeel verdragen te worden.

Bij stalvoeding merkte hij op dat de giftigheid van CC1, veel
grooter was dan wanneer de dieren in de weide liepen.

Bokken en zoogende schapen, die 1—li pond krachtvoer kre-
gen, bestaande uit geplette haver, katoenzaadmeel, vischmeel,
waaraan keukenzout was toegevoegd en verder kalk en beender-
meel, werden toch ziek na toediening van
2 c.M. tetrachloorkool-
stof, wanneer dit voedsel gedurende
2 maanden vóór de kuur
werd toegediend. De moederschapen en jaarlingen, die dit kracht-
voer niet of slechts in geringe hoeveelheid genuttigd hadden,
bleven bij de zelfde dosis tetrachloorkoolstof gezond. Ook de
schapen en de runderen, welke in de weide liepen verdroegen
groote doses van dit middel.

De ziekteverschijnselen bestonden in apathie, bloedstolsels in de
ontlasting, geen eetlust, en ophouden der melkproductie. Bij de
sectie werden petechiën gevonden in de lebmaag, op het darm-
scheil en op het buikvlies.

Uit de onderzoekingen van Moxtgomerie (5) bleek dat de wer-
king van
CCI4 op distomen afhangt van den leeftijd van deze para-

-ocr page 464-

siet. Op leverbotten, jonger dan 9 weken had tetrachloorkoolstof
geen invloed, tenminste wanneer de dosis niet grooter was dan
r c.M3. Daar grooter dosis in sommige gevallen nadeelige gevolgen
kan hebben, is het raadzaam deze niet hooger dan r c.M:i. te stel-
len, en in sterk besmette streken de behandeling meermalen te
herhalen, b.v. eens per maand en zoo noodig eens per week. Op
deze wijze zal men geregeld de oudere parasieten afdrijven en daar-
door ziekte en sterfgevallen voorkomen ; ten slotte zullen de dieren
toch van de parasieten bevrijd worden.

Hall (6) vestigt de aandacht op de bevindingen van Minot,
waaruit zou blijken dat de vergiftigingsverschijnselen door tetra-
chloorkoolstof in verband staan met het calciumgehalte van het
bloed.

Bij gebrek aan calcium is het gebruik van CC14 gevaarlijk. Hier-
mede zouden bovendien die vergiftigingsgevallen te verklaren
zijn, welke men had toegeschreven aan idiosyncrasie.

Het was o. a. gebleken dat in bepaalde streken van Amerika
de honden op de therapeutische dosis van CC1, (4 c.M3. per K.G.
lichaamsgewicht) zware vergiftigingsverschijnselen vertoonden,
welke bestonden in gebrek aan eetlust, apathie, bewusteloosheid
trekkingen van teenen en lippen, tetanus van alle spieren en mid-
denrifkrampen. Dergelijke dieren stierven binnen 40—60 uur.

De overeenkomst van deze symptomen met die van de infantiele
tetanus bij den mensch bracht
Minot op het denkbeeld dat de
tetrachloorkoolstofvergiftiging in verband stond met calcium-
gebrek. Prophylactische en therapeutische proeven bij honden
in deze richting hadden zeer goede resultaten. Zoowel door intra-
veneuze injecties van calcium als ook door tijdige toediening per os
van versche beenderen, beendermeel, resorbeerbare kalkzouten
konden de vergiftigingsverschijnselen voorkomen of gunstig be-
invloed worden. Toxische closes werden dan goed verdragen.

Daarom wordt vóór het toedienen van CC14 een kalkrijk dieet
aanbevolen, dat minstens 8 dagen voor de behandeling moet wor-
den gegeven. Indien vergiftigingsverschijnselen optreden moet een
intraveneuze injectie met calciumchloride toegediend worden.
Deze injectie wordt eenige malen herhaald.

Voor honden bedraagt deze 0,00825 Gr. per K.G. lichaamsge-
wicht. De oplossing wordt langzaam ingespoten ; ongeveer 1 c.M3.
van een 10 %-oplossing per minuut.

Hall vestigt de aandacht er op dat ook bij runderen de vergif-
tigingsgevallen met CC14 te verklaren zijn in verband met belang-
rijke kalkuitscheiding door de melk.

Deze waarnemingen zijn dus ook van belang bij het gebruik
van
CCI4 bij schapen.

Indien men dus een kuur met CC14 bij schapen wil toepassen zal

-ocr page 465-

men ook zijn aandacht gevestigd houden op bovengenoemde be-
vindingen.

Gedurende den tijd dat de schapen zelf hun voedsel zoeken en
bij voldoende calciumgehalte van het bloed, waarop men door de
voeding invloed kan uitoefenen, zal de kans op onaangename
nevenwerking van CCI, ook bij schapen zeer waarschijnlijk sterk
verminderd worden.

LITERATUUR.

1. Nöller, Gluscke und Schmid.

Ueber Zusammensetzung und Wirkung einiger Lcberegelmittcl. M.T.W.
No. ïo,
1927.

2. Hupke, E.

Hexachloraethan, Tetrachloraethylen und Tetrachlorkolilenstof in der
Behandlung der Leberegelseuche.
T. R. No. ri,
1923.

3. Thienel, Dr.

Serapis S. B. 444 in der grossen Praxis.
M. T. W. No. Ii,
1926.

4. Norris, J. IL

Toxicity of carbon tetrachloride to sheep and cattle.
Vet. Record, Bd.
7, No. 28, 1927.

5. Montgomerie, B. E.

Carbon tetrachloride in liver-rot of sheep.

Jl. of Comp. Patholog. and Therapeutics, Part. 3, Vo.1 XLI, 1928.

6. Hall, M. C.

Recent developments 011 the use of carbon tetrachlorid.
North Americ. Veterinarian, Bd.
8, No. 11, 1928.
Ref. B. T. W. 1928, p. 424.

Z U S A M M E N F ASS IJ N G.

Auf Grund seiner eigenen Erfahrung und der Hrgcbnisse in der Literatur er-
wähnt, ist Verfasser der Meinung dass Tetrachlorkohlenstoff in einer Dose von
I c.c. ein wirksames und billiges Mittel ist gegen die Distomatose beim Schafe.

Kalkhaltiges Futter und Verabreichung des Tetrachlorkohlenstoffes nur während
der Weidezeit, werden die Fälle wobei Vergiftigungserscheinungen beobachtet
wurden, auf ein Minimum reduzieren.

SUMMARY.

From his own experience and the results found in literature, the author con-
cludes that carbon tetrachloride, dose 1 c.c., is an effective and cheap remedy
against distomatosis in sheep.

Calciferous food and administration of carbon tetrachloride only when the sheep
are at pasture, will reduce the cases where ill effects were noticed, to a minimum.

RÉSUMÉ.

Se basant sur ses expériences personnelles, et sur les résultats mentionnés dans
la littérature l\'auteur estime que le tetrachlorure de carbone à la dose d\'un centi-
mètre cube est un médicament par excellence pour combattre la distomatose du
mouton
à peu de frais.

Par une alimentation calcaiie et par l\'administration du medicament seulement
pendant le temps que les moutons sont en pâture, les cas dans lesquels des symp-
tômes d\'intoxication furent observés après l\'administration, seront réduits au
minimum.

-ocr page 466-

DE STAND VAN HET HONDENZIEKTE-VRAAGSTUK,

door

Dr. A. KLARENBEEK (Priv. Doe.)

De onderzoekingen naar de aetiologie en de therapie van hon-
denziekte hebben de laatste jaren het inzicht zoodanig verruimd,
dat het geven van een overzicht van de voornaamste daarvan
alleszins gewettigd is, vooral nu er een goede kans is, dat de be-
handeling in nieuwe banen geleid, betere uitkomsten zal opleveren
dan tot heden.

In 1905 luidde Carré1) een nieuwe phase van het onderzoek in ;
hij deed vele proeven en kwam tot het resultaat, dat de ziekte
veroorzaakt wordt door een
onzichtbare, jiltrccrbare en niet kweek-
bare smetstof.
Hij toonde aan, dat het bloed van door injectie
besmette dieren op het oogenblik van het koortsmaximum, even-
als het vocht der lichaamsholten, verzameld bij dieren met spon-
tane of kunstmatige besmetting, virulent is, hoewel geheel vrij
van bacteriën. Ingespoten bij jonge honden veroorzaken deze
vloeistoffen, al naar leeftijd en gevoeligheid der dieren, öf een
snellen dood na 5—7 dagen, öf een verloop der ziekte zooals de
klinici bekend is, waarbij vele complicaties optreden : coryza,
huidpustels, hoesten, neusuitvloeiing, bronchopneumonie enz.

Deze onderzoekingen gaven echter niet de eenheid van inzicht
in de aetiologie der ziekte. Sommigen bevestigden de resultaten ;
anderen twijfelden; weer anderen huldigden nog steeds de opvatting,
dat bacteriën het specifieke agens zijn of zochten vooral in de
zenuwafwijkingen naar specifieke veranderingen of naar pro-
tozoën.

De bactcriecle aetiologie vond vooral veel aanhangers in Enge-
land, waar onafhankelijk van elkaar verschillende onderzoekers
tot dezelfde resultaten kwamen. Het zijn voornamelijk de onder-
zoekingen van Mc Go
wan 2), Ferry3), Torrey en Ray *) ge-
weest, die in 1911- 1914
de Bac. Bronchoscpticus als oorzaak
van hondenziekte op den voorgrond brachten.

Een apart standpunt namen zij in, die voornamelijk in hersen-
weefsel zochten. Zij trachtten de gevonden afwijkingen in oor-
zakelijk verband te brengen met de ziekte, zooals o.a. ook bij
rabies het geval is. Veelvuldig zijn de publicaties over deze materie,
doch eenheid werd nooit bereikt, noch in de vondsten, noch in de
beoordeeling daarvan. Bekend zijn op dit gebied de onderzoekingen
van
Lentz 6), Standfusz 6), Babes en Gerlach \'), die allen min of
meer karakteristieke granulaties, in sterk gedegenereerde ganglien-
cellen, in de kernen daarvan of ook vrijliggend buiten de cellen,
waarnamen.
Sinigaglia noemde ze ,,Negria canis" en beschouwde
ze als oorzaak der hondenziekte.

-ocr page 467-

Van groote beteekenis schenen aanvankelijk te zijn de parasi-
taire vondsten in hersenweefsel
van Lewy en Kantorowicz fl~ u).
Zij vonden bij honden met nerveuze hondenziekte cysten met spo-
ren gevuld in de bastsubstantie van de hersenen. Korten tijd daar-
op verscheen een publicatie van een onderzoek van
Levaditi,
Nicolau en Schoen 13) over het voorkomen van encephalitis bij
het klinisch gezonde konijn klaarblijkelijk veroorzaakt door een
spontane infectie met een zelfde protozoon vertegenwoordiger, de
Encephalitozoon cuniculi, die als cysten en als sporen in de herse-
nen van vele gezonde konijnen, o.a. ook in Zweden veelvuldig voor-
komt. Het protozoon van
Lewy c.s. werd echter bij slechts enkele
honden door hen gevonden (6 van 22) ; latere onderzoekers hebben
de cysten niet kunnen aantoonen.

In het Institut Pasteur werd in 1927 hersenweefsel van eenige
honden met acute hersenziekte door hondenziekte onderzocht
(Levaditi, Schoen, Klarenbeek), zonder dat parasieten-cysten
of sporen werden aangetoond. Ook
Laidlaw en Dunkin vonden
nooit deze protozoen.

Met het streven van Levaditi, Nicolau en Schoen 14) de honds-
dolheid als een parasitaire ziekte, veroorzaakt door de Glugea
lyssae — een op de Encephalitozoon gelijkende protozoon — te
verklaren, konden
Manouelian en Viala 15) zich blijkbaar in we-
zen vereenigen. Want ook voor de hondenziekte namen zij een
parasiet als oorzaak aan de
Encephalitozoon negri : kleine ovoide of
fusiforme granulaties gelijkende op de Encephalitozoon cuniculi.

In 1926 heeft Carré 17) zijn vroeger getrokken conclusies zelf
aan een kritiek onderworpen en zijn onderzoek herhaald en aan-
gevuld. Hij kon in alle opzichten zijn vorig ingenomen standpunt
daarbij handhaven.

In hetzelfde jaar verscheen ook de eerste publicatie van de En-
gelsche onderzoekers
Laidlaw en Dunkin 17), die voor het Field
Distemper Fund te Mill Hill het hondenziekte-vraagstuk bestu-
deerden en daarbij kortelings tot zulke bevredigende resultaten
zijn gekomen.

Zij hebben het onderzoek aangepakt op de eenige manier, waarop
dit, met kans op resultaat, mogelijk was : door
een geisoleerd terrein
als experimenteer basis te kiezen ; en door te werken met proef-
dieren, die op dit terrein geboren waren. De groote verspreiding der
hondenziekte en de vermoedelijk levenslange immuniteit, die na
een infectie overblijft, maakt, dat het niet mogelijk is, om conclusies
te trekken, die volkomen betrouwbaar zijn te achten, wanneer men
onder andere condities zijn proefnemingen instelt. Wij wijzen er
hier tevens op, dat hetzelfde geldt voor de beoordeeling van de
waarde van preventieve vaccins.

Gekozen werd een stuk grond ver van dé bewoonde wereld. Aan-

-ocr page 468-

gebracht werd een gegalvaniseerd ijzeren omrastering ; 3 voet diep
m den grond ; 6 voet er boven. Gebouwd werden 16 kennels ; iedere
kennel met een ren. Verder een bungalow voor twee kennelmeisjes
op het terrein.

Tegen de omheining een huisje met een deur, als eenige commu-
nicatie van het terrein met de omgeving. Het huisje met drie ka-
mertjes : van buiten komende eerst een kleedkamer, clan een bad-
en dan weer een kleedkamer met steriele kleeding; dan de deur naar
het terrein. Bezoekers moesten hun goed afleggen ; een bad nemen
of zich grondig wasschen en steriel goed aantrekken.

In de omheining was nog een huisje : een luikje naar de buiten-
wereld voor aannemen van het voedsel, dat gekookt of gesterili-
seerd werd verstrekt. Daarenboven kregen alle dieren levertraan.
Alle voedingsbakken werden hier in de autoclaaf behandeld.

Het hospitaal was vliegvrij ; bestond uit twee symmetrische ge-
deelten met in het midden een sectieruimte. Iedere afdeeling be-
stond uit een serie geheel geïsoleerde hokken, gerangschikt rond
een centrale hal, met op den vloer een laagje ontsmettingsvloeistof.

Het binnentreden van deze ruimten was alleen mogelijk door een
korten gang, waarvan de vloer weer een laag creoline of lysol be-
vatte. Vereischte kleeding : rubberschoenen tot de knie, rubberjas
en handschoenen, gedrenkt in desinficiens.

Na ieder onderzoek werd de kleeding met desinficiens afgespoeld.

Ondanks al deze maatregelen bleek besmetting toch nog zij het
zeer sporadisch, mogelijk; daarbij is alleen aan luchtinfectie op
korten afstand te denken. Het systeem werd daarom veranderd,
zoodat later geëxperimenteerd werd met dieren, die in verschillende
kleine kennels, op grooten afstand van elkaar geplaatst, werden
ondergebracht. Na dien werd geen ongewenschte besmetting meer
waargenomen.

Voor ontsmetting van hokken bleek 1% lysol afdoende ; daags
na ontsmetting is gebruik weer zonder gevaar mogelijk.

De proeven op honden met hondenziektevirus bewijzen ook hier,
dat deze ziekte door écu bepaald virus ontstaat, ook al zijn de ver-
schijnselen, die men klinisch waarneemt vaak deels heel verschillend.

De afwijkende symptomen zijn aan vaak secundaire infecties
toe te schrijven. Broncho-pneumonie is niet een karakteristiek on-
derdeel dezer ziekte, maar berust op secundaire infectie.

Door te experimenteeren onder boven beschreven condities,
waarbij de kans op secundaire infecties veel verminderd was, werd
een beeld gekregen van de ongecompliceerde hondenziekte-infectie.
Uit talrijke proefnemingen bleek nu, dat hondenziekte is te be-
schouwen als een acute infectieziekte, met koorts gepaard gaande
en begin verschijnselen van coryza; de temperatuur-curve is
niet karakteristiek behalve in het begin ; de ziekte verloopt

-ocr page 469-

vaak met ernstige darmstoornissen, met aandoeningen van den
respiratieweg, soms met zenuwstoornissen.

De incubatie is constant: 3—6 dagen ; meestal 4 dagen. Dan treedt
koorts op, met waterige afscheiding van neus en oogslijmvlies ; na 24
uur is de afscheiding meestal reeds
purulcnt. De conjunctivae zijn
ontstoken ; korsten bedekken de oogleden. De
temperatuur stijgt
snel ; in 24 uur vaak tot ruim 40° C.; daalt dan weer en is dikwijls
na i a 2 dagen tot 38° C., waarna weer een langzame rijzing intreedt
Duur der ziekte verschillend : 48 uur tot 3 of meer weken.

In het begin vaak braken ; geen eetlust ; bij daling van de tem-
peratuur : eetlust terug en omgekeerd. Nagenoeg steeds
diarrhee :
slijmerig ; bloed ; karakteristieke geur. De duur der diarrhee vaak
dagen lang, nadat de temperatuur weer normaal is.

Afwijkingen aan de respiratie-organen gering, lichte hoest in de
periode van de tweede temperatuur stijging. Geen bronchitis of
bronchopneumonie bij de niet gecompliceerde hondenziekte. Aan-
doeningen van het
zenuwstelsel kunnen bij hondenziekte-infectie
voorkomen. Het begin is meest : kauwbewegingen, secretie daarbij
van dik speeksel. De aanval is daarbij van korten duur : een paar
secunden tot een minuut. Herhaling vaak ; dan dikwijls epilepti-
forme aanvallen : krampen, convulsies. In dergelijke gevallen werd
steeds chloroform toegediend.

Het onderzoek heeft doen zien, dat de inspuiting met virus be-
vattend materiaal bij de verschillende dieren verschillend verloopt.
Oorzaken daarvan zijn : verschil in vatbaarheid ; verschil in viru-
lentie der diverse stammen. De infectie geeft
slechts een geringe
sterfte.
Uitgezonderd de gevallen met zenuwsymptomen, zijn de
zieken slechts korten tijd min of meer ernstig ziek. De infectie doet
denken aan die van influenza en mazelen, die beide zelden doode-
lijk verloopen ;
het gevaar bestaat echter in de secundair optredende
infectie,
die vooral bij spontane gevallen van hondenziekte een rol
speelt.

Zeer infectieus, zelfs vóór het optreden van klinische symptomen
is de afscheiding van het neusslijmvlies ; verder het bloed. De
pustulae, die bij hondenziekte vaak aan de buikvlakte vooral te
zien zijn, zijn het gevolg van secundaire infecties. Met den inhoud
is hondenziekte niet op te wekken.

Controle van de temperatuur doet niet zelden lichte gevallen van
de ziekte onderkennen ; daarvoor twee keer daags opname noodig.
Vooral dieren in het beginstadium zijn als zeer virulent te beschou-
wen en dienen in de practijk geïsoleerd te worden.

Behalve bij honden bestudeerden Laidlaw en Dunkin 17) de
ziekte bij fretten.
Deze dieren zijn voor dit onderzoek geschikt :
zser vatbaar voor het virus ; de ziekte bijna steeds doodelijk, waar-
door men altijd vrij zeker is geen immuun materiaal te hebben ;

LVI ,1

-ocr page 470-

gemakkelijk te fokken. Ook van deze dieren werd een eigen fokkerij
aangelegd.

Evenals bij de honden werd voor de proefnemingen de uiterste
zorg besteed aan het voorkomen van ongewenschte besmetting.
De kooien werden dusdanig ingericht, dat aanraken der dieren bij
het reinigen der hokken niet noodig was. Ook hier werd in den
beginne een infectie op kleinen afstand door de lucht waargenomen.

De incubatietijd, bedroeg gewoonlijk 10 dagen ; als eerste ver-
schijnselen
weer waterige, na 24 uur purulente neus- en ooguitvloeiing.
Daarna : erytheem van dc huid van de buik met pustulae aan den
kop.
Dood gewoonlijk na 5 dagen, soms langer, met pneumonie,
convulsies. In de enkele gevallen van genezing : immuniteit voor
verschillende stammen.

Het onderzoek naar den aard van het virus heeft Carré1 e°16)
in het gelijk gesteld. Filtraten van hondenziekte-materiaal (neus-
secreet ; bloed in het beginstadium) bleken geen cultuur te kunnen
geven, doch waren in hooge mate virusrijk. Zelfs met de cultuur
van de Bacillus bronchosepticus gelukte daarentegen de typische
infectie niet.

Immunisatieproeven werden begonnen bij fretten. Na spontane in-
fectie kan een zeer solide immuniteit overblijven. Dit bleek door
vaccinatie nu ook mogelijk, wanneer na de vaccinatie levend virus
werd geinoculeerd.

Het vaccin, dat het beste voldeed, werd als volgt bereid. De fret,
ingespoten met hondenziekte-virus werd na 4—5 dagen gedood.
De milt werd steriel verwijderd ; daarna gewogen, fijngewreven
in mortier en met steriele NaCl-oplossing (0.9%) tot 20% emulsie
verwerkt. Daarna in steriele flesch met glasbolletjes geschud, ten
slotte gefiltreerd. Na verwijdering van een monster ter controle op
virulentie, werd formaline toegevoegd, tot 0.1 % concentratie werd
bereikt ; dan werd het vaccin in de ijskast geplaatst, waarna het
na 4 dagen avirulent is voor de fret. Voor het gebruik werd steeds
op steriliteit van het vaccin onderzocht. De weefsel prikkeling bij
de inspuiting door de formaline werd voorkomen door behandeling
met ammonia tot zwak alcalische reactie (tot reactie van pH 8.0
tot 8.2 was bereikt) en alle vrije formol in urotropine was veran-
derd.

De virulentie van het monster milt ( 4- NaCl solutie) werd steeds
gecontroleerd door inspuiting bij twee fretten : 1/10000—1/100.000
gram milt moet dan ziekte veroorzaken binnen 10 dagen.

Het beschreven procédé werd 40 keer toegepast en het resultaat
daarvan was, dat een nagenoeg uniform product daarbij bleek te
zijn verkregen.

Ter verkrijging van de immuniteit werd nu 2 cc3, vaccin subcu-
taan
ingespoten ; het dier werd na 2 weken isolatie daarna 1/4 cc3.
levend virus intra- of subcutaan ingespoten. Daarbij werd voor de

-ocr page 471-

laatste injectie dezelfde stam genomen als voor de eerste. De fret
is door deze dubbele injectie na
14 dagen immuun te achten voor
alle stammen, zoowel van de fret als van den hond afkomstig. Het
aldus bereide vaccin bleek enkele maanden goed te blijven. Ook
andere organen gaven een zelfde effect ; het virusgehalte bleek
echter geringer te zijn.

Het bleek dat alleen vaccinatie met vaccin geen solide immuniteit
gaf ; na 3—5 maanden bleek weer meer of minder duidelijke vat-
baarheid te bestaan. Na deze gunstige resultaten op fretten ver-
kregen,
werden immunisatieproeven genomen met honden.

De spontane infectie geeft evenals bij de fret bij den hond een
zeer duidelijke immuniteit, vermoedelijk voor het leven. Dit blijkt
o.a. uit het feit, dat slechts zelden meer dan een keer een besmetting
bij dit dier wordt waargenomen.

Preventieve entingen tegen deze ziekte zijn reeds vaak aanbe-
volen en nog is het aantal vaccins legio. Wij hebben steeds een
definitief oordeel daarover willen onthouden, overtuigd, dat een
studie van hondenziekte alleen dan goede resultaten kan opleveren
indien de voorwaarden voor \'t nemen van dierproeven gunstig zijn.
Niettemin pasten we herhaaldelijk verschillende vaccins toe, zon-
der duidelijk gunstigen invloed te kunnen waarnemen ten opzichte
van den infectiekans.

Vrijwel alle in den handel zijnde vaccins zijn gebaseerd op het
principe der bestrijding van de secundaire infectie of meer in \'t bizon-
der van de Bac. bronchosepticus. Verder werd aanbevolen inspuiting
met
bloed van zieke honden na koken en vermengen met karbolzuur
(Bryce 1882) en met hersenweefsel van lijders aan hersenverschijn-
selen bij hondenziekte (
Puntoni 18). Vooral de laatste enting trok
in den beginne zeer de aandacht ; zij werd verricht met een gefor-
moliseerd preparaat.
Puntoni 18) heeft echter zijn proeven na iq14
niet meer kunnen voortzetten, daar hem de noodzakelijke voor-
waarde, de proeven nauwkeurig te controleeren, door gebrek aan
isolatie-gelegenheid, ontbraken.

Eveneens trok de aandacht het onderzoek van Lebailly19) in
1927, die met milt van honden lijdende aan hondenziekte, verwij-
derd den 3en of 4en dag, gunstige entresultaten kreeg.

Laidlaw en Dunkin 17) begonnen hun immunisatieproeven bij
honden met het vaccin afkomstig van fretten.
Het bleek echter, dat dit
vaccin, zelfs in groote doseering, niet beschutte ; wel werd een
onvatbaarheid verkregen, door het inspuiten van drie doses, telkens
na een week.
Daartoe werden verscheidene proeven genomen, waar-
bij één a twee weken na de laatste dosis levend virus werd inge-
spoten. Twintig geënte dieren kregen geen hondenziekte ; vijf
slechts koorts. De meeste der contröledieren kregen typisch acute
hondenziekte ; twee stierven, drie kregen slechts geringe verschijn-

lvi 31*

-ocr page 472-

selen. Alle met levend virus tevens geënte dieren werden onvatbaar
tegen groote doseering virus van iedere beschikbare stam.

Deze immunisatie-methode was verre van ideaal en van weinig
practiseh nut
: de fret levert weinig virusrijk materiaal ; de immuni-
satie duurt lang.

Daarom werd overgegaan tot het maken van een vaccin van hon-
den afkomstig.
Het bleek, dat abdominale lymphklieren, milt, lever
en hersenen vaccin konden leveren. Een goed resultaat was echter
alleen te verwachten van zeer virusrijk materiaal. Gewoonlijk be-
vatten de hersenen weinig virus en was de virusrijkdom alleen vol-
doende bij acute hersenaandoeningen. De buiklymphklieren en de
milt leverden het meest, mits verzameld den jen tot den i8en dag
na de infectie. De milt, verwerkt den 5en dag, zooals
Lebailly19)
deed, levert geen goede en regelmatige uitkomsten. De lever geeft
ook geen betrouwbaar kwantum. Het eischte ervaring om te beoor-
deelen naar de klinische verschijnselen of een orgaan veel virus
bevatten zou. Soms bleek het mogelijk lever, milt, lymphklieren
en hersenen tot één liter virusrijk vaccin te verwerken.

Het bleek nu, dat een dosis van 5 cc. vaccin op dezelfde wijze als
bij de fret bereid — voornamelijk uit de milt — subcutaan toege-
diend een dusdanige beschutting gaf, dat na een week slechts een
geringe reactie op een inspuiting met een groote dosis virus werd
opgemerkt.

Een zeer duurzame immuniteit werd verkregen door inspuiting van
vaccin en na
ro dagen van levend virus. De immuniteit geldt voor alle
stammen ; zoowel geldt ze voor contactinfectie als voor intracere-
brale enting.

Het bleek verder dat een hond, die na vaccinatie een reactie ver-
toont op de inspuiting met levend virus, voor de omgeving onge-
vaarlijk is en dat dus het proces toegepast kan worden in de nabij-
heid van vatbare dieren.
Voor de fret bleek het honden-vaccin zonder
waarde
te zijn.

Met deze uitgebreide onderzoekingen heeft de Field Destemper
Fund een goed werk gedaan, dat vermoedelijk verstrekkende prac-
tische resultaten zal opleveren. Het resultaat toch van het onder-
zoek door
Laidlaw en Dunkin17) geleid, zoowel in het laboratorium
als bij het dierexperiment binnen en later buiten de omheining te
Mill Hill en het lofwaardig openlijk aangeven van de wijze waarop
het vaccin moet worden bereid, opent de mogelijkheid, overal de
waarde ervan door eigen onderzoek te beoordeelen.

Zij verhelen echter niet, dat hun onderzoek slechts een schrede
is op den weg, die tot een, ook voor de practijk volkomen bruikbare
methode voeren zal. Zij achten daarvoor vooral noodig het zoeken
naar middelen het virus ook buiten het lichaam te cultiveeren. Ook
trachten zij den laatsten tijd een immuun serum te bereiden. Het
serum van geïmmuniseerde of hypergeimmuniseerde dieren, door

-ocr page 473-

behandeling daarvan met groote kwantums virusrijk materiaal
bleek preventieve eigenschappen te hebben.

Het is aan geen twijfel onderhevig, dat, nu door deze laatste on-
derzoekingen vooral, het hondenziekte-vraagstuk weer in het brand-
punt der belangstelling gekomen is, talrijke publicaties het pro en
contra zullen doen hooren. In ieder geval schijnt het inzicht van
Carré het gewonnen te hebben en zal de filtreerbaarheid van het
virus wel als vaststaand kunnen worden beschouwd. Voorloopig
zal het vooral zaak zijn op zoo breede basis als mogelijk is, entin-
gen met een volgens
Laidlaw en Dunkin bereid vaccin preventief
toe te passen en daarvan de resultaten na te gaan.

LITERATUUR.

ï. Carré : C. R. Acad. d. Sc. Vol. CXL, 1905. p. 689. ibid. p 1489.

2. Mc Gowan : J. Path. and Bact. Vol. XV, 1911. p. 372.

3. Ferry : J. Inf. Dis. Vol. VIII. 1911. p. 399. Vet. J. Vol. LXVIII. 1912. p. 376.
Americ. Vet. Rev. Vol. XLI. 1912—\'13. p 77.
J. Path. and Bact. Vol.
XIX. 1914—\'15. p 489.

4. Torrey and Ray : J. Med Res. Vol. XXVII. 1913. p. 291.

5. Lentz : Z.schr. f. Hyg. Bd. 62 1908.

6. Standfuss : Arch. f. wiss. u. prakt. Tierh, Bd. 34. 1908.

7. SiNiGAGLiA : Clinica Veterinaria 1912. Citaat : Kraus-Gerlach-Schwein-
burg :
Lyssa bei Mensch und Tier. 1926

8. Gerlach : W. t. Mhft. 1920.

9. Kantorowicz und Lewy: Arch. f. wiss. u. prakt. Tierh. Bd. 49, 1922. Hft 45.

10. Kantorowicz : B. t W. 1926, Hft. 12.

11. Lewy und Kantorowicz: Klin. W. sehr Bd. 4. 1925 S. 1254.

12. Lewy, Fraenkel und Kuttner: Klin. W. schr. Bd. 5. 1926. S. 272 und 886.

13. Levaditi, Nicolau et Schoen, Annal. de 1\' Inst. Past. T. 38 1924 p. 651.

14. Levaditi, Nicolau et Schoen, Ibid. t 40 1926, p. 973.

15. Manouelian, Viala : C. R. Acad.d. Sc t 184 1927 No. 10.

16. Carré. Rev. génér. de Méd. Vet. 1926. No. 418. p. 545.

17. Laidlaw and Dunkin. J. Comp. Path. and Ther. Vol. 39. 1926. p 201, 213 ;
222 ; ibid 1928. p. 1 ; 209 Vet. Journ. 1928 Dec.

18. Puntoni. Ann. d\'Ig. 33. blz. 558. Ibid 34 blz. 406.

19. Lebailly. C. R. Ac. d. Sc. t. 185. 1927, p. 370.

BLADVULLING.

Apen die vee aanvallen.

De boeren in het Karroo-district van de Kaap-kolonie (Zuidafrika) verloren de
laatste maanden 300 lammeren, schapen en geiten, die door bavianen gedood
werden Die apen, in troepen van 50 tot 150 stuks, vallen op klaarlichten dag en
zelfs onder de oogen van de herders het vee aan.

(Vet. record. 1929. blz. 286). Vr.

-ocr page 474-

(Uit het Zoötechnisch Instituut der Rijks-Universiteit te Utrecht.
Directeur: Prof. Dr. H. M. KROON).

HET BESLAG MET KALKOENEN EN DE BESCHADIGING VAN

HET WEGDEK,

DOOR

Prof. Dr. H. M. KROON.

De nadeelen van kalkoenen aan de hoefijzers doen zich steeds
meer gevoelen, omdat op vele plaatsen het wegdek ervan te lijden
heeft. Nu in de steden de asphalt- en houtplaveisels meer algemeen
worden en buiten de bitumenwegen en ook de mac-adam wegen
zeer algemeen zijn, komen gevallen van beschadigen van het weg-
dek meer en meer voor. De bestrating is kostbaar, het aantal
paarden, ten minste in de steden, is verminderd, zoodat zelfs in
enkele groote buitenlandsche centra overwogen wordt of de voor-
deelen van de paardentractie we) opwegen tegen de schade daar-
door aan de plaveisels toegebracht, en of niet een verbod van het
gebruik van het paard in verschillende straten en stadsgedeelten
rationeel zou zijn.

De nadeelen worden aan het wegdek vooral toegebracht door
kalkoenen en stoot der hoefijzers. Nu is er een belangrijk verschil
tusschen de stompe kalkoenen of kalkoenen en stoot, en de scherpe
kalkoenen van het winterbeslag. Daar ik hier wil nagaan, welke
maatregelen te nemen zijn of genomen worden, zal ik eerst de
stompe en daarna de scherpe kalkoenen behandelen.

Stompe kalkoenen en stoot.

Vroeger was het in vele streken van ons land algemeen gewoonte,
om tuig- en landbouwpaarden te beslaan met kalkoenijzers en
om de trekpaarden ijzers met stoot en kalkoenen te geven. Men
beweerde, dat paarden zonder kalkoenen zouden uitglijden op de
plaveisels, doch vergat, dat men het paard weken lang liet loopen
met ijzers, waarvan stoot en kalkoenen waren weggesleten, zon-
der dat men van uitglijden wat bemerkte. Het nuttelooze van
kalkoenen voor z.g.n. tuig- of landbouwpaarden heeft men gelei-
delijk lecren inzien, zoodat tegenwoordig deze paarden algemeen
met gladde ijzers worden beslagen. Dit is zeker een resultaat van
de betere opleiding der hoefsmeden. Voor trekpaarden achten velen
een stompe stoot en stompe kalkoenen nog noodig. Enkele steden
zijn er, waar de trekpaarden nog algemeen en zelfs met ijzers met
zeer hooge stompe kalkoenen en stoot worden beslagen als b.v. te
Rotterdam. Men spreekt zelfs van Rotterdamsch beslag en bedoelt
daarmede het beslag met zulke ijzers. Ook in streken met geacci-
denteerd terrein worden nog veel ijzers met stoot en kalkoenen
gebezigd. Men beweert, dat de stoot vooral steun geeft bij het aan-
trekken tegen de hoogte op, terwijl de kalkoenen, vooral aan de

-ocr page 475-

achterijzers, dienst zouden doen bij het met een zware vracht van
de hoogte afgaan. Ik ben echter overtuigd, dat ook bij deze paar-
den stoot en kalkoenen wel gemist zouden kunnen worden. Al
jaren lang beslaan wij hier ook de zware trekpaarden met gladde
ijzer. Eerst hadden de eigenaars er wel bezwaar tegen, doch spoe-
dig bleek hen, dat de paarden evenmin uitgleden.

Opmerkelijk is ook, dat b.v. in Amsterdam met zijn hooge slui-
zen en waar ook zware vrachten van de straten langs hellende
kaden naar de schepen vervoerd worden, geen kalkoenen worden ge-
bruikt, juist dus in tegenstelling met wat te Rotterdam geschiedt. Als
men nu nog in aanmerking neemt, dat ijzers met stoot en kalkoenen
de straal van den bodem heffen, het ontstaan van plathoeven,
het doorzakken vooral van de achterste hoef helft, in de hand wer-
ken, is het niet te verwonderen, dat men tot de overtuiging komt,
dat kalkoenen of kalkoenen en stoot in het algemeen niet gebruikt
behoeven te worden, uitgezonderd bij enkele ziekelijke omstandig-
heden b.v. bij het beslag van stelthoeven.

Mijns inziens is dus niet veel in te brengen tegen het uitvaardigen
van een verbod van het gebruik van stompe stoot en kalkoenen.
Een voorbeeld daarvan bezitten wij reeds in het Wegenreglement
van de provincie Overijssel (vastgesteld bij Besluit der Staten
van 17 Dec. 1926, No. 20/22a, gewijzigd bij Besluit der Staten
van 7 Juni 1928, No. 53, Goedgekeurd bij Kon. Besluit van 21
Juli 1928, No. 354).

Artikel 22 van dit reglement luidt : ,,Het is verboden zonder
vergunning van den Hoofdingenieur van den provincialen water-
staat op de kunstwegen trekdieren te laten loopen, waarvan de
hoeven voorzien zijn van een beslag, dat van uitstekende deelen
aan het loopvlak is voorzien, tenzij deze deelen wegens gladheid
van den weg tengevolge van ijs of sneeuw tijdelijk zijn aangebracht".

Het gebruik niet alleen van stompe stoot en vaste kalkoenen
maar ook van stompe schroef- en insteekkalkoenen is daarmede
verboden. Voor bijzondere gevallen, ziekelijke afwijkingen en der-
gelijke kan dus speciale toestemming gevraagd worden.

Zeker zal dit voorbeeld wel navolging vinden.

Mocht men vreezen, dat het gebruik van gladde ijzers oorzaak
zou worden van uitglijden, dan is er een beter middel om dit
tegen te gaan, dan juist stoot en kalkoenen, een middel, goedkoop,
eenvoudig van toepassing en door eiken smid en eigenaar gemak-
kelijk aan te brengen, nl. de verwisselbare kurkzolen, zooals die
aan ons instituut al jarenlang aangelegd worden en zooals die o. a.
gebezigd worden bij de paarden der bereden politie te Amsterdam,
de tuigpaarden van de Amsterdamsche Rijtuigmaatschappij en
de zware trekpaarden van verschillende bierbrouwerijen. Ook op
de buitenwegen, op zachte wegen en op alle terreinen kunnen deze
zolen gebruikt worden.

-ocr page 476-

Dit beslag moet natuurlijk goed vervaardigd zijn. Aan het
hoefijzer worden de uiteinden der ijzertakken iets naar binnen
omgehaald en wordt de binnenrand van het ijzer niet vertikaal
gemaakt, doch iets schuin naar binnen gesmeed.

De kurkzolen worden hier door de smeden zelf gemaakt uit
kurkplaten, zooals die in den handel voorkomen, ook zijn tegen-
woordig in den handel reeds kurkzolen van verschillende tailles
verkrijgbaar. Deze zolen zijn zeer laag in prijs en kunnen in ver-
band met de vorm van het ijzer en de grootte van de straal met
de rasp bewerkt worden. Vóór het aanbrengen worden zij 8 a 10
minuten in heet water gedompeld, waardoor zij kneedbaar worden
en zoo gemakkelijk aangebracht en verwisseld kunnen worden, en
niet verloren gaan als zij droog zijn. Desnoods kunnen zij ook
droog ingeslagen worden. Verliezen komt weinig voor en zonder
bezwaar kunnen de zolen blijven zitten, wanneer maar gezorgd
is, dat zool, straal en straalgroeven, voor het inbrengen der zolen,
flink met bruine teer ingesmeerd worden.

Het bezwaar van het uitglijden is door gebruik van deze kurk-
zooltjes beter op te heffen dan door stompe kalkoenen.

Wat de stompe stoot en kalkoenen betreft kan dus gemakkelijk
een goede regeling getroffen worden.

Scherpe kalkoenen en stoot (winterbeslag).

Bij het winterbeslag heeft men veel grooter moeilijkheid, daar
het hier tot nu toe niet wel mogelijk is een methode van beslag
aan te geven, dat op met ijs of sneeuw bedekte wegen het uitglij-
den tegengaat, en op de kale plaveisels gebruikt, geen nadeel
veroorzaakt.

Het winterbeslag met vaste scherpe kalkoenen of scherpe kal-
koenen en stoot (slikscherp) kan verboden worden, zooals dit trou-
wens reeds geschiedt in het straks genoemde wegenreglement voor
Overijssel, waarin alleen toegestaan is het
tijdelijk aanbrengen
van uitstekende deelen aan het loopvlak.

Het gebruik van stompe schroef- en insteekkalkoenen kan men
nalaten, wanneer de schroef- of insteekgaten maar gefraisd wor-
den, zijn zij overbodig. Een verbod van het gebruik van stompe
schroefkalkoenen of stiften zou zonder bezwaar ingevoerd kunnen
worden.

Wanner echter de wegen en straten met sneeuw en ijs bedekt
zijn, kan het paard niet loopen zonder middelen, die het uitglijden
tegengaan. Ten onzent worden algemeen gebruikt de scherpe
schroefkalkoenen of de scherpe insteekkalkoenen, in het Noorden
van ons land hier en daar de roosjesinsteekkalkoenen of de ronde
veerkalkoenen. Gewoonlijk worden in elk ijzer vier, ook wel twee,
scherpe kalkoenen aangebracht, en wel alleen in tijden dat de wegen
glad zijn door ijs of sneeuw, en het uitglijden wordt daarmede afdoen-
de voorkomen. Als nu maar alle wegen en straten glad waren door

-ocr page 477-

sneeuw of ijs, zou het wegdek of het plaveisel geen nadeel onder-
vinden, daar de ijslaag het wegdek voldoende beschut, doch in den
regel vindt men buiten wel door de wind kaalgeveegde wegen en
in de steden is de sneeuw spoedig door pekel gesmolten of wegge-
ruimd. Dan juist heeft het wegdek wel te lijden van de scherpe
kalkoenen, er komen putjes en bersten in, water en modder be-
vorderen het aantasten van de bovenste laag. Herhaaldelijk kan
men, vooral op de bitumenwegen, doch ook op de asfalt- en hout-
bestrating, de nadeelen van het scherpe beslag waarnemen.

Het spreekt van zelf, dat er lang gezocht is naar een winter-
beslag, dat wel het uitglijden tegengaat, doch het wegdek niet
aantast. Tal van methoden zijn aangegeven, verschillende modellen
komen voor in het museum van het Zoötechnisch Instituut, doch
geen dezer is bruikbaar. Nog telkens worden in tijdschriften en
vakbladen andere methoden aanbevolen, doch in den regel is al
reeds uit de beschrijving op te maken, dat zij voor de praktijk geen
waarde hebben. Ook in ons land heeft men dikwijls en ook den
laatsten tijd nog, getracht een doeltreffend winterbeslag te con-
strueeren, dat de wegen en straten niet aantast. Ter gelegen-
heid van de in Juli 1928 te Utrecht gehouden Jubileum-Tentoon-
stelling van den Bond van Smedenpatroons was een prijsvraag
uitgeschreven, luidend als volgt : „Ideeën-prijsvraag voor een
hoefbeslag of hoefbeslagbescherming waarbij het paard bij elke
weersgesteldheid tegen uitglijden is beschermd, en waardoor het
moderne wegdek niet of althans zoo min mogelijk wordt bescha-
digd". Op deze prijsvraag kwamen niet minder dan zestien ant-
woorden in. De jury waarvan ondergcteekende voorzitter was en
waarin verder twee ingenieurs, specialisten op het gebied van
wegentechniek en twee onderwijzers in practisch hoefbeslag zit-
ting hadden en waarvan de directeur van de militaire hoefsmids-
school als adviseerend lid toegevoegd was, kwam tot de conclusie, dat
geen nieuw idee naar voren is gekomen en dat geen der inzendingen
in die mate aan de gestelde eischen voldeed, dat zij voor toeken-
ning van een prijs in aanmerking kon komen.

De hoefsmeden zoeken dus wel naar een doelmatiger beslag,
wat ook nog hieruit blijkt, dat tusschen September en December
1928 nog een viertal nieuwe methoden van winterbeslag aan ons
Instituut ter beoordeeling werden toegezonden. Drie dezer beslagen
werden als niet practisch bruikbaar beschouwd, een vierde zal
nader beproefd worden.

Over het algemeen kan men zeggen, dat er steeds naar gestreefd
is een met het oog op het beschadigen der wegen beter winter-
beslag te maken, doch dat men daar tot nu toe niet in geslaagd is.
De scherpe schroef- en de scherpe insteekkalkoenen gaan het uit-
glijden uitstekend tegen, zijn goedkoop en gemakkelijk aan te
brengen als gladheid der wegen optreedt. Omdat er nog geen beter

-ocr page 478-

winterbeslag is en de paarden zonder beschutting tegen het uit-
glijden op sneeuw en ijs niet gebruikt kunnen worden, zal men deze
kalkoenen moeten blijven gebruiken. Een verbieden van het ge-
bruik van scherpe verwisselbare kalkoenen is dus niet mogelijk,
daar hierdoor de paarden \'s winters dikwijls buiten dienst zouden
worden gesteld. Er blijft daarom een kans op beschadiging van het
wegdek. Alleen zal het gebruik van te hooge kalkoenen vermeden
kunnen worden, en overal kan men opmerken, dat de paarden-
houders meer en meer lage scherpe kalkoenen gebruiken, ook
omdat de hooge kalkoenen eerder stomp worden.

Of, wat het nadeel, dat scherpe kalkoenen aan het wegdek kun-
nen toebrengen, verschil bestaat tusschen kalkoenen met beitel-
vormige of met pyramidale koppen is niet uitgemaakt, ik geloof
dat het verschil gering is.

Wat de scherpe kalkoenen betreft is dus nog geen oplossing
gevonden.

Wellicht zullen de moeilijkheden op den duur kleiner worden,
wanneer wij meer en meer betonwegen krijgen, die volgens het
oordeel der specialisten op het gebied van wegentechniek, de wegen
der toekomst zijn.

ZUSAMMENFASS UNG.

In einer Gegend Hollands ist der Gebrauch von Hufeisen mit Stollen und Griffen
verboten, weil sie die Wege beschädigen.

Um das Ausgleiten zu verhüten empfiehlt Verfasser Korkeinlagen. Jedoch im
Winter wenn die Strassen mit Schnee und Eis bedeckt sind, sind scharfe Steck-
stollen unentbehrlich obwohl sie auch die Wege beschädigen.

Eine für die Wege unschädliche Winterbeschlagmethode hat man noch nicht
erfunden.

Betonwege haben sich bis jetzt als die besten erwiesen.

SUMMARY.

In a part of Holland the use of horseshoes with calkins and toe-pieces is pro-
hibited because the roads are badly damaged by them.

To prevent any slipping on ordinary roadways cork soles are highly recommended.

However, in winter when roads are slippery (covered with snow and ice) screw
shanked froststuds are essential although they are also deteriorating roads.

Any other form of wintershoeing which has no damaging effect, is not yet in-
vented .

Concrete-roads are most able to resist damage from shoeing.

RÉSUMÉ.

Dans une certaine partie de la Hollande l\'application de fers à épönges est
interdite parce qu\'ils abîment les chemins.

Pour éviter que les chevaux glissent sur les chemins ordinaires l\'auteur conseille
l\'emploi des soles en liège. Pourtant, en hiver, quand les chemins sont recouverts
de glace et de neige les éponges aiguës sont indispensables quoique celles-ci cau-
sent aussi du dommage.

On n\'a pas jusqu\'ici trouvé une méthode de ferrure d\'hiver qui est inoffensive.

Les chemins de béton sont les chemins les plus résistants aux fers à éponges.

-ocr page 479-

NAAR AANLEIDING VAN DE CHLOORCALCIUM-THERAPIE

BIJ KALFZIEKTE,

door

B. SJOLLEMA.

Het opschrift van deze regels zou kunnen luiden : „een nood-
kreet".

Terwijl dit jaar enkele honderden koeien met CaCl2 van kalf-
ziekte zijn genezen, blijkt het, dat er onder kalfziekte ook ge-
vallen doorgaan, die óf niet als kalfziek aangeduid behooren te
worden óf als atypische kalfziekte zijn te beschouwen, of wel
kalfziekte met complicaties zijn.

In een aantal dier gevallen laten, zoowel luchtinsufflatie
als CaCl2 in den steek. Dit heeft ons aanleiding gegeven te
onderzoeken, of het bloed in die gevallen andere afwijkingen
vertoont dan bij gewone kalfziekte, en inderdaad vonden wij
karakteristieke verschillen.

Het is mij bekend, dat sommige dierenartsen, die CaCl4 vooral
in wanhopige gevallen aanwenden, niet bijzonder tevreden zijn
met de CaCla-therapie, doordat zij met zulke gevallen te doen
hadden.1)

Het behoeft niet nader betoogd te worden, hoezeer het van
belang is, het bloed in een groot aantal van dergelijke gevallen
te onderzoeken.

Ik verzoek daarom met klem mij bloed te zenden van alle
dieren, waarbij men zonder succes de CaCl2-therapie heeft toe-
gepast, of die een afwijkend kalfziekte-beeld vertoonen. Dit
bloed zij genomen, minstens 12 uren na de laatste injectie of
insufflatie. 2)

Helaas, heb ik dit voorjaar veel minder medewerking van de
dierenartsen dan noodig is. In vele tientallen brieven verzocht
ik om mij meer monsters te zenden, doch zonder bevredigend
resultaat.

Ik hoop door dezen oproep nog te bereiken, dat alsnog een
aantal gevallen als bovenbedoeld aan mijn laboratorium onder-
zocht kunnen worden. Het is, dunkt mij, volkomen duidelijk
hoezeer het gewenscht is, zoowel uit theoretisch als uit prak-
tisch oogpunt, hier te leeren differentieeren.

Ook voor het verder onderzoek van voorjaarsziekte en kop-
ziekte zal ik materiaal dringend noodig hebben.

-ocr page 480-

BOEKAANKONDIGINGEN.

Tierheilkunde und Tierzucht. Eine Enzyklopädie der praktische Nutztierkunde
herausgegeben von Dr. V.
Stang, Berlin und Dr. D. Wirth, Wien.

Verlag Urban & Schwarzenberg, Berlin—Wien, 192g b\'er Band.

Weer is een deel van de bekende encyclopaedie verschenen, loopende van
Kaninchen tot Magendarmkrankheiten. De geheele uitvoering, papier, druk,
illustratie, band, laten weer niets te wenschen over. Over de inhoud behoef ik
weinig te zeggen, wie de vorige deelen kennen weten dat aan meer belangrijke
onderwerpen meer uitvoerige artikelen worden gewijd en dat minder belangrijke
kort en zakelijk worden behandeld. De lijst van medewerkers op verschillend ge-
bied waarborgen een goede bewerking. Van landgenooten vinden wij verschillende
artikelen van Prof. Dr.
H. Jakob en van Prof. Dr. J. Wester Jakob schrijft over
Kat1.enseuchen, Kino, Kokosnüsse, Koloquinten, Koso Flores, Krallenkrank-
heiten, Krotonöl, Kürbiskerne, Leptandrin, Liehen islandicus, Lidbindehauter-
krankungen, Lignum campectrianum, Linse erkrankungen, Lungenentzündungen
der Fleischfresser, Lupulus Glandula, Magendarmkrankheiten der Fleischfresser;
Wester geeft bijdragen over Leberkrankheiten, Lungenentzündungen der Rinder
und der Schafe en Lungenwurmseuche der Säugetiere.

Deel 6 bevestigt onze overtuiging, dat deze encyclopaedie voor iederen dieren-
arts een waardevol bezit is.

Die Entwicklung und der heutige stand der Zucht veredelten Landschweines im
ehemalgen Fürstentum Osnabrück,
von Dr. Karl Fischer, Osnabrück.

Verlag der Landwirtschaftskammer für die Provinz Hannover, Hannover 1928.

Wij hebben hier te doen met een uitgewerkte dissertatie van de natuurweten-
schappelijke faculteit der „Vereinigte Friedrichs-Universität", Halle-Wittenberg,
bewerkt en het Institut für Tierzucht und Molkereiwesen der Universität Halle
(Saale), Dir. Prof.Dr.
Fröhlich. Voor hen, die zich voor het veredelde Duitsche
landvarken interesseeren, is een nadere studie van dat geschrift wel aan te bevelen.
Het behandelt eerst de geographische, geologische en klimatologische bijzonder-
heden betreffende het voormalige vorstendom Osnabrück, beschrijft verder het
fokgebied, en vooral de teelt van het veredelde landvarken, speciaal op een viertal
groote bedrijven, verder de ontwikkeling der varkensfokkerij in Hannover (voor Os-
nabrück) en de maatregelen ter bereiking van het fokdoel. De groote vruchtbaarheid
van het veredelde Duitsche landvarken, wordt in een afzonderlijk hoofdstuk met
veel cijfermateriaal aangetoond. De productie en de gewichtsvermeerdering is bij
een groot aantal varkens gecontroleerd, metingen zijn verricht, een aantal lichaams-
maten zijn bepaald bij tal van beeren en zeugen hunne nakomelingen Een
uitvoerig overzicht wordt gegeven van de voornaamste bloedlijnen, waarbij een
aantal foto\'s van bekende vertegenwoordigers zijn opgenomen. Van verschillende
bloedlijnen zijn stamtafels aan het werk toegevoegd.

Züehtungslehre. Eine Einführung für Züchter und Studierende von Prof. Dr.
C.
Kronacher. Hannover Verlag. Paul Parey, Berlin, 1929 (prijs 15.80 Mk.),

Dit werk lijkt mij een belangrijke aanwinst in de zoötechnische literatuur, al
brengt het ook weinig of geen nieuws, dat niet reeds in de nieuwere drukken van
Kronachers groote werk Algemeine Tierzucht vermeld is. Ik heb hier meer-
malen de aandacht gevestigd op de groote waarde van dit laatste werk in 6 deelen,
doch ook gewezen op de groote breedvoerigheid en uitvoerigheid zoodat, wie een
studie van zootechniek begint te maken, in het boek „verdrinkt" en moeilijk den
goeden weg kan winden. Er wordt in
Kronachers groote werk niet genoeg onder-
scheid gemaakt tusschen hoofdzaken en nevenzaken, de laatste worden even
„gründlich" behandeld als de eerste, wat voor den lezer vermoeiend is. Het groote
werk van
Kronacher is meer een handboek, dan een studieboek, en komt daar-
om ook voor in de bibliotheek van iederen zoötechnicus

Het nu verschenen boek „Züehtungslehre" voldoet aan deeisch, die de schrijvers

-ocr page 481-

zich gesteld heeft: ein Buch zu schaffen, dass auf knappem Kaum, die Grundlagen,
Problemen und Wege der Züchtung in neuzeitlich biologisch-wirtschaflicher
Denkweise in gedrängter Form
einheitlich behandelt. Hij wil ,,dem Leser eine
volle, geschlossene Unterrichtung wenigstens über die allerwichtigsten, ausschlag
gebenden Fragen auf den Gebiete der Züchtung ermöglichen".

Met groote belangstelling heb ik het boek gelezen, waarin alle belangrijke zaken,
van een modern-biologisch standpunt worden bekeken en steeds getracht wordt
daaruit conclusies te trekken voor de praktijk der huisdierteelt Behalve de eigen-
lijke fokkerij biologie de voortplanting, de modificatie, de variatie, het geheele
mendelisme, de mutatie, behandelt sehr, het rasbegrip, de teeltkeus, beoordeeling
van exterieur en productie, beoordeeling naar nakomelingen en afstamming, be-
oordeeling der fokwaarde. Verder komen hoofdstukken voor over de domesticatie,
opfok, verpleging en voeding der huisdieren. Zooals de lezer ziet bestrijkt het boek
ten naastenbij het geheele gebied der algemeene huisdierteelt.

Ik acht het boek een bijzonder geschikte handleiding voor studenten, omdat zij
er in weervinden wat op college met hen behandeld wordt en kennis maken met
persoonlijke inzichten en verklaringen van een ander dan hun docent. Zij zullen
door bestudeering van
Kronachkrs ,,Züchtungslehre", een boek dat.niet te groot
is (365 pag.), hun gezichtsveld op het terrein der zootechniek vergrooten. Ook voor
dierenartsen die gaarne „bij" blijven op zoötechnisch gebied, en die geen tijd heb-
ben groote handboeken te raadplegen of de zoötechnische literatuur te volgen,
is
Kronachkrs nieuwe boek zeer aan te bevelen. Zeer veel goede afbeeldingen ver-
duidelijken den text.

De geheele uitvoering van het boek is tot in alle onderdeelen goed verzorgd.

Kroon.

INGEZONDEN.

Hondenvet en tuberculose.

In de ,,Mededeelingen van het Kijks-Instituut voor Pharmaco-therapeutisch
onderzoek" No. i(>, 1928 kwam de volgende mededeeling voor :

,,Hondevet is een middel tegen tuberculose, dat reeds sinds lang door verschil-
lende kwakzalvers wordt aangeprezen. Het zou of uit ,,zuiver hondevet" bestaan
•of uit een mengsel daarvan met reuzel of honig. Volgens den inzender zouden
enkele leveranciers er zich op beroepen speciale „hondenmesterijen" te exploi-
tecren (naar het heet aan de grens in Limburg), terwijl volgens anderen het vet
in een klooster bereid wordt. Leverancier onbekend. In het Pharmaceutisch Week-
blad 1927 vonden wij omtrent de samenstelling van het middel twee mededeelingen :
volgens de eene (blz. 1036) zou „hondevet" een geneesmiddel zijn tegen zware
hoest en bestaan uit een oplossing van 5 gr. kreosoot in 300 gr. arachisolie (daar
is de hond dus onschuldig aan
S ), terwijl volgens de analyse van apotheker
W. F.
Woutman, medegedeeld op blz. 1052, het middel bestaat uiteen mengsel
van reuzel en honig.

Onderzoek : Resultaat : Het tuberculose-middel „hondevet", althans het ons
toegezonden monster, bestaat uit honig, gemengd met 12% eener vetachtige
massa, die waarschijnlijk een mengsel is van twee of meer vetten (met zekerheid
kon geen hondevet worden aangetoond.)"

Deze mededeeling herinnerde mij aan een schrijven, dat ik eenigen tijd geleden
uit Amsterdam had ontvangen en waaruit ik het volgende aanhaal :

„Er worden hier in de omstreken van Amsterdam wekelijks honden geslacht
op een uit etisch oogpunt beschouwd meer dan afschuwelijke wijze. De honden
worden door de onverlaten iederen Dinsdag in Purmerend opgekocht (marktdag
S.), waarna ze op een afstand van 7 K M. in een eenzaam gelegen schuur gebracht
worden en daar levend opgehangen. Men voorziet ze eerst van een blikken bus

-ocr page 482-

om do bek, ten einde liet schreeuwen te voorkomen of volgens den burgemeester
der betrokken gemeente om het bijten te beletten, tk heb de zaak reeds eenigen
tijd geleden in handen van den Officier van Justitie Mr. H. te H. gegeven.

Z.W.EG. gaf mij den raad zooveel mogelijk bewijs-materiaal te verzamelen . .
Natuurlijk vind ik als dierenbeschermster en vooral uit moreel oogpunt beschouwd
het dooden van dieren en vooral van onze huisdieren op dergelijke wijze afschu-
welijk en ben ik bereid op alle mogelijke manieren te trachten een eind aan dat
luguber bedrijf te maken, hetgeen toch door de personen, die daar hun werk van
maken op de meest ruwe wijze moet plaats hebben.

De betrokkene heeft zelf verteld, dat een boxer, die uit de lus was geschoten,
zoo razend was geworden, dat het dier met een buks afgemaakt is geworden.
Waarschijnlijk zijn er onder de opgekochte stumperds zeer veel zieke dieren, maar
er zijn ook prachtbeesten bij o.a. werd een Greyhound weder verkocht, omdat
er niet veel vet aan zat, voor / 5.— ; de kooper verkocht hem direct aan den Heer
de V. te Z. voor ƒ 15—. Het dier moet volgens kenners groote waarde hebben, is
nog in het bezit van den Heer de V. en is dus nog bijtijds aan den gruweldood ont-
snapt, daar de lus al was klaargemaakt om hem te hangen . . .

Ook kwam mij nog ter oorc, dat er hondenmesterijen aan de grens moeten
zijn . . . liet vet werd door een reizigster bij verschillende apothekers aange-
boden . . ."

De Vlceschkeuringswet kent (gelukkig?) de hond niet als slachtdier, en honde-
vet is dus steeds ongekeurd. Ziekten waaraan dit huisdier lijdt (bv. tuberculose)
kunnen dus daardoor overgebracht worden. En dit nog wel bij stakkerds, die
meenen en hopen door dit kwakzalversmiddel genezen te zullen worden !

Ik gaf dan ook desgevraagd de volgende verklaring af :

„Het dooden van honden door ophanging, met het doel het vet dezer dieren te
verkoopen ten behoeve van lijders aan tuberculose, acht ik uit humanitaire over-
wegingen hoogst afkeurenswaardig en met betrekking tot de volksgezondheid
zoowel rechtstreeks (het nuttigen van ongekeurd dierlijk voedsel), als indirect
(het nalaten eencr rationeele behandeling) zéér bedenkelijk."

Breda, April 1929. T. D Sigling.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Het Hoofdbestuur maakt bekend, dat voortaan geen vijfdejaars studenten meer
door het Bureau voor Plaatsvervanging zullen worden uitgezonden. In den laatsten
tijd heeft het krachtig stelling genomen tegen het verrichten van diergeneeskun-
dige handelingen door onbevoegden (inenten, pullorum-bestrijding, onderzoek van
zieke uiers door ambtenaren van den warendienst), waardoor het vanzelf de ver-
plichting op zich heeft genomen, met de oude gewoonte niet-afgestudcerden in de
gelegenheid te stellen als vervangers in diergeneeskundige praktijken op te treden,
te breken. Het Hoofdbestuur ontveinst zich niet, dat aanvankelijk althans, hier-
door moeilijkheden geboren zullen worden, omdat het aantal beschikbare afge-
studeerden nooit toereikend is aan alle aanvragen om vervanging te voldoen en
het spreekt den wensch uit, dat het zal mogen gelukken bij voorkomende gevallen
naburige collega\'s bereid te vinden de verlangde diensten te bewijzen.

Zooveel het in zijn vermogen is. blijft ondergeteekende gaarne bereid, met in-
achtneming van bovenstaande beslissing, zijne bemiddeling te verleenen.

Aangezien de opbrengst van de verzekeringsformulieren onvoldoende is tot
dekking der kosten ziet het Hoofdbestuur zich verplicht de prijs ervan te ver-
hoogen tot / 0.25 per pakje van tien stuks.

Geldig voor alle Veeverzekeringsmaatschappijen zijn deze formulieren in drie
soorten : Keuringsformulieren, Schade-ziekteattesten en Sectieverslagen
uitsluitend
verkrijgbaar bij ondergeteekende.

-ocr page 483-

Heeren practici worden nogmaals dringend verzocht, ingevolge het besluit van
de 55ste Algemeene Vergadering, onder géén voorwaarde, andere formulieren te
gebruiken. De Secretaris,

H. A. Vermeulen.

Nieuwe Gracht 165, Utrecht.

Afd. Groningen Drenthe. In de 6 April jl. gehouden vergadering werd de
aftredende 2e secretaris B.
Jonker te Borger vervangen door H. Delmers te
Coevorden.

Opnieuw zijn er klachten gerezen tegen de Zwolsche paarden- en veeverzekering-
maatschappij en daar de directie tot nog toe in gebreke bleef bevredigende maat-
regelen te treffen, werd aan het HU. der Maatschappij verzocht in deze de verdere
vereischte stappen te doen.

Door Prof. Dr. H. M. Kroon te Utrecht werd een voordracht gehouden over
,,Paard en Auto" (Deze voordracht zal in het tijdschrift verschijnen).

De voorzitter dankte Prof. Kroon voor zijne duidelijke, met vele toelichtende
tabellen geillustreerde voordracht, terwijl van gelegenheid tot debat geen gebruik
werd gemaakt. Na de vergadering verzamelden ecnige leden zich met Prof.
Kroon
als gast, aan een gemeenschappelijke maaltijd. Kroes.

Verslag van den toestand der afdeeling Groningen Drenthe over het jaar 1928.

In het afgeloopen vereenigingsjaar werden zes vergaderingen gehouden, resp.
bezocht door 25, 35, 20, 29, 24 en 34 leden, wel een bewijs, dat er in onze afdeeling
belangrijke aangelegenheden aan de orde zijn geweest. In de ie plaats was het de
tnberculose-bestrijding bij het rundvee die tal van besprekingen heeft uitgelokt.
Het Genootschap van Landbouw in Drenthe verzocht aan onze afdeeling iemand
aan te wijzen als lid van de commissie voor tuberculose-bestrijding in Drenthe
en de Groninger Zuivelbond stelde voor met een deputatie onzer afdeeling te con-
fereeren ter bespreking van deze bestrijdingsplannen in de provincie Groningen.
Daar de afdeeling stelling gekozen had voor de bestrijding volgens het Rijks-
systeem en de Zuivelbond bereids het Friesclie stelsel had aanvaard, waren de
praktische resultaten niet van dien aard als velen ze gewenscht hadden. Ook de
toelichting van wege den gezondheidsdienst voor vee. waarvan melk geleverd
wordt aan particuliere zuivelfabrieken in Friesland en Groningen, kon niet de
sympathie van het meerendeel der afdeelingsleden verwerven

Tn de 2e plaats gaf het tot stand komen van ren cursus in pluimveeziekten
velerlei bemoeiingen, toch kon de cursus in 1928 nog niet worden gehouden. Verder
werd de kwestie van het bloed aftappen bij kippen door dierenartsen en het daar-
voor vast tc stellen tarief, van verschillende zijden belicht, zonder dat de noodige
eenstemmigheid werd verkregen.

Ken kwestie met de Zwolsche paarden- en veeverzekeringsmaatschappij kreeg
ook nog niet een bevredigend slot. Aan de orde voor bespreking kwamen nog ver-
schillende onderwerpen op maatschappelijk gebied, zooals : portvrijdom, het plaat-
sen van de gemeentelijke keurmeesters onder rijksbeheer en de actie tegen tijdelijke
benoemingen, de willekeur van gemeentebesturen te dier zake en de rechtspositie
van den keuringsveearts in verband met die van andere ambtenaren, het optreden
van controleurs bij de warendienst ten behoeve van ziekte onderzoek enz.

Voordrachten werden gehouden door :

J. Bruijel over dierenmishandeling en dierenbescherming, J. Goedhart over
de trekhonden wet, Dr.
| \\. Beijers over verschillende ziekten der groote huis-
dieren, Prof. Dr.
B. Sjollema over Kalfziekte en overeenkomstige syndromen.

Bij „Rondvraag" kwamen verschillende onderwerpen aan de orde zooals:
distomatose, Guérinsche tuberculosebestrijdingsmethode, melkfistels, be-
strijding der runderhorsels met hypodermosiet, verwijdering van leggers, kop-
ziekte, schadelijke werking van ingevoerde gerst en lijnmeel, de schadelijke werking
van mais als voedsel voor jonge biggen.

-ocr page 484-

Op de algemeene vergadering werd de afdeeling vertegenwoordigd door haar
secretaris.

Het verslag van den penningmeester wees een batig saldo aan van ƒ 154.23.

Als feiten in het huishoudelijk gedeelte onzer afdeeling kunnen nog worden ge-
noemd : de zeer goed geslaagde zomervergadering te Paterswolde en de daarop
gevolgde bijeenkomst met dames, het aftreden van den voorzitter (J. M. A.
van
Nes)
wegens vertrek naar Soestdijk, de verkiezing van Dr. J. Staal als voorzitter
en
J. Bruijel als vice-voorzitter, het 25-jarig jubileum van den secretaris als zoo-
danig ; terwijl wat de particuliere aangelegenheden onzer leden betreft nog ver-
melding verdienen : het 30-jarig jubileum als dierenarts van A.
H. Steenbergen
en de promotie van Dr. H. Jalving. Kroes.

BERICHTEN.

Prof. Dr. H. REMMELTS. f

Wij werden diep getroffen door de tijding van het overlijden, op 17 April,
van Prof. Dr.
Remmelts. Ofschoon zijn gez indheid reeds lang te wenschen liet,
had niemand de toestand zoo ernstig ingezien en een zoo spoedig einde verwacht.

Prof. de Blieck zal in de volgende aflevering van dit tijdschrift eenige
regels aan den overledene wijden en een korte levensbeschrijving geven.

Dat Remmelts veel vrienden had bleek op den dag der crematie, 22 April,
te Westerveld; ongeveer 150 personen waren gekomen om hem de laatste eer
te bewijzen Van de Rijksuniversiteit te Utrecht waren aanwezig: de vertegen-
woordiger van het College van Curatoren, de Secretaris Dr.
B. J. L. baron de
Geer van Jutphaas;
de professoren Dr. de Blieck, Dr. Hartog, Dr. Kroon,
l)r. Roos, Dr. Schornagel en Dr. Wester; afgevaardigden van de senaat
van het Utrechtsche Studentencorps:
van Rappard, rector, van Royen, abactis
verder
Kortman, praeses, Harmsen, abactis en de Monyk van de dierge-
neeskundige faculteit; afgevaardigden van de Studentenvereeniging Uniias
Studiosorum:
Beens en Stonebrink en Hovenier praeses van het veterinaire
faculteitsbestuur.

Als vertegenwoordiger van den Veeartsenijkundigcn Dienst was Dr. A. ten
Sande
gekomen, verder de Inspecteurs van dien Dienst ten Hoopen. Klauwers,
Overbeek
en Tenhaeff.

De Maatschappij voor Diergeneeskunde was vertegenwoordigd door den
voorzitter Dr.
Dhont, het Kon. Ned. Landbouw Comité door den secretaris
Dr.
Molhuyzen ; van de Rijksseruminrichting waren aanwezig de directeur
Dr.
Lourens en Dr. van Straaten.

Verder waren in de stoet l.uit.-Kol. Hoogkamer en Kol. van der Burg,
oud-dirig.-paardenartsen van het N.-l. leger, Dr. Iveyzer, directeur van het
abattoir te Haarlem, Dr. v.
d. Sluijs, oud-directeur van het abattoir te
Amsterdam, M.
J. Veenstra. rijkskeurmeester, keuringsveearts te Rotterdam;
Dr. A.
Vrijburg voor de redactie van het tijdschrift, verschillende dierenartsen
en verder vriendën van den overledene.

Prof. de Blieck sprak namens de Senaat der Utrechtsche Univ ersiteit en wees
op het verdienstelijke werk door Prof.
Remmelts te Utrecht verricht als docent.

Dr. Dhont herdacht de overledene als vriend en preeo zijn goede, nobele
karaktereigenschappen.

Namens de Ver. v. exporteurs van vee en vleesch eerde de heer van Gelder
de overledene; hij herinnerde aan de prettige en toch zakelijke manier waarop
hij steeds met hen overleg pleegde en gewaagde van het hooge aanzien waarin
Prol\'.
Remmelts stond in de kringen der exporteurs.

-ocr page 485-

De heer Kortman dankte namens het faculteitsbestuur van het Utrechtsche
Stutentencorps en van Unitas Studiosorum voor alles wat Prof.
Remmelts
voor de studenten heeft gedaan.

Dr. Molhuvzen sprekende namens het Ken. Ned. Landbouw Comité bracht
hulde voor de belangrijke diensten door den overledene als adviseur aan het
Comité en aan de landbouw bi wezen.

Namens de Yereeniging van Rijkskeurmeesters sprak M. J. Veenstra. Hij
bracht in herinnering het uitstekende werk van Prof.
Remmelts bij de voor-
bereiding van de Wet op de uitvoerkeuring en prees de humane en prettige
wijze waarop hij als leider van die keuring steeds met de Rijkskeurmeesters
samenwerkte.

Mr. H. Smeenge wijdde als vriend van de familie Remmelts eenige gevoelvolle
woorden aan de overledene.

Prof. Dr. Kohlbrugge sprak namens de Maatschappij Nationaal Belang,
waarvan Prof.
Remmelts Commissaris was. Namers de familie dankte Dr. Rem-
melts,
een neef van de overledene, voor de betoonde greote belangstelling.

VLEESCH HYGIËNE.

De overwegingen van den Hoogen Raad betreffende den 5 jarigen termijn, be-
doeld in art.
47 der vleeschkeuringswet.

In het vorige nummer van het tijdschrift heb ik reeds mededeeling gedaan
van het vonnis van den Hoogen Raad, gewezen tegen een slager te Amsterdam,
die reeds door den kantonrechter en de rechtbank was veroordeeld, omdat zijn
slagerswinkel op 25 April 1928 niet voldeeel aan de krachtens art. 19 der vleesch-
keuringswet. bij koninkl. besluit van 10 Juli 1926, Stbl. 233, gestelde eischen. De
Hooge Raad achtte het feit bewezen, doch niet strafbaar en ontsloeg daarom den
slager van rechtsvervolging. In de ,,Vee- en Vleeschhandel" vond ik de over-
wegingen van elen Hoogen Raael vermeld, welke ik hieronder laat volgen.

Door den advocaat van den verdachte waren 2 cassatiemiddelen aangevoeret en
wel :

ie. dat de slagerswinkel is te beschouwen als een werkplaats;

2e. dat het keminkl. besluit van 6 Juni 1921, Stbl. 754, op 24 Sept. 1926 is ver-
vallen en vervangen door het koninkl. besluit van 10 Juli 1926, Stbl. 233, en de
vijfjarige termijn, genoemd in art. 47 der vleeschkeuringswet, derhalve een aan-
vang nam op 24 Sept. 1926.

Ten aanzien van liet tweede middel van cassatie had de Rechtbank overwogen :
,,dat krachtens art. 47 der vleeschkeuringswet inrichtingen, bedoeld in artikel 19
(dus ook vleeschwinkels) zooals de onderhavige, welke op 1 Januari 1922 bestem-
den, gedurende vijf jaren na het in werking treden van het in artikel 47 bedoeld
koninklijk besluit, houdende de eischen, waaraan die inrichtingen moeten voldoen,
vrijgesteld zijn van die eischen.

..dat dus de bedoeling van den wetgever blijkbaar was, dat den houders van
vleeschwinkels gedurende 5 jaren de gelegenheid zou worden gelaten aan de te
stellen eischen te voldoen.

„dat het koninklijk besluit van 6 Juni 1921, waarbij aanvankelijk uitvoering
werd gegeven aan gemeld artikel 19, is vervangen deior het koninkl. besluit van
10 Juli 1926, in werking getreden 24 Sept. 1926.

„elat immers bij artikel 12 van laatstbedoeld besluit is bepaald, clat het besluit
van 1921 vervalt, met uitzondering evenwel van ele bij dat besluit gegeven regeling
voor inrichtingen, welke op den datum van inwerkingtreding van het nieuwe
besluit in overeenstemming waren met de bij het oude besluit gestelde eischen,
zoolang zij aan die eischen voldoen.

„dat dit echter niet wegneemt, dat de termijn van 5 jaren, bedoeld in art. 47 der
vleeschkeuringswet, is aangevangen op 1 Juni 1922, toen het besluit van 6 Juni
1921, ter uitvoering van artikel 19 dier wet, in werking trad, en derhalve op 31 Mei
HJ27 verstreken is.

-ocr page 486-

Naar de meening van den Hoogen Raad heeft deze weerlegging door den recht-
bank van het door den verdachte gevoerde verweer gefaald. De Hooge Raad over-
woog nl.

„dat immers art. 47 der vleeschkeuringswet in zijn eersten zin bepaalt :
„Inrichtingen, bedoeld in artikel 19, welke op 1 Jan. 1922 bestonden, zijn ge-
durende 5 jaren na het in werking treden van den, in dat artikel bedoelden, alge-
meenen maatregel van bestuur, vrijgesteld van de daarin te stellen eischen" ;

„dat het nu hier gaat om de vraag, wat in art. 47 moet worden verstaan onder
„den, in dat artikel — nl. artikel 19 — bedoelden algemeenen maatregel van
bestuur" ;

„dat de rechtbank kennelijk heeft gedacht aan den algemeenen maatregel van
bestuur van 6 Juni 1921, in werking getreden met ingang van 1 Juni 1922, daar zij
immers aanneemt, dat de termijn van 5 jaar, bedoeld in art. 47 der vleeschkeu-
ringswet, voor den verdachte is aangevangen op 1 Juni 1922 ;

„dat de rechtbank echter bij die opvatting voorbijziet, dat dan art. 47 den ver-
dachte ook enkel vrijstelling zou verleenen van de „daarin", dat wil zeggen in den
algemeenen maatregel van bestuur van 1921, gestelde eischen en niet van de
eischen, gesteld bij den algem. maatregel van bestuur van 10 Juli 1926, welke
voor den eerstbedoelden in de plaats is getreden, zoodat de verdachte terstond bij
de inwerkingtreding van den algemeenen maatregel van bestaaur van 1926 aan de
daarin neergelegde eischen had moeten voldoen.

„dat deze consequentie van de opvatting der rechtbank aantoont, dat die op-
vatting niet juist kan zijn, aangezien art. 47 der vleeschkeuringswet kenlijk strekt
om den hoofden of bestuurders van de daarin aangeduide inrichtingen zekeren tijd
te laten om hunne inrichtingen aan de eischen, te stellen bij algemeenen maat-
regel van bestuur, aan te passen ;

„dat bovendien de wetgever, in art. 47 sprekend van vrijstelling van eischen,
gesteld bij een algemeenen maatregel van bestuur, daarbij het oog moet hebben
gehad op geldende eischen en dus ook op een geldenden algemeenen maatregel
van bestuur en niet op de niet meer geldende eischen van een immers ingetrokken
algemeenen maatregel van bestuur ;

„dat mitsdien in art. 47 onder „den in dat artikel namelijk : in art. 19 — be-
doelden algemeenen maatregel van bestuur" thans moet worden verstaan de alge-
mcene maatregel van bestuur van 10 Juli 1926, in werking getreden 24 Sept. 1926,
behalve voor wat betreft de inrichtingen, bedoeld in art 12 van dat besluit, zijnde
deze uitzondering intusschen ten deze niet van belang ;

„dat, gelijk uit het voorgaande volgt, voor den verdachte op 24 Sept. 1926
een termijn van 5 jaar begon te loopen, gedurende welken zijn inrichting van de
in den algemeenen maatregel van 1926 gestelde eischen is vrijgesteld en het be-
paalde in art. 38 der vleeschkeuringswet, voor zooveel die eischen betreft, op hem
niet van toepassing is, zijnde het bewezen verklaarde door hem begaan op 25
April 1928, dus binnen voorzegden termijn ;

„dat derhalve het tweede cassatiemiddel is gegrond en art. 38 der vleesch-
keuringswet, in verband met art. 2 onder C en D van meergenoemd besluit van
1926, op het bewezen verklaarde niet had mogen worden toegepast ;
„vernietigt het bestreden vonnis".

Artikel 47 van de Vleeschkeuringswet. De Heer K. ter Daan stelt vragen aan
den Minister en heeft bezwaar tegen een nieuw uitstel.

Het Tweede Kamerlid, de Heer K. ter Laan, heeft aan den Minister van Ar-
beid, Handel en Nijverheid de volgende vragen gericht :

i Heeft de minister kennis genomen van de uitspraak van den Hoogen Raad,
waarbij is bepaald, dat de termijn, bedoeld in art. 47 van de Vleeschkeuringswet,
geacht wordt te zijn ingegaan op 24 Sept. 1926, zoodat de inrichtingen, bedoeld
in art. 19 van genoemde wet, tot 24 Sept. 1931 van de bij algemeenen maatregel
van bestuur gestelde eischen zijn vrijgesteld?

2. Is de Minister niet van oordeel, dat, terwijl de voorschriften reeds in het

-ocr page 487-

Koninkl. Besluit van 6 Juni 1921 zijn neergelegd en aan deze voorschriften reeds
op 31 Mei 1927 voldaan had moeten zijn, het niet in het belang der volksgezond-
heid kan worden geacht, dat andermaal een uitstel van jaar wordt verkregen?

3 Is de Minister niet van meening, dat dit uitstel de uitvoering van in ver-
schillende gemeenten bestaande plannen tot stichting van een slachthuis zal be-
lemmeren ?

4. Is de Minister voorts niet van meening, dat door zulk een uitstel ook een
onbillijkheid zou worden begaan tegenover degenen, die reeds thans belangrijke
uitgaven voor de verbetering hunner slachtplaatsen hebben gedaan, terwijl zij,
die de wettelijke voorschriften trotseerden, daarvan nu weer voor geruimen tijd
zouden worden vrijgesteld ?

5. Acht de minister geen termen aanwezig, om door middel van een wetswij-
ziging te bereiken, dat alsnog binnen redelijken tijd aan de voorschriften van het
Koninkl. Besluit van 10 Juli 1926 zal zijn voldaan?

Vernietiging van afgekeurd vee en vleesch.

De N. T. I\'. hebben van het Min. van Arbeid, Handel en Nijverheid mededeeling
ontvangen, dat op het bezwaarschrift tegen de beslissing van Ged. Staten van
N-Holland inzake de goedkeuring van het besluit van den kcuringskring Bar-
singerhorn tot het oprichten van een gemeenschappelijke noodslachtplaats met
een daaraan verbonden verwerkingsinrichting, geen termen gevonden zijn om
de gevraagde vernietiging van dit besluit toe te staan. De keuringskring Barsinger-
horn zal dus niet opgenomen worden in het plan der centrale destructie van de
X. T. F. Ook is het raadsbesluit der gemeente Amsterdam tot vernieuwing en
uitbreiding der bestaande installatie tot vernietiging van afgekeurd vee en vleesch
door Ged. Staten van N-Holland goedgekeurd, zoodat dus ook Amsterdam buiten
de centrale destructie zal blijven.

Voor de destructor te Schagen van den kring Barsingerhorn heeft men voor de
machines der verwerkingsinrichting het systeem
Beck en Henkei. gekozen, dat
ook reeds gedurende enkele jaren in de verwerkingsinrichting te Midwoud wordt
toegepast.

De gemeenten Amersfoort, en Cupelle aan den 1 Jsel besloten tot aansluiting bij
de N. T T . terwijl bovendien laatstgenoemde gemeente tevens besloot tot het
inrichten van een gemeentelijken ophaaldienst van kadavers van in nood gedcod
vee, zoolang de betreffende dienst van de Thermochemischc Fabrieken nog niet
functioneert.

De gemeenteraad van Woerden heeft besloten tot een financieele bijdrage van
/ 27.000 in de onkosten voor de stichting aldaar van de 2de destructor van de
N. T. F. Als de N. T. F. op deze aanbieding ingaat, zal dus de 2de destructor te
Woerden worden gebouwd.

Abattoirs.

De raad van Sneeh besloot een geldleening van / 300.000 aan te gaan, waarvan
ƒ 160.000 bestemd is voor den bouw van een abattoir en / 140.000 voor een nieuwe
veemarkt.

In de laatst gehouden gemeenteraadsvergadering te Vlaardingen werd lang-
durig over de abattoirkwestic gediscussieerd en door verscheidene leden gewezen
op eventueele voor- en nadeelen, verbonden aan de stichting van een eigen abattoir
of aan samengaan met Schiedam. Tenslotte werd het voorstel van B. en W. tot;
intrekking van het beginselbesluit van 11 Juli 1927 tot het stichten van een open-
baar slachthuis in Vlaardingen met 13 tegen 7 stemmen verworpen, zoodat dus
besloten is tot den bouw van een eigen gemeentelijk abattoir,

Te Aalsmeer-Oost zal worden overgegaan tot het bouwen van een noodslacht-
plaats.
 de G.

H.H. Medewerkers.

Verzoeke beleefd de, voor het refereeren toegezonden, tijdschriften jaargang
1928
spoedig (na gebruik) terug te zenden aan het adres van den Secretaris der
Redactie, Prins Mauritslaan 9, den Haag.

-ocr page 488-

Rijks-Universiteit Utrecht.

Geslaagd voor het Candidaats-examen Veeartsenijkunde de Heercn: A.
Ernst, G. Hoogstraten, L. Kas en P. van Schaik.

Voor het Doctoraal-examen Veeartsenijkunde eerste gedeelte de Heeren:
E. A. J. Eikelboom, M. J. Gorter en j. A. Naap.

Voor het Doctoraal-examen Veeartsenijkunde tweede gedeelte de Heeren:
M. J. M.
van Aken, F. A. te Biesebeek, P. J. Valkenburg en R. P. Venema.

Voor het Veeartsenij kundig examen de Heeren: A. J. J. J. den Baars
en A. H. M. H. Hendrickx.

In de vorige opgave is een zetfout geslopen. Kr stond W. J. L. de Graaf
moet zijn W. J. L. de Groof.

Mond- en klauwzeer in Californië.

In Californië zijn geen verdere gevallen voorgekomen. De quarantaine-
maatregelen zijn opgeheven; de plaatsen waar de ziekte uitbrak blijven nog
onder diergeneeskundig toezicht. De ziekte was hier zeer spoedig bedwongen
en had weinig secundaire besmettingen ten gevolge.

Het bleek dat de ziekte was overgebracht door het stoomschip Los Angelos
dat van Hawaii komende, in een Zuidamerikaanse haven 18000 pond vers
rundvlees, varkensvlees, kalfsvlees en lamsvlees had ingenomen. Een gedeelte
daarvan kwam terecht in de varkensfokkerij waar de ziekte het eerst uitbrak en
moet de besmetting hebben overgebracht. Hier was een overtreding begaan, daar
de invoer in de Ver. Staten van herkauwers en varkens en van vers of be-
vroren vlees, uit landen waar mond- en klauwzeer is, verboden is. Vr.

Diergeneeskundige Kring Amsterdam.

Donderdag 11 April hield de kring zijn vierde bijeenkomst. Ditmaal was de
opkomst weer zeer bevredigend. Aanwezig 17, later iS leden.

Bij de huishoudelijke besprekingen zeide collega Dr. R. H. van Gelder een be-
spreking toe voor de leden van dezen kring over melkonderzoek. Ingekomen is
een bedankje op den telegrafischen gelukwensch aan den voorzitter van onzen
maatschappij op diens 75en verjaardag.

Mcdedeeling werd gedaan, dat door de afdceling Noord-Holland is ingesteld een
commissie van onderzoek naar aanleiding van het verzoek, voortvloeiende uit
onze 3e kring-vergadering. De Collega die door zijn handelwijze hiertoe onmidde-
lijk den stoot had gegeven, uitte een woord van protest tegen het naar zijne
meening voorbarig publir.eercn en becritiseeren van die handelwijze. Na ampele
discussie ging de vergadering met op twee na algemecnc stemmen (één blanco,
en één tegen) er mede accoord, dat dit protest een volgende maal na afdoening
van deze zaak door de afdelingscommissie, nader onder oogen zal worden
gezien. De bewuste collega nam met deze beslissing geen genoegen en zal zijn
houding nader bepalen.

Daarna verleende de voorzitter het woord aan collega Dr. A. v. d. Laan, Direc-
teur van de gemeentelijke Vleesch- en Vischvoorziening te Amsterdam.

Spreker begon zijn onderwerp Vischkennis en Vischkeuring, in te leiden meteenige
anatomische beschouwingen over de visschen, waarvan wij o.a. de volgende punten
even aanstippen. Om uitwendig de visschen te kunnen onderscheiden kan men
gebruik maken van de zijstreep.

Bij het openen van de visch valt op : de vele pylorische aanhangsels (20—300)
aan de maag, welke een verrassend beeld geven voor hem die er niet op bedacht
zou zijn, dat dit een normaal anatomisch voorkomen is bij de visch.

De anaalopening is altijd te vinden vóór de anaalvin. Het hart ligt zeer ver
naar voren bijna tegen de kop, en als bijzonderheid wordt gememoreerd dat het
uitsluitend aderlijk bloed bevat.

Niet bij alle visschen treft men een zwemblaas aan. een rol spelend bij het stijgen
en dalen der dieren in zee.

J

-ocr page 489-

Wat lx-treft de biologie vestigde spr. de aandacht op de trek der visschcn.

De visoh is een roofdier, met een zeer groote vruchtbaarheid. Éénmaal per jaar
vindt uitstooting van kuit en hom plaats. De visch is geslachtsrijp op 3—5-jarigen
leeftijd. De ouderdom van een visch laat zich bepalen aan de jaarringen op de
schubben.

Spr. beschreef dan de wordingsgeschiedenis van de paling, welke in een jonger
stadium met den naam aal aangeduid wordt.

Daarna wees spreker op de 3 soorten van visscherij welke er bestaan n.1. : de
haringvisscherij van April—Dec., de stoomt rawlvisscherij en de beugvisscherij
(deze laatste van Jan. tot Mei).

De productie van Holland is ongeveer 200 millioen. terwijl het verbruik van
visch in Holland slechts 4—5 K.G. per persoon bedraagt, tegen een vlceschver-
bruik van 40 -50 K.G.

Het gevaar van overbevissching der Noordzee is niet denkbeeldig ; gelukkig is
dit veel verminderd door een nieuwere uitvinding de z.g. ,,savingtrawl", die de
jonge visch weer laat ontsnappen.

Spr. wees tenslotte op den visch als voeding, en vestigde de aandacht op de
gemakkelijke verteerbaarheid, terwijl de voedingswaarde vrijwel gelijk aan die
van vleesch is. De visch als voedsel heeft het nadeel dat hij bij de bereiding niet
het heerlijke corrigens : ,,sju" geeft, doch hij bevat veel meer vitamines (vooral
A en D.) en anorganische voedingszouten, een en ander logischerwijze ontstaande
door het leven van de visch in het. aan minerale bestanddeelen zoo rijke zeewater.

Hiermede beeindigdc spr wegens den vergevorderden tijd het eerste gedeelte
van zijn voordracht. De eigenlijke vischkennis en vischkeuring zou spr liever
behandelen op een volgende vergadering

Aldus werd besloten en spr. voorloopig dank betuigd voor zijn interessante mede-
deelingen. Na eenige vragen en antwoorden inzake dit onderwerp sloot de voor-
zitter de bijeenkomst, nadat de vijfde kringvergadering was bepaald op Donder-
dag, 2 Mei e.k.
 Eichholtz.

De verwerkings-inrichting, van de Vleeschkeuringsdienst „Kring Barsinger-
liorn" zal worden gebouwd onder leiding van het Technisch Bureau
Joh. J. van
Dorp,
den Haag, met toepassing van het systeem Beck & Hen kei., dat ook te
Midwoud in gebruik is

Bestrijding der kwakzalverij noodzakelijk.

De Pruisiese Minister van Volkswelvaart heeft in den Landdag gezegd dat het
ernstig overweging verdient of niet wettelijke bepalingen noodig zijn om het steeds
sterker voortwoekeren der kwakzalverij met kracht te bestrijden, in het belang
der volksgezondheid. (Deutsche Mcd. Wocli. N. T. v. G. 1929, I, blz. 1774).

Runderhorzelbestrijding.

Het 2c Verslag der Werkzaamheden van de Kunderhorzel-bestrijdingscommissie
is verschenen. De commissie stelt met genoegen vast dat alle ontwikkelde vee-
houders nu op de hoogte zijn van het nadeel dat de horzel veroorzaakt. Toch is
nog propaganda noodig om de bestrijding algemeen ingang te doen vinden. Be-
halve een groot aantal leringen van Dr
\'t Hoen werden door 13 dierenartsen 25
lezingen gehouden, gedeeltelijk met lantaarnplaatjes. Verder werden vele platen
uitgedeeld en brochures verkocht, op landbouwtentoonstellingen inzendingen
geleverd, (de lantaarnplaatjes worden voor lezingen in leen verstrekt ; de brochures
kosten, bij afneming van minstens 25 exemplaren, 5 cent per stuk ; te verkrijgen
aan het secretariaat, Biltstraat 168, Utrecht).

Als bestrijdingmiddel is dit jaar de runderhorzelzalf Hypodsrmacid zooveel mo-
gelijk aanbevolen ; door de firma
Brocades en Stheeman is 5766 K.G., in hoofd-
zaak in bussen van 250 gram, afgeleverd. Deze zalf werkt alleen doodend op de
horzellarven als zij ingesmeerd wordt op
open wormknobbels. Als de dieren
vroeg in het voorjaar in de wei gaan en vooraf behandeld worden, bertaat de mo-
gelijkheid dat de knobbels niet voldoende geopend zijn. Dit is een bezwaar en

-ocr page 490-

men blijft daarom ook zijn aandacht schenken aan andere behandelingsmethoden.
Met de staafjes van
Spann (zie ref. blz 1O4, 1 febr. No.) zal dit voorjaar een
proef worden genomen.

Om internationale samenwerking te bevorderen is de tussenkomst ingeroepen
van onze Rijkslandbouwconsulenten in verschillende landen.

De onkosten van de horzelbestrijding worden bijna geheel gedragen door de
Amstcdamsche Huidenclub,
die tot nu toe reeds / 19.000.— daarvoor beschikbaar
stelde. Blijkens een statistiek van die club waren van de gedurende de laatste 12
maanden bij haar ingebrachte
283.933 huiden ongeveer 17$% (49.603 stuks) door
de runderhorzel beschadigd. De mindere opbrengst van de beschadigde bedroeg
ƒ
2.84 per huid. Het percentage beschadigde huiden is dalende ; in 1927 was het
bijna : die daling is waarschijnlijk reeds een gevolg van de bestrijding.

Vu.

Verslag van de werkzaamheden der Rijksseruminrichting over 1927, door Dr
l F. D. F. Lourens.

Van dit belangrijke en uitgebreide verslag nemen wij het volgende over :

Afgeleverd werden in 1927 pl.m. 10.000 liter serum en voor ruim 469.000 dieren
entstoffen. Voorts werden nog afgegeven
26.2 liter reincultuur van melkzuur-
bacteriën en
1370 liter van de middelen ter bestrijding van de muizen- en ratten-
plaag.

Het totaal aantal verrichte onderzoekingen bedroeg 14.039 ; deze waren als
volgt over de verschillende afdeelingen verdeeld :

Onderzoekingen van cadavers, organen, pathologische producten, weefsels

enz..............................4377

Onderzoekingen van ziektestoffen op tuberculose en paratuberculose . . 1031

Immuniteitsonderzoekingen ....................58 r8

Wateronderzoekingen ..............................................22

Onderzoekingen op hondsdolheid....................................rg

I.actologische onderzoekingen....................2551

Scheikundige onderzoekingen........................................22r

De belangrijke toeneming van het aantal immuniteitsonderzoekingen houdt
verband met de bestrijding van de besmettelijke kuikendiarrhee (morbus pullorum).
Meer en meer blijkt, dat deze ziekte in ons land, evenals in andere landen, zoowel
van Europa als van andere werelddeelen, veelvuldig voorkomt en groote schade
toebrengt aan den pluimvcestapel. Het is daarom een verblijdend verschijnsel, dat
de direct belanghebbenden, nl. de pluimveefokkers, het groote nut inzien van
eene afdoende bestrijding dezer ziekte en een onderzoek doen instellen naar het
voorkomen van smetstofdraagsters onder hunne dieren.

Indien dit onderzoek gedurende eenige jaren systematisch en op uitgebreide
schaal wordt voortgezet en de gevonden smetstofdraagsters regelmatig onschade-
lijk worden gemaakt, zal men er ongetwijfeld in slagen deze kuikensterftc tot een
minimum te beperken.

Voor de bestrijding van den besmettelijken abortus onder de runderen, werd
dit jaar belangrijk meer gebruik gemaakt van virulente abortuscultuur voor de
behandeling van nietdragende runderen De ervaring toch heeft geleerd, dat eene
afdoende bestrijding dezer ziekte slechts verkregen zal kunnen worden door im-
munisatie der koeien gedurende den tijd, dat deze dieren niet drachtig zijn.

Op stallen, waar dit verwerpen in sterke mate voorkomt, moet men deze be-
handeling echter minstens
2 of 3 jaar achtereen toepassen.

Bij de inenting van kalveren tegen het boutvuur neemt het gebruik van bout-
vuurfiltraat toe, ten koste van het gebruik der andere boutvuurentstoffen. Zulks
houdt nauw verband zoowel met de meer gemakkelijke methode van toepassing,
als met de zekerheid, dat het optreden van ziekte door de entstof uitgesloten is.

De proefnemingen om te komen tot eene meer afdoende bestrijding van de
vogelcholera hebben er toe geleid, dat thans een entstof is verkregen, welke bij

-ocr page 491-

kippen eene zoodanige onvatbaarheid opwekt, dat deze na eene subcutane infectie
met eene tienvoudige minimale letale dosis in het leven blijven. Ook bij eenden
werden gunstige resultaten verkregen.

De onderzoekingen worden echter nog voortgezet, vooral om na te gaan, hoe
lang de op deze wijze verkregen onvatbaarheid in de praktijk eene voldoende be-
schutting geeft tegen eene spontane besmetting.

Het onderzoek naar de oorzaak van de biggensterfte is wederom voortgezet.
Deze ziekte werd echter dit jaar minder waargenomen dan voorgaande jaren, het-
geen gedeeltelijk in verband kan staan met den minderen aanfok van biggen. Daar,
waar de ziekte voorkwam, was het sterftecijfer als regel lager dan de voorgaande
jaren. Hierdoor werd betrekkelijk weinig materiaal ter onderzoek ingezonden. Bij
het bacteriologisch onderzoek werden steeds weer dezelfde soorten micro-organis-
men gevonden ; pathologisch-anatomisch werden echter eenige malen aanwijzingen
verkregen, welke deden denken aan varkenspest. Indien dit vermoeden juist mocht
blijken, zou dit een vorm van varkenspest zijn, waarvan de smetstof slechts een
zeer geringe virulentie heeft, welke echter de jonge dieren voldoende ziek maakt
om hen te praedisponeeren voor secundaire infecties door micro-organismen,
welke anders niet in staat zijn zelfstandig een ziekteproces te verwekken.

Niettegenstaande verscheidene proeven genomen werden door het inspuiten
van filtraten uit de organen van gestorven biggen, gelukte het niet het bestaan
van varkenspest experimenteel vast te stellen.

Hiermede is echter niet komen vast te staan, dat deze ziekte nu met zekerheid
is uit te sluiten.

Sommige varkensfokkers meenden, dat van verschillende zeugen, en speciaal
van het veredelde Duitsche landvarkenstype, van welke de biggen aan deze ziekte
hadden geleden, bij volgende worpen steeds de biggen na verloop van enkele
weken ziek werden. Dergelijke varkens zouden zich kenmerken door een vuilgeel
bleeke huidkleur en dorren haargroei

Ten einde na te gaan of zulks inderdaad het geval is, zijn twee van dergelijke
drachtige zeugen, afkomstig uit een bedrijf, waar deze biggensterfte veelvuldig
voorkwam, naar de Rijksseruminrichting vervoerd, om aldaar haar biggen ter
wereld te brengen. Deze dieren brachten resp. 10 en 8 biggen, waarvan er één door
de zeug werd doodgelegen De andere biggen zijn gedurende r3 weken in deze
inrichting opgefokt, waarbij zij zich normaal ontwikkelden, zonder eenig ziekte-
verschijnsel te vertoonen.

Uit deze proef is gebleken, dat de meer.ing als zouden de moederdieren als smet-
stofdraagsters de biggen besmet ter wereld brengen, of later besmetten, althans
in het algemeen, niet juist is.

Eene grondige ontsmetting van hokken en erven en verbetering van de hygië-
nische toestanden, waaronder de varkens gehouden worden, zullen ook voor de
ziekten onder de biggen wel de belangrijkste en meest afdoende bestrijdingsmidde-
len blijken te zijn.

Onder de monsters melk en melkproducten, ingezonden ter onderzoek op samen-
stelling, kwam voor een monster wei, dat bleek te bestaan uit 40 % kaaswei en
60 % water. Het gold hier wei. welke door een fabriek was verkocht als veevoeder
en waar den kooper dus een product werd geleverd, dat met 150 % water was
vervalscht.

Ook in voorgaande jaarverslagen is er reeds eenige malen op gewezen, dat de
afvalproducten der zuivelbereiding als karnemelk, aangezuurde ondcrmelk en wei
welke als veevoeder door de melkleveranciers terug ontvangen of door veehouders
gekocht worden, dikwijls zeer sterk met water zijn verdund.

In verband met de bereiding der zuivelproducten is eenige toevoeging van water
moeilijk te ontgaan en kan men dus niet verlangen, dat de afvalproducten worden
afgeleverd zonder bijmenging van eenig water. De ontvangers van dit veevoeder
mogen echter wel eischen. dat het niet opzettelijk met water is vervalscht.

Behalve de directe schade door het koopen van een minderwaardig product,

L

-ocr page 492-

het\'ft men bovendien nog de indirecte schade, doordat het jonge dier, waarvoor
dit voedsel bijna uitsluitend is bestemd, onvoldoende wordt gevoed, waardoor het
minder weerstandbiedend wordt en dus o. m. ook gevoeliger wordt voor tal van
infecties, waaraan het te eeniger tijd blootgesteld is.

De leveranciers van melk aan zuivelfabrieken, welke de afvalproducten terug
ontvangen, doen dus goed toe te zien, dat deze niet met te veel water worden ver-
dund, terwijl de koopers van dergelijke stoffen feitelijk slechts zouden moeten koo-
pen onder garantie der samenstelling op dezelfde wijze dus als zij ook hun ander
veevoeder koopen.

Ten slotte werd dit jaar een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid tot keu-
ring van vleesch-, resp. diermeel langs bacteriologischen weg.

Als vaststaand kan aangenomen worden, dat alle micro-organismen, dus ook
alle sporenvormende, zoowel pathogene als nict-pathogene, bij de tegenwoordige
bewerking van het vleesch tot meel zijn gedood. De organismen, welke in het meel
worden gevonden, zijn er dus in gekomen na de bewerking.

Uit het onderzoek van een groot aantal monsters is gebleken, dat het bacteriën-
gehalte in het algemeen niet groot is, wanneer dergelijk meel goed bewaard werd.
In hoofdzaak werden aangetroffen verschillende soorten luchtcoccen, subtilis-
bacillen, schimmels en een enkele maal ook colibacillen. Wanneer het vinden van
colibacillen een aanwijzing zou kunnen zijn, dat het meel na de bereiding in de
fabriek besmet is geworden, doordat aldaar geen afdoende scheiding bestond tus-
schen de afdeelingen van het te venverken vleesch en het verwerkte product, dan
ware hieraan een maatstaf te hechten voor de betrouwbaarheid van de bereiding.
Aannemende, dat de infectie met colibacillen in de fabriek en is geschied, zou dat
in zich sluiten, dat het meel daar ook met andere, dus met ziekteverwekkende bac-
teriën kan zijn besmet, welke bij een eenvoudig bacteriologisch onderzoek niet zoo
gemakkelijk zijn aan te toonen.

Daar echter colibacillen zeer algemeen verspreid voorkomen en dus infectie van
onverpakt meel ook elders kan plaats vinden, zou dit alleen kunnen geschieden
voor die monsters, welke direct aan de fabriek werden genomen of van meel,
dat door de fabriek verpakt in den handel wordt gebracht.

Verzonden sera, entstoffen, diagnojtica, enz.

A. Sera.

Serum tegen den abortus bij merrién. - - Door 15 dierenartsen werd ruim 10 K.G.
serum aangevraagd. De verkregen uitkomsten waren goed.

Serum tegen de colibacillose bij paarden, inzonderheid bij veulens. - Aan 29
dierenartsen werd T2 K.G. van dit serum afgezonden De ontvangen resultaten
luidden in het algemeen goed.

Serum tegen den gocdaardigen droes. — Ruim 72 K.G. serum tegen den goed-
aardigen droes werd aan 67 dierenartsen gezonden. Preventief was de werking
gunstig. Curatief werd niet altijd een gunstig resultaat verkregen.

Serum tegen liet miltvuur bij paarden. — Door 40 dierenartsen werd 13 K.G.
serum aangevraagd. I)e berichten waren goed.

Serum tegen den morbus maculosis. — 4 K.G. serum tegen den morbus maculosis
werd aangevraagd door 12 dierenartsen. In het algemeen werden vrij gunstige
resultaten verkregen.

Serum tegen de ovale pneumoniebacillen van het paard. — Aan 11 dierenartsen
werd 3.5. KG. serum tegen de ovale pneumoniebacillen afgeleverd. De verkregen
resultaten waren goed.

Serum tegen de pneumonie-streptococcen van het paard. — Verzonden werd aan
14 dierenartsen 12 K.G. serum tegen de pneumonie-streptococcen van het paard.
De berichten, hierover ontvangen, waren goed.

Serum tegen den tetanus bij paarden. — Voor de behandeling van paarden tegen
deze ziekte, werd aan 43 dierenartsen 27 K.G. serum verstrekt. Over het algemeen
waren de uitkomsten bij preventieve toepassing goed.

-ocr page 493-

Serum tegen de Polyarthritis bij veulens. —■ Door 144 dierenartsen werd ruim
153 K.G. scrum aangevraagd tegen de veulenlähme. Preventief waren de uitkom-
sten zeer gunstig. Curatief berichtte men afwisselende resultaten.

Serum tegen den abortus bij runderen. — Aan 164 dierenartsen werd meer dan
219 K.G. serum afgeleverd tegen het besmettelijk verwerpen bij runderen. De
resultaten waren goed te noemen.

Serum tegen het houtvuur. - Aan 14 dierenartsen werd ruim 8 K.G. serum tegen
het houtvuur verzonden. De berichten, hierover ontvangen, waren afwisselend

Serum tegen ae colibacillose bij kalveren. - Ongeveer 132 K.G. serum tegen de
colibacillose bij kalveren werd door 139 dierenartsen aangevraagd De verkregen
uitkomsten waren gunstig.

Serum tegen de colibacillose bij runderen. — Bijna 2.4 K.G. serum tegen de coli-
bacillose bij runderen werd aan 7 dierenartsen verzonden. De resultaten waren
goed.

Serum tegen het miltvuur bij runderen. — Ruim 93 K.G. serum tegen het milt-
vuur werd aangevraagd door 89 dierenartsen. De verkregen resultaten waren
gunstig.

Serum tegen het mond en klauivzeer. — Door 103 dierenartsen werd 1368 K.G.
scrum tegen het mond- en klauwzeer aangevraagd. De hierover ontvangen be-
richten luidden, zoowel preventief als curatief, goed bij aanwending bij jongvee.

Serum tegen ae paracolibacillose der kalveren. — Bijna 32 K.G. serum tegen da
paracolibacillose bij kalveren werd aan 25 dierenartsen afgeleverd. De resultaten
waren goed.

Serum tegen de polyarthritis bij kalveren. — 36 Dierenartsen vroegen 22.5 K.G.
serum tegen de polyarthritis bij kalveren aan. Over de verkregen resultaten was
men tevreden.

Serum tegen de pyobacillose bij runderen. — Aan 43 dierenartsen werd 63 K.G.
scrum tegen de pyobacillose bij runderen afgezonden. De ingekomen berichten
waren goed te noemen.

Serum tegen de septische Pleuropneumonie der kalveren. — Door [43 dierenartsen
werd 226 K.G. serum tegen de septische Pleuropneumonie der kalveren aange-
vraagd. De uitkomsten waren preventief en curatief zeer gunstig.

Serum legen de staphylomycose bij runderen. — 8 K.G. serum tegen de staphylo-
mvcose bij runderen werd toegezonden aan 13 dierenartsen.

Serum tegen de streptomycose bij runderen. —• Door 93 dierenartsen werd 153 K.G.
serum tegen de uierstreptomycose aangevraagd De uitkomsten waren over het
algemeen goed.

Serum tegen den tetanus bij runderen. — 2 K.G. serum tegen tetanus bij
runderen werd aan 4 dierenartsen verzonden. De resultaten waren vrij goed.

Serum tegen de besmettelijke borstziekte bij varkens. — Aan 186 dierenartsen werd
321 K.G. serum tegen de besmettelijke borstziekte bij varkens verstrekt. De
resultaten waren over het geheel gunstig.

Serum tegen de bacillaire varkenspest. — Aan 80 dierenartsen werd 118 K.G.
serum tegen de bacillaire varkenspest verzonden. Zoowel preventief als curatief
waren de berichten gunstig.

Serum legen de virus-varkenspest. —- Door 96 dierenartsen werd 157 K.G. serum
tegen de virus-varkenspest aangevraagd. De berichten waren over het algemeen
zoowel pre ventiel als curatief goed.

Serum legen de vlekziekte bij varkens. —• Ruim 6722 K.G. serum tegen de vlek-
ziekte bij varkens werd afgezonden aan 350 dierenartsen. De resultaten waren
zeer goed.

Serum tegen de hippenziekte van ,,Klein". — 26 K.G. serum werd aan 44 dieren-
artsen afgeleverd. De uitkomsten waren goed.

Serum tegen de vogelcholera. — Van dit serum ontvingen 17 dierenartsen ruin\'i
7 K.G. De berichten waren over het geheel goed.

-ocr page 494-

Serum tegen de secundaire infecties bij hemdenziekte. — Aan 20 dierenartsen werd
bijna 5 K.G. serum tegen de secundaire infecties bij bondenziekte gezonder.. De
resultaten waren goed.

Normaal steriel serum. — Ten behoeve van verschillende doeleinden werd 1.1
K.G. steriel-serum afgeleverd.

Diagnostische sera. — Mede ten behoeve van de justitie werd 102 ccm. serum
afgegeven.

B. Entstoffen

Entstof tegen den abortus bij paarden. — Door 12 dierenartsen werd bijna 1.2 K
van deze entstof aangevraagd. De resultaten waren gunstig.

Entstof tegen het miltvuur bij paar dm. — Door 6 dierenartsen werd miltvuur-
entstof aangevraagd voor 16 paarden. De verkregen uitkomsten waren goed.

Entstof tegen de polyarthritis bij veulens. — Aan 3 dierenartsen werd 305 ccm.
lülime-entstof afgeleverd. De resultaten waren goed.

Entstof tegen den abortus bij runderen. — Aan 193 dierenartsen werd ruim 227
K.G. abortusentstof voor runderen afgezonden. De berichten waren gunstig.

Entstof tegen het houtvuur.

a. Boulvuurfiltraat. — Bijna 94 K.G. boutvuurfiltraat werd aau 68 dierenartsen
verstrekt. De uitkomsten waren zeer goed.

b. Boutvuurpoeder. — Entstof voor 13.160 dieren werd aan 75 dierenartsen
afgezonden. De resultaten waren zeer gunstig.

c. Boutvuurwaljes. — Aan 74 dierenartsen werd voor 5118 dieren van deze
watjes verzonden. De berichten hierover waren zeer gunstig.

Entstof tegen het miltvuur bij runderen. — Voor 338 runderen werd aan 25 dieren-
artsen miltvuurentstof verstrekt. De resultaten waren vrij gunstig.

Vaccin en Autovaccin. — Aan 128 dierenartsen werd ruim 43 K.G. vaccin, resp.
autovaccin, ter behandeling van pl.m. 2200 dieren verzonden. Deze enting werd
toegepast tegen streptomycose, pyobacillose, staphylomycose van uier en uterus
van runderen, verder tegen ziekten bij paarden, tegen uierontstekingen bij varkens,
tegen longstreptomycose bij biggen, terwijl deze enting ook in enkele gevallen bij
honden en katten werd verricht. De verkregen berichten over deze entstoffen
waren goed.

Entstof tegen de vlekziekte der varkens. — 184.5 K.G. entstof tegen de vlekziekte
der varkens werd afgezonden aan 350 dierenartsen. De resultaten waren zeer
goed.

Entstof tegen de kippenziekte van ,,Klein". — Door 29 dierenartsen werd 5.4 K.G.
van deze entstof aangevraagd. De berichten hierover ontvangen waren goed.

Entstof legen de vogelcholera. — 100 ccm. entstof tegen de vogelcholera werd
toegezonden aan 3 dierenartsen. De resultaten waren vrij goed.

Entstof tegen de vogeldiphtherie en -pokken. — Ruim 2.2 K.G. entstof werd aan
17 dierenartsen afgeleverd voor de behandeling van 2300 dieren. Preventiet en
curatief waren de resultaten goed.

C. Diagnostica.

Tuberculine. — Voor het onderzoek van pl.m. 29.000 dieren werd ruim 9 K.G.
tuberculine afgezonden ; hieronder is begrepen eene hoeveelheid van ruim 5.5
K.G. oogtuberculine.

Paratuberculine. — 2 Dierenartsen ontvingen 23 gram paratuberculine.

Vogeltuberculine. — Aan 15 dierenartsen werd 257 g am vógeltuberculine afge-
zonden voor 5125 dieren. De resultaten waren gunstig.

Malleïne. — Malleïne werd afgeleverd in eene hoeveelheid, voldoende voor het
onderzoek van ongeveer 14.800 paarden. In totaal werd verzonden 3691.5 gram,
in hoofdzaak aan de Inspecteurs van den Veeartsenijkundigen Dienst.

D. Diversen.

\' Middel ter bestrijding der muizen- en rattenplaag. — Van het middel ter bestrij-
ding der muizen- en rattenplaag werd aan 4319 aanvragers 1371 K.G. verstrekt.

-ocr page 495-

Pulvis Ovarii. — Voor de behandeling van paarden, runderen en varkens werd
ruim 1.5 K.G. ovariumpoeder afgeleverd aan 35 dierenartsen. De uitkomsten wa-
ren goed

Reincultuur van melkzuurbacteriën. — Gedurende het afgeloopen jaar werd ter
bestrijding van kaas- en botergebreken pl.m. 26 K.G. reincultuur van melkzuur-
bacteriën (z.g. zuursel) verzonden.

Schapebloed en schapebloedlichaampies. - - Voor het verrichten van serologisch
onderzoek werden 2650 ccm. gedefibrineerd schapebloed en 780 ccm. gcwasschen
schapebloed afgezonden.

Onderzoekingen.

Immuniteitsonderzoekingen.

In den loop van het jaar 1927 werden 5818 immuniteitsreacties verricht.

Op besmettelijk verwerpen bij runderen werden 360 monsters bloed onderzocht,
waarvan er 175 een positief en 185 een negatief resultaat gaven.

De 3 monsters bloed, ingezonden op het voorkomen van besmettelijk verwerpm
bij paarden,
reageerden zoowel met de komplcmentbindingsreactie als met de
agglutinatie positief.

Ter onderzoek op malleus werd het bloed van 9 paarden onderzocht. Bij twee
dezer dieren verliepen de reacties positief, bij 6 negatief, terwijl in één geval een
twijfelachtig resultaat werd verkregen. (Agglutinatiereactie positief en komple-
mentbindingsreactic negatief).

Verder werden nog onderzocht 3 bacterieculturen ; één van deze bleek een cultuur
van Knt. Gartnerbacillen, de tweede van Klein\'sche bacillen en de derde van para-
typhus B. bacillen te zijn.

Twee ingezonden monsters worst en een stukje rookvleesch, ter onderzoek op
paardevleesch, gaven met eiwitpraecipiteerende sera ten opzichte van paarden-
eiwit een positief resultaat.

Een monster gehakt, eveneens ingezonden ter onderzoek op paardevleesch,
bleek alleen rundvleesch te bevatten.

Van de 5439 monsters bloed van kippen, ingezonden ter onderzoek op besmet-
telijke kuikendiarrhee, reageerden er 364 (J^ 6.7 %) positief en 3075 negatief.

Ambulante Afdeeling.

Verschillende onderzoekingen ter plaatse werden ingesteld in verband met op-
of aanmerkingen betreffende plaats gehad hebbende inentingen of seruminspui-
tingen. In enkele gevallen, waar men meende, dat entvlekziekte of onvoldoende
immuniteit was opgetreden, kon varkenspest en éénmaal besmettelijke borst-
ziekte worden vastgesteld.

Als gevolg van het gebruik van het middel ter verdelging van muizen en ratten
werd vermoed, dat een paratyphusinfectie onder varkens zou zijn opgetreden.

De culturen uit de gestorven varkens gekweekt, bleken bij voeding aan muizen
wel pathogeen voor deze dieren te zijn, doch een zieke muis bij anderen in een
kooi geplaatst was niet in staat deze dieren te infecteeren. Aangenomen moet
derhalve worden, dat hier bac. suipestifer en geen bac. typhi murium de oorzaak
der sterfte onder de varkens is geweest.

In verband met het voorkomen van verlamming onder zuiglammeren werd ter
plaatse een onderzoek ingesteld. Omtrent de oorzaak van deze aandoening werd
echter geen opheldering verkregen.

Bij een voederprocf met een nieuw voedsel voor kalveren werden eenige dieren
ziek Uit een ter plaatse ingesteld onderzoek bleek, dat de ziekte geen verband
hield met het voedsel, doch een gevolg was van septische pleuro-pneumonie.

Ten slotte werden, in samenwerking met de practiseerende dierenartsen ver-
schillende onderzoekingen verricht in die streken, waar sterfte onder de biggen
min of meer heerschend voorkwam.

Wat er onder zoek.

Met het verzoek om na te gaan of het water geschikt was als drinkwater voor
vee, werden 26 monsters ingezonden. Hiervan konden slechts 3 monsters worden

-ocr page 496-

— 4$o -

goedgekeurd, 19 monsters waren als zoodanig niet aan te bevelen, terwijl 4 mon-
sters, werden afgekeurd.

Bovendien werd 1 maal onderzoek gevraagd van water of dit geschikt was te
achten om te gebruiken bij de zuivelbereiding. I)it monster werd op chemische
gronden als ongeschikt voor dit doel beschouwd Voorts bleek ook weer, dat
het nortonwater uit de diepere grondlagen, ongeschikt is, als drinkwater voor vee

Onderzoek van ziektestoffen op tuberculose.

Het aantal monsters ziektestoffen (sputum, keelslijm, melk, uiersecreet, uterus-
secreet, faeces, urine, darmen, pus, klierweefsel), ter onderzoek ingezonden op de
aanwezigheid van tuberkelbacillen bedroeg 581.

In 75 gevallen of 15 % werden tuberkelbacillen microscopisch aangetoond.

Onderzoek van ziektestoffen op paratuberculose.

Van de 450 inzendingen faeces ter onderzoek op paratuberculose worden er
60 positief bevonden, dus 13 %.

Bestrijding der muizen- en rattenplaag.

Aan 4319 aanvragers van het middel ter bestrijding der muizen- en rattenplaag
werd 1372 K.G. van deze middelen afgeleverd.

Voorzoover op grond van de ingekomen berichten een oordeel over de werking
dezer middelen kan worden uitgesproken, waren de resultaten, ook dit jaar als
regel bij muizen gunstig, bij ratten afwisselend.

In vele gevallen, waar met de bacteriecultuur geen afdoend resultaat werd ver-
kregen, gaf liet, uit de uncinaria scillae, bereide extract succes.

Onderzoek op hondsdolheid.

Dit jaar werd tg maal onderzoek verricht op hondsdolheid. Ingezonden werden
9 cadavers en 10 koppen van honden, welke gedood waren als verdacht van te
lijden aan hondsdolheid. In zes gevallen betrof liet dieren, welke personen hadden
gebeten.

Baetologisch onderzoek.

Het aantal monsters uiersecreet, melk, enz., hetwelk gedurende dit jaar in deze
afdeeling werd onderzocht, bedroeg 2551. Deze onderzoekingen zijn naar den
aard van het ingezonden materiaal en het verlangde onderzoek in de volgende
rubrieken te verdeelen.

I. Onderzoek van uier secreet.

Onder uiersecreet wordt hier bedoeld, het uitscheidingsproduct van den uier,
dat zichtbaar afwijkt van normale melk.

I)e inzendingen geschiedden om den aard van het uierlijden vast te stellen,
teneinde liet juiste serum aan te wenden of ter bereiding van auto-vaccin.

1097 monsters kwamen voor dit doel in ; 8 monsters hiervan bleken bij aan
komst ongeschikt voor onderzoek, wegens verontreiniging met allerlei kiemen
door onsteriele fleschjes of slechte monsterneming.

In de 1080 monsters geschikt voor onderzoek werd het volgende gevond -n :

Streptococcen 826 maal of in 75.8 % van alle monsters.

Pyogencsbacillen 123 maal of in 11.3 % van alle monsters, waarvan 72 maal
alleen pyogencsbacillen, 20 maal tegelijk met streptococcen en 31 maal met micro-
coccen Deze micrococcen groeien meestal even langzaam als pyogenesbacillen
en vormen kleine, ronde, heldere koloniën, die soms iets mat zijn en veel op kolo-
niën van pyogenesbacillen gelijken.

Staphylococcen 63 maal of in 5.8 % van de monsters.

Colibacillen 18 maal of in 1.7 % van de monsters.

Tuberkelbacillen 22 maal of in 2 % van de monsters.

In 37 monsters of 3.4 % werd geen bacterieele oorzaak van het nierlijden ge-
vonden.

II. Melk ter otiderzoek op ziektekiemen en deugdelijkheid.

Deze inzendingen geschiedden veelal in verband met bestaande of vroegere
uieraandoeningen, met de vraag of de melk weder geschikt was voor de consumptie

-ocr page 497-

of de kaasmakerij, doch ook dikwijls omdat de melk door den keuringsdienst
•was afgekeurd.

Deze melkmonsters zagen er allen op het oog normaal uit.

481 monsters kwamen voor dit doel in, waarvan 39 ongeschikt voor onderzoek
waren omdat ze bij aankomst zuur bleken te zijn.

Van de 442 monsters geschikt voor onderzoek, vertoonden 80 afwijkingen dui-
dende op een uierlijden, waarvan 79 maal door streptococcen en 1 maal door
tuberkelbacillen Yenier bevatte 1 monster bloed. In 1 monster werd aceton ge-
vonden ; in de urine van dit rund was eveneens aceton aanwezig; 3 monsters
bleken een verhoogd chloorgehaltc te bezitten, zonder dat ziektekiemen werden
gevonden.

Wederom kwamen een paar monsters met normalen titerzuurgraad in, welke bij
-de alcoholproef met 68 vol °0 alcohol schiftten.

De reactie met rosolzuur was aan den gelen kant, een bewijs, dat de reöele zuur-
graad verhoogd was; 1 dezer monsters had een chloorgehalte van X44 m.gr. per
100 gr. melk. doch vertoonde overigens geen afwijkingen. De andere monsters ver-
toonden echter geen enkele andere afwijking.

353 monsters werden geheel normaal bevonden.

III. Melk van melkerijen en hygiënische melkstallen.

474 Monsters kwamen in van hygiënische melkstallen en melkerijen.

Het onderzoek van deze monsters omvatte de bepaling van het katalase cijfer,
het sediment, het microscopisch- en zoonoodig het bacteriologisch onderzoek van
bet sediment op ziektekiemen en afwijkingen benevens de bepaling van het aantal
bacteriën bij een groot deel dezer monsters, om na te gaan of de melk op voldoende
hygiënische wijze werd gewonnen.

In 29 monsters werden streptococcen gevonden.

Van 351 monsters werd het aantal bacteriën bepaald.

180 maal was het aantal bacteriën lager dan 5000 per c.M.3.

117 maal bedroeg dit aantal van 5 tot 10 duizend.
35 ,, .. 10 ,, 20

15 .. .......20 ,, 30

4 .. .. .. ■. 30 ,. 40

Van een hygiënischen melkstal, welke onder geregelde controle stond en een
abonnement voor het onderzoek had gesloten, werd 156 maal of 3 maal per week
de melk op afwijkingen en ziektekiemen onderzocht.

Bovendien werden voor deze inrichting nog 26 flesschen karnemelk en 26 fles-
schen melkvoghurt op samenstelling en deugdelijkheid onderzocht.

IV Melk, enz ter onderzoek op samenstelling.

11 monsters melk, 1 monster melkpoeder, 1 monster kaaswei en 2 monsters
kaas kwamen voor dit doel in

De 11 monsters melk en het monster melkpoeder hadden een normale samen-
stelling

De wei bleek sterk met water vervalscht ; er was 60 % water toegevoegd, d w. z.:
zij bestond uit 40 dcelen onverdunde kaaswei en 60 deelen water. De samenstelling
was als volgt : vet 0.03 %, soortelijk gewicht 1.01, drogestof droogrest 2.53 %.

Het komt dikwijl voor. dat de afvalproducten van de zuivelfabrieken, welke
aan de veehouders-leveranciers worden teruggegeven of verkocht sterk met water
zijn verdund, bij karnemelk komt dit ook herhaald voor.

Het zijn afvalproducten en eenige verdunning is in verband met de bereiding
van de zuivelproducten uit de melk niet te ontgaan, doch vaak geschiedt daarbij
nog een opzettelijke watertoevoeging. Een watertoevoeging van 15 % mag wel
.als noodzakelijk maximum gesteld worden.

De beide kaasmonsters werden op het vetgehalte in de drogestof onderzocht.

V. Melk ter onderzoek op de oorzaak van melkgebrekeu.

1 Monster kwam in in verband met het gebrek voor zoctstremmen.

De melk werd dik zonder zuur te worden. De7e melk bleek zeer rijk aan staphy-

LVI 33

-ocr page 498-

lococcen en colibacillen : de titcrzuurgraad bedroeg 10 toen ze dik was. Het chloor-
gehalte der melk was normaal, zoodat aangenomen mag worden, dat het gebrek
een gevolg was van een infectie met de gevonden organismen tijdens of na het
melken. Een algemeene desinfectie van het vaatwerk met veel kokend water en
een reiniging van den uier werd aanbevolen om dit gebrek te bestrijden.

VI. Karnemelk ter onderzoek op de Storch\'sche reactie.

23 .Monsters karnemelk werden onderzocht op de Storch\'sche reactie. Bij 12
monsters was de reactie negatief, bij 11 positief. Deze laatstcn waren dus afkom-
stig van onvoldoende verhitte grondstof.

VII. Onderzoek van melk op tuberkelbacillen door middel van de caviaproer.

229 Monsters melk werden onderzocht op de eventucele aanwezigheid van tuber-
kelbacillen ; -j- 80 c.M.3 melk en in eenige gevallen 2 x 80 c.M.3 werden gedurende
20 min. gecentrifugeerd met een snelheid van 4000 toeren per minuut. Het sediment
en een deel van ele room werd aan de binnen.schenkelvlakte bij een cavia in de
spieren ingespoten. Na 6 weken werden de proefdieren gedood en sectie verricht.
Geen der proefdieren bleek te lijden aan tuberculose, zoodat dus in geen der mon-
sters tuberkelbacillen konden worden aangetoond.

VIII. Faeces ter onderzoek op typhus- en typhusachtige bacteriën.

23 Monsters urine en faeces afkomstig van personeel van een hygiënischen
melkstal werden onderzocht op de aanwezigheid van typhus- en tvphusachtige
bacillen. In geen der monsters werden verdachte bacillen gevonden.

Reincultuur van melkzuurbacteriën (zuureel).

Gedurende het afgeloopen jaar werden in hoofdzaak ter bestrijding van kaas-
gebreken 20 2 liter reincultuur van melkzuurbacteriën of zuursel verzonden

Scheikundige Afdeeline.

Ter onderzoek kwamen binnen 201 inzendingen, omvattende 221 monsters.

De verrichte onderzoekingen waren als volgt in te eleelen : 79 toxicologische
onderzoekingen ; 49 onderzoekingen van voeelerstoffen op samenstelling en scha-
delijkheid , 16 geheimmiddelen ; 56 monsters water ; 21 andere chemische onder-
zoekingen.

De toxicologische onderzoekingen betroffen maaginhoud of organen van dieren
of restanten van voedsel ; onderzocht werd op lood, arsenicum, strychnine fos-
forus en alkaloïden ; in 15 gevallen met positief resultaat.

In voedermiddelen werden 15 maal schadelijke bestanddeelen aangetoond, nl
ricinus in cocosmeel en grond noten meel schimmel in voedermeel en blauwzuur
in lijnmecl

Van geheimmiddelen werd zooveel mogelijk de chemische samenstelling nagegaan.

Het. water-onderzoek betrof : 9 monsters oppervlakte-water ; 4 monsters pomp-
water ; 12 monsters putwater ; 1 monster leidingwater ; 2 monsters water, waarvan
oorsprong niet werd aangegeven.

Deze 28 monsters werelen onderzocht met het oog op eventueele bruikbaarheid
als cirinkwater voor vee.

Een 24-tal monsters werd afgekeurd, w. o. één wegens te hoog loodgehalte

Verder werd één monster water onderzocht met het oog op eventueele bruik-
baarheid in het zuivelbedrijf ; het werd daartoe niet geschikt bevonden.

In verband met een onderzoek, ingesteld naar de aanwezigheid van vrij chloot
in zwemwater, hetwelk door toevoeging van chloorgas wordt gesteriliseerd, wer-
den 27 watermonsters op het gehalte aan vrij chloor onderzocht.

Daar bij de jodometrische bepaling van het vrije chloor aanwezige ferriverbin-
dingen storend werken en bovendien deze methode, ook wat de gevoeligheid be-
treft, niet aan ele eischen voldeed, werd de colorimetrische ortho-tolidine-methode
toegepast, welke is aangegeven in de Amerikaansche ,,Standard methods for the
examination of water and sewage" en waarbij zeer goede resultaten werden ver-
kregen.

Uit het gelijktijdig ingestelde bacteriologisch onderzoek is gebleken, dat, in
verband met het aantal bezoekers van dit zwembad de chlooreeiing zoodanig

-ocr page 499-

moet zijn, dat het gehalte aan vrij chloor schommelt tusschen 0.4 en 0.5 m.gr.
per liter water.

Bij een zoodanig gehalte is het water voldoende steriel en verspreidt dit boven-
dien geen hinderlijke reuk naar chloor.

Door voortgezette chlooreering treden wel veranderingen op in het gehalte
aan verschillende anorganische bestanddeelen ; het gehalte aan gebonden chloor
neemt toe, evenals het ammoniak- en salpeterzuurgehalte, terwijl het bicarbonaat-
gebalte afneemt. Deze optredende variaties kunnen echter niet als bezwaren
worden aangemerkt, te meer daar een totale afwezigheid van nitrictcn op een
voldoende oxydatie wijst.

Andere chemische onderzoekingen : Onderzocht werden o. a. :

3 monsters levertraan, waarvan één wegens te hoogen zuurgraad ondeugdelijk
werd bevonden ; verschillende surrogaten voor levertraan ; verschillende genees-
middelen ; i buisje met een schapenwaschmiddel (bevat veel arsenicum) ; 1 mon-
ster mineraalzout ; dit bleek te bestaan uit een mengsel van calciumpbosphaat,
magnesiumphosphaat en een weinig magnesiumperoxyd.

Nog werd het volgende onderzoek gedaan :

In verband met de vraag in hoeverre wilde konijnen gedood door blauwzuurgas,
als gevolg van het inspuiten van calciumcyanide in de konijnenholen eventueel
gevaar op zouden kunnen leveren voor den mensch, werd een onderzoek ingesteld
naar de hoeveelheid blauwzuur, welke aanwezig kan zijn in het lichaam van ko-
nijnen, welke met dit middel vergiftigd zijn.

Daar niet beschikt kon worden over dieren, welke in het veld op deze wijze
waren gedood, werd het onderzoek verricht met tamme konijnen, welke werden
blootgesteld aan het blauwzuurgas, dat zich ontwikkelt uit calciumcvanide in
een vochtige atmosfeer.

De dieren werden daartoe geplaatst in een kist op stroo. waaronder in een klein
kistje met geperforeerde deksel, op vochtige watten en droog filtreerpapier cal-
ciumcyanide was gedaan. Het was op deze wijze uitgesloten, dat de dieren van het
calciumcyanide konden eten.

De kist, waarin liet konijn zich bevond, werd los afgedekt met een houten dek-
sel, zoodat voldoende lucht kon toetreden, teneinde verstikking te voorkomen.

Het eerste, op deze wijze gedoode konijn, woog ongeveer 2900 gram en is na
15 minuten gestorven. Er was toen in de kist een duidelijk waarneembare hoeveel-
heid blauwzuurgas aanwezig. De kist is daarna goed afgesloten en het doode konijn
is daarin toen nog 24 uur gebleven alvorens nader te worden onderzocht

Het tweede konijn woog ongeveer 7100 gram ; dit dier op gelijke wijze gedood,
is eerst na 30 minuten gestorven Het is daarna onmiddellijk uit de kist genomen
en voor het onderzoek afgeslacht.

Daar moest worden aangenomen, dat in de cadavers slechts uiterst geringe
hoeveelheden blauwzuur aanwezig zouden zijn, is de quantitatieve bepaling daar-
van geschied door toepassing van de colorimetrische methode volgens
Weehuizen.

Bij de slachting der konijnen is nóch aan de huid, nóch aan het vleesch of aan
de inwendige organen een reuk van blauwzuur waargenomen.

Bij de sectie zijn, behalve de verschijnselen van blauwzuurvergifitiging \'licht-
rood gekleurd bloed) geen andere afwijkingen geconstateerd.

Bepaald werd ds hoeveelheid blauwzuur, aanwezig in de huid in het vleesch,
in de longen en in de lever.

In het konijn, dat na het sterven nog 24 uur in de blauwzuur-atmosfeer was
gelaten, werd gevonden :

a in het vleesch, geschat op 1500 gram :

b. in de longen, wegende 20 gram :

c in de lever, wegende 125 gram :

d. in de huid met haar, wegende 555 gram :

blauwzuur :
0.300 m.g.
0.075 m.g.
0.250 m.g.

sporen.

In totaal dus : 0.625 m.g.

-ocr page 500-

In liet konijn, dat onmiddellijk na het dooden werd onderzocht, werd gevonden :

a. in het vleesch, geschat op 4000 gram :

b. in de longen, wegende 16 gram :

c. in de lever, wegende 136 gram :

d. in de huid met haar, wegende 755 gram :

In totaal dus : 3 849 m.g.

Daar van konijnen slechts gegeten worden het vleesch en de lever en daar het
konijn, hetwelk 24 uur in de blauwzuurgas-atmosfeer werd gelaten, 1500 gram
rauw vleesch en 125 gram lever bevatte, werd hierin 0.55 m.g. blauwzuur of 0.338
m g. p. K.G. aangetoond.

In 4000 gram rauw vleesch en 136 gram lever van het konijn, hetwelk onmiddellijk
na het dooden werd geslacht en onderzocht, was aanwezig 3.682 m.g. blauwzuur
of 0.890 m.g per K.G.

Van deze hoeveelheden blauwzuur zal bij de toebereiding nog een gedeelte
althans ontwijken.

Op grond van dit onderzoek kan men niet aannemen, dat het nuttigen van
dieren, met blauwzuurgas gedood, noch onmiddellijk na het sterven, noch gerui-
men tijd daarna, gevaar zal opleveren voor de gezondheid, daar de doodelijke
dosis blauwzuur voor den mensch 1 m.g. per K.G. lichaamsgewicht bedraagt.

Ten slotte werden nog onderzocht 45 monsters gesmolten reuzel op zu.verheid
ten opzichte van geraffineerd vet en op deugdelijkheid ; 41 monsters werden
goedgekeurd.

REFERATEN

Nederlandsch Indische Bladen voor Diergeneeskunde 1928.

Deel 40. 4de aflevering.

Ot ro Nieschulz : Zoölogische Bijdrage tot het Surraprobleem. Uit de Zoölogische
Afd. van het Veeartsenijk. Instituut te Buitenzorg. Directeur Dr. C.
Bubberman).

Verdere Sur ra overbrengingsproeven mei enkele Tabani den soort en op Sumatra.

Eind 1927 bracht schrijver i£ maand op Sumatra\'s Westkust door om het surra-
vraagstuk verder te bestudeeren. In het geheel werden 95 proeven genomen met
1031 exemplaren van 14 verschillende Tabaniden — 2 Chrysops- en 2 Haematopoka
soorten, alle in het bosch en op het veld gevangen met behulp van surravrije buffels.
Met 13 soorten waren de proeven in 59 gevallen positief.

Als surradrager werden paarden gebruikt ; enkele malen slechts cavia\'s ; alle
alleen, indien ze sterk positief ( ) gcinfecteerd waren ; als proefdieren paar-
den, apen en hoofdzakelijk cavia\'s.

Bij het experimenteeren gebruikte schrijver een uitneembare paardenstal 2 bij

2 bij 2 M. met zijwanden van vliegengaas.

De observatietijd werd, bij negatief verloop, bij het paard gesteld op 3 weken,
voor apen op 1 maand en voor cavia\'s op 2 maanden.

In het geheel verkreeg schrijver èn op Java èn op Sumatra met 17 Tabanu-,

3 Chrysops- en 4 Haematopotasoorten een positief resultaat.

Hij komt tot de volgende conclusies :

Alle tabanidensoorten kunnen zeer waarschijnlijk als Surrabesmetters worden
beschouwd. Bij directe overbrenging gelukt de infectie met alle Tabanussoorten
zeer gemakkelijk. Waarschijnlijk kunnen de meeste Tabanussoorten nog na 3 uur
de ziekte overbrengen ; een gedeelte is na 6 uur nog daartoe in staat. Met verschil-
lende soorten laten zich vrij gemakkelijk verscheidene proefdieren achter elkander
besmetten. De kans bestaat, dat eenige Tabanussoorten gemakkelijker de ziekte
overbrengen dan andere.

Voor het verloop van de verschillende proeven verwijs ik naar de oorspronkelijke
werken van den schrijver.

blauwzuur :

3.600 m.g.
0.016 m.g.
0.082 m.g.
o.151 m.g.

-ocr page 501-

Bloedonderzoek bij onze huisdieren. Dr. J. H. van den Berg : Lezing te Djocja-
karta 30 Maart 1928.

Schrijver wijst erop. hoe na <le ontdekking van het malaria plasmodium door
Leveran het bloedonderzoek is toegenomen, vooral na de invoering van het voor-
werpglaspraeparaat en de Romanowsky-Giemsakleuring, later de nog vereenvou-
digde methode
Kiewit de Jonge. Een résumé door Collega Dr. Witkamp dir
haemologische symptonen van piroplasmose bij den hond, zooals beschreven is
door
Wright, Strickland en anderen, gaf van den Berg aanleiding het bloedbeeld
van piroplasmose vast te leggen ; door combinatie van dit beeld en de verschillende
klinische symptonen kon hij de diagnose : Proplasmose stellen, zonder dat de
vaak zeer moeilijk te vinden parasiet werd aangetoond. De diagnose werd steeds
na de sectie bevestigd door uitstrijkpraeparaten van de inwendige organen.

Het bloedbeeld is als volgt : Haemoglobinegehalte 17 a 30 haemometergraden
van
Sahli ; aantal witte bloedlichaampjes 48 maal vermeerderd. Deze vermeer-
dering bestaat voor 75—90 % uit neutrophiele leucocyten, de rest, behalve een
enkele eosinophiele cel, uit lymphocyten. In absolute waarde uitgerekend is het
aantal lymphocyten als
groote regel niet veranderd. Er zijn zeer vele straafkernige
neutrophiele leucocyten. Men ziet tevens sterke bloeddestructie. De vermindering
van de erythrocyten kan 750.000 per 24 uur per m.m3. bedragen. Bij dat bloed-
beeld is de prognose infausta.

Bij differentiaal-diagnose tusschen saccharumycose en malleus is het bloedonder-
zoek ook van gewicht. Bij malleus vond schrijver hyperlcuccytosis, in hoofdzaak
van de neutrophiele leucocyten ; bij saecharomycose niet. Deze onderzoekingen
zijn nog niet beëindigd.

De gebruikte methoden van haemoglobinebepaling zijn die van Gowers, Sahli
en Eallquist.

Schrijver geeft aan nauwkeurig de methode van Sahli te volgen, d.w.z. dat men
precies 1 minuut na de bijeenvoeging van bloed en zoutzuur, het mengsel met
water verdunnen moet tot de kleur van de standaard-oplossing van zoutzuren
haematine van
Sahli.

Wijkt men van die techniek af, krijgt men last van : het phaenomeen van Staübli,
het z.g. nachdunkeln ; de oplossing van bloed wordt door staan donkerder.

Van den Berg toonde dit verschijnsel ook aan bij paardenbloed. Hij conclu-
deert :
alleen opgaven omtrent liet normale haemoglobinegehalte, welke gepaard gaan
van een mededeeling, hoe het onderzoek met den H.b. meter van Sahli is verricht zijn
als wetenschappelijk materiaal bruikbaar.

Hij onderzocht verder het bloed van 163 Australische ruinen en 87 merries ;
het haemoglobinegehalte bedraagt in Indie voor ruinen 53 71, voor merries
54 —72 haemometergraden. Oudere dieren hebben een hooger Hg. gehalte dan
jongere, echter een kleiner getal roode bloedlichaampjes.

Met de telkamer van Alferow Bürker werden roode en witte bloedlichaampjes
geteld. Voor de leucocyten-formule werd gekleurd volgens
Giemsa of Kiewit de
Jonge ;
minstens 200 cellen werden gedifferentiëerd.

Het bloed van paarden in Ned.-Indië heeft dezelfde samenstelling als dat van
paarden in gematigd klimaat. In veneus bloed vindt men 1000—2000 leucocyten
meer dan in het periphere bloed. Bij publicatie van onderzoekingen moet men dus
steeds opgeven, vanwaar men het bloed genomen heeft.

Kwikzilverjoodkalium tegen Piroplasmose M. Soetisno. Mededeeling uit de
praktijk.

Een Friesch-Hollandsche stier werd behandeld ; het recept van A. Trepacev.

R. Hydrarg. byod. rubri 3, Jodeti kalici 3, 3, Chloras, natric, 1.3, Apua destill,
330. — en hiervan werden om de 10 of 12 dagen 10 c.c. M3 intramusculair inge-
spoten. Het succes was onbevredigend daar de temperatuur hoog bleef en meer-
malen parasieten in het bloed konden worden aangetoond. M.
Soetisno gaf slechts
een dosis van 10 c.c., daar het dier nog jong was en er slecht uitzag en hij bang
was voor de overgevoeligheid voor kwik.

-ocr page 502-

Trepacev behandelde 360 paarden en 15 runderen ; genas alle runderen en
351 paarden.

M. Soetisno wil het middel niet meer toepassen. Hij gaf op het eind een inspuiting
met 100 c.c. van 1 % trypaanblauw intramusculair. Daarna werden geen parasie-
ten meer gevonden.

Ervaringen inzake de Naganol-Atoxyl behandeling van Surra in het ressort Se-
marang.
Dr. W. Treffers en M. Roesli.

Sinds Juli 1925 werden in het ressort Semarang 107 surra-paarden behandeld
met 3 gram naganol intraveneus en 3 gram atoxyl subcutaan of intraveneus. De
dieren bleven onder controle. Slechts 5 maal werden voor de 2de maal parasieten
gevonden, 3 maal in nog geïnfecteerde stallen (nieuwe infectie?) 1 maal 3 maanden
na de behandeling en 1 maal 2 maanden na de behandeling.

Dit laatste paard stierf, de andere genazen. In het geheel stierven aan surra
13 stuks, waaronder de laatste recidivist.

Een paard wurdt als genezen beschouwd, als het na 12 maanden controle nog
vrij van surra is. Voor de statistiek komen dusdoende slechts 51 paarden in aan-
merking. Hiervan genazen er 38, alzoo 74.5 %.

Uit de lijsten blijkt echter, dat na 3 maanden geen sterfgeval meer voorkomt
aan surra. Het controle-tijdperk, bepaald op 3 maanden, levert een herstelper-
centage van 87.9 %.

Tot nog toe is niet uit te maken, of een dier te laat behandeld wordt. Soms ge-
nezen schijnbaar zwaar zieke dieren, terwijl ook soms schijnbaar pas aangetaste
dieren sterven.

Als prophylactische voorbehandeling werd in Juli 1926 bij 33 paarden 1 gram
Naganol ingespoten ; de 7 zieke dieren werden als gewoon behandeld. De ziekte
bleef heerschen. In Februari 1927 werden alle dieren met de volledige naganol-
atoxyl dosis ingespoten. Er kwam nu geen surra meer voor.

In een anderen stal werden 3 gram naganol prophylactisch ingespoten. De ziekte
bleef. Na behandeling van naganol en atoxyl in curatieve dosis is niets meer ge-
constateerd. Het komt schrijver voor, dat bij prophylactische behandeling met
alleen naganol er gevaar bestaat, voor verlenging der incubatietijd of het kweeken
van occulte surra. Schrijver komt tot de volgende conclusies :
ie. De surra-behandeling bij paarden met naganol en atoxyl geeft 87 % genees-
kans.

2e. Is een paard 3 maanden na de behandeling gezond, dan kan het hersteld ver-
klaard worden.

3e. Als prophylactische behandeling mag alleen de curatieve toegepast worden.
4e. Het groote succes der behandeling leidt vanzelf tot geregeld rapporteeren van
zieke dieren.

5c. Fr wordt meer verspreidingsgevaar voorkomen door het voordeel van het

geregeld rapporteeren, dan er ontstaat door de z.g. recidiven.
6e. Bij behandeling van surra bij een hiertegen reeds behandeld paard moet de
behandeling herhaald worden.

In een noot schrijft de Redactie, dat zij Dr. C. Bubberman gevraagd heeft om
dit onderwerp in beschouwing te willen nemen, vooral met het oog op de
verstrek-
kende conclusies
van de schrijvers.

De toepassingen van Naganol bij de Surra van het paard. Dr. C. Bubberman.

Bubberman geeft critiek op het voorafgaande artikel en vindt de samenstelling
der tabellen met ruim 87 % herstel wel wat optimistisch, daar er onder de paarden
die na 3 maanden om verschillende redenen zijn afgeschreven (niet meer in contrôle,
nog in controle, gestorven of afgemaakt wegens andere ziekten, verkocht) ook nog
recidivisten kunnen zijn geweest, die bij de
niet dagelijksch verrichte controle
aan de aandacht ontsnapten.

Schrijver geeft toe, dat de periode van 3 maanden voor de naganol-atoxyl thera-
pie : 3 gram àà per 150 Kg. lichaamsgewicht voldoende is te achten, ofschoon de tijd
wel wat krap genomen is.

-ocr page 503-

Schrijver zelf verrichtte met Douwes en van Bergen proeven met naganol-
atoxyl. (Bladen v. Diergeneeskunde, Deel 38, pag. 58) maar, zelfs gecompleteerd
met een dosis tartarus emeticus, recidiveerde paard No. 609.

Volgens Edwards vormt het aanwezig zijn der parasieten in het centrale zenuw-
stelsel op het oogcnblik der behandeling mede een factor in het succes der behan-
deling, misschien de allerbelangrijkste, welke de kans op sterilisatie beïnvloedt.

De intrede van de parasiet in het zenuwstelsel is niet aan vaste regels gebonden ;
kan b.v. reeds in het begin der ziekte gebeuren, en het moeilijk diffundeerbare
middel naganol bereikt de trypanosomen daar niet. Recidieve kan dan optreden
met als beeld reïnfectie van de bloedbaan of paralytische symptomen met constant
negatief bloedbceld. Daarom is
Bubberman niet tevreden met de eenvoudige be-
handelingsmethode van
Treffers en Roesli en geeft de methode Edwards aan
(Memoirs of the Department of Agriculture in India, Veterinary Service Vol IV
No I, 1928). Hierbij wordt naganol intraveneus en intrathecaal (tusschen de
hersenvliezen) toegediend, zoodat tegelijk met het bloed het cerebro-spinaalvocht
wordt gesteriliseerd.

De intrathecale methode bestaat uit een serie van 5 injecties, nl. simultaan één
intraveneuze injectie van 5 gram naganol per 450 K.G. lichaamsgewicht (50 c.c.
van 10 % solutie), één intrathecaal (in de atlanto-occipitalc ruimte) van 0,02 per
450 K.G. (20 c.c. van 0.1 % solutie) ;

na 15 dagen een intrathecale inspuiting in dezelfde dosis :

na nogmaals 15 dagen weder een simultaan injectie als No. 1.

Bij niet al te ver voortgeschreden gevallen biedt deze methode de hoogste ge-
nezingskans. Met haar omslachtigheid en niet zoo gemakkelijke techniek is zij
misschien echter alleen toepasselijk bij dure paarden. (Zij schijnt mij lastig toe
te passen in de practijk. Ref).

Conclusie 3 van Treffers en Roesli bestrijdt Bubberman alweer door te wijzen
op het onvoldoende vooronderzoek der prophylactisch behandelde dieren en hij
gaat net acceiord met het idee de curatieve dosis te nemen voor prophylac-
tische voorbehandeling.

Gelukkig schrijft Bubberman zelf : wil men 0111 practische redenen de voeir-
contróle uitschakelen en bij het eerste stalonderzoek alle bij dat onderzoek niet
positieve paarden voor alle zekerheid maar niet een curatieve dosis inspuiten,
dan is (lat een heel andere kwestie, welke echter buiten het wezen eler prophylaxis
omgaat. (Ik voor mij denk, dat de practicus de ziekte in den kortst mogclijken
tijd moet genezen en wanneer hij dat 1111 eloen kan eloor het inspuiten van een
curatieve dosis aan zieken en gezonden (indien ongevaarlijk) dan doet hij elat.
Verdrijving van de ziekte is voor de praktijk hoofdzaak en wanneer elc methode
succes heeft, is ze goed, ook al is ze niet zuiver wetenschappelijk. Ref.)
Bubberman
hecht zelf Wel aan naganol-voorbehandeling: kleine dosis niet korte intervallen:
i gram per 450 K.G. lichaamsgewicht 0111 de 14 elagen (eveneens methode Edwards).

De ode conclusie treft Bubberman zeer ; deze slaat op elc 5 gevallen met reci-
dieve, waarvan 4 genazen, door
Treffers en Roesli behandeld. Misschien liael
hier herinfectie plaats gehad. Het is
Bubberman neig nexiit gelukt een echte reci-
divist te genezen ; daarom gelooft ook hij hier liever aan herinfectie.

In Ned.-Indië voorkomende Pluimveeziekten. Dr. W. K. I\'icard. (Uit de afdeeling
Pluimveeziekten van lie-t Veeartsenijkundig Instituut te Buitenzorg, l)ir. Dr. C.
Bubberman).

Leucaemie van de kip, Leucaemia gallinarum.

Ook in Inelië komt leucaemie voeir. Gedurende een tijelpcrk van 18 maanden
werd deze ziekte 8 maal bij sectie op Oio kippencadavers aangetroffen. Zoowel
ele lymphatische als de myeloide leucaemie werd aangetroffen, de laatste lijkt op
multipele sarcomatose.

Bij de lymphatische leucaemie vindt incn een enorme eliffuse vergrooting van
ele lever, welke lichtgeel tot grauwbruin van kleur en broos van consistentie is,
niet neiging tot scheuring, met talrijke gerstkorrel - tot erwtgroote grauwwitte

-ocr page 504-

vlekken en verhevenheden ; meestal vergrootte milt en nieren en gezwollen darm-
slijmvlies met een aantal intra- of subsereus gelegen knobbeltjes.

Het dier vertoont gedurende het leven een progressieve anaemie, met het speci-
fieke bloedbeeld daarvan. Bij de myeloide leucaemie krijgt men liet beeld van
multipele sarcomatose : men vindt in de parenchymateuze organen een aantal
omschreven haarden van geelwitte kleur, spckachtig op doorsnede, van erw t-
tot kastanje grootte. Gedurende het leven constateert men geen anaemie, een vol-
maakte gezondheid en geen of zeer geringe wijziging van het bloedbeeld. Kort
voor het einde treden in beide gevallen verlammingstoestanden in.

Taeniasis nodularis. Lintwormziekte komt veel voor. Vooral bij jonge dieren
kunnen ernstige gezondheidsstoornissen optreden : anaemie, vermagering, lichaams-
zwakte. en nerveuze storingen ; symptomen terug te brengen tot onttrekken van
voedende bestanddeelen en tot den invloed van wormtoxinen. Oudere dieren hebben
meestal slechts enkele exemplaren en schijnen daarvan niet te lijden. Koppels
met wormziekte zien er treurig uit : de kippen zijn loom, hebben doffe bevedering
en lijden aan diarrliee, welke vaak met bloed en slijm vermengd is. Gapen is een
typisch verschijnsel.

Een soort, de Davainea telragetia, veroorzaakt karakteristieke veranderingen
in den darmwand. De worm wordt 90—200 m.M. lang, is 1.5 —3n1.il. breed, heeft
een kleine vierhoekige kop en een rostrellum met 200 haken. De laatste leden zijn
vierhoekig van vorm. De finnen leven in kleine slakken. Zij komt ook veel voor
in Italië en Hongarije. Bijna altijd werd ze in Indië bij sectie gevonden, vooral bij
de kampongkip). Men ziet uitwendig den geheelen darmwand bezaaid met gerst-
korrel — tot erwtgroote knobbels. Bij insnijding vindt men een geelgroene necro-
tische weefselmassa, vaak gepaard metetterophooping. Op het slijmvlies vindt men
vaak knobbeltjes, die dikwijls naar binnen doorbreken.

Als therapie schrijft Picard het volgende voor : Dcor het ochtendvoer van
100 kippen wordt J pond glauberzout gemengd, opgelost in warm water. Twee uur
daarna worden de kippen uit de hand gevoerd met vkeschballetjes, waardoor
fijngestampte pinangnoot (areca eatcchu). Voor 15—20 kippen wordt één noot
gebruikt. Na 1 week wordt de kuur herhaald. Gedurende de kuur worden de kippen
opgehokt. Het hok dient daarna grondig gereinigd te worden met heete soda-
oplossing.

Eendenfokkerij op Bali. Extracten uit de Maand en Jaarverslagen der Gouverne-
mentsveeartsen.
No. 48. H. G. van Waveeen.

Deze methode van fokken geschiedt door Chineezen. Zij leggen de eieren in
cylindrische bamboekorven van ^ A M. diameter en ^ 70 c.M. diep Van binnen
zijn deze beplakt met krantenpapier. Hierin worden de eieren gelegd in lagen met
een stuk jutezak er tusschen. In een korf zijn 500 -700 eieren, die dagelijks 5 of
6 maal gekeerd worden.

Tusschen de korven, die 4 tot 6 in getal in een soort toonbank geplaatst zijn,
wordt dedek, doppen van rijst, gestrooid (als warmteverwekker).

De eieren worden geselecteerd. Na 1 dag heeft tegen het licht van een petroleum
lamp weer selectie plaats, de vrucht is dan een zwarte vlek als een katjangboon.

Na 5 dagen is er nog eens selectie.

Na 27 dagen zijn de eieren bebroed. De laatste dagen worden de eieren op zakken
geplaatst, afgedekt met jute zakken, tot de kuikens uitkomen.

De Baliers drukken bij aankoop in de genitaalstreek, ten einde den penis uit te
stulpen ; ook letten ze op stemgeluid.

Dit soort broederij wordt uitsluitend door Chineezen uitgeoefend, ook op Siinia-
tra\'s Oostkust en op Penang.

(Het was vroeger altijd een aardig gezicht \'s morgens te Medan op liet station
de groote korven te zien aankomen, van Penang na een zeereis van een nacht.
Soms waren die dan voor de helft gevuld met kuikentjes en voor de andere met
eieren. Ieder oogenblik zag men dan een nieuw kuikentje voor den dag komen. Ref.

Breedveld.

-ocr page 505-

ZIEKTEN VAN VARKENS.

Hog Cholera in the Young Pig. Journ. of the Am. Vet. Med. Association, Mei 1928.

Bennek heeft verleden herfst in de jaarvergadering van de Am. Vet. Med. Ass.
eene lezing gehouden over pest van jonge varkens.

In streken, waar pest veel voorkomt is B. voorstander van preventieve enting
en wel eene
simullune enting van viius en scrum beide. Hij is van meening, dat
hiermede in sommige streken zeer goede resultaten zijn bereikt.

Uit het debat, dat op deze lezing volgde, bleek dat niet alle aanwezigen even
enthousiast waren. Dr.
Birch deelde mede, dat hij vanaf 1910 een groot aantal
entingen heeft kunnen volgen. De jonge varkens werden geënt enkele weken na
het spenen, maar weldra bleek, dat er vele biggen reeds ziek werden vóór dien tijd.
Deze dieren werden toen behandeld met scrum alleen, omdat hij meende (en ook
Dr.
Dorset deelt die meening) dat de simultaan-enting gevaarlijk is. Ondervindingen
in de laatste jaren hebben bewezen, dat eene beproefde methode van enting om
pest te voorkomen nog niet bestaat.

Op dezelfde vergadering sprak Dr. Dorset over ,,varkenspestbestrijding en de
dierenarts".

Dorset is eveneens van oordeel, dat alleen met preventieve enting men cr nog
niet is. Hij heeft meer het oog op eene georganiseerde bestrijding, waarbij o.a.
bepalingen betreffende ontsmetting van vervoermiddelen in het leven worden
geroepen. Het federaal gouvernement dient dan samen te werken met de afzonder-
lijke staten.

Den practiseerden veearts geeft hij den raad om vooral het oog gevestigd te
houden op de werkelijke bestrijding van de varkenspest in het algemeen en niet
slechts alleen op het beginsel om maar veel te enten.

Bij de discussie, die op de rede volgde, merkte Dr. Ash nog op, dat hij lang in
de meening had verkeerd, dat de jonge varkens, zoolang zij nog bij de zeug waren,
niet door de pest zouden worden aangetast. Maar in 1926 zag hij de ziekte reeds
optreden bij twee weken oude biggen.

Vogeltuberkelinfectie bij varkens

(D. T. W. N o. 42)- Kokkic;kr heeft hieromtrent al eerder gepubliceerd. Het
betrof 4 varkens. Een ervan werd intraveneus ingespoten, terwijl een tweede door
middel van eene slokdarmsonde tuberkelbacillen van vogels werden ingegeven.
De beiele anderen werden aan natuurlijke besmetting blootgesteld. Alles met
positief resultaat, wel een bewijs hce gevoelig varkens voor elen vogeltuberkelbacil
zijn. Alleen varken No.
2 vertoonde ziekteverschijnselen en bleek later lijdende
te zijn geweest aan viruspest :

Bij histologisch onderzoek bleek het weefsel zeer veel tuberkelbacillen te be-
vatten, vooral propria en submucosa van dunne en dikke darm en de lymphklieren,
welke het beeld vertoonden van grootcellige, tuberculeuze hyperplasie. In de longen
(die pneumonische verschijnselen vertoonden) waren zeer vele plekjes met epithe-
loïele en reuzencellen met talrijke tuberkelbacillen.

Hieruit blijkt dus, dat bij varkens, met een of andere ziekte behebt. infectie met
vogeltuberculose tot eene algemeene tuberculose kan leiden, terwijl dit bij overigens
gezonde dieren niet het geval is.

Voederproef bij varkens met wei- en karnemelk afkomstig van melk van een melk-
fabriek met Dauerpasteurisation.
(I). T. W. 1928, No. 40, blz. 663, Pröscholdt).

De proef duurde van 9-- ir maanden en de varkens kregen in dien tijd gemid-
deld 4500 Liter wei- of karnemelk per stuk. Omdat de melk soms zuur was, werd
niet altijd al het aangevoerde onderworpen aan de dauerpasteurisierung. Daardoor
werd de proef minder betrouwbaar.
Pröscholdt, van wien deze medeelecling is,
meent echter, dat men op grond van deze in ele praktijk genomen proef geen slechten
indruk krijgt van de waarde der Dauerpasteurisierung.

Na voedering van kunstmatig geïnfecteerde afgeroomde melk, welke 0.5—1 %
tubercelbacillen houdende melk bevatte, en die 135 dagen larg met 4C0 L. per stuk
toegedienel werd, waren alle drie varkens (100 %) tuberculeus. Van 10 varkens,
die in ele proefstallen met gewone afgeroomde melk van de melkinrichting 147—

-ocr page 506-

28i dagen lang met 378 -698 E. por stuk gevoederd werden, werden bij slachting
80 % tuberculeus bevonden.

Van 82 varkens, gevoederd op dezelfde wijze, maar waarbij de melk aan een
Dauerpasteurisierung onderworpen was geweest, was 15,85 "0 tuberculeus. Dit
cijfer is nog te hoog, ook nog bij eene andere groep van 298 varkens, die bij slach-
ting voor 9% tuberculeus werd bevonden. Het onbevredigende resultaat werd
geweten aan het feit, dat het registreerapparaat li maand lang buiten functie
was en soms rauwe karnemelk gevoerd werd.

Na deze ontdekking, waardoor aan de proef ve.\'l van hare waarde werd ontnomen,
werd nog aan eene groep van 35 varkens goed gecontroleerde, door dauerpasteuri-
sierung behandelde wei gevoerd gedurende 9—10 maanden. De dieren kregen daar-
door per stuk in dien tijd ongev. 4000—4500 1.. wei en bij slachting bleek nu slechts
3 % (\' varken) tuberculeus te zijn. Volgens de temperatuurkurve werd de melk
gedurenden deze 10 maanden verhit tot 60 a 65 graden. Het staat niet zeker vast,
of het eene tuberculeuze varken van deze proef, ook niet anders dan door voeding
kan zijn besmet.

De proeven zijn dus niet heelemaal onberispelijk genomen, maar er is dan toch
uit gebleken, dat bij verhitting tot bovengenoemde temperatuur de varkenstuber-
culose van 80 tot 3 % is gereduceerd.

Haemorrhagische Septicaemie bij varkens. (Journ. Americ. Vet. Med. Ass.
Dec. 1928)

Barnes en Brueckner van het Bureau of Animal. Industry Harrisburg maken
vooraf de opmerking dat de bacteriegroep, welke bovengenoemde ziekte opwekt
in hare verschillende vormen, in den regel pathogeen is voor konijnen, maar dat
het dikwijls niet gelukt <le ziekte kunstmatig bij grootere huisdieren op te wekken.
Alleen de bekende ..buffelstam" schijnt dit te doen.

Betreffende een optreden dezer ziekte bij varkens vermelden zij, dat 7 zeugen
op een nieuw terrein 68 biggen wierpen, waaronder eene ziekte uitbrak toen ze
ongeveer 5 weken oud waren, 50 van de 68 biggen stierven, vele ervan binnen 24
uren. De verschijnselen bestonden in temperatuurverhooging en depressie. Kr
werd een zieke big opgezonden naar het laboratorium, waar werd geconstateerd:
temp. tot 41.6° C.. nevenverschijnselen, spiertrekkingen, neusuitvloeiingen, con-
junctivitis en tranen. Bij de Sectie werd gevonden : bloedingen onder de milt-
kapsel, oppervlakkige necrose in pliarynx en larynx, pneumonische haarden in
longen, gezwollen lever, petcchien op de nieren.

Er werd eene emulsie gemaakt van materiaal uit de pliarynx, env an lever, longen
milt en hartbloed. Drie
konijnen ingespoten respectievelijk met 1,2 en 3 c.c. stierven
binnen 24 uren. Microsc-preparaten vertoonden duidelijk de bacteriën van de groep
der haemorrhagische septicaemie ; culturen eveneens.

Op 13 Mrt. werden een schaap en een varken (63 pond) subcutaan ingespoten
met 4 cc. en een
lam met 2 cc. van eene emulsie van de long van de big.

Het schaap stierf den 20sten, het lam den 1 yden .Mrt. Beiden vertoonden bij
de sectie bloedingen in verschillende organen enz. Konijnen, wederom ingespoten
met eene emulsie van de long van het lam, stierven aan haemorrhagische septi-
caemie.

Behalve het genoemde varken, werd er ook nog een kleiner (30 pond) ingespoten,
maar geen dezer dieren vertoonde verschijnselen. Zij werden 2 weken in observatie
gehouden, ook met het oog op eene mogelijke combinatie met viruspest, maar
bleven gezond. Een ervan later ingespoten met pestvirus stierf na 14 dagen.

„Blutfleckenkrankheit" bij een varken.

( Wintersberger, Wiener Tierarztl. Monatsheft 1928. Heft 15. blz. 663).

Glasser zegt van deze ziekte, in zijn bekend handboek, dat zij ,,jetzt eine ver-
haltnissmassig seltene Kiankheitist". Zij komt steeds sporadisch voor en G. ondet-
scheidt eene acute en eene chronische vorm.

Bij de acute vorm treder. onverwacht multipele bloedingen op in de huid. Soms
ontstaan werkelijke bloedblazen ; het vasthouden van been of oor kan aanleiding
geven tot omvangrijke bloedingen.

-ocr page 507-

Bij de chronische vorm zijn de dieren eerst minder opgewekt, vertoonen minder
eetlust, en daarentegen meer dorstgevoel. Na eenigen tijd ziet men dan oedema-
teuze plekken en bloedingen in de huid ontstaan. Op sommige plekken kan men
de borstels gemakkelijk uittrekken en aan den haarwortel hangt dan veelal een
druppel donker bloed (Borstenfaule). Tandvleesch gezwollen en rood (scorbut),
bloedt gemakkelijk en vertoont nog al eens erosies en zweertjes. De mondholte ruikt
onaangenaam, tanden raken los. De dieren worden anaemisch, zijn vermoeid, raken
soms verlamd aan-het achterstel en sterven, wanneer geene noodslachting geschiedt.

Bij de sectie blijkt, dat de bloedingen zich niet alleen bepalen tot huid en mond-
slijmvlies ; ook de inwendige organen vertoonen deze verschijnselen. Bij de acute
vorm zijn de lymphklieren meer gezwollen dan bij de chronische. De oorzaak
is tot nu toe onbekend.

Wintersberger beschrijft nu een geval bij een varken van 45 kilo met een
snel verloop en eenigszins afwijkende verschijnselen. Het bacteriologisch onderzoek
na de sectie was negatief.

„Gibt es eine chronische Viruspest ?"

Tierarztl. Rundschau 1928. No. 52/53.

Onder dezen titel schrijft Prieuwe een lang artikel in de T. R. Hij is het
niet eens met
GlaSSER, Nusshag en andere, die meenen, dat de viruspest
ook een chronisch verloop kan hebben, en zegt : ,,de viruspest is eene haemorr-
hagische septicaemie en verloopt als zoodanig steeds acuut (of per acuut). Wanneer
eene op pest gelijkende ziekte in een varkenskoppel een chronisch verloop neemt,
dan is dit een bewijs, dat het geen viruspest is, maar iets anders".

In het begin, zegt Prieuwe is de vlekziekte-septicaemie niet te onderscheiden
van de viruspest-scpticaemie. F.11 wanneer de dierenarts in de praktijk direct
een besluit moet nemen is hier het ,,Mengserum van
Nusshag voor vlekziekte
en viruspest eene uitkomst. Van eene medicamenteuse behandeling van viruspest
wil
P. niet weten ; die zou alleen te bestrijden zijn met eene tijdige enting.

In zware gevallen is slachten de eenige goede bestrijdingswijze, bij lichte gevallen
kan men serum aanwenden, de nog gezonde varkens kunnen met scrum en virus
worden behandeld. Moeilijker wordt het wanneer de viruspest gecompliceerd is
met andere ziekten.

Volgens GlXsser verloopt de paratyphus der varkens met diarrhee. P. meent
daarentegen, dat een zuivere paratypheuse ziekte, waarbij diphtherische veran-
deringen van het darmslijmvlies optreden, nooit gepaard gaat met diarrhee.
Wanneer men dit verschijnsel wel ziet, dan bestaat er eene menginfectic, b.v.
met coli. Volgens
P. speelt de paratypheuse darmaandoening bij jonge varkens
een veel grootere rol dan de viruspest, vooral door de grootere verbreiding. De
diertjes krijgen een ,,uitslag" en de varkensfokker wasclit ze nu, voor ze naar
de markt gaan met zeep, petroleum of kalkwater. Zoo worden soms 3 a 4 maanden
oude biggen verkocht als zijnde 6 a 8 weken. Bij den nieuwen eigenaar komt weldra
het exantheem terug en
P. zegt, dat hij herhaaldelijk zulke patiëntjes ziet. Wanneer
de longen niet zijn aangetast, heeft hij hierbij veel succes met eene
chinosolbehan-
deling,
zoowel in- als uitwendig.

Tot staving van zijne meening geeft P. dan enkele gevallen uit zijn praktijk
en herhaalt dan : de gevallen totnutoe als chronische viruspest aangeduid zijn
niet anders dan
zelfstandige, infectieuse enteritiden waarbij de paratyphus en hun
naziekten een hoofdrol speelt. En wanneer nu beweerd wordt, dat de viruspest
vooral als chronische pest in zulke stallen optreedt, waar ze vroeger acuut hcerschte,
omdat die viruspest latent in die stallen blijft, dan zegt
P., dat niet de viruspest
latent en in zulke stallen heerscht, maar dat veeleer de „bacillaire" pest, de para-
typhus met hare „menginfecties", latent heerscht.

Voor een speciale therapie is het van groote beteekenis of er werkelijk eene
chronische viruspestvorm bestaat. P. meent, „dat de acute viruspest septicaemie
door passieve en actieve viruspestserumenting of door simultaanenting heel goed
te bestrijden is, maar enting van viruspestserum, wanneer geen viruspest aanwezig
is, moet zonder resultaat zijn\' .

-ocr page 508-

Eene besmettelijke ziekte van het varken door eene enterococcus.

(Van der Heyden en de Sainï Moulin), Journ. Am. Vet. Med. Ass. 1928 Sept.).

De enterococcus is een normale saprophyt van den digestietractus hij mensch
en dier (mond, neus, pharynx en verder) en is o.a. aangegeven onder de namen :
Streptococcus iacticus, S. faecalis, Micrococcus ovalis etc.

Verschillende onderzoekers hebben bij het varken streptococceninfectie aan-
getoond .

Bovengenoemd geval betrof een varken van ongeveer twee maanden. Bij de
sectie werd gevonden : huid licht gevlekt, conjunctivitis, adhaesieu pleuritis hepa-
tisatie van de rechter voorkwab van de long, leverdegeneratie, oppervlakkige
ontsteking van de darmen. Aanvankelijk was de diagnose pest gemaakt, maar de
aangelegde culturen wezen op de aanwezigheid van een streptococcus, die goed
groeide op de gewone voedingsbodems. Inspuiting van streptococcenvaccin bij
de andere varkens had goede resultaten.

The occurence of the Swine Kidney worm (Stephanurus dentatus) in the urinary
bladder and ureters of the host animal.

In de November afl. van het Journal of the Am. Vet. Med. Ass. 1928 schrijft
Nighbert over het voorkomen van wormen in de ureteren en pisblaas van varkens.
De nieren en meer speciaal de „nierstreek" vormen de plaats, waar de mannelijke
en de vrouwelijke worm paren. De eieren worden gedeponeerd in de holten, waarin
de wormen zich bevinden en de eieren passeeren door spleten naar de ureteren of
het nierbekken, verder naar de pisblaas en komen met de urine naar buiten. Kr
heerscht eene onzekerheid nog op dit terrein. Volgens de ervaring van den schrijver
werden doode wormen of deelen ervan zelden aangetroffen.

Bij het onderzoek van urine van varkens op de aanwezigheid van ,,nierworm-
eieren" werden de volgende waarnemingen genoteerd : Den ió Aug. 1926 werd
van een oude, magere zeug urine uit de blaas genomen. De urine was vlokkig. Een
deel van de meer heldere urine vertoonde microscopisch slechts weinig eieren,
terwijl in het meer troebele gedeelte een groot aantal werd gevonden. De onderste
laag bevatte een aantal fragmenten van de wormen zelf.

In Juli 1928 werd bij de sectie van een elf maanden oude zeug een volwassen
„nierworm" in het linnen van de ureter gevonden. Dit varken vertoonde de aan-
wezigheid van de worm in de nieren, het niervet en in de lever.

Uit deze twee gevallen blijkt dus, dat de worm, evenals de eieren ervan, soms
haar plaats in de nieren en het niervet verlaten en naar buiten treden langs de
urinewegen. Of dit de normale gang van zaken is nadat de wormen afgestorven
zijn zal nog nader onderzocht moeten worden.

De levensduur der vlekziektebacillen en hunne verschillende virulentie onder
verschillende verhoudingen.
B. T. VV. 7 December 1928

K. Helm. (Veterinarabteilung des Reichsgesundheitsamtes, Zweigstatte Dahlem)
zegt, dat men in gevallen, waarbij de preventieve enting volgens
I.orenz geen
goed succes opleverde, men de schuld wel eens heeft geworpen op de kuituur,
welke
te oud zou geweest zijn.

Hieromtrent heeft hij nu proeven genomen, waarbij hij 10 verschillende stam-
men bezigde. Bij M. B. van 25 Juli r925 is in Duitschland aangegeven, dat de
buisjes met vlekziektekulturen een opschrift moeten hebben, waarop de dag
van bereiding is aangegeven en waarbij de opmerking behoort, dat de betreffende
cultuur binnen 4 weken moet worden aangewend.

Aan het slot van zijne onderzoekingen komt nu Helm tot deze conclusie : „Vlek-
ziektebacillen in bouillonkulturen kunnen maanden-, zelfs over een jaar lang
levensvatbaar, en zelfs virulent blijven." In het algemeen zou het dus mogelijk
zijndie termijn van vier weken wat ruimer te tellen. Bij de besprekeing van dit
onderwerp in den Rijksgezondheidsraad was men echter van meening, dat om ver-
schillende redenen eene beperking van den ouderdom der culturen, zooals die
in de praktijk der simultaanenting worden aangewend, tot 4 weken gewenscht is.

Opm. : De vlekziekteculturen, zooals die door de Rijksseruminrichting worden
afgegeven, dienen volgens het voorschrift binnen ongeveer 8 dagen te worden
gebruikt. Deze termijn is gekozen omdat proexen aldaar hebben geleerd, dat vlek-
ziektebacillen, aan daglicht blootgesteld, in 14 dagen kunnen afsterven. B.

-ocr page 509-

ZIEKTEN VAN KONIJNEN.

Rabbits parasites and diseases.

Het U. S. Department of Agrieulture zendt als Farmers\' Bulletin No. 1658
een boekje de wereld in, waarin door den Zoöloog
B. Schwartz en den Veterinair
W. B.
Shook een aantal konijnenaandoeningen worden behandeld Het boekje
is bedoeld, om aan konijnenhouders uit te reiken ; wij zouden het bij voorkeur
in handen van dierenartsen laten.

De konijnenhouderij heeft ook bij ons een vrij groote beteekenis gekregen ; en
daarom is het goed, dat de konijnenhouder, ook van veterinaire zijde, behoorlijke
voorlichting kan krijgen. Dat hiermede een oeconomisch belang op het spel staat,
bleek mij nog onlangs ; een met weinig kennis van zaken opgezet konijnenbedrijf
ging, wegens ziekte der dieren, ten onder, en in korten tijd was hiermede een ver-
lies van / 30.000 gemoeid.

Voor collega\'s die adviseurs zijn bij konijnenhouderijen, zou liet bezit van het
boekje nuttig kunnen zijn (uitgave : Superintendent of U. S. Governement Prin-
ting Office, Washington D. C.).

Enkele grepen uit het boekje volgen hier :

Oorschurjt (Psoroptes en Chorioptes, de .laatste minder heftig). Behandeling :
Schoonmaken met H
,Oa solutie, daarna langdurig behandelen met olie met een
desinfectans, bijvoorbeeld elke 2 of 3 dagen 7 a 8 druppels zachte olie met wat
oleum petri. Korsten steeds verwijderen.

Huidschurft (Sarcoptes en notoedres). Vooral aan de punt van den neus, aan
lippen, kin, voorhoofd enz.

Behandeling is moeilijk.

Coccidiosis. Onderscheiden worden de levercoccidiosis (Eimeria stiedae) en
de darmcoccidiosis (Eimeria perforans), met gelijke symptomen.

Als neuscoccidiosis wordt door sommigen beschreven een maligne catarrh van
de slijmvliezen der neusgangen (niet te verwarren met „snuffles").

In gezonde stallen wordt coccidiosis vooral met tweedehands hokken en met
groenvoer ingevoerd.

Coccidiüncysteu kunnen niet tegen droogte (sterven dan in een paar dagen).

Oudere dieren zijn vaak smetstofdragers en besmetten de jongere dieren, welke
veel vatbaarder zijn en ziek worden.

Oude en jonge dieren moeten dus zooveel mogelijk van elkaar gescheiden worden.

Infeclieuze neuscatarrh (snuffles), een bacterieele aandoening van de neusslijm-
vliezen (vooral waarschijnlijk Bacillus bronchisepticus en Bactcriuni lepiscpti-
cum, de ovale bacil). Lichte vormen met een geringe, slijmige neusuitvloeing ge-
nezen vaak in droge, lichte, goed geventileerde en gelijkmatig warme hokken.

Necrobacillosis (bacillus nccrophorus). Necrose aan lippen of dijen en flanken.

Pseudotuberculose (streptococcus pseudotubcrculosis rodentium). Dieren van
eiken leeftijd kunnen worden aangetast. Het verloop is chronisch, het sterftecijfer
is hoog.

In het algemeen is het niet nuttig een medicamenteuze therapie in te stellen,
bij geen der genoemde ziekten.

De bestrijding bestaat in het vernietigen van de aangetaste dieren en verder
in het instellen van prophylactische maatregelen al naar den aard van het lijden.

Verder worden o. a. nog behandeld : een aantal wormziekten ; pneumonie (veel-
vuldig bij tocht, plotselinge temperatuurswisselingen, vochtige kwartieren, is
vaak infectieus) ;.
indigestie (symptomen : geen eetlust, buikpijn, kwijlen ; vooral
na het nuttigen van veel sappig groenvoer of plotselinge voedselverandering ;
therapie : 48 uren vasten, met alleen wat water gedurende den tweeden dag ;
daarna verscheidene dagen dieet van brood en melk) ;
diarrhee ; zeere hielen (we-
gens ammoniak in vuile hokken).

L. P. de Vries.

-ocr page 510-

NIEUWERE GENEESMIDDELEN.

Gardan, verbinding van pyramidon met novalgine, door Stahnke gebruikt bij
pijnen van verschillenden aard bij chiiurgiese patiënten. De meeste niet te zware
pijnen verdwijnen 10—15 minuten na het gebruik van 1—3 tabletten van J gram
voor ongeveer 3 uren. Het is ook een goed slaapmiddel, heeft geen ongewenste
bijwerkingen en het gebruik van morphine kan zeer beperkt worden (Münch. Med.
Woch., N. T. v. G. 1928 II blz. 4288).

Davitamon een antirachities Vitamine D, de gekristaliseerde en met ultraviolet
licht bestraalde ergosterine, wordt in dragées van 2 m.g. en in 1 % oplossing in olie
in den handel gebracht door N.V. Organon te Oss.

Eulirsol is een kleurloos destillaat uit ruwe ichtyol-olie verkregen ; daarmede
bereide preparaten worden door de Ichtyol-gesellschaft Cordes Hermanis & Co.
te Hamburg in den handel gebracht.

Idracafine (J. IX Riedel A. G. Berlijn) is een mengsel van acetylsalicylzuur en
coffeïne ; de tabletten bevatten 0,5 g. acetylsalicylzuur en 0,05 g. coffeïne.

Picaïne-N. (E. Merck, Darinstadt) is een cocaïne-natriumtartraat, een wit
poeder, oplosbaar in 4 deelen water. Het wordt gebruikt voor oppervlakkige anae-
stesie van keel, neus, oor, urethra en blaas.

Soluga (Nordmarkwcrke, Hamburg) een stimulans en roborans, een bruin poeder
dat bevat : bestraald ergosterine (vitamine D.), hepartrat (leverextract), lipoïde
fosfor (lecithine), eiwitstoffen, (uit melk, gist en zaden verkregen), calcium, ijzer-
zouten en kiezelzure zouten.

Vitaphos (Cristallo A. G. Thusis, Zwitserland) is een vitaminepreparaat dat alle
vitaminen heet te bevatten, en bovendien calcium- en magnesiumzouten. (3 maal
daags 2—4 tabletten), Pharm. Weekblad 1928.

Eva-crème (firma Köbel en 1\'iedler, Leipzig) is een aardalcali-sulfidc preparaat
gemengd met hoog moleculaire zetmeelsoorten. Het is een
ontharingsmiddel; de zalf
wordt ter mes-dikte opgesmeerd en na 5 tot 6 minuten met koud water afgewassen.
L)e ontharing is dan geschied ; de haren groeien eerst na 7 tot 10 dagen weer aan ;
bij herhaalde insmering duurt de haarlooze tijd langer en is eindelijk blijvend.
De huid is na de kuur niet geprikkeld en ziet er normaal uit. (Münch. Med. Woch..
N. T. v. G. 1928 II blz. 5815).

Alepol bevat natriumzouten van vetzuren van hydnocarpusolie en wordt gebruikt
tegen lepra. Voor subcutane en intramusculaire inspuiting schijnt het beter te zijn
dan de vroegere preparaten van chaulmogra- en hydnocarpusolie.

Calcipot (Troponwerke Dinklage & Co., Cöln) is een aangenaam smakend ka 1 k
preparaat met een hoog gehalte aan gemakkelijk resorbeerbare kalkzouten.

Cardiageen (Dr. Hommel s Chemische Werke) is een geconcentreerd digitalis
infusum zonder balaststoffen, ingesteld op 120 kikvorsch-eenheden per c.M .

Catamine (J. D. Riedel A. G.) is een zalf met 10 % zinkoxyde en 5 % zwavel.
Door de colloïde toestand der zwavel en de fijne verdeeling is deze zalf zeer geschikt
voor scabiës-behandeling.

Crysjodal bevat goud-, jodium- en cadmiumzoutcn ; gebruikt bij kliertuberculose.

Euglissine (Landshoff & Meijer A. G., Berlijn) is een laxans dat bevat : paiaffi-
num liquidum, semen lini, semen psyllii, extr. carcara sagrada, vruchtenmoes
en aromatiese stoffen. Dosis 3 maal daags een theelepel vóór of gedurende den
maaltijd.

Graviiol (I. G. Farbenindustrie) bestaat uit zouten van de 2-methoxy-6-allyl-
phenol-diaethylamino-aethylaether ; gebruikt als injectie bij abortus- en nage-
boorte bloedingen en inwendig. Een nieuw weeën-opwekkend middel, (bij den
mens) zou ten volle Secale kunnen vervangen en minder ongewenste bijwerkingen
hebben. Dosis intramusculair 0,75—1 c.c.M. van een 1 % oplossing of per os 100 —
150 m.g in tabletten. (3—4 tabletten meermalen daags). (Münch. Med. Woch,,
N. T. v. G 1928
II blz. 4035)

Hepraclon (E. Merck. Darmstadt) een geconcentreerd leverextract (5 gram =
250 gr. lever) gebruikt tegen pernicieuze anaemie.

-ocr page 511-

Impletol (I. G. Farbenindustrie) een verbinding van nocovaïne en coffeïne,
tegen migraine en neuralgiën als subcutane inspuiting.

Novalgine (I. G. Farbenindustrie) is een antipyrine-derivaat met antiphlogis-
tische eigenschappen ; gebruikt zoowel parenteraal als peroraal in tabletten en
ampullen, bij rheumatisme enz.

Novo-tropoii (Troponwerke, Dinklage) is een eiwitcomplex dat behalve eiwitten,
fosfatiden, cholesterinen, silicium en fysiologiese voedingszouten bevat.

Typhoral (I. G. Farbenindustrie) een tvphus-entstof voor inwendig gebruik, in
tabletten om tegen typhus te immuniseeren.

Vasat (Chem. W\'erkc Reihenstieg) is aceto-salicylas phenylicus ; het wordt
bereid door salol te acetyleeren. Door het maagsap wordt het niet aangetast, in de
darm wordt het gesplitst. Het prikkelt de maag niet en in de darm wordt het phenol
door het azijnzuur onschadelijk gemaakt. Als antirheumaticum en als antisepticum
voor blaas- en urinewegen ; dosir 0,5 1 gram, 3—4 maal daags.

Cosal (Egosalz. Ges. te Frankfurt) volgens Dr. Borcherd, is een mengsel van
koperchloride, natriumchloride en magnesiumsulfaat, aanbevolen tegen worm-
ziekten.

Natel is een voedingspreparaat (Laboratoires Lopis, Madrid) dat de vitaminen
A. B, C en D bevat en calciumfosfaat, geroosterd meel en suiker.

Qiiiqiienal (Dr. Albert Bernard Naehf. Berlin, Einhornapotheke) bestaat uit
luminal, adaline, fosfas eodeini, trional en phenacetine in tabletten van 0,5 gram.
In dosis van 1—2 tabletten als pijnstillend middel en slaapmiddel.

Selectan (Schering-Kahlbaum) is een 2-oxy-5-joodpyridine; volgens Binz werk-
zaam tegen streptococcen, zonder de lichaamscellen te schaden.

Saliceral (Lab. Clin. Paris) de monosalieylzure ester van glycerine, een wit poeder,
onoplosbaar in water, oplosbaar in glycerine, spiritus, aether, wordt gemakkelijk
door de huid opgenomen.

/lyptiosnl (l>r. Kirchmann & Co., Hamburg) bestaat uit ammoniumbromide;
aanbevolen als slaapmiddel.

Splenotral (Nordmarkwerke, Hamburg) is een extract uit de milt van jonge
slachtdieren. Aanbevolen tegen tuberculose, puritis, asthma. 100 c.c. komt overeen
met 1000 gr. verse milt

Synthaline H. (Schering-Kahlbaum, Berlin) i» dodekamethyleendiguanide en
bevat 2 methyleen-groepen meer dan het synthaline. Het wordt door diabetici
beter verdragen en ook gecombineerd met insuline toegepast.

Vronovav (Heyl & Co.,) bestaat uit methyleen-difosforzuur-hexamethyleen-
tetramine. Het werkt niet alleen desinfecteerend op de urinewegen maar door het
difosfaat blijft ook de urine zuur reageeren. Dosis 1 maal daags 2 tabletten. (Pharm.
Weekblad).
 Vrijburg.

Ueber eine Reaktion des Adrenalins mit Novokain.

Hedwig Langecker, Arcli. f. exp. Path. und Pharm; ref. B. T. W. 28 Oct. 1928.

De gebruikelijke novocaine-adrenaline-oplossingen worden bij het staan in de
koude langzaam, in de hitte sneller, bruin ; het gehalte aan adrenaline vei mindert.
Het proces bestaat uit twee doelen : 1. Rosc-kleuring (er ontstaat een onwerk-
zame ortho-benzo-chinonverbinding). 2. Bij meer adrenaline geelkleuring (poly-
merisatie van de ontstane condensatie-producten). L. P.
de Vries.

ZIEKTEN VAN HERKAUWERS.

Boutvuur bij schapen. (Blackleg in sheep, Maksh, Welch and Jungherr, Journ.
of the Amer. vet. med. association 1928 blz. 63).

Zooals uit een voorafgaande litteratuur overzicht blijkt, zijn (hoewel het voor-
komen van boutvuur bij schapen reeds in 1849 werd vastgesteld) weinig gevallen
na dien tijd beschreven, terwijl door verschillende onderzoekers de vatbaarheid
van schapen voor boutvuur betwijfeld werd.

In 1919 werd in Montana voor het eerst bacteriologisch boutvuur bij schapen
vastgesteld en als oorzaak gevonden de B Chauveaui (B. s. Clostrydium sarcophy-

-ocr page 512-

sematos) ; welke bacil door middel van cavia-entingen in reincultuur kon worden
afgescheiden.

Hen duidelijk verband werd gevonden tusschen boutvuur bij runderkudden
en bij schapen. Onder een kudde schapen b.v. welke geschoren werd op een plaats,
waar het jaar te voren cenige runderen aan boutvuur stierven, maar niet begraven
werden !), trad na het scheren boutvuur in sterke mate op, ten gevolge van mond-
infectie. Verder zagen schijvers boutvuur voorkomen, na castreeren en coupeeren
van lammeren, eveneens op besmette plaatsen. Behalve deze wonden kunnen ook
toevallige verwondingen aan de mondomgeving de porte d\' entree vormen voor
infectie. Infectie per os achten schr. alleen mogelijk bij schapen, wanneer de dieren
blootgesteld worden aan een heftige infectie met een stam der B. Chauveaui, welke
reeds eenmaal het schaap passeerde. Directe infectie van ,,runderstammen", anders
dan door wonden, sluiten zij uit.

Bij vergelijking van stammen der B. Chauveaui, gekweekt uit rund en schaap,
bleken morphologisch, cultureel en serologisch geen verschillen te bestaan. Hoewel
aanwijzingen gevonden werden, dat over het algemeen de ovine-stam voor schapen
constant-virulenter was dan de bovinestam, was van een duidelijk virulentiever-
schil geen sprake.

Als voorbehoedende enting van schapen tegen boutvuur pasten schr. dezelfde
entstof toe, als ook bij runderen werd gebruikt, doch in kleinere doses, (inplaats
van 5, namen ze 3 c.c.), met goede resultaten. Terwijl zonder preventieve enting,
tengevolge van scheerwonden, van 8500 dieren, 300 a 350 aan boutvuur stierven,
was dit verlies het volgende jaar na enting 5 stuks van de 9000 ; terwijl bacteriolo-
gisch bij deze vijf nog geen boutvuur werd aangetoond.

Direct na de enting traden bij de meeste dieren excitatieverschijnselen op, ge-
volgd door depressie, welke verschijnselen aan anaphylaxie deden denken, ten ge-
volge van het inbrengen van een vreemd eiwit. Na injectie van gefiltreerde entstof
trad deze ,,shock\'\' niet op.

Bij vaccinatieproeven door middel van een ovine-stam bleken heftige entre-
acties op te treden. Wanneer de entstof zoodanig verminderd was, dat deze reacties
achterwege bleven, bleek de onvatbaarheid van de schapen onvoldoende te zijn ;
2 a 3 maal de min. letale dosis cultuur was nl. doodlijk voor een schaap, geimmu-
nizeerd met 2 c.c. entstof. *

De immuniteit, verkregen met een gefiltreerde ovine-entstof bleek minder sterk
te zijn, dan die welke na enting met een niet gefiltreerde ontstond.

Bij het onderzoek werden twee bovine stammen der B. Chauveaui gevonden,
welke vrijwel avirulent waren voor schapen. Immuniteit, welke verkregen werd
door middel van entstof uit deze stammen gekweekt, bleek de schapen voor 50 maal
de min. letale dosis te behoeden.

Voor de praktijk was een immuniseering van schapen met 3 c.c. der runder
entstof evenwel voldoende. W. P. C. Bos

-ocr page 513-

PROF. DR. H. REMMELTS. f

-ocr page 514-
-ocr page 515-

Prof. Dr. REMMELTS. f

Den i7den April 1929 overleed te \'s-Gravenhage op 62-jarigen
leeftijd Prof. Dr. H.
Rkmmei.ts, oud Directeur van den Veeartse-
nijkundigen dienst, buitengewoon Hoogleeraar in de Veeartsenij-
kundige politie bij de faculteit der Veeartsenijkunde van de Rijks-
Universiteit te Utrecht. Ofschoon zijne vele vrienden, die op de
hoogte waren van de onrustbarende symptomen, die zich in de
laatste jaren bij hem hadden vertoond, wel eens aan een ontijdigen
ongunstigen afloop hadden gedacht, kwam toch dit einde onver-
wacht. De onverbiddelijke dood had, nog in de middaghoogte
van zijn leven, een sympathiek en algemeen geacht mensch aan
eene liefhebbende echtgenoote en aan een uitgebreide vrienden-
schaar ontrukt.

Heime Remmelts werd 17 Januari 1867 te Assen geboren en
werd, na, zooals destijds regel was, door bijzonder onderwijs voor
het toelatingsexamen aan \'s Rijks-Veeartsenijschool te zijn voor-
bereid, op 17-jarigen leeftijd tot de studie voor veearts toegelaten.
,,Hein Remmelts, die zich van den beginne af deed kennen als
een joviaal rond kameraad, behoorde tot de meest „getapten"
en gaf, als bestuurslid van verschillende veterinaire vereenigingen,
reeds gedurende zijn studietijd blijk niet bestemd te zijn om op
den achtergrond te blijven. Zijne vrijmoedigheid en bekwaamheid
tot spreken, die hem in zijn latere leven zoo zeer zouden te pas
komen, kwamen reeds op jeugdigen leeftijd tot uiting in de ver-
eeniging „Demosthcnes", waarvan hij geruimen tijd voorzitter was.

In 1892 trad hij, voorzien van zijn veearts-diploma, het maat-
schappelijk leven in en ving zijn loopbaan aan als practizeerend
veearts te Bellingwolde, welke standplaats hij later verwisselde
met Nijkerk en in 1896 met Vlaardingen. Hoewel hij steeds de
veterinaire practijk met ambitie uitoefende, kwam langzamerhand
de neiging tot eene andere richting in de veeartsenijkundige weten-
schap naar voren. Zijne relaties met de bekende fabriek van melk-
producten „Hollandia" gaven, in verband met het hieruit voort-
vloeiende melkonderzoek, aanleiding tot zijne kennismaking met
laboratoriumwerk, hetgeen zijne ambitie in deze richting zoodanig
prikkelde, dat hij contact zocht en verkreeg met Prof.
Beyerinck
te Delft, bij wien hij eenigen tijd mocht werken. In zijn latere
leven kon hij nog met geestdrift van dezen tijd gewagen. Niet
te verwonderen was het, dat hij in 1902 gebruik maakte van de
destijds door de Regeering gesteunde gelegenheid om een cursus
in bacteriologie te volgen aan het militaire hospitaal te Utrecht.
De kennismaking met den sympathieken leider van dezen cursus,
Dr.
Broers, benutte hij tevens om onder diens leiding een proef-
LVI 34

-ocr page 516-

schrift gereed te maken voor zijne promotie, die hij in 1902 te
Bern volbracht op het onderwerp : „Untersuchungen betreffend
Bacterium coli commune bei Saügetieren, Vögeln und Fischen".

Intusschen was Remmelts in 1899 benoemd tot plaatsver-
vangend districtsveearts en tot gouvernementskeurmeester voor
het onderzoek van vee, dat te Hoek van Holland werd ingeladen
en eenigen tijd later tot lid van de gezondheidscommissie.

In dien tijd kwam zijn neiging tot de vleeschhygiëne naar voren,
zich uitende in medewerking bij de propaganda voor de oprichting
van gemeentelijke abattoirs. Die oprichting ging destijds veelal
met meer strijd gepaard dan tegenwoordig en in
Remmelts werd
een warm en welsprekend verdediger van het „pro" gevonden.
In verschillende plaatsen voerde hij hiertoe het woord.

Totdat een nieuw object van regeeringsbemoeiing, nl. de keuring
van voor uitvoer bestemd vleesch de aanleiding werd, dat het
Rijk zich van zijn diensten verzekerde door zijne benoeming in
1903 tot Rijkskeurmeester voor het onderzoek van voor uitvoer
bestemd vleesch, met standplaats Hoek van Holland, waar de
aldaar gevestigde exportslachterij de eerste was, die zich onder
Rijkstoezicht stelde. Voorwaar geen gemakkelijke taak, daar de
keuring facultief was en de exporteurs, zoodra de voorschriften
strijdig bleken met hun direct handelsbelang, zich niet ontzagen
aanvankelijk toegezegde medewerking in te trekken en een vaak
geraffineerde tegenwerking te voeren. Buitengewoon veel tact
werd in dien eersten tijd der exportkeuring vereischt om de zaak
niet te doen mislukken en het was ontegenzeggelijk
Remmelts,
die door zijn tactvol optreden er in de eerste plaats toe heeft bij-
gedragen, dat deze, voor onzen vleeschhandel zoo buitengewoon
gewichtige maatregel, in den aanvang niet is gestrand en ten
slotte schitterend is geslaagd.

Toen kwam ook zijn bekwaamheid tot organiseeren aan het licht.
Uiteraard moest nl. de keuringsdienst te Hoek van Holland gvolgd
wordendoor meer keuringsdiensten. Het tot stand brengendaar-
van werd aan
Remmelts opgedragen en achtereenvolgens kwamen
in de voornaamste uit voerplaatsen van vleesch door zijne bemid-
deling keuringsdiensten tot stand. Spoedig bleek toen, dat de
technische centrale leider der uitvoerkeuring, met het oog op het
noodzakelijk contact met de betreffende autoriteiten, zijn functie
beter aan het Departement kon vervullen, zoodat hij geplaatst
werd bij de Directie van den Landbouw, destijds ressorteerende
onder het Ministerie van Waterstaat en na 7 September 1905
onder het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel. Bij
K. B. van 7 Maart 1906 werd hij, in verband hiermede, benoemd
tot Rijkskeurmeester in algemeenen dienst, als hoedanig hij het
toezicht had over de verschillende Rijkskeuringsdiensten.

Niettegenstaande zijne ver van gemakkelijke taak wist hij

-ocr page 517-

zich spoedig aan te passen aan de Departementale werkwijze en
gelukte het hem de exportkeuring van vleesch, zij het ook aan-
vankelijk nog facultief, meer en meer ingang te doen vinden.

Tegelijkertijd hield hij zich bezig met de voorbereiding van
een wet op deze uitvoerkeuring, welke wet 16 Juli 1907 tot stand
kwam, om, in verband met de uitgebreide uitvoeringsbepalingen
eerst in 1909 in werking te treden.

Door dezen arbeid heeft Remmelts ongetwijfeld blijk gegeven
van buitengewone gaven en in hooge mate onzen uitvoerhandel
bevorderd. De wijze, waarop hij ontelbare, met deze wet verband
houdende, lastige kwesties, zoowel met belanghebbenden als met
buitenlandsche autoriteiten, tot een bevredigend, einde wist te
brengen, was bewonderenswaardig.

Herhaaldelijk vervulde hij in verband hiermede ook buiten-
landsche opdrachten.

Behalve in de bovengenoemde ambtelijke functies nam Rem-
melts,
als een der beide adjunct-secretarissen, een belangrijk
aandeel aan het tot stand komen en slagen van het Internationaal
Veeartsenij kundig congres te Scheveningen in 1909. De Fransche
Regeering verleende hem, ter erkenning zijner verdiensten als
zoodanig, de onderscheiding van „Officier du Mérite Agricole".

Zonder twijfel heeft de tact en het organisatievermogen, waar-
van
Remmelts bij dit werk blijk gegeven had, er toe medegewerkt,
dat op hem de keus viel, toen in 1910 werd overgegaan tot de aan-
stelling van een Inspecteur van den Veeartsenijkundigen dienst,
in verband met de gebleken noodzakelijkheid om, vooral teneinde
eene meer uniforme uitvoering van het Veeartsenij kundig Staats-
toezicht te verkrijgen, dezen dienst te centraliseeren. Wederom
eene verre van gemakkelijke taak, die op zijn schouders werd
gelegd en een taak, die ontzaggelijk veel van zijn werkkracht
heeft gevergd.

Nadat hij in 1908 reeds benoemd was tot Inspecteur in alge-
meenen dienst bij de Directie van den Landbouw, werd hij bij
K. B. van 24 Maart 1910 met ingang van 1 April d. a. v. benoemd
tot Inspecteur van den Veeartsenij kundigen dienst.

Het waren vooral de tuberculose en het mond- en klauwzeer,
die de volle aandacht van den nieuwen leider van het veeartsenij-
kundig staatstoezicht vroegen.

Het tuberculose-bestrijdingssysteem Poels, neergelegd in het
K. B. van 2 Sept. 1904, hoe rationeel ook van opzet, had door
verschillende, niet te voorziene omstandigheden, niet tot het be-
oogde doel kunnen leiden en aan
Remmelts werd de opdracht
verstrekt een andere werkwijze te ontwerpen.

Het K. B. van 1 December 1910, waarin beoogd werd meer
dan tevoren zich van de medewerking van belanghebbenden ta
verzekeren, was hiervan het resultaat. En hoewel ook de hierin

-ocr page 518-

vervatte maatregelen ten slotte weder op teleurstelling uitliepen,
heeft dit zeker niet gelegen aan een verkeerden opzet voor-
zoover de logische gedachtengang betreft, die bij de samenstelling
heeft voorgezeten, doch wel aan een te groot vertrouwen in de
geneigdheid tot medewerking der belanghebbende veehouders.

Het mond- en klauwzeer, dat, na zich enkele jaren vrij rustig
te hebben gehouden, in i()ri opnieuw zijn intrede deed in ons
land, zou een groot deel van zijn arbeidskracht vergen. Van igir
tot 1918, toen door een votum der Tweede Kamer aan het z.g.
afmaaksysteem een einde werd gemaakt, heeft hij met groote
ambitie en taaie volharding getracht, naast andere maatregelen,
door toepassing van het slachten der zieke en verdachte dieren
de ziekte uit te roeien. Ongetwijfeld zijn destijds plaatselijk hier-
mede in ons land goede resultaten bereikt. Tenslotte heeft de
ervaring evenwel geleerd, dat voor ons land, met zijn intensieve,
zoo zeer aaneengesloten veehouderij en zijn buitengewoon uitge-
breid veehandelsverkeer, deze zoo buitengewoon ingrijpende maat-
regel in het algemeen niet tot het beoogde doel kon voeren. Men
kan dit nu achteraf constateeren, doch evenals ten aanzien van
de meeste ingrijpende maatregelen is men hiertoe eerst kunnen
komen, nadat de ervaring had medegesproken. Wetenschappelijk
was deze bestrijdingswijze volkomen logisch gedacht, getuige ook
het feit, dat in verscheidene landen als Amerika, Engeland, Zwit-
serland, Denemarken deze methode ook in de laatste jaren nog
geregeld toepassing vindt.

Hoe het zij, Remmelts heeft zijn beste krachten aan dit doel
gegeven en in twee hoogst belangrijke rapporten, nl. ,,het mond-
en klauwzeer in Nederland in rgn" en ,,het mond- en klauwzeer
in 1912—rgió" (Verslagen en mededeelingen van de Directie van
den Landbouw) de verkregen resultaten en ervaringen neergelegd.
In de geschiedenis van de bestrijding van het mond- en klauwzeer
zullen deze rapporten steeds als standaardwerken beschouwd
blijven worden.

Toen gedurende den oorlog onze uitvoer van vee en vleesch
aan beperkende maatregelen moest worden gebonden, was het
Remmelts, die met de organisatie daarvan werd belast. Hij slaagde
hierin volkomen en had de practische gedachte om deze gelegen-
heid te gebruiken om te geraken tot eene georganiseerde keuring
van voor uitvoer bestemd vee door de ambtenaren van het vee-
artsenijkundig staatstoezicht. Een maatregel, die onzen uitvoer-
handel in vee ongetwijfeld zeer ten goede is gekomen.

In 1915, nl. bij K. B. van ir October werd aan Remmelts,
toen Prof. de Jong ontslag nam als leeraar aan de toenmalige
Rijks-Veeartsenijschool, als Inspecteur van den Veeartsenijkun-
digen dienst opgedragen om met den titel van buitengewoon
leeraar, onderwijs te geven in de veeartsenijkundige politie. Toen

-ocr page 519-

in 1918 de Veeartsenijschool tot Veeartsenijkundige Hoogeschool
verheven werd, verkreeg hij den titel van buitengewoon Hoog-
leeraar.

Deze functie is hij blijven vervullen tot aan zijn overlijden en,
evenals elke taak, die hem werd opgedragen, vervulde hij ook
deze met volle toewijding.

Toen in den crisistijd onze binnenlandsche vleeschvoorziening
dringend Staatsinmenging vereischte, was het wederom
Remmelts,
op wien het oog viel om van den hiertoe in het leven geroepen
dienst de leiding op zich te nemen. Hij werd in verband hiermede
tijdelijk ontheven van zijne werkzaamheden bij het veeartsenij-
kundig staatstoezicht en aangesteld tot Hoofd-Directeur van het
Kantoor van vleesch en vetten. Ieder, die zich deze moeilijke
tijden herinnert, zal overtuigd zijn van den zwaren taak, die hij
hiermede op zijn schouders nam. Evenals bij al zijn andere werk
kwam ook inzonderheid hier zijn buitengewonen slag om niet
menschen om te gaan en zijn onverwoestbaar optimisme hem
van pas en mocht hij erin slagen om ook in dezen tak van dienst
tot volle tevredenheid van de Regeering werkzaam te zijn.
In 1920 werd hij eervol van deze functie ontheven en wederom
als Inspecteur van den Veeartsenij kundigen dienst werkzaam
gesteld.

Reeds geruimen tijd was aan het Departement gewerkt aan
een nieuwe veewet, ter vervanging van de wet van 20 Juli 1870.
Deze wet kwam in 1920 tot stand en maakte een groot aantal
uitvoeringsmaatregelen noodzakelijk. Het was uiteraard weder
Remmelts, die deze opdracht kreeg, waarmede hij in 1922 gereed
kwam, waarna de nieuwe veewet 15 Juni 1922 in werking kon
treden.

Als gevolg hiervan veranderde zijn titel van Inspecteur met
ingang van r Januari 1923 in dien van Directeur van den Vee-
artsenij kundigen dienst.

Daarna zouden voor Remmelts moeilijke tijden komen. Na
den oorlog en na den z.g. crisistijd kwam de zoo zeer noodzakelijke
bezuinigingsperiode, welke zeer ingrijpende maatregelen nood-
zakelijk maakte. Diensten werden gereorganiseerd, het aantal ambte-
naren werd belangrijk ingekrompen, velen moesten, zij het dan
ook in het genot van wachtgeld, den dienst verlaten. Ook de
Veeartsenijkundige dienst ontkwam hieraan niet. Eene ingrijpende
reorganisatie werd ontworpen als gevolg waarvan verschillende
Inspecteurs en Opzichters den dienst zouden moeten verlaten.
Remmelts kreeg opdracht aan deze reorganisatie mede te werken,
hetgeen hij van het begin af als een bij uitstek pijnlijke taak heeft
beschouwd.

Voor hem, die steeds zoo in alle opzichten met het wel en wee
van de onder hem werkzaam gestelde ambtenaren had mede-

-ocr page 520-

geleefd, bleek deze opdracht ten slotte zelfs te zwaar. Hij stelde
dan ook het fatale tijdstip uit, zoolang hij maar eenigszins kon,
doch toén ten slotte langer uitstel niet meer mogelijk bleek, leidden
de omstandigheden er toe, dat hij op zijn verzoek, met ingang
van i Januari 1925 eervol uit \'s Rijksdienst werd ontslagen.

Het was in dit voor hem fatale jaar, dat ook de eerste symp-
tomen zich vertoonden van de ziekte, waaraan hij ten slotte is
bezweken.

Van iemand met een staat van dienst, zooals hierboven is ge-
schetst, kan met het volste recht worden gezegd, dat hij niet voor
niets heeft geleefd. En dat hij dezen zwaren arbeid met zijne
uiteraard vele teleurstellingen steeds met een zoo buitengewone
mate van opgewektheid en moed heeft kunnen volbrengen, dankt
hij ongetwijfeld voor een niet gering deel aan den steun, dien hij
daarbij mocht ondervinden van zijn echtgenoote, die, vooral in
moeilijke oogenblikken, steeds in alles met hem meeleefde.

Zij, die in de gelegenheid waren het huiselijk leven van het
echtpaar
Remmelts van nabij gade te slaan, waren dan ook steeds
getroffen door den hartelijken toon, die daar heerschte en dooi-
den indruk, welke zij daar ontvingen van een gelukkig huwelijk.
Remmelts was voor zijn vrouw een voorbeeldig en attent echt-
genoot; zij was voor hem vol zorg en voorkwam steeds zijn wen-
schen. Hoe ontzettend zwaar het verlies voor haar is, van hem,
met wien zij zoovele jaren lief en leed heeft gedeeld, kan dan ook
niemand ten volle beseffen, dan zij alleen. Zoo zwaar, dat woorden
van troost nauwelijks kunnen worden gevonden.

Moge het besef, dat haar man zijn leven wel besteed heeft,
dat hij steeds de grootste achting heeft genoten van allen, die met
hem in aanraking kwamen en dat zijn nagedachtenis bij allen
in sympathieke herinnering zal blijven, waarvan bij de crematie-
plechtigheid op zoo ondubbelzinnige wijze blijk werd gegeven,
haar althans eenigszins het geleden verlies vergoeden.

\'s-Gravenhage, Mei 1929. ten Saxde.

ABRAHAM DE JONG. f

Den 26 April overleed te Nijmegen A. de Jong, in leven prakti-
seerend dierenarts te Capelle (N.-Br.), daarna Hoofd van den
Keuringsdienst van Vee en Vleesch te Waalwijk.

Abraham de Jong werd 5 Januari 1859 te Ridderkerk geboren,
ontving het onderwijs in Gouda, studeerde daarna aan de Rijks-
Veeartsenijschool, waaraan destijds nog een internaat was ver-
bonden en verkreeg op 20 Juli 1883 zijn diploma als veearts.

Oorspronkelijk vestigde hij zich te Zevenhuizen om reeds na een

-ocr page 521-

half jaar te vertrekken naar Geesteren (gem. Borculo) ; korten tijd
nadien vestigde hij zich in Oud-Alblas, daarna in Hendrik Ido-
Ambacht om ten slotte te besluiten tot eene vestiging te Capelle.
Hier scheen het hem blijkbaar goed te bevallen. Tot 19 Januari
1923 bleef
de Jong op zijn standplaats, alwaar hij als veearts van
de kring Waalwijk op 6 September 1893, als plaatsvervanger van
den Districhtsveearts te Teteringen op 3 November igoz en als
provinciaal veearts werd benoemd.

Hij had zijn vak lief en werkte met toewijding aan een zeer uit-
gebreide praktijk, waarin ook talrijke verlossingen moesten wor-
den verricht, hetgeen in dien tijd met de gebrekkige hulpmiddelen
dikwijls veel van zijn krachten vergde.

Aanvankelijk deed hij alles per rijtuig, later werd dit door den
oorlog afgeschaft, doch voor de moderne vervoermiddelen koes-
terde hij heimelijk eenigen vrees, in hoofdzaak door zijn leeftijd,
zoodat hem niet anders bleef, dan de practijk grootendeels per
buurttreintje en verder loopende te doen, hetgeen waarschijnlijk
veel heeft bijgedragen tot zijn bijna nimmer gestoorde gezondheid.
Een dagmarsch van 6 a 7 uur gaans was voor hem geen bijzonder-
heid.

Op 19 Januari 1923 werd de Jong benoemd tot Hoofd van den
Vleeschkeuringsdienst te Waalwijk en omliggende gemeenten.

Ofschoon hij zijn nieuwe werkkring met goeden moed begon,
was het voor hem een groot verlies zijn praktijk te moeten vaarwel
zeggen. De nieuwe, meer administratieve arbeid heeft hem echter
geen kwaad gedaan.

Zoowel als practizeerend dierenarts als in zijn ambt als keurings-
veearts genoot
de Jong in zijn streek een zeer goede reputatie.

Wegens 65-jarigen leeftijd nam hij zijn welverdiend pensioen,
doch van dien tijd af aan is zijn gezondheid aan het tanen gegaan.
De veroudering nam vrij snel toe en als een oude man is hij zacht
en kalm heengegaan.

In 1915 verloor hij zijn zorgzame vrouw, hetgeen voor hem een
zoo ernstig verlies beteekende, dat dit, ofschoon hij zich, om zijn
kinderen onaangename herinneringen te besparen, nooit uitte, al-
leen door afleiding in de praktijk eenigszins kon worden verzacht.

De Jong had een dochter en drie zoons, van wie echter geen
enkele het vak van zijn vader heeft gekozen.

Een groote groep van belangstellenden brachten hem op het
kerkhof van zijn oude standplaats een laatste groet.

Hij ruste in vrede. Van Diermen.

-ocr page 522-

OVER DE KEURING VAN SLACHTDIEREN LIJDENDE AAN
CYSTICERCOSIS.

door

C. F. VAN OIJEN.

Bij den aanvang dezer besprekingen schijnt het mij, alsof ik
met ledige handen voor U treedt, wijl mij geen nieuwe, aan eigen
experimenten ontleende gegevens, ten dienste staan om aan Uw
oordeel te onderwerpen. Een buitenstaander kan moeilijk beoor-
deelen, hoeveel arbeid het eischt, „bij" te blijven in de verschil-
lende takken van wetenschap, die de grondslagen vormen voor de
ontwikkeling van de kennis der menschelijke voedingsmiddelen
van dierlijken oorsprong (13) en nog meer om leiding te geven aan
drie of vier jongere collegae tegelijk, die elk met een verschillend
onderwerp bezig zijn. Met het voortschrijden der jaren worden wel
telkens nieuwe punten in onderzoek genomen, doch de betrokken
vraagstukken worden steeds ingewikkelder en eischen meer tijd.
Op het oogenblik kan ik dan ook niet over een eigen experimenteel
onderzoek verslag doen. Ik heb daarom een onderwerp gekozen,
dat in zekeren zin een afsluiting heeft gevonden bij het verschij-
nen van het proefschrift van
le Coultre (15) en anderzijds aan-
leiding is geweest tot een hernieuwd litteratuuronderzoek ingevolge
de merkwaardige waarnemingen van
van Santen (T4). Het vraag-
stuk der keuring van dieren lijdende aan cysticercosis staat op het
oogenblik in het middelpunt der belangstelling en het is goed eens
na te gaan op welke gronden de tegenwoordige opvattingen be-
rusten en tevens welke resultaten te bereiken zullen zijn.

De geheele keuring berust op het denkbeeld, dat er voor deze
parasiet zouden zijn praedilectieplaatsen, en dat men deze slechts
behoeft te onderzoeken om zich te vergewissen of een dier al dan
niet blaaswormen bevat. Wat zijn nu praedilectieplaatsen ?

Men spreekt van praedilectieplaatsen, wanneer men voor een
of ander in het lichaam indringend organisme bepaalde deelen kan
aanwijzen, waarin dit zich in de overgroote meerderheid der ge-
vallen ontwikkelt. Zoo zou men van het tuberculose-virus kunnen
zeggen, dat het lymphklier-apparaat de praedilectieplaats is, omdat
men waarneemt, dat de meeste veranderingen, die van de aanwe-
zigheid dezer microben getuigen, in de lymphklieren worden ge-
vonden. Men veronderstelt bij het uitspreken van dien term, dat
er eenige chemische, physische of mechanische oorzaak is, waarom
de indringers zich in de eerste plaats neerzetten in de bedoelde or-
ganen of deelen om pas wanneer deze bezet zijn, ook elders van
hun aanwezigheid blijk te gaan geven.

Voordracht gehouden in de vergadering der Afd. Zuid-Holland van de Mij-
voor Diergeneeskunde d.d. 22 Februari 1929.

-ocr page 523-

Het tweede denkbeeld, dat zich aan het woord praedilectieplaat-
sen voor practisch gebruik vastknoopt is, dat een dier zonder pa-
rasieten in de praedilectieplaatsen, ook elders geheel vrij zal zijn
van dergelijke indringers, terwijl een dier waarbij zij in de prae-
dilectieplaatsen wel worden gevonden, hen ook elders zal bezitten.
Hier komt men met zich zelve in tegenspraak.

Want : verleent men aan de praedilectieplaatsen het karakter
van een magneet, die de jonge indringende parasieten als het ware
aantrekt, dan zullen bij een zwakke infectie alle indringers naar
die plaatsen worden getrokken en zal de kans dat één of meer
zich elders vastzetten evenzeer gering zijn, als bij dieren waar ze
niet werden gevonden. Het oordeel over dieren met een enkele
j)arasiet in de praedilectieplaatsen is dan ook niet eenstemmig.

Vragen wij ons nu af waarop het ontdekken van de zoogenaamde
praedilectieplaatsen van den cysticercus inermis, over wien ik
het in hoofdzaak hebben wil, berust.

Zijn er reeksen van infectieproeven bekend, waarbij is nagegaan
hoeveel van de ingebrachte oncosphaeren, als parasieten in de prae-
dilectieplaatsen en hoeveel elders worden aangetroffen ? Hoewel
technisch zeer moeilijk, zijn deze proeven niet onuitvoerbaar.
\'Lellingen hierover worden echter nergens in de litteratuur ver-
meld. Om bij de vergelijking te blijven ; men weet niet hoeveel
malen de magische aantrekkingskracht van de praedilectieplaatsen
grooter is, dan die van de andere spierstukken.

Waarop berust dan de roep, die bepaalde spieren als zoodanig
hebben ?

Tot 1888 was hierover zeer weinig bekend, men vond b.v. tus-
schen 1883—1888 te Berlijn slechts vier gevallen van cystecircosis.

In die dagen werden onder leiding van Hertwig vele dieren ge-
seceerd, waarbij het vermoeden op
veepest bestond. Hertwig
gelastte nu, dat o. a. de pharynx en omgeving in het bijzonder
op aandoeningen ten gevolge van deze ziekte zouden worden
onderzocht. Daarbij ging men zoover, dat sneden gemaakt werden
in de inwendige kauwspieren. Een aantal cysticerci werd gevon-
den ! Dit was aanleiding, om voor te schrijven, bij alle slachtdieren
de inwendige kauwspieren te onderzoeken! Spoedig waren nu
meer gevallen bekend. Dit onderzoek werd uitgebreid door
Glage
tot de uitwendige kauwspieren, waarbij bleek dat hierin nog meer
cysticerci werden aangetroffen, dan in de inwendige. Hiermede
waren de eerste „praedilectieplaatsen" aangewezen, hun ontdek-
king is dus louter toeval te noemen. Nu moet men zich het vol-
gende echter steeds scherp voor oogen stellen. Alleen de dieren die
behebt bevonden waren met cysticerci in de praedilectieplaatsen
werden aan een verder nauwkeurig onderzoek onderworpen. Spoe-
dig kwamen nu wel andere vindplaatsen aan het licht. Men weet,
dat het hart en de tong als zoodanig bekend zijn en dat ook veel

L

-ocr page 524-

aandacht geschonken wordt aan de lange halsspieren, die van het
strottenhoofd en de onderkaak naar de voorborst loopen. Men
ging nu ook deze vindplaatsen als „praedilectieplaatsen" beschrij-
ven en er ontstond een strijd over de vraag in welke volgorde van
belangrijkheid zij genoemd moesten worden. Dit heeft zeer
weinig practische beteekenis ; men zal al de genoemde plaatsen
systematisch in het onderzoek betrekken, de volgorde doet er
dan weinig toe. Zeer merkwaardig wordt de zaak echter, wanneer
wij op grond van onderzoekingen in andere werelddeelen prae-
dilectieplaatsen zien aangewezen, die wij hier in het geheel niet
kennen. Zoo schrijft
Hammer, die in Duitsch Oost-Afrika werk-
zaam was, dat als voornaamste praedilectieplaatsen genoemd moe-
ten worden de
adductorcn en de nekspieren, dan de tong en de
kauwspieren en eerst in de laatste plaats het hart.
Valade komt
door een onderzoek in Homs (Syrië) tot de overtuiging, dat de
kans van cysticerci aan te treffen het grootst is in het diaphragma,
dan volgt het hart, de psoas, en eerst na den Musc. masseter, de
adductoren en de halsspieren.
Claverie vindt in Fransch Guinéa
de anconaei de voornaamste zitplaatsen (1928). Ik kom op deze
laatste mededeeling nog terug. Ik zou voort kunnen gaan met U
uit het werk van
le Coultre nog meer voorbeelden te noemen,
van zulke afwijkende reeksen van voornaamste vindplaatsen. Ik
wil echter liever de practische beteekenis van deze zaken nader
onder de oogen zien. Wij leggen ons hier te lande thans toe op een
zoo goed mogelijk onderzoek van de Musc. masseter en pterv-
goidiae en enkele andere vindplaatsen. Stel echter dat ons rundvee
zich eens ging gedragen als de Oost-Afrikaansche ossen en de
cysticerci zich bij voorkeur gingen nestelen in de adductoren of
anconaei. Dan zouden wij in een groot aantal gevallen in den let-
terlijken zin er naast grijpen en tevens zouden ondanks de keuring
een groot aantal cysticerci de consumenten bereiken. Eerst wan-
neer dan door andere omstandigheden deze zitplaats bekend werd,
(inspectie van afgeslacht vleesch in de winkels b.v.) zou men hier
maatregelen gaan nemen en de adductoren in het onderzoek be-
trekken.

Terecht zegt le Coultre dat de voorstelling, die men heeft van
de regelmatige vindplaatsen, de wijze van keuren beheerscht.

Meer bekendheid met deze vindplaatsen wordt in Europa niet
verkregen, omdat slechts zelden het geheele dier op parasieten
wordt doorzocht, behalve in die gevallen waarin reeds in de be-
kende praedilectieplaatsen cysticerci zijn gevonden. Men redeneert
dus als het ware in een cirkel en krijgt geen gegevens of de gevolgde
werkwijze juist is, m. a. w. of de waarborg, die de keuring geeft
steeds van hetzelfde, zij het dan niet absolute, dan toch relatief-
gehalte is.

Hierin is alleen verbetering te brengen, wanneer men een onder-

-ocr page 525-

- 507

zoek geheel versch opzet en dan bij een groot aantal dieren in alle
mogelijke spieren naar cysticerci gaat zoeken, bij voorkeur in een
streek waar dit parasitaire lijden veelvuldig voorkomt.

Le Coultre heeft dit op Bali gedaan en de omstandigheden
waren met hem.

Dat op Bali deze ziekte veel voorkomt is reeds lang bekend.

Le Coultre citeert uit deel VII van het Nederlandsch Tijd-
schrift voor Veeartsenijkunde en Veeteelt, 1876 : „Het is bij velen
„bekend dat wanneer men op Java vleesch eet van koeien die van
„Bali werden overgebracht, men gevaar loopt den lintworm te
„bekomen, en dit vooral als men er biefstuk van gebruikt. Daar-
,,om komt de lintworm ook het meeste voor op Java\'s Oostkust,
„waar die sappi\'s het meeste worden ingevoerd".

Hoe erg het daarmede gesteld was en is, wist niemand, maar
Bali bleek een bij uitstek geschikt terrein voor zulk een onderzoek
te zijn.

Aan een enkele slachtplaats in Bali werd het vleesch direct na
de slachting uitgebeend en in het klein verkocht, dit bood een
prachtige gelegenheid
alle spieren en spiergroepen te onderzoeken
en wel onafhankelijk van de vraag of in de gangbare praedilectie-
plaatsen cysticerci waren gevonden of niet. Later is dit systeem,
zij het ten deele, ook op andere slachtplaatsen toegepast in dien
zin, dat verschillende spiergroepen, regelmatig meermalen werden
ingesneden. Als zulke groepen vermeldt
le Coultre, kauwspieren,
halsspieren, schouder- en opperarmspieren, borst- en tusschen-
ribspieren, schoftspieren, buikspieren, psoas, rug- en lendenspie-
ren, kroep- en dijspieren.

Voorts worden dan met de anatomische namen, de diverse mus-
culi aangegeven, die door
le Coultre tot elke groep zijn gerekend.
I)e schrijver merkt zelf op, dat ook dit onderzoek niet absoluut is.

Dan zou men het geheele dier in mootjes moeten snijden, zoo
dun, dat geen cysticercus aan het oog onttrokken werd. Het vinden
van cysticerci blijft aan „toeval" onderhevig ook bij deze methode.

Men zal echter moeten erkennen, dat bij deze kleine, lichte die-
ren met niet meer clan 100 K.G. vleesch, door deze talrijke insnij-
dingen een zeer goed benaderend overzicht wordt verkregen en
dat men na zulk een onderzoek wel weet hoe groot ongeveer het
percentage cysticercosis is.

In de slachtplaats te Boeleleng, waar dit onderzoek het nauw-
keurigst kon worden uitgevoerd werden in het 2de halfjaar van
1927 1260 runderen geslacht ; 407 of 32.23 % bleek behebt te zijn
met cysticercosis. Dit is het hoogste gevonden percentage. Elders
en in andere perioden te Boeleleng werden iets lagere getallen ver-
kregen. Deze kunnen juist zijn; vele zullen echter lager zijn dan het
werkelijk aanwezige % dieren met cysticercosis, omdat eenige
gevallen, door minder nauwgezet onderzoek enz. niet aan het licht

-ocr page 526-

kwamen. Er is dus kans, dat van elke drie Balineesche runderen
er één met cysticercosis behebt is.
Le Coultre zag in het jaar
1927 bij 5800 geslachte dieren 1337 gevallen van cysticercosis of
circa 23 %.

Zie hier dus een ideale streek voor nadere studies over de beste
wijze van onderzoek. Doch men bedenke eerst eens wat het zeggen
zou, wanneer men hier te lande van elke vier dieren er één met
cysticerci behebt zou vinden, en daarvan een groot aantal aan de
consumptie zou moeten onttrekken, ten einde ze aan een of andere
bewerking te onderwerpen. Voor mij is dit resultaat een direct be-
wijs van de noodzakelijkheid van een regelmatig onderzoek naar
deze parasieten. Men kan er uit leeren, hoe ernstig deze bedreiging
van de menschelijke gezondheid kan worden, indien men in een
bepaalde volksgemeenschap te dien opzichte alles maar op zijn
beloop laat.

Ik begrijp dat U verlangend zult zijn om te weten of hieronder
nu een groot percentage
afgestorven exemplaren aanwezig was.

Ik vermeld hierover weer de gegevens van Boeleleng over 1927
als zijnde de meest betrouwbare :

Hiervan

Geslacht werden

cysticerci

levend

alleen afge-

storven

2323 runderen

627 of 26.04%

514 of 22 %

113

der geslachte

Onder de 514 of ruim 80 % . levende" zijn hier ook opgenomen
de dieren, die naast verkaasde of gedegenereerde cysticerci ook
„levende" bevatten. Hier wijken de op Bali gevonden resultaten af
van die welke in Europa met name in Nederland worden gecon-
stateerd.

Le Coultre meldt voor enkele diensten in Nederland, dat hier
ruim 80 % der gevallen met alléén afgestorven cysticerci (meestal
slechts een exemplaar per rund) worden gevonden tegen 16 %—■
20 % met één of meer levende. De belemmering, die een strenge
keuring aan de vleeschvoorziening in den weg legt, is hier dus reeds
veel geringer, dan in Bali het geval zou zijn.

Daar zouden wij volgens onze opvattingen tegen ong. 22 % der
geslachte runderen maatregelen moeten nemen. Stel U voor dat
men zich in fndië op de plaatsen van invoer van dit vee eens op dit
standpunt stelde! Welk een enorm bezwaar voor de vleeschvoor-
ziening zou dat zijn. Telkens wanneer men in Europa een grooter
aantal gevallen aantreft worden en werden dan ook stemmen ge-
hoord om op een af andere wijze de moeilijkheden, die ontstaan
ten gevolge van deze keuring te verminderen.

-ocr page 527-

Men verdedigt deze voorstellen steeds met twee hoofdargumen-
ten ! Men betoogt dat bij dieren met slechts één cysticercus in de
kop de kans als zeer gering is, dat er meer in het lichaam aanwezig
zouden zijn. Men stelt dus voor, deze eenfinnige runderen, even-
tueel na afkeuring van de kop vrij te geven. Anderzijds betoogt
men, dat de keuring toch niet alle cysticerci doet ontdekken, en
de eventueele fout door het vrijlaten van de eenfinnige nu niet
zoo erg wordt vergroot.

Onderzoeken wij eerst het laatste argument ; dus in hoeverre
bij de gewone keuring alle cysticerci worden gevonden.

Bezien wij daarvoor eerst nader de verdeeling der cysticerci
over het geheele dier. Voor het jaar 1927 vermeldt
le Coultrk
dat hij kon waarnemen :

Gevallen van cysticercosis met cysticerci
alleen in de kop in de kop en het lichaam alleen in het lichaam

838 300 199

totaal 1337 gevallen.

Met het lichaam wordt hier in hoofdzaak bedoeld, die spier-
groepen, die thans niet als praedilectieplaatsen bekend zijn. Wij
kunnen uit deze cijfers de volgende merkwaardige conclusies trek-
ken. Stel dat
le Coultre alleen de klassieke wijze van onderzoek
had gevolgd, dan had hij 1138 gevallen van cysticercosis opge-
merkt ; 199 gevallen waren aan zijn aandacht ontsnapt of wel
18 % van het aantal gevallen en circa 4,7 % van het aantal ge-
keurde dieren. Vraagt men hoeveel cysticerci in dergelijke dieren
aanwezig waren, dan geven de uitgebreide tabellen van le C. ook
daarop een antwoord. Zoo vindt ik dat de ongeveer 100, tot deze
categorie behoorende gevallen, die te Boeleleng en Denpassar
werden waargenomen, ongeveer 160 cysticerci herbergden. Gegeven
de gewoonte op deze eilanden om veel vleesch rauw te nuttigen
vormt dit een voldoende aantal om tal van lintwormdragers te
kweeken.

Transponeeren wij deze gegevens evenwel eens op de toestanden
in West-Europa met name in Holland. Wij zagen, dat bij het
nauwkeurigste onderzoek toch nog altijd 18 % der gevallen zullen
ontsnappen. Wij weten dat in de streken langs de rivieren het
grootste aantal dieren met cysticercosis wordt gevonden en men
mag de frequentie daar op ongeveer 3 £. % stellen. Bij een jaarlijk-
sche slachting van 3000 runderen vindt men er ongeveer 100 met
cysticercosis behept, doch men weet ook, dat er nog ongeveer
18 met circa 25 cysticerci door zouden glippen. Van deze 25 cysti-
cerci mag men op grond van de vroeger vermelde gegevens voor-
onderstellen, dat er ongeveer 5 levende zullen zijn. Er is daarnaast
nog een reden om aan te nemen, dat dit aantal iets geringer zou
zijn, omdat misschien in streken met een zooveel geringer percen-

-ocr page 528-

tage cysticercosis, verhoudingsgewijze ook een geringer aantal ge-
vallen met een afwijkende zitplaats van de cysticerci ontstaat. Ik
wil dit argument echter wegens zijn onzekerheid liever buiten be-
schouwing laten en het volgende opmerken.

Men ziet dat de keuring wel een zeer groote zekerheid geeft,
doch geen absolute. Onze bovengenoemde 3000 runderen ver-
tegenwoordigen een zeer behoorlijk kwantum vleesch van laten
wij zeggen 500.000 K.G. De kans, dat men daaruit juist een der
cysticerci zal opeten, is wel uitermate gering. Zij blijft bestaan en
kan zeer zeker als een der argumenten gelden, waaruit men kan
verklaren, dat in een land met goede vleeschkeuring de Taeniasis
toch niet geheel zal verdwijnen.

Een argument om de keuring in dit opzicht nu maar te ver-
slappen of af te schaffen kan in deze conclusie nooit gelegen zijn.
Wij weten zeker, dat wij door een nauwgezette systematische
keuring het gevaar voor Taeniasis tot een uiterst minimum kun-
nen reduceeren. Wij mogen dit hulpmiddel niet prijs geven, om het
te vervangen door een ander, b.v. het in het algemeen aansporen
tot goed koken van vleesch, omdat daarvan de uitwerking toch
allicht eenige honderden malen minder zeker zal zijn.

Zonder keuring kan, getuige de toestanden op Bali en in andere
vooral tropische landen, een enorme frequentie der cysticercosis
ontstaan : met keuring zal deze bijna geheel worden te niet ge-
daan, zij het nooit absoluut onderdrukt kunnen worden.

De vraag dringt zich op in hoeverre door wijziging van de tech-
niek der keuring hierin verbetering gebracht zou kunnen worden.

Het is gewenscht hiervoor de verdeeling naar de vindplaatsen
te bestudeeren.

Ook hierover geven de tabellen van le Coultre zeer merk-
waardige gegevens. Zoo vinden wij vermeldt voor Denpassar :
256 gevallen met cysticerci in de kauwspieren 416 cyst.

51 ,, ,, ,, ,, ,, kroep- en dijspieren 99 ,,

48 ,, ,, ,, ,, ,, schouder en opperarm 106 ,,

41 ,, ,, ,, ,, ,, halsspieren 56 ,,

35 ,, ,, ,, ,, tong en stottenhoofd 50 ,,

30 ,, ,, ,, ,, ,, psoas 40 ,,

26 ,, ,, ,, ,, ,, rug-en lendenspieren 45 ,,

28 ,, ,, ,, ,, ,, tusschenribspieren 39 ,,

en voor Boeleleng zijn deze cijfers :

532 gevallen met cysticerci in de kauwspieren I077 cyst.

98 ,, ,, ,, ,, ,, tongspieren 120 ,,

66 ,, ,, ,, ,, ,, schouder en opperarm 210 ,,

58 ,, ,, ,, ,, ,, kroep- en dijspieren 166 ,,

29 ,, ,, ,, ,, ,, halsspieren 66 ,,

-ocr page 529-

Men ziet dat kroep en dij, schouder en opperarm evenzeer vind-
plaatsen van cysticerci zijn en dat het in Bali zeker gewenscht is
het regelmatig onderzoek ook tot deze spieren uit te strekken.
Technisch levert dat natuurlijk groote bezwaren op.

Het zou echter de moeite loonen, indien de collegae die hier te
lande practisch werkzaam zijn, eens konden nagaan in hoeverre
men ook hier deze spieren in het onderzoek zou kunnen betrekken.
Totdat hier technische verbeteringen in de keuring zijn gebracht
blijft de fout bestaan, al zal zij voor West-Europa niet zoo groot
zijn als
le Coultre voor Bali vond.

Gaan wij nu na, in hoeverre het aanbeveling kan verdienen de
dieren met één cysticercus in de praedilectieplaatsen vrij te geven.
Is het juist, dat er in deze dieren elders geen cysticerci worden ge-
vonden, en dat bij dieren met twee of meer cysticerci in deze vind-
plaatsen er in andere spieren altijd meer gevonden worden? De
tabellen van
le Coultre over Boeleleng en Denpassar geven ook
hier uitsluitsel. Voor deze beide slachtplaatsen tezamen kan men
onderscheiden :

426 gevallen met één cysticercis in de kop en elders geen, tegen
92 gevallen met één cysticercus in de kop en elders
wel een of
meer cysticerci. Zou men deze maatregel toepassen, dan zou
men in dat jaar 92 gevallen met stellig meer dan 100 cysticerci
onder de bevolking gebracht hebben.

En is de schifting dan afdoende, bevatten de dieren die wel aan
de consumptie onttrokken worden
wel meer cysticerci ?

Wij zien dat er 110 gevallen worden genoteerd, waarbij een of
meer cysticerci in dek auwspieren waren, terwijl later in de andere
spieren ook een of meer werden gevonden. Daartegenover staan
202 gevallen met twee of meer cysticerci in de kauwspieren waarbij
ondanks het nauwgezette onderzoek elders geen blaaswormen
gevonden werden. Zouden wij deze stelregel invoeren, dan zouden
wij in 1/5 der vrijgelaten gevallen cysticerci onder de gebruikers
brengen en in 2/3 der gevallen, die wij aan de consumptie ont-
trekken, schijnt deze maatregel niet noodig. Erg logisch is dus
deze beoordeeling niet.

Brengt men de cijfers voor de eenfinnige runderen in verband
met de frequentie der gevallen, waarin geen cysticerci in de prae-
dilectieplaatsen worden gevonden, terwijl er later in andere spie-
ren toch worden ontdekt, dan blijkt dat er van de laatste categorie
18 % der gevallen zijn en van de eerste ruim 11 °/0.

Door het vrijgeven van de eenfinnige dieren zou men de bij de
keuring te maken fout dus met meer dan 50 % vergrooten en
de doelmatigheid van de keuring dus belangrijk verminderen.
Ik ben dan ook van oordeel dat het vrijgeven van eenfinnige
runderen een zeer onlogische ongewenschte maatregel is, die

-ocr page 530-

indruischt tegen de terecht in de vleeschkeuring gehuldigde
stelregel, dat het vleesch niet wordt vrijgegeven wanneer aanwij-
zing bestaat, dat het schadelijke bestanddeelen kan bevatten.
De meervoudige zekerheid, die wij in andere gevallen eischen
moet ook in dit geval gehandhaafd worden.

Terecht zegt le Coultre, dat wij er naar moeten streven de
aan de methode aanklevende fouten zoo klein mogelijk te maken.
Hij stelt daartoe voor, het onderzoek der praedilectieplaatsen te
verscherpen en de uit- en inwendige kauwspieren in plakken te
snijden, die dan zoo dun moeten zijn, dat er geen cysticercus aan
het oog kan ontsnappen. Door een zoodanig grondig onderzoek
zullen er de minste gevallen aan onze aandacht ontgaan.

Ik merk hierbij op, dat het niet gemakkelijk is dit onderzoek
bij onze groote slachtdieren door te voeren en zou gaarne verne-
men of er hier te lande keuringsdiensten zijn, waar men in elk der
kauwspieren meer dan twee volledige sneden maakt en wat de
ervaringen in de praktijk daarbij zijn.

In dit verband wil ik nog even terugkomen op de tot nu toe be-
reikte resultaten en wel aan de hand van de waarnemingen van
le Coultre.

Deze zag in een jaar 1337 gevallen waarvan :

838 met cysticerci alleen in de kop.

300 ,, ,, in kop en lichaam.

199 ,, ,, alleen in het lichaam.

Van deze zou het voor de eerste 838 niet noodig geweest zijn
nog maatregelen te nemen. Men mag zeggen dat er nog enkele
aan de aandacht van
le Coultre ontsnapt zijn. Deze moet men
dan bij groep 3 voegen.

Voor de 300 gevallen in de tweede groep is een behandeling
aangewezen.

Voor de 199 van de derde groep zou deze bewerking noodig
zijn, doch bij ons gewone onderzoek worden de meeste niet opge-
merkt.

A1 uchtcr beschouwd bereiken wij dus, dat wij bij 62.5 % van de aanwc
zige gevallen maatregelen nemen, die voor een groot deel overbodig
zijn ; bij
22.5 % zijn de maatregelen gemotiveerd en 15 % der ge-
vallen ontsnapt ons.
De efficiency van ons pogen is blijkens deze
cijfers nog niet volmaakt. Streven naar verbetering daarvan is
dus plicht. Indien er echter maatregelen genomen moeten worden,
dan is het hier meer dan ooit plicht de oeconomische gevolgen tot
zoo gering mogelijke afmeting te reduceeren, zonder natuurlijk
de doeltreffendheid van ons systeem daardoor te verzwakken.

Wij willen daarvoor in de eerste plaats nagaan of het mogelijk
zou zijn cysticercosis en taeniasis in korten tijd door streng keu-

-ocr page 531-

ring uit te roeien. Zou men door gedurende korten tijd de strengste
maatregelen te nemen het kwaad voor goed kunnen bezweren, dan
is daar tegen minder bezwaar.

Wij dienen hierbij eerst eens onder de oogen te zien, hoe ver
de voor het rund gevaarlijke zone zich wel om een taenia-drager
kan uitstrekken. Het is natuurlijk uitermate moeilijk hierover
exacte gegevens te verzamelen, doch het onderzoek op Bali heeft
wel een en ander daarover aan het licht gebracht.

Le Coultre beschrijft hoe groote gebieden van het eiland Bah,
een soort waterschap vormen, waarin het van de bergen komende
water, door tal van kanalen, kanaaltjes en slooten verdeeld wordt,
om de sawah\'s ieder op zijn tijd onder water te zetten.

Men dient daarbij te bedenken dat de bevolking vaak gedurende
geheele dagen ver van huis op de sawah\'s vertoeft, zoodat defecatie
op het land of in de slooten, en daarmede besmetting van het
water, herhaaldelijk zal plaats vinden. De aanwezige proglottiden
resp. oncosphaeren worden snel over groote gebieden verdeeld en in
dit water worden dagelijks de runderen gebaad en er mede gedrenkt.

Eén lintwormdrager bovenstrooms kan dus over een zeer groot
gebied koeien infecteeren. Bij de verplaatsing in het water zullen
de proglottiden stuk slaan, in elk geval hunne eieren verliezen, en
zoo kunnen wij in de door
le Coultre scherp geschetste agrono-
mische toestand van het land een verklaring vinden voor het feit,
dat tal van runderen worden geinfecteerd, maar elk dezer slechts
met een spaarzaam aantal cysticerci. Herhaalde besmetting van
hetzelfde dier met grootere of kleinere tusschenpoozen zal boven-
dien mogelijk zijn. (Slot volgt).

BLADVULLING.

Vrouwelijke Dierenartsen.

In een vergadering van de ,,Royal College of veterinary surgeons" in Enge-
land werd een door Sir
John Mac Fadyean ingediende motie aangenomen
waarin geprotesteerd wordt tegen de overdreven propaganda die wordt gemaakt
in Engeland om aan meisjes aan te raden dierenarts te worden, aangezien
vrouwen toch in diergeneeskundige praktijk tegenover mannen bijna altijd in
het nadeel zullen zijn.

(The vet. record, 1929 no. 18 blz. 383). Vr.

In een volgend no. van „The. vet. record", waarin het bericht stond, komt
een ingezonden stuk voor waarin een dame protesteert tegen bovengenoemde
motie. Vr.

35

LVI

-ocr page 532-

INVLOED VAN ULTRAVIOLETTE STRALEN1),

DOOR

Dr. R. H. VAN GELDER.

Iedereen kent de inwerking die het zonlicht heeft op de huid van
mensch en dier. Deze „zonnebrand", een verschijnsel, dat ook zon-
der zonneschijn in het gebergte of op sneeuwvelden voorkomt,
wordt veroorzaakt door de ultraviolette stralen van het zonlicht.

Op welke hoogte men ook is, op 100 M. of op 5000 M., altijd ein-
digt het ultraviolette deel van het zonnespectrum bij een golflengte
van nooit minder dan 290 /i/t. Wel neemt de
intensiteit van het ultra-
violette licht toe bij grootere hoogte. I)e gunstige inwerking, die het
hooggebergte op het gezonde of zieke organisme van mensch en
dier hebben kan is o.a. aanleiding geweest tot het zoeken naar een
kunstmatige „hoogtezon". Het eerst heeft men ultraviolette stra-
len gemaakt door een electrischen lichtboog tusschen 2 ijzeren sta-
ven. Ijzer straalt evenals kwik zeer veel ultraviolet licht uit, dat
zelfs krachtiger inwerkt, dan het zonlicht in het hooggebergte. Het
meest werkzame gedeelte in het ultraviolette zonlicht is nl. door
de atmosfeer verzwakt. Hoe minder groot dus de atmosferische
laag is, waardoor het zonlicht heen moet dringen, des te grooter is
de inwerking van de ultraviolette stralen.

De winterzon is in het hooggebergte gunstiger voor de therapie,
omdat dan de stralen met zeer korte golflengte (350— 290 ju/i) ont-
breken. De huid wordt wel bruin, maar de patiënten kunnen langer
aan de bestraling worden blootgesteld, zonder dat ontsteking op-
treedt.

Ultraviolette stralen hebben nl. een ontstekende inwerking op
de huid. Het meest werken die stralen in, die een golflengte hebben
tusschen het zichtbare spectrum, dus tusschen het violet, en ^
350 11 li. Stralen met een kortere golflengte worden geabsorbeerd
door de epidermis, die hiervoor minder gevoelig is. Hierop berust
het principe der z.g. Finsenbehandeling bij lupus en andere huid-
ziekten. De door deze bestraling te voorschijn geroepen ontsteking
in de gezonde huid om de zieke plekken, brengt tevens deze laatste
tot resorptie.

Klingmüller en Halberstädter hebben huidtuberculose be-
straald. Na eenigen tijd werd de zieke plek uitgesneden en een ge-
deelte van deze brij werd ingespoten in de buikholte van cavia\'s,
die zeer spoedig tuberculose kregen. Er waren dus nog virulente
tuberkelbacillen aanwezig. De bactericide werking van ultravio-
lette stralen wordt al tegengehouden door een membraan van 0.8

\') Voordracht gehouden in de oprichtingsvergadering van den Diergeneeskun-
digen Kring Amsterdam.

-ocr page 533-

m.M. Practische beteekenis heeft de bactericide werking dus al-
leen voor de epidermis en van een
directen invloed op bacteriën in
het lichaam is geen sprake.

Bacteriën zijn evenwel zeer gevoelig voor directe stralen met een
golflengte, kleiner dan 270 nu. Hierop berust de bacteriëndoodende
werking van kwiklampen, die men stroomend helder water laat
bestralen, dat zoodoende gehe\' 1 steriel kan worden gemaakt.

Het essentieele van de inwerking op de huid bij bestraling met
natuurlijke of kunstmatige hoogtezon is steeds de photophysische
(temperatuursverhooging) en photochemische veranderingen, die
er in de huid plaats hebben. l)e ultraviolette stralen dringen niet
zoo heel diep door in de huid (met een booglamp met koolspits of
ijzer dieper dan met een kwiklamp). Onderzoekingen toonden
evenwel aan, dat de in de huid dringende stralen van het zichtbare
en ultraviolette spectrum door het bloed in groote mate worden
geabsorbeerd. Men kan dus aannemen, dat de veranderingen voor-
namelijk in het bloed plaats vinden. Het is een van de eerste begin-
selen der photochemie en photophysica, dat een proces, ontstaan
door stralen van bepaalde golflengte, ten nauwste samenhangt met
de absorptie van deze stralen. Daarom is het ter beoordeeling van
de geneeskrachtige werking der stralen zoo noodig, de quantitatieve
absorptie van het bloed te kennen. Door onderzoekingen bleek, dat
het bloedplasma in de absorptie van de ultraviolette stralen slechts
een gering aandeel heeft. De roode bloedlichaampjes daarentegen
bezitten het meest absorbeerend vermogen van het bloed. Waar-
schijnlijk zijn het dus de erythrocyten en in het byzonder het hae-
moglobine, die de gunstige invloed van het licht verder dragen.
Kollath heeft aangetoond, dat door bestraling met ultraviolet
licht aldehyd van lecithine wordt afgesplitst. Een van de belang-
rijkste verbindingspunten tusschen de ultraviolette stralen en het
bloed zal dan ook wel gelegen zijn in de lipoiden van het bloed.

Onder de epidermis ligt over de geheele lichaamsoppervlakte een
fijnvertakt net van bloedvaten. Haemoglobine heeft, ook in groote
verdunning, een sterk vermogen de chemische stralen te absor-
beeren. Het licht daarentegen heeft grooten invloed op de hoeveel-
heid en dichtheid van het bloed in de huid. Geen weefsel van het
menschelijk lichaam zuigt zooveel licht op, als het bloed in de huid,
dat juist door den invloed van het licht daar aanwezig is. Er heeft
hier dus een wisselwerking plaats tusschen bloed en licht.

De kwiklamp heeft een zeer groote beteekenis gekregen in de be-
stralingstherapie. Daarom zij hier in het kort even het principe
aangegeven. In de eerste plaats moet dan medegedeeld worden,
dat voor buizen en andere hulpmiddelen altijd kwartsglas wordt
gebruikt, omdat kwarts het eenige materiaal is, dat de ultraviolette
stralen geheel doorlaat. Op de vérgaande beteekenis van dit feit

-ocr page 534-

hoop ik nog terug te komen. De kwartskwiklamp bestaat uit een
luchtledig gepompte kwartsbuis, waarin aan weerszijden een platina-
draad is gesmolten, welke draden met kwik bedekt zijn. Maakt men
een kwikverbinding tusschen deze electroden (door de buis te kan-
telen) en laat men de electrische stroom door, (50—100 V. gelijk-
stroom), dan ontstaat er eerst een kleine lichtboog, daarna wordt
nagenoeg de geheele buis gevuld met een blauw-groen licht (kwik-
damp ontstaat, die de electrische stroom geleidt). Behalve, dat bij
deze lamp de ultraviolette stralen maximaal door gelaten worden,
heeft zij bovendien het voordeel, goedkooper te zijn, dan alle andere
technische lichtbronnen.

Zooals ik al zeide, laten alle andere materialen dan kwarts het
ultraviolette licht niet of slechts ten deele door. Wel is men er in
den laatsten tijd in geslaagd glas te fabriceeren, dat ten hoogste
77% der ultraviolette stralen doorlaat. In Engeland heeft men als
proef een school voorzien van vensters van dergelijk glas. De resul-
taten, wat betreft groei en habitus der kinderen, waren zeer goed.
Kuikens groeien drie maal zoo snel achter dit glas. De gevolgen van
deze uitvinding zijn nog niet te overzien (plantengroei in kassen,
verhoogde voedingswaarde van jonge groenten (vitaminen), gun-
stige werking op huidziekten, tuberculose, rachitis, steriliseerende
werking van het zonlicht, ook in huis, enz.). Men make zich even-
wel hiervan geen overdreven voorstellingen en vergete niet, dat
ook door dergelijk glas nooit méér dan daglicht vallen kan.

Even wil ik aanstippen, dat ultraviolet licht op planten een groei-
remmende werking heeft, terwijl de bloemvorming juist veelal af-
hankelijk is van het ultraviolette licht.

Eerst zal ik de schadelijke inwerking der ultraviolette stralen op
het gezonde organisme van mensch en dier beschrijven, daarna de
gunstige op het zieke organisme, dan de invloed van bestraald
voedsel.

Inwerking op het oog.

Te veel licht is altijd schadelijk voor het oog. Voor ultraviolet
licht is het oog zeer gevoelig, conjunctivitis treedt op ook bij zeer
weinig belichting. De ultraviolette stralen worden in de eerste
plaats geabsorbeerd door cornea en voorkamervocht. Treden zij
daar in te ruime mate doorheen, dan ontstaan daar ontstekingen.
Het zijn de ultraviolette stralen met langere golflengte, die een
schadelijke inwerking hebben op de lens( staar bij glasblazers).
Reageert de lens niet aldus, m.a.w. blijft zij helder, dan treedt een
degeneratie van de retina op.

Bestraalt men ooglenzen van dieren, dan treden dezelfde ver-
schijnselen op als bij ouderdom, nl. oplosbare eiwitverbindingen
in de lens veranderen in onoplosbare.

-ocr page 535-

Wij hebben gezegd, dat de ultraviolette stralen een ontsteking-
verwekkenden invloed hebben op de huid. Dieren zijn tegen de
ultraviolette stralen van het zonlicht beschermd door een gepig-
menteerde huid. Hoe het hier mee gesteld is, is nog niet recht dui-
delijk, temeer daar bij negerbabies door
Kramer en Boone proef-
ondervindelijk is aangetoond, dat het huidpigment de gunstige
inwerking van het zonlicht op rachitis niet verhindert. Zeven ne-
gerbabies, allen lijdende aan actieve rachitis kregen een dieet van
verdunde melk en sinaasappelsap en werden eerst 15—20 min.,
later 1 uur per dag aan direct zonlicht blootgesteld. Binnen 14
dagen veranderde de phosphorconcentratie van het bloed en in de
3de week kon röntgenologisch genezing worden geconstateerd.

Conclusie : direct zonlicht is het beste middel tegen rachitis.

Reyher en Walkhoff deden proeven met dieren, die gevoed
werden met openbestraalde melk ; met in een koolzuur atmosfeer
bestraalde melk ; met bestraald melkpoeder ; met bestraald eigeel;
met bestraald eiwit en tenslotte met vigantol. In wisselende mate
vertoonden zich aan de afzonderlijke organen, in het bijzonder aan
hart en nieren pathologisch-histologische veranderingen. Door an-
dere onderzoekers worden deze veranderingen hypervitaminosen
genoemd. Maar
Reyher en Walkhoff gelooven aan toxisch wer-
kende stoffen, die cloor de bestraling ontstaan zouden zijn en een
schadelijke inwerking zouden hebben. Als bewijs voeren zij aan,
dat in nitrietvrije melk na bestraling nitriet aangetoond kon wor-
den. Zij merken, dat kalkafzetting inderdaad plaats heeft, maar
dat dit ook het geval is bij organen waar dit niet gewenscht is.

Door proeven met dieren is men gaan letten op de gunstige wer-
king die ultraviolette stralen hebben op de genezing en voorko-
ming van rachitis.

Zoo hebben b.v. Powers, Park en Simmonds proeven gedaan
over ultraviolet licht en xerophthalmie. Nagegaan is het verschil
tusschen gewoon kamerlicht A uur daags ultraviolet licht (kwik-
lamp) en 4 uur daags direct zonlicht in de buitenlucht. Dit alles
bij een dieet, waaraan óf phosphor èn vitamine A, öf alleen vitamine
A ontbreekt. Over het algemeen werd een beginnende xerophthal-
mie door het directe zonlicht stopgezet. Niettegenstaande het dieet
kregen de bestraalde dieren geen rachitis, de onbestraalde wel
daarentegen.

De inwerking van het ultraviolette licht op de groei bij ratten
hebben ook
Sheets en Funk nagegaan. Behalve de groei interes-
seerde hun het vóórkomen van xerophthalmie. Twee groepen ieder
bestaande uit 6 stuks kregen dieet, waaraan vitamine A ontbrak.
De eene groep werd dagelijks gedurende drie weken 5 minuten,
en gedurende de rest van den proeftijd (19 weken) 3 minuten met
een koolspitslamp bestraald. De niet bestraalde contröledieren
kregen xerophthalmie, gemiddeld iets later, dan de drie der 12

-ocr page 536-

bestraalde dieren, die het ook kregen. Rachitis kwam niet voor.
Hieruit is dus te concludeeren, dat vitamine A niet vervangen kan
worden door ultraviolette stralen, maar ook, dat ultraviolet licht
een antirachitische werking heeft.

Wimberger en Wagner gaven indertijd koeien groote doses
levertraan, opdat de melk een antirachitische werking zou ver-
krijgen. Volgens recente proeven van
Golding zou inderdaad vita-
mine A en vitamine D zoo vermeerderd kunnen worden, maar
volgens
Wimberger en Wagner is de antirachitische werking niet
groot genoeg om rachitis te voorkomen. Deze proeven werden ook
doorgevoerd bij zoogende vrouwen, maar ook hier zonder resultaat.
Wel bleek, dat door bestraling met kunstmatige hoogtezon de
moeders zooveel antirachitische stoffen in de melk verkrijgen, dat
het optreden van rachitis bij de zuigelingen voorkomen kan wor-
den, of reeds begonnen rachitis genezen. Zoo verder redeneerende
is men er toe gekomen voedingsmiddelen te bestralen met stralen,
die een golflengte hebben van 320—289
uk, om zoodoende het ge-
halte aan vitamine I) in deze voedingsmiddelen te verhoogen.

Bestraling in de kleine-huisdieren practijk.

In de kleine huisdieren practijk zijn de ultraviolette stralen toe-
gepast door
Stainton. Hij bestraalde honden met huidziekten,
met stofwisselingsziekten en met nerveuze storingen. Het gunstigst
resultaat had hij bij huidziekten. Nat en etterend eczeem genas in
2—5 dagen. Volgens Stainton vermindert de jeukprikkel sterk
en dit is een belangrijk verschijnsel. Hij had geen succes bij de
echte alopecie van de hond en bij hondenziekte.

Volgens Konge moet de bestraling op een afstand van ro c.M.
geschieden en mag niet langer duren dan een halve minuut. Het
wegscheren der haren is niet noodig. I)e pols zinkt van
120 tot 60
per minuut. Bij scabies had hij geen succes, wèl bij rachitis en
hondenziekte. (Om de
3 dagen bestralen).

Middleton Perrv vindt het haarkleed van den hond wel een
bezwaar voor de bestraling, waaraan eenigszins tegemoet gekomen
kan worden door de haren terug te strijken.

Wat betreft den bestrahngstijd, moet volgens dezen auteur wel
degelijk rekening worden gehouden met de dikte van de huid. Hij
had succes bij rachitis, nat eczeem, gangraeneuze wonden, alopecie,
longontsteking en hondenziekte. Niet bij scabies, waarin hij dus
overeenstemt met de beide vorige onderzoekers. Overigens wijken
deze
3 schrijvers nog al van elkaar af.

Patton zag bij hondenziekte geen resultaat.

Bestraling van melk.

De bestraling van melk met ultraviolette stralen heeft ten doel
de melk met antirachitisch vitamine te verrijken. Op deze gedachte
zijn het eerst gekomen de beide Amerikaansche doctoren
Hess en
Cowell. Zij zagen, dat de uitwerking hiervan ongeveer overeen-

-ocr page 537-

kwam met directe bestraling, alleen hadden zij met de moeilijkheid
te kampen, dat de bestraalde melk een zeer slechte reuk en smaak
aannam, als verbrand haar, zoodat de kinderen deze melk zeer
moeilijk opnamen. Volgens het principe van
Hess en Cowell
heeft Dr. Scholl de techniek zoodanig veranderd, dat zuurstof
niet toe kan treden, want deze veroorzaakte de onaangename reuk
en smaak. Hij verdrijft de zuurstof uit de melk door koolzuur in
het apparaat toe te laten. Onderzoekingen hebben aangetoond,
dat het antirachitische vitamine niet vernietigd wordt bij een ver-
hitting zelfs van i8o° C., zoodat na de bestraling de melk gepas-
teuriseerd kan worden, zooals dat dan ook veelal gebeurt. Een
voorbeeld van deze methode geeft de Frankforter Städtische Ost-
hafenmolkerei, die de bestraalde melk tevens, op doktersvoor-
schrift, verkoopt sinds midden Januari 1928. Dit is de z.g. thera-
piemelk. Ook wordt prophylaxismelk afgegeven, d.w.z. versneden
melk, waarvan 1/3 bestraald is. Want ook dan nog heeft de melk
de antirachitische werking.

Dit is aangetoond door Scheer, die rachitische ratten kon ge-
nezen door hun per dag niet meer dan 0.03 cc. bestraalde melk
toe te dienen.
Scheer heeft ook bij rachitische kinderen proeven
genomen met bestraalde melk volgens het systeem
Scholl. Al
naar gelang der ziektegraad kregen de kinderen bestraalde melk
tot een maximum van 500 cc. per dag. Behalve de klinische en
röntgenologische controle werd ook nog de hoeveelheid bloed-
serumphosphor bepaald. In alle onderzochte gevallen steeg de
bij de rachitis tot op 2—3 m.G. % gedaalde phosphor na 4—6
weken toedienen van bestraalde melk tot 5—6 m.G. %.

Van nog meer belang zijn de onderzoekingen over de beteekenis
der prophylactische werking van bestraalde melk voor couveuse-
kinderen en oudere zuigelingen. Bij r8 prematuur geboren kin-
deren, ieder met een gewicht van minder dan 2500 G., kon door
een dagelijksche toegift van 10 - -25 G. bestraalde melk rachitis
worden voorkomen.

In de literatuur van de laatste maanden ziet men steeds ge-
noemd de Hanaulamp (systeem Dr.
Scholl) als de eenige, die
in staat zou zijn rachitis te genezen. Hiertegen verzetten zich de
Weensche klinieken, die ook zeer goede resultaten hebben kunnen
boeken met hun in de Wiener Niederösterreichische Molkerei
bestraalde melk. Door een rechterlijke uitspraak uit te lokken,
is het de Quarzlamp Mij. in Hanau verboden te doen alsof de
Weensche methode niet deugt.

Te Weenen bestaat het bestralingsapparaat uit een Geiszlersche
buis met condensor-electroden, welke gevuld is met kwik-argon,
Deze lamp is een z.g, Kaltstrahler en kan met melk begoten wor-
den, zonder dat de lamp wordt beschadigd. Het spectrum is rijk
aan stralen met een golflengte 280—253
/tu. Een nauwmazig

-ocr page 538-

kegelvormig opgerold gaas maakt het mogelijk, dat de melk in
een zeer dunne laag over de lamp loopt, want belangrijk is nog,
dat de ultraviolette stralen niet dieper dan 0.3 mM. op de melk
inwerken. Verschillende constructies zijn gemaakt, bestaande uit
een raam van ijzerdraad, waarover de melk, terwijl ze bestraald
wordt, langzaam vloeien kan.

Het toedienen van bestraalde melk is 10 maal zoo goedkoop,
als een gelijkwaardige bestralingstherapie.

Er gaan ook stemmen op tegen de bestraalde melk.

Prof. Schlossmann b.v. beweerde, evenals Reyher, dat in
met ultraviolet licht bestraalde melk, het antiscorbutisch vita-
mine vernietigd zou zijn. Daarop heeft de Duitsche Rijksgezond-
heidsdienst bij vooraanstaande kinderartsen laten navragen, wat
hun meening hieromtrent was. Uit de antwoorden bleek, dat men
algemeen van oordeel was, dat het scorbutwerende vitamine in
bestraalde melk verminderd is. Gezondheidsstoringen zijn echter
na voeding met bestraalde melk niet waargenomen. Een onge-
controleerd verbruik van bestraalde melk zou evenwel vooralsnog
af te raden zijn, omdat de gegevens omtrent mogelijke schadelijke
invloeden nog te weinig in aantal zijn.

Hottinger toonde aan, dat de bestraalde melk, wat betreft
de scorbut bij cavia\'s bijna niet van rauwe versche melk is te
onderscheiden. Slechts wanneer de melk te lang bestraald wordt
(b.v. 30—40 min. op een afstand van 60 c.M.) is een scorbut-
werking van deze melk denkbaar.

Men heeft nl. geconstateerd (en het is wel belangrijk deze stem
ook eens te laten hooren, omdat hier vermoedelijk fabrikanten
van een bepaald artikel achter zitten) dat alle melkbestanddeelen
door de ultraviolette stralen veranderd worden, splitsingen van
eiwit, suiker, vernietiging van enzymen, vermindering van water-
hoeveelheid, onvolledig onschadelijk maken van bacteriën.
Door de bestraling ontwikkelen zich oxyzuren, die op de eiwitten
inwerken. Dit gesplitste eiwit is waarschijnlijk de oorzaak van
de moeilijke verteerbaarheid en de toxische verschijnselen, die
na gebruik van deze melk optraden ; daarom, zoo zegt deze schrij-
ver, moest men voor de rachitis-bestrijding geen bestraalde vloei-
bare melk gebruiken, maar melkpoeder, met door ultraviolet
licht bestraald vet, dat eerst afgescheiden was. Het is inderdaad
waar, dat al deze gevaren bij bestralen der melk mogelijk zijn,
wanneer men open bestraling toepast. Onder afsluiting van de
lucht, dus zuurstof, treden bovengenoemde veranderingen niet op.

Uit andere proeven blijkt, dat de quintessence hiervan is het
bestraalde ergosterine, (waarop ik nog hoop terug te komen).
Te Velzen is in Nederland de eerste Hanaukwartslamp geplaatst,
in een melkfabriek, waar men hooggepasteuriseerde melk door
de lamp laat stroomen en aftapt in steriele fleschjes. Deze melk

-ocr page 539-

wordt bereid op advies en onder controle van den arts Hanne-
mann.

Een andere richting gaat men in, wanneer men niet de melk,
maar de koeien bestraalt. Het is bekend, dat uitsluitend in stallen
gehouden dieren, gevoeliger voor infecties zijn dan weidedieren
en dat bovendien de melk van deze laatste rijker is aan vitaminen.
Er wordt de laatste jaren met nadruk op gewezen, dat het zoo
goed zou zijn in den staltijd de melkgevende dieren i of 2 maal
per dag buiten te laten. In ons sterk wisselend klimaat is dit min-
der gewenscht en daarom zou er voor te zeggen zijn, in de stallen
gebruik te maken van een z.g. hoogtezon. Alvorens deze lampen
echter gemeengoed mogen worden is het zeer noodzakelijk, dat
van wetenschappelijke zijde onderzoekingen worden gedaan. Uit
een mondelinge mededeeling van Prof.
Büxger uit Kiel vernam
ik, dat daar met de Hanaukwartslamp in den stal proeven ge-
nomen werden. De melk van bestraalde koeien werd toegediend
aan eenige kalveren, terwijl terzelfder tijd melk van niet be-
straalde koeien aan kalveren van ± denzelfden leeftijd werd
gegeven. Van deze proefdieren werden eenige geslacht en na ver-
assching van sommige lichaamsdeelen, bleek, dat de samenstelling
van de asch der kalveren, die met melk van bestraalde koeien
waren gevoed anders was, dan van de contröledieren.

Volgens Prof. Völtz kon melk, afkomstig van bestraalde koeien,
ratten in 14 dagen tijd genezen van rachitis en ook prophylactiscli
had deze melk op ratten een zeer gunstigen invloed. Melk van
niet bestraalde koeien kon rachitis niet voorkomen. Ook bij vrou-
wen zijn proeven gedaan door
Stolte en Wiemer, om de melk-
secretie, die verdwenen was, wederom door bestraling op te wek-
ken. Het resultaat was zeer gunstig.

Over de gunstige resultaten van bestraling van het drachtige
dier wordt verschillend geoordeeld. Volgens
Schwab heeft het
bestralen der moederdieren met hun jongen, vlak na de geboorte,
de nuttigste uitwerking.

Door enkele Duitsche kinderartsen is er op gewezen, dat de
bereiding van het antirachitische vitamine technisch nu zoo uit-
stekend is, dat dit preparaat in verschillende vormen, onder den
naam Vigantol, in iedere hoeveelheid verkrijgbaar is. Het kan
als doseerbare toegift bij de melk worden gegeven en maakt be-
straling der melk onnoodig. In het kort zij hier iets over Vigantol
medegedeeld.

Niet alleen bestraalde melk heeft antirachitische werking,
ook bestraalde lijnolie, levertraan, enz. heeft dit. Het gaat hier
om de activeering van sterinen, die in ieder plantaardig en dierlijk
product voorkomen. Vigantol is het bestraalde ergosterine. Het
D.-vitamine is het vetoplossende vitamine. Afwezigheid veroor-

-ocr page 540-

zaakt storingen in de mineraal-stofwisseling. In den beginne werd
het Cholesterine aangezien als oerstof van het D.-vitamine, daar
het door bestraling een vrij sterke antirachitische kracht kreeg.

Nadere onderzoekingen toonden echter aan, dat niet het Cho-
lesterine, maar het steeds hiermee in geringe hoeveelheid ver-
bonden ergosterine geactiveerd werd. Het bestraald ergosterine
vertoont een werking, die iooo maal sterker is, dan die van het
bestraalde
Cholesterine. Ergosterine kan uit plantaardige stoffen
in voldoende mate verkregen worden. Men bestraalt het en zoo-
doende verkrijgt men vitamine D. in het preparaat, dat onder
den naam Vigantol in den handel is. Chemisch kan men de werking
van Vigantol controleeren door bepaling van den phosphor kalk -
spiegel van het bloed van den Vigantol-verbruiker ; röntgenolo-
gisch is het te controleeren door de verbeeningszönes van tijd
tot tijd na te gaan.

Een ander preparaat is G no door Schulz-Grebenstein
samengesteld uit melkvet.

Rohr constateerde dat melkvet, vrij van eiwit met ultraviolet
licht bestraald,
werkelijk gunstige invloed op de genezing van
rachitis heeft, hetgeen niet te verwonderen is, want ook
hier weer
wordt het aan Cholesterine gebonden ergosterine geactiveerd.

Ik heb in de zeer groote hoeveelheid literatuur een greep gedaan
en daardoor een kort overzicht in deze materie getracht te geven.
Zeer noodig is het, dat onbevooroordeelde en nauwgezette onder-
zoekingen worden gedaan om na te gaan of werkelijk geen scha-
delijke bijkomstige werkingen bij gebruik van geactiveerde stoffen
optreden.

LITERATUUR
Adam, A. Rachitis und Strahlenforschung.

Fortschritte Medizin No. io, 46 Jahrg. 1928.
Adam, A. Frage der Rachitisprophylaxe.

Klin. Wochenschr. 7 Jahrg. Nr. 38.
Bach, H. Rachitis-Prophylaxe durch mit Quarzlicht-Original Hanau bestrahlter

Frischmilch (System Scholl).

Molkerei Zeitung, Hildesheim Nr. 59, 22 Mai 1928.
Busse, L. Ultraviolet bestrahlte Frischmilch, ein gewaltiger Schritt zur Hebung

der Volksgesundheit.

Milchwirtschaft!. Zentralbl. Nr. 6 en 7. 1928.
Edelstein, E. Ist die antirachitische Aktivierung der Milch an die Milchsterine

gebunden?

Zeitschrift für Kinderheilk. Bd. 43 H. 6. 1927.
Falkenheim, C. Lichtwirkung und antirachitischer Schutzstoff im lebenden

.Organismus.

Abhandl. aus dem Gebiet der Kinderheilk. und ihren Grensgeb. H. 19, 1928.
Falkenheim, C. Bedeutung und Wege der Rachitisprophylaxe.

Fortschritte der Medizin 1927, Nr. 49.
Gerstenberger, Hartmann, Nourse, etc. Study in rickets.

Annual of internat. Med. Bed. I, Nr. 5, 1927.

-ocr page 541-

Gillern und Hussa, Vitraviolett bestrahlte Milch als Antirachitikum.

Wien. Med. Wochenschr. No. 50, 1927.
György und Jenke, Jahrbuch für Kinderheilk. No. 115, 1927
Hannemann, J. Ervaringen met door ultraviolet bestraalde melk bij rachitis.

Nederl. tijdschr. v. Geneesk. Bd. 72 I.
Hahn, F. V. von, Carnolactin als neues Antirachitikum.

Münch. Med. Wochenschr. Bd. 75.
Hitl, Praktische Erfahrungen über die Bestrahlung der Vollmilch.

Molkerei Zeitung, Hildesheim 1928.
Hock, K., Ueber den Wert der Bestrahlung von jugendlichen Meerschweinchen
und von Milch mit ultravioletten Strahlen.
Tierärztl. Rundschau Nr. 27, 1926.
Hottinger, A. Untersuchungen über bestrahltes Ergosterin. Beiträge zur direkten
und indirekten Lichttherapie der Rachitis beim Tier, beim Kind und am Er-
wachsenen.

Deutsche Med. Wochenschr. 1927, Nr. 37.
Kramer, B. and F. H. Boone. The effect of sunlight upon the concentration of
calcium and of inorganic phosphorus of the Serum of rachitic children.
Soc. Expt. Biol, and Med. Proc. 20 Nr. 2. 1920.
Kirsch, II. A. Bestrahlung der Milch mit ultraviolettem Licht. Milchwirtschaftl.

Zeitung 33 Jahrg. Nr. 18.
Kollatm. W. und R. Suhrmann, l\'eber die Absorption des ultravioletten Lichtes
durch Blut, Serum und Lipoide Zeitschr. f. Wissenschaft!. Bäderk. H. 9. Juni
1928.

Konge, W. Ultraviolette Strahlen in der Hundepraxis. Berl. Tierärztl Wochen-
schr. 1927. Nr. 36

Leulier, Schoen, Lait sec. irradié et rachitisme. Le Lait 8 Année. Nr. 72—73, 1928.
Lobeck, O. Die Entkeimung der Milch mittels Wärme oder ultravioletter Strahlen.

Molkerei Zeitung Hildesheim. Nr. 104, 192S.
Meysahn, W. und E., Flaschenmilch u.s.w. Verlag Schaper, Hannover 1928.
Middi.eton Perry, E. Ultraviolet radiation in veterinary practice. Royal Society
of Medicine.

Patton, J. W. Ultraviolet radiation as a therapeutic agent in veterinary medicine.

Journ. of the Americ. Veter. Med. Ass. Sept. 1926.
Powers, G. F., E, A. Frank, and N. Simmonds, The influence of light and dark-
ness upon the development of xerophthalmia in the rat. Soc. Expt. Biol, and
Med. Proc. 20. 1920.
Reyher und Walkhoff, Ueber die toxische Wirkung ultraviolettbestrahlte

Milch und andere Substanzen. Münch. Med. Wochenschr. Nr. 25. 1928.
Scheer, K. Die Behandlung der Rachitis mit in Kohlen-Säureatmosphäre be-
strahlter Milch. Münch, med. Wochenschr. Nr. 15. 1928.
Schoedel, Joh Die augenblickliche Bewertung bestrahlter Tiermilch als Pro-
phylaktikum und Therapeutikum gegen die Rachitis. Münch. Med. Wochen
sehr. Nr. 15, 1928.

Scholl, H. Der Apparaat zur Bestrahlung von Milch, ref. Chem. Zentrallblatt

Mai 1928. Bd. I Nr. 20.
Scholl, H. Die Ultraviolettbestrahlung der Milch. Neue Wege der Milchbiologie.

Süddeutsche Molkerei Zeitung, Kempten i. Allg. 49 Jahrg. Nr. 22.
Schultz, O. Vorsicht bei der Milchbestrahlung. Milchwirtschaftliche Zeitung,
Nr. 20a. 192S.

Schwab, A. Neue Wege in der Tierzucht. Münch. Tierärztl. Wochenschr. 1927.
Nr. 42—43.

Sheet, O. and C. Funk, The effect of ultraviolet rays on rats deprived of vitamin

A in their diet. Soc. Expt. Biol, and Med. Proc. 20. 1922.
Spolverini. Die Konservierung und Fluorescenz bestrahlter Nahrungsmittel.
Riv. italian, di, actinol. Jg. 2. 1927. Ref. Molkerei Zeitung.

-ocr page 542-

Stainton, F. H. Ultraviolet radiation in veterinary practice. The veterinary

record 1927. Nr. 17.
Stolte und Wiemer, Hebung der Milchmengen bei stillenden Müttern durch die

Lichtbestrahlung. Deutsche med. Wochenschr. Jhrg. 54. Nr. 7.
Supplee and Dow, The antirachitic and calcifying properties of summer and
winter produced dry milk irradiated and non irradiated. Journ. of biol. Chem.
Bd. 73. Nr. 2. 1927.

Suppléé and Dow, Vitamin A potency of irradiated milk. Journ. of biol. Chem.
Bd. 75. Nr. i.

Trendtel, Die Bedeutung der Milchbestrahlung für den Milchwirtschaftler nach
den neuesten Untersuchungsergebnissen. Molkerei Zeitung, Hildesheim. Nr. 26.
1928

Wieland, E. Die angeblich skorbutigene Wirkung bestrahlter Milch. Schweiz.

Med. Wochenschr. Jhrg. 57. Nr. 26.
Winkler, W. Streit um die Höhensonnenmilch. Milchwirtschaftliche Zeitung,
Wien Nr. 10. 1928.

Die Bestrahlung der Milch mit ultraviolettem Licht durch einen von der nieder-
österr. Molkerei zum Patent angemeldeten Apparat. Milchw. Zeitung, Wien Nr. 3.
1928.

Bestrahlung der Milch mit ultraviolettem Licht. Zeitschr. f. Fleisch und Milch-
hygiene, 1928. Heft 10.
Ultraviolet bestraalde melk. W\'eekbl. voor Zuivelbereiding en Handel.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser bespricht die Wirkung der ultravioletten Lichtstrahlen der Sonne
und der künstlichen Lichtquellen auf den Tier-Organismus, und den Effekt welche
bestrahlte Nähr- und Arzneimittel ausüben. Seiner Ansicht nach würde es von
grosser Wichtigkeit sein, durch genaue Untersuchungen zu kontrollieren ob diese
„bestrahlten Mittel" keine schädlichen Nebenwirkungen haben.

SUMMARY.

In this paper the author discusses the effect of the ultra-violet rays, emanating
from the sun or from artificial sources of light, on the organism of man and animal ;
further the effect of food and medicines exposed to the passage of ultraviolet rays.

According to the author\'s opinion it would be of the greatest importance to
learn by exact investigations whether such food and medicines may become
noxious.

RÉSUMÉ.

L\'auteur discute l\'effet des rayons ultraviolets du soleil et des foyers artificiels,
sur l\'organisme animal,
et ensuite l\'effet de substances alimentaires et de médica-
ments traités par ces rayons.

D\'après l\'auteur il serait d\'importance de vérifier, par des recherches minitueuses,
si ces substances activées ne peuvent avoir un effet nocif.

-ocr page 543-

Tracheophilus sisowi. (gedeeltelijk).
a — uterus, b = blinduitloopende darmvertakking, c. = ei. d = testes.
e = dooierklieren. ƒ = kiemstok. g = schaalklier.

Dwarscoupe van Tracheophilus sisowi.
a = darm (links) met blindritloopende vertakking (rechts.)
Dr. E. A. R. F. BAUDI5T.

-ocr page 544-

Uit de Parasitologische afdeeling van het Instituut voor Parasitaire- en
Infectieziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht.

Directeur: Prol. Dr. L. DE BLIECK.

TRACHEOPHILUS SISOWI Skrjabin 1923,

EEN MONOSTOMUM-SOORT BIJ EENDEN,

door

Dr. E. A. R. F. BAUDET.

Bij een ter onderzoek ingezonden eend, welke onder verschijn-
selen van benauwdheid gestorven was, werden in de trachea een
5-tal trematoden gevonden, waarvan een exemplaar dicht achter
den larynx lag en waardoor de ademhaling belemmerd was.

Bij nadere beschouwing bleek de parasiet te behooren tot de
Monostomen.

Op het eerste gezicht deed deze trematode denken aan het
geslacht Typhlocoelum Stossich, 1902, immers de beide darm-
takken waren aan de binnenzijde voorzien van blind uitloopende
dwarsstukken. De beide testikels, waarvan de achterste zich onge-
veer voor de boogvormige verbinding van de beide groote darm-
takken bevond, waren echter niet sterk vertakt zooals dit voor het
geslacht Typhlocoelum vereischt is, doch van gladde randen
voorzien.

Bij het nazien der litteratuur bleek dat Skrjabin in i9r3 een
dergelijke parasiet vermeld had, welke hem uit Parijs door Sisow
ter determinatie was toegezonden en afkomstig was uit de trachea
van een tamme eend.

Skrjabin had deze parsiet zelf ook reeds eenmaal gevonden bij
een wilde eend, afkomstig uit Russisch Turkestan. (Centralblatt
für Bakteriologie, Orig. 1 Abt., rgr3).

Deze trematode welke eveneens bovengenoemde verschillen met
het geslacht Typhlocoelum vertoonde, werd daarom door
Skrjabin
als een nieuwe soort aangeduid en door hem Tracheophilus sisowi
genoemd.

De door mij gevonden parasiet kwam geheel met deze overeen.

Door Nieschulz en later door Krijgsman werden destijds ook
eenige trematoden uit de luchtpijp van eenden verzameld. Bij nader
onderzoek bleek mij dat deze eveneens tot het geslacht Tracheophi-
lus behoorden.

Een beschrijving van deze trematode, zooals Skrjabin die ge-
geven heeft volgt hieronder :

Geslacht Tracheophilus : Monostomiden van middelmatige groot-
te, met een plat, aan beide uiteinden afgerond lichaam.

De mondopening bevindt zich subterminaal. Het darmkanaal
is aan de binnenzijde met enkelvoudige, niet vertakte blinde zak-
ken voorzien.

-ocr page 545-

De genitaal-opening ligt voor den pharvnx. De dooierstokken
zijn sterk ontwikkeld en bestaan uit kleine follikels, die zoowel dor-
saal als ventraal van de beide darmtakken liggen. De geslachts-
klieren liggen in het achterste derde gedeelte van het lichaam.
De testes en de kiemstok zijn niet vertakt en rondovaal van vorm.
De uterus is sterk geslingerd en neemt de geheele ruimte tusschen
de beide darmtakken in.

Omtrent de soort Tracheophilus sisowi het volgende :

Dit is een parasiet met een langwerpig ovaal lichaam van 6—7.5—
11.5 m.M. lang. In het midden is zij het breedst. Naar voren en
achteren wordt de parasiet smaller, de beide uiteinden zijn afge-
rond.

De mondopening ligt subterminaal ongeveer 0.29 m.M. van het
uiteinde verwijderd.

De pharvnx gaat in den korten oesophagus over, die zich weldra
in twee groote darmtakken splitst. Beide darmtakken liggen even-
wijdig aan den rand van het lichaam en eenigen afstand daarvan
verwijderd.

De buitenrand van den darm is geheel glad, de binnenrand is
daarentegen voorzien van blind uitloopende zakken, waarvan ver-
scheidene een zeer groot lumen hebben, vergeleken bij dat van den
darm zelf. (Zie foto).

De testes, die in het achterste deel van het lichaam liggen, zijn
ongeveer even groot. De achterste testikel ligt mediaan voor de
darmbocht ; de andere ligt meer naar voren lateraal en wordt van
de achterste testikel meestal door een gedeelte van den sterk ge-
slingerd verloopende uterus of door een blinduitloopende darmzak
gescheiden. De testes zijn nooit vertakt doch gladrandig en hebben
een doorsnede van ongeveer 340 /\'. I)e kiemstok is iets grooter dan
de testes en eveneens onvertakt. Zij ligt meestal op gelijke hoogte
met de voorste testikel. Tusschen beiden trelt men weer een ge-
deelte van den uterus. Deze laatste vult de geheele parasiet tus-
schen de darmtakken op en laat slechts weinig ruimte voor de
geslachtsklieren over. Op de plaats waar de darm zich in tweeën
vertakt buigt de uterus zich rechthoekig naar voren en kruist
daarbij den darm, verloopt nu ventraal van den pharynx en mondt
uit naast de mannelijke geslachtsopening. Bij geslachtsrijpe exem-
plaren is de uterus met eieren gevuld. Deze zijn ongeveer 122 //
lang en 63 /1 breed.

De dooierklieren zijn sterk ontwikkeld ; de hoofdstammen hier-
van liggen langs de buitenzijde van de beide darmtakken. De late-
rale follikels van de dooierklieren liggen tusschen de darmtakken en
den buitenrand van het lichaam, de binnenste follikels komen tot
aan de binnenste grenzen der blind uitloopende darmzakken.

-ocr page 546-

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser gibt eine Beschreibung von Tracheophilus sisowi (Skrjabin 1913)
wovon
5 Exemplare in der Trachea einer Ente angetroffen wurden.

Das Tier war unter Atemnoterscheinungen verendet.

SUMMARY.

The author gives a description of Tracheophilus sisowi (Skrjabin, 1913) 5 spe-
cimens of which were encountered in the trachea of a tame duck.

The animal had died showing symptoms of distress.

RÉSUMÉ.

L\'auteur donne une description de Tracheophilus sisowi (Skrjabin, 1913) dont
il a trouvé cinq exemplaires dans la trachée d\'un canard domestique. L\'animal
avait succombé avec des symptômes d\'oppression.

INGEZONDEN.

Heeren Dierenartsen.

In dit artikel willen wij Uwe hulp inroepen om een einde te maken aan het
meer en meer veld winnen van het nihilisme onder diergeneeskundige studenten.
Ieder jaar sluiten zich slechts zeer weinigen van hen aan bij de bestaande stu-
denten-vereenigingen met het gevolg dat de diergeneeskundige studenten slechts
zeer weinig contact hebben met studenten van andere faculteiten.

Nu is het zeer moeilijk lid van een vereeniging te worden als men reedseenigen
tijd in Utrecht studeert Men moet gezamenlijk een groentijd doorloopen hebben
om later een plaats in zijn vereeniging in te nemen. Hiertoe is het dus noodig
dat men, zoodra men als eerstejaars in Utrecht aankomt zich als lid van een ver-
eeniging opgeeft en dat men dus reeds te voren — dat wil zeggen als afgestudeerd
H.B.S.\'er, Gymnasiast of Lyceïst op de noodzakelijkheid van zich aan te slui-
ten gewezen wordt. En juist voor dit laatste, doen wij een beroep op U !

Waarschijnlijk zullen velen - alvorens zich als diergeneeskundig student te
laten inschrijven u een bezoek brengen 0111 te informeeren naar eluur en kosten
van de studie enz. Misschien ook zullen zij u vragen stellen omtrent het studenten-
leven, waarschijnlijk niet. Telkenmale als
11 nu zoo n aanstaand student wijst
op de plicht die hij heeft zich bij een vereeniging aan te sluiten en in zijn vereeni-
ging op te komen voor de belangen van de studenten der zesele faculteit, zult
u het diergeneeskundig studentendom een grooten dienst bewijzen.

Misschien wilt u hun dan wel vertellen, hoe wij door de fusie met de Universiteit
en door de opheffing van Absyrtus in een nieuwe phase van ontwikkeling onzer
wetenschap en van ons student-zijn zijn gekomen. En hoe het nu meer dan ooit
onze plicht is in de maatschappij een plaats in te nemen temidden van alle intellec-
tueelen en in voortdurend contact met hen .

U zult hun dan zeggen hoe men als student dit ce»ntact moet zoeken en hoe
men zich hierdoor -— evenzeer als door de studie - moet opwerken in een vijf
a zesjarigen studietijd tot iemand die gelijkwaardig is aan elk ander die acade-
misch afgestudeerd is.

Vroeger bereikte men deze hoogte in zijn eigen gezelligheidsvereeniging door
lid van Absyrtus te zijn.

Bij de opheffing van Absyrtus ging verreweg het grootste deel van hen die
zich wilden organiseeren over naar het Utrechtsch Studenten Corps en werd daar-
door uiting gegeven aan de genegenheid die reeds te voren tusschen Absyrtus

-ocr page 547-

en Corps bestond. Helaas zijn van de 160 studieleden onzer faculteit nog slechts
zeer weinig lid van het
U. S. C.

Ongetwijfeld was het voor hen die reeds jaren gewend waren aan de gewoonten
en geneugten van een eigen gezelligheidsvereeniging moeilijk zich in een nieuwe
gemeenschap in te werken en thuis te voelen en van hen kon dan ook niet het
enthusiasme verwacht worden dat alle leden van het U. S. C. die vanaf hun eerste
jaar lid waren, voor hun Corps kenmerkt.

Van aanmoediging van hun kant is dan ook in zeer geringe mate sprake en niet
zonder angst ziet het Faculteitsbestuur het aantal Corpsleden onder aankomende
diergeneeskundige studenten telkenjare minder worden. Wij doen een beroep op
U mede te helpen dezen ook door onze professoren als zeer ongewenscht geken-
schetsten toestand te doen verdwijnen. Wij zullen
U een boekje toezenden met
inlicht ngen over het Utrechtsch Studenten-Corps, waaruit U o.a. ook blijken zal
dat de financieele bezwaren bij lange na niet zoo groot zijn als veelal wordt voor-
gesteld. Ongetwijfeld zal dit boekje als leiddraad uwe voorlichting vergemakke-
lijken, terwijl wij overtuigd zijn dat voornamelijk uwe hulp het zoo door ons ge-
vreesde nihilisme zal tegengaan.

Het is vooral ook in het belang van de diergeneeskundige stand dat er reeds
in de studententijd door saamhoorigheid een hechte grondslag gelegd wordt voor
de zeer noodzakelijke collegialiteit in het latere maatschappelijke leven.

Dringt er dus bij a. s. .studenten op aan dat zij bijtijds inlichtingen inwinnen
over een eventueel lidmaatschap bij de besturen der Studentenvereenigingen en
zich na rijp overleg bij één daarvan aansluiten.

De adressen der vereenigingen kunt u vinden in het Diergeneeskundig Jaar-
boekje (pag.
129).

Volgend jaar rekenen wij erop dat door een algemeene aansluiting van de eerste-
jaars het nihilisme onder de diergeneeskundige studenten tot een minimum ge-
reduceerd zal worden.

Namens het Béstuur vaji de Diergeneeskundige
Faculteit van het Utrechtsch Studenten Corps,
L. Harmsen, Abactis.

Utrecht. Maart 1929.

Verklaring van het goedaardig verloop van het mond- en klauwzeer.

Naar aanleiding van Winkel\'s repliek in het nummer van 15 Maart een kort
wederwoord.

W. begrijpt niet. hoe ik aan mijn oordeel kom, dat met korter wordende rust-
periode tusschen verschillende epizoötiën niet altijd toenemende goedaardigheid
in het karakter der ziekte gepaard gaat.

Wel, ik meen de verklaring in mijn vorig stukje behoorlijk duidelijk te hebben
gegeven.

1907 goedaardig na lange rust. (17000 gevallen).

1907—1911 geen epizoötiën.

1911 kwaadaardig (70000 gevallen).

1911 -1914 geen epizoötiën.

1914—1918. Wereldoorlog. Met toepassing van het afmaakstelsel.

1914—1916. Wij weten niet welke soort epizoötie zich, zonder toepassing van
dit stelsel, zou hebben ontwikkeld en moeten dus deze jaren buiten beschouwing
laten.

1918—1929. Van 1918—1929 hebben wij zoo ongeveer steeds de ziekte gehad.
De goedaardige jaren wisselen met minder gunstige af. Echter kwaadaardig, als in
1911, is het verloop in geen enkel jaar geweest. Wel was er verschil.

1918. Eerste optreden der ziekte in de tweede jaarhelft, (goedaardig) 3500 gevallen

1919. Ernstig ziektejaar, met veel naziekten en vaak ernstig verloop. (31000
gevallen).

1920. Ernstig, met veel sterfgevallen. (52000 gevallen).

-ocr page 548-

1921—1922. Sporadische gevallen.

1923. C>unstig. (9000 gevallen).

1924. Ernstig. (89000 gevallen) met over het geheel mild verloop.

1925. Vrij gunstig. (31000 gevallen), mild verloop.

1926. Vrij ernstig. (62000 gevallen). Grillig verloop, soms mild, soms kwaad-
aardig.

1927. Sporadische gevallen.

1928. Vrij gunstig. (20000 gevallen). Mild verloop.

Het komt mij voor dat uit deze gegevens zeker niet het bewijs is te putten,
dat met korter wordende rustperioden tusschen epizoötiën de ziekte (steeds)
goedaardiger wordt, en daar ging het om.

Natuurlijk beweer ik niet,\'dat als in een zeker jaar veel mond- en klauwzeer
voorkomt, en in het volgende of daaraanvolgende of wellicht het derde opnieuw,
dieren, welke in het eerste jaar doorziekten, bij de tweede gelegenheid niet dikwijls
vrijblijven of heel licht ziek worden. Dat weten wij uiteraard al lang en goed en
de door W. aangehaalde mededeelingen van Dr.
Ubbels uit Leiden en mij beves-
tigen dat, zonder meer.

De waarde dezer vermelding, volgende op de erkenning van de onjuistheid zijner
aanvankelijke bewering, dat de ziekte in
1919 en 1920 weinig dieren onaangetast
liet, ontgaat mij geheel. Deze
onjuiste bewering toch gold als belangrijk gegeven
voor het heele betoog en verliest door de onjuistheid haar waarde.

In het tweede stukje is het met de statistiek niet in orde.

Het mond- en klauwzecrjaar 1907, door mij als goedaardig gesignaleerd, telde
tusschen
17000 en 18000 besmette veebeslagen. Winkel twijfelt blijkbaar aan
de goedaardigheid en telt er
270.000. Dat wordt toch wel wat heel erg. Op zoo n
wijze raken wij de kluts kwijt.

Persoonlijk ken ik het mond- en klauwzeerjaar 1907 goed. Aan de goedaardig-
heid in dat jaar is geen twijfel, al waren er vroeg in het jaar hier en daar wel ern-
stige gevallen.

W. haalt verder uit de dissertatie Miller o. a. aan :

Die Virulenz steigt rasch :

1. Bei Passage durch hochempfängliche Tiere.

2. Durch Möglichkeit rascher Uebertragung von Tier zu Tier, besonders unter
Umgehung der Blutbahn (örtliche Infektion im Pansen, Einreiben des
Virus im Flotzmaul oder Rüssel).

3. Durch Passagemöglichkeit bei jugendlichen Tieren.

4. Durch Wechselpassage durch empfängliche Tierarten.

5. Durch hohe Aussentemperatur. u.s.w.

Welnu al deze 5 invloeden kunnen dagelijks tijdens het heerschen van mond-
en klauwzeer al of niet werken, en zou W. ook niet meenen, dat zij het wel zeer
grillige verloop van mond- en klauwzeerepizoötiën. zooals wij dat in Nederland
kennen, beter verklaren dan zijn eigen theorie?

Dr. A. A. Overbeek.

Bredel, April 1929.

lvi 36

-ocr page 549-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

PRIJSVRAAG VAN ESVELDFONDS.

Gevraagd wordt : Een zoo volledig mogelijke studie omtrent
de paratuberculose ; voorkomen, onderkennen van de ziekte, de
bestrijdigingsmaatregelen enz.

Toelichting. De paratuberculose neemt in de laatste jaren sterk
toe, een uitvoerig onderzoek omtrent haar wezen en hare bestrij-
ding is hoogst gewenscht.

De antwoorden moeten vergezeld zijn van praeparaten en van
microphoto\'s of afbeeldingen naar praeparaten. Zij moeten zijn
getypt en voorzien van een motto, hetwelk, eveneens getypt,
moet voorkomen op een verzegelde enveloppe, waarin den naam
van den auteur besloten is. Zij moeten vóór i September
1930
bij den Secretaris der Maatschappij zijn ingediend.

Ingevolge art. 3 sub b van het Reglement van het van Esveld-
fonds kunnen gediplomeerden en candidaten in geneeskundige
en biologische wetenschappen aan de beantwoording deelnemen.

Het beste antwoord, hetwelk voor een bekroning in aanmerking
komt, zal beloond worden
met de gouden van Esveldmedaillc, be-
nevens een bedrag in geld, groot
Drie Honderd Gulden. Het wordt
binnen den tijd van een jaar na de bekroning, gepubliceerd in
het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Het Hoofdbestuur :
Dhont, Voorzitter.
H.
A. Vermeulen, Secr.

Correspondentie.

\'s Gravenhage

Utrechf 20 APnl I929\'

No. 17. Aan de Redactie van het Algemeen Nederl.

Landbouwblad,

\'s Gravenhage.

Het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde verzoekt Uwe Re-
dactie beleefd plaatsing van bijgaande schrijven in Uw blad.

Hoogachtend,

Het Hoofdbestuur :
Dhont, Voorzitter.
H.
a. Vermeulen, Secretaris.

Aan den Wtledelgestrengen Heer Ir. T. P.
Huisman, Secretaris van de H.M. v. L., Noord-
einde
107. \'s Gravenhage.

Het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde heeft met verwon-
dering kennis genomen van Uw artikel in het Algemeen Ned. Landbouwblad van
4 April j.1., waarin een mededeeling voorkomt uit een der Afdeelingen der H. M. v.
L., betreffende pogingen, welke de Vereeniging van veeartsen in het werk zou
stellen, om den invoer van Duitsche sera en entstoffen tot zich te trekken en de

-ocr page 550-

Duitsche fabrieken over te halen geen druppel serum meer naar Nederland te
leveren aan niet vee-artsen.

Aangezien de Maatschappij voor Diergeneeskunde nooit, voor welk doel ook,
met eenig Duitsch handelslichaam in relatie is geweest, en het haar niet bekend
is, dat zulks met andere Vereenigingen van dierenartsen wel het geval is, zal het
Hoofdbestuur voornoemd het op prijs stellen van U te mogen vernemen uit welke
bron U Uwe onjuiste gegevens hebt geput.

Hoogachtend.

Dr. J. J. F. Dhont, Voorzitter.

Dr. H. A. Vermeulen, Secretaris.

Overzicht van het verhandelde in de Vergadering van het Hoofdbestuur van 13 April
1929.

De Voorzitter betuigde zijn liartelijken dank voor de vele blijken van sympathie,
door hem ondervonden, bij gelegenheid van zijn 75sten verjaardag en richtte
daarna woorden van welkom tot den nieuwen afgevaardigde van de Afd. Noord-
Brabant, den Heer
Joan Kirch.

Medegedeeld is, dat de Statuten van de de JoNG-stichting zijn vastgesteld,
waarin als doel der stichting is omschreven „Bevordering van de studie der Ver-
gelijkende Ziektekunde, waaronder wordt verstaan, de leer der bij mensch en dier
gemeenschappelijk voorkomende ziekteprocessen".

Voor een te vormen eere-comité zullen o.a. uitgenoodigd worden : de Ministers
van B. Z. en Landbouw, Onderwijs, Arbeid, Handel en Nijverheid en van Kolo-
niën, de Commissaris der Koningin van de Provincie Utrecht, de President-Cura-
tor der Rijks Universiteit te Utrecht, Jhr.
de Gijselaar, oud-burgemeester van
Leiden en de burgemeester van Utrecht.

Als beheerders zullen aangewezen worden : een lid van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde, een lid van de Ned. Maatschappij tot bevordering der Genees-
kunst, een vertegenwoordiger van de medische faculteit te Utrecht, een van de
Veeartsenijkundige Faculteit en een lid, aan te wijzen door het H.B. der Maat-
schappij voor Diergeneeskunde. Als
ze Secretaris-penningmeester van het Werk-
Comité is toegevoegd de Heer W.
van der Burg.

Aan Prof. C. F. van Oijen is verzocht een studiereis te ondernemen in N.-
Duitschland, ten einde een onderzoek in te stellen naar het onderwijs in visch-
ziekten aldaar en naar de keuring van viseh, zoowel in als buiten de centra.

Op verzoek van en in overleg met de Veeartsenijkundige Faculteit is besloten,
voortaan geen 5e-jaarsstudenten meer uit te zenden voor plaatsvervanging. In
de laatste jaren heeft de Maatschappij zich sterk geweerd tegen het verrichten
van diergeneeskundige handelingen door onbevoegden (enten, bloedtappen voor
pullorum-onderzoek etc.). De uitvoering van de vleeschkeuringswet door onbe-
voegden is verboden ; worden de conclusies, neergelegd in het pas verschenen
serum-rapport, aangenomen, dan zullen entingen uitsluitend aan dierenartsen
geoorloofd zijn. Onder deze omstandigheden acht het H.B. het een plicht met een
oude gewoonte te breken. Het spreekt vanzelf, dat, aanvankelijk althans, deze
regeling veel moeilijkheden brengen zal, want het aantal afgestudeerden is, in de
zomermaanden, nooit toereikend om aan alle aanvragen te voldoen. Vanzelf echter
worden dan de practici meer van elkander afhankelijk en zal wellicht daardoor
de zoo noodige collegialiteit in die mate zich ontwikkelen, dat bij ziekte of afwezig-
heid grenscollega\'s bereid gevonden worden de verlangde diensten te bewijzen.

Het verzoek van de H.H. Dr. Fros en Dr. Sperna Weiland, Keuringsveeartsen
te Leiden, gericht tot het gemeentebestuur, om gelijkstelling in salarieering met
de ingenieurs iste kl. en den 2en geneesheer aldaar, werd door het H.B. gesteund.

In het Algemeen Ned. Landbouwblad van 4 April is een artikel verschenen van
Ir.
Huisman, waarin deze een mededeeling van een van de afdeelingen der Holl.
Maatschappij van Landbouw opneemt, welke kant nog wal raakt. Wij lezen daar,
dat de vereeniging van veeartsen pogingen in het werk stelt, om den invoer van
Duitsche sera en entstoffen tot zich te trekken en de Duitsche fabrieken over te

-ocr page 551-

halen geen druppel serum meer naar Nederland te zenden aan niet-veeartsen.

Aan de redactie van genoemd blad is opname verzocht van een schrijven van
het
H.B. waarin gevraagd wordt uit welke bron Ir. Huisman zijn onjuiste gegevens
heelt geput.

Nadat de Directie van de Zwolsche Paarden- en Veeverzekeringmaatschappij
tot tweemaal toe beloofd had een antwoord te zenden op de klacht van het H.B.,
betreffende het behandelen van bij die Maatschappij verzekerde paarden door
onbevoegden en deze beloften niet waren nagekomen, besloot het H.B. genoemde
Directie een termijn van 14 dagen te stellen, binnen welke deze zaak, naar ge-
noegen van het H.B., dient te worden geregeld.

Toen het H.B. vernam, dat voor den dierenarts het dubbele tarief voor telefo-
nische doorverbinding, als hetwelk voor den medicus geldt, in rekening wordt ge-
bracht, is door het H.B. het verzoek gericht tot den Directeur-Generaal der Poste-
rijen, Telegrafie en Telefonie om gelijkstelling van den dierenarts met den me-
dicus, waar het betreft reductie van genoemd tarief, op grond van algemeen en
landbouwbelang.

Aan het H.B. der Ned. Indische Vereeniging voor Diergeneeskunde is bericht,
dat het H.B., desgewenscht, zeer gaarne bereid is hulp te verleenen voor het wel-
slagen van deelneming aan de Koloniale Tentoonstelling, welke in 1931 te Parijs
zal worden gehouden.

Door een tweetal doctorandi in de Veeartsenijkunde is advies gevraagd voor
mogelijke emigratie naar Amerika, nadat de studie is voltooid. De door het H.B.
ingewonnen informaties hadden geen practisch resultaat. Den studenten is in
overweging gegeven zich te wenden tot den Consul-Generaal te Rotterdam, tot
ons gezantschap te Washington en voor particuliere informaties tot Prof. Dr. L.
van Es, University Farm, Lincoln, Nebraska, U. S. America.

Een verzoek van Dr. te Hennepe, om een commissie te benoemen ter bestu-
deering van verschillende vraagstukken betreffende diermeel, is niet ingewilligd.

Aan den Directeur der R. S. I. te Rotterdam is verzocht een code-stelsel, ten
dienste van telegrafische bestellingen, in te willen voeren.

Als prijsvraag van het van EsvELD-fonds zal worden uitgeschreven : „Een zoo
volledig mogelijke studie omtrent de paratuberculose ; voorkomen, onderkennen
van de ziekte, de bestrijdigingsmaatregelen etc.

Aangezien de kosten niet gedekt worden, is de prijs van de veeverzekeringsfor-
mulieren verhoogd tot /0.25 per pakje van 10 stuks.

Tot lid van de abortus-commissie, hetwelk de Maatschappij in deze Commissie
zal vertegenwoordigen, is aangewezen de Heer
Joan Kirch.

De Secretaris,
H. A. Vermeulen.

Jaarverslag van de afdeeling Gelderland-Overijssel over 1928.

Het was een aangename taak het jaarverslag over 1928 te mogen samenstellen,
daar dit jaar zich kenmerkte door een bevredigend vergaderingsbezoek en een
vrij algemeene deelneming aan het vereenigingsleven.

Het ledenaantal breidde zich wederom uit. Bedroeg het op 1 Januari 92, op
31 December 1928 bleek het gestegen te zijn tot 94. 6 nieuwe leden zijn dit jaar
toegetreden, terwijl 4 de afdeeling verlieten, wegens vertrek naar elders.

Onder deze laatsten was ook collega E. J.\'Dommerhold, door wiens vertrek
de afdeeling een ernstig verlies leed. Veel is door hem gedurende zijn lidmaatschap
voor de afdeeling gedaan. In 1905 lid geworden, zien wij hem in 1910 als Penning-
meester in 1915 als Voorzitter, in 1921 als Secretaris en in 1927 weer als Voorzitter.
Verder was hij lid van de iste tarievencommissie, dikwijls plaatsvervangend afge-
vaardigde naar de algemeene vergadering, terwijl een groot aantal van zijn duide-
lijke en actueele voordrachten voor de afdeeling werden gehouden. Denken wij
hierbij aan zijn meegaande, bescheiden en hulpvaardige persoonlijkheid, dan is
het duidelijk, dat wij onzen Voorzitter noode zagen vertrekken. Wij willen hem

-ocr page 552-

hier nogmaals danken voor hetgeen hij voor de afdeeling gedaan heeft en den wensch
uitspreken, dat het hem in zijn nieuwe werkkring goed ga en, dat hij steeds met
genoegen zal terugdenken aan den tijd, dien hij in de afdeeling Gelderland—Over-
ijssel doorbracht.

Ook in den heer Van Rijn, die door zijn benoeming in Semarang, de afdeeling
heeft verlaten verliezen wij een actief lid en geregeld bezoeker der vergaderingen.
Onze beste wenschen vergezellen hem op zijn verre reis.

Het bestuur onderging ecnige verandering. Inplaats van den heer Dommerhold
werd tot Voorzitter benoemd de heer P. de Jong, terwijl in diens plaats tot onder-
voorzitter de heer
H. J. Odé werd aangewezen. Collega Van Heusden werd her-
benoemd als vertegenwoordiger van de afdeeling in het
H.B., terwijl ook de secre-
taris weer gedurende vier jaar zijn werkzaamheden hoopt voort te zetten, zoodat
het Bestuur thans is samengesteld als volgt : P.
de Jong, Voorzitter ; H. J. Odé,
Ondervoorzitter ; H A. Pingemans, Penningmeester ; H. van den Berg, Secre-
taris en A.
van Heusden, Afgevaardigde in het Hoofdbestuur.

Vergaderingen werden er dit jaar weer 4 gehouden, waarvan 3 te Arnhem en

1 te Deventer. In de laatst gehouden vergadering werd besloten zooveel mogelijk

2 maal te Arnhem en 2 maal te Deventer te vergaderen. Dit laatste teneinde de
in het Noorden en Oosten wonende leden van Overijssel te gerieven. Ook dus ten
behoeve van Twente, vanwaar nog steeds stemmen komen om oprichting van
een afdeeling Overijssel, is deze regeling ingesteld. Laat men daar toch bedenken,
dat een afdeeling Overijssel niet gemakkelijk bestaanbaar is, maar licht uiteen
valt in 2 deelen t.w. Twente en rest van Overijsel tusschen welke steeds een slechte
verbinding bestaat.

Het vergaderingbezoek was over het geheel goed behoudens het bezoek aan
de vergadering, waarbij na afloop een diner met de dames der leden zou worden
gehouden. Hoe goed geslaagd ook de middag en het diner waren, de vergadering
zelf was slecht bezocht ; voor de tweede keer is gebleken, dat deze combinatie
voor de afdeeling geen gelukkige is.

Voordrachten werden gehouden door den heer S. Stuurman, Directeur van het
Melkcontrólestation te Utrecht, die een zeer gewaardeerde lezing hield over : De
Dierenarts en de Melkhygicne, die dusdanig insloeg, dat verzocht werd aan spre-
ker er meer publiciteit aan te geven. Tot heden hebben wij daar niets van bemerkt;
wij hopen, dat collega
Stuurman tijd zal vinden om zijn zeer gezonde denkbeelden
over dit onderwerp in ruimer kring bekend te maken.

Collega v d. Kaay hield een voordracht over : Nieuwe verloskundige instru-
menten en hun toepassing, welke van enkele op een kalf werd gedemonstreerd,
bij welke demonstratie de allernieuwste instrumenten geen erg schitterenden in-
druk maakten.

Prof. Sjollema hield een bespreking over melkziekte en aanverwante syndro-
men, ten einde in dezen te komen tot een samenwerking tusschen hem en de prac-
tici, dus tusschen laboratorium en practijk. Wij hopen van harte, dat deze tot
stand zal komen en mooie resultaten moge hebben.

Ter gelegenheid van een der vergaderingen werd een bezoek gebracht, onder
leiding van collega
Lenshoek, aan de I(ndische) T(entoonstelling) A(rnhem),
waarbij helaas geconstateerd moest worden de absolute afwezigheid van eenige
aanwijzing van het vele nuttige werk door de dierenartsen in Indië verricht. Naar
aanleiding hiervan werd het H.B. verzocht de betrokken organisaties op deze
leemte in deze interessante tentoonstelling te wijzen en te trachten maatregelen
te treffen, dat in den toekomst meer aandacht zal worden geschonken aan het
werk van onze Indische collega\'s.

Een cursus in pluimveeziekten, die in 1929 zal gegeven worden, werd in samen-
werking met het H.B. georganiseerd en schijnt een succes te worden.

Belangrijke vraagstukken, zoowel wetenschappelijke, als maatschappelijke
werden op de vergaderingen naar voren gebracht en besproken en dikwijls tot een
oede oplossing gebracht.

-ocr page 553-

Naast al deze lichtpunten werpt een quaestie een donkere schaduw over 1928 ;
de afdeeling heeft het voor haar leden vastgestelde minimum tarief voor dierge-
neeskundige praktijk niet kunnen handhaven. Na lang sukkelen en niettegen-
staande vele pogingen het nog eenig nieuw leven in te blazen, is het ten slotte
te gronde gegaan.

Gezien het belang van deze zaak en de pogingen, die, vooral in verband met
de tuberculose-bestrijding, in andere afdeelingen in het werk worden gesteld om
eenheid te krijgen in de prijsberekening, heeft het misschien zijn nut de geschiedenis
van het tarief van onze afdeeling eens na te gaan.

In 1906 werd door het toenmalige lid, den heer H. M. Kroon, gewezen op de
wenschelijkheid van het hebben van een uniform tarief, vooral met het oog op
de entingen tegen vlekziekte. Een commissie werd samengesteld om dit vraagstuk
te bestudeeren, welke in 1907 rapport uitbracht en aanraadde als leidraad over
te nemen een tarief, als was vastgesteld door de afdeeling Groningen—Drente.
Hiermede was dit onderwerp van de baan en bleef rusten tot 1914, toen de ge-
wijzigde omstandigheden een algeheele herziening noodig maakten. Een com-
missie werd benoemd, bestaande uit de heeren
Heimans, Van Heusden en Dom-
merhold,
die in 1915 met een tarief kwam, dat vrijwel onveranderd werd aange-
nomen. Als nieuwigheid was hierbij, dat het tarief werd bindend verklaard; de
leden verbonden zich door onderteekening tot het berekenen van de verschillende
werkzaamheden minstens volgens het aangenomen tarief, terwijl een boete werd
gesteld op eventueel niet nakomen. Ontheffing werd verleend, indien een onder-
teekenaar in concurrentie moest treden met een niet onderteekenaar. Op deze
twee nuttige en noodige bepalingen is ten slotte de zaak gestrand.

Dit tarief heeft aanvankelijk goed gewerkt : een flink aantal leden volgde het,
waardoor er eenheid kwam in de prijsberekening. Toen echter de tijden achteruit
gingen en het aantal practici toenam begonnen er moeilijkheden te komen. Ten
einde hieraan tegemoet te komen en eenige noodig gebleken wijzigingen aan te
brengen werd in 1924 door de toen bestaande tarievencommissie een gewijzigd
tarief aan de vergadering ter beoordeeling aangeboden, dat vrijwel onveranderd
met algemeene stemmen werd aangenomen. Maar nu deed zich het eigenaardige
verschijnsel voor, dat veel minder leden bereid waren zich te verbinden dit tarief
te volgen, waardoor het wel een leiddraad bleef, maar de algemeene waarde al
aanzienlijk verminderde. De ineenzinking kwam toen de enting tegen diphterie bij
kippen meer algemeen werd. In overleg met de groote pluimveeorganisatie in
Overijssel en Gelderland was het tarief bepaald op 10 cent per kip. Al spoedig
werd hiervan afgeweken en kon in een der pluimveebladen op een vraag naar de
kosten van de diphterieenting geantwoord worden, dat deze bedroegen 10 cent
per kip, maar, dat gebleken was, dat met de meeste dierenartsen wel viel te mar-
chandeeren. Steeds meer en ernstiger werden de klachten. Bij onderzoek beriep
men zich op de bepaling, dat men in gevallen van concurrentie met niet-onder-
teekenaars mocht afwijken. De toestand ontstond, dat men op groote afstand
van zijn woonplaats voor minder entte dan men in de woonplaats, waar geen con-
currentie was, voor zijn vaste klanten mocht rekenen.

In de Decembervergadering van 1927 stelde de tarievencommissie dan ook de
vraag of men het tarief nog wenschte en zoo ja, welke de bezwaren waren. Toen
hierop geen antwoord kwam werd besloten schriftelijk een enquête in te stellen.
Hiervoor werden ongeveer 70 vragenlijsten uitgezonden, waarvan er 28 werden
terugontvangen. Enkele leden verklaarden zich voor een tarief, de meesten waren
er voor, als ook de buurtcollega\'s het volgden of als de afdeeling de leden kon dwingen
het tarief te volgen. En hier ligt het zwaartepunt van het heele vraagstuk : het
tarief was over het algemeen wel goed, maar het was niet te handhaven.

Voor allen, die meenen een tarief te moeten opstellen, hetzij in verband met de
werkzaamheden bij de tuberculosebestrijding, hetzij anderszins geven wij hier
de ondervinding door ons opgedaan ; het opstellen van een tarief alleen is niet
voldoende, de middelen het te kunnen handhaven moeten erbij worden aange-

-ocr page 554-

geven. Vooral bij de tuberculosebestrijding en de werkzaamheden in verband met
de melkhygiëne bestaan in deze groote gevaren. Het in handen hebben van deze
werkzaamheden brengt mede de kans op een groot deel van de praktijk. Het ge-
vaar is niet denkbeeldig, dat gewerkt zal worden voor alle prijzen, hetgeen niet
in het belang kan zijn van een goede uitoefening van de op zich genomen taak en
van den goeden naam van onzen stand.

Het zal hun dan gaan als ons : na het weinig bemoedigend resultaat verklaarde
de tarievencommissie het tarief niet te kunnen handhaven, adviseerde het als
bindend tarief op te heffen en het als leiddraad te behouden en als zoodanig aan
alle nieuwe leden te zenden.

Wij willen hopen, dat de reglementswijziging onzer Maatschappij aanleiding
moge zijn, dat middelen worden gevonden om dit ernstige en moeilijke vraagstuk
op te lossen. H. v.
d. Berg, Secretaris.

Van de Alg. Afdeeling zijn lid geworden : G. S. E. Vegter te den Haag, W.
Graafsma
te Kimswerd.

Bedankt voor het lidmaatschap: J. Laaij te Dordrecht.

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Het antwoord van den Minister op de vragen van den Heer ter Laan.

Op de vragen van den Heer K. ter Laan betreffende wijziging van de Vleesch-
keuringswet, opdat alsnog binnen redelijken tijd aan de bij het
K. B. van 10 Juli
1926 bepaalde voorschriften tot uitvoering van art. 19 der Vleeschkeuringswet
1919 zal zijn voldaan, antwoordde de Minister van Arbeid, H. en N. : „Daar het
uitstel van betrekkelijk korten duur zal zijn, ziet de Minister daarin geen onbillijk-
heid tegenover hen, die reeds aan de wettelijke eischen voldoen en acht hij geen ter-
men aanwezig om bijzondere wettelijke maatregelen te bevorderen, waardoor de
inrichtingen, bedoeld in art 19 van de Vleeschkeuringswet, die nog niet in over-
eenstemming met de wettelijke eischen zijn gebracht, vóór 24 Sept. 1931 aan de
voorschriften van het
K. B. van 10 Juli 1926 zullen moeten voldoen.

Het uitstel, dat uit het arrest van den Hoogen Raad voortvloeit, behoeft even-
min als de aanvankelijke overgangstermijn een belemmering te zijn voor het bou-
wen van gemeentelijke slachthuizen".

De verplaatsing van de nevenbedrijven van het openbaar slachthuis te Rotterdam.

Op 17 Febr. 1927 besloot de Raad van Rotterdam tot verplaatsing van de hin-
derlijke nevenbedrijven van het openbaar slachthuis naar van het rijk in erfpacht
te verkrijgen perceelen grond aan den Nieuwen Waterweg te Hoek van Holland
en van de niet-hinderlijke nevenbedrijven naar een nader aan te wijzen terrein
in het havengebied.

Nu inmiddels van het rijk de mededeeling is ontvangen, dat bedoelde gronden
te Hoek van Holland niet in erfpacht zullen worden uitgegeven, terwijl er ook
ernstige bezwaren werden aangevoerd tegen de vestiging van de niet-hinderlijke
nevenbedrijven op een terrein aan de Waalhaven, aangezien hierdoor de inter-
nationaal goede naam van de haven zou kunnen worden benadeeld, doen B. en
W. van Rotterdam thans het voorstel, nadat zij de kwestie nog eens aan een nadere
studie hebben onderworpen, zoowel de hinderlijke- als de niet-hinderlijke neven-
bedrijven te verplaatsen naar een terrein aan de Oude Maas, gelegen ten westen
van de petroleumterreinen aan de Vondelingenplaat, alwaar, zonder veel extra
kosten een goede weg- en spooraansluiting te verkrijgen is.

de Graaf.

-ocr page 555-

Verslag van den veeartsenijkundigen dienst in Nederlandseh-Indië, over het jaar
1927.

Bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 30 December 1926 No. 3 (Stbl.
No. 569) werd een deel van de overheidsbemoeienis nl. de plaatselijke bevordering
van de veeteelt en de zorg voor de vétérinaire hygiëne overgebracht op de pro-
vincie West-Java. Het personeel bestond uit :

i hoofd van den dienst, 5 inspecteurs, waarvan 1 titulair, 46 gouvernements-
veeartsen, waarvan 22 -— rste klasse), 41 adjunct gouvernementsveeartsen, waar-
van 11 — iste klasse), 6 opzichters, 200 mantrii\'s, waarvan 6 hoofdmantri\'s en
103 — iste klasse, 41 schrijvers, waarvan 5 — iste klasse.

Ten einde het bestuur van bovengenoemde provincie in de gelegenheid te
stellen de haar overgedragen taak uit te voeren, werd bij besluit van den Direc-
teur van Landbouw, Nijverheid en Handel van 8 Januari 1927 No. 190/D van het
personeel van den veeartsenijkundigen dienst een gedeelte ter beschikking gesteld
nl. : i inspecteur, 6 gouvernementsveeartsen, waarvan 5 - rste klasse, 1 op-
zichter, 27 mantri\'s (2\'hoofdmantri\'s, 13 mantri\'s iste klasse, 12 mantri\'s) en 6
schrijvers.

Bij besluit van den Gouverneur der provincie West-Java van 21 April 1927
No. p.m. 6/1/2 werd eene instructie voor het personeel van dien provincialen
veeartsenijkundigen dienst vastgesteld.

Besmettelijke veeziekten.

Pestis bovina bij herkauwende dieren en varkens kwam niet voor in verslagjaar.

Anthrax bij alle vee.

Zoowel op Java als eenige eilanden der buitenbezittingen werd deze ziekte
geconstateerd. De bestrijding bestond overal in het toepassen van serum en vac-
cininspuitingen, gesteund door politiemaatregelen.

Septichaemia epizoötica (pluriformis) bij herkauwers en varkens

Deze ziekte eischte evenals verleden jaar in enkele ambtskringen vrij veel
slachtoffers, vooral jonge dieren bezweken er velen zoowel onder buffels, runderen
als varkens. In de meeste gevallen kon door toepassing van politiemaatregelen,
seruminspuitingen en vaccinaties de verbreiding der ziekte worden tegengegaan.

Aphthae epizoöticae bij herkauwers en varkens.

Op Java kwam deze ziekte in alle ressorten voor, op de buitenbezittingen meer
verspreid. Madoera had er ook nog al van te lijden, veel aangetaste dieren gingen
sterk in conditie achteruit, waardoor de opfok voor de slacht nadeelig werd be-
invloed.

.Malleus bij eenhoevige dieren.

Nog steeds maakt deze ziekte veel slachtoffers. Niettegenstaande door de
gouvernementsveeartsen aan de bestrijding veel tijd en moeite wordt besteed,
valt van een merkbare vermindering over het algemeen weinig te bespeuren. Het
veelal te laat rapporteeren van ziektegevallen en de slechte hygiënische toe-
standen in vele paardenstallen zijn de voornaamste oorzaken, dat zoo weinig
succes bereikt wordt.

Saccharomycose bij eenhoevige dieren.

Vooral door de moeitevolle behandeling en het gedwongen maandenlang buiten
gebruik stellen der dieren, veroorzaakt deze ziekte belangrijke schade. In de stal-
houderijen op de groote kustplaatsen van Java kwam zij veel voor, op Sumatra
werden geen gevallen waargenomen.

Scabies bij eenhoevige en herkauwende dieren.

Op alle eilanden komt dit lijden voor, doch de bevolking beschouwt het als
regel onschuldig en zoodoende wordt er weinig aandacht door haar aan geschonken.

Surra bij alle vee.

In de meeste ressorten werd surra geconstateerd en werd met het gebruik van
naganol voortgegaan. Het is nu wel duidelijk gebleken dat met dit middel als
praeventivum uitstekende resultaten bij runderen en buffels t.e bereiken zijn,

-ocr page 556-

vooral wanneer de geheele veestapel van een besmette desa ingespoten wordt.
Bij paarden bepaalt het zich meer tot een individueele behandeling.

Dourine bij eenhoevige dieren werd niet waargenomen.

Piroplasmose bij herkauwende dieren.

Zeer sporadisch werden gevallen dezer ziekte geconstateerd voornamelijk bij
runderen in melkerijen en onder van Soemba geïmporteerd volbloed Ongole-vee.

Tuberculose. Nog steeds vormt de bestrijding dezer ziekte een belangrijk deel
van de werkzaamheden van het personeel van den veeartsenijkundigen dienst op
Java, ondanks het feit, dat bij het vee van de bevolking geen enkel geval van
tuberculose werd waargenomen.

Rabies bij alle vee (Stbl. 1912, No. 435) en honden, katten en apen (Stbl. 1926,
No. 451).

De resultaten bereikt met de bestrijding van rabies zijn tot heden geenszins
bevredigend. Het aantal gevallen dezer ziekte is de laatste jaren eerder toe dan
afgenomen. Een en ander is uitsluitend een gevolg van de onvoldoende uitvoering
van de voorgeschreven bestrijdingsmaatregelen. (Zonder goed georganiseerde
bestrijding zal men er met de beste maatregelen wel nooit uitkomen. (Ref.).

Lymphangitis in/ectiosa (farcin du boeuf) bij runderen.

Evenals vorige jaren werden enkele gevallen op Sumatra waargenomen.

Pneumonia Contagiosa, bij runderen.

Onder het in Augustus te Tandjong Priok uit West-Australië ingevoerde slacht-
vee kwamen 23 gevallen van besmettelijke longziekte voor. Dank zij de getroffen
strenge afzonderingsmaatregelen is het gelukt deze ziekte tot het geïmporteerde
vee te beperken.

Peslis Suiim bij varkens.

Hiervan kwamen een paar verdachte gevallen te Kandangan voor. Het onder-
zoek van ziektemateriaal viel echter negatief uit.

Septichaemia haemorrhagica Suiim, bij varkens.

Op een boerderij bij Buitenzorg bezweken 4 varkens onder verschijnselen dezer
ziekte. De overige 115 stuks weiden met septichaemie-serum behandeld en ver-
volgens gevaccineerd, waarna de ziekte tot staan kwam.

Gangraena emphysematosa, bij herkauwende dieren.

Evenals vorig jaar weid deze ziekte uitsluitend waargenomen in Midden-Java
en wel in Madioen, Soerakarta, Djocjacarta en Magelang.

Paardenfokkerij. De belangstelling van de bevolking in de paardenteelt is,
sedert, vooral voor grootere afstanden veel van mechanische trekkracht wordt
gebruik gemaakt, afnemende. Op Java, waar de sterkte van den paardenstapel
weder iets is achteruitgegaan, bestaat nog slechts in enkele deelen en wel speciaal
in bergstreken, animo tot het fokken van paarden. Van Sumatra wordt ongeveer
hetzelfde gerapporteerd. Loonend schijnt de paardenfokkerij nog alleen te zijn
op de schaarsch bevolkte kleine Soenda-eilanden.

Runder fokkerij. In tegenstelling met hetgeen van de paardenfokkerij wordt
vermeld, is de belangstelling in de runderteelt in alle ressorten stijgende, zoodat
aan alle bestaande maatregelen tot instandhouding en verbetering van den run-
derstapel krachtig de hand wordt gehouden.

Kleinveeteelt. Ten einde tot verbetering der kwaliteit van het kleinvee te ge-
raken, werd aan de Regeering het voorstel gedaan, om in Nederland een aantal
fokschapen, geiten en varkens aan te koopen en met deze dieren te Buitenzorg
de noodige proeven te nemen. Door I)r. J.
Merkens, leeraar in veeteelt aan de
N.-I. Veeartsenschool werden in Holland 16 fokvarkens (veredeld Duitsch land-
varken en groot Yorkshire), 12 Texelsche schapen en 16 geiten (veredelde inheem-
sche geit uit de Baronie van Breda) aangekocht en naar Nederlandsch-Indië ge-
zonden-.

Pluimveefokkerij. Op Java wordt pluimveeteelt algemeen door de inlandsche
bevolking in de desa beoefend als nevenbedrijf. Men houdt er eenige kippen op
na en verkoopt de eieren en de fokproducten als slachtkippen. Onder deze een-

-ocr page 557-

voudige omstandigheden is deze kippenhouderij rendabel. De dieren leven van afval
van het landbouwbedrijf en zoeken verder zelf in hoofdzaak hun voedsel buiten.

De teelt van eenden is van veel belang in de meer waterrijke streken. Te Buiten-
zorg wordt thans een begin gemaakt met de oprichting van een Gouvernements
pluimveefokstation. H. \'
t. H.

Pluimveedagen te Wageningen.

Het landbouwkundig Tijdschrift van April 1929 bevat een verslag van het
gesprokene op de op
2 en 3 October 1928 in de Hulp-Aula der Landbouw-Hooge-
school gehouden Pluimveedagen.

Het verslag is samengesteld door Ir. P. Ubbels, adjunct-rijkspluimveeconsulent,
•Beekbergen.

De Voorzitter der N. P. F., de heer P. H. Burgers, sprak het openingswoord.

De Heer i. G. J. Kakebeeke, inspecteur van den Landbouw hield een voor-
dracht over de beteekenis der Pluimveeteelt (de tot nu toe bekende cijfers van
onzen uitvoer van eieren en pluimvee in
1928 zijn hooger dan die in 1927; alle
zeilen moeten worden bijgezet om den voorsprong, die Nederland heeft, te behouden)

Prof. G. Grijns, Wageningen sprak over de „voeding der hoenders". (De ken-
nis van de verteerbaarheid voor hoenders laat nog wel te wenschen over ; de ken-
nis der productiewaarden is nog veel geringer. Bij een bepaalde verhouding tus-
schen de hoeveelheden kalk en phosphorzuur in een rantsoen kan het lichaam
met deze stoffen het meest economisch omgaan ; is deze verhouding anders, dan
kunnen vitaminen (levertraan) een gunstigen invloed uitoefenen op de oeconomie).

Prof. Dr. D. L. Bakker, Wageningen, behandelde „Productieteelt en haar
grenzen". (Het doel moet zijn zuivere rassen met een hooge,
gemiddelde productie ;
er moet gewaakt worden tegen degeneratie ; de raskenmerken moeten waarborg
geven voor productie, en niet alleen op zichzelf beteekenis hebben. Rassenteelt
en Productieteelt moeten hand in hand gaan).

Ir. J. G. Tukker, Beekbergen, hield een inleiding over „Productie in verband
met den leeftijd". (Het antwoord op de vraag of het aan te bevelen is na een jaar
de dieren op te ruimen is afhankelijk van het peil waarop een bepaald bedrijf
staat. Het statistisch materiaal over dit probleem is nog niet volledig).

Prof. Dr. J. A. Honing, Wageningen, had als onderwerp : „De scheikuiken-
fokkerij en hare beteekenis voor de praktijk". (Als voorbeeld wordt behandeld
het Assendelftsche geval, waar zilverpcl hennen gepaard worden met goudpel
hanen.. Zilverpelhennen zijn heterozygoot zoowel voor geslacht (X Y) als voor
zilverkleur (Z z) ; goudpelhanen zijn homozygoot voor geslacht (X X) en voor
kleur (z z). Kruising geeft zilverkleurige hanen en goudkleurige hennen, welke
bij de geboorte kunnen worden onderkend).

A. G. Kröller Jr„ Harskamp, sprak over „Bedrijfscontróle van fokbedrijven".
(Legwedstrijden geven niet een beeld van het geheele bedrijf der inzenders ; een
25 fokstations zijn erkend door de N. P. F., en de A. N. P. V. ; deze hebben hun
bedrijf, „in een glazen huisje" gesteld.

De techniek der controle wordt omschreven). L. P. de Vries.

Benoeming Dr. \'t Hoen.

Bij Kon. Besluit is benoemd tot leeraar aan de Middelbare Koloniale Landbouw-
school te Deventer Dr.
H. \'t Hoen, die tevoren tijdelijk als zoodanig werkzaam
was.

Wij wenschen collega \'t Hoen geluk met deze benoeming.

Tuberculosebestrijding.

Met ingang van 1 Juni, is den inspecteur van den Veeartsenijkundigen Dienst P.
J.
\'t Hooft P.J.zn., in het bijzonder belast met de bestrijding van de tuberculose
bij het rundvee, thans te \'s Hertogenbosch, als standplaats aangewezen \'s Gra-
venhage; zijn bureau aldaar zal gevestigd zijn aan het Departement van binnen-
landsclie zaken en landbouw, Binnenhof
19.

-ocr page 558-

Engelsche wetenschappelijke boeken.

Van de firma Baillière, Tindall & Cox (7 en 8 Henriettastreet, Covent
Garden, London W.C.
2) ontvingen wij een catalogus van wetenschappelijke wer-
ken, welke catalogus wij gaarne (op aanvraag) aan belangstellenden ter inzage
zullen zenden. Het betreft werken op de volgende gebieden : Medical, Dental and
Nursing, Veterinary, Foods and Foodinspection, Botanv and Agriculture, Science
and Miscellaneous, Periodicals and Reports.

Paarden- en Veeverzekering-Maatschappij.

Men verzoekt ons er op te willen wijzen, dat met de Zwolsche paarden- en
veeverzekering-maatschappij, genoemd op bladz.
467 van het 1 Mei No, niet
bedoeld is
de Oude Zwolsche van 1895 te den Haag.

Brochures.

Van het Land- en Tuinbouwbureau der I. G. Farbenindustie te Amsterdam
ontvingen wij nog de brochures, in zake bemesting: ,,Nitrophoska" en „Wen-
ken voor den veehouder".

Nationaal Comité Internationaal Veeartsenijkundig Congres te Londen 1930.

Voorloopig Programma.

Het congres zal vergaderen in ..Central Hall", Westminster, Londen, van
Maandag
4 Augustus tot Zaterdag 9 Augustus 1930.

Behalve de algemeene en de sectie-vergaderingen zullen eiken avond bijeen-
komsten plaats vinden, inclusief recepties, wetenschappelijke besprekingen en
banketten.

Talrijke interessante excursies zullen plaats vinden, van welke de bijzonder-
heden later in het officieele programma zullen worden bekend gemaakt. Tevens
zal er gelegenheid zijn om veterinaire onderzoekingsinstituten, veeartsenijscholen,
koelinrichtingen, abattoirs, fokstations, enz. te bezoeken.

Kosten Lidmaatschap :

Gewone leden ........ 1 pond sterling.

Studenten-leden ...... 10 shillings.

Dames, die leden vergezellen, betalen 5 shillings, waarvoor zij toegang hebben
tot de recepties en tot de wetenschappelijke avondbijeenkomsten.

Het Nationaal Comité zal te gelegener tijd eene regeling publiceeren voor
de aangifte tot het lidmaatschap.

In de kosten voor het gewone lidmaatschap zijn begrepen de kosten van
het verslag van het congres, hetwelk na afloop franco wordt toegezonden.

De Secretaris.

ten Sande.

Besmettelijke veeziekten in Nederland in Maart 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen aan
die i Maart nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer : bij 152 (162) eigenaars, waarvan in Groningen bij 8 (14)
eig. ; Friesland bij 49 (96) eig. ; Drenthe bij x (3) eig. ; Gelderland bij 4 eig. ; Utrecht
bij
10 (1) eig. ; Noordholland bij 19 (15) eig. ; Zuidholland bij 49 (15) eig. ; Zeeland
bij 3 (3) eig. : Noordbrabant bij
9 (15) eig.

Scabiès : (sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap : 14 gevallen bij 3
eig. (48 bij ii eig.), waarvan in Groningen (9 bij 3 eig.) ; Friesland (27 bij 5 eig.) ;
Drenthe (11 bij
2 eig.) ; Overijsel 1 ; Utrecht 12 bij 1 eig. ; Zuidholland 1 (1).

Rotkreupel bij schapen : 28 gevallen bij 4 eig. (488 bij 29 eig., waarvan in Gro-
ningen
(23 bij 2 eig.) ; Friesland 17 bij 1 eig. (26 bij 7 eig.) ; Drenthe 9 bij 2 eig.
(25 bij 5 eig.) ; Noordholland 2 bij 1 eig. (172 bij 12 eig.) ; Zuidholland (41 bij
2 eig.) ; Zeeland (201 bij 1 eig.).

Anthrax : 27 gevallen bij 23 eig. (2 bij 2 eig.), waarvan in Friesland 7 bij 5 eig. ;
Overijsel
4 bij 4 eig. ; Zuidholland 9 bij 7 eig. ; Noordbrabant 3 bij 3 eig. ; Lim-
burg
2 bij 2 eig.

-ocr page 559-

Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw, No. 2.

Verslag over den Landbouw in Nederland over 1927 (den Haag, Algemeene
Landsdrukkerij ; Prijs / 1.—).

Algemeen Overzicht.

Akkerbouw : De uitkomsten daarvan waren in 1927 niet bevredigend door min-
der gunstige economiese omstandigheden en weersgesteldheid.

Veehouderij : De gezondheidstoestand van het rundvee wordt over het algemeen
,,zeer gunstig" genoemd, ofschoon moeilijkheden ondervonden werden door het
„besmettelijk verwerpen". Het mond- en klauwzeer kwam volgens het verslag
slechts sporadisch voor.

De bestrijding van den runderhorzel werd met kracht aangevat.

De boterproductie was steeds toenemend en bedroeg in 1927 : 85 millioen K.G. ;
de kaasproductie 126 millioen K.G. Uitgevoerd werd 48.000 ton (1 ton 1000
K.G.) boter, 97.300 ton kaas, 16.000 ton, gecondenseerde melk en 4870 ton melk-
poeder.

De uitvoer van rund- en kalfsvleesch was : versch 16.158.000 K.G., bevroren
1000 K.G. en gezouten 32.000 K.G. De invoer: versch 106.000 K.G, bevroren
13.966.000 K.G., gezouten 124.000 K.G. Uitvoer van slachtvee 9433 stuks ; van
melk- en fokvee 30.135 stuks. De prijzen waren over het algemeen laag. Stamboek-
vee werd uitgevoerd naar Frankrijk, Polen, Spanje, Duitschland, Ned.-Indië,
Brazilië, Chili, Mexico, Argentinië, Japan en Zuid-Afrika.

Het aantal uitgevoerde paarden bedroeg 12.176 (waaronder 438 hitten en
73 slachtpaarden).

L\'itgevoerd werden 10.000 oudere lammeren en 7736 ton schapenvleesch.

Het aantal geiten is achteruitgaande. Oorzaken zijn gebrek aan stalgelegenheid,
hooge loonen en niet-dure prijs van koemelk.

De uitkomsten van de varkensfokkerij waren niet gunstig door lagere prijzen.
De belangstelling voor de rationeele fokkerij neemt echter toe. De uitvoer van
levende varkens nam sterk toe en bedroeg 89.395 stuks (4843 in 1926), voorname-
lijk naar Frankrijk, verder naar Italië, Duitschland en België. Ook de uitvoer van
varkensvleesch is toegenomen en bedroeg (versch, bevroren, gezouten en gerookt)
101.457.000 K.G. ; de invoer 404.800 K.G.

De pluimveeteelt is steeds vooruitgaande ; wat hoenderrassen betreft zijn de
witte Leghorns het sterkst vertegenwoordigd, daarop volgen de Barnevelders.
Rhode Islands Reds en Welsumers nemen toe ; ook aan de Noordhollandsehe
blauwen wordt meer aandacht geschonken

De eierproductie wordt over 1927 geschat op 1600 tot 1700 millioen stuks (ge-
middeld 110 a 120 stuks per kip). De kuikensterfte was weer groot. De afzet van
slachtkippen is veelal moeilijk en moet beter georganiseerd worden. Toch werden
2.831.000 slachthoenders uitgevoerd, voornamelijk naar Duitschland.

De financieele uitkomsten der pluimveehouderij waren gunstig ; men neemt aan
dat op boerderijen waar de hoenders kunnen los loopen, ongeveer / 2. - per kip
wordt overgehouden. De eierproductie is nog steeds toenemende ; in 1927 werden
63.354.000 K.G. meer eieren uitgevoerd dan ingevoerd ; 71 % van de uitvoer
ging naar Duitschland, verder werden veel naar Engeland uitgevoerd.

Voor de bijenhouders was 1927 een slecht jaar doordat weinig honig gewonnen,
werd.

Tuinbouw : De uitvoer van de meeste groentegewassen is in 1927 toegenomen.
Wat groenteteelt betreft, wordt vooral in verschillende provincies de teelt onder
glas meer en meer beoefend. Ook druivencultuur onder glas neemt overal

Met kweeken en uitvoer van boomen, heesters en bloemen en bloembollen
werden in 1927 zeer bevredigende resultaten bereikt.

Vereenigingsleven en coöperatie in den landbouw namen overal toe. De bij de
Alg. Ned. Zuivelbond (F. N. Z.) aangesloten bonden omvatten in 1927 451 fabrie-
ken die samen 2.080.588.000 K.G. melk verwerkten.

Over het algemeen waren van de landbouwbedrijven de financieele bedrijfs-

-ocr page 560-

uitkomsten van 1926—1927 ongunstiger dan de vorige jaren ; het boekjaar 1926—
1927 is voor den landbouw niet gunstig geweest. De thans geldende koop- en
pachtprijzen zijn niet in overeenstemming met de ongunstige uitkomsten van het
landbouwbedrijf in de laatste jaren. Praktisch gesproken zijn echter (volgens de
notarissen) de landprijzen nog op hetzelfde peil van vóór den oorlog, maar is het
geld sedert 1914 in waarde gedaald.

Besmettelijke veeziekten in Nederland 1909 -1927.

(Maladies contagieuses des animaux).

Kwadedroes
en huidworm
bij eenhoe-
vige dieren.
(Morve et
farcin).

Schurft (Gale) (scabies).

Rotkrenpei
bij schapen,

(Piétin).

Miltvuur
bij alle vee

(Charbon).

SJ — c/1

N g O
3 2 £

« a a.

Bij schapen.
(Moutons).

Bij
eenhoevige
dieren.

c? •
° «-Ï
T3
£ lz

g S 55

g C/)

XI
„ g

S f
= =

2 S

c

I J

(Chevaux)
et aues).

Aantal
dieren.

i! dieren,
ïmbre).

1 s

U -i.
■i
^
.0

J f

= z;
<

m u.

.2 0

= Z
<

X [i.

(Nombre).

= z

cd
<

£/> u.

S 0

q Z
<

Groningen. . .

43

—_

694

26

185

20

IO

92

Friesland .. .

43

2

2

266

18

4

297

35

64

5f)

Drenthe ....

21

1

1

286

93

243

33

9

9

Overijssel . . .

39

I

i

43

7

6

2

20

20

Gelderland . .

109

6

2

10

4

51

i

41

38

Utrecht ....

19

i

i

41

5

\'4

13

Noordholland

29

21

17

i 284

84

19

19

Zuidholland .

82

231

25

459

26

48

43

Zeeland ....

59

I 163

7

3

~

Noordbrabant

132

75

7

42

40

Limburg . . .

73

31

3\'

Nederl. 1927.

649

32

24

i 646

185

4

3688

208

301

280

1926.

62 756

26

18

3 522

317

4

2 795

208

307

255

1925.

30 936

112

73

4 062

428

8

2 021

148

323

256

1924-

88423

29

27

2 315

180

26

248

19

444

390

1923.

9 203

6

2

i 670

146

77

—■

356

312

.. 1922.

325

10

9

2 551

368

126

103

17

265

234

1921.

709

i

i

2 028

182

\'33

i 815

169

267

216

1920.

53 079

i

i

2 012

207

327

i 464

109

\'51

139

1919.

31 633

4

3

672

96

373

286

28

135

116

1918.

3 537

I 205

2 75

229

I 391

101

170

146

1917-

!5

9

6

3 435

262

44

I 255

140

252

228

1916.

197

7

6

2 915

244

14

2 481

236

243

221

.. . 1915-

I 519

8

5

581

110

28

i 811

182

281

255

1914-

203

42

30

95 f\'

143

25

I 319

200

563

5\'3

1913.

54

19

16

825

124

27

2 108

297

439

39Ó

1912.

305

26

21

692

133

40

599

137

605

543

„ 1911.

70 518

i

I

610

8!

23

3°9

82

913

798

,, 1910.

4

9

9

2 620

320

12

783

193

748

1909.

53

li

7

2 865

268

7

394

72

554

-ocr page 561-

De veestapel in verschillende landen.

LANDE N.

Jaar van
opname.

Paarden
in
1000-
tallen.

Runderen
in
1000-
tallen.

Schapen
in
1000-
tallen.

Varkens
in
1000-
tallen.

Europa.

Nederland.............

1921

364

2 063

668

1 519

België...............

1927

256

1 738

1 124

Bulgarije..............

1920

412

2 288

8 906

1 118

Denemarken............

1927

524

2 912

3 729

Duitsehland.............

1927

3 805 «)

17 983

3 813

22 380

Estland..............

1927

230

634

667

354

Finland..............

1921)

400

1 860

1 413

391

Frankrijk .............

1927

2 927

1 1 941

10 693

6 019

Griekenland.............

1920

201

659

5 811

416

Groot-Britannië en Noord-Ierland . .

1925

1 262

1 829

16 458

2 756

Hongarije..............

1927

904

1 805

1 611

2 387

Ierland (Vrijstaat) .........

192 7

429

4 048

3 121

1 178

Italië 3)..............

1919

990

6 239

11 754

2 339

Letland..............

1927

339

967

1 127

535

Lithauen..............

1927

616

1 128

1 410 4)

1 010

1926

183

1 200

1 595

303

Oostenrijk.........

1923

282

2 163

597

1 473

Polen...............

1927

4 127

8 602

1 918

6 333

Portugal..............

1926

30

768

3 684

1 117

Roemenië..............

1925

1 875

5 049

12 950

3 088

Sovjet-Rusland...........

1927

31 258

67 835

134 293 5)

20 022

Servië, Croatië en Slavonië.....

192 7

1 120

3 729

7 736

2 770

Spanje...............

1924

634

3 436

18 460

4 160

Tsejcho-Slowakije.......

1926

740

4 691

861

2 539

Turkije ) .............

1912

27 095

73

1 kraine ..............

1925

4 100

8 000

9 300

3 600

/.weden..............

1920

728

2 736

1 568

1 011

Zwitserland ............

1926

139

1 587

169

635

Amerika.

Argentinië.............

1922

_

37 065

30 672

1 437

Brazilië..............

1920

5 254

34 271

7 933

16 169

Canada ..............

1927

3 422

9 172

3 263

4 695

Chili...........

1925

324

1918

4 094

217

"Uruguay..............

1924

510

8 432

14 443

251

V.S. v. Amerika..........

1927

14 541

55 696

44 545

58 969

Azië.

Indië (Britseli)........

1922

1 684

116 605

22 085

Japan ...............

1921

1 511

1 437

10

499

Rusland (Aziatisch)......

1921

6 792

9 888

10 499

2 019

Afrika.

Algiers ...............

1927

162

849

5 083

96

Egypte ..............

1926

36

722

1 144

17

Marokko........

1926

190

1 »33

9 248

60

1923

72

400

1 151

13

Zuid-A frikaansehe Unie.......

1925

815

9 738

35 570

801

Australië.

Australië...........

1926

1 403

7 892

101 235

363

Zeeland (Nieuw-)..........

1927

303

3 242

25 372

516

Uitsluitend voor het landbouwbedrijf. 2) Niet inbegrepen legerpaarden. 3) Het verwoeste gebied niet
inbegrepen. 4) Geiten inbegrepen. ö) Aziatisch Turkije inbegrepen. Vr.

PERSONALIA.

Verhuisd : M. Frankenhuis van Enschede naar Groningen, Jacobsstraat iy
F. H. van Raadshoven van Groede naar den Haag.
K. de Koning van Numansdorp naar Amsterdam.
D. W. J.
de Vor van Oudewater naar Utrecht, Weistraat 66615.
Overleden : te Nijmegen : A.
de Jong, rustend dierenarts.

-ocr page 562-

BIBLIOGRAFIE.

Fr. Hermans, Handboek over het hoefbesiag. 2e uitg. Kureghem, P. Thirifays,
1929. 8°. fr. 20.—

G. van Rijnberk, Leidraad voor het physiologisch practicum. 2e dr. Haar-
lem, De Erven Bohn, 1929. 8°. XXIII 470 biz. m. 234 fig. tusschen tekst.

Geb. ƒ 12.—

E. J. Dommerhold, Bijzondere veeteelt. Zwolle, Uitg.-Mij. W. E. J. Tjeenk
Willink, 1929. Kl. 8°. 124 biz. m. 46 fig. tusschen tekst. / 1.20.

Leidraad voor het land- en tuinbouwonderwijs. Onder red. van A. Schutte-
vaer
en E. J. Lankwarden. Serie B, nr. 5.

A. Hijlkema, Zuivelbereiding voor landbouwwinterscholen. 2e dr. Met tabel
voor het uitrekenen van melklijsten. Zwolle, W.
E. J. Tjeenk Willink, 1929. Kl.
8°. 96 biz. met 47 fig. tusschen tekst.
 f 1.20.

Leidraad voor het land- en tuinbouwonderwijs. Onder red. van A. Schutte-
vaer
en E. J. Lankwarden. Serie B, nr. 4.

N. L. Sôhngen, Over het wezen van den bacteriophaag. Wageningen, H. Veen-
man & Zonen, 1929. 8°. 16 biz. ƒ 0.60.

Rede Wageningen.

P. Gastou, Les maladies du cuir chevelu. 4e éd. Paris, J. B. Baillière et fils,
1929. 160. 96 p. av. 19 fig. fr. 8.—.

Collection Actualités médicales.

H. Fischer, De l\'hypophalangie dans ses rapports avec l\'hyperdactylie. Paris,
Vigot frères, 1929. 8°. 56 p. av. 38 fig. fr. 10.—.

Rapport de gestion [de la] Fédération suisse des syndicats d\'élevage de la
race tachetée rouge pour l\'année 1927. Berne, Imprimerie fédérative S. A., 1928.
Gr. 8°. 108 p.

Annual report of the Imperial Institute of veterinary research, Muktesar, for
the year ending March 31, 1928. [By
J. T. Edwards], Calcutta, Government of
India Central Publ. Branch, 1929. 8°. 28 p.

L. E. Cline, Turkey production ; marketing and disease control. Fallon, Author,
1928. 8°. 325 p. w. ill. S 3.—.

H. H. Alp, Poultry farm equipment. Urbana, Agr. Exp. Stat., 1929. 8°. 20 p.
w. ill. a. diagr.

University of Illinois. Coll. of Agriculture. Agric. Exp. Station.Circ. No. 333.

G. W. Little, Diet for dogs. New-York, Mc Bride, 1929. 120. 273 p. S 2.—.

L. F. Whitney, The basis of breeding. New-Haven, E. C. Fowler, 1928. 8°.
2(">o p. w. ill. and diagr. S 3-—•

R. A. Wardle, The principles of applied zoology. New-York, Longmans, 1929.
8°. 439 P- w. ill., maps and diagr.
 S 5,50.

Annual administration reports of the Bombay Veterinary College, Bombay
City and Harbour Veterinary Department and Civil Veterinary Department in
the Bombay Presidency (incl. Sind) for the year 1927—28. Bombay, Government
Central Press, 1928. 8\'. 56 p.

Kitty Ritson, Dogs. An illustrated handbook. I.ondon, Chatto & Windus,
1928. 8°. 177 p. Sh. 5.- -.

,,In my Opinion" — Dissertations on horses and horsemanship by various authors.
Ed. by W.
E. Lyon. London, Constable & Co., 1928. 8°. 308 p. w. ill.

Sh. 31.6.—.

Green\'s manual of pathology and morbid anatomy. Rev. by A. Piney. 14th ed.
London, Baillière, Tindall & Cox, 1928. 8". VIII 650 p. w. 261 text fig. and
8 col. pi. Sh. 21.—.

C. R. Edmonds and G. K. Walker: Diseases af animals in tropical countries.
2d ed. London, Baillière, Tindall & Cox, 1929. 8°. XII 408 p. w. 37ill. Sh. 25.—.

-ocr page 563-

B. H. Smith, The sheep and wool industry of Australia and New Sealand. A
practical handbook for sheep farmers and wool-classers. 3d ed. London, Whit-
combe & Tombs, 1929. 8°. XIV 214 p. Sh. 10.6 -

A. W. Sampson, Livestock husbandry on ränge and pasture. New-York etc..
J. Wiley & Sons, 1928. 8°. XXI 411 p. w. 115 fig. and 1 pl.

A. B. Charlton, The Shire horse Society, 1878 to 1928. London. Shire horse
society, 1929.

P. Rona, Praktikum der physiologischen Chemie. Tl. 3. Berlin, J. Springer,

1928. 8°. 268 S. m. 107 Textabb. M. 15.—.
Tl. 3. Stoffwechsel und Energiewechsel. Von H. W.
Knipping und P. Rona
P. Krische, Die Untersuchung und Begutachtung von Düngemitteln, Futter-
mitteln, Saatwaren und Bodenproben nach den offiziellen Methoden des Ver-
bandes landwirtschaftlicher Versuchs-Stationen im Deutschen Reiche. Zugl. eine
Einführung in das agrikulturchemische Kontrollwesen. 2te Aufl. Berlin, P. Parey,

1929. Gr. 8°. 408 S. M. 24.--
Der Hundenarr. 41 lustige Hundebilder von j. Lehrmann mit. Versen von

L. Lustig. Berlin, J. Lehrmann, 1929. 40. 89 S. M. 2.—., Geb. M. 3.—.

V. Schilling, Das Blutbild und seine klinische Verwertung. 7te u. 8te Aufl.
Jena, G. Fischer, 1929. Gr. 8°. 332 S. m. 44 Abb., 300 Hämogr. im Text und
4 lithogr. Taf. M. 15.—., Geb. M. 16.50

P. de Kruif, Mikrobenjäger. Uebers. von S Feilbogen. 2te Aufl. Zürich
u.s.w., Orell Fiissli Verlag, 1928. 8°. 350 S. 111. 19 Abb. im Text und 38 Abb. auf
Taf. fr. 11.25, Geb. fr. 13.75

V. Gräfe, Rohstoffe und Waren aus dem Tierreiche : Ernährung und Nahrungs-
mittel. Knochen und Leim. Häute und Leder. Pelze und Rauhwaren. Stuttgart,
C. E. Poeschel, 1928. Gr. 8°. 514 S. m. 114 Abb. M. 35.- .

Gräfe, Handbuch der organischen Warenkunde. Bd. 5, Halbbd. 1.
M.
Klimmer, Tierärztliche Milchkontrolle. Eine Anleitung zu ihrer praktischen
Durchführung. Berlin, R. Schoetz, 1929. 8°. M. 29 Abb. im Text und 3 farl».
Taf. M. 7.80.

F. Dörbeck, Uebersicht über die in Preussen in den Jahren 1925 und 1926
amtlich gemeldeten Bissverletzungen durch tolle oder der Tollwut verdächtige
Tiere. Bericht über die Tätigkeit der Wutschutzabteilung Breslau für den Zeit
räum vom
1 April 1920 bis 31 März 1927. Von G.Quast. Berlin, R. Schoetz, 1929
Gr. 8°. 48 S. M. 2.40

Veröffentlichungen aus dem Gebiete der Medizinalverwaltung. Bd. 28, H. 5
W.
Kolle und H. Hetsch, Die experimentelle Bakteriologie und die Infektions
krankheiten mit bes. Berücksichtigung der Immunitätslehre. 7te Aufl. Bd. 1, 2
Berlin u.s.w., Urban & Schwarzenberg, 1929. Gr. 8". M. 60.—, Geb. M. 68.-
Tl. 1. S. 1—554 m. 75 Abb. im Text, 54 grössenteils mehrfarb. Taf. u. 13 Ktn
Skizzen.

Tl. 2. S. 555—1100 u. Sachreg. M. 120 Abb. im Text, 64 gr. mehrfarb. Taf
und 2 Ktn. Skizzen.

J. Frohwein, Schlachtgewichtstabellen für Rinder, Schafe und Schweine
[Berlin—Schöneberg, K. Scholtze, 1929]. 8°. 4 S. auf Karton. M. 1.-

R. Schmaltz, Der Tierarzt. Neuausg. Berlin, Trowitzsch & Sohn, [1929]. 8
7 S.

Merkblätter f. Berufsberatung der Deutschen Zentralstelle f. Berufsberatung
der Akademiker. E. V. C. 3.

A. Steiner, Ausgewählte Abschnitte aus der Tierpsychologie. Bern, P. Haupt.
1928. Gr. 8°. 48
S. m. Fig. M. 1.45.

Aus : Erziehung und Weltanschauung.

J. Hansen, Der Tierzuchtbeamte. Neuausg. Berlin, Trowitzsch & Sohn, [1929]
8°. 8 S.

Merkblätter f. Berufsberatung der Deutschen Zentralstelle für Berufsberatung
der Akademiker. E. V. E. 6,

-ocr page 564-

O. Felix und P. Hug, Der Milchviehstall für schweizerische Verhältnisse. 2te
Aufl. Bern, Verbandsdruckerei, 1929. 8°. 88 S. m. Abb. M. 2.60.

Schriften der Schweiz. Milchkommission. H. 1.

M. Demmel, Die Zuchtschäden bei den Pelztieren. Verwerfen, Auffressen und
Verschleppen der Welpen, Milchmangel der Muttertiere. I.eipzig, A. Heber & Co.,
1929. Gr. 8°. 26 S.

Arbeiten der Reichs-Zentrale f. Pelztier- und Rauchwaren-Forschung. 16.

M. 1.90.

Aus : Die Pelztierzucht. Jg. 5. 1929-

H. Ribbert, Lehrbuch der allgemeinen Pathologie und der pathologischen Ana-
tomie. Neu bearb. von C.
Sternberg. Leipzig, F. C. W. Vogel, 1929. Gr 8°. 727
S. m. 739 Abb. M. 45.--, Geb. M. 48. .

F. W. Bach, Leitfaden zur Untersuchung auf die parasitischen Protozoen des
menschlichen Magen-Darmkanals. Jena, G. Fischer, 1929. Gr. 8\\ IX 140 S. m.
51 Abb. im Text. M. 8.50.

Handbuch der hygienischen Untersuchungsmethoden. Hrsg. von F. Gotsch-
i.ich.
Jena, G. Fischer, 1926 1929. 3 Bde. Gr. 8".

Bd. I. XVII 1088 S. m. 51(1 Abb. 1926. Geb. M. 54. -,

Bd. 2. XVIII 820 S. in. 174 Abb. 1927. Geb. M. 4(1. -.

Bd. 3. XIV 808 S. m. 249 Abb. 1929. Geb. M. 46. -.

Fortschritte auf dem Gebiet der Veterinär-Medizin, bearb. und Zusammengest."
von K. Linde. [2]. 1927. Tilsit, Engels Buchdr., 192S. Gr. 8". II 190 S. m. Abb.

M. 6.50, Geb. M. 8.50-

W. Fünfstück, Die besonderen Funktionen der Zellen des vielzelligen Orga.
nismus. Erklärung der inneren Krankheiten. Leipzig, Dathe, 1928. Gr. 8 . 20 S.

M. 1.75.

E. Reichenow und G. Wülker, Leitfaden zur Untersuchung der tierischen
Parasiten des Menschen und der Haustiere. I.eipzig, C. Kabitzsch, 1929. Gr. 8°.
VII 235 S. m 104 Abb. im Text. M. 22.—.

Zugl. Neuaufl. des gleichnamigen Leitfadens von M. Braun und M. Lühe.

H. J. Jordan, Allgemeine vergleichende Physiologie der Tiere. Berlin, W. de
Gruyter & Co., 1929. Gr. 8 . XXVIII 701 S. m. 279 ,z. T. färb.\' Abb. M. 34. .

W. Christiansen, Die Bedeutung der Leukocyten für die Diagnose und Prog-
nose physiologisch normaler und pathologisch veränderter Milch. Mitteilung 1.
Berlin, J. Springer, 1929. Gr. 8 . 21 S. m. Abb.

Aus : Milchwirtschaftliche Forschungen. Bd. 7. 1928.

Zwei Fütterungsversache mit Lupinenfischmehl „Original Holsatia" an Kälber
und Milchkühe. Von H.
Banger, I.amprecht, Meetz und Blöcker. Berlin, J.
Springer, 1929. Gr. 8 . 31 S. 111. eingedr. Kurven.

Aus : Milchwirtsch. Forschungen. Bd. 7. 1928.

Mangin, Techniques opératoires et instruments nouveaux. Thèse de Paris. 1929.

Dervaux, L\'élevage des animaux domestiques en Annam. Thèse de Paris.
1929.

Rémy, Les intoxications d\'origine alimentaire. Thèse de Paris. 1929-

Dubois, Contribution à l\'étude des fractures des phalanges chez le cheval et
à leur traitement. Thèse de Paris. 1929.

Ferez, De l\'importance de l\'exploration rectale dans les coliques d\'obstruction
intestinale chez le cheval au triple point de vue du diagnostic, du prognostic et
du traitement. Thèse de Paris. 1929.

Riou, Coagulation du sang chez le chien. Thèse de Paris. 1929.

Perrier, Contribution à l\'étude du traitement de la piroplasmose bovine en
Normandie. Thèse de Paris. 1929.

Flusin, Pathogénie de l\'ascite chez les carnivores domestiques. Son traitement
par le chlorure de calcium. Thèse de Lyon. 1929.

Lataix, Contribution à l\'étude de la réfractométrie des lacto-sérums. Thèse
de Lyon. 1929.

LVI 37

-ocr page 565-

Trouche, Contribution ä 1\'étude du traitement de 1\'emphysème pulmonaire
chrorique du cheval. Thèse de Toulouse. 1929.

Fr. Gleichmann, Untersuchungen über den Einfluss von Keimdriisenpräpa-
raten auf den Stoffwechsel geschlechtsnormaler Tiere, beobachtet am Harnquotien-
ten C. N. Inaug.-Diss. Universität Berlin. 1927.

f.. Rosenwald, Vermehrte Milchsäureausschi i.lung durch den Harn bei der
Avitaminose als Beweis für die Störung des Kohlehydratstoffwechsels und die
Beeinflussung dieser Milchsäureausscheidung durch Insulin. Inaug.-Piss. I\'ni
wrsität Berlin. 1927.

F. Friess, Ueber das Vorkommen des Bazillus abortus Bang im Blute. Inaug.-
Diss. München. 1929.

1\'. Holderried, Beiträge zur photoelynamischcn Wirkung. (Wirkung fluores-
zierender Stoffe). Inaug.-Diss. München. 1929.

II. 1\'anförder, Ovar-Implantation beim Rind. Inaug.-Diss. München. 1929.

II. Gerlach, Kann die Benzidinprobe zur Diagnostik der Magen-Darmaffek-
tion der Tiere Verwenelung finden? Inaug.-Diss. Leipzig. 1929.

W. H. Behne, Pathologisch-histologische Untersuchungen über die Wanelver-
änderungen der Uterusgefässc trächtig gewesener Schafe. Inaug.-Diss. München.
1929.

K. I\'. W. Dörge, Urobilinnachweis im Harn bei gesunden und kranken Hun-
den. Inaug.-Diss. München.
1929. du Buv.

REFERATEN.

VERGELIJKENDE PATHOLOGIE.

Ein Beitrag zur Infektion mit dem Bazillus Bang beim Menschen. G. Spengler

Wiener klin. Wochenschr. 1928, No. 50, p. i7oej.

Beschrijving van een geval van febris undulans door „Bang-infectie" bij een
lanelbouwer-veehouder. Naast een agglutinatie voor Abortusbacteriën, gaf het
serum van dezen patiënt een reactie van Widal met typluisbacteriën tot 1/800.

Schr. neemt aan, hoewel het niet mocht gelukken, B. typhi uit bloed, faeces of
urine te kweeken, dat deze patiënt zoowel met typhus, als met Brucella zou zijn
geïnfecteerd.

Een latente infectie met B. Bang zou door het optreden van typhus abdominalis
geactiveerd kunnen zijn.

Bij nader onderzoek bleek, dat een jaar tevoren een dierenarts zich bij een
abortus in hetzelfde bedrijf had besmet, waarbij een blaasjesvormige dermatitis
was opgetreden, in aansluiting waaraan zich febris undulans had ontwikkeld.

Van de sera van 10 melkers agglutineerden 5 B. abortus tot 1/100 a 1/400 .
Eén dezer personen was pas hersteld van een ziekteproces met intermitteerende
koorts, dat was opgetreden 5 maanden na het verrichten van een verlossing,
waarna eveneens een blaasjesvormig uitslag werd gezien.

Schr. oppert de veronderstelling, dat de andere 4 melkers met hooge agglutina-
tietiters (,,vrij zwakke" ware juister, Ref.) in een latent infectiestadium ver-
keerden, dat in analogie met wat bij de koe wordt gevonden, geruimen tijd
zou kunnen duren.

Paratyphus. (Herderschee : Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde 1929, 73,
I, 2, p. 132).

In deze voordracht voor de Amsterdamsche artsencursus 1928—1929 geeft
schr. een overzicht zijner ervaringen bij paratyphus, waaronder hij uitsluitend
verstaat de bacteraemische ziekte, veroorzaakt door paratyphusbacteriën. Ge-
vallen van meningitis, waar naast meningococcen ook paratyphusbacteriën in
het spinaalvocht werden gevonden en van roodvonk waarbij deze bacteriën even-
eens aanwezig waren pleiten z. i. voor de opvatting, dat bij verzwakking van den
gastheer door het primaire lijden, commensale paratyphusbacteriën in den darm

-ocr page 566-

parasieten kunnen worden. Deze onderstelling is dezelfde, die door van Loghem
reeds enkele malen naar voren is gebracht ter verklaring van het optreden van
sommige andere infectieziekten (verkoudheid, pneumonie). (De hypothese van
Her-
derschee
lijkt ref. voorloopig nog te gewaagd. Pneumococcen en meningococccn
komen bij een betrekkelijk groot aantal gezonde personen in de keelholte voor ; de
mededcclingen omtrent de aanwezigheid van paratyphusbacteriën bij normale
menschen (tenzij wij met bacillendragers te doen hebben) kunnen zich tegenover
kritische beoordeeling niet staande houden).

Terwijl bij typhus in 100 % der gevallen in het begin der ziekte de bacteriën
uit het bloed konden worden gekweekt, gelukte dit bij paratyphus slechts in 21%.
(Deze getallen zijn ongeveer in overeenstemming met de waarden, die in het
„Centraal Laboratorium" in 1927 werden gevonden : terwijl daar nï. in evenveel
gevallen uit de ontlasting paratyphusbacteriën werden gekweekt als typhus-
bacteriën, waren 89,38 % der bacteriën die in het bloed werden gevonden typhus-
en slechts 10,61 % paratyphus bacteriën. Ref.). Onder 120 gevallen werd éénmaal
een paratyphus A aangetroffen.

Ook werden dubbelinfectics waargenomen, waar bij denzelfden patiënt zoowel
typhus-, als paratyphusbacteriën konden worden geïsoleerd. Hij kinderen komt
meer paratyphus dan typhus voor. De prognose is veel gunstiger dan bij buik-
typhus. Geen enkele maal, op 120 patiënten, werd een perforatiepcritonitis ge-
zien (bij typhus : 2,1 %), slechts éénmaal een darmbloeding (bij typhus : 8,6 %).
Eén der 120 patiënten stierf aan appcndicitis, in de reconvalescentie (bij typhus
r5.4 "u sterfgevallen). I)c klinische verschijnselen gelijken zeer veel op die bij
typhus.

Kenmerkende symptomen kunnen niet worden genoemd. Het koortsbeloop,
waarvan de kromme volkomen overeenkomt met die van typhus, is in het alge-
meen wat milder dan bij deze ziekte.
 van der Hoeden.

Zoeken van wormeieren mei behulp van cederolie.

Pevekei.li (Geneesk. Tijdschrift v. Ned. Indië, 1928, afl. 7, blz. 992) raadt de
methode aan, aangegeven door
Gokdon en Hein voor het zoeken van worm-
eieren in faeces.

De faeces worden op een voorwcrpglas ilik uitgestreken, bij kamertemp ge-
droogd, daarna wordt op het preparaat een druppel cederolie gebracht, daarna
een dekglaasjc. De faeces worden 1111 doorzichtig en de eieren zijn gemakkelijk te
herkennen en men vindt gewoonlijk meer eieren dan bij de methode waarbij he
gedroogde preparaat met eosinc wordt gekleurd. (Ik vind het zoeken naar worm
eieren veel gemakkelijker bij verse, niet ingedroogde preparaten, desnoods met
gebruikmaking van een concentratie (anreicherungs) methode. Ref ).

Pyelitis en pyelo-nephritis.

Gibson (The Lancet, ref. Pinkhof in N. T. v. G. 1928, II blz. 5824) zegt, naar
aanleiding van 109 gevallen op 1800 secties, dat de meeste pyelonephritiden hae-
matogeen ontstaan en (vaak clinies onbelangrijke) complicaties zijn van etterige
infecties. Bij veelvuldige recidive ontstaat een uraemies ziektebeeld. Opstijgende
pyelonephtitis of (minder vaak) zuivere pyelitis is bijna steeds het gevolg van
urinestuwing ; deze laatste verhoogt echter ook de kans op hacmatogenc infectie.
De cliniese verschijnselen zijn veelal onduidelijk, terwijl mictic klachten en zelfs
urineafwijkingen kunnen ontbreken.

Beschutting van het digestie-kanaal tegen infecties.

Kestner (Deut. Med. Woch., Tier. Rundschau 1929, 4. blz. 0i) wijst er op
dat de digestie sappen het lichaam voor vele infecties beschermen ; die beschut-
is echter niet onfeilbaar. Het gevaar voor infectie met besmette dranken is grootcr
dan die met besmet voedsel, omdat dranken snel maag en dunne darm passeeren.
Zelfs bij gevulde maag kunnen kleine hoeveelheden water langs de kleine cur-
vatuur van de maag langs den voedsel massa snel in de darm komen Worden tege-

-ocr page 567-

lijk vast voedsel en vloeistoffen opgenomen (drinken bij het eten), dan kan die
vloeistof een weinig van het vaste voedsel meesleepen in den darm.

Postoperatieve thrombose en embolie.

(Kef. Kopp, N. T. v. G. 1929, I, blz. 847). Het aantal post-operatieve throm-
bosen en embolieën neemt in de laatste jaren toe. Volgens
Detering ook dat der
primaire (niet post-operatieve) thrombosen, en het aantal „doodelijk verloo-
pendc" embolieën. Vooral na operaties aan maag, galblaas en spataderen werden
de meeste thrombosen en embolieën gezien ; toediening en wijze van toediening
van narcotica voor de operatie hebben geen invloed.

Vrouwen schenen een grootere neiging tot thrombose vorming te hebben ;
vooral op hoogeren leeftijd neemt de frequentie toe, hetgeen voor een deel toege-
schreven moet worden aan toeneming van vaat- en hartziekten.

Keizersnede.

(Ref. Driessen, N. T. v. G. 1929, I, blz. 848). Om het aantal doodgeboren
kinderen en sterfgevallen van kraamvrouwen te verminderen hebben deskun-
digen in Duitsland voorgesteld de keizersnede meer toe te passen. Sommige kli-
niese hoogkeraren zijn hier weer tegen opgekomen.
Dörkler (Münch. Med. Woch.)
is een voorstander van de keizersnede en wil die, behalve bij de algemeen gang-
bare aanwijzingen, ook toepassen bij moeilijke baringen door bekkenvernauwing ;
bij eclampsia ; bij placenta praevia ; in plaats van kunstmatige vroeggeboorte ;
in plaats van de prophylactiese keering ; bij dwarsliggingen ; bij overrijpe kin-
deren ; bij ongunstige verhoudingen van de weeke deelen, bij oude primiparae ;
bij absolute weeënzwakte, als de baarmoeder
36—48 uur ondanks alle therapie
zich niet samentrekt ; bij stilstand van de baring ondanks flinke weeën. In het
algemeen mag de baring nooit langer dan
2 dagen duren.

Intracutane enting tegen pokken.

Giezthmühlen (Münch. Med. Woch., N. T. v. (\'.. 1929, I. blz. 852), wijst op
de voordeelen van deze methode : immuniseering zonder koorts, algemeene re-
actie of puistvorming en zonder lidtcekcn. Zij is echter pas bruikbaar voor de
praktijk bij een standaardlymphe van bepaalde sterkte. Tc krachtige lymphc
kan ernstige reacties veroorzaken.

Bevordering der haargroei door uitwendige behandeling.

(Eichholz. Dcrmatol. Woch., N. T. v. G. 1929, 1. blz. 856). Talrijke proeven
met konijnen toonden dat bestraling met hoogtezon zoowel als inwrijven met i"i,
cignolinc-vaselinc sterk hyperaemiseerend prikkelend werkten en de haargroei
bevorderden. Inwrijvingen met vaseline, benzol, benzine werkten haast even
goed, wanneer die maar krachtig masscercnd geschiedde. Hoofdzaak bleek de
krachtige massage te zijn. Op kaalgcmaakte huidplekken kwamen steeds eerst
in het centrum de haren terug.

Resorptie van boorzuur door de normale huid.

(Kahlenberg en Barwasser ; J. biol. Chem., ref. Terwen in N. \'1\'. v. G. I929

blz. 335).

Volgens de gangbare meening vormt de levende huid een slagboom die tegen
indringen van vreemde stoffen en vergiften beschermt. Volgens de proeven van
bovengenoemde onderzoekers gaat dit niet op met betrekking tot boorzuur. In
goed gecontroleerde proeven toonden zij aan dat bij personen waarvan de met
warm water en z.ep gewassen voeten in een verzadigde waterige oplossing van
boorzuur, bij
45°C, werden gehouden, reeds na één minuut boorzuur in de urine
kon worden aangetoend. Weliswaar in zeer geringe concentratie, x : 1 millioen,
maa- na 5 minuten reeds x :
100.000. Alleen het boorzuur zelf werd gercsorbeerel ;
het gelukte niet boorzure zouten door de huid te doen opnemen, ook niet enkele
aiderf o.a. lithiumzouten. De tijd, één minuut voor resorptie, transport naar de
nieren, uitscheiding en transport langs urinewegen is wel zeer kort en nog nooit
voor eenige stoi gemeten

Schadelijkheid van zeep-lavementen.

Lavementen met zeepoplossing kunnen bij mensen, en ook proefondervindelijk.

-ocr page 568-

vrij sterke zweervorniing veroorzaken in rectum en colon. (Klin. Woch., N. T. v.
Geneesk. 1929, I, blz. 345).

Uitzaaiing van echinococcen in de buikholte.

Waarschijnlijk tengevolge van een gebarsten leverechinococcus, waarvan de
resten nog als een verkalkte knobbel aanwezig waren, werd een vrouw driemaal
wegens echinococcus geopereerd, tussen 1910 en 1918 ; daarna vormde zich weer
een vuistgroot gezwel onder de rechter ribbe boog. (Mcd. Klinik, N. T. v. Geneesk.,
1929. I. blz. 347).

Besmetting van den mens met Bacillus suipestifer.

Een vrouw had na kraambed-infectie een septies ziektebeeld, l\'it dunne etter
uit de borstholte werd bac. suipestifer in reincultuur gekweekt en het serum van
patiënte aglutineerdc een stam van deze bacil in sterke verdunning. De patiënte
herstelde. (Med. Klin . N. T. v. G. 1928, I, blz. 347).

Malaria door bloedtransfusie.

Iemand die nooit buiten Weenen was geweest had toch latente malaria hetgeen
bleek door het feit, dat 4 personen die zijn bloed hadden ontvangen, malaria kre-
gen.
(Lancet, N. T. v. G. 1929, I, blz. 369).

Het gebruik van gewoon bloed voor transfusies.

Dogliotti (La I\'resse medicale, Revue vét. et journ. de Méd. Vét. 1929, févr.,
blz. 97) raadt aan het bloed voor transfusies niet te mengen met antistollings-
middelen daar zij schadelijk kunnen werken. Het natriumcitraat veroorzaakt
veranderingen van de erytrocyten, en vermindert hun weerstandsvermogen en
bevordert hun haemolyse. Verder vermindert het het phagocytaire vermogen
der leucosyten en de bactericide kracht (opsoniese index) van het bloed.

Na herhaalde transfusies (met enkele dagen tussenpoos) met citraatbloed
ziet men bijna altijd min of meer ernstige onaangename reacties van den patiënt ;
evenals autotransfuries met 5 c.c citraatbloed. Bij gebruik van gewoon bloed
heeft men die algemcene verschijnselen niet.

De onderzoekingen van I). wezen er op dat de stoffen, gebruikt om het bloed
onstolbaar te maken, een verandering teweeg brengen in het colloïdale evenwicht
en in de structuur van de eiwitlichamen, zoodat het organisme op de transfusie
reageert als op de inspuiting van een heterogeen proteïne. Die reactie is onregel-
matig, soms lievig en gevaarlijk voor reeds verzwakte individuen.
Vrijburg.

Over mutatie\'s van bakteriesoorten van de paratyphus-enteritisgroep. (Hcilrat;
zur Viskussion der Artumwandluiig der Paratyphus-Enteritis-bahlerien
l)r. L.
Bahr. Deutsche Tieriirztl. Wochcnsch Jg. 36, 1928, pg. 786).

Hoewel er zeer zeker mutatie\'s tusschen de verschillende bakteriesoorten, be-
hoorende tot de groep der paratyphus-enteritisgroep, zullen voorkomen, meent
Bahr, dat vele van de beschreven mutaties het gevolg zouden zijn geweest dat
men niet van beslist zuivere reincultuur der betreffende bakteriesoort is uitgegaan.

Een absolute onveranderlijkheid is bij de verschillende bakteriesoorten niet
aanwezig. In tegenstelling met onderzoekers die mccnen, dat dergelijke mutaties
zeer dikwijls zouden kunnen voorkomen (vooral zou dit het geval zijn bij oudere,
langen tijd op een laboratorium bewaarde culturen), heeft
Bahr de ervaring op-
gedaan, dat deze overgangsvormen tusschen de verschillende soorten juist zeer
zeldzaam zijn. Vooral werd hij in deze meening gesterkt toen hij vond, dat onder
een aantal, in een ijskast bewaarde reinculturen van ratinstammen, na een tijds-
verloop van i J en 3 maanden, twee stammen in staat waren lactose en saccharose
onder gas- en zuurvorming te vergisten. Na een nauwkeurige controle bleek hem
echter, dat deze 2 stammen niet zuiver rein waren, maar ook enkele colibacteriën
bevatten. De ratinstammen waren dus feitelijk mengculturen van ratin- en coli-
bacillen. Deze colibacillen bevonden zich dus in een soort van latenten groeitoe-
stand. Gewoonlijk zullen de ratinbacillen in de meerderheid blijven en steeds de
colibacillen overgroeien ; zijn de omstandigheden daarvoor gunstig dan komen de
colibacillen te voorschijn en verdringen de ratinbacillen, zoodat het lijkt, dat men

-ocr page 569-

plotseling een mutatieverschijnsel van ra tinbacillen naar colibacillen ontmoet

Elk niutaticgeval onder bactericsoortcn is dus, volgens Bahr, als twijfelachtig
te beschouwen als men niet van een enkele bacterie is uitgegaan.

de Graaf.

Over Experimenteele Myopie bij Apen.

Dr. M. Soewarno en \\V. F. R. Essed - Genccsk. Tijdschr. voor Nederl. Indic
1918, deel 68, afl. 1, bladz. 112.

Volgens Levinsohn zijn voor het tot stand komen der Myopie noodig twee
praedisponeerende momenten en een oorzaak.

Het eerste praedisponeerende moment is een te korte opticus, absoluut of re-
latief ; het tweede spier- en bindwcefselzwakte (vermindering van spiertonus door
vermoeidheid, uitputtende ziekten, slecht gevoede individuen enz., waardoor
het oog naar voren komt). Het eerste moment is altijd erfelijk, het tweede kan
erfelijk zijn, doch ook verkregen. De oorzaak (,,auslösende Moment") is de zwaar-
tekracht, die daarbij gedurende langen tijd moet inwerken.

Op het Congres te Heidelberg in 1913 demonstreerde Levinsohn twee apen,
die door hem experimenteel myopisch waren gemaakt. Een bevestiging dezer
uiterst belangrijke experimenten van
Levinsohn op apen was nog niet geschied.
Sclir. hebben die proeven herhaald. Zij plaatsten de proefdieren in kastjes met
het hoofd naar beneden zoodanig, dat het gelaat volkomen horizontaal kwam te
staan. lederen dag moesten de apen aldus gedurende 6 uren blijven zitten met
uitzondering van den Zondag. Van de 7 proefdieren hebben in den loop der proef-
neming 5 hun oorspronkelijke hypermetropie veranderd in een myopische re-
fractie. Hun proeven verleenen dan ook allen steun aan de theorie van
Levinsohn,
die de eenige juiste niyopie-thcorie kan zijn.

(Aangeraden wordt eerst te lezen het artikel van W. F. R. Essed : Theoretische
beschouwingen over het verband tusschen zwaartekracht en bijziendheid in het
Gcneesk. Tijdschrift v. Ned. Indic, dl. 65, afl. 6, bladz. 465 Ref ).

Brands.

Tetanusbehandeling met carbolinjecties. Makiano Ji.mknez Revista de Higiene
v Sanidad, Pccuarias.

Ter behandeling kwam een ezeltje met duidelijke symptomen van tetanus,
uitgaande van een wond aan een der voorbeenen.

De wond zelf werd met sublimaatsolutie van 2% gereinigd en gccautcriseerd
met de autocautèrc van
Dechery ; de gewrichten werden gemasseerd met een
revulsivum ; patiënt werd ingespoten met 100 111. gram pilocarpine 0111 de zweet-
en speekselklieren aan te zetten en de peristaltiek te bevorderen, daarna met
40 c.c. van een 2% carbolsolutic subcutaan.

De volgende dagen werden de carbol injecties \'s morgens en \'s avonds herhaald.
Den 3en dag is aanmerkelijke beterschap opgetreden ; met eenige moeite kon het
dier kauwen ; als oefengymnastick kreeg het boonen en als afwisseling stroo te
eten, verder water en geconcentreerd voedsel, gemakkelijk te slikken.

Vanaf den zesden dag werd slechts 25 c.c. carboloplossing per keer ingespoten
en van af den tienden slechts éénmaal per dag 30 c.c. Den i6den dag was het dier
volkomen genezen.

Deze methode door Bacceli.i aangegeven, heeft Jimênez zeer voldaan.

Serum werd niet ingespoten, daar het ezeltje te weinig waarde had.

(De intensieve behandeling van de wond zal, dunkt mij, ook wel van invloed
geweest zijn op het genezingsproces .Ref.)
 Breedveld.

Entgfitung der für die aktive Immunisation bei Cholera, Typhus und Ruhr be-
nutzten Impfstoffe.
R. Pfeiffer, Breslau. Forscluingcn und Fortschritte. 1928.
No. 20.

Reeds eerder is in de ref. van dit tijdschrift melding gemaakt van de toepas-
sing van de Rarnon\'sche methode (ontgifting van diphtherie-toxine door 1\'orma-

-ocr page 570-

line-oplossing zonder de immuniseerende werking te verminderen) op andere ent-
stoffen.
Pfeiffer bespreekt deze toepassing op vaccins van cholera-, typhus- en
dysenterie-bacillen, volgens zijn eigen onderzoekingen bacillen waarbij het vac-
cineerend effect niet op rekening komt van de toxinen. doch van de eerst na re-
sorptie der bacteriënlichamen vrijkomende endotoxinen. De ervaringen gedurende
den wereldoorlog met de op 58" verhitte vaccins bij de drie genoemde ziekten op-
gedaan, waren gunstig, doch als nadeelen blijven de dikwlijs hooge gevoeligheid
voor de toxische werking en de daarmee verband houdende noodzakelijkheid
de enting in 2 ä 3 tempo\'s te verrichten

De resultaten met formaline-vaccin zijn gunstig, doch gelden nog slechts voor
proefdieren. De doodelijke dosis van
cholera-vaccin (gedood bij 56°) bedraagt
voor een cavia van 200 gr. intraperitoneaal 15 a 20 m.G. Daarentegen die van
cholera-vaccin gedood met 0.4% formalinc en daarna 4 weken onder form, bij
37 bewaard, bedraagt 130 m.G. Terwijl liet serum van konijnen, welke 10 dagen
te voren met 1/25 m.G. 56° vaccine of met form-vaccin intravenens gespoten
waren, in beide gevallen dezelfde sterkte bij de Pfeiffersche proef in de cavia-
buikholte bleek te bezitten. Voor
typhus-vaccin bleek de doodelijke dosis voor een
cavia van 300 Gr. van 15 op 45 m.G. verhoogd te zijn, terwijl de aggl. titer van
het serum van met beide vaccins behandekle konijnen niet verschillend bleek.

In het lichaam der ilysenterie-bacilleii heeft men te maken met behalve het
endotoxine, nog met een voor konijnen zeer giftig toxine. Beide blijken door de
formalinc-methoden sterk beïnvloed te worden. Een konijn van 2 K.G. sterft zeker
na intraveneuse inspuiting van 1/4 m.G. 58°-vaccin terwijl formaline-vaccin tot
op 20 m.G. verdragen wordt. De cavia, ongevoelig voor het toxine, gevoelig voor
het endotoxine, vertoont een nog gunstiger verhouding der beide soorten vaccins
dan bij typhus.

Leberegelseuche beim Menschen. Fr. Paul : Seuchenbekämpfung des M. u. d. T.
1928. Heft 2.

Mede naar aanleiding van het vinden van 3 gevallen van distomatose bij men-
schen, korten tijd na elkaar, waarvan 2 met doodelijken afloop, betwijfelt de
schrijver of de gevallen bij menschen wel zoo zeldzaam zijn als de literatuur ons
leert, en hij gelooft dat deze zeldzaamheid te wijten is aan onbekendheid met het
ziektebeeld, de moeilijkheid der diagnose in vergevorderde gevallen en onvol-
doend faecesonderzoek.

Hij beschikt eigenlijk niet over veel bewijsmateriaal voor bovengenoemde
meening en maakt uiteraard dikwijls van pathol-anatomische en andere gegevens
uit de veeartsenijkunde gebruik Dat hij meer gevallen dan de genoemde drie
heeft nagegaan blijkt niet duidelijk en hij heeft zich blijkbaar moeten beperken
tot nauwkeurig faeces-onderzoek, clinische waarneming, histologisch onderzoek
van bij de patiënten weggenomen leverstukjes en de controle van parasieten
afdrijvende middelen. Obductie van de twee gestorven personen kon niet worden
verricht. In elk geval is de mogelijkheid van de waarheid zijner meening niet
uitgesloten en is het goed de aandacht te vestigen op uitgebreid faecesonderzoek
bij menschen in districten waar distomatose onder het vee toevallig in bijzonder
hevige mate optreedt.

Het ziektebeeld van de lijders, dat nauw samenhangt met de door de distomen
veroorzaakte leververanderingen beschrijft hij als volgt :

Initiale sympt : geringe koorts, moeheid, geen eetlust, gevoeligheid bij druk
en ook spontane pijn in de leverstreek, vergrooting der leverdemping, anaemic en
sterke bloedeosinophilie.

Deze symptomen nemen gestadig toe, vooral de leververgrooting, ook icterus
en ascites kunnen optreden. De voortschrijdende cirrhose voert ten slotte tot den
dood. Prognose als slecht te stellen.

In wormafdrijvende middelen als extr. filicis ziet hij succes in het begin toege-
past. Distol wordt afgeraden wegens toxische werking bij menschen.

van Straaten.

-ocr page 571-

TUBERCULOSE.

Intradermic Tuberculine-testing in Cattle. F. Dalling, J. H. Mason, W. S.
Gordon, The Veterin Journal , Oct. 1928.

Vele proeven zijn genomen door de auteurs met geconcentreerde tuberculine
intradermaal en vele onderzochte punten zijn reeds vroeger gepuLlxeerd.

Zij hadden 2 kudden in observatie gedurende de laatste 3 jaar en door de dubbele
intradermale
proef, twee maal per jaar, gelukte het hun de reageerders en niet rea-
geerende te scheiden en de niet-reageerende vrij te houden.

Op boerderij A waren in 1925 103 melkkoeien en vaarsen. Bij de proef reageerden
er
67 positief en 36 negatief. Van de laatste werden er 6 naar een andere plaats
gebracht, waar haar melk diende ter grootbrenging van de kalveren;
31 van de
beste koeien werden naar een nieuwe boerderij gebracht. Twee maal per jaar in
de laatste 2J jaar werd er gctuberculiniseerd. Die dieren, welke bij de kudde ge-
voegd Wi rden zijn ook eerst altijd door de dubbele methode uitgezocht.

Op boerderij B waren 96 koeien en vaarzen. Voor 3 jaar waren daarbij 58 met
tuberculosis. De
38 niet-reageerende werden afgezonderd, echter op dezelfde
boerderij, maar in een andere schuur. Van tijd tot tijd was er wel een bij, die rea-
geerde. Met nieuwe bijvoegingen werd gedaan als op boerderij A. Nu 1 ^ jaar ge-
leden verhuisde de eigenaar naar een nieuwe boerderij. Nu zijn er geen reacties
meer. De onderhuidsche methode werd ook
2 maal toegepast met gelijke resultaten
als de intradermale proef.

De kalveren zijn 3 jaar onder observatie. Zij warden naar de boerderijen ge-
bracht, waar niet-reageerende koeien zijn en met de melk van die gevoed ; de
eigenaar liet ze echter (ongelukkigerwijze) éénmaal bij de moeder drinken. Toch
zijn slechts
2 reageerende gevonden bij 100 kalveren, terwijl op de besmette boer-
derijen de contrólekalveren alle vroeger of later reageerden.

Rij de dubbele intradermale methode is van belang het volgende op te merken :

a. Standaardisatie van de tuberculine. Dit is gedaan door de intradermale
cavia-methode.

Tuberculeus vee reageert niet altijd eender op dezelfde tuberculine ; dit hangt
van de verschillende injectieplaatsen af ; ondervinding is noodig ter classificeering
van de types van reactie.

b. Sterkte van de tuberculine. Eerst werd een gelijke sterkte als de Frankfort-
standaard gebruikt ; nu zelfs
2 tot 4 maal zoo sterk. Het voordeel is minder onbe-
sliste reacties.

c. Vergelijking van de subcutane en de intradermale methode.

Schrijvers vonden 1 koe, die wel op de iste maar niet op de 2de methode rea-
geerde en dit bij herhaling. Bij sectic leed de koe toch aan voortgeschreden alge-
meene tuberculosis.

In 5 gevallen echter reageerden de dieren alleen intradermaal. Deze 5 koeien
zijn nog in observatie.

De slotsom is, dat de dubbele intradermale methode vertrouwbaar is ; mis-
schien is het aantal fouten minder dan met de onderhuidsche methode.

Breedveld.

Two cases of tuberculosis in Sheep. W. Jowett, Edinburgh, The Journ. of
vomp. Path. and Therap., Sept. 1928.

Van twee schapen, beide met long- en levertuberculose, met inbegrip van de
bijbehoorende klieren, werd een nader onderzoek omtrent den aard der tuberculose
ingesteld. De uit de organen aangelegde cultures (goede groe op eivoedingsbodem,
idem op glycerineaardappel, langzame groei op glycerine-agar) waren overeen-
komstig die van de bovine tuberkelbacil (grijzige, doffe laag).

Injecties met bacillen-emulsies bij konijnen en cavia\'s sloegen aan ; duiven en
hoenders vertoonden na de injectie hij sectie geen tuberculose.

L. P. de Vries.

-ocr page 572-

INSUFFICIENTIA (DECOMPENSATIO) CORDIS BIJ EEN HOND,

KLINISCHE LES

door

H. JAKOB

(Met 2 afbeeldingen).

Ik zal U vandaag een hond demonstreeren met gegeneraliseerde
huidoedemen en hydropsiën welke in een causaal verband met
hartzwakte of circulatiezwakte blijken te staan.

De anamnese is hier in de eerste plaats van veel belang. Zij heeft
echter slechts dan voor de beoordeeling van een dergelijk ziekte-
geval waarde, wanneer de eigenaar van den hond in kwestie zijn dier
behoorlijk heeft geobserveerd, wat jammer genoeg bij de naar
onze kliniek gebrachte dieren meestal niet het geval is. In dit geval
echter heeft de eigenaar zijn dier wel goed waargenomen.

Volgens den eigenaar is de hond ruim 4 jaar in zijn bezit en was
hij bij den koop nog geen jaar oud. Het dier wordt voor trekdiensten
(groentewagen) gemiddeld 5 uur per dag gebruikt en is sinds een
maand of twee niet meer geheel in orde. Het eerst viel hem op dat
de hond, die voordien altijd gezond was, niet meer zoo goed en zoo
lang kan werken en dat hij gauwer ,,moe" wordt. De eetlust is
ook in de laatste 4 a 5 weken iets verminderd, terwijl de hond meer
dan vroeger water drinkt zonder echter abnormaal veel te urineeren.
De laatste 14 dagen zijn de verschijnselen van vermoeidheid toe-
genomen en wordt de hond, dien de eigenaar sinds dien tijd niet
meer voor trekdiensten gebruikt, meer en meer benauwd. Op-
vallend is ook dat het dier „dikke beenen" krijgt en de buikom-
vang ondanks de geringe voedselopname grooter wordt. Sinds een
paar dagen neemt de „dikte" vooral aan de beenen en de buik
toe ; het dier is suf, loopt moeilijk en uiterst langzaam en hoest
af en toe.

Welke ziekte kunnen wij hier, gehoord deze anamnese, a priori wel
vermoeden ?

Omdat wij hier met een trekhond te doen hebben, die bijna 4
jaar lang vrij zwaar werk - laat ons dit veronderstellen - heeft
moeten verrichten, zullen wij in de eerste plaats aan een
gedecom-
penseerd hartlijden
(eventueel gepaard met een longlijden) met
secundaire oedeemvorming en hydropsiën moeten denken. Echter
mogen wij hieruit niet de algerneene conclusie trekken, dat een
trekhond van eenigszins behoorlijken lichaamsbouw reeds na 4
jaar arbeid een dergelijk hartlijden acquireert. In dit geval hebben
wij met een uitzonderingsgeval te doen, met een soort van prae-
dispositie, waarvan de oorzaken ons onbekend zijn.

Algerneene vetzucht (adipositas (obesitas) generalis) geeft ook wel
aanleiding tot dikworden en tot een minder goede hartwerking

LVI 3S

-ocr page 573-

als gevolg van het cor adiposum, tot moeilijk loopen en tot be-
nauwdheid, maar dergelijke dieren maken geen direct zieken indruk
zooals onze patiënt en hierbij neemt de dikte of omvangsvermeer-
dering ook niet in een tijd van 14 dagen of nog minder, zooals bij
dezen patiënt, in een dergelijken sterken graad toe. Verder beperkt
zich dan de vetontwikkeling niet slechts tot bepaalde meer laag
gelegen lichaamsdeelen en zeer zeker niet in sterken graad tot de
beenen, maar is vrij algemeen. Daarom is deze laatste veronder-
stelling hier wel buiten te sluiten ofschoon het dier zelf zeer zeker
den indruk maakt heel goed gevoed te zijn. Overigens is het voor-
komen van vetzucht een — echter niet te benijden — voorrecht
van de niet werkende hondencategorie.

Status praesens :

De hond in casu is een dogbastaard, trekhond, reu, 5 jaar oud
en van schijnbaar zeer goeden voedingstoestand. Het dier staat
op het oogenblik in de demonstratiezaal te hijgen en maakt een
eenigszins suffen indruk. De bewegingen geschieden langzaam en
blijkbaar moeilijk. Na even loopen beginnen de extremiteiten vrij
^terk te trillen tengevolge van deze voor het dier vermoedelijk
al te sterke inspanning. Bij het optillen op de demonstratietafel
hooren wij de hond een enkele keer kreunen.

De haren vertoonen geen veranderingen van belang, zij zijn
glanzend en liggen in het algemeen goed aan ; slechts in de mid-
delste buikstreek staan ze beiderzijds iets overeind, wat wel vel-
band kan houden met een sterkere spanning der huid op die plaats
als gevolg van de beiderzijdsche uitzetting van het abdomen.

De geheele huid lijkt verdikt ; een opvallende omvangsver-
meerdering vinden wij echter vooral in de keelstreek, aan de
onderborst en onderbuik, aan het praeputium en scrotum en aan
alle 4 de extremiteiten. De huid voelt in het algemeen warmer aan
en is wat consistentie betreft vooral aan de bovengenoemde
lichaamsdeelen deegachtig ; vingerindrukken (compressiones digi-
torum) blijven hier gedurende vrij langen tijd bestaan. Zonder
twijfel hebben wij hier met een vrij sterk uitgebreid
huidoedeem te
doen. (zie afb.c en 3). Dat dergelijke oedemen het sterkst aan de lager
gelegen lichaamsdeelen optreden berust zooals U bekend is hoofd-
zakelijk op een onvoldoende hart- en bloedvat werking (onvol-
doende bloedcirculatie en verhoogde druk in de gestuwde capil-
lairen, waarbij tevens de doorlaatbaarheid van de capillairwanden
door zuurstofgebrek verhoogd kan zijn en de afvoer van veneus
bloed vooral van uit de van het hart meer verwijderd gelegen huid-
deelen op groote moeilijkheden stuit). In hoever hier ook nog de
asphyctische veranderingen in de weefsels en de verminderde
water- of zoutuitscheiding via nieren, de sterke keukenzoutrc-
tentie of melkzuurretentie volgens de theorie van M. H. F
isciier,
die een secundair verhoogde hydratatie van de colloiden tengc-

-ocr page 574-

volge zal hebben, een theorie die echter in den laatsten tijd wordt
bestreden, de oedeemvorming begunstigen, zullen wij als behoorende
in het groote rijk der theoriën buiten bespreking laten, omdat wij
dit hier niet weten.

Hoe is nu bij onzen patiënt het vrij sterke oedeem in de keelgangs-
streek te verklarend

Terwijl dergelijke locale stuwingsoedemen in de keelstreek wel
door locale zwellingen van vrij grooten omvang b.v. een groote
struma of een sterk vergroote lymphoglandula retropharyngea
bv. bij leucaemie, met als gevolg locale circulatiestoornissen met
name veneuze stuwing, een enkelen keer voorkomen - van regio-
naire ontstekingsoedemen als gevolg van hevige ontstekingen of
abscessen in de hals- of keelsgangsstreek zullen wij hier verder
niet spreken, omdat die bij onzen patiënt niet te constateeren
zijn — kunnen wij deze hier absoluut buitensluiten, ofschoon de
retropharyngeale lymphklieren en de mandibulaire lymphklieren
evenals alle andere huidlymphklieren zooals wij straks zullen zien,
gering vergroot zijn, echter niet in die mate, dat wij daarvoor
dit vrij sterke oedeem in de keelgangstreek zouden kunnen ver
klaren. Het oedeem in de keelgangsstreek is op het oogenblik van
het onderzoek bij het staande dier zeer zeker aanwezig en bevindt
zich dus op een vrij hooggelegen plaats. U moet hier echter wel
bedenken en U zult dit ook later zien, dat de hond zoodra hij vrij
loopt zijn hoofd in den regel iets laat hangen en dat hij vooral bij
het liggen in zijn hok met zijn hoofd bijna voortdurend een vrij
lage houding gaat innemen. Zonder twijfel is dus ook dit oedeem
in de keelgangsstreek als een stuwingsoedeem van denzelfden
causalen oorsprong als de overige oedeemvorming van de huid
op te vatten.

Daar de huid vrij sterk gepigmenteerd is, zoo is niet na te gaan
of ze wel abnormaal, in dit geval cyanotisch, verkleurd is.

Het oogslijmvlies is beiderzijds tengevolge van de veneuze stu-
wing vuil cyanotisch gekleurd; echter treedt hier een meer hyperae-
mische kleur op den voorgrond. Is een hyperaemische kleur niet
als gevolg van een ontsteking van het oogslijmvlies op te vatten,
dan kunnen wij al uit deze kleur in het algemeen de conclusie trek-
ken dat de eventueel aanwezige transsudaten niet sterk haemorr-
hagisch zullen zijn. Het
mondslijmvlies vertoont eveneens voor
zoover het tenminste niet gepigmenteerd is een cyanotisch-hyperae-
mische kleur.

De huidlympklieren zijn allen voorzoover zij kunnen worden
onderzocht eens zoo groot als normaal en van vrij weeke consi-
stentie (
oedema lymphoglandularum cutis).

De ademhalingsfrequentie bedraagt 42, (dus meer dan verdub-
beld), de ademhaling is ingespannen (dyspnoisch) en onregelmatig.
In- en exspiratie zijn bemoeilijkt. De exspiratie duurt langer dan

-ocr page 575-

de inspiratie. Vooral gedurende de exspiratie lrooren wij het dier
af en toe kreunen. Of dit nu werkelijk een uiting van pijn is, kunnen
wij niet met zekerheid uitmaken. Het type van de ademhaling is
costoabdominaal, echter overheerscht meer het costale type ;
vooral bewegen zich vrij sterk de laatste 8 ribben.

Kunnen wij nu uit deze afwijkingen in ademhalingsfrequentie,
wijze van ademhaling en type der ademhaling al bepaalde conclusies
trekken
? Tot op zekere hoogte wel. Zeer zeker wijzen deze afwijkin-
gen in de eerste plaats op een intrathoracale aandoening en wel op
een
verkleining van de respiratorische oppervlakte van de longen.
Om het noodige quantum 02 namelijk in dit organisme te brengen
wordt de ademhaling frequent en door de zonder twijfel bestaande
uitoefening van druk op de longen wordt ook de ademhaling
dyspnoisch met bemoeilijkte in- en exspiratie (verkort in- en ver-
lengd exspiratiestadium).

Ook het meer overheerschend costale ademshalingstype wijst
eveneens op een intrathoracale afwijking, die wij echter nooit
met zekerheid uit het type der ademhaling alleen kunnen afleiden,
temeer niet, daar eene reeks van longveranderingen die gepaard
gaan met dyspnoische verschijnselen een meer beslist costaal
ademhalingstype vertoonen. In hoeverre wij hier ook met een on-
voldoende functie van het diaphragma, de meest belangrijke spier
voor de inspiratie, te doen hebben, kunnen wij op het oogenblik
nog niet zeggen.

Femoraalpols : 146. (Tachycardie). De pols is klein en zwak en
af en toe onregelmatig. Tonusverhooging (of verlaging) is bij deze
pulsus parvus, debilis et arhythmicus niet te constateeren. De ab-
normaal hooge frequentie en de qualiteit van den pols wijzen ten-
minste gedeeltelijk in de richting van een cardiale anomalie (waar-
schijnlijk hartzwakte).

Omtrent den graad van een dergelijke hartaandoening kunnen
wij echter hier slechts vermoedens hebben : zekerheid daaromtrent
geeft ons het onderzoek van de pols alleen nooit.

De lichaamstemperatuur (rectaal) is 38.6° C. ; dus niet abnor-
maal. Echter kunnen wij zooals U bekend is, door eenmaal opname
van de lichaamstemperatuur in het algemeen niet met zekerheid
intermitteerende febriele reacties uitsluiten. Gezien hier evenwel
het vrij langzame verloop verwachten wij in dit geval geen abnor-
maal verhoogde lichaamstemperatuur. Dat wij de opname van de
lichaamstemperatuur pas na het einde van ons meer algemeen
onderzoek verrichten heeft zijn reden. Het dier is dan gedurende
het vooronderzoek meer gekalmeerd en wij krijgen zoo een meer
juiste lichaamstemperatuur. Het is ons toch bekend dat alle in-
spanningen van het lichaam, zelfs van betrekkelijk korten duur
(voor het zieke dier geldt dit nog meer dan voor het gezonde),
temperatuurverhoogingen ten gevolge hebben, waaruit eventueel

-ocr page 576-

verkeerde conclusies zouden kunnen worden getrokken. De faeces
(NB. meervoud van faex, faecis gist!) welke aan de thermometer
zijn blijven kleven, zijn donkerbruin en zonder abnormale bij -
mengselen.

Respiratieapparaat. Neusuitvloeiing ontbreekt. Planum nasale
is vochtig en koel. Stridor nasalis is niet te constateeren. Wel
hooren wij een enkelen keer vooral bij exspiratie het dier kreunen,
hetgeen in verband met de bemoeilijkte ademhaling te brengen is.
Het is als een stridor laryngealis als gevolg van de slappe stem-
banden tengevolge van een functiestoornis van de musculus
vocalis op te. vatten en komt vooral bij zwakke en ernstig zieke
dieren met longaandoeningen voor.

Afgezien van het huidoedeem in de keelgangstreek zien wij in
de regio laryngealis et trachealis niets bijzonders. Stridor trachealis,
evenals fremitus trachealis ontbreken. Alleen bij drukken op de
onderste tracheaal-ringen vóór de apertura thoracis anterior hoest
de hond een enkele keer. Spontaan heeft de hond tot nu toe ge-
durende het onderzoek niet gehoest. I)e hoest is vrij zwak en iets
vochtig. Een dergelijke vrij zwakke en iets vochtige hoest wijst
in den regel op bronchiale of bronchiolaire catarrhale aandoeningen
van geringen graad, die echter in ons geval niet als het gevolg van
ontsteking, maar zeer waarschijnlijk als het gevolg van stuwing
met geringe transsudatie in de bronchiën en bronchiolen (ev.
alveolen) tengevolge van onvoldoende hartwerking en druk op de
longen op te vatten zijn. Een positieve venenpols is niet te zien.
Echter zijn de jugularen wel sterk gevuld en schijnt het terug-
stroomen van het veneuze bloed naar het rechter hart via vena
cava cranialis bemoeilijkt te zijn.

De thorax is beiderzijds en wel meer dan gewoonlijk bij deze
diersoort het geval is, gewelfd. De borstomvang achter de schouder
bedraagt 90 c.m.

Kan nu deze sterkere welving der ribben, ons al een aanwijzing
geven voor een inthrathoracale aandoening?

Zeer zeker kan deze abnormale welving der ribwand met een
pathologische uitzetting van den thorax tengevolge van intratho-
racale vloeistofophoopingen, gezwelvormingen of een sterke uit-
zetting der longen, als gevolg van een bij deze diersoort het meest
voorkomend alveolair longenemphyseem verband houden ; echter
kan ook bij dit in het algemeen goed gebouwde dier de sterkere
welving van den thorax tenminste voor een deel ook van jongsaf
aan hebben bestaan.

De thoraxwand voelt iets warmer aan dan de buikwand. Daar-
uit kunnen wij echter in dit geval geen bepaalde conclusies trek-
ken, temeer niet, daar ook bij gezonde honden en vooral bij der-
gelijke kortharige dieren, geringe warmteverschillen voorkomen.
Door intercostale, beiderzijdsche palpatie in den vorm van matigen

-ocr page 577-

Afb. T.

Insufficientia cordis.
a. percussiegebied holle volle toon. b. dempingsgebied, c. percussiegebied tym-
paniseh gedempte toon,
d. dempingsgebied, e. huidoedeem, i. vermoedelijke
stand van het diaphragma, 2. hypochondrium, 3. huidoedeem in keelgangsstreek.

Afb. 2.
Insufficientia cordis.

-ocr page 578-

digitalen druk vooral van de middelste en onderste borstwand
evenals door druk op het sternum nemen kreunen en dyspnoe toe,
omdat daardoor vooral de drukking op de longen meer verhoogd
en de ademhaling nog moeilijker wordt.

Bij percussie van den rechter thoraxwand in verticale richting,
die wij zooals U bekend is — tenminste laat ons dit hopen — altijd
het eerst en wel direct achter den schouder in de 3de of 4de inter-
costaalruimte toepassen, om eventueele vloeistofophoopingen tv
kunnen aantoonen, krijgen wij in het dorsale longpercussieveld
een kleine handbreedte onder de rug een zeer holle volle longtoon
te hooren (zie afb. 1
a), die daarna in een min of meer gedempten
toon (ongeveer 2 vingerbreed) en vervolgens in een totale gelijk-
blijvende demping tot aan het sternum toe overgaat. De verticale
percussie van de andere verschillende achtereenvolgende inter-
costaalruimten (tot de 8ste) levert bijna hetzelfde resultaat op.
Het geheele dempingsgebied op deze zijde beslaat ruim 2/3 van den
thoraxwand en reikt tot ongeveer twee vingers boven het boeg-
gewricht. (zie afb.
ib).

De geheele bovenste percussielijn vanaf de demping is vrijwel
horizontaal, schommelt wel iets bij in- en exspiratie hetgeen even-
tueel ook in verband met de hart functie kan staan.

Bij de horizontale percussie in de dorsale streek van den thorax-
wand is de zeer holle, volle toon tot aan de laatste rib waar te
nemen.

De bevindingen door middel van de verticale en horizontale
percussie van den
linker thoraxwand zijn dezelfden. (Zie afb. 2 a en b.)

Bij flink kloppen met één of 2 vingers op een der intercostaal-
ruimten, bv. de 5de, eenige c.m. boven het sternum kunnen wij
iets onder de door de percussie vastgestelde dempingslijn een vrij
duidelijke
undulatie met twee vingers van de andere hand in
deze intercostaalruimte voelen.

Bij voorzichtige zijligging verandert de stand der demping. Het
gebied van demping in het middelste gedeelte van den thoraxwand
maakt hier dan plaats, ongeveer ter handbreedte, voor een meer
hollen, vollen, gering tympanischen toon. Al deze drie factoren :
beider zijdsche horizontale dempingslijn, undulatie en veranderde
stand der demping bij zijligging
wijzen zonder twijfel op een op-
hooping van vrij beweeglijke vloeistof in een groot deel van de
thorax.

Mogen wij nu een dergelijk dier met vrij veel vrij beweeglijke vloei-
stof in de thorax in rugligging brengen?

In het algemeen niet, omdat dergelijke in vrij groote hoeveel-
heid in de pleuraholten voorkomende vloeistoffen (vooral trans-
sudaten) daarbij o.a. op de aorta ascendens of op de arteria brachio-
cephalica en de art. carotis drukken, waardoor de bloedstoevoer
naar de hersenen momenteel stopgezet kan worden en als gevolg

-ocr page 579-

van de hersenanaemie suffocatie en hartstilstand kunnen optreden,
een waarneming die ik al een enkele keer bij dergelijke dieren heb
kunnen maken. Bij exsudatieve processen b.v. bij pleuritis fibri-
nosa exsudativa, waarbij tevens zich een fibrinelaag van verschil-
lenden dikte op de tunica externa (adventitia) van de bloedvaten
afzet en waardoor de bloedvatwand dikker wordt, bestaat de kans
op een sterk comprimeeren van deze bloedvaten in veel geringeren
mate of heelemaal niet.

Wanneer wij echter met behulp van de drie genoemde methoden
met zekerheid een vrij beweeglijke vloeistofophooping in de thorax
hebben kunnen aantoonen is onderzoek bij rugligging niet meer
noodig.

In twijfelachtige gevallen kunnen wij bovendien nog procj-
punctie
toepassen en staat ons ook nog, tenminste in klinieken,
het
rocntgcncnderzoek, waarbij wij bij doorlichting op het scherm
een meer of minder duidelijk golvende beweging van de vloeistof-
oppervlakte kunnen zien, ter beschikking.

De vloeistof zelf geeft daarbij een middelmatig sterken schaduw.

Bij auscultatie van het dorsale gedeelte van de thorax in het
gebied van de zeer holle, volle longtoon hooren wij beiderzijds een
verscherpt vesiculair ademen, dat echter voor het grootste deel
door het bronchiaal- of tubairademhalingsgeruisch, hetgeen vooral
aan den overgang in den gedempten toon aan intensiteit toeneemt
en door een sterker samendrukken en een partieele luchtledigheid
van de long door de vloeistofophooping tot stand kan komen,
overtroffen wordt. Af en toe zijn in deze streek ook vochtige
rhonchi te hooren. In de sterk gedempte zone is beiderzijds geen
ademhalingsgeruisch te constateeren.

Bij het onderzoek van het hart kunnen wij zeer belangrijke af-
wijkingen waarnemen. In de eerste plaats is van een ictus cordis
noch links noch rechts iets te zien.

Bij de palpatie van de regio cardialis is verder geen hartbeweging
of hartslag te voelen.

Bij auscultatie met behulp van ons gewoon phonendoscoop zijn
zoowel links als rechts zoo goed als geen harttonen te hooren.
Slechts af en toe hoort men schijnbaar op zeer grooten afstand
zwakke harttonen, die echter geen differentiatie (zuiver, onzuiver,
geruischen) toelaten.

Op welke wijze kunnen wij nu deze abnorm-ale cordiale symptomen
verklaren?

Al deze cardiale symptomen kunnen wel veroorzaakt zijn door
de belangrijke beiderzijdsche vloeistofophooping in de thorax,
die wij reeds hebben kunnen constateeren. Daardoor wordt het hart
van de thoraxwand meer naar het midden van de thoracale ruimte
toe verschoven. Echter moet in zulke gevallen de vloeistof tusschen
pleura costalis en pleura pulmonalis minstens beiderzijds een dia-

-ocr page 580-

meter van 2—2 \\ cm. bezitten, wat wij hier gerust mogen veronder-
stellen en moet er hartzwakte bestaan.

Bestaat in dit geval wellicht ook de mogelijkheid, dat de door ons
geconstateerde vloeistof zich niet uitsluitend vrij in de thorax bevindt
maar tevens ook in het pericardium voorkomt?

Theoretisch beschouwd zal bij hartdecompensatie, gepaard
gaande met algerneene veneuze stuwing het zeer goed mogelijk
kunnen zijn dat ook in het pericardium vocht aanwezig is ; echter
kunnen wij dit bij onzen patiënt niet met zekerheid kliniscli uit-
maken, omdat de groote hoeveelheid vloeistof, die in de intra-
thoracale ruimte aanwezig is, een onderzoek in deze richting hier
onmogelijk maakt. Zeer groot zal echter de vloeistofophooping
in het pericardium niet zijn, daar anders bij het staande dier zeer
zeker de horizontale vloeistoflijn door een meer gebogen dempings-
lijn, die op een sterke vloeistofophooping in het pericardium wijst,
zou zijn onderbroken, hetgeen hier niet het geval is. Overigens
schijnt het bij dergelijke vloeistofophoopingen volgens mijn er-
varing regel te zijn wat trouwens ook begrijpelijk is —- dat bij
een primaire sterkere vulling van de intrathoracale ruimte met
vloeistof de vulling van het pericardium tengevolge van de heer-
schende druk veel minder intensief is en ook omgekeerd.

Bij het onderzoek van het digestieapparaat vinden wij in de mond-
holte en in de pharyngeale streek, met uitzondering van een ge-
ringe oeclemateuze zwelling van de lymphoglandulae retropharyn-
geae niets bijzonders. Evenmin zijn in de halsstreek van de oeso-
phagus afwijkingen te constateeren.

Bij inspectie van het abdomen kan een vrij sterke beider zij dsche
symmetrische uitzetting van het abdomen worden waargenomen.
I)e uitzetting is het sterkst in het mediale en vooral in het ventrale
Epi-, Meso- en Hypogastrium. In deze streken is ook de tonus van
de buikspieren meer verhoogd dan in het dorsale Epi-, Meso- en
Hypogastrium. De buikomvang bedraagt ongeveer 1 meter. Pijn-
lijkheid treedt bij abdominale palpatie niet op, echter nemen bij
sterkeren manueelen druk op het abdomen als gevolg van de ver-
kleining van de respiratorische oppervlakte van de long het kreunen
en vooral de dyspnoë toe en kan daarbij dan tevens bucaalademen
worden opgemerkt.

De undulatieproef is duidelijk positief. De grens van de vloei-
stofbeweging bevindt zich ongeveer een handbreedte onder de
rug-lendenstreek.

Hij de percussie van den buikwand krijgen wij beiderzijds in de
dorsale buikstreek ongeveer ter breedte van een hand een tym-
panische toon te hooren, die daarna ongeveer een of twee vingers
breed in een gedempt tvmpanische toon en vervolgens in een
duidelijk gedempten toon tot in de geheele ventrale buikstreek
overgaat.

-ocr page 581-

De demping verloopt beiderzijds horizontaal en is bijna even hoog
als de demping van den borstwand. Bij voorzichtige zijligging
verandert ook deze demping duidelijk van plaats omdat de vloeistof
zich dan naar de meer dieper gelegen intraabdominale ruimte ver-
plaatst. Hieruit blijkt duidelijk dat ook in het abdomen zich een
vrij beweeglijke vloeistof bevindt.

Omiat de st .lid van de vloeistof in thorax en abdomen bijna even
hoog is, bestaat dan misschien niet de mogelijkheid dat de vloeistof
via het diaphragma communiceert?

In den regel bestaat er een dergelijke communicatie niet. Echter
komen wel een enkelen keer uitzonderingen hierop voor. In der-
gelijke gevallen moeten wij dan aan congenitale anomaliën van
het diaphragma in den vorm van een diaphragmaspleet of aan een
onvolledige sluiting van het diaphragma (partieele aplasie) b.v.
in de omgeving van de oesophagus, denken, vooral wanneer wij trau-
matische inwerkingen die een ruptura diaphragmatis tengevolge
kunnen hebben, met zekerheid kunnen buitensluiten. Het bewijs
van het bestaan van een dergelijke communicatie is klinisch slechts
te leveren, wanneer wij b.v. na de punctie van het abdomen een
volgens goede schatting veel te groote hoeveelheid punctaat
krijgen en tevens daarbij ook de thoracale demping zeer belangrijk
vermindert.

De hoeveelheid punctaat kunnen wij bij dezen grooten hond,
gezien de vrij sterke uitzetting van het abdomen en onze bevin-
dingen bij de percussie wel op ongeveer 12 a 13 Liter schatten.
Een vergissing in deze schatting is mogelijk, wanneer groote ab-
dominale tumoren, die wij echter niet hebben kunnen aantoonen
en die in ons geval waarschijnlijk ook niet aanwezig zijn, de uit-
zetting van den bui kom vang helpen vergrooten.

De fueces zijn vrij week van consistentie en zonder verdere af-
wijkingen.

De urine, die wij al vanmorgen hebben laten opvangen en die
onze patiënt zonder moeite loost, is vrij helder, geelbruin van kleur,
van aromatischen reuk (bouillon), zuur, en met een soortelijk ge-
wicht van 1038. Bij flink schudden in een reageerbuisje krijgen wij
vrij veel geelgekleurd schuim, dat vrij compact is en zooals wij zien
vrij lang blijft bestaan. Zeer zeker bevat deze urine galkleur-
stoffen (geel schuim, geelbruine kleur en vrij hoog soortelijk ge-
wicht) en zeer waarschijnlijk ook eiwit (compact schuim dat niet
snel verdwijnt). De eiwitproeven zijn alle positief echter niet in
zeer sterke mate. Uit de niet intensieve troebeling bij de sulfo-
acid. salicylproef (20%) kunnen wij wel het eiwitgehalte ongeveer
schatten. Meer dan | pro mille (Esbach) zal het eiwitgehalte wel
niet bedragen, wat later ook werkelijk gebleken is. De Gmelinsche
evenals de proef volgens
Hammarsten zijn duidelijk positief ; de
suikerreacties negatief. Andere chemische proeven zijn hier over-

-ocr page 582-

bodig. Bij het microscopisch onderzoek van het urinesediment
(verkregen door 10 minuten lang centrifugeeren) kunnen bij kleine
vergrooting en bij zoo weinig mogelijk lichtinval (dit laatste omdat
wij anders bepaalde urinebestanddeelen zooals hyaline cylinders
niet zouden herkennen) enkele hyaline cylinders worden waar-
genomen en behalve deze cylinders bij sterke vergrooting verschil-
lende licht geslgekleurde niercellen, die voor een deel gedegene-
reerd zijn ; enkele leucocyten, blaas- of prostaatcellen en een paar
spermatozoen (voor een reu een vrij normaal verschijnsel)worden ver-
der onderkend. Het meest van belang voor ons zijn hier de hyaline
cylinders en de nierepitheliën, die zonder twijfel met een nephro-
pathie in verband staan. Echter is het ons op grond van het che-
misch en microscopisch onderzoek in dit geval niet mogelijk met
zekerheid de soort van de nephropathie vast te stellen ; een
bepaalde schrompelnier (nephrocirrhosis) of een intensieve paren-
chymateuze nephritis of tubulaire (epitheliale) nephrosis mogen
wij hier wel buitensluiten. Geringe graden, vooral van laatstge-
noemde nephropathie, kunnen echter wel bestaan.

Gezien de overige stuwingen - en als zoodanig mogen wij ze
wel opvatten — moeten wij in ons geval aan een nierstuwing
Ihyperaemia venosa renum (nieroedeem, oedema renale)] denken,
waarbij naast geringe albuminurie ook enkele hyaline cylinders en
verscheidene niercellen worden gevonden.

De aanwezigheid van vrij veel galkleurstoffen wijst eveneens
veel meer in de richting van een leverstuwing (Hyperaemia venosa
hepatis en Oedema hepatis) dan op het bestaan van een hepatitis.
Daarbij is de lever vrij belangrijk vergroot, wat wij echter bij onzen
patiënt pas na de abdominale punctie en wel vooral door middel
van de palpatie van het merlio-ventrale Epigastrium kunnen con-
stateeren.

Daar onze patiënt vrij sterk dyspnoisch wordt en ook de vloei-
stofophoopingen in het abdomen en de thorax groot zijn, moeten
wij in dergelijke gevallen om het hart zooveel mogelijk te ontlasten
direct de therapeutische abdominale punctie en eventueel ook de
thoracocentesis verrichten. In dit geval bestaat hiervoor naast
een indicatio symptomatica vooral een indicatio vitalis. In derge-
lijke gevallen zou het verkeerd zijn eerst ter wille van een onder-
zoek van het punctaat, waarvoor kleine hoeveelheden b.v. 100 c.c.
voldoende zijn, een proefpunctie te verrichten. De intraabdominale
(of intrathoracale) druk van dergelijke vloeistoffen is nl. in deze
gevallen zeer groot en als gevolg daarvan kan dan door de bij de
punctie gemaakte spierwond heen na het afsluiten van de huidwond
vrij veel vloeistof in het onderhuidsche bindweefsel terecht komen.

Door onderzoek van het verkregen punctaat is uit te maken of
wij in ons geval met een transsudaat het meest voor de hand
liggende - clan wel met een exsudaat te doen hebben.

-ocr page 583-

Op welke manier zullen wij de abdominale punctie verrichtend

Voor de buikpunctie zullen wij het dier met behulp van twee
personen die het dier aan hoofd en voorhand en aan de achter-
hand goed vasthouden, in zijligging brengen en daarvoor zorgen
dat de onderbuik zooveel mogelijk op of vóór den rand van de
tafel komt te liggen, ten einde gemakkelijk het punctaat in een
gereed gehouden cylinder te kunnen opvangen.

Na het verwijderen van de haren iets onder en achter de regio
umbilicalis, na desinfectie van de punctieplaats en omgeving met
70% alcohol of tinct. jodii en locale anaesthesie door middel van
bevriezing met aethylchloride, gaat U hier, na te voren uwe
handen goed met alcohol ontsmet te hebben op dezen stoel (ta-
bouret) vlak voor de patiënt zitten, drukt met de vrije linker hand
ongeveer in de buurt van de vloeistofgrens stevig op het abdomen
om alzoo een behoorlijke spanning van de huid, de buikspieren en
het peritoneum, die wij moeten perforeeren, te verkrijgen, en steekt
dan met de rechterhand de goed gefixeerde en steriele trocar in-
eens op de ontsmette plaats, liefst daar waar geen venen verloopen,
in de richting van de 10de of ixde intercostaalruimte in en wel zoo
diep als door U met uw wijsvinger tevoren op de canule is bepaald.

U kunt hier gerust de trocar 4 a 5 centimeter insteken zonder
gevaar te loopen de darmen te laedeeren. Alleen bij zeer groote
levergezwellen bestaat misschien de mogelijkheid in een deel van
een dergelijk gezwel intesteken, waarbij wij dan natuurlijk geen
punctaat zouden krijgen. Na goede fixatie van de canule aan den
buikwand trekt U het stilet vlug eruit, drukt eventjes op de ope-
ning van de canule en laat het punctaat, dat hier in flinken straal
uit de canule loopt, in een cylinder vloeien. Na het aftappen van
ongeveer 12 Liter vloeit het punctaat niet meer in een behoor-
lijken straal af, en komt ten slotte nog slechts druppelsgewijze te
voorschijn en voelt U nu en dan het stooten van darmdeelen of
van het omentum tegen de canule aan ; een bewijs dat zich niet
veel (hoogstens 1 Liter) vloeistof meer in het abdomen bevindt
en U de-punctie gerust kunt staken. Alvorens echter de canule uit
te trekken brengt U het stilet wederom voor het grootste gedeelte
in de canule en trekt onder geringen druk op den buikwand de
trocar vlug eruit. De punctieopening sluit U hier, omdat ze gering
bloedt, het best met een agrafe.

Nu zullen wij onzen patiënt laten opstaan en daarop het ab-
domen dat nu zeer sterk is ingevallen, door middel van palpatie
onderzoeken. In het medio- ventrale epigastrium vinden wij de
leverranden duidelijk verdikt en stomp ; de oppervlakte ervan is
voorzoover wij dit kunnen nagaan echter glad. Een en ander wijst
zeer zeker op een leverstuwing. Levertumoren van grooten om-
vang en verder ook andere abdominale tumoren kunnen wij niet
constateeren. Wij zullen nu nog eens de thorax opnieuw percu-

-ocr page 584-

teeren, om te zien of de intrathoracale demping belangrijk is ge-
zakt. Hierbij blijkt dat deze demping beiderzijds ruim twee vinger-
breed is gedaald, hetgeen echter uitsluitend verband houdt met
de punctie van het abdomen. Daardoor is nl. vooral de sterke
druk op het middenrif opgeheven en deze meer naar het epiga-
strium toe verplaatst. Een communicatie via het diaphragma tus-
schen de beide vloeistoffen bestaat er dus niet. De ademhaling is
nu iets minder frequent en ook de dyspnoë niet meer zoo intensief
als te voren.

Bestaat er bij onzen -patiënt een indicatie voor onmiddellijke thora-
cocentesis ?

Niet direct. In het algemeen is het niet aan te bevelen, na ab-
dominale punctie en het laten afvloeien van een groote hoeveel-
heid punctaat direct de thoracocentesis toe te passen. Wij moeten
hier immers toch bedenken, dat het hart (in dit geval het insuf-
ficiënte hart) zich eerst aan dezen nieuwen toestand moet aan-
passen en dat het met de punctie gepaard gaande eiwitverlie^s onzen
patiënt in hooge mate kan verzwakken en collaps kan veroor-
zaken. Mochten echter binnen enkele dagen de verschijnselen
van de kant van de longen en het hart niet beter worden en de
intrathoracale vloeistofophooping niet verminderen of zelfs toe-
nemen, dan moeten wij wel tot de thoracocentesis overgaan. Wij
dienen nu nog het punctaat te onderzoeken en zullen dan wel
instaat zijn een behoorlijke diagnose te maken.

Het punctaat is een vrij heldere, lichtgele vloeistof met alcali-
sche reactie en met reuk als van „slootwater". Het soortelijke ge-
wicht is 1016. Het eiwitgehalte van het met 9 deelen water ver-
dunde punctaat is 2.5% Esbach. De proef volgens Rivolta is on-
duidelijk.

Na het centrifugeeren (10 minuten) krijgen wij slechts een weinig
iets rood gekleurd sediment, bestaande uit enkele, meerendeels
gedegenereerde endotheelcellen, verscheidene erythrocyten en
enkele lymphocyten. Summa summarum kunnen wij besluiten
met een transsudaat te doen te hebben, hoewel het soortelijk ge-
wicht en het eiwitgehalte (die echter bij zuiver transsudaat zelfs
nog hooger kunnen zijn) wel aan den hoogen kant zijn.

Diagnose : Insufficientia (decompensatio) cordis, gepaard gaande
met Oedema cutis et subcutis (hydrops anasarka), Hydrothorax,
(Hydropericardium?), Hj\'drops ascites, Hyperaemia venosa hepatis
en Oedema hepatis, Hyperaemia venosa renum en Oedema renum.
Kmphysema pulmonis alveolare dorsale, Compressio pulmonis
partialis. Of er al een atelectasis pulmonis in de mediale en ven-
trale longdeelen bestaat, kunnen wij wel voor een deel vermoeden,
echter niet met zekerheid clinisch uitmaken. Bronchitis catarrhalis
(gering).

-ocr page 585-

Prognose : In een dergelijk geval doen wij het best de prognose-
dubieus te stellen. De mogelijkheid dat restitutio ad integrum zal
optreden is hier bij een doelmatige therapie absoluut niet uit te
sluiten. Een dergelijke cardiale decompensatie kan nl. bij jonge
en betrekkelijk jonge dieren van goede constitutie, wanneer de
ziekte nog niet lang bestaat, hetgeen bij onzen patiënt het geval
is, zich wederom compenseeren, waardoor alle oedemateuze aan-
doeningen verdwijnen.

Keeren echter bij een doelmatige therapie de hydropische toe-
standen als gevolg van een hernieuwde decompensatio cordis vrij
spoedig andermaal terug of blijft de cardiale decompensatie on-
danks de therapie bestaan, wat vooral bij honden, die ouder dan
8 jaar zijn vaak het geval is, dan is de prognose ongunstig en doen
wij goed een dergelijk dier door pijnloos dooden van zijn ongenees-
lijke kwaal te bevrijden.

Therapie : In de eerste plaats is hier rust noodig, om het insuf-
ficiënte hart zoo veel mogelijk te sparen en de hartfunctie te ver-
gemakkelijken. Daarnaast moeten wij voor krachtige en goede
voeding b.v. melk, brood en geringe hoeveelheden vleesch zorg
dragen en als roborantia eventueel ook haematogenum liquidum
(2 a 3 eetlepels) of eieren met brandewijn (1 a 2 vitella ovi pro die
met spirit, frumenti 30 en sirup. simplic. ad 100) verstrekken. Is
de buikomvang zooals bij onzen patiënt het geval is geweest zeer
sterk uitgezet, dan is de abdominale punctie — die wij al verricht
hebben — eventueel enkele dagen later, wanneer geen vermin-
dering van de vloeistof in de thorax optreedt en de dyspnoe blijft
aanhouden de thoracocentese, aangewezen.

Als geneesmiddel is hier vooral een goed cardiotonicum op zijn
plaats. Als zoodanige middelen zijn Digitalis, Strophanthus of Scilla„
in den vorm van een infusum of eene tinctura al lang bekend. Aan
Digitalis geven wij in het algemeen de voorkeur ; slechts bij on-
voldoende reactie van de zijde van het dier schrijven wij de andere
beide Cardiatonica voor. Geven wij bij dergelijke patiënten Digi-
talis dan zien wij — dit is vooral bij jongere dieren het geval
vrij spoedig een verbetering van den bloedsomloop en van de zuur-
stofverzorging waardoor met de cyanose ook de dyspnoe en de
dyspnoische prikkeling van het centrale zenuwstelsel verdwijnen.
Door daling van den veneuzen druk kunnen ook de stuwingsver-
schijnselen (oedeem, hydrops) geleidelijk verminderen en zelfs
geheel ophouden. De pols wordt onder den invloed van Digitalis
langzaam en krachtig (centrale vagustonus) en een meer regel-
matige en krachtige circulatie met verhooging van den polsdruk
is in den regel het gevolg, mits de decompensatie niet te lang be-
staat en de hond niet ouder is dan 7 a 8 jaar — in dergelijke ge-
vallen laat ons ook Digitalis vaak in den steek. Ook de door Digi-
talis veroorzaakte diurese kan in een dergelijk geval als een alge-

-ocr page 586-

~ 5&7

meen deriveerend middel met gunstige werking worden beschouwd.
Wij kunnen voor een dergelijken patiënt volgende recepten voor-
schrijven of klaarmaken.

Rp.

Infusi Folior. Digitalis titrat. (parat, ex i) 150
Sirupi simplicis 50

M. D. S. 3 eetlepels pro die

Rp.

Tinctürae Digitalis 5

Sirup. simplic. 50

Aquae ad 150

M. I). S. 3 eetlepels pro die. (\'s morgens,
\'s middags, \'s avonds).

In plaats van Digitalis kunnen bij dergelijke honden op dezelfde
wijze en in dezelfde doseering ook gebruikt worden Tinctura
Strophanthi of Tinctura Scillae.

In enkele gevallen kan tevens nog het diuretisch effect door het
gelijktijdig voorschrijven van acetas kalicus met Digitalis ver-
hoogd worden volgens bijgaand recept:

Rp.

Infusi Folior Digit. titrat. 1 : 150
Solut. acetat. kalici
Rob. Juniperi aa 50

M. I). S. 3 eetlepels pro die.

BLADVULLING.

Praktiese manier om lastige olifanten te dooden.

De Carthagers maakten in hun oorlogen veel gebruik van olifanten. In de tweede
Puniese oorlog toen Hasdrubal zijn broeder Hannibal in Italii\' te hulp kwam werd
hij door de Romeinen verslagen en sneuvelde In die slag werden vele olifanten
onhandelbaar en sommige liepen op het Carthaagse leger in. Deze werden door
hun cornac gedood door de neksteek ; een mes voor dat doel bestemd, werd tussen
hoofd en eerste halswervel in het ruggemerg gestoken. Hasdrubal zelf was de uit-
vinder van deze methode.

Mouquét, die dit vermeldt (Buil. de 1\'acad. vét. de Franee. févr. 1929) zegt
terecht dat het in onze tijd meer prakties zou zijn gevaarlijke olifanten te dooden
door een geweerschot in de hersens. Bij normale positie van het hoofd, voor het
dier staande, in de mediaanlijn van het voorhoofd iets boven de oogen schieten.
(Karbouwen kon ik op deze manier zelfs met een modelrevolver dooden. Op
plaatsen waar de huid direct op been ligt. dringt de kogel er gemakkelijk door ;
bij weeke onderlaag, spieren enz., is het indringingsvermogen veel geringer).

Vr.

-ocr page 587-

EEN EN ANDER OVER DIERMEEL.

DOOR

Dr. B. J. C. TE HENNEPE.

Allerlei vraagstukken, diermeel betreffende, hebben thans in
Nederland zoowel als in het buitenland groote belangstelling.

Aan den eenen kant zijn er aan de diermeelbereiding belangrijke
probleemen inzake de volksgezondheid verbonden (verwerking
van dierlijke afvalproducten, kadavers etc,), aan den anderen kant
liggen belangrijke economische problemen (wie zal het materiaal
verwerken? hoe zal het materiaal verwerkt worden tot de meest
waardevolle eindproducten ?)

Daarbij komen als belangrijke vraagpunten : de waarde van
diermeel als grondstof van veevoeder en als laatste, en hoogst be-
langrijk probleem : de invloed van de voedering van diermeel op
den gezondheidstoestand van kuikens (van andere jonge, groeiende
dieren is mij daaromtrent nog niets bekend). Een zeer belangrijk
veterinair-hygiënisch onderwerp dus.

Plint i. Wie zal destrueeren?

Hierover staan thans de meeningen van vooraanstaande vete-
rinaire deskundigen, overheids-lichamen, landbouw-vereenigingen
en anderen tegenover elkaar. Aan den eenen kant
beschouwt de
keuringsdierenarts de destructie van het afgekeurde en aangevoerde
materiaal als de eindschakel van zijn geheele keuringssysteem en wenscht
dit evenals de geheele keuring onder zijn hoede te houden,
aan den
anderen kant wil de dierenarts
dit nsvenbedrijf wel van het slachthuis-
bedrijf scheiden en alles aan particulieren overdragen die alle moeite,
zorgen en risico\'s op zich nemen.
Aan den eenen kant wijst de dieren-
arts, hoofd van een keuringskring op de groote voordeelen verbonden
aan het systeem : centrale noodslachtplaats-destructieinrichting,
beide onder zijn directie, aan den anderen kant wijst men op het
oneconomische van dit systeem. In den laatsten tijd beginnen ook
de opinies der groote landbouw-vereenigingen omtrent coöperatieve
verwerking, coöperatieve slachterijen sterk naar voren te komen
en is dienaangaande juist een zeer belangrijk rapport verschenen
van de Holl. Mij. v. Landbouw.

Verschillende systemen zijn thans in ons land in werking o.a.
te Bergum (N.T.F. Particuliere Maatschappij), te Midwoud (kring
van Gemeenten), te Amsterdam, Winterswijk, Utrecht (gemeente-
exploitatie). Binnenkort-zal te Schagen eene groote inrichting van
een kring van gemeenten opgericht worden. Deze laatste inlich-
tingen staan allen onder leiding van dierenartsen.

Gemeenten die een keuze moeten doen zullen dus verstandig doen,
rustig elk systeem te bestudeeren op de verschillende plaatsen waar
het werkt, alvorens een overijld besluit te nemen,
waarvoor thans

-ocr page 588-

nog geen reden is, daar de wet nog uitstel toestaat tot 1932. Dit
geldt speciaal voor een groote gemeente als Rotterdam waar het
abattoir-vraagstuk al jarenlang een brandende kwestie is.

Omtrent de resultaten der bedrijven zijn nog niet veel gegevens
verkrijgbaar. Alleen is bekend geworden dat de gemeente Am-
sterdam met het tot nu toe gebruikte, niet geheel moderne systeem
reeds / 11.000 winst maakte per jaar, terwijl mij uit een persoonlijke
mededeeling van collega
Schuytemaker te Hauwert bekend is
dat de (onder zijn leiding staande) destructor te Midwoud in 1928
ongeveer / 10.000 winst opgeleverd heeft.

Punt 2. Hoe zal het materiaal verwerkt worden?

Voorop moge gaan dat bij cle moderne systemen reukeloosheid
van het procédé en steriliteit van het meel geheel gewaarborgd zijn.

In ons land volgt men in hoofdzaak het z.g. „natte" proces,
waarbij de te verwerken deelen met water en stoom in groote
autoclaven langdurig verhit worden onder hoogen druk. Daarna
laat men het waardevolle vet afloopen en droogt óf de geheele
verdere rest, dus vaste deelen met waterig extract in tot meel, (Ber-
gum) óf men droogt alleen de vaste deelen tot meel en gebruikt het
extract apart voor andere doeleinden (collega
Schuitemaker).

Deze beide „natte" processen worden thans in Engeland, Ame-
rika en andere werelddeelen meer en meer verlaten voor het z.g.
„droge" proces „dry rendering", waarbij het materiaal niet meer
in aanraking komt met water of stoom, doch hoog verhit wordt
in autoclaven onder stoomdruk, die zich uit het vocht dat in het
materiaal zelf zit, ontwikkelt.

Van deze methode wordt gezegd dal zij in korten tijd overal het
ouderwetsche „natte" proces zal verdringen omdat zij :
ie. veel economischer is wat arbeidsduur, arbeidsloon en stoom
betreft ;

2e. een veel beter kwaliteit en meer vet levert, dat dus meer op-
brengt ;

3e. een veel betere, meerwaardige diermeelsoort levert.

Ernstige vergelijkende bestudeering dezer methodes acht ik dus
zeer noodzakelijk.

Als voordeelen der noodslachtplaats en slachtplaats-systemen
wordt ook vermeid dat men daarbij bloedmeel kan maken, dat
goedkoopcr te bereiden is dan diermeel en evenveel opbrengt.
Dit systeem past collega
Tervoert in Winterswijk toe.

Punt 3. Het materiaal.

In slachtplaatsen, noodslachtplaatsen en kleine kringen zal dit
verscher zijn en voor een groot deel uitgebloed. Het zal hier meer
uit versch slachtafval bestaan dan uit kadavers. In destructie-
inrichtingen met grooten operatiekring zal het materiaal minder
versch zijn en voor een grooter deel uit oudere kadavers bestaan.

De toestand waarin het materiaal verkeert heeft invloed op

39

lvi

-ocr page 589-

hoeveelheid en hoedanigheid van het vet en mogelijk ook op het
diermeel.

Punt 4. De waarde van diermeel als voedingsmiddel.

Te betreuren is het dat omtrent deze waarde nog zeer weinig
met zekerheid bekend is. De nieuwere inzichten omtrent de
amino-zuren maken de moeilijkheden wel begrijpelijk en maken
de onderzoekingen veel ingewikkelder.

De handel behelpt zich thans nog met scheikundige analyses
en raadt aan
diermeel alleen te koopen op A. H. V. voorwaarden
op gegarandeerde cijfers voor eiwit en vet.

Bij de samenstelling van het standaard-ochtendvoer wordt aan-
bevolen : diermeel van minstens 65% eiwit, doch de reden van
dezen eisch wordt niet vermeld. De moderne voedingsleer stelt
zich niet meer met de chemische analysen tevreden.

De amino-zuren-theorie heeft een omwenteling teweeggebracht en
maakt proeven op levende dieren noodzakelijk.
Deze biologische waar-
debepaling is van het grootste belang. Gebleken is dat verschil-
lende amino-zuren gecombineerd kunnen worden uit verschillende
grondstoffen, zoodat de biologische waarde van een mengsel ge-
heel anders is dan die van de grondstoffen apart. Vooral de mo-
derne proeven omtrent de completeerende waarde van tarwe-
eiwitten ten opzichte van diermeel-eiwitten zijn van groote waarde.

Van veel belang is verder het feit dat de behoefte aan amino-zuren
aanmerkelijk verschilt bij verschillende omstandigheden.
(Jonge,
groeiende dieren, volwassen dieren in productie). In verband hier-
mede zijn de proeven van Dr.
Kaufmann in Göttingen omtrent de
lichaamseiwit besparende werking van verschillende voedings-
eiwitten van groot belang, evenals de Amerikaansche proeven
omtrent de waarde van melkeiwit en diermeel-eiwit.

Bij proeven van Dr. Raats in Halle bleek vleeschmeel en visch-
meel vrij wel gelijkwaardig en bereikten kuikens na 63 dagen 13
maal hun begingewicht.

Omtrent de waarde van extract hecrscht geen overeenstemming en
zijn voederproeven hoogst noodzakelijk.
Omtrent de samenstel-
ling van verschillende vleeschsoorten en hunne extracten zijn
aan het Reichs-gesundhcits-ambt in Berlijn onlangs belangrijke
onderzoekingen verricht. Eenige moderne Amerikaansche proeven
wijzen op een ongunstige werking van extract op kuikens. (Zie
punt 5).

Punt 5. Dicrmeel-voedering in verband met ziekten.

Bij kadavermeel wordt in de literatuur op lijkengiften gewezen.
Op dit punt heerscht groote tegenstrijdigheid. De eene richting
beweert dat deze giften door de hooge temperaturen vernietigd
worden, de andere richting ontkent dit.

Bacterieele gevaren zijn bij de moderne procédés uitgesloten.
Overigens heeft Ir.
Dols thans m. i. overtuigend aangetoond dat

-ocr page 590-

de conclusie als zou alle meel voorzien van gezondheidscertificaten
afkomstig zijn van voor de menschelijke consumptie goedgekeurd
materiaal, onjuist is.

Wat het vetgehalte betreft wordt er hier en daar tegen een te
hoog vetgehalte (boven 12%) gewaarschuwd met het oog op
ranzig worden en daardoor veroorzaakte digestie-stoornissen.
Mij is bij eigen proeven gebleken dat diermeel met hooger vetge-
halte dan 12% bij een gehalte van 10% in het meelvoer geen
schadelijke gevolgen had bij kippen en eenden.

Van geheel andere zijde wordt echter thans in Amerika tegen het
gebruik van diermeel bij kuikens gewaarschuwd.
Hierdoor komt een
nieuw vraagpunt in het geding
dat de noodzakelijkheid van meer
veterinaire belangstelling in het diermeel-probleem nog sterk vergroot.

De geheele moderne pluimveehouderij staat of valt met gezonde
dieren en vooral in gezonde, sterke kuikens ligt de basis van het
succes der toekomst. De kuikenstapel wordt m.i. tengevolge van de
moderne, kunstmatige bedrijfsmethoden door allerlei ziekten be-
dreigd (pullorum, coccidiosis, wormziekten),
zoodat in alle landen de
grootste aandacht op de kuiken-hygiëne gericht is.
Zelfs wordt de
oorzaak van thans nog onverklaarbare,
doch hoogst dreigende
ziekten,
zooals de verlamming der jonge hennen in fouten of in-
fecties tijdens den kuikenleeftijd gezocht. Verklaarbaar is de groote
gevoeligheid van kuikens voor fouten in de voedering (amino-
zuren, vitaminen, mineralen enz.) door den enorm snellen groei
waarbij in tien weken tijds het oorspronkelijke gewicht soms
achttien maal vergroot wordt.

Alles wat niet direct ziekteverwekkend, doch schadelijk op het
weerstandsvermogen der kuikens werkt, moet als hoogst gevaarlijk
beschouwd worden voor de geheele pluimveehouderij.

Onder deze belichting krijgen de proeven aan de Purdue Uni-
versiteit
en van Dr. Massengale aan het proefstation van New
Jersey zeer groote beteekenis voor ons dierenartsen en voor de pluim-
veehouders.

De conclusies te Purdue luiden aldus :

Het gebruikte diermeel bleek slechte groei te veroorzaken door
een gebrek aan tryptophane.

In alle toornen welke diermeel (tankage) kregen kwam abnormale
sterfte voor.

Deze sterfte werd mogelijk veroorzaakt door toxische producten
en proeven met diermeel-extracten zijn noodig.

Mogelijk is het extract („stick") waarmede „tankage" gemengd
wordt van geringe biologische waarde. Vieeschextract is ge-
bleken een lage waarde voor onderhoud en groei van ratten te
hebben.

Verder bevat „tankage" bloed, waarvan de waarde bij ratten
niet bepaald kon worden daar de ratten het niet lustten. (Bij eigen

LVI 39*

-ocr page 591-

proeven te Volendam bleek mij de waarde van bloedmeel voor
leggende kippen zeer gering ten opzichte van diermeel).

Met meat scraps (bereid volgens het dry-rendering process)
werden geen schadelijke gevolgen ondervonden.

Dr. Massengale kreeg echter in toornen met meatscraps als
eenige eiwitbron duidelijke ziekteverschijnselen. Vooral gedurende
de 3e tot 6e week traden op : zwellingen der been-gewrichten,
kromme beenen en teenen, ruwe bevedering, zenuwverschijnselen.
Deze verschijnselen verdwenen na toediening van gist. Alle kui-
kens met dit diermeel gevoerd hadden in tegenstelling met de
controle kuikens bleeke kammen en beenen. Het gebruik van meat
scraps in hooge percentages in kuikenmeel is niet aan te radeu.

Het betreffende diermeel was gemaakt van afval van slagers-
winkels uit New Jersey, Pennsylvania en New York, dus van voor
menschelijk gebruik goedgekeurd materiaal.

Uit deze proeven volgen dus voor mij de volgende vragen :

Zijn alle diermeelsoorten gevaarlijk voor kuikens? Zoo niet, welke dan
wel en waardoor ? Ligt de schadelijke werking in toxische stoffen van het
extract of aan gebrek van bepaalde amino-zuren
? (Het is bekend dat
b.v. gelatine uit beenen en pezen of bindweefsel totaal geen tyrosine,
cystine en tryptophaan bevat, stoffen die zeer noodig zijn voor
den groei).
Uitvoerige proeven zijn op dit gebied dus hoogst noodzakelijk.
Hierdoor krijgt ook het probleem : hoe te verwerken: met of zonder extract
(Midwoud) een nieuw gezichtspunt. Een andere vraag is thans
ook : Moet er niet aan gedacht worden of meel uit ouder, meer
in ontbinding verkeerend materiaal anders werkt dan uit versch
materiaal? Ook op smaak en reuk van eieren en vleesch ?

Vat ik het thans behandelde te samen dan kom ik tot de volgende
conclusies :

Het diermeel-vraagstuk omvat zeer verschillende onderdeelen waar-
van de bestudeering nog geheel in het beginstadium verkeert.

Zoowel uit veterinair-hygiènische als uit economische oogpunten
is spoedige bestudeering van de besproken vraagstukken van het groot-
ste belang.

Alleen een commissie, bestaande uit leden, die teder voor zich in
een der onderdeelen deskundig zijn kan het vraagstuk in al zijne on-
der deelen bestudeer en. Hierbij zullen uitgebreide proeven op kuikens
en volwassen pluimvee noodig zijn, nog afgezien van proeven op biggen
en andere dieren, waarover in dit rapport niet gesproken is.

LITERATUUR :

The Study of the Protein in a commercial Meat Product, R.W. Prange, S. M.
Hauge, C. W. Carrick. Poultry Science VI. 6.

Growth Values of Proteins from commercial Animal Products. I. Commercial
Meat and Bone Scraps P. S.
VII. 3 ; II. Commercial Digester Tankage. P. S. VII.
4 ; III.
A commercial Meat Meal. P. S. VII. 5 .

What are Tankage, Meat Scraps and Meat Meal?, H. R. Kraybill. P. S. VIII. 1.

The Value of Milk and Meat Proteins in chick Rations, o. N. Massengale, P.S.VIII. 3.

-ocr page 592-

TORSIO UTERI BIJ HET RUND

DOOR

J. ESHUIS.

Op 9 Februari 1.1. werd mijn hulp in geroepen voor een ± 7-jarige
koe van den veehouder B. te Br. Volgens mededeeling van den
eigenaar had het dier den geheelen dag weeën gehad, zonder dat
de geboorte van het kalf vorderde. De eigenaar vermoedde, zoo-
als men dit hier noemt, ,,een slag in de dracht".

Bij vaginale exploratie bleek mij, dat zijn vermoeden juist was ;
er bestond een torsio uteri naar rechts. De plooien in de vagina
volgend, kon ik den cervix uteri met drie vingers passeeren.

Daar het mij niet mogelijk was, het kalf bij de staande koe
terug te draaien, liet ik de koe wentelen, waarbij de torsio spoedig
geheel werd opgeheven. Alle verschijnselen voor den partus waren
normaal aanwezig, de uier was gevuld, de banden ingezakt etc.
Niettegenstaande ik voorzichtig gedurende ± 1 uur manipuleerde,
gelukte het niet den cervix verder te verwijden. Daar het kalf
nog leefde, en alles overigens normaal leek, adviseerde ik den
eigenaar een nacht af te wachten, in de veronderstelling dat de
ontsluiting wel geleidelijk zou optreden.

Den volgenden morgen kreeg ik de mededeeling, dat de toestand
nog onveranderd was.

Bij mijn hernieuwd onderzoek bleek tot mijn groote verbazing,
dat de torsio uteri weer aanwezig was juist als den vorigen avond,
ofschoon ik ze dien avond geheel had opgeheven.

Door hernieuwde wenteling gelukte het mij ook thans weer de
torsio te doen verdwijnen, maar van een dilatatie van den cervix
was geen sprake. Ik manipuleerde nog gedurende een paar uren,
maar ontsluiting trad niet op.

Toen na ± 5 uren nog geen resultaat was gevolgd, het vrucht-
water intusschen ten deele was afgevloeid en de vrucht gestorven,
besloot ik tot hysterotomia vaginalis over te gaan.

Ik maakte daarop met de geknopte bistouri in den bovenwand
van den cervix en in den linker zijwand een snede. Bij dit door-
snijden voelde ik onder mijn mes de verharding in den cervix.
Nadat nog eenigen tijd gewacht werd, konden thans eerst het
hoofd en daarna de beenen in den geboorteweg worden gebracht.

Het dier kreeg thans meer sterkere weeën en zoo werd de vrucht,
die wij alleen maar fixeerden, geleidelijk geboren. Bloeding trad
bijna niet op : direct na de geboorte kwamen de secundinae los;
de koe was vlug en at wat voedsel.

Het involutieproces verliep evenwel niet gunstig. Na drie dagen
bleek bij exploratie dat de uterus nog geheel open stond, van een
contractie van den cervix was geen sprake, bovendien begon wat

-ocr page 593-

purulent secretum uit te vloeien. Ik behandelde het dier daarop
met therapogeen-koolstaven, teneinde resorptie en sluiting van
den uterus te krijgen. Eerst na veertien dagen kon van een feite-
lijke sluiting gesproken worden, in zooverre dat boven en zijwand
zich hadden gecontraheerd, maar de niet ingesneden onderwand
als een sterk vooruitspringende punt in de vagina zat.

Tegelijk constateerde ik bij rectale exploratie het bestaan van
een parametritis, die als het ware ook het lumen van het rectum
sterk vernauwde. Hoewel de gezondheidstoestand van de koe
betrekkelijk goed was, zij at en herkauwde en gaf 5 L. melk, advi-
seerde ik in verband met deze parametritis met waarschijnlijk
sleepend karakter, tot slachting. Hierbij bleek, dat zich in het
parametrium een massa serofibrineus excudaat had gevormd.

In verband met mijn ervaringen in dit geval en bij andere ge-
vallen van torsio uteri opgedaan, nog het volgende :

De juiste oorzaken van het ontstaan van torsio uteri zijn nog
niet bekend.
De Bruin verdeelde ze in predisponeerende en directe
oorzaken.

Als predisponeerende oorzaak beschouwde hij o. a. de omstandig-
heid, dat de breede baarmoederbanden bij het rund den uterus
bereiken in het midden van de zijvlakken van de baarmoeder en
daar beneden, zoodat wanneer men zich voorstelt dat de uterus
a. h. w. aan deze baarmoederbanden is opgehangen, het grootste
deel van de uterus boven deze banden is gelegen. I)it zou dan kun-
nen verklaren het gemakkelijk wentelen van den uterus.

Als 2e predisponeerende oorzaak zou ik dan willen wijzen op
den cervix.

Het is een bekend feit, dat verreweg de meeste gevallen van
torsio uter voorkomen bij overigens normaal verloopende drachtig-
heid. Het dier heeft den vollen tijd uitgedragen en alle verschijnselen
voor den partus zijn aanwezig. Bij een normale partus zien wij
nu ook steeds, dat de
cervix voldoende verwijd is om de vrucht
te doen passeeren. Alleen bij een vroeggeboorte blijft de cervix
vaak lang ten deele gesloten, maar dan zijn ook de andere ver-
schijnselen van de normale geboorte : inzakken der platen en
banden, sterke vulling van den uier, zwelling van de vulva, niet
of niet voldoende aanwezig.

Bij een toriso uteri blijkt vaak, dat de cervix ook na opheffing
van de torsio,
niet voldoende verwijd is, zoodat dikwijls lang ge-
manipuleerd moet worden om den cervix te dilateeren : zoo moge-
lijk eerst één beentje in de geboorte brengen, dan een tweede,
deze na fixatie weer terugbrengen in den uterus, dan het hoofd
in de geboorte brengen, waardoor geleidelijk de cervix gaat ver-
wijden; soms kost het uren om den cervix zoover verwijd te krij-
gen, dat de geboorte kan plaats vinden. M. i. wijst dit op een

-ocr page 594-

abnormaliteit in den cervix, een rigide worden van den wand,
die
bij het rund ook physiologisch reeds veel meer rigide is dan bij
de andere huisdieren en die dan ook aanleiding kan zijn, dat een
zich contraheerende uterus, gepaard met active bewegingen van
de vrucht, zich om deze niet ontsloten trage cervix als een vast
punt, gemakkelijk zal draaien, waardoor de torsio is opgetreden.
Het door mij beschreven geval demonstreerde m. i. wel duidelijk,
hoe gemakkelijk de torsio bij een rigide cervix kan ontstaan.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser berichtet über einen Fall von Torsion des .Uterus bei einer Kuh, die
durch das Wälzen des Tieres leicht beseitigt werden konnte. 12 Stunden später
wurde jedoch wieder eine Verdrehung festgestellt. Nach erneuter Lösung stellte
sich heraus dass eine Obliteratio cervicis vorhanden war. Nach einer Hysterecto-
mia vaginalis erfolgte die Geburt normal.

Auf Grund diesen Falles und andrer ähnlichen Beobachtungen ist Verfasser der
Meinung, dass beim Rinde das Entstehen einer Torsion des Uterus durch die
Rigidität des Cervix dieser Tierart begünstigt wird.

SUMMARY.

In a case of torsion of the uterus in a cow the torison was easily untwisted by
rolling the animal. At a second examination which took place 12 hours afterwards,
the torsion was present again. After reduction the author noticed the existence
of obliteratio of the cervix. After hysterectomia vaginalis parturition took place.

In connection with this case and other similar observations the author considers
the rigidity of the cervix in the cow to be a predisposing cause of the frequent
occurrence of torsion uteri in this species of animals.

résume.

Dans un cas de torsion de l\'utérus chez une vache, douze heures après la réduc-
tion, la torsion se présentait de nouveau. Après réduction l\'auteur constata l\'exis-
tence d\'une occlusion du col utérin. Après hystérectomie vaginale, accouchement
normal.

De ce cas et d\'autres cas analogues l\'auteur est arrivé à conclure que la rigidité
du col utérin est une cause prédisposante pour provoquer la torsion de l\'utérus
chez l\'espèce bovine.

BLADVULLING.

Verlies van vee door roofdieren, in Rhodesia.

Smith (der Zoölog. Garten. 1929, 10/12 blz. 409) vermeldt de volgende verliezen
die een boerderij in Zuid Rhodesia in 1927 in een jaar had : gewond of gedood
werden door leeuwen 537, door luipaarden 177, door hyenahonden (lycaon) 504,
door liyeana\'s 52, door krokodillen 179 stuks rundvee.

Gedood werden in een jaar 56 leeuwen, 88 luipaarden, 72 hyenahonden en vele
andere roofdieren en krokodillen.

Spreeuwen in Noord-Amerika.

Spreeuwen werden voor het eerst in Noordamerika ingevoerd in 1890 of 1891
in het Central Park te NewYork. Nu zijn zij over vele staten ten oosten van de
Missisippi verspreid, en komen steeds meer naar het westen. Men beschouwt die
uitbreiding met gemengde gevoelens. Echter is het nut van deze vogelsoort (ver-
nietigen van insekten) over het geheel veel grooter dan de schade (eten van vruch-
ten). Hoogstens kan het noodig zijn ze plaatselijk (als er te veel komen) te bestrij-
den (evenals in ons land. Ref.).
 Vr.

-ocr page 595-

OVER DE KEURING VAN SLACHTDIEREN LIJDENDE AAN

CYSTICERCOSIS.

door

C. F. VAN OIJEN.

Vervolg van bladz. 513.

Er zijn in de litteratuur slechts weinig experimenten bekend
over de taaiheid van de oncosphaeren en hun weerstand tegenover
uitwendige invloeden. Wij mogen echter verwachten dat deze
larven, zoolang zij niet uitdrogen en het niet te koud of te warm
krijgen, zeer resistent zijn. Wij weten dat in Europa vele groote
steden inrichtingen hebben waardoor de faecalien in een nabij-
zijnde rivier\' worden afgevoerd. Door de z.g. zelfreinigende wer-
king der rivieren, zou dit een der ideaalste wijzen zijn om dit
stedelijk afval kwijt te raken. Men kan dus gerust zeggen, dat in
Europa het rivierwater evenzoo met oncosphaeren besmet zal zijn
als in Bali het sawahwater. De enorme populatie die bovenstrooms
aan onze groote rivieren woont (Ruhrgebied, Keulen, Dusseldorf),
zal dus steeds deze besmetting kunnen onderhouden. Ik meen
hierin een der redenen te mogen zien van het frequenter vinden
van deze cysticerci in de keuringsdiensten bij de groote rivieren,
(Arnhem, Nijmegen), dan in andere gedeelten van ons land. Dit
behoeft niet alleen aan nauwkeuriger onderzoek te worden
toegeschreven! Mogelijk, dat in jaren tijdens welke in polderstre-
ken gedurende langer tijd hooge waterstanden heerschen (regenval),
ook een sterker besmetting van het vee tot stand komt, door
infectie van aanliggende slooten en boezems, die anders geen
contact hebben met slooten waarin faecalien worden geloosd.
Zou hierin een verklaring kunnen liggen voor het van tijd tot tijd
in grooten getale vinden van dieren met deze parasiet in sommige
diensten? Hoe dit zij een absolute uitroeiing van dit parasitaire
lijden door de keuring is niet te verwachten. Taeniasis onder de
bevolking ten platte land kan steeds besmetting van het vee in
wijder of nauwer kring ten gevolge hebben ; taeniasis onder de
stadsbevolking zal misschien op grooten afstand tot ditzelfde
resultaat leiden.

Wij moeten dus maatregelen verzinnen, die op den duur uitvoer-
baar blijven en toch zoo min mogelijk oeconomische schade doen.

Als een dezer maatregelen is reeds de bovengenoemde splitsing
in éénfinnige en meerfinnige dieren genoemd en om haar ondoel-
treffendheid teruggewezen. In verschillende landen heeft men haar
wel toegepast, doch dan in combinatie met een andere maatregel,

-ocr page 596-

n.m.1. het verkoopen van het vleesch dezer dieren onder declaratie,
dus met de waarschuwing er bij, dat het alleen in goed gekookte
staat genuttigd mag worden. Een soort verkooping in het klein
onder toezicht dus. (7) O. a. is dit voorschrift thans nog in Oosten-
rijk van kracht. Er zijn aan dit systeem zeer vele voordeelen ver-
bonden. De schade, die men per rund aanricht wordt tot een mi-
nimum beperkt ; vooral in grootere plaatsen, waar al spoedig veel
vraag naar zulk vleesch komt, zal de prijs niet belangrijk lager zijn
dan die, welke in de z.g. volkswinkels wordt gesteld.

Het publiek, dat de waarschuwing in acht neemt, behoeft niets
te vreezen bij het nuttigen daarvan. Blijven alleen over de dom-
men en eigenwijzen, die de gegeven waarschuwing niet achten en
zoo een kleine kans loopen een lintworm te krijgen. Men kan zich
terecht afvragen of ten behoeve van zulke lieden maatregelen
gerechtvaardigd zijn, die groote oeconomische schade brengen.
Reeds in de oudste publicaties over dit onderwerp vindt men
dit denkbeeld vermeld, en ik stem in met
le Coultre, dat dit
een methode is waarmede in streken met een relatief hoog per-
centage aan cysticercosis een proef genomen kan worden. Of het
uitvoerbaar zou zijn bij 20 % cysticercosis is een tweede. Daar zou
men zich misschien moeten beperken tot het maken van tal van
insnijdingen bij éénfinnige dieren in die spieren die door
le Coulter
e. a. evenzeer als zitplaatsen der cysticerci zijn aangewezen, te
weten nekspieren, schouder- en opperarmspieren, psoas, kroep
en adductoren. Bij negatieve uitslag van dit onderzoek zal men
moeten vrijgeven, bij het aantreffen van meer finnen overgaan tot
strengere maatregelen. Een voorbeeld van zulk een methode
vond ik in een artikel getiteld :

Claverie, J., Methode pratique de classification et d\'utilisation
des viandes ladres appliquée en Guinée française. Bull. d. 1. Société
de Pathologie Exotique 1928 v. 21 blz. 99—103.

Meer dan 50 % van het rundvee blijft besmet met cysticercus
bovis. Men maakt 2 sneden in de Musc anconaei aan beide kanten.
Vindt men daarop meer dan 2 cysticerci dan wordt het vleesch
op daarvoor aangewezen plaatsen in het klein verkocht, met een
waarschuwing er bij aan de koopers dat het goed gekookt moet
worden.

In zulke streken blijft het dus noodig er bij de bevolking op aan
te dringen alle vleesch goed te koken.

Het spreekt echter van zelf, dat voor ons land, waar het per-
centage runderen met levende finnen zelden stijgt boven 1 %
en meestal dicht bij i°/oo ligt. zulke weinig afdoende maatregelen
niet aan de orde kunnen worden gesteld.

-ocr page 597-

Wij zullen de ontdekte finnendragers zoo moeten bewerken dat
de eventueel aanwezige finnen worden gedood.

Wij weten, dat bij koken al deze parasieten sterven ; ook is ge-
bleken dat door voldoende lang pekelen (8) dit het geval is. Over
het al of niet afdoende zijn van deze bewerkingen is men even
eenstemmig in het toestemmend oordeel, als over de erkenning,
dat door verplicht koken en zouten ook de maximale schade wordt
aangericht. En hieruit spruit nu het streven voort, andere hulp-
middelen te baat te nemen, waarbij de parasieten zeker worden
gedood en zoo min mogelijk schade wordt aangericht.

Welke middelen hebben wij om na te gaan of een cysticercus
levend of dood is.

Wij moeten onderscheid maken tusschen cysticerci, die zoo in
het pasgeslachte dier gevonden worden, waarvan wij willen weten
of zij „levend" zijn, en van die in dieren die één of andere bewer-
king hebben ondergaan b.v. koelen en bevriezen enz.

Bij de eerste mogen wij aannemen, dat „levende" cysticerci
beantwoorden aan de gewone beschrijving, en de meeste doode,
veranderingen zullen aanwijzen als troebeling, schrompeling, ver-
kazing, verkleuring.

In de extreme gevallen zal de diagnose weinig bezwaren opleve-
ren ; bij de beginnende, moeilijk zichtbare veranderingen zullen
wij naar andere hulpmiddelen willen grijpen. Dit zelfde geldt nog
sterker voor de cysticerci bij dieren, die een bewerking hebben
ondergaan, waarbij in de cysticerci geen veranderingen optreden,
zooals bijv. het koelen gedurende eenigen tijd

Terecht merkt men op dat een definitief antwoord op die vraag
alleen gegeven zou kunnen worden door de cultuurproef, d.w.z.
dat de cysticercus in de dunne darm gebracht zou worden van een
proefdier, waarbij zij zich tot lintworm kan ontwikkelen. Hier kan
alleen de mensch dienen, dus deze proeven zijn zeldzaam en moeilijk
te nemen.

Dan heeft Reiszmann (i) er op gewezen dat doode cysticerci
zich met aniline-kleurstoffen wel, en levende zich niet kleuren. In
deze richting treft men in de oudere litteratuur veel proeven aan.
Doch er zijn nog al veel uitzonderingen naar beide zijden gecon-
stateerd, en men spreekt dan van bijna niet gekleurd, iets ver-
kleurd, enz. Bovendien bevredigt het negatieve kenmerk van niet-
gekleurd zijn niet erg als bewijs, dat de cysticercus nog leeft.

Een meer zinrijke proef is de z.g.n. verteringsproef. Hierbij
worden de cysticerci, al dan niet uitgestulpt, in kunstmatig maag-
sap of pepsine gelegd. Een „levende" cysticercus wordt hierin
niet veranderd, zij kan zich te weer stellen tegen deze aanval,
zij verteert niet. Anders gedraagt zich een doode cysticercus ; deze
wordt in korten tijd geheel verteerd. Alleen over de tijd waarin
dit verteren plaats heeft is men het nog niet geheel eens.

-ocr page 598-

Men kan echter wel zeggen, dat een cysticercus, die een uur in
deze vloeistof vertoeft en er onveranderd uit komt, goedlevendis.

Een hulpmiddel, dat vooral bij gekoelde cysticerci wordt toege-
past is het volgende. Men legt de uitgestulpte cysticercus op een
voorwerpglas en beweegt er voorzichtig met lichte druk een dek-
glas overheen. Een levende blijkt hard te zijn en het dekglas neemt
hem al rollende om zijn lengteas mede. Een doode gaat met lichte
druk direkt stuk, wordt plat, haken laten los, kalklichaampjes rol-
len hopeloos door elkaar heen. In veel gevallen is dit een voor-
treffelijk hulpmiddel ; er zijn ook hier enkele grensgevallen waar
het onderscheidt niet zoo sprekend is. Hierbij sluit zich aan wat
men vooral na bevriezen van cysticerci opmerkt n.m.1. dat na
ontdooiing de cysticercus zich als een slijmige dradentrekkende
massa voordoet. Bij de minste aanraking verandert de vorm en
men kan ze geheel kneden. Dit laatste is wel een sprekend, defini-
tief hulpmiddel.

Gaan wij nu echter na welke levensuitingen men voor dit doel
nog meer kan gebruiken, dan denkt men in de eerste plaats aan
beweging.

Perroncito, Ostertag, (2 en 9) Glacé zijn de eersten, die
van dit hulpmiddel gebruik gemaakt hebben. Zij legden de cysti-
cerci in
water dat tot 370 C. soms tot 40° C. werd verwarmd. Ik
druk hier op water.
Ostertag heeft hiermede uitgebreide proeven
gedaan. Bekijkt men zulk een cysticercus rustig, dan ziet men :

ie. dat de scolex zich uitstulpt en

2e. dat de uitgestulpte scolex, heen en weergaande bewegingen,
(intrekken en uitstulpen) maakt, zoodat zij kleine in de buurt
liggende voorwerpen als het ware aftasten. Ook de haken
van de zuignappen bewegen zich. Men krijgt den indruk
met een levend individu te doen te hebben ongeveer in de
geest der zeeanemonen.

Ostertag (3) paste dit hulpmiddel toe vooral voor het onder-
zoek van cysticerci die
bewaard waren.

Hem bleek, dat in vleesch met cysticerci dat gedurende
ongeveer drie weken in daarvoor geschikte ruimten werd bewaard,
nog maar zeer enkele overblijven, die bij deze proef ietwat bewe-
ging vertoonden.

Een verbetering van deze methode bracht Franke (4). Hij
voegde aan deze vloeistof zooals bekend is
gal toe in grooter en
kleiner percentage. Hierdoor wordt het milieu meer gelijkend op
de toestand in de darm, waarin de scolex zich normaal ontplooit.

Als reactief op het al of niet levend zijn van de pas gevonden
cysticerci was dit een groote vooruitgang. Zij die zich regelmatig

-ocr page 599-

van dit hulpmiddel bedienen krijgen een goeden grondslag voor
de beoordeeling van deze gevallen.

Om na te gaan hoe lang de cysticerci in leven blijven is deze
methode bij runderfinnen merkwaardigerwijze nog maar weinig
toegepast. De mededeelingen van
Franke zelf zijn hierover onvol-
doende al schijnen zij zich bij de waarnemingen van
Ostertag aan
te sluiten. Nog een verbetering werd aangebracht door
Muller
(München) en Wagner. Deze stelden vast dat 50 % gal de optimale
verhouding gaf voor het uitstulpen en dat
41—420 C. de beste
temperatuur was. Ook zij vonden nog levende finnen tot
24 en 26
dagen na de slachting.

Tusschen de tabellen van Ostertag en heden vindt ik echter
alleen de publicatie van
van Santen. Wel zijn er enkele publicaties
van
Max Muller en zijn leerlingen, doch deze hebben meer be-
trekking op cysticercus cellulosae. En wat zien wij nu. Dat
van
Santen bij de verwarming in rundergal langer beweging en
uitstulping blijft waarnemen dan
Ostertag bij het gebruik van
water. Gezien het feit dat van de gal een prikkel op deze para-
sieten uitgaat, behoeft dit voor ons geen verbazing meer te
wekken. Beide onderzoekers hebben
goed waargenomen. Zij werkten
echter met verschillende hulpmiddelen.
Van Santen prikkelde zijn
cysticerci sterker. Er zullen er dus meer op reageeren dan op de
zwakke prikkel met water door
Ostertag uitgeoefend.

Gaan wij dit even in cijfers na dan zien wij, dat na drie weken
bij
Ostertag slechts enkele cysticerci nog beweging toonden, ter-
wijl bij
van Santen na drie weken 66 % bewogen.

De laatste beweging zag Ostertag na 24 dagen bewaren ; van
Santen na 34 dagen.

OSTERTAG.

Dagen

Be

weging

Geen

beweging

Totaal

M

23

56 %

18

44 %

41

15

8

66 %

4

34 %

12

17

3

18 %

7

82 %

10

18

6

50 %

6

50 %

12

19

12

42 %

17

58 %

29

20

13

20 %

55

80 %

68

2 r

8

II %

63

89 %

71

22

2

20 %

8

80 %

10

23

2

22 %

7

78 %

9

24

2

I2i %

14

87i %

16

25

0

O %

6

100 %

6

26

0

O %

8

100 %

8

27

0

O %

10

100 %

10

28

0

O %

3

100 %

3

29

0

O %

5

100 %

5

0

O %

S

100 %

8

34

0

0 %

4

100 %

4

-ocr page 600-

- 58I -

Dagen

Beweging

Geen

beweging

Totaal

19

9

56%

7

44 %

16

20

17

81 %

7

29 %

24

21

24

66 %

12

34 %

36

22

48

7° %

21

30 %

69

23

19

48 %

20

52 %

39

24

25

89 %

3

21 %

28

25

10

48 %

11

52 %

21

26

24

37%

41

63 %

65

27

11

50 %

11

50 %

2 2

2S

3

8,5 %

33

91,5 %

36

29

i

2,5 %

39

97.5 %

40

2

6%

30

94 %

32

32

9

33 %

19

66 %

28

33

4

15 %

10

CO
Cn

14

Beide onderzoekers stemmen er in overeen dat er nog na drie
weken cysticerci zijn, die levensverschijnselen vertoonen, alleen
Ostertag ziet dezulke weinige, met zwakke bewegingen, en van
Santen
talrijke, nog instaat zich geheel uit te stulpen. Dit
verschil is volledig te verklaren uit het gebruikte reactief.

Welke beteekenis moet men aan deze vondsten voor de prac-
tijk hechten? Oppervlakkig zou men zeggen dat vleesch, waarin
cysticerci zetelen (die niet morsdood zijn), niet mag worden vrij-
gegeven.

Hiertegen komt reeds Ost ertag in het geweer. Met een aantal
heroische proefnemingen meent hij te hebben aangetoond, dat
cysticerci die ongeveer 3 weken althans meer dan 18 dagen na den
dood van den gastheer worden genuttigd, niet meer in staat zijn
zich bij den mensch vast te hechten en een lintworm te geven.

Het verdient aanbeveling enkele oogenblikken bij deze onder-
zoekingen stil te staan.

VAN SANTEN.

Vermelden wij dan eerst de positieve uitslagen.

Eetbroeven.

ZSCHOKKE

at 4

finnen 9 dagen na

slachting, kreeg 4 lintwormen

Glage

.. 3

15

>, 2 ,,

Kabitz

.. 3

15

.. 3

ZsCHOKKE

• • 5

14 16,, ,,

i ,,

Glage

>. i

16

,, geen ,,

[ persoon

2

16

., geen ,,

i persoon

,, i

19

,, geen ,,

9 personen

aten

52 finnen 30 dagen

na slachting en kregen geen lintwormen

31 personen aten 166 finnen 2i dagen na slachting en kregen geen lintwormen

Vergelijken wij deze resultaten met de tabellen van van Oster-
tag
en van Santen, dan blijkt, dat het tijdstip van het niet meer
aanslaan van de voedingsproeven zeker niet samenvalt met het
lvi .0

-ocr page 601-

~ 5§2 -

uitblijven van de beweeglijkheid bij alle finnen. Zelfs Ostkrtag
vond na 18 dagen nog 50—40 % bewegende finnen. Van Santen
vond na 19—21 dagen nog 50—80 % beweeglijke (uitstulpende)
Een belangrijke daling zien wij bij
Ostertag eerst na 22 dagen
en bij
van Santen eerst na 32 dagen.

Van Santen toont dus aan, dat een grooter percentage der fin-
nen na drie weken nog levend is, dan men op grond van de proeven
van
Ostertag zou verwachten. Ostertag heeft echter van meer
dan 200 cysticerci aangetoond, dat zij na drie weken bewaren
geen aanleiding gaven tot het ontstaan van lintwormen bij nor-
male personen. En deze bevinding is nog door een aantal andere
experimentatoren bevestigd.

De waarneming van van Santen sluit niet in, dat er onder
dit grootere aantal levende wel zouden zijn, die zich bij een nieuwe
gastheer kunnen nestelen, al kan men dit niet geheel ontkennen.
Bij zwakken en zieken is misschien mogelijk, wat bij gezonden
niet aanslaat.

De groote verdienste van de waarneming van van Santen is, dal
hij andermaal bewezen heejt, dal in runderen die drie weken werden
gekoeld, nog een zeer groot aantal levende parasieten aanwezig is.

Nu strijdt het volkomen met de grondgedachte, waarop onze
keuring berust, om vleesch met levende parasieten van een goed-
keuringsmerk te voorzien en vrij is comsumptie te brengen. Van
dit standpunt uit gezien is de concessie, dat het vleesch na drie
weken koelen vrij in het verkeer kan worden gebracht volkomen
onjuist. Men houdt zich m. i. terecht aan het kenmerk, dat alleen
vleesch van gezonde dieren, en op het oogenblik der keuring vrij
van pathogene en andere microörganismen en parasieten goedge-
keurd wordt. Zitten deze er wel in dan moeten zij eerst worden
gedood en dan wordt het vleesch nog onder bijzondere voor-
waarden verkocht, zoodat een ieder kan weten, dat hij niet gewoon
vleesch van gezonde slachtdieren koopt.

Met het verzwakken van parasieten of bacteriën, zoodat zij niet
„infectionsfahig" zijn, heeft men zich tot heden en m. i. terecht
niet ingelaten. Alle schrijvers stemmen overeen dat slechts een deel
der cysticerci wordt gedood tijdens het koelen, een ander deel
slechts wordt verzwakt. Wij zien dus dat het gedurende drie
weken koelen een zeer slechte methode is uit een oogpunt van vol-
ledig dooden der parasieten. Doch er is meer.

Het gedurende drie weken bewaren van vleesch in het koelhuis
heeft een belangrijk gewichtsverlies tengevolge. Wie in de praktijk
dit vleesch ziet, weet dat er vele stukken zijn die een minder frisch
uiterlijk hebben ; op verscheidene plaatsen ziet men soms begin-
nend bederf. Droge en zure kanten moeten worden afgesneden enz.
Bovendien zijn de betrokkenen gedurende volle drie weken de be-

-ocr page 602-

- 5«3 -

schikking over het vleesch kwijt. In die drie weken kunnen meer
gevallen ontdekt worden, zoodat men in sommige slachthuizen
dan ook vaak een heele voorraad bouten te koelen heeft en dit
zal nog sterker, worden indien dit onderzoek ook ten plattelande
scherp wordt doorgevoerd en de landelijke keuringsdiensten in deze
een beroep blijven doen op de van koelhuizen voorziene stedelijke
diensten.

Wij dienen dus om te zien naar een methode, die met meer zeker-
heid, vlugger, en met minder schade tot het doel voert n.m.1. het
werkelijk dooden der parasieten.

Na de bovenbesproken bewerkingen blijft hiervoor alleen over
het bevriezen der met parasieten bezette dieren.

Nu zijn er over de gevolgen van het bevriezen van deze cysticerci
zeer aardige directe en indirecte proeven genomen.

Reissmann (i) toonde aan, dat wanneer men op het bevries-
microtoom cysticerci bevriest en deze drie minuten daarop houdt,
alle cysticerci dood zijn. Niet alleen, dat zij op geenerlei manier
meer tot bewegen zijn te brengen, maar bij aanraking blijken zij
te zijn veranderd in een taaie kleverige massa, die geheel levenloos
aandoet. De temperatuur bleek hierbij niet lager dan —.4° C. tot
—.6° C.

Ook bij het vertoeven van vleesch in een koelhuis op een temp.
van —.8 tot —,io°
C. zag Reissmann, dat alle cysticerci reeds
na drie dagen volmaakt levenloos werden.

Nog tal van waarnemingen zijn uit de oudere en nieuwere litte-
ratuur te putten, waaruit blijkt dat de cysticerci bij het bevriezen
alle worden gedood.

Wagner (11) en Muller (5) zagen dat na 8 dagen vriezen
cysticercus inermis volkomen was gedood.

Killisch (6) vond dat van halve varkens, bij een temperatuur
van —.8° tot —.12° C., na 3i dag alle cysticerci volledig waren
gedood.
Glage bepleitte dan ook reeds in 1896 het bevriezen van
varkens met cysticerci, als de beste methode om deze parasieten
onschadelijk te maken.

Wij kunnen de verhouding tusschen de beide methoden als
volgt samenvatten. Bij koelen gedurende drie weken worden vele
cysticerci gedood, een aantal echter slechts verzwakt, zoodat zij
nog niet als doode parasieten zijn te beschouwen.

Bij het bevriezen gedurende 3J dag worden alle cysticerci ge-
dood, mits de temperatuur op —.8° tot —ro° C. wordt gehouden.

Zonder twijfel moet aan de laatste methode dus uit een hygiënisch
oogpunt de voorkeur gegeven worden. Maar er zijn daaraan nog
andere voordeelen verbonden. In de eerste plaats duurt de be-
werking korter. Bij een voldoend lage temperatuur in de koelruimte
schijnt het mogelijk de geheele bewerking, bevriezen, bevroren
houden en ontdooien in ongeveer 10 dagen uit te voeren. De

-ocr page 603-

eigenaar krijgt dus veel sneller weder de beschikking over zijn
waar. Wij weten, dat bij de tegenwoordige techniek het mogelijk
is door voorzichtig ontdooien, het bevroren vleesch weder in een
staat terug te brengen, waarin het bijna niet van gewoon vleesch
is te onderscheiden. In dit verband wil ik wijzen op de publicatie
van
Brohman (12), die voorstelt varkens met cysticerci te bevrie-
zen volgens
Ottesen, d. i. dus door het vleesch onder te dompelen
in zeer koude pekel. Door de temperatuur van het bad op —.15° C.
te brengen kon men reeds na 12 uur bij alle cysticerci die onder-
zocht werden geen levensteeken meer opmerken. Het zou zeker
de moeite loonen proeven in deze richting met runder-cysticerci
te nemen, omdat hiermede wel de snelste methode van bevriezen
wordt toegepast. Door voorzichtig ontdooien, weten wij uit de
proeven van
de Jong en Kallert, kan men ook zoodanig be-
vroren vleesch weer in gewonen staat terug brengen.

De vraag of men aan koelen dan wel aan bevriezen de voorkeur
zal geven voor de behandeling der dieren met cj\'sticercosis moet
ten gunste van de bevriesmethode uitvallen om hare grootere
zekerheid en kortere duur. Er zijn echter nog twee argumenten
van practisc.hen aard, waarmede men rekening moet houden.

In de eerste plaats moet worden nagegaan of een dier dat korten
tijd bevroren werd na ontdooiing evenveel of meer opbrengt dan
een drie weken gekoeld rund. Alleen wanneer deze opbrengst
belangrijk kleiner zou zijn bij het bevroren rund, zou er reden zijn
om te besluiten de verzwakkings-methode (het koelen) te ver-
kiezen boven de definitieve onschadelijkmaking door bevriezen.
De praktijk alleen zou daarover uitspraak moeten doen.

Dan komt het probleem van de kosten dezer bewerking.

Ik wil voorop stellen dat het inrichten van een vriescel, waarin
plaats is voor twee of drie runderen in de tegenwoordige koelhuizen
een zeer goed uit te voeren werk is. Men behoeft slechts een hoek van
het koelhuis met geisoleerde wand af te zonderen en van pekel-
leiding en serpentines te voorzien en de zaak is klaar. Men zal uit
den aard der zaak met minder ruimte voor dit doel kunnen vol-
staan, dan thans voor het koe lennoodig is, omdat de runderen daarin
slechts een week ongeveer vertoeven, terwijl men ze nu drie weken
moet herbergen. Daar waar men slechts zoo nu en dan een rund
te koelen heeft loont het misschien niet de cel steeds onder nul
te houden, dan worden de kosten per dier vrij hoog. Daar waar
men 3—4 % cysticercosis aantreft vraag ik mij af of de kosten
van enkele dagen vriezen zooveel hooger zullen zijn clan van drie
weken koelen. Maar ten slotte :

De openbare slachthuizen zijn thans instellingen die, goed be-
heerd, duizenden in de gemeente-kassen werpen. Zou het nu zoo
heel erg zijn, wanneer voor het bevriezen niet de volledige kosten
door den eigenaar werden betaald. Wordt bij het stereliseeren der

-ocr page 604-

tuberculeuze dieren een zoodanig loon geheven, dat alle kosten
aan stoom en afschrijving op de toestellen worden terug ontvan-
gen? Hier worden maatregelen genomen, ter beveiliging der ge-
bruikers. Is het dan niet logisch, dat althans een deel dezer kosten
door de verbruikers worden gedragen. Men werpe niet tegen,
dat ten platte lande deze methode niet kan worden toegepast.
Ook thans is men daar voor het koelen op de steden aangewezen.
Waarom dan niet voor het vriezen ?

Resumeerende kom ik in de controverse koelen — of — bevriezen
tot de volgende punten.

Bevriezen doodt met meer zekerheid de parasieten.

Bevriezen duurt korter.

De praktijk moet uitspraak doen, bij welke dezer bewerkingen
de opbrengst grooter is, alvorens men een definitieve keuze daar-
tusschen kan doen.

Op grond van deze argumenten is het ten zeerste aan te
bevelen om in de groote slachthuizen inrichtingen te maken, waar
deze dieren bevroren kunnen worden. Men late de bepalingen in
het keuringsregulatief, die beide bewerkingen mogelijk maken,
voorloopig onveranderd en stelle de eigenaars voor de keus van
een dezer. Men krijgt dan ervaring over de oeconomische werking
van deze maatregel en valt deze gunstig uit voor het bevriezen,
dan schrappe men het koelen, zoodra voldoende vriesruimte,
over het geheele land verdeeld, beschikbaar is.

Ik zou mijn betoog als volgt willen samenvatten :

1. Bij het nauwkeurigste onderzoek der praedilectieplaatsen
zullen steeds zeer enkele cysticerci aan de waarneming ontsnappen,
wijl zij in andere spieren zetelen.

2. De vleeschkeuring alléén zal de taeniasis niet kunnen uit-
roeien, wel haar binnen minimale frequentie houden. Daartoe moet
zij met volledige gestrengheid in stand gehouden worden. Ver-
slapping der keuring moet leiden tot verhooging der frequentie der
taeniasis.

3. Bij het systematisch onderzoek der praedilectieplaatsen,
vooral kauwspieren, tong, zal men 95 % der cysticerci aantref-
fen. De kans is zeer groot, dat dieren waarin slechts één cysticercus
bij het onderzoek gevonden wordt er elders geen meer hebben.
Vrij geven van al deze dieren zou echter het aantal cysticerci
dat de consumenten bereikt zoodanig verhoogen, dat de doel-
treffendheid der keuring te zeer zou worden geschaad.

4. Bij het nemen van maatregelen ten opzichte van deze dieren
moet men er zich echter steeds van bewust zijn, dat men in vele
gevallen onnoodig schade toebrengt.

-ocr page 605-

5- In de meeste gevallen is het bevriezen dezer dieren te ver-
kiezen boven het koelen. Het. verdient warme aanbeveling dat de
directeuren der slachthuizen met koelhuizen, deze methode aan-
vaarden en bevorderen, al is het niet noodig onmiddellijk tot wij-
ziging van het keuringsregulatief over te gaan. De praktijk zal
juist in de eerste jaren eischen, dat beide wijzen van werken moge-
lijk zijn ; men dient zelfs in den aanvang de keuze aan de betrok-
kenen te laten.

LITERATUUR.

1. Rbiszmann, Zeitschr. f. Fleisch- und Milchhygiene, VII, blz. 132.

2. Ostertag, Zeitschr. f. Fleisch- und Milchhygiene, VII, blz. 125.

3. Ostertag, Zeitschr. f. Fleisch- und Milchhygiene, VII, blz. 126—130.

4. Franke, Zeitschrift für Fleisch- und Milchhygiene, XXIX\' (1914). blz. 341.

5. Müller, Zeitschrift für Fleisch- und Milchhygiene, XXXIII, blz. 154.

6. Killisch, Zeitschrift für Fleisch- und Milchhygiene XXXII, blz. 93.

7. Hartenstein, Zeitschrift für Fleisch- und Milchhygiene VI, blz. 61.

8. Ostertag, Zeitschrift für Fleisch- und Milchhygiene, VI, blz. 66.

9. Ostertag, Zeitschrift für Fleisch- und Milchhygiene, VI, blz. 231.

10. Glage, Zeitschrift für Fleisch- und Milchhygiene, VI, blz. 231.

11. Wagner, Inaugural dissert. München 1922, Beitrag zur Frage des Nachweises
der Lebensfähigkeit von Finnen etc.

12. Brohman, Dissertatie Berlijn 1924, Experiment. Untersuch, über das Abtoten
der Schweinefinne, etc.

13. van Oljen, Rede 1919, Over de grondslagen der hygiëne enz.

14. van Santen, Tijdschrift voor Diergeneeskunde 1928, blz. 919. Een merk-
waardig geval van cysticercosis bij het rund.

15. A. P. le Coultre, Cysticerci in het vleesch van rund en varken, Dissertatie,
Utrecht 1928.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Fleischbeschau allein wird die Taeniasis des Menschen nicht restlos aus-
merzen können weil, bei der genauesten Untersuchung der Praedilectionsstellen
immer einzelne, — sei es sehr wenige — Cysticerci, die in andern Muskeln ansässig
sind nicht aufgefunden werden. Jede Erschlaffung der systematischen Unter-
suchung wird aber eine Zunahme der Taeniasis des Menschen und der Cysti-
cercosis der Rinder nach sich ziehen. Die Fleischbeschau hat bei der Bekämpfung
dieser Krankheit vieles geleistet, ist unentbehrlich und muss fortwährend Aul-
recht erhalten werden.

Die älteren Untersuchungen von Ostertag\'s und die neueren Mitteilungen
van Santen\'s sind mit einander nicht in Widerspruch ; ergänzen sich vielmehr.
Van Santen hat die Ueberlebung der Cysticerci mit bessern Mittelen untersucht
als
vonO. und deshalb auch längerer Zeit nachdem Tode des Schlachttieres und
eine grössere Anzahl lebendige Cysticerci gefunden.
Van S. hat nicht bewiesen,
dass nach drei Wochen Kühlung, infectionsfähige Cysticerci anwesend sind, wohl
dass sehr viele dann nicht getötet sondern nur abgeschwächt sind. Es ist in der
Fleischbeschau nicht üblich Fleisch mit abgeschwächten Parasiten frei im
Verkehr zu geben. Mann strebt immer den Tod derselben nach. Womöglich muss
die Kühlung durch andere Maszregeln ersetzt werden, wobei die Parasiten restlos
getötet werden. Der Literatur ist zu entnehmen, dass gefrieren in kurzer Frist
die Cysticerci tötet. Errichtung von Gefrieranlagen für dieses Fleisch an Schlacht-
höfen ist deshalb erwünscht, um so mehr weil auf dieser Weise geringere Verluste
entstehen.

,,Einfinnige" Rinder sind nicht frei zu geben, weil bei ungefähr 20% derselben
auszerhalb der Praedilectionstellen Cysticerci anwesend sind.

-ocr page 606-

Viele Grundlagen dieser Ausführungen sind der Inaugural Dissertation ,,Le
Coultre\'s" entnommen. Diese Arbeit , .Cysticerci in het vleesch van rund en varken,
Utrecht
1928", wird in dieser Zeitschrift ausführlich referiert werden.

SUMMARY.

Meat inspection alone cannot stamp out Taeniasis in man, because even with
the most effective inspection of the places of praedilection, somme very few cysti-
cerci, embedded in other muscles are not observed. Every neglection of the syste-
matic inspection will yield more frequent Taeniasis in man and more Cysticercosis
in animals. Meat inspection has done very much in combating these diseases, it
is indispensable, and must be continued

The new investigations of van Santen do not contradict the old results of
von Ostertag. The former applied a better method to investigate the survival
of these parasites and therefore found more living ones and such ones longer after
the death of the hospes than
von O.

Van S. did not prove, that the surviving parasites, were still able to infect man.
He stated, that they were not dead but living in a mitigated state. Now, in meat-
hygiene, as a rule, we do not only mitigate parasites untill they lose their noxious-
ness, but we kill them. Freezing kills cysticerci in a short time. Cooling must
therefore be replaced by freezing. Erection of freezing-rooms for this meat at
the public slaughterhouses must be advocated, the more while as a rule the de-
preciation is smaller for frozen meat.

It is not possible to set free such animals with only one Cysticercus in the in-
spected places, as 20% of them will contain this parasite in other muscles.

Many data for this publication are abstracts from the theses by le Coultre named
,.Cysticerci in het vleesch van rund en varken (Utrecht 1928) which will be treated
in this journal.

RÉSUMÉ.

Il est impossible d\'extirper totalement la Taeniasis de l\'homme seulement par
l\'inspection des viandes des animaux de boucherie, parcequ\' il y a toujours quelques
cysticerques — quoique bien peu nombreux —- qui. séjournant dans des muscles
non examinés ne sont pas remarqués même par l\'inspection la plus rigoureuse
des endroits de prédilection. Mais, chaque relâchement de l\'inspection systémati-
que fait augmenter la Taeniasis de l\'homme et la Ladredie bovine. On a enregistré
des résultats remarquables avec cette inspection ; elle est indispensable et doit
être continuée à toute force pour combattre ces maladies. Il n\'y a pas de contra-
diction entre les recherches anciennes par
von Ostertag et les résultats obtenus
par
van Santen. Le dernier appliquait une meilleure méthode pour vérifier la
vitalité des cysticerques. Il a trouvé des parasites vivants en plus grand nombre
et. plus longtemps après l\'abattage que
von O. Van S. n\'a pas prouve que ces
cysticerques furent encore virulents pour l\'homme, après un séjour de trois se-
maines dans la chambre frigorifique. Il a constaté que plusieurs cysticerques n\'
étaient pas morts, mais vivants, quoique évidemment affaiblis. Dans l\'inspection
de la viande de boucherie on ne se contente pas d\'affaiblir les parasites, on les
tue. C\'est pour ça qu\'il faut remplacer le séjour dans la chambre frigorifique par
des mesures plus efficaces. Selon la littérature la congélation tue ces parasites
dans peu de temps. La construction de chambres à congélation pour cette viande
dans les abattoirs est donc désirable. En outre, la dépréciation de la viande conge-
lée n\'est pas si grande que celle de la viande frigorifiée.

On ne peut pas faire une exception pour les animaux dont les endroits de prédi-
lection renferment un seul cysticerque, pareeque dans
20% des cas les muscles
non inspectés contiennent un ou plusieurs cysticerques de plus. La thèse de,,1e
Coultre" intitulée ,.Cysticerci in het vleesch van rund en varken" a fourni beau-
coup de données pour cet article, cet ouvrage sera référé en details dans ce journal,

-ocr page 607-

DIERENBESCHERMING,x)

door

J. P. VAN DER SLOOTEN.

M. d. V., M. H.

Bij de behandeling van het onderwerp Dierenbescherming in
onze vorige vergadering, naar aanleiding van het ingekomen schrij-
ven van de Ned. Vereen, t. Besch. v. Dieren, is — zooals de be-
zoekers zich nog wel herinneren en de toen niet aanwezigen uit
de notulen zullen vernomen hebben — besloten, dat de leden zouden
worden uitgenoodigd, schriftelijk aan den Secretaris opgave te
doen van de vrij regelmatig voorkomende gevallen van dieren-
mishandeling of minder gewenschte behandeling van dieren,
waarmede zij, bij de uitoefening van hun functie, nogal eens in
aanraking komen ; en daarbij eventueel hiermede verband hou-
dende wenschen uit te spreken. Voorts werd aan mij opgedragen,
bij de behandeling van deze vermeldingen eene inleiding te hou-
den. Ik heb mij die opdracht gaarne laten welgevallen, omdat dit
onderwerp mij uitermate belang inboezemt. Doch hierom niet
alleen ; ik heb hierin tevens een gelegenheid gevonden om mijn
hart eens bij U uit te storten over de moeilijkheden, die ik in ver-
band met de bestrijding van dierenmishandeling in den loop der
jaren ondervond bij ... . mijzelf, over de twijfel die in menig
opzicht bij mij is gerezen en over de groeiende onzekerheid over
wat er in voorkomende gevallen mij te doen stond.

Voor ik hiertoe over ga, wil U eerst een overzicht geven van het-
geen Uwe medeleden op het schrijven van den Secretaris hebben
geantwoord. De brief van den Secretaris van 5 November j.1. wil
ik U eerst nog even voorlezen :

Op de den 27sten October j.1. gehouden ledenvergadering kwam ter sprake
een schrijven der „Commissie ter verbetering van toestanden bij de exploitatie
van vee en pluimgedierte" uit de Nederlandsche Vcreeniging tot bescherming van
dieren, waarbij samenwerking met onze Vereeniging verzocht en aangeboden werd.

Besloten werd aan de Commissie te antwoorden, dat onze vereeniging tot die
samenwerking bereid is.

In verband met het bovenstaande en met het voornemen van den Voorzitter
0111 het onderwerp „Dierenbescherming" op de volgende vergadering te behandelen,
noodig ik U, in opdracht der ledenvergadering, uit mij op te geven welke punten,
betrekking hebbende op vervoer van dieren naar slachthuizen en de wijze van
slachting, naar Uw meening in het belang der dierenbescherming voor verbetering
vatbaar geacht kunnen worden.

Mocht vóór 20 November a.s. geen bericht hierop van U zijn binnengekomen,
dan zal worden aangenomen, dat Uw antwoord negatief luidt.

Namens het Bestuur,

De Secretaris,
w.g. J. G.
A. Reeser.

\') Inleiding, gehouden in de vergadering van de Vereeniging van Directeuren
van Gemeentelijke Slachthuizen in Nederland, op 16 Maart 1929 te Utrecht.

-ocr page 608-

Daarop zijn van de zijde der leden antwoorden ingekomen, waar-
van ik de onderwerpen de revue wil laten passeeren.

Allereerst werd van verschillende zijden de aandacht gevestigd
op de belangrijk verschillende opvattingen, die, ten aanzien van
de bescherming van dieren in uitvoeringsbepalingen van de Vleesch-
keuringswet en in die van de Veewet zijn opgenomen. Eenerzijds
ziet men in de Vleeschkeuringswet de bedwelming van alle slacht-
dieren voorgeschreven, met uitzondering slechts van de zuivere
huisslachtingen in die gemeenten, waarvan het bestuur die be-
dwelming niet heeft geëischt. Men heeft den kopslag allerwege ver-
boden. In de Veewet daarentegen verlangt men
niet de bedwel-
ming van
schapen en geiten en laat men den kopslag toe. Het
maakt den indruk of men voor eischen van praktijk gezwicht is,
en vooral de slachtingen voor export niet door de bedwelming
duur heeft willen maken.

Dat — ik wil hier straks op terug komen — niet bij ieder gelijke
opvattingen over dit onderwerp bestaan, moge reeds aanstonds
blijken uit het feit, dat een onzer leden in zijn antwoord het ver-
langen te kennen gaf, bij nuchtere kalveren ook voor binnenlandsch
gebruik, den kopslag weder in te voeren, terwijl hij de wensch
uitsprak, dat de dieren dan, hangende aan een achterpoot, zouden
worden gesneden en aldus de verbloeding afgewacht.

Eenigermate een middenweg bewandelt een lid, die in zijn ant-
woord uitdrukking geeft aan zijn verlangen om dieren voor export
met een
goedkoop toestel te bedwelmen.

Het komt mij voor, M. H., dat men het toch wel vrijwel eens
kan zijn over
deze stelling, dat, wanneer men uit een oogpunt van
dierenbescherming de bedwelming vóór het slachten noodig acht,
die bedwelming bij alle diersoorten behoort te geschieden en op een
wijze die, onafhankelijk van de kosten, de grootst mogelijke zeker-
heid geeft van onmiddellijke en volledige bewusteloosheid. Ik
laat hier uiteraard de ritueele slachting buiten bespreking, althans
als zoodanig.

Wel heeft een lid aangedrongen op het zoeken naar een betere
methode van neerleggen der aan die slachtmethode onderworpen
dieren. Ik sluit mij daar gaarne bij aan en erken aanstonds ,dat
meermalen in het neer
leggen, zoowel als in het neer liggen van het
dier, naar het schijnt, veel kwelling gelegen is.

Ook vereenig ik mij gaarne met het lid, dat de ritueele slachtingen
wil beperken tot wat werkelijk voor Joodsch gebruik noodig is ; een
grens die meermalen ongestraft zeer, zeer ver wordt over schreden.

Een onderwerp van groote belangstelling bij de leden, is het
lot geweest van het ter noodslachting vervoerde dier. Het is een
niet te miskennen feit, dat de belangen van den handel vaak de
neiging doen ontstaan om met zwaar zieke of zwaar gekwetste die-
ren tamelijk groote reizen te ondernemen. Nu moet erkend wor-
den, dat er plaatsen zijn, welke zich voor het dooden en afslachten

-ocr page 609-

van een ziek of gekwetst dier zeer slecht leenen en welke zóó afge-
legen zijn, dat van een vervoer van het ter plaatse gedoode en
verbloede dier naar een andere plaats ter afslachting nauwelijks
sprake kan zijn. Ik laat voor het oogenblijk alweer in het midden,
of dit alles wel reden mag zijn om zulk een dier bij leven en be-
wustzijn de kwelling van het vervoer te doen ondergaan. Maar
daarnaast heeft men reeksen van gevallen, waarin men het zieke
dier ter noodslachting naar een naburige of soms zelfs veraf gele-
gen gemeente brengt, omdat in de plaats van herkomst van het
dier geen behoorlijk vrijbank-debiet is, zoodat de voorwaardelijke
goedkeuring vrijwel met afkeuring gelijk staat. En in nog andere
gevallen is de manie van sommige keuringsveeartsen om alle die-
ren welke zij na slachting ter keuring krijgen, en waarvan zij de
„levende keuring" niet hebben verricht, botweg naar de vrijbank
te verwijzen, oorzaak, dat men met paarden met gebroken beenen,
met koeien met ernstige verwondingen of prolapsus uteri, naar
naburige gemeenten vlucht. En ten slotte komt het daarnaast
herhaaldelijk voor, dat de koopman uit de stad op het platteland
eigenaar van een ziek of verwond dier wordt en dat naar de stad
vervoert .... omdat hij in het slachthuis zooveel meer comfort
heeft en het vleesch bij slachting op de boerderij en bij goed-
keuring, door het daarop volgende vervoer naar de stad, zoo bij-
zonder veel „lijdt" en aan verkoopswaarde voor den groothandel
of tusschenhandel achteruit gaat.

Een derde hoofdpunt van klachten heeft het veevervoer in het
algemeen gevormd. Er is met klem geklaagd over het transport
van vee te voet over te groote afstanden, zoo zelfs dat de klauw-
zolen waren doorgeloopen of de dieren zoo vermoeid, dat zij erbij
neervielen. Anderen klaagden over het vervoer van nuchtere kal-
veren te voet naar slachtplaatsen of stallen, waarbij zich het ver-
schijnsel voordoet, dat deze dieren te onbenullig zijn om de rich-
ting den van weg te beseffen en daarom door rukken, sjorren of
staartopdraaien tot voortgaan moeten worden bewogen.

Ook een veel bestreden punt is weer op het tapijt gebracht : het
vervoer te voet van runderen met overvulde uiers. Let wel : niet
de overvulling van de uier als zoodanig, doch het
vervoer van de
hier bedoelde dieren vormde een bron van klacht.

Ernstiger waren nog de klachten over het vervoer per as. Ten
aanzien van alle vervoermiddelen blijken verscheidene leden
eischen te willen zien gesteld. Herhaaldelijk neemt men waar dat
veel te veel dieren op een bepaald bodemoppervlak worden geladen
en het vervoer daardoor een kwelling vormt.

Niet zelden is de toestand van de vervoermiddelen, door de
gladheid van den bodem b.v. oorzaak dat de dieren niet op de
been kunnen blijven. Het transport per auto levert zeer vaak
velerlei bezwaren op. De wagens zijn veelal te hoog en het op- en

-ocr page 610-

afladen ontaardt in gooien en smijten. Ook de wijze waarop en de
snelheid waarmede gereden wordt, zijn herhaaldelijk oorzaak dat
de dieren, vooral in bochten, op- en door elkaar worden geslingerd.
Nog erger wordt dat, als men op de auto een soort ,.imperiaal",
een tweede verdieping, bouwt, waarvan de slingering nog veel
heftiger is. Doch ook de oude modellen veewagens, voor paarden-
tractie, zijn zelden volmaakt. Ten minste moet de eisch gesteld
worden, dat de dieren gelegenheid vinden in vooruitgaande rich-
ting den wagen ook weder te verlaten, tenzij die wagen zoo breed
is, dat het dier zonder bezwaar kan keeren.

De boventoon voeren de klachten over vervoer per spoor,
waarbij altijd nog veel te veel dieren in één wagon worden geperst,
en meermalen dieren van verschillende soort in eenzelfde wagon
worden ondergebracht. Een lid wees erop, dat er bij het spoorweg-
personeel in het algemeen in dit opzicht nog zoo weinig mede-
werking, ja zelfs belangstelling bestaat, terwijl er van die zijde
juist zooveel zou kunnen worden bereikt.

Wij komen thans aan enkele punten, die de verzorging der
slachtdieren betreffen. Men betreurde het, dat meermalen, bij
aankomst van een transport vee per spoor, de dieren veel te lang
in de wagons bleven staan, in plaats van direct naar stal of slacht-
plaats te worden gebracht. Daardoor blijven de dieren vaak ge-
durende geruimen tijd aan tocht, zonnehitte of kouden wind, aan
honger en dorst blootgesteld. Maar ook al worden zij spoedig
naar stal gebracht, dan nog wordt vaak het voederen en drenken
achterwege gelaten, zoodat de lijdensgeschiedenis der dieren tot
het uiterste gerekt wordt.

De aandacht werd gevestigd op de vele wreede behandelingen
die door de boeren als „huismiddeltjes" voor hun vee worden be-
schouwd, en daarbij worden toegepast, zooals het „snijden" van
varkens met epileptische verschijnselen, aan ooren of staart, welke
methode ook wel bij andere dieren, bij verschillende ziekte-toestan-
den, wordt toegepast.

Zoo kent men het zoogenaamde „schotsnijden", een leeken-
operatie, bij runderen aan de staart toegepast. In bepaalde geval-
len wordt het steken van scherpe doornen in de uier van het var-
ken een ideaal middel genoemd. En zoo zijn er meer handelingen,
die tot het beoogde doel nimmer kunnen leiden en die, naar wordt
aangenomen, voor het dier een kwelling of misschien wel een mar-
teling vormen.

Betreurd werd, dat men de toepassing van het edele middel
om een hevig lijden-door-ziekte bij een dier te beëindigen : dc
slachting, meermalen veel te lang naliet omdat .... eerst de toe-
stemming van het verzekeringsfonds moest afkomen, zoodat het
dier veel langer dan noodig is, aan veel leed blijft blootgesteld.

En eindelijk valt nog te vermelden de meening van een lid, dat

-ocr page 611-

men met het opmaken van processen-verbaal wegens allerlei onge-
rechtigheden op dit gebied betrekkelijk weinig bereikt, doch veel
verder zou komen met overreding en opvoeding.

M. de V., M. H., ik heb U hierdoor een, geenszins volledig, over-
zicht gegeven van hetgeen door de leden te berde is gebracht. Ik
geloof, dat uit de ingekomen antwoorden wel blijkt, dat de Secre-
taris niet aan een doovemansdeur heeft geklopt en dat er goed
werk is gedaan door op deze wijze stof tot gedachtenwisseling te
verschaffen.

Het zij mij dan vergund, M. H., om met die gedachtenwisseling
een aanvang te maken. Ik neem daarbij aan, dat wij, zooals wij
hier zitten, allen „gezonde" dierenbeschermers zijn, d. w. z. men-
schen, die zelf leed ondervinden, van wat zij bij dieren leed weten,
meenen te weten of veronderstellen en geenszins geneigd zijn tot
het ziekelijk exces, om voor de dieren een beter leven dan voor
den mensch te begeeren.

De vraag is nu maar, wat wij omtrent dat leed der dieren weten,
of mogen aannemen.

In ons Tijdschrift van 15 April van het vorige jaar vind ik op
blz.
404 een afdruk van een rede, door collega Bruyel gehouden
in eene vergadering van de Afd. Groningen—Drenthe onzer Maat-
schappij. Wie deze voordracht critisch leest, heeft voor de zooveel-
ste maal kunnen ervaren, dat het lang niet voor iedereen, en ze-
ker ook niet voor al onze collega\'s vast staat of een dier van een
bepaald trauma, of een bepaalde, gruwelijk lijkende levensom-
standigheid pijn of kwelling ondervindt. En hierin schuilt nu juist
zoo\'n geweldige moeilijkheid. Wij dierenartsen fulmineeren zoo
vaak, wanneer voor den rechter het oordeel van „leeken" wordt
gevraagd, over de „pijnlijkheid" of het „kwellende" van een be-
paalde toestand of verrichting.

Wij weten het, als „deskundigen", zooveel beter! Maar ja,
waarop bouwen wij dat oordeel? Op het feit, dat wij, met onze
kennis van anatomie, physiologie, pathologie en vooral ook met
onze „ervaring" .... ja, wat eigenlijk? Weten
hoe en wat en in
welke mate een dier iets waarneemt, een prikkel ondervindt?
Doen wij, met onze wetenschap eigenlijk in onze psyche iets an-
ders dan berekenen, hoe wij zelf de geboden prikkel zouden hebben
ondervonden, en welke gewaarwordingen die bij ons zou hebben
teweeggebracht ?

Bruyel heeft reeds eenige gevallen genoemd, waarin, hoe
verschrikkelijk het trauma ook schijnt, het waarschijnlijk moet
worden geacht, dat het dier veel minder leed ondervindt, dan men
geneigd is te meenen. Hij noemt de castratie bij jonge paarden,
de prolapsus uteri bij het rund.

Uit mijn eigen ervaring meld ik U het volgende :

In den loop der jaren is herhaaldelijk mijn advies gevraagd over

-ocr page 612-

paarden met „open drukplekken" aan borst, schoft of andere
plaatsen, bedekt door tuigdeelen, en waaromtrent de Politie
wenschte te weten, of daarmede eene overtreding was begaan in
den zin van art. 455 W. v. S., 2e lid : het „dieren noodeloos arbeid
doen verrichten op pijnlijke of kwellende wijze". Geschokt door
het uiterlijk en den anatomischen toestand der laesies, gesugge-
reerd door wat ikzelf bij de minste excoriatie aan een mijner lede-
maten waarnam, en onder den indruk van de huidtrillingen, als
men wil : „rillingen", die het paard vertoonde als ik met mijn
vingers de gewonde plek aanraakte, heb ik in vele gevallen de ge-
stelde vraag bevestigend meenen te moeten beantwoorden. En
thans, na jaren, vraag ik mij af, heb ik — zij het te goeder trouw
niet meer getuigd dan ik vermocht? Als ik nu bedenk, dat deze
zelfde dieren kort voor mijn onderzoek, zonder aansporing, zware
lasten voorttrokken, waarbij de tuigdeelen tegen de wonden aan-
drukten, dan rijst bij mij twijfel, of de arbeid van deze dieren nu
werkelijk pijnlijk of kwellend was, al leid ik uit deze waarneming
nu ook weer niet direct het tegendeel af. - Ik weet het niet!

Ik heb thuis een kanarievogel, een verfijnd diertje dat den gan-
schen dag en nacht in een warme kamer verblijft. Ik geloof, dat
wanneer U op een of anderen dag waarnam, dat een of andere
onverlaat dit diertje beetpakte en in ijskoud water dompelde, U
niet zoudt aarzelen dien man voor den strafrechter te brengen.
Maar hoort 1111 verder : de vogel heeft badwater op kamertempera-
tuur in zijn kooi ter beschikking. Meent ge dat hij er in gaat?
Neen .... hij wacht tot des morgens — het vriest 50 Celcius — het
badje zoo juist met ijskoud water uit de waterleidingkraan gevuld
is. Nauwelijks is het aan zijn kooi gehecht of hij plonst er in en
spat en floddert over kop en veeren, dat het een aard heeft. Ik
heb mij dus vergist in mijne meening over de gevoelens die een
kanarievogel in deze omstandigheden ondergaat .... Of ook weer
niet misschien? Als ik hem, na alfoop van zijn sportieve bevlie-
ging, verkleumd en met een bepaald verschrikt gezicht op zijn
stok zie zitten, ga ik twijfelen. Voelt hij zich nu onwel ; is dit ijs-
koude bad après tout een kwelling voor hem geweest? Heb ik
hem misschien door de helderheid van het versche water tot dezen
„misstap" verleid? — Ik weet het alweer niet!

Ik doe proces-verbaal opmaken tegen een koetsier van een vee-
wagentje van nauwelijks 2 M2. Daarin bedekken vier zware vette
varkens geheel den bodem. Maar een vijfde, zeer zwaar zwijn, dat
op dien bodem geen vierkanten decimeter meer ter beschikking
vindt, ligt met zijn volle gewicht boven op deze dieren. Ik aarzel
niet, zulk een vervoer kwellend te noemen ; die voerman is eigen-
lijk een schobbejak en ik geloof dat ik hem, naast zijn bekeuring,
nog een beleediging tevens te dragen heb gegeven.

Maar even later op dienzelfden morgen rijdt mij een groote
auto voorbij met ongeveer 6 M2. bodemoppervlak. In een hoek

-ocr page 613-

daarvan liggen drie varkens ; een vierde varken ligt boven op deze
drie, terwijl de wagen wel voor 10 dieren van dit formaat plaats
biedt. Het viertal is rustig ; geen denkt er aan, van plaats te ver-
wisselen ; het bevalt hen schijnbaar, zoo best .... Ik heb dat
proces-verbaal maar niet laten doorgaan. Wat weet
ik van de
kwelling, de pijn dezer dieren, ik, die mij al gekweld voel, wanneer
ik in een tram of coupé een beetje nauw komt te zitten? Es irrt der
Mensch, so lang\' er strebt.

Eenigen tijd geleden las ik het bekende boekje van Prof. Buv-
tendijk „Psychologie der dieren". Daaruit blijkt dat ook door de
moderne dierenpsychologen nog het bestaan van een zieleleven
bij de dieren wordt ontkend. Daarmede moet, voor ons beperkt
menschelijk inzicht, dan toch wel aanstonds worden aangenomen,
dan ander leed, dan lichamelijk leed, aan de dieren ontgaat, ook
al zijn er verschijnselen, die het tegendeel zouden doen veronder-
stellen. En wat weten wij overigens van de dieren? Kernachtig
zegt
Buytendijk „Hoe liefde gevoeld wordt, of oesters smaken
is alleen uit persoonlijke ervaring bekend. Hieruit volgt, dat het
gevoelsleven van het dier voor den mensch een gesloten boek zal
blijven en het slechts in sommige gevallen mogelijk zal zijn, op
grond van sterke analogieën zwakke vermoedens over dieraffecten
uit te spreken". Welnu, wat hier over psychische gewaarwordingen
bij de dieren wordt gezegd, draag ik zonder meer op de fizieke
over. Zij zijn ons even onbekend en zij zullen het, naar mijn ge-
voelen, te eeuwigen dage blijven.

De vraag is nu, beoogen wij in den grond van ons gezond dier-
beschermend streven, ook eigenlijk wel, de dieren te beschermen?

Is er niet veeleer in onze psyche iets, dat zich stoot en verwondt
aan alles wat wij, zij het dan misschien ook ongemotiveerd, wreed-
heid of hardheid jegens dieren noemen? Wordt ons gevoel niet ge-
kwetst, door de ruwe daad der vermoede wreedheid zelve?

Wat zien wij in onze door de Wet gegeven dierbeschermende mid-
delen? Wij kennen de artt. 254 en 455 W. v. S., resp. het misdrijf en
de overtreding, ter zake van gedragingen jegens dieren. Loopen wij
nu het geheele strafwetboek door, dan vervolgen wij als de roode
draad: de bescherming van den mensch, als staat of als individu,
tegen leed aan lichaam of ziel. Het is niet aannemelijk, dat dit Wet-
boek hier bij uitzondering plotseling het
dier zou gaan beschermen.

Ja, eertijds hield de rechter zich, krachtens oude wetboeken,
wel met dieren bezig en werd een stier, die een man gedood had,
strafbaar gesteld, maar van die geestesgesteldheid vinden wij
thans geen spoor meer.

Is het trouwens niet opvallend, dat art. 254 voorkomt in den
Titel: „Misdrijven tegen de
zeden" en artt. 455 onder de „over-
tredingen tegen de
zeden"! Volgt hier niet duidelijk uit, dat de
wetgever den
mensch ook door deze strafartikelen heeft willen bc-

-ocr page 614-

schermen tegen verruwing van zeden bij zijn medemensch, zonder
daarbij ook maar in het minst, directelijk de belangen der dieren
als zoodanig, voor te staan?

Ook onze Vleeschkeuringswet geeft van deze geestesgesteldheid een
frappant staaltje. Art. 7 van het K.B. van 5 Juni 1920, S. 285 verlangt
dat na het bedwelmen het dooden door verbloeding
zoo snel mogelijk
(dat wil niet zeggen:
zoo spoedig mogelijk) moet geschieden. En art.
11 verbiedt, tijdens of na de verbloeding van het dier, met slachten
voort te gaan, alvorens blijvende bewegingloosheid is ingetreden.
Men zal zich toch niet de illusie maken, dat men door deze voor-
schriften het
bewustelooze dier tegen pijn of kwelling heeft willen
beschermen, doch men zal moeten erken nen, dat hethier alleen gaat
om het weren van ruwe, onbeschaafde, van ongevoeligheid getuigen-
de daden, die den beschaafden en gevoelgen mensch kwesten.

Naar mijn inzicht wordt het streven, om het brandmerken van
varkens door een andere merk-methode te vervangen door den-
zelfden gedachtengang geleid. Ook hier kan, gerekend naar de
gedragingen der dieren, nauwelijks van waarschijnlijkheid, dat zij
van het branden pijn ondevinden, sprake zijn. Maar het branden
zelf maakt zoo\'n gruwelijken indruk, niet alleen op de huid van
het dier, maar ook op
ons gemoed, dat het aanschouwen van deze
handeling verzet bij ons wekt en ons doet zoeken naar methoden
die het gevoel van den beschaafden mensch minder schokken

In deze richting wijst ook wel wat omtrent deze aangelegenheid
in andere landen in wettelijke voorschriften is vastgelegd en
vooral vind ik steun voor mijne opvatting in wat ik in het Leer-
boek van het Nederlandsch Strafrecht van Prof. D.
Simons, op
blz. 198 aantrof, luidende :

,,üe vraag, of, en zoo ja, binnen welke grenzen, mishandeling
van een dier strafbaar moet zijn en op welken rechtsgrond die
strafbaarheid berust, heeft tot groot verschil van opvatting aan-
leiding gegeven. De Code pénal bevat omtrent dit delict geenerlei
bepaling. In de Belgische strafwet werd eene strafbepaling opge-
nomen onder de overtredingen en dit geschiedde ook in het Duitsche
strafwetboek, bij welke bepaling de strafbaarstelling beperkt werd
tot mishandeling „öffentlich oder in Aergerniss erregender Weise".

Ook in de nieuwere wetgevingen is de wreede behandeling van
dieren onder de overtredingen gerangschikt. Anders geschiedde
in ons Wetboek, doch niet dan na tegenstand van verschillende
zijden. Evenals in de meeste wetgevingen en in overeenstemming
met de meest gangbare meening, is mishandeling van het dier
beschouwd als aanranding van het zedelijkheidsgevoel. In ver-
band daarmee werd levendig gestreden over de vraag, of ook de
niet in het openbaar gepleegde mishandeling strafbaar moest wor-
den gesteld. Een amendement, om de strafbaarheid tot de in het
openbaar gepleegde mishandeling te beperken, werd met de kleinst
mogelijke meerderheid verworpen".

-ocr page 615-

Behalve door de wijze van behandeling in onze Staten-Generaal,
wordt voor mijn gevoel het delict wel het duidelijkst gekenmerkt
door de redactie van het Duitsche strafwetboek, die de „mishan-
deling" alleen strafbaar stelt wanneer die in het openbaar of op
ergernis verwekkende wijze geschiedt. Want zie, de zooeven ge-
noemde voerman, die het paard met de rauwe wonden onder het
tuig liet trekken, de koetsier die voor zijn 5 varkens een te nauwe
veewagen nam, zij hebben beide het algemeen zedelijkheidsgevoel
geschonden, de ergernis gewekt. Het strijdt m. i. tegen de zeden,
dat men dieren aldus behandelt, ook al staat geenszins vast, dat
zij daarvan pijn of kwelling ondervinden. Door het toelaten van
dergelijke daden worden de zeden verruwd, wordt de beschaving
geremd en reeds daarom moesten deze feiten een delict vormen
en strafbaar zijn.

Ik geef intusschen toe, dat deze opvatting „grau ist als alle
Theorie". Onze strafwet kent voor de meeste feiten een scherpe
definitie en ik begrijp, dat veel te veel aan de subjectieve opvatting
van den rechter zou worden overgelaten, wanneer voor de straf-
baarheid van eene handeling met dieren het „verwekken van
ergernis" als criterium zou moeten worden gesteld.

M. d. V., M. H., ik ben er mij van bewust, met deze overwegin-
gen U, noch mij zelf iets verder te hebben gebracht. De bekende
artikelen van ons W. v. S.eischen nog altijd het vaststellen van
de pijnlijkheid en de kwelling. Of de verklaringen van den al- of
niet
.deskundigen" getuige hieromtrent niet subjectief zijn, laat
ik, na hetgeen ik gezegd heb, thans verder onbesproken. Ook wij
zullen geroepen worden om straks nog meermalen onze meening
over het een "of andere geval te uiten. Maar laten wij daarbij dan
wel bedenken, dat wij onze persoonlijke gekwetstheid, onze erger-
nis over het geval geheel buiten het geding moeten laten, willen
wij althans verhoeden dat ten onrechte door den rechter wordt
verklaard, dat de verdachte het aangehaalde wetsartikel heeft
overtreden. Of hij een onbeschaafd, wreed en zedeloos mensch
is, naar ons gevoelen, doet
niets ter zake.

Ons antwoord zal alleen moeten slaan op de vraag : „Was er
pijn", „was er kwelling"? Zal het, wanneer wij onder eede staan,
vaak voluit bevestigend kunnen luiden?

M. H., ik dank U voor het geduld, waarmede U mij heeft aan-
gehoord. U zult begrijpen dat ik, met deze gedachten bezield mij
geheel aansluit bij het lid, dat naar ik hierboven reeds zeide, het
heil zou willen zoeken in overreding en opvoeding, — ik bedoel
hier den heer
Reitsma. Moge zijn opwekking in deze richting
weerklank vinden, mogen de opvoeding, de beschaving, de ver-
hooging van het zedelijk zelfbewustzijn leiden tot een toestand,
waarin alle menschen gelijkgezind alles wat ruw en wreed jegens
dieren is of schijnt, nalaten.

Arnhem, Maart 1929.

-ocr page 616-

INGEZONDEN.

Een en ander over diermeel.

]>r. te Hennepf. heeft in de diergeneeskundige afdeeling van het Natuur- en
Geneeskundige Congres te Rotterdam op 4 April eer. voordracht gehouden over
diermeel In de Bedrijfspluimveehouder van Vrijdag 12 April jl. wordt deze voor-
dracht door collega
te Hennepe gepubliceerd.

N\'iet geheel ga ik met den inhoud van genoemd artikel accoord.

Het is bekend, dat reeds lang door den schrijver eer. propaganda wordt ge-
voerd voor het oprichten van, wat hij noemt,
centrale noodslachtplaatsen-veriverkings-
inrichtingen.
Dit is een heel woord en ik heb steeds den indruk gekregen, dat de
Heer
ie Hennepe begrepen heeft, dat een inrichting, waarin afgekeurd vleesch,
afkomstig van eer.ige gemeenten wordt verwerkt tot diermeel en vet, zooals thans
te Midwoud plaats vindt, zich dan alleen
misschien kan bedruipen, wanneer tevens
aan deze inrichting een noodslachtplaats wordt verbonden. En zoo zou de eerste
van een dergelijke inrichting in den lande, gevestigd te Midwoud, reeds in 192S
een zuivere winst hebben gemaakt van / 10.000. -. Zulks is op bovengenoemd
congres door spreker medegedeeld. Dit is al zeer onwaarschijnlijk, gezien het feit.
dat in 1927 de geheele „bruto opbrengst" slechts / 10.000.- - bedroeg, waarvan
f 400.— „bijdrage" door den Yleeschkeuringsdienst en ƒ 675.— vergoeding voor
het ophalen uit andere gemeenten, zoodat de zuivere destructor-winst nog geen
ƒ 500. — - bedroeg. En deze winst zou in 1928
twintig maal zoo groot zijn geworden,
zoodat de „winst" in 1928 even groot zou zijn als de „totale baten" in 1927, of
heeft de Heer
te Hennepe „winst" en „bruto-opbrengst" verwisseld? Nu, ik ben
verlangend eens een zuivere bedrijfsrekening van de inrichting te Midwoud te
mogen inzien. Dat de noodslachtplaats aldaar winst kan afwerpen is mogelijk, al
lijkt zulks mij bij een
zuivere opzet niet erg waarschijnlijk, maar dat de verwerkings-
inrichting ook nog daarbij een appeltje voor den dorst verschaft, is al te absurd
0111 te gelooven. En ik spreek hierbij uit ervaring. Zeer zeker levert de installatie,
systeem
Escher Wyss, waarin te l\'trecht het afgekeurde vleesch afkomstig uit
de gemeenteslachtplaats, wordt verwerkt tot diermeel en vet, jaarlijks ecnige
winst op. Toen ik echter uit een oogpunt van hygiëne voor mensch en dier aan het
College van B. en \\V. destijds voorstelde om ook al het afgekeurde vee uit de
omliggende 16 bij den Vleesch keuringsdienst te Utrecht aangesloten gemeenten,
op te halen en te verwerken, werd mij vriendelijk verzocht een nauwkeurige be-
rekening in te dienen omtrent een begrooting van uitgaven en inkomsten van dezen
dienst. Ik kwam destijds tot een klein voordeelig saldo, maar de toenmalige be-
zuinigingsinspecteur hier ter stede, die mijne calculatie onder den loupc nam,
meende zelfs dit gering voordeelig saldo nog te moeten schrappen.

Zoo zullen ook de inrichtingen voor verwerking tot afgekeurd vleesch, welke
in Srhagen eri te Winterswijk zullen worden gebouwd, naar mijn oordeel nooit
winst kunnen behalen en vrij zeker met verlies moeten werken, omdat de
ophaal-
dienst
groote sommen verslindt. Zal ook aldaar een noodslachtplaats, aan het bedrijf
getrokken, het verlies moeten compenseeren?

En 1111 het z.g.n. droge systeem, waarvan collega te Hennepe zegt :
ie. dat het veel economischer is, wat betreft arbeidsduur, arbeidsloon en gebruik
van stoom,

2e. een veel betere kwaliteit diermeel levert, bovendien ook meer.

Dit alles kan waar zijn, ik ben niet persoonlijk bekend met het z.g.n. „dry-
rendering" systeem, hetwelk in Amerika blijkbaar woidt toegepast voor de ver-
werking van afgekeurd vleesch tot diermeel en vet, maar tot mijne groote ver-
bazing heeft collega
te Hennepe niet gesproken over de temperaturen, aan welke
bij dit systeem het te verwerken materiaal wordt blootgesteld. Het is toch niet
alleen van belang dat wij meer diermeel en meer vet bij de verwerking krijgen,
minder stoom noodig hebben en minder lang behoeven te werken, maar van het

4\'

LVI

-ocr page 617-

grootste belang is allereerst dat het verkregen diermeel steriel is. Hierover glijdt
de schrijver luchtig heen en met alle waardeering over den arbeid van den schrijver,
voel ik bij het lezen van zijn artikel van a z, dat hier een man aan het woord is,
die over de verwerking van afgekeurd vleesch veel heeft gelezen, maar van de
praktijk absoluut onkundig is.

Zoo weet blijkbaar collega ïe Hennepe niet, dat, toen het bestuur der N V.
Thermo Chemische Fabrieken destijds voor de vraag stond, welk systeem zij
zouden kiezen voor hun fabriek te Bergum, hun meening was het z.g.n. droge
systeem te moeten toepassen. Maar, zeer terecht, gaf de adviseur der Regeering
geen vergunning dit systeem in gebruik te nemen, omdat daarbij hoogstens tem-
peraturen van iio—-I20° C. in den ketel worden bereikt en dat alleen maar bii
zeer vette grondstoffen. Fn nu schrijft vollega
te Hennepe wel „bacteriéele ge-
varen zijn bij de moderne methodes uitgesloten"
maar geldt zulk een uitspraak wel
voor iedere methode?

!)r. te Hennepe meent, dat alleen een commissie, bestaande uit leden die ieder
voor zich in een der onderdeelen deskundig zijn, het vraagstuk der diermeelberei-
ding in al zijn onderdeelen kan bestudeeren.

Nu, ik heb eens een Hoogleeraar hier te lande, met een naam, die ook ver over
onze grenzen met eere wordt genoemd, hooren zeggen ,,als men een zaak wil ver-
troebelen of doen mislukken, benoem dan een Commissie". Dit is m. i. ook toepas
selijk op het voorstel van collega
te Hennepe. Hoefnagel.

De gemiddelde studieduur van de dierenartsen.

Naar aanleiding van de mededeeüng : ,,De gemiddelde studieduur voor een
dierenarts bedraagt in de laatste jaren minimum (i) jaar" in het uit ,,Het Vader-
land" in aflevering 4 van den loopenden jaargang van dit Tijdschrift overgenomen
artikel ,,De positie der militaire paardenartsen" werd door mij in aflevering (>
d. a. v. tot den onbekenden steller van dit artikel het verzoek gericht om te w illen
mededeelen, uit welke officieele gegevens die gemiddelde studieduur was berekend

Daar tot mijn spijt tot heden niet aan dat verzoek is voldaan, heb ik gemeend
zelf dien duur te moeten becijferen en ben daarbij voor de in de jaren 1927 en 1928
tot dierenarts bevorderden tot een gemiddelden studieduur van nog geen volle
5i jaar gekomen. Hiervoor zijn geen officieele gegevens gebruikt, maar die in de
vroegere Veterinaire Studenten-almanakken en de Diergeneeskundige Jaarboekjes
neergelegd. Deze geven echter een uitkomst, die voldoende nauwkeurig is 0111 de
bewering, dat die studieduur ruim 6} jaar zou zijn, te mogen weerspreken en aan-
leiding te vinden om er op te wijzen, dat iemand, die in de groote pers verbetering
van de positie van de paardenartsen bepleit, o. m. op grond van den langen studie-
duur van de dierenartsen, afbreuk doet aan de zaak, die hij voorstaat, indien hij
dien duur op een vol jaar langer stelt, dan in werkelijkheid het geval is.

W. van der Burg

Ter nadere inlichting over deze vraag moge hieraan worden toegevoegd, dat
te beginnen met de studenten, die in 1925 voor het eerst werden ingeschreven,
een iets langere gemiddelde studieduur kan worden verwacht. De tijd tusschen
het eerste en tweede gedeelte van het candidaatsexamen werd in 1926 van 1 jaar
op jaar verlengd. Schematisch duurt de studie voor dierenarts thans jaar,
doch daar verscheidene studenten over een bepaald onderdeel wel langer doen,
zal het gemiddelde over eenigen tijd ook langer zijn.
 C. F. van Oijf.n.

(t) Dit woord is natuurlijk een ,,slip of the pen", want de gemiddelde studie-
duur heeft geen minimum, daar hij nauwkeurig is te berekenen. Fr zal dan ook
bedoeld zijn : ruim 6J jaar.
 d. v. B.

-ocr page 618-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Verslag van den toestand der Maatschappij over 1928.

Leden.

Het aantal leden bedroeg op het einde van het verslagjaar 681. Hiervan waren
aangesloten bij de Algemeene Afd. 130 (van wie 54 in het buitenland), bij de Afd.
Friesland 54, Groningen-Drente 65, Gelderland—Overijsel 97, Utrecht 86, Noord-
Holland 63, Zuid-Holland 90, Noord-Brabant 40, Limburg 33 en de Afd. Zeeland 23.

Eere-lid van de Maatschappij is Dr. H. J. Lovink, burgemeester van Alfen a. d.
Rijn.

De Afdeelingen Groningen-Drente en Utrecht bezitten iederéén buitengcwoonlid;

In 1928 bedankte een lid, wegens vertrek naar Indië ; zes leden zijn overleden :
G.
C. Verkaik te Woerden, j. W. Brouwer te Kortgene, G. v. d. Meulen te
Apeldoorn, E. L.
van Mervennée te Middelburg, P. H. A. van Aelst te Maastricht
en
Th. G. van Rijssel te Rotterdam. De Afd. Zeeland verloor in den hoogbe-
jaarden Heer v.
Mervennée een harer oprichters : bij het 60-jarig bestaan der
Afd. is hem deswegen het eere-lidmaatschap der Afd. aangeboden. Den algemeen
hooggeachten Oud-Inspecteur van den Veeartsenijkundigen Dienst
van Rtjssel
zullen wij in onze jaarlijksche bijeenkomsten missen ! Eere zij aller nagedachtenis !

Adressen, Rapporten, Correspondenties en Besluiten.

Nadat in een tweetal bijeenkomsten van het D. B. met een groot aantal Rijks-
keurmeesters in bizonderen dienst de wijziging in de belooning dier ambtenaren
was besproken, heeft het H.B. een adres gericht tot den Minister van Binnenland-
sche Zaken en Landbouw, waarin het zijn verwondering uitsprak over het feit,
dat zóó ingrijpende veranderingen tot stand waren gekomen, zonder dat de or-
ganisatie was gehoord. Het H.B. kwam er vooral tegen op, dat de verrichtingen van
Rijkskeurmeesters en hun helpers als het ware op één lijn werden gesteld. Ook
meende het H.B. te mogen opmerken dat bij de nieuw getroffen regeling geen
rekening gehouden was met de geheel verschillende omstandigheden, waaronder
practizeerende dierenartsen en directeuren van abattoirs als rijkskeurmeester
werkzaam moeten zijn. In zijn antwoord berichtte de Minister, dat de herziening
van de tarieven een gevolg was van het feit, dat in de laatste jaren alle wedden en
belooningen van en aan ambtenaaren aan een vermindering onderworpen zijn en
dat het in de bedoeling ligt in de diensten met de hoogste belooningen door vast
personeel te doen voorzien. Z. Exc. had besloten de vergoeding voor administratieve
werkzaamheden alsnog te handhaven en deed de toezegging dat, wanneer nader
blijken mocht, dat de nieuwe regeling den toets der billijkheid niet kan doorstaan,
een herziening in overweging genomen zal worden.

Aan de Directie van de Zwolsche Paarden- en Veeverzekeringmaatschappij is
een met feiten gestaafde klacht ter kennis gebracht, betreffende de behandeling
van bij die maatschappij verzekerde zieke dieren door onbevoegden en is tot haar
het verzoek gericht om deze wijze van handelen te doen eindigen. De directie heeft
nader onderzoek en bericht van de resultaten hiervan toegezegd.

Op een herhaald verzoek van het H.B., gericht tot de landbouworganisaties :
Christelijke Boeren en Tuindersbond, Koninklijk Nederlandsch Landbouw comtié,
Roomsch Katlïolieke Nederlandsche Boeren en Tuindersbond, 0111 de feiten te
willen noemen op grond waarvan deze organisaties aan de Regeering hebben
verzocht een tarief vast te stellen voor de behandeling met mond- en klauwzeer-
serum, is een antwoord ingekomen, waarin wordt medegedeeld, dat genoemde
organisaties de betreffende kwesties willen laten rusten, tot het rapport verschenen
is van de commissie voor sera en entstoffen.

De Nederlandsche Maatschappij tot bescherming van dieren heeft het H.B.
bericht, dat zij pogingen in het w-erk stelt in de polissen van veeverzekeringmaat-
schappijen een lijstje te doen opnemen van namen van ziekten, waarbij het ge-
troffen dier direct kan worden gedood, zonder overleg met of goedkeuring van de

-ocr page 619-

directies. Zij verzocht liet H.B. zijn meening te willen zeggen over een aantal door
de Maatschappij met name genoemde ziekten, welke naar haar oordeel hiervoor
in aanmerking komen. Het H.B. heeft geantwoord, dat het niet gewenscht is ziek-
ten met name te noemen en dat volstaan kan worden met „ongeneeslijke been-
breuken en doodelijk verloopende verwondingen van uit en inwendigen aard."

Op een klacht, dat vleesch voor militairen bestemd en door een paardenarts
goedgekeurd, door een officier van de intendance kan worden afgekeurd, heeft het
H.B. verklaard, dat het niet bij machte is in deze invloed uit te oefenen. Naar zijn
oordeel moeten eventueele grieven in deze aangelegenheid ter kennis worden ge-
bracht van den Chef van den Militair Veterinairen Dienst.

De Afd. Groningen-Drente heeft de bemiddeling van het H.B. verzocht om
een einde te maken aan den overdreven ijver van de Rijkspolitie, betoond bij de
bestrijding van dierenmishandeling, waardoor het is voorgekomen, dat een Kan-
tonrechter vonnis heeft gewezen tegen het advies van een dierenarts-deskundige
in. Het H.B. heeft hierop als zijn meening te kennen gegeven, dat, afgezien van
de zeer uiteenloopende meeningen van dierenartsen over vraagstukken mishan-
deling van dieren betreffende, een protest onzerzijds, tegen een uitspraak van
een Kantonrechter, niet kan worden verwacht, omdat een rechter nooit gebonden
is aan het advies van een deskundige.

Aan een tweede verzoek van genoemde Afd. kon het H.B. evenmin voldoen.
De Afd. heeft het H.B. uitgenoodigd bij de Regeering aan te dringen op het op-
nemen in de Veewet van de virus-pest der varkens. De afwijzing van het H.B. is
gegrond op het feit, dat, tot op heden, de clinische diagnose van deze ziekte te
groote moeielijkheden biedt.

De Veterinaire Faculteit der Rijks Universiteit te Utrecht heeft de medewerking
van het H.B. verzocht tot het tegengaan van het waarnemen van praktijken door
5e jaars-studenten, op grond van het in strijd zijn met wettelijke voorschriften.
Voor het geval het beschikbaar aantal afgestudeerden niet toereikend mocht
wezen aan alle aanvragen om plaatsvervanging te voldoen, moesten, naar het
oordeel der faculteit, belanghebbenden zich met naburige collegae verstaan.
Het H.B. had aanvankelijk ernstige bezwaren de gevraagde medewerking toe te
zeggen. De ervaring toch leert, dat tijdens de groote vacantie en in tijden, dat
practici hunne militaire plichten vervullen moeten, het aantal afgestudeerden bij
lange na niet toereikend is aan alle aanvragen te voldoen en dat helaas de colle-
gialiteit van de collegae onderling nog te veel te wenschen overlaat om in de rich-
ting door de l\'aculteit aangegeven, een afdoende oplossing te kunnen vinden.
Na mondeling overleg van de Faculteit met den voorzitter en den secretaris van
het Hoofdbestuur heeft het Hoofdbestuur de toezegging gedaan den gevraagden
steun te verleenen.

Het Hoofdbestuur heeft aan den Minister van Binnenlandsche Zaken en Land-
bouw en aan dien van Arbeid, Nijverheid en Handel het verzoek gericht eene
commissie te benoemen voor het onderzoek naar : de mate van verbreiding van
het enzoötisch verwerpen door infectie met Brucella Bang bij rundexen en andere
dieren, de wijze waarop de verspreiding van deze infectie tot stand komt, meer
in het bizonder, welke rol daarbij eventueel wordt gespeeld door de enting met
levende vaccins, een doelmatige bestrijding van deze ziekte onder de dieren, waar-
mede gevaar van smetstofverspreiding niet te vreezen zal zijn, het voorkomen
van Brucella-Bang in melk en melkproducten, in verband met het besmettings-
gevaar voor dieren en voor den mensch.

De Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw heeft het H.B. verzocht
zijn meening te willen zeggen over eene eventueele combinatie van een nieuwe
Rijksseruminrichting met een op te richten Mond- en Klauwzeerinstituut Het
H.B. heeft Z. Exc. eene vereeniging van beide instituten ontraden. De oplossing
van het zoo moeilijke isolatie-probleem zou door een dergelijke combinatie onnoodig
worden verzwaard. Ter vermijding van overbrenging van smetstoffen moeten per-
soneel, laboratoria, stallingen, proefdieren enz. van twee dergelijke instituten

-ocr page 620-

geheel gescheiden blijven. Daarbij verschillen beide instituten dermate van karak-
ter, dat ook in dit opzicht een samengaan niet doelmatig kan worden geacht :
een Mond- en Klauwzeerinstituut toch moet „Eorschungsinstitut" blijven en verre
verwijderd zijn van iedere verblijfplaats van vee. Ten slotte heeft het H.B. zich
de vrijheid veroorloofd als zijn meening Z. Exc. kenbaar tc maken, dat het mond-
en klauwzeervraagstuk zoovele en zoodanige moeielijkheden oplevert, dat slechts
oprichting van een Internationaal Instituut, onder de auspiciën van de veterinaire
commissie in den Volkerenbond, de oplossing brengen kan.

Het Hoofdbestuur heeft een commissie benoemd om te onderzoeken op hoe-
danige wijze de belooning van plaatsvervangend-inspecteurs van don Vceartsenij-
kundigen Dienst nader zou kunnen worden geregeld.

Een onderzoek is ingesteld betreffende klachten over controleurs bij den waren-
dienst, die hunne bevoegdheid te buiten gaan door pathologische afwijkingen
vast te stellen van koe-uiers. In het algemeen is het H.B. van oordeel, dat de uit-
voering van de warenwet o.a. bij de uitvoering van het Melkbesluit c-n het toe-
zicht op de verpleging van het melkvee en op de hygienische melkwinning veel te
wenschen overlaat en de speciale kennis en ervaring van den dierenarts daarbij
teveel worden achtergesteld.

Met vreugde heeft het H.B. geconstateerd, dat in meerdere streken van ons
land de dierenartsen eendrachtig werkzaam zijn bij de georganiseerde bestrijding
van de tuberculose onder het rundvee. Het heeft tot de Afdeelingen, waarin deze
actie nog niet is ingevoerd, een opwekking gericht om in deze spoedig krachtige
leiding te geven\'.

De afgevaardigde in het H.B. van de Afd. Zuid-Holland 1). A. Oskam wenschte
vooreene herbenoeming niet meer in aamerking tc komen ; in zijn plaats is benoemd
Dr. P.
Yermaat, dierenarts te Oud-Beyerland Dr. J. Mazure Czn. heeft gemeend
zijn functie als afgevaardigde van dc Afd. Noord-Holland aan jeugdigere krachten
te moeten overdragen. Zijn plaats in liet H.B. is ingenomen door den Heer K.
Schuytemaker, dierenarts te Nibbixwoud, Dr J. Mazure heeft vele jaren de be-
langen van de diergeneeskundige wetenschap en van den diergeneeskundigen
stanel als lid van het Afd. bestuur van Noord-Holland, als penningmeester van het
H.B. en als afgevaardigde in het H.B. van de Afd. N -Holland op uitnemende wijze
gedienel. De Afd. N.-Holland heeft zijn verdiensten erkend door het aanbieden van
het cere-lidmaatschap der Afd.

De Afd. Groningen-Drente heeft den iyen November 1928 een feit mogen
herdenken, hetwelk in de annalen van onze Maatschappij te voren nog niet was
gemeld. Op dien elag had de Heer H. A.
Kroes te Groningen gedurende vijfentwintig
achtereenvolgende jaren het secretariaat van zijn Afd. vervuld. Ook het H.B.
en alle andere afeleelingen hebben den sympathieken en nog steeds volijverigen
jubilaris van hunne groote waareleering eloen blijken.

Eindelijk is het register op elen systematischen cataleigus verschenen. Het thans
(lriedeelige boekwerk, hetwelk voortdurend zal worden gecompleteerel met alle
in de Rijksuniversiteitsbibliotheek te Utrecht nieuw opgenomen diergeneeskundige
literatuur, is bij de uitgeefster van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde of bij
ondergeteekende te bestellen (prijs t 6.— plus porto).

1-fet Diergeneeskundig Jaarboekje 1928 is namens het H.B. aangeboden aan :
H.H. Curatoren van de Rijksuniversiteit te Utrecht, aan den Burgemeester van
Utrecht, aan de Rijksuniversiteitsbibliotheek te Utrecht, aan de bibliotheek aan
de Landbouw Hoogeschool te Wageningen, aan Dr. K. H. M.
va(j de Zande,
Raad-aelviseur Depart. van Binnenl. Zaken en Landbouw te \'s Gravenhage, aan
liet H.B. der Ned. Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, het H.B. der
Ned. Maatschappij tot beveirdering der Pharmacie, het H.B. der Ned. Maatschappij
tot bevordering der Tandheelkunde, het H.B. der Nederlandsche Vereeniging tot
bescherming van dieren en aan het bestuur van het Koninklijk Nederlandsch
Landbouwcomité.

-ocr page 621-

Vergaderingen en vertegenwoordiging.

De Algemeene Vergadering der Maatschappij is gehouden te Utrecht op Vrijdag
12 en Zaterdag 13 October 1928. In de huishoudelijke vergadering van Vrijdag
12 October hebben de periodieke verkiezingen plaats gehad. De afgevaardigde
van de Afd. Noord-Brabant, de Heer P.
J. \'t Hooft, was niet meer herkiesbaar,
als zijn opvolger heeft de Afd. de Heer
Joan Kirch te Uden benoemd. De Afge-
vaardigden van de afdeelingen Gelderland-Overijsel en Noord-Holland, de H.H
A. v.
Heusden en K. Schuytemaker zijn als zoodanig door de respectieve afdee-
lingen herkozen. Ook de Secretaris van het H.B. Dr\'. H. A.
Vermeulen, het lid
van de notulencommissie, de Heer L.
J. Hoogkamer en het lid van de redactie
van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Prof.
C. F. v. Oyen, zijn opnieuw in
hunne functiën bevestigd. De finantieele verantwoording der Maatschappij en
hare fondsen, alsmede de begrooting 1929 zijn goedgekeurd. Aangenomen is het
voorstel van het H
.B. eene commissie te benoemen, welke zich desgewenscht
juridisch kan doen voorlichten, tot het ontwerpen van voorstellen, betreffende
eene herziening, eventueel aanvulling van de Statuten en het Huishoudelijk Re-
glement der Maatschappij. Deze commissie, door het H.B. benoemd, bestaat uit
de H.H. Dr. A. A.
Overbeek, voorzitter, Joan Kirch, secretaris, Dr. G. J. van
der Kampen,
Dr. J. A. Beyers en J. Kranenburg, leden. Het voorstel van de
Afd. Gelderland-Overijsel tot wijziging van art. 25 van het Huishoudelijk Regle-
ment. teneinde vasttestellen, dat voortaan de Algemeene Vergadering gehouden
zal worden in de 2e helft van het jaar, in een gemeente nader door het H.B. aan te
wijzen, werd verworpen. Aangezien tijdens de discussies bleek, dat velen de huidige
redactie van art. 25, hetwelk voorschrijft dat een Algemeene Vergadering de plaats
bepaalt, waarin de volgende zal worden gehouden, niet practisch vinden, werd
op voorstel van de Afdeelingen Zeeland, Limburg en Gelderland-Overijsel be-
sloten, genoemd artikel te wijzigen. Het H
.B. is thans aangewezen de plaats te
bepalen, waarin de Alg. Vergadering zal worden gehouden, vervolgens zal voortaan
de Huishoudelijke vergadering op Vrijdagmiddag plaats vinden, terwijl na afloop
hiervan de gemeenschappelijke maaltijd zal worden gehouden. De vergadering
werd besloten met eene, niet voor de pers toegankelijke, gedachtenwisseling over
het tarief voor de pullorumbestrijding.

Op Zaterdag 13 October zijn, na de openingsrede van den Voorzitter, de na-
volgende voordrachten gehouden : door den Heer T. D.
Sigling over ,.Grepen uit
de diergeneeskundige ethiek;
a. Diergeneeskundige fatsoensleer, b Het standpunt
van den dierenarts in zoogenaamde modeoperaties", door Prof. Dr. J. J
Wester
over „Rachitis en Osteomalacie bij dieren", door Dr. J. van der Hoeden over
,,Het besmettelijk verwerpen der runderen, in verband met ziekten van den
mensch", door Prof. Dr.
B. Sjollema over „Het wezen en de therapie van kalf-
ziekte" en door Prof. Dr.
L. de Blieck over ,,Fen voor de praktijk bruikbare
agglutinatiemethode bij de pullorumbestrijding". Deze voordrachten zijn, met
de hierop gevolgde discussies, in het Tijdschrift voor diergeneeskunde verschenen.

Het H.B. heeft vergaderd op 18 Februari. 25 Mei, 30 Juli, 12 October en 8 De-
cember 1928 ; op 21 Januari 1928 had het D.B. des v.m. een conferentie met den
Heer li. A.
Kroes en in den namiddag eene met een aantal Rijkskeurmeesters in
bizonderen dienst; op 7 Maart eene met den Heer
T. D. Sigling. Voorts vergaderde
het D.B. op 21 Mei 1928; op 3 November d.a.v. werd, des v.m. de commissie tot
herziening van het reglement geinstalleerd, terwijl in den namiddag van dien dag
het voorloopig comité voor de huldiging van de nagedachtenis van wijlen Prof.
Dr. D. A.
de Jong met het D.B. bijeenkwam Behalve het D.B. waren als toen aan-
wezig de H.H. : Prof. Dr. F.
Gorter, Prof. Dr. W. C. de Graaff, Prof. C. F. v.
Oijen, Prof. l)r. L. de Blieck, Prof. Dr. H. Schornagel, Prof. Dr. J. Roos,
Dr.
W. Stuurman. Dr. H. C. L. E. Berger, Dr.L. F. D.E. Lourens, Dr. E. A R.
F.
Baudet, Dr. T. van Heelsbergen, Dr. H. J. v. Nederveen, Dr. A. Vrijburg.
I..
J. Hoogkamer en J. P. v. d. Slooten. Niet aanwezig waren de leden : Prof.
Dr. P.
Th. L. Kan, Prof. l)r. J. v. d. Hoeve, Prof. Dr. J. H. Hartog, Dr. D. G.

-ocr page 622-

6o3 —

L\'bbels, S. G. Kapsenburg, A. v. Heusden en A. L. Reimeringer, Voorts
hebben het lidmaatschap van het comité aanvaard de H.H Prof. Dr.
J. v. Es.
University Farm, Lincoln, Nebraska, Dr.
C. Bubberman, J. L. van Eck. Dr.
H. j. Smit. allen te Buitenzorg, Dr. \\y. v. d. Akker en j. v. Dülm beiden te Ban-
doeng en Dr.
J. Kok te Semarang. Door de aanwezige leden ter vergadering is de
Prof. Dr. D.
A. de Jong Stichting, met het doel het bevorderen van het weten-
schappelijk onderzoek van de vergelijkende pathologie, tot stand gekomen en is
een uitvoerend comité benoemd, bestaande uit de
H.H. Dr. J. J. F. Dhont voor-
zitter, Dr.
H. J. v. Nederveen, Secretaris, leden : Prof. Dr. E. Gorter, Prol.
Dr.
\\Y. C. de Graaff, Prof. C. F. v. Oijen.

In het afgeloopen jaar is de Maatschappij vertegenwoordigd : op 6 Februari,
door het D.B. bij de inaugurale rede van Prof. Roos, op de Ylaamsche congressen,
gehouden 14 en 15 April te Leuven, door den Heer J. H.
ten Thije, bij de her-
denking van het 150-jarig bestaan der Tierärztlichen Hochschule te Hannover op
13—15 Juni, door den Voorzitter; op het Gezondheidscongres, gehouden 6 en 7
Juli te Rotterdam, door den Voorzitter, op het jubilé van collega
Kroes te Gro-
ningen. op 17 November, door den Heer \\V.
ten Hoopen en op het Jubileum-
congres van de Neder!andsche centrale Vereeniging tot bestrijding van de tuber-
culose, gehouden te \'s Gravenhage den -zisten November door Dr. H.
J. van
Nederveen
 de Secretaris,

H. A. Vermeulen.

BERICHTEN.

Het abattoirvraagstuk te Rotterdam.

Naar aanleiding van het voorstel van B. en \\Y. van Rotterdam betreffende de
verplaatsing van de nevenbedrijven, die thans op het terrein van het openbaar
slachthuis gevestigd zijn, naar de Yondelingenplaat, hebben de nevenbedrijven
van het slachthuis een adres ingediend bij den gemeenteraad. Zij verzoeken daarin,
eerst dan de plaats van vestiging voor de oprichting van hun bedrijven aan te\'
wijzen, wanneer het abattoirvraagstuk definitief is opgelost en wijzen vereier op
eenige bezwaren, welke tegen een verplaatsing zouden spreken (als een onnoodig
moeilijke aan- en afvoer van hun grondstoffen en bewerkte producten, te gering
contact tusschen koopers en verkoopers van slachtproducten, enz.). Zij dringen
daarom bij den raad met klem erop aan, de beslissing in deze kwestie eerst dan te
nemen, nadat zal vaststaan of het abattoir zal worden verplaatst, en zoo ja, waar
het nieuwe abattoir zal worden gevestigd.

In verband met deze kwestie verscheen kortgeleden in de N. R. Ct. een beschou-
wing, waarin o.a. wordt gezegd, dat het jarenlange uitstel de oplossing hoe langer
hoe ingewikkelder heeft gemaakt en men daardoor aarze\'lt, afdoende beslissingen
aan het oordeel van den gemeenteraad te onelerwerpen Naar de meening van elen
schrijver zou men, bij het tegenwoordige zielental van Rtd., bij den grooten omvang
van haar grondgebied, en bij ele vrij stellige zekerheid, dat vermeerelering van deze
beiden in ele naaste toekomst nog niet tot staan zal komen, met één enkel abattoir
niet meer kunnen volstaan. Het bouwen van meer abattoirs is voor Rtd z. i. on-
afwijsbaar.

Als oorzaak van de abattoir-misère zou men veioral moeten aannemen het toe-
nemend aantal slachtingen door uitbreiding van de bevolking. Toen men het
Rotterdamsche abattoir stichtte, heeft men niet voldoende op uitbreiding gerekend.
Als de meest practische oplossing zou schrijver willen zien. dat men te Rtd. een
drietal afzonderlijke slachthuizen zou bouwen, welke elk een bepaalel gedeelte van
ele stael toegewezen krijgt.

In aansluiting aan dit artikel verscheen in de Vee- en Vleeschhandel" van 10
Mei j.1. een beschouwing over de vraag of de groote steden meer dan één abattoir

-ocr page 623-

moeten hebben. Daarin worden eenige bezwaren geopperd tegen het aanwezig
zijn van meer dan één slachthuis.

Houdt men vast aan de combinatie abattoir-veemarkt, dan is de stichting van
een tweede abattoir al direct bezwaarlijk voor de slagers en niet het minst voor
het verkeer, daar de slagers hun op de veemarkt gekochte vee door de stad moeten
vervoeren naar abattoir No. 2. Wat dus aan vleeschvervoer wordt gewonnen, zou
aan veevervoer verloren gaan.

Meer dan één abattoir beteekent verder voor de vleeschhandel en grossierderij
en de exploitatie der nevenbedrijven een groot ongerief en nadeel. Het bezwaar
van het vleeschvervoer is tegenwoordig met het moderne snelverkeer, zeer gering.

Ook is het bezwaar, dat men een te groote inrichting zou moeten bouwen, als
slechts één abattoir wordt gesticht, niet steekhoudend. Er kan wel zoo gebouwd
worden, dat al naar de behoefte, uitbreiding mogelijk is. Als voorbeeld neemt S.
Amsterdam, waar het abattoir in 1878 werd ontworpen en sindsdien verscheidene
malen uitgebreid.

Tenslotte is de exploitatie van meer dan een slachthuis voor een gemeente
niet voordeelig. Men denke slechts aan de personeelkosten en administratie-
onkosten, welke tweemaal of driemaal zoo groot worden. Hoegrooter de inrichting
en hoe intensiever het gebruik, hoe voordeeliger zelfs de tarieven kunnen zijn. S.
wijst bovendien nog op een plaats als Brussel, waar alles zich concentreert op het
bekende abattoir met veemarkt te Anderlecht en een tweede slachthuis in een der
andere voorsteden langzaam is afgestorven en buiten gebruik gesteld.

Hoewel op het eerste gezicht de stichting van meer dan een abattoir voor de
zeer groote steden logisch en zelfs aanlokkelijk lijkt, ziet men uit het bovenstaande,
dat er tegen dit systeem nog vele bezwaren zijn.

De destructie van afgekeurd vleesch.

Wil men een afzonderlijke destructor voor de provincie N.-Brabant? Het lijkt
er wel op, gezien het feit, dat het bestuur der afdeeling N.-Brabant van de Yer-
ceniging van Nederlandsche Oemeenten reeds sedert eenigen tijd onderhandelingen
heeft gevoerd met de N.V. Nederl. Thermo-Chemische Eabrieken omtrent een te
stichten destructor in de provincie N.-Brabant Een commissie uit het bestuur
zal zelfs een bezoek gaan brengen aan den destructor te Bergum, teneinde deze
inrichting te zien en vooral op de hoogte te komen omtrent de werking van den
ophaaldienst.

Het ligt verder in de bedoeling, dat in een algemeene vergadering der ver
eeniging over deze aangelegenheid deskundige voorlichting zal worden gegeven.

Te vermelden valt verder nog een, om praeadvies in handen van Gedep. Staten
van Noord-Holland gesteld, voorstel van den Heer
Weiss, strekkende 0111 „met
voorstellen te komen om de vernietiging van het volgens de vleeschkeuringswet
afgekeurde vleesch voor de geheele provincie N -Holland in eigen hand te nemen
of wel op te dragen aan de Nederl. Thermo-Chemische Fabrieken.

De. voorsteller heeft blijkbaar gedacht aan de bepalingen van de vleeschkeurings-
wet en aan de ter uitvoering daarvan vastgestelde voorschriften. Volgens deze
voorschriften rust op de gemeentebesturen, voor zoover geen ontheffing is ver-
leend, de plicht er voor te zorgen, dat het afgekeurde vleesch en het voorwaardelijk
goedgekeurde vleesch, ten aanzien waarvan aan de voorwaarden niet is voldaan,
in een destructor kan worden onbruikbaar gemaakt

Het voorstel van den Heer Weiss heeft nu blijkbaar de strekking, dat ele pro-
vincie de destructie van het afgekeurde vleesch uit alle gemeenten in N.-Holland
in ééne centrale verwerkingsinrichting zal bevorderen door, hetzij zelf zoodanige
inrichting te stichten en te exploiteeren, hetzij terzake een overeenkomst te sluiten
met ele N T. F . welke zich met het oprichten en exploiteeren van destructorer.
voor afgekeurd vleesch bezig houdt.

Als zeer eigenaarelig is intusschen dit voorstel te beschouwen, als men in aan-
merking neemt, dat de provincie krachtens de bestaande wettelijke bepalingen
met ele destructie van afgekeurd vleesch geen enkele bemoeienis heeft en, wat meer

-ocr page 624-

zegt, op geen enkele wijze over eenig middel beschikt om de gemeenten, tot wier
taak de zorg voor de onbruikbaarmaking behoort, te bewegen de destructie op
eene bepaalde wijze b.v. in een verwerkingsinrichting van de provincie of van
bovengen, vennootschap, te doen geschieden. Reeds om deze reden zou van de
stichting van een provinciale verwerkingsinrichting moeten worden afgezien, zoo-
lang niet ele zekerheid bestaat, dat alle gemeenten of de groote meerderheid bereid
zouden zijn ele destructie aan een eventueel aanwezige provinciale inrichting op
te dragen. Twee groepen van gemeenten (Barsingerhorn en Midwoud) hebben
reeds de stichting van een eigen destructor ter hand genomen, terwijl ook de ge-
meente Amsterdam uitvalt.

Gedeputeerde Staten geven daarom elan ook in overweging het voorstel van den
Heer
Weiss niet aan te nemen.

Aansprakelijheid van den keuringsdienst.

In een eler laatste nummers van de „Vee en Vleeschhandel" we>rdt door een
medewerker bovengenoemd onderwerp ter sprake gebracht, welke beschouwing
ik hier weergeef, elaar m. i. deze kwestie niet van belang emtbloot is.

Het komt nl. wel eens een enkele maal voor. dat vleesch, eenmaal onvoorwaar-
delijk goedgekeurd, daarna zonder dat er sprake is van bederf ....... door een

anderen keuringsdienst wordt afgekeurd. In zulk een geval is de eigenaar meestal
niet meer in staat de ielentiteit van het geslachte dier te doen vaststellen, daar de
huid reeds is afgesneden. Hij kan dus de schade, geleden door de afkeuring, niet
meer verhalen op verzekeringsfonds of kooper De vraag rijst nu, of de keurings-
dienst, die het vleesch eerst goedkeurde voor de geleden schade aansprakelijk is.

De reden der afkeuring is in die gevallen het gevolg van het feit, dat de eerste
keuringsambtenaar iets over het hoofel heeft gezien, hetwelk reden had moeten
zijn, het vleesch niet goed tc keuren, dit laatste op grond van de voorschriften,
voorkomende in de vleeschkeuringswet. Het spreekt van zelf, dat keuringsambte-
naren een vergissing kunnen begaan. Er behoeft dus geen positieve nalatigheid
in den gewonen zin aanwezig te zijn, zoe>dat men in dergelijke gevallen niet kan
spreken van het niet-eerbicdigen van een wettelijk voorschrift. Dit laatste is te
beschouwen als een onrechtmatige daad, waarvoor schadevergoeeling behoort te
worden toegekend. Naar de meening van den schrijver is hier sprake van een te
kort schieten in de taak, welke op den keuringsdienst als overheielsorgaan rust,
hetgeen geen grond tot toekenning van scliaelevergoeding oplevert.

Aan het slot wordt dan de hoop uitgesproken, dat deze kwestie eens nader
geregeld moge worden, daar men in elezen een vaste gedragslijn wil volgen.

Abattoirs.

B. en W. van Haarlem stellen voor aan den raad, hun tc machtigen tot den bouw
van een nieuwe ijsfabriek en vragen daarvoor een creeliet van ƒ 125.000 aan.

De gemeente l\'eisen besloot een contract te sluiten met de N. T. F.

B. en W. van Utrecht vragen een crediet van ƒ (10.000 voor uitbreiding van de
bestaande koelinstallatie door bijplaatsing van een nieuwen ammoniakcompressor
en luchtkoeler.
 i>f. Graaf.

Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw. No. 3.

Verslag betreffende de takken van dienst over 1927 en beknopte verslagen der
Rijkslandbouwproefstations, benevens een kort verslag van de Veeartsenijkundige
Faculteit der Rijksuniversiteit te Utrecht en van het landbouwhuishoudonderwijs.

Verschenen: den Haag, Algemeene Landsdrukkerij, 1929 Prijs / 1.

Het volgende is hieruit overgenomen :

Landbouwhcogeschool te Wageningen : aantal studenten 369. waarvan, voor-
zoover de studierichting reeds bepaald was, 48 voor Ned. landbouw, 71 koloniale
landbouw, 3 ned. boschbouw, 12 kolon. boschbouw, 12 tuinbouw, 59 landmeters-
cursus.

Veeartsenijkundige faculteit aan de Rijksuniversiteit te l \'trecht : aantal studenten
192, waaronder een vrouwelijke, waarvan 43 eerste, 57 tweede, 32 elerde, 40 vierde
en 20 vijfde studiejaar.

-ocr page 625-

Middelbare Landbouwschool te Grollingen : jar. cursus) aantal leerlingen 4«

Middelbare Koloniale Landbouwschool te Deventer : (3 jar. cursus) aantal leer-
lingen 285.

Rijkszuivelschool te Bolsward : 32 leerlingen.

Land- en tuinbouwwinterscholen ; (2 a 3 jar. cursus, particulier of van rijkswegel
op 29 plaatsen, tezamen 661 leerlingen.

Opleiding van land- en tuinbouwonderwijzers (voor onderwijzers bij liet lager on-
derwijs) : 31 cursussen op 19 plaatsen, met 552 deelnemers.

Cursussen ter opleiding van tuinbouwvakonderwijzers: op 5 plaatsen, met 77 deel-
nemers.

G. A. van Swietenschool te Freeleriksoord, ter opleiding van tuinlieden, met
58 leerlingen.

Tuinbouwschool voor meisjes, ,,Huis te Lande, te Rijswijk, (3-jarig) 34 leerlin^cr..

Lagere land- en tuinbouwscholen, op 25 plaatsen met 549 leerlingen.

Algemeene land- en tuinbouivcursussen in alle provincies, samen 830 cursussen
met 13.682 deelnemers.

Land- en tuinbouivcursussen voor volwassenen in 9 provincies: samen 112 nr-
sussen met 2605 deelnemers.

Land- en tuinbouw cursussen in bedrijfscontróle in alle provincies : samen 61
cursussen met 982 deelnemers.

Cursus ter opleiding van leerkrachten in bijenteelt : te Boxtel, 30 deelnemers.

Cursussen ter opleiding van leerkrachten in pluimveeteelt : te Veendam en Utrecht,
met resp. 12 en 44 deelnemers.

Cursus ter opleiding van onderwijzers in practisch hoefbeslag : te Utrecht, m.*t 6
deelnemers.

Cursussen der Nederlandsche Heidemaatschappij : 2-jarig, te Arnhem A. ooi-
opleiding tot boschbazen, werkbazen, boschwachters en B. opzichters, met iesp
61 en 2 1 leerlingen.

Vakschool voor kaasmakers : te Hoorn (met lessen in practisch melkonderziek,
met 30 leerlingen.

Cursussen in paarden- en rundveekennis : (^ 12 lessen van 2 uur), in alle pro-
vincies ; tezamen 33 cursussen in paardenkennis, met 437 deelnemers en 31 in
rundveekennis met 899 deelnemers.

Cursussen in hoefbeslag : in alle provinsies, tezamen 28 cursussen met 269 deel-
nemers.

Cursussen in veeverloskunde en gezondheidsleer van het vet : 3 in Gelderland met
87, 19 in Noorelbrabant met 307 en 2 in Limburg met 69 deelnemers, dus in liet
geheel 24 cursussen met 663 deelnemers.

Cursussen in voeding en verpleging van het vee : in Neiordbrabant en Limlurg,
samen t cursussen met 88 deelnemers.

Cursussen in varkenskennis : in Overijsel, Gelderland, Noordbrabant en lim-
burg, samen 21 cursussen met 400 deelnemers.

Cursussen in bijenteelt : in Drenthe, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noeirdholhnel,
Zuidhollanel, Noordbrabant en Limburg, samen 36 cursussen met 530 deelneners.

Cursussen in pluimveeteelt : in alle provincies behalve Zeeland, samen <>5 cur-
sussen met 1038 deelnemers.

Cursussen voor Zaakvoerders : (ter opleiding tot besturen en administreeren van
maalderijen en zuivelfabrieken : in Groningen, Drenthe, Overijsel en Gelderlinel,
samen 5 cursussen met 98 deelnemers.

Cursus voor melkers : in alle provincies behalve Groningen en Drenthe, sanen
192 cursussen met 2433 deelnemers.

Landbouw-huishoudonderwijs : scholen en (of) cursussen in alle provincies :
tezamen met 4490 leerlingen.

Bevordering van de rundvee-, paarden-, varkens-, geiten- en schapenfokkerj■

Door rijk en provincies samen werden in 1927 gegeven de volgende subsidën :
voor runelveefokkerij ƒ 66.864.— voor paardenfokkerij
f 67.800.—, voor varlens-

-ocr page 626-

fokkerij / 7.700. , voor geitenfokkerij / 11.500 —en voor schapenfokkerij / 1.625.—

Veeartsenijkundige Dienst (derde afdeeling)

De bestrijding der rundertuberculnse neemt geleidelijk toe ; verschillende organi-
saties hebben er een aanvang mee gemaakt ; op de begrooting van 1928 is voor
dat doel een bedrag uitgetrokken.

Zitivel aangelegenheden : Door de zuivelconsulenten werden onderzocht 49.083
monsters van zuivelproducten, grondstoffen enz., verder werden door hen lessen
gegeven en lezingen gehouden. De zuiveleonsulent in Gelderland gaf voor het eerst
een cursus in practische bacteriologie, waaraan vooral directeuren van zuivel-
fabrieken deelnemen. De uitvoer van margarine in 1927 bedroeg : 92.446.000 K.G.

Invoerverbod van vleesch : door de lingelsche Regeering in 1926 uitgevaardigd,
bleef van kracht.

Het rijkslandbouiv-proejstation voor veevoeder-onderzoek te Wageningen, onder-
zocht van i Juni 1927— 1 Juni 1928. 2785 monsters vee voederkoeken : van de
132 i monsters lijnkoek en lijnmeel bevatten 20 (= 1.5%) vreemde bestanddeelen

Van de 50 monsters, als vleeschmeel ingezonden, bestonden 15 uit diermeel,
.5 uit gemalen beenderen met wat vleesch, 1 uit meel van hoorn, 3 uit walvisch-
meel, 1 uit vischmeel en walvisch-beendermeel, 1 uit diermeel met grondnoten-
doppen, i uit diermeel, gemalen beenderen, grond notendoppen en fosforzure
voederkalk.

Van de 40 als vleeschdiermeel ingezonden monsters bestonden 24 uit gewoon
diermeel, 15 bevatten de bovengenoemde verontreinigingen en 1 bestond uit
gemalen beenderen met wat vleesch. bloedmeel, gemalen schelpen, grondnoten-
doppen en resten van de inhoud der verteringsorganen.

150 als vischmeel ingezonden monsters bevatten vreemde bestanddeelen of be-
stonden uit iets anders. Als verontreinigingen werden gevonden gemalen been-
deren, diermeel, zand, zeesterrenmeel, krabbenmeel. blaaswier, grondnotenmee!,
gedroogde pulp. kafferkoren, tarwegrint, rijstdöppen, walvisch beendei meel, ge
malen wortelzaad, cacaokoekmeel.
 Vr.

Voor kwaliteitsverbetering van onze bacon.

Onder den titel „De varkensfokkerij en -mesterij in Denemarken" doet de
Directie van den i.andbouw het door de Rijksveeteeltconsulenten Ir. H. G. A.
I.eignes Bakhoven en Ir. W. de Jong samengestelde verslag verschijnen van
de studiereis, die zij, in opdracht van de Kegeering naar Denemarken gemaakt
hebben teneinde daar de baconproductie te bestudeeren. De schrijvers hebben
zich in hun beschouwingen beperkt tot die maatregelen welke op het terrein van
den boer liggen, zoodat op de eigenlijke techniek der bacor.bereiding niet nader
wordt ingegaan.

Na een kort overzicht te hebben gegeven van den toestand van den Deenschen
landbouw in het algemeen en van dien van de varkensstapel in liet bijzonder wordt
een en ander medegedeeld omtrent de wijze van voeding en verpleging der var-
kens, meer uitvoerige beschouwingen en de middelen aangewend ter verbetering
van de kwaliteit van den varkensstapel, vooral ook met het oog op de Deensche
proef meste rijen.

..Het (voor bacon-productici geschikte varken kan hoogst waarschijnlijk zoowel
uit het veredeld Duitsch landvarken als uit het Groot Yorkshire-ras gefokt worden,
wanneer in die rassen selectie plaats heeft.\'\'

,,De selectie naar prestatie moet geschieden op overeenkomstige wijze als dit in
Denemarken geschiedt met behulp van proefmesterijen en beoordeeling na slach-
ting en bereiding.\'\'

,,Kr bestaan geen bepaalde redenen waarom, bij een doelmatige keuze der voe-
dermiddelen die in onze bedrijven gebruikelijk zijn. geen goede resultaten verkregen
zouden kunnen worden, wanneer het geschikte varken eenmaal gefokt is".

,,Een goede bereiding en sorteering is zeer belangrijk. Maatregelen die voor-
kómen dat onze baconfabrieken daarin tekortschieten moeten zoo spoedig mogelijk

-ocr page 627-

genomen worden daar anders de verbeteringen door selectie en voeding den naam
van ons product niet blijvend zullen kunner, verbeteren."

Het verslag is voor 10 cent verkrijgbaar bij de Algemeene Landsdrukkerij te
den Haag, terwijl het ook besteld kan worden bij de plaatselijke postkantoren.

Vr.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in April 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op i April nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer: bij 102 (115) eigenaars, waarvan in Groningen bij 6
3)
eig.; Friesland bij 18 (53) eig.; Drenthe bij 2 (1) eig.; Overijsel bij 1
eig.; Gelderland bij
5 eig.; Utrecht bij 4 eig.; Nooidholland bij 8 (15) eig.;
Zuidholland bij
29 (35) eig.; Zeeland bij 4 (3) eig.; Noordbrabant bij 25 (5) eig.

Scabiês (sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap: 7 gevallen bij 4
eig, (46 bij 10 eig.), waarvan in Groningen 1 (9 bij 3 eig.) ; Friesland (13 bij
3 eig.); Drenthe (11 bij 2 eig.); Gelderland 3 (paarden) bij 1 eig.; Utrecht
(12 bij i eig.)! Zuidholland 3, waarbij 2 paarden, bij 2 eig.

Rotkreupel bij schapen: 226 gevallen bij 11 eig. (516 bij 30 eig.), waarvan in
Groningen
(23 bij 2 eig.); Friesland 31 bij 3 eig. (43 bij 8 eig.); Drenthe 19
bij 2 eig. (18 bij 5 eig.) ; Noordholland 103 bij 4 eig. (155 bij 10 eig.); Zuidln 11: nd
73 bij 2 eig. (76 bij 4 eig.); Zeeland (201 bij 1 eig.).

Anthrax: 38 gevallen bij 34 eig., waarvan in Friesland 8 bij 4 eig.; Gverijsel 2
bij 2 eig.; Gelderland 7 bij 7 eig.; Zuidhollanel 8 bij 8 eig.; Noordbrabant
9\'bij 9 eig.; Limburg 4 bij 4 eig.

PERSONALIA.

Verhuisd: Dr. H. van Straaten van Vrijburgstraat 35, naarSchellinglar.n 33
Voorburg.

REFERATEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Beenmergcultures voor de diagnostiek der varkensziekten. (Le diagnostic des
maladies rouges du porc par les cultures de inoelle osseuse.
Verge et Boufi an.ms.
Revue génér. de niéelic. vótér,, Juli 1927).

Verge en Bouffanais gebruikten voor de diagnostiek bij varkensziekten,
gepaard gaande met roode huidaandoeningen, de methode van het cultures maken
uit beenmerg, zooals bij andere infectieziekten met septicaemisch karakter ook
gebruikelijk is. Zij kwamen tot zeer interessante resultaten.

In vlekziektegevallen was het mogelijk, door isolatie van de vlekziektebacil,
een juiste diagnose te stellen. Bij ziekten, waarbij pneumoniën en enteritiden voor-
komen, ging deze methode niet zoo goed op. Het bleek dat de bacteriën, die men
in deze gevallen uit het beenmerg kweekte, vaak het gevolg waren van een secun-
elaire infectie. Bij viruspest vonden zij b.v. pasteurella.

Het is dus in deze gevallen noodzakelijk de resultaten van het bacteriologisch
onderzoek te vergelijken met de klinische symptomen en de pathologisch-anato-
mische afwijkingen.

Ook bij de vleeschkeuring is deze methode te gebruiken. Men behoeft clan slechts
een metacarpus of metatarsus te gebruiken.

De keuring van bevroren vleesch tijdens den oorlog. (L\'inspection des viandes
congetées en temp de guerre.
Marotei.. Revue vétérinaire, Deel 80, 1928, pg. 501).

-ocr page 628-

6o<) —

Marotel deelt hierin een en ander van zijn ervaringen mede, opgedaan bij de
keuring van de geweldige groote hoeveelheden bevroren vleesch, te Havre ge-
durende den oorlog aangevoerd en afkomstig uit Argentinië, Ver. Staten, Austra-
lië en Madagaskar en bestemd voor de geallieerde legers. lederen dag werden
daar een
8000 voeten rundvleesch, 1000 schapen en 500 varkens aangebracht,
zoodat in de
3 jaren 1916—1919, gedurende welke Marotel aan het hoofd stond
van de keuring,
2 millioen runderen, 1 millioen schapen en i millioen varkens
werden ontscheept. Daar de keuring van een dergelijke hoeveelheid vleesch zeer
vlug moest geschieden, was de keuring nog vrij oppervlakkig. Direct bij de ont-
scheping werd in de bekleeding van elke voet vleesch een opening gesneden van
15 bij 20 c.M., waardoor men een indruk kon krijgen van de hoedanigheid van de
voet vleesch. Alle stukken, waaraan iets abnormaals werd opgemerkt, werden
naar een aparte inrichting gebracht, waar een
100 slagers met het opknappen
waren belast.

Bij de onderstaande afwijkingen werden de onderstaande maatregelen toegepast :

1). Gedeeltelijke ontdooiing. Een deel der voeten vleesch, vooral die, welke meer
in het midden van het ruim van het schip hebben gelegen, is altijd min of meer
ontdooid, vuil, slap van consistentie. Na opknapping (wegsnijden van alle vuile
gedeelten) werden dergelijke voeten vleesch zoo snel mogelijk in een vrieshuis
gebracht.
0111 opnieuw te worden ingevroren.

2). Te groote ouderdom van het bevroren vleesch. Het bevroren vleesch kan on-
geveer (> maanden bewaard blijven, daarna wordt de spiermassa bleek, neemt een
licht steenroode kleur aan, terwijl het vet geelachtig van kleur wordt en een ran-
zige smaak krijgt. Bij braden zou het vet een geur afgeven van aangebrand vleesch.
Dergelijke voeten werden opgeknapt, alle veranderde en geoxydeerde stukken
er af gesneden, soms zelfs tot 1 c.M. dikte, tot de normale kleur weer te voorschijn
komt. Daarna zoo spoedig mogelijk in consumptie gegeven.

3). Schimmelwoekering. In den vorm van ronde, viltachtige plekken, 1 2 c.M.
groot, die zich steeds uitbreiden en ten slotte tot één laag conflueeren. Bij witte
plekken heeft men te doen met nog jonge woekeringen, uitsluitend bestaande uit
myceliumdraden. Gekleurde plekken (grijs, groen, bruin of zwart) zijn ouder,
daar heeft de schimmel reeds gesporuleerd. De schimmel-soorten zijn gewoonlijk
mucor, penicillium en aspergillus

Witte schimmelplekken worden gewoon droog weggeveegd met linnen lappen of
niet in alcohol gedrenkte lappen. Bij gekleurde schimmelplekken zit vaak 2
3 m.M.
diep in het vleesch het mycelium Opknappen was hier de eenige remedie. Zoo
noodig verwijderde men borst- en buikvlies na een kleine ontdooiing van 1
2
uur. Daarna weer opnieuw bevriezen, vooral in een droge atmosfeer met flinke
ventilatie. Zoo spoedig mogelijk moesten ze later in consumptie gebracht worden,
daar dergelijke voeten weer zeer gemakkelijk en snel opnieuw beschimmelen.

4). Ontbinding. Kwam een enkele maal voor bij voeten vleesch, die in het
zeewater hadden gelegen (als b.v. een boot getorpedeerd was en een gedeelte van
het ruim volgeloopen met zeewater). Deze voeten werden ruim opgeknapt en daarna
zeer snel in consumptie gebracht.

5). Bezoedeling met pekel, doordat op een bepaalde plek in een pekelbuis een
lek ontstaat. Opknappen en doorgeven.

6). Onchocercosis, veroorzaakt door de onchocerca gutturosa, lang 30 —50 c.M.
en dik r m.M., welke als kluwe opgewonden ligt in het intermusculaire bindweefsel,
waardoor, vooral in het boutgedeelte en in het vet, tumoren ontstaan van noot-
appelgrootte. Grondige verwijdering met mes en zaag.

Ook zag men dikwijls afgestorven cvsticerci.

7). Trichinosis. teder varken moest op trichinen worden onderzocht. Van elk
dier werden
3 vleeschmonsters genomen, nl. van de larynxstreek, middenrifpijler
en schenkel. Met behulp van azijnzuur liet men de praeparaten ophelderen.

Van de varkens bleek 1 per mille besmet.

-ocr page 629-

Het aantal abattoirs in Duitschland. (Die Schlacht- und Viehhö/e im Deutschen
Reiche.
meyer, Deutsch. Tierarztl. Wochensch. Jg. 36, 1928, pg. 823).

Door het „Reichsgesundheitsamt" werd voor het geheele Duitsche Rijk een
statistiek aangelegd van het aantal abattoirs, en nog andere bijzondere gegevens.
Aan deze cijfers is het volgende ontleend.

Op i Juli 1927 waren in totaal in geheel Duitschland 730 abattoirs aanwezig.
Van deze
730 abattoirs zijn 677 (of 92.9 %) gemeentelijke inrichtingen, terwijl er
53 (of 7,1 %) coöperatieve slachthuizen zijn, welke beheerd worden door de slagers-
vereenigingen.

In Pruisen blijken de meeste abattoirs aanwezig te zijn, nl. 395 (54,10 %),
daarna volgen Beieren met 100 stuks. Baden 76, Wiirtenberg 62, Saksen 34,
Hessen 20, Thüringen 14 en Mecklenburg-Schwerin 11. In de overige staten komen
slechts enkele voor. In de kleinere gemeenten treft men vooral de z.g. ,,Innungs-
schlachthöfe" aan, hetgeen blijkt uit onderstaande statistiek.
In gem. van onder de
10.000 inw. komen 337 gewone abatt. en 24 coöp. abatt. voor
,, ,, ,, 10.000—50.000
,, ,, ,, 50.000—100.000
,,100.000—500.000
,, ,, ,, boven 500.000

De oppervlakte dezer abattoirs loopt aanmerkelijk uiteen, hangt ten nauwste
samen met de grootte der stad of plaats, waarvoor het slachthuis bestemd is. Het
kleinste abattoir komt voor in Wurttemberg, is slechts
18 M2. groot, bestaat uit
één slachtruimte voor groot vee. Nog een
5-tal abattoirs hebben een slachtruimte
van onder de
100 AI\'2 Het grootste abattoir heeft een oppervlak van 172.500 M2.

Aan 66 abattoirs was een veemarkt verbonden ; dit blijkt vooral het geval te
zijn bij de grootere gemeenten. In gemeenten van onder de
10.000 inwoners komt
deze combinatie
5 maal voor (of in 1,4 % van de daar aanwezigeabattoir), in ge-
meenten van
10 50 duizend 12 maal (4,4 %), in gemeenten van 50 -100 duizend
12 maal (25 %), gemeenten van 100 -500 duizend zielen 30 maal (70 %) en in
gemeenten van boven de
500 duizend inwoners 7 maal (of 100 % van de daar
aanwezige slachthuizen).

De volgende nevenbedrijven kwamen voor : n.1. 42 maal vetsmelterijen (of
5.75 % van alle abattoirs) ; 236 maal huidinzouterijen (32,3 "„) ; 23 maal bloed-
verwerkingsinrichtingen
(3,15 %) ; 70 maal cadaververwerkingsinrichtingen
(9.95 %)• L>eze nevenbedrijven zijn meestal eigendom van de slagersvereenigingen
of zijn aan deze verpacht.

Wat de leiding betreft, blijkt bij 575 abattoirs (of 78,8 %) een dierenarts aan
het hoofd te staan, terwijl niet minder dan
155 slachthuizen (of 21.5 %) beheerd
worden door een niet-dierenarts.

Hen 418 dierenartsen blijken hun hoofdbestaan in het abattoirwezen te hebben
(als directeur), en
157 dierenartsen verrichten het directeurschap als bijberoep.
In gemeenten boven de
10 duizend inwoners stond 348 maal (of 94 %) een dieren-
arts aan het hoofd en
22 maal (6 %) een niet dierenarts ; in gemeenten onder de
10.000 inw.227 (63 %) dierenartsen het hoofd en 133 maal geen dierenarts (37 %).

Behalve deze slachthuisleiders zijn nog een 628 dierenartsen werkzaam in het
slachthuisbedrijf, terwijl men nog
372 hulpkeurmeesters en 2055 trichinenzoekers
heeft.

Koelinriclitingen zijn aanwezig op 477 abattoirs. Van de verschillende koel-
systemen wordt de ammoniakkoeling volgens
Linde het meest gebruikt, nl. bij
295 of 62 % van alle abattoirs. Het koolzuurgas en zwaveligzuur wordt gebruikt
respectievelijk
36 maal en 35 maal.

Hen 68 tal slachthuizen zijn een vrieshuis rijk, terwijl ijsfabricatie plaats heeft
op
344 abattoirs. Aparte paardenslachtruimte vindt men op 425 abattoirs, een
slachtruimte voor besmettelijke veeziekten
427 maal en een vrijbanklokaal op 682
abattoirs.

Op slechts 325 slachthuizen kan men een bacteriologisch vleeschonderzoek

224 ......27

46 ......2

43 ». .. voor

7

-ocr page 630-

verrichten (46 %) ; hiervan zijn 148 inrichtingen geschikt voor een meer uitge-
breid bacteriologisch onderzoek. Op irS slachthuizen vindt tevens een melkon-
derzoek plaats.

Het trichinenonderzoek is niet verplichtend voor alle Duitsche Staten, zoodat
dit slechts op 539 abattoirs wordt uitgeoefend.

Wat het bedwelmen der dieren betrelt, blijkt, dat de gewone kopslag met hamer
nog voorkomt op 449 abattoirs (of 61,5 %) ; kopslag met een penapparaat geschiedt
op 373 inrichtingen. Op 455 abattoirs wordt een schietmasker gebruikt.

Op een bijgevoegde kaart van geheel Duitschland kan men zien, dat een meer
gelijkmatige verdeeiing van abattoirs over het geheele land vooral aanwezig is
in Baden, Wurttemberg en Oost-Pruisen. In de Westfaalsche en Saksische indu-
striegebieden, om Frankfort am Main en Mannheim vindt men meer een opeen-r
hooping, terwijl zeer weinig abattoirs voorkomen in Sleeswijk, Hannover, Ol-
denburg en Brandenburg.

Over, bij vleeschvergiftigingen gevonden, agglutineerbare typen van paratyphus-
bacillen.
(Ueber agglutinalorische Typen von Paratyphusbazillen, welche bei Fleisch-
vergiftung nachweisbar sind.
(B. enteritidis Gartner ausgenommen). Aoki, Zeitsch.
f. Hygiene, 1928, pg. 554, Bd. 108).

Naar aanleiding van jarenlange onderzoekingen komt Aoki tot de conclusie,
dat er onder de paratyphusbacillen, welke bij vleeschvergiftigingen worden ge-
vonden, specifieke en onspecifieke varianten voorkomen kunnen.

De specifieke soorten zijn onderling geheel verschillend, zoodat ze elkaar niet
agglutineeren. De onspecifieke stammen worden niet alleen door hun eigen »ertim,
maar ook door de andere onspecifieke sera min of meer mede agglutineerd, ech-
ter door de specifieke sera van de specifieke soorten in het geheel niet beinvloed.
Aoki kon aldus in het geheel 7 specifieke en 7 onspecifieke sera bereiden,
waardoor de paratyphusbacillen in een 7 tal, door agglutinatie te scheiden, typen
kunnen worden verdeeld. Deze typen zijn
paratyphus B, muizentyphus, para-
typhus A, Hogcholera, Newport, type I.
en type Stanley. Volgens dit schema werden
een 43 tal paratyphusstammen, deels in Europa, deels in Japan bij vleeschver-
giftiging of voedingsmiddclvergiftiging geisoleerd, nader onderzocht. Hiervan
bleken toen 21 stammen te behooren tot het type muizentyphus, 6 Newport, 3
Hogcholera, 2 paratyphus B, 1 Stanley en
1 type L. Verder bleken 4 stammen
G,;irtncr-bacillen te zijn, terwijl 2 andere stammen te agglutineeren waren.

Geographisch beschouwd, bleek het type muizentyphus ubiquitair voor te komen,
dus zoowel in de West-Europeesche landen als in Japan. Hieruit mag men, naar
Aoki meent, concludeeren, dat het type muizentyphus een groote rol speelt bij het
tot stand komen der vleeschvergiftigingen.
Hij wijst er tevens op, dat men bij dit
type een 3 tal varianten aantreft, waardoor het vaststellen van het type moei-
lijkheden oplevert.

Het type Newport, dat in Engeland bij vleeschvergiftigingen is gevonden, werd
ook onder Duitsche stammen aangetroffen en daar voor Bac. enteritidis Bresla-
viensc gehouden.

Het type Hogcholera kwam zoowel voor bij lingelsche als Duitsche stammen
geïsoleerd bij vleeschvergiftigingen van den mensch. Hieruit volgt, dat de Hog-
cholerastam of de
bac. suipestifer, zij het niet zoo dikwijls als het type muizen-
typhus, ook bij den mensch vleeschvergiftigingen kan veroorzaken.

Ook werd het type paratyphus B, welke gewoonlijk bij typheuze ziekten van
den mensch wordt gevonden, bij vleeschvergiftigingen waargenomen. Toch
schijnt deze typus niet zoo frequent voor te komen als muizentyphus.

Van het Stanley type wordt medegedeeld, dat het eenmaal bij een vleeschver-
giftiging, en een andere maal bij een typheuze aandoening bij den mensch ge-
vonden is.

Het type L. is nog min of meer onbekend, daar het bij een vleeschvergiftiging
slechts eenmaal door
Bruce White is aangetroffen.

de Graaf.

-ocr page 631-

ZIEKTEN VAN VOGELS.

Over de tusschengastheer van Prosthogonimus Putschkowskii, Sadao Ono,
Journal oj the Japanese Soc. of Vet. Science, 1928 blz. 290.

Als tusschengastheer van Prosthogonimus putschkowskii (een trematode, para-
siteeren de in de bursa fabricii van vogels) werden in Duitschland en Amerika
libellen beschreven.

In Moekden vond schrijver een libel. Anax parthenope, waarvan verschillende
exemplaren geïnfecteerd waren met geëncysteerde larven van trematoden, welke,
identiek waren met Prosthogonimus P. De cysten bevonden zich in de lichaamsholte.
Gezonde kuikens werden gevoederd met geinfecteerde libellen. Twintig dagen
hierna werden eieren van Prosthogonimus in de faeces gevonden, terwijl bij sectie
van een kuiken 10 volwassen wormen in het slijmvlies van de bursa Fabricii werden
gevonden.

Verband tusschen Bact. pullorum (kuikensterfte), Bacl. gallinarum, (Kleinsche
ziekte) en
Bac. Aertrycke (Caviapest). F. P. Mathews, Journ. of the Am. Vet.
Med. Ass. Sept. 1928.

Bact. puilorum en Bact. gallinarum bleken ook hier dezelfde antigene eigen-
schappen te bezitten. Beide bacteriën gaven o.a. geen agglutininen vcor Bact
paratyphus B.

De Bac. Aertrycke van de Caviapest gelijkt in veel opzichten op beide genoemde
bacteriën. In agglutinatorischen zin echter konden twee groepen in de Bacc. Aer-
trycke worden onderscheiden ; de eene groep lijkt in eigenschappen het meest op
pullorum\'en gallinarum-bacteries; de andere groep gedraagt zich als Bacillus
paratyphus B.

Medicamenten tegen parasieten van vogels, Veterivary Medicine, \'Mei 1928,
Revue Vet.
r928, blz. 685). M. Broerman.

Toediening van medicijnen in drinkwater of in voedsel heeft niet volledig succes.
Individueele behandeling van de dieren verdient verreweg de voorkeur. De beste
tijd van behandelen is het einde van den herfst, als de hoenders de winterkwar-
tieren gaan betrekken.

Tegen ronde wormen (Ascaridia lineata) wordt aanbevolen tetrachloorkoolstof
(3 c.e. in gelatine-kapsel).

Chenopodium-olie is het beste agens tegen Heterakis papillosa (rectale injectie
met een lavement-spuit van klein kaliber ; bij dieren tot 700 gram 0.1 c c. oleum
chenopodii gemengd in 5 c.c. wit van ei ; voor vogels van 1350 gram en meer 0.2 c.c.
van het eerste en 10 c.c. van het tweede). Voor hetzelfde doel kan men ook nemen
terpentijn-olie, met paraffine (4 a 6 c.c. oleum terebintinae in 15
c.c. paraffinum
liq ). Het is goed de behandeling te doen voorafgaan door 24 uur vasten en van
een purgatie (450 gram magnesiumsulfaat voor 100 vogels). Enkele uren na de
behandelirg herhale men de purgatie.

Voor taeniae prefereert de schrijver kamala, in capsules of pillen (r of 2 gram).
Vasten en purgeeren is niet noodig. De maximale dosis van kamala is 10 gram.
\'legen
coccidiose wordt preventief gegeven een voedsel bevattende 40 % onder-
melk of karnemelk (lactase). Dit voedsel moet van de 4e tot de 9e week aan kuikens
worden toegediend (of vlak na het optreden van de eerste verschijnselen) Handels-
fluornatrium is een uitstekende vernietiger van luizen en mijten (het best in een
bad van 30 gram fluornatrium in 3J Liter warm water, bij droog, warm weer).

Voor vederlingen (mijten) wordt een bad aangeraden, samengesteld uit 60 gram
sulfur, 30 gram sapo viridis, en 3J Liter water.

L. P. de Vries.

-ocr page 632-

PLAAT I.

Overzicht van de ontwikkeling en verplaatsing van den testikel.

De eerste twintig figuren geven de ligging en ontwikkeling der geslachtsklieren, respectievelijk
van een fetus van 20 m m., 22 mm., 25 mm., 28 mm., 42 min., 54 mm., 69 mm., 90 mm., 93 mm.,
102 mm., 131 mm., 141 mm., 150 mm., 203 mm., 209 mm., 221 mm., 232 mm., 250 mm., 310 mm.,
en 550 mm. lengte. Fig. 21 : Testikel van een kalf van 1 maand oud. Fig. 22 : Testikel van een kalf
van 9 maanden oud.

1. oernier, oernierrest, caput epididymidis. 2. kiemlijst, testikel, 3. Wolff\'sche gang, canalis epidi-
dymidis, vas deferens, 4. nier, ö. darmkanaal, 6. plica diaphragmatica, 7. plica inguinalis, ligamen-
tum inguinale, 8. plica testis inferior, ligamentum testis, 9. ureter, 10. allantois, 11. navelarteriën,
12. plexus pampiniformis, 13. inwendige liesring.

A. processus vaginalis peritonei (fig. 6).

L__

-ocr page 633- -ocr page 634-

Uit de Parasitologische afdeeling van het Instituut voor Parasitaire- en Infectie-
ziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht, Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK.

HECTOPSYLLA PSITTACI BIJ FAZANTEN

door

Dr E. A. R. F. BAUDET.

De in Europa meest voorkomende vogelvlooien behooren tot
het geslacht Ceratophyllus, met
C. gallinae (Schrank) en C. co-
lumbae
(Walcken en Gerv.) als vertegenwoordigers.

Het geslacht Ceratophyllus is gemakkelijk te herkennen, doordat
het pronotum in het bezit is van een ctenidium (Afb. i.), dat
met 26—30 donkere stekels voorzien is. Bij de menschenvloo,
Pulex irritans ontbreekt dit ctenidium, terwijl bij de honden- en
kattenvlooien Ctenocephalus canis en C. felis een dergelijk cteni-
dium, behalve aan het pronotum, ook aan de onderzijde van den
kop voorkomt.

Bij een aantal vlooien, welke ik van collega Dr. J. C. van der
Slooten
ontving, en welke afkomstig waren van fazanten uit
den dierentuin (Kon. Zoöl. Botan. Genootschap) in den Haag,
viel juist de afwezigheid van dit ctenidium direct op.

Bij nader onderzoek bleken deze vlooien tot het in Europa bij
uitzondering voorkomend geslacht Hectopsylla te behooren. Dit
geslacht is inheemsch in Zuid-Amerika en is daar bij verschillende
vogelsoorten bekend. Voor de nadere bijzonderheden hieromtrent
zij verwezen naar het werk van
Jordan en Rothschild : A re-
vision of the Sarcopsyllidae, a family of Siphonaptera, gepubli-
ceerd in Thompson Yates and Johnston Laboratories Report,
Vol. VII, Part.
I, rtjoó, en van Wolfhügel, Die Flöhe (Siphonap-
tera) der Haustiere in het Zeitschr. f. Infektionskrankh. der Haus-
tiere, Bd. 8, 1910.

De voornaamste kenmerken van dit geslacht, dat tot de familie
der Sarcopsyllidae behoort, zijn de volgende :

De liptasters (labiaal palpen) zijn 3-ledig. De femur van het 3e
paar pooten heeft aan de voorzijde een vooruitstekende haak.
(afb. 3). Onder deze haak is de femur diep ingesneden. Verschillen-
de borstels van de tibia en den tarsus zijn zeer lang.

Ter determineering van de 4 soorten, welke van dit geslacht
bekend zijn, diene de volgende tabel :

ii. Lange, smalle maxillen, puntig uitloopend en naar achteren,
gebogen — H. pulex.

Maxillen het breedst beneden het midden-gedeelte, naar
vorengebogen :
b.
b.
Vijfde tarsaalsegment met acht borstels aan elke zijde, en
bovendien 2 sub-apicale haren ; het epimerum van den metatho-
rax zonder uitsteeksel — H. psittaci.

LVI 42

-ocr page 635-

Vijfde tarsaalsegment aan elke zijde met 6 of minder borstels,
het epimerum van den metathorax van het Q met een gebogen
uitsteeksel achter het stigma : c.
c. Vijfde tarsaalsegment met 3 of 4 borstels aan elke zijde, meta-
thoracaal epimerum met 2 borstels — H. coniger.
Vijfde tarsaalsegment met 6 borstels aan weerszijde, meta-

thoracaal epimerum gewoonlijk met 3 borstels — H. broscus.

Waar deze fazantenvloo voldeed aan de eischen onder (b) be-
schreven hebben wij dus te doen met Hectopsylla psittaci Frauen-
feld, 1860.

Wat betreft het voorkomen van deze vlooien in Europa vinden
wij hieromtrent in het artikel van
Jordan en Rothschild, alleen
vermeld dat zij bij vogels in een volière van den dierentuin te Londen
(1903) en ook bij vogels in een dierentuin in ons land gevonden
waren, echter zonder vermelding van de plaats en de vogelsoort
waarbij deze parasiet aangetroffen werd. Zij werden met uitheem-
sche vogels ingevoerd. Hectopsylla psittaci, die door
Frauen-
eeld
het eerst bij een papegaai gevonden is, schijnt echter weinig
kieskeurig te zijn ten opzichte van haar gastheer, daar zij bij ver-
schillende vogelsoorten waargenomen is.

In Zuid-Amerika zag men haar o.a. bij papegaaien, uilen, zwa-
luwen, spechten en duiven.

Zij parasiteert alleen bij vogels, welke in holten nestelen. Dit is
dan ook de reden dat deze parasiet in Zuid-Amerika niet bij die
duivensoorten voorkomen, welke in boomeri nestelen, doch alleen
bij de daar levende Europeesche duif (Columba livia domesticus),
die in duiventillen of hokken en verder ook in holten in muren
nestelt, overeenkomende met de oorspronkelijke natuurlijke
nestplaatsen in rotsspleten.

Volgens mededeeling van Dr. van oer Slooten was de besmet-
ting der vogels opgemerkt nadat eenige Koningsfazanten uit
Frankrijk waren ingevoerd. Behalve bij fazanten werden deze
parasieten ook bij krielhoenders aangetroffen. Men vond deze
vlooien vastgezogen aan de huid in de omgeving van de kop en
hals. Bij de enkele gestorven dieren waren de parasieten in zeer
groot aantal aanwezig. Daar bij de sectie dezer vogels geen afwij-
kingen gevonden werden, die op andere ziekten zouden wijzen,
werd de doodsoorzaak aan deze parasieten toegeschreven. Het is
zeer waarschijnlijk dat deze groote vlooien, die in het bezit zijn
van een groot abdomen en zeer groote mandibels in staat zijn veel
bloed te zuigen, en de mogelijkheid niet is uitgesloten dat zij door een
groot aantal in staat zijn een doodelijke anaemie te veroorzaken.

Hoewel Enderlein van deze parasiet niet kon vaststellen dat
zij een pathogene werking bezat, meende hij echter ook om boven-
genoemde redenen dat Hectopsylla psittaci zeer zeker den gast-
heer ernstig zou kunnen benadeelen.

-ocr page 636-

Afb. I.

Kop van Ceratopliyllus gallinae.
n. ctenidium.

Afb. 2.

Kop van Hectopsylla psittaci.

a. labium, b. mandibels, c. labiaal palpen,
d. maxilla, e. maxillair palpen.

Ab. 3.

5e tarsaallid van Hectopsylla psittaci.
oornvormige borstel aan de ventrale zijde,
ib-apicaal haar, c. klauw. Kenmerkend
zijn de 8 zijdelings geplaatste borstels.

Afb. 4.

Ken van hot 3e paar pooten van
Hectopsylla psittaci.
a. coxa,
b. trochanter, c. haak van den
femur,
d. femur, e. tibia, 1-5 tarsaalleden.

-ocr page 637-

Z US AM M F. X FASS UNO.

Hectopsylla psittaci ist ein in Südamerika einheimischer Floh der jedoch ab und
zu auch in Europa angetroffen wird.

Verfasser gibt eine Beschreibung dieses Flohes der auf F\'asanen und Zwerg-
hühnern im Zoologischen Garten im Haag gefunden wurde. Vermutlich wurden
die betreffenden Tiere von importierten Fasanen infiziert.

SUMMARY.

Hectopsylla psittaci is a flea which is indegenous in South-America. A few times
it was encountered in Europe.

The author gives a description of the flea which was found on pheasants and
Bantam breeds in the zoological garden at the Hague. Most probably infection
took place by imported pheasants.

RÉSUMÉ.

Hectopsylla psittaci est une puce qui est indigène dans l\'Amérique du Sud,
Quelquefois on l\'a rencontreé en Europe. L\'auteur donne une description de
cette puce qui fut trouveé sur des faisans et sur des poules naines au jardin zoolo-
gique à la Haye.

Il présume que ces animaux avaient été infectés par des faisans importés.

BLADVULLING.

Ps.ycho-pathologiese zelfverminking bij een aap.

(Referaat van Bierens de Haan in „der Zoölog. Garten" 1929, I 10/12, blz. 406).
Bij apen komt in tegenstelling met de lagere zoogdieren, geen fysiologiese bronst-
periode voor ; het geslachtsrijpe wijfje is steeds bereid zich aan het mannetje te
geven. Ook monogame liefde komt bij deze diersoort voor. Het volgende wijst
ook in die richting.

Zelfverminkingen bij dieren zijn bekend en meermalen beschreven. Tinkle-
paugh
nam een geval waar bij een jonge mannelijke aap (Macacus rhesus) onder
de volgende omstandigheden. Het mannetje, Cupido genaamd, woonde in één
hok met een Macacus cyomolgus-wijfje. Na een jaar werd Cupido bij twee Rhesus-
wijfjes gezet maar was bij deze niet tot copulatie te brengen en gedroeg zich zoo
vijandig dat hij weer bij zijn oude vriendin werd gebracht; hij was blijkbaar mono-
gaam aangelegd. Eenigen tijd later werd hij weer bij een der Rhesus-wijfjes ge-
daan, eerst met een muilkorf aan, en na eenigc dagen kwam copulatie tot stand.
Een poos later liet men Cupido weer bij het cynomolgus-wijfje ; hij was vriendelijk,
echter minder zichtbaar verliefd dan vroeger en keek dikwijls naar de kooi waar
zijn tweede wijfje woonde. Na eenige weken werd hij weer bij dat tweede wijfje
gelaten ; hij begon verliefd te doen. maar, als bedacht hij zich, sprong hij eensklaps
op en begon zich in de voet te bijten. Tot copulatie kwam het niet meer ; hij ver-
wondde zich zoo ernstig dat men hem uit de kooi moest halen. Nu begon (de kooien
stonden in eikaars buurt) het Cynomolgu-wijfje tegen het Rhesuswijfje te schreeu-
wen en dit bracht Cupido zoo in woede dat hij zich wonden beet in beenen en scro-
tum, zoodat een testikel bloot lag, Hij was daarna 4 maanden in een toestand van
psychiese depressie, maar zeer prikkelbaar ; de neiging tot zelfverwonding bleef
bestaan en uitte zich vooral als zijn bewaker verscheen (niet bij andere personen).

Na 14 maanden was het dier weer normaal en verminkte zich niet meer ; hoog-
stens beet het zich nog soms licht in den voet.
 Vr.

-ocr page 638-

(Uit het Veterinair-Anatomi5Ch Instituut der Rijks Universiteit te Utrecht).
Directeur: Prof. Dr. G. KREDIET.

AUTO-REFERAAT.

DE ONTWIKKELING VAN DEN TESTIKEL EN DE UROGENITAALVERBIN-
DING BIJ HET RUND.\')

door

Dr. J. G. C. VAN VLOTEN.

Opent men de buikholte van vruchten in het indifferente stadium, d. w. z.
vóór de differentiatie van het geslacht (ik kom hier aanstonds nader op terug)
en verwijdert men daarna de groote lever en den darm, dan vallen de beide cer-
nieren het eerst op. Zij frappeeren door haar grootte tn vertoonen zich als twee
peulvormige, licht grijsbruine organen ter weerszijden van de wervelkolom. Zij
strekken zich uit van de aanstaande bekkenholte af tot in den thorax. De convexe
randen zijn naar lateraal gekeerd. Hat craniale einde van elke oernier is spits
van vorm, het caudale gedeelte daarentegen is meer rond. In verband hiermede
zijn de oernieren in de caudale helft dan ook het zwaarst ontwikkeld. Hier en daar
schemeren oppervlakkige bloedvaten door. Langs haar laterale rand verloopt de
WoLFF\'sche gang.

Aan het spitse craniale einde van elke oernier begint een smalle, weinig pro-
mineerende grijswitte streng, die ventro-mediaal van de oernier in caudale richting
verloopt. Deze kamvormige weefselverdikking is de eerste aanleg van de geslachts-
klier en wordt de kiemlijst of kiemheuvel van
Waldeyf.r of den geslaehtskam
of stria germinativa van
Kölliker genoemd. Deze lijst is tot op ongeveer i m.M.
voor het caudale oerniereinde te volgen, waar zij vervaagt. Zij is in het midden
het sterkst ontwikkeld, in het craniale en caudale gedeelte vaak zeer moeilijk te
onderkennen.

De beide kiemlijsten strekken zich dus nagenoeg langs de geheele lengte van de
oernieren uit. Zij worden geleidelijk korter, terwijl haar dwarsdoorsnede grooter
wordt. Zoo ontwikkelt zich de geslachtsklier in engeren zin. De typische testikel-
vorm heb ik voor het eerst waargenomen bij vruchten van 28 m.M. lengte. De
differentiatie der geslachtsklicren, welke bij circa 20 m.M. lange feten tot stand
komt en alleen met behulp van den microscoop is te onderkennen, heeft dus nog
in het kiemlijststadium plaats. Bij vruchten van 30 m
.M. kan het geslacht ook aan
de uitwenelige genitaliën bepaald worden.

Bezien wij de verschillende afbeeldingen van plaat I, welke een overzicht geeft
van de ligging, ontwikkeling en verplaatsing van de testikels en dus in het kort
laat zien hoe de desccnsus testiculorum bij het rund tot stand komt, dan blijkt,
dat tot en met het stadium van 54 m.M. vruchtlengte de oernieren nog als goeel
ontwikkelde organen aanwezig zijn. Wel zijn zij reeds eenigszins atrophisch ge-
worden, doch in het macroscopische beeld is zulks niet te zien. De verschillende
buikvliesplooien, welke den testikel met zijn omgeving verbinden en bij de plaats-
verandering van den bal een groote rol spelen, komen nu te voorschijn. Zij ont-
staan bijna alle als gevolg van de degeneratie van de oernier
(Klaatsch). De
plica testis inferior en de plica inguinalis zijn circa £ m.M. lang. Eerstgenoemde
plooi begint aan de caudale balpool en gaat over in de buikvliesbeklceding van
de oernier. De meening dus, dat zij van den beginne af zou verloopen tot aan de
WoLFF\'sche gang, ter plaatse waar deze de oernier verlaat, dus daar waar later
het vas deferens begint, wordt dezerzijds niet gedeeld. Van een dusdanige buik-
vliesduplicatuur heb ik op dit stadium nog niets gezien. Deze zal eerst optreden
wanneer de degeneratie der oernieren verder zal zijn tot stand gekomen en we elus

\') Dissertatie, Utrecht, November 1927.

-ocr page 639-

al eenigszins van een oernierrest gaan spreken. Het ontstaan van het craniale
balligament moet op dezelfde wijze verklaard worden. De meening van
Mihal-
kovics,
dat plica testis superior en plica testis inferior overeen zouden komen
met het proximale en distale deel van de kiemlijst, waarin de specifieke elementen
niet tot ontwikkeling zijn gekomen en slechts het bindweefsel is overgebleven,
moet dus als onjuist worden beschouwd. Was laatstgenoemde meening goed, dan
moesten de beide plicae bij vruchten van 38 en 4 2 m.M., die reeds den typischen
balvorm hebben, ook te zien zijn. En dit is niet het geval.

Het mesorchium, hetwelk gelegen is tusschen bal en oernier en beide met elkaar
verbindt, is nog zeer kort. Het zal eerst langer worden, wanneer de degeneratie
der oernieren verder zal zijn voortgeschreden. Voor het eerst kunnen we nu ook de
processus vaginalis peritonei onderscheiden. De top daarvan promineert in de
buikholte en is met de oernier verbonden door de plica inguinalis (fig. 6, Plaat I).

Na het stadium van 54 m.M. heeft een zeer snelle teruggang van de oernieren
plaats en zien we ze geleidelijk als orgaan uit haar kapsel verdwijnen. Het is dan
ook beter 0111 in den vervolge van oernierresten te spreken. De verschillende buik-
vliesduplicaturen komen nu sterk te voorschijn. Bij een fetus van 69 m.M. lengte
liggen plica testis inferior en plica inguinalis, welke bij de descensus testiculorum
een belangrijke rol vervullen, voor het eerst in eikaars verlengde. We zullen dit
beeld in den vervolge steeds blijven waarnemen.

In hetzelfde stadium is ook de bursa inguinalis tot stand gekomen. De pro-
cessus vaginalis peritonei, welke als een verhevenheid in de buikholte promi-
neerde, heeft zich thans als de vinger van een handschoen naar buiten omge-
stulpt. De omstulping begint aan de basis en schrijdt voort in de richting van den
top. Deze uitbochting van het buikvlies, welke zich dus als een zakje formeert,
noemt men de bursa inguinalis en de opening, die er van het abdomen uit toegang
aan geeft, is de inwendige liesring. De plica inguinalis loopt door tot aan den bodem
van genoemde bursa. Door de atrophie van de oernier is het distale deel van het
mesorchium veel langer geworden. De testikel is dus niet meer zoo innig met de
oernier verbonden. De eerste aanleg van de plexus pampiniformis is te onderkennen.

De nieren, welke voor het eerst bij een vrucht van 28 m.M. in het macroscopische
beeld zichtbaar worden, nemen geleidelijk in omvang toe. Steeds meer wordt de
beschikbare ruimte door hen in beslag genomen. De oernierresten en testikels
verplaatsen zich in caudo-laterale richting. In het stadium van 102 m.M. liggen zij
geheel caudaalwaarts van de nieren en naderen zij reeds den inwendigen liesring.
De oernierresten worden steeds kleiner en voordat de testikels uit de buikholte
gaan om in het scrotum terecht te komen, zijn zij nagenoeg geheel verdwenen.
Toch gaat de oernier niet in haar geheel door degeneratie te gronde. Het craniale
deel blijft bestaan, treedt in dienst van den testikel en wordt tot caput epididy-
midis In fig. 12 en 13 van plaat I, welke respectievelijk het beeld geven van de
bestaande toestand bij een fetus van 141 en 150 m.M. komt dit duidelijk uit.

In laatstgenoemde stadia is het ligamentum inguinale (beter is het om in den
vervolge niet meer te spreken van plica inguinalis en van plica testis inferior, doch
van ligamentum inguinale en van ligamentum testis, omdat zich tusschen de
platen van de plooien bandachtige bindweefselelementen hebben ontwikkeld)
niet meer vanuit de buikholte te zien. De band is tot aan zijn aanhechting aan de
wolff\'sche gang in het lieskanaal verdwenen. Het ligamentum testis ligt nog in
de buikholte en heeft zich aanmerkelijk verkort. De caudale balpolen zijn nog
circa 1 m.M. van de inwendige liesringen verwijderd.

Bij feten van 141 m.M. tot 203 m.M. lengte maken de testikels een kanteling
om hun lengte-as en wel in buitenwaartsche richting. Door deze draaiing, welke
blijft bestaan, zijn ze meer tegen den lichaamswand gedrongen en verloopt de
WoLFF\'sche gang (we zullen deze gang in den vervolge canalis epididymidis noemen
en het gedeelte, dat voorbij het ligamentum testis is gelegen met den naam vas
deferens bestempelen), welke eerst lateraal van de testikels lag, nu meer dorsaal
daarvan. Om het kanaal dus thans in zijn verloop te kunnen volgen, moet de bal

-ocr page 640-

worden opgelicht. De verschillende teekeningen van plaat I geven hieromtrent
opheldering.

Bij feten van circa 205 m.M. hebben de testikels den inwendigen liesring bereikt.
Steeds verdwijnt de rechter bal het eerst uit de buikholte. We hebben dit gezien
bij feten van 209, 221, 230 en 250 m.M. lengte. Uitzonderingen dienaangaande zijn
niet waargenomen.

De oorzaken van den descensus testiculorum wil ik buiten beschouwing laten.
Zij vormen een studie op zichzelf en hoewel er reeds veel over geschreven is (het
belangrijkste werk op dit gebied is verricht door SouLié,
Frankl, Klaatsch en
Weber), tast men hieromtrent nog steeds in het duister. Wel wil ik er de aandacht
op vestigen, dat de testikel bij het rund onder de meest gunstige omstandigheden
de buikholte verlaat. Het caput epididymidis bevindt zich geheel in het verlengde
van den bal en kan dus nimmer moeilijkheden veroorzaken. De Gemierresten zijn
verdwenen, terwijl het canalis epididymidis nog geen windingen bezit en dus de
doorsnede van de geslachtsklier niet vergroot. Deze treden eerst later op, wanneer
de descensus reeds belangrijk gevorderd is. Zoolang de testikels zich in de buikholte
bevinden, zijn zij vrij klein. Eerst daarna heeft de belangrijkste vergrooting plaats.

Het verdwijnen van de testikels uit de buikholte blijkt aan variatie onderhevig
te zijn. Bij een fetus van 232 m.M. treffen we beide reeds in het scrotum aan. Een
vrucht van 250 m.M. lengte daarentegen laat de linker geslachtsklier nog halver-
wege den inwendigen liesring zien. Na laatstgenoemd stadium echter heb ik ze nim-
mer meer in de buikholte aangetroffen.

Na het passeeren van den inwendigen liesring zien wij de ballen steeds dieper
in het scrotum afdalen en als gevolg daarvan het ligamentum testis en het liga-
mentum inguinale, welke te zamen het gubernaculum
Hunteri vormen, korter
worden. De plexus pampiniformis, welke tot op heden steeds terzijde van den
testikel was gelegen, heeft zich thans geheel craniaal daarvan geplaatst en omvat
daardoor het proximale deel van de geslachtsklier. Corpus epididymidis en cauda
epididymidis komen door de sterke lengtegroei van het bijbalkanaal tot ontwik-
keling.

Reeds voor de geboorte komt de descensus testiculorum volledig tot stand.
N oor het eerst zagen we zulks bij een fetus van 525 m.M. lengte. Het ligamentum
testis is alsdan tot een zeer kort strak bandje geworden, hetwelk gelegen is tusschen
bal en bijbalstaart en alleen te zien, wanneer de genoemde orgaandeelen iets van
elkaar worden gehaald. Waar de tunica vaginalis propria van de cauda epididy-
midis overgaat in de tunica vaginalis communis, vinden wij de rest van het liga-
mentum inguinale. Het ligt onmiddellijk tegen den bijbalstaart en is alleen bij
nauwlettende beschouwing te onderkennen. Ook na de geboorte blijven de resten
van het ligamentum testis en het ligamentum inguinale onderkenbaar.

De geslachtsklieren nemen geregeld in grootte toe om op circa eenjarigen leef-
tijd haar maximale afmetingen te hebben bereikt.

Ten slotte zij er op gewezen, dat het optreden, verdwijnen of vergrooten van be-
paalde orgaandeelen niet is gebonden aan de hier daarvoor aangegeven tijdstippen,
doch aan variaties onderhevig is. Hoe grooter dus de serie feten is, welke onder-
zocht worden, des te juister zullen de conclusies zijn. Ook is het zeer wel mogelijk,
dat raseigenschappen een belangrijke rol spelen en dat dus m. a. w. bij het eene
ras andere resultaten worden geboekt dan bij het andere.

Alvorens de beelden te bespreken, zooals zij met behulp van den microscoop
zijn te zien, is het gewenscht in het kort de methoden van onderzoek vooraf te
laten gaan. Het onderzoek is als regel geschied op met 10% formaline gefixeerd
materiaal. Een enkele maal zijn zure sublimaat, picroformol volgens
Bouin en
,,Zenker" als fixatievloeistoffen gebruikt.

Allereerst werden de feten, na verwijdering van maag en darmen, macrosco-
pisch onderzocht op ligging en uitwendig voorkomen der testikels. Daarna werden
deze organen met eventueel aanwezige oernier of oernierrest voorzichtig uitge-

-ocr page 641-

nomen. De kleinere feten, waarbij de geslachtsklieren te klein waren om afzonder-
lijk te worden onderzocht, omdat alsdan beschadiging van het zoo laideerbare
materiaal werd gevreesd, werden in hun geheel in paraffine ingesloten. Dat hiertoe
ook de vruchten met kiemlijststadium behoorden, spreekt vanzelf.

De kleine vruchten werden in dwarsdoorsneden verwerkt. Konden de testikels
afzonderlijk worden onderzocht, dan werden ze in lengte-, een enkele maal ook in
dwarscoupes bestudeerd. Alle testikels werden in seriecoupes onderzocht. Tot en
met het stadium van 209 m.M. vruchtlengte zijn alle coupes behouden. Van de
hierop volgende stadiën werd een verdere behandeling van de tweede of derde
snede voldoende geacht. Het onderzoek werd hierdoor niet geschaad en kon dus
met een kortere serie worden volstaan. Toch moesten in totaal ongeveer 10.000
microscopische preparaten bekeken worden.

Als kleurmethode voor het loopend onderzoek werd haemaluin-eosine gebruikt.
Een enkele maal werd ook gekleurd volgens
van Gieson voor het onderzoek op
bindweefsel. Om het bindweefsel beter van het parenchym te kunnen scheiden,
heb ik echter meer gebruik gemaakt van de kleuring volgens
Mallory. De eerste
bindweefselfibrillen vallen door hun blauwe kleuring terstond op.

In het geheel zijn de geslachtsklieren van 33 feten en 7 dieren onderzocht. De
kleinste vrucht was 9 m.M. lang. het grootste kalf 15 maanden oud.

Bezien wij de coupes van een oernier op dwarsdoorsnede, dan valt het op, dat
de oernierglomeruli met bijbehoorende BowMAN\'sche kapsels zeer groot zijn en
een belangrijk deel van de doorsnede in beslag nemen. Zij zijn meest nabij den
medialen rand gelegen. De tubuli secretorii en de tubuli collectivi liggen meer
lateraalwaarts. De epitheelcellen der tubuli secretorii zijn eenigszins cylindrisch van
vorm, het protoplasma is helder en sterk eosinophiel ; de tubuli collectivi zijn be-
kleed met een kubisch, donker gekleurd epitheel. De tubuli sccretorii beginnen bij de
MALPiGHi\'sche lichaampjes, de tubuli collectivi monden uit in de WoLFF\'sche gang.
Laatstgenoemde ligt in den ventro-lateralen oernierhoek. De dwarskanaaltjes
van de oernier, welke bestaan uit tubuli secretorii en tubuli collectivi, vormen dus
de verbinding tusschen de MALPiGHi\'sche lichaampjes en de WoLFF\'sche gang.

De geheele oernier is bekleed met coeloomepitheel, hetwelk uit een reeks van
aaneengesloten platte epitheelcellen bestaat. We zien nu hoe het kiemepitheel als
eerste aanleg van de geslachtsklier ontstaat uit de embryonale coeloomepithe-
liumcellen van de mediale oerniervlakte. Een deel dezer cellen en meer speciaal het
gedeelte, dat nabij den radix mesentcrii is gelegen, gaat zich verhoogen tot cylin-
dercellen ; het wordt dus tot een eenlagig cylinderepitheel. Het onderliggend
mesenchym verbreedt zich tegelijkertijd. Daarna hebben mitosen plaats, waardoor
het epitheel van den steeds meer promineerenden top der kiemlijst meerlagig
wordt. Bij rundervruchten van 9 m.M. is reeds een duidelijke kiemlijst aanwezig,
welke in het gonale gedeelte uit een zestal lagen epitheelcellen is opgebouwd. In
het post- en progonale deel is slechts een enkele laag cylindercellen te onder
kennen. In de kiemlijst komen zeer sporadisch primaire gonocyten voor. Haar
kernen zijn grooter, ronder en door haemaluin lichter gekleurd. De chromatine
is tot grootere korrels vereenigd, die verspreid voorkomen, maar ook gaarne tegen
de kernmembraan schijnen te liggen.

Bezien wij de serie coupes van een rundervrucht van 12 m.M. lengte, dan valt
het op, dat de kiemlijst snel tot verdere ontwikkeling is gekomen. In het gonale
deel doet zij zich op doorsnede als een papil voor.

De geheele lijst bestaat uit een volkomen homogene celmassa, waarvan de twee
perifeer gelegen lagen regelmatig radiair zijn geplaatst. Het dichtheidsverschil
tusschen het meeriagige kiemepitheel en het onderliggend mesenchym is zeer gering
geworden, waardoor de basale begrenzing van den geslachtsklieraanleg moeilijk
is te onderkennen. Bij grootere vergrooting blijkt, dat beide celsoorten door elkan-
der groeien. In verschillende coupes ziet men het mesenchym in de kiemlijst
dringen. De richting der cellen geeft dit duidelijkaan (Microfoto 1). Doch in hoeverre

-ocr page 642-

deze menging tot stand komt, kunnen we niet zeggen, daar beide celsoorten geen
verschillen aanwijzen. Verschil in kernstructuur is niet te zien. Een kleurmethode
om in deze jonge stadia epitheel en mesenchym in verdichte weefsels en in gemeng-
den toestand te kunnen onderkennen, bezitten we tot op heden niet.

Ik ben hier met opzet eenigszins uitvoerig, omdat er onderzoekers zijn (Coert,
Rubaschkin, Felix
e. a.), die beweren, dat de kiemlijst opgebouwd is uit indif-
ferente coeloomepitheelcellen en een menging met het onderliggend mesenchym
niet aannemen. Deze voorstelling is althans voor het rund niet juist.

Ook in het stadium van 15 m.M. blijkt de geslachtskam, welke thans op door-
snede als een rond orgaan met breeden korten hals is te herkennen, uit een homo-
gene celmassa te bestaan. Een indeeling in epitheel en mesenchym is niet te maken.
Toch moeten we een menging van beide celsoorten aannemen, daar de beelden,
welke we in de serie van 12 m.M. hebben gezien, dit overtuigend hebben bewezen.
Het aantal primaire gonocyten is uiterst gering. Men moet vaak zeer lang zoeken
om een enkele te kunnen aantoonen.

Bij circa 20 m.M. lange vruchten heeft in de kiemlijst een differentiatie plaats
in een kubisch oppervlakte-epitheel, een primaire tunica albuginea en een gebied
der toekomstige zaadbuisjes. De mannelijke geslachtsklier treedt dan voor het
eerst als zoodanig op. In het toekomstige ovarium is dan van eenige organisatie
nog geen sprake. De erkenning van den eierstok in zijn jongste ontwikkelings-
phasen is meer een diagnose per exclusionem.

Bij 22 m.M. lange vruchten is ook het reteblasteem te onderkennen. Het is
direct
door de geheele lengte van den aanleg zichtbaar (Plaat II). Dit bewijst, dat
het reteweefsel ter plaatse ontstaat door een differentiatieproces en dus in loco
wordt aangelegd. Haar aanleg bestaat uit coeloomepitheelcellen, waartusschen
mesenchymcellen zijn gemengd. De kernen zijn kleiner en donkerder gekleurd dan
die van het gebied der toekomstige zaadbuisjes (bindweefsel-epitheelkern), welke
over het algemeen grooter en lichter zijn getind. Daar het differentiatieproces
caudaalwaarts voortschrijdt, zijn in de proximale helft van den geslachtsklier-
aanleg de grenzen tusschen de genoemde deelen scherper dan in het distale dee ,
doch ook in dit laatste gedeelte zijn zij voldoende aanwezig om scheiding te kunnen
maken. De meening, dat het reteblasteem afkomstig zou wezen van het progonale
deel der kiemlijst
(Coert, van Beek e. a.) moet dus als onjuist worden beschouwd.

Het craniale deel van de kiemlijst wordt geheel door het reteblasteem inge-
nomen. Het reikt hier tot aan de oppervlakte en vormt één geheel met de aan het
coeloom grenzende cellen. Aan haar basale zijde grenst het reteweefsel aan den
BowMAN\'schen kapsel van enkele der voorste oernierglomeruli en omvat deze
aan hun medio-ventrale zijde voor een belangrijk gedeelte. Waar het rete onmid-
dellijk aan genoemden kapsel grenst, vertoont deze nergens eenige onderbreking
van zijn regelmatigen bouw, noch celwoekering. De scheiding is steeds duidelijk.
Caudaalwaarts zien we geleidelijk het gebied der zaadbuisjes en de tunica albu-
ginea te voorschijn komen. Naarmate de geslachtsklieraanleg zich verheft, trekt
het reteweefsel zich terug van den BowMAN\'schen kapsel. We zien het alsdan
tegen het basale gedeelte van de weefselkern om ten slotte daarin door te dringen
en zich steeds meer centraalwaarts te verplaatsen.

Ik wil er de aandacht op vestigen, dat de cellen van de primaire tunica albu-
ginea en die van het gebied der toekomstige zaadbuisjes in wezen niet verschil-
lend zijn. De celkernen hebben geheel hetzelfde voorkomen. Door het ontstaan
van een dichtheidsverschil in het weefsel worden zij voor het eerst zichtbaar.
Volgens
van Beek zou de albuginea uit mesenchymcellen bestaan en zich voordoes
als het perifeer gelegen condensatieproduct van het in de bindweefsel-epitheelkern
verdeelde mesenchym. Dit is niet te bewijzen, omdat epitheel- en mesenchym-
cellen in de kiemlijst niet zijn te onderkennen. Omtrent den aard der cellen van
de primaire tunica albuginea kunnen we geen definitieve uitspraak doen.

In het stadium van 25 m.M., doch nog duidelijker in dat van 28 m.M. vrucht-
lengte zien we in het gebied der zaadbuisjes een strengvormige groepeering der

-ocr page 643-

cellen voor den dag komen. We kunnen van celstrengen spreken, welke we als
embryonale zaadhuisjes aanduiden. Niet alle cellen rangschikken zich tot strengen.
De weinige elementen, welke niet tot de vorming der buisjes worden gebruikt,
komen er tusschen te liggen en vormen het primaire intertubulaire weefsel. De
begrenzing der embryonale zaadbuisjes is nog hoogst onvolkomen. Het is dan ook
zeer moeilijk om de cellen van de strengen en die van het primaire intertubulaire
weefsel als zoodanig te onderkennen.

De cellen van de pas aangelegde strengetjes en die van het tusschen gelegen
weefsel vertoonen hetzelfde beeld ; er is geen verschil in kernstructuur te zien. We
mogen dan ook niet zeggen, dat het primaire intertubulaire weefsel uit mesen-
chymcellen is opgebouwd en dus afkomstig is van het in de bindweefsel-epitheel-

-ocr page 644-

kern verdeelde mesenchym. Zeer waarschijnlijk is dit wel het geval, doch bewijzen
kunnen we het niet.

Tusschen de nog hoogst onvolkomen begrensde kiemstrengen zijn in het laatst-
genoemde stadium hier en daar cellen te zien, welke zich door haar grootte, vorm
en kernstructuur van de andere onderscheiden. De kern is groot, helder en blaas-
vormig. De hoeveelheid chromatine is zeer gering en ligt hoofdzakelijk aan de
periferie. Er is een zeer duidelijke nucleolus aanwezig, welke, wanneer men het
type cellen goed kent, steeds opvalt. De hoeveelheid cytoplasma is in dit stadium
nog weinig toegenomen. Vaak is het uiterst moeilijk om de cellen van die van het
tussclien-strengweefsel te onderscheiden, daar overgangsvormen meermalen voor-
komen. We hebben hier te doen met
de eerste interstitieele cellen, die vermoedelijk
uit het primaire intertubulaire weefsel zijn ontstaan. Doch daar we, zooals we ge-
zien hebben, niet weten, waaruit dit weefsel bestaat, is dus omtrent haar oor-
sprong weinig met zekerheid te vermelden.

In het reteweefsel valt een neiging tot rangschikking der cellen in strengen niet
te ontkennen. Toch is deze nog zeer gering en slechts in enkele coupes te zien.
Het aantal primaire gonocyten is nog steeds zeer spaarzaam. Zij kunnen in het
testis-epithelium, tunica albuginea en gebied der zaadbuisjes worden aangetroffen.

De MÜLLER\'sche gang, welke in de voorgaande stadia in wording was (stadium
15 m.M. : ostium tubae abdominale, stadium 22 m.M. : MÜLLER\'sche gang tot
halverwege de oernier, stadium 25 m.M. : haar einde als MÜLLER\'sche streng in de
coupes, waar de testikelaanleg uit het gezichtsveld verdwijnt), heeft zich volkomen
ontwikkeld en is dus langs de geheele lengte van de oernier te vervolgen.

In het stadium van 30 m.M. vruchtlengte zijn belangrijke veranderingen tot
stand gekomen. We hebben vroeger gezien, hoe de aanleg der geslachtsklier zich
nagenoeg langs de geheele lengte van de oernier uitstrekte. Het meest proximaal
gelegen deel daarvan werd geheel door het reteblasteem ingenomen. Meer caudaal-
waarts zagen we geleidelijk het gebied der zaadbuisjes en de primaire tunica albu-
ginea te voorschijn komen. Thans heeft zich de geslachtsklier in engeren zin ont-
wikkeld. Het proximale einde daarvan valt samen met het proximale uiteinde
van het gebied der zaadbuisjes. Het meest craniaal gelegen deel van het rete-
blasteem, hetwelk dus oorspronkelijk het progonale deel der kiemlijst vormde,
valt dus bij de voortgaande ontwikkeling buiten de geslachtsklier, want hetgeen
wij voortaan testis zullen noemen, vindt zijn grenzen aan beide einden van het.
gebied der zaadbuisjes. We kunnen dus in den vervolge aan het reteblasteem twee
gedeelten onderscheiden. Het gedeelte buiten de eigenlijke geslachtsklier en geheel
gelegen in de oernier is de pars extraglandularis ; het stuk, dat deel uitmaakt van
het weefsel der testikel zelf, is de pars intraglandularis. Het extraglandulaire rete-
deel ligt als een compacte epitheelkern in den medialen wand van de oernier. Het
strekt zich uit tot aan de ventro-mediale zijde van enkele der voorste oernier-
glomeruli en omvat den Bow
.man\'schen kapsel voor een belangrijk deel. Tevens
reikt het tot aan de oernieroppervlakte en vormt het één geheel met de aan het
coeloom grenzende cellen. Het intraglandulaire reteblasteem zet zich voort tot
in het caudale deel van den testikel (Plaat III).

Het mesenchym is vanuit de oernier tot diep in den testikel doorgedrongen en
wordt het zelfs tusschen de perifeer gelegen zaadbuisjes aangetroffen. De cellen
van de tunica albuginea, welke eenigszins zijn afgeplat, hebben een mesenchy-
mateuze habitus gekregen. Met de MALLORV-kleuring zijn de eerste bindweefsel-
fibrilletjes waar te nemen.

Het gebied der zaadbuisjes is, in tegenstelling met het voorgaande stadium, zeer
scherp begrensd. Het vertoont een dichte structuur en bestaat in het algemeen
uit goed gevormde buisjes ; een basaal membraan is reeds hier en daar te onder-
kennen. Het intertubulaire bindweefsel is nog zeer spaarzaam en treft men ge-
woonlijk slechts een enkele cellaag aan. De interstitieele cellen zijn thans ook in
het bezit van het karakteristieke eosinophiele cytoplasma. Haar celgrenzen zijn
moeilijk te bepalen. Haar aantal is nog zeer gering. Na dit stadium wor ien zij
steeds talrijker en komen zij in grooten getale tusschen de zaadbuisjes voir.

-ocr page 645-

PLAAT III.

Uitbreiding vftu het CAira- en intraglandulaire reteblastoem bij een fetus van 30 mm.

1. oeruier, bijnier, nier, 4. aorta, 5. .Malpighi\'sch lichaampje, 6. Wolff\'sche gang, 7. Mtiller\'scli\'-
gang, 8. retcblasteem, 9. gebied der zaadbuisjes, 10. tunica albuginea.

In de oernier zijn de tubuli eolleetivi en tubuli secretorii schematisch aangegeven.

In lig. 1 is het ostium tubac abdominale als het begin van de MUller\'sche gang te /.ien. liondom
het extraglandulaire reteblasteem en in de tunica albuginea liggen capillairen.

Bij een fetus van 38 m.M. hebben de zaadbuisjes zich krachtiger ontwikkeld en
zijn zij in het algemeen heel scherp begrensd. Bijna overal is een goed gevormde
basaalmembraan aanwezig, welke zich als een smal blauw lijntje
(Mallory-
kleuring) vertoont. De buisjes hebben een onregelmatig verloop en buigen vlak
onder de albuginea om. Nu en dan zijn anastomosen te zien. Zij hebben geen
lumen ; het aantal geslachtscellen is gering. De epitheelcellen, die zich na de ge-
boorte in zaad- of
sertoli\'sche cellen kunnen differentieeren, hebben geheel de
overhand. Het interstitieele bindweefsel is erg spaarzaam. Het aantal primaire
gonocyten is toegenomen. Vooral in de tunica albuginea zijn meerdere te vinden.
Doch ook in het testis-epithelium, interstitium en reteweefsel zijn zij bij nauw-
lettend zoeken te zien.

-ocr page 646-

Tusschen de retestrengetjes zijn bij een vrucht van 42 m.M. lengte de eerste bind-
weefseltibrillen aan te toonen. De aanleg van het mediastinum testis is dus
aan-
wezig.

PLAAT IV.

Fetus van 54 mm. De oernier heeft zich door een insnoering in tweeën gedeeld. Het kleinere cr;ini«le
deel (1) zal zich tot epididymis ontwikkelen, terwijl het veel grootere caudale stuk (2) tot para-
didymis wordt en dus bestemd is om te verdwijnen.

3. nier. 4. Malpighi\'sche lichaampjes, 5. Wolff\'sche gang, (!. MUUer\'sehe gang (in degeneratie),
7. rete testis, 8. gebied der zaadhuisjes, 9. tunica albuginea.

Alle buisjes van het craniale deel van de oernier worden in haar geheel tot vasa efferentia. /.ij
zijn schematisch weergegeven.

1

A 2

4 2

-ocr page 647-

Na deze uiteenzetting is het gewenscht onze aandacht voorioopig bij de oer-
nier te bepalen. We hebben bij het macroscopisch overzicht gezien, hoe tot en met
het stadium van 54 m.M. vruchtlengte de oernieren nog vrijwel intact zijn en
daarna vrij snel door degeneratie te gronde gaan. Het is thans gewenscht ditzelfde
stadium op lengtedoorsnede te bekijken. De oernier heeft zich door een insnoering
in tweeën gedeeld. Het craniale deel, hetwelk het kleinst is, zal zich tot epididymis
ontwikkelen, terwijl het veel grootere caudale stuk tot paradidymis wordt en dus
bestemd is om te verdwijnen. De schematische teekeningen lichten zulks vol-
komen toe (Plaat IV). Oernier en testikel zijn bij de verwerking tot coupes, door
een gelukkig toeval, bijzonder gunstig getroffen, waardoor het overzicht daarvan
aan waarde heeft gewonnen.

In het proximale stuk, waar dus de BowMAN\'sche kapsels met het extraglan-
dulaire deel van het reteblasteem zijn verbonden, heeft een gelijkwqrdingsproces
der buisjes plaats. Het epitheelverschil tusschen tubuli colloctivi en tubuli secretorii
verdwijnt. We zien tweeërlei processen naast elkander voorkomen. Vele epithelium-
cellen vertoonen degeneratieverschijnselen. Zij krijgen een bruine pigmentatie, gaan
te gronde en worden in het lumen der kanaaltjes uitgestooten. Aan den anderen
kant zijn mitosen niet zeldzaam en worden dus weer nieuwe cellen gevormd. Te-
vens neemt het epitheel der buisjes een ander voorkomen aan ; het wordt meer
aan elkaar gelijk. Het sterkst veranderen de tubuli secretorii. Ten slotte worden
de buisjes over de geheele uitgestrektheid met een cylinderepitheel bekleed, de
kernen regelmatig aan de basis gerangschikt. Tevens zijn haar lumina aanmerkelijk
vernauwd. Hier en daar is nog door een geringe eosinophilie van het cytoplasma
een oorspronkelijke tubulus secretorius als zoodanig te herkennen.

Met nadruk wil ik er op wijzen, dat in het craniale deel der oernier geen kanaal-
tjes, noch gedeelten daarvan, door degeneratie verloren gaan.
Alle buisjes worden
in haar geheel tot vasa e/ferentia,
tot tubuli aldus, welke de verbinding tusschen het
cxtraglandulaire reteweefsel en de WoLFF\'sche gang zullen tot stand brengen.
De MALPiGHi\'sche lichaampjes in dit gedeelte van de oernier zijn veel kleiner ge-
worden, doch zijn nog overal vrij goed intact. De glomeruli met het binnenste
kapselepithelium vertoonen sterke degeneratieverschijnselen en zijn dan ook
bestemd om te verdwijnen. De buitenste kapselwanden daarentegen blijven be-
staan. Hun epitheelcellen, welke oorspronkelijk plat waren, hebben den cylinder-
vorm aangenomen en komen nu volkomen overeen met die der buisjes, welke erin
uitmonden.

Bij een fetus van 69 m.M. zijn in het proximale deel der oernier de MALPiGHi\'sche
lichaampjes nauwelijks meer als zoodanig te herkennen. Zij zijn zeer en zeer veel
kleiner geworden en zijn op doorsnede niet veel grooter dan één der aanwezige
tubuli. Hun glomeruli en binnenste kapselwanden zijn geheel gedegenereerd ei.
vormen een ongeorganiseerde massa, welke tot tegen het extraglandulaire rete-
weefsel aanligt. De buitenste kapselwanden zijn blijven bestaan en zijn naar de
zijde van het rete geopend. Door middel van seriecoupes is het verband tusschen
buitenste kapselwand en WoLFF\'sche gang gemakkelijk aantoonbaar. De in den
top der oernier gelegen kanaaltjes zijn dus in hun geheel tot vasa efferentiagewor-
den en zijn thans over de geheele uitgestrektheid met een cylinderepitheel bekleed.

In het distale deel der oernier zijn de meest craniaal gelegen MALPiGHi\'sche
lichaampjes en tubuli zoo goed als verdwenen. Zij zijn zeer veel kleiner geworden
cn bijna geheel door inwoekerend bindweefsel vervangen. Caudaalwaarts zien we
zeer geleidelijk de degeneratieverschijnselen minder worden. De meest caudaal
gelegen buisjes en glomeruli zijn dan ook vrijwel nog intact.

De zaadbuisjes hebben een radiair verloop in de richting van het reteweefsel.
Haar centrale einden zijn nagenoeg recht en worden als het ware door het rete
aangetrokken. Zij liggen veel verder van elkander dan in de voorgaande stadia.
De breedte van het intertubulaire weefsel en de dikte der buisjes komen in de
coupes thans vrijwel overeen. Het aantal interstitieele cellen heeft zich sterk ver-
meerderd. Ze hebben door haar toename de buisjes als het ware van elkander

-ocr page 648-

gedrongen. Het eosinophiele cytoplasma hunner cellen valt op en geeft een roode
kleur aan het interstitium. Het aantal geslachtscellen in de buisjes wordt geheel
door de epitheelcellen overheerscht, doch zijn toch lang niet zeldzaam. Veelal
liggen zij meer centraalwaarts, terwijl de epitheelcellen zich meer aan de periferie
der buisjes bevinden. De grootte van haar kernen loopt uiteen. Verschil in kern-
structuur is te zien.

De MÜLLER\'sche gang, waaraan de eerste degeneratie-verschijnselen in het sta-
dium van 49 m.M. waarneembaar zijn, is nog langs de geheele lengte van de oer-
nier te vervolgen. Zij is nauwelijks meer herkenbaar en staat dan ook op het punt
om te verdwijnen. Alleen in het meest caudale deel is nog een lumen aanwezig.

Bij een fetus van 75 m.M. zijn van de meest craniaal gelegen oernierkanaaltjes
in het proximale deel der oernier de resten der glomeruli en binnenste kapsel-
wanden niet meer aanwezig. Zij zijn volkomen verdwenen.
De buitenste kapsel-
wanden, welke thans op doorsnede even groot zijn als de tubuli zelve, hebben zich daarna
gesloten en vormen nu de blinde uiteinden van de reeds genoemde kanaaltjes.
Van de
drie laatste buisjes zijn de glomerulusresten nog voorhanden (Plaat V). Wederom

PLAAT V.

Fetus van 75 mm. I. craniale deel oernier, 2. caudale deel oernier, 3. nier, 4. Malpighi\'sche lichaam-
pjes, 5. Wolff\'sche gang, G. rete testis (extraglandulaire deel).

In het craniale deel van de oernier liggen de vasa efferentia, in het caudale deel de in degeneratie
zijnde tubuli collectivi en tubuli secretorii. Hovendien zijn in het laatstgenoemde stuk capillairen
weergegeven.

-ocr page 649-

blijkt dus voor de zooveelste maal, dat alle degeneratieprocessen in de oernier in
caudale richting plaats hebben.

De kanaaltjes in den oerniertop, welke dus tot vasa efferentia zijn geworden
(wij zullen dezen naam in den vervolge blijven gebruiken), hebben nagenoeg een
recht verloop. In de seriecoupes is van eenige kronkeling zeer weinig te zien. Hun
onderlinge afstanden zijn vrijwel gelijk, hetgeen in de schematische teekeningen
duidelijk uitkomt. Onder dergelijke gunstige omstandigheden is het dan ook niet
moeilijk om hun aantal te tellen.
Schmaltz geeft aan in Ellenberger, Handbuch
der vergleichenden mikroskopischen Anatomie der Haustiere, dat bij den stier
twaalf ductuli efferentes aanwezig zijn. Hoewel hij langs geheel andere wegen tot
dit aantal is gekomen, doet het me genoegen zijn uitspraak te kunnen bevestigen.

In het distale deel der oernier zijn alleen de meest caudaal gelegen tubuli en
glomeruli nog vrij goed intact. De overigen zijn sterk geschrompeld en gedegenereerd,
doch alweder zoodanig, dat genoemde verschijnselen van craniaal naar caudaal
minder worden. De overgang is zeer geleidelijk. Talloos zijn de cellen met pyk-
notische en chromatolytische kernen, terwijl zeer veel buisjes met celdetritus zijn
gevuld. De
miiller\'sche gang is niet meer aanwezig. Haar laatste resten zijn geheel
verdwenen.

Tot en met het stadium van 102 m.M. vruchtlengte blijft nu in het craniale oer-
niergedeelte, hetwelk we in den vervolge als caput epididymidis zullen aanduiden,
de toestand vrijwel onveranderd (Plaat VI). Alle vasa efferentia (er zijn er wederom
twaalf) zijn volkomen gelijkvormig geworden. Zij hebben vrijwel een recht ver-
loop en zijn over de geheele uitgestrektheid met een cylinderepitheel bekleed. Zij
eindigen alle blind in de onmiddellijke nabijheid van het extraglandulaire rete-
weefsel. Van een verbinding tusschen beide, welke we met den naam van urogeni-
taalverbinding aanduiden, is dus nog geen sprake. Deze laat lang op zich wachten
en komt eerst bij vruchten van 320 m.M. tot stand.

In het testikelbeeld van een fetus van 93 m.M. zijn belangrijke veranderingen
waar te nemen. Door een vermeerdering van het intertubulaire bindweefsel is
de onderlinge afstand der zaadbuisjes vaak verdubbeld, soms zelfs verdrievoudigd
(vergelijk stadium 69 m.M.). De cellen van de tunica albuginea zijn platter gewor-
den, waardoor het geheel meer het karakter van een bindweefsellaag verkrijgt.
Toch treden de cellen nog geheel op den voorgrond en is de intercellulaire stof
erg spaarzaam. De tunica vasculosa is goed te onderkennen door haar lossere
structuur en mindere afplatting harer cellen. Zij kenmerkt zich door haar rijkdom
aan capillairen.

Voor het eerst zijn duidelijk ontwikkelde retekanaaltjes, dus met lumen, aan-
wezig. Zij zijn in het bezit van een basaalmembraan. Ook heeft het bindweefsel
tusschen de kanaaltjes (mediastinum testis) zich krachtiger ontwikkeld, waardoor
deze verder van elkaar zijn gelegen. Met de
mallory-kleuring zijn daarin talrijke
fibrillen te onderkennen, fn de retekanaaltjes is het epithelium vrij onregelmatig
gebouwd ; de vorm der cellen wisselt van plat tot hoogkubisch of cylindrisch.
De eerste verbindingen van zaadbuisjes met genoemde kanaaltjes zijn tot stand
gekomen. Duidelijk zien we hoe de eindvertakkingen van het rete met de zaad-
buisjes samenvloeien. De tubuli recti, welke zich uit genoemde vertakkingen zul-
len ontwikkelen en dus als een onderdeel van het rete zijn te beschouwen, z-ijn in
dit stadium nog niet te onderkennen. Eindvertakkingen en buizennet vertoonen
nog hetzelfde beeld.

Het radiaire verloop der zaadbuisjes valt op. Van een lumenvorming is geen
sprake. Deze komt eerst na de geboorte tot stand. Tusschen de buisjes liggen,
vooral centraalwaarts, zeer veel interstitieele cellen. In het testis-epithelium,
tunica albuginea; intertubulaire weefsel en rete worden nog steeds primaire gono-
cyten aangetroffen. Zij zijn, vooral in de tunica albuginea, heel niet zeldzaam.

In het stadium van 108 m.M. heeft het caput epididymidis, hetwelk in de voor-
gaande series nog eenigszins ter zijde van den testikel was gelegen, zich geheel
craniaal daarvan geplaatst en omvat daardoor het proximale deel van de geslachts-

-ocr page 650-

PLAAT VI.

Fetus van 102 mm. 1. caput epididymidis ontstaan uit bet proximale oerniergedeelte, 2. het cau-
dale deel der oernicr, hetgeen we in den vervolge als oernierrest zullen aanduiden, 3. nier, 4. Malpighi\'-
sche lichaampjes, 5. Wolff\'sche gang, 6. rete testis, 7. gebied der zaadhuisjes, 8. tunica albuginea.

In de tunica albuginea liggen capillaire». Ook worden in fig. 2 en 3 capillairen gevonden rondom
het extraglandulaire reteweefsel.

-ocr page 651-

PLAAT VII.

Fetus Tan 150 mm. 1. caput epididymidis met vasa efferentia, 2. oemierrest met Keer geschrom-
pelde en gedegenereerde tuhuli en .Ualpighi\'sche lichaampjes (gestreept), S. Wolll\'sche gang, waar-
van het rechte verloop in fig. 1 sterk opvalt, 4. rete testis, 5. gebied der zaadhuisjes, 6. tunica albugi-
nea met vele capillairen, 7. plexus painpiniformis.

Fig. 1 toont de maximale uitbreiding van het extraglandulaire reteweefsel.

In dezelfde figuur nabij het extraglandulaire reteweefsel eenige capillairen.

-ocr page 652-

klier. Wij zullen het hier in den vervolge steeds blijven aantreffen. Door deze ver-
plaatsing is ook het extraglandulaire reteweefsel, hetwelk veel kleiner is geworden,
meer boven de craniale balpool gekomen. Het intra- en extraglandulaire reteweefsel
bevinden zich dus thans in eikaars verlengde. Het aantal vasa efferentia laat zich
moeilijk of niet meer tellen. Door hnn lengtegroei hebben zij een gekronkeld ver-
loop gekregen en worden zij dus in de coupes meermalen getroffen. Hierdoor lijkt
het alsof hun aantal is toegenomen, hetgeen in werkelijkheid niet het geval is.
Het behoeft geen nadere toelichting dat ook zij zich boven de craniale balpool
hebben geplaatst.

De oernierresten (we zullen dezen naam in den vervolge steeds bezigen voor het
distale oerniergedeelte), zijn zeer veel kleiner geworden. De nog aanwezige tubuli
en glomeruli zijn zeer geschrompeld en gedegenereerd en dikwijls nauwelijks meer
als zoodanig te herkennen. Voor het eerst zien we de plexus pampiniformis in het
gezichtsveld komen. Zij is nog klein en ligt geheel ter zijde van de geslachtsklier.

Ook de beelden van een fetus van 150 m.M. lengte geven hieromtrent een dui-
delijke voorstelling (Plaat VII). Het rechte verloop van de WoLFF\'sche gang valt
terstond op. In het caput epididymidis vertoonen de vasa efferentia meerdere
windingen, waardoor deze in omvang zijn toegenomen. Door deze toename in
grootte heeft de bijbalkop zich kapvormig over het proximale einde van den
testis uitgebreid. Langs den testikel zijn de laatste overblijfselen van de oernier-
rest nog steeds waar te nemen. Ook in het stadium van 185 m.M. is zulks nog het
geval, doch daarna is de oernierrest voor goed verdwenen, behoudens een zeer kleine
rest, welke nog langen tijd (tot 550 m.M.) als paradidymis behouden blijft. Deze
heeft echter geen practische waarde meer. Ik zal dan ook zoo vrij zijn haar daarom
in dit overzicht niet meer te vermelden.

Rij een fetus van 185 m.M. zijn de zaadbuisjes in lengte toegenomen. Van haar
radiair verloop is niet veel meer te zien. Haar centrale einden zijn nog recht. De
enkelvoudige boog, welke door
de Burlet en de Ruiter wordt aangenomen als
grondvorm der buisjes, is daardoor niet meer te herkennen. De tubuli recti hebben
zich ontwikkeld uit de eindvertakkingen van het rete en zijn met een eenlagig
cylinderepitheel bekleed (Microfoto 3).

Het aantal extratubulaire geslachtscellen is sterk verminderd. In den regel
vertoonen zij duidelijke degeneratieverschijnselen (pyknosis, chromatorrhexis en
chromatolysis), hetgeen er dus op wijst, dat zij spoedig te gronde zullen gaan.
Haar bestaansvoorwaarden zijn ook veel ongunstiger geworden. Tusschen de
straffe bindweefselfibrillen komen zij niet meer tot haar recht. Slechts eenmaal
is het mij gelukt om in het testis-epithelium nog een duidelijke primaire gonocyt
aan te toonen.

Bij een fetus van 232 m.M. lengte liggen de testikels in het scrotum. Als gevolg
daarvan zijn de geslachtsklier en de plexus pampiniformis in eikaars verlengde
gekomen (Plaat VIII). De vasa efferentia zijn zeer in lengte toegenomen. De ka-
naaltjes liggen dientengevolge dichter bijeen en vormen een groot comolex van
buisjes. Het canalis epididymidis (we spreken niet meer van WoLFF\'sche gang,
doch van canalis epididymidis en vas deferens) is eveneens veel langer geworden
en vertoont daardoor een geslingerd verloop. In de coupes zijn de kanaaldoorsneden
in twee lagen gelegen. Het vas deferens is onveranderd gebleven. Er is zelfs geen
enkele golving waar te nemen.

Door de lengtegroei der zaadbuisjes is van het radiair verloop van haar centrale
einden geen spoor meer te bekennen. Tusschen de buisjes is het aantal interstitieele
cellen overweldigend. Het is wel merkwaardig, dat deze celsoort in embryonale
rundertestikels zoo overvloedig voorkomt. Zij belieerschen het testikeibeeld en
geven aan het interstitium een roode kleur door de sterke eosinophilie van haar
cytoplasma.

In het stadium van 270 m.M. is de structuur van de tunica albuginea dichter
en vaster geworden. Het duidelijkst komt dit uit wanneer we volgens
Mallory
kleuren. De parallel aan de oppervlakte verloopende blauwgekleurde en licht-

-ocr page 653-

Microfoto 1. Fetus 12 mm.
la de kiemiijst heeft een menging plaats van kiemepi-
theelcellen en onderliggend mesenchym. De mesenchym-
cellen dringen in den geslachtsklieraanleg. De richting der
cellen geeft Uit duidelijk aan.
Coupe 158 (dwarscoupe). Comp. ocul. 4.
Obj. 2 mm. homog. immers. Vergrooting 400.

Microfoto 2. Fetus 131 mm.
Testikel op dwarsdoorsnede. De straalsgewijze rangschik
king van de centrale einden der zaadhuisjes valt oj
In het midden ligt het rete testis.
1\'laat 8, coupe 18. Ocul. 1. Microplanar 1 : 1.5 F. 2 en
Vergrooting 2fi.

Verbinding tusschen tubuli contorti en letekanaaltjes ^ubuli recti).
In het rete testis vallen de wijde retekanaaltjes terstond op.
Plaat 3. coupe 14. Ocul. 1. Fluoritsyst.
Sb mm. Vergrooting 68.

-ocr page 654-

golvende bindweefselfibrillen beheerschen het gezichtsveld. Als gevolg daarvan
geraken de zeer sterk afgeplatte bindwcefselcellen op den achtergrond.

De doorsnede der zaadbuisjes is toegenomen. In den regel liggen tegen de
basaalmembraan van elk dwarsgetroffen zaadbuisje een twintigtal epitheelcellen,
terwijl meer centraalwaarts een drietal geslachtscellen zijn te zien. In de kernfi-
guren der gonocyten is meer verscheidenheid gekomen. Naast het deuterobroche
type, hetwelk tot op heden veelal werd waargenomen, zijn de leptoteen- en pacliy-
teenvormen niet zeldzaam. Ook is het synapteenstadium met zekerheid te onder-
kennen.

-ocr page 655-

4

PL A. AT IX.

Maximale uitbreiding van liet extraglandulaire reteweefsel|bij een kalf van een dag.
1. vasa el\'fereutia, 2. canalis epididymidis, 3. vas deferens, 4. rete testis, 5. gebied der zaadbuisies, G. tunica albuginea met vele bloedvaten en capillairen, 7. plexus

pampiniformis.

CO

-ocr page 656-

maar weinig lumen, bij een fetus van 320 m.M. is zulks veranderd en zijn de rete-
buisjes overal even wijd. Het is wel merkwaardig, dat we ook nu de eerste directe
verbindingen met de vasa efferentia zien optreden. Retekanaaltjes en vasa effereri-
tia vloeien samen en is dus
de urogenitaalverbinding tot stand gekomen. Genoemde
verbinding heeft dus lang op zich laten wachten.

Ik zou thans mijn beschrijving omtrent de ontwikkeling van den testikel kun-
nen beeeindigen, omdat het reteweefsel de gewenschte verbindingen heeft tot
stand gebracht en hetgeen verder geschiedt slechts een uitgroeien is van de be-
staande toestand. Ik zou dan echter zeer onvolledig zijn. Als slot lijkt mij daarom
een kort overzicht van het testikelbeeld van een kalf van één dag oud het meest
gewenscht (Plaat IX).

De geheele geslachtsklier maakt in al haar onderdeelen een massieven indruk.
In de tunica albuginea komt het fibreuze karakter scherp uit. De fibrillen zijn
zeer dicht bijeen gelegen en zoo opeengepakt, dat vooral in de meest oppervlakkige
laag ze nauwelijks meer afzonderlijk zijn te onderkennen. De kernen der tusschen-
liggende bindweefselcellen vertoonen zich als smalle streepjes. De zaadbuisjes
liggen dichter bijeen en hebben een zeer sterk gekronkeld verloop. Zij bezitten nog
vrijwel denzelfden bouw, zooals deze in het stadium van 270 m.M. is beschreven.
Eerst bij een kalf van drie maanden zien we de dwarsdoorsnede der buisjes grooter
worden en daarna geleidelijk het aantal geslachtscellen toenemen. Ook komt dan
een lumen tot stand. De interstitieele cellen, welke tijdens het embryonale leven
in zoo\'n groote hoeveelheid aanwezig zijn, vallen niet meer op. Omstreeks de ge-
boorte heeft een relatieve vermindering plaats
(Bascom heeft daar reeds de aan-
dacht op gevestigd) en gaat het cytoplasma van vele cellen verloren. Nadien
nemen zij weder toe en wordt het cytoplasma als voorheen. De septula testis,
welke voor het eerst in het stadium van 525 m.M. waarneembaar zijn, hebben zich
duidelijk ontwikkeld. Het mediastinum testis is veel dichter van structuur ge-
worden. Het fibreuze karakter daarvan komt overeen met dat der tunica albu-
ginea, alleen verloopen de fibrillen in alle richtingen.

De uitgebreidheid van het extraglandulaire reteweefsel valt op. Zelfs bij een
kalf van drie maanden is dat nog op dezelfde wijze aanwezig. Daarna trekt het zich
geleidelijk binnen den testikel terug. De vasa efferentia vormen een groot complex
van kanaaltjes, terwijl het canalis epididymidis door den lengtcgroei in talrijke
windingen is gelegen. De kanaaldoorsneden liggen dientengevolge in een groot
aantal lagen. Ook het vas deferens vertoont thans een golvend verloop. Beide
kanalen, welke tot op heden met een eenlagig cylinderepitheel waren bekleed,
hebben hun definitieve celbeklceding gekregen.

Voor het onderzoek op lipoid in de interstitieele cellen werden verschillende
kleurmethoden toegepast ; o.a. werd gekleurd volgens de Sudanmethodc, volgens
Ciaccio, met nijlblauwsulfaat en met scharlakenrood.

Met zekerheid heb ik in de interstitieele cellen van fetale testikels geen lipoid
gevonden. Mocht het aanwezig zijn, zoo is de hoeveelheid zeer gering. Mijn bevin-
dingen in dezen worden bevestigd door de onderzoekingen van
Wagner. Hij zegt
,,In den Sudanpraparaten cmbryonaler Hoden ist nur sehr wenig meist diffuses
Lipoid nachzuweisen".

-ocr page 657-

INGEZONDEN.

Diermeel.

Op het ingezonden stuk van collega Hoefnagel wil ik slechts zeer kort
even ingaan, daar mijns inziens in deze belangrijke vraagpunten wel degelijk
een commissie haar oordeel na rijpelijke bestudeering moet vormen en
men niet zich
blind moet kijken op éénzijdige voorlichting van welke zijde deze dan ook komen moge.

i°. Hoe de heer Hoefnagel na lezing van mijn rapport er bij komt te zeggen
dat ,,het bekend is" dat ik propaganda voer voor centrale noodslachtplaatsen
is mij een raadsel. Ik raad integendeel de gemeenten aan, ,.rustig elk systeem
te bestudeeren. alvorens een overijld besluit te nemen, waarvoor thans nog geen
reden is". Wie propaganda maakt haalt de zaak uit haar verband ten gunste
van zijn eigen richting, ik raad ,,rustige studie aan" dat is heel wat anders.

Het oordeel van collega Hoefnagel over de inrichtingen te Midwoud, Win-
terswijk, Schagen, lijkt mij zeer voorbarig en mijns inziens zal ieder ecollega
die tot advies geven geroepen wordt zeer verstandig doen, zich niet aan
dergelijke voorbarige beoordeelingen te wagen doch bij de collega\'s ter plaatse
te gaan informeeren.

Wat de gemeente Utrecht betreft, mij dunkt de autoriteiten aldaar moesten
zich eens op de hoogte stellen van wat er in Amsterdam op dat gebied ge-
bleken is en hun oordeel niet af laten hangen van de becijferingen van den
toenmaligen bezuinigingsinspecteur.

Juist op dit geheel nieuwe gebied is alle geoordeel thans nog voorbarig en geef
ik den raad een poosje af te wachten wat de collega\'s
Reeser te Amsterdam,

Schuijtemaker te Hauwert, Tervoert te Winterswijk en........ te Schagen

te zeggen zullen hebben.

Punt 2. Ook hier blijkt collega Hoefnaiïei., in zijn ijver een bepaald systeem
als het eenig zaligmakend te willen beschouwen, zeer vluchtig mijn rapport
gelezen te hebben als hij zegt dat
,.collega te H. van het droge systeem zegt".
Zeer duidelijk heb ik gezegd: ,,dit en dat wordt gezegd, doch ik (te H.) raad
aan ernstige vergelijkende bestudeering". Mij dunkt dat klinkt ook al weer
allesbehalve éénzijdig propagandistisch!

Verder zegt collega Hoefnagel omtrent het dry rendering process: Dit alles
kan waar zijn; ik ben niet persoonlijk bekend met dit systeem. Hoe heb ik het nu ?
Collega
Hoefnagel zegt dat ik „luchtig over de temperatuur heenglij" en ver-
klaart eerst dat hij van het nieuwe systeem
niet op de hoogte is en dat de
aangehaalde voordeden best
waar kunnen zijn. Hier blijkt dus al weer hoe
voorzichtig wij op het oogenblik nog in ons oordeel moeten zijn ! Zelfs de groote
verdediger van een bepaald systeem verklaart het andere niet eens te kennen
en verklaart een oogenblik verder geen commissie noodig te vinden 1 Tusschen
twee haakjes voeg ik er ter geruststelling bij dat sinds de N. T. F. begon er
weer een paar jaren verloopen zijn en de techniek sedert dien niet zoo stil
stond als collega
Hoefnagel schijnt te denken. Collega Hoefnagel heeft wel
gelijk: ik heb veel over deze zaken gelezen, ook de nieuwere literatuur en daar-
om raad ik iederen collega en elk gemeentebestuur aan : Oordeel niet op wat
ik zeg meer studeer zelf! Mijn informaties dan luiden dat het
moderne dry
rendering process ook tot 1Ö0°C verhit!

En nu het slot-effect van collega Hoefnagel\'s opmerkingen. Wat die onbe-
kende groote man gezegd heeft interesseert mij absoluut niets en alle gescherm
in de lucht interesseert mij in dit verband niets.
De feiten zijn dat er hoopen
vraagstukken zijn in verband met de diermeel-bereiding en kadaver-vernietiging,
en dat wij als veterinairen op dat gebied mee moeten kunnen praten en dat wij
dat alleen kunnen doen door snel en ijverig ons te oriènteeren en dat wij vooral
voorzichtig moeten zijn met vóóroordeelen of veroordeelingen van hen die nb. van
hel meest moderne snel groeiende systeem van verwerking zelf verklaren er niet van

-ocr page 658-

op de hoogte te zijn. Collega Hoefnagel had mij niet aaneen glanzender pleidooi
voor een studie-commissie kunnen helpen dan hij thans gedaan heeft. Mijn dank

er voor, doch ...... zijn hulp komt te laat! Op 7 Jan. 1929 stelde ik ons

Hoofd Bestuur voor eene studie-commissie te benoemen m den geest als in mijn
congres-lezing bedoeld, waarbij ik verscheidene vraagpunten aanwees,
(indien plaats
aanwezig is wil ik dit schrijven wel geheel publiceeren) en reeds op
20 April 1929
ontving ik het antwoord dat luidde: ,,Het H.B. der Mij. voor Diergeneesk. deelt
U mede,
dat het geen termen aanwezig acht eene Commissie te benoemen, ter beslu-
deering van de vraagstukken in boven gemeld schrijven genoemd.
Ik heb er nog
een oogenblik over gedacht tegen deze manier van behandeling der zaak te pro-
testeeren en misschien doe ik dat ook nog wel, maar op het oogenblik vind
ik dit antwoord zóó prachtig en treurig; dat ik eerst eens bekomen moet van
den schrik.

De Groningsche Mij. van Landbouw benoemd een studie-commissie omtrent
vraagstukken in dit probleem, de Hollandsche Mij. van Landbouw benoemde
een commisie en bracht een zeer interessant verslag uit, de Zeeuwsche Mij.
van Landbouw benoemde een commissie doch mijn collega\'s mogen als zij op
dit gebied wat willen weten voorloopig in de lucht grijpen om zich vast te
houden of hun licht bij collega
Hoefnagel opsteken.

Men beantwoorde b.v. eens de vraag naar de waarde der extractief-stoffen !
Het moet toch interessant zijn te weten dat de fabriek te Bergum meel levert
met extract, terwijl collega
Schuitemaker evenal i de nieuwe fabriek te Schagen
meel zonder extract levert. Het Instituut voor Dier-physiologie van de Land-
bouw-Hoogeschool in Berlijn verrichtte een serie proeven hierover
en kwam tot
de conclusie dat het extract een overprikkelende invloed op de spijsverteringsorganen
uitoefent.
Anderen ontkennen dit, doch ik vraag mij af is het niet van groot
belang met het oog op den gezondheidstoestand van varkens en kippen omtrent
deze extract-werking op het darmkanaal wat naders te weten ? Dieren met
overprikkelde darmen zijn weinig weevstandbiedend.
 te Hennepf..

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Lid geworden van de Afd. Utrecht: G. M. van Waveren te Utrecht.

BLADVULLING.

Verbetering van het Vitaglas.

Lamplough (Med. Off., N. T. v. G. 1929, I. blz. 2411), de uitvinder van
het Vitaglas. vermeldt een verbetering van deze glassoort, waardoor het door-
latingsvermogen en het weerstandsvermogen verhoogd zijn. Bij een dikte van
2 mM. is het doorlatingsvermogen 65%, bij een golflengte van 3130. Door terug-
kaatsing (8 %) en absorp\'.ie (27 %) is er nog 35 % verlies.

Iemand die in een kantoor blootshoofd bij een venster met Vitaglas zit, vangt
per jaar een hoeveelheid ultra violet licht op, gelijk aan de hoeveelheid die
gedurende vele vacantieweken wordt opgevangen.

Eigenaardige manier om vis te voeden.

In het Lakeside Park te Kort Wayne (Indiana) (ref Alg. I.andbouwweekbl.
v. Ned. Indië) heeft men in meren waarin vis wordt geteel 1 kunstmatige sterke
electrische lichtbronnen in het water en op de bodem aangebracht. Vele insekten
komen op het licht af, vliegen in het water en worden door de vissen gegeten-
(De prijs van deze voedingswijze wordt niet vermeld.) Vr.

-ocr page 659-

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

De bestendigheid van kurk als isolatiemiddel van koelhuizen.

Daar kurk nog menigmaal als isolatiemiddel bij koelhuizen, enz. wordt ge-
bruikt, kan het nuttig zijn, hier melding te maken van een artikel, dat onder
bovenstaand opschrift voorkwam in de rubriek „chemische techniek" van Vraag
en Aanbod van 2 Mei j.1.

Daarin wordt nl. medegedeeld, dat men in verschillende gevallen bij de
kurkplaten, vormende de isolatielagen van koelkelders e.d. een kleursverandering
heeft geconstateerd tot in het binnenste van de platen. Het bleek nu bij de
laboratoriumproeven dat dit waarschijnlijk veroorzaakt wordt door de kalk- of
cementlaag, waarmede de platen afgepleisterd zijn. De kurkplaten verliezen
hierbij een gedeelte van hun elasticiteit en geven een minder aangenamen reuk
af ; vooral dit laatste is voor koelruimten voor levensmiddelen zeker minder
gewenscht. De vrije kalk uit de pleisterlaag schijnt op te lossen in neerge-
slagen vocht en zoo in de kurkplaten te dringen. Hier werkt zij chemisch in
op het hoofdbestanddeel van de kurk, nl. de suberine, en vormt hiermede
kalkzeepen. Is de kurk eenmaal aangetast, dan vinden allerlei micro-organismen
hun weg in het materiaal.

Het is ook mogelijk, dat de muffe lucht rechtstreeks veroorzaakt wordt door
dergelijke organismen. Indien de kurkplaten door niet dicht zijn der pleister-
laag vochtig worden, kunnen schimmelsporen zich ontwikkelen. Inderdaad treft
men dikwijls schimmel aan.

Men dient dus in ieder geval de koelruimten goed te ventileeren, zoodat er
geen water neer kan slaan op de wanden, terwijl tevens voor goede dichtheid
gezorgd moet worden. Daarop zal ook het voorschrift betrekking hebben, dat
de wanden wel met cementmortel, niet met kalkmortel gepleisterd mogen worden.

Keuring en invoer van vleeschwaren.

Ue Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid heeft de bij zijn beschikking
van 20 Maart 1928 bepaalde kosten van keuring van vleeschwaren nader bepaald

a. voor alle vleeschwaren, behalve runderdarmen, op \'/„ cent per K.G.

b. voor runderdarmen op \'/4 cent per K.G,

Wat den invoer betreft, mogen vleeschwaren, bereid uit of met vleesch van
varkens, tot wederopzegging eveneens uit de Vereen. Staten van Noord-Amerika
worden ingevoerd, indien zij vergezeld gaan van een verklaring van een vete-
rinair overheidsambtenaar, dat het betrokken varkensvleesch op trichinen is
onderzocht en daarvan vrij is bevonden.

Het nieuwe abattoir te Zeist.

Medio Mei is het openbaar slachthuis aan den Bergweg te Zeist, in tegen-
woordigheid van vele officieele personen en andere genoodigden, geopend met
een rede van den burgemeester. De gemeente Zeist is hiermede een inrichting
rijk geworden, die als een modelinrichting onder de nieuwe abattoirs voor
middelmatige groote gemeenten, mag gelden. Het geheel maakt nl. een uiterst
keurig verzorgde indruk. Een bezoek aan dit nieuwe Nederlandsche slachthuis
kan ten zeerste worden aangeraden

Jaarverslag 1928 van den keuringsdienst „Zaanstreek".

Wat betreft de keuring van vee en vleesch wordt medegedeeld, dat de ge-
vallen, waarbij de afwijkingen, waargenomen bij de levende keuring, een aan-
wijzing gaven voor de onderkenning van afwijkingen bij de geslachte keuring,
in hoofdzaak betrekking hadden op beenbreuken en éénmaal op een tubercu-
leuze aandoening van het centrale zenuwstelsel.

lil het begin van het jaar werd door de commissie van toezicht besloten,
alle gestorven dieren kosteloos op te halen en ze te verbranden in de daarvoor
bestemde oven van den keuringsdienst. Door deze maatregel werd niet alleen
bodemverontreiniging voorkomen, maar ook verhinderd, dat de begraven cadavers

-ocr page 660-

weer te voorschijn werden gehaald en na reiniging gedeeltelijk weer in con-
sumptie gebracht.

Bij een volwassen rund en een kalf kwam cysticercus inermis in levensvat-
baren toestand voor.

Van een betrekkelijk groot aantal dieren (382) werd het vleesch bacteriologisch
onderzocht. In 221 gevallen werd daarna het vleesch nog in consumptie gegeven.
Een positief resultaat werd gevonden bij
1 rund met mastitis; 3 kalveren,
waarvan 1 met arthritis, 1 met enteritis, en 1 met septicaemie-verschijnselen;
8 nuchtere kalveren, waarvan i met enteritis, 1 met icterus, 2 met polyarthritis,
en 4, welke als noodslachting waren aangevoerd en waarbij geen duidelijke
ziekteoorzaak werd gevonden;
2 schapen, waarvan 1 met pleuropneumonie en
i met volvulus mesenterialis;
4 varkens, waarvan 1 met een geïnfecteerde been-
breuk, i met mastitis, 1 met pneumonie, en 1 met sepsis-verschijnselen ;
1 paard
met koliek. In enkele van deze gevallen werden de gekweekte kiemen geïden-
tificeerd en vond men bij 1 kalf met septicaemie de bac. enteritidis Gaertner,
bij 2 nuchtere kalveren met polyarthritis, 2 uit nood geslachte nuchteren kal-
veren met geen duidelijke ziekteoorzaak, 1 schaap met volvulus mesenterialis,
i varken met mastitis, 1 met pneumonie en 1 paard met koliek de bac. coli.
Bovendien werd bij 1 varken met verschijnselen van sepsis vlekziektebacillen
aangetroffen.

Wat abnormale geur of smaak betreft, moest één schaap worden afgekeurd
wegens een terpentijnachtige geur en een paard wegens een scherp-prikkelende
(carbol achtige?) smaak van het vleesch, terwijl tevens een binnenbeer moest
worden afgekeurd wegens een aan het vleesch en vooral ook aan het vet
waarneembare sterke geslachtsgeur.

Tuberculose kwam voor bij 26,1 % (813) der runderen; bij 1,5 % der kalveren
(16) ; bij 10 nuchtere kalveren (0,19 %) ; bij 1 geit (0,55 %), bij 509 varkens
(7,2 %) en bij 3 paarden (0,43 %).

Echinococcosis werd waargenomen bij 162 runderen (= 5,2 %), bij 1 schaap
(0,2 %), i geiten (r,i %), 18 varkens (0,25 %) en 74 paarden (10,7 %).

Een exploitatierekening is niet aan het verslag toegevoegd.

De nevenbed rijven van het Rotterdamsche abattoir.

Volgens een bericht in de N.K.Ct., hebben B. en W. van Vlaardingen zich
met een adres tot den gemeenteraad van Rotterdam gewend, waarin o.a. wordt
gezegd dat het haar gebleken is, dat het door B. en W. van Rotterdam aan-
gewezen terrein aan de Vondelingenplaat als plaats, waar de nevenbedrijven
zullen worden gevestigd, op ongeveer één K.M. van de Chemische Fabriek op
de Vondelingenplaat is gelegen. Daar meermalen van deze fabriek reeds een
hinderlijken stank wordt ondervonden, meenen B. en W. van Vlaardingen, dat
dit nog verergerd zal worden, wanneer de nevenbedrijven ook in de nabijheid
van de Chemische Fabriek worden gevestigd. Zij verzoeken daarom dringend
den Rotterdamschen Raad een andere plaats voor deze bedrijven te bestemmen,
of, indien dal niet mogelijk is, zoodanige maatregelen te nemen, dat het ver-
spreiden van voor Vlaardingen hinderlijken stank wordt voorkomen.

Moeilijkheden in den keuringskring Schoonhoven.

De afdeeling Gouda der Hollandsche Maatschappij van Landbouw heeft,
blijkens een mededeeling in de dagbladen, kennis genomen hebbende van de
ernstige moeilijkheden in den keuringskring Schoonhoven met de uitvoering
der vleeschkeuringswet, in een adres, dat aangeboden is aan de gemeentebesturen
van Schoonhoven, Bergambacht, Stolwijk, Vlis, Langerak en Nieuwpoort en
tevens ter kennis is gebracht van den Hoofdinspecteur en den betrokken
Inspecteur\', er de aandacht op gevestigd, dat eenerzijds de veehouders ge-
houden zijn tot het niet vervoeren van vee dat gestorven is aan een besmette-
lijke ziekte, zulks in verband met de bepalingen der Veewet, terwijl zij ander-
zijds ingevolge de Vleeschkeuringswet wel tot dat vervoer verplicht zijn.

In verband met dit bericht deelde collega Mogendorff mij mede, dat deze

-ocr page 661-

moeilijkheden de volgende zijn. Zes van de gemeenten, welke (met Schoon-
hoven als centrumgemeente) een geheel ambtelijken keuringskring vormen,
weigeren bij te dragen in de verplaatsingskosten van den dienst. Daardoor
heeft men niet de beschikking over een behoorlijk vervoermiddel, zoodat de
keuring van gestorven slachtdieren op de boerderijen niet kan verricht worden.
In overleg met de inspectie heeft collega
Mogendorff geweigerd, ontheffing
te verleenen van de wettelijke verplichting om gestorven vee naar de ncod-
slachtplaats te vervoeren. Tegen deze weigering komt nu de Hollandsche Mij. v.
Landbouw\' in verzet, ten onrechte bewerende dat hier Veewet en Vleesch-
keuringswet met elkaar in botsing komen. Immers, komt onder het vee een der
in de Veewet genoemde besmettelijke ziekten voor, dan mag, volgens de be-
palingen dezer Veewet, dergelijk besmet vee niet meer vervoerd worden. Het
onderzoek geschiedt dan, als de veehouder nl. behoorlijk aangifte gedaan heeft
bij zijn Burgemeester, door den Veeartsenijkundigen Dienst. De weigering, om
in de verplaatingskosten bij te dragen, is reeds bij Gedep. Staten in behandeling
geweest, die de kwestie kort geleden aanhangig hebben gemaakt bij de Kroon.

Bezwaren tegen de Vleeschkeuringswet.

Op de agenda van de jaarlijksche algemeene vergadering van den Nederl.
Slagershond, welke op Woensdag 26 Juni a. s. te den Haag wordt gehouden,
komen enkele afdeelingsvoorstellen voor, welke in verband staan met de uit-
voering der Vleeschkeuringswet. Zoo is er een voorstel van de Zaandamsche
Slagersvereeniging om te beproeven
een uniforme uitvoering te verkrijgen van de
bepalingen der Vleeschkeuringswet,
door die uitvoering enkel te doen geschieden
vanwege
het Rijk en niet door tusschenkomst van de gemeentebesturen. In de
daarbij behoorende toelichting wordt opgemerkt dat de wet thans in iedere
gemeente verschillend wordt uitgevoerd, hetgeen niet bevorderlijk is voor den
vleeschkeuringsdienst, noch in het belang van den slager.

Een voorstel van de Utrechtsche Slagerspatroonsvereeniging beoogt in het
bijzonder een actie te beginnen tot opheffing van den zeer onbillijken toestand
dat de onkosten, voortvloeiende uit de abattoir-tarieven, alleen door den slager
gedragen worden. Blijkens de toelichting wil men
de exploitatie van elk abattoir,
zijnde een instelling ter bevordering van de volksgezondheid in het algemeen.
geheel voor rekening van de gemeenschap laten geschieden. Zou de groote winst,
welke het abattoir te Utrecht elk jaar afwerpt, op het ontstaan van dit streven
misschien van eenige invloed zijn geweest ?

Een ander voorstel van de Amsterdamsche Yleeschhouwersvereeniging ver-
langt, dat er bij de Regeering vooral op een tweetal wetswijzingen zal worden
aangedrongen nl. :

a) door de huislachtingen beter te regelen.

b) door meer uniformiteit in het gemeentelijk (?) keuringsregulatief te brengen.

Onder de betere regeling van de huisslachtingen zou men dan willen verstaan

blijkens de toelichting, het verbieden van de ongekeurde huisslachtingen.
Enorme hoeveelheden vleesch schaden daardoor de volksgezondheid en bena-
deelen op ongekende wijze den slager.

Wat betreft de wensch naar meer uniformiteit in de toepassing van het
keuringsregulatief, hier omtrent wordt opgemerkt, dat de keuringen soms zoo-
veel van elkaar kunnen afwijken, dat de leek zich in allen ernst afvraagt,
of elke keuring op zichzelf op een verschillend systeem moet berusten; inzon-
derheid geldt dit voor de afkeuring van verschillende organen, waarbij het
opvalt, dat de eene gemeente een zeer groot deel van bedoelde organen wel,
de andere niet of veel minder afkeurt. De bekende leverbotkwestie schijnt
hier als stimulans te hebben gediend.

Abattoirs.

B, en W. van Hoorn zijn thans met uitgewerkte voorstellen tot stichting van
een openbaar slachthuis bij den gemeenteraad gekomen. De kosten zijn begroot
op ƒ 172000.—. Van de bij den keuringskring Hoorn aangesloten gemeenten
zijn 4 voor en 4 tegen medeaansluiting. Hoewel in 1927 reeds in beginsel besloten

-ocr page 662-

was tot den bouw van een nieuw abattoir, stelde de soc. dem. fractie, bij de
behandeling van het voorstel, nu weer voor, het besluit van
1927 in te trekken
en een commissie van
5 leden te benoemen, om de mogelijkheid van een goed-
kooper bedrijf te onderzoeken. Genoemd wordt een bedrag van ƒ
125000.—-.

Het beginselbesluit werd ingetrokken en B en W. zullen een commissie van
5 leden aan zich toevoegen, ten einde een goedkooperen opzet na te gaan.

In de verordening op den keuringsdienst van vee en vleesch voor de ge-
meente
Wierden is een bepaling opgenomen, volgens welke een cadaver, wanneer
dit naar de daarvoor bestemde gemeentelijke inrichting of naar de plaats, waar
het moet worden afgehaald voor vervoer naar den destructor, wordt vervoerd,
niet mag worden onthuid.

De gemeente Rhoon besloot een verbinding aan te gaan met de N.T.F

de Graaf.

Huldiging Frau Prof. PLEHN.

Frau Prof. Plehn, Hauptkonservatorin aan de Biologische Untersuchungs-
stellen des Deutschen Fischereivereins zur Erforschung der Fischkrankheiten,
te München, is, wegens bereiken van de leeftijdsgrens, afgetreden; door de
Tierärztliche Fakultät der Universität München is haar de Doctorstitel honoris
causa verleend.

De Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, Dr. Berger deelt mede dat de
administratie van zijn dienst vanaf
j Juni is verplaatst van Bezuidenhoutsche-
weg
482 naar Binnenhof 19.

ELLENBERGER t

Op 5 Mei overleed in den ouderdom van 81 jaar Prof. Wilhelm Ellen-
berger
de welbekende oud-professor aan de Veeartsenijkundige Hoogeschool
te Dresden.

Volkenbond en Veeartsenijkundige Politie.

De Yolkenbondscommissie van deskundigen voor de veterinaire politie heeft
haar derde zitting geëindigd en is tot de gevolgtrekking gekomen, dat inderdaad
een nuttige volkenbondsactie mogelijk is om te bevorderen dat weliswaar het
veterinair controleeren de grootst mogelijke mate van doeltreffendheid zal be-
zitten, doch dat aan den anderen kant de internationale handel in vee en
dierlijke producten zoo min mogelijk zal worden belemmerd en dat waar-
borgen zullen worden gegeven, opdat het toezicht op den invoer van vee niet
zal worden misbruikt als een middel van oeconomische protectie.

De deskundigen hebben verschillende middelen aan de hand gedaan ter ver-
gemakkelijking en vereenvoudiging van het toezicht op den invoer van vee,
voornamelijk in grensstaten en zij hebben ook gemeend dat de bestaande be-
palingen over den doorvoer van vee en dierlijke producten belangrijk kunnen
worden vereenvoudigd.

Men heeft bovendien de mogelijkheid overwogen om verschillende dieren-
ziekten in categorieën in te deelen, naar gelang van hun mate van gevaar van
besmetting. Zij meenden dat, als de staten voldoende betrouwbare inlichtingen
zullen geven over den gezondheidstoestand van hun vee, het dan mogelijk zal
zijn om door een classificatie der veeziekten belemmerende bepalingen die den
invoer van vee in den weg staan, in een betere verhouding te brengen tot
het gevaar van besmetting.

Bovendien heeft de commisie van deskundigen gemeend dat een betere samen-
werking verkregen kan worden tusschen de veterinaire diensten der verschil-
lende landen en vooral ook door een internationale uitwisseling van studenten,
professoren en ambtenaren van de veterinaire diensten.

Een plan voor deze internationale uitwisseling zal aan het volkenbondssecreta-
riaat worden overgelegd. De commissie zal na deze zitting, die inderdaad de
hoop wekt, dat aan de misbruiken op dit gebied paal en perk zullen worden
gesteld, nog een slotzitting houden om haar eindrapport aan het oeconomisch
volkenbondscomité op te stellen. N. R. Ct.

-ocr page 663-

COMMISSIE ter bestudeering van Abortus Infectiosus bij dieren en Febris
Undulans bij den mensch en het verband tusschen deze beide ziekten.

Op Woensdag 5 Juni werd door den Minister van Binnenlandsche Zaken en
Landbouw, Mr.
Kan, mede namens zijn ambtgenoot, den Minister van Arbeid,
Handel en Nijverheid plechtig geinstalleerd, de bij beschikking van 30 Mei 1929
No. 300, Afd. 3. Directie v. d. Landbouw door bovengenoemde Ministers be-
noemde Commissie, welke tot taak heeft zoo mogelijk „meer klaarheid te
„brengen in het vraagstuk van het besmettelijk verwerpen (abortus infectiosus)
„bij dieren en van de Malta-koorts (febris undulans) bij den mensch, mede
,,met het oog op het oorzakelijk verband tusschen beide ziekten."

Als gasten waren tot deze bijeenkomst uitgenoodigd Dr. J. J. F. Dhont,
de Heer van der Burg en Dr. H. Vermeulen, samen vormende het dagelijks
bestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde, welk lichaam, de eerste stoot
tot het benoemen dezer commissie heeft gegeven.

De commissie is samengesteld als volgt :

lid en voorzitter: Prof. Dr. L. de Blieck, Hoogleeraar voor parasitaire- en
infectieziekten bij de diergeneeskundige faculteit der Rijks-Universiteit te Utrecht;

lid en secretaris: Dr. A. ten Sande, Inspecteur van het Veeartsenijkundig
Staatstoezicht in algemeenen dienst, tevens inspecteur van de Volksgezondheid
te \'s-Gravenhage;
leden:

Dr. H. C. L. E. Berger, Directeur van het Veeartsenijkundig Staatstoezicht,
tevens Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, te \'s-Gravenhage;

Dr. J. P. Bijl, Hoofd van de bacteriologische Afdeeling van het Centraal
laboratorium van de Volksgezondheid te Utrecht;

Dr. K. Büchli, Bacterioloog aan de Rijksseruminrichting te Rotterdam ;

Dr. J. van der Hoeden, Bacterioloog aan het Centraal laboratorium van de
Volksgezondheid te Utrecht;

J. A. J. M. Kirch, dierenarts te Uden, vertegenwoordiger van de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde;

Dr. N. M. Josephus Jitta, Voorzitter van den Gezondheidsraad te \'s-Gra-
venhage;

Dr. L. F. D. E. Lourens, Directeur der Rijksseruminrichting te Rotterdam ;

Prof. C. F. van Oijen, Hooglceraar in de kennis der menschelijke voedings-
middelen van dierlijken oorsprong bij de diergeneeskundige faculteit der Rijks-
Universiteit te Utrecht;

H. J. H. Sala, dierenarts te Venray;

Dr. J, Th. Terburgh, Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid te \'s-Gra-
venhage ;

A. H. Veenbaas, Directeur van den gezondheidsdienst voor vee in Friesland
te Leeuwarden.

De Minister hield bij deze installatie de volgende rede:

M. H. Toen de Maatschappij voor Diergeneeskunde mijne bijzondere aan-
dacht vestigde op een besmettelijke ziekte der runderen, die, gelijk bekend
was, belangrijke schade aan den vaderlandschen rundveestapel veroorzaakt, het
z.g. besmettelijk verwerpen en daarbij tevens wees op het oorzakelijk verband
van ziekte bij den mensch, lag het voor de hand, dat eene commissie werd
benoemd, die over de onderwerpelijke aangelegenheid nader zou willen rappor-
teeren. Voor die commissie was een ruime taak weggelegd, want, volgens in-
lichtingen van mijn ambtgenoot van Arbeid, Handel en Nijverheid is ook het
belang van den mensch bij abortus infectiosus van het rund in belangrijke
mate in het geding. Wij hebben daarom besloten gezamenlijk de betrokken
commissie samen te stellen, waarbij mijn ambtgenoot de leden aangewezen
heeft, die in het bijzonder uit een oogpunt van Volksgezondheid er in zitting
hebben.

Ook thans blijkt dus weer, evenals bij tal van andeie besmettelijke ziekten,

-ocr page 664-

causaal verband te bestaan tusschen ziekten bij den mensch en bij bet dier.
Trouwens een tweetal veterinaire wetten, waarmede ik bedoel de wetten, die
door veeartsen worden uitgevoerd, houden nauw verband met de hygiëne ten
bate van den mensch. Dat is voor 100 % het geval met de Vleeschkeuringswet,
voor een belangrijk deel met de Veewet, ingevolge waarvan sommige besmet-
telijke ziekten bestreden worden, in het bijzonder met het oog op de gevaren
van die ziekten vcor den mensch.

Samengaan van medische en veterinaire deskundigen, het bevorderen van
medische en veterinaire hygiëne in onderling vertand, komt dan ook het
algemeen belang ten goede.

Zoowel in het buitenland als in Nederland weid in de laatste jaren melding
gemaakt van ziektetoestanden bij den mensch ten gevolge van een infectie door
den bacil van den abortus infectiosus, die hier te lande het veelvuldig voor-
komende besmettelijk verwerpen der runderen veroorzaakt.

De inspectie van de volksgezondheid, o.m. belast met het toezicht op de
uitvoering van de wettelijke bepalingen betreffende besmettelijke ziekten, zoowel
als het Centraal Laboratorium voor de Volksgezondheid waren op de ziekte in
ons land bedacht en namen maatregelen om den toestand beter dan tot voor-
heen te kunnen beoordeelen.

Uit de onderzoekingen van den veearts, Dr. J. van der Hoeden aan ge-
noemd laboratorium bleek, dat in het bloed van menschen, lijdende aan febris
undulans, de ziekteverwekker van het besmettelijk runder-verwerpcn kon worden
aangetoond; klinisch onderzoek daarna bewees, dat men inderdaad met een
besmetting door dezen ziektekiem te doen had.

Dat de ziekte schade aan den veestapel teweeg brengt, is bekend. Omtrent
de hoe-grootheid bestaat twijfel. De vrees voor groote economische verliezen is
echter gerechtvaardigd.

Sedert ongeveer 25 jaren is getracht, naast toepassing van hygiënische
maatregelen, de ziekte te keeren door middel van voorbehoedende of curatieve
entingen. De meeningen omtrent de resultaten zijn verdeeld. Hoe het ook zij,
het is van groot belang om te weten of de ziekte voortgang heeft gehad en
of, zooals sommigen meenen, het gebruik der levende entstof hiertoe heeft
medegewerkt.

Nadere studie omtrent ele ziekte bij de runderen is derhalve aangewezen en
daar besmetting van dier op mensch de meest voorkomende oorzaak van febris
undulans is, is het mede van groot belang, dat ook de studie omtrent het
voorkomen dezer aandoening bij den mensch en haar verspreiding ernstig ter
hand wordt genomen, temeer en vooral omdat deskundigen meenen, dat bij
behoorlijke hygiënische voorzorg veel kwaael voorkomen kan worden.

Het zal aan U zijn, leden dezer commissie, om te trachten klaarheid in dit
twee-ledige vraagstuk te brengen, hetwelk in de U, bij Uwe benoeming ver-
strekte opdracht meer in bijzonderheden is aangeduiel.

Aan U, Prof. de Blieck, opnieuw de taak de leiding te nemen van eene zoo
hoogst belangrijke commissie; ik ben overtuigd, dat U op even voortreffelijke
wijze, als waarop
U zich kweet bij het voorzitterschap van de commissie voor
sera en entstoffen, ook thans weer de U opgedragen taak tot een goed einde
zult brengen. Ik dank U, alsmede den secretaris, Dr.
ten Sande voor de op-
nieuw betoonde bereidwilligheid en verder de leden, die zoo welwillend zijn
geweest aan onze uitnoodiging gevolg te willen geven.

En hiermede verklaar ik, mede namens mijn ambtgenoot van Arbeid, Handel
en Nijverheid, de commissie geïnstalleerd.

Prof. de Blieck heeft daarop geantwoord, met de volgende uiteenzetting.

Daar het mij vergund is te antwoorden op de zeer gewaardeerde woorden,
waarmede Uwe Excellentie onze Commissie heeft willen installeeren, betuig ik U
en den Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid onzen dank voor het ver-
trouwen in ons gesteld, door het verstrekken van een zoo belangrijke opdracht

-ocr page 665-

als het zoeken naar de mogelijke oplossing van het abortus vraagstuk bij de
huisdieren en de daarmee in verband staande febris undulans bij den mensch.

Van een historisch standpunt bezien, liggen beide vraagstukken ver uit
elkander. Onze kennis aangaande de besmettelijke abortus der huisdieren dateert
van 1876. De oorzaak werd door
Bang in 1896 ontdekt.

Ook in ons land werd reeds vele tientallen jaren geleden van deze ziekte
gewag gemaakt, terwijl zij omstreeks 1905—1906 aetiologiscli werd vastgesteld.

De febris undulans was onder den naam van ,.Maltakoorts" reeds zeer lang
te voren in verschillende deelen van de wereld bekend en onderzocht, terwijl
werd aangetoond, dat als infectiebron bijna uitsluitend de geit in aanmerking
kwam. En niettegenstaande de ziekteverwekker der z.g. Maltakoorts, in 1887
door
Brucf. ontdekt, in eigenschappen overeenkomst, vertoont met den
Bangschen abortus bacil, werd toch weinig of geen aandacht geschonken aan
de mogelijke besmetting van den mensch door het rund, evenmin aan de
nauwe verwantschap der beide microörganismen.

Eerst in 1918 heeft men zich rekenschap gegeven van de verwantschap der
beide ziekte-oorzaken en is door vele onderzoekers zelfs tot de identiteit ge-
concludeerd. Dat h->t toch nog tot 1924 moest duren alvorens men de febris
undulans van bovinen oorsprong onderkende, moet worden toegeschreven aan
het geringe contact, dat bestond tusschen de beoefenaars der menschen-
pathologie en dierpathologie. Deze scheiding begint in de laatste jaren meer en
m;er te verdwijnen. Het tot stand komen en de samenstelling dezer Commissie
is daarvan ook een verblijdend bewijs.

In 1924 werd het eerste geval van febris undulans bij den mensch, dat
veroorzaakt zou zijn door het gebruik van groote hoeveelheden rundermelk,
beschreven door
Keefer, daarna volgden sedert 1926 de waarnemingen elkander
snel op en in 1928 rapporteerde het Office International d\'Hvgiene Publique
reeds een vrij groot aantal onderkende gevallen van de besmetting van rund
op mensch.

De meeste gevallen zijn waargenomen in Denemarken, maar ook in Zweden,
Duitschland, Frankrijk, Engeland en Amerika is de ziekte gediagnostiseerd.

In ons land werd in Mei 1928 in de Verslagen en Mededeelingen betreffende
de Volksgezondheid gewezen op het veelvuldig voorkomen der ziekte in Dene-
marken. Aan het Centraal Laboratorium was Dr.
J. v. d. Hoeden werkzaam
om dergelijke ziektegevallen ook in Nederland op te sporen; hij deelde Novem-
ber 1928 zijn resultaten mede en had toen reeds 14 gevallen van febris undulans
geconstateerd, welke volgens zijn laatste publicatie einde Februari 1929 tot 30
zijn gestegen.

In verband met het feit, dat in Denemarken reeds .500 gevallen zijn be-
schreven, dient men de mogelijkheid onder oogen te zien, dat ook meer ge-
vallen in Nederland zullen onderkend worden.

De voornaamste bron van de infectie voor den mensch werd ook in ons
land gevonden en voerde in hoofdzaak tot het gebruik van rundermelk, die
besmet was met den abortus bacil van
Bang.

Ongetwijfeld is hier een succes te boeken van de samenwerking tusschen
menschen- en dierenarts. Het verband van beide vraagstukken is ook in ons
land vastgesteld, en daar dus blijkt, dat wij te doen hebben met een dierziekte,
welke de gezondheid van de mensch bedreigt, is het begrijpelijk dat de Regeering
een oplossing zoekt om dit gevaar te bestrijden

Met het constateeren der ziekte alleen is men er nog niet. Reeds lang zijn
wij in Nederland bekend met het veelvuldig voorkomen van abortus bij
runderen en de dierenartsen hebben hun aandacht aan de bestrijding daarvan
geschonken.

Het was Poels. die als Directeur der Kijksseruminrichting in 1905 de eerste
pogingen deed de ziekte derhalve door hygiënische maatregelen door immunisatie
te bestrijden. Hij was de eerste, die in ons land de curatieve, maar in het

-ocr page 666-

bijzonder preventieve enting jrojageerde en niettfger.staar.de plaatselijk
daarmede succes te bereiken is, s
het de vraag of deze methode de ziekte
in ons land in haar uitbreiding heeft kunnen tegengaan.

Uwe Excellentie heeft ons bij de behandeling van het vraagstuk den weg
gewezen door het stellen van een aantal vragen, zonder de Commissie echter
te beperken.

Zeer terecht is een juiste statistiek van Bac. abortus BANG-infectie bij dieren
en mensch een eerste vereischte om het gevaar beter te kunnen beoordeelen;
dit onderzoek zal ons vanzelf met verschillende epidemiologische en epizoütiologische
vraagstukken in contact brengen. Het zwaartepunt ligt hier natuurlijk bij de
bestrijding der dierziekte en de vraag, of wij in ons land, trouwens in de geheele
wereld, op den goeden weg zijn, is alleszins gewettigd, en dient tot een oplossing
te worden gebracht. Niet minder dan het belang van de gezondheid van den
mensch staan zeer groote oeconcmische belangen voorde veehouderij op het spel.

Dat Uwe Excellentie bij de opdracht in het bijzonder gedacht heeft aan de
mogelijkheid, eventueele noodzakelijkheid van het verrichten van wetenschappe-
lijke onderzoekingen inzake genoemde vraagstukken, kan de Commissie niet
anders dan op prijs stellen; immers de beantwoording van de door U gestelde
vragen zal, naast het bijeenbrengen van statistisch materiaal, voor een groot
deel door wetenschappelijk onderzr.ek dienen te geschieden.

Wij koesteren ele hoop, dat het ons zal mogen gelukken meer klaarheid te
brengen in deze onopgeloste vraagstukken, welke van zooveel belang zijn voor
de gezondheid van mensch en dier en dat dit mag leiden tot een beperking, zoo
mogelijk uitroeien dtzer ziekten, door met kracht de>n strijd daartegen aan
te binden.

Dat deze strijd alleszins gewettigd is, zal wel niemand ontkennen, want de
ziekte bij het rund veroorzaakt zeer veel schade in ons land en over de geheele
wereld en wat de febris undulans betreft, schijnt het toch, dat wij nog slechts
aan het begin zijn eler onderkenning van de ziektegevallen.

De toekomst zal leeren, of Nicoli.e gelijk heeft, wanneer hij zegt: ,,La
mélitococcie est en train d\'évoluer, clle deviendra par ses manifestations et sa
chronicité uns des maladies les plus fréqiientes et les plus tenaces ...... La

mélitococcie est une maladie d\'avenir".

Laten wij hopen, dat Nicolle het te pessimistisch inziet. Mocht echter zijn
voorspelling waarheid bevatten, dan moet het parool zijn ,,Onderzoeken en
bestrijden".

Nadat de Minister en de gasten de bijeenkomst verlaten hadden, heeft de om-
missie hare eerste vergadering gehouden.

PERSONALIA.

Verhuisd: P. J. \'t Hooft PJzn, van Burgstraat 9 \'s Hertogenbosch, naar
Valkcnboschlaan 160 den Haag.

Bureau Dep. v. Binnenl. Zaken en Landbouw, Binnenhof 19,
den Haag.

-ocr page 667-

BIBLIOGRAFIE.

Br. Hilaire, Kippenkwalen en hunne hedendaagsche behandeling. Wetteren,
J. de Meester en Z., 1929. 8°. 42 biz. m. ill. fr. 10.—.

A. A. ter Haar, Turfstrooisel en zijn gebruik. Rotterdam, N.V. Verkoop-
bureau Turfstrooisel, 1929. 8°.

Wenken voor den pluimveehouder in zake het gebruik van turfstrooisel.
Rotterdam,
N.V. Verkoopbureau Turfstrooisel, 1929. KI. 8°.

Ouderdomsbepaling van het paard naar zijn gebit. Vrij naar het Hoogduitsch
door A. A.
ter Haar. 9de dr. Maastricht, Leiter-Nijpels, 1929. M. 21 afb. / 0.35.

Nederlandsch Stamboek voor het landbouwtuigpaard. (N. S. Tg). [Dl. 17. 1928.
\'s Gravenhage. 1929]. 8°. 9 143 blz.
Stamboekhengsten no. 290—295.
Hulpstamboekhengsten no. 38.
Stamboekmerriën no. 2270—2423.
Hulpstamboekmerriën no. 3352—3473.

0. e. E. Eletti, Usi medicamentosi dei vegetali per gli animali agricoli
In appendice: Farmacia dom;stica-veterinaria. Catania, F. Battiato, 1928
8°. 38 p. L. 2.50

Monografie agrarie e zootecniche. no. 150.

V. Barducci, Vacche da latte. Scelta e allevamento. Catania, F. Battiato

1928. 16°. 57 p. c. fig. L. 3.50
Monografie agrarie e zootecniche. no. 152.

P. Bouin, Eléments d\'histologie. I. Paris, F. Alcan, 1929. 40. VII 4- 335 p
av. 200 fig. et 2 pl. en couleurs. fr. 120.—

1. Cellule. Division cellulaire. Différentiation cellulaire. Classification morpho
logique et fonctionnelle des cellules, tissus et organes etc. etc.

R. Lequertier, Traité pratique de l\'élevage du porc. Paris, Garnier frères

1929. 16°. 292 p. av. ill. et reprod. photogr. fr. 9.—
Collection : Utilité pratique.

E Hédon, Précis de physiologie. 10e éd. Paris, G. Doin et Cie, 1929. 8°
870 p. av. 262 fig. fr. 60.—

Collection Testut.

M. Parat, Contribution à l\'étude morphologique et physiologique du cyto
plasme. Chondriome, vacuome, encla%\'es etc. etc. Paris, Masson&Cie.. 1929
8°- 357 P- av. fig.
Extr. des „Archives d\'anatomie microscopique" T. 24.

H. Velin et A. Bigot, Les laines et l\'élevage du mouton au Maroc. Paris,
Service de l\'élevage du Maroc, 1928. 8°. 200 p. av. fig.

A. Ascoli, La vaccination anti-tuberculeuse avec les bacilles vivants chez les
animaux et chez l\'homme. Edit, franç, abregée par
Cayrel. Milan, Istituto
Edit. Cisalpino, 1928. 8°. 235 p. Lire 30.—.

The ,,Feathered World" Year Book for 1929. Ed. by R. and O. Gomyns-
Lewer
i8tb year. London, The Feathered World, 1929. 8°. 558 p. Sh. 2—.

J. B. Orr and Helen Scherbatoff, Minerals in pastures and their relation
to animal nutrition. London, H. K. Lewis, 1929. 8°. XVI -f- 150 p. Sh. 10.6.—.

D. F. Suttie, A dictionary of poultry. London, Blackie, 1929. 8°. 280
p. w. ill. Sh. 7.6.—.

A. T. Henrici, Morphologic variation and the rate of growth of bacteria.
London, Baillière, Tindall & Cox, 1929. 8°. 208 p. Sh. 13.6.—.

Microbiology monographs. Vol. 1.

G. Brooke, The way of a man with a horse. A practical book on horse-
manship. Veterinary notes by C.
Todd and a chapter on pig-sticking by A.
Brooke. London, Seeley, Service, 1929. 8°. 288 p. w. over 90 ill. Sh. 21.—.

-ocr page 668-

E. Brown, Poultry breeding and production. London, Benn, 1929. Gr. 8°.
900 p. w. 8 col., 104 half-tone, 10 plans. Sh. 50.—.

13th and. 14"1 reports of the Director of veterinary education and research.
Prt. I, 2. Pretoria, Government Printing and Stationery Office, 1929. 8°. 2 vol.

Prt. i. 729 p. w. pi.

,, 2. 540 p. w. fig. and map.

Union of South Africa. Dept of Agriculture.

J. B. Orr and I. Leitch, Iodine in nutrition. A review of existing informa-
tion. London, H. M. Stationery Office, 1929. 8°.

Medical research Council. Spec, report series, no. 123.

D. A. Spencer, J. I. Hardy and M. J. Brandon, Factors that influence
wool production with range Rambouillet sheep. Washington, Government Prin-
ting Office, 1928. 8°. 48 p. w. 15 fig.

U. S. Dep1 of Agriculture. Techn. Bull. no. 85.

E. W. Mac Bride, Embryology: the study of animal development. London,
Benn, 1929. 8°. 80 p. w. 2 line ill.

W. A. Foster and H. H. Alf, Housing farm poultry. Urbana, Agric. Exp.
Station, 1929. 8°. 24 p. w. ill. and diagr.

University of Illinois. Agr. Exp. Stat. Circ. no. 337.

Animal parasitology with special reference to man and domesticated animals.
By R. W.
Hegner a. o. New York, Century, 1929. 8°. 752 p. w. ill. and diagr.

$ 6.50.

Century biological series.

Slaughter of animals. To provide for the humane slaughter of animals. London,
H. M. Stationery Office, 1929.

House of Commons Bills. 97.

Kriegsveterinärbericht des deutschen Heeres 1914—1918. Hrsg. vom Reichs-
wehrministerium. Berlin, Reichswehrministerium, 1929. 8°. 1042 S. m. Abb.
u. Diagr.

F. Schiff, Die Technik der Blutgruppenforschung für Kliniker.... Nebst
Berücksichtigung ihrer Anwendung in der Anthropologie und der Vererbungs-
und Konstitutionsforschung. 2te Aufl. Berlin, J. Springer, 1929. 8°. VI 91
S.
mit 32 z. T. färb. Abb. M. 8.60.

Veterinärhistorisches Jahrbuch. Hrsg. von der Gesellschaft für Geschichte und
Literatur der Veterinärmedizin unter Leitung von W.
Rieck. Jg. 4. Leipzig,
W. Richter, 1929. Gr. 8°. III 144 S. m. Abb. M. 9.—.

A. Biewend, Leitfaden für Molkerei. 7te Aufl. Gotha, Schmidt & Thelow,
1929. 8°. 58 S. M. 1.20.

H. GÜSSOW, Die verschiedenen Arten der Milchverwertung in der Altmark
unter bes. Berücksichtigung der Wirtschaftlichkeit, l.eipzig, M. Jänecke, 1928.
Gr. 8°. III 68 S. m. 5 Kt. M. 4.—.

Arbeiten des Institutes für landwirtsch. Betriebslehre an der Universität
Halle. H. 4.

H. H. Lange, Die gewerbliche Schweinemast in den Kr:i;en York, Süder-
Dithmarschen, Steinburg, Pinneberg und Syke. Leipzig, M. Jänecke, 1928.
Gr. 8°. 70 S. M. 4.—.

Arbeiten des Institutes f. landw Betriebslehre an der Universität Halle. H. 7.

E. Rheinberger, Die Bestrebungen nach Herstellung von Qualitätsware in
der deutschen Landwirtschaft unter bes. Berücksichtigung der Milch und der
Molkereierzeugnisse. Leipzig, M. Jänecke, 1928. Gr. 8°. 112 S. J3 B\'- M. 4.—.

Arbeiten des Institutes f. landw. Betriebslehre an der Universität Halle. H. 2.

Wiemann, Fünfzehn Jahre staatliche Tuberkulosebekämpfung. Hannover,
M. & H. Schaper, 1929. 8°. M. 4 Abb. M. 1.—.

Sonderdr. aus: Deutsche Tierärztliche Wochenschrift. 1928. no 12.

R. Wiehr, Der Fortbildungslehrgang über Milchwirtschaft für Tierzucht-
beamte und Direktoren der Provinzial-Molkereilehr- und Versuchsanstalten an

-ocr page 669-

der Versuchs- und Forschungsanstalt für Milchwirtschaft in Kiel. Hildesheim,
Molkereizeitung, [1929]. 8°. 12 S.

Aus: Molkereizeitung Hildesheim. Jg. 42. 1928.

H. Weber und G. Fleischhauer, Lehrbuch für Schäfer und Schafhalter.
Haltung und Fütterung des Schafes und seine Krankheiten. Berlin, P. Parey,
1929. Gr. 8°. VIII 160 S. m. 30 Textabb. M. 6.50.

Thaer-Bibliothek. Bd. 119.

A. Raatz, Neuzeitliche Fütterung des Hausgeflügels. Leipzig, Verlag der
Geflügelbörse, 1928. M. 1--

A. Fischer, Wandtafeln für das Beschneiden der Rinderklauen. Hannover,
M. & H. Schaper, 1929. 75 x 49 c. M. 10 Taf. in Mappe. M. 38.—.

J. Barcroft, Die Atmungsfunktion des Blutes. [Aus dem Engl.] ins Deutsche
übertr. von W.
Feldberg. Tl. 2. Berlin, J. Springer, 1929. 8°. VII 215 S.
m. 63. Abb. M. 19.80.

Tl. 2. Hämoglobin.

Monographien aus dem Gesamtgebiet der Physiologie der Pflanzen und der
Tiere. Bd. 18.

Die Erzeugungs- und Absatzverhältnisse der deutschen Vieh- und Milchwirt-
schaft. Bericht einer amerikanischen Studien-Kommission. Von G. F.
Warren,
C. E. Gray, N. W. Hepburn u. A. Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°. 150 S,
m. 4 graph. Darst. M. 2.20.

W. Rieck, Zur ältesten Geschichte der Tierärztlichen Hochschule Berlin.
Leipzig, W. Richter, 1929. Gr. 8°. 67 S. m. Abb. M. 7.50.

Abhandlungen aus der Geschichte der Veterinärmedizin. H. 18.
L.
Andresen, Zur Geschichte des Viehhandels im Amte Tondern. Tondern,
Nordmark- Verlag, [1929]. Gr. 8°. 48 S. m. 6 Bild, [auf 2 Taf.] und 1 [eingedr.]
Kt. Skizze.

Schleswig-Holsteinische Heimatschriften. H. 21.

R. Fröhner, Zur tierärztlichen Standesgeschichte. Leipzig, W. Richter, 1929.
Gr. 8°. 10 S. M. 1.—.

Abhandlungen aus der Geschichte der Veterinärmedizin. H. 17.
E.
Händler, Das Boyneburger Rossarzneibüchlein. Leipzig, W. Richter, 1929.
Gr. 8°. 27 S. M. 2.50.

Abhandlungen aus der Geschichte der Veterinärmedizin. H. 16.
E.
Mangold, Schlaf und schlafähnliche Zustände bei Menschen und Tieren.
Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°. 20 S. M. 1.80.

E. Klumpp, Pelzbüchlein. Pelze und Pelztiere. Neubearb. von K. Flöricke.
3te Aufl. Stuttgart, Franckh, [1929]. 8°. 64 S. m. 27 Abb. u. e. [eingedr.]
Uebersichtskt. M. 1.25.

L. Streicher, Anleitung für die Allgäuer Melkmethode. 3te Aufl. Kempten,
Süddeutsche Molkerei-Zeitung, [1929]. Gr. 8°. 16
S. m. Abb.

K. G. Turck, Schlachtblut- und Abfallstoff-Verwertung. Grundlagen, Verar-
beitung und Verwertung sowie dazu erforderliche Einrichtungen. Berlin, Allge-
meiner Industrie-Verlag, [1928], 8°. 192 S. mit 100 Abb. u. Tab. M. 12.—.

R. Bronner und Lepus, Das Chinchillakaninchen. 3te Aufl. Leipzig, F. Poppe,
[1928]. 8°. 48 S. m. Abb. " M. 1.—.

Dr. F. Poppes Bibliothek f. Kaninchenzüchter. Bd. 32.

Handbuch des Medizinal- und Veterinärwesens im Freistaat Sachsen. Nach dem
Stande vom
1 Jan. 1929 hrsg. durch R. Schnabel. Dresden, [Pharmazeut.
Kreisverein], 1929. 8°. 232 S. M. 5.—

E. A. Selschopp, Ein Beitrag zur Kenntnis der Milchwirtschaft in Mecklenburg
unter bes. Berücksichtigung der Milchversorgung von Rostock. Leipzig, M.
Jänecke, 1923. Gr. 8°. 60 IX S. M. 4.—.

Arbeiten des Instituts f. landwirtsch. Betriebslehre an der Universität Halle.
H. 16.

-ocr page 670-

Jahrbuch über neuere Frfahrungen auf dom Gebiete der Weidewirtschaft und
des Futterbaues Hrsg. von
F. Falk. und G. Petzold. Bd. io. Hannover, M.
& H. Schaper, 1929. Gr. 8°.

Ducousse, De la cautérisation sur les animaux de l\'espèce bovine. Thèse de
Toulouse. 1929.

Gendre, Contribution à l\'étude des syndromes liémoglobinuriques. Thèse de
Toulouse. 1929.

Holstein, Contribution à la recherche des bacilles de Koch dans les excré-
tions des chiens tuberculeux. Thèse de Paris. 1929.

Ménager, Contribution à l\'étude du traitement des broncho-pneumonies du
jeune âge du chien par les injections intratrachéales. Thèse de Paris. 1929.

Motreff, Claude Bernard et Pasteur devant le vétérinaire. Leur rôle dans
le développement intellectuel. Thèse de Paris. 1929.

Delanne, La race bovine tachetée de l\'Est en Haute-Marne. Son amélio-
ration. Thèse de Paris. 1929.

Dutot, Etude clinique des affections de l\'appareil testiculaire et de quelques
accidents consécutifs à la castration chez le cheval et chez le chien. Thèse de
Paris. 1929.

Grasser, L\'ascaridiase du cheval et ses complications. Thèse de Paris. 1929.

Julienne, La strongylose larvaire chez les poulains. Le gros danger qu\'elle
présente pour l\'élevage, notamment du pur-sang. Thèse de Paris. 1929.

Davesne, De la non délivrance chez la vache. Thèse de Paris. 1929.

Decaux, Intoxication par les pommes chez les bovins du pays d\'Auge. Con-
fusion possible avec la fièvre vitulaire. Thèse de Paris. 1929.

Hatziolos, L\'echtyma contagieux du mouton. Thèse de Paris. 1929.

Panjsset, Recherches expérimentales sur la fonction chromagogue du foie au
moyen du rose bengale. Thèse de Paris. 1929.

Marchal, De l\'éventration chez le cheval. Thèse de Paris. 1929.

Flament, Contribution à l\'étude de l\'industrie des pêches maritimes et des
industries dérivées. Les farines de poissons. Thèse de Paris. 1929.

Morvan, La tub: rculination hypodermique et la réaction de fixation dans
la tuberculose canine. Thèse de Paris. 1929.

Aubry, La reproduction et l\'élevage du cheval de pur sang anglais au haras
de Menneval. Thèse de Paris. 1929.

Eyer, Etude sur les tumeurs du vagin et de l\'utérus chez la vache. Thèse
de Paris. 1929.

Lecerf, Essai sur l\'alimentation et le travail du cheval. Thèse de Paris. 1929.

Dupas, Contribution à l\'étude des troubles de la sécrétion sudorale chez le
cheval. L\'éphidrose. Thèse de Paris. 1929.

Cassagne, Les diarrhées des veaux nouveau-nés. Les eaux vertes. Répartition,
symptômes et épidémiologie de la forme observée dans la région de l\'Aubrac.
Thèse de Toulouse. 1929.

Bernard, Essais sur la formol-gélification en général. Thèse de Toulouse. 1929.

Bachala, Du parasitisme intestinal chez le cheval. Thèse de Toulouse. 1929.

Lamire, Contribution à l\'étude du traitement de la piroplasmose canine. Thèse
de Toulouse. 1929.

Delvert, Etiologie générale de l\'inflammation de la conjonctive chez le chien.
Thèse de Toulouse. 1929.

Lajus, Du diagnostic de l\'emphysème pulmonaire chronique du cheval. Thèse
de Toulouse. 1929.

Dauguen, Les dystocies chez les carnivores domestiques. Thèse de Toulouse.
1929.

Daugreilh, La race bovine Baradaise. Thèse de Toulouse. 1929.

Savette, De l\'utilisation des chiens dans les armées en campagne. Thèse de
Toulouse. 1929.

-ocr page 671-

A. DAn, Vergleichende Untersuchungen über den Blutzuckergehalt bei Mut-
terschweinen und deren Feten. Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

K. Steinmetzer, Experimentelle Untersuchungen über Cholagoga. Habili-
tationsschrift Wien. 1929.

F. Ahlgrimm, Kraftfutterersparnis bei der Fütterung des Milchviehs durch
Intensivierung des Grünlandes. Inaug.-Diss. Göttingen. 1928. 8°. 65 S. m. 4 Taf.

E. von Beoczy, Ausbreitung eines Verfahrens der kontinuierlichen Mager-
milch-Messung an Handschleudern. Inaug.-Diss. Halle. 1928. 8°. 36 S. m. Taf.
und Tab.

H. Heine, Ueber das Absinken der Milchleistung bei unzureichender Ernährung.
Inaug.-Diss. Göttingen. 1928. 8°. 69 S.

P. Kaufmann, Beiträge zur Kenntnis der Ernährung des Geflügels. Inaug.-
Diss. Göttingen. 1928. 8°. 32 S.

O. Winkler, Die Genossenschaftsmolkereien in Mitteldeutschland bes. in der
Provinz Sachsen. Inaug.-Diss. Halle. 1928. 8°. 109 S.

H. Hoffmann, Die Entwicklung der Rindviehzucht im Kreise Calau (Nieder-
lausitz) mit bes. Berücksichtigung der dem Niederlausitzer Herdbuch-Ivontroll-
verband angeschlossenen Grossbetriebe. Inaug.-Diss. Jena. 1928. 8°. 133 S. m.
1 Krte.

W. Bolz, Beitrag zur Deistungsanaesthesie des Vorderfusses beim Pferde
unterhalb des Carpalgelenkes. Inaug.-Diss. Berlin. 1928. 8°. 17 S.

Sv. M. Dimitryevic, Ueber die aktuelle Reaktion des arteriellen-, Pfortader-
und Lebervenenblutes bei nüchternen Hunden mit Angiostomien. Inaug.-Diss.
Würzburg. 1928. 8°. 14 S.

E. Julian, Vergleichende Untersuchungen über den Einfluss der Kastration
auf die Gewichtsverhältnisse des Pferdegehirns und einzelner Gehirnabschnitte.
Inaug.-Diss. Berlin. 1928. 8°. 33 S.

L. Klinge, Ueber die hämatologischen Veränderungen bei Kaninchenmyxom.
Ein Beitrag zum Studium der Krankheiten mit sog. „filtrierbaren" Virus. Inaug.-
Diss. Hamburg. 1928. 8°. 42 S.

G. Deichert, Das Molkcreigenossenschaftswesen Bayerns. Seine Entwicklung
und sein Aufbau mit bes. Berücksichtigung der Zeit seit der Stabilisierung.
Inaug.-Diss Berlin. 1928. 8°. 83 S.

R. Friederich, Die genossenschaftliche Viehverwertung in Deutschland, ihre
neuere Entwicklung und ihre Probleme. Inaug.-Diss. Berlin. 1928. 8°. 110 S. m.
3 Anl.

K. Hempel, Ueber die Milchleistung der Sauen des veredelten Landschweins
und die Gewichtsentwicklung der Ferkel während der Säugezeit. Inaug.-Diss.
Göttingen. 1928. 8°. 41 S.

E. Korthals, Zur Kenntnis des Futterwertes der Süssgräser Wiesenfuchs-
schwanz (Alopecurus pratensis), fruchtbare Rispe (Poa serotina), Beckmannia
Rohrglanzgras (Phalaris arundinacea) und der Sauergräser mit bes. Berück-
sichtigung der Milchleistung. Inaug.-Diss. Königsberg. 1928. 8°. 43 S.

du Buy.

-ocr page 672-

REFERATEN.

MELKHYGIËNE. Melkcontröle in Kopenhagen.

Skandin. Veterin. Tidskr., Mei 1928, bevat een referaat uit het verslag der
melkcontröle in de stand Kopenhagen over 1926.

Kopenhagen ontving dat jaar melk van 3.778 boerderijen met 59.417 koeien,
welke gemiddeld dagelijks leverden 275.000 L. melk. Het toezicht op de win-
plaatsen omvat diergeneeskundige inspectie, minstens éénmaal per maand van
elke boerderij welke handelsmelk, en minstens tweemaal per maand van elke
inrichting die modelmelk in den handel brengt. Voor in het geheel 24.278 koeien
werd een tijdelijk of blijvend verbod uitgevaardigd, de melk in den handel te bren-
gen ; in 310 gevallen wegens het verdacht of lijdende zijn aan tuberculose.

v. Nederveen.

Onderzoek van eenige bijproducten van melk die tuberkelbacillen bevat, P. Rossi,
Le Lait VIII 1928. Ref. Landbouwkundig tijdschrift, Dec. 1928.

Melk kan tuberkelbacillen bevatten, ook zelfs, wanneer de koeien niet duidelijk
tuberkuleus zijn. Min of meer verzwakt kan de bacil voorkomen in boter, kaas,
caseïne, margarine, kéfir, wei.

Nagegaan wordt de reistentie van de tuberkelbacil aan de melkzuurgisting ; de
onschadelijkheid van caseïne en het serum van de caseïnefabrieken afkomstig ; de
mogelijkheid om bacillen te kweeken uit producten, die onschadelijk zijn gebleken.

Er doen zich verschillende problemen voor .

Worden o. a. de bacillen teruggehouden in de wrongel of komen ze ook in het
serum terecht. Het blijkt, dat het overgroote deel in de wrongel komt, maar het
serum bevat toch nog genoeg bacillen om schadelijk te kunnen zijn.

Verhitting op 60—63 graden C. vernietigt de bacil in melk, het serum en de
caseïne, gecoaguleerd door stremsel. Een temperatuur van 55—570 C. is daarbij
onvoldoende. Verhitting gedurende 20 minuten op 6o° C. of 5 minuten op 70° C.
zijn voldoende. Een flinke melkzuurgisting, in samenwerking met een verhitting
op 55—570 C. is in staat om de bacillen te dooden. Een verhitting op 60—63° C.
is veiliger dan op 55—570 C.

Droging op 50° C. van caseïne, zooals in de industrie gebruikelijk, die in ver-
schen toestand virulent bleek, doet deze haar mogelijkheid tot infectie verliezen.

Bij kamertemperatuur heeft de melkzuurgisting totaal geen invloed op de tuberkel-
bacil. Zij kan in zoo\'n milieu 15 dagen leven. Het zuurgehalte kan daarbij
oploopen tot 8 gr. melkzuur per liter. Dit laatste maakt pasteuriseeren of sterili-
seeren van het uitgangsmateriaal noodig. Het verdwijnen van de besmettelijkheid
van een product verhit tot 63 C. is niet een gevolg van het afsterven van de
bacil, doch van een sterk verminderde activiteit.

Toepassing van het ononderbroken wondzuigen. Fr. Schmidt, B t. W., No.
45. 1928.

Schrijver waarschuwt ernstig om deze methode met behulp van de melkmachine,
toch vooral niet toe te passen bij mastitiden. daar hierdoor inplaats van genezing
een verergering van het ziekteproces optreedt.

Opmerkingen en ervaringen bij de diergeneeskundige melkcontröle. Prof. Glage.
B. t. W., No. 45, 1928.

Hamburg had reeds in 1894 een melkverordening, welke in 1914 werd ver-
anderd en in 1926 eenige wijziging onderging, Hamburg heeft i millioen inwoners,
welke per dag 300 a 400.000 liter melk gebruiken. Deze hoeveelheid melk komt
nog van 150 K.M. afstand. 1400 melkzaken zijn bij de distributie betrokken.

De dierenartsen houden zich hoofdzakelijk met stalcontröle en bestrijding der
dierziekten die op de melk invloed hebben bezig. Uitvoerig wordt de toestand
die op het platteland van Hamburg heerscht besproken, waaruit blijkt, dat er
hoofdzakelijk kleine bedrijven zijn, dat de stalbouw nog onpractisch is en daardoor
de zindelijkheid der dieren nog veel te wenschen overlaat, hoewel het reeds veel
verbetert.

-ocr page 673-

Ook bij de melkwinning is de hygiëne nog niet diep doorgedrongen. (Men treft
nog W.C.\'s in de stallen aan).

De voeding der dieren is goed. Het aantal koeien in het gebied van Hamburg
bedraagt
6000.

Het vervoer der melk staat onder politie-contróle.

Verder wordt uitvoerig het onderzoek besproken, dat niets nieuws brengt ;
behalve dat tegelijk met het onderzoek op tuberkelbacillen het onderzoek op
abortusbacillen plaats vindt.

Cavia\'s worden met materiaal van melk ingespoten (intramusculair) na 4—6
weken gedood, en dan wordt het bloed opgevangen, opdat men het serum kan
gebruiken ter agglutinatie met abortus Bang-bacillen.

Tenslotte vraagt schrijver een melkregulatief zooals dat voor de vleeschkeuring
reeds bestaat, opdat zooveel mogelijk een uniforme uitspraak verkregen wordt.

Een nieuwe melkemmer. Zeitschr. f. Fl. u. M.hyg. Jg. 38, 1928.

(Op de landbouwtentoonstelling te Leipzig zag ik in juni 1928 de handmelk-
machine waarvan hier een referaat volgt; vooralsnog geloof ik niet, dat dit toestel
burgerrecht bij de veehouders zal krijgen omdat de aanschafkosten te hoog zijn,
voor het resultaat dat men ermede verkrijgt.

Zoodra de melk op houdbaarheid en zindelijkheid ruimer zal worden uitbetaald
zal dit bezwaar verdwijnen. Kef.)

In de modelmelkinrichting van het landgoed Hörnig-Grossröhrsdorf, Saksen, is
door Ing. A.
Hörnig een nieuw model melkemmer geconstrueerd, welk model
al ruim ij jaar daar gebruikt wordt. Gedurende dien tijd kon door het melkcon-
trólestation van de stad Dresden geen enkele aanmerking op de hoedanigheid
van de melk worden gemaakt.

De melkemmer bestaat uit een, met een afneembaar deksel gesloten bus, aan
welks zijden twee afzonderlijke gummislangen bevestigd zijn. Deze slangen hebben
aan hun uiteinden een kleine beker, waarin losse zeefjes. De bekers hebben een
ring, welke om de geheele hand past en waarmee men deze bekers vlak bij de
handpalm kan houden. Het melken geschiedt met de hand. Doordat de tepel-
opening vlak boven den beker komt, is de met dit apparaat gewonnen melk zeer
rein en bacteriearm. De melk neemt geen stallucht aan. Bovendien blijft derge-
lijke melk zeer lang houdbaar (natuurlijk slechts dan wanneer den weg welke de
melk aflegt, terdege schoon wcrdt gehouden. Ref.) De spenen raken de bekers niet.

Uit proefnemingen, aan de universiteit te Leipzig genomen, bleek, dat, terwijl
op gewone manier verkregen melk, bij
37 graden C. bewaard, slechts hoogstens 36
uur goed bleef, met dit nieuwe apparaat gewonnen melk, onder dezelfde omstandig-
heden zelfs
4 dagen goed bleef. R. H. van Gelder.

The art of Milking. A. G. Aggurwala, Department of agriculture, Punjab.
Veterinary Bulletin, No.
20.

Als merkwaardigheid vermelden wij hier bovengenoemd vlugschrift, waarin
getracht wordt de elementaire beginselen van reinheid bij het melken en de tech-
niek daarvan te doen doordringen onder de „Gawalas" en „Gujjars", de volks-
klassen die in Engelsch-Indië zich meestal met het melken bezighouden.

De schrijver is belast met het onderwijs in vleesch- en melkhygiëne aan de
diergeneeskundige school te Lahore en heeft bij zijn studies in Engeland goed
uitgekeken naar de daar gevolgde eenvoudige en practische methoden. Een aan-
sporing om het gebruik van melkmachines ingang te doen vinden is tevens op-
genomen.

Hoewel op enkele kilometers van den Haag of Amsterdam op dit gebied nog
wel eens toestanden worden aangetroffen, die met die in Punjab op een lijn te
stellen zijn, bevat het boekje voor deskundige Nederlandsche dierenartsen weinig
nieuws. Als voorbeeld van stijl en betoogtrant, hoe zulk een werkje voor tropisch
Nederland ware samen te stellen kan het misschien waarde hebben er kennis
van te nemen. C. F. v. O.

-ocr page 674-

De hygiënische Dienst voor Voedingsmelk in Italië.

Conferentie in het Marinepaleis te Milaan gehouden door Dr. Leonardi Grassi,
veterinair Inspecteur-generaal aan het Ministerie van Binnenlandsche Zaken,
voor de hygiënisten van vreemde landen in Italië gekomen voor studiedoeleinden
ten behoeve van den Volkenbond. La Clinica Veterinaria. No. 12, 1928.

In alle vroeger gehouden congressen is het vraagstuk der melk behandeld ; het
eerst in 1903 te Brussel en één punt is daai bij altijd op den voorgrond getreden n!.:
de hygiënsche winning van de melk bij den oorsprong: in den stal en op de weide.

De dierenarts-ambtenaar inspecteerde de melkerijen tot nog toe slechts: 1 bij
infectieuze ziekten, 2 bij het vinden van slechte melkmonsters, welke het ver-
moeden van ziekte onder het vee wettigen en 3. wanneer de melkerij speciaal is
ingericht voor het winnen van rauwe melk. Overigens ontsnappen de stallen
aan de controle.

In Italië is sinds het Fascisme een niuew leven opgetreden. Zoo is ook de Zoötech-
nie zeer opgebloeid met verbetering van de diersoort en van de stallen ; vele vee-
houders . hebben zelf alle mogelijke maatregelen genomen ter verbetering van
de melk. Ook de plaatselijke besturen hebben ingegrepen.

Tot voor 3 jaar werden in Napels de koeien rondgevoerd en voor de huizen ge-
molken. Dit is thans geheel verboden ; de koeien worden nu opgestald en de melk
wordt gefiltreerd, gepasteuriseerd en gekoeld in flesschen en blikken naar de stad
vervoerd in speciale auto\'s.

In Venetië hebben melkboeren en verkoopers zich tot een coöperatie vereenigd.
Te Milaan komt een stadscentrale, eveneens te Rome. In vele kleinere steden
is ook beweging merkbaar.

Het Gouvernement heeft een nieuw reglement ontworpen voor consumptiemelk.
Het behandelt:

a. stalling der dieren en aangrenzende localen ;

b. melkgevende dieren ;

c. personeel van de koeienstallen en melkinrichtingen ;

d. melk en haar vereiscliten ;

e. het melken, het vaatwerk voor het opvangen, het transport, den verkoop
van de melk ;

/. de melkerijen ;

g. centrale inrichtingen voor de verzameling en de pasteurisatie ;

h. rauwe consumptiemelk ;

i. ezelinnen- en geitenmelk, ingedikte melk, daaruit weer bereide melk, ont-
roomde melk, speciale melkpraeparaten.

Men onderscheidt in Italië : gewone melk, gepasteuriseerde melk en rauwe
melk.

Gewone melk. Welke normen worden geëischt?

De stal moet groot genoeg zijn voor het aantal dieren, de wanden, de vloeren,
de kribben volgens hygiënische regels gemaakt, gemakkelijk schoon te houden,
gemakkelijk te desinfecteeren.

Annex aan den koeienstal, maar zonder directe verbinding moeten zijn twee
localcn : één voor de filtratie en afkoeling van de melk, één voor het wasschen
en de dcsinfectie van de vaten.

Met mechanische hulpmiddelen moet de mest naar den mesthoop worden
vervoerd, welke ver genoeg van den stal moet verwijderd zijn.

Nadat de gemeente-dierenarts dat alles heeft geconstateerd, dient hij de koeien
te onderzoeken, welke eerst na een gunstig rapport over haar gezondheids- en
voedingstoestand en 11a
gekenmerkt te zijn in den sta) mogen geplaatst worden.

De dokter-ambtenaar moet tegelijkertijd het personeel onderzoeken en bij
gunstig bevond dit
enten tegen typhus.

Eerst nadat dierenarts en dokter zich overtuigd hebben van de jui te toepassing
van deze maatregelen geeft de Podesta de autorisatie voor het in werk stellen
van de melkerij.

-ocr page 675-

De eigenaar is verplicht niet alleen gevallen van besmettelijke ziekten onder
zijn personeel en vee aan te geven, maar ook iedere verandering in de gezond-
heidstoestand van beide catagorieën. Ook voor de onderhoorigen is dit nood-
zakelijk.

De gezondheids-ambtenaren zijn tot surveilance verplicht.

Speciale regels worden overwogen voor het melken, het reinigen der dieren
en der melkers, de vereischten der vaten, het wasschen daarvan, het verzamelen
en transport, terwijl alle particuliere maatregelen ondergeschikt zijn aan de auto-
risatie van den Podestà en alles gesurveilleerd wordt door de sanitaire beambten.

Italië krijgt dus een stalcontrôle met een officieel verplicht karakter, alzoo een
vervulling van de wenschen op alle congressen en door alle technici geuit.

Gepasteuriseerde melk.

Wat er ook gezegd moge worden over pasteurisatie, hetzij onder hooge of lage
temperaturen en de vernietiging daarbij van vitaminen en dan speciaal vitamine C.
(het antiscorbut-vitamine), een feit blijft, dat bij het gebruik van gepasteuriseerde
melk veelal
kinderdiarrhee, intestinale tuberculosis, buiklyphus verdwijnt en dat
scorbut niet geconstateerd wordt. Het gebruik van gepasteuriseerde melk neemt
dan ook steeds toe.

In Italië kunnen particulieren onder toezicht pasteuriseeren of de gemeente
kan het doen. Echter voert Italië iets
nieuws in :

Alle melk voor het gebruik bestemd moet eerst passeer en door een af deeling van de
Contrôle, voor ze toegelaten wordt voor de consumptie.
Evenzoo dus als het vleesch
bij de vleeschinspectie.

Rauwe melk.

Deze vereischt nog veel strengere maatregelen dan de gewone melk.

Grassi geeft de mogelijkheid toe, dat dergelijke melk te verkrijgen is, daar
den mensch niets onmogelijk is ; maar antwoordt
,,neen" op de vraag of genoeg
kan geproduceerd worden voor de behoeften van het publiek ; de prijs zal altijd
te duur zijn.

Verder zegt Grassi, dat de goede rauwe melk niet bestaat in Europa.

In Engeland worden 10.000 koeien gemolken voor rauwe melk, in andere landen
nog geen 1000 stuks. Verder wordt slechts een heel klein gedeelte ter plaatse ge-
botteld, de rest wordt in kannen vervoerd naar de melkinrichtingen of naar de
verkoopplaatsen en daar vóór den verkoop gebotteld.

Vindt men in het ter plaatse gebottelde maximaal 30.000 bacteriën per c.c.,
in het laatste gedeelte treft men normaal 200.000 bacteriën per c.c. aan, dus al
een heel spoedige verontreiniging.

Het totale verbruik van rauwe melk bedraagt 1—5 % van het geheel.

Gezien de moeilijkheden vraagt Grassi waarom het noodig is verder te strijden
voor een theoretische kwestie.

Grassi stelt voor op het volgende Congres algemeen de noodzakelijkheid aan te
nemen melk te pasteuriseeren.

Het verschaffen van rauwe melk blijft echter vrij aan het particulier initiatief,
doch onder de strengste voorschriften en nog slechts, als de melk op de plaats
van
winning kan gebotteld worden.

Premiën ter aanmoediging kunnen steeds gegeven worden.

Over vetgehalte-bepaling in Melk.

(Uit het gemeentelijk Laboratorium te Leon). Tomas Rodriguez, Revista
de Higiene y Sanidad, Pecuaria, No. 19, 1928.

Magliano en Porzio hebben een nieuwe methode bedacht voor de vetbepaling
in melk. Evenals de methodes
Gerber en Hoyberg berust ze op de oplossende
werking, die basische zouten en alkaliën uitoefenen op de caseïne, terwijl het vet
hier wordt afgescheiden door een mengsel van alkoliolen.

De methode Hoyberg heeft het inconvénient, dat geheime reagentia worden
gebruikt, soms moeilijk te verkrijgen en dan nog duur.

Magliano en Porzio gebruiken Fehlings vloeistof ; 150 gram zuiver neutraal

-ocr page 676-

kaliumtartraat wordt opgelost in i L. warm water, hierbij wordt gevoegd na af-
koeling 300 c.c. natronloog van 36\' Beaumé (niet gecarboniseerd).

Het alkoholmengsel bestond eerst uit : 40 methylalcohol en 60 isobutylalcohol,
naderhand uit : 45 methylalkohol en 55 isobutylalkohol.

In de butyrometer wordt 10 c.c. melk gedaan met 3 c.c. Fehlings vloeistof
en 1 cc. alcoholisch mengel, hetwelk sterk geschud en daarna 5 minuten met
het voetstuk naar beneden in een bain Marie van 82° geplaatst wordt. Daarna
wordt het mengsel opnieuw geschud en weer terug in het bad geplaatst met de
schaal omhoog, gedurende 3—5 minuten en men leest dan het aantal streepjes
af van het vet = grammen vet per één
K.G. melk (evenals bij de methode Gerber).

Voor de methode Gerber gebruikte Rodriguez de groote acidobutyrometer
met
i opening van Gerber ; voor de methode Magliano de kleine met 15 c.c.
inhoud en 2 openingen van
Gerber.

Rodriguez nam vergelijkende proeven met Gerber en Magliano.

In 64 4 % gaven beide gelijke resultaten.

In 28.8 % geeft Gerber hooger % vet aan.

In 6.8 % geeft Magliano hooger % vet aan.

Ofschoon de GERBERmethode warmte opwekt, blijft de kurk zitten. Bij de
MAGLiANomethode echter, tengevolge van de gladde loog en de uitzetting van
vloeistof en lucht bij de verwarming in het bad, vliegt licht de caoutchouckurk
er af. Die moet men dus vastbinden aan den hals of een bijzondere sluiting ge-
bruiken.

Gerbers methode is vlugger : de afscheidingslijn van vet en melk is duidelijker,
men heeft geen bain Marie noodig ; zij is echter gevaarlijker door het zwavelzuur ;
maar ook loog is niet prettig voor de handen.

Een voordeel heeft Magliano\'s methode nog, indien de melk vermengd is met
formol ter conserveering. De inhoud, behalve het vet, wordt dan donkerviolet.
Verder worden bekende stoffen gebruikt en men heeft geen centrifuge noodig,
wat wel eens voordeel kan zijn ingeval van transport.

Voor gemeenten met gering kapitaal is de methode van Magliano en Porzio
goed te gebruiken. Breed veld.

Keelontsteking, verspreid door melk.

In een dorp in N. Amerika werden van de 4000 inwoners 950 ziek meerendeels
na hr-t gebruik van rauwe melk (5 % der gevallen waarschijnlijk door contact-
besmetting) ; onwelzijn, keelpijn, hoofdpijn, koorts, soms op roodvonk gelijkend
uitslag. De ziekte werd veroorzaakt door een haemolytiese streptococcus die ook
in de uier van een der koeien werd aangetroffen. Waardoor de koe besmet was
was niet bekend. De incubatieperiode bij de ziektegevallen was ongeveer 2
dagen. (The Journ. of prevent, medic., ref.
Sluiter in N. T. v. G. 1922 I,
blz, 2411.)

Vermeerdering der moedermelk.

W\'achtel (Zentralbl. of Gynaekol., ref. Wijsenbeek, N. T. v. G. 1929 i,
blz. 2388) vond dat hoogtezon een zogdrijvende werking heeft. Hij liet de
moederborsten de eerste 10 a 12 dagen eiken dag bestralen, vervolgens 2 a 3
maal per week. De lichtbron was 70 a 75 cM. van de borst verwijderd; de
bestraling duurde den eersten dag 3 a 4 minuten en steeg dagelijks 2 a 3 min.
tot een duur van 30 a 35 minuten bereikt was

Dijozolzeep voor handen-desinfectie.

Mehlhorn vestigt (Berl. Tier-Woch. 1929 No. 10 blz. 158) nog eens de aan-
dacht op dijozolzeep (Chem. Fabrik H.
Trommsdorff, Aachen) die volgens hem
als voordeelen heeft, dat zij niet prikkelt, een beschuttende laag vormt en een
goed desinfectans en desodorans is. Als zoodanig aan te raden vooral in de
verloskunde om hand en arm mee in te smeren voor en na exploratie, en ook
in de melkhygiëne als handen-ontsmettingsmiddel voor het personeel en om
uier en tepels te reinigen
 Vrijburg.

-ocr page 677-

Nederlandsch-Indische Bladen voor Diergeneeskunde.

Deel XL 5de Afl.

Enkele miltvuur-overbrengingsproeven met Tabaniden, Musciden en Muskieten.

Uit de Zoölogische Afdeeling van het Veeartsenijkundig Instituut te Bui-
tenzorg. Directeur : Dr.
C. Bubberman, Dr. Otto Nieschulz.

Voor proefdieren werden cavia\'s gebruikt. Er werd gewerkt met een miltvuur-
stam afkomstig uit Sibolga (Westkust van Sum\'atra) De diagnose werd èn mi-
croscopisch èn door cultuur gesteld.

De insecten zogen op aangetaste proefdieren en werden daarna bij andere ge-
bracht op verschillende tijden na het zuigen.

Met 9 verschillende insectensoorten werden ruim 200 miltvuuroverbrengings-
proeven verricht en positieve resultaten werden verkregen met : Tabanus rubidus,

T. striatus, Chrysops flaviventris, Stomoxvs calcitrans en Stegomyia fasciata ;
experimenten met Lyperosia exigua, Anopheles fuliginosus en Armigeres obtur-
bans verliepen negatief. De beste overbrengers waren de tabamiden, daarna de
musciden, terwijl bij muskieten de overbrengingskansen het geringst waren

Aangenomen mag worden, dat bij de groote huisdieren dezelfde insecten een
rol zullen spelen, vooral de tabaniden, waarbij het opgenomen bloed zoolang
virulent blijft, zij het dan ook, dat de groote dieren minder gevoelig zullen zijn
dan cavia\'s voor zwakke infecties.

Schrijver neemt dan ook aan, dat zoodra eenmaal een groote miltvuuruitbraak
is begonnen, insecten en voornamelijk tabaniden door hun groot aantal en vooral
door het lang infectieus blijven, zeer zeker een belangrijke rol in de verder ver-
spreiding zullen vormen.

Over enkele boutvuur- en paraboutvuur overbrengingsproeven met Tabaniden.
Dr. Otto Nieschulz en F. L Huber.

De vliegen werden geplaatst op de gezwollen glutaeën van geïnfecteerde kal-
veren, nadat de bacillen microscopisch in de bloedbaan van de kalveren waren
geconstateerd (bevestigd door cultures). Ook in de bloeddruppels, welke na het
zuigen op de huid te voorschijn kwamen, werden ze gevonden. De overbrenging
geschiedde op cavia\'s.

Slechts één der boutvuurproeven met Tabanus rubidus gelukte bij directe
transmissie, dus direct na het zuigen. De overbrengingskansen zijn dus kleiner
dan bij surra, ook bij miltvuur en septicaemia, waarschijnlijk, omdat slechts een
gering aantal bacillen in het periphere bloed, gedurende het eindstadium der
ziekte bij kalveren aanwezig is.

Autoren wijzen er op, dat hun experimenten niet op volledigheid kunnen bogen.

Een geval van „Dourine" bij een Hengst in de onderafdeeling Toba. Aboebakri,
Adjunct-gouvernementsveearts te Baligé.

Dourine werd het eerst geconstateerd door Hi benet in 1900 en bestudeerd
door
de Does, die haar de ,,Soemedangsche dekziekte" noemde, en constateerde
dat deze ziekte, ofschoon veel overeenkomst vertoonend met Dourine, toch veel
goedaardiger verloop had. De mortaliteit bedroeg slechts 5 a 0 % : parasieten
waren niet in het bloed te vinden (zeldzaam in het bloed der gezwollen genitaliën,
voornamelijk in de lymphe) ; entingen sloegen alleen aan bij paard en konijn,
waarbij echter geen karakterestieke veranderingen optraden en ook geen trv-
panosomen waren terug te vinden.

In 1904 constateerde B. Vrijburg de ziekte, in 1913 Leurink, steeds in de
Preanger. Na dien is de ziekte niet meer geconstateerd op Java, nooit in de Bui-
tenbezittingen.

Aboebakri onderzocht een tweejarigen hengst te Porsea, onderafdeeling Toba
in de Bataklanden. Het dier kwam uit de dichtbijgelegen Negri Locmban Nabolan,
waar veel surra heerscht.

Het dier vertoonde (2 dagen na aankoop en na dressuur) een gezwollen penis.
Eetlust was goed : overige ziekteverschijnselen waren er niet Bloedonderzoek
op surra was negatief. Tenslotte werd in het vocht, dat uit den penis sijpelde

-ocr page 678-

een levende trypanosoma gevonden, welke dikker scheen dan een surraparasiet.
Bij nader onderzoek bleek de temp. 40.°2 te bedragen, de slijmvliezen, (con-
junctivae, membrana nictitans, mondholte) hadden een normale kleur. Het
scrotum was niet vergroot ; het praeputium sterk oedemateus ; het oedeem ging
op de buikvlakte over. De penis was uitgescliacht, naar achter gekromd en ge-
zwollen ; de glans reikte tot aan het spronggewricht ; het loopen viel daardoor
moeilijk. Vlak bij het praeputium bevond zich een ringvormige insnoering om
den penis, waarop slijmvlies-defecten en oppervlakkige zweren, veelal met kor-
sten bedekt. Meer naar beneden waren nog 2 ringvormige diepe insnoeringen in
den penis, welke oedeemvocht afscheidden, dat er druppelsgewijze afdroop. Ook
uit de urethra kwam bloederig vocht, sterker vóór het urineeren. De urineloozing
ging
vlot.

Twee dagen daarna waren de symptomen verscherpt : oedemen aan buik en
voorborst ; temp. 39.°9, bleek-icterische slijmvliezen en ecchimosen, zooals bij
surra, op de membrana nicticans (deze laatste symptomen zijn nooit door de
Does bij dekziekte waargenomen). In de Giemsa-praeparaten van het exsudaat
werden, ofschoon spaarzaam, de trypanosomen gevonden, in het bloed niet (echter
was 2 dagen te voren naganol ingespoten).

Schrijver stelde de diagnose : dourine naar aanleiding der verschijnselen ; hij
sloot surra uit, daar geen parasieten gevonden werden bij koortstemperatuur.
(Dit is volgens mij geen bewijs, daar ik bij surralijders met hooge temperatuur
dikwijls geen parasieten vond, een paar dagen later wel. Ref.).

De trypanosoom scheen iets kleiner en minder slank dan de surraparasiet ;
het blepharoplast-einde was puntiger en de blepharoplast lag dichter bij den spits ;
de flagel was korter. Zij geleek meer op de trypanosoma equiperdum Dofleini
(dourineparasiet).

Door den eigenaar werd het paard gedood, waarna sectie werd verricht.

Aboebakri vraagt, of misschien vroeger paarden uit Java en speciaal uit de
Preanger (b.v. Sandelwoods) in de Bataklanden zijn geïmporteerd, (helaas ja Ref.)
welke de ziekte hebben kunnen binnenbrengen. Hij vermoedt, dat de ziekte wel
meer zal voorkomen, doch zoo goedaardig verloopt, dat zij niet geconstateerd
wordt. In dit geval b.v. had zware vermoeienis (de dressuur) een minder weer-
standsvermogen geschapen.

Verslag omtrent een dienstreis door Britsch-Indië ter bestudeering van dier-
geneeskundige vraagstukken.
Dr. C. Bubberman. (Directeur v. li. Veeartsenijkun-
dig Instituut te Buitenzorg).

In ie instantie ging Dr. Bubberman ter bestudeering van het runderpest vraag-
stuk. Hij bezoekt Ceylon, Madras, Calcutta, Barcilly en van daar uit Muktesar,
7500 voet hoog gelegen, waar het veeartsenijkundig instituut gelegen is, van
daar terug na,ar Barcilly naar het Izatnagar laboratorium ; een filiaal van het
-Muktesar instituut. Hier worden sera tegen runderpest, haemorrhagische septi-
chaemie, miltvuur en entstof tegen boutvuur vervaardigd, hetwelk dan naar
Muktesar gevoerd wordt ter controleering en ter botteling. Muktesar is goed inge-
richt. Directeur is Dr.
J. p. Edwards. Het filiaal te Izatnagar is zeer primitief.
Muktesar staat in het teeken van de
runderpest en de bestrijding daarvan.

Niet alle runderrassen zijn even gevoelig. Het bergrund is het gevoeligst, sterf-
tecijfer 90 %, bij het vlaktevee tot 50 %, soms wel eens 5—10 %. Buffels zijn ge-
voeliger dan vlaktevee.

Differentiëel-diagnostisch is van belang de runder-coccidiosis. Deze infectie
komt echter bijna uitsluitend voor bij jongvee, 6 maanden tot 2 jaar, en is een sei-
zoenziekte, gebonden aan de maanden Juli, Augustus en September. Het incu-
batie-tijdperk duurt lang, koorts ontbreekt vrijwel.

De verspreiding van runderpest geschiedt meestal door direct contact, ook
echter wel door utensiliën, voedsel, water of personen. Overigens zegt
Bubber-
man,
dat runderpest vrij gemakkelijk te controleeren is. Dit komt ook geheel over
een met mijn persoonlijke ondervinding. (Ref.).

-ocr page 679-

Men werkte, ter bestrijding, met de serum alone methode, in den laatsten tijd
met de simultaan-methode. Bij de laatste spuit men den dieren J—i cc virusbloed
aan de eene zijde van den hals in en tegelijk 20— 40 cc serum aan de andere zijde.
Serum wordt meestal bij jonge buffels bereid ; dieren van 6 maanden tot 1 jaar.

Edwards bereidt het virus bij de geit. Geiten zijn van nature zeer ongevoelig
voor runderpest, doch te Muktesar is men er in geslaagd de geit op een bepaalde
manier te infecteeren en een constant virus te kweeken. Eigenaardig is, dat bij
geiten de symptomen meest van pneumonisclien aard zijn.
Edwards verkreeg
zijn virus door infectie van drachtige geiten in het vruchtwater, waarna het in een
constante virulentie uit het bloed is te halen op het hoogtepunt van de tempera-
tuur (sden dag). Voor de constantheid ent men van rund op geit, weer op rund
en dan vveer geit. Men krijgt dan een virus met een constante virulentie, lager dan
die van rundervirus.

Voor de geheele bereiding van serum en virus, de toepassing, de verschillende
bijkomende ziekten als coccidiosis en piroplasmosis, de bezwaren van de Hindoe-
bevolking zij verwezen naar het oorspronkelijk rapport.

In Britsch-Indië komt ook veel voor septichaemia haemorrhagica, miltvuur,
houtvuur, contagieuse runder-abortus
; van minder belang is malleus en tuberculosis.

Verder de Johne\'sche ziekte (waarschijnlijk komt die ook op Sumatra\'s Oostkust
voor. (Ref.). Ook
surra speelt een groote rol.

Edwards heeft het vraagstuk der curatieve naganol-behandeling grondig be-
werkt. Hij gaat uit van het juiste idee, dat de trypanosomen behalve in het cir-
culatie-systeem, ook kunnen voorkomen in het cerebrospinaalvocht en spuit
daarom tegelijk naganol in de vena jugularis en intrathecaal in het centrale
zenuwkanaal.

Voor de laatste behandeling wordt het dier op de rechterzijde neergelegd, het
hoofd in den nek sterk gebogen en met een uiterst scherpe naald van 15 c.M.
lengte wordt ingestoken in de mediaanlijn 3 a 4 vingers van den nekkam, in een
richting iets naar voren. Eerst doorboort men de huid, en gaat dan met kleine
schokjes voortdurend voorzichtig dieper, terwijl men telkens controleert om te
zien of cerebrospinaalvocht uitloopt. De naald moet zeer scherp zijn om bloeding
van de arachnoidea te voorkomen.

De doseering is als volgt :

iste keer intraveneus 5 gram naganol per 1000 Engelsche ponden lichaams-
gewicht als 50 c.c. van een 10 % solutie ; tegelijk intrathecaal 20 c.c. van een
o,t % solutie. Na 14 dagen wordt een dosis intrathecaal gegeven en na nog eens
14 dagen intraveneus en intrathecaal. De 2de en 3de behandeling kan men na 14
dagen tusschenruimte weer herhalen om zeker te zijn.

Piroplasmosis komt veel voor, hoofdzakelijk Pirosoma bigeminum en Thei-
leria mutans.

Edwards is van meening dat mutans fatale infecties kan veroorzaken door
den invloed van overigens onbekende factoren en dan een ziektebeeld geeft, gelijk
aan dat van Theileria annulatum.
Edwards houdt Theileria parvum (uit Afrika)
voor een varieteit van
mutans. Hij toonde trouwens bij mutans ook de Koch\'sche
bollen aan. Nog enkele andere piroplasmasoorten zijn wel aangetoond.

Coccidiosis is een veel voorkomende ziekte, komt veel voor naast en wordt
versterkt door runderpest. Bij buffels, waar coccidiosis een gewone parasiet is,
ziet men een dergelijke ziekte niet.

Verder vindt men er de lymphangitis bovis of farcin du boeuf. Deze ziekte komt
ook op Sumatra\'s Oostkust voor en is door Dr.
A. Vrijburg in 1907 beschreven.
Hierbij zijn hoofdzakelijk de lymphklieren van de diverse huidregionen aange-
tast, welke in abscedeering overgaan. De aard der ziekte kan zeer verschillend
zijn, van onschuldig tot gevaarlijk.

Pseudo-vogelpest door Picard beschreven voor Ned.-Indië heeft in Britsch-Indië
ook de pluimveestapel gedecimeerd.

De rest van het rapport handelt over het vraagstuk in Ned.-Indié geiten uit

-ocr page 680-

het Etawah-district in te voeren, de ziekten dier dieren voor zooverre bekend en
de moeilijkheden, welke zich kunnen voordoen bij het transport, de kosten, de
behandeling in ons Indië.

(In 1926 zag ik te Medan de afstammelingen en kruisingen van geiten uit
Britsch-Indië. Ik weet niet, waar ze vandaan gekomen zijn en ik heb niets goeds
gehoord over de afstammelingen, de algemeene indruk was echter treurig. (Ref.).

In ons Ned.-Indië is de veterinaire dienst beter ingericht, 46 Europeesche gou-
vernementsveeartsen en 51 adjunct-gouvernementsveeartsen, verdeeld over een
groote veestapel, van 9.000.000 stuks. In de provincie Bengalen is 1 Europeesch
veterinair staatsambtenaar met 120 inlandsche veeartsen belast met het toe-
zicht op 40.000.000 stuks vee.

De bestrijding van de Honds-dolheid.

Preuss : Extract uit het referaat van Prof. Dr. F. vox Hutyra, gehouden
voor de Internationale Commissie voor besmettelijke ziekten te Parijs op 15 Mei
1928. (Berlin. Tier. Woch. 1928, No. 28).

In aansluiting met bedoeld extract bespreekt Preuss de voorbehoedende en-
ting, en wijst op de groote moeilijkheden om die in een land door te voeren, vooral
op het platteland, omdat ele honden daar niet alle te vatten zijn. Verder schijnt
nog altijd de enting niet genoeg geperfectioneerd en dan nog is er steeds hersen-
materiaal voor nooelig (voor 1000 honden 66 konijnen), terwijl de entingen ook
nog ieder jaar moeten worden herhaald. Ook de eigenaren zouden bezwaren kun-
nen maken tegen gedwongen enting. De kosten zouden ook aanzienlijk zijn.

Tot dusver is nergens geconstateerd, dat het aantal rabiësgevalkn als direct
gevolg van de praeventieve enting der honden verminderd is ; in vele landen
echter hebben de veterinaire politiemaatregelen wel geholpen.

De eindconclusie van Preuss luidt : Zooals de toestand nu is. zou het verkeerd
en niet ongevaarlijk zijn, indien de praeventieve enting als algemeene obligato-
risclie maatregel voorgesteld zou worden en gelijktijdig het verzachten der tot nu
toe toegepaste praeventieve en bestrijdingsmaatregelen als geoorloofd geacht.

(Hoe het ook zij, de kwestie van rabiesbestrijding in Indië dient ernstig onder
de oogen gezien te worden. Niemand zal, dunkt mij, voor zachtere maatregelen
zijn, al zouden enkele misschien gewijzigel kunnen worden. Maar zooals de zaken
nu staan, blijft alles bij hetzelfde, en is de strijd nog nooit goed begonnen. Ik ge-
voel b.v. veel met Dr. B.
Vrijburg voor een algemeene opwekking van ele pu-
blieke opinie, zoodat alle samenwerken tot het doel : uitroeiing van de honds-
dolheid in Nederlandsch-Indië. (Ref.).
 Breedvelij.

ZIEKTEN VAN KLEINE HUISDIEREN EN LABORATORIUM-DIEREN.

„Somnifeen Roche", bij de behandeling van accidenteele intoxicatie met strych-
nine, bij honden.
M. le Dret. Revue Vétérinaire, Dec. 1928.

Een patrijshond werd op een kar gebracht. De eigenaar had bij het dier een
plotseling trillen opgemerkt, met stijf worden van de ledematen ; spoedig daarop
volgden algemeene spiercontracties, waarna het elier omviel. Liefkoozingen ver-
ergerden den toestand. De diagnose was niet moeilijk : strychnine-vergiftiging.

Welke therapie moest worden ingesteld? Chloral, intraveneus, in een dergelijk
geexciteerd stadium is niet zonder gevaar voor phlebitis, enz ). Morphine-injecties
geven bij den hond een zeer onzekere en varieerende werking.

Ve)or kans op genezing, is het noodig, het dier gedurende langen tijd (althans
gedurende den tijd, die ne>odig is, om het vergift uit het lichaam te elimineeren)
in sub-anaesthetischen toestand te houden. „Somnifeen Roche" scheen voor dit
doel ideaal te zijn ; men heeft somnifeen het verwijt gemaakt dat het een narcose
veroorzaakt, die te lang duurt. Dit verwijt was de beste indicatie, om het toe te
passen. Onderhuids werden 4 c.c. ingespoten : de honel sliep onmiddellijk in. De
slaap was kalm en zeer diep.

Vijf en twintig uren er na ontwaakte de hond, rekte zich uit en wankelde naar
zijn etensbak. Twee uur later had het dier zijn gewone vrolijkheid herkregen,
en tot nu bleef het normaal. L. P.
de Vries.

-ocr page 681-

Zur Sarkoptes-Raude des Frettchens. Dr. H Graf Vitzthum, \'1\'. R. 35, 1929.
No. 13, blz. 243.

Sarcoptesschurft wordt bij dit dier, dat reeds meer dan twee duizend jaar als
huisdier bekend is en de albinotische vorm van de Putorius putorius (Iltis) ver-
tegenwoordigt, zeer weinig aangetroffen. Dit is grootendeels te verklaren uit het
feit, dat deze dieren nagenoeg niet in groote hoeveelheden tegelijk gehouden wor-
den zoodat de sarcoptesmijt weinig gelegenheid heeft gehad om voor dit dier een
speciaal aangepaste vorm te vinden, zooals voor andere diersoorten het geval is.

Schrijver vond bij een fret aan de Berlijnsche Hoogeschool aangeboden, een
sarcoptes-infectie. Het dier had een algemeen verspreide huidontsteking en ver-
toonde geringe korstvorming aan de oorranden. De infectie bleek veroorzaakt
door
sarcoptes canis, hetgeen bevestigd werd door het feit, dat ook de bezitter
die het dier op zijn hoofdkussen liet slapen, daarmede besmet was. (Sarcoptes
canis is waarschijnlijk de eenige sarcoptes vorm. die niet alleen gaarne, maar ook
blijvend op den mensch overgaat).

Het is een dwaling te meenen, dat de fret door jacht op muis of rat met sar-
coptes zal kunnen worden besmet. Deze dieren toch zijn niet met sarcoptes be-
smet, maar met notoedres-soorten. Besmetting door wilde konijnen is misschien
mogelijk ; men bedenke daarbij, dat het nog een vraag is, of de sarcoptes van het
konijn een specifieke soort is (Sarc cuniculi), dan wel eveneens de sarcoptes canis.
Schrijver meent het laatste.

De aangetaste fret werd met perubalsem-zalf genezen.

Ueber die bakterizide Wirkung des Silargels und die Möglichkeit seiner Verwend-
barkeit zur inneren Desinfektion in der Veterinar-medizin.
Dr. W. Lange, D. t. \\V.
37. 1929. No. 13, blz. 200.

l)e adsorptie-therapie speelt een groote rol in de ,.desinfectie", vooral van in-
wendige organen. Zij beoogt allereerst bacteriën en toxinen aan zeer fijn verdeelde
neutrale substanties als bolus alba, kool, kiezelztire gel te binden en onschadelijk
te maken.

Het preparaat Silargel van de Chemische Pabriek von Heijden berust op dit
principe. Het is een zeer fijn verdeeld colloid kiezelzuur, waaraan voor verhooging
der desinfecteerende werking 0,5 % chloorzilver is toegevoegd. Verschillende
onderzoekers stelden de sterke adsorbeerende en desinfecteerende werking vooral
op darmbacteriën vast. Pepsine en trypsine worden slechts in minimale hoeveel-
heden geadsorbeerd. Schrijver onderzocht het preparaat eveneens ten opzichte
van zijn werking en komt tot de volgende conclusies :

Cultuur en dierexperiment bewezen, dat Silargel in 3—10 % concentratie de
groei belemmert en bij lange inwerking (2- 11 uur) coli-, typhus-, paratyphus-,
Abortus-Bang bacillen, Streptococcen- en Staphylococcen doodt.

Het resultaat is uit practisch oogpunt gunstig te noemen. Daarbij komt als
voorname factor, dat zelfs vaak herhaalde groote doses de slijmvliezen niet schaden
en de weefselcellen niet beschadigen. Schrijver beschouwt het preparaat van groote
practische waarde.

Sonne und Fuchspelz. Dr. A. Priesner, Canada. Der deutsche Pelzticrzuchtcr.
1929. No. 4, blz. 113.

De pels van de zilvervos moet verschillende kwaliteiten bezitten, wil zij van
liooge waarde zijn ; daarbij zijn er factoren, die aan mode onderhevig zijn (de
graad der verzilvering) en waar de fokker steeds rekening mede moet houden.

De zilvergraad is in de eerste plaats een erfelijkheidsfactor ; door doelmatige
keuze der paren, kan de fokker de graad voor het nageslacht grootendeels bepalen.
Vooral nu groote C-anadeesche farmen met succes polygame reuen („studdogs")
met verschillende zilvergraad houden, is dit vraagstuk niet moeilijk en kan op de
mode snel worden ingesteld. Rekening dient gehouden met het bekende feit, dat
jonge vossen in volgende jaren
meer zilver gaan vertoonen. Slechts zelden is het
omgekeerde het geval. Zelfs is het van belang zwart vossen (zilvervossen zonder
zilver), die op het oogenblik voor den pelshandel van geringe waarde zijn, een

-ocr page 682-

jaar over te houden, omdat ze in liet komende jaar zilver kunnen vertoonen. Voor-
al is dit van belang als een geheel nest uniform zwart uitvalt.

Zonlicht reduccert de zilvergraad. Voor de practijk is dit van weinig belang ;
alleen bij aankoop. Een medium zilver gekleurde vos, gekocht op een sterk bescha-
duwde ranch, zal in de meeste gevallen voor de nakomelingen lichter zilveren
eigenschappen hebben dan een dito vos op een zonnige ranch.

Zonlicht bleekt ook de kleur van het zilver en werkt als zoodanig schadelijk.
Ook de invloed op de kleur („Color") van de onderwol is nadeelig. Eveneens wordt
het zg. kleurlooze zwart van de dekharen iets bruinig, hetgeen zooals bekend is,
de pelswaarde zeer vermindert. Ook andere factoren, zooals erfelijkheidsfactoren
en voedingsfouten doen dit.

Deze schadelijke werking van fel zonlicht is oorzaak geworden van het ontstaan
van geheel nieuwe typen hokken en rennen op Prince Edward Island. Vooral
het houden der dieren voor een groot jaargedeelte in geheel overdekte luchtige
huizen (sheds) :
Shed-systeem. De beste winners der tentoonstellingen waren daar
van afkomstig. In Europa is dit systeem nog niet ingevoerd. Alles wijst er echter
op, dat veel schaduw noodig is om zuiver zwarte dekhaar kleur te krijgen, donkere
onderwol en helder zilver. Misschien is dit minder zonderling, wanneer men be-
denkt, dat de vos feitelijk een nachtdier is.

A propos de 1\'encephalite epidemique des renards. C. Levaditi, Elevage et Four-
rure 1929. Mrt.

In het blad van de fransche bond van fokkers van pelsdieren publiceert Leva-
diti
van het Tnstitut Pasteur een onderzoek door vier Amerikanen aan de Uni-
versiteit van Minnesota verricht. Als gevolg van een reis in Amerika, die
Leva-
diti
in 1928 ondernam en waarop hij op verzoek voordrachten hield, kon hij per-
soonlijk kennis nemen van de onderzoekingen van
Green, Ziegler, Dewey
en Shillinger en kreeg door hun bemiddeling gelegenheid tot onderzoek te Parijs.
Samen met
Lepine kwam hij tot analoge uitkomsten als de Amerikanen. Een vos
intracerebraal geënt toonde vier dagen na de inoculatie zenuwstoornissen als
spierkrampen van de ledematen, opistotonus, paresiën, kaakbewegingen, salivatie,
laterale nystachmus. Het dier stierf enkele uren na het begin van de ziekte. De
hersencultuur was steriel ; het orgaan diende voor verdere proeven (infectie cor-
neaal, nasaal enz.) en voor vaccinatie met virus (formol). De ziekte is zooals hier
uit reeds blijkt, buitengewoon belangrijk. Behalve dat zij veel verlies oplevert
schijnt ze nauw verwant te zijn aan de cncephalitis lethargica van den menscli.

De Amerikaansche schrijvers (zie ook Green ; Soc. de Biol. 1929, 8 febr.) heb-
ben de ziekte nu vier jaar bestudeerd ; soms verliep ze epidemisch, vooral daar
waar veel dieren bijeen werden gehouden en intiem contact mogelijk was. In fok-
kerijen met 2000 dieren trad soms een epidemie met een mortaliteit van 15 2o°\'0
in 30 dagen op. Ongeveer 20 van dergelijke epidemiën werden waargenomen.

De dieren sterven meest plotseling ; zelden kan men ze goed observeeren. Een
stam van het virus werd per eerste passage bij 28 dieren ingespoten en gaf 61%
mortaliteit. De 2e passage gaf van 44 vossen 52% mortaliteit. Door experimenten
is de mortaliteit hooger dan bij natuurlijke infectie. Vaak dood zonder karakteris-
tieke vóór-symptomen ; vaak binnen een uur na begin der symptomen ; meestrd
dood na 4—5 dagen.

De karakteristiekste verschijnselen zijn: zwakte en. convulsies. Lethargie <11
coma evenals spiercontracturen en paralysie ziet men practisch even frequent.
Bij de autopsie ziet men karakteristieke bloedingen in de verschillende organen.
De frequentie in de diverse weefsels is volgens volgorde: hart, bijnier, hersenen en
merg, thymus, longen, pancreas, darmen, diaphragma, natuurlijke lichaamsholten.

Microscopisch vindt men in het centrale zenuwstelsel : multipele bloedingen,
lvmphocytaire infiltratie, perivasculaire lymphocyten infiltratie.

De experimenteele infectie gelukt het beste intracerebraal of oculair, met hooge
mortaliteit ; of per intramuscul?ire injectie, met geringere sterfte.

Natuurlijke immuniteit treedt op na de eerste 8 levensmaanden. Ook door niet
doodelijke infectie treedt een staat van geringere vatbaarheid op.

Klarenbeek.

-ocr page 683-

FYSIOLOGIE.

Over de abortieve werking van Liquor Folliculi. Dr. Prof. Giacomo Pighini en
Dr.
Adalberto Colonna, La Clinica Veterinaria, No. 9. 1928.

De vloeistof vaneen rijp Graaf\'se follikel bevat in hooge concentratie een hor-
moon, hetwelk bij gecastreerde vrouwelijke of bij niet-geslachtsrijpe dieren de
karakterestieke anatomisch-physiologische veranderingen in de uterus-vaginaal-
tractus opwekt, welke ook in de normale bronstperiode optreden.

Dat hormoon, ook in geringe concentratie in het corpus luteum, in de placenta,
in het bloed en in de urine van zwangere dieren aanwezig, wordt thans beschouwd
als het natuurlijke stofwisselingsproduct, hetwelk periodiek de vrouwelijke geni-
taalfuncties prikkelt en de symptomen van bronstigheid oproept.

Men kent de verschijnselen van dat hormoon in vagina en uterus ; men vindt
dan hypertrophie door vergrooting van de spieren, van het stroma en van het
slijmvlies der uterus ; het epithelium krijgt een klierachtig voorkomen, de vagina
vertoont laagsgewijze ligging van de mucosa en haar secreturn bevat, inplaats van
de gewone leucocytcn, squammeuse kernlooze spitheliumcellen. De melkklier is
eveneens opgezet.

Frank en zijn medewerkers toonden aan, dat de uterus van een bronstig dier
in Locke\'s vloeistof gedompeld, veel grootere en langzamere samentrekkingen
vertoont, dan die van eenzelfde dier in de tussclienbronstperiode of dan die van
een gecastreerd dier.

Broüha en Simonnel constateerden, dat men dergelijke symptomen kan op-
wekken in de uterus van een dier niet in bronst, wanneer men bij
Locke\'s vloei-
stof folliculairvloeistof toevoegt. Wanneer zij zoo\'n uterus langdurig schoon-
spoelden, hielden de samentrekkingen op, maar na bijvoeging van folliculaire vloei-
stof begonnen ze weer. In het spoelwater bevond zich daarna ook die hormo-
nische substantie.

Pighini nam uit een follikel van de eierstok eener koe de vloeistof weg, centri-
fugeerde ze, voegde aan iedere 5 c.c. 5 druppels van een 3 % acidum fenicum-
oplossing toe en bewaarde ze in tubes van 2 c.c., waarin ze langen tijd steriel en
werkzaam bleef.

Bij een koe, 8 maanden zwanger, werd bij rectale exploratie bevonden, dat de
vrucht gemummificeerd was. Nadat de gewone abortieve middelen tevergeefs
waren toegepast werd ondershuids aan de buik 1 c.c. folliculaire vloeistof ingespo-
ten en den avond daarop 2 c.c. Op den morgen van den 3den dag werd het foetus
uitgestooten. Korten tijd daarna w-erd de koe weer tochtig, werd zwanger en kalfde
normaal.

Schrijvers vinden dit feit belangwekkend cn veelbelovend, en stellen zich voor
het middel ook te gebruiken bij retentio secundinae, vooral bij infectieuse abortus

Een studie zal ook verschijnen over de werkzaamheid van vaginaalsecretuin
(methode
Allen en Doisy) en over speciale praeparaten, bereid uit liquor fol-
liculi.
 Breedveld.

Ueber die Schulterlange und die Schulterschrage beim Pferde. Dr. Magerl,
Miinch. Tierarztl. Wochenschr. 1928, No. 3. S. 29—34.

Volgens de theorie moet de schouder lang cn breed zijn en zoo schuin liggen,
dat hij een hoek van 45\' maakt met de horizontaal en onder een hoek van 90\'
staat met den opperarm. Dit is al een oude theorie, die nog steeds wordt verkon-
digd. Men zou dus zeggen, dat geen twijfel mogelijk is. Toch hebben verschillende
metingen en vooral verrichtingsproeven een geheel ander licht op deze beoordee-
ling geworpen, hetgeen ook reeds door verscheidene deskundigen in de literatuur
naar voren is gebracht. Van Fransche zijde o. a. is er op gewezen, dat een steile
schouder in geenen deele een snellen gang belemmert. Ook had
Simon van Nathu-
sius
al waargenomen dat trekpaarden soms een schuineren schouder bezitten dan
paarden voor snelle gangen.

Wij zien dus, dat theorie en praktijk voor de beste schouderligging in verband

-ocr page 684-

met de verrichtingen van het paard niet in overeenstemming zijn. Ook is door
metingen komen vast te staan, dat een schouderrichting van 450 met de horizon-
taal, die volgens de theorie bij goed gebouwde paarden zou moeten bestaan, niet
voorkomt ; in den regel is die hoek 48°—50.

Prof. Duerst heeft bij 2000 paarden metingen verricht en zag, dat de schuinste
schouders bij trekpaarden voorkwamen.

Schrijver heeft eveneens verrichtingsproeven gedaan o. a. met paarden van
gelijken leeftijd en grootte, alleen verschillend in schouderligging en daaruit bleek,
dat de steile schouder zich tegenover den schuinen schitterend heeft gehouden.

Ook de lengte van den schouder heeft met het snelheidsvermogen van het dier
weinig te maken. Algemeen geldt de leer hoe langer schouder, des te grooter
boog het ondereinde bij het vooruit brengen van het been kan beschrijven om een
ruime gestrekte beweging te bewerkstelligen. Vergelijkende onderzoekingen van
<le lengte van den schouder tot die van het geheele been bij verschillende dier-
soorten toonden aan, dat de olifant o. a den längsten schouder heeft.

Bij verschillende typen gebruikspaarden werden geen belangrijke afwijkingen
waargenomen, ofschoon de volbloeds wel de langste schouders bezitten. Naast
deze meetresultaten hebben ook verrichtingsproeven geen steun aan de theorie
van den langen schouder gegeven.
 Brands.

Enthält die Pflanze ausser den Vitaminen noch andere lebenswichtige Nährstoffe ?

Willy Weitzel, Bad Dürkheim, Münch. Tierärztl. Wochenschr. No. 7 en 8, 1929.

Een literatuur overzicht van enkele stoffen in planten aanwezig, die zoowel
de functie der klieren met inwendige secretie als die met uitvoergang naar buiten
bein vloeden.

De samenhang tusschen vitaminen en hormonen is deels al bekend, zelfs worden
door sommige auteurs vitaminen en hormonen als identieke stoffen beschouwd.

In deze artikelen is echter voornamelijk sprake van de Glucokinenen en Toko-
kinen.

Glucokinenen zijn plantaardige stoffen welke veel overeenkomst vertoonen met
insuline. Uit zeer vele planten kunnen deze glucokininen geëxtraheerd worden
o. a. de periphere laag van haver ; als antidiabeticum zijn verschillende plantaardige
stoffen in den handel.

Tokokininen zijn te vergelijken met geslachtshormonen. Het is eveneens be-
kend dat evengoed als met preparaten uit follikelvocht bij gecastreerde vrouwe-
lijke muizen bronstverschijnselen zijn op te wekken, dit gelukt met sommige
plantenextracten.

Schrijver trekt een parallel tusschen de geslachtshormonen en plantaardige
aphrodisiaca.
(Steinach maakt in zijn laatste publicaties attent op de hyperaemie
der geslachtsorganen na inspuiting van hormoon-preparaten, een verschijnsel
dat ik ook waarnam ; ééns zelfs vond ik een bloedstolsel op nier en ovarium. Der-
gelijke waarnemingen pleiten ook voor overeenkomst tusschen hormonen en
aphrodisiaca. Ref.)

Ten slotte wordt nog gewezen op den invloed van vitamine E op de geslachts-
organen (vruchtbaarheid). Ook de hart- en bloedvaten-hormonen
(Haberland,
Zwaardemaker)
meent sehr in planten te kunnen aantoonen en hij slaat voor
al deze stoffen niet vitaminen doch ,,exogene vitalhormonen" te noemen.

Die Bluttransfusion in der Tierheilkunde. Dr. Jungmann, Tierärztl. Rundschau,
10 Maart 1929, No. 10.

Jungmann kent aan bloedtransfusie een groote waarde toe. Hij geeft eerst
een overzicht van de bloedgroepen zooals deze voor den mensch met zekerheid
zijn vastgesteld ; voor rund, varken en schaap neemt hij het bestaan van drie
groepen aan, bij het paard zouden 3 groepen met enkele nevengroepen aanwezig
zijn
(Przemyzki).

Sehr, hecht overigens aan het bepalen van bloedgroepen bij het paard niet veel

-ocr page 685-

daar zijn ervanrig hem heeft geleerd dat 75 % van alle paarden geschikte bloed-
gevers zijn (dus bij andere paarden geen agglutinatie veroorzaken), over de andere
-5 % wordt verder niets gezegd). Uit den verderen inhoud van het artikel blijkt
dat
J. practisch zich van het bestaan van bloedgroepen niet aantrekt, terwijl
hij ook niets vermeldt van verschijnselen die zouden wijzen op een ingetreden
agglutinatie.

Als voorbeeld van transfusie wordt de behandeling van veulens met lähme
met moederbloed (citraatbloed) genoemd. Deze methode in
1916 door Forsell
medegedeeld berustte op de hypothese dat dit een specifieke behandeling was.
Jungmann acht deze hypothese onjuist, daar hij verschillende veulens genas door
inspuiting met bloed van andere paarden (hij gewaagt niet van de mogelijkheid
dat dit bloed ook antistoffen zou kunnen bevatten).

Toevoeging van middelen om stolling te verhinderen wordt ongewensclit ge-
acht; sehr, werkte (met
Ariesz) in 1918 bij infectieuse anaemie inet gedefibri-
neerd bloed volgens aanwijzingen van
Uhlenhuth.

Voor den practiseerenden dierenarts is dit echter te omslachtig en is alleen
het werken met bloed in toto geschikt.

Voor dat doel heeft sehr, een transfusie-apparaat laten vervaardigen (Hauptner)
bestaande uit glazen flesch van 600 c.c. met slang (welke ongevoelig voor tempera-
tuursverschillen is) waarop een olijf.

Voor een trausfusie (b.v. bij veulenlähme) worden veulen en bloedgever (hier
heet het dat moederbloed toch de beste resultaten geeft) bij elkaar opgesteld
buiten de zon ; eerst wordt een canule in een vena jugularis van het veulen ge-
bracht, daarna bij de merrie snel een aderlating verricht, waarbij het bloed door
genoemde slang in de flesch loopt. Vervolgens wordt de olijf van de slang uit de
canule bij de merrie gebracht in de canule welke in een vena jug. van het veulen
reeds aanwezig was en laat men de vereischte hoeveelheid bloed daardoor vloeien.
Voor veulens is de maximale dosis
250 c.c., voor volwassen paarden 600 c.c. De
kleine aderlating van het veulen (tijdens de venaesectie bij de merrie) wordt gun-
stig geacht.

j. beschouwt de transfusie als een niet-specifieke „Leistungssteigerung". Als
indicaties worden genoemd ; anaemie, haemoglobinaemie, haemophilie, ovariaal-
blocdingen (na uitdrukken van corpora lutea), bloedingen door andere oorzaken,
lekzucht, rachitis, osteomalacie, Borna\'sche ziekte, hydrocephalus, polyarthri-
tiden, mastitiden en diverse oog- en huidziekten.

Hier zou dus sprake zijn van een bijna universeel-geneesmiddel wat m. i. aan-
maant niet al te optimistisch te zijn bij toepassing .
 v. d. Plank.

Doodsoorzaak bij indringen van lucht in de aderen.

Jung en Auger (C. R. Soc. de Biol , Recueil de Med. Vét. 1929, blz. 113) deden
proeven bij honden. Zij konden het reeds bekende feit bevestigen dat men in een
ader snel een groote hoeveelheid lucht moet spuiten (meer dan
100 c.c.) om ver-
ontrustenden verschijnselen te verwekken en in de rechter ventrikel
50 c.c. Kort
na de inspuiting ziet men .een scherpe daling van de carotis-bloeddruk ; het rech-
terhart zet zich uit; weldra dringen talrijke gasbellen (tegen de richting van de
bloedstroom in) in de venae coronarine, dit is mogelijk geworden door de zeer
lage bloeddruk in de rechterhartboezem ; ventrikel-fibrillätie ontstaat en de
dood treedt in. Bij de sectie is het rechterhart vol bloedig schuim ; slechts bij uit-
zondering is een weinig lucht (door de longen) in de linkerventrikel doorgedrongen.

Direct in de linkerventrikel gespoten waren 20 c.c. lucht snel doodelijk ; de
gasbellen worden met de bloedstroom meegevoerd, dringen in de arteriae coronariae
verstoppen die en veroorzaken fibrillatie.

De dood wordt dus veroorzaakt door circulatiestoring in het myocardium ten-
gevolge van verstopping der bloedvaten daarvan (venae of arteriae) door gas-
bellen.

Vrijburg.

-ocr page 686-

ZIEKTEN VAN HERKAUWERS.

Het gevaar van het aan miltvuur lijdend rund voor zijne omgeving.

W. Henriksson vermeldt in Finsk Veterinärtidskr. van i Oct. 1928 het volgend
geval : 8 April werd op een boerderij een rund afgemaakt, dat den vorigen dag
onder verschijnselen van verstopping wr.s ziek geworden. Bij de slachting werd
het rund vermoed te hebben geleden aan miltvuur, welke diagnose bij ingeroepen
deskundig onderzoek werd bevestigd.

17 April openbaarde zich zoowel bij den eigenaar als bij diens zoon een miltvuur-
infectie aan een hand, waarvan beide later zijn hersteld. 14 April had de eigenaar
4 jonge biggen gecastreerd, die na verloop van ongeveer een week alle aan milt-
vuur stierven. Voor de castratie was het zelfde mes gebruikt als bij de slachting
van het rund. Het mes was ontsmet geworden ; dit was echter niet geschied met
de messcheede, die later het mes weer had besmet. v.
Nederveen.

Enting tegen runderpest.

In een artikel ,,le vaccin formolé contre la peste bovine", (Revue gén. de méd.
vét. 1929. No. 448, 15 avril) geven
Curasson en Delpy, in frans Soudan, een be-
schrijving van hun enting tegen runderpest door inspuiting met. met formol be-
handelde miltpulpa van zieke dieren. Volgens hen is hun methode in de praktijk
bruikbaar en zij verzoeken de praktici die te probeeren en hunne resultaten medel
te deelen.

Piraplasmose bij een jong kalf.

Missal (Ann. de méd. vét. 1928, No. 11, blz. 462) zag, (Belg.-Congo) een geval
van piroplasmose (door pir. bigeminum) met doodelijke afloop bij een kalf dat
nog geen drie dagen oud was. Ofschoon hij in het bloed van de moeder geen piro-
plasmata vond, meent hij toch te doen te hebben met een intra-uterine besmetting.

(Ik zou liever een extra korte incubatie-tijd aannemen. Ref.).

Biologie van de miracidiën en cercariën der fasciola hepatica. (Mattes en Shi-
rai,
ref. in Recucil de méd. vét. 1929, febr. blz. 107).

De eieren van fasciola hepatica zijn nog levenvatsbaar als zij een jaar in de
modder hebben gelegen ; zij worden gedood door uitdroging en door koude vanaf
—3° C. ; voor liet uitkomen van het miracidium is verblijf in het water noodig.

De geëncvsteerde cercariën zijn zeer resistent ; in het laboratorium bleven zij
80 dagen in leven bij een temp. van 220
31°. (Shirai).

In de zon droogden zij spoedig, in 62 uren, uit en verloren hun infectie vermogen.
In water van o° C. bleven zij meer dan 24 uren in leven. Na indompeling in alkolhol
ged. 2 uren, in 0,8% formaline of 3% zoutoplossing gedurende 24 uren, waren zij
nog besmettelijk.

Besmetting met uit de gastheer (weekdier) genomen cercariën gelukte niet ;
positieve resultaten werden verkregen door aan de proefdieren cercariën bevattende
weekdieren in te geven ; dc cercariën kunnen pas besmetten nadat zij ongeveer
12 uren geëncysteerd geweest zijn.

Shirai nam proeven op cavia\'s 0111 na te gaan langs welken weg de jonge lever-
botten de lever bereiken. Hij bevestigt de resultaten door
Sinitzin bij het konijn
verkregen, dat die weg door de peritoneaalholte voert. A.
H.(enry), de referent
in het Recueil, vermeldt in dat referaat dat hij persoonlijk overtuigd blijft, dat
bij de groote herkauwers de normale weg naar de lever, de poortader is.

Vrijburg.

Kalberlähme, verursacht durch Bakterien der hämorrhagischen Septikämie.

(Michalka, Wiener Tierärztl. Monatschr., 1929. S. 10).

Als doodsoorzaak van 4 kalveren, waarvan de organen werden opgezonden
naar de Bundeanstalt für Tierseuchenbekämpfung te Mödling (bij Wcenen), werd
microscopisch, cultureel en door middel van de dierproef, lähme geconstateerd,
veroorzaakt door -de bipolaire bacil.

Als bijzonderheid wordt vermeld, dat van deze 4 kalveren drie afkomstig waren
van verschillende stallen, terwijl in alle gevallen een endocarditis voorkwam.

-ocr page 687-

Bij enting van witte muizen met cultuur van een der kalveren afkomstig, bleek
de virulentiegraad zeer hoog te zijn. De mededeeling wordt door een vijftal foto\'s
van endocarditiden en arthritiden verduidelijkt.

Ueber Fremdkörper in den Gallenwegen eines Schafes und Schweines. (G. Bugge.
u. G. Liebig. Berl. tierarzt. Wochensehr. 1928. S. 903).

Aan de maagvlakterand der lever van een 8 maand oud geslacht schaap
vonden schr. een 31— 33 m.M. lange en bijna 5 m.M. breede plaats van de middelste
ductus biliferi der linkerleverkwab, welke 3 c.M. voor de uitmonding der d.
hepaticus eindigende ; de wand der d. biliferi was hier blauwachtig grijs ; ge-
spannen, en promineerde als een streng boven het leverweefsel ; de lever was
roodbruin van kleur en weinig vergroot. Bij nadere beschouwing van deze plaats
kon men twee hennepkorrelgroote vlekjes zien in den wand van de galgang, wat
later gerstkorrels bleken te zijn, terwijl bij betasten men kleinere en grootere vaste
stukjes voelde.

Bij insnijding der d. hepaticus van linker- en rechter leverkwab vonden schrs.
zandkorrels, kiezelsteentjes ter groote van een hennepkorrel en twee gerstkorrels,
benevens onkruidzaad.

Teneinde den inhoud der galgangen na te gaan, werd de lever in 10% formaline-
oplossing geconserveerd, waarna de 11 m.M. breede d. choledochus werd geopend.
Hierin werden zandmassa\'s gevonden, 4 onverteerde en eenige gekneusde gerst-
korrels, onkruidzaden en kleine steentjes. Een gelijksoortige inhoud bevatten ook
de d. cvsticus en d. hepaticus, waarvan de wanden met een slijmige roodgrauwe
massa waren b;dekt, terwijl ook de beide middelste dd. biliferi der linkerlever-
kwab, waarvan een deel het eerst opviel, een soortgelijken inhoud hadden.

De d. hepaticus van de rechter kwab bevatte alleen in het begin, over een af-
stand van 35 c.M. deze voorwerpen.

De wanden van de opgevulde galgangen waren verdikt, het slijmvlies gezwollen
cn met veel slijm bedekt ; gezwelvormingen of beleedigingen der wanden werden
echter niet waargenomen.

Een tweede geval vonden schrs. bij de lever van een 4-jarig varken. De lever
was roodbruin van kleur, 41 c.M. lang, 32 c.M. breed, 7.5 c.M. dik en woog bijna
4 K G.

Bij insnijding der d. biliferi van de linker kwab kwamen zandkorreltjes, steentjes,
en stukjes kolenasch te voorschijn, ingehuld in een geelachtige, slijmige massa.
Ook in de d. choledochus kwamen deze massa\'s voor.

De d. heparicus der linkerkwab was strengvormig verdikt ; de aansluitende
dd. biliferi waren eveneens verdikt, en ten deele over afstanden van 3—5 c.M.
aan de oppervlakte zichtbaar. Ook in deze gangen werd zand, enz. gevonden.

De dd. biliferi der beide middelste en rechterkwab waren met soortgelijke
massa\'s opgevuld en voelden strengvormig aan.

De wand der galgangen was duidelijk verdikt, het slijmvlies was gezwollen,
glad, glanzend, zonder gezwelvorming.

Aan het slot van de beschrijving wordt een bespreking gehouden over de litera-
tuur betreffende dit onderwerp. \\V. P. C. Bos.

ZIEKTEN VAN HET SCHAAP.

Coccidiose bij schapen. Recueil de Méd. Vét. Sept. 1928.

H. Carrc geeft in de Recueil een vrij uitgebreide beschrijving van het voor-
komen van coccidiën bij schapen, voornamelijk bij de lammeren.

Hij onderscheid drie vormen, nl. : een latente coccidiose, een chronische en een
acute vorm. De laXente vorm komt voor bij dieren van enkele maanden en bij vol-
wassenen zonder bepaalde verschijnselen (tenzij dan soms uitwendige abcessen
tengevolge van pyogene bacteriën, die den darmwand gepasseerd zijn, daartoe
instaat gesteld door laesies, welke de coccidiën hebben veroorzaakt).

Bij de chronische vorm ziet men eene vermagering, soms eenige diarrhee en ver-
hoogd dorstgevoel. De eetlust is in den regel goed ; de wol raakt soms los, en de
ademhaling is soms versneld.

-ocr page 688-

Bij de acute vorm zijn de lammeren soms niet in staat zich op te heffen, de facces
zijn veelal vast en worden vaak met moeite ontlast en zijn dan met taai slijm be-
dekt, geel of meer bruinachtig gekleurd, soms met bloedstrepen. Kort voor den
dood vaak versnelde ademhaling en bonzende hartslag, als gevolg waarschijnlijk
van eene toxische werking.

Panaritium bii het Schaap. (Allatorvosi Lapok, 1927. No. 9, blz. in.ofD. T. W.
Juli 1928, blz. 467).

,,Bij de huisdieren met gespleten hoeven verstaat men onder panaritium die
klauwaandoening, welke in de kroonstreek, in de klauwsplcet of aan de ballen
begint, daarbij een phlegmoneus karakter draagt en veelal met weefsel versterf
gepaard gaat".

Men onderscheidt hierbij twee greoepen :
het
sporadische panaritium ;

2°. de meer algemeen optredende, meer heerschende, meer dieren tegelijk aan-
tastende, meer infectieuse vorm (rotkreupel bij schapen).

Bij het sporadische panaritium vindt men de gewone etterbacteriën afzonderlijk
of tezamen met saprophytische, verder met de necrosebacil en den verwekker van
het ,,gasgangreen".

De grootste beteekenis heeft het ,,seuchenartig Panaritium" van het schaap,
dat altijd een necrotisch karakter vertoont, maar wel een verschillend verloop heeft
naarmate er andere bacteriën in betrokken zijn.

Berrär (van wien het artikel afkomstig is) meent, dat wolschapen van zuiver
ras er het meest aan lijden.

Wat de behandeling van de aangetaste schapen betreft raadt B. aan al\'e losse
haren te verwijderen en de zieke plaatsen te penseelen met een 3% alcoholische
oplossing van pyoktanine en de behaneleling alle 2 a 3 dagen te herhalen. Een
verband (met teer) legt hij alleen aan als ook de zool loszit. Als strooipoeder be-
veelt hij aan houtskool met tannoform, 1 : 10—20 en verder sulfas cupricus. Ook
wel penseelen met zilvernitraat e>f zinksulfaat.

(Ref. had goede resultaten met wegnemen van de losse hoorn tot aan het gezonele
weefsel toe en daarna penseelen met Ungt. Aegyptiaeum) B.

ZIEKTEN VAN PAARDEN.

Eine eigenartige Ursache von Darmdrehungen bei Pferden. Dr. Oppenheim —
Tierärztl. Rundschau 1928. S. 64.

Op een bedrijf van 50 paarden stierven er binnen een half jaar 4 aan koliek
tengevolge van darmdraaiing, terwijl geelurende de 3 jaren te voren slechts één
dergelijk geval was waargenomen.

Wegens het vermoeden van kwaadwilligheid werd een bacteriologisch en ook
chemisch onderzoek ingesteld. Het resultaat van het eerste was negatief, doch bij
het chemisch onderzoek der organen werd de aanwezigheid van arsenicum en
koper aangetoond. De verbindingen dezer stoffen zijn in staat acute ontstekingen
in de intestinaal tractus te verwekken ; in grootere doses veroorzaken zij een
snellen elood. Hier was de gevonden hoeveelheid te klein om dadelijk letaal te zijn,
doch voldoende om een acute ontsteking te doen ontstaan, die leidde tot draaiing
der darmen en verschijnselen van koliek. Met alle waarschijnlijkheid mag worden
aangenomen, dat aan deze paarden Schweinfurter groen is verstrekt.

Eein Fall von Peritonitis beim Pferde. Heilung durch intraperitoneale Injektion
von Ol. camphorat. forte.
Kurt Linde — Therapeut. Monatshefte f. Veterinär
medizin. Band I. April 1928. H. 10. S. 380.

Een paard kreeg in de weide een ongeveer 3 c.M. lange perforeerende wond
aan den linker onder buikwand, welke lege artis werd behaneleld.

Na een paar dagen trad echter een peritonitis op, waardoor de prognose zeer
ongunstig werd. Sehr, besloot daarom zijn toevlucht te nemen tot de intraperi-
toneale injectie van Oleum camphoratum forte — 60 gram.

\'sAvonds was de temperatuur 39.9, pols 60, den volgenelen morgen resp. 38.6

-ocr page 689-

en 44 en den avond van dien dag 37.9 en 40. De eetlust keerde ook weer terug en
na 10 dagen was het dier volkomen hersteld.

Einiges zur Spezialdiagnose der Kolik des Pferdes. Neumann—Kleinpaul
(1928) Arch. f. wiss. u. prakt. Tierhk. Bd. 57, H. 4. S. 335—342.

Het is een feit, dat in het algemeen bij koliekgevallen de behandeling te werk-
tuigelijk geschiedt, zonder dat eerst een juiste diagnose wordt gesteld. Voor het
stellen der diagnose moet men letten op temperatuur, pols en ademhaling en op
de bijzondere gedragingen van het paard ; verder moet men gebruik maken van
auscultatie en percussie, rectale exploratie, sondeering van de maag, uitwendige
palpatie van den buikwand, speciaal de regio inguinalis enz.

Het rectale onderzoek acht Schr. het meest belangrijk en hij beschrijft uitvoerig
de wijze, waarop dit systematisch moet worden uitgevoerd. Vooraf infundeert hij
enkele liters koud water, waardoor het onderzoek gemakkelijker en bij sommige
paarden eerst mogelijk wordt.

Ten slotte noemt Schr. de meest voorkomende vormen van koliek en de ver-
schijnselen, die zich daarbij kunnen voordoen.

Über die Abtötung von Askarideneiern in Pferdefaeces. Elmar Roots — (Zeit-
schr. f. Infektionskr. u. s. w. der Haustiere, 1927. S. 1—22) heeft zich de vraag
gesteld of het mogelijk is het optreden van Ascariasis bij paarden te voorkomen
door het dooden der eieren in de mest en desinfectie van stallen en weiden. Zijn
betreffende onderzoekingen leiden tot de volgende conclusies :

1. Ascariseieren bezitten een groot weerstandsvermogen tegenover chemische
desinfectiemiddelen ; slechts carbol- en kresolverbindingen kunnen gemakkelijker
en sneller dan andere chemicaliën door de eihulsels heendringen en het ei dooden ;
de kosten zijn uit een practisch oogpunt echter te hoog.

2. Temperaturen boven 50° C. dooden de eieren binnen korten tijd.

3. Voor het verkrijgen dezer temperaturen kan de warmte, die bij het blusschen
van kalk ontstaat, gebruikt worden. Om zooveel mogelijk warmteverlies te voor-
komen wordt het vat met doeken goed omhuld. Toevoeging van water is niet
noodig, daar versche mest een voldoende watergehalte bezit. Versche ongebluschte
kalk wordt met een hamer in erwtengroote stukjes verdeeld en in een hoeveelheid
van minstens 15% der faeces aan deze toegevoegd.

4. De desinfectie van den stalbodem, van muren en andere voorwerpen geschiedt
door herhaaldelijk wasschen met kokend water.

5. Ter bestrijding van Ascariasis moeten de medicamenteuse behandeling en
de desinfectie hand in hand gaan. Overeenkomstig de eigenaardige ontwikkelings-
gang en de biologie der ascariden is het noodzakelijk, dat de desinfcctie der faeccs,
die met de eerste wormkuur begint tot 9 dagen na de tweede (welke 3 weken na
de eerste wordt gedaan) dagelijks wordt voortgezet. Het afwasschen van den stal-
bodem, van de muren en stalgereedschappcn met kokend water moet gedurende
den duur der desinfectie eenmaal in de week geschieden.

6. De materieele kosten dezer methode zijn in verhouding gering. Men moet
hierbij echter tevens het arbeidsloon en de vermindering in waarde van de mest
door de vermenging met 15% kalk in aanmerking nemen.

De methode is dan ook alleen aangewezen bij waardevol paardcnmateriaal bv.
in stoeterijen en bij een gevaarlijk optredende ascariasis.

(In ons land heeft I)r. Baudet zich bezig gehouden met de studie van de Ascaris
equorum. — Zie deel 51 en 52 van dit Tijdschrift. Ref.).

Praxiserfahrungen mit Hexamethylentetraminlösungen bei der Bornaschen
Krankheit der Pferde.

Jütting. —■ Tieriirtzl. Rundschau 1928. No. 16. S. 303 vermeldt zijn ervaringen
omtrent de behandeling van de Borna\'sche ziekte der paarden. Van een 13-tal
patiënten stierven de eerste zes ondanks elke therapie. De volgende 7 werden toen
behandeld met hexamethyleentetramine en met succes, want 6 paarden zijn ge-
nezen. Dit geneesmiddel wordt intraveneus ingespoten in 20% oplossingen. 2 maal
per dag en eenige dagen na elkaar. Een der paarden kreeg b.v. 1100 c.c. van een

-ocr page 690-

20% oplossing in 9 injecties. Schadelijke nawerkingen zijn niet waargenomen,
ook geen zwellingen op de entplaatsen.

Zaumschütteln beim Pferd als Untugend. Hetyessy —• Allatorvosi Lapok 1927.
No. 17. S. 207 ; Ref. D. T. W. 1928. S. 453.

Deze tot heden nog niet in de literatuur beschreven ondeugd werd bij twee 5
en 6 jaar oude Arabische halfbloedpaarden waargenomen. Na het optoomen wordt
het hoofd zoo ver bijgebracht, dat het loodrecht op den bodem is gericht, daarna
wordt het gebit ongeveer 3 maal in de seconde over den tandeloozen rand van de
onderkaak op en neer bewogen, hetgeen gepaard gaat met een sterk geluid der
betreffende tuigdeelen. Dit spel duurt gemiddeld 14—18 seconden, daarna volgt
een pauze van 1—2 seconden, weer gevolgd door het bewegen van het gebit. Deze
verplaatsingen van het gebit over den tandeloozen rand worden teweeggebracht
door de tong, die zich door dezen arbeid tamelijk sterk verdikt en aldus een 4 5
m.M. breede spleet tusschen de beide snijtandrijen doet ontstaan, welke echter
door de lippen wordt bedekt. Gelijktijdig bemerkt, men een vermeerderde spanning
van de spieren om de neusgaten en in het aangezichtsgedeelte. Na verwijdering
van het gebit houden de dieren zich rustig.

Untersuchung der faszbeinigen Stellung eines Pferdes. Wilhelm Christnach -
Archiv. f. wissensch. u. prakt. Tierheilk. 1928. B. 57. H . 5. S. 482 - 505.

Bij de beoordeeling van een paard is de kennis van stand en bouw der lede-
maten van de grootste beteekenis. Dit geldt niet alleen voor den normalen stand,
maar ook voor de vele afwijkende standen, die bij het paard worden aangetroffen.

Schrijver vermeldt nu het resultaat zijher onderzoekingen bij een dier afwijkingen
n.1. ,,het wijd in de hielen staan". Die onderzoekingen zijn gedaan bij het levende
dier en aan daartoe van zulke ledematen gemaakte preparaten. Van deze laatste
zijn meer in het bijzonder onderzocht : de gewrichtsbanden, het gewrichtskraakbeen,
de stand der beenassen en de beweging der gewrichten. Als slotconclusies worden
genoemd :

1. de laterale gewrichtsbanden zijn krachtiger ontwikkeld dan de mediale en
ook krachtiger dan normaal ;

2. het kraakbeen van het caput femoris is verdikt ;

3. de verschillende beenderen van het lidmaat vormen ten opzichte van de
z.g. „Traglinie" (d. i. de loodlijn vanuit het midden van het heupgewricht door
het midden van den hoef) een naar buiten hoekig gevormde lijn ; de hoeken in de
gewrichten zijn ook anders dan normaal ; bijzonder opvallend is de mediaalwaarts
gebogen hoek, dien de voetas met het pijpbeen maakt;

4. de bewegingsruimte der femero-tibiaalgewrichten is kleiner dan normaal ;
de ab- en adductie mogelijkheden zijn relatief geringer.

5. in het spronggewriclit is de bewegingsruimte aan het bandpreparaat 470 kleiner
dan bij een extremiteit met normalen stand ;

0. in het kogelgewircht is de mogelijkheid van ab- en adductie kleiner.

Versuche mit Pferdeputzmaschinen. Dr. Eckert en Dr. Friisch — (Zeitschr.
f. Veterinarkunde 1928.
H. 2. S. 55—69) hebben te Berlijn met verschillende
apparaten tot het machinaal poetsen van paarden proeven genomen om vast te
stellen : 1°. of deze bij voortdurend gebruik in grootere paardenstallen voldoen ;
2°. of daarmede een besparing van tijd en personeel is te verkrijgen.

De volgende stofzuigers werden gebruikt : de oude en nieuwe Electrolux, de
Protos, de Saugling en de Ikusa, verder de systemen Flex en Elpuma, waarvan de
werking op roteerende borstels berust. Schr. komen tot de conclusie, dat geen en-
kele dier apparaten, wat betreft werking of constructie, die eigenschappen bezit,
welke een algemeene invoering in het leger wenschelijk zouden maken. Bij de oude
Electrolux en de Protos moesten wekelijks alle paarden minstens twee maal met
de hand worden gereinigd om ze weer in een behoorlijken toestand te krijgen.

Wel is uit de proeven gebleken, dat van die stofzuigers de sleutel der bruikbaar-
heid zich bevindt in de constructie van den roskam. De Electrolux is hiermede het
verst en ook heeft
Hauptner voor dat doel een roskam geconstrueerd.

-ocr page 691-

De nieuwe Electroiux, eventueel gecombineerd met den Hauptner-roskam zou
in het leger wel als noodhulp gebruikt kunnen worden, mits daarnaast in de week
twee handpoetsdagen worden ingesteld.

De Flex vervalt reeds door de aan het apparaat klevende constructiefouten.

Het op het lichaam aanwezige lange haar is slechts met de Ikusa te verwijderen.
Bovendien bestaat bij de Flex en de Elpuma nog het gevaar, dat de lange haren
zich om de borstels wikkelen en of uitgetrokken worden of de spiralen doen breken.

in het gunstigste geval stopt het apparaat en moeten de haren er worden afge-
wikkeld.

Heeft het electrische snoer, dat bij de machine behoort een lengte van 7 meter
dan kunnen in de omgeving van elk stopcontact 14 paarden worden gepoetst
d. w. z. 4 paarden rechts en links van het contact en 6 aan de tegenovergestelde
zijde.

Aan het lawaai van den motor gewennen de paarden zich tot zekeren graad.
Zenuwachtige paarden worden echter steeds zoo verontrust, dat een tweede man
aan het hoofd moet gaan staan om de dieren te kalmeeren. Het eventueel te ver-
krijgen gewin aan tijd vervalt hierdoor volkomen.

Ook is het gevaar niet denkbeeldig, dat door het machinaal reinigen der paarden
de ruiters en voerlieden van hun dieren gaan vervreemden. Voor een zoo hoog
mogelijk op te voeren arbeidsprestatie ontbreekt dan het noodige contact tusschen
man en paard.

Speciale menschen moeten gevormd worden om de machines te bedienen, deze
kunnen dan langzamerhand door hun meerdere kennis en ervaring de werking
verbeteren.

Zelfs voor een beperkt gebruik der poetsmachines b.v. in paardenziekenstallen,
die welbekend een gering aantal paardenverplegers bezitten, leenen zich de appa-
raten in hun tegenwoordigen vorm nog niet.

(In ons Tijdschrift jaargang 1928, Afl. 1 en 12 hebben Prof. Kroon en Dr.
Weekenstroo het gebruik van de stofzuiger in de huidverpleging besproken.
Beide auteurs doen echter, meer in het bijzonder wat de Electroiux betreft, een
geheel ander geluid hooren. Ref ).

Over voedering van paarden met geplette haver. Dr. E. Bemelmans —- Giornale
di Médicine Veterinaria 1028, Turijn.

Dr. Bemelmans bepleit het gebruik van geplette haver, daar dit voordeeliger
is en betere voedingsresulaten geeft.

Een niet gekauwde korrel met onbeschadigde bast verlaat het lichaam nog in-
tact, hetgeen ook daaruit blijkt, dat zij kiemkrachtig blijft. Zooveel paarden kauwen
slecht en men heeft daardoor een verlies van 0.75% tot zelfs 50%.

Teruggaan van geplette haver op gewone haver (in het kamp, in den oorlog, op
manoeuvres) kan
steeds zonder digestiebezwaren geschieden.

Brocq-Rousseu, directeur van het laboratorium voor militair dierartsenij-
kundige onderzoekingen te Parijs ging de studies van
Bemei.mans 11a en bevestigde
diens stellingen, welk hij in een zitting van het Recueil de Médécine Vétérinaire
verdedigde. Hij komt tot de conclusie, dat men 10% van het rantsoen per paard
kan besparen. Dit zou voor de legerpaarden in Frankrijk een besparing van ïyi
millioen francs per jaar bedragen.

Bij de gevolgde discussie vroeg Prof. Henrv een goede definitie van geplette
haver ; dat is ook zeer juist, daar haver, die te sterk geplet en gekneusd is, en
vooral het havermeel, een slechte voeding is voor paarden. Slechts de noodige
breuken moeten in den korrel zijn, zoodat de spijsvertering daarop kan inwerken,

Coca raadt geplette haver af, maar beroept zich op onjuiste gegevens.

Bouchet heeft vergelijkende voederingsproeven gehouden in een bierbrouwerij.
Bij havervoeding had men veel meer koliekgevallen, 10—12 per jaar, bij geplette
haver slechts één geval in verscheidene jaren.

Luitenant von Albert geeft geplette haver aan zijn racepaarden met groot

-ocr page 692-

succes, zoo zelfs, dat hij één paard meer kan houden door de besparing op het
haververbruik. Zijn vrienden volgen zijn voorbeeld.

Daar de militaire administraties overal moeten bezuinigen is het zeker aan te
bevelen geplette haver te gebruiken, daar er geen motieven bestaan er zich tegen te
verzetten.

(Zie ook Dr. E. Bemelmans : Over het verlies van haver bij paarden en over de
wijze van voedering, waardoor zulks wordt voorkomen. H.
P. de Swari en Zoon,
den Haag 1926).
 Breedveld.

Flavo-Bacterium abortus equi. Usstupni : Tierarztl. Rundschau 1929. 14. blz.
253-

Sedert 1922 heerscht in Rusland een uitgebreide epizoötie van besmettelijk
verwerpen bij paarden. Bij een onderzoek van stoeterijen in de Donsteppen kon
bij alle 23 onderzochte geaborteerde vruchten uit het hartebloed en ook bij een
merrie uit het bloed worden gekweekt een kleine cocco-bacil, die wegens de eigen-
aardige kleur der kolonies op agar genoemd werd Flavo-bacterium-abortus-equi.
De cultuureigenschappen van dit microörganisme komen in verschillende opzichten
overeen met die der paratyphus-bacillen en ook serologisch bleek er een nauw
verband te bestaan met deze groep. Van 55 merries, die hadden geaborteerd ver-
toonden 40 een agglutinatie met 1/800 tot 1/1600 verdund serum; ook alle 9
hengsten, die deze merries hadden gedekt reageerden positief. Met contólesera was
de reactie daarentegen steeds negatief. Schr. stelt zich voor, dat veel goeds te
verwachten is van actieve en passieve immunisatie ; omtrent daarmede verkregen
resultaten worden evenwel nog geen mededeeüngen gedaan. v.
d. Hoeden.

TUBERCULOSE.

Untersuchungen über den serologischen Nachweis der Tuberkulose des Rindes.

K. Beller, Archiv fiir Wissenschaft!, und prakt. Tierheilkunde. Bd. 58, H 3, 1928.

Van 313 runderen, die, op grond van klinisch en bacteriologisch onderzoek,
wegens tuberculose waren geslacht, werd het bloedserum onderzocht. Naast ver-
schillende onspecifieke colloïde-eiwitreacties werd de complementbindingsreactie
met diverse antigenen ingesteld. Tot de eerste groep reacties behoorden : de agglu-
tinatie volgens
Fornet, de uitvlokkingsreactie volgens Lange en Heuer, alsmede
die volgens MX
té f y en de formolreactie volgens Gâté en Papacostas. Met deza
onspecifieke reacties werden over het algemeen ongunstige resultaten bereikt.
Verschillende gevallen van tuberculose werden er niet door onderkend, terwijl
met serum van verschillende dieren, die bij de sectie geen tuberculeuze verande-
ringen te zien gaven, een positieve reactie verkregen werd. Alleen in die gevallen
waarbij ten gevolge van necrobiotische processen een verandering in de eiwit-
samenstelling van het bloedserum plaats vindt, kan met behulp van deze colloïde
reacties een positief resultaat worden verwacht. Met de complementbindingsreactie
werden betere resultaten verkregen. Van de verschillende antigenen voldeed dat
van
Besredka het best.

Van de 264 gevallen, waarbij tuberculeuze veranderingen bij de sectie werden
gevonden, kon 236 maal (89.5 %) een positieve complementbindingsreactie worden
verkregen.

In 18 gevallen kon een onspecifieke reactie niet met zekerheid worden uitge-
sloten. Op grond hiervan kan de complementbindingsreactie niet geschikt worden
geacht, om het klinisch-bacteriologisch onderzoek te vervangen. In de gevallen,
waarbij de tuberculose zich langs de bloed- of lymphbaan over verschillende or-
ganen had uitgebreid, werd bijna zonder uitzondering een positieve reactie vast-
gesteld, daarentegen faalde deze methode bij verschillende gevallen van open
tuberculose, waarbij deze verspreiding niet had plaats gevonden.

L\'emploi des cultures dans le diagnostic de la tuberculose. Les avantages du milieu
de Petragnani.
G. Bertrand, Annales de méd. vét. Août, Sept. 1928.

In dit artikel worden verschillende series proeven vermeld, waarbij getracht

-ocr page 693-

werd door middel van de methode van Hohn uit tuberculeus materiaal tuberkel-
bacillen te kweeken. Als voedingsbodem werd die van Petragnani gebruikt. l)it
is een ei voedingsbodem, waaraan malachietgroen is toegevoegd, om de groei der
begeleidende microörganismen tegen te gaan.

De eerste serie proeven werd met melk verricht, waarbij de volgende techniek
werd toegepast. 5 c.M.3 melk werden vermengd met 10 c.M.3 10 % H2S04. Na
verloop van 25 minuten werd dit mengsel gedurende 15 minuten met groote snel-
heid gecentrifugeerd. De bovenstaande vloeistof werd afgegoten en uit het be-
zinksel op Petragnani-voedingsbodems geënt. Allereerst werden 6 melkmonsters
onderzocht, waarbij het microscopisch onderzoek reeds vele tuberkelbacillen te
zien gaf. Het gelukte in al deze gevallen na verloop van 20—30 dagen een rein-
cultuur van tuberkelbacillen te verkrijgen. Vervolgens werden 10 melkmonsters
onderzocht, waarbij in het microscopisch preparaat geen tuberkelbacillen konden
worden aangetoond. Hierbij werd 2 maal een cultuur van tuberkelbacillen ver-
kregen.

Een 2e serie proeven werd ingesteld met organen van tuberculeuze kleine huis-
dieren. Deze organen werden op de volgende manier bewerkt. Stukjes lever, milt,
long of lymphklier werden met behulp van steriel zand in een mortier fijn gewreven,-
De deegachtige massa, welke nu ontstond, werd met physiologische keukenzout-
oplossing verdund. Na flink schudden liet men het zand bezinken, waarna de boven-
staande vloeistof werd afgegoten, welke dan op dezelfde wijze werd behandeld
als de melkmonsters. Bij het onderzoek van 10 organen, welke rijk aan tuberkel-
bacillen waren, gelukte het in alle gevallen na 15—25 dagen culturen van tuberkel-
bacillen te verkrijgen. Vervolgens werden 3 pleuravochten, 2 urines en 1 lymph-
klier, afkomstig van honden, onderzocht, waarbij het microscopisch onderzoek
geen tuberkelbacillen opleverde. Uit 2 pleuravochten en de lymphklier werden
na ^b 3 weken tuberkelbacillen gekweekt.

In de laatste serie proeven, werden tuberculeuze organen van slachtdieren onder-
zocht. Van 20 gevallen gelukte het slechts 2 maal een positief resultaat te ver-
krijgen. De oorzaak van dit slechte gevolg moest worden gezocht in de vergaande
staat van bederf, waarin het onderzochte materiaal verkeerde. Het onderzoek
werd herhaald met 6 tuberculeuze lymphklieren, welke 12 uur na de slachting
werden onderzocht. Het gelukte nu in alle gevallen tuberkel-bacillenculturen te
kweeken.

Als voordcel van de Petragnani-voedingsbodem wordt nog genoemd, de be-
langrijke aanwijzing welke deze geeft, omtrent het type der tuberkelbacillen, die
men geïsoleerd heeft. De humane tuberkelbacillen groeien gemakkelijk. Reeds
na 8—10 dagen zijn de eerste kolonies zichtbaar. De kolonies zijn dof en droog
en vertoonen een sterke neiging om te conflueeren en zich boven de oppervlakte
van het voedingsmedium te verheffen. De bovine tuberkelbacillen groeien veel
kariger. De eerste kolonies zijn pas na 20 a 30 dagen zichtbaar ; zij zijn dan zeer
klein en vertoonen weinig neiging tot confluentie. Enkele kolonies worden grooter
(2 a 3 m.M.) en bolvormig. De cultuur heeft een glanzend en vochtig uiterlijk.
De bacillen van het aviaire type ontwikkelen zich na J- 15 dagen tot talrijke,
zeer kleine kolonies, die gemakkelijk samensmelten. Zij vormen op deze wijze
een dun laagje, dat allengs dikker wordt. De oppervlakte der cultuur is zeer glan-
zend.

Bertrand komt tot de conclusie, dat het cultiveeren van tuberkelbacillen even
gemakkelijk is als dat van andere pathogene kiemen. (Deze conclusie wordt door
verschillende onderzoekers niet onverdeeld aangenomen. Ref.).

Clarenburg.

-ocr page 694-

(Uit het Zoötechnisch Instituut der Rijks-Universiteit te Utrecht.
Directeur: Prof. Dr. H. M. KROON).

DE STRIJD TUSSCHEN AUTO EN PAARD, EN ZIJN INVLOED
OP DE PAARDENFOKKERIJ IN NEDERLAND,

door

Prof. Dr. H. M. KROON.

De Zoötechnicus heeft niet alleen studie te maken van de eigen-
schappen der dieren, van de inwendige en uitwendige factoren,
waarvan deze afhankelijk zijn, doch dient ook nota te nemen van
alle omstandigheden, die een gunstigen of ongunstigen invloed op
de teelt der dieren uitoefenen.

Nu is er zeker, wat de paardenfokkerij betreft, geen omstandig-
heid, die nadeeliger heeft ingewerkt, dan de invoer van de mecha-
nische tractie, de motor, de auto. Meer dan eenige ziekte of welke
andere tegenslag ook, heeft de verbreiding van de auto verschil-
lende typen van het paard verdrongen of gedecimeerd, en de paar-
denfokkerij nadeel toegebracht.

De strijd tusschen auto en paard is niet van den allerlaatsten
tijd, loopt reeds over tientallen van jaren, doch is eerst na het
eindigen van den wereldoorlog, toen zoovele en velerlei motor-
wagens aan beide oorlogsfronten gebruikt, plotseling onnoodig
werden en in het burgerbedrijf werden overgebracht, acuut ge-
worden. En nadien is de strijd geleidelijk toegenomen en wordt
deze steeds met meer heftigheid gevoerd.

Ik meen goed te doen met hier bij dien strijd eens nader stil te
staan.

De literatuur over dit onderwerp is reeds vrij uitgebreid, doch
dikwijls tendentieus, meestal bestaat zij uit bijdragen van voor-
of tegenstanders, die ieder voor zich alles bijeen trachten te brengen
wat hun standpunt steunen kan, en welke daarom zeer sceptisch
beoordeeld moeten worden. Op tal van vergaderingen van paar-
denfokkers, van motorfabrikanten, van industrieelen en andere
gebruikers, ook van dierenartsen, is de strijd tusschen paard en
motor aan de orde gekomen, zelfs zijn in verschillende landen spe-
ciale congressen of vergaderingen gehouden, uitsluitend aan dit
onderwerp gewijd. Ik wil de strijd hier onbevooroordeeld beschou-
wen en beoordeelen en eenige gegevens bijeen brengen, waaruit
ik conclusies zal trachten te trekken, betreffende de invloeden op
de paardenfokkerij.

Gedurende meer dan zestig jaren kent de paardenfokkerij slechts
tijden van overgang, onrust en strijd en in den laatsten tijd zijn
wij genaderd tot een strijd om het bestaan, een strijd op leven
en dood.

-ocr page 695-

In het midden der vorige eeuw had Nederland drie paarden-
rassen, die toen geheel aan de eischen van fokkers en koopers
voldeden, in het Noorden het Friesche paard, dat behalve in Fries-
land eenigszins gewijzigd voorkwam in Groningen, Drenthe, Over-
ijssel en een deel van de Veluwe, het Geldersche paard in Gelder-
land, vooral in de I Jselstreek en in de Betuwe en weer iets gewijzigd
in Utrecht en West-Noord Brabant en het Zeeuwsche paard.

De twee eerste rassen waren landbouw-tuigpaardrassen, niet
alleen in ons land, doch ook in het buitenland, als koetspaarden
zeer gezocht ; het Zeeuwsche paard was een landbouwpaard, ge-
schikt op de zware gronden in het Zuiden van ons land. Vooral
door concurrentie van verbeterde buitenlandsche tuigpaard-
rassen, als het Oldenburgsche, het Oost-Friesche, het Cleveland en
het Yorkshire ras, waren de fokkers gedwongen een paard te
leveren dat mooier exterieur had, zwaarder was en beter gangen
vertoonde, omdat onze paarden niet meer voldeden en geen loo-
nenden prijs meer opbrachten. Er is toen een tijd gekomen van in-
voer vooral van Oldenburgsche en Oost-Friesche hengsten en
kruising van onze paarden met deze twee rassen, zooals die nu in
verschillende streken nog plaats heeft. Zelfs de meest conserva-
tieve fokkers moesten mee, zoodat reeds op het laatst van de vorige
eeuw het oorspronkelijke Geldersche paard geheel verdwenen was
en van het Friesche paard maar weinig meer was overgebleven.

Nog was deze algeheele verandering niet tot stand gekomen of
de eischen van vele koopers wijzigden zich in dien zin, dat zij meer
snelheid, meer uithoudingsvermogen en meer luxe wenschten. Wel-
licht dat het gebruik van rijwiel en ook reeds van enkele auto\'s
deze wenscheri hadden doen ontstaan. Door kruising met Hackney
en Anglo-Normandische, enkele malen ook met Hannoveraansche
en halfbloed Engelsche hengsten trachtte men dit doel te bereiken.

Nu volgde in Duitschland de opbloei van de industrie en de
sterke vraag naar zware trekpaarden, wat een groote opleving dei-
paardenfokkerij in België ten gevolge had. De groote winsten, daar
door de boeren gemaakt, brachten onze fokkers er toe, eerst in
Zeeland, Limburg en Noord-Brabant, later ook in de meer Noor-
delijk gelegen provinciën, tot in Groningen toe, om zooveel mogelijk
trekpaarden van het Belgisch type te fokken. Er is een ware
„burgeroorlog" gevoerd, de twee typen, tuig- en trekpaard, bestre-
den elkaar, de tuigpaarden konden zich eerst staande houden,
de trekpaarden namen echter sterker in aantal toe en begonnen
ook in de beste tuigpaardstreken de tuigpaarden te verdringen,
zoo dat zelfs in een provincie als Groningen meer trekpaard- dan
tuigpaardhengsten ter dekking staan.

Deze strijd was nog in vollen gang toen de motor, de gemeen-
schappelijke vijand zijn intrede deed en diens invloed zich meer
en meer deed gevoelen. De strijd met de auto is niet van vandaag

-ocr page 696-

of gisteren, doch is al tientallen van jaren aan den gang. Ik herinner
mij, dat ik in 1896 in Berlijn was, en daar reeds in de hoofdstraten
kon opmerken, dat het aantal autos grooter was dan dat van
paarden, dat het paard met zijn minder snellen gang de autos in
den weg liep, en men toen reeds den indruk kreeg, dat het paard
„obsoleet" zou worden. Toevallig was ik in 1900 in de gelegenheid
Parijs, Hamburg en Kopenhagen te bezoeken ; in Parijs bleek toen
al een belangrijk deel der vroeger door vier hengsten bespannen
omnibussen op de boulevards vervangen door autoomnibussen en
een deel der „aapjes" door taxis ; in Hamburg en Kopenhagen
was van de vooruitgang der motortractie nog weinig te bemerken,
alleen, dat bij de tram de paarden door motoren waren ver-
vangen. Eerst waren het vooral personen-autos en autobussen,
later kwamen meer de autovrachtwagens van lichter en zwaarder
gewicht. Ik wees er reeds op, dat de strijd tusschen motor en paard
in vollen gang is, een strijd waarin evengoed als het tuigpaard,
ook het trekpaard betrokken is. De fokkers en eigenaars van paar-
den hebben met struisvogelpolitiek langen tijd weinig notitie van
dien wedstrijd genomen en al doet de invloed zich sterk op de prij-
zen der paarden gevoelen, toch zijn er nog velen, die denken, dat
die inzinking wat de paarden betreft, maar tijdelijk is en die telkens
verschijnselen meenen op te merken, die er op zouden wijzen,
dat het paard het terrein, dat het verloren heeft, wel weer spoedig
zal inhalen.

Wij willen nu de vraag onder de oogen zien hoever het met de
verdringing van het paard door den motor is gekomen en hoe
het verder zal gaan. Een afdoend antwoord is moeilijk te geven,
de vraag is gemakkelijker te stellen, dan daarop goed gemotiveerde
antwoorden te leveren.

Toch wil ik in elk geval trachten het probleem te benaderen,
ie. door het verzamelen en uitwerken van statistische gegevens.
2e. door de kosten van paardentractie en van motor-tractie te
vergelijken,

je. door na te gaan, waar het paard vroeger gebruikt werd, waar
het overbodig is geworden, verdwenen is of bezig is te ver-
dwijnen, en waar een toeneming is waar te nemen of te ver-
wachten.

4e. door tegenover elkaar te stellen de voor- en nadeelen van
paarden-tractie en van motortractie.
Ten slotte wil ik dan trachten uit de verzamelde gegevens con-
clusiën te trekken betreffende den toestand der paardenfokkers in
dezen tijd en wat de naaste toekomst brengen zal.
I. Statistische \'gegevens.

Om een goed overzicht te krijgen van den stand van zaken op
dit oogenblik en de ontwikkeling van het gebruik van paard en
auto in den loop der laatste jaren, kan de statistiek ons het best

-ocr page 697-

inlichten. Nu beschikken wij in sommige opzichten over zeer uit-
gebreide en goede statistische gegevens, terwijl wij in andere weer
de gewenschte gegevens missen.

Vooreerst moet ik er op wijzen, dat de veetelling ons geen cijfers
verschaft van de laatste jaren. Goede en zeer betrouwbare tel-
lingen van het aantal paarden, ook in verschillende rubrieken,
in alle gemeenten van ons land hebben plaats gehad in 1910 en
1921. De verslagen van deze tellingen staan te mijner beschikking.
Na 1921 heeft geen telling meer plaats gehad, deze zal geschieden
in 1930. Over de laatste jaren, waarin juist de strijd tusschen auto
en paard zoo hevig was, hebben wij dus geen cijfers, waaruit de
achter- of vooruitgang van het aantal paarden in de verschillende
jaren is na te gaan. Hier is niets aan te doen.

Wel beschik ik over het aantal der in de laatste jaren in de onder-
scheidene provinciën gedekte merriën, zelfs over het aantal door
tuigpaard- en door trekpaardhengsten gedekte merriën, zooals die
jaarlijksch in het Verslag van den Landbouw worden aangegeven.
Wij kunnen rekenen, dat gemiddeld 2/3 der gedekte merriën een
veulen voortbrengt, zoodat wij dus een overzicht kunnen maken
van het elk jaar geboren aantal veulens (tuig-paardveulens en trek-
paardveulens).

Dr. Berger, de Directeur van den Veeartsen ij kundigen dienst
was zoo goed mij een overzicht te verschaffen van de gedurende
de laatste jaren uitgevoerde paarden, meest natuurlijk anderhalf-
jarigen.

De Directeur van het Remontewezen Kolonel Axdré de la Porte
was zoo vriendelijk mij opgaven te zenden van de aantallen paar-
den, voorkomende op de „alphabetische lijsten" over de jaren
1924, 1926, 1927 en 1928, in de verschillende provinciën en van de
opgaven in enkele groote steden .De ,,alphabetische lijsten" be-
vatten de namen van de in iedere gemeente gevestigde eigenaars
en houders van paarden, met het aantal paarden in hun bezit,
onder hun toezicht of beheer (Inkwartieringsbesluit Art. 17).
Op deze lijsten worden niet opgenomen de eigenaars die vrijgesteld
zijn van aanbieding van paarden ter vordering (Koninklijk Huis,
diplomatieke agenten van vreemde mogendheden, Provincie,
Gemeente, officieren, Koninklijke Marechaussee). De betrouw-
baarheid dezer gegevens is afhankelijk van de nauwkeurigheid
waarmede in elke gemeente de getallen worden opgemaakt. In
elk geval zijn hieruit enkele cijfers te putten voor het vergelijken
van het aantal paarden in de verschillende provinciën en in het
heele land.

Goede statistische gegevens omtrent de verhouding van het
aantal autos en met paarden bespannen wagens in 1923 vinden
wij in het extra nummer van het tijdschrift : Wegen, „verslag
betreffende de verkeerswaarnemingen in 1926 op rijkswegen",

-ocr page 698-

gegevens die berusten op een telling op 386 waarnemingspunten
in verschillende deelen van ons land. De hoofdcommissaris van
politie te Utrecht was zoo vriendelijk dit te mijner beschikking
te stellen.

Verder heeft het Centraal Bureau voor statistiek te \'s-Graven-
hage in December 1928 een uitgave gepubliceerd „Statistiek der
motorrijtuigen 1 Januari 1928", waarin wij een duidelijk beeld
krijgen van de ontwikkeling van het auto-verkeer. Wij zullen
daaraan ook verschillende gegevens ontleenen.

Ik zal mij wat het statistisch materiaal betreft tot Nederland
bepalen, omdat dit voor ons de meeste waarde heeft en de buiten-
landsche gegevens ook zoo moeilijk te beoordeelen of te contro-
leeren zijn.

De veetellingen geven ons een overzicht van de voor- of achteruit-
gang van het aantal paarden, tusschen 1904, 19x0 en 1921.

Dec. 1904 Aantal paarden 295277.

Juni 1910 „ ,, 327377 d.i. een vermeerdering met 11%

1921 ,, „ 363688 ,, ,, „ „ 11%

Tot 1921 bleef er dus toeneming, die wel kleiner werd, eerst ir%
bedroeg in 6 jaar en later ri% in 11 jaar.

De toeneming van het aantal paarden onder den 3-jarigen leeftijd
was steeds grooter dan de toeneming van het geheele aantal paar-
den ; het aantal paarden beneden 3 jaar maakt een steeds grooter
wordend percentage, van het totaal aantal paarden uit.

Dit percentage bedroeg over 1866/1870 17%, over X871/1880
18%, over 188X/90 20%, over 189T/1900 22%, in f904 25%, in
1910 27% in 1921 29%.

Dit wijst vooral op een sterke vooruitgang der fokkerij.

Ook blijkt dit uit onderstaande cijfers, aangevende het aantal
paarden boven 3 jaar en het aantal paarden beneden 3 jaar in
1904, X9io en 1921.

Paarden boven
3 jaar

Toename

Paarden beneden
3 jaar

Toename

Dec.

1904

221779 stuks

73498 stuks

Juni

1910

238566 „

8%

88811 „

21%

1921

258333 ..

8%

I0.5335 ..

i8i%

Van 1866/70 tot 1904 is het aantal paarden in het geheel gestegen
met 17%, het aantal paarden beneden 3 jaar met 72%.

De eerste vermindering van het aantal paarden werd opgemerkt
in de groote steden. Tusschen 1904—19x0 krijgen wij een daling
die echter in Amsterdam en Rotterdam niet, in den Haag en Utrecht
wel verder is doorgegaan.

-ocr page 699-

Aantal

Aantal

Ver-

Aantal

Paarden

Paarden

mindering

Paarden

in 1904

in 1910

Paarden

in 1921

In Amsterdam ....

3.110

2-937

173

3-416

,. Rotterdam ....

3-534

3-4l8

227

3-586

., den Haag ....

3-592

3-°97

495

2.836

,, Utrecht ....

1.340

952

38S

861

Hier zien wij de eerste invloed van de mechanische tractie.
Blijkens de opgaven in de daarevengenoemde „Alphabetische
lijsten" Art. 17 Inkwartieringsbesluit, is
het aantal paarden van
4 jaar en ouder in de volgende groote steden :

In 1924

In 1926

In 1927

In 1928

Amsterdam.....

2.179

2.063

1.70;

i .609

Rotterdam .....

2.524

2.485

2-533

2-537

den Haag .....

2.224

1.958

1.916

1-895

Utrecht ......

641

626

647

597

Blijkens deze cijfers is het aantal in deze steden nog langzaam
dalende, uitgezonderd in Rotterdam.

Wat het aantal paarden boven de 3 jaar in de verschillende
provinciën betreft zijn de volgende cijfers aan de ,,Alphabetische
lijsten" ontleend.

Opgave van de aantallen paarden voorkomende op de Alphabetische
lijsten der gemeenten.

In de provincie

In 1924

In 1926

In 1927

In 1928

Groningen .....

24 415

26.009

25 438

25.175

Friesland......

19.992

20.046

20.163

20.073

Drenthe.......

9.782

IO-539

10.835

10.734

Overijssel......

17-845

19.349

19.819

19.945

Gelderland .....

25-333

26.442

26.731

26.627

Utrecht ......

5-786

5 633

5-634

5 614

Limburg ......

12.040

12.950

12.997

13 036

Noordbrabant ....

29.810

31.616

30.678

30.507

Zeeland ......

17.158

16.686

17.214

17045

Noordholland ....

18.399

I7-396

16.711

16.457

Zuidholland.....

30123

28.43 3

28.361

28.053

Totaal .....

210.683

215.099

214-581

213.266

Hieruit blijkt dat het aantal dezer paarden vrij stationnair ge-
worden is, in enkele provinciën is nog een geringe vermindering,
in andere een geringe stijging waar te nemen, zoodat de daling der
voorgaande jaren blijkbaar tot stilstand gekomen is.

Het aantal gedekte merrièn, dat uit de dekboeken bekend is,
geeft een overzicht van den loop der paardenfokkerij, te meer, daar

-ocr page 700-

vermeld is, hoeveel meniën door trekpaard- en hoeveel door tuig-
paardhengsten zijn gedekt. Van een klein aantal merriën buiten de
provincie gedekt, is het type dekhengst niet vermeld, waardoor dus
kleine verschillen ontstaan tusschen de cijfers voor alle gedekte mer-
riën en de som van die, door trek- en door tuigpaardhengsten gedekt.

Aantal gedekte merriën in Nederland.

Jaar

Geheele

Door trekpaard-

Door tuigpaard-

aantal

hengsten

hengsten

1909

62.085

28.244

32030

1910

62.430

30.189

29.412

1911

68.272

33 311

31.867

1912

69 33<>

36675

29.621

1913

73385

40.87S

29.420

1914

79569

45.000

31.192

1915

88.009

50.228

33-798

1916

98.607

57.866

36139

1917

92143

55 33°

32.783

1918

93-854

54 797

35 258

1919

92.786

55105

34-076

1920

76.144

46.072

26.752

1921

83-971

56.880

23 455

1922

5<> 434

41 305

12.960

1923

57.012

42.220

12.769

1924

65.260

47-556

14585

1925

63-°57

46542

13.816

1926

39 562

30.969

6.986

1927

42.877

33-834

7.169

Wij merkten reeds op, dat men gemiddeld rekenen kan dat 2/3
der gedekte merriën bevrucht worden en een veulen leveren, zoodat
wij hier een vrij goed beeld krijgen van den stand der fokkerij.

In onderstaande grafiek is de gang der fokkerij vergeleken met
de vermeerdering van het aantal autos.

Achteruitgaande is de uitvoer van paarden, zooals blijkt uit o.s.
lijstje.

Aantal uitgevoerde paarden gedurende het jaar :

1920 : 26.790 stuks, 1921 : 16.021 stuks, 1922 : 21.347 stuks, 1923 : 18.258 stuks,
1924: 18.999 stuks, 1925: it.259 stuks, 1926: 9.914 stuks, 1927: 12.179 stuks,
1928 : 8.903 stuks.

Omtrent het verkeer op een groot aantal wegen, worden wij zeer
goed ingelicht door het in September 1928 verschenen extra num-
mer van het maandblad Wegen, gewijd aan den weg en het ver-
keer, uitgave van de vereeniging het Nederlandsche Wegen-
congres, waarin een uitvoerig verslag voorkomt betreffende de
verkeerswaarnemingen in 1826, welke vergeleken worden met die
in 1923, 1911 en 1908 verricht. Het aantal waarnemingspunten
bedroeg 386 en de controle had plaats op 85 rijkswegen in de onder-
scheidene provinciën van Nederland. In de maanden Augustus,
September en October geschiedden de waarnemingen op 7 ver-

-ocr page 701-

schillende dagen der week. Twee waarnemingsdagen vielen in
Augustus, drie in September en twee in October, waarbij er naar
gestreefd is mogelijke bijzondere dagen uit te schakelen.

Pr»po f/v Pu to

w>rir/u.iav

Wij geven hier de verzameltabel van de bijlage ,,Vergelijking
van het gemiddeld verkeer in beide richtingen op de rijkswegen,
waar-
genomen in de jaren 1908 (van 6 uur v.m.—6 uur n.m.) 1916 (van
8 uur v.m. tot 6 uur n.m.) 1923 (van 8 uur v.m. tot 6 uur n.m.)
en 1926 (van 8 uur v.m. tot 6 uur n.m.), met weglating van de ru-
brieken voor de aantallen motorrijwielen, rijwielen en hand- en
krui- en kinderwagens, zoodat wij een rubriek voor motorrijtuigen
en een voor overige voertuigen over houden.

Vergelijking van het gemiddeld verkeer.

Gemiddeld verkeer
per dag, per weg

Motorrijtuigen
1908 1916 1923 19 26

Overige voertuigen
1908 1916 1923 1926

3wegen in Groningen ....

2

11

72

207

in

71

54

56

4

,. Friesland.....

I

8

54

146

éi

60

51

40

4

., Drenthe .....

I

5

33

103

102

5<>

53

60

13

,, ,, Overijssel ....

2

8

56

106

84

64

79

5<>

13

,, ,, Gelderland ....

9

24

97

277

122

74

62

86

6

., Utrecht .....

15

50

•>22

549

142

100

92

86

8

,, Noordholland . . .

11

46

187

545

197

i°3

104

78

11

., Zuidholland . . .

9

.50

195

526

168

123

114

127

4

,, Zeeland .....

I

l5

52

118

139

120

75

60

10

., N.Brabant ....

2

13

72

147

92

73

64

52

10

,, ,, Limburg.....

5

8

62

146

81

56

80

72

wegen in Nederland ....

6

23

108

2 75

122

S3

79

75

-ocr page 702-

Wij zien dus overal een sterke toeneming van het aantal auto\'s
en een afnemen van het aantal voertuigen door paarden getrokken.

In nevensgaande grafiek wordt een beeld gegeven van het aantal
rijwielen, motorfietsen, autos, hand-, krui- en kinderwagens en
overige voertuigen in verschillende jaren.

GEMIDOSLD l/ÉRKttft m BfJO£ RICHTlUbtfl op De

R\'JK5U/66en m D€ FROUINCIE U Tf=t£CHT.

WmG€MOM£n //y 1003,1916, !923,tn /92G.

va

»V

Q v»
O. X

., . _ V

»> SJ

N IV
? *

fvjw/aetf mm- HMP-KM- /r»- mn/ww

r/em/y. Kimman en vomu/Gen

{/RRCHT-

fiuroï

Verder kan uit cle waarnemingen worden opgemaakt, dat de
verhouding van het aantal auto\'s tot de som van de aantallen auto\'s
en bespannen voertuigen sedert 1923 zeer sterk gewijzigd is. In
X923 was het automobielverkeer en het verkeer met bespannen
voertuigen in aantallen ongeveer gelijk, in rg2Ó was de verhouding
zoodanig gewijzigd, dat het aantal auto\'s zich verhoudt tot het aan-
tal bespannen voertuigen als 78,4 : 21,4 of ongeveer 3.65 : 1.

Gedurende den waarnemingstijd van 6 uur v.m.—8 uur n.m.
werden voor het geheele land op alle wegen 126.563 eenheden waar-
genomen bestaande voor 22.2°0 uit motorrijtuigen, 3uit motor-
rijwielen, 66.2% uit rijwielen, 1.7% uit hand-, krui- en kinder-
wagens, 6.1% uit bespannen voertuigen.

-ocr page 703-

Vergelijkt men de uitkomsten der waarnemingen van 1926 met
die van 1923 dan vindt men dat :

de aantallen automobielen, motorrijwielen en rijwielen respec-
tievelijk gemiddeld met 158%, 3% en 2% zijn toegenomen terwijl
het aantal hand-, krui- en kinderwagens en het aantal bespannen
voertuigen respectievelijk met 2% en 6% zijn afgenomen.

Laat ik nu nog uit de zoo talrijke waarnemingen enkele gegevens
overnemen betreffende
verschillende wegen om Utrecht.

Overzicht van de aantallen der verschillende soorten voertuigen per dag van
14 uur passeerend.

Waarnemingpunten en
wegen

Bespannen
tuigen

voer-

Automobielen

Voor personen vervoer
geen omnibussen

Omnibussen

i-,

)-.

0
>

0

u
V-

0
>

Personenauto\'s

0

£ £
e M
x o

\'X Q

\'3

Vrachtauto\'s

Vrachtauto\'s met aan-
hangwagen

Wegvale Utrecht de Grebbe

Waarnemingsplint Kerk-

laan de Bilt.....

13

152

1182

290

420

5

Wegvak Harmeien Utrecht,

waarnemingspunt nabij

Merwede kanaal, Ouden-

rijn .........

40

i

248

762

134

279

4

Wegvak Amsterdam

Utrecht, waarnemingspunt-

Zuilensche steeg . . .

7

55

431

94

171

3

Ik zal mij niet laten verlokken om nog mser gegevens uit het
extra nummer van ,,Wegen" over te nemen ; het hier aangevoerde
is voldoende om te doen zien, hoe geweldig het autoverkeer de
laatste jaren is toegenomen en dat het verkeer met paard en wagen,
nog eenigszins afnemend is, welke afneming echter in verschillende
provinciën tot stilstand is gekomen.

Aan de hand van de reeds genoemde uitgave van het Centraal
bureau voor de Statistiek „Statistiek der motorrijtuigen, 1 Januari
1928" ben ik in staat een overzicht te geven van het aantal ver-
schillende motorrijtuigen, motorfietsen, personenauto\'s, autobussen
en autovrachtwagens en van de ontwikkeling der mechanische
tractie in de laatste jaren. Voor bijzonderheden verwijs ik naar het
oorspronkelijke werk, hier ontleen ik daaraan slechts enkele cijfers.

Op i Januari 1928 kwamen in Nederland voor, 19.503 motor-
rijwielen, 46.030 personenauto\'s, 3094 motorbussen en 26.843

-ocr page 704-

vrachtauto\'s, wat met het aantal rijwielen met hulpmotor een totaal
aantal geeft van 95.883 motorrijtuigen. Voor ons onderwerp zijn
vooral de personenauto\'s, autobussen en vrachtautos van belang,
samen dus 75.967 stuks. Wij geven hier onder een overzicht
van het aantal personenauto\'s en autovrachtwagens in de ver-
schillende provinciën. Om niet te uitvoerig te worden maken wij
geen melding van autobussen en motorfietsen.

Verdeeling van het aantal personenautos en autovrachtwagens naar de gewichtklasse.

Personenautos.

Vrachtautos

0

Ö

u

<u

O

O

O

O

O

Ó

J^\'

v

\'S

g

0

0

c

O

0

0

0

c

0

0

O

0

0

0

CU

-3

0
0

N

0

rt

0

0
0

N
>

ro

f

\'O

q

£

\'S

-t-»

£

5

s

w

£

V

O

0

0

C

tu

0

0

0

0

0

C

O

§

0

0

0

O

0

0

0

c

rn

S

ro

-1-

in

0

B

c

c

c

c

Ö

c

C

>

>

>

>

>

>

>

ï>

ironingen . .

1049

1268

36

2353

71

638

56

56

30

20

871

"riesiand . . .

1506

989

19

2514

100

884

54

23

7

7

i°75

)renthe ....

471

364

4

839

42

311

\'5

8

2

i

379

Overijssel . . .

1140

I3I2

127

I

2580

92

999

63

61

59

i

1275

lelderland . .

•2012

2445

221

I

4679

192

1807

103

69

82

46

2299

Jtrecht . . .

1109

1552

191

2852

163

1186

141

41

35

108

1674

I.-Holland

4257

6102

678

I

IIO38

820

4800

569

246

179

i°5

6719

.-Holland . .

4223

6688

832

"743

897

5884

555

394

312

210

8252

Zeeland . . .

679

781

22

1482

94

456

35

16

2

603

ï.-Brabant . .

1534

1852

I

354<>

236

I350

110

81

58

22

1857

.imburg . .

1130

1214

60

2404

222

1241

87

71

148

70

1839

tet Rijk . . .

19110

24577

2340

3

46030

2929

19556

1788

1066

914

590

26843

Per 1000 inwoners kwamen op 1 Januari 1928 over geheel
Nederland voor : 2,56 motorrijwielen, 6.04 personenauto\'s, 0.40
autobussen en 3.52 vrachtauto\'s. Het aantal motorrijtuigen per
1000 inwoners is het grootst in N.-Holland (14.94) en Utrecht
(14.91), het aantal personenauto\'s eveneens in N.-Holland (7.66)
en Utrecht (7.34). Voor vrachtauto\'s vond men de hoogste cijfers
in N.-Holland (4.67), Z.-Holland (4.41) en Utrecht (4.30), voor
motorrijwielen in Groningen (4.48), Zeeland (3.65) en Drenthe
(3-73) en voor motorbussen in Friesland (0.79), Zeeland (0.56) en
Utrecht (0.55).

Uit voorgaand staatje blijkt wel, dat zoowel voor personen- als
voor vrachtauto\'s een overgroot aantal lichte wagens, vooral van
1000 tot 2000 K.G. worden gebezigd. Dit blijkt ook uit de ver-
deeling der motorrijtuigen naar de voornaamste merken. Van de

-ocr page 705-

46.030 personenauto\'s zijn 12.541 Fords, 5.407 Chevrolets en
2.668 Citroëns, van de 46.843 autovrachtwagens 17.702 Fords en
2.885 Chevrolets. Van de 3.094 autobussen zijn 1.244 Fords en
354 Chevrolets.

Dit wat het aantal auto\'s betreft. Nu nog enkele mededeelingen
uit het werk ,,De Statistiek der motorrijtuigen 1 Jan. 1928" be-
treffende de sterke toename in de laatste jaren. In de grafiek,
(Pag. 680) waarin ik enkele gegevens betreffende paarden ver-
werkt heb, heb ik ook nader de stijging van het aantal auto\'s aan-
gegeven. De sterke stijging is in 1920 begonnen en gaat tot nu toe
nog door. Het aantal motorrijtuigen (personenauto\'s, bussen en
vrachtauto\'s) is van 1909 tot 1928 gestegen van r532 tot 75.967
(d. i. bijna 50 maal zooveel) en van 1920 tot 1928 van 11.199 tot
75-097 (d. i. bijna 7 maal zooveel). Ter vergelijking van het toe-
nemen van motorrijwielen en motorrijtuigen wordt vermeld, dat
het aantal motorrijwielen van 1909 tot 1924 is gestegen van 3047
tot 36.714 (d. i. 12 maal zooveel) en het aantal auto\'s in dezelfde
jaren van 1532 tot 30.936 (d. i. 20 maal zooveel).

Nevensgaande tabel geeft een overzicht van de toeneming van
het aantal motorrijwielen en autos :

Aantal motorrijtuigen van 1909—1929.

Motorrij wielen

Auto\'s (personen en
vrachtauto\'s)

1909

3-047

1-533

1910

3 254

\'•973

1911

3-502

2-543

1912

4.011

3 214

1913

5.092

4031

1914

6-754

4.684

1915

7.860

4-657

1916

9113

5-443

1917

8.886

5183

191S

1919

12.319

6-55°

1920

20.779

11.199

1921

26.209

14 696

1922

3I-8I5

17540

1923

36.405

23386

1924

36.714

30-936

1925

30-675

1926

47.891

1927

1928

19503

75967

Het jaar 1918 is niet opgegeven daar dat jaar weinig of niet
gereden is wegens zeer hooge benzine-prijzen. Voor motorrijwielen
ontbreken opgaven voor 1924, \'25, \'26 en \'27, omdat door wijziging
van de belastingvoorschriften hiervoor geen gegevens verkregen

-ocr page 706-

werden. De cijfers voor auto\'s in 1925 en 1926 werden verschaft
door den motordienst van de Generale staf.

Het aantal auto\'s voor enkele steden volgt hier, ter vergelijking
met het aantal paarden, hiervoor reeds opgegeven. Op 1 Januari
1928 kwamen in Amsterdam 8810 motorrijtuigen, in den Haag
7721, in Rotterdam 5363, in Utrecht 1949 (motorfietsen en alle
soorten auto\'s) voor.

Daar de laatste jaren vooral de vrachtauto\'s meer en meer de
plaats van het paard trachtten in te nemen, volge hier nog de aan-
gegeven verdeeling van het aantal vrachtauto\'s naar het model :

13.133 open wagens, 10.867 gesloten wagens, 823 wagens van
onbekend model, 689 tractoren, 481 brandweer- en reinigings-
wagens, 393 tankwagens, 303 \'wagens van andere dan in de tabel
genoemde modellen, 154 walsen.

Wat de autobussen betreft zij nog opgemerkt, dat 12% van de
3094 bussen voorkomen in de 4 groote steden, in Rotterdam 141,
in Amsterdam 107, in den Haag 81 en in Utrecht 72 stuks.

II. Vergelijking van kosten van paarden- en motortractie.

Het spreekt van zelf, dat de factor bedrijfskosten van groote
beteekenis is, bij de keuze tusschen paard en motor.

Er zijn in verschillende landen berekeningen gemaakt, waarvan
ik hier enkele voorbeelden wil aanhalen.

Henry Ford geeft in zijn bekende werk ,,My Life and Work"
(1924) een vergelijking tusschen de kosten van een Fordson-tractor
en van 8 paarden voor het ploegen. Hij merkt op, dat de cijfers
betrekking hebbend op de tractor zijn opgenomen in oorlogstijd,
zoodat verschillende prijzen nu veel lager zijn. De berekening werd
tijdens den oorlog van regeeringswege gemaakt.

Kosten Fordson 880 dollar. Arbeidstijd 4800 uren a 3236 M2. per uur is 1493 H.A.

1493 H.A. a 880 dollar is per H.A..............0.59 dollar

reparatie voor 1493 H.A. 100 dollar; per H.A.........0.067

brandstof, petroleum a 4,2 ets. (Am.) 22,71 liter; p. H.A . . . 0.19

bestuurder 2 dollar per dag, 3,23 H.A.; per H.A........0.60

Ploegen met Fordson per Hectare ............2.29 dollar

8 Paarden kosten 1200 dollar. Arbeidstijd 500 uren a 3236 M\'2. p. uur is 1618 H.A.

1618 H.A. a 1200 dollar is per H.A..............0.74 dollar

Voedsel voor paarden 40 ets. (Am.) (100 werkdagen), per H.A. . 0.99 ,,

Voedsel voor paarden 10 ets. (Am.) (265 dagen), per H.A. . . . 0.65

twee ploegers met ploegen 2 dollar per dag, per H.A......1.24

Ploegen met paarden per Hectare . . ..........3.62 dollar

Hierbij is de ploegtijd buiten beschouwing gelaten. Deze bedraagt
echter voor den tractor gemiddeld een vierde van den tijd, dien
paarden noodig hebben.

De National Horse Association of Great Britain publiceert
enkele vergelijkende berekeningen, waaraan ik de volgende ontleen.

-ocr page 707-

Vergelijking van kosten verbonden aan paarden- en motortransport

(gemaakt door een van de grootste vrachttransport-maatschappijen)
(Prijzen in Londen).

PAARDENTRANSPORT.

MOTORTRANSPORT.

Uitgaven per dag gerekend de
dag op 8 uren en het jaar op
313 werkdagen

c. ^

ï g-s

J1 r -O

Kosten gerekend per dag op 8 uren
en het jaar op 313 werkdagen.

Koetsier en \\ loon 1

stalknecht ) verzekering \'
licht zwaar
io/3i 12/iè
ii d 2 d.
Voeding (incl. behandeling)
Stalhuur, smeer, slijtage enz. .
Vernieuwing en rep. van tuig .
Waarde vermindering van het
paard.

Koopprijs 52 d. doet ongeveer
8 jaar dienst ........

Diergeneeskundige hulp . . .

Hoefbeslag.........

Waardevermindering van den
wagen (kostprijs zoowel voor lichte
als voor zwarewagen
£ 85, doet

c.a. 20 jaar dienst ......

Interest van uitgelegd kapitaal
(paard wagen en tuig) ....

Totaal .........

Hier komt nog bij rust en voe-
ding aan den weg ......

Reparatie wagen......

Wagenjongens .......

Geheele totaal ......

s d
12 3i

5
6}
I i

4

7i

3f

3i
5i

3f

15 2

4 i

1 7
4 2

21 5i

4 8

i 5Ï

4 2

31

s d.
1° 5i

Chauffeurloon a 10 sh. en verze-
kering ............

Loon van den lader a 5 sh. (of
volgens tonnage), verzekering ijd.

Benzine per Eng. mijl gemid-
deld 20 Eng. mijl.......

Olie, slijtage enz.......

Stalling en schoonmaken . .
licht zwaar

£ 40 £ 54 ........

Waardevermindering van den
wagen a 15%, koopprijs
£ 500—

£ 800............

Reparatie .........

Banden a 425 d. per Eng. mijl

(gemiddeld 20 mijl)......

Interst van kapitaal ....

Totaal .........

Hier komt nog bij hulpmotoren
Onderhoud garagebenoodigd-
heden ............

Geheele totaal......

d.

2 6i

9i
5i

8i

7

oi.
ui

34

35

In Engeland komt men dus tot de volgende cijfers voor :

Wagen met
licht paard.

Wagen met
twee zware
paarden.

Lichte
vrachtauto.

Zware
vrachtauto
(4 ton).

s

d

s

d

s d

s d

Kosten per dag . . .

25

0

31

9}

35 0

43 4i

., ,, uur . . .

3

163

3

11.66

4 4-50

5 5 03

,, ton . . .

16

8

5

6i

9.8

4

,. lading . .

8

4

15

iof

98

\'O 3}

-ocr page 708-

Per uur is dus de mechanische tractie duurder, doch per ton
vervoerde goederen, weer goedkooper dan paardentractie.

In een algemeene vergadering van de National Veterinary
Medical Assocation of Great Britain and Ireland, te New Castlle
in 1928 gehouden, is deze kwestie uitvoerig besproken aan de hand
van een rapport ,,The horse as a national economic factor" van
Major General Sir John Moore.

Hij geeft de kosten van paarden- en motortractie, zooals die
door een aantal gemeentediensten en handelsfirma\'s zijn gemaakt.
Als wij de prijzen per ton vergelijken, blijkt in vele gevallen het paard
iets voordeeliger, in andere weer de auto, terwijl ook gevallen voor-
kwamen, dat de prijzen even hoog zijn.

Aan de vergelijking van de kosten per dag of per uur hebben
wij niet veel, omdat door verschil in snelheid, natuurlijk ook de
verrichtte arbeid in eenzelfde tijd zooveel verschillen kan.

Op het ,,Congres d\' utilisation rationelle du cheval", het vorig jaar
te Parijs gehouden, werd door
M. Darly een uitvoerig rapport
uitgebracht. Traction commerciale automobile et traction com-
merciale hippomobile" waaraan ik onderstaande kostenberekening
ontleen.

Paard.

Kostende prijs per tonkilometer bij vervoer in Parijs met een
sleeperswagen, getrokken door een paard (type paard van een
kolenhandelaar of een ijshandelaar) met een gemiddeld gewicht
van 650 K.G., 30 K.M. per dag ; nuttige belasting 2000 KG.,.
300 werkdagen per jaar.

Eenoodigd kapitaal, gemiddelde ■ prijs paard

...................6000 fr.

wagen gemiddelde prijs .....6000 fr.

Interest van het kapitaal, paard afgeschreven

in 5 jaar a 8% van den maximumprijs .....

Interest van het kapitaal, wagen afgeschreven in

10 jaar a 8% van den maximum prijs......

Afschrijving van het paard in 5 jaar, 6000 fr. is
Prijs verkoop van het paard aan den slager, ge-
middeld na 5 jaar : 7860 fr., per jaar 1800 : 5 . . .

Afschrijving van den wagen in 10 jaar 6000 fr. : 10
Schatting waarde van den wagen na 10-jarige
dienst 500 fr., d. i. per jaar 500 : 10 ....

fr.

1.200,—

260,— ,,

360,—

-

840,—

fr.

840,— ,,

600,—

fr

5°,~

■■

55° —

fr.

55° — ■

-ocr page 709-

x 365

x 365

x 365

x 365

5.480,50 ,.
480,— ,,
660,— ,,

1.440,— „

9.000,— ,,

45°.— ..
45°.— •>

600,— ,,

130— -

pro memorie
pro memorie
20.652,50 fr.

-fr.

Verkoop van de mest, gemiddeld 33 fr. per maand

33 fr. X u ................

Per jaar ..............

Maandabonnement zadelmaker 40 fr. 40 fr. X 12
Maandabonnement hoefbeslag 55 fr. 55 fr. X 12
Maandabonnement voor onderhoud smeren en
reparatie van den wagen 120 fr. ; 120 fr. X 12 . .

Loon van den koetsier per dag 30 fr., 300 werk-
dagen, 30 fr. X 300.............

Verzekering van den koetsier (ongevallen) 5%

van het loon ................

Verzekering ongelukken ten opzichte van derden
Stalknecht (1 voor 15 paarden) loon 9000 fr.

9000 fr. : 15 ...............

Rusttijden van den stalknecht (65 dagen) 65 X

30 fr. : 15 .................

Aandeel in de huur ............

Aandeel in de algemeene exploitatiekosten . .

Kosten per werkdag, 20.652 fr. 50 : 300 is 68 fr.841
Prijs per ton kilometer is 68 fr. 841 : 30 K X
2 ton is
1 fr. 147.

Auto 2 ton merk X.

Kostende prijs per tonkilometer, vervoerd in Parijs, door een
autovrachtwagen van 2 ton, merk X ; per dag 60 K M. ; 300 werk-
dagen per jaar.

Afschrijving van den wagen in 6 jaar ; waarde van de auto na
6 jaar geschat op 5000 fr.

Voedsel :

Hooi I bos van 5 K.G. a 3.40 fr.
Stroo i bos van 5 K.G. a
Haver 8 K.G.
Bijvoeder 1 K.G.

1.241

529.

3-796,-

.876.50,
396,-

.480.50,-

—• ir.

25 ..

1-45
a 1.30
a 0.85

Benoodigd kapitaal : auto . . . 40.000 fr.

carosserie . 4.000 fr.

toebehooren 600 fr.

Samen . 44.600 fr.

/ aarlijkschc uitgaven :

Interest van het kapitaal 8% .......

1.984

fr.

Amortisatie 44.600—5.000 is 39.600 : 6 ...

6.600

,,

Loon van den chauffeur 35 fr. x 300 ....

10.500

Verzekering van den chauffeur tegen ongelukken

5% van het loon ..............

525

,,

Verzekering tegen derden .........

1.800

,,

Verzekering tegen brand gedurende het gebruik

80

,,

Belasting.................

1.580

,,

Onderhoud : mechanisme : 500 x 12 ....

6.000

,,

Carosserie en schilderen : 70 fr. p. maand x 12 .

840

,,

Aandeel in de algemeene kosten en in de huur

pro memorie

30.209

fr.

30.209 fr.

-ocr page 710-

Gebruikskosten per K.M. berekend (gebaseerd
op de praktijk) benzine 30 L. op 100 K.M. a 210 fr.

p. H.L...................

Motorolie : 1 K.G. op 100 K.M. (a 440 fr. de

100 K.G.) 0.044...............

Consistentvet a 280 fr. p. 100 K.G. 0.01 . . .
Banden 1 voor 15.000 K.M. achter dubbele wie-
len (135 x 135) pl. i reservewiel.......

Dit is voor 300 dagen a 60 K.M. per jaar :
18.000 K.M. x 1.078 ............

Kostprijs per werkdag van 60 K.M. :
49 613 fr. : 300 is 165 fr. 375

Prijs per tonkilometer :
49.631 fr. : 18.000 K. is 2 fr. 752 : 2 ton is
1 fr. 378.

Verschil in de kostprijs tusschen autotractie en paardentractie
per werkdag en per tonkilometer, vervoerd in Parijs, afstand
auto per dag 60 K.M., afstand paard per dag 30 K.M.

i ste Per werkdag :

Vrachtauto 2 ton .............

165

fr.

376

Vrachtauto afstand herleid op 30 K.M. . . .

133

fr.

03

Wagen met 1 paard ...........

68

841

68

• •

841

Verschil ten gunste van paardentractie.....

64

fr.

189

Vrachtauto 4 ton .............

219

49

vrachtauto afstand herleid op 30 K.M. . . .

167

346

Wagen met 2 paarden...........

100

456

100

456

Verschil ten gunste van paardentractie ....

66

fr.

890

2de Per tonkilometer :

Vrachtauto 2 ton .............

i

fr

378

Vrachtauto afstand herleid op 30 K.M. . . .

2

fr.

217

Wagen met 1 paard............

i

147

i

\'47

Verschil ten gunste van paardentractie ....

i

fr.

070

Vrachtauto 4 ton ..............

0.9145 fr.

Vrachtauto, afstand herleid op 30 K.M. . . .

i

422

Wagen met 2 paarden...........

0

837 ..

0

837

Verschil ten gunste van paardentractie ....

0

fr.

585

Hier is dus berekend, dat paardentractie, zoowel bij zware als
bij lichte wagens voordeeliger is.

Zulke berekeningen zou ik er meer kunnen aanhalen. In Duitsch-
land zijn vooral berekeningen gemaakt door voorstanders van me-
chanische tractie en deze geven meestal weer aan, dat het gebruik
van motoren voordeeliger uitkomt dan van paarden. Ook aan
Nederlandsche firma\'s, die zoowel vrachtauto\'s als trekpaarden
gebruiken heb ik gevraagd om een vergelijkende kostenberekening.
Zij echter zijn van meening, dat een vergelijkende kostenbere-
LVI 47

0.63 fr.
0.054

0 394 ..

1.078 fr.

-ocr page 711-

kening, die in het algemeen waardevolle aanwijzigingen geeft, niet
te maken is.

Mijns inziens komt men door het maken van kostenberekeningen
niet verder, omdat deze niet anders dan globaal of alleen voor een
bepaald geval nauwkeurig kunnen zijn. Vooreerst komen in iedere
berekening verschillende geschatte cijfers voor, die men meer of
minder hoog kan nemen. Zoo b.v. de jaren, welke auto of paard en
wagen bruikbaar blijven, de opbrengst van den verkoop na dien
tijd en de som die. dus jaarlijksch op de auto of op paard en wagen
moeten worden afgeschreven. Verder de schatting van het aantal
gebruiksdagen per jaar en het aantal gebruiksuren per dag, de tijd
dat de gummibanden het uithouden. Door deze bedragen wat
lager of wat hooger te schatten krijgt men belangrijke verschillen,
wat de kosten per dag en per tonkilometer betreft. Daarbij komt,
dat, zooals ik nogwel nader zal aantoonen, het zeer veel verschil
maakt of lichte of zware vrachten vervoerd moeten worden en vooral
of de vracht over een betrekkelijk grooten afstand zonder ophouden
vervoerd moet worden, dan wel of met de vracht telkens moet
worden stil gehouden. Er zal een groot verschil zijn naar den aard
der bedrijven : een bierwagen, die de biervaten rondbrengt aan de
klanten in de stad is b.v. niet te vergelijken met een wagen die
b.v. steenen van een fabriek naar een op vrij grooten afstand gelegen
karwei vervoert. Zelfs zullen de kosten bij eenzelfde bedrijf, den
eenen en den anderen dag verschillen. Een brouwerij, die vandaag
de biervaten rondbrengt bij zijn afnemers in de stad, zal dien dag
per tonkilometer meer moeten rekenen, dan wanneer zij een anderen
dag een wagen vol biervaten brengt naar een koffiehuis buiten de
stad.

Het is natuurlijk mogelijk voor een bedrijf, dat vrachtauto\'s en
paarden houdt, een vergelijking te maken van de kosten per jaar,
doch dan moeten nog steeds de werkzaamheden van beide zoo min
mogelijk verschillen en van denzelfden aard zijn. Nu speelt verder
de snelheid van vervoer een rol, die het eene oogenblik zeer ge-
wenscht is en dus op prijs gesteld kan worden, doch die een andere
maal van geen nut is en dus buiten berekening kan blijven.

Zoover ik zien kan is het dus uiterst moeilijk, om door een ver-
gelijkende berekening een goed inzicht te krijgen in de kwestie
waar het hier om gaat. De verschillende resultaten, die ermede
verkregen zijn, nu eens in het voordeel van de motor-, dan weer
in het voordeel van de paardentractie, zijn er het beste bewijs voor.

(Wordt vervolgd).

-ocr page 712-

EEN NIEUWE METHODE VAN EMBRYOTOMIE BIJ HET
RUND MET BEHULP VAN EEN NIEUW INSTRUMENT,

DOOR

j. bruyel.

Wanneer ik onder bovenstaande titel een mededeeling op ver-
loskundig gebied aan de practizeerende collega\'s ga doen, dan
wil ik, na alles wat de laatste jaren op verloskundig gebied aan
nieuwe instrumenten hebben gebracht, hun direct geruststellen
met de mededeeling, dat het hier geen totale ommekeer in de be-
staande methoden en dat het ook geen duur instrumentarium
betreft.

Door het construeeren van een nieuw-model koordvoerder, is het
mij gelukt een meer en uitgebreider gebruik van de kettingzaag
te maken. De koordvoerder brengt touw en kettingzaag op een
plaats, waar zij voorzoover ik weet nooit eerder zijn aangebracht
en daardoor is men in staat op een vrij gemakkelijke manier de
voorste en achterste ledematen van het kalf bij de verlossing van
een rund weg te nemen.

Ik stem gaarne toe, dat hiermede geen totale embryotomie is
verricht, maar allen die dit onderdeel van de diergeneeskundige
praktijk hebben beoefend zullen mij moeten toegeven dat met
het wegnemen van de voor- en achterbeenen het grootste en zwaar-
ste deel van de embryotomie is verricht.

Om een goed inzicht in mijn methode te krijgen, wil ik eerst mee-
deelen hoe ik er toe gekomen ben ; daarna zal ik de methode be-
schrijven en tevens meedeelen de moeilijkheden, die ik er in den
beginne mee heb gehad. Zij, die het ook willen toepassen, kunnen
hiermede Kun voordeel doen.

In het jaar 1905 verliet ik de toenmalige Veeartsenijschool, na
het onderwijs in de verloskunde genoten te hebben van wijlen
leeraar
de Bruin. Deze uitstekende practicus gaf alle leerlingen,
die hier vatbaar voor waren, een groote ambitie mee voor de ver-
loskundige praktijk.

Het instrumentarium in die dagen bestond uit de oud-Holland-
sche trousse aangevuld met de kettingzaag. De draadzaag van
van Staa had toen reeds afgedaan, daar zij in de praktijk weinig
bruikbaar bieek.

Hiermede ben ik, en vele anderen, de verloskundige praktijk
begonnen ; over andere instrumenten en gemakkelijker methoden
werd in die dagen niet gedacht.

Ik vond de kettingzaag steeds een waardevol instrument, vond
het alleen maar jammer, dat men er niet meer gebruik van kon
maken.

Hierin kwam voor mij een kentering, toen collega Stüven zijn

lvi 47»

-ocr page 713-

beschrijving publiceerde van de rachiofoor en pelviclast. En het
is wel eigenaardig, dat na deze ontdekking de eene volgde op de
andere.

Deze hebben alle niet evenveel practische waarde en wie er een
keuze uit deed, kon eenige maanden later weer de beschrijving van
een ander instrument lezen, dat op papier weer veel beter leek.

Ik heb ook mijn keuze gedaan en schafte mij al spoedig de rachio-
foor aan. Hoe ik over dit instrument denk, heb ik in een vroeger
nummer van het tijdschrift meegedeeld.

Het heeft mij menige werkelijk zware verlossing vergemakke-
lijkt ; er bleven evenwel vaak over de voor- en achterbeenen die
veel inspanning kostten.

Daarop volgde het Deensche apparaat, dat direct en ook na
de latere wijzigingen, een buitengewone belangstelling ondervond.

Ik heb het ook aangeschaft en wel hoofdzakelijk met de bedoe-
ling, de voor- en achterbeenen hiermee te kunnen wegnemen.

Ik wil heelemaal niet te kort doen aan de practische waarde van
deze vinding. In het voorjaar op praktijk zijnde heb ik het steeds
bij mij en dezer dagen heeft het mij bij de verlossing van een
schistozoom, die met kop en 4 beenen voorkwam, uitstekende
diensten bewezen. Evenwel voor het wegnemen van de voor- en
achterbeenen voldeed het mij slecht, ik heb daar bepaald de rou-
tine en ook het geduld niet voor.

Eenigszins teleurgesteld bleef er voor mij niets over dan de oude
methode te volgen. En daar ik mij een gemakkelijke methode
voorgesteld had bleef ik zoeken naar een betere.

Voor het wegnemen der achterbeenen heb ik getracht te werken
volgens de methode door een Duitsch collega aangegeven, be-
staande in het doorsnijden van den musculus tibialis anterior,
strekken van het achterbeen en afzagen van dit been door de
kettingzaag aan te leggen aan de mediale zijde van het kniege-
wricht en de musculatuur om het dijbeen. Toegepast op een mager
proefkalf met droge huid gelukt dit schitterend. Evenwel bij de
verlossing van een rund gleed mij de zaag door de welving der
spieren en vooral door de gladheid van de huid steeds over het
kniegewricht heen. Voor mij was dit alweer een desillusie.

Daar evenwel het losmaken van een schouder en het openleggen
van een achterbeen bij een geslacht rund, zooals dit bij de keuring
van noodslachtingen wel eens moet geschieden, met een goed mes
vrij gemakkelijk gaat, en daarentegen hetzelfde werk bij de ver-
lossing van een rund, vooral als men een kalf aantreft met de
bekende roode en taaie musculatuur, zooveel inspanning kost, liet
het idee mij niet los in die richting iets te zoeken.

Ik heb er een oogenblik over gedacht om de scherpe haak in te
zetten aan de achter-boven rand van het schouderblad, de huid
en musculatuur aldaar in één trek te vernietigen om zóó de ket-

-ocr page 714-

tingzaag aan de mediale zijde van het schouderblad te krijgen.

Ik zag het onmogelijke hiervan wel in, maar het gaf mij tenslotte
toch het goede idee, om een koordvoerder te construeeren met
scherpe punt, die mij het touw en de zaag aan de mediale vlakte
en de achterrand van het schouderblad bracht. Na eenige trekken
met de kettingzaag liggen schouder en opperarm voor twee derde
gedeelte los, de rest doet de scherpe haak.

Aan het achterbeen is de bewerking iets meer gecompliceerd.
In de eerste trek wordt de musculatuur aan de mediale zijde van
het femur doorgesneden, met de tweede het overige gedeelte en
het femur in het caput-femoris.

Dit is zeer in het kort de methode; ik zal goed doen met deze
thans uitvoerig te beschrijven. Gesteld de verlossing van een rund
met een kalf in kopligging. Na onderzoek van de verhouding
tusschen vrucht en bekken alsmede van de aangewendde trek-
kracht besluit ik tot de embryotomie.

In een houten bak of kist leg ik de zware instrumenten, op een
kist die als tafel dienst doet leg ik mijn kistje met zagen, touw en
ringen en verder een busje zalf, daarnaast een emmer met een
warme oplossing van bacillol of liquor kresoli.

Na ontsmetting van de vulva en omgeving, de uitstekende
deelen van het kalf en tenslotte mijn handen, worden deze als-
mede mijn armen flink met zalf ingewreven.

Indien mogelijk tracht ik het rund nu tot opstaan te bewegen.
Bij het staande rund is de repositie veel gemakkelijker ; de voor-
• bee»ien worden in den uterus teruggebracht hetgeen staande veel
bet t l kan geschieden en de schouderbladen komen hierbij in een
betere stand, nl. verticaal op de lichaamsas.

Kan of wil het rund niet opstaan, dan wordt de repositie ver-
richt bij het rund, dat achter omhoog gebracht is en dan gelukt
het ook.

Een kleine scherpe haak met touw wordt in den rechter oog-
hoek van het kalf geslagen en door een of twee personen wordt
nu de kop van het kalf langzaam naar buiten getrokken en wel
zóóver, dat deze met een mes kan weggenomen worden. Hierbij
zorg ik de beide ooren aan de huid te behouden.

Door de haak te verplaatsen naar het foramen occipitale en
daarna naar het linker oog wordt dit afsnijden gemakkelijk ge-
maakt. Een hoogst enkele maal gelukt dit afsnijden van het hoofd
niet, alsdan neem ik de kettingzaag, die achter de ooren gelegd
wordt, terwijl een helper door middel van een tang of stompe
haak de kop zooveel mogelijk dorsaal brengt, terwijl de richting
van de kettingzaag zooveel mogelijk ventraal moet zijn. Voor
deze kleine bewerking het Thygesen-apparaat in werking te zet-
ten, lijkt mij een tijdroovende geschiedenis.

-ocr page 715-

Kan de kop weggenomen worden bij het staande rund, de overige
bewerking moet steeds bij het liggende dier verricht worden. Ik
had deze conclusie in het begin reeds gesteld. Toen ik eens een
vaars verloste, die graag wilde staan, heb ik het staande gepro-
beerd. Het rechtervoorbeen kon ik staande afzagen, maar voor
het linker was neerleggen van het rund noodzakelijk.

Een goede ligging van het rund is in de verloskunde een ge-
biedende eisch, maar bij mijn methode moet ook de vrucht een
goede ligging hebber. Deze moet niet diep liggen, maar hoog in
of vóór het bekken.

Ligt het rund nu op de rechterzijde, waarmee ik steeds begin,
dan moet niet alleen het bekken, maar ook de buikwand een iets
verhoogde ligplaats hebben. Men kan dit doen door b.v. de bos
stroo onder een hoek schuin naai voren te leggen of door een extra
vulling onder den buikwand te brengen.

Bij een ligging op de linkerzijde is dit minder noodzakelijk,
daar de pens hier de buikholte grootendeels opvult.

Bij het op de rechterzijde liggende rund werk ik nu als volgt :
Het rechteroor van het kalf wordt met een sterk dun touw door
een helper gefixeerd.

Met de rechterhand ga ik in den uterus, onderzoek of de schou-
der goed vrij ligt en vorm mij een oordeel over de ontwikkeling
van de schouderspieren. Voor kleine kalveren in een gewicht van
b.v. 30 a 40 K.G. voldoet het beste de kleine rechte koordvoerder ;
voor zwaardere kalveren met een sterk ontwikkelde schouder-
musculatuur voldoet deze niet, hij is dan niet achter de schouder .
te voorschijn te brengen. Hiervoor neem ik de groote met de
gebogen punt.

Bij het gebruik van deze laatste steek ik steeds met de kleine
rechte de schouder aan ; deze leent zich hier beter voor. Daarna
wordt de groote koordvoerder, en nu voorzien van een eind touw of
koord, in deze opening gebracht. Ik schuif hem onder het scapula
door, totdat ik aan den achterrand de punt door de huid kan
voelen.

Met de midden- en wijsvinger van de linkerhand span ik de
huid over de punt heen. Ik wacht een rustig oogenblik na een
krachtige contractie van de buikpers af, stoot nu de punt door
de huid heen en onmiddellijk hierna laat ik mijn koordvoerder
1800 draaien, zóó, dat de punt van de naald tegen de huid van
het kalf ligt.

Nu moet het touw of koord in den koordvoerder gepakt worden.
Iemand met sterke nagels is hier in het voordeel. Ik heb deze
niet, maar gebruik de volgende handigheid : Ik duw den koord-
voerder, ook weer in een rustperiode, in de laatstgenoemden stand
eenige centimeters naar voren om hem daarna met een ruk terug
te trekken.

-ocr page 716-

Het koord gaat nu in een lus staan, hier zet ik mijn duim in,
ik houd het touw goed gefixeerd, en trek mijn koordvoerder terug.
Het beste gaat dit door deze daarbij weer i8o° te draaien en in
zijn ouden stand, als bij het inbrengen, terug en buiten het rund
te brengen.

Van de twee touwtjes, die nu in het bekken gaan, fixeer ik een
met de rechterhand. Dit wordt het ingaande touw ; de duim van
de linkerhand trekt het andere eind touw eerst naar binnen om
het daarna als uitgaande touw weer buiten de vulva te brengen.
Om verwarring in de touwen te voorkomen, voorzie ik dat uit-
gaande touw direct van een ring volgens
Marlot, klein model.

Door een trek aan het ingaande touw, gaat het uitgaande touw
met ring naar binnen. Daarna breng ik den ring langs de mediale-
en achterzijde van het olecranon en ellebooggewricht weer naar
voren en zoo buiten de vulva.

Men moet hierbij goed er voor zorgen, dat de touwen in het
bekken\'niet om elkaar heendraaien, daar dit moeilijkheden geeft
bij het inbrengen van de kettingzaag.

De kettingzaag heb ik te voren voorzien van twee lussen touw,
Ik acht een stuk verband zeer ongeschikt en gebruikte dit vroeger
ook nooit.

Het ingaande touw wordt bevestigd aan een lus touw van de
kettingzaag. De linkerhand trekt aan het uitgaande touw met ring
en brengt zóó de kettingzaag, die door de rechterhand geleid wordt,
onder het schouderblad en ellebooggewricht door. Het doorzagen
van de daar aanwezige huid met spieren en armvlecht geschiedt
in eenige oogenblikken en het voorbeen ligt nu in de schouder
voor wel twee derde gedeelte vrij.

Vervolgens breng ik de lange scherpe haak naar binnen, om
het stuk huid op het scapula door te trekken. Hierbij zet ik de
haak in, met de opening dorsaal gericht, dit snijdt gemakkelijker.

Nu maak ik met de hand de resteerende huid op het schouder-
blad-kraakbeen los. Daarna zet ik nogmaals den scherpen haak in de
spieren aldaar en trek deze, alsmede het kraakbeen gedeeltelijk stuk.
Vervolgens breng ik het voorbeen in normale ligging, wat heel
gemakkelijk gaat daar het geheel vrij ligt en nu is een geringe
trekkracht voldoende om het voorbeen naar buiten te brengen.

De geheele bewerking verloopt vlug, het rund blijft er vrij rustig
onder en het kost den operateur weinig inspanning. Het korte
oogenblik, dat de koordvoerder door de huid gaat, geeft eenige
moeite.

Bij de oude methode brengt men nu het linkervoorbeen in de
geboorteweg en naast een tweede trekkracht wordt vaak een derde
gezet, om van de subcutane embryotomie van het tweede voor-
been vrij gesteld te worden.

Daar een mislukte poging mij noodzaakt het linker voorbeen

-ocr page 717-

terug in den uterus te brengen, en aangezien veel reponeeren en
een zware trekkracht tijdens een embryotomie niet gewenscht is,
neem ik steeds ook het tweede voorbeen met de kettingzaag weg,
op dezelfde wijze als het eerste.

Vooraf wordt het rund op de linkerzijde gelegd.

Nu kost mij het wegnemen van het linker voorbeen altijd iets
meer inspanning dan van het rechter. Dit komt door de plaatsing
der handen, maar bepaald ook door de ligging der vrucht. Want
het is wel voorgekomen, dat ik het rechter voorbeen kon bewer-
ken met de kleine rechte koordvoerder, en ik evenwel voor het
linker, de groote gebogen koordvoerder moest nemen om door de
huid te komen.

Zijn beide voorbeenen weggenomen, dan leg ik een lus van
een striktouw om de huid in het nekgedeelte ; de lange stompe
haak wordt ergens in een intercostaal-ruimte gezet. Aan elk van
deze trekt een flink persoon om de borstkas te voorschijn te bren-
gen.

Gelukt dit niet, dan hebben wij rekening te houden met het
feit, dat de huidlappen der voorbeenen ontbreken en de borstkas
ter weerszijden gedeeltelijk niet door de huid bedekt is.

Oorspronkelijk had ik het plan, de rugwervels met den rachio-
foor stuk te boren.

Tweemaal heb ik dit geprobeerd, maar het gelukte mij niet de
ijzeren staaf in het wervelkanaal voldoende vooruit te brengen.
Of de kalveren waren voor mijn instrument te klein, of de wervel-
kolom lag door het ontbreken van de schouders te veel in een
bocht.

Ik heb verder als volgt gehandeld :

De huid op het achterste gedeelte van de linker borstkas in het
bovengedeelte wordt losgemaakt.

Met de scherpe haak trek ik de ribben stuk en wel zoo hoog
mogelijk bij hun bevestiging aan de rugwervels. De voorste ribben
worden met een tang of met de hand weggenomen en daarna de
borst- en buikingewanden verwijderd.

Nu laat ik weer trekken en zorg daarbij dat mijn hand en arm
de uiteinden der ribben beschutten.

Vindt men dit ontbreken van de huid een ernstig bezwaar, dan
kan men dit voorkomen door het linker voorbeen na het afzagen
direct buiten de vulva te brengen. Het voorbeen gaat hier bij het
trekken geheel van zijn plaats en ligt terzijde van de hals.

Heeft men het kalf nu getrokken tot kruis op kruis, dan volgt
het bekende doorzagen met de kettingzaag. De geheele operatie
verloopt vlot en vlug, een totale embryotomie verricht ik in i a
uur. Zij geeft minder risico voor het te verlossen rund en wat
voor ons het voornaamste is, veel minder lichamelijke inspanning
voor den operateur. Ten slotte maakt zij op omstanders niet dien

-ocr page 718-

ruwe indruk als het bekende duwen, stooten, trekken enz. dat
wij tot nu toe gewoon waren.

Ten slotte wil ik nog beschrijven de koord en zaag, welke door
mij gebruikt worden.

Verbandkatoen zooals te Utrecht gebruikelijk was of nog is,
heb ik nooit bij de kettingzaag gebruikt en voor mijn methode
is het totaal ongeschikt. Ik gebruik steeds sterk koordtouw ter
dikte van 3 a 3^ m.M. ; aan elk einde der kettingzaag een stuk
ter lengte van een vadem, hetwelk rijkelijk met zalf ingehuld
woidt. Voor den koordvoerder neem ik ook een vadem, welk touw
men droog moet laten, in elk geval niet met zalf bedekken.

Als knoop neem ik de platte knoop en ik snijd de overtollige
einden weg, daar deze hinderlijk zijn bij het passeeren van de
huidopening.

Als zaag gebruik ik een oude kettingzaag, die wel 10 jaar ge-
bruikt en ook wel 10 maal bijgeslepen is, verder goed behandeld
is, zoodat zij clun en zeer buigzaam is. De ringen moeten klein
zijn en in het snij- of zaagvlak liggen, daar groote en dwarsge-
plaatste ringen hinderlijk zijn.

Ik zal nu laten volgen de beschrijving van een embryotomie in
stuitligging.

Het rund wordt op de rechterzijde gelegd onder de bekende
eerder genoemde voorzorgen. Het linker achterbeen laat ik zoo
ver mogelijk buiten de vulva trekken en snijd de jnusculus tibialis
anterior door.

Het rechter achterbeen wordt iets teruggeduwd en daarna
onderzoek ik of de dijstreek van het linker voor mijn behandeling
geschikt ligt.

Bij kleine kalveren met korte ledematen zooals b.v. een steen-
bil, verdient het aanbeveling het linker achterbeen te doen strek-
ken en door een helper terug te laten duwen. Dit is noodzakelijk
daar anders de koordvoerder te hoog en wel in de buurt van den
uitwendigen darmbeenshoek uitkomt. Bij groote en iets minder
gespierde kalveren is het ook wel gewenscht.

Met de kleine rechte koordvoerder zonder koord steek ik een
opening in de richting van het dijbeen en ongeveer in het midden-
gedeelte. Daarna neem ik de groote gebogen koordvoerder voor-
zien van het koord en breng deze in de reeds gemaakte huidopening
en duw deze vooruit tot het femur aan de mediale zijde gepasseerd
is. Dit is aan het instrument te voelen en met de linkerhand te
controleeren.

Wil ik laag uitkomen, dan richt ik het instrument met de con-
cave zijde ventraal, in het tegenovergestelde dorsaal.

Verder voortduwende voel ik de punt van den koordvoerder
tegen de huid komen.

-ocr page 719-

Volgens de bekende en eerder beschreven wijze wordt de koord-
voerder door de huid geduwd, direct daarna omgedraaid en het
touw te voorschijn gebracht.

Het ingaande touw gaat mediaal van het dijbeen in, het uit-
gaande komt mediaal van het achterbeen terug.

Bij het inbrengen of naar binnen trekken van de kettingzaag
is het gewenscht het achterbeen te laten strekken en het knie-
gewricht zoo ver mogelijk vooruit te laten duwen.

Door eenige trekken met de kettingzaag snijd ik alle spieren en
de huid aan de mediale zijde van het achterbeen door. Nu zet ik de
scherpe haak in de voorste hoek waar de huid doorgezaagd is, en
met de concave zijde van de haak dorsaal gericht, maak ik een diepe
snede door huid en musculatuur naar en tot op het caput femoris.

Weer breng ik de zaag in en nu mediaal ingaande en lateraal
uitgaande bij het caput femoris, waarbij het koord komt te liggen
mediaal van den trochanter major.

Nu zaag ik de rest van huid en musculatuur door en tevens het
femur, dat hierbij meestal in het caput doorgezaagd wordt.

Het gebeurt een enkele keer, dat de zaag in het been beklemd
raakt. Door haar met de hand iets omhoog te duwen, kreeg ik
de zaag steeds weer in beweging. Men zou voor deze laatste be-
werking ook een eind draadzaag kunnen nemen maar ik stel er
prijs op alles met de kettingzaag te kunnen doen.

Wanneer nu de zaag voor de tweede maal door het achterbeen
is gegaan, ligt het achterbeen geheel los en kan met de hand ver-
wijderd worden.

Het valt hierbij op en de photo laat dit ook zien, dat een zeer
groot deel van de musculatuur van het achterbeen wordt wegge-
nomen en wel veel meer dan bij de subcutane methode, waarbij
de spieren worden stuk gescheurd en gedeeltelijk blijven zitten.

Vervolgens wordt getracht door de trekkracht van 2 a 3 perso-
nen aan het rechterachterbeen het achterstel of zoo mogelijk het
geheele kalf te voorschijn te brengen.

Het is maar zelden noodig het tweede achterbeen weg te nemen.
Is dit wel het geval, dan kan het op dezelfde wijze geschieden.

Hierbij gaan de huidlappen verloren, maar dit is geen bezwaar.
Men kan de groote stompe haak in het bekken bevestigen, de
huid op het kruis door middel van een striktouw en hier aan laten
trekken.

Hiermede ben ik aan het einde van het bizondere gedeelte van
mijn methode.

Daar evenwel het voorstel van een kalf in stuitligging door mij
wordt weggenomen volgens een methode, die mij bizonder bevalt
en zeer weinig inspanning kost, wil ik deze er nog aan toevoegen.

Door de mededeeling van collega van Diermen in aflevering 11
van 1928 heb ik deze nog iets kunnen verbeteren.

-ocr page 720-

Het halve bekken wordt weggenomen en wel zóó, dat liet wervel-
kanaal open ligt, vervolgens worden de buikingewanden ver-
wijderd. Met de groote spatel stoot ik nu de huid los een handbreed
ter weerszijden van de spinaaluitsteeksels en wel tot voorbij de
schouderbladen. De scherpe haak wordt nu onder de huid gebracht
en hiermede trek ik de spieren stuk welke naar de bovenrand
van de beide schouderbladen gaan.

Met de rachiofocr worden de rugwervels stuk gebcord tot in het
halsgedeelte.

Vervolgens wordt de ondervoet van een der voorbeenen in de
vulva gebracht als bij de methode
Linthorst. En het valt mij
hierbij telkens op, dat dit veel gemakkelijker gaat, wanneer vooraf
de spieren van het schouderblad zijn stuk gemaakt.

Ik laat nu één persoon trekken aan de huid in het kruis- en
lendengedeelte, welke kracht laag dus ventraal gericht moet zijn.
Een tweede trekt aan het achterwaartsch gerichtte voorbeen,

-ocr page 721-

en wel in de richting hoog dus dorsaal. Dit voorbeen komt te lig-
gen tegen de samengevallen borstkas, het andere voorbeen ver-
schuift naar het halsgedeelte en zóó wordt het voorstel vrij vlug
en met betrekkelijk weinig inspanning te voorschijn gebracht.

Hiermede ben ik gekomen aan het eind van de embryotomie
van een kalf in sluitligging.

Wat nu de gebruikte tijd betreft : de verlossing van een zwart-
blaarde vaars van den veehouder M. G. S. te T. ; het terecht leggen
van het rund, het wegnemen van kop en twee voorbeenen, het
stuk trekken van de ribben en wegnemen van borst en buikinge-
wanden, alsmede het doorzagen van het kruis kostte mij aan tijd
ruim uur.

Deze tijd is voor sommigen onder ons misschien geen record ;
ik noem den tijd, dien ik er voor noodig had, toch kort. En wat
meer zeggen wil, ik voelde mij absoluut niet vermoeid en het rund
is geen oogenblik ongesteld geweest.

De foto, met de koordvoerders geeft een achterbeen en voorbeen
van een verlossing in de praktijk van collega
Wijma. Een korte
breede vaars van het vleeschtype met een vrij juveniel bekken
moest verlost worden van een z.g.n. steenbil.

Het lag in sluitligging en zoo is het achterbeen in het rund weg-
genomen.

De foto laat duidelijk zien, dat een groot deel van de muscula-
tuur is mee gegaan.

Het voorbeen heb ik na de verlossing los gezaagd, toen ik coll.
Wijma deze methode demonstreerde.

Van de instrumenten neem ik eerst de kleine koordvoerder.
Deze is voorzien van het koord, daardoor lijkt hij breed, maar
het koord is te zien tot aan de opening in de punt.

De groote is zonder koord en laat door eenige draaiing niet heel
duidelijk zien het gebogen zijn aan de punt.

Ik ben voor mijzelf overtuigd van de groote practische waarde
van mijn methode en hoop en vertrouw dat vele collega\'s deze
zullen gaan toepassen. Zij geeft een besparing aan tijd en inspan-
ning, zij spaart de lichaamskracht van den operateur maar ook
het te verlossen rund.

De koordvoerder in twee maten en twee modellen acht ik beslist
noodzakelijk om eerder genoemde redenen.

En wanneer men mij de vraag doet of ik denk hiermede steeds
de voor- en achterbeenen te kunnen wegnemen, dan moet ik hier
ontkennend op antwoorden.

De geheele bewerking veronderstelt eenige ruimte in den uterus
om te kunnen reponeeren.

En ligt deze nu vast om de vrucht, dan zal het niet gaan en
moeten wij een van de oude methoden volgen.

-ocr page 722-

Maar ook wanneer de tijd, die verloopt tusschen het begin van
den partus en het inroepen of verleenen van de verloskundige hulp
vrij lang is, kunnen plooien in den uteruswand al hinderlijk werken
vooral als deze zich bevinden op de plaats waar de naald de huid
doorboren moet.

Men moet dan de vrucht iets verleggen of laten aantrekken,
en dan hoort er eenige moed toe, maar het gaat.

Wanneer men onmiddellijk na het doorsteken van den koord-
voerder deze i8o° laat draaien, is het oogenblik dat de punt van
de naald gevaarlijk kan zijn voor den uteruswand al zeer kort.

Is evenwel het gebruik van mijn koordvoerder onmogelijk of
hoogst gevaarlijk, dan moet men er niet tegen op zien en ook in
staat zijn volgens de oude methode te werken. Ik sta nog op het
standpunt dat ieder practicus, die de verloskundige praktijk be-
oefent, in staat moet zijn met het oude instrumentarium een
totale embryotomie te doen en dat hij eerst dan gebruik mag
maken van de moderne hulpmiddelen.

Deze beschouwing is misschien wel antiek, maar ik vind dat
men dan nooit hulpeloos en hopeloos in de verloskunde komt te
staan.

Steeds heb ik geschreven over de verloskunde bij het rund en
het paard niet genoemd.

Ik ben van oordeel, dat mijn methode daar niet te gebruiken
is. Men moet daar steeds werken aan het staande dier ; de onrust,
de geweldige kracht van de buikpers en de moeilijkheid of onmo-
gelijkheid van reponeeren, doen mij het onmogelijke er van inzien.

Misschien in een zeer bizonder geval of onder narcose, maar
ik heb in dezen absoluut geen ervaring.

Ik heb dit voorjaar bij het rund steeds volgens mijn methode
gewerkt en wel tot mijn groote tevredenheid. Het was wel toe-
vallig dat ik zeer weinig kalveren kreeg die in stuitligging lagen
en te breed waren.

Collega Wijma was zoo welwillend mijn aantal van deze te ver-
meerderen.

Mevr. Dijk-Weering zorgde voor de photo. Ik .betuig hier-
voor beiden mijn vriendelijken dank.

Naschrift.

Sedert het schrijven van mijn artikel heb ik nog eenige verlos-
singen bij het rund gehad met kalveren in stuitligging.

Het is mij daarbij telkens gebleken, dat opvullen of hoog leggen
niet alleen van het bekken maar ook van de zijdelingsche buik-
wand zeer noodzakelijk is en een beter werken aan de vrucht mo-
gelijk maakt.

Verder bleef ook steeds de kettingzaag aan het einde bekneld
vastzitten in het caput femoris.

LVI 48

-ocr page 723-

Het gelukte mij wel deze weer in beweging te krijgen, maar ik
heb me nu toch voorgenomen in het vervolg voor dit doel een
stuk draadzaag te nemen.

ZUSAMMENFASSUNG.

Um für die Embryotomie eines Vorder- b.z.w. Hintcrfusses des Kalbes den
Gebrauch der Kettensäge, an Stellen wo sonst das Anlegen der Säge schwierig
oder unmöglich ist, zu ermöglichen, hat Verf. ein neues Modell „Schlingenfiihrer"
entworfen. Dieser Schiingenführer ist nadeiförmig und wird in zwei Grössen, für
leichte und schwere Früchte angewendet. (Erstere ist 75 c.m. lang, der Stab ist
beinahe 1 c.m. dick und bloss an der Spitze gebogen ; letztere hat eine Länge
von 83 c.m. und ist reichlich 1 c.m. dick, der Stab ist im vordem Abschnitt ge-
bogen) .

Bei der Entfernung eines Vorderfusses wird auf der Hälfte der Schulter von
vorne hineingestochen, die Schlinge mit der Kettensäge wird an der medialen
Fläche des Schulterblattes. Bug- und Ellenbogengelenkes durchgezogen und auf
diese Weise 2/3 der Schulterverbindung durchtrennt. Der Rest wird mit Hilfe
des scharfen Hakens erledigt.

Für die Entfernung eines Hinterfusses (in Hinterendlage) wird der Schlmgen-
führer in der Mitte des Oberschenkels eingestochen, medial am Femur vorbei-
und in der Flanke zwischen dem Knie und äusseren Hüfthöcker ausgeführt. (Zuvor
ist der Muse, tibialis anterior durchschnitten und wird der Fuss von einem Helfer
gestreckt zurückgehalten). In diesen Kanal wird die Säge eingelegt und damit
die Haut und Muskulatur an der medialen Schenkelfläche durchtrennt. Mit Hilfe
eines scharfen Hakens wird vom vordem Wundwinkel aus (ungefähr unter einem
Neigungswinkel von 45° zur Ebene des ersten Sägeschnittes) die Haut und Mus-
kulatur nach oben bis zum Caput femoris losgelöst. Jetzt wird die Schlinge lateral
am Caput femoris ein- und medial am Schenkel zurückgeführt und der Schenkel
am Caput femoris abgesägt. (Da die Kettensäge am Caput femoris leicht fest-
klemmt, ist hierbei der Gebrauch einer Drahtsäge zu empfehlen.

BLADVULLING.

Onderzoekingen over het vliegen der vogels

zijn prakties van belang om nieuwe gezichtspunten en ideeën te krijgen voor
de bouw van vliegtuigen. Reeds het bestudeeren der vleugels is van belang, en
Prof.
Groebbels (Forsch. u. Forschritte 1929, No. 16, blz. 188) die verschillende
vogelsoorten onderzocht, vond dat de graad van het vliegvermogen afhangt van
de verschillende afmetingen der vleugels en van de verhouding der vleugellengte
tot de lichaamslengte. Ook die vliegtuigen zijn de beste, waarbij die verhoudingen
het meest met die bij de beste vliegvogels overeen komen.

De vogel is eigenlijk een ideaal vliegtuig ; door de slag van zijn gewelfd vleugel-
draagvlak vervangt hij de schroefwerking van de vliegtuigmotor. Op zware be-
lasting is hij echter minder goed ingericht dan het vliegtuig. Een valk van 1000
gram, kan zonder bezwaar een buit van 500 gram in de lucht vervoeren, een ge-
wicht van 1000 gram belemmert hem echter in zijn vlucht.

De stabiliteitsinrichtingen zijn bij de vogel prima en maken hem tot een auto-
maties sturend vliegtuig van groote nauwkeurigheid. Hij regelt zijn evenwichts-
toestand door reflectoriese verandering van stand en grootte der vleugel- en staart-
vlakken. De centra dezer reflexen liggen in de hersens.
Groebbels deed hier-
omtrent proeven bij duiven.

Vr.

-ocr page 724-

DIERGENEESKUNDIG TOEZICHT BIJ DE WINNING VAN

MODELMELK,1)

DOOR

C. F. VAN OIJEN.

Het is duidelijk dat in de korte spanne tijds die ons heden voor
dit onderwerp ten dienste staat geen gedetailleerd overzicht ge-
geven kan worden over de verschillende onderzoekingsmethoden,
die hierbij te pas komen noch over de resultaten, die hiermede zijn
te bereiken. Ik denk hierbij aan de verschillende vormen der tuber-
culinatie, de verschillende methoden van kiemgetal-bepaling of
van het onderzoek op Bac. coli.

Echter is het wel mogelijk om dit vraagstuk van een ander ge-
zichtspunt uit te bezien.

De productie van hetgeen men in de wandeling gewoon is te
verstaan onder den titel „modelmelk" is een zaak van de toekomst.
Hoewel alle definities op dit terrein gevaarlijk zijn en een kans
openlaten voor het ongewild buiten sluiten van bepaalde ondei-
deelen, zou ik voor deze besprekingen er hier een willen inlasschen.

Onder modelmelk zou ik willen verstaan alle melk, bij wier
productie voldaan wordt aan de strengste eischen, zoodat de ge-
bruikers bij het nuttigen de grootst mogelijke zekerheid hebben,
dat slechts de gewenschte voordeelen van zulke versche melk hun
zullen geworden en de nadeelige of schadelijke factoren afwezig zijn.

Zeer langen tijd zijn nu de eischen, die men aan het winnen van
zulke melk moest stellen overgelaten aan het oordeel van de des-
kundigen, die aan dergelijke bedrijven zijn verbonden. Niet alleen
in ons land, doch bijna over de geheele wereld had elk bedrijf zijn
eigen standaard van eischen. Dat deze eischen zeer veel uiteen-
loopen is te begrijpen. Maar tevens geeft dit tegenover leeken een
minder gewenschte positie. Men oordeelt toch terecht, dat er bij
de toepassing van wetenschap en techniek op dit gebied slechts
één wijze is waarop bovenbedoelde maximum-zekerheid wordt
verkregen. Hier is geen loven en bieden mogelijk. De eenige goede
weg is die, welke de gevaren zoo volmaakt mogelijk elimineert.

Ik wil een voorbeeld noemen. Men eischt dat deze melk wordt
gewonnen van vee, dat men „gezond" mag noemen. Een stal vee
waarin een besmettelijke ziekte voorkomt, laat ons zeggen het
besmettelijk verwerpen, voldoet niet aan deze eisch. Afgezien van
de vraag of deze ziekte voor de gebruikers der melk gevaar
oplevert, mag zulk een stal vee niet worden gebezigd voor de
productie van deze melk. Het is echter gebleken, dat men niet
overal met deze, reeds door het gezond verstand ingegeven, eisch
rekening heeft gehouden. Hoe groot is nu niet de kans op belang-

Voordracht gehouden in de veterinaire-sectie op het Natuur- en Genees-
kundig Congres, te Rotterdam, Mei 1929,

-ocr page 725-

rijke verschillen bij het instellen van diverse onderzoekingen of
het verwerken van de resultaten daarvan.

Zal er van de ontluikende denkbeelden op dit gebied iets te
recht komen, dan zal er eenheid moeten worden gebracht inde
aan dit toezicht te stellen eischen !

Hier ontmoeten wij de eerste tegenwerping. Is het wel de moeite
waard zich druk te maken over de regels, die gesteld moeten wor-
den. Er zou zoo weinig van deze melk gebruikt worden, dat men
dat wel aan die paar bedrijven kan overlaten. Deze redeneering
is in tweeërlei opzicht onjuist. In de eerste plaats is de geheele
tendenz van de melkproductie, zooals wij hier bedoelen, het elimi-
neeren van factoren, die het veehoudersbedrijf minder rendabel
maken. Zeker, de cost gaet hier de baet vooruit, doch het behoeft
in dezen kring toch geen betoog, dat het volledig uitroeien van
tuberculose en besmettelijk verwerpen, de voortdurende waak-
zaamheid tegen mastitis, de maatregelen die de melk beter samen-
stelling en hooger houdbaarheid geven, op zich zelf evenzoovele
factoren zijn, die het oeconomisch rendement der bedrijven ver-
hoogen. Het gaat hier zooals
Veenbaas terecht zegt, om een
vergrooting van de productiviteit van den bodem, een verhooging
van de Nederlandsche welvaart.

Ziet men deze zaak in dit licht, en zoo wordt zij in Engeland,
Frankrijk en Duitschland, hoe langer hoe meer doorschouwd, dan
is er wel haast geen taak van wijder strekking denkbaar, dan te
arbeiden aan de verspreiding van deze denkbeelden. Te meer
nog, omdat het verkregen product zonder eenigen twijfel van
grooter waarde is voor het menschelijk geslacht, dan de melk der
slordig en volgens sleur gewoon loopende bedrijven. Tegenover
de meening van hen, die zeggen dat wij hier te doen hebben met
het verkrijgen van een soort medicijn, waarvan de productie veilig
aan enkele apothekers kan worden overgelaten, stel ik vierkant
de mijne, dat in de komende jaren de vraagstukken der onberis-
pelijke melkproductie een overheerschende plaats zullen innemen
in het oeconomisch leven van het volk. Wij zullen straks zien,
dat het te bewerken arbeidsveld zoo groot is, dat wel haast niet
van één enkel man verlangd kan worden, dat hij alk: factoren be-
heerscht, die het nemen van maatregelen noodig maken. Overleg
met andere deskundigen is dus dringend noodig. Te meer is zulks
het geval omdat belanghebbenden en buitenstaanders geneigd
zijn met de namen van deze deskundigen te schermen op een
plaats en een wijze waar zulks minder wenschelijk is. Men speelt
ze tegen elkaar uit en voor het toeschouwende publiek wordt al-
weer de indruk gegeven, dat hier geen op feiten gegronde werk-
wijze wordt toegepast, doch slechts holle woorden gebezigd worden.

Ook al zou dus het aantal dergelijke bedrijven in den aanvang
niet groot zijn, eenheid in de werkwijze moet worden verzekerd.

-ocr page 726-

Hier wordt een arbeidsveld voor de dierenartsen ontsloten,
waarvan de belangrijkheid zeker gelijk te stellen is met de rol van
deze deskundigen bij de vleeschkeuring, zoo zij laatstgenoemde
niet overtreft\' Echter ik zal nooit de woorden vergeten die Dr.
Stenhouse Williams sprak toen hem in een groote conferentie
in de Londensche Guildhall hulde werd gebracht voor zijn baan-
brekend werk op dit gebied. Deze luiden ongeveer als volgt :

,,I thank you very much for your kind words, but he who has
murdered his father and his mother is far to good, to do the job I
have done over again".

Spreker doelde hiermede op de verdachtmakingen, de onheusche
bejegeningen, die hii zich had moeten laten welgevallen bij het
in de praktijk doorvoeren van zijn denkbeelden. De dierenartsen
zullen dus geen rozentuin betreden, wanneer zij hunne schouders
zetten onder dit belangrijke werk.

Het springt in het oog dat daarbij wel in de eerste plaats noodig
zijn twee zaken, n.m.1. een helder overzicht over het te bewerken
terrein en ten slotte overeenstemming over de eischen, die bij deze
wijze van melkproductie moeten worden gesteld. Laat ons der-
halve eens zien welk gebied de zorg van den dierenarts hier wel
omvat.

Mijn ervaring is, dat de deskundige dierenarts bevoegd en in
staat is alle controle-onderzoekingen te verrichten, die hier noodig
worden geoordeeld, met uitzondering van

het medisch onderzoek van het personeel en hetgeen hiermede
samenhangt ;

het chemisch-technisch onderzoek van het te gebruiken water
op de boerderij en de te benutten emmers, bussen en verdere ge-
reedschappen.

U zult gaarne een nadere uiteenzetting vernemen van hetgeen
wel aan de bevoegdheid van den dierenarts is onderworpen na
deze meer negatieve omschrijving, die echter zoo volledig is door
haar kortheid.

I. Beginnen wij met het beoordeelen van de inrichting van
weide, melkbocht en stal. Soberheid naast practische kijk
en inrichting zijn hier hoofdfactoren. Overleg mag met
technici gepleegd worden over constructie en keuze van
materialen. Het eindoordeel zij den dierenarts toegewezen,
die toch beter dan een bouwkundige moet kunnen beoor-
deelen wanneer aan de te stellen eischen ten behoeve van
de gezondheid van het vee en de reinheid bij de melkwin-
ning op eenvoudige en voldoende wijze wordt voldaan.

II. Voeding en verpleging der melkkoeien, met inbegrip van
maatregelen ter verbetering van den veestapel. Ook hier zij
den niet-specialist onder de dierenartsen overleg met vee-
teeltkundigen aanbevolen, te meer daar\'de samenstelling

-ocr page 727-

van het rantsoen in zoo hooge mate de rentabiliteit van
het bedrijf beheerscht.

III. Wijze van melken, eventueel gebruik der melkmachines,
maatregelen te nemen ter bevordering van de zindelijkheid
bij dezen arbeid. Controle over de naleving der voorschriften
in deze.

De hier bedoelde handelingen zijn eenvoudige routine-
handelingen, waarvan de controle wel voor een groot deel
bij den bedrijfsleider berust. Wij zullen echter straks zien,
dat de in de handen der dierenartsen gelegde laboratorium-
onderzoekingen aanwijzingen geven ter zake van overtre-
dingen dezer voorschriften. Het oppertoezicht, de preven-
tieve controle in deze moet in dezelfde handen berusten
als de repressieve laboratorium-controle wil niet onnoodig
een vijfde wiel aan den wagen snel en doeltreffend ingrijpen
bemoeilijken.

IV. Echter dit alles is belangrijk doch ten deele bijwerk, hoofd-
zaak is, hetgeen niemand zal betwisten : het klinisch
onderzoek en toezicht op den veestapel. Natuurlijk reken
ik hiertoe alle klinische onderzoekingsmethoden, die aan
het onderzoek dienstbaar gemaakt worden, als daar zijn :
de tuberculinatie, het microscopisch en bacteriologisch
onderzoek der melksedimenten, het katalase-onderzoek en
de andere biologische reacties die ter beoordeeling van de
gezondheid van uier of koe doeltreffend zijn te achten. Ik
heb even deze klinische laboratorium-werkzaamheden ge-
noemd omdat er wel schrijvers zijn, die b.v. voor de
laatste de medewerking van andere deskundigen onont-
beerlijk achten. Niets is echter minder juist. De beoor-
deeling van deze biochemische reacties kan gerust aan
den dierenarts worden overgelaten.

Het kan echter niet genoeg herhaald worden, dat het
gewone diergeneeskundige toezicht, het bestrijden, doch nog
veel meer het voorkomen van besmettelijke en andere vee-
ziekten, het leiden der verlossingen en het beoordeelen van
het tijdstip waarop de melk der kalfkoeien geschikt is ter
aflevering, de regeling van het droogzetten en het doen be-
vruchten der dieren zoodat een regelmatige melkproductie
het heele jaar door wordt bereikt, dat dit alles behoort
tot de onderwerpen, die door hun aard slechts in overleg
met of op aanwijzing van den dierenarts geregeld kunnen
worden.

V. Hier sluiten zich logischer wijze aan de meer ingrijpende
laboratoriumwerkzaamheden als de caviaproef der melk,
bij het onderzoek op tuberculosebacillen, idem abortus-
bacillen, met de serologische en cultureele controle van deze

-ocr page 728-

laatste en andere ziekten. Hier wil ik even mijn betoog onder-
breken om U te wijzen op het onverbrekelijk verband, tus-
schen klinisch- en laboratorium-onderzoek. In een stal waar
klinisch bij verschillende dieren het besmettelijke verwerpen
is vastgesteld is geen verder laboratoriumonderzoek noodig
om de uitspraak te motiveeren, dat deze stal ongeschikt is
voor dergelijke melkproductie. Bij elke accidenteele abortus
moeten kliniek en laboratorium samen de afwezigheid der
abortus-besmetting boven twijfel stellen, bij ontbreken van
abortus en verdere klinische symptomen, moeten aggluti-
natieproef, caviaproef en cultureel onderzoek der melk, de
eventueele bacillendragers resp. uitscheiders opsporen ter
verwijdering.

Keeren wij terug tot het den dierenarts opgedragen labo-
ratoriumwerk, dan ontmoeten wij het wekelijks onderzoek
der monsters van elke koe op vetgehalte, katalase en het
microscopisch sedimentonderzoek, waardoor een zeer goed
overzicht over den toestand der uiers wordt verkregen.

VI. Gaan wij nu over van de koe op het produkt, de melk, dan
ontmoeten wij eerst :

de maatregelen die genomen moeten worden voor het
reinigen, resp. steriliseeren, van melkgerei en melk, ver-
pakkingsmateriaal, flesschen en bussen, met het beoordeelen
van de diverse technische hulpmiddelen hiervoor.
? Wij memoreerden reeds, dat het chemisch onderzoek van
deze materialen, het water enz. den chemicus zij toegewe-
zen. De bacteriologische controle op het effect der genomen
reinigingsvoorschriften, zij den dierenarts opgedragen. Hij
toch moet in het bedrijf op de handhaving daarvan toezien,
eventueele wijzigingen inleiden.

VII. Handhaving der voorschriften omtrent het koelen, tappen
der melk, het koelen der gebottelde melk enz. kortom al
die eenvoudige handelingen, die men de
melkbewerkingpleegt
te noemen, doch die culmineeren in de snelle en doeltreffende
wijze waarop de melk de weg van uier tot flesch aflegt.
VIII. Controle op het gewonnen product en wel eenvoudige che-
mische onderzoekingen omtrent de samenstelling, regel-
matig bacteriologisch onderzoek omtrent kiemgetal, voor-
komen van vervloeiers, resp. Bac. coli enz. Hieraan sluiten
zich ongedwongen aan de bacteriologische, onderzoekingen,
die voor de controle op het bedrijf verder noodig zijn.

Ik wil een en ander samenvatten door te zeggen, dat er bij de
controle op deze bedrijven werk is voor een all-round klinicus
en voor een ail round laboratoriumman en dat alleen door grondig

-ocr page 729-

overleg en samenwerking van die twee het gewenschte resultaat
verkregen kan worden.

Wij komen nu tot het tweede punt van mijn betoog n.m.1. de
vraag of er ergens voor zulke stellen van deskundigen een leidraad
is te vinden, waarnaar zij zich kunnen richten. Zulk een eenheid is
in Nederland niet te vinden en de splitsing gaat hoe langer hoe
verder.

Vroeger waren er twee of drie bedrijven, die volgens de advie-
zen hunner deskundigen werkten, welke voorschriften weer op
verschillende punten uiteenliepen.

Sedert heb ik in woord en geschrift de eischen verzameld waar-
aan zulk een veterinair toezicht moet voldoen. Nog van later
datum zijn de voorschriften ontworpen door collega
Veenbaas ;
te vinden in het laatste jaarverslag van den Gezondheidsdienst
van Vee. Als jongste komt zich hier bijvoegen het reglement voor
de bij het „Meca" aangesloten hygiënische melkbedrijven, dat door
collega
van Geeder werd ontworpen en dan zijn er nog tallooze
bedrijven waar gewerkt wordt volgens aanwijzing van collega\'s,
die hierover niets op schrift stelden.

Ik ben overtuigd dat zulk een chaos van voorschriften, ver-
warrend werkt op de leeken-omstanders, afbreuk doet aan de
waardeering van het werk der dierenartsen op dit gebied en hen
aan de eene zijde doet verliezen, wat zij aan de andere zijde als
nieuw gewonnen arbeidsveld hebben ingelijfd en ten slotte be-
lemmerend werkt op de doorvoering van op logische basis rustende
methoden bij de melkwinning en dus de rentabiliteit van deze tak
van bedrijf op lager niveau houdt dan bereikbaar is.

Ik kom dus tot de conclusie, dat, willen de dierenartsen op den
duur hier vruchtbaren arbeid leveren zij de handen zullen moeten
ineen slaan. Zij zullen een „Codex" in den geest van de oude Codex
alimentarius moeten opstellen en uitgeven en daar waar dierge-
neeskundig toezicht bij de winning van „modelmelk" als boven-
bedoeld verlangd wordt, zal men zich nauwgezet naar deze codex
moeten richten.

Mijne Heeren, het is hier niet de plaats om een motie aan te
nemen tot dit doel, of een commissie samen te stellen ter voorbe-
reiding van dezen arbeid. Het is hier echter wel de plaats om
het belang van dit werk aan te toonen, opdat zij die de leiding
hebben in de maatschappelijke en wetenschappelijke vraagstukken
der diergeneeskundige wereld kunnen hooren waar de nood te leni-
gen is. Het is aan deze leiders op diergeneeskundig gebied om te
overwegen of zij aan deze roepstem gehoor zullen geven en zoo ja
op welke wijze.

-ocr page 730-

Rijksuniversiteit te Utrecht; Veeartsenijkundige Faculteit, Kliniek voor kleine
huisdieren, Directeur Prof. Dr. H. JAKOB.

HET GEBRUIK VAN TEEROLIE IN DE DERMATOLOGIE VAN

HONDEN.

door

Dr. A. KLARENBEEK (Priv. Doe.).

De zeer gunstige resultaten met Pix liquida in de behandeling
van huidziekten van verschillenden oorsprong en aard bij den hond
verkregen, hebben aanleiding gegeven tot het geven van deze
beschouwing. Daarbij wordt voorop gesteld, dat het niet de be-
doeling is, de werking van de Pix liquida als zoodanig weer te
geven ; daaromtrent geven ook de verschillende veterinaire werken
op pharmacodynamisch gebied voldoende bizonderheden. Veeleer
wordt hier de nadruk gelegd op de vele voordeelen, die
de
wijze van toepassing,
zooals die de laatste jaren in onze kliniek
vooral bij onze stationnair verpleegde patiënten wordt gevolgd,
biedt, boven de teerapplicatie zooals in de meeste leerboeken
wordt aangegeven. Hoe gering het verschil in applicatie ook oogen-
schijnlijk lijkt, de voordeelen springen daarentegen des te meer
in het oog.

Huidbehandeling in het algemeen. De kleine huisdier-praxis is
voor een niet gering deel een behandeling van huidaandoeningen
van den hond: parasitaire (scabies, demodicosis, phthiriasis) ;
microbieele (acne, furunculose): intern biologische (stofwisselings-
ziekten als nier- en suikerziekten, stoornissen in de interne-secretie :
pruritus cutaneus). De huidaandoening kan locaal zijn ; ook min
of meer gegeneraliseerd, zoodat behandeling van het geheele dier
noodig is. De noodzakelijkheid bestaat soms, de hond te doen
scheren of knippen, hetgeen twee voordeelen kan geven : beter
overzicht van de verspreiding der ziekte ; vereenvoudiging der
behandeling, speciaal die met geneesmiddelen met zalf-consti-
tuentia. Het scheren of knippen heeft echter bezwaren : \'s win-
ters te koud ; bij zwakke dieren steeds riskant ; bij tentoonstellings-
dieren niet gaarne gezien. Een voornaam bezwaar is ook : soms
zeer slechte terugkeer van de beharing. Om verschillende redenen
zijn wij daarom geenszins voorstander van geregelde ontharing,
te meer daar wij ze ook in het meerendeel der gevallen geheel
overbodig achten, wanneer slechts gebruik gemaakt wordt van
geneesmiddelen, niet bereid met zalf constituentia (zalven), maar
met vloeibare oliën.

Keuze van samenstelling. In de veterinaire pharmacodynamie
worden vrijwel uitsluitend in de leerboeken voor teer-recepten
aangegeven : teerzalf, teerspiritus, al of niet met zeep, zwavel
(Weenerteerliniment) of alcaliën.

-ocr page 731-

Voor de huidbehandeling van den hond kunnen wij noch het een,
nóch het ander bizonder aanbevelen. De teerzalf bewijst ons alleen
goede diensten bij locale pathogene huidprocessen, waarbij ge-
deeltelijke ontharing is ontstaan of waar voor de behandeling
kaalknippen noodzakelijk is ; verder bij generaliseerde huidziekten,
waar eveneens kaal scheren plaats vond. Het teerliniment, dat een
zeer krachtige werking toekomt, heeft in het gebruik bij den hond
nadeelen : de teerspiritus schijnt vrij gemakkelijk geresorbeerd
te worden en kan intoxicatie geven ; bovendien is de reactie van
de huid op het middel vaak te heftig.

Sinds eenige jaren maken wij nu gebruik van een teerliniment,
bestaande uit gemiddeld 10% Pix liquida in Oleum Sesami. Met
deze samenstelling werden bij verschillende huidaandoeningen
zeer goede resultaten verkregen.

Eischen waaraan het teerolic-liniment moet voldoen. Een vereischte
is : gebruik van een liniment, dat absoluut homogeen is en aan de
flesch in licht bruine dunne laag, die geen zwarte partikeltjes
vertoont, aanhangt.

Onze ervaring is, dat nooit door den groothandel een volkomen
uniform product kan worden geleverd en dat de teerolie, ook
al is ze zelf homogeen, dus \'zonder macroscopisch zichtbare
zwarte partikeltjes, soms bij nauwkeurig schudden zonder
filtreeren door watten of gaas onbruikbaar kan zijn. De niet-
homogene olie is onbruikbaar, omdat : i°. de zwarte ,,pik"-deel-
tjes zeer moeilijk door wasschen van de huid te verwijderen zijn ;
2°. kans bestaat van ongunstige huidwerking o.a. door verstopping
van huidporiën (
,,teeracne" is ook bij menschen wel bekend).

De voordcelen der teerolie zijn veelzijdig :

1. De desinficieerende, antiparasitaire en huidregcnereerende
werking van de teer als zoodanig blijft in deze samenstelling in hooge
mate aanwezig.

2. Daarbij bevordert de aanwezigheid van het vloeibare vette
constituens de
indringing van het medicament in de huid, doordat
deze minder droog en veel soepeler wordt.

3. De olie als zoodanig waarborgt een langdurige inwerking, ■
doordat verdamping practisch niet optreedt ; ook is de olie oorzaak
van een zeer
langzame resorptie, waardoor practisch gesproken
intoxicatie door de bestanddeelen van de teer (creosoot, cresol,
phenol, naphthaline, enz.) niet voorkomt, indien de applicatie op
de juiste wijze (zie onder) geschiedt.

4. Het middel heeft een sterke antiprurigineuze werking, eens-
deels terug te brengen tot antiparisitaire werking (scabies bestrij-
ding) anderdeels berustende op directe beinvloeding van de huid-

\') De teerolie werd door ons in de oorlogsjaren door gebrek aan vaste con-
stituentia ingevoerd. Oorspronkelijk werden gebruikt Oleum Lini en Oleum
Rapae, welke den dierenartsen kon worden verstrekt.

-ocr page 732-

functie zelf. Het feit, dat de jeukte door de teerolie-behandeling
vaak na één inwrijving reeds aanzienlijk verminderd is of zelfs
geheel is verdwenen, is bij dermatologische processen van den hond
van het allerhoogste gewicht. Het is juist de jeukprikkel, hoe
verschillend van oorsprong (scabies, ectoparasitismus, schimmel-
ziekten, acne, stofwisselingsziekten enz.), die door bijten en krab-
ben de eczeemvorming in al haar varieteiten doet ontstaan.

5. Een factor van gewicht is ook, dat de smaak voor den hond
onaangenaam
is : ergo : een met dit middel ingewreven huiddeel
wordt ook om dezen reden veelal met rust gelaten.

6. Het middel is toe te passen op de behaarde huid.

7. Een homogene teerolie wascht zeer gemakkelijk van handen en
van de hondenhuid af
met behulp van zeep en water.

8. De met teerolie behandelde huid is na volkomen reiniging door
wassching meestal:
dun, glad en glanzend en lijkt „gespannen" te
zitten.

Na de wassching treedt soms eenige schubbing van de huid op als
gevolg van de huidreactie.

De nadeelen van de teerolie behandeling zijn : reuk, kleur, vetheid.

Een ideaal chemisch huidmiddel is nog nooit uitgevonden. Het
zou moeten zijn een dusdanig middel, dat de huidziekte in den
kortst mogelijken tijd geneest, daarbij noch voor het dier, noch
voor de omgeving hinder veroorzaakt.

Van de bekendste teersoorten is de reuk van houtteer of Pix
liquida
en die van Oleum Juniperi empyreumaticum (Oleum Cadi-
num)
de aangenaamste en het minste scherp. Voor behandeling
van huidziekten met teerolie zullen beide teersoorten vermoedelijk
nagenoeg gelijkwaardig zijn. Scherper van reuk zijn
Oleum Rusci
of Oleum Betulae depuratum (berkenteerolie)
en Oleum Fagi empy-
reumalicum depuratum (beukenteerolie
) ; de laatste geeft bovendien
een moeilijk homogeen te krijgen olie mengsel.

Van ouds heeft men getracht kleur en reuk der teersoorten te
doen verdwijnen. Door ons werd o.a. gebruikt
Oleum Cadinum
desodoratum et decoloratum;
met de 10% olie (Oleum Sesami) werden
geen ongunstige resultaten verkregen.

Een factor van grooter gewicht dan kleur en reuk is uit prac-
tisch oogpunt de vetheid. Applicatie van een vet huidmiddel
maakt verblijf in de woonvertekken onmogelijk. Voor genezing
van de aangetaste hondenhuid is in verreweg de meeste gevallen
een vetconstituens te verkiezen boven een spiritueuze oplossing
of een waterige vloeistof. Vandaar, dat wij een doeltreffende be-
handeling meest niet anders kunnen toepassen, dan na isolatie
(schuur, enz.) of na opneming in de kliniek.

Toepassing van de teerolie. De circa 10% teerolie werd gedurende
circa 12 jaar met zeer goed resultaat toegepast bij verschillende
huidziekten.

-ocr page 733-

1. Scabiës. Tegen scabies bij den hond zijn vele behandelings-
wijzen bekend, waarvan een groot aantal door ons successievelijk
werden gevolgd (lysolliniment, zwavelolie, creolineolie, sulfoliquid
enz.).

Geen geeft snellere, gemakkelijker te verkrijgen en zekerder
resultaten dan de 10% teerolie-suspensie, ofschoon ook andere
middelen dan de hierboven vermelde afdoend zijn.

De behandeling geschiedt aldus :

Het geheele dier wordt met borstel of handen al of niet na
wasschen (e.n drogen) met de teerolie ingewreven. Deze
behandeling wordt om de 3 dagen herhaald. Gewoonlijk is vol-
komen genezing ingetreden na de 3e—4e inwrijving, zoodat
de
geheele kuur
10—14 dagen duurt. Bij kleine rassen bestaat hier-
tegen evenmin bezwaar, wanneer, evenals bij jonge dieren en bij
dieren met ondervoeding geschieden moet, 5% teerolie wordt
gebruikt. Intoxicatie-verschijnselen, zooals na toepassing van an-
dere teer-samenstellingen, zoowel bij mensch als bij dier bekend
zijn en die op carbol- en creosoot-vergiftiging schijnen te berusten
(nierontsteking, duizeligheid, verlamming, krampen, donkere ver-
kleuring van de urine met teerreuk), hebben wij bij de honderden
patiënten, die we behandelden niet waargenomen. Evenmin be-
invloedt de inwrijving zelf op ernstige wijze den algemeenen toe-
stand van het dier.

Na de behandeling wordt het dier gewasschen met warme zeep-
oplossing en nagespoeld met schoon water. De huid moet dan gaaf
zijn en korstvrij ; de loszittende haren zijn door behandeling en
wasschen grootendeels verwijderd. De normale beharing komt
eerst langzaam terug. Het criterium voor genezing van een sca-
biës-patiënt is namelijk niet het terugkomen van de haren, zoo-
als bij demodicosis, doch het verdwenen zijn van de jeukte. Dit is
het bewijs, dat ook de scabiës-mijt zal zijn afgestorven. Terloops zij
vermeld, dat ook bij katten de 3—5% teerolie bij kopschurft door
ons wordt toegepast. De kat mag dan zeer gevoelig voor phenolen
zijn, deze concentratie van de teerolie verdraagt zij in het alge-
meen goed.

2. Eczema dorsi. Ook bij deze veel voorkomende huidaandoening
heeft de teerolie ons zeer goede uitkomsten gegeven. In de meeste
gevallen gaat dit huidlijden met heftige jeukte gepaard en is het
terug te voeren tot een gevolg van extoparasitismus (pulicosis,
haematopinosis enz.).

Inwrijvingen om de 2—3 dagen of iederen dag, waarbij de huid
tevens met de teerolie wordt gemasseerd, geven spoedig : 1. Ver-
dwijnen van de jeukte, dus uitblijven van irritatie door bijten ;
2. snelle huidregeneratie met verdwijnen van rauwe plekken, los-
laten van korsten en schubben, soepel worden en dunner worden
van de huid. De gemiddelde duur der behandeling is slechts 1—2

-ocr page 734-

weken. Regel is, dat de behandeling thuis wordt voortgezet met
meer geschikte middelen, wanneer de jeukte en aanstoot gevende
huidverschijnselen, zijn genezen.

3. Eczema madidans. Het vochtig eczeem is een acute aandoe-
ning en als zoodanig behoort het volgens de literatuur niet in het
kader van de huidziekten, die voor teerbehandeling zijn aange-
wezen, omdat hier te sterke irritatie zou optreden. De ervaring
wijst echter uit, dat 5—10% teerolie weinig nadeel in dit opzicht
bij den hond doet en weer het voordeel bij deze sterk jeukende
huidaandoening heeft van de jeukte te verminderen o.a. door
afsluiting van de rauwe huid van de atmosfeer, waardoor de irri-
tatie door krabben enz. achterwege blijft. Door toevoeging aan
de teerolie van 5%zinkoxyde, bevordert men de drogende werking.

4. Huidaandoeningen, met jeukte gepaard gaande, van verschil-
lenden oorsprong (Pruritus
). Zooals bekend lijdt de hond vaak aan
heftige huidjeukte, waarbij uitwendig de oorzaak niet kan worden
opgespoord; in vele gevallen kan een inwendige aandoening
(nierziekte, darmstoornissen enz.) of een parasitaire infectie
(ascariden, taeniae) als aannemenlijke oorzaak worden aange-
nomen.

Ook bij deze aandoeningen is de teerolie-behandeling ter onder-
steuning van de inwendig in te stellen therapie van groote waarde.
De diverse eczemen, door de krab- en bijtirritatie ontstaan en de
jeukprikkel kunnen meestentijds volkomen afdoende worden
bestreden, waardoor de algemeene behandeling van de ziekte zelf
onder veel gunstiger omstandigheden kan plaats vinden.

5. Toepassing bij andere huidprocessen. In de bovenomschreven
gevallen kennen wij aan de teerolie-behandeling een dusdanige
waarde toe, dat wij haar verkiezen boven iedere, door ons voor en
na zelf toegepaste therapie. Wanneer de omstandigheden voor het
instellen van deze behandeling gunstig zijn (isolatie, kliniek),
zullen wij dan ook haar in de eerste plaats toepassen.

Een nuttig gebruik kan overigens ook van Pix liquida en olie
gemaakt worden bij
acanthosis nigricans, bij acne en ook bij ver-
waarloosde demodicosis.
De laatste ziekte laat zich zelf niet of weinig
door teerpreparaten beinvloeden ; ter bestrijding van de secun-
dair optredende eczemen, veelal berustend op bijtinfecties, door
coccen veroorzaakt, is de teerolie vaak aangewezen voor inleidende
behandeling.

Ten slotte kunnen verbanden tegen ontijdig verwijderen door het
dier zelf worden beschermd door gebruik te maken van teerolie,
die op het gelegde verband wordt gestreken. Hetzelfde geldt voor
bescherming van operatiewonden, die genezen zijn en die, na ver-
wijdering van de hechtingen zonder verband worden gelaten.

-ocr page 735-

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser benutzte bei vielen Hautkrankheiten bei Hunden erfolgreich 10 %
Teeröl (i Teil pix liquida mit 10 Teilen oleum sesami).

Das Mittel hat den Vorteil dass es leicht einzureiben ist. Die Schur ist meistens
unnötig.

Verfasser sah guten Erfolg bei Scabies, Eczema dorsi, Eczema madidans, Pruri-
tus, Acanthosis nigrans und Acne.

SUMMARY.

In many skindiseases of the dog the author had good results with 10 per cent
taroil (one part pix liquida to 10 parts oleum sesami).

It is easy to rub in and mostly does not require unhairing.

It is advantageously employed in scabies, eczema dorsi, eczema madidans,
pruritis, acanthosis nigrans and acne.

RÉSUMÉ.

L\'auteur rapporte les bons résultats qu\'il a obtenus en traitant beaucoup de
maladies de la peau chez les chiens avec 10 % de huile de goudron.

Ce mélange est facile à appliquer et dans la plupart des cas la tonte n\'est pas
nécessaire.

L\'auteur l\'a employé avec succès contre l\'eczéma dorsi, l\'eczéma madidans,
le prurit, l\'acanthosis nigrans et l\'acné.

INGEZONDEN.

Poging ter verklaring van het goedaardig verloop van mond- en klauwzeer. \')

In de eerste plaats wil ik Overbeek dankzeggen voor de belangstelling, die hij
voor het onderwerp blijft toonen, terwijl ik meen te mogen vaststellen, dat wij over
het algemeen dichter bij elkaar staan dan men bij oppervlakkige lezing uit zijn
laatste antwoord zou kunnen opmaken.

Het meeningsverschil gaat toch in hoofdzaak over enkele bijzaken, hetgeen
moge blijken.

Vooraf wil ik nog op twee punten wijzen, die zoo gemakkelijk in deze kwestie
tot misverstand aanleiding kunnen geven.

Ik versta onder het boosaardig karakter eener epizoötie dit, dat het ziektebeeld
over het algemeen boosaardig is. Niet dekt zich volgens mij dit begrip met de
graad der infectiositeit. Niet dus
het aantal ziektegevallen, doch de ernst van deze
is voor mij de maatstaf.

Zoodanige opvatting meen ik in alle verslagen van den Veeartsenijkundigcn
Dienst bevestigd te vinden.

En zoo noemen deze de jaren 1919 en 1920 boosaardig en de jaren 1923, 1924,
1925, 1926 goedaardig en is 1928 het in bijzondere mate geweest. Een bloemlezing
zou ik er over uit de Verslagen, wat betreft de eerste 4 jaren, kunnen samenstelleiij

Of er in 1926 in bepaalde streken uitzonderingen waren, laat ik hier terzijde.
Het type der epizoötieën was in deze jaren goedaardig.

De talrijke kwalificaties van ernstig, gunstig, vrij gunstig etc. en de opsom-
ming van het aantal zieke beslagen werken dan ook verwarrend. Al is de omvang
van de epizoötie van 1924, wat betreft het aantal beslagen, waar ziekte is ge-
constateerd, groot (89000) — ernstig noemt O. deze epizoötie — het verloop was
goedaardig. 1919 (31.000 zieke beslagen) noemt hij ook ernstig. Wil ernstig bij
O. dus tegelijk wijzen op den graad van de infectiositeit en het karakter der
ziekte ?

\') Wij geven aan Dr. Winkel (als aangevallene) voor het laatst het woord en
geven de debatters in overweging deze kwestie liever mondeling te behandelen.

Red.

-ocr page 736-

Wat zouden overigens nauwkeurige opgaven van het aantal dieren in elk ziek
beslag alsmede het aantal zieken voor deze soort beschouwingen hun waarde
hebben.

Nu het tweede punt, waaromtrent wij alsnog naar meer klaarheid moeten zoeken.

Met de voorhanden gegevens van den Veeartsenijkundigen Dienst meen ik
het niet ver mis te hebben, als ik zeg, dat de trek der epizoötieën zekere lijnen
volgt. Hoe vrijwel altijd Zuid-Holland vooraan gaat en Noord-Holland, Utrecht
en Friesland volgen en daar de weidetijd de hoogtijd is voor de ziekte, de weide-
streken in hoofdzaak de gebieden zijn, waar de ziekte heerscht.

Ik ben niet in staat na te gaan of er een groot deel der beslagen, dat in deze
gebieden vertoeft tijdens uitgebreide epizoötieën, vrijblijft, maar ik wil wagen het
tegendeel te vermoeden. En dat het deels vrijblijven van het andere contingent
is te danken aan het verblijf in gemengde streken of aan geïsoleerde ligging
der bedrijven, hetgeen dan ook wel de voornaamste oorzaak zal zijn, waarom
de veestapel nimmer geheel wordt besmet

Is het dus mogelijk aan te nemen, dat sprekende over den gang der epizoötieen
wij in hoofdzaak die deelen van ons land op het oog hebben, waar de ziekte eën
gemakkelijk entreé heeft?

Na deze veronderstelling wijs ik dan nog op het volgende :

Herhaalde en sterke epizoötieën, zooals Friesland, en N.-Holland b.v. in 1924 en
1925 hadden met 76 % en 55 % resp. 62 % en 48 % zieke beslagen, kunnen
de richting wijzigen.

In 1926 werden Utrecht (dat in 1925 slechts 15 % ziekte had gehad), Gel-
derland en Overijssel en ook Zeeland sterk besmet, terwijl in Friesland en N.-Hol-
land van geen heerschende ziekte kon worden gesproken, resp. 3 en 13 %. Zuid-
Holland, dat inderdaad voor een groot deel 2 maal \'s jaars van veestapel verwisselt
heeft ook steeds de beste kans voor een epizoötie. De cijfers bevestigen dit. In
1924 en 1925, resp. 67 en 35 %, terwijl 1926, dank zij het versclie materiaal, we-
derom 60 % kon noteeren, hetgeen tegenover de lage cijfers van Friesland en N.-
Holland zeer afsteekt.

Hoe Z.-Holland na zijn drie zwaar bezochte jaren 1924, 1925, 1926 dan in 1928
het niet verder bracht dan tot 27 %, terwijl Friesland en N.-Holland, die twee
jaren rust hadden gehad, met 30 en 48
% uit de strijd kwamen, mag mede eenigs-
zins pleiten voor de doorziektheorie, wat bescheidener gezegd voor den invloed
der immuniteit.

Meer gegevens zouden aan onderstaand lijstje nog te onttrekken zijn ; deze
conclusie laten zij m. i. al wel toe, dat de epizoötieën zekere lijnen volgen, en dat
deze lijnen mede worden gericht door de heerschende immuniteit.

Percentages van het aantal zieke beslagen t. o. v. het totaalaantal (telling 1917).

Gr.

Fr.

Dr.

Ov.

Gld.

Utr.

N.-H.

Z.-H.

N.-B.

Zl.

Lb.

1924

39

76

50

33

32

70

62

67

27

38

20

1925

17

55

9

5

2

15

48

35

3

5

i

1926

5

3

24

40

40

54

13

60

58

28

1927

< i

< i

< i

< i

3

< i

< i

< i

< i

± 1

< i

1928

6

i

±0.5

i

20

48

27

15

5

< i

Slechts enkele woorden wil ik nog wijden aan de bijzaken.
Ik had herroepen mijn bewering, dat de ziekte in 1919 en 1920 weinig dieren
onaangetast had gelaten. Zoo gezegd, zonder meer, was het inderdaad niet juist.
Doch het waren, om de woorden van O. te bezigen, „ernstige ziektejaren" en zóó
bedoelde ik het ook.

In aanmerking genomen, hetgeen ik hiervoor bepleitte en de waarnemingen

-ocr page 737-

der Inspecteurs van Leiden en Rotterdam, die mij dunkt heel wat zeggen, blijft
de strekking van mijn bewering, waarom het gaat, dus overeind.

De opmerking aangaande het karakter van het mond- en klauwzeer in 1907
laat ik voor rekening van
Overbeek.

Ik nam slechts over, hetgeen de Inspecteurs van de betreffende districten in hun
jaarverslagen vermeldden.

Wat betreft de statistiek, hier gebruikt O. wel groote woorden, die bijna aan
de politiek, waarvan ik een afkeer heb, doen dénken. Het was vriendelijker van
hem geweest, daar hij het verslag van 1907 zeker ook wel heeft ingezien en ook
zeker wel weet, dat ons land nog lang geen 270.000 beslagen telt, op het abuis
te wijzen. In die jaren onderscheidde de V. D. gevallen van zieke beslagen.

Men leze dus gevallen voor beslagen en merke tevens op, dat hiermede de kwestie
even onopgelost blijft.

Nog één opmerking wil ik maken.

Of het Overbeek ernst was toen hij, na de aanhaling van de conclusies sub B
uit de dissertatie van
Miller het volgende neerschreef : Welnu, al deze 5 invloe-
den kunnen dagelijks tijdens het heerschen van mond- en klauwzeer al of niet
werken en zou W. ook niet meenen, dat zij het wel zeer grillige verloop van mond-
en klauwzeer epizoötieën zooals wij dat in Nederland kennen, beter verklaren
dan zijn eigen theorie?

Nogmaals herhaal ik hier, dat het mij niet te doen is geweest, de boosaardigheid
van epizoötieën te verklaren evenmin de grilligheid. Wanneer ik deze conclusies
aanhaalde, dan deed ik dit in verband tot de kwestie der aanpassing etc. (zie pag,
31 ii zonder eenig commentaar, omdat dit buiten het door mij betoogde omging.
Waar deze door O. mir nichts, dir nichts gebruikte conclusies daar staan neerge-
schreven zonder eenige verwijzing naar epizoötologische of experimenteele ge-
gevens en onderzoekingen, is het mij onverklaarbaar, dat O. aan deze zóóveel
waarde hecht, dat hij tot bovenstaande uitspraak zich laat verleiden. Het betreft
hier weliswaar factoren, welke de stijging van de virulentie kunnen beheerschen,
maar zijn deze, vermeld zonder een schaduw van bewijsvoering, van dien aard,
dat zijn uitspraak zich laat rijmen met die aan het eind van zijn eerste critiek,
luidende :

Ik waag mij niet aan het opstellen eener eigen verklaring of het ondersteunen
van andere in dit opzicht, meen echter, dat de doorziekthcorie gerust verdwijnen
kan?

Is het bovendien niet zóó, dat als hij erkent, dat de virulentie kan stijgen bij
passage door ,,hoch empfängliche Tiere", hij erkennen moet, dat zij kan dalen
bij passage door weinig gevoelige? En dekken weinig gevoeligheid en immuniteit
elkander niet, practisch gezien? En heb ik dit niet trachten aan te toonen in mijn
eerste stukje, met goede bewijzen en ook eenigszins op epizoötologische gron-
den ?

Winkel.

Rotterdam, Mei 1929.

-ocr page 738-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Jaarverslag van de Afdeeling Utrecht over het jaar 1928.

Liet het vorige jaar het bezoek aan de vergaderingen te wenschen over, ook
in het afgeloopen jaar was de opkomst der leden slechts matig. Zelfs op de Decem-
bervergadering, welke was uitgeschreven ter bespreking van een tuberculose-be-
strijdingsplan, uitgaande van den Bond van Rundveefokvereenigingen in de
provincie Utrecht, en waarvoor, met het oog op de vaststelling van het tarief, een
opkomst der practiseerende collega\'s ten zeerste gewenscht was, verschenen maar
enkele practici. Het is te hopen, dat in 1920 meer belangstelling in onze afdeeling
naar voren mag komen.

Einde 1928 bedroeg het aantal leden 86, waaronder één buitengewoon lid.
Vergeleken met 1927 is dus het ledental iets toegenomen Aangenomen werden
als nieuw lid de Heeren
: Dr J. van der Hoeden F. Lubberink, H. A. Mey-
link, B. de Jong, P. van Rijn, S M. Seyffers, S. van den Akker.
H. H. Vink,
A. Reilingh, J. M. A. van Nes,
en J. J. Pettinga, terwijl bedankten, door ver-
trek naar elders, de Heeren
F. J. Brinkman, W. B. van der Burg, Dr. H. C.
van der Heyde
en Dr. R. V. Toman, en, wegens terugtrekking uit de praktijk,
de Heer
J. J. F. Hartman te Loenen aan de Vecht.

l)e Secretaris-Penningmeester moest periodiek aftreden, werd echter herkozen.
Overigens kwam in het bestuur geen verandering.

De financieele toestand der afdeeling is goed ; het batig saldo bedraagt / 60.42A.
Evenals het vorige jaar stelde Prof.
Kroon zijn collegezaal telkens voor elke ver-
gadering ter beschikking, zoodat geen uitgave voor zaalhuur voorkwam. Voor
deze bereidwilligheid zij Z H. G. hier hartelijk dank betuigd.

De vergaderingen werden gehouden op 21 Jan., 2 Juni, 15 Sept. en 22 December.

Op de Januarivergadering sprak Dr. van Diermen over Onregelmatigheden
in de hartwerking bij het rund, Dr. R.
Toman over Pensbewegingen bij het schaap
en demonstreerde Dr.
C. de Graaf eenige hartpreaeparaten.

Op de Juni vergadering maakte het voorstel Gelderland-Overijsel tot wijziging
van art. 25 van het Huishoudelijk Reglement, een onderwerp van discussie uit.
Besloten werd met dit voorstel mede te gaan. Bovendien deed Dr. J.
A. Beijers
eenige klinische medcdeelingen, besprak in het bijzonder de therapie van mastitis,
fissuur van de binnenklauw bij het rund, verscheuring van de tusschenklauw-
banden, patellaluxatie, enz , terwijl Dr.
A. Klarenbeek eenige Röntgenfoto\'s
liet zien van hond en kat, waaruit bleek, dat voor het diagnosticeeren van vreemde
voorwerpen in de oesophagus, van blaassteenen, enz. een dankbaar gebruik kan
worden gemaakt van het Röntgentoestel.

De Septembervergadering was goed bezocht. Allereerst besprak men de te hou-
den pluimveecursus ; een io-tal leden gaven zich op en men wisselde van gedachten
over het taiief, te nemen voor elke bloedattapping bij de Pullorumbestrijding.
De aanwezige practici besloten unaniem als minimumvergoeding 10 cent per kip
te rekenen.

Bij de bespreking van het programma van de Algem. Vergadering werd besloten
namens de Afdeeling, in een schrijven aan het Hoofdbestuur, eenige opmerkingen
te maken aangaande de begrooting voor het volgend jaar.

Ten eerste achtte de Afd. het gewenrcht op de begrooting van elk jaar gelden
uit te trekken voor de vertegenwoordiging der Mij. op de te houden Internationale
Diergeneeskundige Congressen. Er werd toegezegd, toen in het H. B. geen een-
stemmigheid over dit punt was te bereiken, een nader onderzoek daaromtrent
in te stellen door het Dagelijks Bestuur en in een volgende H. B.vergadering even-
tueel met een voorstel te zullen komen.

Ten tweede wenschte de Afd. de gelden, gestort door het voormalige studenten-
corps Absyrtus, afzonderlijk geadministreerd te zien en principieel vast te leggen,
dat deze gelden t. z. t. zullen worden aangewend voor een doel, waarbij de belangen

LVI 49

-ocr page 739-

der studenten in de eerste plaats betrokken zullen zijn. In het H. B. was geen meer-
derheid voor dit voorstel te vinden en wilde men het geld van Absyrtus geheel
als bezit van de Mij. beschouwen.

De Heer M. H. Hoogland deelde vervolgens het een en ander mede uit de
pluimveepraktijk, terwijl Dr.
G. M. van der Plank de organotherapie met hypo-
physis- en ovariaalextract besprak. Ten slotte deed Dr.
Beijers nog een klini-
sche mededeeling.

De Decembervergadering werd hoofdzakelijk besteed aan een bespreking van
een tuberculose-bestrijdingsplan, uitgaande van den Bond van Rundveefokver-
eenigingen in de provincie Utrecht. Tevens werd toen het tarief bepaald hetwelk
de practici voor elk rund bij een volledig klinisch onderzoek met tuberculinatie
zouden in rekening brengen (/ i. - per dier). Wegens het ontbreken van tijd moest
het wetenschappelijk gedeelte van de agenda worden bekort en deed Dr.
Beijers
slechts één casuistische mededeeling.

De Secretaris-Penningmeester,
Dr. C. de Graaf.

BERICHTEN.

Huldiging der nagedachtenis van Prof. Dr. D. A. DE JONG.

Ruim drie jaren zijn verloopen sedert Prof. Dr. D. A. de Jong uit zijn werkzaam
leven werd weggenomen.

Ondergeteekenden, die de behoefte hebben gevoeld de nagedachtenis te ecren
van hem, die door zijn veelomvattende kennis een sieraad is geweest van de Neder-
landsche geneeskundige wetenschap in de meest uitgebreide beteekenis, en die
door zijn gaven van woord en pen ook in het buitenland alom werd gewaardeerd,
hebben zich op uitnoodiging van het bestuur der Maatschappij voor Diergenees-
kunde vereenigd tot een Comité, om deze huldiging voor te bereiden.

De becte wijze, waarop dit naar hunne meening zou kunnen geschieden ,is het
oprichten eener Stichting, waaraan de naam van Prof. Dr. D. A. de Jong is verbonden
en waarvan het doel is : Voortzetting van zijn werk door het bevorderen der studie
van de bij mensch en dier gemeenschappelijk voorkomende ziekteprocessen, een
studie, waarvoor Prof.
de Jong zoo belangrijke bijdragen heeft geleverd.

Teneinde dit doel te bereiken, willen ondergeteekenden een stamkapitaal bijeen
brengen, waarvan de renten met de in te zamelen jaarlijksche bijdragen zullen
beschikbaar zijn voor het verrichten van proefondervindelijk onderzoek op dit
ge bied.

Als zetel is gekozen Utrecht.

Bij welslagen van dit plan — waaraan ook de Nederlandsche Maatschappij tot
bevordering der Geneeskunst, door deelneming in het beheer, zich bereid heeft
verklaard tot medewerken zal een dubbel doel worden verwezenlijkt : In de
eerste plaats zal er door worden gevormd een onvergankelijk, a. h. w.
levend aan-
denken aan wijlen Prof.
de Jong, die zich steeds te midden van het volle leven
heeft bewogen ; anderzijds wordt er door voorzien in een bestaande leemte, daar,
sedert den dood van Prof.
df. Jong, door de opheffing van zijn laboratorium, de
studie der Vergelijkende Ziektekunde, als zelfstandige tak van wetenschap, in
ons land niet meer wordt beoefend. De behoefte aan onderzoek op dit gebied dringt
zich vooral op, nu het belang, dat verschillende besmettelijke dierziekten hebben
voor de genees- en ziektekunde van den mensch, in de laatste tijden weer meer
naar voren is getreden ; wij denken hierbij o. a. aan het tuberculose-vraagstuk,
de vraagpunten betreffende de koepokinenting, het besmettingsgevaar voor den
mensch met abortussmetstof van het rund enz.

Overtuigd, dat velen in den lande en in de koloniën, vereenigingen en personen,
die met wijlen Prof.
de Jong in aanraking zijn geweest en hem hebben gewaar-

-ocr page 740-

deerd, bereid zullen worden bevonden aan bovenbedoeld plan mede te werken ■—
een plan, ook in de breedheid van opzet naar zij meenen geheel in zijn geest —,
doen ondergeteekenden een beroep op hun aller moreelen en vooral geldelijken
steun. Wil de Stichting kunnen bereiken, hetgeen zij beoogt, dan zal daarvoor het
bezit van een ruim stamkapitaal noodig zijn.

In dezen geest meent het comité zich ook te mogen richten tot U, in het vertrou-
wen, dat Gij Uwe gewaardeerde medewerking en steun in deze wel zult willen
verleenen.

Bijdragen voor dit doel zullen gaarne in ontvangst genomen worden op reke-
ning :
Twentsche Bank te \'s Gravenhage, postgiro No. 1417, met vermelding op
girobiljet of postwisselstrook :
,,Voor de Prof. Dr. D. A. de Jong-Stichting".

Indien gewenscht, kan het ingevulde inschrijvingsbiljet worden ingezondén
aan het adres van den laatsten ondergeteekende, penningmeester van het Comité.

Namens achterstaand Eere-Comite en Comité :

Het Uitvoerend Comité :
Dr. J. J. F. Dhont, Voorzitter.
Prof. Dr. E.
Gorter.
Prof. W. C. de Graaff.
Prof. C. F. van Oyen.
l
)r. H. J. van Nederveen, Secretaris,

Neuhuyskade 61, \'s Gravenhage.
W. van der Burg, Penningmeester,

Van Weede van Dijkveldstr. 16, \'s Graven-
hage.

Eere-Comitè :

Mr. I. B. Kan, Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw.
Dr.
J. C. Koningsberger, Minister van Koloniën.

Prof. Dr. J. R. Slotemaker de Bruine, Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid.
Mr. M. A. M.
Waszink, Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Dr. H.
Th. \'s Jacob, Commissaris der Koningin in de provincie Utrecht.
Dr.
J. P. Fockema Andreae, Burgemeester van Utrecht.

Dr. A. F. Baron van Lijnden, Voorzitter-Curator der Rijks-Universiteit te Utrecht.
Jhr. Mr.
N. C. de Gijselaar, Oud-Voorzitter Curator der Rijks-Universiteit te
Leiden.

Dr. N. M. Josepiius Jitta, Voorzitter van den Gezondheidsraad.
Mr.
L. Lietaert Peerbolte, Directeur-Generaal der Volksgezondheid.

Comileé\'.

Dr. W. van den Akker, Directeur van den Gemeentelijken Veterinairen Gezond-
heidsdienst te Bandoeng.
Dr. F.
A. R. F. Baudet, Conservator aan de Rijks-Universiteit te Utrecht ; oud-
assistent van Prof. Dr. D.
A. de Jong.
Dr. H. C. L. E. Berger, Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid ; Directeur van

den Veeartsenijkundigen Dienst, \'s-Gravenhage.
Prof. Dr.
L. de Blieck, Hoogleeraar te Utrecht.

Dr. C. Bubberman, Directeur van het Veeartsenijkundig Instituut van het Depar-
tement van Landbouw, Handel en Nijverheid te Buitenzorg.
W.
van der Burg, Kolonel Paardenarts O.-I. L. b. d., te \'s-Gravenhage.
Dr. J. J. F.
Dhont, Voorzitter der Maatschappij voor Diergeneeskunde te \'s-Gra-
venhage.

J. van Dulm, Inspecteur van den Militair Veterinären Dienst in Ned.-Indië te
Bandoeng.

J . L. van Eck, Hoofd van den Burgerlijk V. A. K. Dienst in Ned.-Indië te Buiten-
zorg.

Prof. Dr. L. van Es, Hoogleeraar te Lincoln (Nebraska, U. S. A.).

-ocr page 741-

Prof. Dr. E. Gorter, Hoogleeraar te Leiden.
Prof W. C.
de Graaff, Hoogleeraar te Utrecht.
Prof. Dr.
J. H. Hartog, Hoogleeraar te Utrecht.

Dr. T. van Heelsbergen, Conservator aan de Rijks-Universiteit te Utrecht

Oud-Assistent van Prof. Dr. D. A. de Jong.
A. van Heusden, Dierenarts te Nijmegen.
Prof. Dr.
J. van der Hoeve, Hoogleeraar te Leiden.

L. J. Hoogkamer, Luit.-Kol. Paardenarts O.-I. L., b. d., te \'s-Gravenhage.
Prof. I>r. R.
de Josselin de Jong, Hoogleeraar te Utrecht.
Prof. Dr. P.
Th. L. Kan, Hoogleeraar te Leiden.

G. Kapsenberg, Directeur van den Gemeentelijken Gezondheidsdienst te Gro-
ningen.

Dr. J. Kok, Inspecteur bij den Burgerl. V. A. K. Dienst in Ned -Indië te Semarang.
Prof. G.
J. W. Koolemans Beynen, Oud Hoogleeraar Instituut Trop. Genees-
kunde Rotterdam-Leiden.
Dr.
L. D. E. F. Lourens, Directeur der Rijks-Seruminrichting te Rotterdam.
Dr. H.
J. van Nederveen, Oud-Assistent van Prof. Dr. D. A. de Jong, te \'s-Gra-
venhage.

Prof. C. F. van Oijen, Hoogleeraar te Utrecht.
A. L.
Reimeringer, Wethouder te Leiden.
Prof. Dr. J. Roos, Hoogleeraar te Utrecht.
Prof. Dr. H.
Schornagel, Hoogleeraar te Utrecht.

Prof. Dr. W, Schüffner, Dir. Afd. Tropische Hygiëne van de Konink. Vereen,

Koloniaal Instituut te Amsterdam.
J. P.
van der Slooten, Directeur van het Openbaar Slachthuis te Arnhem.
Dr. H J.
Smit, Directeur Veeartsenijkundige School te Buitenzorg.
Prof. Dr. E. I\'.
Snijders, Patholoog Afd. Trop. Hygiëne v. h. Koloniaal Instituut
te Amsterdam.

Dr. W. Stuurman, Directeur van het Openbaar Slachthuis te Leiden.
Dr. D. G.
Ubbels, Oud-Inspecteur van den V. A. K. Dienst te Leiden.
Dr.
H. A. Vermeulen, Lector aan de Rijks-Universiteit te Utrecht ; Algem. Se-
cretaris der Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Dr A.
Vrijburg, Redacteur van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, \'s-Gra-
venhage.

INSCHRIJVINGSBILJET.

Ondergeteekende, wonende .......................................... te

.....................wenscht bij te dragen aan de Prof. Dr. D. A. de Jong-

Srichting, gevestigd te Utrecht, de som van

. i ,, \\ ineens
.................... gld\' (/ > jïüïriijkT °

, , gegireerd, postrek. No. 1417, van 1 TWENTSCHE BANK

Het bedrag wordt —--------, _

per postwissel gezonden aan • te s-Gravenhage. 1)

(met vermelding: ,,V oor Prof. Dr. D. A. de Jong-Stichling".

Over het bedrag kan worden beschikt den.................... 1929 1)

(Onderteekening)

Te.....................den .................... 1929.

1) Doorhalen hetgeen niet wordt verlangd.

-ocr page 742-

VLEESCHHYGIËNE.

Het liggen van cadavers van slachtdieren, al of niet onthuid, op of aan den open-
baren weg, bestemd voor de N. T. F.

In verband met het voorkomen van klachten over het neerleggen van cadavers
aan den openbaren weg, in afwachting dat ie door de N. T. F. worden opgehaald,
hebben volgens een mededeeling in de ,,Slagerscourant" van 31 Mei j.1., Gedep.
Staten van Friesland een onderzoek ingesteld bij de verschillende gemeentebe-
sturen naar den omvang van dit euvel. De ingekomen antwoorden zijn aan den
inspecteur der volksgezondheid, belast met toezicht op de vleeschkeuringswet,
ter kennisneming opgezonden. Deze heeft in verband daarmede aan Ged. Staten
het vo\'gende medegedeeld :

Het liggen van cadavers, vooral de onthuide, aan den openbaren weg, geeft
niet alleen gegronde aanstoot, maar is tevens uit een hygiënisch oogpunt af te
keuren. Bodemverontreiniging kan hierdoor gemakkelijk plaats hebben, en wan-
neer het b.v. cadavers van dieren, gestorven aan boutvuur en andere besmette-
lijke veeziekten betreft, welke overigens niet wettelijk worden bestreden, kan hier-
door zeer zeker verspreiding van deze ziekten plaats hebben.

Bovendien is meermalen geconstateerd, dat honden er van eten, wat eveneens
aanleiding geeft tot verspreiding van smetstof. Op deze wijze is het ook mogelijk,
indien het betreffende slachtdier lijdende was aan blaaswormen, dat de honden
deze laatste opeten, en bij de honden de voor den mensch schadelijke lintworm
ontstaat, waardoor dus weder menschen kunnen besmet worden. Dit is met het
oog op het veelvuldig voorkomen van de echinococcosis in Friesland, waarom b.v.
de keuring van huisslachtingen voor deze provincie verplichtend is gesteld, hoogst
ongewenscht.

Uit talrijke verslagen en mededeelingen blijkt, dat de vleeschkeuringswet in
deze zeer gunstig werkt. Het percentage van slachtvee, waarbij blaasweirmen
werden aangetroffen, is belangrijk teruggegaan, bij runeleren van 16 % op 10.9 %,
bij schapen van 24 % op 6.1 %, bij geiten van 13 °u op 8.1 % en bij varkens van
2 % op 0.09 %. Vooral sinds de destructor in Bergum in werking is, blijkt de
teruggang grooter te zijn dan voorheen. Het zou te betreuren zijn, indien dit
resultaat zou worden verminderd tengevolge van toestanden, als hierboven bedoeld.

Uit een in Februari 1929 vanwege elcn inspecteur ingesteld onderzoek is geble-
ken elat 7 a 12 %, in sommige gemeenten zelfs 20 tot 33 % van de cadavers, die
aan elen destructor werden aangevoerel, aan den weg lagen.

De inspecteur komt ten slotte tot de volgende cemclusies :

ie. Het ; zoowel uit een hygiënisch oogpunt als in verband met liet geven van
aanstoot gewenscht, dat maatregelen worden genomen tegen het liggen van ca-
davers van dieren, al dan niet onthuid, op of aan den openbaren weg.

2e. Deze maatregelen dienen te bestaan in het hanelhaven van art. 57 van het
Prov. reglement van politie (zoodra dit in werking is getreden) en art. 5, ie lid,
van het Rijkswegenreglement.

3e. De gemeentebesturen dienen, met het oog op de aflevering van de cadavers,
zoodanige regeling te treffen, elat èn de veehouder èn ele N. T. F. aan hun te dezen
opzichte bestaanelc verplichting kunnen voldoen.

4e. In ele gemeenten, welke in het bezit zijn van een noodslachtplaats met berg-
plaats voor de cadavers of afzonderlijke verzamelplaatsen (eenvoudige gegalvani-
seerel ijzeren garage of iets in den gronel gebouwde betonnen bak), kan een goede
concentratie van de cada.vers worden verkregen door te bepalen, dat alle cadavers
van dieren, zonder van de huid te zijn ontdaan, naar deze inrichtingen moeten
worden gebracht, en ontheffing hiervan slechts te verleenen is in gevallen van
zoogenaamelen overmacht.

5e. In de gemeenten, welke niet in het bezit zijn van de onder 4e bedoelde in-
richtingen, kan een afdoende regeling bezwaarlijk weirden getroffen ; in die ge-
meenten ware de oprichting dier inrichtingen ernstig in overweging te nemen ;

-ocr page 743-

na het tot standkomen van die inrichtingen kan dan verder worden gehandeld
als onder 4e. is aangegeven.

Gedep. Staten hebben de beschouwingen en opmerkingen van den inspecteur
aan de gemeentebesturen, met uitzondering van de eilanden, ter overweging mede-
gedeeld.

De moeilijkheden in den kring Schoonhoven.

Op 18 Mei verscheen een Komnkl. Besluit, volgens welke, in verband met artikel
23a en artikel 20, tweede lid der Vleeschkeuringswet, wordt bepaald, dat de ge-
meenten Schoonhoven, Ammerstol, Bergambacht, Stolwijk, Vlist, Nieuwpoort
en Langerak, met Schoonhoven als centrumgemeente, den keuringsdienst voor
vee en vlaesch gemeenschappelijk zullen moeten regelen. Deze gemeenschappelijke
regeling moet binnen 2 maanden na de dagteekening van het K. B. aan Gedepu-
teerde Staten van Z.-Holland ter goedkeuring zijn aangeboden.

(Krachtens de bevoegdheid, den Minster toegekend in art. 23a der Vleesch-
keuringswet, heeft deze in dit K. B. onwillige gemeenten gedwongen, met een
daartoe aangewezen gemeente als centrumgemeente, gemeenschappelijk den vleesch-
keuringsdienst te regelen. De zes buitengemeenten zullen dus nu ook in de verplaat-
singskosten van den dienst moeten bijdragen. Een behoorlijke uitvoering der
dienst is daardoor verzekerd).

Abattoirs.

De raad van de gemeente Leeuwarden voteerde / 61.500 voor een aantal uitbrei-
dingen aan het abattoir, als vergrooting van het keurlokaal, werkplaats voor da
machinisten, centrale verwarming, uitbreiding slachthal, enz.

Te Almelo is aanbesteed de bouw van een abattoir, zonder bijlevering van ijzer-
werk en tegels. Laagste inschrijving was / 109.770

Naar aanleiding van een adres van de slagers te Hollen heeft de raad besloten
op het terrein van het gemeentelijk slachthuis een darmenslijmerij te bouwen.

Einde Mei werd te Roermond het nieuwe koelhuis van het Gemeente-Slachthuis
officieel in gebruik genomen.

De gemeente Wisch (Gelderland) besloot zich aan te sluiten bij den destructie-
dienst van de gemeente Winterswijk

Doetinchem besloot tot aansluiting bij de N T. F.

In een Raadsvergadering te Roosendaal is gestemd over het voorstel tot het
goedkeuren van de plaats voor den bouw van een slachthuis en tot aankoop van
het voor dien bouw bcnoodigde terrein, waarover in een vorige Raadsvergadering
de stemmen staakten. Nu werd dit voorstel aangenomen met 10 tegen 7 stemmen.
Twee leden verklaarden bij Ged. Staten tegen dit besluit in beroep te zullen gaan.

Een keuringsdienst voor ezels- en paardenvleesch in Mexico.

Blijkens een mededeeling in de rubriek „Van over de grenzen" in de Vee en Vleesch-
handel heeft de regeering aldaar in verband met de schaarste aan rundvleesch
onlangs een keuringsdienst voor ezels- en paardenvleesch ingesteld. In het Noorden
der republiek werden deze vleeschsoorten reeds lang in ruime mate gebruikt. Thans
eerst echter zijn de handel in en het verbruik van deze voedingsmiddelen pas offi-
cieel toegestaan. Een geleerde heeft ambtshalve vastgesteld, dat ezels- en paarden-
vleesch voedzaam en gezond is en de regeering gaf geen andere verklaring voor
haar besluit, dan dat er zoo talloos veel van deze dieren in het land zijn, dat men
beter doet hen in volksvoedsel om te zetten.

Over de verwerking van ondeugdelijke vetten.

In een van de Meinummers van de „Vee en Vleeschhandel" kwam over deze
kwestie een beschouwing voor, welke ik hier weergeef.

Ingevolge art. 2, ie lid der Vleeschkeuringswet worden niet als vleesch beschouwd
bij Algemeenen maatregel van Bestuur aangegeven, voor technische doeleinden
bestemde deelen.

De hiergenoemde Alg. Maatregel van Bestuur is het Kon. Besl. van 24 Mei 1922,
Stbl. 379. Ingevolge art. 3 van dit K. B. wordt niet als vleesch beschouwd :

Ongesmolten vet, dat krachtens het bepaalde in het 2de lid van art. 61 van het

-ocr page 744-

K. B. van 5 Juni 1920, Stbl. 285, onbruikbaar is gemaakt voor voedsel voor mensch
en dier. Bedoeld wordt dan toevoeging met carbol, creoline, enz.

Nu moet de onbruikbaarmaking ingevolge art. 61, ie lid, van vorengenoemd
K. B. geschieden door behandeling in een destructor, tenzij de Minister daarvan
aan Je gemeente ontheffing heeft verleend. Uit den aard der zaak wordt deze
opheffing niet of niet meer verleend aan gemeenten, welke een eigen destructor
hebben of wel aangesloten zijn bij een centralen destructor. Strikt genomen kan
dus in de hier bedoelde gemeenten geen gebruik gemaakt worden van de gelegen-
heid om rauw vet te denatureeren.

Ten aanzien van gesmolten vet staat de zaak weer eenigszins anders. Dit vet
is vleeschwaar in den zin der vleeschkeuringswet, nl. toebereid vet. In de wet
wordt, in tegenstelling met vleesch, niet aangegeven, dat vleeschwaar, voldoende
aan zekeren eisch, niet beschouwd wordt als vleeschwaar in den zin der wet. Feite-
lijk is dus het vervoer van gesmolten vet, ook al is dit kennelijk niet meer bestemd
0111 in dien toestand in consumptie te worden gebracht, strafbaar zulks ingevolge
art 40 der vleeschkeuringswet. Nu is het een algemeen bekend feit, dat gesmolten
vetten, welke niet meer geschikt zijn voor consumptie, na raffineeren, enz. nog
voor menschelijk voedsel worden gebruikt (margarine). In deze is dus de wet in
strijd met de praktijk.

Zooals men weet, is reeds eenige maanden in werking het Kon. Besluit van 6
Juni 1922, Stbl. 395, regelende den invoer en de keuring van vleeschwaren, af-
komstig uit het buitenland. In art. 2 van dit K. B. is bepaald, dat slechts uit be-
paalde landen vleeschwaren mogen worden ingevoerd en dat de Minister van Arbeid
ten aanzien van gesmolten vetten ontheffing daarvan kan verleenen. De Min.
heeft nu niet alleen die ontheffing verleend, doch tevens bepaald, dat de buiten-
landsche gesmolten vetten bij den invoer niet behoeven te worden gekeurd. Niets
belet o. i. echter een keuringsdienst van vleesch om beslag te leggen op vet, dat
ongeschikt is voor consumptie en uit het buitenland afkomstig is, nadat de invoer
heeft plaats gehad. Dit repressieve toezicht is naar onze meening wel geoorloofd.
Echter — de zaak wordt er niet eenvoudiger op de Warenwet speelt in deze
ook nog een rol.

Er bestaat nl. een „bijzonder Vetbesluit", ex. art. 14 en 16 der Warenwet (K.B.
19 October 1925, Stbl. 421). Dit besluit maakt het mogelijk, toebereid dierlijk
vet, waarvan blijkt, dat het in het land van oorsprong als zoodanig niet geschikt
is geacht voor menschelijk voedsel, in te voeren. Er bestaat dus a. h. w. een tegen-
spraak tusschen art. 40 der Vleeschkeuringswet, welke het vervoer, enz. van on-
deugdelijk gesmolten vet verbiedt en het vetbesluit, steunende op de Warenwet.

Daar het toezicht op gesmolten vet in hoofdzaak van scheikundigen aard is,
ware het doelmatiger, dit artikel geheel onder de warenwet thuis te brengen

Intusschen blijft het feit bestaan, dat een slager, die b.v. oud, kennelijk voor
technische doeleinden bestemd rauw (b.v. spek) of gesmolten vet voorhanden
heeft, de kans loopt, gestraft te worden, doch de invoer van ondeugdclijken vetten,
uit het buitenland afkomstig, toegestaan is. Wij hebben volstrekt geen bezwaar
tegen dit laatste — de raffinaderijen maken dit wel in orde — maar kunnen niet
inzien waarom ten opzichte van binnenlandsche vetten strengere bepalingen
moeten bestaan.

Een verbod van ritueel slachten in Noorwegen.

Blijkens een bericht in de N. R. Ct. heeft het Odelsting in Noorwegen een ont-
werp van wet op het slachten aangenomen, dat o. a. een verbod van het schachten
(het Joodsche ritueel slachten) inhoudt. Een voorstel om van dit verbod dispen-
satie mogelijk te maken, werd met 88 tegen 21 stemmen verworpen.

de Graaf.

Eervol ontslag slachthuis-directeuren.

Aan de heeren K. Hoefnagel en Dr. E. A. L. Quadekker, resp. directeuren
der abattoirs te Utrecht en Nijmegen, is op hun verzoek tegen 1 October eervol
ontslag verleend.

-ocr page 745-

Het door de Diergeneeskundige Faculteit van het Utrechtsch Studenten Corps

toegezegde boekje (zie Ingez. stuk, 15 Mei No.) ..Aan den aanstaanden student
aan de Utrechtsche Hoogeschool" is, met een bijvoegsel van die Faculteit, aan de
dierenartsen gezonden. Waarschijnlijk zullen de praktische en sympatieke be-
moeiingen van onze aanstaande collega\'s hun goede uitwerking niet missen.

Wij ontvingen Gids voor eerste jaars aan de Utrechtsche Universiteit. een zeer
praktisch boekje met zeer vele nuttige gegevens voor pas aangekomen studenten,
uitgegeven door ,,Unitas Studiosorum Rhenotrajectina".

Dr. C. Bubberman, Directeur van het Veeartsenijkundig Instituut te Buitenzorg
is, bij besluit van den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, benoemd
tot lid van den Natuurwetenschappelijken Raad voor Nederlandsch-Indie

Wij feliciteeren Dr. Bubberman met deze benoeming.

Kliniek voor kleine huisdieren.

Heeren Dierenartsen worden er nadrukkelijk op opmerkzaam gemaakt, dat
opname van patiënten in de kliniek voor kleine huisdieren alleen kan geschieden
na voorajgaande aanvrage en op den daarvoor vastgestelden tijd (alle werkdagen van
9—11 J uur).

Gedurende de maanden Juli en Augustus is met het oog op jaarlijksche werk-
zaamheden (dcsinfectie enz. der stallen) slechts een beperkte opname mogelijk,
alleen urgente gevallen komen daarvoor in aanmerking. Voor het overige gelden
de bepalingen in het jaarboekje vervat. H.
Jakob.

Rijks Universiteit te Utrecht.

Bevorderd tot doctor in de Veeartsenijkunde aan de Rijks-Universiteit te Utrecht:

K. Reitsma, Directeur van het Openbaar Slachthuis en den Keuringsdienst van
Vee en Vleesch te Rheden op een proefschrift getiteld •
Bijdrage tot de hennis van
nieuwvormingen bij vogels in het bijzonder bij de kip.

Vischkunde en Vischkeuring.

Op uitnoodiging van het bestuur van het .Jubileumjonds" der Vétérinaire
Faculteit, zal de heer l)r. A.
van der Laan, Directeur der Gemeentelijke Visch-
voorziening te Amsterdam, in October a.s. een viertal voordrachten houden over:

Vischkunde en Vischkeuring.

Met hetoog op het ter beschikking hebben van demonstratie-materiaal is het
gewenscht deze voordrachten op
Maandagavond te houden.

Aan dierenartsen, die deze voordrachten willen bijwonen, wordt verzocht zich
aan te melden bij Prof.
van Oijen, Biltstraat 166, Utrecht.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in Mei 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen aan
die op i Mei nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer : bij 94 (55) eigenaars, waarvan in Groningen bij 2 (4) eig. ;
Friesland bij
24 (11) eig. ; Drenthe bij (2) eig. ; Overijsel bij 3 eig. ; Gelderland
bij
7 eig. ; Utrecht bij 5 eig. ; Noordholland bij 10 (7) eig. ; Zuidholland bij. 33
(12)
eig. ; Zeeland bij 1 (4 eig.) ; Noordbrabant bij 9 (15) eig.

Scabiss : (Sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap : 4 gevallen bij 2
eig. (42 bij 9 eig.), waarvan in Groningen (9 bij 3 eig.) ; Friesland 3 bij 1 eig. (8 bij
2 eig.) ; Drenthe (11 bij 2 eig.) ; Gelderland 1 ; Utrecht (12 bij 1 eig.) ; Zuidholland
(2 paarden bij 1 eig.).

Rotkreupel bij schapen : 216 gevallen bij 12 eig. (650 bij 33 eig ), waarvan in
Groningen
(22 bij 1 eig.) ; Friesland 29 bij 3 eig. (71 bij 8 eig.) ; Drenthe 16 bij
2 e\'8- (37 bij
7 eig.) ; Noordholland 121 bij 5 eig. (170 bij 11 eig.) ; Zuidholland
50 bij 2 eig. (149 bij 5 eig.) ; Zeeland (201 bij 1 eig.).

Anthrax : 17 gevallen bij 17 eig., waarvan in Groningen 1, Friesland 2, Drenthe
i (varken), Gelderland
2, Utrecht 2, Zuidholland 3, Noordbrabant 2, Limburg 4.

-ocr page 746-

PERSONALIA.

Dr. J. Kok, Inspecteur, geplaatst te Semarang.

l)r. G. Leurink, Inspecteur, acht maand verlof naar Europa, ingaande 3 Sept.

Dr. J. F. C. Raabe, Inspecteur, negen maanden verlof naar Europa, ingaande
i Eebr.
1930.

P. H. J. Gasille, Gouv. veearts, geplaatst te Pamekasan ; Dr. \\Y. Treffers,
overgeplaatst naar Bandjermasin ; T. C. Schol, geplaatst te Pekalongan ; H.
G. Aalfs
overgeplaatst naar Singaradja ; W. R. Knaap, geplaatst te Poerwo-
kerto ;
C. J. Choufour, toegevoegd aan Hoofd van Dienst te Serang ; A. J. E. de
Voogd
negen maanden verlof naar Europa, ingaande 2 Nov, ; S. Bakker, tien
maanden verlof naar Europa, ingaande 2 Nov. 1930.

REFERATEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Schottmüllerinfectie s bij het rund. (Bac. paratyph. B. SchoUmiiller beun Rind-
Ein Beilrag zur Klarung des Entstehens von Fleischvergittungen.
Dr. Max Hopfen-
gaktner.
Münch. Tierarztl. Wochensch. 1928, pg. 185).

Naar aanleiding van het voorkomen van een infectie met Bac. paratyph. B.
Schottmüller bij een koe, welke verlost was door een verloskundige, die tevens
bacillendrager was en die tijdens de behandeling het dier had besmet, welk geval
door
Trawinski nader is beschreven geworden, doet Hopfengartner mede-
deeling van 3 door hem nader onderzochte gevallen van ScHOTTMüLLER-infectie\'s
bij het rund. Algemeen werd tot dusver aangenomen, dat de Bac. paratyph. B.
ScHOTTMiiLLER uitsluitend menschpathogeen zou zijn. Uit deze gevallen blijkt
wel, dat onder bepaalde omstandigheden deze bacil ook bij het rund een ziekte
kan veroorzaken. In verband met het groote belang, dat deze infectie\'s in het
algemeen voor den keuringsveearts hebben, vermeld ik ze hier iets uitvoerig.

Geval 1. Betrof een in nood geslachte koe ; was 3 dagen van te voren verlost,
waarbij de uterus beleedigd was. Na 2 dagen kon de koe niet meer opstaan, was
zeer soporeus en zeer verzwakt, zoodat noodslachting volgde.

Sectic : subcutis op sommige plaatsen rood gekleurd, peritoneum dof, rood en
met fibrinelaag bedekt, eveneens fibrinelaag op lever, milt, maag en darmen.
Lever gezwollen, bruinrood, evenals nieren, milt zwartrood, niet gezwollen. Uterus
hypcraemisch, had een vuistgroote scheur, met bloedige randen, inhoud een geel-
achtige, stinkende vloeistof. Bekkenholte met bloeduitstortingen, longen normaal,
hart grauwrood en murw, evenals musculatuur. Deze gaf een zoetachtige reuk af.

Diagnose : fibrincuze peritonitis tengevolge van uterusruptuur.

Bact. onderzoek : Uit alle organen en uit hartbloed der coronairarterie para-
typlmsachtige bacillen, die bij nader onderzoek bleken te zijn van het
Schott-
MüLLERtype. Infectiebron bleef onbekend, vermoedelijk kwam de besmetting tot
stand door de uteruswond.

Geval 2 Bij onderzoek van vleesch- en orgaanmonsters van 2 in nood geslachte
koeien werden uit alle monsters paratyph. B. SCHOTTMÜLLERbacillen gekweekt.

Klinische symptomen : Een endemische ziekte heerschte ^b \'4 dagen in een
stal. Het begon bij 2 runderen, die gedurende eenige dagen een sterke tympanitis
en een indigestie vertoonden. Daarna profuse diarrhee, eerst slijmig, later bloedig.
Na het ziek worden van deze 2 koeien werden 3 dagen later weer 2 andere dieren
zoo ernstig ziek, dat ze in nood geslacht moesten worden.

Sectie : Sterk vermagerde dieren. Gezwollen, gedegenereerde lever, nieren,
gezwollen milt. Haemorrh. enteritis der dunne darmen. Vleesch- en orgaanlymph-
klieren gering gezwollen.

Bact. onderzoek : Uit alle organen en vleesch parat. B. ScHOTTMüLLERbacillen.

Geval 3. In Riedlhiitte was een paratyphusepidemie onder de bevolking op-

-ocr page 747-

getreden (52 personen werden ziek, met zelfs 4 sterfgevallen). Oorzaak was onbe-
kend, tot in een boerenfamilie, waarvan eerst alleen de vader ziek was geworden,
plotseling opnieuw 7 andere gezinsleden aan paratyphosis ziek werden. Op stal
van dezen boer was nu een koe aanwezig, die, na een week ernstig ziek te zijn ge-
weest, plotseling sterke diarrhee kreeg en tevens aborteerde. Weer 8 dagen later
aborteerde een tweede koe, welk dier van te voren absoluut niet was ziek geweest.

In een monster faeces van de zwaar zieke koe werden ScHOTTMiiLLERbacillen
aangetoond. In verband met deze vondst werden toen alle overige koeien van.
denzelfden eigenaar onderzocht ; de 2 bovengenoemde dieren reageerden met
het bloedserum positief, terwijl in de melk van de ernstig zieke koe en van een
willekeurig derde koe ook de ScHOTTMiiLLERbacillen aangetroffen werden. In
verband met deze besmette melk werden toen in het dorp alle dieren nader onder-
zocht bij die bedrijven, waar zieke personen waren voorgekomen. Dit onderzoek
gaf negatief resultaat. Men vond dus, dat in één bedrijf 2 koeien een paratyphosis
hadden, welke dieren beiden aborteerden. Eén dezer koeien had bovendien ernstige
klinische verschijnselen van de zijde van het maagdarmkanaal, en had
ScHOTT-
MiiLLERbacillen in de melk, evenals een normale koe. Besmetting der menschen
vermoedelijk door de melk. Alle 3 dieren werden afgemaakt.

Op grond van deze waarnemingen komt Hopfengartner tot de conclusie,
dat men, bij paratyph. B. ScHOTTMiiLLER-infecties bij den mensch, behalve op
verdachte voedingsmiddelen, ook steeds het oog moet houden op de veebedrijven
in de besmette streek. Bij ziektegevallen in gezinnen, waar men runderen houdt,
moeten vooral ook deze dieren nader onderzocht worden, terwijl verder in alle
boerderijen, welke melk of melkproducten hebben geleverd aan de zieke families,
vooral verdacht zijn dieren met een baarmoederlijden, darm- of 1 ieraandoeningen
of algemeene ziekteverschijnselen. In al deze gevallen moet men steeds bloed-
faeces- en melkmonsters nemen en het baarmoedersecreet onderzoeken.

Het gebruik van salpeter en salpeterigzure zouten bij de bereiding van vleesch-
waren. (
Vergleichende Versuche iiber die Verwendung vim Salpeter und Nitrit bei
der Zubereitung von Fleischwaren. Riesz, Meijer und W. Muller. Zeitsch. f.
Untersuchung der Lebensmittel, 1928, pag. 325).

Sinds 1916 is het in Duitschland verboden salpeterigzure zouten (natrium-
nitriet) of stoffen, waarin deze voorkomen, bij de toebereiding van vleesch en
vleeschwaren te gebruiken, terwijl eveneens het invoeren van met bovengenoemde
zouten toebereid vleesch verboden is. De Duitsche vleescliwarenindustrie heeft
nu aan de betrokken autoriteiten om opheffing van dit verbod aangedrongen onder
het motief, dat het doel van het verbod, het voorkomen van een benadeeling
van de gezondheid van den mensch door salpeterigzure zouten, nauwi lijks is
bereikt, daar de tot dusver gebruikelijke gewoonte van het gebruik van salpeter,
waaruit zich gedurende het pekelproces het nitriet vormt, op geenerlei wijze is
beperkt.

Verder werd aangevoerd, ciat het mogelijk is, door het gebruik van zeer geringe
hoeveelheden nitriet bij het pekelen, de gewenschte roodc kleur der vleeschwaren
in een derde van de tijd, welke dat bij het gebruik van salpeter eischt, te verkrij-
gen, zoodat bij het gebruik van nitriet het pekelproces belangrijk zou kunnen
worden bekort.

In verband met deze verkorting der pekeltijd en het feit, dat in eenige andere
landen het gebruik van salpeterigzure zouten bij het kepelen wel is toegestaan,
hebben schrijvers dit vraagstuk nader onderzocht en nagegaan, of het mogelijk is,
het gebruik van nitrietpekelzout bij de bereiding van vleeschwaren toe te staan en
zekere grenzen daarvoor aan te geven.

Riesz, Meijer en Müller vonden nu alleereerst dat inderdaad, als bij het
pekelen van vleesch salpeter door nitritt wordt vervangen, het pekelproces zeer
wordt verkort. Meestal gelukt het, de pekeltijd tot op de helft, bij bijzonder gun-
stige omstandigheden zelfs tot op 1/3 der vroegeren tijd terug te brengen. Deze
versnelling van het pekelproces wordt veroorzaakt doordat bij de nitrietpekeling

-ocr page 748-

het werkzame bestanddeel (nitriet) direct wordt toegevoegd, terwijl bij de salpeter-
pekeling het salpeter eerst moet worden omgezet in het werkzame nitriet. Bij de
gewone pekeltemperatuur treedt deze afbraak van het salpeter nitriet eerst in
ongeveer 3 weken op. Een onderzoek naar de eigenlijke oorzaak van deze salpeter-
omzetting had geen succes. Bepaalde bacteriën schenen geen rol te spelen.

Het mooi rood worden van het vleesch, veroorzaakt door een verandering van
het haemoglobine in stikstofoxydhaemoglobine door het nitriet, is voor het binnen-
dringen van het keukenzout in het vleesch zeer bevorderlijk. Dientengevolge heeft
men bij de nitrietpekeling een iets snellere doorzouting van het vleesch dan bij
de salpeterpekeling.

Een toevoeging van 0.6% natriumnitriet aan het keukenzout - bij gebruik
van 80 gram zout op 1 K.G. vleesch wordt dat ongeveer 0.05 % van de vleesch-
massa — was reeds voldoende. Daarenboven nog bovendien salpeter toe te voegen
scheen niet noodzakelijk, hoewel bij dikkere vleeschstukken als rolham, enz. het
wel doelmatig kan zijn, daar uit het salpeter zich nog langzaam nitriet vormt.

Wordt deze nitrietpekeling naar behooren uitgevoerd dan is het nitrietgehalte
van het vleesch niet grooter, en dikwijls zelfs geringer dan bij de gebruikelijke
salpeterpekeling. fn de buitenste lagen van niet gerookt gepekeld vleesch werd
hoogstens 15—20 mgr. natriumnitriet op 100 gram vleesch gevonden. Het nitriet-
gehalte van de binnenste deelen bedroeg dan 1—2 mgr. Bij gerookt pekelvleesch
bedroeg het nitri \'tgehalte ook in de buitenste lagen slechts enkele mgr.

De met nitriet bereide vleeschwaren zijn, wat betreft voorkomen, reuk, smaak
en duurzaamheid gelijk aan de met salpeter gepekelde waren.

De eindconclusie, waartoe Riesz, Meijer en Müller komen, is, dat, wil men
het gebruik van nitriet toestaan, men voor het pekelen slechts een zoodanig zout-
mengsel van keukenzout en natriumnitriet mag gebruiken, waarin hoogstens
0.6 % natriumnitriet voorkomt. In deze hoeveelheid is het nl. ongevaarlijk voor
den mensch.

Het vernietigen van ratten, muizen, enz. in bewaarplaatsen van levensmiddelen.

(Beitrag zur Kenntnis von der Vernichtung von Schädlingen in Aufbewahrungsstatten
von Lebensmitteln.
R. Hock. Zeitsch. f. Fleisch- und Milchhygiene. Jg. 39, pag. 140).

Hock wijst op het groote gevaar bij het gebruik van blauwzuurgas voor het
ontratten, ontmuizen, enz. van lokaliteiten. Dit gas wordt meestal in den vorm
van Zyklon B (hierbij is het blauwzuur in ,,kieselgurerde" geabsorbeerd en wordt
dat in hermetisch gesloten blikken bussen verzonden) toegepast. Het gebruik is
zeer eenvoudig. Nadat de te begassen ruimte geheel luchtdicht is gemaakt, strooien
menschen met gasmaskers het kiezelgur overal op de grond uit. Daarbij vervluch-
tigt dan het blauwzuur en dringt dit in alle holten en gaten. Het gas is zeer giftig
voor den mensch, reeds 60—70 mgr. zijn voldoende om een mensch te doen sterven
door verlamming van het ademhalingscentrum. Meestal is een inwerking van
2 uur voldoende. Daarna moet het lokaal 1—
-2 dagen gelucht worden en moet,
voor het weer in gebruik wordt genomen, worden onderzocht, of nog blauwzuur
in de atmosfeer aanwezig is. Dit onderzoek geschiedt door middel van strookjes
filtreerpapier, gedrenkt in Benzidin- en koperacetaat, welke strookjes papier,
zelfs bij minimale hoeveelheden blauwzuur, een blauwe kleur aannemen.

Dat men slechts met volkomen deskundig personeel dit blauwzuur mag ge-
bruiken, illustreert
Hock aan eenige voorgekomen vergiftigingsgevallen in Duitsch-
land. Deze blauwzuurvergiftigingen zouden vooral te vreezen zijn bij vochtig
warm weer. De ontluchting zou dan nl. niet voldoende kunnen geschieden, door-
dat vochtige voorwerpen het gas sterk absorbeeren en dit pas weer loslaten, als
de vochtigheidstoestand in de lucht zeer gering is.

Hock nam verder proeven met stukken vleesch, welke in een begaste ruimte
werden gebracht en waarmee men later de kook- en braadproef verrichte. Hij
vond toen, dat versch vleesch in zoo geringe mate het blauwzuurgas absorbeert, dat
het na de ontluchting zelfs rauw genuttigd, voor den mensch geen gevaar op-
levert. Alleen in versch kalfsvleesch kon nog 4 dagen na de blauwzuurbegassing

-ocr page 749-

chemisch met benzidinpapier blauwzuur aangetoond worden, terwijl het dan ook
nog de bekende reuk naar bittere amandelen heeft. Bij het toebereiden door koken
en braden verdwijnt dit echter volkomen. In het vleesch van de overige slacht-
dieren is reeds 36—48 uur na het einde van het begassen, noch chemisch, noch
door de reuk het blauwzuur aan te toonen.

Begast vleesch is voor direct gebruik tot gehakt, zonder dat het ontlucht is
geweest, niet te gebruiken. Het is aangewezen versche, oppervlakkig nog niet
geheel opgedroogde voeten vleesch of geheele slachtdieren uit de te begassen
ruimte te brengen. In de pekelkelders moeten van te voren alle bakken, enz. ledig
gemaakt zijn.

Ervaringen over het anaëroob kweeken. (Neuere Ergebnisse der Anaerobenzüchtung
Fortner. Voordracht op de Vergadering der Gesellschaft Deutscher Naturforscher
und Arzte. Z. f. Fleisch- und Milchhygiene, Jg. 39).

Fortner geeft als een uitstekende methode voor anaërobe kuituur op vaste
voedingsbodems een biologische methode aan ,nl het gebruik van bacillus prodigio-
sus als zuurstofopnemer.

De techniek van deze methode is de volgende : Een bloedagarplaat wordt gelijk-
tijdig, b.v. voor 1/3 of voor de helft, met bacillus prodigiosus en voor het andere
deel met de te kweeken anaërobe bacil geënt en met plastilin luchtdicht afgesloten.
Zelfs de strengste anaërobe bacillen groeien dan, doordat de bacillus prodigiosus
de O uit de kuituur opneemt.

De voordeelen van deze methode zijn, dat men plaat voor plaat aldus kan be-
handelen. Elke bacteriekolonie is door de gesloten petridekscl nauwkeurig waar
te nemen, terwijl men in de groei van de prodigiosuskolonies een aanwijzing bezit
of de O voldoende weg is genomen. Is geen O meer aanwezig, dan blijft de prodi-
giosuskolonie vlak en kleurloos. Is de plastilinafsluiting onvoldoende, dan krijgt
men een zeer uitgebreide groei, met grauwgele kleur. In de luchtdicht afgesloten
bloedagarplaat blijft de prodigiosuskultuur maandenlang levensvatbaar.

Is de te kweeken anaërobe bacil bewegelijk, dan moet men de agarplaat door
het aanbrengen van een diepe streep op de agar in 2 gedeelten scheiden. De pro-
digiosuskultuur moet met de glasspatel geheel over de te gebruiken agaropper-
vlakte worden uitgestreken, waardoor men een samenhangende kolonie krijgt.

De voedingsbodem bestaat uit 2—3 % gering alkalische (met lakmoes) agar
met 5—10 % gewoon bloed van schaap of konijn, geen druivensitiker.

Wat betreft vloeibare voedingsbodems vindt Fortner vooral de leverbouillon
de aangewezen voedingsbodem voor het anaëroob kweeken. Deze heeft nl. de
volgende voordeelen : is doorzichtig en helder, veroorlooft daardoor een goede
waarneming van de groei (troebeling, vlokvorming, bodembezinkscl), geeft ook
goed materiaal voor microscopisch onderzoek (kleuring) en voor de dierproef,
en voor het bereiden van filtraten. Voor differentiatie is verder levermelk uit-
nemend geschikt ; hierbij is de bouillon door gewone koemelk vervangen. Als
kleuringsvloeistof geeft
Fortner vooral carbolthionine aan.

de Graaf.

ZIEKTEN VAN VOGELS.

Bacillaire diarrhee bij de kip. (H. Magnusson, Skand. Vet Tidskr., Aug. 1928).

In Zweden werd bacillaire diarrhee bij de kip voor het eerst waargenomen in
1925, hoewel zij waarschijnlijk reeds vóór dien tijd zal zijn voorgekomen. De ziekte
dient te worden genoemd „Vogeltyphus" en de ziekteverwekkende bacterie ,,bac-
terium gallinarum
Klein", naar den ontdekker.

In 1928 werd in Zweden een regeling ingevoerd, waardoor de eigenaren in staat
worden gesteld met steun van overheidswege de ziekte te bestrijden. De volgende
maatregelen moeten daarbij worden genomen :

1. Alle in broedmachines enz. aanwezige eieren moeten worden vernietigd
zij mogen niet voor voedingsdoeleinden worden gebezigd.

2. Alle kuikens beneden het jaar oud moeten worden geslacht.

-ocr page 750-

3- Van alle andere dieren van den toom moet bloedonderzoek worden verricht
en de reageerende dieren afgemaakt. Dit onderzoek moet worden herhaald tot
geen reageerende dieren meer worden aangetroffen.

4. Herhaalde ontsmetting van door gevogelte of eieren mogelijk besmette
plaatsen.

5. Eindontsmetting onder diergeneeskundig toezicht. v. Nederveen.

Davainea Proglottina in Washington. J. W. Kalkus, Journal of the Am. Vet.

Med. Ass., Sept. 1928.

Bij routine-onderzoekingen van kippen in het Veterinaire Departement van het
Washington Experiment Station vond men omstreeks 1923 als toevallige vondst
een enkele maal bovengenoemd lintwormpje. In de laatste jaren neemt de veel-
vuldigheid dezer vondsten aanmerkelijk toe ; talrijke hoenders zijn kenbaar ziek,
met als oorzaak de Davainea. De tusschengastheer, de drager dus van het cysti-
cercoid is een slak 4 c.M. lang, waarschijnlijk Limax civereus). Een foto toont
een slak, waarvan het abdomen is opengeprepareerd ; talrijke witte plekjes in het
abdomen zijn cysticercoids ; deze zijn met een eenvoudige loupe als kleine parel-
tjes te zien.

Experimenten. Kippen werden met slakken gevoerd, waarin cysticercoids ; na
8 dagen werden bij autopsie in de darmen geen lintwormen gevonden. Na 15 dagen
vond men talrijke exemplaren.

Veranderingen van eieren, uit een oogpunt van voedings-hygiëne, J. Cartier.

Revue Vétérinaire, Dec. 1928.

Als men eieren met de grootst mogelijke voorzorgen voor zindelijkheid ver-
zamelt, en deze eieren in het laboratorium bij gewone temperatuur aan hun lot
overlaat, verliezen ze, langzamerhand, door verdamping, het water. De inhoud
verdroogt op den duur geheel.

Maar als men deze proef over een willekeurig aantal eieren uitstrekt, zullen
er altijd enkele zijn, die zich anders gedragen ; deze gaan rotten. Deze eieren waren
geinfecteerd. l)e hygiënist weet, dat de eieren verschillende kiemen kunnen be-
vatten : bacillen van het type paratyphus B, van het coli-type, van het type pyo-
cyaneus, streptococcen, staphylococcen, verder gewone rottingsbacteriën (vooral
B. fluorescens putridus, Proteus vulgaris, Bacillus thiominophillus) en verder
schimmels, als Penicellium, Aspergillus, Mucor, Sterigmatocystes enz.

Hoe infecteeren zich die eieren ?

1. De infectie kan plaats hebben vóór den leg, hetzij in het ovarium (infectie
vanuit het bloed), hetzij in de oviduct (kiemen, uit de cloaka opstijgende bereikten
het ei voordat vliezen en schaal gevormd zijn).

2. Hoofdzakelijk geschiedt de infectie doordat kiemen door de schaal dringen ;
dit wordt begunstigd door warmte en vocht, door vuilheid, door barsten en
scheuren.

De ontwikkeling van microben wordt verder in de hand gewerkt door vermenging
van wit en dooier.
Het wit van het ei is minder geschikt voor micro-organismen
dan de dooier; het wit vormt, in natuurlijken toestand, een beschermende laag
om den dooier.

Bevroren eieren zijn niet aseptisch.

Het onderdompelen in een conserveerende vloeistof is pas dan goed, als deze
vloeistof aseptisch is.

De Enting tegen Hoenderpokken en -diphterie. Prof. Dr. W. Zwick, Dr. O. Seif-
ried,
en Dr. J. Schaaf Zeitschr. für Infektionskr., par. Kr. u. Hyg. d. Haust.
1928.

In een uitgebreid artikel behandelt Zwick de enting tegen hoenderdifterie en
-pokken. Reeksen van proeven worden medegedeeld ; de resultaten zijn als volgt
samen te vatten.

1. a. Vaccine (koepok-entstof) en hoenderpokkenvirus vertoonen afwijkingen
van elkaar in immun-biologischen zin. Hoenders, welke met vaccine geënt zijn,

-ocr page 751-

verkrijgen geen immuniteit tegenover experimenteele en natuurlijke infecties met
virus van hoenderpokken.

b. Ovine (entstof bereid volgens hetzelfde principe als vaccine, maar dan op
schapen) beschermt evenmin hoenders voor pokken.

Er bestaat derhalve geen wederkeerige immuniteit tusschen hoenderpokken en
zoogdier-pokkensoorten, althans niet zoodanig, dat er practisch eenige beteekenis
aan kan worden gehecht.

2. Door wisselende overbrenging van het virus van hoenderpokken op konijn
en hoen, gelukt het niet, een aanpassing aan het konijnenlichaam, en daarmede
een verandering van de pathogene eigenschappen van het virus te verkrijgen.

3. Voor herhaalde passage op het konijn is het virus echter wel zoodanig te mi-
ligeeren, dat bij enting van hoenders slechts zeer geringe entdifterie optreedt,
terwijl daarnaast een voor practische doeleinden volkomen voldoende immuniteit
ontstaat.

4. Proeven met overbrengen van hoenderpokkenvirus op honden, met liet
doel een entstof te bereiden, leidden tot bruikbare resultaten.

5. Langs den omweg over het schaap, resp. het konijn, is het gelukt, origineel
hoenderpokkenvirus op het rund over te dragen, en hier het beeld van vaccine
op te wekken. De hieruit verkregen entstof (z.g.n.
gevaccineerde galline) is practisch
bruikbaar.

6. Door symbiotisch kweeken van hoenderpokkenvirus, gemeenschappelijk
met vaccine op het rund, is de mogelijkheid gebleken, een
meng- of dubbelvirus
te winnen ; deze entstof generaliseert na folliculaire inwrijving niet, en geeft bij
natuurlijke infectie bijna absolute bescherming tegen hoenderpokken.

7. Volgens de onderzoekingen is duivenpokkenvirus een entstof, die na folli-
culaire enting bij hoenders niet tot generalisatie leidt, en welke bij experimenteele
en natuurlijke besmetting resp. zeer hooge en absolute beveiliging tegen infec-
tie geeft.

8. Proeven, teneinde het duivenpokkenvirus door hoenderpassage en omge-
keerd het hoenderpokkenvirus door duivenpassage te veranderen, zijn nog aan
den gang.

9. Practisch hebben gevaccineerde galline, het meng- of dubbelvirus en het
origineele duivenpokkenvirus toepassing gevonden ; in 10 zieke koppels (van
1200 dieren) met bevredigende resultaten.

Bacillus Gallinarum Klein in de cloaka van hoenders. J. Hof. (Budapcst).
B. T. W. 1928, No. 45.

Volgens Nuszhag en Ansorg kan de bacillus gallinarum (Klein) (vroeger B.
typhi gallinarum genoemd) voorkomen in de cloaka van klinisch gezonde dieren.

De bacillus gallinarum ( = verwekker der Kleinsche ziekte) wordt identiek
geacht te zijn met de pullorum-bacil (= verwekker der witte diarrheebij kuikens).

Hof onderzocht 400 (t.o.v. bac. gallinarum )positief agglutineerende, doch kli-
nisch gezonde kippen (van 8 maanden tot 2 jaar oud).

Getracht werd uit cloaka en eileider een (reine) stam van bac. gallinarum te
kweeken.

Dit gelukte in 13 gevallen ; dus er werden 13 stammen gevonden. Baceriolot-
gisch, chemisch zoowel als biochemisch bleken de gevonden bacteriën alle overeen
te stemmen met B. gallinarum (onbewegelijk ; gramnegatief ; geen indelvormingl.
melksuiker en druivensuiker vergisten niet ; agglutinatie met specifieke Bac. gal ;
sera tot aan den titergrens). Alleen twee stammen weken iets af.
Hof beschouwt
deze als biologisch active mutatievormen(F).

2 % van de gevonden stammen waren afkomstig uit de cloaka, 1.25 % uit de
eileider.

Ueber die Marek\'sche Geflügellahme (Polyneuritis gallinarum). Dr. Becker,
Hannover. Tierarztl. Rundschau, Febr. 1929.

Dr. Becker, practiseerend dierenarts te Beversen deelt mede, dat hij een veer-
tigjarige ervaring heeft over de hoenderverlamming. Oorspronkelijk kwam de

-ocr page 752-

ziekte alleen voor bij de zware rassen, pas in de latere jaren ook bij de lichte rassen.

Hij vond de ziekte hoofdzakelijk daar, waar de dieren in beperkte ruimte worden
gehouden, zoodat zij niet anders clan het toegediende voedsel kunnen nuttigen.

Dr Becker is geneigd het lijden als een Avitaminose te beschouwen. Hij heeft
de ervaring, dat, als het voedsel naast calcium tevens D. vitamine bevat, de ver-
lamming nooit optreedt. Wordt bijvoorbeeld alleen tarwe gevoerd (tarwe is vi-
tamine D arm) dan wordt het calcium uit het voedsel niet voldoende geassimileerd ;
beenzwakte treedt op. Een wisselende voeding van haver, tarwe, gerst, mais,
groenvoer en dierlijk voedsel (visch- en vleeschmeel) zou de verlamming voor-
komen).

Genezing van zieke dieren kon schrijver verkrijgen door om de 6 dagen 3 c.c.
A. O. I Bengers in de buikholte te spuiten.

Technique de l\'autopsie des volailles, Lésions. J. Lahaye (Bruxelles), Ann. de
Méd. Vét., 1929, févr.

De techniek van de sectie bij vogels wordt beschreven ; zij is niet afwijkend van
die, welke door ons gewoonlijk wordt toegepast (Path. Inst.).

Vervolgens worden enkele veelvuldig voorkomende huidaandoeningen opge-
somd ; deze volgen hier :

1. Sarcoom. Al of niet gesteelde tumoren of „plaques". Het zijn gladde, glimmende,
rose knobbels, zacht bij aanraking.

2. Angioom. Vooral op vleugels, loopbeen en zijden van het lichaam. Zwarte,
lichtbloedende tumoren. Lijken wel iets op
melanomen.

3. Exzeem. Vooral aan hals, borst en rug.

4. Gewone dermatitis, meestal parasitair, en vaak voerend tot alopecie.
Nodulae
(cpitheliomateus) op kam, lellen, oogleden.

Présentation d\'un cas d\'avitaminose expérimentale chez le coq. M. C. Truche.
Bull, de l\'Acad. Française, janv. 1920.

Een tweejarige haan werd 6 maanden in donker gehouden. Het dieet was abso-
luut zonder groenvoer. Toen het dier na deze episode wederom in het daglicht
kwam, leek het op het eerste gezicht weinig veranderd ; de kam was rood ; hoog-
stens waren de veeren wat dof. Intusschen bleek bij nadere beschouwing, dat aan
de humero-radiale gewrichten en aan het borstbeen groote beenige tumoren aan-
wezig waren.

Truche schrijft dit toe aan een te kort aan vitaminen (A, B en vooral D) ; de
tumoren zijn dan symtomen van rhachitis. Uit de „Discussion" blijkt dat men het
experiment zeer belangwekkend vindt ; het bewijs dat men met. een typische avi-
taminose te maken heeft zal echter moeilijk te leveren zijn.

A comparison of the pullorin reaction and the agglutination test for bacillary
white diarrhea.
L. D. Bushnell ; C. A. Brandly. (Journ. of the Am. Vet. Med.
Ass. ; 1929 No. 3).

Pullorin werd o.a. gemaakt door 18-uur oude agar-cultuies van pullorum-
bacteriën met zoutoplossingen af te spoelen en te wasschen, en vervolgens in een
autoclaaf (20 minuten bij 15 „pounds" druk) te behandelen.

Behalve eigengemaakt pullorin, werden andere, uit den handel betrokken,
praeparaten gebruikt.

o.i c.c. werd zoo goed mogelijk in de kamhiiid gespoten.

Als positieve reactie werd beschouwd een gedurende bepaalden, vrij langen tijd
bestaan blijvende zwelling.

Uit een groot aantal vergelijkende proeven bleek, dat de pullorin-methode in
haar tegenwoordigen staat minder zeker (onzekerder) is voor het opsporen van
smetstofdragers van bacillaire witte diarrhee dan de agglutinatie-methode.

De techniek van agglutinatie en pullorin-bereiding wordt uitvoerig beschreven.
Weitere Untersuchungen über die Schutzimpfung gegen Hühnerpocken und
Hühnerdiphterie.
Prof. Dr W, Zwick; Dr. O. Seifried; Dr. J. Schaaf, Berl.
Tkrarztl. Woch. 1929 No. 12.

Het artikel bevat de resultaten van voortgezette onderzoekingen over het ver-

-ocr page 753-

band tusschen hoenderdiphtcrievirus en duivendiphterievirus.

Het hoendervirus kan door voortgezette duivenpassages zoo gemitigeerd worden,
dat folliculaire enting bij het hoen geen diphterie meer geeft, terwijl toch wel een
alleszins voldoende immuniteit ontstaat.

Dit passage-virus heeft dus veel overeenkomst met het origincele duivenvirus.

Door de duivenpassage neemt de pathogeniteit van het hoendervirus tegenover
de duif toe.

Het is verleidelijk, aan te nemen, dat het diphterievirus van de duif een modi-
ficatie (,,Standortsvarietat) is van het diphterievirus van het hoen.

Gelenkerkrankung bei Tauben (Bakterien aus der Paratyphus-F.nteritisgruppr)
Dr.
Mayer ; (Schlachthof Dortmund), D. t. \\v., No. 16, 1929.

Beschreven wordt een paratvpheuze enzoötie bij duiven ; het verloop der in-
fectie was niet van septicaemischen aard, doch er had lokalisatie in het elleboogs-
gewricht plaats. De dieren konden niet vliegen, langzamerhand vermagerden ze
en stierven.

Niet uit het hartebloed. maar wel uit gewrichts-inhoud waren bacteriën te
kweeken ; cultureel en serologisch kwamen deze het meest overeen met
para-
typhus-enteritis-bacillen
van het type Breslau.

Rundwürmer im Drüsenmagen beim Schwan. H. Magnusson, Tierarztl. Rund-
schau, No. 16, 1929.

In een zwanenvijver te Malmö stierven in het najaar van 1928 een aantal
zwanen. In de kliermaag werden knobbels gevonden, met necrotischen inhoud,
waarin wormen (
Erhinura Uncinala Rud\\ gemiddeld 1 c.M. lang. Het voorkomen
is ook bekend bij eenden en ganzen. Volgens
Hamann doet Daphnia pulex als
tusschengastheer dienst. Als behandeling werden per zwaan 2 capsulae met i gram
tetrachlooraethvleen toegediend.

Salmonella Aertrycke-infection of canaries. G Martinaglia, Pretoria, S Afr.
J. of Science.

Hevige verliezen werden in Natal geleden door kanariefokkers, wier dieren leden
aan een ziekte veroorzaakt door
Salmonella Aertrvcke (soortgenoot van pullorum
Ref).

Klinische verschijnselen : doffe veeren. sufheid en versnelde ademhaling. Sectie
verschijnselen :
enteritis en soms leverhyperaemie.

l. P. de Vries.

ERRATA.

In de 15 Juni-afl. (No. 12) is op blz. 670 (referaten) onder de 31e regel de onder-
teekening
,,Brands" bij vergissing weggelaten.

BLADVULLING.

Ingeven van lintwormmiddelen.

Dr. Hang (ref. Geneesk. Gids, 1929, 21, blz. 477) raadt aan om lintwormmidde-
len niet op de gewone manier door de mond in te geven maar door een duodenaal-
sonde in te brengen. De werking is dan meer vertrouwbaar.
 Vr.

-ocr page 754-

Prof. Dr. D. A. DE JONG-STICHTING.

In het vorig nummer van het Tijdschrift werd een circulaire
ingelegd, waarbij de Nederlandsche Dierenartsen werden opge-
wekt hunne medewerking te verleenen bij het tot stand brengen
van een waardige hulde aan de nagedachtenis van den dieren-
arts, wiens naam hierboven is vermeld. Thans kunnen wij in
dit nummer de volledige statuten dezer stichting bekend maken,
zoodat elk kan zien op welke wijze men zich voorstelt de inge-
zamelde gelden te beheeren.

Indien ooit een collega veel en belangrijk werk gedaan heeft,
waardoor het arbeidsveld der dierenartsen aan uitgebreidheid en
diepte heeft gewonnen, dan is het zeker wel Dr. D.
A. de Jong.
Toegegeven, zijn woord kon scherp, zijn verweer bijtend zijn.
Maar zijn doel was steeds een beter inzicht of een vermeerdering van
feitenkennis te bereiken. Weinige der jongeren kunnen zich een
denkbeeld vormen van den invloed, welke het werk van
de Jong
gehad heeft bij de waardeering van de diergeneeskundige weten-
schap hier te lande. Hoe wist hij, als jong practiseerend dieren-
arts, en later als slachthuisdirecteur, als wetenschappelijk onder-
zoeker, als lid van het Cryologisch-Biologisch proefstation der
Nederlandsche Vereeniging voor Koeltechniek en ten slotte als
hoogleeraar en bij de stichting van het instituut voor tropische
geneeskunde Leiden-Rotterdam, de maatschappelijke beteekenis
van goed wetenschappelijk gevormde dierenartsen in ruime
kringen duidelijk te maken. Men voege daarbij zijn werk als
publicist en in dienst der Internationale Veeartsenij kundige Con-
gressen, en zijn groote gaven als docent, om misschien nog niet
volledig te omvatten, hoe hij in het bijzonder voor de Neder-
landsche dierenartsen een groot voorganger is geweest. Zijn
vrienden weten, dat hij ook als mensch zeer hoogstaande
eigenschappen de zijne mocht noemen.

Het is dan ook eenvoudig een plicht der dankbaarheid, waartoe
wij de Nederlandsche Dierenartsen hier opwekken om met ruime
middelen te steunen, wat na rijp beraad, als het beste middel
is bevonden om
de Jong te eeren, en zijn werk zooveel moge-
lijk voort te zetten.

Laat men in elke „kringvergadering", in elke afdeelings-
vergadering elkaar opwekken om hier een eereschuld af te lossen.
De voortzetting van het levenswerk van
de Jong, die door
zijn onvermoeiden arbeid zooveel heeft bijgedragen tot den bloei
der diergeneeskunde, zal in hooge mate dien bloei bevorderen.

Steunt de Prof. Dr. D. A. de Jong-Stichting.

Redactie.

lvi 50

-ocr page 755-

Uit hei Laboratorium voor Tropische ziekten. Afdeeling van het Instituut voor
Parasitaire- en Infectieziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht
Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK.

DE THERAPIE DER COCCIDIOSE

DEEL II.

HOENDERCOCCI DI OSE.

door

B. J. KRIJGSMAN.

Inleiding.

Het tweede deel van dit onderzoek is een directe voortzetting
van de twee jaar geleden gepubliceerde experimenten.
(Krijgs-
man
9). In het eerste deel behandelde ik de therapie der konijnen-
coccidiose en concludeerde dat cresolen een vernietigende werking
op de coccidiën uitoefenen. De wijze van behandeling verbeterde
ik onlangs in dier voege, dat geen slokdarmsonde meer noodig is ;
het middel kan als drinkwater toegediend worden.
(Krijgsman 13).

Met de therapie der hoendercoccidiose is men nog steeds niet
verder gekomen ; vele proeven zijn gedaan, echter, zooals de vol-
gende literatuurbespreking laat zien, met slechts zeer gering re-
sultaat.

Bespreking van vroeger onderzoek.

Meyer en Crocker (14) probeerden 01. therebinthinae -(- 01.
ricini, kaliumpermanganaat, ferrisulfaat glycerine, methyleen-
blauw en calomel bij hoendercoccidiose. Hun resultaten zijn,
zooals ik vroeger reeds uiteenzette, gering ; slechts calomel en
methyleenblauw hebben misschien eenige werking.

Ströse (20) geeft in een artikel over de bestrijding der fazanten-
coccidiose slechts hygiënische maatregelen op ; een therapeutische
behandeling acht hij waarschijnlijk nutteloos.
Curson (4) be-
handelt kuikens met naphtol, ijzersulfaat en catechu zonder re-
sultaat.
Berge (3) beveelt toediening van zwak desinfecteerende
stoffen in het drinkwater aan
; Beach en Freeborn (2) geven
zoutzuur, kaliumbichromaat of catechu.
Ericksen (5) geeft aan
kuikens injecties van nearsphenamin
; Moussu noemt als middel
thymolpillen
; Sustmann geeft bij kanariecoccidiose slechts pro-
phylactische maatregelen op
; Johnston (8) behandelt kuikens
met chininesulfaat, kopersulfaat of catechu (in drinkwater) ;
Patterson (16) geeft chininesulfaat p Naphtol ; Stafseth (19)
zegt dat er geen pharmacotherapie bestaat. Volgens
Schmidt-
Hoensdorf
zouden cresolen een curatieve werking hebben ; van
andere zijde wordt dit weer tegengesproken.

-ocr page 756-

Dit is een rij van experimenten, die eigenlijk geen van alle groote
beteekenis hebben. Want meestal ontbreekt methode, criterium
is dikwijls slechts het al of niet sterven der dieren en controle-
proeven worden soms nagelaten.

Ook plasmochin werd geprobeerd, het oorspronkelijke artikel
daarover stond echter niet tot mijn beschikking.

Beach en Davis (i) tasten de coccidiën op een eenigszins andere
wijze aan. Ze stellen zich op het standpunt dat de coccidiën zich
in den darm ontwikkelen bij een voor hen gunstige waterstofionen-
concentratie ; door verandering dezer pH zou wellicht de parasi-
tenontwikkeling te beïnvloeden zijn. Daarom voeden ze kuikens
met melkproducten of zuivere lactose en komen na uitgebreid
onderzoek tot de conclusie, dat lactose de pH der coeca verandert.
Door aan kuikens met coccidiose regelmatig lactose of melkpro-
ducten te voeren, konden zij de ziekte dikwijls in gunstigen zin
beïnvloeden. Ook prophylactisch zou een dergelijke behandeling
eenige waarde hebben. Men moet echter deze resultaten niet
overschatten ;
Beach en Davis vonden nooit een absoluut ver-
dwijnen der oöcysten uit de faeces (dus nooit een volkomen ver-
nietiging der endogenen ontwikkelingsvormen), alleen verliep de
ziekte bij niet te zware infecties milder. Daar nu melkproducten
ook als voedingsstof groote waarde hebben, is deze behandeling
door velen in de practijk toegepast.

Biologie en pathogene werking der hoendercoccidiên.

Het coccidium van de kip (ik noem het voorloopig Eimeria
avium,
daar de bij vogels voorkomende coccidiënsoorten nog niet
voldoende vaststaan) wordt als gesporuleerde oöcyste door den
gastheer per os opgenomen. De sporozoïeten, vrijkomend na op-
lossing der cystenwand door proteasen (
Krijgsman), dringen
in het darmweefsel en beginnen daar hun schizogonie. Hierbij zij
opgemerkt dat groote schizonten in de submucosa en kleine schi-
zonten in de mucosa voorkomen ; een feit, dat aanleiding heeft
gegeven tot het veronderstellen van twee soorten of variëteiten
van het coccidium. Na herhaalde schizogonie begint de gamogonie
en dus de vorming der oöcysten. Deze oöcysten worden met de
faeces uit den darm verwijderd.

Nu is het een merkwaardig feit, dat bij jonge kuikens de cocci-
diën zich bijna altijd beperken tot de coeca ; hoe ouder het dier is,
hoe meer de coccidiën diffuus over den middendarm verbreid zijn.
Bij volwassen kippen vinden we dan ook een algemeene darm-
coccidiose, zonder speciale localisatie in de coeca.

Ofschoon de oorzaken van dit verschijnsel nog niet onderzocht
zijn, zijn twee mogelijkheden denkbaar :

a. De concentraties der waterstof ionen zijn bij het volwassen
dier in de verschillende deelen der darm anders dan bij het

-ocr page 757-

kuiken. De coccidiën vinden bij het kuiken in de coeca een
optimale, in andere darmdeelen een ongunstige pH. Bij het
volwassen dier is misschien de pH dusdanig veranderd, dat
de parasieten zich in den heelen darm kunnen ontwikkelen,
zij het dan ook niet onder optimale condities.
b. De proteasen zijn bij het kuiken niet in staat de cystenwand
snel te verteren ; de sporozoïeten komen eerst in de coeca vrij.
Bij het volwassen dier hebben de proteasen wellicht een grootere
capaciteit of worden in grootere hoeveelheid afgescheiden ;
daar komen de sporozoïeten reeds vroeger vrij, de heele mid-
dendarm wordt aangetast.
De genoemde factoren kunnen natuurlijk ook samenwerken.
Het is duidelijk dat juist deze sterke localisatie der coccidiën
bij het kuiken de oorzaak is van een acuut verloop der ziekte. De
coeca worden zoo heftig aangetast, dat binnen korten tijd belang-
rijke laesies ontstaan.

Peracute gevallen, die bij het konijn zeer zeldzaam zijn, komen
dan ook bij het kuiken wel eens voor. De oogenschijnlijk gezonde
dieren sterven dan plotseling zonder dat er oöcysten in de faeces
gevonden werden. De sectie laat dan meestal een sterke bloeduit-
storting in de coeca zien benevens een groote verwoesting van het
coecumepitheel. Gamogone vormen der parasieten zijn zeer weinig
voorhanden ; de dieren zijn gestorven ten gevolge der schizogone
ontwikkeling van de parasieten. De dood treedt 4—5 dagen na de
infectie op.

Meestal verloopt de ziekte bij kuikens acuut, d. w. z. de dieren
worden door de schizogone parasietenontwikkeling zwaar ziek ;
de optredende gamogonie en cystenvorming geeft den doorslag.
Uitgebreide bloedingen en secundairinfecties veroorzaken den
dood, welke ^ 6—10 dagen na de infectie optreedt.

Hoe ouder de dieren zijn, des te chronischer en milder verloopt
de ziekte. We weten niet, of dit chronische verloop het gevolg is
van een onregelmatige en vertraagde endogene ontwikkeling der
parasieten, dan wel of er herhaalde re-infecties optreden (die licht
verloopen daar het dier ouder en meer weerstandskrachtig is).
Bij konijnen is in elk geval aangetoond dat de zgn. chronische
coccidiose (uitgezonderd de levercoccidiose) dikwijls het gevolg
is van re-infecties.
(Krijgsman 13).

Methodiek en Techniek.

Evenals in het eerste deel van dit onderzoek was het ook nu
mijn bedoeling, de werking van therapeutica na te gaan aan zuiver
te controleeren verschijnselen. Ook bij de kippencoccidiose bleek
het eenig bruikbare symptoom, waaraan het verloop der ziekte
te bestudeeren is, het aantal oöcysten in de faeces te zijn. Al ko-
men er dan ook peracute gevallen voor waarbij nog geen cysten

-ocr page 758-

optreden, dan is dit toch bij dit onderzoek geen bezwaar. Want
ten eerste werd altijd een groep dieren tegelijk onderzocht, ten
tweede werd de sterkte der infectie zooveel mogelijk zóó geregeld
dat geen peracute gevallen optraden (na te gaan bij de contrôle-
dieren) en ten derde wijst peracute coccidiose (dus een snelle en
sterke parasietenontwikkeling) duidelijk op waardeloosheid der
behandeling.

Ik heb proeven gedaan bij kuikens van 2—4 weken oud, welke
door experimenteele infectie een acute coccidiose kregen. Want
de therapie van deze vorm der ziekte is practisch het belangrijkst ;
de chronische vorm geeft veel minder sterfgevallen.

De sterkte der infectie was zoo geregeld, dat bij 10 contrôle-
dieren niet meer dan 6 sterfgevallen optraden ; gelukte dit niet
en was de infectie dus te sterk geweest, dan werd het experiment
uitgeschakeld.

De experimenten werden op de volgende wijze ingericht :

Een groep van 20 of 30 even oude kuikens werden over 2 of 3.
kunstmoeders verdeeld ; elke kunstmoeder bevatte dus 10 kuikens
Deze dieren kregen allen hetzelfde voedsel. Eerst werden iederen
dag zonder meer de faeces onderzocht op de aanwezigheid van
oöcysten met behulp der telmethodiek (principe en uitvoering zie
Krijgsman 9). Vertoonden de faeces practisch geen oöcysten, dan
werden de dieren na 8 dagen vooronderzoek geïnfecteerd. Een
kunstmoeder met 10 dieren was controle ; de dieren uit de andere
kunstmoeders werden met de te onderzoeken therapeutica be-
handeld. Het begintijdstip der behandeling werd verschillend
genomen, al naarmate ik prophylactische of curatieve werking
wilde onderzoeken. Met behulp der benzidineproef werden zoo
noodig, de faeces op bloed onderzocht.

De infectie had plaats op de volgende manier : Cystenhoudende
faeces werden in een gelijke laag in een petrischaal op vochtig
filtreerpapier ter sporulatie uitgestreken. Veertien dagen later
werd dit materiaal voor de infectie gebruikt. De inhoud der Petri-
schaal werd dan grondig met een hoeveelheid ochtendvoer ge-
mengd. Dit voeder werd dan in 2 of 3 gelijke deelen gesplitst (al
naarmate er met 20 of met 30 kuikens geëxperimenteerd werd)
en dit de dieren voorgezet. Ze kregen geen nieuw voedsel voordat
dit volkomen opgegeten was. Elke groep van 10 dieren werd dus
zoo even sterk geïnfecteerd als de andere. Individueele verschillen
als gevolg van de mogelijkheid, dat niet alle dieren evenveel van
het voeder verwerkten, waren niet merkbaar ; de kuikens honger-
den eenigen tijd voor dezen maaltijd en vielen altijd met groote
eetlust erop aan.

Tijdens den heelen duur van het experiment werd eiken dag de
relatieve cystenhoeveelheid in de faeces bepaald op de volgende
wijze : Eiken morgen werden uit iedere kunstmoeder alle faeces

-ocr page 759-

gehaald (daardoor werden ook re-infecties uitgesloten). Deze
partijen faeces werden elk voor zich goed gemengd en van ieder
deel een gram afgewogen. Elke groep van tien dieren leverde zoo
eiken dag een gram faeces ter onderzoek.

Voor de verdere verwerking van deze hoeveelheid faeces, waar-
door de bepaling van de relatieve cystenhoeveelheid en zoo de be-
studeering van de werking van het geneesmiddel mogelijk werd,
verwijs ik naar deel I.

De microscopische bepaling had, gezien de geringe grootte der
oöcysten, plaats met Zeiss Obj. 8 m.m. Comp. Oc. 6.

EXPERIMENTEN.

1) Experimenten met cresolen per os toegediend.

In de eerste plaats werkte ik met creoline, dat bij konijnencoc-
cidiose zulke goede resultaten gaf.

Tien van dertig op bovengenoemde geïnfecteerde, 15 dagen oude
kuikens kregen vanaf den eersten dag na de infectie dagelijks
i°/00 Pharmacia\'s Creoline als drinkwater (= A), tien anderen
kregen dezelfde hoeveelheid vanaf den derden dag na de infectie
(= B), de tien overige waren contróledieren (= C). De dieren had-
den den drank dus voortdurend tot hun beschikking. Dit kon
zonder bezwaar geschieden, daar ik vroeger vastgesteld had, dat
gezonde kuikens deze hoeveelheid wekenlang zonder schade ver-
dragen.

Fig. i laat de resultaten van het experiment zien.

Van de bij geïnfecteerde dieren vertoonde de controlegroep
C (-kurve) den vierden dag een stijging der relatieve cysten-
hoeveelheid. Den zevenden dag stierven twee dieren, den achtsten
dag weer twee, den elfden dag nog een, dus in \'t geheel vijf. Van
den vijfden dag af was bloed in de faeces te constateeren. Den
twaalfden dag werden er van de vijf overlevende, echter zwaar
zieke dieren, twee afgemaakt ; de sectie gaf een zuiver coccidiose-
beeld te zien. De andere herstelden langzaam, bleven echter nog
langen tijd cysten uitscheiden.

Groep A (---kurve) kreeg vanaf den eersten dag na de in-
fectie i°/oo creoline (pijl). Den vierden dag stierf hiervan een dier,
den zevenden dag drie en den negenden dag nog twee ; dus in het
geheel zes. Den twaalfden dag werd de behandeling gestaakt en
van de vier nog levende dieren twee gedood ; de sectie gaf cocci-
diose. Van de anderen stierf er twee dagen later nog een.

Groep B ( -.— kurve) kreeg vanaf den derden dag na de
infectie i%0 creoline (pijl). Den zesden dag stierven drie dieren,
den tienden dag nog drie. De overlevende werden den twaalfden
dag gedood ; de sectie gaf coccidiose.

Ook alle tijdens het experiment gestorven dieren waren aan
coccidiose gestorven.

-ocr page 760-

o / 2. j v y 6 f 3 y ,o // /i /i tv

t

Verloop van de cystenuitscheiding na experimenteele infectie met coccidiën met en zonder creolinebehandeling.

A en B = behandelde groepen (--en — ■ ) C = controlegroep ( ) = dag der infectie.

Horizontaal de dagen van het experiment, vertikaal de relatieve cystenhoeveelheid.
De pijlen geven den dag aan waarop de behandeling begon. Verdere verklaring in den tekst

-ocr page 761-

Wij zien dus hoe er geen verschil waar te nemen valt tusschen
behandelde en contröledieren. De cystenuitscheiding, de sterf-
gevallen en de secties van de dieren der verschillende groepen
geven een soortgelijk beeld ; invloed der creolinebehandeling is
niet te bemerken.

Daar de dieren, die de creolineoplossing als drinkwater kregen,
in het algemeen weinig dronken, heb ik de proef herhaald met
i°/oo creoline in karnemelk ; de contröledieren kregen dan karne-
melk zonder creoline. Verder was het experiment precies als het
eerste. Ook het resultaat was hetzelfde als dat van de vorige proef ;
cystenuitscheiding, sterfgevallen noch de secties van afgemaakte
dieren lieten invloed van de creoline constateeren.

Ook een in dezen tijd in de practijk uitgevoerd experiment,
waarbij in een door coccidiose bezochte hoenderfokkerij creoline
in karnemelk werd toegediend gaf geen zichtbare resultaten.

Vervolgens voerde ik, daar ik toch geloofde in de curatieve
werking der cresolen, experimenten uit met zuivere tricresol.
Ik koos een vloeistof van de volgende samenstelling : Tricresol
3 c.c. Bicarb. natric. 40 gr. Sirup. simpl. 2000 gr. Aq.
dest. 8000 c.c. 4- 01. Anis. gtt. X. Deze drank werd aan veertien
dagen oude kuikens als drinkwater toegediend in een aan de vorige
volkomen gelijk experiment. Het resultaat was treurig : de behan-
delde dieren toonden t. o. v. de controle geen enkele gunstige in-
vloed van het middel.

Bij een volgend experiment met 20 kuikens (18 dagen oud)
kregen tien diexen vanaf den tweeden dag na de infectie op drie
achtereenvolgende dagen elk 0.5 c.c. van een 0.25 procentige
waterige tricresoloplossing. Dit werd de dieren met behulp van
een spuitje in den bek gedruppeld. De tien andere eveneens geïn-
fecteerde kuikens waren controle. Het resultaat was nihil.

Tot besluit van deze proevenserie wilde ik nog nagaan, of cre-
solen toch misschien prophylactisch eenige waarde hebben. Op
de gewone wijze werd een experiment uitgevoerd : Van twintig
kuikens (elf dagen oud) kregen er tien
i°/oo creoline als drink-
water, de andere waren contröledieren. Na vijf dagen werden beide
groepen even sterk geïnfecteerd. De contröledieren vertoonden
de gewone stijging der relatieve cystenhoeveelheid, zes van hen
stierven binnen tien dagen aan coccidiosis. De behandelde dieren
vertoonden een klein verschil: de cystenuitscheiding, ofschoon
ze optrad, was niet zoo sterk als van de contröledieren en er stierven
slechts drie dieren.

Ook de sectie der overlevende dieren gaven bij de behandelde
dieren een iets minder ernstig beeld te aanschouwen. Ook in de
faeces liet zich dienovereenkomstig tijdens de proef minder bloed
vaststellen.

-ocr page 762-

Deze proef werd herhaald ; nu was echter geen verschil tusschen
behandelde en contrôledieren waar te nemen.

Het ontbrak mij aan tijd om deze proeven te herhalen, wat wel
noodzakelijk is. Want uit deze twee experimenten die elkaar tegen-
spreken laat zich eigenlijk niets concludeeren.

Verder heb ik nog experimenten uitgevoerd met cresolen in
grootere concentraties (tot i%). Het heeft echter geen zin deze
proeven te beschrijven : het resultaat was altijd negatief.

Deze proefserie leert ons dus, dat cresolen in de door mij gegeven
concentraties bij acute coccidiosis van jonge kuikens geen curatieve
werking vertoonen.
Of aan creoline toch wel een, zij het ook geringe
prophylactische werking moet worden toegeschreven, moet toe-
komstig onderzoek uitmaken ; ik kon slechts weinig experimenten
hierover uitvoeren, deze laten geen conclusie toe.

2) Experimenten met formaldehyde per os toegediend.

Daar de behandeling met cresolen mij zoo weinig resultaat
bracht, onderzocht ik de werking van formaldehyde.

Van twintig kuikens (19 dagen oud) kregen tien vanaf den
eersten dag na de infectie de volgende vloeistof als drinkwater :
Sol. Formalin. (0.25%) 800 c.c. 4- Bicarb. natric. 4 gr. 4- Sirup.
simplic. 200 gr. 4- 01. Anis. gtt. III. Tien andere dieren waren
controle. Het succes was zeer gering : een genezende werking der
formaldehyde bleef uit.

De proef werd herhaald met hetzelfde resultaat.

Twintig dieren vertoonden dus in deze twee proeven " ondanks
de formaldehydetoediening geen verschil met 20 even sterk ge-
infecteerde niet behandelde dieren.

Formaldehyde heeft dus in den door mij gegeven vorm bij acute
coccidiosis van jonge kuikens geen genezende werking.

3) Experimenten met catechu en semen arecae, per os toegediend.

Toen nam ik proeven met catechu, een middel dat bij cocci-
diosis veel in de practijk wordt voorgeschreven.

Van dertig kuikens (twintig dagen oud) kregen er tien vanaf
den eersten dag na de infectie drinkwater waarin catechu (1 gr.
catechu pulv. pro 4 L. water) ; tien andere kregen dezelfde
vloeistof vanaf den derden dag na de infectie ; de derde groep was
controle. Binnen twaalf dagen steeg bij alle groepen de cystenuit-
scheiding op dezelfde manier ; vijf dieren der eerste, zes der tweede
en vier der controlegroep stierven aan coccidiose. In de faeces van
iedere groep was rijkelijk bloed aanwezig. De den dertienden dag
afgemaakte dieren hadden alle een heftige coccidiose.

Het experiment werd herhaald, door van twintig dieren tien
vanaf den eersten dag na de infectie dezelfde vloeistof als drink-
water te geven ; eveneens echter zonder succes.

-ocr page 763-

Met semen arecae deed ik de volgende proeven : Twintig even-
oude kuikens (veertien dagen) werden in twee groepen verdeeld,
waarvan een groep controle was. De andere groep kreeg vanaf
den eersten dag na de infectie dagelijks 3 gr. semen arecae pulv.
door het voer gemengd. Het resultaat van de behandeling bleef
echter uit.

Ook een herhaling van deze proef verliep zonder succes.

Twintig met semen arecae behandelde kuikens vertoonden dus
geen verschil met twintig contrôledieren.

Catechu en semen arecae hebben dus in de gegeven concentraties
bij acute coccidiose van jonge kuikens geen therapeutisch effect.

4) Experimenten met naganol, per os toegediend.

Nu voerde ik met naganol (Bayer 205 p. u. vet.) experimenten
uit. Het werd in drinkwater toegediend.

Twintig even oude kuikens (16 dagen) werden over 2 kunstmoe-
ders verdeeld. Tien waren controle, de tien andere kregen vanaf
den eersten dag na de infectie 0.5% naganol als drinkwater1).
(Van te voren had ik vastgesteld dat kuikens deze hoeveelheid
langen tijd verdragen). De cystenuitscheiding steeg vijf dagen
na de infectie bij beide groepen op dezelfde wijze ; van beide
groepen stierven binnen elf dagen twee dieren. De overigen, den
twaalfden dag afgemaakt, hadden matig tot sterke coccidiose.

Het experiment werd herhaald : Van dertig kuikens kregen nu
tien vanaf den vijfden dag voor de infectie 0.5% naganol als
drinkwater ; tien andere kregen dezelfde vloeistof vanaf den eer-
sten dag na de infectie ; de derde groep was controle. Van de eerste
groep stierven drie, van de tweede vier en van de controlegroep
drie dieren aan coccidiose. De cystenuitscheiding steeg bij alle
groepen ; bij de eerste groep verliep de kurve iets lager dan bij de
tweede en derde groep. Dit verschil was echter zoo gering, dat ik
daaruit geen conclusies durfde trekken betreffende de prophylac-
tische waarde van naganol.

In een volgend experiment, uitgevoerd om de prophylactische
werking van naganol na te gaan, kregen van twintig kuikens tien
vanaf vijf dagen voor de infectie de naganoloplossing. Deze proef
verliep echter zonder eenig resultaat.

Uit deze proeven valt te concludeercn, dat naganol, peroraal ge-
appliceerd bij acute coccidiose van jonge kuikens in de door mij ge-
bruikte concentratie therapeutisch noch prophylactisch werkzaam is.

\') Bij het maken der oplossing is het aan te bevelen, het naganolpoeder op de
oppervlakte van het water te strooien.

-ocr page 764-

Discussie.

Het is dus gebleken, dat een aantal dikwijls toegepaste middelen
op den aeuten vorm van coccidiose geen werking uitoefenen. Dat is
eigenlijk, vooral wat de cresolen betreft, een verrassend resultaat,
want bij de konijnencoccidiose vertoonden cresolen een buiten-
gewoon krachtige werking. Zouden deze stoffen nu op het zeer na
verwante hoendercoccidium geen invloed uitoefenen ? Dat zou
toch heel onwaarschijnlijk zijn.

De oplossing van dit vraagstuk ligt m. i. in deze richting : De
gebruikte per os toegediende stoffen, welke direct vanuit den darm
op de parasieten moeten inwerken, zijn goed resorbeerbaar ; ze
verdwijnen dus voor het grootste deel op hun weg door den mid-
dendarm reeds uit het darmlumen. Daar nu bij de jonge kuikens
de coccidiën eigenlijk uitsluitend tot de coeca beperkt zijn, bereikt
slechts een klein deel van het middel zijn doel. Deze kleine hoeveel-
heid is blijkbaar niet voldoende om de parasieten te vernietigen.
Bovendien bevinden de schizonten zich grootendeels subepitheliaal;
de kleine hoeveelheid der therapeutica die de coeca toch nog be-
reikt wordt bij opname in de coecumwand misschien zoodanig
verdund dat een schadelijke werking op de subepitheliale para-
sieten uitblijft.

Nu doet zich de vraag voor, of het mogelij k is therapeutica zoodanig
te appliceeren, dat een flinke hoeveelheid daarvan de coeca bereikt.

Ten eerste dacht ik aan de mogelijkheid, pillen toe te dienen met
een moeilijk verteerbaar kapsel, waarvan de inhoud dus pas aan
het einde der middendarm vrij zou komen. Tot dit doel liet ik
creolinepillen maken met een dik kapsel van formalin-gelatine
of collodium. Daze pillen werden aan zes drie weken oude kuikens
ingegeven. De dieren werden afgemaakt met intervallen van een
half uur, cl. w. z. de eerste een half uur na de toediening, de tweede
een uur na de toediening, enz. Het bleek nu dat de pillen tot ±
anderhalf uur na de toediening onveranderd in de krop bleven, na
twee uur waren ze stukgewreven in de maag te vinden, bij de later
gedoode dieren waren ze spoorloos verdwenen terwijl de geopende
maag sterk naar creoline rook.

Vervolgens werden creolinepillen gemaakt met een dubbel
kapsel; de binnenlaag bestond uit collodium dammarhars, de
buitenlaag uit formalingelatine, of omgekeerd. Het resultaat was
als bij de eerste proef, de pillen werden steeds in den maag reeds
volkomen fijngewreven, slechts zeer kleine partikels komen in
den middendarm. Dus was deze wijze van toediening onmogelijk.

Vervolgens ging ik na, of er met rectale applicatie wat te berei-
ken was; misschien zou een vanuit het rectum voorbij de coeca
gespoten middel later door de darmperistaltiek toch weer in de
blinde darmen terecht komen.

-ocr page 765-

Ik werkte ter orientatie met op 38° C. verwarmde kleurstofop-
lossingen (trypaanblauw) en O.-I. inkt ; spoot deze vloeistoffen
met behulp van een dunne gummikatheter in en doodde de kuikens
na de toediening weer met tusschenpoozen van een half uur. De
resultaten waren zeer onregelmatig ; soms waren de kleurstoffen
in de coeca aanwezig, soms in middendarm en einddarm, maar niet
in de coeca, soms slechts in de einddarm. Hieruit kan de gevolg-
trekking gemaakt worden dat rectaal geappliceerde vloeistoffen
bij kuikens slechts onder bepaalde omstandigheden de coeca be-
reiken ; de werking van een op deze wijze toegediend therapeu-
ticum zal dus onzeker zijn en afhankelijk van factoren die we niet
beheerschen.

Misschien zou er iets te bereiken zijn met gelijktijdige of vooraf-
gegane applicatie van stoffen die de darmspieren verlammen ; het
is echter de vraag of dit in de practijk toepassing zou kunnen
vinden. Van een dergelijke behandeling heb ik daarom voorloopig
afgezien.

5) Experimenten met naganol, subcutaan toegediend.

Hoe staat het nu met naganol ? Bij zoogdieren is bekend, dat
dit middel ook na perorale applicatie lang in het bloed circuleert.
Dus zou bij dit middel de coecumlocalisatie der parasieten geen
bezwaar behoeven te zijn ; na resorptie door den darm zou het nog
vanuit het bloed op de coccidiën kunnen inwerken. Dat gebeurde
echter in de bovengenoemde experimenten niet ; de conclusie is
dus gerechtvaardigd, dat naganol geen voldoende schadelijke wer-
king op de coccidiën uitoefent.

Echter heb ik ter aanvulling nog proeven genomen, waarin ik
subcutane injecties van naganol gaf.1) Ten eerste stelde ik vast,
welke dosis door de dieren zonder schade verdragen wordt. Het
bleek, dat bij veertien dagen oude kuikens 0.5 c.c. 2% naganol
(= 10 mgr.) geen intoxicatieverschijnselen verwekte.

Ik experimenteerde nu op de volgende manier : Dertig kuikens
(zestien dagen oud) werden in drie groepen verdeeld. Tien dieren
kregen op den dag der infectie de bovengenoemde dosis naganol
subcutaan (= groep A) tien dieren kregen een dergelijke injectie
drie dagen na de infectie (= groep B), de rest was controle ( =
groep C).

Bij groep A steeg de cystenuitscheiding, bleef echter lager dan
de cystenuitscheiding der controle ; een dier stierf aan coccidiose.
Toen de dieren na veertien dagen gedood werden, vertoonden de
meeste macroscopisch normale coeca, ofschoon altijd eenige cysten
in den inhoud te vinden waren.

\') Van intraveneuze behandeling zag ik af, daar dit in de praktijk groote be
zwaren oplevert.

-ocr page 766-

Bij groep B trad slechts een geringe cystenuitscheiding op,
geen enkel dier stierf en de secties na afloop van het experiment
gaven normale coeca te zien.

Bij de controlegroep C steeg de cystenuitscheiding sterk, drie
dieren stierven ; de secties van de overige gaven echter ook hier
vele normale coeca te zien.

Als we dus de drie groepen met elkaar vergelijken, zien we dat
er misschien een therapeutisch effect van naganol was te bespeuren ;
misschien echter leek dit slechts zoo, doordat de infectie klaar-
blijkelijk zwak en onregelmatig was.

Het experiment werd dus herhaald op precies dezelfde manier.
Nu was heelemaal geen werking der behandeling te constateeren.
Bij alle drie groepen steeg de cystenuitscheiding sterk ; van de
controle stierven er vijf, van de beide behandelde groepen elk zes
dieren aan coccidiose. De sectie der overlevende kuikens gaf overal
duidelijke coccidiose te zien.

Ik herhaalde deze proef nogmaals ; nu kregen van twintig kui-
kens tien den eersten dag na de infectie de gewone hoeveelheid
naganol. Resultaat bleef volkomen uit.

Deze experimenten laten ons dus zien, dat ook na subeutane toedie-
ning in de genoemde dosis bij acute coccidiose van jonge kuikens
naganol geen duidelijke curatieve werking uitoefent.

6) Experimenten met Yatren, intramusculair toegediend.

Tot slot van de proef serie betreffende chemotherapeutische be-
handeling experimenteerde ik met Yatren. Dit middel schijnt
immers bij amoebendysenterie van den mensch een duidelijk ge-
nezende werking te vertoonen, misschien kon ook deze darmziekte
ermee bestreden worden.

Yatren wordt door jonge kuikens slecht verdragen ; orientee-
rende proeven lieten zien, dat slechts een injectie van 0.5 c.c. 2%
verdragen wordt, grootere hoeveelheden geven aanleiding tot
intoxicatie en sterfgevallen.

Van dertig kuikens kregen nu tien op den dag der infectie de ge-
noemde dosis intramusculair, tien kregen deze injectie den derden
dag na de infectie, de rest was controle. Een werking van het mid-
del was echter niet waar te nemen.

Ook een herhaling van de proef gaf hetzelfde ongunstige resul-
taat.

Yatren vertoont dus in de gegeven dosis bij acute coccidiose van
jonge kuikens geen genezende werking.

7) Experimenten met lactose, peroraal toegediend.

Zooals ik boven zei, hebben Beach en Davis door voeding met
lactose een gunstige beïnvloeding der ziekte geconstateerd. Volgens
hen is dit resultaat daarop terug te voeren, dat door de lactose de

-ocr page 767-

waterstofionen-concentratie in de coeca veranderd wordt (dat
stelden ze experimenteel vast) op een voor de parasieten ongun-
stige manier.

Ik had geen gelegenheid pH metingen uit te voeren ; ik nam
dus hun observaties als vaststaand aan.

Experimenten voerde ik uit op de volgende manier : Dertig
twaalf dagen oude kuikens werden over drie kunstmoeders ver-
deeld. De eerste en tweede groep kregen vanaf den tweeden dag
voor de infectie dagelijks 40% lactose in het ochtendvoer (d. w. z.
het voedsel bestond dus voor 60% uit ochtendvoer en voor 40%
uit lactose). De rest was controle. Alle drie de groepen vertoonden
een stijging in de cystenhoeveelheid ; bij de met lactose gevoerde
dieren was de cystenuitscheiding echter geringer dan bij de con-
trole. Geen enkel dier stierf. Aan het eind van het experiment
werden de dieren gedood, ze vertoonden alle een lichte coccidiose.
De infectie was dus zwak geweest.

Het experiment werd op precies dezelfde manier herhaald. Nu
stierven van de twee behandelde groepen respectievelijk zeven en
vier, van de controlegroep vijf dieren. Ook de cystenuitscheiding
en de secties der overlevende dieren lieten nu geen verschil met
de controle waarnemen.

Een derde proef werd op dezelfde wijze uitgevoerd. Alle drie de
groepen vertoonden een soortgelijke cystenuitscheiding. Van de
behandelde groepen stierven respect, twee en drie dieren, van de
controle zes aan coccidiose. De sectie der overlevenden gaf bij alle
coccidiose te zien, bij de behandelde dieren echter meestal in gerin-
gere mate dan bij de controle.

Uit deze experimenten blijkt, dat voeding met lactose eenige in-
vloed op het ziekteverloop uitoefent ; een specifieke werking op de
coccidiën bestaat echter niet.
De invloed is zoo gering, dat reeds bij
een eenigszins sterke infectie (zooals in het tweede experiment)
de ontwikkeling van de parasieten slechts zoo weinig wordt gedrukt,
dat hiervan in de cystenkurven niets te zien is. Bij sterke infecties
is van een invloed der lactose geen sprake meer.
Lactose zal dus
slechts bij lichte gevallen een gunstige invloed op het verloop der ziekte
kunnen uitoefenen.

Hierdoor worden de resultaten van Beach en Davis bevestigd.

Overzien we de beschreven serie van experimenten, dan blijkt
dat bij de vele door mij geprobeerde, in de practijk dikwijls toege-
paste middelen geen enkel werkelijk specifiek werkend therapeu-
ticum is. Gedeeltelijk moet dit daarop worden teruggevoerd, dat
de stoffen de parasieten onvoldoende bereiken kunnen ; gedeel-
telijk echter hebben ze werkelijk geen parasiticide eigenschappen.
Een rationeele therapeutische behandeling der hoendercoccidiose
is dus niet gevonden ; we zullen ons voorloopig tevreden moeten
stellen met een goede prophylaxis (zie
Krijgsman 13). Aangezien

-ocr page 768-

ik momenteel niet verder in de gelegenheid ben verder over dit
vraagstuk te werken, moest ik de experimenten eindigen. Ik pu-
bliceer hier de grootendeels negatieve resultaten omdat zij mis-
schien eenige waarde bebben als basis voor verder onderzoek.

Conclusies

1. Cresolen, formaldehyde, catechu, semen arecae, naganol en
yatren ontplooien bij de door mij toegepaste behandelingswijze bij acute
coccidiose van jonge kuikens geen curatieve werking.

2. Voeding met lactose oefent misschien bij lichte gevallen een
zekere gunstige werking op het verloop der ziekte uit. Daar lac-
tose bovendien beteekenis heeft als voedingsstof, is toediening van
lactose of melkproducten bij het opfokken van kuikens aan te be-
velen.-

3. Rectale behandeling der coecumcoccidiose is niet uitvoer-
baar.

Utrecht, September 1928.

LITERATUUR.

1. Beach, J. R. en Davis, D. E. : Hilgardia. i. 1925.

2. Beach, J. R. en Freeborn, S. B. : Univ. Calif. Coll. Agric. circ. 251. 1922.

3. Berge, : D. t. W. 29. 1921.

4. Curson, H. H. : Journ. Departm. Agric. South. Africa 1920.

5. Ericksen. : Journ. Am. Vet. Med. Assoc. 1925.

6. Günther. : In. Diss. Berlin 1923.

7. Hosoda, S. : Fukuoka-Ikwadaigaku-Zasshi. 21. 1928.

8. Johnson, W. F. : Journ. Am. Vet. Med. Assoc. 1926.

9. Krijgsman, B. J. : Tijdschr. v. Diergeneesk. 53. 1926.

10. ,, : Centralbl. f. Bakt. I. 101. 1926.

11. ,, : Tijdschr. v. hygiëne, enz. 1926.

12. ,, : Arch. f. Protistenkunde. 56. 1926.

13. „ : Centralbl. f. Bakt. I. 1928.

14. Meyer, K. F. en Crocker, W. J. : Am. Vet. Rev. 1913.

15. Morse. : Jlirb. Vet. Med. 1908.

16. Patterson, J. : Journ. Am. Vet. Med. Assoc. 69. 1926.

17. Rosencrantz. : Arch. wiss. Tierheilk. 50. 1924.

18. Sciimidt-Hoensdorf. : Centr. BI. Bakt. Ref. 89. 1928.

19. Stafsetii, H. J. : Dep. Bact. Michig. State Coli. 1927.

20. Ströse. : D. t. W. 23. 1915.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser prüfte die Wirkung verschiedener Medikamente gegenüber der Hiih-
nerkokzidiose nach.

Die Verabreichung von Kresol, Formaldehyd, Catechu, Semen arecae, Naganol,
per os, von Naganol subkutan, und von Yatren intramuskulär, hatte keinen thera-
peutischen Effekt.

Auch Laktose hatte keine spezifische Wirkung auf die Kokzidien.
Bei leicht infektierten Tieren erwies sich jedoch Laktose als wirksam, wahr-
scheinlich durch günstige Beeinflussung des Nahrungszustandes.
Rectale Behandlung der Coecumkokzidiose ist nicht möglich.

-ocr page 769-

SUMMARY.

The author carried out experiments with several medicaments in fowl-cocci-
diosis.

Cresol, formaldehyde, catechu, semen arecae, naganol, given by the mouth,
naganol administered subcutaneously and Yatren administered intramuscularly
were therapeutically ineffective.

Also lactose had no specific action upon the coccidia. However, lactose has given
good results in cases of slight infection, probably on account of its nutritional
value.

Treatment of coecum-coccidiosis per rectum is of no avail.

RÉSUMÉ.

L\'auteur passe successivement en revue les différents médicaments dont il s\'est
servi dans le traitement de la coccidiose chez les poules.

Il ressort de ses expériences que l\'administration de crésol, de formaldehyde, de
catechu, de semen arecae et de naganol, par voie buccale, de naganol par injection
sous-cutanés et de yatren par voie intra-musculaire n\'avait pas une action théra-
peutique.

La lactose aussi n\'avait pas une action spécifique sur les coccidies. Pourtant dans
des infections légères elle excerce une action favorable, probablement à cause de
sa valeur nutritive.

Le traitement rectale de la coccidiose du coecum n\'est pas possible.

BLADVULLING.

Ultraviolette stralen.

De medical research council in Engeland stelde een onderzoek in naar de waarde
der ultraviolette zonnestralen. Van de schoolkinderen van Willesden werden
gedurende de
winter sommige bestraald andere niet. Als de omstandigheden de-
zelfde waren bleek de bestraling geen invloed te hebben op lichaamsgewicht,
lengtegroei en opgewektheid ; lichte ongesteldheiden (kouvatten) waren het meest
onder de bestraalde voorgekomen. Goed voedsel en beweging in de open lucht zijn
goedkooper en beter.

Nu heeft de gezondheidsdienst te Chicago gedurende 16 maanden dagelijks en
van uur tot uur het gehalte aan ultraviolette stralen gemeten in het zonlicht dat
in het gebouw van den dienst naar binnen scheen en daarbij bleek dat dit gehalte
gedurende de
herfst- en oiiM/ermaanden (van September tot i April) gering was ;
de beste ultraviolette uren waren dan nog van 9 tot 5 uur in April en Sept., van
10 tot 3 in Febr. en Maart en van half 11 tot 2 uur in October. (ref. Pinkhof in
N. T. v. G. 1929, I, blz. 2566).

Gebruik van zoethout en drop.

Beal en Lacey (Journal, Pharm. Weekbl., 1929, No. 21, blz. 449) wijzen er
op dat zoethout en drop reeds duizenden jaren in gebruik zijn ; in oude Chineese
Medicijnboeken is zoethout een der voornaamste geneesmiddels ; ook in Indië
en Egypte was het bekend.

Cunning meent dat het gebruik van een middel dat zich eeuwen handhaaft,
wel een goede reden kan hebben al wordt die niet dadelijk door de wetenschap
begrepen. Het zou mogelijk zijn dat de goede werking van liquiritia te danken is
aan het glucuronzuur, dat volgens
Quick een waardevol detoxificeerend middel is.

VR.

-ocr page 770-

(Uit het Zoötechniseh Instituut der Rijks-Universiteit te Utrecht.
Directeur: Prof. Dr. H. M. KROON).

DE STRIJD TUSSCHEN AUTO EN PAARD, EN ZIJN INVLOED
OP DE PAARDENFOKKERIJ IN NEDERLAND,

DOOR

Prof. Dr. H. M. KROON.

Vervolg van bladz. 691.

III. Het vervangen van het paard door de auto, en het behoud van
het paard.

Laten wij nu nagaan waar en waarvoor het paard vroeger ge-
bruikt werd, waar het door mechanische tractie is vervangen of
wordt vervangen.

Vroegere eeuwen, diende het paard als rij-, landbouw-, trek- en
koetspaard.
De wegen waren niet bestraat, zelfs de straten der
steden waren niet geplaveid, keien of klinkers werden voor be-
strating weinig of niet gebruikt. Daardoor kon het paard, ten-
minste het tuig- en trekpaard, bijna uitsluitend in stap gebruikt
worden, de klei-, modder-, zand- en veenwegen lieten veelal geen
draf toe. Wij kunnen er ons haast geen voorstelling van maken,
hoe onze voorouders in hunne koetsen in stap afstanden moesten
afleggen b.v. van Groningen naar den Haag of van Maastricht naar
Utrecht.

Alleen onder den man gereden konden de paarden grootere
afstanden in draf gaan. Te voet gaan was goed voor kleine afstan-
den, door de dikwijls slechte wegen waren voor grootere afstanden
paard en kar, wagen of koets noodig. Toch liep men toen ook
groote afstanden. Zoo legden, om een voorbeeld te noemen, de
Nederlandsche jongelui, die in het begin van de vorige eeuw aan
de veeartsenijschool te Alfort bij Parijs studeerden, voor en na de
vacanties steeds de reis te voet af.

In de wegen kwam vooral verbetering onder Napoleon. Toen
werden overal in Europa, ook in ons land, groote heerwegen aan-
gelegd. Vele bekende groote straatwegen dateeren uit dien tijd.
Het is bekend, dat toen reeds de vrees geuit werd, dat het aantal
paarden daardoor zou verminderen ; vele rnenschen zouden de
paarden afschaffen, nu men zich over de mooie wegen zoo gemak-
kelijk te voet kon verplaatsen. Het is natuurlijk nu wel in te zien
dat die vrees toen ongegrond was.

Een tweede aanleiding tot de vrees, dat het aantal paarden sterk
zou verminderen, was de invoer der spoorwegen, waarmee c.a.
1840 begonnen werd. Men redeneerde aldus : voor verre afstanden
zal iedereen het spoor verkiezen boven koets of wagen ; het paard

LVI 51

-ocr page 771-

zal alleen over korte afstanden gebruikt worden ; er zullen er dus
veel minder noodig zijn. Een afnemen van het aantal paarden is
echter niet gevolgd, vooral omdat de spoorwegen een opbloei
brachten van handel en industrie, ook van den landbouw, waar-
door voor deze takken van bedrijf meer paarden noodig waren.

Toch zullen wij zien, dat de aanleg der spoorwegen, het begin
van de mechanische tractie te land, wel van invloed is geweest
op het gebruik van het paard. Later volgden lokaaltreinen, buurt-
sporen, stoomtrams, electrische trams, fietsen, motorfietsen, per-
sonenauto\'s, motorvrachtwagens, autobussen, die alle met het
paard in concurrentie traden. Laten wij nagaan welken invloed
deze concurrentie in den loop der jaren heeft uitgeoefend.

Het eerst begonnen de postpaarden te verdwijnen. In mijn prille
jeugd was de postkar of postwagen niet alleen het vervoermiddel
voor brieven, couranten enz. doch ook voor personen. Van de
kleine steden uit reden postwagens naar de dorpen ook in een
verren omtrek, andere postwagens legden lange trajecten af tus-
schen de dorpen. De postkar en het postpaard zorgden voor het
publieke verkeer ; het aantal postpaarden was groot. De postrit-
ten werden meestal aanbesteed aan stalhouders, ook hielden de
posterijen zelf wel postpaarden. Vooral tweede soort tuigpaarden
werden daarvoor gebruikt. Deze postpaarden zijn nu geheel ver-
dwenen, lang hebben zij nog in de steden dienst gedaan, doch de
laatste jaren zijn zij ook daar door auto\'s vervangen.

Een tweede groep van paarden, die spoedig niet meer noodig
was, waren de
jaagpaarden, die voor de trekschuiten liepen of
zorgden voor het vervoer van allerlei schepen langs kanalen en
rivieren. Op de jaagpaden waren steeds de sporen van een drukke
paardenpassage zichtbaar.

Door stoombooten, buurtsporen, trams, verdwenen spoedig de
trekschuiten, waarmee onze voorouders hunne reizen maakten en
waarvan wij nog zoo goed de beschrijving kennen uit de Camera
Obscura. Zelf heb ik in Drenthe nog wel eens reizen gemaakt per
trekschuit, daar ,,snik" genaamd, en thans komen bv. in de om-
geving van Smilde en in het Oranjekanaal nog dergelijke door
paarden getrokken trekschuiten voor. Het trekken van schepen
door jaagpaarden is niet meer noodig, doordat op de rivieren sleep-
bootjes het werk hebben overgenomen en reeds zeer veel schepen
over eigen scheepsmotoren beschikken. Het paard, dat vroeger
de oevers van rivieren en kanalen stoffeerde, werd ook hier over-
bodig.

Het verkeer tusschen de verschillende deelen van ons land,
vooral tusschen grootere steden, werd in het midden der vorige
eeuw onderhouden door
omnibussen, die dikwijls groote afstanden
aflegden en geregelde diensten hadden georganiseerd. Ook waren
er vaste omnibusdiensten, die de bewoners van de meer afgelegen

-ocr page 772-

dorpen op den marktdag ter markt brachten. Ik herinner mij uit
mijn studententijd nog, dat in Utrecht op deNeude verschillende om-
nibussen aankwamen, vooral van de Veluwe en uit de Geldersche
vallei. Vele paarden waren voor de omnibussen noodig, zij zijn
echter weer geheel overbodig geworden.

Een categorie van paarden, die ook geheel verdwenen is zijn de
trampaarden. Vroeger werden de stadstrams, doch ook de trams
naar omliggende plaatsen b.v. de trams van Utrecht naar Zeist
en naar Vreeswijk door paarden bediend. Vooral in de groote steden
liep het aantal trampaarden in de honderden, meest werden Per-
cherons en Ardenners gebruikt. Als deze paarden zooveel geleden
hadden, dat zij den tramdienst niet meer konden volhouden, wer-
den zij nog als sleepers- of als boerenpaarden gebruikt.

Zeer zeer sterk is verminderd het aantal luxe-tnigpaarden. Toen
men door fiets en auto grootere snelheden gewoon werd, was er
eerst nog vraag naar sneller loopende tuigpaarden met meer
uithoudingsvermogen en chic, doch deze is ook sterk verminderd,
zoodat het aantal luxe-tuigpaarden zeer gering geworden is.
Enkele liefhebbers zijn er nog, die gaarne met een luxe-tuigpaard
rijden, met Hackneys de concourses hippique bezoeken ; in de
meeste gevallen, dat men nog in onze steden een span luxe-paarden
ziet, is dit echter het eigendom van een oude dame of heer, die
aan de tradities vasthouden en zich nog niet in het autogebruik
hebben ingeleefd. De luxe-tuigpaarden zijn voor het overgroote
deel van het tapijt verdwenen en ik geloof niet dat zij als zoodanig
weer terug komen. Mogelijk is, dat het nog eens mode wordt, als
hooge luxe wordt beschouwd, b.v. met een span Friesche paarden,
een span Oldenburgers, met Hackneys of Anglo-Normands te rijden,
wat nog een korte opbloei van fokkerij en handel zou kunnen ten
gevolge hebben, doch veel stel ik mij daar niet van voor. De mode
is echter grillig, er valt moeilijk op te speculeeren. Het groote be-
zwaar is, dat het geen genot meer is met paard en rijtuig te rijden
tusschen het drukke autoverkeer, waarom de paardenliefhebbers
zelfs geen tuigpaarden meer zullen houden.

Ook de stalhouderijen zijn in zeer sterke mate achteruitgegaan.
Vroeger werden de stalhouderspaarden veel gebruikt ook voor
lange afstanden. Zoo weet ik dat b.v. in Deventer, waar ik vroeger
woonde, elke week \'s Maandagsmorgens wel vijf en twintig til-
burys gereed stonden voor handelsreizigers, die de provinciën
Gelderland en Overijssel bezochten, van dorp tot dorp reden en
eerst Vrijdags of Zaterdags terug kwamen. Verder maakten amb-
tenaren van de belastingen, van waterstaat, van geneeskundig en
diergeneeskundig staatstoezicht en vele anderen, die werkzaam-
heden in de afgelegen dorpen hadden te verrichten, gebruik van
de stalhouderijen. Het maken van lange ritten was hoofdzaak.
Zoo herinner ik mij, dat er in mijn jeugd, mijne ouders woonden

-ocr page 773-

op een dorp tusschen Deventer en Zutphen, soms plezier-tochten
werden gemaakt, tot naar Velp, Arnhem en Oosterbeek, naar
Lochem enz., enkel als amusement, waarvoor wij al vroeg moesten
vertrekken en \'s avonds laat thuis kwamen. Wat toen een amuse-
ment was, zou nu niet meer in de smaak vallen.

Die lange ritten zijn al lang verdwenen, doch het aantal stal-
houderspaarden verminderde daardoor niet. Er waren stalhouders,
die ook daarna nog meer dan honderd paarden op stal hadden en
in iedere plaats van eenig belang had men zelfs verscheidene stal-
houderijen. Dit kwam, vooral in de steden, door de grootere luxe,
waaraan de menschen gewoon raakten. Iedereen ging „toeren"
uitstapjes maken in de omgeving, iedere vereeniging ging „pot-
verteren" per Jan plezier, studenten reden bij iedere denkbare
gelegenheid, (Utrecht had zelfs den naam van rijacademie), het
visiterijden werd algemeen, voor trouwpartijen en begrafenissen
werden veel meer paarden gebezigd, zoodat de stalhouderijen een
tijdperk van bloei doormaakten.

Van beteekenis waren de stalhouderijen vooral ook voor de
paardenfokkerij, omdat zij een goed afzetgebied vormden voor de
tweede en derde kwaliteit paarden.

De stalhouderijen lijden nu al sedert jaren een kwijnend bestaan,
gaan meer en meer achteruit, verdwijnen de een na de ander. Het
feit, dat voor begrafenissen, ten minste als die niet over verre
afstanden gaan, nog bijna steeds, en voor trouwpartijen nog dik-
wijls, paarden gebezigd worden, is dunkt mij de reden, dat nog
enkele stalhouderijen blijven bestaan, die echter dan dikwijls ook
auto-verhuurderijen zijn. Het verhuren van
maandpaarden, vroeger
een bron van inkomsten, komt niet meer voor. Met de stalhouderijen
zijn een groot aantal paarden verdwenen.

Zoo goed als verdwenen zijn ook de ,,aapjes", de gestation-
neerde rijtuigen in de steden, die vooral het personenvervoer be-
zorgden. Da electrische tram en de autos hebben deze bijna geheel
verdrongen. Er zijn er nog enkele, met zeer buitengewone drukte,
bij feesten e. d., bij nacht en ontijd, komen er nog te voorschijn.
Ook ziet men ze in sommige buitenlandsche steden nog gesta-
tioneerd, voor het rijden van vreemdelingen door de parken en
de allernaaste omgeving. De tijd, dat b.v. in Amsterdam het aantal
aapjes heel groot was, groote kapitaalkrachtige maatschappijen
dezen tak van bedrijf organiseerden en onderhielden, is reeds lang
voorbij. Ook het aapjespaard behoort zoo goed als tot het verleden.

Uit den tijd zijn ook geraakt de paarden van artsen en dieren-
artsen,
ieder bedient zich, ook uit een snelheidsoogpunt, van auto
of motorfiets.

Eveneens ziet men weinig of niet meer, dat de boeren en ook
andere buitenwonende menschen een tuigpaard,
een klepper,
houden, om naar kerk, markt of vergadering te rijden, kinderen

-ocr page 774-

van en naar school te vervoeren. Zag men vroeger bij een kerkdienst
of bij een landbouwvergadering, een groote verzameling van aller-
lei vehikels voor paarden, nu ziet men enkel autobussen, auto\'s,
motorfietsen of fietsen. De boer zelf bedient zich in vele gevallen
van mechanische tractie en niet meer van het paard. Het terrein
der koets- of tuigpaarden is dus buitengewoon ingekrompen.

Het heeft wat langer geduurd voor het trekpaard plaats moest
maken voor den motor. Reeds voor r92o waren er verschillende
zaken, die lichte auto\'s namen voor het snel rondbrengen van waren
aan de klanten. Eerst was het aantal winkels, bazars, warenhuizen,
dat zich van autotractie bediende, gering, dit is sedert dien echter
geregeld toegenomen, jaar op jaar kwamen er meer lichte auto\'s
bij, het is tegenwoordig voor het prestige van menige zaak noodig
om de waren per auto thuis te brengen. Het feit, dat zich rondom
de groote steden veelal een reeks van buitenwijken en forensen-
dorpen ontwikkelde, welke ook dikwijls van de stad uit bediend
moesten worden, werkte het meer en meer in gebruik komen van
lichte auto\'s in de hand. Men behoeft op straat maar rond te kijken
om te zien, dat het aantal dezer auto\'s in de meest uiteenloopende
vormen zeer groot is en nog geregeld toeneemt.

Het gebruik van zware vrachtauto\'s heeft eigenlijk eerst ingang
gevonden na het sluiten van den wapenstilstand in 1918 en na de
vrede, toen vele van zulke auto\'s voor betrekkelijk lagen prijs
werden van de hand gedaan, en allerlei handelszaken, fabrieken,
sleepers en stalhouders er toe overgingen zulke wagens aan te
schaffen. Wij zagen nu, dat velen de trekpaarden afschaften en
de zware vrachten per vrachtauto vervoerden. In vele gevallen,
vooral als zware vrachtetf over betrekkelijk groote afstanden
vervoerd moesten worden, bleken de auto\'s voordeelen op te le-
veren. Toch zijn niet alle trekpaarden verdwenen, ziet men zelfs,
nu de eerste rage van de zware vrachtauto\'s voorbij is, hier en daar
weer trekpaarden komen in de plaats van de vrachtauto\'s. Bij het
vervoer, ook van zware vrachten, over groote afstanden, zonder
dat veel stilgehouden behoeft te worden, is de vrachtauto algemeen
ingevoerd. De vele trekpaarden, die vroeger gebezigd werden om
vrachten naar buiten te vervoeren, b.v. voor het vervoeren van
bouwmaterialen e. d., zijn door motorwagens vervangen. De
mooie spannen trekpaarden in de in aanbouw zijnde straten in de
buitenwijken der steden, door den schilder Breitner zoo schitterend
op zijn schilderijen weergegeven, zijn verdwenen.

En zelfs de handelsfirma\'s, als bierbrouwerijen, fouragehande-
laars, ijshandelaren, ijzerhandelaren e. d. hebben toch een deel
van hunne paarden door auto\'s vervangen, en wel voor het vervoer
over eenigen afstand. Voor het bezorgen echter in de steden,
waarbij met een zware vracht, dikwijls moet worden stilgehouden,
houden zij nog trekpaarden, omdat motorwagens daarvoor te duur

-ocr page 775-

in exploitatie komen. Ook in het havenbedrijf, voor het vervoer
van de pakhuizen naar de booten of omgekeerd, blijft men naast
motorvrachtwagens ook de paarden-tractie behouden. Dit te
meer omdat bierbrouwerijen zelf paardenvoeder fabriceeren,
fouragehandelaren, broodfabrieken e. d. de granen voor het paard
betrekkelijk goedkoop kunnen koopen ; de prijs der fourages speelt
hierin ook een rol.

Vroeger werden veel paarden gebruikt voor meubeltransport,
voor het vervoer van de wasschen van de dikwijls ver afgelegen
wasscherijen naar de steden, en door
vrachtrijders. In deze diensten
is het paard zoo goed als verdwenen en geheel door mechanische
tractie vervangen, ook hebben de
sleepersen, die vroeger in de
steden een aantal paarden hadden, waarmee allerlei vrachtvervoer
plaats had, weinig meer te beteekenen en vele bedienen zich dan
nog van vrachtauto\'s of tractoren ; ook de
spoorwegen en van Gend
en Loos
hebben veelal de paarden door auto\'s vervangen. Bij de
brandweer komen geen paarden meer voor en bij de reinigings-
diensten
in de steden gaan de paarden, die alleen loonend zijn
wanneer het kleine afstanden betreft, ook tot de uitzonderingen
behooren.

Het meest worden de paarden gebruikt in den landbouw en daar
zullen zij ook hun plaats blijven innemen. De tractor, zoo veel-
vuldig aanbevolen, is voor onze landbouw weinig geschikt ; voor
veel bodems is hij te zwaar, de grintlandwegen hebben te veel te
lijden en verder zijn bijna alle boerderijen zoodanig verkaveld,
dat met een tractor niet veel uit te richten is.

Alleen op zeer groote boerderijen kan naast de paardentractie
wel met voordeel een tractor gehouden worden. Het aantal land-
bouwtractoren in Nederland op i Januari 1928 is niet groot, in
het geheele land zijn er 454 en ik geloof niet dat dit aantal sterk
zal toenemen.

Gebleven is het paard bij het vervoer van de melkbussen van de
boerderijen naar de zuivelfabrieken. Algemeen ziet men die melk-
wagens buiten nog rijden. Het feit, dat bij elke boerderij stilge-
staan moet worden zal wel de oorzaak zijn dat hier weinig vracht-
auto\'s worden gebezigd. Veel
hitten worden nog gebruikt voor
groentewagens in de steden, voor het vervoer van melk van boer-
derijen naar melkhandelaren of melkinrichtingen in de steden,
voor
melk distributie, terwijl ook de kleinhandel op het platte land,
nog gaarne, voor zoover geen trekhonden gebruikt worden, hitten
bezigt.

Aan de steenfabrieken, waar vroeger veel hitten werden gebezigd,
is hun aantal sterk verminderd en ook de trekpaarden voor het
kleivervoer zijn meestal door mechanische tractie vervangen.

Afgenomen is ook het aantal renpaarden en harddravers. Dit is
echter niet te wijten aan den invoer van auto\'s of motorfietsen,

-ocr page 776-

doch aan het verbod van wedden, van bookmaker en totalisator,
bij invoering van de zedelijkheids wetten. Of de motorrennen, die
nog al veel publiek hebben, dezelfde liefhebbers trekken als de
rennen en harddraverijen, kan ik niet zeggen.

Verminderd is verder het aantal paarden in het leger. Wij geven
hier een lijstje van het aantal paarden in het Nederlandsche leger
over enkele jaren (bij deze getallen zijn niet medegerekend de
paarden in eigendom van officieren, van marechaussee en de nog
niet afgerichte remonte paarden).

Aantal legerpaarden.

In het jaar 1913 4682 paarden

,, ,, 1921 4811 ,,

,, „ ,, 1924 3358

,, ,, „ 1928 3039

Op i Januari 1929 had ons leger voor de cavalerie . . . 1209 paarden

,, ,, artillerie .... 1605 ,,
,, treinafdeelingen . 180 ,,

Samen . . . 2994 paarden

Er is dus een vrij sterke achteruitgang.

Er is alle reden om te verwachten, dat het aantal nog verder
zal dalen. Kapitein
Polis hield op 25 Januari 1929 te Rotterdam
voor de Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap een
voordracht over motoriseering der legers, ook van Nederlandsch
standpunt bezien, waarin hij vooral wijst op de groote vooruit-
gang van het gebruik van motortractie bij de artillerie, de nood-
zakelijkheid van algeheele motoriseering bij het verder doorvoeren
van de mechaniseering van de strijdmiddelen.

De Fransche generaal Camon wil zelfs de cavalerie geheel af-
schaffen en door auto\'s vervangen. Ik spreek nu nog niet over het
streven naar ontwapening, waaraan in Genève gewerkt wordt,
dat bij de komende verkiezingen in ons land een partij leuze wordt
en die, naar ik hoop en verwacht, in ons land binnen afzienbaren
tijd zal bereikt worden.

Ten slotte kan ik wijzen op een gebied, waar de laatste jaren
toeneming van het aantal paarden op te merken is. De
rijsport,
de ruitersport
herleeft de laatste jaren, het aantal maneges neemt
toe, de
rijsportvereenigingen, jachtvereenigingen bloeien, in en om
de groote steden vooral ziet men meer heeren- en damesruiters.
En ten platten lande heeft de
landelijke ruitersport ingang gevonden.
Het aantal boerenzoons en -dochters die als leden der vereeniging
van landelijke ruiters, geregeld paardrijden en de paardensport
beoefenen, neemt sterk toe ; de Federatie van landelijke ruiter-
vereenigingen doet alle moeite om deze liefhebberij aan te wak-
keren. Daar Duitschland ons in deze is voorgegaan, heeft men wel
eens beweerd dat wij hier met verkapt militaire oefeningen te doen

-ocr page 777-

hebben. Houden wij in het oog wat hier te lande plaats heeft en
bedenken wij dat uit Amerika berichten komen, dat daar de lan-
delijke ruitersport zich sterk uitbreidt en bloeit, dan lijkt mij voor
de vrees van militaire intenties geen reden te bestaan. Of echter
de landelijke ruitersport grooten invloed zal uitoefenen op de fok-
kerij van landbouw- en luxe-tuigpaarden en van trekpaarden
valt mijn inziens te betwijfelen. In elk geval is het aantal rijpaar-
den toenemend, hebben wij hier een der weinige groepen waar
vermeerdering is waar te nemen.

IV. Voor- en nadeelen van motor- en paardentractie.

Laat ik nu probeeren om enkele voor- en nadeelen van het paard
te stellen tegenover voor- en nadeelen van de auto.

Paard en rijtuig of paard en vrachtwagen zijn goedkooper m
aanschaffing dan luxe-auto\'s of vrachtauto\'s. Paarden zijn te ge-
bruiken in terreinen, waar de auto, vooral de vrachtauto, niet ge-
schikt is ; men denke hier b.v. aan veenachtige bodems. Zelfs zijn
verscheidene wegen voor autos, vooral boven een bepaald gewicht,
verboden. Verder zijn, als wij eens 4 paarden vergelijken met b.v.
een 20 P.K. vrachtauto, de paarden samen te gebruiken, doch
kan men ook ieder paard afzonderlijk voor verschillende werk-
zaamheden bezigen, terwijl de 20 P.K. van de auto ondeelbaar
zijn. Voor vele bedrijven, vooral boerderijen, leveren paarden
hierdoor groote voordeelen op. Dan kan een paard de trekkracht
voor korten tijd buitengewoon verhoogen
; van Rijn zegt in zijn
proefschrift „Trekproeven bij paarden", Utrecht 1929 van wel
1000%. Hierdoor krijgt men het voordeel, dat paarden, als zij
aangespoord worden, voor zeer korten tijd een zware vracht kun-
nen trekken. Een zeer zware wagen vergt voor het aan den gang
brengen een groote trekkracht, terwijl de wagen eenmaal in be-
weging zijnde veel minder trekkracht eischt. Paarden zijn in dit
opzicht soepeler dan motoren, die, als zij in die mate overbelast
werden, den dienst zouden weigeren. Voor zware vrachten, die
dikwijls moeten stilhouden, is paardentractie daarom aangewezen.

Men geeft ook op, dat de bedrijfszekerheid van het paard grooter
is dan van motoren. Ik kan dit niet beoordeelen, doch meen dat de
auto\'s wel zoo verbeterd zijn dat dit verschil niet groot kan
wezen.

Wat de bezwaren van paardentractie betreft, moet ik ten eerste
aanvoeren dat paarden gevoederd moeten worden en behandeling
eischen ook op dagen en tijden, dat zij niet gebruikt worden.
Verder dat het uithoudingsvermogen van het paard beperkt is,
zoodat het slechts een deel van een etmaal is te gebruiken, en de
afstand die het kan afleggen, hetzij voor een rijtuig, hetzij voor
een vrachtwagen, altijd binnen vrij enge grenzen blijft. Een be-
zwaar wordt ook genoemd, dat het paard dikwijls nukkig is en niet

-ocr page 778-

voldoende naar den koetsier luistert, waardoor ongelukken niet
altijd te voorkomen zijn.

De beperkte snelheid maakt, dat het paard tusschen de vele
auto\'s, autobussen, motorfietsen en fietsen in den weg loopt ;
wegens de geringe snelheid kan het met het groote verkeer niet
mee. Bij groote hitte of koude legt het paard het eerder af dan
de auto, terwijl door de \'s winters niet te ontberen scherpe kal-
koenen de clure plaveisels worden aangetast. Van militaire zijde
worden, o.a. door Kapt.
Polis in zijn voordracht in de Vereeniging
ter beoefening van krijgswetenschap, als bezwaren aangevoerd
dat het paard in oorlogstijd dure haver noodig heeft, die voor een
groot deel uit het buitenland moet komen, dat de opleiding tot
ruiter veel meer tijd eischt dan de opleiding tot chauffeur, en
dat het paard niet tegen giftgassen te beschermen is. Deze laatste
mededeelingen moet ik geheel laten voor rekening van Kapt.
Polis, ik ben niet in staat de juistheid te beoordeelen.

Wat de voordeelen van auto\'s en autovrachtwagens betreft,
wil ik vooreerst wijzen op de groote snelheid en de mogelijkheid
van het in korten tijd bereiken van een groot aantal adressen en
het in staat zijn tot het afleggen van groote trajecten. Verder kun-
nen met autovrachtwagens veel zwaarder vrachten vervoerd wor-
den dan met wagens bespannen met twee of zelfs met drie of
vier paarden. Ook kan de auto of autovrachtwagen zoo noodig
vele uren per etmaal dienst doen, als maar gezorgd wordt voor het
vervangen van den chauffeur. Als het noodig is kunnen zelfs zware
lasten b.v. in één etmaal over zeer groote afstanden vervoerd
worden. Voor garage van auto of vrachtauto is minder ruimte
noodig dan voor stalling van paard en wagen, terwijl het chauf-
feeren gemakkelijker te leeren is, dan het rijden met paarden.

Ten slotte zij er op gewezen, dat bij een zware vrachtauto maar
één chauffeur en één knecht noodig is, terwijl als men eenzelfde
partij goederen met paard en wagen wil vervoeren, meer wagens
dus meer personen noodig zijn. En juist de menschenarbeid is
zoo duur, waarom men natuurlijk graag zoo min mogelijk per-
soneel houdt. In zeer vele gevallen maakt juist het feit, dat minder
personeel noodig is, de motortractie voordeeliger.

Tot de nadeelen aan het gebruik van auto\'s en vrachtauto\'s
verbonden, kan men vooreerst rekenen, dat de mechanische tractie
niet op alle wegen toegelaten wordt, dat de auto meer en nauwkeuri-
ger verzorging eischt dan paard en wagen en dat gemakkelijker plot-
seling stoornissen kunnen optreden. Verder de groote slijtage aan
banden, die vooral voorkomt bij zware wagens en veelvuldig ge-
bruik, en de kans op meer ongelukken door de grootere snelheid.
Tegen ongelukken kan men zich echter door verzekering dekken.

Hiermede meen ik de balans voor beide vormen van tractie
eenigszins te hebben opgemaakt.

-ocr page 779-

Conclusiën.

Na deze overzichten kom ik nu tot de conclusiën :

Het aantal paarden is de laatste jaren achteruit gegaan, ook
de paardenfokkerij ; wij hebben echter ten naastenbij het laagste
punt bereikt, er zal weinig vermindering meer plaats hebben,
eerder is in verband met de uitbreiding van den landbouw, vooral
met het meer in cultuur komen van gronden (veenstreken, heide-
streken, de Zuiderzee-inpoldering), een geleidelijke doch langzame
vermeerderring van het aantal paarden te wachten. Waar de auto
voordeel heeft boven het paard, is die nu wel ingevoerd, de kans
bestaat echter, dat in enkele bedrijven, waar men tot autotractie
is overgegaan, blijken zal, dat paardentractie voordeeliger is. Het
meest zal het paard in gebruik blijven in den landbouw, verder in
bedrijven, die zich daarvoor leenen nl. met vervoer van zware
lasten over korte afstanden of met telkens ophouden. Verder zullen
bij groentekarren en de kleinhandel op het platteland vooral,
de hitten in gebruik blijven. Ten slotte zal er vraag zijn naar rij-
paarden.

De vraag naar luxe-tuigpaarden zal, lijkt mij, zeer gering blijven
en wat de landbouwtuigpaarden betreft is de geschiktheid voor
den landbouw van grooter beteekenis dan de geschiktheid als
koetspaard. De kwestie zal moeten worden uitgemaakt of het
Belgisch trekpaard of het type landbouwtuigpaard beter voor
den landbouw geschikt is. In het Zuiden werd vóór den opbloei
van het Belgische type trekpaard, steeds een dergelijk type voor
den landbouw gebezigd, in Groningen, de Betuwe, Haarlemmer-
meer en andere landbouwgebieden op de kleigronden, werd de
voorkeur gegeven aan het Oldenburger type ; in de zandstreken
bezigde men algemeen een nog lichter type tuigpaard. Of deze
toestand weer zal komen, of in de toekomst het trekpaard weer
alleen in de zuidelijke provinciën zal worden gefokt, dan wel of
men het in den landbouw in andere provincies heeft leeren waar-
deeren, zal de toekomst moeten leeren.

De landbouwers-fokkers zullen wel die producten fokken, welke
voor hun bedrijf het geschiktst zijn. Bij de fokkerij van trekpaar-
den is de kans het grootst, een deel der gefokte producten te le-
veren voor het gebruik van handel en industrie, doch ook het
zware Oldenburger- en zelfs het lichtere type, zullen buiten den
landbouw gebruikt worden voor trekdienst, stalhouders-arbeid
en waar verder het paard nog als tuigpaard noodig is. Wij moeten
wat den verkoop van paarden betreft, er rekening mee houden,
dat de kans op uitvoer geringer zal worden. Ieder land en vooral
onzen voornaamste afnemer Duitschland tracht zooveel mogelijk
in de eigen behoefte te voorzien door fokkerij en aankoop in eigen
land, de agrarische politiek leidt overal in die richting. In de
Duitsche industrie zijn ook veel trekpaarden door auto\'s vervangen,

-ocr page 780-

er zijn dus minder trekpaarden noodig, en dit aantal zal men ge-
makkelijker in eigen land kunnen fokken. Als wapen tegen den
invoer van paarden uit ons land of andere landen hanteert men
eerst het heffen van invoerrechten, die men geleidelijk kan ver-
hoogen en waarop dan ten slotte een invoerverbod kan volgen.
Uit de meegedeelde cijfers blijkt reeds, dat de uitvoer de laatste
jaren geregeld kleiner wordt.

Ü3 inkrimping van de paardenfokkerij is zeer logisch, deze
moet zoover gaan, dat er geen surplus is, doch het aanbod zoo-
danig wordt, dat loonende prijzen kunnen worden bedongen.
Daar het aantal goede fokdieren betrekkelijk groot is, zal men ver-
standig doen om bij de vermindering der fokkerij vooral en vooral
te letten op het overhouden van goed fokmateriaal. Van een
streven naar de fokkerij van een paard met meer bloed, meer adel
en temperament of naar een landbouw-rijpaard, is mijns inziens
voor de toekomst niet veel te verwachten. De vraag naar luxe-
tuigpaarden zal zeer gering blijven, vele ruiters zullen een Engelsch
vol- of halfbloed verkiezen, onze landelijke ruiters zullen gebruik
moeten maken van de paarden die in den landbouw noodig
zijn. Het leger kocht in 1924, 109, in 1928, 145 paarden in
Nederland, voor prijzen van / 555 a / 565, aantallen waarop moei-
lijk een richting in de paardenfokkerij gebaseerd kan zijn. Cavale-
riepaarden (aankoop in Ierland 170 a 180 stuks per jaar) zal ons
land in de eerste jaren niet kunnen leveren en wij zagen reeds,
dat er veel kans bestaat dat de artillerie meer gebruik gaat maken
van mechanische tractie en dat daardoor nog minder artillerie-
paarden noodig zijn. Met het oog op het hoofddoel, waarvoor het
paard in de toekomst gehouden zal worden, is het streven naar
een landbouw-rij paard niet gewenscht, omdat het meer tempe-
rament en minder massa krijgt, terwijl voor boerenwerk en
voor trekdienst een rustig paard noodig is, dat niet te licht is.

Hiermede heb ik dan de lijnen aangegeven waarlangs de paar-
denfokkerij zich m. i. in de naaste toekomst bewegen moet.

Over het algemeen is mijn oordeel over de toekomst van het
paard en de paardenfokkerij niet bijzonder gunstig. Veel liever
had ik een mooier beeld geschetst, was ik meer optimistisch ge-
weest ; de aangevoerde feiten geven echter daartoe m. i. geen
aanleiding. Aan de andere zijde deel ik niet de meening van hen,
die beweren, dat het paard al meer en meer zijn waarde als huis-
dier zal verliezen. Ik meen aangetoond te hebben dat het aantal
paarden weinig meer zal terugloopen, dat er bepaalde diensten
zijn, waar de mechanische tractie duurder en minder geschikt is
dan de paardentractie, en waar het paard dus blijven zal.

Moge dus de rol, die het paard thans speelt en voorloopig spelen
zal kleiner zijn dan voorheen, toch zal het een niet onbelangrijke
positie blijven innemen.

-ocr page 781-

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser hat Studien gemacht um zu erfahren welchen Einflus der Kampf
zwischen Automobil und Pferd auf die Pferdezucht ausübt. Dazu hat er statistische
Daten betreffs Pferd, Automobil und Verkehr auf den Wegen versammelt, hat
die Kosten der Pferdezugkraft mit den kosten der Motorzugkraft verglichen,
hat untersucht wo das Pferd früher gebraucht wurde, wo es überflüssig geworden
ist, wo es inbegriff ist zu verschwinden und wo eine Vermehrung zubemerkeu ist.
Weiter wurde ein Vergleich gemacht zwischen den Vor- und Nachteilen der Pfer-
dezugkraft und den Vor- und Nachteilen der Motorzugkraft.

Verfasser gelangt zu dem Schluss, dass die Zahl der Pferde und die Pferdezucht
in den letzten Jahren zurückgegangen sind, dass jedoch die minimal Zahl nahezu
erreicht ist, und dass vielleicht eine allmähliche Zunahme zu erwarten ist.

In Holland werden die Traktoren das Pferd in elcr Landwirtschaft nicht zu er-
setzen vermögen. Auch wird das Pferd sich behaupten im Hafenbetrieb und in
Handel und Industrie in sofern es sich handelt um den Transport schwerer Lasten
auf kleinen Strecken oder um den Transport wobei jeden Augenblick gehalten
werden muss.

Die Ponies bleiben für elen Gemüsewagen und für den Kleinhandel auf dem Lande
unentbehrlich. Die einzige Rubrik wo sich in den letzten Jahren ein Fortgang
bemerkbar macht, ist die der Reitpferde. Die Pferdezucht soll dem Bedarf ange-
passt werden sodass einträgliche Preise erzielt werden können.

Die Zucht von Zugpferden und Pferde für die Landwit tschaft wird Hauptsache
sein.

SUMMARY.

The author has made a study in order to determine to what extent horsebreeding
has been influenced by the struggle between horse and motorcar.

To that purpose he collected statistical data concerning horse- and motortraffic
on the high road, compared the cost of horsehaulage and motorpower, investi-
gated where the horse was used formerly, where it has given place to motorpower,
where it is in danger to disappear, and where an increase is observed.

Further a comparison is made between the advantages and disadvantages of
horsehaulage and those of motorhaulage.

The conclusion is, that the number of horses and horsebreeding show a decline,
but that shortly perhaps a slow increase may be expected.

In Holland the horse maintains its place for agricultural purposes.

It is also indispensable in dockside work and in trade and industry as far as it
concerns the transport of heavy loads for short distances or a transport which
requires frequent stopping. Ponies are still used for running in greengrocer\'s cars
and for the retail trade in the country. Only the rubric of saddle horses is showing
a progress of late years.

Horsebreeding must be reduced to such an extent that it will just meet the
demands and that remunerative prices can be stipulated.

The breeding of agricultural horses and draught horses will be of first impor-
tance.

RÉSUMÉ.

L\'auteur a fait des recherches sur l\'influence de la lutte entre le cheval et l\'auto-
mobile sur l\'élevage des chevaux. A cet effet il a recueilli des données statistiques
concernant le cheval, l\'automobile et le trafic sur les routes, il a comparé les frais
de traction animale avec ceux de traction mécanique, il a recherché où le cheval
s\'employait autrefois, où on n\'a plus besoin de chevaux, où le développement de
la traction mécanique va remplacer le cheval et où on dénote une augmentation.
Puis une comparaison est établie entre les avantages et les inconvénients de la
traction animale et les avantages et les inconvénients de la traction mécanique.

La conclusion est, que le nombre des chevaux et l\'élevage dénotent une ré-

-ocr page 782-

gTession dans ces dernières années, mais que le chiffre minimal est à peu près atteint
et qu\'il yalieude croire qu\'une tendance à une lente augmentation est a expecter.

Le cheval se maintient en Hollande en agriculture où les tracteurs ne peuvent
pas le remplacer ; puis, il se maintiendra dans le commerce et l\'industrie et dans
les ports en tant qu\'il s\'agit du transport des charges lourdes à courte distance et
des transports ou il faut s\'arrêter fréquemment.

Les poneys sont indispensables pour les jardinières et pour le commerce en détail
à la campagne.

La seule catégorie dans laquelle on peut constater un progrès dans ces dernières
anneés est celle des chevaux de monture.

Pour obtenir des prix rémunérateurs il faut restreindre l\'élevage des chevaux
et l\'adapter à la demande.

On s\'appliquera surtout à l\'élevage de chevaux de trait et de chevaux pour
l\'agriculture.

BOEKAANKONDIGINGEN.

M. Klimmer, Tierärztliche Milchkontrolle. Uitgave R. Schoetz, Berlijn, 1929.
Prijs M. 7.80.

Dit 121 bladzijden dikke boekje van den bekenden Duitschen veterinair-hy-
giënist, Prof.
Klimmer, geeft in een beknopt overzicht de belangrijkste zaken
weer, welke de dierenarts, die zich met de melkcontróle moet bezig houden, weten
moet.

De inleiding laat de bekende jammerklacht liooren, die men op het oogenblik
in ieder Duitsch boek en op iedere Duitsche vergadering weer verneemt : Wij
Duitschers zitten met onze oorlogsschuld, zijn arm en moeten nu trachten er boven
op te komen. Het gevolg van dit klagen in Duitschland zelf is, dat men er daar
aan gelooft, althans doet alsof, en er wordt daar met de meest mogelijke energie
gewerkt op wetenschappelijk en technisch gebied. Wretenschap en techniek gaan
harmonisch samen, een voorbeeld voor de geheele wereld en voor ons Neder-
landers in het bijzonder. Want het is vooral op zuivelgebied, dat men in Duitsch-
land zegt : Wij Duitschers kunnen het zelf wel, wij móeten het zelf wel doen,
opdat onze handelsbalans ten gunste van Duitschland doorslaat. Houdt dus de
Hollandsche en Deensche zuivelproducten buiten de grenzen.

Gij zult mij deze inleiding vergeven, wanneer gij goed de beteekenis van het
bovenstaande inziet. Wij, dierenartsen, hebben wel degelijk een rol te spelen
bij de export der zuivelproducten. Volgens onze opleiding zijn wij toch de aange-
wezen menschen, om te zorgen, dat bij de bron van deze producten, in de stallen,
waar de melk wordt gewonnen, de noodige hygiëne betracht wordt en de veehou-
ders voorgelicht worden, hoe zij te zorgen hebben, dat de melk zoo zindelijk mo-
gelijk wordt gewonnen. Wij zijn het, die hun moeten voorhouden, dat ziekten
onder het vee niet alleen een directe economische schade voor den veehouder
betcekenen, doch dat hierdoor ook de melk schadelijk beinvloed kan worden,
waardoor de zuivelproducten in het buitenland in discrediet kunnen komen.
Daarom is het goed, dat er boekjes verschijnen als het hier aangekondigde, hoe-
wel er zeer veel in beschreven wordt, dat slechts voor den laboratoriumman van
belang is. Ook worden er methodes besproken, die nog zóó onvoldoende bekend
zijn, dat men voorzichtig wezen moet ze in de practijk toe te passen. Tevens ver-
lieze men niet uit het oog dat de toestanden en verhoudingen in Duitschland
heel anders zijn dan bij ons.

De volgende hoofdstukken worden behandeld :

De gezondheid der melkdieren ; Voeding en verpleging der dieren ; Zindelijkheid
bij de melkwinning : Vakkundige behandeling der gewonnen melk ; Melkhygiëni-

-ocr page 783-

sche onderzoekingen in de stal ; De melkverwerking en de melkhandel ; Hygiënische
laboratoriumcontröle van de handelsmelk.

In een bijvoegsel worden het chemisch melkonderzoek en de Duitsche wettelijke
maatregelen aangegeven.

Ieder dierenarts, die critisch weet te lezen en uit dit Duitsche boekje elie dingen
weet te elimineeren, die niet voor onze Hollandsche begrippen en toestanden te
gebruiken zijn, zou ik de lezing van dit boekje willen aanbevelen.

R. H. van Gelder.

Dr. R. Koller, Ueber hygienische Milchkontrollen. Wiener Tierarztl. Monat-
schrilt, 15 Maart 1929.

Hierin worden de verschillende melkcontróles in de verschillende landen be-
sproken, en wel Holland, Duitschland, Frankrijk, Tsjechoslowakye, Zwitserland,
Bulgarije en Oostenrijk. Uitvoeriger wordt stilgestaan bij de melkcontrejle van de
stad Hallein, waar schrijver de leiding heeft. Het streptococcenvraagstuk wordt
behandeld en tenslotte de melkcontröle in de stad en de moeilijkheden, elie daar-
aan vast zitten.
 R. H. van Gelder.

INGEZONDEN.

Een en ander over Diermec\'

Nu in het tijdschrift voor Diergeneeskunde, aflevering it, 1 Juni 1929, onder
bovenstaande titel een verslag verschijnt van hetgeen ccllega
te Hennepe te
Rotterdam mededeelde, meen ik goed te dejen hier cén en ander te laten volgen,
dat ik in Rotterdam ook reeds in het midden bracht.

Vooraf moet ik er mijn leedwezen over uitspreken, dat collega te: Hennepe
ditzelfde reeds eereier in de ,,Beelrijfspluimvcehouder" meende te moeten plaatsen.
Het behoorde elaar niet thuis, omelat het te veel zaken aanraakt, die volgens
collega
te Hennepe nog niet zijn vastgesteld en derhalve voor een populaire
behandeling niet in aanmerking ke>menen ook al omdat uit dit artikel voor de nauw-
keurige lezer een tendentieuse strekking niet te ontkennen valt.

Er wordt door Collega te H. gesproken over natte en droge processen bij dier-
meel-bereiding. (Alhoewel goed bedoeld, kan het overzicht door Collega
te H.
daarvan gegeven, slechts verwarring stichten). Het eigenlijke droge proces (in
de Vereenigde Staten heet dit ,.straight dry rendering", dat beteekent ,.directe
droge verwerking") bestaat daarin, dat het afgekeurde materiaal na gemalen te
zijn, zonder toevoeging van stoom wordt verhit, terwijl de zich uit het materiaal
ontwikkelende stoom onmiddellijk wordt afgezogen. Dit systeem wordt in Enge-
land uitsluitenel toegepast op afgekeurel vee en vleesch,
niet afkomstig van aan
een besmettelijke ziekte gestorven dieren. Deze restrictie is gemaakt, omdat bij
het directe droge proces niet ele zekerheid bestaat, dat alle kiemen worden gedood.
Hierop is in de vergadering nog gewezen door den Heer Dr. H. C. L. E.
Berger,
Veterinair Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, Directeur van den Vee-
artsenijkundigen Dienst, te \'s Gravenhage.

Het ,,droge proces" waarvan Collega te H. spreekt, is hefhalf droge porces
(in ele Vereenigde Staten heet dit ..Internal Pressure Method" dat beteekent
de methode met inwendigen druk). Hierbij wordt het afgekeurde vleesch verhit
en de stoom, die zich uit het daarin aanwezige water ontwikkelt, wordt nu niet
afgezogen, maar blijft in het apparaat, zoodat zich daarin druk ontwikkelt en
men dus de gelegenhciel heeft bij liooge temperatuur in een atmospheer van stoom
het materiaal te behandelen. Hierbij is het verkleinen van het vleesch, alvorens
liet apparaat gevuld wordt, overbodig.

Wat is nu het verschil tusschen dit half droge en het zoogenaamde volgens
Collega
te H. verouderde natte proces ?

-ocr page 784-

Bij het natte proces wordt niet alleen gebruik gemaakt van den stoom, die zich
uit het materiaal zelf ontwikkelt, maar wordt bovendien extra stoom toegevoegd.

Terwijl nu bij het half droge proces het watergehalte van den ketelinhoud onge-
veer 80 % bedraagt (omdat het afgekeurde materiaal ongeveer 80 % water be-
vat) kan men bij het natte proces hoogstens zooveel stoom toevoegen als noodig
is om den inhoud van den ketel op de gewenschte temperatuur te brengen, d. w. z.
dat maximaal ongeveer 20 % extra water in den vorm van stoom wordt toege-
voegd.

Indien de duur der behandeling en de daarbij gebruikte druk hetzelfde zijn,
is het verschil tusschen de half droge methode en de natte methode alleen daarin
gelegen, dat in het laatste geval op 1200 K
.G. ketelinhoud (overeenkomende
met 1000 K
.G. ruw materiaal) 1000 K.G., water aanwezig zijn (ten deele in den
vorm van stoom natuurlijk), in het tweede geval op 1000 K
.G. ketelinhoud (over-
eenkomende met 1000 K
.G. ruw materiaal), 800 K.G. water. Bij de half droge
methode bestaat dus 80 % van den inhoud van den ketel uit water (resp. stoom)
bij de natte methode 83 %. Het is mij dan ook niet duidelijk, welke principieele
verschillen hierdoor in de producten van deze beide wijzen van behandeling zou-
den kunnen ontstaan. Zeer terecht merkt de grootste fabrikant in de Vercenigde
Staten van deze apparaten in een brochure omtrent de geschiedenis van de ver-
werking op, dat deze half droge methode, wat de eindproducten betreft, niet veel
verschil oplevert met de volgens Collega
te H verouderde natte methode.

Collega te H. zegt verder, dat in de literatuur gewaarschuwd wordt tegen lijken-
giften. Ik herinner hier aan de proeven, die door Collega
Frenkel aan het Cen-
traal Laboratorium voor de Volksgezondheid zijn verricht, en aan de proeven door
mij zelf verricht over het voorkomen van lijkengiften in dierenmcel. Wij toonden
beide aan, dat deze niet aanwezig waren.

Zooals ik boven reeds aangaf, zijn bacterieele gevaren bij het eigenlijke droge
proces, waarbij de temperatuur niet boven ongeveer 100 C. kan stijgen en slechts
bij zeer vette grondstoffen op 110—120° C. komt,
niet uitgesloten en heeft dan
ook de Veeartsenij kundige Dienst in Nederland tegen het gebruik van deze methode
gegronde bezwaren.

Wat de waarde van de extractiefstoffen, in het algemeen de in water oplosbare
eiwitachtige stoffen, betreft, hier hebben mijn kortelings in het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde gepubliceerde proeven duidelijk aangetoond, dat deze voor den
opbouw van eiwitten in het organisme, althans bij ratten, minstens dezelfde waarde
hebben als het werkelijke eiwit.

Niettegenstaande het percentage eiwitachtige stoffen in het daarbij gebruikte
N. T. F. extract-diermeel het laagste was van de gebruikte meelsoorten, zijn
toch de diergroepen, met dit meel gevoed, het meest in gewicht toegenomen. De
gevaarlijkheid van diermeel voor kuikens, waaromtrent Collega
te H. eenige niet
zeer duidelijke mededeelingen doet, zal dan ook m. i. wel een geheel andere oor-
zaak hebben. Helaas is het verslag, dat Dr.
te H. van deze proeven geeft, niet
van dien aard, dat men dit critisch wetenschappelijk kan bespreken. Slechts
herinner ik hier wat één dezer dagen Dr.
Lourens te Parijs mededeelde, dat milt-
vuur-besmetting in ons land niet wordt ingesleept door huiden maar door vee-
voeder.

Van de door Dr. te H. zelf verrichte proeven, is mij geen publicatie met de
daarbij behoorendc wetenschappelijke gegevens in eenig tijdschrift bekend, terwijl
hij ook hier slechts de door hem getrokken conclusie vermeldt.

Ik zou dan ook Collega te H. den raad willen geven niet meer uit de literatuur
alleen die zinnen te knippen, die op verschillende zaken een onduidelijk en daar-
door misleidend licht kunnen werpen, maar zelf proeven te nemen en deze dan
met vermelding van alle gegevens in een tijdschrift te publiceeren, opdat iedereen
zijn proeven, zoowel als zijn documentatie kan controleeren. Dit kan slechts ten
goede komen aan de algemeene waardeering voor wetenschappelijk werk op dit
gebied. Dr. R. H.
van Gelder.

-ocr page 785-

Mijn antwoord aan Collega van Gelder kan voorloopig het volgende zijn.

1. Het verheugt mij, dat er thans meer en meer belangstelling komt en er meer
en meer geschreven wordt over diermeel. Dit is juist wat ik het meest noodige
acht, nu er nog zoo veel onzekerheid is, al wordt dit door mijn tegenstanders
steeds ontkend.

2. Het oordeel over wat ik al of niet kan publiceeren, late Collega v. G. rustig
aan mij over ; zijn opinie daaromtrent deel ik absoluut niet. Dat verhaal over
die z.g. tendentieuze strekking begint thans een beetje afgezaagd te worden.
Ik hoor dat al eenige jaren steeds weer herhalen. De eenige manier mij te ant-
woorden is met degelijke gegevens te komen. Tot zoolang ik deze niet heb,
blijf ik op mijn manier op de talrijke onzekerheden in het diermeel-probleem
wijzen.
Ik vraag niets anders dan neutraal, wetenschappelijk onderzoek.

3. Het verhaal over het z.g. droge proces dat Collega v. G. vermeldt, blijkt ook
al weer in hooge mate verward te zijn. Het moderne „dry rendering" proces,
zooals dat in Engeland en Amerika genoemd wordt, levert volgens verschil-
ledene deskundigen op goedkoope manier meer en betere eindproducten en
het zal dan ook alleen na een behoorlijke vergelijkende studie van beide processen
mogelijk zijn een oordeel uit te spreken.
Wat de „grootste fabrikant" of „groote
X" zegt, heeft geen waarde. Dat het moderne „dry rendering" proces zich
snel ontwikkelt, wijst op zekere voordeelen.

4. Wat lijkengiften betreft, het aantoonen dat zij niet aanwezig zijn, heeft voor
mij ongeveer dezelfde waarde als het aantoonen dat ze niet aanwezig zijn b.v.
in koemelk.
Men zal toch eerst moeten bewijzen dat zij in het oorsprong-materiaal
aanwezig waren en daarna moeten bewijzen dat zij tijdens het proces vernietigd
worden.

5. Het oordeel van Collega v. G. over het eigenlijke droge proces werkt weer
zeer verwarrend en „dus misleidend". Het moderne „dry rendering" proces
werkt n.m.1. met temperaturen van 150° C.

6. Omtrent de waarde der extractiefstoffen maakt Collega v. G. er zich wel heel
gemakkelijk af. Zijn rattenproeven hebben in dit opzicht voor mij geen waarde.
Een rat is nu eenmaal een ander dier dan een kuiken, en is een holen-bewonend,
lichtschuwend dier, dat juist van de grootste viezigheden geniet. Afgezien
nog van het gegoochel met de cijfers bij deze rattenproeven en de gewichts-
groepeeringen dezer ratten, gaat het in de door mij vermelde Amerikaansche en
Berlijnsche proeven meer om
de schadelijke werking van het extract, dan om de
voedingswaarde.

Alvorens dus Collega v. G. over de Amerikaansche proeven met kuikens
oordeele in verband met de waarde van extract, bestudeere hij ze en trachte
niet dergelijke, door verschillende onderzoekers gecontroleerde schadelijke
resultaten weg te redeneeren met eenige zeer aanvechtbare proeven op ratten.
Wat de oorzaak van het gevaar van diermeel voor kuikens is, daaromtrent
vermelden de Amerikanen, dat zij geen zekerheid hebben, doch dit verder
zullen onderzoeken, terwijl Berlijn wijst op den darmprikkelenden invloed
dezer stoffen (K.G. Turck in Schlachtblut- und Abfallstoff-Verwertung, 1928,
blz. 79, zegt :
,,Durch eingehende Versuche im tierphysiologischen Institut ist
festgestellt,
dass die Anwesenheit der Leimbrühe eine überreizende Wirkung
auf die Verdauungsorgane der Tiere
ausübt. Es soll deshalb die Leimbrühe
■nicht mit dem Fleischmehl zusammen verarbeitet werden.
Von anderer Seite
wird dieser Ansicht entgegengetreten, weshalb die Frage noch offen steht,
ob leimhaltiges oder entleimtes Fleischmehl zur Fütterung benutzt werden
soll").

Ook hier dus eenerzijds „eingehende" proeven, die de schadelijkheid aan-
toonen, anderzijds ontkenning. Combineert men echter deze opinie met de
Amerikaansche resultaten, dan lijkt het mij in verband met de door mij be-
sproken gevaren voor kuikens
niet zmder grond als men bij kuikens waarschuwt
voor het gebruik van extracthoudend diermeel.
Hoe het bij biggen is weet ik niet;

-ocr page 786-

<

mogelijk dat Collega Schuytemaker omtrent zijn ,,niet-extracthoudend"
meel daaromtrent ervaring heeft. Kattenfokkers kunnen zich op het oordeel
van Collega v.
G. beroepen. Het citaat van het door Dr. Lourens te Parijs
gezegde is jammer genoeg voor Collega v.
G. totaal onjuist weergegeven, en
wat die zin er eigenlijk bij doet is mij een raadsel.

Binnenkort zullen wij wel meer omtrent de schadelijke werking of de waarde
van extract te hooren krijgen.
7. De slotraad van Collega v. G. lijkt mij weer een sterk pleidooi voor een behoorlijke,
deskundige commissie.
Tot zoolang deze er is, zal ik doorgaan op mijne, door
Collega v.
G. zeer gelaakte wijze, en tegen alle éénzijdigheid in de oplossing van
het diermeel-probleem ageeren. Het diermeelvraagstuk
, dat voor ons veterinairen
hooge wetenschappelijke naast groote vakbelangen omvat, mag niet zooals het tot
voor eenigen tijd gebeurde, min of meer verzwegen worden of eenzijdig be-
handeld worden.
Tegenover elke éénzijdige uitspraak over waarde van extract
enz. zal ik de tegenstelling laten zien en er op wijzen, dat behoorlijke bestudeering
hard noodig is.
 te Hennepe.

Torsio uteri bij het Rund.

Het zij mij vergund, een paar kantteekeningen te maken op het artikel van
Eshuis in het nummer van 1 Juni j.1. over torsio uteri bij het rund.

Eshuis zegt, dat de juiste oorzaken van torsio uteri nog niet bekend zijn. E.
haalt
de Bruin aan en schrijft, dat volgens de B. de eerste praedisponeerende
oorzaak is gelegen in de omstandigheid, dat bij het rund de breede baarmoeder-
banden den uterus bereiken
in het midden van de zijvlakken en daar beneden, zoodat,
wanneer men zich voorstelt, dat de uterus a. h. w. aan deze banden is opgehangen,
het grootste deel van dit orgaan boven die banden is gelegen, waardoor het ge-
makkelijk wentelen van den uterus zou zijn te verklaren.

Bedoeld is natuurlijk, dat de evenwichtstoestand min of meer labiel is, omdat
het zwaartevlak hooger ligt dan het steunvlak.

Is dc zaak werkelijk op deze wijze verklaard? M. i. niet. Men denke zich een
paard, hangende in een broek en daarmede innig verbonden. Zou het zoo gemak-
kelijk zijn, dit dier een roteerende beweging om den lengte-as te doen maken en
de dan ontstane positie te doen behouden? Dc beenen zou men weg kunnen den-
ken. In plaats van het paard zou een voorwerp kunnen worden genomen, in vorm
meer met een uterus overeenkomend en dan aan één der einden gefixeerd aan een
muur b.v. Schommel en voorwerp kunnen daarbij contractiel worden gedacht,
terwijl zich in het voorwerp, dat a. h. w. een zak is, een levend, dus beweeglijk,
organisme bevindt.

Hoe denkt Eshuis zich nu de opeenvolging van oorzaak en gevolg? (Dat de
orale helft der uterushoornen geheel vrij ligt, hetgeen ongetwijfeld een praedispo-
neerende factor is, kan buiten beschouwing blijven. Het gaat hier om de
zijdeling-
sche
aanhechting der breede banden).

Als tweede praedisponeerende oorzaak noemt E. het niet voldoende verwijd zijn
van dm cervix,
die aanleiding kan zijn, dat een zich comtraheerende uterus, gepaard
met actieve bewegingen van de vrucht,
zich om deze niet ontsloten trage cervix als
een vast punt,
gemakkelijk zal draaien, waardoor de torsio is opgetreden.

Hier hebben wij dus : i°. het praedisponeerend moment, bestaande in het niet
voldoende verwijd zijn van den cervix, die het vaste punt vormt, waarom de uterus
draait, en
20. als directe oorzaak de zich contraheerende uterus, geholpen door
bewegingen van de vrucht.

Bij iederen beginnenden partus is de cervix in den aanvang vrij wel gesloten.
Dat praedisponeerend moment is dus steeds, zij het dan niet altijd even lang, aan-
wezig. En bij iederen normalen partus krijgen wij uteruscontracties. Waarom dan
relatief zoo weinig torsies?

De praedisponeerende beteekenis van den cervix moet, dunkt me, zóó worden
opgevat, dat, wanneer de baarmoeder eene roteerende beweging maakt om de

-ocr page 787-

lengte-as, met den cervix tot op zekeren hoogte als vast punt, de winding het
gemakkelijkst ontstaat in de onmiddellijke nabijheid van den cervix, niet alleen
omdat daar de omvang het geringst is, maar vooral ook, omdat daar op dat oogen-
blik zich geen deelen van de vrucht bevinden, althans niet in nauwe aansluiting
met den baarmoederwand.

Dat contractie van den uterus niet tengevolge kan hebben eene draaiing van
dit orgaan, is, dunkt mij, duidelijk. Het omgekeerde zal veel eerder het geval
kunnen zijn. Wanneer er nl., waardoor dan ook, eene torsie van de baarmoeder
is ontstaan, zal deze, als de contractiele kracht der longitudinale spieren voldoende
groot is, door contractie van den uterus worden opgeheven.

Hoe ik mij in het algemeen het ontstaan der torsie denk, beschreef ik indertijd
in dit tijdschrift. (Jaargang 1925, aflevering 19).

W. ten Hoopen.

Haren, 22 Juni 1929.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Utrecht, Juni 1929.

Mededeeling van het Hoofdbestuur.

Het is het Hoofdbestuur bekend dat door verschillende collega\'s een bedrag
van / 25.—• wordt betaald voor het doorverbinelingsrecht hunner telefoonaanslui-
ting buiten de uren, waarop het locale kantoor is opengesteld. Uit gevoerde cor-
respondentie van ons H.B. met het Hoofdbestuur der Posterijen, Telegrafie en
Telefonie is gebleken dat door elierenartsen dezelfde reductie kan worden genoten,
als door artsen nl. tot een bedrag van ƒ 12.50 per jaar.

Collega\'s, die van deze reductie nog niet profiteerden of ev. restitutie van het
teveel betaalde trachten te verkrijgen, wordt aangeraden zich tot den Directeur
van het betrokken Postkantoor te wenden en zoo noodig te verwijzen naar schrij-
ven No. 10036, Afd. 3, d.d. 3 Mei 1929 van het Hoofdbestuur der Posterijen, Tele-
grafie en Telefonie aan de Maatschappij voor Diergeneeskunde.

De wnd. Secretaris,

J. H. ten Thije.

BLADVULLING.

Vruchtbare koe.

Een 6 jaar oude koe op Guernsey, voor de derde maal drachtig, bracht op het
einde der zevende maand 6 doode, normaal ontwikkelde kalveren ter wereld,
3 mannetjes en 3 wijfjes).

(Lainé. The Vet. Journal 1929, 6 blz. 263).

Vr.

-ocr page 788-

BERICHTEN.

STATUTEN

der

Professor Doctor D. A. DE JONG-STICHT1NG.

Artikel i. De PROFESSOR DOCTOR D. A. DE JONG-STICHTING is ge-
vestigd te Utrecht.

Artikel 2. Het doel der Stichting is bevordering van de studie der Vergelij-
kende Ziektekunde, waaronder wordt verstaan de leer der bij mensch en dier
gemeenschappelijk voorkomende ziekteprocessen Zij tracht dit doel te bereiken,
door de renten van haar kapitaal en de jaarlijksche bijdragen aan te wenden tot
het doen verrichten van proefondervindelijk onderzoek.

Mocht het kapitaal door kweeking van renten, door schenking of erflating, door
bijdragen, door belegging van renten of op eenige andere wijze zoodanig toenemen,
dat het, naar de meening van beheerders, in ruimeren zin nuttig zou kunnen
worden gemaakt, dan zijn de beheerders bevoegd de renten ook tot andere doel-
einden aan te wenden, mits het doel, door de Stichting beoogd, hierbij niet wordt
voorbij gegaan.

Artikel 3. Het beheer der Stichting is opgedragen aan vijf personen, te weten :
Een vertegenwoordiger der Maatschappij voor Diergeneeskunde, een vertegen-
woordiger der Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst
en een vertegenwoordiger der Diergeneeskundige Faculteit der Rijks-Universiteit
te Utrecht, welke in onderling overleg de beide overige beheerders zullen aanwijzen.
Van de beide laatstbedoelde personen zal bij voorkeur één lid zijn van de Facul-
teit der Geneeskunde aan de Rijks-Universiteit te Utrecht.

De beheerders vertegenwoordigen de Stichting iii cn buiten rechten. Zij ver-
deelen en regelen onderling de werkzaamheden. Zoo noodig wordt een en ander
bij huishoudelijk reglement vastgesteld.

Artikel 4. Bij aftreden, overlijden, ontstentenis of verlies van handelsbevoegd-
heid van een beheerder wordt door de ovcrblijvenden zoo spoedig mogelijk, uiter-
lijk binnen drie maanden, in zijn plaats voorzien.

Artikel 5. Wanneer het doel der Stichting (Artikel twee, alinea een) niet meer
kan worden bereikt, hebben de beheerders het recht de renten te besteden tot
andere wetenschappelijke doeleinden, mits het oorspronkelijk doel der Stichting,
de bevordering van de Studie der Vergelijkende Ziektekunde, daarbij niet uit het
oog worde verloren.

Artikel 6. Aan de Stichting opkomende schenkingen, legaten en erfstellingen
mogen niet anders worden aanvaard of aangenomen dan krachtens schriftelijke
toestemming van de meerderheid der beheerders en. wat de erfstellingen betreft,
onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

Artikel 7. Belegging en bewaring van het vermogen geschieden op de wijze
door de beheerders te bepalen.

Artikel 8. Bij meerderheid van stemmen in een voltallige vergadering van
beheerders zijn deze bevoegd, om, tot bereiking van het doel der Stichting, een
gedeelte van het kapitaal der Stichting aan te wenden, mits dit kapitaal meer
bedraagt dan
vijftig duizend gutden en de te besteden som het bedrag van één vijfde
van het kapitaal niet te boven gaat.

Artikel 9. Na afloop van elk beheerjaar vóór of op den eersten Mei daarop
volgende en derhalve voor het eerst vóór of op den eersten Mei negentien honderd
dertig, zullen de beheerders jaarlijks een door een accountant — aan te wijzen
door het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde — nageziene
en accoord bevonden rekening en verantwoording over het afgeloopen jaar, nadat
•deze door Voorzitter en Secretaris is bekrachtigd, ter kennisneming zenden aan

-ocr page 789-

het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde en aan dat van de
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.

Artikel 10. Mocht door omstandigheden in den loop der tijden de Stichting
niet meer kunnen dienen voor het oorspronkelijk doel, dan kunnen, doch ook
alleen in dat geval, de gelden worden gebruikt voor een ander doel, dat het oor-
spronkelijke zoo dicht mogelijk nabij komt.

Een besluit daartoe ka 1 alleen worden genomen in een voltallige vergadering
van beheerders bij meerderheid van stemmen en slechts worden uitgevoerd onder
nadere goedkeuring van het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergenees-
kunde, van dat van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Genees-
kunst en van de Faculteit der Diergeneeskunde aan de Rijks-Universiteit te Utrecht.

Artikel n. Wijziging der statuten kan alleen geschieden bij meerderheid van
stemmen eener voltallige vergadering van beheerders en slechts worden uitge-
vcerd onder nadere goedkeuring van het Hoofdbestuur der Maatschappij voor
Diergene skunde, van dat van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering
der Gene s\'cunst en van de Faculteit der Diergeneeskunde aan de Rijks-Universi-
t.it t? Utrecht.

HUISHOUDELIJK REGLEMENT

der

Professor Doctor D. A. DE JONG-STICHTING.

(Opgericht volgens acte van oprichting, verleden door den notaris Mr. I\'. J. van
Wijngaarden
te Rotterdam, den 7 Juni 1929).

Artikel 1. Het beheer berust volgens artikel drie der oprichtingsacte bij vijf
personen. Dez: regelen onderling de verschillende bestuursfuncties.

De beheerders worden benoemd voor den tijd van vijf jaar. Zij treden af volgens
een daartoe op te maken rooster en zijn terstond herkiesbaar.

Artikel 2. De Voorzitter roept de beheerders bijeen wanneer hij zulks noodig
oordeelt of drie overige beheerders dit verlangen. Hij leidt de vergaderingen.

Artikel 3 Mirstens éénmaal \'s jaars, in een der eerste drie maanden des jaars,
wordt een vergadering van beheerders gehouden.

Artikel 4. Beheerders die niet wonen in de plaats, waar de vergadering wordt
gehouden, kunnen hunr.e reis- en verblijfkosten in rekening brengen.

Artikel 5. De Secretaris houdt van het in de vergadering en van het verder
schriftelijk behandelde aanteekening in een daarvoor uitsluitend bestemd boek.

In de eerstvolgende vergadering wordt door hem voorgelezen wat in de laatste
vergadering is besproken en in den tusschentijd schriftelijk behandeld is.

Voorzitter en Secretaris teekenen het gelezene voor „Gezien".

Artikel 6 Ingekomen en afschriften van uitgegane stukken worden door den
secetaris van een volgnummer voorzien en, in de volgorde der nummers, in een
register aanget ekend. De uitgaande stukken worden door voorzitter en secretaris
giteek nd.

Artikel 7. De gelden van de Stichting worden belegd en bewaard op zoodanige
wijze, als de meerderheid van de beheerders zal goedkeuren.

Voor de belegging van bijgekomen gelden en voor het aanbrengen van geheele
of gedeeltelijke verandering in de wijze van belegging van het kapitaal is steeds
de n:e lewerking noodig van alle beheerders en wordt de goedkeuring van de
meerderheid vereischt.

De bewaring der coupondragende schuldvorderingen moet zijn zoodanig, dat
de couponbladen blijven onder berusting van den penningmeester, de mantels
onder beheer van den voorzitter, tenzij deze waardepapieren in open bewaargeving
worden gegeven bij de Nederlandsche Bank.

Artikel 8. De penningmeester houdt nauwkeurig aanteekening van ingeko-
men gelden (renten, bijdragen enzoovoorts) en gedane uitgaven en brengt daarvan

-ocr page 790-

jaarlijks in een vóór den eersten April te houden beheerdersvergadering schriftelijk
verslag uit.

Op deze vergadering worden alle tot het kapitaal der Stichting behoorende
effecten en titels van schuldvorderingen (hypotheken erzoovoorts) overgelegd.
Mochten tegen dit laatste practische bezwaren bestaan, dan overtuigen alle be-
heerders zich op andere wijze van de aanwezigheid van de geldswaarelige stukken,
bovenbedoeld.

Artikel. 9. De rekening en verantwoording van den penningmeester wordt,
overeenkomstig het bepaalde in artikel negen der statuten, (Acte van oprichting),
jaarlijks door een vanwege het Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergenees-
kunde aan te wijzen accountant onderzocht. Na accoordbevinding wordt zij door
voorzitter en secretaris bekrachtigd, door haar voor „gezien" te teekenen.

Vervolgens wordt de rekening en verantwoording, na verkregen bekrachtiging,
vóór den eersten Mei ter kennisneming gezonden aan het Hocfdtestuur der Maat-
schappij voor Diergeneeskunde en aan dat van de Nederlandsche Maatschappij
tot bevordering der Geneeskunst.

Artikel 10. Een verslag van den toestand der Stichting zal jaarlijks ter plaat-
sing worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Diergeneeskune\'e en aan het
Nederlandsche Tijdschrift voor Geneeskunde en desgewenscht, naar het oordeel
van de meerderheid der beheerders, ter andere plaatse worden openb.ar gemaakt.

Artikel u. Aanvulling of wijziging van elit reglement geschiedt slechts bij
besluit van de meerderheid der beheerders.

Voltalligheid van de beheerders is daarvoor noodig.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het voorbereidend Comité op 16 Maart
1929 te Utrecht.

Voor het uitvoerend Comité,
J. J. F. Dhont, Voorzitter.
H. J. van Nederveen, Secretaris.

Tot beheerders van het de JoNG-fonds zijn gekozen: Dr. J. J. F. Dhont,
Prof. Dr. R. de Jossei.in de Jong, Dr. H. J. van Neferveen, Prof. G. C.
Nijhoff
en Prof. C. F. van Oijen.

VLEESCHHYGIËNE.

Jaarverslag van slachthuis en keuringsdienst te Apeldoorn over 1928.

Allereerst vestigt collega Scheuter den aandacht op de moeilijkheden, die zich
in het bedrijf voordoen bij het ontbreken van reserve-installaties. Het niet aan-
wezig zijn van een reserve-stoomketel en een reserve-comprcssor maakt nl. het
tijdelijk stilliggen van een gedeelte van het bedrijf noodzakelijk, als een inspectie
of revisie van deze machinedeelen moet geschieden. Zoo spoedig mogelijk elient
dan ook geleidelijk een reservefonds voor afschrijving en vern\'euwing gevormd
te worden.

Verder wordt medegedeeld, dat de slagers in de buurtschappen Beekbergen en
Loenen een verzoek aan den Raad richtten om scherper toezicht op het zoogenaam-
de uitponden der huisslachtingen. Op grond van art. 29 der verordening op de
vleeschkeuring, hetwelk verbiedt vleescli voorhanden te hebbsn in andere lokalen
dan die, welke voldoen aan de eischen krachtens art. 19 der wet vastgesteld, zijn
toen door den dienst een tweetal processen-verbaal opgemaakt tegen landbouwers,
die afgewogen hoeveelheden vleesch met verkoopbriefjes in daarvcor niet geschikte
lokalen in voorraad hadden. Hoewel de ambtenaar van het O. M. vrijspraak vroeg,
veroordeelde de kantonrechter den landbouwer. In hooger beroep voor den Recht-
bank te Zutfen behandeld, volgde eveneens weer een veroordeeling. In derde
instantie zal deze kwestie nu behandeld worden door het Gerechtshof te Arnhem.

Allerlei kleine verbeteringen werden aan gebouwen en installatie aangebracht.

Uit de bijgevoegde staten blijkt, dat bacteriologisch vleeschonderzoek werd

-ocr page 791-

verricht bij 37 runderen (34), 3 vette kalveren (2), 1 graskalf (1), 21 varkens (21)
en 12 paarden (11). De tusschen haakjes geplaatste cijfers geven aan het aantal
gevallen, waarin het vleesch, na bacteriologisch onderzoek, in consumptie kon
worden gebracht. Of het niet doorgeven van 3 runderen, 1 vet kalf en 1 paard
het gevolg is geweest van het niet kiemvrij zijn dezer dieren, wordt niet vermeld.

In enkele gevallen kon bij de levende keuring iets abnormaals worden opge-
merkt en verschafte zij aanwijzingen voor de geslachte keuring.

Echinococcosis kwam voor bij 1.8 % der runderen, 6.25 % der paarden en 0.1 %
der varkens.

Het percentage van waargenomen gevallen van tuberculose bedroeg bij het
rund 6.7 %, bij het varken 4 % en bij het paard 0.25 %.

Cysticercus inermis kwam voor bij 25 runderen (0.9 %) en 5 graskalveren (of
2.4 %). Levensvatbaar bij 4 runderen en 1 graskalf. Bij het rund vond men de
parasiet 4 maal in uitw. kauwspier, 7 maal in inw. kauwspier, 7 maal in hartspier,
3 maal in hartspier en inw. kauwspier en 4 maal in hartspier en uitwendige kauw-
spier. Bij de 5 graskalveren waren de blaaswormen gezeten 1 maal in inw. kauw-
spier, 2 maal hartspier en 2 maal uitw. kauwspier.

Batig saldo bedraagt ruim f 2800.—

De slachthuis- of abattoirkosten.

In het nummer van 21 Juni j.1. van de „Slagerscourant" komt onder boven-
staand opschrift een artikel voor van den hand van Dr.
Quadekker, waarin deze
het idee oppert, uit de winsten van het slachthuis aan het eind van het jaar een
zeker percentage te restitueeren aan de slagers.

Men behoeft zich dan niet te verdiepen in de rechten, men laat deze eenvoudig
zooals ze nu zijn ; echter na afloop van het jaar wordt de balans opgemaakt en
van het overschot krijgt ieder slager zijn deel. Hoe deze verdeeling zal moeten
geschieden? Dit is, volgens S., door den Raad uit te maken. Eén van de voordeelen
van deze handelwijze zou zijn, dat het den slager meer tevreden zal maken met
het slachthuis, indien hij weet dat hij later meedeelt in den winst.

De Heer Q. merkt echter op, dat men alvorens men een juist oordeel over het
winstvraagstuk bij abattoirs zal kunnen vellen, allereerst terdege inzage dient
te nemen van de lasten, die op het slachthuis drukken, van de kosten der exploi-
tatie en van de eventuecle tekorten uit de vorige jaren en blijkt het nu, dat na
afdoening van
al deze kosten en deze tekorten, en na reserveering van een reserve
voor eventueele onverwachte defecten en voor uitbreiding, er toch nog veel overblijft,
ja, dan zou men z. i. de rechten wel
iets kunnen verminderen. Met een verlaging
der tarieven moet men z. i. echter zeer voorzichtig zijn, daar de ontvangsten van
een slachthuis zeer sterk afhankelijk zijn van het aantal slachtingen en deze soms
plotseling door allerlei oorzaken kunnen afnemen. Als voorbeeld haalt S. dan de
slachtingen aan van het slachthuis te Nijmegen, alwaar minstens 600 varkens
per maand op het oogenblik minder worden geslacht dan in de overeenkomstige
maanden van het vorige jaar, wat zijn oorzaak vindt in den momenteel lioogcn
prijs der varkens. Daar derhalve een bepaalde vermindering der tarieven, zonder
de ontvangsten te laag te doen worden, zeer moeilijk vooruit is vast te stellen,
vindt S. het eenvoudiger aan het eind van het jaar een gedeelte van deze winst
aan de slagers terug te geven.

(M. i. kan men deze gedachte niet anders beschouwen dan het verleenen van
medezeggingschap aan de slagers in het finantieele beheer der slachthuizen. Wil
men immers gaan verdeelcn, dan zal men eerst moeten vaststellen, wat er te ver-
deden valt en zal men daarover met de belanghebbenden moeten beraad-
slagen.

Zou de winst niet allereerst tot verbetering van de bestaande abattoirs gebruikt
kunnen worden? Vele slachthuizen hebben dringend een verbetering en uitbrei-
ding noodig ; misschien dat dan de slagers meer verzoend zullen geraken met deze
inrichtingen).

-ocr page 792-

Het betalen van de verschillende slachthuisrechten in één som.

In hetzelfde nummer van de „Slagerscourant" geeft de Heer v. Harrevelt
een beschouwing over het bovenstaande onderwerp, aan welke beschouwing het
volgende is ontleend.

Tijdens den oorlog werden allerwege de tarieven der slachthuizen verhoogd,
ter verhoeding van een financieele débacle, welke als gevolg van de enorme loons-
verhooging en de sterke stijging van alle materiaal-prijzen noodzakelijk zou moeten
volgen. Het verhoogen der tarieven ondervond toen betrekkelijk weinig tegen-
stand, omdat men het „gewoon" vond dat alles duurder werd. Daarom had men
het toen in de hand tarieven vast te stellen, die werkelijk dekkende ontvangsten
beloofden.

Aan het Haagsche abattoir werd toen van de gelegenheid gebruik gemaakt de
koelhuisrechten in het slachtgeld te begrijpen. De sterke verhooging ondervond
toen minder tegenstand, omdat er iets bij „cadeau" werd gegeven. De exploitatie
van slachthuis, koelhuis en keuringsdienst kon toen sluitend worden gemaakt.
Van toen af maakte het abattoir jaarlijks stijgende winst. Niet lang duurde het
echter of er werd zoowel door de gemeente als door de gebruikers van het slacht-
huis begrepen, dat zoo mogelijk tot verlaging der tarieven moest worden overge-
gaan.

Toen brak de tijd aan, aldus de Heer v. H., waarin een ideaal verwezenlijkt zou
kunnen worden, dat hem al jaren voor oogen had gezweefd : nl.
het gebruik maken
van alle inrichtingen van het abattoir tegen betaling van één vasten som,
een methode
van betaling, welke nog nergens was toegepast. Teneinde de praktijk in dezen
ook een woordje te doen meespreken, werd de verandering niet ineens, maar bij
gedeelten, ingevoerd. Allereerst werd besloten de wegingen van het vleesch en van
alachtproducten gratis te doen verrichten. Wederom na een paar jaren werden
slle verdere slachthuisrechten opgeheven en kon men een dier dus stallen, slachten,
gekeurd krijgen, wegen, bewaren en koelen. Verder werd geen betaling meer ge-
vraagd voor het steriliseeren van vleesch en vet, afkeuringsbewijzen en baden.
Toen de winst nog steeds vrij groot bleef, is onlangs nog een aanzienlijke tariefs-
verlaging tot stand gekomen.

Voordeelen van het systeem „betaling in één som" zijn : De slager kan, wanneer
hij het verschuldigde heeft betaald, zonder verderen omslag van de geheele in-
richting gebruik maken ; behoeft dus niet meer naar het kantoor heen en weer te
loopen voor verschillende „bonnetjes" en wordt door geen controle meer bemoei-
lijkt.

Hij spaart dus veel tijd en zelfs personeel, althans arbeidsloon, gevoelt zich
veel vrijer dan vroeger en heeft weinig reden zich te ergeren aan ambtelijk gedoe.

Voor de gemeente is het voordeel eveneens aanzienlijk door het wegvallen van
veel „bonnetjes" met de daarbij behoorendc administratie en controle, het maken
van allerlei staten, enz. De administratie werd hierdoor dermate vereenvoudigd,
dat enkele ambtenaren konden worden gemist

Voor beide partijen dus : de zegenrijke gevolgen van eenvoud in handeling en
administratie.

Bezwaren : Men hoorde van slagerszijde : ik moet nu voor allerlei dingen be-
talen, waarvan ik wellicht niet eens gebruik maak. De praktijk leert, dat iedereen
van alles wèl gebruik maakt en zooveel en zoo goed mogelijk.

Ook hoorde men : alles wordt nu in hoofdzaak door de grossiers betaald. Deze
verdisconteert echter zijn onkosten in zijn prijzen, waardoor ook de vleeschwinke-
lier in de kosten bijdraagt.

Ook juridische bezwaren werden gemaakt tegen het samenvoegen van betalingen
voor verplichte en onverplichte handelingen. Hiervan hoort men al lang niet meer
en de betrekkelijke verordeningen worden van hoogerhand goedgekeurd.

Geen enkel bezwaar is dus steekhoudend.

Voor een klein abattoir zou nog een vereenvoudiging mogelijk zijn ; nl. het door
middel van een aan den ingang geplaatsten automaat betalen van het bedrag

-ocr page 793-

voor elk binnenkomend dier, waardoor alweer vereenvoudiging van handeling
zou worden bereikt voor beide partijen.

De erfenis van de Rijssensche abattoirkewstie.

Eenigcn tijd geleden deed ik mededeeling van een vonnis van de rechtbank te
Almelo in een civiele zaak tusschen het hoofd van dtn Rijsscnsche keuringsdienst
en een slager in die gemeente, waarbij deze laatste van het hoofd van den dienst
persoonlijk schadevergoeding vorderde wegens het weigeren van het verriehten
van een keuring ter plaatse van slachting ; deze wcnschte nl. slechts in het ge-
meentelijk abattoir te keuren.

De slager was evenwel van oordeel, dat de Commissaris der Koningin in de pro-
vincie Overijsel niet bevoegd is om aan den Burgemeester v. R. de openstelling
van een gemeentelijk slachthuis of abattoir te bevelen, zoodat z. i. onder „gemeen-
telijk slachthuis of gemeentelijk abattoir" in de door Gedcp. Staten vastgestelde
verordening niet kan worden verstaan het dien naam dragende gebouwtje op de
Mors.

De rechtbank was van meening, dat van een keuringsveearts-gemeenteambte-
naar redelijkerwijs niet gevergd kan worden, dat hij een eigen meening heeft in
vragen van administratief recht en administratie en dat hij mocht aannemen
dat het gebouwtje op de Mors wel degelijk het gemeentelijk slachthuis was, waar
de bedoelde keuring in dat geval dan zou moeten worden verricht. Het dienst-
hoofd slaagde in het hem opgedragen bewijs, dat de bovenbedoelde openstelling
had plaats gehad, waarom den slager zijn vordering werd ontzegd. Over de be-
voegdheid van den Commissaris liet de rechtbank zich niet uit.

In een strafzaak is onlangs wederom de wettigheid van het besluit van 11 De-
cember 1924 van den commissaris der Koningin, voor zoover betreft de opdracht
aan den Burgemeester v. R. om de openstelling van het gemeentelijk abattoir
te bewerkstelligen, ter sprake gekomen. En anders dan in het vorige geval heeft
de rechtbank te Almelo daaromtrent haar meening geuit.

In het tijdschrift voor „Gemeentebedrijf en Administratie" van 5 April 1929
vond ik omtrent deze kwestie medegedeeld, dat in het bovengenoemd besluit van
11 Dec. 1924 als grond voor het optreden van den Commissaris der Koningin
krachtens de art. 126 en 127 der gemeentewet werd opgegeven, dat het voor een
richtige uitvoering van de vlceschkeuringswet in de gemeente Rijssen noodig was,
dat het daar staande gemeentelijk slachthuis werd in gebruik genomen en daartoe
werd gereed gemaakt. De Commissaris was dus van meening, dat B. en W. van R.
niet of niet behoorlijk zorgden voor de hun opgedragen uitvoering der Yl.wet,
nu de Raad dier gemeente die weigerde.

De rechtbank overwoog, dat noch de VI.wet, noch eenig ander wettelijk voor-
schrift aan de gemeente R. den plicht oplegde, ccn abattoir te stichten of een be-
staand abattoir in gebruik te nemen en dat in het bijzonder de door de VI.wet
vereischte en krachtens d:e wet door Gcd. Staten v. Overijsel bij besluit van 25
Maart 1924 vastgestelde verorelening op den keuringsdienst van vee en vletsch
dien plicht niet oplegde, aangezien die verordening zeer wel zonder abattoir en
met behoud van haar overgangsbepaling was uit te voeren.

Blijkens de memorie van toelichting op de VI.wet achtte de wetgever wel voor
een goede werking van de vkeschkeuring slachthuizen van onschatbaar nut, maar
naar het voorbeeld van de woningwet wekte hij de gemeentebesturen dcor art 24
der VI.wet tot het oprichten van openbare slachthuizen op, doch liet het verder
aan hun verantwoordelijkheid over. Door toepassing van de art. 126 en 127 der
gemeentewet mag nu volgens het rechtscollege niet langs een omweg aan een
gemeente een verplichting worden opgelegd, die de wet en in het bijzonder de
VI .wet niet oplegt.

De Raad der gemeente R. — aldus vervolgt de rechtbank — heeft weliswaar
bij zijn besluit van 11 Sept. 1918 tot het stichten van een centrale slachtplaats op
een daarvoor geschikt gedeelte van de gemeenteweide „de Mors" besloten, welk
besluit, na een aanvulling door Geel. Staten v. Overijsel bij beschikking van 29

-ocr page 794-

Oct. 1928, is goedgekeurd, doch de niet-uitvoering van dat raadsbesluit — daar-
gelaten dat dezelfde raad bij zijn besluit van 13 Maart 1924 heeft besloten het
gebouw voor openbaar slachthuis aan den publieken dienst te onttrekken, welke
beslissing nimmer is ingetrokken of vernietigd — kon geen aanleiding zijn tot
toepassing van de art. 126 en 127 der gemeentewet, omdat deze artikelen uit-
sluitend betrekking hebben op het dusgenaamd zelfbestuur in eigen zin en niet
op de autonomie der gemeente, krachtens welke laatste bevoegdheid het besluit
tot stichting van een openbaar slachthuis was genomen. Derhalve was de Commis-
saris der Koningin in de provincie Overijsel niet bevoegd om den Burgemeester
op te dragen, het aan de Mors staande gebouwtje als gemeentelijk slachthuis open
te stellen. Dit gebouwtje, aldus luidt het verder in het vonnis van 22 Dcc. 1928
(Weekblad voor het recht No. 11924), is daarom niet krachtens het besluit van
den Commissaris van 11 Dec. 1924 wettig opengesteld, tn aangezien niet is bewezen,
dat het later of op andere wijze wettig als gemeentelijk slachthuis in gebruik is
gesteld, was het op 6 Oct. 1927 — de dag, waarop de man, die aanleiding tot de
strafzaak was, werd bekeurd — niet het gemeentelijk abattoir en keurlokaal.

De vleeschhygiëne in het buitenland.

Blijkens een mededeeling in ele „Duitsche Schlachthof-Zeitung" worden op het
oogenblik in
Chili, nl. te Santiago, strenge maatregelen genomen wat betreft
het
vleeschtransport en de verwerking van vleesch in ziekenhuizen, hotels enz.

Het vervoer van vleesch en vleeschwaren mag voortaan nl. slechts geschieden
met bepaaldelijk daarvoor gcconstrueerele wagens. Voor alle personen, die zich met
het transport van levend vee, vleesch en vleeschwaren bezig houden, is een be-
paalde uniforme klecding voorgeschreven.

Verder bestaat er een uitgebreid controlesysteem. In hotels, gasthuizen, e nz.
worden geheel onverwachts invallen gedaan door daartoe aangestelde ambtena-
ren, teneinde te controleeren of alle voorgeschreven maatregelen wel worden in
acht genomen. Bovendien worden dan tevens de noodige monsters ter nader
onderzoek meegenomen In een jaarverslag moet< n telkens aan het stadsbestuur
de resultaten van dit systeem worden medegedeeld.

In Boekarest (Roemenie) heeft de gemeenteraad een verordening vastgesteld,
waarin nauwkeurig wordt aangegeven, aan welke voorwaarden de
vleeschwinkels
moeten voleloen.

In deze bepalingen vindt men o. a. voorgeschreven, dat de wanden van deze
winkels tot 2 Meter hoogte met witte fayencetegels bekleed moeten zijn. Verder
moet de verkooptafel — toonbank — uit wit marmer bestaan en zijn er nog voor-
schriften over de te gebruiken ijzeren vlceschhaken, waterdichte vloeren (bestaande
uit mozai\'k of cement), wateraansluiting, enz. Tout comme chez nous.

Het personeel moet in het wit gekleed zijn, terwijl bovendien bij de vkeschver-
werking zooveel me>gclijk van machines gebruik gemaakt moet worden.

Abattoirs.

B. en W. van Alkmaar stellen voor, wanneer aansluiting bij den nieuwen destruc-
tor van de N. T.
F. ook dc goedkeuring van de overige in den kring Alkmaar ge-
legen gemeenten zou kunnen wegdragen, een overeenkomst aan te gaan met de
N. T. F. Pogingen om Alkmaar te doen aansluiten, wat de onbruikbaarmaking
van het afgekeurde vee en vleesch betreft, bij de inrichting van den kring Bar-
singerhorn of bij Amsterdam, hebben gefaald.

Bij den raad der gemeente Eindhoven kwam een brief van ee n slager in behande-
ling, waarbij schadevergoeding van de gemeente geëischt werd wegens de vermis-
sing van een dien slager toebehoorend half varken uit het gemeentelijk slacht-
huis. De raad heeft op betere controlemaatregelen aangedrongen. B. en W. zullen
in deze zaak een prae-advies uitbrengen.
 de Graaf.

H.H. Medewerkers

wordt verzocht de nog niet teruggezonden tijdschriftnummers van jaargang
1928
spoedig te zenden aan den Secretaris der Redactie. Prins Mauritslaan 9,
den Haag.

-ocr page 795-

Dr. A. Clarenburg

is bij Kon. Besluit benoemd tot bacterioloog aan het Centraal laboratorium voor
de Volksgezondheid,
waar hij tijdelijk als zoodanig werkzaam was.

Op de voordacht voor Directeur van het Abattoir te Utrecht zijn geplaatst:
ie J.
P. v. d. Slooten, directeur abattoir Arnhem en 2e C. J. A. Kerstens
directeur abattoir Roermond.

Rijks-Universiteit Utrecht.

Geslaagd: Veeartsexamen H. L. Berendsen, A. J. Breukink, G. Geertsema,
F. A. de Zeeuw, J. M. Scheygrond, H. Hofkamp, W. Parreé, P. Sjollema,
H. J. Schuring, P. de Vries, E. Vroom.

Doctoraal examen, 2e deel :

P. van Dijk, B. H. Molanus, H. Stoot, H. Suykerbuyk.

Doctoraal examen, ie deel :

J. P. W. Anemaat, F. Boerrigter, W. Huisman, J. Ooms.

Candidaatsexamen, ie deel : B. H. Kessens, W, H. van Hulzen, J. de Jong,
A. van Keulen,
A. A. Kleinjan, C. Langhout, H. L. L. van Werven.

Candidaatsexamen 2e deel, de heeren: A. J. van Amerongen, J. van der
Grift, A. C. U. Veldhuizen.

Standaardisatie van Consumptiemelk.

Door den Directeur-Generaal van de Volksgezondheid, den Heer Lietaert
Peerbolte,
is een commissie samengesteld, welke het vraagstuk van de standaardi-
satie der consumptiemelk in vollen omvang zal bcstudeeren. In deze commissie
hebben zitting afgevaardigden van veehoudersbonden, zuivelbonden, vereeniging
van kaasproducenten en van de Vereeniging van directeuren van Keuringsdiensten
enz. Onder de 15 leden telt men voorts de dierenartsen Dr.
Berger, Dr. K. H.
van Gelder, Dr. IJ. M. Kramer, F. Stuurman en Prof. C. F. van Oijen.

De medewerking van diergeneeskundige zijde aan dit zeer belangrijke onderwerp
mag dan ook zeer voldoende genoemd worden. v. O.

Gezondheidscongres en de Jong-Stichting.

In de openingsrede Van het 34ste Gezondheidscongres, te Middelburg gehouden,
bracht de Voorzitter, Dr. N. M.
Josephus Jitta het groote belang naar voren van
samenwerking tusschen de beoefenaren van dc geneeskunde van den mensch en
die van de di?rgeneeskunde.

Hij wees er zeer terecht op dat deze samenwerking tot nog toe te wenschen
overliet en hij noemde vele ziekten die zoowel mensch als dier bedreigen en ziekten
waarbij besmetting van dier op mensch, en omgekeerd, kan plaats hebben.

Volgens Dr. Jitta moet de band tusschen menschen- en dierenarts inniger worden,
en gelukkig wordt dit hoe langer hoe meer ingezien. De Office international d\'Hy-
giene publique en de Office international pour les épizooties, beide met zetel te
Parijs, zullen in verschillende zaken samenwerken. Onze Regeering heeft in de
goede richting gewerkt door het stichten van de Veeartsenijkundige Faculteit aan
de Universiteit te Utrecht en van de Veterinaire afdeeling aan het Centraal labo-
ratorium voor de Volksgezondheid, alsmede door het benoemen onlangs van de
gemengde commissie in zake abortus-Bang en febris undulans.

Dr. Jitta gaf ten slotte zijn sympathie te kennen met de voorgenomen Prof.
Dr. D.
A. de JoNG-Stichting, die naar zijn oordeel in een behoefte zal voorzien.

Wij verheugen ons in deze openingsrede van Dr. Jitta en verder in het feit
dat steeds meer medici het groote belang inzien van samenwerking met de dier-
geneeskundigen en
het noodzakelijke van de studie der vergelijkende pathologie. Dat
brengt toch vanzelf mede meer bekendheid met ons werk en wij wenschen niets
liever. Aan ons om te zorgen, dat die bekendheid leidt tot meer waardeering. De

-ocr page 796-

de JoNG-Stichting zal daartoe mede bijdragen. Laat ieder dus naar zijn krachten
deze geestelijk en geldelijk ste inen, opdat die Stichting, waartoe van diergenees-
kundige zijde het initiatief werd genomen, een succes worde.
 Vr.

Veeartsenijkundigen Dienst.

1. Dr. S. G. Zwart wordt ontheven van den dienst in het district Noordelijk
Zuid-Holland—Westelijk Utrecht, aangewezen als Inspecteur in algemeenen dienst
en werkzaam gesteld onder den Directeur van den Veeartsenijkundigen Dienst
aan het Departement van Binnenlandsche Zaken en Landbouw.

2. De heer K. de Vink wordt ontheven van den dienst in het district
Zuidelijk Zuid-Holland met standplaats Rotterdam en werkzaam gesteld in het
district Noordelijk Zuid-Holand—Westelijk Utrecht met standplaats \'s Gravenhage.

3. Dr. A. A. Overbeek wordt ontheven van den dienst in het district
Zeeland-Westelijk Noord-Brabant met standplaats Breda en werkzaam gesteld
in het district Zuidelijk Zuid-Holland met standplaats Rotterdam.

4. De heer P. Stehouwer wordt werkzaam gesteld in het district Zeeland
Westelijk Noord-Brabant met standplaats Breda.

Het bacteriologisch Laboratorium „Ratin" te Kopenhagen heeft zijn 25-jarig
jubileum gevierd. Dit laboratorium, dat zich in hoofdzaak met ratten-bestrijding
bezig houdt, staat, zooals bekend, onder de bekwame leiding van collega Dr.
Bahr,
die een der eersten is geweest, die de ratten-bestrijding op wetenschappelijke
basis heeft georganiseerd. Zijn bestrijdingswijze is in vele landen in het groot
doorgevoerd met veel succes. De bezwaren tegen de toepassing, van medische
zijde, vooral in ons land, geopperd, daar het ..ratin" ook voor menschen en
huisdieren schadelijk zou kunnen zijn, hebben alleen theoretische waarde.

Aan het laboratorium worden ook bijenziekten bestudeerd. Vr.

Vacantiewerk voor Candidaat-dierenartsen.

De Redactie van de Veterinary Record doet in dat tijdschrift (no. 27, 1029)
een beroep op de praktiseerende dierenartsen
,,an appeal on behalf of the student".
Zij wijst op het gebrek aan praktische kennis van de pas afgestudeerde collega\'s.
Met het oog daarop zou het zeer nuttig zijn, als de studenten na hun candi-
daats-examen in de groote vacantie in de leer gingen bij praktiseerende
dierenartsen. Zij zouden dan kennis kunnen maken met verschillende soorten
van praktijk, daardoor beter hun keus kunnen doen, en vele praktische
zaken leeren.

Praktiseerende collega\'s, die aan dit goede werk willen meedoen, zouden aan
de Veeartsenijkundige Faculteit der Universiteit kunnen berichten, dat zij ge-
negen zijn een of meer studenten onder hun leiding te nemen.

Ook in ons land zou dit stelsel zeker aan te raden zijn en beter dan „praktijk
waarnemen" waarvoor de candidaten niet bevoegd en niet berekend zijn.

Vr.

Diergeneeskundige kring Amsterdam.

De vijfde Kringvergadering werd gehouden op 2 Mei j.1. Dr. A. v. d. Laan,
Directeur van de Gemeentelijke Vlcesch- en Visch-voorziening tc Amsterdam,
zette zijn voordracht voort over
Vischkennis en Vischkeuring. Deze voordracht
wordt in extenso opgenomen in ons tijdschrift en wij kunnen gevoegelijk daar
naar verwijzen. Ook deze kringvergadering was weder druk bezocht.

De zesde Kringvergadering werd gehouden op 6 Juni j.1. J. Flohil, practiseerend
dierenarts te Haarlem, hield een voordracht over :
Iets over den bouw en de levens-
verrichtingen van de protozoën in \'t algemeen en van enkele parasitaire vormen van
onze huisdieren in \'t bijzonder.

Aan de hand van een keurige collectie lichtbeelden, leidde spreker ons een ge-
bied binnen, dat voor velen van ons nog weinig bekend was. Hier en daar werd

-ocr page 797-

onze zoölogische kennis nog eens opgefrischt. Spr. eindigde met de opmerking dat
hier nog een groot terrein braak ligt ook voor den dierenarts; hij meent zelfs één
soort gevonden te hebben, welke in \'t geheel nog niet beschreven is in de littera-
tuur.

Ook deze Kringvergadering was weer goed bezocht. Bovendien werden weer
twee nieuwe leden aangenomen, waardoor het ledental steeg tot 27.

Besloten werd gedurende de zomermaanden geer. vergaderingen te beleggen,
en de eerstvolgende kringvergadering te houden in September of October ; in
ieder geval nog nader te convoceeren. Voor het komende winterseizoen liggen
dan reeds ter afdoening te wachten : een cursus in melkonderzoek en een practische
demonstratie van vischkennis en -keuring.

Ten slotte wenschen wij alle Kring-collega\'s genoegelijke vacanticdagen
in dezen zomer.
 Eichholtz.

L\'Institut Pasteur d\'Algérie en 1928. (Directeur Ed Sergent).

De strijd tegen de malaria werd voortgezet met toenemend succes (zie ook
verslag over 1927, blz. 945. jaargang 1928).

Huidleishmaniosis (bouton d\'Orient) kwam op verschillende plaatsen voor.
Er is nog geen practiese entmethode tegen deze ziekte gevonden.

Voor het isoleeren in vivo van niet in vitro kweekbare ziektekiemen, zooals piro-
plasmen, werd gebruik gemaakt van de (vroeger reeds door
Theiler toegepaste)
passage-entingen. Om b.v. twee soorten piroplasmen, aanwezig in het bloed van
eenzelfde dier, te scheiden, maakt men gebruik van het verschil in incubatietijd
van die soorten. Men doet met korte tussenpoozen eenige passage-entingen op
gevoelige dieren ; ele parasiet met de langste incubatietijd, die zich tijdens de
overentingen nog niet vermenigvuldigd heeft, kan dan uitgeschakeld worden.

Tuberculose-bestrijding met het B. C. G.-vaccin van Calmette-Guekin werel
voortgezet. Deze
prfmunition antituberculeuse is reeds toegepast bij 1308 kinderen ;
van 62 die samen leefden met tuberculeuze personen stierf geen aan tuberculose,
terwijl 15 a 20 % der sterfgevallen van jonge kinderen (tot 2A jaar) in Algiers
aan tuberculose zijn toe te schrijven. Slechts één geval was twijfelachtig.

Bij inlandse stammen die tot nog toe bijna buiten aanraking met europeanen
bleven (de Touaregs) is tuberculose zeldzaam.

Huidziekten, favus en trichophytosis komen veelvuldig bij de inlanders voor.
Actinomycosis is zeldzaam, bij een vrouw werd de ziekte waargenomen en uit
de huidaandoening werd een met streptotrix Israëli overeenkomende parasiet
geïsoleerd.

Distomatosis door fasciola hepatica werd bij een europeaan gediagnostiseerd.
Een behandeling met stovarsol had verbetering ten gevolge. Dit is het derde geval
van distomatose bij den mens in Algerie waargenomen.

Tegen piroplasmosen bij runderen werd met succes geënt, (1.2 % sterfgevallen
bij 715 entingen). Vooral bij ingevoerd (europees) vee is enting noodzakelijk ;
jonge dieren doorstaan zooals bekenel de enting het best en
Sergent is van mee-
ning dat men ongestraft een kudde jonge europeese rasdieren zou kunnen invoeren
als men ze direct na de ontscheping ent tegen de vier heersende piroplasmosen
en ze ieder jaar opnieuw ent.

Onderzoekingen leerden dat de eigenlijke piroplasmose (piroplasma bigemi-
num) in Algiers wordt overgebracht door twee tekensoorten :
Margaropus calcaratus
en Rhipicephalus bursa ; de babesiellose (piroplasma (babesia) bovis) door Mar-
garopus calcaratus ; de
anaplasmose door Rhipicephalus bursa en Hyalomma
lusitanieum
; de theileriose door Hyalomma mauritanicum.

Rabiês. Door entingen, op konijnen en honden, bleek dat het virus fixe in Algiers
in gebruik, langzamerhand veel van zijn pathogenitcit verloren heeft, echter niet
van zijn vaccineerend vermogen. Het zou volgens
Sergent denkbaar zijn dat het
langzamerhand zoo verzwakt, dat men het dircct als vaccin kan gebruiken zonder
kunstmatige verzwakking ; dat zou de enting eenvoudiger maken.

-ocr page 798-

In het geheel werden in 1928 1280 personen behandeld wegens (vermoedelijk
of bewezen) rabies-besmetting. Hiervan hebben 22, om verschillende redenen,
de volledige behandeling niet doorgemaakt, en kreeg één, 4 dagen na het einde
der behandeling, een paraplégie, die echter in 3 weken genas.

Varkenspest is in Algérie zeer verspreid en veroorzaakt groote schade ; dikwijls
80 % sterfgevallen. Het
serum antipestique van het Institut Pasteur, mits dade-
lijk na het uitbreken der ziekte gebruikt, is van groote, curatieve en preventieve
waarde.

Agalaxie contagieuse bij schapen en geiten, werd met goed gevolg bestreden
door subcutane inspuitingen van Stovarsol. De zieke dieren herstelden binnen
eenige dagen.

Bij bestudeering van Vogelmalaria werd een nieuwe parasiet Plasmodium rouxi,
ontdekt bij kanarievogels. Vrijburg.

PERSONALIA.

Verhuisd : Dr. S. G. Zwart van L. v. Meerdervoort 733 naar Laan van Meerder-
voort 670, den Haag.

BIBLIOGRAFIE.

K. Reitsma, Bijdrage tot de kennis van nieuwvormingen bij vogels, in het bij-
zonder bij de kip. Proefschrift aan de Veeartsenijkundige Faculteit. Velp, N.V.
Middenstandsdrukkerij, 1929. Gr. 8°. 179 blz. m. 16 pl.

Hel Drentsch Paardenstamboek. Afl. 32. 1928. [Assen, Drukkerij Torenlaan,
1929]. 8°. 87 blz.

Hengsten 126—130. Stainboekmerriën 1509—1573. Hulpstamboekmerriën
923—963. Veulenboek 1—125. Hulpveulenboek 1— 138.

Verslag omtrent het beheer van het openbaar slachthuis der gemeente Nijmegen
over het jaar 1928. [Door E. Q
uadekker], Nijmegen, N.V. Drukkerij G. J. Thieme,
1929. Gr. 8°. 29 blz.

Vleeschkeuringswet, Stbl. 1919, No. 524. Wet van den 25sten Juli 1919 . . .
houdende bepalingen tot wering van vleesch en vleeschwaren, die voor de volks-
gezondheid schadelijk zijn. Met aant.....4e dr. Bew. door F. H.
van der Laan.

Zwolle, W. E. J. Tjeenk Willink, 1929. Sm. 8°. 227 blz. ƒ0.90.

Nederlandsche Staatswetten-Editie Schuurman en Jordens. No. 98.

A. de Carvalho, Estephanuriase, parasitose de 90 à 100 % dos suinos do Brasil
causada pelo Stephanurus dentatus Diesing. Rio Janeiro. 1928. 8°. 88 p. c. 17 pl.

G. Benzoni, Nuovi tipi di apparecchi ostetrici per la specie bovina, ideati
dair allevatore Puddinu R. di Nugliedu S. Nicolo, Sassari. Sassari, stamp, délia
Libreria it. estraniera, 1928. 8°. 23 p. c. fig.

J. Rennes, Le lait loyal et les laits hors du commerce. Paris, Le François, 1929.
8\'. 202 p. . Br. fr. 20.—.

Léo, Helminthes et protozoaires les plus fréquents, symptomatologie et traite-
ment. Paris, Le François, 1929. 18°. 216 p. Br. fr. 20.—

Dujarric de la Rivière, Floculation des sérums en présence de mélanges
antigènes teintures de résines, suivi de : Etude physiologique d\'un extrait d\'Ama-
nite Phallo\'de. Paris, Le François, 1929. 8°. 83 p. av. n pl. (3 col.) fr. 35.—

S. Metalnikov, L\'immunité en tant que réaction de défense. Paris, Masson &
Cie., 1929. 8°. 16 p.

Extr. de : ,,La Presse médicale". 1928, No. 101.

H. Bulliard et P. Champy, Abrégé d\'histologie. 4e éd. Paris, Masson & Cie,
1929. 12°. 364 p. av. 221 fig. et 6 pl. en coul. fr. 28.—-

-ocr page 799-

R. Sabouraud, Maladies du cuir chevelu. Toni. 5. Paris, Masson & Cie., 1929.
Gr. 8°. 380 p. av. 179 fig. fr. 80.—

Tom. 5. Les syndromes alopéciques. Pelades et alopécies en aires.
P.
Rossignol, Considérations sur le troupeau ovin en Seine-et-Marne. Paris,
P. Bossuet, 1929. 8°. 79 p. av. 4 ill. fr. 15.—■

H. Moreau, L\'amateur d\'oiseaux de volière. Nouv. tir. Paris, J. B. Baillière
et fils, 1929. Kl. 8°. 456 p. av. 55 fig. fr. 15.—

Bibliothèque des connaissances utiles.

M. Lory, Contribution à l\'étude anatomoclinique de la tuberculose du chat.
Paris, Impr. du Montparnasse etc., 1929. 8° 81 p. av. 1 pl. fr. 15.—

P. Achard, Nous, les chiens. Paris, Hachette, 1929. 8°. fr. 12.—.

Editions des lettres françaises.

H. Fogg and N. M. Fogg, Revised encyclopedia of caged birds, canaries, parra-
kcets, finches, mules and hybrids. Louisville, Audubon Publ. Co., 1928. 8°. 144
p. w. ill. a. diagr.

W. L. Judy, Training the dog. [2d ed.]. Chicago, Judy Publ. Co., 1929. Kl. 8°.
123 p. w. ill.
 S 1.50.

Annual report of the Punjab Veterinary College, Civil Veterinary Department,
Punjab, and the Government Cattle Farm, Hissar, for the year 1927—28. Lahore,
Government Printing, 1928. 8°.

A. H. Sanders, A history of Aberdeen-Angus cattle. Chicago, New Breeders\'
Gazette, 1928. 8°. XX 1042 p. w. 105 pi.

Report of the chief veterinary surgeon, Southern Rhodesia, for the year 1928.
[By J. M.
Sinclair]. Salisbury. Government Printer, 1929. 8°.

B. T. Woodward, Diseases and feeding of your dog. New-York, H. Clay Glover
Co., 1928. Kl. 8°. 104 p. w. ill.

J. Baashuus-Jessen, Live stock breeding in Norway. Oslo, Rambeks Tryk-
keri, 1929.

F. Bullock, The law relating to medical, dental and veterinary practice.
London, Baillière, Tindail & Cox, 1929. 8°. 317 p. Sh. 12.6.—

Report of the Director of veterinary research, Southern Rhodesia, for the
year 1928. [By E. W.
Bevan], Salisbury, Government Printer, 1929. 8°. 13 p.

K. Teichert, Methoden zur Untersuchung von Milch und Milcherzeugnissen.
2te Aufl. Stuttgart, F. Enkc, 1929. 8°. 500 S. m. 66 Abb. u. 43 Tab. M. 30.—
Bilderhette des deutschen Ostetis. H. 3. Hrsg. von H. Wolff. M. e. Einführung
von F.
Schilke. Königsberg i. Pr., Gräfe und Unzer, 1929.
H. 3. Das ostpreussische Pferd.

N. Louros und H. E. Scheyer, Die Bedeutung des Retikuloendothelialsystems
für das Streptokokkensepsisproblem. Leipzig, G. Thieme, 1928. Gr. 8°. 100 S.
m. 13 Abb. u. 4 färb. Taf. M. 14.-—

F. Kahlfeld und A. Wahlich, Bakteriologische Nährbodentechnik. 2te Aufl.
Berlin, Fischer\'s mediz. Buchhandlung, 1929. 8°. 167
S. m. Abb. M. 8.—

V. Schilling, Das Guttadiaphot nach Meyer-Bierash-Schilling. Ein neues
Verfahren zum Nachweis von krankem Blut. Jena, G. Fischer, 1929.
Kl. 8°.
92 S. m. 4 Abb. u. 2 färb. Taf. Brosch. M. 6.— Geb. M. 7.20.

H. Krallinger, Gibt es einen Spermatozoendiphormismus beim Hausrind?
Zugl. eine Chromosomenstudie und ein Beitrag zur Kritik der Chromosomenlehre.
Hannover, M. & H. Schaper, 1928. 40. IV 43 S. m. Abb. M. 5.—

Arbeiten der Deutschen Gesellschaft f. Züchtungskunde. H. 40.
W.
von Unger, Die Ahnen des Hannoveraners. Hannover, M. & H. Schaper,
1928. 40. VII 270 S. m. 36 Abb. M. 18.—

Arbeiten der Deutschen Gesellschaft f. Züchtungskunde. H. 41.

F. Dinkhauser, Die planmässige Bekämpfung der Eutererkrankungen. Han-
nover, M. & H. Schaper, 1929. 8°. 22 S. m. Abb. M. 1.—

G. Lange, Deutsche und ausländische Gesetzgebung auf dem Gebiete der Vieh-
seuchenbekämpfung. Leipzig, W. Richter, 1929. 8°. 93 S. M. 9.—

-ocr page 800-

Kluge und Reich, Praktischer Ratgeber zur Saftfutterbereitung nach dem
Kaltgärungsverfahren. 3te Aufl. Königsberg i. Pr., Landwirtschaftskammer,
1929. M.
1.65.

Arbeiten der Landwirtschaftskammcr f. d. Provinz Ostpreussen. No. 44.
K. Hirsch, Rindviehzucht und Milchleistung in der Kreishauptmannschaft
Leipzig. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. M. 6.—

Abhandlungen des Instituts für Tierzucht und Molkereiwesen an der Univer-
sität Leipzig. Hrsg. von
Golf. H. 19.

R. Bonnet, Lehrbuch der Entwicklungsgeschichte. 5te Aufl. Hrsg. von K.
Peter. Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°. X 542 S. m. 399 z. T. färb. Textabb.

Geb. M. 28.—

G. Klemperer, Grundriss der klinischen Diagnostik. 25te Aufl. Berlin, J.
Springer, 1929. 8°. VIII 345 S. m. 132 z. T. färb. Abb. und dem Bildn. des
Verf. Geb. M. 15.60.

H. von Rochow und G. Vierguss, Pferdefragen. Merkbuch für alle Pferde-
leute in Stadt und Land. Berlin, Verlag Sankt Georg, [1929]. 8°. 87 S. m. Abb.

M. 2 —.

O. Muck, Allgemeines Lehrbuch der Bienenzucht. Wien, M. Perles, 1929. 8°.
XIV 626 S. m. 344 Textabb. und 1 Taf. Sch. 30.—.

2te neubearb. Aufl. des gleichnamigen Lehrbuches von A. Alfonsus.
Ergebnisse der Biologie. Hrsg. von K. von Frisch, R. Goldschmidt, W. Ruh-
land,
H. Winterstein Bd. 5. Berlin, j. Springer, 1929. Gr. 8°. VIII 838 S.
m. 156 Abb.
 M. 76.—. Geb. M. 78.80.

Festschrift zum vollendeten Ausbau und zur Neueinrichtung der Bernischen
Molkereischule Rütti-Zollikofen. Schaffhausen, Kühn & Comp., 1929. Gr. 8°.
63 S. m. Abb. M. 2.—.

Schweizerische Milchzeitung. Jg. 55 No. 29.

Lehren der Tierzucht. Tierzüchterische Vorträge. Stuttgart, E. Ulmer, 1929.
Gr. 8°. IV 126 S. m. Fig. M. 8.—

Jahrbuch für wissenschaftliche und praktische Tierzucht einschl. der Züchtungs-
biologie. Unter Mitw. von
Armbruster, von Falck, Gärtner u. A. hrsg. von
der Deutschen Gesellschaft für Züchtungskunde. Red. : J.
Schmidt und E. Laup-
recht.
Jg. 21. Tl. 1. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. Gr. 8°. IV 321 S.

M. 22.—

Tl. 1. Allgemeine Tierzucht, Fütterungslehre, Hygiene, Grünland und Gross-
tierzucht.

Stutbuch des preussischen Friedrich-Wilhelm-Gestüts bei Neustadt- Dosse
1895—1929. Bearb. von W.
von Henninges. Hannover, M. & H. Schaper, 1929.
Gr. 8°. 212 S. m. 1 Titelbd. M. 6 —

Der Züchter. Zeitschrift für theoretische und angewandte Genetik. Hrsg. von
E.
Baur. Schriftleiter B. Husfeld. Jg. 1. 1929. H. 1. 1 April. Berlin, J. Springer,
1929. 40. 12 Hefte. Halbjähr]. M. 15.— Einzell). M. 3.

H. 1. 32 S. m. Abb.

Veröffentlichungen aus den Jahres-Veterinär-Berichten der beamteten Tier-
ärzte Preussens. Zusammengest, von
Wiemann \'unter Mitw. von Hüsgen). Jg.
19. 1925—1926. Tl.
1. Berlin, P. Parey, 1929. 40. III 169 S. m. 13 Taf. und
4 [2 färb., 2 eingedr.] Ktn. M. 12.—

L. Neye, Lehrbuch der Tierzuchtlehre für landwirtschaftliche Schulen.
5te Aufl. Hildesheim, Selbstverlag, 1928. Gr. 8°. IV
404 S. m. 199 Textabb.

Geb. M. 5 60.

L. Neye, Leitfaden der Tierzuchtlehre für landwirtschaftliche Schulen. 4te
Aufl. Hildesheim, Selbstverlag, 1928. Gr. 8°. IV 298 S. m. 165 Textbild.

Geb. M. 4.20.

L. Neye, Tierzuchtkunde. Ein Unterrichtsbuch für landwirtschaftliche Haus-
haltungsschulen .... Hildesheim, Selbstverlag,
1928. Gr. 8°. IV 240 S. m.
109 Textbild. M. 2^40.

-ocr page 801-

K. Ritter, Wol!«rzeugung und Wollhandel der Welt vor und nach dem Kriegee
Die weltwirtschaftlichen Bedingungen der deutschen Schafhaltung. Berlin, P.
Parey, 1929. Gr. 8°. 286 S. m. 33 Textabb. u. Tab. M. 18.—

Agrarpolitische Aufsätze und Vorträge. Von K. Ritter. H. 15.

R. A. Cusin, Le traitement de la stérilité de la vache par le massage des ovaires.
Thèse de Lyon. 1929.

A. C. L Dumas, Contribution à 1 étude des dermatoses canines et félines. Thèse
de Lyon. 1929.

P. P. Mangematin, De l\'habronémose cutanée des équidés. Thèse de Lyon.
1929.

R. E. Devaux, Des ophtalmies infectieuses secondaires. Thèse de Lyon. 1929.

A. H. Brenot, L\'industrie laitière dans le département du Jura. Thèse de
Lyon. 1929.

L. J. Lambert, Quelques recherches sur le lait. Action favorisante du Bacillus
subtilis dans la fermentation lactique . Le rattrapage du lait. Thèse de Lyon. 1929.

P. R. Ruby, De l\'allylarsinate monosodique en dermatologie vétérinaire. Thèse
de Lyon. 1929.

L. Comby, Emploi de l\'acétone dans la chimie biologique. Essai sur le lait.
Thèse de Lyon. 1929

P. A. F. Texier Hugou, L\'abatage rituel et l\'examen interne des animaux
chez les juifs d\'après la Bible et le Talmud en regard du contrôle actuel des viandes
de boucherie. Etude historique et critique. Thèse de Lyon. 1929.

Dumeste, Essai sur la pathogénie et le traitement des effats de tendon chez
le cheval de selle. Thèse de Paris. 1929.

J . F. E. Sailly, Contribution à l\'étude des anaesthésies locale et régionale chez
le chien. Thèse de Paris. 1929.

M. J. Husson, Les tuberculoses animales aux colonies françaises. Thèse de Pa-
ris. 1929.

L. A. J. Pallet, Quelques essais thérapeutiques avec la solution de Dakin en
clientèle rurale. Thèse de Paris. 1929.

A. L. V. Ripart, De l\'action du Novarsénobenzol chez le cheval. Thèse de
Paris. 1929.

A. P. Painvin, Influence des saisons sur le métabolisme basai et l\'action dyna-
mique spécifique de la viande chez le chien. Thèse de Paris. 1929.

M. P. E. Pigot, Contribution à l\'étude de la piroplasmose bovine en Normandie.
Thèse de Paris. 1929.

o. N. P. Pairemaure, Etude expérimentale sur la morve. Thèse de Paris. 1929.

L. L. Larbot, Contribution à l\'étude des cholestéatomes cérébraux chez les
animaux. Thèse de Lyon. 1929.

A. Claverie, Contribution à l\'étude de la transfusion du sang chez le cheval.
Thèse de Lyon. 1929.

G. R. A. Mariaux, Contribution à l\'étude de l\'étiologie et de la pathogénie de
l\'urticaire chez les bêtes bovines. Thèse de Lyon. 1929.

Lemoine, Les formes nerveuses de la maladie du jeune âge des carnivores.
Thèse de Toulouse. 1929.

Tissendié, Contribution à l\'étude des lymphangites traumatiques des membres
chez le cheval. Thèse de Toulouse. 1929.

Ve.vel, L\'accouchement chez la chienne. Thèse de Toulouse. 1929.

Villechaise, Le confolentais. La population animale. Thèse de Toulouse. 1929.

Gaubert, Contribution à 1 étude de la sédimentation du sang du cheval. Thèse
de Toulouse. 1929.

V. R. L. M. Guézille, Contribution à l\'étude de l\'autohémothérapie en méde-
cine vétérinaire. Thèse de Lyon. 1929.

P. F. Collet, Contribution à l\'étude de la photosensibilisation chez les animaux.
Thèse de I.yon. 1929.

-ocr page 802-

A. F. Grimouille, Le dysphagisme et le météorisme en médecine vétérinaire.
Thèse de Lyon. 192g.

F. E. V. Marquet, Contribution à 1 étude de l\'hydropisie des enveloppes foe-
tales chez la vache. Thèse de Lyon. 1929.

F. L. Paquier, Dystocies dues aux mauvaises positions des membres posté-
rieurs dans la présentation postérieure chez les bovidés. Leur réduction. Thèse
de Paris. 1929.

Videau, Contribution à l\'étude de l\'opération complète du „clou de rue".
Thèse de Toulouse. 1929.

I.arrat, Le coryza aigu du cheval. Thèse de Toulouse. 1929.

Garrigues, L\'autoplastie carpienne en chirurgie vétérinaire. Traitement opéra-
toire du genou anciennement couronné. Thèse de Toulouse. 1929.

Mainvielle, La coprostase chez les carnivores domestiques. Thèse de Toulouse.
1929.

Dufréchou, Contribution à l\'étude de l\'élevage dans la vallée de la Save. Thèse
de Toulouse. 1929.

Farbos, Contribution à l\'étude du traitement des anémies par les injections
souscutanées de sang. Thèse de Toulouse. 1929.

Attias, La sangsue du cheval, Limnatis nilotica (Savigny). Quelques accidents
causés par ce parasite en Afrique du Nord. Thèse de Toulouse. 1929.

Arboulat, Contribution à l\'étude du traitement général des ascites chez nos
carnivores, en particulier le traitement pathogénique par l\'emploi du bromure de
sodium. Thèse de Toulouse. 1929.

F. Hock, Untersuchungen über den Bau und Keimgehalt der Lagerstätten des
Strongylus paradoxus in den Lungen des Schweines. Inaug.-Diss. Giéssen. 1929.

E. Arnold, Das Primordialcranium eines Pferdeembryos von 3.6 c.M. S. S.
L. Tnaug.-Diss. Giessen. 1928.

e. Heide, Ueber die Perspiratio sensibilis bei schweissdrüsenlosen Tieren
(Kaninchen) nebst einigen Versuchen am Menschen. Inaug.-Diss. Berlin. 1928. 8°.

N. Leitner, Ueber die künstliche Erzeugung von Bakteriophagen. Inaug.-
Diss. Frankfurt. 1928. 8°. 36 S.

G. Martens, Die Tierversicherung für Landarbeiter und Kleinbesitz unter
bes. Berücksichtigung Ostpreussischer Verhältnisse. Inaug.-Diss. Königsberg.
1928. 40. 163 S. m. Tab.

F. Pritze, Beiträge zur Kenntnis des Balantidium coli. Das Balantidium des
Schweines in seiner Beziehung zum menschlichen Balantidium und sein Verhalten
unter natürlichen und künstlichen Bedingungen. Inaug.-Diss. Berlin. 1928. 8°.
70 S.

A. Rosenthal, Die Wirkung der arsenigen Säure, insbes. des Nervarsens auf
das Periodontium des Hundes. Inaug.-Diss. Basel. 8°. 25 S. m. 3 Taf.

F. Tiedge, Ueber die Teilung der Kathode bei Induktionsschlägen Inaug.-Diss.
Berlin. 1928. 8°. 17 S.

a. Heim, Versuche mit Leron, einer südamerikanischen Droge als Anthelmin-
ticum bei Fleischfressern Inaug.-Diss. München. 1929.

F. Menk, Untersuchung des normalen und pathologischen Rinderblutes unter
bes. Berücksichtigung des Blutes von Rindern aus lymphozytomatoseverdächti-
gen Beständen. Inaug.-Diss. Giessen. 1929.

G. Varju, Die Rolle der Räudemilben bei der Otitis externa der Fleischfresser.
Inaug.-Diss. Budapest. 1928.

M. Schieblich, Die Metschnikoff\'sche Theorie und der Einfluss der Kost auf
Darmflora, Wachstum, Fortpflanzung, Gebaren und Blutbild der weissen Ratte.
Habilitationsschrift Leipzig. 1929.

H. Arnert, Ein Beitrag zur Kenntnis der mechanischen Eigenschaften gesunder
Wollhaare von Merino-Kammwolljährlingen. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

du Buy.

-ocr page 803-

REFERATEN.

VERGELIJKENDE PATHOLOGIE.

Die experiraentelie Begründung der Berliner Methode der antirabischen Imp-
fungen.
Kritschewski : Zeitschr. f. Immunitatsforschung. 1929. 5/6 blz. 337.

Het aantal personen, die door dolle honden worden gebeten neemt jaarlijks
in Rusland sterk toe. In de Ukraine is dit getal van 1923 tot 1924 met 70,1% ge-
stegen (13637 gevallen) ; ook elders had een dergelijke toeneming plaats. De vraag-
stukken die betrekking hebben op de meest geschikte wijze van bereiding en ver-
zending der entstof worden daarom in deze gebieden ernstig onder oogen gezien,
hetgeen tot gevolg heeft gehad, dat in den laatsten tijd uitvoerige studie hiervan
is gemaakt. K. heeft meer in het bijzonder nagegaan de houdbaarheid van volgens
Berlijnsche methode bereid vaccin (emulsie van konijncnherseneD-virus-fixe in
10% glycerine). In de ijskast bleek dit 3 maanden virulent te blijven voor het konijn.

Ook bij verzending over grooten afstand per spoor, zonder rekening te hbuden
met de temperatuur der omgeving in het warme jaargetijde, was deze virulentie
der stamsuspensie onveranderd. Het voor de behandeling gebruikte ï/250 verdunde
vaccin bleef den geheelen dag bruikbaar, zoodat de verdunning slechts éénmaal
per dag behoeft te worden bereid.

A strain cl Bacillus abortus from swine. Theobald Smith : The Journal of Ex-
perim. Medic. 1929. 49. No. 4. Blz. 671.

Bij een enzoötie van abortus bij varkens in de Oostelijke staten van Noord-
Amerika werd Brucella Bang gekweekt uit het bloed en de inwendige organen
van verschillende der vruchten In tegenstelling met het geaborteerde kalf, waar
de bacteriën meestal begrensd zijn tot het digesticapparaat en de longen, konden
bij de varkensfoeti de Brucella\'s door het heele lichaam verspreid worden aange-
troffen. De vruchten vertoonden geen viscerale laesies. De piacenta had exsuda-
tieve processen. De uit het varken gekweekte stammen groeiden reeds aanstonds
op schuingestolde agar bij volledige toetreding der lucht. Bij de geïnfecteerde
cavia ontstonden meer necrotische haarden in milt en lymphklieren, maar de patho-
gene werking van deze varkensstam voor de cavia was zwakker dan men haar in
den regel aantreft en naderde meer die van het ,,boviene" type. Bij een kunstmatig
geïnfecteerde zeug werden de bacteriën niet in de uterus, maar wel in de melk terug
gevonden.

La Fièvre ondulante en Suède. Kling : Office International d\'Hygiène publique.
1929, XXI, 3, blz. 412.

Tusschen 1 Maart en 1 Augustus 1928 werden in het Bacteriologisch Instituut
van den Staat 39 gevallen van unduleerende koorts opgespoord, d. i. twee per
weck. Wanneer hierbij worden gevoegd de gevallen uit andere Zweedsche labo-
ratoria, dan wordt dit getal verhoogd tot 3 a 4 per week, zoodat de Bang-infectie
daar thans bij manschen veelvuldiger wordt aangetroffen dan paratyphus B en
bijna even vaak als typhus. Van alle 73 geregistreerde patiënten stierven er twee
(2,8%). De jongste lijder was 8 jaar, de oudste 77. Het aantal mannen (46) over-
trof dat der vrouwen (18) sterk. De diagnostiek in vivo (caviaproef) was gevoeliger
dan in vitro (directe kweek).

Opmerkelijk is dat een der gevallen veroorzaakt zou zijn door laboratorium-
infectie met de Br. Bang van
bovicne herkomst. Van belang is aandacht te wijden
aan de gevallen van infecties die clinisch niet tot uiting komen.
Kling meent in
de waarneming, dat bij de sera van vrouwen op alle leeftijden meer agglutininen
worden gevonden (in de lagere waarden) dan bij die van den man, een aanwijzing
te mogen zien, dat deze zwakke reacties berusten op de aanwezigheid van
speci-
fieke
agglutininen.

La Fièvre ondulante d\'origine endémique en Angleterre. Champneys : Office
Internat. d\'Hyg. publ. 1929, XXI, 3, blz. 423.

Opsomming var. 8 in Engeland waargenomen gevallen van unduleerende koorts,

-ocr page 804-

waarbij meestal de bron van infectie niet was aan te geven. In één geval bestond
er groote waarschijnlijkheid, dat de besmetting tot stand was gekomen na het
drinken van rauwe geitenmelk ; het serum van de geit agglutineerde Br. melitensis
tot 1
/250 en Br. abortus tot 1/500. Hoewel men in Engeland niet beschikken kan
over statistische gegevens omtrent de verbreiding van het besmettelijk verwerpen
bij de veestapel, mag wel worden aangenomen, dat ongeveer
50% der melkkoeien
geïnfecteerd is. De regeering acht het vraagstuk van het endemisch voorkomen
van febris undulans in Engeland van groot belang en zal een rondschrijven richten
tot alle artsen in Groot-Brittanië om hen te wijzei: op deze ziekte bij menschen
en dieren ; tevens zal zij het verzoek richten tot de diagnostische laboratoria om
alle voor het verrichten van de reactie van
Widal ingezonden sera ook na te gaan
op agglutinabiliteit voor Brucella.

Sur la Fièvre ondulante aux Etats-Unis. Tai.iaferro Clark : Office Internat.
d\'Hyg. publ.,
1929, XXI, 3, blz. 429.

In sommige streken van de Verecnigde Staten schijnt volgens enkele onder-
zoekers de unduleerende koorts bij menschcn meer voor te komen, dan typhus.
Zooals bekend, speelt hier niet alleen de koe, maar soms ;:clfs in de eerste plaats
het varken een belangrijke rol als bron van infectie. Ook in Amerika in één geval
bekend van laboratoriuminfectic door Brucella Bang.

Ueber menschliche Infektionen mit Bact. abortus Bang und ihre Verbreitung
ln Schleswig-Holstein.
Weigmann : Klin. Wochenschr. 1929. 8. Nr. 8. blz. 351.

Onder 1009 patiënten met koortsende ziekten, voornamelijk naar het labora-
torium gezonden ter onderzoek op typhus en paratyphus, werd, door middel van
agglutinatieproeven, bij
32 het bestaan van Bang-infectic vastgesteld.

De vroegste reactie werd waargenomen op den vijfden ziektedag. De titers schom-
melden tusschen 1
/100 en r/20.000. Zes der patiënten, onder wie zich een dieren-
arts bevond, hadden ir. direct contact verkeerd met aborteerend vee ;
19 gebruikten
rauwe melk ; van de overigen konden geen epidemiologische gegevens worden
verzameld, die de infectie met Brucella waarschijnlijk maakten. Van
27 lijders
waren
10 als landbouwers of landarbeiders werkzaam, 2 waren melkers ; verder
was één arts, één dierenarts en één slager; de overige
12 oefenden beroepen uit,
die geen direct of verwijderd verband hielden met mogelijke infcctiebronncn.
De leeftijden wisselden tusschen
13 en 65 jaar; jonge kinderen werden ook hier
weer niet aangetroffen. Het aantal mannelijke patiënten
(21) overtrof dat der
vrouwelijke (6).

Alle gevallen kwamen sporadisch voor ; nooit kon verband tusschen twee pa-
tiënten worden vastgesteld.

Al deze gegevens zijn volledig in overeenstemming met die welke elders zijn
gevonden (Denemarken, Amerika, Nederland).

Zur Frage der Serodiagnostik bei Miizbrand. Kudrjawzlw en Romanow :
Zeitschr. f. Infekt. krankh. etc. der Haustierc. 1927. I. blz. 57.

De onregelmatige uitkomsten, die de bereiding van een hoog-praecipitecrend
scrum volgens Ascoli in den weg staan, kunnen volgens schr. voor een belangrijk
deel ondervangen worden, wanneer de dieren niet worden voorbehandeld met de
bacteriëncultuur zelf, maar met een emulsie van het door kookhitte gecoaguleerde
protoplasma-eiwit daarvan. Met deze methode zou het gelukken bij verschillende
diersoorten binnen betrekkelijk korten tijd een zeer actief en zeer specifiek prae-
cipiteercnd serum te vervaardigen. De individueele factor van het scrumdier
schijnt bij deze wijze van immuniseering ook veel geringer invloed te oefenen, dan
bij gebruikmaking der vroeger gebezigde inj ictievloeistoffen

De reactie van Widai en de complementbindingsreactie bij typhus. Herder-
schee :
Ned. Tijdschr. v. Geneesk. 1929. 73. I. 14. blz. 1708.

De onmiskenbaar groote waarde van dc reactie van Widal voor de diagnostiek
der typhus lijdt eenigszins door dat deze niet steeds en niet in alle gevallen positief
wordt aangetroffen. H. vond haar in den eersten ziekteweek negatief bij
23% der
patiënten. Merkwaardig is dat in het bijzonder de gevallen, die gevolgd worden

-ocr page 805-

door een recidief, soms langen tijd niet reageeren met ,,een Widal". Ook werden
gevallen aangetroffen, waar reeds tijdens het koortsstadium een tevoren positieve
reactie weer negatief werd. En tenslotte kon eerst een positieve Widal bij sommige
der patiënten worden gevonden in het stadium der reconvalescentie. H. heeft
nu o.m. in navolging van
Pyper, die in Zuid-Afrika daarmede zeer gunstige resul-
taten had verkregen, een onderzoek ingesteld naar de aanwezigheid van com-
plemeiitbindende antistoffen in de sera van typhuslijders. Samenvattend moest
evenwel worden vastgesteld, dat voor de typhusdiagnostiek de reactie van Widal,
vooral wanneer zij bij herhaling wordt verricht, grooter waarde heeft dan de com-
plementbindingsreactie. De laatste reactie is
naast die van Widal nog wel van be-
lang bij patiënten, die in een laat stadium der ziekte met een verdachte typhus-
anamnese in behandeling komen.

Experimenteller Paratyphus B. Kosmodemjanski : Zeitschr. f. Immunitats-
forschung 1929. 60. 5/6. blz. 383.

Schr. stelde een meer nauwkeurig onderzoek in naar de reeds eerder bekende
pathogeniteit van Bact. paratyplii B voor duiven. Hij gebruikte daartoe voorna-
melijk stammen van het Schottmiiller-type, waarvan hij een suspensie ii. den
bek druppelde. Hierop volgde in bijna alle gevallen een ernstige septische infectie
met haemorrhagische aandoeningen van den darm en vermeerdering der microben
in het bloed en in de organen. Geruimen tijd na de toediening per os konden de
paratyphusbacteriën soms nog worden gevonden in de faeces, het bloed en de
organen.

Van 51 met cultuur gevoederde duiven stierven 25 (50%). De langer gegroeide
kweeken gaven meer doodelijk verloopende infecties dan jonge culturen ; van
23 duiven, gevoerd met een cultuur van 2 dagen stierven 18 (78%), van 20 met
een cultuur van 1 dag stierven 6 (30%) en van 8 dieren met een cultuur van 6—12
uur slechts één.

Ongeveer dezelfde resultaten werden verkregen bij voederingsproeven met
Bact. enteritidis Breslau. Typhus- en Gartnerbacillen daarentegen bleken voor
de duif per os niet pathogeen te zijn. Een belangrijke invloed moest worden toege-
schreven aan de werking van endotoxinen.

De infectiositeit schijnt verder nog afhankelijk te zijn van individtieele gevoelig-
heid der duiven, die in vele gevallen verband hield met den duur van gevangen-
schap der proefdieren. In het sesum treden na infectie per os agglutininen en bac-
teriolysinen op. Het serum van duiven, die de infectie doorstaan hebben bezit
praeventieve eigenschappen.

Beitrag zu dem kulturellen, biologischen, serologischen und tierexperimentellen
Verhalten der Taubenparatyphusstamme.
Beck : Zeitschr. f. Infektionskr.h. d.
Haustiere. 1929. 35. 2. blz. 124.

Onder paratyphusstammen, die bij duiven worden gevonden komt een aantal
voor, die op agar een slijmwal vormen. Daarnaast worden allerlei overgangen
aangetroffen van vlakke kolonies tot het zoo juist genoemde type. De conclusie,
dat „dus" (ref.1 deze stammen in cultureel opzicht een plaats innemen tusschen
de typen Schottmiiller en -Breslau is wat zwak gefundamenteerd. Serologisch
staan de duivenstammen dichter bij het Breslau-, dan bij het Schottmiillertype,
en ook hun pathogeniteit voor muizen bij de voederingsproef pleit voor deze
groepeering. Volwassen duiven zijn gevoeliger voor de duivenstammen, dan voor
B. enteritidis Breslau. Naast doodelijk verloopende infecties komen ook latente
voor, waarbij de dieren geen uiterlijk waarneembare ziekteverschijnselen vertoonen.

Transmission of Fowl-pox by mosquitoes. Kligler, Muckenfusz en Rivers :
The Journal of Experim. Medic. 1929, 49, No. 4, blz. 649.

Reeds lang is bekend, dat veel muggen bloed zuigen bij vogels. De hier beschre-
ven onderzoekingen hebben proefondervindelijk aangetoond, dat Culex en Aëdes
daarbij vogelpokken kunnen overbrengen van zieke op gezonde kuikens. Schr. be-
sluiten|bieruit,Jdat ook onder natuurlijke verhoudingen op deze wijze waarschijn-
lijk de ziekte kan worden overgebracht en dat het niet onmogelijk is dat ook andere

-ocr page 806-

bijtende insecten dezelfde rol kunnen spelen. De muskieten konden het lijden over-
brengen gedurende 14 dagen, volgende op de infecteerende maaltijd. Met het
oog op het feit, dat het virus van de vogelpokken nog infectieus is in heel kleine
hoeveelheden en zeer bestand is tegen uitdrogen, kan de infectie door bemiddeling
van den mug als een zuiver mechanisch proces worden verklaard, zonder dat een
vermeerdering in het insect behoeft te worden aangenomen, v.
d. Hoeden.

Die Bedeutung der Gewebezüchtung für das Krebsproblem. A. Fischer : Seu-
chenbekämpfung 1928. Bd. 5. Blz. 31.

In het gebied van het experimenteele kankeronderzoek heeft men lange jaren
vruchteloos gezocht naar een bepaalde oorzaak voor den kanker (bacterie, para-
siet, virus) ; hoewel deze richting niet geheel verlaten is, zijn er tal van aanwij-
zingen gekomen, vooral langs experimenteelen weg, dat de oorzaken voor kanker
verschillend kunnen zijn (parasieten, bacteriën, chemische en physische invloeden).

Er moet dus gezocht worden naar het wezen der veranderingen die verschillende
prikkels op de cellen uitoefenen, waardoor zij tot kankercellen worden ; wij staan
dus voor een vraagstuk der pathologische celstofwisseling als kern van het kanker-
vraagstuk. Hoe veelzijdig deze prikkels kunnen zijn bewijst de uitspraak van O.
Warburg, dat iedere chronische beschadiging van cellen, die niet groot genoeg
is om deze te dooden, kanker kan verwekken.

Het is begrijpelijk, dat onderzoekingen in deze richting slechts mogelijk zijn
sinds het gelukt is normale en tumorcellen in reincultuur te kweeken (van het
Rous-sarcoom zijn stammen gedurende 3 jaar, en van het Ehrlich\'sche muizen-
carcinoom ongeveer 1 jaar in vitro doorgekweekt, zonder aan virulentie te ver-
liezen). Vergelijkt men de eigenschappen van normale cellen en tumorcellen, dan
blijken zij in hoofdzaak quantitatief te verschillen ; tumorcellen vormen geen
aparte celsoort, doch zijn zieke cellen, m. a. w. cellen met een abnormale stof-
wisseling (vergroot deelingsvermogen, autolytische- en heterolytische eiwitaf-
braak, glycolyse, enz.). Voor zoover op het oogenblik bekend is, zijn de processen
die een cel tot kankercel maken irreversibel.

Door de weefselcultuur is het gelukt een uiterst belangrijke vraag te beant-
woorden nl. of het organisme deel neemt aan het ontstaan van een gezwel. De
meeningen hierover zijn zeer verdeeld ; zoo denkt men zich het ontstaan van het
teercarcinoom bij de muis óf als een locaalproces tengevolge van het teeren, óf
als een gevolg van een chron. teervergiftiging, waarbij het behandelde huidgebicd
slechts een bijkomstige beteekenis heeft. Door de behandeling van weefselculturen
van normale cellen (miltmacrophagen) met arseen of teer is het gelukt deze tot
sarcoomcellen te maken Hieruit blijkt dus, dat de schadelijke inwerking op de
cellen direct, zonder tusschenkomst van het organisme tot stand komt. Gezwel-
vorming is dus een locaal ziekteproces, gebonden aan bepaalde pathologisch
veranderde cellen. Daar deze proeven niet steeds gelukken, moet men wel aanne-
men, dat er praedisponeerende omstandigheden zijn, waarvan de rol cn beteekenis
nog niet kunnen worden aangegeven.

^Ook voor onderzoekingen over immuniteit voor gezwellen biedt de weefselcul-
tuur een zeer geschikt arbeidsveld. Het schijnt dat ook hier de cel zelf een belang-
rijke rol speelt bij de immuniteitsprocessen, analoog aan de opvattingen van
Besredka. H. j. M. Hoogland.

Pathogenese der Zwartwaterkoorts.

Lichtenstein, (Geneesk. Tijdschr. v. Ned.-Indië 1929, 1, blz. 138), komt naar
aanleiding van literatuurstudie en waarneming van twee gevallen van zwart-
waterkoorts in Atjeh, tot de gevolgtrekking dat, wat de aetiologie van die ziekte
betreft, alleen de malaria-theorie de juiste is. Hij laat in het midden of de malaria-
parasiet, door ons nog onbekende invloeden haemolyseerende eigenschappen
krijgt, of wel nog een specifiek agens noodig is om in het door malaria aangetaste
lichaam de haemoglobinurie op te wekken.

De zwartwaterkoorts is een peracuut verloopende haemolytiese icterus door

-ocr page 807-

malaria veroorzaakt. Bij matige haemolyse zijn de galbereidende organen nog in
staat de haemoglobine om te zetten in galkleurstof ; is de aanvoer te groot, zooals
bij zwartwaterkoorts het geval is, dan wordt het overschot door de nieren afgevoerd
en krijgt men het verschijnsel haemoglobinurie.

Oorzaken van thrombose.

Prof. Dr. P. C. T. van der Hoeven bespreekt in een „Kliniese les" (Geneesk.
Gids 1929, No. 11, blz. 229) de thrombosen, speciaal in verloskundige gevallen.
Volgens hem heeft de bekende thrombose van de vena femoralis, voortgeleid van
uit de uterusaderen en het ziektebeeld van de phlegmasia alba dolens gevende,
bijna altijd infectie als oorzaak.

Bij thrombose van oppervlakkige aderen is het moeilijker infectie als oorzaak
aan te nemen. In den regel is daarbij maar een klein gedeelte, ongeveer 10 c.M.
van de ader aangedaan, daarboven en daaronder is het vat vrij ; de afwijking is
dikwijls ver van de genitalia verwijderd en verloopt meestal goedaardig. In die
gevallen is als oorzaak te denken aan verlangzaamden bloedstroom, vergroote
bezinkingssnelheid der roode bloedcellen en zieke vaatwand (het laatste wellicht
door invloed van zwangerschapstoxinen op het vaatendothelium).

Thymus preparaten tegen fragilitas ossium.

Prof. Gorter (N. T. v. Geneesk. 1929, I, blz. 2022) had bij twee kinderen met
ziekteverschijnselen die op rhachitis leken succes met thymus-preparaten. De
beenderen waren broos en pijnlijk ; behandeling met levertraan, hoogtezon, bestraal-
de melk, vigantol en lactas calcicus baten niet. Na toediening van varkens-zwe-
zerik, 20 gram per dag bij het eene en 2 maal daags een capsule glandula thymus
(Parke Davis) kwam spoedig beterschap. Daar de andere, op rhachitis wijzende
verschijnselen wel genazen door de gewone therapie, alleen de fragilitas ossium
niet, die bleef bestaan toen het fosfaat-gehalte van het bloed reeds normaal was,
zou men volgens schrijver kunnen denken aan een anderen oorzaak van de broos-
heid der beenderen en een insufficientie van de thymus en dus gebrek aan hor-
monen van die klier. Bij beenbreuken vertoont, volgens
Knriquez, Robuski en
Goldner, de thymus teekenen van hyper-functie. Vrijburg.

TUBERCULOSE.

Een 30-jarige bestrijding der tuberculose onder het rundvee In Zweden. (G.

REGNéR, Skand. Vet. Tidskr., Sept. 1928).

Op 15 October 1897 begon men in Zweden met de stelselmatige bestrijding
der tuberculose onder het rundvee, gegrond op vrijwillige deelneming, volgens het
stelsel van
Bang. Van staatswege werden daarbij de volgende maatregelen ge-
troffen : Instelling van een centrale leiding ; tuberculinconderzoek geheel of ge-
deeltelijk kosteloos ; klinisch onderzoek geheel op kosten van het Rijk door een
daartoe van staatswege aangestelden tuberculoseconsulent, en mogelijkheid van
schadeloosstelling van zieke dieren ; dit laatste heeft zich in den regel bepaald tot
runderen, lijdende aan uiertuberculose.

In 1921 werd ingevoerd een wet betreffende de pasteuriseering van melk be-
stemd voor de voeding der kalveren ; was dit in den aanvang facultatief, in 1925
werd het verplichtend gesteld voor het geheele Rijk, uitgezonderd de zes noorde-
lijke districten.

Om een krachtige medewerking te verkrijgen, is bepaald, dat de eigenaren
hun vee éénmaal op kosten van het Rijk kunnen laten tuberculinceren, zonder
verplicht te zijn. aan de bestrijding deel te nemen. Op deze wijze verkreeg men een
uitstekend overzicht over de verbreiding der tuberculose.

REGNéR geeft vervolgens een overzicht over de resultaten der bestrijding, in
30 jaar verkregen. Het aantal deelnemers nam toe van jaar tot jaar : in\'1908 be-
droeg het aantal boerderijen 1.366, in 1920 : 2.113 en in ^27 : 3.299 met 115.772
dieren. (Bij de laatst gehouden veetelling, in 1919, bedroeg het aantal runderen
in Zweden ruim i\\ millioen stuks). Het gemiddelde % reageerende dieren, dat bij
den aanvang der bestrijding bedroeg 25%, was in 1927 tot 2^% teruggegaan.

v. Nederveen.

-ocr page 808-

Keukenzout-vrije voeding bij longtuberculose.

Baer, Herrmannsdorfer en Kausch, (Münch. Med. Woch., N. T. v. Geneesk.
1928, I. blz. 466) hebben een driejarige ervaring over behandeling van longtuber-
culosepatiënten met NaCl-vrij dieet; zij hebben de overtuiging gekregen dat dit
dieet een gunstigen invloed heeft en dat bijna hopelooze gevallen nog daarmee
gebaat kunnen worden. Men ziet bij ondervoede zieken het gewicht vaak opmer-
kelijk snel stijgen, de koorts verdwijnen, het sputum en de bacillen verdwijnen.
De behandeling bevordert de overgang van excudatieve processen in productief
fibrineuse.

Tubercelbacillen in Vrouwenmelk.

Sommige onderzoekers vonden geen tubercelbacillen in de melk van tuber-
culeuze vrouwen, anderen konden door de caviaproef tubercelbacillen aantoonen
(Noeggerath in 20%, Günsburg in 33% van de gevallen). Günsburg verrichtte
zijn onderzoek bij vrouwen die, hoewel klinies gezond, een positieve von
Pirquet-
reactie hadden en ook positieve complementbindings-reacties.

Eenige onderzoekers vonden patiënten met actieve tuberculose zelfs in 85%
van de gevallen bij microscopis onderzoek (met gebruik van antiformine) tubercel-
bacillen.

Hackenthal en Meyer (Z. Hyg. 1928) onderzochten, door caviaproef, de melk
van 18 vrouwen met positieve v. Pirquet-reactie. De proefdieren kregen geen tuber-
culose, (ref.
Ruys in N. T. v. G. 1928, I, blz. 364).

Opo-therapie bij tuberculose.

Bayle (Ref. Smit in N. T. v. G., 1929, I, blz. 85) vermeldt gunstige uitkomsten
bij longtuberculose met miltextract. In verdachte gevallen en prophylacties geeft
hij een siroop van varkensmiltextract per os ; bij duidelijke tuberculose geeft
hij het extract onderhuids, al of niet met de siroopbehandeling.

Besmetting van tafelgerei met tubercelbacillen.

Carrieu (Revue d\'hygiène, ref. Sluiter in N. T. v. G , 1929, I, blz. 97) ging
de besmettingskans na van tafelgerei in een gezin met ,,open tuberculose". (In
een vorig onderzoek had hij reeds aangetoond dat diphterie zeer zelden door tafel-
gerei wordt overgebracht als men het goed wast met 4 % soda-oplosring bij 50°
C.
en met een schoonen doek afdroogt). Hij plaatste het eetgerei (lepels en vorken)
van een bacillenuittclieidenden tuberculose-Iijder in een steriele keukenzoutop-
lossing, daarvan werd 1 c.c. bij een cavia ingespoten ; 6 van de 11 zoo behandelde
cavia\'s (54.5 %) stierven aan tuberculose. Door 16 lepels en vorken afkomstig
van lichte zieken werden geen cavia\'s besmet ; door 27 lepels van ongeneeslijke
lijders werden van de 7 proefcavia\'s, 5 besmet.

Wassen in 4 % soda-oplossing bij 50° C. was niet voldoende om het tafelgerei
te ontsmetten ; wel gelukte dit door het in een bijna kokende 5 % soda-oplossing
flink heen en weer te bewegen, daarna met schoon water van 56° na te spoelen
en met een schoonen doek af te vegen.
 Vrijburg.

Hauttuberkulose des Rindes. Dr. E. Sickmüller, Ztschr. f. Inf. Krkh. d. Haust.
Bd. 35. H. 1.

Naast een beknopt literatuuroverzicht wordt een geval van tuberculose van het
rechterbovenooglid bij een rund vermeld. De tuberculeuze veranderingen, met
groote rijkdom aan reuzencellen, waren v.n. in de subcutis aanwezig. Daarnaast
bestond een sterke woekering der epidermis — vooral van het stratum germina-
tivum —- met vorming van hoornparels. Deze hoornparels werden regelmatig in
de tuberculeuze haarden gevonden.

Conference internationale du B. C. G. (1520 Oct. 1928). Revue vétérinaire.
Dec. 1928.

De veterinaire commissie voor deze conferentie, welke te Parijs werd gehouden,
bestond uit de heeren
: Ascoli (Italië), Berger, B\'renkel (Holland), Gerlach
(Oostenrijk), Nowak (Polen), VALLéE (Frankrijk), Zeller (Duitschland). Een-
parig kwam men op deze conferentie tot de conculsie, dat de entstof van
Cal-

-ocr page 809-

Mette—GuéRiN volkomen onschadelijk is. Bovendien is uit experimenten en
waarnemingen in de practijk gebleken, dat de B.
C. G. immuniseerende eigen-
schappen bezat, zoowel tegen kunstmatige als natuurlijke tuberculeuze infectie.
Deze eigenschappen rechtvaardigen en sporen aan tot uitgebreide proefnemingen
met de genoemde entstof. Nauwkeurige aanwijzingen worden gegeven, volgens
welke deze proeven moeten worden genomen.

Immunität bei Tuberkulose. Dr. F. Gerlach. D. T. W. 22 Dez. 1928.

Uit dit uitvoerig en zeer lezenswaard verzamelreferaat neem ik het volgende
over. Aangeboren immuniteit komt bij de dieren niet voor. Het phenomeen van
Koch vormt nog steeds de experimenteele basis voor de tuberculose-immuniteit.
Latere onderzoekingen van
Römer en anderen hebben aangetoond, dat de eerste
infectie niet met doode-, doch met levende, virulente bacillen dient te geschieden.
De reïnfectie moet niet te snel na de eerste infectie plaats vinden, terwijl de dosis
der reïnfectie binnen bepaalde grenzen moet blijven. Nog niet opgelost is de vraag,
wat er met de tuberkelbacillen geschiedt, wanneer deze in het tuberculeuze or-
ganisme worden gebracht. Overgevoeligheid voor tuberculine behoeft niet samen
te gaan met verhoogde weerstand tegen een infectie met tuberkelbacillen. Volgens
nieuwere onderzoekingen moet de immuniteit tegen tuberculose zoowel door
phagocytose als door tuberculolyse (oplossing door de lichaamsvochten) worden
verklaard. Immuniseeringsproeven met tuberculine hebben geen gunstige resul-
taten opgeleverd. Evenmin die met lipoïden, welke door extractie uit tuberkel-
bacillen werden verkregen. Ook bij de tallooze experimenten met gedoode tuber-
kelbacillen kon over het algemeen geen immuniteit worden opgewekt. Men heeft
ook getracht door alle mogelijke physische en chemische middelen de tuberkel-
bacillen te mitigeeren, zonder dat het evenwel gelukte, hiermede immuniteit bij
proefdieren te verkrijgen. Met behulp van vaccins, bestaande uit levende tuberkel-
bacillen, zoowel humane- als bovine-, kon wel een verhoogde resistentie tegen een
kunstmatige infectie worden opgewekt, echter geen onvatbaarheid tegen een spon-
tane besmetting. (Bovovaccine, Tauruman, Antiphymatol, e. a.). Ook heeft men.
echter zonder gunstige resultaten, entingen met vogeltuberkelbacillen en ver-
schillende niet pathogene zuurvaste bacillen toegepast. Als laatste actieve im-
muniseerringsmethode behandelt schrijver de enting met B.
C. G. Hij geeft hiervan
een uitgebreid literatuuroverzicht. Op een enkele uitzondering na, zijn alle onder-
zoekers van de onschadelijkheid dezer entstof overtuigd. De waarde voor de prac-
tijk moet nog door uitgebreide immuniseeringsproeven worden uitgemaakt. Ten
slotte spreekt schrijver nog over de passieve immunisecring bij tuberculose,
waarvan tot dusverre nog geen gunstige resultaten zijn te vermelden.

Untersuchungen über den Tuberkelbacteriengehalt des Hühnereies. H. Rae-
biger :
Ztschr. f. Fl. u. M. hyg. 15 Dez. 1928. S. m.

In dit referaat worden experimenten vermeld, waarbij werd nagegaan :
ie. in welk stadium de eieren van tuberculeuze kippen tuberkelbacillen bevatten.
2e hoe lang deze bacillenhoudende eieren moeten worden gekookt, om ze voor
de gezondheid onschadelijk te maken.

De proeven werden genomen met eieren van 3 kunstmatig besmette kippen en
i spontaan geïnfecteerde kip.

Langs cultureelen weg konden reeds 10 dagen na de infectie tuberkelbacillen
in de eieren worden aangetoond. Ook in oudere stadia van tuberculose werden
bacillen in de eieren gevonden. De tuberkelbacillen zetelden zoowel in het ei-wit
als in het ei-geel. Het bleek dat de eieren langer dan 5 minuten moeten worden
gekookt, om de tuberkelbacillen te dooden.

Bij den mensch zijn 22 gevallen van vogeltuberculose bekend. Hiervan zijn 7
gevallen door het dierexperiment bewezen. Een geval is met zekerheid door om-
gaan met zieke kippen veroorzaakt.

Volgens Löwenstein heeft vogeltuberculose bij den mensch neiging tot septi-
caemie. Steeds is miltzwelling aanwezig.

Clarenburg.

-ocr page 810-

OVER ZOOGENAAMDE NATUURLIJKE KOEPOKKEN EN
DAARMEDE SAMENHANGENDE INFECTIE BIJ DEN

MENSCH,

DOOR

Dr. H. S. FRENKEL.

Het betrekkelijk groote aantal gevallen van encephalitis post
vaccinationem, dat in de laatste jaren in Nederland is voorgeko-
men, deed omtrent de oorzaak dezer gevreesde complicatie aller-
lei vermoedens rijzen. Het lag voor de hand aan te nemen, dat
deze oorzaak op eenigerlei wijze zou samenhangen met het in
toepassing brengen van vaccine, hetzij deze rechtstreeks, hetzij
middellijk aanleiding tot het optreden van genoemde hersen-
aandoening gaf. Men ging na, of in de laatste jaren wijzigingen in
de methodiek der vaccinebereiding waren aangebracht. Inder-
daad bestaat een dergelijke wijziging en wel de tusschenschakeling
van het konijn, ten einde de virulentie van het vaccine op peil te
houden. Volgens velen is het noodzakelijk gebruik te maken van
de z.g. retrovaccinatie, of wel is het noodig het virus door het konijn
te laten passeeren, aangezien anders de virulentie van het vaccine-
virus achteruit gaat. Andere deskundigen daarentegen hebben de
ervaring opgedaan dat, zonder gebruik te maken van retrovaccina-
tie of van konijnenpassage, een vaccinestam in leven te houden is,
en wel door uitsluitende overenting van kalf op kalf. Op laatstge-
noemde wijze voortgekweekt zouden er zelfs nog enkele oorspron-
kelijke stammen van
Jenner in leven zijn. In hoeverre deze mcde-
deelingen geheel juist zijn is niet met zekerheid te zeggen ; een
feit is het echter, dat in sommige landen, o. a. in België noch ko-
nijnenpassage, noch retrovaccinatie in toepassing wordt gebracht.

Het lag dus voor de hand dat men het optreden der boven-
bedoelde complicatie ging zoeken o. a. in de wijziging welke in
de methodiek der vaccinebereiding was ingevoerd (
Gorter en
van Nederveen) Zij stelden voor opnieuw van z.g. natuurlijke
koepokken uit te gaan en weer te trachten tot een vaccine te komen,
dat eigenschappen bezit zooals vroeger toen men nog geen retro-
vaccinatie of konijnen passage in toepassing bracht en dat een
lichtverloopende entingsreactie te zien geeft.

Een onderzoek naar het voorkomen van z.g. natuurlijke koe-
pokken bracht aan het licht, dat deze ziekte in Nederland niet
zelden voorkomt. Voor vele practiseerende collega\'s is deze aan-
doening, die zich hoofdzakelijk aan de tepels der runderen open-
baart, een bekend ziektebeeld, dat zij vrijwel elk jaar te zien
krijgen, maar dat in verband met het meestal lichte verloop weinig
de nadere aandacht trekt. Het voorkomen van andere aandoenin-

lvi 54

-ocr page 811-

gen op de huid der tepels, die eenige gelijkenis met de vaak atypische
pokkenefflorescenties vertoonen kan, maakt de klinische differen-
tieeldiagnose moeilijk.

In den regel kan de eigenaar der runderen er onder zijn vee een
aanwijzen, waaraan door hem het eerst tepelveranderingen werden
waargenomen.

De eerste enzoötisch optredende tepelaandoening, die ons ter
kennis gebracht werd, betrof een koppel runderen te R. Het
had de aandacht van den betreffenden geneesheer getrokken, dat
de veehouder en zijn dochter, die het vee molken, een impetigi-
neus exantheem aan handen en aangezicht vertoonden. Deze
aandoening bestond reeds 12—14 dagen en was met antiseptische
zalven behandeld, zoodat van het oorspronkelijke aspect niet veel
meer was overgebleven. Volgens de beschrijving zouden de pro-
cessen, die omschreven waren, aangevangen zijn met een rood
puistje, waaromheen een roode hof van geringen omvang. Lang-
zamerhand zou het puistje zich vergroot hebben en zou zich in het
centrum ervan vocht hebben opgehoopt. Door het melken en
anderen handenarbeid, waren de aldus ontstane blaasjes spoedig
stuk gegaan, waarna voortdurend een heldere sereuse vloeistof
werd afgescheiden. Het proces was zeer pijnlijk en ging aanvankelijk
gepaard met lichte koorts en lymphangitis. In hoofdzaak werden
de laesies gevonden aan de vingers, om het nagelbed, aan de hand-
palm, soms aan de binnenvlakte van de pols.

Uit de beschrijving kon overeenkomst met koepokken worden
afgeleid.

Bijna alle runderen hadden litteekens of ingedroogde korsten
aan de tepels. Na verwijdering der korsten zag men op een roode
excoriatie bedekt met weinig exsudaat, terwijl ook de binnenzijde
van de korsten met purulentexsudaat bedekt was. Geen enkel
der dieren vertoonde een jong proces, zoodat moest worden aan-
genomen dat ook de runderen grootendeels genezen waren.

Hoewel er a priori niet veel resultaat van de bij deze runderen
verzamelde korsten als uitgangsmateriaal voor het verkrijgen van
een koepokkenstam te verwachten was, werden toch pogingen in
deze richting gedaan.

Een graskalf, dat c.a. 3 maanden oud was, werd 7 Nov. 1927
geënt op de rechter buik- en onderborsthelft, door het aanbrengen
van streepcarificaties, met een suspensie in glycerine van de fijn-
gewreven korsten afkomstig van de rundertepels. 8/11 1927 waS een
geringe roodheid om de scarificaties zichtbaar.

9/11 1927. Gedeeltelijk opgedroogde laesies ; de omgeving der
scarificaties eenigszins geïnfiltreerd.

io/\'ii 1927. Vorming van korsten ; gedeeltelijk reeds loslaten der
korsten ; het proces in genezing.

u/11 1927. Het infiltraat en vele scarificaties blijft bestaan. Van

-ocr page 812-

afzonderlijke pokvorming is niets te bespeuren, behalve op het
onderborstgedeelte, waar een acne-achtige uitslag te zien is, die
een gelen inhoud bevat.

Met den inhoud van deze papels werd een konijn corneaal
geënt. De Paulsche reactie, zoowel als het histologisch onderzoek
op Guarnierische lichaampjes was negatief.

In het materiaal afkomstig van de runderen was dus geen vac-
cinevirus (meer) aan te toonen. Toch moet worden aangenomen
dat wij hier te doen hadden met een enzoötie van natuurlijke koe-
pokken, te meer daar ook onder de veebeslagen in de nabijheid
van het onderzochte, vele soortgelijke gevallen waren opgetreden.
Ook moet hier aan pokken worden gedacht omdat de processen bij
den boer en zijn dochter daarmede veel overeenkomst vertoonden
en het een groot aantal jaren geleden was, dat deze menschen
waren gevaccineerd.

Uit dit onderzoek blijkt dus wel, dat men voor het verkrijgen
van een natuurlijken koepokkenstam niet moet uitgaan van oudere
processen, d. w. z. van processen, die op weg van cicatrisatie zijn,
of waarbij het stadium der korstvorming reeds ver gevorderd is.

Op een tweede enzoötie werd onze aandacht gevestigd door
collega
H. de Ronde te Delft.

Deze signaleerde op ig November 1927 een verdachte tepelaan-
doening, die optrad bij alle runderen, welke zich in één stal be-
vonden.

Het bleek ons dat vrijwel alle runderen — naar schatting onge-
veer 30 stuks — een min of meer uitgebreide tepelaandoening
hadden. De processen verkeerden bij de diverse dieren in een
verschillend ontwikkelingsstadium. Er waren eenige met korst-
vorming op de tepels, andere vertoonden furunkel-achtige processen
nl. blaren. Ingeval blaren werden aangetroffen, waren deze
meestal van een vrij aanzienlijke grootte, (hazel- tot walnoot
groot) en min of meer ovaal van vorm. Soms waren twee aan
elkaar grenzende blaren tot één geconflueerd. De blaarwand pro-
mineerde min of meer door den druk van den inhoud boven de
oppervlakte en liet een geel gekleurde vloeistof doorschemeren.
De rand dezer blaren vertoonde een smalle opgeworpen begrenzing,
welke door het nog met de onderlaag verbonden, doch reeds patho-
logisch veranderde epitheel gevormd werd. Door het melken
brak de blaarwand spoedig en er ontstond een wondvlakte,
die mede door het voortdurend melken gemakkelijk secundair
geïnfecteerd werd, en waarbij men dan furunkelachtige processen
te zien kreeg ; uitgebreide van epitheel ontbloote vlakten, waarbij
de geheele tepel rood en gezwollen kan zijn en het melken voor de
dieren zeer pijnlijk is. Vaak zag men na verwijdering van het
oppervlakkig ingedroogde laagje dat het proces bedekte een geel-
achtige fibrineuse massa, die na verwijdering met een scherpen

-ocr page 813-

lepel een vrij diepe gemakkelijk bloedende holte te zien gaf. Niet
zelden kon men ook een duidelijke delvorming in de meestal groote
vaccine-processen opmerken. Een knecht die geregeld deze run-
deren gemolken had, kreeg na het uitbreken van deze enzoötie
enkele vaccinepuisten op den handrug en aan de vingers. Gedu-
rende io dagen was hij hierdoor verhinderd geweest zijn werk te
verrichten. De eigenaar heeft bij het melken der runderen geen
nadeel ondervonden hetgeen waarschijnlijk meet worden toege-
schreven aan het feit dat hij steeds na het melken zijn handen
in warme soda-oplossing dompelde of wel dat hij immuun tegen de
infectie was. Naar ons door den behandelenden geneesheer werd
medegedeeld is de knecht tamelijk ziek geweest, met koorts en
zwelling van de axillaire lymphklier.

Door middel van een scherpen lepel werd van verschillende
runderen een hoeveelheid met lymphe doordrenkte, fibrinehoudende
celpulpa verzameld, terwijl eveneens de lymphe uit de aanwezige
intacte blaren werd opgevangen in steriele petrischalen. Dit materi-
aal werd samengebracht met een kleine hoeveelheid steriele glyce-
rine (80 %) en tot een fijnverdeelde suspensie in een agaatmorticr
verwreven.

De volgende proeven werden er mede verricht:

21/111927. Een konijn werd 11a anaesthesie met cocaine-oplossing,
corneaal geënt. Na 68 uur bleek de reactie volgens
Paul zeer
fraai positief te zijn. Voor het onderzoek op Guarnierische lichaam-
pjes werd de afgekapte cornea na een verblijf van 10 min. in subli-
maat-alcohol in water gespoeld en gedurende twee uren in de paraf-
finestoof in 20 % formaline na-gefixeerd. (Een aldus behandelde
cornea laat zich gemakkelijk met het bevriesmicrotoom snijden.
De kleuring der coupes geschiedde meestal met
Weigert\'s ijzer-
haematoXyline en v.
Gieson).

Er werden tallooze lichaampjes van Guarnieri in de typisch
veranderde heuvelvormige hyperplastische gedeelten van de cor-
nea gevonden, zoodat men mag aannemen dat de tepelaandoening
van deze runderen door vaccine-virus veroorzaakt werd.

Een roodbont stierkalf werd geënt met het oorspronkelijke Delft-
sche materiaal verdund in glycerine. De scarificatie geschiedde met
gebruikmaking van een veeltandigen scarificator waarna het mate-
riaal met een ruwe spatel werd ingewreven. Er werden drie velden
geënt, nl. het linker hypogastrium, de omgeving van het processus
xyphoideus en de onderborst. Na twee maal 24 uur waren de ent-
velden vrijwel geheel droog en waren het uitgetreden bloed en het
exsudaat tot korstjes geworden. Op een enkele plaats was een
papel-achtige verhevenheid te zien. Na 3 maal 24 uur was een
fraaie eruptie van pokken op alle entvelden opgekomen. De meeste
pokjes, die boven de hyperaemische entingsstrepen, vooral na

-ocr page 814-

grondig reinigen met warm water en zeep, zeer duidelijk zichtbaar
werden, hadden de grootte van een kleine erwt, vertoonden reeds
een lichte delvorming, een geelachtig centrum en glansden parel-
moerachtig.

Het kalf leverde een oogst van 8 gram op.

Bij de sectie van het kalf, welke dienzelfden dag verricht werd,
konden geen pathologische veranderingen worden aangetoond ; het
bacteriologisch onderzoek was negatief.

Een tweede kalf thans geënt met materiaal van het vorige kalf,
gaf een nog fraaiere eruptie te zien en leverde een oogst van 15
gram.

Een derde kalf geënt met materiaal van het tweede, vertoonde
een matige eruptie, die na 4 maal 24 uur werd afgekrabd.

Het volgende kan omtrent de epidemiologie van deze pokken-
infectie worden medegedeeld :

Het eerste geval onder den veestapel in kwestie, is in de weide
geconstateerd. De veehouder had een zestal runderen tegen het
einde van den weidetijd in een afzonderlijke weide geplaatst. Nadat
deze dieren ongeveer een week hier vertoefd hadden, merkte de
melker op dat aan een der tepels van een zwartbont rund afwijkin-
gen te zien waren, bestaande uit omschreven roodheid, zwelling,
en pijnlijkheid. De eigenaar heeft daarna de runderen op stal gezet
en nu bleek hem dat zij in korten tijd alle een tepelaandoening kre-
gen, waarbij zwelling en blaasjes-vorming optraden. Het geheele
proces duurde ongeveer 3 a 4 weken.

Gedurende het laatste halfjaar had de veehouder geen koeien
gekocht, die, eventueel geïnfecteerd, het optreden der ziekte had-
den kunnen overbrengen. Wel werden tegen eind Augustus de
kippen prophylactisch tegen vogelpokken geënt, omdat vogelpok-
ken en -diphtherie in deze streek zeer veel voorkomen en soms een
ware slachting onder het pluimvee aanrichten. De weide waar
bovengenoemde runderen gedurende een week geweest zijn, be-
vindt zich tegenover de boerderij waar de prophylactische enting
bij de kippen geschiedde. Deze weide is echter van de boerderij
door den weg en een sloot gescheiden. Volgens mededeeling van
den veehouder zijn er nooit kippen in de weide geweest, zoodat een
rechtstreeksche contactinfectie niet waarschijnlijk is. Wel zou
men nog kunnen denken aan het overbrengen van de smetstof
door vliegen of andere insecten, waarover later. Overigens ligt
er een vrij groote tijdsruimte tusschen de prophylactische enting
en het uitbreken der pokken bij de runderen, nl. ruim 2\\ maand,
zoodat ook hierdoor al het verband onwaarschijnlijk moet worden
geacht.

Het bleek mij verder dat ook op een twee uur gaans verder ge-
legen boerderij een enzoötische tepel-infectie bij de runderen was

-ocr page 815-

opgetreden, onder verschijnselen, die, op te maken uit de
beschrijving door den veehouder gegeven, veel overeenkomst
hadden met die welke wij bij de door ons waargenomen gevallen
gezien hebben. Bovendien werd ons medegedeeld, dat ook bij het
melkend personeel ontstekingsprocessen aan de handen opgetre-
den waren. Waarschijnlijk was bij de runderen van dezen veehouder
de infectie iets eerder begonnen en werd zij ook het eerst in de
weide geconstateerd. Op deze boerderij kwamen geen vogelpokken
of diphtherie voor waarvan wij ons door onderzoek van alle kippen
konden overtuigen.

Merkwaardig genoeg kwamen geen gevallen van runderpokken
op de boerderij voor, welke aan den hoofdweg tusschen beide hoe-
ven gelegen is, terwijl tusschen de bewoners van de beide besmette
hoeven, geenerlei omgang bestaat.

De arts, die in deze streek praktijk uitoefent, was zoo vriendelijk
mij omtrent door hem verrichte vaccinaties enkele mededeelingen
te verstrekken. De laatste vaccinaties werden in deze streek op
5 October verricht. Tusschen deze laatste enting en het optreden
der runderpokken zijn dus maand verloopen, zoodat een ver-
band tusschen de vaccinatie en de runderinfectie zeer onwaar-
schijnlijk is, te meer, daar de laatstgeënte kinderen op grooten
afstand van de besmette boerderijen wonen en hun familieleden
geen contact met veehoudersbedrijven hebben.

Het is mij dus niet gelukt door dit onderzoek ter plaatse, den
oorsprong der infectie aan te toonen en met name kon er geen
verband worden gevonden met vaccinaties op menschen, wat men
voor het ontstaan der runderpokken zoo gaarne aanneemt.

Op 17 Februari 1928 stelde collega de Ronde mij van een andere
enzoötische van pokken verdachte tepelaandoening op de hoogte.
Een zestal runderen bleek het bovenbeschreven ziektebeeld te
vertoonen. Wederom werd materiaal voor onderzoek en voor het
kweeken van pokstof verzameld.

Voor het aantoonen van vaccine werden de volgende konijnen
geënt :

18/2 1928. Konijn I 88 beiderzijds corneaalen bovendien cutaan.

20/2. De corneae zijn eenigermate oneffen, hetgeen bij bewegen
met de lamp duidelijk uitkomt, doordat een sterk vervormd beeld
op de cornea ontstaat. Bij oogspiegelen in de donkere kamer zijn
op de cornea zeer fraaie pokjes te zien, die een ronden tot ovalen
vorm hebben en een duidelijken krater vertoonen. Deze pokjes
hebben de grootte van een speldeknop. Op het geatropiniseerde
oog zijn er 6 te zien, die fraai afsteken tegen den rooden fundus
oculi. (Het onderzoek van de geënte en geatropiniseerde cornea
verdient in hooge mate aanbeveling, aangezien het steeds eenigs-
zins moeilijke onderzoek van de geënte konijnen-cornea er zeer
door wordt vergemakkelijkt en men laesies onderkent, die men

-ocr page 816-

bij onderzoek zonder oogspiegel allicht over het hoofd zou zien.
Na eenige oefening is het oogspiegelen van de konijnen-cornea
spoedig aangeleerd. Atropiniseeren van de iris is beslist noodzake-
lijk, omdat zich vaak pokjes nabij den limbus corneae bevinden,
die met den oogspiegel niet ontdekt worden omdat ze de door den
lichtprikkel zich sterk vernauwende iris als achtergrond hebben.
Het beeld dat men door den oogspiegel te zien krijgt is zoo karak-
teristiek, dat de reactie volgens
Paul en dus het enucleëeren in
vele gevallen niet noodig is).

Op de huid ontwikkelde zich een matig sterke eruptie, die
komen herstelde.

Kalverentingen :

In de kliniek voor inwendige ziekten der veeartsenijkundige
faculteit 1) werd door Dr.
Bevers een 3 maanden oud vet stier-
kalf door middel van prikjes in de scrotaalhuid geënt, met in gly-
cerine fijngewreven pokkenmateriaal. Na 5 dagen waren kleine
pokken opgekomen, die als parelmoer glansden ; sommige hadden
reeds een purulenten inhoud. De pokjes werden afgekrabd en in
een geringe hoeveelheid glycerine ver wreven.

Een tweede stierkalf werd geënt met het materiaal van het
eerste kalf. Ditmaal werden ongeveer 200 prikjes aangebracht.
Na 6 dagen werden de pokken, die met de pokken van het eerste
kalf overeenkwamen .afgeënt.

Een derde kalf werd met materiaal afkomstig van het tweede
op den linker ribwand geënt. De opkomst was slechts zeer matig.
Typische pokken kwamen niet tot ontwikkeling. Met veel moeite
kon een kleine hoeveelheid materiaal worden verzameld, bestaande
uit korstjes en heldere lymphe.

De sectie van dit kalf deed een chronische pneumonie en pete-
chiën op de nieren vinden. Het bacteriologisch onderzoek van de
milt was negatief.

In hoeverre het zeer onvoldoende opkomen der pokkeneruptie
in verband staat met deze longontsteking is moeilijk te zeggen,
maar met de mogelijkheid dat deze ontsteking het kalf een ver-
minderde vatbaarheid voor vaccine gaf, moet rekening worden
gehouden.

Een vierde kalf werd thans weder door prikjes op den buik-
wand (hypogastrium) en de scrotaalhuid geënt, met materiaal
afkomstig van het voorgaande kalf. Daags tevoren was dit mate-
riaal goed bevroren. Drie dagen na de enting was de reactie ge-
ring, doch na 6 dagen bleek het kalf een fraaie eruptie van pokken
met breede del te hebben. Sommige pokken waren eenigszins
veretterd. Door de herhaalde overenting was in dit geval de viru-
lentie iets toegenomen.

Gaarne betuig ik Prof. Dr. Wester mijn welgemeenden dank voor de
gastvrijheid en de hulp die hij steeds in zoo ruime mate verleent.

-ocr page 817-

Een nader onderzoek op den stal, dat ik in samenwerking met
de heeren
Bijl en de Ronde verrichtte, bracht omtrent deze
infectie nog de volgende bijzonderheden. Het epidemiologisch onder-
zoek van deze enzoötie gaf ons geen opheldering omtrent de wijze
waarop de infectie tot stand kwam. In de geheele familie van den
melker was in de laatste drie jaren geen vaccinatie verricht, even-
min als in die van den eigenaar. Het is echter o. a. mogelijk dat de
eigenaar op de markt aanraking heeft gehad met besmette run-
deren.

Ten einde na te gaan of pokkeninfectie den runderen immuni-
teit verleent, werd een der aangetaste runderen aan de staartploci
cutaan geënt met dermovaccine terwijl als controle een niet aan-
getast rund op den melkspiegel werd geënt met dezelfde entstof.
Het eerste rund vertoonde bij onze terugkomst na 10 dagen een
minimale reactie terwijl het tweede een fraaie pokkeneruptie over
het geheele entingsveld had. Hieruit mag dus worden afgeleid-
dat de natuurlijke infectie met vaccinevirus beschutting tegen
de kunstmatige infectie kan verleenen. Ook mag worden aange-
nomen dat vaccinevirus de oorzaak der tepelaandoening is.

Infectie bij den mensch.

De melkersknecht, een 64-jarige man, die bij onze komst op
17 Februari geen verschijnselen van infectie bleek te hebben, ver-
toonde bij onze terugkomst een groot aantal pokken aan beide
handen. De handen van den man en met name de vingers waren
zeer klovig. Aan sommige vingers hadden zich verscheidene pokken
ontwikkeld, waarvan sommige nog een duidelijke del vertoonden,
aan een der vingers zelfs een duidelijke paronychia. Hoewel het
proces zeer pijnlijk was, kon de man zijn werkzaamheden voort-
zetten.

Een andere van pokken verdachte tepelaandoening betreft een
aantal veebeslagen in de omgeving van Heen vliet, waarop mij
collega
Lageweg opmerkzaam maakte. Deze deelde mij mede,
dat in de omgeving van Heenvliet verscheidene geheele stallen met
vee door pokachtige tepelaandoeningen waren aangetast en dat
verschillende personen, die met deze koeien in aanraking kwamen,
dergelijke aandoeningen aan handen en aangezicht kregen. Het
lijden bij de aangetaste personen was volgens mededeeling van den
behandelenden geneesheer zeer moeilijk te genezen.

Op mijn desbetreffende vragen, deelde de heer Lageweg mij
mede, dat bij de eigenaren en hun huisgenoot en, personeel, enz. geen
vaccinatie had plaats gehad. Het vermoeden werd geuit dat de
infectie van dier op dier zou zijn overgebracht.

Ten onderzoek werd materiaal afkomstig van zieke runderen
en van patiënten ontvangen. Laatstbedoeld materiaal was a

-ocr page 818-

priori niet geschikt voor onderzoek te achten — zooals reeds door
den heer
Lageweg gevreesd werd — omdat de laesie waarvan
het onderzoekingsmateriaal genomen werd, sedert eenigen tijd
met antiseptica behandeld was.

Een konijn werd corneaal aan het rechteroog met materiaal
verkregen van de runderen geënt, een ander konijn eveneens
corneaal met het menschelijke materiaal.

Het eerstgenoemde konijn gaf na 72 uur een fraaie PAUL\'sche
reactie te zien ; in coupes van de cornea konden tallooze lichaam-
pjes van
Guarnieri worden aangetoond.

Het andere konijn vertoonde geenerlei veranderingen.

Hieruit blijkt dus, dat ook deze tepelbesmetting door vaccine
veroorzaakt werd.

Ten slotte ontvingen wij van den Hoofdinspecteur van de Volks-
gezondheid, Dr.
Terburgh, op ri Aug. 1928 de mededeeling, dat
er volgens een bij hem ingekomen bericht gevallen van koepokken
voorkwamen aan de handen van melkers in een veehoudersbedrijf
te Scherpenzeel en dat de runderen een zeer vei dachten uitslag
aan de tepels hadden.

Het onderzoek ter plaatse leerde ons het volgende :

Op een hoeve, ongeveer 3 kwartier gaans buiten het dorp ge-
legen, die slechts langs een moeilijk berijdbaren zandweg te berei-
ken was, bevond zich in de weide naar schatting een 40-tal run-
deren, die men juist bezig was te melken. De meeste runderen
hadden hetzij oude, hetzij jonge blaarvormige onregelmatig be-
grensde ontstekingsprocessen aan de tepels. De randen der blaren
waren vaak opgeworpen en door exsudaat geelachtig gekleurd.
Bij sommige der dieren waren nog slechts harde korsten aan-
wezig.

Het groote aantal vliegen, dat zich op de pokken bevond, trok
zeer de aandacht. Dit aantal was vooral dan groot, als de epitheel-
bedekking verdwenen en een roode, exsudaat afscheidende vlakte
zichtbaar was. De vliegen lieten zich ternauwernood verjagen. Dit
groote aantal vliegen wekte in ons de gedachte, dat de smetstof
door vliegen zou kunnen worden verspreid. Het is nl. zeer goed
denkbaar dat vliegen de smetstof aan pooten medenemen en
bovendien met hun proboscis een hoeveelheid smetstof opnemen,
die hetzij met de faeces wordt uitgescheiden, hetzij wordt geregur-
giteerd.

Van verschillende runderen werd materiaal in steriele buizen
verzameld, deels met, deels zonder toevoeging van steriele gly-
cerine. Ook werd een aantal vliegen, die op de aangetaste tepels
zaten, gevangen en op de aanwezigheid van vaccine onderzocht.

-ocr page 819-

Infectie bij den mensch.

Dr. Blees had ons medegedeeld, dat hij in de afgeloopen week
den eigenaar, diens beide zoons (resp. 17 en 13 jaar oud) en een
21-jarige melkster in behandeling had gekregen, wegens scherp
omschreven ontstekingsprocessen aan de handen, waarvan som-
mige zoodanig ernstig waren dat ze met aanzienlijke koorts ge-
paard gingen. Ook werd zwelling van de okselklieren en zeer dui-
delijke lymphangitis gevonden (13-jarige zoon). Laatstgenoemde
patiënt had zelfs eenige dagen het bed moeten houden.

Bij onze komst had de veehouder een typische pok aan zijn
rechterhand, die eenigermate promineerde en grauw van kleur
was. In het centrum was een krater te zien, die een heldere lymphe
afscheidde, welke vooral bij het melken overvloedig was. Een
roode hof ontbrak om deze pok ; zij was op weg van genezing.

Een overeenkomstig proces was te zien aan de hand van den
anderen zoon en van de melkster. De jongste zoon, die 3 dagen
na het eerste geval onder de runderen ziek geworden was, ver-
toonde een zweer aan de rechter handpalm ter grootte van een
cent. Er was een groote krater met haemorrhagisch-necrotischen
bodem. De aandoening was zeer pijnlijk. Op den arm van dezen
patiënt waren nog zeer fraai de ontstokken lymphbanen, als roode,
ca. \\ c.M. breede, anastomoseerende striemen zichtbaar, terwijl
het algemeen voorkomen van den patiënt er op wees, dat hij flink
ziek was geweest.

De veehouder was in zijn jeugd gevaccineerd, de 13-jarige zoon
8 jaar, de 17-jarige zoon 11 jaar, de melkster L6 jaar geleden.

Nog zij vermeld, dat een melker, die 3 jaar geleden, in verband
met de vervulling van zijn militieplicht met negatief resultaat
geënt was, geheel vrij van infectie bleef.

Epidemiologie.

Ook hier zijn onze nasporingen tot opheldering van de pokken-
invasie bij de runderen zonder positief resultaat geweest. De vee-
houder was wegens ziekte gedurende de laatste 3 maanden niet
op de markt geweest en had geen nieuwe runderen aangekocht.
Ook was niemand van het gezin en van het melkpersoneel met
ander vee in aanraking geweest, zoodat moet worden aangenomen
dat op deze wijze de infectie niet kan zijn binnengesleept. Zooals
vermeld ligt de boerderij niet aan een hoofdweg doch diep in het
land, zoodat de infectie ook niet door passage van besmette run-
deren verklaard kan worden. In het gezin van den veehouder waren
geen kinderen kort geleden gevaccineerd, ook niet in de gezinnen
van het melkend personeel.

Voorzoover bekend kwam de aandoening op geen der boerde-
rijen in de omgeving voor (mededeeling collega
Stotyn). Wel is
bekend, dat in deze streek vrijwel voortdurend kippendiphtherie

-ocr page 820-

en vogelpokken voorkomen. Aan de mogelijkheid, dat door vlie-
gen de smetstof van zieke kippen op runderen werd overgebracht
kan worden gedacht.

K alver entingen.

14/8 1928. Een 4 weken oud stierkalf werd op de rechterbuikhelft
cutaan geënt met pokstof waaraan niets was toegevoegd, terwijl
de andere helft met geglycerineerde pokstof geënt werd. Na 6
dagen bleek de geglycerineerde pokstof in hoofdzaak te zijn aan-
geslagen, de eerste daarentegen niet. Een verklaring voor dit ver-
schijnsel heb ik niet kunnen vinden, tenzij men aanneemt, dat de
eerste pokstof in dit geval buitengewoon snel haar virulentie
verloor.

De sectie, zoowel als het bacteriologisch onderzoek der organen
van het kalf was negatief.

25/8 1928. Een 2 maanden oud stierkalf werd cutaan op den buik
geënt met pokstof van het vorige kalf ; na 5 dagen was een fraaie
pokken-eruptie zichtbaar.

Sectie : het kalf vertoonde algemeene lymphklierzwelling. Bac-
teriologisch onderzoek der organen negatief.

Ter controle van de pokkendiagnose werd konijn D 65 beider-
zijds corneaal geënt met pokstof afkomstig van het eerste kalf.
Na 72 uur vertoonde het rechter oog bij oogspiegeling aan den
rand van de cornea enkele epitheelheuveltjes, die met de reactie
volgens
Paul eveneens konden worden aangetoond. Histologisch
onderzoek van de cornea leverde een groot aantal zeer fraaie
lichaampjes van
Guarnieri.

In materiaal afkomstig van de pokpuisten der geïnfecteerde per-
sonen kon geen virus worden aangetoond. Hierbij moet echter in
aanmerking worden genomen, dat de aandoeningen met anti-
septica behandeld waren.

Een onderzoek van de vliegen op de aanwezigheid van vaccine-
virus geschiedde door ze in een agaat-mortier fijn te wrijven met
physiologische keukenzoutsolutie en het Verkregen mengsel intra-
cutaan, corneaal en intracerebraal bij konijnen teenten. Hetintra-
cerebraal geënte konijn stierf binnen 24 uur tengevolge van
een purulente meningo-encephalitis. Bij de twee andere konijnen
konden geen afwijkingen worden aangetoond, die op een be-
smetting met Vaccine-virus wezen. Bij de vliegen kon dus geen
vaccine-virus worden aangetoond.

Uit dit alles blijkt dat z.g. natuurlijke koepokken in Nederland
vrij vaak voorkomen en dat men wel mag .aannemen, dat het

-ocr page 821-

aantal gevallen grooter is dan vermoed wordt. Zeer vaak infec-
teeren de menschen zich vanaf het rund en kunnen op hun beurt
de smetstof weer op andere runderen overbrengen. Bij den mensch
draagt deze ziekte een min of meer ernstig karakter. Zij gaat niet
zelden gepaard met ontsteking der regionaire lymphbanen en
-klieren. De patiënten voelen zich vaak zeer ziek en hebben koorts,
zoodat zij het bed moeten houden. In enkele gevallen is getracht
vaccine-virus in de pokken-laesies van de geïnfecteerde personen
aan te toonen. Dit is echter steeds mislukt en wel doordat de pro-
cessen meestal reeds eenigen tijd met antiseptica waren behandeld.
Schultze, Seifried en Schaaf echter slaagden erin het vaccine-
virus in de z.g. „Melker knot en" aan te toonen. Zij gingen uit van
de onbehandelde processen en konden met materiaal daarvan af-
komstig bij een reeks proefdieren (rund, schaap, geit, hond, konijn
en cavia) vaccine-efflorescenties opwekken. Bij varkens en kippen
werd slechts een geringe reactie verkregen.

Hoe ontstaat de infectie bij de runder end

Jenner geeft hierover in zijn klassieke werk, „An Inquiry....",
uitvoerige mededeelingen. Hij heeft zich afgevraagd of de „cow-
pox" een spontane ziekte is bij het rund, dan wel of zij moet wor-
den toegeschreven aan een smetstof, die op het dier gebracht wordt.
Naar zijn meening is het paard de smetstofbron van waaruit het
rund wordt geïnfecteerd. Zooals
Jenner mededeelt treedt de
ziekte het eerst op aan de „heels" van de paarden. Speciaal vochtig
weer zou het tot stand komen van deze z.g. „grease" bevorderen
terwijl ze bij droog weer weinig zou voorkomen. De knechts, die
de paarden verzorgen, melken bijna nooit runderen (dat was in die
dagen geen gewoonte); dit geschiedde vrijwel uitsluitend door
melksters. Soms echter molken de paardenverzorgers toch en dan
werd de infectie van het paard op het rund overgebracht. Volgens
Jenner is echter het virus der paardenpokken weinig virulent
voor den mensch aangezien deze er maar zelden door wordt aan-
getast. Daarentegen is het paardenvirus zeer virulent voor het
rund, waarbij dan bovendien de eigenaardigheid valt op te mer-
ken, dat na deze passage de virulentie voor den mensch zeer be-
langrijk stijgt, hetgeen
Jenner als volgt uitdrukt : ,,....as it rarely
happens that the horse affects his dresser, with sores, and as
rarely that a milkmaid escapes the infection when she milks in-
fected cows".
Jenner heeft met pus van door mok aangetaste
paarden nooit meer dan banale ontstekingsprocessen kunnen op-
wekken, hetgeen door hem wordt toegeschreven aan de mogelijk-
heid dat veretterde processen geen virulente smetstof meer be-
vatten.

Merkwaardig zijn de argumenten welke Jenner aanvoert ter
verdediging van zijn opvatting, dat de cow-pox door overbrengirg

-ocr page 822-

van de smetstof der horse-pox ontstaat. Steeds ging er een geval
van horse-pox vooraf aan het optreden van pokken onder de run-
deren van een boerderij (tenzij het optreden van de infectie kon
worden toegeschreven aan een nieuw-ingebrachte geïnfecteerde
koe of aan een elders geïnfecteerden melker). In Ierland en Schot-
land kwam in de dagen van
Jenner geen cowpox voor, omdat
het mannelijk personeel nooit in het melkbedrijf werkzaam is.
Verder, omdat zich in sommige gevallen bij den mensch, door
infectie van af het paard, een ziekteproces ontwikkelt, dat moeilijk
van een infectie met rundersmetstof te onderscheiden is.

Bollinger neemt aan dat natuurlijke koepokken niet bestaat
en dat het zorgvuldig zoeken naar dergelijke origineele stammen
en de groote waarde, die men eraan hecht voor het cultiveeren van
animale vaccine voor enting bij den mensch niet gerechtvaardigd
en ongegrond is. Volgens
Bollinger moet de koepokken van
tegenwoordig van de overal verspreide gehumaniseerde vaccine
worden afgeleid en ontstaat de infectie der runderen van buitenaf.
De bron waaruit de besmetting der runderen tot stand komt, moet
— althans in de landen waar vaccinatie en revaccinatie gebruikelijk
is — in de preventieve vaccinatie van den mensch gezocht worden.
Bewijzen worden echter voor deze bewering niet aangevoerd.

In de gevallen welke door ons werden waargenomen, kon een
verband tusschen vaccinatie van den mensch en pokken bij de
runderen niet worden aangetoond. Opvallend was daarbij vooral
de laatstbeschreven enzoötie, waarbij elk contact met andere
runderen gedurende maanden achtereen kon worden uitgesloten,
terwijl in zeer langen tijd geen vaccinaties bij de bevolking in
deze streek hadden plaats gehad.

Het moet echter onwaarschijnlijk worden geacht, dat de z.g.
natuurlijke koepokken een origineele runderziekte is, en wel om-
dat de dieren elkaar meestal niet besmetten. De smetstof wordt
door den melker van het eene rund op het andere overgebracht.
Jenner wees er reeds op, dat de infectie van een koppel runderen
in de weide niet gemakkelijk overgaat op runderen in de aangren-
zende weirle, wanneer eleze eloor een haag van elkaar gescheiden
zijn. Ook wordt de aandoening niet of zeer zelden bij stieren waar-
genomen hetgeen er ook al tegen zou pleiten, dat er „natuurlijke
pokken" bij het rund voorkomen. De tepels vormen blijkbaar een
praedilectieplaats.

Naar mijn meening staat het allerminst vast, dat de runder-
pokken uitsluitend een \\orm van retro-vaccine is ; men zal zeker
ook rekening moeten houden met andere smetstofbronnen, nl.
met paarden-pokken (stomatitis pustulosa contagiosa) en met
vogelpokken c.q. diphtherie. De smetstof zou van paard en vogel
op het rund kunnen worden overgebracht hetzij rechtstreeks,
hetzij door tusschendragers (menschenhanden, insecten). Hierbij

-ocr page 823-

zal dan rekening moeten worden gehouden met de mogelijkheid
dat het virus op het rund in virulentie voor den mensch stijgt ;
immers wanneer men uitgaat van de veronderstelling dat het
virus aanvankelijk door de handen van den melker op den runder-
tepel gebracht en eerst later diezelfde melker van af dezen tepel
aan de handen geïnfecteerd werd, onder vorming van pokken,
moet men aannemen dat het virus een voor den mensch gewijzigde
virulentie verkregen heeft, die het oorspronkelijk niet bezat.

Men neemt ook een opvallend verschil waar tusschen het entings-
resultaat bij het kalf, na vaccinatie met materiaal van natuurlijke
koepokken en met vaccinestammen welke voor humane vaccinatie
gebruikt worden. De eruptie is in het eerste geval belangrijk
minder hevig dan in het laatste geval. Zelden komt het tot de
vorming van pokken, die de normale grootte bereiken, terwijl ook
de area een geringeren omvang heeft. Ook dit verschijnsel wijst erop
dat wij niet zonder meer alles wat natuurlijke koepokken is, voor
retrovaccine mogen verklaren.

Uit dit alles blijkt wel, dat het vraagstuk der z.g. natuurlijke
koepokken zeer gecompliceerd is en dat het m. i. in tegenstelling
met de door
Bollinger en vele anderen verkondigde meening,
voor het verkrijgen van versche stammen wel de moeite loont,
deze bij de runderen te verzamelen. De onderzoekingen van
De
JonG
(stomatitis pustulosa contagiosa equi) en van Van Heels-
bergen
(vogelpokken) hebben onze aandacht op het verband tus-
schen paarden-, vogel- en runderpokken gevestigd.

Eenige jaren geleden toonde de Jong in een uitvoerig onderzoek
de varioleuse natuur van de stomatitis pustulosa contagiosa equi
opnieuw aan. Eveneens die van de huidpokken der paarden. Hier-
mede was weder de aandacht gevestigd op de meening van
Jenner,
dat er verband zou bestaan tusschen de z.g. „grease" der paarden
en de natuurlijke koepokken (cowpox). Jaren na de uitspraak van
Jenner werd het voorkomen van pokken bij het paard a>,ls on-
zeker of onjuist beschouwd. De Fransche school heeft echter sedert
lang den varioleusen aard van beide aandoeningen op grond van
experimenten aangenomen. Daarentegen bleven de meeste Duitsche
onderzoekers afkeering van deze opvatting.
De Jong slaagde erin
uit het materiaal afkomstig van een paard dat lijdende was aan
stomatitis pustulosa contagiosa, een vaccine te kweeken dat op
de cornea van het konijn typische veranderingen met lichaampjes
van
Guarnieri te zien gaf en bij kinderen een typische reactie
op den arm verwekte, die in geval van revaccinatie slechts een
revaccinatie-reactie te zien gaf.
De Jong kon voor het ontstaan
van de door hem waargenomen gevallen van paardenpokken geen
verklaring vinden. Dat de infectie zou zijn ontstaan van af ge-
infecteerde menschen, is door geen enkele mededeeling waarschijn-
lijk geworden. Volgens de opvatting van
De Jong moeten paar-

-ocr page 824-

den- en runderpokken in ons land vrij dikwijls voorkomen, zonder
eenig merkbaar verband met vaccinatie bij den mensch. „Zeker-
heid daaromtrent bestaat niet".

Van Heelsbergen toonde in zijn zeer belangrijke onderzoekin-
gen over dierpokken het verband tusschen het virus van stomatitis,
van natuurlijke koepokken en van het voor enting gekweekte vac-
cine-virus aan. Ook kon hij een nauwe verwantschap van dit virus
met de smetstof van de vogelpokken aan toonen. Hij komt tot de
conclusie dat het virus van : \') variola, \'•) vaccine, 3) natuurlijke
koepokken, 4) stomatitis equi, 5) vogelpokken, 6) vogeldiphtherie,
waarschijnlijk alle variaties zijn van een en hetzelfde oervirus.
Enkele ervan zijn zelfs nog zoo weinig gestabiliseerd, dat zij in
elkaar over kunnen gaan.

Zeer merkwaardig is de casuistische mededeeling van Van
Heelsbergen
, waarbij 23 dagen na het uitbreken der pokken
onder de paarden, alle runderen (20 stuks) van de besmette boer-
derij pokkenerupties aan de tepels kregen. Spoedig daarna kregen
ook drie melkers pokken aan handen en aangezicht. Hier zien wij
dus typisch de volgorde der infecties gedemonstreerd, zooals reeds
door
Jenner was voorgesteld, nl. eerst infectie bij de paarden,
daarna bij de runderen en ten slotte bij den mensch.

Voor zoover uit het artikel blijkt kon ook Van Heelsbergen
den 001 sprong van de infectie der paarden niet aantoonen.

Welke beteekenis heeft de z.g. natuurlijke koepokken voor de volks-
gezondheid?

Hoewel ik er niet in geslaagd ben bij de verschillende door mij
in deze richting onderzochte gevallen, het vaccine-virus in de
laesies aan te toonen welke na infectie van af den rundertepel
bij den mensch optraden, mag toch de zeer groote waarschijnlijk-
heid worden aangenomen, dat de bedoelde veranderingen van
varioleusen aard waren. Door anderen
(Van Heelsbergen,
Schultze, Seifried
en Schaaf) die onder gunstiger omstandig-
heden werkten, doordat zij materiaal verkregen van pokken, die
nog niet met antiseptica behandeld waren, is de varioleuse aard
der aandoening aangetoond.

Dat deze aandoening een ernstig karakter kan dragen, is ook
nu weer herhaaldelijk gebleken. Bovendien is thans komen vast
te staan, dat koepokken vaak voorkomt, vaker dan men zou ver-
wachten op grond van het weinige dat men er gewoonlijk van
verneemt. Ook moet worden aangenomen dat de infecties van af
het rund op den mensch veelvuldig zullen zijn. Hoe groot het aantal
dezer infecties is, kan moeilijk worden geschat, maar het is ver-
moedelijk wel zoo groot, dat men van een bedrijfsziekte kan spre-
ken. Terwijl het in de dagen van
Jenner gelukkig te achten was,
wanneer men door het rund geïnfecteerd werd, moet men deze

-ocr page 825-

onvrijwillige enting thans als hoogst onaangenaam beschouwen,
omdat vaak het verloop dezer infectie, mede door gelijktijdige
neveninfecties, zeer heftig kan zijn. Op grond hiervan zal het aan-
beveling verdienen maatregelen tegen deze tepelbesmetting bij de
runderen te nemen en zal het gewenscht zijn dat de veehouders
op de hoogte gebracht worden van het gevaar dat hen bedreigt.
Het is bekend dat de meeste veehouders tepelaandoeningen bij de
runderen weinig ernstig opvatten en dit heeft ten gevolge dat zij
niet steeds tijdig geneeskundige hulp inroepen. Zij doen dit meestal
niet eerder dan nadat de geheele stal besmet is, soms zelfs eerst
nadat zij zichzelf geïnfecteerd hebben en zij door den behandelenden
arts op een mogelijke besmetting van af het rund gewezen zijn.

De maatregelen, welke men zou kunnen nemen, strekken zich
uit op den mensch, op het rund, of op beiden. Door nl. de runderen
op een daarvoor geschikte plaats gedurende de periode dat zij
droog staan, op gezette tijden te vaccineeren, zou men hun meer
weerstand tegen infectie met pokstof kunnen geven. Daarentegen
zou men de personen, die in het melkbedrijf werkzaam zijn, her-
haaldelijk kunnen vaccineeren, waarbij rekening te houden ware
met het feit dat een periode van 7 jaar, welke als gemiddelde im-
muniteitsduur wordt aangenomen, te lang moet worden geacht
(gevallen Scherpenzeel).

Een ander euvel is, dat bij het melken der runderen met pokken,
smetstof in de melk terecht komt. Men kan zich de mogelijkheid
denken, dat deze melk rauw gedronken, tot besmetting aanleiding
kan geven, afgezien nog van de hoogst onsmakelijke gedachte, dat
ontstekingsprodcuten erin voorkomen. Speciaal moet hier worden
gedacht aan vormen van stomatitis, welke somtijds bij kinderen
en ook wel eens bij volwassenen worden waargenomen en die
vaak in verband gebracht worden met infectie door het virus van
mond- en klauwzeer, doch waarbij men er niet in slaagt dit virus
aan te toonen. Het verdient aanbeveling dergelijke stomatitiden
ook op de aanwezigheid van vaccine-virus te onderzoeken.

Conclusies.

1) Zoogenaamde natuurlijke koepokken komt in ons land vrij
dikwijls voor.

2) Verband met vaccinaties bij den mensch kon niet worden
aangetoond, zoodat de ojwatting dat natuurlijke koepokken
steeds van voor enting bij den mensch gebezigde vaccine
stamt allerminst voldoende geargumenteerd is.

3) Hoogstwaarschijnlijk is koepokken geen op zichzelf staande
runderziekte.

4) Voor de verklaring van het optreden dezer tepelaandoening
bij het rund, moet behalve aan voor vaccinatie gebezigde

-ocr page 826-

entstof, ook gedacht worden aan kippenpokken en paarden-
pokken. (Insecten en andere tusschendragers).

5) Het zoeken naar natuurlijke runderpokken voor het ver-
krijgen van een nieuwen vaccine-stam heeft waarde.

6) Infectie van rund op mensch komt vaak voor ; de maat-
regelen ertegen moeten bestaan in herhaalde entingen van
rund of mensch, of van beide.

7) Vesiculeuse acute vormen van Stomatitis bij den mensch,
dienen ook op de aanwezigheid van vaccine-virus te worden
onderzocht.

8) Voor het onderzoek der geënte konijnen-cornea op de aan-
wezigheid van pokkenlaesies, verdient het aanbeveling ge-
bruik te maken van den oogspiegel in een donkere kamer,
waarbij het oog dient te worden geatropiniseerd, ten einde
ook laesies aan den rand der cornea te kunnen constateeren.

LITTERATUUR.

1) Gorter en v. Nederveen, Nederlandsch tijdschrift voor Geneeskunde 71
II, 17 1927.

2) Schultze, Seifried en Schaaf. Zeitschrift f. Infektionskrht. der Haustiere.
1927, Bd. 31, Heft 4.

3) Jenner, Edward, An Inquiry into the causes and effects of the variolae
vaccinae, etc.

4) Bollinger, Ueber Animale Vaccination. Leipzig 1879.

5) Prof. Dr. D. A. de Jong, Het verband tusschen Stomatitis pustulosa contagiosa
equi,
Variola equina (horse-pox van Jenner) en Variola vaccina (cow-pox van
Jenner). Tijdschrift voor Vergelijkende Geneeskunde enz. Deel II, afl. 1, 1915.

6) v. Heelsbergen, Kuhpocken beim Menschen durch das Virus der Stomatitis
pustulosa contagiosa equi. Centralblatt f. Bakteriologie I, Abt. Orig. Bd.
89,
Heft 6, 1923.

ZUSAMMENFASSUNG.

Sogenannten Kuhpocken kommen in Holland häufig vor. Eine Beziehung
zwischen Vakzinationen beim Menschen und der Rinderkrankheit konnte nicht
nachgewiesen werden. Wahrscheinlich ist es keine spezielle Rinderkrankheit:
Die Möglichkeit ist nicht ausgeschlossen, dass die Kühe infiziert worden sind mit
Vakzine oder vielleicht in einigen Fällen mit Geflügelpocken oder Pferdepocken.

Die Ansteckung kann ausser durch Menschenhände wahrscheinlich auch durch
Insekten vermittelt werden. Ansteckung vom Rinde auf den Menschen kommt
ziemlich häufig vor.

Bei der vesikulösen akuten Stomatitis beim Menschen muss man eine Infektion
mit Vakzine-Virus in Betracht ziehen.

Bei der Untersuchung des geimpften Kaninchencornea auf Pockcnlaesionen
empfiehlt es sich den Augenspiegel im Dunkelkammer zu benutzen, wobei das
Kaninchenauge zu atropinisieren ist, damit auch Veränderungen am Rande der
Cornea sichtbar werden.

SUMMARY.

Cowpox is of frequent occurrence in Holland. A relation between human vacci-
nation and cowpox could not be demonstrated. Probably it is no special cattle-
disease. The possibility of the cases being brought about by an infection with
vaccine or perhaps with fowlpox or horsepox is worthy of serious consideration.

-ocr page 827-

Excepted by hands, infection may probably be transmitted also by means of
insects.

Infection from cow to man is not rare.

Vesicular acute stomatitis in man points to an infection with vaccine-virus.

When examinating the inoculated cornea of the rabbit on the presence of vac-
cinial lesions, it is recommandable to make use of an eye speculum in a dark room
and to atropinise the eye in order to see eventual lesions on the margin of the
cornea.

RÉSUMÉ.

La vaccine bovine (cowpox) est fréquemment observée en Hollande. Probable-
ment ce n\'est pas une maladie spéciale des bovidés.

Dans beaucoup de cas, il est probablement possible de rattacher la vaccine à
une infection à vaccin, ou peut-être dans quelques cas à une infection par la vac-
cine des poules ou par la vaccine équine.

Une rélation eutre la vaccination de l\'homme et le cow-pox ne pouvait pas etre
démontrée.

Outre par les mains l\'infection peut vraisemblablement être transmise par des
insectes.

L\'infection de boeuf à l\'homme n\'est pas rare.

Dans la stomatite vésiculeuse aiguë chez l\'homme il faut songer à une infection
à virus-vaccin.

En examinant la cornée inoculée du lapin sur la présence de lésions vaccinales
il est recommandable de se servir d\'un miroir d\'oeil dans une chambre obscure et
d\'atropiniser l\'oeil afin de voir des lésions éventuelles dans la zone marginale de
la cornée.

BIJZONDERHEID BIJ OBSTRUCTIO OESOPHAGI BIJ TWEE

RUNDEREN,

door

G. A. R. NIEUHOFF.

Wanneer hulp gevraagd wordt voor een geval van obstructio
oesophagi betreft het in den regel een rund met een vreemd voor-
werp in den slokdarm, en bestaan deze vreemde voorwerpen bijna
zonder uitzondering uit aardappelen, stukken van mangelwortelen,
koolrapen, knollen of lijnkoekbrokken.

Bij aankomst bij de patiënt bevindt zich dan het voorwerp als
regel in het bovenste gedeelte van den slokdarm en is daar dikwijls
te zien en te voelen. Slechts heel zelden is het voorwerp al wat
verder in het benedenhalsgedeelte of in het borstgedeelte van den
slokdarm aangekomen.

Er wordt, wanneer het voorwerp zich in het halsgedeelte be-
vindt, met de handen geprobeerd het obstakel in de richting van
het strottenhoofd te schuiven en zoo dicht mogelijk daarachter
om dit dan daar door een helper te laten fixeeren. Hiervoor moet
een flink iemand genomen worden die bij verzet van het dier
vooral niet te gauw loslaat, daar anders het voorwerp onmiddellijk
weer naar achteren schiet. Nu wordt zoo vlug mogelijk de tong

-ocr page 828-

met behulp van een doek, met de linkerhand gepakt en zoo ver
mogelijk naar buiten getrokken, waarna men met de rechterhand
het vreemde voorwerp tracht te verwijderen. Meestal gelukt dit,
vooral als men het eerst flink naar voren heeft geschoven en het
daar goed gefixeerd is geworden door den helper.

Het spreekt wel vanzelf dat het hoofd goed gefixeerd moet
worden door twee krachtige mannen die het dier vasthouden bij
de hoorns en bij de onderkaak en het hoofd zoo horizontaal moge-
lijk houden.

Voor deze methode pleit dat wanneer het voorwerp is verwijderd
men er van af is en men controle heeft over zijn handelingen.
Jammer genoeg komt men er dikwijls niet zonder geringe verwon-
dingen af door de scherpe kiesrijen en de tong is nooit geheel onbe-
weeglijk, en ook al wordt het hoofd nog zoo goed vastgehouden,
het is toch onmogelijk voor de menschen om dit volkomen stil te
houden. Veel komt bij deze methode op den helper aan. Wanneer
deze goed het voorwerp zoo ver mogelijk naar voren blijft houden
is men er in den regel met éénmaal de hand inbrengen af.

Gelukt het niet op deze manier het voorwerp te verwijderen dan
wordt de slokdarmsonde ingebracht en voorzichtig en langzaam
in de richting van de cardia bewogen. Dit moet geschieden zoo-
danig dat het dier door zijn slikbewegingen zelf het meeste doet.
Slechts zeer geringe druk mag worden aangewend. Hierbij heb
ik nooit ongelukken gehad of bezwaren ontmoet dan juist in de
beide volgende gevallen, waarbij zich een eigenaardigheid voordeed.

Bij beide dieren was eerst hulp gevraagd van iemand uit de om-
geving die dergelijke zaakjes wel eens meer opknapte, doch nu
geen raad wist.

Het eerste geval betrof een koe waarbij, volgens mededeeling
van den eigenaar, het vreemde voorwerp een knol moest zijn.

Het dier speekselde in zeer erge mate en had een vrij hevige
tympanitis en vertoonde slikbezwaren. Van het voorwerp was in
het halsgedeelte van den oesophagus niets waar te nemen, (dit
heb ik eens gehad, toen beweerd werd dat het voorwerp door
middel van de slokdarmsonde was verwijderd en mij bij onder-
zoek bleek dat het nog wel degelijk vlak achter het strottenhoofd
was en het heel gemakkelijk met de hand kan worden verwijderd.
Tableau).

Na het inbrengen van de slokdarmsonde bleek, dat er een vreemd
voorwerp in de slokdarm aanwezig was, naar schatting ongeveer
een handbreedte van de cardia af. Hoewel ik probeerde met de
slokdarmsonde het voorwerp te verwijderen gelukte dit na veel
moeite absoluut niet, het was en bleef op dezelfde plaats.

Daar het dier een vrij hevige tympanitis had, besloot ik pens-
steek te doen en het eventueele voorwerp dan maar te laten zitten,
daar het mij te gewaagd en ook niet noodig voorkwam om maar

-ocr page 829-

direct penssnede te doen om zoo te trachten het voorwerp te ver-
wijderen. Met een tweetal hechtingen zorgde ik er voor dat de
trocard op de plaats bleef.

Ongeveer 12 uur later ging ik weer deze patiënt bezoeken en,
eenigszins tot mijn Verbazing, vertoonde de eigenaar mij een
flinke knol die, volgens zijn zeggen, de koe voor ongeveer een uur
had gebraakt.

De tympanitis was verdwenen, de trocard kon worden weg-
genomen en het dier heeft verder ook geen enkel bezwaar meer
gehad.

Aan de knol waren eenige beschadigde plekjes te zien die waar-
schijnlijk wel waren veroorzaakt door gering kauwen.

Bij deze kwestie veronderstelde ik te doen gehad hebben met
een kramp van de cardia.

Voor eenigen tijd werd ik weer geroepen voor een geval van
obstructio oesophagi en waarbij weer door een empirist de eerste
hulp was verleend.

Ditmaal ongeveer dezelfde verschijnselen als in het eerste geval.
Echter zeer geringe tympanitis, wel erge onrust, liggen en op-
staan, het dier verried pijn. De oorzaak was volgens den eigenaar
een aardappel.

Aan het halsgedeelte was niets waar te nemen. Bij het inbrengen
der slokdarmsonde bleek een vreemd voorwerp aanwezig te zijn
en wel op precies dezelfde plaats als boven, dus naar schatting
ongeveer een handbreedte van de cardia af. Ook dit voorwerp
liet zich met geen mogelijkheid verwijderen. De tympanitis was
echter buitengewoon gering, zoo gering zelfs dat ik het absoluut
onnoodig achtte om penssteek te doen. De buikwand was zoo
weinig gespannen dat zij bij de lendenen nog een geringe inzinking
vertoonde, fk beloofde den eigenaar den volgenden morgen nog eens
te komen zien. Het was ongeveer 7 uur \'s avonds dat ik bij patiënte
was.

Den volgenden ochtend kreeg ik reeds vroeg telefonisch bericht
dat mijn komst niet meer noodzakelijk was. Het dier was geheel
normaal, at en dronk goed en herkauwde rustig.

Bij informatie ter plaatse vertelde de eigenaar mij dat ongeveer
zes uur nadat ik was weggegaan de koe de aardappel had gebraakt.
Het was een aardappel van iets meer dan eigrootte. Duidelijk
waren er kauwsporen aan te zien en ook de plaats waar de slok-
darmsonde, of welke voorwerp de empirist heeft gebruikt, had
ingewerkt. Tot op heden heeft ook dit dier geen verdere afwijking
vertoond.

Nog een derde geval, ofschoon het verloop toch geheel anders
was, doch eenigszins gelijkend op deze beide, deed zich zeer on-
langs voor.

Hier was geen empirist bij geweest, doch door een samenloop

-ocr page 830-

van omstandigheden, kon patiënte eerst eenige uren na de ob-
structie worden bezocht.

De gewone verschijnselen waren aanwezig en een heftige tym-
panitis. In het halsgedeelte was niets aanwezig. Bij onderzoek met
de slokdarmsonde bleek weer een vreemd voorwerp aanwezig ;
dit zat naar schatting weer een handbreedte van de cardia af.
Ik was al bang weer te doen te hebben met een analoog geval als
de beide bovenomschrevene, doch na eenige moeite gelukte het
het voorwerp in de pens te drukken waarna ook de tympanitis
met bekwamen spoed verdween.

Of aan de dieren iets bijzonders is te zien geweest voor dien tijd
is mij niet bekend. Evenmin is mij bekend, en ik heb daar ook
niet veel naar gevraagd, wat de empirici hebben uitgevoerd.

Dat het verschijnsel vermoedelijk niet zal berusten op kramp
van de cardia bewijst mijns inziens het tweede geval, hiertegen
pleit toch de zeer geringe tympanitis.

Berust het misschien op een abnormale bouw van den slokdarm?
Daar alle runderen nog leven heb ik dit niet na kunnen gaan.

Noch Hutyra en Marek, noch in Fröhner en Zwick heb ik
iets over dit bijzonder verschijnsel kunnen vinden.

Hardenberg, 5 Juni 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

In zwei Fällen von Obturatio oesophagi beim Rinde gelang es Verfasser nicht
den Fremdkörper (einen im Brustabschnitte eingekeilten Kartoffel) mittels der
Schlundsonde zu entfernen. Als er nach einigen Stunden die Kühe wieder unter-
suchen wollte, erz ihlte der Besitzer, dass die Tiere den Fremdkörper ohne weitere
Behandlung ausgebrochen hatten.

SUMMARY.

In two cases of obturatio oesophagi in cows, the author did not succeed in re-
moving the obstructing object (a potatoe which was caught in the thoracic part)
by means of the stomach tube.

Several hours afterwards when he called to see the cows again, the owner told
him that the cows had vomitted the obstructing object without any further treat-
ment.

RÉSUMÉ.

Dans deux cas d\'obturatio oesophagi chez la vache l\'auteur n\'a pas réussi à
éloigner le corps étranger (une pomme de terre engagée dans la partie intratho-
racique) au moyen de la sonde oesophagienne.

Quelques heures après, lorsque l\'auteur voulait examiner les vaches de nouveau,
le propriétaire lui raconta que les animaux avaient vomi le corps étranger sans
aucun traitement.

-ocr page 831-

GENEZING VAN CHRONISCHE HAEMORRHAGISCHE PURU-
LENTE METRITIS BIJ HONDEN LANGS MEDICAMENTEUZEN

WEG,

door

J. FLOHIL.

Chronische haemorrhagische purulente metritis bij honden, die
nooit geworpen hebben, wordt bij de vele honden, die in een
stadspractijk ter onderzoek worden aangeboden, herhaaldelijk
geconstateerd en hysterectomie wordt als eenige therapie, waarbij
succes te verwachten is, indien het geval niet al te zeer geprogres-
seerd is, den eigenaars aanbevolen. Hoewel de prognose in derge-
lijke gevallen niet al te ongunstig behoeft te worden gesteld, komt
het toch vaak voor, dat de eigenaar niet te bewegen is, hiertoe te
doen overgaan. Minder goed gesitueerden zien tegen de kosten
op, die een dergelijke operatie onvermijdelijk meebrengt, maar
ook velen, waar dit geen punt van overweging uitmaakt, zijn niet
altijd te overreden, de redding brengende bewerking te doen ge-
schieden. Daar het vaak oudere honden betreft, maakt men er
bezwaar tegen, het dier op zijn ouden dag nog met een dergelijke
„zware" operatie te plagen en verzoekt men zijn dierenarts te
beproeven het dier langs medicamenteuzen weg tot herstel te
brengen of wel men laat de patiënte afmaken.

De medicamenteuze behandeling, gepaard met een diaetetische
heeft de reputatie zelden of nooit succes op te leveren. Uterus-
irrigaties zijn in verband met de lange vagina en de geslotenheid
van de cervix meestal niet te verrichten en pogingen daartoe
hebben veelal slechts een vaginaal-irrigatie tot resultaat.

Uterus contraheerende middelen om den uterus tot ontlediging
te brengen falen meestal, tendeele doordat de uterus door dege-
neratie van den wand het vermogen verloren heeft te contra-
heeren. Verwijdering van den inhoud en locale behandeling van
den ontstoken uteruswand is derhalve meestal een puzzle, die
moeilijk tot oplossing is te brengen. Daar directe applicatie van
geneesmiddelen op den uteruswand zelden te bereiken is, moet
men trachten op andere wijze invloed op den zieken uterus uit te
oefenen, door stoffen in het lichaam te brengen die via de bloed-
baan het zieke weefsel beïnvloeden. Tot de middelen, in nieuweren
tijd aanbevolen, die op dergelijke wijze ziekteprocessen beinvloe-
den behoort o. a. introcid, en het is met deze vloeistof, waarmede
ik een ^ io-jarige boxer behandelde, die aan een hopeloos lijkende
chronische haemorrhagische purulente metritis leed. Het dier her-
stelde. De historia morbi luidt als volgt : Patiënte was een in zeer
goeden voedingstoestand verkeerende hond, die nooit jongen
had gehad.

-ocr page 832-

Het dier kwam in behandeling 15 Maart 1929 met de anamnese,
dat de laatste loopsheid in het vorige jaar October heel hevig was
geweest. Het verloor toen veel bloed en de uitvloeiingen duur-
den langer dan normaal. Daarna merkte men een tijdlang niets,
totdat zoo nu en dan werd waargenomen, dat er wat vuilge-
kleurd slijmig vocht werd afgescheiden. Aanvankelijk was die
afscheiding gering, doch van lieverlede nam deze toe, waarbij het
dier zichtbaar vermagerde en zeer dorstig werd ten opzichte van
water, terwijl melk versmaad werd. Patiënte werd ten slotte
zeer lusteloos en het dienstpersoneel (de eigenares vertoefde
buitenslands) besloot diergeneeskundige hulp in te roepen.

Bij het onderzoek bleek de hond, die ik als een zeer welgedaan
dier kende, sterk in voedingstoestand achteruitgegaan, hoewel
nog niet van mager kon worden gesproken. De buik was iets ver-
groot, terwijl de flanken min of meer waren ingevallen. Het dier
was tamelijk lusteloos en bleek verhoogde temperatuur te hebben
(40°—40.50 C.) en frequente pols. De omgeving van de vulva
was vochtig, terwijl bij druk op de buik eenig roodbruin muco-
purulent vocht voor den dag kwam.

Bij palpatie van den buikwand was de vergrootte uterus duide-
lijk te voelen. Gedurende de dagelijksche behandeling, waaraan
ik patiënte onderwierp, toonde men mij \'s morgens de lakens,
waarop zij des nachts gelegen had en kon ik constateeren, dat de
uitvloeiingen aanvankelijk zeer rijkelijk waren. De consistentie
was aanvankelijk vrij dun, het haemorrhagisch karakter was wis-
selend, nu eens meer, dan minder bloederige bijmengselen met een
min of meer frissche bloedkleur, dan weer meer chocoladekleurig.
De eetlust was zoo goed als verdwenen.

De door mij ingestelde behandeling was als volgt :

Gedurende een aantal achtereenvolgende dagen werd geirrigeerd
met 2 % septoforma-oplossing (lauwwarm). Dit geschiedde een-
maal daags van 15 tot 30 Maart, daarna nog eenige keeren om
den anderen dag. De irrigatie was vaginaal, het gelukte niet, de
canule in den uterus te krijgen zoodat de vloeistof ongeveer terug-
kwam, zooals zij er in ging. Alhoewel een direct resultaat met het
irrigeeren niet bereikt werd, scheen het toch een prikkeling uit
te oefenen, die leidde tot een verhoogde afzetting van het uterus-
secretum, want meestal werd kort na de irrigatie tamelijk veel
muco-purulent vocht al of niet met haemorrhagische bijmengsels,
verloren. Om de werking op den uterus te ondersteunen, liet ik
patiënte dagelijks een paar keer 10 gram Extractum Erodii fluid.
toedienen.

Verder werd op 15 en 16 Maart dagelijks 2 gram introcid intra-
musculair ingespoten in de binnen-dijspieren en op 18, 19, 20 en 21
Maart nogmaals telkens één gram.

Inmiddels was de eigenares van den hond thuis gekomen en

-ocr page 833-

hoewel ik meende verbetering in den toestand op te merken, stelde
ik haar dien als vrij hopeloos voor, wanneer geen hysterectomie
werd verricht. Hiertoe werd echter geen toestemming verleend,
zoodat de medicamenteuze behandeling werd voortgezet. In-
tusschen werd de toestand hoe langer hoe beter ; de dorst vermin-
derde, de eetlust kwam langzamerhand terug, maar dan plotseling
kwamen er weer een paar dagen, dat patiënte geheel van streek
was ; de uitvloeiingen waren zeer rijkelijk en met veel bloed ge-
mengd.

In deze periode, waarbij het dier zeer lusteloos was, werd weder-
om gedurende een paar achtereenvolgende dagen introcid inge-
spoten. Plotseling kwam er nu een zeer sterke wending in de
ziekte. Het dier begon in eens veel meer te eten, dan in den laat-
sten tijd ; vleesch in den vorm van biefstuk, dat eerst niet of heel
traag werd genomen, ging er nu grif in ; eieren met melk, bouillon,
waarmede het dier eerst gevoerd moest worden, werd nu met
graagte verorberd. De uitvloeiingen verminderden, de kleur werd
lichter en gelijkmatiger, de consistentie dikker (pus bonum et
laudabile). Op 17 April ontsloeg ik patiënte uit de behandeling;
toen ik haar op 7 Mei nog eens zag, waren alle verschijnselen totaal
verdwenen en de voedingstoestand sterk verbeterd, terwijl het
dier zijn oude vroolijkheid weer had.

Spoedig na dit geval deed zich de gelegenheid voor dezelfde
therapie te beproeven bij een 2e patiënte.

Ditmaal betrof het een petite brabançonne. Het was een klein
mager scharminkeltje met sterk opgebogen lenden en een tamelijk
opgezet buikje. Eetlust was zoo goed als afwezig en het dier had
een hevige dorst voor water, terwij\' het afkeerig was van melk.
Van uitvloeiingen uit de vagina had de eigenares nog weinig ge-
merkt ; alleen kleine met bloed gemengde vlekken werden op zijn
kussentjes waargenomen. De temperatuur was min of meer sub-
normaal en de pols frequent. Nu en dan braakte patiënte. Bij het
onderzoek bleek het buikje gespannen door den opgezet ten uterus,
terwijl het dier bij het onderzoek pijn te kennen gaf.

Uit de vagina vloeiden eenige druppels vuilgekleurde pus. Het
diertje was volgens eigenares acht jaar oud. Van loopsheid had
deze sinds langen tijd niets bemerkt.

Op 18 Mei j.1. toen ik het diertje voor het eerst onderzocht,
diende ik het een injectie van 1 cc.M. introcid intramusculair in de
halsspieren toe en herhaalde dit op 21, 23, 25 en 28 Mei, terwijl
ik tevens telkens een irrigatie deed met 2 % lauwwarme septo-
forma-oplossing, waarna de uitvloeingen wat vermeerderden en
waarbij het soms gelukte de vloeistof in den uterus te brengen,
zoodat ook op deze wijze uterussecretum direct verwijderd kon
worden. Na 25 Mei hielden de uitvloeiingen op en patiënte, die
ik had laten voeden met geschaafd runderbiefstuk, dat eerst

-ocr page 834-

moeilijk en later hoe langer hoe beter werd opgenomen, raakte
haar lusteloosheid kwijt, de dorst verminderde, haar houding en
gestalte werd meer normaal en ook temperatuur en pols. Evenals
bij het eerste geval had ik inwendig Extr. erodii fluid. laten toe-
dienen (3 x daags 3 gram). Op 28 Mei ontsloeg ik patiënte uit de
behandeling. Tot heden schijnt alles goed te gaan.

De gunstige invloed van intraveneuze of intramusculaire injec-
ties van introcid bij metritiden, vooral ook bij het rund is in den
laatsten tijd in de literatuur herhaaldelijk vermeld. Voornamelijk
betroffen het echter hier metritiden, aansluitende aan de partus,
waarbij ook een locale behandeling van den uterus kon worden
uitgevoerd, zoodat men verbeteringen niet zonder meer op reke-
ning kon stellen van den invloed van introcid. Bij honden met
chronische metritiden, niet met de partus in verband staande,
is dit anders, omdat locale behandeling hier meestal niet kan
plaats vinden.

,,De vaginaal-irrigatie bij metritiden is onpractisch en af te
keuren", zegt
Klarenbeek in zijn „Praktische Heelkunde van
het kleine huisdier". Van zijn standpunt, dat er alleen heil te ver-
wachten is van hysterectomie, is dit logisch. Doch wanneer de
mogelijkheid bestaat langs medicamenteuzen weg genezing te
verkrijgen, is irrigatie nog wel te verdedigen, want al bereikt men
veelal met zijn irrigatie-vloeistof het cavum uteri niet, de prik-
keling van het vaginaal slijmvlies schijnt langs reflectorischen
weg tot uteruscontracties te leiden, waarbij aanmerkelijke hoe-
veelheden van den inhoud worden ontlast.

Voor irrigaties bij honden is bij voorkeur gebruik te maken
van niet te sterk riekende desinficientia, vooral wanneer de dieren
thuis verpleegd worden.

Een zeer geschikte vloeistof is een 2 % lauwwarme septoforma-
oplossing of een 3 % dito boorzuuroplossing.

Het is bekend, dat chronische purulente endometritis soms
spontaan geneest.
Klarenbeek vermeldt dit ook in zijn boven-
genoemd werk. De mogelijkheid bestaat dus, dat de beide boven-
genoemde gevallen ook zouden genezen zijn zonder medicamen-
teuze behandeling. Doch daar spontane genezing zeer zeldzaam is,
moeten wij aannemen, dat de gunstige wending, die deze beide
gevallen genomen hebben, op rekening moet worden gesteld van
de behandeling. Derhalve meen ik, in gevallen als bovenbeschre-
ven te moeten aanraden niet direct tot operatie over te gaan,
indien de indicatie niet dringend is, doch eerst eens te probeeren
wat te bereiken is, langs den weg door mij aangegeven. Misschien
blijkt, dat de uitspraak van
Klarenbeek : „Hysterectomie is
bij uterus-ontstekingen met gesloten cervix, zoowel bij de hond als

-ocr page 835-

bij de kat, de eenige practische therapie", zijn geldigheid verloren
heeft, vooral in die gevallen, waarbij de geslotenheid van de cervix
niet absoluut is.

Haarlem, 12 Juni 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

Hunde mit chronischer Uterusentzündung, ohne Zusammenhang mit der Geburt,
sind vieler Ansicht nach nur zu genesen durch Hysterectomie. Verfasser berichtet
über zwei Fälle, wo Genesung durch medikamentöse Behandlung geschah; wobei
nebst Irrigationen per Vaginam, tägliche Anwendung von intramuskuläre Injek-
tionen von Introcid statt fand.

SUMMARY.

In general opinion chronic purulent endometritis in bitches, independent of
pregnancy, is only to cure by hysterectomy.

The author describes two cases in which recovery took place by intramuscular
injections of Introcid and irrigations of the vagina.

RÉSUMÉ.

Selon l\'opinion générale la métrite haemopurulente, indépendante de la couche,
chez la chienne, n\'est à guérir que par l\'hystérectomie.

Dans deux cas l\'auteur a obtenu la guérison par des injections intramusculaires
d\'Introcid et par des irrigations intravaginales.

OVER Cad., -THERAPIE BIJ MELKZIEKTE,

door

R. P. SYBESMA, Practiseerend Dierenarts te Heerenveen.

Na de, reeds zoo rijkelijk met successen bekroonde, onderzoe-
kingen van Professor
Sjollema over deze materie, lijkt het mij
wenschelijk, enkele bevindingen, met betrekking tot de practische
toepassing daarvan, eens naar voren te brengen, teneinde zoo
mogelijk iets te kunnen bijdragen ter voltooiing van voor onze
veeteelt van overwegende beteekenis zijnde vraagstukken, welker
oplossing onze hooggeschatte leermeester in uitzicht heeft gesteld.

Mijn ervaringen dateeren pas vanaf 16 April j.1.; nieuwe ge-
zichtspunten zou ik dus bezwaarlijk kunnen aanwijzen. Wel echter
durf ik verklaren, dat de recordcanule met slang en trechter ten
mijnent goeddeels de melkspuit heeft verdrongen, en dat zelfs
alleen de techniek reeds van de intraveneuze toediening van een
calciumzout, (zoo men zich deze voldoende heeft weten eigen te
maken) grootere perspectieven opent, met betrekking tot het doen
herstellen van de functioneele stofwisselings-stoornissen bij ons
melkvee.

Tot voor kort dus behoorde ik nog tot de omvangrijke groep
van practici, die in de insufflatie van den uier een alleszins toe-
reikend middel zien ter behandeling van paresis puerperalis. In
vertrouwde deskundige handen is het luchtfilter dan ook een
instrument van beteekenis.

-ocr page 836-

Doch de bezwaren aan insufflatie verbonden, worden grooter
naarmate het aantal melkziektegevallen stijgt. Hoofdbezwaar acht
ik wel, dat het lucht-inblazen ons niets verder brengt, en nooit
verder kan brengen, met betrekking tot het wezen van dit puer-
peraal lijden. Het aantal melkziektegevallen neemt met de intensi-
veering van het bedrijf nog steeds toe. Dieren, die eenmaal melk-
ziekte hebben gehad, worden aan het begin van een volgende
lactatie weer gevaarlijk, vooral na ruime toediening van krachtvoer,
en indien de voorafgaande lactatieperiode door de volgende wordt
bekort. En hoe staat het met de nakomelingschap van dergelijke
koeien en stieren?

Een en ander heeft niet weinig bijgedragen tot de popularisatie
van de onderhavige behandelingsmethode. Een waar leger van
empiristen, castreerders, verloskundigen, huisknecht-hulpkeurders
en veefondsexperts hanteert tegenwoordig een melkspuit, en de
mastitisgevallen blijven niet uit. En hoe dikwijls nog wordt men
geroepen bij een paretisch rund, waarbij insufflatie reeds heeft
plaats gehad. Dus, of er mankeert nog iets aan deze behandelings-
methode, of zij is door de betrokken personen1 niet goed in toe-
passing gebracht. Soms ligt het aan het een zoowel als aan het
ander.

Klinisch zou men de puerperaal parese kunnen indeelen naar
een ruime verscheidenheid van symptomen. Er is steeds — langer
of korter — een voorperiode, een initiaalstadium, gekenmerkt
door : weinig of geen eetlust, niet herkauwen, geen pensbewegin-
gen, geen defaecatie, koude horens en staartwortel, en geen melk.
Tot den eigenlijken paretischen toestand komt het hierbij, in uit-
zonderingsgevallen, dikwijls niet.

De toestand van dergelijke koeien herstelt zich spoedig weer,
geheel uit zichzelf, dus ook na insufflatie en eveneens na CaCl2
intraveneus.

In een volgend stadium van melkziekte, waarbij paretische toe-
standen, frequente pols en ademhaling, en onrust op den voor-
grond treden, kan men enkel nog maar heil verwachten van den
krachtig op spanning gebrachten uier, of van intraveneuze, mis-
schien subcutane toediening van CaCl2, glucose en andere medica-
menten, waarvan wij hier echter alleen het CaCl2 in beschouwing
nemen.

Doch ook in de stadia van heftige excitatie en van coma is men
op insufflatie of CaCl2 aangewezen, en het geeft den indruk, alsof
genezing langer uitblijft naarmate de parese verder is gevorderd.
In de door mij behandelde gevallen, deed het CaCl2 het aanmerke-
lijk veel vlugger, clan voorheen de insufflatie.

Verder zou er dan misschien nog verband kunnen worden ge-
legd tusschen de ouderdom van het dier, en de gecompliceerdheid

-ocr page 837-

van het lijden, omdat dieren van hoogen leeftijd, b.v. tiendekalfs
koeien den practicus dikwijls voor verrassingen doen staan.

Aan het einde van den staltijd werden de volgende gevallen
van melkziekte, over het tijdsverloop van een maand, door mij
met CaCl2 behandeld.

I. Een 7-jarige koe van S. te M. had in den nacht van 14 op 15 April afgekalfd.
In den morgen van 16 April melkziekte; insufflatie door eigenaar. Kon
\'s avonds nog niet staan. Toestand echter niet ongunstig. 30 gr. CaCl2
in 10 % oplossing, in de halsader. (Oplossing van uitgekookt water onder
toevoeging van 1.5 c.c. phenolum liquefactum ter blijvende sterilisatie
steeds voor gebruik gereed). Koe ging na de injectie vrij vlot in de beenen.
Eigenaar had ook later geen klachten. Ruime hoeveelheid melk.

II. Koe van R. te T., zevende kalf op 15 April. Den volgenden namiddag ver-
schijnselen van melkziekte. Een buurman insuffleerde. Eveneens boodschap
naar den dierenarts. Vier uren na de behandeling stond de koe nog niet.
Toestand overigens niet ongunstig. Ter elemonstratie 30 gr. CaCl2 in de
halsader, hierna onmiddellijk opstaan en eetlust.

Later is het dier nog voor mastitis (aan twee kwartieren) behandeld.

III. Achtjarige koe had afgekalfd op 24 April ten huize van S. te B. In den
nacht van 25 op 26 April melkziekte, wat de eigenaar eerst des morgens
bemerkte. Deze vond het dier hangende in de groep. Na het lossnijden
volgde onmiddellijk insufflatie door een buurman. Geen verbetering. Bij
mijn komst lag het dier gestrekt over den stalvloer en was zeer soporeus.

Pols nauwlijks voelbaar, ademhaling zeer oppervlakkig. Er was een pro-
lapsus van de vagina. Prognose niet gunstig. 40 gr. CaCl2 in de meikader.
Toestand bl.ef aanvankelijk nog slecht. Het eerste symptoom van verbe-
tering was, dat de geprolabeerde vagina uit zichzelve terugtrok.

Binnen het uur verhief ele koe zich, en werd met vereende krachten
in ele beenen geholpen. Het dier kon echter maar op drie beenen staan.

Er was paralyse van de buiger van het rechterachterbeen, waarschijnlijk
tengevolge van trauma in den nacht.

Toestand bleef den geheelen dag tamelijk goed. Het dier at weinig hooi

In den vroegen morgen van 27 April recidive. Wederom 40 gr. CaCla
in de meikader. De toestand liet zich den 27 April gunstig aanzien. Des
avonds was de melkgift bevredigend.

In den vroegen morgen van 28 April echter weer recidive. Thans volgde
insufflatie.

Op 29 April was de toestand in zooverre verbeterd, dat er geen verschijn-
selen van melkziekte zich meer voordeden.

Het dier kon echter niet overeind vanwege ,,de wolf". De staartwortel
was slap en buigzaam. Eetlust iets verminelerd. Overigens geen verdere
afwijkingen.

Op i Mei is de koe om onverklaarbare redenen opgeruimd, en aan
verdere behandeling onttrokken.

IV. Melkkoe van L. te G. Vijfde kalf op 27 April. Spoedig hierna verschijnselen
van melkziekte. 40 gr. CaCl2 in de meikader. Vlot herstel. Later geen klach-
ten.

V. Een negenjarige melkkoe van P. te T. had den 27 April afgekalfd. In den
morgen van 29 April de eerste verschijnselen van melkziekte. Secundinae
waren niet afgegaan. Het dier lag over den stalvloer.

60 gr. CaCl2 in de meikader. Spoedig volledig herstel. Ruime melkgift.

-ocr page 838-

VI. Een elfjarige koe van IJ. te L. Datum van afkalven 30 April. Het dier
heeft het vorige jaar aan melkziekte geleden en is thans preventief be-
handeld gedurende vier weken, droogstand met CaCl2 CaHPOj lever-
traan per os.

In den morgen van 1 Mei had het geen eetlust. Het onderzoek leverde
echter niets op. Uit voorzorg 40 gr. CaCl2 in de meikader.

Onmiddellijk hierna wèl eetlust. Later klachten van den eigenaar over te
weinig melk. Is om die reden verkocht.

VII. Een zevenjarige melkkoe van G. te O. had 4 Mei gekalfd. 5 Mei melkziekte.
Herstel na 30 gr. CaCl2 in de meikader.

VIII. Een achtjarige koe van K. te T. Datum van afkalven 4 Mei. In den nacht
van 5/6 Mei melkziekte en insufflatie door een buurman. Onmiddellijk
na het opstaan echter gemolken. Recidive volgde. Hierna 40 gr. CaCl, in
meikader. Herstel. Den volgenden morgen ,,wolf". Bloed (Ca. 4.7. P. 2.9.
mg. %). Nu wederom 40 gr. CaCL ingespoten. Hierna volledig herstel
met zeer ruime melkgift.

IX. 9 Mei. Koe van P. te O. Zevende kalf. Zelfde dag nog melkziekte. 30 gr.
CaCl2 in de meikader gaf volledig herstel.

X. In den nacht van 9/10 Mei koe van B. te G. Zevende kalf; vorig jaar ook
melkziekte. Thans insufflatie door eigenaar in den avond van 9 Mei. Des
nachts 40 gr. CaCl2. Daarna opstaan. Den volgenden dag toestand nog niet
zooals het behoort.

Wederom 40 gr. CaCl2.

12 Mei eigenaar verhuisd. Koe lijdende aan mastitits.

XI. 13 Mei. Koe van D. te T. Achtste kalf. Melkziekte; 30 gr. CaCl2. Vlot her-
stel.

XII. 15 Mei. Koe van D. te L. Na het tiende kalf melkziekte. In den avond
insufflatie door eigenaar. Kon den volgenden morgen nog niet staan. Hierna
30 gr. CaCl2. Opstaan doch geen eetlust.

Den 17 Mei Ca per os. 18 Mei toestand weinig verbeterd. Geen eetlust,
niet herkauwen. 30 gr. CaCl2.

19 Mei nogmaals 30 gr. CaCl2, waarna langzaam verbetering is inge-
treden.

Deze gevallen laten mijns inziens geen twijfel open ; wij kunnen
het thans zeker zonder luchtfilter stellen.

Ook wordt het zoo langzamerhand tijd, dat wij nieuwe wegen
inslaan.

Een overgangstijd, waarin men zich eenigszins vertrouwd moet
maken met de nieuwe werkwijze, brengt natuurlijk altijd moeilijk-
heden mee. Hier is het voornamelijk het morsen onderhuids van
de geconcentreerde CaCl2-oplossing, dat aanvankelijk doet af-
schrikken.

Dit kan men echter ontgaan, door de oplossingen eerst minder
geconcentreerd te nemen. Het is niet moeilijk, binnen korten tijd
«én Liter oplossing in de meikader te brenger. Een gemakkelijke

-ocr page 839-

insteekplaats is daar, waar de melkader ombuigt en door den buik-
wand naar binnen treedt.

Het is verder raadzaam, niet met de toepassing te wachten,
totdat men bij gecompliceerde gevallen wordt ontboden. Bij de
gevallen zonder complicaties heeft men verlassend snel herstel, en
het succès is des te grooter.

Heerenveen, Juni 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser berichtet über einige von ihm nach der Therapie Sjollema\'s (intra-
venöse Injection von CaCl2)behandelten Fälle von Paresis puerperalis. Er zieht
diese Behandlungsmethode der Euterinsufflation (
Schmidt—Kolding) vor, da
die Therapie
Sjollema\'s eine kausale Behandlung ist. Verfasser ist der Meinung,
dass dies für Gegenden wo eine intensive Viehzucht getrieben wird, von höchster
Wichtigkeit ist.

Die Euterinsufflation wird immer mehr von Laien angewandt. Bei der Ca CI,
therapie ist tierärtzliche Hilfe jedoch unentbehrlich.

Zum Schluss erklärt Verfasser einige technischen Einzelheiten in Bezug auf diese
Therapie.

SUMMARY.

The author describes a few cases of paresis puerperalis which he had treated
according the method
Sjollema. (intravenous administration of CaCl.,). He prefers
this method to insufflation of the udder (
Schmidt—Kolding) because the Sjol-
lema
-treatment is treating the cause of the disease. The author considers it of
paramount importance in countries where intensive cattlebreeding is practised.

Insufflation of the udder is more and more applied by laymen ; this is impos-
sible with the CaCl2 therapeutics.

Finally the author points to a few technical pecularities with regard to the
method
Sjollema.

RÉSUMÉ.

L\'auteur décrit quelques cas de fièvre vitulaire (paresis puerperalis) qu\'il a
traités selon la thérapeutique de
Sjollema (administration intraveineuse de
CaClj). Il préfère cette méthode à l\'insufflation de la mamelle (
Schmidt—Kolding),
parce que la thérapeutique de Sjollema est un traitement causal.

Surtout pour les contrées où on exerce un élevage intensif, il la considère de
la plus haute importance. L\'insufflation de la mamelle est appliquée de plus en
plus par les laïques. Il n\'en est pas de même pour la thérapeutique de
Sjollema.

Pour terminer l\'auteur appelle l\'attention sur quelques détails techniques par
rapport à cette thérapeutique.

-ocr page 840-

SARCOPTES-SCHURFT BIJ RUNDEREN,

door

W. VAN DER KOOI.

Begin Februari 1929 werd door mij voor \'t eerst een geval van
sarcoptesschurft bij het rund geconstateerd. Voor iets anders in
een stal aanwezig, werd ik getroffen door de heftige huidaandoe-
ning bij een rund, te erg om gewone dermatophagus-schurft te
zijn. Hoofdzakelijk aan de achterhand bestond een zwaar crusteus
eczeem, met vooral aan den melkspeigel eene bloedig ontstoken
huid ; dit lijden ging gepaard met hevige jeuk. Bij rondkijken
bleken bijna alle runderen, wel een 20-tal, meer of minder te zijn
aangetast. De eigenaar zelf had, vooral \'s nachts, ook last van
ondragelijken jeuk gehad, op door kleeren bedekte plaatsen.

Volgens hem was deze huidziekte aangebracht door eene in den
herfst van 1928 aangekochte koe ; sommige runderen waren weer
aan de beterende hand (zonder behandeling).

Microscopisch onderzoek van afgekrabd materiaal bracht aan
het licht, dat deze runderen lijdende waren aan sarcoptes-schruft
(veroorzaakt door de sarcoptes major).

Een paar weken later ontdekte ik op een anderen stal een rund
met dit huidlijden. Dit dier was lijdende van top tot teen ; het
had den geheelen winter niet willen groeien. Ook hier weer erge
jeuk en eveneens was dit het geval geweest bij den melkknecht.

Heel spoedig hierna kwam mij een derde geval van sarcoptes-
schurft onder de oogen ; een drietal runderen bleek duidelijk zicht-
baar lijdende te zijn. Volgens den eigenaar heeft zijn geheele vee-
beslag er verleden jaar aan geleden, maar waren de meesten weer
spontaan hersteld. Ook hier hebben de melkers geklaagd over
abnormaal hevige jeuk.

Een vierde geval ontmoette ik daarna in een kleine stal ; een
aangekocht rund bleek in ei ge mate lijdende ; de naast dit dier
staande koe was aan die zijde ook reeds heel erg aangetast. Vol-
gens zeggen hadden de melkers hier nog geen last van jeuk gehad.

Daarna zag ik deze besmettelijke huidziekte nog een paar maal
in andere veestapels ; ook weer hevige jeuk bij de runderen en
eveneens bij het personeel.

Bij het laatste van deze waargenomen gevallen betrof het een
rund dat wederom over zijn geheele lichaam, kop, hals, romp,
pooten, was aangetast ; de hals had die verdikte huid, zooals
fraai te zien is op de afbeelding van een kalf, lijdende aan sar-
coptes-schurft, in het handboek van
Hutyra en Marek.

Dit rund was dan ook zeer mager en gaf veel te weinig melk.
De eigenaar en zijne vrouw, welke laatste in den regel de koe molk,
hebben den geheelen winter last van erge jeuk gehad ; zelfs een

-ocr page 841-

dochtertje, dat nooit met de koe, maar natuurlijk wel met hare
ouders, in aanraking kwam, ondervond dien last.

Mijn algemeene indruk is, dat langzamerhand de menschen
spontaan genezen.

Al deze sarcoptes-schurft-gevallen heb ik waargenomen bij koe-
melkers in en om Groningen. Zonder speciaal onderzoek heb ik ze
ontmoet en daarom mag wel als zeker aangenomen worden dat
er veel meer zijn.

Ik zag dat deze parasitaire aandoening besmettelijk is van rund
op rund en zag geen enkele maal in de herkomst of overbrenging
een verband met een andere diersoort, zoodat wel degelijk van
een bij het rund heerschende sarcoptes-schurft mag worden ge-
sproken.

Daar reeds uit verschillende streken van ons land het voor-
komen van deze besmettelijke huidziekte bij het rund werd ge-
meld, lijkt mij de vrees niet ongegrond, dat dit lijden zich zeer
zal uitbreiden onder onze runderen en is het tijdig nemen van
doeltreffende maatregelen (van overheidswege) gewenscht, zeer
zeker mede in het belang van de volkshygiëne.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser beobachte wiederholt Sarcoptesräude bei Rindern.

Seiner Meinung nach sind gesetzliche Massnahmen gegen diese Krankheit, die
in Holland viel vorkommt und auf den Menschen übertragbar ist, sehr erwünscht.

SUMMARY.

The author observed many cases of sarcoptic mange in cattle.

As this disease frequently occurs in Holland and as it is also infectious to man,
the author thinks legal measures against this disease most desirable.

RÉSUMÉ.

L\'auteur rapporte de nombreuses observations de gale sarcoptique chez des
bovidés.

Comme cettc maladie est trés fréquente en Hollande et commc 1\'homme est
sensible ä 1\'infection, l\'auteur insistc sur des mesures législatives contre ladite
maladie.

-ocr page 842-

BOEKAANKONDIGINGEN.

Die Staupe der Hunde und Silberfüchse und deren neuzeitliche Behandlung nebst
einem Anhang über die Fütterung der Hunde.
Dr. Joseph Vaeth, Verlag M. & H.
Schaper,
Hannover 1929.

De titel van dit werkje is lang en doet heel wat verwachten ; de inhoud geeft
vrijwel het tegenovergestelde : het boekje telt slechts 47 bladzijden en bevat maar
weinig nieuws en veel aanvechtbaars.

De schrijver geeft in eenige hoofdstukken een overzicht van wezen, symptomen,
prophylaxis en behandeling der ziekte bii den hond ; voegt daaraan toe een zeer
beknopte samenvatting van hygiëne en dieet van het zieke dier en voedseltoediening
aan het gezonde en beperkt de weergave van zijn kennis van feiten van honden-
ziekte-besmettingen bij den zilvervos tot hoogstens een halve bladzijde.

Ofschoon uit de behandeling der verschillende vraagstukken wel de geroutineerde
practicus spreekt, is de stof niet met exacte kennis behandeld ; veel te gemakkelijk
wordt over de diepere beteekenis der problemen heen geloopen en te veel wordt
het tot heden verkregen resultaat van medicamenteuze, serologische en prophy-
lactische behandeling overschat. Daarbij is het overvloedig aanbevelen van vele
nieuwe en uitsluitend duitsche geneesmiddelen, waarvan de werking deels volgens
de ervaring van anderen problematisch is, deels nog geheel niet vaststaat, een be-
denkelijk verschijnsel, dat bij critische beoordeeling ook af te keuren is. Over het
geheel genomen kunnen wij het werkje niet bepaald een aanwinst noemen van de
literatuur over dit vraagstuk.
 Klarenbeek.

INGEZONDEN.

Diermeel.

In antwoord op de repliek van collega te Hennepe het volgende :

I. Met genoegen constateer ik, dat collega te II. de ,.propaganda" voor Cen-
trale Noodslachtplaatsen-vcrwerkingsinrichtingen, die indertijd door hem in de
N. R. Cr. is gevoerd met zooveel ijver, thans wil laten varen, ten gunste van een
rustige studie.

II. Uit het antwoord van collega te II. blijkt, dat ik ten onrechte een mede-
deeling ten voordeele van het „droge systeem" aan collega
te H. had toegeschreven,
terwijl uit diens voordracht blijkt, dat hij deze mededeeling van „hooren zeggen"
heeft. Bij nadere bestudecring van diens voordracht moet ik toegeven, dat ■— uit-
gezonderd een zonder vermelding van cijfers verstrekte mededeeling over de ge-
ringe waarde van bloedmeel voor leggende kippen — practisch de geheele inhoud
dier voordracht bestaat uit de kritieklooze mededeeling van wat collega
te H.
heeft „hooren zeggen". Daardoor is het mij duidelijk, waarom collega
te H. niet
kan ihgaan op mijn critiek van de vermeende winst van Midwoud van / 10.000.—
over 1928, een cijfer, waarvan de onjuistheid onmiddellijk blijkt, indien men weet,
dat Amsterdam, waar bovendien alles reeds aan het slachthuis geconcentreerd
is, zelfs met een beschikbare hoeveelheid van ongeveer 1000.000 Kg. per jaar,
d. w. z., ongeveer 8 x zooveel als Midwoud, niet meer dan / 11.000.— „winst"
maakt, althans volgens mededeeling van collega
te II. Te betreuren is het, dat
collega
te H., die bij voortduring tot rustige studie aanmaant, zich zelf van deze
plicht heeft ontheven, en zonder dergelijke kwesties rustig, grondig en kritisch
te bestudeeren, allerlei voorbarige en onjuiste mededeelingen doet. Dat hij van
de ervaring van Utrecht geen nota wenscht te nemen, was te verwachten, dit zijn
ervaringscijfers, die in zijn kraam niet te pas komen.

Wat nu mijn kennis betreft omtrent het „droge systeem", inderdaad ken ik dit

-ocr page 843-

niet direct uit de praktijk, ben er dus niet persoonlijk mede bekend en ken het slechst
uit de literatuur, wat voor mij wel voldoende grond was, tot het stellen van een
vraag, maar niet tot het schrijven van een reeks artikelen. Een vraag .waarop
dan weliswaar geen betrouwbaar antwoord te verwachten is, aangezien collega
te H. slechts kan weergeven, wat hij heeft, hooren zeggen,". Daarom ook is het
verklaarbaar, dat collega
te H. in zijn voordracht gesproken heeft over een :

„Dry rendering" proces, waarbij het materiaal niet meer in aanraking komt
met water of stoom, doch hoog verhit wordt in autoclaven onder stoomdruk, die
zich uit het vocht, dat in het materiaal zelf zit, ontwikkelt".

Volgens collega te H. komt het materiaal dus niet in aanraking met „stoom"
maar toch weer wel met „stoom" uit het materiaal zelf. Het zou dus tezelfder tijd
wel met stoom en niet met stoom in aanraking komen, wat wel iedereen duidelijk
zal zijn.

Dat collega te H. hier twee procédé\'s door elkaar haspelt, nl. het eigenlijke
„dry rendering" systeem en de nieuwere „internal pressure" methode, welke
laatste uit het eigenlijke „dry rendering" systeem is ontstaan, is een gevolg van
het „hooren zeggen"-systeem. Hiertoe behoort ook zijn tirade over de verdere
ontwikkeling dezer industrie. Collega
te H. schijnt de eenige te zijn, die er iets
over heeft „hooren zeggen", wat, deelt hij helaas niet mede.

Van „hooren zeggen" weet collega te H. blijkbaar ook, dat bij het moderne
„dry rendering" proces tot 150° kan worden verhit. Ontgaan is het hem, dat dit
bij het eigenlijke „dry rendering" proces een practische onmogelijkheid is, aangezien
de zich ontwikkelende waterdamp direct door een exhauster wordt afgezogen en
water nu eenmaal bij gewone druk niet hooger verhit kan worden dan 100° C. Ten
bewijze hiervan — voor zoover dit nog noodig is — voer ik de volgende cijfers aan.
die afkomstig zijn van de Salvage Department of the City of Birmingham, welke
de origineele „dry rendering" methode toepast en waar werd waargenomen, dat
bij verwerking van afval na één uur de temperatuur in het materiaal 96° C. was,
na 2 uur 84° C. en na 6 uur 910 C. Daarna werd de ketel geledigd. Van een tem-
peratuur van 150° C. (!) kon natuurlijk geen sprake zijn. Collega
te H. bedoelde
hier dan ook niet het eigenlijke „dry rendering" proces, maar de „internal pressure"
methode, waarbij de druk uit het in het materiaal aanwezige vocht wordt ont-
wikkeld, het materiaal dus onder stoomdruk en in tegenwoordigheid van stoom
verhit wordt, zoodat wel een temperatuur van 150° C. is te bereiken. Dat daardoor
echter de eventueele voordeelen van de oorspronkelijke „droge methode" weer
verloren gaan, is collega
te H. niet verteld geworden en kan of wil hij dus ook niet
raededeelen, aangezien zijn veroordeeling van de natte methode dan werkelijk
in het water valt.

Zie daar de gevolgen van het feit, dat collega te H. kritiekloos weergeeft, wat
hij „hoort zeggen". Dat hem deze wijze van voorlichting reeds parten heeft gespeeld,
is wel gebleken uit de Gezondheidscertificaten-historie, waarop collega
te H.
oorspronkelijk zoozeer vertrouwde, dat hij er een „wetenschappelijk" (!) indeeling
der diermeelsoorten op baseerde, terwijl hij nu moet toegeven, dat ook deze certi-
ficaten hem slechts van „hooren zeggen" bekend waren, waardoor hij zich omtrent
den inhoud daarvan heeft „vergist".

Mij dunkt, collega te H. moet zichzelve eens tot rustige studie aanmanen.

Hoefnagel.

-ocr page 844-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE,

Aan de Leden.

Het Hoofdbestuur brengt ter algemeene kennis dat het in zijn laatste verga-
dering een schrijven ontvangen heeft van zijn Secretaris Dr. H. A.
Vermeulen,
waarin deze mededeelde op medisch advies te moeten bedanken voor de om-
vangrijke werkzaamheden, die aan het secretariaat verbonden zijn.

Het behoeft geen betoog, dat wij door dit besluit verrast werden, een verrassing,
die een medegevoelen opwekte toen de reden van dit bedanken gelegen bleek te
zijn in de gezondheidstoestand van Dr.
Vermeulen. Wij hebben in onzen Secre-
taris steeds gewaardeerd de opgewektheid en toewijding, waarmee hij sedert
i Jan. 1914 zijn werkzaamheden, die in de laatste jaren zoo zeer zijn toegenomen
in omvang, heeft verricht. Niettemin hebben wij zijn besluit te eerbiedigen en
wij hopen niets liever dan dat het neerleggen van de werkzaamheden ten behoeve
onzer Maatschappij, die hem zoo na aan het hart ligt, aan zijn gezondheid ten goede
moge komen.

Intusschen zal Dr. Vermeulen de loopende administratieve zaken van het
secretariaat zooveel mogelijk blijven afdoen en o. a. ook het bureau van plaats-
vervanging blijven leiden tot zijn opvolger de functie zal hebben overgenomen.

Op verzoek van het Dagelijkscli Bestuur verzorgt laatst ondergeteekende thans
de werkzaamheden aan Hoofdbcstuurs- en Algemeene Vergadering verbonden,
waarmee betrokkenen rekening gelieven te houden.

Juli 1929 Dhont, Voorzitter,

ten Thije, wnd. Secretaris.

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

De exploitatie van een particuliere centrale slachtplaats in samenwerking met
de gemeente.

De in de gemeente Soest op te richten centrale slachtplaats zal worden beheerd
door particulieren, doch de gemeente zal daarbij haar medewerking verleenen.
In het „Tijdschrift voor Gemeentebedrijf en Administratie" van 5 Juni j.1. vond
ik vermeld, hoe de samenwerking tusschen de gemeente en de slagers-exploitanten
geregeld is.

De rechten en verplichtingen over en weer zijn opgenomen in een door de ge-
meente met de N.V. gesloten overeenkomst. De voornaamste bepalingen uit
deze overeenkomst komen op het volgende neer.

De medewerking van de gemeente is van tweeërlei aard. In de eerste plaats ver-
schaft zij
kapitaal aan de N.V. Centrale Slachtplaats ; in de tweede plaats neemt
zij op zich
de belangen van de N. V. te beschermen door haar verordenende bevoegdheid.
De gemeente zal kapitaal verstrekken onder verband van eerste hypotheek van
de onroerende goederen der N.V. tot een bedrag van 60 % van de waarde daarvan.
Deze hypotheek, af te lossen naar ten minste 3£ % per jaar, wordt verstrekt
tegen een rente van 5 % en verder onder de bij hypotheek gebruikelijke voor-
waarden.

Ingevolge de in de tweede plaats genoemde bepaling verplicht de gemeente
zich er voor te zorgen, dat binnen een maand, nadat de centrale slachtplaats in
exploitatie is genomen, een plaatselijke verordening is vastgesteld, waarbij het
ingevolge art. 4 onder 30. der hinderwet verboden is in de gemeente elders dan
op het terrein van de N.V. een slachterij op te richten, te hebben of te gebruiken
Ook neemt de gemeente zich op om tijdens den duur der overeenkomst geen andere
centrale slachtplaats op te richten of te doen oprichten, noch met derden te dien
aanzien een overeenkomst aan te gaan, noch door het vaststellen van verordenin-

-ocr page 845-

gen of wijzigingen van verordeningen, noch op andere wijze het oprichten van
slachterijen mogelijk te maken, tenzij de gemeente daartoe van hoogerhand wordt
gedwongen. Hiermede verkrijgt de
N.V. dus een monopolie voor de gemeente
Soest. Hiertegenover heeft de gemeente ook waarborgen noodig, dat van dit mo-
nopolie geen misbruik wordt gemaakt ten koste van het belang der gemeentenaren.

Het gemeentebestuur verkrijgt een overwegenden invloed bij het toezicht op
het beheer der N.V., doordat van de vijf commissarissen drie worden gekozen
uit een door het gemeentebestuur op te maken voordracht. Doch naast de indirecte
krijgt de gemeente ook directe zeggenschap. Deze komt tot uitdrukking in de
navolgende bepalingen :

ie. De N.V. verplicht zich de op te richten slachtplaats in bedrijf te houden
en met betrekking tot de inrichting daarvan te voldoen aan de voorschriften,
te geven door het gemeentebestuur in overleg met den inspecteur.

2e. Op plannen tot bouw, vernieuwing, verandering of uitbreiding van de
centrale slachtplaats wordt een voorafgaande goedkeuring van B. en W.
vereischt.

3e. De voorwaarden tot slachting, daaronder begrepen de tarieven voor het
slachten en voor het gebruikmaken van de inrichtingen van het slachthuis,
zijn eerst van kracht na goedkeuring door den raad.

4e. De N.V. verplicht zich tot inzending van de balans en verlies- en winst-
rekening aan den gemeenteraad, terwijl de gemeente te allen tijde gerech-
tigd is de boeken der
N.V. door een accountant te laten onderzoeken.

Bij weigering van de onder 2e. genoemde goedkeuring kan de N.V. het oordeel
inroepen van een of meer scheidsmannen, welke beslissing bindend is voor beide
partijen.

Een eigenaardige regeling is getroffen voor noodig geachte wijzigingen van de
lachtingsvoorwaarden. Wanneer één der partijen deze voorwaarden wenscht te
wijzigen, legt zij de desbetreffende wijzigingen ter goedkeuring aan de andere
partij voor. Bij goedkeuring treden zij onverwijld in werking. Is binnen een maand
na indiening deze goedkeuring niet verkregen, dan heeft de partij, die de goed-
keuring niet heeft verkregen, het recht een scheidsoordeel in te roepen. Op deze
wijze heeft de raad dus niet uitsluitend een lijdelijke rol ; zoo noodig is hij ook be-
voegd, b.v. te bewerken, dat de tarieven worden verlaagd.

De gemeente is bevoegd de gesloten overeenkomst eenzijdig door enkele op-
zegging te ontbinden, indien de
N.V. tijdens den duur daarvan de slachtplaats
niet behoorlijk in bedrijf houdt of zich houdt niet aan de gestelde voorwaarden.
Ook kan de gemeente de slachtplaats naasten, als de
N.V. niet meer in staat is
de slachtplaats, met al wat daartoe behoort, in exploitatie te nemen.

De gemeente Soest heeft aldus een gelukkige oplossing gevonden voor de samen-
werking met particulieren ten behoeve van de exploitatie van een centrale slacht-
plaats. De belangen van alle partijen worden zooveel mogelijk behartigd. De
gemeente draagt niet het eerste risico, de gemeenschap wordt beschermd tegen
te hooge tarieven en de slagers kunnen geen bezwaren opperen tegen bedrijfs-
winsten.

Het abattoir te Semarang geopend.

Op i Juli werd onder groote belangstelling het gemeentelijk slachthuis te Se-
marang geopend. Het woord werd gevoerd door den burgemeester, den gouver-
neur, door het hoofd van den veterinairen dienst, den Heer v.
Eck, door den
Heer
van den Akker, voorzitter van de vereeniging van diergeneeskundigen,
door den gemeenteveearts
Fooy als vertegenwoordiger van Soerabaya en door
den directeur van de inrichting, den Heer v.
Rijn. Alle sprekers hebben de nage-
dachtenis gehuldigd van Dr.
Stapensea, die een groot deel van zijn leven gewijd
heeft aan het slachthuiswezen en kort voor de tot standkoming van dit slachthuis
is overleden. Een gedenksteen ter nagedachtenis van Dr.
Stapensea werd ont-
huld. (N. R. Ct.)

-ocr page 846-

Het jaarverslag van de N. T. F. over 1928.

Aan het ons toegezonden jaarverslag over 1928 ontleenen wij het volgende :

Centrale ophaalplaats. In 1927 werd besloten tot uitbreiding van het gebied van
den destructor te Bergum door het oprichten van een centrale ophaalplaats in
Overijssel. Voor uitbreiding van de verwerkingscapaciteit van de destructor,
benevens voor het benoodigde wagenpark en den bouw van de centrale ophaal-
plaats te Nijverdal werd een leeniug van 1/4 millioen gulden uitgeschreven. Ter-
wijl in de provincie Overijssel vrijwel alle gemeenten tot aansluiting overgingen,
was dit niet het geval in Gelderland. Het bleek nl. dat de gemeente Winterswijk
zich in geen geval zou aansluiten, daar zij een eigen verwerkingsinrichting wilde
oprichten, hetgeen intusschen inderdaad is geschied. Vele gemeenten in den Gel-
derschen Achterhoek sloten zich bij deze destructor aan. Het vermoeden wordt
uitgesproken, dat de houding van Winterswijk gegrond is op de verwachting om
met behulp van een destructor het nadeelige saldo van het abattoir in een voor-
deelig saldo te kunnen verkeeren ; een optimisme, aldus het verslag, dat in geen
enkel opzicht in overeenstemming is met hetgeen de praktijk omtrent verwerkings-
inrichtingen heeft geleerd.

Bij de opening van de centrale ophaalplaats in Juli 1928 bleek, dat een groot
aantal gemeenten, waarop bij de inrichting van de uitbreiding zoowel wat de be-
paling van de verwerkings- als transportcapaciteit was gerekend, niet of nog niet
tot aansluiting waren overgegaan. Dat hierdoor tevens het plan om geheel Neder-
land van een kostenlooze en gecentraliseerde destructie van afgekeurd vee en
vleesch te voorzien, in gevaar wordt gebracht, schijnt deze gemeenten onverschil-
lig te hebben gelaten. De N. T. F. heeft hieruit geleerd, om niet meer tot oprich-
ting van een destructor of centrale ophaalplaats over te gaan, alvorens het toe-
treden van een voldoend aantal gemeenten een feit is geworden.

Aanvoer. De aanvoer uit het gebied door den destructor te Bergum direct
bestreken, was gedurende 1928 hooger dan in vorige jaren, wat verklaard wordt,
doordat de aanmelding en aflevering vollediger geschiedt nu de destructor reeds
eenige jaren werkt. Blijkbaar hebben de belanghebbende landbouwers zich aan
den toestand gewend. De N. T. F. meent dan ook te mogen aannemen, dat op
het oogenblik de hoeveelheid verwerkt materiaal, dat in werkelijkheid zou moeten
worden gedestrucerd, in het evenbedoelde gebied inderdaad wordt benaderd. In
totaal werden in 1928 te Bergum vernietigd 31.289 afgekeurde dieren, betrokken
uit een gebied, groot 708.000 H.A. en waar voor het transport een 434.743 K.M.
werd gereden. 67 miltvuurcadavers kwamen binnen ; 219 aan mond- en klauwzeer
gestorven dieren werden in een speciale wagen afgehaald.

Op het oogenblik van het uitbrengen van dit jaarverslag (21 Juni 1929) worden
door den destructor te Bergum en de centrale ophaalplaats te Nijverdal een 177
gemeenten bediend.

Destructor te Bergum. Deze werd verbouwd en uitgebreid. In het apparaten-
ruim werden eenige nieuwe apparaten bijgeplaatst, waardoor de capaciteit meer
dan verdubbeld werd, terwijl tevens de tijdsduur van het procédé werd verkort.

Terwijl in het eerste jaar na de ingebruikneming van de installatie men nog
al eens moeilijkheden had met het gebruik van de destructoren, kan men nu con-
stateeren, dat de techniek deze moeilijkheden geheel overwonnen heeft. De grootste
dagaanvoer kon zonder eenig bezwaar in den daarvoor vastgestelden tijd worden
verwerkt, terwijl dan nog bovendien voldoende reserve aanwezig bleef.

Vet en Diermeel. Zoowel de kwaliteit van het vet als die van het diermeel kon
in het verslagjaar belangrijk worden verbeterd, doordien speciale apparaten
werden ontworpen, waardoor verbetering kon worden verkregen. O. a. door de
Friesche Mij. van Landbouw werden met het diermeel voederproeven genomen
bij varkens, in vergelijking met vischmeel, terwijl het Rijksinstituut voor Pluim-
veeteelt te Beekbergen voederproeven bij pluimvee nam ter vergelijking van het
diermeel met
Liebig\'s vleeschmeel. Uit deze proefnemingen bleek dat het Neder-
landsche product minstens gelijk kan worden gesteld met de beste buitenlandsche

-ocr page 847-

soorten. De toegepaste werkwijze, om de bij het proces in oplossing gaande be-
standdeelen mede in het meel in te drogen, bleek uitstekende voederresultaten
te geven. Gememoreerd wordt de campagne, door Dr.
te Hennepe tegen de N. T. F.
gevoerd. Eenige invloed op den verkoop van het diermeel bleef daardoor niet uit.

Hygiënische resultaten. De hygiënische resultaten van de destructie beginnen,
aldus het verslag, reeds thans duidelijke vormen aan te nemen. Meer in het bij-
zonder is dit gebleken door een groote vermindering van de echinococcosis bij het
vee. De aangesloten gemeenten gaven, naar aanleiding van een door de N. T. F.
ingestelde enquête, unaniem verklaringen van hunne tevredenheid over den dienst
der destructie.

Finantieele resultaten. Het verlies in 1928 bedroeg / 7.734.12. Men spreekt
de verwachting uit, dat, bij voldoende deelneming van de Gemeenten in Gelder-
land en bij uitbreiding van de destructie over de provincies X.-Holland, Z.-Hol-
land en Utrecht en het resteerende gedeelte van Gelderland, een rentabiliteit zal
worden bereikt.

Wat betreft de voorbereiding voor den bouw van den destructor in Z.-Holland,
wordt medegedeeld, dat tot nu toe 322 gemeenten reeds een contract hebben
afgesloten of zich principieel daartoe bereid verklaarden.

Jaarverslag over het dienstjaar 1928, Alkmaar.

Wat betreft de vee- en vleeschkeuring in den keuringskring Alkmaar kwam
geen wijziging in de met de omliggende gemeenten gesloten overeenkomsten.

Enkele moeilijkheden rezen met enkele slagers te Egmond a. Zee, Zuid- en
Noord-Schermer. De aan te brengen verbeteringen in winkels en werkplaatsen
bleken deels van finantieelen-, deels van principieelen aard te zijn. De onjuiste
interpretatie van het vonnis der rechtbank te \'s-Hertogenbosch in de verschillende
slagersvakbladen heeft bij verschillende slagers tot een misverstand aanleiding
gegeven inzake de bekende termijn van 5 jaren uitstel.

Te Z.- en N.-Schermer bleek de houder van de noodslachtplaats niet bereid te
zijn, deze te verbouwen Na gehouden overleg met den raad dier Gemeente werd
aan het gemeentebestuur een crediet toegestaan voor den bouw van een gemeen-
telijke noodslachtplaats. Tevens bleek, dat talrijke veehouders in die gemeente
hun gestorven of uit nood geslachte dieren naar elders vervoerden, waartegen,
in overleg met de plaatselijke politie, maatregelen werden genomen.

Als een, het meest op den voorgrond tredende ziekte in 1928, wordt de distoma-
tosis
genoemd. Bij schapen talrijke sterfgevallen; bij de runderen kon slechts
ongeveer 10 % der levers onbeschadigd in consumptie worden gegeven. Circa
50 % der levers werd door het keuringspersoneel z.g. uitgepijpt.

Bij jonge kalveren wordt de diarrhee, welke soms het gevolg is van een enteritis,
dan weer gepaard gaat met een haast onzichtbare darmcatarrh, vermeld. Terwijl
voorheen het vleesch van deze dieren, na bacteriologisch onderzoek nog wel voor-
waardelijk kon worden goedgekeurd, na talrijke onderzoekingen is het den Heer
Voorthuysen gebleken, dat het vleesch een eigenaardige reuk bezit en ook na
langdurig bewaren deze niet verliest, zoodat naar zijne meening het vleesch hier-
door niet meer in aanmerking kan komen voor een voorwaardelijke goedkeuring.

Cysticercosis kwam voor bij 9 runderen, 1 pink en 2 graskalveren. Levende
exemplaren bij 2 runderen en 2 graskalveren. In verband met elders gebleken
feiten wordt het vleesch dezer dieren niet meer gekoeld, doch bewaard in het
vrieshuis.

Tuberculose kwam voor bij paarden 0.14 %, runderen 24.59 %, pinken boven
i jaar 14.16 %, vette kalveren 0.52 %, graskalveren 4 %, nuchtere kalveren
0.12 %, varkens 5.28 %, schapen 0.02 %, geiten 1.30 %.

Het bacteriologisch vleeschonderzoek werd 255 maal toegepast. In 211 gevallen
bleek het vleesch steriel te zijn. Bij de 44 positieve bevindingen betrof het: cada-
verbacillen 17, vlekziektebacillen 17, colibacillen 4, coccen 4 en onbekend 2 maal.
Dit onderzoek werd ingesteld bij 57 runderen, 16 paarden, 3 pinken, 8 kalveren,
28 nuchtere kalveren, 2 geiten en 114 varkens.

-ocr page 848-

Van de winst werd ƒ 14.000.—- uitgekeerd aan de gemeente en de rest
/ 8.946.88 toegevoegd aan de reserve, teneinde te zijner tijd te kunnen worden
aangewend voor uitbreiding- of vernieuwingsonkosten.

De natte bevriesmethode van Zarotschenzeff in de praktijk.

Blijkens een mededeeling in de N. R. Ct. is, bij wijze van proef, op een Fransch
visschersvaartuig, een bevriesinrichting aangebracht, waarmede men volgens de
methode
Zarotschenzeff de gevangen visch kan bevriezen. Deze vriesinrichting
bestaat uit een houten tunnel, aangebracht in een met kurk geïsoleerde ruimte.
Door die tunnel loopt een ketting zonder einde, waaraan een 80 haken zijn beves-
tigd. De visch wordt na de vangst gestript ; de groote exemplaren hangt men
onmiddellijk aan de haken, de kleine plaatst men in manden, die aan de haken
worden opgehangen. Door de tunnel wordt daarna met behulp van vaporisators
een nevel van tot 20° onder nul afgekoelde pekel geblazen. De visschen blijven
in de tunnel, totdat zij door en door bevroren zijn, worden er daarna uit verwijderd,
afgewasschen en automatisch naar twee koelkamers gevoerd, welke ieder 25.000
K.G. visch kunnen bevatten. Per dag kan men op deze wijze 1000 tot 3000 K.G.
visch behandelen. Het gewichtsverlies bedraagt bij zouten ongeveer 50 %, bij
bevriezen is het veel geringer.

Indien de proefneming slaagt, zal zij vermoedelijk een omwenteling in dezen
bedrijfstak veroorzaken en voor den vischafzet in het algemeen ver strekkende
gevolgen kunnen hebben.
 ed Graaf.

Tot Directeur van het abattoir te Nijmegen is benoemd : de adjunct-directeur
van dat abattoir Dr. R.
van Santen.

Prof. Dr. ZSCHOKKE. f

Op 9 Juni 1929 overleed, in den ouderdom van 73 jaren, Prof. Dr. Erwin
Zschokke,
de bekende, in 1925 afgetreden professor der veterinaire faculteit van
de Ziiricher Universiteit. Hij heeft dus maar vier jaar zijn welverdiende rust mogen
genieten.

Zschokke was reeds van af 1877 verbonden aan de Ziiricher veeartsenijschool
en bij gebrek aan voldoende leerkrachten, doceerde hij daar in het begin bijna
alle vétérinaire leervakken ; later meer speciaal pathologie, therapie, speciale
pathologische anatomie en kliniek. Ook doceerde hij verschillende vakken op het
gebied van diergeneeskunde aan de Technische lloogeschool te Zürich ; langen
tijd was hij redacteur van het Schweizer Archiv für Tierheilkunde. In 1895 werd
hij benoemd tot directeur der Ziiricher Veeartsenijschool, welke betrekking hij
behield tot 1901 toen die school als faculteit bij de universiteit werd ingelijfd.
Van 1915—1917 was
Zschokke rector der Universiteit.

Zschokke was zeer veelzijdig ontwikkeld en op vele gebieden thuis ; het
beste wel op dat der pathologische anatomie. Zijn colleges muntten uit door
duidelijkheid en eenvoudigheid. Hij was om zijn nobel karakter en tact door
iedereen bemind, niet het. minst door zijn studenten, met wie hij patriarchaal
omging en die hem onder elkaar ,,papa
Zschokke" noemden. De omgang met
zijn collega\'s was ideaal; op de wetenschappelijke bijeenkomsten, waarvan
Zschokke de ziel was, heerschte harmonie en was een rijke uitwisseling van denk-
beelden ; niemand sloot zich met zijn wetenschap op.

Bij zijn aftreden in 1925 werd Zschokke in het buitenland geëerd door de vet.
med. faculteit te Giessen en de veeartsenijk. hoogeschool te Budapest die hem de
titel van doctor h. c. verleenden.
Zschokke heeft in boeken en tijdschriften op
diergeneeskundig terrein veel geschreven, vooral ook op het gebied van patholo-
gische anatomie en pathologische histologie ; zijn grootste verdienste ligt echter
in het feit, dat hij vele geslachten van studenten een zoo praktische en degelijke
opleiding heeft gegeven. Ieder die met hem in aanraking kwam, kwam onder den
invloed van deze bescheidene, nobele geleerde ; de jaren die ik onder hem mocht
werken, zullen mij steeds in aangename herinnering blijven.

A. Vrijburg.

-ocr page 849-

Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw. 1929. No. 1.

Het Verslag No. i is verschenen bij de Algemeene Landsdrukkerij te den Haag,
en daar voor / i .•— verkrijgbaar.

Het bevat een volledige lijst van officieele personen, instellingen en vereeni-
gingen op het gebied van land- en tuinbouw, zuivelproductie, paarden-, vee-,
pluimvee- en bijenteelt, boschbouw en veeartsenijkunde, en is dus een zeer nuttige
vraagbaak en wegwijzer.

Prijscourant.

Wij ontvingen van de N.V. Pharmaceutische Groothandel, voorheen Schmaltz
& Werlich
en D. Veen & Co., Amsterdam (C.), Beulingstraat 2 en 4, een uit-
gebreide prijscourant (van 1 Juli) van geneesmiddelen, verbandstoffen, spéciali-
te\'s, reagentia enz.

Antiphlogistine.

Wij ontvingen een exemplaar (Band VII, No. III) van ,,Der Blutlose Phlebo-
tomist"
(duitsche uitgave). Dit tijdschriftje wordt in 7 talen (in \'t geheel 1.250.000
ex.) uitgegeven en graties aan belangstellenden verstrekt door „the Denver chem.
manifact. Co.", bereiders van het antiphlogistine. Vertegenwoordiging in Duitsch-
land : Kade-Denver Co., Berlin, Lichterfclde,
Richard Wagner Platz.

De derde Veterinaire Conferentie te Geneve, van veterinaire experts, uitgaande
van het
Comité économique de la société des Nations, is van 29 Mei—5 Juni gehou-
den. Er waren afgevaardigden van Duitschland (Dr.
Wehrle en Dr. Musse-
meier).
Oostenrijk (Dr. Kasper), Denemarken (Prof. C. Jensen), Engeland
(Sir
Ralph Jackson), Italië (Prof. Bisanti), Polen (Prof. Nowak en Fischoeder),
Servie (Petrovitch), Zwitserland (Dr. Bürgi), Tscheco-Slovakije (Dr. Hamr) en
Frankrijk (Prof.
Leclainche).

Besproken werden de sanitaire maatregelen bij uitvoer, invoer en doorvoer
van dieren. Men drong daarbij aan op het afgeven van
uniforme attesten wat be-
treft plaats van herkomst en gezondheid en op grensvisitatie door het expor-
teerende land.

Wat betreft afweermaatregelen tegen besmettelijke ziekten werden de volgende
bepalingen als gerechtvaardigd beoordeeld :

tegen veepest: verbod van invoer van herkauwende dieren en varkens uit lan-
den die niet minstens een jaar vrij zijn van die ziekte ;

tegen mond- en klauwzeer, schape-pokken- (clavelée), besmettelijke longziekte,
vogelpest en -cholera, pullorumziekte
: verbod van invoer van vatbare diersoorten
(tenzij direct naar daarop ingerichte abattoirs) ; voor geïmmuniseerde dieren zou
verzachting der maatregelen overwogen kunnen worden ;

tegen rabies, dourine, malleus : strenge maatregelen tegen invoer ;

tegen anthrax: de ingevoerde dieren moeten van ziekte-vrije plaatsen afkomstig zijn.

Voor de handel in fokdieren kan men mildere maatregelen toestaan als het
exporteerend land officieel er voor kan instaan dat die komen uit stallen vrij van
besmettelijke ziekten (waaronder ook besmettelijke abortus, contagieuze mammitis
(gelber Galt), tuberculose).

Om een betere internationale samenwerking te verkrijgen op diergeneeskundig
gebied werd aangedrongen op overeenkomsten tusschen de verschillende landen
die de toelating van studenten, professoren en vét. ambtenaren tot instituten,
laboratoria enz. gemakkelijk maken.

Het plan bestaat eind October 1929 een 4e Conferentie te beleggen.

(Revue gén. de méd. vét. Juin 1929).

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in Juni 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op 1 Juni nog niet waren geëindigd).

Mond -en klauwzeer : bij 25 (55) eigenaars, waarvan in Groningen bij (2) eig. ;
Friesland bij 10 (18) eig. ; Utrecht bij 4 (1) eig. ; Noordholland bij 1 (9) eig. ; Zuid-
holland bij 8 (18) eig. ; Zeeland bij 1 (1) eig. ; Noordbrabant bij 1 (6) eig.

-ocr page 850-

Malleus : i geval in Friesland (Smallingerland).

Rotkreupel bij schapen : 22 gevallen bij 5 eig. en 2 koppels (484 bij 34 eig.),
waarvan in Groningen (24 bij 2 eig.) ; Friesland 5 bij 2 eig. (98 bij 10 eig.) ; Drenthe
(14 bij 5 eig.) ; Gelderland in 2 koppels ; Noordholland 17 bij 3 eig. (193 bij 12 eig.) *
Znidholland (155 bij 5 eig.).

Scabies (Sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap : (42 gevallen bij 8
eig.), waarvan in Groningen (9 bij 3 eig.) ; Friesland (11 bij 3 eig. ); Drenthe (10
bij i eig.) ; Utrecht (12 bij 1 eig.).

Anthrax : 23 gevallen bij 19 eig., waarvan in Groningen 1 ; Overijsel 1 (varken) ;.
Gelderland 5 bij 5 eig. ; Noordholland 2 (varkens) bij 1 eig. ; Zuidholland 8 bij 5.
eig. ; Noordbrabant 5 (waarbij 1 schaap) bij 5 eig.; Limburg 1.

PERSONALIA.

Verhuisd : P. Stehouwer van Amsterdam naar Breda, Baronielaan 85, telefoon-
nummer 1816.

,, C. van Gelder, van Sloterdijkerweg naar Adm. de Ruyterweg 119,

Amsterdam W.
,, G.
S. E. Vegter van Den Haag naar Holten (O.).
„ Dr. W. J. Paimans, Oud-Hoogleer, van Utrecht naar Nijmegen,

Groesbeekscheweg 329.

REFERATEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Het conserveeren van bacteriecultures met parafine. (Beitrag zur Konservierung
von Bakterienkulturen mit Paraffin. —
J. v. Daränyi — Centr. f. Bakt. 1928, ie
Abt. Origin. Bd. 108, pg. 160).

Volgens Daränyi is het brengen van parafin. liquidum op de oppervlakte van
de voedingsbodems het beste middel voor het conserveeren van de cultures. Deze
worden dan nl. voor verontreiniging en uitdroging bewaard.
Daränyi laat. daar-
toe de agar zoodanig stollen, dat het oppervlak van de voedingsbodem ongeveer
een hoek maakt van 450 met de verticaal. Nadat de bakteriecolonies voldoende
gegroeid zijn, wordt parafinum liquidum purissimum Merck in een zoodanige
hoeveelheid op de cultuuroppervlakte gegoten, dat de parafine eenige m.M. boven
de cultuurrand uitkomt. Het afenten van een op dergelijke wijze bewaarde cultuur
kan gemakkelijk geschieden, door het cultuuroppervlak in een loodrechten stand-
te brengen, met de oppervlakte naar onderen gekeerd. De dan afloopende parafine
doet de colonies vrijkomen, zoodat men ze dan met de platinaoese kan bereiken.

De op deze wijze geconserveerde bacteriën blijven, volgens Daränyi, zeer
lang levensvatbaar. Een 3 maanden oude vlekziekte parafine cultuur doodde, op
agar opnieuw overgeënt, in een hoeveelheid van een 1/20 normaaloese, nog muizen
na 3 dagen.

Daränyi beveïlt aan, de gevoelige bacteriesoorten (vogelcholera, diphterie,
abortus, vlekziekte) na 4, de resistente bacteriën (typhus, dysenterie, paratyphus,
enz.) na 8 maanden en nog resistentere microörganismen (als coli, pyocyaneus,
staphylococcen, enz.) na 1—jaar steeds over te enten.

Over de pathogeniteit van de bacillus suipestifer. IZur Frage der Pathogenität
des Bacillus snipestifer.
— F. Schmidt — Centr. f. Bakt. 1928, ie Abs. Origin.
Bd. 108, pg. 276).

De door verschillende onderzoekers geuite meening, dat de bacillus suipestifer
voor den mensch niet pathogeen zou zijn, is niet in overeenstemming met hetgeen
sommige autoren daaromtrent mededeelen.

Schmidt vond het derhalve aangewezen, het onderstaande geval mede te deelen.

-ocr page 851-

Begin 1928 werden in Königsberg en omgeving 36 personen ziek na het gebruik
van metworst. Bij het nader onderzoek van dit geval bleek, dat de betreffende
slager een varken in nood had geslacht en geen keuring had aangevraagd. Het
vleesch van dit dier werd tot metworst verwerkt, die de slager aan verschillende
personen wegschonk. Men had deze worst gemaakt in het eenige aanwezige woon-
en slaapvertrek, terwijl het noodige water uit een in de nabijheid gelegen vijver
was gehaald.

Na een incubatie van 10—12 uur, zelden na 18 uur, zag men bij de gebruikers
van deze metworst eerst braken en diarrhee, gepaard gaande met buikpijn. De
faeces stonken zeer, waren erwtensoepachtig en soms zelfs slijmig. Temp. 39,5° C.
Alle patiënten waren na 4—6 dagen genezen.

Bij cultureel onderzoek van de nog aanwezige worstresten en van de faeces der
zieke personen vond men de
bacillus suipestifer, welke bovendien door suipestifer-
serum sterk geagglutineerd werden. De cultures hadden slechts in één opzicht een
atypisch beeld : nl. de met deze bacillus suipestifer geënte roode lakmoeswei ver-
toonde ook na weken zelfs nog geen kleuromslag naar blauw. De met de geïsoleerde
bacil gevoederde muizen gingen na 24—72 uur dood, terwijl uit de organen van
deze muizen weer de bacil gekweekt kon worden.

In de faeccs van de varkens uit dezelfde stal, waartoe het in nood geslachte
varken had behoord, kon
Schmidt geen varkenspestbacil aantoonen.

De gevonden bacil had een groote virulentie, daar alle personen, die van de
worst gegeten hadden, 10—18 uur na het begin der maaltijd zwaar ziek werden,
ofschoon zij meestal slechts een geringe hoeveelheid worst genuttigd hadden.

Schmidt komt, naar aanleiding van dit geval, tot de conclusie, dat de bacillus
suipestifer, op geheel onbekende manier, zijn saprophytische natuur kan ver-
liezen en bij den mensch ziekte veroorzaken.

Gärtnerinfectie bij melkkoeien. (Beitrag zur Infektion durch Gärtnerbakterien bei
Milchkühen.
— H. David en J. Agnesy — Seuchenbekämpfung, 1928, V, pg. 284).

In een melkveestal van 241 dieren moesten binnen 1 week 4 dieren in nood ge-
slacht worden en wegens het voorkomen van Gartnerbacteriën in de organen en
vleesch voor de consumptie worden afgekeurd.

Bij alle nog aanwezige dieren werd toen een agglutinaticprocf met het bloed-
serum verricht. Men ontdekte toen onder deze dieren één koe, waarvan het serum
de Gärtnerbacteriön in een verdunning van 1 op 12.000 agglutineerde. Zoowel
uit de faeces als uit de melk kon bij herhaling de bacillus enteritidis Gärtner ge-
isoleerd worden.

Na slachting van deze koe vond men behalve een longtuberc.ulose, geringe
distomatosis van de lever en enkele abscessen in den wand van den pens geen
pathologische veranderingen. Uit lever, gal, dunne darmen, musculus iliopsoas
en musculus psoas minor konden Gartnerbacteriën gekweekt worden. Daar het
sniet gelukte de bacillus enterit. Gärtner in de nier aan te toonen, vermoedden de
chrijvers dat in de 2 gevallen, waarin zij deze microörganismen in de melk konden
aantoonen, door verontreiniging deze bacillen in de melk zijn gekomen.

De geïsoleerde Gärtnerstammen hadden een opvallende inactiviteit tegenover
druivensuiker en waren niet in staat, neutraalroodagar te veranderen. Daar deze
inactiviteit slechts bij sommige kalverstammen voorkomt, schijnt het mogelijk,
dat of de koeien besmet zijn geworden door een reeds geïnfecteerd kalf of dat het
dier in kwestie reeds vroeger een Gärtnerinfectie als kalf heeft doorgemaakt en
bacillendrager is geworden.

De beteekenis van coupes bij de beoordeeling van vleesch- en worstwaren. (Die
Bedeutung von Schnittpräparaten für die Beurteilung und Begutachtung von Fleisch-
und Wurstwaren durch den Bakteriologen.
—- Brekenfeld — Centr. f. Bakt. Bd.
75, Abt. II, pg. 481).

Brekenfeld komt tot de conclusie, dat de algemeen gebruikelijke chemische
en bacteriologische onderzoekingsmethoden van vleeschwaren op ondeugdelijkheid
geheel onvoldoende zijn, daar door de voedingsmiddelen-chemici slechts een che-

-ocr page 852-

mische verontreiniging en door de bacteriologen een zintuiglijk waarneembaar
bederf wordt geconstateerd en in den regel slechts naar pathogene microörganismen
en darmbakteriën een onderzoek wordt ingesteld.

Daar tot nu toe systematisch doorgevoerde bakteriologische onderzoekingen
van normale worstsoorten geheel ontbreken, heeft
Brekenfei.d gedurende 4 jaren
alle aan het Hygienisch Instituut te Rostock ter onderzoek opgestuurde worst-
waren systematisch onderzocht door middel van een
,,Zupf- en Quetschpraeparat"
en daarna met coupes (parafinecoupes en ijscoupes), gekleurd met methyleenblauw,
Gram of v. Gieson. Hij vond daarbij :

ie. Uit deugdelijk materiaal vervaardigde worsten bevatten, als tenminste
bij de bereiding de noodige zindelijkheid werd betracht, in coupes geen of zeer
weinig bacteriën of bacteriehoopen. Dit vond hij o.a. bij worsten, vervaardigd uit
huisslachtingen of afkomstig van eerste klasse fabrieken.

2e. Worsten, vervaardigd uit reeds met bacteriën doorwoekerd vleesch of in
een zeer vuil bedrijf, bevatten talrijke, in de coupes verspreid liggende of meer op
lioopen tezamenliggende, bacteriën.

3e. Al gelukt het een aantal verschillende bacteriesoorten uit een bepaalde
worstsoort te kweeken, dan mag men op grond van dit feit niet de conclusie trek-
ken, dat een dergelijke worstsoort sterk met bacteriën is doorgroeid. Soms vindt
men in worstcoupes zeer veel bacteriën en gehikt het niet, meer dan één bacterie-
soort er uit te kweeken.

In verband met deze resultaten acht Brekenfeld het aangewezen, dat men
alle worstwaren, waaruit men meer dan 3 bacteriesoorten kan kweeken, of waar-
van de coupes sterk doorgroeid blijken met bacteriën, als ondeugdelijk beschouwt.
Daar de coupes niet alleen uitsluitsel geven over de bacterieele doorwoekering,
maar, als met van Gieson wordt gekleurd, ook over het gebruikte materiaal,
eenige aanwijzing geven, vindt hij het noodzakelijk, dat elk chemisch worstonder-
zoek gecombineerd wordt met het maken van coupes, vooral daar binnen een
£ uur, door middel van het bevriesmicrotoom, het onderzoek kan geschieden.

Brekenfeld zou zelfs willen zien voorgeschreven, dat men bij alle worstfabrieken
regelmatig een histologisch-bacteriologisch onderzoek van de door hen vervaar-
digde vleesch- en worstwaren verricht. Elke fabriek, waarvan in één jaar meer
dan drie maal bactericel doorgroeide vleesch- of worstwaren zouden worden ge-
vonden, zou geen worst meer mogen fabriceeren.

(Alvorens tot een dergelijke ingrijpende maatregel over te gaan, lijkt het mij
noodzakelijk, dat de onderzoekingen van v.
Brekenfeld herhaald worden. De
meening, dat een met meer dan 3 saprophyten doorgroeide worst schadelijk zou
zijn voor de gezondheid, wordt niet bevestigd in de praktijk).

Een snelkoelproces van geslachte varkens bij de bereiding van bacon. (Schnell-
kuhlprozes geschlachteter Schweine bei der Herstellung von Bacon.
— M. T. Zarot-
schenzeff —
Zeits. f. Eis- und Kälteindustrie, 1928. pg. 25).

Zarotschenzeff publiceert de praktische resultaten, welke hij verkreeg met
de door hem uitgevonden natte koeling van vleesch, waarover ik reeds vroeger
refereerde.

Slachtvarkens, van 61—64 K.G. gewicht, met een begintemperatuur van
40° C., werden door middel van gepulveriseerd koud water van C. in een
tijdsduur van 8 uur tot op 40 C. afgekoeld. Het gewicht der varkens bleef constant,
terwijl de kwaliteit overeenkwam met die van op andere wijze, gedurende 36 uur
lang met droge koeling, afgekoelde varkens.

Bij een natte koeling met gepulveriseerde zoutoplossing duurde het koelproces
tot 2° C. maar 5I uur. Deze varkens behielden iiun normale kleur, smaak, aroma
en struktuur, terwijl de daarvan gemaakte bacon zich in niets van andere bacon
onderscheidde. Deze methode is praktisch ook voor de varkensafvallen als kop,
pooten, lever en nieren te gebruiken.

Varkenskoppen worden in 4 uur van 33° C. tot op —5° C., levers in uur
van 26°
C. op — 40 C. gekoeld.

-ocr page 853-

Terwijl de droge koelmethode verschillende gebreken heeft, als gewichtsverlies
door uitdrogen, vormverandering van het vleesch, grooter energieverbruik van de
compressor, meer waterverbruik in den condensator, en een dure luchtkoeler,
heeft de natte koelmethode vele voordeelen, als gebruik van kleinere koelruimten,
2% meer baconopbrengst, geen samentrekking van het vleesch, een langere houd-
baarheid, minder energie- en waterverbruik. Natuurlijk moeten de koelhuizen van
pekelleidingen en pulverisators worden voorzien.

Na de koeling werden de varkens nog eens nagewasschen in een koud waterbad,
daarna gebracht in de droogruimte (bij 2° C.) en dan in de stapelruimte bij
—8° C. opgeborgen.

Een paratyphus B (Schottmüller) epidemie te Haarlem, waarschijnlijk veroor-
zaakt door een koe. —
Dijkstra en van der Hoeden — (Ned. Tijdschr. voor
Geneeskunde, Jg. 73, 1929, eerste helft, pg. 1458).

Naar aanleiding van een te Haarlem bij een groot aantal personen waargenomen
paratyphusepidemie, welke veroorzaakt was door een paratyphus-B. Schott-
miillcr-infectic, hebben
Dijkstra en van der Hoeden de primaire infectiebron
trachten op te sporen.

Het bleek, dat alle patiënten de melk betrokken van denzelfden slijter, die zijn
melk kreeg van een veehouder, die onder zijn melkkoeien een dier had, waarvan
het bloedserum ten opzichte van Schottmüller-bacteriën de zeer hooge agglutina-
tietiter had van 1 op 1000. Bij een nader faecesonderzoek van deze koe konden 2
maal paratyphusbacteriën daaruit gekweekt worden. Deze bacteriën bleken iden-
tiek met die der patiënten.

Ook de vrouw van dezen veehouder was ziek geworden, had een sterk positief
reageerend serum en bleek in haar faeces paratyphusbacteriën te hebben, zoodat
men 2 mogelijkheden voor de primaire besmettingsbron moest aannemen. Tegen
de veronderstelling, dat de epidemie haar oorsprong heeft gevonden bij deze boerin
pleitte evenwel de waarneming, dat zij ziek is geworden op denzelfden dag als
de andere patiënten. De koe was pas door den veehouder aangekocht en juist
4 dagen, nadat de melk van dit dier te Haarlem in consumptie was gebracht,
kwamen de eerste paratyphuspatiënten voor, waaronder ook de vrouw van den
veehouder. Het komt dan ook
Dijkstra en van der Hoeden waarschijnlijker
voor dat de koe en niet de boerin de primaire oorzaak is geweest van deze para-
typhus-epidemie.

De betreffende koe vertoonde geen ziekteverschijnselen en werd op het abattoir
te Haarlem gedood en vernietigd. Bij de sectie vond men een uitgebreide tuber-
culeuze bronchopneumonie, tuberculose der regionaiie lymphklieren, echinococ-
cosis der longen en lever, met nog distomatosis en teleangiëctasieën in het laatste
orgaan. Uit lever, milt, nieren en gal kon een reincultuur van paratyphusbacteriën
gekweekt worden, evenals uit de darminhoud. Dit gelukte niet uit melk, bloed en
spierweefsel.

Bij een nader cultureel en serologisch onderzoek der gevonden paratyplius-
stammen van de patiënten en van de koe bleken deze te behooren tot het Schott-
müllertype.

Dijkstra en van der Hoeden hebben nog getracht een onderzoek in te stellen
naar de infectiositeit en de pathogeniteit voor andere runderen van den, uit de koe
gei\'soleerden Salmonellastam. Zij infecteerden daartoe een rund per os met afge-
spoelde agarculturen van de uit de gal gekweekte bacteriën. Deze voedingsproef
verliep negatief. Ook een infectie via de gescarificeerde huid van den uier gaf geen
resultaat.

Een subcutane infectie van een 2 maanden oud kalf veroorzaakte slechts een
tijdelijk ziek zijn, met minder eetlust, traagheid in de beweging, sufheid. Gedurende
de ziektedagen was de temp. verhoogd, daarna daalde deze weer tot het normale.

Naar aanleiding van het geval van deze bacillendragende koe mcenen Dijkstra
en van der Hoeden dat het gewenscht is bij epidemieën van paratyphus in den
toekomst ook aandacht te schenken aan het vee, met name aan de koeien en de

-ocr page 854-

varkens. Ook bij de laatste diersoort heeft men meermalen het Schottmiillertype
van Salmonella gevonden.

De eigenschappen van de duivenparatyphusstammen. (Beitrag zu dem kullurellen,
biochemischen, serologischen und tierexperimentellen Verhalten der Tauben-Para-
typhusslamme.
—- Beck. — Zeitsch. f. Infektionskrankh., parasit. Krankh. und
Hygiene der Haustiere Bd. 35, 1929, pg. 124).

In een vroeger artikel in het Z. f. Inf. Krankh. der Haustiere hebben Beck en
Meyer mededeeling gedaan over een paratyphusenzoötie bij duiven, veroor-
zaakt door bact. uit de paratyphus-enteritisgroep, welke bacteriën door hen
werden gridentificeerd als te zijn een
bac. paratyphosis enteriiidis Breslau. Nu
verschillende nieuwere onderscheidingseigenschappen van deze bacteriesoort
bekend zijn geworden, heeft
Beck ook deze eigenschappen bij de betreffende para-
typhusbacil nagegaan en kwam hij tot de volgende resultaten.

Ofschoon de meeste geisoleerde duivenstammen geen slijmwalvormers zijn,
treft men er toch een niet gering aantal onder, die alle overgangen vertoonen
van een gedeeltelijke tot een volledige slijmwalvorming. In cultureel opzicht staan
dus de duivenstammen tusschen de Bac. parat. B. Schottmüller en de bact. enteri-
tidis Breslau.

Biochemisch kan men dit bemerken aan een geringere zuurvorming in de rham-
nosemelk. Bij het onderzoek naar de zuurgraad door middel van methylrood zag
men in den regel geen roode verkleuring, maar meer een oranje tot oranjeroode
kleur.

Serologisch bleken de duivenparatyphusstammen dichter bij de Breslaubacterie
te staan dan bij de Schottmiilier-bacterie. In de muizenvoederingsproef bleken zij
zeer sterk muispathogeen. Jonge duiven waren zoowel per os, intralaryngeaal,
conjuntivaal als rectaal met bact. van de duivenparatyphus stammen als met
Breslau-stammen te infecteeren. Naast lethaal verloopende infecties kwamen
ook latent verloopende ziektegevallen voor, waarbij men klinisch geen ziektever-
schijnselen waarnam. Opvallend waren, bij de positieve gevallen, de belangrijke
longveranderingen. Oudere, krachtig gebouwde en goed doorvoede duiven waren
moeilijken te besmetten.

Uit deze infectieproeven bleek dus, dat gezonde duiven in het algemeen moei-
lijk te infecteeren zijn en dat, misschien als gevolg van eenige aanpassing, de
duivenparatyphus-stammen van alle paratyphus-bacterien het meest pathogeen
voor de duiven zijn.

Het voorkomen van latente longhaardjes bij oogenschijnlijk volkomen gezonde
duiven zou, naar
Beck meent, er op wijzen, dat evenals bij tuberculose, de opge-
nomen bacteriën in het duivenüchaam langen tijd in een rusttoestand zouden
kunnen verkecren totdat door bepaalde ongunstige omstandigheden het even-
wicht wordt verstoord en de bacteriën de overhand krijgen, zoodat vanuit de pri-
maire haard een verdere uitbreiding via de bloedbaan plaats vindt.

De conclusie, waartoe Beck tenslotte komt is, dat de rluivenparatyphosen,
wegens hunne nauwe verwantschap met de Breslau- en de Schottinüller-starnmen,
in verband met de vraag naar het ontstaan van vleeschvergiftigingen bij den
mensch, een bijzondere belangstelling verdienen.

De houdbaarheid van niet gesteriliseerde vischkonserven. (Die Haltbarkeit nicht
sterilisierter Fischkonserven.
— Dr. Walther Mathieu. — Deutsche Tierarztl.
Wochens. 1929, pg. 218).

In verband met het aantreffen van een groot aantal bedorven blikjes visch-
konserven bij de winkelinspectie te Hannover geeft
Mathieu een nadere uiteen-
zetting over den aard van dit ontbindingsproces. Men moet vooral z. i. in aan-
merking nemen, dat niet alle konservenblikjes voor onbepaalden tijd houdbaar
zijn. Juist in handelaarskringen, en ook bij de koopers, is men algemeen van
meening, dat alle konserven, zoowel van visch, als van vleesch en groente, voor
onbepaalden tijd bewaard kunnen worden. Dit nu is niet het geval. Men moet nl.
hierbij een onderscheid maken tusschen gesteriliseerde konserven (b.v. sardientjes

-ocr page 855-

in olie) en niet gesteriliseerde konserven, door de fabrikanten als z.g. „halfkonser-
ven" aangeduid. Terwijl de eerste jarenlang goed blijven, hebben de laatste slechts
een beperkte levensduur. Hiertoe behooren alle blikkonserven, die met zout, met
zout en azijn, of door eenvoudig koken zijn behandeld.

De meeste konservenfabrikanten garandeeren deze ,.halfkonserven" dan ook
maar hoogstens 8—jo dagen, welke tijd bij koud weer en zeer gunstig gelegen
opslagruimte nog iets verlengd kan worden.

Teneinde zooveel mogelijk te voorkomen, dat men bij de winkelinspecties her-
haaldelijk gebombeerde konserven aantreft, bespreekt
Mathieu met de belang-
hebbenden, en vooral de winkeliers, de verschillende maatregelen, welke men kan
nemen om onaangenaamheden te voorkomen. Deze maatregelen zijn :

i . de groothandelaars verzoeken slechts zooveel van deze konserven in voor-
raad te houden, als zij in den meest korten tijd aan hun vaste klanten zullen kunnen
verkoopen ; verder moet de bewaarruimte koel, droog en goed geventileerd zijn.

2°. de wjnkelier heeft bij aflevering der blikjes na te gaan, dat slechts blikjes
met ingestempelde data worden geleverd en zoo versch mogelijk gemaakte kon-
serven worden afgegeven. De blikjes moeten op een koelen, drogen plaats bewaard
worden, mogen \'s wint?rs niet in de nabijheid van de kachel geplaatst worden en
ook niet voor étalagedoeleinden gebruikt worden.

3°. de konsument gebruike de blikjes zoo spoedig mogelijk, en zorge vooral dat
geen aangebroken blikjes overgehouden worden.
 df. Graaf.

Over vleeschvergiftiging en bacteriologisch vleeschonderzoek. H. G. van Harre-
velt.
Tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veeteelt 1899.

In een vorige publicatie over bacteriologisch vleeschonderzoek werd er op ge-
wezen, dat men aan verscheidene abattoirs hier te lande reeds lang voordat de
vleeschkeuringswet in werking kwam, eigen ervaringen had opgedaan omtrent de
wijze waarop dit onderzoek moet geschieden. Men was tot verschillende technieken
gekomen, waarmede bevredigende resultaten bereikt werden en die ook thans
nadat de bacteriologische wetenschap groote vorderingen gemaakt heeft, vrijwel
hun volle waarde behouden hebben. In dit opzicht verdient speciaal de ,,Haagschc"
methode, die ik vroeger reeds met andere methoden van bacteriologisch vleesch-
onderzoek vergeleek, in het bijzonder de aandacht. Eenige jaren geleden deelde
Warnecke zijn ervaringen mede, welke hij met deze methode had opgedaan. Zij
werd het eerst beschreven door
van Harrevelt, die op het gebied van het bacterio-
logisch vleeschonderzoek thans reeds nagenoeg 30 jaar geleden, zeer belangrijk
werk heeft verricht en zijn ervaringen neerlegde in een drietal artikelen, dat in het
tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veeteelt verscheen. Van deze artikelen trekt
speciaal het tweede de aandacht, omdat daarin op zeer heldere en zakelijke wijze
de principes van het bacteriologisch vleeschonderzoek uiteen worden gezet. De
methoden, welke door
van Harrevelt worden beschreven en de daaraan vast-
geknoopte beschouwingen omtrent verspreiding van bacteriën in het vleesch
hebben op den huidigen dag nagenoeg niets van hun beteekenis verloren.

Ik veronderstel, dat vele lezers van dit tijdschrift evenals ik, geen kennis droegen
van dit artikel, waarschijnlijk door zijn ouderdom, maar ook doordat destijds de
belangstelling in het bacteriologisch vleeschonderzoek niet zoo algemeen was als
men heden mag verwachten.

Gaarne breng ik dan ook een en ander uit dit artikel naar voren.
Van Harrevelt deelt het bacteriologisch vleeschonderzoek als volgt in :
i. Het direct microscopisch onderzoek ; 2. kweekproeven ; 3. proeven bij dieren.
Het direct microscopisch onderzoek geschiedt door het maken en onderzoeken
van uit te strijken dekglaspreparaten van spieren, waartoe stukjes van verschil-
lende plaatsen van het lichaam worden genomen. (Behalve voor het aantoonen
van septicaemiën als anthrax, vlekziekte, haemorrhagische septicaemie, zal deze
onderzoekingsmethode weinig resultaat opleveren. Ref.) Verder wordt nog aange-
geven een steriel uitgesneden stuk vleesch in een glazen doos bij 37° C. gedurende

-ocr page 856-

24 uur te bewaren, ten einde eventueel aanwezige bacteriën gelegenheid te geven
zich te vermeerderen. Het gevolg hiervan is, dat men meer kans heeft de bacteriën
direct aan te toonen.

Er zij op gewezen, dat wij hierin de grondslag moeten zien voor de later door
Max Müller beschreven „Haltbarkeitsprobe", die niets anders is dan een macros-
copische beoordeeling van de veranderingen welke aan een op deze wijze bewaard
stuk vleesch optreden. Uit het centrum van het aldus bewaarde vleesch maakt
van Harrevelt een uitstrijkpreparaat.

Het bezwaar van deze methode is echter, dat men met groote stukken vleesch
moet werken, waardoor het gevaar van secundaire infecties die zich bij 370 snel
in het vleesch kunnen uitbreiden groot is. Hierdoor zou men gemakkelijk tot ver-
keerde conclusies kunnen komen.

Meer beteekenis hebben de kweekproeven, die volgens van Harrevelt het best
door de plaatmethode kunnen geschieden. (Deze methode, hoewel op zichzelf uit-
stekend, heeftin depractijk bezwaren en wel omdat platen meer ruimte innemen
dan buisjes met schuin gestolde voedingsbodems, grooter kans op secundaire
infectie geven, meestal condensatievloeistof missen en ten slotte minder gemak-
kelijk verzonden kunnen worden. Kef.).

Het uitsluitende gebruik van bouillon bij het bacteriologisch vleeschonderzoek
wordt door
van Harrevelt, volkomen terecht, als foutief gebrandmerkt, aangezien
de minste bactrieele verontreiniging, die men op de vaste voedingsbodem direct
opmerkt, in de bouillon aanleiding geeft tot een groei waarvan men zonder meer
de beteekenis niet kan beoordeelen. De voor- en nadeelen van het kweeken op ge-
latineplaten worden besproken. De eerste wegen niet op tegen de tweede, zoodat
het kweeken op agarplaten volgens
vav Harrevelt alleen aanbeveling verdient.

De werkwijze is als volgt : van een stuk vleesch ter grootte van 0,5—1 dM3.
wordt met een geflambeerd slagersmes een streep op de oppervlakte geschroeid.
Met een steriel scalpel snijdt men diep op de aldus geschroeide plaats in ; op de
verkregen sneevlakte wordt met een tweede scalpel een tweede snede aangelegd
en dan zoo vervolgens een derde en een vierde, met het vijfde scalpel wordt uit
de vierde sneevlakte een stukje van 1—2 gram gesneden. Het stukje wordt gelijk-
tijdig met de gesmolten agar in een steriele glasdoos gegoten en bij 370 C. in de
broedstoof geplaatst (Deze zeer secure behandeling waarbij men vrij lang moet
manipuleeren en met 5 messen moet werken is eenigszins omslachtig en wijst op
een al te groote vrees voor luchtinfectie). Ook met materiaal van milt en bloed
wordt een agarplaat gegoten.

Vleeschvoederproeven op muizen zijn van Harreveld onbetrouwbaar gebleken
omdat hij herhaaldelijk had geconstateerd, dat vele muizen bij uitsluitende vleesch-
voeding (met gezond vleesch) in 24—48 uur stierven. Een gecombineerde voeding
van brood en vleesch gaat beter. Daartegenover merkte
van Harreveld ook op.
dat muizen, die met beslist toxische worst gevoederd werden, volkomen gezond
bleven. De conclusie is dat voederproeven met vleesch op muizen niet kunnen
worden genomen. (Hoewel er veel juist is in deze conclusie, kan ik haar niet geheel
onderschrijven. Weliswaar gaan muizen vaak na uitsluitende vleeschvoeding te
gronde, maar vaak toch ook verdragen zij een dergelijke voeding, die niet langer
dan een dag wordt voortgezet zeer goed. In de beoordeeling van vleesch dat ver-
dacht werd bacteriën uit de paratyphus-enteritisgroep te bevatten, heeft de mui-
zenvoederingsproef wel eenige waarde. Overigens zal men met het oog op de ge-
wone bedrijfs-vleeschkeuring van een voedings-experiment geen gebruik maken
en zal dit voor het onderzoek van vleesch dat verdacht is vleeschvergiftiging te
hebben veroorzaakt gereserveerd blijven. Ref.).

van Harrevelt bespreekt dan de resultaten welke bij het bacteriologisch onder-
zoek mogelijk zijn. De meest voorkomende gevallen zijn :

1. alle platen steriel ; 2. bloed en milt geven koloniën; vleesch blijft steriel ;
3. alleen de milt geeft koloniën ; 4. alle platen geïnfecteerd.

In het eerste geval wordt goed- of afkeuring van het sectiebeeld afhankelijk

-ocr page 857-

gesteld. (Geeft alleen de miltplaat koloniën, dan is dit gewoonlijk coli commune
welke vaak als verontreiniging van dit orgaan optreedt. Vindt men in de gevallen
2 en 4 bacteriën, die tot de coli-groep behooren, dan keure men beslist af en geve
ook geen verlof tot sterilisatie, omdat men niet weet of de toxinen bij ioo° C. al
dan niet onschadelijk gemaakt worden. Behalve microben van de coli-groep vindt
men nog wel eens : staphylococcen, streptococcen en b. subtilis ; eenmaal vond
van Harrevelt een anaerobe rottingsbacil. Zijn er in het vleesch bacteriën aan-
wezig, die toxinen vormen of zulke waarvan men dit niet weet, dan moet men
afkeuren zonder meer. Zijn bacteriën aanwezig welke geen toxinen vormen, dan
kan sterilisatie worden toegestaan. (Omtrent het laten steriliseeren van slacht-
dieren waarbij z.g. onschuldige kiemen worden aangetroffen heb ik herhaaldelijk
mijn meening kenbaar gemaakt, zoodat ik daarop niet uitvoerig zal terugkomen.
Het aantal gevallen, dat voor een dergelijke behandeling in aanmerking zou
komen, is naar mijn meening zeer gering. De frequentie der bacteriaemiën van
onspecifieken aard, is zeer klein. Zoo zag
van Harreveld nooit streptococcen-
septicaemie (Ref. zag enkele gevallen bij het paard, bij het rund en verscheidene
bij zeer jonge biggen).

Ik meende goed te doen aldus de aandacht op het werk van van harrevelt
met betrekking tot het bacteriologisch vleeschonderzoek te vestigen er den nadruk
op leggende dat er sinds zijn publicatie aan het wezen van dit onderzoek weinig
veranderd is.
 Frenkel.

Staphylomycose bij hazen. (B. T. W. 26 April 1929).

De staphylomycose bij hazen en konijnen komt naar Bürgi tot stand door den
steek der vloo (Pulex goniocephalus); zoowel in het maagdarmkanaal als in den
uitvoerbuis der speekselklier worden bij dit insect staphylococcen gevonden.

Bürgi maakt daarbij tevens de opmerking, dat de vloo bij de haas veel voor-
komt, maar weinig wordt gezien, omdat zij zich diep in de vacht schuil houdt.

De staphylomycose komt bij hazen voor in den septicaemischen en in den pyaemi-
schen vorm. De laatste uit zich door etterprocessen in onderscheidene deelen
van het lichaam.

Dr. Knösel—Berlijn beschreef een dergelijk geval, waarvan in de B. T. W.
een referaat voorkomt. Het dier in kwestie was goedgevoed (heel vaak zijn deze
patiënten sterk vermagerd) en vertoonde in de spieren van het achterstel tot 12
driemarkstuk groote haarden, waarin een droge etter. Twee peesscheden der ach-
terbeenen waren eveneens met een kazige detritusmassa gevuld.

Knösel meent, dat dergelijke hazen bij een eenigszins ernstig lijden moeten wor-
den afgekeurd ; alleen als de haarden gemakkelijk kunnen worden uitgesneden,
zou tot goedkeuring kunnen worden overgegaan.

Bij de septicaemische vorm der ziekte moet altijd worden afgekeurd. Hier is
echter goede oplettendheid van den keurmeester zeer gewenscht. Bij de staphylo-
coccensepticaemie is het maag-darmslijmvlies rood van kleur, onder het perito-
neum bevinden zich talrijke bloedingen, de milt is aanzienlijk gezwollen, de milt-
pulpa brijig en donkerrood, terwijl in het bloed de bacterie kan worden aange-
toond.

Henneguija psorospermica (lobosa) bij de snoek. (B. T. W. 26 April 1929).

Myxosporidien komen bij visschen veel voor en veroorzaken aandoeningen
van den meest verschillenden aard. Interessant in het bijzonder is de Henneguija
psorospermica, die bij de snoek niet alleen op de kieuwen maar ook op de eierstok
parasiteert. Op de kieuwen veroorzaken zij witte knobbeltjes — cysten —- die
geheel met sporen zijn gevuld.

Dr. Schönberg beschrijft in de B. T. W. een dergelijk geval, waarbij hij op een
voor de keuring van visch belangrijk ding wijst.

Ofschoon de infectie der kieuwen volgens Schönberg al heel hevig moet zijn,
zal de waarde van den visch als zoodanig belangrijk verminderen, een eenigzins
aanzienlijke infectie op deze voor den visch zoo belangrijke organen, zal zijn na-

-ocr page 858-

tuurlijke weerstand tegen bacteriën doen afnemen. Juist op de cysten werden
toch bacteriën in groot aantal gevonden. Sterft nu de visch en verliest het kieuw-
oppervlak zijn weerstand, aan dit weefsel eigen, dan dringen de op de cyste aan-
wezige bacteriën spoedig verder in huid, spier- en bindweefsel en treedt bij den
visch heel gauw bederf op. Op mogelijk bederf moet dus bij visch waar cysten op
de kieuwen worden gevonden extra worden gelet.
 Ferwerda.

TUBERCULOSE.

Beitrag zur Kenntnis der Tuberkulose in den Geschlechtsorganen beim Rinde
und die Bedeutung dieses Leidens hinsichtlich der Ansteckungsgefahr und Sterri-
litat.
K. A. Hermansson. Arch. Tierheilk. Bd. 58. H. 5. S. 429—485.

Bij het onderzoek van 12077 runderen werd 510 maal (4,15%) tuberculose der
geslachtsorganen waargenomen. Van de
4487 koeien, die tuberculeuze veranderin-
gen vertoonden, bleek 11
,88% aan tuberculose van het genitaalapparaat te lijden.
Primaire genitaaltuberculose werd geen enkele maal met zekerheid vastgesteld.
Bijna steeds werden min of meer uitgebreide tuberculeuze laesies in de buikor-
ganen gevonden. Volgens schrijver geschiedt de infectie van de uterus van uit de
buikholte via de eileiders. Als oorzaak van steriliteit speelt de ovariaal-tuberculose
slechts een ondergeschikte rol, daarentegen is de eileider- en vooral de uterus-
tuberculose van de grootste beteekenis. De geslachtsdrift is bij het aanwezig zijn
van genitaal-tubcrculose als regel verminderd. Tochtigheid treedt onregelmatig
en met langere tusschenpoozen op. Bij deze dieren treedt geen bevruchting op ;
zij worden volmaakt steriel. Het komt schrijver voor, dat, door het uitknijpen
van gele lichamen of ovariaalcysten, een praedispositie gevormd wordt voor het
ontstaan van genitaaltuberculose. In verschillende gevallen, waarbij dieren deze
manipulatie hadden ondergaan, werden na de slachting hevige tuberculeuze ver-
anderingen in de eileiders aangetroffen. Slechts in zeer ernstige gevallen kan de
genitaaltuberculose klinisch worden onderkend; echter kan door bacteriologisch
onderzoek van het vaginaalsecretum in
94% der gevallen de tuberculeuze aard
van het lijden worden vastgesteld. Met het feit, dat in
94% der gevallen van geni-
taaltuberculose tuberkelbacillen in het vaginaalsecretum worden gevonden, wordt
duidelijk aangetoond, welk gevaar deze dieren voor het verspreiden der tuber-
culose met zich meebrengen. Bij ruime uitvloeiing kan ook de melk worden ge-
ïnfecteerd. Indien bij het pasgeboren kalf tuberculeuze veranderingen worden ge-
vonden, is steeds uterus-tuberculose bij het moederdicr aanwezig. Hierbij treedt
dan uitvloeiing met groote rijkdom aan bacillen op, terwijl ook gemakkelijk een
generalisatie van het tuberculeuze proces, met daarmede gepaard gaande ver-
magering, plaats vindt. Het verdient daarom aanbeveling, bij het aantreffen van
tuberculose bij pasgeboren kalveren, het moederdier te slachten. De meeste ge-
vallen van genitaaltuberculose bij koeien worden op een leeftijd van 4—
12 jaar
waargenomen, dus juist op een tijdstip, dat de productiewaarde dezer dieren het
grootst is. Het veelvuldig voorkomen van genitaaltuberculose bij het rund alsmede
de beteekenis hiervan voor de steriliteit, moet een prikkel te meer zijn om strenge
maatregelen tegen de tuberculose in het algemeen in te voeren.

Ueber den stand der menschlichen Tuberkuloseschutzimpfung mit B. C. G.
Dr. Heinz Wendt. Therapeut. Monatshefte fiir Veterinarmed. Okt./Nov. 1928.

Door herhaalde overentingen op galhoudende voedingsbodems (230 passages
in
13 jaar) gelukte het Calmette een virulente rundertuberkelbacillenstam in
een avirulente om te zetten. Deze avirulente bacil werd door
Calmette ,,B. C. G."
Bacillus
Calmette—GuéRiN) genoemd. Voor cavia\'s, konijnen en kalveren bleek
deze stam onschadelijk en avirulent, zoowel na subcutane infectie als na toediening
per os, terwijl de op deze wijze geïmmuniseerde proefdieren, onvatbaar voor tu-
berculose bleken te zijn.

Wilbert kwam door subcutane entingen bij chimpansé\'s en andere apen tot
hetzelfde resultaat.

-ocr page 859-

Na zijn gunstige ervaringen bij proefdieren begon Calmette de B.C.G. aan pas-
geboren kinderen per os met de melk toe te dienen. In 1922 werden 178 zuigelingen
behandeld. Tot 1925 stierf hiervan 8,4%, terwijl bij de algemeene bevolking het
sterftecijfer 15,2% bedroeg. Van Juli 1924 tot 1 Januari 1926 werden 5183 zuige-
lingen geënt, waarvan 1317 gedurende 18 maanden in observatie bleven. Van deze
zuigelingen stierven 7,3% aan niet-tuberculeuze aandoeningen en 0,7% aan tuber-
culose, terwijl overigens voor Parijs de berekende sterfte aan tuberculose 25 tot
32% bedroeg.

Na deze mooie resultaten werden de entingen op groote schaal voortgezet, zoo-
dat op het oogenblik in Frankrijk en zijn oloniëkn reeds meer dan 20.000 kinderen
volgens het systeem van
Calmette zijn geënt.

Zeer spoedig werden vele bedenkingen tegen deze immuniseeringsmethode ge-
opperd.
Kraus kon bij proefdieren met B.C.G. echte tuberculeuze processen op-
wekken, ofschoon een duidelijke neiging tot localisatie en genezing van het proces
niet te miskennen viel. Overeenkomstige resultaten werden door verscheidene on-
derzoekers vermeld.

(Voordat de publicatie van Kraus verschenen was, waren door Frenkel
tuberculeuze processen, door B.C.G. opgewekt, waargenomen. Er werden hierbij
echter wel verschilen met gewone tuberculose gevonden. Ref.) Volgens enkele
onderzoekers is een stijging der virulentie van de B.C.G. mogelijk. Tevens worden
minder gunstige resultaten wat betreft de opgewekte immuniteit vermeld.

Vele argumenten pleiten dus nog tegen een algemeene toepassing der B.C.G.
bij kinderen. Het staat ook nog niet vast, dat de gunstige resultaten, die door
Calmette worden vermeld, op rekening der entstof moeten worden gesteld, dan
wel, dat deze aan de betere verzorging dezer kinderen moeten worden toege-
schreven.

Alvorens de entstof van Calmette—Gucrin algemeen te doen gebruiken,
moeten nog vele experimenten bij dieren worden genomen en dienen betrouwbare
statistieken over de resultaten bij kinderen te worden aangelegd.

Clarenburg.

Ein neuerlicher Beitrag zu den Erscheinungen der Wirbeltuberkulose. (Krope,
Wiener tierarztl. Monatsclir. 1929. S. 13).

Schr. kreeg veertien dagen nadat hij twee ossen behandeld had wegens een
digestielijden, een van de dieren weer in behandeling omdat ,,de ziekte in de beenen
geslagen was".

Bij onderzoek bleek de os, die in goeden voedingstoestand verkeerde, moeilijk
te kunnen opstaan. De achterste ledematen waren tot boven het spronggewricht
oedemateus gezwollen, niet druk-pijnlijk. Het dier at goed, terwijl vertering en
herkauwen normaal waren. Hart- en longonderzoek, palpatie van de nieren, onder-
zoek op vreemde voorwerpen, gaven geen afwijkingen : bij onderzoek bleek tevens
de urine normaal.

Als diagnose werd gesteld : stuwingsverschijnsels met onbekenden oorzaak;
de therapie bestond in inwrijvingen der gezwollen beenen en lichte laxantia.

De zwelling werd hierop minder, maar het opstaan moeilijker, zoodat het dier
tenslotte niet meer alleen overeind kon komen. Ofschoon de eetlust goed bleef en
het dier groeide, werd tot noodslachting overgegaan.

Bij sectie bleek de huid tot aan de spronggewrichten wat verdikt, twee long-
klieren waren in geringe mate tuberculeus, aan borst- en buikvlies werden enkele
tuberculeuse knobbels waargenomen.

Na halveering der wervelkolom werd tevens tuberculose geconstateerd der 8ste
en 9de ruggewervel. W. P. C. Bos.

-ocr page 860-

CHIRURGIE.

Luchtinfectle.

Gregersen (Hosp. tid., ref. Driessen, N. T. v. G. 1929. I, blz. 2387) liet in
kraamzalen lucht zuigen door een toestel, waarbij de stofdeeltjes in enkele drup-
pels steriel water werden opgenomen, welk water met vloeibare agar in Petri-
schaaltjes werd gegoten. Het aantal bacteriën bleek niet groot, 1000 tot 9200 per
c.c. lucht, alleen als de bedden werden opgemaakt steeg het tot 18000 ; het waren
gele en witte coccen, sarcina en b. subtiles. Bij een andere proef werd tijdens het
bezoek en bij het verbedden hier en daar een schaal met bloedagar 15 minuten
aan de lucht blootgesteld. Een groot aantal bacteriën groeide op die platen o. a.
staphylococcen, echter geen streptococcen. Alleen wanneer de beddelakens van
koortsende kraamvrouwen flink werden uitgeschud, vond men in 2 van 14 schalen
niet haemolyseerende streptococcen.

Gregersen maakt uit die proeven de gevolgtrekking, dat men in normale
omstandigheden geen rekening behoeft te houden met septiese lucht-infectie.

Wondbehandeling.

De behandeling van pas ontstane wonden, zegt Magnus (Med. Kliniek, N. T.
v. G , 1928, II, blz. 347r) komt neer op twee punten : stelpen van de bloeding en
bestrijding van de infectie. In de eerste zes uren na de verwonding dient daartoe
de verontreinigde wond te worden uitgesneden en vervolgens gehecht. Is dit niet
mogelijk dan worden chemiese antiseptica toegepast.

Bij oudere wonden moet men zich bepalen tot ondersteunen van de natuurlijke
wondgenezing.

Dijozol in plaats van jodiumtinctuur.

Mfhlhorn (Tier-Rundschau, 1929, No. 16) en Eürbass (Mi\'inch. tier Woch.
No. 17) raden in plaats van Joodtinctuur, dijozol (Chem. Fabrik.
Trommsdorff,
Aachen) aan voor wondbehandeling, fistels enz., daar het niet prikkelt, beter in
de diepte werkt, niet verandert bij bewaring, de instrumenten niet aantast en
goedkooper is.

Dijozol-zeep wordt aanbevolen als desodoreerend en ontsmettend en voor
desinfectie der handen bij operatics, (Tier. Rundschau 1929, No. 19, S. 354).

Wondbehandeling in de huispraktijk.

Suermondt (N. T. b. Geneesk. 1928, II, blz. 4377) geeft o. a. de volgende wen-
ken : bij verse wonden ; de haren wegscheren na inwrijving der huid met zeep-
spiritus ; de huid om de wond ontsmetten met joodtinctuur ; de wond ongevoelig
maken door omspuiting met novocaïne (1 %-oplossing in ampullen van 5 en 10
c.c. in de handel verkrijgbaar) ; de wondranden zoo noodig excideeren, gescheurde
weefselstukken, vuil, ingedrongen vreemde voorwerpen verwijderen ; (uitgebreide
verscheuringen beter in een kliniek behandelen) ; wond reinigen door uitspoelen
met antiseptiese vloeistof: waterstofperoxyde of 1/2000 trypaflavine-oplossing ;
gescheurde peesjes of fascien hechten ; wond volgieten met perubalsem daarna
hechten. Is infectie onwaarschijnlijk en is er geen sterke spanning op de wond-
randen, dan agrafes gebruiken (daarbij eerst de wondranden tegen elkaar leggen
en zoo met chirurgies pincet fixeeren) ; in de andere gevallen geknoopte zijden
huidhcchting, liefst zoogenaamde Donati-hechtingen, daar die het inkrullen der
huidranden verhinderen.

Bij geïnfecteerde wonden zijn natte verbanden aan te raden : een gaas bevochtigd
met een antisepticum, daarover een dun laagje witte watten, het geheel omwik-
kelen met gaaszwachtel of driekantige doek. Het natte verband om de 3 uur ver-
versen. Als antisepticum voor het natte verband kan gebruikt worden salicylzuur-
oplossmg i op 600, trypaflavine, boorwate rof liquor Burowi ; (in de buurt van de
oogen boorwater).

De beste behandeling van geïnfecteerde wonden zijn baden met hypertoniese
soda-oplossingen (een lepel soda op een liter lauwwarm water, ongeveer 1 % opl.) ;
bij hand- en voetwonden kunnen deze gemakkelijk worden toegepast.

Verse brandivonden worden behandeld met omslagen van 3 % acid. tannicum ;

-ocr page 861-

(brandwonden in het gelaat met 2} % tannine-zalf) ; herhaaldelijk aanstippen der
neerotiese plekken met een penseel met 10 % joodtinctuur bevordert de genezing

Granuleerende wandvlakten worden het beste afwisselend met verschillende zalven
behandeld : praecipitaatzalf, elemizalf, pellidolzalf (bij groote granuleerende won-
den moeten tijdig Thiersch\'se huidtransplantaties worden toegepast.

Ingedrongen vreemde voorwerpen moeten zoo mogelijk verwijderd worden (hierbij
kunnen Röntgenfoto\'s nuttig zijn ter oriënteering). Is er eenige kans dat de wond
met tetanusbacillen is besmet, dan antitetanusserum inspuiten.

Furunkels behandelt Suermondt, in het stadium van infiltratie, met ichthyolzalf
en vaccino-therapie. Is het centrum verweekt, dan incisie, bij groote furunkel of
carbunkel liefst met thermo-cauter.

Bij wonden zoo weinig mogelijk sondeeren daar men kans heeft infectieus mate-
riaal in de diepte te brengen.
 Vrijburg.

Erfahrungen über die Operation von Kelhkopfpfeifern Dr. Eckert, Zeitschr. f.
Veterinärk. Febr. 1928, S. 33—51.

In de chirurgische kliniek te Berlijn werden van i Jan. 1923 tot 7 Nov. 1927
33 paarden wegens cornage geopereerd. Van deze paarden waren er 30 ruins en
3 merries. Dit komt overeen met de bewering, dat dit lijden meestal bij mannelijke
dieren wordt waargenomen. De reden daarvoor is nog onbekend.

Sehr, meent, dat de sterk verbreide droes bij het ontstaan van cornage een groote
rol speelt.

Voor het stellen van de diagnose werd gebruik gemaakt van de laringoscoop.
Alle paarden met endoscopisch zichtbare asyrnmetrieën aan het strottenhoofd
waren werkelijk cornard. Daarenboven is waargenomen, dat geruischen voorko-
men zonder zichtbare verlammingsverschijnselen.

Zoowel endoscopisch als door de operatie werd vastgesteld, dat de graad van
het stenosegeruisch in geen bepaalde verhouding staat tot den graad der patholo-
gische veranderingen. Het ontstaan van het geluid is dan ook nog lang niet vol-
komen duidelijk. Om deze reden opereerde Sehr, alle paarden beiderzijds.

Ook staan de graad van het stenosegeruisch en de graad der pathologische ver-
anderingen in geen enkele betrekking tot het resultaat der operatie. Een prognose
kan dan ook niet worden gesteld. Het resultaat der operatie kan eerst op zijn
vroegst na een jaar worden beoordeeld. De geopereerde paarden moeten dan in
3 groepen worden verdeeld, n.1. die hersteld zijn; die bruikbaar, dus verbeterd
zijn en die ongeneeslijk zijn. Hier waren deze groepen in de volgende verhouding :
hersteld 30.44 %, bruikbaar 17.38 %, ongeneeslijk 52.18 %.

Sehr, wijst op de noodzakelijkheid de paarden na de operatie 3 maanden te laten
staan en daarna slechts langzaam hun arbeid te doen hervatten. Na een periode
van 6 weken is het genezingsproces nog niet voltrokken.

Als zeer onaangename complicatie wordt de chondritis en perichondritis van
het ringkraakbeen aangemerkt.

Ueber Wundbehandlung mit Farbstoffen, insbesondere mit Trypaflavin. Thera-
peutische Monatshefte f. Veterinärmedizin, Band I, April 1928, II. 10,
S. 365—375.

Agyagasi heeft een voordracht gehouden over de toepassing van de kleurstof
trypaflavin in de diergeneeskundige chirurgie, speciaal bij open gewrichts- en
penetreerende buikwonden.

Trypaflavin is een bruingeel poeder, gemakkelijk oplosbaar in water, chemisch
diaminomethyl akridinchloride.

In de laatste jaren is deze kleurstof om haar sterk bactericiede werking met suc-
ces in de menschelijke geneeskunde toegepast bij pyaemie, septische processen,
Pyelitis, encephalitis enz. en ook tegen gonorrhoea. De bacteriën worden in vitro
reeds is verdunningen van 1 : 100.000 gedood. Daarbij werken groote doses invivo
niet toxisch.

Gedurende den oorlog is dit middel in Duitschland tegen mond- en klauwzeer
aangewend.

-ocr page 862-

De succesvolle berichten gaven Agyagasi aanleiding trypaflavin ook in de
diergeneeskunde te probeeren, waarvoor hem meer chirurgische gevallen ter be-
schikking stonden nl. penetreerende buik- en open gewrichtswonden. Als anti-
septicum kan het plaatselijk worden aangewend, bij granuleerende wonden in
den vorm van een
5 % zalf. Voor een algemeene behandeling is een intraveneuse
injectie aangewezen, hetgeen door Sehr, bij een
70-tal paarden en ezels is geschied.
De hoeveelheid bedraagt
2.5 gram in 2 %-oplossing, als maximaaldosis geeft hij
aan 6 gram.

Tusschen 5 en 16 uren na de injectie daalt de lichaamstemperatuur ongeveer
0.51.2° C., daarna treedt weer temperatuurstijging op.

Gevaar voor thrombosen bestaat niet, doch geraakt de vloeistof buiten de vene,
zelfs in verdunningen van 1 %, dan ontstaan ernstige necrotische processen.

Het valt op, dat 5—60 uren na de intraveneuse injectie urine, oogslijmvliezen,
faeces en subcutane bindweefsel citroengeel worden gekleurd. Bij grasvoedering
verkleuren de faeces niet, daar trypaflavin waarschijnlijk met het Chlorophyll
een chemische verbinding aangaat, die niet geel gekleurd is.

Sehr, vermeldt de behandeling en het verloop van een aantal gevallen en komt
tot de volgende conclusies :

1. Trypaflavin heeft boven andere antiseptica het groote voordeel, dat groote
doses zonder gevaar intraveneus kunnen worden ingespoten.

2. Ter vermijding van necrosen moet er voor worden zorg gedragen dat de
oplossing niet in het subcutane bindweefsel terecht komt.

3. Bij de behandeling van geïnfecteerde wonden, ook van gewrichtswonden
voldoet het preparaat uitstekend.
 Brands.

MELKHYGIËNE

Bijdrage tot de kennis der infectie met Gärtnerbacillen bij melkkoeien. Zeitschr.
„Seuchenbekämpfung", Jahrg. V. U.
4. 1928.

In een consumptiemelkbedrijf moesten in den tijd van één week 4 koeien nood-
geslacht worden en deze werden voor de consumptie afgekeurd wegens het voor-
komen van Gärtnerbacillen in verschillende organen. Hierop werden verschillende
koeien uit dit bedrijf nader onderzocht en deed zich het geval voor, dat van één
koe het bloedserum agglutineerde met Gärtnerstammen 1 :
12000, terwijl uit de
faeces en uit de melk deze bacillen konden worden gekweekt. Na slachting kon
men uit de gal een reincultuur aanleggen, terwijl ook uit de lever en eenige spier-
groepen Gärtnerbacillen gekweekt werden. Sehr, citeeren literatuur, waaruit blijkt,
dat zich in verschillende steden ziektegevallen hebben voorgedaan na het gebruik
van melk. Na onderzoek bleek, dat eenige koeien leden aan enteritis, terwijl uit
die bedrijven koeien geslacht werden, die de Gärtnerbacil bevatten. Sehr, advi-
seeren, gezien deze gevallen, de veterinaire inspectie op melkbcdrijven strenger
ter hand te nemen.

Vergelijkende onderzoekingen van de vetbepaling in melk volgens de methode

van Dr. N. Gerber en de Neusal-methode. W. Peter, Schw. Milchz., 14 Sept. 1928.

Het eenige nadeel van de eenvoudige methode van Gerber is de noodzakelijk-
heid van het gebruik van sterk
H2SO4, wat niet zonder gevaar is. Dat de sinds
1910 bekenele Neusal-methode van Dr. Wendler, niet algemeener in gebruik is,
ligt volgens sehr, aan de dure reagentia, die maar aan één adres te krijgen waren.
De samenstelling daarvan is nu te vinden in Mitt. aus dem Geb. d. Lebensmittel-
unters. und Hygiene,
1927 H. 6. De grootere kosten worden te niet gedaan door
de besparing aan kleeren, doeken en gummistoppen. In een
GERBER-butyrometer
wordt 11
.5 ccm. van de oplossing (500 G. natriumsalicylaat en 500 G. gekristalli-
seerd natriumcitraat goed geschud met
2400 ccm. H20. Bij de oplossing 860 ccm.
isobutylalcohol voegen ;
3 dagen laten staan en herhaaldelijk omschudden. 1 G.
methyleenblauw) goed geschud met
9.7 ccm. melk. Waterbad van 65° C., nog
eens goed schudden, dan 5 min. in centrifuge. Dan weer in waterbad van
60—65°,
nu met scala naar boven. Na 5 min. aflezen. Sehr, geeft eenige raadgevingen om-

-ocr page 863-

trent het gebruik van de Neusal.vloeistof, en eenige opmerkingen wat betreft
temperatuur, tijdsduur van het centrifugeeren enz. Bij 177 monsters, die volgens
beide methodes onderzocht waren, schommelden de verschillen tusschen —0.1 en
0.1 %. 114 monsters leverden geen verschil op. Dit was mengmelk. Bij 133 mon-
sters van afzonderlijke koeien schommelden de verschillen tusschen —0.15 en
0.15 %. Bij 79 monsters geen verschil. Schr. heeft nog onderzoekingen gedaan
met zure melk (waarbij de Neusal-methode, wegens het klonteren van de oplossing,
niet is te gebruiken) en met door formaline geconserveerde melk. Tenslotte komt
hij tot de conclusie, dat de Neusal-methode zeer aan te bevelen is voor melk-
onderzoek.

Veranderingen in lakmoesmelk door mastitisstreptococcen of door melkzuur-
streptocoecen.
Dr. M. Gressel, B. T. W. ii—1—1929.

Sinds jaren wordt ook lakmoesmelk gebruikt ter differentiatie van mastitis-
streptococcen
(S. mastitidis, S. agalactiae) en melkzuurstreptococcen (S. lacticus s.
lactis). Volgens
Rudolf schift 7-procentige lakmoesmelk bij 370 bij aanwezig-
heid van streptococcus lacticus altijd gedurende de eerste 24 uur en wordt wit.
Is daarentegen str. mastitidis aanwezig, dan schift de melk ook binnen 24 uur,
maar wordt tegelijkertijd rood.
Rudolf beweert, dat mastitisstreptococcen lak-
moesmelk nooit wit kunnen maken. V.
Sande staat lijnrecht tegenover het meeren-
deel der auteurs
(Klimmer, Haupt, Roots, Seelemann) en meent te kunnen
aantoonen, dat voor
S. lacticus karakteristiek is schifting binnen 24 uur, ont-
kleuring en vorming van een rose ring aan de oppervlakte, welke voortdurend
toeneemt en ten slotte rood wordt. Omgekeerd rekent echter v.
Sande ook die
stammen tot
S. lacticus, die eerst roodkleuring veroorzaken, maar waar lang-
zamerhand, te beginnen met den onderkant van het buisje, ontkleuring optreedt,
v.
Sande beschouwt als mastitisstreptococcen alleen die stammen, die lakmoes-
melk bij 370 na 24 uur rood kleuren en doen schiften. De juist genoemde auteurs
daarentegen zijn van meening, dat ontkleuring met van boven beginnende rood-
kleuring samengaande typisch is voor
S. lacticus terwijl roodkleuring met van
onderen beginnende ontkleuring karakteristiek zou zijn voor
S. mastitidis. Het
doel van Schr. was deze tegenstrijdigheden nader te onderzoeken en hij heeft
daarbij zooveel mogelijk de proeven ingesteld, zooals v.
Sande dat beschreven
had. Schr. komt dan tot de volgende resultaten
: S. mastitidis kleurt lakmoes-
melk
altijd, rood binnen 24 uur, terwijl de melk binnen 24 a 48 uur schift. De later
optredende ontkleuring begint
altijd aan den bodem van het;buisje, (nooit
onder de roomlaag) en stijgt meer of minder snel op. Daarentegen ontkleurtjs.
lacticus de lakmoesmelk altijd binnen 24 uur en de meestal later optredende rood-
kleuring begint
altijd bovenaan, onder de roomlaag (nooit aan den bodem van het
buisje). Ook hier wordt de melk in 24 a 48 uur dik. Schr. stemt dus in zijn onder-
zoekingen overeen met
Klimmer, Haupt, Seelemann en Roots, en is in tegen-
spraak met v.
Sande en ten deele ook met Rudolf, daar deze laatste heeft ge-
zegd, dat S. mastitidis lakmoesmelk nooit ontkleurt, tenzij er verontreiniging
heeft plaats gehad. Een volledig protocol van de proeven is bijgevoegd, aan de
hand waarvan schr. de onderlinge verschillen van de gedragingen der gebruikte
stammen nagaat, wat betreft de intensiteit en tijdsduur der roodkleuring of ont-
kleuring. Schr. komt tot de slotsom, dat 7-procentige lakmoesmelk, tezamen met
andere onderzoekingen een goed hulpmiddel is ter differentiatie van S. mastitidis
en S. lacticus, maar ongeschikt voor massa-onderzoekingen, daar de proef te veel
tijd in beslag neemt.

Cavia-inspuitingen en voederproeven bij varkens ter controle van de betrouwheid
van de „Dauer"-verhitting der melk gedurende een half uur bij 63—653 C. in bak-
ken met roerwerk.
O. Pröscholdt, Arch. f. Tierh. Bd. 58 H. 3/4, 1928.

Door Pröscholdt werden uitvoerige, nauwkeurige proeven gedaan. Ondermelk
werd gemengd met een hoeveelheid (J a 1 %) melk, waarin de tuberkelbacillen
microscopisch waren aangetoond. Na de menging werden een bepaald aantal bus-
sen van 20 L. afgetapt en eveneens eenige flescchen gevuld. Daarna ging deze

-ocr page 864-

ondermelk door de buizen van de fabriek naar de voorwarmer, centrifuge, „Dauer-
pasteur" en koeler en werd afgetapt in steriele bussen. Om schuimvorming zoo-
veel mogelijk te voorkomen, werd een roerinrichting aangebracht ; wat er na een
half uur toch nog aan schuim overbleef werd in steriele flesschen verzameld en
daarin kon zich dan de melk afzetten. De proeven werden 10 maal gedaan. Met
het verkregen materiaal werden cavia\'s intramusculair ingespoten. Het resultaat
was dat de cavia\'s, die met het sediment van de rauwe melk waren ingespoten,
tuberculose kregen, behalve enkelen, die aan sepsis stierven. De dieren, die met
sediment van de gepasteuriseerde melk ingespoten en na maanden afgemaakt
werden, bleken tuberculosevrij te zijn, evenals degenen, die met sediment van het
schuim der gepasteuriseerde melk ingespoten waren.

Ook met biggen zijn proeven gedaan ; 6 biggen, ongeveer 8 weken oud, kwamen
van een bedrijf, waar geen melkproducten werden gevoerd. De biggen werden in
2 groepen, ieder van 3 dieren ingedeeld en deze groepen kwamen ieder in een
aparte stal met eigen uitloop. De dieren waren koortsvrij. Zij werden met bovine,
humane en aviaire tuberculine intracutaan geënt en met de bovine tuberculine
bovendien subcutaan. Kr traden de volgende dagen geen reactieverschijnselen op
op de entplaatsen. Ook de temperatuur, die om de twee uur werd opgenomen, ver-
toonde geen stijging. De biggen 1, 2 en 3 kregen rauwe, besmette ondermelk, de
biggen 4, 5 en 6 daarentegen besmette ondermelk, die een half uur bij 63—65° C.
was verhit. Tedere groep werd door haar eigen stalknecht gevoerd, aan wien het
verboden was de stal of melkbewaarplaats van de andere groep te betreden. Naast
het gewone mengvoer kreeg iedere groep dagelijksch 9 L. melk, m. a. w. ieder dier
kreeg 3 L. en dit gedurende 135 dagen, zoodat ieder dier ruim 400 L. kreeg.

Bij de 3 biggen, die rauwe besmette ondermelk hadden gehad, werden tuber-
culeuze veranderingen geconstateerd, welke voornamelijk zetelden in de lymph-
klieren van het digesticapparaat. De lichaamslymphklieren waren niet zichtbaar
aangetast. Bij 2 was milttuberculose opgetreden en bij 1 een acute miliaire long-
tuberculose. Bij de andere groep, die dus gevoerd was met de gepasteuriseerde
besmette melk, was geen tuberculose in de lymphklieren te vinden, ook niet,
nadat deze in dunne schijfjes waren gesneden. Cavia\'s werden met materiaal van
deze lymphklieren geënt en ook hier trad geen tuberculose op. De biggen van de
laatste groep waren regelmatig getuberculineerd met negatief resultaat. Schr.
meent, dat de gunstige resultaten zijn verkregen door de goede werking van de
roerinrichting van de ,,Dauerpasteur".
I\'röscholdt heeft verder nog onderzocht
het resultaat van het voeren van wei en karnemelk van melk, die gedurende een
£ uur verhit was op 63—65° C.. aan varkens. Hiervoor werden 180 a 230 varkens
van een melkinrichting gebruikt. Bij de biggen begon men met j a 1 L. wei per
dag en men ging tot 20 L. wei of karnemelk bij de varkens. Dit werd volgehouden
gedurende 9 a 11 maanden en gemiddeld kreeg ieder varken 4500 L. wei of karne-
melk. Ook hierbij werden gunstige resultaten verkregen, (Algemeen is men het er
tegenwoordig over eens dat, de „dauerpasteurisatie" een half uur bij 63—65°
Celsius voldoende is om de tuberkelbacillen te dooden, wanneer de voorschriften
maar nauwkeurig worden opgevolgd, Helaas gebeurt dat niet overal en is men
te veel afhankelijk van ondergeschikt personeel, daarom is het zaak de tubercu-
losebestrijding en mastitisbestrijding krachtig ter hand te nemen. Ref.).

R. H. van Gelder.

ZIEKTEN VAN VARKENS.

I. Narcose bij varkens. (Some observations on the induction of narcosis in
the pig. by W. A.
Carr Fraser. The Australian vet. Journal. Dec. 1928).

Ten behoeve van onderzoekingen bij varkens, waarbij het bepaald noodzakelijk
was, dat de dieren eenigen tijd bewegingloos bleven, maar waarbij ele ledematen
vrij moesten zijn, (d. i. niet samengebonden) werd naar eene practische methode
van narcotiseeren gezocht.

Van inhalatie van aether en chloroform werd afgezien met het oog op de moeite

-ocr page 865-

bij de aanwending. Morphine volgens de aangegeven dosis voldeed niet. Morphine
subcutaan gecombineerd
met chloralhydraat per rectum voldeed practisch evenmin.
Vervolgens werd
chloralhydraat in eene oplossing van arabische gom intraperitcmeaal
toegediend in de verhouding van 2 a. q. op 1 c. h. Hierbij bleek, dat eene dosee-
ring van 5.8 gram per 20 kilogram lichaamsgewicht na 10 minuten volledige nar-
cose gaf, welke uur duurde.

Bij inspuiting van 11.3 gram per 20 Kilo lichaamsgewicht, was het varken na
7 minuten in diepe narcose, die minstens 147 minuten duurde.

Eene injectie van 2.6 gram p. 20 Kilo had geen narcose tengevolge.

Bij geen der dieren had de inspuiting nadeelige gevolgen, zoodat er een vrij
groot verschil is tusschen de narcotische en letale dosis.

Bij eene concentratie van 1 gram chloralhydraat in 2 c.c. gummi arabici-opl.
ontstond bij een varken fibrineuse peritonitis met letalen uitgang. Dit trad niet
op bij eene concentratie van 1:4.

De injectie geschiedde niet met eene spuit, maar met behulp van een trechtertje
met caoutchouc, om welks uiteinde een 8 c.M. lange en ij millimeter dikke naald,
waarmede de buikwand wordt doorstoken, naast de linea alba en na penseelen
met joodinctuur.

Niet te zware varkens worden bij de achterbeenen opgetild ; de helper houdt
het dier met den rug naar zich toegekeerd, zoo hoog, dat het varken even vrij
is van den grond. De schrijver adviseert het dier 18 uur te voren te laten vasten.

Bij zwaardere varkens wordt de injectie verricht bij het op eene zijde liggende
dier.

II Het onderzoek van de „bloedcellen" als een hulpmiddel voor de diagnose
van varkenspest.
Van P. A. Lewis en R. E. Shope. (Journ. of the Am. Vet. Med.
Ass., Jan. 1929).

In twijfelachtige gevallen is zekerheid voor het vaststellen van viruspest alleen
te verkrijgen door inspuiten van gefiltreerd materiaal bij gezonde dieren, een
vrij kostbaar en tijdroovend experiment. Nu is het reeds een aantal jaren geleden,
dat erop gewezen werd, dat de bloedsamenstelling bij aanwezigheid van viruspest
eene bepaalde verandering zou ondergaan (vermindering van erythiocyten en
haemoglobine).

Toch werd, practisch gesproken, het bloedbeeld zoo goed als nooit gebezigd
voor het vormen van een juiste diagnose, een gevolg waarschijnlijk van de mce-
ning, dat de gevonden afwijkingen niet altijd overtuigend zouden zijn.

L. en S. hebben hieromtrent nu onderzoekingen ingesteld. Eerst werden van
gezonde varkens bloedproeven genomen en daarna werden deze dieren kunst-
matig geïnfecteerd.

Zij vonden bij de normale dieren b.500 000 tot 7.500.000 per cub. m.M. aan
roode bloedcellen en 14.000 tot 24.000 per cub. m.M. leucocyten.

Na de inspuiting treedt nu eene vermindering in aantal der leucocyten op, reeds
vóór de temperatuurstijging. Zoodra deze werd geconstateerd, was
in den regel
het aantal leucocyten per cub. m.M. lager dan 4000.

In chronische gevallen steeg ze wel weer, maar bleef toch beneden het normale.
Ook de roode bloedcellen verminderden in aantal, maar niet zoo opvallend. Daar
bij pest nog al eens als
neveninfectie in de longen de ovale bacil wordt gevonden werd
nog nagegaan of dit invloed kan hebben op genoemd verschijnsel. Dit bleek niet
het geval te zijn.

L. en S. meenen ten slotte, dat van de verschillende infectieziekten der varkens
viruspest de eenige ziekte is, welke de pas genoemde daling van liefgetal leucocyten
veroorzaakt.
Een leucocytengetal van 8000 per cub. m.M. of minder bij drie zieke
dieren in een besmette koppel zou het bewijs laveren van aanwezigheid van viruspest.

De onderzoekers deelen mede, dat spoedig een meer uitgebreid verslag zal ver-
schijnen. B.

-ocr page 866-

Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Programma van de 74ste Algemeene Vergadering, te houden op

Vrijdag 11 en Zaterdag 12 October 1929 in de groote zaal van
het Jaarbeursgebouw te Utrecht.

Vrijdag 11 October, des namiddags om 2 uur.

1. Opening der Vergadering.1)

2. Ingekomen stukken.

3. Mededeelingen van het Hoofdbestuur. Op 31 December 1929
treden af de afgevaardigden van de Afdeelingen Utrecht,
Friesland en Limburg, de H.H. J. H.
ten Thije, C. Ten-
Haeff
en J. J. W. Urlings. Van deze is alleen de eerste
herkiesbaar.

De Secretaris onzer Maatschappij, Dr. H. A. Vermeulen,
heeft zich tot zijn leedwezen genoodzaakt gezien voor de
drukke bezigheden van het secretariaat te bedanken aan
het einde van het loopende jaar.

Op 31 December 1930 treedt af de Voorzitter van de
Maatschappij Dr. J. J. F.
Dhont ; deze is herkiesbaar.

Op 31 Dec. 1930 treedt af van de Redactie van het Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde Dr.
A. Vrijburg ; deze is
eveneens herkiesbaar.

4. Verkiezing van een Secretaris der Maatschappij .Verkiezing
van een Ondervoorzitter-Penningmeester ; de heer
W. van
der Burg
is herkiesbaar en is candidaat gesteld door de
Afd. Gelderland—Overijsel. Verkiezing van een lid van de
Notulen-Commissie.

5. Verslag van den toestand der Maatschappij, van hare geld-
middelen, van het v. EsvELDfonds, het Ondersteuningsfonds,
het R.fonds en het Prof. Dr. D. A.
de JoNG-fonds.

6. Begrooting voor het jaar 1930. De ontwerpbegrooting is
in deze aflevering (No. 16) van het Tijdschrift opge-
nomen.

\'i De volmachten der afgevaardigden, ingericht volgens art. 26 van het Huis-
houdelijk Reglement, behooren vóór het begin der vergadering bij den secretaris
te zijn ingediend.

-ocr page 867-

7- Voorstel van het Hoofdbestuur.

De Algemeene Vergadering besluite met ingang van 1930
per lid jaarlijks de som van ƒ r.— (een gulden) te heffen ten
behoeve van de Prof. Dr. D. A.
de JoNG-stichting.

Toelichting.

Het is overbodig op deze plaats een pleidooi te houden voor het belang van de
Prof. Dr. D. A.
de jong-stichting nu alle leden onzer Maatschappij individueel
daarvan hebben kennis genomen uit de hun toegezonden desbetreffende circulaire.
Het Hoofdbestuur is overtuigd dat de practische resultaten, die deze stichting
hoopt te bereiken, ten nauwste verbonden zijn aan de finantieele medewerking
van degenen, die met het doel sympathiseeren en uit dien hoofde wordt het boven-
staande voorstel aan de Algemeene Vergadering voorgelegd.

8. Voorstel van het Hoofdbestuur.

Reorganisatie der Maatschappij.

Behandeling van de hierna volgende concept-Statuten.

Concept-Statuten.

HOOFDSTUK I.

Naam en Doel der Maatschappij.

Art. 1. De Vereeniging draagt den naam „MAATSCHAPPIJ VOOR DIER-
GENEESKUNDE" en is gevestigd te Utrecht. Zij zal in deze Statuten verder
worden genoemd „de Maatschappij".

Art. 2. Haar doel is de bevordering der diergeneeskundige wetenschap in
den meest uitgebreiden zin, zoomede de behartiging der maatschappelijke belangen
harer leden. Zij tracht dit doel te bereiken langs wettigen weg :

a. door op te treden als vertegenwoordigster van den diergeneeskundigen stand ;

b. door het houden van vergaderingen ter behandeling van wetenschappelijke
vraagstukken en van onderwerpen van wetgevenden en maatschappelijken
aard op diergeneeskundig gebied ;

c. door het bevorderen van de diergeneeskundige studie in den uitgebreidsten
zin, het doen plaats hebben, aanmoedigen of beloonen van wetenschappe-
lijken arbeid ;

d. door het uitgeven of doen uitgeven van een Tijdschrift voor Diergeneeskunde ;
«. door het nemen van maatregelen tegen en het bestrijden van toestanden en

gedragingen op diergeneeskundig gebied, welke strijdig zijn met een waardige
uitoefening der diergeneeskunde, of met de belangen van de Maatschappij
en hare leden ;.

/. door het stichten en in standhouden van een fonds ter ondersteuning van be-
hoeftige dierenartsen en hunne betrekkingen ;
g. door andere wettige middelen, welke aan het doel bevorderlijk kunnen zijn.

HOOFDSTUK II.

Van de Samenstelling der Maatschappij.

Art. 3. De Maatschappij is samengesteld uit bizondere Afdéelingen en een
algemeene Afdeeling. ~ .

Art. 4. Inrichting en werkzaamheden der Maatschappij worden nader ge-
regeld bij Huishoudelijk Reglement, hetwelk geen bepalingen mag bevatten,
strijdig met deze Statuten.

-ocr page 868-

HOOFDSTUK IIF
Van de leden.

Art. 5. De leden der Maatschappij worden onderscheiden in :

a. gewone leden,

b. buitengewone leden,

c. correspondeerende leden,

d. eere-leden,

e. candidaat-leden.

Art. 6. Gewone leden zijn zij, die gewoon lid zijn van een der afdeelingen der
Maatschappij. Om gewoon lid eener afdeeling te kunnen worden moet men wette-
lijk bevoegd zijn hier te lande de diergeneeskunst uit te oefenen of wel lid zijn
van de Faculteit der Veeartsenijkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Niemand kan gewoon lid zijn van meer dan eene afdeeling.

Candidaat-leden kunnen worden studenten in de diergeneeskunde, die met goed
gevolg het candidaats-examen in de Veeartsenijkunde hebben afgelegd.

Art. 7. Als buitengewoon lid kunnen, ter beslissing van de leden der bizondere
afdeelingen, tot deze toegelaten worden, gewone leden der Maatschappij, alsook
dierenartsen niet op diergeneeskundig gebied werkzaam of buiten Nederland
gevestigd en niet-dierenartsen of Vereenigingen, welke het bereiken van het doel
der Maatschappij wenschen te bevorderen.

Candidaat-lid kunnen worden studenten in de diergeneeskunde, die met goed
gevolg het candidaats-examen in de Veeartsenijkunde hebben afgelegd.

Zij zijn geen lid van een bepaalde afdeeling.

Een candidaat lid kan dit desverlangd blijven gedurende één jaar, nadat hij tot
dierenarts bevorderd is.

Art. 8. Tot eereleden, of, indien het buitenlandsche personen betreft, tot
correspondeerende leden kunnen allen, die zich jegens de Maatschappij of de
wetenschap bizonder verdienstelijk gemaakt hebben, op voordracht van het
Hoofdbestuur of van een bizondere afdeeling worden benoemd.

Art. 9. Het lidmaatschap gaat verloren ie. door overlijden,

2e. door opzeggen,
3e. door schrapping.

Art. 10. De rechten en verplichtingen van de leden worden nader omschreven
in het Huishoudelijk Reglement.

HOOFDSTUK IV.

Van de Ai deelingen.

Art. 11. Vijftien of meer gewone leden der Maatschappij kunnen zich tot
een bizondere afdeeling vereenigen ; bij uitzondering kan een algemeene ver-
gadering, op voorstel van het Hoofdbestuur, ook bij een geringer aantal leden,
hare goedkeuring aan de oprichting verleenen.

De erkenning dezer afdeelingen geschiedt door het Hoofdbestuur ; indien dit
daartegen bezwaar maakt, beslist een algemeene vergadering.

De Algemeene afdeeling wordt gevormd door gewone leden, die bij geen der
bizondere afdeelingen zijn aangesloten.

Art. 12. De rechten en verplichtingen der afdeelingen worden bij huishou-
delijk reglement geregeld. Elke bizondere afdeeling regelt haar inrichting en werk-
zaamheden bij eigen reglement, hetwelk echter eerst kracht verkrijgt door de goed-
keuring van het Hoofdbestuur ; bij verschil van meening beslist een Algemeene
Vergadering.

Art. 13. Bizondere afdeelingen, welke handelen in strijd met de statuten
en het huishoudelijk reglement der Maatschappij, of met het besluit van een alge-
meene vergadering, kunnen, op voorstel van het Hoofdbestuur, door een alge-
meene vergadering, met 2/3 der aanwezige stemmen, worden ontbonden.

-ocr page 869-

HOOFDSTUK V.

Van het Hoofdbestuur.

Art. 14. Het Hoofdbestuur bestaat uit een voorzitter, een onder-voorzitter,
tevens penningmeester en een secretaris, vormende deze functionarissen het
„Dagelijksch Bestuur", door en uit de gewone leden op een Algemeene Vergadering
te kiezen, zoomede uit de door de afdeelingen afgevaardigde leden.

Iedere afdeeling vaardigt één lid naar het Hoofdbestuur af.

Art. 15. De vertegenwoordiging der Maatschappij in en buiten rechten, de
uitvoering van hare besluiten, de handhaving van statuten en reglementen en in
het algemeen de behartiging van de belangen der Maatschappij zijn opgedragen
aan het Hoofdbestuur.

Art. 16. Tot bczwaring en vervreemding van de bezittingen der Maatschappij
behoeft het Hoofdbestuur de machtiging van een Algemeene Vergadering.

HOOFDSTUK VI.

Van den Centralen Raad.

Art. 17. Er bestaat een Centrale Raad, wiens leden en plaatsvervangende
leden door een Algemeene Vergadering worden benoemd. Zijn werkzaamheden
worden bij huishoudelijk reglement bepaald.

HOOFDSTUK VII.

Van de Vergaderingen.

Art. 18. Op een bij het huishoudelijk reglement te bepalen tijd en wijze wordt
eene gewone, algemeene Vergadering gehouden. Indien het Hoofdbestuur het
noodig acht, of minstens drie afdeelingen het verlangen, wordt een buitengewone
Algemeene Vergadering belegd.

Art. 19. Ieder lid der Maatschappij heeft toegang tot de Algemeene Verga-
deringen ; de candidaat-leden bezitten echter niet het recht aan de beraadsla-
gingen en stemmingen deel te nemen.

Art. 20. De afgevaardigden der bizondere afdeelingen, benevens alle leden,
die niet door een der afgevaardigden worden vertegenwoordigd, kunnen aan de
stemming deelnemen.

Art. 21. Alle besluiten worden, indien niet anders bepaald, bij volstrekte
meerderheid van stemmen genomen. Indien over een voorstel de stemmen staken,
wordt het beschouwd te zijn verworpen.

HOOFDSTUK VIII.

Van de Bindende Besluiten.

Art. 22. Een Algemeene Vergadering kan, op voorstel van het Hoofdbestuur
besluiten nemen, waaraan alle leden der Maatschappij verplicht zijn zich te houden.

Art. 23. Na op een Algemeene Vergadering met minstens 3/4 der uitgebrachte,
geldige stemmen, te zijn aangenomen, wordt een voorstel van een bindend besluit
aan een referendum onderworpen. Indien zich daarbij minstens 3/4 der uitgebrachte
stemmen voor aanneming verklaren, wordt het ingevoerd.

Art. 24. Op overeenkomstige wijze, als in art. 23 vermeld, kunnen afdeelingen
voor hun werkgebied bindende besluiten nemen, welke echter de goedkeuring van
het Hoofdbestuur, den Centralen Raad gehoord, behoeven.

HOOFDSTUK IX.

Van het Ondersteuningsfonds.

Art. 25. Het fonds, bedoeld in art. 2 /, wordt beheerd volgens de bepalingen,
vervat in het daarop betrekking hebbend reglement.

Art 26. De gelden en de administratie van het Ondersteuningsfonds blijven
gescheiden van de geldmiddelen en de administratie der Maatschappij.

-ocr page 870-

Art. 27. Het Ondersteuningsfonds kan alleen opgeheven worden, wanneer
de Maatschappij voor Diergeneeskunde wordt ontbonden en wel in de vergadering,
waarin tot ontbinding der Maatschappij besloten wordt. Het zal alsdan bestemd
moeten worden voor een doel, hetwelk .zooveel mogelijk, in overeenstemming is
met de bestemming van het fonds.

HOOFDSTUK X.

Van de Geldmiddelen.

Art. 28. De geldmiddelen der Maatschappij worden gevonden uit de jaarlijksche
bijdragen der leden, uit giften en erflatingen en uit renten van belegde gelden.

Art. 29. De vaststelling der jaarlijksche bijdragen wordt bij huishoudelijk
reglement geregeld.

HOOFDSTUK XI.

Van de verandering der Statuten.

Art. 30. Deze statuten kunnen niet worden gewijzigd of uitgebreid dan ten-
gevolge van een desbetreffend voorstel, hetwelk in het programma van een alge-
meene vergadering is opgenomen en in die vergadering met 2/3 der uitgebrachte
stemmen is aangenomen.

De gewijzigde statuten treden in werking, zoodra daaraan de Koninklijke goed-
keuring is verleend.

HOOFDSTUK XII.

Slotbepalingen.

Art. 31. De vereeniging is aangegaan voor een tijdvak van 29 jaren, te re-
kenen van 4 April 1890. Na het verstrijken van dit tijdvak wordt de vereeniging
opnieuw aangegaan voor den tijd van zes en twintig jaar.

Vóór het einde van den laatstbedoelden termijn zal over het al dan niet voort-
bestaan der Maatschappij worden beslist.

Art. 32. Ontbinding der Maatschappij kan alleen geschieden tengevolge van
een daartoe strekkend voorstel, hetwelk in het programma van een Algemeene
Vergadering is opgenomen en in die vergadering met minstens 2/a der uitgebrachte
stemmen is aangenomen. Bij aanneming van het voorstel zijn zij, die zich tegen het
voorstel tot ontbinding hebben verklaard, bevoegd de afgifte aan hen te eischen
van de goederen der Maatschappij, tegen betaling eener vergoeding tot een be-
drag, bij scheidsrechterlijke uitspraak vast te stellen en tegen overneming van alle
verplichtingen uit art. 1702 van het Burgerlijk Wetboek voor de gezamenlijke
leden der Maatschappij voortvloeiende.

Bij het besluit tot ontbinding wordt de benoeming der scheidsrechters geregeld
en een andere instelling, met een doel zooveel mogelijk overeenkomende met dat
der Maatschappij, aangewezen, aan welke bovenbedoelde vergoeding zal worden
uitgekeerd of aan welke de goederen der Maatschappij worden toegewezen, indien
de minderheid van haar bevoegdheid tot het overnemen daarvan niet binnen
één jaar na de goedkeuring van het voorstel door de leden heeft gebruik gemaakt.

Het op het oogenblik der ontbinding zitting hebbende Hoofdbestuur is met de
liquidatie der ontbinding belast.

Naschrift.

Van zijn voornemen om concept Statuten en concept-Huishoudelijk Reglement
in één enkele Algemeene Vergadering te behandelen heeft het Hoofdbestuur ten
slotte afgezien. Daarvoor bleek de materie te uitgebreid en de belangrijkheid van
de reorganisatie onzer Maatschappij gedoogt wel daaraan nog een volgende Alge-
meene Vergadering te besteden. Niettemin heeft het Hoofdbestuur reeds een ver-
gadering besteed aan de vaststelling van het concept-Huishoudelijk Reglement,
zoodat, indien zulks ter Algemeene Vergadering gewenscht wordt, reeds mede-
deeling gedaan kan worden van de opinie van het Hoofdbestuur over de uitwerking
van principieele aangelegenheden in het Huishoudelijk Reglement.

-ocr page 871-

Vrijdagavond, gemeenschappelijke maaltijd, waarvan plaats en
uur nader bekend zullen worden gemaakt.

Zaterdag, 12 October 1929, des voormiddags 10 uur.

1. Rede van den Voorzitter.

2. Prof. Dr. B. Sjollema : „Onderzoekingen over kopziekte".

3. Dr. J. van der Hoeden : „Infectie bij paarden met de bacil
van de besmettelijke abortus van het rund" (Brucella Bang).

PAUZE.

4. Prof. Dr. G. Krediet : „De invloed van geslachtshormonen
op de ontwikkeling van de baarmoeder bij intersexen" (met
lichtbeelden).

5. Prof. Dr. J. J. Wester : „Grepen uit de kliniek" (met licht-
beelden).

Aldus opgemaakt door het Hoofdbestuur :
J. J. F. Dhont, Voorzitter.
J. H. ten Thije, Wnmd. Secretaris.

-ocr page 872-

ïtwerp Begrooting voor de Maatschappij v. Diergeneeskunde v. h. jaar 1930.

UITGAVEN

ONTVANGSTEN

Aan Contributies :

5 leden a f 20.—................

2 ,, a f 18.—................

2 buitengew. leden a / 10.— ....

4 halfj. leden a / 10.—..........

.n verkochte formulieren.........

.n verkochte, catalogi ...........

kweeken rente ................

innen achterstallige schulden van
Absyrtus.......................

f 12500 —

- 936

20
43

- 800
Memor

/ 14396-

Aan :

Tijdschrift voor Diergeneeskunde .
Diergeneeskundig Jaarboekje
Reis- en verblijf kosten H.B. / 1050.-
Verdere onkosten H.B.. .. - 300.-

Honorarium Secretaris............

Abonnement telefoon Secretaris . . .
Zaalhuur voor vergaderingen ƒ 175.-
Verdere onkosten voor ver-
gaderingen................ - 75.-

Contributiën en vertegenwoordiging.

Commissiën ....................

Druk- en typewerk ..............

Incassokosten....................

Storting ondersteuningsfonds .....

Internationaal Veearts. Congres . . .

Aflossing aandeelen Absyrtus .....

Onvoorziene Uitgaven ...........

ƒ 9000
800

250

- 175

- 175
300

45

- 683
600

Memor

- 433

/ 14396

4 Juni 1929. de Penningmeester:

W. van der Burg.

Toelichting, Ten aanzien van de post onder Ontvangsten, aan Contributies,
2de regel, waar staat 52 leden a
f 18.— wordt opgemerkt, dat deze leden van
de Algemeene afdeeling tot dusver ƒ 15.— betaalden, waarvoor zij o.m. geregeld
het Tijdschrift en Jaarboekje ontvingen.

Aangezien de productiekosten van het Tijdtchrift alleen reeds ongeveer
/ 18.— per lid bedragen, heeft het Hoofdbestuur het billijk geacht dat zij dit
bedrag ook aan de Maatschappij betaalden.

-ocr page 873-
-ocr page 874-

(Uit het Veterinair Anatomisch Instituut der Rijks-Universiteit te Utrecht).

INTERSEXUALITEIT OF HERMAPHRODITISME BIJ ZOOG-
DIEREN

DOOR

G. KREDIET.

Hermaphroditisme is de toestand, waarbij in één individu beide
geslachten vertegenwoordigd zijn. Zulk een wezen heet hermaphro-
diet. De meeningen zijn zeer verdeeld over de vraag, wanneer
de beide geslachten geacht worden aanwezig te zijn. Bevinden
zich beiderlei geslachtsklieren met rijpe genitaalcellen in één indi-
vidu, dan is het hermaphroditische karakter zonder meer duidelijk.
Bestaat dan tevens de gelegenheid, dat deze cellen door de aan
de geslachten eigen, buizen kunnen worden afgevoerd, dan zal
zeker niemand meer aan het dubbelgeslachtelijk zijn twijfelen.
Zelfbevruchting zou zelfs mogelijk zijn als ei- en zaadcellen ge-
lijktijdig rijp zijn. Meestal is bij lagere dieren, waar deze toestand
normaal kan zijn, de eene geslachtscel eerder rijp dan de andere en
onderscheidt men proterandrie (spermiën eerder dan de eieren)
en proterogynie (eieren eerder dan de spermiën). In zoo\'n dier
blijven de beide soorten geslachtsklier het geheele leven door aan-
wezig. Er zijn evenwel ook dieren als de slak, Crepidula, en de
oester, Ostrea, waarbij het eene geslacht door het andere wordt
gevolgd, terwijl in den overgang een hermaphroditisch stadium
aanwezig is. Hier zijn dus voorbeelden van normale geslachtsom-
keer. Wil men hier blijven spreken van hermaphrodieten, dan
zou men ze hermaphrodieten naar tijd (opvolging der geslachten)
en de eerste soort hermaphrodieten naar plaats (steeds aanwezig
zijn der geslachten) moeten noemen.

Hermaphrodieten, waarin beide soorten geslachtscellen, gelijk-
tijdig of na elkander, in rijpen toestand voorkomen en langs nor-
male wegen kunnen worden afgevoerd, zijn ook onder de Verte-
braten geconstateerd. Als sprekende voorbeelden zou ik willen
aanhalen de kikvorsch van
Witschi, die een volwassen herma-
phrodiet was en waarvan zoowel eieren als spermiën voor de be-
vruchting gebruikt konden worden, de kippen van
Crew (Buff
Orpington en Witte Leghorn), die na eieren te hebben gelegd in
vruchtbare hanen veranderden en de duif van
Riddle, die doffer
werd.

Wanneer voor het begrip hermaphrodiet volstaan wordt met
de bepaling, dat rijpe kiemcellen van beiderlei geslacht aanwezig
moeten zijn, zonder dat de tubulaire en uitwendige genitaliën dit
dubbelgeslachtelijke karakter behoeven te vertoonen, bestaat de
mogelijkheid, dat ook bij een zoogdier zoo\'n hermaphrodiet zal
worden gevonden. Voor zoover de mededeelingen in de literatuur
lvi 58

-ocr page 875-

thans gaan, is er het geval van het varken van Pütz, waarin
spermiën en eicellen (primaire follikels, blaasjes van
de Graaf
en corpora lutea) naast elkander aanwezig zouden zijn geweest.
De spermiën waren gevonden in den bijbal, maar het onderzoek
var. het testiculaire gedeelte van den ovariotestis, dat, zooals
Sauerbeck terecht opmerkt, niet volledig is geweest, was niet
in staat deze bevinding te bevestigen, zoodat dit geval als niet
streng bewezen niet in aanmerking mag komen. Als vaststaande
mag aangenomen worden, dat in het geval van den mensch, dat
door
Briau, Lacassagne en Legoutte is beschreven, naast fol-
likels in verschillende stadia van ontwikkeling spermiocyten zijn
gevonden. Als men dus niet blijft vasthouden aan den eisch van
rijpe kiemcellen, maar wil volstaan met gonocyten in een of ander
stadium van hare ontwikkeling, dap is bij de zoogdieren, den
mensch incluis, al menig geval van hermaphroditismus waarge-
nomen, aangezien gelijktijdig voorkomen van spermatogoniën en
follikels reeds meermalen is geconstateerd.

Men mag zich afvragen of het wel noodzakelijk is zulke zware
eischen te stellen en of liet niet voldoende is, in verband met de
gewijzigde opvattingen omtrent het ontstaan der hermaphrodieten
en het verloren kunnen gaan van typische kenmerken van één
der beide geslachten, te verlangen, dat van de twee sexen de ge-
slachtsklieren in één of anderen vorm, maar nog als zoodanig te
onderkennen, aanwezig zijn. Zonder thans reeds dieper op deze
kwestie in te gaan, mag er toch wel op gewezen worden, dat in
cryptorche testes in den regel geen spermiën of voorstadia ervan
worden aangetroffen. Toch aarzelt niemand om in zoo\'n geval van
ballen te spreken. Waarom zou het dan ook niet mogen gebeuren
in gevallen van hermaphrodisie, waar de beelden precies dezelfde
zijn?

Uitgaande dus van de opvatting, dat het voldoende is ovariaal
en testiculair weefsel naast elkander in één dier aan te toonen om
tot de diagnose hermaphrodisie te komen, zal het iederen onder-
zoeker opvallen, dat het verschijnsel der dubbelgeslachtelijkheid
bij mensch en dier veel veelvuldiger voorkomt, dan men a priori
had kunnen veronderstellen. Mensch, varken en geit zijn de drie
zoogdieren, die deze afwijking het meeste vertoonen.

Het spreekt vanzelf, dat er in deze „Abstufung" van het be-
grip der hermaphrodisie verschillen tusschen de onderscheiden
vormen voor den dag komen. Afgezien van de physiologische
hermaphroditismus der lagere dieren kan men voor de hoogere
Vertebraten, in navolging van
Pick, de volgende mogelijkheden
veronderstellen

I. Bal en eierstok met beiderlei gameten in volle geslachtsrijp-
heid, (functie).

-ocr page 876-

II. Bal en eierstok met beiderlei gameten :

r. met geslachtsrijpheid (functie) der gameten van één ge-
slachtsklier ;

a. van het ovarium ; b. van den testis.
2. Rijping der gameten in geen van beide klieren.
III. Bal zonder kiemcellen. Eierstok met kiemcellen,
x. rijpend (functioneerend) ;
2. niet rijpend.

Het onder IV te verwachten geval : eierstok zonder kiemcellen,
bal met kiemcellen is moeilijk aan te toonen, omdat microscopisch-
anatomisch het ovarium zonder eicellen bezwaarlijk is te onder-
kennen en er dus geen andere dan waarschijnlijkheidsgronden zou-
den zijn om aan te nemen, dat men met een vrouwelijke gonade
te doen heeft.

De tot nu toe veronderstelde gevallen van hermaphroditisme
zijn alle tot zekeren graad tweeslachtig en heeten echte of ware
hermaphrodieten, Hermaphroditismus verus. Daarnaast onder-

\') Voor dengene, die belang stelt in de gevallen van ware hermaphrodisie bij
den mensch waargenomen, zij onderstaand lijstje ter lezing aanbevolen, terwijl in
de literatuurlijst vermeld staat, waar de oorspronkelijke artikelen kunnen worden
gevonden.

Onderzoeker.

Rechter
gonade.

Linker gonade.

1884

Gast

Ovarium

Testis

1888

schmorl

Testis

Ovarium?

1888

Obolonsky

Testis

Ovarium

1896

Blacker-Lawrence

Ovarium

Ovariotestis

1899—i9i4

Salén-Pick

Ovariotestis

Ovarium

I90I

Zimmermann

Testis

Ovarium?

1903

Garré-Simon

Ovariotestis

i9i0

Uffreduzzi

Ovariotestis

i9ii

Gudernatsch

Ovariotestis

I9I4

Sinecaglia

Ovariotestis

Testis

1916

Blair Bell

Ovarium

Ovariotestis

1916

Photakis

Testis

Ovarium

1916

Kleinknecht

Ovariotestis

Ovariotestis

1919—i92i

Daube-Polano

Ovariotestis

Tumor : Epithelioma

chorioectodermale

1920

Briau, Lacassagne en

Legoutte

Ovariotestis

Ovariotestis

1920

Sheppard

Ovarium en

testis

Ovarium en testis

1923

Schneider

Ovarium

Testis

1923

Schauerte

Ovariotestis

Ovarium

1923

Sand

Testis

Ovarium? (fetaal)

1925

Meyer

Ovariotestis

Ovariotestis

1927

Wagner

Ovariotestis ?

Testis

1927

Shapiro

Ovariotestis

Ovarium

1927

Christophe, Firket en

Hogge

Ovariotestis?

Ovariotestis ?

(seminoom)

1928

Kornhauser en Motyac

Ovariotestis

Ovariotestis

-ocr page 877-

scheidt men zulke, waarbij het geslacht van het tubulaire apparaat
of van de uitwendige genitaliën of van beide niet in overeenstem-
ming is met dat van de geslachtsklier. Daar het geslacht der die-
ren door dat der gonaden wordt bepaald, zijn deze dus enkelge-
slachtelijk, maar daar ze toch heterosexueele kenmerken vertoo-
nen, worden ze van oudsher aangeduid als pseudohermaphrodie-
ten, Hermaphroditismus spurius. Gewoonlijk worden ware en
pseudohermaphrodieten tegenover elkander gesteld en wordt er
tusschen beide een groot onderscheid gemaakt. Een tijd geleden
werd de literatuur over dit onderwerp vrijwel door deze kwestie
beheerscht en liep de strijd vooral hierover of ware hermaphio-
dieten werkelijk wel bestonden en of het niet beter was ze alle als
pseudohermaphrodieten te beschouwen.
Ahlfeld, Bayer, Bucura
en Menge hebben vasthoudend aan den eisch van het aantoonen
van de rijpe kiemcellen van beider geslacht dit standpunt inge-
nomen.
Kermauner verlangt, dat de twee soorten gameten aan-
wezig moeten zijn naast de karakterestieke bestanddeelen van
eierstok en testikel, wil er óóit van hermaphroditismus verus ge-
sproken worden. Hij betwijfelt zeer sterk het bestaan ervan, ziet
in de pseudohermaphrodisie een zelfstandig verschijnsel en een
lokaal-mechanische misvorming en wil liever de naam Sexus anceps
invoeren.

De scherpe grens van beide vormen van hermaphrodisie bestaat
niet. Op goede gronden kan worden aangenomen, dat beide stadia
zijn van eenzelfde proces. Dit nu reeds aannemelijk te maken,
zou op de behandeling van mijn onderwerp vooruitloopen zijn.
Ik moet hier dus volstaan met slechts enkele aanwijzingen te ge-
ven. In de eerste plaats dan zou ik er de aandacht op willen vesti-
gen, dat bij het bekijken van preparaten van ovariotestes opvalt,
dat een of beide soorten van kiemcellen degenereerende kunnen
zijn. Kiemcellen, die eens aanwezig waren, kunnen verdwijnen
(Sauerbeck, Mittasch, Lipschütz, e. a.). In dit verband is het
merkwaardig, dat in testes of in testiculaire gedeelten van ovario-
testes van jonge dieren spermatogoniën voorkomen, die bij oudere
zijn verdwenen. Bovendien is opmerkelijk, dat bij jonge dieren
meer ware hermaphrodisie voorkomt dan bij oudere. Vaak kan
men bij jonge varkens aan den vrijen rand, aan de beide polen of
nabij den hilus van een testikel in gevallen van hermaphrodisie
kleine, bruinachtige, soms door blaasjes gekenmerkte vlekjes vin-
den, die uit ovariale bestanddeelen blijken te zijn opgebouwd en
gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Bij oudere hermaphro-
diete varkens komen deze vlekjes veel minder voor, zoodat zij
dus blijkbaar tijdens het leven kunnen verloren gaan. Er bestaat
tusschen beide vormen van dubbelgeslachtelijk zijn een sooit van
overgang, die tot nu toe o. a.. door
Sauerbeck is vastgelegd in
den vorm der zoogenaamde „twijfelachtige gevallen van ware

-ocr page 878-

hermaphrodisie". Wat eens een ovariotestis was, kan een testis
worden m. a. w. wat vandaag nog een echte hermaphrodiet is,
kan morgen een onechte zijn. Het verschil tusschen de beide vor-
men is dan ook geen principieel, maar een gradueel; het is een
kwestie van meer of minder van beide geslachten. Duidelijker
komt dit voor den dag, wanneer straks het ontstaan der intersexen
ter sprake komt.

Zeer in het kort weergegeven zijn de vormen, waaronder de
pseudohermaphrodisie zich kan voordoen, deze : de gonade kan
mannelijk of vrouwelijk zijn. Het tubulaire en het uitwendige ge-
nitaalapparaat kan in zijn geheel van het heterogene geslacht zijn,
öf alleen het tubulaire öf alleen het uitwendige, in welke gevallen
men resp. van complete, inwendige of uitwendige mannelijke of
vrouwelijke pseudohermaphrodieten kan spreken. Ten einde in
korte trekken een overzicht te geven van de vormen, waarin ware
en schijnhermaphrodietcn kunnen voorkomen, wordt het schema
van
Klebs hier weergegeven :
I. Hermaphroditismus verus.

A. Bilateralis.

a. met gescheiden geslachtsklieren ; b. met vereenigde
geslachtsklieren (ovariotestes).

B. Unilateralis (dexter of sinister).

a. met gescheiden geslachtsklieren ; b. met vereenigde
geslachtsklieren :

1. completus : met aan de andere zijde als gonade :
aa. een bal (masculinus) ; bb. een eierstok (fe-

mininus).

2. incompletus : met ontbreken van de gonade aan
de andere zijde.

C. Lateralis s. Alternans (Kitt).

a. mannelijke geslachtsklier rechts (masculinus dexter) ;

b. mannelijke geslachtsklier links (masculinus sinister).

II. Pseudohermaphroditismus.

A. Masculinus : a. completus ; b. internus ; c. externus.

B. Femininus : a. completus ; b. internus ; c. externus.

Er zijn in den loop der tijden verscheidene theorieën opgesteld,
met behulp waarvan men getracht heeft een verklaring te kunnen
geven van de wijze van ontstaan van het hermaphroditisme bij
de hoogere, gewervelde dieren.
Sauerbeck geeft aan, dat er twee
mogelijkheden zijn :

a. Hermaphrodisie is een atavistische, geremde vorming, waarbij
aangenomen wordt, dat de beide geslachten een gemeenzame,
dubbelgeslachtelijke stamvorm bezitten ; dubbelgeslachtelijk ook
wat de uitwendige genitaliën aangaat. De hermaphrodiet, zooals
die ter onderzoek komt, is dus een uitgegroeid embryonaal sta-
dium, met terugslag op een bisexueelen voorvader.

-ocr page 879-

b. De tweede opvatting gaat uit van de idee, dat het tweede ge-
slacht bij den hermaphrodiet een soort inclusio fetalis is. De ver-
schijnselen zijn dan in primaire (dubbelnatuur der gonade) en
secundaire (al het andere hermaphroditische) te onderscheiden.
De secundaire zouden uit de primaire moeten worden verklaard.

SauerbecK meende in 1909 aan de eerste meening de voorkeur
te moeten geven. De atavistische „Bildungshemmung" zou het
proces het meest ongedwongen verklaren. Thans staan de mee-
ningen dichter bij de tweede opvatting.

Tandler en Grosz verklaren de hermaphroditismus verus
evenals de pseudohermaphroditismus voor een misvorming primae
formationis, waarvan de ontstaansoorzaak heelemaal onbekend is.
Zij meenen, dat er geen sprake van kan zijn, dat de physiologische
hermaphrodisie de primitieve sexueele vorm der metazoa is.

Van Amerikaansche zijde is ook aan het ontstaan der herma-
phrodieten onder de hoogere dieren veel aandacht besteed. In
dit verband zij hier gewezen op de opvattingen van
Riddle en
Jordan. Riddle stelde naar aanleiding van waarnemingen, die
hij bij duiven had gedaan een theorie op, die geheel berust op de
verschillende typen van metabolisme, die zich bij het mannelijk
en het vrouwelijk dier afspelen. Verhoogde stofwisseling nl. zou
beslissend zijn voor het mannelijke en vertraagde stofwisseling
voor het vrouwelijke geslacht. In gevallen van hermaphrodisie,
waarbij geslachtsomkeer als oorzaak werd aangenomen, zou deze
op zijn beurt veroorzaakt worden door het optreden van het
metabolische type van het andere geslacht.

Jordan neemt aan, dat er voor het optreden van hermaphro-
dieten drie mogelijkheden bestaan :

1. Een embryo is potentieel hermaphroditisch. Het definitieve
geslacht is afhankelijk van de onderdrukking van het tegengestelde
geslachtsprimordium. In gevallen van ware hermaphrodisie is er
een vrijwel gelijke ontwikkeling van beide primordia. Hermaphro-
ditisme bij volwassenen is het persisteeren van de normale embryo-
nale potentie en zou een terugslag zijn tot vroegere voorvaderlijke
toestanden (zie
Sauerbeck).

2. Ware glandulaire hermaphrodisie is het gevolg van een aty-
pische bevruchting (bijv. van een ei door een spermium met een
ongereduceerd aantal chromosomen ; of tegelijk door een manne-
lijk en een vrouwelijk gedetermineerd spermium).

3. De zygotisch gedetermineerde sexe wordt door een ongewone
invloed tijdens de ontwikkeling bisexueel, bijv. door het tegen-
gestelde geslachtshormon of inclusie van een deel van een anderge-
slachtelijk embryo.

In verband met het familiaire en het erfelijke karakter der ge-
vallen, die
Jordan ter beoordeeling kwamen, voelt hij het meeste
voor het eerste standpunt. Bij zijn verdere beschouwingen merkt

-ocr page 880-

hij o. m. op, dat, voor er van een geslachtschromosoom in de phy-
logenetische reeks der dieren sprake was, het geslacht bepaald
werd door een mannelijk of een vrouwelijk gedetermineerd meta-
bolisme (resp. kata- en anabolisme). Later heeft het geslachts-
chromosoom deze geslachtsbepalende functie overgenomen of
misschien juister uitgedrukt, wordt het type van metabolisme
door het X-chromosoom bepaald. Wanneer nu dit chromosoom
onder invloed van prikkels van buiten of welke ook deze functie
verliest, komt er een evenwicht tusschen de anabolische en kata-
bolische processen in de kern van de zygote en is de toestand
gunstig voor het optreden van een hermaphrodiet. Ware anato-
mische hermaphrodisie is dus volgens
Jordan een persisteeren van
een embryonale potentie, die phylogenetisch aanwezig is en in
deze abnormale gevallen refractair is ten opzichte van het geslachts-
chromosoom.

Bujard, die een paar ovariotestes bij jonge biggen onderzocht,
welke gekenmerkt waren door ovariale vlekjes in de tunica albu-
ginea, zegt omtrent de genese van ovariotestes bij zoogdieren, dat
uit de medullaire strengen de zaadbuisjes en uit de corticale de
ovariale elementen ontstaan. In de periode tusschen de opvolgende
formaties der medullaire en corticale strengen komen nieuwe cel-
lulaire potenties voor den dag, waardoor het gelijkt alsof het eene
geslacht door het andere wordt vervangen (hermaphrodisme
protandrique). Het voorkomen van corticale zaadbuisjes in de
tunica albuginea zou zoo zijn te verklaren, dat de primitieve functie
der corticale strengen eicellen te vormen, wordt vervangen door
de oorspronkelijk latente eigenschap van in zaadbuisjes te kunnen
overgaan, nadat de geslachtsverandering is tot stand gekomen.

Het is in verband met het veelvuldig afwijkend zijn der acciden-
teele geslachtskenmerken in vergelijking met het geslacht der
gonade, vooral bij hermaphrodiete menschen, van belang te wijzen
op de opvatting van
Halban over de onafhankelijkheid van het
geslacht van het individu van den aard der genitaalklieren. Het
geslacht, dat zich in het gcheele wezen, vooral in de accidenteele
geslachtskenmerken uitspreekt, is reeds in het ei gedetermineerd.
Er zijn dus mannelijke, vrouwelijke en hermaphroditische eieren.
Dit reeds voor de klieving in het spermovium vastgelegde karakter
komt tijdens dé ontwikkeling tot uitdrukking, waarbij de zich
vormende genitaalklier slechts een protectieve werking heeft. Voor
het manifest worden der vrouwelijke of mannelijke kenmerken is
het volgens
Halban onverschillig of deze klier een bal of een
eierstok is, als het maar een inwendig secerneerende klier is, want
ook andere endocrine klieren als de bijnieren zijn in staat door de
protectieve werking hunner increta de reeds vastgelegde, latente,
eventueel mannelijke of vrouwelijke geslachtskenmerken tot
ontplooiing te laten komen.

-ocr page 881-

De meeningen uitgesproken over het hermaphroditisme waren
voornamelijk voortgekomen uit waarnemingen bij den mensch
en de huiszoogdieren gedaan. Verband met hermaphrodisie en
intersexualiteit bij lagere dieren werd terloops genoemd, doch
eigenlijk nooit gezocht. Hierin is verandering gekomen door de
cytologische, genetische en experimenteele onderzoekingen, die
in den laatsten tijd over het ontstaan van het geslacht zijn gedaan.
Het is vooral het werk van
Morgan en zijn school met Drosophila
en van
Goldschmidt met Limantria, dat een geheel nieuw licht
op dit vraagstuk heeft geworpen en ons in staat stelt de teratolo-
gische hermaphroditismus uit dezelfde gezichtshoek te bekijken
als het groote vraagstuk der intersexualiteit in het algemeen.

Intersexualiteit is de toestand, waarbij het geslacht van het
dier tusschen het mannelijke en het vrouwelijke in staat. Zulke
dieren zijn intersexen. Gewoonlijk zullen zij kenmerken van beide
geslachten bezitten en zijn dan tevens hermaphrodieten. Het is
veel beter den naam hermaphroditismus voor het normale dubbel-
geslachtelijk zijn der lagere dieren te blijven gebruiken en voor de
abnormale sexualiteit van intersexualiteit en in plaats van wat
wij gewoonlijk onder de hoogere dieren hermaphrodieten noemen te
spreken van intersexen.
Crew zegt het zeer goed als volgt : „Her-
„maphroditism is the expression of a sexuality normal to a parti-
„cular group ; intersexuality, transient or permanent an expres-
,,sion of sexual abnormality in a particular group or individual.
„Hermaphroditism and intersexuality are the same expression
,,of the self-same mechanism, but whereas intersexuality is per-
,,fect or imperfect hermaphroditism in a nonhermaphroditic group
„or individual, hermaphroditism is perfect intersexuality in a
„group or individual in which such a state or quality is a custo-
„mary feature of the normal life history".

In hoofdzaak kan zich de intersexualiteit in twee vormen voor-
doen, die het beste gekarakteriseerd worden door de uitdrukkingen :
intersexe naar plaats en intersexe naar tijd (Raumintersexen und
Zeitintersexen van
Goldschmidt). Tot de eerste groep behooren
de z.g.n. gynandromorphen, tot de tweede de meeste andere
intersexen. Gene zijn die individuen, die een mosaic ten toon
spreiden van mannelijke en vrouwelijke kenmerken. Het meest
bekend zijn de bilaterale gynandromorphen, waarvan de eene
helft vrouwelijk en de andere mannelijk is, zooals onder de hoogere
dieren bij vogels zijn waargenomen. De andere intersexen, waar-
van de bij mensch en huisdier zooveel voorkomende hermaphro-
dieten voorbeelden zijn, zijn het best gekenmerkt door het elkan-
der na verloop van tijd opvolgen der verschillende geslachtelijke
kenmerken. Hier blijft dus de toestand het geheele leven door niet
hetzelfde, maar volgt het eene geslacht het andere meer of minder
duidelijk op.

-ocr page 882-

Voor een goed begrip van de genese der intersexen is het aange-
wezen een kort overzicht te geven van de wijze, waarop cytolo-
gisch het ontstaan van het geslacht kan worden verklaard. De
bevruchte eicel en iedere lichaamscel heeft het dubbele aantal
chromosomen van de rijpe ei- of zaadcel. Bezitten de laatsten n,
dan heeft een somacel er 2n of n paren. Dit geldt evenwel voor
slechts één der beide geslachten. Het andere heeft i chromosoom
minder en bezit dus slechts cellen met 211—1. Van één paar bezit
dat geslacht dus maar één vertegenwoordiger, het andere er twee.
Deze worden X- of geslachtschromosomen genoemd. Het laatste
geslacht, dat er 2X heeft, zal dus kiemcellen bezitten met ieder
iX, terwijl de eerste sexe er zal bezitten met iX en zonder X.
Deze is dus heterogameet of heterozygoot, gene homogameet of
homozygoot. Maar ook bestaat het geval, dat het homozygote
geslacht 2Xchromosomen heeft en het heterozygote een ongelijk
paar de z.g.n. X-Ychromosomen, zoodat dit rijpe kiemcellen zal
bezitten met iX en iY. Stel het mannelijke geslacht is heterozy-
goot en het vrouwelijke homozygoot, dan zijn er spermiën met iX
en spermiën zonder X of met Y en alleen eieren met X. Xspermie
met Xei geeft een zygote met 2X, is dus vrouwelijk aangelegd. Y-
of Ospermie geeft met Xei een zygote met XYchromosomen of
alleen X, m. a. w. is een mannelijk aangelegd individu. Daar dit
X--2Xmechanisme, zooals
Goldschmidt het. noemt, van zoo
groote beteekenis is voor de vorming van het geslacht, worden de
geslachtschromosomen door vele onderzoekers als geslachtsbepa-
lers aangemerkt. Andere zien ze als eerste begeleidende verschijn-
selen ervan. Wat hiervan ook waar moge zijn, 2X bepaalt het ho-
mozygote, X of XY het heterozygote geslacht. De andere chromo-
somen worden in tegenstelling tot de geslachtsc.hromosomen auto-
somen genoemd en gezamenlijk voorgesteld door 2A. Waar, ten
minste bij Drosophila, zooals uit de onderzoekingen van
Morgan
en zijn school is gebleken in Y geen genen aanwezig zijn, bestaat
er een verschillende chromosomenverhouding of -verwantschap bij
het homo- en het heterozygote dier ; nl. bij het eerste als 2X : 2A
of als X : A en bij het tweede als X : 2A. Van Engelsche zijde
wordt deze verhouding aangeduid als „internal environment", als
de inwendige omstandigheden of verhoudingen (chromosomen-
mechanisme), onder wier invloed zich de ontogenie afspeelt en
waardoor het geslachtelijke phenotype wordt bepaald. Hierbij
ontwikkelen zich de gonaden, die op hun beurt weer hormonen
vormen, onder wier invloed het phenotype van het geslacht ver-
der tot uiting komt, zooals o. a. uit de onderzoekingen van
Stei-
nach, Lipschütz
e. a. is gebleken. Toch zij er aan herinnerd, dat
men te veel vergeet, dat de volledige uitrusting van het geheele
samenstel van geslachtelijke kenmerken niet uitsluitend verklaard
moet worden met behulp van deze gonadale invloed, maar dat een

-ocr page 883-

blijvende invloed moet worden toegekend aan de oorspronkelijke,
genotypische vastlegging van het geslacht. Al kan, zooals o. m.
heterosexueele transplantaties leeren het phenotype het genotype
onderdrukken, in normale omstandigheden is het laatste toch de
basis waarop en onder wier oorspronkelijken invloed zich het
geheele stelsel van geslachtskenmerken vormt. Ook bij zoogdieren,
waar blijkbaar de gonadale normale invloed de grootste is, bestaat
nog deze verhouding.

Morgan heeft het gynandromorphisme bij Drosophila als volgt
verklaard : oorspronkelijk was het dier een vrouwtje dus XX met
een chromosomenverhouding X : A. Bij één der klievingen gaat
een dochter X verloren, met dit gevolg, dat voor één der dochter-
cellen het mannelijke genotype XO optreedt met de mannelijke
verhouding X : 2A. Is de verloren gegane X de mannelijke, d. w. z.
die, welker voorouders uit het spermium zijn gekomen, dan ver-
dwijnen dus de mannelijke genen en dus ook de aan dat geslacht
gebonden factoren. Is de verdwenen X de vrouwelijke, dan zijn
de vrouwelijke met de aan dat geslacht gebonden genen niet meer
aanwezig. Deze laatste zijn bij Drosophila dominant, zoodat als
de vrouwelijke X er niet meer is, de recessieve mannelijke tot ont-
plooiing kunnen komen en er dus een genotypisch vrouwelijk dier
is ontstaan met mannelijke kenmerken in die deelen, die uit de
cel, waarvan de X verloren is gegaan, zijn voortgekomen. Was
de mannelijke X met de recessieve genen verdwenen, dan zou er
een individu met gewone vrouwelijke kenmerken zijn gevoimd
en zou het gynandromorphisme niet voor den dag zijn gekomen.
Welke uitbreiding de heterosexueele kenmerken verkrijgen, hangt
geheel af van de klieving, waarbij de X verloren gaat. Is het bij
de eerste en vindt die plaats in het aanstaande mediane vlak, dan
zal een bilaterale gynandromorph het gevolg zijn. Bij de tweede
deeling heeft verloren gaan een \\ gynandromorph ten gevolge,
enz.

Bij de bespreking der bilateraal gynandromorphe vogels komt
Crew tot de conclusie, dat zij het best kunnen worden geïnter-
preteerd als het mannetje homozygoot is (XX) en er bij de eerste
klieving iX is verdwenen. Bovendien moet de controle over het
proces der sexueele differentiatie niet absoluut in de gonaden
gecentraliseerd zijn.

In de voorstelling , die door Goi.dschmidt van het geslacht
wordt gegeven, komt het in aanleg bisexueel zijn beter tot uiting.
Is het mannetje homozygoot, dus 2X, dan kan dat ook geschreven
worden als MM, waaraan (F) wordt toegevoegd om de vrouwelijke
exponent aan te geven. Een mannetje is dus voorgesteld door
(F) MM en een wijfje met iX of XY door (F) Mm. Waar in een
enkelgeslachtelijk dier de heterosexe latent aanwezig is, kan dit
worden verklaard door aan te nemen, dat bijv. de vrouwelijke fac-

-ocr page 884-

toren in een vrouwelijk dier meer waarde of valentie moeten be-
zitten dan de mannelijke en dat er om de vrouwelijke kenmerken
tot volkomen ontplooiing te brengen een bepaald verschil in va-
lentie tusschen de beide soorten van factoren aanwezig moet zijn.
Dit verschil is het epistatisch minimum van
Goi.dschmidt.

In een wijfje moet (F) ) M en in een mannetje MM ) (F), wil
het bepaalde geslacht tot uiting komen. Is het verschil kleiner
dan het epistatisch minimum, dan is de verhouding voor de vor-
ming van een intersexe geschapen, waarbij aanvankelijk de ont-
wikkeling begint in de richting van het geslacht, dat bij de be-
vruchting is bepaald om na verloop van tijd in die van het andere
geslacht verder te gaan. Er is dus een bepaald moment in de ont-
wikkeling, waarop een omkeer van geslacht plaats vindt. De plaats,
waar dit draaipunt in de ontwikkeling is gelegen, is afhankelijk van
de verhouding van het valentieverschil van
(F) en MM (eventueel
(F) en M) tot het epistatisch minimum. Hoe meer het eerste het
laatste nadert, hoe verder in de ontwikkeling dit draaipunt is ge-
legen. Hoe meer zij evenwel uit elkander loopen, hoe eerder de
transformatie van het geslacht zal plaats vinden.

Deze door Goldschmidt opgestelde theorie is gebaseerd op
waarnemingen bij Limantria gedaan. Deze vlindersoort komt zeer
verspreid over de aarde voor en wordt behalve in Europa o. a.
ook in Japan aangetroffen. Mannetjes en wijfjes zijn goed van el-
kander te onderscheiden. Reine teelt binnen de verschillende ras-
sen van Limantria geeft de gewone verhouding tusschen mannetjes
en wijfjes. Kruising kan tot resultaat hebben, dat naast normale
mannetjes wijfjes voorkomen, die een bepaalde graad van inter-
sexualiteit vertoonen en omgekeerd. De uiterste graad is volko-
men aannemen van de kenmerken van het andere geslacht. Waar
Goldschmidt de valentie zijner rassen kende, was hij in staat
iedere vorm van intersexualiteit te fokken.

Een nauwkeurig onderzoek wees uit, dat in den aanvang der
ontwikkeling het geslacht zich vormde, zooals door het X—2X
mechanisme was bepaald, dat daarna een keerpunt optrad, waarna
de heterosexueele kenmerken tot uiring kwamen. Als deze omkeer
optreedt binnen de periode, waarin het geslacht zich differen-
tieert, kunnen beiderlei soorten kenmerken tot vorming komen,
maar wanneer hij pas optreedt na deze periode, als alle organen
en weefsels dus reeds zijn vastgelegd, ontsnapt hij aan het oog,
omdat dan geen veranderingen meer zichtbaar worden.

Het bleek, dat als in een vroeg stadium der differentiatie de
omkeer tot stand kwam, wanneer dus de meeste organen nog moes-
ten worden aangelegd en tot ontwikkeling worden gebracht, de
intersexualiteit veel sterker was, dan wanneer hij in een laat
stadium optrad en de meeste organen reeds waren gevormd. Er
kwam dus voor den dag, dat
hoe eerder de omkeer plaats vindt-,

-ocr page 885-

hoe sterker de intersexualiteit is, hoe later de omslag optreedt, hoe
geringer de intersexualiteit is.
(Tijdwet van Goldschmidt).

Volgens deze wet kunnen ook de zygotenintersexen der hoogere
gewervelde dieren, die onder den naam van ware en pseudoher-
maphrodieten bekend zijn, worden verklaard. Vooraf zij er even-
wel opmerkzaam opgemaakt, dat er naast deze zygotenintersexen
bij de zoogdieren nog andere voorkomen, die tot nu toe alleen
bij het rund en de geit zijn aangetroffen, waarbij ook een geslachts-
transformatie plaats grijpt, maar voor wier genese geen genen,
doch hormonen aansprakelijk moeten worden gesteld en daarom
als hormonintersexen
(Goldschmidt) worden aangeduid.

Wil men dus een schematisch overzicht maken van de verschil-
lende soorten van intersexualiteit, die bij de zoogdieren kunnen
voorkomen, dan zou men dat op de volgende wijze kunnen doen :

A. Intersexen naar tijd,

i. Zygotenintersexen ; 2. Hormonintersexen.

B. Intersexen naar plaats.

Ik stel me voor mij in het verdere gedeelte dezer mededeeling
te beperken tot de zygotenintersexen, omdat ik de hormoninter-
sexen zelf weinig heb onderzocht en het voorkomen van plaats-
intersexen bij de zoogdieren nog niet vaststaat.

Bij den mensch en bij de Ungulaten is intersexualiteit dikwijls
geconstateerd. Hei aantal waarnemingen en beschouwingen er
aan gewijd is legio. Nog dagelijks kan men nieuwe gevallen be-
schreven vinden. De vormen, waarin de intersexualiteit zich kan
voordoen, zijn vele. Geen wonder dan ook, dat vele onderzoekers
gepoogd hebben ze in groepen in te deelen om ten minste eenigszins
een overzicht te verkrijgen. De meest aangenomene is die van
Klebs, waarin men gewoonlijk zij het soms met eenig wringen
zijn geval wel onder kan brengen, zoo men over het groote be-
zwaar : vasthouden aan een scherpe grens tusschen ware en pseudo-
hermaphrodieten wil heenstappen. (Dat de oude naam van her-
maphrodieten in gebruik blijft, is zeer wel hierdoor te verklaren,
dat ze gemakkelijk is in het gebruik).

De meest voorkomende intersexen zijn de z.g.n. mannelijke
pseudohermaphrodieten. Het uitwendige genitaalapparaat is veel-
al meer vrouwelijk dan mannelijk. Dikwijls is een penisachtig
vergroote clitoris aanwezig. Inwendig bevinden zich gewoonlijk
vrij goed tot goed ontwikkelde buizen van
Muller en van Wolff.
De gonade is een testikel zonder spermiogenese en kan iedere plaats
op zijn weg van lendenen tot scrotum innemen. Soms zijn enkele
der accessoire geslachtsoiganen, speciaal het zaadblaasje, ont-
wikkeld.

Vrouwelijke pseudohermaphrodieten zijn zeer zeldzaam. Er
zijn slechts enkele gevallen bij mensch en dier in de literatuur te

-ocr page 886-

vinden. Verschillende schrijvers over intersexen vermelden dezen
vorm niet eens. Ware hermaphrodieten, die tot voor enkele jaren
terug tot de groote uitzonderingen behoorden en waarvan zelfs
van gezaghebbende zijde het bestaan werd ontkend, komen bij den
mensch het varken en de geit nog al eens voor. De geslachtsklieren,
die bij het onderzoek van ware hermaphrodieten kunnen worden
gevonden, zijn :

a. ovariotestes aan weerszijden ; b. ovariotestis en testis ; c.
ovariotestis en ovarium ;
d. ovarium en testis.

Sheppard heeft bij den mensch en Crew bij het varken het zeer
zeldzame geval mogen waarnemen van 2 ovariën en 2 testes in
een individu. In beide lagen de ovariën op de normale plaats onder
de lendenen en bevonden zich de testikels resp. in het scrotum en
onder de huid van het perineum.

Crew merkt op, dat in geval van verschillende geslachtsklieren
aan weerszijden het ovarium steeds links aanwezig is en dat in een
ovariotestis het ovariale weefsel steeds oraal is gelegen en door een
sterke bindweefsel kapsel van den testikel is gescheiden. Mijn erva-
ringen zijn voor zoover het den bouw der ovariotestes betreft niet
met deze mededeeling in overeenstemming.
Sauerbeck, die aan de
hand van de hem bekende gevallen van ware hermaphrodisie naging
of aan de eene zijde het eene en aan de andere zijde het andere ge-
slacht overweegt, kwam tot de conclusie, dat hij dit in de echte
gevallen niet kon bevestigen. De zeer waarschijnlijke vielen wel in
het voordeel van de ervaring van
Lilienfeld uit, die ook had
aangegeven, dat links meer vrouwelijk en rechts meer mannelijk
was, nl. bij dieren in de verhouding 3 : 1 en bij den mensch 8 : 4
(2:1). Beziet men de lijst van de 24 gevallen van ware hermaphro-
disie bij den mensch, die ik in een noot in het begin van deze publicatie
heb vermeld, dan zal het opvallen, dat de gevallen van
Gast en
Schneider niet, die van Schmorl, Obolonsky, Zimmermann, Pho-
takis
en Sand wel met de waarneming van Crew overeenstemmen.

De voornaamste kwestie, waarmede men zich bij de studie der
zoogdierintersexen kan bezig houden, is die van het ontstaan.
Crew geeft hieromtrent een zeer belangrijke, samenvattende be-
schouwing, die ik iets uitvoeriger zal mededeelen, vooral omdat ik
mij er niet mede kan vereenigen. Hij begint de intersexueele zoog-
dieren in twee groepen te onderscheiden, feitelijk neerkomende op
de oude indeeling in pseudo- en ware hermaphrodieten:

a. typen van intersexen, bij welke geen morphologisch bewijs
aanwezig is \\ an voorafgaande of tegenwoordige aanwezigheid van
ovariaal weefsel; het testiculaire een histologische structuur ver-
toont, varieerende met de positie van de bal in de lijn van de primi-
tieve plaats tot in het scrotum, maar steeds min of meer gedegene-
reerd.

b. typen, waarbij ovariaal en testiculair weefsel aanwezig is.

-ocr page 887-

Hij acht deze indeeling gemotiveerd, want: „if ovarian tissue had
„ever been present in the case of class i (a), it should have persisted,
„since in those case, in which ovarian tissue is present, it is invaria-
,,bly of normal structure. It is proposed to regard the two classes
„as being distinct and to treat them separately."

De theorie van Crew is dan de volgende: de differentiatie van de
verschillende deelen van het geslachtsapparaat geschiedt niet in
denzelfden tijd. Na de indifferente periode vormen zich uit de indif-
ferente klier eerst de testis of het ovarium. Deze bepalen door hunne
hormonen de verdere ontwikkeling van de in- en uitwendige genita-
liën, waarbij de laatste aan de eerste voorafgaan. Het mannelijke
hormon zorgt voor de ontwikkeling van de buizen van
W\'olff en de
reductie van die van
Müller, het vrouwelijke doet omgekeerd.

Eerst moet dus worden verklaard, waarom uit de indifferente
klier een bepaalde gonade ontstaat. Aangenomen wordt, dat de
geslachtsklier in haar indifferent stadium ambivalent is ten op-
zichte van de verdere differentiatie (wel is waar niet absoluut
want het geslachtsgenotvpe is resp. XX of XO) en dat deze ge-
schiedt onder den invloed van de respectievelijke geslachtsfactoren,
waarbij voor het mannelijke geslacht de mannelijke sterker zijn
dan de vrouwelijke. Voor het vrouwelijke geldt juist het omgekeerde.

Ter verklaring van de sub a. genoemde typen wordt aangenomen,
dat er geen sprake is van „sex-reversal" of glandulaire herma-
phrodisie, waarin het ovarium alreeds is verdwenen of van zgn.
kweeën (hormonintersexen; freemartins). Zij worden geïnterpre-
teerd als voorbeelden van abnormale, sexueele differentiatie in
het genotypische mannetje, waarbij

1. de stimulans voor de differentiatie van de rest van de geslachte-
lijke uitrusting afkomstig is van de gonaden.

2. de abnormaliteiten zich beperken tot de vroegste stadia der
sexueele ontwikkeling.

3 de invloed van de stimulans dusdanig is, dat datgene, dat aan
het eigen geslacht behoort, zich ontwikkelt, terwijl dat, wat van
het andere geslacht is, wordt onderdrukt. Is de stimulans er
niet, dan gaat de groei van de embryonaal aangelegde
organen door.

4. de het geslacht differentieerende stimulans een verschillende
drempelwaarde behoeft voor de verschillende structuren van
het geslachtsapparaat en in de verschillende perioden ge-
durende de ontwikkeling van eenzelfde structuur.

Er zijn ook andere invloeden bij de ontwikkeling van het ge-
slachtsapparaat werkzaam als bijv. andere hormonen, maar een-
voudigheidshalve worden die thans buiten beschouwing gelaten.

Tijdens de differentiatie van de rest van het genitaalaparaat
van het genotypische mannetje onderscheidt
Crew drie gedeel-

-ocr page 888-

telijk in elkanders periode vallende phasen (overlapping phases):

1. Modelleering der uitwendig genitaliën.

2. Atrophie der buizen van Müller.

3. Verdere ontwikkeling der buizen van WoLFF en hare deri-
vaten. (zie fig 1).

Om met behulp van bovenstaand schema de verschillende
graden van intersexualiteit te kunnen bepalen, zij aangegeven,
dat eenvoudigheidshalve aangenomen wordt, dat voor alle struc-
turen dezelfde minium hoeveelheid stimulans voldoende is en
dat wanneer een of ander orgaan zijn ontwikkeling zonder leiding
van het geslachtshormon reeds eenigen tijd begonnen is, het
zich verder zonder die leiding ontwikkelt.

A. (fig 1). Minimum bereikt voor de differentiatieperioden,
dus een mannelijk dier met compleet geslachtsapparaat,

B. Eenige vertraging in de uitwerking of in de afscheiding van
het geslachtshormon. Resultaat: onvoltooide uitwendige ge-
nitaliën in een overigens normaal mannetje. Scrotum ook
als gewoon.

C. Sterkere vertraging : Uitwendige genitaliën nog meer onvol-
komen en buizen van
Müller verder ontwikkeld.

D. Uitwendige genitaliën als in C. Buizen van Müller beter
ontwikkeld, die van
Wolff niet zoo volkomen.

E. Uitgegroeide embryonale vorm, want de hoeveelheid der
hormonen bereikt nooit het minimum.

De verklaring voor het ontstaan der sub a. genoemde typen
van intersexen is dus in hoofdzaak gelegen in de meer of minder
volkomen afwezigheid of in de qualitatieve of quantitatieve in-
sufficientie van het weefsel, waarin het geslachtshormon zijn oor-
sprong neemt in die periode van ontwikkeling, waarin de diffe-

-ocr page 889-

rentiatie van de rest van het geslachtsapparaat afloopt (Crew).

Voor de sub b. genoemde typen, waarbij dus ovariaal en testi-
culair weefsel in een individu aanwezig is, wordt door
Crew een
abnormaliteit in de wijze van differentiatie van de gonade aan-
genomen. De rest van het genitaalapparaat is geheel als bij a. en
zou ook voor het ontstaan op dezelfde wijze verklaard kunnen
worden. Zijn ook deze dieren genetisch mannetjes, dan zou het
het geslacht determineerende genencomplex snel werkende vrou-
welijke en langzaam werkende mannelijke genen bevatten. De
differentiatie der gonaden zou verder niet synchroon zijn, maar
links zou voor rechts en craniaal voor caudaal gaan. De vrou-
welijke differentiatiereacties zullen het eerst het minimum over-
schrijden, met het gevolg, dat ovariaal weefsel eerst optreedt,
later nemen de mannelijke reacties de overhand en er vormt
zich testiculair weefsel.

Uit het niet gelijktijdig optreden der linker en rechter gonade
en der voorste en achterste deelen, zijn de combinaties, waarin
ovarium, ovariotestis en testis in de verschillende vormen der
ware hermaphrodisie bij zoogdieren voorkomen te verklaren. Het
merkwaardige varken van
Crew met zijn twee ovariën en zijn
twee testes onder de perineaalhuid is feitelijk een dier met ovario-
testes, waarvan de samenstellende deelen door de werking van
het gubernaculum zijn gescheiden. Iedere ovariotestis immers
zou uit een oraal ovariaal en een aboraal testiculair gedeelte
bestaan, door bindweefsel van elkander gescheiden.
(Crew).

Deze vernuftig bedachte, door Crew zelf speculatieve theorie
genoemd heeft groote bekoring en geeft op vele vragen een be-
vredigend antwoord. Toch kan ik er niet onverdeeld mede instem-
men. In de eerste plaats kan ik mij moeilijk vereenigen met de
scherpe scheiding tusschen de typen a. en b. en in de tweede
plaats wordt m. i. een te groote beteekenis toegeschreven aan
den stimuleerenden invloed der gonaden in een zeer jong sta-
dium der ontwikkeling. Ten opzichte van de eerste bedenking
zij opgemerkt, dat m.i. de typen a en b twee verschillende stadia
voorstellen van eenzelfde proces. Nu is dit uit den aard der zaak
moeilijk te bewijzen, omdat men bij zijn onderzoek slechts een
tijdbeeld onder oogen krijgt, waarvan men gewoonlijk heel wei-
nig kan zeggen omtrent het verleden en zich nog minder kan
uitlaten omtrent de toekomst, die, bij in leven blijven, zou zijn
doorloopen. Heeft men gelegenheid gehad het in onderzoek zijnde
geval tijdens het leven eenigen tijd waar te nemen, dan worden de
omstandigheden voor de beoordeeling iets gunstiger. Doch dit
is slechts bij uitzondering het geval. Zelf bij den mensch is dit niet
steeds mogelijk. In hoofdzaak is men aangewezen op de beelden,
die de preparaten geven. Onderzoekt men vele gevallen en krijgt
men dus verschillende beelden onder het oog, dan is het mogelijk

-ocr page 890-

een geheele serie te verkrijgen, waaraan een algemeen principe ten
grondslag ligt. Blijkt dan nog, dat dit principe in overeenstemming
is met hetgeen bij lagere dieren na experimenteeren is gevonden,
dan mag men althans met eenige waarschijnlijkheid gelooven,
dat de mogelijkheid bestaat, dat dat principe juist is. Wanneer
men zoover is gekomen, mag men deze grondgedachte als werk-
hypothese aannemen en wanneer dan steeds blijkt, dat nieuwe
gevallen in het veronderstelde schema passen, dan wint de ge-
dachte veld, dat men op het goede spoor is. Bovendien, waar
vindt men in de biologie wiskunstige waarheden en hoe vaak
moet men zich niet met waarschijnlijkheden tevreden stellen ?

(Wordt vervolgd).

BLADVULLING.

Avondslapers en morgenslapers.

Glauber besprak de vraag (Med. Kliniek, ref. v. Raamsdonk in N. T, v, G.
1928 II blz. 6085) of voor kinderen een vroeger of later beginnen van de
school wenselijk is. (In Duitsland en Zwitserland beginnen de scholen \'s zomers
om 7 of 8 uur).
Czerny vond dat bij kinderen, evenals bij volwssenen, de
diepte van den slaap na het eerste uur zijn maximum bereikt, daarna geleidelijk
daalt om tegen den morgen weer een verheffing te vertoonen die minder groot is
dan de eerste. Deze tweede verheffing is echter individueel zeer verschillend ; al
naar mate zij klein of groot is, spreekt men van avondtype en morgentype. De hoe-
veelheid slaap wordt niet alleen bepaald door den duur, maar kan beschouwd wor-
den als het product van het aantal uren en de slaapdiepte. Verkorting van den
slaap \'s morgens heeft daarom op mensen met het avondtype weinig invloed, op
die van het morgentype echter wel, omdat bij hen de morgenslaap van groote betee-
kenis is. Mensen van het avondtype worden \'s morgens, op welk uur zij ook gewekt
worden, fris en uitgeslapen wakker en hebben geen moeite om op te staan. De mor-
genslaper zal, wanneer hij b.v. \'s morgens om 4 uur gewekt wordt, ook zonder moeite
opstaan, omdat hij zich dan in het slaap-minimum bevindt ; eenige uren later echter
zal het opstaan hem groote moeite kosten. Nu is het eigenaardige dat de slaapcurve
van de morgenslapers zich niet gemakkelijk laat verschuiven, dat dus de morgen-
slaap aan bepaalde uren gebonden is ; het zou dus niet helpen als men die kinderen
vroeger naar bed liet gaan. Soldaten die gedurende eenige jaren van 9 uur \'s avonds
tot 5 uur \'s morgens sliepen, hadden toch geregeld slaap te kort.

Uit proeven bleek dat bij 200 kinderen, van de 6—9 jarigen 53% en van de 10—
13 jarigen 66.6% morgenslapers was. Bij zeer jonge kinderen is het aantal morgen-
slapers gering, het neemt dan geleidelijk toe en is vooral omstreeks de puberteit
zeer groot.

Hoeveel eet en drinkt een mens gedurende zijn leven ?

Volgens een franse berekening heeft een doorsnee fransman van 70 jaar iets meer
dan vijf spoorwagens vol voedsel tot zich genomen ; ongeveer 1800 maal zijn eigen
gewicht aan voedsel, daarvan 22.500 K.G. brood, 18.000 K.G. vlees, 12.000 eieren,
1750 K
.G. zout en 25.000 liter vloeistof.

Badwill, een engels statisticus, berekende dat een doorsnee-engelsman van 50
jaar het volgende genoten heeft : 70.000 pond brood, 20.000 pond vlees, 5.000 pond
groenten en 32.000 liter vloeistof. In die 50 jaar heeft hij 9.000 dagen geslapen ;
1500 dagen heeft hij zittend doorgebracht ; 800 dagen was hij op de been (in be-
weging), 500 dagen was hij ziek en 4000 dagen was hij voor zijn genoegen uit.
(Zeitsch. f. Fleisch- und Milchhyg. 1929, No. 20, blz. 398)- Vr.

-ocr page 891-

DE CHLOORCALCIUM-THERAPIE BIJ MELK ZIEKTE EN KOP-

Z1EKTE,

door

M. C. REISINGER.

Toen ik de publicatie van Prof. Sjollema betreffende de chloor-
calcium-therapie bij
mclkziekte las, drong zich onmiddellijk de ge-
dachte aan mij op, dat hierin een uitstekend middel lag, om het
de laatste jaren zoo sterk toegenomen „oppompen" door leeken,
tegen te gaan. Om dit echter met succes te kunnen doen, was het
eene hoofdvereischte, dat de nieuwe therapie bepaalde voordeelen
bood boven de uier-insufflatie en hiervoor was het eenige, de
nieuwe methode aan de praktijk te toetsen.

De meeste gevallen van melkziekte heb ik dezen winter en dit
voorjaar dan ook behandeld door intraveneuze injectie van chloor-
calcium en de uitslag was minstens even goed ; in enkele gevallen
bracht de toepassing ervan genezing, waar de uier-insufflatie ge-
faald had.

Maar deze enkele gevallen kunnen de veehouders nog niet over-
tuigen van de superioriteit der chloorcalcium-therapie. Ik geloof
daarom, dat wij het meer moeten zoeken in het feit, dat de melk-
secretie niet tijdelijk verstoord wordt en in het gevaar van na de
insufflatie optredende mastitiden. Naar mijn meening zijn dit
wel de zwaarst wegende argumenten, daar toch de uier het voor
den boer belangrijkste orgaan beteekent.

Tegenover deze voordeelen staat het nadeel van de huid-nccrose,
die als complicatie kan optreden, bij niet geheel „lege artis" uit-
gevoerde injectie.

Natuurlijk maakte ik hiermede ook kennis, doch daar ik steeds
in de melk-ader infundeerde, bemerkte ik niets dan een optredende
zwelling, die eenige weken bleef bestaan en daarna geleidelijk weer
verdween. Totdat ik mij op een goeden dag verplicht zag, in plaats
van in de melk-ader in de vena jugularis in te spuiten. Eene uitge-
breide necrose, gepaard gaande met ettering, trad op en dit ver-
klaar ik hieruit, dat de huid aan den hals veel losser ligt en de
vloeistof ook in de plooien van het kossum kan terecht komen.

Inspuiting in de melk-ader verdient dus de voorkeur, vooral
ook, wijl men, door de koe op eene zijde te laten trekken en te
laten fixeeren, de buikhuid gespannen voor zich krijgt, waardoor
het insteken van de naald zeer wordt vergemakkelijkt en deze
behoorlijk kan worden gelimiteerd.

Verricht men de injectie aldus, dan is de kans op het geraken
van de vloeistof buiten de ader zeer gering.

Wat het instrumentarium betreft, de indertijd door mij aange-
geven trechter voldoet mij nog steeds uitstekend.

Vaak hoort men, dat een record-spuit ook voor dit doel is te
benutten, maar ik moet toch opmerken, dat deze zeker het na-
deel heeft, breekbaar te zijn, waardoor men er voorzichtig mede

-ocr page 892-

dient te manipuleeren, terwijl bij eventueele breuk een niet onbe-
langrijke schadepost valt te boeken. De metalen trechter daar-
entegen is onbreekbaar, daardoor gemakkelijker te steriliseeren
en daarbij veel goedkooper.

Nu nog iets over de kans op recidive.

Slechts in twee van de door mij behandelde gevallen is recidive
opgetreden en daar hier zeer spoedig na het herstel met melken
was begonnen, meende ik hierin de oorzaak te moeten zoeken.

De veehouder is natuurlijk geneigd, wanneer men dienaan-
gaande geene uitdrukkelijke voorschriften geeft, het melken on-
middellijk na ingetreden beterschap te hervatten. Terwijl de uier-
insufflatie hiertegen a. h. w. eene natuurlijke bescherming biedt
— immers de ingepompte lucht onderdrukt de melk-secretie voor
eenige dagen — heeft men hier met een intact uier te maken.

Tegenwoordig schrijf ik dan ook steeds voor, pas 12 uur na het
herstel met melken te beginnen en dan de eerste malen niet „schoon
uittrekken".

Ook bij de kopziekte heb ik de chloorcalcium-therapie geprobeerd
en hoewel het aantal behandelde gevallen niet zoo groot is, geloof
ik toch te kunnen zeggen, dat bij tijdig ingrijpen vaak herstel
wordt verkregen.

In gevallen, waarbij reeds sterke dyspnoe en eene zeer frequente
ademhaling aanwezig was, stelde ik geene behandeling in, maar
adviseerde tot slachten.

Het is mij echter opgevallen, dat de ziekte zich zeer verschillend
kan voordoen. Vaak bespeurt men niets anders, dan dat de koe
niet kan opstaan, maar overigens een gezonden indruk maakt.
Uier-insufflatie helpt dan niets, tot na enkele dagen eene zeer
frequente pols- en ademhaling optreedt, gepaard gaande met heftige
excitatieverschijnselen, als slaan met den kop en de achterbeenen.

Na enkele uren treedt dan onder hevige benauwdheid de dood in.

Ook kan zich de ziekte per acuut voordoen, nl. het dier valt
in de weide neer en sterft onder dezelfde verschijnselen.

Bij een van de laatst behandelde gevallen constateerde ik hae-
moglobinurie,
wat ik tot dusver nog nooit had gezien.

Na een drie dagen achtereen herhaalde chloor-calciuminjectie,
trad beterschap langzamerhand in. De hart-insufficientie bleek
hier de rem te zijn voor eene vlotte genezing, een verschijnsel, dat
ik ook bij andere gevallen in het reconvalescentie-stadium had
opgemerkt.

Resumeerende, meen ik, dat de chloorcalcium-therapie bij melk-
ziekle
en bij kopziekte alle bestaansreden heeft en dat het zeker
aanbeveling verdient, door veelvuldige toepassing in de praktijk,
deze therapie op hare doeltreffendheid te beproeven.

Prof. Sjollema heeft dit, daar zijn onderzoek licht heeft ge-
bracht, in wat jaren onopgehelderd bleef, aan de practici zeker
wel verdiend.

Holten, 15 Juni 1929.

-ocr page 893-

BOEKAANKONDIGINGEN.

Die Lehre der Altersbestimmungbeiden Haustieren, von Prof. Dr. H. M. Kroon,
Utrecht. Met 115 Abbildungen nach Photographiën, 3. erganzte Au/lage. Verlag
von M. en H.
Schaper, Hannover, 1929.

Van het bovengenoemde werk over leeftijdsbepaling is een derde druk verschenen.
De stof is tot op den tegenwoordigen tijd bijgewerkt.

Allgemeine vergleichende Physiologie der Tiere von Prof. Dr. H. J. Jordan,
Utrecht.

Mit 279 Abbildungen : 761 Seiten. Preis M. 32 ; geb. M. 34. Verlag von Walter
de Gruyter &
Co., Berlin und Leipzig.

Bij het schrijven van dit werk heeft de schrijver zich twee eischen gesteld. Al-
lereerst wil hij vergelijkend zijn, d. w. z. hij is er niet mee tevreden de verrich-
tingen van de dierlijke machine, die zoozeer verschillen bij de verschillende dieren
naast elkaar te exposeeren, doch hij wil deze functies met elkaar vergelijken en
daarmede groepsgewijze onder één gezichtshoek brengen. In de tweede plaats wil
hij een algemeene physiologie geven. Men meene echter niet, dat de schrijver zich
beperkt tot het aangeven van de algemeene beginselen, noch dat hij alleen de eigen-
schappen van de bouwmaterialen zou bespreken, die bij de verschillende dieren door
dezelfde wetten van mechanica, physica en chemie bepaald worden. Hij geeft aan
zijn predicaat „algemeene" alleen deze beperkende beteekenis, dat hij niet de
physiologie der verschillende orgaanstelsels in details behandelen wil doch de be-
spreking tot de hoofdzaken wil beperken.

Aldus is de schrijver er in geslaagd een werk het licht te doen zien dat over-
zichtelijk is, en dat in omvang dien van een leerboek niet te buiten gaat. En dit
ondanks het feit, dat de hoeveelheid behandelde stof overweldigend is. De physio-
logie van het gansche dierenrijk, van de allerlaagste tot en met den menscli, via
de hoogere ongewervelde en de lagere gewervelde vindt er een bespreking. Wij willen
een enkelen greep doen ; bij de ademhaling worden achtereenvolgens besproken ;
de longen der zoogdieren, de waterdieren, de ademhalingstypen bij de land-
dieren (w. o. de insecten), de secretie- en de diffusietheorie, en de reguleering
bij de verschillende diersoorten. Onder „Waarnemingsleer bij dieren en mensch"
vinden in het hoofdstuk „waarneming en handeling bij de dieren" het instinct
en verschillende dierpsycliologische proeven een plaats. Dat het den schrijver ge-
lukte een zoo groote he>eveleheid materiaal tot een leerboek bijeen te brengen is
reeds een succes. Het persoonlijk karakter dat het op verschillende plaatsen toont
als gevolg van eigen werk, behoedt het voor eentonigheid.

Nog in een ander opzicht bleef de schrijver zijn beginsel om een leerboek te
geven, getrouw. Hij geeft den lezer zooveel mogelijk zekerheid, zelfs meer „als
eigentlich erlaubt ist" en geeft daardoor een leidraad aan de velen, voor wie
geheel nieuwe vraagstukken besproken worden. Dat groote moeilijkheden zich
hierbij moesten voordoen die niet alle konden worden ontward, maar knoopen
moesten worden doorgehakt, was onvermijdelijk. Een enkele maal zijn de sporen
daarvan zichtbaar. Zoo moest b.v. de gegeven voorstelling van de functie der
sacculus- en de utriculus-otholithen, ontleend aan het werk van
Magnus, in een
noot worden tegengesproken en in onzekerheid blijven. Had het werk van Quix
den schrijver hier geen dienst kunnen bewijzen?

Overeenkomstig het gestelde doel is de behandeling niet te gedetailleerd. Het
boek wil er dan ook geen aanspraak op maken de vraagbaak te zijn voor den arts
of den dierenarts, die een meer technisch uitgewerkte physiologie voor zijn speciaal
gebied behoeft.

Ongetwijfeld zal het werk een grooten kring van belangstellenden ontmoeten.
Weinigen, onder de biologen zoowel als onder de medici en de veterinairen zullen
er zijn, die niet door dit werk de basis van hun physiologisch begrip kunnen ver-
breeden. Dat ik het in de handen van den dierenarts wensch naast het physiolo-

-ocr page 894-

gieboek, dat hem omtrent zijn specifiek feitenmateriaal (voornamelijk de zoog-
dieren betreffende) inlicht, heeft nog een tweeden grond : hij vindt hier gegevens
bijeen betreffende de physiologie van vogels, visschen en insecten (b.v. de bijen),
die voor hem van rechtstreeksche waarde zijn.

De veelzijdige stof is in prettig leesbaren stijl behandeld, gemakkelijk bereik-
baar ondergebracht, dank zij een uitgebreid register, en door tal van duidelijke
platen toegelicht. J. Roos.

INGEZONDEN.

Over diermeel.

In antwoord op Collega te Hennepe het volgende :

i. Nog steeds verwart Coll. te H. de beide procédés en de eigenschappen
van de producten der ,,dry rendering method" met die der „internal pressure
method." Teneinde dit toe te lichten, heb ik een eenvoudige berekening gegeven,
waaruit blijkt dat Coll.
te H. zich vergist heeft. Dat de ,,internal pressure method"
met de temperaturen
kan werken van 150° C. is vanzelfsprekend en ligt in de woor-
den „internal pressure" opgesloten. Daarmede vervalt dan echter tevens het prin-
cipieele verschil, dat Coll.
te H. ziet tusschen de „verouderde natte methode"
en de „moderne dry rendering" ; want in beide gebruikt men dan dezelfde tem-
peratuur onder dezelfde omstandigheden (zie mijn berekening) en beide moeten
dus dezelfde producten leveren.

Dit is dus geen kwestie van „oordeel", noch van fabrikant X, noch van de
verschillende deskundigen maar eenvoudig een zaak van physische feiten be-
grijpen en berekenen.

Coll. te H. wordt voorts in verwarring gebracht door de elkaar tegensprekende
resultaten der onderzoekers van diermeel, zooals uit zijn aanhaling van de proeven
te Berlijn1) en in de Vereenigde Staten blijkt. De samenstelling der diermeel-
soorten, waarover Coll.
te H. spreekt, is qualitatief en quantitatief verschillend
zoodat een verschil van dierproef-resultaten, niet alleen geen verwondering be-
hoeft te baren, maar vanzelfsprekend is. 2)

Dat overigens de „proeven van Berlijn" door Coll. te H. volkomen ten onrechte
als „eingehend" worden aangeduid, blijkt uit het feit, dat de directeur van het
Tierphysiologische Institut der Landwirtsschaftlichen Hochschule te Berlijn op
een vraag, waar deze proeven gepubliceerd waren, geen antwoord wist te geven,
maar het vermoeden uitsprak, dat de proeven van
Zuntz 3) bedoeld worden, die
onder zijn „voorvoorganger" genomen waren.

De houding van Coll. te H. inzake de „lijkengiften" is zonderling. Na eerst te
hebben gewaarschuwd tegen het gebruik van niet-versclie grondstoffen voor de
bereiding van diermeel, uit angst voor „lijkengiften", komt Coll.
te H. tot de
slotsom, dat........men ze eerst nog moet aantoonen in de niet-versche grond-
stoffen, waarin ze juist volgens Coll.
te H. aanwezig zouden zijn.

Hoe oppervlakkig Coll. te H. in deze de literatuur kent, blijkt hier tevens uit.
Immers „eingehende" biologische proeven zijn reeds door Professor
Glage in
1902 4) uitgevoerd, terwijl
Haefcke in 1908 6) bovendien het chemische deel nog

J) Het door Coll. te H. aangehaalde werkje van Turck is mij bekend. De schrij-
ver, die overigens — evenmin als Coll.
te H. — ten aanzien van de bedoelde
proeven cijfers geeft, is (men zie het voorbericht) een machine-ingenieur, specialist
voor droogapparaten, die alzoo bezwaarlijk als autoriteit voor biologische kwesties
kan worden aangehaald.

) Zie ook A. Morgen, Landw. Ver. Station 1919, 92, 57.

) Zuntz. Berl. Klin. Wochenschrift 1917, No. 22.

) Glage, Zeitschr. Fleisch u. Milchhygiene, Band XII, H. 8 (1902).

-ocr page 895-

eens onderzocht. Glacé kwam tot de conclusie, dat rottend uitgangsmateriaal,
dat op zichzelf giftig bleek te zijn, na behandeling met stoom een diermeel leverde,
dat volkomen onschadelijk was, terwijl
Haefcke aantoonde, dat de in het uit-
gangsmateriaal aantoonbare ptomaïne (choline, putrescine en cadaverine) na be-
handeling van het materiaal gedurende eenige uren op 4 Atm. druk niet meer
aan te toonen waren.

Ook hier blijkt weer, dat de onzekerheid, die volgens Coll. te H. ten aanzien
van verschillende vraagpunten betreffende diermeel heerscht, onjuist is.

De beschuldiging van gegoochel met cijfers en gegoochel met gewichtsgroe-
peeringen is gemakkelijk uit te spreken ; Coll.
te H. zal deze beschuldiging echter
hebben waar te maken. Overigens is Coll.
te H. ten aanzien van zijn conclusie
over de giftigheid van extract voor kuikens, niettegenstaande zijn tirade over het
verschil tusschen een rat en een kuiken, er eveneens naast, hetgeen hem binnen-
kort duidelijk zal worden gemaakt.
 R. H. van Gelder.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE,

Kort verslag van het verhandelde in de Vergadering van het Hoofdbestuur op
Zaterdag, 22 Juni 1929, in Hotel Terminus te Utrecht.

Afwezig, met kennisgeving van verhindering, Vermeulen, Schuytemaker en
de Waardt.

Na de opening werd voorgelezen een ingekomen schrijven van Dr. Vermeulen,
waarin deze mededeelt tot zijn leedwezen op medisch advies te moeten bedanken
als secretaris der Maatschappij. De voorzitter vertolkte de gevoelens van alle
H.B.-leden in waardeerende woorden voor alles wat door den Secretaris gedurende
meer dan 15 jaren met opgewektheid is gedaan en sprak de beste wenschen uit voor
herstel van de gezondheid van Dr.
Vermeulen.

Aan ondergeteekende werd verzocht de werkzaamheden van H.B.- en Algemeene
Vergadering te verrichten in plaats van Dr.
Vermeulen, totdat de Algemeene
Vergadering diens opvolger zal hebben benoemd.

De notulen der vorige H.B.-vergadering werden na een kleine wijziging goedge-
keurd.

Geconstateerd werd, dat Dr. Tervoert, Directeur der Zwolsche Paarden- en
Veeverzekering-Mij. zijn mondeling gedane toezegging aan onzen Voorzitter om
zorg te zullen dragen dat geen verzekerde dieren door onbevoegden zouden worden
onderzocht en behandeld, nog niet schriftelijk aan ons H.B. heeft bevestigd, niet-
tegenstaande zulks wel aan den Voorzitter was beloofd. In een schrijven zal hierop
alsnog worden aangedrongen en tevens worden geïnformeerd, hoe het staat met
het onderzoek van directiewege naar de gewraakte feiten, die het H.B. van uit
de afdeeling Groningen—Drenthe ter oore zijn gekomen.

Op een onzerzijds gedaan verzoek is van Ir. Huisman, Secretaris der Hollandsche
Maatschappij van Landbouw, een schrijven ingekomen, waarin deze mededeelt
de juistheid te zullen nagaan van de te zijner kennis gekomen berichten aan-
gaande coöperatief inkoopen van sera en entstoffen door een verceniging van dieren-
artsen met uitsluiting van niet-aangeslotenen.

De resultaten van een correspondentie met het Hoofdbestuur der Posterijen,
Telegrafie en Telefonie over het tarief van een doorverbinding voor dierenartsen
eener telefoonaansluiting buiten de diensturen van hun locaal kantoor zijn inmid-
dels in ons Tijdschrift gepubliceerd.

Voorlezing werd gedaan van een reisplan met kostenbegrooting ten behoeve
van een studiereis van Prof.
van Oijen naar Duitschland, ten einde daar te lande
na te kunnen gaan de. rol, die de dierenarts vervult bij de keuring van visch, het
onderwijs en onderzoek van vischziekten enz. Aangezien een en ander overeen-

-ocr page 896-

kwam met de verwachtingen eener vorige H.B.-vergadering werd besloten, dat de
reis van Prof.
van Oijen door de Maatschappij zou worden bekostigd.

Het H.B. is van oordeel, dat van onze Maatschappij een actie uit moet gaan om
de a.s. studenten voor dierenarts te bewegen lid te worden van een der groote
studentenorganisaties ten einde hen vroegtijdig kennis te laten maken met de
voordeelen opgenomen te zijn in een organisatie met een gezond vereenigings-
leven. Te dien einde zal een circulaire met antwoord-briefkaart worden gezonden
aan alle directeuren van H.B.S.-en en Gymnasia en Lycea met verzoek opgave te
willen doen van namen en adressen van jongelui, die vermoedelijk voor dierenarts
zullen gaan studeeren. De Maatschappij zal zich met den betrokken candidaat in
verbinding stellen en aan een uit te kiezen collega in de buurt verzoeken om den
betrokkene en zijne ouders zoo noodig te overtuigen van het nut van het vereeni-
gingsleven der studenten.

Mededeeling werd gedaan, dat namens onze Maatschappij Dr. van Nederveen
is aangewezen om zitting te nemen in het Bestuur van de Prof. Dr. D. A. de Jong-
Stichting. Namens de Maatschappij voor Geneeskunde werd aangewezen Prof.
Nijhof en door de Faculteit voor Veeartsenijkunde Prof. van Oijen. Genoemd
voorloopig bestuur heeft zich gecompleteerd door de verkiezing van Dr.
Dhont,
Voorzitter van de Maatschappij voor Diergeneeskunde en van Prof. de Josselin
de Jong
van de Faculteit voor Geneeskunde te Utrecht.

Na de pauze was Prof. Kroon namens de Redactie van het Tijdschrift en het
Jaarboekje ter vergadering aanwezig. Inlichtingen werden gevraagd en verstrekt
over verschillende aangelegenheden van ondergeschikt belang, het Tijdschrift
en Jaarboekje betreffende. O. m. werd de abonnementsprijs van ons Tijdschrift
op ƒ 20,— bepaald, opdat dierenartsen, die geen lid van de Maatschappij zijn, het
Tijdschrift niet goedkooper zouden kunnen verkrijgen dan de leden. De Afdeeling
Gelderland—Overijssel zou gaarne de rubriek ,,Personalia" in ons Tijdschrift zien
uitgebreid. De Redactie zal trachten hieraan tegemoet te komen en o. m. over-
wegen tegen een matig tarief advertenties met familieberichten op te nemen. Ten
aanzien van het Jaarboekje werd besloten de Redactie middelen ter beschikking
te stellen, waardoor dit compleet kan worden uitgegeven, zoodat men kan vol-
staan met een enkel exemplaar bij de hand te hebben. De ontwerp-begrooting
werd na wijziging van een paar kleine bedragen goedgekeurd.

Ten aanzien van de besprekingen over de samenstelling van de agenda voor de
Algemeene Vergadering incl. de definitieve vaststelling van de concept-statuten
kan volstaan worden met verwijzing naar de reeds in ons Tijdschrift gepubliceerde
agenda.

Van den Directeur der Rijksseruminrichting is op ons verzoek ontvangen een
ontwerp-code, waardoor de kosten bij telegrafische bestelling van uitgebreide
orders kunnen verminderd worden. Aangezien de binnenkomende telegrammen
vrijwel steeds van het minimumtarief zijn, wordt door Dr.
Lourens geen belang-
rijke besparing voor de collega\'s verwacht.

Door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw
is ons oordeel gevraagd over de wenschelijkheid eventueel noodzakelijkheid dat
uit een oogpunt van dierenbescherming zoowel als uit technisch oogpunt kome
vast te staan, dat alle operaties, van welken aarel ook, uitsluitend door een geëxa-
mineerd veearts mogen worden verricht. Een en ander in verband met een moge-
lijke wijziging van onze Uitoefeningswet. De meeste leden van ons H.B. hadden
gelegenheid over dit punt de meening te vernemen hunner afdeelingsvergadering.
De eensluidende opinie over deze principieel gestelde vraag was haar even prin-
cipieel bevestigend te beantwoorden.

Na de rondvraag, waarbij nog enkele punten ter sprake kwamen, werd de ver-
gadering door den Voorzitter gesloten.

De wnd. Secretaris,
ten Thije.

-ocr page 897-

Programma van de 74ste Algemeene Vergadering, te houden op

Vrijdag 11 en Zaterdag 12 October 1929 in de groote zaal van
het Jaarbeursgebouw te Utrecht.

Vrijdag 11 October, des namiddags om 2 uur.

1. Opening der Vergadering.1)

2. Ingekomen stukken.

3. Mededeelingen van het Hoofdbestuur. Op 31 December 1929
treden af de afgevaardigden van de Afdeelingen Utrecht,
Friesland en Limburg, de H.H. J. H.
ten Thije, C. Ten-
Haeff
en J. J. W. Urlings. Van deze is alleen de eerste
herkiesbaar.

De Secretaris onzer Maatschappij, Dr. H. A. Vermeulen,
heeft zich tot zijn leedwezen genoodzaakt gezien voor de
drukke bezigheden van het secretariaat te bedanken aan
het einde van het loopende jaar.

Op 31 December 1930 treedt af de Voorzitter van de
Maatschappij Dr. J. J. F.
Dhont ; deze is herkiesbaar.

Op 3r Dec. 1930 treedt af van de Redactie van het Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde Dr. A.
Vrijburg ; deze is
eveneens herkiesbaar.

4. Verkiezing van een Secretaris der Maatschappij .Verkiezing
van een Ondervoorzitter-Penningmeester ; de heer W.
van
der Burg
is herkiesbaar en is candidaat gesteld door de
Afd. Gelderland—Overijsel. Verkiezing van een lid van de
Notulen-Commissie.

5. Verslag van den toestand der Maatschappij, van hare geld-
middelen, van het v. EsvELDfonds, het Ondersteuningsfonds,
het R.fonds en het Prof. Dr. D. A.
de JoNG-fonds.

6. Begrooting voor het jaar 1930. De ontwerpbegrooting is
in deze aflevering (No. 16) van het Tijdschrift opge-
nomen.

De volmachten der afgevaardigden, ingericht volgens art. 26 van het Huis-
houdelijk Reglement, behooren vóór het begin der vergadering bij den secretaris
te zijn ingediend.

-ocr page 898-

7. Voorstel van het Hoofdbestuur.

De Algemeene Vergadering besluite met ingang van 1930
per lid jaarlijks de som van / 1.— (een gulden) te heffen ten
behoeve van de Prof. Dr. D. A.
de JoNG-stichting.

Toelichting.

Het is overbodig op deze plaats een pleidooi te houden voor het belang van de
Prof. Dr. D. A.
de JoNG-stichting nu alle leden onzer Maatschappij individueel
daarvan hebben kennis genomen uit de hun toegezonden desbetreffende circulaire.
Het Hoofdbestuur is overtuigd dat de practische resultaten, die deze stichting
hoopt te bereiken, ten nauwste verbonden zijn aan de finantieele medewerking
van degenen, die met het doel sympathiseeren en uit dien hoofde wordt het boven-
staande voorstel aan de Algemeene Vergadering voorgelegd.

8. Voorstel van het Hoofdbestuur.

Reorganisatie der Maatschappij.

Behandeling van de hierna volgende concept-Statuten.
Inleiding :

Ingevolge het met algemeene stemmen aangenomen besluit in de vergadering
van de Maatschappij voor Diergeneeskunde op 12 October 1928 heeft het Hoofd-
bestuur gekozen tot leden der Commissie, die tot taak had, voorstellen te ontwerpen
betreffende een herziening van de Statuten en het Huishoudelijk Reglement der
Maatschappij de H. H. : Dr. A. A.
Overbeek te Breda ; Dr. C. J. G. van der
Kamp
te Groningen ; Dr. J. A. Beijers te Utrecht; J. Kranenburg te Klaas-
waal
; Joan Kirch te Uden.

Deze Commissie werd door den Voorzitter der Maatschappij geïnstalleerd op 3
November 1928 en zij verkoos Dr.
Overbeek als voorzitter en den heer Joan Kirch
als rapporteur. In haar vergadering van 29 Maart 1929 werd haar rapport aan het
Hoofdbestuur definitief vastgesteld en spoedig daarna konden de Hoofdbestuurs-
leden individucel met de bestudeering van dit lijvig rapport beginnen. In eerste
instantie werd dit rapport besproken in een vergadering van het Hoofdbestuur,
waarbij ook voorzitter en rapporteur der Commissie tegenwoordig waren en over
verschillende punten nadere inlichtingen konden worden verstrekt.

Het was te voorzien, dat bij een zoo belangrijke opgave als het hier gold, niet
aanstonds de definitieve vorm bereikt was, waarin de voorgestelde wijzigingen
aan de algemeene Vergadering ter behandeling konden worden aangeboden. In
een tweetal Hoofdbestuursvergaderingen zijn de concept-statuten behandeld,
waarin deze ten slotte werden vastgesteld als nader volgt.

Vooraf moge gaaD een gedeelte van de beschouwingen der eerder vermelde com-
missie, ontleend aan haar Rapport.

De Commissie heeft zich tot taak gesteld de volgende vragen onder de oogen
te zien :

1. Is het een algemeene wensch dat onze organisatie zich méér met de indivi-
dueele belangen harer leden gaat bezig houden?

2. Is het gewenseht dat het Hoofdbestuur in zaken van algemeenen aard zonder
plaatselijk karakter namens de leden der Maatschappij regelend al of niet bindend
optreedt ?

3. Is het gewenseht dat het Hoofdbestuur maatregelen te harer beschikking
krijgt om hare leden aan het onder 2 bepaalde te verplichten?

4. Is het gewenseht dat het Hoofdbestuur bij de Regeering aandringe op invoe-
ring van wettelijke tuchtmiddelen in den geest der tuchtwet van 2 Juli 1928
(Stbl. 222) ?

5. Is het gewenseht dat een Centrale Raad worde benoemd, welke te allen tijde
de individueele belangen der leden zal kunnen behartigen?

-ocr page 899-

6. Is het gewenscht dat onze Maatschappij sticht en in stand houdt een onder-
steuningsfonds voor behoeftige leden en hunne betrekkingen ?

7. Is het gewenscht dat onze Maatschappij medewerke aan het vastleggen in
een eerecode van goede beginselen, beoogende het handhaven en verbeteren van
goede regelen en gebruiken in de Diergeneeskundige samenleving?

8. Is het gewenscht dat het Hoofdbestuur maatregelen neme, dat reeds in den
studententijd het saamhoorigheidsgevoel tusschen de a. s. dierenartsen worde
ontwikkeld ?

Ad. 1. De vraag of het een algemeene wensch is dat onze organisatie, meer
dan tot nu toe geschiedde, voor onze standsbelangen zoowel algemeen als even-
tueel individueel kan en moet doen, meent de Commissie, te oordeelen zoowel uit
het ontstaan ervan als uit de uitspraak op de Algemeene Vergadering, in beves-
tigenden zin te moeten beantwoorden.

Ad. 2. Bij de beantwoording dezer vraag heeft de Commissie wél overwogen
dat niet alleen het financieel belang doch zeer zeker ook het standsbelang der
Dierenartsen er mede gebaat zoude zijn wanneer er over het geheele land voor het
verleenen van dezelfde Diergeneeskundige hulp ook eenzelfde geldelijke belooning
zoude worden gegeven. Zij heeft hierbij alleen op het oog die werkzaamheden,
waarvan een behoorlijke honoreering in het belang der beide partijen zal zijn.
Als in vrije concurrentie deze tarieven moeten worden bepaald, dan kan het niet
anders of deze worden te laag, waardoor noodzakelijk een minder goede uitoefening
dier hulp op den duur moet volgen. Als voorbeeld noemt zij : de honoreering van
den Dierenarts bij de georganiseerde tuberculosebestrijding, bij de massale be-
handeling en bestrijding van andere besmettelijke dierziekten alsmede bij het ver-
richten van werkzaamheden voor verzekeringsmaatschappijen. Al ontveinst zij
zich niet dat aan de invoering dezer maatregelen belangrijke bezwaren zijn ver-
bonden, toch is zij unaniem van meening dat een invoering van z.g. bindende be-
sluiten in het waarachtig belang zoowel van de Maatschappij in het algemeen
als van haar leden in het bijzonder moet worden beschouwd. Het legt den leden een
verplichting op, die niet dan na rijp beraad met een overgroote meerderheid van
stemmen moet worden genomen. De Commissie is van oordeel dat slechts spaar-
zaam tot het vaststellen van bindende besluiten moet worden overgegaan. Juist
door het zeer weinig toepassen ervan zal de betcekcnis van een dergelijk besluit
ten zeerste worden verhoogd.

De Commissie meent dat een algemeen bindend besluit, uit der aard meer-
malen van verstrekkende beteekenis, gedragen moet worden door den steun van
een groote meerderheiel onder de beoefenaren van ons vak en stelt daarom voor
dat een dusdanig besluit in een Algemeene Vergadering moet worden gesteund
door minstens s/4 der uitgebrachte geldige stemmen niet alleen, doch bovendien
vóór ele invoering aan een referendum moet worden onderworpen, waarbij wederom
3/4 der geldige stemmen vóór een dergelijk besluit zouden moeten zijn uitgebracht.
Ook de kwestie der plaatselijk bindende besluiten heeft de Commissie onder oogen
gezien.

Alhoewel de resultaten met vrijwillige onderlinge afspraken in afdeelingen
gemaakt, tot nog toe niet onverdeeld gunstig zijn gebleken, meenen wij toch
dat op analoge wijze als voor algemeen bindende besluiten ook voor het gebied
eener afdeeling de mogelijkheid van het vaststellen van bindende besluiten be-
hoort te worden gegeven. Als wapen tegen de lichtvaardige invoering en opdat
een behoorlijk vaste lijn in ons optreden naar buiten gewaarborgd worde, advi-
seeren wij een dergelijk afdeelingsbesluit eerst geldig te verklaren indien dit be-
sluit genomen is bij voldoende stemmenmeerderheid zoowel bij referendum als
op de afdeelingsvergadering, en het Hoofdbestuur, den Centralen Raad gehoord,
hiertegen geen bezwaren oppert.

Ad. 3. Het ligt voor de hand en het behoeft geen nader betoog, dat, waar de
Commissie adviseert tot invoering van bindende besluiten, zij de hier gestelde
vraag bevestigend beantwoordt.

-ocr page 900-

Inderdaad is de handhaving van bindende besluiten niet denkbaar, zonder de
mogelijkheid van strafoplegging aan de overtreders. Reeds thans regelt artikel
15 van het Huishoudelijk Reglement de strafmaatregelen, welke toegepast kunnen
worden, indien een lid strafbare handelingen heeft verricht, doch de Commissie
acht een uitbreiding gewenscht, waarbij de mogelijkheid van beboeting tot
/ 10,000.— is voorgesteld, een bedrag dat ook bij medici, pharmaceutcn, tandartsen
en anderen in hun reglementen wordt genoemd.

Al ontveinst onze Commissie zich niet, dat de aanneming onzer voorstellen een
zeer diepgaande wijziging beteekent, toch meent zij dat de tuchtmaatregelen
slechts zeer sporadisch in toepassing zullen komen en dat de praeventieve waarde
ervan grooter zal blijken te zijn dan haar curatieve kracht. Nu is uiteraard denk-
baar dat enkele vakgenooten voor hun lidmaatschap der Maatschappij zullen be-
danken of daartoe niet zullen toetreden. Dezulken kunnen de toepassing van
bindende besluiten bemoeilijken en ook op andere wijze de diergeneeskundige
ideëele en financieële belangen ernstig schade doen. Wij komen daarmede aan
de sub 4 gestelde vraag.

Ad. 4. Voor artsen, tandartsen en vroedvrouwen is de noodzakelijkheid van
het vaststellen van wettige tuchtmaatregelen ingezien. In de wet van 2 Juli 1928
(Stbl. 222) wordt een geneeskundige, een tandarts of een vroedvrouw, die zich
schuldig maakt aan handelingen, die het vertrouwen in hun stand ondermijnen,
of daardoor schade berokkent aan personen, te wier behoeve raad of bijstand van
hen wordt gevraagd, strafbaar gesteld, onverminderd de aansprakelijkheid inge-
volge het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Strafrecht met een der tucht-
maatregelen, wier ernst tusschen een waarschuwing en een verbod tot uitoefening
van hun ambt ligt.

Ook voor de Dierenartsen acht onze Commissie een tuchtwet de sluitsteen op ons
organisatiegebouw en geeft daarom het Hoofdbestuur gaarne in overweging te
zijner tijd stappen te doen welke een „tuchtwet voor Dierenartsen" tot gevolg
kunnen hebben. Zij meent te moeten opmerken dat, al zal voor geneeskundigen,
tandartsen en vroedvrouwen de handhaving van een zeker zedelijk en verstan-
delijk peil wel een algemeen belang kunnen worden genoemd, toch zeker het groot
nationaal vermogen dat onze Nederlandsche veestapel representeert en waarvan
de zorg voor zijn gezondheid aan de Dierenartsen is toevertrouwd, toch ook wel
aan den Wetgever de bevoegdheid kunnen geven te eisehen, dat de zorg voor dit
Nationaal vermogen op een behoorlijke wijze wordt uitgeoefend. Ook dient, en
zeker niet op de laatste plaats er wel op gewezen te mogen worden, dat de taak
van den Dierenarts in het belang der Volksgezondheid dikwijls een zeer omvang-
rijke is en reeds uit dien hoofde is het indienen\' van een tuchtwet alleszins te ver-
dedigen. Waar bovendien de Regeering jaarlijks zeer groote sommen voor de op-
leiding van de a. s. Dierenartsen uitgeeft en daarna niet of althans onvoldoende
in staat is een opgeleide, die blijkt geeft zijn vak niet te verstaan of ergelijk mis-
bruik maakt te straffen, daar komt het onze Commissie logisch voor dat wij de
Regeering moeten overtuigen van de noodzakelijkheid van het invoeren van wette-
lijke tuchtmaatregelen. Ook de wet op het Notarisambt, aan wier beoefenaren toch
ook in hoofdzaak de behartiging van financieele belangen zijn toevertrouwd, be-
vat strenge bepalingen, die genomen zijn om de eer en de waardigheid van het
Notarisambt hoog te houden, terwijl ten opzichte der advocatuur in de laatste tijden
stemmen opgaan, die ook voor het nemen van strengere tuchtmaatregelen spreken.

Daar in Pruisen van overheidswege voor Dierenartsen een dergelijke regeling
is gegeven, zal deze in ons land toch ook wel mogelijk zijn. Daar zijn Tierarzte-
kammern en een Haupttierarztekammer opgericht, wettig erkende beroepsrechts-
colleges, ingesteld met het doel :

A. De bevordering der veterinaire standsbelangen.

B. De behandeling van alle kwesties die op het veterinaire beroep of op de
openbare uitoefening der Diergeneeskunde met inbegrip van de Vleesch-
keuring en de veterinaire voedingsmiddlencontröle betrekking hebben.

-ocr page 901-

C. Het verleenen van advies op verzoek van de bevoegde autoriteiten.

D. Het oprichten van steunfondsen voor Dierenartsen en hun nagelaten betrek-
kingen terwijl de regeering verplicht is aan de Tierarztekammern de gelegen-
heid te geven zich over geschikte kwesties bij wijze van advies uit te spreken.

Ad. 5. In afwachting van de totstandkoming eener tuchtwet en ook onaf-
hankelijk daarvan, heeft de Commissie nagegaan op welke wijze onze eigen straf-
respectievelijk tuchtmiddelen moeten worden toegepast en met name de vraag
gesteld of het Hoofdbestuur der Maatschappij eventueel Dagelijksch Bestuur,
als tot nog toe, voor al onze maatregelen het uitvoerend college moet zijn, of dat,
hetzij op grond van artikel 2 van het Huishoudelijk Reglement of krachtens
nieuwe voorschriften een of meer raden of Commissies behooren te worden inge-
steld.

Het schijnt ons wenschelijk toe dat een vast college worde ingesteld dat naast
en met het Hoofdbestuur zijn aandacht voortdurend richt op de algemeene en
individueele belangen der Maatschappij leden en vooral ook in zake de eventueele
toepassing van tuchtmaatregelen een behoorlijk zelfstandige positie krijge.

Indien dit voorstel ingang zou kunnen vinden, ware de naam „Centrale Raad"
gewenscht, aangezien de naam „Commissie" volgens spraakgebruik meer duidt
op een orgaan, dat een bepaald onderwerp behandelt en bij uitspraak daarover haar
taak als geeindigd beschouwt. De naam „Eereraad" acht zij minder geschikt,
daar dikwijls zaken ter behandeling zullen worden gebracht, waarbij niet dadelijk
de standseer betrokken behoeft te zijn.

De vraag of naast dezen Centralen Raad ook afdeelingsraden imperatief moeten
worden voorgeschreven is ontkennend beantwoord.

De Commissie meent dat elke afdeeling vrij kan blijven al of niet een afdeelings-
raad in te stellen of het bestuur als zoodanig met den vollen omvang van de hand-
having der nieuwe voorschriften te belasten. Het komt de Commissie voor, dat de
algemeene statuten daaromtrent geen bepalingen behoeven te bevatten.

De Commissie heeft zich voorts de vraag gesteld of deze veranderingen door in-
of toevoeging aan het huishoudelijk reglement konden worden tot stand gebracht
en de statuten der Maatschappij onaangetast konden worden gelaten. Zij meent
echter tot statutenwijziging te moeten adviseeren aangezien de belangrijkheid
der voorgestelde maatregelen eischt, dat deze statuair worden vastgelegd. Artikel
21 der tegenwoordige statuten bepaalt dat alle besluiten bij volstrekte meerderheid
van stemmen worden genomen. In verband met het aannemen van bindende be-
sluiten dient hiern verandering te worden gebracht en de redactie aldus te luiden :

Art. 21. Alle besluiten worden, tenzij het z.g. bindende besluiten of een voor-
stel tot ontbinding der Maatschappij betreft, bij volstrekte meerdergeid van stem-
men genomen. Indien over een voorstel de stemmen staken, wordt het beschouwd
te zijn verworpen.

Ad. 6. De Commissie meent er de aandacht op te mogen vestigen dat het ten
behoeve van de maatschappelijke belangen harer leden gewenscht zoude zijn dat
onze Maatschappij gelijk hare zustervereenigingen, in hare statuten vastlegde het
stichten van een fonds voor hulpbehoevende Nederlandsche dierenartsen en hunne
betrekkingen. Juist nu tot statutenwijziging moet worden overgegaan, kan het
principieel besluit al daarin worden vastgelegd. Al zal dit fonds voorloopig nog
slechts over geringe geldmiddelen beschikken, toch is de mogelijkheid niet uitge-
sloten, dat in 1933 bij de herziening van het reglement van het „van Esveldfonds"
hieraan een dusdanige veranderde bestemming kan worden gegeven dat dit laatste
in wezen „het" Steunfonds der Maatschappij zou kunnen worden.

Ad. 7. De Commissie heeft de wenschelijkheid besproken van het vaststellen
van een leiddraad in zake de diergeneeskundige ethiek. Zij geeft het Hoofdbestuur
wel in overweging deze taak aan den nieuw te benoemen Centralen Raad te willen
opdragen.

Ad. 8. Het kan niet ontkend worden, dat onder de a.s. dierenartsen tengevolge
van de reorganisatie van het onderwijs in de laatste 10 jaren een geheel andere

-ocr page 902-

samenleving is ontstaan dan voor dien tijd het geval was. De band, die reeds in
den studententijd de a. s. dierenartsen bond, is jammer genoeg geheel verloren
gegaan. Vroeger beschouwde een veterinair student het lidmaatschap van de
Maatschappij voor Veeartsenijkunde als een logische voortzetting van dat van het
Veterinair Studentencorps; men stapte de eene organisatie uit en de andere binnen.
De jaarlijksche bijeenkomsten droegen daartoe niet weinig bij. Thans leeft ieder
veterinair student op zich zelf. Het zijn misschien nog wel enkelen, die zich tot
bepaalde groepen aaneensluiten, maar het verschil in inzichten tusschen de groe-
pen onderling is ook al niet bevorderlijk aan een latere gemeenschappelijke her-
eeniging. Wanneer een veterinair student zijn diploma heeft behaald mist hij
a. h. w. de automatische bemiddeling om over te gaan in de groote Maatschappij
van dierenartsen. Hij staat alleen en stelt dan ook alleen de vraag : „Moet ik lid
worden van die maatschappij of moet ik het niet doen?"

De tijden, dat zoo iemand uit een zeker eer en plichtsgevoel zou toegetreden
zijn, zijn helaas voorbij. Thans gelden alleen materieele overwegingen en het valt
niet te ontkennen, dat iemand die aan het begin van zijn loopbaan staat, nog
niet doordrongen is van de groote materieele en ideëele voordeelen, welke hem een
eventueel lidmaatschap zullen brengen. Hij weet wel dat hij abonné wordt op het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde, maar voor hem hebben thans alleen de mededee-
lingen van persoonlijken aard eenige interresse ; hij ziet niet in hoe de behartiging
zijner belangen, evengoed als het aankweeken van saamhoorigheidsgevoel en col-
legialiteitszin juist door het samenkomen op afdeelings- en algemeene vergaderin-
gen zoo sterk kan worden bevorderd. Hij voelt zich als jongere niet op zijn plaats
in een vereeniging, waarvan het Bestuur en het allergrootste deel der leden hem
nagenoeg onbekend zijn en na een eventueele vestiging meent hij de Maatschappij
niet meer noodig te hebben.

Deze onjuiste redeneering zal in de toekomst hoe langer hoe meer opgang maken.
Dit is te betreuren en daarom is de Commissie unaniem van meening dat de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde ook aan hen, die met goed gevolg het candidaats
examen hebben afgelegd, gelegenheid moet geven als candidaat-lid tot onze or-
ganisatie toe te treden. Zij zullen het zich dan tot een eer rekenen door de groote
Maatschappij erkend te worden en gaarne toetreden, vooral wanneer door het
nemen van bepaalde maatregelen aan het candidaat-lidmaatschap geen al te groote
financieele bezwaren zijn verbonden. Eventueel zou dit candidaat-lidmaatschap
desverlangd kunnen duren tot een jaar na het verkrijgen van het diploma als
dierenarts.

Ten slotte werd in de Commissie het voorstel ter sprake gebracht of het bureau
voor plaatsvervanging, zooals dit thans door Dr. H. A.
Vermeulen te Utrecht
wordt bestuurd, niet tot een officieele instelling der Maatschappij kon worden ver-
heven, terwijl het ook voor de a.s. collegae van buitengewoon nut kon worden
geacht, dat deze over tal van betrekkingen in Nederland en Koloniën de meest
mogelijke inlichtingen door tusschenkomst der Maatschappij zouden kunnen
verkrijgen. Het instellen van een wetenschappelijke „Arbeidsbeurs" al heeft deze
laatste naam dan ook voor velen een nu niet bepaald wetenschappelijken klank,
zou het best de bedoeling van onze Commissie weergeven. Ook het verleenen van
bemiddeling voor collega\'s en a. s. collega\'s bij praktijkovername, het geven van
adviezen in speciaal veterinair-juridische aangelegenheden zou tot haar taak kun-
nen behooren, kortom zij zou een vraagbaak kunnen zijn in alle aangelegenheden,
waarin een dierenarts meent bij haar de noodige en vertrouwde inlichtingen te
kunnen verkrijgen. Thans neemt de Redactie van het Diergeneeskundig jaar-
boekje wel een deel van deze taak over en heeft reeds bewezen een absoluut on-
misbare raadgeefster te zijn, doch zijn bestaan is niet in de statuten vastgelegd.

De Commissie stelt daarom voor de instelling van een bureau voor plaatsver-
vanging en inlichtingen, dat bemiddeling zal verleenen op verzoek der leden in
diergeneeskundige aangelegenheden.

-ocr page 903-

Het is natuurlijk niet te verwachten dat het Dagelijksch Bestuur der Maat-
schappij de groote vermeerdering van werkzaamheden, welke het zouden worden
opgedragen indien tal van voorstellen in dit Rapport gedaan of wensclien in dit
Rapport geuit, door de Algemeene Vergadering zouden worden overgenomen,
op zich zou kunnen nemen. Bij de kwestie der bindende besluiten heeft onze Com-
missie voorgesteld de instelling van een Centralen Raad, die zich blijkens de toe-
lichting met een omschreven taak zal bezig houden. Waar de behartiging der
persoonlijke belangen der leden dikwijls buiten de werkingssfeer van genoemden
Raad zal vallen, heeft de Commissie overwogen of de aanstelling van een gesala-
rieerd ambtenaar aanbeveling verdient. Reeds vaker is dit denkbeeld geopperd,
en ook de Commissie meent dat t. z. t. in deze richting een oplossing zal moeten
worden gezocht. De werkzaamheden van den Secretaris van het H. B. nemen een
zoodanigen omvang aan, dat met het groeien onzer organisatie en het zich meer
evolutioneercn van deze in de richting vaneen vakvereenigingdegeheele persoon
zal worden gevraagd.

Toch wenscht zij om redenen van financieelen aard niet met een dergelijk voor-
stel te komen.

Concept-Statuten.

HOOFDSTUK I.

Naam en Doel der Maatschappij.

Art. i. De Vereeniging draagt den naam „MAATSCHAPPIJ VOOR DIER-
GENEESKUNDE" en is gevestigd te Utrecht. Zij zal in deze Statuten verder
worden genoemd „de Maatschappij".

Art. 2. Haar doel is de bevordering der diergeneeskundige wetenschap in
den meest uitgebreiden zin, zoomede de behartiging der maatschappelijke belangen
harer leden. Zij tracht dit doel te bereiken langs wettigen weg :

a. door op te treden als vertegenwoordigster van den diergeneeskundigen stand I

b. door het houden van vergaderingen ter behandeling van wetenschappelijke
vraagstukken en van onderwerpen van wetgevenden en maatschappelijken
aard op diergeneeskundig gebied ;

c. door het bevorderen van de diergeneeskundige studie in den uitgebreidsten
zin, het doen plaats hebben, aanmoedigen of beloonen van wetenschappe-
lijken arbeid ;

cl. door het uitgeven of doen uitgeven van een Tijdschrift voor Diergeneeskunde ;
e. door het nemen van maatregelen tegen en het bestrijden van toestanden en
gedragingen op diergeneeskundig gebied, welke strijdig zijn met een waardige
uitoefening der diergeneeskunde, of met de belangen van de Maatschappij
en hare leden ;

/. door het stichten en in standhouden van een fonds ter ondersteuning van be-
hoeftige dierenartsen en hunne betrekkingen ;
g. door andere wettige middelen, welke aan het doel bevorderlijk kunnen zijn.

HOOFDSTUK II.

Van de Samenstelling der Maatschappij.

Art. 3. De Maatschappij is samengesteld uit bizondere Afdeelingen en een
algemeene Afdeeling.

Art. 4. Inrichting en werkzaamheden der Maatschappij worden nader ge-
regeld bij Huishoudelijk Reglement, hetwelk geen bepalingen mag bevatten,
strijdig met deze Statuten.

-ocr page 904-

HOOFDSTUK III.

Van de leden.

Art. 5. De leden der Maatschappij worden onderscheiden in :

a. gewone leden,

b. buitengewone leden,

c. correspondeerende leden,

d. eere-leden,

e. candidaat-leden.

Art. 6. Gewone leden zijn zij, die gewoon lid zijn van een der afdeelingen der
Maatschappij. Om gewoon lid eener afdeeling te kunnen worden moet men wette-
lijk bevoegd zijn hier te lande de diergeneeskunst uit te oefenen of wel lid zijn
van de Faculteit der Veeartsenijkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Niemand kan gewoon lid zijn van meer dan eene afdeeling.

Candidaat-leden kunnen worden studenten inde diergeneeskunde, die met goed
gevolg het candidaats-examen in de Veeartsenijkunde hebben afgelegd.

Art. 7. Als buitengewoon lid kunnen, ter beslissing van de leden der bizondere
afdeelingen, tot deze toegelaten worden, gewone leden der Maatschappij, alsook
dierenartsen, niet op diergeneeskundig gebied werkzaam of buiten Nederland
gevestigd en niet-dierenartsen of Vereenigingen, welke het bereiken van het doel
der Maatschappij wenschen te bevorderen.

Candidaat-lid kunnen worden studenten in de diergeneeskunde, die met goed
gevolg het candidaats-examen in de Veeartsenijkunde hebben afgelegd.

Zij zijn geen lid van een bepaalde afdeeling.

Een candidaat lid kan dit desverlangd blijven gedurende één jaar, nadat hij tot
dierenarts bevorderd is.

Art. 8. Tot eereleden, of, indien het buitenlandsche personen betreft, tot
correspondeerende leden kunnen allen, die zich jegens de Maatschappij of de
wetenschap bizonder verdienstelijk gemaakt hebben, op voordracht van het
Hoofdbestuur of van een bizondere afdeeling worden benoemd.

Art. 9. Het lidmaatschap gaat verloren ie. door overlijden,

2e. door opzeggen,
3e. door schrapping.

Art. 10. De rechten en verplichtingen van de leden worden nader omschreven
in het Huishoudelijk Reglement.

HOOFDSTUK IV.

Van de Afdeelingen.

Art. 11. Vijftien of meer gewone leden der Maatschappij kunnen zich tot
een bizondere afdeeling vereenigen ; bij uitzondering kan een algemeene ver-
gadering, op voorstel van het Hoofdbestuur, ook bij een geringer aantal leden,
hare goedkeuring aan de oprichting verleenen.

De erkenning dezer afdeelingen geschiedt door het Hoofdbestuur ; indien dit
daartegen bezwaar maakt, beslist een algemeene vergadering.

De Algemeene afdeeling wordt gevormd door gewone leden, die bij geen der
bizondere afdeelingen zijn aangesloten.

Art. 12. De rechten en verplichtingen der afdeelingen worden bij huishou-
delijk reglement geregeld. Elke bizondere afdeeling regelt haar inrichting en werk-
zaamheden bij eigen reglement, hetwelk echter eerst kracht verkrijgt door de goed-
keuring van het Hoofdbestuur ; bij verschil van meening beslist een Algemeene
Vergadering.

Art. 13. Bizondere afdeelingen, welke handelen in strijd met de statuten
en het huishoudelijk reglement der Maatschappij, of met het besluit van een alge-
meene vergadering, kunnen, op voorstel van het Hoofdbestuur, door een alge-
meene vergadering, met 2/3 der aanwezige stemmen, worden ontbonden.

-ocr page 905-

HOOFDSTUK V.

Van het Hoofdbestuur.

Art. 14. Het Hoofdbestuur bestaat uit een voorzitter, een onder-voorzitter,
tevens penningmeester en een secretaris, vormende deze functionarissen het
„Dagelijksch Bestuur", door en uit de gewone leden op een Algemeene Vergadering
te kiezen, zoomede uit de door de afdeelingen afgevaardigde leden.

Iedere afdeeling vaardigt één lid naar het Hoofdbestuur af.

Art. 15. De vertegenwoordiging der Maatschappij in en buiten rechten, de
uitvoering van hare besluiten, de handhaving van statuten en reglementen en in
het algemeen de behartiging van de belangen der Maatschappij zijn opgedragen
aan het Hoofdbestuur.

Art. 16. Tot bezwaring en vervreemding van de bezittingen der Maatschappij
behoeft het Hoofdbestuur de machtiging van een Algemeene Vergadering.

HOOFDSTUK VI.

Van dm Centralen Raad.

Art. 17. Er bestaat een Centrale Raad, wiens leden en plaatsvervangende
leden door een Algemeene Vergadering worden benoemd. Zijn werkzaamheden
worden bij huishoudelijk reglement bepaald.

HOOFDSTUK VII.

Van de Vergaderingen.

Art. 18. Op een bij het huishoudelijk reglement te bepalen tijd en wijze wordt
eene gewone, algemeene Vergadering gehouden. Indien het Hoofdbestuur het
noodig acht, of minstens drie afdeelingen het verlangen, wordt een buitengewone
Algemeene Vergadering belegd.

Art. 19. Ieder lid der Maatschappij heeft toegang tot de Algemeene Verga-
deringen ; de candidaat-leden bezitten echter niet het recht aan de beraadsla-
gingen en stemmingen deel te nemen.

Art. 20. De afgevaardigden der bizondere afdeelingen, benevens alle leden,
die niet door een der afgevaardigden worden vertegenwoordigd, kunnen aan de
stemming deelnemen.

Art. 21. Alle besluiten worden, indien niet anders bepaald, bij volstrekte
meerderheid van stemmen genomen. Indien over een voorstel de stemmen staken,
wordt het beschouwd te zijn verworpen.

HOOFDSTUK VIII.

Van de Bindende Besluiten.

Art. 22. Een Algemeene Vergadering kan, op voorstel van het Hoofdbestuur
besluiten nemen, waaraan alle leden der Maatschappij verplicht zijn zich te houden.

Art. 23. Na op een Algemeene Vergadering met minstens 3/4 der uitgebrachte,
geldige stemmen, te zijn aangenomen, wordt een voorstel van een bindend besluit
aan een referendum onderworpen. Indien zich daarbij minstens 3/4 der uitgebrachte
stemmen voor aanneming verklaren, wordt het ingevoerd.

Art. 24. Op overeenkomstige wijze, als in art. 23 vermeld, kunnen afdeelingen
voor hun werkgebied bindende besluiten nemen, welke echter de goedkeuring van
het Hoofdbestuur, den Centralen Raad gehoord, behoeven.

HOOFDSTUK IX.

Van het Ondersteuningsfonds.

Art. 25. Het fonds, bedoeld in art. 2 /, wordt beheerd volgens de bepalingen,
vervat in het daarop betrekking hebbend reglement.

Art. 26. De gelden en de administratie van het Ondersteuningsfonds blijven
gescheiden van de geldmiddelen en de administratie der Maatschappij.

-ocr page 906-

Art. 27. Het Ondersteuningsfonds kan alleen opgeheven worden, wanneer
de Maatschappij voor Diergeneeskunde wordt ontbonden en wel in de vergadering,
waarin tot ontbinding der Maatschappij besloten wordt. Het zal alsdan bestemd
moeten worden voor een doel, hetwelk .zooveel mogelijk, in overeenstemming is
met de bestemming van het fonds.

HOOFDSTUK X.

Van de Geldmiddelen.

Art. 28. De geldmiddelen der Maatschappij worden gevonden uit de jaarlijksche
bijdragen der leden, uit giften en erflatingen en uit renten van beiegde gelden.

Art. 29. De vaststelling der jaarlijksche bijdragen wordt bij huishoudelijk
reglement geregeld.

HOOFDSTUK XI.

Van de verandering der Statuten.

Art. 30. Deze statuten kunnen niet worden gewijzigd of uitgebreid dan ten-
gevolge van een desbetreffend voorstel, hetwelk in het programma van een alge-
ineene vergadering is opgenomen en in die vergadering met 2/3 der uitgebrachte
stemmen is aangenomen.

De gewijzigde statuten treden in werking, zoodra daaraan de Koninklijke goed-
keuring is verleend.

HOOFDSTUK XII.

Slotbepalingen.

Art. 31. De vereeniging is aangegaan voor een tijdvak van 29 jaren, te re-
kenen van 4 April 1890. Na het verstrijken van dit tijdvak wordt de vereeniging
opnieuw aangegaan voor den tijd van zes en twintig jaar.

Vóór het einde van den laatstbedoelden termijn zal over het al dan niet voort-
bestaan der Maatschappij worden beslist.

Art. 32. Ontbinding der Maatschappij kan alleen geschieden tengevolge van
een daartoe strekkend voorstel, hetwelk in het programma van een Algemeene
Vergadering is opgenomen en in die vergadering met minstens 2/s der uitgebrachte
stemmen is aangenomen. Bij aanneming van het voorstel zijn zij, die zich tegen het
voorstel tot ontbinding hebben verklaard, bevoegd de afgifte aan hen te eischen
van de goederen der Maatschappij, tegen betaling eener vergoeding tot een be-
drag, bij scheidsrechterlijke uitspraak vast te stellen en tegen overneming van alle
verplichtingen uit art. 1702 van het Burgerlijk Wetboek voor de gezamenlijke
leden der Maatschappij voortvloeiende.

Bij het besluit tot ontbinding wordt de benoeming der scheidsrechters geregeld
en een andere instelling, met een doel zooveel mogelijk overeenkomende met dat
der Maatschappij, aangewezen, aan welke bovenbedoelde vergoeding zal worden
uitgekeerd of aan welke de goederen der Maatschappij worden toegewezen, indien
de minderheid van haar bevoegdheid tot het overnemen daarvan niet binnen
één iaar na de goedkeuring van het voorstel door de leden heeft gebruik gemaakt.

Het op het oogenblik der ontbinding zitting hebbende Hoofdbestuur is met de
liquidatie der ontbinding belast.

Naschrift.

Van zijn voornemen om concept Statuten en concept-Huishoudelijk Reglement
in één enkele Algemeene Vergadering te behandelen heeft het Hoofdbestuur ten
slotte afgezien. Daarvoor bleek de materie te uitgebreid en de belangrijkheid van
de reorganisatie onzer Maatschappij gedoogt wel daaraan nog een volgende Alge-
meene Vergadering te besteden. Niettemin heeft het Hoofdbestuur reeds een ver-
gadering besteed aan de vaststelling van het concept-Huishoudelijk Reglement,
zoodat, indien zulks ter Algemeene Vergadering gewensclit wordt, reeds mede-
deeling gedaan kan worden van de opinie van het Hoofdbestuur over de uitwerking
van principieele aangelegenheden in het Huishoudelijk Reglement.

-ocr page 907-

Vrijdagavond, gemeenschappelijke maaltijd, waarvan plaats en
uur nader bekend zullen worden gemaakt.

Zaterdag, 12 October 1929, des voormiddags 10 uur.

1. Rede van den Voorzitter.

2. Prof. Dr. B. Sjollema : „Onderzoekingen over kopziekte".

3. Dr. J. van der Hoeden : „Infectie bij paarden met de bacil
van de besmettelijke abortus van het rund" (Brucella Bang).

PAUZE.

4. Prof. Dr. G. Krediet : „De invloed van geslachtshormonen
op de ontwikkeling van de baarmoeder bij intersexen" (met
lichtbeelden).

5. Prof. Dr. J. J. Wester : „Grepen uit de kliniek" (met licht-
beelden).

Aldus opgemaakt door het Hoofdbestuur :
J. J.
F. Dhont, Voorzitter.
J. H. ten Thije, Wnmd. Secretaris.

-ocr page 908-

ONTVANGSTEN

UITGAVEN

Saldo Twentsche Bank .
,, Nutsspaarbank
,, effecten . . . .

r. 2 2i

Mr

9OOO —
7OO--

Contributie Alg.

Afd.

Afdeeling.....

Friesland.....

Groningen-Drente. .
Gelderland-Overijsel.

Utrecht......

N.-Holland.....

Z.-Holland ....
N.-Brabant ....

Limburg.....

Zeeland......

/ 2403.-

- 1080.

- 1320.-

- 1860.

- 1670-

- 1220-

- 1800.

- 740.-
640

- 430.

1132 54è

Zaalhuur vergaderingen......

Verdere onkosten vergaderingen . ,

Honorarium Secretaris......

Contributiën en Vertegenwoordiging

Commissiën...........

Druk- en typewerk........

Incasseeringskosten........

Storting ondersteuningsfonds. . .
Aflossing aandeelen Absyrtus. . .

Onvoorziene uitgaven \'j.....

Saldo kas...........

,, Nutsspaarbank......

,, Effecten.........

Vordering op het Reichmanfonds.

177 65

500—!
176 60
126 03
215
99

41 88J
674 —
5° —
107 50

Verkochte formulieren.....

catalogi.......

Gekweekte rente.......

Geïnde schulden Absyrtus . . .
Koerswinst op effecten . . . .
Debet saldo Twentsche Bank \')

187-51

47 57
14941.25

1350 —

- 16526 33

/ 29430 74

\') Onkosten van de reis van den Voorzitter naar Hannover
tengevolge van het jubileum van de Veeartsenijkundige Hooge-
school aldaar.

De Penningmeester,
(w g.) W. van der BURG.

Gezien en goedgekeurd door het Bestuur van de Afdeeling
Limburg. Roermond 9 Maart 1929.

(get.) J. G. JANSSEN
KERSTENS.

/ 496.20

- 1572.09

- 12905.—

/ 14973

29

/ 13163

42

70

26

40

- 856

12

- 87

68

- 83

75

197

80

/ 29430

74

Nadeelig kassaldo 1927 ....
Tijdschrift voor Diergeneeskunde
Diergeneeskundig jaarboekje . .
Reis- en Verblijfkosten H.B.
Verdere onkosten H.B.....

1) Ontstaan door een voorschot verleend aan het Reichmanfonds
ten behoeve van een extra uitkeering uit dat fonds, waarvoor op
dat oogenblik onvoldoende kasmiddelen beschikbaar waren.

i Februari 1929.

-ocr page 909-

Ontwerp Begrooting voor de Maatschappij v. Diergeneeskunde v. h. jaar 1!

UITGAVEN

ONTVANGSTEN

Aan Contributies :

625 leden a / 20.—................

52 ,, a / 18.—................

2 buitengew. leden a / 10.—- ....

4 halfj. leden a / 10.—..........

Aan verkochte formulieren.........

Aan verkochte catalogi ...........

Te kweeken rente................

Te innen achterstallige schulden van
Absyrtus.......................

/ 12500 —
- 936 —
20
43 —
5° —
5° —
800 —

Me mor ie

ƒ 14396 ■

Aan :

Tijdschrift voor Diergeneeskunde . . .

Diergeneesknndig Jaarboekje ......

Reis- en verblijfkosten H.B. ƒ 1050.—
Verdere onkosten H.B.. . . - 300.—

Honorarium Secretaris.............

Abonnement telefoon Secretaris ....
Zaalhuur voor vergaderingen / 175.—
Verdere onkosten voor ver-
gaderingen................- 75.-

Contributiën en vertegenwoordiging.

Commissiën ....................

Druk- en typewerk ..............

Incassokosten....................

Storting ondersteuningsfonds .....

Internationaal Veearts. Congres . . .

Aflossing aandeelen Absyrtus .....

Onvoorziene Uitgaven ...........

/ 90c
- 8c

I3J
50

i

6!

- 60
Memc

- 43

/ 1439

de Penningmeester:
W. van der Bur

4 Juni 1929.

Toelichting, Ten aanzien van de post onder Ontvangsten, aan Contributies,
2de regel, waar staat 52 leden a / 18.— wordt opgemerkt, dat deze leden van
de Algemeene afdeeling tot dusver
f 15.— betaalden, waarvoor zij o.m. geregeld
het Tijdschrift en Jaarboekje ontvingen.

Aangezien de productiekosten van het Tijdtchrift alleen reeds ongeveer
/ 18.— per lid bedragen, heeft het Hoofdbestuur het billijk geacht dat zij dit
bedrag ook aan de Maatschappij betaalden.

-ocr page 910-

Rekening en Verantwoording van Kapitaal en Rente van het D. F. van Esveldfonds over 1928.

UITGAVEN.

ONTVANGSTEN.

Saldo Twentsche Bank ƒ 758.08

,, Effecten .... - 15641.25

-1 Saldo kapitaal . .

ƒ 15033

84

/ 16399.33 j „ rente \'26

en \'27

- 1365

49

Schenking van den Heer H. J. Vrielink .....

9

73

Gekweekte rente ................

- 834

56

Koerswinst op effecten..............

- 138

62

/ 17382

24

Saldo Twentsche Bank / 449.12

Effecten .... - 16933.12 j Saldo Kapitaal . ƒ 15182 19

-j ,, rente\'26en\'28 - 220095

/ 17382.24

/ 17382 24

Rekening en Verantwoording van het Reichmanfonds over 1928.

ONTVANGSTEN.

UITGAVEN.

Deposito saldo Twentsche Bank..........

/ 2900

_

12 maandelijksche uitkeeringen a / 40.—.....

/ 480

_

Saldo Nutsspaarbank...............

307

99

Buitengewone uitkeering.............

- 1500

Gekweekte rente.................

119

89

Porti en zegels.................

3

17

Debet aan de Mij. v. Diergeneeskunde.......

- 1350

Deposito-saldo Twentsche Bank..........

- 2500

Saldo Nutssparbank...............

194

71

*

/ 4677

88

/ 4677

88

i Februari 1929. De Penningmeester,

(w.g.) W. van der BURG.

-ocr page 911-

Rekening en Verantwoording van het ONDERSTEUNINGS-fonds over 1928.

ONTVANGSTEN.

UITGAVEN.

Saldo Nutsspaarbank...............

/

321

11

Saldo Nutsspaarbank..............

/

76

29

Effecten.................

-

985

Effecten..................

-

1998

75

Storting voor 674 leden a ƒ 1.—.........

-

674

Gekweekte rente................

-

64

73

Koerswinst op effecten..............

-

18

75

Aan schenkingen \')...............

-

11

45

/

2075

94

/

2075

04

\') In hoofdzaak van het Comité voor het
overbrengen van het graf van wijlen Dr. M. H.
P. J. Thomassen.

Rekening en Verantwoording van het Prof. Dr. D. A. DE JONG-fonds over 1928.

ONTVANGSTEN.

UITGAVEN.

Saldo Nutsspaarbank..............

/

102

92

Saldo Nutsspaarbank..............

/ 156

44

Effecten.................

-

999

37

Effecten.................

1000

Gekweekte rente................

-

53

52

Koerswinst op effecten .............

-

0

63

/

1156

44

/ "56

44

i Februari 1929.

De Penningmeester,
(w.g.) W. van der BURG.

-ocr page 912-

Ontvangsten en Uitgaven van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Deel 55. Jaargang 1928.

ONTVANGSTEN

UITGAVEN

Van den Penningmeester der Maatschappij voor

Aan de Firma J. van Boekhoven.

Diergeneeskunde.

a. per 1 Juli ..............................

/ 4827

62

f

500

_

b. per 31 Dec..............................

- 4721

64

b. Juni......................................

-

4000

1 9549

67

-

4500

/ 9000

Aan honorarium medewerkers.

- 2133

25

Creditrekeningen van de Firma J. van Boekhoven.

a. voor advertentiën per 1 Juli ...............

/

1418

26

Aan honorarium vertalingen.

- 384

50

b. voor advertentiën per 31 Dec...............

1118

67

c. voor abonnementen verkochte deelen enz...

1435

74

Aan honorarium redactie :

10

_

Prof. Dr. H. M. Kroon..................

/ 200

- 3982

Dr. A, Vrijburg........................

b7

200

Bijdragen van derden voor overdrukken enz,..

184

25

Prof. C. F. van oljen ..................

200

600

liatig saldo 1927.............................

- 123

70

Aan voorschotten en uitgaven.

- 327

90

Batig saldo 1927 ............................

- 295

96

/ 13290

62

f 13290

62

Gezien en na contrôle van de bewijsstukken accoord bevonden
De Penningmeester van het Hoofdbestuur van de
Mij voor Diergeneeskunde
W. VAN DER BURG.

De Penningmeester van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
C. F. VAN OIJEN.

Utrecht, 23 April 1929.

-ocr page 913-

Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Financieel Verslag over
Deel 55. Jaargang 1928.

De verwachting uitgesproken aan het slot van het verslag over den jaargang
1927, dat het honorarium voor medewerkers op het door de Redactie gewenschte
peil zou kunnen worden gebracht is verwezenlijkt, terwijl het aantal uitgegeven
vellen tot rond 80 is opgevoerd.

De voornaamste cijfers over de exploitatie zijn zooals gebruikelijk in onderstaande
staat opgenomen.

Jaar

Aantal

Kosten

Ontvangsten

Saldo

vellen

Totaal

Per vel

v. d. Mij.

v. derden

Batig

Nadeelig

1923

58

f 10617.86

/ 183—

/ 7920.38

f 2697.25

/ 82.02

1924

72

- 11636.56

- 161.60

- 74°5-48

- 4231.09

/ 94-51

1925

76

- 12008.18

- 159-20

- 7333-80

- 4686.38

- 508.20

1926

73

- "933-51

- 163.61

- 8000.—

- 3933-51

- 1.05

1927

74

- 12543 58

- 170,—

- 8500.—

- 4167 28

- 123.70

1928

80

- 12994.66

- 165.-

- 9000.—

- 4176.92

- 295.96

a

b

c

d

e

/

g

Er werden circa 6 vel meer uitgegeven dan ten vorige jare, de totale onkosten
stegen echter slechts met / 450.—. De gunstige uitwerking van het nieuwe
contract met den uitgever en de coulante uitvoering daarvan door deze firma,
weerspiegelt zich het meest in de eerste post der uitgaven. In 1927 werden toch
voor 74 vel / 10,195.— betaald, in 1928 voor 80 vel / 9550.—. Hierdoor en door de
verhoogde subsidie der Maatschappij werd het in hoofdzaak mogelijk, dat aan
medewerkers in plaats van / 1200.— totaal / 2133.-— kon worden uitgekeerd.
Bovendien eischten de honoraria voor vertalingen rond / 85.— meer dan de raming.

Omtrent de ontvangsten van derden kon worden opgemerkt dat het aan adver-
tentiën ontvangen bedrag iets lager is dan in 1927. (Zie nevengaande staat). Men
schijnt hiermede wel ongeveer op het hoogst bereikbare te zijn gestegen. De ont-
vangsten voor abonnementen toonen een vermeerdering van bijna ƒ 300.— ten deele
te wijten aan de ten vorige jaar ingevoerde abonnementsprijs.

OPBRENGST

Jaar

Advertentiën

Abonnementen enz.

Samen

1923

f 821.20

/ 586.41

/ 1407.61

1924

- 2511.68

936.40

- 3447-48

1925

- 3224.40

- 1054.22

- 4278.62

1926

" 2495.75

- 1043.11

- 3538.86

1927

- 2666.38

- "45-30

- 3811.68

1928

" 2538.93

- 1435-77

- 397270

Ook de wisselvallige post bijdragen van derden was dit jaar lager dan in 1927.
Ten slotte is echter het totaal bedrag, dat behalve het subsidie der Mij. in 1928
werd ontvangen ongeveer gelijk aan dat van 1927. Het batig saldo steeg van
/ 123.70 op i Jan. 1928 tot
f 295.96 op i Jan. 1929.

Wij stellen U voor ons te machtigen dit bedrag voor den jaargang 1929 aan te
wenden.

-ocr page 914-

Daarbenevens dient melding gemaakt te worden van de volgende transactiën.
De Redactie bezit een nauwkeurig gecontroleerde voorraad afleveringen van oude
jaargangen. In 1928 konden 2 series, een van 14 deelen en een van 10, worden
verkocht met een netto opbrengst van / 259.20. Hiervan werd een gedeelte gebruikt
om ontbrekende of schaarsche aanwezige afleveringen op te koopen, tot een bedrag
van / 70.75 .Het resteerende bedrag ad / 188.45 heeft de redactie gereserveerd voor
komende bijzondere uitgaven, bijv. in verband met het a. s. internationale vee-
artsenijkundige congres.

Ten aanzien van den jaargang 1929 is weinig op te merken.

Hij wordt uitgegeven op den voet van dien van 1928 en het laat zich aanzien,
dat zelfs bij een omvang van circa 80 vel de finantieele resultaten bevredigend
zullen zijn.

De redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde,

w. g. H. M. Kroon, Voorzitter.
w. g. A. Vrijburg, Secretaris,
w. g. van Oyen, Penningmeester.

Tijdschrift voor Diergeneeskunde.
Begrooting voor den Jaargang 1930. Deel 57.

UITGAVEN:

i. Kosten van 75 vel voor drukken, zetten, binden enz. volgen?

contract a ƒ 110.— per vel ............................................................/ 8.250.—

2. Voor platen en fabelwerk ................................................................- 500.—•

3. Voor meerdere overdrukken en kleine letter ............................- 200.-—

4. Porto tijdschrift ................................................................................- 400.—

5. Honorarium medewerkers ................................................................- 2.250.—

6. Honorarium redactie ........................................................................- 600.—

7. Onkosten resumés vreemde talen....................................................- 350.—

8. Verdere uitgaven en onvoorzien ....................................................- 350.—

Totaal ............f 12.900.—

ONTVANGSTEN.

9. Van de Maatschappij voor Diergeneeskunde................ / 9.000.—

10. Voor abonnementen en verkochte deelen .................. - 1.300.—

IT. Voor advertentiën ...................................... - 2.500.—

12. Van derden ............................................ - 100.—

Totaal .......... / 12.900.—

Quitte.

Toelichting.

De begrooting over 1930 is in hoofdzaak opgemaakt overeenkomstig die van
1929 omdat aan beide hetzelfde contract met den uitgever ten grondslag ligt.
Echter is rekening gehouden met de in 1928 verkregen gegevens. De post hono-
rarium medewerkers is iets verhoogd, om in de gelegenheid te zijn artikelen onder
den verzamelnaam „Klinische lessen" op te nemen, evenzoo is de post honorarium
voor vertalingen iets hooger geraamd.

Bij de ontvangsten is voor abonnementen en verkochte deelen ƒ 200.— meer
geraamd in verband met de verhooging van de abonnementsprijs.

De redactie van het Tijdschrift v. Diergeneeskunde.

w. g. H. M. Kroon, Voorzitter,
w. g. A. Vrijburg, Secretaris,
w. g. van Oyen, Penningmeester.

-ocr page 915-

Ontvangsten en Uitgaven van het Diergeneeskundig Jaarboekje
Vierde Jaargang 1929.

UITGAVEN:

I. Drukkosten 9$- vel a / 87.— per vel .............. t 826.50

75 exemplaren meer dan contract ................ - 37.50

Omslagen ................ | Zie rekening van - 47.25

Porto .................... 1 Boekhoven - 48.75

-----/ 960.—

II. Drukwerken Enquête met porti:

a. rekeningen van Boekhoven .................. ƒ 106.50

b. porti Indië .................................. - 13 49 / 119.98

III. Voorschotten :

a. van den Heer Kroes ........................ f 41.63

b. van den Heer van Oijen...................... - 11.25

/ 32-88
/ 1.132.86

ONTVANGSTEN.

Batig saldo 1928 .................................... / 106.99

Opbrengst advertentiën .............................. - 139.52

Opbrengst verkochte exemplaren :

a. door van Boekhoven .................... ƒ 60.75

b. aan studenten............................ - 26.—

------ 86.75

Bijdrage Mij. voor Diergeneesk....................... - 650.—

Nadeelig saldo ...................................... - 149.60

------/ 1.132.86

Gezien en na controle van de bewijsstukken accoord bevonden.
De penningmeester v/h Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde,

(w. g.) W van den Burg.

15 Juni 1929.

Toelichting.

De exploitatie van het Jaarboekje is in 1929 ongunstig beïnvloed door de vol-
gende factoren :

De redactie achtte het noodig in dezen jaargang alle lijsten volledig op te nemen,
welke in dit jaarboekje thuis hooren. Hierdoor steeg de omvang, die op
9 vel was
geraamd op 9J vel, terwijl nog
25 exemplaren meer gedrukt moesten worden. In
totaal een meerdere uitgave van -j- /
60.— werd hierdoor veroorzaakt.

Het was gebleken, dat in de lijst der dierenartsen verschillende onjuistheden
voorkwamen. Tot eiken dierenarts werd een circulaire gericht met gefrankeerd
couvert voor antwoord, houdende het verzoek, om de noodige gegevens te ver-
strekken. De onkosten van deze enquête waren ongeveer /
120.—. Zij kunnen
over meer dan een jaargang worden verdeeld, omdat deze gegevens voor eenige
jaren dienen.

Hier tegenover stond, dat de opbrengst der advertentiën slechts iets boven de
raming steeg, terwijl die der verkochte exemplaren bijna evenveel lager was.

De bijdrage der Maatschappij was met / 650.— wel zeer krap berekend.

Ter vereffening van het te kort ad / 149.60 stelt de redactie U voor, haar over
1929 alsnog / 100.— toe te staan en het resteerende ten laste van de begrooting

-ocr page 916-

1930 te brengen. Doet men dit dan zullen de bedragen aan het jaarboekje uitge-
geven beloopen voor het

ie jaar

1926 ...

■■■ f 75° —

2e

1927 .. .

... • 785-

3e -

192S . . .

. . . - 700.—

4e ,,

1929 ...

. . . - 750.-

5e ..

1930 . ..

• ■ • - 750.—

Wij verzoeken U bovenstaande voorstellen wel te willen goedkeuren.
De redactie van het Diergeneeskundig Jaarboekie :

(w.g.) H. A. Kroes,
H. M. Kroon,
van Oijen,
H. A. Vermeulen,
A. Vrijburg.

Begrooting Diergeneeskundig Jaarboekje. Vijfde Jaargang 1930.

UITGAVEN.

Drukkosten 8i vel, 800 exemplaren................................f 750.—

Omslagen, idem ................................ - 30.—

Porto .......................................................... - 3°-—

Verdere onkosten................................................ - 5°-4°

Tekort over 1929 (restant) ......................................- 49 60

1 950.—

ONTVANGTSEN.

Bijdrage van de Maatschappij voor Diergeneesk.................../ 750.—

Opbrengst der advertentiën ...................................... - 125.—

Opbrengst verkochte exemplaren .................................. - 75.—

t 95° —

Toelichting.

Door het in 1930 niet opnemen van enkele lijsten en mededeelingen, welke niet
ieder jaar in extenso afgedrukt behoeven te worden, kan de omvang tot 8J vel
teruggebracht worden.

Ook de verdere onkosten zullen dit jaar lager zijn, dan in 1929, daar geen bij-
zondere enquete wordt gehouden.

Bij de ontvangsten zijn de opbrengst van advertentiën en verkochte exemplaren
geraamd overeenkomstig de ervaring in 1929.

De redactie van het Diergeneeskundig Jaarboekje :

w.g.) H. A. Kroes,
„ H. M. Kroon,
,, C. F. van Oijen,
,, H. A. Vermeulen,
,, A. Vrijburg.

Naschrift van het Hoofdbestuur :

Het komt het Hoofdbestuur niet gewenscht voor, dat men voor het naslaan van
bepaalde lijsten of opgave een vorige jaargang van het Jaarboekje bij de hand
moet hebben. Een jaarboekje moet zooveel doenlijk compleet zijn. Na overleg
met den vertegenwoordiger van de Redactie besloot het Hoofdbestuur dan ook
om de begrooting van het Jaarboekje de posten „Drukkosten" en „Bijdrage van
de Maatschappij ieder met / 50.— te verhoogen en op ƒ 800.— te brengen, waardoor
de geheele begrooting van het Jaarboekje over een bedrag van ƒ 1000.— loopt.

In de ontwerp-begrooting voor de Maatschappij vindt men de bijdrage voor het
Jaarboekje dan ook op / 800.— vermeld.

-ocr page 917-

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Betreffende den invoer en keuring van vleeschwaren.

De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid heeft bepaald :

a. voor vleeschwaren, vervat in zendingen, welke naar het oordeel van den Rijks-
keuringsveearts
de bestemming hebben als monster te dienen, wordt onthef-
fing verleend van de bepalingen betreffende invoer en keuring van vleesch-
waren ;

b. deze beschikking treedt in werking op i Sept. 1929.

Verder heeft de Minister nog bepaald, dat:

a. ontheffing wordt verleend van de bepalingen betreffende invoer en keuring
van vleeschwaren, wanneer het betreft vleeschwaren, vervat in zendingen per
postpakket van ten hoogste 5 K.G., indien die vleeschwaren
naar het oordeel
der postadministratie
zijn bestemd uitsluitend voor huishoudelijk gebruik van
den geadresseerde en deze laatste niet werkzaam is in het slagersbedrijf, in het
bedrijf der verduurzaming of bereiding van vleesch of vleeschwaren, of in den
handel van vleesch of vleeschwaren ;

b. deze beschikking treedt in werking op 1 Sept. 1929.

De „eerste kantoren" voor den invoer van vleeschwaren.

Als ,.eerste kantoor" voor den invoer van vleeschwaren uit het buitenland
heeft de Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid aangewezen de plaatsen
Maas-
tricht, Gronihgen, Oldenzaal
en Winterswijk en tevens heeft de minister in dezelfde
beschikking de perceelen en wegen aangegeven, waarheen en waarlangs de inge-
voerde vleeschwaren moeten worden vervoerd ter keuring.

Jaarverslag over 1928 van den vleeschkeuringsdienst Breda.

Hoofdstuk I van dit verslag vermeldt het aantal in de verschillende gemeenten
geslachte diersoorten. Om de schaden door de tuberculose aan onze veestapel
berokkend, beter tot de buitenstaanders te doen spreken heeft Collega
Meyer
in een aparte staat aangegeven alle afkeuringen wegens tuberculose en daarbij
tevens de geldswaarde berekend. In totaal zou er volgens deze opgave voor een
bedrag van / 8454.80 alleen wegens tuberculose zijn afgekeurd ; zeker geen klei-
nigheid.

Het aantal niet gekeurde huisslachtingen is in den kring Breda, volgens opgaven,
nog steeds zeer aanzienlijk. De vrees wordt uitgesproken, dat veel vleesch van huis-
slachtingen in de vrije consumptie komt. Ofschoon zulks moeilijk is te consta-
teeren, kwam eens een dergelijk geval aan het licht. Een veehouder had nl. een
binnenbeer geslacht. Het gehakt hiervan was gezonden naar de coöperatieve
Melkfabriek, voor het jaarlijkscli festijn van ,,trakteeren op worstenbrood". De
leden van deze fabriek, alsmede eenige notabelen hebben toen onvrijwillig genoten
van de genoegens van een kook- of braadproef met urinelucht.

Hoofdstuk II veremldt het een en ander over het toezicht op de slachterijen.
Wat den bouw van het nieuwe abattoir betreft, wordt medegedeeld, dat de werk-
zaamheden daarvoor reeds zoodanig gevorderd zijn, dat de voornaamste onder-
deden, benevens de bouw, tegen het einde van 1928 werden aanbesteed.

Door deze plannen werd nog niet nauwlettend aangedrongen op de wettelijke
eiselien voor de slagerijen, omdat dit anders extra-kosten met zich zou brengen

Éénmaal werd de verkoop van paardevleesch in een boerenhoeve (aangewezen
als vrijbank) gecontroleerd. De eigenaar heeft het paard toen maar liever doen
vernietigen. Verschillende malen zijn huisslachtingen gecontroleerd ; tweemaal
is vleeschverkoop daarvan geconstateerd. De controle op vleeschwaren gaf tot
resultaat, dat van een dertigtal partijen vleeschwaren onder toezicht de schimmel
is verwijderd geworden, terwijl in beslag werden genomen en vernietigd : 39 blikken
leverworst, u blikken boterhamworst en 132 blikken leverpastei. Een aanzien-
lijke hoeveelheid vleesch en organen werden bij de slagers wegens bederf in beslag
genomen, terwijl nog talrijke andere overtredingen werden vastgesteld als : het

-ocr page 918-

onnoodig verwijderen van stempelmerken, het in voorraad houden van bedorven
pekel, het bewaren van visch of petroleum bij vleeschwaren, en zelfs het slachten
van geiten zonder aangifte.

Van het bacteriologisch vleeschonderzoek wordt vermeld, dat vaak de tijd
voor het verrichten van een goed bact. vleeschonderzoek ontbrak en daarom
meermalen het vleesch ter onderzoek naar Utrecht werd opgestuurd. Reeds vele
malen werd een negatief resultaat verkregen. Bij de controle te Utrecht bleken
ook bijna alle uitslagen negatief te zijn.

Ook in den kring Breda denkt men er over, een eigen vernietigingsinrichting
op te richten. Er wordt nl. medegedeeld, dat de Kring Breda van de Nederl.
Centr. Boerenbond aan de gemeente heeft aangeboden de cadaververnietiging
zelf ter hand te nemen, waarbij het plan bestaat, de betreffende inrichting vlak
achter tegen het nieuwe slachthuis te doen bouwen, zoodat het slachthuispersoneel
het veterinair toezicht zou kunnen uitoefenen. Mocht er zeer veel animo voor
dit plan bestaan, dan wil men de inrichting zoo groot maken, dat zij alle afgekeurde
vleesch uit West-Noord-Brabant kan verwerken.

Het voordeelig saldo bedroeg over 1928 / 14.889.37.

Opening van het nieuwe abattoir te Beverwijk.

Op 18 Juli heeft de officieele opening plaats gehad van het nieuwe abattoir te
Beverwijk. Talrijke autoriteiten waren tegenwoordig en complimenteerden de
gemeente met deze nieuwe inrichting. Na de opening werd een rondgang door de
gebouwen gemaakt. Het abattoir is gebouwd volgens het systeem pleinbebouwing
en bestaat uit twee afdeelingen, nl. het slachthuis met ke>elinrichting en een nood-
slachtplaats.

Buitenlandsch bezoek aan den destructor te Bergum.

Blijkens een bericht in de N. R. Ct. heeft begin Juli een commissie, bestaande
uit elf leden, waaronder negen raadsleden van de stad Keulen, onder leiding van
den wethouder van publieke werken en ambtenaren bij dezen dienst betrokken,
een bezoek gebracht aan den destructor te Bergum. De commissie, die reeds ver-
scheidene andere destructoren in Duitschland bezocht had, heeft eenstemmig
haar bewondering uitgesproken over de inrichting en organisatie van de Ned.
Thcrmo-Chemische Fabrieken. Na afloop van het bezoek heeft de commissie be-
sloten den gemeenteraad van Keulen te adviseeren den destructor te Bergum als
voorbeeld te nemen voor de thans te Keulen te bouwen soortgelijke inrichting.

De toepassing van de koeltechniek in het visscherijbedrijf in Amerika.

In een vergadering te Washington van het American fnstitute of Refrigation
heeft
Lewis Radcliffe, van het visscherijbestuur in de U. S. A., belangwekkende
mededeelingen gedaan omtrent de ontwikkeling van de koeltechniek voor de con-
serveering van visch daar te lande.

Deze ontwikkeling hangt voor een belangrijk deel samen met den snellen groei
van den handel in zg. ,,packaged fish". In verband toch met het feit, dat ver-
schillende vischsoorten in hoofdzaak in bepaalde seizoenen worden gevangen, dat
ele visch dikwijls over lange afstanden vervoerd moet worden om den verbruiker
te bereiken en het artikel spoedig aan bederf onderhevig is, moet men een deel der
vischsoorten volgens de pekel-mcthode bevriezen, voordat zij verpakt en in den
handel gebracht wordt.

De koeltechniek wordt voorts met succes toegepast voor het vervoer van de
visch per auto van de aanvoerplaats naar de afzetgebieden en handelscentra.
Tot over afstanden van 317 mijl wordt de visch op deze wijze getransporteerd.
Terwijl de visch vroeger in de auto\'s steeds in ijs moest worden verpakt, om ze
goed te houden, gaat men er thans hoe langer hoe meer toe over, de vischauto\'s
van koelinrichtingen te voorzien.

Verder worden steeds meer visschersvaartuigen met vriesinstallaties uitgerust-
Ook gebruikt men zelfs van koelinrichtingen voorziene vliegtuigen voor het ver-
voer van versche visch.

-ocr page 919-

Een coöperatief openbaar slachthuis te Vlissingen.

In een raadsvergadering te Viissingen deelde de voorzitter ,naar aanleiding
van in een vorige vergadering gestelde vragen inzake het abattoir, mede, dat door
het bestuur der Vlissingsche Slagerspatroonsvereeniging, in overleg met B. en W.,
de ontwerp-statuten voor de Coöp. Vereeniging tot exploitatie van een openbaar
slachthuis in gereedheid zijn gebracht en dat van de vereeniging elke slagers-
patroon lid zal kunnen zijn.

De exploitatie zal geschieden in samenwerking met de gemeente, volgens de
voorschriften, daartoe bij gemeentelijk reglement vast te stellen.

De gemeente zal medezeggenschap verkrijgen ten aanzien van den geheelen
omvang van het bedrijf, opdat de volle waarborg wordt verkregen, dat de bepa
lingen ten opzichte van de volksgezondheid naar behooren worden nagestreefd.

Zoodra de coöperatieve vereeniging is geconstitueerd, zal tot het stichten van
het slachthuis worden overgegaan op een terrein aan den Oude Vlissingsche weg,
nabij de nieuwe haven. Onderhandelingen over het benoodigde terrein van het
rijk te verkrijgen zijn in voorbereiding.

Vleeschhygiëne in het buitenland.

Volgens een mededeeling in de „Deutsche Schlachth. Zeitung", Jg. 28, pg. 250,
wordt op de volgende wijze in het tegenwoordige
Sowjet-Rusland het veterinair-
hygienisch toezicht op vleesch en andere levensmiddelen uitgeoefend.

Dit toezicht geschiedt op de slachthuizen en de z.g. vleeschcontróleplaatsen.
In het eigenlijke Stam-Rusland, dus zonder de 13 autonome omringende repu-
blieken en gebieden, bestaan momenteel 1009 van dergelijke gecontroleerde slacht-
huizen, 7 baconfabrieken en 375 vleeschcontrólestations. Niet alleen in de steden,
maar ook in de dorpen, treft men deze slachtinrichtingen aan. Voor een dergelijke
groote omvang van het slachthuisbcdrijf heeft men niet de beschikking over vol-
doende veterinairen. Op het oogenblik zijn slechts de slachthuizen in de hoofd-
steden (215) van steeds aanwezig veterinair personeel voorzien. De overige slacht-
inrichtingen worden door de stadsveterinairen en die op het platteland door het
veterinair personeel der „Reviere" ( = onze veeartsenijkundigen dienst) verzorgd.

Het te koop aanbieden van vleesch, afkomstig van huisslachtingen, op markten
van stad en platteland mag slechts geschieden onder overlegging van een attest
van de betreffende gemeenteraad, dat het dorp z.g. „seuchenfrei" is, en verder
nadat het vleesch op een vleeschcontrölestation door een dierenarts is gekeurd.
In bijna alle hoofd- en gouvernementststeden vindt men deze vleeschcontróle-
stations ondergebracht in bepaaldelijk daarvoor ingerichte gebouwen, treft men
steeds veterinair personeel aan en de noodige hulpmiddelen voor het onderzoek,
als laboratorium, microscopen, broedstooven, enz.

Wat de op de markt aankomende dierlijke producten betreft, als huiden, haar,
klauwen, enz., deze worden door het veterinair personeel van het vleeschcontröle-
station of bij de industrieele ruwe dierlijke stoffen in de magazijnen door de districts-
dierenartsen gecontroleerd. Op de fabrieken staan al deze producten steeds onder
algemeen toezicht van de stedelijke veterinaire controle.

De ingevoerde en uitgevoerde ruwe dierlijke stoffen worden bij uitzondering
nog eens aan de grens gecontroleerd, b.v. door een onderzoek op miltvuur (Asco-
Iireactie). Toch wordt dit systeem nog niet overal zoo algemeen toegepast, dat
men absolute zekerheid heeft, dat geen miltvuurhuiden en -haar de grens zouden
overgaan.

De bestrijding der besmettelijke veeziekten geschiedt door den dienst der
„Riviere", met behulp van bacteriologische instituten, laboratoria, enz.

Verder beschikt de Russische Staatsveterinaire dienst bovendien nog over 250
z.g. specialisten, „Vieseuchenarzte", waarvan een 25 leden tot reserve worden
gehouden bij de centrale „Veterinarverwaltung" en dan zoolang op de centrale
instituten wetenschappelijk werken. Het grootste aantal der „Viehseuchenarzte"
bevindt zich op het platteland, teneinde aldaar de bestrijding der veeziekten te
eiden en te volbrengen.

-ocr page 920-

In geheel Stam-Rusland waren begin 1927 ongeveer een 6500 dierenartsen, wat
lang niet voldoende was. Daarom wordt met groote spoed aan de aanvulling van
het tekort gewerkt en rekent men binnen 5 jaar over voldoende dierenartsen te
kunnen beschikken.

In de rubriek „Van over de grenzen" van de Vee- en Vleeschhandel lasik.dat
men te
Parijs het plan heeft ontworpen, de abattoirs van La Villette geheel en al
door nieuwe te vervangen, wat echter, als geen onvoorziene tegenvallers zich
mochten voordoen, een 280 millioen francs zou moeten kosten. De prefect van de
Seine heeft nu een ander plan voorgesteld, dat slechts 60 millioen zou kosten. De
daarbij voorgestelde nieuwe gebouwen zullen uitgevoerd worden in gewapend
beton en baksteen ; terwijl alle werken zullen worden verdeeld over een tijdvak
van 4 jaren. Dit plan is nader in studie genomen.
 de Graaf.

Waardeerend schrijven aan K. HOEFNAGEL.

B. en W. van Utrecht hebben in een bijzonder schrijven aan Collega K. Hoef-
nagel
hun dank betuigd voor de voortreffelijke wijze, waarop hij ge-
durende meer dan 40 jaren, van de oprichting der gemeenteslachtplaats af, de
leiding van dit bedrijf heeft gevoerd. „Met name geven de diensten", zoo schrijven
B. en W., „door U in oorlogstijd, onder moeilijke omstandigheden aan de Utrecht-
sche gemeenschap bewezen,
U aanspraak op hare groote erkentelijkheid".

Notulen van de vergadering van de Permanente Commissie voor de Internationale
Veeartsenijkundige Congressen op Donderdag 13 Juni 1929 te 10.30 v.m. in het
Departement van Landbouw, 78 rue de Varenne, te Parijs.

AGENDA.

1. Rapport van den Secretaris over de werkzaamheden der Commissie sedert
de vergadering te Parijs in Mei 1928.

2. Benoeming van een nieuw lid voor België.

3. Vaststelling van het ontwerp-programma van het Congres te Londen in 1930.

4. Benoeming van rapporteurs.

5. Wijziging van § 6 van het reglement van de Permanente Commissie.

6. Andere zaken.

Aanwezig: van het Bureau van de Commissie : de H. H. Hutyra (Voorzitter),
Leclainche (Vice-Voorzitter), de Blieck (Secretaris en Penningmeester) en
Stang (2e Secretaris).

Vervolgens de leden : de H. H. Bradley, Braila, Brittlebank, Burgi, Hamr,
Kasper, Petrovitch
en Rubay, zoodat de volgende landen waren vertegenwoor-
digd: Hongarije, Frankrijk, Nederland, Duitschland, Engeland, Roemenië, Zwitser-
land, Tsjechoslowakije, Oostenrijk, Yoego-Slavië en België.

Egypte werd tijdelijk vertegenwoordigd door Dr. Fahmi Salem, Amerika door
den Heer
Merillat, lid van het Nationaal Comité der Vereenigde Staten.

De zitting werd nog bijgewoond door de H. H. Prof. Al Cuica (Roemenië),
Prof. Dr.
Fr. Sevcik (Tsjechoslowakije), Prof. J. Nowak en Dr. F. Fischoeder
(Polen), Prof. Buxton (Engeland), S. jAMANé (Japan) en Prof. Vallêe (Frankrijk).

De H. H. Sir John Mac Fadyean, van Es, Ligniêres, Jensen, du Toit en
Kjerrulf hadden bericht van verhindering gezonden.

De Voorzitter opende de vergadering en heette de aanwezige leden welkom, in het
bijzonder de leden van het Organiseerend Comité van het a.s. Congres te Londen.

1. De Secretaris bracht rapport uit over de werkzaamheden der Permanente
Commissie vanaf Mei 1928 tot heden 13 Juni 1929.

Dit rapport werd aangenomen en zal aan de leden worden toegezonden.

2. In plaats van Prof. Hebrant werd Prof. Rubay, „Professeur a 1\'Ecole
vétérinaire a Cureghem" als vertegenwoordiger van België aangewezen.

3. Het voorloopig programma van het Congres te Londen, dat door het Orga_
niseerend Comité is gereviseerd en in overeenstemming is gebracht met de wen.

-ocr page 921-

schen, die van de nationale comité\'s der verschillende landen zijn binnengekomen,
werd door de vergadering besproken en na enkele wijzigingen en aanvullingen
vastgesteld.

4. Voor de op het Congres te behandelen onderwerpen werden namen genoemd
van rapporteurs ; het Organiseerend Comité te Londen zal daaruit een keus doen
en spoedig het programma met de namen der rapporteurs aan de leden der Per-
manente Commissie zenden, opdat in de veeartsenij kundige pers de noodige
publiciteit daaraan kan worden gegeven.

Op voorstel van Prof. Rubay zal zooveel mogelijk getracht worden van elk
land, dat op het Congres vertegenwoordigd zal zijn, ten minste één rapporteur
uit te noodigen.

Voor elk onderwerp zullen hoogstens 2 of 3 rapporteurs worden gevraagd, die
elk een zoodanig beperkte spreektijd zullen krijgen, dat voldoende gelegenheid
voor discussie overblijft.

Aangaande het voorstel om ook het onderwerp : „Hoefbeslag in verband met
het moderne plaveisel der wegen" op het programma te plaatsen, werd besloten,
zulks niet te doen, doch de gelegenheid te geven, daarvoor afzonderlijk een referaat
te laten houden.

De Heer J. Nowak (Polen) heeft eenige dagen na de vergadering schriftelijk
medegedeeld, dat hij een referaat zou willen houden op een der algemeene zit-
tingen over ,,de rol van Polen bij de bestrijding der epizoötien in Europa". Deze
wensch is aan het Organiseerend Comité overgebracht.

5. Wijziging § 6 van het reglement der Permanente Commissie.

Volgens § 6 sub c. kunnen 21 staten vertegenwoordigd zijn in de Permanente
Commissie. In verband met den veranderden toestand der staten in Europa na
1918 en den vooruitgang der veeartsenijkunde in landen, welke vroeger niet in de
Permanente Commissie vertegenwoordigd waren, acht het bureau het noodzakelijk
in § 6 sub
c. het getal 21 te wijzigen in maximum 40.

Dit voorztcl werd bij acclamatie aangenomen. Welke landen in de Permanente
Commissie vertegenwoordigd zullen zijn, zal door het Congres te Londen worden
beslist overeenkomstig § 6, 2e alinea.

Nadat de Voorzitter den Heer Leclainchf. voor zijn gastvrijheid en de leden
voor hunne medewerking had bedankt, werd de zitting gesloten.

Dr. F. Hutyra, Voorzitter,
Dr. L.
de Blieck, Secretaris.

Teken van runderen.

Voor overbrengingsproeven met Piroplasmose hebben wij aan mijn Instituut
teken (Ixodes, Haemaphysalis) noodig. Beleefd zou ik Collega\'s, die in de gelegen-
heid zijn, volgezogen teken van runderen te verzamelen, verzoeken, enkele exem-
plaren aan het Instituut v. Parasitaire en Infectieziekten te Utrecht, Bilstraat 168
te willen doen zenden. De volgezogen teken kunnen gewoon in een reageerbuisje
of lucifersdoosje zonder verdere verzorging worden gezonden.
de Blieck.

PERSONALIA.

V. E. C. van Bergen en A. H. Tigelaar : toegevoegd aan het Hoofd van den
Burg-Veearts.-Dienst, met standplaats Buitenzorg.

Dr. R. Soeratmo : ter beschikking gesteld van de provincie Oost-Java.
P.
C. M. Ypma, geplaatst te Waingapoe.
H. Hendriks : verlof naar Europa, ingaande 3 Maart 1930.
Verhuisd : Prof. Dr. J.
H. Hartog, van Koningslaan naar Oudwijk 39, Utrecht.
,, K.
de Vink, Inspecteur van den Veeartsenijkundigen Dienst, van
Rotterdam naar den Haag, Laan van Meerdervoort 793. Tel. 38856.

-ocr page 922-

BIBLIOGRAFIE.

Verslag van het openbaar slachthuis van \'s Gravenhage over het jaar 1928.
[Door
H. G. van Harrevelt]. \'s Gravenhage, Drukkerij Trio, 1929. Gr. 8°. 39 blz.

A. H. Veenbaas, Melkbacteriologie en melkhygiëne. Wageningen, K. G. Staal,
1929- / I-5°-

Uitg. door de Vereeniging van oud-leerlingen der Rijkszuivelschool.

Verslag van den Vleeschkeuringsdienst Kring Breda en van de veemarkt over
het jaar 1928. [Door J. J.
Meier], Zundert, Electr. Drukkerij W. Vorsselmans,
1929. Gr. 8°. 20 blz.

Fnesch Rundvee-stamboek, 1929. Atl. 74. Leeuwarden, N. Miedema & Co.,
1929. Kl. 8°.

Zwartbonte stieren. Nos. 16672—17351.

Roodbonte stieren. Nos. 179—182.

Verslag van de afdeeling landbouw over 1927. Buitenzorg, Archipeldrukkerij,
1929. Gr. 8°. IV -f 483 blz.

Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel [in Ned.-Indië],

G. Muys, Ziekten en gebreken bij hoenders. Behandeling, genezing en voor-
koming. 2e dr. Amsterdam, Uitgevers-mij. „Kosmos", 1929. 8°. 48 blz. m. 22 afb.

/ 0-75-

Weten en Kunnen. Afd. Kleinveeteelt. Onder leiding van C. S. Th. van Gink.
No. 104.

B. J. C. te Hennepe, De pullorum-ziekte der kuikens. Doetinehem, Uitg.-Mij.
C. Misset, 1929. f 0.25.

Rosenbusch, La peste porcina y otros enfermedades del cerdo. Buenos-Aires,
Facultad d\'agronomia y veterinaria del Universitadad, 1929. 8°. 30 p.

Bull. No. i.

G. Gerosa e A. Mirri, La sterilita degli animali domestici. Milano, Istituto de
serotherapia, 1929. 8°. 248 p. c. 53 fig. e 1 pl. Lire 20.—

P. Chevallier, L\'adénolymphoïdite aiguë bénigne avec hyperleucocytose
modérée et forte mononucléose. Paris, Revue de pathologie comparée, 1928.
8°. 193 p. fr. 20.—

H. Velu, L. Balozet et G. Zottner, Notices sur les maladies épizootiques au
Maroc. Paris,.Service de l\'élevage au Maroc, 1929. 8°. 192 p.

De Montergon, Le dressage de l\'homme par le cheval. Manuel à l\'usage des
chevaux de selle. Paris, Berger-Levrault, 1929. 8°. VI 86 p. av. 120 ill. fr. 30.—

E. Beudant, Dressage du cheval de selle. Paris, Berger-Levrault, 1929. Kl.
8°. 69 p. av. 12 photogr. fr. 3.75.

L. Moinson, Immunité et vaccinothérapie. Paris, Le François, 1929. Kl. 8°.
98 p. fr. 6.—.

A. piron, Anatomie et physiologie végétales, suivies de l\'étude élémentaire des
principales familles de la bactériologie et des fermentations. 7e éd. Paris, G. Doin
et Cie., 1929. 8°. II -f 599 p. av. 798 fig. dans le texte. fr. 50.—

J. Tissot, Constitution des organismes animaux et végétaux. Causes des mala-
dies, qui les atteignent. Paris, Catala, 1929. 8°. 43 p. av. pl.

Report of proceedings of the world\'s dairy congress, 1928. London, World\'s
dairy congress com., 1928. 8°. VII -f 896 p. w. 63 fig.

J. M. Luck, Quantitative analysis of blood, urine and milk. Stanford, Univer-
sity Press, 1929. 8°. 204 p. w. ill. and diagr. S 2.—

Stanford laboratory guides : Chemistry ser.

J. A. B. de Haan, Animal psychology for biologists. London, U. L. P., 1929.
8°. 80 p. Sh. 4.6.—

A. H. Trapman, The dog : man\'s best friend. London, Hutchinson, 1929. Kl. 8°.
228 p. w. ill. Sh. 7.6.—.

J. Matheson, The greyhound : breeding, coursing, racing etc. London, Hurst
& Blackett, 1929. 8°. 260 p. w. ill. Sh. 12/6.—.■\'

-ocr page 923-

M. J. Prucha, Chemical sterilization of dairy utensils on the farm and in the
dairy plant. Urbana, Agric. Exp. Stat., 1929. 8°. 11 p. w. ill.

University of Illinois. Agr. Exp. Station. Circ. No. 332.

G. H. Hart and H. R. Guilbert, Factors influencing percentage calf crop in
range herds. Berkeley, Univ. of California Printing Office, 1928. 8°. 43 p. w. 3 fig.

University of California. College of Agriculture. Agr. Exp. Stat. Bull. No. 458.

E. C. Voorhies and A. B. Koughan, Economic aspects of the beef cattle in-
dustry. Berkeley, Univ. of California Printing Office, 1928. 8°. 128 p. w. 29 fig.
a. tabl.

University of California. College of Agriculture. Agr. Exp. Stat. Bull. No. 461.

C. M. Haring and J. Traum, Bovine tuberculosis. Berkeley, Univ. of California
Printing Office, 1928. 8°. 27 p.

University of California. College of Agriculture. Agr. Extension Service. Circ.
No. 21.

E. Brown, Poultry breeding and production. New York, Wiley & Son, 1929.
8°. 864 p. w. ill. and diagr. $ 12.—.

F. B. Hadley and L. J Cole, Inherited epithelial defects in cattle. Wisconsin,
Agr. Exp. Station, 1928. 8°. 35 p. w. 12 fig.

Wisconsin Stat. Research Bull. No. 86.

Studies of the composition of milk. By O. It. Overman a. o. Urbana, Agr. Exp.
Stat., 1929. 8°. 123 p. w. ill. and diagr.

University of Illinois. Agr. Exp. Stat. Bull. No. 325.

The register 0/ veterinary surgeons. London, Royal College of Veterinary Sur-
geons, 1929. 120. 380 p. Sh. 4.—.

H. A. Baylis, Manual of helminthology. New York, W. Wood, 1929. 8°. 314 p.
w. ill. S 10.—.

J. W. Bigger, Handbook of bacteriology. 2d. ed. New York, W. Wood, 1929.
8°. 468 p. w. ill. (partly col.).
 S 5-—•

D. L. Burkett, Canary birds ; a complete guide for their breeding, rearing
and treatment in health and disease. Rev. ed. New York, Orange Judd. Pub. Co.,
1929. 120. 64 p. w. ill.

H. M. Kroon, Die Lehre der Altersbestimmung bei den Haustieren. Aus dem
Holl, übers, von
H. Jakob. 3te Aufl. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. 8°. VII
252 S. m. 115 Abb. nach Phot. M. 12.—. Geb. M. 14.—,

L. Lund, Pathologisch-anatomische Diagnostik an Tierleichen mit Anleitung
zum Sezieren. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. 40.
IX -f- 303 S. m. 108 Abb.

M. 22.50. Geb. M. 25.—.

H. von Hoesslin und F. Müller, Theoretische und klinische Pharmakologie.
3te Aufl. Leipzig, G. Thieme, 1929. 8°. 231 S. M. 8.60. Geb. M. 11.—.

E. Starkenstein, E. Rost, J. Pohl, Toxikologie. Ein Lehrbuch. .. .Berlin,
Urban & Schwarzenberg, 1929. Gr. 8°. 463 S. m. 34 Abb. im Text und 26 meist
mehrfarb. Taf. M. 24.—. Geb. M. 26.50.

P. Trendelenburg, Die Hormone. Bd. 1. Berlin, J. Springer, 1929. Gr. 8°. XI
351 S. m. 60 Abb. M. 28.—. Geb. ,, 29.60.

Bd. 1. Keimdrüsen, Hypophyse, Nebennieren.

E. Witschi, Bestimmung und Vererbung des Geschlechts bei Tieren. Berlin,
Gebr. Bornträger, 1929. 40. III 115 S. m. 95 Abb. M. 20.—.

Handbuch der Vererbungswissenschaft. Lief. 10.

K. Smalian & E. Dobers, Vererbungstafeln. Taf. 14. Nebst Textheft. Berlin,
Gummert & Rüge, 1929. Auf Leinw. m. Stäben je M. 13.—.

Taf. 1. Mitose und Reduktionsteilung. Nebst Texth. (1 färb. Taf., 4 S.) 125 x
75.5 c.M. und gr. 8°.

Taf. 2. Vererbung beziigl. eines Merkmales. (Monohybride). Nebst Texth. (1
färb. Taf., 4 S.) 95,5 x 125 c.M. u. gr. 8°.

Taf. 3. Mendelspaltung bei 2 Merkmalspaaren. (Dihybride). Nebst Texth. (1
färb. Taf., 4. S.). 95,5 x 125 c.M. u. gr. 8°.

-ocr page 924-

Taf. 4. Geschlechtsvererbung. Vererbung der Bluter-Krankheit. Nebst Texth.
(1 färb. Taf., 4. S.). 125 x 95,5 c.M. u. gr. 8°.

Führer durch die Bayerische Tierzucht. Hrsg. vom Staatsministerium f. Land-
wirtschaft und Arbeit, Abt. Landwirtschaft. Freising, F. P. Datterer & Cie, [1929].
Gr. 8°. 147 S. m. Abb. u. 1 färb. Kte. M. 4.-—.

Kühn-Archiv. Arbeiten aus den Landwirtsch. Instituten der Universität
Halle. Hrsg. von
G. Frölich, K. Steinbruck und Th. Römer. Bd. 22. Berlin,
P. Parey, 1929. 4°. X 399 S. m. Abb. M. 15.—.

Bd. 22 = Sonderb. 4. : Tierzucht, hrsg. von G. Frölich.

H. Möllgaard, Fütterungslehre des Milchviehs. Die quantitative Stoffwechsel-
messung und ihre bisherigen Resultate beim Milchvieh. Hannover, M. & H.
Schaper, 1929. Gr. 8°. VIII 246 S. m. 7 Abb. u. 5 [eingedr.] Kurven. M. 15.—.

Geb, ,, 17.50.

W. Wieland, Die Hauskatze. Neudamm, J. Neumann, 1929. 160. 80 S. m.
Abb. M. 1.-—.

J. Wille, Physik für Molkereifachleute. Berlin, P. Parey, 1929. 8°. 44 S. m. 36
Textabb. M. 2.—.

Molkereitechnische Lehrhefte. H. 12.

Merkblatt über das ansteckende Verkalben der Kühe. Berlin, Reichsgesund-
heitsamt, 1929.

K. Ritter und F. Lehmann, Welterzeugung an Schweinen und Weltabsatz
an Fleisch in ihrer Einwirkung auf den deutschen Markt und mit welchen Futter-
mitteln erzeugt man das Schweinefleisch zur Zeit am billigsten? Neudamm, J.
Neumann, 1929. Gr. 8°. 24 S.

R. Römer, Geflügelzucht. M. e. Anh. : „Rassenkunde". Bearb. von H. Lentzsch.
Ehemals geschr. von B. Blancke, später von A. Croce. i ite Aufl. Berlin, F. Pfen-
ningstorff, [1929]. 8°. IV 162 S. m. 24 färb. Rassebild, auf 4 Taf. sowie 92 Abb.

M. 2.—.

Tierärztlicher Bericht für Württemberg, zusammenfassend die Jgge 1926 und
1927. Hrsg. vom Württ. Innenministerium. Stuttgart, W.Kohlhammer, 1929. 40.
III 105 S. M. 12.—.

Ergebnisse der Physiologie. Hrsg. von L. Asher und K. Spiro. Bd. 28. München,
J. F. Bergmann, 1929. 4°. X 704
S. m. 197 Abb. im Text und Tab. M. 78.—.

Richtlinien für die Planung, den Bau, die Einrichtung und die Energiewirtschaft
städtischer Milchversorgungsbetriebe, a. Hildesheim, Molkerei-Zeitung, 1929-
40. 64 S. m. 32 Abb. u. 16 Taf. M. 2.50.

a. Die Planung städtischer Milchversorgungsbetriebe. Von B. Lichtenberger.
J. Rieger, Die Erythrozytenzahl des Norikerpferdes und ihre Beeinflussung
durch Klima und Haltungsbedingungen. Inaug.-Diss. Technische Hochschule
München. 1928.

H. Eggers, Die Milchversorgung der Stadt Berlin. Rostock, C. Hinstorff, 1929.
8°. 16 S. ~ M. 1.—.

Wissenschaftliches Archiv für Landwirtschaft. Hrsg. von Th. Römer und W.
Zorn,
unter Mitw. von E. Tamm. Abt. B. Tierzucht und Tierhaltung. Unter Mitw.
von J.
Dürst, L. Adametz, H. Funkquist, O. Garkawy. Hrsg. von W. Zorn.
Bd. i, H. 1. Berlin, J. Springer, 1929. Gr. 8°. 178 S. m. 95 Textabb. u. 3 Taf. M. 14.80.

H. Duncker, Kurzgefasste Vererbungslehre für Kleinvogelzüchter unter bes.
Berücksichtigung der Kanarienvögel und Wellensittiche. Leipzig, F. Poppe,
[1929], Gr. 8°. 125 S. m. 51 teilw. färb. Fig. u. 28 Schemabild, im Text, 8 Schwarz-
taf. sowie 5 vierfarb. Taf. M. 5.—.

H. Engel, Die Aussichten von Grosseierfarmen. Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°.
22 S. m. i Textabb. M. 1.20.

A. Beeck, Bau und Einrichtung neuzeitlicher Geflügelställe mit bes. Berück-
sichtigung landwirtschaftlicher Verhältnisse, der Erwerbsgeflügelzucht und
Kleinbetriebe. 2te Aufl. Berlin, P. Parey, 1929. 8°. 91 S. m. 100 Textabb. M. 4.50.

-ocr page 925-

Chrisment, Expériences personnelles lors d\'une épizootie de fièvre aphteuse.
Thèse de Paris. 1929.

Menon, Contribution à l\'étude de la biologie et du rôle pathogène des princi-
paux muscioïdés créophiles (Mouches de viande). Thèse de Paris. 1929.

Dumeste, Contribution à l\'étude de la pathogénie et du traitement des tendi-
nites du cheval de selle. Thèse de Paris. 1929.

Quandalle, La tuberculose ordinaire chez les animaux. Thèse de Paris. 1929.

Bullier, Recherches des sensibilisatrices dans le sérum des chiens atteints
de la maladie du jeune âge. Thèse de Paris. 1929.

Amiot, Contribution à l\'étude de l\'action des extraits de lobe postérieur d\'hy-
pophyse sur la pression sanguine. Thèse de Paris. 1929.

Sornicle, La production fromagère de Saint-Benoit-sur-Loire. Thèse de Paris.
1929.

Monvoisin, De la pathogénie de la hernie inguinale étranglée chez le cheval.
Thèse de Paris. 1929.

Barbier, Des sources de la virulence rabique. Histoire d\'une épizootie de rage
sur Renard et Blaireau dans la région Dijonnaise. Thèse de Paris. 1929.

Haag, Les formes cliniques du surmenage chez le cheval. Thèse de Paris. 1929.

Commèny, L\'addition du bicarbonate de sodium au lait. Thèse de Lyon. 1929.

Michaud, La mélanose chez le cheval. Thèse de Lyon. 1929.

Bf\'rard, La carie dentaire du cheval. Ses complications et leurs conséquences.
Etude clinique, traitements. Thèse de Lyon. 1929.

Dioux, Des fistules de la parotide et du canal de Sténon chez le cheval. Thèse
de Lyon. 1929.

Fontenaille, Etude pharmacodynamique de l\'adonidoside. Thèse de Lyon. 1929.

Mercier, La race bovine Pie-Noire dans le Morbihan. Ce qu\'elle est. Son avenir.
Thèse de Lyon. 1929.

Avril, Contribution à l\'étude de la cystite hémorragique du bétail (hématurie).
De son étiologie et de sa pathogénie. Thèse de Lyon. 1929.

Vidal, Des fractures phalangiennes chez le cheval. Etiologie. Traitement. Thèse
de Toulouse. 1929.

Sauvel, Les névrectomics jambières dans le traitement de l\'ostéo-arthrite tar-
sienne. Thèse de Toulouse. 1929.

Chastaingt, Les améliorations culturales et l\'exploitation de la race bovine
limousine. Thèse de Toulouse. 1929.

Cordeau, Contribution à l\'étude de la maladie naviculairc des équidés domes-
tiques. Thèse de Toulouse. 1929.

Baradat, La prophylaxie de la peste bovine au Cambodge. Thèse de Toulouse.
1929.

Pérarnaud, L\'inspection des viandes d\'animaux atteints d\',.états fiévreux".
Essai sur un diagnostic chimique (sel de potasse). Les viandes fiévreuses sur le
cheval atteint de traumatisme. Thèse de Toulouse. 1929.

Rivière, Contribution à l\'étude des chéloïdes cicatricielles chez le cheval. Thèse
de Toulouse. 1929.

U. Tietze, Untersuchungen über die Gerinnungszeit des Blutes von Schafen
und Rindern. Inaug.-Diss. Breslau. 1929.

G. Würkert, Entwicklung und Stand der pommerschen Kaltblutzucht. Inaug.-
Diss. Berlin. 1929.

G. SiLCKENSTäDT, Die Zucht der deutschen weissen Edelziege in der Provinz
Brandenburg. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

E. Gruschke, Ueber Fäulnis und Zersetzung bei Würsten und die wichtigsten
Methoden zu ihrer Feststellung mit bes. Berücksichtigung der Eberschen Probe
und ihrer Zuverlässigkeit. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

W. Karras, Künstliche Euterinfektionen (Streptokokken und Pyogenesbak-
terienl gleichzeitig ein Beitrag zur forensischen Beurteilung der ersten Entzün-
dungserscheinungen. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

-ocr page 926-

M. Willimczik, Untersuchungen über die Wirkung des Hexächlöraethans am
isolierten Dünndarm des Rindes. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

W. Engwitz, Untersuchungen über die Salbengrundlage ,,Tegin." Inaug.-Diss.
Berlin. 1929.

R. Strasser, Ueber die motorische Wirkung des Therapogens und des Chino-
sols auf den isolierten Uterus des Rindes. Ein Beitrag zur Frage der Nebenwirkung
von Spüldesinfizientien. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

E. Striegler, Vergleichende Untersuchungen über eine neue linimentartige
Salbengrundlage. (Salbenbildner nach dr. Cohn). Inaug-Diss. Berlin. 1929.

M. Sturman, Versuche zur Unterbrechung der Trächtigkeit beim Rinde mit
dem Uterus-Inlektor ,,Abors". Inaug.-Diss. Berlin. rg2g.

A. Horvath, Der Mitteldarm des Kaninchens. Inaug.-Diss. Budapest. 1929.
T.
Szepesz, Ueber den Bau des Unterkiefers der Haussäugetiere. Inaug.-Diss.

Budapest. 1929.

D. Farkas, Ueber die Venenstämme des Pferdes. Inaug.-Diss. Budapest. 1929.

B. Csizmadia, Untersuchungen über die Wirkung des Distols auf die Milch.
Inaug.-Diss. Budapest. 1929.

J. Sipos, Beiträge zur Amyloidose der Serumpferde. Inaug.-Diss. Budapest. 1929.
H.
Gross, Die Gewichtsverhältnisse der Schweineeingeweide. Inaug.-Diss.
Budapest. 1929.

J. Ivozma, Differentialfärbung der Blutkörperchen bei Vögeln. Inaug.-Diss.
Budapest. 1929.

A. Janecsko, Blutzuckergehalt bei gesunden und bei kranken Haustieren.
Inaug.-Diss. Budapest. 1929.

L. Abonyi, Urobilin im Pferde-, Rinder- und Hundeharn. Inaug.-Diss. Buda-
pest. 1929.

K. Wirth, Die in der Milch vorkommenden weissen Blutzellen, sowie deren bio-
logische und pathologische Bedeutung. Inaug.-Diss. Budapest. 1929,

B. Simo, Vergleichende Untersuchungen über die Menge der Blutplasmaeiweiss-
körper bei einigen Haussäugetieren. Inaug.-Diss. Budapest. 1929.
du Buv.

REFERATEN.

ZIEKTE VAN PAARDEN.

L\'auto-sérothérapie dans le traitement des pleurésies du cheval. Valade, (Recueil
de Mét. Vét. Juin 1928, p. 336) wijst er op, dat de auto-serotherapie bij pleuritiden
van het paard een onloochenbare waarde bezit en niet verdient in onbruik te ge-
raken. Hij grondt deze overtuiging op een langdurige ervaring en vermeldt een
zestal door hem op deze wijze behandelde gevallen.

Door punctie van de borstholte wordt een hoeveelheid cxsudaat opgevangen en
hiervan dadelijk 40—60 cc subcutaan aan den hals van de patiënt ingespoten.
Het is gewenscht dit zoo vaak te herhalen totdat beterschap intreedt, te herkennen
aan het dalen van de lichaamstemperatuur en verbetering van den algemeenen
toestand. Gewoonlijk treedt genezing op na 3 à 4 injecties. Hoe eerder deze behan-
deling wordt ingezet des te beter, dus een vroegtijdige diagnose is noodzakelijk.

In geval van purulent exsudaat is de methode gecontraindiceerd.

L\'anatoxine tétanique et la prophylaxie du tétanos chez le cheval et les animaux
domestiques.

Ramon et Descombey. — Bulletin de l\'Académie Vétérinaire de France T. I
Mai 1928 p. 183.

Hulde wordt gebracht aan de heeren Ramon en Descombey voor hun ontdek-
king van het tetanusanatoxine. Hiermede wordt de medische wetenschap in zeer
belangrijke mate gebaat, daar men nu in staat wordt gesteld mensch en dier tegen
bepaalde specifieke intoxicatieziekten actief te immuniseeren. Reeds wordt in de

-ocr page 927-

geneeskunde bij den mensch hiervan een practisch gebruik gemaakt door met het
diphterieanatoxine de kinderen voor deze ziekte te behoeden. In streken waar
tetanus veel voorkomt kan men nu voortaan aldus de dieren prophylactisch on-
vatbaar maken.

Tumeur généralisée d\'origine ovarienne avec thrombo-phlébite de la veine cave
chez la jument.

Bontemps — Revue vétérinaire et Journ. de Méd. Vét. Septembre 1928 p. 495.

Schr. vermeldt een merkwaardig geval van algemeene sarcomatose bij een
merrie, die pas 4 jaar oud was. De eerste klinische verschijnselen waren die van een
neusbloeding. Auscultatie en percussie duidden op een broncho-pneumonie. Tem-
peratuur kwam echter niet boven de 38,3°. Den tweeden dag kreeg het dier een
sterk oedeem aan onderbuik, vervolgens aan linker, daarna ook aan rechter ach-
terbeen. Bij rectale exploratie was een groote pijnlooze massa te voelen. Plotseling
dood na 9 dagen.

Het pathologisch-anatomisch beeld was wel zeer eigenaardig ; de metastatische
haarden hadden i.n de organen tot bijzondere veranderingen aanleiding gegeven.
Het linker ovarium had de grootte van een kinderhoofd, waarin een groote cysteuse
tumor (sarcoom) ; de linker nier was 5 x vergroot, de rechter iets minder, beide
vertoonden tevens het beeld van passieve hyperaemie. De Vena cava was bijna
volkomen geobstrueerd en wel zelden zal een dergelijke thrombo-phlebitis op
zoo\'n wijze zijn ontstaan.

Métastases gourmenses tardives avec ouverture spontanée a la région anale.

Louis Goffinet (Annales de Méd. Vét. 1928, No. 8—9, blz. 350—357) doet
mededeeling van 3 bijzondere klinische gevallen van metastatische goedaardige-
droes-abscessen in de anaalstreek, welke spontaan perforeerden. Het verloop was
steeds goedaardig. Bij een Iersche merrie werd 20 dagen nadat het dier van goed-
aardige droes hersteld was verklaard, een fistelopening waargenomen boven links
van de anus. Het fistelkanaal leidde naar een absces van de lymphoglandulae
anales, rectaal duidelijk te voelen als een gezwel ter grootte van een vuist. Ver-
grooting van de fistel, waardoor de etter gemakkelijk kon afvloeien, deed spoedige
genezing volgen. Bij een ander paard traden een 3-tal fistelopeningen op om de
anus. De beide zijdelingsche leidden eveneens langs ^ 15 c.M. lange kanaaltjes
naar de anaalklieren. In de etter werd microscopisch de streptococcus van
Schütz
aangetoond.

Een 6-jarige poney kreeg iets dergelijks een maand na de catarrhe van de voorste
luchtwegen. Hier waren echter de lg. sac.rales in ettering overgegaan en kon door
het maken van een tegenopening een halve liter pus worden ontlast.

Het goedaardig verloop en de geringe algemeene stoornissen, welke bij deze
metastatische abscessen werden waargenomen, moeten volgens Schr. waarschijn-
lijk worden verklaard uit een soort auto-immunisatie van het zich langzaam na
den eigenlijken ziekte-aanval herstellende organisme.

Asystolie intermittente sur un cheval.

Bouchet (Bulletin de 1\'Académie Vétérinaire de France — Mars 1928, p. 83)
maakt naar aanleiding van een door hem waargenomen geval de opmerking, dat
functiestoornissen van het hart bij paarden niet zeldzaam zijn, terwijl toch geen
anatomische veranderingen zijn aan te wijzen. Het klinische verschijnsel bestaat
slechts in een intermitteerende hartswerking, zonder verdere symptomen en komt
bij oudere paarden voor.

(Bij onze legerpaarden kan dat verschijnsel ook meermalen worden waarge-
nomen, zonder dat de dieren er eenige hinder van schijnen te ondervinden. Ref.).

In het hierbedoelde geval betrof het een 12-jarig paard, dat nooit ziek was ge-
weest, doch schijnbaar langzamerhand aan werkkracht verloor, moeilijker in
staat was hellingen te nemen, hetgeen men eerst als luiheid versleet. Polsfrequentie
35—38, om de 5 a 6 slagen een intermissie van 2—3 seconden. Oedemen zijn nooit
waargenomen. Behandeling zonder eenig resultaat. Sectieonderzoek van het hart
volkomen negatief.

-ocr page 928-

Beitrag zur Kenntnis der Melanosarkomatose bei pigmentierten Pferden.

Möllmann — Zeitschr. f. Veterinark. September 1928, S. 338—348.

Dat Melanosarcomatose niet uitsluitend bij schimmels voorkomt, doch ofschoon
zelden, ook bij gepigmenteerde paarden wordt waargenomen, bewijst het hier
beschreven geval bij een 9-jarigen bruinen ruin. Schr. releveert tevens nog 12 ge-
lijksoortige mededeelingen uit de literatuur, welke betrekking hebben op 19 paar-
den. Van de meeste was de kleur bruin, doch ook vos en zwart. Het ziektebeeld is
gelijk aan dat bij schimmels met groote neiging tot metastasenvorming in lymph-
klieren, nieren, longen, beenderen en lever. Belangwekkend zijn de vaak in de
beenderen optredende veranderingen o. a. in de ruggewervels. Door halisteresis
ontstaat een fragilitas ossium, waarmede men uit een practisch oogpunt rekening
moet houden bij het eventueel neerwerpen der dieren voor operatieve doeleinden.

Schr. wijst er verder op, dat de opvatting, dat het melanosarcoom bij het paard
een goedaardig gezwel zou zijn, niet juist is. Veelal is het verloop letaal tengevolge
van cachexie, miltruptuur, darmobturatie, verlamming van de achterhand enz.
Ook in dit opzicht bestaat er geen verschil tusschen de melanosarcomen bij gepig-
menteerde en ongepigmenteerde paarden.

A note on a condition of intestinal Ulceration in Horses. Dickinson, The Austra-
lian Veterinary Journal, June 1928, No. 2, p. 58.

In de jaren 1926 en 1927 heeft Schr. in Tasmania een aantal sterfgevallen bij
paarden waargenomen, waarbij post mortem ulceraties in de dunne darmen wer-
den gevonden. De literatuur vermeldt daaromtrent niets.

Het ziekteverloop is chronisch of acuut. In het eerste geval vertoont de patiënt
weinig eetlust, geen temperatuursverhooging, een beetje diarrhee, voelt zich,
loom. Medicijnen hebben geen uitwerking, de eetlust verdwijnt daarna geheel;
er treden oedemen op aan onderbuik en onderkaken. Door binnen een of twee
mianden. In acute gevallen wordt de deskundige gewoonlijk voor „koliek" ge-
roepen. Het dier heeft eerder geen enkel verschijnsel van ziek zijn vertoond. Tem-
peratuur 40°. Peritonitis na perforatie van een gangraeneuse ulcus in de dunne
darmen.

Oorzaak is niet aangetoond. Alle aangetaste paarden hadden een leeftijd tus-
schen 12 en 16 jaren.

Durchbohrung des Grimmdarmes durch einen abgeschluckten Fremdkörper bei
einem Pferde.

Dr. Jos. Wintersberger (Wiener Tierarztl. Monatsschrift, 1928, H. 12, S. 539)
beschrijft een ziektegeval, dat wel vaak bij het rund wordt waargenomen, doch
bij het paard een zeldzaamheid mag worden genoemd. Een ongeveer 18-jarige
merrie was erg vermagerd en zeer zwak, vertoonde echter geen bijzondere symp-
tomen, die een zekere diagnose mogelijk maakten. Behandeld werd het dier voor
een chronische maagdarmcatarrh. Het stierf iióelagen nadat de eerste ziektever-
schijnselen waren opgemerkt. De sectie bracht o. a. het volgende aan het licht :
De bovenste flexuur van het groote colon was voor een groot gedeelte met de maag,
het middenrif en de lever vast vergroeid. In de omgeving van deze vergroeiings-
plaatsen, die ongeveer een vlakte van twee handbreedten besloegen, was de serosa
met bindweefselachtige vlokken meer of minder dicht bezet. De rechter lever-
kwab was aan de randen verdikt en zeer ruw en met de bovenste flexuur van het
colon vergroeid. Het leverweefsel was hier volkomen door eeltachtig bindweefsel
vervangen hetwelk een kanaalvormige holte omsloot, waarin een c.M. lang
verroest stuk staaldraad in een geringe hoeveelheid grijze stinkende vloeistof lag
verborgen. Het darmslijmvlies was daar ter plaatse verdikt en leisteenachtig
verkleurd.

Bemerkenswaardig is in dit geval nog het optreden van een slokdarmverlam-
ming, die een verstopping van den slokdarm en het indringen van voedsel in de
luchtwegen tengevolge had met den dood door verstikking als gevolg. Of deze
slokdarmparalyse als een begeleidingsverschijnsel van de sterke cachexie moet
worden opgevat of een andere oorzaak had, kon Schr. niet uitmaken.

-ocr page 929-

Klinische Beobachtungen über die Abführwirkung von Aloe-Extract, Istizin
und Kalomel beim Pferde in verschiedener Reihenfolge und Kombination.

Loewel (Tierarztl. Rdschau 1928, No. 27, S. 507) heeft bij 110 paarden de af-
voerende werking onderzocht van extractum aloes, istizinum en calomel in 6 ver-
schillende combinaties. De geneesmiddelen werden op de volgende varieerende
wijzen toegediend :

1. Extractum aloes, daarna calomel ;

2. extractum aloes, vervolgens calomel, daarna istizinum ;

3. calomel, vervolgens extr. aloes, daarna istizinum;

4. istizinum, vervolgens extr. aloes, daarna calomel ;

5. istizinum calomel gecombineerd ;

6. extractum aloes -j- calomel gecombineerd.

De groote verscheidenheid der ziektegevallen maakt het echter moeilijk de
resultaten te vergelijken en hieruit conclusies te trekken, die de toets der kritiek
in elk opzicht kunnen doorstaan.

Verschillende omstandigheden spelen daarbij ook een groote rol, zooals ras,
gebruik en weerstandsvermogen der dieren, aard en graad van het lijden, ver-
strekte voedsel enz. Onder de 110 patiënten waren geen twee volkomen identieke
gevallen.

De afvoerende werking van het eerste en tweede middel was soms zoo zwak,
dat voor het bereiken van een sneller resultaat en voor grootere zekerheid nog
een derde en soms een vierde middel daarna werd gegeven. Daarmede is niet ge-
zegd, dat dit extra toedienen dier geneesmiddelen noodzakelijk was, waarschijnlijk
zou ook zonder deze wel genezing zijn opgetreden. Doch het was juist van belang
om waar te nemen hoe de patiënten op het voor de 3e en 4e maal toedienen van
gelijkwerkende geneesmiddelen reageerden.

Geen enkele maal is de dood het gevolg geweest en ook is geen voorbijgaande
schadelijke werking geconstateerd.

Een afvoerende werking is in alle 6 groepen bereikt. Calomel is zoowel voor als
na extractum aloes en ook voor en na istizinum zonder bezwaar gegeven.

Calomel heeft gecombineerd met extractum aloes en met istizinum geen nadeeligc
werking.

Beitrage zur Frage der Sanarthrit-anwendung.

Keckeisen (Z?itschr. f. Veterinark. 1928, bladz. 144) heeft ook proeve,n ge-
nomen met sanarthrit bij chronische gewrichtsaandoeningen van paarden. In een
4-tal gevallen werden minimaaldoses subcutaan ingespoten en kon een gunstige
therapeutische werking worden waargenomen. Ecnige schadelijke werking werd
niet geconstateerd, ook traden geen stoornissen in het algemeen welzijn op.

Tot de 4e injectie hielden de patiënten stalrust, daarna kregen ze voorzichtig
beweging d. w. z. dagelijks 15—20 minuten afstappen.

Het merkwaardige is, dat het volkomen verdwijnen der kreupelheid niet altijd
direkt na afloop van de kuur, doch eerst 1—3 weken daarna optreedt.

F.r moet ook wel aan worden gedacht, dat deze paarden, evenals alle recon-
valescenten, eerst langzamerhand hun gewone arbeid zullen hervatten.

(Ref. is op heden zelf bezig het sanarthrit als therapeuticum aan te wenden en
zal bij gelegenheid daarvan de resultaten mededeelen).

Brands.

-ocr page 930-

CYSTICERCOSIS BIJ VETTE KALVEREN,

DOOR

A. J. HOLTZ.

Twee kort na elkaar waargenomen gevallen van cysticercosis
zijn voor mij aanleiding hiervan mededeeling te doen, aangezien
deze aandoening bij vette kalveren tot nog toe zelden werd waar-
genomen.

In aflevering 21 en 23 van het 55e Deel van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde worden door collega Dr.
de Graaf 2 artikelen
gerefereerd, welke waren verschenen in buitenlandsche vaktijd-
schriften van de hand van Dr.
Brüggemann en Haas. Deze ge-
vallen betroffen echter kalveren op een leeftijd van 4 en 3 weken.

Uit de opmerkingen van Dr. df. Graaf aan het slot van zijn
referaat op blz. 1120 van afl. 21, meen ik te mogen afleiden, dat
het voorkomen van cysticercus inermis in het vleesch van vette
kalveren hier te lande nog niet algemeen bekend was. Ook blijkt
dit wel uit het bepaalde in art. 32 van het Koninklijk Besluit
van 5 Juni 1920,
S 285, volgens welk artikel de keuringsveearts
wordt vrijgelaten insnijdingen van de tong, hart, in- en uitwen-
dige kauwspieren al of niet te verrichten.

Op 24 Juni j.1. maakte de hulpkeurmeester, die in mijn stand-
plaats onder mijn toezicht werkzaam is, mij attent op het voor-
komen van blaaswormen in de hartspier van een op dien dag ge-
slacht ± 10 weken oud vet kalf.

Ook in den middenrifspilaar en in de uitwendige kauwspieren
werden deze aangetroffen.

In de hartspier bevonden zich 8 verkalkte en een 3-tal levens-
vatbare exemplaren, in de kauwspieren een 2-tal levende en enkele
levenlooze ; daar overigens geen cysticerci bij oppervlakkige be-
schouwing van het vleesch werden aangetroffen, werd besloten
het vleesch voor sterilisatie te bestemmen. Koeling werd minder
wenschelijk geoordeeld, aangezien wel te verwachten was, dat een
verblijf van dit vleesch gedurende minstens 3 weken in het koel-
huis van nadeeligen invloed zou zijn op de houdbaarheid, temeer
daar dit vleesch voor deze koeling dan nog naar elders zou moeten
worden getransporteerd.

Zeer verraste het ons, 8 dagen na dato bij de keuring van een
vet kalf van ongeveer denzelfden leeftijd wederom cysticerci aan
te treffen : in de hartspier 2 levensvatbare, 6 levenslooze ; in de
uitwendige kauwspieren 3 levensvatbare, in den middenrifspilaar
een 3-tal levensvatbare exemplaren. Bij verdere beschouwing van
het vleesch teekenden zich onder de fascie van de oppervlakkig
gelegen spieren op verschillende plaatsen aan ledematen, romp en
staart, doorschijnende cysticercusblaasjes af met duidelijk waar-

-ocr page 931-

neembare scolex. Ook na insnijding van enkele spieren van den
schouder en van een achtervoet, stuitten wij telkens op levens-
vatbare cysticerci, zoodat wij wel konden zeggen, dat de parasie-
ten van kop tot staart verspreid in het lichaam voorkwamen. Ter
bepaling van de levensvatbaarheid maakten wij gebruik van de
gal-physiol. keuken-zoutsolutie bij ± 38°. Ingevolge het bepaalde
in het keuringsregulatief werd het kalf afgekeurd.

Aangezien beide kalveren door denzelfden slager waren geslacht,
meenden wij wel te kunnen aannemen, dat beide dieren van de-
zelfde boerderij afkomstig waren. Inderdaad bleek zulks ook het
geval te zijn, zooals wij weldra van dezen slager vernamen. Dat
wij gaarne meer inlichtingen omtrent deze gevallen wilden hebben,
is begrijpelijk, mede achtten wij het een belang voor den vee-
houder of met zekerheid zou kunnen worden vastgesteld, dat de
lintwormdrager ook op de boerderij huisde.

Daarom stelde ik mij in verbinding met den veehouder, die
mij het volgende mededeelde :

Beide kalveren waren bij hem op stal geboren en enkele dagen
na de geboorte met nog een 3-tal andere in een ruimen stal onder-
gebracht en uitsluitend met melk gevoed; de verzorging geschiedde
alleen door hem zelf. Hij wist, dat hij aan lintwormziekte leed,
ongeveer 4 jaren geleden, was hij hiervoor medisch behandeld.

Dat hem geadviseerd werd, zich nogmaals aan eene genees-
kundige behandeling te onderwerpen, spreekt van zelf.

In een anderen stal werden nog 4 kalveren gemest. Aangezien
de mogelijkheid bestaat, dat ook bij deze dieren blaaswormziekte
voorkomt, werd den veehouder gevraagd mij op de hoogte te wil-
len blijven houden waar deze dieren ten slotte voor slachting zou-
den terechtkomen, aan welk verzoek hij beloofde te zullen vol-
doen. De betrokken vleeschkeuringsdienst zou dan tijdig door
mij kunnen worden ingelicht.

Op welke wijze hier de infectie plaats vond, zal wel onopgelost
blijven ; directe of indirecte infectie van de melk heeft natuurlijk
moeten plaats vinden.

De W.C. met waterspoeling bevindt zich in huis, de inhoud
van den put wordt op het land gebracht.

Mogelijk heeft het slootwater, waarin de melkemmer wordt ge-
spoeld, dezen besmet. Omtrent de situatie ter plaatse heb ik mij
persoonlijk niet kunnen overtuigen.

Voorts zij hier nog medegedeeld, dat het kalf met uitzondering
van enkele vleeschstukken in ontvangst is genomen aan het abat-
toir te Utrecht door den Directeur den Heer
Hoefnagel, alwaar
het door diens bemiddeling is gedistribueerd voor demonstratie
en verder onderzoek.

Deze gevallen van cysticercosis bij vette kalveren toonen, naast
andere beschreven gevallen, de noodzakelijkheid aan van eene

-ocr page 932-

wijziging en aanvulling van de artikelen 31 en 32 van het K. B.
van 5 Juni 1920, S 285. Hoewel ook dan weer een particulier (in
hoofdzaak slagers) belang zou geschaad worden, zou de volks-
gezondheid er mede gediend zijn.

Gorinchem, Juli 1929.

OVER UNIFORMITEIT IN DE VLEESCHKEURING, SPECIAAL
WAT AANGAAT DE LEVERDISTOMATOSE,

door

R. H. VEENSTRA.

Er zal, naar ik veronderstel, wel niemand zijn, die openlijk
zou willen verdedigen dat multiformiteit in de beoordeeling der
zelfde afwijkingen in verschillende keuringsdiensten of door
ambtenaren van denzelfden keuringsdienst gewenscht is. Ook zij,
die gaarne de „wetenschappelijke zelfstandigheid" aanvoeren om
zich een zekere mate van vrijheid in de beoordeeling voor te be-
houden, worden m. i. daarbij meer gedreven door een natuurlijke
persoonlijke vrijheidsneiging dan door de meening, dat dit stand-
punt wenschelijk is voor een juiste keuring of in het belang der
eigenaars. Het is zelfs niet geheel onwaarschijnlijk, dat zij de vrij-
heid, welke zij voor zich zeiven opeischen, minder gaarne gebruikt
zien door anderen, indien die vrijheid leidt tot een beoordeeling,
welke afwijkt van de hunne.

Ten gevolge van het intensieve handelsleven van den tegenwoor-
digen tijd en het snelvervoer, waardoor vroegere bezwaren van
lange afstanden zijn vervallen, heeft er een omvangrijke intercom-
munale uitwisseling van goedgekeurd vleesch plaats, terwijl ook
het slachtvee bestemd voor zeer verspreid liggende gemeenten op
dezelfde markten wordt gekocht.

Verschil in beoordeeling van dezelfde afwijkingen in die mate,
dat zulks voor den handelaar merkbaar wordt, veroorzaakt een
voor de hand liggende achterstelling, hetgeen leidt tot een feitelijk
unfaire concurrentie tegenover de belanghebbenden, die hun be-
drijf uitoefenen in gemeenten, waar de beoordeeling strenger is
dan in die hunner vakgenooten.

De hier geschetste toestand treedt hoe langer hoe meer aan het
licht, zelfs in die mate, dat er van leekenzijde openlijk en met klem
op gewezen wordt, niet alleen in de pers, maar ook bij de autori-
teiten.

Een in alle opzichten volkomen gelijkheid in beoordeeling zal,
gezien den aard van het materiaal en het onvoldoend exacte der
wetenschap op welker toepassing de beoordeeling is gebaseerd,

-ocr page 933-

wel immer een utopie blijven. M. i. is niets echter meer gevaarlijk
en onjuist dan uit het vorenstaande te concludeeren, dat daardoor
het aan den dag treden der zóó in het oog loopende verschillen
in de beoordeeling, als waarvan hierboven de gevolgen zijn ge-
schetst, moet worden verklaard en aanvaard.

Geen afwijking kan hier beter als voorbeeld worden gesteld dan
de leverdistomatose. Het geldt hier een zeer positieve, grove, voor
een leek waarneembare en weerzinwekkende ziekelijke afwijking,
waaromtrent de wettelijke voorschriften geen enkelen twijfel laten.
Deze ziekelijke afwijking komt dermate veelvuldig voor, dat ver-
schil in beoordeeling leidt tot groote moeilijkheden voor de be-
trokken handelaren.

Wanneer in de eene gemeente het meerendeel der runderlevers
niet onvoorwaardelijk (niet geheel) wordt goedgekeurd wegens de
aanwezigheid van distomatose en in een andere gemeente het
tegenovergestelde plaats vindt, is dit reeds oorzaak, dat van twee
handelaren, die ter markt naar een koe „dingen", hij, die slacht
in een gemeente, waar de keuringsdienst de wettelijke bepalingen
handhaaft, achtergesteld is bij den anderen handelaar, indien deze
laatste het geluk heeft te ressorteeren onder een keuringsdienst,
welke de bedoelde bepalingen niet of in mindere mate naleeft.
Men weet immers, dat de prijs op de markt in den regel zeer scherp
wordt gesteld.

Dat dit alles tot praktische bezwaren aanleiding geeft, bewijst
mede het slachtveefondsen-conflict, dat zich heeft afgespeeld.

Nu de gevolgen van het verschil in beoordeeling als het ware
gemeen goed zijn geworden — in de groote pers is hierover uitvoerig
en openlijk geschreven — moet toch eigenlijk bij ieder de vraag
rijzen of deze toestand bestendigd dient te blijven. Wat aangaat
de leverdistomatose is daaraan op eenvoudige wijze een einde te
maken, daar de voorschriften niet voor tweeërlei uitleg vatbaar
zijn en de onderkenning der afwijkingen zeer gemakkelijk plaats
vindt.

Het den betrokken keuringsdiensten onder het oog brengen
van hunne tekortkomingen in deze zal zonder twijfel wel geregeld
door de Inspectie plaats vinden en ook niet zonder uitwerking
blijven. Het optreden der Inspectie bepaalt zich echter, voor
zoover mij bekend, in hoofdzaak tot repressief toezicht, d. w. z.
eerst wanneer door een keuringsdienst bij het onderzoek van vleesch
afkomstig uit een andere gemeente tekortkomingen ten opzichte
der in die gemeente verrichte keuring worden geconstateerd en
gerapporteerd, komt de Inspectie in actie. M. i. is dit middel voor
den huidigen omvang der gevolgen van het verschil in beoordeeling
bij de leverdistomatose niet voldoende, doch is het in hooge mate

-ocr page 934-

gewenscht, zoo niet noodzakelijk, dat de Inspectie er bij alle
keuringsdiensten, b.v. door middel van een rondschrijven aan de
gemeentebesturen, met klem op aandringt, dat de voorschriften
van het Keuringsregulatief ten aanzien van parasitaire orgaan-
afwijkingen stipt worden nageleefd. Te meer bestaat hiertoe aan-
leiding omdat zich zoo langzamerhand de onjuiste meening schijnt
gevormd te hebben, dat tweeërlei opvattingen te dezen geoorloofd
zouden zijn. Zelfs heb ik wel eens van een collega de tegenstelling
vernomen : de Amsterdamsche opvatting en die van collega
Hoef-
nagel
. Ook is het vrij zeker, dat sommige keuringsdiensten levers,
welke naar elders worden gezonden, strenger beoordeelen dan die
bestemd voor consumptie ter plaatse.

Ik acht het niet onmogelijk, dat het uitblijven van eenige actie
uit georganiseerde diergeneeskundige kringen in deze er toe heeft
bijgedragen, dat de Inspectie zich tot nu toe van een krachtiger
optreden heeft onthouden. Het is naar mijn meening bevreemdend,
dat een toonaangevende vereeniging als die van de slachthuis-
directeuren nog niet het oogenblik gekomen acht openlijk op den
bestaanden ongewenschten toestand te wijzen. Deze vereeniging
toch is in de eerste plaats daarvoor aangewezen, mede omdat het
Keuringsregulatief met haar medewerking tot stand is gekomen.
Formeel moge ingrijpen uitsluitend op het terrein van het daar-
voor ingestelde orgaan — de Inspectie — liggen, doch dit neemt
niet weg, dat eenig openlijk bewijs van belangstelling van andere,
veterinaire zijde niet misplaatst, ja zelfs in hooge mate gewenscht
zou zijn.

BLADVULLING.

Biologie van de Oester.

De europeese oester (ostrea edulis) is een tweeslachtig dier, verwisselt ongeveer
een maal per jaar van geslacht en brengt dan afwisselend eieren en spermato-
zoïden (zaadcellen) voort. De bevruchting en ontwikkeling der eieren heeft binnen
de schaal plaats. De larven worden in het water uitgestooten, zijn dan reeds
o.2 m.m. groot en van kleine schalen voorzien. Zij zwemmen 10—14 dagen vrij
rond en gaan dan (0.3 m.m. groot) op de bodem der zee om zich met een der
schalen vast te hechten aan een geschikte plaats, meestal aan schalen van doode
mosselen, ook wel aan andere oesters; daar blijven zij gedurende haar verdere leven
liggen. Van de ongeveer één millioen larven die een volwassen oester voortbrengt
krijgt echter maar een klein gedeelte de gelegenheid zich vast te hechten. De
meesten worden door zeestroomingen meegesleept en gaan te gronde. Ook de
vastgehechte jonge oesters ontwikkelen zich slechts bij een temperatuur van
minstens 180 C. (Forschungen und Fortschritte. 1929. No. 22).

VR.

-ocr page 935-

— go6 —•

(Uit het Veterinair Anatomisch Instituut der Rijks-Universiteit te Utrecht).

INTERSEXUALITEIT OF HERMAPHRODITISME BIJ ZOOG-
DIEREN

DOOR

G. KREDIET.

Vervolg van bladz. 86r.

Door het onderzoek van zeer vele gevallen ben ik tot de con-
clusie gekomen, dat ook bij zoogdieren, geheel in overeenstem-
ming met de theorie van
Goldschmidt over de intersexualiteit
bij Limantria, de zgn. hermaphrodieten ontstaan langs den weg
van geslachtsomkeer. Hier weer uitvoerig op in te gaan zou een
herhaling beteekenen van de gegevens, die ik reeds bij vroegere
gelegenheden heb gepubliceerd *).

Ter wille van de duidelijkheid mag ik een kort overzicht van
de toen aangegeven gronden niet achterwege laten, maar zal mij
tot het noodzakelijkste bepeiken. De ontwikkeling van het ge-
slacht der dieren geschiedt onder invloed van een dubbelen ge-
slachtsimpuls. Aangenomen wordt dus dat ieder dier bisexueel
is aangelegd. Bij het mannelijke dier is de mannelijke impuls min-
stens het epistatisch minimum sterker geweest dan de vrouwelijke.
Bij het vrouwelijke dier is het juist andersom. In de indifferente
periode van de geslachtelijke ontwikkeling bestaat de geslachts-
klieraanleg uit den bindweefselepitheelkern, die aan de coeloomzijde
met kiemepitheel is bekleed. Van het tubulaire systeem, zijn zoowel
de buizen van
Müller als die van Wolff aanwezig, terwijl het uit-
wendig genitaalapparaat uit een phallus en een ostium urogenitale
bestaat. Zal de ontwikkeling in mannelijke richting verloopen,
dan treden in de indifferente geslachtsklier de volgende verande-
ringen op : in den bindweefselepitheelkern vormen zich : medul-
lairstregen, reteblasteem en interstitium. Om dit geheel tezamen
treedt een albuginea op, aan wier buitenzijde zich nog kiemepi-
thelium bevindt. Bij de verdere ontwikkeling worden de medullaire
strengen tot zaadbuisjes, ontstaat uit het reteblasteem het rete
testis, dat verbindingen aangaat a. met de medullaire buisjes,
wien het de tubuli recti tegemoet zendt en b. met het sexueele

\') Over het ontstaan van intersexen bij onze huisdieren. Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde Dl. 52, Afl. 6, 1925.

Het ontstaan van ovariotestis in verband met geslachtsomkeer. Tijdschrift voor
Diergeneeskunde Dl. 54, Afl. 1, 1927.

Ueber die Genese der Ovariotestes. Archiv für Entwicklungsmechanik. Bnd.
109, Hft. 3, 1927.

Ovariotestis in het scrotum van het varken. Tijdschrift voor Diergeneeskunde.
Dl. 55, Afl. 18, 1928 en Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde 72 jaargang
1928, i helft No. 26.

-ocr page 936-

deel van den oernier, dat tot caput epididymidis wordt. In nor-
male gevallen gaat met uitzondering van den kater
(Hett) het
kiemepitheel verloren, doordat het in gewoon coeloomepitheel
overgaat. Gewoonlijk is dit, ten minste bij het rund, in de eerste
helft van het intrauterine leven al geschied. Zoodra dit kiem-
epitheel niet meer aanwezig is, is de bron voor de verdere vorming
van geslachtelijke elementen buiten de medullaire zaadbuisjes
opgedroogd, tenzij dit den testikel bekleedende coeloomepitheel
latent zijn kiemepitheelkarakter heeft behouden, waarvoor voor-
loopig nog geen enkel bewijs aanwezig is, of dat het als kiemepi-
theel persisteert, zooals bij varkens wel eens het geval is. In het
algemeen gesproken kan men zeggen, dat als in den bal de ver-
schillende deelen zich hebben gevormd en het kiemepitheel is
verdwenen, de mogelijkheid voor een verdere differentiatie in den
testikel is afgesloten, d. i. dus in den regel in de eerste helft van
de intrauterine ontwikkeling.

Bij de ontwikkeling van het ovarium liggen de zaken eenigs-
zins anders. Hier is er niet i stadium als bij die van den bal, maar
moet men drie stadia onderscheiden :

1. aanleg van medullaire strengen, rete ovarii en stroma ovarii
uit den bindweefselepitheelkern. In de medullaire strengen op-
treden van medullaire eieren (2de generatie), die na de oer-
eieren (iste generatie) ontstaan, welke uit het darmentoderm
naar de kiemlijst zijn gegaan en alle verdwijnen of onkenbaar
worden.

2. vorming van corticale strengen met dito eieren (3de gene-
ratie) uit het kiemepithelium. (fig. 2) Regressie der medul-
laire strengen met eieren en verdwijnen van het rete ovarii.
Bij uitzondering kan in normale gevallen de regressie niet
alle mergstrengen en het geheele rete omvatten. Deze kunnen
gedurende korteren of längeren tijd aanwezig blijven, merk-
waardig genoeg bijna steeds in den vorm van buizen en niet
van strengen. (Persisteerende mergstrengen, of -buizen en
persisteerend rete).

3. Het kiemepithelium vormt eiernesten, waaruit de definitieve
eieren (4de generatie) ontstaan. De corticale strengen, met
de daarin aanwezige eieren zijn in regressie en zullen waar-
schijnlijk allemaal verdwijnen. Blijven ze, dan geschiedt dit
gewoonlijk ook als buizen : persisteerende, corticale buizen.

Na dit stadium is de ovariale ontwikkeling afgeloopen, maar
het kiemepitheel blijft en daarmede de mogelijkheid voor verdere
nieuwvormingen. Bij het vrouwelijke dier is de differentiatie-
periode dus eigenlijk nooit beeindigd.

Wanneer nu geprobeerd wordt tusschen de beelden, die de
geslachtsklieren der zoogdierintersexen bieden, en de ontwikke-
lingsstadia, zoo juist aangegeven, verband te leggen door middel

-ocr page 937-

— 9O8 -

van omkeer van geslacht, kan men op 2 wijzen te werk gaan ;
men kan het beeld der interexen-gonade vastleggen en dan pro-
beeren het stadium te vinden, waartoe men het geval in aanleg
kan terugbrengen, of men kan van een embryologisch stadium uit-
gaan, nagaan wat er in het nieuwe geslacht na omkeer uit zou zijn
gegroeid en dan controleeren of het beeld, dat we bij onderzoek
van de intersexengonade hebben gevonden in het kader past.
Heeft men een groote reeks preparaten van zeer vele gevallen
van verschillende hermaphrodiete dieren, dan is het mogelijk een
geheele aaneengesloten serie van verschillende stadia der gonade te
verkrijgen, die aaneengekoppeld alle omkeerstadia demonstreeren.
Ik wil dan ook trachten, werkende op de tweede wijze, alle moge-
lijkheden door middel van een waargenomen beeld te bewijzen.

Vooraf moge ik er op wijzen, dat de gevolgen van geslachts-
omkeer alleen dan voor den dag komen, wanneer hij plaats vindt
binnen de differentiatieperiode. Treedt hij voor dien tijd op,
dan is hij moeilijk te controleeren, terwijl hij na de differentia-
tieperiode geen somatisch waarneembare gevolgen meer heeft,
omdat dan alle morphologische kenmerken reeds in hun defini-
tieve vorm zijn vastgelegd.

Een tweede feit, waarmede men rekening heeft te houden,
is, dat de medullaire strengen, die tijdens de genese van het
ovarium ontstaan, bij persisteeren bijna steeds aanwezig blijven
in den vorm van buizen. Er zijn onderzoekers, die in de me-
dullaire vormingen van het ovarium een op een testis gelijkend
orgaan zien en van een testoid spreken (o.a.
Kohn). Het is moeilijk
aan te geven in hoeverre dit juist is ; een feit is het evenwel, dat
de
corticale strengen en wat het kiemepitheel daarna nog vormt niet
thuis hooren in het mannelijke geslacht, maar typisch zijn voor het
vrouwelijke.

In de derde plaats moge ik er de aandacht op vestigen, dat
de overmaat in valentie van de nieuwe impuls na den geslachts-
omkeer zeer verschillend kan zijn. Is zij groot, dan komt het nieuwe
geslacht markant voor den dag. Zijn de verschillen geringer tot
evenwichtstoestand toe, dan zijn de dooreenmenging van man-
nelijke en vrouwelijke kenmerken in iederen graad te verwachten.

Geslachtsomkeer kan plaats grijpen :

A. van vrouwelijk naar mannelijk ;

a. in het indifferente stadium van de geslachtsklier ;

b. in het stadium der medullaire strengen ;

c. in het stadium der corticale strengen ;

d. na de geboorte ;

B. van mannelijk naar vrouwelijk ;

a. in het indifferente stadium van de geslachtsklier ;

b. in het stadium der medullaire strengen.

-ocr page 938- -ocr page 939- -ocr page 940-

A. a. in het indifferente stadium. Het geheele genitaalapparaat,
dat nog geen spoor van vrouwelijke ontwikkeling vertoont, wordt
van den aanvang af mannelijk. Het genotypische wijfje wordt
tot phenotypisch mannetje. Chromosomenonderzoek zou deze
mogelijkheid moeten uitmaken.

b. in het stadium der medullaire strengen. Deze worden onder den in-
vloed van den sterkeren mannelijken impuls tot zaadbuisjes. Het ge-
heele orgaan wordt dus een testis, die tot in het scrotum kan worden
verplaatst, maar ook onder de lendenen of ergens anders op zijn
traject kan blijven hangen. De rest van het genitaalapparaat kan
min of meer tweeslachtig zijn. M.i. behooren de vele gevallen van
mannelijke pseudohermaphrodisie in deze groep thuis, (Fig. 3 en 4).

c. in het stadium der corticale strengen. De gepersisteerde, me-
dullaire strengen zijn tot buizen geworden, die een testiculair
karakter hebben aangenomen. De corticale strengen kunnen,
vermoedelijk in nauw verband staande met de meerdere of min-
dere sterkte van den nieuwen mannelijken impuls of met het
bijna of geheel in evenwicht zijn der beide impulsen, worden tot :
x. follikels, die de verschillende stadia van ontwikkeling kunnen
doorloopen en zelfs tot corpora lutea (atretica) kunnen worden.
De vele gevallen van ovariotestes, waarin corticaal alle mogelijke
follikelvormen en wat daaruit kan voorkomen, zijn aangetroffen,
acht ik in deze groep thuis te behooren. Dit ovariale gedeelte kan
zich over de geheele cortex uitstrekken, zooals in het geval van
den mensch, dat door
Briau, Lacassagne en Legoutte is beschre-
ven ; kan tot een gedeelte beperkt blijven en als een ovariale kap
op den testis zijn gezeten en zoo den meest beschreven vorm van
ovariotestis vormende
(Pick, Crew, e.a.) ; kan ook in den vorm
van verspreide vlekjes, waarin alle follikelvormen aangetoond zijn
in de albuginea testis voorkomen en zoo den vorm doen ontstaan,
die ik bij meerdere varkens vind en ook door
Bujard zijn be-
schreven. (Fig. 5, 6, 7, 8, 9, en 10).

2. follikels en zaadkanaaltjes. Deze vorm kan vooral geconsta-
teerd worden bij die ovariotestes, die gekenmerkt zijn door de
de meer genoemde vlekjes in de tunica albuginea testis. Zij kun-
nen gescheiden en door elkander voorkomen. In het laatste geval
kan men primaire follikels, soms in strengen liggende, tusschen
zaadbuisjes aantreffen, ook komt het voor, dat een groeiende fol-
likel of blaasje van
de Graaf te midden van zaadkanaaltjes
en
leydig-cellen is gelegen, maar een primaire follikel in een zaad-
buisje is ook een waargenomen combinatie. (Fig. 11, 12, 13, 14).

3. zaadbuisjes, die zich verschillend kunnen voordoen. Is nog
kiemepitheel om de gonade aanwezig, dan kunnen ze ermede
in verband staan of er nog uit worden gevormd. Ook kunnen ze
er los van in de tunica albuginea zijn gelegen, meestal te midden
van
LEYDiG-cellen. Deze en de corticale buisjes kunnen met de

-ocr page 941-

medullaire testis een samenhangend geheel vormen. (Fig. 15, 16).
d. na de geboorte. Het ovarium heeft dan reeds als zoodanig ge-
functioneerd, zooals kan blijken uit de vrouwelijke, secundaire
geslachtskenmerken, bronstverschijnselen en bij den mensch
uit de menstruatie. De twee geiten, waarbij ik geslachtsomkeer
van vrouwelijk naar mannelijk tijdens het leven heb mogen con-
stateeren, waren beide gekenmerkt door een ovariotestis met
een centiaal, degenereerend ovarium en een perifere testikel,
waarvan de buisjes vermoedelijk zijn uitgegaan van het kiem-
epitheel. Dit laatste mag niet meer dan een vermoeden zijn, omdat
geen der beelden meer een samenhang met kiemepitheel aangaf,
dat bovendien niet meer aan te toonen was (waarschijnlijk bij
de verschillende manupulaties met het orgaan verloren was ge-
gaan). (Fig. 17, 18, 19, 20.)

Wanneer de geslachtsomkeer na de geboorte plaats vindt, is
er ook nog een andere mogelijkheid, nl. dat de mannelijke ele-
menten voortkomen uit gepersisteerde mergstrengen. Ik wil in
dit verband wijzen op het geval van
Blair bell, dat naast dat
van
Selheim een is van geslachtsomkeer tijdens het leven bij
den mensch waargenomen. Het betreft een meisje van 17 jaar,
wier menstruatie op haar 14de jaar was begonnen.\' Deze was de
laatste 18 maanden weggebleven, terwijl de gezondheidstoestand
goed was. De stem was iets dieper geworden. Bij klinisch onder-
zoek werd niets anders gevonden dan een iets vergroote schild-
klier. Op haar 19de jaar was haar voorkomen mannelijker gewor-
den, zij had een snor en een mannelijke verdeeling van het haar
over het lichaam. (Fig. 21). De clitoris was sterk vergroot en om-
geven door een duidelijk preputium. Bij onderzoek per vaginam
werd waargenomen, dat de linker gonade iets was vergroot. Er
werd proeflaparotomie verricht en uit beide genitaalklieren een
stukje uitgenomen voor histologisch onderzoek. De linker bleek een
testis (?) de rechter een ovarium te zijn. Bij een tweede laparotomie
werden de beide genitaalklieren, de tubae en de fundus uteri ver-
wijderd. Acht maanden na de operatie was het haar van de lip
en van de beenen verdwenen. De stem was iets hooger geworden ;
figuur en huid waren sterk in vrouwelijke richting gewijzigd.
De mammae waren weinig ontwikkeld, doch men vergete niet,
dat de beide gonaden waren weggenomen. Het histologisch onder-
zoek wees uit, dat de rechter geslachtsklier een normaal ovarium
was, alhoewel klein en niet in een bijzonder actief stadium. De
linker bestond uit een centralen testikel met in de zaadbuisjes
mogelijk spermatogonia en in het interstitium
leydig-cellen en
uit een perifeer ovarium, dat als een dunne kapsel om den bal
heen was gezeten, hier en daar met kiemepitheel was bekleed
en primaire follikels en blaasjes van
de Graaf bevatte. Het cen-
trale testiculaire deel bevatte naast de tubuli ook celmassa\'s en

-ocr page 942-

strengen, die niet tot b
wat gezien wordt in vrc
malen testis. (Fig. 22).

In dit geval van Bl
dat de testiculaire tul
daar dit in rust was en
moet worden aangeno
kippen ook het geval
strengen buisjes met
was dit omvormingsj
der centrale strengen
B. a. in het indiffere
nelijk aangelegde ind.
mannetje wordt tot fr

Fig 14.

-ocr page 943-

vormen. (Fig. 15, 16).
reeds als zoodanig ge-
trouwelijke, secundaire
en bij den mensch
bij ik geslachtsomkeer
leven heb mogen con-
een ovariotestis met
een perifere testikel,
gaan van het kiem-
rermoeden zijn, omdat
kiemepitheel aangaf,
as (waarschijnlijk bij
Baan verloren was ge-

-ocr page 944-

strengen, die niet tot buisjes waren gerangschikt en geleken op
wat gezien wordt in vroege stadia van ontwikkeling van den nor-
malen testis. (Fig. 22).

In dit geval van Blair bell mag niet verondersteld worden,
dat de testiculaire tubuli uit het kiemepitheel afkomstig zijn,
daar dit in rust was en de testikel niet perifeer was gelegen, maar
moet worden aangenomen, evenals dat bij tot haan geworden
kippen ook het geval kan zijn, dat uit de gepersisteerde merg-
strengen buisjes met spermatogoniën zijn ontstaan. Blijkbaar
was dit omvormingsproces nog steeds gaande omdat een deel
der centrale strengen nog in dezen toestand aanwezig was.
B.
a. in het indifferente stadium. Het bij de bevruchting man-
nelijk aangelegde individu wordt vrouwelijk ; d.i. het genotypisch
mannetje wordt tot een phenotypisch wijfje. Ook hier moet chro-
mosomenonderzoek het bewijs leveren.

b. in het stadium der medullaire strengen, als het orgaan nog met
kiemepitheel is bekleed. Er zijn hier verschillende mogelijkheden :

1. van het moment van omkeer af nemen alle medullaire strengen
de vrouwelijke richting ; het kiemepitheel gaat daarna corticale
strengen vormen enz., kortom er ontstaat een ovarium. Hebben
de tubuli en het uitwendig genitaalapparaat zich voor het keer-
punt reeds in mannelijke richting ontwikkeld, dan wordt een
individu gevormd, dat als vrouwelijke pseudohermaphrodiet
in de indeeling van
Klebs past. Ik kan van dezen vorm geen
afbeeldingen laten zien, omdat ik ze nooit heb waargenomen. In
de literatuur worden er alhoewel zeer weinige, toch een paar vermeld.

2. Een deel der mergstrengen behoudt zijn mannelijke vorm,
d.w.z. wordt tot zaadbuisjes, terwijl een ander gedeelte een meer
vrouwelijk karakter aanneemt. Het kiemepitheel, dat het orgaan
is blijven omgeven, doet corticale vormingen als primaire follikels
ontstaan. Hiertoe behoort het geval van de geit (No. 4), die links-
zijdige ovariotomie onderging en na 4 maanden werd gedood.
De linker klier was dus 4 maanden jonger dan de rechter. Er is
hier vermoedelijk slechts een gering overwicht van de vrouwe-
lijke impuls, die niet heeft kunnen verhinderen, dat een deel der
medullaire strengen, die bij wijze van spreken het meest manne-
lijke kenmerk zijn, zich tot zaadbuisjes vormden. In de linker gonade
zijn deze bij elkander gelegen en tot een testiculair gedeelte van
een ovariotestis geworden, dat cranioventraal in het orgaan is
gelegen, en waarin buisjes voorkomen, die spermatogoniën be-
vatten. De ovariaal geworden medullaire strengen zijn niet scherp
begrensd, monden in een rete ovarii uit, dat in een epoöphoron
overgaat. De meer corticale zone van het orgaan is zeer rijk aan
primaire follikels. De 4 maanden oudere, rechter ovariotestis heeft
in principe denzelfden bouw als de linker. Ook hier cranioven-
traal een testis, uit de meer ovariale mergstrengen begint zich

-ocr page 945-

een tumor te vormen, terwijl in de corticale zone nog vele pri-
maire follikels aanwezig zijn. Het testiculaire deel is zeer sterk
gedegenereerd en bevat geen enkele spermatogonie meer. Het
mannelijk deel vertoont een duidelijk beeld van teruggang, ter-
wijl het vrouwelijke deel zich in den vorm van primaire follikels
heeft gehandhaafd. Wij hebben hier te doen met een geval, waar-
bij geleidelijk aan de vrouwelijke kenmerken het van de manne-
lijke gaan winnen, waarschijnlijk onder invloed van een slechts
weinig sterkere, vrouwelijke impuls. (Fig. 23, 24, 25, 26).

Bij een vroegere gelegenheid heb ik als mijn meening weerge-
geven, dat in een verder stadium van ontwikkeling van den tes-
tikel als dat, waarin medullaire strengen voorkomen, de gevol-
gen van geslachtsomkeer niet meer waarneembaar zouden zijn,
omdat door de aanwezigheid van de dikke tunica albuginea, maar
vooral door het verdwijnen van het kiemepitheel geen nieuw-
vormingen meer mogelijk waren. Dit is mij gebleken niet juist
te zijn. Er zijn gevallen, waarin bij het varken het kiemepitheel
langer blijft, dan normaal het geval is. In hoeverre dit op een
abnormale geslachtelijke differentiatie wijst, is moeilijk te zeggen,
temeer daar
Hett het als een normaal verschijnsel bij katers
heeft waargenomen. Hoe het ook zij, het langer dan gewoonlijk
aanwezig blijven van het kiemepitheel maakt het mogelijk, dat
eventueel om de medullaire nieuwe corticale elementen kunnen
worden gevormd.

Ter demonstratie zij hier het volgende geval iets uitvoeriger
medegedeeld. Het betreft een intersexueel varken, dat op een
leeftijd van ca. 6 weken werd afgemaakt. Uitwendig was een scro-
tum en een vulva met een misschien iets vergroote clitoris te
zien. In den linker helft van het scrotum werd inhoud gevoeld,
in de rechter niet. Bij de opening van buik- en bekkenholte bleek
een geheel vrouwelijk genitaalkanaal aanwezig te zijn, waarvan
het corpus uteri het linker lieskanaal indrong, zoodat in deze scro-
(.aal-helft behalve de geslachtsklier ook nog de linker uterushoorn
aanwezig was, terwijl de rechter hoorn uit de linkei inwendige
liesring komende, dwars door de buikholte naar rechts overstak.

De linker gonade lijkt op een testikel, aan wiens bovenrand een
bijbal is gezeten. Het vas deferens is aan de laterale zijde van
de baarmoeder te volgen tot aan het corpus uteri toe. Afmetin-
gen der linker gonade : 23
X 19 X 16 mm. De tuba eindigt blind
op den bijbal. Rechts is ook een op een testis gelijkende geslachts-
klier aanwezig met bijbal en vas deferens. Zij is onder de lendenen
aan een kort schijl opgehangen. Van de cauda epididymidis loopt
door het lieskanaal tot op den bodem van den processus vaginalis
een lig. inguinale, dat geheel mannelijke verhoudingen weergeeft.
(Toch geen descensus!) Afmetingen van de rechter gonade : 21
X
17 X 15 mm. (Fig. 27).

-ocr page 946-
-ocr page 947-
-ocr page 948-

Zoowel de scrotale als de abdominale geslachtsklier is micro-
scopisch onderzocht. De eerste is voor het grootste deel een testi-
kel, die overeenkomt met die van een normaal mannelijk varken
van 6 weken. De tunica albuginea en de uitwendige bekleeding
wijken evenwel van het normale af. De laatste bestaat uit kiem-
epitheel, dat het geheele orgaan bekleedt, ook de vele microsco-
pisch waarneembare groefjes, waaronder er een grootere is, die
misschien ook met het bloote oog zichtbaar is. De tunica albu-
ginea is dikker dan normaal en op verscheidene plaatsen in het
bezit van primaire follikels. Een heel enkele maal wordt een eicel
aangetroffen, die door meerlagig follikelepitheel is omgeven. Ook
zijn in de albuginea corticale strengen gelegen. Opmerkelijk is,
dat ze steeds in een dieper niveau liggen dan de eicellen, dat ze
veelal in groepjes bij elkander liggen en dat ze naar de medullaire
kanaaltjes toe al meer en meer overeenkomst met deze gaan ver-
toonen, vooral als ze door interstitieele cellen zijn omgeven, die
met die uit den eigenlijken testis één geheel vormen.

Het kiemepitheel is om het geheele orgaan in rust, behalve
daar, waar die diepere groeve is gelegen. Hier en in de naaste
omgeving ervan, worden strengen en invaginaties gevormd, waarin
nieuwe eicellen ontstaan. Van de groeve uit dringen eihoudende
strengen als de haren van een lampewisscher de albuginea in,
(Fig. 28), terwijl ook rondom de groeve, meer naar de oppervlakte
van het orgaan toe vele eicellen zijn gelegen. Wanneer men in een
coupe naast de groeve de verschillende lagen van het kiemepi-
theel af tot aan den centralen testis toe volgt, ontmoet men suc-
cessievelijk : (Fig. 29).

a. primaire follikels ; b. epitheelstrengen met eicellen. Sommige
doen reeds aan zaadbuisjes denken ;
c. zaadkanaaltjes ; d. zaad-
kanaaltjes omgeven door
LEYDiG-cellen; e. een dun laagje tunica
albuginea, door zaadbuisjes en interstitieele cellen onderbroken ;
/. centrale testikel.

Duidelijk wordt hier gedemonstreerd, dat het mannelijke weef-
sel dieper is gelegen dan het vrouwelijke en dus eerder moet zijn ge-
vormd .

De rechter geslachtsklier, die sublumbaal was opgehangen,
lijkt ook op het eerste gezicht een normale testikel, doch ook hier
is de tunica albuginea afwijkend. Het kiemepitheel is nog slechts op
enkele plekken aan te toonen, o.a. opeen plaats, die iets promineert.
Hier zijn vele groefjes aanwezig en liggen in de tunica albuginea
een groote massa eicellen. Beelden van nieuwvorming ontbreken.
Wel liggen de follikels zeer dicht onder de oppervlakte en krijgt
men den indruk, dat de aanmaak tot voor kort nog gaande was.
(Fig. 7.) Het merkwaardige van dit geval is in de eerste plaats,
dat het een van de weinige is, waarbij een ovariotestis in het scro-
tum is gelegen, maar vooral dat hier een
overgang van manne-

-ocr page 949-

lijk naar vrouwelijk heeft plaats gevonden. De zaadkanaaltjes
zijn öf de medullaire van den testis of de diep in de albuginea
gelegen corticale. De vrouwelijke elementen liggen oppervlakkiger,
zijn later gevormd en worden nog aangelegd. De geslachtsomkeer
moet hebben plaats gegrepen even voor het stadium der corticale
strengen. Corticale vormingen zijn reeds vrouwelijke kenmerken.
In den overgangstijd, waarin de vrouwelijke impuls sterker werd
dan de mannelijke en waarin vermoedelijk een tijd lang beide
even sterk zijn geweest, zijn de corticale strengen nog manne-
lijk uitgegroeid, daarna zijn ze de vrouwelijke richting ingeslagen.
Waarschijnlijk is dus de omslag geen kwestie van een moment,
maar van een periode.

Kom ik thans tot de vraag terug hoe men zich de genese der
zoogdierhermaphrodieten moet denken, dan neem ik in tegen-
stelling met
Crew niet aan, dat er twee groepen van intersexen
bestaan, vrijwel overeenkomende met de oude indeeling van
ware en mannelijke pseudohermaphrodieten, maar beschouw
ik
alle hermaphrodieten als te zijn ontstaan door een proces van ge-
slachtsomkeer en dus alle als zygotenintersexen naar tijd (Tijdinter-
sexen).

Een tweede bedenking, die ik tegen de theorie van Crew heb,
betreft de groote beteekenis, die hij toekent aan den invloed der
gonadale stimulans op de ontwikkeling van het verdere genitaal-
apparaat. Gewoonlijk wordt als aanwijzing voor hormonafschei-
ding van de geslachtsklier in aanleg gewezen op de genese der
runderkweeën (freemartins).
Keller en Lillik hebben onaf-
hankelijk van elkander de vorming verklaard als een gevolg van
een hormonale invloed, die van het tweelingstierkalf op het vaars-
kalf zou zijn uitgeoefend. Reeds in een zeer vroeg stadium van
de ontwikkeling treedt er tusschen de choria der beide tweeëiige
tweelingkalveren van verschillend geslacht een vaatanastomose
op, waardoor bloed van het stierkalf door het vaarskalf stroomt
en omgekeerd. Beide dieren staan dus onder invloed van elkanders
hormonen. Daar de mannelijke de sterkste zijn, gaat de ontwik-
keling van het vrouwelijke kalf in mannelijke richting, waardoor
meer of minder groote veranderingen in het genitaalapparaat
en wat daarmede samenhangt, kunnen optreden. Aangetoond
is niet, dat het hormon testiculair van oorsprong is, al wordt in
de coïncidentie van het vroegtijdig voorkomen van
leydig-cel-
len en de reeds vroeg optredende werking van het mannelijke
hormon op het koekalf een aanwijzing in de richting van het testi-
culair zijn van dit hormon gezien. Ik zal mij niet in de kwestie
van de plaats van afscheiding van het testishormon in den bal
verdiepen, maar wil er wel den nadruk op leggen, dat het zeer
twijfelachtig is, dat de interstitieele cellen de moedercellen ervan
zijn. Ook kan ik mij zeer goed met
Keller vereenigen, die niet

-ocr page 950-

in den bal het orgaan ziet, waarin in de zeer jonge stadia het manne-
lijke hormon wordt gevormd, maar die aanneemt, dat het geheele
embryo geslachtelijk gedetermineerd is en dat alle cellen het voor
het geslacht specifieke hormon in circulatie brengen, zooals ook
bij lagere dieren iedere cel geslachtelijk gedetermineerd is. Eerst
later wordt deze functie door de gonaden voortgezet.

Wanneer eenmaal de gonaden bij intersexen door hare interne
secretie invloed gaan uitoefenen op de andere geslachtskenmerken
is het nog de vraag of deze dezelfde is als bij normale dieren.Er zijn
feiten, die in een andere richting wijzen. Vooral bij den mensch,
maar ook bij de huisdieren zijn er verscheidene gegevens, die doen
vermoeden, dat de hormonfunctie een geheel andere is.
Halban
geeft terecht aan, dat er dikwijls een frappante tegenstelling be-
staat tusschen het geslacht van het individu en van de gonade.
Ook
Blair Bell uit zich op bijna dezelfde wijze en merkt op,
dat bij pseudohermaphrodieten de secundaire geslachtskenmer-
ken vaak juist anders zijn dan de gonade zou doen vei wachten.
Berry Hart (ontleend aan Blair Bell) spreekt van het atypi-
sche sex-ensemble en bedoelt elaarmede de geslachtsbuizen en
(of) het externe genitaalapparaat, dat bij hermaphrodieten niet
in overeenstemming is met de gonade.
Blair Beli. brengt dit
terug tot invloed van andere organen van interne secretie als
bijnier en hypophyse, die dan van het tegengestelde geslacht der
gonade zouden zijn. Van zeer veel belang is in dit opzicht te weten
welke de resultaten zijn van castratie van zgn. mannelijke pseu-
dohermaphrodieten.
Baker deelt daaromtrent mede, dat na
castratie van zoo\'n varken de baarmoeder atrophieert. Proeven,
die ik in deze richting op een grooter aantal dieren heb genomen,
bevestigen voorloopig deze waarneming volkomen. (Aangezien
deze proeven nog niet zijn afgeloopen, kan ik thans daaromtrent
geen verdere mededeelingen doen). In dit opzicht is dus ele in-
vloed van zoo\'n testikel gelijk aan die van een ovarium in een
normaal vrouwelijk dier. Het worelt zoodoende moeilijk in de ont-
wikkelingsperioden van een intersex rekening te houelen met een
normaal, d.i. met het geslacht der gonade overeenkomend hormon.
De meening, dat de invloed van de stimulans een dusdanige is,
elat datgene, dat aan het eigen geslacht behoort, zich ontwik-
kelt, terwijl dat, wat van het andere geslacht is, wordt onderdrukt,
wordt door de uitslag van bovengenoemde castratieproeven niet
waarschijnlijker. Integendeel eerder lijkt bij de ontwikkeling
eler intersexen het andere waar, althans ten opzichte van de bui-
zen van
Müller.

Op al de genoemde gronden kan ik mij met de theorie van Crew
niet vereenigen, meen alle hermaphrodieten uit één gezichtspunt
te moeten bekijken en beschouw ze, zooals reeds eerder is gezegel,

-ocr page 951-

— Q22 —

alle als zygotenintersexen in den geest van de opvattingen van
Goldschmidt omtrent Limantria.

De zygotenintersexen worden voornamelijk aangetroffen bij
mensch, varken en geit, ook bij rund, paard, schaap, hond en
kat, terwijl ze ook een enkele maal bij de cavia, bij de kameel
bij den opossum en bij het hert zijn gevonden. Gewoonlijk zijn het
gevallen van pseudohermaphroditismus masculinus. Het kan
moeilijk verwacht worden en voor mijn doel zou het zelfs vrij
nutteloos zijn een eenigszins overzichtelijke samenvatting te
geven van alles wat over deze gevallen is verschenen. Ik volsta
met de algemeene opmerking, dat iedere denkbare combinatie
van testis met tubulair en (of) uitwendig genitaalapparaat van
het andere geslacht en dat iedere embryologische toestand, die
daarbij in gefixeerden toestand kan worden gedacht, mogelijk
is. Misschien (of wellicht) zijn er ook andere vormen met ectopische
organen. Naast deze mannelijke pseudohermaphrodieten zijn er
een groot aantal ware hermaphrodieten bekend geworden. Vrou-
welijke pseudohermaphrodieten behooren tot de groote uitzon-
deringen. Van een beschrijving van deze gevallen zie ik af. Het
eenige, waarover ik nog enkele algemeene opmerkingen zou willen
maken, is over de geslachtsklier. Gewoonlijk wordt ze sublumbaal
aangetroffen, ook ligt zij nog al eens in het scrotum en bij varkens
vaak in groote scrotaalbreuken, die meestal na de geboorte
ontstaan. Ook bij den mensch komen ze nog al eens in liesbreuken
voor.

Bij zeer jonge intersexen wijkt de bouw van den testikel, voor
zoover mijne bevindingen gaan, niet van dien van het normale
jonge dier van overeenkomstigen leeftijd af. (Fig. 3, 30) De zaad-
buisjes liggen temidden van een interstitium, dat rijk.is aan
Ley-
dig
-cellen. Het epitheel der buisjes bestaat uit indifferente, kleine
spermatogoniën ; van
sertoli-cellen is nog geen sprake. Hier
en daar liggen in het lumen of tegen den wand eenige grootere
spermatogoniën. Men kan dit beeld zoowel bij sulbumbale als
bij scrotale testes van intersexen zien. Bij geslachtsrijpe dieren
wijzigt zich dit beeld. Begint bij normale dieren om dezen tijd de
spermiogenese, bij intersexueele zet een degeneratie in, die zich
kenmerkt door het optreden van grootere en kleinere vetdrup-
pels in het zaadbuisepitheel, door het schrompelen der kernen,
die dus kleiner en donkerder gekleurd worden en door het gelei-
delijk verdwijnen der spermatogoniën, terwijl het protoplasma
dat eigenaardige netwerk gaat vormen, dat in de testes van in-
tersexen en cryptorchiden steeds weer opvalt. (Fig. 4.) Hoogst
zelden wordt bij dieren een hyaline verdikking der membrana
propria der zaadbuisjes gezien, zooals bij den mensch vrij geregeld
wordt gevonden. De
leydig-cellen zijn meestal gekenmerkt door
veel protoplasma, een iets excentrisch gelegen kern met weinig

-ocr page 952-

MG. 32.

-ocr page 953-
-ocr page 954-

chromatine, dat veelal perifeer ligt. Om den kern is bij haemaluin-
eosinekleuring gewoonlijk een donkere hof protoplasma aanwezig.
Lipoid is niet of in zeer geringe mate in de
leydig-cellen aan te
toonen. Bij oudere varkens krijgt men den indruk, dat de hoe-
veelheid interstitieele cellen is vergroot (slechts schijnbaar door
den teruggang der zaadkanaaltjes?). Bij geiten kunnen ze geheel
ontbreken.

Een rete testis met verbindingen met tubuli recti en caput epi-
didymidis is meestal aanwezig. Er zijn bij uitzondering gevallen,
waarbij de laatste ontbreekt. In den testis treft men dan wel een
rete aan, maar geen ductuli efferentes ; ook ontbreken de coni
vasculosi en dus het bijbalhoofd. Tusschen bal en bijbal bestaat
dan een zeer losse verbinding door wat bindweefsel. (Een derge-
lijke bevinding is een aanwijzing voor den oorsprong van het
rete uit het testiculaire blasteem.)

Krijgt men een mannelijke intersexe ter onderzoek, dan vergete
men nooit een zeer nauwkeurig macroscopisch onderzoek van de
gonade in te stellen en zoo mogelijk het geheele orgaan micro-
scopisch in seriecoupes te onderzoeken. Bij het eerste zal het op-
vallen, vooral als men veel met jonge dieren werkt, dat dikwijls
bruinachtige vlekjes van verschillende grootte over den testikel
verspreid voorkomen. Deze vlekjes zijn corticale vormingen en kun-
nen zoowel van ovarialen als van testiculairen aard zijn. Serie-
coupes zijn daarom van zoo groote beteekenis, omdat in de pe-
riferie, dus in de tunica albuginea, weefselelementen of structuur-
verhoudingen kunnen voorkomen, die slechts tot enkele coupes
beperkt kunnen zijn. De corticale vormingen kunnen mannelijk,
vrouwelijk of beide zijn, doch er zijn ook gevallen, waarbij men
geen bepaald geslacht kan aangeven en waarbij ze uit indifferente
strengen bestaan, die nog van het kiemepitheel knnnen uitgaan.
Zijn het buisjes, die om den medullairen testis zijn gelegen, dan
kan hun beeld verschillend zijn, maar meestal is het testiculaire
karakter aan te toonen. Bij jonge biggen heb ik een par maal het
volgende gezien : om den testis bevindt zich kiemepitheel, waar
op verschillende plaatsen buisjes van uitgaan, die direct als zoo-
danig ontstaan. Zij zijn nauw, met een plat epitheel bekleed, dat
fijne protoplasmauitloopers door het lumen zendt. In den aanvang
kunnen ze binnen het bereik van het kiemepitheel blijven en
daarna pas in de albuginea indringen, maar dit kunnen ze ook
dadelijk doen. Overeenkomst met de centrale, medullaire buis-
jes is er in den aanvang nog maar zeer weinig. Alleen de fijne
in het lumen uitstekende protoplasmauitloopers van het be-
kleedende epitheel doen er aan denken. Vervolgt men deze
kanaaltjes tot dieper in de albuginea, dan wordt de overeen-
komst met de medullaire zaadkanaaltjes geleidelijk grooter,
(Fig. 31) vooral op die plaatsen, waar ze met elkander in verbin-

-ocr page 955-

ding staan. Er zijn evenwel nog andere redenen, waaruit op-
gemaakt mag worden, dat de corticale buisjes testikelbuisjes zijn.
Op enkele plaatsen nl. kunnen ze direct onder het kiemepitheel
al reeds volkomen gelijkenis met de kanaaltjes van den centralen
testikel vertoonen. (Fig. 32) Bovendien vormt het bindweefsel
van de tunica albuginea om de buisjes interstitieele cellen, die
met die van het medullaire deel van het orgaan een geheel kun-
nen vormen.

In oudere testikels van intersexueele varkens, waar ook deze
corticale buisjes voorkomen, is het kiemepitheel en het verband
ermede meestal verloren gegaan. Hier zijn het in de albuginea
te midden van LEYDiG-cellen gelegen zaadkanaaltjes, die geheel
het beeld bieden van de medullaire met hun vele vetdruppels
in het protoplasma, kleine donker gekleurde kernen en gemis
aan zaadcellen. Zulke testes worden ook bij geiten gevonden,
maar interstitieele cellen heb ik hier nooit aangetoond.

Zijn cle corticale vormingen vrouwelijk, m.a.w. is het orgaan
een ovariotestis en het dier dus een zgn. ware hermaphrodiet,
dan kan de gonade, ten minste bij jonge dieren ook nog met kiem-
epitheel bekleed zijn. Bij uitzondering kan het voorkomen,
dat het nog eicellen vormt. (Fig. 33) Dikwijls ontbreekt het even-
wel en worden in de albuginea verschillende ontwikkelingsstadia
van follikels naast elkander aangetroffen ; soms komen alleen maar
primaire folhkels voor. Zijn de corticale elementen niet tot ver-
spreid liggende vlekken in de albuginea beperkt, maar vormen
zij, zooals meestal voor ovaritestes beschreven wordt, een kap
op den testikel, dan biedt deze veelal het gewone beeld van het
ovarium. Een enkele maal treft men testes aan, waarop een of
enkele cysten voorkomen, die inwendig met epitheel bekleed
zijn, dat een- of meerlagig, maar ook zeer wisselend van dikte
kan zijn en waarvan de cellen geheel op luteinecellen kunnen
gelijken. Eenmaal mocht ik op zoo\'n cyste een klein bruin-
geel vlekje vinden, dat bij nader onderzoek groeiende follikels
bleek te bevatten, waardoor ik deze cysten als niet gebersten
blaasjes van
de Graaf beschouw.

Dat in de albuginea zoowel follikels als buisjes voorkomen,
mocht ik eenige malen in zoo\'n gevlekte testis waarnemen. De
wijze, waarop dit samengaan wordt gezien, kan zeer verschillend
zijn. Het kan zijn, dat de buisjes hier en de follikels daar zijn ge-
legen, zoodat de gebieden geheel gescheiden zijn. Er kan ook
een elkander raken van zulke gedeelten zijn, zoodat er tusschen
de beide een mengingsgebied ontstaat, maar ook kunnen ze
overal gemengd door elkander voorkomen. Ik heb hierbij de
volgende beelden gezien. Primaire follikels soms in nesten
of strengen gelegen, komen tusschen doorsneden van buisjes
voor. Corticale strengen kunnen aan het eene einde primaire

-ocr page 956-

follikels bevatten en aan het andere een lumen bezitten. Een
groeiende follikel wordt aan weerszijden geflankeerd door een
zaadbuisje, alle drie temidden van interstitieele cellen. Een
primaire follikel zit in een zaadkanaaltje, zooals ik eenmaal bij
een jonge geit en eenmaal bij een jonge big mocht aantreffen.
(Fig. 12, 13, 14.)

In een ovariotestis laat het testiculaire gedeelte gewoonlijk
een duidelijk degeneratief beeld zien. Jonge dieren maken zooals
reeds is opgemerkt op dezen regel een uitzondering. De bouw
van het testikelgedeelte komt geheel overeen met dien van cryptor-
chen bal. Het degeneratieve beeld mag dus zeker niet alleen wor-
den toegeschreven aan de circulatie van een vrouwelijk hormon.
Er zijn ook andere factoren in het spel. Onwillekeurig denkt men
aan de onderzoekingen van
Crew, Moore, e.a. waaruit bleek,
dat de lagere temperatuur in het scrotum bij vele zoogdieren
de beste omstandigheden bood voor de spermiogenese. Tengevolge
van de hoogere temperatuur in de buikholte zou zij daar niet
kunnen plaats vinden. Voor de degeneratieve beelden der ab-
dominale en inguinale gonaden der intersexen zou deze verkla-
ring kunnen opgaan, voor de scrotale kan ze moeilijk in het ge-
ding worden gebracht en toch is in deze testes van intersexen
geen volledige spermiogenese aangetoond. Tegenover deze in
het algemeen juiste feiten van het ontbreken van spermiogenese
in testes of testiculaire gedeelten van ovariotestes bij intersexen
staan enkele bevindingen, die hier mede in strijd zijn en die
er op wijzen, dat de mogelijkheid niet is uit te sluiten, dat
spermiën in testiculair weefsel van een hermaphrodiet worden
gevonden. Bij uitsluiting van het geval van
Pütz herinner ik aan
dat van
Briau, Lacassagne en Legoutte, die spermiocyten in
den ovariotestis van een mensch hebben gevonden en aan dat
van
Fritz Schmid, die bij een intersexueel varken spermien
vond.

De opmerking, dat het ovariale deel van een ovariotestis steeds
een normaal beeld van een ovarium vertoont is niet geheel Juist
Ook hierin kunnen degeneratieve processen worden aangetoond.
Ik bedoel daarmede niet de normale atresie van follikels en de
regressie van een geel lichaam, maar heb meer speciaal het oog
op processen, waarbij alle specifieke deelen van het ovarium ver-
loren gaan

Primaire follikels, die in de tunica albuginea testis voorkomen,
kunnen vrijwel alle gekenmerkt zijn door een gevacuoliseerd
protoplasma, gelijkmatig zwak getingeerde kernen, waarin van
een chromatinestructuur weinig meer te zien is. Ik heb dit bij een
jonge geit en bij een jong varken in goede preparaten mogen zien.
Verder kan men in gevallen van zgn. mannelijke pseudoherma-
phrodisie in de gonaden soms grootere of kleinere cysten aantref-

-ocr page 957-

- l)28 -

fen, die niets anders zijn dan cysteus ontaarde blaasjes van de
Graaf.
Opmerkelijk zijn ook de beelden, die in de ovariotes-
tes van die geiten werden gevonden, waarbij ik geslachtsomkeer
van vrouwelijk naar mannelijk tijdens het leven heb geconsta-
teerd. Het centraal gelegen ovarium is in de preparaten moeilijk
meer als zoodanig te onderkennen. Het stroma bestaat uit groote
cellen, die de meeste overeenkomst vertoonen met de
Leydig-
cellen van den testikel. Daartusschen komen groot ere of kleinere
blaasjes voor, die met epitheel zijn bekleed, dat soms nog een
aaneengesloten laag vormt, in andere gevallen bijna geheel ge-
desquameerd kan zijn. Sommige van deze blaasjes bezitten nog
eicellen, die soms nog door follikelcellen kunnen zijn omgeven,
meestal sterk geschrompeld zijn en met een pycnotische kern
hier of daar in het blaasje zijn gelegen. (Fig. 19, 20.)

Degeneratieve beelden in een ovariaal gedeelte van een ova-
riotestis behooren tot de uitzonderingen. Wel krijgt men dikwijls
den indruk, dat dit deel niet meer actief, maar rustend is.

Onwillekeurig knoopt zich aan de bespreking der degenera-
tieve beelden in de gonaden der intersexen een opmerking vast
betreffende het kunnen verloren gaan van eens aanwezige kiem-
cellen. Testes of ovariotestes van jonge intersexueele biggen,
hetzij ze scrotaal of abdominaal zijn, bezitten spermatogoniën.
In dergelijke organen van oudere varkens vindt men ze niet meer.
Ook is uit de zoo even genoemde feiten der degeneratie van ova-
riale elementen gemakkelijk de conclusie te trekken, dat eicellen
verloren kunnen gaan. Dit verdwijnen van kiemcellen is zooals
ik in den aanvang van dit artikel reeds heb aangegeven van groote
beteekenis voor de kwestie der ware hermaphrodisie, die door
velen nog wordt gesteld tegenover de pseudohermaphrodisie.
Duidelijk wordt hier gedemonstreerd, dat, wat eens een ovario-
testis was tot testikel kan worden of kan overgaan in een dubbel-
geslachtelijke klier waarin niet meer beide soorten kiemcellen wor-
den gevonden, maar waarin nog maar een soort (meestal eicellen)
aanwezig is.

De twijfel, die soms wordt uitgedrukt omtrent het testiculaire
karakter van een bal of van een balgedeelte van een ovariotestis,
berust op verkeerde basis. Men kan de volgende opvatting
lezen, die dien twijfel moet motiveeren. Als in een ovarium de
follikels met hunne ontwikkelingsstadia zijn verdwenen, zal niemand
dit orgaan meer een ovarium noemen. Waarom dan nog wel van
een testikel gesproken als de kiemcellen er niet in worden gevonden ?
Karakteriseeren gewonden tubuli alleen een testikel ? Het is vol-
komen juist, dat een ovarium zijn specifieke bestanddeelen mist,
als er geen follikels in voorkomen. Het stroma is door zijn spoel-
vormige bindweefselcellen en door de eigenaardige rangschikking
van de bindweefselelementen wel eenigszins gekarakteriseerd,

-ocr page 958-

maar toch niet voldoende om alleen daar op afgaande de diagnose
ovarium te stellen. Anders wordt de kwestie als er nog een rete
ovarii of een rest ervan aanwezig is, of als in de onmiddellijke
nabijheid van dat typische bindweefsel een epoöphoron is ge-
legen. Zoo ook bij den testikel. Al zijn gekronkelde buisjes alleen
geen bewijs, er is toch ook een rete testis, er is in de meeste gevallen
een bijbal mede verbonden, er zijn toch ook dikwijls LEYDiG-cel--
len aanwezig. Bovendien wordt de twijfel niet uitgedrukt, wan-
neer een cryptorche bal, die hetzelfde microscopische beeld biedt,
in het spel is.

Het voornaamste bezwaar, dat tegen de opvatting, dat geslachts-
omkeer de oorzaak voor het optreden van intersexualiteit onder
de hoogere dieren zou zijn, wordt ingebracht, is het voorkomen
van ware laterale of alterneerende hermaphrodisie. Hierbij wordt
immers aan de eene zijde een testis en aan de andere een ovarium
aangetroffen, terwijl toch niet is aan te nemen, dat onder invloed
van een op het geheele lichaam inwerkend agens de eene klier
wel en de andere niet van geslacht zou veranderen. Hetzelfde
bezwaar, alhoewel in mindere mate, heeft men ook laten gelden
voor de hermaphroditismus verus unilateralis.

Voor ik mijn standpunt ten opzichte van deze bezwaren nader
uiteen zet, mogen eerst eenige algemeene opmerkingen over het
proces van den geslachtsomkeer bij hoogere dieren voorafgaan.
Steeds wordt hierbij de voorstelling in het oog gehouden, die
Goldschmidt van deze kwestie heeft gegeven en die in figuur
34 schematisch is weergegeven. Waar de mannelijke curve de
vrouwelijke snijdt (of omgekeerd) ligt het draaipunt, dat het
moment van omkeer aangeeft, waarna het nieuwe geslacht zich
laat gelden. Bovendien wordt voor het optreden van een normaal
geslacht steeds rekening gehouden met het epistatisch minimum.
De vraag doet zich voor in hoeverre dit schema in alle deelen
voor de hoogere dieren juist is. Systematische onderzoekingen
om tot een experimenteel bewijs te komen zijn niet uit te voeren,
omdat er over te langen tijd te weinig nakomelingen zouden ko-
men en men liet verwekken van intersexen bij de zoogdieren
niet in de hand heeft. Men moet dus afgaan op de weinige er-
varingen, die men tot nu toe heeft. Aan de hand van enkele
te stellen vragen, zou ik mijn ervaring willen mededeelen.

1. Is er in het proces van den omkeer een moment, waarop de
eene impuls plaats maakt voor de andere of is hiervoor een
periode noodig?

2. Kan er een blijvende evenwichtstoestand tusschen manne-
lijk en vrouwelijk in een tijdintersex bestaan ?

3. Is de omkeer altijd volledig ? Of kan zij op een willekeurig
punt eindigen ?

-ocr page 959-

4- Kan de evenwichtstoestand in het laatste geval verkregen, ten
gunste van het oorspronkelijke geslacht worden verbroken ?

Wanneer men in de gelegenheid is geweest een omslag van vrou-
welijk naar mannelijk tijdens het leven te volgen, zooals ik dat
tweemaal bij geiten heb gezien, dan is het zeer moeilijk omtrent
den duur van den omslag ook maar iets te zeggen. Heel geleidelijk *
aan komen de mannelijke instincten en de somatische kenmerken
vooi den dag, zooals men natuurlijk ook niet anders zou verwach-
ten. Bij deze dieren trad tegelijkertijd een uier op, waaruit
eenigen tijd normale melk werd verkregen, maar die later op-
hield met functioneeren. Zou misschien hieruit iets omtrent het
proces van den geslachtsomkeer zijn te concludeeren ?

Als aangenomen mag worden, dat de uierontwikkeling en -se-
cretie een gevolg is van resorptie van nog in het ovarium afge-
scheiden of aanwezige hormonen, kan alleen uit het ophouden
van de melksecretie besloten worden, dat toen de hormonfunctie
van het ovarium had opgehouden. Waar het beginpunt van de
uierontwikkeling, dat samen zou kunnen vallen met den omkeer
van geslacht niet met zekerheid is aan te geven, is ook hieruit
omtrent den duur van het proces niets met zekerheid te zeggen.
Ook de waarnemingen van
Blair Bell en van Selheim geven
omtrent het vraagpunt moment of periode van omkeer geen
nadere gegevens.

Toch is het mogelijk hieromtrent eenig nader uitzicht te ver-
krijgen, als men het geluk heeft een ovariotestis aan te treffen,
waarin, van één of van beide geslachten nog nieuw weefsel wordt
gevormd. Bij jonge biggen heb ik twee van dergelijke gevallen
reeds bij een vroegere gelegenheid beschreven (Tijdschrift voor
Diergeneeskunde 1928, dl. 55, afl. 17 enNederlandsch tijdschrift voor
geneeskunde 1928, jg. 72, iste helft, No. 26). Bij de eene vormden
zich zaadbuisjes en primaire follikels tegelijkertijd uit het kiem-
epithelium, (Fig. 35, 31, 33.) bij de andere was de aanmaak van
zaadbuisjes juist afgeloopen en die van primaire follikels nog
in vollen gang (Fig. 28.) Deze laatste big heb ik in dit artikel vermeld
op bladzijde 912 en 913 als voorbeeld van een omkeer van manne-
lijk naar vrouwelijk. Het feit, dat er een mengingsgebied is van
mannelijk en vrouwelijk weefsel in het eene geval en een gelijk-
tijdig vormen van het weefsel van beide geslachten in het andere,
voert tot de opvatting, dat althans in deze gevallen niet van een
moment, maar van een periode van omkeer moet worden gespro-
ken. Dat deze opvatting van beteekenis is, moge hieruit blijken,
dat het nu niet op onoverkomenlijke bezwaren stuit aan te nemen,
dat deze ontwikkeling van beide soort sexueele kenmerken over
een langer tijdsbestek kan plaats vinden, waaruit het weinig of
niet veranderen of de slechts langzame wijziging, die men bij

-ocr page 960-

intersexen van mensch en huiszoogdier gewoonlijk waarneemt,
zou kunnen worden verklaard.

Men komt zoo vanzelf op de tweede vraag of een blijvende
evenwichtstoestand mogelijk is en in dit opzicht krijgen de ge-
vallen van
Briau, Lacassagne en Legoutte bij den mensch
en die van
Pütz bij het varken beteekenis. Bij de eerste toch waren
de ovariale kenmerken duidelijk ontwikkeld (in de Hnker ova-
riotestis verscheidene corpora fibrosa, waarvan zeker enkele oude
gele lichamen zijn, primaire follikels en slechts een enkele, die een
holte heeft en groeiende is ; en in de rechter gonade naast eenige
primaire follikels, secundaire en tertiaire, corpora fibrosa en res-
ten van atretische follikels) en kwamen in het testiculaire gedeel-
te spermiocyten voor. Dat deze beide soorten kiemcellen zich
zoo naast elkander handhaven, doet denken aan een vrijwel even
sterke impuls van weerszijden. Alhoewel in het varken van
Pütz
in de rechter ovariotestis (linker gonade was afwezig) geen sper-
miën zijn gevonden en het testiculaire deel het gewone beeld van
den gedegenereerden testikel liet zien (onderzoek van
Eisler), kan
men toch de mededeeling, dat in de bijbalkanaaltjes talrijke op
spermiën gelijkende lichaampjes waaronder met kop, middenstuk
en staart zijn aangetroffen, niet met stilzwijgen voorbijgaan,
temeer daar het onderzoek van den ovariotestis zich slechts tot
een gedeelte heeft uitgestrekt. In het ovariale deel bevonden zich
een corpus luteum, een pas gebersten blaasje van
de Graaf, een
in teruggang verkeerend corpus luteum en een aantal blaasjes
van
de Graaf in verschillende stadia van ontwikkeling, maar
geen primaire follikels. Is de mededeeling van het vinden van
de spermiën juist, dan is er hier ook een geval van vrijwel even-
wicht van mannelijke en vrouwelijke geslachtsimpuls.

Uit deze twee gevallen te besluiten, dat een blijvende even-
wichtstoestand kan bestaan, is te veel gevergd, omdat men te
weinig van de gevallen weet en het proces niet van tijd tot tijd
microscopisch kan worden vervolgd. Ook hier is het maar een
tijdbeeld, dat men onder oogen krijgt, doch de aanwijzing, die
gegeven wordt, kan duiden in de richting van een langdurige,
misschien blijvende evenwichtstoestand.

Vermoedelijk kan er op nog andere wijze een evenwicht tus-
schen mannelijk en vrouwelijk in één individu optreden. Dit houdt
verband met de in punt 3 gestelde vraag, waarop ik met behulp
van waarnemingen aan zoogdieren gedaan niet goed een antwoord
durf te geven, omdat die dan meer moet berusten op een alge-
meenen indruk dan op waargenomen feiten. Bewegen wij ons
daarom even op het gebied der intersexualiteit bij kippen en een-
den, dan kan men in verreweg de meeste gevallen zien, dat een
volkomen omkeer van kip tot haan hoogst zelden voorkomt, maar
dat meestal een tusschenstadium wordt bereikt, waarop het proces

-ocr page 961-

schijnt te rusten. Vele kippen komen niet verder dan dat zij een
groote kam en lellen verkrijgen, sporen aan de beenen gaan ver-
toonen en van stem veranderen. Eierleggen is natuurlijk opge-
houden. Anderen krijgen ook nog mannelijke geslachtsdrift. (Het
veerenkleed laat ik buiten bespreking). Dergelijke toestanden
kunnen jaren blijven bestaan, zonder dat men voortgang kan
bespeuren. Het is of men in deze dieren een consolidatie van een
bepaalde phase moet zien, waarin de oorspronkelijke impuls niet
geheel wordt onderdrukt en zich nog tot zekere hoogte laat gelden.
Het is natuurlijk ook mogelijk, dat het proces zich op een zeer lang-
zame wijze toch nog gaat voltrekken, maar dat het dier niet
oud genoeg wordt om het einde mede te maken.

Deze, misschien schijnbare, evenwichtstoestand heb ik eens bij
een kip ten gunste van het oorspronkelijke geslacht zien verstoord.
Een Barnevelder kip was in 1925 opgehouden met leggen, had groote
kopversierselen gekregen, was begonnen te kraaien en toonde
mannelijke geslachtsdrift. De veeren zijn die van een hen geble-
ven en ook sporen hebben zich niet ontwikkeld. In den winter
1926—1927 werden de kopversierselen zeer klein en bleek als
van een kapuin. Voorjaar 1927 kreeg het dier weer het voorkomen
van een kip, ging weer eieren leggen, liet zich door den haan treden.
Uit de gelegde eieren zijn na bebroeding kuikens gekomen. 1928
heeft in dezen toestand geen verandering gebracht. Het is zeei
moeilijk op deze gegevens een conclusie op te bouwen, omdat
men van de inwendige processen niet op de hoogte is. Houdt het
geheele proces soms verband met afwijkingen van één of meer
der andere organen van interne secretie 3

Hoe het ook zij, het toont ten duidelijkste aan, dat men nog geen
voldoende inzicht heeft in het proces van den geslachtsomkeer
en dat men op dit gebied nog maar in het stadium der waarne-
mingen is en eerst dan tot concludeeren mag overgaan, wanneer
een voldoende ervaring ter beschikking staat.

Kom ik thans op het voorkomen van laterale, ware hermaphro-
disie terug, dan moet ik er eerst op wijzen, dat in verreweg de
meeste gevallen het onderzoek der gonade niet volledig is ge-
weest. Gewoonlijk beperkt men zich tot het macroscopische beeld
en het microscopisch beeld van een of enkele uitgesneden stukjes.
Feitelijk moet de geheele klier in seriecoupes worden onderzocht,
omdat soms maar in enkele doorsneden voor het eene of het andere
geslacht typische bestanddeelen worden gevonden. Men onder-
zoeke dus steeds de geheele klier zoo volledig mogelijk. Wordt
deze op ervaring berustende wenk niet gevolgd, dan zullen dikwijls
ovariotestes over het hoofd worden gezien en een diagnose van
een enkelgeslachtelijke gonade worden gemaakt, die in werkelijk-
heid ook nog kenmerken van het andere geslacht in zich draagt.
Met dat al kan ik mij toch voorstellen, dat er gevallen van late-

-ocr page 962-

rale hermaphrodisie bestaan. Het meest voor de hand liggend
is ze op te vatten als gevallen van gynandromorphie, dus als in-
tersexen naar plaats. (Raumintersex). Een andere mogelijk-
heid is ze als tijdintersexen te beschouwen, waarin in een zeer
jong stadium van de embryonale ontwikkelimg al reeds een even-
wicht tusschen de mannelijke en vrouwelijke impuls is opgetre-
den, die zich zoo uit, dat niet aan weerszijden een ovariotestis
optreedt, zooals men zou verwachten, maar dat aan de eene zijde
een ovarium en aan de andere een testis zich ontwikkelt.

De diepere oorzaken voor het optreden der intersexualiteit
onder de zoogdieren zijn nog volkomen onbekend. Men heeft
gedacht aan een te streng doorgevoerde familieteelt, aan krui-
sing met vreemde rassen, maar goede waarnemingen, waarop
men kan voortwerken, zijn er, voor zoover mij bekend, nooit
gedaan. Wel staat het familiaire en hereditaire karakter van het
euvel vast. Ten opzichte van dit laatste wil ik tot slot van mijne
beschouwingen nog een enkele korte mededeeling doen. In goed
georganiseerde varkenshouderijen, waar intersexen hun intrede
doen, wordt al gauw waargenomen, dat een nieuw aangekochte
beer deze abnormaliteit heeft ingevoerd. Wordt zoo\'n dier op-
geruimd en worden zijn nakomelingen zooveel mogelijk van de
fokkerij uitgesloten, dan is het euvel verdwenen.

Het is opvallend hoe dikwijls scrotaalbreuken en intersexu-
aliteit samengaan.
Moszkowicz wijst voor den mensch ook op deze
combinatie. Het gewone type is dan dat het dier een vulva en een
scrotum bezit met links of rechts een breuk. Meestal bestaat de
inhoud uit eenige darmlissen, gonade (testis of ovariotestis), bijbal,
tuba met uterushoorn.
Warwick heeft interessante gegevens
over de erfelijkheid van scrotaalbreuken bij varkens medegedeeld,
op het samengaan met intersexualiteit wijst hij evenwel niet.

De volgende waarneming van den Heer C. R. van Vloten
te Goor is in dit opzicht zeer interessant. Beer A verwekt bij vele
zeugen biggen met breuken en ook enkele tweeslachtige. De paring
van zijn zoon B met diens eigen moeder en tante gaf ongeveer
75% hermaphrodieten. Beer A met 4 zeugen van stam 140 ge-
paard verwekte r hermaphrodiet en met zeugen van stam 493
af en toe biggen met herniae. Beer B deed na paring met zeugen
uit de hem niet verwante stam 493 50% intersexen ontstaan.
Nadat A en B van de boerderij waren verdwenen, werden geen
biggen met breuken of intersexen meer geboren.

Dat niet alleen de mannelijke, maar ook de vrouwelijke dieren
voor de overerving aansprakelijk moeten worden gesteld, be-
wijst de volgende stamboom door
Baker opgesteld na ervaringen,
die hij op de Nieuwe Hebriden had opgedaan, waar de bevolking
intersexueele varkens fokt om bij plechtige gelegenheden ge-
bruikt te worden.

-ocr page 963-

O >

? 9 ^ /
-- /

9 | (?) |___| 9

cfd\'d,ff99 d\'d\'^^999 dddddcfj 9

d\'d\'d\'d\'999 999 ?

Fig. 36. Stamboom van een varkensfamilie met intersexen, ontleend aan
Baker. a. b. en c. zijn geparenteerd. De voor paring gebruikte
beer gaf met andere zeugen normale nakomelingen.

Ook deelt Baker nog gevallen mede, waaruit kan blijken, dat
de factor ev. factoren voor intersexualiteit zoowel van vader-
lijke als van moederlijke zijde afkomstig kunnen zijn. Tenslotte
zij gewezen op de onderzoekingen van
Levens en Liénaux, die
ieder konden aantoonen, dat één hengst bij verschillende merries
pseudohermaphrodieten verwekte.

literatuurlijst.

1. J. R. Baker. On sex-intergrade pigs : their anatomy, genetics and develop-
mental physiology. Joum. exp. Biol.
1924, 2, P. 247—263.

2. K. F. Bascom. The interstitial cells of the gonads of cattle with especial re-
ference to their embryonic development and significance. Am. Joum. Anat.
1923. 31—3. P-
223—260.

3. G. F. Blacker and T. W. P. Lawrence. A case of true unilateral hermaphro-
ditism occurring in man, with a summary and criticism of the recorded cases
of true hermaphroditism. Transact, obst. Soc. London.
1896, XXXVIII,
P.
265—317.

4. Blanchard. Le virilisme et l\'inversion des caractères sexuels. Bull. Acad.
Méd.
1916, LXXVI, 47.

5. W. Blair Bell. The sex complex. London 1916.

6. E. Bujard. Structures atypiques de deux ovotestis de porc. C. R. Soc. Biol.
1921, 84. P. 112—114.

7. E. Bujard. De la génèse des ovotestis chez les mammifères. C. R. Soc. Biol.
1921, 84. P. 114—116.

8. E. Briau, A. Lacassagne et M. Legoutte. Un cas humain d\'hermaphrodi-
tisme bilatéral à glandes bisexuelles. Gynéc . et Obstétr.
1920, I, P. 155—179

9. Champy. Sexualité et Hormones. 1924.

10. G. W. Corner. A case of true lateral hermaphroditism in a pig with functional
ovary. Journ. of Urology.
1921, 5—5, P. 481—489.

11. F. A. E. Crew. Studies in intersexuality. I. A peculiar type of developmental
intersexuality in the male of the domesticated animals.
1923, Proc. Royal
Soc. B.
95.

12. F. A. E. Crew. Studies in intersexuality. II. Sex-reversal in the fowl. Proc.
Royal Soc. B.
1923, 95. P. 236—278.

13. F. A. E. Crew. Hermaphroditism in the pig. Journ. Obst. and Gynaec. of
the Brit. Emp.
1924, 31—3.

ö*

-ocr page 964-

14 F. A. E. Crew. Abnormal sexuality in animals. I. Genotypical, Quat. Rev.
Biol. 1926, i—3. P. 315—359 ; II. Physiological, Idem, 1927, II—2, P. 249—
266; III. Sex-reversal, Idem, 1927, II—3. P. 427—441.

15. L. Christophe, J. Firket et A. Hogge. Uncashumain d\'hermaphroditisme
anatomique, vrai, bilatéral. Ann. d\'Anat. path. 1927, 4—9, P. 989—1000

16. O. Daube. Maligne Geschwulstbildung bei einem Fall von Hermaphrodi-
tismus verus beim Menschen. Inaug.-Diss. Würzburg 1919.

17. K. Demmel. Ein Beitrag zur Zwitterbildung bei den Haussäugetieren. Arch
f. wiss. prakt. Tierheilk. 35. P 436—444.

18. J. O. Duchanek. Hermaphroditismus beim Schweine. Tierärztl. Zentralb.
1894, XVII. P. 2.

19. Edelmann. Über Pseudohermaphroditismus completus masculinus. Arch,
f. wiss. prakt. Tierheilkunde. XIV, 4 und 5, P. 309.

20. J. Firket. Hermaphroditisme bilatéral vrai et pseudohermaphroditisme
surrénalien. Bruxelles-Médical. 1907, 7—37, P. 1148—1150.

2X. Garré. Ein Fall von echtem Hermaphroditismus. Deutsche Med. Wochen-
schr. 1903, 29—5, P. 77—78.

22. W. Garth. Zwei Fälle von Hermaphroditismus verus beim Schwein. Inaug.
Diss. Giessen. 1894.

23. P. Gast. Beitrag zur Lehre von der Bauch-, Blasen-, Genitalspalte und von
dem Hermaphrojjitismus verus. Inaug. Diss.-Berlin. 1884.

24. R. Goldschmidt. Intersexuality and the endocrine aspect of sex. Endo-
crinology, 1917. I. P. 433—456.

25. R. Goldschmidt. Mechanismus und Physiologie der Geschlechtsbestimmung.
Berlin 1920.

26. R. Goldschmidt. Die zygotischen, sexuellen Zwischenstufen und die Theorie
der Geschlechtsbestimmung. Ergebn. der Biologie, 1927, 2. P. 554—683.

27. H. N. Gould. Observations on the genital organs of a sex-intergrade hog.
Anat. Ree. 1923, 26—3.

28. J. F. Gudernatsch. Hermaphroditismus verus in man. Am. Journ. Anat.
1911. XI, P. 267.

29. J. Halban. Die Entstehung der sekundären Geschlechtscharaktere. Arch,
f. Gynäk. 1903, 70.

30. M. T. Harman. Another case of gynandromorphism. Anat. Ree. 1917, 13,
P 425

31. C. G. Hartman and B. Leauge. Description of a sex-intergrade opossum
with an analysis of the constituents of its gonads. Anat. Ree. 1925, 29—4.

32. W. Hughes. Sex-intergrades in foetal pigs. Biol. Bull. 1927, 52—2.

33. H. L. Jaff and G. N. Papanicolaou. A case of Hermaphroditismus verus
lateralis in a guinea pig. Anat. Ree. 1927, 36—3.

34. H. E. Jordan. The histology of a testis from a case of human hermaphro-
ditism, with a consideration of the significance of hermaphroditism in relation
to the question of sex-differentiation. Amer. Journ. Anat. 1922, 31—1.

35. F. Kermauner. Sexus anzeps oder Hermaphroditismus. Frankf. Zeitschr.
für die Path. 1912, XI—2 und 3, P. 445—-461.

36. H. von Keussler. Uber einige Fälle von Hermaphroditismus mit beson-
derer Berücksichtigung der Zwischenzellen.
Ziegler\'s Beiträge u. s. w. 67—3,
P. 416.

37. B. F. Kingsbury. Report of a case of hermaphroditism (H verus lateralis)
in Sus scrofa. Anat. Ree. 1909, 3—4, P. 278—282.

38. Klebs. Handbuch der pathologischen Anatomie.

39. A. Kleinknecht. Ein Fall von Hermaphroditismus verus bilateralis beim
Menschen.
Brun\'s Beitr. zur klin. Chir. 1916, 1022, P. 382—402.

40. Kopsch und Szymonowikz. Ein Fall von Hermaphroditismus verus bila-
teralis beim Schwein, nebst Bemerkungen über die Entstehung der Ge-
schlechtsdrüsen aus dem Keimepithel. Anat. Anz. 1896,
XII, P. 129.

-ocr page 965-

41. S. I. Kornhauser and L. J. Motyac. A microscopical study of hermaphro-
ditismus verus bilateralis in man. Anat. Ree. 1928, 38—1, P. 18.

42. A. Lacassagne. La Question de l\'hermaphrodisme chez l\'homme et les mam-
mifères. Gynéc. et Obstétr. 1920, I, P. 273—296.

43. H. Levens. Einige Fälle von Pseudohermaphroditismus beim Pferde. Mo-
natsh. f. prakt. Tierheilk. 1911, 22, P. 267—273.

44. E. Liénaux. Cryptorchidie et hermaphroditisme externe chez plusieurs des-
cendants d\'un même cheval entier. Ann. Méd. Vét. 1910, 59, P. 10—13.

45. F. R. Lillie and K. F. Bascom. An early stage of the free-martin and the
parallel history of the interstitial cells. Science, 1922,
LV, 1432.

46. M. F. Macklin. Description of material from a gynandromorph fowl. Journ.
Exp. Zool. 1923, 38—3.

47. R. Meyer. Über einen Fall von doppelseitigem Ovotestis beim Neugeborenen
sowie über besondere Form der Keimdrüsen-Geschwulstbildung bei Pseu-
dohermaphroditismus und Hermaphroditismus verus, sowie über gleichar-
tigen Geschwülste bei nicht zwittrigen Personen. Arch. f. Gynäk. 1925, 123—2
und 3, P. 673—713.

48. W. Meyer. Hemmungsmiszbildung an der männlichen Genitalien eines Rindes.
Zeitsch. f. Fleisch- und Milchh. 1909, XIX, P 173—174.

49. G. Mittasch. Über Hermaphroditismus. Ziegler\'s Beitr. 67—i, P. 142.

50. C. R. Moore. The behaviour of the testis in transplantation, experimental
cryptorchidism, vasectomy, scrotal insulation and heat application. Endo-
crinology. VIII—4, P. 493—508.

51. C. R. Moore. Properties of the gonads, as controllers of somatic and psychical
characteristics. Am. Journ. Anat. 34—2, P. 269—316.

52. L. Moszkowicz. Retentio testis und Inguinalhernie als Zeichen der Inter-
sexualität. Klin. Wochensch. 1927, 6—47, P. 2231—2235.

53. L. von Neugebaur. Hermaphroditismus beim Menschen. 1908.

54. Obolonsky. Beiträge zur pathologischen Anatomie des Hermaphroditismus
hominis. Prager Zcitschr. f. Heilk. 1888, IX.

55. B. Photakis. Über einen Fall von Hermaphroditismus verus lateralis mascu-
linis dexter.
Virchow\'s Arch. 1916, 221, P. 107—116.

56. L. Pick. Über den wahren Hermaphroditismus des Menschen und der Säuge-
tiere. Arch. f. Mikr. Anat. II Abt. 1914, 84,
P. 119242.

57. Pick-Landau. Ein Fall von Hermaphroditismus verus mit Ovotestis. Berl.
Klin. Wochenschr. 1905, 17,
P. 12.

58. O. Polano. Üeber wahre Zwitterbildung beim Menschen. Zeitschr. f. Geb hilf,
u. Gynäk. 1921, LXXXIII, P. 114—150.

59. Pütz. Ein Fall von Hermaphroditismus verus unilateralis beim Schweine.
1889, XV,
P. 91—100.

60. E. Sälen. Ein Fall von Hermaphroditismus verus unilateralis beim Menschen.
Verh. d. Deutschen Path. Ges. 1899, II, P. 241.

61. K. Sand. Sexual characters in mammals, experimentally studied. Diss. Ko-
penhagen. 1918.

62. K. Sand. Hermaphroditismus (verus) glandularis alternans bei einem 10-jäh-
rigen Individuum. Skand. Arch. f. Phys. 1923, XLIV, P. 59—75.

63. E. Sauerbeck. Uber den Hermaphroditismus verus und den Hermaphrodi-
tismus im allgemeinen vom morphologischen Standpunkt aus. Frankf,
Zeitschr. f. d. Pathologie VIII 1909, 3—2, 3 und 4. P. 339—357, 661—705,
829—878.

64. G. Schapiro. Zur Frage des Hermaphroditismus. Virchow\'s Arch. 1927,
266—2, P. 392—406.

65. O. Schauerte. Ein Fall von Hermaphroditismus verus unilaterais beim
Menschen. Zeitschr. f. angew. Anat. u. Konstitut. Lehre 1923, 9—3 UI>ri 4.

P- 373-384.

-ocr page 966-

66. ScHicKELE. Ein Fall von Hermaphroditismus verus mit Ovotestis. Hegar\'s
Beitr. zur Gebhilf- und Gynäk. XI.

67. Schminke und Romeis. Anatomische Befunde bei einem männlichen Schein
zwitter und die
steinach\'sche Hypothese über Hermaphroditismus. Arch.

f. Entwickl.mech. 1920, 47—1 und 2, P 221.

68. F. Schmid. Zwei Fälle von Hermaphroditismus und ein Fall von Pseudoher-
maphroditismus beim Schwein. Diss. Bern. 1922.

69. G. Schmorl. Ein Fall von Hermaphroditismus. Arch. f. path. Anat. u. Phys.
1888, CXIII, P. 229.

70. P. Schneider. Ein Fall von Hermaphroditismus verus alternans unter dem
Bilde einer Hodenverlagerung. 1923, 50—24, P. 963—968.

71. H. Sheppard. Hermaphroditism in man. Anat. Ree. 1920, 19. P. 55—63.

72. W. Simon. Hermaphroditismus verus. Virchow\'s Arch. 1903, 172—1. P. 1—29.

73. Sinagaglia. Un caso di ermafroditismo anatomico vero nell\'uomo. Clinica
Chirurg.
1914, 7.

74. W. Töllner. Pseudohermaphroditismus bei der Ziege. Arch. f. wiss. prakt.
Tierheilk. 50—2, P. 205—213.

75. E. Tuffier. Le virilisme surrénale. Rev. d. thér. méd-chir. 1914.

76. O. Uffreduzzi. Ermafroditismo vero nell\'uomo. Arch, perle Scienze mediche.
1910, 34—13, P. 241—254.

77. Unger-Pick. Fall von Hermaphroditismus verus mit Ovotestis. Deutsche
Med. Wochenschr. 1905, XXXI, P. 649.

78. Venturi. Studio anatomo-istologico ed embriologico di un caso di ,,hermaphro-
ditismus biglandularis bilateralis" in un bovino. La clinica veterinaria. 1916,
P. 543—607.

79. G. A. Wagner. Über Hermaphroditismus verus. (Beitrag zur Frage der
Bedeutung der Keimdrüsen für die Bestimmung des Geschlechtes). Zentr.bl.
f. Gynäk. 1927, 21, P. 1304—1312.

80. B. L. Warwick. A study of hernia in swine. Research Bull. 69. Sept. 1926.
Agr. exp. stat. Univ. Wisconsin and U.S. dep. Agricult. co-operating.

81. R. H. Whitehead. The structure of a testis from a case of human hermaphro-
ditism. Anat. Ree. 1913, 7, P. 83—90.

82. A. Zimmermann. Ein Fall von wahrem Zwittertum beim Schwein. Berl.
tierärztl. Wochenschr. 1915, 31, P. 365.

83. C. Zimmermann. Ein Beitrag zur Lehre vom menschlichen Hermaphrodi-
tismus. Inaug.-Diss. München 1901.

VERKLARINGEN DER AFBEELDINGEN.

2. Ovarium van een runderfetus van 23 cm.

a. Rete ovarii.

b. Medullaire strengen.

c. Corticale strengen.

3. Testis van een intersexueele big van 6 weken.

a. Zaadbuisjes met spermatogonien en een wandbekleeding van „indi-
ferent " epitheel.

b. Interstitium met LEYDiG-cellen.

4. Testis van een intersexueel varken van ca. jaar.

a. Zaadbuisjes met gedegenereerd epitheel, dat rijk is aan vacuolen, waarin
vet heeft gezeten.

b. Interstitium met LEYDiG-cellen.

5. Schematische voorstelling van een doorsnede van de linker ovariotestis van
het geval van den mensch van
Briau, Lacassagne en Legoutte.

A. Testiculair gedeelte (centraal).

B. Ovariaal gedeelte (perifeer).

-ocr page 967-

6. Doorsnede door den ovariotestis van het geval van den mensch van Pick-
Salen.

h. Testiculair gedeelte.
0,0\'. Ovariaal gedeelte.

7. Ovariotestis van een big van 6 weken.

a. Testiculair gedeelte met zaadhuisjes, waarin spermatogonien voorkomen,
en interstitium met
LEYDiG-cellen.

b. Tunica albuginea testis.

c. Kiemepithelium.

d. Vele primaire follikels.

8. Ovariotestis van een varken.

a. Testiculair gedeelte.

b. Tunica albuginea testis.

c. Groeiende follikel.

9. Ovariotestis van een varken.

a. Testiculair gedeelte.

b. Groeiende follikels en blaasjes van de Graaf in de albuginea.
10. Ovariotestis van een varken. Vetkleuring.

a. Testiculair gedeelte met in de zaadbuisjes veel vet.

b. Corpus luteum atreticum (in de tunica albuginea testis liggende)
11 Ovariotestis van een varken. Verkleuring.

a Blaasje van de Graaf.
b Vethoudende medullaire zaadbuisjes

c. Interstitium met LEYDiG-cellen.

12. Ovariotestis van een varken.

a. Testiculair gedeelte.

b. Groeiende follikel.

c. Corticale zaadbuisjes.

d. LEYDiG-cellen temidden waarvan b. en c. zijn gelegen.

13. Ovariotestis van een pasgeboren geit.

Rechts boven een primaire follikel in een zaadbuisje.

14. Ovariotestis van een 6 weken oude big.

a. Testiculair gedeelte.

b. Corticaal zaadbuisje.

c. Primaire follikel in een zaadbuisje.

15. Testis van een pasgeboren big.

Corticale buisjes uit het kiemepitheel komende.

16. Testis van een intersexueel varken.

a. Parenchyma testis.

b. Corticale zaadbuisjes temidden van LEYDiG-cellen gelegen.

17. Ovariotestis van geit No. 2.

a. Testiculair gedeelte perifeer.

b. Ovariaal gedeelte centraal.
r8. Ovariotestis van geit No. 2.

Zaadkanaaltjes uit het perifeer gelegen testiculair gedeelt».

19. Ovariotestis van geit No. 2.

a. Follikel uit het centrale ovariale deel.

b. Eicelrest?

c. LEYDiG-cellen?

20. Ovariotestis van geit No. 2.

Follikel met degenereerende eicel uit het centrale ovariale deel.

21. Geval van Blair Bell. Afbeelding van het meisje tijdens de geslachtswis-
seling.

-ocr page 968-

22. Ovariotestis van een mensch (geval van Blair Bell).

a. Testiculair gedeelte.

b. Ovariaal gedeelte met follikel.

23. Linker ovariotestis van geit No. 4.

a. Follikelzone.

b. Medullaire strengen en buizen,

c. Testiculair gedeelte.

24 Linker ovariotestis van geit No. 4.
Testiculaire gebied onder.
Follikelzone met primaire follikels boven.

25. Linker ovariotestis van geit No. 4.

a. Spermatogonien in het testiculaire deel.

26. Rechter (4maanden oudere) ovariotestis van geit No. 4.
Rechts. Testiculair gebied, zeer sterk gedegenereerd.

Midden. Beginnende tumorvorming vermoedelijk van de medullaire strengen
uitgaande.

Boven. Follikelzone met primaire follikels.

27. Genitaalapparaat van een 6 weken oude intersexueele big.

a. Linker epididymis ; b. linker testis ; c. linker baarmoederhoorn in het
lieskanaal ;
d. urether ; e. vagina met corpus uteri (verloop is door een
stippellijn aangegeven) ; /. plaats der linker inwendige liesring ;
g. rechter
uterushoorn dwars de buikholte overstekende ; h. rechter testis ; i. rechter
epididymis ; j. blaas ; k. rechter inwendige liesring ; l. processus vaginalis
tot in het scrotum reikende met lig. inguinale.

28. Ovariotestis van de in fig. 27 bedoelde intersexueele big.

a. Testiculair gedeelte.

b. Groeve met kiemepitheel bekleed.

c. Corticale strengen met eicellen als haren van een lampewisscher uit het
kiemepitheel van de groeve komende.

29. Ovariotestis van de in fig. 27 bedoelde intersexueele big.

In de met kiemepitheel bekleede tunica albugiena liggen in volgorde van
boven naar beneden : Primaire follikels ; epitheelstrengen met eicellen ; zaad-
kanaaltjes ; idem te midden van LEYDiG-cellen ; brug van LEYDiGcellen tus-
schen corticale en medullaire testisgedeelten ; medullaire testis.

30. Testis van een big van 6 weken. (Vergelijk fig. 3).
a Zaadkanaaltjes met spermatogonien.

b. Interstitium met LEYDiG-cellen.

31. Ovariotestis van een 6 weken oude big.
Medullaire testis, onder.

Corticaal testisgedeelte, boven. Hierin treden in het kiemepitheel buisjes op.
De diepere buisjes gelijken meer op zaadkanaaltjes temidden van
LEYDiG-
cellen in de tunica albuginea testis gelegen.

32. Ovariotestis van een 6 weken oude big.
Medullaire testis, onder.

In de tunica buisjes, die reeds direct onder het kiemepitheel het karakter
van medullaire buisjes aannemen.

33. Ovariotestis van een 6 weken oude big.

Primaire follikels uit het kiemepitheel ontstaande en in lagen over elkaar
heen liggende.

34. Schema volgens Goldschmidt M—M- = Curven van den mannelijken ge-
slachtsimpuls. V. = Curve van den vrouwelijken geslachtsimpuls.

35. Ovariotestis van een 6 weken oude big. (Dezelfde als in de figg. 31, 32 en 33).

a. Testiculair gedeelte.

b. Tunica albuginea testis.

c. Vormingsgebied van primaire follikels.
d Idem van zaadkanaaltjes.

-ocr page 969-

ZUSAMMENFASSUNG.

Von den Theorien die das Entstehen der Intersexualität bei Säugetieren am
besten erklären ist die von
Crew in erster Linie zu nennen.

Crew jedoch verteilt die Intersexen mit Testes und die mit ovarialem und
testikulärem Gewebe in einem Individuum in zwei verschiedene Gruppenn und
schreibt dem gonadalen Stimulans einen grossen Einfluss auf die geschlechtliche
Bildung im Anfangsstadium zu.

Hingegen ist Verfasser der Meinung dass mit Ausnahme der Gynandromorphen
und der Hormon-intersexen alle sogenannten Hermaphroditen zu einer Gruppe
gehören und als Zygotenintersexen im Sinne von
Goldschmidt betrachtet werden
müssen. Der Einfluss des gonadalen Stimulans in einem sehr jungen Stadium wird
in Abrede gestellt und Verfasser nimmt an dass alle Zellen des Körpers geschlecht-
lich determiniert sind und, nach Angabe
Kellers, das geschlechtliche Hormon
ausscheiden und der sexuellen Bildung ihren Stempel aufdrucken. Die genotypi-
sche Feststellung des Geschlechts ist in der ersten Zeit vorhersehend.

Weiter werden Betrachtungen angestellt über den Bau und die Degeneration
der Ovariotestes und nachgegangen was vom eigentlichen Prozess der Geschlechts-
um Wandlung bei Säugetieren bekannt ist.

Zum Schlüsse wird auf die Vererbung der Intersexualität hingewiesen.

SUMMARY.

Of the theories which give an adequate explanation of the origin of intersexu-
ality in mammals, that of
Crew ranks among the first.

Objections against this theory are that sex. intergrades with testes and sex.
intergrades with ovarian and testicular tissue in one individual are divided into
two separate groups and that the gonadic stimulans is credited with a great in-
fluence on the sexual formation in a very early stage. The author holds the view
that with the exception of gynandromorphs and hormon. sex. intergrades, all
the so-called hermaphrodites belong to one group and that they are to be consi-
dered as zygotic-sexintergrades as described by
Goldschmidt. He contradicts
the influence of the gonadic stimulans in the primary stage of development and
assumes that all cells of the body are sexually determined and, as indicated bij
Keller, are excreting the sexual hormon which decides in the great part the
sexual formation. The genotypical determination of the sex predominates in
the first period of embryological development. The author further deals with
the structure and degeneration of the ovariotestes and passes on to a consi-
deration of what is known about the real process of sex reversal in mammals.

Finally attention is drawn to the heredity of intersexuality.

RÉSUMÉ.

Parmi les théories qui expliquent d\'une façon rationnelle l\'origine de l\'inter-
sexualité chez les mammifères, celle de
Crew est une des plus importantes. Pour-
tant, l\'auteur s\'oppose à la conception que les intersexués avec testes et ceux qui
ont à la fois un tissu ovarien et un tissu testiculaire doivent être divisés en
deux groupes séparés et qu\'on attribue au stimulus gonadal une grande
influence sur la formation sexuelle dans un stade de développement peu avancé.

Il est d\'avis qu\' à l\'exception des gynandromorphes et des intersexués hormo-
naux toutes les hermaphrodites appartiennent à un groupe et qu\'elles doivent
être considérées comme des intersexués dans le sens de
Goldschmidt.

Il nie l\'influence du stimulus gonadal dans un stade peu avancé du dévelop-
pement embryonnaire et suppose que toutes les cellules du corps sont déterminées
sexuellement et qu\'elles excrètent, comme l\'indique
Keller, la hormone sexuelle
qui a une action directe sur la formation sexuelle. La détermination génotypique
prédomine dans le premier stade.

Ensuite l\'auteur émet quelques considérations sur la structure et la dégéneration
des ovario testes et résume ce qui est connu du processus de la renversion de sexe
chez les mammifères.

Enfin l\'attention est tirée sur la hérédité de l\'intersexualité.

-ocr page 970-

INGEZONDEN.

De positie der Militaire paardenartsen.

De.rechtzetting in de aflevering van i Juni j.1. voor wat betreft den gemiddelden
studieduur der dierenartsen, door een al te ijverig pleiter voor de belangen der
paardenartsen op 6J in plaats van jaar gesteld, sluit geenszins uit, dat er aan
de positie dier collega\'s hier te lande een en ander valt te verbeteren.

In dit verband vestig ik er de aandacht op, dat bij Kon. besluit van 27 Augustus
1925 (Ned. Stbl. No. 369) is bepaald, dat de militaire paardenartsen bij het Ned.
Indische leger na
negen (in plaats van tien) dienstjaren zullen worden bevorderd
tot den kapiteinsrang. Het verschil in studieduur tusschen arts en dierenarts
voorzoover die tot uitdrukking komt in de bevorderingsregelen bij het Indische
leger, is dus reeds sedert vier jaren door den begrootingswetgever op één in
plaats van twee jaren gesteld.

Het wil mij voorkomen, dat zonder al te veel moeite die wetgever zou kunnen
worden bewogen om de Nederlandsche paardenartsen naar denzelfde maatstaf
te behandelen, dus ook na 9 jaar dienst tot kapitein te doen bevorderen.

W. van der Burg.

Diermeel.

Antwoord aan den heer Hoefnagel.

Tot mijn spijt moet ik er al weer op wijzen dat collega Hoefnagel in zijn enthou-
siasme voor een bepaald systeem, waarbij het eind-proces der vleeschkeuring
buiten den dierenarts om geschiedt, mij dingen in de schoenen wil schuiven, die
onjuist zijn. Wij moeten dus nog eens trachten streng bij de feiten te blijven.

ie. Door mij is noch met ijver, noch zelfs op eenige andere manier propaganda
gemaakt voor noodslachtplaats-verwerkingsinrichtingen onder leiding van een
dierenarts. Ik heb alleen dit systeem besproken naast het andere systeem, waarbij
de dierenarts min of meer uitgeschakeld wordt en mijns inziens behoort men bij
een bespreking van destructie wel degelijk beide systemen te bespreken. Uit het
feit trouwens dat inmiddels de kring Schagen, de kring Winterswijk en waar-
schijnlijk ook Breda onder leiding van dierenartsen gaan werken in den geest
zooals de kring Midwoud dit begon, blijkt wel dat dit systeem veterinaire over-
weging ten volle waard is.

2e. Uit mijn voordracht blijkt duidelijk dat ik „problemen" naar voren bracht.
Dat is de geheele opzet, die voor ieder neutraal lezer direct duidelijk is. Er is dus
geen kwestie van „kritiekloos" overnemen, er is alleen kwestie van vermelding
van „gezegden" en opwekking deze „gezegden" te bestudeeren. Vandaar mijn
streven voor een studie-commissie. Ook hier doet collega
Hoefnagel dus weer
een flinke trap tegen een al openstaande deui. In mijn voordracht heb ik de pro-
blemen laten zien en die deur opengezet voor hen, die bevoegd zijn te studeeren
en te oordeelen.

De „vermeende" winst te Midwoud doet ook weer heel weinig toe tot de feiten
waar het om gaat. De desbetreffende cijfers nam ik uit den volgenden zin van
collega
Schuytemaker. „De gewone dienst betaalt aan den afdeelings-destructor
/ 400.— per jaar voor het vernietigen van de afgekeurde organen, niet meer; dit
bedrag is
dus op de ruim f 10.000 opbrengst van vet en diermeel niet van beteekenis".
Even verder :

„Ook 1928 is voor Midwoud goed geweest en de destructor heeft winst ge-
maakt en er
kan nog een behoorlijke uitbetaling aan de veehouders voor hun ingezonden
cadavers plaats vinden".

Later : „De winst bedraagt ƒ 2000.—". Dit is voor een miniatuur-inrichting een
mooi bedrag. Dat het winstcijfer a ƒ
11.000.— te Amsterdam, zooals collega Hoef-
nagel
beweert, niet op een mededeeling van mij berust, is zeker. Men heeft dat cijfer
in alle dagbladen kunnen lezen en een bericht van de Gemeenteraad van Amster-

-ocr page 971-

dam vermeldt daaromtrent het volgende : „Het centraliseeren van vleeschver-
nietiging door eene particuliere onderneming" (in casu de N. T. F.) lijkt het ge-
meentebestuur niet gewenscht. Overigens heeft
de hoofdstad een jaarlijksch over-
schot op de vernietiging van f i i.ooo.— en ook daarom m^ent zij dat keuring en destruc-
tie in een hand moeten zijn.

Als collega Hoefnagel dus deze gegevens rangschikt onder wat hij noemt
„allerlei voorbarige en onjuiste mededeelingen" dan is hij toch wel erg onnauw-
keurig in zijn kritiek. Ik herhaal nog eens dat ik van den beginne af geijverd heb
voor rustige, ernstige, neutrale studie en om daartoe op te wekken de problemen
stel.

Dat het „moderne" „dry rendering process" werkt met inwendige druk is zeker
en dat een der grootste en modernste firma\'s op dit gebied haar eigen proces noemt:
The .... (ik maak geen reclame voor bepaalde firma\'s, dus noem geen naam)
Dry-Rendering-Process, is even zeker. Ook hier is dus van geen „door elkaar has-
pelen" mijnerzijds sprake.

De geheele tirade die daarop berust kunnen wij dus weer overslaan om op het
feit te wijzen dat, naar men mij stellig verzekerde, het ,,
moderne" dry-rendering
process werkt met temperaturen van
150° en zelfs als het moet nog hooger. Het
verhaal van de city of Birmingham kan dan ook alleen indruk maken op een
buitenstaander die het woordje : ,,
origineele" (dry-rendering process) overslaat,
terwijl als men dat in aanmerking neemt, het geheele betoog tot niets ter zake
doende vervalt.

Het gaat niet om het „origineele" proces, maar om het zooals ik het noemde
„moderne ".

Zooals ik al zeide omvat het „modere" proces „internal pressure".

Wij constateeren dus nu tevens dat collega Hoefnagel thans toegeeft dat ,er een
proces is dat ook tot
150° C. verhit. De naam doet er niets toe.

Ik vraag mij verder af waar ik, zooals collega Hoefnagel beweert „de natte
methode" veroordeeld heb? Ik heb twee methodes naast elkaar genoemd en ver-
zocht eene commissie te benoemen die deze methodes zou bestudeeren. Mij dunkt
dat lijkt ook weer eenigszins anders dan eenzijdig veroordeelen. De groote fout
van de voorstanders van het ééne proces is dat zij de zaak niet breed willen be-
kijken en door allerlei bijkomstigheden de aandacht afleiden van mijn vraag :
Welk systeem is het beste, het meest economische? Al maar leest men „Dr. te H.
dit, Dr. te H. dat", maar nergens leest men : ..Laten wij alle bijkomstigheden, die
er niets mee te maken hebben eens op zij zetten en de problemen zelf bestudeeren."

Van „eventueele" voordeelen spreekt collega Hoefnagel, doch hij vergeet
dat de destructie berust op : „onschadelijk making
tot waardevolle producten".

Ik beweer nu nog eens, ondanks alle tegenspraak van collega Hoefnagel dat
bij
het ,,moderne" dry-rendering process, evengoed als bij het natte proces, absolute
zekerheid omtrent steriliteit gewaarborgd kan worden,
dus dat, wat dat betreft tegen
dit proces niets aangevoerd kan worden. Daarna vraag ik, ter bestudeering dus:
Is het waar dat dit moderne proces economischer werkt? Ik vraag dus niet naar
de „opinie" van collega
Hoefnagel, noch naar de meening van wie ook, ik vraag
naar cijfers. Ik beweer dat deze cijfers van het grootste belang zijn voor ieder die bij de
destructie betrokken is",
n.m.1. ie. om te beginnen de veehouders, die het materiaal
leveren, 2e. de
destrueerende personen, maatschappijen, gemeenten enz., 3e. de ver-
bruikers van het eindproduct, in casu :
vet en diermeel.

Zoo weet ik dan uit eigen aanschouwing dat het meel verkregen bij het „droge"
proces zeer mooi is, terwijl ik deze week weer een monster zag, gemaakt volgens
het „natte" proces, dat er uitziet als gebrande koffie.

Dergelijk scherp riekend meel, waarvan de analyse, die in Wageningen juist
deze week gemaakt werd, luidt : 15.9 % vet, 55.9 %
eiwitachtige stoffen, wordt
in den handel niet zoo gaarne opgenomen als mooi blank, frisch riekend diermeel.
Let men er nu verder op dat ik thans bij kippen zoowel als eenden uitstekende
resultaten behaal met blank, frisch riekend, ,,dry-rendered\' meel, dat mij op

-ocr page 972-

/ 19-— per xoo K.G. komt (in den klein-handel betrokken), dat een betere analyse
heeft (als voren „diermeel" koopt, doet men dat om waardevol „eiwit" te koopen,
niet om „vet" te koopen, dat bovendien bij bewaring gevaar oplevert van ransig
te worden), dan zal men toch wel inzien, dat het van groot belang geacht moet
worden na te gaan of werkelijk het „moderne" dry-rendering process steeds van
hetzelfde oorsprong-materiaal dergelijke betere eindproducten levert, dan wel dat
dit toevallig is en van het oorsprong-materiaal afhangt.
Vragen dus, die ik stel,
maar waarvan de beantwoording van het grootste belang is voor de economische des-
tructie.

Omtrent de certificaten-kwestie hadden wij het, meen ik, niet en ik vrees als
wij onder het motto „wederzijdsche" vergissingen eens een verhandeling willen
gaan schrijven, wij jarenlang aan den gang zouden kunnen blijven, waarmee ik
ook al weer absoluut niet toegeef, dat ik mij in die certificaten-kwestie „vergist"
zou hebben.

Ik zeg alleen dat wij bij de zaak moeten blijven waar het over gaat, deze zaak
is dus nog altijd : ie.
Wie zal destrueeren ; de dierenarts, die de vleeschkeuring in
handen heeft of de niet-dierenarts?

2e. Hoe zal men destrueeren? Er bestaan verschillende systemen. In verband
daarmede nog een paar vragen, die een deskundige als collega
Hoefnagel mij
natuurlijk wel direct zal kunnen beantwoorden, n.m.1. ie. Is het waar dat thans
in
België het ,.moderne\' dry-rendering process ingevoerd zal worden?

Zoo ja - waarom? Kent men in België, vlak naast ons gelegen, het „natte"
proces niet ? Heeft men het bestudeerd ? of heeft men daar gewoonweg het een
of ander advies van den een af anderen deskundige opgevolgd zonder overweging
van het andere proces?

Ik beken openlijk dat ik op deze vragen op het oogenblik geen antwoord weet
en het ook alleen maar „van hooren zeggen" heb, doch dat ik dit feit zóó frappant
vind, na alles wat er nu in de laatste jaren in Nederland gebeurd is, dat ik verba-
zend benieuwd ben hieromtrent inlichtingen te krijgen. Ik ben er van overtuigd
dat deze inlichtingen vele mijner collega\'s ten zeerste zullen interesseeren. De
motieven, die in België tot deze keuze geleid hebben, kunnen voor ons leerzaam
zijn.

2e. Is het waar dat onlangs in Denemarken, dus ook al weer een land dat zeer
veel overeenkomst heeft met het onze, te Give, een inrichting gebouwd is", even-
eens volgens het „moderne" drooge proces?

Omtrent deze inrichting stel ik dan dezelfde vragen als sub i. Als het waar
blijkt te zijn wat ik sub i en 2 vroeg,
zijn dan België en Denemarken op den verkeer-
den weg met het te volgen procédé? of stellen zij andere eischent
In Engeland b.v.
stelt men zich in verschillende plaatsen tevreden met het „origineele" droge-
proces omdat daar miltvuur-kadavers enz. toch niet op deze manier onschadelijk
gemaakt mogen worden, doch de destructie daarvan door de wet op andere wijze
geregeld is. Weten België en Denemarken, om met collega
Hoefnagel te spreken,
dus, even als ik, niet „dat daardoor de eventueele voordeelen van de oorspronke-
lijke „droge methode" weer verloren gaan"? Zou hun dat ook niet „verteld zijn
geworden" evenmin als mij? en zouden zij dat dus ook niet „kunnen" of „willen"
mededeelen ?

I-k herhaal dus nog eens kort en goed, dat ik geen propaganda maak voor
het een of andere systeem,
doch dat ik erop wijs, dat er massa\'s interessante vraag-
punten zijn,
die ik, gaarne aan meer deskundige autoriteiten overlaat om op te
lossen,
doch dan op grond van behoorlijke gegevens, die verkregen zijn door ernstige
bestudeering van het pro en contra.

Antwoord aan collega van Gelder.

1) Nog steeds brengt collega v. Gelder naar voren dat ik mij zou vergissen
in de twee methodes. In elk geval echter constateeren wij dat nu ook collega

-ocr page 973-

v. Gelder het door mij onder den naam van moderne ,,dry-rendering" methode
beschreven proces kent en
toegeeft dat het tot 150° C. werken kan.

Dat is juist de hoofdzaak waar het om ging en al werkt dan ook het oudere proces
wel degelijk boven 100° C. ook zonder druk, omdat het vet de temperatuur van
den ketelmantel overneemt, dat doet er in dit verband niets toe.

Dat collega v. Gelder physisch geen verschillen kent tusschen de „natte" en
„droge" methode zal er wel op berusten dat hij evenals ik, leek is ten opzichte
van beide processen.

Een feit is echter dat de Fa. Armour in Chicago, 80, en de firma Wilson in
Chicago 50, „natte" machines door „droge" vervangt, ten koste van honderd
duizenden dollars. Zij schijnen dus wel verschillen opgemerkt te hebben.

Een feit is dat in België de nieuwe machines volgens dit proces zullen werken
evenals in Give in Denemarken.

Nu behoeft men zich niet erg in deze processen te verdiepen, dat zou ik aan
een deskundige commissie willen overlaten, doch men bestudeere eenvoudig eens
een aantal monsters diermeel volgens deze processen verkregen. Dan behoeft
men verder niets meer te vragen. Nu weet ik heel goed dat diermeel verschilt
naar den aard van het begin-materiaal en neem ik aan :

a. dat alle meelsoorten, die ik in de laatste jaren nam van meel bereid volgens
het natte proces, ongunstig gekozen waren. Ik nam ze bij verbruikers, waar ik
ze aantrof en bij sommige viel naast de vieze reuk wèl op de slechte, donkere
kleur, het hoge vetgehalte en de slechte physische eigenschappen, (laat zich
in de hand als een sneeuwbal kneden, valt niet als droog los zand uiteen). Vooral
het laatste monster van Juli j.1. was al erg slecht en op een afstand kan men deze
zak tusschen alle andere zakken diermeel en vischmeel kennen door het vet en
stof dat er aan kleeft. Analyse Wageningen 16 % vet.

b. alle andere monsters, bereid volgens het droge proces, die ik kreeg waren
opzettelijk op zijn gunstigst gekozen (mooi blank, reukeloos, droog meel).

Neem ik nu beide punten aan dan blijf ik nog zeggen dat het hoogst gewenscht
is dat de fabrikanten en verbruikers van diermeel zich ernstig afvragen of er in-
derdaad geen verschillen in de beide procédé\'s zijn behalve dan dat het droge
proces bovendien aangeeft veel economischer te zijn.

Een monster meel van de nieuwe fabriek te Give in Denemarken gaf als analyse :
Eiwit 55.80 %, vet 11.41 %. Het meel zag er zeer mooi uit en was bereid uit :
doode paarden en koeien 730 K.G., slachthuis afval 280 K.G., totaal 1010 K.G.
Deze charge leverde 35 % diermeel van zeer mooie kwaliteit, benevens 17 % vet.

Mij dunkt deze nieuwe destructie-methode moet toch voordeelen hebben boven
de „natte" methode al kent collega v.
Gelder die niet. Mogelijk dat een studie-
commissie in deze ons een oplossing zou kunnen brengen.

Wij moeten in deze zelf onderzoeken en niet te veel aan uitspraken van anderen
hechten, zeker niet van fabrikanten van machines. De ervaring moet spreken
en wij krijgen nu binnenkort gunstige vergelijkmgscijfers doordat zooals gezegd
in Denemarken en België de nieuwe machines geïnstalleerd zijn. Collega
Hoef-
nagel
die onlangs schreef dat hij niet persoonlijk bekend was met het dry-rende-
ring systeem, schreef al in 1920 in de „Vee- en Vleeschhandel" dat hij in Londen
een dergelijke inrichting bezocht had, dus het droge procédé is blijkbaar niet
nieuw meer.

De literatuur over de lijkengiften was mij inderdaad tot voor korten tijd niet
bekend, doch ik had haar al voor ons Tijdschrift uitvoerig gerefereerd vóór collega
v.
Gelder mij er op wees. Mijn oppervlakkige literatuur-kennis was dus al zonder
zijn hulp verbeterd al bevreemdt het mij sterk dat men nu pas op deze oude
literatuur terug komt, nu daarover onlangs in de Duitsche literatuur geschreven
is. Ik vermoed dan ook sterk dat ik in deze oppervlakkige literatuur-kennis tot
vóór de bewuste Duitsche publicatie niet alleen stond!

Omtrent de oorzaken van de schadelijkheid van het bewuste diermeel bij de
Amerikaansche kuiken-proeven tast ik voorloopig nog geheel in het duister, evenals

-ocr page 974-

de Amerikaansche onderzoekers zelf Inmiddels nam ik zelf al verschillende proe-
ven met diermeel bij kuikens, doch kon geen schadelijke werking constateeren,
wat alweer niet wegneemt, dat hiermede de Amerikaansche proeven absoluut
niet ontzenuwd zijn. Een paar positieve resultaten zijn in deze veelzeggender dan
talrijke negatieve. Inmiddels wordt er aan dit vraagstuk in Amerika en Duitsch-
land al flink gewerkt en zullen de voortgezette proeven in Amerika ons misschien
wel de oplossing brengen.

Wij staan dus na alle gediscussieer nog precies op de kernvragen : Wie zal des-
trueeren? Hoe zal men destrueeren? Hoe bepalen wij de waarde van het dier-
meel? Vooral bij de iaatste vraag late men zich niet door allerlei reclame van de
wijs brengen en houde streng vast aan de eisch : opgave van analyse van eiwit
en vet en bepale dan in vergelijking met andere opgaven de prijswaardigheid.

te Hennepe.

Discusie gesloten. Red.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Aanvulling van de Agenda der Algemeene Vergadering.

Xa het voorstel tot heffing van f i.— per lid en per jaar ten behoeve van de
Prof. Dr D. A.
de jong-Stichting kome in behandeling het navolgende:

Voorstel van het Hoofdbestuur :

De Algemeene Vergadering besluite uit de middelen der Maatschappij ter
beschikking te stellen van de Prof. Dr. D. A.
de JoNG-Stichting een bedrag van
-f- ƒ2800.—.

Toelichting : Het Hoofdbestuur is van meening, dat onze Maatschappij zoo
krachtig mogelijk moet medewerken aan het vormen van het stamkapitaal, waarop
de
de JoNG-Stichting hare werkzaamheden zal kunnen fundeeren. Onze Maat-
schappij moet door haar voorbeeld ieder lid individueel prikkelen tot navolging.
Aanvankelijk is gedacht om uit het kapitaal van het
van EsvELDfonds / 5000.—-
beschikbaar te stellen ten behoeve der
de JoNG-Stichting, Toen echter bleek dat
het reglement van het
van EsvELDfonds zich hiertegen verzet moest dit gedeelte
van het voorstel aan de Algemeene Vergadering van de concept-agenda worden
afgevoerd.

Aangezien het de principieele bedoeling was om uit de bezittingen van onze
Maatschappij en hare fondsen een bedrag van / 5000. te schenken aan de
de
jong
-Stichting, heeft het Hoofdbestuur gemeend daarin thans op de navolgende
wijze te moeten voorzien :

De prijsvraag voor het van EsvELDfonds wordt eenmaal in de drie jaar uitge-
schreven ; wanneer geen bekroning behoeft te worden bekostigd wordt de rente
weer bij het kapitaal gevoegd. Op dit oogenblik is de rente van 3 jaar ƒ 2200)
nog niet in het kapitaal gestort. Volgens het reglement van het
van EsvELDfonds
bezit het Hoofdbestuur de bevoegdheid dit in de fondsen van de
de JoNG-Stich-
ting te storten. Aan de Algemeene Vergadering wordt thans voorgesteld de ont-
brekende / 2800. die de
f 5000.— moeten vol maken, uit de middelen der
Maatschappij te voteeren ten behoeve der
de JoNG-Stichting. De bezittingen
onzer Maatschappij laten een dergelijke schenking ruimschoots toe, terwijl ander-
zijds het volledige kapitaal van het
van EsvELDfonds in stand blijft totdat daar-
voor in 1933 de principieele bestemming opnieuw kan worden vastgelegd.

Dhont, Voorzitter.
ten Thije, wnd. Secretaris,
\'s
Gravenhage, datum postmerk.
Utrecht,

-ocr page 975-

\') Weledelgestrenge Heer,

De Maatschappij voor Diergeneeskunde tracht in relatie te komen met hen,
die dit najaar de studie voor dierenarts aan de Utreclitsche Universiteit zullen
beginnen. Zij doet dit met de bedoeling om ook van haar kant de toekomstige
student en zijn ouders zoo noodig voor te lichten omtrent het belang, dat er in
gelegen is lid te worden van een der groote studentenorganisaties, zonder dat
harerzijds eenige voorkeur voor een bepaalde organisatie zal worden uitgesproken.
Het behoeft geen nadere toelichting, dat men uitsluitend door examenstudie en
het behalen van diploma\'s zich nog niet de vereischten heeft eigen gemaakt, die
later een slagen in een maatschappelijke werkkring zullen waarborgen.

De moeilijkheid voor onze Maatschappij is om de adressen van de betrokken
jongelui te verkrijgen vóór zij naar de Universiteit gaan. Het is daarom dat wij
een beroep doen op Uwe medewerking om ons op bijgaande briefkaart wel te
willen doen toekomen de namen en adressen van hen, die dit jaar voor het eind-
examen slaagden aan de onder Uwe leiding staande Onderwijsinrichting en van
wie U weet of vermoedt, dat zij voor dierenarts zullen gaan studeeren.

Bij voorbaat zeg ik U beleefd dank voor Uwe medewerking.

Namens het Hoofdbestuur
der Maatschappij voor Diergeneeskunde :
Hoogachtend,

Dr. J. J. F. Dhont, Voorzitter.
J.
H. ten Thije, wnd. Secretaris.

Jan van Scorelstraat 37, Utrecht

\') Deze circulaire is verzonden aan alle rectoren en directeuren van gymnasia,
lycea en
H. B. Scholen in Nederland.

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Het vervoer van Ingevoerde nog te keuren vleeschwaren vanaf de grens naar
een eerste kantoor.

De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid heeft het navolgende bepaald :

Overbrengen van ingevoerde nog te keuren vleeschwaren in den zin der Vleescli-
keuringswet (Stbl. 1919, No. 524) naar een eerste kantoor, dat niet het grenskantoor
van binnenkomst is, mag slechts geschieden onder door een ambtenaar der invoer-
rechten aan te leggen en door den invoerder ongeschonden te bewaren, verzegeling
en met inachtneming van de bijzondere voorwaarden, die de met het toezicht op
de naleving van de Vleeschkeuringswet belaste hoofdinspecteur noodig acht.

Voor deze overbrenging mogen slechts vervoermiddelen worden gebezigd, die
voor verzegeling vatbaar zijn, tenzij de vleeschwaren, naar het oordeel van den
met het aanleggen van de zegels belasten ambtenaar der invoerrechten, zonder
bezwaar op andere wijze onder verzegeling zijn te brengen.

Na aankomst aan het eerste kantoor nemen de ambtenaren der invoerrechten
aldaar de zegels af, na den ambtenaar, bedoeld in art. 27 der Vleeschkeuringswet,
verwittigd te hebben van het tijdstip der ontzegeling.

Uit Italië mogen vleeschwaren worden ingevoerd.

De Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid heeft bepaald, dat vleeschwaren,
met inachtneming van de bepalingen van het Kon. Besluit van 6 Juni 1922 en van
desbetreffende beschikkingen, tot wederopzegging, eveneens mogen worden inge-
voerd uit Italië.

De uitvoering der vleeschkeuringswet in den keuringsdienst te Holten.

Blijkens een mededeeling in de ,,Vee- en Vleeschhandel" van 2 Aug. j.1. zal met
ingang van 1 Oct. a.s de keuringsdienst te Holten worden omgezet in een ambte-
lijken dienst.

-ocr page 976-

De aanleiding hiervoor is geweest het feit, dat de wettelijke voorschriften (b.v,
de levende keuring bij de huisslachtingen) niet naar behooren konden worden uit-
gevoerd door personeelgebrek.

Hoewel het Hoofd v. Dienst reeds herhaalde malen op dezen wantoestand had
gewezen en voorgesteld, hierin te voorzien door aanstelling van een tijdelijk hulp-
keurmeester gedurende de wintermaanden, bleef de raad weigerachtig aan dit
verzoek te voldoen.

Dat de dienst voor een keuringsveearts-practicus en een hulpkeurmeester te
zwaar was. moge blijken uit het aantal slachtingen, dat in 1928 8914 stuks bedroeg.

Bovendien is Holten een verzamelplaats van al het wrakke vee uit de provincie
Overijssel, daar bijna uitsluitend voor de vleeschwarenfabrieken wordt geslacht,
de eenige afnemers, die mager vleesch kunnen gebruiken.

Daar het aantal afgekeurde dieren 106 stuks bedroeg in 1928, behalve de nood-
slachtingen en gestorven dieren, is het duidelijk, dat de slachtingen in het slacht-
huis den vollen aandacht van den keuringsdienst vereischten. Toen in het najaar
de zaak dan ook spaak liep, vonden Gedep. Staten van Overijsel hierin aanleiding,
in te grijpen, met bovengenoemd gevolg.

Het jaarverslag over 1928 van Leeuwarden.

Plannen zijn in voorbereiding om een afzonderlijke exportslachthal te bouwen.
Dat de export zeer aanzienlijk is, blijkt wel uit het aantal voor export geslachte
dieren n.1. 51558, terwijl voor binnenlandsch gebruik in totaal een 11298 dieren
werden geslacht.

Bacteriologisch vleeschonderzoek had in 110 gevallen plaats en wel bij 21 run-
deren, 6 kalveren, 34 nuchtere kalveren, 11 paarden, 12 schapen, 2 geiten en 24
varkens. Hierbij bleek het vleesch van 1 rund, 2 kalveren, 12 nuchtere kalveren,
i paard, 1 schaap, en 8 varkens bacteriën te bevatten.

Deze positieve gevallen betroffen : een in nood gedood rund met hooge tempera-
tuur ; het dier kon niet staan. Bij de sectie was decubitus aanwezig en zag men
veranderingen in verschillende spiergroepen ;

twee kalveren, die na de gewone slachting miliaire haardjes vertoonden in de
parenchymateuze organen ;
negen nuchtere kalveren met polyarthritis ; een nuchter
kalf
met enteritis ; twee in nood gedoode nuchtere kalveren met negatief sectiebeeld ;
een in nood gedood paard met haemaglobinurie ; een in nood gedood schaap met
disfomateuze peritonitis ;
twee gestorven varkens met negatief sectiebeeld. Waar-
schijnlijk waren deze 2 varkens te lang gesloten geweest ;
een na de partus gestorven
varken
met acute pleuro-pneumonie ; een in nood gedood varken met acute pneu-
monie ; 4
varkens met vlekziekteverschijnselen.

Tuberculose werd waargenomen bij 771 runderen (24.29 %), 17 kalveren (1.14%),
5 nuchtere kalveren (0.12 %), 246 varkens (11.64 %) en 2 geiten. Open tuber-
culose, waarbij als criterium meestal werd aangenomen de aanwezigheid van tra-
cheaalzweren, werd bij 43 runderen en 1 geit geconstateerd,

Echinococcosis werd aangetroffen bij 355 runderen (11.18 %), 34 paarden
(13.07 %), 6 schapen (1.81 %) en 6 varkens (0.28 %). Hier was een kleine daling
te constateeren tegenover voorafgaande jaren, wat door Collega
Vierzen wordt
verklaard, eensdeels door de doelmatige vernietiging van de afgekeurde organen
door de N. T. F., anderdeels door het voorschrift, dat het grootste deel der ge-
exporteerde dieren thans moet worden verzonden met alle organen daaraan met
hun natuurlijke hechtmiddelen verbonden, waardoor de infectiekans van honden
met aangetaste organen in den tijd liggende tusschen afkeuring en vernietiging,
enorm verminderde.

De cysticercus inermis kwam in 1928 voor bij 137 runderen en 8 kalveren, waar-
van bij 11 runderen in levensvatbaren toestand. De levensvatbare exemplaren
bij de 11 runderen kwamen voor 7 maal in de uitwendige kauwspieren, 1 maal in
de inwendige kauwspieren, 1 maal in het hart, 1 maal in het hart en uitw. kauw-
spieren en i maal in het hart en inwendige kauwspieren.

Vermeldenswaard in verband met de z.g. levende keuring is een geval van een

-ocr page 977-

koe, die voor de slachting een typischen stijven gang had en waarbij na de slach-
ting een tuberculeuze Periostitis van een der rugwervels werd gevonden.

Van veel beteekenis is m. i. de vermelding, dat van uit andere gemeenten af-
komstig en al daar goedgekeurde organen, verschillende van deze organen nog
ernstige afwijkingen bleken te bezitten, zoodat bij invoer moesten worden afge-
keurd : 23 runderlevers wegens angiomatosis, 46 wegens distomatosis, 45
wegens
echinococcosis,
37 wegens tuberculose en 2 wegens hepatitis, 1 rundernier wegens
tuberculose, 1
rundertong wegens mond- en klauwzeer, 2 nuchtere kalfslevers wegens
tuberculose,
4 paardenlevers, waarvan 1 wegens chalicosis nodularis, 1 wegens
echinococcose,
en 2 wegens peritonitis, 1 varkenslever wegens tuberculose, enz.

Winst is f 6813.93. de G.

Veeartsenijkundig Instituut te Buitenzorg.

Het gemoderniseerde en vergroote Veeartsenijkundig Instituut is met eenige
plechtigheid geopend. Aanwezig waren : de Gouverneur-Generaal, de Directeur
van Landbouw Dr.
Bernard, de onderdirecteuren Hoekman en Middelaar,
resident Kuneman, burgemeester Wesselink, regent Soerja Negara, de pro-
fessoren
van Iterson, de Langen, Docters van Leeuwen, de Vries en Dr. Dam-
merman, van Eck,
hoofd van de Burg. Veearts Dienst, dierenartsen uit Buitenzorg
en Batavia en vele andeven.

Dr. Bernard liet zich waardeerend uit over de veeartsenijkundige wetenschap
in Indië en over het Instituut en de bekwame leider daarvan. Dr.
Bubberman.
Dr. Bubberman gaf een kort overzicht van de werkzaamheden van de Veeartse-
nijkundige Dienst en van het Instituut en wijdde een woord aan de nagedachtenis
van den grondlegger van dat Instituut,
de Does. Verder werd nog het woord
gevoerd door een vertegenwoordiger der
B. O. W., door het hoofd der B. V. D.
van Eck en door Dr. Smit het hoofd der Ind. Veeartsen-schooi.

Vr.

Einladung zur 5. Tagung der Fachtierärzte zur Bekämpfung der Aufzucht-
krankheiten, vom 21. bis 24. September in Stuttgart.

Freitag, den 20. September, 20 Uhr : Begriissungsabend im Restaurant im
Hindenburgbau (gegenüber dem Hauptbahnhof).

Sonnabend, den 21 September, 9. Uhr : Sitzung im grossen Hörsaal des Neu-
baues der Technischen Hochschule, Keplerstrasse.

Referate: 1. Gminder, Stuttgart: Bekämpfung der Aufzuchtkrankheiten in
Württemberg ; 2.
Miessner, Hannover : Sammelbericht der Reichszentrale ;
3.
Poppe, Rostock : Tierarzt und Bang-Infektion ; 4 Hoffmann, Dessau : Abortus-
Infektion beim Bullen ; 5.
Lerche, Breslau : Ergebnisse über Versuche mit der
Abortus-1 nfektion beim Rinde; 6. Aussprache über die bei der Bekämpfung des
ansteckenden Verkalbens nach den Richtlinien der Abortus-Kommission gemachten
Erfahrungen.

15 Uhr : 7. Gmelin, Tübingen : Bekämpfung der Fohlenkrankheiten ; 8, Sohnle,
Hohenheim : Fohlenkrankheiten in dem Württembergischen Landgestüt Mar-
bach ; 9.
Huber, Weil : Bekämpfung der Wurmkrankheiten der Fohlen ; 10.
Karsten, Hannover : Unfälle bei Impfungen von Jungtieren ; 11. Lüttschwager,
Hannover : Die im Tierseucheninstitut gemachten Erfahrungen über die Auf-
zuchtkrankheiten der Hühner.

Sonntag, den 22. September, 9 Uhr : 12. Walter, Hohenheim : Die züchterischen
Aufgaben auf dem Gebiete der Aufzuchtkrankheiten und die Beziehungen zu
Fragen der Konstitutionsforschung ; 13.
Stockklausner, Grub : Die Ernährung
der Haustiere in ihrer Beziehung zur Entstehung und Verhütung der Aufzucht-
krankheiten ; 14.
Meyer, Altefeld : Der Hengst und seine Beziehungen zur Steri-
lität der Stuten ; 15.
Götze, Hannover : Aus dem Gebiet der Sterilität der Rinder ;
16.
Eickmann, Bonn : Fälle von Verwerfen und Sterilität bei Zuchtsauen und
Massnahmen zu ihrer Bekämpfung.

-ocr page 978-

Montag, den 23. September, 7.30 Uhr : Abfahrt mit Kraftwagen nach der Land-
wirtschaftlichen Hochschule Hohenheim, Vollblutgestüt Weil,
dann über Reutlin-
gen an dem Lichtenstein vorbei, nach dem Traifelberg (Mittagessen im Hotel
Traifelberg). Weiterfahrt nach dem
Landgestüt Marbach a. d. L., von hier aus
über Münsingen, Blaubeuren oder Ehingen nach Ulm. In Ulm Besichtigung des
Münsters und darauf Begrüssungsabend durch den Verein Oberländer Tierärzte.
(Uebernachten).

Dienstag, den 24. September : Abfahrt 7.30 Uhr mit Kraftwagen nach Ristissen
im Oberamt Ehingen, dort Besichtigung der Fleckvieh- und Schweinezucht auf
dem Gute des Freiherrn v. Stauffenberg, Weiterfahrt nach
Laupheim, hier Be-
sichtigung der Braunvieh- und Geflügelzucht des Schlossgutsbesitzers
Muth
Steiner.
Weiterfahrt nach Biberach. hier Besichtigung der Staatlichen Tiermehl-
fabrik ; anschliessend nach
Ravensburg zur Besichtigung der neuen Oberschwä-
bischen Milchzentrale. (Mittagessen). Nachmittags Weiterfahrt nach
Friedrichs-
hafen a. Bodensee,
Besichtigung der Zeppelinwerft. Anschliessend besteht die
Möglichkeit, mit Kraftwagen nach Stuttgart zurückzukehren.

Die Redezeit der Vortragenden muss auf 20, die der Wechselredner auf 5 Minuten
beschränkt werden. Von jedem Vortrag ist der Reichszentrale bis
spätestens zur
Tagung ein druckfertiger Auszug zu übergeben.

Wegen Wohnung in Stuttgart und Ulm sowie Teilnahme an der K/aftwagen-
fahrt
nach Friedrichshafen wolle man sich baldmöglichst (bis spätestens 1. Sep-
tember) mit Herrn Regierungsrat Dr.
Gminper, Tierärztliches Landesunter-
suchungsamt, Stuttgart, Azenberg Strasse 140 in Verbindung setzen. Es stehen
Zimmer zum Preise von 4—8 Mark ohne Frühstück und Bedienungsgeld in Hotels
in der Nähe des Hauptbahnhofes Stuttgart zur Verfügung. Zusagen sind bindend.

Möglichst zahlreiche Teilnahme der praktischen Tierärzte an der Tagung ist
erwünscht.

Miessner, Hannover, Leiter der Reichszentrale für die Bekämpfung der Auf-
zuchtkrankheiten,
von Ostertag, Stuttgart, Gminder, Stuttgart, Ortsausschuss.

Rijks-Universiteit, Utrecht.

Faculteit der Veeartsenijkunde. •

Zij die aan een der nä de groote vacantie te houden examens willen deelnemen,
moeten zich voor 8 September op de gebruikelijke wijze aanmelden bij Prol.
van
Oij en,
Biltstraat 166, Utrecht.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in Juli 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op 1 Juli nog niet waren geeindigd).

Mcmd- en klauwzeer : bij 15 (18) eigenaars, waarvan in Friesland bij 5 (9) ; Gel-
derland bij 2 ; Utrecht bij 1 ; Noordholland bij 1 (1) ; Zuidholland bij 6 (1) ; Zee-
land bij (2) ; Noordbrabant bij (5).

Scabies (sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap 1410 gevallen bij 3 eig.
(24 bij 4 eig.), waarvan in Groningen 410 bij 3 eig. (6 bij 1 eig.) ; Friesland (8 bij
2 eig.) ; Drenthe (10 bij 1 eig.).

Rotkreupel bij schapen: 115 gevallen en 1 koppel, bij 10 eig. (259 bij 25 eig.),
waarvan in Groningen (24 bij 2 eig.) ; Friesland 65 bij 3 eig. (41 bij 9 eig.) ; Drenthe

4 bij 3 eig. (14 bij 5 eig.) ; Gelderland 1 koppel ; Noordholland 40 bij 2 eig. (32 bij

5 eig.) ; Zuidholland 6 bij 1 eig. (148 bij 4 eig.).

Anthrax : 28 gevallen bij 23 eig., waarin in Friesland 2 bij 2 eig. ; Overijsel 4
bij 3 eig. ; Gelderland 8 bij 8 eig ; Utrecht 1 ; Noordholland 1 ; Zuidholland 2 ;
Noorbrabant 6 bij 4 eig. ; Limburg 4, waarbij I varken, bij 2 eig.

-ocr page 979-

PERSONALIA.

Verhuisd : K. Hoefnagel van Amsterdamschestraatweg 201 naar Maliebaan
133, Utrecht Telefoon No. 15091.

REFERATEN.

Nederlandsch Tijdschrift voor Hygiëne, Microbiologie en Serologie.

Deel 3. No. 3.

Van Nederveen : Melkhygiëne in de Vereenigde Staten.

Een lezenswaardige mededeeling omtrent de maatregelen, die in de Vereenigde
Staten worden toegepast om de melk aan de noodige eischen betreffende de hygiëne
te laten voldoen.

H. H. De Wolff : Bijdrage tot de kennis der biochemische eigenschappen der
Diphtherie- en der zoogen. Pseudodiphterie-baeteriën. (vervolg).

In het laboratorium van Prof. de Graaff te Utrecht heeft schr. een uitvoerig
onderzoek verricht naar de biochemische verrichtingen der diphtherie- en der
pseudodyphtherie-bacteriën (diphtheroiden).

Elion : Onderzoekingen over de rol van den phosphorus in het leven van de gist
en bij de alcoholische gisting.

Timmerman : Over electrische verschijnselen van enkele Leptospirae.

Door gebruik te maken van de kataphorese werd met een elftal Spirochaeten
(Leptospirenstammen) bepaald de electrische verhouding in het verdunde ko-
nijnenserum, waarin zij worden gekweekt. Zij bleken in dit medium een positieve
electrische lading te bezitten. De kataphoretische snelheid toonde o m. afhankelijk
te zijn van de eigen verplaatsing der microörganismcn.

Enkele opmerkingen naar aanleiding van het artikel van Ir. van Hoytema over
de wijze, waarop de gistingsproef van Eykman verbeterd kan worden,
door J. de
Graaff.

J. de Graaff : De invloed van verschillende physische en chemische agentia
op de sporen van een der vertegenwoordigers van het geslacht Penicillium.

De beschreven onderzoekingen hadden ten doel, na te gaan op welke wijze
een bepaalde Pcnicilliumsoort, die bij de bereiding van margarine een blauwgroene
verkleuring van het product veroorzaakte, het eloelmatigst kon worden bestreden
Hiertoe werden toegepast physische (verhitting, kwartslamp) en chemische midde-
len ; tevens werd nagegaan de invloed, die toevoeging van bepaalde specerijen
op deze schimmel had.

Deel 3, No. 4.

v. d. Lek : Vibrio agarliquefaciens, Gray.

Beschrijving van een uit tuingrond geisoleerde bacteriesoort, die agar vervloeit.

Polpmers : Tryptofaan-peptonoplossing uit caseine bereid, als ophoopings middel
bU
45°—46° C. voor echte colibacteriën. (voorloopige mededeeling).

Voor het opspooren van echte Colibacteriën in drinkwater, hetgeen van belang
is bij het aantoonen van faecale verontreiniging, werd bij de Rotterdamsche drink-
waterleiding met nut gebruik gemaakt van bovengenoemde voedingsbodem naast
die van
Eijkman en van Mac. Conkey.

Aldershoff : Onderzoekingen in vitro omtrent den aard van het antivirus van
Besredka.

Het de laatste jaren veelvuldig toegepaste antivirus van Besredka zou zijn
therapeutische werking ontleenen aan de groeiremmende- of verhinderende invloed
die deze filtraten van bouillonculturen ten opzichte van bepaalde microörganismen
bezitten. Deze remmende factor is niet specifiek. A. kreeg nu dezelfde uitkomsten
in vitro, indien hij uitging van niet geënte bouillon, als wanneer hij culturen fil-

-ocr page 980-

treerde. Hij meent, dat deze werking berust op veranderingen van colloid-chemi-
schen aard van een deel der in de bouillon aanwezige eiwitten, waardoor deze on-
aantastbaar voor de bacteriën worden en zelfs schadelijken invloed kunnen uit-
oefenen.

Kluycer : Over slijmvorming in melk.

De zgn. „leng" der melk wordt zooals bekend is veroorzaakt door bacteriën
(Bac. lactis viscosis Adametz) die de viscositeit sterk vergrooten. In culturen van
dergelijke bacteriën in taptemelk, waaraan nigrosine was toegevoegd, kon nu
worden aangetoond, dat de viscositeit verwekt wordt door slijmige bacteriën-
conglomeraten, die onderling weer door slijmdraden verbonden zijn. Het verschijn-
sel, dat de viscositeit vrij plotseling verdwijnt, wanneer men de slijmige melk
schudt vindt zijn verklaring in de mechanische verbreking der conglomeraten en
de verscheuring van het netwerk.

Kluyver : Over bacteriën, welke indol tot indigo oxydeeren.
Door Gray zijn in 1928 twee bacteriënsoorten beschreven, die het vermogen
bezitten uit indol door oxydatie indigo te vormen. In de verzameling van het
laboratorium voor Microbiologie te Delft bleek een der stammen, Mycobacterium
phlei, dezelfde omzetting tot stand te brengen.

Deel 4, No. 1.

L K. Wolff : Over virulentie van bacteriën.

In een breedvoerig artikel wordt aan de hand van talrijke proefnemingen getracht
het wezen van het begrip „bacteriënvirulcntie" te benaderen. Voor deze proeven
dienden Staphylococccnstammeri, wier virulentie werd verhoogd door enting in
het glasvocht van het konijncnoog. Terwijl de uitgangsstam een sterk haemo-
lyseerend-, gelatinevervloeiend en vetsplitsend vermogen bezat, bleken de viru-
lente vormen deze eigenschappen geheel te hebben verloren

Vervolgens werd met de afstammelingen van één cultuur de bactericidie van
inénschcn- en konijnenbloed bepaald volgens
Wright, waarbij aan het licht kwam,
dat er een parallel bestond tusschen de verhoogde virulentie in de corneaproef
bij het konijn en een vermindering van de bactericiede werking. Dit verschil berust
niet op een verhoogde productie van leucocidine door de meer virulente coccen,
want door proeven werd integendeel aangetoond, dat deze stammen minder leu-
cociae werking ontplooiden dan de oorspronkelijke, weinig virulente stam. Ook
kon een verschil in resistentie ten opzichte van een stapliylococcenbacteriophaag
niet worden vastgesteld. Misschien bestaat er wel een overeenkomst in lysozym-
vastheid (volgens
Fleming) en de vermcerdeide weerstand voor de bactericidie.
Dezelfde resultaten werden verkregen met mcnschenbloed en met het bloed van
een tegen staphylococcen geïmmuniseerd konijn. Door middel van de opsoninen-
proef van
Wright kon verder worden aangetoond, dat de verschillen in virulentie
niet te wijten zijn aan een verschil in phagocyteerbaarhcid der cocccn. Verschillende
staphylococcenstammen, van verschillende pathologische processen afkomstig,
vertoonden geen noemenswaard onderscheid in virulentie ; een stam van de gezonde
huid daarentegen was zoowel in vivo als in vitro veel minder virulent.

Van Loghem : De individualiteitstheorie der bacterieele veranderlijkheid.
Theoretische beschouwingen omtrent de erfelijkheidsverschijnseltn bij de bac-
teriën. Twee gevolgtrekkingen druischen hier in tegen de resultaten van het onder-
zoek naar de erfelijkheid en veranderlijkheid der
hoogere organismen, nl. het bestaan
van „Dauermodifikationcn" en de erfelijkheid van verworven eigenschappen.
De uit één cel voortgekomen afzonderlijke bacteriëngroep, de „kloon", is evenwel
niet vergelijkbaar met de individuen der hoogere organismen.

Vele bacterieele veranderingen zouden zijn op te vatten als reacties op normale
en abnormale prikkels uit de buitenwereld, dus niet als mutaties in den zin van
De Vries, maar als ontplooiing of adaptieve beperking van den voortgroeienden
kloon. Het blijvend verloren gaan van een eigenschap is op te vatten als ïndivi-
dueele verminking van den kloon ; de erfelijke winst der zgn. plus-mutanten heeft

-ocr page 981-

een atavistisch karakter. De veranderlijkheid van den kloon kan zijn van adaptieven
regressieven, of atrophischen en degeneratieven aard. Eerst nadat wij meer inzicht
hebben verkregen in de physiologische en pathologische reacties der bacterie-
individuen, zullen de wetten van erfelijkheid en veranderlijkheid dezer micro-
organismen kunnen worden opgespoord.

Lerner : Vergelijkende reductaseproef.

Aan de hand van een uitgebreid materiaal werd de ervaring opgedaan, dat
de door schr. gewijzigde methode der reductaseproef van
Barthel voor het op-
sporen van ondeugdelijke melk de voorkeur verdient boven de oorspronkelijke
methode.

Velthorst : De bacteriologische gesteldheid van koffieroom, (voorloopige me-
dedeeling).

Bij een onderzoek naar het kiemgehalte van koffieroom van monsters uit ver-
schillende deelen van het land, werden cijfers verkregen, die varieerden tusschen
1.170.000 en 25.400.000 per Ccm., terwijl in alle B.coli aanwezig was.

Aangezien verondersteld mocht worden, dat de producent was uitgegaan van
gepasteuriseerde inelk, moet worden aangenomen, dat de besmetting heeft plaats
gehad tijdens of na de fabricage. Een fabriek, die de
room pasteuriseerde gaf een
product met veel minder kiemen. v.
d. Hoeden.

Nederlandsch-Indische Bladen voor Diergeneeskunde.

Deel XL, 6e afl.

De nieuwe Ned. Indische Veeartsenschool te Buitenzorg, door Dr. H. J. Smit.

Uitgegaan is van het principe in paviljoensysteem te bouwen. Er zijn 9 pavil-
joens : 1. Het hoofdgebouw; 2. De afdeeling Anatomie; 3. Woning van den in-
wonenden klinischen assistent; 4. De Kliniek ; 5. Het operatiegebouw; 6. De afd.
Pathologische Anatomie ; 7. De afdeeling Besmettelijke Ziekten en Bacteriologie ;
8. De woning van den opzichter ; 9. De afdeeling Zoötechnie.

De bijgevoegde photo\'s en teekeningen zijn keurig uitgevoerd ; het geheel maakt
een frisschen indruk. Alles schijnt praktisch ingericht te zijn. Zoo zijn de stallen
van grootvee voorzien van automatische drinkbakken. De rasdierenstal is tevens
demonstratiestal, waar vloeren, voederbakken, afscheidingen der standen en de
wijze van bevestiging van het vee van
verschillend type en materiaal zijn.

Alle ziekenstallen zijn door fijn gaas vliegenvrij gemaakt.

De Conglutinatie- en K. H. reactie bij Malleüs, L. W. M. Lobei.. (Uit de Afdee-
ling voor Serodiagnostiek, Malleüs en Tuberculose van het Veeartsenijkundig
Instituut te Buitenzorg. Dir. : Dr. C.
Bubberman).

De gebruikelijke reacties bij malleüs zijn de ophtalmo-malleïnatie en de com-
plementbinding = C.B.R. De agglutinatie-reactie wordt als minderwaardig be-
schouwd ; omtrent conglutinatie- en
K.H.-reactie bestaan verschillende mec-
ningen.

Verscheidene onderzoekers hebben de conglutinatiereactie (Congl. R.) toege-
past : d. i. een reactie, waarbij roode bloedlichaampjes of bacteriën door geïnacti-
veerd normaalserum van herkauwers bij aanwezigheid van complement te zamen
worden gebald.

Pfeiler en Weber hechtten groote waarde aan deze reactie speciaal bij chro-
nische malleüs, omdat de reactie in een later stadium der ziekte zou optreden en
langer positief zou blijven dan de complementbindingsreactie.
Waldmann ont-
kent dit,
Andersom beschrijft optreden der reactie ook bij gezonde paarden en
bij paarden met andere chronische ziekten, waarbij de Congl. R. zelfs in 10% posi-
tief was, dus een belangrijke miswijzing.

De komplement-haemagglutinatie reactie (K.H.R.) onderscheidt zich van de
gewone C.B.R. doordat daarbij als complement paardenserum inplaats van ca-
viaserum, geïnactiveerd normaal runderserum inplaats van hoogimmun haemo-
lytisch konijnenseruin en bloedlichaampjes van cavia\'s inplaats van schapen
worden gebruikt

-ocr page 982-

Schrijver heeft in 2893 gevallen Congl. R. en C.B.R. toegepast. De eerste had
geen praktisch nut ; wanneer de C.B.R. reactie onvoldoende is voor het nemen
van een eindbeslissing dient de voorkeur gegeven te worden aan een herhaling
van het serumonderzoek.

De K.H.R. kon niet worden toegepast, daar uit sera van 93 runderen en 4 paar-
den geen haemaglutineerend systeem kon worden gevonden, dat tevens vol-
doende sterk liaemolytische eigenschappen bezat tegenover cavia-erythrocyten.

Voor nadere bijzonderheden zij verwezen naar liet oorspronkelijke artikel.

Over de prophylactische waarde van Naganol bij Paarden-surra. Otto Nie-
schulz
en F. Kraneveld. (Uit het Veeartsenijkundig Instituut te Buitenzorg).

I. Een groep paarden werd met de prophylactische dosis van 1 gram Naganol
ingespoten en daarna 1
x per week blootgesteld aan infectie door 20 besmette
Tabaniden. De dosis per dier beliep per 150 K.G. lichaamsgewicht van 0.833 —
2,113 gram.

Een andere groep werd na injectie slechts 1 x aan infectie bloot gesteld 1—4
maanden na de behandeling. De dosis beliep per 150 K.G. lichaamsgewicht van
0.932—1563 gram. De gebruikte surrastam was de gewone laboratoriumstam,
oorspronkelijk afkomstig van een natuurlijk geïnfecteerde karbouw, overge-
bracht van paard op paard.

Bij de iste groep duurde de bescherming respectievelijk 57, 21, 69, 98, 91 en
106 dagen.

Bij nieuw plaats vindende infectie scheen het soms of het incubatietijdperk
langer duurde, in één geval 21 dagen, terwijl het anders 7—13 dagen, gewoonlijk
8—10 dagen bedraagt.

Bij de 2de groep werd een bescherming gekregen vanaf 1 maand tot 2j maand.

Het scheen schrijvers toe, dat het verloop der ziekte bij voorbehandelde paarden
langzamer, chronischer was, dan gewoonlijk, daar de parasieten slechts langzaam
toenemen : een
sterk positief bloedbeeld was zeldzaam ; dikwijls bleven de paarden
dagen achtereen geheel negatief. (Echter vindt men dit beeld ook wel bij normale
paarden door tabaniden of muskieten geïnfecteerd niet echter bij paarden geïn-
fecteerd door subcutane injecties).

Conclusies voor een praktische toepassing der naganol prophylaxis zijn nog niet
uit deze proeven te trekken. Andere onderzoekingen zijn in gang.

II. Proeven met kleine dosis.

Edwards heeft onlangs aangeraden elke 14 dagen een doseering van 1 gram
Naganol per 1000 lb. = 450 K.G. of 1/3 gram per 150 K.G. Daar naganol duur is
zou een kleine dosis dus wel voordeel kunnen geven.

6 paarden werden ingespoten. Elke week werden deze 1—2 maal op natuurlijke
wijze door sterk besmette tabaniden geïnfecteerd (15—20 stuks). De surrastam
was afkomstig van een natuurlijk geïnfecteerd paard en was overgebracht van paard
op paard.

Een paard werd 2 x met naganol behandeld, de andere 1 x.De beschermende
werking duurde slechts 10, 14, 21, 39 dagen. Een paard stierf. Het laatste paard
was 2 x ingespoten, de eerste trypanosomen traden 56 dagen na de eerste, 42 dagen
na de 2de injectie op, dus de beschermende werking duurde hier 33 dagen.

In de praktijk zal deze methode dus niet voldoen, afgezien van de moeite iedere
14 dagen in te spuiten.

In Ned.-Indië voorkomende Pluimveeziekten. Dr. w. I< Picard. (Uit de Afd.
Pluimveeziekten van het Veeartsenijkundig Instituut te Buitenzorg, Dir. Dr. C.
Bubberman).

Een geval van Blackhead bij een kalkoen.

Dit is een lever-ingewanden-ziekte, zeer gevreesd op de groote kalkoenfokke-
rijen in Amerika en Australië ; door van
Heelsbergen in 1923 ook in Holland
geconstateerd, veroorzaakt door de Amoeba meleagridis
(Smith) syn. Hysto-
monas meleagris (Tyzzer).

Smith en Gragbill (1921) vonden, dat men jonge kalkoenen blackhead kan be-

-ocr page 983-

zorgen door het voederen van de kleine vogelspoehvorm (Heterakis papillosa).
Nog is niet uitgemaakt of deze een tusschengastheer vormt voor de parasiet of
slechts een praedisponeerende factor is. In ieder geval treedt de ziekte het meest
op in gemengde kalkoen- en kippenfokkerijen.

Men ziet ook infectiegevaar in wild gevogelte, hetwelk op voedselresten van
pluimvee aast.

Iedere nieuwe eruptie op een fokkerij is heviger dan de voorgaande.

Bij de aangetaste dieren is de kop en hals zwart verkleurd (dit is echter geen
vast symptoom).

In Buitenzorg werd een zieke kalkoen aangetroffen bij de kalkoenen voor het
laboratorium aangekocht. Symptomen waren : voedselweigering, lichte diarrhee,
anaemie van kop, halshuid, prostratie en snelle vermagering. Na io dagen was
het dier dood. De sectie had 5 uur daarna plaats. Het dier was sterk vermagerd,
het spierweefsel was donkerrood. De lever was aan de oppervlakte en in de diepte
doorzaaid met talrijke lichtgrijze en roestkleurige haarden van £—c.m. diameter.

De oppervlakkige haarden vertoonden alle een meer of minder gekartelde rand-
zóne van 1 —3 mm. en waren bijna onmerkbaar iets ingezonken.

De beide coecaalzakken waren sterk vergroot en gezwollen, één daarvan had een
blauwzwarte kleur, tengevolge eener intensieve haemorrhagische ontsteking,
waarin een roodc brijachtige massa van bloedstolsels vermengd met necrotische
epitlieelresten van de darmmucosa. De wand was bezaaid met grootere en kleinere
ulcera.

Het overige darmkanaal, alsmede milt, longen, hart, nieren was normaal.

Uitstrijkpraeparaten van de coecaalinhoud vertoonden groote hoeveelheden
rondachtige en ovale cellen, eveneens vond men die in uitstrijkjes van ziek lever-
weefsel. Bewegingen werden niet waargenomen, daar het materiaal te oud was.

Levercoupes werden gefixeerd in Bouinsche oplossing : (verzadigde oplossing
van picrinezuur 75 cc ; formaldehyde 40% 20 cc ; ijsazijn 5 cc) gedurende 12 uur
en gekleurd volgens
Heidenhain (ijzerhaemotoxiline). Hierin zijn de parasieten
te herkennen zooals door
Smith en Tyzzer beschreven als Amoeba-meleagridis of
Histomonas meleagris.

Picard refereert de behandeling en noemt de Amerikaansche middelen :

a. Ipecuanlia als poeder : 1 eetlepel daags op 100 dieren door het ochtendvoer.

b. Sulfas sodae opgelost in water : 250 gram op 100 dieren door het ochtenvoer.

c. Arsenicumpraeparaten intraveneus of subcutaan.

d. Melkvoeding : ondermclk of karnemelk en verder natuurlijk de grootste
reinheid en scheiding van kippen en kalkoenen.

Pinguinziekte.

De naam duidt reeds het voornaamste verschijnsel aan. Die houding vindt men
bij verschillende ziekten, kan plotseling ontstaan of ook langzaam optreden. Zoo
vindt men ze o. a. bij abdominaaltumoren o. a. ovariaalcysten.

Kaupp beschrijft een soort penguinziekte bij jonge volwassen hennen als gevolg
eener myelitis of ruggemergsaandoening. Het schijnt dus meer een symptoom dan
een specifieke ziekte te zijn.

Picard\'s geval is als volgt :

Eén hen van een toom van 1 haan en zes hennen uit Holland ingevoerd lag dood
in het hok. De haan en een hen waren ziek onder verschijnselen van pseudo-vogel-
pest. De haan genas, de hen bleef ook in leven, doch nam langzamerhand de ty-
pische houding aan. In Buitenzorg gebracht was het dier in slechten voedingstoe-
stand, mager met doffe bevedering en leed aan profuse diarrhee. Om de neusgaten
bevonden zich korsten als bij „coryza infectiosa". De romp stond loodrecht omhoog
en steunde op de horizontaal naar achter gestrekten staart. Het abdomen puilde
wijd tusschen de pooten uit, in de kooi drong het dier naar voren, zocht steun tegen
den traliewand en viel af en toe achterover. De psyché bleek echter normaal, eetlust
ontbrak ; kunstmatige voeding werd toegepast.

-ocr page 984-

Het dier knapte door een behandeling langzaam op, begon zelfs eieren te leggen,
doch de houding veranderde niet, zoodat het tenslotte toch afgemaakt werd.

Bij de sectie werden geen path. anatomische afwijkingen gevonden. Een histo-
logisch onderzoek van ruggemergscoupen zal worden ingesteld, macroscopisch was
niets te zien.

Beschouwingen : Ofschoon de beginverschijnselen op pseudopest wezen, werd
die ziekte uitgeschakeld in verband met het geheele verloop der ziekte. Al vindt
men coördinatieverschijnselen bij pseudo-vogelpest, de penguinhouding werd
nooit waargenomen.

Picard gelooft meer aan een ernstige infectie met coryza infectiosa, een ziekte
die door transport, verblijf in wisselende klimaten vaak doodelijk verloopen kan

Extracten uit de maand- en jaarverslagen der gouvernementsveeartsen No. 49.

Sarcomatose bij een rund.

Een rund met verdenking op tuberculose was sterk vermagerd, had zwelling
van boeg- en eileboogsklieren. Tuberculinereacties waren negatief. Bij punctie
kwam bloed uit de boegklier, zoodat aan haemangioom gedacht werd. Bij de sectie
bleken alle halslymphklieren, bronchiale en mediastinale klieren vergroot en ver-
toonden op doorsnede een vettig gedegenereerd voorkomen. Er was geen sprake
van haemangiomen. Waarschijnlijk is dus toevallig bij de punctie een bloedvat
aangestoken.

Men vond verder tumoren op pericardium en op de boekmaag, reeds macro-
scopisch afwijkend van tuberculeuze parels door de weekere consistentie. Hierin
waren geen tubercel bacillen.

Bij het histologisch onderzoek vond men groot rondcellig sarcoom. Extract
uit het maandverslag over Juli 1928 van Dr.
W. C. A. Doeve.

De redactie teekent aan, dat reeds enkele gevallen zijn waargenomen.

Breedveld.

VLEESCHHYGIËNE.

De beteekenis van het histologisch worstonderzoek. (Die histologische Wurst-
untersuchung und
das Lebensmittelgesetz. — Biermann — Dcut. Tier. Woch. Jg. 36,
1928, pg. 814).

Biermann geeft een uiteenzetting van de beteekenis van het histologisch worst-
onderzoek en deelt het een en ander mede over de cursus in worstonderzoek,
welke Prof.
Lund in Hannover gedurende 1927/1928 heeft gegeven. Daartoe
had men leverworsten gemaakt, waarin ongewone organen als oogen, testikel,
uteri, enz. waren verwerkt en werd in coupes naar deze niet toelaatbare bestand-
deelen gezocht. Insluitmethode in gelatine volgens
gaskell-graff, fixatie in
5—10% formalineopl., kleuring met haematoxyline-eosine, eventueel met v.
Gieson voor b.w. of met Soedan III in lieeten 70—80% alcohol voor vet. Een-
voudig ,.afdrukken" op een voorwerpglas is alleen voldoende voor een orien-
teerend onderzoek.

Niettegenstaande het vermengen en het verkleinen van het materiaal in de
vleeschwolf en het daaropvolgend koken kon men alle toegevoegde abnormale
bestanddeelen terugvinden.
Lund en Schroeder hebben deze proefnemingen
voortgezet. Eerst na een 1J—2 uur sterk koken krijgt men ernstige veranderingen,
hoewel het dan toch nog in vele gevallen gelukt, bepaalde weefsels te herkennen.

Bij een toevoeging van testikels of uteri aan de worstvulmassa in een verhouding
van i op 50 en na goede vermenging, vond men resten van deze organen in bijna
elke coupe terug. Bij een toevoeging van 1 op 100 in elke 2de coupe. Misschien
kan men zoodoende, met behulp van het histologisch onderzoek, niet alleen qua-
litatief, maar ook quantitatief een indruk krijgen van het gebruikte materiaal en
de daarin verwerkte organen?

De genesis der vleknieren bij het kalf. (Experimentelle Erzeugung von ,,Kaninchen-
ilecknieren" als Beitrag zur Genesis der Fleckniere des Kalbes.
— E. Henniger. —
Berl. Tier. Woch. Jg. 44, 1928, pg. 838).

-ocr page 985-

In verband met de onderzoekingen van Pfenniger en Krupski, volgens welke
men de vleknieren als het eindstadium van een vroeger plaats gehad hebbende
algemeene coliinfectie moet opvatten, nam
Henniger uitgebreide proeven bij
konijnen, door deze herhaalde malen achtereen met culturen van colibacteriën
en enteritis-Breslaubact. intraveneus in de oorvenain te spuiten. Hij kon hierdoor
nierafwijkingen opwekken, die histologisch hetzelfde beeld gaven als de bekende
vleknieren bij het kalf. Het geheele proces is zijns insziens een haardvormige,
centraal-necrotiseerende, blijkbaar subchronisch verloopende, fibroplastische
nierontsteking, die haematogeen-metastatisch ontstaat, zonder embolievorming
en zonder de typisch etterige ontsteking, welke meestal het gevolg is. De onder-
zoekingen van
Pfenniger werden bevestigd.

Niet alleen een plaats gehad hebbende coli infectie, doch ook een algemeene
infectie met paratyphusbacteriën moet men als oorzaak van de vleknieren opvatten.

De keuring van noodslaehtingen. (Die Fleischbeschau bei Notschlachtungen. —
Dr. Kam.mel, — Tieriirztl. Rundschau, Jg. 35, 1929, pg. 24).

Moet bij de uitoefening van het bacteriologisch vleeschonderzoek bij nood-
slachtingen op het platteland aan centralisatie of aan decentralisatie de voorkeur
worden gegeven? Deze vraag stelt
Kammel naar aanleiding van een adres van een
landbouworganisatie in het district Potsdam aan den regeeringspresident van
dat district gericht en waarin van de zijde der veehouders op decentralisatie wordt
aangedrongen. Ter motiveering van deze opvatting wordt gewezen op het feit,
dat het dikwijls 2 a 3, soms zelfs wel 4 dagen kan duren, alvorens door den dieren-
arts een beslissing wordt genomen en intusschen het betreffende dier in schuur
of stal van den veehouder zeer aan bederf onderhevig is. Het zou nogal eens voor-
komen, vooral in de warme zomermaanden, dat de uitslag van het bact. vleesch-
onderzoek zoo lang op zich laat wachten, dat het cadaver intusschen geheel in
bederf is overgegaan en moet worden afgekeurd.

Vooral zou dit het geval zijn sinds in een rondschrijven van 30 Nov. 1921 van
den regeeringspresident te Potsdam aan allen in de vleeschkeuring werkzame
dierenartsen wordt voorgeschreven, dat men, alvorens bij de beoordeeling van
in noodgeslachte dieren een beslissing te nemen, in nader aangegeven ziekten steeds
een bact. vleeschonderzoek moet verrichten. In de piaktijk is gebleken dat onder
de aangegeven ziekten vrijwel alle noodslaehtingen vallen. Doordat de dieren-
artsen de noodige vleesch- en orgaanmonsters opsturen naar het laboratorium
te Potsdam, verloopen er gewoonlijk steeds 2, soms zelfs wel 3 dagen, alvorens over
een noodslachting nader beslist wordt. Terwijl eensdeels de dierenarts zekerheid
wil hebben, dat het vleesch van een noodslachting onschadelijk is en hij derhalve
het bact. onderzoek afwacht, is het anderdeels in het belang van den eigenaar,
dat dergelijke noodslaehtingen zoo spoedig mogelijk worden opgeruimd.

Een volledige decentralisatie door te voeren, zooals blijkbaar de bovenge-
noemde landbouworganisatie verlangt, is volgens
Kammel, niet goed door te voe-
ren, daar dan elke dierenarts, in de keuring werkzaam, niet alleen over de noodige
routine, maar ook over het vereischte instrumentarium, als voedingsbodems,
broedstoof, enz. zou moeten beschikken. Een te zeer op de spits gedreven centra-
lisatie, door opzending van de monsters naar een centraal gelegen, groot, labora-
torium, heeft ook zijn bezwaren.
Kammel vraagt daarom de meening van de in
de vleeschkeuring werkzame practici. Misschien kan in sommige streken het
stichten van een eenvoudige centrale slachtplaats met hanggelegenheid uitkomst
brengen, daar dan het vleesch in veel gunstiger omstandigheden hangt dan bij den
boer in schuur of stal.

Kammel acht het aangewezen dat bij de organisatie van het bact. vleesch-
onderzoek nu eens aan centralisatie, dan weer aan decentralisatie de voorkeur
wordt gegeven, waarbij vooral het bereiken van het centrale punt van uit alle
perifere districtsdeelen een factor van beteekenis is. Gaat dit met veel tijdsverlies
gepaard, dan is z. i. decentralisatie het meest gewenscht en moet de betreffende
dierenarts het bact. onderzoek zelf verrichten.

-ocr page 986-

Over „Anreicherungsmethoden" bij het bacteriologisch vleeschonderzoek. (Ueber

Anreicheruhgsverfahren bei der bakteriologischen Fleischbeschau. — Dr. Rastaedt -—
Arch. f. wissensch. u. prakt. Tierheilkunde, Bd. 58, 1928, pg. 347).

Rastaedt ging allereerst na, welke van een 6-tal malachietgroenpraeparaten,
afkomstig van verschillende fabrieken, het beste resultaat gaf bij het „Anreiche-
rimgsverfahren" volgens Hoder (Centr.bl.. f. Bakt. Origin. Abt. I, Bd. 102, pg.
313). Hij vond dat slechts een 3-tal praeparaten nl. malachitgrün Höchst I, mala-
chitgrün kristal (Farbenindustrie) en malachitgrün Leverkusen te gebruiken
waren.

In een 2de serie proefnemingen onderzocht Rastaedt de waarde van een 4-tal
„Anreicherungsmethoden" nl. met bouillon volgens Zwick en Weichel, met
galbouillon volgens Standfusz, met brillantgroenbouillon volgens Killian
(Zeits. f. Hyg. Bd. 103, pg. 193) en met malachietgroengalbouillon volgens Hoder,
waarbij hij tevens niet alleen de bacteriegroei naging na een groei van 20—21 min.,
maar ook na 6 uur. Hij vond toen, dat zoowel de
HoDER\'sche als de Killian\'sche
methode uitstekende anreicherungsmethoden zijn voor bacteriën van de para-
typhus-enteritisgroep. Zelfs als deze bacteriën als het ware overweldigd waren
door een colivegetatie zag hij nog een prachtige groei.

De anreicherung met bouillon en met galbouillon gaf eveneens wel goede resul-
taten, als men voor het uitstrijken van de anreicherungsvloeistof malachietgroen-
platen gebruikt. Bij gebruik van Endo of Drigalskiplaten trad belangrijk minder
groei op dan bij de andere 2 methoden. Er moet derhalve bij de „Anreicherung"
een sterk groeibelemmerend middel als brillantgroen of malacliietgroen worden
gebezigd, hetzij dat deze kleurstoffen reeds toegevoegd zijn aan de Anreicherungs-
vloeistof, hetzij dat ze voorkomen in de voedingsbodems.

Verder meent Rastaedt, dat het is aan te bevelen elk te gebruiken kleurstof-
praeparaat, alvorens het voor de „Anreicherung" te gebruiken, eerst op bekende
vleeschvergiftigers en colistammen te onderzoeken, daar hem gebleken is, dat de
verschillende malachietgroenpraeparaten, wat betreft de grocibelemmerende
eigenschap, zeer kunnen wisselen. Ook vindt hij het beter, tegenovergesteld aan
Killian <;n Hoder zelf, de kleurstofstamoplossingen steeds versch te bereiden.
Ook de te gebruiken malachietgroenplaten zelf moeten voor het gebruik met be-
kende stammen onderzocht worden.

Een toevoeging van gal aan een bouillonoplossing bevordert in sterke mate de
groei van de vleeschvergiftigers. De „anreicherung" moet 15—20 uur duren, dus
van den eenen dag tot den anderen. Een tijdsduur van 6 uur is niet voldoende te
achten.

Twee atypisch verloopende miltvuurgevallen bij het paard. (Zwei atypisch ver-
laufene Fälle von Milzbrand bei Pferden.
— Dr. Lorscheid. —■ Berl. Tier. Woch.
Jg. 44, 1928, pg. 905).

Lorscheid werd \'s nachts bij een 3-jarig paard geroepen, dat met sterke adem-
nood, in de weide liggend, was aangetroffen. Klinisch onderzoek gaf : temp. 4O,8
0C,
pols 80, ademhaling versneld, neusslijmvlies sterk rood, zoowel submaxilaire als
retrophar. lymphklieren sterk gezwollen en pijnlijk. In-en uitademing geschiedde
met eenig gefluit. Dier overigens rustig, faeces normaal. L. dacht aan acute Pharyn-
gitis. Na één dag werd het dier plotseling wild, ging op de achterbeenen staan,
sprong over de ruif, viel neer en was na korten tijd dood.

Een 2de paard, dat met het eerste in eenzelfde weide was geweest, kreeg de-
zelfde ziekteverschijnselen, ging echter al na 3 uur ziek zijn dood.

Sectie : maag en darmen normaal, poortaderbloed donkerrood, grootendeels
goed gestold.
Milt staalblauw, vast, niet gezwollen. Slechts in het middengedeelte
was een okkernootgroote verdikking, waar de pulpa iets weker was van consistentie
en donker van kleur. Overigens de geheele pulpa vast. Epicard met enkele punt-
bloedingen, overigens hart normaal.

Het bindweefsel in de omgeving van de retroph. lgl. was geinfiltreerd, evenals
dat om de keel. De retroph. lymphklieren zelf waren kindervuistgroot, saprijk,

-ocr page 987-

en hadden vele bloedingen. De submax. lgl. waren op gelijke wijze veranderd.

Talrijke miltvuurbacillen werden aangetoond in het keeloedeem en in de lymph-
klieren. Slechts zeer enkele in bloed- en miltuitstrijkjes, en in de laatste slechts
in de uitstrijkjes, gemaakt van de pulpa uit de locale verdikking.

De weide was een miltvuurweide ; er was in 5 jaren geen geval van miltvuur
voorgekomen. Men had een diepe sloot gegraven en vermoedelijk hadden de beide
paarden daaruit gedronken.

Het ontsmetten van de keuringsmessen gedurende de keuring. (Die Messendesin-,
jehtion w.ïhrend der Fleischuntersuchung.
O. Umnus. — Berl. Tier. VVoch. Jg
45, 1929, pg. 80).

Volgens Umnus kan men het beste een absolute en vlugge desinfectie van de
keuringsmessen verkrijgen door : ie deze mechanisch te reinigen in een straal
kokend water en 2e daarna de messen in een gasvlam meermalen af te branden.
Hiertoe zou men in de slachthal slechts 2 leidingen noodig hebben nl. een heet-
waterleiding en een gasleiding, welke installatie niet kostbaar is. De door
Schmey
aangegeven messterilisator (met afbranden in spiritus) werkt slechts gedeeltelijk
goed en moet z.i., alvorens ze algemeen in gebruik wordt genomen, nog eens ter-
dege op haar desinfecteerende werking tegenover alle in de keuring voorkomende
microörganisrhen worden onderzocht.

Verder vindt Umnus het gebruik van een staal (z.g. slagersstaal) tot aanzetting
van de keuringsmessen gedurende het onderzoek ten zeerste af te keuren, daar
een dergelijk staal nooit wordt gedesinfecteerd en men zoodoende alle bacteriën
weer op het mes kan overbrengen. De eenige oplossing is z.i. het meenemen van
een voldoend aantal scherpe messen.

Het verzamelen van de epitheellichaampjes bij slachtdieren voor de organothe-
rapie. (
Ueber die Gewinnung der Epithelkörperchen von Schlachttieren fiir die Or-
gantherapie. — Dr. Schönberg. — Zeits. f. Fleisch u. Milchhyg., Jg. 39, pg. 41).

Schönberg wijst op de groote moeielijkheid bij de verschillende slachtdieren
de bijschildkliertjes te ontdekken en te verzamelen. Vele negatieve resultaten bij
het toepassen van deze organotherapie bij den mensch worden z.i. vaak hierdoor
veroorzaakt, dat men dikwijls geen bijschildkliertjes heeft, maar bloedlymph-
kliertjes of stukjes schildklierweefsel.

Zoo vond hij b.v. onder een zending van 30 z.g. epitheellichaampjes slechts 2
werkelijke bijschildkliertjes, terwijl de andere lichaampjes alle andere weefsel-
stukjes waren. Een eerste vereischte is het daarom, dat uitsluitend dierenartsen
met de verzameling worden belast en dat deze verder steeds een controle uitoefenen
op de voor organotherapie bestemde organen, voordat deze naar de chemische
fabieken worden verstuurd.

Bij een nader onderzoek naar de ligging en de hoedanigheid van deze epitheel-
lichaampjes bij paard, rund, varken, schaap en geit kwam
Schönberg tot de
conclusie, dat slechts van jonge of hoogstens middelmatig oude dieren verzameld
mag worden. Bij oudere dieren is nl. heel vaak het eigenlijke orgaanweefsel ver-
vangen door b.w. of vet, of vindt men aan de peripherie van het orgaan groote,
met kolloid gevulde lacunen, zoodat vanzelfsprekend dergelijke kliertjes een zeer
geringe therapeutische werking hebben.

Verder bleek hem, dat bij paard en schaap betrekkelijk gemakkelijk deze epitheel-
lichaampjes zijn te vinden, daar ze zich bij deze dieren door een iets afwijkende
kleur van het eigenlijke schildklierweefsel onderscheiden. Bij het paard vindt men
ze meestal aan de dorso-medialen rand van de schildklier gelegen, met een iets
roodgele kleur. Volgens
Schönberg is het paard het dier, waarvan men deze or-
ganen moet verzamelen ; daarop volgt het schaap. Bij het rund is met eenige
routine het orgaan wel te vinden (hijzelf vond ze in 60% der gevallen), terwijl
bij het varken dit een uitzondering is, daar bij deze laatste dieren de epitheel-
lichaampjes niet bij de schildklier liggen, maar meestal bij de splitsing van de art.
carotis communis, terwijl bovendien het vetweefsel zeer hinderlijk is bij het zoeken.
Hij wijst er verder nog op dat de bijschildkliertjes een zeer goed ontwikkeld capil-

-ocr page 988-

lairnet bezitten, zoodat men ze niet, zooals b.v. de schildklier, als een voorraad-
schuur van de werkzame stof kan beschouwen en men dus, wil men bij de therapie
resultaten zien met het toedienen van epithcellichaampjes zeer lang moet vol-
houden.

Een uitwendig onzichtbaar rottingsproces in gezouten varkenslevers. (Auszer-
lich nicht sichtbare Zersetzungsvorgange in gesalzenen ausländischen Schweinelebern
— Dr. Clauszen. — Zeits. f. Fleisch- und Milchhyg. Jg. 39, 1928, pg. 62).

Bij de keuring van gezouten varkenslevers, afkomstig uit N.-Amerika, vond
Clauszen eenige malen bij enkele zendingen een eigenaardige afwijking. Bij overi
gens normaal uitziende gezouten levers bleek bij insnijden, dat vrijwel alle levers
in het centrum der sneevlakten door alle leverkwabben, een grauwbruin tot geel-
bruin gekleurd parenchyn hadden.

Dit verkleurde gedeelte heeft een scherpe afscheiding tegenover het normaal
gekleurde, roodbruine leverweefsel aan de peripherie van de leverkwabben. Con-
sistentie van deze veranderde gedeelten is week, brijachtig, soms zelfs schuim-
achtig, terwijl men een zurige lucht kan waarnemen. Bij afstrijken met een mes
blijft een groote hoeveelheid leverweefsel aan het mes hangen. Bij aanraking met
de O. uit de lucht wordt de kleur meer groen. Zelfs na het geheel gaarkoken van
de lever verdwijnt deze eigenaardige verkleuring niet.

In microscopische praeparaten blijkt de structuur der leverbalkjes in de acini
geheel verdwenen ; alle levercellen liggen los door elkaar, terwijl het protoplasma
zich geheel diffuus kleurt en van een celkern niets meer is te vinden. Enkele bac-
teriën werden door
Clauszen bij uitzondering gevonden ; een algeheele bacterieele
doorwoekering is in geen geval aanwezig, zoodat een bacterieele omzetting als
oorzaak moet worden uitgesloten.
Clauszen meent te doen te hebben met een che-
misch proces, waarbij afbraakproducten ontstaan, die, in aanraking komende met
de O. uit de lucht, een oxydatie ondergaan, waardoor de groene verkleuring het
gevolg is.

Vermoedelijke oorzaak is z.i. een verkeerd behandelen van de levers bij het
conserveeren ; waarschijnlijk zijn de levers bij inpakking niet geheel en al afgekoeld
geweest, zoodat in het centrum der kwabben alreeds een beginnende omzetting
heeft plaats gevonden en de binnendringende pekel later dit proces niet geheel en
al heeft kunnen tegengaan.

Uitwendig is aan de levers niets abnormaals op te merken ; misschien geeft de
kleur der pekeloplossing eenige vingerwijzing. In alle gevallen, waarbij de pekel
troebel is, een vuilbruine kleur heeft en bovendien een ietwat zurige lucht afgeeft,
kan men, volgens
Clauszen, bovengenoemde afwijking verwachten. Er volgt z.i.
wel duidelijk uit, dat men bij invoer van gezouten levers steeds eenige insnijdingen
moet maken, alvorens ze verder in consumptie te brengen.

Het onderzoek naar voedselaspiratie bij runderlongen. (Ein Beitrag zur Frage
der Untersuchung von Rinderlungen auf Fulteraspiration.
— Dr. Molthof. —
Zeits. f. Fleisch u. Milchhyg. Jg. 39, pg. 78).

Molthof meent dat nog veel longen met voedselaspiratie worden goedgekeurd
en men, wi! men alle gevallen van voedselaspiratie op het spoor komen, niet alleen
bij het hangend orgaan in de beide hoofdkwabben de bekende horizontale insnij-
dingen moet maken, maar ook vooral vlak achter de bifurcatie der trachea de
hoofdbronchie moet insnijden. Het beste is dit te doen door tegelijk bij het insnijden
van de bronchiale lymphklier de snede iets dieper te laten doorgaan en zoodoende
de bronchie te openen. Niet zelden vindt men daar ter plaatse het geaspireerde
voedsel (pensinhoud).

Molthoff wil het maken van deze diepe insnijding zelfs verplichtend voor-
schrijven.

Het ontsmetten van de keuringsmessen volgens Schmey. (Zur sterilisierung der
Untersuchungsmesser nach
Schmey. — Dr. Bernhard Kirsch. — Berl. Tier.
Woch. Jg. 44, 1928, pg. 887).

De door Schmey aanbevolen methode voor het steriliseeren van de keurings-

-ocr page 989-

— g6o —

messen (eerst mechanisch reinigen door afkrabben, dan afspoelen in kokend water
en daarna flambeeren in alcohol) werd door
Kirsch nader op deugdelijkheid
onderzocht.

Eerst werd op gewone laboratoriumskalpellen deze methode toegepast ; daarna
op gebruikte keuringsmessen, die sterk met vet en vuil bedekt waren. Voor en na
het reinigen van de messen werden op agarplaten uitstrijkjes gemaakt van het op
het mesoppervlak aanwezige materiaal. Steeds bleven de na de sterilisatie aange-
legde voedingsbodems kiemvrij. Verder ging
Kirsch na, of vooral de etterbacteriën
bij het flambeeren geheel onschadelijk werden gemaakt. Inderdaad was dit het
geval, zelfs na het nalaten van het afspoelen in kokend water.

Bij verontreiniging met tuberculeus materiaal bleek de methode niet geheel
afdoende te zijn. Enkele cavia\'s kregen, na subcutane enting van het afgekrabte
materiaal van keuringsmessen, welke men nog expres door zeer sterk verwerkte
tuberculeuze haarden had gestreken en daarna gereinigd had volgens de ScHMEY\'sche
methode, toch nog tuberculeuze aandoeningen.

Kirsch meent echter, dat tot heden de Schmey\'sche methode de meest prak-
tische is gebleken en hoopt, dat men deze methode ook op andere abattoirs eens
nader op deugdelijkheid zal onderzoeken. Voor het afbranden in spiritus heeft de
Firma
Hauptner een zeer handig, kleine steiiliseerapparaat (de z.g. ScHMEY\'sche
sterilisator) geconstrueerd, welk gemakkelijk overal medegenomen kan worden
en tevens kan worden afgesloten.

Het voorkomen van vleeschvergiftigingsbacteriën in den darminhoud van in
nood geslachte dieren.
(Über das Vorkommen von Fleischvergiftungs bakterien im
Darminhalt notgeschlachteter Tiere.
— Dr. M. Knoïh. — Deutsche Tier. Woch.
Jg. 36, 1928, pg. 767).

De in den darminhoud bij slachtdieren af en toe waargenomen enteritisbak-
teriën (B. ent.
Gartner en B. ent. Breslau) kunnen, bij het afnemen van de weer-
standskrachten van het lichaam, zich vermeerderen en dcor middel van delymph-
banen in het lichaam binnendringen. De overgang van bacteriën uit den darm
in het lichaam ziet men vooral gebeuren als door een of andere oorzaak de bac-
terieele kracht van den darm verminderd is. Dit zou o.a. het geval zijn bij nood-
slachtingen.

Bij een 170 in nood geslachte dieren werden van elk dier vleeschmonsters,
lichaamslymphklieren, organen, darminhoud, vooral uit jejunum en ileum, en
mesenteriale lymphkliercn onderzocht. Verder werd ook nog de darmmucosa
onderzocht, in de veronderstelling, dat de bacteriën reeds in de diepere mucosa-
lagen zouden zijn binnengedrongen. De darminhoud en de met steriele phys.
NaCl oplossing afgespoelde darmmucosa werden direct en ook na een 24 uur durende
anreicherung in galbouillon op Drigalski en Gasznerbodems uitgestreken.

Men kon zoodoende 17 maal verdachte bakteriestammen isoleeren, waarvan
een 6-tal moesten worden gerangschikt onder de door
Standfusz genoemde groep
van B. coli intermedium.

De li andere stammen moesten, volgens cultureele en biochemische eigen-
schappen en agglutinatie tot de enteritisbacteriën worden ingedeeld en wel 9
stammen (afkomstig van 6 runderen en 3 kalveren) bleken te zijn Bact. enteri-
tidis
Gartner en 2 stammen (afkomstig van 2 paarden) waren Bact. ent. Bres-
lau.
Deze bacteriën werden, behalve in de mesent. en lichaamslymphklieren,
ook nog 4 maal in de organen (3 x bij het kalf en 1 x bij het rund) en 2 maal in
het vleesch (bij paard en kalf) aangetroffen.

In 8 van deze 11 gevallen waren de dieren wegens ziekte in nood geslacht nl.
5 runderen met maag-darmaandoeningen, 2 paarden met volvulus intestini en
koliek, en 1 rund met een ziekte, in aansluiting aan een verlossing. De 3 overige
gevallen betroffen 2 dieren met pneumonie en 1 kalf, dat klinisch zeer ernstig ziek
was, maar waarbij geen specifieke pathologisch-anatomische afwijkingen werden
gevonden.

De opvatting, dat het zieke, in nood geslachte dier zelf de hoofdhaard bij vleesch-

-ocr page 990-

vergiftigingen zou zijn, krijgt door deze onderzoekingen een belangrijke steun.
Teneinde het vraagstuk nader tot een oplossing te brengen zouden nadere onder-
zoekingen moeten worden ingesteld naar het voorkomen van enteritisbacteriën
in het darmkanaal bij dieren, wegens een maag- of darmlijden, in nood geslacht,
of bij koliekgevallen bij het paard of bij ziekten, in verband met de geboorte. Bij
een nadere beschouwing van de eigenlijke oorzaak, welke tot noodslachting heeft
geleid zouden, meent
Knoth, dergelijke onderzoekingen wellicht eenig licht kun-
nen brengen over het mogelijk verband tusschen enteritisbacteriën in het darm-
kanaal en die in de darmlymphklieren, vleesch en organen en zou men zoodoende
een stap nader kunnen komen tot de oplossing van het vleeschvergiftigings vraagstuk

Overgangsstammen uit de Coli-typhusgroep. (Uebergangsstamme aus der Koli-
typhusgruppe.
— Dr. Standfusz. — Berl. Tier. Woch Jg. 44, 1928. pg. 892).

De Colityphusgroep met haar talrijke soorten bacteriën, die deels saprophy-
tische darmbewoners, deels specifiek pathogene bacteriën zijn, is, naar
Stand-
fusz
meent, bijzonder geschikt voor de studie van overgangsvormen, te meer,
daar de bacteriegeneratie\'s zeer snel groeien en elkaar opvolgen, zoodat de bacterio-
loog bv. in één jaar een zeer groot aantal ontwikkelingsperioden kan overzien, iets
wat bij de hooger ontwikkelde dieren onmogelijk is.

Juist de groote mate van variatie is oorzaak, dat er nog zooveel onopgelost is in
het paratyphus vraagstuk, als onzekerheid in de nomenclatuur, in de rangschik-
king in groepen, enz.
Standfusz vindt het aangewezen, het woord paratyphus
in de diergeneeskunde en vooral bij vleeschvergiftigingsgevallen in het geheel niet
meer te gebruiken, daar men tegenwoordig zeker weet, dat de paratyphus is een
specifieke infectieziekte bij den mensch, waarvan de veroorzaker niet bij dieren
voorkomt, terwijl de z.g. paratyphosis der dieren is of een ziekte van geheel bij-
zonder karakter (als b.v. de abortus van de merrie) of ziekten, die door de, onder
bepaalde voorwaarden slechts pathogeen werkende, enteritisbacteriën
(Gartner
of Bresi.au) worden veroorzaakt.

De verwarring in de rangschikking in groepen wordt z.i. hierdoor veroorzaakt,
dat men tusschen de colibacil en de eigenlijke vleeschvergiftigers een groot aantal
overgangsvormen kent, die bijzonder sterk in de natuur verspreid voorkomen en
vooral ook in darminhoud. Een scherpe afscheiding van de eigenlijke vleeschver-
giftigers is dringend noodzakelijk. Men kan dit verkrijgen, door een 6-tal specifieke
voedingsbodems te gebruiken nl. lakmoeswei, Barsikow I, Barsikow II, Hetschop-
lossing, Sacharose-nutroseoplossing en indolvoedingsbodems van Zipfel.

Alle stammen, die sacharose vergisten, of indol vormen, of beide doen, of ook
melksuiker, zij het iets langzamer, veranderen, zijn geen vleeschvergiftigers, maar
overgangsvormen.
Standfusz wil dezen vormen den naam geven van bact. coh
intermedium.

Een nauwgezette studie van deze tusschenvormen cn het gebruik van een juiste
onderzoekingsmethode zal, naar
Standfusz meent, nog vele gevallen, welke men
nu nog als paratyphus beschouwt, nader identificeeren als zijnde geen vleeschver-
giftigingen.
 de Graaf.

VERLOSKUNDE, ZIEKTEN DER GESLACHTSORGANEN.

Invloed van Röntgenstralen op de Vruchtbaarheid.

Naujoks, (Strahlenth. 1929, ref. v. Driessen in N. T. v. G. 1929, II, No. zy
blz. 3188), dringt er op aan alle mogelijke maatregelen te nemen om vrouwen
die in Röntgen-laboratoria werken, tegen de schadelijke invloed der stralen te
behoeden, vooral ook met het oog op mogelijke kiembeschadiging. Hij verzamelde
gegevens over 91 vrouwen met 125 kinderen. Van die 91 waren 22 kinderloos en in
12 gevallen schreef hij de steriliteit toe aan de Röntgenstralen. (Bestraling kan aan-
leiding geven tot abortus en tot misvorming van levend geboren kinderen. Van
kortdurende diagnostiese bestraling ter vaststelling van zwangerschap heeft men
tot nog toe geen schadelijke gevolgen gezien). Van de 125 kinderen hadden 9

-ocr page 991-

—- g6z —

ontwikkelingsstoornissen en ziekten van het zenuwstelsel ; in 5 van die gevallen
schreef N. die toe aan de Röntgenstralen.

Permeabiliteit van de placenta. (Aron, C. A. de, Biol., Recueil de méd. vét.,
1929 Juin, p. 356).

Als men bij een zwanger dier een inspuiting doet met trypanblauw, kan men de
kleurstof vinden in uterushoorn en placenta, maar niet in het foetus. Doet men
echter de inspuiting in de laatste zwangerschapsweek dan hebben de inwendige
organen, huid en slijmvliezen een min of meer blauwe tint. Hen moet dus aan-
nemen dat tegen het einde der zwangerschap de doordringbaarheid der placenta
voor sommige stoffen toeneemt.
 Vrijburg.

Ueber den Keimgehalt gesunder und kranker Uteri unserer Haustiere. Klimmer,
Haupt en Roots : I Mitteilung Der Heimgeholt. (Centralbl. f. Bakt. etc. I Or.
1929. Bd. 110 H. 1/3. blz. 62).

De vaak elkaar weersprekende onderzoekingen naar de aanwezigheid van mi-
croörganismen in de normale uterus der huisdieren was aanleiding om een eigen
onderzoek in te stellen, waarbij de kans op infectie van buiten angstvallig vermeden
werd.

Hiertoe dienden de baarmoeders van 58 koeien, 3 schapen, 14 paarden, 10 var-
kens en 5 honden. Eén kiemsoort bevatten 28 uteri (22 van het rund, 3 van den
hond en 3 van het varken), eenige bacteriesoorten 24 (17 van de koe, 2 van het
paard, 1 van den hond en 4 van het varken). De normale uterus was bijna steeds
kiemvrij. Drachtige uteri bevatten sems behalve de bacil van
Bang ook Strep-
tococcen en zelfs vulgaire bacteriën. Bij endometritis werden steeds bacteriën
gevonden, voornamelijk tuberkelbacillen, pyogerie Streptococcen, pyogene bacillen
en colibacillen. v.
d. Hoeden.

Erfahrungen und kritische Betrachtungen zur Nachgeburtsbehandlung. In de

Berlin. Tierärtzl. Woeh. von 8 Maart 1929 geven Dr. H. Stroothoff en Dr. H.
Schlechting eene beschrijving van de behandeling van 271 koeien, die met de
nageboorte waren blijven staan

Men behandelde de dieren volgens 4 methodes nl. : i°. behandeling met kool-
stof ; 2°. irrigeeren en behandeling met koolstof ; 3°. irrigeeren en 4°. noch irri-
geeren, noch koolstof-behandeling. In alle gevallen werd getracht de secundinae
af te pellen. Van de 271 dieren stierven 25, dus 9.22%.

Gezien het verliescijfer, is het mijns insziens nog niet aan te bevelen, bij retentio
secundinarum over te gaan tot afpellen van de secundinae.

Aan het einde van het artikel wijzen de schrijvers op een nieuw praeparaat
chinosol, dat ook onverdund in de uterus kan worden gebracht en zich dan even-
als koolstaven, verspreidt in de baarmoeder. Persoonlijk heb ik geen mooie
resultaten gezien van irrigeeren van de uterus in het algemeen bij puerperale
infecties enz.

Drei Fälle von Eierstockblutungen.

In het Schweizer Archiv für Tierheilk., doet Dr. W. Lehmann mededeeling
van 3 gevallen van eierstokbloeding na het uitdrukken van gele lichaampjes, in
2 gevallen, en castratie in een geval, waarvan een lethaal verliep. Aangezien
oeide operaties hier niet algemeen zijn, acht ik het voldoende om voor belang-
stellenden naar het bovenstaande artikel te verwijzen, waarin de behandelings-
methode bij bloedingen uitvoerig wordt beschreven.

Über den Kaiserschnitt beim Rind in Verbindung mit der Uterusamputation.

In de Wiener Tierärztl. Monatschrift van 15 Juni 1929 beschrijft Prof. Dr. F.
Benesch bovengenoemde gecombineerde operatie, die hij toepaste bij 3 runderen,
waarvan 2 herstelden en 1 stierf aan verbloeding. De operatie heeft plaats bij het
staande dier, dat op een bepaalde manier aan den wand wordt gefixeerd. Na epi-
durale en locale anaesthesie volgt een 36—35 c.M. lange buiksnede in den rechter
onderflank ; de uterus wordt gedeeltelijk naar buiten getrokken en door eene

-ocr page 992-

snede van 30—50 c.M. wordt liet kalf naar buiten getrokken, de arteriën en de
ligamenta latae worden dubbel onderbonden, de ligamenta latae los gemaakt
tot aan de cervix cn daarna de uteruswond vlug gehecht. Nu gaat een assistent
met den arm door de cervix in de baarmoeder en trekt deze door de cervix naar
buiten, welke mamipulatie door den operateur van uit de buikholte wordt onder-
steund. De uterus wordt nu op de gewone manier geamputeerd en de buikwond
gehecht. Volgens schrijver is de wijze van bevestiging van het dier nog een groot
bezwaar, om de operatie in de gewone practijk toe te passen; daarom wil hij ook
trachten bij het losstaande dier de operatie toe te passen. Deze operatie heeft
inderdaad groote voordeden boven de gewone sectio caesarea bij onze groote
huisdieren. Bij voldoende deskundige hulp lijkt het mij wel uit te voeren.

Die Extradural-Anasthesie bei Prolapsus uteri des Rindes in der Praxis.

In de Wiener Tierarztl. Monatschr. van 1 Nov. 1928 pleit Dr. Arthur To-
maschek
voor de aanwending van locale anaesthesie bij prolapsus uteri. Voor-
deden zouden zijn eene gemakkelijke repositie, terwijl het lastige napersen
achterwege blijft, zoodat het ook niet noodig is Flessa-hechtingen aan te leggen,
terwijl een baarmoederontsteking achterwege zou blijven. Men spuit 30 c.c.M.,
0,75—1% oplossing van tutocain tusschen de iste en 2de staartwervel : na 10
minuten treedt gevoelloosheid op, die na 1 a i£ uur weer verdwijnt. Schrijver
wil de methode ook toepassen bij castraties, embryotomieën, prolapsus vaginae,
zooals Prof. Dr.
Benesch ook aanraadt. Bij ernstige gevallen van prolapsus uteri
lijkt het mij wel aan te bevelen.

Über die Geburtshilfeleistung mit dem von Benesch modifizierten Univer-
salfetotom nach Neubarth.

In de Wiener Tierarztl. Monatsschr. van 1 April schildert Dr. Albert Kal-
tenegger,
in donkere kleuren de positie van den dierenarts-verloskundige. Van
de methode
de Bruin heeft hij niets dan onaangenaams beleefd. Daarna houdt
hij een warm pleidooi voor het bovengenoemde instrument, maar niet in verge-
lijking met de vele instrumenten, die in den laatsten tijd in dit genre naar voren
zijn gekomen. Zeer zeker kunnen dit soort instrumenten in vele gevallen belangrijke
diensten bewijzen en het werk vergemakkelijken. Bijna iedere dierenarts heeft
zijn eigen methode en maakt zich daarmee vertrouwd, wat tevens eene belem-
mering is om direct naar een nieuw instrument, hoe voortreffelijk ook, te grijpen^

Ein neues Hilfsmittel in der geburtshilfüchen Schweinepraxis.

In de Berlin. Tierarztl. Woch. No. 10, 1929 beschrijft Dr. Voss Tierarzt in Heide
(Holstein) een middel om gemakkelijk een lus te bevestigen om den kop of een der
achterpootjes van een te extraheeren big. Het instrumentje, dat onde r den naam
van talisman in den handel is gebracht, bestaat uit een touwtje met aan het einde
een metalen oog en 4 gummidoppen voor duim en 3 voorste vingers ;. in iedere
dop zijn twee gaatjes, waardoor de lus loopt, terwijl het metalen oog tusschen
duim en ringvinger komt te liggen. Na het omleggen en vasttrekken van de lus
worden duim en vingers uit de gummidoppen teruggetrokken.

Kingma.

ZIEKTEN VAN VOGELS.

Zur Frage der Spontaninfektion des Huhnes mit dem Virus der ansteckenden
Blutarmut des Pferdes.
Prof. Dr Oppermann ; Dr. Döpelhauer ; Dr. Moll
Deutsche Tierarztl. W. Juni 1929.

Door Oppermann en Lauterbach is er op gewezen, dat hoenders, op diepe
intraniusculaire infectie met virus van de infectieuze anaemie van het paard,
reageeren met histolegische leververanderingen (rondcellige infiltratiehaarden,
en hamosiderine-neerslagen).

Nu bleek dat een aa,ntal levers van nieuw aangekochte hoenders, dezelfde ver-
anderingen vertoonden. Bij nader onderzoek werd gevonden, dat inderdaad vele
hoenders, welke contact hadden met paardenstallen, waar paarden met infectieuze
anaemie gestald werden, typisch veranderde levers hadden.

-ocr page 993-

Nader kon worden vastgesteld, dat het uit de mest opgenomen virus beter bij
het hoen aanslaat dan het virus, dat versch aan het zieke paard ontnomen was
(en door het graan, dat de hoenders als voedsel genoten, gemengd werd). Misschien
vormt het anaemie-virus in elen mest ,,Dauerformen" die geschikt zijn voor infectie
langs het darmkanaal.

Een 8 maanden oud veulen, dat vrij was van infectieuze anaemie, werd subcutaan
ingespoten met 20 c.c. leveremulsie, en 20 c.c. bloed van hoenders, die de boven-
genoemde leververanderingen hadden ; 7 dagen na de infectie werd een bloedproef
van dit veulen serologisch en volgens de duivenproef onderzocht ; het resultaat
was positief. Bij de sectie vertoonde het dier de typische leververanderingen.

Een tweede proef, met een 4-jarig paard, verliep eveneens positief.

Het is noodzakelijk uit te maken, of het hoen in de epidemiologie van de in-
fectieuze anaemie een rol speelt.

The isolation of Bacterium pullorum from a European Bullfineh, (C. B. Hudson
and F. R. Beaudette, Journ. of the Am. Vet. Med. Ass., May 1929).

Het gelukte genoemde schrijvers uit een gestorven bloedvink (pyrrhula europa)
Bact. pullorum te kweeken. Behalve bij kippen en eenden, werd de pullorum-
bacil tot nu gevonden bij musschen (Engeland) kalkoenen (Minnesota) en konijnen
(Nebraska).

Essais de traitement de quelques maladies parasitaires intestinales chez la poule
et Ie pigeon.
J. Lahaye, Annales de Méd. Vet., Juin 1929.

Wanneer men microscopisch faeces-onderzoek van van intestinale parasieten
verdachte dieren doet, heeft men kans, elat men een enkel parasietenei, of een
ander parasietenproeluct vindt. Men zal geneigd zijn, dit als een gevolg te be-
schouwen van een enkele zich in het lichaam bevindende parasiet, en men zou
de diagnose van den patiënt in anelere richting kunnen gaan zoeken. Zet men
echter het faeces-onelerzoek voort, dit wil zeggen, herhaalt men het dagelijks, of
nog liever enkele malen daags, dan heeft men kans, op een gegeven dag, tot zijn
verrassing te vinden, dat plotseling een zeer groot aantal parasietenproducten
(eieren, oöcysten) de faeces verontreinigen. Men zou dien dag kunnen noemen :
le jour de la débacle.

Een duif bijvoorbeeld, werd op klinische gronden, verdacht van coccieliose.
Drie maal daags werd faecesonderzoek verricht; er werd geen enkele cyste ge-
vonden. Maar plotseling op den achtsten dag vertoonde het preparaat een ware
reincultuur van coccidicn-cysten.

Het aantal parasitaire producten, in de faeces gevonden, hangt af van het ont-
wikkelingsstadium van de parasiet ; eioorloopt deze een cyclus, dan zullen periodes
van veel en weinig parasitaire producten in de faeces elkaar afwisselen.

Bij de beoordeeling van anti-parasitaire middelen moet men hiermede terdege
rekening houden. Wanneer men een kuur als geslaagd gaat beschouwen, zoodra
men bij een enkele proef de faeces vrij van eieren of dgl. vindt, zal men meer-
malen bedrogen uitkomen.

Coccidiose : (speciaal van duiven). In het duivenhok wordt een tweede bodem
aangebracht, van hoofdzakelijk grofmazig gaas. De dieren bewegen zich hier ge-
makkelijk op. De faeces vallen er door heen. Dit vermindert reïnfectie bijna ge-
heel, vooral ook, omdat het graan niet op den bodem kan worden toegediend,
maar uit een speciaal bakje moet worden genomen. Als medicament scheen resul-
taat te hebben (ook voor kippen) een mengsel van thijmpoeder, salixpoeder en
catechu-poeder, aa, over het graan of door het meelvoer toegediend.

Aan het drinkwater werd sulfas cupri toegevoegd, (i°/ooï-

Trichosomiase (aangetaste duiven vermageren snel en sterven). Genezing
werd verkregen door toediening, 3 maal daags, van een pil met 20 milligram
calomel.

Heterakis-injectie. Het eenige afdoende middel is tetrachlooraethyleen. De be-
handeling bij duiven bestond in het ingeven van 5 capsules, elk met 200 m.gr.
tetrachlooraethyleen. Vóeir en na werd sulfas natricus als laxans toegediend.

L. P. de Vries.

-ocr page 994-

(Uit het Zoötechnisch Instituut der Rijks-Universiteit te Utecht.
Directeur: Prof. Dr. H. M. KROON).

DE INVLOED VAN ULTRAVIOLETTE STRALEN OP DE MELK-
PRODUCTIE,

door

Prof. Dr. H. M. KROON.

In de teelt der huisdieren en bij hun voeding en verpleging
tracht men profijt te trekken van de belichting met ultraviolette
stralen, door gebruikmaking van de hoogtezon. Door ultraviolet
licht tracht men een gunstigen invloed uit te oefenen op drachtige
dieren en de goede ontwikkeling der vruchten ; verder wil men de
groei en ontwikkeling der jonge dieren er door bevorderen. Vooral
bij varkens heeft men hiermede proeven genomen. De bestraling
van koeien, zelfs van den uier en het voeder heeft men toegepast
om in de melk meer D. vitaminen (antirachitis-) te krijgen ; bij
kippen is de bestraling wel gebezigd om de eierproductie op te voeren.
Dat men met ultraviolet licht bij dieren een negatieve calcium-
balans in een positieve tracht te veranderen en het optreden van
rachitis bij jonge dieren tracht te voorkomen is voldoende bekend.

Wat de verdere toepassing van ultraviolette stralen betreft,
kan ik verwijzen naar de voordracht van R. H. v.
Gelder, op-
genomen in afl. 7 van dit Tijdschrift (Jaarg. 1929).

Mijn doel was na te gaan of door belichting met genoemde
stralen bij gezonde dieren de melkproductie is te vergrooten.
Aanleiding tot mijne proefnemingen vond ik in enkele mededee-
lingen in de literatuur betreffende toeneming van melk-secretie bij
zoogende vrouwen door bestraling met hoogtezon verkregen.
Verder in de wel eens verkondigde meening, dat de groote melk-
productie van koeien in de weide, niet alleen aan het jonge en voed-
zame gras, doch ook aan de in het zonlicht voorkomende ultra-
violette stralen te danken zou zijn.

Dr. Donnelly i) schrijft : „Als de moeder goed met ultraviolet
licht bestraald is, zal zij gezonde en voedzame melk in overvloed
hebben en zonder moeilijkheid haar kind kunnen voeden".

Prof. Karl Stolte en Dr. Carl Wiener 2) van de Universi-
teitskliniek te Breslau publiceerden in Febr. 1928 een artikel
,,Hebung der Milchmenge bei stillenden Müttern durch die Licht-
behandlung". Zij zagen, dat bij locale hoogtezonbestraling de
reeds sedert weken buiten functie gekomen borst onder de be-
lichting spontaan begon te secerneeren en dat binnen enkele dagen
een voortdurend toenemende melkhoeveelheid werd afgescheiden.
Daarna pasten zij de hoogtezonbestraling der borsten toe bij een
twintigtal moeders, die niet voldoende moedermelk produceerden
voor de voeding van het kind. Bestraald werd eerst gedurende

lvi 66

-ocr page 995-

- cj66 —

5—7 minuten en verder eiken dag een paar minuten langer tot
een tijdsduur van
25—25 minuten. D3 lamp werd eerst op 80 c.M.
van de borst geplaatst, later werd de afstand tot
70 eventueel
60 c.M. verminderd. De spenen werden vooraf met vaseline inge-
smeerd om deze te vrijwaren voor de directe inwerking der stralen ;
de huid der borst vertoonde spoedig hyperaemie, lichte erytheem-
vorming en meer of minder sterke pigmenteering.

Is voldoende melksecretie ingetreden dan wordt niet dagelijksch
meer bestraald, doch die geleidelijk op
2 maal per week gebracht.
Schrijvers deelen mede, dat de melksecretie na de bestraling
soms zoo plotseling en sterk intreedt, dat stuwingen optreden als
de borsten niet voldoende geledigd worden. De bestraling heeft
plaats als de borst geledigd is, dus na het drinken van het kind.
Zij geven verschillende voorbeelden dat zij veel succes verkregen,
zoo van een vrouw, die na een rustpoos van 8 uren maar 55 gr.
melk afscheidde, doch bij wie na
14 dagen reeds 700 gr. per dag
verkregen werd, welke hoeveelheid verder nog steeg tot
1000—
1200 gr. Bij 20 moeders die behandeld werden, konden zij de melk-
productie zoodanig verhoogen, dat alle weer zelf hun kind konden
voeden. Uit de goede kleur der kinderen, hun geregelde slaap
en hun goede stemming putten schr. het vermoeden, dat door de
bestraling der moeders niet alleen meer melk, doch ook betere melk
verkregen wordt. Aan het slot van hun artikel wijzen
Stolte en
Wiener nog op een referaat van Ch isholm en Mc. Killop 3) die
in
1927 ook dergelijke goede resultaten hebben verkregen met hoog-
tezon-bestraling van zoogende moeders.

Eveneens kreeg Prof. E. Vogt, Oberarzt der Universitats-
Frauen Klinik Tubingcn, met de hoogtezon-bestraling gunstige
uitkomsten. Hij zag ook na twee of meer bestralingen de borst-
functie snel toenemen, en kon door 2—3 bestralingen per week
de melksecretie op goede hoogte houden. Hij heeft bij
30 zoogende
moeders de borsten bestraald en altijd goed resultaat verkregen,
ten minste als voldoende klierweefsel aanwezig was. Ook hij zag
het gewicht der kinderen toenemen en kon een zeer gunstige
physische en psychische toestand constateeren. Hij meent daarom,
dat de bestraling der borstklier met de kunstmatige hoogtezon
een uitstekend middel is ter bestrijding van hypogalactie en raadt
zelfs aan om het middel te beproeven bij melkklieren, die ten
gevolge van mastitis buiten functie zijn gekomen.

Wat de verklaring van de gunstige werking der ultraviolette
stralen op de melksecretie betreft, worden twee meeningen naar
voren gebracht. Ten eerste wordt de meerdere melksecretie toe-
geschreven aan den lokalen invloed der hyperaemie. Een zelfde
gedachte ligt ten grondslag aan de hyperaemie-behan deling der
borstklier door
Bier\'sche stuwing of door diathermie, zooals.
die den laatsten tijd wel wordt aanbevolen.

-ocr page 996-

Ten tweede meent men, dat de algemeene werking der be-
straling door de kunstmatige hoogtezon van groote beteekenis
is. Niet alleen bij rachitis doch ook bij „physiologische osteoma-
lacie" tijdens de zwangerschap of gedurende de lactatie bestaat
een negatieve calcium- en phosphor-balans. Bij het kind leidt dit
tot Engelsche ziekte, bij de zoogende moeder echter zou dit on-
voldoende lactatie veroorzaken. Bij drachtige geiten is door Ame-
rikaansche onderzoekers aangetoond dat door hoogtezonbestraling
de kalk- en phosphor-spiegel van het bloed toenamen. Prof.
Stolte
vermoedt nu, dat bestraling met kunstmatige hoogtezon bij zoo-
gende moeders op eenzelfde wijze werkt, de verarming van het
bloed aan minerale zouten en andere stoffen opheft en daardoor
direct de werkzaamheid der borstklier bevordert.

Bovenstaande mededeelingen brachten mij er toe bestralings-
proeven te nemen bij melkkoeien, in de hoop dat ook hier een gun-
stigen invloed op de melksecretie zou worden uitgeoefend en mo-
gelijk e<sn voor de practijk van waarde zijnde behandelingswijze
zou zijn aan te geven.

Door de Auarzlampen Gesellschaft m. b. H. te Hanau werd te
mijner beschikking gesteld een kleine hoogtezon met een brander
van 600 kaarslichtsterkte. Verschillende proeven werden genomen
in November en December 1928 op dieren, die alle reeds minstens
twee maanden op stal stonden.

1) Om na te gaan of de ultraviolette stralen ook nadeeligen
invloed op de uierhuid zouden hebben, werd eerst de uier bestraald
van een geit die juist met melkproductie had opgehouden ; de uier
was bleek en nogal behaard. Den eersten dag werd 5 minuten op
i M. afstand bestraald, den volgenden dag 10 minuten en de 4 vol-
gende dagen 15 minuten. Invloed op de huid was niet op te mer-
ken, ook was geen melksecretie meer op te wekken.

2) Van een Vaars (Fr. Holl.) in de tweede helft der lactatie-
periode werd eerst gedurende zeven dagen de melkproductie be-
paald, daarna werd de uier 6 achtereenvolgende dagen resp. 5, 10
15, 20, 25 en 30 min. op 1 M. afstand bestraald. Daar hierdoor
geen verschijnselen waren waar te nemen werd de uier onthaard en
daarna nog 8 dagen bestraald op dezelfde wijze als vorige dagen
de nog behaarde uier, waarop verder nog 15 dagen de melkpro-
ductie gecontroleerd werd.

5—11 Oct. (geen bestraling) melkopbrengst resp. 10.1 K.G., 10.3
K.G., 11.5 K.G., 11 K.G., 11.i K.G., 11.2 K.G., 11.1 K.G. melk.

12—16 Oct. (bestraling behaard uier) 10.3 K.G., 10.1 K.G.,
9.9 K.G., 8.7 K.G., 8.6 K.G. melk.

19—20 en 22—27 Oct. (bestraling onthaarde uier) 10.7 K.G.,
10.8 K.G., 10.3 K.G., 10.4 K.G., 10.8 K.G., 10.7 K.G., 11.1 K.G.,
10.4 K.G. melk.

-ocr page 997-

28 Oct.—io Nov. (geen bestraling) 11.2 K.G., 11.7 K.G., 11.3
K.G., ir.5 K.G., 10.5 K.G., 11.5 K.F., 11.7 K.G., 11.1 K.G.,
11.7 K.G., 11.7 K.G., 11.4 K.G., 11.8 K.G., 11.3 K.G., 11.3 K.G.,
10.7 K.G.

Hier is geen invloed op de melkproductie te constateeren.
3) Van een vaars (F. H.) ook op het laatst der lactatie, werd de
uier bestraald als bij de vorige.

5—11 Oct. uier niet bestraald : opbrengst : 5.4 K.G., 5 K.G.,
5.7 K.G., 5.4 K.G., 5.8 K.G., 5.6 K.G. melk.

12—16 Oct. bestraling behaard uier : opbrengst 5.6 K.G., 5.2 K.G.

5.5 K.G., 5.3 K.G., 5 K.G. melk.

19—20, 22—27 Oct. : bestraling onthaard uier : opbrengst

5.4 K.G., 5.4 K.G., 5.8 K.G., 5.4 K.G., 5.2 K.G., 5.6 K.G., 5.8 K.G.,

5.6 K.G. melk.

28 Oct.—10 Nov. geen bestraling, opbrengst 5.6 K.G., 5.7 K.G.,

5.5 K.G., 5.8 K.G., 5.2 K.G., 5.5 K.G., 5.8 K.G., 6 K.G., 6.6 K.G.,
6.2 K.G., 5.7 K.G., 5.4 K.G., 5.2 K.G. melk.

Hier is dus geen invloed op de melkproductie.
Na deze oudmelkte vaarzen werden nu voor de bestraling ge-
kozen een drietal vaarzen, in de eerste dagen na het kalven.

3) FR. H. Vaars gekalfd 31 Oct. dus nieuwmelkt.

De gewone productie werd bepaald van 2—8 November. Daarna
werd direct de uier onthaard, en eiken dag gedurende 3/4 uur be-
straald, nl. een kwartier de twee achter kwartieren gelijktijdig,
en ieder voorkwartier ook elk J- uur.

Aan de uierhuid was op de bestraalde gedeelten een duidelijk
erytheem en op het eind eenige schilfering en pigmentatie merk-
baar.

2—8 Nov. uier niet bestraald : opbrengst 11.5 K„G., 11.7 K.G.,
11.3 K.G., 11.17 K.G., 11.17 K.G., 11.4 K.G., melk.

9—10 en 12—14 Nov. onthaarde uier bestraald : opbrengst
11.3 KG., 10 K.G., 11.2 K.G., 11.5 K.G., 11.4 K.G. melk.
Ook hier dus geen invloed op de melkproductie.

4) Vaars (FR. H.) gekalfd 1 Nov., dus nieuwmelk. Bestraling
evenals de vorige vaars.

3—8 Nov. uier niet bestraald, opbrengst 5.0 K.G., 5.3 K.G.,
5 K.G., 5.8 K.G., 7 KG., 6.3 K.G. melk.

9—10 en 12—19 Nov. onthaarde uier bestraald, opbrengst

6.6 K.G., 6.2 K.G., 5.7 KG., 5.4 K.G., 5.2 K.G., 5.4 K.G., 5.4 K.G.,
5.2 K.G., 5.5 K.G. melk.

Hier had de bestraling dus ook geen invloed.

5) Vaars (Fr. H.) gekalfd 8 Nov., werd van den eersten dag af
gedurende \\ uur op de achterkwartieren en op ieder voorkwartier
bestraald met de lichtbron op | meter afstand.

De melkopbrengst was 9 Nov. 11.8 K.G., 10 Nov. 10.7 KG.,

-ocr page 998-

li Nov. io.i K.G., 12 Nov. 10.6 K.G., 13 Nov. 10.2 K.G., 14 Nov.
10.1 K.G.

Ook hier geen sprake van gunstigen invloed op de melksecretie.

Vaars (Fr. H.) die 19 November aborteerde. In de eerstvolgende
dagen werd de onthaarde uier op de achtervlakte en van terzijde
op de voorkwartieren bestraald gedurende 15 minuten en op een
i M. afstand.

De melkopbrengst was : 20 Nov.—3 Dec. resp. 2.9 K.G., 3.2 K.G.,
3.6 K.G., 3.8 K.G., 4.1 K.G., 4.4 K.G., 4.5 K.G., 4.5 K.G., 4.5 K.G.,
4.6 K.G., 4.5 K.G., 4.5 K.G., 4.4 K.G., 4.7 K.G. melk.

De vermeerdering der productie in de eerste dagen ziet men
dikwijls na abortus, van een gunstigen invloed der bestraling is
ook hier dus geen sprake.

Dergelijke ongunstige uitkomsten ook bij den mensch verkregen
in het „Städtische Mütter- und Säuglingsheim in Duisburg, werden
medegedeeld door Dr.
Drossel 5). Hij bestraalde gedurende kor-
teren of längeren tijd de borsten van 15 zoogende vrouwen. In
geen dezer gevallen zag hij een sterke toeneming der melkafschei-
ding zooals
Stolte en Vogt, die waarnamen ; in 4 gevallen zelfs
een achteruitgang der productie. Verschillende gevallen van ge-
ringe vermeerdering in de eerste weken van de lactiatie, welke men
aan den invloed der bestraling toekent, zouden volgens
Drossel
ook zonder deze behandeling opgetreden zijn, omdat in dezen tijd
de melkhoeveelheid in den regel wel wat stijgt. Hij komt dan ook
tot de conclusie dat nauwkeurige langdurige waarneming doet
zien, dat men aan de bestraling der borsten geen invloed op de
melkproductie mag toekennen.

Ook zijn reeds vroeger ongunstige resultaten, bij runderen
verkregen, gepubliceerd. In het Department of Agriculture Che-
mistry en in het Department of Animal Husbandry van de Uni-
versiteit te Madisons (Wisconsin) werden een reeks van onder-
zoekingen verricht betreffende de invloed van dieetfactoren op
de calcium-assimilatie. Terwijl in 1924 (6) bij geiten die gedurende
20 minuten daags met ultraviolet licht bestraald werden de cal-
ciumbalans, die negatief was, positief werd en dus een duidelijke
invloed was waar te nemen, werden in 1926 dergelijke proeven
genomen met runderen, doch hier zonder resultaat.
Hart, Steen-
bock, Scott
en Humphrey (7) bestraalden 3 „pure bred Hol-
stein" koeien, gedurende 4 weken, 1 uur per dag, met een kwarts-
kwikdamplicht, doch konden geen invloed op calcium- en phos-
phorus-metabolisme constateeren, evenmin een gunstige of on-
gunstige invloed op de melkproductie. Bij melkkoeien zagen ook
zij evenmin als wij, gunstig effect op de melkproductie.

Bij de verschillende belichtingsproeven van melkkoeien met de
kwartskwikdamplamp ter verkrijging van melk met meer D-vita-

-ocr page 999-

minen\', wordt geen melding gemaakt van toeneming van de melk-
productie, wat zeker wel het geval zou zijn wanneer deze van
eenige beteekenis was. Prof. Dr.
Völtz o. a. heeft vele dergelijke
proeven genomen in het Tierzueht-Institut der Albertus Universi-
tat te Koningsberg 8). Hij bericht wel over vermeerdering van het
D-vitamine, doch niet over toeneming van de hoeveelheid melk.

Geheel anders zijn de resultaten verkregen in het Zoötechnisch
Instituut van de Hokkaido Imperial University te Saporro (Japan)
door
Kenzo Iguchi en Kextaro Mitamura 9), medegedeeld in
een artikel „Influence of Ultra-violet ray upon the milking cow".
Zij gingen de invloed na van ultraviolette stralen op de melk-
productie van koeien, wier uier werd bestraald en verder de invloed
op de melkproductie van het toedienen van met ultraviolet licht
bestraald voedsel.

Zij bestraalden den uier van achteren en wat het voorgedeelte
betreft van de beide zijden, op een afstand van
25 c.M. Zij belichtten
met een kwartskwikdamplamp (Hanovia) doch deelen niet mede
van hoeveel kaars lichtsterkte. Van twee koeien werden de uiers
bestraald, van een derde controle-koe niet. Deze proeven liepen
van Januari tot Maart
1928. De gebezigde koeien behoorden tot
het Ayrshire ras en alle waren ten naastenbij in de zelfde periode
der lactatie. Bij de controle-koe was melk- en botervet opbrengst
niet verhoogd, bij de twee andere koeien was door bestraling ge-
durende veertien dagen de melkhoeveelheid toegenomen met 4.77%,
de botervet toeneming
8.73 %, terwijl de toeneming in lichaamsge-
wicht
4.77 % bedroeg. Hier dus door de bestraling van den uier
een niet onbelangrijke toeneming der melk- en botervct-productie.

Ook werden proeven genomen met het toedienen van bestraald
voeder. Weer werden
2 koeien gedurende veertien dagen met be-
straald voeder gevoed en kreeg een controle-koe onbestraald voe-
der. Het voeder werd ii uur bestraald op een afstand van
60 c.M.
van de lichtbron en elk half uur twee maal opgeschud. De hoeveel-
heid melk nam toe met
2.92 % en de hoeveelheid botervet met
4.24 %. Toen niet alleen het droge voeder, maar ook de maisensilage
bestraald werd was de melktoeneming zelfs
28.4 % en de botervet
toeneming
15.9 %.

De Japansche onderzoekers kregen dus geheel andere uitkomsten,
dan wij bij onze proeven, en dan de andere reeds genoemde onder-
zoekers, die slechts negatieve resultaten konden boeken.

De vermeerdering in melkproductie, in Japan verkregen, deden
mij besluiten nog een reeks proeven te nemen, zooveel mogelijk
overeenkomend met de daar gevolgde wijze van doen, ten einde
na te gaan of onze negatieve resultaten ook veroorzaakt kunnen
zijn, door bijkomende omstandigheden.

-ocr page 1000-

Mijn doel was nu, de invloed na te gaan van :

iste, ultraviolette bestraling van den uier.

2de, voeding met door de hoogtezon bestraald voedsel ;

3de, bestraling van het geheele dier.

Dit laatste wilde ik controleeren, omdat Henderson 10) in
1926 een melkgeit bestraalde, en daardoor wel de calciumbalans
van negatief positief werd, doch de melkproductie niet steeg. Mijn
doel was nu na te gaan of een bestraling van de romp der melkkoe
ook practische beteekenis zou kunnen hebbsn.

Voor de bestraling van den uier verschafte de Quarzlampen Ge-
selschaft m. b. H. te Hanau mij een lamp volgens Prof.
Pirquet,
met een brander van 2000 kaars lichtsterkte en voor de bestraling
van het voeder en van het geheele dier een lamp volgens Prof.
Jesionek met een brander van 2000 kaars lichtsterkte. De koeien
werden gevoederd met goed hooi en lijnkoek.

De bestraling van den nier.

Hiervoor werden gebezigd de 6-jarige koe „Kortstaart" gekalfd
hebbend 20 Maart 1929 en de 2-jarige vaars „Kleine Roode" ge-
kalfd hebbend 26 Febr. 1929. Verder diende als controle-koe de
2-jarige proefkoe gekalfd hebbend medio April 1929.

Van alle drie koeien werd gedurende zes dagen \'s morgens en
\'s avonds de melkhoeveelheid gewogen en het vetgehalte bepaald,
zoodat voor eiken dag de melkhoeveelheid en de botervethoeveel-
heid op te geven is. Des Zondags werd niet gecontroleerd. De tweede
week werd de uier van de twee eerstgenoemde koeien bestraald
met de 2000 kaars kwartskwikdamplamp en wel de achtervlakte van
den uier £ uur en daarna elk voorkwartier een A uur, dus in het
geheel ij uur. De lamp werd op c.a. 40 c.M. afstand geplaatst.
Daar de Japansche onderzoekers in het geheel niets opgeven van
ontharen, hebben wij de uiers ook niet onthaard. De contröle-koe
werd niet bestraald. Gedurende deze zes dagen werd weer de melk-
hoeveelheid en de botervethoeveelheid bepaald. De week daarop
werden de uiers niet bestraald en toch melk en botervethoeveelheid
genoteerd. Door nu het gemiddelde te nemen van de opbrengst
van eerste en derde week krijgen wij de opbrengst welke in de 2de
week zou moeten worden geleverd, als niet bestraald was. Wij
kennen de opbrengst van de koeien met bestraalde uiers in de
2de week en kunnen nu vergelijken of de bestraling invloed heeft
gehad op de productie. Verder kan vergeleken worden met de
productie van de contröle-koe in de 2de week, en kan nog bij
deze nagegaan worden of de uit de opbrengst van iste en 3de week
berekende opbrengst de 2de week overeenkomt met de werkelijke
opbrengst in de 2de week.

Bijgaande tabel geeft een overzicht van de verkregen cijfers.

Al moge nu de opbrengst iets hooger zijn, toch is deze niet van
zooveel beteekenis dat men van een gunstigen invloed der bestra-
ling kan spreken.

-ocr page 1001-

BESTRALING VAN DEN UIER 3 x V2 uur.

Uier bestraald. Uier bestraald.

Uier niet bestraald.

Kortstaart

Kleine

Roode

Proefkoe (controle)

iste
week

3de
week

berekende
2de week

werkelij ke
2de week

iste
week

3de
week

berekende
2de week

werkelijke
2de week

iste
week

3de
week

berekende
2 de week

werkelijke
2de week

niet
bestraald

niet
bestraald

niet
bestraald

uier
bestraald

niet
bestraald

niet
bestraald

niet
bestraald

uier
bestraald

niet
bestraald

niet
bestraald

niet
bestraald

Dagen

KG.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
botei
vet

K.G. K.G.
melk! boter
! vet

K.G. K.G.
melk boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

KG.
boter
vet.

Maandag . . .

x7- 3

0.465

16.1

0.436

16. 2 0. 449

11.20. 370

10.3

0.386

11.1

0.383

14.2

0.474

13

0.494

13.2

0.486

Dinsdag ....

17.5

o. 457

16.5

0.417

17.7 o-435

11. 2 0.376

10. 4

0.361

10. 7

0.353

14.4

0.526

12.8

0. 480

12.9

0.452

Woensdag. ..

17-3

0.489

.6.

0.427

17.60.473

10.7 0.415

10

0.358

li. 2

0.386

14.2

O- 544

12.9

o-495

13-2

0. 490

Donderdag. .

17.2

0.478

16.6

0-439

17. 0.410

11.20. 386

9-7

333

10.1

0.376

13-9

0.509

12-5

0-459

13-5

0.536

Vrijdag.....

17-

0. 462

16.6

0.437

17.9 0. 481

10.80.336

10.3

331

10.6

0.396

13-7

0.505

12. 2

0.419

13-3

0.494

Zaterdag. . . .

15.7

0.420

\'5-7

0.372

17-5 0.498

11. 0.370

10.3 0.374

10.5

0.404

12.60.446

1

12.7

0.491

13-

0.500

Samen......

102.0

2.771

77-5

2.528

99-7

2.649

103.9 2.746

|

66.1I2.253

61.0

2- 143

63.5

2. 198

64. 2

2.298

83.0

3.004

76.1

2.838

79-5

2.921

79.1

2.958

In de

week,

dat de uier bestraald werd.
4.2 K.G. melk meer.
0.257 K.G. melkvet meer.

In de week, dat de uier bestraald werd
0.7 K.G. melk meer.
0. i K.G. melkvet meer.

Verschil werkelijke en berekende 3de week
werkelijke week 0.4 K.G. melk minder.

0.037 ■< melkvet minder.

-ocr page 1002-

Voeding met bestraald voeder.

De hoeveelheid hooi en lijnkoek, per dag noodig, werd met de
hoogtezon van 2000 kaarsen lichtsterkte gedurende uur be-
straald. Herhaaldelijk werd het hooi opgeschud en omgezet en
werden ook de koeken omgekeerd, opdat de ultraviolette stralen
op alle deelen van het voer konden inwerken.

Twee runderen werden met bestraald voeder gevoederd, de con-
tröle-koe kreeg enkel onbestraald voedsel.

Eerst werd weer gedurende 6 dagen van de eerste week aan alle
3 koeien onbestraald voeder gegeven en de productie aan melk en
botervet bepaald. Gedurende zes dagen van de tweede week kre-
gen 2 runderen bestraald en de contröle-koe onbestraald voeder.
De derde week kregen weer alle onbestraald voedsel. Uit de op-
brengst van de 2 runderen in de iste en 3de week is weer berekend
de hoeveelheid melk en botervet die zij in de 2de week gegeven
zouden hebben als zij geen bestraald voedsel gekregen hadden,
om deze te kunnen vergelijken met de opbrengst nadat wél be-
straald voedsel gegeven werd. Verder kon deze laatste opbrengst
vergeleken worden met de opbrengst van de contröle-koe.

Bestraald voeder kregen de 2-jarige vaars „Kleine Blaar", ge-
kalfd hebbend 15 Maart en de 3-jarige koe „Albino", gekalfd heb-
bend i Maart 1.1. terwijl als contröle-koe weer dezelfde proefkoe
dienst deed als bij de proeven met uierbestraling.

Bijgaande tabel geeft een overzicht van de verkregen resultaten.

Ook de voeding met bestraald voeder heeft hier dus feitelijk geen
invloed op melk- en botervetproductie.

Bestraling van de koe.

Twee runderen, dezelfde die te voren bestraald voeder gehad
hadden (Kleine Blaar en Albino) werden bestraald met de lamp
van Prof.
Jesionek, van 2000 kaarsen lichtsterkte, eerst gedu-
rende een half uur de eene helft van de romp, daarna gedurende
dezelfde tijd de andere helft. Als contröle-koe, die niet bestraald
werd diende de F. H. 3-jarige koe Sturkeboom, gekalfd hebbend
13 April 1.1. Weer werd de eerste week niet bestraald, de tweede
week Kleine Blaar en Albino wel en Sturkeboom niet en de derde
week weer alle drie niet bestraald.

De normale opbrengst in de 2de week werd weer berekend uit de
opbrengst van iste en 3de week, om deze berekende opbrengst met
de werkelijke opbrengst der bestraalde koeien te kunnen verge-
lijken. Verder kan de laatste opbrengst vergeleken worden met
die der contröle-koe.

Voor de bestraling koos ik ook onze Albino koe, omdat hier
misschien grooter kans zou zijn van een gunstige inwerking der
ultraviolette stralen op de ongepigmenteerde huid.

Bijgaande tabel geeft weer een overzicht der verkregen resultaten.

-ocr page 1003-

BESTRALING VOEDER gedurende 1»/, uur.

Bestraald voeder. Bestraald voeder.

Onbestraald voeder.

Proefkoe (controle)

Albino

Kleine Blaar

iste 3de 1 berekende

werkelijke
2de week
gewoon
voeder

werkelijke
2de week
bestraald
voeder

berekende
2de week
gewoon
voeder

3de
week
gewoon
voeder

3de
week
gewoon
voeder

werkelijke
2de week
bestraald
voeder

berekende
2de week
gewoon
voeder

iste
week
gewoon
voeder

iste
week
gewoon
voeder

week i week 2de week

gewoon
voeder

gewoon
voeder

gewoon
voeder

K.G. K.G. K G. K.G.
melk boter melk boter
vet

KG. K G.
melk boter
vet

Dagen

Maandag. . ,
Dinsdag . . ,
Woensdag. .
Donderdag
Vrijdag . . .
Zaterdag. .

K.G. K.G.
melk boter
vet

12.90.303

13.40.324

13.60.349
•13-5 0.355
13.60.383
13. i 0.340

6 0.398
437°
4 357
0.370
o. 29
0.309

13.2
13-4
I3-I

vet
0-350
o- 357

0.385

13.80.345
13.20. 308
13. 0.326

K.G. K.G.1 K.G.

boter melk boter
vet vet

o. 296

0.346

0.345

K.G. K.G.
melk boter
vet

13.2 o.486

12.90.452

13.2 0.490

13-5 O.536

13-3 0.494

13. 0.500

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

0.324

0.338

0.375

0.380
0.330
o. 3T4

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter

vet

0.494

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

K.G. K.G. K.G.
melk boter melk
vet

li.8

12.4

12.4

12.

12.3

10. 7

14.2

14
14

.2 0.474
.40.526
.2 0.544
90.509
7 o-5°5
6 o.446

13.

0.410 9

20.453 10.4
80.468 10.4

30.421 9.9

12.8 0. 480
12.90.495
12.5 0.459
12. 2 0. 419
12.7 o. 491

I

0.244

90.384 10.50.256
30.262 9.90.348

I ! I

1.52.398 60.9:1.808 72.72.103

83- 13-004! 76.1

2.958

Samen.....

..083

2.83s 79.52.291

80.0

71.6 2.061

79-3 2.095! 79.7

2.071 79.5

79.

•2-054

In de week van bestraald voeder.
0.6 K.G. melk meer.
0.037 K.G. melkvet minder.

In de week van bestraald voeder
1.1 K.G. melk minder.
0.042 K.G. melkvet minder.

Verschil werkelijke en berekende 3de week
werkelijke week o. 4 K.G. melk minder.

0.037 " melkvet minder.

-ocr page 1004-

BESTRALING VAN DE KOE. 2 x V, uur.

Bestraalde koe. Bestraalde koe.

Niet bestraalde koe.

Zwarte Sturkeboom (controle koe)

iste
week
niet
bestraald

Kleine Blaar

Albino

werkelijke
2de week

koe
bestraald

berekende
2de week

3de
week
niet
bestraald

berekende
2de week

niet
bestraald

werkelijke
2de week

koe
bestraald

3de
week

iste
week
niet
bestraald

3de
week
niet
bestraald

berekende
2de week

niet
bestraald

werkelijke
2de week

niet
bestraald

iste
week

niet
bestraald

niet
bestraald

niet
bestraald

K.G. K.G.
melk boter
vet

14.20.399

13- 0.364

13. i 0.391

13. i 0.384

12.60.347

I 13- 0.383

_j__L

I

2. 168 79. oj2. 268

K.G. K.G.
melk boter
vet

13.2 0.350

13-40-357

13- i 0.385

13-80.345

13.2 0.308

K.G. K.G. K.G. K.G.

melk boter melk boter

vet I , vet

13. 355

K.G.

melk

K.G.
boter
vet

K.G.
melk

K.G.
boter
vet

0.384

o. 402

0.418

o. 416

0.350

0.358
2.328

K.G.
melk

K.G. K.G.
melk boter
vet

K.G.
boter
vet

9. 8^0.269
10. 4^0.346
10.4 0.345

12.

11.

12.

0.352

«■359
0.386

li.4

li.6
li.2

13. 0.388

12.8
12.7
13.2
13-

0.359
0.376
0.399

0.389

11.60.329
ii.9 0.357
I1•5 0.343

9-9
10.5
ii.9

0.244 ii.

o. 256
0.348,

11.2

ii.6

0.326

13-

79. 7\'2.071

62.91.808 68.0

78.7

65.42.068 70.0,2.126

77.7 2.266

K.G. K.G. K.G. K.G.

melk boter melk boter
vet vet

9. 0.312 11.70.379

i ,

10. 7 0. 311 12.2 o. 367

10.60.338 12.40.352

10.20.310 12.30.338

10.30.287 12.50.349

11.2i0.303 12.50.336

62.0

73-6

I

1.861

K.G. K.G. K.G. K.G.
melk boter melk boter
vet vet

12.50. 382

12.1 o.364

12.2 0.431
11.90.355
li-4 0-330
11.70.350

67.8 i. 991 71. 8I2. 122

! I I

In de week van de bestraling der koe.
0.3 K.G. melk meer.
o. i K.G. botervet meer.

In de week van de bestraling der koe.
4
.6 K.G. melk meer.

j>.G. botervet meer.

Ver=chil werkelijke en berekende 2de week.
werkelijke week 4 K.G. melk meer.

o. 131 ,, botervet meer.

-ocr page 1005-

Ook hier weer geen invloed der bestraling op de melk- en boter -
vetproductie.

Dat de bestraling der koeien geen invloed heeft op de productie,
is ook aan de Amerikaansche onderzoekers
Hart en zijn mede-
werkers gebleken. Dat echter de bestraling van den uier en de voe-
ding met bestraald voeder geen invloed heeft op de productie, is
een geheel ander resultaat, dan de Japansche onderzoekers
Iguchi
en Mitamura verkregen.

Wat zou nu de oorzaak van het verschil der door mij en de aan
het Zoötechnisch instituut aan de Kokkaido Universiteit verkregen
kunnen zijn.

Verschillende o. a. in Amerika genomen proeven hebben aange-
toond dat bij het rund door de bestraling geen invloed op de
calcium-balans is uit te oefenen, zoodat een aanneming dat de
calcium-balans in Japan negatief en bij ons positief zou zijn, nog
geen verklaring zou kunnen opleveren.

Mogelijk zou kunnen zijn een rasverschil. Daar bij geit en rund
het verschil bestaat dat een negatieve calcium-balans door ultra-
violette bestraling bij de eerste diersoort wel, bij de tweede niet
in een positieve te veranderen is, kunnen wij ons denken dat ook
in dit opzicht verschillen bij rassen van eenzelfde diersoort zouden
bestaan en daardoor ook verschil in productie na bestraling zou
kunnen optreden. Het Ayrshire ras en onze Nederlandsche rassen
zijn echter zoo verwant, dat een dergelijk verschil niet waarschijn-
lijk is.

Ook is het mogelijk, dat in de voeding welke de koeien in Japan
ontvangen een op de melksecretie werkenden factor (vitamine?)
ontbreekt, terwijl die bij ons in de voeding wel aanwezig is. Het
zou dan kunnen zijn dat wat in Japan ontbreekt, de ontbrekende
factor door de bestraling in het lichaam gevormd wordt, en zoo-
doende de melk- en botervet-productie die subnormaal was, op
normale hoogte werd gebracht terwijl deze bij onze koeien niet
verhoogd werd omdat zij reeds op normale hoogte was.

LITERATUUR.

1. Dr. Donnelly, Detroit U. S. A. The American Journal of Physical Therapy.
Chicago Bd. n, No. 8. Nov. 1928.

2. Prof. Karl Stolte und D. Carl Wiener, Deutsche Med. Wochenschrift.
54 Jahrg. No. 75259,
17 Febr. 1928.

3. C. Chisholm und M. Mc. Killop, Zbl. f. d. ges. Kinderkl. Bd. 21, No. 9, S. 327,
1927.

4. Prof. E. Vogt, Deutsche Med. Wochenschrift. 54 Jahrg. No. 33, S. 1367, 1928.

5. Dr. Drossel, Deutsche med. Wochenschr. 54 Jahrg. No. 2, S. 62, 1929.

6. Hart E. B. Steenbock en Elvehjem, The Journ. of Biological Chemistry,
1924-—25, Exü 117.

7. Hart E. B. Steenbock H. Scott H. and Humpvrey G. O., The Journ.
of Biological Chemistry 1927 lxxiii 60.

-ocr page 1006-

8. Prof. Dr. Völtz, Mitteilungen der Deutsche Landw. Geselschaft, Stück 50
1926.

9. K. Iguchi en K. Mitamura, Journ. of the Faculty of Agriculture. Hokkaido
Imperial University, Vol. XXIV, Pt. Z. pag.
39, S. Aporo 1928.

10. J. M. Henderson, Scottisch Journ. Agr. IX, 33 (1926).

ZUSAMMENFASSUNG.

Prof. Kroon stellte Untersuchungen an nach dem Einfluss der ultravioletten
Lichtstrahlen auf die Milchproduktion bei Kühen. Er wurde dazu veranlasst
durch Mitteilungen von Dr.
Donnelly, von Prof. Stolte, Prof. Wiener und
Prof. E.
Vogt, die bei Frauen durch Bestrahlung der Brüste eine erhebliche Zuh-
nahme der Milchproduktion beobachtet hatten.

Mehrere Tage lang bestrahlte Verfasser die Euter von 6 Färsen, wovon 3 im
letzten Stadium der Laktationsperiode, 2 sofort nach dem Kalben und eine sofort
nach einem Abortus. Bei einigen Tieren wurde das Euter enthaart ; bei allen wurde
jedes Euterviertel eine Viertelstunde mit einer
100 kerzigen Quarzquecksilber-
lampe bestrahlt (Quarzlampengesellschaft m. b. h. Hanau). Weiter wurde mit
einer
2000 K. Lampe die Euter zwei älterer Kühe während 1 A Stunden bestrahlt,
und den ganzen Körper
2 anderer Tiere, während zwei Kühe bestrahltes Futter
erhielten.

Die Milchproduktion dieser Tiere wurde stets mit die von Kontrolltieren ver-
glichen. Bei keinem dieser Tiere war jedoch ein Einfluss der Bestrahlung auf die
Milchproduktion bemerkbar.

Dieses Resultat ist in Widerspruch mit den von Iguchi und Mitamura im
zoötechnischen Institut zu Saporro (Japan) erzielten Ergebnissen, nämlich eine
Zunahme der Milchproduktion von
5%—28% und der Milchfettproduktion von
8%-i5-9%.

SUMMARY.

Prof. Kroon studied the effect of ultra-violet rays on the milkproduction in
cows. He was prompted to do it in consequence of communications from Dr.
Donnelly, Prof. Stolte, Prof. Wiener and E. Vogt who had observed an im-
portant increase in milkproduction in women by irradiation of the breasts. The
udders of 6 heifers were irradiated during several days. Three in the last stage of
the lactation period, two immediately after calving, one immediately after abor-
tion. In a few animals the udder was depillated (shaven) ; in all animals each
udderquarter was irradiated during a quarter of an hour by means of a hundred
candles power quartz mercury vapor lamp (Quarzlampen Gesellschaft m h. b.
Hanau). Further the author irradiated the udders of two older cows with a
2000
candles lamp during ij hours and the whole body of two other animals. Two
cows were nourished with irradiated food.

The milkyield of these animals was always compared with the milkproduction
of control animals. In none of these animals an effect of the irradiation was per-
ceptible. This result is in contradiction with the results obtained by
Iguchi and
Mitamura in the zootechnical Institut at Saporro (Japan), namely an increase
in the milk production of
5 %—28 % and an increase in the milkfat-production
of
8 %—15,9 %.

RÉSUMÉ.

I.e Prof. Kroon a étudié l\'influence des rayons ultra-violets sur la production
de lait chez les vaches. Il en est arrivé à propos de communications du Dr.
Don-
nelly,
Prof. Stolte, Prof. Wiener et Prof. E. Vogt, qui avaient observé une
augmentation considérable dans la production de lait chez la femme après l\'irra-
diation des seins.

Pendant plusieurs jours l\'auteur a irradié les mamelles de 6 génisses, dont 3
pendant le dernier stade de la lactation,
2 immédiatement après le vêlage et une

-ocr page 1007-

immédiatement après un avortement. La mamelle de quelques animaux fut dé-
pillée ; chaque quartier mammaire de tous les animaux fut exposée pendant un
quart d\'heure à une lampe en quartz à mercure (cent bougies). (Quarzlampenge-
sellschaft m. b. h. Hanau). Puis l\'auteur a soumis, pendant une heure et demie,
les mamelles de deux vaches plus âgées et le corps entier de deux autres animaux
à l\'irradiation d\'une lampe à 2000 bougies. Deux vaches reçurent une nourriture
irradiée.

La production de lait de ces animaux fut toujours comparée avec celle de vaches
de contrôle. Chez tous les animaux l\'irradiation était sans influence sur la produc-
tion du lait. Ce résultat est contraire aux résultats obtenus par
Iguchi et Mitamura
à l\'Institut de zootechnie à Saporro (au Japon), qui avaient constaté une aug-
mentation de la production de lait de cinq % à 28% et une augmentation de la
graisse du lait de 8%—15,9%.

BLADVULLING.

Kruising tussen bison en rund.

Door de Canadeese regeering worden in Buffalo-park (Alberta) (Scientific Ame-
rican, ref. in Veldbode 1929, No. 1387, blz. 789) proeven genomen, en koeien van
engelse runderrassen gekruist met bisonstieren. Paring van die halfbloedbuffels
onderling geeft producten die men „cattalo" noemt. De eigenschappen van die
halfbloedbisons en cattalo\'s worden zeer geroemd ; echter zijn de dieren moeilijk
te kweeken. Een bisonstier paart ongaarne met een koe ; de meeste stierkalveren
worden dood geboren ; die in leven blijven zijn meestal onvruchtbaar.

Betere resultaten schijnt de kruising te beloven van de bison met de asiatiese
Yak (dat een tussenschakel schijnt te zijn tussen bison en rund en ook met het
rund kan gekruist worden). Een goed geslaagde kruising is tot stand gebracht
tussen een Yakstier en een bisonkoe.

Voeding-vraagstukken.

Durig (Forsch. u. Forschritte, 1929, No. 25, blz. 287) bespreekt de mogelijkheid
van voeding der mensen in de toekomst. Het stikstof-vraagstuk en het daarmee
samenhangende eiwit vraagstuk is vrijwel opgelost door de stikstof-meststoffen-
bereiding met uit de lucht gewonnen stikstof.

Moeilijker is het fosfor-vraagstuk. De (bekende) wereldvoorraad aan fosforus
is naar schatting voor 250 jaar voldoende. Waarschijnlijk zal het aan de chcmiese
industrie gelukken ook daarin te voorzien en voldoende oplosbare
fosjaten voor
den landbouw te winnen.

Voor de toenemende bevolking der aarde is een steeds grootere bebouwde bodem-
oppervlakte noodig. Wanneer die op den duur in de gematigde luchtstreken niet
meer aanwezig is, zal men die in de tropen moeten zoeken, hetgeen een andere
verdeeling van de bevolking zal ten gevolge hebben. In plaats van 3/4 van het
aantal mensen in de gematigde zone en 1/4 in de tropen, zullen dan in de toekomst
2/3 in de tropiese zone en 1/3 in de gematigde moeten leven.

Vr.

-ocr page 1008-

OVER DE STOORNISSEN DER MINERALE STOFWISSELING BIJ
KALF- EN KOPZIEKTE

door

B, SJOLLEMA en L. SEEKLES.

In dit voorjaar werden de onderzoekingen over de stoornissen
der minerale stofwisseling bij kalf ziekte en bij de zoogenaamde
kopziekte (voorjaarsziekte) in dit laboratorium voortgezet. Naast
bloedmonsters werden ook urinemonsters onderzocht. Het bloed-
onderzoek werd in vergelijking met het vorige jaar belangrijk
uitgebreid.

Behalve het gehalte aan totaal calcium en anorganisch phosphor-
zuur bepaalden wij in het bloedserum als zoodanig voornamelijk
het gehalte aan totaal magnesium ; wij maakten verder ultra-
filtraten van de bloedsera en bepaalden daarin behalve het gehalte
aan totaal calcium ook het gehalte aan calcium-ionen, het gehalte
aan magnesium en aan anorganisch phosphorzuur.

In een aantal gevallen werd bovendien nagegaan welke gehalten
aan kalium, natrium en chloor in de bloedsera voorkwamen.

Over deze drie laatste zal in dit artikel niet verder gesproken
worden. De methoden van onderzoek waren dezelfde als die welke
in het vorig artikelx) werden vermeld.

De ultrafiltratie geschiedde door collodiumfilters en had steeds
plaats bij een overdruk van 12—15 cM. kwik. Voor de bepaling
der Ca-ionen werd gebruik gemaakt van de methode van
Brink-
man
en Van Dam 2).

Teneinde bij de colorimetrische aflezingen, welke voor de phos-
phorzuur- en magnesiumbepaling noodig waren, geen last te hebben
van spoedige verbleeking, bedienden wij ons van de wijziging
welke door
Benedict en Theis is aangegeven.

Wij zullen ons, wat kopziekte betreft, op dit moment beperken
tot de kopziekte-aanvallen, die vooral in het begin van den weide-
gang voorkomen en niet met den partus samenhangen.

In den regel treedt daarbij zoowel een excitatie-stadium met
krampen als een comateus stadium op. Men zou in plaats van kop-
ziekte kunnen spreken van voorjaarsweideziekte, waarmede wij
niet willen zeggen, dat de kopziekte van het najaar een ander
syndroom is en evenmin dat op stal niet ook somtijds de typische
kopziekte voorkomt.

De kwestie der etiologie laten wij thans geheel in het midden.

De bedoeling van dit korte artikel is bepaaldelijk om onze
analytische uitkomsten, speciaal die van het bloedserum, mede te
deelen.

\') Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15 October 1928.
*) Verslagen v. d. Koninklijke Academie van Wetenschappen 1919.

-ocr page 1009-

O = gesund ; normal.

Q = Gebârparese ; milkfever; fièvre vitulaire.

A = kopziekte (Koptkranklieit ; grassstaegers; attaques dites cérébrales.

VO

co
o

-ocr page 1010-

Het is nader gebleken, dat de gevallen AM, AN en AO geen zuivere kopziekte waren.
Zij behooren dus te vervallen.

-ocr page 1011-

Wij zullen onze uitkomsten wat het bloedonderzoek betreft, hier
op een wijze mededeelen die een snelle orientatie mogelijk maakt,
n.1. door middel van grafische voorstellingen, welke aangeven :

a. de verhoudingen der concentraties aan totaal calcium, an-
organisch phosphorzuur en totaal magnesium in het serum
als zoodanig;

b. de som van de zoo evengenoemde gehalten ;

c. de verhoudingen der concentraties aan calcium ionen, an-
organisch phosphorzuur en magnesium in de ultrafiltraten; 2)

d. de som der onder c bedoelde gehalten.

\') Er moest dus gebruik worden gemaakt van de wijze van voorstelling, die
gebruikelijk is voor gevallen, waarin 3 van elkaar onafhankelijke grootheden voor-
komen, n.1. door in een gelijkzijdigen driehoek de percentages van elk der 3 compo-
nenten langs een der zijden af te zetten, nadat men de gehalten zóó heeft omgerekend
—hun verhouding dezelfde latend — dat de som 100 is. Wij hebben langs de
basis het Ca-gehalte afgezet ; het rechtsche uiteinde is o %, het linksche 100 %
Ca. Langs de beide andere zijden zijn op dezelfde wijze het anorganisch phosphor-
zuur en het magnesium afgezet. Ieder punt in den diiehoek stelt dus een bepaalde
verhouding van de drie bestanddeelen voor.

Opgemerkt zij, dat niet de gehalten in milligrammen per 100 c.c. werden uitgezet,
doch de gehalten gedeeld door het atoom — resp. iongewicht. Het Ca-gehalte werd
dus door 40 ; het Mg-gehalte door 24.3 gedeeld, terwijl het P-gehalte eerst met
95/31 werd vermenigvuldigd om tot P04 te worden herleid en daarna door 95 ge-
deeld. Na op de drie zijden de drie stukken overeenkomstig de zooeven bedoelde
omrekening te hebben afgezet en van uit deze eindpunten lijnen parallel aan de
tegenovergestelde zijde te hebben getrokken, verkrijgt men een in den driehoek
gelegen punt, dat de atoom(ion) vei houding van de gehalten der 3 bestanddeelen
;:angeeft.

De som der drie gehalten (bedoeld onder b en d) is aangegeven door deze som
in loodrechte richting af te zetten op een der zijden van den gelijkzijdigen drie-
hoek ; deze loodlijnen zijn dus niet anders dan lijnen, in een punt van den drie-
hoek loodrecht op het vlak van den driehoek opgericht en geprojecteerd op een
vlak, dat men zich door één van de zijden van den driehoek loodrecht op het vlak
van den driehoek denkt te zijn aangebracht ; zoodat het gedeelte van deze lood-
lijnen links van de linker diiehoekszijde de som der diie bestanddeelen
aangeeft.

Het komt in enkele gevallen voor, dat het punt, dat de verhouding der 3 bestand-
deelen bij een der ziektetoestanden aangeeft, valt in \'t gebied van de waarden
voor normale dieren. Echter is dan de som der bestanddeelen een andere dan bij
bloedserum van normale koeien en blijkt dan dus toch, dat men met een ziekte-
toestand te doen heeft. De onder
b en d bedoelde registratie is dus een aanvulling
van die onder
a en c.

Uit onze grafische voorstellingen is gemakkelijk te zien, dat de respectievelijke
gebieden voor normale, kalfzieke en kopzieke runderen
in de ruimte liggen en
dat zij van elkaar gescheiden zijn, zoodat ook op deze wijze de verschillen tusschen
de 3 toestanden duidelijk in het oog springen.

De punten voor normale dieren worden voorgesteld door cirkels.

De punten voor kalfzieke dieren worden voorgesteld door vierkantjes.

De punten voor kopzieke dieren worden voorgesteld door driehoekjes.

2) Wij zouden gaarne van alle drie de ionenwaarden gegeven hebben, echter
zijn er tot nu toe slechts methoden voor de bepaling van het Ca-ion uitgewerkt.
Het phosphorzuur der ultrafiltraten mag met groote waarschijnlijkheid geacht
worden nagenoeg giheel geïoniseerd te zijn. Van het Mg kan dit niet gezegd worden.

-ocr page 1012-

Over de uitkomsten der urineonderzoekingen hopen wij later
mededeelingen te kunnen doen.

Een nadere beschouwing van hetgeen in de beide driehoeken is
aangegeven en van hetgeen daarnaast is afgebeeld doet zien :

iste. dat de verhouding der 3 bloedserumbestanddeelen (totaal
Ca, anorganisch P04 en totaal Mg voor normale runderen een
vrij constante waarde heeft ; ook geldt dit voor de som dezer
3 waarden ;

2de. dat bij kalfziekte deze verhouding duidelijk verschilt van
die bij normale runderen en van die bij runderen, welke aan
kopziekte lijden. De punten van kopziekte liggen in den drie-
hoek rechts van die voor normale koeien, terwijl zij voor kalf-
ziekte links daarvan liggen. Dit wil dus zeggen, dat het magne-
siumgehalte bij kopziekte in verhouding tot het calcium gehalte
lager is dan bij normale dieren en dat het bij kalfziekte hooger is.
Het gemiddelde gehalte aan magnesium was voor de 53 in den
driehoek aangegeven kopziektegevallen gem. 0.455 mg. %, dat
voor kalfziektegevallen 2.19 mg. % en dat voor de normale
melkkoeien gem. 1.66 mg. %

Voor de verhouding van Ca en P04 blijkt, dat deze bij normale
dieren constant is, doch vooral bij kopziekte zeer sterk schom-
melt, vandaar dat de punten voor kopziekte langs een groot deel
van de rechter zijde verspreid liggen. Bij kalfziekte is deze ver-
houding ook allesbehalve constant, maar toch zijn de schomme-
lingen er minder groot, althans komen groote schommelingen er
minder dikwijls voor.

Als regel zijn beide gehalten bij kalfziekte flink verlaagd ; bijv.
zijn beide bij kopziekte niet zelden tot de helft a 2/5 van het normale
gedaald. Het calciumgehalte is bij kalfziekte nooit anders dan sterk
verlaagd. Het hoogste cijfer was 6,7, terwijl het laagste 2,7 mg.%
was. Het gemiddelde bedroeg 4,35. Ook bij kopziekte komt een ver-
laagd calciumgehalte regelmatig voor. De verlaging is hier zeer on-
gelijk en meestal minder groot. Gemiddeld was het Ca gehalte 6,65
mg..% tegen 4,35 bij kalfziekte en 9,35 bij normale koeien. Het
gehalte aan anorganisch phosphorzuur is bij kopziekte niet zelden
normaal, in andere gevallen echter verlaagd en ook soms verhoogd.
Het gem. anorg. P gehalte was bij kopziekte bijna gelijk aan
dat bij normale koeien nl.. 4,33. Voor normale koeien was het
4,57 en voor kalfzieke patienten 2,16 mg. %. De grafische voorstel-
ling en cijfers doen dus duidelijk zien, dat men bij kopziekte een
andere stoornis van het mineraal evenwicht in het bloed heeft
dan bij kalfziekte.

3de. Wat betreft de som der drie bestanddeelen van het bloed-

\') Deze en de verderop in den tekst medegedeelde gehalten zijn de bij de analysen
gevondene; dus niet omgerekend door vermenigvuldiging met 1/40 enz. als voor
het uitzetten op de graf. voorstellingen geschiedde.

-ocr page 1013-

serum, volgt uit de grafiek, dat, in tegenstelling met wat bij nor-
male melkkoeien het geval is, deze som bij kalfziekte, maar vooral
bij kopziekte uiteenloopend is.

Bij kalfziekte zijn het Ca en phosphorzuurgehalte in den regel
sterk verlaagd, doch het magnesiumgehalte is hoog; hooger meest-
al dan bij normale dieren ; gemiddeld was het Mg gehalte bij
kalfziekte 2,19 mg.% en bij normale dierenr,66mg.%

Bij kopziekte, is zooals wij zagen, het calciumgehalte weliswaar
gewoonlijk lager dan bij normale melkkoeien, het phosphorzuur-
gehalte kan echter laag, normaal en hoog zijn. Het magnesium-
gehalte is hier laag.

Daar de magnesiumgehalten steeds een slechts geringe waarde
bezitten—de hoogste waarden zijn slechts ongeveer 2,5 a 3 mg.
%—-j
is het hooger gehalte aan magnesium bij kalfziekte dan bij kop-
ziekte niet in staat de som der drie bestanddeelen bij kalfziekte
als regel tot dezelfde hoogte van die bij kopziekte te doen stijgen.
De laagste som vindt men dus in het algemeen bij kalfziekte. Be-
houdens enkele uitzonderingen, vallen de punten voor kalfziekte
binnen een niet zeer groot gebied. Bij kopziekte is dit niet het ge-
val, hier neemt de som zoowel zeer hooge, lage als gemiddelde
waarden aan. De teekening doet dit duidelijk uitkomen. Opge-
merkt zij nog, dat in enkele gevallen bij kopziekte bijna normale
waarden voor Ca en P voorkomen; ook dan zijn de Mg-waarden
echter duidelijk abnormaal.

De geheel verschillende wijze van verspreiding van de punten
bij kop- en bij kalfziekte geeft den indruk, dat het mechanisme
of de functioneele stoornis, die de minerale stofwisseling uit haar
evenwicht brengt, bij beide ziekten niet dezelfde is.

4de. Nog sterker dan in den eerstbesproken driehoek vallen de
verschillen op in den driehoek, die de
verhouding der Ca-ionen en
der ultrafiltreerbare hoeveelheden anorganisch phosphorzuur en
magnesium aangeeft.

Deze sterkere accentueering heeft haar oorzaak voornamelijk
in de verschillen tusschen kalf- en kopziekten met betrekking tot
de Calciumionen.

Bijzonder arm is het bloedserum aan Calciumionen bij kalfziek-
te ; deze concentratie is gemiddeld 0,44 mg.% ; bij kopziekte is dit

\') De meeste bloedserummonsters, waarin deze bepalingen werden verricht, zijn
van kopziektegevallen. Van normale en kalfzieke dieren werden wel een aantal
monsters op Ca-ionen gehalte enz., onderzocht, echter was het slechts enkele malen
mogelijk om in eenzelfde monster alle bepalingen te verrichten. Van eenige kalf-
ziek . sera is daarom het gemiddelde van elk der drie bestanddeelen berekend en
werd het met deze gemiddelden berekende punt op den driehoek aangebracht
als punt G.E.M.

Tegen deze handelwijze bestond geen bezwaar, omdat er bij de afzonderlijke
analysen geen al te groote verschillen waren.

-ocr page 1014-

gehalte in den regel hooger dan 1 mg.% en wel gem. 1.18 mg.%.
Voor normale melkkoeien bedroeg het gem. 1.65 mg. %

Omtrent de verschillen tusschen normale, kalfzieke en kop-
zieke koeien valt, wat betreft het phosphorzuur en het magnesium
in het ultrafiltraat, vrij wel hetzelfde op te merken als reeds bij de
bespreking van de bestanddeelen welke in den eerstbehandelden
driehoek aangegeven werden, is medegedeeld.

Daar de calciumionen slechts een klein deel uitmaken van het
totaal calcium, doch het anorganisch phosphorzuur in het ultra-
filtraat in de meeste gevallen nagenoeg evenhoog is als dat in het
bloedserum zelf 1), is uit den aard der zaak de verhouding van
Ca tot P04 hier een geheel andere dan op den eersten driehoek.

Ook de verhouding van het magnesium tot het calcium is een
geheel andere. Van het magnesium toch gaat een groot deel in het
ultrafiltraat over (hoeveel hiervan geioniseerd is, is onbekend)
terwijl het Ca-ionengehalte zooals wij zagen slechts een betrek-
kelijk klein deel vormt van het totaal Calcium.

Het is dus duidelijk, dat de punten in geheel andere gebieden
moeten vallen dan bij den eersten driehoek. Het gehalte aan anorg.
P was gem. in de ultrafiltraten voor normale koeien, bij kalf- en
bij kopziekte resp. 5 ; 1.54 en 4.2 mg % 2).

5de. De grafische voorstelling van de som der drie bestand-
deelen (Ca-ionen en P04 en Mg in het ultrafiltraat) toont eveneens
duidelijk aan, dat er drie duidelijk van elkaar gescheiden gebieden
zijn waarin de waarde voor normale dieren en voor de beide pa-
thologische toestanden vallen. Bij kalfziekte is de som het laagst
ofschoon het verschil met kopziekte niet groot is doordat de ge-
halten der Ca-ionen en die der magnesiumgehalten der ultrafil-
traten in tegengestelden zin ongeveer evenveel verschillen. Het
verschil tusschen beide ziekten zal dus aan het verschillend phos-
phorzuurgehalte der ultrafiltraten zijn toe te schrijven.

Tusschen bloedsera van kopziektepatiënten en van normale dieren
wordt het verschil voornamelijk door het magnesiumgehalte ver-
oorzaakt. Het kan dus niet groot zijn.

Wij willen in dit artikel nog niet ingaan op de vraag of de con-
centraties en verhoudingen der minerale bestanddeelen op zich
zelf de oorzaak van verschil in symptomen kunnen zijn, of bijv. de
krampen bij kopziekte er mede samenhangen en het in den regel

Alle in de ultrafiltraten gevonden gehalten werden met */io vermenigvuldigd
dus op het zoogenaamd vrije water omgerekend, omdat het ultrafiltraat geen col-
loiden bevat.

) In den regel is er weinig verschil in het gehalte aan anorganisch phosphorzuur
tusschen de bloedsera zelf en hun ultrafiltraten. Uit de opgegeven gemiddelden kan
daaromtrent niets worden afgeleid. Immers werden zij niet uit een even groot
aantal gevallen berekend, omdat niet van alle bloedsera, die onderzocht werden,
ultrafiltraten werden gemaakt. Uit den aard der zaak geldt deze laatste opmerking
dus ook voor de andere bestanddeelen.

-ocr page 1015-

uitblijven dier krampen verband houdt met de hooge magnesium-
gehalten, die naast de zeer lage gehalten aan Calciumionen voor-
komen. De neiging om naar een zoodanig verband te zoeken en
ook om de therapie naar de gevonden verschillen te regelen ligt
voor de hand.

Uit het bovenstaande blijkt, dat er tusschen de minerale samen-
stelling van het bloedserum bij de drie toestanden (een normale
en twee pathologische), die wij hier behandelen, typische verschillen
bestaan. Daarmede is uit den aard der zaak nog niet gezegd, dat
zich nimmer gevallen voordoen, die op grond van de analysen
moeilijk als kalfziekte of wel als kopziekte zijn aan te duiden.
Wegens de klinische verschijnselen moet men aannemen, dat zich
gevallen voordoen die noch als zuivere kalfziekte noch als zuivere
kopziekte zijn te beschouwen. Dit bleek ook bij de bloedanalysen.
Vooral daar waar de aanvallen kort vóór of na den partus in het
begin van den weidegang voorkomen, was niet altijd een duidelijk
onderscheid te maken. Ook onder andere omstandigheden kwamen
gevallen voor waarvan noch door den behandelenden dierenarts
noch op grond van de analysen gezegd kon worden of zij als kop-
dan wel als kalfziekte aangeduid moesten worden.

Dat de symptonen als die van kalf- en kopziekte niet zelden
door oorzaken van geheel anderen aard optreden, behoeven wij
nauwelijks te vermelden. Bij secties bleek dit herhaaldelijk.

Wij nemen de mogelijkheid aan, dat verder onderzoek zal aan-
toonen, dat men behalve beide genoemde syndromen nog andere zal
leeren onderscheiden. Vrij zeker geldt dit voor wat men noemt
„Wolf in den staart", welk sydroom naar het schijnt door anderen
wordt aangeduid als paraplegia post partum en waarbij behalve
verlamming van de achterhand geen of weinig afwijkingen bestaan,
waarbij o.a. de eetlust en het herkauwen vrij wel normaal zijn,
terwijl de melkgift bevredigend blijft.

Verdere differentieering der syndromen zal moeten worden na-
gestreefd met behulp van analysen, door nauwkeurige bestudeering
der symptomen en door pharmacologische onderzoekingen ; wel-
licht eveneens door opsporen der etiologische factoren ; misschien
ook op grond van het effect van chloorcalcium en van andere
therapeutische middelen.

Wat dit laatste betreft heeft de ervaring met eenige honderden
kalfziekte-patienten dit voorjaar duidelijk doen zien, dat zuivere
kalfziekte snel met een voldoende dosis chloorcalcium geneest. Ten
opzichte van kopziekte is bij eenige tientallen van patienten ge-
bleken dat ditzelfde middel — gewoonlijk is daarbij een kleiner dosis
dan voor kalfziekte gewenscht—ook hier een snel herstel geeft.!)

Uit den aard der zaak komen bij zuivere kopziekte gevallen voor, die niet
te genezen zijn, doordat de aanvallen te heftig zijn of het geneesmiddel in een te
vergevorderd stadium van de ziekte wordt aangewend.

-ocr page 1016-

De stelling, dat die gevallen, waarin met een juiste dosis op tijd
intraveneus aangewende calciumchloride geen succes verkregen
wordt, niet als zuivere kalf- of kopziekte zijn aan te merken, is wel-
licht op dit moment te gewaagd. Een discussie over die stelling
zou vrij zeker weinig vruchtbaar zijn. Wij zullen liever het resul-
taat van verdere onderzoekingenen waarnemingen afwachten1).

Samenvatting.

De bloed-serumonderzoekingen van dit voorjaar hebben een
bevestiging gebracht van de stoornissen, welke het vorige jaar ten
opzichte van de minerale stofwisseling bij kalf- en kopziekte werden
gevonden. Verder bracht de uitbreiding van het aantal bepalingen,
dat in het bloedserum verricht werd, nieuwe bijzonderheden aan
het licht.

Door deze uitbreiding der analysen konden duidelijker verschillen
worden aangetoond tusschen de bij deze beide syndromen aan-
wezige stofwisselingsafwijkingen.

Het meest opvallend zijn de verschillen wat betreft het mag-
nesiumgehalte en de concentratie der calciumionen, terwijl in den
regel ook het gehalte aan anorganisch phophorzuur bij beide ziek-
ten belangrijk verschilt.

Voor kalfziekte waren deze gehalten gem. resp. 2,19; 0,44 en 2,16;
voor kopziekte 0,455 ; 1,18 en 4,33 mg. %

Verder bestonden er ook duidelijke verschillen tusschen kalf-
en kopziekte ten opzichte van het totaal calciumgehalte. De gem.
waren resp. 4.35 en 6,65 ; terwijl bij normale melkkoeien gem. 9,35
mg.% werden gevonden.

Deze verschillen werden op vier wijzen grafisch tot uitdrukking
gebracht :

iste door de verhouding der concentraties aan totaal Calcium,
totaal magnesium en anorganisch phosphorzuur in het bloedserum
grafisch aan tegeven.

2de door de som dezer drie bestanddeelen uit te zetten.

3de door de verhouding der concentraties aan calciumionen,
magnesium en anorganisch phosphorzuur in het ultrafütraat gra-
fisch aan te geven.

4de door de som der drie sub. 3 genoemde bestanddeelen uit
te zetten.

Het onderzoek van een aantal gevallen, waarvan de analysen hier-
boven niet werden vermeld, leerde, dat de beide genoemde syndro-
men niet steeds in zuiveren toestand voorkomen en dat men boven-

\') Over het effect van Mg-injectie bij kopziekte, waarvoor op grond van de
medegedeelde analysen geacht kan worden aanleiding te bestaan, hopen wij in
een latere publicatie te spreken.

-ocr page 1017-

dien nog andere dan deze twee Syndromen, o.a. wolf in den staart
of paraplegia post partum heeft aan te nemen.

Dat in het effect eener intraveneuse injectie van CaCl2 een
criterium van zuivere kalf- en kopziekte gezien mag worden, mag
als mogelijk worden a angemerkt ; wellicht zal verdere studie hier-
over uitsluitsel geven.

Wij brengen ten slotte gaarne onzen dank aan de heeren A.
Emmerie, E. le Grand en H. Hooghoudt voor den grooten steun
ons bij het analytisch werk verleend.
Utrecht, 9 Juli 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die in diesem Frühjahre erhaltenen Resultate der Untersuchungen bestätigen
was im vorigen Jahre anlässlich der Störungen des Mineralstoffwechsels bei Ge-
bärparese und Kopfkrankheit („kopziekte") von Kühen gefunden wurde.

Es wurde jetzt nicht nur das Ca und die anorganische Phosphorsäure des Blut-
serums bestimmt, sondern auch der Gehalt an Ca-ionen und an Mg; weiter auch
der Gehalt an Mg und an anorganischer Phosphorsaiire im Ultrafiltrat des Blut-
serums.

Die Unterschiede zwischen Blutserum von gesunden Tieren und von an den
beiden genannten Krankheiten leidenden Tieren traten dadurch sehr deutlich
hervor. Am meisten fallen auf die Unterschiede hinsichtlich des Magnesium-
gehalts und der Konzentration der Calciumionen, während in der Regel auch
der Gehalt an anorganischer Phosphorsäure bei beiden Krankheiten sehr ver-
schieden ist.

Für Gebärparese waren diese Gehälter durchschnittlich respektive 2, 19 ; 0.44
und 2.16 ; für Kopfkrankheit 0.46 ; 1.1 8 und 4.33 mg %. Weiter zeigten sich auch
deutliche Unterschiede zwischen Gebärparese und Kopfkrankheit hinsichtlich
des Totalcalciumgehalts. Die Durchschnittszahlen waren resp. 4.35 und 6.65,
in dem bei normalen Milchkühen durchschnittlich 9.35 mg % gefunden wurde.

Diese Unterschiede wurden in vier Weisen grafisch zum Ausdruck gebracht :

i°. dadurch, dass das Verhältnis der Konzentrationen an Totalcalc.ium, Total-
magnesium und Total anorganischer Phosphorsäure in Blutserum grafisch dar-
gestellt wurde.

2°. dadurch, dass in der grafischen Darstellung die Summe dieser drei Bestand-
teile angegeben wurde.

3°. dadurch, dass das Verhältnis der Konzentrationen an Calciumionen, Mag-
nesium und anorganischer Phosphorsäure im Ultrafiltrat grafisch dargelegt wurde,

40. dadurch, dass die Summe der drei sub „drittens" genannten Bestandteile
in der grafischen Darstellung angegeben wurde.

Es zeigte sich an hier nicht mitgeteilten Blutanalysen, dass die beiden ge-
nannten Syndromen nicht immer in reinem Zustande vorkommen und dass
man überdies noch andere als diese zwei Krankheiten, z. B. paraplegia post
partum, annehmen muss.

Dass die Wirkung einer intravenösen Injektion von Calciumchlorid als ein
Kriterium der reinen Gebärparese und Kopfkrankheit gesehen werden darf, muss
für möglich gehalten werden. Vielleicht werden fortgesetzte Untersuchungen
darüber Klarheit bringen.

\') Wij zullen zeer op prijs stellen ingelicht te worden omtrent de gevallen van
kopziekte of kopziekteachtige aanvallen, welke op het etgroen voorkwamen en
gaarne bloed en urine ontvangen van koeien lijdend aan najaarskopziekte.

-ocr page 1018-

- g8g -

SUMMARY.

The disturbances in the contents of mineral constituents of the blood serum in
milkfever and grass staggers, which were published last year, could be ascertained
and several new peculiarities have been found. Most important are the differences
between the magnesium contents and the concentrations of calcium ions ; as a rule
there was also a considerable difference between the contents of anorganic phos-
phoric acid in the two syndroms. In milkfever the contents of the blood serum
weie : Mg 2.19 ; Ca 0.44 ; anorg. P 2.16 ; in staggers resp. 0.46 ; 1.18 4.33;
mg. percent.

There were remarkable differences in milk fever and staggers concerning the
contents of total Ca : milk fever 4.35, staggers 6.65, normal milchcows 9.35 mg
percent. The differences have been given by graphic representation in four man-
ners :

1st in indicating the ratio of the concentrations of total calcium, total mag-
nesium and anorganic phosphoric acid in the bloodserum,
2nd in plotting the total amount of these three constituents,
3rd in indicating the ratio of the concentrations of calciumions, magnesium
and anorganic phosphoricacid in the ultrafiltrate,

4th in plotting the total amount of the three sub 3rd mentioned constituents.
From the graphics may be seen, that the areas for milkfever and staggers are
separated from each other and from the normal area. Transition forms are possible.
Without any doubt other syndroms than the two mentioned above may be dis-
tinguished (e.g. paraplegia post partum). Further investigation may perhaps
answer the question whether the effect of an intravenous injection of calcium-
chloride can be an indication for true and pure milkfever or staggers.

SOMMAIRE.

Les anomalies, constatées l\'année passée dans le sérum sanguin en cas de fièvre
vitulaire et des attaques dites cérébrales \') se sont confirmées au courant du prin-
temps. L\'extension donnée au nombre d\'analyses a révélé de plus amples parti-
cularités. Ce qui frappe le plus ce sont les differences en ce qui regarde le teneur
de magnésium et les concentrations d\'iones de calcium, tandis que d\'un autre
côté, dans les deux maladies, la richesse d\'acide de phosphore anorganique varie
assez régulièrement d\'une façon importante. Pour la fièvre vitulaire les chiffres
sont en moyenne resp. 2.19 ; 0.44 et 2.16 ; pour les attaques dites cérébrales 0.4b ;
1.18 et 4.33 m.g. %. En outre il y avait des différences bien précises entre ces
deux maladies quant à la totalité de la richesse en calcium, les moyennes pour
ces deux maladies étaient resp. 4.35 et 6.65 ; par contre pour les vaches laitières
normales ces chiffres sont 9.35 m.g. %.

Les différences ont été représentées graphiquement de quatre manières :
i°. en indiquant dans le sérum sanguin les proportions des concentrations des
totalités de calcium, de magnésium et d\'acide de phosphore anorganique,
2°. en exposant la somme des trois substances,

30. en indiquant les proportions des concentrations d\'iones de calcium, de mag-
nesium et d\'acide de phosphore anorganique dans l\'ultrafiltrate,
40. en exposant la somme des substances citées sous 30.

Ces tableaux graphiques ont démontré que les domaines de la fièvre vitulaire
et des attaques dites cérébrales d\'un côté et celui de l\'état normal de l\'autre sont
assez distincts. On a constaté de plus l\'existence de formes transitoires et de plu-
sieurs autres phénomènes morbides (paraplegia post partum). Des recherches
prolongées seront nécessaires pour prouver si l\'on peut considérer l\'effet d\'une
injection intraveineuse de chloride de calcium comme le critériun de la fièvre
vitulaire et des attaques dites cérébrales pures et simples.

\') Pendant les premiers jours en paturage, caractérisées par excitation, con-
vulsions (tétanie), parèse, etc.

-ocr page 1019-

Uit het Laboratorium voor Tropische ziekten. Afdeeling van het Instituut voor
Parasitaire- en Infectieziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht.
Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK.

DE CREOLINETHERAPIE DER KONIJNENCOCCIDIOSIS

DOOR

B. J. KRIJGSMAN.

De goede resultaten der vroeger door mij beschreven creoline-
therapie der konijnencoccidiosis (
Krijgsman i, 2) zijn door de
practijk volkomen bevestigd.

Echter bleef bij de behandeling een moeilijkheid over, en wel het
feit dat het noodzakelijk was de konijnen de creolineoplossing met
een slokdarmsonde in te geven. Dit is in groote fokkerijen niet
gemakkelijk door te voeren, daar het zeer veel tijd in beslag neemt.

Na eenige mislukte pogingen ben ik er in geslaagd, de creoline
een vorm te geven, welke, voorgezet in plaats van water, graag
door konijnen wordt gedronken. Dit mengsel heeft de volgende
samenstelling :

Creolin. pur. 2,5 c.c.

Bicarbon. natric. 4 Gr.

Sirup. simpl. 400 c.c.

Aqua 2000 c.c.

01. Anis. gtt. IV.

Men geeft dezen drank aan de dieren in plaats van drinkwater.
Ieder ziek dier van ^
8 weken moet er in het geheel 75 c.c. van
drinken. Het is gewenscht deze hoeveelheid over drie dagen te
verdeelen, dus
25 c.c. per dier dagelijks. Dit is zeer goed mogelijk
als verder geen vloeistof aan de dieren verstrekt wordt en ook het
voer zoo droog mogelijk is.

Ik zal het in het kort het verloop der ziekte bij deze creoline-
behandeling aan de hand van een eenige malen herhaald experi-
ment demonstreeren. (Fig. 1).

Vier konijnen, acht weken oud, uit hetzelfde nest, werden met
coccidiën geïnfecteerd ( ). Dagelijks werd met behulp der tel-
methodiek (principe en uitvoering van deze methodiek zie
Krijgs-
man
1, 2) de relatieve cystenhoeveelheid in de faeces bepaald. In

de fig. i geeft de -kurve de gemiddelde waarde der relatieve

cystenhoeveelheid van konijn 14-2 aan, de--kurve laat de

gemiddelde waarde der relatieve cystenhoeveelheid 3 4 zien.

Zoodra de cystenhoeveelheid steeg als gevolg van de gamogonen
ontwikkeling in den darm, werd aan konijn 1 en
2 de creolinedrank
in plaats van drinkwater gegeven (, twaalfden dag, negenden
dag na de infectie), terwijl de konijnen
3 en 4 contröledieren waren
en dus niet behandeld werden. We zien hoe de cystenhoeveelheid

-ocr page 1020-

!5 \'6 // \'6

/i /}

22 2i 75

/

2/

- Kurve = relatieve cystenhoevcelheid in de faeces der met creolinc behandelde dieren.---Kurve = relatieve cysten hoeveel-
heid in de faeces der niet behandelde contróledieren. = infectie. f = begin der behandeling, f = dood van het. dier.
Horizontaal: dagen van het experiment, verticaal: de relatieve cystenhoevcelheid .

-ocr page 1021-

der dieren 1 2 vlug na het begin der behandeling daalt, nul
wordt en ook na voortgezette observatie geen stijging meer laat
zien. De contröledieren daarentegen sterven den twaalfden en
veertienden dag onder hooge cystenuitscheiding.

Het is dus duidelijk, dat deze creolinedrank volkomen het in-
geven met een slokdarmsonde kan vervangen.

Ook experimenten met dit mengsel in de practijk uitgevoerd
hadden een gunstig resultaat. x) Sterfgevallen traden tot hoogstens
twee dagen na het inzetten der behandeling op.

Het is echter niet noodig en mischien ook niet gewenscht, een
creolinebehandeling te beginnen, uitsluitend met het doel om ge-
zonde coccidiëndragers coccidiën-vrij te maken. Het is nl. mogelijk
door goede hygiënische maatregelen de coccidiëndragers vrij te
krijgen (zie
Krijgsman 3). De creolinebehandeling passe men
slechts toe, als werkelijk coccidiose uitbreekt.

Tenslotte zij vermeld, dat ik ook experimenten heb uitgevoerd
betreffende de therapeutische waarde van Naganol (Bayer 205,
intramusculair en peroraal) en Formaldehyde (peroraal). Het
heeft geen zin, deze proeven hier uitvoerig te bespreken, ze werden
alle uitgevoerd volgens het vroeger
(Krijgsman i, 2,) gegeven
schema der therapeutische proeven. De resultaten waren volkomen
negatief.

LITERATUUR.

1. Krijgsman, B. J. : Tijdschr. v. Diergen.k. 1926.

2. ,, ,, : Centralbl. f. Bakt. u. s. w. Abt. I. Bd. 101. 1926.

3. ,, „ : Tijdschr. v. Diergen.k. 1928.

4- „ ,, : Centralbl. f. Bakt. u. s. w. Abt. I. 1928.

ZUSAMMENFASSUNG.

Schon früher hat Verfasser auf die günstige Wirkung des Kreolins bei Kanin-
chenkokzidiose hingewiesen (Centralbl. of Bakt. Abt. I, pag. 101, 1926).

Da jedoch die Verabreichung von Kreolin mit Hilfe der Magensonde schwierig
ist, gibt Verfasser nachfolgendes Rezept: Kreolin pur 2.5 c.c., Natric.bicarbon.
4 gr., Sirup simpl. 400 c.c., Aqua 2000 c.c., Ol. anisi gtt. IV.

Jedem kranken Tiere (von ^j- 8 Wochen) wird täglich 25 c.c. während 3 Tage
verabreicht (im ganzen also 75 c.c.).

Die Tiere nehmen dieses Getränke anstandslos wenn man kein anderes Trink-
wasser gibt und das Futter sehr trocken ist.

SUMMARY.

In an previous paper the author has already drawn attention to the fact that
creolin possesses curative properties in rabbit-coccidiosis. (Centralbl. of Bakt.
Abt. I, pag. 101, 1926). As administration of creolin by means of the stomach
tube presents difficulties, the author prescribes the following receipt: Creolin pnr.
25 c.c., bicarbon. natric. 4gr., sirup simpl. 400 c.c., aqua 2000 c.c., ol anisi gtt IV.
25 c.c. of this mixture is given to each affected animal (of about 8 weeks) daily
for three days (total amount 75 c.c.). Animals are said to drink this readily when
kept on very dry foodstuffs and when no other drinking water is supplied.

-ocr page 1022-

RÉSUMÉ.

Dans un travail antérieur l\'auteur a déjà appelé l\'attention sur l\'action favo-
rable de lacréolinedansle traitement de la coccidiose du lapin. (Centralbl. of Bakt.
Abt. I, pag.
ioi, 1926).

Comme il est parfois difficile d\'administrer la créoline à l\'aide de la sonde oeso-
phagienne l\'auteur recommande la formule suivante :

Créoline pure 25 c.c., bicarbon. natric. 4 gr., sirup simpl. 400 c.c., aqua 2000 c.c.,
ol. anisi gtt IV.

Une dose journalière de 25 c.c. est distribuée à chaque animal malade (de ^ 8
semaines) pendant trois jours.

Les animaux en sont friands quand on ne les donne pas d\'autre eau de boisson
et quand la nourriture est très sèche.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE,

Aanvulling der Agenda voor de Algemeene Vergadering.

In de gepubliceerde concept-statuten moet Hoofdstuk III enkele wijzigingen
van redactioneelen aard ondergaan.

In Art. 5 moeten de leden, vermeld onder c en d omgewisseld worden.

Van Art. 6 vervalt de 3de alinea en tusschen de eerste en tweede alinea wordt
ingelascht :

„Hun rechten en verplichtingen, evenals die van de overige leden, worden
nader omschreven in het Huishoudelijk Reglement".

Art. 7 beperkt zich tot de eerste alinea van het reeds gepubliceerde ontwerp.

Art. 8 wordt gevormd door de laatste 3 alinea\'s van het gepubliceerde art. 7.

Art. 9 wordt het in art. 8 vermelde.

Art. 10 wordt het in art. 9 vermelde, waarbij het woord „opzeggen" door „op-
zegging" is te vervangen.

Bovendien wordt in Hoofdstuk VIII. (Bindende Besluiten) aan Art. 22 een
alinea toegevoegd, luidende :

„In spoedeischende gevallen kan het Hoofdbestuur bovengenoemde besluiten
nemen en voorloopig invoeren, die aan de eerstvolgende Algemeene Vergadering
ter bekrachtiging overeenkomstig art. 23 moeten worden voorgelegd ".

Namens het Hoofdbestuur :

De wnd. Secretaris,
ten Thije.

De gemeenschappelijke maaltijd ter gelegenheid van de Algemeene Vergadering
zal worden gehouden in Hotel des Pays Bas aan het Janskerkhof, op Vrijdag
tt
October, des avonds op een tijdens de middagvergadering vast te stellen uur.
De piijs per couvert bedraagt, evenals vorige jaren,
f3.50.

Door de andere indeeling van de agenda is het thans niet mogelijk om nog in
een morgen vergadering mee te deelen of men al dan niet aan het diner wenscht
aan te zitten. Ondcrgeteekende verzoekt daarom uiterlijk Woensdag 9 October,
opgave tot deelneming te mogen ontvangen.

De wnd. Secretaris,
J. H. ten Thije.

Utrecht, Sept. 1929.
Jan van Scorelstraat 37.

-ocr page 1023-

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Jaarverslagen 1928.

Amsterdam. Onder de rubriek „resultaten der keuring" vindt men allereerst
een staat, aangevende de gevallen, waarin de afwijkingen bij de levende keuring
waargenomen, eenige aanwijzingen gaven voor de onderkenning van afwijkingen
bij de geslachte keuring. Bij kreupele dieren waren vooral arthritiden, fracturen,
contusies, enz. in het spel. Waargenomen dikten bleken vooral abscessen, actino-
mycotische woekeringen, lraematomen, tumoren te zijn.

Tuberculose werd bij een groot aantal runderen waargenomen. Van de in totaal
47.937 geslachte runderen vond men bij 20.111 stuks tuberculeuze veranderingen,
overeenkomende met 41.95 %. Bij de andere slachtdiersoorten werd gevonden
bij vette kalveren 0.54 %, graskalveren 1.93 %, nuchtere kalveren 0.13 %, een-
hoevige dieren 0.13 %, varkens 12.25 % en schapen 0.02 % tuberculose.

Ais bijzonderheid wordt medegedeeld, dat bij het uitsnijden in een slagers-
winkel van een achtervierendeel bevroren buitenlandsch rundvleesch een hevig
tuberculeus aangedane vleeschlymphklier werd aangetroffen, zoodat deze achter-
voet alsnog nader bestemd werd voor sterilisatie.

In totaal werden een 757 stuks runderlevers, aangetast door leverbotziekte,
na verwijdering der aangetaste deelen, goedgekeurd.

Hoewel in eenigszins mindere mate dan in 1927 moesten ook in 1928 meermalen
organen, welke ziekelijke veranderingen van parasitairen aard vertoonden, en
in Amsterdam werden ingevoerd, geheel of gedeeltelijk worden afgekeurd, alhoewel
deze organen in de gemeenten van herkomst waren goedgekeurd.

Om meer dan één reden is het te betreuren, zegt het verslag, dat het toezicht
der Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid aan de hierbedoelde, in strijd
met de voorschriften van het keuringsregulatief zijnde, handelingen van sommige
keuringsdiensten nog geen einde heeft kunnen maken. In de eerste plaats onder-
vindt het aanzien der wettelijke bepalingen daarvan nadeel, terwijl het op tweeërlei
wijzen uitvoeren der keuring, speciaal wat runderlever betreft, den handel belem-
mert. Tenslotte zij hier nog gewezen op het gebruik van lever op medisch advies,
hetgeen ook tot strikte opvolging van het voorschrift noopt, dat slechts volkomen
normaal leverweefsel tot de consumptie niag worden toegelaten.

Wat de verkoop op den vrijbank betreft werd meermalen vleescli, als niet
verkocht zijnde binnen den daarvoor gestelden termijn, naar het abattoir terug-
gebracht, en hetzij vernietigd, aan Artis verstrekt of gesteriliseerd.

Bij herhaling werd oorspronkelijk onvoorwaardelijk goedgekeurd kalfsvleesch
en rundvleesch, dat door de betrokken grossiers te lang op het abattoir werd be-
waard, voor den vrijbank bestemd, omdat dit vleesch in deugdelijkheid was ver-
minderd.

Feitelijk werd op deze wijze van de vrijbank een gebruik gemaakt niet in over-
eenstemming met het eigenlijke doel van dit instituut, zijnde verkoop onder toe-
zicht van vleesch, hetwelk daarvoor bij de oorspronkelijke keuring is aangewezen.

Het trichinenonderzoek leverde ook in 192S een negatief resultaat op.

Bacteriologisch vleeschonderzoek werd verricht bij 262 runderen (243), 87 vette
kalveren (76), 23 graskalveren (18), 288 nuchtere kalveren (256), 87 paarden (61),
277 varkens (238) en 67 schapen (50). De tusschen haakjes geplaatste cijfers geven
de gev allen aan, waarin het vleesch na het bacteriologisch onderzoek nog in con-
sumptie kon worden gebracht. Omtrent de positieve gevallen wordt verder niets
naders medegedeeld.

In totaal werden een 19.786 bezoeken aan vleeschwinkels, werkplaatsen, enz.
afgelegd, waarbij regelmatig een speciale controle werd gehouden op het voor-
schrift, dat de localiteiten en het zich daarin bevindende gereedschap na afloop
van net werk gereinigd moeten zijn.

-ocr page 1024-

De winst van veemarkt en abattoir bedroeg ruim / 327.000.—, die op de koel-
huisexploitatie slechts / 213.97.

Haarlem. Omtrent de vee- en vleeschkeuring vermeldt het verslag, dat bij run-
deren in 28.2 % en bij varkens in 11.8 % tuberculose werd waargenomen.

Cysticercosis werd in den kring Haarlem 71 maal bij runderen aangetroffen,
waarvan 16 maal een levend exemplaar, nl. bij 15 runderen en
één vet kalf.

Het bacteriologisch onderzoek werd 465 maal ingesteld. Bij 157 runderen (38
positief), 78 paarden (12 pos.), 10 vette kalveren (1 pos.), 8 graskalveren (1 pos.),
132 varkens (55 pos.), 32 schapen (2 pos.), 45 nuchtere kalveren (19 pos.) en 3 gei-
ten (1 positief).

Begin Nov. werd door de gemeente Haarlem van een veehouder uit den omtrek
een melkkoe overgenomen, welke smetstofdraagster bleek te zijn en paratyphus
B-infectie bij den mensch had veroorzaakt door besmette melk. De sectie ge-
schiedde aan het slachthuis te H. en was microscopisch negatief voor veranderingen,
welke aan paratyphusinfectie konden worden toegeschreven. Wel bestond een
uitgebreide tuberculose, tamelijk veel echinococcusblazen in longen en lever en
leverdistomatosis. Uit alle organen werden paratyphus B-bacillen
(Schott.müller-
type) geïsoleerd. Het dier is om die reden afgekeurd en vernietigd. Bovenstaand
geval van een
ScHOTTMüLLER-infectie bij het rund is uitvoerig beschreven door
Dijkstra & van der Hoeden- in het T. voor Geneeskunde en reeds door mij
gerefereerd.

Winst bedroeg ruim j 134.000.—. Hiervan werd in het reservefonds (bouw-
fonds )een / 20.000.— gestort en in het fonds voor herstellingen ruim ƒ 11.500.—,
terwijl de rest in de gemeentekas werd gestort.

Nijmegen. Evenals bij de meeste andere abattoirs heeft men ook in Nijmegen
te kampen met plaatsruimte voor het groote aantal slachtingen. In N. werd deze
moeilijkheid, wat althans het slachten voor export betreft, voor een gedeelte
opgelost, doordat men de slachthal voor paarden liet inrichten voor
exportslachthuis.
Feitelijk moest op elk abattoir de exportslachting in daarvooruitsluitend te ge-,
bruiken slachtlokalen, afgescheiden van de gewone bedrijfsslachthuizen, geschieden.

Wat de eigenlijke vleeschkeuring betreft, is het volgende vermeldenswaard.

Runderen. Een geslacht rund bleek zoo vol finnen te zitten, dat geen enkel
stuk vleesch a. h. w. zonder fin was. Met dit vleesch werden de door v.
Santen
beschreven proeven genomen, waarbij bleek, dat na 3 weken koelen de finnen
niet afgestorven zijn en dat, inplaats van koelen, bevriezen de eenige waarborg is,
dat zulk vleesch weer geschikt is voor cousumptie. Tuberculose kwam voor bij
544 runderen of 10.06 °/0

Cysticercosis werd 195 maal aangetroffen (3.6 %) ; hiervan afgestorven 146
en 49 levend (onderzocht met de galproef). De afgestorven finnen kwamen voor
4 maal in inwendige kauwspier, 132 maal uitw. kauwspier en 10 maal hartspier.
De levende exemplaren meestal in de uitwendige kauwspieren ; 1 geval over het
geheele lichaam.

Bacteriologisch onderzoek 20 maal, alle gevallen negatief.

Levende keuring. Bij een rund dat verlamd werd aangevoerd, werd een rug-
wervelfractuur geconstateerd ; een rund met waggelenden gang had hersentuber-
culose. Bij een aantal kreupele runderen was klauwontstekin de oorzaak.

Varkens. Tuberculose bij 719 stuks of 2.64 %. Echinococcen bij 452 varkens.
Bact. vleeschonderzoek 21 maal verricht, waarvan 4 maal positief. Dit was het
geval i maal bij multipele abscessen, 1 maal bij pneumonie en 2 maal bij endo-
metritis.

Kook- en braadproef 21 maal verricht, waarvan 10 positief, nl. 6 maal bij
cryptorchidie, 3 rnaal bij varkens, gevoederd met visch en 1 maal bij pyometra.

Van een van elders ingevoerd en aldaar goedgekeurd varken moest 8 K G. been
worden afgekeurd wegens tuberculose en van een ander 8 K.G. vleesch wegens been-
fra.\'tuur.

Levende keuring. Bij kreupele varkens vooral gonitis.

-ocr page 1025-

cjt)6 -

Gras- en vette kalveren. Tuberculose bij 7 kalveren of 0.21 %. Bact. vleesch-
onderzoek 25 maal verricht. In 2 gevallen van polyarthritis positief.

Schapen. Tuberculose in 1 geval of 0.21 %.

Eénhoevige dieren. Eén geval van tuberculose van de 664 stuks. Echinococcosis
bij 46 paarden.

Bacteriologisch vleeschonderzoek 5 maal.

In N. zijn de huisslachtingen blijkbaar niet keuringsvrij. In het geheel werden
738 varkens en 1 geit hiervoor aangegeven. Bij de keuring van deze dieren werden
bij 24 varkens echinococcuscysten aangetroffen, longwormen bij 294 varkens,
tuberculose bij 10 varkens, terwijl de geit leverechinococcosis bleek te hebben.

Winst ruim ƒ 62.650.— ; hiervan ruim / 45.000 uitgekeerd aan de gemeente.

Roermond. In een 4-tal gevallen gaf de levende keuring aanwijzingen nl. :

Eén koe met vermagering had chron. peritonitis ; één koe met spieratrophie
bleek een chronische gonitis te hebben ; een kreupele koe had gewrichtstuber-
culose en bij een magere koe trof men een tuberculeuze pneumonie aan.

Bact. vleeschonderzoek bij runderen 22 maal verricht (1 geval kiemhoudend-
mastitis), bij varkens 4 maal, bij kalveren 18 maal (2 maal kiemhoudend-poly-
arthritis), bij paarden 4 maal (1 maal kiemhoudend-decubitus) en bij schapen
i maal.

Tuberculose: runderen 14.59%, varkens 2.2% en kalveren 0.29%.

Kook- en braadproef geschiedde 5 maal, waarvan x maal positief — dit betrof
een varken met cryptorchidie.

Winst / 32.829.38.

Rotterdam. Dit verslag bevat bijna uitsluitend statistieken, waaraan ik enkele
gegevens ontleen. Cysticercosis 16 maal bij runderen (opvallend gering aantal
tegenover b.v. het groot aantal gevallen te Nijmegen). Hiervan 10 in afgestorven
en 6 in levenden toestand. Verder nog 2 afgestorven finnen bij graskalveren.

Echinococcosis bij 639 runderen, 136 paarden en 21 varkens.

Tuberculose in R. zelf bij runderen 30.11 %, en varkens 6.25 %. Voor den
Keuringskring waren deze cijfers resprectievelijk 14 % en 1.75 %, terwijl bij de
kalveren 4. 3% werd waargenomen.

Bact. onderzoek. Alleen de gegevens van de 3 maandelijksche staten zijn weer-
gegeven, met vermelding van het aantal positieve gevallen, nl. Runderen 465
gevallen, 6 positief, kalveren 61 gevallen, eenhoevige dieren 107 gevallen, varkens
125—11 positief, schapen 42, geiten 1. Bij geslacht ingevoerde paarden uit Enge-
land werd nog 11 maal het bact. vleeschonderzoek verricht.

Batig saldo ruim / 305.000.—

Utrecht. Ook dit verslag is zeer sober.

Tuberculose bij runderen 15 %, varkens 12 %, kalveren 0.7 % en paarden
0.2 %.

Gegevens over echinococcosis ontbreken geheel.

Bact. vleeschonderzoek werd verricht bij 55 paarden, 257 runderen (1 geval
positief-diplococcen), 318 varkens (15 positief, nl. 11 maal vlekziekte, 3 maal
suipestifer en 1 maal coli), 40 kalveren (1 positief-enteritidis
Gartner), 28 nuch-
tere kalveren (5 positief-4 maal coli, 1 maal enteritis
Gartner), 9 schapen, en
25 maal bij vleesch en vleeschwaren (5 positief-2 maal paratyphus B-bacillen,
i maal diplococcen. 1 maal coli en 1 maal proteus).

Alleen het koelhuis gaf een nadeelige exploitatie van / 7.600.— Op slachthuis,
ijsfabriek en buitendienst werd een winst gemaakt van ruim / 153.000.—

Opening van het slachthuis van de N.V. Centrale Slachtplaats te Soest.

Maandagmiddag, 26 Aug. j.1. heeft de officieele opening plaats gevonden van
het abattoir der slagers te Soest. Dit is het eerste slachthuis in Nedeilar.d, dat
door een N.V. van slagers wordt beheerd.

De bemoeiingen van de gemeente Soest strekken niet verdei, dan dat 3 raads-
leden als commissaris fungeeren, terwijl de voorwaarden voor slachting en de
tarieven door der; gemeenteraad moeten worden goedgekeurd.

-ocr page 1026-

Mocht de N.V. nalatig blijken te zijn in haar beheer, dan is de gemeente gerech-
tigd het bedrijf over te nemen, zoodat uitgesloten is, dat de gemeente zonder
openbaar slachthuis komt.

De gemeente heeft dus aan de slagers de gelegenheid gegeven, een eigen slacht-
huis zoodanig te beheeren, dat de bedrijfsonkosten tot een minimum worden be-
perkt. Voorkomen is dus, dat de gemeente een winst op het bedrijf zou trachten
te maken, welke winst veelal in de gemeentekas wordt gestort.

Dit is dus het tweede slachthuis in eigen beheer, dat hier in ons land zal worden
geëxploiteerd. Zonder twijfel zal de exploitatie van deze inrichting, vooral van
slagerszijde, met veel belangstelling worden gevolgd.
 de Graaf.

Internationaal Bureau voor Veeziekten.

De derde zitting van het internationaal bureau voor Veeziekten (office inter-
national des épizooties) had plaats te Parijs van n—15 Juni.

Er waren afgevaardigden van Argentinië, Australië, België, Bulgarije, Duitsch-
land, Egypte, Engeland, Engelsch-Indië, Finland, Frankrijk en Koloniën, Honga-
rije, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Nieuw Zeeland, Oostenrijk, Polen,
Portugal, Roemenië, Rusland, Servië, Siam, Tchecho-Slowakije, Zweden en Zwit-
serland.

Afgevaardigde van Nederland was Dr. Berger ; verder waren aanwezig Dr.
Lourens en Dr. Frenkel.

Tot Voorzitter werd benoemd Prof. de Hutyra (Hongarije), tot Vice-Voor-
zitter Prof.
Bürgi (Zwitserland).

Verschillende rapporten werden voorgelezen. Naar aanleiding daarvan werden
de volgende resoluties aangenomen :

ten opzichte van mond- en klauwzeer : Daar de laboratorium-onderzoekingen
en de waarnemingen in de praktijk het groote weerstandsvermogen van het virus
buiten het dierlijk lichaam hebben vastgesteld, is bij de bestrijding van die ziekte
een totale ontsmetting noodig.

Daar gebleken is dat een stelselmatige passieve immunisatie met hyperimmun-
serum een belangrijk hulpmiddel is bij de bestrijding, is het noodig onderzoekingen
in die richting voort te zetten.

Miltvuur : het algemeen belang maakt een gemeenschappelijke strijd noodig
tegen het gevaar, voor mensch en dier, van verspreiding van miltvuursporen door
dierlijke producten (vleeschpoeder of beenpocder onvoldoende ontsmet en huiden).
Dwingende maatregelen daartegen zijn noodig. Indien de politiemaatregelen van
een export-land te kort schieten, is het billijk dat die zaken bij invoer worden
ontsmet of bacteriologies onderzocht, voordat ze worden toegelaten.

Volgens de tegenwoordige kennis van zaken kan (met het oog op miltvuur-
sporen) alleen een ontsmetting met waterdamp onder hooge druk gedurende
eenige uren, als voldoende worden beschouwd.

Tuberculose : het is wenschelijk dat de Veeartsenijkundige Dienst in alle landen
proeven neemt met de B. C. G.-enting.

Geheimmiddelen : het is wenschelijk dat de vee-eigenaars worden gewaarschuwd
tegen de kwakzalversmiddelen, en dat de wet, bij de behandeling van mond-
en klauwzeer, het gebruik verbiedt van middelen die door de veeartsenijkundige
dienst als nutteloos (non reconnus efficaces) worden beschouwd.

De volgende conferentie zal op 6 Mei 1930 te Parijs worden gehouden.

De volgende rapporten zullen dan worden uitgebracht :

ie. Prophylaxe van mond- en klauwzeer (speciaal de actieve en gemengde immu-
nisatie), door Prof.
Vallée.

2e. Diagnose van varkenspest (door Dr. Mussemeier en Prof. Waldmann) ;

3e. Resistentie van het virus der varkenspest en der runderpest, door Sir
Ralph Jackson ;

-ocr page 1027-

4e. Standaardisatie van de gezcmdheidsbulletins en gelijkheid van de certificaten
voor de internationale handel,
door Prof. de Hutyra (Standardisation des
bulletins sanitaires et unification des certificats pour le trafic interna-
tional).

5e. Pseudo-tuberculose van het schaap, door Dr. Richelet.

6e. Prophylaxe van wormaandoeningen, door Prof. Skrjabine.

7e. Antituberculeuze vaccinatie, door Dr. Berger en Dr. Frenkel.

Te koop aangeboden :

Tijdschrift voor Diergeneeskunde, jaargangen 1923 tot en met 1928. Reichs-
gesundheitsblatt (Uitgave v/h. Reichsgesundheitsamt), jaargang 1928 en eerste
halfjaar 1929.

Onderscheidingen.

Benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau : J. L. van Eck, hoofd
van de Burgerl. Veeartsenijk. Dienst in Ned.-Indië; tot ridder in de Orde van
Oranje-Nassau : J.
de Vries, Alg. Secretaris v. d. Vereen. Stamboek v/h. Ned.
Trekpaard.

Wij feliciteeren deze Collega\'s met die onderscheiding.

Examencommissie Rijksdiploma hoefsmid.

Door den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw, zijn, voor het
tijdvak van 1 September 1929 tot 1 September 1930, in de commissie, belast
met het afnemen van het examen ter verkrijging van een Rijksdiploma als hoef-
smid, benoemd :

a. tot lid en Voorzitter : Dr. H. M. Kroon, hoogleeraar bij de Veeartsenijkun-
dige Faculteit der Rijksuniversiteit te Utrecht ;

b. tot lid en plaatsvervangend Voorzitter : J. Plet, dierenarts, te Heerenveen;

c. tot leden: 1. S. van Angiren, chef-hoefsmid aan het Zoötechnisch Insti-
tuut te Utrecht 2. P.
Bongaarts, onderwijzer in practisch hoefbeslag te Maas-
niel; 3. M.
ten Broek, dierenarts te Tiel; 4. Dr. R. H. J .Gallandat Huet, majoor-
paardenarts, directeur der Militaire Hoefsmidsschool te Amersfoort 5. H. A.
Kroes, oud-leeraar aan de Middelbare Landbouwschool te Groningen ;

d. tot plaatsvervangende leden: 1. I. Adriaanse, onderwijzer in practisch
hoefbeslag te Goes ; 2. J.
A. Boesveld, onderwijzer in practisch hoefbeslag te
Winterswijk; 3. B.
Crezé, dierenarts te Rotterdam; 4. P. E. Homan, onderwijzer
n practisch hoefbeslag te Bedum; 5. G.
Langeler, dierenarts te Laren (G.); 6. Dr.
G. M. v. d. Plank, conservator aan het Zoötechnisch Instituut te Utrecht ; 7.
Jos.
Roovers, onderwijzer in practisch hoefbeslag te Breda.

Afscheid.

Ondergeteekende stelt ieder in de gelegenheid om bij het eindigen van zijn
ambtelijken loopbaan als Directeur van het Abattoir te Utrecht, afscheid
van hem te nemen ln Hotel Pays Bas te Utrecht, op Maandag 30 September,
\'s middags tusschen half vier en vijf uur.

Hoefnagel.

-ocr page 1028-

BIBLIOGRAFIE.

A. J. Mertens, Het automatisch voederen van varkens. Asten, E. C. Schriks,
1929.

Verslag omtrent den toestand van het openbaar slachthuis te Rotterdam over
het jaar 1928. [Door G. G. J.
Westholz], Rotterdam, van Waesberge, 1929. 8°.
33 blz.

Verslag omtrent den toestand en de exploitatie van het openbaar slachthuis
en omtrent den dienst der vee- en vleeschkeuring te Haarlem en omliggende ge-
meenten over het jaar 1928. [Door F. P. K
eyser], Haarlem. 1929. 8°. 23 blz.

H. M. Kroon, De strijd tusschen auto en paard en zijn invloed op de paarden-
fokkerij in Nederland. Utrecht, J. v. Boekhoven, 1929. Gr. 8°.
Overdr. uit: Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Dl. 56.

Verslag [van den] Algemeenen Nederlandschen Zuivelbond (F. N. Z.) over het
jaar 1928. [Schiedam, De Eendracht, 1929]. 8°. 280 blz. m. 2 portr.

P. A. Pesce, II mio cane. Come devo allevarlo, come devo tenerlo, come si am-
mala, come posse conoscerne le malattie, come devo curarlo. 3a ed. Milano, tip.
A. Cordani, 1928. 160. VI 446 p. c. fig. L. 16.50.

C. Kweton, Grammatica e pratica nella lotta contro la Sterilita delle bovine.
Merano, S. Poetzebelger, 1928. 16°. 32 p.

P. Cesaris, Prontuario di medicina veterinaria. 2a ed. per cura V. Cesaris.
Lodi, tip. edit. G. Biancardi, 1928. 8°. 270 p.

J. Paulin, Etude sur les formes filtrantes de quelques bactéries morphologi-
quement connues. Paris, L. Arnette, 1929. 8°. 136 p. fr. 14.—.

A. Monvoisin et R. Moussu, Précis de diagnostic vétérinaire. 2e éd. Paris,
Vigot frères, 1929. Kl. 8°. VIII 472 p. av. 229 fig. et 4 pl. en coul. Cart. fr. 40.—.

R. Lequertier, Traité pratique de l\'élevage du porc, contenant le po:c dans
la nature et dans l\'histoire. La répartition des porcs dans le monde actuel et en
France. La conformation, l\'anatomie et la physiologie du porc. Les races de porcs.
L\'exploitation du porc etc. Paris, libr. Garnier frères, 1929. 160. 285 p. av. fig.

fr. 9.-.

Cattle grubs or heel flies with suggestions for their control. By F. C. Bishopp
a. o. Washington, Government Printing Office, 1929. 8°. 22 p. w. ill., maps and
diagr.

U. S. Dept. of Agriculture. Farmers\' Bull. No. 1596.

J. G. Thomson and A. Robertson, Protozoology. New York, W. Wood, 1929.
4°. 390 p. w. ill. 8 11.—.

Poultry-keeping simplified. Clearly described articles on housing, plant and
stock, general management, egg production, table birds, breeding stock. London,
The Lane Pubs, 1929. Gr. 8°. 124 p. w. ill. Sh. 1.6.—.

Laboratory manual in general bacteriology. Berkeley, University of California
Press, 1929. 8°. 318 p. S 1.—.

University of California. Syllabus ser. No. 215.

H. Oppenheimer, Medical and allied topics in Latin poetry. London, J. Bale
& Sons, 1928. 8°. 445 p. Sh. 30.—.

Ch. B. Morrey, The fundamentals of bacteriology. 4th ed. Philadelphia, Lea
& Febiger, 1929. Kl. 8°. 347 p. w. ill. a. diagr. * S 3 50.

Nomina anatomica veterinaria. Final report of the committee on revision of
veterinary anatomical nomenclature. Detroit, American Veterinary medical asso-
ciation, 1929. S 2.50.

F. T. Riddell and J. T. Horner, The marketing of Michigan mi\'k through
creameries, cream stations, condenseries and cheese factories. East Lansing,
Agr. Exp. Stat., 1929. 8°. 36 p. w. 10 fig. and 15 tab

Michigan State College. Agric. Exp. Stat. Spec. bull. No. 189.

A. S. Carlos, Feeding stuffs. London, Chapman & Hall, 1928. 8°. XI 152
p. w. 3 fig. and 4 pi.

-ocr page 1029-

W. H. Black and E. W. Mc Comas, Becf production on the farm. Washington,
Government Printing Office, 1929. 8°, 14 p. w. ill.

U. S. Department of Agriculture. Bull. No. 1592.

Pig breeders\' annual for 1929—30. And yearbook of the national pig breeding
association. vol. 9. London, Nat. pig breeders\' assoc., 1929. 8°. 114 p. Sh. 2.6.—.

C. R. Moulton, Meat through the microscope. Chicago, Cambridge Press, 1929.
8°. 328 p. Sh. 22.6.—.

W. G. Savage, The prevention of human tuberculosis of bovine origin. London,
Macmillan, 1929.
Kl. 8°. VIII 195 p. Sh. 10.6.—.

H. S. Holmes Pegler, The book of the goat. Containing füll particulars of the
various breeds of goats and their profitable management. 6th ed. London, The
Bazaar, Exchange and Mart., 1929. 8°. 256 p. w. ill. Sh. 7.6.—.

E. Cremer, Die ostfriesischen Hengststämme und Hengste vom Jahre 1916
bis 1927 in ihrem Blutaufbau und in ihrem Zuchtwert. Hannover, M. & H. Schaper
1929. Gr. 8°. V -(- 78 S. m. Abb. M. 7.50. \'

Arbeiten der Deutschen Gesellschaft f. Züchtungskunde. H. 44.

W. Holpert, Das Höhenfleckvieh in Mitteldeutschland. Hannover, M. & H.
Schaper, 1929. Gr. 8°. M. 9.—.

Arbeiten der Deutschen Gesellschaft für Züchtungskunde. H. 45.

O. Trüdinger, Milchwirtschaft und Molkereiwesen in Württemberg im Lichte
der Statistik. Kempten, Süddeutsche Molkerei-Zeitung, [1929]. 8°. 13 S. M. 1.50.

Aus: „Festschrift der Süddeutschen Molkerei-Zeitung".

Schreibers Kleiner Atlas der wichtigsten und einiger typischer Getreide-, Wiesen-
und Weidegräser. H. 1,2. Esslingen u.s.w., J. F. Schreiber, [1929] 8°

H. 1. 9 feine Farbendr. - Taf. m. 41 Abb. u. 17 S. Text von H. Kreutz.

H. 2. 8 Farbendr. - Taf. m. 47 Abb. u. 20 S. Text von H. Kreutz.

R. Heiss, Grundsätzliches über den heutigen Stand des Kältemaschinenbaues
unter bes. Berücksichtigung der Verwendung in Schlachthöfen. Kirchhain, Brücke -
Verlag K. Schmersow, [1929]. 8°. 39 S. M. 2.—

Deutsche Schlachthof-Zeitung. Reihe 2 : Schlachthoftechnik, Abt. Kälte-
technik. Sonderh.

Landwirtschaftliche Forschungen (Sonderausg. der Landwirtschaft!. Jahrbücher).
Hrsg. vom Preuss. Ministerium f. Landwirtschaft, Domänen und Forsten. Reihe :
3. Tierzucht. H. 6. Berlin, P. Parey, 1929. 4°. III 141 S. m. 3 Textabb. M. 5.—.

E. Bade, Kanarienvogel 2oste Aufl. Berlin, A. Schultze\'s Verl., 1929. Kl. 8°
80 17 S. m. [eingedr.] Vollbild, u. Textill. M. 1.20.

Gehes Codex der Bezeichnungen von Arzneimitteln, kosmetischen Präparaten
und wichtigen technischen Produkten mit kurzen Bemerkungen über Zusammen-
setzung, Anwendung, Dosierung und Hersteller.... Hrsg. von der wissenschaft-
lichen Abteilung der Gehe & Co. A. G. 5te Aufl. Dresden, Schwarzeck-Verlag, 1929.

H. Kasten, Vergleichende Fütterungsveisuche mit Albovin M und dem Oel-
kuchenmischfutter Agricola I. Kritische Unteisuchungen über die Verfahren zum
Nachweis von Milchverfälschungen. Hannover, M. & H Schaper, 1929. 8°. VI
-f 101 S. M. 6.—.

Abhandlungen des Instituts f. Tierzucht und Molkereiwesen an der Universität
Leipzig. H. 20.—.

U. Dettinger, Ertragsergebnisse der Kontrollvereine der Rheinprovinz im
Jahre 1927 nebst Nachweis derjenigen Kühe mit einem Mindest-Jahres-Fetter-
trag von 175 Kg. in der isten Laktation sowie der älteren Kühe mit einer solchen
von 200 Kg. und mehr. Bonn, Landwirtschaftskammer für die Rheinprovinz,
1929. Gr. 8°. 51 S.

Veröffentlichungen der Landwirtschaftskammer f. d. Rheinprovinz. N. F. Nr. 17.

Peker\'s Jahrbuch für Pferdesport. Vollblut- und Traberzucht in Deutschland
unter Berücksichtigung des benachbarten Auslandes. Jg. 17. 1929. Berlin, A
Ret er, [1929], 8°. IV 352 S. m. Abb. u. Plänen auf 12 Taf. M. 8.—.

-ocr page 1030-

K. L. Noack, Grundzüge der Botanik für Studierende der .... Tiermedizin
u. s. w. Stuttgart. F. Enke, 1929. 8°. 260 S. m. 175 Abb. M. 14.—. Geb. M. 15.50.

A. Gottstein, Die Lehre von den Epidemien. Berlin, J. Springer, 1929. 8°.
VII 202 S. m. 23 Textabb. M. 4.80.

Verständliche Wissenschaft. Bd. 5.

H. Stölzle, Der gegenwärtige Stand der Trächtigkeitsfrage in rechtlicher Be-
ziehung. Zugl. ein praktischer Vorschlag zur Lösung der Frage. Stuttgart, W. K.
Kohlhammer, 1929. M. 6.—.

K. Kaspar, Studien über das Steinschaf in Chiemgau. Freising, F. P. Datterer
u. Cie., 1928. Gr. 8°. 62 S. m. 44 Abb. u. 12 graph. Darst. M. 3.—.

O. Eichau, Ostpreussische weibliche Blutlinien und ihr Wert für die Leistungs-
zucht. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. Gr. 8°. M. 3.75.

Arbeiten der Deutschen Gesellschaft für Züchtungskunde. H. 38.

E. Esskuchen, Die Färbung der Haussäugetiere in ihrer Entstehung und ihrer
Bedeutung für die Widerstandsfähigkeit und Leistungsfähigkeit derselben. Han-
nover, M. & H. Schaper, 1929. Gr. 8°. IV 123 S. m. Abb. M. 9 —

Arbeiten der Deutschen Gesellschaft f. Züchtungskunde. H. 42.

H. Petersen, Der Zuchtaufbau der Hengststämme des Schleswiger Pferdes.
Hannover, M. & H. Schaper, 1929. Gr. 8°. VI 131 S. m. 28 Abb., 1 Kte u. 24
Stammtaf. M. 16.50.

Arbeiten der Deutschen Gesellschaft f. Züchtungskunde. H. 43.

H. Hoffmann, Der Schweinestall. Unter Mitarb. von F. Stockklausner. Stutt-
gart, E Ulmer, 1929. 8°. VIII 207 S. m. 282 Abb. M. 6.—.

Hoffmann, Das wissenschaftliche Bauen des Landwirts. Bd. 2.

B. Lichtenberger, O. ScHäFFER und K. Dyrenfurth, Milchkammern. 2te
Aufl. Hildesheini, Molkerei-Zeitung, 1929. 8°. 44 S. m. Abb. u. 1 Tab.

Schriften des Reichskuratoriums f. Technik in der Landwirtschaft. H 6.

j. Weigert, Handbuch der Bienenzucht. 4te Aufl. Leipzig, Hachmeister &
Thal, [1929], Kl. 8°. VIII 287 S. m. 94 Abb. M. 2.40.

Lehrmeister-Bücherei. Nr. 172—177.

H. Renner, Die Milcherzeugung und die Verwertung milchwirtschaftlicher
Produkte. Stuttgart, E. Ulmer, 1929. 8°. 31 S. m. 12 Abb.

R. WäTjEN, Die Dressur des Reitpferdes für Turnier und Hohe Schule. 2te Aufl.
Berlin, P. Parey, 1929. M. 10.—.

F. Schmid, Die Lungenwurmseuche mit bes. Berücksichtigung ihrer Epizoo-
tologie. Wittenberge, Gebr. Bischoff, 1929. 8°. 84
S. m 1 Abb. u. 1 Tab. M. 1.S5.

Bazin, Contribution à l\'étude de l\'infection puerpérale chez les vaches primi-
pares. Thèse de Paris. 1929.

Daviaud, Relation d\'une épizootie de grippe équine dans un régiment de cava-
lerie. Thèse de Paris. 1929.

Dumont, Contribution à l\'étude des fistules chez les animaux. Thèse de Paris. 1929.

Mourot, Contribution à l\'étude clinique de la morve chronique. Essais de pro-
phylaxie. Thèse de Paris. 1929.

Debuire, La médication calmante dans les coliques du cheval. Thèse de Paris.
1929.

Gösset, La dermite granuleuse de 1850 à nos jours. Son traitement chirurgical.
Thèse de Paris. 1929.

Henry, L\'exportation des moutons au Maroc. Thèse de Paris. 1929.

Nicol, Essai sur l\'amélioration du bétail bovin dans le Nord-Finistère. Thèse
de Paris. 1929.

HERvé, La paraplégie enzootique des agneaux. Thèse de Paris. 1929.

Vedel, Contribution à l\'étude du bacille de la nécrose. Thèse de Paris. 1929.

Florentin, Des injections intracardiaques chez le chien. Quelques essais de
traitement. Thèse de Paris. 1929.

Faillie, Recherches cliniques, toxicologiques, physiologiques sur la brucine.
Application au doping. Thèse de Paris. 1929.

-ocr page 1031-

Boyer, Contribution à l\'étude de la strychnine utilisée dans le traitement des
paralysies du chien. Thèse de Lyon. 1929.

Genevay, La fièvre typhoïde du cheval, son traitement par le rhodarsan. Thèse
de Lyon. 1929.

Mathieu, Le cheval Camargue. Son élevage. Son amélioration. Thèse de Lyon.
1929.

Delannoy, Des devoirs et des droits des producteurs et des consommateurs
de lait. Thèse de Lyon. 1929.

Duytsche, La race chevaline boulonnaise. Thèse de Lyon. 1929.

Val, Contribution à l\'étude de la thérapeutique générale des infections par les
injections intraveineuses de formol additionné de sérum et d\'adrénaline. Thèse
de Lyon. 1929.

Roquelle, De -quelques dystocies chez nos grandes femelles domestiques.
Thèse de Lyon. 1929.

Fefeu, Du pétrole comme anthelminthique. Thèse de Lyon. 1929.

Robert, De l\'anémie infectieuse du cheval dans la région de Montiers-sur-Saulx.
Des diverses modalités cliniques. Appréciation de divers traitements. Thèse de
Lyon. 1929.

Cambus, Traitement chirurgical de l\'eczéma végétant sous-ongulé. Thèse de
Toulouse. 1929.

Lancier, Gale sarcoptique des équidés aux armées en campagne. Son trai-
tement par les bains. Sa prophylaxie. Thèse de Toulouse. 1929.

Bonnet, Les marais de Rochefort-sur-Mer. L\'évolution de leurs herbages. Les
modalités de l\'élevage des races chevaline, bovine, ovine et porcine. Thèse de
Toulouse. 1929.

Pompignac, Contribution à l\'étude des formes atypiques de la piroplasmose
canine. Thèse de Toulouse. 1929.

OuEiLLé, Contribution à l\'étude de l\'étiologie de l\'épilepsie chez les carnivores
domestiques. Thèse de Toulouse. 1929.

Guiraud, Les ténosites et leur traitement par la mésoneurectomie. Thèse de
Toulouse. 1929.

Claudel, La viande et la réglementation de son prix de vente au détail dans les
villes du Jura. Thèse de Toulouse. 1929.

A. Markovits, Beiträge zur vergleichenden Anatomie des Nervus femoralis
und des Nervus saphenus der Haustiere. Inaug.-Diss. Budapest. 1929.

G. Gamauf, Die Lymphknoten des Huhnes. Inaug.-Diss. Budapest. 1929.

J. Boda, Die abdominalen Lymphknoten der Schafe. Inaug.-Diss. Budapest,
1929.

S. von Laszlo, Untersuchungen über die Aetiologie der Kiikenrulir. Inaug.-Diss.
Budapest. 1929.

F. Houszagh, Die Bakterienflora der J Stunde lang auf 63° erhitzten Milch.
Inaug.-Diss. Budapest. 1929.

L. Lippay, Beiträge zum histologischen Bau der Schweineleber. Inaug.-Diss.
Budapest. 1929.

R. Janisch, Die Blutmorphologie des Kaninchens. Inaug.-Diss. Budapest. 1929.

I. Lambert, Ueber den Bau des Eileiters der Haussäugetiere. Inaug.-Diss
Budapest. 1929.

F. Sperner, Untersuchungen über die bakteriologischen Eigenschaften der
Milzbrand-, Schweinerotlauf- und Geflügelcholeraimpfstoffe. Inaug.-Diss. Buda-
pest. 1929.

J. Muha, Beiträge zur topographischen Anatomie des Perineums beim Rind.
Inaug.-Diss. Budapest. 1929

H. Rollwage, Stand und Entwicklung der Kaltblutzucht in Braunschweig.
Inaug.-Diss. Halle a. S. 1929.

Chr. Simon, Untersuchungen über den Bau der Zähne beim Rind und Alters-
bestimmung. Inaug.-Diss. Halle a.
S. 1929.

-ocr page 1032-

W. Vitzthum von Eckstadt, Fruchtbarkeitsuntersuchungcn an Schweinen als
Beitrag zur Leistungsprüfung unter bes. Berücksichtigung der Inzuchtverhältnisse.
Inaug.-Diss. Breslau.
1928.

J. Misera, Die Inzucht und ihre Beziehungen zur Haarstärke und Konstitu-
tion .Inaug.-Diss. Breslau.
1928.

K. Scholz, Untersuchungen der Milch der vier Euterviertel beim Kind. Inaug.-
Diss. Breslau.
1928.

F. von Tiechler, Wissenschaftliche Untersuchungen und praktische Erfah-
rungen beim Maschinenmelken. Inaug.-Diss. Breslau.
1929.

W.Lechle, Beiträgezur Kenntnis von Holennekroseri.Inaug.-Diss. München.1929

A. Beck, LTeber einen Fall von Zementodontom beim Pferde. Inaug.-Diss.
Giessen.
1928.

W. Krauss, Ueber den Gehalt des Blutserums an Calcium und anorganischem
Phosphor bei gesunden Schweinen. Zugl. Untersuchungen über die Phosphorbe-
stimmungsmethoden von Bell-Doisy und Briggs. Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

R. Behrens, Zur Sekretion der Parotis des Schweines Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

E. Both, Versuche mit Bariomyl bei Rindern. Inaug.-Diss. Hannover. 1929.

Hassan Chükri, Das Blutbild des Meerschweinchens nach künstlicher Infek-
tion mit Parascaris equorum. Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

J. Kopps, Zur Technik der Kolposkopie und Hysteroskopie bei den grossen
Haustieren. Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

R. Kohtes, Chlorierte Kohlenwasserstoffe, Flit, Delicia und Dasselstäbchen
in ihrer Wirkung auf die Hypodcrmallarven. Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

J. Landwehr, Versuche zur Technik der Inhalation fein zerstäubter flüssiger
Arzneimittel beim Rinde. Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

H. Langhoff, Ein Fall von primärem Adenokarzinom der Leber eines Pferdes.
Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

H. Rotermund, Ueber Zwillingsfruchtsäcke kleiner Wiederkäuer. Inaug.-Diss.
Hannover.
1929.

G. Schütt, Ueber das Vorkommen von Blutgruppen bei Hühnern. Inaug.-
Diss. Hannover.
1929.

H. Wernery, Ueber die Möglichkeit und den Nutzen einer chemischen Aus-
mittlung bei Tiervergiftungen. Inaug.-Diss. Hannover.
1929.

G. Fleischer, Eine quantitative Mikrobestimmung des Arsens in Leichenteilen.
Inaug.-Diss. Wien.
1929.

K. Niederberger, Untersuchungen auf dem Gebiete der Rindviehzucht im
Artlande mit bes. Berücksichtigung des Einflusses in der Kalbezeit auf die Milch-
leistung der Kühe. Inaug.-Diss. Giessen.
1929. 83. 55 S.

A. PFäHLER, Ueber die Herkunft der Hippursäure im Harn der Pflanzenfresser.
Inaug.-Diss. Hohenheim.
1928.

K. HäcKEL, Die Beziehungen des Gefahrengrades zu den äusseren Verhältnissen
bei der Riickdeckung der örtlichen Rindvieh
Versicherungsvereine, seine Berück-
sichtigung in den bestehenden Riickdeckungssystemen und die Zweckmässig-
keit dieser Systeme. Inaug.-Diss. Hohenheim.
1928.

E. A. Hesse, Ueber den Grundumsatz des Hundes nebst einigen methodischen
Bemerkungen zur Gasstoffwechseluntersuchung an grösseren Tieren. Inaug.-
Diss. Hamburg.
1928. 8°. 21 S.

R. Gair, Die Wuchsformen des Haarkleides bei Haustieren nach Untersuchungen
beim Hunde. Inaug.-Diss. Hohenheim.
1928.

E. Pfaff, Der tierische Arbeitsaufwand und seine Schwankungen. Inaug.-Diss
Halle.
1929. 8°. 79 S.

F. Dittloff, Die Schafzucht im nordkaukasischen Kubangebiet. Inaug.-Diss.
Königsberg.
1928. 8°. 63 S.

M. Brauer, Experimentelle Untersuchungen über die Einwirkung der Kastra-
tion auf Nebennieren und Hypophyse beim Kaninchen. Inaug.-Diss. Halle.
1928.
8°. 40
S. Du Buy.

-ocr page 1033-

REFERATEN.

VERGELIJKENDE PATHOLOGIE.

Des caractères généraux de 1\'état cancéreux et précancereux. R. Reding et A.
Slosse : Buil. du Cancer 1929, tome 18, blz. 122.

Voor het ontstaan van een gezwel werken twee factoren-complexen samen :
een chronische prikkelwerking en de individueele praedispositie, waarbij volgens
bekende onderzoekers
(Hansemann, Bang, e. a.) aan dit laatste factorencom-
plex de belangrijkste beteekenis toekomt. De aard en betcekenis van de praedis-
positie zijn vrijwel geheel onbekend. Wel zijn aanwijzingen gevonden dat erfelijk-
heid een rol daarbij speelt, bijv. door het in bepaalde families voorkomen van som-
mige zeldzame gezwellen (glioom van de retina tot 20% in 3—4 geslachten van een
bepaalde familie), terwijl ook enkele statistieken
(Wachtel e. a.) in deze richting
wijzen. Overigens is dit bij den mensch door de onbegrensde kruisingen en de
lange levensduur bijna onmogelijk na te gaan.

Maud Slye kon experimenteel door bepaalde kruisingen een muizenstam
verkrijgen waarbij alle wijfjes aan mammacarcinoom sterven, en een anderen stam
waarvan geen enkele aan deze ziekte te gronde gaat.

Intusschen spelen ook andere factoren bij de praedispositie een rol ; zoo bleek
bij het teercarcinoom van het konijn, dat door een bepaalde techniek bij de proef-
dieren een sterke dispositie voor tumorvorming kan worden opgewekt, zonder
dat deze spontaan in een bepaald gebied ontstaan ; wel bij allerlei toevallige
prikkels o. a. verwonding door oormerken en in blaas en maag door uitscheiding
van de teer
(Beck). Ook andere onderzoekers (Murphy, Bonne) komen tot de
conclusie, dat de algemeene teervergiftiging de basis voor de tumorvorming vormt
en dat verschillende omstandigheden (locale prikkels) slechts de localisatie der
tumoren bepalen.

De schrijvers hebben nu getracht om enkele factoren te bepalen van de prae-
dispositie van den mensch voor kanker. Zij kozen daarvoor bepaalde algemeene
reacties van het lichaam, waarvan bekend is, of vermoed wordt, dat zij van bio-
logische beteekenis voor het ontstaan of voortbestaan van een gezwel zouden
kunnen zijn. Zij bepaalden : ie. de pH. van het bloed, het calcium-ionengehalte
van het bloed, zuurbasenevenwicht en controleerden de suikerstofwisseling door
een z.g. belastingsproef. Op de redenen waarom zij juist deze kozen, hun methoden
enz., kan hier niet verder worden ingegaan. Verschillende groepen van menschen
zijn onderzocht : I. Controlegroep, waarvoor personen werden gekozen zonder
klinische tumoren en zonder hereditaire aanwijzingen voor tumoren. Zij vormen
de normen ter vergelijking met de volgende groepen.

2. Kankerlijders zonder eenige behandeling : omvat alleen histologisch gecon-
troleerde kankergevallen. Uitgesloten werden personen waarvan secundaire ver-
anderingen der genoemde reacties verwacht konden worden, (bejaarden, kachec-
tici, lijders aan kanker van endocrine organen).

3. Kankerlijders waarvan de tumor door een chirurgische behandeling was
verwijderd.

4. Dragers van bepaalde tumoren (mamma-adenomen), waarvan bekend is dat
zij, hoewel goedaardig, vaak in kanker overgaan.

5. Directe bloedverwanten (vader, moeder, broer, zuster, kind) van kanker-
lijders.

Het bleek nu dat in vergelijking met de controlegroep, in groep 2 bepaalde
afwijkingen vrijwel constant voorkwamen : een hyperalcalose van het plasma,
vermindering der calciumionen en een stoornis in de suikerstofwisseling, en wel
onafhankelijk van aard, stadium, en zitplaats van de kanker. Schrijvers conclu-
deeren hieruit, dat kanker dus niet alleen omvat een bepaalde tumor, maar tevens
bepaalde algemeene lichaamsafwijkingen. In groep 3 bleken deze afwijkingen in
de groote meerderheid ook te bestaan, waaruit zou volgen, dat deze afwijkingen
onafhankelijk van de aanwezigheid van het kankergezwel blijven voortbestaan.

-ocr page 1034-

In groep 4 vertoonde ook de meerderheid de genoemde afwijkingen. In 4 geval-
len waarin de neiging tot maligne omvorming bij de betreffende tumor histolo-
gisch kon worden aangetoond, werden steeds de algtmeene afwijkingen gevonden.
Schrijvers meenen hieruit te mogen besluiten, dat deze algemeene afwijkingen
ook aan het kankergezwel voorafgaan. In groep 3 en 4 is dus de onafhankelijkheid
dezer afwijkingen van het kankergezwel aangetoond.

In groep 5 vindt men bij ongeveer 50% der onderzochte personen de boven-
genoemde afwijkingen. Intusschen behoeven niet alle bij een bepaalde persoon
voor te komen : alcalose, en vermindering der calciumionen zijn steeds gecombi-
neerd, maar de suikerstofwisselingsstoornis kan al of niet zelfstandig optreden.
Schrijvers zien in deze groep de bevestiging van de hypothese, dat genoemde af-
wijkingen den erfelijken factor van de kanker zouden vormen.

Opmerkelijk is het gedrag van bestraalde kankerlijders (Röntgenstralen). Bij
ganezing van het kankergezwel blijken ook de algemeene veranderingen grooten-
deels tot de norm te zijn gewijzigd, en deze terugkeer blijkt duurzaam te zijn. De
bestudeering van andere groepen bestraalde kankerlijders (verbetering, verer-
gering, recidive) geeft aanwijzingen, dat de algemeene afwijkingen evenredig
met de therapeutische uitwerking der bestraling op en neer gaan; dus vermin-
dering van de algemeene afwijkingen bij verbetering van de tumor, en omgekeerd ;
bij recidive blijkt de verergering van de algemeene afwijkingen aan de hernieuwde
tumorgroei vooraf te gaan. Als controle bleken bij 13 zieken (geen kankerlijders)
de bedoelde reacties (pH, Calciumionen, suikerstofwisseling) niet door bestraling
te worden beïnvloed.

Bij de bespreking der oorzaken van deze algemeene afwijkingen bij kanker-
lijders, worden de suikerstofwisselingsstoornis en alcalose Ca ionenvermindering
als twee onafhankelijke factoren onderscheiden. Omtrent de oorzaak der stoornis
in de suikerstofwisseling is niets bekend ; het reguleerend mechanisme daarvan is
te ingewikkeld. Intusschen was reeds door de onderzoekingen van
Warburg e. a.
bekend, dat er een verband bestaat tusschen de ontwikkeling en groei van de
kankercel en de suikerstofwisseling. Dat pH. en Ca-ionengehalte van het bloed
samenhangen is op grond van verschillende bekende feiten aangetoond (been-
breuken, experim. onderzoekingen van
Greenwald en Collip).

Daar de calciumstcfwisseling geregeld wordt door de bijschildklier, kwam de
vraag naar voren of niet een deficiëntie hiervan oorzaak van de calciumvermin-
dering zou kunnen zijn. Op grond van de resultaten van toediening van bijschild-
klierextract bij kankerlijders, meenen zij deze vraag bevestigend te kunnen beant-
woorden ; bijschildklierhormon zou een regulator der p.H. voorstellen, in staat om
alcalose tot de normale hoogte terug te brengen (voor acidose geldt dit niet).

Hoewel de verkregen resultaten van dit onderzoek een nadere bevestiging be-
hoeven, en reeds direct zwakke punten en technische bezwaren zijn aan te wijzen,
heeft het zeker de groote verdienste, dat de algemeene biologische basis der kanker
op suggestieve wijze naar voren wordt gebracht. Te meer omdat hiermee ver-
schillende feiten van uit één gezichtshoek zijn bekeken.

Voor de praktijk openen zich verschillende perspectieven :

Door de aan de tumor voorafgaande algemeene afwijkingen, lijkt een zeer vroeg-
tijdige onderkenning der kanker mogelijk, waarvan schrijvers een nadere publi-
catie aankondigen.

Bovendien zou een behandeling met bijschildklier de kansen voor gepraedis-
poneerden en geopereerde kankerlijders kunnen verbeteren, terwijl de resultaten
van het onderzoek bij gestraalde kankerlijders een herziening der bestralingstech-
niek, gericht op de algemeene werking, wettigen.
 H. J. M. Hoogland.

A study of methods for the isolation of Bacterium abortus. (Ruth Gilbert,
Coleman
en Groesbeek : Division of Laboratories and Research, N. York State
Dep. of Health, Albany,
N. Y. 1929).

Bij het onderzoek van melk op de aanwezigheid van Brucella abortus Bang

-ocr page 1035-

geeft de caviaproef veel meer positieve uitkomsten dan de directe kweekproef ;
dit is een bevestiging van een reeds eerder door andere onderzoekers vastgestelde
ervaring (ref.). In bewaarde melk is het moeilijk abortusbacteriën aan te toonen,
tenzij men er 30% glycerine aan toevoegt. Aldus geconserveerde melk is veel
langer houdbaar, zonder dat de Brucella wordt geschaad.

Bij slechts 9 van de 23 cavia\'s bij welke B. Bang uit de lever werd geïsoleerd
kon dit microörganisme in het bloed worden aangetoond. Voor het kweeken uit
bloed is het noodzakelijk een vrij groote hoeveelheid daarvan op te vangen in een
vloeibaren voedingsbodem, die na enkele dagen verblijf in de stoof moet worden
uitgezaaid op platen.

De schr. meenen, dat het aantal positieve bevindingen grooter is, indien de
•sectie van het proefdier niet geschiedt na 5, maar na 8 weken ; zij kregen enkele
malen een positieve uitkomst bij cavia\'s die 8 weken na de injectie waren gese-
ceerd, terwijl de gelijktijdig met het zelfde monster ingespoten, maar na 5 weken
gedoode dieren een negatief resultaat opleverden. (Ref. kreeg verschillende malen
bij slechts één der gelijktijdig ingespoten en na 6 weken, op den zelfden dag, geob-
duceerde dieren een positieve bevinding. De individueele gevoeligheid der cavia\'s
is zeer verschillend).

Ueber die Bang-Infektion. (Poppe : Münch. med. Wschr. 1929, Nr. 17, blz. 703).

Voordracht in Februari 1929 in Rostock gehouden, waarin verschillende vraag-
stukken in verband met de Bang-infectie bij den mensch oppervlakkig worden
besproken.

Nieuws brengt dit overzicht niet. De literatuurlijst over dit nog maar jeugdige
onderwerp begint reeds respectabele afmetingen te verkrijgen.

Undulant Fever. A clinical analysis of one hundred and twenty-five cases. (Hardy :
The Journal of the Americ. Medic. Assoc. 1929, Vol. 92, No. 11, blz. 853).

Zooals bekend is heerscht in Iowa in uitgebreide mate de unduleerende koorts.
Hardy heeft van dit materiaal gebruik gemaakt om een nauwkeurig, hoofdzake-
lijk statistisch onderzoek in te stellen, waarbij grootendeels dezelfde uitkomsten
werden verkregen, als in Denemarken, Zweden, Duitschland en Nederland. Voor
het onderzoek dienden 125 patiënten.

Vijf en zestig dezer woonden op boerderijen, 82 kwamen in contact met vee,
vleesch of melk. F\'r waren 56 boeren en 8 boerinnen onder. Het grootst aantal ge-
vallen deed zich voor bij mannen (98). Beneden vijfjarigen leeftijd was geen ziekte-
geval bekend, de meeste patiënten waren tusschen 20 en 45.

Het aantal gediagnostiseerde gevallen was het grootst in de maanden, waarin
ook de buiktyphus heerscht ; toevallige omstandigheden zijn hierbij evenwel niet
uit te sluiten.

De meest aangetroffen verschijnselen waren algemeene slapte, profuus zweeten,
koorts, algemeene of gelocaliseerde pijnen, constipatie en vermagering.
Hardy
neemt een agglutinatie van het bloedserum in verdunning 1/80 of hooger als bewij-
zend aan voor Brucellabesmetting. In 20 gevallen zag hij stijging dezer titer ge-
durende het ziekteproces; in 46 gevallen een daling tijdens de convalescentie. In
22 gevallen werd de bacterie uit het bloed gekweekt. Van belang is, dat bij een
vergelijkend onderzoek aan het licht kwam, dat het resultaat veel gunstiger is,
indien onmiddellijk na het enten de voedingsbodem in de broedstoof wordt ge-
plaatst en daarin verscheidene dagen blijft, dan wanneer deze eerst wordt over-
gebracht naar een verwijderd laboratorium.

De duur der ziekte kan langer dan een jaar zijn, maar is gemiddeld 4 maanden.
Onder de 125 gevallen verliepen er 4 letaal. Als infectiebron moest worden aange-
nomen het rund, maar vooral het varken.

Zum Nachweis von Abortus-Bang-Bakterien in der Milch. (Schwarz : Z. f.
Fleisch u. Milchhyg. 1929, 39, 10, blz. 175).

Door middel van de caviaproef kon S. in 39 der 94 door hem onderzochte mon-
sters marktmelk abortusbacteriën aantoonen. Hieronder waren mengmonsters van
40—50 koeien.

-ocr page 1036-

Die Leuchtgasmethode zur Züchtung des Bacteriuni abortus infect. Bang.

(Frisch : Deutsche Tierarztl. Wochenschr. 1929, Nr. 20, biz. 309).

Den laatsten tijd zijn er verschill nde onderzoekingen medegedeeld omtrent het
kweeken van abortus-Bang-bacillen in lichtgas. Deze methode heeft het voordeel,
dat zij in vergelijking met de vroeger gebruikelijke, waarbij de lucht gedeeltelijk
vervangen werd door koolzuur of waterstof, veel eenvoudiger is. Bovendien zouden
volgens sommigen de resultaten ook gunstiger zijn. Toch is naast, deze wijze van
cultiveeren het microscopisch praeparaat, maar vooral de caviaproef nog niet
te ontberen. Schr. geeft een voor het doel geconstrueerde gasbrander aan, die in
de instrumenthandel verkrijgbaar is. (Ref. kreeg, in tegenstelling met zijn er-
varing met de plaatmethode, bij het kweeken op schuingestolde agar in lichtgas
ook zeer bevredigende uitkomsten. Het toestel van
Frisch kan evenwel uitstekend
vervangen worden door een steriele pipet, die door een gummieslang met knijper
met de gasleiding verbonden wordt).

Beitrag zur Bang-Infektion des Menschen. (Christian Meyer : Deutsche Tier-
jirztl. W. schr. 1929, 37, No. 6, blz. 81).

Mededeeling van de ziektegeschiedenis van schr. zelf. Hij infecteerde zich bij
de manueele verwijdering van de nageboorte cener aan besmettelijk verwerpen
lijdende koe. Denzelfden dag trad pijn op van het nagelbed van een der vingers ;
tien dagen later koorts, miltzwelling en pijn in den linker ondersten ribbeboog.
Spoedig volgde een toenemende zwakte, sterke afneming van hef lichaamsgewicht
en een foetide reuk uit den mond. De temperatuur was sterk intermitteerend, er
bestond leucopcnie met relatieve lymphocytose. Kort na het begin der ziekte
agglutineerde het bloedserum B. Bang tot 1/1600, na 10 maanden 1/500 zwak.

v. d. Hoeden.

Depots van geneesmiddelen in het lichaam.

Clauss Burkart Strauch (Journ. Am. Med. Ass. 1929, ref. van Koetsen in
N. T. v. G. 1929, II, No. 23 blz. 2765) slaagde er in om inspuitingen die dikwijls,
bv. dagelijks moeten worden herhaald in een vorm toe te dienen dat in het lichaam
een opslagplaats wordt gevormd, waaruit een zekere tijd kan geput worden. Hij
maakte daartoe van het in water opgeloste of poedervormige geneesmiddel een
emulsie in olie, waardoor ieder druppel der oplossing met een oMelaagje wordt
omhuld. Om de stevigheid van dit hulsel te verhoogen voegt hij metacholestearine
en myricine (een was) toe. Het ingespoten middel kan dan alleen worden geresor-
beerd naarmate de druppeltjes uit de omhulsels vrij komen en dat geschiedt heel
geleidelijk en langzaam. Bij proeven met muizen bleek dat, na inspuiting met een
emulsie waarin methyleenblauw, gedurende eenige weken urine werd afgescheiden
met een tamelijk standvastig kleurstofgehalte. Een tienvoudige doodelijke dosis
strychnine, in emubie ingespoten, doodde de muizen niet, maar nog na 4 dagen
veroorzaakte een tikken aan de tafel waarop zij zich bevonden, tetanus-verschijn-
selen.

Het aanleggen van depóts van insuline geschiedde bij meer dan 100 lijders aan
diabetes ; gebruikt werd insuline in poedervorm waarvan 1 c.c. 200 eenheden
bevatte. De inspuitingen werden alle 5 tot 7 dagen verricht (100 tot 1000 een-
heden elk).

Bij 25 lijders aan longontsteking met hartzwakte maakte men depóts van cpi-
nephrine zoo dat de werking 24 tot 48 uren duurde.

Van de depóts ondervonden de patiënten geen last. Ernstiger is de vraag of de
groote hoeveelheid geneesmiddel gevaarlijk zou kunnen worden door te snel vrij
komen uit het omhulsel, bv. bij koorts of door onzorgvuldige bereiding. Tot dus-
ver is hiervan niets gebleken.

Een voorzichtige controle van de proeven zal moeten leeren of zij beantwoorden
aan de hooge verwachting die
Strauch er van heeft.

Strauch geeft het volgende recept voor een inspuiting : bij 10 c.c. van een
geconcentreerde steriele oplossing (bv. epinephrine 1 : 50) voegt men 2,5 c.c.
steriele olijfolie, 0,2 gram steriele metacholestearine en 0,3 gram steriele myricine.
Deze stoffen worden zorgvuldig tot een steriele emulsie verwerkt.
Vrijburg.

-ocr page 1037-

Endoveneuze Injecties en embolia gassosa. Dr. Atillio Gricnani, La Clinica
Veterinaria No. i, 1929.

Vele dierenartsen passen zoo weinig mogelijk intraveneuze injecties toe, daar
zij bang zijn voor hersenembolie en plotselingen dcod door het mede naar binnen
spuiten van lucht.

Volgens Dieckerhoff echter wordt de dood alsdan veroorzaakt door een hart-
verlamming,
daar men dikwijls een te sterke solutie van medicijnen inspuit.

Bij luchtinspuiten van kleine hoeveelheden gaan de luchtbellen naar het rechter-
hart, vandaar naar de longen. In de longcapillairen doordringen zij den wand en
komen zonder stoornis te veroorzaken in de bronchiën. Bij groote hoeveelheden
kan stilstand in de circulatie en de dood door verstikking ontstaan. De hoeveel-
heid lucht dient dan minstens gelijk te zijn aan de capaciteit van het rechter hart,
hetgeen
Grignani door proeven bewees. Kleine hoeveelheden lucht ingespoten
veroorzaakten geen verschijnselen.

20 c.c. lucht ingespoten bij 1 maand oude kalveren van 75 K.G. veroorzaakte
na i minuut dyspnoe, pols 100. Na 20 minuten waren ele kalveren weder normaal.
Bij sectie vond men schuimend bloed in de kroonaderen en in de pulmonaalar-
teriën.

Eén van die kalveren werd 30 minuten, nadat het weer normaal was nog 80 c.c.M.
lucht ingespoten. Men hoorde een aanhoudend gorgelgeruisch gedurende het bin-
nendringen in de bloedbaan.

Bij het ausculteeren van het hart hoorde men een karakterestiek crepiteeren,
hetwelk alle andere geluiden overstemde, een geluid, alsof men zegt : ,,krak".

Tevens trad hevige dyspnoe op ; 15 minuten daarna scheen de ademhaling iets
beter ; de hartslagen waren echter arythmisch.

De verschijnselen namen in hevigheid toe, zoodat na 15 minuten het kalf ge-
slacht werd. Men vond lichte longcongestie, luchtkolommen in de kleine en middel-\'
kleine longarteriën, schuimend bloed in het rechter-, normaal in het linkerhart,
in de kroonaderen vele luchtbolletjes.

Een kalf van 10 dagen oud en 45 K.G. zwaar kreeg 25 c.c. lucht. Na 1 minuut
vertoonde het dyspnoe, na 2 minuten viel het neer met teekenen van paralyse
van het achterstel. In 15 minuten was het dier weer hersteld.

Een stier, 6 jaar oud, 600 K.G. zwaar, verdroeg 175 c.c.

Een konijn van 1.150 K.G. stierf langzaam aan 4 c.c.

Uit deze en andere proeven besluit Grignani, dat kleine hoeveelheden lucht
ingespoten,
onschadelijk zijn. Breedveld.

ZIEKTEN VAN VOGELS.

Die baktertelle we\'sze Ruhr der Kücken. (Dr. Lerche, Breslau: Zeitschrift für
Infektionskrankhciten, Band 35).

Bijna overal heeft de pullorum-bacil tegenwoordig een belangstelling van be-
teekenis.

Nu weer geeft Dr. Lerche in genoemd tijdschrift een beschouwing van ongeveer
50 blz., naar aanleiding van onderzoekingen in het Bacteriologisch Instituut
van de,, Landwirtschaftskammer" in Neder-Silezië. L\'itvoerig worden literatuur
en eigen ervaringen besproken. Ons, onderricht door onderzoekers van eigen
bodem, brengt het artikel weinig nieuws. Ook in
Breslau kon geen onderscheid
gevonden worden tusschen Bacterium gallinarum en Bacterium pullorum. Ook
de vindplaats van bacteriën bij de sectie in de verschillende organen liet niet toe
een onderscheid te construeeren. Zoowel B. gallinarum als B. pullorum zijn in
allerlei organen te vinden ; maar beiele microörganismen schijnen een voorkeur
te hebben voor de geslachtsorganen. Hierin hebben zij derhalve overeenkomst
met de abortus-bacil.

Fecal examination for evidence of parasitisme in domestic animals. E. A. Ben-
brook,
lowa : Journ of the Am. Vet. Meel. Ass. June 1929.

In een uitermate fraai en practisch geïllustreerd artikel beschrijft E. A. Ben-

-ocr page 1038-

brook, hoe het onderzoek op parasieteneieren in faeces geschiedt in het Depart-
ment of Veterinary Pathology in Iowa State College. In een elftal duidelijke foto\'s
wordt, als het ware een film, gedemonstreerd, op welke wijze de verschillende
kunstgrepen worden uitgevoerd.

Het werkschema luidt ongeveer als volgt : neem -j- 1 gram faeces en verdun
deze. Gebruik niet te veel water. Vul een centrifugcerbuisje voor de helft met de
verdunde faeces ; vul aan met een evengroote hoeveelheid suikeroplosssing (i K.G.
suiker op 3/4 K.G. water, met 1% phenol als conserveermiddel). Centrifugeer 3
minuten ( 2000 omwentelingen per minuut) of laat 12 uur staan. Neem ver-
volgens een glasstaaf, waarvan een uiteinde is gemaakt tot een platten kop met
een glad vlak, door de staaf met dat einde tot week te verhitten en dan te drukken
op een vlak metalen voorwerp, bijvoorbeeld een hamer. Deze glasstaaf wordt nu
in het ccntrifugebuisje geduwd, totdat de gladde kant van den knop juist het
oppervlak van den inhoud aanraakt. Door snel terug te trekken neemt men
de oppervlaktelaag, welke de parasieteneieren bevat, mede, deze kleeft n.1. aan den
gladden glaswand, en hangt er als een droppel aan. Breng dezen droppel op een
voorwerpglaasje, en bedek hem met een dekglaasje.

Plaats de microscoop verticaal en zoek systematisch het preparaat af.

18 microphotos, waarmede het artikel beëindigd wordt, kunnen tenslotte den
microscopist op afdoende wijze behulpzaam zijn voor het determineeren van de
eventueel gevonden eisoort.

Operative relief for ova in the peritoneal cavity of the chicken. F. D. Mc Kenney
(Minnesota) : Journ. of the Vet. Med. Ass. (June 1929).

Bij waardevolle hennen kan het van beteekenis zijn een ei dat niet gelegd is
kunnen worden (bijv. door te groote dikte), en dat door retroperistaltiek weer in
de buikholte terecht is gekomen, langs operatieven weg te verwijderen.

De techniek moge blijken uit het volgende geval van Mc Kenney : nadat de
diagnose gemaakt was, werd de buikwand ontveerd en met joodtinctuur gepen-
seeld. De kip werd vervolgens onder aethernarcose gebracht, waarna de buik
geopend werd, met een snede van 7.5 c.M., van processus xyphoïdeus tot cloaka.
De eieren uit de buikholte konden toen verwijderd worden ; er waren drie wind-
eieren, één compleet ei en deelen van twee gebroken eieren. Ook werden de grootere
dooiers uit het ovarium gedrukt, ten einde te voorkomen dat de eileg-acte weer
zou beginnen voordat de kip genezen was van den operatieven ingreep.

De buikwand werd met catgut gesloten; 46 dagen na de operatie legde de kip
weer normaal een ei.

Hoenders geraken met aether spoedig genarcotiseerd ; eigenlijk zoo spoedig,
dat men eenige zorg moet betoonen, opdat het dier niet te veel krijgt, en sterft.
Tegenover peritonitis zijn hoenders ,,vrij" resistent.

Johnin versus Avian Tuberculin. W. A. Hagan and A. Zeissig, (New York) :
Journ. of the Am. Vet. Med. Ass., June, 1929.

In 1895 stelde Johne (Dresden) vast, dat de oorzaak van een chronische en-
teritis bij het rund in bepaalde gevallen was een zuurvast staafje.

In 1906 stelde Bang den naam paratuberculose voor.

Mac. Fadyean verkoos den naam Johne\'s disease, omdat de ziekte met tuber-
culose niets gemeen heeft.

In 1911 kweekte Twort de bacil kunstmatig. Dieren kunnen maanden of jaren
geïnfecteerd zijn, voordat zij klinisch waarneembare verschijnselen vertoonen.
Een methode waarmede de aangetaste dieren vroegtijdig kunnen worden her-
kend, is derhalve van groote beteekenis.

Tuberculine is voor dit doel waardeloos. Het maken van een paratuberculine
(johnin) volgens dezelfde beginselen als het tuberculine gaf eerst veel moeilijk-
heden ; wel ontstond een overvloedige kweek van paratubercelbacillen op vaste
voedingsbodems, maar in vloeibare media was de groei bijna steeds uiterst gering.

In 1928 echter gelukte het Wright en Boquet, onafhankelijk van eikaar, een
goeden groei in vloeibare voedingsbodems te verkrijgen. In plaats van vleesch-

-ocr page 1039-

extract werd door hen een synthetisch product gebruikt. Hiermede was men er
tevens in geslaagd een paratuberculine te bereiden.

Van andere zijde, o. a. door Bang, werd gewezen op het feit, dat vogeltuber-
culine een bruikbaar diagnosticum is voor paratuberculose. Dit is op zich zelf
een merkwaardig iets. Wel zijn „groepreacties" bekend bij organismen van gelijk-
soortige natuur ; (zoo schijnt het bijvoorbeeld dat iedere zuurvaste bacteriesoort
complement kan binden bij de aanwezigheid van serum van tuberculeuze dieren).
Maar het reageeren van een dier met paratuberculose zoowel op paratuber-
culine als op vogeltuberculine is in wezen waarschijnlijk iets anders dan een voor-
beeld van deze groepreacties. Immers de ovine tuberculose laat zich niet verraden
door paratuberculine of vogeltuberculine ; ook niet de humane.

Hagan en Zeissig stelden zich ten de>el, paratuberculine (d. i. johnin) en vogel-
tuberculine met elkaar te vergelijken.

In de eerste plaats werd dit gedaan op cavia\'s, welke kunstmatig geïnfecteerd
waren (door injectie) met paratuberculose en vogeltuberculose.

Paratuberculeuze cavia\'s vertoonden evengoed met paratuberculine als met
vogeltuberculine reactie. Cavia\'s met vogeltuberculose reageerden eveneens
even duidelijk met paratuberculine als met vogeltuberculine. De reactie werd in-
tradermaal verricht.

Een tweede reeks van proeven betrof een groot getal hoenders met vogeltuber-
culose. Hierbij bleek, dat een hoog percentage reageerde op paratuberculine ; het
percentage dat reageerde op vogeltuberculine week hiervan slechts zeer weinig af.

Ten derde bleek dat schapen, kunstmatig met paratuberculose geïnfecteerd,
even duidelijk reageerden op paratuberculine als op vogeltuberculine, zoowel
bij intraveneuze als bij intradermale toediening.

De schapen, welke na de kunstmatige infectie bleven leven, en een positieve
reactie vertoonden, hadden na 21 maanden nog in het geheel geen teekenen van
klinische paratuberculose.

Ook bij kunstmatig geïnfecteerde kalveren (welke op de injectieplaats een pijn-
looze knobbel kregen, die gedurende den tijd van waarneming nagenoeg onver-
anderd bleef bestaan) had men soortgelijke ervaringen. Ten slotte werden proeven
genomen in besmette stallen ; uit deze experimenten werd geconcludeerd, dat
vogeltuberculine bij paratuberculeuze dieren een temperatuursreactie geeft welke
niet te onderscheiden is van die, welke door paratuberculine wordt veroorzaakt

Schrijvers vermoeden, dat paratuberculeuze runderen niet zoo allergisch zijn als
tuberculeuze. Daarom is het aan te bevelen, het paratuberculine, of het vogel-
tuberculine zoo plotseling mogelijk in de weefsels te brengen, teneinde de beste
resultaten te krijgen. De temperatuur-krommen, verkregen bij intraveneuze toe-
diening, waren althans sprekender dan die, welke bij subcutane toediening op-
traden.

Capillaria in Chickens. Graham, Thorp and Hectorne (Illinois) : Journ. of the
Am. Vet. Med. Ass., June 1929.

Een bepaalde nematode (behoorende tot de capillaria) wordt beschreven als
doodsoorzaak bij hoenders.

Een tweetal gevallen werden waargenomen ; d. w. z. in twee geheel verschil-
lende pluimveestapels werd de ziekte geconstateerd.

In het eene geval bepaalde zich de vindplaats der parasieten hoofdzakelijk tot
de dikke darmen ; in het andere geval bleek de krop meer de praediiectieplaats te
zijn. Dit gaf aanleiding tot het vermoeden dat in de beide gevallen verschillende
soorten capillaria betrokken waren.

Klinische verschijnselen : slapheid, anaemie en vermagering.

Autopsie. In de gevallen, waarbij de darmen hoofdzakelijk laesies vertoonden,
dus in de eene koppel, was het intestinum vlak achter beide coeca duidelijk ver-
wijd. De darminhoud was zeer putride. De binnenzijde van den darmwand was
eliphterisch ontstoken.

Een foto vertoont een stuk van een dergelijk verwijden darm ; het epitheel is

-ocr page 1040-

rijkelijk bezet met knobbels met een vervallen uiterlijk (diphterisehe processen).

Microscopisch onderzoek van afkrabsels van die necrotische knobbels leerde,
dat er massa\'s eieren in voorkwamen (met aan beide zijden een operculum) en een
enkele cappillaria .Deze laatsten konden, als de omgevende detritus weggewasschen
was, nog juist met het bloote oog worden gezien.

Bij de groep dieren, waar de worm hoofdzakelijk in elen krop gevonden werd,
was een ingluvïtis fibrinosa.

L. P. de Vries.

ZIEKTEN VAN VARKENS.

Varkenspokken. (Swine Pox).

Mc. Nutt, Murray en Purwin (van het Department of Vet. Investigation.
Iowa State College, Ames, Iowa) namen een aantal gevallen van huiduitslag bij
jonge varkens waar, welke zij als pokken beschouwden. De ziekte kwam het geheele
jaar door voor en trad als regel op aan de buik, en de binnenkant der beenen, een
enkele keer, in de ergste gevallen, langs de zijden van het lichaam : minder langs
rug en aan kop en ooren.

Het geheele verloop der ziekte en het microscopisch onderzoek in verschillende
stadia waren volkomen gelijk aan het verloop der pokken bij andere dieren. Sterfte
tengevolge der ziekte werd niet geconstateerd. Vesicula van beteekenis werden
niet gezien, evenmin pustulae, zooals bij kinder- en koepokken. Varkenspokken
zouden elichter staan bij paarden-, schapen- en geitenpokken.

Afbeeldingen van een aangetast huidstuk en vijf microphotogrammen ver-
duidelijken de tekst.

(Journal of the Am. Vet. Meel. Ass. April 1929).

Erfahrungen gelegentlich eines grosseren Schweinepest-Seuchenganges. (Dr. A.
Schmidinger, Wiener Tierarztl. Monatschrift, 1 Mai 1929).

S. beschrijft hierin enkele practische zaken betreffende eene epizoötie van var-
kenspest dit voorjaar in Boven Oostenrijk welke hij heeft ervaren. De
infectie
zou als regel per os plaats vinden door drank, spoelwater en vleesch van noodge-
slachte varkens. Personenverkeer van de eene hofstee naar de andere kan bijdragen
tot het overbrengen van de ziekte. Bij vlekziekte-entingen zij men voorzichtig
(wisselen van schoeisel of reinigen en elaarna ontsmetting ).

De incubatie zou 2 a 3 dagen bedragen, een enkele keer korter zijn. Bij de anamnese
hoort men vaak, dat hoogdrachtige zeugen verworpen hebben, verder worden als
symptomen genoemd : lusteloosheid, wegkruipen in het stroo, slingeren van het
achterstel, verstopping en geen eetlust. De klinische verschijnselen zijn afwisselend,
temp.
39.50—4i°C., zelden hooger. Bij het binnenkomen in den stal is de stilte
opvallenel. De huid veelal bleek, vaak lichtgeel. In het begin zijn ele faeces hard,
met slijm overtrokken ; later pas komt diarrhée.
Slijmvlies der oogen is rood, in
de ooghoeken
opgedroogd secreet. Allen bij acuut verloop bloedingen in de huid
en blauwroode verkleuring van de ooren. Dikwijls bestaat een
uitslag, meest bij
jonge varkens en bij langzaam verloop. Vaak hoort men
hoesten. De urine bevat
nooit bloed. Spiertrekkingen, krampen, schreeuwen, tuimelen en dwangbewe-
gingen komen nog al eens voor. Na langen duur vermageren de dieren tot het
skelet, kleur van de huid vaak icterisch of anaemisch.

Het verloop is verschillend, en moeielijk vooruit te zeggen. In koppels van 12
a 16 varkens zijn 2 of 4 gestorven en alle andere gezond gebleven. Een andere
keer zijn 10 a 12, zelfs alle dieren gestorven.

Sectie : Bij acute gevallen werd weinig gezien, bij negatieve sectie werd, in ver-
band met het infectieus karakter der ziekte, de diagnose
pest gesteld. Vergrooting
en donkere kleuring der lymphklieren van longen en darmscheil wijzen op pest.
Bij meer chronisch verloop met duidelijk darmverschijnselen zijn vooral de dikke-
darmklieren donker gekleurd. Aan
milt en lever vaak weinig te zien. Het slijm-
vlies
van de maag is bijna altijd bedekt met een dik en glazig slijm; men kan alle
stadiën van een eenvoudig
catarrh tot eene necrotiseerende ontsteking aantreffen.
Soortgelijke ontstekingsverschijnselen kunnen ook de dikke darmen vertoonen.

-ocr page 1041-

Van beteekenis voor de diagnose is de nier, waarin bij pest steeds: bloedingen
voorkomen.

Bronchopneumonieën komen nog al eens voor, maar S. vindt croupeuse long-
ontstekingen meer op pest wijzend.

Tenslotte stelde hij de diagnose op grond van :

het infectieus karakter der ziekte ; 2°. de temperatuur, welke bijna nooit
boven 4i"C. stijgt ; 30. de koude huidtsmperatuur, bleekheid van de huid, de
meestal bestaande verstopping, de sectie en de bacteriologische uitkomsten (nega-
tief).

Na vaststelling van de diagnose liet S. de zwaarzieke dieren slachten, en deelde
hij de overige varkens in gezonde en lic.htzieke (alleen liooge temp.). Daarna wer-
den eerst de gezonde en daarna de koortsende varkens met pest-serum behan-
deld. De dieren bleven in den gemeenschappelijken stal om aan de gezonden de
gelegenheid te geven tot opneming van virus.

Er werden van 226 varkens (141 gezonde en 85 zieke) geënt 140 gezonde en 51
zieke. Van de gezonde stierven 9 (6.4%), van de 51 zieke stierven er 44 (86,3%).

Van de 226 varkens konden dus door deze maatregelen 135 dieren, d.i. 59-7%
gered worden. Dit getal zou beter worden, indien men alleen de volkomen gezonde
(koortsvrije) dieren ging enten.

Erfelijkheid van hernia scrotalis bij het varken. (Ohio Agric. Experiment-Station
Bulletin, Jan.—feb. 1928).

Warwich heeft zich kunnen overtuigen, dat de factoren, welke de vorming
van eene zakbreuk opwekken, erfelijk zijn. Hij trekt hieruit de volgende conclusie :
Een beer met zakbreuk, of waarvan de hernia is geopereerd of spontaan genezen,
moet niet voor dekking worden gebezigd. Elke beer, die ofschoon normaal schijnend,
vele biggen verwekt met herniae, moet eveneens niet meer voor de fokkerij worden
gebruikt.

Vulvo-vaginitis van de zeug. (Mutt, Purwin en Murray, Journ. of the Am.
Vet. Med. Ass. Aug. 1928).

fn den herfst van 1927 werden in sommige Staten van Noord-Amerika bij de
zeug eene
vulvo-vaginitis en bij den beer eene lichte ontsteking van het preputiurn
geconstateerd). De ziekte blijft begrensd tot vulva, achterste deel van de vagina,
anus en rectum. Eerst wordt opgemerkt eene zwelling van de vulva, de lippen
staan iets open en er vloeit slijm af. Het slijmvlies van de vagina zw-elt soms zoo op,
dat het tusschen de schaamlippen uitpuilt, het voorste deel meetrekt en een soort
prolapsus vormt.

De patiënte begint te schuren tegen wand etc. en verwondt de vulva, die nu
bloedig en purulent wordt, en in 5 a 10% van de gevallen ontstaat prolapsus recti.
In gevallen van ernstige prolapsus vaginae ontstaat cystitis en septicaemie. Men
heeft wel gemeend hier te doen te hebben (als bij het rund) met eene streptococ-
ceninfectie. Ook bedorven mais werd beschuldigd als de ziekte te kunnen
opwekken.

„Das in Holland verarbeitete White grease und sein Rohprodukt".

Onder bovenstaande titel wordt in het Zschr. f. Fleisch. u. Milchhyg. 39. Jahrg.
aangegeven, dat in Nederland van het afval- en cadavervet (whitegrease) een
vet gevormd wordt onder de benamingen van ,,Pure lard" en ,,Compound lard".

De ruwe producten van White grease zouden zijn : bedorven vetten, tonsillen,
uitsnijding van de anus, stukken darm, oogleden, geslachtsdeelen, blaasvet, darm-
en pensafval, vet rondom de galblaas, afgeschraapt vet van de vloeren enz. In
Noord-Amerika onderscheidt men nog twee soorten, nl. : White grease A. en B.

De B-soorten zijn wat donkerder van kleur en bevatten tot 7% vrije vetzuren,
welke in de A-soorten tot niet boven 3% stijgen. B.

-ocr page 1042-

Bijdrage over de onschadelijkheid en over de immuniseerende kracht in duiven
en varkens van de zoogenaamde involutievormeri van de vlekziektebacil.
Prof.
Luigi Cominotti : Uit het Proefstation voor Besmettelijke Dierziekten in Brescia.
Dir. Prof.
Luigi Cominotti, La Clinica Veterinaria, No. 7, 1928.

Bij vlekziekte heeft men als vaccin vol-virulente of verzwakt virulente cultuur
ingespoten ; thans probeert men het met apothogene bacillen, die echter hun
antigene werking behouden hebben.

Sabella vond dat bouilloncultuur eenige maanden bewaard, morpliologische
veranderingen (involutievormen) aannam, ook dat ze apathogeen was voor witte
muizen en grijze bastaards en toen ook immun maakte. Dit werd door
Schürer
bevestigd.

Rasch echter vond de Sabellastam wei minder virulent maar niet geheel apatho-
geen en ook niet altijd immuniseerend ; voornamelijk niet bij duiven.
Sabella
stemde toe, dat dit bij hem ook wel eens voorgevallen was, maar weet dit aan
een
bijzonderen toestand van de proefdieren, terwijl Schnürer opmerkte, dat Rasch
niet de origineele cultuur van Sabella gebruikt had.

Helm vond, dat een groot deel der geënte muizen stierf aan Sabella\'s cultuur
en dat de overblijvende slechts dan absoluut immun waren, wanneer zij nog,
eens geënt werden met vlekziektestammen, die niet volkomen virulent
waren.

Cominotti onderzocht de methode Sabella. Stam. No. 2 in bouillon geplant
verbleef 48 uur in de thermostaat en werd toen in kamertemperatuur bewaard
van de 25/5 1926 tot de 19/11 1926. Versch overgeplant doodt 0.1 c.c. van de
nieuwe cultuur een duif binnen 48 uur.

Microscopisch onderzoek van de verzwakte cultuur geeft geen involutievormen
aan, zooals
Sabella ze gezien heeft, maar wel korte, dikke vormen, soms als
coccen, alle Gram positief. Op agarserum overgeplant, komt de gewone vlek-
ziektebacil weer voor den dag.

Uit het verloop der proeven (zie art.) blijkt :

1. dat een bouilloncultuur 5 maanden bewaard op kamertemperatuur apathogeen
is voor duiven, bij een dosis van 0.1 en 0.5 c.c., maar deze hebben in vergelij-
king met een contróle-duif slechts 2 dagen langer geleefd bij hernieuwde in-
fectie met nieuwe cultuur van stam No. 2, 48 uur oud.

2. Een duif, herhaaldelijk geënt met stijgende dosis van de verzwakte cultuur

blijft in het leven en wordt resistent voor enting met onverzwakte
cultuur.

3. Een bouilloncultuur zonder pepton, 4 maanden op kamertemperatuur bewaard,
is pathogeen voor duiven en grijze muizen, echter bij betrekkelijke hooge dosis
(0.1—2 c.c.) ; maar is apathogeen voor een big van 4 maanden, die daarna
ook onvatbaar is voor een dubbele enting met. virulente cultuur (0.5—2 c.c.)

4. Een bouilloncultuur zonder pepton, 6 maanden in de thermostaat bewaard,
is apathogeen voor duiven in doses van 1.2 en 3 c.c., maar heeft slechts één
enkele duif geïmmuniseerd, toevallig die, welke met 1 c.c. behandeld is. De-
zelfde cultuur echter was apathogeen in de dosis van 10 c.c. voor 5 varkens
van den leeftijd, waarin ze zich het gemakkelijkst infecteeren met vlek-
ziekte.

Deze varkens, 35 dagen na de behandeling met die cultuur, onder de huid geënt
met 5 c.c.
virulente cultuur van denzelfden stam als de verzwakte, en welke een
duif doodt na 50 uur in een dosis van 0.1 c.c., bleven volkomen gezond, terwijl een
contrólevarken van denzelfden leeftijd en hetzelfde gewicht reeds na den 4en
dag stierf aan vlekziekte.

Breedveld.

69

lv1

-ocr page 1043-

VLEESCHHYGIËNE.

De oorzaken van de spierbloedingen bij slachtdieren. (Multipele Blutungen im
Fleische von Schlachttieren und ihre Ursachen.
Meyer — — Duitsche Schlachth.
Zeitung, 1928, pg. 225).

Meyer uit zich tegen de algemeen verkondigde mccning, dat bij het ontstaan
van de multipele spierbloedingen bij de slachtdieren, vooral bij het varken, het
bedwelmingsapparaat van
Schermer een rol zou spelen. Z. i. is het gebruik van
een varkensval of andere dwangmaatregelen daarvoor verantwoordelijk. Worden
de varkens in een steekhok, gewoon staande, bedwelmd, zonder eenig dwangmiddel,
dan behooren de spierbloedingen tot de zeldzaamheden. Zoodra het dier in een
varkensval geen bodem meer onder zich voelt, worden enkele spiergroepen zeer
intensief gebruikt, daar het dier direct er alles op zet zich te willen bevrijden. Bij
deze pogingen zouden dan fibrillaire spierverscheuringen ontstaan. Bij de groote
slachtdieren, welke met het Schermersche apparaat worden bedwelmd, worden
de spierbloedingen niet opgemerkt, doordat alle dwangmiddelen ontbreken.

Wel zou men soms aan de halsstreek van temperamentvolle paarden eenige
bloedingen kunnen opmerken, die echter door
Meyer aldus verklaard worden,
dat deze dieren voor de bedwelming met een ketting aan den bodem worden vast-
gelegd en zich tegen deze bevestiging wel eens verzetten.

Over bevroren vleesch. (Über Gefrierfleisch. — P. Martell — Deutsche Schlachth.
Zeitung, 1928, pg. 150).

Terwijl gedurende den vooroorlogschen tijd de koelhuizen in de eerste plaats
dienden om het vleesch bij een temperatuur van -j- o°
C. te bewaren en weieens
sporadisch visschen, wild of gevogelte werden ingevroren, ging men naden oorlog
er meer toe over ook rund- en varkensvleesch in te vriezen.

Naar de meening van Martell is het bij het publiek nog steeds min of meer
bestaande vooroordeel tegen bevroren vleesch niet gemotiveerd, daar het bevroren
vleesch, mits goed behandeld, in geen geval minderwaardig is vergeleken met het
versehe vleesch. Van groot belang is het vooral, dat het ontdooien langzaam ge-
beurt, daar anders een belangrijk verlies aan vleeschsap ontstaat en het vleesch
er eenigszins onoogenlijk uit gaat zien.

De beste ontdooiingstemperatuur is gelegen bij 5—6° C. Een achterbout van
50—60 K
.G. heeft ongeveer 80 uren, een voorvoet van gelijk gewicht ongeveer
65 uur noodig 0111 geheel te ontdooien. Bij wijze van proef werd een rundervoet,
welke reeds 20 jaar in een vriesruimte was bewaard, ontdooit en onderzocht op
smaak enz. Deze bleek uitstekend te zijn. Het opnieuw bevriezen is af te raden.
Daardoor krijgt het vleesch minder waarde, terwijl tevens de houdbaarheid minder
wordt.

De verspreiding van echinococcosis bij den mensch in Bulgarije. (Über die Ver-
breitung der Echinokokkenkrankheit beim Menschen in Bulgarien.
— Prof. Mollow -
Seuchenbekämpfung, Jg. 4, pg. 178).

Zoo als te begrijpen staat de echinococcosis in een land in direct verband tot
de grootte der veestapel, d. w. z. hoe meer vee er in een land wordt gefokt, hoe
meer er onder de menschen echinococcosis voorkomt. Statistisch zou dit blijken
in verschillende landen, als Australië, Argentinië, TJsIand, Beieren, Hongarije,
enz. Behalve de omvang der veeteelt speelt de organisatie van den dienst der volks-
gezondheid een groote rol bij de verspreiding der echinococcosis. In Bulgarije
bevindt zich deze dienst nog in de kinderschoenen. AI staan de slachthuizen van
Sotia en van andere groote plaatsen onder het toezicht van den dienst der Vee-
artsenijkundige Politie, op het platteland slacht de boerenbevolking het vee zonder
eenige controle en gooit men de zieke organ< n voor de honden. De boerenbevolking
maakt in het geheel ongeveer 4/5 der totale bevolking uit.

Bij een dergelijken toestand is het niet te verwonderen, dat de ec.hinococ. zoowel
onder mensch als dier zeer veel voorkomt.

Volgens Pawlow, Directeur van de veterinaire afdeeling bij het Ministerie van
Landbouw, heeft een statistiek bij 8 abattoirs, waar een nauwkeurig onderzoek

-ocr page 1044-

op echinococcosis plaats vindt, aan het licht gebracht, dat 1/3 der runderen en
3/4 der schapen cchinococcusblazen herbergen. Prof.
Dikoff heeft in 1925 reeds
medegedeeld, dat 28J % der éénjarige lammeren, 41 % der oude schapen en 11 %
der oudere geiten aan echinococcosis lijden. Bij den mensch ziet men meestal de
cchinoccus polymorplms, de alveolaris is zeer zelden. Elke Bulgaarsche arts, die
bij een patiënt een ongelijkmatige leververgrooting aantreft, denkt aan echino-
coccosis. Wat frequentie betreft, staat de lever op de eerste plaats, de longen op
de tweede. Volgens ouderdom zijn de meeste menschen tusschen 21—30 jaar be-
smet.

Het gebruik van teerkurkplaten als isoleeringsmateriaal voor koelhuizen. (Zur

Frage der Verwendung von Tccrkorkplatten als I snlierungsmaterial in Kuhlkdusern.
— Bongert & Muchlinsky — Zeits. f. Eleisch- und Milchhyg., Jg. 39, pg. 144).

Het is bekend, dat bij den bouw van koelhuizen het gebruik van rcukafgevend
isoleermateriaal (als teerkurkplaten, teerpap) of dergelijke vloeistoffen (als car-
bolineum) voor het cönserveeren van hout tot groote moeilijkheden aanleiding
kan geven. Het is daarom aan te bevelen, zich bij de bouw van koelhuizen het
gebruik van niet reukafgevend isoleermateriaal schriftelijk door de uitvoerende
firma te laten garandeeren. Als bewijs hoe groot de moeilijkheden kunnen zijn en
men in sommige gevallen zelfs tot den bouw van een geheel nieuw koelhuis moet
overgaan, vermelden
Bongert en Muchlinsky liet verloop van een proces, waar-
bij de uitvoerende bouwfirma tot den bouw van een nieuw koelhuis moest over-
gaan, doordat teerpap gebruikt was.

Zij raden daarom aan, in voorkomende gevallen zich zelf steeds te overtuigen,
dat het isoleeringsmateriaal geen geur afgeeft, door zelf de volgende proef te
nemen.

Het te gebruiken materiaal wordt na voldoende verkleining in een kookkolf
met gedestilleerd water verhit en het destillaat opgevangen. Men kan dan de
gebruikelijke reactie met ijzerchloridoplossing of broomwater op phénol uitvoeren,
waarbij het aanwezig zijn van phénol door een blauwe verkleuring (ijzerchlorid)
of door een wit neerslag van broomphenol kenbaar wordt.

Vleeschbehandeling door middel van de bloedbaan. Amélioration des viandes
par voie sanguine.
— Dr. Gauducheau —- (Uit Mouvement sanitaire- Organe offi-
ciel du syndicat des médécins hygiénistes français.

Gauducheau deed op het 13de Congres d\'Hygiène op 21 Oct. 1928 mededeeling
van een methode van vlccschbewerking, welke door hem bij enkele proefdieren
is toegepast en vele perspectieven opent voor de vleeschbehandeling in de toe-
komst. Bij kleine proefdieren, als konijnen, schaap, gevogelte, spoot hij nl.,
nadat het betreffende dier door doorsnijding van de carotiden was doodgebloed
en men de aldus gemaakte openingen weer had dichtgebonden, verschillende vloei-
stoffen in het hart door middel van een injectiespuit.

Hij legt daartoe het betreffende dier op de rugzijde, verwijdert een gedeelte
van het sternum, zoodat het hart bloot komt en steekt dan de canule door de
hartspier tot in het lumen van de aorta. Alle verschillende bloedvaten aan de
basis van het hart onderbindt hij dan door een flinke ligatuur om de geheele liart-
basis, terwijl alleen de canule daarin open blijft. Daarna wordt dus de vloeistof
geinjicieerd. Wil men achtervoeten inspuiten, dan maakt men de art. iliaca vrij
en spuit daarin de vloeistof ; de vena onderbindt men, zoodra men er de vloeistof
ziet uitkomen.

Het is aldus mogelijk aan het vleesch verschillende stoffen toe te voegen, welke
daaraan een bepaalde smaak geven of een bepaalde kleur. Ook was het mogelijk
een verlangde huishoudelijke olie of boter in te spuiten. Na een dag wachten kan
men dan van een aldus geprepareerd dier bouillon trekken. Men krijgt dan niet
alleen een waterig extract, maar ook een oplossing van allerlei vitaminen of zouten
in het vet. Dergelijke bouillon is dus veel krachtiger.

Een andere mogelijkheid is, om door middel van deze bloedbaaninjectie een
bepaalde bacteriecultuur in te spuiten, waarvoor men dan vooral die bacteriën
zal nemen, die antagonisten zijn van de rottingsbacteriën.

-ocr page 1045-

Gauducheau heeft aldus bij een kip een zuivere cultuur van saccbaromyces
schimmel ingespoten en kreeg zoodoende een aromatische fermentatie van het
cadaver. Deze methode opent dus nog vele mogelijkheden.

De slijmwalvorming der paratyphusbacteriën. (Ein Beilrag zur Wallbildung der
Paratyphusbakterien.
— Erban — Zeitsch. f. Veterinärkunde, 1928, pg. 304).

Erban vestigt, aan de hand van een aantal zeer instruktieve photogrammen
van plaatculturen van de abortusbacillen van de merrie, de aandacht op de
groote beteekenis, die de slijmwalvorming bij de differentiatie van bakteriestam-
men uit de coli-typhusgroep vormt.

Bij een onderzochte abortusbacillenstam van de merrie vond Erban, dat zich
in het begin bij de slijmwalvorming afwisselend blauwe en witte zones vormden,
een verschijnsel, dat zich later niet meer herhaalde. De slijmwal scheen op de
Drigalskiplaten altijd diepblauw. Een slijmwalvorming ziet men, volgens
Erban,
bij alle pas geïsoleerde stammen van de paratyphusgroep, uitgezonderd bij het
Breslautype, schaapstammen en zekere vogelstammen.

Mag men bakteriepraeparaten gebruiken bij de verdelging van muizen en ratten
op abattoirs, vleeschwinkels, enz.?
(Gutachten darüber, ob die Anwendung von Bak-
terienpräparaten zur Vertilgung von Mausen und Ratten in Fleischereien und Schlacht-
höfen zugelassen werden kann oder ob derartige Präparate und gegebenenfalls welche
und aus welche Gründen Einzulässig sind.
— Dr. Haupt — Deutsche Schlachth.
Zeitung. Jg.
28, pg. 116, 128, 144, 163, 177 en 196).

Naar aanleiding van een uitvoerige studie over de toepassing van bakterie-
praeparaten bij de vernietiging van muizen en ratten, waarbij
Haupt tevens de
uitgebreide literatuur over dit onderwerp bespreekt, komt
Haupt tot de conclusie,
dat bakteriepraeparaten zoowel voor muizenvernietiging (dus bij gebruik van
de Löffer\'sche muizentyphusbacil) als voor rattenverdelging (met behulp van een
Gärtnerstam) in voedingsmiddelbedrijven en koelhuizen niet gebruikt mogen
worden, daar men deze verschillende bakteriën als identisch met de vleeschvcr-
giftigers moet beschouwen. Er bestaat z. i. geen methode om een onderscheiding
te maken tusschcn de menschpathogene en menschapathogene bacteriesoorten.

Overigens leent dit zeer uitgebreide artikel zich slecht voor een referaat. Voor
dengenen, die belang in het onderwerp stelt, zij een lezing van dit interessante
artikel aanbevolen.

De multipele spierbloedingen bij het varken. (Die Multiplen muskclblutungen beim
Schwein.
— Ziegler en Herrmann — Virchosis Archiv., 1929, pg. 270 en 734).

Ziegler en Herrmann deelcn in dit artikel een en ander mede over hun patho-
logisch-anatomische en histologische onderzoekingen over dit onderwerp.

Zooals in de literatuur reeds herhaaldelijk is beschreven, neemt men deze mul-
tipele spierbloedingen deels waar als ronde of puntvormige bloeduitstortingen,
deels als langwerpige, ellipsoïde en spoelvormige bloedingen, met een grootte
van I m.M. tot zelfs 1 c.M. lengte en gewoonlijk parallel verloopende met de spier-
fibrillcn. Zij worden vooral gevonden in het middenrif, bekken-, hals- en buikmus-
kulatuur. In het bijzonder ziet men ze bij varkens, zelden bij paard, rund, schaap
en hond. Op de slachthuizen te Dresden en Chemnitz vonden S. op de hoofd-
slachtdagen deze bloedingen bij 4,5 % der varkens, op stille slachtdagen bij 1,6 % —
2 % der geslachte varkens.

Bij een histologisch onderzoek van de betreffende spiergroepen kan men geen
enkele afwijking vinden van het gewone, normale, microscopisch beeld van de
musculatuur. In het bijzonder werd gelet op degeneratie verschijnselen der spier-
fibrillen, op verscheuringen, beleedigingen of degeneratieverschijnselen aan de
bloedvaten, enz.
Ziegler en Hermann konden niets daaromtrent vinden. De
bloedingen zouden dan ook, naar hun meening, per diapedesin, ontstaan.

Volgens hen moet men als oorzaak beschouwen een geweldige beleediging van
het zenuwstelsel, tengevolge van de bedwelming en een daarmee gepaard gaande
prikkeling van de vaatzenuwen en vaatcentra. De multipele spierbloedingen
moet men dus opvatten als capillaire diapedesisbloedingen, van neurogene (vaso-

-ocr page 1046-

motorische) aard. Bij een bcdwelmingsmethodc, waarbij de vaatzenuwen en de
nerveuze vaatccntra zoomin mogelijk geprikkeld worden, zou men deze spier-
bloedingen dus niet ontmoeten.

In een nawoord wordt er tenslotte nog op gewezen, dat de intusschcn verschenen
mededeeling van
IIock in het Zeits. f. Fl. und Milclihyg., waarin deze beweert,
dat de bloedingen door een bepaalde houding van het slachtpistool bij het bedwel-
men en door geoefende schutters vermeden kunnen worden, volkomen overeen-
stemt met de meening van
Ziegler cn Her.mann.

Schottmüllerinfectie bij menseh en dier. (Aus der Praxis der Paratyphusbe-
kampfung.
— Rimpan — Z. f. Hvg. und Infekt. Krankheiten, Bd. iio, pg. 48).

Tijdens een paratyphus Schottmiillercpidcmie, welke reeds verscheidene maan-
den in een plaatsje heerschte, werd in de veestal van een huisgezin, waar zieken
waren, een ernstig zieke koe aangetroffen. De koe had geaborteerd, evenals nog
een ander dier. Het bloedserum van beide dieren agglutineerde de Schottmiiiler-
bacillen positief. In dc melk der zieke koe werden herhaaldelijk Schottmiillerbacillen
gevonden.

Na slachting werden deze bacillen in alle organen aangetroffen. Rimpan ver-
moedt, dat de eigenaar die zelf het eerst ziek werd, op stal de dieren heeft besmet.

Dit geval zou weer een bewijs zijn van de bipathogeniteit der Schottmiiller-
bacillen voor mensch en dier. Het vinden van Scliotmüllerbacillen in het vleesch
bij vleeschvergiftigingcn rechtvaardigt derhalve niet tot de conclusies, dat een
postmortale infectie aanwezig is, die van den mensch afkomstig is.

De opvatting van Prof. Max Miiller over het paratyphusvraagstuk. (Der Para-
typhus und die (eitrig-jauchige) Blutvergiftung der Schlachttiere in gemeinfaszlichen
Darstellung.
— Prof. M. Muller — Deutsche Schlachthof-Zeitung, Jrg. 28, pg. 194).

In een korte samenvatting geeft Muli.er hier zijn opvatting weer over het para-
typhusvraagstuk en geeft hij aan, onder welken vorm de paratyphus der slacht-
dieren en de septicaemie-pyaemie in de wet behoorden te worden opgenomen.

1. Paratyphusinfectie der slachtdieren.

De paratyphusinfccties der slachtdieren zijn gedurende het leven en bij de
geslachte keuring moeilijk te herkennen. Zij worden door het nuttigen van vleesch
op den mensch overgebracht en kunnen dan de z.g. vleeschvergiftigingcn veroor-
zaken. Bij dc slachtdieren komen deze paratyphusinfecties zelden voor. De vleesch-
vergiftigingcn ontstaan aldus, dat het vleesch van met paratyphusbacillen besmette
dieren in rauwen of in onvoldoend toebereiden toestand genuttigd wordt.

De paratyphusbacillen dringen bij de slachtdieren meestal vanuit het maag-
darmkanaal het lichaam binnen. Dit binnendringen kan
zonder eenig merkbaar
ziekteverschijnsel
van het betreffende dier geschieden. Ook kunnen deze bacillen
weer uit het dierlijk lichaam onopgemerkt verdwijnen. In enkele organen, meer
in het bijzonder lever, milt, nieren, lymphklieren en beenmerg, blijven de bacillen
zeer langen tijd levensvatbaar en kunnen hier dan kleine, haardvormige weefsel-
veranderingen veroorzaken.

In andere gevallen worden de dieren bij het binnendringen van de bacillen
ernstig ziek, onder verschijnselen van hooge koorts en een algemeen onwel zijn, zoodat
meestal de eigenaar van het dier vreest, dat het zal sterven en men daarom tot
noodslachting overgaat. Bij het geslachte dier vertoonen de organen dan geen
enkel karakteristieke verandering. In vele gevallen vindt men een iets verhoogd
bloedgehalte van de organen en een lichte catarrh van de darmmucosa. Om de
vleeschvergiftigingsbacillen in zoo\'n geval aan te toonen is een bacteriologisch
vleeschonderzoek noodzakelijk.

Wat betreft de keuringsuitspraak vermeldt Muller, dat het geheele dier wordt
afgekeurd, als zoowel in vleesch als organen de paratyphusbacillen worden aange-
troffen. Vindt men alleen in de organen de bacillen, dan zou men het vleesch
voorwaardelijk moeten goedkeuren (koken of steriliseeren) en de organen afkeuren.

2) Septicaemie-pyaemie der slachtdieren.

Als septicaemie-pyaemie zou men bij de geslachte dieren moeten verstaan

-ocr page 1047-

ziekelijke toestanden van organen en vleesch, welke hun oorzaak vinden in een
verontreiniging van wonden of wondvlakten met verschillende bacillen. Een bij-
zonder gunstige gelegenheid voor het tot stand komen van een dergelijke infectie
bestaat er bij een open of nog niet geheel genezen navel der pasgeboren dieren,
bij het wonde oppervlak der baarmoeder, bij castratiewonden, verwondingen der
huid, uier, gewrichten, pcesscheden, klauwen en hoeven.

Bij runderen treedt deze infectie verder vooral op in aansluiting aan een ont-
steking der netmaag en andere organen tengevolge van een scherp voorwerp,
waarbij peritonitis, pleuritis, pericarditis, pneumonie kunnen optreden en absces-
vorming in verschillende organen (milt, lever, longen, nieren).

Al naarmate de binnengedrongen bacteriën een pyaemisch of een scpticaemisch
karakter aan de infectie geven, ziet men min of meer duidelijk het beeld van
pyaemie of septicaemie.

Bij een zeer ernstige infectie zijn zoowel de organen als de musculatuur ver-
anderd. Het vleesch wordt bleekrood, murw (Fieberfleisch) ; hartspier gedegene-
reerd ; lever vast, gezwollen, breekbaar ; nieren bleek .gezwollen, met kleine bloe-
dingen ; milt gezwollen en slap. Soms ook op cpicard en cndocard bloedingen,
evenals onder de serosac. Lymphklieren, vooral die bij de infectiepoort, gezwollen
en saprijk. Blijft het proces meer locaal beperkt tot de porte d\'entrée, dan ziet men
plaatselijk zwellingen, die weer kunnen verdwijnen of tot abscesscn worden.

Bij algemeene macroscopische veranderingen van vleesch en organen is het
gcheele dier af te keuren. Verder is voor de beoordeeling het resultaat af te wachten
van het bacteriologisch onderzoek van organen cn vleesch, alsmede de lioudbaar-
heidsproef.

Is alleen het vleesch steriel, en de organen niet, dan is het vleesch „minder-
wertig", moet op den vrijbank verkocht worden, terwijl de organen afgekeurd
worden.

Hoe duidelijker het sectiebeeld wijst op pyaemie of septicaemie, hoe minder
kans er bestaat, dat een infectie met paratyphusbacillen in het spel is.

Een nieuwe hypothese over het ontstaan van vleeschvergiftigerssepticaemiën bij
de dieren. (
Primäre und sekundäre Krankheitserscheinungen beim Vorkommen von
Fleischvergijtern bei Tieren.
— Dr. Ii. Lehr — Tierärztl. Rundschau, Jg. 35, pg. 189).

Lehr deelt in dit artikel een geheel aparte opvatting mede over het ontstaan
der vleeschvergiftigerssepticaemiën bij onze huisdieren, volgt hierbij min of meer
het voetspoor van
Max Müller.

Naar Lehr schrijft, is de bestaande onzekerheid in de epidemiologie der vleesch-
vergiftigingen grootendeels het gevolg van de groote moeilijkheid een klinische
en pathologisch-anatomische diagnose te stellen van een aanwezige vleeschvcr-
giftigers-septicaemie. Aan de hand van eigen waarnemingen (104 paratyphus-
gevallen bij verschillende dieren, waarvan vleesch- en orgaanmonsters ter onder-
zoek waren opgestuurd naar het „Staatliche Veterinär-Untersuchungsamt" te
Potsdam) en van literatuurstudie meent
Lehr, dat men het voorkomen van cn-
teritisbacillen
(G.ïrtner en Breslau) bij onze huisdieren in een groot aantal
schijnbaar zeer uiteenloopende ziekten (als tetanus, traum. pericarditis, leukaemic,
enz.) voor het grootste gedeelte niet moet beschouwen als een min of meer toevallig
samengaan van deze vlceschvergiftigingsbacillen met de diverse ziekten, maar dat
men het vinden van deze bacillen moet beschouwen als het gevolg van een oor-
spronkelijk zelfstandige infectie met de betreffende bacillen.

Voor zoover men uit het aanwezige materiaal een conclusie kan trekken, moet
men z. i. de zaak zoo opvatten, dat alle gevallen, waarbij het bacteriologisch
vleeschonderzoek, van een om welke ziekte ook in nood geslacht dier, enteritis-
bacillen aantoonde, het gevolg zijn van een aanwezige origineele infectie met deze
bacillen. Men moet elus de infectie met de enteritisbacillen als primair beschouwen,
terwijl de tot noodslachting aanleiding gevende ziekte secundair is. Wat ons echter
een verkeerd inzicht in het vraagstuk der vleeschvergiftigerssepticaemiën heeft

-ocr page 1048-

gegeven is het feit, dat de symptomen van de secundaire ziekte de overhand krijgen
en de verschijnselen van de primaire ziekte min of meer verdoezelen.

Klinisch zijn deze infecties met enteritisbacillen bij de dieren in de eerste
plaats gekenmerkt door
met koorts verloopende darmontstekingen, waarbij de symp-
tomen kunnen varieeren van nauwelijks merkbaar (catarrh) tot zeer ernstig
(haemorrhagisch) verder door meer of minder
ernstige longaandoeningen, terwijl
dikwijls in het verloop der ziekte ook
abortus schijnt op te treden ; dus zouden
vooral verschijnselen van de zijde der baarmoeder worden aangetroffen. Behalve
deze 3 organen (darm, long en baarmoeder) kan het ook voorkomen, dat nog andere
organen speciaal door de vleeschvergiftigers worden aangetast.

Pathologisch-anatomisch ziet men bij een zorgvuldig en minitieus uitgevoerde
sectie, naast de locale veranderingen aan darm, longen of baarmoeder, min of meer
het beeld van een septicaemie, welk beeld natuurlijk, al naar den duur en de uit-
gebreidheid van het proces, min of meer karakteristiek zal zijn. Volgens de tot
heden opgedane ervaringen schijnen deze septicaemiën dikwijls een sleepend ver-
loop aan te nemen.

Als bewijs van zijn theorie geeft Lehr in een tabel zijn onderzoekingen weer
bij 104 gevallen van paratypliosis, welke tabel ik hierachter afdruk.

De meening van Standfuss over de paratyphusinfecties. (Bemerkungen zu vor-
stehenden Arbeit.
— Dr. Standfuss — Tierärztl. Rundschau, Jg. 35, pg. 194).

In verband met het boven gerefereerd artikel van Lehr over de „Primäre und
Sekundäre Krankheitserscheinungen beim Vorkommen von Fleischvergiftern
bei Tieren" verklaart
Standfuss dat, al is dit artikel volgens het opschrift, een
publicatie van het „Staatliche Vcterinär-Untcrsuchungsamt", waarvan hijzelf
directeur is en
Lehr destijds assistent, hij het met de opvatting van Lehr absoluut
niet eens is.

Volgens zijne opvatting kunnen de vleeschvergiftigers — dus de enteritisbacillen
van de groep
gärtner en Breslau — slechts onder bepaalde bijzondere voor-
waarden ziekten veroorzaken bij mensch en dier. Hij noemt deze bacillen dienten-
gevolge „
bedingt krankmachend" (in zijn monographie Bakt. Fleischbeschau).

Voor den mensch zouden deze voorwaarden hierin bestaan, dat deze bacillen
dan slechts giftig werken, als zij of hunne giften in een groot aantal worden opge-
nomen. Uit een opname van slechts een gering aantal der genoemde bacillen komt
z. i. geen vleeschvergiftiging tot stand.

Als de vleeschvergiftigers zelfs in een minimale hoeveelheid gevaarlijk zouden
zijn voor elen mensch, elan zou uit elke vleeschvergiftiging, niettegenstaande onze
bestrijdingsmaatregelen, z. i. noodzakelijk een niet te stuiten epidemie moeten
geboren worden.

Bij de dieren bestaan de bijzondere voorwaarden hierin, dat eerst een ,,cauza
praedisponens"
aanwezig moet zijn, waarna de vleeschvergiftigingsbacillen als
,,causa coincidens" een septicaemie kunnen veroorzaken. Eerst door het tezamen
werken van deze beide factoren ontstaat pas de vleeschvergiftigerssepticaemie.
Elke factor alleen is daartoe niet in staat. Bij de vleeschvergiftigers is dus, volgens
Standfuss, de praeelisponeerende ziekte beslist noodzakelijk, wil een infectie
tot stand komen. Dit in tegenstelling met vele andere infectieziekten, als miltvuur,
enz., waar het praedisponeerend element de zaak gunstig beinvloedt, hoewel daarbij
ook zonder deze factor de ziekte tot stand komt.

Behalve deze „bedingt krankmachende Enteritis-Bakterien" heeft men volgens
Standfuss, ook nog ,,ausgesprochene Krankheitserreger" onder deze bacterie-
soorten. Hiertoe behoort de abortusbacil van de merrie, de bacil der kalverpara-
typhosis, enz. Deze soorten zijn tot dusver juist apathogeen voor den mensch ge-
bleken.

Als een bewijs van zijn opvatting van het saprophytisch binnendringen van de
vleeschvergiftigers onder invloed van een praedisponeerende factor noemt
Stand-
fuss
ele bekende paratyphusvondst bij muizen, die met gezond vleesch gevoerderd
worden.
 de Graaf.

-ocr page 1049-

Diersoort
en

soort bacil.

Ziekten met
uitsluitend septic,
karakter.

Ziekten met uit-
sluitend darm-
aandoeningen.

Ziekten in aan-
sluiting aan
verlossing of abortus

Pneumonie.

Tuberculose. 1

Kalf. Bac. ent.

Gärtner
25-

/tegelijk darmaand. 13
22 ; .. Ion gaand. 5
1 meermalen ziekte
( op dezelfde hoeve
4

3-

met I X peri-
tonitis.

Kalf. Bac. ent.

Breslau
li.

l tegelijk darmaand. 4
g ) ,, longaand. 1
) ziekte op dezelfde
( hoeve
3

3-

Rund. Gärtner
20.

1 tegelijk darmaand. 8
\\ ,, abortus of
13 . vroeggeboorte
2
/ ziekte op dezelfde
\\ hoeve
3

3-

i i x abortus
4 \' 2 X abn. verloss.
\' i x geboorte.

Rund Breslau
26.

/ tegelijk darmaand. 5
k ,, pneumonie 1
13 \' ,, peric. traum.i
1 meermalen ziekte
, op dezelfde hoeve
2

6.

1 met I x perito-
\\ ritis

door vreemd
I voorwerp met
I X abortus.

J 2 X abortus
^ 1 1 X geboorte

2

I

Paard. Gärtner
2.

2.

Paard. Breslau
>5-

\\ tegelijk darmaand. 1
3 £ ,, abortus 1
\' ,, pneumonie 1

9-

f meestal koliek of
(haem. enteritis

3

Patf>ïZ.SciIOTMÜLLER
2.

2.

Varken Gärtner
i.

i

tegelijk

met
varkens-
pest.

Varken. Breslau
i.

i.

tegelijk met vlek-
ziekte

Schaap Gärtner
i.

i.

Totaal 104

gevallen

59

waaronder in 12 gevallen
meermalen dezelfde infcc-
fectie in dezelfde veestal.

29

S

6

i

-ocr page 1050-

Uit de Veterinaire Afd. van het Centraal Laboratorium. Hoofd: Dr. H. S. FRENKEL.

OVER DE WAARDE VAN NIEUWERE METHODEN TOT
KWEEKEN VAN TUBERKELBACILLEN
VOOR DE VETERINAIRE PATHOLOGIE,

door

Dr. A. CLARENBURG, Bacterioloog.

LITERATUUR.

Het kweeken van tuberkelbacillen uit verontreinigd materiaal is ten zeerste
bevorderd door de vinding van
Ernst Löwenstein, die een sterke resistentie aan-
toonde van deze bacteriën tegenover zwavelzuur en kaliloog. Door
Sumyoshi
werd in 1924 een methode gepubliceerd, om tuberkelbacillen uit sputum te culti-
veeren, welke op deze verminderde zuurgevoeligheid berustte. Zijn werkwijze kwam
in het kort hierop neer ; 200 cm3, sputum werden vermengd met 10 cm3. 15 %
zwavelzuur. Na een inwerking van dit zuur gedurende een half uur, werd de sus-
pensie gecentrifugeerd, de bovenstaande vloeistof afgegoten, en het sediment
2 maal met 0.85 % keukenzoutoplossing gewasschen. Het sediment werd nu op
speciale voedingsbodems uitgestreken, waarbij schrijver vooral het gebruik van
glycerine-aardappel aanbeval.
Löwenstein kon met behulp der cultureele methode
verschillende tuberkelbacillenstammen kweeken, welke niet pathogeen voor caviae
bleken te zijn. Bovendien werden meermalen vogeltuberkelbacillen uit materiaal,
afkomstig van den mensch, gecultiveerd. Bij latere onderzoekingen werden ook
eivoedingsbodems gebruikt.

Door Pesch en Simchowitz werd met goed resultaat gebruik gemaakt van
1/10 deel der bovengenoemde hoeveelheden. Zij vermengden 20 cm3, sputum
met
i cm3. 20 % zwavelzuur. Suranyi en Putnoky onderzochten 150 sputa, waar-
bij zij van elk monster een gedeelte met de 5-voudige hoeveelheid 25 % zwavel-
zuur en de rest met 5 maal de hoeveelheid 25 % zoutzuur vermengden. Zij lieten
deze zuren gedurende 10, 15. 20, 30 en 40 minuten inwerken. Het meermalen ge-
wasschen sediment werd op eibodems uitgestreken. De beste resultaten werden
verkregen met 25 % zoutzuur en wel bij een inwerkingsduur van 15 minuten.

fn 1924 begon Hoiin zijn onderzoekingen op dit gebied, waarvan de resultaten
2 jaar later werden gepubliceerd. Belangrijke verbeteringen werden door hem
aangebracht, waardoor de methode aanzienlijk werd vereenvoudigd en gemakke-
lijker in de praktijk kon worden toegepast.
Hoiin merkte op, dat door het wasschen
van het sediment vele verontreinigingen optraden. Daarom ging hij er toe over
ongewasschen sediment op de voedingsbodems uit te strijken, waardoor veel betere
resultaten werden bereikt. Ook de voedingsbodem werd door hem gewijzigd. Met
glycerine-aardappel kreeg hij slechte uitkomsten, daarentegen belangrijk betere
met den eibodem volgens
Lubenau.

Toch gaven ook op dezen voedingsbodem verschillende sputa, die bij microsco-
pisch onderzoek tuberkelbacillen bleken te bevatten, geen groei van deze bacillen
te zien.
Hohn paste nu een andere bereidingswijze voor dit voedingsmedium toe,
waarvan hij een nauwkeurige beschrijving geeft \') Bij het onderzoek van 62
sputa verkreeg hij nu in alle gevallen een positief resultaat. Zwavelzuur bleek een
uitstekend middel om de begeleidende micro-organismen te dooden, met zout-
zuur en salpeterzuur werden minder goede uitkomsten bereikt. Wat de sterkte
van het te gebruiken zwavelzuur betreft, deze bedroeg bij het kweeken uit sputum
en etter 10 volumen procent, daarentegen bij sterk verontreinigd materiaal, zooals
urine en faeces, 12 procent.

\') Müncli. Med. Wochenschr. 1926, Nr. 51, blz. 2162.
LVI

-ocr page 1051-

De weelderigste en snelste groei werd bij het gebruik van 2 % zwavelzuur ge-
zien, echter bestond hierbij het gevaar, dat de culturen verontreinigd werden,
De inwerkingsduur Van deze zuren was bij het onderzoek van sputum en etter
20 minuten en bij sterker verontreinigd materiaal 30 minuten. Het onderzoekings-
materiaal en de zuuroplossing werden in bepaalde buisjes samengebracht, terwijl
af en toe geschud werd. Hierna werd het mengsel gedurende 5 min. gecentrifu-
geerd en het zure sediment, ongewasschen op 3 a 4 eivoedingsbodems uitgestreken.

Bij het onderzoek van sputum traden na gemiddeld 10.5 dag met de loupe
zichtbare koloniën op. De kortste tijd, waarbinnen groei zichtbaar was, bedroeg
8, de langste 27 dagen. Bij het onderzoek van 68 monsters etter kon hij in 39 ge-
vallen (57 %), waarbij in het microscopisch preparaat geen tuberkelbacillen wer-
den gezien, deze bacillen in de culturen aantoonen. Ook met urineonderzoek ver-
kreeg hij schitterende resultaten. Bij dit materiaal trad de groei iets later op en
wel gemiddeld na 16,3 dagen. Eveneens kon hij 5 maal uit faeces een cultuur van
tuberkelbacillen verkrijgen. Het gelukte evenwel niet bij alle faeces-monsters de
begeleidende bacteriën te dooden.
Hohn acht deze kweekmethode ook van belang
voor de humane, zoowel als voor de veterinaire pathologische anatomie. De tech-
niek is dan iets gewijzigd. Het sectiemateriaal wordt met behulp van steriele
instrumenten fijn verdeeld en ^ 2 cm3, hiervan in het schudbuisje gebracht.
Nu worden 2 cm3. 10 % zwavelzuur toegevoegd en met een glazen staaf het weefsel
tot een brij verwreven, waarna nog 8 cm3, zuur wordt bijgemengd. De behande-
ling is nu verder als bij het onderzoek van etter. Uit 23 organen afkomstig van
den mensch kon in alle gevallen een tuberkelbacillencultuur worden verkregen.
Hiertoe behoorde een longaandoening, waarbij histologisch de diagnose tuber-
culose niet kon worden gesteld. Ook uit het veterinaire materiaal konden tuberkel-
bacillen worden gekweekt. In het geheel werden 20 organen, afkomstig van run-
deren en varkens, en voornamelijk bestaande uit lymphklieren, (13 maal rund,
4 maal varken) onderzocht.

In tegenstelling met het typus humanus, groeiden de bovine tuberkelbacillen
buitengewoon langzaam en spaarzaam. De kortste tijd, waarbinnen groei optrad,
bedroeg 28, de langste tijd 64 dagen, terwijl een gemiddelde tijdsduur van 43
dagen werd vastgesteld.

Het gelukte Hohn niet om met zijn methode tuberkelbacillen uit melk te kwee-
ken. Bij het onderzoek van 16 monsters werd geen enkel positief resultaat bereikt.
De groote moeilijkheid was, dat de begeleidende bacteriën niet door de inwerking
van het zwavelzuur werden gedood. Van de 91 gebruikte eivoedingsbodems ble-
ken 65 te zijn verontreinigd ; de overige 26 bleven steriel. Van 6 monsters waren
alle geënte voedingsbodems door begeleidende kiemen overgroeid.

Hohn beschouwt het vraagstuk der cultiveering van tuberkelbacillen als te
zijn opgelost. Het cultureel aantoonen van deze bacillen in ontstekingsproducten,
ook al zijn deze verontreinigd, behoort volgens hem tot de eenvoudigste en zeker-
ste methoden in de bacteriologie.

De mededeelingen van Hohn zijn hier eenigszins uitvoerig weergegeven, aan-
gezien deze het uitgangspunt vormen van de hierna verrichte onderzoekingen,
waarbij zijn bevindingen in hoofdzaak werden bevestigd.

Algemeen erkent men, dat met behulp van de cultureele methode in materiaal
van zeer verschillende herkomst (sputum, urine, etter, lumbaalvloeistof, patholo-
gisch-anatoinisch materiaal) tuberkelbacillen kunnen worden aangetoond in ge-
vallen, waarbij dit met het bacterioscopisch onderzoek niet mogelijk is. Verschil-
lende onderzoekingen werden verricht met andere voorbehandelingsmiddelen
en voedingsbodems dan door
Hohn waren aanbevolen, terwijl enkele onderzoekers
een vergelijkend onderzoek met de caviaproef instelden.

Voorbehandelingsmiddel.

Erika Hermann vergeleek de werking van zwavelzuur met die van antiformine
en verkreeg na de vóórbehandeling met antiformine 50 % betere resultaten.

Kurt Meyer is van meening, dat de antiformine-methode gelijkwaardig is met

-ocr page 1052-

de zwavelzuur-methode, Matthies daarentegen verkoos de zwavelzuur-vóór-
behandeling boven die met antiformine.

Sonnenschein vermeldt uitnemende resultaten na gebruik van 10—12 gewicht-
procent zwavelzuur.

Hohn deelt naar aanleiding dezer publicatie mede dat hij bij het onderzoek van
10 monsters etter ongeveer dezelfde gunstige uitkomsten kreeg wanneer hij het
materiaal met 5, in plaats van met 10 volumenprocent zwavelzuur voorbehandelde.

Schrader vindt vooral bij onderzoek van materiaal, dat weinig tuberkelbacillen
bevat, de voorbehandeling met 10—20 volumen % zoutzuur beter dan die met
zwavelzuuroplossingen van dezelfde concentratie.

Korthof werkte aanvankelijk met 2 N. zwavelzuur, doch kwam via 1 N tot 0.5 N-
oplossing, met welke zwakkere concentratie betere resultaten werden bereikt.

Huck en Walther vergeleken de werking van 10 % zwavelzuur met die van
15 % antiformine en chroomzuur 1 : 500. Met eerstgenoemde vloeistof kregen zij
de beste resultaten.

Blechmann verrichtte onderzoekingen met zwavelzuur, zoutzuur, natronloog
en antiformine. Het beste voldeed natronloog.

Stefania Lichtenstein onderzocht de werking van antiformine, zwavelzuur
en zoutzuur. Met zoutzuur werden de beste resultaten verkregen.

Voedingsbodems.

Schrader beveelt het gebruik van glycerine-aardappel aan boven dat van de
eibodems van
Lubenau. Löwenstein werkte aanvankelijk eveneens met glycerine-
aardappel, doch gebruikte later met succes den eivocdingsbodem
; Korthof ver-
kreeg de beste uitkomsten met de vloeistof van
Besredka. Hij voegde aan dezen
voedingsbodem een buffermengsel toe, waardoor minder last van stolling werd
ondervonden. In dezen voedingsbodem kwamen minder verontreinlgngen voor dan
op dien van
Lubenau. Aangezien het microscopisch onderzoek alleen met de
BESREDKAvloeistof werd ingesteld, is uit deze proefnemingen niet af te leiden, met
welken voedingsbodem de snelste groei wordt verkregen.

Zeer goede resultaten werden door verschillende onderzoekers met den voedings-
bodem van
Petragnani verkregen, waarvan de samenstelling in 1926 was gepu-
bliceerd.
(Petragnani, Blechmann, Stefania Lichtenstein, Bertrand).
Bij een vergelijking van dezen voedingsbodem met dien van Petroff, Dorset,
Lubenau
en Besredka voldeed die van Petragnani het best.

Vergelijking met caviaproef.

Schmidt vond bij het onderzoek van 40 microscopisch negatieve sputa, 11 maal
de caviaproef positief, terwijl met de cultuurproef slechts 6 maal tuberkelbacillen
werden gevonden.
Sütterlin verrichtte 157 onderzoekingen, waarbij met behulp
van de caviaproef 11 maal tuberkelbacillen werden aangetoond in gevallen, waarbij
het cultureele onderzoek negatief was. Beide onderzoekers vermelden 1 geval,
waarbij cultureel tuberkelbacillen werden gevonden, terwijl de caviaproef negatief
was. In dergelijke gevallen moet m i. worden gedacht aan de mogelijkheid, dat
dc tuberkelbacillen ongelijkmatig in het onderzoekings-materiaal waren verdeeld.

Volgens Kurt Meyer komt bij de beoordeeling der cultuur een verwisseling
met saprophytisclie zuurvaste bacillen nauwelijks in aanmerking. Ter verkrijging
van zekerheid kan men van de verdachte koloniën afenten op agar, waarop,
in
geval niet-pathogene zuurvaste staafjes in het spel zijn, bij kamertemperatuur
snelle groei optreedt.

Tuberculeuze dierlijke organen.

De onderzoekingen, welke Hohn hiermede verrichtte, werden reeds vermeld,
Seeleman en Klingmüli.er onderzochten, behalve 29 caviaorganen, nog 6 runder-
organen en i kippenlever. Het microscopisch onderzoek was 16 maal negatief, de
cultuurproef in alle gevallen positief. De bovine tuberkelbacillen gaven na 30—66
dagen groei te zien.

Huck en Walther konden uit 72 organen van sterk tuberculeuze slachtdieren
in 72
% der onderzochte gevallen een cultuur van tuberkelbacillen verkrijgen. In

-ocr page 1053-

uitstrijkpreparaten der voedingsbodems kon na 4—25 dagen groei worden gezien,
terwijl na 25—60 dagen (in 2 gevallen na 15 dagen) de koloniën macroscopisch
zichtbaar waren.
Bertrand onderzocht organen van kleine huisdieren, waaruit
hij na 15—23 dagen een tuberkelbacillencultuur verkreeg, ook in enkele gevallen,
waarbij het bacterioscopisch onderzoek negatief was. Eveneens gelukte het hem
uit 6 tuberculeuze lymphklieren van slachtdieren afkomstig, tuberkelbacillen te
kweeken. Bij het onderzoek van 20 organen, die in staat van bederf verkeerden,
en voor een groot deel met schimmels bedekt waren, gelukte dit slechts 2 maal.

Melk.

Zooals reeds gemeld, verkreeg Hohn bij het onderzoek van 16 melkmonsters
geen enkel positief resultaat.
Engel kon in melk, welke met een tuberkelbacillen-
cultuur was besmet, de tuberkelbacillen cultureel aantoonen.
Seeleman en Kling-
müller
onderzochten 5 monsters melk afkomstig van dieren, die aan tuberculeuze
mastitis lijdende waren, en konden in 4 gevallen na 54—60 dagen een cultuur van
tuberkelbacillen verkrijgen. Eveneens kweekten zij tuberkelbacillen uit 4 monsters
melk, welke kunstmatig waren besmet.
Bertrand verkreeg, bij het onderzoek
van 6 monsters melk, waarin microscopisch tuberkelbacillen waren aan te toonen.
na 20—30 dagen een reincultuur van deze bacillen, in 10 microscopisch negatieve
melkmonsters gelukte dit 2 maal.

Runder sputum.

Hiermede zijn alleen onderzoekingen verricht door Seelemann en Kling-
müller,
aan wie het niet mocht gelukken tuberkelbacillen langs cultureelen weg
hierin aan te toonen. Zij onderzochten 6 monsters rundersputum, bij welk onder-
zoek de voedingsbodems steeds door sporevormende micro-organismen werden
verontieinigd, hoewel 10 en 20 vol. % zwavelzuur en zoutzuur bij de voorbehan-
deling waren gebruikt.

EIGEN ONDERZOEK.

Organen en vleesch van tuberculose dieren.

Organen.

Aangezien door Löwenstein een verhoogde resistentie van
tuberkelbacillen, zoowel tegenover zwavelzuur als kaliloog was
aangetoond, werden beide vloeistoffen als voorbehandelings-
middel gebruikt. Het was van belang na ta gaan, welke sterkte van
het zuur, eventueel van het loog, de beste resultaten zou geven.
Daarom werden 2 N, ij N, 1 N, i X en J/10 N dezer beide vloei-
stoffen aangewend.

De wijze, waarop het onderzoek werd uitgevoerd, was als volgt:
Ongeveer 20 gram van het tuberculeuze orgaan werd in een ste-
rielen mortier met behulp van een steriele schaar en pincet zoo fijn
mogelijk verdeeld. Vervolgens werden enkele cm3 physiologisch
keukenzout-oplossing toegevoegd en het mengsel met een sterielen
stamper tot een brij gemaakt. Indien de verdeeling niet fijn genoeg
kon geschieden, werd de massa door een steriel gaas gefiltreerd.
De verkregen suspensie werd nu over 10 steriele fleschjes van 30—-50
cm3 inhoud verdeeld, in elk waarvan 10 cm3 zwavelzuur- resp.
kaliloogoplossing van verschillende normaliteit aanwezig was. De
fleschjes werden vervolgens in een schudapparaat gebracht en ge-
durende 20 min. geschud. Dit schudden dient niet met te groote
kracht te geschieden, aangezien hierdoor weefseldeeltjes naar boven

-ocr page 1054-

kunnen worden geslingerd, welke dan niet meer met de vloeistof
in aanraking komen. Verschillende malen werd van het schudappa-
raat geen gebruik gemaakt, doch werden de fleschjes met de hand
eenige keeren geschud. Wanneer het materiaal fijn genoeg verdeeld
was, kon, zooals door een vergelijkend onderzoek werd aange-
toond, met deze bewerking worden volstaan. Na het schudden
werd de inhoud der fleschjes in steriele centrifugebuizen overge-
goten en gedurende
5 min. gecentrifugeerd (2000 a 3000 omwen-
telingen per minuut). De bovenstaande vloeistof werd nu afge-
schonken, waarna de buizen gedurende korten tijd omgekeerd
op de wattenprop werden geplaatst, om de achtergebleven druppels
zooveel mogelijk te laten wegvloeien. Vervolgens werd het sediment
uit elk buisje op
3 a 4 eivoedingsbodems volgens Lubexau en in
3 a 4 buisjes BESREDKAvloeistof geënt. De LuBENAubodems waren
bereid volgens het voorschrift van
Hohn, alleen met dit verschil,
dat geen kunstmatige condensatievloeistof werd toegevoegd. Ten-
einde het stollen der
Besredkavloeistof na toevoeging van het zure
sediment zooveel mogelijk tegen te gaan, werd aan dit voedings-
medium voor het gebruik een buffermengsel volgens het voorschrift
van
Korthof toegevoegd. Alle cultuurbuizen werden met een
gummistop afgesloten. I)e geënte voedingsbodems werden in een
broedstoof bij
370 C. geplaatst.

Op verschillende tijden, te beginnen na 4 dagen, werden van de
LuBENAtibodems uitstrijkpreparaten, gekleurd volgens
Ziehl-
Nielsen,
onderzocht. De buizen met BESREDKAvloeistof werden
als regel om de week gecentrifugeerd, waarna het sediment op
dezelfde wijze microscopisch werd nagezien.

Op deze wijze werden onderzocht : 2 lymphklieren, 2 longen en
2 uiers van het rund, 2 milten van het paard, 2 maal milt en lever
van het varken en tenslotte
2 maal milt en lever van de kip. Al deze
organen vertoonden uitgebreide tuberculeuze veranderingen en
behalve in een der runderlymphklieren en in een der gevallen waarbij
varkensmateriaal werd onderzocht, konden de tuberkelbacillen
gemakkelijk in uitstrijkpreparaten worden aangetoond. Vooral
de organen der kippen en de milten der paarden waren als ge-
woonlijk rijk aan tuberkelbacillen.

Met zwavelzuur als voorbehandelingsmiddel werden veel betere resul-
taten verkregen dan met kaliloog.
Wanneer de laatste vloeistof werd
gebruikt, was de groei der tuberkelbacillen veel kariger, terwijl
bovendien in sterkere mate verontreiniging der voedingsbodems
werd waargenomen. Om deze redenen werd na enkele onderzoe-
kingen het kaliloog als voorbehandelingsmiddel uitgeschakeld.

Na inwerking van het zwavelzuur gelukte het in 10 van de 12
onderzochte gevallen een cultuur van tuberkelbacillen te verkrijgen.
Een long en een lymphklier, afkomstig van het rund, waren bij
het onderzoek verscheidene dagen oud, terwijl bovendien vele

-ocr page 1055-

insnijdingen waren aangebracht. Hierdoor was een sterke veront-
reiniging opgetreden, tengevolge waarvan alle geënte voedings-
bodems met bacteriën, doch ook met schimmels en gistcellen over-
woekerd werden. Deze bevinding komt overeen met die van
Bert-
rand,
die zelfs bij gebruik van 10 vol. % zwavelzuur, in oud en
sterk verontreinigd materiaal, deze overgroeiing der voedings-
bodems niet kon opheffen.

Hoewel in de overige 10 gevallen een cultuur van tuberkelbacillen
werd verkregen, was zulks toch niet op of in- alle gebruikte voedings-
bodems het geval. Afhangend van den graad der verontreiniging
van het onderzochte materiaal waren vaak meerdere bodems door be-
geleidende micro-organismen overgroeid. Het spreekt vanzelf dat dit
het sterkst werd waargenomen na de inwerking van het zwakste zuur.
Indien verontreiniging slechts in geringe mate was opgetreden,
konden in uitstrijkpreparaten der culturen de tuberkelbacillen vrij
gemakkelijk worden aangetoond. Dit onderzoek werd echter be-
moeilijkt, indien saprophytische zuurvaste bacillen bij deze veront-
reiniging aanwezig waren. Dit bezwaar werd echter in veel sterker
mate bij het onderzoek van melk en vooral van sputa ondervonden.
Hierop zal dan ook bij de bespreking van de resultaten, bij het
onderzoek van dit materiaal verkregen, worden teruggekomen.

In tegenstelling met de resultaten, welke na onderzoek van ma-
teriaal, besmet met humane tuberkelbacillen, in de literatuur
worden vermeld, waarbij als regel een snelle groei wordt opgegeven,
werd bij het onderzoek van dierlijke weefsels over het algemeen
slechts een zeer langzame groei waargenomen. Bij het
microscopisch
onderzoek der culturen werd na verloop van 4—28 dagen een ver-
meerdering der tuberkelbacillen gezien. Deze lagen dan in kleinere
en grootere groepen bijeen, vertoonden over het algemeen een
sterke korreling, terwijl vaak een verminderde zuurvastheid kon wor-
den opgemerkt. Wanneer het materiaal, dat van de voedingsbodems
werd verkregen, met een druppel
1 N. kaliloog werd vermengd, kon
meermalen een verhoogde zuurvastheid worden vastgesteld. Zelfs
gebeurde het, dat in uitstrijkpreparaten, welke op deze manier
werden vervaardigd, tuberkelbacillen werden gezien, waar zulks
in de uitstrijkpreparaten zonder kaliloog niet het geval was.

Bij het microscopisch onderzoek der culturen bleek, dat zelfs na
10—20 dagen vaak slechts zeer kleine groepjes tuberkelbacillen waren
gevormd,
die alleen bij zeer sterke vergrooting (olieimmersie) na
kleuring volgens
Ziehl-Nielsen, konden worden waargenomen
Werd dit onderzoek na eenigen tijd herhaald, dan werden reeds
met zwakke vergrooting de roode kluitjes tuberkelbacillen gezien

Macroscopisch waren kolonies eerst na 30—60 dagen zichtbaar.
Deze waren van zeer klein tot speldeknop groot, geel tot grijswit
van kleur en hadden een zeer wisselende consistentie.

Een snelleren groei vertoonden de vogeltuberkelbacillen uit kippen-

-ocr page 1056-

organen gekweekt. Alle voedingsbodems met dit materiaal geënt,
gaven bij
microscopisch onderzoek, reeds.na 4 dagen duidelijken
groei te zien, terwijl na 10—12
dagen fijne koloniën met het bloote
oog konden worden opgemerkt. Deze koloniën vertoonden een
sterke neiging tot confluentie, zoodat een zeer fijn geelwit beslag
gevormd werd.

Wij zullen nu achtereenvolgens de vraag behandelen, welke
zwavelzuurconcentratie de voorkeur verdient en welke voedings-
bodem de beste resultaten geeft.

In het algemeen werd de beste groei waargenomen na voorbe-
handeling met de zwakke zuurconcentraties. Het gelukte enkele
malen uit organen, waarin weinig of geen verontreiniging met andere
microörganismen was opgetreden, na inwerking van 0,1 N zwavel-
zuur, een goede cultuur van tuberkelbacillen te verkrijgen. Als
nadeel staat hier tegenover, dat reeds bij geringe verontreiniging
van het te onderzoeken weefsel, de voedingsbodems door begelei-
dende kiemen worden overwoekerd, respectievelijk doorgroeid.

Bij een concentratie tot een sterkte van 1 N zwavelzuur werd geen
nadecligc invloed op den groei van de tuberkelbacillen ondervonden.
Enkele malen werden versche, niet verontreinigde organen, zoowel
zonder eenige voorbehandeling als na inwerking der verschillende
zwavelzuur-concentraties onderzocht. Hierbij kon worden opge-
merkt, dat door de inwerking van
1 N zwavelzuur de groei der
tuberkelbacillen niet werd belemmerd. Eenmaal zelfs, bij het onder-
zoek van een tuberculeuze milt afkomstig van een paard, bleek dat
zonder eenige voorbehandeling slechts enkele koloniën tot ont-
wikkeling kwamen, terwijl na voorbehandeling met 1 N zwavelzuur
vele koloniën werden gezien.
Hoewel niet constant, werd na inwerking
van
2 N zwavelzuur een geringere groei opgemerkt. Eenmaal trad na
gebruik van deze zuuroplossing, geen macroscopisch zichtbare
groei op, terwijl dit wel het geval bleek bij de 1 N en 0,5 N zwavel-
zuur-oplossingen. Hoewel het niet uitgesloten is, dat in dit geval
de tuberkelbacillen in de weefselsuspensie ongelijkmatig waren ver-
deeld, moet toch aan de mogelijkheid worden gedacht, dat niet alle
tuberkelbacillenstammen een gelijke sterke resistentie tegenover
zuurinwerking bezitten. Dat dit niet constant het geval is, bewezen
andere proeven, waarbij zelfs na de inwerking van 4 N zwavelzuur
geen invloed op den groei der tuberkelbacillen werd onder-
vonden.

Wanneer dierlijke organen in verschen toestand worden onderzocht,
kan bij een inwerkingsduur van
20 min. worden volstaan met het ge-
bruik van
i N zwavelzuur. Zooals reeds werd opgemerkt, wordt door
deze concentratie de groei der tuberkelbacillen niet tegengegaan,
terwijl geringe bacterieele verontreinigingen der weefsels hiermede
worden overwonnen. Is de verontreiniging in sterker mate opge-
treden, dan kan men de meer geconcentreerde zuuroplossingen ge-

-ocr page 1057-

bruiken, hoewel het ook hiermede niet steeds gelukt, de begelei-
dende kiemen te vernietigen.

Bij een vergelijking der resultaten met den LuBENAüvoedings-
bodem en met de BESREDKAvloeistof verkregen, kon worden vast-
gesteld, dat de
groeisnelheid der tuberkelbacillen in beide voedings-
media ongeveer de zelfde
was. Echter traden in de BESREDKAvloei-
stof de
verontreinigingen in mindere mate op, dan op eerstgenoemden
bodem. Eenmaal konden in de BESREDKAvloeistof tuberkelbacillen
worden aangetoond, terwijl dit op de LuBENAUbodems, die met
hetzelfde materiaal waren geënt, wegens de opgetreden sterke ver-
ontreiniging niet gelukte. De verklaring voor dit verschijnsel moet
m.i. worden gezocht in het feit, dat verschillende micro-organismen
in de vloeibare media onder minder gunstige ontwikkelingsvoor-
waarden verkeeren dan op de vaste voedingsbodems. Hiervan kon
ik mij meermalen overtuigen bij het nemen van desinfectieproeven,
waarbij bouillon-agar en bouillon als voedingsbodems werden ge-
bruikt. Na voldoende inwerking van het desinficiens, bleef de
geënte bouillon steriel terwijl de bouillon-agar nog groei te zien gaf.
Vermoedelijk speelt hier dus het meer of minder aerobe karakter
der verschillende micro-organismen een rol.

Een voordeel van den LuBENAubodem is echter, dat deze bij her-
haling microscopisch kan worden onderzocht, hetgeen met de
BESREDKAvloeistof moeilijk kan geschieden zonder groote kans
op verontreiniging. Bovendien krijgt men een indruk van de wijze,
waarop de tuberkelbacillen groeien, terwijl men tevens de veront-
reinigingen meestal macroscopisch kan waarnemen.

Bij het onderzoek van weinig verontreinigde organen kan derhalve
het gebruik van
Lubex atj bodems worden aanbevolen, terwijl in de
gevallen, waarbij de verontreiniging sterker is, de vloeistof van
Besred-
ka
althans voor diagnostische doeleinden de voorkeur verdient.

Na dit e>riënteerenel onderzoek werden uit 28 tuberculeuze or-
ganen culturen aangelegd. Hierbij werd hetzelfde materiaal zoowel
met
i N als 2 N zwavelzuur voorbehandelel, terwijl steeds 3 Lube-
NAubodems en 3 buizen BESREDKAvloeistof werden geënt. Het
volgende materiaal werd op deze wijze onderzocht : 8 lymph-
klieren, 2 nieren, 2 uiers, 2 longen, 1 pleura en 1 peritoneum van het
runel ; 2 milten van het paard ; 2 levers en 2 nieren van het varken ;
2 milten van de kip ; 1 lever en 1 huidulcus van een ijsbeer en 2 mil-
ten van de cavia. Met uitzonelering van 5 runderlymphklieren,
2 varkenslevers en de ijsbeerlever konden in alle overige organen in
uitstrijkpreparaten tuberkelbacillen worden aangetoond. Deze
5 lymphklieren, alsmede 1 varkenslever en het huidulcus van den
ijsbeer waren in meerdere of mindere mate bacterieel verontreinigd.
Bovendien waren deze organen bij het onderzoek enkele dagen oud.

Het gelukte in 25 gevallen een cultuur van tuberkelbacillen te
verkrijgen.
Hiertoe behoorden 5 organen, waarbij in de uitstrijk-

-ocr page 1058-

preparaten geen tuberkelbacillen werden gevonden. Van 2 veront-
reinigde lymphklieren en r varkenslever viel het cultureele onder-
zoek negatief uit. Alle voedingsbodems bleken in deze 3 gevallen
sterk door de begeleidende kiemen te zijn verontreinigd. In hoofd-
zaak werden de bevindingen, bij het vooronderzoek verkregen,
bevestigd.
De bovine tuberkelbacillen groeiden uitermate langzaam.
Microscopisch werd na
4—30 dagen, gemiddeld 16 dagen, een vermeer-
dering der tuberkelbacillen waargenomen, terwijl macroscopisch zicht-
bare koloniën na
30—65 dagen, gemiddeld 47 dagen, optraden. Deze
tijden komen ongeveer overeen met die welke door
Hohn, Huc.k
en Walther werden gevonden. Bij de vogcltuberkelbacillen werd
een veel snellere groei waargenomen ; na
4 dagen microscopisch, na
10 dagen macroscopisch.

Na voorbehandeling met 1 N zwavelzuur werd over het algemeen
een betere groei verkregen dan na inwerking van de
2 maal sterkers
zuur oplossing.

Ook in die gevallen, waarbij een groei van tuberkelbacillen werd
verkregen, waren meermalen enkele voedingsbodems verontreinigd.
In de BESREDKAvloeistof werd dit euvel in minder storende mate
ondervonden.

Hoewel het dus gelukt uit versche tuberculeuze organen met
de voedingsbodems van
Lubenau en Besredka een cultuur van
tuberkelbacillen te verkrijgen,
geeft toch de optredende verontreiniging
der voedingsbodems,
vooral bij het onderzoek van oudere, geïnfec-
teerde weefsels,
iets onzekers aan deze kweekmethodc. Om deze reden
werd na kennisneming der literatuur van den voedingsbodem vol-
gens
Petragnani het onderzoek met dit voedingsmedium herhaald.
In dezen voedingsbodem zijn niet alleen meer voedende bestand-
deelen verwerkt dan in die volgens
Lubenau en Besredka, doch
tevens is in den vorm van Malachietgroen een stof toegevoegd,
welke den groei van de begeleidende microben remt.

6 gram aardappelmeel, 1 gram pepton en een eigroote, fijngemaakte aardappel,
worden in een kolf vermengd met 150 cm3, melk. Dit mengsel wordt, onder voort-
durend roeren, gedurende
10 minuten in een kokend waterbad geplaatst, waarna
zich een geleiachtige massa vormt. Vervolgens wordt de kolf nog 1 uur in het
warmwaterbad gehouden. Na afkoeling op
50° c. worden nu toegevoegd : 4 ge-
heele eieren, 1 eigeel, 12 cm3, glycerine en
10 cm\', van een 2 %-oplossing van
malachietgroen
(Höchst) in gedestilleerd water. Hierna wordt het mengsel krachtig
geschud, door gaas gefiltreerd en in cultuurbuizen gebracht. De sterilisatie van
deze gevulde cultuurbuizen geschiedt als volgt : de eerste dag 20 min. bij 8o° C.,
de tweede en derde dag
15 min. bij 750 c. De buizen worden na de sterilisatie
met een gummistop afgesloten. Als regel is na deze bereiding een voldoende hoe-
veelheid condensatie-vloeistof aanwezig.

Met een 20-tal tuberculeuze organen, afkomstig van rund, paard,
varken, kip en cavia werd een vergelijkend onderzoek ingesteld.
Hierbij werd naast den voedingsbodem van
Petragnani tevens die
van
Lubenau en Besredka gebruikt. De voorbehandeling der

-ocr page 1059-

weefsels geschiedde met i N en 2 N zwavelzuur, terwijl telkens 3
van elk der genoemde voedingsbodems werden geënt. In uitstrijk-
preparaten der organen, gekleurd volgens
Ziehl-Nielsen konden
14 maal tuberkelbacillen worden waargenomen. Bij het cultureele
onderzoek gelukte dit met behulp van den voedingsbodem van
Petragnani 18 maal, daarentegen met de beide overige voedings-
media
16 maal. Bovendien waren van de Petragnani-öo^cws slechts
enkele verontreinigd, terwijl van de andere voedingsbodems dit aantal
aanmerkelijk grooter was.
Na voorbehandeling van het weefsel met
2 N zwavelzuur waren vaak verscheidene Lukenau- en Besredka-
bodems verontreinigd, terwijl de voedingsbodems van Petragnani
die met hetzelfde weefsel, na voorbehandeling met 1 N zwavelzuur
waren geënt, een reincultuur van tuberkelbacillen te zien gaven.
Tevens werd op den voedingsbodem van Petragnani een snellere
groei waargenomen.
Enkele malen werden hierop reeds bij macros-
copisch onderzoek koloniën gezien, terwijl op denzelfde.n tijd in de
andere voedingsbodems alleen bij microscopisch onderzoek groei
van tuberkelbacillen kon worden vastgesteld.

Bij het onderzoek van een tuberculeuze milt, afkomstig van
het paard, en van de milt en lever van een tuberculeuze cavia,
waarbij deze weefsels, zoowel onvoorbehandeld als na inwerking
van i N en 2 N zwavelzuur op en in de verschillende voedings-
bodems werden gebracht, bleek, dat 1 N zwavelzuur geen remmen-
den invloed op den groei der tuberkelbacillen uitoefent. Integen-
deel werd bij het onderzoek der paardenmilt de beste groei na in-
werking van
1 N zwavelzuur waargenomen. Van de geënte Lube-
NAU- en BESREDKAvoedingsbodems waren verscheidene veront-
reinigd, echter was dit bij geen der gebruikte
Petragnani voedings-
bodems het geval.

Hel gebruik van den voedingsbodems van Petragnani verdient dan
ook de voorkeur boven die van
LuBenau en Besredka, aangezien het
aan de cultureele methoden een grootere mate van zekerheid verleent.
Bovendien kan met het enten van een geringer aantal buizen voor
elk onderzoek worden volstaan. Zooals uit de literatuur en ook uit
deze onderzoekingen blijkt, moeten bij aanwending van den voe-
dingsbodem van
Lubenau voor elk onderzoek 35 buizen worden
genomen. In de door mij onderzochte gevallen werd bij een positief
resultaat meestal op alle geënte
Petragnani bodems groei van
tuberkelbacillen waargenomen. Men kan dan ook bij het gebruik
van dezen voedingsbodem met het enten van 2 buizen volstaan.
Bovendien zijn op dezen groenen voedingsbodem de grijze tot grijs-
gele koloniën gemakkelijker zichtbaar. Een opvallende eigenschap
is nog, dat bij dezen groei.een gele verkleuring van den voedings-
bodem optreedt. Deze verkleuring is echter niet specifiek, aan-
gezien zij ook bij de ontwikkeling van andere kiemen wordt waar-
genomen.

-ocr page 1060-

In vele gevallen werd na voorbehandeling met i N zwavelzuur
een betere groei verkregen, dan nadat de 2 maal sterkere zuurop-
lossing was gebruikt. Hoewel dit verschijnsel niet constant werd
waargenomen, wijst dit er toch wel op, dat de sterkere zuurconcen-
traties de bovine zoowel als de aviaire tuberkelbacillen in hun groei
kunnen belemmeren. Het is daarom van groot belang te achten, dat
wij door het gebruik van den voedingsbodem van
Petragnani met
zwakkere zuuroplossingen kunnen volstaan, waardoor de kans om
tuberkelbacillen te kweeken wordt verhoogd.

Zooals reeds werd medegedeeld kon uit 18 der 20 onderzochte
organen een cultuur van tuberkelbacillen worden verkregen. De 2 or-
ganen, waarbij dit op geen der geënte voedingsbodems gelukte, waren
tuberculeuze lymphklieren van het varken, waarbij uitgebieide
verkalking was opgetreden. Ook in uitstrijkpreparaten dezer
organen konden geen tuberkelbacillen worden aangetoond. De
mogelijkheid kan niet worden uitgesloten, dat levende tuberkel-
bacillen niet meer aanwezig waren. Tot mijn spijt waren wegens
tijdelijk gebrek aan proefdieren, geen infectieproeven verricht.
Door deze omstandigheid moest ik de vraag of de cultureele methode
dezelfde mate van zekerheid geeft als de caviaproef, onbehandeld
laten.

Wanneer wij nu in het kort de resultaten van het onderzoek der
dierlijke organen samenvatten, dan blijkt, dat het met behulp van
de cultureele methode, na voorbehandeling met zwavelzuur,
mogelijk is, de tuberkelbacillen te kweeken. Zoowel de voedings-
bodems van
Lubenau en Besredka, als die van Petragnani
kunnen hierbij worden gebruikt. Bij de bovine tuberkelbacillen is
microscopische groei waarneembaar na 4—30 dagen, gemiddeld
16 dagen en macroscopisch na 30 -65, gemiddeld 47 dagen. Bij de
aviaire tuberkelbacillen bedragen deze tijden resp. 4 en 10—12
dagen.
De beste uitkomsten worden verkregen na voorbehandeling met
i N zwavelzuur en hel gebruik van den voedingsbodem van Petragnani.
Bij deze methode kan met het enten van 2 buizen worden volstaan.
Indien de organen sterk verontreinigd zijn, kan naast de voorbe-
handeling met i N ook die met 2 N zwavelzuur worden toegepast.
Het verdient aanbeveling het materiaal
zoo versch mogelijk te onder-
zoeken, aangezien bii ingetreden bederf de cultureele methode geen
zekere uitkomsten geeft.

(Wordt vervolgd.)

-ocr page 1061-

Uit het Laboratorium voor Tropische ziekten. Afdeeling van het Instituut voor
Parasitaire- en Infectieziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht,
Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK.

OVERBRENGING EN PROPHYLAXIS DER COCCIDIOSE,

door

B. J. KRIJGSMAN

De overbrenging.

Het is een algemeen bekend feit, dat dieren zich met coccidiën
infecteeren, doordat ze gesporuleerdex) oöcysten peroraal opnemen.
De opgenomen cysten laten, na inwerking van de proteolytische
enzymen van het maagdarmkanaal, hun sporozoïeten vrij. Deze
sporozoïeten boren zich in het darmweefsel en geven daar aan-
leiding tot de endogene ontwikkeling van den parasiet. Weliswaar
is het experimenteel gelukt, bij muizen, waar de endogene ont-
wikkeling hoofdzakelijk in coecum en colon plaats heeft, een zwakke
infectie te verkrijgen door rectale applicatie van merozoïeten-
houdend materiaal
(Nöller 23), echter zal een dergelijke manier
van overbrenging in de natuur weinig of niet voorkomen.

De mogelijkheid van perorale cystenopname bestaat daar, waar
gezonde dieren met cystenhoudende faeces in aanraking kunnen
komen. Ik zal hier eerst deze mogelijkheden bespreken. Daarbij
stel ik mij voorloopig op het standpunt, dat de coccidiën soort-
specifiek zijn, d. w. z. dat iedere diersoort zijn eigen coccidiënsoort
heeft, welke z\'ch niet in andere diersoorten kan ontwikkelen.
Later bespreek ik ook de mogelijkheid, dat de coccidiën mis-
schien toch niet streng gastheer specifiek zijn.

Primaire Infecticbronnen.

Cystenbevattende faeces worden in de eerste plaats geleverd
door aan coccidiose lijdende dieren cn door dieren die de ziekte
hebben doorstaan, echter dikwijls nog maandenlang voortdurend
oöcysten uitscheiden. Onder gezonde dieren treft men zeer veel
van dergelijke coccidiëndragers aan; ik wil slechts herinneren aan
de opgaven van
Bausewein (4), die 77 % der door hem onder-
zochte geiten coccidiëndragend noemt ; van
Nöller en Ruppert
(24) die ongeveer 50 % der duiven als besmet opgeven en van
Wetzel (41) die bij 30 % der door hem onderzochte gezonde
katten oöcysten in de faeces aantreft.

De zieke dieren en de dragers strooien de cysten met de faeces
overal in de omgeving rond, ze zijn primaire bronnen van infectie.
Want alle gezonde dieren, en wel in de eerste plaats de zeer ge-

-ocr page 1062-

voelige jonge dieren, die met deze cystenbevattende mest in aan-
raking komen, kunnen zich infecteeren. Dat zal bij huisdieren het
geval zijn :

a. Als zieke dieren of dragers met gezonde dieren van datzelfde
soort samen zijn. (in dezelfde stal, kooi, enz.). In het bijzonder
dient er daarbij op gelet, dat cystenuitscheidende moederdieren,
waarbij zich jongen bevinden, een belangrijke infectiebron voor
die jonge dieren zijn. Vele onderzoekers wezen daar reeds op. Zoo
noemt b.v.
Fantham (9) oude kippen „Coccidienreservoirs" en
Kumm (17, 18) zegt, dat bij schapen de moederdieren de oöcysten
leveren.

b. Als dieren op een weide of in een niet schoongemaakte stal
gedreven worden, waar zich voor kort cystenuitscheidende dieren
bevonden. Dergelijke weiden kunnen meer dan een jaar nadat de
zieke dieren er zich op bevonden infectieus blijven, aangezien de
cysten zoo lang levenskrachtig zijn. 1)

c. Als aan schoenen, kleeren enz. van het personeel cystenbe-
vattende mest wordt meegedragen.

Secundaire infectiebronnen.

Als secundaire infectiebronnen komen in aanmerking alle dieren,
die geen eigenlijke gastheeren zijn, maar met mest, welke oöcysten
bevat van een voor hen vreemde coccidiënsoort, in aanraking
komen. Zulke dieren nemen dan ook dikwijls die cysten op, laten
ze onverteerd hun darmkanaal passeeren, waarna ze met de faeces
op plaatsen gedeponeerd worden, waar ze weer opgenomen kunnen
worden door dieren, die wel voor een infectie met die coccidiën
in aanmerking komen.

Dergelijke mechanische overbrengers zijn ratten, muizen, mus-
schen en andere wilde vogels, coprophage insecten zooals vliegen
en hun larven (Musea vomitoria en Scatophaga stercoraria,
Hadley
11,
12 en Reichexow 27) en misschien ook roofdieren, die kuikens
en konijnen eten.

Deze opvatting berust op het volgende :

Het feit, dat oöcysten van soort vreemde coccidiën opgenomen
worden, door den darm passeeren en zoo in de faeces optreden,
werd meermalen geconstateerd.
Rudowsky (28, 29), vond in rat-
tenfaeces cysten van het konijnencoccidium (Eimeria stiedae);
Fantham (9) constateerde in den darm van vliegen en -larven
(welke larven in cystenbevattende kippenfaeces leefden) onver-
teerde cysten van het kippencoccidum
; Hadley (ii, 12) zegt,
dat dikwijls cysten van het ratten-coccidium in konijnenfaeces
en omgekeerd, cysten van het kippencoccidium in rattenfaeces en
omgekeerd voorkomen.

-ocr page 1063-

Interessant is in dit verband het gedrag van de in menschen-
faeces gevonden Eimeria wenyoni en Eimeria oxyspora. Eerst
dacht men dat deze coccidiën zich in den darm van den mensch
ontwikkelen
(Dobell). Brug (6) wees erop, dat de gevonden cysten
misschien onverteerd de menschendarm gepasseerd waren
; Thom-
son
en Robertson (35, 36) bewezen deze opvatting van Brug,
doordat ze experimenteel konden aantoonen, dat de gevonden
cysten identiek zijn met de cysten der zich in de haring en sardine
ontwikkelende E. clupearum en E. sardinae, door den mensch bij
het eten van deze visschen mee worden opgenomen en weer onver-
teerd den darm verlaten.

De opname mogelijkheid van soort vreemde coccidiën is in de
natuur dikwijls aanwezig.
Rudowsky zag hoe ratten, die zooals
bekend ook graag kuikens buitmaken, cadavers van aan cocci-
diose gestorven konijnen vraten ; bovendien scharrelen ze evenals
muizen overal in afval rond en kunnen zoo gemakkelijk oöcysten
opnemen. De larven van vele vliegensoorten leven van mest.

2. Dergelijke cysten kunnen inderdaad weer door den eigen-
lijken gastheer worden opgenomen. Want alle genoemde als mecha-
nische overbrengers in aanmerking komende dieren deponeeren
hun faeces op de plaatsen, waar zich de eigenlijke gastheeren op-
houden. Vermeld zij nog, dat b.v.
Rudowsky in hooi, dat als
konijnenvoer werd gebruikt, resten van rattenfaeces met oöcysten
van E. stiedae waarnam.

3. Dergelijke door den darm van andere diersoorten onverteerd
gepasseerde cysten zijn nog in staat te sporuleeren.
Rudowsky
voerde ratten met onrijpe cysten van E. stiedae, deze verschenen
6—7 h. later in de faeces en sporuleerden rustig verder. Hetzelfde
zagen kortgeleden
Azim (3) en schrijver dezes.

4. Dergelijke cysten zijn niet slechts in staat te sporuleeren,
maar kunnen werkelijk een infectie teweegbrengen. Het gelukte
Fantham, door aan kuikens vliegen te voeren, die als larven in
cystenbevattende kippenfaeces hadden geleefd, deze kuikens te
infecteeren. Ik zelf kon bij konijnen een infectie verwekken met
cysten van E. stiedae, nadat deze cysten door de rattendarm ge-
passeerd waren :

Konijnenfaeces, die zeer veel ongesporuleerde cysten van E.
stiedae bevatten, werden, gemengd met honing en brood, aan vier
witte laboratoriumratten gevoerd. De rattenfaeces werden nu
drie dagen lang zorgvuldig verzameld en in dunne lagen op vochtig
filtreerpapier in petrischalen uitgestreken, zoodat de door den
rattendarm gepasseerde cysten gelegenheid hadden zich verder
te ontwikkelen. Na twee weken waren ongeveer 90% der cysten
gesporuleerd. Nu werden de cysten met behulp van de Vajdasche
glycerinemethode verzameld en met een slokdarmsonde aan twee
coccidiën vrije jonge konijntjes ingegeven. Deze konijnen vertoon-

-ocr page 1064-

den zes dagen na de infectie cysten in de faeces, de hoeveelheid
cysten steeg snel en den tienden en elfden dag na de infectie stier-
ven ze. Bij sectie vertoonde de middendarm een typisch cocci-
diosebeeld.

Hiermee is dus bewezen, dat ook bij konijnen coccidiose kan
worden overgebracht na passage van de cysten door den darm
van andere diersoorten.*)

Ofschoon enkele onderzoekers reeds op deze mogelijkheid wezen
(Wasielewski 39, Reichenow 27), zoo wordt er in het algemeen
nog te weinig acht geslagen op overbrenging door secundaire in-
fectiebronnen. Zeker komt ze in de natuur voor niet alleen, maar
speelt er ook een belangrijke rol.

Met behulp van dergelijke secundaire mechanische overbrenging
moeten we de gevallen verklaren, dat dieren coccidiose kregen
nadat ze op een weide waren gedreven, die nooit te voren dcor
dezelfde diersoort betreden was. Zoo is mij een geval bekend van
een kippenfokker, die een aantal kuikens bracht op een kleine
weide waar ze geen enkel contact hadden met andere kippen en
waar zeker in geen tien jaar kippen geloopen hadden. Toen die
kuikens nauwelijks twee weken buiten waren, trad er groote sterfte
door coccidiose op. Onderzoek in den omtrek leerde mij, dat op
de naburige fokkerijen bij zeer veel kippen oöcysten in de faeces
aanwezig waren. Klaarblijkelijk waren ze door vliegen en vogels
naar de genoemde kuikens overgebracht.

Een vraagstuk, dat nauw met het probleem der secundaire
meachanische overbrenging verband houdt, is het probleem der
soortspecifiteit der coccidiën. Vele onderzoekers stellen zich op
liet standpunt, dat de coccidiën soortspecifiek zijn. Zoo kon
Ler-
chè (19, 20) konijnen en cavia\'s niet met oöcysten van het schapen-
coccidium infecteeren,
Waworuntu (40) kon geen ratten infec-
teeren met konijnencoccidiën,
Dieben (8) ook niet (Dieben denkt
daarom dat ratten voor de verspreiding van coccidiose geen be-
teekenis hebben ; hij ziet echter de mechanische passage over het
hoofd).
Nöller (23) kan honden niet infecteeren met Eimeria
falciformis en
Andrews (i, 2) besluit uit zijn experimenten, dat
alle Eimeriasoorten streng gastheerspecifiek zijn. Eigen onder-
zoek leerde me, dat wanneer ik ratten gesporuleerde cysten van
E.
stiedae voerde, na deze voedering geen oöcysten in de faeces op-
treden, afgezien natuurlijk van de, de eerste dagen na voeding
optredende ongesporuleerde niet verteerde cysten. De gesporu-

1) Voor andere coccidiensoorten beschreef Schaudinn dergelijke mechanische
tusschenschakels als regel : De faeces van Lithobius wordt graag door keldermotten
gegeten ; keldermotten vormen op hun beurt het hoofdvoedsel van Lithobius.
Bevatten nu de Lithobiusfaeces cocysten, dan blijven deze in den darm van
de
keldermot onverteerd ; door dergelijke keldermotten aan Lithobius te voeren, ge-
lukte de infectie.

-ocr page 1065-

leerde cysten worden in den darm wel opgelost, want in de faeces
waren ze nooit aan te toonen (vergelijk
Krijgsman 15), geven
echter geen aanleiding tot een endogene ontwikkeling.

Hiertegenover staan verschillende experimenten van andere
onderzoekers, die de gastheerspecifiteit van de hand wijzen,
daar ze infectie\'s met soortvreemde coccidiën konden opwekken.
Den vroegeren onderzoekers op dit gebied kan men altijd tegen-
werpen, dat hun proefdieren niet coccidiën vrij waren en een toe-
vallige infectie met soorteigen coccidiën niet uitgesloten was.
Echter verschenen er in de laatste jaren onderzoekingen, waar
men dit bezwaar niet kan laten gelden.
Verwey (38) kon bij steriel
opgefokte kuikens infecties opwekken met coccidiën van andere
vogelsoorten
; Uhlhorn (37) gelukte het zelfs, steriele kuikens
met het konijnencoccidium te besmetten. Mijn eigen nog niet af-
gesloten experimenten bevestigen de resultaten van
Uhlhorn vol-
komen.
Verwey en Uhlhorn wijzen er echter beide op, dat een
infectie met soortvreemde coccidiën slechts een zwakke en ver-
traagde infectie tengevolge heeft. Infecteerde
Uhlhorn echter
met de uit die infecties verkregen cysten na sporulatie nieuwe
kuikens, zoo verliep de infectie alsof de dieren besmet waren ge-
worden met het kippencocc.idium.
Verwey zag bij zijn proeven
iets dergelijks.

Deze experimenten wijzen er op, dat de coccidiën gedeeltelijk
aan hun gastheer zijn aangepast ; een enkele passage door een
andere diersoort heft echter deze aanpassing soms reeds op. Ik
geloof, dat nog veel experiemnten noodig zijn, voor we een be-
slissend oordeel over deze kwestie kunnen vellen. In elk geval is
het duidelijk, dat, als blijken zal dat de coccidiën niet gastheer-
specifiek zijn, nieuwe overbrengingsmogelijkheden van vergaande
beteekenis in aanmerking genomen moeten worden.

De prophylaxis.

De overbrenging der coccidiose, afgezien van het nog duistere
punt der soortspecifiteit, is bekend. Het moet dus mogelijk zijn
werkzame prophylactische maatregelen door te voeren.

De prophylaxis zal in dit geval moeten gericht zijn op de be-
lemmering der peroralen opname van gesporuleerde cysten. Con-
tact met de faeces van zieke dieren of coccidiëndragers of contact
met de faeces van secundaire infectiebronnen moet dus worden
vermeden. Ik noem hier de belangrijkste maatregelen die door de
verschillende onderzoekers worden voorgesteld :

Runder- en schapen-coccidiose. Vochtige warmte in de stallen
vermijden, daar dit de snelle sporulatie der oöcysten in de hand
werkt ; schoonmaken der eet- en drinkbakken en van den grond ;
goede en overvloedige voedering, opdat de dhren niet het met
faeces bevuilde stalstroo gaan eten. Als de ziekte uitbreekt, dan

-ocr page 1066-

worden de aangetaste dieren geïsoleerd en de anderen in een wis-
selstal gebracht (eiken dag wisselen, de leege stal telkens grondig
schoonmaken). Men geve droog voer (
Servis 30, Spiegl 31, Carró
7, Kumm 17, Bausewein 4).

Coccidiose van pluimvee en kanaries : Hokken en kooien dage-
lijks schoonmaken ; voeder- en drinkbakken zoo maken dat de
inhoud niet met faeces bevuild kan worden ; hokken droog houden ;
broedeieren met warm water afwasschen ; gelijkmatige tempera-
tuur ; plotselinge voederverandering bij jonge dieren vermijden ;
nieuw aangekochte of van een tentoonstelling terugkomende dieren
een tijdlang in quarantaine houden en op coccidiose onderzoeken.
Als de ziekte optreedt dan worden eiken dag hokken en kooien
met heet water uitgeboend ; de mest wordt diep begraven of ver-
brand ; de zieke dieren isoleere men en brenge de anderen in een
wisselkooi (dagelijks wisselen). Uitloopen moeten diep omgespit
of met een dikke laag versche aarde bedekt worden.

Samenvattend kunnen wij dus zeggen :

Coccidiose is te voorkomen door goede hygiënische maatre-
gelen, zooals regelmatig schoonhouden der stallen en kooien,
door geen dieren op besmette weiden te brengen, door nieuw aan-
gekochte dieren een tijdlang te isoleeren, enz.

Bijzondere aandacht schenke men aan moederdieren met
jongen. Het coccidiënvrij maken van drachtige konijnen (
Krijgs-
man 13, 14)
is misschien, zooals experimenten in de practijk aan-
toonden, niet heelemaal zonder gevaar. Laboratoriumonderzoek
leerde mij echter, dat coccidiëndragers ook op andere wijze vrij te
krijgen zijn. De resultaten hiervan zal ik aan het volgende experi-
ment demonstreeren :

Vier volwassen en oogenschijnlijk gezonde konijnen, die alle
cysten in de faeces lieten waarnemen, werden elk afzonderlijk
in een kooi geïsoleerd. Van elk dezer dieren werden dagelijks de
faeces op oöcysten onderzocht met behulp van de telmethodiek
(principe en uitvoering dezer methodiek zie
Krijgsman 13, 14).
De kooien der konijnen 1 en 2 werden eiken dag grondig schoon-
gemaakt, de hokken der contröledieren 3 en
4 slechts eens per week.
De kurven van fig. 1 geven de resultaten. De kurve stelt voor
de gemiddelde waarde van de relatieve cystenhoeveelheid der

dieren 1 2, de---kurve geeft de gemiddelde waarde van het

relatieve cystenaantal der contröledieren 3 4 weer. Op de abscis
is afgezet de tijd in dagen, op de ordinaat de relatieve cystenhoe-
veelheid. De dag, waarop de dagelij kschc schoonmaak der hokken
van de dieren 1 en
2 begon, is onder de abscis met aangegeven.

-ocr page 1067-

7 £ 5 ^ 5 6 / 3 5 To 7/ 1? Ti /5 /6

Cystenuitscheiding van coccidiëndragers zonder (---kurve) en met (—kurve) dagelijksche verwijdering der faeces.

Abscis : Proefdagen, ordinaat : relatieve cystenhoeveelheid. = Begin der dagelijksche faecesverwijdcring.

-ocr page 1068-

Wij zien, hoe eerst de dieren i en 2 evenals 3 en 4 een weliswaar
schommelende, maar niet definitief dalende cystenuitscheiding
vertoonen. Zij zijn alle vier typische coccidiëndragers. Dan wordt
op den 4den dag met den schoonmaak der hokken van 1 en 2 be-
gonnen ( ). Den twaalfden dag (achtsten dag na ) begint een
daling der cystenhoeveelheid ( kurve), die den veertienden
dag nul wordt en vanaf den zestienden dag, ook na nog langen tijd
durende observatie, constant nul blijft. De contróledieren daaren-
tegen vertoonen geen daling in de cystenuitscheiding. Het experi-
ment werd eenige keeren herhaald en gaf steeds denzelfden uit-
komst.

In verband met deze observaties wil ik de volgende vraag op-
werpen : Wat is eigenlijk het voortdurend cystenuitscheiden van
gezonde dieren? Algemeen wordt aangenomen dat dit berust op
een chronisch verloop der infectie, d. w. z. öf de schizonten gaan
niet alle tegelijkertijd tot gamogonie over, öf er ontstaan „Dauer-
vormen".
Reichenow (27) wees er echter al op, dat een dergelijk
chronisch verloop in werkelijkheid wel eens een steeds weer her-
haalde zwakke nieuwe infectie zou kunnen zijn, en ook
Veryvey
stelt zich op dat standpunt. Deze opvatting geloof ik door deze
experimenten een belangrijken steun te hebben gegeven.

Want het onmogelijk maken van nieuwe infecties heeft tot
gevolg, dat de cystenuitscheiding, en dus de endogene ontwik-
keling, ophoudt. Indien nu de voortdurende cystenuitscheiding een
gevolg was van op verschillende momenten beginnende gamo-
gonie of aan andere onregelmatigheid van parasieten afkomstig
van een veel vroeger plaats gehad hebbende infectie, dan zou het
onmogelijk maken van nieuwe infecties geen invloed op deze
cystenuitscheiding uitoefenen. Die invloed is echter aanwezig,
dus kan de voortdurende cystenuitscheiding niet het gevolg zijn
van een langdurige en onregelmatige endogene ontwikkeling,
maar moet teruggevoerd worden op herhaalde zwakke nieuwe in-
fecties, welke bij de weerstandskrachtige 1) volwassen dieren geen
aanleiding geven tot ziekteverschijnselen. 2)

Als nu ondanks de prophylactischc maatregelen de ziekte toch
uitbreekt, dan worden vlug de zieke dieren geïsoleerd ; de mest
wordt verwijderd op tijdstippen met intervallen kleiner dan de
sporulatietijd der cysten, diep begraven of verbrand ; de hokken,
stallen en kooien worden bij iederen schoonmaak uitgeboend met
heet water (chemische desinfectie heeft geen zin, zie de uitgebreide
onderzoekingen van
Grosze 10, Lewis 21 en PéRARD 25, 26,

) De „weerstand" van volwassen dieren tegen coccidiose is een nog lang niet
opgelost probleem.

) Herhaalde mechanische passage van dezelfde cysten is ook uitgesloten.

-ocr page 1069-
-ocr page 1070-

terwijl hooge temperatuur de cysten snel doodt) ; uitloopen worden
omgespit of dik met verschen grond bedekt ; wisselstalling wordt
ingevoerd ; dieren uit de weide gehaald en opgestald.

Men lette er op, dat genezen dieren niet immuun zijn maar in-
tegendeel steeds weer geïnfecteerd kunnen worden.
Nöller (23)
toonde aan, dat muizen direct na spontane genezing weer op-
nieuw met coccidiën te besmetten zijn. Om dit probleem bij ko-
nijnen te bestudeeren voerde ik experimenten uit, waarvan ik het
volgende wil vermelden :

Twee konijnen van zes weken werden kunstmatig met E. stie-
dae geïnfecteerd, en wel zoo zwak dat doodelijke afloop niet waar-
schijnlijk was. J) Nadat het hoogtepunt der ziekte (top der cysten-
kurve) voorbij was, werd opnieuw geïnfecteerd. De kurve van fig.
2, samengesteld uit de gemiddelde waarde van het relatieve cysten-
aantal der beide dieren, laat de resultaten zien. De eerste infectie
is onder de abscis aangegeven met , de tweede met X.

De den eersten dag geïnfecteerde dieren ( ), welke reeds eenige
cysten in de faeces vertoonden, laten den zevenden dag een snelle
stijging der cystenhoeveelheid zien, welke tot den veertienden dag
hoog blijft, terwijl de dieren zwaar ziek zijn. Dan echter verdwijnen
de symptonen en de dieren vertoonen den zeventienden dag geen
ziekteverschijnselen meer, terwijl de cystenuitscheiding sterk is
gedaald. Ze worden dan echter voor de tweede maal geïnfecteerd
(X ). Den vijfentwintigsten dag treedt tengevolge daarvan weer
een verhoogde cystenuitscheiding op, den dertigsten dag sterft een
der dieren, den twee- en dertigsten dag het andere dier, beide onder
hooge cystenuitscheiding. Deze tweede stijging der cystenhoeveel-
heid (welke typisch tusschen den zesden en achtsten dag na de
infectie optreedt, zooals dat in het algemeen het geval is) en de
daaropvolgende dood moet teruggevoerd worden op de tweede
infectie.

Nog duidelijker treedt de herhaalde infectiemogelijkheid te
voorschijn, als men, zoodra de cystenuitscheiding stijgt, de creo-
linetherapie
(Krijgsman 13, 14) inzet en op deze wijze de cysten-
hoeveelheid snel tot nul doet dalen. Direct daarop is weer een
tweede infectie mogelijk, welke weer aanleiding geeft tot sterke
cystenuitscheiding. Door telkens de dieren met creoline te genezen
en daarna opnieuw te infecteeren kan men bij konijnen steeds weer
een infectie verwekken, zoolang ze niet ouder zijn dan ongeveer 12
weken, want dan worden ze minder gevoelig. Deze experimenten
bewijzen, evenals eigenlijk de vorige, dat bij het konijn na gene-
zing van coccidiose geen immuniteit optreedt.

1) Het is niet gemakkelijk, bij deze jonge, zeer gevoelige dieren een infectie op
te wekken, die niet doodelijk verloopt.

-ocr page 1071-

LITERATUUR.

1. Andrews, J. M. : Amer. journ. of hyg. Bd. 6. 1926.

2. ,, ,, : Journ. of parasitol. Bd. 13. 1927.

3. Azim, M. A. : Proc. roy. soc. of med. Bd. 20, No. 5. sect. trop. dis. T926.

4. Bausewein, H. : In. Diss. Leipzig.

5. Beach, J. R. en S. B. Freeborn : Univ. Calif. Coll. agric. circul. No. 251. 1922.

6. Brug, S. L. : Gen. Tijdschr. v. Ned.-Indie. 62. 1922.

7. CARRe, H. : Bull, de l\'acad. veter. Tome I. April 1928.

8. Dieben, C. P. A. : Diss. Utrecht. 1924.

9. Fantham, H. B. : Proc. Zool. soc. London. 191c.

10. Grosze, P. : D. t. w. 29. 1921.

11. Hadley : Arch. Protistenk. 23. 1911.

12. ,, : Ibid. 31. 1913.

13. Krijgsman, B. J. : Centralbl. f. Bakt. u. s. w. Abt. f. Bd. 101. 1926
14 ,, ,, : Tijdschr. v. Diergen.kunde. 1926.

15. ,, ,, : Arch. Protistenk. Bd. 56, 1926.

16. ,, ,, : Ned. Tijdschr. v. Hygiene enz. 1926.

17. Kumm, H. : Berl. t. W. 1922. No. 27.

18. „ ,, : D. t. W. 1925.

19. Lerche,: Arch. Protistenkunde Bd. 42, 1921.

20. ,, : Zschr. f. Infektionskr. Bd. 25, 1923.

21. Lewis, P. A. : Journ. exp. med. 1924. Vol. 40.

22. Nieschulz, O. : Arch. Protistenk. Bd. 51, 1925.

23. Nöller, W. : Arch. Protistenk. Bd. 41. 1925.

24. Nöller, W. en H. Ruppert. : Berl. t. W. 41. 1925.

25. Pérard, Ch. : C. r. Acad, sciences. T. 178. 1924.

26. ,, ,, : Rev. gén. Méd. vét. T. 34. 1925.

27. Reichenow, E. : Handb. der pathog. Protoz. III. 1921.

28. Rudowsky, Fr. : Centralbl. f. Bakt. I. Abt. Bd. 87. 1922.

29. ,, ,, : Wien. t. Monatschr. X. 1923.

30. Servis, H. B. F. : Ann. vet. rev. 1914. Bd. 44.

31. Spiegl, A. : Zschr. f. Infektionskr. Bd. 24, 1923.

32. Stafseth, H. J. : Departm. Bacter. Michig. State Coll. 1927.

33. Ströse, A. : D. t. W. 23. 1915.

34. Sustmann, : D. t. W. 33. 1925.

35. Thomson, J.G. en A. Robertson. : Journ. trop. med. and Hyg. 25. 1922.

36. „ ,, ,, „ ,, : Brit. med. Journ. Bd. 1, 1926.

37. Uhlhorn, E. : In Diss. Hannover. 1926.

38. Vrewey, J. : In. Diss. Leiden. 1926.

39. Wasielewski, Th. v. : Ergebn. Hyg., Bakt. 11.a s. w. Bd. VI. 1924.

40. Waworuntu, T, : In. Diss. Utrecht. 1924.

41. Wetzel, R. : D. t. W. Bd. 33, 1925.

ZUSAMMENFASSUNG.

Über die Literatur, die sich mit der Übertragung und Prophylaxis der Kok-
zidiose befasst, gibt Verfasser einen genauen Überblick.

Die Krankheit kann durch unempfängliche Tiergattungen (sogar durch ihre
Faeces) übertragen werden. Es gelang Verfasser mit Zysten gezüchtet aus den
Faeces mit Eimeria Stiedae gefütterter Ratten, Kaninchen zu infizieren.

Die andauernde Zystenausscheidung von klinisch genesenen Tieren (Kokzi-
dienträger) ist nicht auf einen chronischen Verlauf der Infektion, sondern auf
ständig wiederholte neue Infektionen zurückzuführen. Durch tägliche Reinigung
der Kaninchenkasten und sorgfältige Entfernung der Darmentleerungen gelang

-ocr page 1072-

es Verfasser gesunde Kokzidienausscheider (Kokzidienträger) Kokzidien-frei zu
machen.

Vom Verfasser angestellte Versuche bewiesen dass die von der Kokzidiose ge-
nesenen Kaninchen keine Immunität erworben haben.

SUMMARY.

The author discusses the transmission and prophylaxis of coccidiosis.

The disease can be transmitted by insusceptible species of animals (even by
their faeces).

The author succeeded in infecting rabbits with cysts cultivated from the faeces
of rats fed on Eimeria Stiedae.

The continuous excretion of cysts by clinically recovered animals (coccidia car-
riers) is not due to a chronic course of the infection, but must be ascribed to re-
peated subsequent infections.

By continuous cleaning of the hutches and by removing the manure every day,
the author succeeded in rendering healthy coccidia carriers free from coccidia.

Further the author demonstrated by experiments that coccidiosis does not
confer any immunity in rabbits against a subsequent infection.

RÉSUMÉ.

L\'auteur discute la transmission et la prophylaxie de la coccidiose.

La maladie peut être transmise par des espèces animales non réceptives (même
par leurs faeces).

L\'auteur réussit à infecter des lapins en leur faisant ingérer des cystes prove-
nant des faeces de rats nourris avec Eimeria Stiedae.

L\'excrétion continuelle des cystes par des animaux cliniquement guéris (por-
teurs de coccidies) n\'est pas due à une marche chronique de l\'infection mais à
des infections répéteés.

En entretenant la plus grande proprété dans les clapiers et en enlevant les
excréments quotidiennement l\'auteur à réussi à débarrasser les porteurs sains des
coccidies.

Des expériences ont montré que chez le lapin la coccidiose ne confère pas
d\'immunité.

BLADVULLING.

Goedkoop radium

De prijs van het (afrikaanse) radium is / 12.500 per gram ; sedeit 1909 toen
het radium in gebruik kwam, is het niet zoo goedkoop geweest. Om één gram
te bereiden moeten 12 ton erts worden verwerkt. Bijna alle radium dat wordt
voortgebracht komt uit Belgies-Congo. (N. T v. G., 1929, uit Journ. Am. Med.

Ass.).

Eigenaardige oorzaak van epididymitis.

Bij een 32-jarig man drong een geweerkogol onder de 720 rib aan de rugzijde
in het lichaam ; 14 jaar later kreeg de man plotseling een ontsteking van de rechter
bijbal met det\'erenditis.

Onder hevige koliekachtige pijn werd toen de geweerkogel uitgewaterd. (Der-

matolog. Woch., ref. N. T. v. G., 1929, II, blz. 4264).

Paddengif.

In China wordt paddengif als geneesmiddel gebruikt, gedroogd in de vorm van
schijfjes. In dit middel, chiansu genaamd, werden als bestanddeelen aangetoond :
cholesterine, bufagine en epinephrine. Het bufagine schijnt in samenstelling af
te wijken van de componenten van het gif van de europeese pad. (Pharm. Weekbl.
1929, No. 32, blz. 683). Vr.

-ocr page 1073-

PTOMAINEN IN DIERMEEL ? WIE ZAL DESTRUEEREN ?

DOOR

Dr. B. J. C. TE HENNEPE.

In mijn voorloopige beantwoording van de punten die collega
van Gelder naar voren bracht wees ik er op, dat als men wil aan-
toonen dat lijkengiften door het destructor-procédé vernietigd
worden men niet kan volstaan met aan te toonen, dat ze in destruc-
tormeel niet aanwezig zijn. Men zal moeten aantooncn dat ze in
het oorsprongsmateriaal aanwezig waren om dan uit het feit
dat ze in het eindproduct niet aanwezig zijn te concludeeren dat
ze tijdens het proces vernietigd zijn.

Nu heeft het mij zeer bevreemd dat men in allerlei literatuur
van den laatsten tijd over diermeel wel vindt gewag gemaakt
van gevaren inzake ptomaïnen,
doch nergens vermeld vindt proeven
in den geest zooals ik aanduidde.
Daaruit besloot ik dat dergelijke
proeven niet bekend waren, anders had men ze natuurlijk wel
direct aangehaald tegenover de talrijke onzekerheids-vermeldingen
te dezer zake.

Ik was dan ook zeer verbaasd en zeer tevreden in de oudere
literatuur een serie proeven daaromtrent vermeld te vinden, die
mij op één punt geheel gerust stellen en
die geheel aan de door mij
gestelde eischen voldoen
en waaruit duidelijk blijkt dat voor varkens
en andere proefdieren schadelijke ptomaïnen uit rot materiaal door
het destructic-proces vernietigd worden, zoodat het daaruit bereide
meel voor varkens gevaarloos is.

Deze proeven zijn reeds in 1902, dus al meer dan 25 jaar geleden
genomen door
Glage in Hamburg en stammen dus uit den tijd
toen de diermeel-bereiding nog lang niet zoo technisch volmaakt
was als thans. Het zijn mijns inziens waardevolle model-proeven
en daar, zooals ik zeg, het mij voorkomt, dat ze zoowel aan vóór-
als tegenstanders van het tegenwoordige ptomaïne-vraagstuk in
diermeel vrijwel onbekend zijn heb ik ze in het volgende stukje
tamelijk uitvoerig gerefereerd. Wij zullen daaruit zien dat
Glage
werkelijk aantoonde dat zijn rotte materiaal schadelijk was voor
varkens en doodelijk was voor andere proefdieren en dat varkens
van het uit datzelfde materiaal bereide meel geen schadelijke
gevolgen ondervonden.

Ziehier de literatuur daaromtrent :

Ueber die Tierkörpermehle unter besemderer Berücksichtigung der Frage : Wirkt
Tierkörpcrmehl, welches nach dem System
Podewils aus faulem oder infizirlem
Fleische hergestellt wurde, beim Verfiittem an Schweine giftig
? Von Polizeitierarzt
Glage in Hamburg. (Aus der bacterioiogischen Untersuchungsstation des Ve-
terinarwesens, bearbeitet im Auftrage der Hamburger Polizeibehörde) — Monats-
hefte für praktische Tierheilkunde — Bd. XIII, 1902.
S. 550. Bd. XIV, 1903, S. 25.

Dit artikel begint met een zeer uitvoerig overzicht over het toenmalige stand-

-ocr page 1074-

punt der verwerking van cadavers en afval tot diermeel. Proeven met varkens
en kippen hadden gunstige resultaten, evenals met visschen.

Reeds toen werd door sommigen op de bezwaren van het meel gewezen in ver-
band met de herkomst (cadavers), o. a. hoog vochtgehalte, inconstante samen-
stelling.

Zuntz en Voeltz wenschten ontlijming van het meel omdat de laatstgenoemde
bij voederproeven op
honden diarrhee en darmziekte geconstateerd had. De oor-
zaak hiervan zocht
Voeltz in het gehalte aan Gelatinosen en Albuminosen, die
door ontlijmen verwijderd zouden kunnen worden.
Kramer zag echter bij voedering
van goed diermeel ook bij varkens darm-ziekten optreden.
Glage schrijft deze ge-
vallen echter toe aan te overmatige eiwitvoedering.

Loges waarschuwde tegen het gebruik van meel uit in ontbinding verkeerende
dieren, zonder echter zelf proeven daaromtrent genomen te hebben. Hij vreest
voor vergiftigingen met Ptomaïnen en Toxinen die bij de bereiding van het meel
niet vernietigd worden. Ook
Zuntz raadt op grond daarvan het gebruik van dier-
meel af.

Glage wijst er op dat men zonder schade het vleesch van vlekziekte, pest,
borstziekte varkens, mond- en klauwzeer en longziekte aan menschen na koken
aflevert en dat van schadelijke gevolgen niets gebleken is.

Toch vindt Glage deze zaak wel een nader onderzoek waard aangezien bekend
is dat rottingsgiften (Ptomaïnen) door koken niet altijd vernietigd worden en ver-
giftigingen kunnen veroorzaken.
Scholl vond dat het vergif der rottingstoxinen
pas na uur verhitting op ioo° vernietigd werd.

Glage wijst er verder op dat in de praktijk nog geen vergiftigingen met dier-
meel geconstateerd zijn, hoewel het Hamburger meel, dat voor een deel uit ca-
davers bereid werd, toen reeds 6 jaren lang gebruikt werd, uitsluitend als voedings-
middel. De productie bedroeg in Hamburg van 1896—1900 : 647.639
K.G. dier-
meel en in 1901 : 100.000
K.G., die allen zonder schade vervoederd werden.

Soschlet onderzocht Amerikaansche meelsoorten die sterk vervalscht bleken
te zijn. Zoo kreeg hij een meelsoort die bestond uit fijngemalen handschoenenleer.
Andere monsters bestonden uit zemelen en meel van kalfsleer. Arnerikaansch meel
gaf bij varkens schadelijke gevolgen en uit een meelsoort werden zeer thermo-
resistente staafjes gekweekt.

Glage raadt dan ook aan niet beneden de toen gebruikte temperatuur van
1320 te verhitten met het oog op sporen vormende bacteriën, terwijl bij die tem-
peratuur de vertcerbaarheid van het meel niet lijdt.

Hij wijst er op dat diermeel gemakkelijk beschimmelt of later met bacteriën
besmet kan worden zoodat men met dergelijke verontreinigingen rekening moet
houden bij het onderzoek naar Ptomaïnen en Toxinen.

Met het doel omna te gaan of diermeel uit rotte cadavers of aan infectieziekten genomen,
storven dieren schadelijk kan zijn voor varkens heeft
Glage uitvoerige proeven ge-
- Glage deelde zijn proeven als volgt in :

10 varkens van 3 maand oud en ongeveer 35 K.G. gemiddeld wegende werden
gedurende een viertal maanden van 16 Aug tot 11 Dec. gevoerd met verschillende
hoeveelheden diermeel en gerstcmeel. De varkens werden verdeeld in drie groepen
waarvan groep I (2 varkens) alleen gerstemeel kreeg (controlegroep), Groep II
(5 varkens) kreeg gerstemeel en diermeel van verschillende herkomst en Groep III,
(3 varkens) kreeg versch rot materiaal of zeer groote hoeveelheden diermeel.

Groep II, de diermeelgroep kreeg van de volgende zeven charges diermeel.
Charge 1. 1 paard (borstziekte), 1 rund (tuberculose), 2 varkens (tuberculose),
100 longen en levers (tuberculose), 2 varkens (pyaemie), 2 herten,
2 verdronken honden, 1 varken (dood bij verlossing), dit materiaal
werd 10 dagen in de Augustus-zon gelegd en was daarna totaal rot en
groen van kleur.

2. i koe (noodslachting miltvuur).

3. Pekel vleesch.

-ocr page 1075-

Cbaregc 4. 1 paard (tetanus), 1 rund (tuberculose), 1 geit (tuberculose), 2 kippen
(cholera), 2 herten. Dit materiaal werd 3 weken in vaten in de Augustus
zon gezet. Het was daarna zeer rot en krioelde van de maden).

,, 5. Evenals 2.

6. i rund (miltvuur) en 1 paard (miltvuur).

7. 2 runderen (miltvuur). Dit materiaal was rot.

De varkens van Groep 1 groeiden zoodanig op dat gedurende elke week steeds
i K.G. gerstemeel ongeveer 0.2 K.G. toeneming in levend gewicht opleverde.

Bij de diermeel-varkens van Groep II was dit geheel anders en terwijl in de
eerste week 1 K.G. diermeel 0.66 K.G. toeneming gaf, waren de volgende toenamen
per K.G. diermeel, 0.29, 0.24, 0.20 en 017 K.G.

Gemiddeld gaf echter 1 K.G. diermeel 0.26 groei.

Glage onderzocht een rot materiaal op toxinen en toonde deze bij cavia\'s aan
volgens de methode
Scholl. Toen hij echter met dit materiaal varkens voerde,
werden deze niet ziek, zoodat
Glage zich de vraag stelde : Worden varkens door
opname van rot materiaal in verschen toestand wel ziek? door ptomaïne-vergif-
tiging?

Hij voerde daarop gedurende eenige weken varkens met rot materiaal (Groep 111)
en constateerde dat diarrhee afgewisseld met verstopping optrad. Ook viel bij de
dieren moeheid en slaperigheid op, de eetlust bleef behouden doch er traden
toxische exanthemen op met hevige jeuk ; stoornissen van het zenuwstelsel werden
echter niet bemerkt. Wel bleef de groei achter ten opzichte van de controle-varkens.

Vergiftiging door ptomaïnen, waarbij opvallend zijn de zenuwverschijnselen,
kon hij niet veroorzaken. De schadelijke gevolgen betroffen alleen het darm-
kanaal en de huid, doodelijke gevolgen werden niet geconstateerd. Varkens eten
zooals bekend is.gaarne cadavers en ptomaine-vergiftigingen welke daarvan het
gevolg zouden zijn, zijn niet bekend.

De kleinere proefdieren muizen en ratten die met hetzelfde rottende materiaal
als de varkens gevoerd werden stierven bijna allen. De ratten bleken echter meer
weerstandbiedend dan de muizen. Honden en katten werden er niet ziek van.
Konijnen en cavia\'s stierven na intraperitoneale injectie van gefiltreerd extract
van het materiaal.

Uit deze proeven concludeert nu Glage :

„Hoewel het materiaal bij voedering aan varkens, muizen en ratten en bij in-
spuiting in konijnen en cavia\'s giftig bleek te zijn, bleek de voedering van daar-
uit bereid meel niet schadelijk voor varkens.

Beoordeeling van het Diermeel.

Glage raadt als de beste middelen ter beoordeeling aan de analyse en de be-
paling der verteer baarheid. Hij wijst er echter ook op dat bepaalde weefsels door
de verhitting niet belangrijk in vorm veranderen cn verteerbaar zijn. Zoo kan men
de huidjes van vliegenmaden direct terugvinden. Eveneens plantenresten en haren.
De rottingsbacteriën worden wel gedood maar hunne lichamen blijven micro-
scopisch aantoonbaar. De spiervezelen behouden hunne dwarsstreping.

Glage komt o. a. tot de volgende conclusies :

1. Gerstemeel heeft een productiewaarde van 0.2 K.G. levend-gewichtsgroei
na i K.G. voedering, zoowel bij jonge als volwassen varkens ;

2. Diermeel, ook uit slecht materiaal heeft meer productiewaarde dan gerstemeel ;

3. Jonge varkens benutten diermeel beter dan andere ;

4. Varkens eten liet diermeel gaarne ;

5. Het vleesch der varkens krijgt na voedering geen onaangename reuk of smaak ;

7. Het mede-indrogen van de bouillon veroorzaakt geen darmziekten bij voe-
dering aan varkens;

9. Door voedering van zelfs groote hoeveelheden rot vleesch kan men bij varkens

geen doodelijke vergiftiging door ptomaïnen veroorzaken ;
12. Diermeel uit pekelvleesch gemaakt mag alleen na vermenging met ander
meel gebruikt worden ;

-ocr page 1076-

13. Vergiftigingen door ptomainen en toxinen zijn in de praktijk bij vervoedering
van diermeel niet te vreezen.

Glage geeft tenslotte 54 opgaven van literatuur over dit onderwerp.

Wat maak ik nu uit dit artikel op ?

A. Bezwaren die zich thans nog doen gelden inzake diermeel,
bleken toen ook al aangehaald te worden, n.m.1. inconstante samen-
stelling; dit zal wel een bezwaar blijven van alle kleinere fabrieken
en als men b.v. van het inlandsche meel van tijd tot tijd monsters
neemt kan men de verschillen goed constateeren. Voor de ver-
bruikers is dit bezwaar min of meer op te heffen door alleen te
koopen op gegarandeerde analyse.
De handel heeft op dit oogenblik
nog geen ander hulpmiddel dan de scheikundige analyse en het voort-
durend koopen op analyse heeft ook het groote voordeel dat men ook
de prijzen meer in overeenkomst met de analyse kan bepalen.
Goed
diermeel met b.v.
55 % eiwit behoeft zeker niet meer dan / 9.—
a / 10.— te kosten per 50 K.G. Wie meer betaalt gooit onnoodig
geld weg door onkunde.

Collega Schuytemaker in zijn uiterst interessant jaarverslag
over den destructor te Midwoud over 1928, geeft een andere
methode aan die ook overweging waard is. Hij zegt (blz. 14) :
„Zeer minderwaardig is het destructormeel uit onfrissche vullin-
„gen. Wanneer dit pas bereid is, ruikt het sterk naar ammoniak.
„Ik persoonlijk zie de toekomst echter zoo dat men de verschillende
„diermcclsoorten vooral zal hebben te beoordeelen naar
de grond-
,.stoffen
waaruit deze zijn bereid. De bron van herkomst zal dus
„volkomen betrouwbaar moeten zijn en is dan niet
de ambtenaar,
,,die belast is met de uitvoering van de Vleeschkeuringswet,
de man
„die als uiteindelijke taak van zijn bemoeiingen de verschillende
„grondstoffen zal hebben te beoordeelen en te rangschikken en
„na de bereiding te hebben gecontroleerd het verkregen meel naar
„dien maatstaf in den handel te brengen .

„Zoo zal men ook een beter inzicht in de verschillen tusschcn lijm-
,,vrij en lijmhoudend diermeel krijgen.
Beziet men de zaken toch
„van nabij,
dan zal men nooit goed kunnen praten dat bouillon ge-
„trokken uit ontbonden cadavers of darmen als voedsel wordt verkocht.

„Men zal slechts lijmhoudend diermeel uit daartoe geschikte vul-
,Mngen kunnen maken, ten minste wanneer blijkt dat werkelijk de
„bouillon als voedingsmiddel waarde heeft.

„Voor de ontbonden cadavers en onfrissche ingewanden kan
,,men zeker zeggen dat geen goed lijmhoudend meel is te maken,
neen,
„nog eerder zou ik willen gelooven aan een toekomst, waarbij
zelfs
,,het lijmvrij diermeel dier vullingen slechts als meststof mag worden
„aangewend. Wil men daarover, als dit zoo wordt, zekerheid hebben,
,,dan zullen slechts overheidsbedrijven mogelijk zijn".

Ziedaar dus het oordeel van een collega, die het destructieproces

-ocr page 1077-

door eigen ervaring kent. Diametraal daartegenover staat dan
een handelsfirma welke in de landbouwbladen adverteert :

„Vleesch of diermeel, met weinig of geen extractiefstoffen, mist
,,een der voornaamste bestanddeelen, noodig voor den groei van
„hat dierlijk organisme. Koopt daarom — diermeel, rijk aan
, .extractiefstoffen\'\'.

Welke dezer twee, thans geldende meeningen, de juiste is, kan
ik op het oogenblik niet uitmaken. Mij zijn geen vergelijkende
proeven tusschen beide diermeelsoorten bekend. Wel ben ik bezig
die thans met pluimvee te nemen, doch b.v. van varkens, waar-
voor het diermeel-vraagstuk toch ook van groot belang is, zullen
landbouw-maatschappijen en andere dergelijke proeven moeten
nemen. Het is een zeer groot economisch belang dat hieraan vast
zit en daar zooals nu blijkt het extract-vraagstuk omgezet wordt
tot reclame voor bepaalde soorten diermeel, wordt het absoluut
noodig, vergelijkende proeven te nemen. Een van de twee moet
ongelijk hebben en de partij die ongelijk heeft, heeft er groot be-
lang bij daaromtrent zekerheid te verkrijgen, evenals de fabri-
kanten, die de machines leveren voor het een of andere proces.

B. Reeds in 1902 was men in tweestrijd over het sub. 1 be-
sproken extract-probleem en merkwaardig is dat thans nog in
moderne literatuur op proeven uit dien tijd gewezen wordt, die
als men ze in de oorspronkelijke literatuur opzocht, eigenlijk niet
veel waarde blijken te hebben. Zoo haalde ik in mijn antwoord
aan collega
van Gelder een citaat aan uit een onlangs verschenen
boek van
Turck. (T. v. D., p. 764).

Met deze meening van Turck niet tevreden zonder de oor-
spronkelijke literatuur, schreef ik direct aan den Directeur van
het Dierphysiologisch Instituut die mij antwoordde dat tijdens zijn
directoraat deze proeven niet genomen waren, doch waarschijnlijk
door zijn voorganger
Zuntz.

Hij verwees mij naar een artikel van Zuntz, beschreven in de
Berl. Klin. W., 1917, S. 540, waarbij proeven met lijmpreparaten
beschreven worden en o. a. gezegd wordt : ,,de proeven met lijm-
,,preparaten om echt eiwit te vervangen, bewezen spoedig, dat
,,de lijm zeer schadelijk is voor het dierlijk organisme, hetwelk
„blijkt uit albuminurie en darmcatarrh". Een zekere voedings-
waarde bleek de lijm echter wel te hebben, n.m.1. als zij in kleine
hoeveelheden tezamen met echt eiwit gevoerd werd. In groote
hoeveelheden bleek zij echter duidelijk minderwaardig te zijn.

In 1902, dus weer 15 jaar vroeger had Zuntz bij voederproeven
op
honden darmziekten geconstateerd. Nu zijn honden alweer
geen varkens en geen kuikens en blijkt dus bij napluizing van de
desbetreffende literatuur dat men zich thans in moderne boeken
beroept op proeven van 1902 en 1917 die voor den modernen tijd
niet veel waarde meer hebben. Onze inzichten in de amino-zuren

-ocr page 1078-

zijn belangrijk verdiept en proeven op honden zeggen mij al even
weinig als proeven op ratten wanneer het er om te doen is de
biologische waarde voor varkens of kuikens te bepalen. Ook hieruit
blijkt dus weer de noodzakelijkheid het
extract-vraagstuk te bc-
studeeren door proeven op varkens, kuikens en kippen.

Collega Schuytemaker vermeldt in het reeds aangehaalde
jaarverslag over 1928, blz. 9, dat Dr. R.
Mayer, welke een bezoek
aan den destructor te Midwoud bracht,
zeer geinteresseerd was over
de verschillen van lij inhoudend en lijmvrij diermeel
en de waarde
der lijm of bouillon als voedingsmiddel. Nu dus blijkt dat men
ook in Duitschland (en Amerika zooals uit de reeds vroeger door
mij besproken kuiken proeven gebleken is) de waarde van het
extract-probleem inziet, zullen wij spoedig in deze richting ook
in het buitenland wel resultaten van proeven vernemen en kun-
nen wij dan voorzoover wij zelf geen proeven nemen, daar de
vruchten van plukken.

C. Uit de mededeelingen van Soschlet zien wij dat dus in
1902 ook al flink geknoeid werd met diermeel. Dat stadium is men
thans nog niet geheel te boven.

D. Daarna volgen nu de proeven van Glage zelf, die werkelijk
zeer interessant zijn. Materiaal dat lijkengiften bevat kan dus na
destructie zonder bezwaar aan varkens gevoerd worden, en der-
gelijk materiaal doodt in onbehandelde toestand varkens niet.

In hoeverre nu de conclusies omtrent de voedingswaarde thans
nog voor de praktijk van het varkensfokken en mesten waarde
hebben weet ik niet. Van dit vak heb ik niet het minste verstand.
Glage nam zijn vergelijkende proeven ten opzichte van gerste-
meel-voedering met varkens van ongeveer 35 K
.G. begin-gewicht.
Mogelijk dat men thans over meer doelmatige voeder-mengsels
van varkens beschikt en men zou daarmede dan dus dergelijke
proeven kunnen herhalen.

Wat ook niet uit de proeven van Glage blijkt en wat toch van
zeer groot economisch belang is, is
of rot materiaal dezelfde voedings-
waarde heeft als versch materiaal.
Glage voerde n.m.1. zijn proef-
varkens achtereenvolgens met meel van de beschreven charges
dus rot meel en versch meel niet gelijktijdig aan proefvarkens.
Had hij b.v. meel van charge 1 of 4 (rot materiaal) gevoerd aan
eene groep varkens en meel van charge 2 of 5 (versch materiaal)
aan een andere groep dan hadden wij in dit opzicht ook weer
waardevolle gegevens verkregen.

Dat dit punt van groot belang is voor het gcheele destructie-
vraagstuk volgt ook weer direct uit het jaarverslag 1928 van col-
lega
Schuytemaker.

Zoo zegt hij, pag. 9 : ,,Zooals hier een combinatie noodslachtplaats
,,verwerkingsinrichting achtte hij
(Dr. Mayer) een zeer gelukkige
,,keuze, ook hij
meende dat wilden verwerkingsinrichtingen slagen,

-ocr page 1079-

„deze moesten zijn voor een niet te uitgebreid verzorgingsgebied. Men
„krijgt anders te oud materiaal en
de rentabiliteit van rottend materiaal
,,is klein
(klein percentage vetopbrengst) en de verkregen destruc-
„tormelen
zijn rijk aan reeds afgebroken eiwitten, tenslotte zelfs tot
„ammoniak toe".

Vandaar dus dat aan den ophaaldienst veel zorgen worden be-
steed en collega
Schuytemaker, pag. 10 vermeldt :

„De ophaaldienst functioneerde uitstekend. Het ophalen in
„kisten bevalt tot nog toe uitstekend. Wat baten mooie auto\'s
„wanneer de cadavers aan den weg blijven liggen ?"

Dat echter het uitgangsmateriaal zelf ook van belang is voor
de veehouders blijkt weer op pag. 13 waar collega
Schuytemaker
zegt : „De redeneering, dat de „algemeene" destructie in Neder-
land een dergelijk belang is, dat de veerijke gebieden de veearme
moeten helpen komt ten slotte praktisch hierop neer,
dat de alge-
meene destructie van cadavers en slachtdeelen in Nederland zal gaan
ten koste van de leveranciers van de waardevolle grondstoffen, in deze
,,de veehouders".

E. Glage nam zijn proeven met varkens, die zooals blijkt
niet sterven aan ptomaïne-vergiftiging, al worden ze van rot
materiaal ook bij herhaalde voedering min of meer ongesteld.
Maar wat heb ik als pluimveehouder nu weer aan al deze proeven
als ik weet dat het bij pluimvee geheel anders is en deze dieren
juist zeer gevoelig zijn voor ptomaïnen ? Zelfs de vliegenmaden,
die van rot vleesch afstammen veroorzaken bij pluimvee sterfte.
Pluimvee, dat b.v. in tegenstelling met andere diersoorten onge-
voelig is voor natuurlijke tetanus-infectie en zelfs enorme doses
tetanus-toxine kan verdragen zonder schade (en dit dan in de
dooiers der eieren ongewijzigd uitscheidt) is zeer gevoelig voor
lijkengiften, mogelijk ook voor andere eiwit-afbraak-producten.
Zooals
Philips echter al jaren geleden bewezen heeft en zooals
ook elders voldoende gebleken, is bij leggende hennen tot nu toe
geen schadelijke werking van diermeel aangetoond. Diermeel
lijkt mij dan ook voor volwassen kippen totaal onschadelijk, doch
de vraag is of kuikens, die veel gevoeliger zijn dan kippen, er geen
last van hebben. Zooals ik al vermeld heb heeft men in Amerika
bij kuikens schadelijke gevolgen geconstateerd, doch tast omtrent
de oorzaak daarvan nog in het duister. Gewenscht zouden dus zijn
proeven op kuikens met diermeel afkomstig van oud en van versch
materiaal, afgescheiden nog van de proeven met extract-houdend
en extract-arm meel van dergelijk uitgangsmateriaal.

F. Belangrijk is ook de mededeeling omtrent de beoordeeling
van het diermeel door
Glage. Mogelijk dat er omtrent ammoniak-
gehalte enz. enz. al meer gepubliceerd is dan mij op het oogenblik
bekend is en daarin zou ook een aanwijzing gevonden kunnen
worden ter beoordeeling van de waarde van diermeel.

-ocr page 1080-

Na de literatuur over de proeven van Gi.age kwam mij nog
een publicatie van Dr.
Hoefcke ter hand, welke zich op hetzelfde
terrein beweegt doch die de ptomaïnen-kwastie meer van den
chemischen kant bekeek. Deze publicatie is ook al 20 jaar oud
maar is mijns inziens ook nog volkomen waard eens weer voor het
daglicht gehaald te worden. Vandaar dat ik hierover het volgende
referaat maakte:

Enthalten die Tierkörpermehle Ptomaine und Toxine? Experitnentelle Unter-
suchungen iiber die in faulendem Fleisch vorkommenden Ptomaine und deren Ver-
halten bei gleichzeitiger Einwirkung hohen Druckes und hoher Temperaturen
van
Dr.
Haefcke, Berlin—Friedenau, Zeitschrift fiir Fleisch- und Milchhygiene,
XVIIIe jaargang, 1908, blz. 245.

Haefcke wijst er op dat de basis van de thermoehemische methode is dat
vleesch en beenderen door de inwerking van stoom onder druk zoover ontwaterd
en ontvet kunnen worden dat de overblijvende vaste bestanddeelen ingedroogd
kunnen worden. Na de zure rotting ontstaat in de cadavers de ammoniacale-
rotting, veroorzaakt door micro-organismen. Daarbij ontstaan uit eiwitten en an-
dere organische stikstofverbindingen basische lichamen, welke ten deele een alka-
loïdkarakter dragen en die onder den naam ptomaïnen bekend zijn (Het woord is
door
Francesco Selmi uit het woord r.itö/ta (cadaver) gevormd, en het eerst
in zijn artikel over ,,Alcaloidi cadaverici" dat op 9 Febr. 1873 te Bologna gepu-
bliceerd werd, gebruikt).

Haejcke bespreekt daarna verschillende chemische bijzonderheden en reacties
omtrent ptomaïnen. Uit rot paardenvleesch isoleerde hij ptomainen, terwijl de
helft van het rotte paardenvleesch thermochemisch behandeld werd en hierin geen
ptomainen meer aan te toonen waren.

De vernietiging der ptomaïnen ontstaat door samenwerking van hooge druk
met hooge temperatuur. De hooge temperatuur alleen is daartoe niet voldoende.

De resultaten van Haefcke zijn dus geheel in overeenstemming
met die van
Glage al gaan zij in zekeren zin daar boven uit. Ik
zeg in zekeren zin, omdat ik zeer voorzichtig ben in het toekennen
van waarde aan scheikundige experimenten waar het betreft
physiologie en pathologie bij dieren, al kan de scheikunde daar
als voorloopig hulpmiddel niet bij ontbeerd worden, doch aan den
anderen kant toonde
Haefcke, met de toentertijd bestaande
gegevens aan dat de ptomainen in het algemeen, zooals ze toen
bekend waren, door het destructie-proces vernietigd worden. Ook
hier dus weer zeer belangrijke proeven, die mijns inziens nog heden
van groote waarde geacht mogen worden.

-ocr page 1081-

INGEZONDEN.

Vereenvoudigde spelling.

Aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Prins Mauritslaan
9, dm Haag.

Mijne Heeren,

Onderstaande aanhef van een artikel van Prof. van Rijnberk in het Neder-
landsch Tijdschrift voor Geneeskunde van 24 November 1928 geeft zoo geheel
mijne meening weer ten aanzien van de spelling ook in ons tijdschrift, dat ik gaarne
bedoelde regelen ter overweging onder Uwe aandacht breng.

Met collegialen groet en hoogachting, verblijft, Uw dw.

van Capelle.

De spelling in het Tijdschrift.

,,Als algemeone regel geldt, dat wij in het tijdschrift de spelling van de Vries
en Te Winkel volgen. Men kan dat natuurlijk, ouderwetsch of ondemocratisch
vinden, misschien zal een ver nageslacht zich verbazen over onze starre behoud-
zucht en ons verwijten, dat wij de geneeskundigen niet met zachten dwang een
of ander soort „vereenvoudigde spelling" hebben opgelegd. Misschien. In elk
geval is het zeker, dat er eenheid en eenvormigheid moet zijn. Liet men ieder
vrij te schrijven zooals hem goeddunkt, dan zouden de bladzijden van het Tijd-
schrift een zonderling rammelende lappendeken van allerlei soms consequent,
maar vooral ook inconsequent doorgevoerde spellingstelsels worden. Zoolang
dus de Nederlandsche taal ambtelijk en door de meerderheid der beschaafden
nog volgens de oude spelling op schrift weergegeven wordt, blijft het Tijdschrift
eveneens
De Vries en Te Winkel volgen", enz. enz. enz.

Van do mij aangeboden gelegenheid om hierop in \'t kort te antwoorden, maak
ik gaarne gebruik.

Aangezien ik bijna de enige ben, die in ons tijdschrift enigzins vereenvoudigde
spelling schrijft, is het ook niet meer dan billijk, dat ik daarvan de reden aangeef.

Dat onze spelling verouderd is en dat herziening dringend nodig is, wordt alge-
meen door deskundigen toegegeven. Die herzioning moet vooral zijn
vereenvoudiging.
Onze taal, volgens het stelsel de Vries en te Winkel, is onnodig moeilijk en
onprakties. Die moeilijkheid is ook de reden waarom de
verbuigingsuitgangen
in de laatste tijd gewoonlijk worden veronachtzaamd ; dit is zoo algemeen dat
liet opvalt als iemand het eens niet doet.

De noodzakelijkheid van vereenvoudiging wordt ook reeds lang door het onder-
wijs ingezien en het morendeel dor onderwijzers is vóór die vereenvoudiging.
Bij een in 1928 gehouden enquête bleek, dat van de leraren in het Nederlands
aan de H. B. Scholen met 5-j. cursus (of een daarmee overeenkomstige afdeling
van een lyceum) ruim 86 % voorstanders zijn van de Vereenvoudigde Spelling
en dat nog geen 7 % de verbuigings ,,n" geheel of gedeeltelijk wenst te hand-
haven.

Voor voorstanders valt het moeilijk do verouderde, en naar hun opvatting
nutteloze taalregels te onderwijzen ; dat onderwijs komt daardoor in het gedrang
met als gevolg, onvoldoende kennis van de Nederlandse taal bij de jeugd.

Bij het weglaten der verbuigings ,,n" worden dus stilzwijgend en met weder-
zijds goedvinden de spellingsregels op zij gezet. En terecht, want om behoorlijk
de verbuigingsuitgangen te plaatsen, moet men een uitgebreid stel geslachts-
regels met uitzonderingen en een geslachtslijst in zijn hoofd of op zijn schrijftafel,
elk ogenblik onder zijn bereik hebben. Dit is van niemand te vergen en het zou
ook jammer zijn van de daaraan te besteden tijd. Waarom zou men nu, ook stil
zwijgend en met wederzijds goedvinden, niet wat verder gaan en alle overtollig
heden opruimen en enkele veranderingen aanbrengen, die de schrijftaal vereen
voudigen en ook meer in overeenstemming brengen met de
beschaafde spreektaal

-ocr page 1082-

Do taal wordt daardoor nog niet de chaos en de lappendeken waarvoor Prof.
Rijnberk vreest. Men behoeft niet verder te gaan dan Dr. M. de Jong (Amster-
dam) in een zeer lezenswaard artikel in Neerlandia (1929, Maart-, Mei-, en Juni No.)
aangeeft :

op het eind van een lettergreep (behalve op het eind van een woord) worden
e en o niet verdubbeld — (dus b.v. leren, mening, lopen, nodig, maar zee en vloo).

Onnodige h\'s worden weggelaten : dus tee, tans.

Sch wordt alken geschreven als na de s de ch ook uitgesproken wordt : dus
mens, wensen, hollandse, onverhoeds.

Do uitgang isch wordt ies (verlengde vorm ise) dus : nieuwmodies, nieuwmodiso.

Het is niet nodig vreemde (bastaard) woorden in een nederlands pakje te ste-
ken, dus : actrice, enquête, enz.

Tegen deze vanzelfsprekende vereenvoudigingen kunnen geen steekhoudende
bezwaren bestaan (men zou hoogstens kunnen zeggen, dat het in \'t begin wat
vreemd staat) en het meedoen daaraan bevordert een goede zaak ; zooals Dr.
M.
de Jong het uitdrukt, is het een verandering in de schrijfwijze die ons in staa\'
stelt met meer gemak en zekerheid zuiver te schrijven.

Verdere vereenvoudigingen en nieuwe taalregels (vooral minder ingewikkelde
geslachtsregels) moeten wij overlaten aan een daartoe door de Regering tc be-
noemen Commissie van deskundigen (waarin zoowel taalkunstenaars als praktiese
taalkundigen zitting moeten hebben).

Is de bost mogelijke oplossing gevonden, dan moet de Regering de nieuwe spel-
ling voor staatsstukken en onderwijs gelasten. Het is te hopen, dat er spoedig
eon officiële praktiese vereenvoudiging komt ; de onzekere toestand, die nu be-
staat, is wel de hoofdoorzaak van het feit, dat onze taal door velen zoo slecht
wordt geschreven (om van de spreektaal maar te zwijgen) en dat men ook, zelfs
endemies, onjuistheden, dichterlijke vrijheden en slordigheden aantreft, (soms
als vereenvoudigde spelling bedoeld), die do schrijftaal naar omlaag halen tot het
peil van een alledaagse spreektaal. Zoo b.v. hot gebruik van \'r en d\'r voor haar;
z\'n en m\'n voor zijn en mijn; \'n voor eon; het woord ,,waar" in plaats van daar,
omdat, nu, terwijl; te voel ze en we inplaats van zij en wij; het, in een verhaal
(ziektegeschiedenis bv.) herhaaldelijk overspringen van de „verleden tijd" in de
„tegenwoordige tijd", in plaats van, zooals juist is, alleen de verleden tijd te
gebruiken, enz.

Indien nu echter de Overheid in gebreke is en blijft (en in deze verpolitiekte
tijd is daar wel kans op) is dat geon reden om maar lijdelijk te blijven afwachten.
Het beste middel om de Regering tot ingrijpen te nopen, is de boporkte vereen-
voudigde spelling zoveel mogelijk te gebruiken, vooral ook in kranten en tijdschrif-
ten. Wordt zij op uitgobreide schaal toegepast dan wordt het publiek er mee ver-
trouwd cn zal de Regering de tijd rijp achten voor „wettelijke toepassing".

Daar de eenling in deze niets bereikt is aaneonsluiting nodig. Deze bostaat
reeds :
de vereniging tot vereenvoudiging van onze spelling" word reeds jaren ge-
leden opgericht ; voorzitter is Prof. Dr.
Salverda de Grave. Bij de secretaris
Dr.
J. J. B. Elzinga te Amsterdam (Willem Boukelsstraat 28) kan men zich als
lid opgeven; contributie (minimum) ƒ0.75 Por jaar. waarvoor men bovendien nog
ontvangt het orgaan dfr vereniging „Vereenvoudiging" (onder redactie van Prof.
Dr.
de Vooys) dat ongeveer om de 3 maanden verschijnt.

Ofschoon niet rechtstreeks verband houdende met het bovenstaande wil ik ook
nog evon wijzen op de slechte gewoonte om in vele gevallen germanismen, gallicis-
men en andere vreemde woorden te gebruiken, waar goede gangbare hollandse
bestaan ; zoo b.v. uitgesproken (ausgesprochen) voor beslist, bepaald ; meerdere
(mehrere) in plaats van meer of ook vele, verscheidene ; injicieeren in plaats van
inspuiten; applicatie voor toediening, toepassen, enz. enz.
 A. Vrijburg.

-ocr page 1083-

Oproep.

Reeds betrekkelijk kort na het in werking treden van de Vleeschkeuringswet
heeft een Commissie van Overleg uit den Nederlandschen Slagershond en den
Hanzebond van R.K. Slagerspatroons bij den Minister van Arbeid een request
ingediend, waarin werd verzocht, teneinde een goede naleving van de Vleesch-
keuringswet te verkrijgen, dat de praktiseerende dierenartsen niet meer belast
zouden worden met de keuring van vee en vleesch.

Het getuigt van het goede inzicht in vleeschkeuringsaangelegenlieden van
bovengenoemde Commissie, dat toen reeds een dergelijk verzoek den Minister
kon bereiken.

Tot op heden werd echter aan dit verzoek blijkbaar geen aandacht geschonken.

Integendeel de combinatie Keuringsveearts-practicus bleef onverminderd ge-
handhaafd, en woekert steeds verder door, in de plattelandskeuringskringen.

Het is trouwens reeds van algemeene bekendheid, dat de uitvoering van de
Vleeschkeuringswet op het platteland grove tekortkomingen vertoont.

Slechts op een enkel punt wenschen wij hier de aandacht te vestigen.

De keuringsveearts-practicus oefent in den regel praktijk uit over het geheele
gebied van zijn keuringskring. Hij ontleent aan zijn ambt bevoegdheden, die
hij tegenover naburige collega\'s, geen keuringsveearts zijnde, kan misbruiken.

Jammer is, dat hiermede tevens de onafhankelijkheid (en onpartijdigheid)
van den practicus verloren dreigt te gaan.

Dat de praktiseerende dierenarts zich door deze wet bij wijze van spreken met
een ambtenaarsketen heeft laten kluisteren, ter wille van de fixa, komt misschien
den geprotegeerden enkeling zeer te stade, doch het schaadt ten slotte onze vete-
rinaire gemeenschap als collectiviteit in zeer bedenkelijke mate.

Langzamerhand teekent zich hier en daar de misstand af, waarbij getracht
wordt het uitoefenen van de veterinaire praxis over de geheele breedte te
monopoliseeren, en dit kunstmatig in handen te spelen van een groep meest-
begunstigde keuringsveeartsen, terwijl de overige practici zonder meer daardoor,
althans in Friesland, met den ambtehjken boycot worden getroffen.

Een dergelijken toestand hebben wij aan de combinatie keuringsveearts-prac-
ticus te danken.

Teneinde hieraan paal en perk te stellen, lijkt ons een organisatie van practici
gewenscht, met als voornaamste programpunt, het ijveren voor zuiver ambtc-
lijko keuringskringen ook op het platteland.

Bewijzen van instemming worden gaarne ingewacht bij ondergeteekende.

Namens eenige Friesche collega\'s,

Heerenveen, 22 Aug. 1929. R. P. Sijbesma.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

A an de Leden !

Ondergeteekende doet hierbij nogmaals een beroep op de leden onzer Maat-
schappij om door ruime deelneming aan het welslagen van de gemeenschappelijke
maaltijd in Hotel des Pays Bas op Vrijdagavond, 11 October mede te werken.

Tot dat doel vindt U in dit tijdschrift een drukwerkformulier, dat U slechts
van een 1 £ centspostzegel en Uw naam als afzender heeft te voorzien om mij
toe te zenden. Deze kaarten moeten uiterlijk Woensdag, 9 October in mijn bezit
komen. Gedurende de Vrijdagmiddagvergadering kan zich nog slechts een uiterst
beperkt aantal deelnemers voor de maaltijd opgeven, zoodat een ieder, die zich
een plaats aan den disch wil verzekeren, aangeraden wordt mij daarvan tijdig
in kennis te stellen.
 De wnd. Secretaris,

Jan van Scorelstraat 37, Utrecht. J. H. ten Thije.

-ocr page 1084-

Afdeeling Groningen-Drenthe.

In de Zomervergadering werd het plan besproken tot het organiseeren van een
tocht naar de Zuiderzeewerken. Ook werd besloten in de najaarsvergadering de
Duitsche collega\'s te inviteeren, die ons zoo gastvrij hebben ontvangen tijdens
een bezoek aan de veemarkt te Leer. Mededeelingen werden gedaan betreffende
reductie voor telefoonverbinding gedurende den nacht voor dierenartsen ten
plattelande en het gebruik maken van code-telegrammen voor de Rijksserum-
inrichting.

Dr. Jalving te Ruinerwold hield, naar aanleiding van zijne dissertatie over
enzoötische levercirrhose bij het rund, een interessanto voordracht en beantwoordde
verschillende vragen die na zijne mededeelingen werden gedaan. Daarna gaf
J
Bruyei. een causerie over ,,Collegialiteit en Empirie", welke voordracht waar-
schijnlijk ter plaatsing in het T. v. D. zal worden aangeboden.

De inleider beveelt o. a. aan de vorming van ,,kringen" en het nemen van maat-
regelen op maatschappelijk gebied binnen de grenzen van een kring. Bij de discussie
waarschuwde
Kroes tegen dergelijke kringen die z. i. de kracht der M. v. 1). onder-
mijnen en het bezoek aan de vergaderingen zullen verminderen. Een gepast gevoel
van eigenwaarde en standsbegrip, zoo noodig voor collegiaal gevoel, moet reeds
in het studentenleven worden bijgebracht en daarvoor is z. i. aansluiting bij het
U. S. C. zeer gewenscht.

Dr. G. J. C. van der Kamp gaf nog eenige wenken betreffende verontreiniging
van vleesch met tubercelbacillen.

Bij „Rondvraag" werd door Bruijel de wenschelijkheid betoogd van het stellen
van vraagpunten door verschillende leden en deze in bijzondere afdeelingsver-
gaderingen, enkel daaraan gewijd, te behandelen. Van een en ander zal dan geen
uitvoerig verslag in het T. v. D. moeten worden gegeven, ten einde de leden zoo-
veel mogelijk te dwingen de vergaderingen te bezoeken, wanneer zij belang stellen
in de gestelde vraagpunten.\'Ook wordt dan geen stof geleverd voor atikelen aan
sommige schrijvers in landbouwbladen over dierziekten en hare genezing. Aldus
besloten.

Reeds 29 Augustus j.1. werden in een goed bezochte bijeenkomst verschillende
vraagpunten ingeleid n.1. :

1. Gesteld een geval van hydrallantoïs bij het rund. Er is eenige ontsluiting
die op een naderende partus wijst. Is het gewenscht deze te forceeren of is afwach-
ten, gedurende dagen, aangewezen?

2. Wat is de beste werkmethode bij een onvoldoend ontsluitende en rigide
cervix uteri bij het rund?

3. Is irrigeeren na prolapsus uteri steeds, soms of nooit gewenscht ?

4. Wat is bij een licht geval van kopziekte bij liet rund het criterium dat men
met kopziekte en
niet met kalfziekte te doen heeft?

5. Zijn er door collega\'s, na injectie van chloorcalcium of van chloorcalcium
met glucose, ook hevige benauwdheden en sterfgevallen waargenomen?

6. Bestaat er een goede behandelingsmethode (eventueel operatief) ter ver-
betering van den afwijkenden stand der achterbeenen van het kalf?

7. Is het in voorraad hebben en verkoopen van vleeschwaren in alle localiteiten
geoorloofd of moeten deze aan bepaalde eischen voldoen ? Gaat de keuring van deze
vleeschwaren geheel buiten onze bemoeiingen om, ook al vindt men, bij een be-
zoek, bedorven vleeschwaren?

8. Mag versch of licht gezouten spek bij winkeliers (geen slagers) worden ver-
kocht?

De discussie betreffende de vraagpunten was zeer geanimeerd. Er bleven vraag-
punten over die niet in behandeling kwamen en er werden staande de vergadering
weer nieuwe vragen gesteld, zoodat besloten werd in het a.s. najaar nog een bij-
zondere vergadering te houden.

Kroes.

-ocr page 1085-

BERICHTEN.

VLEESCH HYGIËNE. Jaarverslagen 1928.

Arnhem.

Ten aanzien van de keuring van vee en vleesch wordt het volgende vermeld :

Het bacteriologisch vleeschonderzoek werd verricht bij 81 runderen, 2 gras-
kalveren, 11 vette kalveren, 25 nuchtere kalveren, 18 paarden, 27 varkens en
3 schapen. In 10 gevallen zag men een positief resultaat, en wel bij :

één rund met endocarditis — uit het vleesch groeiden stapliylococcen, uit de
organen niet nader gedetermineerde bacillen
; één rund, dat tijdens het leven
diarrhee had en waarbij tevens longemphyseem bleek te bestaan •— hierbij werden
colibacillen gevonden ;
één rund, eveneens weer met endocarditis, waarbij woer
een mengsel van verschillende bacteriën werd verkregen ;
twee nuchtere kalveren
met catarrhale enteritis — uit vleesch en organen colibacillen ; één nuchter kalf met
pleuropneumonie ;
één nuchter kalf met icterus gaven beide uit vleesch en organen
bacillen van de coli-typhusgroep ;
twee varkens met endocarditis verrucosa — vlek-
ziektebacillen ;
één varken, eveneens met endocarditis, — Gram-positieve, onbe-
weeglijke staafjes.

Wat de kook- en braadproef betreft, deze was 6 maal positief. Hiertoe behoorde
een geval van een rund met nephritis en distomatosis, waarvan het vleesch zoowel
de geur als de smaak van knollen had. Verder verspreidde het vleesch van een
rund, dat met een kamferhoudend geneesmiddel was behandeld, een duidelijke
kamfergeur. Bij 2 varkens (een beer en een binnenbeer) gaf het vleesch bij het
braden een duidelijke geslachtsgeur, terwijl het vet van 2 varkens een bruine ver-
kleuring vertoonde, wat, zooals de braad- en smaakproef uitmaakte, het gevolg
was van het voederen van vischkoppen.

Bij 113 runderen en i graskalf werden blaaswormen aangetroffen, hiervan waren
bij 18 runderen de parasieten levend.

Tuberculose kwam voor bij 6.25 % der runderen, bij kalveren 0.28 %, bij nuch-
tere kalveren 0.16 %, bij varkens 3.69 %, en bij geiten 0.51 %.

Echinococcosis werd waargenomen bij geiten 0.51 %, bij paarden 6.93 %,
bij varkens 3.34 %, bij runderen 0.79 %.

Winst bedroeg / 58.883.82.

den Haag.

In het verslagjaar werden 13.137 winkolbezockcn afgelegd. Einde 1928 waren
een 534 slagerwinkels in den Haag aanwezig.

Tuberculose kwam voor bij 21.91 % der runderen, 0.61 % vette kalveren, 1.44 %
graskalveren, 9.59 % varkens, 0.36 % paarden, 0.06 % nuchtere kalveren en
0.02 % schapen.

Actinomycose werd aangotroffen bij 25 runderen (aan kaak en tong) en bij 1
varken (aan den uier).

Cysticercus inerni\'s kwam voor bij 201 runderen (in levensvatbaren toestand
bij 37 runderen) en 141 graskalveren (levensvatbaar 19).

Echinococcusblazen werden gevonden bij 0.59 % der runderen, 4.1 % der
paarden, 0.27 % der varkens en 0.08 % der schapen.

De gegevens over het bacteriologisch vleeschonderzoek zijn zeer volledig. Dit
onderzoek werd verricht bij 107 runderen (waarvan 13 met positief resultaat),
72 paarden (3 positieve bevindingen). 17 vette kalveren (2 positief), 26 graskalveren
(2 positief), 52 nuchtere kalveren (27 positief), 102 varkens (33 positief) en 7 scha-
pen (1 positief).

Omtrent de positieve bevindingen worden de volgende nadere bijzonderheden
medegedeeld :

Bacillen uit de paratyphusgroep werden 8 maal geconstateerd, en wel bij 3 var-
kens met varkenspest, 2 kalveren met miliaire levernecrose, 1 nuchter kalf dat
groezelig, en bloedrijk was en 2 nuchtere kalveren met polyarthritis. In de beide
laatste gevallen werden bovendien colibacillen aangetroffen.

-ocr page 1086-

Colibacillen werden 16 maal waargenomen en wel bij i rund met pericarditis
traumatica, io nuchtere kalveren met polyarthritis, 3 nuchtere kalveren met
enteritis, 1 nuchter kalf met peritonitis en bij 1 uit nood geslacht nuchter kalf
met negatief sectiebeeld.

Vlekziektebacillen werden gevonden bij 27 varkens, t. w. in 21 gevallen van
vlekziektesepticaemie, in 5 gevallen van urticaria en 1 geval van endocarditis
verrucosa.

Micrococcen werden vastgesteld bij 1 rund met pericarditis traumatica, i rund
met endometritis .thrombose achterste vertakkingen van de aorta en metasta-
tische abscessen in de longen, 1 rund met panaritium, 1 nuchter kalf met s:psis
(navelinfectie), 6 nuchtere kalveren met polyarthritis (5 x als diplococcen) en
bij I schaap met peritonitis.

Bacillus pyogenes werd geconstateerd bij 1 rund met arthritis, periarthritis en
tendovaginitis, i rund met endocarditis en metastatische abscessen, 1 nuchter
kalf met polyarthritis, en 1 varken met lymphadenitis.

B outvuurbacillen werden gevonden bij 1 graskalf met houtvuur en sterk daarop
gelijkende bacillen bij 1 uit nood geslacht graskalf, waarvan de afwijkingen alleen
bestonden in gezwollen, bloedrijke organen.

Anaeroben kwamen voor bij 2 runderen met pericarditis traumatica, i paard
uit nood geslacht wegens windkoliek, 1 paard uit nood geslacht wegens embolische
koliek, I varken met peritonitis.
Andere saprophyten kwamen voor bij 1 rund, uit
nood geslacht wegens longoedeem, en 2 uit nood geslachte varkens, welke te lang
gesloten hadden gelegen.

Winst / 293.281.40.

Gorinchem.

Het coöperatief slachthuis heeft over 1928 een batig saldo opgeleverd van
/ 1942.— Aan de leden-verbruikers van het slachthuis wordt 10 % der betaalde
slachtrechten terugbetaald. De exploitatiekosten bedroegen / 3514. Geslacht
werden 797 runderen, 307 vette en graskalvercn, 324 nuchtere kalveren, 1996
varkens, 89 paarden, 3 veulens, 16 hitten, 77 schapen en 8 geiten.

Waalwijk.

Blijkens een mededeeling in liet verslag voldoet de varkensval van de Firma
Schermer zeer aan de verwachting.

In het laatste kwartaal werd het noodslachthuis en het slachtlokaal voor de
z.g. ,,uithallers" voor het gebruik opengesteld in de gemeente Loon op Zand.
Eveneens werden plannen gemaakt een dergejlijk gebouw te stichten te Drunen.

Bacteriologisch vleeschonderzoek werd verricht bij: 5 paarden, 31 runderen,
2 varkens en 3 kalveren. Omtrent de positieve gevallen vermeldt het verslag : dat
bij een paard met koliek, tengevolge van obstipatie, uit het vleesch colibacillen
werden gekweekt. Uit het vleesch van een rund, dat geleden had aan retentio
secundinarum, en waarbij over het geheele cadaver de subcutis bloedig en oedema-
teus was, was groei waar te nemen van bacteriën, behoorende tot de paraboutvuur-
groep. Overigens werden gevonden rottingsbacteriën, staphylococcen en coli-
bacillen in alle andere positieve bevindingen.

Cysticercus inermis bij 7 runderen ; geen enkele parasiet levensvatbaar.

Tuberculose bij 11.84 % der runderen, bij 2.54 % der varkens en 1.73 % der
geiten.

Echinococcosis bij 1.36% der runderen (23), bij 1 paard en bij 10 varkens
of 2.25 %.

Nadeelig saldo / 7.352.45s. de G.

Abonnementsprijs Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

De Redactie maakt bekend, dat de abonnementsprijs voor het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde, voor niet-leden der Maatschappij voor Diergeneeskunde, is
bepaald op / 20.— per jaargang, ingaande 1 Jan. 1930.

De prijs van afzonderlijke afleveringen zal vanaf dien datum / r.50 bedragen

-ocr page 1087-

Studenten-abonnementen.

De Redactie brengt in herinnering, dat voor studenten in de Faculteit der Vee-
artsenijkunde de abonnementsprijs van het Tijdschrift voor Diorgenoeskunde
bedraagt / 10.—

Het is echter noodig gebleken de wijze waarop deze abonnementen worden
toegestaan te herzien. Aan studenten die na 1 Jan. 1930 het Tijdschrift wenschen te
ontvangen,—ook zij die thans reeds een studenten-abonnement hebben —, wordt
verzocht zich aan te melden door storting van / 10.— op de Postgirorekening
der Firma
van Boekhoven, No. 64404, met vermelding op het girobiljet van de
woorden „voor studenten-abonnement Tijdschrift voor Diergeneeskunde" on
duidelijke opgave van naam en woonplaats.

De Firma van Boekhoven zal deze aanmeldingen aan de Redactie ter goed-
keuring voorleggen, waarna geregelde toezending volgt.

Uitdrukkelijk wordt vermeld, dat via den boekhandel geen studentenabon-
nementen meer kunnen worden afgesloten.
 Redactie.

Professor Dr. D. A. de Jong-Stichting.

Ton bate van deze stichting zijn tot heden ontvangen 87 stortingen ineens
tot oen gezamonlijk bedrag van ƒ 3730.50, waaronder oen schenking van / 1000.—,
een van / 500.—, twee van / 250.— en vijf van / 100. , terwijl 10 jaarlijksche
bijdragen zijn toegezegd tot een totaal van / 88.—

Dc Penningmeester van het Voorloopig Comité,

20 September 1929. W. van der Burg.

Het meerendeel der dierenartsen heeft nog geen bijdrage gezonden. Het is alsof
zij op elkaar wachten. Wij hopen en vertrouwen dat wij spoedig nog velo stortingen
in het tijdschrift kunnen vermelden.
 Red.

Jubileumfonds der Veeartsenijkundige Faculteit.

Lezingen Vischkunde en Visch-keuring.

Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan der Vétérinaire onderwijsinrichting
in Nederland werd in 1923, vooral op initiatief van Prof. Dr. D. A.
de Jong een
fonds groot ^ / 3000.- aan de toenmalige Senaat der Veeartsenijkundige Hooge-
school aangeboden, waarvan do baten zouden moeten strekken ton dienste van
het onderwijs en onderzoek aan deze instelling. De leden van den Senaat werden tot
Commissie van Beheer bonoemd, w?lke taak 11a de samensmelting met de Univer-
siteit door de leden der Faculteit werd voortgezet.

Het is duidelijk dat men van de rente van deze som, waarvan bovendien nog
1/4 gekapitaliseerd moet worden, telken jare geen wonderen kan verrichten. Deze
baten werden dan ook eerst vergaard totdat in 1927 door Dr.
Winkel op uit-
noodiging van dit fonds een serie voordrachten over bijenziekten werd gehouden.
Verschillende technische bezwaren vertraagden de publicatio dezer zeer interes-
sante voordrachten. Toch kan deze publicatie, waarvoor het Jubiloumfonds even-
zeer een belangrijke bijdrage toezegde, nu eerlang in het Tijdschrift voor Dierge-
neeskunde worden tegemoet gezien. Tevens heeft het fonds een tweeden arbeid
ter hand genomen.

Dr. A. van der Laan, directeur van de Gemeentelijke vischvoorziening te
Amsterdam is bereid gevonden een viertal voordrachten te houden over

Vischkunde en Vischkeuring.
welke zijn bepaald op Dinsdag 15 Oct. a.s., Maandag 21, en Dinsdag, 29 October
en Maandag 4 November, telkensdes avonds te 8 uur in het Pathologisch Instituut,
Biltstraat 166.

Namens het Jubileumfondsbestuur worden alle dierenartsen alle studenten
in de diergeneeskunde, die in dit onelerwerp belangstellen, tot bijwoning van
deze voordrachten uitgenoodigel. Kosten zijn hieraan voor de de?lnemers niet
verbonden.

Niet alleen zullen theoretische beschouwingen worden ge^liouden, doch Dr.

-ocr page 1088-

v. D. Laan is in de gelegenheid het modegedeekle aan een zeer uitgebreid materiaal
te demonstrceren.

Nu de belangstelling voor vischkunde en vischkeuring in diergeneeskundige
kringen toeneemt en de nadere kennismaking met dit gebied ook zeer veel per-
soonlijke genoegdoening schenkt, moet worden erkend, dat deze lezingen wel op
het juiste moment worden gehouden.

Aandeelnemers onder de dierenartsen wordt verzocht van hun voornemen kennis
te geven aan ondergeteekende, opdat ongeveer het aantal gasten bekend zal zijn.
Moge Dr. v. r>.
Laan door een uitgebreid auditorium voor zijn moeite beloond
worden.
 C. F. van Oijen.

Onderscheidingen.

Benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau :

j. M. Hoogland, paardenarts ie kl. te den Haag on M. C. van Buuren, dieren-
arts to Zuidland. Wij wenschen die Heeren geluk met deze onderscheiding.

Mond- en klauwzeerinstituut.

Bij de Rijksbegrooting voor 1930 is / 25.000.— uitgetrokken voor een mond-
en klauwzeerinstituut.

Mond- en klauwzeer in Engeland.

Nadat Engeland drie maanden vrij was geweest van de ziekte, word 7 Sept.
in Lanarkshire op een boerderij mond- en klauwzeer vastgesteld bij 96 varkens
on eonige runderen (de geheele veestapel van de hoeve was 73 runderen, 67 schapen
011 439 varkens). (Vet. record. 1929, No. 37.)

Entstoffen in handen van leeken.

Merillat (Buil. de 1\'Acad. vét. de France, Juillet 1929, p. 240) vermeldt dat
in Amerika (Vereenigde Staton) de wetgevingen tegen de kwakzalverij op dierge-
neeskundig gebied nog onvolledig zijn. Landbouwvereenigingen koopon togen
lagere prijzen groote hoeveelheden serum en virus, dat door landbouwers, dio
daarin eenig onderricht hebben ontvangen, wordt ingespoten, fn de „Middle-
West" waar veel varkens worden gehouden en veel varkenspest voorkomt, is
er echter kans dat aan dat „uitschakelon van de dierenartsen" een einde komt. De
landbouwers zien nl. zelf in dat het omgaan met „virus" tóch niet ieders werk
is en dat de entstof in handen van landbouwers, in streken waar varkenspost
voorkomt, een groot gevaar oplevert, fn die streken blijft nl. de ziekte .heerschen
en zich uitbreiden ondanks de entingen.

In Amerika wordt mon dus „met schade en schande" wijs. Het is te hopen dat
men in Nodorland niet dat leergeld betaalt en dat het „ontwerp van Wet" van
de Commissio inzako sera en entstoffen tot wet wordt. Enten tegen ziekten is
het werk van artsen en dierenartsen en niet van leeken.
 Vr.

Office international des épizooties.

Dr. Berger was zoo vriendelijk ons het Officieele Verslag to zonden van de
zittingen van 1929. In het 15 Sept. No. (blz. 997) namen wij daar reeds een en
ander uit over. Van de verschillende ingediende rapporten zullen referaten in ons
tijdschrift verschijnen.

In de 3e zitting van de Office international der épizooties kwam weer ter
sprake de „Standardisation des bulletins vétérinaires".
Leclainche drong er op
aan dat alle staten de ie en 15e van elke maand een bulletin publiceeren aan-
gaande de voorkomende besmettelijke veeziekten. Eenheid in de benamingen en
scherpe onderscheiding tussen de verschillenden ziekten is daarbij noodig, zoo
bv. tussen varkenspest en andere varkensziekten.

In de ziekte-bulletins moet eenheid komen. Nadat over deze zaak van ge-
dachten was gewisseld, werd een speciale commissie benoemd (bestaande uit het
Bureau van de Office international en verder de heeren
Berger, Hamr en
Wehrle) die deze kwestie zal bestudeeren en in de volgende zitting rapport
uitbrengen.

-ocr page 1089-

Jaarboekje 1930.

Verzoeke beleefd opmerkingen, gewenschte veranderingen enz. tijdig (zoo mo-
gelijk nu reeds) te laten weten aan den heer
Kroes, Oostersingel 14. Groningen.

11th International Veterinary Congress.

Patron :

His Majesty King George V.
Vict-Patron :
the Prince of Wales.
Central Hall, Westminster, London, Engeland, August :\\th to <>th, 1930.
President of the Organising Committee :

Sir John McFadyean, LL.D., M B., C M., B.Sc., M.R.C.V.S.

Vice-President : Dr. O. Charnock Bradley, M.D., D.Sc., M.R.C.V.S.
Hon. Treasurer -. Lt.-Col. J. W. Brittlebank, C.M.G., M.R.C.V.S., D.V.S.M.
Hon. Secretary : Professor J. Basil Buxton, M.A., F.R.C.V.S., D.V.H.
Subscription for Members and Delegates ^
Cotisation pour membres et délégués
. 20 Shillings.
Mitgliedsbeitrag \'

Communications to be addressed to :

General Secretary :
F. Bullock, LL.D., F.C.I.S.,
10 Red Lion Square, London, W.C.I.

Telephone: Holborn 6118.

Telegrams : Centaurum, Holb., London.

Programme.

General Meetings.

1. Foot and mouth disease (plurality of viruses ; immunisation, disinfection).

2. Tuberculosis (vaccination).

3. Infectious abortion of cattle, sheep and swine.

4. Relationship of the veterinary surgeon to Animal Husbandry.

5. Veterinary Science in relation to public health, with special reference to pro-
duction and distribution of meat and milk.

6. The law governing the practice of Veterinary Medicine and Surgery.
Sectional Meetings.

Section 1, Pathology, Bacteriology and Fpizootiology.

(a) Variola in domestic animals.

(b) Anthrax. (Control of dissemination by animal products).

(c) Swine fever. (Diagnosis and vaccination).

(d) Rabies. (Vaccination).

(e) Distemper. (AEtiology and vaccination).
(/) Blackleg. (Vaccination).

(g) Standardisation of biological products (sera, vaccins and diagnostic agents).
Section
II. Veterinary medicine, surgery and obstetrics.

(а) The use drugs in the treatment of diseases caused by Nematode and Trema-
tode worms.

(б) Milk fever.

(c) Bovine sterility (prophylaxis and treatment).

(d) Acute infectious mastitis.

(e) Diseases of the new-born.
Section III. Tropical Diseases.

(a) Theileriases.

(b) Control of trypanosomiases.

(c) Rinderpest (prophylaxis).
Section IV. Poultry Diseases.

(a) Fowlpox and coryza.

(b) Fowl typhoid and bacillary white diarrhoea.

-ocr page 1090-

(c) Fowl plague (vaccination).

(d) Treatment of parasitic diseases.
Section V. Zootechny and Dietetics.

(«) Genetics (principles of breeding).

(b) Deficiency diseases.

(c) Scientific feeding of animals.

Rijks Universiteit te Utrecht.

Geslaagd voor het Doctoraal-examen Veeartsenijkunde, de Heeren: H, Dai.-
lenga, J. M. Hoffmann, H. Koning
en A. F. Waworoentoe.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in Augustus 1929.

(De cijfers tussen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan die op i Aug. nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer : bij 18 (xi) eigenaars, waarvan in Groningen bij 4 ; Fries-
land bij 4 (6) ; Drenthe bij 1 ; Overijsel bij 1 ; Gelderland bij 6 ; Noordholland
bij (1) ; Zuidholland bij 1 (4) ; Noordbrabant bij 1 eig.

Scabies (sarcoptes en dermatocoptes) bij paard en schaap : 29 gevallen bij 5 eig.
(434 bij 7 eig.), waarvan in Groningen 17 bij 2 eig. (416 bij 4 eig.) ; F\'riesland (8
bij 2 eig.) ; Drenthe 10 bij 1 eig. (10 bij 1 eig.) ; Gelderland 1 ; Noordholland 1
(paard).

Rotkreupel bij schapen : 107 gevallen bij 9 eig. (285 bij 28 eig.), waarvan in
Friesland 9 bij 2 eig. (86 bij 10 eig.) ; Drenthe (18 bij 8 eig.) ; Noordholland 97
bij 6 eig. (72 bij 7 eig.) ; Zuidholland 1 (109 bij 3 eig.).

Anthrax ; 29 gevallen bij 21 eig. (1), waarvan in Friesland 9 bij 2 eig. ; Gelder-
land 4 bij 4 eig. ; Utrecht 1 ; Zuidholland 14 bij 6 eig. (1) ; Noordbrabant 3, waarbij
1 paard, bij 3 eig. ; Limburg 4, waarbij 1 paard en 1 varken, bij 4 eig.

PERSONALIA.

Verhuisd : J. A. de Wolf, Assen, van Oranjestraat 78 naar Oranjestraat 17«.
Verhuisd
: J. P. van der Slooten, van Arnhem naar Utrecht, Amsterdamsche
Straatweg 281, telefoon No. 11978.

BLADVULLING.

De negentig-jarigen.

Widmer (Münch. med. Woch., ref. Vedder in N. T. v. G., 1929 II, blz. 3212)
heeft als practiseerend geneesheer in de laatste 20 jaar in Zwitserland 97 negen-
tigjarigen bestudeerd (56 vrouwen en 41 mannen) en zegt daarvan het volgende :
Zij zijn elegenen die alle eventueele levenscrisen, ziekten en ongelukken hebben
doorstaan en zijn te boven gekomen. Bijna allen zijn uit den kring der landbouwers
en allen hebben een schrale lichaamsbouw, droge huid en veel haar. Er zijn geen
invaliden onder, geen dooven, blinden of verlamden of bedlegerigen ; allen zijn
bewegelijk, matig, staan vroeg op, hebben weinig kudde-neigingen maar zijn
meer origineelen en hartstochtelijke briefschrijvers. Geen van de mannen is rooker ;
3/4 zijn vroeger prostaatlijder geweest. Van de mannen was geen enkele onge-
huwd, van de vrouwen 30. Allen hebben tot op hoogen leeftijel een levendige sexu-
aliteit.

De negentigjarigen sterven prakties zonder ziekte of ziek zijn, zijn tevoren
zelden langer dan een week bedlegerig.

De hooge ouderdom bleek niet in opvolgende generaties voor te komen, doch
wel samenhangend met oeconomiese Voorspoed.
 Vr.

-ocr page 1091-

REFERATEN.

ZIEKTEN VAN HERKAUWERS.

Necrobacillose bij de Geit. (Randall, U. S. Array Veterinary Bulletin, vol.
XXI, No. 8).

In een kudde van 300 geiten stierven 20 a 30 stuks per dag. De ziekte verliep
in 4 a 5 dagen met als hoofdsymptoom : pijnlijke mond.

Bij de sectie werden necrotische plekken gevonden in den mond, op de tong
en in de huid bij de anus. De ulceratie van de kaken ging zoo diep, dat de tanden
losraakten; een grauwe membraan overtrok de pharynx en ook in de lever werden
abscessen gevonden. Bacteriologisch onderzoek toonde aan, dat men te doen had
met B. necrophorus en men nam aan, dat de bacil door de slijmvliezen was bin-
nengedrongen ten tijde van het doorbreken der tanden.

Pleuro-pericarditis door streptococcen bij het Schaap. (Carré, Revue générale
de med. vet. aout 1928).

De sectie geeft het beeld van eene exsudatieve pleuro-pericarditis met geel-
groene membranen en vergroeiingen tusschen pericardium en pl( ura. In de longen
enkele pneumonische haarden.

De ziekte tast hoofdzakelijk de jonge dieren aan en wordt veroorzaakt door
een
streptococcus met o.a. een hooge virulentie tegenover de cavia. B.

Die Bedeutung des Kohlenhydratstoffwechsels für die Pathogenese der Gebar-
parese.
(R. Völker, Miinchener Tierarztl. Wochenschr. 1929, No. 19.

Völker bespreekt in zijn inaugureele rede de nieuwere theoriön van „paresis
puerperalis".

Sjollema, 1928 (en Amerikaansche onderzoekers) denken in verband met het
laag calciumgehalte van het bloed aan een primaire stoornis van de bijschild-
functie.
(Little & Wricht, 1925, hebben bij melkziekte een verminderd cal-
ciumgehalte van het bloedplasma gevonden. Zij concludeeren tot een hyper-
activiteit van het ovariale interstitium. — Rcf.).

De gunstige werking van chloorcalcium acht schrijver geen voldoende argument
voor de juistheid van genoemde theorie, omdat een dusdanige werking ook in
gevallen van hypoglycaemie is waar te nemen. Uitsluitend vermindering van
calciumionen wordt verantwoordelijk gesteld voor het optreden van tetanie.
Volgens
Sjollema is echter ook het gehalte aan phosphoorzuur verminderd.
Schrijver wil derhalve geen paralel trekken tusschen paresis puerperalis en tetanie
bij den mensch.

Volgens schrijver sluit het bij kalfziekte gevonden normaal of verhoogd bloed-
suikergehalte niet de mogelijkheid uit, dat een hypoglycacmisch symptomen-
complex in het spel is.

Hij denkt aan een stoornis in de antagonistische werking van insuline, resp.
adrenaline tegen pituitrine. Het verbruik van suiker aan de periplierie (vertraging
van het
meyerhof-proces) en centraal de afgifte (glycogenolyse in de lever) wordt
beperkt, terwijl het bloedsuikergehalte normaal blijft.

Wij weten, dat het extract uit den achterkwab der hypophysis een duidelijk
temperend effect heeft op het hormoon der pancreasklier. Bovendien heeft pituitrine
een tweede pharmacologische werking, die ergotoxinachtig is. Het verlamt nl.
de sympathische zenuweinden, welke voor adrenaline gevoelig zijn. Adrenaline
geeft dan een tegengesteld effect op bloeddruk en vasomotoren. Ook wordt de
glycogenolytische werking van bijniersap door hypophysisextract beïnvloed.

Voor het ontstaan van een afwijkende koolhydraatstofwisseling door insuline-
en adrenalinetempering geeft de voeding van het dier den doorslag.
Abderhalden
heeft bij twee reeksen konijnen, waarvan de eerste uitsluitend haver (zuur), de
tweede groenvoer (basisch) kregen, gelijke hoeveelheden insuline en adrenaline
ingespoten. Bij het zuur gevoede dier werd een adrenaline-, bij het basisch gevoede
dier een insuline werking verkregen.

-ocr page 1092-

Gedurende zwangerschap, vooral in haar laatste stadia, is de pancreasfunctie
getemperd. Volgens
Pollak wordt dit door hypophysisextract veroorzaakt.
Door inwendige secretie van het ovarium wordt bij de geboorte, resp. reeds een
tijd tevoren, de secretie van de hypophysis — tusschentijds door het corpus luteum
tegengehouden —- geprikkeld.

Heel goed kan ik mij tenslotte vereenigen met de opmerking van den schrijver
dat de in laatsten tijd aanbevolen behandelingsmethoden niet in staat zijn gebleken
de beproefde ScHMiDT\'sche luchtinsufflatie te kunnen vervangen.

Slechts te betreuren is, dat schrijver, die blijk geeft van een ruim physiologiscli
inzicht in de pathogenese van paresis puerperalis, zich tot theoretische beschou-
wingen beperkt, — of misschien, dank zij dit inzicht, zich niet op het gladde ijs
van het experimenteel onderzoek waagt?
 Toman.

Dolle kervel-vergiftiging. (Dr. Guido Manzetti, La Clinica Veterinaria, No. i,
1929.

Al wordt veelal aangenomen, dat het grazende vee de dolle kervel laat staan,
daar de plant te scherp van smaak is, vond
Manzetti, dat dit niet opgaat ; hij
constateerde dan ook vergiftigingsgevallen bij kalveren, geiten en schapen met
optreden van epileptische verschijnselen en diarrhee. Bij de sectie vindt men
altijd : geen cadaverstijfheid, openstaande anaalopening, bleeke slijmvliezen,
hyperaemie van de bloedvaten in de onderhuid, hyperaemie van de mesenteriaal-
vaten, lichte zwelling van milt en lever, normale longen, groote bruine, zachte
coagulae in de hartholte, hyperaemie van de meningae en vlugge coagulatie van
het bloed, hetwelk een bruinachtige kleur heeft.

Een inspectie van de weide leverde het bewijs, dat dolle kervel daar in groote
getale groeide en dat vele planten afgeknaagd waren.
 Breedveld.

Behandlung der Kokzidienruhr des Rindes mit Methylenblau medicinale
„Hoechst".
(A. Kowatsch. Oesterreichischer Tierarzt, Folge 14, S. 135).

In den zomer van 1926 trad bij een koppel Simmenthaler runderen hevige
diarhee op, het eerst bij de jongere dieren ; den tweeden en den derden dag ging
steeds meer bloed af, gepaard met sterk persen en pijn. Microscopisch onderzoek,
ingesteld na de slachting van een hevig ziek rund, deed besluiten tot de diagnose
coccidiosis. Aangezien met carbo animale en tannoform de ziekte niet was te
beïnvloeden, paste schrijver clunine toe, echter zonder succes.

Toen maakte een collega hem attent op methyleenblauw. Hij ging dit pre-
paraat toen toepassen per os (ieder dier driemaal daags 1 /4 Liter der
0.4 % op-
lossing) en als clysma ; echter waren deze clysma\'s pijnlijk en bleef het genees-
middel niet lang binnen, zoodat met de clysma\'s werd opgehouden en per os
3
dagen lang 3 maal daags bovengenoemde oplossing werd gegeven. Toen waren
de dieren genezen. Echter trad bij sommige dieren recidive op en nu werd nog
een week lang methyleenblauw gegeven, waarna geen recidive meer optrad.
Blijkens bovenstaande bleek schrijver in methyleenblauw „Hoechst" een goed
en goedkoop middel gevonden te hebben tegen coccidiëndiarrhee bij het rund.

Hol.

Cliniese opmerkingen in verband met de topografie van de buikorganen bij het rund.

Nils Lagerlöf heeft een zeer belangrijk onderzoek gepubliceerd in het Skandi-
navisk Veterinar-tidskrift, 1929. Aug. No. 8, welk nummer (van 365 bladzijden)
geheel wordt ingenomen door het artikel, dat verder nog 81 fraaie afbeeldingen
bevat.

Het is in het engels geschreven en heeft als titel : Investigations of the topo-
grapliy of the Abelominal Organs in Cattle, and some Clinical Observations and
Remarks in connection with the subject. (From the Clinic for Bujatrics and Ob-
stetrics of the Veterinary College, Stockholm, Director Prof. H.
Stalfors).
Het stuk is niet geschikt voor referaat en moet in zijn geheel worden gelezen.

Vrijburg.

-ocr page 1093-

The nature of lambing Sickness, Prof. J. Russell, Greig, Edinburgli.

De schrijver begint met er op te wijzen, dat de laatste jaren de Engelsche vete-
rinairen een onderzoek hebben ingesteld naar enkele ziekten, die voorkomen ge-
durende de graviditeit en den partus van schapen. In Schotland komen twee
ziekten n. m. de ,,pregnancy toxaemia" en de „lambing sickness", waarvoor
hij onze aandacht vraagt.

ie. Pregnancy toxaemia bij ooien.

Deze ziekte is waargenomen in Nieuw Zeeland, Amerika, Britsch Columbia, Hon-
garije en Engeland. Zij komt voor bij ooien in de laatste weken der drachtigheid.
Overvloed van voedsel schijnt praedisponeerend te werken. Vaak schijnen de
ooien een tweeling te dragen.

Symptomen ; De ooi scheidt zich af van de kudde. Zij is suf, het hoofd wordt
abnormaal gedragen, soms hangt het, soms wordt het hoog gedragen en dan vooral
weinig bewogen. Het loopen is onzeker, later ziet het dier slecht en wordt blind.
De eetlust verdwijnt, defaecatie, traag, soms zelfs geheel opgehouden. Spiertrek-
kingen aan hoofd en hals; soms over het geheele lichaam. Lichaamstemperatuur
is normaal.

Na verloop van enkele dagen kan ze niet meer overeind, zij ligt rustig. Sensibili-
teit is duidelijk gestoord; later tympanitis, en liet dier regurgiteert. Het wordt
voortdurend meer comateus en na een tot zes dagen sterft het. Ongeveer 90 %
der aangetaste dieren sterft.

Bij sectie vindt men vettige ieverdegeneratie De urine reageert zuur, bovat aceton,
albuminen en een verhoogde hoeveelheid ammonia en verder een neerslag waar-
schijnlijk bestaande uit uraten. In drie gevallen was er in het bloed een verlaging
van de alkalireserve, er bestond acidosis. In drie gevallen nam
Greig acetonurie
waar. Het calcium-gehalte van het bloed is normaal.

Als behandeling is wel luchtinsufflatie van den uier beproefd, evenwel zonder
resultaat. Dieren, die wierpen tijdens de ziekte, herstelden spoedig. De Amerikanen
raden als praeventief middel aan iederen dag de schapen twee a drie mijl te laten
loopen en verder tot aan het werpen een schraal rantsoen.
Greig zag hiervan
goede resultaten. Als therapeuticum kan misschien dienst doen een injectie van
glucose en insuline.

ze. Lambing Sickness.

Veel publicaties hierover zijn niet verschenen, omdat de schaapherder meestal
zelf een behandeling 11.m. uierinsufflatie, instelt.

Het is altijd de vraag geweest of melkziekte bij runderen en deze ziekte bij scha-
pen hetzelfde waren. De ziekte kan voorkomen kort voor den partus, ook kort
daarna, ook soms nog wel later, evenals dat bij koeien kan optreden, speciaal ge-
durende den oestrus. l)e klinische symptomen van melkziekte bij runderen en bij
deze dieren komen veel overeen met elkaar. Bij het bloedonderzoek bleek, dat
het calcium-gehalte sterk was afgenomen, evenals bij melkziekte bij runderen.
Na luchtinsufflatie in den uier vermeerdert de hoeveelheid calcium in het bloed.
Dit bewijst dus dat melkziekte van het rund en lambing sickness bij schapen
dezelfde ziekte zijn. v.
d. Kaaij.

Septichaemia diplococcica bij kalveren in de Padaansche vlakte. Dr. Adelmo
Mirri,
La Clinica Veterinaria, No. 2, 1929.

In de Padaansche vlakte vindt men de volgende kalverziekten :

a. de z.g. diarrhee of dysenterie met verschijnselen van gastro-enteritis catarrha-
lis of haemorrhagica, daarna sterke verzwakking en dood ; het is een ziekte
der eerste levensdagen ;

b. polyserositis (meningitis en polyartliritis), welke een paar dagen na de
geboorte optreedt, dikwijls na 2—8 dagen doodelijk verloopt ; de patiënten kun-
nen genezen ;

c. broncho-pneumonie van een catarrhaal-croupeus karakter, dikwijls verge-
zeld van pleuritis. Deze ziekte treedt 2—10 en meer weken na de geboorte op ;

-ocr page 1094-

de kalveren sterven afgemagerd na 3—8 weken of blijven, rachitisch slecht ont-
wikkeld, leven.

De eerste twee ziekten worden veroorzaakt door de bac. coli, dikwijls echter
ook door andere als bac. paratyphi, bac. pyocyaneus, bac. abortus
Bang, bac.
proteus, staphylococcus en streptococcus hetzij alleen of gemengd. De broncho-
pneumonie heeft als oorzaak behalve de genoemde de bac. vitulisepticus en de
bac. pyogenus bovis.

lïen 4de ziekte wordt veroorzaakt door een diplococcus, welke identisch is met
de diplococcus van
Fraenkel (van den menseh).

Poels en anderen hebben enkele gevallen er van beschreven.

In Italië komt de ziekte vrij veel voor, enkele malen samen met bact. coli-infectie
en een enkele keer met septichaemia haemorrhagica. Zij treedt gewoonlijk op bij
kalveren in de eerste levensdagen..
Mirri zag drie gevallen van intra-uterine-
inlectie, gepaard met partus praematura (8ste maand). Het was geen Bangsche
infectie.

De besmetting verbreidt zich meestal langs den navel of den digestie-tractus.
Men ziet diarrhee, die soms bloedig kan zijn. De ziekte is niet zoo enzoötisch van
karakter als de coli-infectie (een enkele maal wel, waarbij men dan veelal compli-
caties met coli en vituliseptichaemie vindt, ofschoon bij experimenten deze laatste
weinig virulent bleken te zijn, de diplococcen echter wel).

Bij de sectie vindt men eerstens een vergroote milt : het dubbele tot het vijf-
dubbele van de gewone grootte met ronde randen en sterk geinjiceerde capsula-
vaten. Onder den kapsel verscheidene haemorrhagieën, verschillend in grootte
en uitbreiding, welke dikwijls samenvloeien en de milt een donkerbruin-
roode kleur geven. Zij is hard, vast en elastisch op aanvoelen, als rubber. De snij-
vlakte is glad en betrekkelijk droog, de pulpa puilt niet uit en is donkerrood tot
zwart van kleur.

Hygiënische maatregelen zijn het beste. Met polyvalent serum werden bemoedi
gende resultaten verkregen, eveneens met
anti-pneumococcen serum van den mensch,
doch gezien het erratische karakter van de ziekte durft
Mirri hieromtrent geen
beslissing te geven dan na meer uitgebreide experimenten.

Over de diagnose en therapie van Actinomycesgezwellen. Dr. Kicardo Lunardini,
La Clinica Veterinairia, No. 3, 1929.

Lucardini neemt zooveel als mogelijk weg van het gezwel,, penseelt het rijke
lijk met zwavelaether en verbindt het dan met watten gedrenkt in een oplossing
van alkohol, kamfer en tannine, ana.

Daarna wordt na 7 dagen het verband afgenomen. Schrijver kreeg in vele ge-
vallen genezing.
 Breedveld.

Eine Addisonahnliche Erkrankung beim Rind. (Zimmermann, W iener Tieraiztl
Monatsschr. 1929, Heft 15, S. 587).

Z. kreeg een vierjarige koe in behandeling welke koe gedurende de lactatie-
periode veel melk gegeven had, doch nu wegens een graviditeit van 30 weken
was droog gezet. Het dier had ecnige dagen zwakte in de ledematen vertoond,
welke zwakte zich uitte door veel liggen, moeili jk kunnen opstaan en doorknikken
in de gewrichten. De eetlust was goed gedurende die dagen en ook herkauwde
de koe normaal.

Bij onderzoek vond schr. de koe liggend, met gestrekte ledematen en zijde-
lingsch teruggeslagen hoofd. De huid voelde koel aan, de slijmvliezen waren dui-
delijk anaemisch met een geelachtige tint ; lichaamstemperatuur 37.8° C., pols
klein, onregelmatig, ongelijk, 97 per minuut ; hartgeruischen konden met worden
waargenomen. Bij rectaal onderzoek bleek de baarmoeder in verband met den
drachtigheidsduur, groot, terwijl tevens een levend foetus werd gevoeld. Op grond
van dit onderzoek werd de diagnose hartzwakte met geringe hydrammion en hy-
drallantoïs gesteld, terwijl als therapie 5 gr. coffeïne met salicyl natricus sub-
cutaan werd toegediend.

-ocr page 1095-

Na 30 minuten was de koe reeds zoover hersteld dat zij spontaan opstond.

Tien dagen later werd het dier weer onder dezelfde omstandigheden aangetroffen,
met sterke dyspnoe, schuim 0111 den mond, terwijl later zwakke weeën optraden,
hoewel de cervix gesloten bleef. Een coffeïne-injectie had geen resultaat ; het
dier werd na eenige uren in nood geslacht.

Bij sectie werd een slap hart gevonden, zonder pathologische veianderingen
aan kleppen en musculatuur.

De bijnieren waren beide sterk vergroot 5 c.M. lang) en vertoonden op door-
snede een 6 m.M. dikke randsubstantie, en een mergsubstantie met eenige
holten, welke waren opgevuld met een grauw-roodachtig-gele, kaasachtige massa.

Nieren, milt en longen waren normaal. De baarmoeder was, de tijd van drachtig-
heid in aanmerking genomen, te groot, terwijl de ovariën betrekkelijk klein waren.

Het foetus begon beharing te krijgen en was verder waterachtig gezwollen, terwijl
de navelstreng de dikte eener kinderarm had. Ook de vruchtvliezen waren water-
achtig gezwollen en bevatten veel vruchtwater.

Daar Z. hier de symptomen der morbus Addisonii vond (pigmenteering, anaemie,
hartzwakte, vermagering, lichaamszwakte, pathologische veranderingen der bij-
nieren en kleine ovariën), stelt hij zich de vraag of hij hier te doen heeft geluid
met een geval van Addison\'sche ziekte, welke ziekte bij dieren tot nu toe niet
werd beschreven, en of de pathologische toestand van vruchtvliezen en foetus
zijn oorzaak kan vinden in een abnormale werking der bijnieren-, ovariaal- en
corpus luteumhormonen.

Hoewel symptomen en sectieverslag wijzen in de richting van M. Addisonii,
klopt dit m. i. niet met het feit, dat het dier gedurende de eerste ziekteverschijn-
selen (slechte gangen) goede eetlust behield en nog herkauwde. Ook had in een
geval, dat reeds zoover gevorderd was, dat na 14 dagen de dood intrad, de pig-
menteering duidelijker moeten zijn, wat toch vooral op de uierhuid was waar te
nemen.

Was echter de hartzwakte als directe doodsoorzaak te beschouwen, dan kon
men geen normale milt, nieren (en longen) verwachten.

Hoewel een onderzoek van het bloedsbeeld een aanwijzing had kunnen geven,
is het begrijpelijk, dat dit in de praktijk niet werd ingesteld (lymphocytose, anae-
mie) ; wel had echter onderzocht moeten worden of een thymus persistens aan-
wezig was, wat de diagnose M. Addisonii meer zou sterken.

Een onderzoek der haarden in de mergsubstantie der bijnieren op tuberculosc-
baeillen was ook niet overbodig geweest.

Niet onwaarschijnlijk is het n 1 dat dit verkaasde tuberculoscuze haarden ge-
weest zijn, daar tuberculose van de bijnieren, zonder dat andere organen aangetast
zijn, niet tot de zeldzaamheden behoort.
(Aschoff)).

Gehäuftes Auftreten von Osteomalacie unter Weiderindern, verursacht durch
Fluorwasserstoffsäure enthaltenden Fabrikrauch. (
Hupka und Luv, Arch. f. Wis-
sensch. 11. prakt. Tierheilk. 1929, Band 60, S. 21).

Na een korte bespreking van de onderzoekingen van Haubner en Susdorf,
die een vergiftiging van vee constateerden in de omgeving van de Freiberger
ijzersmelterijen en van
Bartolucci, die vergiftingsverschijnselen van vee in de
buurt eener kunstmestfabriek op rekening schreef van de vrijkomendefluorwater-
stofgassen in de lucht, vermelden schrijvers hun eigen ondervindingen, opgedaan
bij veebeslagen in Hannover, welke weidden in de buurt eener chemische fabriek,
op een afstand van 500—2000 M. daar vandaan.

De eerste ziekteverschijnselen traden reeds op 3 weken nadat de koeien in de
bedoelde weiden waren gekomen.

Als eerste verschijnsel werd een lichte kreupelheid aan één of meer bcenen
opgemerkt, waarna verdikkingen aan de ledematen ontstonden, voorn, aan klauw-
en carpaalgewrichten, gepaard gaande met duidelijk voelbare pulsatie der arte-
riën van den ondervoet en hooge temperatuur der klauwen Eenige weken na de
eerste verschijnselen, vonden sehr, verdikkingen aan den overgang van rib en

-ocr page 1096-

ribkraakbeenderen ; de dieren vermagerden, de huid ging vastliggen, het baar-
kleed werd dor, terwijl de melkgift sterk achteruit ging of ophield. Voornamelijk
waren het veel melk gevende of hoogdragende koeien, welke werden aangetast.

Daar hier dus de typische verschijnselen van osteromalacie voorkwamen, werd
als therapie ingesteld een behandeling met een bijnierextract, welke behandeling
de laatste jaren vooral door medici met gunstig gevolg wordt toegepast

Als preparaat werd door schr. gebruikt nephritin Bengen, en wel per koe subcu-
taan
10 c.c. eener oplossing 1 : 1000 per keer.

Deze injecties, die tot 3 a 4 maal toe werden herhaald met een tusschentijd van
7—12 dagen, hadden in zooverre goed resultaat, dat de dieien, welke reeds zoo
sterk aangetast waren, dat zij niet meer op konden staan, na eenigen tijd weer nor-
maal liepen; rij bleven echter mager, dor in het haar en gaven geen of weinig melk.

Koeien die bij de eerste verschijnselen opgestald werden en dan niet gevoerd
met gras of hooi van de bewuste weiden afkomstig genazen spontaan.

De grasgroei op deze weiden was in den voorzomer weelderig en ook op de kwa-
liteit van het gras viel niets aan te merken ; Einde Mei of begin Juni, begon het
gras echter iets grijsachtig te worden en zag er ten slotte uit als in het voorjaar
na nachtvorsten. Aan het hooi was macroscopisch geen verandering waar te ne-
men ; wel werd het door de koeien slecht en soms in het geheel niet gegeten.

De ziekteverschijnselen traden het eerst op, toen bij de chemische fabriek een
afdeeling gebouwd werd voor de bereiding van natronloog uit kiezelfluornatrium
bij welk proces fluorwaterstofdampen in de lucht ontwijken.

Andere zuren, zooals zwavelzuur en zoutzuur, welke ook door de bedoelde
fabriek ontwikkeld werden, konden de oorzaak niet zijn, daar de ziekteverschijn-
selen niet overeenkwamen met die van koeien, welke weidden in de nabijheid
van ijzergieterijen waar deze stoffen ook vrijkomen.

Verder konden bij chemisch onderzoek vrij groote hoeveelheden fluor in het
gras worden aangetoond.

Teneinde de werking van fluor op het organisme vast te kunnen stellen, werd
een koe gevoerd met gras en hooi, afkomstig van de „vergiftigde" weiden en tege-
lijkertijd de veranderingen nagegaan in het Ca- en P.-gehalte van bloedserum
en urine.

Bij het serum werd gedurende de voederproef een vermindering van het Ca-
gehalte geconstateerd, terwijl in de urine deze Ca-vermindering naar verhouding
nog sterker optrad.

Het gehalte aan anorgansiche I\'. steeg bij den voederproef in serum zoowel
als in urine.

Een bepaling van de alkali-reserve van het bloed gaf een uitkomst van 51.0
vol. % C02, dus minder dan normaal (52.1—80.5), terwijl een bloedsuikerbepaling
geen afwijking gaf.

Behalve bij deze proefkoe werden de bepalingen nog gedaan bij 3 koeien, die
in de weide bleven, met overeenkomstig resultaat.

Schr. stellen zich nu de werking van de fluorwaterstof in het organisme als
volgt voor :

Het in het lichaam komende zuur moet geneutraliseerd worden. Dit zal in de
eerste plaats gebeuren door de „natuurlijke afweermiddelen" van het bloed, n.1.
bufferstoffen : fosforzure zouten, koolzure zouten en eiwitlichamen.

Als de toevoer van het zuur voor deze inrichtingen echter te groot wordt, moet
0111 acidosis te vermijden een andere neutralisatie worden gevonden, en wel in
den vorm van het in de beenderen aanwezige kalk, wat voorn, op de plaatsen
der verbeening goed oplosbaar is. Het tweebasische fluorwaterstofzuur kan nu,
naast het onoplosbare CaF2, een zuur oplosbaar zout CaF., H2F2 vormen, waardoor
de oplossing van de beenderkalk zich verklaren laat.

Bij dit proces ontstaan fosforzuren, die, geneutraliseerd, voornamelijk met de
urine worden uitgescheiden. Door deze neutralisatie worden de voor het organisme
benoodigde alkaliën vooral Na aan het lichaam onttrokken. W. P. C. Bos.

-ocr page 1097-

TUBERCULOSE.

Het vraagstuk van de tuberculose bestrijding op de 32ste vergadering van de
„United States Live Stock Sanitary Association" te Chicago,
57 December 1928.

In het Journal of the American veterinary Miclical Association van Maart 1929
komen uitvoerige mededeelingen over het verhandelde voor, waaruit ik hier enkele
kort zal memoreeren.

In de eerste plaats dan iets over liet accredited Herdplan in North Carolina, een
tuberculose vrije staat 1 October 1928 was alle vee in alle 100 counties van de
staat North Carolina getuberculineerd. 621.403 tuberculinaties hebben plaats
gehad, waarvan 2079 reageerden \'t geen gekost heeft 311,599 dollars, dus nog geen
halve dollar per stuk vee. Gemiddeld bestond een veebeslag uit 2,5 stuks vee. In
12 van de 100 counties werd geen reageerend dier gevonden Reagearders werden
alle opgeruimd. De staat betaalde als toeslag voor volbloed dieren hoogstens 50
dollar en voor andere hoogstens 25 dollar. De tuberculose scheen geïmporteerd
met fokveeaankoop.

Onder het inheemsche vee, onder de varkens en kippen kwam de ziekte niet
voor. Para-tuberculose werd nooit gevonden.

Binnen drie jaar moeten de counties opnieuw geaccrediteerd worden.

Wanneer wij in gebieden met hoogwaardig fokvee met een reactie percentage
van 30 inplaats van */a op deze manier zouden te werk gaan vrees ik, dat er spoedig
revolutie zou uitbreken. Men mag in Amerika constateercn, dat de groote Bang
aan de voeten van de Amerikaansche hygienisten mag gaan zitten and „learn
much", ik geloof, dat de Amerikaan in zijn oordeel over het in Europa bruikbare
beter doet wat bescheidener te zijn en aandachtig naar
Bang te luisteren 0111 te
trachten iets van hem te leeren.

Indien ik trouwens goed ben ingelicht, wordt ook in fokkersbedrijven in Amerika
welke behoorlijk besmet zijn, het Bangsche stelsel toegelaten als de eigenaar dit
wenscht.

Op bovengenoemd congres brengt Dr. B. van Es de vraag van de tuberculine-
reactie bij vee na infectie met heterologe typen.

Wat de infectie met aviaire bacillen betreft, meent Plum, dat intradermale
reactie na inspuiting van bovine tubcrculine bij aviaire infectie meer kans geeft,
dan na subcutane inspuiting.

Mogen de vogelbacillen herhaaldelijk tot intradei male reactie bij runderen
aanleiding geven, de humane schijnen in dit opzicht met zekerheid niet tot reactie
te hebben geleid.

Lochaea vestigt de aandacht op de onderzoekingen van het laboratorium van
Stenhouse—Williams, die tuberkelbacillen aantoonde in faeces van schijnbaar
gezonde koeien. Het infectiegevaar van de melk is zoo betrekkelijk groot. Door
o. a. ook aan de uitspraak van
Calmette te herinneren, dat reageerende koeien
zonder klinische verschijnselen te vertoonen af en toe tubercelbacillen uitscheiden
met hunne afscheidingsproducten, wordt de Amerikaansche wijze van bestrijding
geargu men teerd.

Max Pinner vestigt er de aandacht op, dat men vooral niet te vlug tot de
„110 lesion-reactors" moet besluiten. Buitengewoon nauwkeurige secties zijn noodig.
Om de longen behoorlijk op aanwezigheid van tuberculeuse afwijking te contro-
leeren fixeert hij ze een tijdje 0111 daarna zijn sneden te kunnen maken van niet
meer dan 2 m m dikte.

Ook de huidaandoeningen, waarbij somtijds tuberkelbacillen worden aange-
troffen (5% van de gevallen volgens Dr.
Traum), meestal echter zuurvaste bacillen
welke bij injectie in proefdieren geen tuberculose veroorzaken, worden wederom
in debat gebracht om het ,,no lesion reactor" percentage te drukken.

Tenslotte heeft de methode Calmette—Guerin een onderwerp van bespreking
uitgemaakt.

Bij de door Larson en Ivans aan de University of Minnesota genomen proeven
is ook weer gebleken, dat men gevaar loopt, dat de door de enting onvatbaar ge-

-ocr page 1098-

worden dieren tuberkelbacillen opnemen en af en toe uitscheiden, dat men im-
mune carriers" krijgt. Bijna
60 % van de geënte en later in de besmetting ge-
brachte kalveren hadden tuberculose. — - Theoretisch is de opmerking volkomen
juist, dat men eeuwig door zal moeten enten en toch bacillenverspreiders zal
houden. — Voor Amerika, waar geheele staten als de boven genoemde nagenoeg
geen tuberculose onder het vee kenden, zou enting minder goed tot het beoogde
doel leiden, dan de thans gevolgde hygiënische.

Ten aanzien van de enting met B. C. G. vinden wij in de Annales van het In-
stituut Pasteur
van November 1928 No. 11, deel 42 een mededeeling over proeven
in Brazilië genomen door A.
de Assis en Oct. Dupont.

In 1926 zijn ze begonnen met een proef in een sterk besmette stal. De ervaring
loopt thans over
45 geënte dieren, waarvan het meerendeel lierënt is. Indien juist
is, dat
30% van de runderen in deze stal verschijnselen van klinische tuberculose
vertoonde, hebben wij hier ind\'erdaad een goede proefstal. Tot dusverre is hier geen
nadeel van de inspuiting ondervonden

Zes geënte kalveren, waarvan 2 herent waren, zijn geslacht.

Kalf No. 23, negen maand oud geslacht, na de enting regelmatig contact met
tuberculeus vee.
Sectie : verkalkt infiltraat in een bronchiale klier, in mediastinale
klier drie verkaasde en verkalkte haardjes ; in een retropharingeale klier eveneens
verkaasde haardjes, waarin zuurvaste bacillen werden gevonden.

Kalf No. 15 : 24 uren oud geënt, na 8 mnd. lieiënt en 5 mnd. later geslacht.
Voortdurend contact met tuberculeus vee.

Sectie : linker preascapulaire lymphklier met verkalkte haardjes, een verkaasde
bronchiale klier en twee oesophagus lymplikliertjes met verkaasde haardjes, welke
cavia\'s tuberculeus maakten.

Kalf No. 3 : reeds 26 dagen na de eerste enting lierënt en op de leeftijd van 18
mnd. geslacht vertoonde ongeveer hetzelfde beeld als No. 15.

Ook de overige drie hadden soortgelijke afwijkingen.

Deze uitslag is niet zeer bemoedigend Ik vermoed echter, dat wij hier o. a. te
maken hebben met de gevolgen van onvoldoende afzondering gedurende de eerste
maand na de enting.

Op de dertigste vergadering van Amerikaansche bacteriologen, in Dec. 1928 rap-
porteerde
George Knaysi van de Cornell University Ithaca, N. Y. over de
„Cytology of Mycobacterium tuberculosis".

De jonge cellen bestaan uit een zeer dunne membraan met plaatselijke ver-
dikkingen en granulaire aanhangsels aan de binnenkant. Het cytoplasma bevat
vele vacuolen, en granula blijkbaar van dezelfde substantie als de membraan.
Aan de polen van de cel vindt men meestal een groote granula, De stof, waaruit
membraan en granula zijn opgebouwd is zeer elastisch en risistent tegen chemi-
caliën.

Tn een week was het niet opgelost in 5% zwavelzuur of 5% KOH.

Als kleurstoffen worden opgenomen, zwellen de granula en kapsel op, speciaal
bij vetkleurstoffen is dit in het oog vallend.

Deze substantie is de oorzaak van zuur en Gram-resistentie. Vermoedelijk zijn
de granula door hun absorbtie-vermogen de plaatsen voor intense chemische acti-
viteit en spelen zij dus vermoedelijk bij de voeding een hoofdrol.

In culturen van 5 tot 24 uren kon in de cellen geen was, neutraal vet of vet-
zuren worden aangetoond.

Over de polymorphie van den Tubercelbacil door Prof. A. Klein, (N. T. v. G.,
73. I \'3> 3° Maart
1929).

In een clinische les geeft Prof. Klein te Groningen een overzicht van de moei-
lijke vraagstukken op het gebied van de polymorphie van den tubercelbacil.

Wie de korrels in de bacillen bijzonder fraai wil zien, kleure volgens de door
Klein aangegeven methode of behandele de preparaten volgens Fitschen, door
deze na behandeling met zoutzure alcohol 5—
10 minuten in water te leggen. Door
afwisselend van af de rand van het dekglas water of zoutzure alcohol te laten toe-

-ocr page 1099-

vloeien, kunnen de korrels te voorschijn geroepen en tot verdwijnen gebracht
worden.

Volgens Spengler zijn de korrels de voorstadia van de naar hem genoemde
splinters, welke uit het ketenverband getreden korrels zouden zijn en waaraan
hij ten onrechte het sporenkaiakter toekent. Het voornaamste argument daar-
voor, dat uit sputum n.m.1. waarin geen gave bacillen gevonden worden, wel
splinters echter, cultures van tubercelbacillen verkregen worden, wordt onder-
mijnd door het feit, dat een sputum prcaparaat moeilijk afdoende microscopisch
onderzocht kan worden.

Een dekglas van 18 m.M. in het vierkant, aldus Prof. Klein, bevat bij gebrui-
kelijke vergrooting 1649 gezichtsvelden, waardoor gemakkelijk bacillen over
\'t hoofd worden gezien.

Behalve de splinters en zuurvaste korrels kennen wij nog de granula van Much.
Het niet vinden van zuurvast materiaal in secreta, welke toch cavia\'s tuberculeus
maken, gaf
Much aanleiding tot zijn onderzoekingen. Hij vond toen gelijk bekend,
de gram-vaste organismen als dunne staafjes of korrels. Vooral door de later inge-
voerde gecombineerde
Ziehl—Gram methode zijn ook nog overgangsvormen
tusschen de zuurvaste en niet zuurvaste organismen aan te toonen,
(Weisz, Fontes,
Knoll) Hagedoorn
stelde het aantal Ziehl- en MucH-vormen in hetzelfde prea-
paraat en hetzelfde gezichtsveld vast. Kleuren, eerst volgens
Ziehl, legde een
bepaald gezichtsveld met de kruistafel en teekening vast, ontkleurde, kleurde dan
met
Much, en zocht hetzelfde gezichtsveld op. Freie bereikte in het laboratorium
van
Klein langs overeenkomstigen weg hetzelfde resultaat, dat n.m.1. een aantal
bacillen gevonden werd, welke volgens
Ziehl ongekleurd bleven.

Volgens Bergel zijn de granula van Much ontstaan, doordat weefselcellen de
tubercelbacillen afbreken, hetwelk hij aan inspuitingen bij muizen demonstreerde.
De vetsubstanties lossen op, er komt een stadium dat de tubercelbacillen in de
lymphocyten niet meer zuurvast zijn. Het blijft de vraag hoe in cultures de granula
van
Much ontstaan.

In verband met het vormen van draden met zg. takken en kolven zooals men
dat bij actinomyces ziet, heeft men de tubercelbacil als overgang tot hoogere
organismen beschouwd, (Mycobacterium tuberculosum,
Lehmann en Neumann).
Vooral inspuiting bij konijnen onder bepaalde omstandigheden zou tot kolfvor-
ming leiden. Latere onderzoekingen
(Levadiri e. a. zagen kolven ontstaan rondom
hoopjes tellurium) hebben aangetoond, dat het niet de vitaliteit van het micro-
organisme, doch de invloed van het macroorganisme is.

Vooral de cultuur van tubercelbacillen geeft aanleiding tot de veronderstel-
ling, dat de zuurvaste bacil slechts één verschijningsvorm in de evolutie-loop van
de parasiet is. De vliezen van de cultuur bestaan volgens
Fontes uit een niet
zuurvaste tusschenstof, welke wel de contrastkleur van het methyleenblauw
aanneemt en daarom als cyanophiele substantie aangeduid wordt. Deze vormt
een netwerk van banden welke een fibriliaire bouw bezitten. De fibrillen ter dikte
van tubercelbacillen anastomaseeren met elkaar. Op de banden zijn de vuurvaste
bacillen gelegen, in de oudere deelen van het vlies aan de bouillon grenzend in
aantal toenemend, naar boven stijgend in het vlies afnemend De cyanophiele
substantie wordt het eerst gevormd, daarna de Ziehlbacillen met de daarin gelegen
chromophiele korrels. In oudere culturen kunnen de cyanophiele fibrillen uiteen-
vallen in cyanophiele bacillen. De fixatie van de cyanophiele substantie geschiedt
het best door
acther—alcohol. Verwarming doet de draden schrompelen. In anti-
formine lost de substantie snel op ; chloroform lost de bacillen en korrels op, ter-
wijl het netwerk achterblijft.

Freie kon onder de microscoop het oplossend vermogen van antiformine nagaan
door dit op de volgens
Fontes gekleurde preaparaten te laten inwerken. Hij zag
dan hoe de bacillen en korrels steeds
in de draden van de substantie liggen en er
niet op.

Over de kwestie of de tubercelbacil uitsluitend parasiet is bestaat een uitge-
breide literatuur.
F\'erran meent een alpha-bacterie, thuishoorende in de coli-

-ocr page 1100-

paratyphusgroep, welke ook saprophytiseh zou leven als grondbacterie, waaruit
verschillende typen voortkomen, te moeten beschouwen. De aard van het milieu
zou ook volgens latere onderzoekers een belangrijke rol spelen.

Om den doolhof waarin wij langzamerhand zijn geraakt nóg wat ingewikkelder
te maken zijn de Fransehen (
Fontes in 1910) met hun tuberculeus ultra-virus ge-
komen. Wij doen m. i. verstandig voorloopig met
Ki.ein van filtreerbare elementen
van den tubercelbacil te spreken, omdat we dan in het midden laten of wij met
fijne granula te doen hebben, brokken van bacillen, of welke vorm dan ook.
Tegenover de Franschen als
Fontes, Vaudremer, Calmette e. a. staan vele
onderzoekers die het bestaan van een ultra-virus zeer betwijfelen, hetgeen ook
op de 6e Internationale conferentie te Rome is gebleken.

Aan dit overzicht, waarin naar ik veronderstel vele dierenartsen belang zullen
stellen, waarom ik het voor een referaat wel wat uitvoerig heb weergegeven, wil
ik een korte verwijzing verbinden naar een artikel in de
Annales van het Inst.
Pasteur van Nov. 1928 betreffende de biologische eigenschappen van de zuur-
vaste Phleum-bacil.

Eugene Alexa heeft in het laboratorium van Calmette onderzoekingen in-
gesteld over de pathogene en antigene eigenschappen van deze bacil.

Deze bacil, inplaats van tubercelbacillen veelvuldig gebruikt voor de bereiding
van een goede voedingsbodem voor para-tuberkelbacillen, geeft zelfs bij toediening
van zeer groote closes geen aanleiding tot den dood. Wel ontstaat een soort mili-
aire tuberculose van nieren en longen, bij inspuiting in de vene van groote massa\'s,
doch deze geneest onder litteekenvorming. Het schijnt, dat de tubercelbacillen
en zuurvaste als bovengenoemde gemeenschappelijke stoffen bevatten welke, over
en weer, sensibiliseerend op het lichaam van den gastheer werken.

De Phleum-bacil schijnt in het milieu waarin gekweekt wordt een soort tuber-
culine te diffundeeren, welke ook reactie verwekt bij tuberculeuse individuen,
maar niet toxisch werkt, zelfs bij groote dosis. Behalve in vorm en zuurvastheid
komen dus echte tubercelbacillen en tal van andere zuurvaste min of meer over-
een in antigeen- zoowel als sensibiliseerend vermogen. Zij mogen verwante pro-
teïnen en lipoïden bevatten, misschien stammen tubercelbacillen, paratubercel-
bacillen van
Johne en andere zuurvasten van eenzelfde oerbacterie, niets geeft
voldoende aanwijzing voor de veronderstelling dat saprophyten in parasitaire
zouden overgaan.
 Veenbaas.

De enting tegen tuberculose.

Fr. Hutyra (Allatorvosi Lapok, 1929, No. 4, blz. 45, ref. van Marek in Deut.
tier. Woch.
1929, No. 34 ,blz. 538) stelde door proeven vast dat de enting volgens
Calmette (B. C. G.) in den regel onschadelijk voor cavia\'s is. Bij uitzondering
echter worden daarmee geënte cavia\'s zwaar ziek en de aldus bij die dieren opge-
wekte tuberculose kan op andere cavia\'s worden overgeënt.

Ook kan de bacillenstam der entstof B. C. G. in het beloop van voortgezette
entingen virulent worden zonder hare cultuureigenschappen te verliezen. Daarbij
speelt ook de individueele gevoeligheid van de proefdieren een belangrijke rol.

Vrijburg.

Vergleichende Untersuchung über die Zuchtung des Tüberkelbazillus nach den
Methoden von Uhlenhuth und Hohn.
Gerhard Orzechowski, (Centralbl. f. Bak-
teriologio etc.
1929. Bd. 111, H. 6/8, blz. 362).

Sedert, door Hohn bij het kweeken van tuberkelbacillen uit materiaal van
patiënten de antiformine, die door
Uhlenhuth daarvoor werd gebruikt, vervangen
is door
10 % zwavelzuur, zijn de resultaten veel gunstiger.

Orzechowski verkreeg bij een onderzoek van 75 tuberkelbacillenhoudende
sputa met antiformine-ophooping
29 (39 %) en met zwavelzuur 72 (96 %) positieve
kweekresultaten. v.
d. Hoeden.

-ocr page 1101-

Ein Beitrag zur Tuberkulose des Pferdes.

Klempin (Zeitschr. f. Veterimirk., 1928, H. 4, S. 128) doet mededeeling van
een geval van tuberculose bij een paard in een vorm, die door
Bongert is be-
schreven als een tuberculeuze infiltratie met stralige verkazing. Verkalking
treedt daarbij gewoonlijk niet of slechts onvolkomon op. In de haarden zijn een
massa tubercel-bacillen aan tet oonen.

Dit beeld zou vaak en karakteristiek voorkomen in de lymphklieren bij run-
deren en varkens, maar wordt in de literatuur bij het paard nog niet vermeld.

Ook bij het paard dringen de tubercel-bacillen door de gezonde slijmvliezen
heen zonder hier eenige aantoonbare pathologische veranderingen te voorschijn
te roepen.

Zelfs voor een geoefend oog valt het in zoo\'n geval moeilijk uit het klinische
beeld tuberculose te herkennen
 Brands.

ERRATA.

In afl. 18, 15 Sept. No., is, op blz. 1020, onder referaten Vlceschhygiene, bij
vergissing de ondertcekening
„de Graaf" weggelaten.

BLADVULLING.

Krachtvoedsel en Spermaproductie bij een dekhengst.

Poi.onzow, Wera en Nagajew (Zeitschr. f. Tierziichtung u. Ziichtungsbiol.
ref. in Landbouwk. Tijdschrift 1929 No. 495 blz. 546) deden gedurende 3 maan-
den proeven met een io-jarige Brabantse dekhengst van 600 K.G.

Bij de eerste proef werd alleen de gebruikelijke dagelijkse voeding gegeven:
15 pond haver en 15 pond hooi. Bij de 2e proef werd daaraan toegevoegd 2 pond
geweekte erwten en 3 pond lijnkoek; bij de 3e proef 10 kippeneieren met
schaal en 5 pond tarwezemelen en bij de 4e proef het extra rantsoen van de
2e en 3e proef samen.

Na elke dekking werd bij de merrie een spons in de scheede gebracht, de
opgezogen sperma uitgedrukt, gewogen en het aantal spermatozoïden vastge-
steld. Het bleek nu dat het aantal spermatozoïden het grootst was bij proef 3,
hoewel de voeding bij deze proef armer aan proteïne was dan bij proef 2 en
proef 4. Zeer zeker zijn het nucleoproteïne, de lipoidachtige stoffen, de vitamines
(vooral E), de fosfor en het ijzer in de eieren van veel belang voor de vorming
van spermatozoïden.

Het normale voeder (15 pond hooi en 15 pond haver) was niet voldoende
voor het vormen van een normale hoeveelheid sperma en gaf ook spoedig
aanleiding tot uitputting.
 Vr.

-ocr page 1102-

STREPTOCOCCEN-MASTITIS,

door

S. SIMONS, Dierenarts a. d. Keuringsdienst van Waren te Enschede.

Artikel 20 van het Melkbesluit luidt :

1. De melk, die de melkveehouder verkoopt, aflevert of ten
verkoop of ter aflevering in voorraad heeft, mag niet afkomstig
zijn van dieren, waarvan de melkveehouder redelijkerwijze ge-
acht kan worden te weten of te vermoeden, dat zij lijden aan een
der in het tweede lid van dit artikel genoemde ziekten, tenzij af-
gezonderd van andere melk, in verpakking met het opschrift
„melk van zieke dieren" of nadat de melk ongeschikt is gemaakt
voor menschelijk gebruik door toevoeging van keukenafval,
krachtvoedermiddel, meel of kleurstof ; de letters van het opschrift
moeten voldoen aan de eischen, in artikel 15 gesteld.

2. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde ziekten zijn :

a. uierontsteking ;

b. darmontsteking, waarbij hevige diarrhee optreedt ;

c. baarmoederontsteking, gepaard met herhaaldelijk optredende
uitvloeiingen ;

d. tuberculose waarbij de smetstof van deze ziekte wordt uit-
gescheiden (open tuberculose) ;

e. wonden, waarbij de uier, de tepel of de melk met etter of
andere uit de wond afkomstige stoffen ernstig verontreinigd
kunnen worden.

3. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, geldt bij uier-
ontsteking alleen voor de melk, die uit het ontstoken kwartier
(of de ontstoken kwartieren) wordt verkregen.

Artikel 2 sub i van het Melkbesluit luidt :

Streptococcen mogen niet in aanmerkelijke hoeveelheid aan-
wezig zijn ; pathogene micro-organismen moeten afwezig zijn.

Als veearts aan den Keuringsdienst van Waren in het Keurings-
gebied Enschede (zij het dan nog steeds als tijdelijk veearts) is
mij door den Directeur opgedragen na te gaan, hoe het gesteld is met
stalinrichting, onderhoud van stallen, vee en melkgereedschappen,
melkwinning en behandeling van de melk en tevens te letten op
de naleving van art. 20 van het Melkbesluit.

De eerstgenoemde punten kunnen ook door een goed onder-
legden stalcontroleur nagegaan worden, al moet men hierbij beden-
ken, dat een dierenarts, mits tactvol optredende, over het alge-
meen bij de veehouders meer in aanzien is en dus ook meer be-
reiken kan, dan een stalcontroleur met minder algemeene ont-
wikkeling.

Echter voor een dierenarts gaat het in één moeite door, om naast
bovenvermelde algemeene stalcontröle, tevens te letten op de

-ocr page 1103-

richtige naleving van art. 20 van het Melkbesluit, terwijl dit voor
den knapsten stalcontroleur, die niet de bevoegdheid van dieren-
arts bezit, verboden terrein behoort te zijn.

Daar het nu echter niet in mijn bedoeling ligt, om aan te toonen
hoe wenschelijk het zou zijn voor eiken Keuringsdienst van Waren
om de
volledige beschikking te hebben over een ambtenaar-dieren-
arts, zal ik hier niet verder op in gaan.

Door mij werden zeer vele stallen bezocht en bij het aantreffen
van misstanden werden de noodige adviezen gegeven. Zoo werd
ook gehandeld waar het de melkwinning, melkbehandeling en
zindelijkheid betrof. Ook dit onderwerp zal ik hier niet verder
aanroeren, alleen kan ik verklaren dat er door een bezoek aan een
boerderij meer bereikt kan worden, dan door het houden van
lezingen over stalverbetering en melkbehandeling.

Alle koeien, hetzij ze op stal of in het land waren, werden onder-
zocht op de ziekten en afwijkingen genoemd in art. 20 van het
Melkbesluit. Natuurlijk werden de koeien niet getuberculineerd,
maar waar aanwijzingen op open tuberculose aanwezig waren,
werd sputum, melk, faeces en eventueel baarmoederslijm onder-
zocht. Zoo werden vrij vele gevallen van open tuberculose en een
enkel geval van paiatuberculose opgespoord. Tegen één vee-
houder, die na herhaalde waarschuwingen toch doorging melk
af te leveren van een koe lijdende aan open tuberculose, werd door
mij proces-verbaal opgemaakt. De veehouder werd tot / 200,-
boete veroordeeld. Deze veehouder was leverancier aan een zuivel-
fabriek, tevens melkinrichting, welke pas de tuberculose-bestrij-
ding ter hand had genomen.

Ter geruststelling van dc practiseerende dierenartsen kan ik
hier mededeelen, dat door mij geen practijk wordt uitgeoefend,
dat integendeel de practici er zeer veel voordcel van hebben door-
dat aan veel veehouders geadviseerd wordt om een of meer van
hun koeien te laten onderzoeken. Dit kunnen trouwens de Twent-
sche practici getuigen.

Door mij werden tot dusver, in verband met de controle bij le-
veranciers aan Coöperatieve Inrichtingen, 5393 melkkoeien onder-
zocht op uierontsteking. Bij 887 van deze koeien werden uieront-
stekingen geconstateerd, dat is bij 16,45%.

Het aantal aangetaste kwartieren van deze 887 koeien bedroeg
1284. Deze 1284 kwartieren waren als volgt verdeeld :

rechtervoorkwartier 406 = 31,6%; rechterachterkwartier
484

— 37>7% > linkervoorkwartier 159 = 12,4%; linkerachter-
kwartier 235 = 18,3%.

Wat leeren ons deze cijfers :

i°. de rechterkwartieren zijn veel vaker aangetast dan de linker-
kwartieren.

De melker (melkster) zit vrijwel als regel aan de rechterkant

-ocr page 1104-

van de koe en melkt dan de linkerkwartieren met de rechterhand,
terwijl de rechterkwartieren met de linkerhand gemolken worden.
Daar nu verreweg de meeste menschen meer kracht in de rechter-
dan in de linkerhand hebben, spreekt het eigenlijk van zelf dat
heel vaak de rechterkwartieren een graadje slechter uitgemolken
worden dan de linkerkwartieren. En men weet, dat slecht uit-
melken het optreden van uierontsteking zeer bevordert.

2°. de achterkwartieren zijn meeraangetast dan de voorkwartieren.

Dit is als volgt te verklaren. Daar de voorkwartieren voor de
melker beter bereikbaar zijn en dus gemakkelijker uit te melken,
zullen als regel de voorkwartieren iets beter uitgemolken worden
dan de achterkwartieren.

Ik heb hier dus zeer de nadruk gelegd op het feit, dat goed melken
onmisbaar is bij bestrijding der streptococcen-mastitis. Nu ver-
zoek ik echter enkele landbouwbladen om dit onderdeel niet
zonder verband met de rest naar voren te brengen en te zeggen
zooals reeds eerder gedaan is : „wij hebben in de bestrijding van de
streptococcen-mastitis geen dierenartsen noodig, als de vee-
houders maar goed uitmelken."

Een doelmatige bestrijding van de streptococcen-mastitis kan
slechts als volgt geschieden :

i°. Strenge stal- en veehygiëne. Hiervoor zijn stalinspecties
onmisbaar.

2°. Melkcursussen, waarbij men er op moet wijzen vooral de
linkerhand goed te oefenen.

3°. Eenmaal per jaar opsporen van alle klinische uierafwij-
kingen. Alle klinische afwijkingen zijn als verdacht te beschouwen,
ook al kan men in de melk van die koeien op dat oogenblik geen
streptococcen aantoonen.

Ik raad de practici aan zich niet blind te staren op het melk-
onderzoek. Het gebeurt zeer vaak, dat er in de mengmelk door
den Keuringsdienst van Waren veel streptococcen gevonden worden.
Bemonstert men dan koe voor koe, dan vindt men niets. Echter
wel vindt men dan haast altijd klinische afwijkingen. De practicus
die meer op het melkonderzoek, dan op het klinisch onderzoek
afgaat, zegt dan aan den veehouder dat hij niets vinden kan, ter-
wijl dan de veehouder denkt dat de K. v. W. hem noodeloos op
kosten heeft gejaagd. Hoofdzaak is het klinisch onderzoek, tenzij
men het melkonderzoek van elke koe afzonderlijk tallooze malen
wil herhalen. Omtrent het enten van melk-sediment op alkalische
bouillon en (of) op agar, heb ik nog niet voldoende ervaring.
Voor vele practici zal deze methode echter bezwaarlijk zijn en
misschien ook te kostbaar.

Bij het klinisch onderzoek moet men behalve de 4 kwartieren
ook het weefsel tusschen de rechter- en de linkerkwartieren onder-
zoeken.

-ocr page 1105-

Wel is het gewenscht de melk te onderzoeken van de koeien
welke geen klinische afwijkingen vertoonen.

Naar het bevinden geeft de dierenarts zijn adviezen :

a. melk met veel Streptococcen niet leveren ;

b. de verdachte koeien en vooral natuurlijk de smetstofver-
spreiders het laatst melken ;

c. nooit op den grond melken.

Therapie : ernstige gevallen droog zetten en zoo spoedig als
mogelijk opruimen.

Acute gevallen : koudwaterbehandeling en vaak uitmelken.

Chronische gevallen : vaak uitmelken ; eventueel ondersteund
door een massage met b.v. ungt. ichthyoli.

40. Nieuwkoopen klinisch onderzoeken terwijl tevens de melk
microscopisch onderzocht moet worden. De veehouder moet een
koe koopen
onder beding, dat de uier volkomen gezond moet zijn.

50. bij het fokken ook letten op sterke dieren.

6°. uierinsufflatie bij melk- en kopziekte zoo veel mogelijk ver-
mijden, in ieder geval zeer steriel werken.

70. deskundige behandeling van wonden aan uiers en spenen.
Vooral wonden aan spenen komen hier veel voor en worden door de
veehouders óf verwaarloosd öf met kwakzalversmiddelen behandeld.
Door de zeere spenen laat de koe zich niet zoo goed uitmelken, waardoor
vatbaarheid voor Streptococcen grooter wordt.
Maar de wonden
op zich zelf kunnen een porte d\'entrée zijn voor de Streptococcen.

Bij de bestrijding ga ik dus uit van de gedachte :

i°. praedisponeerende invloeden zoo gering mogelijk te maken ;

2°. verdere besmetting trachten te voorkomen ; geregelde of
tijdelijke smetstofverspreiders geleidelijk uit den veestapel ver-
wijderen.

Zoo kan men het percentage koeien lijdende aan streptococcen-
mastitis geleidelijk verminderen, terwijl als logisch gevolg daarvan
het aantal monsters met Streptococcen besmette melk steeds
kleiner zal worden.

In de melk van 182 veehouders, leveranciers aan fabrieken,
aangesloten bij het Melkcontrölebureau Twente, werden
Strepto-
coccen gevonden. Naar aanleiding daarvan, bezocht ik deze
veehouders en onderzocht hun koeien (993 stuks).

Geen klinische afwijkingen werden gevonden op 12 boerderijen
met gezamenlijk 30 koeien (dus de kleinste veehouders). Van
deze 30 koeien werd de melk microscopisch onderzocht en bij 3
koeien werden afwijkingen gevonden, n.1. in de melk van één koe :
korte Streptococcen en in de melk van twee koeien : veel leuco-
cyten. Bij het meerendeel van deze veehouders vernam ik, dat
er pas een koe verkocht was, omdat die ,,wrangerig" was.

Bij de andere veehouders werden 383 koeien met klinische af-
wijkingen gevonden, dat is 38,57%.

-ocr page 1106-

In totaal waren 623 kwartieren aangetast en wel als volgt ver-
deeld :

rechterachterkwartier 208 = 33,4%; rechtervoorkwartier 179
= 28,7% ; linkervoorkwartier 87 = 14,0% ; linkerachterkwartier
149 = 23,9%.

Ook hier ziet men hetzelfde verschijnsel, dat er meer rechter-
kwartieren aangetast zijn dan linkerkwartieren en meer achterkwar-
tieren dan voorkwartieren !
Wel ziet men hier meer verschuiving
naar de linkerkwartieren en wel speciaal naar het linkerachter-
kwartier.

Een volgende keer nog iets over het onderzoek van de melk
van elke koe afzonderlijk, naar aanleiding van het vinden van
veel streptococcer 111 de mengmelk.

KOPZIEKTE BIJ HET RUND,

DOOR

Dr. T. VAN HEELSBERGEN.

Reeds geruimen tijd kennen wij bij onze runderen een ziekte,
waarvan de verschijnselen voornamelijk wijzen op een aandoening
der hersenen en die met den algemeenen naam van
kopziekte
wordt aangeduid.

Deze ziekte is vooral bekend in de streek langs den Ouden Rijn
en de namen
Lameris en Poels zijn er onafscheidelijk aan ver-
bonden. Ik ken deze ziekte niet uit eigen aanschouwing en zal
er dus niet verder over uitweiden.

Sedert 1920 komt de ziekte echter ook in andere deelen van ons
land voor en het zijn voornamelijk de oostelijke provinciën die
er door bezocht worden.

Met zekerheid is niet bekend of al deze aandoeningen iden-
tisch zijn met die aan den Ouden Rijn; door velen wordt zulks
evenwel aangenomen.

De symptomen, waaronder de ziekte in het Oosten van ons land
gepaard gaan (mondelinge mededeeling collega
Staal) passen
m.i. echter geheel in het kader der enzoötische encephalo-myelitis,
de z.g.n. Bornasche ziekte.

Deze ziekte wordt zooals wij weten door een filtreerbaar virus
te voorschijn geroepen, en is met zekerheid geconstateerd bij
paarden, runderen en schapen.

Het virus schijnt zelfs een groote overeenkomst te hebben met
dat der poliomyelitis van den mensch (Kinderverlamming).

Voor zoover mij bekend zijn tot op heden geen experimenteele
onderzoekingen in verband met de aetiologie van deze kopziekte
verricht, terwijl ook met betrekking tot de histologische ver-

-ocr page 1107-

anderingen, welke eventueel in hersenen of ruggemerg aanwezig
kunnen zijn, weinig bekend is.

Bij kopziekte wordt in een bepaald percentage der gevallen
de calcium-therapie met succes toegepast.

Dit behoeft evenwel niet te pleiten tegen een mogelijke infec-
tieusiteit van het lijden. Ook bij infectieuze zenuwaandoeningen
kan de Calciumbalans verstoord zijn.

M. i. is het ten zeerste gewenscht nadere onderzoekingen om-
trent de aetiologie van deze ziekte in te stellen.

ELECTRISCHE BEDWELMING VAN SLACHTVEE, 1)

door

W. VAN DER BURÜ.

Sedert enkele jaren wordt over het algemeen het Schermersche
pin-schietmasker (Bolzenschuszapparat) het beste hulpmiddel
geacht voor het bedwelmen van slachtvee. Dit instrument is dan
ook in tal van openbare slachthuizen in binnen- en in buitenland in
gebruik. Niet, dat daaraan geen nadeelen zijn verbonden ; immers
de hersenen en omgeving worden ten deele verwoest en verliezen
daardoor in consumptiewaarde. Bovendien worden bij op deze
wijze afgemaakte varkens veelvuldig kleine tot gerstekorrelgroote
of nog grootere intramusculaire bloedingen, o. a. in lenden-, bek-
ken, dij- en buikspieren, aangetroffen, die men bij den z.g. kopslag
niet of in veel mindere mate ziet. Over de oorzaak en het wezen
van deze bloedingen loopen de meeningen van de slachthuis-
dierenartsen zeer uiteen. De ecne schrijft ze toe aan het te laat
doen uitbloeden van de gedoode varkens, de andere aan een
verkeerd gericht zijn van den indringenden pin, waardoor meer
een drukwerking op dan een destructie van de hersenen wordt
verkregen, een derde aan het gebruik van de varkensval, waar-
tegen — en terecht — opgemerkt is, dat die bloedingen ook
optraden voor er varkensvallen waren.

Ik wil hier deze kwestie en die of het bloedingen per rhexin of
per diapedesin betreft, in het midden laten, daar ik persoonlijk
ter zake geen ondervinding heb en mij dus tot beschouwingen
aan de hand van de desbetreffende literatuur zou moeten be-
perken. Opgemerkt mag echter worden, dat men niettemin aan
zeer vele slachthuizen, al of niet gebruikmakend van varkens-
vallen, over de werking van dit instrument zeer tevreden is. Zoo
werd nog enkele weken geleden het gebruik van den „Schusz-
bolzen" door den gemeenteraad van München in het slachthuis
aldaar voor alle dieren voorgeschreven.

-ocr page 1108-

Dat het bij runderen en paarden alleszins voldoet, mag als
bekend worden verondersteld, evenals het feit, dat de bovenbe-
doelde bloedingen bij andere dieren dan varkens hoogst zelden
optreden en dan gewoonlijk in verband kunnen worden gebracht
met sterk verzet voor zij doodelijk worden getroffen, een factor,
die natuurlijk bij weinig handelbare varkens ook in het spel kan
zijn. Hoe. dit ook zij, het zal wel geen betoog behoeven, dat het
instrument door ervaren personeel moet worden gehanteerd.
De wetgever in menig land schrijft dit dan ook voor.

Met het oog op deze spierbloedingen bestaat vooral bij de bacon-
producenten een groot verzet tegen het gebruik van dit instrument
en dat verzet moet men niet gering achten, zooals uit de pas in
werking getreden „Slaughter of Animals (Scotland) Act 1928
moge blijken. Volgens artikel 1 van die wet moeten in Schotland
alle slachtdieren met uitzondering van varkens onmiddellijk wor-
den gedood of bij bedwelming onmiddellijk ongevoelig voor pijn
worden gemaakt, het eerste zoowel als het andere door daartoe
bevoegde personen en met daarvoor goedgekeurde instrumenten.x)

Zooals men ziet, wil men van eenige wijze van dooden of be-
dwelmen van varkens door middel van mechanische middelen aan
de overzijde van de Noordzee nog niets weten. Niettemin be-
schouwt „The animal defence and antivisection-society", deze
door haar gepropageerde wet als een groote overwinning, ook al
zijn behalve de varkens volgens artikel 8 de slachtdieren bestemd
voor voedsel voor de Joden en de Mohammedanen van dit voor-
schrift uitgesloten.

Men mag zeggen, dat afgezien van de uitsluiting van varkens
deze Schotsche bepalingen, wat hare redactie eji strekking be-
treft, vrijwel dezelfde zijn als die bij artikel 1 van de bij Koninklijk
Besluit van 6 Juni 1922, No. 40 vastgestelde bepalingen ter uit-
voering van artikel 74 der „Veewet" 1920, S. 153, indien men uit-
zondert, dat hierbij geen bedwelming voor schapen en geiten is
voorgeschreven en de neksteek en de nekslag uitdrukkelijk ver-
boden zijn.

Om nu het verzet van de baconproducenten tegen het gebruik
van een schietapparaat bij varkens en dat van de Joden tegen de
mechanische bedwelming van runderen te omzeilen, heeft men
naar een methode van bedwelming gezocht, die geen spierbloe-

-ocr page 1109-

dingen bij varkens veroorzaakt en waarbij de hersenvliezen der
runderen niet worden geperforeerd. (Dit is het bezwaar, dat de
Joden hebben tegen het gebruik van een schietmasker). Daarvoor
heeft men zijn toevlucht genomen tot den electrischen stroom.

Onder een electrischen stroom verstaat men de beweging van
de kleinste electrische deeltjes (electronen) in een geleider. Een
dergelijke beweging ontstaat, wanneer tusschen de beide uiteinden
van een geleider een verschillende electriciteitsgraad bestaat,
welke „potentiaal" of „spanning" (te meten in Volts) wordt ge-
noemd. De electrische kracht vindt zijn oorzaak dus in een tus-
schen beide uiteinden, polen, van den geleider bestaand poten-
tiaalverschil. De stroom vloeit van de plaats van de hoogste naar
die van de laagste potentiaal. De electrische hoeveelheid, die in
de tijdseenheid door den doorsnee van den geleider vloeit (stroom-
sterkte) wordt in ampères gemeten. Heeft men een eenvoudigen
homogeenen stroomkring, waarin de stroom steeds in één richting
vloeit (gelijkstroom), dan heerscht op elk punt van den stroom-
kring dezelfde sterkte. Wisselstroomen daarentegen veranderen
vele malen per seconde periodiek van richting. Deze zijn het die
in de electrotechniek een groote rol spelen, daar ze gemakkelijk
transformeerbaar zijn.

Zooals bekend,zijn het ook de wisselstroomen, zelfs die van betrek-
kelijk lage spanning, zooals bij onze lichtleidingen, die vele onge-
lukken veroorzaken. Het ligt dus voor de hand, dat om gevaren
tengevolge van het aanraken van leidingen te vermijden uit prak-
tisch oogpunt alleen gebruik mag worden gemaakt van gelijk-
stroomen, die bij de voor de bedwelming van dieren gebruikelijke
spanning — zooals ik aan den lijve de gelegenheid had te consta-
teeren — absoluut ongevaarlijk zijn. Nu dat levert geen bezwaar
op, want de in den tegenwoordigen tijd alom aanwezige wissel-
stroomen in lichtleidingen zijn, zooals reeds werd opgemerkt,
gemakkelijk te transformeeren tot gelijkstroomen en kunnen tege-
lijkertijd tot de gewenschte lagere spanning worden teruggebracht.

De eerste meer wetenschappelijke mededeeling in de literatuur
over electrische bedwelming is een bericht van Dr.
Gradewitz
over de proeven van Prof. Leduc te Nantes, naar wien de inter-
mitteerende gelijkstroom Leduc\'sche stroom wordt genoemd.
Dr. Jos. B
öhm deelt in het Zeitschr. f. El. u. Milchhygiene van
15 Oct. 1928 naar aanleiding van de proeven, die
Reduc nam
om zich zelf te bedwelmen, o. m. het volgende mede.

Het schijnt op het eerste gezicht verrassend, dat zulke zwakke
stroomen als 0.002—0.004 ampère bij de lage spanning van 30
Volt voldoende zijn om volledige buiten werkingstelling van de
hersenen bij mensch en dier te veroorzaken. Deze door een daar-
voor geschikt apparaat vele malen per seconde onderbroken
gelijkstroom werd aan het lichaam toegevoerd door de groote

-ocr page 1110-

positieve pool op den rug te plaatsen en de kleine negatieve op het
hoofd. Hierbij treedt niet dadelijk een volkomen bewusteloosheid
op, maar ontstaat eerst een onaangenaam, maar zeer goed te ver-
dragen gevoeligheid van de huid, die na eenigen tijd in weerwil
van het toenemen der stroomsterkte afneemt. Het gezicht wordt
rood, er treden lichte contracties van de aangezichts-, hals- en soms
van de onderarmspieren op en daarna formicatio van de vinger-
toppen en later aan teenen en voetzolen. De belemmeringen van
de hersenfuncties openbaren zich eerst aan het spraakcentrum,
dan aan de motorische centra en elke reactie op pijn verwekkende
prikkels wordt onmogelijk. Het verkeer met de omgeving is ver-
broken. De ledematen zijn niet verstijfd, de pols onveranderd
en de ademhaling iets bezwaard. Wanneer de stroom zijn maxi-
mum heeft bereikt, hoort men nog gesprekken in de omgeving
als in een droom ; de verbreking van het verkeer met de omgeving
is dus duidelijk bewust. Huidprikkels worden ondervonden als bij
slapende ledematen. Zoodra de stroom wordt uitgeschakeld, treedt
onmiddellijk ontwaken in. Er is geen onaangename nawerking,
eer een gevoel van welbehagen en lichamelijke frischheid.

Er was dus geen volledige bewusteloosheid. Leduc had gaarne
verder willen gaan, maar met het oog op de toenmaals nog minder
perfecte electrische uitrusting (de proeven dateeren, naar ik meen
van het jaar 1903) achtten zijn collega\'s, die de toestellen bedien-
den, zich niet verantwoord om de proefneming langer te doen duren.

De eerstvolgende jaren hoorde men niet verder hierover, tot
in 1908 de „Matin" mededeelde, dat het
Leduc te Nantes gelukt
was om door middel van zwakke stroomen grootvee clectrisch te
bedwelmen, zonder dat het evenwel tot practische toepassing
van zijn methode kwam.

Het was Dr. Lieben te Praag, die deze proefnemingen een twin-
tigtal jaren later weer ter hand nam en daarna meer in het bijzonder
Prof.
LLER en de hoofdingenieur Weinberger te München,
die na vele proefnemingen tot een bedwelmingsmethode voor
runderen en varkens kwamen, waaraan hun namen wel voor altijd
verbonden zullen blijven. Tal van proefnemingen en demonstraties
vindt men in de laatste 2 jaren in de vakbladen vermeld. Niet,
dat deze alle uitnemend slaagden. Het is dan ook niet te verwon-
deren, dat zij aanleiding hebben gegeven tot kritiek. Men bedenke
echter, dat tal van technische moeilijkheden moesten worden over-
wonnen, voor men tot een bevredigende methode kon komen.
De afbrekende kritiek is dan ook voorbarig, somwijlen minder
deskundig en onbillijk geweest, zooals dit in den regel het geval
is bij technische nieuwigheden.

Het zou te veel plaatsruimte vragen om aan de hand van de
vaklitteratuur een overzicht te geven, hoe de methode
Müller—
Weinberger
zich geleidelijk heeft ontwikkeld en ik wil er mij

-ocr page 1111-

dan ook toe bepalen mede te deelen, wat ik persoonlijk daarvan
zag bij een demonstratie aan het stedelijk slachthuis te Keulen,
welke door mij, als lid van het Hoofdbestuur van de Nederlandsche
Vereeniging tot bescherming van Dieren, in gezelschap van nog
een 7-tal Nederlanders, hetzij leden dier Vereeniging, hetzij col-
lega\'s, waaronder Prof.
van Oijen, op den 10 April j.1. werd bij-
gewoond en door de Kölner Tierschutz Verein was georganiseerd.

Eerst werd een rund van ongeveer 450 pond levend gewicht
bedwelmd. Hiervoor werd het met een hoorntouw aan een aan een
ketting hangenden ring vastgebonden, maar bleef verder ongebonden
en ongekluisterd. De stroom werd afgetapt van het stedelijk licht-
net en door een draagbaren transformator van een wisselstroom
in een gelijkstroom met 8 a 10 duizend intermissies per minuut
omgezet, waarbij tevens de spanning van 220 op 45 Volt werd
teruggebracht. De positieve electrode, bestaande uit een zadel-
vormige metalen plaat van ± 12 c.M. breedte en ± 22 c.M. lengte
werd door middel van een singel op de lendenen en de negatieve
van ± 5 c.M. breed en ± 9 c.M. lang door middel van een riempje
voor het voorhoofd gegespt. Beide polen waren aan de binnen-
c.q. onderzijde bekleed met gaas en tevoren natgemaakt met een
keukenzoutoplossing, waarmede men ook de lendenen en het
voorhoofd van het te bedwelmen dier flink had bevochtigd, ten-
einde zekerheid voor een goede geleiding van den stroom te ver-
krijgen. Bijna onmiddellijk na het sluiten van den stroom viel het
dier neer en vertoonde betrekkelijk zwakke tonische spierkrampen
en een sterk bemoeilijkte ademhaling. Gedurende 45 seconden
bleef de stroom inwerken ; zoodra die was uitgeschakeld, werd de
halssnede toegepast, waarbij ruime arterieele bloeding en vrijwel
volkomen herstel van de ademhaling optrad, zooals mede uit de
duidelijke rochelgeluiden was te hooren. Het dier reageerde niet
het minst op de halssnede, waaruit mag worden afgeleid dat het
op dat oogenblik volkomen gevoelloos en bewusteloos was. Uit die
bewustloosheid volgde geen ontwaken meer. De door den stroom
veroorzaakte hersenanaemie (vaatkramp) maakte plaats voor die
door ontbloeding, met een normalen dood als gevolg.

Bij een tweede rund van ongeveer hetzelfde lichaamsgewicht
werd de stroom na 30 seconden uitgeschakeld. Het voorloopig
aan zich zelf overgelaten dier ontwaakte na enkele minuten,
stond weldra na een lichte aansporing daartoe weer op zijn been en
en gedroeg zich als een volkomen gezond dier. Er was dus inder-
daad sprake van een bedwelming, waaruit weer kon worden ont-
waakt.

Bij de bedwelming van een 15-tal varkens werd op eenigszins
andere wijze tewerk gegaan. Deze, waaronder enkele zeer zware,
werden in de Schermersche varkensval gedreven. Deze val in tal
van Duitsche en in enkele Nederlandsche slachthuizen in gebruik,

-ocr page 1112-

bestaat uit een soort van trog met naar beneden convergeerende,
schuinstaande stalen wanden. Zoodra het dier daarin gedreven is,
wordt door middel van een handel de bodem weggeklapt, zoodat
het varken, dat met zijn pooten geen steun meer kan vinden, tus
schen de twee schuin staande wanden geklemd hangt en practisch
onbeweeglijk is.

Daar deze val in den stroom, die voor de bedwelming der bor-
steldragers een spanning van 65 Volt had, ingeschakeld was, be-
hoefde slechts één pool te worden aangelegd om den kringloop te
sluiten. Dit geschiedde door middel van een staaf, eindigende in
een metalen plaatje, eveneens met gaas bekleed en met een keuken-
zoutoplossing bevochtigd, op het voorhoofd te plaatsen. Zoodra
dit was geschied, trad een strekking van hals en hoofd op, maar
na enkele seconden zag men het hoofd weer zakken en de oogen
sluiten. Het weldra geheel bedwelmde dier kon na totaal 20
seconden uit de val worden gekipt om den borststeek te ontvangen.
Ook hier normale bloeding als bij door het schietmasker gedoode
varkens en zonder dat men eenig geluid van het dier hoorde.

Dr. Bützler, Directeur van het slachthuis te Keulen, die ons
had voorbereid op hetgeen we te zien zouden krijgen, deelde mede
dat hij aanvankelijk het bezwaar had ondervonden, dat door de
bij het inschakelen optredende spierkrampen somwijlen fracturen
van de ruggewervels optraden. Hij had dit ondervangen door de
binnenwanden van de val, met uitzondering van het voorste ge-
deelte, telkens voordat een varken daarin gedreven werd, door
middel van een kwast met olie te doen insmeren. Hierdoor werd
het varken ten deele geïsoleerd van den valwand en ging de stroom
slechts van het hoofd naar de schouders. Sedert had hij geen wer-
velbreuken meer geconstateerd. Spierbloedingen kwamen, naar
hij mededeelde, bij electrisch bedwelmde varkens niet voor.

Intusschen is sedert April j.1. de techniek op dit gebied al weer
vooruitgegaan. Men kan in de tijdschriften lezen van varkens-
vallen, die zoo geconstrueerd zijn, dat ook zonder aanwending
van olie het dier alleen maar met den schouder contact heeft met
de partieel in den stroom ingeschakelde val. Het nieuwste zijn
de vallen in Weenen en München in gebruik, waarbij de dieren,
nadat zij daar zijn ingedreven, naar beneden glijden en automa-
tisch den kringloop der stroom sluiten, doordat ze met hun snuit
in aanraking komen met de electrode, die te Keulen als een staaf
werd gehanteerd en op het voorhoofd gedrukt. Zijn de desbetref-
fende mededeelingen juist, dan duurt voor de varkens de bedwel-
ming op deze wijze niet langer dan ± 10 seconden, wat zeker een
aanzienlijke tijdsbesparing is op de 20 die te Keulen daarvoor
noodig waren.

In verband met hetgeen wij aldaar zagen en sedert dienaan-
gaande is gepubliceerd, meen ik de meening te mogen uitspreken,

-ocr page 1113-

dat de bedwelming van slachtvee door middel van electriciteit
een groote toekomst heeft. Zeer zeker in de eerste plaats voor
varkens, daar ten opzichte van deze dieren geen religieuse ge-
voelens in het geding komen, zooals bij het slachten van runderen
bestemd voor de consumptie voor Israelieten en Mohammedanen.l)
Dank zij de electrotechniek, de Schermersche val en den min of
meer cylindrischen bouw van het varken is dit overigens zoo
weinig handelbare dier een slachtobject geworden geschikt voor
een mechanische manipulatie, waarbij inderdaad een werkelijke
bedwelming aan den dood vooraf gaat, alle geschreeuw en tegen-
stand van het dier kan worden vermeden en aan de hoogste eischen
in zake het humane dooden van dit slachtdier wordt voldaan.
Geen weigering of halve resultaten van schietwerktuigen meer,
geen vernietiging van hersenweefsel en evenmin spierbloedingen
als in den aanvang van dit opstel bedoeld. Bovendien zijn de
kosten van het stroomverbruik minimaal, een fractie van een
Pfennig naar men mij verzekerde, terwijl de patroon voor het
Schermersche schietmasker nog altijd enkele centen kost. Hier-
tegenover staat eenig tijdverlies, zooveel per varken als het schieten
vlugger gaat dan het bedwelmen in ± 10 seconden. Maar dit tijd-
verlies is alleen van beteekenis voor zeer groote slachthuizen,
die zich echter vermoedelijk wel de luxe kunnen veroorlooven
om wat meer varkensvallen aan te schaffen, welke,naar het mij voor-
komt, niet elk een afzonderlijken transformater behoeven te hebben,
wat overigens nog niet zoo\'n groot bezwaar zou zijn, daar de trans-
formator te Keulen in gebruik niet meer dan / 360.— kost.

Bij runderen daarentegen was de voorbereiding in vergelijking
met die bij het gebruik van het schietmasker nog al tijdroovend,
maar niet ten opzichte van die voor het Joodsch ritueele slachten,
waarbij immers de dieren gekluisterd en neergelegd moeten wor-
den. Van oeconomisch standpunt zou er dan ook geen enkel be-
zwaar zijn om de runderen voor Joodsche consumptie bestemd
electrisch te bedwelmen, te meer niet daar Prof.
Müller er al
weer wat op gevonden heeft om tijd te besparen, nl. door niet
meer de electroden op lendenen en voorhoofd te gespen, maar die
door middel van daarvoor geëigende klemmen aan staartwortel
en neusmiddenschot aan te brengen. De mogelijkheden op tech-
nisch gebied zijn onbegrensd en misschien vindt men er nog iets
op om de electrische bedwelming van runderen even snel te doen
plaats hebben als bij varkens mogelijk schijnt.

Daar, voor zoover bekend, de weefsels van electrisch bedwelm-
de dieren geen veranderingen vertoonen, zou men geneigd zijn
aan te nemen, dat hier het middel is gevonden om runderen
te bedwelmen op een wijze waarmede ook de Joden kunnen in-

\') In enkele Duitsche slachthuizen, zooals te Kempten, Kaizerslautern en
Aken is deze wijze van bedwelmen van varkens reeds regel.

-ocr page 1114-

stemmen. Dit is evenwel tot heden nog niet het geval, zooals uit
een serie artikelen over „Dierenbescherming en Joodsche slacht-
wijze" van den Opperrabbijn J.
Tal in het Utrechtsch Provin-
ciaal en Stedelijk Dagblad moge blijken. De heer
Tal beroept zich
daarin op o. m. het oordeel van collega D. J.
Kok te Haarlem,
die de meening heeft uitgesproken, dat de electrische bedwelming
geen bedwelming, geen verdooving, geen narcose, maar een kramp
van het hart is, die de dieren niet verdooft (maar verlamt), zoodat
ze niet kunnen reageeren, maar wel voelen.

Collega Kok was zoo vriendelijk om mij een copie van de door
den heer
Tal bedoelde publicatie : Der Einfluss des electrischen
Stromes nuf den Tierkörper, Versuche mit Wechselstrom,
von Veteri-
narchirung D.
J. Kok, unter Mitwirkuhg von Drs. Med. A. van
Harreveld,
Haarlem, verschenen in het Verslag van Duitsche
natuurkundigen en artsen van September 1928, te doen toekomen.
Tot een kritische behandeling van dit artikel, dat blijkens zijn
titel over den msse/stroom handelt en waarmede op
kleine huis-
dieren is geëxperimenteert, acht ik mij voorloopig minder be-
voegd, maar stip slechts aan, dat de arterieele bloeding der elec-
trisch bedwelmde dieren niet bepaald op hartkramp wijst.
Overigens ben ik met collega
Kok van meening, dat de electrische
bedwelming een ander proces is dan de chemische narcose en dat
tal van vraagstukken in zake den invloed van den electrischen
stroom op het dierlijk lichaam nog nadere en diepgaande studie
behoeven.

Tegen de meening, dat we met eene verlamming zouden hebben
te doen, voert Prof.
Müller in een van zijn vele publicaties over
dit onderwerp ]) aan, dat het electrisch bedwelmde en na uit-
schakeling van den stroom weer tot bewustzijn komende dier
volkomen dezelfde verschijnselen vertoont als de mensch bij een
echten epileptischen aanval. Daar deze na het bijkomen uit zijn
bewusteloosheid zich niets herinnert en bij eventueele ernstige
beleedigingen tijdens dien aanval niets heeft gevoeld, meent hij
te mogen aannemen, dat dit bij electrisch bedwelmde dieren ook
het geval is.

In verband met deze tegenstrijdige meeningen zal het, zoodra
men in Nederland komt tot ernstige proefnemingen op het gebied
van electrische bedwelming van slachtvee, in de eerste plaats op
den weg liggen van onze onderzoekers om op onomstootelijke
wijze aan te toonen, dat men hier inderdaad met een door hersen-
anaemie veroorzaakte bewusteloosheid en gevoelloosheid heeft
te doen. Immers daarmede staat of valt het voordeel van deze
methode boven die van het gebruik van het schietmasker, en zonder
dat bewijs zal men hier te lande moeilijk kunnen komen tot de

\') Ueber das Wesen der electrischen Betaubung der Schlachttiere, Deutsche
Schlachthofzeitung, 10 Marz 1929.

-ocr page 1115-

door de dierenbescherming zoo zeer verlangde bedwelming van
alle slachtdieren zonder uitzondering, zooals die reeds jaren ge-
leden in Zwitserland krachtens uitspraak van een volksstemming
is voorgeschreven en in Noorwegen met i Januari a.s. zal worden
ingevoerd. Dat het daartoe ook eenmaal hier zal mogen komen,
is zeer zeker de wensch van allen, die meen en, dat de mensch de
zedelijke plicht heeft om het slachtvee zoo humaan mogelijk te
dooden. Ik zou die kwestie met het oog op de religieuse zijde voor
onze Joodsche medeburgers daaraan verbonden echter niet bij
meerderheid van stemmen, maar langs den weg van onderling
overleg, door overtuiging en dus ten slotte eenstemmig willen
zien opgelost en daarvoor in de eerste plaats onze onderzoekers
op dit gebied aan het werk zien gaan om eventueele verschillen
van meening omtrent het wezen der electrische bedwelming te
doen verdwijnen.

Ten slotte nog de opmerking, dat het mijn aandacht heeft ge-
trokken, dat de beide runderen te Keulen —■ het tweede werd,
nadat het bijgekomen was opnieuw bedwelmd en daarna ontbloed
evenals het eerste — zoo\'n volkomen arterieele bloeding vertoon-
den en wel onder vrijwel normale functie der ademhaling. Dit
in tegenstelling van wat men ziet bij met het schietmasker gevelde
dieren, waarbij, zooals bekend, de ademhaling volkomen stilstaat.
Ik meende dit te moeten verklaren door aan te nemen, dat de be-
dwelming dusdanig diep was, dat de dieren over het stadium van
tonische krampen, waarin de ademhalingsspieren aanvankelijk
ook betrokken waren, heen kwamen en dus in diepe bewusteloos-
heid geraakten, in den geest als die wordt verkregen met che-
mische middelen, waarbij totale gevoelloosheid optreedt met
behoud van de, wel is waar verlangzaamde, ademhaling.

Aangezien de literatuur over dit onderwerp geen steun geeft
voor deze verklaring, integendeel bijna overal uitdrukkelijk wordt
vermeld, dat ook tijdens de uitbloeding de respiratie blijft stil-
staan, zal moeten worden aangenomen, dat de bedwelming te
Keulen zoodanig licht is geweest, dat onmiddellijk na uitschake-
ling van den stroom de spierkrampen genoegzaam verminderden
om reflectorisch de ademhalingspieren weer in werking te doen
treden.

Naschrift.

Ter zake van de bedwelming kon ik bij een bezoek einde Juli
te München geen nieuwe theoretische gezichtspunten openen,
daar Prof.
Max Müller om gezondheidsredenen uit de stad was.
Wel kon ik enkele demonstraties bijwonen en wel :

ie. het gebruik van de varkensval volgens „Kitt".

De varkens loopen erin, de val neigt naar voren en beneden.
Het varken schuift over een afstand van een halve meter naar

-ocr page 1116-

voren. Het stoot automatisch met den snuit tegen den onder stroom
staanden voorwand en geleidt den stroom door zijn voorpoot naar den
bodem. Het dier verstart, geeft geen geluid, is na enkele seconden
bedwelmd, de val wordt geopend. Verbloeding zonder adembe-
wegingen, goede uitbloeding. Geen fracturen of spierbloedingen,
daar het dier nergens wordt vastgehouden en de stroom alleen door
kop en voorpooten gaat.

Er zijn misschien nog\' enkele kleine technische verbeteringen
mogelijk. Ik vond de werkwijze echter weer veel volmaakter dan
de demonstratie in Keulen. Per uur kunnen met een val 150—200
varkens bedwelmd worden.

2e. het bedwelmen van runderen met neusring en staartklem.

Veel gemakkelijker aanleggen der electroden dan in Keulen.
De toevoerende draden komen van den zolder. Geen hinder voor
omstanders of gevaar voor verward raken van het dier. Ir.
Wein-
berger
schakelt langzaam in. Het dier gaat liggen alsof het rusten
wil; sterker stroom ; verstarring, bewusteloosheid. Openen van de
halsvaten. Verbloeding begint. Stroom voorloopig uitgeschakeld.
Geen ademhalingsbewegingen, geen afweerbewegingen met de
ledematen. Wil men de spiercontractie laten medehelpen om goede
uitbloeding te verkrijgen, dan schakelt men de onderbroken
stroom weer even in. Men ziet dan weer iets spiercontracties. Het
dier ligt overigens volmaakt rustig. Na afslachting kon ik volmaakt
goede uitbloeding constateeren. Ook deze werkwijze vond ik veel
beter dan de demonstratie te Keulen. Alle hinderlijke geluiden of
bewegingen worden hierbij vermeden.

3e. Het principe van het toestel is een zwakke gelijkstroom,
welke tallooze malen wordt onderbroken. Men kan nu :

a. de aanwezige sterke bedrijfsstroom transformeeren tot eene
van lager spanning en onderbreken ;

b. een batterij van ong. 90 volt, zooals in de radiotechniek in den
handel zijn, als stroombron nemen. Het onderbreken geschiedt
dan met behulp van een motortje, dat op de gewone lichtlei-
ding loopt. Stroomverbruik te verwaarloozen klein. Dit toestel
is vrij goedkoop en kan bij eiken slager die electrisch licht heeft
op elk stopcontact werken.

c. Zelfs dit laatste motorische onderbreken kan men vervangen
door met de hand aan een beugel te draaien. Elke plattelands-
slager kan met dit eenvoudige toestel zoo goed als kosteloos
den zwaarsten os bedwelmen. Het is verbluffend.

Deze geheele wijze van werken heeft een bijzonder gunstige in-
druk op mij gemaakt en ik geloof, dat de Nederlandsche dieren-
vrienden in hun taak te kort zouden schieten, indien zij niet alles
in het werk zouden stellen om een serieus proefonderzoek hier
te lande te doen plaats hebben.

C. F. van Oijen.

-ocr page 1117-

Uit de Veterinaire Afd. van het Centraal Laboratorium. Hoofd: Dr. H. S. FRENKEL.

OVER DE WAARDE VAN NIEUWERE METHODEN TOT
KWEEKEN VAN TUBERKELBACILLEN
VOOR DE VETERINAIRE PATHOLOGIE,

DOOR

Dr. A. CLARENBURG, Bacterioloog.

Vervolg van bladz. 1031.

Onderzoek van vleesch.

Voor een juiste beoordeeling bij de vleeschkeuring zou het van
groot belang zijn, indien wij over een middel beschikten, waardoor
op een snelle, doch zekere wijze kon worden uitgemaakt, of het
vleesch van een tuberculeus slachtdier al dan niet tuberkelbacillen
bevat. Tot dusver is men bij deze beoordeehng aangewezen op de
gegevens van het onderzoek vóór het slachten en op de pathologisch-
anatomische bevindingen, welke hierna worden gedaan. Op grond
hiervan wordt naar de voorschriften in het keuringsregulatief
uitspraak gedaan, volgens hetwelk niet tot goedkeuring wordt over-
gegaan, indien cle mogelijkheid bestaat, dat zich in de musculatuur
anatomische bevinden. Zekerheid wordt hieromtrent door dit
onderzoek niet verkregen. Deze zou alleen door het proefdier-
experiment, eventueel door een betrouwbaar cultureel onderzoek
kunnen worden bereikt. Het eerste onderzoek duurt echter te lang,
terwijl voor het laatste nog geen bevredigende oplossing gevonden is.

Om deze redenen werd een onderzoek ingesteld naar de mogelijk-
heid om de cultureele methode dienstbaar te maken aan de praktijk
der vleeschkeuring. Te dien einde werd van een aantal tuberculeuze
slachtdieren het vleesch cultureel onderzocht. Hierbij werd de
volgende techniek toegepast.

Een stuk vleesch, wegende ongeveer een pond, werd aan de opper-
vlakte geschroeid, teneinde tuberkelbacillen, die door bezoedeling
op het vleesch gekomen konden zijn, te vernietigen. Hierna werd
met steriele instrumenten circa 250 gr. vleesch uitgesneden, waaruit
met behulp van een gesteriliseerde pers 20 a 30 cm3 sap werd ge-
perst. Hiervan werden 10 cm3 vermengd met een gelijke hoeveelheid
i N zwavelzuur, waarbij een flink neerslag gevormd werd. Na 20
min. schudden werd het mengsel gedurende 5 minuten gecentri-
fugeerd, waarna met het sediment 2 voedingsbodems van
Petrag-
nani
werden geënt. Steeds werd ook 10 a 20 cm3 perssap gecentri-
fugeerd en bij het sediment 10 cm3 r N zwavelzuur gevoegd, waarna
de bewerking geschiedde als bij het onderzoek van het vleesch-
perssap als zoodanig.

Naast dit cultureele onderzoek werd van elk vleeschmonster

-ocr page 1118-

i cm3 perssap bij een cavia ingespoten en wel subcutaan en intra-
musculair in de dij. Vaak moest, wegens gebrek aan proefdieren, één
cavia voor 2 vleeschmonsters worden gebruikt, waarbij dan de
inspuitingen met het sap beurtelings aan beide dijen plaats vond.

Op deze wijze werden onderzocht : vleeschmonsters van 31 run-
deren, 2 kalveren, 3 paarden, 15 varkens en 1 schaap. De dieren,
waarvan deze vleeschmonsters afkomstig waren, bleken lijdende
te zijn geweest aan acute miliaire tuberculose, terwijl bij 4 der
onderzochte runderen uitgebreide, verweekte tuberculeuze haarden
gevonden waren. Om deze redenen was het vleesch dezer dieren
goedgekeurd onder voorwaarde van sterilisatie.

De geënte voedingsbodems werden gedurende 2 maanden gecon-
troleerd. Het gelukte in geen enkel geval hierop tuberkelbacillen
aan te toonen. Van de proefdieren stierven er 2 na verloop van resp.
17 en 25 dagen. Bij de sectie werd een pneumonie gevonden, evenwel
geen tuberculeuze veranderingen. Evenmin gelukte het in uitstrijk-
preparaten der regionaire lymphklieren en verschillende organen
tuberkelbacillen aan te toonen. De overige caviae werden 6—8
weken na de enting door verbloeding gedood. Het onderzoek op
tuberculose verliep bij deze dieren geheel negatief.

Aangezien blijkens de caviaproef in geen der onderzochte vleesch-
monsters tuberkelbacillen voorkwamen, is natuurlijk geen oordeel
uit te spreken over de vraag of de cultureele methode waarde heeft
bij de beoordeeling van tuberculeuze slachtdieren.

Melk.

Het behoeft hier niet nader te worden betoogd, dat het onder-
zoek naar het voorkomen van tuberkelbacillen in melk van groote
hygiënische beteekenis moet worden geacht. Niet alleen vormen de
in melk voorkomende tuberkelbacillen een ernstige bron van infectie
voor den mensch, doch ook de verspreiding der tuberculose onder
het rundvee en andere dieren, met name de varkens, wordt er ten
zeerste door in de hand gewerkt. Tot nu toe wordt aan het onder-
zoek der melk op de aanwezigheid van tuberkelbacillen zeer weinig
gedaan, ofschoon toch publicaties uit het buitenland melding maken
van hooge percentages besmette handelsmelk. De reden van deze
veronachtzaming moet worden gezocht in de moeilijkheid de tuber-
kelbacillen in deze melk aan te toonen. Als regel faalt hierbij het
directe microscopisch onderzoek van het sediment. Daarbij komt
nog dat. niet alle zuurvaste bacillen, welke in de uitstrijkpreparaten
der melk worden gevonden, als tuberkelbacillen mogen worden
beschouwd. Er komen n.1. in onzindelijk gewonnen melk ver-
schillende zuurvaste pseudo-tuberkelbacillen voor—van grassen,
faeces, aarde, enz. afkomstig—die, hoewel vaak door hun grootte
■en vorm van de echte tuberkelbacillen te onderscheiden, toch meer-

-ocr page 1119-

malen een groote gelijkenis hiermede kunnen vertoonen. Men is
derhalve bij dit onderzoek aangewezen op het cavia-experiment
en een dergelijk onderzoek op eenigszins omvangrijke schaal brengt
groote kosten met zich mede, afgezien nog van de onzekerheid,
welke ontstaat door vroegtijdige intercurrente proefdiersterfte
en het mogelijk voorkomen van voor caviae apathogene tuberkel-
bacillen.

Het zou om deze redenen van groot belang zijn, indien het mo-
gelijk ware, door middel van de cultureele methode tuberkelbacillen
in melk aan te toonen. Deze methode toch is weinig kostbaar en zeer
eenvoudig uit te voeren. Daardoor leent zij zich bij uitstek voor een
uitgebreide toepassing in de praktijk.

Een orienteerend onderzoek werd in deze richting ingesteld, dat,
hoewel het geen aanspraak op volledigheid mag maken, de moge-
lijkheid opent, met meer kans op succes dan voorheen, de tuberkel-
bacillen in melk op te sporen. Een aantal monsters melk, afkomstig
van runderen, die aan tuberculeuze mastitis lijdende waren, werd
langs cultureelen weg onderzocht. In uitstrijkpreparaten van deze
melk konden de tuberkelbacillen als regel vrij gemakkelijk worden
aangetoond. Enkele monsters waren bij het onderzoek reeds ver-
scheidene dagen oud en juist hierbij werden in uitstrijkpreparaten
van het sediment slechts enkele tuberkelbacillen opgemerkt, die
dan nog, blijkens hun fletsroode tint, na kleuring volgens
Ziehl-
Nielsen,
een verminderde zuurvastheid bezaten. Dit verschijnsel
kon vrij regelmatig worden waargenomen, wanneer melkmonsters
of ander materiaal met grooten rijkdom aan tuberkelbacillen,
eenigen tijd werden bewaard.
Met het toenemen van den ouderdom
gaat een vermindering van het aantal goed kleurbare tuberkelbacillen
gepaard.

Bij het cultureele onderzoek werd aanvankelijk zoowel zwavel-
zuur als kaliloog als voorbehandelingsmiddel gebruikt. Teneinde
na te gaan, welke sterkte dezer stoffen het beste voldeed, werden
zoowel 2 N, N, i N, \\ N als 0,1 N oplossingen gebruikt. De
volgende werkwijze werd bij dit melkonderzoek toegepast :

Ongeveer 50 cm3 melk werd gecentrifugeerd, waarna het sediment
met enkele cm3 steriele physiologische keukenzoutoplossing goed
werd vermengd. De verkregen suspensie werd nu gelijkelijk over
10 steriele fleschjes verdeeld, waarin vooraf 10 cm3 zwavelzuur,
resp. kaliloog van verschillende normaliteit was gedaan. Hierna
werden de fleschjes hetzij in een schudapparaat, hetzij met de hand
gedurende 20 a 30 minuten geschud. Vervolgens werd de inhoud
der fleschjes overgegoten in steriele centrifugebuizen en na 5 min.
centrifugeeren het alsdan verkregen sediment op 3 a 4 voedings-
bodems volgens
Lubenau en in 3 a 4 buisjes BESREDKAvloeistof
met buffermengsel geënt. De geënte voedingsbodems werden in
een broedstoof bij 370 C. geplaatst, en te beginnen na 4 dagen,

-ocr page 1120-

geregeld microscopisch, door kleuring van uitstrijkpreparaten
volgens
Ziehl-Nielsen, onderzocht.

Evenals bij het onderzoek der tuberculeuze organen bleek ook nu,
dat kaliloog als voorbehandelingsmiddel veel minder voldeed dan
zwavelzuur. Over het algemeen was de groei der tuberkelbacillen
veel kariger, terwijl de verontreinigingen der voedingsbodems veel
talrijker waren. Om deze redenen werd na enkele onderzoekingen
het kaliloog niet meer gebruikt.

Na de voorbehandeling met zwavelzuur werd in 7 van de 10 onder-
zochte melkmonsters een cultuur van tuberkelbacillen verkregen.
De
3 monsters, waarbij zulks niet gelukte, waren verscheidene dagen
oud en zeer sterk verontreinigd. Alle hiermede geënte voedings-
bodems waren na enkele dagen met bacteriën doch ook met schim-
mels en gistcellen over- resp. doorgroeid. In de
7 positieve gevallen
was
bij microscopisch onderzoek na 4—10 dagen groei van tuberkel-
bacillen waarneembaar. Deze lagen dan in kleinere en grootere
groepen bijeen en vertoonden meestal een duidelijke korreling.
Na
4 dagen zijn de groepjes vaak erg klein en bestaan slechts uit
enkele bacillen ; na 8—
10 dagen echter kunnen vaak reeds met
zwakke vergrooting in het ZiEHL-NiELSExpreparaat de conglo-
meraten van tuberkelbacillen worden gezien.

De vorming van macroscopisch zichtbare koloniën duurde veel
langer en wel
20—50 dagen. Deze tijd hing ten nauwste samen met
den rijkdom der melk aan tuberkelbacillen, doch tevens met de
sterkte van het gebruikte zwavelzuur. Waren er blijkens het directe
microscopisch onderzoek van het melksediment vele tuberkel-
bacillen aanwezig, dan werd ook een snellere groei waargenomen.
Tevens kon worden vastgesteld, dat over het algemeen de beste
groei optrad na het gebruik van de zwakkere zuren. Evenals bij het
orgaan-onderzoek kon ook nu eenmaal worden opgemerkt, dat na
inwerking van
2 N en ij N zwavelzuur geen macroscopisch zicht-
bare koloniën werden gevormd, terwijl na de voorbehandeling met
de zwakkere zuren vele koloniën tot ontwikkeling kwamen. Het
microscopisch onderzoek toonde echter, ook op de schijnbaar steriel
gebleven voedingsbodems, groei van tuberkelbacillen aan.

De vraag, welke normaliteit van het zwavelzuur bij het cultureele
onderzoek van melk het best voldoet, valt niet gemakkelijk te be-
antwoorden. De uitkomsten, welke in verband hiermede werden
verkregen, waren sterk variëerend. Indien het melkmonster slechts
gering bacterieel verontreinigd was, werd reeds met het zwakste
zuur i.c.
0,1 N zwavelzuur een weelderige cultuur van tuberkel-
bacillen verkregen. Was daarentegen de verontreiniging grooter,
dan werden bij deze normaliteit en ook, hoewel in afnemende mate,
bij de sterkere zuren de voedingsbodems overgroeid, resp. doorgroeid
door de begeleidende micro-organismen. Met 1 N zwavelzuur
werden over het algemeen goede resultaten gekregen ; er werd

-ocr page 1121-

slechts een zeer gering verschil in groeirijkdom na voorbehandeling
met 0,5 en 0,1 N-oplossing opgemerkt. Het gelukte slechts 2 maal
op- en in alle geënte voedingsbodems een reincultuur van tuberkel-
bacillen te verkrijgen. In de overige 5 gevallen bleken verschillende
voedingsbodems, ook na gebruik van 2 N zwavelzuur verontreinigd
te zijn.

Indien deze verontreiniging slechts in geringe mate was opge-
treden, konden de tuberkelbacillen in uitstrijkpreparaten vrij ge-
makkelijk worden aangetoond. Meermalen echter waren, ook na
gebruik van de sterkere zuuroplossingen de begeleidende kiemen
zoodanig gegroeid, dat dit niet mogelijk bleek. Men dient bij deze
verontreinigingen wel bedacht te zijn op het voorkomen van
zuur-
vaste ftseudo-tuberkeibacillen,
waarover bij de behandeling van het
sputumonderzoek nader zal worden bericht.

Wat de beide gebruikte voedingsbodems aangaat, voldeed de
vloeistof van
Besredka, in verband met het geringer aantal opge-
treden verontreinigingen,
beter dan de voedingsbodem van Lubenau.
Echter werd geen verschil in groeisnelheid in deze beide voedings-
media opgemerkt.

In sterkere mate dan bij het onderzoek der tuberculeuze organen,
werd bij het kweeken van tuberkelbacillen uit melk, het bezwaar van
verontreiniging der voedingsbodens ondervonden.
Daarom werd bij
het bekend worden van den voedingsbodem van
Petragnani, met
een 8-tal melkmonsters, afkomstig van dieren, die aan tuberculeuze
mastitis lijdende waren, het onderzoek herhaald. Hierbij werden
naast den voedingsbodem van
Petragnani, ook die van Lubenau
en van Besredka gebruikt, terwijl als voorbehandelingsmiddel
zoowel 1 N als 2 N zwavelzuur werd genomen.
Verreweg de beste
resultaten werden met eerstgenoemden voedingsbodem bereikt.
Veront-
reinigingen traden in belangrijk mindere mate op, terwijl tevens
een snellere en rijkere groei van tuberkelbacillen werd waargenomen.
Bij microscopisch onderzoek was steeds na 4—8 dagen een vermeer-
dering der tuberkelbacillen opgetreden, terwijl macroscopisch na
18—30, gemiddeld 22 dagen kolonies werden gezien. In 6 van de
8 gevallen werd op
alle PETRAGNANivoedingsbodems, zoowel na
voorbehandeling met 1 N als met 2 N zwavelzuur een
reincultuur
van tuberkelbacillen verkregen, terwijl van de gebruikte Lubenau-
en BESREDKAbodems vele verontreinigd bleken. In de 2 overige
gevallen waren na voorbehandeling met 1 N zwavelzuur alle geënte
Lubenau- en BESREDKAbodems verontreinigd, daarentegen van de
6 geënte PETRAGNANibodems slechts 2. Van de voedingsbodems,
die met 2 N zwavelzuur voorbehandeld sediment waren geënt,
bleken verscheidene
Lubenau- en BESREDKAbuizen verontreinigd,
(resp. 5 en 4) daarentegen van de PETRAGNANivoedingsbodems
slechts 1. Deze beide melkmonsters waren matig sterk veront-

-ocr page 1122-

reinigd en werden 2 dagen na de winning onderzocht. Bij sterke
verontreiniging der melk, vooral als deze vele dagen oud is, is het
resultaat van het cultureele onderzoek, ook bij gebruik van
Pe-
tragnaxi
-voedingsbodems onzeker. Het verdient derhalve ook bij
het melkonderzoek aanbeveling, het materiaal zoo versch mogelijk
te onderzoeken. Hoewel niet constant, werd toch meermalen op-
gemerkt, dat na inwerking van 1 N zwavelzuur een rijkere groei
optrad, dan nadat de 2 maal sterkere zuuroplossing was gebruikt.

Het voordeel van het gebruik der voedingsbodems van Petrag-
na\'ni
is sterk in het oog springend. Niet alleen is het hiermede moge-
lijk met zwakkere zuuroplossingen te werken, waardoor meer kans
op rijken groei der tuberkelbacillen bestaat, doch tevens kan met
het enten van 2 voedingsbodems worden volstaan, hetgeen een
vereenvoudiging van het onderzoek en besparing van materiaal
beteekent.

Teneinde de invloed der zuur-inwerking op den groei der tuberkel-
bacillen bij gebruik van PETRAGXANivoedingsbodems nog eens na
te gaan, werd van 2 melkmonsters, afkomstig van runderen met
tuberculeuze mastitis, waarin vele tuberkelbacillen in uitstrijk-
preparaten werden gevonden, het sediment na inwerking van 1 N,
2 N en 4 N zwavelzuur onderzocht, terwijl daarnaast ook
onbehan-
deld
melksediment op 2 voedingsbodems van Petragnani werd
uitgestreken. Bovendien werd een gedeelte van het sediment
ge-
durende
24 uur met 1 N zwavelzuur samengebracht en vervolgens
na de gebruikelijke bewerking op PETRAGXANi-voedingsbodems
geënt.

In de beide buizen, die met onbehandeld sediment van een dezer
melkmonsters waren geënt, was naast groei van tuberkelbacillen
ook verontreiniging, hoewel niet in storende mate, opgetreden. Dit
bleek eveneens het geval te zijn\' met een der voedingsbodems, die
met i N zwavelzuur behandeld materiaal was geënt. Overigens
bleek, naar het aantal zich ontwikkelende kolonies te oordeelen,
de invloed van de zuurinwerking op den groei der tuberkelbacillen
zeer gering te zijn.

Het tweede melkmonster gaf op alle voedingsbodems, ook op die,
welke met onbehandeld sediment waren geënt, een reincultuur van
tuberkelbacillen te zien. Hierbij was
de groei na voorbehandeling van
het melksediment met 1 N zwavelzuur beter dan wanneer geen voor-
behandeling met zuur had plaats gevonden, terwijl na de inwerking van
2 en 4 N zwavelzuur de groeirijkdom aanzienlijk verminderd was. Ook
na de inwerking gedurende
24 uur van 1 N zwavelzuur werd weer een
goede ontwikkeling van tuberkclbacillenkoloniën opgemerkt,
welke zelfs
iets rijker was dan die, welke na inwerking van 2 N zwavelzuur
gedurende | uur optrad.

Wij zien hieruit, hetgeen ook reeds bij de vroegere proefnemingen

-ocr page 1123-

gebleken was, dat de gevoeligheid van de verschillende tuberkel-
bacillenstammen voor zwavelzuur zeer uiteenloopend is. Er zijn
stammen, die een sterke resistentie bezitten, doch aan den anderen
kant zijn er ook, die door de inwerking der sterkere zuuroplossingen
in hun groei worden geremd. Over het algemeen kan worden op-
gemerkt, dat de inwerking van i N zwavelzuur gedurende een half
uur, geen invloed heeft op het aantal zich ontwikkelende kolonies.

Van de hierboven vermelde melkmonsters, afkomstig van run-
deren met tuberculeuze mastitis, werd een 4-tal zoodanig met
kiemarme, zindelijk gewonnen melk verdund, dat in uitstrijkprepa-
raten van het sediment geen tuberkelbacillen meer konden worden
aangetoond. Het sediment van 10 cm3 dezer melkmonsters werd
gedurende 30 min. behandeld met 10 cm3 1 N en 2 N zwavelzuur.
Na centrifugeeren gedurende 5 min. werd het alsdan verkregen slib
op 2 voedingsbodems van
Petragnaxi geënt. Het gelukte in al deze
gevallen de tuberkelbacillen cultureel aan te toonen.

Vatten wij nu in het kort de resultaten, verkregen met het on-
derzoek van melk, afkomstig van dieren, welke aan tuberculeuze
mastitis lijdende zijn, tezamen, dan blijkt, dat het mogelijk is de
tuberkelbacillen cultureel aan te toonen. Bij dit onderzoek verdient
de voedingsbodem van
Petragnaxi verreweg de voorkeur boven
dien van
Lubenau en van Besredka. Bij de voorbehandeling kan
in het algemeen met 1 N zwavelzuur worden volstaan, terwijl bij
sterkere verontreiniging daarnaast ook de 2 N oplossing dient te
worden gebruikt. Het verdient aanbeveling de melk zoo versch
mogelijk in onderzoek te nemen.

Slijtersmclk.

Voor de practijk van het melkonderzoek zou het van het grootste
belang zijn, indien de hierboven geschetste cultureele methode ook
bruikbaar zou blijken voor het onderzoek der z.g.
slijtersmclk, de
melk dus, zooals deze bij de consumenten wordt afgeleverd. Reeds
spoedig bleek, dat bij het onderzoek van deze melk niet met 1 N en
2 N zwavelzuur bij de voorbehandeling kon worden volstaan, aan-
gezien bijna alle voedingsbodems alsdan verontreinigd werden.
Om deze redenen werd een aantal monsters slijtersmclk onderzocht,
waarbij behalve van 1 N en 2 N ook van 4 N zwavelzuur gebruik
werd gemaakt. De volgende techniek werd hierbij gevolgd.

Ongeveer 200 cm3 melk werd gecentrifugeerd, waarna het sedi-
ment en een gedeelte der room werd verzameld en vermengd met
enkele cm3 physiologische keukenzoutoplossing. Van de verkregen
suspensie werd \\ deel bij een cavia intramusculair in de rechter dij
ingespoten, terwijl de rest met behulp van een steriele pipet gelijke-
lijk over 3 fleschjes werd verdeeld, waarin vooraf respectievelijk
10 cm3 i N, 2 N en 4 N zwavelzuur was gebracht. Na een half uur

-ocr page 1124-

schudden werd de inhoud der fleschjes gedurende 5 minuten ge-
centrifugeerd, waarna het sediment over 2 voedingsbodems van
Petragnani werd uitgestreken. Bovendien werden van het on-
behandelde sediment 2 uitstrijkpreparaten, na kleuring volgens
Ziehl-Nielsen, microscopisch nagezien.

Op deze wijze werden 11 monsters onderzocht.

Het directe microscopisch onderzoek van het sediment verliep
bij alle negatief. Een cavia stierf 20 dagen na de enting en vertoonde
een groot abces op de entplaats, waarin vele streptococcen, echter
geen tuberkelbacillen werden aangetoond. Bij de sectie werden
geen tuberculeuze veranderingen gevonden, evenmin konden in
uitstrijkpreparaten der regionaire liesklier, noch in de lever, noch
in de milt, tuberkelbacillen worden aangetoond. De overige caviae
werden 6—8 weken na de enting afgemaakt. Ook bij deze dieren
verliep het onderzoek op de aanwezigheid van tuberculeuze ver-
anderingen geheel negatief. Op geen der geënte voedingsbodems
werden tuberkelbacillen gevonden. Wel was een groot aantal n.1.
51 van de 66 verontreinigd. In 3 gevallen waren alle voedings-
bodems in meerdere of mindere mate door de begeleidende micro-
organismen overgroeid, waarvan vele bij de kleuring volgens
Ziehl-
Nielsen
zuurvast bleken te zijn. Slechts in één buisje werd, na
voorbehandeling van het betreffende melksediment met 2 N zwavel-
zuur, schimmelgroei opgemerkt. Wanneer men nagaat, dat de
handelsmelk vaak zeer sterk bacterieel verontreinigd is, behoeft
dit resultaat ons niet erg te bevreemden. Bij vroegere onderzoekin-
gen werden meermalen millioenen bacteriën per cm3 melk aange-
toond. Na een verblijf van 6 weken in de broedstoof waren slechts
15 voedingsbodems steriel gebleven. De verdeeling hiervan over de
verschillende monsters en zwavelzuur-oplossingen is in onderstaand
staatje weergegeven

Monsternummer...............

I

2

3

4

5

6

7

8

9

10

II

i N. zwavelzuur ..............

0

0

0

i

0

0

0

0

0

0

0

2 N. ................

i

0

0

i

0

0

0

0

0

0

0

4 N.

2

2

0

2

2

i

i

0

i

I

0

Het spreekt vanzelf, dat op grond van het onderzoek van een
aantal melkmonsters, waarin blijkens het cavia-experiment geen
tuberkelbacillen aanwezig waren, geen oordeel over de waarde der
cultureele methode voor de practijk kan worden uitgesproken.
Hiervoor is het noodig een groot aantal monsters te onderzoeken,
waarbij ook steeds ter controle een caviaproef zal moeten worden
ingesteld. Men kan bij een dergelijk onderzoek nog verschillende
wijzigingen in de techniek probeeren.

Gezien de resultaten bij het onderzoek van mastitismelk, waarbij
ook na inwerking van 1 N zwavelzuur gedurende 24 uur nog goede

-ocr page 1125-

groei van tuberkelbacillen werd opgemerkt, zou men b.v. de in-
werkingsduur van het zwavelzuur kunnen verlengen. Zelfs is mij
bij latere onderzoekingen enkele malen gebleken, dat na inwerking
van i N zwavelzuur gedurende 5 a 24 uur nog groei van tuberkel-
bacillen optrad. Al moge het dan ook niet gelukken de tuberkel-
bacillen in alle gevallen, waarin deze in melk voorkomen, aan te
toonen, elke positieve bevinding moet als een belangrijke aanwinst
in de opsporingsmogelijkheid der tuberkelbacillen worden be-
schouwd.

Voorloopig is men bij het onderzoek der melk op tuberkelbacillen
op de caviaproef aangewezen. Daarnaast kan echter de cultureele
methode worden toegepast. Indien op deze wijze in een monster
slijtersmelk tuberkelbacillen worden gevonden, kan op de boer-
derijen waarvan deze melk afkomstig is, van elke koe apart een
monster worden genomen. Deze monsterneming kan na reiniging
der tepels en wegmeiken der eerste stralen, in steriele fleschjes
geschieden. Naast het microscopisch onderzoek van het sediment
kan juist bij deze monsters een cultureel onderzoek met veel kans
op succes worden ingesteld.

Onderzoek van runder sputum.

Een onderzoek werd ingesteld naar de waarde der cultureele
methode voor het aantoonen van tuberkelbacillen in rundersputum.
Allereerst werden sputa onderzocht, waarbij in uitstrijkpreparaten
tuberkelbacillen konden worden gevonden. Het bleek reeds spoedig,
wegens de bijna regelmatig optredende verontreiniging, dat de
voedingsbodems van Lubenau en van Besredka voor dit onderzoek
niet geschikt zijn.
Daarom werd na enkele proeven uitsluitend van
den voedingsbodem van
Petragnani gebruik gemaakt, waarbij
dit nadeel in belangrijk mindere mate ondervonden werd. I)e toe-
gepaste techniek was zeer eenvoudig. Het sputum werd zoo fijn
mogelijk verdeeld, vervolgens in fleschjes met 10 cm3 zwavelzuur-
oplossing gebracht en gedurende I uur geschud. Dit mengsel werd
nu in een centrifugebuis overgegoten en gedurende 5 min. gecen-
trifugeerd, waarna het zuur werd afgeschonken en het sediment op
2 a 3 voedingsbodems van
Petragnani werd uitgestreken. Indien
de „sputum-brokjes" in veel vloeistof waren gesuspendeerd, werd
het sputum eerst gecentrifugeerd en vervolgens de beschreven
methode toegepast. Om de kans van verontreiniging der voedings-
bodems zooveel mogelijk te ontgaan, verdient het ten zeerste aan-
beveling bij het onderzoek uitsluitend de vlokjes uit het sputum te
gebruiken, waardoor grove gras- en andere voedseldeeltjes niet
mede op de voedingsbodems behoeven te worden gebracht.

Met 10 microscopisch positieve sputa werd een cultureel onder-
zoek ingesteld, waarbij als voorbehandelingsmiddel zoowel 1 N als
2 N zwavelzuur werd gebruikt. Het gelukte in 9 der 10 onderzochte

-ocr page 1126-

monsters een cultuur van tuberkelbacillen te verkrijgen. In uit-
strijkpreparaten der voedingsbodems
kon na 4—13 dagen gemiddeld
7 dagen groei worden waargenomen, terwijl macroscopisch zichtbare
koloniën
na 24—48, gemiddeld 32 dagen optraden. In het sputum,
waarbij het cultureel onderzoek negatief verliep, waren in uitstrijk-
preparaten slechts enkele tuberkelbacillen aanwezig, zoodat de
mogelijkheid niet is uitgesloten, dat in het voor het verdere onder-
zoek gebruikte sputum geen tuberkelbacillen meer aanwezig waren
In 2 gevallen kon een duidelijk verschil in groeirijkdom worden
opgemerkt, na inwerking op het materiaal van 1 N en 2 N zwavel-
zuur, ten gunste van de zwakkere zuuroplossing.

Vervolgens werden 32 sputa onderzocht, waarbij in uitstrijk-
preparaten geen tuberkelbacillen konden worden aangetoond. Ook
hierbij werd hetzelfde sputum, steeds met 1 N en 2 N zwavelzuur
voorbehandeld. In 17 gevallen werd ter controle naast de cultureele
methode ook een caviaproef ingesteld. In den regel was slechts
weinig sputum beschikbaar, zoodat na elke voorbehandeling niet
meer dan 2
Petragnani voedingsbodems konden worden geënt.
Van de 64 voedingsbodems, welke met 1 N zwavelzuur voorbehan-
deld sputum waren geënt, bleken 42, van de overige, waarop met
2 N zwavelzuur behandeld materiaal was uitgestreken, 27 te zijn
verontreinigd. Van 12 sputa waren alle geënte voedingsbodems door
de begeleidende micro-organismen overgroeid. Er dient hier wel
een onderscheid te worden gemaakt tusschen de sputa, welke enkele
uren na het opvangen werden onderzocht en die, waarvan het onder-
zoek één of meer dagen hierna plaats had. Van de laatste sputa was
een aanmerkelijk grooter aantal voedingsbodems verontreinigd
dan van de versche sputa. Bovendien is het van groot voordeel,
indien mogelijk, alleen de vlokjes uit het sputum te onderzoeken.
Van de laatste 4 onderzochte sputa, waarbij uitsluitend de vlokjes
werden onderzocht, was na voorbehandeling met t N zwavelzuur
slechts i voedingsbodem verontreinigd, terwijl de overige voedings-
bodems steriel waren gebleven.

Uit de 15 sputa, waarbij geen caviaproef werd ingesteld, konden
2
maal tuberkelbacillen worden gekweekt. Microscopisch was de
groei na 8 en 12
dagen vast te stellen, terwijl kolonies na 32 en 40
dagen werden gezien.

Het resultaat van het onderzoek der overige 17 sputa, waarvan
ook caviae waren geënt, was als volgt.

Van de geïnfecteerde proefdieren stierven er 5 na verloop van
3—10 dagen. Bij de sectie werd als regel een ontsteking op de ent-
plaats waargenomen. Geen enkele maal konden hierin, noch in de
regionaire lymphklieren, tuberkelbacillen worden aangetoond;
evenmin werden tuberculeuze veranderingen gevonden. De overige
12 caviae werden na ± 6 weken afgemaakt. Hiervan waren 6 tuber-
culeus, terwijl het onderzoek op tuberculose bij de andere 6 negatief

-ocr page 1127-

verliep. Langs cultureelen weg werden in 4 sputa tuberkelbacillen
aangetoond en wel
microscopisch na 4—14 dagen, macroscopisch na
30—48
dagen. In 3 van de 4 cultureel-positieve sputa waren ook bij
de, hiermede geënte, caviae tuberculeuze veranderingen gevonden
De cavia echter, die met het 4de sputum was ingespoten, vertoonde
bij de sectie geen spoor van tuberculose. Of in dit geval de cultu
reele methode gevoeliger was dan de caviaproef, valt niet met zeker-
heid te zeggen. De mogelijkheid is n.1. niet uitgesloten, dat de tuber-
kelbacillen in het sputum
ongelijkmatig waren verdeeld, zoodat bij
de cavia tuberkelbacillen-vrij sputum werd ingespoten. Eenmaal
werd bij het onderzoek van een uitstrijkpreparaat van sputum een
groepje van ± 8 tuberkelbacillen, ingesloten in een leukocyt, ge
vonden, terwijl bij nauwkeurig doorzien van het geheele preparaat
geen enkele tuberkelbacil meer kon worden aangetoond. Dit voor-
beeld moet wel tot voorzichtigheid aanmanen, bij de beoordeeling,
welke methode de gevoeligste is.

In 3 gevallen was dus de caviaproef positief, terwijl de cultuur-
proef negatief verliep. In 2 hiervan waren alle geënte voedings-
bodems verontreinigd, in het 3de geval geen enkele. Of in dit laatste
geval ook een ongelijkmatige verdeeling der tuberkelbacillen in het
sputum bestond, waardoor deze alle bij de cavia waren ingespoten,
moet in het midden worden gelaten. Alleen door het onderzoek
van een groot aantal sputa, kan op de vraag, of de caviaproef ge-
voeliger is dan de cultureele methode, een antwoord worden ge-
geven. Voorloopig is mijn indruk, dat de caviaproef gevoeliger is,
aangezien vele sputa zeer sterk verontreinigd zijn en deze veront-
reiniging door de zuurinwerking niet steeds wordt opgeheven.
Blijkens het vrij groote aantal intercurrente sterfgevallen bij de
proefdieren, wordt echter voor deze monsters ook de waarde der
dierproef verminderd.

Door deze onderzoekingen is aangetoond, dat met behulp van de
cultureele methode in rundersputum tuberkelbacillen kunnen worden
aangetoond in gevallen, waar het bacterioscopisch onderzoek negatief is.
Bij onderzoekingen van sputa op uitgebreide schaal, waarbij niet
steeds de gelegenheid voor het instellen van de caviaproef bestaat,
verdient deze methode zeer zeker warme aanbeveling. Doch ook
naast het proefdier-experiment, kan wegens de kans op inter-
currente sterfte der proefdieren, de cultuurproef worden uitgevoerd.
Bij het cultureele sputumonderzoek zal als regel 2 N zwavelzuur als
voorbehandelingsmiddel moeten worden gebruikt.
Indien voldoende
onderzoekingsmateriaal aanwezig is, verdient het aanbeveling
daarnaast ook 1 N zwavelzuur te gebruiken.

Tenslotte werd eenmaal uterussecretum van het rund onderzocht.
Het microscopisch onderzoek hierbij was negatief. De cultuurproef
werd ingesteld, na voorbehandeling met 1 N en 2 N zwavelzuur,
met de voedingsbodems van
Lubenau, Besredka en Petragnaxi.

-ocr page 1128-

Alle Lubenau- en BESREDKAbodems waren na enkele dagen ver-
ontreinigd, terwijl op dc PETRAGNAXibodems die met i
N zwavel-
zuur voorbehandeld secretum waren geënt, microscopisch na
4 en
macroscopisch na
30 dagen groei van tuberkelbacillen werd gezien.
Na voorbehandeling van het secretum met 2 N zwavelzuur, bleven
de geënte voedingsbodems steriel.

Zuurvaste pseud o-tubcrkelbacillen.

Zooals uit deze onderzoekingen blijkt, werd verontreiniging der
voedingsbodems het meest bij het onderzoek van handelsmelk en
sputum waargenomen. Onder de bacteriën, die hierbij het voedings-
medium overgroeiden, kwamen vaak zuurvaste pseudo-tuberkel-
bacillen voor. Zooals bekend, kunnen deze bacillen veelvuldig op
grassen, in aarde, mest, kranen der waterleiding, enz. worden aan-
getroffen. Hiermede is dan ook verklaarbaar, waarom deze bacillen
zoo vaak in onzindelijk gewonnen melk (faecespartikeltjes) en in
sputum (voedselbijmenging) voorkomen. De kolonies dezer pseudo-
tuberkelbacillen hebben een zeer varieerend voorkomen en kunnen
vaak macroscopisch niet van die der echte tuberkelbacillen worden
onderscheiden. Het is dan ook dikwijls onmogelijk om zonder mi-
croscopisch onderzoek dezer koloniën, te besluiten tot de aanwezig-
heid van tuberkelbacillen. Zelfs bij microscopisch onderzoek is het
vaak moeilijk beide bacillengroepen van elkander te onderscheiden.
Meestal zijn de pseudo-tuberkeibacillen plomper van vorm, doch
ook komen fijnere staafjes onder hen voor. Zooals bekend, kan het
overenten van de verdachte koloniën op agar als belangrijk onder-
scheidingsmiddel gelden. Hiervan kon ik mij meermalen overtuigen.
Indien de kolonie uit pseudo-tuberkelbacillen bestond, werd vaak
reeds na enkele dagen een flinke groei op de agar gezien. Ook werden
van verschillende koloniën uitstrijkpreparaten niet alleen gekleurd
volgens
Ziehl-Nielsen, doch tevens volgens Much en Weisz. Deze
beide laatste kleuringen bleken echter voor de onderscheiding niet
bruikbaar.

De tuberkelbacillen kunnen onderling zeer verschillen, zoowel
wat hun vorm als hun kleurbaarheid betreft. Zeer vaak worden na
kleuring volgens
Ziehl-Nielsen licht gebogen vormen waarge-
nomen, met aanwezigheid van donkere granula, vooral aan de polen.
Deze vorm werd geen enkele maal bij de zuurvaste pseudo-tuberkel-
bacillen gezien.
Bovendien worden bij aanwezigheid van deze sapro-
phytische zuurvaste bacillen, vaak reeds
enkele dagen na de enting,
koloniën op de voedingsbodems gezien, welke groote gelijkenis met
die der tuberkelbacillen kunnen vertoonen.
In gevallen van zoo
snellen groei kon in alle gevallen tot een groei van pseudo-tuberkel-
bacillen worden besloten.
Meermalen werd dit, behalve door over-
enting op agar, ook door inspuiting van deze verdachte koloniën
bij caviae bewezen.

-ocr page 1129-

Samenvatting der resultaten.

Voor het kweeken van tuberkelbacillen uit organen, melk en
sputum, verdient de voedingsbodem van
Petragnani den voorkeur
boven dien van
Lubenau en van Besredka, aangezien hiermede
een minimum aantal verontreinigingen optreedt en toch een goede
en snelle groei van tuberkelbacillen optreedt.

Bij vergelijking van den voedingsbodem van Lubenau met dien
van
Besredka werd geen verschil in groeisnelheid der tuberkel-
bacillen opgemerkt ; wel traden in de
besredka-vloeistof minder
verontreinigingen op.

Het onderzoek dient zoo spoedig mogelijk te worden ingesteld,
aangezien met oud en sterk verontreinigd materiaal de cultureele
methode geen zekere uitkomsten geeft. Bij sputumonderzoek
moeten de voedselpartikels zoo veel mogelijk worden verwijderd.

Bij het bacterioscopisch onderzoek van oud materiaal wordt een
geringer aantal tuberkelbacillen gevonden, dan wanneer dit in ver-
schen toestand wordt onderzocht.

Onder invloed van de inwerking van zwavelzuur wordt de
zuurvastheid der tuberkelbacillen verminderd.

Als voorbehandelingsmiddel van het onderzoekingsmateriaal
voldoet zwavelzuur beter dan kaliloog. Na gebruik van kaliloog
is de groei der tuberkelbacillen geringer, terwijl het aantal ver-
ontreinigde voedingsbodems grooter is.

De inwerking van i N zwavelzuur oefent geen nadeeligen invloed
uit op den groei der tuberkelbacillen. Zelfs werd enkele malen na
deze voorbehandeling een rijker groei op de voedingsbodems gezien
dan na enting van niet-voorbehandeld materiaal. Hoewel niet con-
stant, wordt na gebruik van sterkere zwavelzuuroplossingen vaak
een zwakkere groei waargenomen. De resistentie der verschillende
bovine tuberkelbacillenstammen tegenover zwavelzuurinwerking
is zeer ongelijk.

Bij gebruik van den voedingsbodem volgens Petragnani kan
met i—2 N zwavelzuur en een inwerkingsduur van 20—30 minuten
worden volstaan. Ook na inwerking van 1 N zwavelzuur gedurende
24 tot 5
x 24 uur gelukte het bovine tuberkelbacillen cultureel aan
te toonen.

Voor het vroegtijdig aantoonen der tuberkelbacillen is het on-
derzoek van uitstrijkpreparaten der voedingsbodems noodzakelijk.

Van 60 tuberculeuze organen, afkomstig van rund, paard, varken,
kip, cavia en ijsbeer, was het bacterioscopisch onderzoek 44 maal
positief ; in 53 gevallen werd een cultuur van tuberkelbacillen ver-
kregen. Microscopisch was de groei der bovine tuberkelbacillen
na 4—30, gemiddeld 16 dagen vast te stellen, terwijl koloniën na
30—65, gemiddeld 47 dagen werden gezien. De vogeltuberkel-
bacillen vertoonden veel snelleren groei ; microscopisch na 4 en
macroscopisch na 10—12 dagen.

-ocr page 1130-

Bij het onderzoek van 18 monsters melk, afkomstig van runderen,
die aan tuberculeuze mastitis lijdende waren, konden in 15 gevallen
de tuberkelbacillen cultureel worden aangetoond. Microscopisch
was de groei na 4—10, macroscopisch na 20—50 dagen waarneem-
baar. Van deze monsters werden 4 zoodanig met kiemarme zindelijk
gewonnen melk verdund, dat microscopisch geen tuberkelbacillen
konden worden gevonden. Het cultureele onderzoek was ook hierbij
positief.

Van 10 microscopisch positieve sputa, afkomstig van het rund,
werd in 9 gevallen een cultuur van tuberkelbacillen verkregen.
Microscopisch was deze groei na 4—13, gemiddeld 7 dagen, waar-
neembaar, macroscopisch na 24—28, gemiddeld 32 dagen.

Bij het onderzoek van 32 microscopisch negatieve sputa gaf de
cultureele methode 6 maal een positief resultaat ; en wel micros-
copisch na 4—14, macroscopisch na 30—48 dagen.

In 17 gevallen werd gelijktijdig een caviaproef ingesteld. Deze
was 6 maal positief. Het cultureele onderzoek van de 6 sputa, waar-
mede de caviaproef positief was, gaf in 3 gevallen een positief
resultaat. Eenmaal was het cultuuronderzoek positief en de cavia-
proef negatief.

Het gelukte ook uit uterussecretum, waarin bij microscopisch
onderzoek geen tuberkelbacillen werden gevonden, een tuberkel-
bacillencultuur te verkrijgen.

Bij het onderzoek van 52 monsters vleesch, afkomstig van tuber-
culeuze slachtdieren en 11 monsters handelsmelk, gelukte het noch
door middel van de caviaproef, noch met de cultureele methode
tuberkelbacillen aan te toonen.

EvenalsWenstein bij het kwee ken van humane tuberkel-
bacillen zeer verschillende kolonievormen kon waarnemen, werd
ook bij het bovine type een groote verscheidenheid in kleur, vorm
en consistentie der koloniën opgemerkt.

Men dient bij het cultiveeren van tuberkelbacillen, vooral uit
sputum en melk, bedacht te zijn op het voorkomen van saprophy-
tische zuurvaste bacillen.

Licht gebogen staafjes met donkere granula, vooral aan de
polen, werden, na kleuring volgens
Ziehl-Nielsen uitsluitend
bij de echte tuberkelbacillen waargenomen.

LITERATUUR.

Löwenstein, Ernst, Wien. Klin. Wochenschr., jg. 37, Nr. 10, blz. 231.

Löwenstein, Ernst, Wien. Klin. Wochenschr., jg. 38, Nr. 29, blz. 803.

Sumyoshi Yataro, Zeitschr. f. Tub , Bd. 39, H. 5, blz. 333.

Pesch u. Simchowitz, Miinch. Med. Wochenschr. 1925, Nr. 38, blz. 1592.

Suranyi und Putnoky, Centralbl. f. Bakt. Abt. i, Orig. Bd. 94, H. 7/8, blz. 401.

Hohn, Miinch. med. Wochenschr. 1926, Nr. 15, blz. 609 en Nr. 51, blz. 2162.

Hohn, Centr. bl. f. Bakt. Abt. I, Orig. Bd. 98, H. 7/8, blz. 460.

Hohn, Centr.bl. f. Bakt. Abt. I, Orig. Bd. 103, H. 6/8, blz. 342.

Schmidt, Centr.bl. f. Bakt. Abt. I, Orig. Bd. 101, H. 6/7, blz. 364.

-ocr page 1131-

Schräder, Centr.bl. f. Bakt. Abt. I, Orig. Bd. 102, H. 4/5, blz. 163.

Erica Hermann, Centr.bl. f. Bakt. Abt. I, Orig. Bd. 102, H. 4/5, blz. 169.

Engel, Deutsche Med. Wochenschr. 1927, Nr. 24, blz. 1001.

SiiTTERLiN, Münch. Med. Wochenschr. 1927, Nr. 28, blz. 1180.

Kurt Meyer, Centralbl. f. Bakt. Abt. I, Orig. Bd. 103, H. 6/8, blz. 345.

Sonnenschein, Münch. Med. W\'ochenschr. 1927, Ni. 36, blz. 1540.

Seelemann u. Klingmuller, Centralbl. f. Bakt. Abt. 1, Orig. Bd. 104, H. 7/8,
blz. 482.

Petragnani, Boll, dell\' istit. sieroterop. Milanese Vol. 5, 1926, H. 3. (Ref.
Zentr. bl. f. d. ges. Tuberkuloseforsch. Bd. 26, 1927, blz. 703).

Blechman, Comptes rendus de la Soc. de Biologie\'Vol. 96, 1927, Nr, 13, blz. 1033.

Stefania Lichtenstein, Zentralbl. f. Bakt. Abt. I, Orig. Bd. 108, H. 5/6, blz. 239.

Matthies, Klin. Wochenschr. 1928, blz. 351.

Huck u. Walther, Zeitschr. f. Inf. Krankh. d. Haust, Bd. 33, H. i—3, blz. 77.

Bertrand, Annales de médecine vétérinaire, Aug. Sept., 1928.

Korthof, Verslagen en Mededeelingen betr. de Volksgezondheid, 1928, Nr. 10.

ZUSAMMENFASSUNG.

Für die Züchtung der Tuberkelbazillen aus Organen, Milch und Sputum, ist
der Nährboden nach
Petragnani dem nach Lubenau und Besredka vorzu-
ziehen, weil die Zahl der hiermit vorkommenden Verunreinigungen minimal
ist und die Tuberkelbazillen sich doch gut und schnell entwickeln.

Wenn man Lubenau\'s Nährboden mit dem nach Besredka\' vergleicht, beobach-
tet man keinen Unterschied in der F.ntwicklungsschnellheit der Tuberkelbazillen ;
in der
Besredka\'s Flüssigkeit kommen aber weniger Verunreinigungen vor:

Die bakteriologische Untersuchung soll möglichst bald vorgenommen werden
da mit altem, stark verunreinigtem Material die kulturelle Methode keine sichere
Resultate gibt. Bei der Untersuchung des Sputums sind alle Futterpartikelchen
so viel wie möglich zu entfernen.

Bei der bakterioskopisclien Untersuchung lassen sich bei altem Material weniger
Tuberkelbazillen nachweisen, als bei frischem Material.

Unter Einwirkung von Schwefelsäure nimmt die Säurefestheit der Tuberkel-
bazillen ab.

Als Vorbehandlungsmittel des Untersuchungsmaterials gibt Schwefelsäure
bessere Resultate als Kalilauge. Nach Anwendung von Kalilauge entwicklen die
Tuberkelbazillen sich langsamer, während die Zahl der verunreinigten Nähr-
boden grösser ist.

I N Schwefelsäure wirkt nicht schädigend auf das Wachstum der Tuberkelbazillen.
Sogar wurde einige Malen nach dieser Vorbehandlung ein üppiger Wachstum auf
den Nährböden beobachtet. Obwohl nicht immer, wird oft nach Anwendung der
Schwefelsäure in stärkeren Konzentrationen ein geringeres Wachstum beobachtet.

Die Resistenz der verschiedenen bovinen Tuberkelbazillenstämme der Einwir-
kung der Schwefelsäure gegenüber ist sehr verschieden.

Bei Anwendung des Nährbodens nach Petragnani sind I N Schwefelsäure
und eine Einwirkungsdauer von 20—30 Minuten genügend. Auch nach Einwir-
kung von I N Schwefelsäure während 24 bis 5 x 24 Stunden gelang es bovine
Tuberkelbazillen kulturell nach zu weisen.

Zur frühzeitigen Nachweisung der Tuberkelbazillen ist die Untersuchung von
Ausstrichpräparaten der Nährböden erforderlich.

Unter 60 tuberkolösen Organen von Rindern, Pferden, Schweinen, Hühnern,
Meerschweinchen und Eisbären war die bakterioskopische Untersuchung 44 mal
positif ; in 53 Fällen wurde eine Kultur von Tuberkelbazillen erzieht. Mikrosko-
pisch war das Wachstum der bovinen Tuberkelbazillen nach 4—30, durchschnitt-
lich 16 Tagen nachweisbar, während Kolonien nach 30—65, durchschnittlich
47 Tagen beobachtet wurden. Die Vogeltuberkelbazillen zeigen eine viel raschere
Entwicklung, mikroskopisch nach 4, und makroskopisch nach 10—12 Tagen.

-ocr page 1132-

— i103 —

Bei der Untersuchung von 18 Milchproben von mit tuberkulöser Mastitis be-
hafteten Kühen, konnten in 15 Fällen die Tuberkelbazillen kulturell nachgewiesen
werden. Mikroskopisch trat die Kultur nach 4—10, makroskopisch nach 20—50
Tagen hervor. 4 diesen Proben wurde soviel keimarme, reingewonnene Milch bei-
gemischt, dass beim mikroskopischen Untersuch keine Tuberkelbazillen vorge-
funden wurden. Die kulturelle Methode ergab auch hierbei ein positives Resultat.

Von 10 mikroskopisch positiven Sputa von Rindern wurde in 9 Fällen eine
Tuberkelbazillenkultur erzielt. Mikroskopisch zeigte sich dieses Wachstum nach
4—13, durchschnittlich 7 Tagen, makroskopisch nach 24—48, durchschnittlich
32 Tagen.

Bei der Untersuchung von 32 mikroskopischnegativen Sputa ergab die kul-
turelle Methode 6 mal ein positives Resultat ; mikroskopisch nach 4—14, makros-
kopisch nach 30— 48 Tagen.

In 17 Fällen wurde gleichzeitig ein Meerschweinchen versuch angestellt. Dieser
war 6 mal positiv. Die kulturelle Untersuchung der 6 Sputa, womit der Meer-
schweinchenversuch positiv ausfiel, ergab in 3 Fällen ein positives Resultat. Ein-
mal war die kulturelle Untersuchung positiv und die Meerschweinchenprobe
negativ.

Auch wurde von Verfasser aus Uterussekret worin mikroskopisch keine Tuber-
kelbazillen nachweisbar waren, eine Tuberkelbazillenkultur erziehlt.

Bei der Untersuchung von 52 Fleischproben von tuberkulösen Schlachttieren
und 11 Handelsmilchproben gelang es Verfasser weder durch die Meerschweinchen-
probe, noch durch die Kulturmethode Tuberkelbazillen nachzuweisen.

Ebenso wie LöwEnestein bei der Züchtung der humanen Tuberkelbazillen sehr
verschiedene Kolonienformen beobachtete, wurde von Verfasser auch bei dem
Typus bovinus eine grosze Variabilität in der Farbe, Form und Konsistenz der
Kolonien beobachtet.

Bei der Züchtung der Tuberkelbazillen, besonders aus Sputum und Milch,
muss man darauf Bedacht nehmen, dass saprophytische, säurefeste Bazillen
vorhanden sein können.

Leicht gebogene Stäbchen mit dunklen Granula, besonders an die Polen,
wurden nach der
ziehl-nielsen\'sche Färburg, ausschlieszlich bei dem echten
Tuberkelbazillen beobachtet.

SUMMARY.

For the cultivation of tubercle bacilli from organs, milk and sputum the medium
of
Petragnani is preferable to that of Lubenau and of Besredka, because by
this method a minimum number of impurities occurs and yet the growth of tubercle
bacilli is normal and fast.

In comparing the medium of Lubenau with that of Besredka no difference
in the rapidity of the growth of tubercle bacilli was observed ; however, in
Bes-
redka\'s
liquid fewer impurities were met with.

Examination has to take place as soon as possible, because with old and strongly
polluted material the cultural method fails to give reliable results. In case of
examination of sputum the foodparticles should be removed as much as possible.

Old material, when examined bacterioscopically, appears to contain a smaller
number -of tubercle bacilli than material in a fresh state.

Under the influence of the action of sulphuric acid the tubercle bacilli become
less acid-fast.

For the preliminary treatment of the material which is to be examined, sul-
phuric acid gives more satisfaction than caustic potassium. When a solution of
caustic potassium is used, the growth of the tubercle bacilli is slower, while the
number of polluted media is greater.

The action of I N sulphuric acid has no harmful effect on the growth of tubercle
bacilli. A few times after this preliminary treatment even a more opulent growth
on the media was observed than after inoculation of not prepared material. Al-

-ocr page 1133-

though not always, often a slower growth is observed after the use of stronger
solutions of sulphuric acid.

The resistance of the several strains of bovine tubercle bacilli to the action of
sulphuric acid is very variable.

When the medium of Petragnani is used i — 2 N sulphuric acid and a period
of exposure of 20 to 30 minutes suffices. Also after the action of 1
N sulphuric
acid during 24 to 5 x 24 hours the author succeeded in demonstrating tubercle
bacilli culturally.

For the early demonstration of the tubercle bacilli the examination of smears
of the media is essential.

Bacterioscopical examination was made of 60 tuberculous organs from ox,
horse, pig, fowl, guinea-pig and polar bear, of which 44 yielded a positive result ;
in 53 cases a culture of tubercle bacilli was obtained. Microscopically the growth
of the bovine tubercle bacilli was discoverable after a period of 4—30 days, an
average period of 16 days, while colonies were observed after 30—65 days, 47
on the average. The avian tubercle bacilli show a much faster growth ; microsco-
pically after 4 and macroscopically after 10—12 days.

On cultural examination of 18 milksamples of cows suffering from tuberculous
mastitis, in 15 cases the tubercle bacilli were demonstrable. Microscopically the
growth becomes visible after 4—10, macroscopically after 20— 50 days, 4 of these
samples have been diluted with cleanly obtained milk, which contained only few
germs, to such an extent, that microscopically no tubercle bacilli could be found.
Cultural examination yielded also a positive result.

From 9 out. of 10 microscopically positive sputa from cows a culture of
tubercle bacilli was obtained. Microscopically this growth was discoverable
after 4—13, after 7 days on the average, macroscopically after 24—48, 32 days
on the average.

On examination of 32 microscopically negative sputa, the cultural method gave
6 times a positive result ; microscopically after 4—14, macroscopically after
30—48 days.

In 17 cases parallel tests with guinea-pigs were carried out. Positive results
were obtained in 6 cases. Cultural examination of the 6 sputa with which the
guinea-pig test was positive, yielded in three cases a positive result. Once the
cultural examination was positive and the guinea-pig test negative.

The author also succeeded in obtaining a culture of tubercle bacilli from secre-
tion of the uterus in which microscopically no tubercle bacilli had been found.

On examination of 52 samples of meat from tuberculous slaughter cattle and
11 commercial milk samples the author succeeded neither by means of the guinea-
pig test, nor by the cultural method in demonstrating tubercle bacilli.

Just as Lôwénstein observed very different types of colonies when cultivating
human tubercle bacilli, the author observed in the bovine type a great variety
in colour, shape consistence of the colonies

At the cultivation of tubercle bacilli, especially from sputum and milk, it must
be borne in mind that saprophistic acid-fast bacilli may be present.

After staining with Ziehl-Nielsen, slighty bended rods with deeply stainc 1
granula especially at the poles, were only observed with the tubercle-bacilli.

RÉSUMÉ.

Comme milieu de culture pour cultiver des bacilles tuberculeux d\'organes, de
lait et de sputum, celui de
Petragnani est préférable à celui de Lubenau et de
Besredka, étant propice au développement des bacilles tuberculeux et donnan t
un minimum de souillures.

En comparant le milieu nutritif de Lubenau avec celui de Besredka on n\'ob-
serve pas de différence dans la rapidité du développement des bacilles tuberculeux ;
pourtant dans le milieu liquide de
Besredka moins de souillures se rencontrent.

L\'examen direct est indispensable, parce que, avec du matériel âgé et fortement

-ocr page 1134-

contaminé, la méthode culturale donne des résultats douteux. En examinant du
sputum il faut éloigner les particules de nourriture autant que possible.

A l\'examen bactérioscopique de matériel âgé on trouve moins de bacilles tuber-
culeux qu\'à l\'examen de matériel à l\'état frais.

Sous l\'action d\'acide sulphurique l\'acido-résistance des bacilles tuberculeux
diminue.

Pour le traitement préparatoire du matériel à examiner on obtient avec l\'acide
sulphurique des résultats plus satisfaisants qu\'avec la potasse caustique. En
utilisant la potasse caustique le développement des bacilles tuberculeux est plus
lent, tandis que le nombre de milieux contaminés est plus grand.

L\'action de I N acide sulphurique n\'a pas d\'influence nocive sur le développe-
ment des bacilles tuberculeux. Quelquefois après ce traitement préparatoire on
a observé même un développement plus opulent. Quoique ce n\'est pas la règle,
on observe souvent un développement moins intensif après l\'usage de solutions
d\'acide sulphurique plus concentrées..

Il existe une grande variabilité dans la résistance des différentes souches de
bacilles tuberculeux du type bovin vis-à-vis l\'action de l\'acide sulphurique.

Quand on se sert du milieu nutritif de Petragnani et de i—2 N acide sulphurique
une durée de contact de 20—30 minutes suffit. L\'auteur a également réussi à
démontrer des bacilles tuberculeux par la méthode culturale en laissant agir le
I N acide sulphurique pendant 24 à 5 x 24 heures.

Pour démontrer les bacilles tuberculeux aussitôt que possible l\'examen de
frottis des milieux de cultures est nécessaire.

Sur 60 organes tuberculeux, provenant de boeufs, chevaux, cochons, poules,
cobayes et ours blancs, l\'examen bactérioscopique a donné 44 fois un résultat
positif ; dans 53 cas une culture de bacilles tuberculeux fut obtenue. Microscopi-
quement le développement des bacilles tuberculeux du type bovin était décevable
après 4—30 (moyenne 16) jours, tandis que des colonies s\'observaient après 30—65
(moyenne 47) jours. Les bacilles tuberculeux du type aviaire se développent plus
rapidement ; au microscope ils sont décevables après 4 et macroscopiquement
après 10—12 jours.

En examinant 18 échantillons de lait provenant de vaches affectées de mastite
tuberculeuse, l\'auteur a pu démontrer dans 15 cas des bacilles tuberculeux par
la méthode culturale. L\'investigation microscopique faissit découvrir le déve-
loppement après 4—10 jours, et l\'examen macroscopique après 20--50 jours. 4 de
ces échantillons furent dilués avec du lait (recueilli proprement et pauvre en ger-
mes) dans de telles proportions qu\'à l\'examen microscopique des bacilles tuber-
culeux n\'étaient pas décevables. La méthode culturale donna alors également
un résultat positif.

Sur 10 sputa (microscopiquement positifs), provenant de vaches, il a obtenu
dans
g cas une culture de bacilles tuberculeux. Au microscope ce dévelop-
pement s\'observait après 4—13 (moyenne 7) jours ; à l\'examen macroscopique
après 24—48 (moyenne 32) jours.

Sur 32 sputa, microscopiquement négatifs, la méthode culturale donna dans
6 cas un résultat positif ; microscopiquement après 4—14 jours, macroscopique-
ment après 30—48 jours.

Dans 17 cas l\'auteur a pratiqué en même temps l\'inoculation au cobaye. 6 fois
il a obtenu un résultat positif. L\'examen cultural des 6 sputa (ayant donné une
réaction positive à l\'inoculation au cobaye) donna dans trois cas un résultat positif.
Une fois l\'examen cultural était positif, tandis que l\'inoculation au cobaye est
resté négative.

L\'auteur a également réussi à obtenir une culture de bacilles tuberculeux de
la sécrétion utérine dans laquelle à l\'examen microscopique les bacilles tuber-
culeux ne furent pas rencontrés.

En examinant 52 échantillons de viande provenant d\'animaux de boucherie
tuberculeux et de 11 échantillons de lait commercial l\'auteur n\'a pu, ni par la

LV1 75

-ocr page 1135-

méthode culturale, ni par l\'inoculation au cobaye, démontrer des bacilles tuber-
culeux.

De même que Lowenstein a observé de très différentes formes de colonies en
cultivant des bacilles tuberculeux du type humain, l\'auteur a constaté une grande
variabilité dans la couleur, forme et consistance des colonies du bacille bovin.

En cultivant des bacilles tuberculeux, spécialement de sputum et de lait, il
faut songer à la possibilité de la présence de bacilles saprophytiques acido-résistants.

En colorant d\'après Ziehl-Nielsen on observe, exclusivement chez les
bacilles tuberculeux, des formes légèrement courbues et avec des granules pro-
fondément colorés.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Afdeeling Groningen—Drenthe.

In de 14 Sept. j.1. te Assen gehouden vergadering werd het programma der
Algemeene Vergadering behandeld en hier en daar aan kritiek onderworpen.

Plannen werden beraamd voor een waardige ontvangst van onze collega\'s te
Leer, die vele leden onzer afdeeling\'aan zich hebben verplicht tijdens een bezoek
aan de nieuwe veemarkt aldaar. De keuze zal worden gelaten tusschen het bij-
wonen der najaarsvergadering onzer afdeeling, met daaraan verbonden bezoek
aan de inrichting voor vernietiging van afgekeurd vleesch enz. te Bergum of
een tocht naar de Zuiderzeewerken.

Bij „Rondvraag" werd gewezen op gevallen van hardnekkige diarrhee bij
jong vee in verband met lekzucht, zoowel in slechte weilanden als op stal. Mede
werd een geval geno "rnd van longenjacht en het daarbij optreden van een zeer
uitgebreid onderhuidsch emphyseem bij een rund.

Na de vergadering vereenigden vele leden zich met hunne dames aan den
gemeenschappelijken disch in ,,de Hertenkamp" te Assen, waar als steeds, weer
een prettige geest heerschte.
 Kroes.

BLADVULLING.

Kensen-vet in de geneeskunde.

In de middeleeuwen werd mensenvet meermalen als geneesmiddel gebruikt.
De axungia hominis kwam zelfs in medicijnboeken voor. Tans wordt mensenvet
in sommige gevallen weer gebruikt ; in de chirurgiese kliniek te Würzburg als
inspuitingen om plooien en rimpels in de huid te doen verdwijnen. Men gebruikt
echter niet meer het vet van ter dood gebrachte personen, maar dat bij operatie
van vetgezwellen is verkregen of buikvet van gezonden. (Pharm. Post, Pharm.-
Weekbl. 1929, blz. 813).

Sterilisatiewetten.

Evenals in sommige staten van Noordamerika, is nu ook in Denemarken een
wet op de sterilisatie aangenomen. Meerderjarige personen (of in gestichten de
leider van het gesticht) kunnen, op grond van geneeskundige verklaring, met
toestemming van den Minister van Justitie, een onvruchtbaar makende operatie
aanvragen. (N. T. v. Geneesk. 1929, II, blz. 4424).
 Vrijburg.

-ocr page 1136-

BERICHTEN.

Nationaal Comité XI Internationaal Veeartsenijkundig Congres Londen 1930.

Het uitvoerend comité van het XI Internationaal. Veeartsenijkundig Congres
Londen 1930 heeft bereids de volgende Nederlandsche dierenartsen uitgenoodigd
als rapporteurs over de vóór hunne namen vermelde onderwerpen :

Section la. Variola in domestic animals.....Dr. Frenkel.

lie. Bovine Sterility (prophylaxis and treament) Prof. Dr. Wester.

Illb. Control of trypanosomiasis......Dr. Bubberman.

,, IVa. Fowlpox and coryza .... ... Prof. Dr. de Bi.ieck.

„ d. Treatment of parasitic diseases .... Dr. Baudet.

De volledige internationale lijst der rapporteurs zal worden gepubliceerd als
de verschillende Heeren, die zijn uitgenoodigd, hebben aangenomen.

Het bestuur van het Nationaal Comité maakt van deze gelegenheid gebruik
de Nederlandsche dierenartsen met den grootsten aandrang op te wekken tot
deelneming aan het congres. Het hoopt en verwacht, dat de collega\'s zich in
grooten getale zullen opmaken om van 4 tot 9 Augustus 1930 het Londensche
Congres te bezoeken. Ook hierdoor zal wederom kunnen worden getoond, dat in
Nederland de Veeartsenijkundige wetenschap op hoor: peil staat en de Neder-
landsche dierenartsen al het mogelijke in het werk s.ellen om op de hoogte te
blijven van de nieuwste inzichten op het gebied der diergeneeskunde.

Zooals reeds eerder werd gepubliceerd, bedragen de kosten \\ oor het lidmaat-
schap: voor gewone leden 1 pond sterling (f 12.—); voor studenten-leden
10 shillings (f6.—); dames, die loden vergezellen 5 shillings (f3.—). (De dames
hebben hiermede toegang tot de recepties en de speciale lezingen).

Voor een goeden gang van zaken vordient het aanbeveling zich voor het
lidmaatschap op te geven bij den ondergeteekende, die voor doorzending aan
den Secretaris-Generaal van het Congres zal zorg dragen.

Aangiften voor het lidmaatschap moeten vergezeld gaan van de hierboven
vermelde bedragen. Deze kunnen worden overgemaakt per postwissel, postchèque
of door storting op het giro-nummer van ondergeteekende No. 16363 kantoor
\'s-Gravenhage.

Zoodra hieromtrent de noodige inlichtingen zullen zijn verkregen, zullen in
dit tijdschrift mededeelingen omtrent Hotel-accomodatie, kosten van Hotels en
,,boarding-liouses" enz. worden vermeld.

Het ligt voorts in de bedoeling de reiskosten zooveel mogelijk te reduceeren
door het doen organiseren, door een of ander reis-bureau, van gezamenlijke
overtocht.

Mogen spoedig een groot aantal aanmeldingen voor deelneming aan het
congres binnenkomen.
 De Secretaris,

TEN SANDF,
Binnenhof 19. Tel. 16070. Den Haag-

VLEESCHHYGIËNE.

Het niet opvolgen van de wettelijke voorschriften nopens de ritueele slachting.

Blijkens een mededeeling in de „Vee- en Vleeschhandel" van 20 Sept. j.1. stond
een dezer dagen voor het Amsterdamsche Kantongerecht een loonslager terecht,
wien ten laste was gelegd het niet opvolgen van de wettelijke voorschriften be-
treffende de ritueele slachting.

Het volgende was gebeurd. De loonslager had een koe, bestemd voor ritueele
slachting, gekluisterd en neergelegd. Het touw, waarmede de kop van het dier
aan een daarvoor in den vloer der slachthal aanwezigen ring bevestigd was, was
te lang. Dat had tot gevolg, dat het dier den kop herhaalde malen tegen den grond
sloeg, waardoor een der hoorns zelfs afbrak. Ook nadat de snijder de halssnede
had toegebracht, bleef de koe met den kop tegen den grond slaan. In art. 10, sub
c.

-ocr page 1137-

van het Koninkl. Besluit van 5 Juni 1920, Stbl. 285 is omtrent de ritueeie slachting
bepaald, dat bij het neerleggen van het dier in het bijzonder moet worden zorg-
gedragen, dat beleediging van kop en horens wordt voorkomen en na de hals-
snede de kop zoolang moet worden vastgehouden tot blijvende bewegingloosheid
is ingetreden. De betrekken loonslager was deswege door een der keuringsveeartsen
van het abattoir geverbaliseerd.

Na het getuigenverhoor eischte de ambtenaar van het Openb. Ministerie schuldig
verklaring van den delinquent en diens veroordeeling tot een boete van ƒ 12.—•.
De kantonrechter veroordeelde tot een boete van ƒ 3.—, met de mededeeling,
dat hij ditmaal een lichte straf zou opleggen, omdat het de eerste maal was, dat
een dergelijke zaak berecht werd, doch dat bij hei haling zwaardere straffen zouden
volgen.

De destructie van afgekeurd vee en vleesch in N.-Brabant.

Het hoofdbestuur van den Noord-Brabantschen Christel. Boerenbond heeft een
commissie in het leven geroepen, welke tot taak heeft, na te gaan, of het wensche-
lijk is voor N.B.C..B. om, in verband met de voorschriften van de vleeschkeurings-
wet, zelf over te gaan tot stichting van een of meer destructoren ter verwerking
van het afgekeurde vee en vleesch tot diermeel en technisch vet.

Ook kwam in een vergadering van de afdeeling N.-Brabant van de Vereeniging
van Neder]. Gemeenten te den Bosch hetzelfde onderwerp ter sprake en werd,
namens de N.T.F., door de Heeren
Vigeveno, Mr. Kan en Dr. Prins, verschillende
inlichtingen verstrekt omtrent de werkwijze van de N. T. F.

Van verschillende zijden werd betoogd, dat liet vernietigen een boerenbelang
was en zelf door de belanghebbenden moest worden ter hand genomen, zoodat
besloten werd, alvorens een contract met de N
.T.F. af te sluiten, eerst de rapporten
van de commissie van onderzoek uit de N.C.B. en de Mij. van l.andb. in Zeeland
af te wachten.

Vleeschhygiëne in het buitenland.

a. Het nieuwe gemeentelijke abattoir te Buenos-Aires.

I11 de „D.T.W." van 24—8—1929 vond ik op pag. 542 het een en ander mede-
gedeeld over het pas nieuwgebouwde abattoir te Buenos-Aires, waaraan het vol-
gende is ontleend : Eerst zou de nieuwe inrichting gezamenlijk door rijk en ge-
meente worden bekostigd, later werd het toch voor rekening van de gemeente
gebouwd. Een bedrag van 12 millioen peso\'s werd er voor beschikbaar gesteld.
Binnen 14 mdn. is het gebouwencomplex gereed gekomen. De bouwkosten zelf
bedragen 8 millioen peso\'s, waarvoor een modelinrichting is verkregen. Het ter-
rein is groot 32.000 M2., sluit aan aan dat van het oude slachthuis. Alle handelingen
met slachtdieren en vleesch kunnen volgens de modernste uitvindingen verricht
worden.

Het eigenlijke slachthuis is 4 étages groot, geheel uit ijzer en beton vervaardigd
en is zoo groot gemaakt, dat binnen 8 uur een 4000 stuks rundvee, 6000 schapen
en 200 varkens geslacht kunnen worden.

De geheele 4de verdieping is bestemd voor het slachten van runderen ; door een
systeem van luchtsporen worden de dieren door de verschillende werklokalen
gevoerd. Hieronder heeft men b.v. een apart lokaal, waar de veterinaire keuring
wordt verricht ; een lokaal, waar uitsluitend de dieren met behulp van een elec-
trische zaag doormidden worden gezaagd, enz. De ingewanden worden door middel
van liften naar de 2de verdieping gebracht, welke verdieping uitsluitend hiervoor
bestemd is.

Op de 3de verdieping vindt men de slachtlokalen voor de schapen en varkens.
In de 2de en 3de verdieping zijn bovendien nog kleedlokalen, waschinrichtingen,
badgelegenheden en toiletten voor het personeel.

Op de iste verdieping bevinden zich lokalen voor het drogen van beenderen, de
bloedpersen, sectie lokalen voor de uitgevallen dieren, alsmede lokalen voor het
ontvetten, slijmen, zouten en verpakken der darmen. De handelsinrichtingen,
kantoren, enz. vindt men gelijkvloers, evenals bloeddrooginrichting, huidenzouterij.

-ocr page 1138-

Het het slachthuis is door middel van een brug een frigorifico verbonden ; daarin
vindt men 24 afzonderlijke koelruimten, machinenzaal, ijsfabriek en een ijsbe-
waarplaats. Dit is dus uitsluitend een groot koelhuis.

Behalve deze twee voornaamste gebouwen vindt men natuurlijk nog talrijke
andere gebouwen, als depótgebouwen voor de nevenproducten van de slachting,
ketelhuis, mechanische werkplaatsen, stallen, portiersgebouw met toebehooren,
ondergrondsche watertanks met een inhoud van 1 millioen liter en een tank voor
petroleum.

Zooals men uit deze korte schets kan opmaken, is het geheel grootsch opgezet
en kan men het wellicht als het modernste slachthuis der wereld beschouwen.

b. Blijkens de „Schlachthofzeitung" heeft men te Bochum een geheel nieuw
abattoir gebouwd, geschikt voor de slachting van een 17.000 varkens, 1000 run-
deren en 800 kalveren per week. Merkwaardig is de plaatsing van de gebouwen
ten opzichte van elkaar. Men heeft nl. alle bedrijfsgebouwen in volgorde achter
elkaar gezet. Dit is misschien van belang bij den bouw van abattoirs hier te lande,
waar men soms ook aan een bepaalde terreinvorm gebonden is.

c. Een nieuwe, hygiënische verpakking voor worsten.

Eveneens in de „Deutsche Schlachthofzeitung" vond ik de aandacht gevestigd
op een nieuw verpakkingsmiddel voor worsten en andere voedingsmiddelen,
nl. het
cellophan. Het eenige bezwaar is, dat de randen van de verpakking steeds
moeten worden dichtgeplakt, als men een werkelijk dichte verpakking wil aan-
brengen. De Firma „Gesellschaft. f. Sterilisation m. b. H."-—Berlin—Wilmersdorf,
Brandenburgische Str. 20, heeft nu in den handel gebracht onder de benaming
„glasklare Kunstschlauche Marke V" een kunstbuis, gemaakt van cellophan,
waarvan de randen reeds dichtgeplakt zijn. Men behoeft nu, 0111 een hermetische
verpakking te verkrijgen, de vleeschwaren gewoon in de buis te doen en dan de
beide einden om te draaien of af te binden. Men verkrijgt dan een luchtdichte
verpakking, welke zoodanig is, dat verzending naar de tropen zelfs mogelijk is.
De waterverdamping uit de vleeschwaren is tot een minimum beperkt, wat vooral
bij worsten van groot belang is.

d. De vloer van slachthuishallen.

In bovengenoemd tijdschrift werd ook nog iets medegedeeld over het Duromit-
Beton als uitstekend materiaal voor slachthuisvloercn. Zooals bekend, worden
aan de slachthuisv|oeren zeer bijzondere eischen gesteld. Behalve voldoende
hard moet het materiaal verder waterdicht zijn, stofviij, zich gemakkelijk en goed
laten reinigen, niet aangetast worden door loog of andere chemische stoffen ; ver-
der moet het oppervlak glad zijn, zonder oneffenheden, daarbij tevens uitglijden
voorkomen en een fijn gekorrelde structuur hebben.

Het Duromitbeton zou nu aan ai deze eigenschappen beantwoorden. Het wordt
o.a. aangetroffen in het slachthuis te Berlijn, over een oppervlakte van ruim
15.000 M2. en is sinds 3 jaar daar in gebruik. Verder is het aanwezig in den var-
kenslachthal van het abattoir te Hamburg en op het slachthuis te Leeds (Engeland).
Fabrikant is de Deutsche Duromit-Beton Gesellschaft—Berlin—Tempelhof.

Een nieuw slachthuis te Hillegom.

Op Vrijdagmiddag, 20 Sept. j.1. had, in tegenwoordigheid van vele genoodigden
en belangstellenden, de officieele opening plaats van een nieuw slachthuis te Hil-
legom. Het geheel is een keurige inrichting geworden (bouwkosten / 50.000.—■
zonder grond), bezit echter geen koelhuis. Kleinere gemeenten (Hillegom heeft
11.000 inwoners) kan bij eventueelc bouw van een slachthuis een bezoek aan
Hillegom worden aangeraden.

Jaarverslag over 1928 van den keuringsdienst van vee en vleesch te Delft.

Op 5 April 1928 besloot de raad tot bouwing van een openbaar slachthuis en
stelde toen, voor de voorbereidende werkzaamheden, een bedrag van / 15.000.—-
beschikbaar. Direct daarop richtte het bestuur van de Delftsche Slagerspatroons-
vereeniging, evenals het zulks reeds vroeger had gedaan, een verzoek aan den

-ocr page 1139-

Wethouder v. financiën om het nieuw te stichten abattoir in bouw en exploitatie
in eigen beheer te mogen nemen. De wethouder deelde hierop mede, dat de kwestie
betreffende exploitatie door de slagers of gemeentelijke exploitatie, later door den
raad zal worden beslist. Op 31 Dec. 1928 had de raad in dezen nog geen besluit
genomen.

Tuberculose werd waargenomen bij 37,7% der runderen, 0,8% der graskalveren,
0,3% der vetkalveren, 0,1% der nuchtere kalveren, 10,3% der varkens en 0,2%
der paarden.

Wat het bacteriologisch vleeschonderzoek betreft, dit werd verricht bij 39 run-
deren (23 maal in consumptie), 9 kalveren (2), 8 schapen (3), 21 paarden (15),
8 varkens (3) en 1 geit (1).

Uit het vleesch werden geïsoleerd : 13 maal staphylococcen, 3 maal strepto-
coccen, 10 maal colibacillen, 13 maal rottingsbacillen, 1 maal maligne oedeem-
bacil en
i maal bacillus enteritidis G&rtner.

De maligne oedeembacil is gegroeid uit het vleesch van een paard met een
phlegmoon aan een voorbeen ; de enteritisbacil uit het vleesch en milt van een vet
kalf, dat voor de slachting .een temp. van 40,5° C. en een buikslag had, en na de
slachting slechts een gezwollen milt vertoonde.

Cysticercosis : eenmaal een levensvatbaar exemplaar bij een rund in tong en
inwendige kauwspier ; afgestorven exemplaren bij 1 graskalf en 18 runderen.

Fxhinococcosis bij 60 runderen (1,6%) en 22 paarden (5,4%).

In 1928 had de gemeente Delft nog geen beslissing genomen betreffende al of
niet aansluiting bij de N. T. F.

Het verslag vermeldt verder alleen de ontvangsten van den dienst, niet de uit-
gaven.

Abattoirs.

De gemeenteraad van Meppel besloot tot stichting van een noodslachtplaats
met ontsmettingsinrichting en ambtswoningen.

De raad van Kerhrade besloot het crediet, indertijd toegestaan voor den bouw
van een slachthuis met ijsfabriek, groot / 292.500,— te verhoogen met een bedrag
van ƒ 70.000,— daar eenige veranderingen in het oorspronkelijke bouwplan wen-
schelijk bleken en nog 3 dienstwoningen moeten worden gebouwd.

B. en W. van Velsen stellen den raad voor een terrein, gelegen ten Z. van het
Noordzeekanaal en ten O. van den rijksweg Haarlem—Velsen, daar dit zeer ge-
schikt is voor de vestiging van een openbaar slachthuis, aan te koopen.

De raad van de gemeente Voorst besloot tot aansluiting bij den dienst van des-
tructie van afgekeurd vee en vleesch door de N.V. de N.T.F.

Te Almelo werd het, op 17 Juni 1926, door den raad voor de oprichting van een
openbaar slachthuis beschikbaar gesteld bedrag van / 360.000,— verhoogd met
een bedrag van / 31.800,—, noodig voor verschillende verbeteringen en wijzi-
gingen in het oorspronkelijke plan.
 de Graaf.

Onderscheiding.

De heer K. Hoefnagel, directeur van het abattoir te Utrecht, is benoemd
tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Wij wenschen collega Hoefnagel geluk met deze ondorscheiding.

Verdienstelijke Collega\'s.

In de Nieuwe Arnhemsche Courant van 21 Sept. komt een zeer waardeerend
redactioneel artikel voor (met portret) van den aftredenden directeur van het
stedelijk slachthuis Dr. v.
d. Slooten.

Terecht wordt er op gewezen dat de betrekking van slachthuisdirecteur niet
gemakkelijk is en hooge eischen stelt ; de betreffende moet niet alleen als mensch
en wetenschappelijk man hoog staan, maar moet tevens praktisch zijn en veel
tact hebben.

-ocr page 1140-

De relactie van het Algemeen Nederl. Landbouwblad wijdt in haar Sept. no.
(no. 802) een artikeltje (met portret) aan collega
Van Buuren te Zuidland,
die pas tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau werd benoemd. De verdiensten
van
Van Buuren op het gebied van paardenfokkerij en veeteelt worden naar
voren gebracht.

Bij de drukbezochte afscheidsreceptie van collega Hoefnagel te Utrecht,
dankte de Burgemeester hem voor alles wat hij in zijn langdurige loopbaan
als directeur van het abattoir voor de gemeente heeft gedaan. Hij overhandigde
hem, met een toepasselijk woord, het onderscheidingsteeken van de Orde van
Oranje-Nassau. Wethouder
Botterweg dankte den heer Hoefnagel voor zijn
aangename en gemoedelijke samenwerking. Namens de Vereeniging van Slagers-
patroans betuigde de heer
Van Bekkum zijn waardeering voor den aftredenden
directeur.

Dr. Qu »dekker is afgetreden als directeur van het Abattoir te Nijmegen,
welke betrekking hij ruim 30 jaren heeft vervuld. Hij werd bij het afscheid
nemen hartelijk toegesproken; het eerst door Dr.
van Santen, die hem opvolgt,
en die den pioniersarbeid en de eervolle loopbaan van
Quadekker in het licht
stelde. Prof. Dr.
de Blieck prees in hem de organisator en wetenschappelijke
werker. Verder voerden nog het woord Dr.
Picard, inspecteur van de Volks-
gezondheid en van den Veeartsenijkundigen Dienst, Wethouder
Ivrootjes namens
het Gemeentebestuur en de Abattoiropzichter
De Jong namens het personeel.

Onderscheiding Dr. Hauptner.

De Senior-Chef van de bij de Nederlandsche Dierenartsen welbekende instru-
mentenfabrieken van
Hauptner, Kommerzienrat Dr. Med. Vet. li. c. Rudolf
Hauptner,
is door het „Verband der Freibcrufstieriirzte Bayern" tot Eerelid
van dat „Verband" benoemd.

World\'s Poultry Congress.

Een commissie voor het Congres te Lond.-n in 1930 bezocht reeds vroeger
verschillende landen van Noord- en Midden-Europa.

Nu heeft een commissie, bestaande uit de herren Elford (Canada), Dr. te
Hennepe,
Voorzitter en Secretaris van de International Association of Poultry
Instructors and Investigators en
Percy Erancis, directeur van het Congres te
Londe:i, de landen van Zuid-Europa bezocht om propaganda te maken voor de
Internationale Vereeniging en Congres.

PERSONALIA.

Overleden; R Bosscher, rustend dierenarts te Veendam.

Overleden : W. S. Stüven te Amsterdam.

Overleden : te Zeist, F. B. Venema, rustend dierenarts.

Dr. J. Kok, Insp. Burg. Veearts. Dienst, ter beschikking gesteld van de
provincie West-Java.

Dr C. Kunst, Insp. B. V. D. geplaatst te Semarang.

P, Zijp, Insp. B. V. D., negen maanden verlof naar Europa met ingang van
i Juli 1930.

Dr. W. C. A. Doeve, gouv. veearts, geplaatst te Makassar, tijdelijk belast
met de functie van Inspecteur; A.
H. Tigelaar, geplaatst te Weltevreden;
V. C. E. van Bergen, geplaatst te Soerabaya; P. Teljer, acht maanden
verlof naar Europa met ingang van 3 Maart 1930; K.
Eijkman, tien maanden
verlof naar Europa met ingang van 2 Maart 1930 ; A. J. E.
de Voogd, verlof
naar Europa met ingang van 3 Mei 1930, in plaats van 2 Nov. 1929.

Tijdelijk adres van Dr. H. A. Vermeulen : P de Grëef te Maarn.

-ocr page 1141-

BIBLIOGRAFIE.

I\'arkensstamboek voor Gelderland en Overijsel. Veredeld duitsche landvarken.
Groot Yorkshire varken. Afl. 4. 1928. Velp, Electr. Drukkerij A. W. ter Hoeven,
[1929]. Gr. 8°. 62 blz.

Verslag van de veemarkt en het abattoir en den keuringsdienst van slacht-
dieren, vleesch en vleeschwaren te Amsterdam over het jaar 1928. [Door J. G.
A.
Reeser. Amsterdam, Stadsdrukkerij, 1929]. Gr. 8°. 36 blz.

Veeteelt-nummer. Bijvoegsel van het Algemeen Handelsblad ter gelegenheid
van het 50-jarig bestaan van het Friesche Rundvee-stamboek. Amsterdam, Alg.
Handelsblad, 1929. 2°. 20 blz. m. afb.

Bijvoegsel van 3 Sept. 1929. Ochtendblad, No. 33237.

Jaarboek van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel in Neder-
landsch-Indië, 1928. Weltevreden, Landsdrukkerij, 1929. Gr. 8°. XVIII 310 blz.

/ 4-—•

A. Bartolucci, L\'afta epizootica. 2a ed. Catania, F. Battiato, 1928. 16°. 35 p.

L. 2.50.

Monografie agrarie e zootecniche. No. 15.

N. Favilli, II muscolo diaframma nei ruminanti domestici. Contributo alla
anatoinia e fisiologia con una appendice destinata ai veterinari pratici. Pisa, tip.
Orsolini—Prosperi, 1928. 8°. 27 p.

Istituto sup. di medicina veterinaria. Gabinetto di anatomia e di istologia.

C. Viviani, L\'uovo di gallina. Processi di conservazione.e commercio. 2a ed.
Milano, U. Hoepli, 1928. 240. XIV 406 p. c. fig. L. 22.50.

Manuali Hoepli.

D. Warsamy, Examen du sang. Physiologie, technique et séméiologie. Paris,
Le François, 1928. 8°. 472 p. av. 44 fig. et 2 tab. en couleur. fr. 50.—-

L\'élevage et l\'alimentation du porc. Travaux du congrès de l\'élevage et de l\'ali-
mentation du porc, Paris, 26—27 Nov. 1928. Paris, publications de la Société
nationale d\'encouragement à l\'agriculture, 1929. 8°. 584 p. fr. 30.—.

R. L. Schmitt, Anatomie comparée du canal et du nerf dentaire inférieur chez
l\'homme et les animaux domestiques adultes. Paris, L. Arnette, 1929. 8°. 84 p.
av. 52 fig. fr. 10.—.

F. Leuenberger, Les abeilles : anatomie et physiologie. Trad. de l\'Allemand
par G.
Jaubert. Paris, Payot, 1929. 8°. Av. 104 ill. dont 87 photogr. orig. fr. 40.—.

Cart. ,, 50.—.

Bibliothèque scientifique.

Publications cliniques de ï\'Ecole des Hautes Etudes vétérinaires de Brno, Tsché-
coslovaquie. Tom. 6, fase. 51—60. Brno, Vysoka skola zverolekarska, 1928. 8°.
385 p. av. fig. et pl.

W. E. Newlon and M. W. Buster, Brooding and pullet management. Ber-
keley, Univ. of California Printing Office, 1929. 8°. 34 p.

Report of the Agricultural Experiment Station of the University of California
from
i July 1927—30 June 1928. Berkeley, Univ. of California Printing Office,
1929. 8°. II 4- 127 p. w. pi.

E. C. Faust, Human helminthology. Philadelphia, Lea and Febiger, 1929. 8°.
616 p. w. ill. and diagr.

C. E. Gibbons, Advantages of standards for livestock and meats. Washington,
Government Printing Office, 1929. 8°. 16 p.

U. S. Dept. of Agriculture. Misc. Publ. No. 33.

D. W. Irving, The Sable rabbit for exhibition and fur production. Bradford,
Watmoughs Lim., 1929. 8°. 48 p. w. ill. Sh. 2.2.

E. J. W:. Dietz, A to Z of pigeons. Sellersville, Item Pub. Co., 1929. 12°. 154
p. w. ill. S 1.50.

-ocr page 1142-

Th. W. Heitz, The cold storage of eggs and poultry. Washington, Government
Printing Office, 1929. 8°. 54 p. w. ill. and diagr.
U. S. Dept. of Agriculture. Circ. No. 73.

W. H. Black and V. V. Parr, Feed-lot and ranch equipment for beef cattle.
Washington, Government Printing Office, 1929. 8°. 22 p. w. ill. and diagr.
U. S. Department of Agriculture. Farmers\' Bull. No. 1584.
B..M.
Patten, Embryology of the chick. 3d ed. Philadelphia, Blakiston and
Son, 1929. 8°. 228 p. w. ill. 8 2.50.

D. K. Adams, Experimental studies of adaptive behavior in cats. Baltimore,
John Hopkins Press, 1929. 8°. 168 p. w. ill. and diagr.

Comparative psychological monographs. Vol. 6, No. 27.

U. S. Tariff Commission. Eggs and egg products. Washington, Government
Printing Office, 1929. 8°. 42 p.

Ellenberger, Baum und Dittrich, Handbuch der Anatomie der Tiere für
Künstler. Bd. 1. 4te Aufl. I.eipzig, Dieterich\'sche Verlagsbuchhandlung, 1929.

M. 28.

Bd. 1. Das Pferd.

A. Pütter, Die Sekretionsmechanismen der Niere. Berlin, W. de Gruyter &
Co., 1929. Gr. 8°. IV 235 S. m. 17 Fig. M. 16.—.

Geb. ,, 17.50.

J. Monheim, Untersuchungen über die Wirtschaftlichkeit der Milchviehhaltung
in 13 Grossbetrieben der Umgebung von Kothen während der Jahre 1924—1926.
Leipzig, M. Jänecke, 1929. 40. III 24 S., S. 241, 25—48, XVII S. M. 4.—.
Arbeiten des Institutes f. landwirtsch. Betriebslehre an der Universität Halle.

H. iS.

R. Riege, Ueber Trichinose und ihr Vorkommen in der deutschen Marine.
Berlin, E. S. Mittler & Sohn, 1929. Gr. 8°. 44 S. m. Fig. M. 3.—.

Veröffentlichungen aus dem Gebiete des Marine-Sanitätwesens. Ii. 19.
N.
Hansson, Fütterung der Haustiere. (Husdjurens Utfodring). Deutsch von

F. von Meissner. Ueberarb.....von G. Wiegner. 2te Aufl. Dresden, Th. Stein-

kopff, 1929. Gr. 8°. XV 274 S. m. 8 Abb. u. [eingedr.]. Tab. M. 10.-—.

Geb. ,, 12.—.

Die Ausführungsbestimmungen A zum Reichs-Fleischbeschau-Gesetz nach der
Verordnung des Reichsministers des Innern vom 10. Aug. 1922. Mit Erl. von R.
von Ostertag. 5te Aufl. Berlin. R. Schoetz, 1929. 8°. VIII 176 S. M. 6.—.

W. Bölsche, Tierseele und Menschenseele. 7te Aufl. Stuttgart, Franckh, [1929].
8°. 76 S. m. 7 Abb. im Text. M. 2.—.

Kosmos—Bändchen.

P. Gattinger, Die Altersbestimmung beim Rinde. Freising, F. P. Datterer
& Cie, 1929. 8°. 95 S. M. 4.50.

Ph. Stöhr jr., Beiträge zur mikroskopischen Anatomie des vegetativen Ner-
vensystems. Berlin u. s. w., Urban & Schwarzenberg, 1929. 40. IV 106 S. m.
61 Abb. M. 10.—.

Fortschritte der naturwissensch. Forschung. N. F. H. 9.

A. Grevenstuk, Ueber freien und gebundenen Zucker in Blut und Organen.
München, J. F Bergmann, 1929. M. 16.50.

Die Futterkonservierung. Hrsg. vom Verein zur Förderung der Futterkonser-
vierung E. V. in Berlin. H. 6. Berlin, P. Parev, 1929. 40. 66 S. m. 1 eingedr.
Kurve. M. 3.—.

E. Hauck, Die Beurteilung des Hundes. Berlin u. s. w., Urban & Schwarzen-
berg, 1929. 8°. VIII 295 S. m. 1 Abb. M. 15.—.

Geb. „ 16.80.

Spann, Der Tribut an die Dasselfliege. Weihenstephan, Tierzuchtinstitut der
Hochschule, 1929. 8°. 16
S. M. 0.30.

Flugschrift 2 der Bayer. Alm- und Weidewirtschaftstelle und des Oesterreich.-
Bayer. Alm Wirtschaft Vereins.

-ocr page 1143-

Jahrbuch für wissenschaftliche und praktische Tierzucht einsch. der Züchtungs-
biologie. Unter Mitw. von
Armbruster, von Falck, Gürtner u. A. hrsg. von der
Deutschen Gesellschaft f. Züchtungskunde. Red. J.
Schmidt und R. Lauprecht.
Jg. 21, Tl. 2. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. Gr. 8VIV 153 S.

Tl. 2. Kleintierzucht.

Desjacques, Contribution à l\'étude de la vaginite granuleuse contagieuse et
du catarrhe génital granuleux contagieux. Essai de vaccinothérapie. Thèse de
Paris.
1929.

Vincent, Des coliques néphrétiques chez les bovins. Thèse de Paris. 1929.

Hermsdorff, Acuarioses des animaux domestiques. Thèse de Paris. 1929.

Roux, Etude sur le rôle des municipalités dans la lutte contre la cherté de la
viande. Thèse de Paris.
1929.

Briandet, Les différents procédés de ventriculectomie (opération de Williams).
Thèse de Paris.
1929.

Lavot, Aptitude et conformation trotteuses. Mesure de l\'angle scapulohuméral.
Thèse de Paris.
1929.

Mondon, Essais de vaccinothérapie locale. Thèse de Lyon. 1929.

Sauvaitre, Contribution à l\'étude de l\'anesthésie générale par le somnifère
chez le chien et le chat. Thèse de Toulouse.
1929.

Campagne, Observations cliniques d\'un praticien. Thèse de Toulouse. 1929.

Lataste, Etude comparative des divers procédés d\'anesthésie régionale en
médecine vétérinaire. Thèse de Toulouse.
1929.

A. Eidherr, Zur Chemie der Eifollikelflüssigkeit. Inaug.-Diss. Wien. 1929.

W. Lechner, Die Zungenatmung der Hunde. Inaug.-Diss. Wien 1929.

J. Dirschlmayer, Hodenmissbildungen beim Schwein. Inaug.-Diss. Wien. 1929.

St. Kuhar, Blutgerinnungszeit nach der Biirkerschen Methode. Inaug.-Diss.
Wien.
1929.

F. A. Schallner, Blutzucker und Schilddrüsennnterfunktion. Inaug.-Diss.
Wien.
1929.

F. Kubessa, Veränderungen des Blutzuckers nach Kastration bei Hähnen.
Ir.ausr.-Diss. Wien.
1929.

J. Schmeiser, Einfluss der ultravioletten Strahlen auf das Blutbild bei Schwei-
nen. Inaug.-Diss. Wien.
1929.

O. Pali.a, Laparoskopie beim Hund. Inaug.-Diss. Wien. 1929.

R. Plaim, Messungen am Becken weiblicher Schweine verschiedener Rassen.
Inaug.-Diss. Wien.
1929.

F. Kerber, Einfluss der Reinigung der Kühe mit dem Staubsauger auf den
Bakteriengehalt der frischen Milch. Inaug.-Diss. Wien.
1929.

F. Mikolcic, Ein Beitrag zum Vorkommen von Paratyphusbakterien bei ge-
sunden Kälbern. Inaug.-Diss. Wien.
1929.

R. Karner, D:e p. , Icrische Verwendbarkeit der Quellungsmethode nach Fürth
und Lenk und die Bestimmung der Acidität im Muskel für die Erkennung des
Alters von Schweinefleisch. Inaug.-Diss. Wien.
1929.

F. Zurek, Diagnostische Züchtungsmethoden des Bangschen Abortusbakte-
riums. Inaug.-Diss. Wien.
1929.

L. Stern, Blutzucker und Wärmeregulierung. Inaug.-Diss. Wien. 1929.

A. Mayer, Sc\' :\'ddrüse und Kohlehydrattoleranz. Inaug.-Diss. Wien. 1929.

G. Adlgasser, 1 itrag zur Retentio secundinarum des Rindes. Inaug.-Diss\'
Wien.
1929.

J. Thon-hauser, Die Entwicklung des Glaskörpers. Inaug.-Diss. Wien. 1929.

H. Koli.ik, Blutbefunde bei den sogenannten Koliken des Pferdes. Inaug.-
Diss. Wien.
1929.

W. Kalckstein, Vorkommen von Salizylsäure im Harn von Pferden. Inaug.-
Diss. Wien.
1929.

J. Strassl, Experimentelle Untersuchungen über die Quellungsgleichheit

-ocr page 1144-

roter Blutkörperchen in Kochsalz- und Traubenzuckerlösungen. Inaug.-Diss.
Wien. 192g.

M. Kottek, Immunisierungsversuche mit Farbimpfstoffen nach Weichlein.
Inaug.-Diss. Wien. 1929.

K. Becker, Vorkommen von Salizylsäure im Harn. Inaug.-Diss. Wien. 1929.

R. Lankoff, Ueber Streptococcus lacticus (Kruse). Inaug.-Diss. Leipzig. 1928.
8°. 31 S. m. 1 Tab.

C. Dencker, Die Umzüchtung des schwarzweissen Niederungsrindes in der
Oldenburger Wesermarsch unter bes. Berücksichtigung variations-statistischer
und konstitutioneller Beurteilungsmethoden. Inaug.-Diss. Halle. 1928. 8°. VI
174
S.

K. Fiedler, Die Kaltblutzucht Englands. Inaug.-Diss. Leipzig. 1928. 8°. 74 S.

Th. Kosack, Untersuchungen über den landwirtschaftlichen Gebrauch von
Melkmaschinen. Inaug.-Diss. Halle. 1929. 8°. 64 S.

K. E. Oberdorfer, Die Milchversorgung von Württemberg und besondere
Berücksichtigung der Tätigkeit der Molkereigenossenschaften. Inaug.-Diss. Leip-
zig. 1928. 8°. VIII -f- 95 S. m. 4 Krtn.

A. Vogelsang, Studien in der Ebersbacher Stammzucht des deutschen Fleisch-
wollschafes. Inaug.-Diss. Leipzig. 1928. 8°. 142 S. m. 1 Taf. u. 12 Tab.

F. Kipfer, Ueber das Blutbild des Kaninchens nach Injektion von normalem
Pferdeserum. Fin Beitrag zur Diagnostik der progressiven perniziösen Anämie
des Pferdes nach
Opperman. Inaug.-Diss. Bern. 1928.

J. von Ar:;, Die Schilddrüse des Pferdes in verschiedenen Altersstadien. Inaug.-
Diss. Bern. 1928.

F. Buller, Untersuchungen in der Stammschäferei Golzow (Oderbruch). Inaug.-
Diss. Landwirtsch. Hochschule Berlin. 1928.

K. F. Zimmer, Ueberblick über die Blutreststickstoffbestimmung im Tierreich
ne\' st eigenen Untersuchungen an kranken Pferden. Inaug.-Diss. Leipzig. 1929.

J. Menneken, Das Diophtin in seiner Bedeutung als Tuberkulosediagnosti-
kum, verglichen mit Alttuberkulin und Piiymatinsalbe. Inaug.-Diss. Leipzig. 1929.

A. Haag, Die Gerinnungsdauer des Blutes bei gesunden und kranken Tieren.
Inaug.-Diss. Leipzig. 1929.

C. P. Helmrich, Die parenterale Äther-Therapie in der Veterinärmedizin.
Inaug.-Diss. Leipzig. 1929.

Abd El Magid Wahby, Ueber das Vorkommen der Tuberkelbazillen in Eiern
tuberkulöser Hühner. Inaug.-Diss. Leipzig. 1929.

H. J. Saaristo, Zur Behandlung der Strahlfäule mit „Vasenoloform". Inaug.-
Diss. Leipzig. 1929.

W. Keul, Vergleichende Blutdruckmessungen an gesunden und kranken Hun-
den zwischen der „palpatorischen" und der von
Allen angegebenen „modifizierten
auskultatorischen" Methode. Inaug.-Diss. Leipzig. 1929.

H. Wilken, Ueber die Wirkung der Granulatkohle und des Chinosols auf me-
tritiserregende Bakterien. Inaug.-Diss. Berlin. 1929

H. Brettner, Der Herzblock des Pferdes. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

A. Winzer, Untersuchung über die Zusammensetzung der Milch bei Brunst
und Piroplasmose der Weiderinder. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

W. Hahn, Die Zähne als Eingangspforte für Krankheitserreger. Inaug.-Diss.
Berlin. 1929.

H. Nieland, Ein Beitrag zur Diagnose des Frühstadiums der Eutertuberkulose.
Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

H. Meinert, Zur Pyotherapie. Ein Beitrag zur Behandlung eitriger Entzün-
dungszustände mit subkutaner Einverleibung eigenen frischen Eiters. Inaug.-
Diss. Berlin. 1929.

G. Harberg, Ueber die Wirkung des Ephetonins auf den isolierten Uterus des
Bindes. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

-ocr page 1145-

G. Seifert, Ueber die Wirkung des Tyramins auf den isolierten Uterus des
Rindes. Inaug.-Diss. Berlin. 1929.

A. Schneider, Untersuchungen über die wirtschaftliche Lage der Abmelkwirt-
schaften gegenüber den Zuchtbetrieben. Inaug.-Diss. Landw. Hochschule Berlin.
1929.

J. Motiejunas, Beitrag zur Mumifikation und Verkalkung (Versteinerung)
des Rindfötus. Inaug.-Diss. Bern. 1928. Du
Buy.

REFERATEN.

VERGELIJKENDE PATHOLOGIE.

Epikritisches zur infektiösen Anämie. Schermer, Berliner Tierärztl. Wochen-
schr. 1929, No. 30, blz. 509.

De infectieuze anaemie, die tijdens den oorlog een groote sterfte onder de paarden
heeft teweeggebracht, komt thans nog slechts sporadisch voor.

Het wezen der ziekte is nog niet tot klaarheid gebracht.

Voornamelijk aan do hand van eigen onderzoekingen, die reeds vroeger zijn
gepubliceerd, worden in dit artikel door
Schermer besproken de clinische ver-
schijnselen, het sectiebeeld, de histologische veranderingen en de diagnostiek,
in het bijzonder het bloedonderzoek.

Het „anaemiegif" beschadigt de erythrocyten en het beenmerg, tengevolge
waarvan nieuwe bloed vormende haarden optreden in lever en milt. De roode- en
witte bloedcellen worden niet meer gaaf afgeleverd. In de milt ontstaan voorname-
lijk lymphoïde cellen. Door de gewijzigde functie van de milt wordt deze benadeeld
in haar taak tot afbraak der bloedcellen.

De reticulo-endotheliën van andere organen, in het bijzonder de lever, treden
nu vicarieerend op, om het werk van de milt over te nemen.

Dezelfde pathogene werking als het ,,gif" van do pernicieuze anaemie bij men-
schen en de infectieuze anaemie der paarden op het bloed en de bloedvormende
organen uitoefent, wordt ook waargenomen tengevolge van parenterale afbraak
van soortvreemde eiwitten.

Het belangrijkste diagnostische hulpmiddel acht Sehr, het bloedonderzoek.
Het bloedbeeld vertoont een groote overeenkomst met dat van de pernicieuze
anaemie bij den mensch.

Of de pernicieuze anaemicn bij mensch en paard identiek zijn, kan nog niet
met zekerheid worden gezegd. (Van belang zijn in dit verband de mededeeiingen
over vermeende infecties van paard op mensch door
Lührs in Duitschland en
Peters in Nederland beschreven ; Ref.).

Ten behoeve van het bloedonderzoek wordt aanbevolen het gebruik van de
in de veterinaire practijk veel te weinig gebezigde venulen.

De belangrijkste afwijkingen in het bloed zijn : een verminderd aantal roode
bloedcellen, verhoogde kleurindex, normaal- of verminderd leucocvtengetal met
relatieve vermeerdering van het aantal lympliocyten, versnelling der bezinking
van de bloedlichaampjes en verhooging van het globulinegehalte in het serum.
Vaak is het aantal monocyten vermeerderd en treden myclocyten op, zelden
normoblasten.

Hoewel, zooals gezegd de ziekte thans slechts sporadisch wordt waargenomen,
acht sehr, het, zoolang wij nog omtrent verschillende vraagstukken met betrekking
tot het ontstaan der infectieuze anaemie in het duister tasten, gewenscht, de
geldende krachtige veterinaire-politiemaatregelen te handhaven.

Wertbestimmung des Tetanusheilserums mittels Ringpräcipitation. Hoen en
Tschertkow, Z. f. Hyg. u. Inf. Krankh., 1929, 110, 2, blz. 272).

Met de door hen uitgewerkte methode van antitoxinebepaling in diphtherie-

-ocr page 1146-

serum hebben Hoen en Tschertkow ook de „Auswertung" van tetanusantitoxi-
nen onderzocht. Bij samenbrengen van tetanustoxine met verschillende verdun-
ningen van de overeenstemmende antitoxinen ontstaat een specifieke praecipitatie,
welke met de ringreactie gemakkelijk is af te lezen.

De titerwaarde dezer praecipitinen van het serum zou parallel gaan met de
antitoxinewerking in vivo.

Op deze wijze zou de praecipitatiemethode misschien voor de orienteerende
waardebepaling van antitetanussera, de veel gecompliceerdere methode in vivo
kunnen vervangen.

Een geval van acuten malleus. J. W. Roeloffs, Nederl. Tijdschr. v. Geneesk.,
1929, No. 28, blz. 3272.

Beschrijving van een geval van acuten malleus bij een laboratoriumbediende
van het abattoir. De infectie heeft waarschijnlijk plaatsgevonden door een cultuur
die gekweekt was uit een wegens kwaden droes geslacht paard. De incubatietijd
bedroeg slechts enkele dagen ; de ziekte eindigde na 19 dagen met den dood.

Aanvankelijk verliep het lijden als een sepsis. Na 14 dagen ontstond een rhinitis
met haemorrhagische etter en zweren in het neusslijmvlies van het middenschot
en de conchae.

Ook het harde gehemelte vertoonde een dergelijk ulcus.

Het proces schreed zeer snel voort. Dit bleek vooral ook ten aanzien van de
huidaandoening, die aanvankelijk begon met zwelling en roodheid van een der
oogleden en een neusvleugel, waarna zich talrijke pustels ontwikkelden in het
gelaat, zich uitbreidend tot over den schouder.

Bij de obductie werden ook nog in de longen typische malleushaardjes gevonden,
met kenmerkende macroscopische en histologische bouw. Van de subcutis uit
was tenslotte verbreiding in de spieren opgetreden.

Uit het bloed, de inhoud der puisten en het slijmvlies werden malleusbacillen
gekweekt.

Patiënt vertoonde dus naast elkaar neus-, huid-, spier- en longmalleus.

Het artikel is verlucht met twee fraaie foto\'s.

Ueber den heutigen Stand unserer Kenntnisse von den Darm-Bakterien der Haus-
tiere.
W. Pfeiler, Tierarztl. Rundschau, 1929, No. 31, blz. 577.

Het is een zeer verdienstelijke arbeid van W. Pfeiler, af en toe een uitvoerig
literatuuroverzicht met betrekking tot een bepaald onderwerp te leveren, temeer
omdat — hetgeen niet van alle résumées gezegd kan worden — de stof degelijk
wordt verwerkt en in een helder, overzichtelijk geheel samengevat.

Uit den aard der zaak leent zich een dergelijke verhandeling niet voor het weer-
geven in referaat.

Wij mogen ermede volstaan slechts enkele punten naar voren te brengen uit
bovengenoemd artikel.

De flora van de digestietractus is o. m. afhankelijk van de anatomische- en
physiologische verhoudingen en den aard van het voedsel ; van groot belang is
dus of het dier is herbi-, carni- of omnivoor.

Bij herbivoren is het aantal bacteriesoorten geringer dan bij de andere. In de
vloeibare darminhoud is de hoeveelheid bacteriën grooter dan in den vasten.

In de maag, bij herkauwers in de lebmaag, neemt dit aantal in het algemeen
sterk af, zoodat het voorste gedeelte van den dunnen darm vrijwel steriel kan zijn.

Afgezien van de pens der herkauwers is de dikke darm en vooral het coecum
het rijkst aan microörganismen. In het rectum heeft weer afneming plaats. De
colisoort van een bepaald individu is niet afhankelijk van de wijze van voeding en
gewoonlijk constant.

Toch wordt de flora bij dieren — zulks in relatieve tegenstelling met den mensch
— min of meer sterk beïnvloed door den aard van het opgenomen voedsel (kool-
bladeren, aardappelen).

Het vraagstuk of de gezonde darm bacteriën laat passeeren, is niet opgelost.

-ocr page 1147-

Dit geldt ook voor de overgang van saprophyt- tot parasiet-van-den-darm (coli,
strepto- en stapliylococcen, proteus, e. a.), hoewel verschillende waarnemingen
ervoor pleiten, dat dit vaak een rol speelt bij het totstandkomen van de diarrheën
der jonge dieren (zelfinfectie).

De nuttige invloeden, die de darmbacteriën zouden uitoefenen, zijn terug te
voeren op de omzetting van anders waardelooze stoffen tot goed assimileerbare
(koolhydraten), het beletten van eiwitrotting door zuurvorming, de bevordering
van de peristaltiek en de remming van den groei der parasitaire microben.

Voor het specieele gedeelte zij verwezen naar het origineel.

Studien über den Mechanismus der Trichinelleninfektion. VI. Die Besiedelungs-
dichte der quergestreiften Muskeln und ihre Abhängigkeit von der Art der Ein-
schaltung der Trichinenembryonen in den Blutkreislauf.
R. Doerr en G. W.
S
chmidt, Centralbl. f. Bakt. u.s.w. Orig. Band 113, Heft 3/4, blz. 271.

In een vorige mededeeling werd er reeds op gewezen, dat injectie van rijpe,
vrouwelijke darmtrichinen in bepaalde vaten, aanleiding geeft tot ophooping van
spiertrichinen, terwijl de verdeeling over de verschillende spiergebieden afhankelijk
is van het gekozen bloedvat en van de richting, waarin de inspuiting plaats vond.

Injectie van rijpe, vrouwelijke darmtrichinen in de vena jugularis of de centrale
stomp van de onderbonden carotis communis gaf bij cavia\'s een spierinfectie,
die, wat de verdeeling betreft, zich juist zoo verhield als na voedering met trichi-
neus vleesch. De dichtheid was voor de masseters steeds veel grooter dan voor het
middenrif of de spieren der ledematen. De onderbinding van één carotis communis
veroorzaakte geen wijziging voor de spieren, die hierdoor werden gevoed.

Er moeten dus bij de verdeeling der spiertrichinen nog andere factoren, dan de
mechanische kracht van het stroomende bloed op de embryonen, in het spel zijn.
Behalve de algemeene spierinvasie volgt op de injectie der vrouwelijke darm-
trichinen in de periphere stomp van een groote arterie, een zeer groote ophooping
van trichinen in de direct door deze bloedvaten gevoede spieren, zooals die na
parenterale infectie op andere wijze, nooit wordt gezien. Dit pleit ervoor, dat de
in het bloed circuleerende embryonen, althans grootendeels, onmiddellijk uit de
vaten treden, zoodra zij in het stroomgebied van een dwarsgestreepte spier geraken.

Correlation of the Rapid and the Slow agglutination Tests for Bang\'s Abortion
Disease of Cattle.
C. C. Palmer en H. R. Baker, Journal of the Americ. Veterin.
Medic. Assoc. 1929, Vol. 28, No. i, blz. 86).

Het aantal serumonderzoekingen ten behoeve van de diagnostiek der Bang-
infecties bij het vee, is waarschijnlijk wel zoo groot als dat der tuberculinaties
voor tuberculose. Voor routine-onderzoek zijn het meest geschikt de methoden
met de meest eenvoudige techniek. Hieraan beantwoordt de ,,snelle\'\' macrosco-
pische agglutinatieproef, zooals die door
Huddleson en zijn medewerkers is aan-
geprezen en die slechts een eenvoudige apparatuur (geen broedstoof, geen buisjes)
eischt. Bovendien kan als voordeel dezer methode worden genoemd, dat hierbij
maar weinig serum en antigeen wordt gebruikt en dat de uitkomst reeds in 5
minuten is af te lezen.

Sehr, hebben nu met 609 bloedmonsters gelijktijdig de ,.langzame" methode
(in 6 buisjes) en de ,,snelle" verricht, gebruik makend van hetzelfde antigeen.
Met de langzame methode kregen zij 83 positieve reacties, met de andere 94.
Waarschijnlijkheidsrekening zou kunnen aantoonen, dat beide werkwijzen even
nauwkeurige resultaten opleveren ; de meest eenvoudige verdiene daarom de voor-
keur.

Wij missen clinische-, resp. epidemiologische opgaven omtrent de dieren, wier
sera voor dit onderzoek hebben gediend. Of de genoemde divergentie der resultaten
met de beide methoden, berust op grootere gevoeligheid van één dezer, dan wel
op onspecifieke uitkomsten is, tot schade van de beoordeeling, uit de mededeelingen
van P. en B. niet af te leiden.

-ocr page 1148-

Welchen Wert haben die serologischen Untersuehungsraethoden beim Abortus
infectiosus (Bang)
Hans Berenz, Inaugural-Dissertation, Leipzig, 1928.

Na al wat er ten aanzien van dit onderwerp reeds is onderzocht en gepubliceerd
(men leze de zeer uitgebreide behandeling der literatuur in dit proefschrift) kan
het onderzoek van
Berenz toch niet als overbodig worden beschouwd. Bij nega-
tieve uitkomst der agglutinatiereactie diene men nog de complementbindingsproef
te verrichten, of wel de agglutinatie na
4 weken te herhalen. Waar zulks mogelijk
is moet ook steeds naast het onderzoek van het bloed der moeder een kweekproef
worden ingesteld met materiaal van het foetus.

Door enting met culturen van B. Bang kan een stijging van de agglutinatie-
titer v/orden verkregen, die gewoonlijk na ongeveer 11 maanden weer verdwenen is.

(Dit stemt geheel overeen met wat Reeser in de R. Serum-Inrichting reeds
in
1921 aangetoond heeft. Ref.).

Ook met zoogen. abortuslymphe kan een tijdelijke stijging van de agglutinatie-
titer worden veroorzaakt.

De leeftijd van het dier heeft blijkbaar geen invloed op de mate van reactie.

De agglutinatieproef heeft alleen een diagnostische waarde, géén prognostische.

v. d. Hoeden.

Intra-uterine besmetting met pokken.

Een kind had een halve dag na de geboorte huiduitslag en was den volgenden
dag met pokken overdekt ; het stierf den derden dag. De moeder had een week
lang, voor de (voortijdige) bevalling huiduitslag. (The Lancet, ref.
Pinkhof in
N. T. v. G.,
1929, No. 33, blz. 3831).

Alastrim en pokken.

Dr. Charlotte Ruys geeft in het N. T. v. Geneesk. (1929, No. 33, blz. 3798)
een samenvattend overzicht over de ^etiologie van deze ziekten en zegt ten slotte :
„Overziet men de verschillende mededeelingen dan blijkt
dat het niet mogelijk is
zich uit te spreken over het al 0/ niet identiek zijn van de vira van alastrim en pokken.

Verschillende onderzoekers zijn tot uiteenloopende opvattingen gekomen.
Gins b.v. is van meening dat de alastrim een variante is van de echte variola en
wel een niet standvastige en omkeerbare variante, welke spontaan in den uit-
gangsvorm terug kan slaan zonder aanknoopingspunten voor de oorzaak van deze
verandering.
Ricardo Jorge daarentegen houdt de alastrim voor een ziekte
met eigen aard en verschijnselen.

In het Tijdschr. v. Soc. hygiëne, Sept. 1929, komt een beschouwing voor van
Prof. Dr.
Aldershoff over goedaardige pokziekten en alastrim. De ziekte in
Brazilië alastrim genoemd, is ook in Noordamerika, Afrika (melk- of kafferpokken),
Australië bekend en is in Europa in Zwitserland en vooral in Engeland opgetreden
en heeft gewoonlijk een goedaardig karakter.

Aldershoff houdt de opvatting, dat het alastrim-virus een verzwakt pokken-
virus is, voor de meest waarschijnlijke. De vraag of dat virus standvastig is (dus
een virus fixe) is nog niet met zekerheid te beantwoorden. Het waarnemen van
vele kwaadaardige gevallen in sommige jaren in Amerika schijnt daartegen te
pleiten ; echter is het denkbaar dat in die tijd, tegelijk met alastrim echte pok-
ken is voorgekomen.

Voor de meening, dat alastrim verzwakte pokken is pleiten verschillende fei-
ten : de ziekte tast bij voorkeur niet-geente personen aan. Kort geleden geënte
personen zijn onvatbaar. Personen die aan alastrim hebben geleden, hebben de
eerste maanden een geheele of aanzienlijke onvatbaarheid tegen vaccine. (Dat
die onvatbaarheid niet sterker is en niet lang duurt, is, bij de zwakte van het
virus, niet te verwonderen). Personen die alastrim hebben gehad, hebben
antistoffen in het bloed gelijk aan die, optredende na pokken of na vaccinatie.
Alastrimmateriaal geënt in de cornea van het konijn, doet in de epitheelcellen
Guarnieri-lichaampjes optreden, evenals pokken- en vaccine-virus dat doen. Ook
op de huid van het konijn kan men, hoewel eerst na eenige overentingen van konijn
op konijn, pokpuisten teweegbrengen met alastrimvirus.

-ocr page 1149-

Aldershoff raadt als voorbehoedmiddel vaccineeren aan, daar het gevaar voor
alastrim zwaarder weegt dan de zeer geringe kans op encephalitis, welke kans
trouwens bij vroeger reeds gevaccineerden waarschijnlijk niet bestaat (na revacci-
natie is encephalitis nog niet met zekerheid waargenomen).

Dr. P. H. Kramer (Rotterdam) schrijft in de Geneesk. Gids 1929 afl. 37, over
alastrim en wijst er op dat de ziekte niet zoo goedaardig is als velen denken. Ook
in de lichte gevallen hebben de zieken in den regel 1 a 2 x 24 uur voor het uit-
breken van de „uitslag" flinke koorts. Vele lijders zijn echter dagen lang ziek ;
de meeste niet-gevaccineerde kinderen en vele onvoldoend-gevaccineerde vol-
wassenen zijn zeer ernstig ziek. Na herstel zijn ze echter weinig of niet pokdalig,
al is ook het lichaam overdekt met pokpuisten.
Kramer vindt de overheidsmaat-
regelen tegen de ziekte onvoldoende ; hij vindt dat opneming in een barak regel
moet zijn en thuisverpleging uitzondering. Hij dringt aan op vaccineeren als be-
schuttende maatregel.

Verder is Kramer niet vast overtuigd dat de alastrim (variola minor) een goed-
aardig ,,virus jixe"
heeft en niet op den een of anderen dag pokken-eigenschappen
kan krijgen. Hij zag nl. een aantal gevallen die een overgang vormen naar de
,,variola-major", zelfs twee sterfgevallen met het beeld van „haemorrhagiese
pokken".

Aldershof en Pot (N. T. v. G. 1929, II, blz. 4232) komen op grond van onder-
zoekingen en proeven op konijnen en apen tot de conclusie dat het alastrim-virus
dichter bij het variola-virus staat, dan bij het vaccine-virus.

Terburgh (N. T. v. G. 1929, II, blz. 4349) wijst er op dat de herkomst van het
alastrim-virus niet bekend is. Daar het variola-virus door runderpassage tot het
goedaardige vaccine-virus wordt, is er naar zijn meening, alle reden om aan te
nemen dat ook het alastrim-virus door een passage door een of ander dier de eigen-
schappen heeft gekregen die het nu heeft. (Dit is een vrijwel in de lucht hangende
hypotese). Daar de ziekte zonder vaccinatie niet te bestrijden zal zijn, raadt hij
aan overal revaccinatie toe te passen ; vaccinatie van ongeente kinderen, alleen
(met het oog op encephalitisgevaar) wanneer het gevaar voor alstrim bizonder
groot is.

Kalkafzetting in het myocardium.

Na sublimaatvergiftiging vond Tilp bij een man erwtgroote kalkhaardjes in
de spierlaag van de linkerkamer.
Reuther zag ook bij een vrouw, gestorven aan
sublimaatvergiftiging in de hartspier microscopies kleine kalkafzettingen ; ver-
moedelijk is het spicrw-eefsel te voren door de sublimaatwerking ontaard.

Ook na loodvergiftiging en na enkele infectieziekten werd enkele malen kalk
afzetting in de hartspier gezien.

(Zeitschr. f. Kreislaufforschung ; ref. Enthoven 111 N. 1. v. G. 1929, No. 28,
blz. 291).

Lintwormmiddel.

Weber (Miinch. Med. Woch., ref. N. T. v. G. 1929, No. 35, blz. 4046) raadt
aan een mengsel van extr. filicis maris en oleum clienopodii, beide in ongiftige
doses. Het middel is in den handel onder den naam
taenural, bestaat uit laxeer-
tabletten (fol. sennae en extr. jalapae), oxural-capsules (oxural is een ongiftig
chenopodiumpreparaat) die beide den avond vóór de kuur worden gegeven en
filix-oxural-capsules die men den ochtend van de kuur toedient, daarna laxeer-
tabletten.

Vóór de kuur diaetetiese voorbereiding. Vrijburg.

-ocr page 1150-

W. S. STÜVEN. f

Geheel onverwacht stierf plotseling op 2 Oct. j.1. te Amsterdam
de Heer W.
S. Stüven in den ouderdom van 64 jaar, zeker voor
velen een hoogen leeftijd, maar voor een man als deze met een
ijzersterk lichaam nog bijna in de volle kracht.

Bekend als zijn persoon en naam bij zeer velen was, zal dit
overlijdensbericht overal in den lande getroffen hebben.

Willem Sibort Stüven werd geboren den 9den December 1864 te
Oude-Pekela en studeerde aan de Veeartsenijschool van r882—1886.

Den 22en Juli van dat jaar behaalde hij, na vlotte studie dus,
zijn diploma van veearts en vestigde zich als zoodanig dadelijk
in de hoofdstad. Twee jaren, van 1887—1889, was hij tevens als
keurmeester aan het Amsterdamsche abattoir werkzaam.

Voor zoover mij bekend is dit de eenige positie geweest, waarin
Stüven als ambtenaar heeft gediend ; voor het overige heeft hij
zich geheel kunnen uitleven in het vrije beroep, dat hij zich ge-
kozen had. En met welk een ambitie en vuur, ja met hartstocht
heeft hij ons vak gediend meer dan 40 jaren lang !

Hij was een dierenarts van de oude garde, die de praktijk in
haar vollen omvang uitoefende, en het geluk had, dat vele jongeren
niet meer beschoren is, om een uitgebreid arbeidsveld te vinden,
niet alleen in de stad zelve met haar tallooze paarden en vele
kleine huisdieren, doch ook daarbuiten in de veerijke omgeving.

Geen arbeid was hem te veel en goed clinicus als hij was, daarbij
buitengewoon routinier, kon het niet uitblijven of
Stüven mocht
zich al zijn levensjaren verheugen in een enorme praktijk, een
van de grootste van ons land, die alleen de laatste jaren, vooral
door het sterk verminderende paardenmateriaal, kleiner werd.

Vele lezers van dit Tijdschrift zullen dit uit persoonlijke ervaring
kunnen beamen, want hoeveel jonge collega\'s hebben successieve-
lijk hem in de drukste tijden niet geassisteerd .

Verwaarloosde hij geenszins de kleine huisdieren en evenmin de
„buitenpraktijk", zijn hart had toch het paard, en als paardenarts
had
Stüven een groote welverdiende reputatie.

Dag en nacht heeft deze man gewerkt en alleen een kerngezonde
en sterke persoon als hij heeft zoo lange jaren een dergelijke phy-
sieke inspanning kunnen volhouden.

lvi 76

-ocr page 1151-

Stüven paarde aan schranderheid tevens een groote mate van
vindingrijkheid en handigheid ; hij is een voorbeeld voor hen, die
terecht de meening zijn toegedaan, dat alleen hij in de veeartsenij-
kundige praktijk zal slagen, die bij voldoende theoretische kennis,
vóór alles zijn handen uit de mouwen weet te steken, goed chirurg
is, geen castratie of verlossing beneden zijn waardigheid acht en
met evenveel vaardigheid een prolapsus uteri behandelt als een
neurectomie verricht.

De drang die hij in zich voelde alles te moeten doen, vooral op
chirurgisch gebied, wat des practicus is, heeft ook gemaakt, dat
hij zijn „veeartsenijkundig hospitaal" oprichtte, een kliniek, die
hem voorzeker veel gemak, maar naar ik uit eigen mond wel eens
heb vernomen niet veel geldelijk voordeel heeft opgeleverd.

Niettegenstaande zijn zeer bezet leven heeft Stüven toch menig-
maal de gelegenheid gevonden, door woord of schrift anderen van
zijn groote ervaring te doen profiteeren. Menige voordracht voor
de afd. Noord-Holland, menig artikel in ons Tijdschrift getuigen
daarvan. En of men van hem leest b.v. ,,Over fractuur van de
eerste rib bij het paard met betrekking tot kreupelheid" of over
,,Inwendige verbloedingen en hartruptuur bij het paard", steeds
wordt men getroffen door zijn gloedvolle argumentaties, gebaseerd
op groote ervaring, goed anatomisch en klinisch inzicht.

Had Stüven\'s naam in ons eigen land reeds een goeden klank,
in het
buitenland met name Duitschland werd deze bekend na de
publicatie van zijn in 1917 bij
Schoetz uitgegeven werk : ,,Eine
neue Methode der Embryotomie mit einem neuen Instrumen-
tarium" (Rhachiofor, Spinaskop und Pelviklast). Terecht mocht
Stüven spreken over een nieuwe methode ; immers zij berust op
een geheel nieuw beginsel en hoe men ook moge denken over de
practische waarde ervan, zij blijft onder alle omstandigheden het
bewijs van een zeer origineele gedachte, gesproten uit een schrander
brein. Meer nog dan in ons land eerst, maakte in Duitschland
Stüven\'s vinding groote opgang. Het heeft hem geloof ik wel eens
verdroten, dat niet dadelijk iedere de verloskunde uitoefenende
collega in ons land in vuur kwam voor zijn vinding, voor zijn
levenswerk, en ik herinner mij nog goed een brief van hem, die ik
ontving, toen ik in ons tijdschrift eenige buitenlandsche artikelen
over zijn instrument kort had gerefereerd. „Eindelijk eens een
bericht in ons eigen Tijdschrift !"

-ocr page 1152-

Doch hij hield niet voldoende rekening met de „eens afwachten-
de" nuchterheid van ons Hollanders en ook de wijze waarop hij
meende, zijn methode bekend te moeten maken, was niet iedereen
sympathiek, al was het ook geheel buiten zijn schuld en buitenge-
woon jammer, dat zijn eerste openbare demonstratie niet het
succes had, dat hij er zich van voorgesteld had. Gelukkig echter
heeft hij al spoedig ook van de eigen landgenooten de waardeering
kunnen lezen, die zij bij de toepassing zijner methode voor zijn
uitvinding hadden, en heeft hij dus ook in dit opzicht een welver-
diende belooning gevonden.

Het moet voor Stüven een groote voldoening zijn geweest, dat
zijn eenige zoon het vak van zijn vader koos ; sedert 4 jaren is
deze ook dierenarts te Amsterdam en zal die jaren ongetwijfeld
veel hebben kunnen profiteeren van hun beider samenwerking ;
voor hem zal zijn vader steeds een schragend voorbeeld blijven.

Niet minder dan door hem zal diep het gemis gevoeld worden
door
Siüven\'s vrouw en beide dochters.

De begrafenis had onder zeer groote belangstelling plaats op
de nieuwe Oosterbegraafplaats. Onder de aanwezigen bevonden
zich vele collega\'s van den overledene, artsen en bestuurders van
instellingen op het gebied van dierenbescherming, benevens een
deputatie veldwachters.

De Heer P. Heijbroek, Directeur der Amsterdamsche Rijtuig-
maatschappij, sprak namens deze onderneming dank aan den over-
ledene uit voor wat hij voor de maatschappij en haar dieren gedaan
heeft. De vindingrijkheid en handigheid van den Heer
Stüven
waren alom bekend en deze eigenschappen, gepaard aan werk-
kracht en werklust, maakten hem tot een dierenarts van groote
bekwaamheid en groote vermaardheid. Daarbij had hij de gave de
zaken op een eenvoudige, doch gezaghebbende wijze toe te lichten,
zoodat hij terecht de „populaire veearts" werd genoemd.

Verder spraken de Heer C. J. van Ledden Hulsebosch ; als
collega,
J. A. Klauwers, inspecteur van de Volksgezondheid en
den Veeartsenijkundigen dienst en R. H.
Veenstra, als voorzitter
van den Diergeneeskundigen kring, namens de directie van het
abattoir en als collega-keurmeester.

Ook een vriend en neef bracht den overledene in waardeerende
woorden dank voor wat hij voor hen geweest is.

Een familielid dankte voor de belangstelling. Beijers.

-ocr page 1153-

F. B. VENEMA f en R. BOSSCHER. f

Veertien dagen na elkaar, 12 en 26 September j.1., betaalden
onze nestors
Freerk Bonne Venema en Roelf Bosschee de
onverbiddelijke tol der natuur en ook veertien dagen na elkaar
werd hun stoffelijk overschot aan de schoot der aarde toevertrouwd.
Daar ook hun beider bestaan zooveel langs paralelle banen liep
wensch ik hen in één memoriam te gedenken.

Venema werd te Bedum geboren, 3r Dec. 1840. Zijn wieg stond
niet direct in het voorportaal van de toenmalige veeartsenijschool,
getuige de nog bestaande korenmolen aan den Molenweg te Bedum,
waar de jonge
Venema in zijn jeugd als knecht werkzaam is ge-
weest, echter niet con amore en zoo wist hij, met behulp van den
hoofdonderwijzer, zich in zijn vrijen tijd zoover te bekwamen
dat hij kans zag het toelatingsexamen voor de veeartsenijschool
met goed gevolg af te leggen (1860).

Trots op zijn succes wijdde hij zich met volle kracht aan de
studie onder leiding van
Heckmeijer, Hengeveld en Jennes,
doch werd in zijn laatste studiejaar wreedelijk daarin gestoord
door een ernstige ziekte, die het noodzakelijk maakte dat hij per
boot — en niet per diligence het toen ter tijde gebruikelijke
vervoermiddel — van Utrecht naar zijn ouderlijk huis werd
vervoerd\'

Het herstel kwam langzaam, doch dit verhinderde niet dat
Venema 7 Juni 1864 het diploma van veearts met lof behaalde.
Hij vestigde zich te Middelstum (Gr.) en moest een vinnigen
strijd voeren tegen de empirici, omdat geëxamineerde dierenartsen
in die omgeving nog niet bekend waren en zij hun sporen nog
moesten verdienen. Eerst na verloop van jaren kon hij zich in
een schitterende praktijk verheugen. Toch was de strijd om het
bestaan voor den jongen prakticus niet al te zwaar in zijn onge-
trouwden staat ; immers het kostgeld bij den bakker te Middel-
stum ad / 2.— per week — alles inbegrepen — was niet hoog.

In Mei 1866 trad Venema in het huwelijk met Mej. Rooda,
die na twee jaar overleed hem een dochtertje nalatende. In de
eerste huwelijksjaren van den beginnenden prakticus, bracht de
praktijk nauwelijks genoeg op om in de gezinsbehoeften te voorzien
en kwam de zucht naar het oude bedrijf weer naar boven.
Venema

-ocr page 1154-

kocht een houtzaagmolen, betrok het molenhuis en met behulp
van een meesterknecht werd in dit bedrijf de hoofdbron van zijn
inkomen gevonden.

Voor de 2e keer trad Venema in het huwelijk in 1877 met Mej.
Elema, die in f889 overleed, hem nalatende 6 kinderen van 11
tot nog geen jaar.

Inmiddels had de praktijk zich gaandeweg uitgebreid, hetgeen
niet kon verhinderen dat
Venema moeilijke tijden beleefde. In
eene verplaatsing naar Bedum (1894) zag hij een voordeel, zoowel
wat zijn praktijk betrof als de betere verhoudingen voor de op-
voeding der kinderen. De molen werd van de hand gedaan en in
plaats daarvan kwam een houderij van melk- en mestvee, nu
meer uit liefhebberij dan wel ten behoeve van het onderhoud van
het gezin.

De praktijk, te voet begonnen werd voortgezet te paard en latei-
per tilbury en in de gesloten koets. Vier paarden waren er voor
noodig, voormiddags twee en het andere span namiddags. Het
waren dan ook zware tochten die door de niet altijd gebaande
wegen moesten worden afgelegd en zeer vroeg in den morgen zag
men de veearts van Beem zijn praktijk beginnen. Onvermoeid
werd dit een reeks van jaren volgehouden, steeds aanwezig op
zijn standplaats, geen vacanties, geen overbodige reizen naar de
stad (Groningen), weinig afleiding, kortom een soberheid van
leven, zooals de tegenwoordige dierenarts zich moeilijk kan den-
ken. Toch was
Venema niet onverschillig voor het vereenigings-
leven ; hij was een trouwe bezoeker der afdeelingsvergaderingen
en zijn oordeel werd daar op hoogen prijs gesteld, als van iemand
met een machtig gezag op praktisch gebied. Voor hem aangeboden
bestuursfuncties meende de bescheiden prakticus steeds te moeten
bedanken. Ook landbouw en veeteelt waren hem lief en in de
vergaderingen van landbouwvereenigingen hield hij herhaaldelijk
interessante en praktische voordrachten.

Het ijzersterke lichaam van Venema trotseerde allerlei ongeluk-
ken en een eeuwige jeugd scheen hem beschoren. In alle opge-
wektheid werd door onze afdeeling zijn 40-jarig ambtsjubileum
herdacht en ook zijn gouden jubileum werd beleefd, doch nu
onder droeve omstandigheden. Getroffen door een beroerte bleef
hij gedeeltelijk verlamd en kon onze hulde niet meer in een af-
deelingsvergadering in ontvangst nemen.

-ocr page 1155-

Toch werd hij gehuldigd, doch nu bij een zijner kinderen, waar
hem een fraaie oorkonde door twee bestuursleden der afdeeling
werd aangeboden. Meer naar lichaam dan naar geest geknakt,
behield hij bijna tot het laatst van zijn leven de noodige belang-
stelling voor de hem lief geworden diergeneeskunde en nadat hij
sedert Juli van Zeist naar zijn oorspronkelijke woonplaats was
verhuisd en gezeten in zijn schuifwagentje zijn voormalig praktijk-
gebied, waaraan zooveel herinneringen waren verbonden, nog eens
had gezien, ging hij rustig en kalm heen in den gezegenden leeftijd
van 88 jaar.

Hier past een betuiging van eerbiedige hulde aan de nage-
dachtenis van den stoeren werker, den uitnemenden prakticus, den
eenvoudigen, waardigen en eerlijken collega.

Deels parallel met dat van Venema, was het leven van Bosscher.
Ook hij werd geboren in de provincie Groningen, n.1. te Veendam
26 Mei 1845 ; ook hij vestigde zich na het behalen van het diploma
in 1865 in zijn geboorteplaas en bleef daar de praktijk uitoefenen
tot 1920, toen deze werd overgedragen aan collega
H. ten Have.

Ook Bosscheh heeft in een groote praktijk zijn sporen verdiend
als goed prakticus. Ook hij was bedeeld met een sterk lichaam
en een onverstoorbare gezondheid. Meer dan
Venf.ma heeft hij
tot aan den avond van zijn loopbaan van het leven mogen genieten,
doordat hij tot op hoogen leeftijd zich mocht verheugen in het
volle bezit van alle levensvoorwaarden en de lust om tot het laatst
daarvan te genieten. Meer clan
Venema heeft Bosscher zich in
het openbaar leven bewogen. Zoo werd hij reeds in September
1865 door de regeering naar de Iloeksche Waard gezonden ter
bestrijding van de runderpest en hij maakte daar ook kennis
met een andere besmettelijke veeziekte, n.1. de longziekte. In
de „Vee- en Vleeschhandel" van 27 Augustus 1920 gaf
Bosscher
nog eens een beschrijving van zijn wedervaren in Z.-Holland.

Na afloop van de regeeringsopdracht vestigde Bosscher zich
te Veendam en trad daar 1870 in het huwelijk met Mej.
Engels-
man,
die in 1920 overleed hem nalatende twee dochters met wie
hij bleef samenwonen tot zijn dood.

In 1873 werd Bosscher benoemd tot gemeente-veearts te Veen-
dam en een jaar daarna als zoodanig te Leeuwarden, voor welke
functie hij echter bedankte.

Naast zijn praktijk vond hij nog tijd voor het geven van

-ocr page 1156-

cursussen in paarden- en runderkennis en hij was gedurende
eenigen tijd leeraar aan de Rijkslandbouwwinterschool te Veen-
dam, verder lid der voorkeuringscommissie en van de keuring op
cornage voor de centrale paardenkeuringen in Groningen, hulp-
vorderingscommissaris, enkele malen bestuurslid van het Land-
huishoudkundig Congres enz.

In 1884 werd hij benoemd tot officieel deskundige voor het
verrichten der inspecties en onderzoekingen krachtens de bepalin-
gen der internationale overeenkomst tot wering van de druifluis.

Bosscher was toegevoegd aan de keuringscommissie bedoeld
bij art. 3 van het K. B. van 2 April 1907, No. 61, aangaande de
ondersteuning van Rijkswege van de veefokkerij.

In 1869 werd hij ie luitenant bij de dienstdoende schutterij,
klom op tot majoor en bij de opheffing der schutterij werd hem
in 1907 eervol ontslag verleend met den rang van Luitenant-
Kolonel, onder dankbetuiging voor de langdurige diensten, met
vergunning de uniform te blijven dragen met de onderscheidings-
teekenen daaraan verbonden.

In 1913 werden de verdiensten van Bosscher door de regeering
erkend door de toekenning van de ridderorde van Oranje-Nassau.

Zoo zien wij in dezen nestor iemand die zich meer dan Venema
in het openbaar leven heeft bewogen en in verschillende functies
de diergeneeskunde en aanverwante vakken heeft gediend.

Ook in de afdeeling Groningen-Drenthe is Bosscher in ver-
schillende functies (secretaris en voorzitter) steeds met ambitie
werkzaam geweest en de notulen getuigen van zijn gewaardeerde
adviezen.

Collega Bosscher mocht het zeldzame voorrecht genieten dat
hij met de afdeeling zijn 40-, 50- en 60-jarig ambtsjubileum kon
herdenken. Nog vol opgewektheid en humor gaf hij bij het laatste
jubileum een schets van het leven in de afdeeling van voorheen
en thans en hij verheugde zich ten zeerste in de enorme vooruit-
gang van den diergeneeskundigen stand.

Ook aan dezen collega een eeresaluut gewijd bij zijn heengaan
op 84-jarigen leeftijd.

Kroes.

-ocr page 1157-

(Uit het Lab. v. Tropische Ziekten. Afd. v. h. Instituut voor Paras, en Infectie-
ziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht. Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK).

OVER DEN INVLOED VAN MILTEXTIRPATIE OP HET INFEC-
TIEVERLOOP DER SURRA BIJ HONDEN,

DOOR

Dr. OTTO NIESCHULZ en Dr. F. K. WAWO-ROENTOE.

Doör verschillende onderzoekingen, in het bijzonder uit den
laatsten tijd, is komen vast te staan, dat het reticulo-endotheliale
systeem en vooral de milt een groot en invloed op het infectiever-
loop van trypanosomenziekten kan uitoefenen.

Met surra zijn hieromtrent, zoover ons bekend, slechts zeer
weinig onderzoekingen verricht.
Laveran en Thiroux (1907)
vonden in proeven met 3 cavia\'s en 2 ratten geen verschil in het
infectieverloop en den levensduur bij vooraf ontmilte en bij nor-
male dieren.
Witkamp (1925) vermeldt terloops bij een onderzoek
over piroplasmosis, dat een kampoenghond, wiens bloed negatief
was, na splenectomie sterk positief werd en
4 dagen na de operatie
stierf.

De beteekenis van het reticulo-endotheel voor het verloop van
infecties met andere trvpanosomensoorten werd in de laatste
jaren o. a. door
Regendanz en Kikuth (1927), Kritschewski en
Schwarzmann (1928) en Kikuth en Regendanz (1929) nagegaan.

Regendanz en Kikuth vonden, dat infecties met Tryp. lewisi bij ontmilte
ratten veel zwaarder verliepen dan bij normale. In een zeker percentage was het
verloop zelfs doodelijk. fn proeven met
Tryp. gambiense kwamen Kritschewski
en Schwarzmann tot de conclusie, dat het reticulo-endotheliale systeem het
organisme niet of slechts gedeeltelijk tegen infecties beschermt. Hij muizen, waarbij
gelijktijdig splenectomie en blokkade werd toegepast, was de levensduur korter
dan normaal. Bij miltextirpatie of blokkade alleen was geen verschil met normale
muizen aanwezig. Bij infecties van muizen met
Schizolrypanum cruzi werd in het
geheel geen verschil gevonden, noch bij splenectomie of blokkade, noch bij gelijk-
tijdige splenectomie en blokkade. Volgens
Kikuth en Regendanz is daarentegen
bij infecties met
Tryp. gambiense de levensduur van ontmilte ratten belangrijk
korter dan van normale. In proeven met
Tryp. brucei was bij ontmilte muizen
in de eerste dagen der infectie het aantal trypanosomen grooter dan bij normale
dieren. De levensduur was echter even lang (verloop der infectie te acuut). Bij
cavia\'s en konijnen was geen invloed van de splenectomie waar te nemen. De
milt is, volgens hun meening, niet bij alle diersoorten van even groote beteekenis
voor de vorming van de natuurlijke afweerstoffen tegen trypanosomeninfecties.
Bij ratten en muizen moet echter aan de milt een specifieke afweerfunctie worden
toegekend.

Voor onze proeven, die voorloopig een orienteerend karakter
droegen, gebruikten wij honden, die ons voor dit doel het meest
geschikt leken. De ziekte duurt bij deze dieren 1—3 maanden

1) Bij een voor-onderzoek werd, ter controle van de virulentie van den door ons
gebruikten stam, een hond subcutaan en een intraperitoneal geënt. De eerste hond
stierf na 47, de tweede na 34 dagen.

-ocr page 1158-

en heeft een eenigszins chronisch karakter, zoodat een invloed op
het ziekteverloop tengevolge van miltextirpatie, als deze bestond,
gemakkelijk zou zijn aan te toonen.

Met honden werd blijkbaar alleen door Sauerbeek (1906) een proef verricht
en wel met
Tryp. brucei. Er werd slechts een ontmilte hond gebruikt en hierbij
was de levensduur iets korter dan normaal.

Bekend is verder, dat bij andere infecties— piroplasmosis (Gonder en Roden-
wald, Ciuca, Witkamp
e. a.) en bij Bartonella canis (Kikuth) — de milt der
honden een belangrijke rol speelt.

Muizen en ratten zijn voor dergelijke proeven minder geschikt,
daar hierbij het infectieverloop ook bij normale dieren acuut en
te kort is. Bij cavia\'s is het surraverloop wel meer chronisch, toch
kon bij een orienteerend onderzoek geen verschil tusschen normale
en ontmilte dieren worden aangetoond.

In het geheel werden voor onze proeven 5 honden gebruikt.
Van 3 werd de milt geëxtirpeerd, de andere 2 dienden als con-
trole. Een van de contrölehonden was sterk rachitisch, vrij zwak,
veel minder krachtig dan de geopereerde honden. Alle honden
verdroegen de operatie goed.

Voor de infectie gebruikten wij den surrastam ,,Buitenzorg P4",
dien een van ons een jaar geleden (Juni 1928) uit een paard in
Dongola (West-Java) had geïsoleerd 3). Alle honden werden ge-
lijktijdig met een gelijke hoeveelheid bloed van een positieve cavia
subcutaan ingespoten.

De tijd tusschen operatie en infectie was bij de drie honden ver-
schillend lang, bij een hond slechts 1 dag, bij de anderen resp. 8
en 22 dagen. Wij wilden bij deze laatste twee honden nagaan, of
het buiten de milt gelegen gedeelte van het reticulo-endotheliale
systeem de functie van de milt geheel of gedeeltelijk zou kunnen
overnemen, indien er een langer tijdperk tusschen operatie en
infectie lag.

Het resultaat der proeven is in de bijgaande tabel I samengevat.
De eerste trypanosomen werden in de ontmilte honden bij 2 na 7
en bij een hond na 8 dagen aangetoond, in de normale honden na
8 dagen. De geopereerde honden stierven na 11, 12 en r4 dagen.
Van de contrölehonden stierf 1 (No. 5) 33 dagen na de infectie,

-ocr page 1159-

•de andere (No. 4) werd na 32 dagen voor een andere proef ge-
bruikt.

Tabel 1.

ONTMILTE HONDEN.

CONTROLE
HONDEN.

I (162)

2 (153)

3 (159)

4 (155)

5 (156)

2ó-6-\'29
io-7"\'29

17-7-\'29

18-7-\'29

splenec-
tomie

infectie

splenec-
tomie

infectie

splenec-
tomie
infectie

infectie

infectie

24-7-\'29

.-i-.ffl

25"7"\'19

26-7"\'29

27-7-\'29

28-7-\'29

29-7-\'29

T

30-7-\'29

gestorven

gestorven

3i_7" 29

I-8-\'29

gestorven

2-8-\'29

3-8-\'29

4-8-\'29

5-8-\'29

4-

6-8-\'29

7-8-\'29

S-8-\'29

9-8-\'29

io-8-\'29

1 i-8-\'29

4-

i2-8-\'29

i3-8-\'29

i4"8-\'29

i5-8-\'29

i6-8-\'29

i7-8-\'29

i8-8-\'29

Verloop der surra-infectie bij ontmilte en gezonde honden. ( ) zeer zwak,
zwak, 4-4- matig, sterk, zeer sterk positief. Gewicht der honden
1—5 resp. 5J, 11, 12, 10J en 12 K G.

-ocr page 1160-

Het infectieverloop was bij de geopereerde honden zeer acuut,
het aantal trypanosomen constant toenemend. Kort voor den dood
bevatte het bloed ontelbare parasieten. Ook bij de normale hon-
den was het infectieverloop vrij sterk, sterker dan gewoonlijk.
Niettegenstaande dit, was het verschil tusschen de ontmilte en de
normale honden zeer groot.

De eerste hond, waarbij tusschen de splenectomie en de infectie
22 dagen waren verloopen, bleef iets langer (2—3 dagen) leven,
dan de beide andere honden. Het is mogelijk, dat hierbij het bui-
ten de milt gelegen deel van het reticulo-endotheliale systeem,
dat intact gelaten (niet geblokkeerd) was, de functie der milt ge-
deeltelijk had overgenomen, doch niet in voldoende mate, om een
belangrijke verlenging van het leven te kunnen bewerkstelligen.
Aan den anderen kant was deze hond verreweg de sterkste van
alle honden, zoodat ook hierdoor het verschil in levensduur zou
kunnen worden verklaard. Tusschen den tweeden hond, waarbij
de spelenectomie 8 dagen voor de infectie was verricht en den
derden, die 1 dag na de miltoperatie was geinfecteerd, was geen
verschil aanwezig.

Uit deze proeven kunnen wij de volgende conclusies trekken :
De milt oefent bij honden een beslissenden invloed uit op het verloop
der surra -infectie.

De natuurlijke afweerkrachten van het organisme worden alken
of ten minste voornamelijk door de milt geproduceerd.1) Het buiten
de milt gelegen gedeelte van het reticulo-endotheliale systeem bezit
geen
of althans geen grootcn invloed op het infectieverloop der surra.

Waarschijnlijk bezit echter de milt niet bij alle diersoorten zulk
een groote beteekenis bij de vorming der natuurlijke afweerstoffen
tegen surra-infecties als bij honden, zooals enkele proeven met
cavia\'s en katten doen vermoeden. 2)
Utrecht, Einde Augustus 1929.

LITERATUUROVERZICHT.

1. Kikuth, \\V. en Regendanz, P. (1929) ; Zeitschr. f. Imnuinitatsforschg. u.
exp. Therap. Vol. 61 p. 422—432.

2. Kritschewski, J. L. (1927) ; Centralbl. f. Bakt. I. Orig. Vol. 104, Beiheft
p. 214-218.

3. Kritschweski, J. L. en Schwarzmann, I- (1928) : Zeitschr. f. Immunitats-
forschg. u. exp. Therap. Vol. 56 p. 322—329.

4. Laveran, A en Thiroux, A. (1907) : Compt. rend. Acad. d. Sci. Vol. 145
p. 14—18 en Ann. Inst. Pasteur Vol. 21 p. 592—612.

1) Ook de sterke vergrooting der milt bij surra-infecties wijst op een hooge acti-
viteit van dit orgaan.

2) Waarschijnlijk is bij katten de beteekenis der milt minder dan bij honden.
Een kat, welke 24 dagen na de operatie werd geïnfecteerd, stierf wel na 10 dagen
aan een acute infectie. Een tweede kat echter, die 37 dagen na de splenectomie
werd geinfecteerd, kwam den eersten zeer sterken aanval te boven en stierf eerst
na 21 dagen. Misschien heeft hier het buiten de milt gelegen gedeelte van het
reticulo-endotheel de miltfunctie gedeeltelijk overgenomen.

-ocr page 1161-

5. Regendanz, P. en Kikuth, W. (1927) : Centralbl. f. JJakt. I. Orig. Vol. 103
p. 271—277.

6. Sauerbeck, E. (1906); Zeitschr. f. Hyg. u. Infektionskr. Vol. 52 p. 31—86.

7. Witkamp, J. (1925); Nederl. Ind. Bladen v. Diergeneeskd. Vol. 37 p. 385—394.

ZUSAMMENFASSUNG.

Um den Einfluss des retikulo-endothelialen Systems und besonders der Milz
auf den Infektionsverlauf bei Surra festzustellen, wurden 5 Hunde infiziert, von
denen drei 1, 8 und 22 Tage vorher entmilzt waren. Die ersten Trypanosomen
traten nach 7—8 Tagen auf. Die entmilzten Hunde starben nach 11, 12 und 14
Tagen und zwar der Hund, bei dem die Splenektomie 22 Tage vor der Infektion
erfolgt war, nur 2—3 Tage später als die beiden anderen Hunde. Die normalen
Hunde lebten über 1 Monat. Der Infektionsverlauf war bei den entmilzten Hunden
sehr akut, die Trypanosomen nahmen an Zahl stets zu (vergl. Tabelle I).

Die Milz übt also bei Hunden einen entscheidenden Einfluss auf den Verlauf
der Surra-infektion aus. Die natürlichen Abwehrkräfte werden allein oder beinahe
allein in der Milz gebildet, während der ausserhalb der Milz gelegene (in den Ver-
suchen nicht blockierte) Teil des Retikulo-Endothels keinen oder nur einen sehr
geringen Einfluss ausübt.

Wahrscheinlich besitzt aber, nach einigen Versuchen mit Meerschweinchen
und Katzen zu urteilen, die Milz nicht bei allen Tierarten eine ebenso grosse Be-
deutung wie bei den Hunden.

RÉSUMÉ.

Pour déterminer l\'influence du système réticulo-endothélial et spécialement de
la rate, sur la course du surra, l\'auteur a infecté 5 chiens dont trois avaient subi
la splénectomie 1, 8 et 22 jours avant. Les premiers trypanosomes se présentaient
après 7—8 jours. Les chiens splénectomisés moururent après 11. 12 et 14 jours et
le chien chez lequel la rate avait été extirpée 22 jours avant l\'infection, seulement
2- 3 jours plus tard que les autres deux chiens. Les chiens normaux ont vécu plus
d\'un mois. Chez les chiens splénectomisés la course de l\'infection était très aiguë.

Il en résulte que chez les chiens la rate exerce une influence marquée sur la
course des infections au Trypanosoma evansi. Les substances qui président à la
résistance naturelle de l\'organisme (vis à vis du surra) se forment exclusivement
011 presque exclusivement dans la rate, tandis que la partie du système réticulo-
endothélial hors de la rate (qui n\'était pas bloquée dans les experiments) n\'exerce
pas d\'inlluence ou ne joue qu\'un rôle peu important.

D\'après des expériments avec des cobayes et des chats il est probable que chez
d\'autres espèces animales la rate n\'a pas tant d\'influence que chez les chiens.

SUMMARY

In order to determine the influence of the reticulo-endothelial system, especially
of the spleen, on the course of surra-infection, the author infected 5 dogs, three
of which had their spleen removed 1, 8 and 22 days previously. The first
Trypanosoms made their appearance after 7—8 days.

The dogs on which splenectomy had been performed died after 11, 12 and 14
days and the dog of which the spleen had been removed 22 days prior to infection
died only 2—3 days later than the two other dogs.

The normal dogs lived over a month. In the dogs on which splenectomy had been
performed, infection ran a very acute course and there was a steady increase in
the number of trypanosoms. (comp. Tab. 1).

From the results obcained it appears that in dogs the spleen exercises a remar-
kable influence 011 the course of the surra-infection. The formation of the natural
powers of resistance takes exclusively or almost exclusively place in the spleen
while the part of the endothelial system outside the spleen (which w:as not blocked
in the experiments) has little or no influence.

Judging from experiments with guinea-pigs and cats it is probable that the
spleen in other species of animals does not play so great a part as in dogs.

-ocr page 1162-

(Uit het Lab. v. Tropische Ziekten. Afd. v. h. Instituut voor paras, en infectie-
ziekten der Rijks-Universiteit te Utrecht. Directeur: Prof. Dr. L. DE BLIECK).

DE SUBLIMAAT-REACTIE VOLGENS BENNETT EN KENNY
EN DE SURR ADIAGNOSE BIJ RUNDEREN,

door

Dr. OTTO NIESCHULZ en Dr. F. K. WAWO-ROENTOE.

Onlangs beschreven Bennett en Kenny (1928) als „mercurid
chloride test" (hier sublimaatreactie genoemd) een bijzonder
eenvoudige serumreactie 1), waarmede zij in Khartoum zeer goede
resultaten hadden verkregen bij het onderzoek van kameelen op
infecties met
Tryp. soudanense (een tot de evansi-groep behoorende
trypanosomensoort van Noord-Africa) en die hun betere resul-
taten gaf dan de z.g. formolgel-test.

Deze reactie, in den vorm zooals zij als routine-methode werd
aanbevolen, bestaat in het kort in het volgende :

Een druppel serum van het te onderzoeken dier werd aan r ccm
sublimaatoplossing van 1 : 20.000 toegevoegd. Positief is de reactie,
indien na een kwartier de oplossing opaal wordt, negatief, indien
geen verandering optreedt.

Drieentwintig negatieve kameelen gaven geen praecipitaat bij een verdunning
hooger dan i : 15.000, terwijl het serum van 4 geïnfecteerde kameelen nog bij een
verdunning van minstens
1 : 50.000 een reactie vertoonde.

Deze methode gaf betrouwbare resultaten ook indien het bloed bij microscopisch
onderzoek negatief was, zelfs in typisch chronische gevallen waarin bij langdurige
controle de trypanosomen of alleen zeer sporadisch, of in het geheel niet waren
aan te toonen.

Bij zes kunstmatig geïnfecteerde ka meelen werd de reactie binnen de drie weken
na de infectie positief, meestal voor het optreden der trypanosomen in het bloed.

Deze methode is zonder twijfel zeer eenvoudig, het resultaat
vrij vlug afleesbaar en naar de opgaven der schrijvers betrouwbaar.
Met het oog op de moeilijkheden welke de surradiagnose in Indië
bij runderen en karbouwen vaak oplevert, leek het ons gewenscht
na te gaan, of deze reactie ook van diagnostische waarde voor
het onderzoek van runderen op surra zou kunnen zijn. Het is echter
natuurlijk niet zonder meer te verwachten, dat de reactie ook hier
bruikbaar zou zijn daar
Bennett en Kenny met een andere
diersoort (kameelen) en een anderen trypanosomenstam
(Tryp.
soudanense)
hebben gewerkt.

Om als diagnostische methode naast of in plaats van het gewoon
bloedonderzoek in aanmerking te komen moet men van de reactie
eischen dat zij bij geïnfecteerde dieren zoo mogelijk steeds positief
is, bij niet geïnfecteerde dieren negatief en dat tusschen een posi-
tieven en een negatieven uitslag een duidelijk verschil bestaat.

-ocr page 1163-

Het onderzoek van positieve dieren zou natuurlijk liet best in Indië kunnen
gebeuren, de controle van negatieve dieren echter beter in Holland, daar wij
hier gemakkelijker dan in Indië over een groot aantal zeker niet geïnfecteerde
runderen kunnen beschikken.

Voor ons onderzoek stond ons ter beschikking een met surra
geïnfecteerd rund (pink) en een groot aantal gezonde dieren van de
slachtplaats te Utrecht Wij onderzochten alleen het bloed van
een 20 tal gezonde dieren, daar onze resultaten niet van dien aard
waren, om een onderzoek op grootere schaal noodzakelijk te maken.

Het rund No. 483 was met den surrastam „Buitenzorg P," geïnfecteerd, dien
een van ons (O. N.) in Juni 1928 uit een surrapaard in Dongola (West-Java) had
geïsoleerd. De stam was tot begin November in Buitenzorg van paard op paard
overgebracht, werd daarna in cavia\'s naar Utrecht mede genomen en in cavia\'s
verder aangehouden. Den 30-3-1929 werd een rund geïnfecteerd. Van dit rund
werd den 14-6-1929 ter controle opde virulentie een paard geïnfecteerd en hiervan
den 26-6-1929 rund 483.

Het surrarund vertoonde een typisch chronisch verloop der
infectie. Trypanosomen waren zeer zeldzaam microscopisch aan
te toonen en ten tijde van het onderzoek in het geheel niet. Op
den dag van de tweede serumcontrôle (2o-VII-\'29) werd van het
rund een konijn met 50 ccm bloed intraperitoneal geënt. Dit konijn
was den 25-VII positief.

De sublimaat-reactie zelf werd precies volgens de voorschriften
van
Bennett en Kenny uitgevoerd. Elk serum werd getest bij een
verdunning van 1 : 5.000, 1 : 10.000, 1 : 15.000, 1 : 20.000, 1 : 30.000
i : 40.000, i : 50.000, I : 60.000, 1 : 80.000 en 1 : 100.000.

De resu\'taten zijn in de bijgaande tabellen samengevat. Hierbij
werd onder 4- verstaan een sterke, melkachtige, ondoorschij-
nende troebeling, onder 4- een zwakker melkachtige en iets trans-
parente maar duidelijke troebeling, onder ± een nog vrij duidelijk
herkenbare, echter zeer zwakke troebeling en onder ? een zeer
zwakke troebeling, welke alleen bij vergelijking met controle-
buisjes zichtbaar was.

Van het geïnfecteerde rund werd het serum 2 keer gecontroleerd
(vergl. tabel I, R. 483). Een duidelijke 4- reactie was slechts tot
20.000 aanwezig.

Bovendien werd nog gelijktijdig het serum van een ander rund
gecontroleerd, dat ruim 31 maand van te voren met surra was
geïnfecteerd, waarbij echter noch microscopische noch door dier-
enting (met 150 ccm bloed) trypanosomen waren aan te toonen.
Hierbij werd een keer een duidelijke reactie tot 40.000, en bij het
tweede onderzoek tot 20.000 waargenomen.

Bij de 20 gezonde runderen, welke wij onderzochten, was een
duidelijke 4- reactie 1 keer tot 60.000 aanwezig, 7 keer tot 40.000,

-ocr page 1164-

5 keer tot 30.000, 3 maal tot 20.000, 2 maal tot 15.000, 1 maal tot
10.000 en i maal tot 5.000 (vergl. tabel I, R. 1—20).

TABEL I.

SUBLIMAATOPLOSSING i op

F i i r~ i r i i

j 5.000 10.00015.000 20.000 30.000 40.000 50.000 Go.000 80.000

RUNDEREN

ï. 483. I6-7-\'29
ï 483. 20-7-\'29

±

4


\'
4

4-

6-7-19

6-7-\'29
6-7-\'29

6-7- 29

6-7-\'29
6-7-\'29
6-7-\'29
6-7-\'29
7-\'29
7-\'29
7-\'29

7"\'29
7" 29

7-\'29
9-7-\'29
20-7-\'29
20-7-\'29
22-7-\'29
22-7-\'29
22-7-\'29

4-
4-4-

4
4-4
4-4
4-4 —
44- 4-4-

4-

4-

4
44

4


44
44-
4-4-
4-4-
4-4
44
4- 4
4-4-

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19
20.

4-4-
4-
4-4-
4-4-
4-4-

4-
4-4-
4-4-
4-4-

4-4-


4-4-
4-4-
4-4-
4-4-
4-

4-4-
±

?

4-4-
4-4-

±

±

4-

4-4-

4-4-

±

4-

±

±
±
±

4-

4

4


±
±
±
±
±

4-

±
±
±

4-4-
4-
4-4-
4-

4-4-

±

?

4-4-
4-4-
44-
4-4-
4-4-

4
p

-

4-
4-4-
4-4-
44

I ?

4 i —
? , _

±

±

4-4-
4-4-

4-

±

4-
±

Resultaten met het geïnfecteerde rund R. 483 (het serum van 16-7-1929 was
3 dagen in de ijskast bewaard, van 20-7-1929 slechts 1 dag) en met 20 normale,
niet geïnfecteerde runderen R. 1—20. (Serum van rund i—17 was 1 dag oud.
van rund 18—20, 4 dagen)

Wij hebben boven gezien, dat bij geïnfecteerde runderen de
reactie bij een verdunning van meer dan 1 : 20.000 niet meer met
zekerheid positief was. Bij 13 van 20 gezonde, zeker niet met surra
geïnfecteerde runderen hebben wij echter bij een verdunning van
meer dan 1 : 20.000 een duidelijke reactie verkregen.

De sublimaat-reactie lijkt ons daarom (voor zoover ons materiaal
een oordeel toelaat) voor de diagnose van surra bij runderen weinig
geschikt te zijn, tenminste niet in chronische gevallen, waarbij het
bloed microscopisch negatief is.

Ter completeering van het onderzoek hebben wij nog het serum
van enkele
cavias onderzocht en wel van 3 met surra geïnfecteerde
en bij microscopisch onderzoek positieve cavia\'s en van 3 gezonde
cavia\'s (vergl. tabel II). Bij de 3 geïnfecteerde cavia\'s was een duide-

-ocr page 1165-

lijke reactie twee keer tot 30.000 en eenmaal tot 40.000 aan-
wezig, bij de gezonde cavia\'s 2 keer tot 20.000 en een keer slechts
tot 15.000.

TABEL II.

CAVIA\'S.

SUBLIMAATOPLOSSING 1 op

5.000

10.000

i5.000

20.000

30.000 40.000

50.000 60.000

80.ooo

100.0

C
C.
C.

S5-

114.
993-

i8-7-\'29
i
8-7-\'29
i
8-7-\'29

4-4-

4-4-
4-4-

4-4-
4-4-
4-4-

4-4-
4-4-

4-
4-4-
4-4-


4-

4-4-

±
±

4-

±

±

±


±

C

a.

19-7-29

4-4-

4-

±

?

}

-j

C.

b.

i9-7-\'29

4-

±

?

H

C

c.

i9-7-\'29

4-4-

4-

Resultaten met geïnfecteerde en gezonde cavia\'s. Cavia 85, 114 en 993 geïn-
fecteerd. Bloed tryp. 4- in C. 85, tryp. 4- in C. 114 en 993. Cavia a—c gezonde
cavia\'s.

De resultaten met cavia\'s waren beter dan met runderen. Er was
wel een duidelijk verschil aanwezig, echter was dit niet voldoende
groot, om aan de reactie een bijzondere diagnostische waarde toe
te kennen.

Utrecht, Aug. 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Brauchbarkeit der Sublimatreaktion, mit der Bennett und Kenny (1928)
sehr gute Resultate bei der Untersuchung von Kamelen auf Infektionen mit
Tryp. soudanense erhalten hatten, wurde für die Surradiagnose bei Rindern unter-
sucht an einem mit Surra infizierten Rind und 20 gesunden Kindern des Schlachtho-
fes Utrecht.

Es wurde kein Unterschied zwischen den gesunden Rindern und dem infizierten
Rind gefunden (vergl. Tabelle I).

Bei Meerschweinchen waren die Resultate besser, doch waren die Differenzen
zwischen infizierten und gesunden Meerschweinchen nicht gross (Tabelle II).

SUMMARY.

The author examined the value of the mercuric chloride reaction (with which
Bennett and Kenny (1928) had obtained excellent results when testing camels
for infections with Tryp. soudanese) as a diagnostic agent for surra in cattle.

The test showed no difference between an infected calf and 20 healthy animals.

With guinea-pigs better results were obtained but the difference between infected
and healthy animals was not important.

RÉSUMÉ.

Les résultats favorables obtenus par Bennett et Kenny (1928) dans leurs
recherches sur la présence d\'infections à Tryp. soudanese chez des chameaux
en se servant de la réaction au bichlorure de mercure, ont incité l\'auteur a faire
des recherches pour determiner la valeur de cette réaction comme moyen de diag-
nostic de surra chez les bovins. Un veau infecté de surra et 20 bovins sains ont
servi aux expériences.

Il n\'y avait pas de différence entre le veau infecté et les bovins sains.

L\'auteur a obtenu de meilleurs résultats avec des cobayes, mais la différence
entre les animaux infectés et les animaux sains n\'était pas grande.

-ocr page 1166-

IS BIJ DE GESLACHTE KEURING VAN VETTE KALVEREN
STEEDS EEN NADER ONDERZOEK OP HET VOORKOMEN
VAN BLAASWORMEN WENSCHELIJK ?

door

Dr. C. DE GRAAF,

Zooals bekend, schrijft art. 31 van het Kon. Besluit van 5 Juni
1920, Stbl. 285, voor, dat bij de keuring van runderen de tong,
liet hart, en de uit- en inwendige kauwspieren (de laatste door het
maken van verschillende overlangsche, met de onderkaak even-
wijdig loopende insnijdingen) in het bijzonder op blaaswormen
moeten worden onderzocht.

Practisch blijkt dit onderzoek zich te beperken tot een snede
in het septum van het hart en enkele insnijdingen in de kauw-
spieren. De tong wordt in normale omstandigheden in het geheel
niet ingesneden, alleen uitwendig bekeken en eventueel gepal-
peerd, zoodat dit tongonderzoek, voor wat betreft het opsporen
van blaaswormen, van geen waarde is.

Ofschoon dus het onderzoek op cysticercosis toch al heel opper-
vlakkig geschiedt, men verschillende spieren, als middenrif, mid-
denrifpijler, ondertongspieren, enz. niet in het onderzoek betrekt,
alhoewel meermalen daarin levensvatbare cysticerci zijn aange-
troffen, maakt art. 32 van het zelfde Kon. Besluit nog een be-
perking van het onderzoek mogelijk, waar het aangeeft, dat het
onderzoek, bedoeld in de artikelen 30, letter /, en 31,
met toestem-
ming van den keuringsveearts,
bij vette en nuchtere kalveren ach-
terwege kan blijven.

De wetgever is blijkbaar van meening geweest, dat men bij
nuchtere kalveren zeker en ook bij vette kalveren, in verband
met de melkvoeding, welke deze dieren uitsluitend krijgen, geen
infectie met eieren van de taenia saginata kan verwachten,
zoodat de noodzakelijke insnijdingen daarvoor bij deze categorie
van slachtdieren kunnen worden nagelaten.

Voor zoover mij bekend, wordt dan ook heden in vrijwel alle
keuringsdiensten bedoeld onderzoek nagelaten. Den laatsten tijd
worden nu echter, niet alleen in het buitenland, maar ook in ons
land gevallen medegedeeld van algemeene uitgebreide cysticer-
cosis bij vette kalveren. Herinnerd zij hier aan de 2 gevallen, in
het tijdschrift van
1 Sept. j.1. door Collega Holtz beschreven,
terwijl ik kort geleden in het jaarverslag over 1928 van het abat-
toir te Haarlem vermeld vond, dat aldaar bij een geslacht vet kalf
een levende cysticercus inermis was aangetroffen. Misschien
zijn er nog wel meer van dergelijke vondsten geweest, welke men
niet gepubliceerd heeft.

Als men nu in aanmerking neemt, dat al deze gevallen min of

-ocr page 1167-

meer toevallige bevindingen zijn die, wellicht door hun uitgebreid-
heid niet aan de aandacht zijn ontsnapt, vraagt men zich onwil-
lekeurig af, of ons tegenwoordig onderzoek op cysticercosis bij het
vette kalf zoo moet blijven als het nu is, of dat moet worden voor-
geschreven, dat bij elk vet kalf de kauwspieren en het hart speciaal
op aanwezige blaaswormen moeten worden nagegaan. Men zou
kunnen tegenwerpen, dat op het oogenblik toch alreeds bij elk vet
kalf het hart wordt ingesneden. Men moet daarbij niet uit het
oog verliezen, dat gewoonlijk linker en rechter kamer worden
ingesneden, dus slechts een tweetal insnijdingen (en dan nog zeer
smalle) door het spierweefsel worden aangebracht en het toeval
niet is uit te sluiten, dat juist op deze sneevlakten geen enkele
blaasworm voorkomt, terwijl er op andere plaatsen in de hart-
spier wel eenige aanwezig zijn. Is daarbij tevens een zeer jonge
infectie aanwezig, zoodat men de blaasjes slechts na een nauw-
keurige inspectie kan waarnemen, dan is het m. i. nog zeer goed
mogelijk, dat men eenige eventueel op de beide eerst genoemde
spierinsnij dingen aanwezige cysticerci niet opmerkt, temeer,
daar men tegenwoordig, blijkens de thans geldende voorschriften
in de vleeschkeuringswet, van het standpunt uitgaat, dat cysti-
cercosis bij het vette kalf niet kan voorkomen en men dus geen
bijzondere aandacht daaraan besteedt.

Dat er aan ons tegenwoordig systeem van onderzoek en bestrij-
ding der cysticercosis nog wel eenige fouten kleven, blijke wel
hieruit, dat men in Duitschland nu al sedert ruim 25 jaren regel-
matig alle vleesch van slachtdieren met cysticercosis slechts na
een bepaalde bewerking (3 weken afkoeling, zouten, bevriezen of
steriliseeren) in consumptie geeft en dat desalniettemin het aantal
menschen, behept met taeniasis, niet afneemt. Blijkbaar wordt
nog niet alle vleesch met blaaswormen achterhaald, daarbij aan-
nemende, dat de ontwikkelingscyclus mensch—rund — mensch
voor deze parasiet de eenige mogelijke is.

Eensdeels kan dit zijn oorzaak hierin vinden, dat het onder-
zoek, ook al wordt het geheel volgens de voorschriften uitgevoerd,
nooit absolute zekerheid geeft, dat een slachtdier geen drager van
blaaswormen is, anderdeels kan het wellicht een fout zijn, dat niet
de vette kalveren steeds aan dit onderzoek zijn onderworpen
geworden. Temeer is dit van belang, daar men bij deze slachtdieren
bovendien nog met het feit rekening moet houden, dat juist bij
deze dieren het vleesch dikwijls onvoldoende toebereid wordt ge-
nuttigd en dus zoodoende eventueel aanwezige niet ontdekte blaas-
wormen toch nog hun schadelijke werking kunnen uitoefenen.

Hierbij komt nu ook nog het feit, door van Santen waarge-
nomen, dat een koeling van 3 weken geenszins voldoende is om alle
cysticerci in het vleesch te doen afsterven en juist deze bewer-
kingswijze heeft men vrijwel overal toegepast, alvorens het vleesch

-ocr page 1168-

in consumptie te brengen. Mocht inderdaad uit herhaalde proef-
nemingen blijken, dat de waarnemingen van
van Santen juist
zijn, dan kan men deze foutieve factor in het bestrijdingssysteem
gemakkelijk uitschakelen door de koeling langer te nemen, des-
gewenscht geheel te verbieden en door een der andere bewer-
kingswijzen te vervangen.

Zeker staat echter, dat bij vette kalveren cysticerci kunnen voor-
komen.
Mijns inziens is men daarom niet verantwoord, als men niet
naar het aanwezig zijn van een zoodanige infectie bij deze dieren
tijdens de geslachte keuring een onderzoek instelt. Een of twee
insnijdingen door het septum van het hart, alsmede een insnijding
van de uit- en inwendige kauwspieren zullen zonder twijfel ver-
scheidene gevallen aan het licht doen komen. De meerdere arbeid,
welke dit van den keuringsambtenaar zou vergen, is zeer gering,
terwijl het geslachte vette kalf door dit onderzoek geen noemens-
waardige waardevermindering ondergaat.

ZUSAMMENFASSUNG.

In letzter Zeit werden in Holland sowie im Ausland Fälle von Cysticercosis
bei sogenannten fetten Kälbern beschrieben.

Infolgedessen ist Verfasser der Meinung dass alle fetten Kälber, durch die be-
kannten Einschneidungen in die Kaumuskeln und das Herz, auf die Anwesenheit
von diesen Parasiten zu untersuchen sind und dass die bestehenden Fleischbe-
schau-Vorschriften, nach denen die Untersuchung auf Cysticercosis bei fetten
Kälbern unterlassen werden kann, dementsprechend geändert werden müssen.

SUMMARY.

Lately in Holland as well as in other countries cases of cysticercosis in so-called
fat calves are described.

In connection herewith the author thinks it necessary that all fat calves should
be examined for the presence of these parasites by means of the well-known incis-
ions into the masseter and into the heart, and that the inspection-instructions
according to which fat calves are set free from this examination, should be altered
accordingly.

RÉSUMÉ.

On a rapporto en ces derniers temps en Holiande et ä 1\'étranger plusieurs cas
de Cysticercose chez les veaux gras. L\'auteur en conclut qu\'on devra recherclier
ces parasites chez tous les veaux gras au moyen d\'incisions dans les masseters et
le myocarde et de modifier conformément les prescriptions d\'inspection actuelles
d\'après lesquelles la recherche chez les veaux gras n\'est pas obligatoire.

-ocr page 1169-

HET TOEZICHT OP GESTERILISEERDE VLEESCHCONSERVEN,

DOOR

C. J. A. KERSTENS.

Het toezicht op vleeschwaren is in hoofdzaak repressief. Welis-
waar kan men tendeele ook preventieven invloed uitoefenen door
controle op winkels, werkplaatsen en voorraden, op de fabricage
zelf echter is weinig controle, zoodat de beoordeeling van het
product grootendeels is overgelaten aan den consument en voor
een klein deel aan den warenkeuringsdienst en den vleeschkeurings-
dienst.

Terecht breekt van Santen (5) in ons tijdschrift een lans voor
de invoerkeuring van vleeschwaren. Daardoor wordt het toezicht
meer preventief, in hoofdzaak echter ten aanzien van de deugde-
lijkheid der in te voeren vleeschwaren, en indien een plaatselijke
samenwerking met de warenkeuringsdienst mogelijk is, ook ten
aanzien van verschillende eischen van het K.B. van 20 Juni 1924,

s. 315-

Toch kan men zelfs door een invoerkeuring niet alle „ondeug-
delijke" vleeschwaren weren. De in bussen geconserveerde vleesch-
waren vormen hier een struikelblok. De invoerkeuring zoo te or-
ganiseeren, dat men zonder bezwaar de busconserven kan vrij-
geven en merken is bij een belangrijken invoer een lastig probleem.
Van Santen vermeldt reeds, dat te Nijmegen de busjes leverpastei
voor handverkoop van de keuring zijn vrijgesteld. Toch kan men
deze evenmin vrijlaten als de andere busconserven. Men dient
ook in het oog te houden, dat deze blikartikelen in meer of mindere
mate een luxevoedingsmiddel, een delicatesse zijn, en daarnaar
betaald worden, en dat het publiek wat betreft de deugdelijkheid,
er een groot vertrouwen in heeft. Toch kan dit vertrouwen maar
al te zeer misplaatst zijn.

Bij mij werd onlangs een busje leverpastei bezorgd, waarvan
werd medegedeeld, dat bij openen de inhoud tegen het plafond
spoot en een weerzinwekkendcn stank verspreidde. De nog over-
gebleven massa deed dit inderdaad. Bij informatie bij den grossier,
bleek dat dit busje nog afkomstig was van een partij, waarvan
het restant naar den fabrikant was teruggezonden omdat men
reeds verscheidene klachten had gehad. Uit de nog aanwezige
pastei werden in het Centraal Laboratorium sporenhoudende
bacillen gekweekt.

Ter vervanging van de teruggezonden partij had de grossier een
nieuwe zending ontvangen. Hiervan hield ik 14 busjes te mijner
beschikking. Een werd na enkele dagen in de broedstoof te zijn
geplaatst geopend. Het was toen aan beide zijden gebombeerd
en bij het maken van een kleine opening spoot een dunne brijachtige

-ocr page 1170-

inhoud vermengd met een stinkend gas naar buiten. Een ander
busje werd na een verblijf in de broedstoof en bombage naar het
Centraal laboratorium gestuurd. Ook hieruit werden bacteriën
gekweekt, welke grootendeels anaëroob en sporenhoudend waren.

De twaalf overige busjes werden gedurende enkele dagen in de
broedstoof geplaatst en geobserveerd. Van die twaalf waren er
enkele reeds in geringe mate gebombeerd, andere hadden een
positieve schudproef : bij schudden hoorde men een min of meer
sterk klotsend geluid, als was de inhoud vloeibaar. Verschillende
waren uitwendig normaal, deksel en bodem waren behoorlijk
concaaf en bij schudden hoorde men niets. De begintoestand
was dus bij alle busjes niet hetzelfde, zoodat wanneer ze eenigs-
zins „deskundig "waren gesorteerd en in 2 partijen werden inge-
voerd, de beoordeeling der beide partijen verschillend zou kunnen
zijn. Het eindresultaat na in de broedstoof plaatsen was echter
voor alle busjes hetzelfde, zooals uit onderstaand staatje is te zien.

Uit het staatje blijkt dus, dat men uit het niet gebombeerd
zijn van het busje niet de gevoltrekking mag maken, dat het beter
zou zijn dan het gebombeerde van dezelfde partij. Verder, dat
men bij conserven van de consistentie van leverpastei niet zoo
heel veel aan de schudproef heeft. Het schijnt ook van belang
of er kort tevoren ook met het busje is geschud, daarenboven kan
door eenigen tijd verblijf in de broedstoof het vet na afkoelen
een dergelijke positie hebben ingenomen, dat het de schudproef
beïnvloedt. De schudproef uitvoeren bij nog warme busjes heeft
geen waarde.

Het bovenstaande toont aan, dat er aan de controle op de be-
reiding van vleeschwaren nog wel het een en ander ontbreekt.
De moeilijkheid is ook dat men niet zoo gemakkelijk dergelijke
ondeugdelijke conserven kan weren, tenminste als men geen
invoerkeuring van vleeschwaren heeft. Bestaat deze, dan kan
men elke zending enkele dagen vast houden en een aantal bussen
in de broedstoof plaatsen.

Rationeeler is het, om aan de fabricage en aan de houdbaar-
heid van het product bepaalde eischen te stellen. Thans kan men
krachtens de vleeschkeuringswet niet of uiterst lastig de slechte
conserven evacueeren. De vleeschkeuringsdienst mag alleen on-
deugdelijke vleeschwaren in beslag nemen. Men weet echter niet
of ze ondeugdelijk zijn, en monsters nemen om dit na verloop van
eenige dagen eens uit te maken, behoort niet tot de bevoegdheden
van den vleeschkeuringsdienst. Bovendien zijn ze in het ongunstige
geval na het onderzoek ondeugdelijk geworden en waren ze mis-
schien voor het onderzoek slechts „niet houdbaar". Ook voor den
winkelier is deze aangelegenheid van belang, want busjes als
boven beschreven zullen in een winkeletalage al spoedig ondeug-
delijk worden.

-ocr page 1171-

No.

29/8
nu.
22° C.

29/8
16 u.
37° C.

30/8
8A u.
37° C.

30/8
16 u.
37° C.

31/8
10 u.

37° C.

2 Sept. !
9 u.

210 C.

1.

iets
fluct.

schudpr.

t daarna gecontroleerd om 16 uur.

als voren 2 x bol

2 x bol

als voren

4->

0
N
<U
b£)

u
p

1
u

2 x bol
vloeibaar

•0

3

0

23
C

O)
T3

-i->
tU
"O

M

3

1-

•o
c

d

0
13

d

JE

CJ
C

2.

idem

••

i X bol

-

2 x bol

schudpr.

3-

idem

2 x bol

■ ■

idem

4-

normaal

2 x bol

idem

5-

normaal

iets
i x bol

2 x bol
vloeibaar

6.

iets
fluct.
schudpr.

4-

-4-»

oj

Cl,
0

tu>

O

0
r^

ö
0

tn

•0

&>

0

iets
i x bol

0)
a

a

0

tJ

4)
6
cd

W

\'S

cn
0
üT

£

£

2 x bol

schudpr.

opnieuw schudden gaven b
vloeibaar was.

7-

normaal

1t

iets
i x bol

idem

8.

iets
fluct.

2 x bol

i> tl

2 x bol
vloeibaar

9-

iets j x

bol
schudpr.

4-

0
•3

C

<r>
0

»

2 x bol

d

E
%

Q

idem

d
tu

tn

V

V

3
•O

10.

idem

3

•O

<D

13

Lh

3
3

N

s

0

••

2 x bol

2 x bol

schudpr.

Na omkeeren van de

11.

idem

iets

i x bol ,, ,,

idem

12.

normaal

••

2 x bol

idem

Verklaring van enkele gebruikte uitdrukkingen :
iets fluct. : dat bodem of deksel iets meegeeft bij druk en terugveert,
t x bol : eenzijdig gebombeerd.
2 x bol : bodem en deksel gebombeerd,
schudpr. 4- : iets klotsend geluid bij schudden,
vloeibaar : sterk klotsend geluid bij schudden.

37° C. : beteekent dat de busjes in de broedstoof zijn. De andere tempera-

turen duiden op kamertemperatuur. Deuren zij in 24 uur tijdreke-
ning opgegeven.

Dat enkele dagen in de broedstoof plaatsen geen strenge eisch
is, blijkt uit de eischen welke in oorlogstijd gesteld werden aan
de vleeschconserven welke voor de „Zentral Einkaufgesellschaft"

-ocr page 1172-

werden vervaardigd, toen het teveel aan varkens tenopzichte
van de voedermiddelen, afslachten noodzakelijk maakte (3).
Daar eischte men 36 uur verblijf in de broedruimte voor alle
busjes, terwijl het Internationaal Congres voor Hygiëne en Demo-
graphie in 1903 te Brussel reeds eischte, dat na 8 dagen bewaren
bij 38° C. geen veranderingen optraden (4). Ook
Frenkel (i)
stelt een dergelijke eisch bij de beoordeeling van blikconserven ;
hij raadt aan ze 4 dagen bij 40° C. te plaatsen, waarna geen bom-
bage mag optreden. Verder blijkt uit de „Fleischwarenprüfung"
der D. L. G. waarbij de conserven aan een tropische zeereis werden
onderworpen (2), dat de busconserven ook in de practijk een be-
trekkelijk hooge temperatuur zonder bezwaar moeten kunnen
verdragen. De Duitsche vleeschwarenfabrikanten zien dus ook
het belang in van een goede bewerking en sterilisatie. Dat er hier
te lande nog wel een en ander aan ontbreekt blijkt uit het boven-
staande (er zijn echter ook fabricaten welke de proef goed door-
staan) en ook uit de beantwoording van een vraag in de „Vee-
en Vleeschhandel", (6) waar het perforeeren en luchtaflaten uit
de bussen wordt aangeraden door middel van een spijker. Dit
typeert wel de eenigzins primitieve opvattingen in sommige
kringen van het conservenbedrijf.

Het lijkt mij gewenscht eens onder oogen te zien, in hoeverre
in het bestaande wettelijke systeem voorschriften zijn aan te
brengen, die bepaalde eischen zullen stellen aan de fabricage van
gesteriliseerde vleeschconserven en garantie zullen geven omtrent
de houdbaarheid daarvan. Het kan zijn, dat er voor gemengde
conserven, b.v. met aardappelen en groenten bezwaren aan hooge
of langdurige sterilisatie zijn verbonden ; men zou daaromtrent
kunnen informeeren naar de ervaringen van de warenkeurings-
diensten en de groentenconservenfabrieken. Voor vleeschwaren
behoeft dit bezwaar niet te bestaan ; het aangehaalde werk van
Kallert & Standfusz (3), dat zeer interessante mededeelingen
bevat over de vleeschconservenfabricage, bewijst het. Verder
lijkt het mij gewenscht, dat bij de invoerkeuring van vleesch-
waren steeds monsters uit een partij busconserven worden ge-
nomen ter plaatsing in de broedstoof en dat de beoordeeling van
de partij pas zal plaats vinden na afloop van deze proef.

literatuur.

1. H. S. Frenkel. Verslag 1926 Veterinaire afdeeling Centraal laboratorium

.Verslagen en Mededeelingen betreffende Volksgezondheid. 1927. Pg. 1215.

2. J. H. Hoffmann. Die Fleischdauerwarenpriifung der D. l. G. im Jalire 1925.

Deutsche Slachthofzeitung. 1926. Pg. 225, 238 en 350.

3. f. Kallert u. R. Standfusz. Über die Verarbeitung von Schweinen zu halt-

baren Fleischwaren mit besonderer Beriicksichtigung der Konservierung

in Dosen. Abhandelungen zur Volksernahrung. Heft 4.
4
Ostertag, Fleischbeschau 7 u. 8 Aufl. II Band. Pg. 967.

5. v. Santen. Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Deel 56. Afl. 1.

6. Vee- en Vleeschhandel, 14e Jaargang, No. 33. Vraagbaak.

-ocr page 1173-

— ii44 ~

HAEMOGLOBINURIE, PIROPLASMOSE EN HALISTERESIS,

DOOR

B. JONKER.

Ziehier nog een arbeidsveld, de moeite waard te bewerken en
waarvoor in de eerste plaats de medewerking wordt gevraagd
van alle dierenartsen zegt Prof.
de Blieck in zijn rede : „Piro-
plasmosen-onderzoek in Nederland en zijne Koloniën", uitgesproken
op 31 Januari 1916 bij de aanvaarding van zijn ambt.

Ik hoop met het onderstaande een klein steentje te kunnen
bijdragen in dit onderzoek.

Toen ik in den zomer van T920 de praktijk in Borger begon,
kreeg ik al gauw te maken met twee ziekten bij runderen, die ik
tot dien tijd nog niet eerder had gezien, nl. de lekzucht en de
,,wee", zooals de veehouders in mijn omgeving piroplasmose
noemen.

Vooral in de eerste jaren van mijn praktijk werd ik nog al eens
geroepen bij een patiënt met z.g. wee en wel speciaal in den zomer.
Dergelijke patiënten waren bij mijn aankomst vaak naar de boer-
derij gebracht, daar ze erg ziek waren.

De dieren hadden een hooge temperatuur somtijds, waren vaak
suf en slap, met zeer geringe eetlust, het haarkleed was dor, de
melkgift sterk verminderd en een voor den eigenaar erg opvallend
symptoom was bloedwateren, eerst lichtrood, later donkerrood.

Bij navraag bleek dan vaak, dat er in dezelfde weide meer dieren
waren met ongeveer dezelfde verschijnselen, die echter niet zoo
hevig waren en die volgens de eigenaars na verweiden als regel
wel weer verdwenen.

Bij een dergelijke anamnese wordt in de eerste plaats gedacht
aan Piroplasmose, welke meening wordt gesteund door de tot
op heden bestaande literatuur over haemoglobinurie bij runderen,
want dat bloedwateren is wel een van de meest op den voorgrond
tredende symptomen.

In het Kompendium der Spec. pathologie van E. Fröhner is
over haemoglobinurie van het rund o.a. het volgende te lezen :

,,Im Gegensatz zum Pferd tritt die Haemoglobinurie beim
Rinde gewöhnlich als seuchenhafte Haemoglobinurie, mithin als
Infektionskrankheit auf. Ihre Ursachen sind protozoische Blut-
parasieten.

Die Haemoglobinurie des Rindes ist mithin als Piroplasmose
zu bezeichnen en verder :

Später (na het ontdekken der Texaskoorts, B. J.) wurde das
sog. Blutharnen der Rindern
in Europa als Piroplasmose erkannt."

Ook bij het naslaan van het werk van Prof. de Jong : niet

-ocr page 1174-

bacteriëele parasitaire ziekten, moet men den indruk krijgen
dat Piroplasmose en runderhaemoglobinurie identiek zijn.

Dr. Vrijburg schrijft hier nl. :

,,In Nederland komt de runderhaemoglobinurie (waarmee
bedoeld wordt Piroplasmose, B. J.) in verschillende streken voor."

Hutyra en Marek zeggen in het hoofdstuk over Blutharnen-
Haematuria o. a. :

,,Das sog. Blutharnen oder Weiderot der Rinder ist eine durch
Piroplasmen erzeugte Haemoglobinurie, en iets verder :

Seuchenhafte Erkrankungen lassen übrigens schon an und für
sich Piroplasmose vermuten.

Ook in de verslagen van het Veeartsenijkundig Staatstoezicht
tot 1926 leest men niet anders dan over infectieus bloedwateren.

Het is dus geen wonder dat practiseerende dierenartsen een
patiënt met bovenvermelde verschijnselen, vooral daar er vaak
eenige tegelijk zijn, al is het dan ook met minder hevige ver-
schijnselen, beschouwen als te zijn lijdende aan Piroplasmose.

Ook ik behandelde ze in de eerste jaren als zoodanig en had
dan ook met opstallen, een trypaanblauw-injectie en melkdieet
(dit door de veehouders zelf ook graag toegepast) nog al eens suc-
ces, hoewel er ook eenige patiënten, die erg ziek waren, stierven.

Zoo langzamerhand begon ik er echter aan te twijfelen of dit
bloedwateren bij runderen in mijn praktijk wel Piroplasmose is,
daar het aantal sterfgevallen betrekkelijk gering is, de verschijn-
selen over het algemeen niet zoo hevig zijn en vooral
daar ik nooit
teken te zien kreeg.

Uit vond ik op den duur een waarneming van groot belang,
daar toch
Theobald Smith in 1893 zijn bevindingen over Texas-
koorts te boek stelde en na enkele jaren van ernstig werken de
teek als oorzaak van deze ziekte wist aan te merken, zoodat hij
een afdoende bestrijdingswijze kon aangeven, waardoor deze
ziekte in Amerika haar verschrikking verloren heeft.

Eenige ervaren veefokkers hadden vóór hem al beweerd, dat
de Texas-koorts door niets anders werd veroorzaakt dan door
een insekt, dat op het vee leefde en zijn bloed opzoog.

De dierenartsen wilden hier toen niets van weten, nl. öf de faeces
öf het speeksel brachten de ziekte over.

In 1889 werden zeven magere maar volkomen gezonde koeien
ontscheept van een kleine boot uit Noord-Carolina, het hartje
van de streek waar de Texas-koorts toen woedde en waarheen geen
vee uit het Noorden kon worden overgebracht, zonder dat dit
besmet werd.

Deze zeven koeien bleken alle vol te zitten met teken, ver-
scheiden duizenden van die parasieten, groote en kleine, sommige
zoo nietig, dat men een vergrootglas noodig had om ze te zien,
maar ook prachtig ontwikkelde wijfjes-teken van meer dan een
centimeter lengte, volgezogen met het bloed van de gastvrouwen.

-ocr page 1175-

Op deze manier heeft Theobald Smith door verschillende
proeven op eenvoudige wijze bewezen, dat de teek de overbrenger
van de parasiet van de Texas-koorts is.

Ook Prof. de Blieck zegt in zijn rede o.a. : „West-Java is door
zijn vochtig klimaat het land der teken en vooral om Batavia,
wordt men getroffen door het groote aantal magere halfbloed
Europeesche en Australische runderen en het enorme aantal
teken, dat zich op die dieren bevindt.

Het zijn die dieren, die door de Does ook onderzocht zijn en
waarbij het gelukte na overenting van hun bloed op Australische
runderen
B. bigemina, Anaplasma marginale en P. mutans met
zekerheid te determineeren."

Dr. Vrijburg zegt o.a. in Protozoaire ziekten : „Het aantal
teken dat op de huid van een rund parasiteert bedraagt dikwijls
vele duizenden. In ons land komen de teken in den regel niet in
zoo groot aantal op runderen voor."

In het verslag van het Veeartsenij kundig Staatstoezicht over
het jaar 1917 lees ik over infecteius bloedwateren o. a. :

De veearts te Midwolda schrijft het volgende : Piroplasmose
komt in deze omgeving speciaal bij de in het Midwolder bosch
geweide runderen voor ; de eigenaren van deze runderen brengen
de dieren als kalf in het bosch ; de dieren krijgen dan de ziekte
in lichten graad en zijn later immun.

Dezen zomer kregen ook de kalveren weer „de wee", maar tenge-
volge van de schaarschte van het gras konden de dieren de ziekte
niet doorstaan en zijn er een achttal gestorven. De koeien in dit
bosch geweid
zitten onder de teken (cursiveering van mij).

Behalve dat ik bij patiënten lijdende aan haemoglobinurie in
mijn praktijk nooit teken heb gevonden (veehouders heb ik hier-
over ook nooit hooren spreken), komt dit bloedwateren bij run-
deren vooral voor op de
lage weilanden langs den stroom, die
kaal zijn, zonder bosschen of hakhout, terwijl Piroplasmose alleen
daar voorkomt waar de teken de noodige bronnen vinden voor hun
bestaan, d. i. vooral in niet te droge boschrijke streken, dus vooral
op laaggelegen weiden, bij bosschen gelegen of van met hakhout
begroeide slootkanten voorzien, dus hoofdzakelijk op schrale
zandgronden.

Buitendien viel het bloedonderzoek dat ik een enkele keer ver-
richt heb negatief uit, maar daar in het periphere bloed het aantal
parasieten vaak niet groot is, heb ik dit voorloopig buiten be-
schouwing gelaten.

Zoo langzamerhand kwam ik dus tot de conclusie dat het bloed-
wateren van runderen, dat ik oorspronkelijk beschouwd had als
Piroplasmose met deze ziekte zeer vermoedelijk niet veel te maken
had en trachtte ik dan uit te maken waarmee we hier dan wel te
doen hebben.

-ocr page 1176-

Dat bloedwateren heeft hier al zeer langen tijd bestaan. Een
oude boer op Buinerveen deelde mij mede, dat een vroeger daar
praktiseerende veearts (vermoedelijk een empirist) beweerde dat
liet roodwateren der runderen veel voorkwam op z.g. roodolmige
gronden, waarop men veel „zeg" aantreft.

Toen mij wat hooi getoond werd, bleek mij echter dat hij onder
,,zeg" geen Carex verstond, maar een gras dat zeer hard is, slecht
te maaien, boven de andere grassen uitsteekt in de weide en veel
zaad geeft.

Ik kreeg den indruk met Aira-boendergras te doen te hebben.

Ook Piroplasmose werd voor de ontdekking der parasieten aan
allerlei oorzaken toegeschreven, meestal aan planten, die door
een prikkelende werking op de nieren de ziekte zouden veroor-
zaken.

Ook de boeren in mijn omgeving geven meestal als oorzaak
van deze z.g. „wee" een vergiftige plant aan, die zij verder niet
kennen.

Heel vaak heb ik gezocht naar bizondere planten in deze weiden,
die ik echter nooit heb kunnen ontdekken.

De opmerking van de veehouders dat deze wee vooral op rood-
olmige gronden voorkomt en wel heel vaak op etgroen (naweide)
begon op den duur een beteekenis voor mij te krijgen.

In het begin heb ik al opgemerkt, dat het mij buitengewoon
opviel, dat in mijn praktijk en zooals mij zoo langzamerhand
duidelijk werd vooral op veenachtige gronden twee ziekten voor-
komen, die ik in de kleistreken nooit waargenomen heb en dat
zijn lekzucht en bloedwateren.

De lekzucht (door de veehouders wel schotelziekte genoemd)
lijkt mij zoo langzamerhand wel verklaard, vooral nu in de laatste
jaren de beteekenis van de mineralen voor het leven zooveel dui-
delijker is geworden.

Ik herinner mij nog heel best den eersten indruk, die deze pa-
tiënten op mij maakten : zeer magere dieren met vastliggende
huid en dor baarkleed, traag in hun bewegingen, liefst aan de
slootkant scherpe harde grassen plukkende of heidestruiken, die
nog sporadisch in deze weiden voorkwamen, met trage pens-
bewegingen zonder verder veel klinische afwijkingen te vertoonen.
In het begin wist ik niet waarmee ik te maken had ; al heel gauw
begreep ik, dat ik in deze gevallen tuberculose kon uitsluiten
en met lekzucht te doen had. Te genezen waren ze echter in een ver
stadium moeilijk, daar ze buitengewoon slecht aten. Bekend was
het wel, dat als deze dieren niet in een al te ver stadium waren,
ze nog konden herstellen op betere weiden, b.v. op klaverweiden
in de veenkoloniën.

In Januari 1927 ried ik voor het eerst aan een veehouder aan
eens goed klaverhooi aan te schaffen voor een dergelijke patiënt,
die hij als tuberculeus beschouwde.

-ocr page 1177-

Het dier was erg mager, at en herkauwde heel slecht en gaf
zeer weinig melk en vertoonde verder de verschijnselen, die bij
lekzucht behooren. Het was in den handel niet meer waard dan

/ 25.-.

Er werd klaverhooi gekocht en toen hier eenigen tijd van ge-
voerd was, was het dier weer gezond. In de eerste dagen wilde het
dat hooi slecht eten, maar dit werd na een week veel beter en toen
begon het ook weer het eigen voedsel te gebruiken, zoodat het
aan het einde van den staltijd in goede conditie verkocht werd
voor / 220.—■.

Daar deze gronden van nature arm zijn, vooral arm aan kalk,
ging ik er toe over te adviseeren klaverhooi te voederen, daar dit
bekend staat rijk aan kalk te zijn. Daar de andere minerale be-
standdeelen in den regel in normale voedermiddelen in voldoende
hoeveelheid aanwezig zijn, meen ik te mogen aannemen dat kalk
hier een gunstige invloed heeft uitgeoefend, vooral ook daar granen,
stroo van granen, slecht hooi, aardappels en mangels, waarmee
de dieren in deze veenstreken op stal veel gevoerd worden, arm
aan kalk zijn.

Hiervoor pleit ook nog dunkt me het volgende : Het valt mij
op dat in mijn parktijk de lekzucht in den laatsten tijd veel minder
wordt waargenomen dan omstreeks 1920.

Bij navraag is mij gebleken, dat over het algemeen \'s winters
meer krachtvoer wordt gegeven (lijnkoek en sesamkoek) bij de
kalkarme voedermiddelen uit deze streken en dat ook \'s zomers
geregelder een stuk koek wordt bijgevoerd.

Verder bemest men de laatste jaren de groenlanden meer met
slakkenmeel en stikstof (vroeger alleen met kainiet).

Zeer merkwaardig vond ik het zoo langzamerhand dat bloed-
wateren van het rundvee veel voorkomt in dezelfde buurt waar
ook nog al vaak lekzucht werd waargenomen, zoodat op den duur
de idee bij mij opkwam ook ten opzichte van bloedwateren wel
eens met een
bodemziekte te doen te kunnen hebben.

In verband met de prophylaxe, de therapie en vooral ook uit
wetenschappelijk oogpunt is dit van belang.

De veehouders vragen er trouwens niet zoo heel vaak dierge-
neeskundige hulp voor, daar met op tijd verweiden de zaak vaak
weer in orde is. Dit wijst ook niet in de richting van Piroplasmcn.

Zoo begon ik op den duur meer gegevens te verzamelen en hoorde
van een landbouwer uit Bronneger, dat, zoolang hij daar woont
(op het oogenblik ongeveer 12 jaar), hij
ieder jaar te maken heeft
met bloedwateren in een stuk land liggende in het z.g. „moeras".
Ook andere landbouwers, die daar vee weiden hebben gevallen.

Deze veehouder heeft er den geheelen zomer mee te doen, ±
To dagen nadat de dieren van stal komen, maar het meest in de
naweide. Een van de eerste verschijnselen is bloedwateren ; eerst

-ocr page 1178-

lichtrood, later donkerrood. Hij vindt het van groot bdang de
dieren voor het einde van deze 10 dagen te verweiden. Hebben
zij de ziekte dan duurt het ongeveer een week voordat de urine
op het oog weer normaal is. Zijn meening is, dat, als ze in hetzelfde
weiland blijven loopen, er veel zullen sterven (zij bloeden leeg).

Alleen melkkoeien en vooral de goede hebben er last van in dit
weiland zegt deze eigenaar. Vaarzen krijgen het niet, evenmin
als
pinken, maar deze willen in dit land niet groeien.

Hij heeft er wel eens met den eigenaar, die vroeger op dezelfde
boerderij woonde, over gesproken, maar deze had er nooit hinder
van. Toen werden in dat land echter ook geen melkkoeien gebracht,
daar deze wel voldoende weiland bij de boerderij hadden op
hoogere gronden.

Op navraag of er ook ijzeroer in deze weide voorkwam, hoorde
ik dat hiervan niets bekend was. (Ijzeroer wordt in deze weiden
nl. nog al eens aangetroffen en daarom heb ik wel eens aan de
mogelijkheid gedacht of een groote hoeveelheid ijzerzouten mis-
schien een nierontsteking zou kunnen veroorzaken).

Zoo kwam ik op den duur tot de overweging of het tekort aan
kalk van deze gronden, waar de jonge dieren ook onvoldoende
groeien, de oorzaak zou kunnen zijn van de nierafwijking bij beste
melkkoeien, die t. o. v. de kalkstofwisseling toch al in labiele
toestand verkeeren.

Bij voorjaarsziekte ziet men ook verschillende bloedingen op-
treden. Bij sectie van deze patiënten valt mij nl. vooral op, dat
er veel bloedingen in de hartspier aanwezig zijn.

(Onder het schrijven van dit artikel lees ik juist in dit Tijd-
schrift, afl. 16, 56e deel, in een artikel van collega
Reisinger, dat
bij een van het laatst door hem behandelde gevallen van kop-
ziekte
haemoglobinurie geconstateerd is).

In verband met de belangrijke rol die kalk in het organisme
speelt, zou ik mij voor kunnen stellen, dat bij gebrek aan kalk
dc nieren bloed of bloedkleurstof door zouden kunnen laten bij
mijn haemoglobinurie-patiënten, daar kalkonttrekking schadelijk
op de cellen werkt..

Uit een nader gesprek met eerder bedoelden veehouder bleek
mij, dat in zijn wei\'and ook de droogstaande drachtige koeien de
wee niet krijgen. Dat weiland is een land voor droge koeien zegt hij.

Verder komt dit bloedwateren den geheelen zomer door voor.
De toestand is dus zoo :

De koeien gaan van de stal naar de weide. Ongeveer 10 dagen
later moeten zij er vandaan, daar zij dan
diarrhee krijgen, minder
melk geven en bloed beginnen te wateren. Als zij er 14 dagen loo-
pen, wateren alle melkkoeien bloed. Zij worden echter eerder
weggehaald, komen 5—7 dagen in een ander stuk weiland bij de
boederij op hoogere gronden en als de urine weer helder is gaan ze

LVI 78

-ocr page 1179-

weer naar het overige stuk, waar de zaak zich op dezelfde
manier herhaalt.

Dit gaat den geheelen zomer door; deze landbouwer moet
dus voortdurend met zijn koeien heen en weer trekken om scha-
delijke gevolgen te voorkomen. Vooral om deze redenen heeft hij
er kort geleden een nieuw stuk weiland bij gekocht.

Ook anderen, die weiland in die buurt hebben moeten met het
vee op en neer trekken.

Bij navraag blijkt dat het eerste verschijnsel dat het meest
opvalt is de diarrhee. De ontlasting is erg dun en wordt a. h. w.
uitgespoten. Door het slaan met de staart zien de dieren er zeer
onoogelijk uit. Van persen op de ontlasting, koliek of bloed in de
ontlasting wordt nooit iets bespeurd (in tegenstelling met Piro-
plasmose waarbij in den regel van het begin af verstopping wordt
waargenomen en ook ziet men soms koliek verschijnselen en tenes-
mus).

Tijdens het urineeren staan de dieren veel met kromme rug
en de slijmvliezen van oog en vulva worden erg wit zegt deze vee-
houder uit eigen beweging.

Om dit bloedwateren nader te bestudeeren zou men de dieren
er langer kunnen laten loopen om het verloop en alle optredende
afwijkingen te bestudeeren.

Bij sterfgevallen zou vooral te letten zijn op lever- en miltaf-
wijkingen in vergelijking met Piroplasmose.

Verder zou men de nieren aan een nauwkeurig pathol. anato-
misch onderzoek kunnen onderwerpen om de juiste aard van het
nierlijden vast te stellen.

Natuurlijk wordt het urine-onderzoek en het onderzoek van
het bloed op het kalkgehalte (ook na het verdwijnen der klinische
verschijnselen) niet vergeten.

Dat deze haemoglobinurie der runderen op de lage veenachtige
weiden in mijn praktijk geen Piroplasmose is, waarvoor ik dit in
het begin wel gehouden heb en waarvoor deze patiënten ook be-
handeld werden, is na alles wat ik hiervan vermeld heb, dunkt
mij duidelijk en wel vooral daar :

i°. de symptomen anders zijn ; 2°. de mortaliteit geringer is :
30. geen immuniteit optreedt ; 40. telkens recidieve optreedt in
hetzelfde weiland ; 50. het vooral voorkomt bij de beste melk-
koeien ; 6°. het veel voorkomt op naweide, vooral als het flink
geregend heeft en het gras in deze naweide weelderig is ; 70. het
verweiden herstel geeft (in deze buurt naar hoogere zandgronden).

Aan plantenvergiftiging behoeft eigenlijk niet gedacht te worden,
daar :

a. hoofdzakelijk goede melkkoeien de ziekte krijgen ;

b. de ziekte het meest voorkomt op de naweide;

-ocr page 1180-

c. de telkens optredende recidieve hier ook slecht te verklaren
zou zijn ;

d. ik op deze weide nooit een plant gevonden heb, die de ziekte
zou kunnen verklaren.

De veehouders hebben betrekkelijk gelijk, als men onder ver-
giftig zijn in dit geval niet wil verstaan het aanwezig zijn van spe-
ciale giftige bestanddeelen, maar een tekort aan voor het lichaam
noodzakelijke bestanddeelen.

Hun inzichten zijn dus ten opzichte van het ontstaan niet
zoover bezijden de waarheid evenmin als dat bij de Texas-koorts
het geval was.

Een bacteriëele aandoening kan ook wel uitgesloten worden om
de redenen sub
a, b en c hierboven genoemd.

Door kalkgebrek in het weide gras daarentegen lijkt mij deze
runderhaemoglobinurie of wee wel te verklaren. Hierdoor is hst
nl. begrijpelijk, waarom :

i°. de ziekte vooral bij de beste melkkoeien optreedt ;

2°. waarom telkens weer recidieve optreedt in dezelfde weide

bij deze dieren ;
3°. het vooral veel voorkomt op de naweide.

Of in het gras van de naweide minder kalk voorkomt clan in
het eerste gras is mij onbekend. Een feit is echter, dat melkkoeien
in een weelderige naweide vooral in de eerste dagen in de melk-
gift aanwinnen (zij worden weer een dag of vijf „nieuwmelk"),
waardoor nog al een betrekkelijk groote hoeveelheid kalkzouten
aan het lichaam van deze dieren, met labiele toestand van de kalk-
stofwisseling, wordt onttrokken.

Om van Piroplasmose te kunnen spreken, hebben wij noodig
boschweiden of weiden die met bosch en struikgewas omgeven
zijn of wel een weide in duinstreken, verder een teek (in Nederland
tot nu toe alleen de Ixodes reduvius gevonden) en in de derde
plaats de door BABès in 1888 voor het eerst geziene parasiet.

Daar aan deze voorwaarden in mijn praktijk niet voldaan wordt,
de klinische symptomen van de hier optredende haemoglobinurie
anders zijn dan bij Piroplasmose, en geen immuniteit optreedt,
telkens weer recidieve in hetzelfde weiland, het juist veel op na-
weide voorkomt vooral bij veel melk gevende koeien en verweiden
herstel geeft, meen ik dus hier te doen te hebben met een bizondere
tot nu toe niet geïdentificeerde haemoglobinurie bij runderen,
die vermoedelijk op wel meer plaatsen in Nederland en denkelijk
ook wel in het buitenland voorkomt.

Calciumtherapie en kalkbemesting van deze weilanden zullen
kunnen uitmaken of deze inzichten juist zijn en het zou mij niet
verwonderen als melkziekte, kopziekte en deze runderhaemoglo-
binurie in wezen veel overeenkomst met elkaar hebben.

-ocr page 1181-

Naast deze haemoglobinurie zal natuurlijk ook piroplasmose
kunnen voorkomen.

Naschrift.

Schapen kunnen op deze veengronden niet worden gehouden.
Zij kwijnen langzamerhand weg en sterven. In verhouding tot het
lichaamsgewicht der runderen geven Schapen veel melk.
Borger, 1929.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser beobachtet in seiner Praxis viele Fälle von Hämoglobinurie bei Rindern.

Die Krankheit kommt nur auf bestimmten Weidegebieten auf unfruchtbaren
Moorboden vor und fast ausschliesslich Milchkühe werden von der Hämoglobinurie
befallen. Nachdem die Tiere ungefähr 10 Tage auf der Weide sind, nimmt die
Milchabsonderung ab und Diarrhöe und Hämoglobinurie setzen ein. Werden die
Tiere auf bessere Weidegebiete verbracht, so erfolgt Heilung ; bringt man sie
wieder auf die ersten Weiden zurück, so tritt Rezidive auf.

Junge Tiere erkranken in diesen Weidegebieten nicht an Hämoglobinurie, doch
wachsen schlecht.

Zuerst zog Verfasser eine Piroplasmose in Betracht. Er fand jedoch keine Zecken
und die Blutuntersuchung auf Piroplasmen bei einer der Kühe fiel négatif aus.

Verfasser spricht die Vermutung aus, dass der kalkarme Boden vielleicht indirekt
die Ursache dieser Erscheinungen sei.

SUMMARY.

In his practice the author mets with many cases of haemoglobinuria in bovines.

The disease only occurs in certain pastures on poor bogland and attacks almost
exclusively milk cows. About ten days after being turned on pasture the animals
become ill ; the milksecietion diminishes and diarrhoea and haemoglobinuria set
in. On removing the animals to better pastures recovery is obtained ; when fed
upon the former pastures again, relapse occurs. Young animals do not contract
haemoglobinuria on these pastures but they grow slowly.

At first the author suspected piroplasmosis but the absence of ticks and the
bloodexamination of one of the patients (which did not reveal any piroplasms)
negatived this.

The author presumes that calcium-deficiency of the soil may be the indirect
cause of the symptoms.

RÉSUMÉ.

L\'auteur observe dans sa clientèle de nombreux cas de hémoglobinurie chez
des bovins.

La maladie se rencontre seulement sur certains pâturages situés sur un sol tour-
beux aride et frappe presque exclusivement les vaches laitières. Environ 10 jours
après que les vaches ont été mises au pré, la sécrétion lactaire diminue, et elles
présentent de la diarrhée et de la hémoglobinurie.

Quand les animaux sont conduit à de meilleurs herbages, la guérison est obtenue ;
quand ils pâturent de nouveau dans les premières prairies, une récidive se produit.

Les animaux jeunes ne contractent pas la hémoglobinurie sur ces pâturages,
mais ils sont maigres et ne se développent mal.

D\'abord l\'auteur pensa à la piroplasmose, mais l\'absence de tiques et l\'examen
du sang négatif d\'un des patients ne confirma pas ce diagnostique.

11 présume que la déficience calcaire du sol est peut-être la cause indirecte des
symptômes.

-ocr page 1182-

— ii53 —
BOEKAANKONDIGINGEN.

Jahrbuch für Schlacht- und Viehhöfe.

Bearbeitet van Dr. Med. vet. Otto Frühwald.

Uitgever Kurt Schmersow, Kirchhain, N.-L., 12 Mark.

Dit boek is met Duitsche zin voor cijfers en details bewerkt. Men vindt er in
een eerste lijst voor elke stad, het aantal inwoners, jaar van oprichting van het
slachthuis, voorzitter van de slachthuiscommissie en de „wethouder" onder wiens
beheer die inrichting staat, benevens een overzicht van het aantal niet veterinaire
beambten. Een tweede lijst brengt inlichtingen omtrent het aantal slachtingen,
hoogste aantal per dag geslachte dieren en het aantal slagers ; een derde geeft
details over het gebezigde koelsysteem, ijsfabricage, wijze ven bedwelming der
dieren, inrichting van de varkenshal benevens het onderzoek op trichinen. Zijn
meer algemeene beteekenis ontleent dit werk aan het grondige overzicht over
de wettelijke bepalingen in Duitschland regelende het toezicht op menschelijke voe-
dingsmiddelen van dierlijken oorsprong. Het korte theoretische overzicht over
dit gebied (geschreven door
Grüttner) bevat weinig nieuws, terwijl de korte
opsomming van enkele onderzoekingsmethoden het boekje brengen op den grens
van een „kwakkenbockje".

Tal van gegevens over ,,das Fleischbeschaugesetz" en de uitvoeringsbepalingen
zijn weer een sieraad van het boekje. Ten slotte vinden wij een lijst van alle collegae,
die aan de Duitsche slachthuizen werkzaam zijn, waarin men jaar en vorm hunner
aanstelling kan nagaan en bovendien elks salaris is aangeduid. Ik vraag mij af
of hiermede de openbaarheid niet te ver is gedreven.

Wie belang stelt in het Duitsche slachthuiswezen zal dit boekje met genoegen
doorbladeren. C. F. v. O.

Proeve van Wet, door J. J. Meier, Breda, met een voorwoord van J. G. van
Eeden, lid der commissie van overleg gevormd door den Ned. Slagershond, en
den Nederl. R.K. Hanzebond van slagerspatroons.

Dit boekje is een programma en een strijdkreet tegelijk. Men zou het willen
lezen, als een der fantastische werken van Shaw of Wells over maatschappelijke
toestanden anno 10000 Deze schrijvers maken het zich gemakkelijk door twee
veronderstellingen. Zij nemen aan ie dat al het thans bestaande in een onbeschrij-
felijke en dus door hen niet beschreven — chaos is ten onder gegaan.

2e. dat daaruit overblijft een menschenras, dat in alle opzichten eenige klassen
beter is dan het bestaande.

Ongehinderd door de inertie der materie kunnen zij voor hunne godmenschen
dan toestanden en ve: houdingen ontwerpen, die den bewoner van deze eeuw-van-
verwarring doen watertanden.

De heer Meijer stond voor een veel zwaarder taak. Hem ontbreekt de macht
al het bestaande uit te wisschen en zijn medemenschen in hart en geest te beteren.
Waar nu
Shaw en Wells en t.q., erkende genieën onder de thans levenden, in
velerlei opzicht te kort schieten bij het aannemelijk maken van hun schitterende
plannen, mag men het daar den heer
Meijer euvel duiden, dat hij geen kans ge-
zien heeft in een 125-tal blz. alles te verwerken wat tot dit onderwerp behoort,
ja zelfs geen gelegenheid vond verschillende fundamenteele vraagstukken tot den
bodem van zijn weten uit te putten? W:ie zich waagt aan kritiek op een werk,
waar feitelijk grooter gaven voor noodig zijn, dan waarover de meest verlichte
geesten onzer eeuw beschikken moge dit driemaal bedenken.

Te meer mag men de moed, volharding ja ik ben geneigd te zeggen de brutaliteit
(in gunstigen zin) bewonderen waarmede de schrijver dezer vraagstukken, die
hem na aan het hart liggen, heeft ter hand genomen. Hij springt met de vétérinaire
wetten om als een terrier met zijn prooi. Snuivend schudt hij ze dooreen, trekt
hier een lid los, woelt daar in het meest verborgen ingewand rond en rust niet

-ocr page 1183-

voor hij alle onderdeelen bloot heeft liggen en een overzicht heeft van de verwoes-
ting door kritiek, die hier door een scherpzinnige geest kan worden aangericht.

Maar dan wordt de geest vaardig over hem ; hij vergelijkt de onderscheiden
stukken en overlegt hoe hij uit al deze heterogeen gevormde elementen, die groeps-
gewijze soortgelijk zijn een sluitend geheel zou kunnen maken, dat uitmunt door
eenvoud, doeltreffendheid en efficiency.

Het is niet gewenscht bij zulk een werk critiek op onderdeelen voorop te stellen,
Men moge bezwaar hebben tegen de redactie van een bepaald artikel, men moge
bepaalde maatregelen anders wenschen, zulks doet aan de groote leidende gedachte
niet af. Stellen wij deze laatste voorop.

Wij kennen in Nederland verschillende wetten, bij welker uitvoering gebruik
gemaakt wordt van dierenartsen als ambtenaren. Deze dierenartsen zijn in rijks-
of gemeentedienst, zijn volbeZoldigd ambtenaar of zulks in bijbetrekking. De
heer M. stelt kort en goed voor : Vereenig al deze wetten in één wet en draag de
uitvoering daarvan op aan één stel rijksambtenaren. Wij mogen de vraag, of
zulks voor de thans in dienst zijnde ambtenaren aanbevelenswaardig is naar een
secundair plan verwijzen. Ik heb wel eens gehoord, dat bezoldiging, rechtszeker-
heid enz. der ambtenaren in grootere gemeenten zeer gunstig afsteken bij die
der rijksambtenaren en de lieer
Meier geeft hiervan een enkel fijn opgemerkt
staaltje. Maar wanneer het algemeen rijksbelang dit offer vraagt, dan hebben
die tot nu toe gelukkigen dat maar te brengen. Zoo eischt de tijdgeest. Dat de
diergeneeskundige rijksambtenaren verhoudingen zouden krijgen gelijk aan hunne
meest begunstigde gemeentelijke collegae is niet aan te nemen. Want dan komen
x i andere categorieën van rijksambtenaren betoogen, dat zij achtergesteld
worden en er gebeurt niets of een salarisverlaging over de lieele lijn treedt in.
Het blijft dus een open vraag of verwezenlijking dezer plannen den diergenees-
kundigen stand ten goede zal komen. Geschiedt dit niet, dan wenden zich een
geringer aantal geschikte jongelui tot deze ambten. Men kan de goede menschen
niet meer krijgen en de uitvoering der wetten lijdt over de geheele lijn dooi gebrek
aan goede krachten. Het zijn toch niet de papieren artikelen, die het nut der wetten
beheerschen, doch het is het gehalte der levende, met de uitvoering belaste men-
schen, dat op den duur den doorslag geeft.

Ik ben volmaakt onbevoegd om over de artikelsgewijze behandeling van de
Veewet opmerkingen te maken, behalve dan misschien over het gedeelte dat
over exportkeuring handelt. Hetzelfde geldt voor de wet op de hondsdolheid en de
pluimveewet. Blijft in hoofdzaak over de bespreking der reorganisatie der vleesch-
keuringswet, waaraan ik echter ook iets over de andere wetten moge vastknoopen.

I. De schrijver noemt in de proeve niet de Minister welke met de uitvoering
zou worden belast (blz. 117, art. 3), doch op blz. 14 in een tabel wordt onder ,,1
Regeering" genoemd ,,a. bevelen van het Departement van Landbouw". Wie de
houding kent der landbouw-organisatics tegenover maatregelen voortvloeiende
uit de vleeschkeuringswet, en derzelver invloeden in dit departement, huivert
even bij de gedachte, dat dit departement oppermachtig zou worden. Ja in Utopia
met Utopiërs als agrariërs en uitvoerders, maar hier. Brr 1 !

Geen nood zegt de heer Meier, „voor één of meer deelen kan een ander Minister
worden belast met het toezicht op de resultaten". O, hadde ik een juridische
knobbel of liever een inzicht in de grondvesten waarop ons staatsbestel is opge-
bouwd nl. de ministerieele verantwoordelijkheid, bevoegdheid en onafhankelijk-
heid, dan kon ik waarde en uitvoerbaarheid van dit voorschrift beoordeelen.
Zóóveel menschenkennis heb ik wel, dat slechts weinige personen opgeklommen
tot den rang van Minister, zich voor bepaalde deelen van hun taak een bij de wet
aangewezen toeziende voogd zullen laten welgevallen. Dus dan maar geheel onder
Landbouw. M. i. absoluut in strijd met doel en strekking van hetgeen met vleesch-
keuring wordt beoogd. Zoo ergens, dan behoort dit geheel onder ,,Volksgezond-
heid". Men mag dit belang niet opofferen aan een schijnbaar vereenvoudigde
administratieve opzet.

-ocr page 1184-

2. De schrijver trekt op onderscheidene plaatsen te velde tegen het feit dat :

a. de Burgemeester bepaalde maatregelen genoemd in de veewet uitvoert.

b. gemeentebesturen zijn belast met de uitvoering der vleesclikeuringswet.

Waarom dit zoo is geworden onderzoekt hij niet. Wel vermoedt hij, dat de Bur-
gemeester is aangewezen voor de Veewet, om dat de districtsveearts, zelfs voor-
zien van twee paarden, niet alomtegenwoordig kan zijn. Dat er echter zooiets
bestaat als gemeentelijke autonomie, dat in vele gemeenten de vleeschkeuring
werd uitgeoefend op onberispelijke wijze, lang voor er een wet bestond, zijn voor
hem geen argumenten. Verhoudingen en toestanden zijn anders te Amsterdam
dan in Loon op Zand, toch maar alles centraal regelen, naar één model . . .

En meent men nu werkelijk, dat daarmede de terecht gewraakte ongelijkmatige
keuringsbeslissingen, die ook in verschillende geheel ambtelijke keuringsdiensten
voorkomen tot het verleden zullen behooren? Het blijven daar toch dezelfde
menschen? Of wil de heer
Meier deze maar alle afzetten en door Utopiërs ver-
vangen. Deze verschillen kunnen en zullen overbrugd worden door voortschrijdend
onderzoek, voortgezet overleg en voor zoover de jongere generaties betreft als
vrucht van gelijkvormig onderwijs. Doch niet door wetswijziging.

En die Burgemeester als uitvoerder van de Veewet! Hoe diep wordt daarbij
ingegrepen in het eigendom, de bedrijfsvrijheid der ingezetenen. Moet dat alle-
maal gaan zonder voorkennis van hun natuurlijke beschermer, handhaver van
recht en orde de Burgemeester. Ik zou er als staatsburger voor bedanken, mij zóó
door een technisch ambtenaar aan banden te doen leggen, zonder dat ook een
recht- en wetshandhaver daarbij een oog in het zeil heeft.

Doch de heer Meier heeft een balsem voor deze wonden. Voor afgemaakte
dieren, vernietigde voorwerpen schade aan terreinen en andere bedrijfsschade
kuil schadevergoeding gegeven worden. Liever las men hier misschien moei. Wie
beslist of hier de potentie tot realiteit wordt. Maar laten wij een gulle uitleg dezer
artikelen veronderstellen. Wie betaalt dan!

Hiermede komen wij op een geniale greep in de geheele opzet. Wel de heele
dienst wordt opgezet als bedrijf. De keurloonen, voor binnenlandsch slachtvee en
export dito, worden zoo gesteld, dat er wat over schiet. De slager en exporteur
in eerste instantie en achter hen de vleescheters in binnen- en buitenland ver-
goeden den boer de schade. Nu is de Nederlandsche mildheid bij natuurrampen
spreekwoordelijk. Vele besmettelijke ziekten zijn echter bedrijfsrisico\'s, die door
kundig beheer, vlijt en nauwgezetheid tot een minimum beperkt kunnen worden,
en volstrekt geen natuurrampen, waartegenover de eenvoudige landman machte-
loos staat. Er wordt hier de deur opengezet voor een premie op ondeskundig be-
drijfsbeheer, ten bate van de veehouders, waarvan de consequenties niet te
overzien zijn. ja in Utopia, maar thans en hier! !

Of is dit reeds een eerste vrucht van de overheersching van landbouw over
vleeschkeuring. Terecht heerscht er thans reeds ontstemming in de kringen der
exporteurs, over het feit dat de Veeartsenijkundige dienst zoo ongeveer als bedrijf
wordt beschouwd en men in regeeringskringen bij de beoordeeling der kosten van
bestrijding van besmettelijke veeziekten altijd overweegt, dat er op de export-
keurloonen wel wat overschiet, zoodat de dienst als geheel idem zooveel minder
kost.

Ik moge met het bovenstaande volstaan om aan te toonen waar het tekort
in dit werk ligt. De consequenties van het voorgestelde zijn op velerlei punten
niet voldoende doordacht. Het lijkt vaak meer een losweg neergeschreven reeks
van gedachten, dan werkelijk grondig bestudeerde voorstellen. Is er dan geen
goeds van te vermelden. Zeer zeker.

Een van de beste stukken is het woord vooraf, waarin wordt omschreven hoe
enorm groot ,,de winst" is thans door de gemeenten op de „keuringsdiensten"
behaald.

Zeker elke dienst heeft recht op behoorlijke reservefondsen, afschrijving enz.
enz. Doch dan is de grens bereikt. De keurloonen mogen en kunnen geen bron

-ocr page 1185-

van belastingheffing zijn. Niet openlijk en niet bedekt door betalingen van
fictieve diensten. Dat hiertegen van Regeeringswege thans niet krachtiger wordt
opgetreden, nu de baten niet eens bij Rijksorganen terecht komen, wettigt het
vermoeden, dat bij de door den heer
Meier geschetste opzet die lust nog geringer
zal zijn. Dan toch komt de winst direkt in een Rijks (-Bedrijfs-) kas.

Voorts wordt op tal van plaatsen gewezen op de fouten die thans de Vleesch-
keuringswet nog aankleven. Over vele bestaat reeds een algemeene meening, dat
zij bij de volgende herziening hersteld moeten worden. Ik noem hier de half-
ambtelijke keuringsveeartsen, misbruiken bij heffing van invoerkeurloon, verkoop
van vleesch op de vrijbank waarbij hiervoor geen geschikt gebouw is aangewezen,
gebrek aan nood-slachtplaatsen enz. enz. Maar is voor een grondig herstel dezer
punten samensmelting dezer w\'et met de Veewet absoluut noodig of kan het
ook anders ? Ik meen van wel.

Dit boekje werpt zooveel vragen op, dat er een boek over te schrijven ware.
Doch ik moet bij deze aankondiging eindigen. Het is een strijdkreet, waarbij ons
wordt toegeschreeuwd, dat de wetten waarbij dierenartsen als uitvoerders op-
treden nog lang niet volmaakt zijn, dat wij niet mogen inslapen op het bereikte,
doch steeds naar verbetering moeten streven.

Het is een programma van punten, welke allereerst herziening behoeven, om-
dat zij het doel dezer wetten thans niet nader brengen, integendeel een belemmering
zijn voor gezonde ontwikkeling op dit gebied.

Een strijdkreet en een programma, zijn echter geen studie-materiaal waaruit
door alzijdige evenwichtige en beheerschte voorlichting blijkt, waarom een nieuwe
voorgestelde regeling zóó en niet anders genomen moet worden.

Wanneer echter door samenwerking van velen, mede naar aanleiding van dit
boekje, dergelijke verbeteringen worden verkregen, dan zal ook de heer
Meier
tevreden zijn en heeft hij de dank zijner medeburgers verdiend.

Meer kan men in deze maatschappij niet verlangen, maar in Utopia ....

C. F. van Oijen.

Geh. Regierungsrat, Prof. Dr. Eugen Fröhner, Lehrbuch der Arzneimittellehre
für Tieraerzte.
13. völlig umgearbeitete Auflage. Preis geb. 29 Km., Verlag von
Ferdinand Enke, Stuttgart 1929.

Met het verschijnen van den 6den druk van het „Deutsche Arzneibuch (1926)
was een geheele omwerking van het bekende werk van
Fröhner noodig.

In het nieuwe „Deutsche Arzneibuch" zijn nl. een reeks van nieuwe bepalingen
en methoden van onderzoek en verder niet minder dan 104 nieuwe geneesmiddelen
opgenomen, terwijl 45 oudere praeparaten daaruit zijn geschrapt.

Fröhner heeft in deze nieuwe editie verschillende hoofdstukken vrij belangrijk
ingekort en alle recepten en obsolete middelen weggelaten. Alle middelen met
de toevoeging „pro usu veterinario" zijn door
Fröhner zeer terecht in zijn werk
geweerd, daar dit epitheton toch een minderwaardig product doet vermoeden
en in den regel ook is.

De indeeling van het werk is dezelfde gebleven. Van de in den laatsten tijd
nogal gebruikte Anthelminthica zijn ook o. a. Tetracliloorkoolstof, Hexachloor-
aethan, Tetrachlooraethyleen en Hydrobromas Arecolini besproken. De orale
dosis van H. Arecolini voor den hond van 4—5 mgr. pro kilo lichaamsgewicht
(blz. 159) is echter volgens onze ervaringen veel te hoog. In het algemeen is een
dosis van 0.5— 1 mgr. pro kilo lichaamsgewicht ruim voldoende. De werking van
het overdreven sterk aangeprezen Yatren met al zijn verbindingen is objektief
beoordeeld. Aan de z.g. onspecifieke eiwitstoffen wijdt
Fröhner slechts een kleine
pagina. De zeer sterk opgehemelde werking van deze middelen heeft in zeer vele
gevallen absoluut gefaald, waarbij nog bij verschillende stoffen b.v. Aolan de
gevaarlijkheid bij intraveneuze toediening bij paarden is gebleken.

Daar het werk van Fröhner reeds in den i3den druk is verschenen, is een verdere
aanbeveling van dit bekende werk niet meer noodig.
 H. Jakob.

-ocr page 1186-

Die Chirurgie des Tierarztes. Systematische Anleitung zum selbständigen chi-
rurgischen Denken und Handeln, von Dr.
Paul Henkels, 1928. Verlagsbuch-
handlung
Paul Parey, Berlin, Preis 22. M.

Zooais de schrijver in zijn inleiding opmerkt, is dit boek geschreven voor den
practicus en in het bijzonder voor den „chirurgisch tätigen Praktiker".

Hij heeft gemeend den jongen dierenarts een dienst te bewijzen door dezen
een boek te geven, waarin aan de hand van praktische voorbeelden het wezen der
chirurgische ziekten en het principe der geneesmethoden wordt duidelijk gemaakt ;
0111 hem, zooals de schrijver het uitdrukt, „ein für allemal in der Beurteilung
jeglichen chirurgischen Einzelfalles schlagfertig, frei und selbständig zu machen".
Daarom omvat de bewerking der stof dan ook niet een beschrijving van een reeks
chirurgische ziektegevallen of van operatiemethoden, zooals wij die in de meeste
der bekende hand- en leerboeken aantreffen.

Derhalve neemt het werk van Henkels wel een zeer afzonderlijke plaats in.
De schrijver begrijpt het belang van het chirurgisch denken en handelen voor
den klinischen onderzoeker en zoo zien wij in dit boek bij de beschrijving der ziekte-
gevallen een regelmatig opbouwen van een logischen gedachtengang.

In het eerste deel, dat „Chirurgisches Vorstudium" genoemd wordt, vindt
men een reeks algemeene beschouwingen over verschillende weefsels, n.1. : epithe-
lium, bindweefsel, spierweefsel, been- en kraakbeen weefsel, zenuwweefsel en tot
slot die over bloed en lymphe. Daaromtrent wordt een beknopt overzicht gegeven
van de histologische gesteldheid en de physiologische beteekenis, gevolgd door
een bespreking van de verschillende invloeden, welke deze weefsels in ziekelijken
toestand kunnen brengen. In direct verband hiermede worden de reacties (met
inbegrip van de regeneratie-processen) van elk dier weefsels op deze invloeden
vrij uitvoerig behandeld.

Het tweede deel, dat als „Chirurgische Praxis" wordt aangeduid, omvat een
aantal praktische voorbeelden, en is naar de weefselsoorten gegroepeerd. Zoo be-
gint dit deel met het hoofdstuk ..Kritik chirurgischer Krankheitsprozesse, an
denen vornehmlich Epithel- und Endothelgewebe beteiligt sind". In deze beschou-
wing worden een vijftal praktische voorbeelden aangehaald, nl. : 1. Die ausblei-
bende Epithelisierung beim Narbenkeloid ; 2. Die ausbleibende Epithelisierung
gewisser Hufwunden; 3. Perforierende Bauchwunde, 4. Gelenkwunde; 5. Infi-
zierte Sehnenscheidenwunde. In het volgende hoofdstuk van dit tweede deel
vinden we de „Kritik Chirurgischer Krankheitsprozesse, an denen vornehmlich
das Bindegewebe beteiligt ist", waarin als praktisch voorbeeld o. a. het phlegmoon
wordt behandeld. Enz.

Bij de beschrijving der voorbeelden, welke terecht als praktische zijn aangeduid,
is de schrijver van het begin tot aan het einde trouw gebleven aan zijn voorop-
gezette bedoeling, het geven van een logische beredeneering van het ziektegeval
om zoo tot een vertrouwde prognose en rationeele therapie te komen. Betreffende
dit laatste wordt vaak op een operatieve behandeling gewezen en worden de tech-
nische bijzonderheden der operatieve verzorging besproken.

fn beide deelen is de tekst hier en daar verduidelijkt met een aantal goed ge-
kozen afbeeldingen ; in het geheel zijn er 41. Voorts is een uitgebreide literatuur-
opgave toegevoegd.

Mijn indruk is, dat Henkels ons een boek heeft gegeven, dat in de rij der nieu-
were werken over chirurgie een groote aanwinst is. Voor den praktischen dieren-
arts, maar volgens mijn meening vooral ook voor den student in de veeartsenij-
kunde, die zijn kennis op zeker terrein zijner studie wil verbreeden, acht ik het
bezit van dit boek van veel belang.

De uitgever heeft het boek keurig verzorgd ; met de opmerkingen, dat de uit-
voering inderdaad fraai is en dat de prijs (gezien ook de talrijke afbeeldingen)
niet te hoog is, is niets te veel gezegd.

Hartog.

-ocr page 1187-

Die Kastration der mannlichen Haustiere, door Paul Toepper en Fritz Per-
kuhn,
1928. Verlagsbuchhandlung Paul Parey, Berlin, Prijs 12 M.

Het doel der schrijvers was het geven van een leidraad voor den dierenarts
in de praktijk, door wien de castratie onder geheel andere omstandigheiden moet
worden verricht dan waaronder die in een chirurgische kliniek plaats vindt.

Het boek is ingedeeld in een drietal hoofdstukken, t.w. de castratie van heng-
sten, de castratie van andere huisdieren en de cryptorchismus.

In het eerste hoofdstuk is een uitvoerige beschrijving gegeven van verschillende
algemeene zaken, zooals anatomie, doel der operatie, voorbereidingen, dwang-
middelen en werpmethoden, desinfectie, narcose enz. Hierbij wordt ook de castra-
tie bij het staande paard beschreven ten opzichte waarvan voornamelijk de erva-
ringen en opvattingen van andere operateurs worden weergegeven. In het tweede
hoofdstuk, de castratie van andere huisdieren, vinden wij o m. de bespreking van
het capauniseeren ; dit gedeelte is door
Erich Jacob verzorgd. Het slot van het
boek wordt gevormd door een zeer uitgebreide literatuur-lijst.

Het werk van Toepper-Perkuhn is in hoofdzaak een samenvatting van het-
geen omtrent de zoo bij uitstek typische en practische operatie als de castratie
wetenswaardig is ; aan al wat nieuw is op dit gebied der operatieve chirurgie is
de aandacht gevestigd. De schrijver geeft vele praktische wenken, waarmede de
prakticus zijn nut zal kunnen doen.

In de beschrijving van de verdooving wordt geen gewag gemaakt van het nut
der locale anaesthesie bij de castratie, ook bij die der groote huisdieren. Door
haar eenvoud in technisch opzicht en door haar zeer bevredigende resultaten bij
juiste toepassing is deze wijze van anaesthesie bij uitstek praktisch en dus voor
den dierenarts zoo bijzonder geschikt.

Van het groot aantal goed gekozen en duidelijke afbeeldingen, nl. 102 op 157
bladzijden, zijn er vele, die het den lezer gemakkelijk maakt de technische bijzon-
derheden te begrijpen. Het boek zij den dierenarts, maar ook den student in de
diergeneeskunde aanbevolen .

De uitgever Paul Parey in Berlijn heeft voor een keurige uitvoering van het
boek zorg gedragen.

Hartog.

BLADVULLING.

Bacteriegehalte der luchtlagen.

Een bacterioloog te Cambridge (Journ. Am Med. Ass., X. T. v. G. 1929 blz. 4^44)
onderzocht in een vliegtuig, met behulp van buisjes en schaaltjes met voedings-
bodems, het bacteriegehalte van verschillende luchtlagen. Zelfs op een hoogte van
3200 Meter waren nog bacteriën en sporen ; op 1300 Meter zelfs nog tamelijk veel,
op 650 Meter hoogte echter veel meer. In de wolken werden meer bacteriën ge-
vonden dan in de lucht daar beneden.
 \\ R.

-ocr page 1188-

INGEZONDEN.

Vereenvoudigde spelling.

Naar aanleiding van de door mij bij schrijven van 16 Jan. 1929 ingezonden
regelen voorkomende in aflevering 19 van dit tijdschrift houdt collega
A. Vrijburg
in genoemde aflevering een pleidooi voor de vereenvoudigde spelling.

Het ligt niet op mijn weg om hier op in te gaan. Het gaat er immers niet om,
of men al of niet de vereenvoudigde spelling voorstaat, maar wel, dat het m. i.
niet gewenscht is verschillende spellingstelsels in ons tijdschrift toe te laten. Dit
laatste leidde tot de door mij ingezonden regelen.
 Van Capelle.

Vereenvoudigde spelling.

Geachte Redactie.

Hoewel ik nooit vermoed zou hebben, dat ons Tijdschrift, dat zuiver vakkundig
is, de plaats zou worden van een strijd op taalkundig gebied, zoo lokt het ingezonden
stukje van collega
van Capelle, door den heer Vryburg van onderschrift voor-
zien, mij uit mijn tent, om ook een en ander over deze kwestie in het midden te
brengen.

Laat ik beginnen met te zeggen, dat ik mij volleedig aan de zijde v,an coll. van C.
schaar en eevenzeer als de redactie van het Tijdschrift van Geneeskunde van oordeel
ben, dat wanneer iedereen vrij zou zijn in het beezigen van een spelling, die hem
het beste voorkomt, een tijdschrift een zonderlinge lappendeeken zou vormen,
hetgeen ik hier met de daad aantoon. Wanneer men voor taaivereenvoudiging is,
volgt hier toch niet noodwendig uit, dat dan de Kollewijnsche spelling gebruikt
moet worden ? Want het zal voor veelen te bezien staan, of deeze spelling wel de
gewenschte vereenvoudiging zal geeven, wanneer die tenminste niet alleen zal be-
staan in een bespaaring op het aantal letters. Eevenzeer als de Hr. V. ben ik ervan
oovertuigd, dat onze taal moeilijk is, ik aarzel niet te zeggen : noodeloos moeilijk.
Ter juiste beoordeeling moeten wij ons echter niet als Neederlander teegenoover
onze taal plaatsen, maar als vreemdeling, dus haar met dezelfde oogen bekijken
als het Fransch of Engelscli. En dan zien wij, dat ook de spelling van het Engelsch
moeilijk is, zoo niet moeilijker dan die van het Hollandsch, terwijl toch de Engelsche
taal de meest verbreide oover de weereld is. Hoeveel te meer kans zou er dus niet
zijn, dat er eene actie werd begonnen ter vereenvoudiging van het Engelsch. Echter
heb ik daarvan nog nooit gehoord, m i. een bewijs, dat niet de spelling
als zoodaanig
de taal moeilijk maakt, doch wel de buigingsuitgangen. Hoe gemakkelijk de Duitsche
taal voor ons Hollanders ook zijn mooge, wij zullen het met elkander eens zijn,
dat de verbuiging voor ons het grootste struikelblok vormt. De Duitscher, die van
jongs af aan geleerd heeft, de verbuigingsreegels te volgen, bemerkt dit niet.

Dat de Kollewijnsche spelling dus de buigingsuitgangen laat vallen, is volkoo-
men loogisch, doch de ooverige veranderingen, die voor een Hollander (die van
natuure weet, hoe een woord moet worden uitgesprooken) een vereenvoudiging
schijnen, maken voor een vreemdeling de verwarring nog grooter. Doch ook in
Neederland loopt men er niet hard mee weg. getuige het feit. dat ze in al de jaaren
van haar bestaan het getal van haar aanhangers niet noemenswaard heeft zien
groeien. Het is nog steeds dezelfde categorie van menschen, die er gebruik van
maakt, en het wil mij voorkomen, dat een spelling, die werkelijk vereenvoudiging
brengt, voor ontwikkelde menschen aantrekkelijk moet zijn, zoodat zeeker een
der groote dagblaaden ze had moeten aanneemen. Geen Ooverheidsbevel, geen
drastische maatreegelen zullen baaten, wanneer de aandrang niet uit het Volk
opkomt,

Meen ik hier dus op histoorische gronden de bestaansreeden van de Kollewijnsche
spelling te moeten betwijfelen, ik wil verder gaan en ook daadwerkelijk aantoonen,
dat de verwarring in de uitspraak nog grooter wordt, dan zij reeds was.

Want meèr nog dan de verbuiging— immers deeze is bij een dertig jaar geleeden

-ocr page 1189-

zeer vereenvoudigd— geeft het leggen van de klemtoon de vreemdeling moeilijk-
heden. Onze taal geeft hierin zelf reeds een vingerwijzing tot verbeetering,
doordat op een lettergreep met heldere klinker in de reegel de klemtoon valt.

Zie bijv. : verdeelen, gelooven, verstooten, verkeeren, betooveren, begoochelen
enz. Juist de groote onreegelmaatigheid, die onze taal hier vertoont, maakt het leeren
zoo moeilijk, en daarom lag het m.i. voor de hand, alle klinkers van niet-toonlooze
lettergreepen te verdubbelen.
Kollewijn nu maakt alle klinkers enkel en ver-
krijgt zoo werkwoorden van verschillende beteekenis, die gelijk worden geschreeven.
Ik vraag
U, mij het onderscheid aan te geeven tusschen : bedelen en bedeelen, beteren
en beteeren, negeren en negeeren ? Hoe kunt l* ooit een vreemdeling duidelijk maaken,
dat hij zeggen moet : iegeering en niet reegering, preevelen en niet preveelen,
krakeelen en niet krakelen ?

Dat de Hr. V. de enkele e een vanzelfspreekende vereenvoudiging noemt, is een
uitspraak, die niet vrij is van stoutmoedigheid. We gaan verder :
isch wordt ies.
Waarom ? Deeze uitgang wordt zonder uitzondering als ies uitgesprooken (visch,
frisch zijn geen uitgangen) en kan dus de vreemdeling geen moeite geeven.

De algemeene reegel eischt, dat een bijvoeglijk naamwoord, voor het zelfstandig-
naamwoord staande, een
e krijgt en dit gaat hier ook zonder meer op. Vgl. prac-
tisch, practische, nieuwmodisch, nieuwmodische.
Kollewijn maakt het een beetje
moeilijker, door
ise te schrijven.

Dan de, door de Hr. Vrijburg niet genoemde, m.i. ongelukkigste vereenvoudiging
lijk wordt lik. Afgezien van de onsmaakelijke indruk, die dit achtervoegsel maakt
(de Hr.
V. zal terecht zeggen, dat dit een kwestie van wennen is), is het onjuist.
Immers, men zegt niet
leelik, maar leeluk, niet vroolik maar vrooluk. De uitgang
lijk wordt steeds als luk uitgesprooken, voor een buitenlander dus weer geen be-
zwaar. Wij hebben toch ook geen moeite met de Engelsche uitgang
ly hoewel de y
op zichzelf een andere uitspraak heeft.

Verder gaat Kollewijn woorden van klaarblijkelijk vreemde oorsprong ver-
hollandschen : aksie, redaksie, luukse. De uitgang
actie komt in de mooderne taaien
vrijwel ongewijzigd voor, dus voor een vreemdeling is het behoud een voordeel.
Ik zie echter, dat de Hr. V. hieraan niet meedoet, zoodat "blijkt, dat ook reeds in
de vereenvoudigde spelling verschillende opvattingen bestaan.

De opmerking van den Hr. V. ,dat de schrijftaal door invoering van de alle-
daagsche spreektaal naar beneeden zou worden gehaald, baart verwondering.
Men zal deeze vormen niet anders vinden dan in romans, waarin de schrijver juist
tracht de gewoone spreektaal van zijn persoonen te benaaderen. In het Engelsch
vindt men vaak zinnen als: ,.1*11 do that" en geen mensch zal eroover vallen.

Dat niet iedereen oover een goede stijl beschikt, is een aangeleegenheid, die toch
zeekcr niets met de spelling heeft uit te staan. Dit als antwoord op de opmerking
van het verwisselen van teegenwoordigen en verleeden tijd.

En waarom wij niet ,,ze" moogen schrijven, terwijl het toch zoo uitgesprooken
wordt lijkt me een inkonsekwentie, die de genoemde veranderingen van ,,isch"
in ,,ies", ,,lijk" in ,,luk" in een maal veroordeelt.

Ten slotte wil ik mij volkoomen aansluiten bij het vernietigend oordeel van de
Hr. V. oover de germanismen en gallicismen. Verscheidene maaien heb ik er mij
op vergaaderingen aan geërgerd, dat spreekers met blijkbaare voorliefde hun
rede doorspekten met vreemde woorden.

In weetenschappelijke verhandelingen zal men niet altijd bepaalde kunsttermen
kunnen ontbeeren doch in gewoon prooza gebruike men steeds Hollandsch.

Naschrift.

Bovenstaand artikel heb ik met opzet geschreven in de spelling, zooals die voor-
komt in de werken van Dr.
E. v. Eeden. Of de navolging juist is, weet ik niet.
Het is mijn bedoeling dan ook niet, een nieuwe spelling te propageeren, ikwensch-
te slechts aan te toonen, dat de vrees, die Prof.
van Rijnberk toont voor een lap-
pendeken allesbehalve denkbeeldig is.

Wat ik wel weet, is dit. Ik schreef de spelling van van Eeden nooit tevoren

-ocr page 1190-

doch kan getuigen, dat na enkele bladzijden schrijven ze mij natuurlijker voor-
kwam en beter tot mij sprak dan de opeenvolgende één-klinker-lettergrepen, die
men vaak bij
Kollewijn vindt. Verder laat ik de zaak met gerustheid aan des-
kundigen over.

Ik wil besluiten met de plechtige belofte, dat dit eerste experiment tevens ook
het laatste is, en ik mij voortaam weer aan de spelling van
de Vries en te Winkel
houden zal. Tenzij de Kollewijnisten zich zoo sterk in ons Tijdschrift opdringen,
dat een heilzaam tegenwicht noodig is.

Holten, 3 October 1929. Reisinger.

Naar aanleiding van bovenstaand stukje het volgende :

Het feit dat er ook andere talen zijn die moeilijk zijn doet niets ter zake en niets
af tot de wenselijkheid om
onze. taal te vereenvoudigen voor zoover dat, zonder
schade aan die taal, kan geschieden. Zoowel voor Nederlanders als voor buiten-
landers is dat van belang.

Dat nog niet veel tijdschriften en dagbladen vereenvoudigde spelling toepassen
moet, behalve aan sleur en behoudzucht, worden toegeschreven aan de omstan-
digheid dat de Kollewijnsche spelling ook niet ideaal is. Ik ben dat met collega
Reisinger volkomen eens ; zelfs kan ik er iets voor voelen de dubbele klinker te
gebruiken in de lettergrepen waarop de klemtoon valt ; dit zou bij het aanleeren
van onze taal een groot gemak zijn en die taal niet leelijker maken. Bij slot van
rekening kunnen wij dat punt ook overlaten aan de commissie, die toch te eeniger
tijd benoemd zal worden, om de vereenvoudigde spelling voor te bereiden. Ook
zonder die commissie kunnen wij de overtollige h\'s en ch\'s en de uitgang isch op-
ruimen en als velon, ook vooral in tijdschriften en bladen, daaraan medewerken,
zal dat zeker slagen; evenals het ons zal gelukken de naam ,.veearts\'\' door
,,dierenarts" te doen vervangen.
 A. Vrijburg

Keuringsveearts-practicus.

Zeer onaangenaam werd ik getroffen door het ingezonden stuk ,,Oproep",
van collega
Sijbesma, in ons tijdschrift van 1 Oct. j.1. Naar aanleiding hiervan
het volgende :

De keuringsveearts practicus stond en staat nog steeds aan vele aanvallen
bloot. Beweringen dat practijk en keuring onvereenigbaar zijn, tot misstanden
aanleiding geven, zijn meermalen geuit, zoowel in slagersvakbladen als in ons
tijdschrift. Tot dusver zag ik tot mijn spijt van de zijde van de keuringsveearts-
practicus geen verweer. Vrij zeker ging het verscheidene collega\'s als mij, dat zij
zichzelf niet op wilden werpen als woordvoerder, waar misschien beter versneden
pennen ten dienste stonden. De goede schrijvers zwegen.

Laat ik dan het stilzwijgen breken en protesteeren tegen het feit. dat mijns
inziens ten onrechte steeds in schampere bewoordingen wordt gesproken over
den keuringsveearts-practicus ; dat er steeds wanneer in een of andere keurings-
dienst wat gebeurt, gegeneraliseerd wordt. Ook in ons eigen tijdschrift I

Er zijn gelukkig ook nog wel menschen, die het met de bewering, dat slechts
een zuiver ambtelijke keuringsdienst de hygiëne kan dienen, absoluut niet eens
zijn.

Dat er in sommige keuringsdiensten dingen gebeuren, die niet juist zijn, misschien
niet door den beugel kunnen, wil ik op gezag gaarne aannemen, doch hoeveel
gevallen, die als vaststaand worden verteld, blijken bij navraag slechts praatjes
te zijn. Het oordeelen en veroordeelen valt veelal licht.

Wanneer collega Sijbesma zegt dat de uitvoering van de vleeschkeuringswet
ten plattelande grove tekortkomingen vertoont, dan neem ik aan, dat hij die
beweringen kan waar maken. Meent hij het dan tevens zoo goed met die uit-
voering als ik uit zijn woorden opmaak, laat hij dan de bevoegde autoriteiten
waarschuwen, te weten Inspecteur en Gemeentebestuur.

-ocr page 1191-

— IIÓ2 -

Het gezegde ,,hij, d. w. z. de Keuringsveearts-practicus ontleent aan zijn ambt
bevoegdheden, die hij tegenover naburige collega\'s, geen keuringsveearts zijnde,
kan misbruiken", is een verdachtmaking welke ik niet kan laten passeeren.

Velen van ons vervullen met ambitie en correct, vaak onder zeer moeilijke
omstandigheden, het hen opgedragen werk, hetwelk door buitenstaanders wel
wordt gewaardeerd. De veterinaire gemeenschap zal daar meer mede gebaat zijn,
dan wanneer uit eigen kamp een groot deel van de collega\'s, mijns inziens ten
onrechte, wordt uitgemaakt voor menschen, die hun plicht verzaken, afhankelijk
en partijdig zijn.

Over de toestanden in Friesland kan ik niet oordeelen, misschien komt uit deze
provincie zelf nog een stem om deze zaak recht te zetten.

Piel.

Eibergen, 12 Oct. 1929.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Ondergeteekende heeft nu overgenomen van Dr. Vermeulen het ,,Bureau voor
plaatsvervanging" onzer Maatschappij. Leden, die een vervanger of assistent
wenschen (tuberculose-onderzoek!) gelieven mij zulks zoo tijdig mogelijk op te
geven, ook reeds wanneer men den juisten datum nog niet kan opgeven. Van
H.H. vervangers verwacht ik, dat zij mij nauwkeurig op de hoogte houden van
hunne verbintenissen en adres evt. telefoonnummer.

Aanvragen om sectie-, schade- en ziekteattesten voor de veeverzekerings-
maatschappijen zijn thans ook aan ondergeteekende te richten.

Het telefoonnummer van het Secretariaat blijft 13749; interlocaal opbellen bij
voorkeur om 8 uur v.m. en 6 uur n.m. Persoonlijk gironummer (verzekerings-
formulieren) 80178.
 De Secretaris,

Ten Thije.

Lid geworden van de Afd. Gelderland—Overijssel: A. J. Breukink, Terborg,

Lid geworden van de Alg. Afdeeling: Mr. P. A. van Driest, Paardenarts
ie kl. Arnhem; H. A.
de Zeeuw, de Bilt.

Overgegaan van de Afd. Zuid-Holland naar Gelderland—Overijssel : J. G.
Holsheimer, Paardenarts ie kl., Deventer.

Secretariaat van de Afd. Friesland overgegaan van J. Zweers op I.. P. de
Vries te Franeker.

Met ingang van 1 Januari 1930 worden de H.B. leden voor de Afd. Friesland
en Limburg, resp. C.
Tenhaeff en J. J. W. Urlings (beide niet herkiesbaar)
vervangen in het Hoofdbestuur door A.
H. Veenbaas en H. J. C. Horbach.

-ocr page 1192-

- II63

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE. Rectificatie.

In mijn uittreksel uit het jaarverslag 1928 van het slachthuis te Waalwijk in
het tijdschrift van 1 Oct. j.1. staat aan het slot vermeld een nadeelig saldo van
/ 7352-545- Dit is een nadeelig saldo voorkomend op den kapitaaldienst. De exploi-
tatie van het slachthuis zelf sluit met een voordeelig saldo van / 1516.21.

Jaarverslagen 1928

Rheden. De voornaamste gebeurtenis was wel de opening van het openbaar
slachthuis op 27 April 1928. De exploitatie gedurende de 8 maanden van het
jaar leverde een batig slot op van ƒ 98.44».

Bad. vleeschonderzoek werd verricht bij 11 runderen, 30 varkens, 6 graskalveren
6 vette kalveren, 1 nuchter kalf en 3 paarden. Geen enkel geval was positief.

Hoewel tijdens den gedecentraliseerden dienst nauwkeurig acht werd gegeven
op het
voorkomen van finnen, daar, gezien de cijfers van Arnhem en Nijmegen,
een hoog percentage verwacht kon worden, werden cysticercen toch slechts spo-
radisch aangetroffen. Na de in gebruikneming van het slachthuis werd dit geheel
anders. In totaal werden bij 33 runderen (3.5 % van het totaal aantal) finnen
aangetroffen, waaronder in 3 gevallen levende exemplaren.

Collega Reitsma merkt, in verband met dit merkwaardig verschil, op, dat in
de veelal slecht verlichte en weinig comfortabele particuliere slachtplaatsen de
cysticerci vaak over het hoofd zijn gezien.

Naar aanleiding van de onderzoekingen van le Coultre worden nadien zoo-
veel mogelijk gegevens verzameld over de herkomst der dieren, het aantal gevonden
finnen en de zitplaats. Bovendien is het onderzoek verscherpt ; de in- en uitwendige
kauwspieren worden nl. door een paar longitudinale sneden gekliefd en deze
vleeschlappen daarna meermalen in scliuinschdwarse richting.

Tuberculose kwam voor bij 3.J °0 der runderen, 6.6 % der varkens en 1 paard.

Echinococcosis bij 2.8 % der runderen, 20.6 % der paarden en 1.6 % der varkens.

Enschede. Bacteriologisch vleeschonderzoek werd verricht bij 65 runderen, 15
kalveren, 4 varkens, 17 paarden.

Tuberculose kwam voor bij 9.96 % der runderen, 0.1 % der kalveren, 2.6 %
der varkens, 0.15 % der paarden en 0.5 % schapen en geiten.

Cysticercus inermis werd aangetroffen bij runderen in de kauwspieren 8 maal
levend. 6 maal afgestorven, in het hart 9 maal afgestorven en in de tong 1 maal
afgestorven.

Winst slachthuis bedroeg ƒ4128.915, nevenbedrijven / 721.79.

Opening van het nieuwe abattoir te Deventer.

Op 12 Oct. j.1. is het nieuwe openbare slachthuis te Deventer, in tegenwoordig-
heid van vele autoriteiten en genoodigden, officieel geopend. Na een openingsrede
door den burgemeester volgde een rondgang door de inrichting.

De slagers hebben, in verband met de hooge slachttarieven van het openbaar
slachthuis, hun winkelprijzen met 2 cent per pond verhoogd. De nieuwe inrichting
zal zich hierdoor wel niet direct in de sympathie van het publiek mogen verheugen.

Veroorzaakt de destructor te Winterswijk een hinderlijke stank voor de omgeving.

Toen verleden jaar het nieuwe abattoir met daaraan verbonden destructor
werd geopend, heeft het gemeentebestuur van W. zich in het bijzonder beijverd,
vooral den destructor rendabel te maken. Het gevolg is geweest, dat eenige ge-
meenten in den omtrek zich bij den Winterswijkschen destructor hebben aange-
sloten.

Nauwelijks echter was de inrichting goed en wel in werking, of er kwamen vele
klachten van de omwonenden wegens den stank, dien de destructor verspreidde,
en van de slagers, die zelfs beweerden, dat het vleesch in het abattoir door de
lucht van den destructor bedorven werd. Het gemeentebestuur moest toegeven,
dat verandering noodzakelijk was en de destructor in elk geval niet met het abattoir
onder één dak kon blijven.

-ocr page 1193-

Naar een bericht in de N. R. Ct. mededeelde, hebben leden der slachthuis-
commissie en de directeur van het slachthuis daarop een uitgebreid onderzoek
in het buitenland ingesteld, met name in Duitschland en Engeland. Hierbij bleek,
dat geen der bezochte inrichtingen in Duitschland stankvrij was ; daarentegen
was de Engelsche inrichting absoluut reukeloos. Voorgesteld wordt nu, een nieu-
wen destructor uit Engeland te betrekken en deze op een voldoende afstand van
de bebouwde kom te doen bouwen. De kosten zullen ongeveer / 45.000 bedragen.

De stempeling van het vleesch in Engeland.

Met i Oet. 1929 is in Engeland een nieuwe wettelijke regeling voor den verkoop
van vleesch in werking getreden. Het vleesch wordt in 3 kwaliteiten afgeleverd,
nl „goed", „uitgelezen" en „prima". Indien het dier, waarvan het vleesch af-
komstig is, in Engeland gemest en geslacht is geworden en door de inspecteurs
va 1 de regeering is gekeurd, krijgt het vleesch bovendien nog den nationalen stem-
pel. Dezelfde inspecteurs bepalen de hoedanigheid.

De Minister van Landbouw heeft verder nog voor de radio een uiteenzetting
gegeven van de keurings- en stempelingspolitiek van de regeering.

De huisvrouwen behoeven, zoo wordt in de pers opgemerkt, zich nu geen be-
vroren vleesch meer voor Engelsch of Welsch in de handen laten stoppen.

Het coöperatief slachthuis te Roosendaal.

Het besluit van den Raad der gemeente Rosendaal van 11 Juni j.1. ; tot aankoop
van eenige perceelen grond tegen een som van ruim / 25.600.— (waarvan een
deel bestemd is voor den bouw van een openbaar slachthuis, op te richten dooi-
de coöp. Vereeniging openbaar slachthuis, van de R.K. Slagerspatroonsvereeni-
ging, en naar aanleiding waarvan verschillende bezwaarschriften bij Gedep. Staten
werden ingediend) is thans door Ged. Staten van N.-Brabant goedgekeurd.
De bouw van het coöperatief openbaar slachthuis te Roosendaal zal dus wel
doorgaan.

De heffingsverordening te \'s Hertogenbosch.

De door den Raad bij besluit van 27 Juni j.1. vastegstelde verordening tot heffing
en invordering van rechten voor het gebruik van het slachthuis, ontmoette bij
den Min. van Arbeid, Handel en Nijverheid de volgende bezwaren :

1. Het keurloon van de in de gemeente \'s-H. geslachte schapen, lammeren, bok-
ken, geiten en nuchtere kalveren is gesteld op / 1—, terwijl het keurloon van deze
dieren bij invoer in geslachten toestand is bepaald op / 2.—.

Deze regeling wordt door den Minister geacht in strijd te zijn met het bepaalde
in art. 8, 2de lid, der Vleeschkeuringswet, volgens welke bepaling tot keurloon
van ingevoerd vleesch niet liooger mag zijn dan van hier geslacht vee. Bedoeld
keurloon behoort derhalve in beide gevallen / 1.— te bedragen.

2. In artikel 2, onder X, is een tarief vastgesteld voor het onderzoek van ge-
vogelte of wild. Dit wekt, volgens den Min., den indruk alsof de ambtenaren van
het gcmeenteslachthuis hebben te beslissen over de deugdelijkheid van deze dieren.

Daar, ingevolgde het bepaalde bij de Warenwet, de beslissing in deze in andere
handen is, is, volgens den Min., een verkeerden indruk gewekt, en lijkt het hem
aangewezen het tarief voor dit onderzoek uit de heffingsverordening te doen ver-
vallen.

AIS gevolg van deze bezwaren stellen B. en W. den Raad voor, de bovenbeschre-
ven wijzigingen alsnog in de heffingsverordening aan te brengen.

Behooren geslachte en geplukte kippen tot vleesch te worden gerekend?

Reeds vroeger vermeldde ik, dat in Amsterdam door den keuringsdienst van
waren proces-verbaal was opgemaakt tegen iemand, die drie in een pakje ver-
pakte, geslachte en geplukte en voor de nhandel bestemde hoenders op een wagen
vervoerde, althans ten verkoop in voorraad had, terwijl de hoenders in ondeugde-
lijken toestand verkeerden. De kantonrechter sprak vrij en redeneerde daarbij
als volgt :

dat niet bewezen is, dat de bij dagvaarding bedoelde hoenders niet behoorden
tot dat vleesch of tot die vleeschwaren, waarvan de keuring
niet van scheikun-

-ocr page 1194-

digen aard is, omdat een geslacht en geplukt hoen zonder twijfel vleesch is, en
uit de verklaringen der gehoorde deskundigen blijkt, dat de keuring van zoo-
danig hoen, als het in ondeugdelijken toestand verkeert,
niet van scheikundigen
aard is ; dat daardoor
niet vaststaat, dat de hoenders niet behoorden tot het vleesch,
dat in art. i van de warenwet van het begrip „eetwaren" uitgezonderd is; dat
deze
niet vaststaande omstandigheid een bestanddeel vormt van de aan den ver-
dachte te lastgelegde overtreding.

De kantonrechter verklaarde dus „kip" tot „vleesch", zoodat de keurings-
diensten van waren geen toezicht meer zouden kunnen houden op gevogelte, zoo-
lang de Warenwet te dien aanzien niet is gewijzigd.

De rechtbank te Amsterdam heeft intusschen het vonnis van den kantonrech-
ter vernietigd. In het Weekblad van het Recht, No. 12015, is het vonnis van de
rechtbank opgenomen. Uit de overwegingen van het vonnis is het volgende ont-
leend :

De rechtbank is, in tegenstelling met den kantonrechter, van oordeel, dat ge-
slachte en geplukte hoenders behooren tot het begrip „eetwaren", genoemd in
art. i der Warenwet 1919, Stbl. 581, waarnaar art. 1 der keuringsverordening
voor de gemeente Amsterdam verwijst.

Weliswaar worden van dat begrip uitgezonderd vleesch en vleeschwaren, voor
zoover de keuring niet is van scheikundigen aard, doch de rechtbank verstaat
onder vleesch en vleeschwaren op na te melden gronden hetgeen daaronder wordt
verstaan in de Vleeschkeuringswet 1919, waaruit volgt, dat geslachte en geplukte
hoenders geen „vleesch of vleeschwaren" zijn, daar zij niet behooren tot de slacht-
dieren, vermeld in art. 1 der Vleeschkeuringswet.

Deze opvatting van art. 1 der Warenwet wordt gerechtvaardigd door de ge-
schiedenis van dat artikel (in het kort wordt deze geschiedenis aangehaald en
daaruit de conclusie getrokken, dat Warenwet en Vleeschkeuringswet in zeer
nauw verband staan) zoodat het ongerijmd zou zijn onder „vleesch en vleesch-
waren" in art. 1 der Warenwet iets anders te verstaan dan de Vleeschkeuringswet
daaronder verstaat.

De koopman werd door de rechtbank veroordeeld tot 3 dagen hechtenis.

Intusschen is, naar het „Weekblad van het Recht" mededeelt, tegen een vonnis
als het bovenstaande, reeds cassatie-beroep aanhangig.

Mocht de Hooge Raad het inzicht van den kantonrechter deelen, dan zal de
Regeenng ongetwijfeld de Warenwet aanvullen met de bepaling, dat in de Waren-
wet onder vleesch en vleeschwaren hetzelfde moet worden verstaan, wat de Vleesch-
keuringswet daaronder verstaat.
 de Graaf.

Destructie van vleesch enz.

De Zeeuwsche Landb. Mij. heeft aan de afd. Zeeland der Mij. van Diergenees-
kunde verzocht 3 leden aan te willen wijzen, teneinde met 3 leden van het Hoofd-
bestuur der Z. L. M. een commissie te vormen met het doel te onderzoeken, welk
systeem van cadaver- enz. destructie voor Zeeland het meest is aan te bevelen.

De collega\'s, die in deze commissie zitting hebben, zijn : P. Kooijman te Zie-
rikzee,
L. W. de Waardt te Middelburg en J. Lako te Sluis, terwijl P. Stehouwer,
Inspecteur van den Volksgezondheid enz. te Dreda een adviseerende stem erin
heeft.

Het onderzoek zal in hoofdzaak gaan over de kwestie ; aansluiting bij de N. T. F.
of navolging systeem Midwoud, Barsingerhorn, Winterswijk.

Uitvoer van rundvee naar België.

De Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw,
brengt ter kennis van belanghebbenden, dat met ingang van 16 October a.s. de
verplichte quarantaine van 4 x 24 uren, onmiddellijk voorafgaande aan het tijd-
stip van uitvoer van voor België bestemd rundvee, is vervallen.

Niettemin blijft het aanbrengen van het gebruikelijke oormerk door de zorg
van den Veeartsenijkundigen dienst verplicht.

-ocr page 1195-

De overige voor België geldende bepalingen ten aanzien van voor uitvoer be-
stemd vee blijven van kracht.

\' s-Gravenhage, ii October 1929.

Pullorum-onderzoek.

Hen, die aan pluimveepraktijk doen, zal het interesseeren te vernemen, dat ik
op mijn verzoek aan de Pullorum-Commissie om bericht, of certificaten, door
mij afgegeven voor onderzoek op het constateeren van pullorum door middel
van de door Prof. Dr.
de Blieck verbeterde snelmethode, worden erkend, het
navolgende schrijven ontving.

Aan den WelEdelen Heer J. A. Lenshoek, Nijmegen.

WelEdele Heer,

Het is mij aangenaam U te kunnen berichten, dat de Pullorum-Commissie
geen bezwaar heeft, Uwe inrichting te erkennen voor het bloedonderzoek

Hoogachtend,

24 September 1929. Sannes.

Moge het bovenstaande een aansporing zijn om het onderzoek zelfstandig uit
te voeren.

Nijmegen, 2-10-1929. Lenshoek.

Verkort verslag der vergadering van Directeuren van Gemeentelijke Slachthuizen
in Nederland, gehouden op 28 September 1929.

Ter sprake kwam het hygiënisch bezwaar voortvloeiende uit de aanwezigheid
van geslachte runderen met daaraan verbonden staartpluimen in het koelhuis.
Hierbij kan toch zeer gemakkelijk bezoedeling van het vleesch ontstaan. Ook
bij het vervoer van het hierbedoelde vleesch is dit laatste het geval. Afsnijden
dezer pluimen is niet mogelijk, aangezien daaraan het looden schatmerk door
de rijksambtenaren is bevestigd. Besloten werd een schrijven te richten aan den
Minister van Financiën, waarbij de aandacht op bovenbedoeld hygiënisch bezwaar
wordt gevestigd en verzocht wordt maatregelen te willen overwegen, welke aan
dit bezwaar kunnen tegemoet komen. Als zoodanig werden ter vergadering ge-
noemd het na de goedkeuring van het geslachte dier aanbrengen van een ander
schatmerk aan den romp, ter vervanging van dat aan de staartpluim of het be-
vestigen van het slachtmerk boven de staartpluim, zoodat deze laatste zonder
bezwaar bij de slachting verwijderd kan worden.

Door collega W. v. d. Burg, Voorzitter der Commissie in zake het Slachtvraag-
stuk uit de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van dieren werd een
lezing gehouden over het onderwerp : „Electrische bedwelming van slachtdieren",
welke lezing door den inleider ter plaatsing in het Tijdschrift van Diergeneeskunde
zal worden aangeboden. In beginsel werd besloten medewerking te verleenen bij
eventueele proefnemingen met het electrisch bedwelmen.

Ter sprake werd gebracht de vraag in hoever het op den weg van den Vleesch-
kcuringsdienst ligt om medewerking te verleenen bij het verrichten van sectie
en het verstrekken van verslag daarvan ten behoeve der vereenigingen tot be-
strijding der tuberculose onder het rundvee. Hierbij werd o a. gewezen op <lc-
omstandigheid, dat het onderzoek bij geslachte dieren ten behoeve van dit doel
meer diepgaand is dan voor de Vleeschkeuring noodzakelijk is. Hiervan kan na-
deel voor den eigenaar-slager ontstaan. De wenschelijkheid werd betoogd het daar-
heen te leiden, dat de verkoop der bedoelde dieren vanwege de betrokken vereeni-
gingen plaats vindt onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat het onderzoek der ge-
slachte dieren moet geschieden op de wijze als door den met het onderzoek be-
lasten ambtenaar noodig wordt geoordeeld. Deze laatste zal dan gevrijwaard
zijn voor klachten van de zijde der koopers. De vraag werd voorts gesteld of de
betrokken vereenigingen voor het verrichten van bovengenoemd onderzoek geen
vergoeding behooren te verleenen.

Door een der leden werden eenige belangwekkende mededeelingen gedaan om-
trent het.aantreffen in grooten getale van levensvatbare exemplaren van cysti-

-ocr page 1196-

cercus inermis in een geslacht vet kalf. Onderzocht zijn 307 finnen, terwijl het
geheele aantal in dit kalf aanwezig meer dan 500 bedroeg. Met de finnen werden
op uitgebreide schaal proefnemingen gedaan, o. a. werden eeinge exemplaren
gedurende 2 uren bij een temperatuur van 370 C. gelegd in een oplossing van 1 %
pepsine en £ % H.C1, waarbij eenige 10 % voedingsgelatine. De bedoeling hiervan
was na te bootsen — zij het dan ook zeer onvolmaakt — hetgeen zich in de maag
afspeelt bij de digestie.

Vorengenoemd lid betoogde verder de wenschelijkheid om de kauwspieren bij
vette kalveren in te snijden, hetgeen het K. B. van 5 Juni 1920, Stbl. No. 520 niet
imperatief voorschrijft.

De Secretaris der Vereeniging van Directeuren
van Gemeentelijke Slachthuizen in Nederland,
J. A. G. Reeser.

Anti-beri-beri-vitamine.

In de bereidingswijze in het Geneeskundig Laboratorium te Weltevreden, wer-
den door de ontdekkers Prof. Dr.
Jansen en Dr. Donath nog verbeteringen aan-
gebracht. Het verkoop is in 1929 vrij gesteld ; tot nog toe werd dit vitamine alleen
op voorschrift van artsen geleverd.

(Geneesk. Tijdschr. v. Ned.-Indië, 3 Sept. 1929.) Vr.

Diergeneeskundig Jaarboekje 1930.

Zal ons jaarboekje een betrouwbare vraagbaak zijn en blijven dan is het noodig
dat de redactie op de hoogte wordt gehouden van alle bijzonderheden die er in
ons maatschappelijk bestaan plaats hebben en met alle veranderingen en wijzi-
gingen die daarin in den loop van het jaar ontstaan. Als betrouwbaar adresboek
moet tevens elke verandering van woonplaats en werkkring, benevens het aan-
vaarden van nieuwe functies, het verkrijgen van titels e:i onderscheidingen in
het jaarboekje worden vermeld.

De redactie van het jaarboekje verzoekt u daarom beleefd doch dringend,
door het — zoo noodig — invullen en gefrankeerd terugzenden van inliggende
kaart tot dat doel mede te werken.

Voor een tijdig verschijnen van het boekje is eenc spoedige toezending van de
kaart gewenscht.
 Kroes.

Aan welke kwaliteiten een slachthuisdirecteur dient te voldoen.

Naar aanleiding van de directiewisseling aan het gemeentelijk slachthuis te
Arnhem verschenen in de Nieuwe Arnhemschc Courant enkele beschouwingen
over de vraag ,,aan welke kwaliteiten een slachthuisdirecteur dient te voldoen".
Wij meenen de hoofdgedachten hiervan in ons Tijdschrift te mogen vastleggen,
omdat men zelden door derden de bedoelde functie zoo goed geschetst vindt.
Zeer waardeerende woorden werden in dat artikel gericht tot coll. v.
d. Slooten,
den scheidenden directeur van het abattoir te Arnhem.

,,De groote, misschien wel de voornaamste eiscli is, dat een slachthuisdirecteur
alle goede menschelijke eigenschappen in zóó ruime mate behoort te bezitten,
dat zij, die dagelijks van het slachthuis gebruik maken, als mensch tegen hem
opzien; dat zij overtuigd zijn van zijn rechtvaardigheid, zijn eerlijkheid, zijn in-
zicht. Zij moeten in hem zien hun leider, niet alleen op het slachthuis, maar ook
in tal van vraagstukken, die geheel liggen buiten het kader van zijn vak en waar-
voor vaak bij den directeur om raad wordt aangeklopt. Zij moeten overtuigd zijn,
dat, als de directeur een maatregel neemt, welke hun persoonlijke belangen raakt
en misschien schaadt, die maatregel toch juist is, enkel en alleen omdat de directeur
zich genoodzaakt heeft gezien dien maatregel te treffen.

Een tweede, even noodzakelijke eisch is, dat een slachthuisdirecteur wetenschap-
pelijk hoog staat en ook daarvan moeten de slagers absoluut overtuigd zijn. Want
een .slachthuisdirecteur, in wien het vertrouwen ook maar eenigszins wankel is,
zal nimmer dagelijks ongestraft kunnen heerschen over de eigendommen van de

-ocr page 1197-

slagers en dagelijks soms tientallen ja soms honderden guldens van hen naar den
verbrandingsoven kunnen verwijzen. Indien er geen groot vertrouwen bestaat
in de wetenschappelijke „standing" van den directeur en in zijn groote rechtvaar-
digheid, zou diens positie onhoudbaar zijn.

Als een derde voorname eisch moet worden gesteld, dat een slachthuisdirecteur
tucht en orde kan handhaven en de noodige tact bezit om die tucht bijna niet te
doen gevoelen. Dus geen tucht gebaseerd op vrees voor straf, welke tucht in bij-
zondere omstandigheden toch steeds faalt en op een slachthuis, met zijn eigen-
aardige verhoudingen, practisch niet is door te voeren, maar een orde, voort-
vloeiende uit eerbied, uit de wetenschap dat een gedecreteerde ordemaatregel
noodig is, omdat de directeur dien maatregel of het verbod uitvaardigt.

Nogmaals dus dat vertrouwen en opzien naar de „standing" van den directeur.
Het gaat er bij den functionnaris om, dat hij als mensch hoog staat, als weten-
schappelijk man zonder blaam is en zóó veel respect weet af te dwingen en zóó
veel tact bezit, dat hij een gezonde orde kan handhaven.

Daarnaast dienen nog andere eischen gesteld te worden, welke voor een directeur
van een slachthuis eveneens gebiedende noodzaak zijn. Wij noemen onder meer de
noodige kennis van slachthuisbouw, van de werking van diverse soorten koel-
machines en van de nieuwste slachttechnische installaties. De directeur moet een
groot organisatorisch talent bezitten, administratief goed onderlegd zijn, de noo-
dige slachthuis-ervaring en zooveel laboratorium-ervaring bezitten, dat hij niet
alleen in staat is om leiding aan de laboratoriumwerkzaamheden te geven, doch
ook tot laboratoriumwerk kan inspireeren.

Hij moet blijk hebben gegeven een goeden stijl van schrijven te bezitten. Zijn
naam moet op het gebied der vleeschkeuring een bekenden klank hebben en last
not least, hij moet de noodige „savoir vivre" bezitten om als hoofdambtenaar zich
in alle kringen te kunnen bewegen en daar het persoonlijke respect af te kunnen
dwingen, dat voor het hooghouden van den naam van het slachthuis en van de
Gemeente in het algemeen absoluut noodzakelijk is.

Aan den Raad der gemeente is de taak om zelf ernstig te zoeken naar een fun-
tionnaris, die deze eigenschappen althans het beste in zich vereenigt, met opzij-
stelling van politieke en andere belangetjes. C F. v. O.

Benoeming.

Dr. A. ten Sande, inspecteur van den Veeartsenijkundigen Dienst, tevens
inspecteur van de Volksgezondheid, is met ingang van i Oct. 1929, benoemd tot
adjunct-directeur van den Veeartsenijkundigen Dienst, tevens inspecteur van de
Volksgezondheid.

Onze gelukwenschen aan Dr. ten Sande.

Professor Dr. D. A. de Jong-Stichting.

Bij besluit van de Alg. Vergadering van de Maatschappij voor Diergeneeskunde
van 11 dezer is uit de fondsen dier Mij. een bedrag van / 5000.— voor deze
stichting beschikbaar gesteld als storting
in eens, benevens een jaarlijksche bij-
drage van één gulden per lid.

Bovendien zal het batig saldo van het Prof. Dr. D. A. de ]oNG-fonds, bij die
Mij. in beheer en op ultimo December a.s. ruim / 1200.— bedragende, op dien
datum naar de gelijknamige
stichting worden overgeschreven.

Aan inschrijvingen in eens als bedoeld in de bekende circulaire van het Voor-
loopig Comité is tot heden van 101 inschrijvers een bedrag ontvangen / 4253.50,
waaronder een schenking van / 1000.—, een van / 500.—, twee van / 250.— en
acht van / 100.—, terwijl elf jaarlijksche bijdragen zijn toegezegd tot een totaal
van / 93.—.

De Penningmeester v. h. Voorloopig Comité,
W. van der Burg.

-ocr page 1198-

nóg

Nationaal Comité voor het Xle Internat. Veeartsenijkundig Congres Londen 1930.

In aansluiting aan het bericht omtrent de voor het Congres te Londen uitge-
noodigde Nederlandsche rapporteurs zij alsnog medegedeeld, dat als rapporteur
voor het onderwerp „Veterinary Science in relation to public health, with special
reference to production and distribution of meat and milk\'\' is uitgenoodigd Dr.
Berger.

Voorts is van den Secretaris-Generaal van het Congres de mededeeling ontvangen,
dat, wegens de hooge kosten, verbonden aan de voor de leden bestemde drukwerken,
de kosten van het lidmaatschap der gewone leden zijn verhoogd van 20 tot 30
shilling.

Aanmelding voor gewoon lid bij ondergeteekende dient dus vergezeld te gaan,
op de reeds aangegeven wijze, van een bedrag van / 18.—.

Aan de voorzitters van de verschillende afdeelingen der Mij. voor Diergenees-
kunde is een schrijven gericht waarvan hieronder een uittreksel volgt :

Geachte Collega,

Het Nationaal Comité voor het Xle Internationaal Veeartsenijkundig Congres
1930 te Londen veroorlooft zich Uwe medewerking in te roepen, teneinde de deel-
neming van de Nederlandsche dierenartsen aan genoemd Congres zooveel mogelijk
te bevorderen. Het zal niet noodig zijn U ervan te overtuigen, dat het in de eerste
plaats de plicht is der dierenartsen in het algemeen, om, ieder naar zijn vermogen,
mede te werken aan het welslagen van deze internationale bijeenkomsten, waar,
door bekendmaking der nieuwste inzichten op het gebied der diergeneeskunde
en onderlinge gedachtenwisseling daaromtrent, onze wetenschap in zoo belangrijke
mate wordt gediend, waarvan, elk op zijn gebied, ten slotte de vruchten kan
plukken.

Die belangstelling, welke elk dierenarts voor dit congres dient te gevoelen, kan
men niet beter uiten dan door zich op te geven voor het lidmaatschap en het con-
gres persoonlijk te bezoeken. Mogen voor velen ten aanzien van dit laatste over-
wegende bezwaren bestaan, de betrekkelijk geringe kosten voor het lidmaatschap
behoeven niemand onzer te weerhouden zich als zoodanig op te geven, vooral
ook als men in aanmerking neemt, dat de gewone leden het verslag van het congres
na alfoop portvrij krijgen toegezonden.

Evenwel spreekt het vanzelf, dat vooral persoonlijk bezoek in de eerste plaats
vereischt is om het welslagen van een congres te verzekeren. Het kan bovendien
niet anders dan de reputatie der Nederlandsche dierenartsen ten goede komen,
als zij in grooten getale van 4—9 Augustus 1930 zich naar Londen begeven.

Het Nationaal Comité zou het op hoogen prijs stellen, als U als afdeelingsvoor-
zitter der Mij. voor Diergeneeskunde in Uwe eerstvolgende afdeelingsvergadering
een opwekkend woord tot de leden zoudt willen richten, teneinde hen zooveel
mogelijk aan te sporen tot al datgene, wat blijken kan geven van hunne belang-
stelling in het congres, met name door zich als lid aan te melden, indien eenigzins
mogelijk het congres persoonlijk te bezoeken en elk in eigen kring voor deelneming
aan het Congres op te wekken.

De Secretaris,

ten San de.

Binnenhof. 19

Postgiro 16363, kantoor \'s-Gravenhage.

Alastrim.

De in deze kwestie benoemde commissie, Prof. Dr. W. A. Kuenen, Dr. J . Kuiper
en Prof. Dr. J. J. van Loghem, heeft in haar rapport als haar meening geuit dat
de in ons land (Rotterdam) heerschende ziekte niet als alastrim maar als echte
pokken (variola vera) moet worden beschouwd.

Aan invoering van gedwongen vaccinatie valt, volgens haar, wegens het en-
cephalitis-gevaar, niet te denken.

-ocr page 1199-

Nauwkeurige en geregelde inlichting door de (geneeskundige) Inspectie, om-
trent de vastgestelde gevallen (van encephalitis) is noodig om
plaatselijk aan de
geneeskundigen hun standpunt, ten aanzien van het af- of aanraden van de
vaccinatie mogelijk te maken.
 Vr.

Leesgezelschap.

Met i Januari 1930 zal het Leesgezelschap zijn 5e jaar ingaan. Het bijna
afgeloopen jaar, dat zeer regelmatig is verloopen en dat zich tot heden ken-
merkte door een vlugge verzending door nagenoeg alle leden, doet verwachten,
dat ook het komende jaar op dezelfde wijze zal kunnen worden geexploiteerd.

Wij hebben gemeend te moeten overwegen of het niet gewenscht zou zijn de
beide weekbladen Avicultura en Bedrijfspluimveehouder voor iedere groep te laten
vervallen en daarvoor in de plaats te nemen een Engelsch veterinair weekblad
the Veterinary Record. Wij zouden bezwaren daartegen gaarne spoedig vernemen.
Wij meenen uit verschillende omstandigheden te hebben opgemerkt, dat die
beide hollandsche bladen niet schijnen te bieden, hetgeen de leden verlangen.

Klaarenbeek.

Eichholtz.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in September 1929.

(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan, die op 1 Sept. nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer : bij 22 (8) eigenaars, waarvan in Groningen bij (1) ; Firies-
land bij 4 (4) ; Drenthe bij 1 (1) ; Overijsel bij 1 (1) ; Gelderland bij 5 ; Zeeland
bij 10 ; Noord-Brabant bij (x> eig.

Scabiès : (sarcoptes en dermatocoptes bij paard en schaap : 59 gevallen bij 1 eig.
(446 bij 9 eig.), waarvan in Groningen (433 bij 6 eig.) ; Friesland 59 bij 1 eig, (2 bij
i eig.) ; Drenthe (10 bij 1 eig.) ; Noordholland (1).

Rotkreupel bij schapen : 28 gevallen bij 4 eig. (378 bij 36 eig.), waarvan in Fries-
land 2 bij i eig. (97 bij 13 eig.) ; Drenthe (18 bij 8 eig.) ; Noordholland 26 bij 3 eig.
(148 bij 11 eig.) ; Zuidholland (115 bij 4 eig.).

Anthrax : 22 gevallen bij 21 eig. (6 bij 3 eig.), waarvan in Overijsel 2 bij 2 eig. ;
Gelderland 6 bij (> eig. ; Utrecht 1 ; Noordholland 2 bij 1 eig. ; Zuidholland 2 bij 1
eig. (6 bij 3 eig.) ; Noordbrabant 6, waarbij 1 paard en 1 varken, bij 6 eig. ; Limburg
3, waarbij r paard, bij 3 eig.

PERSONALIA.

Verhuisd : M. P. Swinkels van Willemstr. 8, naar Julianalaan 18, Helmond.

-ocr page 1200-

nyi

REFERATEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Over de differentiatie van bacteriën met een miltvuurachtige groei en echte mtlt-
vuurbacillen.
(Zur Differenzierung von Bakterien mit Milzbrandïhnlichem Wac-hs-
tum und Milzbrandbazillm in der Praxis der bakleriologischen Fleischuntersuchung;
Dr. Friedrich Karetta, Wiener Tierarztl. Monatschrift. Jg. 16, pg. 41 und 85).

De differentiatie van bakteriën met een miltvuurachtige groei (pseudomilt-
vuurbacillen en aardbacteriën) en echte miltvuurbacillen is somtijds zeer moei-
lijk, vooral met het oog op het feit, dat juist in deze gevallen eenige haast moet
worden betracht.

Karetta wijst er op, dat het maken van een microscopisch praeparaat, al of
niet gevolgd door een
praecipitatieproef met extract van organen, waaruit men
de verdachte bacillen heeft geïsoleerd, lang niet altijd voldoende zekerheid geven.
Komen nl. een zeer gering aantal bacillen in lichaam of organen voor, dan kan,
zelfs in gevallen van echt miltvuur, het microscopisch praeparaat geen resultaat
opleveren, terwijl men bovendien er nog rekening mede moet houden, dat reeds in
eenigszins rottende organen de miltvuurbacillen vernietigd kunnen zijn of reeds
sporen kunnen hebben gevormd.

De dierproef zou dan nog nader uitsluitsel kunnen geven ; gezien echter het feit,
dat men meermalen heeft waargenomen, dat witte muizen niet na 2—3 dagen
maar pas na 10 dagen
(Glage), ii dagen (Reichel) aan miltvuursepticaemie
stierven, is een negatieve dierproef b.v. binnen 4 dagen nog geen bewijs dat men
niet met miltvuur te doen heeft.

Al deze moeilijkheden waren voor Karetta aanleiding een methode van onder-
zoek uit te vinden waarbij men, zonder hulp van het dierexperiment, binnen be-
trekkelijk korten tijd tot een zekere diagnose zou kunnen komen. Hij ging daar-
toe na, in hoeverre de
groei op agarplaten, de morphologische eigenschappen, de
eigen beweging, de groei in bouillon en lakmoeswei, de groei op bloedagarplaten en
de
praecipitatie met kuituurextract voor een differentiatie zouden zijn te gebruiken.

In het geheel gebruikte hij een 36 bacteriestammen, uit organen van slacht-
dieren geïsoleerd en waarbij de eerste groei op agar deed vermoeden, met echte
miltvuur te cioen te hebben. Aangezien dit vraagstuk voor iedereen, die het bac-
teriologisch vleeschondcrzoek praktisch beoefent, van groot belang is, wil ik iets
uitvoerig de resultaten van
Karetta hieronder mededeelen.

ie. Groei op gewone agarplaat. Karetta vond, dat de bewering van Pfeiler
en Drescher, dat bij pseudomiltvuurbacillen de haarlokken nooit vrij zouden
eindigen, maar steeds weer naar het centrum der kolonie zouden teruggroeien,
niet opgaat. Bij verschillende stammen zag hij, zooals ook uit de bijgevoegde
mikrophoto\'s blijkt, draden vanuit de kolonie gaan, die gewoon vrij eindigden.
Een belangrijk verschil in kolonievorm treedt bij
vele pseudomiltvuurbacillen op,
als men deze
steeds blijft overenten op agarplaten. Reeds in de 2de generatie ziet men
dan b.v. al geen duidelijk medusahoofd meer, in de 3de generatie is de kolonie-
vorm al geheel gekorreld, ontbreekt haarlokvorming geheel.

Het aanwezig zijn van een draderige structuur der kolonie, welke men bij het
afenten met de platinaoese bij de echte miltvuurbacillen kan waarnemen, was
meestal niet op te merken bij de pseudobacillen. Deze hadden een meer zalfach-
tige kolonievorm en vertoonden slijmdraden.

Als typisch voor de echte miltvuurbacil mag men, volgens Karetta, aannemen
de volgende eigenschappen : macroscopisch onregelmatig gevormde of iets lang-
werpige kolonies, met grauw-witte kleur, dicht centrum en minder dicht gekar-
telde randzöne. Bij het aflichten met de oese een draderige structuur. Micro-
scopisch de haarlokken, die zich aan den rand oplossen in enkele uitloopers en
draden.

2e. Morphologische eigenschappen. Daartoe werden volgens Gram gekleurde

-ocr page 1201-

jitstrijkjes bestudeerd van 18—24 uur oude kuituren. De echte miltvuurbacil
vormt de bekende
kettingen, zoowel in vloeibare als op vaste voedingsbodems.
De bacil is niet veel langer dan breed, met rechthoekige einden ; sporenvorming
op vaste bodems bij 37° C. gewoonlijk na -J- 20 uur ; sporen centraal gelegen ;
verder Gram-positief.
Sommige stammen zijn asporogeen. Soms ziet men een variatie,
waarbij hoogstens 2 bacillen achter elkaar gevonden worden. De centrale sporen-
ligging kwam ook bij pseudoanthrax voor.

Over het algemeen geven deze morphologische eigenschappen wel een aan-
wijzing in zekere richting, zijn echter geen absoluut bewijs als ze ontbreken.

3e. Eigen beweging. Deze eigenschap is van veel belang bij de differentiatie. De
meeste pseudobacillen zijn nl. bewegelijk, alhoewel dit ook alweer niet altijd
opgaat, daar men reeds onbewegelijke, pathogene pseudobacillen heeft waar-
genomen.
Karetta vond verder, dat deze pseudobacillen, genomen bovenaan
van een vaste agarcultuur, onbewegelijk waren en uit het condenswater van de-
zelfde cultuur bewegelijk. Men moet daarom steeds bacteriën uit het condens-
water nemen en de hangende druppel maken met ongeënt condenswater uit een
riet gebruikte voedingsbodem of met bouillon,
niet met physiologische NaCl.
Men zorge steeds, dat men een absolute reincultuur onderzoekt en moet niet uit
het oog vei liezen, dat de bewegelijke bacteriën bij de sporenvorming hun be-
weging verliezen, zoodat men vooral jonge culturen moet onderzoeken. In het
algemeen twijfelt men tegenwoordig sterk aan de pathogeniteit der pseudomilt-
vuurbacillen voor mensch en dier.

4e. Groei in bouillon. De echte miltvuurbacil vormt op den bodem een vlokkig
of sluierachtig bodembezinksel, terwijl de bovenstaande vloeistof helder blijft.
Geen vorming van een oppervlaktevlies. Vele pseudobacillen vormen een opper-
vlaktevlies, reeds na 16 uur, sommige gaven een geheel troebele bouillon.

5e. Groei in lakmoeswei. Miltvuurbacil is zuurvormer, zoodat de cultuur rood
wordt. De pseudobacillen zijn alkalievormers, geven aan de cultuur derhalve een
blauwe verkleuring, terwijl in een groot aantal gevallen dan nog tevens een vlies-
vorming optreedt. De kleuromslag geschiedt pas na 48 uur.

6e. Groeiwijze op bloedagarplaat. De pseudobacillen, die liaemolysinen vormen,
geven reeds na 16—24 uur kweeking een duidelijke, vrij breede (1—4 m.M.), ring-
vormige en volkomen doorzichtige hof om de kolonies, terwijl miltvuur in den-
zelfden tijd hoogstens een zeer zwakke verkleuring geeft van den voedingsbodem
onder de kolonie, welke verkleuring niet buiten den rand der kolonie gaat. Voor
een duidelijke reactie moet men een 5—10% bloed toevoegen.

De bloedagarplaat wordt zoodanig gemaakt, dat men bij een buisje vloeibaar
en op ongeveer 42° C. afgekoelde agar versch verkregen, steriel gedefibrineerd
runderbloed tot hoogstens 10% toevoegt, goed doorschudt, en de inhoud in een
petrischaal uitgiet. De enting geschiedt aldus, dat met een oese van de te onder-
zoeken cultuur in 3 c.M3. phvs. NaCi-oplossing verdunt en dan het oppervlak der
plaat puntvormig ent.

Karetta geeft aan, alleen als haemolysc op te vatten de vorming van een
kleurlooze rand binnen hoogstens 24 uur, daar ook de miltvuurbacil zelf na dezen
tijd een geringe haemolyse vertoont. Hij vermeldt verder nog het geval van
Hal-
lermann,
die een miltvuurstau , door overenting in alcoholbouillon, een zeer sterke
haemolytische eigenschap kon bezorgen, terwijl hij tevens muispathogeen bleef.

7e. Praecipilatiereactie met cultuurextracten.

Deze cultuurextracten werden op de volgende wijze verkregen. Een 24 uur oude
schuine agarcultuur werd met 5 c.M3. phys. NaCl-oplossing 2 uur bij kamertem-
peratuur geschud. Het zoo verkregen extract door asbestfilters gefiltreerd en boven
het praecipiteerend serum gegoten. Bij 30 van de 36 onderzochte pseudobacillen-
stammen was deze reactie negatief ; een zestal vertoonde een positieve uitkomst.
Werd bij deze 6 positieve stammen het extract verdund 1 op 5, dan was de reactie
negatief. Volgens
Ascoli zou men tot op een verdunning van 1 op 50 bij echt
miltvuurextract nog een positief resultaat zien. Vooral bij niet bewegende bacillen

-ocr page 1202-

is dus de praecipitatie-reactie goed te gebruiken. Bij onbewegelijke bacil met
positieve reactie zou men, volgens
Karetta, steeds de dierproef moeten toepassen.

8e. Dierproef. Van alle 36 stammen werden muizen, subcutaan en intraperi-
toneaal, geïnfecteerd met 1 c.M3. 24 uur oude bouilloncultuur. Alle dieren bleven
in het leven.

Samenvattin g : Na een beoordeeling van de groei der verdachte kolonie op de
agarplaat en een Grampraeparaat, wordt de hangende druppel onderzocht. Bij
beweging is alle twijfel opgeheven. Bij onbewegelijke bacil wordt direct weer een
agarplaat (voor de beoordeeling van de 2de generatie), lakmoeswei, een bloed-
agarplaat en een schuin agarbuisje geënt, om na 24 uur te gebruiken. De schuine
agarcultuur dient voor een herhaling van de hangende druppel uit het condens-
waterenvoor het maken van een cultuurextract voor de praecipitatiereactie. Ten
slotte geeft
Karetta het advies, om vooral na het werken met pseudoanthrax-
bacillen al het glaswerk en instrumenten terdege te steriliseeren, daar men heeft
waargenomen, dat zelfs na 15—18 uur verblijf in kokend water de sporen dezer
bacillen nog levensvatbaar blijven, zoodat men het beste doet, vooraf de instru-
menten en glaswerk in formaline te leggen.

De nadeelen van het bevriezen van de fundamenten van vrieshuizen. (Die Ge-
fahren des Unterfrierens der Gebdudefundamente in den Gefrierraumen
; Raschke.
— Deutsche Schlachth. Zeitung, Jg. 28, pg. 331).

Raschke deelde in een voordracht het een en ander mede over de nadeelen,
die het bevriezen van de fundamenten van het vrieshuis op het abattoir te Chem-
nitz met zich medebracht. Dit vrieshuis was gedurende den oorlog in 1915 door het
afscheiden van een gedeelte van het oude koelhuis verkregen. De muren van dit
vrieshuis werden door 8 c.M. dikke kurksteenplaten en cementmortel geïsoleerd.
Op de betonvloer werd een houten vloer zóó gelegd, dat tusschen de 2 vloeren een
8 c.M. dikke turfmolmlaag kon worden gebracht. De bodemisolatie bestond dus,
van boven naar onderen gaande, uit een 3 c.M. dikke houtlaag, 8 c.M. kurkmolm-
laag, betonvloer en 20 c.M. hooge slakkenlaag. De afkoeling werd verkregen door
de luchtkoeler en directe koeling met pekelbuizen.

Na een gebruik van 4 jaar werden de gevolgen van de eerste liggingsveian-
deiingen van de vloer aan de muren en de celzuilen opgemerkt.

In Maart 1928, dus na J- 13 jaar, zag men op sommige plekken een stijging
van de vloer van zelfs 30 c.M., terwijl de betonvloer op verschillende plaatsen
gebarsten was. De verschillende aparte lagen van het fundament waren, naar
een onderzoek aan het licht bracht, op verscheidene plaatsen door ijslagen van
c.M.-dikte uit elkaar gewrongen. Men kon vaststellen, dat de vorst tot zelfs 2,9 M.
in den grond was doorgedrongen. Het gebouw werd buiten bedrijf gesteld, de vloer
opgebroken en verder liet men alles ontdooien.

Raschke raadt aan de ontdooiing te bevorderen door toevoering van kunst-
matige warmte. Op het abattoir te Breslau heeft men zoodoende het vrieshuis
weer kunnen doen terugkeeren tot de oude toestand.

Vergiftiging van varkensvleesch met kwikzilver. (Quecksilbervergiftung vort
Schweinefleisch
; Dr. Rittelmann, Mitteilungen des Vereins Badischer Tierarzte,
Jg- 27. Pg- 97)-

Een veehouder slachtte tezamen met de vrouw van een spoorwegbeambte
een varken. De vrouw pekelde het vleesch in een kuip van den veehouder.

Reeds na eenige dagen gaf het vleesch een sterke geur af en had het een afschu-
welijke smaak. Deze veranderingen bleven ook als het vleesch gekook\'t was. Toen
de vrouw met haar beide kinderen, hoewel met tegenzin, van het vleesch had
gegeten, werden zij allen ziek.
Rittelmann stelde nu vast, dat in de kuip korten
tijd tevoren zaaigerst was behandeld met „uspulun", een sterk ruikend kwik-
zilverpraeparaat. Hij liet daarom het vleesch in beslag nemen en vernietigen en
liet tevens de vrouw en haar kinderen geneeskundig onderzoeken. De diagnose
was bij alle 3 patiënten kwikzilververgiftiging ; in de urine kon kwikzilver aange-
toond worden.

-ocr page 1203-

Ziekteverschijnselen waren koliek, diarrhee, terwijl de vrouw nog een exceem
in het gezicht kreeg en een stomatitis mercurialis vei toonde. Alle personen genazen
volkomen.

Het electrisch bedwelmen van varkens en het bloedgehalte van het vleesch van
op dergelijke wijze gedoode dieren.
(Stunnmg of the Pig by Electricity before slaughter
— Ducksbury and Anthony — The Veterinary Record, 1929, pg. 433).

Volgens deze mededeeüng heeft ook in Engeland (Bacon Factory of Messrs.
Harris te Calne) een demonstratie plaats gevonden van het electrisch bedwelmen
van varkens. Het apparaat bestond uit een electrische transformator, waaraan
2 lange draden verbonden waren, welke aan het einde ieder een electrode hadden,
loodrecht op het handvat geconstrueerd. Elke electrode bestond uit een metalen
plaat, waarover een in NaCl-oplossing gedrenkt vochtig lapje stof aanwezig was,
waardoor een beter contact met de huid van het varken kon worden verkregen.
Behalve deze 2 electroden had men ook nog een zg. abdomenelectrode, bestaande
uit een met stof overtrokken half cirkelvormige metalen band, welke men dus tegen
de buikwand kon laten aanpassen. Constructie van het toestel is van Ir.
Wein-
berger
uit München.

Allereerst werden 22 baconvarkens en 3 zeugen electrisch bedwelmd, waarbij
één electrode op het voorhoofd en één op de lendenstreek werd geplaatst. Gedu-
rende 6—10 seconden werd de stroom toegelaten. Onmiddellijk viel het dier neer,
terwijl een blijvende spiercontractie optrad. Zoodra de stroom was uitgeschakeld,
zag men een algemeene spierverslapping en volgden meer tetanische krampen van
de ledematen. Bij de zeugen ging de bedwelming minder goed. Zoo was één der
zeugen na de electrocutie nog in staat zich hevig te verweeren onder veel ge-
schreeuw, terwijl een ander zelfs niet eens neerviel, men eerst nog eens extra met
zoutwater het dier moest natmaken om goed contact te krijgen.

Bij de geslachte keuring bleek in vele gevallen een fractuur van de ruggewervels
aanwezig te zijn, terwijl vaak ook nog een roode, subpleurale bloeduitstorting
was op te merken. Organen alle zeer bloedrijk ; vooral de lever vertoonde zoo\'n
bloedrijkdom dat het geleek of de dieren direct na een ingespannen wandeling
waren geslacht. Verder zag men nog vaatinjectie van de intercostale arteriën,
bloedextravasaten in spieren van buik, hammen, enz.

In een aparte reeks proeven ging men het bloedgehalte na van het spierweefsel
in vergelijking met op gewone wijze geslachte varkens. Men nam daartoe 2 gram
fijn verdeeld spierweefsel, liet dit in 20 cc water digereeren, terwijl men tevens,
door afwisselende bevriezing en ontdooing, de bloedkleurstof trachtte vrij te
maken. Dan volgde filtratie en werd hiervan 3 c.M3. spectroscopisch onderzocht
op de aanwezige absorptiestiepen van het haemoglobine. Men maakte daarna
van deze 3 c.M3. een zoodanige verdunning met water tot men spectroscopisch
deze strepen niet meer zag.

Ducksbury en Anthony vonden toen dat gemiddeld het haemoglobinegehalte
van de electrisch bedwelmde varkens zich verhield tot dat van op gewone wijze
gedoode varkens als 12,3 : 5,5. Dergelijke varkens hadden dus ruim tweemaal
zooveel bloed in het spierweefsel.

Bij een 2de proefneming werd één der electroden op de schouder geplaatst.
Hierbij zag men toen vooral weer scapulafracturen en ook weer een verhoogd
bloedgehalte van de spieren. D. en A. komen dan ook tot de conclusie, dat het
electrisch bedwelmen voorloopig bij baconvarkens niet kan worden toegelaten,
vooral met\'het oog op het groote aantal beenbreuken en het verhoogde bloed-
gehalte van organen en spieren.

Is de dierenarts in alle gevallen verantwoordelijk voor het optreden van een
vleeschvergiftiging? (
Warum wird der Tierarzt für das Auftreten von Fleischver-
giftungen verantwortlich gemacht
? Prof. Dr. Max Muller — Deutsche Schlachth.
Zeitung, Jg. 28, pg. 210).

Müller deelt hierin mede, dat, tengevolge van een bepaling in het Duitsche
keuringsregulatief, dat de dierenarts bij de vleeschkeuring in die ziektegevallen

-ocr page 1204-

van het bacteriologisch vleeschonderzoek gebruik moet maken, waarbij het aan-
wezig zijn van vleeschvergiftigingsbacillen kan worden vermoed, men in Duitsch-
land steeds bij het optreden van een vleeschvergiftiging den dierenarts daarvoor
aansprakelijk stelt. Daar nu noch het pathologisch-anatomisch, noch het klinisch
beeld eenige aanwijzigingen kunnen geven over het aanwezig zijn van een septi-
caemie met vleeschvergiftigingsbacillen, zou, naar
Müi.ler betoogt, vrijwel in
alle vleeschvergiftigingsgevallen de dierenarts beschuldigd kunnen worden van
plichtsverzaking. Het grootste gevaar dreigt dus hierdoor, dat men tot in het onbe-
grensde moet vermoeden, dat een vleeschvergiftigingssepticaemie in het spel is,
en men dan toch nog niet alle gevallen zal kunnen opsporen.

Muller acht het daarom noodzakelijk, dat zoo spoedig mogelijk een wijziging
van het keuringregulatief in Duitschland zal tot stand komen, waarbij dan speciaal
de paratyphosis der slachtdieren zal worden genoemd en op het latent voorkomen
van deze bacteriën zal worden gewezen. Hiermede berijdt hij dus weer zijn stok-
paardje 1

Weer een theorie over de oorzaak van de multipele spierbloedingen bij slacht-
dieren. (
Multiple Blutungen im Fleische von Schlachttierm und ihre Ursachen —
Dr. Meyer— Deutsche Schlachth. Zeitung, Jg. 28, pg. 225).

Volgens de meening van Meyer zouden de multipele spierbloedingen bij varkens
veelal het gevolg zijn van het, bij het bedwelmen, gebruiken van een varkensval
of ander dwangmiddel om de varkens te fixeeren. Door het heftig reageeren van
de dieren bij het wegvallen van den valbodem zouden in verschillende spiergroepen
bijzonder sterke contracties optreden (vooral in de hamspieren), waarbij dan fi-
brillaire verscheuringen het gevolg zijn. Teneinde deze spierbloedingen zooveel
mogelijk te voorkomen heeft
Meyer opliet abattoir te Bayreuth de steekruimte
laten verdeelen in eenige, naast elkaar gelegen, kleine smalle hokken, waarin
hoogstens 2—4 varkens tegelijk gedreven kunnen worden. Zonder nu de dieren
verder te hinderen, worden zij dan alle direct achter elkaar met het Schermer\'sche
apparaat bedwelmd.

Worden nu nog spierbloedingen opgemerkt, dan betreft het altijd gevallen
van varkens, die per spoor naar
Bayreuth waren vervoerd, waardoor de dieren
dus zeer veel te lijden hebben en gelegenheid te over bestaat voor het ontstaan van
spierverscheuringen.

In geen geval staat z. i. het gebruik van het Scherinersche apparaat in eenig
oorzakelijk verband met de spierbloedingen. Ook paarden worden bij hem met dit
apparaat bedwelmd. Alleen bij die paarden zag hij nu spierbloedingen in de lials-
musculatuur, welke men vóór het schieten door middel van een ketting om de
hals aan de vloer van de slachthal moest bevestigen en welke dieren zich dan zeer
inspannen door met de hals aan de ketting te trekken.

Het gebruik van verschillende zoutoplossingen in koelinrichtingen. (Salzlösungen
in Kühlanlagen
Ludwig Sabor — Deutsche Schlachth. Zeitung, Jg. 28, pg. 227).

Voor het verkrijgen van een bepaalde temperatuur onder nul kan men, behalve
het veel gebruikte NaCl, ook nog CaCl2, en MgCl. gebruiken. Teneinde het min of
meer oeconomisch gebruik van een dezer zouten te kunnen beoordeelen, moet
men, volgens
Sabor, rekening houden met het feit, dat voor het verkrijgen van een
bepaalde temperatuui onder nul elk dezer zouten een andere concentratie van de
oplossing behoeft. In een bijgevoegde tabel geeft hij hiervan nadere getallen. In
het algemeen blijkt, dat MgCl2 en CaCl2 in groote trekken met elkaar overeen-
stemmen (?) Zoo bevriest een : 10% CaCl2. oplossing bij —5,9° C. ; 10% NaCl op-
lossing bij —.7° C.; 10% MgCU oplossing bij —ii°C. ; 20% CaCl2 oplossing bij
—11,7° C.; 20% NaCl oplossing bij —17,8° C.; 20% MgCl2 oplossing bij — 270 C.

Voor het beieiken van éénzelfde koudegraad behoeft dus de MgCl2-oplossing
half zoo sterk in procenten opgelost te zijn als een opl. van CaCl2 of een derde
zwakker dan NaCl.

Praktisch is verder gebleken, dat alle deze 3 zouten het ijzer in gelijke mate
aantasten.

-ocr page 1205-

De oorzaak van muffe lucht in koelhuizen. (Mangelhaf te Isolierungen — Dr.
Jürges und Dr. Reichard — Deutsche Schlachth. Zeitung, Jg. 28, pg. 228).

Volgens een mededeeling in de D. S. Z. verscheen in ,,Der Gesundheitsingenieur",
Heft 19, van den hand van
Jürges en Reichard een verhandeling over de oorzaak
van muffe lucht in koelhuizen, waaraan het volgende is ontleend.

Men hoort bij koel- of vrieshuizen, meestal eenigen tijd na het in gebruik nemen,
nogal eens klachten over een muffe lucht, waardoor soms zelfs de opgeslagen
levensmiddelen ongenietbaar worden. Het bleek nu de schrijvers, dat deze muffe
lucht vooral veroorzaakt wordt door de kurkplaten van de isolatie. Deze kurk-
platen, met pek of teer geïmpregneerd, zijn bij vochtige lucht, voor schimmels
en rottingsbacteriën een goede voedingsbodem. Slechts één soort isoleerings-
materiaal, het ,,Expansit", door droge destillatie uit ruwe kurk gefabriceerd,
zou deze bacterieele groei niet toelaten, terwijl het isoleeringsvermogen veel
grooter is dan alle andere uit kurk samengestelde isolatiemiddelen.

Misschien kunnen enkele collega\'s met dit feit rekening houden

Een nieuw model kuituurschalen. (Neue Kulturschalen — H Dold en E. Gilde-
meister,
Centralbl. f. Bakt., ie Abt. Originale. Bd. 109, pg. 344).

Fortner heeft voor eenigen tijd een nieuwe anaërobe kweekmethode mede-
gedeeld, welke daarin bestaat, dat de voedingsbodem in een petrischaal door het
uitsnijden van een streep agar in het midden in 2 helften wordt verdeeld. De eene
helft wordt met een aërobe bacterie, de andere met een te kweeken anaërobe
bacterie geënt en daarna wordt de petrischaal met plastilin luchtdicht afgesloten.

Dold & Gildemeister achten het nu doelmatiger, op den bodem van de petri-
schaal een opstaande glasrand te laten aanbrengen. Men heeft dan nog bovendien
het voordeel, dat men in de 2 afzonderlijke helften van de schaal een verschillende
voedingsbodem kan gieten, wat voor het kweeken van anaërobe microörganismen
soms wel gewen^cht is.

Ook vonden zij het gebruik van op dezelfde wijze in 4 quadranten verdeelde
petrischalen zeer handig, daar voor vele onderzoekingen slechts een kleine hoeveel-
heid of oppervlak voedingsbodem voldoende is. Verder waien dergelijke schalen
zeer handig om de groei van één bacteriesoort op 4 verschillende voedingsmedia
te demonstreeren. Dergelijke petrischalen zijn te bekomen bij de Firma
Paul
Altman ■— Berlin, N.W. — Luisenstrasze.

Het bepalen van de hoeveelheid vrije ammoniak in bedorven vleesch. (Eine ein-
fache Methode zitr Bestimmung des freieti Ammoniaks in faulendem Fleisch
Muchlinsky •— Zeits. f. Fleisch- und Milchhygiene, Jg. 39, pg. 189.

Deze methode komt op het volgende neer :

Ongeveer 10 gram fijngesneden vleesch worden in een kolf van 300 cc inhoud,
met opgeslepen kap, afvoerbuis en dubbelkogelige pipettenkocler, gedaan. Daarbij
wordt gevoegd ongeveer 20 maal zooveel tetrachloorkoolstof Hierbij komt dan
nog ongeveer 25—50 c.M3. 1/100 normaal zoutzuur. Nu wordt voorzichtig gedestil-
leerd. (De gasvlam bedekt door een asbestdraadnet). Na 1J—2 uur wordt het
destillaat, onder voortdurend omroeren, met \'/ïoo normaal kali- of natronloog
tegen getitreerd, waarbij als indicator methylrood (0,02 : 100) wordt gebruikt
en het verschil tusschen gebruikt en gebonden zuur bepaald. De aldus verkregen
resultaten komen nagenoeg overeen met de getallen, welke men vindt met de
vacuum destillatiemethode volgens
Tillmanns en Otto. Het nadeel, dat men
aan de Ebersche ammoniakproef toeschrijft en volgens welke men bij rotting van
visch een negatief resultaat zou vinden, is bij bovenstaande werkwijze niet aan-
wezig.

Een geval van Gartnerinfectie bij het rund. (Ein Fall von Fleischvergiftungs-
krankheit beim Rind
(Bac. ent. Giirtn.) — Katzke, Zeitschr. f. Fleisch- und Milch-
hyg\' Jg- 39, 1929, Pg- 191).

Katzke geeft een uitvoerige beschrijving van het ontstaan, verloop en patho-
logisch-anatomische afwijkingen bij een 5-jarige koe, die in de 8—9 maand der
dracht geaborteerd had en waarbij bij het bacteriologisch vleeschonderzoek bacillus

-ocr page 1206-

enteritidis Gärtner werd gevonden. Katzke meent, dat men deze zelden voorko-
mende bovine vleeschvergiftigingsziekte moet opvatten als een infectieziekte sui
generis, waarover hij later in een brochure uitvoerige mededeelingen zal verstrekken.
Een specifieke septicaemische toestand is z. i. niet aanwezig. Met de als septi-
caemie aangeduide toestand bij de slachtdieren heeft deze vleeschvergiftigings-
ziekte niet in het geringste iets te maken. Juist de septicaemie en deze laatste
ziekte zijn a. h. w. antagonisten.

Overgangsvormen in de coli-typhusgroep. (Uebergangsslamme aus der Coli-
Typhusgruppe, nebst Bemerkungen zur Flieschvergifter-Paratyphus-Frage.
Dr. R.
Standfuss — Deutsche Tierärztl. Woclienschr. Jg. 37. pg. 275).

Standfuss acht het van groot belang dat men zoo spoedig mogelijk over de
bacteriologische soortbepaling van bacteriën uit de coli-typhusgroep afdoende
onderzoekingen verricht. Vooral met het oog op het vraagstuk der vleeschver-
giftigingen is dit noodzakelijk.

Allereerst heeft men de naamkwestie. Algemeen spreekt men bij vleeschver-
giftigingen van paratyphusinfecties, ofschoon men deze naam uitsluitend dient
te gebruiken voor de paratyphosis van den mensch, veroorzaakt door de bac.
paratyphosis
Schottmüller. De vleeschvergiftigingen worden echter veroorzaakt
door de enteritisbacillen, ni. die van het type
Gärtner & Breslau. Het zou dus
beter zijn in deze gevallen steeds te spreken van de vleeschvergiftigers of enteritis-
bacteriën. Verder spreekt men van kalverparatyphus, terwijl hierbij juist geen
paratyphus-bacteriën, maar enteritisbacteriën in het spel zijn.

Verder deelt Standfuss zijn opvatting mede over het ontstaan van de vleesch-
vergiftigingen, waarover ik reeds vroeger refereerde.

Een tweede moeilijkheid vormen de overgangsvormen. Deze vormen zijn reeds
vrij dikwijls waargenomen, als b.-coli mutabile, b.-coli imperfectum, enz. Wat
betreft zijn eigen ondervindingen met deze overgangsvormen deelt
Standfuss
mede, dat gewoonlijk deze vormen op de verschillende electiefbodems als Endo-
Drigalski, of Gassner, als de vleeschvergiftigers groeien, eveneens vindt men
dit in de eerste dagen bij lakmoeswei, Barsikow I en
II, Hetsch. Meestal zijn ze
niet agglutinabel en worden ze geïdentificeerd als inagglutinabele paratyphus-
soorten. Een ander deel is agglutineerbaar, echter in geringe verdunning, en wordt
dan voor echte vleeschvergiftigers gehouden.

Pas na enkele dagen schijnen de cultures niet meer rein te zijn, denkt men met
een mengcultuur te doen te hebben van vleeschvergiftigers, coli en nog daartusschen
staande stammen. Deze vormen geven meestal ook gisting in melksuiker, ver-
kleuring van Barsiekow
II, enz.

Een andere serie van deze overgangsstammen groeien geheel en al als vleesch-
vergiftigers, zijn met of gering agglutinabel, maar veranderen weer
saccharose
(vooral door Janltschke waargenomen) of vormen indol (door Thiesen vermeld)
of doen beide.

Met behulp van de z.g. bonte rij van Standfuss en Lehr (bestaande uit 6 soorten
nl. lakmoeswei, Barsikow
I en II, Hetsclioplossing, Saccharose-nutroseoplossing
en Zipfel\'sche indolvoedingsbodem) is het mogelijk, de overgangsvormen van
de echte vleeschvergiftigers te onderscheiden.

Met 4 andere bodems, nl. Arabinose-nutroseoplossing, Dulcietnutroseoplossing,
Glycerinefuchsine bouillon volgens
Stern en rhamnosewei volgens Bitter kan
men onder de echte vleeschvergiftigers de typen differentieeren. De overgangs-
vormen komen buitengewoon verspreid in de natuur voor, nl. in faeces van
mensch en dier, vleeschwaren, drinkwater, enz.

Conclusies :

Het aantal dubieuze vondsten bij vleeschvergiftigingen zal belangrijk minder
worden, als men alle overgangsvormen, met de verzamelnaam
,,intermediusgroep"
aangeduid, nauwkeurig op biochemische eigenschappen met de bovengenoemde
voedingsbodems onderzoekt. In de nomenclatuur moet een strengere scheiding
in acht genomen worden. In het algemeen moeten aanduidingen, als paratyphus-

-ocr page 1207-

bacteriën, achterwege blijven, daar hieruit niet blijkt, of de echte vertegenwoor-
digers der paratyphus-enteritisgroep of wel overgangsvormen in het spel zijn.
Steeds moet elke onderzoeker nauwkeurig de naam aangeven
(Schottmüller,
Gartner, Breslau) en de gebruikte electiefbodems.

Men mag slechts dan van een vleeschvergiftiging spreken, als echte bacteriën
der paratyphus-enteritisgroep zijn aangetoond en een verband tusschen de vleesch-
waren en het nuttigen daarvan aangetoond is geworden.
 de Graaf.

ZIEKTEN VAN KLEINE HUISDIEREN EN LABORATORIUM-DIER EN.

Beckenfrakturen und Verletzungen insbesondere der Beckeneingeweide belm

Hunde. O. Ueberreiter, Wien. Tierarztl. Woch. H. 17, 1928.

Door Ueberreiter werd het klinisch materiaal te Weenen verwerkt van 1903 —
1928. Volgens hem komt men voor het stellen van de diagnose en voor de praktische
beoordeeling van bekkenfrakturen meestal wel met het klinisch onderzoek uit.
Het nauwkeurig Röntgenologisch vaststellen van deze breuken zou in hoofdzaak
slechts wetenschappelijke waarde bezitten. In versche gevallen moet zeifs voor
een dergelijk Röntgenologisch onderzoek worden gewaarschuwd, daar dit (rug-
ligging — uit elkaar spreiden der beenen) eventueel nadeelige gevolgen kan hebben.

In den laatsten tijd komen bekkenfracturen veel meer voor dan vroeger. Dit
komt voornamelijk door het intensiever autoverkeer en ook wel doordat tegen-
woordig meer honden worden gehouden. Het grootste deel der fracturen werd
gezien bij jongere dieren. Deze zijn onvoorzichtiger.

De meeste fracturen werden door U. opgemerkt naast of in de symphysis. Daarop
volgden fracturen van het acetabulum ; al op niet gecompliceerd met heupluxaties.

Verder noemt hij subluxaties of luxatiefracturen van het ileosacraalgewricht.
Open bekkenfracturen kwamen zelden voor.

Bij het onderzoek, zegt hij, dat bij honden het bekken zoowel van buiten als
rectaal goed of te tasten is en dat laatstgenoemde methode het best bij het liggend
dier gedaan kan worden. (Wij prefereeren rectaalonderzoek evenwel bij het staande
dier. Ref.).

In enkele gevallen was de bekkenfractuur gecompliceerd, o. a. met vaat.ver-
wondingen ; kneuzing en ruptuur van urethra, blaas of darmen ; zenuwlaesies.

Als therapie geeft hij aan rust en zorg voor goede defaecatie.

Bij coxitis werd door hem wel op twee plaatsen om het gewricht ol. thereb.
spir. camphor. aa 0.75 gespoten. De daarna optredende aseptische phlegmonen
zouden het ziekteproces gunstig beïnvloeden.

Klinische Erfahrungen mit einigen Arzneimitteln. Reinhardt, Miinch. Tier-
arztl. Woch. No. 10, 1929.

Verschillende nieuwere geneesmiddelen worden hierin besproken :

1°. Thiosal. Dit is een zwavelverbinding, welke gemakkelijk door de huid
heendringt en waarbij zich dan in het weefsel zwavel in colloidalen toestand zou
afscheiden. Aanbevolen wordt het tegen allerlei parasitaire- en niet parasitaire
huidaandoeningen. Speciaal zou het een middel tegen demodicosis zijn.
Rein-
hardt
kon hiermede evenwel bij twee honden, die aan laatstgenoemde huidaan-
doening lijdende waren, geen resultaat verkrijgen.

2°. Odylen. Dit is een mengsel van ,,Mitigal" (80) en ,,Neguvon" (20). Het
bevat o. a. een organische zwavelverbinding en hoogwaardige ketonen.

Dagelijksche inwrijvingen ervan veroorzaakten bij den hond geen vergiftigings-
verschijnselen.

Bij katten evenwel moet men ermede voorzichtig zijn. Het resultaat was bij
eczemen van den hond goed ; bij acne onzeker. Aangeraden wordt, het middel
bij de behandeling van de kopschurft van de kat te verdunnen met gelijke deelen
olie. Ook bij de behandeling van otitis externa parasitaria zou het goede diensten
bewijzen.

3°. Pinal. Het middel wordt als pasta, in tuben in den handel gebracht. Hoofd-

-ocr page 1208-

zakelijk bestaat het uit oxydum zincicum en ol. therebinthina. Verder komt er
in voor een geringe hoeveelheid glycerine ; evenwel geen vaseline.

Het wordt aanbevolen tegen allerhande huidaandoeningen. R. vond dat het
op de huid aangewend hyperaemiseerend weikt en zeer goede opdroogende en
epitheeliseerende eigenschappen bezit. De pasta laat zich goed uitwrijven en kleeft
goed op de huid.

Eventueele secretie komt er snel door tot staan. Bij otitis externa en intertrigo
waren de resultaten ermede verkregen zeer goed.

4°. Insuline. Bij acne en furunculose van den hond werden door R. naast een
plaatselijke behandeling, subcutane insuline-injecties in de omgeving der huid-
veranderingen toegepast. Inderdaad zouden door hem hiermede soms gunstige
resultaten zijn verkregen. Ingespoten werden 0.5 c.c. = 10 E.

Bij den mensch is bij hardnekkige acne vaak een geringe hyperglycaemie,
evenwel zonder besliste diabetische symptomen, opgemerkt. Een en ander zou
wijzen op een gestoorde stofwisseling, met name koolhydraatstofwisseling. Bij
acne van den hond ontbreken hieromtrent echter degelijke, systematische onder-
zoekingen.

5°. Perlacar. Dit orgaanpraeparaat (een steriel uittreksel uit bepaalde foetale
oiganen) wordt aanbevolen bij huidziekten van allerlei aard, speciaal ook bij
scabies en demodicosis.

R. wendde het aan tegen scabies, demodicosis en eczema dorsi van den hond
en meent in \'t algemeen er wel gunstig resultaat mede te hebben verkregen. Echter
werden door hem daarnaast nog locale behandelingen toegepast.

6°. Bromostrontiuran. Het is een oplossing van een broomstrontiumureum-
verbinding en wordt in ampullen a 10 c.c. afgeleverd. Aangewend wordt het intra-
veneus of subcutaan als sedativum, vooral bij huidjeukte. R. vond dat één enkele
injectie de jeukprikkel soms reeds duidelijk deed verminderen.

70. Arecoline. Gunstige resultaten werden hiermede verkregen bij taeniasis
van hond en kat.

8°. Carbo medicinalis. Bij maagdarmaandoeningen van hond en kat werden
er wel goede resultaten mede bereikt. Een, twee of drie eetlepels ervan werden
met wat lauwwarm water tot een dunvloeibaar papje vermengd en dan met een
sonde ingegeven.

Klinische Untersuchungen über die Brauchbarkeit des Dilaudid als Narkotikum
bei Hunden und Katzen.
Brednow, Tierarztl Rundsch. 1929, No. 30.

Nagegaan werd of met Dilaudid, Knoll (= dihydromorphinon) bij hond en
kat een zoodanige algemeene anaesthesie te verkrijgen was, dat daarbij zonder
bezwaren operaties kunnen worden verricht.

Het middel bleek evenwel bij katten onbruikbaar te zijn (optreden excitaties
evenals bij morphine) en gaf bij honden een niet voldoende narcotische werking.

Tonsilectomy in the dog. G. Sutton, The Vet. Journ. 1928, p. 524.

Bij een 18 maanden ouden sealyham-terricr, die gedurende de laatste drie maan-
den ademhalingsbezwaren had en veel snurkte, werd onder narcose (morphine-
atropine) tonsillectomie verricht. Het microscopisch onderzoek wees uit, dat be-
staan had een lymphocytaire hyperplasie van de tonsillen (lymphoom).

Myosite atrophique progressive des masticateurs. Hebrant et Liegeois, Ann
de Med. Vet. Oct. 1928.

Volgens hen zou bovengenoemde aandoening bij honden van 1—5 jaar niet
zoo heel zelden worden gezien. Door de sterk verminderde beweeglijkheid van den
onderkaak is het kauwen daarbij in meer of mindere mate belemmerd. De ver-
anderingen zetelen hoofdzakelijk in de opheffers der onderkaak. Deze spieren
zijn sterk atrophisch en er zou bestaan een scleroseerende myositis. De kaak-
zenuw zelf zou daarbij geen waarneembare veranderingen vertoonen. Omtrent
de aetiologie taste men in het duister.

Verbetering werd verkregen door electro-ionisatie met een 10 % joodkali-
oplossing, gedurende eenige maanden dagelijks toegepast.

-ocr page 1209-

Adsorgan bei Magen-Darmstörungen bei Hunden und Katzen. Jordanoff,
Deutsch. Tierärztl. Woch. No. 28, 1929.

Adsorgan is een praeparaat, in den handel gebracht door de firma Heyden,
Radebeul, Dresden. Het bevat Silargel (colloid kiezelzuur), zilverkool en verder
cacao. Evenals
Mikuschka (Der Osterr. Tierarzt. No. 12, 1928) en Kuhn (Tier-
ärztl. Rundsch. No. 6, J929) schijnt ook
Jordanoff er zeer gunstige resultaten
mede te hebben gehad bij verschillende maagdarmaandoeningen van hond en kat.

Les globes oculaires chez les petits nés de parents ayant subi 1\'enucléation des yeux.
Parhon et Marza, Compt. rend. Soc. Biol. 1929.

Bij twee vrouwelijke en twee mannelijke cavia\'s werden de oogen geëxstirpeerd
en de dieren daarna bij elkaar gebracht. Het experiment werd in drie generaties
voortgezet. In \'t geheel werd de operatie bij 33 dieren verricht. Het doel ervan
was eventueel te kunnen vaststellen of hierdoor invloed op de oogen der nakome-
lingen kon worden uitgeoefend. Dit bleek niet het geval te zijn.

Typhus canum und experimentelle Anaphylaxie des Hundes. M. Hobmaier,
Deutsch. Tierärztl. Woch. No. 27, 1928.

Onder typhus canum wordt verstaan een bij honden, soms bij vele dieren op-
tredende acute ziekte, welke gepaard gaat met een haemorrhagische aandoening
van maag en darmen en niet zelden vergezeld gaat van necrose van het mondslijm-
vlies. Bovendien is opgemerkt dat erbij voorkomt een acute aandoening van de
nieren. Sommigen veronderstellen dat het is een door een levend virus veroor-
zaakte, acute infectieziekte. Zoo worden in den laatsten tijd spirochaeten o. a.
wel als oorzaak van het lijden aangegeven. Anderen weer nemen opname van be-
dorven vleesch als oorzaak aan. Enkelen zijn erook die meenen dat de aandoening
het gevolg van een bestaand nierlijden (uraemie) is.

Volgens Hobmayer zou het niet buitengesloten zijn dat ook anaphylaxie hierbij
een rol speelt.

Experimenteel kon hij namelijk bij den hond een op anaphylactische basis
berustend ziektebeeld opwekken, dat niet van dat van de typhuscanum te onder-
scheiden was.

Intraveneuze injecties van een 1 °/00 methyleenblauwoplossing zou misschien
dan bij dit lijden volgens H. kunnen helpen.

Foreign bodies in the rectum. Two peculiar cases in dogs. Woolridge and
Holmes, The Vet. Ree. No. 7, 1929.

Allereerst wordt dcor hen beschreven een geval bij een ruwharigen fox-terrier.
Bij dit dier moest driemaal in den loop van enkele maanden een open en verbogen
veiligheidsspeld uit het rectum worden verwijderd. De beide laatste keeren kon
worden nagegaan dat de speld reeds na ^ 24 uur het rectum had bereikt.

Verder wordt nog melding gemaakt van een geval bij een hond, waarbij twee
stukjes metaaldraad in den endeldarm werden aangetroffen. Uit den aard der zaak
ging in beide gevallen de aandoening met defaecatiebezwaren en pijn gepaard.

Schwere Schädigungen von Kaninchen durch Vigantol. R. Erischl und B.
Epstein, Mediz. Klinik. No. 1, 1929.

Opgemerkt werd dat groote hoeveelheden Vigantol ernstige vergiftigingen bij
konijnen kunnen teweegbrengen. Waargenomen werden o. a. eigenaardige lens-
troebelingen, afzetting van kalk in verschillende organen o. a. in de lever, alge-
meene vermagering en uitputting. Rachitische individuen schenen minder ge-
voelig voor het middel te zijn.

Veenendaal.

-ocr page 1210-

BIJEN EN BIJENZIEKTEN, 1)

door

Dr. A. J. WINKEL.

Bakterioloog aan de Rijks-Seruminrichting te Rotterdam.

Inleiding.

Hoewel men buiten de imkers vele natuurliefhebbers aantreft,
die voor de bij en haar leven een bijzondere belangstelling koesteren,
is het aantal, dat inderdaad eenige kennis heeft van het bijenleven,
niet groot.

Als men echter de Pathologie van bij en bijenvolk wil begrijpen,
is een goed inzicht, zoowel in de physiologie van de bij, als in
de biologische verhoudingen van het volk een onmisbare voor-
waarde.

Doch een niet onbelangrijke vraag moge vooraf nog worden
gesteld.

Heeft de bijenteelt- een zoodanige beteekenis in de maat-
schappelijke huishouding, dat zij meer dan gewone aandacht ver-
dient en met name van den kant der diergeneeskundigen ?

Over deze onderwerpen als inleiding tot de Pathologie van bij
en bijenvolk en over deze Pathologie zelve zijn door mij voor de
studenten van het Utrechtsche Veterinair Studentencorps en voor
genoodigden van het Bestuur van het Jublileumfonds gedurende
den winter 1927—1928 een 4-tal lezingen gehouden, welke hier
en daar gewijzigd en aangevuld in dit geschrift zijn samengevat.

Zij mogen het bewijs leveren, dat het gebied van ,,de Bij en
hare ziekten", niet alleen in algemeen wetenschappelijken zin,
doch bovenal uit diergeneeskundig oogpunt een organisch deel uit-
maakt van de veterinaire studie.

I. Het leven der bijen.

„La vie des abeilles", aldus luidt de titel van het U allen bekende
en in de literaire wereld beroemde werk van den Franschen schrij-
ver
Maurice Maeterlinck. Om U het mysterie van het bijen-
volk zoo voor te stellen, dat gij haar op \'t schoonst en aantrek-
kelijkst ziet, dient men feitelijk dichter te zijn. Het is echter de
vraag, of men dan wel een natuurgetrouw beeld te zien zou geven.

Maeterlinck was èn dichter èn imker en op grond hiervan
mogen wij aannemen, dat zijn bijenverhaal niet te veel dichter-
lijke vrijheden bevat, al kan men als deskundige meermalen op-
merken, hoe de natuur ook hier boven de leer uitgaat en hij zich
geweld moet aandoen om zich niet te veel te laten meeslepen door
zijn genie.

Naar een reeks voordrachten, waarvan één werd gehouden voor de Dierge-
neeskundige Faculteit van het U. S. C. en de overige op uitnoodiging van het
,, Jubileumfonds" van de Faculteit der Veeartsenijkunde, aan de Rijks-Univer-
siteit te Utrecht.

-ocr page 1211-

- II82 —

Als een wonderlijk natuurverschijnsel kunnen wij het bijenvolk
naderen met de meest verschillende bedoelingen. Wij kunnen er
in zien het natuurwonder en laten ons dan onderrichten door
Maeterlinck en zijn verwanten ; wij kunnen het zien als een
schoon stuk biologie en dan is het met wetenschappelijke tendentie,
dat wij belangstellen in het leven der bijen. En dit laatste in eenige
van haar gebieden te belichten, zal de hoofdschotel zijn van mijn
verhaal.

Daar elke beschouwing, omtrent welke zaak ook, dient te wor-
den ingeleid met iets van haar oorsprong, haar geschiedenis en
haar ontwikkeling, wil ik eerst Uw aandacht vragen voor hetgeen
de grijze oudheid ons meldt van de bijen en haar teelt, toen men
ook reeds goed verstond haar zoete gave te winnen.

En om de honing èn om het was heeft de bij den listigen mensch
reeds zeer vroeg aanleiding gegeven van haar te profiteeren. Doch
niet minder heeft zij den denkenden, zoekenden en onderzoekenden
mensch tot object gediend de wonderen van haar leven te door-
vorschen, terwijl haar, om zoo te zeggen menschelijke eigenschap-
pen van vlijt, van moed en trouw, van liefde voor orde, haar
nectar en haar goddelijke vettigheid, gelijk men het was betitelde,
haar venijn niet minder, door alle eeuwen heen aanleiding zijn ge-
weest de bij als zinnebeeld te kiezen voor religieuze en dichterlijk
gestemde gemoederen.

Zij, die zich bijzonder interesseeren voor een cultuurgeschied-
kundige schildering van het bijenvolk kan ik aanbevelen het boek
van den Badenschen geestelijke
Glock over ,,Die Symbolik der
Bienen und ihrer Produkte in Sage, Dichtung, Kultus, Kunst
und Brauchen der Völker".

In de oud-Indische Godensagen vindt de bij reeds een belang-
rijke plaats. Van Vishnoe den Zonnegod wordt vermeld, dat het
spoor zijner voeten steeds droop van den honing, en geheimzinnige
geesten den bijen den honing brachten.

In de oudste wetgeving is reeds sprake van straf op honing-
diefstal en van schadevergoeding aan hen, die werden gestoken.

Slechts koningen en priesters mochten honing gebruiken. Bij
alle plechtige feestelijkheden vormde hij een hoofdbestanddeel
bij de bereiding der gerechten. Het Rijk der Pharao\'s heeft de
bij gekend en men wist dat één den scepter voerde in den bijen-
staat. Als zinnebeeld der heerschers kan men naast den naam
van den Pharao een afbeelding vinden van een bij. Bij de huwe-
lijksovereenkomst verplichtte zich de trouwlustige man zijn
vrouw jaarlijk 12 potten honing te schenken.

Dat het was een belangrijke rol speelde bij het balsemen weet
ieder. In de mummiegraven vindt men nog talrijke toovermidde-
len uit was, met goud overtrokken.

-ocr page 1212-

Aristotkles wijdt in het 5de en het 9de boek van zijn dier-
kunde zeer veel aandacht aan de bij en haar cultuur. Veel wetens-
waardigs kan men er vinden, hetgeen bewijst hoe goed deze
groote geleerde en leeraar van
Alexander den Groote wist waar
te nemen.

Vóór de Christelijke jaartelling zijn berichten aangaande de
bijenhouderij op Germaansch-slavischen bodem weinig talrijk.
Dat zij intusschen veel werd beoefend, staat buiten twijfel. De
enorme linden wouden, zooals die in Duitschland voorkwamen,
moeten de teelt ook wel zeer begunstigd hebben.

Eerst na de invoering van het Christendom is de teelt buiten-
gewoon toegenomen. Daar de eeredienst enorme hoeveelheden
was noodig maakte, moest de bijenhouderij zich daarbij sterk
uitbreiden. Talrijke kloosters hadden dan ook zeer groote bijen-
standen. Tijdens de regeering van
Karel den Groote werden
er modelstanden opgericht en was het bijenhouderswezen naar
de ontwikkeling van dien tijd goed geregeld.

Dat de kunst der Germaansche voorvaderen om uit honing de
mede te bereiden niet verwaarloosd werd in de christelijke wereld,
leert ons de geschiedenis voldoende.

In de 16e eeuw zien wij dan een belangrijken teruggang en het
is de invoering van de hervorming grootendeels, welke de be-
hoefte aan was zoo belangrijk heeft doen verminderen, bovendien
doordat andere verlichtingsmiddelen werden uitgevonden.

De eigenlijke geschiedenis begint eerst in de 17e eeuw. Dat
het lang moest duren, alvorens men wat dieper in het geheim
van het bijenleven kon indringen, lag voor de hand.

Stellen wij ons den korf voor met zijn vasten ratenbouw. Daar
kon men weliswaar alles uitbreken en zoo een inzicht in velerlei
zaken krijgen, doch verband te scheppen tusschen deze bleef
steeds speculatief ; betrouwbare gegevens omtrent biologische
verschijnselen te vinden, bleef vrijwel uitgesloten. Men kon het
leven der bijen in het hart harer woning dus slechts zeer onvol-
doende bespieden. Men was dan ook steeds van meening, dat een
koning stond aan het hoofd van den bijenstaat.

Totdat Swammerdam in het begin der 17de eeuw aantoonde,
met behulp van de door hem ontdekte microscoop, dat het groote
dier, dat geleek op de dar, noch op de werkbij, geen mannelijk,
doch een vrouwelijk wezen was en zooals
Maeterlinck zegt :
„Verlichtte het op eens door een onverwachte lichtstraal de gansche
staatkunde van den korf, door die op het moederschap te baseeren".

Reaumur onthulde veel van de geheimen door aan het volk
een glazen woning te geven, een recht tegennatuurlijk verblijf
voor dieren, „die hun taak beginnen in het zonnelicht en haar eerst
voltooien in de duisternis".

Een hoogst belangwekkende phase in de ontwikkelingsgeschie-

-ocr page 1213-

dénis onzer kennis van het bijenleven wordt gevormd door de
werkzaamheid van
François Huber, in 1750 te Genève geboren
en in zijn prille jeugd reeds blind geworden. Deze blinde vatte
een ware hartstocht op voor het onderzoek, terwijl hij zich liet
helpen door een trouwen en verstandigen dienaar. Zijn geheele
leven wijdde hij aan de bestudeering der bijen.
Maeterlinck
schrijft: „In de geschiedboeken van menschelijk leed en overwin-
ning is niets zoo treffend en zoo vol nuttige wenken voor ons, als
de geschiedenis van dit geduldig samenwerken, waarbij de een,
die slechts onstoffelijk licht opving, door zijnen geest de handen
en blikken van den ander leidde, die het werkelijke licht mocht
genieten ; waarbij hij, die naar men verzekert, nooit met eigen
oogen een honigraat had aanschouwd, door den sluier dier doode
oogen heen, door welken die andere sluier, waarin de natuur alles
hult, dubbel dicht voor hem werd, de diepste geheimen ontdekte
van het genie, dat die onzichtbare honigraat formeerde, als om
ons te leeren, dat er geen toestand bestaat, waarin wij voor goed
behoeven af te zien van de hoop en van het zoeken naar
waarheid.

Een onvergetelijke naam inde bijenwereld heeft zich Dzierszon,
pastoor in Carlsmark, Silezië, verworven, behalve door zijn be-
langrijke studie over de voortplanting langs parthenogenetischen
weg, door zijn uitvinding van den zg.
lossen bouw. Terwijl voorheen
den bijen een korf tot woning werd aangeboden, waarin zij hun
raten vastbouwden, is
Dzierszon voor het eerst op het denkbeeld
gekomen, de bijen aan losse latjes te doen bouwen, zoodat men
de raten willekeurig uit het nest kon wegnemen. Toen de kasten-
bouw kwam, kwamen de ramen in gebruik en nu kan men
zeggen, heeft de losse bouw, ook in daarvoor bepaald gemaakte
strookorven, de vaste bouw verre overvleugeld.

Hoe behalve aan het practische bedrijf der honigwinning, deze
losse bouw de gelegenheid bood van het inwendige bijenleven
veel meer te weten te komen, behoeft geen betoog. Dat het nog
„geen opengeslagen boek" is zal ik hen, die wat biologisch kunnen
denken niet behoeven te zeggen; het boek met zeven zegelen is
het echter ook niet meer.

Hoe anderen, Mehring, de Hruschka, uitvindingen deden,
welke het bedrijf zeer ten goede zijn gekomen, doet hier weinig
ter zake, al moge de ontdekking van
Mehring, het maken van
kunstraat en de zg. uitgebouwde raat wijzen op een zeer vinding-
rijken geest.

Nu zullen wij ons afvragen, voor welke problemen ons het
bijenleven stelt.

Zien wij die eenvoudige korven daar staan en die vierkante
kasten, kisten zeggen de onwetenden oneerbiedig, dan maakt
een en ander een vrij onnoozelen indruk.

-ocr page 1214-

- IX85

En vooral als men er met eenige verwachting tegenover is ko-
men te staan, is wat teleurstelling over het weinig bijzondere,
dat men in eerste instantie waarneemt, niet te onderdrukken.

De eerste indruk verandert reeds, wanneer men een korf
b.v. half Mei opneemt, omdraait en het inwendige den toeschouwer
voorhoudt.

Weinigen, die niet even huiveren bij de aanschouwing van die
duizenden en duizenden zwarte besjes, zooals
Maeterlinck ze
noemt, ook gelijkend op geroosterde koffieboonen of op krenten. Als
een zwarte, zwartbruine massa zitten ze op de raten, waarvan
men bij \'t sterkste volk niets ziet, tenzij men wat rook op de dier-
tjes blaast, waarna ze een goed heenkomen tusschen de raten
zoeken. Rook is onraad voor hen.

Is dat nu het wondere bijenvolk?

Dat dier met zijn voorbeeldelooze ijver, dat in zich besloten
houdt een oneindig aantal wijze wetten, een verbazingwekkende
som van genie, van geheimen, van ervaringen, berekeningen, kun-
digheden, verschillende industrieën, vermoedens, zekerheden, ver-
nuftige gebruiken, vreemde gevoelens en deugden?

Zoo spreekt de dichter en zeer juist is zijn opmerking, dat men
alle werkelijkheid waarin veel diepte is gelegen, moet leeren waar-
nemen.

Laat ik in de eerste plaats er op wijzen, dat wij, het volk be-
schouwend in zijn woning, te doen hebben met een organisme,
met een eenheid, organisch bestaande uit talrijke deelen, welke
ieder voor zich geen reden van bestaan hebben en ook niet zouden
kunnen bestaan.

Wij kunnen spreken van de wetten van de bij en die van het
volk en wij zullen zien, dat hoe merkwaardig ook de physiologie van
de eerste is, de biologische bijzonderheden van het volk ons voor
raadselen plaatsen, welke slechts een wijdere kennis, dan van het
exacte kennen alleen, tot gedeeltelijke oplossing kan brengen.

-ocr page 1215-

Hoe ook hij, die in allen eenvoud bijen teelde, toch wist van
die organische eenheid, moge wel blijken uit den naam van bijen-
volk, daar toch het begrip volk in zijn eigenlijke wezen een typi-

sche eenheid voorstelt. Doch typischer nog komt dit voor den
dag, als wij hooren, hoe de Duitsche imker spreekt van „der
Bien", het geheel als mannelijk wezen aanduidend met den
naam van het vrouwelijk individu.

Maar tot die eenheid behooren niet slechts de koningin, eenige
honderden darren en „in den hoogtijd" van het bijenleven een 40 —
60.000 werkbijen, daartoe behoort natuurlijk ook het z.g. broed,
ook de ratenbouw, die niets anders is dan de gemeenschappelijke
wieg der bijenkinderen.

-ocr page 1216-

Een woning met beschuttende wanden behoort niet tot de nood-
zakelijke attributen van het volk. Het feit, dat een zwerm aan
een willekeurig vlak raten begint te bouwen, ook aan een boom-
tak en het aanzijn kan geven aan een goed georganiseerde bijen-
staat bewijst dit, al ligt het voor de hand, dat het niet de aan-
gewezen weg is van bijenhouden.

Doch niet alleen is de raat bestemd tot een warme, beschuttende
plek voor het broed, waar dit zijn verschillende metamorphosen kan
ondergaan, de raat bevat ook het voedsel in zijn verschillende vormen.

Als een krans ligt het eiwitrijke stuifmeel direct om het broed
heen, dit weer omgeven door een mantel van honing, die alnaar-
mate het tijdstip, smal kan zijn, doch ook breed, zoo breed, dat
de imker meent, dat het te veel is, en zijn aandeel in de zoete
buit annexeert.

Zooals er in anatomischen zin verband is, spreekt zich dit
verband evenzeer uit in een regelmatig zich veranderende functie
der bijen van af hun geboorte tot den dood, een tijdperk, dat in
drukke dracht ongeveer 10 weken duurt.

Tot de eerste werkzaamheden der jonge bij behoort die van
voedster van koningin en broed.

De ontwikkeling der kopklieren, die een sap afscheiden, dat
met honing en stuifmeel aangevuld, het voedsel vormt van het
broed, is in de eerste week van het bijenbestaan het sterkst, om
daarna af te nemen, waarna de bij een nieuwe functie krijgt, nl.
die van bouwster.

Dan komen de wasklieren, gelegen onder de ringen van het
buikschild in werking en het was zweeten is dan haar taak. Het is
een wonderlijk phenomeen, hoe zij, hangend in kransen, poot aan

-ocr page 1217-

poot, trossen vormend, door voor het bloote oog onzichtbare
lichaamsbeweging, de temperatuur doen stijgen van het binnenste
van den tros, waarna de vloeibare was, die een smeltpunt heeft
van ruim 6o° C. naar buiten treedt en in zeer dunne en kleine,
zilverkleurige plaatjes tusschen de buiksegmenten wordt uitge-
perst.

Totdat ook deze functie aan een jongere generatie wordt over-
gelaten en zij voor \'t eerst in het zonlicht treedt. Wij zien het aan
het voorspelen der jonge bijen, een genoegelijke gebeurtenis voor
den imker vooral in het voorjaar. Bij dit voorspel orienteert zich
de bij, terwijl zij, eiken dag een steeds grooter gebied bevliegend,
na eenige dagen gaat deelnemen aan de voedselverzameling en
wordt opgenomen in het leger der vlieg- of haalbijen.

Wij treffen dus, zoowel in samenstelling van het geheel als in
de verdeeling van den arbeid een in elkaar grijpend organisme,
dat in staat is, bij elke herhaalde beschouwing nieuwe bewonde-
ring op te wekken en ik wil het bekennen, dat hoe meer men in-
dringt in het innerlijk van het bijenleven, men zich met steeds
grooter liefde aan zijn bijen gaat wijden.

Bij mijn beschouwing over de z.g. voedersaptheorie en den groei
van het volk, van het voorjaar naar den zomer kom ik in verband
met het zwermen op de kwestie der functioneele differentieering
nog terug.

Ik wil nu wijzen op den oervorm van een bijenvolk, die van den
kogel.
Wij zien reeds hierin den drang van den geest van het volk,
gebruik te maken van de meest gunstige levensvoorwaarde, wat
betreft zich te weren tegen schadelijke warmteuitstraling. In den
zwermtoestand zien wij den kogelvorm zeer duidelijk, doch ook
in kast of korf is ze bij goede beschouwing waarneembaar.

Dezen drang naar doelmatigheid nemen wij niet alleen waar aan

-ocr page 1218-

den tros bijen, doch ook bij den bouw. Bouwende bijen doen dit in
boogvorm, het eierleggen geschiedt kogelvormig, de afzet van
voedsel gaat volgens kransen. Wanneer wij doorsneden maken
door het volk met alles wat zich daarbinnen bevindt, dan is niets
gemakkelijker om het kogeltype op alle doorsneden te herkennen.

Bij met 8 uitgezweete wasschubben. (Naar Leuenberger).

Dat er inderdaad een organisch verband ligt tusschcn alle onder-
deden wordt ook duidelijk, wanneer wij b.v. deze onderdeden
zelfstandig zouden willen laten voortbestaan.

O J» «

o
ü c <

Wasschubben. (Naar Leuenberger).

De koningin, alleen bestemd tot eierleggen — zij kan dit doen
tot 2 a 3000 stuks per dag — zoekt zelf haar voedsel niet op, doch
heeft daarvoor noodig de voedsterbij, die haar koninklijk, d. w. z.
in dit geval, zeer eiwitrijk voedsel aanbiedt.

-ocr page 1219-

Zonder bijen om zich heen sterft alzoo de koningin. Doch ook
zonder koningin gaat het volk verloren, zooals ook de dar een
onafscheidelijk deel vormt van het geheel. Het luie, lawaaimakende,
slechst etende mannetje, zooals hij in de imkerwereld weinig
hoog staat aangeschreven, is wel zoo vast verbonden aan zijn
volk, dat hij in afzondering zeer snel te gronde gaat.

En zoo spreekt men wel van ,,der Bien" als van een levend
organisme met de koningin en de darren als geslachtsorganen,
de werkbijen als het orgaan van de spijsvertering, honing en
stuifmeel als vet en vleesch, terwijl men de bijen, gezeten aan
den omtrek van den bijentros, de huidbijen noemt, een vergelij-
king, wel niet geheel onaanvechtbaar, doch een kern van juistheid
bevattend.

Hoewel het voor ons, die natuurwetenschappelijk zijn opgevoed,
niet veel moeite zal kosten, te erkennen, dat natuurwetten zich
in het wezen van het volk voltrekken, is het voor vele onderzoekers
niet zoo gemakkelijk, dit. toe te geven. De aanhangers van
Dzier-
zon
, dien ik reeds noemde, zien in den staatsvorm, met al zijn
wetmatigheid een intelligentie, welke leidt en zorgt. Ook
Mae-
terlinck
, de dichter, kan zich niet neerleggen bij het feit, als
zouden slechts geestlooze natuurwetten hier tot gelding komen.

Zijn „geest van den bijenkorf" fundeert in de veronderstelling,
dat daar krachten zijn, welke menschen nog niet verstaan en in
welker aantooning en verklaring de wetenschap dus te kort schiet.
Ik meen, dat het de moeite waard is, eenige oogenblikken stil te
staan bij de drijfkrachten, welke „dezen geest" bewegen en dan
wil ik niet den dichter, maar den wetenschappelijken onderzoeker
als leidsman nemen.

Daartoe wijs ik op een zeer interessant artikel van de hand van
Prof.
Jordan over de kennistheoretische beteekenis van het instinct bij
dieren, vooral bij gelede dieren en hun verhouding tot menschelijke
vermogens, instinct en intuïtie,
welke studie voorkomt in „de

-ocr page 1220-

Smidse", maandblad voor moderne religie en humanistische cul-
tuur van Jan. 1927.

Jordan zegt, dat met instinct het verschijnsel wordt aangeduid,
dat dieren zekere ingewikkelde handelingen kunnen verrichten,
welke in vast verband staan met hun geheele levenswijze.

Op grond van een groot aantal waarnemingen komt hij tot deze
definitie. Het instinct beteekent een aangeboren verzekerdheid
van den samenhang tusschen factoren der omgeving en bepaalde
bewegingen van het eigen lichaam, anders, de eenheid van bepaalde
waarneming en handeling, die met de behoefte van het dier in een
vast verband staat. Of, zij zijn aangeboren, psychische eenheden,
die het dier niet in zijn onderdeden kan ontleden en die het niet
uit zijn onderdeelen kan beheerschen.

Vervolgens wil hij deze definitie door een reeks van stellingen
bewijzen, welke ongeveer als volgt luiden :

ie. Instincten zijn niet uit individueel denken ontstaan.

2e. Toch zijn instincten, al zijn zij aangeboren, niet de uiting
van een automatisch vei mogen.

3e. Instincten zijn ook geen erfelijke ervaringen.

4e. Instincten zijn eenheden. Het dier kan ze niet ontleden in
hun onderdeelen, noch beheerschen uit deze.

Deductief te werk gaande, heb ik getracht eenige verschijnselen,
welke wij aan den bijenkorf kunnen waarnemen, te toetsen aan
deze stellingen.

Ik zou in dit verband op het volgende willen wijzen.

Als men weet, dat de ratenbouw voldoet aan de eischen, welke
worden gesteld aan dien bouw, waarbij met het minste materiaal
de meest productieve ruimte kan worden geleverd en dat beroemde
wiskundigen hebben vastgesteld, dat een dergelijke bouw niet
anders kan worden opgetrokken, tenzij de meest ingewikkelde
berekeningen daaraan voorafgaan, daar zal men hier, zonder eenig
voorbehoud, onze bijtjes dit vermogen wel willen ontzeggen. De
verdeeling van den arbeid, een hoogst belangwekkend phenomeen,
waarbij bepaalde groepen voor geheel uiteenloopende werkzaam-
heden zich schijnen geroepen te voelen, welke ook wel met hun
leeftijd in verband staan, leent er zich niet toe, aan een individueel
overleg en oordeel te denken.

Een belangrijk gebied, 0111 eventueel een zelfstandig oordeel te
kunnen aannemen, ten minste te verwachten, is dit, waar aan de
dieren bijzondere omstandigheden worden aangeboden en die zij dus
hebben op te lossen. Een instinct als automatisch vermogen zou
daartoe niet in staat zijn. Een machine of een automaat werkt in
machinale volgorde. Doch bij een dier, ook de bij, volgt een tweede
handeling niet automatisch op de eerste, doch op het resultaat
van de eerste en men zou waarlijk willen denken aan een zelfstandige
beoordeeling der nieuwe situatie.

Jordan zegt, dat het instinct is aan te zien wèl als een aan-

-ocr page 1221-

geboren handelingsschema, maar dat dit schema buitengewone
bestanddeelen zoodanig in zich op kan nemen, dat èn het schema
èn het buitengewone, samen één geheel vormen. En dit vermogen,
zegt hij, is kenmerkend voor psychische verschijnselen, alzoo ook
voor het instinct. Veel, misschien wel alles, wat valt onder het
vermogen tot aanpassing, kunnen wij hiertoe rekenen.

Eén ding noem ik ter verduidelijking.

Ik heb gewezen op den vorm, welke de zwerm, ook het volk in
kast of korf aanneemt en wel die van den kogel. Centraal om het
maar zoo oppervlakkig mogelijk uit te drukken, wordt alles geregeld.
Er treedt nu een stoornis in het centrum op. fk neem b.v. de
middelste raat weg. Nu ligt het in het wezen van de eenheid van
het volk, in zijn bouw, in zijn organisatie, om dit hiaat zoo spoedig
mogelijk weg te werken. Het aangeboren handelingsschema is
onderbroken, gewijzigd, zij trachten de situatie weer meester te
worden en dit is mogelijk met middelen, die organisch behooren
tot het handelingsschema ; zij bouwen er zoo snel mogelijk weer
een raat tusschen ! Ik ben met
Jordan van meening, dat hier
niet gesproken kan worden van een automatische uiting, noch van
een oplossing eener moeilijkheid door overleg.

Jordan onderzocht ook in hoeverre een dierlijk instinct als
erfelijke ervaring zou kunnen worden gekenmerkt, als een complex
dus van onderbewust geheugenmateriaal. Hij ontkent de mogelijk-
heid en dit m.i. op den zeer goeden grond, dat afzonderlijke er-
varingen bij verschillende diersoorten niet overgeërfd kunnen
worden. Zoo bv. bij onze bijen. De werksters doen de ervaringen
op, zij hebben puzzles op te lossen, doch deze weinig bevoorrechten
planten zich niet voort ! Aan te nemen, dat zij het de koningin en
de darren vertellen, die het in zich opnemen en deze psychische
aanwinst op hun nakomelingsschap overbrengen, lijkt mij niet
waarschijnlijk. Met den dood der werkbijen gaat de nieuwe ervaring
verloren.

Hoe interessant deze beschouwingen van Jordan ook zijn, zij
moeten verder buiten bespreking blijven. Slechts op één enkel punt
wil ik nog wijzen, nl. dat vele onderzoekers bij de bestudeering
van dit hoogst moeilijke probleem te veel den maatstaf van het
menschelijke aanleggen. Om onzen dichter
Maeterlinck te noe-
men, die, wel toegevend, dat het verstand in vele deelen anders
tot uiting komt dan bij den mensch, dit vermogen
toch met verstand
betitelt,
niet met instinct, daarmede dan verbindend het vermogen
tot oordeelen, besluiten etc.

I)at is m.i. het groote in de theorie van Jordan, dat hij, niet
afwijkend van het begrip der evolutie, dit ook aanlegt ten opzichte
van de psychische ontwikkeling. Het overige van zijn studie, waarop
ik dus niet verder inga, legt er dan ook den nadruk op, hoe ook inden
mensch veel van het instinct is terug te vinden, dat in zijn wezen
beantwoordt aan de definitie, door
Jordan daaraan gegeven.

-ocr page 1222-

Terwijl ik dus even stilstond bij de geheime krachten, die den
geest van den korf voortdrijven, ga ik nu verder met mijn beschou-
wingen, in verband met
de ontwikkeling van het volk en wijs er op
hoe van af het oogenblik, dat het gezond door den winter gekomen,
zijn reinigingsvlucht houdt en, wanneer de weersgesteldheid het
toelaat op zoek gaat, voornamelijk naar het eiwithoudende stuif-
meel van els, van crocus, narcis, tulp en wilg. Het kan echter
ook wel eens niet gezond door den winter zijn gekomen, en hoe
het volk er dan aan toe is, komt hierna ter sprake.

Wij nemen nu aan, dat het volk na een rust van 3 a 4 maanden,
waarin het mogelijk was, dat het niet éénmaal de gelegenheid
heeft, het daglicht te aanschouwen, op een dag met 8 a 90 C. in
de schaduw zich in het zonlicht weer baden mag en zich kan rei-
nigen. Was het overwinteringsvoedsel licht verteerbaar, en dus
het gevaar niet aanwezig, dat de ingewanden overvuld zijn geworden
en dus geen onrust met alle noodlottige gevolgen daaraan ver-
bonden, is opgetreden, dan heeft op dezen eersten dag een alge-
meene defaecatie plaats, welke den geheelen omtrek van den bijen-
stand gelijkmatig met okerkleurige puntjes kleurt. Er is geen
bijenboek, dat naar aanleiding hiervan niet spreekt van de huis-
vrouwen, wier wasch, die in de voorjaarszon een goede beurt zal
hebben, niet tevens goed bedacht wordt van der bijen overlast.

Na deze reinigingsvlucht is het volk „ontwaakt" en bij mogelijke
dracht op stuifmeel begint de broedaanzet ; de koningin legt
haar eerste eieren.

Deze leg heeft, overeenkomstig de wetmatigheid in de organi-
satie van het volk, van uit het centrum plaats. Laat ons aannemen,
dat op de middenraat een 25-tal eieren zijn gelegd, op de daar-
naast hangende een io-tal, terwijl een stuifmeel en honingzone

-ocr page 1223-

om dit levend centrum is heengevleid. Na 21 dagen heeft langs
den weg van made of larve, nymph, en pop, de geboorte plaats
van de jonge bij. Het broednest zet zich, met de ontwikkeling
in de natuur, gaandeweg uit en na 21 dagen komt de koningin
wederom in het hart van het nest, waar zij de uitgeloopen
cellen wederom belegt „bestift". Zoo gebeurt het, dat ter
plaatse, waar jonge bijen juist zijn uitgeloopen, weer nieuw broed
tot ontwikkeling komt. Hier zien wij dus weer organisch verband
tusschen de uitwendige omstandigheden, het te voeden broed met
de inwendige handeling, het voeden, dat speciaal de taak is van de
eenige dagen oude bij. Het zij opgemerkt, dat dit voedsel voor de
jongste larven bestaat uit kliersap der jonge bij, later steeds meer
aangevuld met honing en stuifmeel. In \'t kort gaat de ontwikkeling
zoo: 3 dagen ei, van den 4en tot den I4en dag larve, eerst het ronde
daarna het gestrekte stadium, van den I5en tot den i8en dag van
nymph tot pop, terwijl in de 3 laatste dagen de afwerking plaats heeft.

De zich wijzigende voeding tijdens het ouder worden, nl. de
toenemende voeding met honing tot den gen dag is een factor,
welke van beteekenis is voor het ontstaan en uitbreken eener
broedziekte, de broedpest. Den gen dag is toch in het larvenleven
een gewichtig moment. Zij is dan zoo volgepropt met voedsel,
dat zij daarop tot den 21 en dag moet teren. Op dezen dag
wordt de wieg gesloten met een wasdekseltje en de inhoud aan
zichzelf overgelaten. De formatie van dit wasdekseltje is het eerste
wasproduct der jonge bij die haar voedstersambt neerlegt en hier-
mede bouwster wordt.

Daar het bouwen eveneens periferisch geschiedt — in de kern
toch is reeds alles bebouwd — gaan de bouwsters naar den buiten-
kant van den kogel en het is daar dan ook, dat de ingewijde imker
zijn kunstraten plaatst om te laten uitbouwen, die hij dan, na
uitgebouwd te zijn, in het centrum van het broednest brengt, waai-
de koningin ze zoo spoedig mogelijk belegt ; een onderbreking van
de organische eenheid van het broednest toch wordt niet geduld.

Wanneer men ziet, dat, omstreeks half April, in een sterk volk
aan de bouwdrift wordt toegegeven, dan is dit het bewijs, dat het
volk zich op normale wijze ontwikkelt.

Het is nog steeds werkbijenraat, ,,fijne raat", zooals de imker
zegt, hetgeen er wordt gebouwd. Begin Mei, en dit hangt ook van
den aard van het volk veel af, gaan ze „grove raat", dit is darren -
raat bouwen. —■ Wij moeten in het oog houden, dat er in dezen tijd
steeds meer jonge bijen uitloopen, en steeds meer „minnen" „zoo-
gende" bijen optreden, wier afscheiding van kliersap tot haar
eerste levenstaak behoort.

Doch bij normaal weer, toenemende warmte en dracht stijgt
het eierleggen en het kan zijn, dat, wanneer half Mei 6 a 8 warme
dagen op elkaar volgen, de koningin in dezen tijd een 10-duizend

-ocr page 1224-

eieren afzet, welke 9 dagen later allen zijn gedekseld. Met het-
geen er reeds aan gedekseld broed was en met wat er bijkomt, zal
er een phase in de ontwikkeling komen, waarbij een massa jonge,
„melkgevende" bijen eenerzijds aanwezig zijn, anderzijds te weinig
z.g. openbroed, dat haar „melk" in ontvangst kan nemen ; er treedt
een wanverhouding op tusschen productie en afnemen van het
kliersap.

Nu kunnen wij ons voorstellen, dat de dikke darrenlarven
goede afnemers zijn van het overtollige kliersap. Wanneer wij nu
op den buitenkant van het nest maar steeds gelegenheid geven
tot het bouwen van darrenraat en dus tot afzet van kliersap, dan
kunnen wij de harmonie tusschen beide factoren langen tijd be-
houden en het conflict, om het zoo maar te noemen, waarvan het
zwermen het uitvloeisel is, ettelijke weken opschorten. Ook het
inbrengen van open broedraat, waaraan dus nog veel voedsel kan
worden afgegeven, heeft dezelfde uitwerking.

Of het aan deze voedersapbeweging alleen ligt, hetgeen Pfarrer
Gerstung,
die daaromtrent een theorie opbouwde, wil aannemen,
öf dat er nog andere factoren een rol spelen, die ten slotte aan-
leiding geven tot „het uitstooten" van een zwerm, zou ik niet
durven zeggen.

Hoe het zij, de rijpheid van den zwerm wordt ingeluid met het
aanzetten van koninginnecellen, wiegen of moerdoppen, waarin
nogmaals een groot deel van het kliersap, „de melk" een uitweg
kan vinden. De imker spreekt dan van „melk in de doppen" en hij
weet, dat het hoogtepunt in de ontwikkeling weldra is bereikt.
Een zwerm zal spoedig loskomen. „De geest van het volk, heeft
beslist, dat er een uittocht zal plaats hebben. Voor de instand-
houding van de soort, voor de toekomst is gezorgd door aanzet-
ting van moerdoppen ; de moerstok kan haar vrucht uitdrijven",
minder symbolisch en meer juist is het, dat de moeder haar vrucht
verlaat, want het is toch de oude koningin, die met ongeveer 3/4
van de oude en 1/4 van de jonge bijen de woning vaarwel zegt
om een onzekere toekomst tegemoet te gaan.

De imker, ten minste als hij geen pogingen in het werk heeft
gesteld het zwermen te verhinderen, is bij het aanschouwen van
dit wonderlijk gebeuren met een eigenaardige vreugde vervuld.

Zijn liefde voor „den Bien" komt bij het afstooten van een dikken
zwerm wel zeer bijzonder voor den dag. Laat ik er nog aan toe-
voegen, dat waar er verscheidene koninginnecellen zijn aangezet,
er nog eenige nazwermen kunnen loskomen, hoewel dit zich meestal
tot één a twee beperkt ; bij zwerml listige volken intusschen kent
men het z.g. doodzwermen.

Hoe de imker, na invoering van den lossen bouw, het zwermen
kan wijzigen, z.g. kunstzwermen kan maken, die evengoed ge-
dijen als de natuurzwermen, wil ik hier niet nader behandelen.

-ocr page 1225-

Hoe een dak-imker als ik zelf eenige jaren was, aangewezen was
op dergelijke ingrepen, laat zich denken.

Daar het één van de hoofdbedoelingen van den modernen
imker is honing te winnen, heeft hij te zorgen bij het intreden
van de hoofddracht een massa haalbijen te hebben. Om de linde,
de klaver, boekweit of heidedracht goed te kunnen uitbuiten moet
hij, daar het leven van ei tot vliegbij rond 6 weken duurt, er voor
zorgen, dat hij 6 weken vóór elke hoofddracht een groote broed-
aanzet in zijn volk tot stand ziet komen of dit met alle middelen
bevorderen.

Het is den imker met den lossen bouw mogelijk geworden door
toepassing van verschillende methoden, o. a. de omhang en separa-
tiemethode, zeer groote volken te kweeken. Doch wij moeten den-
ken, dat geen dier zóó afhankelijk is van de weersgesteldheid als
de bij en zoo kunnen alle verwachtingen, zelfs wanneer men de be-
schikking heeft over sterke volken, wel eens deerlijk worden teleur-
gesteld. De laatste jaren is meer teleurstelling dan honing geoogst.

Het kiezen van de juiste tijdstippen, het psychologisch moment
is in de imkerij intusschen van groote waarde ; dit steeds in toe-
passing te brengen is de maatstaf voor de meerdere of mindere
bekwaamheid van den imker.

Wij hebben nu gesproken over broedverzorging, over voedsters,
bouwsters en haalsters, over de voedersap-cyclus met als climax
de zwerm. Behalve uit biologisch oopgunt moeten deze onderschei-
dene functies ook om andere reden
aan den onderzoeker van bijen-
ziekten
bekend zijn.

Want verschillende ziekten houden verband met den leeftijd.

De Meiziekte is blijkens de laatste waarneming een ziekte van
de jonge voedst erbij en, terwijl men bij de
Nosemaziekte hoofdza-
kelijk zijn aandacht moet schenken aan de oudste bijen, de stuif-
meelhaalsters.

Het beeld van den ausculteerenden imker wijst er op, dat de
geluiden, welke het bijenvolk voortbrengt, de moeite van het be-
luisteren waard zijn. Als de imker in den wintertros in plaats van
de bijna onhoorbare, zachte en gelijkmatige zoemtoon een sterk-
en scherp bruisen verneemt, dan kan hij er op rekenen dat er in
den bijenstaat groote onrust heerscht, hetzij veroorzaakt door
gebrek aan water of door prikkels van anderen aard, hetzij door
het verlies der moeder hetgeen een psychischen stoornis van zeer
ernstige beteekenis ten gevolge heeft.

De stethoscoop, bestaande in een simpele gasslang, doet ons
deze onrust ontdekken.

Nog zeer veel zou er te verhalen zijn uit het leven der bijen.
De physiologie der zintuigen, een gebied, dat de laatste jaren

-ocr page 1226-

bijzonder interessante ontdekkingen heeft geleverd; de bouw-
kunst der bijen en hare voortplanting alsmede de praktijk van het
bijenhouden en zijn genoegens.

Ik wil niet stilstaan bij de periode, waarin de bij voor haar
meester de zoete spijs in groote hoeveelheid gaat inzamelen. Niet
over de vreugde des imkers, wanneer zij bij goede dracht kast of
korf dagelijks 5—10 pond zwaarder maakt, noch over de oogst

zelve, of de liederen van den oogst. Iloe, wanneer deze tijd voorbij is,
in September wederom de arbeid komt van het inwinteren, waarbij
van een imker wederom het noodige doorzicht wordt geëischt. Zal
geen
roerziekte optreden, dan moeten verschillende regelen in
acht worden genomen.

In enkele trekken ben ik het bijenleven met U doorgegaan. De
hoogstand van het volk, welke er is in Mei en Junimaand, de laag-
stand, de rust, doch een levende rust in de wintermaanden ; met
hun onderscheidene fasen, welke als schakels van den levensketen
een beeld vormen van bijzondere en aantrekkelijke schoonheid.

-ocr page 1227-

II. Het nut der bijen.

Hoezeer ook het gebied der bij en hare ziekten onze wetenschap-
pelijke belangstelling verdient, moet toch de vraag naar de oecono-
mische beteekenis van de bijenteelt vooraf haar beantwoording
vinden. Dan noem ik de twee punten, waarmede de bijenteelt haar
recht van bestaan kan bewijzen.

Direct door de winning van was en honing.

Indirect als middelaarster bij de bestuiving van onze vrucht-
boomen en gewassen.

Hoewel de wasopbrengst speciaal den korfimker niet onwelkom
is, is het toch hoofdzakelijk de honingproductie, welke het bedrijf
rendabel moet maken.

Naast het gebruik van honing in verschillende bedrijven —
wij zouden het als constituens ook bezwaarlijk kunnen missen —
vindt honing als genotmiddel zijn grootsten aftrek en ware het
publiek goed ingelicht, zoo zou het den honing ook uit hygiënisch
oogpunt meer gaan waardeeren. Hoe hij, speciaal uit dit oogpunt,
een stijgende waardeering ondervindt is een kwestie, waarover
nog wel het een en ander te zeggen zou zijn.

De chemische bouw van dit levende product is zoodanig, dat
het op de digestie, maar vooral ook op de bloedsamenstelling een
verrassenden invloed heeft. Vergelijkende proeven, bij anaemische
kinderen in Zwitserland genomen hebben aangetoond, dat tegen-
over melkdieet, het haemoglobine-gehalte door gebruik van honing
belangrijk sterker toeneemt.

Doch van de meeste beteekenis is de bijenteelt geworden, sinds
wij weten, welke rol de bijen spelen bij de bestuiving en bevruch-
ting der planten.

Dit moge uit het volgende blijken.

Onder de verschillende vormen van bestuiving kennen wij in
hoofdzaak die van zelf-, wind- en kruisbestuiving, welke laatste
vorm geschiedt door middel van de insecten. Hoewel men sinds
vele jaren bekend is met deze rol der insecten heeft wetenschappe-
lijk onderzoek steeds meer aan het licht gebracht, dat de bij hierbij
de eerste plaats inneemt.

Een enkel woord over deze proeven in ons land en in het buiten-
land zal u dit aantoonen, terwijl eenige sprekende plaatjes mijn
woord zullen bevestigen.

Wij vinden in de verslagen van de onderzoekingen in 1912 en
1913 over bestuiving en vruchtbaarheid van ooftboomen een
onderzoek van Mej.
Goethals, nu Mevr. v. Oijen, waarvan o. a.
deel uitmaakt
het nagaan van de oorzaak der onvruchtbaarheid van
verschillende ooftboomen.

In haar samenvatting constateert zij in de eerste plaats, dat

-ocr page 1228-

— ii99 —

vreemd stuifmeel bij alle waarnemingen werkzamer bleek dan
het eigen stuifmeel.

De z.g. zelfsteriliteit is bij vele vruchtsoorten zoo belangrijk,
dat van vele geen oogst zou zijn te verwachten zonder kruisbe-
stuiving.

Hoewel het bij de proeven van genoemde onderzoekster alsmede
bij die van
Sprenger bleek, dat ook de kruisbestuiving bij onder-
scheidene soorten van dezelfde vrucht evenmin tot vruchtzetting
leidt en dus in de eerste plaats verschillende soorten bij elkaar
moeten worden gebracht, ligt in deze omstandigheid toch tevens
reeds besloten, dat £re«\'sbestuiving toch een eerste conditie is om
tot vruchtzetting te komen.

Bij de proeven van Sprenger, die de zelfsteriliteit voor enkele
soorten had vastgesteld en toen een aantal bijenkorven in ver-
schillende boomgaarden liet zetten, kwam deze onderzoeker tot
de conclusie, dat het bijenbezoek een belangrijk giooter oogst
ten gevolge had gehad dan daar, waar zij ontbraken.

Bijgaande afbeeldingen toonen ons den invloed der bestuiving
aan. I)e bloesem der met vrucht rijk beladen takjes is blootgesteld
geweest aan bestuiving. De weinig dragende werden met gaas
overdekt. De kistjes met kersen spreken een duidelijke taal,
niet minder de op elkaar gelegde perzikken.

Dat het hoofdzakelijk de bij is, welke de kruisbestuiving be-
werkstelligt, is op biologische en statistische gronden aangetoond.

ie. Het feit, dat zij in sterke volken overwintert en zoodoende
van het vroege voorjaar tot in den herfst een groot aantal bestuif-
sters de bloesemweide kan bezoeken, terwijl andere bloesem-
bezoeksters m. n. de hommels en wespen, speciaal in het voorjaar
nog slechts individueel bestaan, moge een bewijs zijn van de alles
overheerschende rol der bij.

Het is uitgemaakt, dat van de bestuivende insecten 75 % uit
honingbijen bestaat, 21 % hommels en 4 % andere insecten zijn.

Speciaal bij de ooftboomen bedragen deze cijfers resp. 88 %, 5.5
van hommels en 6.5% voor vliegen, wespen, mieren, kevers en
andere insecten.

Wat deze kunnen presteeren mogen volgende cijfers, welke zijn
ontleend aan geschriften van Prof.
Zander, Directeur der Landes-
Anstalt für Bienenzucht in Erlangen aantoonen.

Als grondslag wil ik daarbij uitgaan van het aantal volken,
dat ons land momenteel bezit, d. i. ongeveer 100.000 stuks.

Een goed volk bevat in Mei- Juni een aantal van 30 a 40.000
bijen, waarvan ongeveer 1/4 het veld ingaat.

Zonder overdrijving, zegt Zander, mag men nu deze berekening
maken.

-ocr page 1229-

Bessen.

-ocr page 1230-

Eén bij bezoekt per minuut minstens 10 bloemen. Zij heeft voor
één vlucht ^ 10 min. noodig, bezoekt dus 100 bloemen per vlucht.

Per dag maakt zij gemiddeld 40 vluchten. (Is de weide op korten
afstand van de woning, belangrijk meer). Zij bezoekt alzoo per
dag 4000 bloemen.

Een volk zendt, zooals gezegd 10.000 veldbijen uit, dus per dag
worden er 4000
X 10.000 bloemen, d. i. 40 millioen bloemen be-
zocht. 100.000 volken dus 100.000
X 40 mill. = 4 billioen bloemen.

Indien bij elke 1000 bezoeken slechts 1 bloesem wordt bevrucht,
zouden er in Nederland bij goede drachtver houdingen 4 milliard
bloemen met vrucht kunnen worden bestoven.

Als tweede voordeel der bijenbestuiving moge gelden, dat de bij
haar honing verzamelt, zittende op de bloem en zich daarbij
met het stuifmeel sterk bepoedert, zoodat veel stuifmeel wordt
overgebracht.

De meeste andere insecten doen dit al vliegende. Ten derde
heeft de bijentong een lengte, die haar in staat stelt de meeste
bloemen te benutten.

Ten vierde geldt als belangrijke factor de z.g. bloesemvastheid,
d. vv. z. dat de bij bij \'t bezoek aan een bepaalde bloem geen andere
bezoekt. Wat dit beteekent bij een hoofddracht, b.v. van de ooft-
bloesem, behoeft geen uitleg.

Deze hoedanigheden zijn van zoo groote beteekenis, dat Prof.
Schiffner te Weenen op grond hiervan tot de misschien wel wat
geestdriftige uitspraak komt, dat de bij door deze bestuivings-
functie uit economisch oogpunt alle andere nuttige dieren ver over-
treft en dat haar teelt in verhouding tot de geheele natuur onwe-
derlegbaar de gewichtigste tak van den landbouw is.

Want, merkt hij op, zonder de bijen, en voor een klein deel ook
haar verwanten, zou de plantenwereld binnen weinige tientallen
jaren er geheel anders uitzien. De kleurrijke bloemen zouden niet
alleen uitsterven, doch de meeste der nu gekweekte groenten-
soorten en de kostbaarste tuin- en ooftvruchten zouden slechts bij
naam bekend zijn. Klaver zou niet meer worden geoogst, het raap-
zaad slechts een nog kleine opbrengst opleveren, zoo ook de
boekweit.

Duitschland berekent met een aantal volken van 2.5 millioen
een jaarlijksche totaalopbrengst van 630 millioen goudmark,
waarvan alleen voor de ooftteelt 500 millioen is berekend. Voorop
gesteld dat 80 % van de bezoekende insecten bijen zijn, wordt
alleen door de bijen een bedrag van 400 millioen bij een gestoven.

Berner schrijft in een artikel betreffende „Die Bienenzucht in
ihrer Wechselbeziehung zur Gesammtvolkswirtschaft", dat de
totaalwaarde der bevruchtingen door insecten voor Europa mag

-ocr page 1231-

worden begroot op 1.3 en voor de geheele wereld op 5 milliard
goudmark.

Daarbij vallen de directe voordeelen van honing en was voor
den imker in \'t niet en het zijn dan ook de landbouwers, de ooft-
en zaadkweekers, die van het groote nut der bijen profiteeren.

Langen tijd is daarvan niets begrepen en op den huidigen dag
is men nog niet zoo ver van dit belangrijke feit allerwege te pro-
fiteeren.

De tabel, samengesteld uit gegevens, vookomende in de ver-
slagen van de Directie van den Landbouw, geeft daarvan een
beeld.

OVERZICHT VAN HET GEBRUIK VAN DEN GROND IN 1921.

Boek-
weit.

Kool- en
Mosterd-
zaad.

Lu-
cerne

Blijvend
Grasland

Ooftbouw.
1921 1926

Woeste
gronden.

Aantal :
volken.

Groningen. .

38

669

57.000

169

211

13.000

8.000

Friesland .

100

216.000

192

199

18.000

6.000

Drente . . .

225

69.000

14

17

in .000

15.700

Overijssel . .

912

18

140.000

714

768

83.000

11.500

Gelderland .

1064

150

290

174.000

8.012

8.907

79.000

19.000

Utrecht . .

244

26

11

76.000

3033

3.126

6.000

3-5°o

N.-Holland .

67

480

136

126.000

819

975

28.000

2.000

Z.-Holland .

174

445

157.000

2.265

2.386

7.800

i .700

Zeeland . .

26

59

1685

35.000

1.880

2.156

2.800

i .700

N.-Brabant .

1987

258

140

137.000

1839

2.662

95.000

16.000

Limburg . .

628

171

71

32.000

7.8x7

7.929

26.000

8.300

5191

2087

2796

1.219.000

26.754

29 336

469.600

93.400

Wij zien hier in de eerste plaats een overzicht van het gebruik van
den grond over
1921, voorzoover het een beplanting betreft, welke
door insecten wordt bevlogen. Slechts die aanwijzingen neem ik
er uit, welke mijn bewering, dat er naar verhouding van de be-
hoefte veel te weinig aan bijenteelt wordt gedaan, kunnen staven.

Op deze lijst komen 4 gebieden voor, waarop de bijenteelt thuis
behoort.

i°. Het gebied, waarop boekweit, kool- en mosterdzaad en lu-
cerne wordt gekweekt beslaat ................. 10.500 H.A.

2°. grasland voor .......................... 121.900 ,,

30. ooftteelt voor .......................... 26.750 ,,

in 1926 29.330 H.A.

4°. woeste gronden ....................... 469.600 ,,

Voor alle bestuiving is aanwezig een leger van 93.000 volken.

In aanmerking genomen, dat voor de ooftbestuiving gerekend

-ocr page 1232-

wordt gemiddeld 2 a 3 volken per H.A., zou bijna alleen de
ooftteelt het aanwezige aantal volken kunnen benutten.

Indien het z.g. reizen met de bijen minder finantieele en andere
bezwaren met zich bracht, welke des te gemakkelijker overwon-
nen zouden worden, indien het bedrijf een meer verzekerde op-
brengst afwierp als dit bij ons wisselvallig klimaat nu het geval
is, dan zou voor een groot deel aan de behoefte kunnen worden
voldaan. Het na elkaar bloeien van ooftboomen, van klaver (boek-
weit) en heide, om de voornaamste drachtplanten te noemen, toch
schept de mogelijkheid om de op elkaar volgende hoofddrachten
te benutten. En vele groot-imkers, vooral in vroeger dagen en
ook nog wel in den tegenwoordigen tijd, maakten en maken nog
van deze gelegenheid gebruik.

De goede oude tijd, dat o. a. de Drentsche imkers met hun bijen
gingen „kleien en heien" herinnert aan dezen eeuwenouden trek.
Zij trokken van de heidevelden naar die van het kool- en mosterd-
zaad in het Groningerland. De z.g. langwagens met vele honderden
korven beladen, behoorden bij het Drentsche landschap. De
Brabanders brachten zoo hun „immen" naar de Betuwe. Menig
stukje geschiedenis meldt van deze interessante gewoonten.

In Drente en ook in eenige andere provinciën is met het in cul-
tuur brengen van de woeste gronden en den sterken teruggang van
den boekweitverbouw,alsmede van de zaadteelt, deze trek belangrijk
afgenomen en de bijenteelt daarmede in niet geringe mate achter-
uitgegaan.

Daar nu eenerzijds door deze gewijzigde omstandigheden het
aantal hei de-imkers sterk is verminderd en het reizen zeer onvol-
doende wordt beoefend, zoodat een groot deel der imkers hun
drachtgebieden van klaver en heidelanden niet verlaat, komt
het tekort aan bijenteelt daar waar de grootste behoefte be-
staat, in het gebied der ooftbouw, duidelijk aan het licht.

De bijenteeltconsulenten, de heeren v. Giersbergen en Min-
derhoud
wijzen daarop dan ook in hun rapport over Bijenteelt
in Nederland over 1921.

In eenige streken in Zeeland was het zoo gesteld, dat 4 H.A.
oofthout door één volk bevlogen moest worden.

Oud Beijerland en Hoekschewaard telen veel ooft. Daar stond
op 80 H.A. i korf.

Ik behoef op deze dingen niet dieper in te gaan. De ooftteelt
heeft een groot tekort aan bijen, terwijl uit een en ander moge zijn
gebleken hoe onmisbaar zij zijn voor enorm veel hooger opbreng-
sten; voor verschillende vruchten zelfs absoluut noodig, wil er
van een opbrengst sprake zijn.

Bevordering van de bijenhouderij is dus een onafwijsbare nood-
zakelijkheid uit economisch oogpunt.

Temeer, daar, ook blijkens de cijfers, de aanplant van boom-

-ocr page 1233-

gaarden de laatste 5 jaren belangrijk is toegenomen, hetgeen in
de toekomst nog meer het geval zal zijn.

Dat men in het buitenland dit groote belang inziet, leeren ons
de verschillende wetenschappelijke inrichtingen.

Sinds de bijenteelt niet meer het monopolie bleef van den een-
voudigen heide-imker, wien het te doen was om eenig gewin te maken
uit honing en was, doch deze allengs in handen is gekomen van
hen, die gebruik maakten van de moderne teeltmethoden, is de
teelt met haar talrijke problemen ook voorwerp geworden van weten-
schappelijk onderzoek, waarvan de gunstige resultaten steeds meer
erkend worden.

Ik wil dit onderwerp besluiten met de aandacht te vestigen op
deze inrichtingen, welke in de verschillende landen zich met de
bijenteeltkunde, alsmede met de bijenziekten bezig houden.

Ik wijs in de eerste plaats op het Instituut van Prof. Zander
te Erlangen in Beieren, dat in 1907 onder zeer bescheiden verhou-
dingen tot stand kwam en in 1927 een eigen voorbeeldige inrichting
heeft gekregen.

Aan de Biologische Anstalt für Forst- und Landwirtschaft in
Berlijn, waar o. a. de bekende bacterioloog, Prof.
Maassen ver-
schillende bijenziekten heeft bestudeerd, bestaat een afdeeling voor
bijenziekten onder den veterinair Prof.
Borchert.

Vervolgens hebben verschillende Landwirtsc.haftskammer hun
bij en af deelingen.

In Zwitserland het land van den honing wordt intensief gearbeid
aan het Instituut van Prof.
Burri in Bern, waar Dr. Morgen-
thaler
de leiding over bijenziekten is opgedragen.

Ook in Oostenrijk wordt, sinds de Nosema en de mijtziekte
groote schaden in de bijenhouderij hebben aangericht, groote
aandacht aan de ziekten geschonken.

In Rusland zijn verscheidene wetenschappelijke inrichtingen,
waar belangrijke bijenteeltkundige onderzoekingen worden ver-
richt.

Frankrijk kreeg in 1927 zijn instituut. Amerika, waar in som-
mige staten de bijenteelt op zeer groote schaal wordt gedreven,
heeft o. a. in Washington een inrichting, waar een 9-tal onderzoe-
kers werkzaam is. Ook Californië met zijn enorme fruitteelt heeft
een belangrijk onderzoekingsinstituut.

(Wordt vervolgd).

-ocr page 1234-

RACHITIS1), OSTEOMALACIE, OSTEOFIBROSE.

door

Prof. Dr. J. WESTER.

Inleiding.

Hoewel Christeller (1923) beweert, dat experimenteel bij
honden niemand ooit rachitis of osteomalacie heeft opgewekt,
zooals dat bij den mensch bestaat en dit steeds osteofibrose was,
en hoewel de veterinair patholoog-anatoom
Joest in het voetspoor
van
Christeller zoover gaat te beweren, dat er tot nu toe geen
echte rachitis en echte osteomalacie bij dieren is geconstateerd en
bij dieren dat alles osteofibrose moet heeten, is er m. i. geen aan-
leiding meer te veronderstellen, dat de osteomalatische ziekten
in wezen anders zijn bij den mensch dan bij de dieren.

De nieuwere experimenten en onderzoekingen bij honden, rat-
ten, geiten, varkens en katten en vooral ook het feit, dat de experi-
menteel verkregen gegevens in vele opzichten op den mensch
blijken toepasselijk te zijn, hebben den laatsten twijfel aan de
identiteit met de osteomalatische ziekten van den mensch doen
verdwijnen.

De verschillen raken niet het wezen der ziekelijke verandering,
zijn slechts graadverschillen en kunnen worden verklaard uit
verschil in diersoort, maar vooral uit het verschil in leeftijd der
vergeleken objecten. Men heeft vroeger bij de beoordeeling van
dit vraagstuk veelal vergeten, dat de rachitis van een kind van
een jaar moet worden vergeleken met de rachitis van een hond
van b.v. maand en met een veulen van 4 maanden en niet met
een veulen van b.v. een jaar of ouder. Bovendien verschillen de
oorzaken. Experimenteel en spontaan speelt in de aetiologie van
rachitis bij dieren een laag phosphorgehalte en een laag Ca-gehalte
van het voedsel een grootere rol dan bij kinderen het geval kan
zijn.

De geschiedenis van het onderzoek dezer ziekten van den mensch
die vooral in Duitschland speelt, is ook toepasselijk op de dier-
pathologie.

Zij draaide om de vragen :

1. Zijn rachitis en osteomalacie en osteofibrose identisch?

2. Welke rol speelt bij de beenverweeking het onverkalkt ge-
bleven been?

3. Speelt been verval en beenresorptie een rol bij de verweeking?

4. Zoo ja, speelt dan kalkresorptie zonder meer („Halisteresis")
een rol?

Het woord rachitis is een vergriekschte vorm van de Engelsche volks uit
drukking ,,Rickets" onder welken naam de ziekte het eerst werd beschreven
(Glisson ; 1850). De oorsprong van het woord Rickets is onbekend. Het woord
rachitis heeft dus etymologisch met Rhachis (rug) niets te maken.

-ocr page 1235-

De strijd was gedoemd een langdurige en wellicht een onvrucht-
bare te worden in de handen der patholoog-anatomen, omdat er
geen methode bekend is, die met zekerheid morphologisch nieuw
gevormd kalkloos been van oud ontkalkt been kan doen onder-
scheiden.

Vóór Virchow dacht men vrij algemeen, op grond van macro-
scopisch pathologisch-anatomisch onderzoek en klinische gegevens
(zeer snel verloop soms, poreus licht been, verwijde Haversche
kanalen, dunne buigbare spongiosa-balkjes, vergroote mergholte)
dat rachitis en osteomalacie (osteofibrose onderscheidde men toen
nog niet) identisch waren en beide berusten op een verweekings-
proces door ontkalking en resorptie, hoewel
Guérin (1838) reeds
op den aanbouw van nieuw weefsel wees en rachitis van osteoma-
lacie onderscheidde.

Virchow publiceerde (1853) op grond van macroscopisch patho-
logisch-anatomisch onderzoek, deze stelling : ,,In der Osteomalazie
wird wirklich resorbirt, festes wird weich, aus kalkhaltigen Knochen
entsteht gallertes Mark ; in der Rachitis wird wesentlich nicht
resorbirt, das weiche wird nicht fest. In der Malacie ist es der
eigentlichen Knochen der verändert wirt, in der Rachitis der
Knorpel und der Periost, die in der Malazie kaum als wesentlich
leidende Teile bezeichnet werden dürfen. In der Osteomalazie ist
nur Schwund, Atrophie, degenerative, progressive Metamor-
phose".

Cohnheim (1877) verwierp (op theoretische gronden) de ont-
kalkingstheorie ook voor osteomalacie. Hij breidde het begrip
van
Virchow ook op de osteomalacie uit : „Ganz algemein ist die
kalklos osteomalatische Zone immer nur kalklos gebliebene Sub-
stanz".

Hij was van meening, dat de beenresorptie ontstond door lacu-
naire resorptie in de Howschipsche lacunen.

Kassowitz (1881) was van meening, dat bij rachitis en osteo-
malacie beids, zoowel een „gesteigerte Einschmelzung" van been
als een „gesteigerte Anbau" van onverkalkt been plaats had.
Kalkresorptie (Halisteresis) zonder meer speelt echter volgens
hem geen rol.

Pommer (1885) verklaarde met Cohnheim en Kassowitz rachitis
en osteomalacie identisch, beweerde echter dat de afwijkingen bij
beide ziekten uitsluitend op appositie berusten van nieuw onver-
kalkt been. Al het zachte beenweefsel zou nieuw gevormd zijn.
De verweeking van het been zou het gevolg zijn van de versterkte
nieuwbouw van zacht, onverkalkt been weef sei.

Alleen plaatselijk langs de perforeerende kanalen, (die in groote
hoeveelheden ontstaan bij deze ziekte), zou „Kalkberaubung" van
.het been plaats hebben.

Het feit, dat de „Zwischensubstanz" bij microscopisch onder-

-ocr page 1236-

zoek korrelig en kruimelig kan blijken te zijn („Gitterfiguren" van
v.
Recklinghausen), vooral in de buurt van kalkloos osteid
weefsel, verklaarde hij door aan te nemen, dat dit het gevolg is
van „ungleichmäszige Ablagerung der Erdsalze". Resorptie neemt
hij ook hierbij niet aan.

De leer van Pommer is onder de patholoog-anatomen tot nu
toe predomineerend. De regressie werd echter m. i. door
Pommer
niet voldoende verklaard.

Von Recklinghausen (1891 ; 1910) acht eveneens osteomalacic
en rachitis identisch en erkent het feit dat nieuwbouw („Anbau")
van osteid weefsel vooral bij rachitis (minder bij osteomalacie)
een rol speelt ; echter de verweeking van het been verklaart hij
niet alleen door nieuwbouw van onverkalkt weefsel, maar ook uit
ontkalking en oplossing van de organische grondsubstantie,
(„Abbau"). Hij onderscheidt voor het eerst (1891) de „osteofi-
brose", die behalve met versterkte Abbau ook met Umbau ge-
paard gaat. Hij acht echter deze ziekte toch identisch met osteoma-
lacie.

M. B. Schmidt was zijn medestander : „Osteomalacie und
Rachitis sind zwei Glieder einer Krankheitsform bei welchem die
zwei Zustände Kalkmängel in neugebildeten und Kalkverlust im
alten Gewebe vorkommen, aber in verschiedenen Kombinationen".

Latere onderzoekers (Schmorl 1901 ; Looser 1908 e. a.) ont-
kennen dat resorptie en met name ontkalking een rol zou spelen
en verklaren steeds weer de vermeerderde nieuwbouw oorzaak
van de beenverweeking, wat ook zou blijken uit de osteoblasten-
laag die de kalklaag bedekt.

Niettemin verdedigt von Recklinghausen (igio) in zijn groot
werk over deze beenziekten weer zijn meening, dat de osteomala-
tische ziekten mede berusten op „Abbau", al kan volgens hem
bij rachitis het nieuwgevormd osteid „vorhersehend" zijn, terwijl
daarentegen bij osteomalacie de „Abbau" door resorptie de hoofd-
rol speelt. Ontkalking („Halisteresis") komt volgens hem zeker
voor, of dit primair is kan hij niet met zekerheid beweren.

Osteofibrose acht von Recklinghausen in wezen identisch
met rachitis en osteomalacie.

Christeller (1927) plaatst zich op het standpunt, dat osteo-
malacie en rachitis niet met versterkte Abbau gepaard gaan.
Alleen bij osteofibrose zou volgens hem de Abbau zeer sterk zijn,
terwijl daarbij nieuwbouw van vezelachtig weefsel aanwezig is.
Hij acht daarom osteofibrose een aparte ziekte. De veterinair
patholoog-anatoom
Joest sluit zich daarbij aan.

Er heerscht dus nog steeds verschil van meening en verwarring;
onder de patholoog-anatomen echter meer dan onder de klinici.
De klinici hebben zich in dien strijd weinig gemengd.

Den klinicus valt echter steeds op, dat de beenverweekingen

-ocr page 1237-

zoo snel zich kunnen ontwikkelen, wat moeilijk aan versterkte
nieuwbouw alleen kan worden geweten.

De dierenartsen hebben zich steeds meer op een klinisch standpunt
geplaatst bij de beoordeeling dezer ziekten en zijn op grond van
klinische ervaring en inzicht vrijwel steeds van meening geweest,
dat alle drie de osteomalatische ziekten in wezen identisch zijn
en ook dat beenresorptie bij alle drie de ziekten een groote rol
speelt (snelheid van ontwikkeling).

Naar mijn meening zijn alle drie „malatische" beenziekten; alle
drie gaan met „Abbau" gepaard. Men kan ze beschouwen als drie
vormen van osteomalacie.

Op klinische gronden vooral blijft echter, ten behoeve van een
overzicht, toch een indeeling wenschelijk.

Ik acht de volgende definities de beste :

x. Rachitis : Osteomalacia juvenilis. Een bij jonge, nog groei-
ende, niet volwassenindividuen voorkomende ziekte van het
geheele beenderstelsel (systeemziekte), waarbij naast beenverval
een ziekelijk gestoorde nieuwbouw van been meestal op den
voorgrond treedt ; het nieuwgevormde been verkalkt niet vol-
doende ; de „Anbau" is gestoord, de „Abbau" is versterkt, (v.
Recklinghausen).

2. Osteomalacie, (Osteomalacia adultorum). Rachitis van oudere,
volwassen dieren, waarbij op den voorgrond treedt, dat de „Ab-
bau" is versterkt, doordat reeds gevormd been kalkarm wordt.

Ook de „Anbau" is onvolkomen door onvoldoende verkalking
van nieuw gevormd beenweefsel („osteid").

3. Osteofibrose (Osteomalacia metaplastica), een beenderziekte
die voorkomt op den grondslag van rachitis of osteomalacie,
waarbij de „Abbau" zeer sterk is en „Umbau" van reeds gevormd
been tot fibreus weefsel en woekering daarvan op den voorgrond
treedt.

-ocr page 1238-

Tusschen rachitis en osteomalacie bestaat slechts een leeftijds-
verschil. Osteofibrose onderscheidt zich van rachitis en osteoma-
lacie door een zeer versterkte „Umbau" van been tot bindweefsel
op bepaalde plaatsen, welke „Umbau" principieel echter ook bij
rachitis en osteomalacie bestaat.

Rachitis = (Engelsche ziekte).

Algemeene aetiologie der osteomalatische ziekten.

De osteomalatische ziekten kunnen zeer verschillende oorzaken
hebben. Van oudsher heeft men gevoeld, dat het optreden van
rachitis en de andere osteomalatische ziekten veelal mede afhanke-
lijk is van de voeding, zoowel als van de hygiënische verhoudingen,
zonder dat men nader gepreciseerde gegevens daaromtrent had.

Nog is onze kennis daaromtrent zeer onvolmaakt, echter is
door experimenteel onderzoek bij dieren (honden en ratten) in
de laatste 20 jaar meer licht opgegaan dan in de honderden jaren
die te voren na de eerste beschrijving van
Glisson (1650) waren
verloopen.

a. Voeding.

x. Kalk. Volgens Levie bevat het been bij osteomalacie (van
den mensch) 18 % kalk minder dan normaal, ook de schijnbaar
normale, harde corticaal substantie van de diaphyse bevat minder
kalk.

De opvallende kalkarmoede van het been bij rachitis, zoowel
als bij osteomalacie en osteofibrose deed natuurlijk denken aan
kalkarmoede als oorzaak, zelfs als eenige oorzaak.

Reeds lang geleden zijn er proeven genomen in deze rich-
ting
(Roloff, 1866 ; VoiT, 1880).

Inderdaad vormt zich onder bepaalde verhoudingen met zeer
kalkarm, resp. kalkloos voedsel, door resorptie van kalk, kalkarm,
poreus, week en breekbaar been, echter volgens sommige onder-
zoekers
(Götting, Stoeltzer) zou dit geen rachitis maar „osteo-
porose" zijn en bevat het been dan niet het vele osteide weefsel
hetwelk bij echte rachitis optreedt; bovendien zou deze expe-
rimenteele beenontkalking gepaard gaan met kalkarmoede van
alle weefsels (ook van het bloed) wat bij de echte rachitis niet
het geval behoeft te zijn. Het bloed van rachitische dieren kan
zelfs meer kalk dan normaal bevatten, hoewel het als regel toch
wel iets minder bevat dan normaal.
(Stohl en Bennett). Echter
er kan zelfs vrij lang een negatieve Calciumbalans bestaan, zonder
dat rachitis of osteomalacie optreedt
(Steenbock). Bij onvoldoende
kalk blijven de jonge dieren in groei achter, wat op zichzelf het
ontstaan van rachitische beenveranderingen tegenhoudt. Het
calciumgehalte van het bloed vormt dus geen maatstaf voor het
meer of minder rachitisch zijn van een dier. Het calciumgehalte

-ocr page 1239-

van het been daarentegen wel1), waaruit dus blijkt, dat het ver-
mogen het calcium uit het bloed op te nemen is verdwenen resp.
verminderd

Een rachitis-dieet bij ratten kon soms onfeilbaar tot rachitis
leiden, nl. bij laag phosphorgehalte, ofschoon het b.v. 2 maal
zooveel kalk bevat als bij normale dieren noodig zou zijn om het
kalkevenwicht in stand te houden, resp. als gewoonlijk in natuur-
lijk voedsel voorkomt ("low phosphor high calcium rachitis").

Ook is het voedsel dat rachitische dieren (en kinderen) werd
verstrekt lang niet altijd kalkarm (koemelk b.v.) en kan omge-
keerd een hoog Ca-gehalte van het voedsel lang niet altijd rachitis
voorkomen.

De oorzaak van het kalkarm zijn der beenderen bij de echte
rachitis is volgens de nieuwere onderzoekingen deze, dat het
organisme bij rachitis het vermogen mist kalk in voldoende mate
af te zetten in het nieuw gevormde osteide weefsel.

Daarbij kan natuurlijk kalkarm voedsel wel een rol spelen.

Bij de oudere experimenten, waarbij men bij honden inderdaad
rachitis, resp. „osteoporose" kreeg met kalkarm voedsel
(Roloff
1879, VoiT 1880, Götttng ; Miwa und Stoeltzner 1898), zal dit
resultaat wel voor een groot deel moeten worden toegeschreven
aan het feit, dat het dieet waarmee men experimenteerde (vleesch,
olie, vet (of spek), zetmeel of suiker en gedistilleerd water) tegelijk
vitaminearm was.

De beteekenis van het calcium moet men in verband met deze.
nieuwere gegevens echter toch niet gaan onderschatten.

Kalk is tenslotte absoluut noodig, en een dieet zonder kalk
leidt ook bij aanwezigheid van veel phosphor bij het groeiende
organisme toch tot rachitis., De voor het organisme noodige
hoeveelheid kalk hangt echter af van het vermogen Ca vast te
houden en dit is, behalve van constitutioneele vermogens, weer
afhankelijk, voor zoover het de voeding betreft, van de hoeveel-
heid phosphor en de hoeveelheid Vitamine D die ter beschik-
king zijn. Er moet blijkbaar een soort evenwicht bestaan tusschen
het kalk-, phosphor en vitaminegehalte van het voedsel.
(Mac
Collum, Simmonds, Schipley
and Park) ; zelfs kan een teveel
aan kalk tot een abnormale beenvorming leiden door een versterkte
uitscheiding van phosphor met de faeces.
(Goldblatt)

 Volgens Mellanby is het onderzoek op kalkgehalte van versch en gedroogd
been nog altijd een der beste methoden om bij experimenten het al of niet bestaan
der rachitis te constateeren en geeft dit eerder het bestaan der rachitis aan dan
het radiographisch onderzoek der epiphysen.

-ocr page 1240-

2. Zuren. De oudste theorie omtrent de aetiologie van rachitis
was de zuurtheorie, die zich opdrong vooral in verband met het
feit, dat bij rachitische kinderen dikwijls zure faeces werden gezien
en bij het rund rachitis en osteomalacie veel voorkomt op zgn.
,,zure gronden" terwijl rachitische dieren veel behoefte schijnen
te hebben aan alkalische stoffen.

Bij de humoraal-pathologische beschouwingen van de clinici
uit die dagen speelde een z.g.n. „zure kwaadsappigheid" van het
bloed een groote rol; ook
Boerhave was van die meening. Nu
eens werd azijnzuur, dan melkzuur en ook wel phosphorzuur als
„materia peccans" beschouwd.

Het zure bloed zou de kalk aan het reeds gevormd been onttrek-
ken. Krijt en kalk gaf men daarom reeds in de achttiende eeuw
(sedert
Glisson) als geneesmiddelen.

Naar sommige dierenartsen ook nu nog beweren, zoub.v. geënsil-
leerd plantaardig voedsel (melkzuur) en bietenbladeren (oxaal-
zuur) tot rachitis, resp. osteomalacie bij het rund doen praedispo-
neeren. Het schijnt wel dat bij ensillage van groenvoer vitaminen
kunnen worden vernietigd.

Caspari experimenteerde met oxaalzuur in het voedsel en met
bietenbladeren bij konijnen. De dieren kregen dikke gewrichten
en een rozenkrans.
Zuntz meende met bietenbladeren bij varkens
defecten van de verkalkingszone en vaatrijke metaphysen te hebben
opgewekt.

Deze proeven hebben echter geen groote waarde, zij zijn te
slordig uitgevoerd, meest zonder contröledieren.

Door Hofmeister en Siedamgrotzky werd geëxperimenteerd
met melkzuur bij geiten, waarbij wel eenige vermindering van
phosphorzure kalk in het been was te constateeren, zonder dat
echter rachitis (of osteomalacie) optrad.

Heitzmann gaf aan honden melkzuur en wekte naar hij be-
weerde rachitis op. Het dieet was echter tegelijk kalkarm. Con-
troleproeven heeft hij niet verricht. Zijn conclusie dat melkzuur
rachitis opwekt was niet goed gefundeerd.

Hess gaf in 308 dagen 2286 gram melkzuur aan een hond van
jaar en kon daarmee geen beenziekte opwekken.

Injectie van acidum lacticum in de bloedbaan geeft geen rachitis.

Er is beweerd dat zure reactie van den darm rachitis bevordert
en dat melkdieet, hetwelk tot het ontstaan van rachitis bij honden
praedisponeert, de faeces zuur doet worden
(Mellanby).

Nieuwere experimenten hieromtrent spreken elkaar tegen.

Men is het nog niet eens geworden over de vraag of een zure
reactie van het voedsel praedispositie geeft voor rachitis of niet.
De eene groep beweert, dat de reactie van geen invloed is (Mc.
Collum, Simmonds, Schipley, Park), een andere groep (Zucker.
Johnson, Barnet, Jones)
zelfs dat zure reactie het ontstaan

-ocr page 1241-

van rachitis tegenhoudt, doordat het de resorptie van Ca en Ph
zou bevorderen, terwijl een alkalische reactie tot de vorming van
onoplosbaar calcium-phosphaat zou leiden. Calcium-chloride zou
daarom als voorbehoedmiddel, resp. als geneesmiddel beter zijn
dan calcium-carbonaat of calcium-lactaat, terwijl volgens
Jones
zelfs zoutzuur een goed geneesmiddel zou zijn bij rachitis van
kinderen en het vast staat dat karnemelkvoeding kinderen niet
tot rachitis doet voorbeschikt zijn. De een beweert dat bij experi-
menteele rachitis de faeces zuur worden, de ander dat ze alkalisch
worden en bij herstel weer meer zuur.

Uit deze contraversen kan men naar ik meen practisch slechts
dit concludeeren, dat de reactie van het voedsel op zichzelf geen
beteekenis heeft. De oude zuurtheorie is echter daarmee niet
volkomen van de baan.

Een vermindering van alkalescentie van het bloed (acidose) is
ook in den nieuweren tijd toch wel weer als oorzaak van rachitis en
osteomalacie gehouden. Zoo zouden infectieziekten, die dikwijls
met een vermindering van alkalescentie van het bloed gepaard
gaan, mede hierdoor praedispositie scheppen voor rachitis. Echter
is het bekend, dat sommige ziekten (diabetes mellitus) met een
sterke verzuring van het bloed gepaard gaan, zonder dat zij prae-
dispositie scheppen voor beenziekten.

Toch komen verschillende nieuwere onderzoekers op deze oude
theorie terug.
Freudenberg en Georgy zagen bij rachitis bij
kinderen een sterke zuuruitscheiding met de urine.

Zij concludeerden dat er bij rachitis een „acidotische Stoff-
wechselrichtung" bestaat, waarbij echter de vraag is te stellen of
de bestaande acidose de oorzaak is van de rachitische veranderin-
gen dan wel het gevolg.

Ook bij dieren is wel vermindering van alkaliereserve bij been-
ziekten aangetoond, nl. door
Scheunert bij osteofibrose van
paarden en door
Heles bij lekzucht (een voorstadium van osteo-
malacie van koeien). Het laatste kon echter door
Scheunert en
Krzywanek weer niet worden bevestigd. Hierover is dus het
laatste woord nog niet gesproken.

3. Phosphor. Bij de oudere experimenteele onderzoekingen is
niet genoeg aandacht gewijd aan het phosphorgehalte van het
verstrekte voedsel, hoewel men reeds lang wist, dat phosphor een
groote rol moest spelen in de aetiologie van osteomalatische
ziekten
(Roloff). Door de nieuwere — vooral de Amerikaansche —
experimenten is het groote belang van de phosphor in de voeding
in het volle licht gekomen.

Bcenkalk is phosphorzure kalk. De sterkste deficientie ligt bij
rachitis bij de phosphorus. De phosphorusbalans is veel vaker
negatief dan de kalkbalans. Het phosphorgehalte van het bloed

-ocr page 1242-

is steeds verlaagd, soms tot 1/6 van liet normale. (Hypophospha-
taemie,
Hoyvland en Kramer) x).

Het retentievermogen voor phosphor is sterker gedaald dan dat
voor calcium, ook al bevat het voedsel betrekkelijk meer Ph dan
Ca
(Strohl en Bennett).

Bij elk rachitis-dieet daalt dadelijk sterk het anorganisch phos-
phorgehalte van het bloedserum. Een normaal dieet wordt defi-
cient door phosphorgemis, een kleine hoeveelheid phosphor kan
een rachitis-dieet veranderen in een anti-rachitisch.

Lipschütz wekte met een phosphorarm dieet bij jonge honden
een rachitisachtige ziekte op, die volgens
Schmorl gelijkenis ver-
toonde met de Barlow\'sche ziekte der kinderen. (Afb. 4).

Bij zeer kalkarm voedsel kan phosphor het ontstaan van rachitis
tegenhouden. Overvloed van phosphor geeft bij zeer kalkarm,
resp. kalkloos voedsel aanleiding tot vermeerdering van osteid,
hetwelk echter niet verkalkt. Phosphor oefent een specifieke for-
matieve prikkel uit op het osteogenene weefsel.

Bij kalkrijk voedsel geeft een overmaat van phosphor aanleiding
tot beensclerose, doordat osteid in groote hoeveelheid wordt ge-
vormd en snel verkalkt. In plaats van spongiosabalkjes ontstaat
dan gescleroseerd been.

Aan phosphorzure kalk en aan phosphorolie vooral werd reeds
langen tijd genezende, resp. voorbehoedende kracht toegeschreven
bij de beide vormen van rachitis. Echter eerst in de laatste jaren
is bekend geworden, dat bij rachitis van jonge dieren, vooral bij
floride rachitis, steeds het phosphorgehalte (anorganische phos-
phor ; de hoeveelheid organisch gebonden phosphor zou normaal
zijn) van het bloed veel te laag is
(Howland <S: Kramer), en dat
een voldoende hoeveelheid phosphor in het bloed aanwezig moet
zijn om rachitis te voorkomen, zoodat men bij ratten en honden
met zekerheid rachitis kan opwekken door te weinig phosphor
te verstrekken, terwijl de graad afhankelijk is van de hoeveelheid
phosphor in het bloed.

Hierdoor verkreeg het ervaringsfeit dat rachitis (en osteomala-
cie) bij planteneters voorkomt nadat zij gedurende den winter zijn
gevoed met phosphorarm hooi (droge jaren, moerassige gronden)
zijn wetenschappelijken grondslag," evenals het feit, dat tegen-
woordig op de beter bemeste gronden de rachitis en osteomalacie
bij het rund in veel minder mate voorkomen.

4. Ervaringen en experimenten met leeuwen, apen en
beren in de diergaarde van Londen gaven
Bland Sutton (1893)

Dit geldt voor experimenteel opgewekte rachitis; of het steeds opgaat ook
voor spontaan optredende rachitis is niet zoo zeker, in ieder geval is het voor-
zoover het dieren betreft niet bekend.

Vertrouwbare analyses bij zeer vele gezonde en zieke dieren ontbreken tot nu
toe helaas.

-ocr page 1243-

aanleiding tot het uitspreken van de stelling, dat vetgebrek in
de voeding tot rachitis (en osteomalacie) leidt.

Dit standpunt heeft men in de Engelsch sprekende landen alge-
meen aangenomen als juist.

Men vergat daarbij echter, dat bij andere proeven (Roloff,
Voit, Stoeltzer)
rachitis was opgewekt met een dieet waarbij
dierlijk of plantaardig vet in overvloed werd verstrekt en dat ook
plantenetende dieren, waarbij in de natuurlijke voeding vet een
zeer ondergeschikte rol speelt, rachitis kunnen krijgen.

Deze hypothese heeft indirect toch een grooten invloed gehad op
de ontwikkeling van onze kennis omtrent de aetiologie van rachtis.

5. Vitaminen. Funk (1914) sprak als eerste de meening uit,
dat ook rachitis een deficientie-ziekte zou zijn berustend op
gebrek aan vitaminen. Het bleef echter voorloopig een hypothese
zonder meer.

Mellanby (1919) combineerde de stellingen van Bland Sutton
en Funk en dacht aan de mogelijkheid, dat in vetten een anti-
rachtisch vitamine aanwezig zou kunnen zijn.

Uitgaande van het standpunt, dat slechts dierproeven in dezen
het noodige licht zouden kunnen brengen, stelde hij een dieet
samen, dat bij jonge honden tot rachitis leidt1). (Afb. 6).

Hij stelde experimenteel vast, dat sommige dierlijke vetten
(vooral levertraan) een stof bevatten, die sterk anti-rachitisch
werkt en uitte de stelling dat deze stof of het sedert 1913 bekende
,,fat soluble" Vitamine A (hetwelk de groei sterk beïnvloedt en
voor xerophtalmie beschut) moest zijn of iets wat daarnaast in
vetten aanwezig is. Verder kwam
Mellanby toen niet.

Even later (vanaf 1920) begonnen Amerikaansche onderzoekers
op massale wijze proeven te doen met rachitische dieeten
bij jonge ratten (3—
4 weken oud), die beter geschikt zijn voor deze
proeven dan honden, omdat ze gemakkelijker in voldoende hoe-
veelheid zijn te fokken en ook omdat het resultaat meer constant
is (
Mac Collum, Pappenheim en. a.)2).

Deze onderzoekingen munten uit doordat men zich nauwkeurig
rekenschap gaf van de samenstelling van het voedsel en andere
omstandigheden (licht) en ook door hun uitgebreidheid. 3)

 Racliitis-dieet Mellanby : afgeroomde melk ; wittebrood ; citroensap of
gist, lijnzaadolie.

 Mac COLLUM-dieet; (3142) bevat geen vet, geen vitamine A, geen phosphor :
(Tarwe
33%, maïs 33%, gluten 15%, CaC°3 3%, NaCl 1% Gelutine 15%.

pappenheim-dieet : Patentmeel 95%, Calciumlactaat 3%, Keukenzout 2%,
IJzercitr. 0,1%, met water tot cake gebakken.

steenbock-dieet : (m 2965) : Maïskorrels (76), Tarwekleber (20), CaC°3 (20),
NAC1. i.

 De kunst was bij het dier alleen rachitis op te wekken en het overigens ge-
zond te houden en te doen groeien : bij slecht groeiende dieren is rachitis moeilijker
op te wekken, terwijl in de snelst groeiende beenderen het eerst de rachitische ver-
schijnselen optreden.

-ocr page 1244-

Bij deze experimenten werd behalve aan kalk en phosphor ook
aan vitaminen de noodige aandacht geschonken.

Als algemeen resumé wat betreft de invloed van Phosphor, Ca
en vitaminen op het ontstaan van rachitis, kan volgens den tegen-
woordigen stand van onze kennis gelden :

1. Rachitis gaat gepaard met vermindering van anorganische
phosphor in het bloed
(Howland & Kramer).

2. Ca-rijk voedsel kan rachitis niet steeds voorkomen en rachitis
gaat niet steeds gepaard met Ca-arm bloed.

3. Met een phosphorarm dieet is rachitis op te wekken. (Afb. 4).

4. Het (fat soluble) Vitamine A kan rachitis niet voorkomen.
(Mac Caun, Hess, Pappenheim).

Gebrek aan Vitamine A veroorzaakt geen rachitis wanneer
een voldoende hoeveelheid phosphor aanwezig is.

5. Chemisch onzuivere cholesterine werkt sterk anti-rachitisch.

6. Rachitis bij kinderen geneest na bestraling met ultra-violet
licht (kunstmatige hoogtezon)
2) (Huldschinsky).

7. Met ultraviolet licht bestraalde voedingsmiddelen werken
anti-rachitisch
(Hess ; Steenbock).

8. Bestraalde cholesterine werkt anti-rachtisch (Rosenheim—
Webster
1925 ; Weinstock en Helman (1925).

9. Chemisch reine cholesterine heeft geen anti-rachitische werking.

10. Ergosterine is de anti-rachitische onzuiverheid, welke kleeft
aan cholesterine
(Windaus).

11. Door bestraling met ultraviolet licht wordt een rachitisdieet
veelal anti-rachitisch.

12. Ergosterine, geactiveerd door ultraviolet licht kan in uiterst
geringe kwantiteiten rachitis voorkomen en genezen
(Windaus-
Pohl
). De stralen van 300—250 zijn het meest werkzaam.

Zoo is tenslotte dus het bestraald ergosterine gebleken een
anti-rachitisch vitamine te zijn (Vitamine D). 3)4)

r) Oxydatie gedurende 12—20 uur destrueert.Vitamine A, maar maakt een
antirachitisch dieet (levertraan) niet onwerkzaam. Het feit, dat toch zeer ger nge
hoeveelheden levertraan antirachitisch werken gaf aanleiding tot het doelbewust
zoeken naar een 4e antirachitisch vitamine.

2) Huldschinsky was met deze ontdekking klinisch reeds bij kinderen voor-
gegaan (1918). Eerst later bleek het ook voor experimenteele rachitis op te gaan.

3) Indeeling volgens Mac. Collum :

Vitamine a. (fat sol. a) bevordert den groei en beschermt tegen xerophtalmie.
Vitamine B. (water sol.
a) beschut voor Beri-Beri en polyneuritis.
Vitamine
c. beschut tegen scorbuut.
Vitamine D. beschut tegen rachitis.
Vitamine
e. beschut tegen onvruchtbaarheid.

4) Het doelbewust zoeken en vinden van een vierde vitamine, Vitamine D is
een schitterend bewijs voor hetgeen het systematisch experimenteel biologisch
onderzoek vermag; het is het meest tastbare resultaat van het exeprimenteel
rachitis-onderzoek tot nu toe.

-ocr page 1245-

Hiermee is echter niet bewezen, dat spontaan opgetreden rachitis
in alle gevallen door gebrek aan dit vitamine in het voedsel wordt
veroorzaakt. Dit is zeker geenszins het geval.

b. Licht.

Men veronderstelde reeds lang, dat hygiënische verhoudingen
(opsluiten in kooien, te weinig beweging, donkere verblijven) een
rol, of zelfs de hoofdrol moesten spelen bij het ontstaan van rachitis
zonder dat men echter veel verder kwam dan tot beschouwingen.
Ook hier heeft het dierexperiment licht gebracht.

Het bleek bij nader onderzoek, dat de invloed der hygiënische
verhoudingen mede afhankelijk is van de hoeveelheid licht welke
in de omgeving aanwezig is.

Het was reeds bekend, dat in tropische landen bij den mensch
geen rachitis voorkomt en dat in den winter resp. na den winter
meer gevallen voorkomen dan in den zomer.

Het dierexperiment en klinisch-therapeutische ervaringen bij
kinderen en proefdieren leerden ons in de laatste jaren :

3. Gebrek aan licht bevordert het optreden van rachitis.

2. Direct zonlicht kan het ontstaan van rachitis voorkomen
(Powers, Park, Schipley).

3. Direct zonlicht heeft genezende kracht bij rachitis (Hess).
De meest werkzame stralen (van 300—250 M. golflengte) zijn
het meest van Juni tot Augustus in het licht aanwezig.

4. Ook het kwik-kwartslamplicht (Hoogtezonx)) doet rachitis
genezen (
Huldschinsky). Met ultraviolet licht bestraalde
voedingsmiddelen werken anti-rachitisch.

5. Het directe zonlicht zoowel als het ultraviolette licht werken
anti-rachitisch op een rachitisdieet door activeering van er-
gosterine *).

6. Het ergosterine is een ,,pro-vitamine" ; het wordt door be-
straling met ultraviolet licht tot het anti-rachitisch Vitamine
D.
(WlNDAUS).

Al is ons nu nog lang niet alles daaromtrent bekend en kan men
de experimenteel bij laboratoriumdieren verkregen gegevens niet
zonder meer toepasselijk achten op de spontaan optredende ziekte
bij kinderen en jonge dieren, toch bleek wel, dat voeding en licht
als anti-rachitische factoren een onverbrekelijk geheel vormen en
samen een zeer grooten invloed kunnen uitoefenen op het al of
niet ontstaan van rachitis. 2)

Klinische ervaringen en dierproeven hebben echter bewezen,

1) Hoe deze genezende kracht tot stand komt is overigens nog steeds een
raadsel. Wordt het huidsecretum hierdoor geactiveerd?
(Reckling).

2) Een Amerikaansche definitie (1926) luidt : Rachitis is een ziekte van het
groeiende organisme, gekarakteriseerd door een foutief metabolisme van Ca en
phosphor, veroorzaakt door gebrek aan Vitamine D of ultraviolet licht.

-ocr page 1246-

dat ze zeker niet de eenige factoren zijn die invloed uitoefenen in
dezen zin. Er komen gevallen van rachitis voor, waarbij het niet
ontbroken heeft aan kalk, phosphor, vitaminen en licht.

c. Vergiftigingen.

Experimenteele rachitis is niet altijd een deficientie-ziekte alleen.
Het voedsel kan ook giftig werken en het ontstaan van rachitis
bevorderen. Uit de onderzoekingen van
Mellanby is gebleken
dat overmaat van bepaalde meelsoorten bij honden het optreden
van rachitis kan bevorderen.

Voor honden zou het meest schadelijk zijn havermeel, hetwelk
juist de meeste Ca en phosphor bevat. Meel werd reeds tientallen
jaren geleden beschouwd als een schadelijk voedingsmiddel bij
kinderen met rachitis. Er zijn meststallen waar de koeien vetge-
mest worden met veel meel ; daar heerscht soms de osteomalacie,
echter steeds slechts bij overmaat van meel. Iets dergelijks ziet
men bij molenaarspaarden die gepraedisponeerd zijn voor het
krijgen van osteofibrose.

In het algemeen kan als regel gelden, clat „natuurlijke" voeding,
die in „evenwicht" is, rachitis niet doet optreden.

Om dat evenwicht te bereiken moet men niet te ver van natuur-
lijke verhoudingen zijn verwijderd. Overigens zal naast de weten-
schap voorloopig de empirie hier wel een groote rol blijven spelen.

Ook anorganische giften spelen zeker een rol soms. Na zware
bemesting met kalium-zouten is wel rachitis opgetreden bij veulens.

Auto-intoxicaties in verband met schadelijke stofwisselingspro-
ducten uit den darm, bij digestiestoornissen resp. darminfecties-
— klinische waarnemingen wijzen in die richting — spelen waar-
schijnlijk nu en dan een groote rol. Nadere gegevens hieromtrent
ontbreken echter nog.

d. Beweging.

Opsluiting in kooien en gebrek aan beweging in het algemeen
praedisponeert voor rachitis. Toch is de invloed van beweging
te dezen opzichte niet zoo groot als men vroeger wel meende,
toen de oorzaken van rachitis nog niet zoo goed waren geanaly-
seerd.

Beweging in de buitenlucht vooral is voor jonge dieren nuttig,
echter speelt het zonlicht hierbij ook een groote rol.

e. Erfelijke aanleg.

Bij het dierexperiment bleek, dat niet bij alle dieren even ge-
makkelijk rachitis is\' op te wekken ; b.v. dat jonge ratten van be-
paalde moeders zeer gevoelig of zeer ongevoelig konden zijn ;
ook bleek, dat met levertraan te geven aan de ouders de jongen
enkele generaties onvatbaar konden worden gemaakt voor rachi-
tis (
van Leersum).

Ook klinisch blijkt, dat sommige merries steeds veulens brengen
met neiging tot rachitisme en sommige stieren een erfelijke aanleg

-ocr page 1247-

voor rachitis kunnen overbrengen, die dan veelal niet is te stuiten,
noch door verzorging noch door medicamenten.

Sommige snel groeiende vroegrijpe Engelsche varkens zijn erfe-
lijk gepraedisponeerd tot rachitische stijfheid.

Ook in de hondenfokkerij speelt de erfelijke aanleg voor
rachitis een groote rol. Ook met de beste hygiënische verzorging
en voeding is soms hierdoor rachitis niet te voorkomen in de ken-
nels, vooral bij sommige rassen
(Spaniels). Blijkbaar is een niet
nader gedefinieerde, overerfelijke constitutie-eigenschap mede aan-
leiding, dat de calcificatie van het nieuw gevormde been bij het
groeiende dier meer of minder goed en snel verloopt.

De huidkleur d.w.z. meer of minder huidpigment kan wellicht
hierbij ook van eenige beteekenis zijn.

ƒ. Endocrine klieren.

Successievelijk zijn alle endocrine klieren aangezien als van be-
teekenis voor het optreden van rachitis.

Afdoende argumenten heeft men echter nooit kunnen aanvoeren.

1. Thymus. Sommige onderzoekers (Friedleben, Sommer,
Ki.ose, Vogt, Matti)
zagen na thymus-extirpatie door overvloe-
dige kalkuitscheiding een week, licht breekbaar beenderstelsel
ontstaan met verbreeding van de groeilijn in de epiphysen ; anderen
(Benton, Robertson, Park, Mc. Clure, Normann, Pappenheim)
spreken dit tegen.

Nog anderen toonden aan, dat thymus-involutie het ossificatie-
proces vertraagt en thymusgroei de ossificatie bevordert.
(Fiose,
Franchetti).

Persoonlijk heb ik wel waargenomen, dat de thymusklier soms
atrophischis bij rachitische jonge dieren (hypothymismus) (Afb. 21)
en dat thymusweefsel per os gegeven bij rachitis geneeskrachtige
werking kan hebben. Of dit komt door het vetgehalte dan wel
door de andere bestanddeelen van de thymusklier is niet
uitgemaakt.

Of echter de thymusfunctie in direct verband kan staan met het
al of niet optreden van rachitis schijnt nog steeds twijfelachtig.

2. Uitschakeling van de gsslachtsklierfunctie (bij castraten)
geeft aanleiding tot een excessieven groei van de lange beenderen
(eunuchen, ossen) : invloed op den groei der beenderen hebben de
geslachtsklieren zeker.

Bij vroeg gecastreerde dieren treedt echter niet vaker of ernsti-
ger rachitis op dan bij niet gecastreerde. Het is dus wel zeer on-
waarschijnlijk, dat gewone rachitis met de functie der geslachts-
klieren in verband zou staan.

Osteomalacie treedt wel bij voorkeur op bij drachtige en bij
melkgevende dieren, evenals bij zwangere of zoogende vrouwen.
Echter is veel meer waarschijnlijk, dat hierbij Ca-onttrekking door

-ocr page 1248-

- I2ig —

het foetus en de melk aan het organisme de oorzaak is, dan wel
de functie der geslachtsklieren.

Bij osteomalacie van dieren is de geslachtsfunctie in den regel
normaal.

3. Ook dysfunctie van de bijnier wordt wel aangegeven als
oorzaak van rachitis, mede op grond van de door Bossi empirisch
gevonden genezende kracht van adrenaline bij osteomalacie van
den mensch.

Hiermee is ook wel geëxperimenteerd bij geiten met osteomala-
cie, volgens sommigen nu en dan met succes.

Da.t rachitis, resp. osteomalacie het directe gevolg zoude zijn
van een afwijkende functie der bijnieren is echter nooit aange-
toond.

4. Ook bij schildklier functie is wel in verband gebracht met
de aetiologie van rachitis. Deze kliertjes zouden dan vergroot zijn
en histologisch veranderd
(pappenheimer—Minor).

Hoewel zonder twijfel de gl. parathyroidea invloed hebben op de
kalkstofwisseling, is verband met rachitis niet aangetoond.

5. Extract van de hypophyse (pituitrine) is door sommigen
aanbevolen bij rachitis. Bij extirpatie van de hypophyse zou de
beengroei achterlijk zijn
(Ascher).

Direkt verband tusschen de functie van de hypophyse en rachitis
(resp. osteomalacie) is echter niet bewezen.

Hoewel de mogelijkheid van een polyglandulairen invloed van
de hormonen der endocrine klieren op het ontstaan van rachitis
zeker niet is weg te cijferen, is tot nu toe niet gebleken, dat deze
invloed beslissend kan zijn op het ontstaan van het proces.

g. Infecties. Sedert het opkomen der bacteriologie is ook aetio-
logisch verband gebracht tusschen rachitis (resp. osteomalacie en
osteofibrose) en bepaalde infecties
(Koch ; Mopurgo).

Een feit is, dat circuleerende bacteriën zich graag verbergen
in het beenmerg en vooral ook in de epiphyse.

Jos. Koch spoot bij jonge honden streptococcen in de bloedbaan
en zag gewrichts- en beenveranderingen, die veel overeenkomst
vertoonden met die welke bij rachitis optreden en klinisch daar-
van niet zijn te onderscheiden. (Afb. 7).

Mopurgo zag spontaan bij ratten een beenziekte ontstaan,
overeenkomende met rachitis (resp. osteomalacie) door de invasie
van diplococcen.

Door enting van deze diplococcen kon hij bij gezonde ratten
rachitis, resp. osteomalacie opwekken.

Door de experimenten van deze ervaren onderzoekers is wel
gebleken, dat ook de invloed van infectie als mogelijke oorzaak
van rachitis of daarop gelijkende processen bij dieren niet is weg
te cijferen.

-ocr page 1249-

Klinisch blijkt dan ook wel, dat jonge dieren na infectieziekten
neiging vertoonen tot rachitische afwijkingen.

Mijn persoonlijke meening is, dat bij dieren infecties in de aetio-
logie van rachitis en de aanverwante osteomalatische ziekten een
groot ere rol spelen dan men, vooral in den laatsten tijd, geneigd
is aan te nemen, terwijl deficientie van de voeding in de aetio-
logie bij de spontaan optredende rachitis een minder groote rol
speelt dan de Amerikaansche onderzoekingen zouden doen ver-
moeden.

Er komen gevallen van rachitis voor, waar deficientie van kalk,
phosphor of vitaminen in het voedsel geen rol kan spelen. (Afb. 22).

De sluier die over de aetiologie en de pathogenese van de spon-
tane rachitis ligt is nog volstrekt niet geheel opgelicht.

Pathogenese ; Pathologische anatomie.

Omtrent de pathogenese der spontaan optredende rachitis is
feitelijk nog weinig bekend. Van de experimenteele rachitis is wel
iets meer bekend, echter het wezen van de ziekte is nog zeer onvol-
doende verklaard.

Rachitis berust op een ziekelijk veranderd metabolisme van
calcium en phosphor waarbij een verminderd constitutioneel ver-
mogen om kalk te assimileeren en in het been te fixeeren bestaat.
Het bloed bevat daarbij minder anorganische phosphor dan
normaal.

Niet alleen verkalkt nieuw gevormd been niet of onvolkomen,
ook het vermogen om kalk in reeds gevormd been vast te houden
is verminderd. Het kalkarme osteide weefsel kan ontstaan door
versterkte nieuwbouw van been, wat begint met osteidvorming
en ook door resorptie van kalk uit reeds gevormd beenweefsel.

Reeds gevormd been ondergaat haardsgewijze lacunaire re-
sorptie in Howschipsche lacunen en langs perforeerende kanalen,
(Ab. ib) die bij rachitis in grooten getale ontstaan en waarlangs
het beenmerg kalkloos wordt, maar ook diffuse resorptie heeft,
plaats
(von Recklinghausen, M. B. Schmidt).

Of kalkresorptie zonder meer (Halisteresis) hierbij een, even-
tueel voorbereidende, rol speelt is nog niet uitgemaakt. Zeker is
echter dat een osteoporotisch proces niet steeds gepaard gaat met
vermeerdering van osteoklasten en verbrokkeling en oplossing
van been zonder lacunaire resorptie kunnen voorkomen.
Von
Recklinghausen
noemt dit „Thrypsis" (Afb. ia, 1 b). Dat dit
met ontkalking gepaard gaat is zeker ; of deze ontkalking
primair is durft ook
von Recklinghausen niet te beweren.

De ,,Abbau" is waarschijnlijk primair (v. R.) waarbij secundair
een versterkte prikkel tot „Anbau" optreedt.

De versterkte nieuwbouw treedt bij het vorderen van den leef-
tijd meer en meer op den achtergrond.

-ocr page 1250-

De beenderen zijn lichter dan normaal, zij bevatten minder
asch, minder kalk, minder phosphor en meer water. Zij laten
Röntgenstralen gemakkelijker door, geven minder schaduw.

Zij zijn week, soms zelfs snijdbaar en buigen en breken gemak-
kelijk. Het been is poreus door rareficatie en decalcificatie, wat
vooral blijkt op de doorsnede bij drogen na uitspoelen van de
doorsnede met heet water. Het periost is verdikt en rood, de sub-
periostale laag is bloedrijk, de scheiding tusschen periost en been
is niet scherp en bevat vele en groote Howschipsche lacunen.

Bij rachitis is het been weefsel meer bloedrijk en daar waar de
bloedvaten zijn is het kalklooze been aanwezig (epiphysen, spongi-
osa, endost, periost, Haversche kanalen, perforeerende kanalen).
Het schijnt, dat het been vanuit het bloed met een toxische stof
wordt doortrokken, waardoor de kalk verdwijnt, terwijl als re-
actie daarop de vorming van nieuw been ontstaat.

De epiphysen zijn bloedrijk en verdikt, vooral de osteide laag
onder het periost der epiphysen is bloedrijk. Het kraakbeen is
gewoekerd ; de metaphysaire groeilijn vormt geen smalle, scherp
getrokken, rechte, witte lijn, zooals normaliter, maar is verbreed
en verloopt onregelmatig (Afb. 4). De samenhang van epiphvse en
diaphyse is losser dan normaal. Het beenmerg is rood en vochtig
met haemorrhagiën doorspekt.

De mergholte is door versterkte resorptie vergroot, de spongi-
osabalkjes zijn dunner dan normaal en verschillend in dikte.

De spieren zijn slap en bevatten te weinig phosphor.

Microscopisch blijkt de Verbeeningslijn slechts hier en daar
verkalkt en door vaatlussen en osteid weefsel onderbroken. Het
merg en de epiphyse vertoonen ontstekingachtige verschijnselen
zooals hyperaemie, cel vermeerdering, eosonophile cellen, reuzen-
cellen (Afb. 3)
(Makfan). In een later stadium hier en daar fibreuze
veranderingen van het mergweefsel („chondromyelitis fibrosa"
Marfan *)). Onverkalkt osteid weefsel vindt men onder het
periost en het endost en rondom de Haversche en de perforeerende
kanalen. De spongiosabalkjes zijn met een laagje onverkalkt
osteid weefsel bedekt : het osteide weefsel van de metaphyse is
vermeerderd. De beencellen zijn in den aanvang gezwollen (,,On-
kose"
v. Recklinghausen (Afb. ra, 1 b) ; de interlamellair
gelegen kitsubstantie geraakt verweekt en verbrokkeld en
vertoont kleine holtes (veervormige „Gitterfiguren" — ,,Trep-
penfiguren"
— v. R.). Het been vertoont verschijnselen van
afbraak en resorptie (,,trvpsis" v.
R.).

De intensiteit van de pathologische veranderingen kan op
verschillende plaatsen van het skelet van een en hetzelfde dier
verschillend zijn.

-ocr page 1251-

Symptomatologie.

De symptomen kunnen zeer sterk varieeren naar de intensi
teit van de pathologische afwijkingen.

Het komt voor, dat slechts zorgvuldig onderzoek rachitis kan
doen ontdekken, maar eveneens komt het voor, dat de sterkste
afwijkingen van het skelet zich hebben ontwikkeld.

Hond. Bij jonge honden treedt, van de huisdieren, de rachitis
het heftigst en het meest op, vooral bij de nieuwe cultuurrassen.
Als prodromes ziet men gastro-intestinale verschijnselen, lekzucht,
krampen, matheid, veel liggen.

Echter ook zonder deze inleidende symptomen kan snel rachitis
zich ontwikkelen. De infectieuse hondenziekten en darmcatarrhen
(eventueel door wormen) praedisponeeren de jonge dieren voor
rachitis.

De dieren zijn pijnlijk bij gaan en staan en liggen veel, de been-
deren zijn pijnlijk bij druk. De epiphysen zijn meer of minder ver-
dikt, soms zeer sterk, vooral bij zeer jonge honden; de kraakbeen-
uiteinden der ribben eveneens („Rozenkrans"). Door tractie aan
de zeer pijnlijke bloedrijke osteide laag onder het periost zijn deze
•dieren bij het loopen soms zeer pijnlijk.

Bij oudere honden kunnen de gewrichtsverdikkingen meer of
minder achterwege blijven. De lange beenderen der extremiteiten zijn
in de ernstige vormen kort en krom (O-en X-beenen). (Afb. 5, 6 en 7).

De schedelbeenderen zijn soms zeer dun en gemakkelijk indruk-
baar (Craniotabes).

Bij doorlichten met Röntgenstralen geven de gewrichtsuiteinden
weinig schaduw en ziet men reeds vroeg een duidelijk napvormige
excavatie tusschen de gewrichtsuiteinden, zelfs reeds in het sta-
dium waarin de overige symptomen nog niet. klinisch waarneem-
baar zijn (Afb. 2). De uiteinden der epiphysen van de lange
beenderen schijnen bekervormig. Daarnevens zijn röntgenologisch
een onduidelijke en onregelmatige endochondrale verkalkings-
zone, rareficatie der spongiosa, dun worden der corticalis en
onscherpe grenzen tusschen periost en been te zien. Het geheele
been geeft soms weinig schaduw, en de plaat schijnt dikwijls
gevlekt. Bij herstel wordt de schaduw meer homogeen en de
diaphyselijn weer meer recht.

De pezen en spieren zijn slap („myopathie rachitique"—Mar-
fan),
waardoor een beervoetige stand en gang.

De lengtegroei der beenderen is gestoord („Zwergwuchs").

De thorax is zijdelings ingedrukt, het borstbeen steekt sterk
vooruit (kippenborst). Er bestaat een rozenkrans. De buik is
uitgezet en slap („Froschbauch"). De wervelkolom vertoont
soms verbuigingen (scoliose, lordose, kyphose), waardoor druk-
paralyse kan optreden. Soms ziet men lekzuchtachtige verschijn-
selen. De dieren zijn nerveus, dikwijls bijtzuchtig en hebben soms

-ocr page 1252-

krampen. De tandwisseling is verlaat, de tanden vertoonen email-
stoornissen.

Wanneer de dieren slechts in lichten graad zijn aangetast ver-
raadt zich de ziekte soms slechts door een pijnlijken gang, met
meer of minder sterke verdikking der kogelgewrichten, eventueel
g.ringe verkromming der voorbeenen.

Varken. Bij varkens ziet men tegenwoordig veel meer rachitis
dan vroeger, waarschijnlijk door het fokken van snelgroeiende,
vroegrijpe rassen, die vroeg worden opgelegd voor de mesting.
Snelgroeiende dieren in het algemeen krijgen gemakkelijk rachitis.
Gebrek aan beweging speelt daarbij ook een rol, terwijl de voeding
tegenwoordig wel meer gecompliceerd, maar niet beter is dan
vroeger.

Experimenteel hebben Zilva, Golding en Drummond bij
biggen rachitis opgewekt met gerstemeel, meelafval, afgeroomde
melk, Zweedsche rapen en kalk. (Afb. 23). Blijkbaar speelt de
deficientie van vitaminen in dit dieet een grooter rol dan de
deficientie van minerale stoffen.

Rachitische jonge varkens loopen stijf, liggen veel en bewegen
zich veel op de knieën. Zij worden lordotisch. Verkrommingen of
verdikkingen van de beenderen komen niet zooveel voor als bij
honden. De tandwisseling is bij rachitische varkens veelal sterk
gestoord.

Krampen zijn dikwijls het gevolg van overgevoeligheid door
rachitis, ook bij andere dieren, echter toch vooral bij biggen en wel
hoofdzakelijk bij het eten. Wellicht ligt hieraan dan een zeer laag
Ca-gehalte van het bloed ten grondslag. Glottiskramp kan tot
stikking leiden.

De krampen kunnen ook optreden als prodromaalverschijnselen,
zonder dat klinisch duidelijk rachitis optreedt.

Geiten. Rachitische geitenlammeren zijn veelal mager en klein
en vertoonen vooral beenverkrommingen (O- of X-beenen).

Gewrichtsverdikkingen ziet men niet veel. De dieren zijn stijf
en loopen veel op de knieën. Het beeld is dikwijls ook bij jonge
geiten meer dat van osteomalacie.

Blijkbaar wordt in die gevallen de calciumbehoefte van het
groeiende been voldaan door Ca-resorptie van reeds gevormd been.

Het komt voor, dat het Ca-gehalte van het been verminderd is,
zelfs zonder dat radiographisch afwijkingen aan de epiphyse
worden gevonden. De geringe groei bij dergelijke armzalige dieren
doet op zichzelf ook de rachitische verschijnselen aan de groei-
iijnen der epiphyse minder groot zijn. Sterk groeiende dieren krijgen
het hevigst rachitis ; geringe groei houdt de rachitis tegen.

Veulens. De zware rassen vooral hebben aanleg voor rachitis
(Belgisch trekpaard). Zij hebben over het algemeen een voos been-
derstelsel. Veelal ontstaan bij rachitische veulens een steile stand

-ocr page 1253-

in de voorbeenen, exostosen, verdikkingen der gewrichten, over-
hocven (Afb.
ga) spatten en gallen ; zij zijn veelal recidiveerend
kreupel of voortdurend stijf („Rachitisme").

Bij ernstiger vormen komen ook beenverkrommingen voor (Afb.
9
b), zelden lordose of kyphose. Peesafscheuringen en loslaten der
epiphysen (caput femoris) komen bij rachitische veulens meer voor
dan bij andere huisdieren, ook de „mouw" is een rachitisch symp-
toom. Dit alles kan gepaard gaan met een goede, zelfs zeer goede
voedingstoestand.

Beenverdikkingen met of zonder recidiveerende kreupelheid
komen dikwijls ook voor bij iets oudere veulens (2 a 3 jaar) („Spiit-
rachitis") ; („Rachitisme"). Hierbij kan het phosphorzuurgehalte
van het bloedserum zeer laag zijn.

Kalveren. Rachitische kalveren en pinken zijn stijf en pijnlijk
bij het loopen en hebben een steile stand in de kogels en meer
of minder sterke gewrichtszwellingen, vooral van de kogelge-
wrichten en carpaalgewrichten (Afb. 21, 22). Tot zeer sterke
verkromming van de extremiteiten of de wervelkolom komt het
in den regel niet, omdat de dieren meestal eerder voor de slacht-
bank worden bestemd. Op den duur ontstaan ze wel (Afb. 20).

Bij oudere kalveren zijn de beenen dikwijls erg breekbaar,
vooral in het voorjaar na stalvoedering met hooi van slechte
gronden. Deze neiging tot fractureeren kan bestaan zonder dat de
dieren stijf zijn en zonder deformatie der extremiteiten. De dieren
hebben soms krampen. Ook wanneer zij geen krampen vertoonen
hebben de rachitische kalveren toch dikwijls een gestrekten stand
in de achterbeenen, en strekken ze de achterbeenen bij het opstaan
excessief. Wellicht is dit het gevolg van overprikkelingstoestand
van het zenuwstelsel, waarvan de strekkers steeds meer onder
den invloed geraken clan de buigers. Op den duur kan hierbij
beenverkorting ontstaan (Afb. 20).

Bij jonge apen in menagerieën en dierentuinen kwam vooral
vroeger, mede door de eenzijdige ondoelmatige voeding rachitis
zeer veel voor. Zij uit zich behalve in de gewone rachitische ver-
schijnselen vooral ook in paralyse van het achterstel („Cage-para-
lysis"), door druk op het ruggemerg tengevolge van verkrom-
mingen van den ruggegraat en wervelverdikkingen in het rugge-
mergskanaal. Wellicht ligt soms ook een zenuwstoornis door
autointoxicatie resp. deficientie hieraan ten grondslag.

Verweeking der schedelbeenderen („Craniotabes") komt ook
bij apen voor.

Bij andere menageriedieren (beren, tijgers, leeuwen) treedt de
rachitis veelal op iets lateren leeftijd op (Spatrachitis"). Hierbij
treden dikwijls osteofibrotische verdikkingen op den voorgrond.

Vogels. De ziekte komt vooral voor bij kippen en duiven, veel
minder bij eenden en ganzen. Vooral vroegrijpe dieren van zware

-ocr page 1254-

rassen zijn gepraedisponeerd. Met eenzijdig dieet bv. alleen graan,
zonder groen voedsel is bij kuikens gemakkelijk rachitis op te
wekken. Ook speelt licht een groote rol: in het donker worden de
kuikens rachitisch, zelfs met een dieet wat hen in het licht gezond
doet blijven (v.
d. Plank). Rachitische kuikens zijn anaemisch
en zitten slecht in de veeren, zij kunnen tenslotte niet meer opstaan,
verkrommingen der beenderen treden op.

Gewrichtsverdikkingen komen zelden voor.

Differentieel-diagnostisch is bij kippen van beteekenis een Beri-
Beri-achtige avitaminose (Vitamine B) welke met polyneuritis
gepaard gaat.

Verloop en prognose.

De ziekte verloopt chronisch. Spontaan herstel behoort niet
tot de zeldzaamheden, vooral bij honden, varkens en veulens
komt het voor dat lichte rachitis spontaan verdwijnt.

Merkwaardigerwijze komt dit ook voor bij gelijk blijvend dieet.
(Mellanby). De verminderde groei kan daartoe meehelpen, ook
de leeftijd. Volgens
Mellanby is bij honden die 3 a 4 maanden
oud zijn experimenteel geen rachitis meer op te wekken.

Verkrommingen van extremiteiten en ruggegraat genezen niet
meer, ook de gewrichtsverdikkingen verdwijnen meestal niet ge-
heel. Rachitische overhoeven bij paarden en steltvoeten blijven
in den regel het geheele leven door te zien.

Tijdige doeltreffende behandeling doet veel dieren herstellen,
hoewel absoluut volledig herstel betrekkelijk weinig voorkomt,
vooral bij die dieren die sterk erfelijk belast zijn met den aanleg
voor rachitis.

Er vormt zich bij de genezing een nieuwe verkalkingszone.
Calcium zet zich af, het eerst in de zone der preparatieve verkalking,
later ook in het osteid hetwelk het dichtst bij de kraakbeenlaag
ligt. Het overtollige osteide weefsel wordt geresorbeerd.

Sterk rachitische jonge honden worden dikwijls op den duur
cachectisch en sterven dan aan een intercurrente ziekte (darm-
ontsteking, pneumonie).

Diagnostiek. Differentieel diagnostiek.

Wanneer het proces zich behoorlijk heeft ontwikkeld is de
diagnose niet moeilijk te stellen. In den aanvang kunnen klauw-
aandoeningen bij varkens en geiten tot verwarring aanleiding
geven. Bij kippen kan polyneuritis tot vergissingen leiden. Wan-
neer, zooals bij oudere dieren, de epiphysaire verdikkingen niet
ontstaan, kunnen verwisselingen met rheumatische aandoeningen
voorkomen.

Bij de experimenteele rachitis van kleine dieren (ratten, honden)
blijkt wel, dat de daling van het phosphorgehalte van het bloed
en het röntgenologisch onderzoek der gewrichten en beenderen

-ocr page 1255-

reeds duidelijk aanwijzingen voor het bestaan van rachitis geven
als het klinisch beeld nog vaag is.

Dit laatste geldt echter slechts voor jonge dieren, bij oudere
dieren is een en ander wel eens niet sterk aanwezig.

Omgekeerd kan het blijken, dat klinisch de ziekte genezen is,
terwijl toch röntgenologisch de afwijkingen niet geheel blijken
verdwenen te zijn.

Prophylaxis.

Niet fokken met dieren die erfelijk belast zijn met rachitisprae-
dispositie. Veel licht, beweging in de buitenlucht vooral des
winters, vitaminerijk phosphorrijk kalkrijk voedsel, (beenderen-
meel). Bij planteneters en vogels groenvoer Bij jonge honden
rauw vleesch en zachte beentjes, weinig brood.

Experimenteel is gebleken, dat het dieet van de moeder bij
ratten (levertraan) voor een deel de gevoeligheid voor rachitis
bij het jong beheerscht : levertraan aan de moeders verstrekt doet
de rachitis bij de jongen niet zoo spoedig optreden (
van Leersum).
Calcium en phosphor (in groote hoeveelheid) aan de zeug gegeven
voor en na de baring, verhindert (tot zekere hoogte) het optreden
van rachitis bij de biggen.

Bestraling der kippen met ultraviolette stralen zou het Vita-
mine D in de eieren vermeerderen.

Therapie.

De therapie moet er op gericht zijn de Ca- en Phosphor-stof-
wisseling normaal te doen worden. Veel licht, matige beweging,
kalkrijk voedsel en vooral ook phosphorrijk voedsel 1), eventueel
medicamenteuse toevoeging van beendermeel, phosphorzure kalk,
calciumcarbonaat of calciumchloride liefst gecombineerd en in
grooter dosis dan men gewoonlijk voorschrijft.

Het Ca-gehalte van het bloed kan door orale toediening van
kalk worden verhoogd — echter slechts gedurende enkele uren ;
men geve dus kalk vele keeren per dag, het liefst in den vorm van
kalkrijk voedsel. Calciumchloride wordt het snelst geresorbeerd.

Kalkzoutcn in groote overmaat gegeven, kunnen het vermogen
Ca af te zetten bevorderen. Dit is een klinische ervaring. Theore-
tisch zou overigens te veel calcium een deel der beschikbare phos-
phor kunnen binden tot het onoplosbare calciumphosphaat en
daardoor de genezing kunnen tegenhouden.

Veel phosphor bevatten : Seradella, erwtenstroo, spurrie, tarwezemelen,
rijstvoedermeel, raapkoek, vleeschmeel, vischmeel.

Veel kalk : seradella, lucernehooi, roode klaver, spurrie, goed landhooi, erwten-
stroo, boonenstroo, vischmeel.

De cijfers die voor plantaardig voedsel worden aangegeven hebben slechts be-
trekkelijke waarde, omdat ze afhankelijk zijn niet alleen van de plantensoort,
maar ook van de grondsoort en de bemesting.

Jonge honden geve men rauw vleesch en zachte beenderen van jonge dieren ;
weinig of geen brood.

-ocr page 1256-

Blijkbaar werkt kalk niet altijd even doeltreffend. Zoo schijnt
vooral de zgn. meelrachitis bij ratten door Ca weinig te worden
beïnvloed.

Levertraan (veel Vitamine D) of ook gewone traan (bij varkens)
is een zeer goed geneesmiddel bij rachitis. De epileptiforme krampen
bestrijdt men bij varkens met broomkalium of chloral.

Phosphor in olie resp. in levertraan per os prikkelt tot vorming
van osteid, die bij voldoende Ca snel verkalkt.

Natriumphosphaat (Na H2 Po4) hetwelk gemakkelijk resorbeert
is bij voldoende hoeveelheid Ca een zeer goed geneesmiddel, het-
welk spoedig het Ph-gehalte van het bloed doet stijgen.

Arsenicum kan tot zekere hoogte phosphor vervangen en is
volgens Belgische en Fransche dierenartsen aan te bevelen boven-
phosphor, omdat het minder giftig is en geen leverdegeneratie ver-
oorzaakt.
V. d. Eeckhout beveelt het middel vooral aan; bij jonge
paarden (3 maal 10 dagen 50—75 gr. liq. Fowleri p. d., bij honden
2 a 3 druppels tegelijk met kalk en levertraan). Phosphor werkt
echter sneller en sterker, bij de klinische dosis is van leverdegene-
ratie geen sprake.

Ook strontium is wel aanbevolen in de plaats van phosphor,
het zou gelijksoortig maar nog sterker werken (
Stoeltzer).

In de veeartsenijkunde ontbreken ervaringen daaromtrent.

Herhaalde bestraling met ultraviolet licht (kunstmatige lwogte-
zon)
werkt evenals bij kinderen ook bij jonge rachitisdieren zeer
gunstig.

Vigantol (Vitamine D) druppelsgewijs volgens voorschrift van
Merck doet snel het phosphorgehalte van het bloed stijgen en
stabiliseert het Ca- en phosphormetabolisme. De doseering staat
nog niet voldoende vast.

Bij honden (2—5 druppels) en bij kippen werkt Vigantol
ook zonder combinatie met phosphor en kalk zeer gunstig.

In een maand tijds zijn de zieke honden dikwijls genezen.

Bij de overige dieren ziet men van Vigantol niet zoo\'n frappant
resultaat, zelfs laat het wel in den steek en acht ik phosphor (bij
veulens en kalveren (10—15 mgr.), bij geitjes en biggen (0,250—
0.5 mgr. per dag in olie) gepaard met calciumzouten in groote doses
(vooral calciumchloride) plus Vitamine D-rijk voedsel de beste
therapie. De krampen bstrijdt men met chloral of broomzouten
en calciumchloride.

Adrenaline, resp. bijnierextract met of zonder combinatie met
phosphor is wel aanbevolen. Het zou calcium in de weefsels fixeeren.
Bij paarden
23 c.c. 1 : 1000 (Carougeau). Bij geiten 10 druppels
(Küst, Baillon). Bij koeien 2 maal 20 druppels 1 : 1000 met
kalk (
Baillon).

Bij honden \\ cc. 1 : 1000 1 maal daags subcutaan of 2 druppels
i : 1000 per os (Morel). De medicatie moet echter te lang duren.

-ocr page 1257-

Bij herstel ziet men eerst, als kleine granules, calciumzouten in
een nieuwe praeparatieve verkalkingszone, die distaal ligt van de
oude, optreden ; iets later ook in het osteid van de trabecula der
spongiosa. Tegelijk wordt het gewoekerde kraakbeen en het over-
bodige osteid geresorbeerd. (Wordt vervolgd).

INGEZONDEN.

Naar aanleiding van den ,.Oproep" van collega Sybesma in het Tijdschrift
van
i October en het artikel ,,Keuringsveearts-practicus" van collega Piel in
dat van i November, gaarne het volgende:

„Kreeg" bij de inwerkingtreding der Vleeschkeuringswet ieder (of nagenoeg
ieder) toen gevestigde dierenarts een keuring of een stuk ervan, de sedert dien
afgestudeerden vissclien voor wel 90 % achter het net.

En daar van deze laatsten het aantal elk jaar grooter wordt en zij het onge-
twijfeld als een onbillijkheid zullen voelen dat de toevallig vóór 1922 afge-
studeerden in den strijd om het bestaan in een bevoorrechte positie zijn geplaatst
waarvoor die van na 1922 nooit een kans krijgen, kan het niet uitblijven dat
in de tcekomst meer dan tot nu toe van de zijde der jongeren verzet zal
komen tegen dezen toestand.

Want dat de keuringsveearts-practicus in een bevoorrechte positie verkeeit
ook wat de praktijk betreft zal wel niemand willen ontkennen. Werd tot heden
onder de jongeren alleen nog maar in stilte gemopperd, thans worden de grieven
meer openlijk uitgesproken. Te beginnen met den „Oproep" van collega S.

Welk artikel echter niet is een aanval op een persoon keuringsveearts-practicus
zooals collega P. er uit schijnt opgemaakt te hebben doch op het
instituut
keuringsveearts-practicus.

Ik vooi mij althans geloof niet dat de combinatie keuring-praktijk beter
vervuld kan worden dan
in doorsnee nu geschiedt. Uit welk oogpunt een aanval
op de persoon natuurlijk ongemotiveerd is. Maar daarmee is genoemde combinatie
niet goed! En omdat wij jongeren gehandicapt zijn door deze verkeerde combi-
natie zullen wij doorgaan er tegen te protesteeren. En de tekortkomingen en
misstanden die haar aankieven te gelegener tijd en plaatse bekend maken. Of
dit echter bij de „bevoegde autoriteiten" van collega P. zal zijn, is nog de vraag.

Hengelo, 2 November 1929, L Hofstra.

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Het telefoonnummer van den Voorzitter, Dr. Dhont, is Den Haag No. 73651.

-ocr page 1258-

I22Q -

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Jaarverslag 1928 Leiden.

Het jaar 1028 stond voor het openbaar slachthuis in het teeken der jubilea.
Xiet alleen bestond op 1 Mei 1928 de inrichting 25 jaar, echtei ook 2 ambtenaren
en 3 werklieden vierden hun 25-jarig ambts- respectievelijk dienstjubileum.

Wat betreft de ijsfabricatie wordt medegedeeld, dat van een nieuw opgerichte
particuliere ijsfabriek zooveel concurrentie werd ondervonden, dat het nood-
zakelijk bleek de kwaliteit van het ijs te verbeteren. Daartoe werd de vroegere
<lestilieerinrichting opnieuw opgesteld en in gebruik genomen, zoodat thans weer
helder ijs kan worden vervaardigd De ijsverkoop daalde toch nog met ruim 700.000
KG.

Ten einde tegenmoette komen aan de bezwaren, door belanghebbenden geopperd
ten opzichte van de keuring van in blik geconserveerde vleeschwaren, werd wij-
ziging gebracht in de desbetreffende voorschriften. Als gevolg daarvan is het
thans mogelijk, dat dergelijke blikken alleen uitwendig op gasvorming worden
onderzocht. Kleine blikken met een inhoud van niet meer dan i K.G. zijn van de
invoerkeuring uitgesloten.

Tuberculose kwam voor bij stieren 9.03 %, ossen 13.33 %. koeien 42.55 %,
vette kalveren 1.02 %, graskalveren 2.88 %, nuchtere kalveren 0.09 %, paarden
o >5 %. varkens 4.98 %, geiten 1.88 %. Hij de beoordeeling van het percentage
der tuberculose der varkens moet rekening gehouden worden met het feit, dat
ongeveer 3/5 der geslachte varkens afkomstig zijn uit deelen des lands, waar de
tuberculose veel minder veelvuldig voorkomt dan in Z.-Holland.

Hact. vleeschonderzoek werd verricht bij 49 koeien, 2 pinken, 13 paarden, 8
vette kalveren, 7 graskalveren, 34 nuchtere kalveren, 42 varkens, 1 varken tot
<10 K.G. en 9 schapen.

Kiemhoudend bleek het vleesch te zijn in de volgende gevallen : Bij 1 koe (ge-
storven) met ruptuur lebmaag (Gram positieve bacil), 1 koe, noodslachting, met
perforatio vaginae (Gram positieve bacil en streptococcen), 1 koe met endocarditis
vn\'vjlaris (vermoede\'ijk bacillus pyogenes bovis), 1 varken, bedrijfsslachting,
met acute serofibrineuze peritonitis (Gram negatieve bacil en staphylococcen),

1 varken met endocarditis valvularis (vlekziektebacil en staphylococcen), 2 var-
kens met idem, (vlekziektebacil), 9 varkens met urticaria {vlekziektebacil), 2
varkens met erythcem en miltzwelling (vlekziektebacil), 1 graskalf met pleuro-
pneumonie (Gramncgatieve bacil), 1 graskalf met pneumonie (Gramnegatieve
bacil en bipolaire bacil), 4 nuchtere kalveren met polyarthritis (bacillus coli),

2 nuchtere kalveren met polyarthritis (bipolaire bacil) en 1 nuchter kalf met po-
lyarthritis (streptococcen).

Cysticercosis kwam voor : levende exemplaren bij 3 koeien in de uitwendige
kauwspier en 1
maal 2 exemplaren in het hart van een vetkalf, afgestorven para-
sieten, i maal bij een stier, 3 maal bij een koe, 1 maal bij een graskalf en 1
maal
] exemplaar in hel hart van een vetkalf.

Yoordeelig saldo bedroeg / 55.098.11.

Groningen.

Bact. vleeschonderzoek had 248 maal plaats. In de volgende gevallen was de
uitslag positief :

3 runderen met endocarditis —- staphylococcen ; 3 runderen met pyaemie —
staphylococcen ; 2 runderen met cnteritis —- coli ; rund met pyaemie — diplo-
coccen ; rund met pyaemi — streptococcen ; rund met nephritis parenchy matosa —
menginfectie ; rund met mastitis en metritis — coli ; rund met haematoom van
de milt — staphylococcen ; rund met septicaemie : menginfectie.

8 varkens met vlekziekte : bac. rhusiopathiae suis; varken met vlekziekte :
ciplococcen; 2 varkens met icterus: diplococcen; varken met pneumonie: proteus.

Ken schaap met peritonitis : coli.

-ocr page 1259-

2 nuchtere kalveren met arthritis — Streptococcen en staphylococcen ; i nuch-
ter kalf met enteritis — Gram negatieve, bewegelijke bacil ; i kalf met perito-
nitis — coli ; i met pneumonie — bac. enteritidi? Gärtner ; i met nierabscessen —
bacil.

2 paarden met maagruptuur — staphylococcen ; paard met koliek — staphy-
lococcen ; paard met emphysemateuze vrucht — staphylococcen ; paard met
peritonitis — diplococcen.

Tuberculose kwam voor bij 13 % runderen, 8 % varkens, 0.13 % vette kal-
veren, 0.66 % graskalveren, 0.026 % nuchter kalf, 0.09 % paard en 0.00S °„
schaap.

Echinocoecosis werd geconstateerd bij 3.4 % runderen, 0.43 °/o varkens, 0.47 %.
schapen en 5 % paarden.

Cysticercosis. Levensvatbare finnen werden aangetroffen bij 11 runderen,
en wet 7 maal in de uitwendige kauwspieren en 4 maal in de inwendige kauwspier.
Gedegenereerd werden ze gevonden bij 30 runderen niet ouder dan 2 jaar, bij
69 runderen ouder dan 2 jaar en bij 6 graskalveren.

Winstsaldo bedroeg ruim / 73.000.- -

Huisslachtingen te Hoogezand niet vrij van keuring.

In verband met art. ba der vleeschkeuringswet hebben een achttal landbouw-
vereenigingen te Hoogezand en omgeving zich tot de Koningin gewend met het
verzoek om vrijstelling van keuring van de huisslachtingen, aan welk verzoek
adhaesic is betuigd door den Veenkolonialen Boerenbond. Dit verzoek is thans
door den Min. van Arbeid, Handel en Nijverheid afgewezen met de motiveering,
dat in de gemeente echinococcosis geregeld voorkomt. (Telegraaf).

De abattoirkwestie te Vlaardingen.

Eenige maanden geleden is door den gemeenteraad van Vlaardingen besloten
een eigen openbaar slachthuis te stichten en dus niet samen te werken met Schie-
dam. Eenige raadsleden gingen tegen dat besluit in beroep bij Gedep. Staten.
Op uitnoodiging van Gedep. Staten heeft toen in den Haag een nadere bespreking
plaats gehad, waarbij uit beide gemeenten vertegenwoordigers aanwezig waren.
Hierbij bleek, dat Gedep. Staten uit economisch oogpunt een gemeenschappelijk
slachthuis voor Vlaardingen en Schiedam het meest wensehelijk achtten. Een
beslissing werd nog niet genomen.

Verzoek om medezeggingschap.

Bij den gemeenteraad van Utrecht is ingekomen een verzoek van de Commissie
van samenwerking der Utr. Vereen, voor den Vleeschhandel, om een raadscom-
missie te willen instellen, welke, in overleg met de organisaties van slagerspatroons
en grossiers in den vleeschhandel, voorkomende aangelegenheden betreffende
het beheer van het slachthuis in georganiseerd overleg tusschen het gemeente-
bestuur en de organisaties kan behandelen.
 de Graaf.

Nobelprijs voor geneeskunde.

Aan den oud-hoogleeraar Prof. Di. C. Eijkman te Utrecht is de nobelprijs 1929
voor geneeskunde verleend.

Vogelpokken-diphtherie.

Ondergeteekende verzoekt beleefd in kennis te worden gesteld met gevallen
van vogelpokken-diphtherie. Het ligt in de bedoeling ter plaatse fotographische
opnamen te laten maken, zoodat alleen ernstig zieke toornen in aanmerking komen.

Prof. Dr. L. de Blieck.

Diergeneeskundige Faculteit U. S. C.

Het bestuur van de Diergeneeskundige Faculteit van het Utrechtsch Studenten-
Corps is als volgt geconstitueerd : G.
J. M. Kortman, Praeses, A. M. Ernst,
Ab. actis, L. S. B. J. H. Harmsen, Fiscus, J. S. Reinders, Vice-Ab. actis.

-ocr page 1260-

Mr. in de rechten.

De heer P. A. van Driest, Paardenarts ie kl. te Arnhem, heeft, na studie
aan de R.K. Universiteit te Nijmegen, aldaar het doctoraal examen in de
rechtswetenschappen gedaan en dus den titel , ,Mr. in de rechten" verworven.

Nationaal Comité voor het Xle Internat. Veeartsenijkundig Congres Londen 1930.

Het onderwerp, dat door Dr. Berger als rapporteur, in samenwerking met
Dr.
Frenkel, op het Xle Internationaal Veeartsenijkundig Congres te Londen
zal worden behandeld, is getiteld :

"On the principles i^both organisatory and scientific) of a meat-inspection law,
also with reference to international conditions.)

De Secretaris, TEN SANDE.

Internationaal Landbouwinstituut te Rome.

Dr. Berger is benoemd tot ,,Lid van het Uitvoerend Bureau van een Com-
missie, de „Commission pour les Industries Agricoles des Produits des Animaux",
welke deel uitmaakt van den Conseil International Scientifique Agricole". Hij
was reeds lid van dezen wetenschappelijken raad en wel in \'t bijzonder voor de
bovengenoemde Commissie. De Conseil Scientifique trad regelend op voor
alle
commissies, m. a. w. een Dagelijksch Bestuur van de Commissies was er als het
ware niet.

Thans heeft het Comité Permanent van het Internationaal Landbouwinstituut
permanente bureaux voor de verschillende commissies ingesteld, die als het ware
de permanente adviseurs zijn en als ,.bureau exécutif" optreden. Van zelf sprekend
kan daarvan Dr.
Berger nu, veel meer dan voorheen, invloed uitoefenen op den
gang. van zaken.

Wij vvenschen Dr. Berger geluk met zijn benoeming die voor hem en voor
Nederland een groote onderscheiding is.

Het bureau van de Commissie „Pour les Industries agricoles des Produits des
Animaux", bestaat thans uit de volgende heeren (in alphabetische volgorde) ;
Dr.
Berger, (Nederland) ; Dr. Brebia, Carlos — délégué de l\'Argentine au Comité
Permanent de l\'Institut International d\'Agiiculture ; Prof. Dr. J.
Calinescu,
Inspecteur Général Zoötechnique au Ministère de l\'Agriculture — Bukarest-
Roumanie ; Dr. H.
Martel, Directeur du Service vétérinaire du Département,
de la Seine — Paris, France.

Jaarverslag van den Burgerlijken Veeartsenijkundigen Dienst in Nederlandsch-
Indië over 1928.

Van de ziekten genoemd in de wet tot bestrijding van besmettelijke ziekten
kwamen in den loop van verslagjaar de volgende voor :

Anthrax bij alle vee : Op Sumatra kwam miltvuur speciaal onder buffels in uit-
gebreide mate voor in den ambtskring Fort de Koek. Enkele gevallen werden
ook geconstateerd op de eilanden Roti, Savoe en Timor.

Septichaemia haemorrhagica epizootica (piuriformis) bij herkauwende dieren en
varkens.

Deze ziekte richtte veel schade aan op de meeste groote eilanden van den Timor-
archipel, 170 gevallen op Timor en Flores, op Soemba en Soembawa 218 gevallen.

In Zuid-Celebes vielen 1467 buffels, 38 runderen en 200 varkens als slachtoffer.
Door preventieve en curatieve seruminspuitingen werd overal met succes uit-
breiding der ziekte tegengegaan.

Aphthae epizooticae (mond- en klauwzeer) bij herkauwende dieren.
In den ambtskring Makassar kwamen 9.584 gevallen bij buffels en 447 bij run-
deren voor. Op Java werd deze ziekte in alle ambtskringen waargenomen, echter
in veel geringer mate dan vorig jaar. Overal bleek het verloop goedaardig.
Malleüs (kwade droes) bij eenhoevige dieren.

Behalve Soembawa en Lombok zijn alle kleine Soenda-eilanden thans praktisch

-ocr page 1261-

-- I2J2 —

vrij van deze ziekte. In Celebes werd malleüs nog veelvuldig waargenomen en
wordt thans veel aandacht gewijd aan het klinisch onderzoek.

In Oost- en Midden-Java kwam malleüs in alle ambtskringen voor.

Saccharomycose bij eenhoevige dieren.

Vooral in de kustplaatsen van Java wordt deze ziekte veel waargenomen.

Scabiës (schurft) bij eenhoevige en herkauwende dieren.

Gevallen van scabiës kwamen in alle ressorten onder alle diersoorten voor.

Surra bij alle vee. Surra kwam nog al veel voor onder paarden en buffels in
den ambtskring Koepang.

In Oost-Java werd deze ziekte in alle ambtskringen waargenomen. Ook in
Midden-Java had de veestapel veel van deze ziekte te lijden. De meeste gevallen
werden geconstateerd in Madioen, Bodjonegoro, Kediri en Modjokerto, Jogja-
carta, Keboemen, Magelang en Tegal.

Op Sumatra bleef eveneens geen enkele ambtskring vrij van deze ziekte. Voor
de bestrijding werd zoowel prophylactisch als curatief veelvuldig gebruik gemaakt
van naganol

Dourine (kwaadaardige dekziekte) bij eenhoevige dieren, werd eenmaal gecon-
stateerd in den ambtskring Balige (Sumatra).

Piroplasmose bij herkauwende dieren, kwam sporadisch voor, uitsluitend bij
melkvee en bij van Soemba geïmporteerd volbloed Ongole-vee.

Tuberculose bij runderen.

Ter hoofdplaats Bandjermasin werden onder den melkveestapel 20 gevallen
dezer ziekte vastgesteld.

Op Java werd de bestrijding krachtig voortgezet. Wederom werd met mede-
werking van de eigenaars een groot aantal verdachte runderen opgeruimd. Zoo-
doende zijn in Oost- en Midden-Java reeds tal van bedrijven vrij van deze ziekte
geworden. Totaal werden op Java 40(1 tuberculeuse runderen opgeruimd.

Onder het vee van de bevolking werd geen enkele geval waargenomen.

Rabits (hondsdolheid) bij alle vee en bij honden, katten en apen.

Op Java werd deze ziekte in vele ambtskringen waargenomen, eveneens op
Celebes en Sumatra. (Alleen van een goed georganiseerde bestrijding valt succes
te verwachten. Kef.).

Lymphangilis infecliosa (farcin du boeuf) bij runderen. Sporadisch werd deze
ziekte waargenomen in de ambtskringen Koetaradja en Benkoelen.

Peslis suiim (varkenspest) bij varkens, werd veelvuldig geconstateerd in het
ressort Balige.

Gangraena emphysematosa (boutvuur) bij herkauwende dieren.

Uitsluitend in Midden-Java kwam deze ziekte voor; de bestrijding werd met
succes op den bestaanden voet voortgezet.

Van de andere veeziekten werden waargenomen tetanus, distomalosis, adenitis
infecliosa
en colpitis granulosa. Op het eiland Soemba werd krachtig voortgegaan
met de verdelging van hippoboscidae, waarvan vooral de veulens zooveel te lijden
hebben.

Osteomyelitis deed zich wederom voor in de ambtskringen Padang, Mcdan,
Sibolga en Koetaradja.

Gevallen van diphtheritis en vogelpokken werden in verschillende ambtskringen
waargenomen.

In alle ambtskringen werden veel malleïnaties en tuberculinaties verricht.

Te Soerakarta werd een proef begonnen om paarden door middel van farase
te irnmuniseeren tegen malleüs.

Miltvuur- en septichaemieserum werden en als praeventivum en als curativum
veelvuldig toegepast.

In Midden-Java werden -j- 50.000 runderen met boutvuurfiltraat ingespoten.

Bevredigende resultaten werden ook verkregen in de ambtskringen Jogjacarta,
Magelang en Kediri met toepassing van distol bij distomatosis.

De behandeling tegen infectieuse abortus wordt voortgezet. Naganol al of niet

-ocr page 1262-

tezamen met atoxyl werd zoowel op Java als in de Buitengewesten op uitgebreide
schaal toegepast tegen surra.

Hygiëne. In alle ambtskringen werd voortgegaan met de verbetering der hygië-
nische toestanden in de bestaande melkerijen, slachthuizen en wagenverhuur-
derijen.

Veeteelt. De algemeene gezondheidstoestand van den veestapel was in alle
ambtskringen gunstig.

Paardenfokkerij. Jn geheel Nederlandsch-Indië is de animo van de bevolking
in de paardenfokkerij over het algemeen achteruitgaande. Maatregelen tot ver-
betering van den paardenstapel werden op alle eilanden getroffen nl. verstrekken
van dekhengsten in huurkoop, primeeren van goede hengsten en voor zoover
Flores betreft, castratie van minderwaardige hengsten.

Runderinkkerij. Het zijn in de Buitengewesten voornamelijk de eilanden Bali,
Soemba, Soembawa en Timor, waar de rundveeteelt geleidelijk een meer belang-
rijke plaats begint in te nemen.

Op Java zijn het vooral de gewesten Kedoe, Semarang, Banjoemas, Kediri,
Madioen en Rembang, die na verloop van jaren hun veestapel zagen verbeteren
door stelselmatige kruising met Zebustieien.

De bemoeienis met den buffelstapel bepaalt zich tot heden in hoofdzaak tot
controle op de slacht van vrouwelijke dieren.

Te Buitenzorg werd in begin van verslagjaar opgericht een Gouvernements-
station voor kleinvee en pluimvee. Tot dit doel werden uit Holland een aantal
varkens, geiten en schapen geïmporteerd, welke zich uitstekend hebben gehouden.
Sterfgevallen zijn er niet onder voorgekomen.

Met den afbouw van het station voor pluimveeteelt werd voortgegaan. In de
maand November kwamen 74 uit Holland aangevoerde hoenders aan van 4 ver-
schillende rassen nl. : Rhode Island Reds, Wit Leghorn, Barnevelder en Patrijs
Leghorn.

Veeartsenij kundig Instituut.

In het afgeloopen jaar mocht dit instituut zich in voortdurenden bloei ver-
heugen ; de werkzaamheden namen in alle afdeelingen toe. Het bereiden en ver-
strekken van sera en entstoffen neemt ongetwijfeld hieronder de voornaamste
plaats in. Hierop is reeds meer in bijzonderheden door andere referenten in den
loop van het jaar gewezen in vorige afleveringen van dit tijdschrift.

\'t Hoen.

PERSONALIA.

Overleden: J. Breedveld, Amsterdam.

BLADVULLING.

Vreemd voorwerp in het rumen.

Het Journal of the Amer. vet. med Ass. (1929, No. 4) geeft het volgende ver-
haal.

willie het zoontje van een boer was in een vat met pekel gevallen ; daarna
werd zijn broek vermist en de boerin dacht dat
Willie die verstopt had. Intussen
werd de koe van de familie ziek. De dierenarts vond het noodig pens-snede te doen
en uit het rumen kwamen de overblijfselen van
Willie s broek te voorschijn.

VR.

-ocr page 1263-

BIBLIOGRAFIE.

R. P. Sybesma, Het kalf. (Verpleging, voeding, ziekten). Arnhem, N.V. Druk-
kerij De Vlijt, 1929. / 0.25.

J. Timmermans, Varkensfokkerij en -houderij. 3e dr. Roermond, M. Waterreus,

1929. 8a.

Mededeelingen betreffende den gezondheidsdienst voor vee in Friesland. Tiende
Jaarverslag 1928—1929. z. pl. [1929]. 8°. 37 biz. m. krt.

Verslag omtrent het openbaar slachthuis, de ijsfabriek en den keuringsdienst
van vee en vleesch te Leiden over het jaar 1928. [Door W.
Stuurman], Leiden.
F. IJdo, 1929. 8°. 34 blz. m. tab.

Beretning fra den Kgl. Veterinàr-og Landbohejskoie for undervisningsaaret
fra 1 Sept. 1926 til 31 Aug. 1927. Kebenhavn, J. K. Schultz, 1929. Gr. 8°. 62
S.

Bardelli e Messieri, Manuale di semeiologia medica veterinaria, 3a cd. Faenza,
F. Lega, 1929 8°. Lire 45.—.

A. D. J. Charon, Poules qui pondent. Poules qui paient. Méthodes d\'aviculture
anglo-américaine. 5e éd. Paris, Libr. agric. de la Maison Rustique, 1929. 8°. 236
p. av. 64 fig.

A. D. J. Charon, Lapins et lapereaux. 4e éd. Paris, Libr. agric. de la Maison
Rustique, 1929. 8°. 287 p. av. 78 fig.

A. Barbier, Les sources de la virulence rabique. Histoire d\'une épizootie de
rage sur le renard et le blaireau dans la région dijonnaise. Dijon, Bernigaud et
Privât, 1929. 8°. 254 p.

Ronchèse, Guide pratique pour l\'analyse des urines. 4e éd. Paris, J. B. Bail-
lière et fils, 1929. 180. 432 p. av. fig. et 6 pl. col. fr. 25.—.

P. Vuillemin, Les animaux infectieux. Paris, P. Lechevalier, 1929. 8°. 144
p. av. 69 fig. fr. 30.—.

Encyclopédie biologique. Vol. 4.

P. Diffloth, L\'élevage des volailles. Paris, Garnier frères, 1929. Kl. 8 . 220 p.
av. fig. fr. 8.—.

Collection : Utilité pratique.

A. Leroy, Elevage rationnel des animaux domestiques. Paris, Libr. Machette,
1929. 16°. Av. 80 grav. fr. 25.—.

Encyclopédie des connaissances agricoles. Zootechnie générale.

S. H. Greene, C. M. Haring and J. P. Iverson, What to do about bovine
tuberculosis. Berkeley, Univ. of California Printing Office, 1929. 8e. 8 p. w. 3 fig.

California Agric. Extension Service. Cire. No. 32.

J. R. Beach and S. B. Freeborn, Diseases and parasites of poultry in.Califor-
nia. Berkeley, Univ. of California Printing Office, 1929. 8°. 71 p. w. ill.

California Agric. Ext. Service. Circ. No. 8.

How to control and how to eradicate contagious cattle abortion. Madison, Coll.
of Agriculture, 1929. 8\'. 12 p. w. ill.

Univ. of Wisconsin. Coll. of Agr. Ext. Service. Circ. No. 224.

C. H. Stance, History of veterinary medicine at Iowa State College. Ames.
1929. 96 p. w. ill.

B. A. Beach aijd F. B. Hadley, Coccidiosis in chickens and rabbits. Madison,
Coll. of Agric., 1929. 8°. 11 p. w. ill.

Univ. of Wisconsin. Coll. of Agric. Ext. Service. Circ. No. 228.

The quantitative standardisation of posterior pituitary activity. Detroit, Parke,
Davis & Co., 1929. 8°. 14 p. w. ill.

Res. Bull. No. 11.

C. Dwight Marsh, Trembles. Washington, Government Printing Office, 1929-
8°. 10 p. w. 7 fig.

U. S. Dept. of Agriculture. Farmers\' Bull. No. 1593.

-ocr page 1264-

\\Y. C. Coffey, Productive sheep husbandry. 2d ed. Philadelphia, Lippincott,
1929. 8\\ 479 p. w. ill. and maps. S 3.—.

Lippincott farm manuals.

Ch. R. Moulton, Meat through the microscope. Chicago, Univ. of Chicago
Press, 1929. 8°. 540 p. w. ill. a. diagr. S 5-—•

Institute of Meat Packing studies.

R. S. Timmis, Modern horse management. London. Cassell, 1929. Kl. 8°. 320
p. w. 32 half-tone pi. Sh. 15.—

Annual report of proceedings under the diseases of animals acts for the year

1928. London. H. M. Stationery Office, 1929. 8°. 102 p. Sh. 2.6.—.
Ministry of Agriculture and Fisheries.

Ch. 1 W. McClure and G. S. Huntington, The mammalian vena cava poste-
rior. An ontogenetic interpretation of the atypical forms of vena cava posterior
(inferior) found in the adult domestic cat (felisdomestica) and in man. Philadelphia,
The Wistar Institute, 1929. Gr. 8". 150 p. w. 46 pi. (63 fig. of which 21 in col.)
American anatomical memoir. No. 15. S 7.50.

H. A. Reid, The use of iodine and its compounds in veterinary practice. Lon-
don, De Cruchy & Co., 1929. 8 . 78 p. Sh. 3.6.—
S
Wright and O. N. Eaton, The persistence of differentiation among inbred
families of Guinea pigs. Washington, Government Printing Office, 1929. 8°. 46
p. w. 25 fig

U. S, Dept. of Agriculture. Techn. Bull. No. 103.

Record of proceedings of annual meeting of the American Society of animal
production, Nov. 30 Dec. 2, 1928. Chicago, Am. Soc. of anim. prod., 1929. 8°.
233 p. w. 12 fig.

J. M. Hazelton, History and handbook of Hereford cattle and Hereford
Bull index 2d ed. Kansas City, Hereford Journal Co., 1929. 8 479 p. w. ill. a.
diagr.

E. N Wentworth, Progressive hog raising. Rev. by E. A. Kirchhoff. Chicago,
Armour\'s Livestock Bur., 1929. 16". 160 p. w. ill. a. diagr.

E. N. Wentworth. Progressive sheep raising. Rev. by R. A Clemen and E.
Kirchhoff. Chicago, Armour\'s Livestock Bur.. 1929. 16 . 142 p. w. ill. and diagr.

Report of the New-York State V eterinary College at Cornell University for
the year 1927—1928. Ithaca. 1929 224 p. w. fig., pi. and diagr.
State of New-York. Legislative document

L. van Es, Bovine tuberculosis. Rev. ed. Lincoln, College of Agriculture, 1920.
8". 77 p. w. ill.

University of Nebraska.

College of Agric. Exp. Stat. Circ. No. 23.

J. N. Shaw, Scours in sheep and goats in Oregon. Corvallis, Agric. College,

1929. 8°. 16 p. w. ill.

Oregon State Agric. College. Agr Exp. Stat Circ. No. 93.
M.
H. Hayes, Training and horse management in India .... 7th ed. London,
Hurst & Blackett, 1929. 8°. 256 p. Sh. 10.6.—

E. S. Schäfer, The essentials of histology. Descriptive and practical . . . 12th
ed. Rev. w. the cooperation of H M.
Carleton. London, Longmans, 1929. 8°.
628 p. Sh. 15 —

H. Kreutz, Die wichtigsten Getreide-, Wiesen- und Weidegräser. München,
Graser\'s Verlag Nf., [1929\'. 1 Tat\'., 1 131. 92 x 61.5 c.M. 11. gr. 8°. M. 2.50.

Graser\'s naturw. und landw. Tat. Nr. 22.

W. Müller, Die Warmblutgestiite der Mark Brandenburg. Berlin, Landwirt-
schaftskammer f. d. Prov. Brandenburg und f. Berlin, 1929. Gr. 8°. 196, III,
22 S.S. 22a, 23—63. M. 5.—

Arbeiten der Landwirtschaftskammer f. d. Provinz Brandenburg u.s.w. H. 70.

F. Doflein, Lehrbuch der Protozoenkunde. Eine Darstellung der Naturge-
schichte der Protozoen mit bes. Berücksichtigung der parasitären und patho-

-ocr page 1265-

genen Formen. Neubearb. von F. Reichenow. 5te Aufl. Tl. 2, 2te Hälfte. Jena.
G. Fischer, 1929. Gr. 8°. III S., S. 865—1262, VIII S. m. 378 Abb. im Text.

M. 21.—.

Tl. 2. Spez. Naturgeschichte der Protozoen. 2te Hälfte. Sporozoa, Ciliata und
Suctoria.

H. Geuer, Praktische Futterkunde für den Aquarien- und Terrarienfreund.
Stuttgart,
J. E. G. Wegner, 1929.

W. Zorn, Die Veröffentlichungen der Reichsarbeitsgemeinschaft der Tier-
zuchtinstitute an deutschen Hochschulen und staatlichen Forschungs-anstalten
in der Nachkriegszeit bis 1929. Göttingen, Deutsche Gesellschaft f. Züchtungs-
kunde, 1929. Gr. 8°. 72 S. M. 2.—.

Züchtungskunde. Bd. 4. Sonderh.

K. Toldt Jun., Die Bisamratte (Tiber sibethicus L.) mit bes. Berücksichtigung
ihres Auftretens in Oesterreich. Leipzig, A. Heber & Co., 1929.8°. M. 14 Abb.
u. 3 Ktn.

Arbeiten der Reichszentrale f. Pelztier- und Rauchwarenforschung. Nr. 15.

W. Fleischmann, Lehrbuch der Milchwirtschaft. 7te Aufl. Hrsg. von H. Weid-
mann
. Lief. 1. Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°. 128 S. m. Abb.

Etwa 6 Lief. Jede Lief. M. 6.50.

Tagesnachrichten oder Miscellen. Führer durch die deutsche und tschechische
tierärztliche Fachliteratur mit allen Nebengebieten. Prag, Landwirtsch. Buch-
handlung A. Neubert, 1929. 8°. 72 S.

Fronterinnerungen eines Pferdes. Hamburg—Bergedorf, Verlag : Der Fackel-
reiter, 1929. M. 1.50.

H. Rodatz-Mass, Die wissenschaftliche Tierfolter. Pfullingen, J. Baum, 1929. 8 .

Bücher der Weissen Fahne. Nr. 52.

R. Fröhner, Der neue städtische Schlachthof in Gross-Strehlitz. Oppeln. A.
Wilpert, [1929 . Gr. 8°. 47 S. m. Taf. M. 1.60.

Denkschrift.

Allgemeines deutsches Gestüt-Buch für Vollblut. Im Anschluss an die bisher
ersch. 17 Bde hrsg. vom General-Sekretariat des Union-Klubs. Bd. 18. Berlin,
General-Sekretariat des Union-Klubs, 1929. 8°. LIV 4- 735 S.

Chr. Wriedt, Biologische Essays über Pferdezucht und Pferderassen. Berlin,
P. Parey, 1929. Gr. 8°. 172 S. m. 94 Textabb. M. 10.—.

Laufende Gewinnstatistik für Prüfungen des Warmblutpferdes. Reichsverband
f. Zucht und Prüfung deutschen Warmbluts. 1929. Ausg. 1. Berlin, Selbstverlag,
1929. 8°. 156 S.

Ergebnisse der Hygiene, Bakteriologie, Immunitätsforschung und experimentellen
Therapie.
Hrsg. von W. Weichardt. Bd. 10. Berlin, J. Springer, 1929. 4 . IV
766 S. 111. 17 Abb. M. 80.—

Ergebnisse der Physiologie. Hrsg. von L. Asher und K. Spiro. Bd. 29. München,
J. F. Bergmann, 1929. 4°. IX 663 S. 111. 145 Abb. im Text, 1 Taf. und zahlr
[eingedr.] Tab. M. 78.—

A. F. Kraus, Grundriss der pathologischen Physiologie und experimentellen
Patho\'ogie. Freiburg, Speyer & Kärner, 1929.
8". VIII -}- 287 S. m. 23 Abb.

M. 8.40. Geb. M. 10. .

Speyei\'s Kompendien und Repetitorien. 10.

R. HoErPLi, Hsi-Fan Hsün und H. W. Wu, Hclminthologische Studien aus-
Fukien und Chckiang. Leipzig.
J. A. Barth, 1929. Gr. 8°. 44 S m. 15 Abb im
Text und 12 Taf. M. 4.40.

Archiv f. Schiffs- und Tropenhygiene u.s.w. Beihefte. Bd. 33, Nr. 1.

S. Haunold, Die Entwicklung des Molkereiwesens in Oesterreich. Wien, Agrar-
verlag, 1929. Gr. 8°. 15 S.

C. Hanfland, Die amerikanische Fleischindustrie, umfassend Viehzucht,
Handel, Schlachthausbetrieb. Verwertung von Fleisch- und Nebenprodukten
Leipzig, Akad. Buchli. R. M. Lippold, 1929. 40. 614 S. m. Abb. M. 27.50.

-ocr page 1266-

Deutscher Veterinär-Kalender. Hrsg. in 2 Tin. von R. Schmaltz. Jg. 34. 1930
u. 1931. Tl. 1, 2. Berlin, R. Schoetz, 1929. XX -f 400, 231
S. rn. Abb., 128, 128,
128, 128, 128, 128
S. M. 7.—.

Das Fleischbeschaugeset:. Textausgabe mit Anm. vers. von Francke. Berlin,
Geschäftsamt f. Deutsche Fleischbeschauer, 1929. M. 5.—.

\\V. Pauli und F. Valko, Elektrochemie der Kolloide. Berlin u.s.w., J. Sprin-
ger, 1929. Gr. 83. XII -f- 647 S. m. 163 Abb. im Text und 252 Tab.

M. 66.—. Geb. M. 68.—

H. Bechhold, Die Kolloide in Biologie und Medizin. 5te Aufl. Dresden u.s.w.,
Th. Stein köpf f, 1929. 8\'. XII 586 S. m. 87 Abb. u. 7 Taf.

M. 32.— Geb. M. 35.—.

Th. Kitt, Lehrbuch der allgemeinen Pathologie für Tierärzte .... 6te Aufl.
Stuttgart, F. Enke, 1929. Gr. 8°. XII 570 S. m. 213 Textabb., 4 färb. Taf.
u. 1 Titelbildn. M. 42.— Geb. M. 45.—.

C. Oppenheimer und O. Weiss, Grundriss der Physiologie. 6te Aufl. Tl. 1.
Leipzig, G. Thieme, 1929. Gr. 8°. VIII 434 S. m. 8 Abb. M. 19.50.

Tl. 1. Biochemie von C. Oppenheimer.

H. H. Boysen, Gewinnung und Kontrolle der Trinkmilch. Hildesheim, Mol-
kerei-Zeitung, 1929. 8" 78 S. m. Abb. M. 2.—.

W. Henneberg, Die wichtigsten Käsesorten in Wort und Bild. Hildesheim,
Molkerei-Zeitung, 1929. (>i 8 . 20 S. m. [färb.] Abb. M. 3.—.

W. Lipp, Milchwirtschaftlicher Leitfaden. Unter Mitw. von A. Fischer, H.
Butenschön und W. Niewerth. 2te Aufl. Hildesheim, Molkerei-Zeitung, 1929.
8°, VI V 167 S. m. Fig. M. 2.50.

Jahresbericht der Preussischen Versuchs- und Forschungsanstalt für Tierzucht
in Tschnechnitz. Erst, von
W Zorn. 5 Vom 1 April 1928 bis 31 März 1929. Ber-
lin, P. Parey, 1929. 40. 50 S. M. 2.—.

M. Klopstock und A. Kowarski, Praktikum der klinischen, chemischen,
mikroskopischen und bakteriologischen Untersuchungsmethoden. 9te Aufl. Berlin
11.s.w., Urban
Sc Schwarzenberg, 1929. 8 . XI 524 S. m. 51 Abb. im Text und
25 färb. Taf. M. 14—-

R. Goldschmidt, Die Lehre von der Vererbung. 2te Aufl. Berlin, J. Springer,
1929. Kl. 8°. VI 217 S. m. 50 Abb. M. 4.80.

Verständliche Wissenschaft. Bd. 2.

P. Rona, Praktikum der physiologischen Chemie. Tl. 2. Berlin, J. Springer,
1929. 8°. NIX -f 764 S. m. 141 Textabb. M 39.60.

Tl. 2. Blut, Harn von P. Rona u. H. Kleinmann.

I)ei Geflügelfarmer. Zeitschrift für die gesamten Interessen der Erwerbs- und
Nutzgeflügelzucht. Offiz. Organ des Verbandes der Erwerbs- und Nutzgeflügel-
farmer. (Verantvv.
M. Matthen). Jg. 1. 1929. (12 Nrn.). Leipzig, Jachner & Fischer,
1929. 4
. M. Abb. Vierteljährl. M. 1.50.

A. Hanau, Bestimnmngsgründe der Preise für Schlachtrinder. Hrsg. vom
Institut für Konjunkturforschung Berlin, P. Parey, 1929. 40. M. 6.—.

Vierteljahrshefte zur Konjunkturforschung. Sonderh. 13.

F. Demuth, Praktikum der Züchtung von Warmblütergewebe in vitro. Mün-
chen, R. Müller & Steinicke, 1929. 8 116 S. m. 49 Abb. M. 6.— Geb. M. 7.20.

M. Schmey und F. Conradi, Wandtafeln zur Stempelung amtlich untersuchten
Fleisches. Berlin, R. Schoetz, 1929.

Taf. 1. Uebersicht über die versch. Stempel.

Taf. 2. Stempelung beim Rind

Taf. 3. Weitere Stempelung beim Rind.

Taf. 4. Stempelung beim Kalb.

Taf. 5. Stempelung beim Schwein.

Taf. 6. Stempelung beim Schaf

Fortschritte auf dem Gebiete der Veterinärmedizin, bearb. und für den Gebrauch

-ocr page 1267-

des prakt. Tierarztes Zusammengest, von K. Linde. [3]. 1929. Tilsit, Engels
Buchdr., 1929. Gr. 8°. IX 88
S. M. 4.80. Geb. M. 6.80.

Jahresbericht Veterinär-Medizin. Hrsg. von K. Neumannn-Kleinpaul und O.
Z
ietzschmann. Jg. 48. (Berichtsjahr 1928). Hälfte 1, 2. Berlin, J. Springer, 1929.
40. X 688 und VII 813 S. M. 108.—.

L. Löhner, Die Inzucht. Eine monographische Skizze. Freising, F. P. Datterer,
1929. Gr. 8°. 146 S. m. 27 Abb. u. 11 Tab. im Texte. M. 9.50.

Naturwissenschaft und Landwirtschaft. H. 15.

K.J. Demeter, Zur bakteriologischen Prüfungvon Milchdauerwaren. Kempten,
Süddeutsche Molkerei-Zeitung, 1929. Gr. 8°.

Souqual, L\'abcès de fixation en thérapeutique vétérinaire. Thèse de Toulouse.
1929.

Vergnaud, L\'élevage du porc dans le Confolentais. Thèse de Toulouse. 1920.
F.
Jancke, Thermophile Bakterien in Milch. Inaug.-Diss. Kiel. 1928. 8\'. 50 S.
H. H.
Lotze, Ueber die Wirkung aus Rinderleber dargestellter Stoffe auf
Anaemieen verschiedener Art bei parenteraler Zufuhr Inaug.-Diss. Greifswald.
1928. 8°. 23 S. m. 1 Tab.

J. UNOER, Die Beeinflussung der motorischen Tätigkeit der Magen der Wieder-
käuer durch Cognak. Inaug.-Diss. Giessen. 1929. 8°. 127 S. m. 33 Pansenbewe-
gungskurven u. 39 Tab.

E. Knoche, Beitrag zur Degeneration und Regeneration der Volarnerven des
Pferdes nach der Neurektomie. Inaug.-Diss. Giessen. 1929. 8°. 31 S.

B. Brantscheff, Untersuchungen über Menge und Dauer der Speicherung
von Jod in Organen des Kaninchens nach peroraler und rectaler Einverleibung.
Inaug.-Diss. München. 1928. 8 . 26 S.

J. Grünenthal, Bakteriophagen in Tierkot und Tierorganen, Hoch- und Um-
züchtung von Bakteriophagen. Inaug.-Diss. Leipzig 1920. 8 19 S.

H. Kochem, Behandlungsversuche bei Streptokokkenmastitis mit Selectan.
Inaug.-Diss. Giessen. 1929. 8°. 36 S.

F. Breuer, Die physiologische Bedeutung der Jodsalze für den tierischen Or-
ganismus. Inaug.-Diss. Giessen. 1928. 8°. 16 S.

G. Weber, Animalische Futtermittel und ihr Ersatz. Inaug.-Diss. Göttingen.
1928. 8°. 35 S.

W. Sciiönfbld, Die Jugendentwicklung des deutschen Fleischwollschafes.
Inaug.-Diss. Göttingen. 1928. 8 . 19 S.

O. B. Noltenius, Ein Beitrag zur Kenntnis der Jugendentwicklung des Olden-
burger Pferdes. Inaug.-Diss. Göttingen. 1928. 8°. 40 S.

W. Funke, Ausnutzungsversuche an Hammeln unter bes. Berücksichtigung
der Verdauungsdepression. Inaug.-Diss. Göttingen. 1928. 8°. 28 S.

G. Berndt, Blutbasis und Blutaufbau des Hannoverschen Pferdes. Inaug.-
Diss. Göttingen. 1928. 8 . 19 S.

K. Gossmann, Mastversuche mit Hildesheimer Weideschweinen. Inaug.-Di>.
Göttingen. 1929. 8°. 30 S.

R. Reuffurth, Beobachtungen über den Laktationsvcrlauf hochproduktiver
Kühe. Inaug.-Diss. Göttingen. 1929. 8°. 40 S.

J. Rodewald, Ueber die Milchleistung der Sauen und das Wachstum der Ferkel.
Inaug.-Diss. Göttingen. 1928. 8". 13 S.
 du Buy.

-ocr page 1268-

REFERATEN.

ZIEKTEN VAN VARKENS.

Prohylaxie des Maladies vermineuses du Pore. (Receuil de Méd. Vét. Mai 1929, .

A. Henry is van meening, dat de parasitaire ziekten, en hiervan speciaal de
wormziekten, van grooter beteekenis zijn, dan vroeger werd verondersteld. Zij zijn
van zooveel beteekenis, dat alle middelen, die dienstbaar kunnen zijn, om die
ziekten te keeren, aangewend moeten worden. Daar immunisatie bij wormziekte
kunstmatig niet mogelijk is, moeten andere bestrijdingsmiddelen worden aan-
gewend.

Bij het varken zijn het vooral de ascariden in het darmkanaal en de vermineuse
bronchitis,
waartegen moet worden opgetreden.

Henry beveelt vooral goed doorgevoerde hygiënische maatregelen aan en wat
de
prophylaxis betreft wijst hij op de methode, zooals die in Amerika wel wordt
gevolgd en waarover vroeger in dit Tijdschrift is geschreven.

Ueber Schädigung bei Schweinen nach Lebertranfütterung. (Tierärztl. Rund-
schau, Nov. 1928).

Bolle (Rostock) heeft hierover eene lezing gehouden op de 90e Vergadering
der „Gesellschaft Deutscher Natuiforscher und Aerzte" te Hamburg.

Voedering van levertraan heeft ook in Duitschland door „handig" gebruik te
maken van de nieuwe leer der vitaminen in de fokkerij eene zekere vlucht ge-
nomen.

De vrij uitgebreide literatuur noemt als voordeelen : de gunstige werking bij
groeistoringen
van jonge dieren (rachitis, stijfheid ....); verkorting van de mest-
periode ; voordeelig bij eiwitarme voeding ; betere eetlust, verhoogde vruchtbaarheid
en weerstand tegeti infectieziekten etc.

Tot de ervaringen van minder gunstigen aard behooren : vrij hooge prijs bij een
geringe verhooging van productie.

Onaangename werking op vleesch, vet, enz. ; stoornissen in de spijsvertering ; soms
duidelijke vergiftiging
ten gevolge van bedorvenheid der emulsies of door vermen-
ging met minderwaardige traansoorten ; herhaald
aantoonen van vergiften in de
handelsproducten.

Bolle zelf spreekt van 300 varkens in 2} jaar, welke hieraan zouden zijn ge-
storven.

De sectie geeft als meest duidelijke verschijnselen : vettige degeneratie van lever
en nieren, hart- en lichaamspieren, multipele en capillaire bloedingen onder de serosae
en de slijmvliezen. Het dunne darmslijmvlies geeft soms het beeld als bij paratu-
berculose. Maar vooral de veranderingen van de
lever treden duidelijk op, de
bonte kleuring voornamelijk, lichtgrijze, gele en geelgroene lobuli liggen verspreid
in de sneevlakte.

Het schijnt, dat de industrie nog niet in staat is om, zoogenaamde „Veterinär-
lebertranemulsionen" te leveren, die een voldoend langen tijd de vereischte goede
samenstelling en hoedanigheid kunnen bewaren.

„Dit feit laat zich misschien verklaren uit de samenstelling van de levertraan
zelf, die een zeer samengestelde „vermenging" van organische en anorganische
substanties vormt (neutrale vetten, vrije vetzuren, aminbasen, galbestanddeclen,
zwavelphosphorverbindingen en vele andere nog).

Toetreding van zuurstof uit de lucht, hooge temperaturen, lang bewaren, kunnen
bederf verwekken en verklaren, dat soms geheele scheepsladingen met sterk ran-
zige, zure traan binnenkomen".

Nog niet geheel afgesloten proeven hebben reeds aangetoond, dat het klinische
en anatomisch-pathologisch beeld der levertraanvergifitiging door levertraanvoe-
dering experimenteel kan worden opgewekt.

Het artikel eindigt met de volgende uitlating : „Wanneer het gebruik van lever-
traanemulsie in haar tegenwoordigen vorm als opfok- en mestmiddel wordt
afge-
raden,
dan geschiedt dit. omdat haar gehalte aan vitaminen buitengewoon afwisse-

-ocr page 1269-

lend is en omdat de belioc/te aan vitaminen bij gezonde varkens zeer gering schijnt te
zijn,
maar hoofdzakelijk omdat waarnemingen uit praktijk en wetenschap hebben
geleerd, dat zij in vele gevallen
op het mesten geen invloed heeft, op de mestproduclen
nadeelig
en op de mestdieren vergiftigend werkt".

Immunizing pigs against hog cholera. (Hf.xry Hell, Journ. of the Am. Vet.
Med. Ass. Januari 1929).

In dit artikel wordt preventieve behandeling van jonge varkens besproken van
practisch standpunt gezien. Schrijver legt vooral de nadruk op een goede anam-
nese, op de huisvesting, voorkomende ziekten, leeftijd der te behandelen varkens,
serum, virus enz.

Hij beveelt voor leeftijd aan, die van 1 ä 2 weken na het spenen, en is in het
algeme n voorstander van de simultaanenting : (virus serum). Belangstellenden
dienen het artikel als zoodanig te lezen, het leent zich slecht voor een uittreksel.
Geeft overigens ook niet erg veel nieuws.

In dezelfde aflevering van dit tijdschrift komt voor eene ,,Study of the simultane-
ous and serum alone methods in the treatment of cholera-infected hogs",
door Mc.
Bryde and Niles.

Dit artikel begint aldus : Voor behandeling van met pestvirus besmette koppels
beveelt het Bureau of Animal Industry aan, dat ic de temperatuur van alle dieren
moet worden opgenomen, dat simultaanenting dient te worden toegepast bij alle
schijnbaar gezonde varkens en bij diegenen, waarbij de temperatuur niet boven
40° C. is gestegen en dat de dieren met hooger temperatuur den 40°
C. alleen serum
moeten ontvangen, uitgezonderd die, welke reeds te ziek zijn.

Er zijn echter in Amerika dierenartsen, die ook aan varkens met temperaturen
boven 40°
C. nog naast serum eene dosis virus inspuiten.

Dit onderscheid in behandeling heeft de vraag doen ontstaan of toediening
van eene kleine hoeveelheid virus aan zulke dieren kwaad kon of niet.

Ten einde te weten te komen welke de beste weg zou zijn heeft genoemd Bureau
nu proeven genomen, l\'it deze proeven zijn de volgende conclusies getrokken :
Simultane behandeling van reeds geïnfecteerde koppels, ook wanneer de
temperatuur reeds boven 40
C. is gestegen, is niet gevaarlijk, mits er geene secun-
daire infecties
of complicaties aanwezig zijn.

2°. De curatieve waarde van pestserum schijnt te verminderen met de lengte van
de periode van infectie ; wanneer deze langer is dan 4 a 5 dagen, heeft ook inspuiting
van een grootere dosis weinig nut.

30. De curatieve waarde van pestserum is bij intraveneusc injectie niet grooter
dan bij subcutane aanwending.

Einige Fälle von Blutfleckenkrankheit beim Schwein. Dr. Viktor Heller, Wie-
ner Tierarzt). Monatschcr, 1 Febr. 1929.

Naar aanleiding van een vroeger door Wintersberger gepubliceerd geval
(ook in dit Tijdschrift gerefereerd) heeft
Heller in dit artikel eene korte beschrij-
ving van
vter door hem waargenomen gevallen.

Alle vier gevallen waren gekenmerkt door een peracuut verloop en doordat in
de nieren óf geene óf zeer weinig bloedingen voorkwamen.

Bij bekende infectieziekten (vooral pest) zijn vaak de haemorrhagieën zeer
talrijk en ook
Glässf.r geeft in zijne beschrijving van „Blutfleckenkrankheit" aan,
dat de nieren zeer talrijke bloedingen vertoonen.

Aetiologisch wordt de ziekte in verband gebracht met schadelijk voedsel of met
infectieziekten.

Heller is geneigd de oorzaak te zoeken in verkeerd voedsel.

Ist zur Erzielung einer Immunität gegen den Rotlauf der Schweine durch die
Simultanimpfung die „Ueberschwimmung" des Blutkreislaufs mit Rotlaufbazillen
notwendig.
Dr. Naujeck, D. T. W., No. 7. 1929.

Te Prenzlau (Institut der Landwirtschafkammer u.s.w.) zijn hieromtrent
proeven genomen. Over \'t algemeen wordt aangenomen, (en verschillende onder-
zoekers meenen het te hebben bewezen) dat na de simultaanenting bij vlekziekte

-ocr page 1270-

zoowel bij varkens als bij kleinere proefdieren geen vermeerdering van vlekziekte-
bacillen in het bloed plaats vindt en dat toch immuniteit ontstaat.

Echter zijn er onderzoekers, die het hiermee niet eens zijn, die andere uitkomsten
verkregen.

Deze tegenstrijdige resultaten hebben N. aanleiding gegeven tot eene herhaling
en controleering der proeven.

In \'t geheel werd de proef genomen met 10 varkens en de aanwezigheid van im-
muniteitseenheden in het bloed zoowel voor als na de enting werd gecontroleerd
op muizen.

Alvorens met de eigenlijke proef te beginnen, werd bij 2 schapen aangetoond,
dat men door middel van agarculturen in de bloedbaan aanwezige vlekziekte-
bacillen kan aantoonen

In \'t kort waren de uitkomsten dezer proeven de volgende : i°. Na de siinultaan-
euting tegen vlekziekte zijn bij het varken in de bloedbaan van den ien tot den
•>5Sten dag geen vlekziektebacillen door middel van culturen of door dierproeven
vast te stellen (aan te toonen).

2°. Immuniteit tegen vlekziekte ontstaat zonder dat eene „Ueberschwemmung"
van het bloed met vlekziektebacillen plaats grijpt en zelfs zonder dat deze in
het bloed zijn aan te toonen.

3°. Gemiddeld vanaf den i-jden dag na de simultaanenting gelukt het meetbare
immunstoffen aan te toonen.

Miltvuur en Pseudomiltvuur bij het varken. (Zeitschr f. Inf. kr. pras. kr. u.
Hyg. d. Haustiere, 35 band, 3/4 Heft, 1929).

Gedurende de laatste 30 jaar ongeveer trekt miltvuur bij varkens, vooral door
de eigenaardigheid vaak als
locale ziektevorm op te treden, de aandacht. Vooral
treden op den voorgrond : Aee/-miltvuur, darm-miltvuur en miltvuurkarbunkels
in de
milt, waarover Glüsser heeft bericht.

Met veranderingen in dit laatste orgaan 1111 heeft Grüttner van het abattoir
te Quedlinburg zich vooral bezig gehouden. Hij heeft hieromtrent een vrij uitge-
breid onderzoek ingesteld Hij komt tot de volgende conclusies: 1°. Bij miltvuur
van het varken kunnen de veranderingen in de milt zich bepalen tot enkele deelen
van dit orgaan en weinig in het oog springen. De vorm van de karbunkels is niet
altijd duidelijk omschreven.

2°. Wanneer de verandering zich bepaalt tot de punt van de milt behoeft men
alleen aan miltvuur te denken, indien het weefsel duidelijk gezwollen is en eene
zwarte kleur in \'t oog valt.

3°. Soms worden pseudomiltvuurbacillen gevonden, of afzonderlijk of tezamen
met miltvuurbacillen, en waarvan het extract met diagnostisch miltvuurserum
precipitatie kan geven.

4°. In een dergelijk geval is de precipitatie niet voldoende voor de diagnose
miltvuur, daarvoor dient het aantoonen van miltvuurbacillen.

50. Uitkomsten van serologisch onderzoek zijn in gevallen van twijfelachtigen
aard altijd nog onzeker. Deze onzekerheid wordt geringer wanneer men een grooter
aantal sera aanwendt.

C°. De in den handel gebrachte sera moeten nauwkeurig gecontroleerd worden.

(Opm. : In dezelfde aflevering komt een artikel voor van Bessubetz over stan-
daardiseering van praecipiteerend miltvuurserum, dat zich voor dit tijdschrijft
minder voor een referaat leent).

Experimenteele rachitis bij het varken. (Ibid). (Otto Kart. Schultz).

In den laatsten tijd wordt de rachitis opgevat als eene avitaminose, zij het dan
als een bijzondere vorm.

Ultraviolette Dornostralen (de verwekkers van het anti-rachitische D-vitamine)
zijn in staat, wanneer geen vitamine in het voedsel voorkomt, om het lichaam
zelf aan te zetten tot vitamine-vorming. D-vitamine werkt veel langzamer dan C
bij scorbuut of B bij beri-beri. De benoodigde tijd is afhankelijk van de hevigheid
der ziekte of van den duur van het bestaan der rachitische storing in de stofwis-

-ocr page 1271-

seling. (Bij den menscli zegt men, dat de genezing zooveel maanden vordert als
het kind jaren oud is).

Hess kon met behulp van ultraviolette stralen inactieve substanties (oliën,
cholesterine) activeeren.
Windaus toonde aan, dat ergosterine ,,de overgang
vormde" tot
D-vitamine, misschien zijn er verschillende ,.provitaminen". Later
meende hij te hebben gevonden, dat de vitamine-werking niet gebonden is aan
eene bepaalde substantie, maar aan eene speciale, voor het licht gevoelige „con-
figuratie in het molecule".

Wat de pathogenese van de rachitis betreft wordt door Freudenberg en György
deze storing in de stofwisseling aldus verklaard :

In het beenweefsel of beter gezegd, in de weefsels, welke aangewezen zijn om
te verbeenen, ontstaat een
onvoldoende retentie van bemaarden (carbonaten en
phosphaten) en daarnaast een
woekering van weefsels, welke deze aarden dienden
op te nemen. Fr ontstaat dus een overmaat van osteoid weefsel speciaal aan de
groeipunten der pijpbeenderen, d. w. z. de metaphysen.

In den regel worden ratten gebruikt voor proeven bij experimenteele rachitis.
Nu biedt het onderzoek van de stofwisseling bij ratten bezwaren en dikwijls on-
dervindt men de last van te weinig bloed te verkrijgen om bijv. eene bepaling te
maken betreffende P. en Ca.

Schultz heeft daarom als proefdier het varken gekozen om hierbij eene experi-
menteele rachitis op te wekken en dan hierop invloed uit te oefenen door het
D-vitamine. S. heeft deze proeven op eigen kosten genomen en daarom geen
onderzoek ingesteld betreffende de stofwisseling. Zijn controle bepaalde zich tot
klinische beschouwingen, wegen der dieren, pathologiseh-chemische analyses van
het bloed en secties met histologische onderzoekingen.

Na een bepaald dieet, waarbij de dieren inderdaad rachitische verschijnselen
begonnen te vertoonen, welke reeds na 4 weken goed zichtbaar waren en na 4
maanden in erge mate optraden, begon de toediening van „anti-rachitisch akti-
viertes Knochenöl".

Vanaf het toedienen van den vitaminefactor beterden de varkens ; zij werden
weder levendig, begonnen weer te spelen, de gewrichten werden dunner, het hoes-
ten verdween, de dieren namen toe in gewicht. Terwijl eerst het D-vitamine werd
ingespoten werd het later per os toegediend, vermengd met het voeder.

Ook hierbij hield de genezing stand ; de dieren groeiden en begonnen steeds
beter te loopen, leken minder vermoeid en kregen weer lust om te spelen.

Na deze beschrijving van de proef, welke dus bestond uit drie achtereenvolgende
perioden, nl. :

i°. Periode van het opwekken van eene experimenteele rachitis door een be-
paalde voedermethode ;

2°. Periode van parenterale toediening van het D-vitamine, en

3°. Periode van per os toediening van het D-vitamine volgen de hoofdstukken
voor de
pathologische chemie, pathologische anatomie, en histologie. Hieraan is nog
toegevoegd eene mededeeling over het aandeel, dat het bandapparaat toekwam
van de rachitische beenverkrommingen.

Deze laatste hoofdstukken leenen zich niet voor een referaat.

Morbus maculosus bij het varken. D. T. \\W. 17 Augs. 1929, No. 33, (Dr. W.
G
eiger).

Aan het instituut te Eystrup deden zich bij 4 varkens verschijnselen van deze
ziekte voor. Uit de beschrijving van
Geiger moge het volgende worden vermeld,
Twintig varkens, die reeds eenige weken immun-serum tegen viruspest hadden
geleverd werden nogmaals met 200 cc virushoudend bloed behandeld (intra-
musculaire inspuiting). Drie dagen later hadden vier varkens „bloedige vlekken".
Eetlust normaal, geen koorts; de huid was met multiple, puntvormige tot
2 c.M. middellijn groote bloedingen bezet vooral aan ooren en rug. De eerstvol-
gende drie dagen namen deze bloedingen nog toe. Behalve, dat bij een der varkers
pijnlijke urineloozing plaats vond, bestonden er overigens geen storingen. Op

-ocr page 1272-

slijmvlies van mond, neus en oogen ook enkele bloedingen. Bij een der dieren
vloeiden de vlekken in elkaar.

Op den vierden ziektedag werden alle 20 varkens geslacht. Volgende verschijn-
selen werden geconstateerd :

Op die plaatsen, waar sterkere bloedingen in de huid werden gevonden, bleken
deze ook te bestaan in het subcutane vetweefsel, vooral in het rugspek.

De lymphklieren waren over \'t algemeen sterk gezwollen en voorzien van bloedin-
gen (ongeveer als bij acute pest). Aan de hartooren fijne subepicardiale bloedingen ;
ook in het strottenhoofd. Bij alle vier bloedingen in de wand van de pisblaas,
bijzonder erg bij het varken, dat pijn had vertoond bij het urineeren. Bacterio-
logisch onderzoek negatief.

Dat het hier geen acute viruspest betrof werd afgeleid uit de afwezigheid van
koorts, en het feit dat reeds immune varkens als regel niet reageeren op herhaalde
inspuiting van virus. Bovendien werd het hier door dierproef uitgemaakt.

De eigenlijke reden van het optreden der ziekte is niet opgehelderd, (misschien
was het eene anaphylactische werking).

De therapie bij varkenspest. (Nusshac., T. R. No. 22, 2 Juni 192g).

Indertijd is ,,virusept" aangeprezen als geneesmiddel bij viruspest. Janek heeft
in de T. R., No. 15, nog al, schijnbaar, gunstige mededeelingen gepubliceerd met
betrekking tot dit middel, maar zijne documentaties waren zeer onvolledig.

Nusshag waarschuwt nu hiertegen en ontleedt het artikel van Janek.

Metritis bij het varken. (T. R., No. 22, 2 Juni 1929, Dr. H. Berger).

Berger beschrijft vier gevallen van metritis bij varkens, omdat deze zich (zoo-
als hij aangeeft) kenmerken door „die Schwere der Erkrankung" en dat zij „ge-
wisse Schlüsse für deren Pathogenese zulassen". Als oorzaak werd aangegeven :
gramjjositieve staphylococcen, Staphylococcus pyogenes albus, Bacillus pyogenes
en nog eens B-pyogenes.

Beiträge zur Immunität und Immuniseerung von Saugferkeln immunen Mütter
gegen Virusschweinepest.

In het varkenspestinstituut te Eystrup heeft men proeven genomen met betrek-
king tot bovenstaand onderwerp. Men is het nog altijd er niet over eens of biggen
van hoogimmune ouders ook onvatbaar zijn voor viruspest.
Geiger beschrijft
nu in D. T. W. No. 24 (15 Juni 1929) enkele proeven hieromtrent genomen. Zij
paarden in nun instituut varkens, welke dienden voor de productie van immun-
serum tegen de viruspest. Van 9 verschillende, serum leverende zeugen, gedekt
door dito beren, werden de biggen gebruikt, zoowel voor natuurlijke als kunst-
matige infectie. Hier volgt een kort overzicht :

I. Van 4 biggen, uit een toom van 7, stierven 2 na kunstmatige infectie. Con-
tactinfectie
bleef oogenschijnlijk zonder invloed op alle 7 biggen. Toch bleek geen
der biggen na het spenen bij reïnfectie immun. Dus had het virus, dat bij 2 biggen
zoo pathogeen was geweest, 2 andere, op dezelfde wijze behandelde biggen,
niet
immun gemaakt.

II. Acht biggen van een immune zeug boden weerstand aan eene natuurlijke en
kunstmatige infectie gedurende een zoogtijd van 8—10 weken. Maar na het spenen
bleken 2 na een kunstmatige reïnfectie niet immun, terwijl deze 2 diertjes op den
leeftijd van 4 weken eene subcutane inspuiting van virus zonder reactie hadden
verdragen.
Pare>rterale toediening van virus was in 50% niet in staat te immuni-
seeren.

III. Van 2 biggen bij een immune zeug stierf er een na kunstmatige infectie ;
het andere bleef in leven (werd ook niet ziek).

IV. Van 6 zuigbiggen bij eene immune zeug werden op een leeftijd van 40 dagen,
2
simultaan geënt (10 cc serum, 0.5 cc virus) ; 2 werden met 10 cc serum ingespoten
en 2 subcutaan geïnfecteerd met 0.5 cc virus. Op den leeftijd van 10 weken werden
de biggen gespeend, en in een besmet hok gebracht, waarin ze alle 6 gezond bleven.
Na 10 dagen werden alle diertjes subcutaan geïnfecteerd met 0.5 cc virus. Het

-ocr page 1273-

gevolg hiervan was, dat de beide simultaan geënte biggen gezond bleven, maar uit
de beide andere groepen van 2 biggen stierf er van elk een.

V. Van 3 zuigbiggen bij eene immune zeug werd 1 met 0.5 cc virus behandeld,
i met serum ingespoten en 1 simultaan geënt.

Na het spenen werden de drie diertjes in een besmet hok gebracht en bleven
daar gezond. Hierop volgde kunstmatige infectie door inspuiting van 5 c c. virus
bij alle 3 biggen, waarna het simultaan geënte en het met serum behandelde bigje
stierven. Hier was dus het alleen met virus behandelde diertje immun geworden.

VI. Van een hoogimmune zeug met 11 biggen stierf op een leeftijd van 5 weken
een der diertjes onder verschijnselen van acute viruspest. De 10 overblijvenden
werden behandeld met 15 c.c. viruspestserum. Toch stierven er nog 3. De 7 over-
blijvende biggen werden, 8 weken oud, gespeend. Op den leeftijd van ongeveer
4 maanden werden deze biggen, waarschijnlijk tengevolge eener nieuwe spontane
infectie,
weer ziek aan viruspest en stierven alle op 1 na, die ook later niet meer kunst-
matig kon worden ziek gemaakt en alzoo absoluut immun was geworden.

VII. Van 4 biggen eener immune zeug stierven drie op een leeftijd van 6 weken
waarschijnlijk aan viruspest. Het eenige overgebleven diertje werd simultaan
geënt op een leeftijd van ongeveer 10 weken. Dit bigje bleek later ongevoelig voor
inspuiting van 5 c.c. virus.

VIII. Acht biggen van een hoogimmune zeug werden in 4 groepen van 2 inge-
deeld. Twee werden met serum, twee simultaan, twee alleen met virus behandeld ;
twee dienden voor controle. Alle acht ontvingen eene maand later 10 c.c. virus ;
zij bleven alle acht gezond.

IX. Drie biggen van eene hoogimmune zeug werden simultaan geënt, vier
weken later werden ze gespeend en tevens ingespoten met 10 c.c. virulent virus.
Alle drie werden ziek, 2 herstelden, een stierf.

Wij zien dus, dat het verloop der proeven zeer onregelmatig was ; de resultaten
der behandeling loopen zeer uiteen. De samenvatting hiervan luidt ongeveer aldus :

1. Overerving van actieve immuniteit voor viruspest kon bij biggen van hoog-
immune zeugen
niet geconstateerd worden.

2. Hoogstens bereikt men een passieve immuniteit, waarschijnlijk door middel
van de moedermelk.

3. De immuniteitsverhoudingen zijn bij de biggen van eenzelfde toom niet gelijk

4. In een zelfden toom treft men biggen aan, die zonder behandeling reed-; im-
mun zijn en andere, die aan viruspest te gronde gaan.

5. Evenzoo doorstaan sommige diertjes heel goed eene kunstmatige infectie
terwijl andere van denzelfden toom daaraan sterven.

6. Simultaanenting van de biggen gaf geen waarborg voor actieve immuniteit

7. Het verdient aanbeveling in chronisch besmette varkensstallen de zuigbiggen
meermalen te enten met serum en ze na het spenen, op ongeveer den leeftijd van 3
maanden, simultaan te enten.

De bestrijding der varkenspest.

In hetzelfde nummer van hetzelfde tijdschrift vindt men een artikel van Dr.
Muller (Königsberg) over de bestrijding van de varkenspest in verband met de
Duitsche wet (,,Nach § 10, Ziffer 9, V. G. unterliegt die Schweinepest der Anzeige-
pflicht").
Muller geeft hieromtrent eenige beschouwingen, waarvan de inhoud
grootendeels op de volgende punten neerkomt :

i°. De gevaren, waarmee de varkenspest de varkensfokkerij bedreigt zijn zoo
groot, dat energieke bestrijding noodzakelijk is.

2°. De tegenwoordige bepalingen van de ,.Veewet" zijn onvoldoende daarvooi

3°. Het moet mogelijk zijn, dat besmette koppels worden opgeruimd en het
vleesch hiervan moet zoodanig behandeld worden, dat verspreiding van de ziekte
hierdoor niet mogelijk is. De eigenaar moet schadeloo; worden gesteld.

4°. Naast afmaken kan in rasfokkerijen de simultaanenting toegestaan worden.

50. Verder studie der ziekte is noodig, en vooral dient men te weten, „wanneer

-ocr page 1274-

houdt vleesch van varkens, die aan viruspest hebben geleden, op infectieus te
zijn"

6°. De invoer uit het besmette buitenland van varkens en deelen hiervan, voor-
zoover zij de varkenspest kunnen verbreiden, moet worden verhinderd.

Herpes tonsurans bij het varken. Stockmayer, Zeitschr. f Inf. par. Kr. u. Hyg.
d. Haustiere, 36 Band. A Heft.

Toegelicht door 4 fraaie teekeningen geeft S. hier een beschrijving en nader
onderzoek van waargenomen gevallen van herpes bij varkens.

In de huid ontstonden eerst sereuze blaasjes welke door optreden van leucocyten
tot
pustels werden. Dit stadium echter duurde maar kort. Dan kwam het crusteuze
stadium, hetwelk typisch was voor de ziekte, die dus hoofdzakelijk verliep onder
het beeld van een crusteus eczeem. Het proces verloopt oppervlakkig, het komt
niet tot eene infectie van de haarzakjes ; de haren breken niet en vallen niet uit,
en in tegenstelling met de vaak langdurige en hardnekkige trichophytiën bij andere
huisdieren en bij den mensch verloopt de ziekte licht en geneest vaak spontaan.

B.

Het castreeren van varkens in Ravenna.

Dr. Baotista Zaffagnini, La Clinica Veterinaria, No. 5, 1929.

Het castreeren van zeugen geschiedt ook daar hoofdzakelijk door empiristen,
welke daarmede een rijk stuk brood verdienen. Slechts enkele dierenartsen passen
deze operatie toe, de meesten vinden het minderwaardig.

Velen zullen echter niet de noodige behendigheid hebben om deze eenvoudige
operatie uit te voeren door gebrek aan oefening ; zij die reeds lange jaren in de
praktijk zijn zullen niet gaarne hun reputatie in de waagschaal stellen door een
castratie slecht uit te voeren, daar geen wetten hen dwingen deze operatie te doen.
Laat echter de nieuw geslaagden er voor zorgen, dat zij de operatie kennen en de
behendigheid behouden door ze steeds uit te voeren.

Schrijver volgt aandachtig den strijd tegen de empirici en de castreerders in het
bijzonder, maar moet wel eens lachen om hen, die draconische wetten en straffen
eischen tegen diegenen, welke onwettig
onze praktijk uitoefenen.

Want indien b.v. morgen alle castreerders verdwenen, zouden de dierenartsen
dan instaat zijn ze prijzenswaardig en onmiddellijk te vervangen ?

Immers neen. Laten alle collega\'s daarom beginnen met systematisch te
castreeren en daardoor onze noodzakelijkheid en onze superioriteit over de cas-
treerders bewijzen.

Alleen, wanneer allen in staat zullen zijn prijzenswaardig deze taak te ver
vullen, dan eerst zal het empirismus vervallen en zal ook de waarde van den vee
stapel en dientengevolge de rijkdom van het land toenemen.

Breedveld.

VLEESCHHYGIËNE.

Een onderzoek naar het voorkomen van vleeschvergiftigingsbacteriën in worsten

(Beilrag zur Frage des Vorkommens von Fleischvergiflungsbakterien in Würsten
Dr. Goerttler, Zeitschr. f. Fleisch- und Milchhyg. Jg. 39, pg. 253).

Deze onderzoekingen, welke onder leiding van Standfuss in het Staats-Veteri-
naire Onderzoekingsinstituut te Potsdam werden verricht, werden ingesteld om
een antwoord op de vraag te krijgen of bacteriën van de paratyphus-enteritisgroep
normaal in worsten kunnen voorkomen. Volgens
Poppe, die in 1913 een samen-
vatting van alle bekende onderzoekingen op dat gebied heeft gepubliceerd, zouden
in
9.4 % van de onderzochte worstsoorten vleeschvergiftigers zijn gevonden.

Daar de bij deze onderzoekingen toegepaste techniek, volgens onze tegenwoor-
dige begrippen, niet geheel is te vertrouwen, heeft
Goerttler opnieuw bij een
100 worstsoorten naar deze bacteriën gezocht en tevens de gevonden bacteriën
gedifferentieerd. Het resultaat was, dat het bij deze
100 monsters niet gelukte,
echte, agglutinabele bacteriën van de paratyphus-enteritisgroep te isoleeren.
Wel werden eenige inagglutinabele soorten gevonden.

Goerttler twijfelt er aan, of deze gevonden bact. voor den mensch pathogeen

-ocr page 1275-

zullen zijn. Over ziekteverschijnselen na het gebruik van de worsten, waarin men
deze microörganismen had aangetroffen, is niets bekend geworden.

Naar aanleiding van deze gevallen meent Goerttler het te moeten betwijfelen,
of er werkelijk in 9.4 % der gevallen paratyphusbacillen in worst zouden voor-
komen. Waarschijnlijk betreffen het bij deze vroegere gevallen slechts bacteriën,
die eenigszins verwant waren met de vertegenwoordigers uit de parat.-ent eritis-
groep en welke men met de toen ten dienste staande hulpmiddelen niet verder
heeft kunnen identificeeren.

Een geval van finnigheid bij den hond. (A propos d\'un cas de ladrerie canine.
P. Bergeon, Bulletin de la Société des Sciences vétérinaires de Lyon, 1928, pg. 43).

Bergeon deelt het een en ander mede over een geval van cysticercosis bij een
io-jarige hond in Hanoi, (Tonkin). In 1919 constateerde hij nl. voor de eerste
keer cysticercosis bij een hondencadaver, welke hond tijdens het leven verschijn-
selen van hondsdolheid had vertoond.

Toen men dit eenmaal had waargenomen, zocht men systematisch bij alle
ter sectie komende honden naar finnen, met dit resultaat, dat men tusschen 1919—
1924 een 138 gevallen kon waarnemen.

Terecht zegt dan ook Bergeon dat dit wel een bewijs is in hoe sterke mate
deze parasitaire aandoening onder de hondon te Tonkin kan voorkqmen ; hetgeen
trouwens niet te verwonderen valt als men in aanmerking neemt de frequentie
van taeniasis bij de inboorlingen. Alle honden hadden Cysticercus cellulosae, terwijl
Cysticercus inermis niet werd gevonden, ofschoon de taenia saginata eveneens
sterk verspreid onder de inlandsche bevolking voorkomt.

Natuurlijk zal zeer zeker de mensch zich herhaaldelijk met cyst. cellulosae
besmetten, gezien het feit, dat de inboorlingen vrijwel rauw het vleesch van hon-
den opeten. Na de ingewanden uit de honden te hebben verwijderd, wordt het
dier door middel van een stroovuur afgebrand en daarmee is de toebereiding
afgeloopen. De conclusie van don schrijver is dan ook, dat ,,1\'inspecteur de bou-
cherie" systematisch naar cysticercosis bij honden een onderzoek behoort in te
stellen.

Over de betrouwbaarheid en de praktische waarde van het Federgetal. (Ueber die
Zuverlässigkeit und den praktischen Wert der sog. Federschen Zahl.
Prof. Bongert
und Dr. Muchlinsky, Arch. f. wissenschaftl. und prakt. Tierheilkunde, Bd. 57,
4de Heft).

Ofschoon er reeds door verschillende onderzoekers op gewezen is, dat de be-
paling, dat het Federgetal bij vleeschwaren niet boven 4 mag komen, geheel on-
juist is en men herhaaldelijk vleeschwaren kan aantreffen, die van geheel normaal
vleesch zijn gefabriceerd on toch nog een hooger Federgetal hebben, hebben
Bon-
gert en Muchlinsky nog eens een uitvoerige studie over dit onderwerp verricht,
naar aanleiding van een veroordeeling, berustende op een te hoog Federgetal
van gehakt.

Zij constateerden daarbij, dat de verhouding tusschen het organisch niet-vetge-
halte en het watergehalte in vleesch niet constant is, zooals altijd wordt beweerd,
maar van verschillende factoren, als ouderdom, geslacht, diersoort en spiergroep,
afhankelijk is.

De meening van Feder, dat het watergehalte van het vetweefsel in het vleesch
zeer minimaal is, dat dus het water hoofdzakelijk gebonden is aan het spie. weefsel
zelf, is niet juist. De ademhalingsspieren bij de volwassen slachtdieren, en verder
vooral het vleesch van kalveren en varkens en het vetweefsel van verschillende
diersoorten heeft dikwijls een Federgetal hooger dan 4. Het Federgetal berust
dus niet op een voldoend wetenschappelijk vaststaande basis.

Door het rooken wordt verder het watergehalte in worsten ongeveer 10 %
minder, terwijl bovendien nog een verschil wordt opgemerkt, tengevolge van een
verandering in de verdamping, tusschen de onder in de rookkast, vlak boven de
warmtebron hangende worsten en de heel hoog hangende vleeschwaren. De onderin
hangende worsten hebben nl. een aanzienlijk grooter water ver lies.

-ocr page 1276-

Ofschoon iedere deskundige het er mee eens is. dat een toevoeging van water
aan vleeschwaren zeer is af te keuren en als een vervalsching is te beschouwen,
geeft een beoordeeling door middel van liet Federgetal geen voldoende waarborg
daarvoor.

Eenigszins te gebruiken is deze methode, en dan nog slechts bij een herhaald
onderzoek, bij rundergehakt. Bij gehakt, waarin varkensvleesch is verwerkt,
is de methode absoluut af te keuren, daar het vleesch van volkomen gezonde,
normale varkens dikwijls zelfs een Federgetal van 5 kan hebben.

Over de toevoeging van nitraten en nitriten aan vleeschwaren. (Der Nitrat- und
Nitritzusatz zu Fleischwaren.
Kolbe. Zeits. f. Fleisch- und Milchhyg. Jg. 39 pg,.
173)-

Terwijl bij toevoeging van gewone salpeter (kaliumnitraat) aan vleesch, dat
later op normale wijze gepekeld wordt, het nitraat in ongeveer 3 weken wordt
omgezet in nitriet, heeft deze reductie veel sneller plaats bij inwerking van warmte,
terwijl dan tevens onder invloed van bacteriegroei een veel grootere hoeveelheid
nitriet kan worden gevormd. Vooral zou dit het geval zijn bij gehakt en worst-
materiaal. In dit verband is daarom een onbeperkte toevoeging van gewone sal-
peter aan vleesch bij de bereiding van vleeschwaren niet zonder meer als ongevaar-
lijk te beschouwen.

Naar de meening van Kolbe is daarom een nadere bestudeering van dit vraag-
stuk ten zeerste aangewezen. Reeds deed hij in deze richting enkele nog niet geheel
afgesloten proefnemingen op het laboratorium van het slachthuis te I.eipzig.
Hij vond o. a. dat jonge katten ernstig ziek werden bij toediening van 0.1 gram
salpeter. Een kat stierf zelfs na per os 60 mgr. te hebben gekregen.
Kolbe merkt
hierbij op, dat het bekend is, dat bij jonge individuen de maag zeer gevoelig is
voor salpeter.

Gärtnerinfecties bij het rund. (Gehäuftes Vorkommen von Gärtnerinjektionen.
Haffner, Zeitsch. f. Fleisch- und Milchhyg., Jg. 39, pg. 193).

In Düren en omgeving werden van 1 Jan.—einde October 1928 door Haffner
bij een 15-tal kalveren en 1 koe Gärtnerinfecties waargenomen en nader uitgewerkt.
Slechts in één dezer gevallen, waarbij vermoedelijk het zieke dier reeds grooten-
deels hersteld was, werden geen Gärtnerbacillen gevonden, fn alle andere gevallen
vond hij een algemeene septicaemie. Van dc verschillende organen bleken de milt
en nieren in 100 % bacillen te bevatten, het beenmerg van het opperarmbeen
in 77 %• vleeschlymphklieren in 92 % en het
spierweefsel zelf in 46 %.

In twee gevallen konden in den darminhoud Gärtnerbacillen aangetoond worden,
zoodat deze dieren de infectie op andere dieren hebben kunnen overbrengen.
In de musculatuur waren de bacillen meestal pas na het ,,Anreicherungsver-
fahren" van CoNRADi aan te toonen. De meeste gevallen waren vrij acute gevallen,
waarin de kalveren wegens ziekteverschijnselen in nood moesten worden geslacht.

Wat betreft de beoordeeling van de Gärtnerinfecties bij kalveren (de z.g. para-
typhosis) meent
Haffner, dat mon in de gevallen, waarbij de z.g. miliaire orgaan-
necrose aanwezig is, een mildere beoordeeling moet aannemen. (Gewoonlijk vindt
men in deze gevallen bij het bact. vleeschonderzoek wel Gärtnerbacillen in de
organen, echter bij uitzondering in de musculatuur. deG.) Het vleesch van derge-
lijke dieren mag men z. i. slechts dan geheel afkeuren, als men in het spierweefsel
zonder eenige „Anreicherung" Gärtnerbacillen kan aantoonen.

Naar de meening van Haffner zou men vooral bij de vleeschkeuring meer
aandacht aan de orgaanafwijkingen moeten besteden en zou in vele gevallen het
gebruiken van een loupe, om eventueel aanwezige necrotische leverhaardjes te
ontdekken (voorgeslagen door
Bourmer en Doetsch), zijn aan te raden.

(Men moet m. i. hierbij niet uit het oog verliezen, dat in vele gevallen deze
necrotische haardjes niet aanwezig behoeven te zijn en dan slechts een sterk ge-
zwollen milt en nieren eenig vermoeden op het aanwezig zijn van een Gärtner-
infectie kunnen opwekken,
de G.).

Vooral zou men, volgens Haffner, nauwkeurig moeten letten op afwijkingen

-ocr page 1277-

in de longen. Hij vond nl. hierin steeds gehepatiseerde, scherp begrensde pneu-
monische haardjes, alsmede talrijke min of meer kleine bloedingen en een sterke
injectie van de interlobulaire bloedvaten. Vindt men, naast deze longveranderingen,
ook nog een gezwollen lever of milt of bloedingen in de lever, dan is het nood-
zakelijk een nader bakteriologisch onderzoek van organen en vleesch te verrichten.

Bij kalveren, die tijdens het leven reeds ziekteverschijnselen vertoonen, moet
men vooral aan de lever alle aandacht schenken.

Wat betreft de oorzaak van dit groot aantal positieve gevallen in de omgeving
van Diiren meent
Haffner, dat dit in verband staat met het uitleggen van ratin-
culturen, ter bestrijding van ongedierte, welke ratinculturen zeer dikwijls in Diiren
c. a. worden gebruikt. Een positief bewijs voor dit vermoeden kon hij niet geven.

Uit de praktijk der paratyphusbestrijding. (Aus der Praxis der Paratyphusbe-
kampfung.
Rimpau, Zeitsch. f. Hygiene, 1929, pg. 44).

Onder mededeeling van een groot aantal persoonlijke waarnemingen wijst
Rimpau op de moeilijkheden, welke men ontmoet bij de bestrijding van de para-
typhus van den mensch. Deze moeilijkheden zijn z. i. grootendeels hiervan het
gevolg, dat de paratyphus-bacillen, behalve bij den mensch, ook bij slachtdieren
en bij andere in nauw contact met den monsch levende knaagdieren (als ratten
en muizen) voorkomen. Dientengevolge bevat het gewone vleesch en vleeschwaren
menigmaal op onverklaarbare wijze paratyphusbacillen en is ook de omgeving van
den mensch niet zelden met deze bacillen verontreinigd. Dergelijke gevallen
vormen dan infectiebronnen voor den mensch, welke dikwijls slechts met moeite
zijn te ontdekken.

Verder bespreekt Rimpau het vraagstuk van de bacillendragers, waarbij men
z.g. „Kurzausscheider" (of alimentaire Ausscheider) moet onderscheiden, welke
personen slechts zeer kort een gering aantal bacillen met faeces uitscheiden en
dus lang niet zoo gevaarlijk zijn als de z.g. „Dauerausscheider".

Aan den hand van een vleeschvergiftigingsgeval toont Rimpau aan, dat bij
de paratyphus van den mensch vooral het aantal opgenomen ziektekiemen voor
het optreden der ziekte van groote betoekenis is. Ook bespreekt hij hot voorkomen
van paratyphusbacillen bij gezonde koeien en een geval van paratyphus-B.-
infectie bij een rund, door
Hopfengartner nader beschreven in de Miinch. Tier
arztl. Wochensch. (1929, pg. 185).

Een samenwerking iusschen veterinaire en medische autoriteiten is op dit gebied
derhalve b slist noodzakelijk.

Ook acht Rimpau het niet onmogelijk, dat van uit een varkensstal paratyphus-
bacillen kunnen komen in kaas of melk. Verder ijvert hij voor strenge reinheid
in gelatinefabrieken, daar paratyphusbacillen in opgedroogdon toestand minstens
3 maanden lang op gelatine levensvatbaar blijven, zoodat, bij gebruik van besmette
gelatine bij de voedselbereiding voor den mensch, op dergelijke wijze geconser-
veerde bacillen zeer gemakkelijk weer kunnen uitgroeien en zich vermeerderen.

Een mosselvergiftiging in Californië. (Ueber Muschelvergiftungen in Kalifornien.
Meijer, Zeits. f. Fleisch- und Milchhyg., Jg. 39, pg. 210).

In de omgeving van San Francisco trad plotseling in Juli 1927 een massaver-
giftiging op bij meer dan 100 personen na het nuttigen van op de zeekust ver-
zamelde mossels (Mytilus Californianus). Vele van deze personen stierven. Deze
giftige mossels waren uitwendig op geenerlei wijze te onderscheiden van niet
giftige exemplaren ; na het openen kwam echter een onaangename, aan bedorven
vleeschnat herinnerende lucht te voorschijn. De z.g. ,.lever" of verteringsklier
was bij deze mossels steeds vergroot, groen gekleurd en murw van consistentie.
Niettegenstaande men talrijke, zoowel giftige als niet giftige mossels langs den
geheelen kustlijn over een 200 K.M. lengte heeft onderzocht, gelukte het niet,
de oorzaak van deze giftigheid te vinden.

Daar de paralytische vorm van mosselvergifitiging altijd uitsluitend in den zo-
mer, echter nooit in de wintermaanden wordt waargenomen, krijgt men, volgens
Meijer, den indruk, dat deze giftigheid misschien in verband zou staan met den

-ocr page 1278-

paaitijd en dat er in het onderhavige geval een stofwisselingsstoornis zou aanwezig
zijn. De giftige mossels waren met geslachtsproducten overvuld. Daarbij moet
z. i. worden aangenomen, dat bepaalde, echter overigens nog onbekende voedings-
diertjes (Dinoflagellaten) de stofwisseling verder hebben beinvloed en tot het
giftig worden hebben aanleiding gegeven.

Twee voedingsbodems voor differentiatie van bacteriën der coli-typhusgroep.
(Ueber Ammonchlorid-Zitrat- und Ammonchlorid-Rhamnose-Nahrböden zur Diffe-
renzierung der Bakterien der Typhus-Coli Gruppe.
Knoth, Deutsche Tierarztl.
Wochensch., Jg. 37, pg. 337).

Ammoniumchloridecitraatagar en Ammoniumchloriderhamnoseagar, door Pesch
&
Maschke aangegeven als zeer geschikte differentiatievoedingsbodems voor
bacteriën van de coli typhusgroep, werden door
Knoth gebruikt bij een reeks
proefnemingen met 249 bacteriestammen. De beide voedingsbodems zouden
reeds na 24 uur een differentiatie mogelijk maken tusschen
Schottmüller, Bres-
lau
, Gartner en Colibacteriën. Breslaustammen (22 stammen) vertoonden op
beide bodems een goede groei, Gartnerbacteriën (129 stammen) een zeer minimale
groei, Schottmüllerbacteriën (25 stammen) groeiden op citraatagar als
Breslau,
op rhamnoseagar als Gartnerbacteriën.

Colibacteriën (14 stammen) en 10 stammen van de groep B.coli intermedium
groeiden op citraatagar zeer minimaal, op rhamnoseagar zeer overvloedig. Bij
afwijkende resultaten bestond overeenstemming tusschen de groei op de beide
bovengenoemde voedingsbodems en de kleuromslag in rhamnosemelk. Zelfs bij
zwak agglutinabele stammen kon dit worden waargenomen.

Voor degene, die van het onderwerp een speciale studie maakt, is een bestu-
deering van het oorspronkelijke artikel aangewezen.

Over de verspreiding van paratyphusbacillen door het lichaam bij witte muizen.
(Studiën über den Infektionsmechanismus bei verschiedenen Paratyphus hijektionen
an weiszen Mausen.
Orskov und Moltke, Zeits. f. Immunitatsf. Bd. 59, pg. 357).

De door een orale infectie in het darmkanaal terecht gekomen Breslaubacteriën
passeeren eerst de darmmucosa en kunnen in de mesenteiiale lymphklieren het
eerst worden teruggevonden. Zelfs bij gebruik van zeer virulente stammen zagen
Orskov & Moltke noch bij geheel volwassen muizen, noch bij jonge muizen,
een directe overgang vanuit het darmlumen in het bloed.

Korten of langeren tijd na de infectie van de regionaire darmlymphklieren
werden de bacteriën in lever en milt aangetroffen. Steeds waren dan echter ook
al de periphere lymphklieren geïnfecteerd, wat er op zou wijzen, dat de infectie
zich vanuit de regionaire darmlymphklieren langs haematogenen weg verder
zou hebben voortgeplant. Daar de bacteriën reeds zeer spoedig uit het bloed ver-
dwijnen, kan men niet op elk tijdstip van de infectie ze in het bloed terugvinden.

Heeft een orale infectie van het darmlumen plaats gehad, dan verdwijnen de
bacteriën reeds spoedig uit dit lumen en worden dan pas weer, in den regel geruimen
tijd nadat de bacteriën in de lever zijn aangekomen, opnieuw in het lumen terug-
gevonden. Een entcrotropismus was dus blijkbaar bij deze bacteriën niet aan-
wezig.

Paratyphus B.bacillen verdwijnen insgelijks zeer snel uit den darm, dringen echter
gewoonlijk hoogstens tot in de regionaire mesenteriale lymphklieren door, alwaar
zij maanden lang virulent kunnen blijven, alvorens zij langs haematogenen weg
zich door het geheele lichaam verspreiden. Tot een algemeene infectie komt het,
althans bij de witte muizen, echter meestal niet.

Een overwonnen infectie geeft tegenover een nieuwe infectie slechts een relatieve
immuniteit. De regionaire lymphklieren van het darmkanaal worden bij dergelijke
dieren weliswaar weer even spoedig opnieuw besmet ; de bacteriën worden dan
echter relatief snel vernietigd. Uit de proeven bleek niet, dat, zooals
Besredka
aangeeft, een locale darmmucosa-immuniteit zou aanwezig zijn.

-ocr page 1279-

De beoordeeling van het vleesch van dieren met sterke vermagering. (Ueber die
Beurteilung des Fleisches bei ,,hoehgradiger Magerkeit".
Fr. Kornherr, Der Öster-
reicli. Tierarzt., Jg. 2, pg. 65).

In Oostenrijk bestaat, volgens Kornherr, het volgende voorschrift bij het
aanwezig zijn van sterke vermagering van een slachtdier : ,,Als minderwertig ist
das Fleisch jener Tiere anzuschen, bei welchen hochgradige Magerkeit, die nicht
durch eine Krankheit bedingt ist, sichergestellt wird".

Ingevolge deze bepaling moet het vleesch van sterk vermagerde dieren op den
vrijbank verkocht worden.
Kornherr meent, dat deze beslissing niet juist is.
Immers in de bekende handboeken vindt men vermeldt, dat het magere vleesch
voor iedereen zonder meer kenbaar is, zoodat het niet apart door den keurings-
dienst als zoodanig behoeft te worden aangemerkt. Verder is mager vleesch goed
te gebruiken voor de worstfabricatie. Het eenige nadeel zou zijn, dat het in ge-
kookte of gebraden vorm zeer sterk ineenschrompelt, taai wordt en een droge,
draderige smaak heeft.

Om te voorkomen dat de slager het magere, goedkoopere vleesch te veel in zijn
worst zou verwerken en dientengevolge te veel daarmee zou verdienen, heeft men
nu, volgens
Kornherr, bovenstaande bepaling gemaakt. Deze vrijbankverkoop
brengt echter mede, dat het door de menschen, die het vleesch koopen, wel in
gekookten of gebraden toestand wordt genuttigd, wat z. i. niet goed is te keuren.

De eenige goede bestemming voor dergelijke vleesch is, het te verwerken tot
worst.
Kornherr slaat daarom voor, het vrijbankinstituut te voorzien van een
worstfabricatieafdeeling, waarvoor dan uitsluitend de zeer magere koeien mogen
worden gebruikt.

Een vleeschvergiftiging in Schwerin in December 1928. (Die Fleischvergiftung
in Schwerin im Dezember
1927. Knoth, Zeitsch. f. Infekt. Krankh. der Haustiere,
1928, pg. 192).

Al is bovengenoemde vleeschvergiftiging niet in ons land voorgekomen, uit elke
beschrijving van zoo\'n geval isiets te leeren, weshalve ik ze hierin het kort refereer.

Een groot aantal personen (30 patiënten) werden ziek na gebruik van rauw
gehakt. Na het nuttigen van gebraden gehakt kwamen geen ziektegevallen voor.
Kontaktinfecties van mensch op mensch werden niet waargenomen.

De ziekteverschijnselen bestonden uit koorts, rillingen, braken en diarrhee;
miltvergrooting en roseolae kwamen niet voor. Bijna alle patiënten werden na
3—7 dagen beter.

Bij het bact. onderzoek van het, in de slagerij, in beslag genomen vleesch van
3 runderen kwamen in het vleesch van één rund Gartnerbacillen voor. Deze koe,
die 2 dagen van te voren op het slachthuis te Schwerin geslacht was, zou aan
chronische digestiestoornissen geleden hebben. Bij de levende keuring was niets
bijzonders opgemerkt ; bij de geslachte keuring werden sarcomateuze tumoren
aangetroffen in de hartmusculatuur, bronchiale en nierlymphklieren, lever en
wand van de lebmaag, vooral uitgebreid tot in de pylorusstreek. Deze veranderin-
gen in het pylorusgedeelte werden door den onderzoekenden dierenarts als een
mechanische hindernis beschouwd en als oorzaak van de verteringsstoornissen
aangezien. Het vleesch werd daarom zonder eenige beperking in consumptie
toegelaten.

Het serum van 2 patiënten agglutineerde de uit de faeces der patiënten, uit
het gehakt en uit het rundvleesch gekweekte bacteriën.

Om de infectiebron op te sporen werd een onderzoek ingesteld naar den gezond-
heidstoestand en de stalhygiëne bij den betrokken veehouder, waarvan de besmette
koe afkomstig was. Van een 50 runderen en eenige kalveren werden bloedmonsters
genomen en onderzocht op agglutininen. Verder werden 43 faecesmonsters van
het vee en 2 monsters faeces van personen, die altijd met het vee omgingen, nog
nader onderzocht. Geen enkele aanwijzing werd echter verkregen. Het was der-
halve onbeslist, of een intravitale infectie van het bewuste rund of een z.g. infectie
intra-mortem aanwezig is geweest. Een postmortale besmetting was met alle
zekerheid uit te sluiten.
 de Graaf.

-ocr page 1280-

ZIEKTEN VAN KLEINE HUISDIEREN EN LABORATORIUM-DIE REN.

The survival of the ova of toxocaracanis (belascaris marginata) under field con-
ditions.
W. B. Owen, Journ. Am. Vet. Med. Ass. 1928, No. 1.

Nagegaan werd het weerstandsvermogen van spoelwormeieren t. o. v. lage
temperaturen. Gedurende een geheelen winter, werden spoelwormeieren met aarde
vermengd en in bloempotten gedaan, in den grond buiten bewaard. Na afloop
hiervan kon worden aangetoond dat 74—80 % der eieren den winter overleefd
hadden, zich weer tot larven konden ontwikkelen en in staat waren daarvoor
geschikte dieren te besmetten. De laagste temperatuur in den grond was —14.31°
C. geweest. Volgens
Owen is het dan ook niet juist te meenen dat kennels waarin
gedurende een geheelen winter geen dieren (b.v. vossen) verblijf hadden gehouden,
geen gevaar voor worminfectie meer zouden opleveren.

Ein Fall von Milzbrand bei einem Hunde. Trepel, Berl. Tierärztl. Woch. No. 22,
1928.

Miltvuur komt zelden bij den hond voor ; de hond is weinig vatbaar voor deze
infectie.

Tepel doet daarom mededeeling van een door hem waargenomen geval.

Twee honden hadden bloed van een aan miltvuur lijdende, uit nood geslachte
koe, opgelikt. Eén der honden werd 4 dagen daarna ziek en stierf reeds denzelfden
dag. Het dier had geen eetlust en had zwellingen in de keel- en onderhalsstreek

Microscopisch werden miltvuurbacillen aangetoond.

De andere hond, die eveneens ziek werd, kreeg 1 eetlepel van een 2 % creoline-
oplossing per os toegediend en was een dag later weer gezond.
Trepel is over-
tuigd dat ook in het laatstgenoemde geval, wel miltvuur in het spel zal zijn ge-
weest.

Alenkaemische Hyperplasie der Lymphfollikel im Mastdarm eines Hundes. Claus-
sen,
Berl. Tierärztl. Woch. No. 14, 1929.

Bij een twee jaar ouden dog, bleek het endeldarmslijmvlies bedekt te zijn met
speldenknop- tot lensgroote follikels. De knobbeltjes bevonden zich onder de
mucosa en bestonden uit een ophooping van leucocyten ; voornamelijk lympho-
cyten en lymphoblasten.

De bloedbevindingen waren normaal. Als diagnose werd gesteld, aleucaemische
hyperplasie der lymphfollikels.

Urobilinnachweis im Harn bei gesunden und kranken Hunden. W. Dörge, Diss.
Leipzig, 1929, Ref. Deutsch. Tierärztliche Woche. 1929, S. 296.

Toegepast werd voor de quantitatieve urobilinebepaling de methode van Adler.

Hierbij wordt het urobilinogeen in urobiline omgezet De gemiddelde dagelijksche
urobilineuitscheiding bleek bij een gezonden hond 7.75—97.29 m.gr. te bedragen.

Bij levercirrhose bedroeg de uitscheiding wel 1.5 gr. Ook bij ascites, als gevolg
van leverlijden ontstaan, bleek deze verhoogd te zijn. Bovendien werd een ver-
meerderde uitscheiding gevonden in gevallen van gastro-enteritis, chronische
nephritis, tuberculose, purulente metritis en hondenziekte.

Ueber den prognostischen Wert des Indikans im Blutserum bei Nierenentzün-
dungen.
Krokiewicz, Virch. Arch. 1927.

Krokiewicz heeft bij een 75-tal nierpatiënten, rest N.- en indicanbepalingen
van het bloedserum gedaan. Hij meent gevonden te hebben, dat de uraemie op
een vermeerdering van phenolachtige stoffen in het bloed terug te voeren is en
niet berust op een verhooging daarin van de reststikstof. Volgens hem heeft de
indicanbepaling groote prognostische waarde bij alle vormen van nierlijden. Ver-
meerdering van de reststikstof in het bloedserum kwam daarbij niet steeds voor.
De bepaling ervan zou dan ook noch diagnostisch, noch prognostisch veel waarde
bezitten.

Munnik, die indertijd het indicangehalte bepaalde in het bloed van den hond,
kwam daarbij tot de conclusie, dat voor de diagnose en prognose van nephropathie
en uraemie bij den hond, de bepaling van het indican in het bloed of serum geen
groote waarde heeft. Ref.).

-ocr page 1281-

Verkalkungen und Nekrosen in den Nebennieren von Katzen unter einem halben
Jahr.
W. Bägli, Schweiz. Arch. f. Tierh. Bd. 70, 1928, H. 7—8.

Door Bägli kon worden aangetoond dat kalkafzettingen in de bijnieren van
katjes beneden het halve jaar voorkwamen. Ten deele berustte zulks op kalk-
afzettingen in thrombi. Necrose kwam voornamelijk als colliquatienecrose voor.
Veelvuldig waren abnormale kernvormen. Het bleek dat de bloedverzorging der
bijnieren bij de jonge katjes een zeer gebrekkige was. De duidelijke vervetting
der epitheliën was eensdeels een gevolg van de minder goede bloedvoorziening,
anderdeels ook daarvan dat deze nog slechter werd. Welk primair lijden de oor-
zaak van de bijnierveranderingen was kon niet worden aangegeven.

Die interferometrische Methode ein Hilfsmittel zur Erkennung von Lebererkran-
kungen unserer Haustiere.
R. Stetter, Münch. Tierärztl. Woch. No. 23, 1928.

Bij honden werd bovenvermelde methode van onderzoek voor het onderkennen
van leveraandoeningen niet bruikbaar bevonden.

Die Methode der Blausäurevertilgung und deren Gefährlichkeit für den Aus-
führenden Tierarzt.
G. Mikuschka, Wien. Tierärztl. Woch. H. 16, 1928, S. 703.

Allereerst zij opgemerkt dat in Oostenrijk het woord „Vertilgung" ook wordt
gebruikt in de beteekenis van het dooden (afmaken) van dieren. Aanvankelijk
werd door
Mikuschka hiervoor bij den hond gebruik gemaakt van een 2 % wa-
terige oplossing van blauwzuur.

Het watervrije blauwzuur is zeer giftig ; 0.05 gr. daarvan is reeds doodelijk
voor een grooten hond. M. vermeldt dat bij intrathoracale injectie van de 2 %
oplossing de dood reeds na 5—25 seconden volgt ; daarbij werden tetanische
krampen gezien.

Later werd door M. een 10 % blauwzuuroplossing aangewend ; hiermede werd
een snellere dood verkregen. Honden van 40—50 K
.G. stierven na injectie van
2—3 c.c. binnen de 2—5 seconden. Op zekeren keer evenwel had M. een ongeluk
met het fleschje waarin zich deze sterkere oplossing bevond. Door inademing
van de blauwzuurdampen werd hij bijna het slachtoffer. Dit was de reden tot het
schrijven van het artikel en te waarschuwen tegen het gebruik van sterke blauw-
zuuroplossingen. Sedert deze gebeurtenis wordt nog slechts de 2 % blauwzuur-
oplossing voor het dooden van honden door hem aangewend.

Etude de 1\'obésité chez le chien ; son traitement par les extraits opotherapiques
pluriglanduläres.
M. R. Mannaut, Ree. de Méd. Vét. T. CIV, 1928.

Mannaut wijst erop dat het lichaamsvet niet alleen ontstaat uit het toegevoerde
vet, maar dat bovendien de opgenomen koolhydraten en misschien ook nog de
opgenomen eiwitten als bronnen hiervan dienen te worden beschouwd. Bij de
algemeene stofwisseling speelt de gl. thyreoidea een groote rol. Bij drie door hem
onderzochte vette honden kon evenwel geen hypothyreoidie, m. a. w. geen stoornis
in de stofwisseling als gevolg van een verminderde functie der schildklier worden
aangetoond. Hij denkt veeleer bij een verminderd basaalmetabolisme van den
hond aan een onvoldoende werkzaamheid van de geslachtsorganen en gelooft dat
in die gevallen het gebruik van pluriglanduläre extracten en wel voornamelijk
ook die van de geslachtsklieren, verbetering kan brengen. Vetzucht wordt veel-
vuldig bij den hond, vooial de kleinere rassen, gezien en wel voornamelijk bij die
dieren die veel eten — niet alleen vet, maar ook koolhydraten en suiker — en
weinig beweging hebben. Met toediening van ovarothyreoidine of orchidothy-
reoidine, in kleine hoeveelheden meent hij succes te hebben gehad. Hierdoor
wordt de verbranding benevens de long- en periphere bloedcirculatie bevorderd.

Veenendaal.

-ocr page 1282-

I. BREEDVELD. f

Na een kort en smartelijk lijden overleed op 4 November jl. te
Amsterdam de heer
I. Breedveld, in den ouderdom van 56 jaar.

Izaak Breedveld werd den 2isten Juni 1873 te \'s-Gravendeel
geboren, alwaar zijn vader langen tijd als Hoofd der School werk-
zaam was. Begaafd met een helder verstand, volgde hij met succes
van 1891—1895 de lessen aan de toenmalige Rijks veeartsenij school
en behaalde in den kortst mogelijken tijd het diploma van veearts
en wel op 19 Juli 1895. Vanaf r October 1895 tot 1 October 1896
was
Breedveld werkzaam als assistent bij wijlen den heer W. C.
Schimmel, toenmaals Leeraar aan de Rijksveeartsenijschool.
Maar reeds einde October 1896 vertrok hij naar Bindjei, Oostkust
Sumatra nadat hij de practijk aldaar had overgenomen van wijlen
collega
E. Kortman. Terstond brak er voor Breedveld een tijd
van hard werken aan in een voor hem geheel nieuwe en vreemde
omgeving; maar jong, energiek en bekwaam als hij was, wist hij
al spoedig aldaar het vertrouwen te winnen van de planters, wier
veestapels op de talrijke ondernemingen aan zijne hoede waren
toevertrouwd. Geheel onverwachts trad in de laatste jaren van de
vorige eeuw een ernstige malaise in de cultures in, waardoor
ook de inkomsten van
Breedveld werden bedreigd. Een aanbod
om gouvernementsveearts te worden meende hij toenmaals te
moeten aannemen en zoo trad hij in het jaar 1900 in dienst van het
Gouvernement als gouvernementsveearts, echter om deze betrek-
king reeds een jaar later, na gevraagd en verkregen eervol ontslag,
te verlaten. Zijn hart trok hem weder terug tot de practijk, welke
hij zeer liefhad. Na het jaar 1900 brak er voor
Breedveld een ge-
lukkige tijd aan. Zijn inkomsten vermeerderden jaarlijks belang-
rijk en hoewel er zeer hard moest worden gewerkt, bleef er toch
tijd over voor gepast vermaak in een omgeving, alwaar uit den
aard der zaak vlot werd geleefd. Eerst in 1908 keerde hij voor
eenigen tijd naar Nederland terug en van af dat jaar dateert mijne
intieme kennismaking met dezen collega, dien ik zeer heb leeren
hoogachten en waardeeren. Tijdens zijn verlof vestigde hij zich
met zijn gezin in Utrecht en verzocht hij mij om dagelijks de vee-
en vleeschkeuring op het abattoir te Utrecht te mogen volgen,

LVI 85

-ocr page 1283-

hetwelk ik gaarne toestond. Na een jaar keerde hij opgefrischt en
monter naar Indië terug en begon opnieuw zijn drukke practijk,
die zich steeds uitbreidde.

Ongeveer in het midden van het jaar 1917 schreef hij mij uit-
voerig en verzocht mij zoo spoedig mogelijk een jong collega naar
Indië uit te zenden, teneinde hem te vervangen en zoo mogelijk,
zijn practijk over te nemen. Hij meldde mij, dat zijn zenuwgestel
ernstig had geleden en hij zeer naar rust verlangde. Maar wij
leefden alhier in den tijd van de mobilisatie ; vele jonge en flinke
collega\'s, uit welke ik zoo gaarne een keuze had gedaan voor uit-
zending naar Indië, waren als reserve-paardenarts gemobiliseerd
en konden geen verlof krijgen om buitenlandsch te gaan.

Telegram op telegram werd gewisseld en uit een zeer beperkt
aantal kon ik ten slotte een collega kiezen, die bereid was zoc
spoedig mogelijk naar Indië te vertrekken. Daarna keerde
Breed-
veld
terug met zijn drie kinderen.

Hij is later uit een zakelijk oogpunt nog twee malen naar Bindjei
voor eenige maanden heen en terug gereisd. Merkwaardig genoeg
deelde hij mij mede, toen hij van zijn laatste reis terugkeerde,
niet meer tegen het klimaat bestand te zijn. Voor een werkzaam
man als
Breedvf.ld was het nu de vraag — een vraag, die voor
zooveel personen, welke lang in de tropen hebben gewerkt en op
ruim middelbaren leeftijd terugkeeren dikwijls een puzzlc is, een
nieuw arbeidsveld in Nederland te vinden.

Wederom had ik het voorrecht hem hierin van advies te kunnen
dienen en adviseerde hem onmiddellijk zich in verbinding te stellen
met den Directeur van het abattoir te Amsterdam, teneinde dezen
te vragen of hij niet kon worden opgenomen onder het corps tij-
delijke ambtenaren, die gedurende minstens een tweetal dagen
per week bij de keuring van het slachtvee assisteeren. Het gevolg
hiervan was al spoedig een tijdelijke aanstelling als veearts aan ge-
noemde inrichting en deze betrekking heeft
Breedveld bekleed
tot Dinsdag 29 October jl. toen het noodlot wilde, dat hij zich bij
de keuring met het mes verwondde en spoedig daarna aan bloed-
vergiftiging in het Burger-Ziekenhuis overleed.

Op Donderdag 7 November, een schitterenden herfstdag, waren
een groot aantal collega\'s en vele vrienden van den overledene
op de Oosterbegraafplaats te Amsterdam samengekomen, ten einde
Breedveld de laatste eer te bewijzen.

-ocr page 1284-

Aan het graf sprak allereerst collega Reeser, die op sympathieke
en zeer gevoelvolle wijze de verdiensten van
Breedveld èn als
ambtenaar èn als mensch naar voren bracht. Daarna collega
Vrijburg, die eenige jaren gelijktijdig met Breedveld op Su-
matra\'s Oostkust de practijk uitoefende en hem steeds heeft leeren
kennen als een loyaal en prettig collega. Vervolgens sprak onder-
geteekende als speciale vriend en ten slotte de heer
Veexstra.

Diepbewogen, met een stem door tranen verstikt, dankte de
oudste zoon, student aan de Hoogeschool te Delft, ook namens
zijn zuster en broer, benevens uit naam der overige familie, ons
allen voor onze aanwezigheid bij het graf van zijn onvergetelijken
vader.

Hoefnagel.

Ook ik wensch op deze plaats collega Breedveld met een enkel
woord te gedenken. Met diep leedwezen las ik het bericht van zijn
plotseling overlijden.

Wij waren vele jaren samen in Deli de eenige particuliere dieren-
artsen, en ofschoon concurrenten werden wij goede vrienden en
zijn dat gebleven.

Hier in Holland was hij de laatste jaren referent van ons tijd-
schrift ; behalve uit de Indische Bladen gaf hij uittreksels uit de
italiaansche en spaansche tijdschriften en hij leerde zelfs ru-
meensch, om ook het rumeensche tijdschrift te kunnen refcreeren.
De redactie verliest in hem een ijverig, bekwaam, en moeilijk te
vervangen medewerker. Zij die het voorrecht hadden
Breedveld
nader te leeren kennen, zullen hem niet vergeten en nog dikwijls
aan hem denken. Hij was een nobel mensch, een trouwe vriend
en een collegiale collega.

A. Vrijburg.

-ocr page 1285-

RACHITIS, OSTEOMALACIE, OSTEOFIBROSE,

door

Prof. Dr. J. WESTER.

Vervolg van bladz. 1228

Osteomalacie, (Osteomalacia Adultorum, Osteoporose 1), Osteo-
malacici fraeturosa ; Beenbreekziekte).

Dat osteomalacie bij volwassen dieren in wezen identisch is met
de rachitis bij jongere dieren betwist niemand meer.

Het verschil berust op het al of niet volwassen zijn der aange-
taste dieren: in verband daarmede zijn bij osteomalacie de epiphyse-
grenzen normaal, bij rachitis niet. Dit blijkt wel het meest over-
tuigend uit het feit, dat experimenteel met rachitis-dieet bij oudere
dieren (wanneer een osteomalatisch proces überhaupt optreedt)
de osteomalacie resp. de z.g.n. „Osteoporose" is op te wekken.
Deze osteomalacie komt het meest, soms enzoötisch, voor bij koeien,
maar ook bij geiten en varkens vooral vóór en na de baring 2).
Bij paarden ziet men de ziekte zelden of nooit ; bij schapen nooit,
wellicht in verband met het feit, dat de schapen vrijwel steeds
buiten op de weide leven.

Ook bij honden komt de ziekte zelden voor.

Pathologische anatomie.

Bij osteomalacie geen endochondrale epiphysaire veranderingen
zooals bij rachitis ; ook de subperiostale veranderingen treden
op den achtergrond. Verdikkingen der gewrichten ziet men dien-
tengevolge weinig of niet. Bij niet volkomen volwassen dieren ziet
men overgangen tot de gewone rachitis („Spatrachitis"). De resorptie
van reeds gevormd been (lacunair en diffuus) treedt op den voor-
grond. Zoo ergens dan speelt hier halisteresis een rol. Het proces
begint in de spongiosa, later ook in de corticalis. Het been wordt
phosphor- en kalkarm en breekt gemakkelijk bij haardsgewijze
verbreiding („Knochenbrüchigkeit") ; bij heftig, snel verloop en
diffuse verbreiding is het been meer buigbaar en snijdbaar.
De
Haversche kanalen zijn verwijd, soms zeer wijd ; pleksgewijze
bestaat hyperaemie van het merg. De mergholte wordt door
resorptie der spongiosa en der corticalis grooter. Het merg schijnt
een resorbeerend vermogen te hebben gekregen. De spongiosa-
balkjes rareficeeren en worden plaatselijk zeer dun.

De spongiosa wordt haardsgewijze vezelig en fibreus, de cortis-
calis wordt soms zeer dun en pleksgewijze doorzichtig, op de grens

\') Zie over het begrip ,.osteoporose\'\' de noot op blz. 1208.

Bij gravide vrouwen zou volgens sommigen een „physiologische osteoma-
lacie bestaan
(Hanau).

-ocr page 1286-

van het merg en corticalis meer vezelig. De sterkste afwijkingen
vindt men in de wervels, de ribben, de femurs en de humeri.

Aetiologie.

Eenzijdige, slechte, vitamine-, kalk- en phosphorarme voeding,
op stal staan, gebrek aan licht en beweging, zijn de oorzaken ; de
drachtigheid en de lactatie bevorderen in sterke mate de ziekte
dcor kalkonttrekkir.g aan de beenderen.

Experimenteel kan men de ziekte bij oude ratten opwekken
door phosphorarm voedsel, waarbij het Ca-gehalte veel mindir
groote rol speelt, dit kan zelfs daarbij hoog zijn.
(Pappenheimer,
Hess, Mac Kaun).

Ca-arm dieet met voldoende phosphor geeft bij jonge ratten
zgn. „osteoporose", d. w. z. de trabeculae zijn gerareficeerd, het
been is breekbaar, maar de kraakbeenafwijkingen van de gewone
rachitis ontbreken of zijn veel minder sterk ontwikkeld.

Steenbock en Hart gaven aan een volwassen geit gedurende
3 maanden zeer weinig kalk met het voedsel, waarbij al dien tijd
de calciurnbalans negatief was. Toch ontstond in die 3 maanden
geen osteomalacie. Het dier werd alleen mager, kreeg harde
ontlasting en at tenslotte slecht. Met versch gras herstelde het
dier in weerwil van het lage calciumgehalte van het voedsel in
korten tijd, waarbij de calciurnbalans positief werd.

Honden verdragen zonder bezwaar kalkarm voedsel (vleesch).

Klinische ervaringen hebben bewezen, dat vooral na zeer droge
jaren rachitis en osteomalacie veelvuldig voorkomen bij runderen. Het
hooi is dan phosphor- en vitamine-arm. Op slechte gronden is dan de
ziekte endemisch en kan in sommige jaren massa\'s slachtoffers eischen.
Veel op stal staan, wat bij slechte hooioogst door droogte hier en
daar het geval is, praedisponecrt sterk. Bij koeien kan ook ge-
ensileerd voedsel, wellicht mede door vernietiging van vitaminen,
een rel spelen. Vooral geënsileerde bietenbladeren staan in een
slechte reuk hier en daar. Vitaminen spelen waarschijnlijk een
grooter rol bij dezen vorm van osteomalacie dan bij rachitis van
zeer jonge dieren. Drachtigheid en lactatie onttrekken veel kalk
en phosphor aan het organisme. Door een en ander komt de been-
breekziekte vooral in het voorjaar tot uiting bij drachtige dieren.
Hoewel door het enzoötisch, soms zelfs epizoötisch zijn van de ziekte,
de schijn kan ontstaan, dat infectie hieraan ten grondslag ligt,
heeft men nooit door overenting van bloed de ziekte kunnen over-
brengen
(Reisinger).

Symptomen.

De ziekte speelt zich af in den winter en het voorjaar vooral
bij stalstaande dieren. Het verloop is sleepend. Het belikken
van kalk- en zouthoudende voorwerpen (lekzucht1)), digestie-

Lekzucht kan ook zonder osteomalacie voorkomen en bij osteomalacie wel
ontbreken.

-ocr page 1287-

stoornissen, speekselen, nervositeit (schrikachtigheid, krampen)
zijn dikwijls prodromische verschijnselen bij het rund, maar vooral
bij het varken. Het kan zijn dat de ziekte abortief verloopt en het
hierbij blijft, zonder dat duidelijke verschijnselen van osteomalacie
optreden. In een later stadium loopen de dieren pijnlijk (tegen het
voorjaar), liggen veel, staan met stijve kromme rug en kromme
beenen ; (Afb. 14) de lange beenderen en vooral de ribben zijn
pijnlijk bijdruk. De dwarsuitsteeksels der lendenwervels zijn soms
indrukbaar. De dieren zijn dikwijls kreupel en breken soms schijn-
baar zonder aanwijsbare oorzaak (maar vooral bij transport en bij
de baring) een achterbeen of het bekken en schijnen dan verlamd.

De breuken zijn weinig pijnlijk, neiging tot callusvorming be-
staat dan haast niet (Afb. 15). De gewrichten zijn niet gezwollen.

Diffuse beenverdikkingen komen bij deze osteomalacie niet
voor.

Het bloedbeeld, pols en temperatuur zijn normaal. Het verloop
is koortsloos. De dieren zijn niet steeds mager (meestal toch wel).

Sommige verkeeren in goeden voedingstoestand.

Abortus treedt niet op, de pasgeboren dieren zijn meestal nor-
maal1).

Bij paarden komt een aangeboren beenzwakte voor, die vroeg
of laat leidt tot de vorming vanexostosen (spat, overhoef, schuifel)
verbeening van de hoef kraakbeenderen, osteïtis van het hoef-
been („osteitisme"). Dit gaat dikwijls gepaard met een laag phos-
phor- en calciumgehalte van het bloed en is als een lichte vorm
van osteomalacie (resp. „Spatrachitis") op te vatten.

Prognose.

Hoewel het regeneratievermogen van het been bij oudere dieren
uit den aard der zaak niet meer zoo groot is als in de jeugd, is de
prognose daarom niet zooveel ongunstiger te stellen, aangezien
aan de oorzaken gemakkelijker is tegemoet te komen.

Wanneer de dieren niet al te ziek zijn voor ze in de weide komen
is herstel steeds mogelijk.

P rophylaxis.

Betere hygiënische verzorging, veel buiten in de weide en lichte
ruime stallen, zal ook deze ziekte meer en meer kunnen doen ver-
dwijnen. Daarnevens is noodig betere cultiveering van den bodem
(bemesting met kalk en phosphorzuur). In sommige streken is
hierdoor de osteomalacie bij het rund verdwenen.

Toch leidt niet steeds sterke bemesting van den bodem tot dit
resultaat.

Men geve vooral drachtige dieren gevarieerd kalkrijk, phos-

Aangeboren rachitis komt niet voor. De aangeboren beenverkrommingen
en gewrichtsverdikkingen die bij kalveren wel worden gezien, berusten niet op
rachitische afwijkingen. (
Siegfried ; Steinert).

-ocr page 1288-

— 12.59 —

phorrijk en vitaminerijk voedsel. Het geven van phosphorzure
kalk verdient steeds aanbeveling. Aan drachtige koeien moet
een behoorlijken tijd, b.v. 2 maanden worden gegund, tusschen
twee opvolgende lactaties, om telkens weer een kalkdepöt
te
kunnen vormen.

Therapie.

Men verstrekke kalk- phosphor- en vitaminerijke voedings-
middelen (beendermeel, vischmeel, groenvoer). Aan de kalk
wordt wel eens met succes zoutzuur toegevoegd. Phosphor is
echter nog steeds het beste geneesmiddel, wanneer kalk en vita-
minen in voldoende hoeveelheid kunnen worden opgenomen.
Ook levertraan werkt zeer gunstig.

Gras voeder in het voorjaar doet wonderen. Melasse is als voor-
behoedmiddel en ook als geneesmiddel niet geheel onwerkzaam.

De adrenaline-therapie schijnt ook bij osteomalacie bevredi-
gende resultaten te geven
(Oppermann, Carougeau). Overigens
zie de therapie bij rachitis.

Osteofibrose : (Osteodystrophia fibrosa en deformans ; cachexie
osseuse ; Pseudorachitis ; Kleienkrankheit ; Kruschkrankheit ;
Maladie du son; Big head ; Schadelrachitis; Kieferrachitis ;
Schnüffelkrankheit).

Deze ziekte is evenals de rachitis en osteomalacie een systeem-
ziekte van het beenderstelsel, waarbij echter als karakteristiek
verschijnsel plaatselijke beenverdikkingen optreden.

Zij komt bij de meeste huisdieren voor (inclusief de apen) ; het
meest karakteristiek bij paarden, geiten en varkens. Bij schapen
is ze tot nu toe nog niet beschreven en zeer waarschijnlijk ook
nooit waargenomen. De ziekte komt bij jonge dieren zoowel als
bij oudere voor.

Algemeene symptomatologie.

De dieren vertoonen dikwijls vooraf de gewone verschijnselen,
zooals bij rachitis en osteomalacie optreden, (stijfheid, gewrichts-
verdikkingen) ; soms echter is te voren van pijn bij het staan en
gaan niets te bespeuren. Het eerste verschijnsel is dan het optreden
van een pijnlijke zwelling van de boven- en onderkaak, die grooter
en grooter wordt (Afb. 9c). Hierdoor kunnen de dieren op den
duur slecht kauwen en laten het voedsel weer vallen. De zwelling
der kaken is indrukbaar en pijnlijk bij druk. De tanden raken los,
de mond kan niet meer worden gesloten, de kin is verdikt. De
onderkaak wordt op den duur buigbaar ; kaakfracturen treden
veelvuldig op.

Op den duur kunnen de dieren geen vast voedsel meer tot zich
nemen. Zij worden mager en sterven tenslotte cachectisch.

Doordat de neusgangen tengevolge van weefselwoekering dicht
worden gedrukt snuiven deze dieren soms door den neus, en kan

-ocr page 1289-

sterke dyspnoe, soms zelfs asphyxie optreden. Dit komt vooral
bij varkens voor „Schnüffelkrankheit".

Klinisch kan men in een groot aantal der gevallen van osteo-
fibrose ook de gewone verschijnselen van rachitis en osteomalacie
waarnemen.

De gewrichten zijn ook bij oudere dieren soms verdikt.

Het komt echter toch vrij veelvuldig voor dat er overigens
geen klinische symptomen van rachitis, resp. osteomalacie, zoo-
als gewrichtsverdikkingen en pijnlijke gang, zijn waar te nemen.

Pathologische anatomie.

De ostitis fibrosa der dieren is een systeemziekte en niet een
plaatstelijk proces, al schijnt dit wel eens zoo. Naar mijn ervaring
tot nu toe blijken bij sectie alle beenderen te zijn aangetast, zij het
dat de intensiteit der veranderingen op verschillende plaatsen ver-
schillend is en het meest frappante hierbij de plaatselijke verdik-
kingen zijn.

Dit geeft recht de osteofibrose in één groep te brengen met
rachitis en osteomalacie
(von Recklinghausen), hoewel daar-
tegen pleit het afwijkend klinisch en pathologisch anatomisch
beeld en ook veelal de aetiologie.

Door sommige onderzoekers wordt dan ook deze ziekte afzon-
derlijk geplaatst
(Christellfr).

Bij varkens en geiten en paarden zijn vooral de kaken aange-
tast. De bovenkaken zijn tumorachtig verdikt : steeds bilateraal
echter niet steeds even erg links c-n rechts, waardoor wel eens
schijnbaar unilateraal. Het periost is meestal niet aangetast.

Van het been der bovenkaken is in de extreme vorm slechts
een zeer dunne indrukbare laag overgebleven en zelfs dit dunne
laagje kan op den duur verdwijnen. Deze laag dekt een tumor-
achtige zwelling van osteid weefsel, hetwelk gemakkelijk snijd-
baar is en macroscopisch gezien soms niets met beenweefsel ge-
meen heeft. Op frontale doorsnede blijkt, dat een sarcoomachtige
zwelling zich rondom de kiesrijen heeft gevormd en de kaak-
boezems opvult en al woekerende de neusgangen vrijwel dicht-
drukt. Bij honden en paarden hebben deze woekeringen neiging
tot cystevorming. (Afb. 13). (Afb. 17).

Microscopisch blijkt deze tumorachtige woekering te bestaan
uit bindweefsel met vele spoelvormige kernen. Osteoblasten, reu-
zencellen en kleine beensplinters liggen in het bindweefsel ver-
spreid. Deze laatste zijn veelal met een osteide laag bedekt,
terwijl aan de oppervlakte osteoklasten en reuzencellen te vinden
zijn. Deze tumorachtige verdikkingen gelijken op doorsnede veel
op sarcomen en werden daarvoor ook wel aangezien
(Virchow).

Ook de onderkaken zijn veelal knobbelig verdikt en vertoonen
dan dezelfde pathologisch-anatomische afwijkingen als de boven-
kaken (Afb. 11). De overige schedelbeenderen en ook de andere

-ocr page 1290-

deelen van het skelet hebben veelal de afwijkingen van rachitis,
resp. osteomalacie (Afb. 12 en 18). De skeletbeenderen vertoonen
echter niet alle macroscopische afwijkingen. Zij kunnen in vorm,
lengte en dikte dikwijls normaal zijn. Ook kan de beensubstantie
in een deel van het skelet normaal schijnen van hardheid, terwijl
andere beenderen verweekt zijn.

Microscopisch echter blijkt dat ook de normaal schijnende
beenderen toch reeds afwijkingen vertoonen. De beenbalkjes
der spongiosa blijken verdund en bedekt met een fibreus vlecht-
werk van osteid weefsel. De Haversche kanalen kunnen in een
macroscopisch normaal schijnende diaphyse toch vergroot zijn en
met granulatieweefsel gevuld. Kleine holtes gevuld met osteo-
klasten vindt men hier en daar verspreid
(Jöst).

Principieel is er echter feitelijk geen verschil tusschen de afwij-
kingen bij rachitis resp. osteomalacie en de osteofibrose. Slechts
kan worden gezegd, dat bij osteofibrose behalve van de kaken,
overal het been en het beenmerg meer neiging hebben tot fi-
breus osteid weefsel te worden dan bij de gewone rachitis en osteo-
malacie meestal het geval is, hoewel het ook bij de rachitis van
jonge dieren en ook bij de osteomalacie van oudere dieren volstrekt
niet zeldzaam is, dat men fibreuse haarden in de spongiosa vindt
en het merg in de peripherie vezelig is geworden.

Dit is dus geen principieel verschil. Toch gronden daarop alleen
vele patholoog-anatomen hun onderscheiding van de osteofibrose
met de rachitis en osteomalacie.

Wat klinisch en ook macroscopisch en pathologisch-anatomisch
rachitis kan schijnen is volgens sommige patholoog-anatomen
microscopisch soms toch osteofibrose
(Christeller).

Na macereeren en drogen blijken de beenderen uitermate licht
en poreus („osteoporose"). De gewrichtsvlakten vertoonen bij
osteofibrose dikwijls geusureerde plekken met granulatieweefsel
gevuld.

A etiologie.

Bij geen der twee andere osteomalatische ziekten dringt zich
aetiologisch zoo de waarschijnlijkheid van infectie met een lager
organisme op als bij de osteofibrose ; hetzij dat de ziektekiemen
circuleeren in het bloed of bij de aanwezigheid in de darmen door
het doen circuleeren van hun toxische levensproducten het orga-
nisme door auto-intoxicatie vergiftigen. Het voedsel speelt aetio-
logisch geen rol ; met rachitis-dieet kan men de beenverdikkingen
niet opwekken.

Bij paarden is gebleken, dat meestal vrijwel al de andere moge-
lijkheden dan een infectie zijn uit te sluiten.

De ziekte komt bij paarden slechts in bepaalde stallen of streken
voor.
Scheünert heeft trouwens als oorzaak in een bepaald geval
een stalinfectie met coccen aangetoond.

-ocr page 1291-

Ook bij koeien ziet men veelal in bepaalde stallen of streken
de ziekte optreden
(Klimmer, Weber, Lienaux).

Experimenteel is het skelet van honden osteofibrotisch gewor-
den door injectie van streptococcen in de bloedbaan (J. S.
Koch).
(Afb. 7).

Bij varkens treedt de ziekte soms enzootisch op en verbreidt
zich als een infectieziekte. In sommige toch zeer vruchtbare phos-
phorrijke streken in het zuiden van Frankrijk (Auvergne) is de
opfok van paarden, koeien en varkens vrijwel onmogelijk, doordat
alle jonge dieren worden aangetast. Ingevoerde dieren worden
daar ziek. Dieren uit deze omgeving brengen de ziekte naar andere
streken over.

In sommige jaren treedt de ziekte veel heviger op dan in andere.

Moussu heeft experimenteel aangetoond, dat bij varkens de
ziekte in een bepaald (vroeg) stadium door injectie van materiaal
uit de aangetaste kaak op andere dieren is over te brengen. Ver-
schillende onderzoekers hebben opgemerkt, dat bij varkens de
ziekte door contact kan overgaan.
(Lienaux, Moussu).

Bij geiten kunnen de osteofibrotische kaakverdikkingen voor-
komen bij dieren, die te voren leden aan de gewone vorm van
rachitis of osteomalacie, waarbij gebrek aan beweging en licht
en ondoelmatige, nl. kalkarm, phosphorarm, vitaminearm voedsel
als oorzaak is aan te merken. Ook hierbij is echter een infectie even-
tueel geënt op een rachitische, resp. osteomalatische bodem niet
uit te sluiten.

Een feit is in ieder geval, dat osteofibrose in sommige jaren
onder overigens dezelfde omstandigheden, bij geiten veel meer
voorkomt dan in andere jaren. Ook het feit, dat de ziekte soms
voorkomt bij zeer jonge geitjes (6—8 weken) zelfs wanneer ze
onder uitmuntende hygiënische verhoudingen hebben geleefd,
wijst in de richting van infectie.

Paihogenese.

Welke prikkel leidt tot de beenverdikkingen bij osteofibrose
is totaal onbekend. Berust het op een plaatselijke infectie vanuit
de tandkassen ? Men zou kunnen denken dat de kaakverdikkingen
ontstonden door den voortdurenden prikkel van het kauwen,
echter met deze hypothese blijft toch vrijwel alles onverklaard,
in de eerste plaats het feit, dat bij het eene rachitische, resp. osteo-
malatische dier kaakverdikkingen optreden en bij het andere niet.

Prophylaxis.

De osteofibrose rust op een gelijksoortigen grondslag als rachitis
en osteomalacie. Prophylactisch trachtte men dus in dezelfde
richting iets te bereiken. Echter blijkt het, dat bij osteofibrose
dikwijls niet alleen elke therapie, maar ook elke prophylaxis
faalt, wat mede wijst op een nog onbekende oorzaak, m.i. waar-

-ocr page 1292-

schijnlijk een infectiestof. Verplaatsing der dieren uit de besmette
streek blijkt het beste voorbehoedmiddel te zijn.

Therapie.

De kaakverdikkingen zijn met geen enkel geneesmiddel te ge-
nezen. Met phosphor en vigantol kan men op den langen duur
bij geiten wel eenige verharding van de tumorachtige verdikking
verkrijgen waardoor ook minder pijn bij het kauwen ontstaat
maar geen volledig herstel. De gewone verschijnselen van osteo-
malacie resp. rachitis, die eventueel tegelijk met de kaakverdikking
aanwezig zijn, zooals stijfheid, gewrichtsverdikkingen daarentegen
genezen met deze behandeling wel.

Levertraan kan bij varkens nog in een vrij laat stadium succes
geven.

De aetiologie, pathologische anatomie en de symptomatologie
van osteofibrose kan bij verschillende diersoorten nog wel iets
verschillen, weshalve het mij gewenscht voorkomt deze ziekte,
zooals ze zich bij de verschillende huisdieren voordoet nog even
in \'t kort te bespreken.

Geit. De osteofibrose komt bij geiten vooral voor bij stalstaande
dieren. In sommige jaren meer dan in andere. Veelal gaan de kaak-
verdikkingen gepaard met pijnlijkheid bij het gaan en staan.
Volgens mijn statistiek omtrent 115 geiten met osteomalatische
ziekten (rachitis, osteomalacie en osteofibrose) kwam bij 50%
pijnlijkheid in de been en tegelijk voor met verdikking der kaken,
bij 30% was klinisch alleen stijfheid aanwezig en bij 20% klinisch
alleen kaakverdikking. Van deze laatste bleek mij echter veelal bij
sectie, dat ook de overige beenderen aangetast waren (Afb. 18).

De kaakverdikkingen komen voor bij geiten van allerlei soort,
zoowel bij jonge als bij oude, bij mannelijke en bij vrouwelijke
dieren, bij niet drachtige en bij drachtige, bij magere en bij vette,
bij goede hygiënische verhoudingen, goede voeding en goed licht
en bij slechte hygiënische verhoudingen, slechte, eenzijdige voeding
en slecht licht.

Het meest ziet men echter toch de ziekte bij geiten in de steden,
die onder slechte hygiënische verhoudingen leven, steeds op stal
staan en onhygiënisch worden gevoed.

Drachtigheid heeft geen merkbaren praedisponeerenden invloed
waar het betreft de kaakverdikkingen. Het komt voor, dat in een
stal een niet drachtige geit is aangetast en een drachtige gezond
blijft.

De ziekte komt in sommige jaren meer voor dan in andere. Soms
treedt ze in groote fokkerijen vrij plotseling op, zonder naspeur-
bare oorzaak.

Het komt voor, dat alle dieren in een stal aangetast zijn; het eene
lijdt dan wellicht aan osteomalacie met pijnlijkheid bij het gaan

-ocr page 1293-

en staan en vertoont tegelijk dikke kaken, terwijl het andere alleen
stijf is (rachitisch of osteomalatisch) en geen dikke kaken heeft.
Het komt ook voor, dat de stijfheid het eerst optreedt en weer
verbetert, terwijl daarna de dikke kaken ontstaan en ook, dat eerst
de dikke kaken de aandacht trekken en later meer de stijfheid.

Ik zag, dat een geit osteomalacie kreeg in de laatste periode van
de dracht, daarvan genas en bij de volgende dracht weer osteo-
malatische verschijnselen vertoonde (stijfheid) maar nu daarnaast
dikke kaken kreeg.

De dikke kaken kunnen verrassend snel ontstaan. Bij een goed
gevoed en sterk gebouwd jong geitje van 3 maanden, dat nog steeds
de moedermelk kreeg, werden in een paar weken tijds de kaken erg
dik, zonder dat overigens klinisch iets van rachitis was te be-
speuren. Het skelet werd niet onderzocht.

De kaakverdikking brengt ernstige klinische verschijnselen mee.
Het eerste verschijnsel der kaakaandoening bestaat in moeilijk-
eten en het laten vallen van hard voedsel. De kaken kunnen bij
druk reeds pijnlijk zijn, terwijl uiterlijk nog geen verdikkirg,
noch indrukbaarheid is te bespeuren.

Iets later sluit zich dan de mond niet meer geheel, de kin raakt
iets verdikt en is hyperaemisch. In een nog later stadium zijn de
kaken sterk verdikt, indrukbaar, pijnlijk bij druk. De onderkaak
wordt flexibel en breekbaar. (Afb. 16).

De dieren eten dan vrijwel niets meer en laten de tong soms
hangen. De kiezen staan dan los en onregelmatig.

Soms snuift het dier bij de ademhaling, echter komt dit bij geiten
niet zoo dikwijls voor als bij varkens en paarden. Het bloedbeeld
is wisselend: soms hyperleucocytose, soms leucopenie, soms een
normaal bloedbeeld. De temperatuur is soms verhoogd of schom-
melt om de normale curve, de pols is dikwijls frequent.

De urine heeft soms een laag s.g. en bevat soms eiwit. De
reactie is soms zuur.

Therapeutisch blijkt het, dat met zeer veel phosphor (2 mgr.
p.d.) de kaakverdikkingen meer compact, harder en minder pijn-
lijk worden, zoodat het kauwen weer zonder pijn kan geschieden.

Echter de verdikking verdwijnt niet. Ook met groote doses
Vigantol kan men wellicht nog sneller en beter, ditzelfde resul-
taat bereiken (Afb. 19). Diffuse beenverdikkingen heb ik bij een
hond na groote doses arsenicum langzaam zien verdwijnen.

Paard.

De osteofibrose bij paarden gelijkt in alle opzichten zeer op die
der geiten.
Varnell gaf in 1860 in „the Veterinarian" (p. 493) de
eerste goede beschrijving der ziekte vanuit Engeland. De ziekte
komt echter vooral voor in tropische en subtropische streken ;
Zuid-Afrika (dikkopziekte) ; Madagascar, Cochin China; Ned.-

-ocr page 1294-

Indië ; Hawaï; Engelsch-Indië ; China ; Amerika (big head). In
Europa verschijnt ze meer sporadisch.

In Nederland ziet men de ziekte bij paarden zelden en dan
vrijwel uitsluitend op zandgronden. Aetiologisch blijkt het, heel
speciaal bij paarden, niet te zijn een deficientieziekte. Eigenaardig
is wel, dat een eenzijdig dieet met zeer veel zemelen bij paarden
(molenaarspaarden) praedispositie schijnt te scheppen (Kleien-
krankheit, Kruschkrankheit, maladie du son).

Onder allerlei omstandigheden komt echter de ziekte voor, ook
bij zeer goede hygiënische verzorging. Meer nog dan bij geiten schijnt
bij paarden de ziekte op infectie te berusten.

Door import van aangetaste dieren werd de ziekte in bepaalde
streken stationnair (Madagascar, Kaapkolonie).

Contactinfectie schijnt voor te komen ; verplaatsing uit de be-
smette streken geeft verbetering. Bepaalde stallen en weiden zijn
berucht in dezen zin.

De infectiestof is echter nog niet gevonden, entingen gaven
steeds negatief resultaat. Echter is door
Scheunert in de stallen
van een Saksisch Ulanenregiment, waar de ziekte veel voorkwam,
een abnorme bacteriënflora gevonden in den darm (coccen). Ik
vermoed dat hiermee de weg is gewezen naar de waarheid.

De ziekte komt bij paarden van eiken leeftijd voor.

De dieren worden meestal eerst stijf en pijnlijk bij het gaan met
verspringende kreupelheid en neiging tot fracturen. Veelal treden
eerst later klinisch duidelijke kaakverschijnselen op. Het komt
echter ook omgekeerd voor, nl. dat de kaakverdikking reeds be-
staat en er van stijfheid nog niets blijkt. Het kan dan schijnen,
dat het proces nog locaal is. Dergelijke dieren hebben dan echter
toch reeds neiging tot het verkrijgen van fracturen (Afb. 9c en 12).

Bij nader pathologisch-anatomisch onderzoek blijkt het toch
echter steeds, dat alle beenderen — ook bij een schijnbaar locaal
proces — in meerdere of mindere mate osteomalatisch zijn ver-
anderd, al heeft dit (voorloopig) nog niet tot uitingen van pijn
geleid. x)

De gewrichtsvlakten vertoonen veelal usuren en erosies.

De zwelling der kaken vooral in \'de breedte maakt de kop soms
erg dik („big head" ; „dikkopziekte"). Soms echter zijn de kaken
niet noemenswaard verdikt, maar blijkt toch na maceratie en
drogen, dat de schedelbeenderen — niet alleen de kaken — zeer
poreus en licht zijn en gemakkelijk stuk te wrijven.

1) Waardoor het komt dat vrij sterke osteomalatische beenveranderingen in
sommige gevallen niet, in andere wel tot pijnuitingen (kreupelheid) aanleiding
geven, is niet verklaard ; wellicht spelen usuren van de gewrichtsvlakten daarbij
een rol. Het komt voor, dat ook bij koeien en varkens toevallig na de slachting,
het beenderstelse\'. week blijkt te zijn, zonder dat ooit aan de dieren ziekteverschijn-
selen zijn opgemerkt.

-ocr page 1295-

Dit geldt trouwens niet alleen voor de schedelbeenderen. Ca-
rougeau
bericht, dat een paardenskelet van gemiddelde grootte
(1.47 M.) nog slechts 7 K.G. woog (zonder de tanden).

De tanden alleen wogen 1330 gram. Een paardenkop zonder
tanden woog 400 gr.
(Marcone) een tibia 250 gr.

Afscheuren van pezen van de beenuiteinden komt veelvuldig
voor (Achillespees).

De dieren liggen veel, kunnen moeilijk opstaan, zijn spoedig
moe ; de wervelkolom wordt pijnlijk, de dieren kunnen den ruiter
niet meer dragen; soms lordose en kyphose.

De dieren hebben niet bepaald koorts, toch schommelt de tem-
peratuur dikwijls te veel.

De voedingstoestand is eerst nog goed, later treedt sterke ver-
magering op, mede door het slechte kauwen en gebrek aan eetlust ;
tenslotte kunnen de dieren niet meer staan, liggen zich door en
gaan cachectisch te gronde, wanneer ze niet te voren worden af-
gemaakt.

Chemisch bloedonderzoek heeft tot nu toe geen afdoende resul-
taten opgeleverd.

Prophylactisch kan men de ziekte veelal keeren door de dieren
uit de besmette streek te brengen.

Therapeutisch is dat in den aanvang der ziekte ook het eenige
middel wat tot nu toe resultaat heeft gegeven.

Ernstig aangetaste dieren zijn ongeneeselijk.

Varken.

Bij varkens zijn de kaken soms enorm gezwollen. Ook hier is
het dikwijls heel duidelijk dat de ziekte infectieus is.

Contactinfecties en stalinfecties zijn dikwijls gezien (MOUSSU,
Liénaux). In sommige streken is de ziekte inheemsch en treedt
endemisch op. Moussu bracht de ziekte van het eene dier op het
andere over door subcutane injectie van een brij van het aange-
taste been. De voeding speelt ook hier geen beslissende rol, hoe-
wel toch de ziekte het meest voorkomt in arme streken (Moussu).

Zoo ergens, dan zou bij varkens gerechtvaardigd kunnen zijn te
meenen, dat de soms zeer snel optredende kaakverdikking op
gezwelvorming berust. Het osfeide weefsel, hetwelk de boezems
en zelfs de zeef beencellen kan vullen en de neusgaten dichtdrukt
(Schnüffelkrankheit) gelijkt op doorsnede veel op een „sarcoma-
teuse" woekering.

Echter het groeit niet infiltreerend en vormt nooit metastasen.
Het slijmvlies blijft steeds normaal
(Hixtze).

Ook bij het varken blijkt bij nauwkeurig pathologisch onder-
zoek, dat ook het overige skelet osteomalatisch is aangetast en
overal neiging tot vorming van fibreus weefsel vertoont
(Wirth).

Hond.

Veel ziektegevallen bij honden, die als rachitis zijn beschreven,

-ocr page 1296-

behooren eigenlijk op grond van microscopisch en pathologisch-
anatomisch onderzoek bij osteofibrose te worden ondergebracht
en zijn volgens
Christeller als pseudo-rachitis op te vatten.
Hierbij kan de kaakverdikking afwezig zijn, terwijl bv. de scapulae,
het bekken en de extremiteiten sterk gedifformeerd kunnen zijn.

Kaakverdikkingen komen echter ook voor. De beenverdik-
kingen kunnen door sterke woekering van het periost zeer snel
optreden. De ziekte kan met koorts gepaard gaan en kan primair
een periostitis schijnen
(Wester) (Afb. 8).

Jos. Koch bracht het bewijs, dat experimenteel streptococcen-
injectie bij honden tot deze ziekte aanleiding kan geven.
Koch
zelf noemt de door hem hiermede opgewekte ziekte rachitis.

Klinisch en experimenteel blijkt bij honden wel het meest, dat
er van een scheiding tusschen rachitis, osteomalacie en osteofi-
brose eigenlijk geen sprake kan zijn, ook niet door histologisch
onderzoek van de beenderen.

Klinisch werden bij de schedelverdikkingen wel verlammingen van
de
N. opticus en de N. trigemus waargenomen (Jakob), die waar-
schijnlijk aan drukatrophie moeten worden toegeschreven.

Rund.

Kaakverdikkingen op de basis van een osteomalatische ziekte
komen bij het rund niet voor ; ook overigens ziet men aan de
beenderen bij koeien klinisch en pathologisch-anatomisch zeer
zelden de voor osteofibrose typische been verdikkingen.

Klimmer beschrijft onder den naam „Halisteresis ossis" een
ziekte van het beenderstelsel bij het rund, die ,,seuchenartig"
optrad in de omgeving van Dresden, waarbij het been week en
indrukbaar werd en verdikte plaatsen op de ribben werden waar-
genomen. Deze ziekte berustte blijkbaar ook op infectie en zal
wellicht osteofibrose zijn geweest.
VVeber beschrijft iets dergelijks
uit de jaren 1916—1920. Ook in België en Frankrijk zijn dergelijke
gevallen waargenomen, soms tegelijk met osteofibrose van de
varkens van dezelfde boerderij. Hier werd waargenomen, dat de
mediale vlakte van de radius soms het eerst verdikkingen vertoont
(Lienaux). De ziekte kan bij goed gevoede, zelfs bij vette koeien
optreden in goed ingerichte stallen.

Aap.

Onderzoekingen van Christeller hebben doen zien, dat de
rachitis van apen zich meestal uit in den vorm van osteofibrose
met „hyperostotische-porotische" veranderingen, vooral van de
schedel, waarbij histologisch blijkt, dat de meer of minder ver-
woeste beenbalkjes der spongiosa in een fibreus vezelachtig merg
gebed liggen. De corticalis is sterk poreus.

Knaagdieren.

Bij de experimenteele rachitis, door deficientie van het voedsel,

-ocr page 1297-

van ratten vertoonen de beenderen niet de verdikkingen en ver-
weekingen van de osteofibrose.

De infectieuse vorm van osteomalacie welke Mopurgo waar-
nam als spontaan optredende ziekte en die hij experimenteel kon
•opwekken door injectie van de diplococcen, die in het ruggemerg
van de zieke dieren werden gevonden, vertoont wel de kenmerken
die beschreven zijn als eigen aan osteofibrose.

Bij het konijn werd experimenteel door Moussu en Charrin
een osteomalatische ziekte opgewekt die — macroscopisch ten-
minste — veel op de osteofibrose gelijkt.

Ook hier dus een infectie als oorzaak van de osteofibrotische
vorm der osteomalatische ziekten.

Vogels.

Von Ratz beschreef een geval van sterke beenverweeking met
ongelijkmatige verdikking der ossa sterno costalia en der ribben
en verdikte gewrichten bij een kip. Hij noemde dat rachitis. Tegen-
woordig zou dat osteofibrose moeten worden genoemd.

LITERATUUR.
Rachitis.

Biedl. Innere Secretion 1916.

Bland-Sutton. Rickets in monkeys, lions, bears and birds. Journal of Comp.
Med. a Surgery 1889—20—1.

Bull. Rickets in puppies. Journ. of comp Path, and Th. 1918. S. 193.
Eckstein und Paffrath. Rachitis und Konstitution. Klinische Wochenschr.
1925.
S. 2343.

Eeckhout, van den. Rachitisme bij paarden Ann. de Med. vet. 1926. S. 419.
Fröhner und Zwick. Lehrbuch der Spez. Path, und Ther. der Haustiere 1922.
Georgy. Klinische Wochenschr. 1927. S. 581.

Glanzmann. Klinische Wochenschrift 1927. S. 1065. Licht und Rachitis.
Gotting. Ueber die bei jungen Tieren durch kalkarme Ernährung und Oxalsäure
Futterung entstehenden Knochenveränderungen. Virchow\'s Archiv 1909. S. 197.

Hess. Newer aspects of some nutritional disordres. Journ. of the Americ. Med.
Ass. 1921. S. 693.

Hess. Journ. of the Americ. Med. Ass. 1922. s. 1177. b. 78. New Aspects of the
Rickets problem.

Hess und Windaus. Proc. Soc. Exp. Biol, a Med. 1927. XXIV—369 ; 759.
Holtz, T. Klinische Wochenschrift. 1927. S. 535.

Howland and Kramer. Monatschrifte f. Kinderheilkunde. 1923. S. 279.
Huldsschinsky. Die Behandlung der Rachitis durch ultraviolet Bestrahlung.
Z. f. orthop! Chir. 19x9. XXXIX. S. 426.

Hutyra und Marek. Lehrb. der Spez. Path. u. Ther. 6 te Aufl. 1922.

Karelitz a. Stohl. Journ. biol. Chem. 1927. LXXIII. 655.

Kassowitz. Pathogenese der Rachitis. Wien 1885.

Koback. Cage paralysis. J. of the Am. Vet. med. Ass. 1928.

Koch. Ueber experimentelle Rachitis, Berl. Kl. Wochenschr. 1914. No. 17—19.

Koch. Ueber experimentelle Rachitis. Arch. f. wiss. und pr. Thk. 1919. biz. 263.

Arch. f. wiss. u. pr. Thk. 45/19.

Mac. Collum, e. a. The Journal o biological Chemistry. 1922.

-ocr page 1298-

Mac. Collum a. Simmonds. Studies in exp. Rickets. J. of biolog. Chemistry.
1922. Vol. I.

Little. Scurvy in Cattle. The vet. record. 1925. Biz. 421.

Marek, Josef. Gewebsveränderungen in der Gelenkenden der Knochen bei
Rachitis. Prag. Tierärztl. Archiv IV. A. 1924.
Marfan. Maladies des os. Paris 1912.
Marfan. Le Rachitisme. Presse Médicale. 1925.

Mellanby. The relation of the Fat soluble factor for Rickets. Bioch. Journ.
1921.
S. 927.

Mellanby. Accesory food factors. The Lancet. 1920.
Mellanby. Spec. Report Series. No. 61. S. 1.
Mellanby. Exp. Rickets. H. Maj. State Off. 1921.

Meigs, Bi atherwick a. Cary. Contributions to the physiology of phosphorus
a Calcium metabolism as related to milk secretion. J. of biol. chem. 1919. Vol.
XXXVII. P. i.

Morel. Thèse Paris. 1927.

Parc—Mc. Clure. Thymus Studies. Am. J. of diseases of children. Vol. 18.
1919. S. 317.

Park Powers, Schipley, Mac. Collum and Simmonds. The prevention of the
developpment of rickets by sunlight. J. of Am. Med. Ass. 1922. XXVIII.

Park and Howland. The radiographic evidence of the influence of cod liver
oil in rickets. Bull.
John. Hopkins Hosp. XXXII. 1921. S. 101.

Pommer. Untersuchungen über d. Osteomalazie und Rachitis. Leipzig. 1885.
Preusz. Berl. T. Wochenschr. 1927. S. 223.

Recklinghausen v. Untersuch, u. Rachitis u. Osteomalazie. Jena. 1910.
Roloff. Arch. f. path. Anat. Physiol., u. Kl. Med. Bd. XXXVII.
Rosenheim a. Webster. Lancet 1925. S. 1025. Lancet. 1927. S. 306. Bioch.
Journ. 1927. XXI. 127/389.

Scipi a des, D. E. Z. f. Geburtshilfe u. Gynaekologie. Bd. LXXXI
Schmori.. Die pathol. Anatomie der rachitische Knochenerkrankungen. Er-
gebnisse der inn. Med. u. Kinderhk. Berlin 1909.

Schmidt, M. B. Pathologie der Knochen. Lubarsch 11. Ostertags Ergebnisse der
Path. 1897—4—S. 531.

Siegfried. Angeboren Rachitis. M. f. Thk. 1924.
Siegfried. Fötale Rachitis. M. f. Thk. 1924.

Theiler. Green en du Toit J. dept. of Agricult. Union of South Africa. 1924.
Theiler, Green en du Toit. Minimum mineral requirements in Cattle. Journal
of agric. Science. 1927. XVII. Part m. P. 291. 1928. XVIII. Part III.

Osteomalacie.

Dieckerhoff. Die Krankheiten des Pferdes, 1904.

Ergebn. der alg. Path, und path. Anat. Lubarsch u. Ostertag, 1923, I, abt.
Tel I, S. 30b. Litt.

Grashuis. Tijdschr. v. V. 1922. 10.
Harms, Cartsen. Rinderkrankheiten. 1895.

Kassowitz. Die normale Ossification und die Erkrankung des Knochensystems
bei Rachitis. Wien. 1881—1885.

Mopurgo. Zieglers Beiträge. 1900. S. 620.

Mopurgo. Durch Infektion hervorgerufen Osteomalazie und Rachitis bei junge
weisse Ratten. Z. f. alg. Path. u. path. Anat. Bd. 13, N. 4.
Moussu. Traité des maladies du gros bétail.

Moussu et Charrin. Osteom, experiment chez le lapin. Soc. de biol. 1904.
Pf.r Tuff. Osteomalacia in cattle of Norway. J. of. comp. path. 1923 ; 143.
Pommer. Untersuchungen über Osteomalazie und Rachitis. Leipzig. 1885.
Reisinger. Die Osteomalacie der Haustiere. Wien Med., Wochenschr. 1919.
Roloff. A. f. wiss. und prakt. Thk. 1875. Virchows Archiv. 1869. No. 5.
Schmidt. Knochenbriichigkeit. B. T. W. 1926. S. 21.

-ocr page 1299-

Silberberg. Pathologie und Pathogenese der osteomalatische Knochensy-
stemerkrankungen. Erg. d. alg. Path. u. path. Anat.
Lubarsch u. Ostertag,
lie Abt. T. 1. 1923. Litt.

Simon. Zur Frage der Hungerosteopathie. Berlin. 1920.
Tgetgel Osteomalacie in Engadin. Diss. Zürich. 1928.

Theiler. Das Knochenfressen der Rinder in Sudafrika. Schweiz. Arch, für Tier-
heilkunde. 1925. S. 405.

Zündel. Ree. d méd. vét. 1870.

Ostitis fibrosa.

Blair a. Brooks. Osteomalacie or Cage paralyses in primates. J. of Americ.
Vet. Med. Ass. 1917.

Busolt. Schnüffelkrankheit des Schweines. Diss. Giessen 1912.
Carougeau. Rév. gén. de méd. vét. 30.

Carstensen. Pathologie und Therapie der Osteomalacie der Ziegen. Diss.
Hannover 1920.

M. Chevrel. Contribution à l\'étude de l\'osteomalacie chez le porc.
Christeller. Die Formen der Ostitis fibrosa. Ergebn. d. allg. Path. u. path.
Anat.
Lubarsch u. Ostertag, ii. Abt.. \'i. 1, 1923. Lit.

Elliot, The etiology and prophylaxis osteoporosis equine. XXI, 206.
Hintze, Das Wesen der Schnüffelkrankheit der Tiere. A. wiss. prakt. Tierhk.
1910.

Jakob, Innere Krankheiten des Hundes, 1924.
Joest und Zumpe. Zschr. Infkr. Haust. 1925, S. 80.

Klimmer und Schmidt, Beitr. z. Ätiologie der Halisteresis oss. nebst therapeut.
Bemerkungen. Mh. prakt. Tierhk., Bd. 17,
S. 481.

Küst, Zur Behand ung der Osteomalacie bei Ziegen ; d. tierärzt. Wschr 1924,
S. 75-

Moussu, Sur \'aetio\'ogie de la cachexie osseuse ehex le porc. Bull. d. 1. Soc.
C. de méd. vét. 1903, S. 200, Bd. 57.
Moussu et
Charrin, Soc. de Biol. 1904.
PéCAUD. Rev. gen. de méd. vét. 1904, S. 1.
Pfeiffer. Festschr. für Fröhner, 1928.
Pütz, J. f. Vet. Wissenschaften. 1873.
Von Ratz. Mh. prakt. Tierhk. 1893, Bd. 5. S. 1.
Von Recklinghausen, l-estschr. f. Virchow, 1891.

Kehn. Die Schnüffelkrankheit der Schweine. Zieglers Beitr. 1908, S. 274.
Robertson. Equine osteoporosis XVIII, 1905, 114.

Rosskopf, Multiple Kiefercysten bei einem Hunde. Diss. Giessen 1910.
Scheunert, Über Knochenweiche bei Pferden. Zschr. Infkr. Haust. 1920, S. 105.
Schf.unert, Studien üb. Ostitis fibrosa d. Pferde. Zschr. Infkr. u. Hyg. d. Haust.
1921,
S. 105; 1922, S. 169.
Theiler. Osteoporose bei Pferden. Rep. of the Dir. of vet. res. 1912.
Varnell. Osteoporosis, Osteofibrosis. The Veterinarian i860, S. 493.
Virchov. Krankhafte Geschwülste 11, S. 327.

Weber Betrachtungen üb. die Osteomalacie beim Rinde ; tierärzt. Rdsch.
1924, S. 563.
Weber, A. prakt. Tierhk. 1918, S. 164.
Wester. Tijdschr. v. Diergeneesk. 1914, p. 296.

Wirth. Beitr. z. Frage üb. d Wesen d sog. Schnüffelkr. d. Tiere. A. wiss. prakt.
Tierhk 1918.

-ocr page 1300-

Afbeelding ia.
Onkosis en thrypsis van been bij Rachitis (v. R.).

Afbeelding \\b.
Dwarse doorsnede rachitisch been. Thrypsis en onkosis
rondom een vat (v. R.).

-ocr page 1301-

Afbeelding 2.
Rat.

Rachitis.

Normaal rood beenmerg (Marfan).

Hersteld.

* - o. .. r. a

Afbeelding 3.

Rood beenmerg bij beginnende rachitis!
picnotisch; eosinophile myelocyten; grooj
moblasten met gelobde kernen. (Marfan)

-ocr page 1302-

Afbeelding 4a.

Normale ribbond. Phosphorrijk voedsel : suiker, palmolie, casëine. (Lippschütz).

r

Afbeelding 4b.

Rachitische rib hond. Phosphorarm voedsel : rijst, eiwit,
suiker, palmolie. (
Lippschütz).

-ocr page 1303-

Afbeelding 5.
Spontaan opgetreden Rachitis (foto
Wirth).

Afbeelding 6.

Exp. Rachitis (Mellanby). Brood ad lib.;
afgeroomde melk, gist, citroensap, keuken-
zout, palmpitolie.

-ocr page 1304-

Afbeelding 7.

Exp. rachitis Koch : strep- Exp. rachitis Koch : Streptococcen infectie 8 mnd.

tococcen infectie 5 mnd. ua de injectie,

de injectie.

Afbeelding 8.
Acute osteofibrose.

-ocr page 1305-

r AJ

. JBl -

WK^F *

/

W \'

1

BkHL
■V

R^HP

Afbeelding 9.

Osteofibrose van de boven kaak (FeddesI.
(links tumor: rechts cyste).
2 Juni

Mei.

3 Augustus.

-ocr page 1306- -ocr page 1307-

Afbeelding 10.
Osteofibrose. Verdikking van de kaken ;
„pruimen", stijf ; kreupel.

-ocr page 1308-

Afbeelding 12.
Osteofibrose, veulen
(Feddes) i ^ jaar.
Rechts osteofibrose: corticalis poreus, mergruimte grooter, corticalis dunner,
spongiosa wijdmazig, dunne beenplaatjes. (Niet stijf, niet kreupel).

Ter vergelijking links normaal been van een veulen van denzelfden leeftijd.

Afbeelding 13.
Osteofibrose, veulen
(Feddes) jaar.
Links bij T week tumorweefsel, bij O spongiosa. Rechts bij C cysten. I>e onder-
kaak was normaal.

-ocr page 1309-

Afbeelding 14.
Osteomalalische melkgeit.

Afbeelding 16.
Ostitis fibrosa, kaakfractuur.

Afbeelding 15.

Osteomalacie geit. Beenfrac-
tuur, zeer dunne corticalis.

-ocr page 1310-

Afbeelding 17. Frontale doorsnede van den kop van een geit met osteofibrose
Sarcoomachtige woekeringen in boven- en onderkaak.
(Christeller).

Afbeelding 18. I. 3-jarige geit, osteofibrose van de kaken, ronder stijfheid:
mergholte groot, corticalis dun. II. 3-jarij;e geit normaal.

-ocr page 1311-

Afbeelding ig,
Geit osteofibrose.
Gelatineuse, cysteuse regressie na veel Vigantol.

-ocr page 1312-

Afbeelding 21. Yetverharding en rachitis. Atrophische thymus (28 gr.).

-ocr page 1313-

Afbeelding 22.

Subacute rachitis, spontaan opgetreden in de weide (Juli).

Afbeelding 25.
Exp. Rachitis.
Vitamine-arm dieet
(Zilva—Golding—Drummond).

-ocr page 1314-

— I285 -

(Uit het Zoötechnisch Instituut der Rijks-Universiteit te Utrecht.
Directeur: Prof. Dr. H. M. KROON).

DE INVLOED VAN ULTRAVIOLETTE STRALEN OP DE MELK-
PRODUCTIE BIJ GEITEN,

door

Prof. Dr. H. M. KROON.

In aansluiting met mijne medeelingen betreffende den invloed
van ultraviolette stralen op de melkproductie bij runderen, in
Afl. 18 Deel 56 van dit tijdschrift, volgen hier enkele waarnemingen
bij geiten.

De bestraling van den uier had plaats bij twee geiten; bij een
driejarige bonte geit (gewicht 28 K.G.) die nog in de eerste helft
der lactatieperiode was en bij een veel oudere witte geit (gewicht
44 K.G.) in de tweede helft der lactatieperiode. De geiten werden
op een tafel gelegd, zoodat de bestraling van beide kwartieren van
den uier in eens kon plaats hebben.

Bestraald werd met de lamp volgens Prof. Pirquet met een
brander van 1000 kaarsen en wel op een afstand van 60 c.M. Wat
de tijd van bestraling betreft werd bij beide geiten begonnen met
een tijdsduur van 10 minuten, vervolgens eiken dag 5 minuten
langer, tot men gekomen was tot 30 minuten. Nu werd nog ge-
durende 8 dagen de bestraling gedurende een half uur volgehouden.

De eerste week werd niet bestraald, doch wel de melkproductie
gecontroleerd; de tweede en derde week had de bestraling plaats
en werd de melkproductie nauwkeurig nagegaan, terwijl ook de
vierde week toen niet meer bestraald werd de verkregen melkhoe-
veelheid werd bepaald.

In nevengaande tabel wordt een overzicht van de verkregen
cijfers gegeven. Duidelijk blijkt, dat de bestraling niet alleen geen
vermeerdering der productie veroorzaakte, doch een daling van de
melkhoeveelheid ten gevolge had. Bij beide geiten, het sterkst
bij de witte, had een vermindering der melkproductie plaats van
den dag af dat de bestraling begon, terwijl weer vermeerdering
plaats had als niet meer bestraald werd. Het vetgehalte der
melk werd herhaaldelijk bepaald, een invloed van de bestraling
was niet waar te nemen.

liv 87

-ocr page 1315-

Bestraling van den uier bij de geit.

Dagen :

GEIT I. De bonte.

GEIT II. De witte.

iste
week

4de
week

Berekende
gemiddelde

2de
week

3de
week

Berekende
gemiddelde

iste
week

4de
week

Berekende
gemiddelde

2de
week

3de
week

Berekende
gemiddelde

niet be-
straald

niet be-
straald

niet be-
straald

bestraald

bestraald

bestraald

niet be-
straald

niet be-
straald

niet be-
straald

bestraald

bestraald

bestraald

Maandag.....

gram
780

gr-

470

gr-
625

gr-

640

gr-

400

gr-
520

gram
400

gr-

85

gr-

242.5

gr-

430

gr-
145

gr-

287,5

Dinsdag .....

770

510

640

45°

45°

450

390

130

260

280

120

200

Woensdag ....

750

490

620

500

43°

465

405

165

285

100

85

92.5

Donderdag ....

680

480

580

470

410

440

410

165

287.5

100

80

90

Vrijdag......

680

440

560

480

400

440

43°

160

295

110

80

95

Zaterdag..... 680

380

530

460

390

425

43°

130

280

"5

75

95

Totaal ..... 434°

2770

3555

3000

2480

2740

2465

835

1650

"35

585

860

Wij zien dus bij geit I een vermindering van bijna 23%
en bij geit II een vermindering van bijna 50%.

-ocr page 1316-

BIJEN EN BIJENZIEKTEN,

door

Dr. A. J. WINKEL.

Bacterioloog aan de Rijks-Seruminrichting te Rotterdam.

(Vervolg van blz. 1204).

III. Broedziekten.

Om een inzicht te hebben in het wezen der broedziekten, in
haar oorzaken en biologie, in haar verloop en haar bestrijding,
is kennis van het bijenvolk als zoodanig onontbeerlijk.

Met het kennen toch van het individu alleen zal men de ziekte
niet doorgronden en voor tal van raadselen blijven staan. Doch
ook omgekeerd en zoo levert de bestudeering der bijenziekten ons
tevens een goed bewijs voor het feit, dat het bijenvolk als zoodanig
een eenheid vormt, waarvan alle deelen zijn als de onmisbare
organen van een goed ontwikkeld organisme.

Enkele voorbeelden mogen dit verband duidelijk maken.

De kwestie van een al of niet vruchtbare koningin, dus van
een sterk functioneerend geslachtsapparaat kan in een door ziekte
aangetast volk een zaak worden van zijn of niet-zijn. Wat een
vruchtbare koningin in een volk beteekent, leert men pas als
ervaren imker.

De betrekkelijk korte levensduur van de bij kan, in verband
met een eventueele zelfreiniging eener ziekte van de grootste be-
teekenis zijn voor het behoud van een volk.

Het verband tusschen levensduur en uitwendige omstandigheden,
doorziet pas de imker die vertrouwd is met de geheimen van den
bijenkorf.

Wij weten verder, dat een goed begrip eener infectieziekte niet
alleen vereischt kennis van de wisselwerking tusschen het lager
organisme en het aangetaste individu, doch ook van het epidemio-
logische karakter der ziekte en hoe dit beheerscht kan worden
door het bewuste ingrijpen van den mensch. Succesvolle bestrij-
ding en uitroeiing van tal van besmettelijke ziekten zijn daarvan
een schitterend bewijs.

En bij onze kleine bij kennen wij iets dergelijks.

Zij het dan in onbewusten staat, het zijn toch psychische eigen-
schappen, welke het volk in staat stellen het verloop eener be-
smettelijke ziekte te beheerschen. Ik noem hier slechts den zin
voor reinheid, welke het eene ras in sterker mate bezit dan het

-ocr page 1317-

andere en die bij de zelfreiniging eener ziekte een zeer groote rol
speelt.

Op deze dingen kom ik terug, ik noem ze slechts hier als
aanwijzing, hoe men met kennis van de bij alleen niet ver komt,
doch ook het volk als eenheid heeft te bestudeeren.

Over de ontwikkeling van het volk is in het eerste hoofdstuk
reeds zooveel gezegd, dat de anatomische en biologische bij-
zonderheden hier vermeld, als grondslag kunnen dienen voor een
begrip van het wezen der broedziekten. Het komt er vooral op
aan, het verband der broedontwikkeling te kennen en de verdeeling
der werkzaamheden onder de volwassen bij.

Schenken wij nu onze aandacht aan de ziekten van het broed,
dan wijs ik in de eerste plaats op het feit, dat reeds gedurende
de jaren 1903—1906 deze voor een deel aetiologisch bepaald
werden. Tot dien tijd had men nog weinig kijk op het feit, dat
twee op zichzelf staande ziekten van het broed het bijenvolk
kon aantasten. De litteratuur geeft daarvan voldoende blijk,
terwijl het geen betoog behoeft, dat er met de vaststelling van de
specifieke oorzaken eerst volle klaarheid komt.

Toch waren er kenmerken aan bepaalde vormen van de broed-
ziekten, welke er op wezen, dat men verschil zag. De talrijke
namen aan een z.g. zelfde ziekte gegeven, drukken dit voldoende
uit.

Boosaardig en goedaardig vuilbroed, stinkend en zuurbroed ;
Amerikaansch en Europeesch vuilbroed ; vuilbroed van het ge-
dekselde of nymphenbroed en van het ongedekselde of larven-
broed, ziehier een reeks namen in den loop der tijden aan ver-
schillende vormen gegeven.

Wij kennen de volgende broedziekten :

a. Boosaardig vuilbroed; b. Goedaardig vuilbroed ; c. Zakbroed ;
d. Kalkbroed ; e. Steenbroed.

De laatste drie zijn van weinig beteekenis.

a. Het Boosaardig Vuilbroed.

Van deze ziekte kan worden gezegd, dat zij wel een typisch
voorbeeld eener echte infectieziekte is. Hier is toch de aanwezig-
heid van het lager organisme hoofdzaak.

Geen bijenras is onvatbaar ; geen kans op herstel van een volk
is mogelijk, zoolang de smetstof niet volkomen is vernietigd. Van
een overleving van het broed is geen sprake, alle aangetaste broed
is ten doode gedoemd.

Deze ziekte is zoo oud als de bijenteelt oud is. Aristoteles
vermeldt ze reeds in zijn Boeken over Dierkunde.

De ziekte is een darmziekte en ontstaat door opneming van met

-ocr page 1318-

sporen besmet voedsel. Zij wordt veroorzaakt door den Bac.
larvae,
in Amerika door White, in Zwitserland door Burri, in
Dukschland door
Maassen vrijwel tegelijkertijd aangetoond. De
bacil is 2.5—5
ju lang en ± 0.5 11 breed; Gram positief, spoor-
vormend, terwijl hij een sterk zweepdraadverband bezit. Hij is dus
bewegelijk. Deze verbanden hebben een spirochaetvormig karakter
en zijn uit een diagnostisch oogpunt van beteekenis. Zij hebben
Maassen verleid aan een spirochaetentype te denken, die hij als
zoodanig Spirochaeta apis noemde.

Hij groeit niet op de gewone voedingsbodems. Hersenagar of
agar met broedextract is de aangewezen bodem.

Het feit, dat de jonge larve na het uittreden uit het ei sterk
wordt gevoerd door de z.g. voedsters, in de eerste dagen met eigen
kliersap, daarna steeds meer met stuifmeel en honing, is aanleiding,
dat de infectie, bij aanwezigheid van de smetstof, zeer sterk
kan zijn.

Er zij op gewezen, dat het stadium van het open broed vanaf
den 4den tot den 8en en gen dag duurt, waarna het wordt gedekseld.
In deze 5 a 6 dagen krijgt dus de larve al haar voedsel, noodig
om gedurende haar cellulair leven tot volkomen ontwikkelde bij
uit te groeien.

Dit vuilbroed wordt ook wel genoemd de ziekte van het gedekselde
broed
of Nymphenseuche (Zander). Wij moeten hierbij bedenken
dat de larve zich na den 8sten dag gaat oprichten in de cel; van
den ronden gaat ze over tot den gestrekten toestand. Dit te weten
is van het grootste belang omdat bij het opdrogen er zeer weinig

-ocr page 1319-

van het lichaam overblijft en men de donkergekleurde resten in
de kleine donkere cellen slechts zeer bezwaarlijk of niet zou
kunnen onderscheiden.

De verklaring, waarom niet reeds op den 2den, 3den dag na de
infectie — het incubatietijdperk van de Bac. larvae bedraagt van
i—2 dagen — de larven ziek worden, is door
Sturtevant gegeven
en hoogst interessant. Het leven van den bacil is toch afhankelijk
van biochemische factoren in het larvenlichaam, die op het vol-
gende neerkomen. Gedurende het stadium der voeding bevat het
larvenweefsel een zeer hoog percentage aan reduceerbare suikers,
welke eiken dag sterk afnemen totdat reeds 3 dagen na de
verzegeling van de cel, dus reeds op den nden dag, geen spoor
van suiker meer in het weefsel aanwezig is.
Sturtevant consta-
teerde dat bij 3 a 4 % suiker bijna geen groei van den bacil plaats
had, doch deze beneden 2 % levendiger wordt. Is nu de larve
gedekseld en zijn de suikers uit het lichaam verdwenen, dan krijgt
het organisme zijn waren voedingsbodem.

Of deze omstandigheid alleen voldoende is om aan den bacil
de gelegenheid te geven, zijn vernietigend werk te beginnen of
dat de kwestie der metamorphose bovendien een rol speelt, is nog
niet vastgesteld. Zooals bij alle insecten toch ondergaat de larve van
de bij eenige vervellingen. Bij de 4de tot de 5de metamorphose
vervalt de oude naar achter blindgesloten darm, het weefsel ver-
teert en op dit tijdstip van de histolyse begint de bacil zich te
ontwikkelen. Daar de verzegeling van de cel samenvalt met
deze 5de vervelling, is het niet uitgesloten, dat beide factoren
samenwerken.

Het ligt voor de hand, dat, waar het eigenlijke ziekteproces
in de duisternis der cel, onder het dekseltje, verloopt, eerst post-
mortale veranderingen aanleiding kunnen worden tot verdenking.
Het zijn speciaal typische celverschijnselen als wel een afwijking
in den broedstand over de geheele raat, welke het eerst de aandacht
trekken.

Door wegneming van het dekseltje kan men zich echter meer
licht verschaffen omtrent het verloop van het proces, dat dus
feitelijk alleen lijkverschijnselen betreft. Van het ziekteverloop is
toch, daar dit zeer kort duurt, nog geen nota genomen.

Vanaf het oogenblik, waarop het lichaam van uit den darm als
overstroomd wordt met het lager organisme, verloopen eenige
dagen, waarna alle weefsel tot een detritusmassa is vervallen.

Men spreekt in Duitschland van de „Faulbrutmasse" die be-
halve door haar gemis aan vorm, een gele tot chocoladebruine
kleur krijgt, al naarmate den ouderdom van het proces en dan gaat
opdrogen tot een taaie korst de „Faulbrutschorf".

Een zeer karakteristiek verschijnsel van deze detritus is het
kleverige, het dradentrekkende, een verschijnsel, dat zelden in

-ocr page 1320-

zoo sterke mate wordt opgemerkt als juist bij dit lager organisme.
De massa bestaat ten slotte vrijwel geheel uit sporenmateriaal der
vervallen bacillen, waarbij echter ook de zweepdraadverbanden nog
intact zijn gebleven, welke dan ook het dradentrekkende karakter
veroorzaken. Dit verschijnsel is ook voor den leek een der meest
sprekende van het beeld der boosaardige broedziekte.

De reeds genoemde „Schorf" krijgt ten slotte een bruinzwarte
kleur en is ruw van oppervlakte in tegenstelling met de gladde
korst bij het goedaardig vuilbroed.

Echter is ook aan de cel, zooals reeds werd opgemerkt, een en
ander op te merken.

Kort na den dood der larven is aan het deksel niets bijzonders
te zien. Honderden kunnen er dood naast elkaar in de raat zitten,
zonder dat, speciaal in den sterksten ontwikkelingstijd van het
volk, wanneer de koningin nog druk aan den leg is en het volk
niet te veel verzwakt, er iets opvallends is waar te nemen. Doch
als de larve reeds eenigen tijd dood is en de massa gaat indrogen,
wordt het dekseltje door het zich samentrekkende spinsel der
larve steeds meer naar binnen getrokken, soms tot halverwege
de celdiepte.

Dan trachten de bijen deze cellen te openen om ze te reinigen
hetgeen haar slechts gedeeltelijk gelukt, want als tweede kenmerkend
verschijnsel merken wij dan als gevolg van deze pogingen on-
regelmatig gevormde gaatjes in de deksels.

Ook aan de raat zelve zien wij iets bijzonders. Reeds in den zomer,
maar meer hog in den herfst, als het eierleggen heeft opgehouden,

-ocr page 1321-

zal onze aandacht worden getrokken door den onregelmatigen
stand van het broed, dat in dit geval dan de afgestorven larven
betreft, die in hun gedekselde cellen zijn achtergebleven, terwijl
het gezonde broed is uitgeloopen.

Ten slotte geeft ook het volk als zoodanig ondubbelzinnige ken-
teekenen van ziekte. Daar toch de levensduur der bij in den zomer
ligt tusschen 6 en 8 weken, zal onder normale omstandigheden
de volkssterkte door de enorme broedaanzet in Mei zeer groot zijn.
Als echter een groot deel van het broed regelmatig afsterft, bij een
ernstig geval het grootste deel, treden er wanverhoudingen op,
welke het leven van het volk met ondergang bedreigen. Als
geen aanvulling plaats heeft van uit de jongere gelederen der
huisbijen, zal de voeding gebrekkig worden, de bebroeding onvol-
doende; naast het zieke broed sterft ook het gezonde broed door
deze omstandigheden af. Deze vorm van vuilbroed geeft dan ook
bij eenig ernstig heerschen aanleiding tot uitsterving van heele
standen.

Hoewel voor den ervaren en deskundigen imker het beschreven
beeld meestal voldoende is om de diagnose te stellen, kan het
voorkomen, dat in beginnende gevallen deze microscopisch moet
worden gesteld. Anders kan vergissing met het goedaardig vuil-
broed dan nog plaats hebben.

Voor ik wijs op de eigenaardige behandelingswijze dezer broed-
ziekte, wil ik nog nagaan, hoe de ziekte het meest wordt
verspreid. Uitgemaakt is, dat contact het voornaamste middel is
van verspreiding.

Sinds de moderne bijenteelt de losse bouw heeft ingevoerd, dus
de gelegenheid bestaat het heele broednest uit elkaar te nemen,
ramen te verhangen van kast in kast, is natuurlijk een ideale
manier van overbrengen geschapen, welke vroeger met den vasten
korvenbouw niet bestond.

Als men weet dat het een algemeen gebruik is bijen met honing
bij te voeren, hetzij voor de doorwintering hetzij tot prikkeling
om aanzet van meer broed te krijgen, dan ligt het voor de hand,
dat honing uit besmette volken in verband met de taaiheid der
sporen een uitstekende weg vormt tot verspreiding. Een eigen-
aardig verschijnsel in de bijenwereld is het rooven, dat sterke volken
doen op zwakke. Een door ziekte verzwakt volk wordt de prooi
van gezonde, sterke ; de smetstof wordt met het zoet in huis ge-
bracht. Dat besmet materiaal, korven, ramen enz., een rol kunnen
spelen, behoeft geen naderen uitleg.

Een wonderlijke omstandigheid is het feit, dat de bijen de smet-
stof dezer ziekte zoo spoedig aan en uit hun lichaam verliezen.
De Bac. larvae kan toch in het darmstelsel der volwassen bij geen

-ocr page 1322-

vasten voet krijgen. Hij wordt snel weer uitgescheiden. Ook van het
haarkleed, dat toch zeer sterk is ontwikkeld, is hij blijkbaar zeer
spoedig öf door reiniging öf door andere onbekende factoren ver-
wijderd. Want de practijk heeft toch geleerd, ondanks alle theore-
tische bedenkingen, gebaseerd op de eigenaardige eigenschappen
van de bacterie wat betreft spoorvorming en het dradentrekkend
karakter van het zweepdraadverband, dat men de ziekte kan
doen verdwijnen door het zieke volk in z.g. zwermtoestand te
brengen. Veegt men een volk van de zieke raten, brengt het in
een frissche woning, dan zal het gaan bouwen en zich ontwik-
kelen, zonder dat het broed verder eenig spoor van ziekte gaat
vertoonen. Merkwaardig verschijnsel, hoe dus een volk wiens leden
toch de verspreiders zijn van de smetstof, zich kan ontdoen van
een pathogeen organisme in een tijdsverloop van 6 a 8 dagen,
waarin een dergelijk z.g. kaal volk wederom broedt, dus weer een
medium van besmetting bezit.

Voor een bestrijding in het groot, daar waar de ziekte ernstig
heerscht, worden echter andere wegen gevolgd.

In Amerika, Zwitserland en de andere landen, waar broedzieke
volken worden aangetroffen, maakt men korte metten met ,,de
broedpest". In beide genoemde landen bestaat een corps van Bie
neninspectoren (Zwitserland) dat met de uitvoering is belast.

Verbranding van de woning met bewoners acht men nog steeds
de meest afdoende maatregel.

b. Het Goedaardig Vuilbroed.

Over de oorzaak van dit vuilbroed is men het nog niet eens.

Reeds in 1885 hadden Cheshire en Cheyne, de zg. Bac.alvei ge-
isoleerd uit vuilbroedige raat. Het was een bewegende, spooi-
houdende bacil, groeiend op alle bekende voedingsbodems. De
ziekte kon men er echter niet mede opwekken.

Het bleek bovendien in den loop van verder onderzoek, dat er
een vrij groot aantal bacteriën in den darm der zieke larven, lijdende
aan dezen vorm van vuilbroed, kon worden aangetroffen.

Nadat White in Amerika had aangetoond, dat de gezonde
larvendarm vrij is van bacteriën, vond hij in den zieken darm één
lager organisme, welke hij als de oorzaak der ziekte aanzag en
welken hij den naam van
Bac. pluton gaf.

Alle overige door hem en andere onderzoekers geïsoleerde bac-
teriën bleken apathogeen. Hoewel noch
de Bac. alvei of de Strep-
tococcus apis,
noch de Bac. lanceolatus en de Bac. mesentericus
vulgaris
uit aetiologisch oogpunt een rol spelen, hebben de beide
eerste echter voor het verloop der ziekte hun diagnostische waarde
behouden.

Omtrent het door White aangewezen lager organisme dient het

-ocr page 1323-

volgende opgemerkt. Hij onderzocht de larven histologisch in
verschillende ziektestadia. In het eerste stadium vond hij de
Bac.
pluton
vrijwel in reincultuur, welke voorkwam in een bepaalde
zone van den larvendarm.

Weldra zetten de secundaire infecties in, waarvan dan de Bac.
alvei
en de Streptococcus apis de hoofdvertegenwoordigers zijn.

Microscopisch-histologisch zag hij dus in de Bac. pluton de oor-

Bac. pluton White.

zaak. Hij kon deze bacil, die zeer veelvormig was, en de geringe groot-
te van 1-05
li had, echter niet kweeken. Daar filtratie door Berken-
feldfilters en voedering van het fikraat geen ziekte tengevolge had,
werd White in de meening versterkt, dat de
Bac. pluton de
oorzaak moest zijn.

Terwijl Morgenthaler in Zwitserland en Prof. Zander in
Erlangen blijkens hun laatste uiteenzettingen omtrent het goed-
aardig vuilbroed zich kunnen vereenigen met het standpunt van
White, denkt Prof. BoRCHERTin Berlijn-Dahlem nog aan de moge-
lijkheid van een filtreerbaar virus en meent zelfs, clat de
Bac. alvei
nog wel degelijk een primaire rol kan spelen.

De apathogeniteit toch van een specifieken verwekker in cultuur
is een meer voorkomend verschijnsel. Hij wijst o.a. op goedaardige
droes en de longziekte bij het rund.

Intusschen is er wel klaarheid omtrent de rol, welke de secun-
daire infecties spelen en het verloop speciaal postmortaal beheer-
schen.

De Streptococcus apis, gevonden door Burri, veroorzaakt dan
het zuurbroed, hoofdzakelijk voorkomend bij het jonge, ongedek-
selde broed,
Bac. alvei het zg. stinkende broed, dat hoofdzakelijk
ook bij open, doch ook bij gesloten broed wordt aangetroffen.

Als veel voorkomend èn in Amerika èn in Europa erkend ver-
schijnsel van het wezen dezer ziekte is, dat zij voornamelijk voor-
komt bij zwakke volken, waar dus de physiologische verrichtingen

-ocr page 1324-

min of meer zijn verslapt, d.w.z. de broedaanzetting, de warmte-
ontwikkeling, de verpleging, de bouw- en de reinigingsdrift.

Evenals het boosaardig vuilbroed ontstaat deze ziekte door de
voeding, het is een echte darmziekte. Bij het
zuurbroed zien wij. dat
de darm zeer sterk wordt uitgezet door de ontstekingsproducten
doch de ontsteking blijft beperkt tot den darm. Het lichaam blijft
dus intact. Bij de Bac. alvei-infectie vervalt het larvenlichaam
echter ook geheel door histolyse.

Als cardinaal verschil t.o.v. het boosaardig vuilbroed kennen
wij het feit, dat de ziekte zich in hoofdzaak voordoet bij het onge-
dekselde, het open broed, verkeerend dus in het ronde stadium.

Nadat de larve een paar dagen oud is, en wordt gevoerd met besmet
voedsel, treden na een incubatie van ± 2 dagen de eerste ziekte-
verschijnselen op en binnen 2 dagen volgt de dood. Daar, zooals
bekend is, het openlarvenstadium 6 dagen duurt, is dus voor het
tijdstip der eventueele verzegeling de dood reeds ingetreden. Het
komt voor, dat, waarschijnlijk als een gevolg van late infectie,
de verzegeling nog vóór het afsterven plaats heeft. Hoewel het
weinig wordt waargenomen, ziet men dit speciaal
bij het stinkend
vuilbroed.

Daar het dus een ziekte van het open broed betreft, vallen de
verschijnselen spoedig op. Als men de gezonde larve goed heeft
waargenomen, haar paarlmoerachtige glans, haar gevuldheid, haar
duidelijke segmenteering goed kent, dan frappeert bij het zieke of

-ocr page 1325-

reeds afgestorven broed de glanslooze gele kleur, terwijl de regel-
matig ronde vorm verloren gaat, hetgeen duidelijk zichtbaar is
aan de inniger aansluiting van het lichaam aan den zeskantigen
celwand. Tevens gaat de scherpe segmenteering verloren.

De darm inhoud, bij het gezonde lichaam als een streep door
de huid te zien,
vervaagt, de darm zet uit en de inhoud wordt waterig.
De gele kleur wordt, al naarmate het cadaver ouder wordt, bruin,
ten slotte donkerbruin.

De inhoud droogt op, de massa trekt in elkaar en vormt op den
onderkant van den celwand resp. op den bodem van de cel een
onregelmatig gevormde en gladde korst, welke een spiraalvormige
gedaante aanneemt (bij het zuurbroed).

-ocr page 1326-

Dit overblijfsel is niet, zooals bij het Boosaardig Vuilbroed, vast
verkleefd aan den celwand. Zoodoende is het den bijen mogelijk, deze
ingedroogde rest te verwijderen; een belangrijke kwestie in ver-
band met de zelfreiniging van de ziekte.

Daar het hoofdzakelijk is een ziekte van zwakke volken ligt
hierin reeds opgesloten, dat zij niet zoo kwaadaardig kan zijn als
de boosaardige vorm en wij vinden ook, dat het verloop een geheel
ander is dan bij deze. Uit de genoemde verschijnselen is de vast-
stelling der diagnose voor de meeste gevallen niet lastig. Anders
heeft microscopisch onderzoek den doorslag te geven.

Uit het ziektebeeld is reeds voor een deel de aard der behandeling
te bepalen.

Laat ik er nogmaals op wijzen, hoe speciaal een sterk volk tot
veel meer in staat is dan een zwak. Een sterk volk heeft een sterke,
zeer vruchtbare koningin, in staat om 2 a 3000 eieren per dag te
leggen. Voor deze eierleg is plaats noodig, een leger dus van rei-
nigende bijen, die de wiegen der larven in gereedheid brengen.

Nu heeft men in Amerika en ook in Zwitserland opgemerkt, dat
bij de verschillende rassen het goedaardig vuilbroed verschillend
voorkomt.

Men sprak van een dispositie voor de ziekte. Het blijkt echter,
dat het niet is een zwak van een bepaald ras, een grootere ge-
voeligheid, doch dat het in de sterkere reinigingszin ligt van een
ras, dat de bijen de zieke resten uit de cel snel en volledig weten
te verwijderen, waardoor de ziekte dus feitelijk niet tot uitbreiding,
zelfs niet aan het licht komt. Men heeft wel zieke raten in der-
gelijke zg. immune rasvolken gehangen en ze laten reinigen
Hoewel daarmee de smetstof toch was geïmporteerd, ligt het
klaarblijkelijk aan het zeer groot aantal voedsterbijen en de snel
op elkaar volgende wisseling in de bezigheden der bijen van voed-
ster tot bouwster, dat de smetstof toch geen vasten voet kreeg.

Men volgt dan ook bij de reiniging der zieke volken een anderen
weg dan bij het boosaardig vuilbroed.

Terwijl het hier noodig is, dat men het volk totaal scheidt van
het besmette broed, kan men bij den goedaardigen vorm volstaan
met de broedaanzet tijdelijk te beletten. Men kan zeggen, dat de
genezing der ziekte in de hand wordt gewerkt door verschillende
omstandigheden, welke öf snelle reiniging der cellen noodig maken
öf de broedaanzet vertragen of deze geheel stopzetten.

Bij sterke dracht, waar veel plaats noodig is voor honing, waartoe
schoone cellen een eerste vereischte zijn, en er een soort strijd
bestaat tusschen de honingverzamelaarsters en de koningin, die
de cellen wil beleggen, hangt het er van af of de bijen het winnen
van de koningin, en dus de ziekte wordt beperkt of geheel wordt
uitgeroeid. Bekend is dan ook, dat sterke dracht een zeer gunstige
omstandigheid is voor het herstel van zieke volken.

-ocr page 1327-

Kunstmatig kan men dezen toestand in het leven roepen, door
bv. in tijden van weinig dracht sterk te voeren met honing of
suiker; dezelfde opeenvolgende handelingen hebben dan plaats,
reiniging der cellen en vulling met honing en suiker, dus broed-
beperking. Doch ook door de koningin het eierleggen te beletten !
Dit is een van de meest gangbare behandelingsmethoden. Terwijl
de koningin 2 a 3 weken vastzit loopt alle broed uit of wordt ge-
dekseld, het zieke broed wordt uitgetrokken, terwijl een sterke
voedering de legruimte beperkt. Hoe daarbij een volk met sterke
reinigingsdrift, dat een groot leger bijen heeft, daarbij de beste
kansen voor herstel heeft, ligt voor de hand. In Amerika ver-
wisselt men dan ook de inheemsche koningin voor een Italiaansche,
die bekend staat ais een met grooten ijver en zin voor reiniging.

In zooverre blijkt bij het goedaardig vuilbroed het goedaardige
karakter dus wel hieruit, dat het niet, zooals bij het boosaardig
vuilbroed noodzakelijk is, het volk absoluut allen ratenbouw en
broed te ontnemen, doch alleen door een tijdelijke stagnatie in
den broedaanzet en zelfreiniging van het volk de ziekte te
eli mineeren.

c. Zakbroed.

Deze afwijking was oorspronkelijk alleen in Amerika bekend.
Al naarmate het wetenschappelijk onderzoek zich uitbreidde kwam
het ook in andere landen aan het licht. Zoo kennen wij het nu
ook Zwitserland en Duitschland.

Het wordt veroorzaakt door een ultravisible smetstof, filtraat
van ziektemateriaal doet het zakbroed weer ontstaan.

Het is een ziekte van het gedekseld broed, de larven verkeeren
dus in het gestrekte stadium. Wanneer de deksel van de cel wordt
weggenomen, ligt de larve als een zak in de cel, de chitinehuid toch
wordt niet aangetast.

Zij is de minst schadelijke van alle bloedziekten en is door sterk
houden van de volken blijkbaar te herstellen.

d. Schimmelziekten.

Tot de levende wezens van verschillenden oorsprong, welke veel-
vuldig in de bijenwoning worden aangetroffen, behooren ook
de
schimmels,
die bij de hooge temperatuur, de koolhydraten en ei-
witrijke voedsels als honing, stuifmeel, in doode bijen en dood broed
zich soms belangrijk kunnen uitbreiden.

Wij zien raten in een vochtige omgeving al spoedig met een schim-
mellaag overdekt.

Wij kennen echter ook specifieke ziekteverwekkers. Er zijn ver-
scheidene mycosen, welke bij insecten massasterfte veroorzaken
en aldus bij groote schaden door insecten reddend zijn opgetreden.

Bij het broed der bijen komen twee pathogene soorten voor.

-ocr page 1328-

Annie D. Betss beschrijft 72 soorten schimmels. Van deze zijn
de
Pericystis apis en de Aspergillus flavus pathogeen, de eerste een
broed-, de tweede een broed- en een bijenschimmel.

-ocr page 1329-

i. Dc Pericystismycose of kalkbroed.

Het eerst werd deze schimmel door Priesz waargenomen. Hij
is ondergebracht bij de algschimmels (Phycomyceten), welke be-
hooren tot de familie der Entomophthoreeën.

Zij groeit gemakkelijk bij 22—50° C. en vormt een wit mycelium
met donkergroene tot grauwzwarte cysten, waarvan de inhoud in
kogelvormige lichamen uiteenvalt. In deze vormen zich de kleine
glanzende sporen.

Alleen het broed en wel in hoofdzaak darrenbroed wordt door
de Pericystis aangetast.

In frisschen toestand zijn de cellen met een witte schimmellaag
overtrokken, waaruit alleen de larvenkop uitsteekt. Later treedt
uitdroging in, zoodat de larven vaak los in de cel liggen. Zij hebben
een vuilwitte, kalkachtige kleur, met zwarte plekken op den achter-
kant. De ziekte is niet gevaarlijk en verdwijnt meestal van zelf.

2. Aspergillus-mycose of Stcenbrocd.

De Aspergillussoorten zijn in de natuur zeer verbreid. Vele zijn
ziekteverwekkers. Als zoodanig zijn de
Asp. fumigatus, glaucus
en niger
welbekend, welke resp. in staat zijn pneumonieën, oor-
en oogontstekingen te veroorzaken. Epidemisch komen deze ziekten
voor bij vogels.

De schimmel behoort tot de Perisporiaceae, als onderafdeeling
der Ascomyceten.

De vruchtdragers eindigen kolfvormig. Deze zijn in het begin
goudgeel en worden later groengeel. De sterigmata dragen de
groote, kogelvormige sporen of coccidiën.

-ocr page 1330-

Het steenbroed is karakteristiek en is van het kalkbroed ge-
makkelijk te onderscheiden.

De mummiën der larven worden aan het vrije uiteinde, dus aan
den kop van de larven, met een geel-groen beslag van schimmel-
draden met hun vruchtdragers overdekt. De bijen knagen dit
beslag vaak weg zoodat de larven als geelwitte proppen in de cellen
steken.

Ook deze ziekte is tot heden weinig waargenomen. Éénmaal heb
ik een prachtig geval van steenbroed van een medicus-imker uit
Groningen onder oogen gekregen. Hierbij was alle broed over ruim
4 ramen in één steenbroedmassa overgegaan.

In zooverre maakt deze schimmelziekte verschil met de Peri-
cystis, dat zij niet alleen bij de larven, doch ook bij de volwassen
bij werd waargenomen.

Interessant is de mededeeling dat volgens Maassen deze schimmel
ook op de mensch kan worden overgedragen en ernstige slijm-
vliesontstekingen kan opwekken.

Ten slotte nog een enkel woord over de bestrijdingsmaatregelen.

Wij hoorden reeds, dat elkeziektc haar eigen behandeling vereischt.

Toch kwamen in sommige landen de ziekten, speciaal het boos-
aardig vuilbroed in zoodanigen graad voor, dat wettelijke regeling
der bestrijding noodig bleek.

Zoo heeft Mecklenburg de eerste verlichte daad volbracht ter
bescherming van de bijenteelt door reeds in 1897 bepalingen voor
tefschrijven betreffend aangifte en vernietiging van zieke volken.
lvi 88

-ocr page 1331-

Zwitserland, waar de bijenteelt steeds op een hoogen t/ap van
ontwikkeling heeft gestaan en deze ook zeer goed was georgani-
seerd, heeft in het begin van deze eeuw gestreefd om de broed-
ziekten in de wet opgenomen te krijgen.

Het feit, dat men machteloos stond tegenover handelwijzen
zooals
Morgenthaler schildert, deed de Zwitsersche organisatie
volhouden.

Toen het nl. gebeurde, dat imkers de raten van hun uitgestorven
volken op de tuinheggen hingen met het opschrift ,,lk heb de
broedpest gehad, andere kunnen ze ook krijgen", met het gevolg,
dat geheele buurtschappen ontvolkten, duurde het niet lang dat
er een verzekering tegen ziekten werd opgericht, welke binnen
eenige jaren reeds zeer heilzame uitwerking bleek te hebben.

Nadat deze verzekering de noodzakelijkheid van bestrijding
duidelijk aan het licht had gesteld, gelukte het aan de voormannen
der bijenteelt de bestrijding wettelijk geregeld te krijgen. Zoowel
het Volkswirtschaftliche Departement als het Eidgenossische
Veterinaramt sprak zich uit voor opneming in de veewet, zoodat
vanaf 1907 deze bepalingen van kracht zijn, waarbij dank zij de
werkzaamheden van een aantal Bieneninspectoren het percentage
vuilbroed belangrijk is verminderd.

Tot deze voormannen behoort Leuenberger, de oprichter der
verzekering. Dat hij zich wel bijzonder verdienstelijk maakte op
dit gebied moge blijken uit het feit, dat hij in 1927 door de Vete-
rinaire Faculteit in Zürich met den Doctorsgraad werd begiftigd.

Voor en na zijn verschillende landen gevolgd en zoo hebben
Oostenrijk, Duitschland en Amerika alle hun wettelijke bepalingen
omtrent broedziektebestrijding.

Of wij in Nederland in het gunstige geval verkeeren deze ziekten
niet te hebben öf dat wij ze niet kennen bij gebrek aan krachtige
organisatie, zal de toekomst leeren.

Ik vrees, de houding van vele eenvoudige imkers in aanmerking
nemende, dat er heel wat op den bijenstand kan voorkomen,
zonder dat er iets van aan het licht treedt.

(Wordt vervolgd).

-ocr page 1332-

ONTWERP VAN EEN NIEUW KEURINGSREGULATIEF,

DOOR

R. H. VEENSTRA
van het abattoir Amsterdam.

Voorwoord :

Toen het Keuringsregulatief eenigen tijd in werking was, bleken
mij, en naar ik weet meerdere andere collega\'s, die er naar streefden
er zich loyaal aan te houden, leemten en minder gewenschte be-
palingen daarin voor te komen, viel er o. i. aan het gevolgde sy-
steem te verbeteren, en diende het op vele punten duidelijker en
scherper omschreven te worden.

Reeds in \'24 stelde ik daarom een gewijzigd regulatief op, en
verzocht coll.
Rinses (Zaandam) daarover zijn meening te willen
geven, daar deze door zijn werkzaamheid in een gedecentraliseerde
en meer landelijke keuringsdienst ervaring had opgedaan omtrent
afwijkingen die in een stedelijk abattoir minder dikwijls ter be-
oordeeling komen.

Dat ontwerp liet ik rusten tot heden, omdat mij bleek hoe
moeilijk het is bepalingen vast te stellen die onszelf en anderen
op den duur geheel bevredigen. Nadat later nog bij verschillende
punten wijzigingen waren aangebracht gaven hun oordeel over
het thans gepubliceerde ontwerp de collega\'s aan het abattoir
alhier. In het algemeen kan dit ontwerp dan ook de afspiegeling
van de bij de keuring te Amsterdam gehuldigde opvattingen wor
den geacht.

Ik vlei me niet met de hoop dit ontwerp in zijn geheel of grooten-
deels onveranderd overgenomen te zien. Ik hoop alleen dat het
den stoot zal geven tot een ernstige en grondige beschouwing van
het bestaande regulatief en tot een vruchtbare, opbouwende kri-
tiek daarop en op dit ontwerp, en dat verschillende wijzigingen
geheel of gedeeltelijk instemming zullen vinden.

Ik betuig hier mijn dank aan bovengenoemde collega\'s voor
hun adviezen.

Inleiding :

Ongetwijfeld is het bestaan van een zoo nauwkeurig mogelijk
omschreven Keuringsregulatief voor keuringsambtenaren drin-
gend noodzakelijk, zoowel ten behoeve van de minder ervarenen
onder hen als tot steun tegenover belanghebbenden (slagers) en
tegen de eigenaardige opvattingen van sommige gemeentelijke
bestuurderen ten aanzien der uitvoering van de Vleeschkeurings-
wet.

Een zoover mogelijk doorgevoerde eenheid in de uitvoering der
keuring is verder noodzakelijk :

ie. ten behoeve van den onbelemmerenden, ouderlingen invoer
van vleesch in de gemeenten ;

-ocr page 1333-

2e. omdat de eigenaars van slachtdieren en de koopers daarvan
op de markten, welke koopers afkomstig zijn uit verschillende
keuringsgebieden, in reëele concurrentie tegenover elkander be-
hooren te staan ;

3e. ten einde het respect voor en de doelmatigheid van de keu-
ring hoog te houden.

Indien het principe van bovenbedoelde eenheid wordt aanvaard,
dan is daarmede inhaerent het scheppen van zoo scherp mogelijk
geformuleerde en tot in bijzonderheden afdalende voorschriften.

Het is bekend, dat tegenstanders van dit stelsel daartegen voor-
namelijk slechts één argument aanvoeren, nl. dat daardoor de
wetenschappelijke vrijheid en zelfstandigheid in het gedrang
zouden komen.

Dit argument is 0. i. niet juist (vergelijk voorschriften ter uit-
voering der Warenwet !). Doch al ware het tegendeel het geval,
dan zou dit nog geen beletsel mogen vormen voor de aanvaarding
van het aanbevolen stelsel. In de eerste plaats zijn de wet en de
keuring er niet om de ambtenaren wat hun zelfstandigheid betreft
te beschermen, doch ten tweede zijn de bezwaren van een minder
in bijzonderheden afdalend Keuringsregulatief uit een oogpunt van
algemeen belang zeer groot.

Niet uit het oog verloren moet worden, dat het onderzoek, het
stellen der diagnose en last not least de interpretatie der afwijkin-
gen steeds wetenschappelijke eischen blijven stellen en scherpe
formuleering van techniek van het onderzoek en de beoordeeling
in de verschillende gevallen doen aan die wetenschappelijke eischen
volstrekt geen afbreuk. Bovendien komt de wetenschappelijke
onderlegdheid van den keuringsambtenaar bij het nemen der be-
slissing nog voldoende tot haar recht (b.v. bij de beoordeeling van
t.b.c.)

Om tot meer eenheid te geraken in de uitvoering der keuring
dient te worden uitgegaan van algemeene beginselen, welke o. i.
in het bestaande Keuringsregulatief op onvoldoende wijze tot
uiting komen.

Het hoofdbeginsel volgens hetwelk het K. R. o. i. moet worden
opgebouwd, is, dat vleesch, in den ruimsten zin, slechts onvoor-
waardelijk mag worden goegekeurd, indien :

ie. het normaal is ten aanzien van organoleptisch-makroscopisch
waarneembare eigenschappen ;

2e. het geen levende smetstoffen bevat (smetstoffen dan in den
ruimsten zijn, dus zoowel van phyto- als van zoöparasitairen aard ;
tot de eerste ook te rekenen de ultravisible en de filtreerbare).

Uitgegaan wordt verder van het, ook door vele anderen inge-
nomen standpunt, dat nog twee andere voorwaarden gesteld moe-
ten worden en vleesch ook niet onvoorwaardelijk moet worden
goedgekeurd :

-ocr page 1334-

ie. bij heftige verschijnselen van septicaemie of toxinaemie, al
kan de aanwezigheid van levende smetstof in den grooten bloeds-
omloop worden uitgesloten ;

2e. indien het dier bij het leven duidelijke, algemeene ziekte-
verschijnselen vertoonde.

De argumenten voor het laatstbedoelde standpunt zijn in hoofd-
zaak de volgende :

a. dat niet uitgesloten is de mogelijkheid van het ontstaan
van nadeel tengevolge van de aanwezigheid van vele en heftige
toxinen, hoewel daaromtrent wetenschappelijk geen zekerheid be-
staat ;

b. dat het vleesch minderwaardig is te achten wat de houdbaar-
heid betreft ;

c. dat het vleesch eveneens in economischen zin minderwaardig
is te achten ;

d. dat het vleesch geacht wordt zich in grootere mate te leenen
als voedingsbodem voor postmortale infecties.

Er moet, zoowel uit een hygiënisch als economisch oogpunt, bij
de vleeschkeuring ook worden gestreefd naar een zekere mate
van evenwicht en overeenstemming met de eischen krachtens de
Warenwet aan de andere levens- en genotmiddelen gesteld.

Zoo verplicht de Warenwet b.v. bij wellicht in onze oogen vrij
onbeteekenende verschillen in samenstelling van genotmiddelen,
tot verkoop onder bepaalde benamingen (saccharine in plaats van
suiker in jams en al of niet bevatten van zetmeel of meelgehalte
van worst). Dit berust uitsluitend op economische en geen hygië-
nische overwegingen : eerlijkheid in den handel, de zekerheid, dat
de kooper datgene ontvangt, wat hij vraagt. De hier bedoelde over-
wegingen onderschrijft ook v.
Ostertag bij het bespreken van
een der drie hoofd-motieven voor de vleeschkeuring. Hij wijst
er op, dat de consument er op moet kunnen rekenen, dat in den
vrijen handel uitsluitend verkrijgbaar is vleesch van „gezonde"
(d. z. o. i. in hun algemeenen gezondheidstoestand niet belangrijk
geschade, dus niet wegens ziekte opgeruimde) dieren.

Kwaliteitsverschil binnen de grenzen van het normale laat hij
terecht buiten beschouwing, aangezien dit zeer moeilijk voor
regeling vatbaar is.

Vleesch van algemeen zieke en deswege opgeruimde dieren
verdient volgens v.
Ostkrtag echter niet voor den normalen
prijs te worden verkocht, en aan het publiek als zoodanig te wor-
den aangeboden.

Nadere beschouwing over hel hiervoren aangeduide hoofdbeginsel:

ad. i. normaal ten aanzien van organoleptisch-makroscopisch
waarneembare eigenschappen.

Deze eisch komt in het bestaande Keuringsregulatief reeds vrij

-ocr page 1335-

duidelijk tot zijn recht. Bepaald is toch, dat ziekelijk veranderde
organen en deelen worden afgekeurd evenals die, welke in reuk,
kleur of smaak afwijken, of wel de aangetaste deelen der organen
grondig verwijderd. Ook moet een in reuk, smaak of consistentie
afwijkend dier worden afgekeurd, hetgeen in zijn algemeenheid ons
zelfs te ver gaat en om gradueele regeling vraagt. Gedacht wordt
hier aan lichte reuk- of smaakafwijkingen, matige afwijking in
bloedgehalte en geringe afwijking in vochtigheidstoestand.

Afkeuring van alle ziekelijk veranderde organen of deelen gaat
niet te ver en aan dezen stelregel behoorde iedere keuringsdienst
zich te houden, ongeacht den aard en de oorzaak, de al of niet
schadelijkheid der afwijkingen.

ad. 2. vrij van levende smetstof.

Iedere keuringsambtenaar dient zich de volgende vraag te stel-
len : is het tegenover den consument openlijk te verantwoorden
om vleesch van zieke dieren, waarvan men weet of moet aannemen,
dat het levende, dier-pathogene smetstof bevat, onvoorwaardelijk
goed te keuren, in den vrijen handel te doen gaan en het dus vol-
komen gelijk te stellen met vleesch van gezonde dieren ?

Tegen bevestigend beantwoorden dezer vraag zijn zoowel (a)
hygiënische als (b) economische bezwaren aan te voeren.

a. Voorzichtigheid is hier geboden. Er valt met zekerheid geen
scheiding te maken tusschen menschpathogene en niet-pathogene
smetstoffen. Het is hier slechts een kwestie van meer of minder
schadelijk, of ,,voor zoover bekend" onschadelijk zijn. Men denke
hierbij aan abortus-bovis-infecties, vlekziekte-infecties, bacillaire
pestinfecties bij den mensch van den laatsten tijd. Miltvuur is
over het algemeen per os ook minder gevaarlijk ; tuberculose kan,
naar men aanneemt, door vleesch in engeren zin per os nooit
schade doen, maar in bepaalde gevallen van tuberculose wordt
toch gesteriliseerd.

b. Economisch verdient dit vleesch niet den vollen prijs te
maken en behoeft dit ook niet, althans niet van het standpunt der
consumenten bezien. Het agrarisch standpunt is uiteraard tegen-
overgesteld, doch in deze behooren de belangen der consumenten,
zijnde van veel meer algemeenen aard, den voorrang te krijgen.

Welke vorm van niet-goedkeuring (voorwaardelijke goedkeuring
of afkeuring) moet worden toegepast komt in de tweede plaats en
is afhankelijk van den aard der smetstof.

Als uiterste goedaardige smetstof in vleesch is aan te nemen het
mond- en klauwzeer-virus. 1)

Om bovengenoemde, doch eveneens om andere redenen moet
het bacteriologische gezichtspunt veel meer dan tot nu toe den alge-

In dit ontwerp is dit standpunt nog niet doorgevoerd voor mond en
klauwzeer en influenza, in afwachting van nadere beschouwingen hieromtrent.

-ocr page 1336-

meenen grondslag vormen voor de beslissing, en niet het uitsluitend
■pathologisch-anatomische !

In dit opzicht kon echter bij de opstelling van het tegenwoordige
Keuringsregulatief moeilijk anders gehandeld worden dan geschied
is. Bezien in het licht van den tijd was het reeds als vergaande te
beschouwen, dat bij alle noodslachtingen wegens ziekte bacteriolo-
gisch onderzoek was voorgeschreven.

Thans hebben vrijwel alle keuringsdiensten ervaring in eenvoudig
bacteriologisch onderzoek, zoodat er uit dien hoofde geen bezwaar
bestaat het terrein van dit onderzoek uit te breiden.

In deze hebben wij in de Duitsche voorschriften geen verderen
steun meer, daar wij in dit opzicht Duitschland ver vooruit zijn,
aangezien in dit land in tal van keuringsdiensten bacteriologisch
onderzoek bij noodslachtingen nog achterwege blijft.

Uit den aard der zaak ligt aan vele voorschriften van het be-
staande Keuringsregulatief wel de smetstofgedachte ten grond-
slag : steriliseeren of vernietigen op grond der pathologisch-ana-
tomische orgaan-afwijkingen ,,an und für sich" zou zinloos zijn.
In de praktijk is thans evenwel genoegzaam gebleken, dat hevigheid
der orgaan-afwijkingen en kans op smetstof-verspreiding inet den
grooten bloedsomloop absoluut niet steeds parallel gaan, evenmin
als bij zeer geringe orgaan-afwijkingen die kans gering zou zijn.

Hieronder volgen eenige voorbeelden :

a. Hevig ziek bij het leven, weinig of geen veranderingen na
den dood, toch bacteriaemie aanwezig.

b. Vlekziekte, dikwijls bacteriaemie en slechts geringe orgaan-
afwijkingen.

c Borstziekte, lokaal gelijkende pleuro-pneumonie en toch
bacteriaemie

d. Toxinaemieën (sapraemieën) met heftige orgaanafwijkingen
veelal steriel.

Op grond van het hiervoren vermelde zou men het volgende
schema op vrijwel alle voorkomende ziekten kunnen toepassen.
Om praktische redenen verdient het evenwel aanbeveling de meer
bijzondere ziekten afzonderlijk te behandelen.

A. Vernietigen, indien

ie. gevaarlijke, of niet volkomen bekende smetstoffen in den
grooten bloedsomloop aanwezig zijn ;

2e. het vleesch van den romp algemeene, duidelijke afwijkingen
vertoont, andere dan lichte afwijkingen in kleur, reuk of smaak,
of wel in bloed- of vochtgehalte.

B. Steriliseeren :

ie. indien bekende, minder gevaarlijke smetstoffen in den groo-
ten bloedsomloop aanwezig zijn ;

2e. bij heftige toxinaemieën, waarbij geen smetstof in den groo-
ten bloedsomloop aanwezig is.

-ocr page 1337-

C. Vrijbank, indien

ie. het vleesch (de sub. A, 2e uitgezonderde) lichte afwijkingen
vertoont ;

2e. het dier bij het leven duidelijk algemeen ziek was of zulks
moet worden aangenomen het geval geweest te zijn op grond van
noodslachting.

Ontwerp.

Art. 1. Het geheele dier wordt afgekeurd in alle gevallen van :
miltvuur, boutvuur, ziekten, waarbij micro-organismen van de
coli-typhusgroep in den grooten bloedsomloop worden aangetroffen,
veepest, malleus, trichinose, schaapspokken, hondsdolheid, alge-
meene ontbinding of degeneratie.

Ziekten, waarbij micro-organismen van de coli-typhusgroep in het vleesch worden
aangetroffen.

Het verdient aanbeveling de woorden ,,in het vleesch" te vervangen door „in
de (groote) circulatie (of bloedsomloop)", ten einde tot uitdrukking te doen komen,
dat bacteriologisch onderzoek, alleen van het vleesch in engeren zin .verouderd is.

Algemeene actinomycose of botriomycose.

Deze gevallen komen zeer weinig voor ; zie verder toelichting bij die ziekten

Ontbinding.

Het verdient aanbeveling deze benaming te wijzigen in „algemeene ontbinding"
en hieraan toe te voegen „en algemeene degeneratie". Plaatselijke ontbinding
toch kan milder beoordeeld worden.

De gevallen van afkeuring van het geheele dier wegens ontbinding, doch vooral
wegens uitgebreide bezoedeling zijn ver in de minderheid tegenover de zéér veel-
vuldig voorkomende gevallen van plaatselijke ontbinding of bezoedeling. Voor
deze laatste zijn uniforme maatregelen zeer gevvenscht, daar thans te dien aanzien
zeer verschillend gehandeld wordt.

Algemeene opmerkingen bij art. 2.

De uitdrukking : ,,indien belangrijke veranderingen worden aangetroffen" is zeer
vaag. Er bestaat zelfs verschil in uitleg of deze veranderingen in de organen dan
wel in het vleesch aanwèzig moeten zijn om tot afkeuring te kunnen overgaan.
Belangrijke orgaan-veranderingen behoeven op zich zelve niet tot afkeuring te
leiden. Indien vleesch steriel is en geen afwijkingen vertoont, dan is meestal
sterilisatie voldoende te achten.

Het verschil tusschen een noodslachting en een ander ziek dier behoeft niet
tot zoo sterk uiteenloopende beoordeeling te leiden, dat alle noodslachtingen
moeten worden vernietigd of gesteriliseerd, zooals bij kalverdiphterie. Dit is
vooral ook bij voor den mensch minder ernstige ziekten als tuberculose, varkens-
pest en varkensborstziekte niet noodzakelijk. Negatief resultaat bij bacteriologisch
onderzoek en de afwezigheid van vleeschveranderingen maken vernietiging van
noodslachtingen onnoodig streng.

De invloed van de óórzaak van den dood op de deugdelijkheid van het vleesch
is een wel wat te vaag begrip.

De eiscli van de onmiddellijke verwijdering der buikingewanden is onnoodig
streng.

-ocr page 1338-

Art. 2. In de volgende gevallen worden beslissingen genomen,
zooals daarbij is aangegeven.

Indien afwijkingen onder verschillende der hierondergenoemde
gevallen kunnen worden gerangschikt, wordt de ongunstigste be-
slissing genomen.

De tot het dier behoorende organen en losse deelen worden niet
gunstiger beoordeeld dan de romp.

Abnormale reuk of smaak van het vleesch, ook indien deze
alleen door de kook- of de braadproef worden ontdekt.

afgekeurd :

indien de afwijkingen zeer duidelijk waarneembaar zijn.

gesteriliseerd of goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in
het klein onder toezicht
naar omstandigheden : in lichtere gevallen.

Uraemie valt onder : abnormalen reuk, smaak of consistentie. Imperatieve
afkeuring is niet steeds noodig en dus te rigoreus.

Belangrijke algemeene vermagering.

Afgekeurd :

a. indien een duidelijke, gelatineuze uittering van het aange-
groeide vet is opgetreden (cachexie) ;

b. indien de vermagering gepaard gaat met sterk abnormaal-
vochtigen toestand van het bindweefsel, het aangegroeide vet of
de spieren (waterzucht) ;

c. indien het vleesch op andere wijze te zeer afwijkt.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder

toezicht :

a. indien bovengenoemde afwijkingen niet aanwezig zijn, doch
de vermagering zeer heftig is.

b. indien de bovengenoemde abnormale vochtigheidstoestand
in geringeren graad aanwezig is.

Opmerking. In den regel kan een juiste beoordeeling eerst 24 uur
na de slachting geschieden, en na losmaken van schouder en bil.

Waterzucht.

Afgekeurd :

indien ook de spieren in sterke mate vochtig zijn.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toezicht

in alle overige duidelijke gevallen van algemeenen abnormalen
vochtigheidstoestand van het bindweefsel, het aangegroeide vet
of de spieren.

Opmerking :

re. Belangrijke algemeene vermagering moet als een aanwijzing
gelden voor een bijzonder onderzoek naar den vochtigheidstoe-
stand ;

2e. bij zeer plaatselijke waterzucht worden slechts de aangetaste
deelen afgekeurd.

-ocr page 1339-

3e. in den regel kan een juiste beoordeeling eerst 24 uur na de
slachting geschieden, en na losmaken van schouder en bil.

Sterke algemeene vermagering en waterzucht.

Ook hier kan meermalen een mildere beoordeeling plaats vinden, terwijl ieder
dezer afwijkingen afzonderlijk om nadere regeling vraagt.

Bezoedeling met smetstof of andere onreinheden : oppervlakkig
bederf.

De betreffende deelen worden na verwijdering der bezoedelde
of oppervlakkig bedorven gedeelten als volgt beoordeeld :

Afgekeurd : indien na noodig geacht bacteriologisch onderzoek
het vleesch inwendig niet steriel wordt bevonden.

Steriliseeren :

indien op grond van den aard der bezoedelende smetstof of on-
reinheid en van den duur, de heftigheid of de plaats der bezoede-
ling, verkoop in verschen toestand niet raadzaam is te achten.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toe-
zicht :

bij oppervlakkig bederf, indien aangenomen moet worden, dat
het na verwijdering der bedorven gedeelten overblijvende vleesch
zoodanig in houdbaarheid is verminderd, dat het binnen korten
tijd geheel dient te zijn verbruikt.

Opmerking.

De verwijdering der bezoedelde of bedorven gedeelten geschiedt
volgens onderstaande regelen :

a. met verwijderen van borst- en buikvliezen mag slechts wor-
den volstaan in die gevallen, waarin de bezoedeling spoedig na het
optreden wordt geconstateerd, en voor zoover deze vliezen gemak-
kelijk door middel van trekken van de onderlaag loslaten ;

b. in de overige gevallen en op alle overige plaatsen wordt een
laag van ten minste 1 c.M. dikte van het bezoedelde vleesch (ook
been) verwijderd, behoudens dat met verwijdering der
fascie kan
worden volstaan ter plaatse waar deze duidelijk ontwikkeld is.

Bij kwalijk riekende bezoedeling en bij bederf worden de opper-
vlakkige deelen zóó diep weggesneden, dat bij nauwkeurig ouden-
zoek geen afwijkingen in reuk en consistentie zijn waar te nemen,
zoo noodig na toepassing der kook- en braadproef.

Bezoedeling : als boven. (Ons voorstel zal gedeeltelijke wijziging behoeven als
de vanuit Groningen gepropageerde flambeer-niethode ingang vindt).

Het uitsluitend afwasschen of afkrabben van bezoedeld vleesch is niet te
verdedigen.

Onvoldoende uitbloeding.

Steriliseeren :

indien te verwachten is, dat het vleesch spoedig tot bederf zal
overgaan.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toe-
zicht :

-ocr page 1340-

indien het vleesch in houdbaarheid is verminderd of belangrijk
in kleur afwijkt.

Opmerking.

Onvoldoende uitbloeding wordt niet geacht te behooren tot de
bij verschillende ziekten genoemde veranderingen in het vleesch,
welke afkeuring noodig maken.

Gestorven dieren.

Afgekeurd :

in alle gevallen, waarin voorwaardelijke goedkeuring niet toe-
passelijk is.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toe-
zicht :

in geval van vrij plotselingen dood — niet door ziekte veroor-
zaakt of tenzij een ziekelijke afwijking uitsluitend op mechanische
wijze tot den dood heeft gevoerd, — waarbij het vleesch :

a. niet anders afwijkt dan in bloedgehalte en dit sterilisatie
niet noodig maakt en bovendien :

b. bij het bacteriologisch cultuuronderzoek kiemvrij is bevon-
den en de kook- en braadproef negatief uitvallen ;

en waarbij aan de buikingewanden en den buikwand geen rot-
tingsverschijnselen worden aangetroffen.

Opmerking.

Voor een juiste beoordeeling van gestorven dieren is het onder-
zoek van het vleesch noodzakelijk.

Dit behoort te geschieden door losmaken en dwars op de vezels
doorsnijden der spieren van de bovenbillen en de schouders.

Indien maag en darmen niet spoedig na het sterven uit de buik-
holte zijn verwijderd, worden de buikwand, het middenrif, de
niervetten en het retroperitoneale vet, de reuzeis en het losse
buikvet afgekeurd, ook al worden daaraan geen afwijkingen waar-
genomen.

Afwijkingen van het vleesch worden naar onze ervaring het best onderkend
indien de spieren dwars op de vezel worden ingesneden.

Herhaaldelijk wordt darmlucht waargenomen aan de aan de buikingewanden
grenzende deelen, zonder dat deze groen verkleurd zijn.

1. Door ziekte in onmiddellijk dreigend levensgevaar verkee-
rende en deswege uit nood gedoode, of deswege ter onmiddellijke
slachting aangeboden dieren :

2. met koorts verhopende processen, in het bijzonder, die welke
aansluiten aan verwonding en ontsteking van den uier, de baar-
moeder, de gewrichten, de peesscheeden, hoeven en klauwen, de
navel, de longen, de wei vliezen, de maag en de darmen,

en ook de bij het leven fcbriciteerende dieren, waarbij na de slach-
ting geen afwijkingen worden gevonden, doch een infectieuze
oorzaak van de koorts niet met zekerheid kan worden uitgesloten.

-ocr page 1341-

3- Slachtdieren, waarvan de geringe afwijkingen na de slachting
niet in overstemming zijn met de hevige ziekteverschijnselen bij het
leven waargenomen.

4. Ziektebeelden met verschijnselen eener scpticaemie (ook toxi-
nacmie) of pyaemie ;

5. alle ontstekingstoestanden, indien :

a. twijfel bestaat of verspreiding van smetstof met den grooten
bloedsomloop kan hebben plaats gevonden ;

b. het dier bij het leven den indruk maakte in zijn algemeenen
gezondheidstoestand gestoord te zijn ;

c. deze voorkomen bij jonge dieren :

d. deze acuut voorkomen in de darmen, den uterus of over een
grooter gedeelte van een der sereuze vliezen ;

6. niet volkomen afgekapsclde gangrencuze of ichoreuzc processen ;

7. ziektebeelden, welke met den naam van koliek worden aangeduid\',

8. retentio-secundinarum, tetanus, goedaardige droes, influenza,
kalverdiphtcrie, boosaardige kopziekte of catarrhalc koorts, mond-
en klauwzeer, kalf- of melkzickte, kopziekte, traumatische pcricarditis.

Opmerking. De hieronder voorgeschreven beslissingen voor de
onder 2 t/m 7 opgesomde ziektegevallen gelden slechts voor zoover
ten aanzien van bepaalde hieronder vallende ziekten later niet
anders wordt voorgeschreven.

Afgekeurd :

ie. indien de aanwezigheid van smetstof in den grooten bloeds-
omloop door een bacteriologisch cultuuronderzoek is aangetoond,
(zie slotopmerking van art. 2). In de gewone gevallen van kalf-
ziekte, kopziekte, mond- en klauwzeer, tetanus en kalverdiphterie
zonder complicaties en de lichtere gevallen van traumatische
pericarditis zonder toxaemische verschijnselen, behoeft geen
bacteriologisch cultuuronderzoek te worden ingesteld ;

2e. indien het vleesch van den romp duidelijke veranderingen
vertoont, andere dan bloedrijkdom of geringe abnormale vochtig-
heid, welke veranderingen niet zeer plaatselijk zijn gebleven en
dus niet gemakkelijk verwijderd kunnen worden ;

3e. alle zeer jonge dieren, waarbij aan of in den romp ontste-
kingstoestanden van eenige beteekenis worden aangetroffen.

Steriliseeren :

bij hevige gevallen van septicaemie (toxinaemie) of pyaemie.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toezicht:

ie. in alle niet voor afkeuring of sterilisatie in aanmerking ko-
mende, onder x genoemde gevallen ;

2e. indien bij het leven zeer belangrijke algemeene ziektever-
schijnselen werden waargenomen ;

3e. indien na de slachting dusdanig heftige acute ziektever-
schijnselen worden aangetroffen dat het vleesch in deugdelijkheid
verminderd moet worden geacht.

-ocr page 1342-

I3I3 —

Opmerking.

i. Voor een juiste beoordeeling van uit nood geslachte dieren
is een bijzonder onderzoek van het vleesch en de vleeschlymph-
klieren noodzakelijk : het eerste door losmaken en dwars op de
vezels doorsnijden der spieren van de bovenbillen en de schouders
en-door de kook- en de braadproef, en verder door onderzoek daar-
ter plaatse waar aan bepaalde vleeschlymphklieren gevonden af-
wijkingen dat wenschehjk maken.

Indien maag en darmen niet spoedig na den dood uit de buik-
holte zijn verwijderd, worden de buikwand, het middenrif, de
niervetten en het retroperitoneale vet, de reuzeis en het losse buik-
vet afgekeurd, ook al worden hieraan geen afwijkingen waarge-
nomen.

2e. Als verschijnselen van toxinaemie enz. moeten o. a. be-
schouwd worden : zwelling, degeneratie of ontsteking van meer dan
een parenchymateus orgaan, petechiën of ecchymosen, voor
zoover deze niet op voor de hand liggende wijze door andere oor-
zaken kunnen worden verklaard.

3e. Bij met stank gepaard gaande ziekte-processen wordt niet
tot voorwaardelijke of onvoorwaardelijke goedkeuring overge-
gaan, alvorens door de kook- en de braadproef is gebleken, dat
het vleesch noch plaatselijke, noch algemeene afwijkingen in reuk
of smaak vertoont.

Ia alle deze gevallen, dus niet uitsluitend bij noodslaehtingen, is bacteriologisch
onderzoek noodzakelijk te achten. Ook hier is de uitdrukking „belangrijke ver-
anderingen " te vaag.

Ten aanzien van de hierbedoelde ziekten is het bezwaar tegen het oude Keu-
ringsregulatief, dat de betrokken dieren nimmer onvoorwaardelijk mogen worden
goedgekeurd. In de praktijk wordt dit voorschrift wellicht nog al eens ter zijde
geschoven. In verband met een en ander wordt voorgesteld uitsluitend de duide-
lijk, algemeen zieke dieren, waarvan zulks vóór of na de slachting blijkt, naar
de vrij bank te verwijzen.

In de praktijk is de behoefte gevoeld aan sterilisatie voor gevallen van steriliteit
bij heftige toxinaemieen (vooral sapraemieën).

tn de onderwerpelijke verzamelgroep zijn zooveel mogelijk alle daarvoor in
aanmerking komende ziekten ondergebracht, de beoordeeling voor deze groep
komt overeen met het grondschema, dat voor alle ziekten zou kunnen gelden

Daarvan uitgezonderd zijn hier alleen die infectieziekten, welke een te afwijkend
beeld geven. Deze laatste zijn, hoewel naar denzelfden grondslag, afzonderlijk
geregeld.

Daar de groep ,,longgangreen enz." van het bestaande K. Regulatief ten aanzien
van het bacteriologisch onderzoek als de meest belangrijke is aan te merken,
is een poging alleszins op haar plaats om in deze groep zooveel mogelijk alle ge-
vallen, waarbij imperatief bacteriologisch onderzoek behoort te worden voor-
geschreven, onder te brengen. (Venvezen zij in dit verband naar punt 5 en de
formuleering onder : afgekeurd ie, alsmede naar de slotopmerking van art. 2).

Verder is het gewenscht, dat de keuringsveearts aan een centrale slachtplaats,
alwaar de levende keuring veelal eerst onmiddellijk vóór de slachting plaats vindt,
het recht heeft ook als noodslachting te bestempelen een dier, dat, hoewel levend,
wegens ziekte ter onmiddellijke slachting wordt aangevoerd (zie onder 1).

-ocr page 1343-

Wel is waar verliest de hiergenoemde definitie veel van haar waarde, indien ook
de niet uit nood gedoode zieke dieren bacteriologisch moeten worden onderzocht
en ook deze, indien zij algemeen ziek zijn naar de vrijbank worden verwezen,
doch niettemin is de aanvulling van het begrip „noodslachting" gewenscht.

Tevens kan de noodslachtingengroep in haar geheel in de onderwerpelijke
groep worden ondergebracht.

De uitdrukking „bacteriologisch cwWuHr-onderzoek" sluit het instellen van
slechts een bacteriologisch-praeparaat-onderzoek uit, daar dit laatste als geheel
onvoldoende is te beschouwen.

Onder 2 is de aanvulling wenschelijk met die dieren, waarbij tijdens het leven
koorts is waargenomen zonder dat na de slachting ontstekingsprocessen worden
aangetroffen ; hier behoort ook een bacteriologisch onderzoek te geschieden.

Onder 4 is het gewenscht de toxinaemie met name te noemen, daar dikwijls
eerst bij meer heftige, algemeene verschijnselen van septicaemie wordt gesproken
(hoewel dit wetenschappelijk ongemotiveerd is). Ook door de omschrijving in
de opmerking ad 2e van hetgeen onder toxinaemie moet worden verstaan, wordt
toepassing dezer verkeerde opvatting voorkomen.

Onder 5 wordt gepoogd alle overblijvende gevallen van mogelijke algemeene
infectie samen te vatten. Deze groep zal steeds min of meer globaal moeten zijn.
Op de in de inleiding ontwikkelde gronden is het echter hoogst noodzakelijk een
omschrijving te geven, zoover dat uitvoerbaar is.

In 5 ad. c. is vastgelegd, dat bij het aantreffen van iedere ontstekingshaard
bij zeer jonge dieren bacteriologisch cultuuronderzoek moet worden verricht,
omdat in deze gevallen zeer spoedig bacteriaemie optreedt.

In zijn de gevallen genoemd, welke meermalen tot vleeschvergiftiging aan-
leiding heeten te hebben gegeven. Deze opsomming is uiteraard voor uitbreiding
vatbaar.

Onder 6 zijn alle gangreneuse-, alsook de ichoreuze processen samengevat.

Onder 8 zijn ziekten gerangschikt, welke in het bestaande Keuringsregulatief
afzonderlijk beoordeeling vinden, doch waarvoor thans, mede op grond van de
doorvoering van het bacteriologisch onderzoek geen reden meer is. Ook deze
groep is voor uitbreiding vatbaar.

Haemoglobinurie is ondergebracht in een afzonderlijke groep, waarin icterus,
niet infectieuze bloedziekten en abnormale pigmentatie eveneens een plaats vin-
den en waar het o. i. meer thuis hoort.

Onder ,,afgekeurd 3e" is tegemoet gekomen aan de door.velen gehuldigde op-
vatting, dat ten aanzien van zeer jonge dieren (hoofdzakelijk nuchtere kalveren
dus) bij aanwezigheid van ontstekingsverschijnselen van eenige beteekenis aan
den romp (polyarthritis, pleuritis, peritonitis) tot afkeuring dient te worden over-
gegaan en derhalve niet behoort te worden goedgekeurd onder voorwaarde van
verkoop in het klein onder toezicht na verwijdering der ontstoken deelen. Steri-
liseeren dezer zeer jonge dieren heeft praktisch geen zin.

Onder „opmerking ie" wordt den keuringsambtenaren, die wat de uitvoering
der keuring betreft met in- en externe moeilijkheden te kampen hebben, steun
gegeven in den vorm van imperatieve voorschriften. Het hier bedoelde onderzoek
is bij elke noodslachting gewenscht en economisch volkomen te verdedigen. Wat
den inhoud der 2e alinea der bovengenoemde opmerking betreft, zij aangestipt,
dat de genoemde deelen bij verwarming soms een onaangename darmlucht af-
geven, zonder dat er iets abnormaals aan te zien of in kouden toestand iets aan
te ruiken is, terwijl de vorengenoemde reuk soms slechts op bepaalde plaatsen
voorkomt. Om deze reden is dit imperatieve voorschrift praktisch wenschelijk.
Zie ook bij gestorven dieren.

(Wordt vervolgd).

-ocr page 1344-

ELECTRISCHE BEDWELMING VAN SLACHTVEE,

DOOR

J. ROOS.

In het 15-Octobernummer van dit Tijdschrift geeft de Heer W.
van der Burg onder bovenstaanden titel zijn indrukken weer,
opgedaan bij een demonstratie aan het Stedelijk Slachthuis te
Keulen waarbij bedoeld werd slachtdieren, runderen en varkens,
door een electrischen stroom bewusteloos te maken alsvorens hen
door verbloeding te dooden. Prof.
van Oijen was behalve te Keulen
te Miinchen in de gelegenheid een soortgelijke demonstratie bij te
wonen en geeft in een naschrift zijn ervaringen weer, die de be-
vindingen van den Heer
van der Burg onderstrepen en aanvullen.

Beide Schrijvers zijn zeer ingenomen met hetgeen zij zagen op
grond van verschillende overwegingen, waaronder er een is, waar-
over ik een enkele opmerking wil maken : de bedwelming van het
dier. Er is wel geen twijfel aan. dat de gedragingen van de dieren
tijdens en na het behandelen met den electrischen stroom, voor
zoover deze met het oog te volgen zijn, door beide waarnemers
juist zijn weergegeven en wij willen dan ook uitsluitend deze waar-
genomen verschijnselen tot het punt van uitgang van onze be-
spreking maken.

In hoofdzaak zijn deze de volgende : tonische spierkrampen,
die bij het varken korter, bij het rund langer duurden, en ophouden
van de adembewegingen. Zoowel gedurende het electrisch door-
stroomen van het lichaam als daarna bij het uitbloeden, (het elec-
trische doorstroomen duurde bij het rund | minuut of langer, bij
het varken korter), stond de adembeweging stil. Verder gaf het
varken geen geluid en bood geen tegenstand, terwijl het rund
zich even rustig gedroeg. Het maakte geen beweging met de lede-
maten, zoodat ter bevordering van het uitbloeden de onderbroken
stroom even werd ingeschakeld ; dan traden weer eenige spier-
contracties op. Overigens lag het dier volmaakt rustig, en het
reageerde niet het minst op de halssnede.

Beide Schrijvers meenen in deze gedragingen het bewijs voor de
bedwelming te moeten zien. Met name uit het niet reageeren op
de halssnede werd afgeleid, dat het dier op dat oogenblik volkomen
gevoelloos en bewusteloos was.

Deze conclusies lijken mij niet gemotiveerd. De medegedeelde
verschijnselen wijzen in een geheel andere richting. Zij zijn alle
toe te schrijven aan prikkeling van motorische centra, waaronder
het ademhalingscentrum. De tonische spiercontracties zijn daarvan
het gevolg. En hebben de sterke prikkels een zekeren tijd ingewerkt,
dan wordt de prikkelingstoestand gevolgd door verlamming van
genoemde centra. Vandaar dat bij het inschakelen van den stroom

-ocr page 1345-

spierkrampen optraden, bij het varken aanvankelijk zoo sterk,
dat fractuur van rugvvervels er somwijlen het gevolg van was.
Vandaar dat na het wijzigen van de electroden het varken eerst
zijn hals strekte, maar na enkele secunden het hoofd liet zakken
en de oogen zich sloten. Vandaar dat bijna onmiddellijk na het
sluiten van den stroom het rund neerviel, of bij langzaam inschake-
len ging liggen. Vandaar dat de adembewegingen zeer sterk werden
bemoeilijkt en als regel werden stopgezet. Vandaar dat de dieren,
zelfs als er van bedwelming of verdoving van pijn of bewustzijn
niet in het minst sprake zou zijn, niet bij machte zouden zijn ge-
weest een schreeuw te geven, een afweerbeweging te maken ;
het rund zelfs niet reflectorisch reageeren kon op het bloedleeg
worden, na het toebrengen van de halssnede.

De door de Schrijvers vermelde verschijnselen die zich voor-
deden, toen
Leduc zich in eigen persoon voor een proef beschikbaar
stelde, zijn hiermede in overeenstemming. Natuurlijk werd de
poging tot bedwelming hier minder intensief aangewend, zoodat
de proefpersoon nog gesprekken hoorde en dus niet volledig „be-
wusteloos" was ; maar ondanks het feit, dat de prikkels relatief
zwak waren traden lichte contracties op van verschillende spieren,
werd de ademhaling iets bemoeilijkt, werd het spreken belemmerd,
en werd elke reactie op pijn verwekkende prikkels onmogelijk.

De verschijnselen in genoemd opstel neergelegd lijken mij, phy-
siologisch beschouwd, moeilijk als gevolgen van bedwelming te
duiden. Zij kunnen bezwaarlijk anders worden verstaan dan in
dezen zin, dat de toegepaste electrische stroom het dier in een toe-
stand van volmaakte machteloosheid bracht waarbij verstikking
ten slotte aan het leven een einde zou hebben gemaakt, indien
niet door de verbloeding het intreden van den dood was bespoedigd.

BLADVULLING.

Hongerdood van een paard.

In de Alpen in Tirol vonden boeren in een kleine kapel op een bergweide
een paard, dat klaarblijkelijk daar van honger gestorven was. Het hout van
de bidstoel was afgeknaagd. Het dier had waarschijnlijk daar beschutting
gezocht tegen een onweer en kon, zeer zeker door het toevallig dichtslaan van
de deur, niet meer naar buiten. (Tier-Rundschau
1929 blz. 824). Vr.

Saccharomyces in Pharao-graven.

Prof. Grüsz (Forsch. u. Fortschritte, 1929, No. 30) vond in het afschraapsel
van de binnenkant van drinkbekers, gevonden in Egyptiese Koningsgraven (5000—
1000 v, C.), saccharomyces ; één soort kwam bijna in reincultuur voor ; hij noemde
die Saccharomyces Winlocki.
 Vr.

-ocr page 1346-

— i3i7 —

INGEZONDEN.

Waar blijft onze serumwet ?

Wanneer wij de tijden er goed op aanzien dan wordt de toekomst voor den prak-
tiseerenden dierenarts steeds donkerder Zeer vele factoren wijzen er op dat de
strijd om het bestaan gaandeweg feller wordt. Was voor een zevental jaren door
de invoering van de vleeschkeuringswet voor velen een nieuw arbeidsterrein
opengekomen en daardoor de finantieele zijde van ons ,,vak" danig verbeterd,
thans begint men van de zijde van den praktiseerenden dierenarts al reeds een cam-
pagne om een scheiding te bewerkstelligen tusschen ambtenaar en praktiseerend
dierenarts. Op zich zelf is dit in theorie mogelijk we! juist, doch men vergete niet
dat velen onder ons nu juist door deze bijeenvoeging een menschwaardig bestaan
hebben.

Aan den anderen kant kan ik natuurlijk goed inzien dat de uitsluitend prak-
tiseerende dierenarts de laatste jaren geducht in de knel begint te komen. Zelf onder-
vind ik hier ook de treurige toeneming der kwakzalverij. Te pas en te onpas worden
allerlei geneesmiddelen vanasda. Dennenboom en dergelijke fabrieken, ingegeven.
Boekjes met beschrijving van talrijke veeziekten, met geneesmiddelen daartegen,
worden gratis overal rondgebracht De veehouders maken op hun manier de diag-
nose en halen bij den drogist poeders of drank No zooveel en niet anders dan bij
een dreigend letaal verloop wordt een enkele maal onze hulp ingeroepen. Het
toppunt wordt evenwel de laatste jaren bereikt door het openlijk geadverteer en
venten met allerlei vaccins en sera tegen de meest voorkomende ziekten, zooals vlek-
ziekte, borstziekte, pest der varkens, mond- en klauwzeer, diphtherie en pokken
der kippen Wat is hiervan nu voor ons dierenartsen, doch ook voor de veehouders
het resultaat. Laat mij stilstaan bij het inenten tegen diphtherie en pokken bij het
pluimvee, aangezien ik hierover voor deze streek het beste kan meepraten (pre-
ventieve vlekziekte entingen worden hier niet verricht). Vast staat dat de enting
met antidiphtherin in 99 % goede preventieve resultaten geeft. Langzaam aan,
de Veluwsche boer kijkt gaarne de kat uit de boom, heeft men ingezien dat met
deze enting de pluimveestapel in den herfst en \'s winters tegen een geduchten
geesel werd behoed en voor eenige jaren nam dan ook deze enting tamelijk toe.
Totdat door het een of ander bureau (ik meen de aesculaap te Hillegersbcrg) een
entstof tegen diphtherie in den handel werd gebracht en door hun reizigers aan de
veeverloskundigen werd verstrekt. Wat hoort men nu wanneer men zijn oor onder
de landbouwers te luisteren legt : de veeverloskundige vertelt den goedgeloovigen
boer (goedgeloovig omdat de verloskundige zorgt goedkooper dan de dierenarts
te zijn, meestal 1 cent per stuk), dat hij deze entstof betrekt van een rustend veearts
en dat deze dus precies dezelfde is als van de dierenartsen. Nu weten wij uit perti-
nente verklaringen van Prof.
de Blieck, dat het onmogelijk is dat zijn vaccin,
de antidiphtherin, in handen van niet-dierenartsen komt, ook niet langs een omweg.
Bovendien heb ik mij eenige malen kunnen overtuigen dat van eenige reactie die
na circa 7 dagen op de kunstbewerking bij de kip moet te voorschijn komen, geen
sprake is. Ook weet ik dat de veeverloskundigen in deze streken er nooit op wijzen
dat er een reactie moet komen.

Wat is nu het gevolg van dit gebeunhaas op ons terrein ? Dat het vertrouwen
in de enting, die gebleken heeft de toets der kritiek te kunnen doorstaan, duchtig
aan het kwijnen is. Maar al te vaak hoor ik : ,,die en die" heeft zijn kippen laten
enten en heeft nog nooit zoo n sterfte aan diphtherie gehad. Wie de dieren dan
ingeënt had wordt er niet bijgezegd, doch er wordt gegeneraliseerd dat ,,het lieele
inenten niks weerd is". En het is nu eenmaal een typeerend verschijnsel dat één
slecht resultaat veel meer inslaat dan tien prachtdito\'s. Zoo werkt het geknoei
door de heeren kwakzalvers het in de hand dat de pluimveehouders niet meer laten
enten (natuurlijk is er gelukkig nog een contingent dat zijn verstand gebruikt en
zicli aan de goede resultaten, vroeger verkregen, houdt) en ziet men momenteel

-ocr page 1347-

— I3i8 —

dat het diphtherievirus geducht weder onder de pluimveestapels huishoudt, en
daardoor dus weer zeer veel kapitaal noodeloos vernietigd wordt. Zoo is ook het
door mij dit jaar verrichte aantal entingen nog niet de helft van voor eenige jaren.

Nu kom ik tot den aanhef van dit artikeltje. Waar blijft onze serumwet? Want
alleen door goede wettelijke bepalingen is er iets te bereiken. Niet alles natuurlijk
maar toch wel zoodanig dat de behandeling van onze veestapel met sera en vaccins
ons weder een beter contact geeft met den landbouwer-veehouder en deze dus
ook weder vertrouwen gaat krijgen in de preventieve en curatieve entingen, wat
dan weder direct aan onze geheele vee- en pluimveestapel ten goede komt.

Rarneveld, November 1929. M. H. Hoogland.

De ontwerp-serumwet, door inzender bedoeld, is reeds geruimen tijd geleden bij
de Regeering ingediend en zal dus te zijner tijd bij de Tweede Kamer in behande-
ling komen. Wanneer precies kunnen wij niet zeggen. Als de wet door de
Regeering
is ingediend wordt zij in de Kamer behandeld ; een wetsontwerp dat door een
commissie bij de Regeering is ingediend behoeft echter niet bij de S. G. ingediend
te worden, doch kan jarenlang blijven liggen. Een indiening door de commissie
is dus geen waarborg dat het ontwerp als wetsvoorstel bij de S. G. zal komen.

Red.

BERICHTEN.

Studenten-abonnementen.

De Redactie brengt in herinnering, dat voor studenten in de Faculteit der Vee-
artsenijkunde de abonnementsprijs van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
bedraagt / 10.—

Het is echter noodig gebleken de wijze waarop deze abonnementen worden
toegestaan te herzien. Aan studenten die 11a 1 Jan. 1930 het Tijdschrift wenschen te
ontvangen, - ook zij die thans reeds een studenten-abonnement hebben —, wordt
verzocht zich aan te melden door storting van / 10 op de Postgirorekening
der Firma
van Boekhoven, No. 64404, met vermelding op het girobiljet van de
woorden „voor studenten-abonnement Tijdschrift voor Diergeneeskunde" en
duidelijke opgave van naam en woonplaats.

De Firma van Boekhoven zal deze aanmeldingen aan de Redactie ter goed-
keuring voorleggen, waarna geregelde toezending volgt.

Uitdrukkelijk wordt vermeld, dat via den boekhandel geen studentenabon-
nementen meer kunnen worden afgesloten.
 Redactie.

De Minister van Staat,
Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw.

Heeft goedgevonden
te ontbinden de bij beschikking van zijn ambtsvoorganger van 22 Februari 1926,
Directie van den Landbouw No. 195 3e afdeeling, ingestelde Commissie, aan
welke was opgedragen de oplossing van verschillende vraagstukken ten aanzien
van sera en entstoffen in de Diergeneeskunde, met dankbetuiging voor de door
haar bewezen diensten.

\'s-Gravenhage, 21 November 1929.

Overeenkomstig de geparafeerde minuut,
De Secretaris-Generaal,
SWA ING.

-ocr page 1348-

VLEESCHHYGIËNE.

Jaarverslag over 1928 van het Centraal Laboratorium der Volksgezondheid.

Over de in de Veterinaire af deeling, verrichte onderzoekingen wordt het volgende
medegedeeld : In het geheel werden een
503 monsters vleesch, meestal met organen,
ter onderzoek op steriliteit ingezonden. Verdeeld over de verschillende diersoorten,
waren deze monsters afkomstig van 39 paarden (23 noodslachtingen en 16 gestor-
ven dieren), 312 runderen (275 noodsl., 33 gestorven dieren en 4 normale slach-
tingen), 80 varkens (66 noodsl., 11 gestorven dieren en 3 normale slachtingen),
65 kalveren (60 noodsl., 5 gestorven dieren) en 7 schapen (5 noodsl., en 2 gestor-
ven dieren).

Positieve bevindingen kwamen voor bij paarden 3, runderen 19, varkens u,
en kalveren 10 maal.

Wat betreft de gevonden bacteriën, werden bij het paard gevonden 1 maal
saprophytische bacteriën, 1 maal Streptococcen en 1 maal anaërobe rottingsbac-
teriën ; bij het rund 10 maal saprophyten, 1 maal Streptococcen, 6 maal anaërobe
rottingsbacteriën, 2 maal colibacillen en 1 maal boutvuurbacillen ; bij het varken
3 maal saprophyten, 1 maal Streptococcen, 3 maal vlekziektebacillen en 1 maal de
varkenspestbacil ; bij het kalf 4 maal saprophyten, 1 maal anaërobe rottingsbac-
teriën, 2 maal colibacillen, 2 maal bac. enteritidis Gärtner en 1 maal bac. bipolaris
septicus.

Een onderzoek van voedingsmiddelen op voor den mensch schadelijke microör-
ganismen had
in 91 gevallen plaats, waarvan er 46 betrekking hadden op worst,
23 op toebereid vleesch, 2 op rookvleesch, 3 op gezouten vleesch, 2 op ham, 4 op
afkrabsel van een hakblok, 1 op runderlever, 8 op vleeschconserven in blik, 1 op
kaas en 1 op darmen voor worstbereiding. In een 21 gevallen werd uit het ma-
teriaal een microörganisme gekweekt, behoorende tot de paratyphus B-enteri-
tidis groep.

Een 27 bacterieculturen werden ter nadere differentiatie opgestuurd, terwijl
bovendien nog een zeer groot aantal andere onderzoekingen werden verricht, zoo-
als onderzoek van se- en excreta (faeces, uiersecretum, melk), van geheele cadavers,
(voornamelijk kleine dieren, echter ook van een giraffe en een ijsbeer), terwijl ook
nog talrijke pathologisch-anatomische onderzoekingen plaats vonden.

Ofschoon uit den aard der zaak de veterinairen het meeste belang zullen stellen
in de Veterinaire afdeeling, vond ik ook onder de verrichte onderzoekingen in de
Bacteriologisch-Biologische afdeeling enkele gegevens, die wellicht velen zullen
interesseeren.

Allereerst wordt medegedeeld, dat bij het onderzoek op tuberkelbacillen een ge-
regeld gebruik werd gemaakt van de kweekmethode in de
vloeibare eigeelvoedings-
bodem volgens Besredka.
In een bijgevoegd artikel van de hand van Dr. Korthof,
ie bacterioloog aan die afdeeling, kan men nadere gegevens over deze methode
vinden.

Volgens deze methode zijn onderzocht 844 sputa, 52 urines en 11 punctievloei-
stoffen. Van de sputa waren 115 in het
Ziehl- of antiforminepreparaat positief.
Hiervan waren slechts 7 bij de kweekproef negatief ; 45 sputa waren bij de kweek-
proef positief, echter in het
Ziehl- of antiforminepreparaat negatief. 2 urines waren
zoowel in het directe preparaat als bij de kweekproef positief, 2 alleen bij de kweek-
proef. Van de punctievloeistoffen was 1 alleen bij de kweekproef positief.

Hieruit blijkt wel, dat deze kweekmethode als een aanwinst voor de bacterio-
logische diagnostiek is te beschouwen.

Dat naast de typhusbacil van Eberth-Gaffky ook de paratyphusbacil zeer
algemeen in ons land voorkomt, blijkt uit de gegevens, welke hierover worden mede-
gedeeld. Van de 6190 agglutinatieproeven, die in de laatste 6 jaren verricht werden,
waren 2815 positief. Hiervan wezen 64,83 % op een typhus- en 35,1 % op een
paratyphusinfectie.

-ocr page 1349-

ln de jaren 1925 t/m 1928 werd 8426 maal facces op typhusbacillen onderzocht.
Het onderzoek viel 901 maal positief uit en wel 345 maal t.o.v. typhus en 556 maal
t.o.v. paratyphus.

5061 urine-onderzoekingen vielen 167 maal positief uit, verdeeld over 81 typhus
en 86 paratyphus.

Uit deze getallen blijkt dus overtuigend, dat het paratyphusvraagstuk hier te
lande van groote beteekenis is. Het overgroote deel der paratyphus-infecties bleek
bij nadere differentiatie te zijn veroorzaakt door den
B. paratyphus B Schott-
müller.
In zijn jaarverslagboek over 1927 wijst de Hoofdinspecteur van de Volks-
gezondheid, Dr.
Terburgh, op het betrekkelijk veelvuldig voorkomen van para-
typhus in slagersgezinnen en hij acht het niet uitgesloten, dat runderen een rol
spelen in de epidemiologie dezer ziekte. Hiervoor zou o.a. een paratyphusepidemie
te Haarlem spreken, door collega
van der Hoeven nader beschreven en door mij
reeds gerefereerd.

Jaarverslag 1928 van den Keuringsdienst Kring Veghel.

In het algemeen overzicht wordt medegedeeld, dat 1928 zich heeft gekenmerkt
door twee belangrijke gebeurtenissen op keuringsgebied.

ie. de uitbreiding van het aantal noodslachtplaatsen in den kring met eene
te Schijndel, aldaar opgericht door de afdeeling van den Noord-Brabantschen
Christelijken Boerenbond aldaar.

2e. de openstelling van het gemeentelijk slachthuis te Veghel. Hieromtrent
vermeldt het verslag, dat aan deze gebeurtenis een voorgeschiedenis is verbonden
en consequent daarmede een vervolg, welke een vreemdsoortig licht werpen op de
houding van het gemeentebestuur van Veghel tegenover den vleeschkeuringsdienst.

Uitgaande van de praemisse, dat het slachthuis eene zuivere gemeentelijke instelling
betreft, welke geheel los staat van den vleeschkeuringsdienst,
c.q. daarmede geen ander
verband noodig of wenschelijk is dan zich strikt beperken tot het verrichten van
keuringswerkzaamheden daar ter plaatse, heeft het gemeentebestuur gemeend
zich in deze van voorlichting door het Hoofd van dezen dienst te moeten onthouden
en heeft het zich dientengevolge om advies gewend tot een collega uit een nabu-
rigen kring. Uit dien hoofde is collega
Fischer als directeur van den vleesch-
keuringsdienst door het gemeentebestuur geheel onkundig gelaten van de bouw-,
installatie-e.a. plannen en is alles, in betrekking tot dit slachthuis, buiten hem om-
gegaan In aansluiting daarmede en in zijn volle consequentie boven aangegeven
standpunt aanvaardende,
heeft de gemeenteraad de leiding i.z. dit slachthuis opge-
dragen aan een op keuringsgebied totaal ondeskundig persoon.
(Zeer zeker een zonder-
linge, buitengewoon onaangename verhouding tusschen Hoofd van den Keurings-
dienst en het gemeentebestuur. l)e vleeschkeuringswet bevat geen enkele bepaling
dat aan het hoofd van een slachthuis persé een dierenarts moet staan. Alhoewel
wij uit hoofde van onze opleiding de meest aangewezen personen zijn voor het
beheeren van een slachthuis, een niet-dierenarts-directeur zich uitsluitend tot de
leiding in het algemeen, en absoluut niet met de vleeschkeuring in eigenlijken zin
zal mogen bemoeien en een dergelijke situatie min of meer overeenkomt met 2
kapiteins op één schip en dan ook zeer zeker tot allerlei moeilijkheden aanleiding
zal kunnen geven, daar beide diensten, de administratief-technische en de vete-
rinair-hygiënische, als het ware in nauw verband met elkaar staan, is een derge-
lijke toestand, als nu te Veghel voorkomt, moeilijk te voorkomen. Is het slacht-
huis geen gemeentelijke instelling, dan wordt de zaak natuurlijk geheel andeis).

In den kring Veghel heeft het uitponden een groote vlucht genomen (248 stuks
slachtdieren), waardoor klachten van slagers en vleeschverkoopers niet uitbleven.

De winst, welke aan de kringgemeenten kon worden uitgekeerd, bedroeg ƒ 5377.—

Het bact. vleeschonderzoek werd verricht bij runderen 54 maal (12 maal po-
sitief), bij 6 paarden (1 positief), 2 varkens (1 positief), 4 kalveren, en 1 nuchter
kalf (positief).

Tuberculose kwam voor bij 15,8 % der runderen en 3,7 % der varkens, echino-
coccosis bij 2,7 % der runderen, 3,8 % der paarden en 1,3 % der varkens.

-ocr page 1350-

Opening van het slachthuis te Oosterbeek.

Donderdag 31 Oct. j.1. is, in tegenwoordigheid van autoriteiten en belangstel-
lenden, het nieuwe abattoir der gemeente Oosterbeek officieel geopend. Het geheel
is een keurige inrichting geworden, geheel in modernen stijl opgetrokken. Men
heeft getracht het geheel zooveel mogelijk te doen aanpassen bij de schitterende,
boschrijke omgeving Verschillende gebouwen heeft men nl. voorzien van een rieten
bekapping, waardoor het landelijke karakter behouden bleef. Wat de groepeering
der verschillende afdeelingen betreft, wordt het hoofdgebouw door de hangruimte
in 2 deelen verdeeld. Rechts van deze hangruimte vindt men de slachthal van groot-
vee, daarachter de varkensslachthal, met steekplaats en stallen, terwijl tusschen
deze beide slachthallen de darmwasscherij is geplaatst.

Links van de hangruimte vindt men het voorkoelhuis, daarop volgt het koelhuis
en tenslotte de machinekamer. In het verlengde der hangruimte bevinden zich
verder nog wasch- en toiletgelegenheden. De noodslachtplaats, rundveestallen,
alsmede liet bureau van den directeur en de woning van den machinist zijn geheel
afzonderlijk gebouwd en van rieten daken voorzien. Het geheel maakt een voor-
treffelijken indruk en is ten zeerste een bezoek waard.

Het uitpondvraagstuk.

Blijkens een bericht in de „Slagerscourant" heeft de gemeenteraad te Aalten
in zijn laatste vergadering besloten dat al het vee voor menschelijk gebruik in het
openbaar slachthuis moet worden geslacht en gekeurd. In bijzondere gevallen
kunnen B. en W. ontheffing verleenen. Dit naar aanleiding van klachten der slagers
bij den gemeenteraad, dat de landbouwers hun vee voor eigen gebruik lieten slach-
ten, doch het vleesch gingen uit ponden voor zeer lage prijzen Een onderzoek had
aangetoond, dat de landbouwers in het laatste jaar een 400 runderen hadden ge-
slacht, terwijl slechts 50 daarvan voor eigen gebruik bleken bestemd te zijn.

Het beschikkingsrecht over in een destructor behandeld vleesch.

In de ,,Vee- en Vleeschhandel" van 8 Nov. j.1. vind ik een beschouwing over
bovengenoemde kwestie, dit in verband met een artikel in het Weekblad van den
Ned. Bond van Gemeente-ambtenaren, van de hand van Mr. v
Woensel te
Breda, waarin de kwestie behandeld wordt van het eigendomsrecht van gedes-
trueerd vleesch.

De schrijver acht het niet twijfelachtig, dat na de destructie het vleesch weer
kan worden opgevorderd door den oorspronkelijker! eigenaar. Het vernietigen
(dus destrueeren) is slechts een politiemaatregel en geen onteigening, m.a.w. de
gemeente of haar contractante, de N. \'1\'. F., wordt niet de eigenaresse van het
vernietigde vleesch.

De schrijver oppert echter de mogelijkheid, dat art. 661 van het B, \\Y. toelaat,
dat de N. T. F. eigenaresse van het vleesch kan worden. Dit artikel zegt dat hij,
die van een niet aan hem toebehoorende stof een voorwerp van een nieuwe soort
maakt, eigenaar wordt van dat voorwerp, mits hij den prijs betale der stof. Het is
dus de vraag, of door de destructie al of niet een voorwerp van een nieuwe soort
ontstaat.

In het artikel wordt verder betoogd, dat men de eigenaren van afgekeurd vleesch
(dit zijn dus veehouders, slagers en veeverzekeringsfondsen) niet in de gelegenheid
gesteld heeft, zich er over uit te spreken, of deze de destructie zelf ter hand wenschen
te nemen. De gemeenten hebben zich zonder meer verbonden met de N. T. F.

Zooals ik reeds vroeger heb medegedeeld, overweegt de N. B. Christelijke Boeren-
bond de destructie voor de 3 zuidelijke provincies zelf ter hand te nemen, en zal
den betreffenden gemeenten worden verzocht, met dezen bond een gelijksoortig
contract aan te gaan, als met de N. T. F. kan worden afgesloten. De schrijver is
van oordeel, dat, indien de gemeenten de destructie uit handen geven, dan van de
gegadigden de meest belanghebbenden (dus de eigenaars van het afgekeurde vleesch)
het eerst aan bod behooren te zijn.

De ,,Vee en Vleeschhandel" teekent hierbij aan, dat uit den inhoud van dit
artikel blijkt, dat er kans bestaat, dat een ander lichaam dan de N. T. F. de des-

-ocr page 1351-

tructie van vleesch in handen tracht te krijgen. Uit een zuiver zakelijk oogpunt
beschouwd rijst alsdan de vraag, indien de nieuwe gegadigden werkelijk van mee-
ning zijn, dat de vernietiging van vleesch een zekeren winst kan opleveren, of het
geen aanbeveling zou verdienen, dat de nieuwe gegadigden door kapitaal-deel-
neming medezeggenschap in de N. T. F. trachten te krijgen, in plaats van een
eigen fabriek te bouwen. Als vaststaande kan toch wel worden aangenomen, dat
een sterk gecentraliseerde destructie het meest economisch is.

Verder merkt men op. dat, wanneer inderdaad, bv. door een rechterlijke uit-
spraak, zou blijken, dat de eigenaars van afgekeurd vleesch na de destructie weer
in het beschikkingsrecht daarover kunnen treden, het toch mogelijk is, aan dit
recht de practische beteekenis te ontnemen. De gemeente zou nl. een retributie
kunnen heffen voor het vernietigen van het vleesch.

De kring Schoonhoven.

Gedeputeerde staten van Z.-Holland hebben vastgesteld een gemeenschap-
pelijke regeling ingevolge art. 23a der Vleeschkeuringswet, bij welke regeling de
gemeenten Schoonhoven, Ammerstol, Bergambacht, Stolwijk, Vlist, Niemvpoort
en Langerak een keuringskring zullen vormen, onder den naam keuringskring
Schoonhoven.

Abattoirs in Bulgarije.

De gemeenteraad van Philippopel (100.000 inwoners) besloot kort geleden tot
den bouw van een modern slachthuis, met verschillende industriegebouwen voor
worstfabricatie en verwerking der nevenproducten bij de slachting ; het geheel
volgens een project van den architect
Hennigs te Stiittgart. Dit project werd eenige
jaren geleden bij een internationale prijsvraag bekroond. Met den bouw zal dezen
herfst reeds begonnen worden. (Zeitsch. f.
Fl. Milchhyg.).

Aanbesteed zal worden de bouw en installatie van een nieuw gemeentelijk slacht-
huis te
Sofia. De voorwaarden in de specificatie dezer aanbesteding zullen binnen
enkele weken worden gepubliceerd, terwijl de inschrijving waarschijnlijk 2 maanden
later zal plaats hebben. De bouw van dit slachthuis zal ongeveer 100 millioen lewa
(ongeveer
1,8 millioen gulden) kosten. (Vee en Vleeschhandel). de Graaf.

Dertig jaar Gemeentelijke koelhuizen.

18 December 1929 zal het 30 jaar geleden zijn, dat het Slacht en Koelhuis te Roer-
mond, gebouwd volgens de adviezen van G.
Osthoff, werd geopend en daarmede
het eerste Gemeentelijke slachthuis in Nederland, waaraan een koelhuis was ver-
bonden.

Naast anderen o.a. den nog in leven zijnden oud-burgemeester Raupp en de
gezondheidscommissie, komt vooral voor het koelhuis voor een belangrijk gedeelte
de eer van het initiatief toe aan de toenmaligen districtsveearts L. J. T.
Janné
te Roermond. Nu in verschillende gemeenten de producenten en consumenten
haast als vanzelfsprekend de gemakken en voordeelen van een koelhuis genieten,
mag hier thans wel even worden gememoreerd, dat het eerste gemeentelijke koel-
huis in Nederland tot stand kwam door den pioniersarbeid van een dierenarts.

Kerstens.

Diergeneeskundige kring Amsterdam.

De serie kringavonden is weder geopend met twee goed bezochte bijeenkomsten.
Den i/en October en den 7en Novenber j.l. werden respectievelijk de zevende en
achtste kringavond gehouden. Dr. R. H.
van Gelder, Directeur van het Melk-
contrölestation Amsterdam, hield een melkcursus, waarvan de ie avond aan theorie
met interessante lichtbeelden, en de 2e avond uitsluitend aan practische melk-
keuring werd besteed. Aangezien collega
van Gelder veel werk had gemaakt van
zijn voordracht moet het hem een voldoening zijn geweest, dat dit beloond werd
door een goede opkomst der kringleden.

Hiermede heeft de kring zijn eerste levensjaar achter den rug en moet geconsta-
teerd worden een succesvol jaar. Jammer dat wij dit jaar twee leden door overlijden
moesten verliezen, nl. collega\'s
Stüven en Breedveld, waarvan ons de nage-

-ocr page 1352-

dachtenis nog versch in het geheugen ligt. Beide kenmerkten zich door getrouw
bezoek aan alle avonden en beide stonden reeds op het program om de eerstvol-
gende avonden zich te doen hooren en mededeelingen te verschaffen uit hun prak-
tijkleven zoo rijk aan ervaring. Het heeft echter niet zoo mogen zijn.

Verder verliet ons collega Stehouwer, door herbenoeming in zijn vroegere
functie, zoodat het aantal leden bij den ingang van het tweede jaar 24 bedraagt.

Tenslotte kunnen wij met genoegen vaststellen dat de kring, althans dit eerste
jaar, volkomen aan zijn doel beantwoord heeft.

Het tweede levensjaar zal worden ingeluid met een beschouwing over ,,Tula-
raemie", in te leiden door collega
Postma, Donderdag den i2en Dec.

Eichholtz.

Rijksbegrooting 1930. Voorloopig Verslag. Tweede Kamer.

Mond- en klauwzeerinstituut.

De oprichting van een mond- en klauwzeerinstituut werd zeer toegejuicht.
Men sprak de hoop uit, dat met de werking van het instituut heilzame resultaten
zullen worden bereikt. Sommige leden meenden op grootere activiteit bij de bestrij-
ding van het mond- en klauwzeer te moeten aandringen.

Memorie van Antwoord.

Het verheugt den Minister dat de oprichting van een Mond- en Klauwzeer-
instituut algemeene instemming vindt ; hij hoopt dat hierdoor de oplossing van
het mond- en klauwzeer vraagstuk, waaraan door bemiddeling van het Internatio-
naal Veeziektenbureau door verschillende landen wordt gewerkt, zal worden be-
vorderd. Dat bureau sprak de wenschelijkheid uit om in alle landen zoodanige
instituten (voor zoover niet reeds aanwezig) op te richten, om bij optredende
epizoötiën, het karakter, de stammen en mogelijke mutaties van de smetstof na
te gaan.

Men mag echter niet de gevolgtrekking maken dat met de oprichting van zoo\'n
instituut de-ziekte terstond op afdoende wijze kan bestreden worden.

De Minister wijst met de meeste beslistheid het verwijt af, nopens te geringe
activiteit in zake de bestrijding ; dergelijke ongemotiveerde critiek moet ook in
het buitenland een zeer ongewenschten indruk maken

Tuberculose onder het vee.

De Regeering is van meening dat het door haar toegepaste systeem van be-
strijding van de tuberculose onder het rundvee, onder de gegeven omstandig-
heden het meest aangewezen is. Uit de vrijwillige deelneming der veehouders
reeds in het eerste jaar van de toepassing moge blijken, dat zij de werkwijze der
Regeering waardeeren. Vooral in Noordbrabant, Limburg, Noord- en Zuidhol-
land is dit het geval en ook in de andere provincies gaan steeds meer stemmen
op om de bestrijding te voeren volgens de Rijksvoorschriften. Of de Regeering de
,.consumptie melkers" in haar systeem zal betrekken is nog niet te zeggen. Eerst
zal moeten worden afgewacht, de verdere ontwikkeling van de Regeeringsbemoei-
ingen ten aanzien van de fokkers.
 Vr.

Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw. No. 2.

Verslag over den Landbouw in Nederland over 1928. (den Haag, Algemeene
Landsdrukkerij. Prijs
f 1.—).

Algemeen overzicht.

Akkerbouw. De opbrengst van de meeste gewassen was uitstekend, de prijzen
waren echter veelal laag.

Veehouderij. Runderen. Het mond- en klauwzeer verliep in het algemeen goed-
aardig. Limburg bleef, dank zij belemmerende in voer bepalingen, zoo goed als vrij
van de ziekte.

Besmettelijk verwerpen kwam veel voor. In Zeeland longwormziekte, in Drenthe
tamelijk veel leverbotziekte.

Runderhorzelbestrijding werd met succes voortgezet.

-ocr page 1353-

Door nachtvorst in het voorjaar en droogte in den zomer liet de gras-(hooi)
opbrengst op vele plaatsen te wensen over.

De uitvoer van rund- en kalfsvlees was geringer dan in 1927 : (12.682.000
K.G. vers en 8700 K.G. gezouten) ; ingevoerd werd 142.000 K.G. vers, 10.661.000
K G. bevroren 85.000 K.G. gezouten.

Van levend slachtvee werd meer uitgevoerd dan in 1927: 9604 stuks; daarentegen
bedroeg de uitvoer van melk- en fokvee slechts ruim \'/3 van die van het vorig jaar :
10.169 stuks. Stamboekvee werd uitgevoerd naar Argentinië. Brazilië, Chili, Mexico
en in beperkt aantal naar verschillende europeese landen en Zuid-Afrika.

Het vereenigingsleven in zake rundveefokkerij en melkcontróle was over het
geheel vooruitgaande.

Paarden : Er was weinig vraag naar paarden : uitgevoerd werden : 22 dekhengsten,
4903 stuks 3-jarige en oudere paarden, 3109 beneden de 3 jaar, 88 slachtpaarden
en 658 hitten.

De fokkerij van warmbloedpaarden is sterk achteruit gegaan, maar de beperking
heeft vermoedelijk nu haar toppunt bereikt. Fokkerij van kruislingen overvoert
de markt en is niet loonend. Zoowel tuigpaard als koudbloed hebben steeds meer het
veld moeten ruimen voor motor-trekkracht. Het einde zal zijn dat het paard in
hoofdzaak nog voor landbouwdoeleinden zal worden gebruikt.

Het Departement van Defensie gaf evenals vorige jaren / 6000.— voor het
doen houden van verrichtingsproeven voor mannelijk en vrouwelijk warmbloed-
fokmateriaal.

De remontecommissie kocht in 1928 in het binnenland 210 paarden, voor ge-
middeld / 557 — per stuk.

Schapen en geiten : Uitgevoerd werd 6471 ton schapenvlees : 5S05 schapen ;
de uitvoer van lammeren was zeer gering. De schapenfokkerij was loonend, als
men van leverbotziekte verschoond bleef.

De geiten fokkerij scheen in enkele streken iets op te leveren, in andere streken
(fabriekscentra) is echter het houden van geiten vrijwel onmogelijk geworden.

Varkens : De varkensstapel maakte het over \'t geheel in 1928 goed ; de finan-
cieele uitkomsten waren de eerste maanden onbevredigend, werden echter later
beter ; die aanvankelijk slechte resultaten hadden een inkrimping van den var-
kensstapel tengevolge: in Dec. 1928 waren er 4215 beeren die tezamen 200.766
zeugen dekten. De uitvoer van levende varkens was echter hooger dan in 1927 :
99.525 stuks (89.395 in 1927) ; de uitvoer van varkensvlees was geringer dan
in 1927 : 94.688.000 K.G. (vers, bacon, gezouten of geiookt) ; de invoer bedroeg
465.000 K.G.

De belangstelling in de varkensfokkerij is, door de ongunstige uitkomsten der
laatste jaren, in verschillende provincies verminderd. Gefokt wordt in hoofdzaak
het veredelde Duitse landvarken, verder ook het Groot-Yorkshire varken.

Pluimvee : De pluimveeteelt nam in alle provincies toe ; de Witte Leghorns
zijn van de bedrijfsrassen verreweg het talrijkst, daarna komen de Barnevelders,
de Rhode lslands Reds, de Welsumers, de Noordhollandse Blauwen, de Twentse
Grijzen en de Witte Wyandottes. De Noordh. Blauwen worden hoofdzakelijk
voor de vleeschproductie (piepkuikenfokkerij) gehouden.

De eierproductie in 1928 was 1700 a 1800 millioen stuks (110 a 125 per kip).
Wat de voeding betrett, wordt steeds weer gebruik gemaakt van samengesteld
voer (ochtendvoer), vooral van het onder controle van de Ned. Federatie van
Vereen, v. Bedrijfspluimveehouders (N. P. F.) staande ,,Standaardvoer".

Kuikensterfte door Pullorum en Coccidiosis kwam nogal voor.

Verkoop van slachtkippen geschiedt nog hoofdzakelijk op markten of aan huis ;
de coöperatieve afzet had op de meeste plaatsen nog weinig succes.

De uitvoer van slachthoenders nam toe: 3.515.000 stuks in hoofdzaak naar
Duitschland.

De uitvoer van eieren voornamelijk naar Duitsland en Engeland, was zeer
belangrijk : 66.762.000 K.G. (waarde / 54.217.000) verse eieren, 6.032.000 K.G.

-ocr page 1354-

koelhuiseieren en 2.829.000 K.G. geconserveerde eieren. De prijzen waren iets
hooger dan in 1927. De pluimveehouderij was daardoor zeer loonend.

Eendenfokkerij wordt als bedrijf hoofdzakelijk uitgeoefend in Noordholland
benoorden het IJ, verder in enkele plaatsen in Overijsel en Gelderland. De uit-
komsten in Noordholland waren minder goed ; in Overijsel en Gelderland uitstekend.
De prijs voor eende-eieren is echter laag,

De Bijenteelt leed in de winter groote schade door „Nosema", waardoor vele vol-
ken uitstierven Het gewin was in 1928 ook gering. De bijenhouderij breidt zich
echter uit ; het nut der honigbijen als bestuivers wordt hoe langer hoe meer ingezien.

Zuivelbereiding : De boterproductie bedroeg 85 millioen K.G. ; de kaasproductie
132 millioen K.G. Uitgevoerd werd 46.941 ton boter (t ton = 1000 K.G.) ; 92.080
ton kaas; 39.519 ton gecondenseerde volle melk, 121.025 ton gecond. ondermelk,
15.223 ton melkpoeder, 4876 ton gesteriliseerde room. De prijzen waren hooger
dan het vorig jaar.

Tuinbouw : De uitvoer van tuinbouwproducten en de uitvoerwaarde waren in
het algemeen zeer gunstig. De groentekweekers maakten goede zaken. Dienten-
gevolge heeft de groenteteelt, vooral die onder glas, in vrijwel alle deelen des lands
een sterke uitbreiding ondergaan De teelt van aardappels en boonen was niet
loonend.

De fruitteelt was over het geheel gunstig, evenals de boomkweekerij en de bloe-
misterij. Deze laatste breidt zich sterk uit hetgeen ook in de omzetcijfers tot uiting
komt. Alleen op de beide Aalsmeerse veilingen werd in 1928 voor / 6,1 millioen
gulden verhandeld.

De bloembollenteelt gaf ook weer gunstige resultaten en wordt steeds uitge-
breid ; uitgevoerd werden 42,6 millioen K.G. voor een waarde van / 42.7 millioen

Het vereenigingsleven in land- en tuinbouw en op het gebied van vee-, pluimvee-
en bijenteelt was zeer opgewekt en vooruitgaande.

De economiese toestand van den landbouw was over het geheel nog niet roos-
kleurig. De bedrijfsresultaten op de zeekleigronden in het noorden des lands waren
nog slechter dan in 1927. Op de zandgronden en weidestreken waren zij iets minder
ongunstig dan in het vorige jaar.

Besmettelijke Veeziekten in Nederland in October 1929.

(De cijfers tusschen haakjes duiden het aantal vroeger waargenomen gevallen
aan, die op 1 Oct. nog niet waren geëindigd).

Mond- en klauwzeer: bij 8 (13) eigenaars, waarvan in Groningen bij (1) ;
Drenthe bij 2; Gelderland bi j 3 (1); Utrecht bij 1; Zuidholland bij 1 (1);
Zeeland bij 1 (io) eig.

Scabiës (sarcoptes en dermatocoptes bij paard en schaap) : 29 gevallen bij
2 eig. (482 bij 7 eig,), waarvan in Groningen (410 bij 3 eig.); Friesland 28 bij
i eig. (61 bij 2 eig.); Drenthe (10 bij 1 eig.); Zuidholland 1 (paard), (1).

Rotkreupel: bij schapen: (258 gevallen bij 28 eig.), waarvan in Friesland
(91 bij 11 eig); Drenthe (17 bij 7 eig.); Overijsel (1); Noordholland (143 bij
8 eig.) ; Zuidholland (6 bij
I eig ).

Anthrax: 27 gevallen bij 25 eig (8 bij 8 eig.); waarvan in Friesland 1; Over-
ijsel 4, waarbij 1 varken, bij 3 eig. (1) ; Gelderland 7 bij 7 eig. (4 bij 4 eig.);
Utrecht 1 ; Zuidholtand 4 bij 4 eig. (2 bij 2 eig.) ; Zeeland 1; Noordbrabant 8
bij 7 eig.; Limburg 1, (1).

-ocr page 1355-

Besmettelijke veeziekten in Nederland 1928.

(Maladies contagieuses des animaux).

Kwadedroes
en huidworm
bij eenhoe-
vige dieren.
(Morve et
farcin).

? £

fï c
ö Z

Schurft (Gale) (scabies).

Rotkreupel
bij schapen,

(Piétin).

Bij schapen.
(Moutons).

Bij

eenhoevige
dieren.

(Chevaux)
et ânes).

Aantal

dieren.

(N\'ombre).

- jz Z

« Cm SU
•n «II*.

£ ï

sei

s Z
<

Groningen.
Friesland .
Drenthe . .
Overijssel .
Gelderland
Utrecht . .
Noordholland
Zuidholland .
Zeeland ....
Noordbrabant
Limburg . . .

9

27

12
3
3

49

26

3
20

17

4

2

74
237
40

4

22
l8

473
420

19

269
164

23

755
6 301
171

174

567
I 272
6 193
3 758
101
662
42

Nederl 1928. ig 99o

i 288 131

56

M

515

REFERATEN

Nederlandsch-Indische Bladen voor Diergeneeskunde.

Deel XLI, all. 1.

Enkele maten bij het Timor-Bali vee, door M. Soetisno.

Soetisno mat verscheidene Balineesche runderen op Timor nl. schoft, rug,
kruis, staartwortelhoogte, rompbekkenlengte, voorborst-, ribborst-, heup-, bekken-,
zitbeen- borstbreedte, borst- en pijpomvang en trekt daaruit enkele gegevens

Bijzonderheden omtrent een Malleus enzoötie te Semarang in 1927, door Dr
W. Treffers.

De toestand in het ressort Semarang was altijd over het algemeen gunstig.
Sinds 1919 bedroeg het aantal malleüsgevallen jaarlijks 33, 29, 43, 74, 64, 31, 12,
8 stuks. Over 1927 opeens weer 58 stuks. Deze enzoötie brak plotseling uit
begin 1927. Bij het onderzoek van de verschillende stallen bleek, dat nog al
eens herhaling van de malleïnatie en van de complementbindingproef nood-
zakelijk waren. Het gebeurde zelfs wel, dat bij een juist clinisch beeld beide
reacties negatief waren. Bij de secties vond men dikwijls rondom oude haarden
acute verschijnselen : haemorrhagische zónen, hetgeen op een nieuwe infectie
zou wijzen.

Het bleek duidelijk, dat men verdachte paarden op grond van één onderzoek
niet als vrij kan beschouwen, doch dit na eenige weken herhalen moet.

-ocr page 1356-

Waarde en Resultaten van het Kwantitatief Bacteriologisch Melkonderzoek
in Ned.-Indië.
(Lezing gehouden op het 5de Natuurwetenschappelijk Congres,
192S te Soerabaya) door J. P.
Fooy, Gemeenteveearts te Soerabaya.

Vooral van Engelsch-Anierikaansche zijde wordt de aandacht gevestigd op
hygiënische melkwinning en quantitatief bacteriologisch onderzoek aangeraden.

Als bronnen van infectie zijn bekend : de koe zelf en de stallucht, verder het
vaatwerk. Dr.
Stenhouse Williams wees vooral op liet laatste en gaf praktische
methoden aan ter sterilisatie.

Wijlen collega Stapensea had reeds in Semarang eenige stallen volgens dit
systeem, hetwelk zeer voldeed.

Nu heeft Treffers in zijn proefschrift aangetoond, dat in melk bij 27° C. be-
waard de eerste 6 uren een daling in het aantal bacteriën intreedt en daarna pas
stijging. Ook
Koning in Holland toonde aan, dat in de eerste uren geen vermeer-
dering plaats vindt : men spreekt van
incubatietijdperk of bactericide phase.

In Indië nu is de temperatuur 27 , dus de voorwaarden voor verstrekking der
melk in het incubatietijdperk zijn gunstig.

De onderzoekingen van Fooy bevestigden het bestaan van de bactericide phase,
welke zelfs door het aanwenden van koeling langer duurde.

(Hij gaat echter bij de beoordeeling niet alleen af op den bacteriëngroei, maar
beoordeelt ook den zuurgraad, het katalasecijfer, de alkoholproef en het sediment-
onderzoek).

Ook bleek hem nog, hoe het transport gedurende de warme uren van den dag
de hoeveelheid bacteriën aanzienlijk doet toenemen, niettegenstaande hygiënische
winning.

De beste methode van quantitatief bacteriologisch onderzoek noemt Fooy
de plaatmethode van Frost, door Clarenburg in Holland geïntroduceerd; de
reductasemethode (dat is de methode, gebaseerd op tien tijd, welke methyleen-
blauwoplossing noodig heeft een bepaalde hoeveelheid melk te ontkleuren) wordt
niet toegepast daar ze niet volkomen betrouwbaar is.

De conclusies van l\'oov zijn de volgende :

1. Het quantitatief bacteriologisch onderzoek van marktmelk is van groote
waarde voor de bepaling van de deugdelijkheid van de melk, als zij bij den consu-
ment aankomt.

2. Een te groot kiemgehalte wijst op onvoldoende reinheid bij de behandeling
of op te lang transport bij de heerschende temperatuur.

3. Het is gebleken, dat melk van dichtbijgelegen melkerijen nog in het incu-
batietijdperk verkeert, als zij den consument bereikt.

4. Aangenomen, dat 500.000 kiemen per c.c niet te hoog is, dan voldoen 55 %
der melkerijen rond Soerabaya aan dien eisch, van verder gelegene slechts 14 %,
terwijl van de laatste ruim 30 % der monsters meer dan tienmillioen kiemen be-
vatten.

5. Aanbeveling verdient dus melk uit de buurtte nemen, tenzij het transport
er op ingericht is (koeltransport) dat de melk nog in het incubatietijdperk tot
den cosument komt.

Volvulus nodosus, Torsio et Invaginatio intestini (jejuni) bij het Rund, door

J. P. Fooy.

Het geval kenmerkte zich door een gebrek aan duidelijke verschijnselen. De dood
trad plotseling \'s nachts op en de sectie gaf het beeld te zien in den titel genoemd
(zie ook de begeleidende photo).

In Ned.-Indië voorkomende Pluimveeziekten, door Dr. W. K. Picard (Uit de
Afd. Pluimveeziekten in het Veeartsenij kundig Instituut te Buitenzorg, Dir.
Dr. C.
Bubberman).

Vermineuze conjunctivitis bij kuikens.

Bubberman vond voor het eerst in den conjunctivaalzak van een volwassen
kip een aantal filaria\'s, welke door
Smit beschreven werden in Deel 30, blz. 196,
N.-I. Bladen van Diergeneeskunde
1918. Het waren haarfijne, blauwachtige

-ocr page 1357-

transparante wormpjes, welke onder de membrana nictitans leven en bij druk
of bij het wasschen met vloeistof daaruit te voorschijn kwamen en zich snel over
het oog bewogen.
Smit beschreef ze als Filaria Mansoni.

Picard vond ze veel bij kuikens. Alhoewel aangenomen wordt, dat zij veelal
onschadelijk zijn, is dit niet immer het geval en kunnen ze aanleiding geven tot
ernstige oogontstekingen met korstvorming en kaasachtige massa\'s in het oog
Men vindt tot over 50 exemplaren in een oog.

D. A. Sanders, Febr. 1928, Journal of the American Yeterinary Medical Asso-
ciation beschreef hoe de filarialarven gevonden worden in cysten gelegen in het
vetweefsel en langs den digestietractus van een soort kakkerlakken, die in de kip-
penhokken leefden. Daarop verlieten de larven de cysten en bewogen zich vrij door
de lichaamsholte en de dijsegmenten. Kippen en kuikens met deze kakkerlakken
gevoerd, kregen de filaria nu in het oog. In een korten tijd begaven zich deze van
uit de mondholte via de gehemeltespleet naar den traanzak.

De naam van den kakkerlak = Pyenoxelus (Leucophaea) Surinamensis Linn.
Hij komt in alle tropenstreken en vele subtropische gebieden voor ; hij is ook de
verwekker van dezelfde ziekte in Australië.

De geslachtsrijpe filariae leggen haar eieren in den traanzak, deze vloeien met
het traanvocht in den pharynx, worden ingeslikt en gaan met de faeces naar bui-
ten. Hoe de embryonen dan in den kakkerlak komen, is nog niet bekend.

Sanders druppelt 5 % butyne-oplossing in ter anaesthetiseering Met een pin-
cetje wordt het wenkvlies opgelicht en daaronder een 5 % creoline-oplossing ge-
instilleerd. De wormen sterven dan onmiddellijk. Daarna wordt met schoon water
nagespoeld. De kippen houden de oogen nog 48—60 uur gesloten, maar dan treedt
beterschap op.

De bestrijding van den kakkerlak is lastiger. Het best is te zorgen voor het
wegnemen van alle losse houtdeelen en te bouwen op een gemetselden steenen
ondergrond.

Picard behandelde de oogen met 1 % oplossing van nitras-argenti gevolgd
door naspoelen met slappe keukenzoutsolutie.

Globocephalus Amücronatus (Smit en Xotosoediro), door H J. Smit, Buiten-
zorg en J. E. M. I
hle, Amsterdam.

Prof. Ihle hield een nadere beschouwing in het Centralblatt für Bakteriologie,
Parasitenkunde und Infectionskrankheiten, Bd. 75, Ile Abt., omtrent de in Deel
39, N.-I. Bladen voor Diergeneeskunde beschreven Globocephalus amucronatus
en doet duidelijk uitkomen, dat hier inderdaad sprake is van een nieuwen vorm.

Een economische beschouwing over de Besmettelijke Veeziekten in Siam. l\'it
„the Record ". The organ of the Board of Commercial development, Januari 1928,
door Dr.
Preuss.

Het aantal veeziekten in Siam is buitengewoon groot en veroorzaakt ontzettende
verliezen. Vandaar dat de landbouwer arm blijft. Gelukkig wordt thans een weten-
schappelijke bestrijding ingeleid, voorloopig met succes.

De ergste plagen zijn : runderpest en septichaemia haemorrhagica, maar tuber-
culose, mond- en klauwzeer malleus, rabies, parasitaire infecties, lymphangitis
enzoötica, surra, varkenspest, vlekziekte enz. eischen ook nog voldoende slacht-
offers.

(Ik vind hel wel belangrijk voor collega\'s en toekomstige collega\'s te bedenken of
Siam niet een goed bestaan zou kunnen opleveren. Siam is nooit ajkeerig geweest Euro-
peesche krachten te gebruiken, dikwijls Denen. Er is geen enkele reden, waarom de
Hollander daar niet zou kunnen slagen, te meer daar hij 1 stens hier goed onderricht
in tropische ziekten ontvangt, 2dens misschien een korte leerschool in ons Indié zou
kunnen doormaken om daarna zijn volle krachten te wijden aan de ziektebestrijding in
Siam.

Misschien is het wel iets voor de ,.Maatschappij\'\' hier inlichtingen in te winnen
bij het Siameesche gezantschap.
Ref.)

Extracten uit de Maand- en Jaarverslagen der Gouvernementsveeartsen, No. 50.

-ocr page 1358-

De behandeling van leverbot met Distol in den veeartsenijkundigen ambtskring
Kediri, S.
Bakker.

Een 5-tal aan distomatosis lijdende stieren werd behandeld. Van drie dieren
nam liet gewicht daarna toe met 31, 45, 104 K.G. ; bij de 2 andere bleef het onge-
veer stationnair. Een tweede behandeling was niet noodig, daar de dieren goed
gebleven zijn. Eén dier werd zeker van den dood gered.

Aanbeveling verdient het dieren aan distomatosis lijdende in behandeling te
nemen. Verdere bijzonderheden omtrent toediening, symptomen enz. vindt
men in de aan het artikel toegevoegde staten.

No 52. Enkele mededeelingen omtrent de rundveefokkerij in Zuid-Celebes. Dr.
Klasen.

Oorspronkelijk is het rund in Zuid-Celebes onbekend en spreekt men nog wel
van ,,Kerbo blanda" „karbouw van de Hollanders".

In 1S90 werd door den radja van Goa voor het eerst Balivee ingevoerd ; door
inteelt degenereerden deze dieren en verwilderden. Later werden nog andere
geïmporteerd, deze werden gekruist met Javaansch en Madoereesch vee, ook nog
Bengaalsch en Hollandsch vee. In rgi2 had nieuwe import plaats van Balivee.
Alle pogingen in de volgende jaren door
Zijp, Bromberg, Valois en anderen
in het werk gesteld om een doelmatige teelt uit te oefenen, o. a. door
kralen aan
het vee, faalden. De eigenaars lieten de dieren meestal in het wild rondloopen.

Bij de Toradjas gedijt het vee ook niet, schreef Doeve, misschien tengevolge
van het klimaat, zeker ook wel, omdat de Toradja rood vee niet lijden mag, het
is „pemali".

Sommigen, zooals Schiphorst betwijfelden het nut van rundvee. De vraag naar
rundvleesch was onbeduidend en de bevolking had uitstekende buffels.

Kaligis betreurde het, dat er niet meer gefokt werd. Er waren toch uitstekende
weidegronden. Hij voerde een aantal koeien en stieren in, die over het algemeen
goed gedijden, de kalversterfte was gering.

Echter stierven kort na den import een aantal stieren aan de Balineesche ziekte.
Hij achtte rundvee te verkiezen, omdat het
minder vatbaar is dan buffels voor
haemorrhagische septicaemie. Toch zijn er reeds heel wat aan bezweken, zoodat
de koppels thans praeventief met serum en vaccin behandeld worden.

In 1925, 1926 en 1927 werden opnieuw koeien en stierven ingevoerd, in 1926
kwam de administratie geheel in handen van den gouvernementsveearts. Ultimo
October 1928 waren in Zuid-West-Celebes 116 stieren, 1097 koeien en 1500 kal-
veren, verdeeld over 116 koppels.

Beschouwingen : Celebes heeft plaats genoeg voor veeteelt. Er is gras en water
voldoende, zelfs in den drogen tijd De kwaliteit van het gefokte vee is goed.

De eigenaren gebruiken de runderen echter niet voor landbouwdoeleinden.
Ploegdemonstraties werden gegeven, die wel aardig gevonden werden, doch geen
direct voordeel opleverden ; immers het vee behoort tot nu toe slechts aan enkelen,
voornamelijk aan hoofden, en het is niet verdeeld onder de bevolking, de eigen-
lijke landbouwers. De hoofden beschouwen het bezit van dit vee meer als een
bewijs van „stand". Zagen de Makassaren zeil echter in, dat werken met run-
deren meer economisch is dan met karbouwen, dat runderen minder onderhevig
zijn aan besmettelijke ziekten of deze beter verdragen, dan zouden zij zeker wel
de voorkeur geven aan rundvee.

De landbouwvoorlichtingsdienst geeft het goede voorbeeld door voor de proef-
tuinen runderen als grondbewerkers te gebruiken.

(Het resultaat is dus tot nog toe niet erg bemoedigend en gezien het conser-
vatisme van den Makassaar is het nog zeer de vraag of er resultaat zal komen.

Mij dunkt, dat mag toch wel eens goed overwogen worden, daar er tot nu toe
toch reeds aanzienlijke bedragen zijn uitgegeven, zonder dat deze zichtbare rente
hebben afgeworpen.

Een andere vraag is, waarom juist het Balirund werd uitgekozen. Heeft dit
zooveel voor bij andere rassen? Voor praktisch werk zouden velen misschien
nog wel aan ander vee de voorkeur geven. Ref.)

-ocr page 1359-

Ned. Indische Vereeniging voor Diergeneeskunde. Agenda voor de jaarlijksche
Algemeene Vergadering, op Vrijdag 22 Maart 1929 te Bandoeng, 8—12. Huis-
houdelijk gedeelte ; \'s middags Wetenschappelijk gedeelte.

Excerpten van de te houden lezingen (met uitzondering van die van Dr. C. P.
A. Dieben over malleïne-reactoren).

De bestrijding der liangsche ziekte ; Inleider : Dr. B. Vrijburg.

Vorig jaar hield Vrijburg een lezing ; hij wilde toen Bangsche ziekte op één
lijn geplaatst zien met tuberculose, haar doen opnemen onder de bij de wet erkende
besmettelijke ziekten en dus een verplicht onderzoek doen instellen naar het voor-
komen, maatregelen doen beramen om vrije stallen vrij te houden en om be-
smette stallen vrij te maken.

Op een vergadering van het Hoofd van de B. V. D. met de Inspecteurs, welke
tijdens de congres-dagen gehouden werd, werd het niet raadzaam geacht de ziekte
in de wet op te nemen.

Vrijburg blijjt echter het belang daarvan bepleiten.

Mededeelingen omtrent het voorkomen van de Distomatosis en zijn behandeling
met Distol.
Inleider S. Bakker.

Deze ziekte komt voor bij alle herkauwende huisdieren. Vooral ziet men de
nadeelen bij Onggole fokvee, Europeesch vee. De economische nadeelen zijn
veel grooter dan die van menige besmettelijke ziekte.

Als clinische verschijnselen zal men voornamelijk anaemie en verschijnselen
die op bloedziekten gelijken, waarnemen. Door microscopisch bloedonderzoek,
dierentingen, mestonderzoek. moet men de differentieel diagnose maken met
surra ; door bloed- en mestonderzoek met piroplasmosis, door mestonderzoek
met andere wormziekten.

Coccidiosis verloopt heftiger en mestonderzoek is van belang.

Tuberculosis kan aanleiding geven tot verwarring door verschijnselen als dor
in het haar, mager, hoesten.

Het mestonderzoek is van belang. Een serie van 10 proeven wordt bij elk onder-
zoek genomen. Het aantal eieren is geen bewijs voor een evenredig aantal lever-
botten, niet geslachtsrijpe leverbotten zullen geen eieren produceeren.

De sectie geeft een sterk vermagerd cadaver, bleeke slijmvliezen, bleeke organen,
opgezwollen, waterige lympliklieren, dikwijls vergrootte lever. Bij lichte gevallen
is de prognose gunstig, bij inheemsch vee gunstiger dan bij ingevoerd.

Volgens de Blieck en Baudet zou in Europa de ziekte uit te roeien zijn, door
in het begin van den staltijd r of 2 distolkuren toe te passen, en dit gedurende
eenige jaren vol te houden. Hierdoor wordt de ontwikkelingscyclus gebroken.
Dit is in Indië onmogelijk toe te passen.

Therapie : Marek experimenteerde eerst met kamala bevattende praeparaten :
parasitin en calbazan, zij hielpen echter niet afdoende. Extractum filicis maris
werkte bij schapen. De olieachtige verbinding stond echter de resorptie in den weg,
eerst in de dikke darmen, dus te laat, werd het werkzame bestanddeel opgenomen.
Marek wilde de werkzame deelen direct uit den wortelstok fabriceeren.

Door alkali bijvoeging vormden zich alkalizouten. welke in water opgelost,
zich van de vetbestanddeelen afscheidden. Die filicisstoffen werden met zuur
neergeslagen en het neerslag werd gedroogd en subcutaan ingespoten.

Hierdoor ontstond echter vaak necrose. Intraveneus werd ook niet een goed
resultaat bereikt. Toen werden de filicisstoffen opgelost in lipoiden oplossende mid-
delen, die dan in gelatine capsules werden toegediend. Dit is distol : het veroor-
zaakt diarrhee, minder eetlust en minder herkauwen als bijverschijnselen.

Bij proeven van de Blieck en Baudet bleken de resultaten uitstekend te zijn.
Bij secties (9 dagen later) werden bijna geen levende botten meer gevonden.

De proeven van Kraneveld in Indië bewezen hetzelfde ; de proeven van Bak-
ker
zelf gaven ook aan, dat deze kuur zeer nuttig kan zijn. Het bleek hem echter,
dat nieuwe infecties weer kunnen optreden, zoodat een nieuwe kuur noodzakelijk

-ocr page 1360-

kan zijn. Het lijkt hem daarom het beste de dieren 2 kuren te doen ondergaan,
één aan het begin en één aan het eind van den Westmoesson.

Ontwikkeling van de Leverbot enz. Inleider : Dr. H. J. Smit.

Een beknopt overzicht van de ontwikkeling van de leverbot, de wijze van infec-
tie de pathologisch-anatomische veranderingen, welke deze parasiet in den lever
kan veroorzaken, de gevolgen dier infectie en de schade door de parasiet veroor-
zaakt.

Overgenomen uit het : Report by the Right Honorable W. G. H. Orsby Gore
(Parliamentary Undersecretary of State for the Colonies) on bis visit to Malaya,
Ceylon and Java during the year 1928. London, December 1928.

Gore geeft een overzicht van de Veeartsenijkundige School ; het Veeartsenij-
kundig Instituut, den veestapel op Java, het werk gedaan ter bestrijding en ge-
nezing van ziekte. Hij eindigt als volgt : Het groote belang veeartsenijkundige
diensten te ontwikkelen in verband met de behoeften van tropische landbouw
en volksgezondheid wordt op Java op de juiste waarde geschat en de politiek
van het Gouvernement is speciaal er op gericht te voorzien in de behoeften en
de uitbreiding van de veeartsenijkundige afdeeling.
 Breedveld.

BESMETTELIJKE BIJENZIEKTEN.

v. Ostertag B. T. W. 13 Sept. 1929.

In sommige landen van Duitschland tracht men reeds officieel besmettelijke
bijenziekten te bestrijden door afzonderlijke bepalingen. In Wiirttemberg echter
heeft men de bestrijding van ,,der bösartigen Faulbrut" der bijen ter hand genomen
op „Grund des Viehseuchengesetzes". Men heeft nl. de bijen opgenomen onder de
..nutzbare Haustiere" in den zin van de bepalingen van het „Viehseuchengesetz".
Daardoor kunnen sommige bezwaren bij de bestrijding van besmettelijke bijen-
ziekten beter worden opgelost.

Van gevallen van ,,bösartige Faulbrut" moet nu in Wiirttemberg aangifte worden
gedaan. De uitvoering van de bepalingen is opgedragen (onder een „Amtstierarzt)
aan ,,beamtete Tieriirzte" en ..Bienensachverstandige". Schadevergoeding wordt
uitbetaald, wanneer ter voorkoming van verdere besmetting, bijenvolken moeten
worden gedood.

Prof. v. Ostertag wijdt een lang artikel aan bovengenoemd onderwerp.

Het schijnt in de bedoeling te liggen later een afzonderlijk „Reichsbienen-
seuchengesetz" in het leven te roepem. B.

CHIRURGIE. Behandeling van intraperitoneale bloedingen.

(Zeitschr. f. Geb. u. Gyn., ref. Driessen in N. T. v. G. 1929. I, blz. 2650).

Prof. Nürnberger kreeg in de vrouwencliniek te Halle den indruk dat de zieken
bij wie hij bloedstolsels en bloed in de buikholte niet had verwijderd, voorspoediger
genazen en op krachten kwamen dan de geopereerden bij wie hij nauwkeurig de
buikholte van alle bloedstolsels had bevrijd.

Om nu uit te maken hoe de chirurg bij een acute intraperitoneale bloeding
moet handelen deed
Kok proeven bij konijnen ; deze proeven bevestigden de cli-
niese waarnemingen van
Nürnberger. De konijnen ondervonden geen nadeelige
invloed van het inbrengen van eigen bloed in de buikholte ; er ontstonden geen
vergroeiingen. Wel kwamen die na mechaniese prikkels b.v. na het afwissen van
het buikvlies met droge deppers.

Brengt men aderlijk bloed in de buikholte dan wordt het zeer wel geresorbeerd,
ook de stolsels verdwijnen spoedig. Het proefdier herstelt zich spoedig ; de speci-
fieke bloedelementen werken, doordat zij geresorbeerd worden, gunstig op het
herstel.

Kok geeft daarom den raad bij zieken die door sterk intraperitoneaal bloedver-
lies den dood nabij zijn, zich tevreden te stellen met de onderbinding van het
vat ; en bloed en bloedstolsels rustig in den buik te laten.

-ocr page 1361-

Narcotiseeren met avertine.

Avertine is voor den patiënt een aangenaam narcoticum ; bij rectale toediening
is echter de werking soms onzeker, door langzame resorptie. Prof.
Kirschner
(Der Chirurg, ref. Kummer in N. T. v. g. 1929, No. 31, blz. 3596) paste het met
succes intraveneus toe. De patiënt slaapt dan in enkele minuten rustig zonder
excitatiestadium. De werking is echter kort.

Bij groote operaties brengt K. de patiënt in slaap met avertine en vervolgt
dan met narcose-aether. Hij gebruikt een 3 % oplossing ; meestal zijn evenveel
c.M.3 noodig als de patiënt K G. weegt. De inspuiting geschiedt langzaam (in
ongeveer 45 sec.).

Behandeling van brandwonden.

In den laatsten tijd worden meer en meer verbrandingen der huid behandeld
met verse looizuur-oplossing. (Zie vroegere referaten in dit tijdschrift).
Rogers
(Archiv. of Surgery, ref. Geneesk. Gids, 16 Aug. 1929), merkt op dat zich soms,
onder de door het looizuur verwekte membranen, infecties kunnen ontwikkelen.
De patiënt krijgt verhoogde temperatuur en in vele gevallen gastro-intestinale
verschijnselen, (braken, diairhee). De membranen moeten dan boven de geïnfec-
teerde plaatsen worden weggesneden ; de wond wordt behandeld ; R. raadt daar-
voor aan verbanden gedrenkt met een 1 : 5000-oplossing van acriflavine.

Afnemen van gipsverbanden.

Esude en Christ (Der Chirurg, ref. Geneesk. Gids 1929, afl. 40) geven een
methode aan om gipsverbanden snel te verweeken, die beter zou zijn dan op-
weeken met azijnzuur of geconcentreerde keukenzoutoplossing, en berust op
omzetting van het calciumsulfaat in bariumsulfaat.

Een verzadigde oplossing van chloorbarium (1 op 5 water) in een fles (met
dubbel glazen buisje door de stop ; om te druppelen) wordt vóór het gebruik
in warm water tot 40° a óo° C. verwarmd ; op de plaats waar het gipsverband
moet worden doorgesneden legt men een reepje watten, dit wordt met de oplossing
gedrenkt en aangedrukt. Na 10 minuten kan men met een mes een gleuf in het
gips snijden ; hierin wordt oplossing gegoten zooveel het gips kan opslorpen,
enz. De gevormde chemiese stoffen zijn onschadelijk voor de huid, moeten echter
niet met open wonden in aanraking komen.

Dijozol in plaats van jodiumtinctuur.

Eilers (Miinch. Med. Wochenschr. 1929, blz. 996) gebruikt in het chirurg.
poliklin.-Institut der Universiteit Leipzig sedert jaar voor penseeling der
huid, vóór operaties (en ook van verontreinigde wondvlakten) dijozol, dat voor
de patiënt aangenamer en pijnloozer is dan joodtinctuur. Het operatieveld wordt
met aether en daarna met alkohol gewassen, vervolgens tweemaal met dijozol
bestreken. Na de operatie wordt de gehechte wond nog eens met dijozol gepenseeld
en daarna verbonden.

Zink (Diss. Univ. Erlangen) deed proeven met verschillende uitwendige mid-
delen die hij 24 uren, onder een impermeabel verband, met de gezonde huid in
aanraking liet. Joodtinctuur bleek de huid het sterkst te prikkelen ; verschil-
lende andere jodiumpreparaten waren minder prikkelend, alleen dijozol was
volkomen prikkelloos.

Drügg (der Chirurg 1929 No. 23) gebruikt bij alle operaties, oin het opera-
tieveld te desinfecteeren in plaats van joodtinctuur dijozol dat volgens hem
een
vertrouwbaar ontsmettend middel is, niet prikkelt en goedkooper is dan jood-
tinctuur.
 Vrijburg.

-ocr page 1362-

INSPUITEN VAN CHLOORCALCIUM-OPLOSSING,

DOOR

Dr. A. J. S. VAN ALPHEN.

Het is bekend dat bij de behandeling van runderen tegen kalf-
ziekte en kopziekte met inspuiting van Chloorcalcium-oplossing
het kan voorkomen dat een deel der oplossing komt buiten de
Vena jugularis of buiten de meikader.

Als gevolg daarvan treedt versterf op van het weefsel, waarin
de vloeistof terecht is gekomen, eene onaangename complicatie,
welke men op allerlei vernuftige manieren tracht te ondervangen.

Bij de immunisatie van runderen en paarden met culturen van
levende streptococcen, alsmede bij de immunisatie van runderen
tegen mond- en klauwzeer, doet zich iets dergelijks voor. Komt
ook maar iets van de streptococcen-cultuur in het weefsel rondom
de ader dan ontstaat een pijnlijke periphlebitis, welke de ader
minstens voor eenigen tijd buiten gebruik stelt, veelal ook voor
goed doet verloren gaan.

Bij het inspuiten met het mond- en klauwzeer-virus spuit men
met het virus ook andere bacteriën in, o. a. de bacillus pyogenes,
welke laatste de onaangenaamheid heeft in het perivasculaire
weefsel harde verdikkingen te vormen, welke niet meer tot resorb-
tie komen, zoodat men later moeite heeft nog een voor spuiten of
bloedtappen geschikt stuk ader te vinden.

Om hieraan tegemoet te komen, wordt gebruik gemaakt van een
zg. dubbele canule.

Wanneer iemand het niet noodig vindt, gebruik te maken van
dit instrument, maar met de enkelvoudige canule het meent te
kunnen doen, dan leert de ervaring hem al gauw dat hij terug
moet komen op het gebruik van deze dubbele canule. Wanneer
men dit instrument gebruikt bij inspuiting van culturen voor
welke het weefsel om de ader moet beschut blijven, dan werkt men
veilig en heeft geen onaangenaamheid meer te verwachten.

Waarschijnlijk kan dit eenvoudige instrument ook gebruikt
worden ter voorkoming van het spuiten van chloorcalcium-oplos-
sing in het weefsel rondom de ader waarin men zal inspuiten.

Het instrument is zóó eenvoudig dat uit de teekening al haast
voldoende de werking blijkt. De scherpe canule A wordt in de
ader gestoken, nadat men deze met de hand of met een kattouwtje
heeft laten oploopen. Het laattouwtjë is niets anders dan een
touwtje met lus aan de eenen kant. Deze lus gaat over de halsrug,
onder de hals van het liggende dier door, komt aan de voorzijde
van de hals weer te voorschijn ; men haalt dan het andere einde
van het laattouwtjë door de lus en nu trekt men aan tot de ader
behoorlijk oploopt en legt er dan een zeemansknoop in, welke

LVI 90

-ocr page 1363-

juist op de ader moet komen te liggen, waardoor deze opgedrukt
blijft. Het gebruik maken van een laattouwtje heeft dit voor dat
men beide handen vrij heeft, terwijl met één ruk aan het vrije einde
van het touwtje dit weer los is.

Bij het liggende dier verdient het wellicht aanbeveling onder
de hals een stroobos te steken, waardoor de ader meer omhoog
komt en zoo beter bereikbaar wordt. Aangezien de scherpe canule
A dikker is dan de gewoonlijk gebruikte canules, is het niet slecht
eerst met een scalpel een kleine huidsnede te maken. Men behoeft
dan voor het inbrengen van de canule A niet zoo\'n kracht te zet-
ten en loopt dan minder kans dat de ader wegschiet onder de ca-
nule en men juist naast de ader terecht komt.

Bij runderen ligt de ader toch al in tamelijk los weefsel, steekt
men een keer of wat naast de ader, dan komt deze steeds losser te
liggen. Zit nu de scherpe canule A in de ader dan komt een flinke
bloedstroom te voorschijn. Nu schuift men de tweede canule B
in de canule A. Wanneer men het instrumentarium vrij van roest
houdt en zorgt dat canule B geen afwijking van de rechte lijn gaat
krijgen, clan gaat het inbrengen van B in A heel soepel.

Zooals uit de teekening blijkt,
steekt de stompeindigende canule
B een eind buiten de punt van
canule Auit. Ondervindt men bij
het inbrengen toch weerstand,
dan is dat een teeken dat canule
A niet goed zit en moet dit eerst
hersteld worden. Op de tweede
canule B past de injectie-spuit
(Reinersche spuit). Nu trekt
men het laattouwtje los of neemt
de hand van de ader af en spuit
vervolgens de vloeistof in. Des-
gewenscht zou men nog kunnen
naspuiten met physiologische keu-
kenzoutoplossing of anders nog
even de ader kunnen laten op-
loopen, zoodat een uitstroomende
bloedstroom de canule afspoelt.
Noodig is dit bij de dubbele ca-
nule evenwel niet, want wanneer
men na de inspuiting er om

denkt dat eerst de canule B uitgetrokken moet worden en pas
daarna canule A, dan zal het ieder duidelijk zijn, dat op deze
wijze tewerk gaande, geen druppel van de ingespoten vloeistof
komen kan in het perivasculaire weefsel, waarmede men dan alle

-ocr page 1364-

onaangename gevolgen ontloopt. Wil men bij geëxciteerde dieren,
zooals bij kopziekte voorkomt, de kans ontloopen dat de spuit
zou kunnen breken, dan is het veiliger de injectie te verrichten
met een irrigator. Men gebruikt dan behalve de twee beschreven
canules een olive, welke uitloopt in een conus, passend op de stompe
canule B. De gummi irrigatorslang gaat over de olive C en nu heeft
men, na de beide canules A en B in de ader gebracht te hebben,
slechts inplaats van de injectiespuit de conus van C in de canule
B te zetten en de irrigator kan zijn werk doen. Dit heeft voor dat
men dan bij geëxciteerde dieren een elastische verbinding heeft
tusschen de in de ader zittende canules en de in te spuiten vloei-
stof.

Voor hen die een dergelijk instrument zouden willen aanschaffen, diene dat
dit besteld kan worden onder den naam
,,dubbele canule" bij den Heer A. Faber,
Kruiskade 122, Rotterdam, tegen den prijs van / 6.— franco.

ZUSAMMENFASSUNG.

Zur Hintanhaltung dass bei intravenösen Einspritzungen von Bakterienkul-
turen oder Arzneimitteln die Flüssigkeit in das umliegende Gewebe dringt, bedient
Verfasser sich zweier Kanülen, a und b. die genau ineinander passen.

Kanüle a wird in die Jugularvene gestochen und dann wird Kanüle b eingeführt
und die Flüssigkeit eingespritzt. Darauf wird Kanüle b entfernt und dann erst
Kanüle a.

Bei Anwendung eines Irrigators anstatt einer Spritze wird auf die Kanüle b eine
Olive c angebracht.

SUMMARY.

In order to prevent the fluid from passing into the surrounding tissue when
giving intravenous injections of cultures of bacteria or medicaments, the author
makes use of two canulae, a and b, fitting into each other.

Canula a having been inserted into the jugular, canula b is introduced and the
fluid is expelled ; firstly canula b is removed and afterwards canula a.

When using an irrigator instead of the syringe an olive c is placed on canula b.

RÉSUMÉ.

Afin d\'éviter que le liquide s\'écoule dans le tissu environnant l\'auteur pratique
les injections intraveineuses de cultures de bactéries ou de médicaments à l\'aide
de deux canules, a et b, qui s\'ajustent parfaitement.

La canule a est enfoncée dans la jugulaire et ensuite la canule b est introduite
et on injecte le liquide.

Puis on retire la canule a, après avoir enlevé d\'abord la canule b.

Quand on se sert d\'un irrigateur au lieu d\'une séringue il faut placer une olive
c sur la canule b.

-ocr page 1365-

ONTWERP VAN EEN NIEUW KEURINGSREGULATIEF,

DOOR

R. H. VEENSTRA
van het Abattoir Amsterdam.

Vervolg van bladz. 1314.

Haemorrhagische septicaemie (behalve borstziekte bij varkens),
petechiaaltyphus, maligne oedeem.

Afgekeurd :

ie. indien de aanwezigheid van smetstof in den grooten bloeds-
omloop door een bacteriologisch cultuuronderzoek is aangetoond.

2e. indien het vleesch van den romp duidelijke veranderingen
vertoont, andere dan bloedrijkdom of geringe abnormale vochtig-
heid, welke veranderingen niet zeer plaatselijk zijn gebleven en dus
niet gemakkelijk verwijderd kunnen worden ;

3e. alle zeer jonge dieren, waarbij aan of in den romp ont-
stekingstoestanden van eenige beteekenis worden aangetroffen.

Steriliseeren :

in alle niet voor afkeuring in aanmerking komende gevallen.

Hier is bacteriologisch onderzoek noodig, ten einde bij positief resultaat tot
afkeuring over te gaan.

Varkens met verschijnselen van : Vlekziekte, borstziekte of pest.

Afgekeurd :

ie. indien het vleesch van den romp duidelijke veranderingen,
andere dan bloedrijkdom of geringe abnormale vochtigheid, ver-
toont, welke niet zeer plaatselijk zijn gebleven en dus niet gemak-
kelijk volkomen verwijderd kunnen worden ;

2e. indien de aanwezigheid van suipestifer-bacteriën in den
grooten bloedsomloop door een bacteriologisch cultuuronderzoek
is aangetoond.

3e. alle zeer jonge dieren, enz. (zie alin. 2 van boven).

Steriliseeren :

ie. in de gevallen van viruspest, waarbij duidelijke algemeene
afwijkingen voor of na de slachting worden aangetroffen ;

2e. bij heftige algemeene, acute verschijnselen van vlek- of
borstziekte, ook bij afwezigheid van smetstof in den grooten bloeds-
omloop ;

3e. in alle gevallen, waarin de aanwezigheid van vlekziekte-
of borstziekte-bacteriën in den grooten bloedsomloop door een
bacteriologisch cultuuronderzoek is aangetoond.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toe-
zicht :

xe. indien het vleesch van den romp zeer lichte afwijkingen
vertoont ;

-ocr page 1366-

2e. indien, behalve bij viruspest, voor of na de slachting duide-
lijke algemeene ziekteverschijnselen worden aangetroffen, doch
het bacteriologisch cultuur-onderzoek negatief is verloopen.

Opmerkingen.

ie. Ook in de gevallen, welke zich uitsluitend bepalen tot urti-
caria (netelroos) of endocarditis ; zwelling, degeneratie of acute
ontsteking van een of meer der parenchymateuze organen, der
darmen, der sereuze vliezen of van meerdere lymphklieren, welke
laatste niet door traumatische oorzaken kunnen worden verklaard,
en petechiën of ecchymosen, moet steeds een bacteriologisch cul-
tuuronderzoek worden ingesteld.

2e. Hieronder behooren niet de gevallen, waarbij slechts oude,
plaatselijke overblijfselen van een vroegere infectie zonder merk-
bare ontstekingsverschijnselen worden aangetroffen en de kans
op een algemeene infectie uitgesloten moet worden geacht (ad-
haesies in borst- en buikholte, oude pestzweeren).

In het bestaande keuringsregulatief wordt bij vlekziekte als reden van afkeuring
genoemd : uitgebreide veranderingen in huid-, spier- en vetweefsel. Dit behoort
evenzeer te gelden voor de beide andere varkensziekten. Bacteriologisch onderzoek
behoort steeds bij alle drie varkensziekten te geschieden. Vooral bij deze ziekten
komt men voor verrassingen te staan wat de kans op bacteriaemie betreft bij
soms
zeer geringe klinische en pathologisch-anatomische afwijkingen. Het sterkst treedt
dit op bij vlekziekte : bij geringe miltzwelling, nierpetechiën, lichte gastritis-
of
enteritis verschijnselen kan meermalen duidelijke bacteriaemie worden aange-
toond.

Bij de krachtens het bestaande Keuringsregulatief toegepaste beoordeeling
van borstziekte doet zich wel zeer sterk het gemis van bacteriologisch onderzoek
gevoelen, en wel waar sterilisatie is voorgeschreven wanneer de deugdelijkheid
van het vleesch is verminderd ! Aantoonen of uitsluiten van bacteriaemie biedt
hier toch veel beter waarborg, is redelijker en exactex .

Het bestaande voorschrift bij borstziekte en varkenspest : afkeuren indien het
dier in nood is gedood, is onnoodig streng, indien het vleesch geen afwijkingen
vertoont.

Dc beslissing in geval van sterke vermagering moet meer algemeen onder het
oog worden gezien en geregeld en niet accidenteel bij enkele infectiezieketn. Op
deze kwestie wordt hieronder nog nader teruggekomen.

Bij suipestifer-bacteriaemie moet worden afgekeurd, daar het hier betreft bac-
teriën uit de colityphusgroep. Ten gevolge van de formuleering onder : afgekeurd
2e alinea wordt bacteriologisch onderzoek hier imperatief voorgeschreven, evenals
onder „steriliseeren" 3e alinea, V.G.T. 2°, Opmerking 1 en Slotopmerking van art 2.

Het pestvirus kan niet onmiddellijk worden aangetoond. Op grond daarvan
moet een minder exacte beslissing worden voorgeschreven, gegrond op
den aard
en hevigheid van de pathologisch-anatomische afwijkingen, zulks in analogie bij
tuberculose.

Tuberculose.

Afgekeurd :

indien tuberculeuze veranderingen in het vleesch worden aange-
troffen en deze niet zeer plaatselijk zijn gebleven, zoodat er twijfel
blijft bestaan of het overige vleesch wel geheel vrij van tuber-
culose is.

-ocr page 1367-

Steriliseeren. :

A. het gehcele dier :

ie. indien verschijnselen eener versche bloedinfectie worden
aangetroffen of het proces zeer heftige, acute, floride verschijnselen
vertoont, zoodat de kans op versche bloedinfectie zeer groot moet
worden geacht ;

2e. indien niet volkomen afgekapselde, weeke haarden worden
aangetroffen, waarvan moet worden aangenomen, dat zij slechts
door middel van den grooten bloedsomloop kunnen zijn ontstaan.

B. het betrokken vlecseh-(vieren)deel:

indien een of meer der regionaire Ivmphklieren, welke haar
lymphe geheel of gedeeltelijk uit dit deel ontvangen (dus behalve
de zgn. „echte" vleeschlymphklieren, ook de andere orgaan-vleesch-
lymphklieren) tuberculeus veranderd zijn, waarbij de infectie der
genoemde klieren niet voor de hand liggend kan worden verklaard
als te zijn ontstaan vanuit tuberculeuze processen in naburige
organen of sereuze vliezen, en deze kliertuberculose :

a. niet droog verkaasd, verkalkt of volkomen afgekapseld is ;

b. ongeacht haar aard, gepaard gaat met een of meer daarmede
correspondeerende tuberculeuze haarden in het betrokken vleesch-
deel.

Opmerking.

ie. In geval van beentuberculose worden alle beenderen, ge-
wrichten, peesscheeden en slijmbeurzen van het onvoorwaardelijk
goed te keuren gedeelte uitgesneden en afgekeurd.

2e. Indien in de onder B genoemde omstandigheden de klier(en)
droog verkaasd, verkalkt of volkomen afgekapseld is (zijn), moeten
alle beenderen, gewrichten, peesscheeden en slijmbeurzen uit het
regionaire gebied volledig worden verwijderd en na verkleinen
worden onderzocht op de aanwezigheid van tuberculeuze haarden.
Bij positieve bevinding vindt alsnog opmerking ic toepassing.

3e. Bij elk geval van tuberculose mag slechts tot onvoorwaar-
delijke goedkeuring van het dier worden overgegaan, nadat door
blootleggen en insnijden van alle daarvoor in aanmerking komende
klieren is vastgesteld, dat zich aan de goed te keuren deelen, met
name aan kop, hals en borstingang, alsmede in de omgeving van
borst-, buik- en bekkenholte geen tuberculeuze lymphklieren meer
bevinden.

4e. Aanwezigheid van voortwoekerende (floride), weeke of
hevige processen en van straalsgewijze verkazing, moet als een
aanwijzing gelden voor het instellen van een bijzonder onderzoek
naar het aanwezig zijn van verschijnselen van versche bloedinfectie

5e Als verschijnselen van versche bloedinfectie moeten worden
aangenomen :

a. aanwezigheid van acuut-miliaire haardjes in parenchymateuze
organen of vleeschlymphklieren, voor zoover deze geacht moeten

-ocr page 1368-

worden te zijn ontstaan door rechtstreeksche verspreiding door den
grooten bloedsomloop :

b. zwelling der milt en van het meerendeel der vleeschlymph-
klieren, welke door geen andere oorzaak kan worden verklaard of
welke gepaard gaat met aanwezigheid van tuberkel-bacillen daarin.

6e. Onder vleeschlymphklieren zijn te verstaan alle lymph-
klieren, welke geheel of gedeeltelijk haar lymphe ontvangen uit den
romp, dus de zoogenaamde „echte" — en de huidorgaan — vleesch-
lymphklieren.

je. Onderzoek der vleeschlymphklieren moet geschieden in alle
gevallen van :

a. hevige tuberculose, ongeacht den ouderdom en aard van het
proces en ook al is dit tot één orgaan beperkt ;

b. aanwezigheid van jonge, floride of weeke processen of van
straalsgewijze verkazing, welke niet van zeer geringen omvang zijn
gebleven, ook al zijn deze tot één orgaan beperkt ;

c. tuberculose van sereuze vliezen, voor zoovér deze niet zeer
plaatselijk en van geringen omvang is gebleven.

Imperatieve afkeuring bij noodslachting is niet noodzakelijk. Noodslachting
ten gevolge van tuberculose komt overigens zeer zelden voor (gevallen van druk
op hersenen, verlengde merg of slokdarm daaronder niet gerekend).

De beslissing in geval van vermagering door ziekte behoort ook voor tuberculose
bij de algemééne regelen voor vermagering te worden behandeld.

Tuberculose in (van?) het vleesch wordt nog wel eens bij varkens aangetroffen
en dient tot plaatselijke of algeheele afkeuring te leiden.

De bestaande voorschriften omtrent sterilisatie zijn te streng. Zelfs bij heftige
processen bevat het vleesch, blijkens de literatuur, slechts betrekkelijk weinig
en dikwijls zelfs in het geheel geen tuberkelbacillen.

Uitgaande verder van het algemeen aangenomen standpunt, dat overbrengen
van tuberculose op den mensch ten gevolge van het eten van vleesch afkomstig
van den romp van tuberculeuze dieren uitgesloten is te achten, behoort niet te
spoedig tot sterilisatie te worden overgegaan.

Volgens de nieuwste Duitsche voorschriften wordt alleen dan het geheele dier
gesteriliseerd indien er inderdaad verschijnselen van versche bloedinfectie aan-
wezig zijn. Dit gaat veel minder ver dan het bestaande keuringsregulatief bij ons.

In verband met het voorgaande is de uitdrukking ,,verweekingshaarden" scher-
per geformuleerd, en absolute uitsluiting van versche bloedinfectie niet als voor-
waarde gesteld. Terloops zij opgemerkt, dat deze laatste bij de meeste tubercu-
leuze processen niet met zekerheid uit te sluiten is. Gesteriliseerd behoort o.i.
alleen te worden indien de kans van versche bloedinfectie zeer groot moet worden
geacht. Steriliseeren van deelen van vleesch (vierendeelen of kleinere deelen) —•
bedoeld worden de gevallen, waarin bloedinfectie niet aanwezig wordt geacht —
is gewenscht bij floride processen in het regionaire lymphgebied, dus bij vleesch-
klier-tuberculose van jongen of weeken aard. Tevens behoort sterilisatie van
deelen te geschieden bij oudere vormen van t.b.c. in vleeschlymphklieren, indien
deze correspondeeren met been- of gewrichtshaarden. Deze meening is gegrond
op de overweging, dat het lymphstelsel, hetwelk toch ook tot het vleesch behoort,
ten minste evenveel, zoo niet meer kans heeft sterk besmet te zijn dan het vleesch
via het bloedvaatstelsel bij verschijnselen van versche bloedinfectie. Tegenover
deze eendeels strengere beoordeeling staat de mildere, nl. dat bij deze gevallen

-ocr page 1369-

dikwijls in plaats van het geheele dier (op grond van aangedane vleeschlymphklie-
ren) zooals tot dusver, slechts het betrokken deel wordt gesteriliseerd.

De verplichting tot onderzoek en verwijdering van alle voor tuberculeuze pro-
cesse vatbare deelen (beenderen, gewrichten, peesscheeden) uit (vieren) deelen,
waarvan de regionaire klieren tuberculeus zijn, alvorens bij negatieve bevinding
in die deelen tot onvoorwaardelijke goedkeuring over te gaan, is door de in Duit-sch
land en de laatste jaren ook te Amsterdam opgedane ervaring absoluut nood-
zakelijk gebleken.

Aan grondig onderzoek en verwijderen van alle mogelijk aanwezige tubercu-
leuze klieren wordt nog wel eens te weinig aandacht besteed en deze verwijdering
is toch ten minste even belangrijk als b.v. het steriliseeren van het dier op grond
van mogelijke bacteriaemie. Daarom is het in hooge mate gewenscht op deze aan-
gelegenheid in de „opmerkingen" de aandacht te vestigen.

Het aantoonen van tuberkel-bacillen in gezwollen of ontstoken lymphklieren
gelukt dikwijls niet gemakkelijk en zeker niet bacterioscopisch, terwijl dan toch
de caviaproef positief resultaat oplevert. In verband hiermede kan de eisch van
het aantoonen van tuberkel-bacillen vervallen, evenals dit in Duitschland het
geval is.

De definitie „acuut miliaire haarden" is juister dan alleen „miliaire haarden",
daar chronisch miliaire haarden minder beteekenis hebben. (In Duitschland ook :
„durchscheinende, nicht i\'iber Hirsekorngrosse Tuberkel"). De beperking, dat zij
rechtstreeks door den grooten bloedsomloop moeten zijn ontstaan, is gewenscht.
Miliaire tuberkels in vleeschlymphklieren, welke verband houden met een tuber-
culeuze beenhaard, of aanwezig in organen (longen, nieren) waarin zij regionair
van oudere haarden uit kunnen zijn ontstaan, zijn geen indicateurs voor een ver-
sche bloedinfecteie.

Het is gewenscht, in tegenstelling met het bestaande Keuringsregulatief dat
spreekt van „o.m.", zooveel mogelijk alle gevallen te noemen waarin de aanwezig-
heid van versche bloedinfectie moet worden aangenomen.

Een opsomming der gevallen, waarin de „echte" vleeschlymphklieren moeten
worden onderzocht, moet, indien eenigszins mogelijk, in het Keuringsregulatief
worden ondergebracht. Deze gevallen zijn als geheel andere te beschouwen dan
de in art. 30 van het K B. van 5 Juni 1920 Stbl. 285 genoemde, betreffende uit-
breiding tot meer dan een orgaan.

Zeer streng genomen zou men de vleeschlymphklieren in elk geval van tubercu-
lose moeten onderzoeken, daar er geen infectie bestaat, welke zich grilliger door
het lichaam beweegt dan de tuberculose. Dit laatste is praktisch echter wel on-
mogelijk te noemen in ons land.

Verder vragen de volgende veelvuldig voorkomende punten nog om regeling :

ie hoe te handelen, bij goedkeuring van het dier, bij tuberculose van pleura of
peritoneum In Amsterdam wordt in de meeste gevallen tot verwijdering van de
geheele ribwand met intercostaalspieren, en van de buikwand overgegaan. Het is
mogelijk dat hierbij in de toekomst conservatiever zal kunnen worden gehandeld,
als de vanuit Groningen gepropageerde methode van afschroeien of flambeeren
der bezoedelde vleeschkanten ingang vindt ;

2e met den beenigen varkenskop, bij t.b.c. der regionaire lymphklieren ; o.i.
behoort deze te worden afgekeurd, daar hij wordt geconsumeerd met de slijm-
vliezen.

3e bij t.b.c. der scheilklieren, met de maag en darmen en met het vet. In Amster-
dam worden bij geringe en matige oudere t.b.c. dezer klieren de maag- en darmen
goedgekeurd. Het verwijderen dezer klieren uit het vet is moeilijk geheel volledig
uit te voeren, terwijl de tusschen de darmen en de klieren en de tusschen de klieren
onderling verloopende lymphbanen als geinfecteerd zijn te beschouwen: geheele
of gedeeltelijke afkeuring van het scheilvet lijkt daarom steeds gewenscht.

-ocr page 1370-

Icterus, anaemie, haemoglobinaemie en andere waarneembare
bloedveranderingen ; abnormale pigmentatie.

Afgekeurd :

indien de in het vleesch aangetroffen veranderingen in kleur of
consistentie dermate hevig zijn, dat niet tot voorwaardelijke goed-
keuring kan worden overgegaan.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toe-
zicht :

indien er afwijking in kleur of consistentie van het vleesch is
waar te nemen.

Opmerking.

ie. Indien de afwijkingen in het vleesch zeer plaatselijk zijn
gebleven, worden slechts de veranderde deelen afgekeurd.

2e. Bij iderus moet de kook- en braadproef geschieden, alvorens
het vleesch in consumptie wordt gegeven.

De beslissing bij vermagering dient ook hier algemeen geregeld te worden.

Het is gewenscht de haemoglobinurie hier onder te brengen met andere waar-
neembare niet-infectieuze bloedveranderingrn.

Ook vette kalveren met haemoglobinaemie ten gevolge van veel drinken, waarbij
het vleesch een geelbruine kleur heeft, behooren niet voor onvoorwaardelijke
goedkeuring in aanmerking te komen.

Indien het wetenschappelijk niet onjuist is te achten, dan verdient de benaming
haemoglobinaemie de voorkeur boven haemoglobinurie.

De lichte gevallen, waarin bij kalveren bruin gekleurde urine wordt aangetrof-
fen, doch geen algemeene afwijkingen aanwezig zijn, kunnen zondei bezwaar on-
voorwaardelijk goedgekeurd worden.

Abnormale pigmentatie staat wel op de grens tusschen ziekte en variatie, doch
geeft een zoodanig afwijkend beeld aan het vleesch, dat onvoorwaardelijke goed-
keuring hier misplaatst zou zijn.

Leucaemie en pseudo-leucaemie ; Piroplasmose en andere door
bloedparasieten veroorzaakte ziekten.

Afgekeurd :

ie. indien met deze ziekten verband houdende veranderingen
in kleur of consistentie van het vleesch worden aangetroffen ;

2e. indien de lymphklieren van den romp belangrijk zijn ver-
anderd.

Steriliseeren :

in alle overige gevallen.

Leucaemie.

Op grond van de onbekendheid met de oorzaak deze ernstige ziekte en van het
feit, dat deze ook bij den mensch optreedt behooren de door deze ziekte aange-
taste dieren nimmer in verschen staat in consumptie te komen en moet sterilisatie
de meest gunstige beslissing zijn. De mogelijkheid om onvoorwaardelijk goed te
keuren, welke het bestaande Keuringsregulatief biedt, behoort te verdwijnen.

Piroplasmose.

Op grond van het principe omtrent de aanwezigheid van levende, dier-pathogene
smetstoffen behoort het vleesch van tengevolge van piroplasmose zieke dieren
nimmer te worden goedgekeurd in verschen staat, doch te worden gesteriliseerd.

-ocr page 1371-

Tumoren.

Afgekeurd :

het geheele dier of de in aanmerking komende deelen :

ie. indien de tumoren daarin dermate zijn verspreid, dat gron-
dige verwijdering ondoenlijk is.

2e. indien de lymphklieren van den romp dientengevolge op
meerdere plaatsen zijn veranderd.

Sleriliseeren :

indien de tumoren van kwaadaardigen aard zijn en er aanwijzin-
gen zijn, dat metastase met den grooten bloedsomloop kan hebben
plaats gehad.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toe-
zicht :

indien, na verwijdering der aangetaste gedeelten, twijfel blijft
bestaan of er zich in het vleesch nog tumoren bevinden.

In de praktijk is de wenschelijkheid tot uiting gekomen om scheiding te maken
tusschen goedaardige — en kwaadaardige tumoren. Evenals bij leucaemie is de
oorzaak der kwaadaardige tumoren nog onbekend en komen deze ook bij den
mensch voor. Daarom wordt bij deze soort tumoren sterilisatie noodzakelijk ge-
acht, indien verspreiding met den grooten bloedsomloop op grond der geconsta-
teerde verschijnselen mogelijk moet worden geacht.

Verder is het gewenscht spoediger tot afkeuring van het geheele dier of deelen
daarvan over te gaan dan bij het bestaande Keuringsregulatief mogelijk is, nl. in
geval, dat de aangetaste deelen, met het oog op het verspreid zijn, niet grondig
verwijderd kunnen worden. Bestemming voor de vrijbank behoort uitsluitend te
geschieden indien de
mogelijkheid bestaat, dat nog tumoren aanwezig zijn.

Sarcosporidiosis.

Afgekeurd :

indien het vleesch zichtbare veranderingen vertoont, welke niet
van plaatselijken aard zijn en niet gemakkelijk verwijderd kunnen
worden.

Goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein onder toe-
zicht :

indien het vorenbedoelde wel het geval is en dan na uitsnijding
der veranderde gedeelten.

Ten opzichte der hier voorgestelde wijziging gelden dergelijke overwegingen
als genoemd bij tumoren.

Cysticercosis.

Voorloopig ongewijzigd. Uitslag der nadere onderzoekingen dient
te worden afgewacht.

Actinomycose en Botriomycose.

Afgekeurd :

A. het geheele dier ; bij heftige aantasting van die organen of
deelen, waarvan de infectie moet worden aangenomen met den
grooten bloedsomloop te zijn geschied.

B. Vierendeclen of kleinere deelen ; bij aantasting van vleesch-

-ocr page 1372-

lymphklieren : de tot het stroomgebied van de betreffende lymhp-
klieren behoorende vleeschdeelen.

Opmerking ad B. Indien in den kop uitsluitend actinomycose in
een of meerdere lymphklieren wordt aangetroffen, kan de tong
worden goedgekeurd, mits hierin bij nauwkeurig onderzoek geen
haarden worden aangetroffen.

Steriliseer en.

De andere dan de sub. B genoemde deelen van het dier, indien
aangenomen moet worden, dat de ziekte met den groot en bloeds-
omloop is verspreid, doch indien het bepaalde onder „afgekeurd
sub. A." niet toepasselijk is.

Opmerking. Indien het lymphstelsel niet aangetast blijkt te zijn,
wordt volstaan met ruime verwijdering der aangetaste deelen.

Tot onvoorwaardelijke goedkeuring van de omgevende deelen
mag slechts worden overgegaan, indien met zekerheid is gebleken,
dat zich daarin geen haarden meer bevinden.

Afkeuring van liet geheeie dier kan beperkt blijven tot gevallen van heftige
aantasting van die organen, waarvan de infectie moet worden aangenomen met
den grooten bloedsomloop te zijn geschied. Volstaan kan overigens bij generalisatie
worden met afkeuring van een eventueel betroffen voet (of deel) en sterilisatie
van de overige voeten. Afkeuring van het door actinomycose aangetaste (vieren)
deel is gewenscht als het lymphstelsel daarvan is aangedaan, daar bij genoemde
ziekte langs de lymphbanen, zulks in tegenstelling met tuberculose, veelvuldig
abscessen worden gevormd. Daarom is het ook noodzakelijk bij lymphklier-
actinomycose den kop af te keuren, hetgeen bij klier-tuberculose bij het rund niet
het geval is.

Slachtdieren of gedeelten daarvan, door onvolledigheid der keuring
wegens het ontbreken van organen of deelen of wegens het verwij-
deren van ziekelijke veranderingen, of waarbij gehandeld is in strijd
met de artikelen 19, 20, 21 en 22 van het Kon. Besluit van den 5den
Juni 1920, Stbl. 285.

Afgekeurd :

ie. indien zoodanige veranderingen aanwezig zijn, dat geen
twijfel bestaat of het dier of het gedeelte moest worden afgekeurd :

2e. indien twijfel bestaat of bij het volledig zijn van het onder-
zoek het dier of gedeelte al dan niet zou worden afgekeurd ;

3e. indien geen veranderingen worden aangetroffen, doch het
onderzoek zoodanig onvolledig is, dat een beoordeeling van het dier
of gedeelte ten eenenmale onmogelijk is.

Steriliseeren :

indien geen veranderingen worden aangetroffen, doch het onder-
zoek zoodanig onvolledig is, dat de mogelijkheid bestaat, dat bij
het volledig onderzoek tot sterilisatie had moeten worden besloten.

De betrokken bepalingen dienen ook toepasselijk te zijn op deelen en organen.
De beslissing „vrijbank" dient hier te vervallen. Deze bestemming is thans zuiver
een strafbepaling en daarvoor behoort het Keuringsregulatief geen plaats te bieden,

-ocr page 1373-

doch andere middelen behooren daarvoor te worden aangewend. Aan steriliseeren
en vernietigen ligt een hygiënisch motief ten grondslag, doch voor vrijbank is dit
in de in dit artikel bedoelde omstandigheden niet het geval.

Indien een beoordeeling van het vleesch te eenenmale onmogelijk is behoort dit
vernietigd en niet gesteriliseerd te worden, zooals het Keuringsregulatief thans
voorschrijft (zie 3e onder „afgekeurd" )

Slotopmerking. Indien in bovenstaande voorschriften gesproken
wordt over het aantoonen van de aanwezigheid van smetstof in
den grooten bloedsomloop door middel van bacteriologisch onder-
zoek, is het instellen van dit laatste onderzoek verplichtend.

Artikel 3. Organen en deelen worden

Afgekeurd : indien

ie. zij ziekelijk veranderd zijn ;

2e. organen, indien zij met smetstof bezoedeld of op andere
wijze verontreinigd zijn ;

3e. zij afwijkingen in consistentie, reuk, smaak of kleur ver-
toonen ;

4e. zij om andere dan bovenvermelde redenen ondeugdelijk
moeten worden geacht ;

5e. de regionaire lymphklieren door schuld of nalatigheid bij
het slachten geheel of gedeeltelijk ontbreken :

6e. zij behooren te worden vernietigd krachtens wettelijke
bepalingen.

Opmerking.

ie. Bij gelocaliseerde aandoeningen van parasitairen of anderen
aard, worden de aangetaste organen en deelen afgekeurd, indien de
parasieten en de ziekelijk veranderde gedeelten niet door uitsnijden
nauwkeurig kunnen worden verwijderd.

2e. Cirrhotische veranderingen en litteekenvorming worden
beschouwd als afwijkingen of veranderingen als bovenbedoeld.

3e. Bij alle levers van herkauwers, met uitzondering van die
van nuchtere kalveren, moeten de voornaamste galgangen worden
doorgesneden voor het onderzoek op distomatose. Bij runderlevers
moeten deze insnijdingen met name geschieden dwars door de in de
dunne helft verloopende galgangen, en door de in de Spiegelsche
kwab verloopende galgang.

Zie verder het bestaande K. Regulatief.

Organen en deelen.

De in het bestaande Keuringsregulatief gemaakte uitzondering van het lit-
teekenweefsel heeft weinig praktische beteekenis en kan veelvuldig misbruikt
worden voor het goedkeuren van organen met cirrhotische en chronische ont-
st ek ingsverschij n selen.

Het komt meermalen voor, dat belanghebbenden ziekelijk veranderde klieren
van de organen (lever, ) opzettelijk verwijderen, vóórdat de keuring heeft plaats
gehad. Het is voor den keuringsambtenaar een steun, indien in die gevallen af-
keuring van het na die bewerking veelal normaal lijkend orgaan (klier t.b.c.) krach-
tens wettelijk voorschrift verplicht is. Deze afkeuring is geen straf doch vindt,
steun in hygienische overwegingen.

-ocr page 1374-

Slotopmerkingen.

I. Onderzoek klieren bij t.b.c.

Indien de voorschriften betreffende onderzoek der vleeschlymphklieren bij
tuberculose niet in het Keuringsregulatief kunnen worden ondergebracht, zulks
om juridische redenen, dan zal dit moeten geschieden bij art. 30 van het K.B. van
5 Juni 1920 Stbl. 285.

II. Insnijden galgangen levers.

In laatstbedoeld K.B. behoort ook voorgeschreven te worden de insnijding van
galgangen bij alle levers, dus ook de op het oog normale, evenals dit in Pruisen
het geval is. Beter is het nog indien deze voorschriften in art. 3 van het Keurings-
Reg. kunnen worden geplaatst.

III. I\'leesch van de zeer sterk vermagerde dieren.

In de Duitsche voorschriften wordt verschil gemaakt tusschen de sterke ver-
magering ten gevolge van ziekte en die door andere oorzaken. In de praktijk blijkt
de vermagering nagenoeg steeds door ziekte te zijn veroorzaakt.

Er bestaat geen voldoende reden 0111 sterke vermagering ten gevolge van infec-
tieziekte anders te beoordeelen dan die veroorzaakt door niet infectieuze ziekten,
vooropgesteld dan, dat de aanwezigheid van smetstof in den bloedsomloop en
heftige toxinaemie zijn uitgesloten. Evenmin bestaat er reden om sterke verma-
gering bij de eene infectie-ziekte wél en bij een andere niet in aanmerking te doen
komen bij de beoordeeling, zooals bij het bestaande Keuringsregulatief het geval
is, o.a. ten aanzien der varkensziekten.

Er rest dan nog de vraag of sterk vermagerde dieren, waarvan het vleesch nog
geen afwijkingen vertoont, onvoorwaardelijk of voorwaardelijk goedgekeurd
dienen te worden.

Tot op zekere hoogte kan de consument het vleesch van vermagerde dieren
aan aspect en smakelijkheid onderkennen, daar het een verschil in kwaliteit, voe-
dingstoestand, vetgraad en malschheid is. Naar deze factoren regelt zich ook de
prijs
Onvoorwaardelijke goedkeuring lijkt ook om deze redenen de meest aange-
wezen weg. Pas als naast de sterke vermagering andere afwijkingen aan het vleesch
optreden, wordt voorwaardelijk goedgekeurd of afgekeurd.

Daai de vermagering in zoovele nuances voorkomt is hiernaar op redelijke
gronden geen verschil in beoordeeling aan te wenden. Met het oog hierop is de ru-
briek ,.sterke vermagering" bij de verschillende groepen weggelaten.

IV. Vrijbank.

Het blijft m.i. een feit. hoe men deze aangelegenheid ook beziet, dat een zekere
hoeveelheid vleesch, en wel het licht afwijkende voornamelijk, dat zonder over-
wegend bezwaar in verschen toestand kan worden verkocht, nochtans niet on-
voorwaardelijk behoort te worden goedgekeurd.

Ten platten lande is de vrijbank deels een mislukking : in de grootere steden
met volksbuurten wordt hij dikwijls als overbodig beschouwd.

Het ten platten lande niet te plaatsen vrijbank — vleesch behoort naar mijn
persoonlijke meening in de grootere bevolkingscentra te worden verkocht. Bezwa-
ren der stedelijke slagers behooren m.i. niet den doorslag te geven, de belangen
der consumenten, en van het in dit vleesch belichaamde kapitaal, wegen zwaarder.
De mogelijkheid van vervoer van dit vleesch naar de steden dient wettelijk ge-
regeld te worden.

Mogelijk is ook het vrijlaten der prijsstelling een der oorzaken voor het onvol-
doende succes der vrijbank ; in Duitschland geschiedt dat wel.

Bij afschaffing der vrijbank zou zouten, steriliseeren of in sommige gevallen
ook verwerking tot worstvleesch in de plaats kunnen treden. Zéker zou niet alle
tot dusver naar de vrijbank verwezen vleesch onvoorwaardelijk goedgekeurd mo-
gen worden.

-ocr page 1375-

BIJENZIEKTEN,

DOOR

Dr. A. 1. WINKEL.

Bacterioloog aan de Rijks-Seruminrichting te Rotterdam.
(Vervolg van blz. 1302).

Behalve de ziekten van het broed, kennen wij er eenige van de
volwassen bij, welke zich bepalen tot het gebied van het digestie-
apparaat, van de urine- en luchtwegen.

IV. Nosema.

De oudst bekende, sinds een 20-tal jaren aetiologisch goed be-
paalde ziekte, is de
Nosema, een aandoening van de verteringsor-
ganen.

Het woord Nosema, Grieksch ,,ziekte," is niet voor het eerst
bij deze bijenziekte in gebruik gekomen.

Bij talrijke insecten zijn Nosema-vormen vastgesteld. Van het
pathogeen karakter der meeste is echter niets bekend. Eén exem-
plaar, de
Nosema bombycis Nagelt, de verwekker van de zijderups-
ziekte, de Pébrine, maakt een uitzondering. Groote ruchtbaar-
heid heeft deze gekregen door de enorme schade, een 40 a 50
jaren geleden, vooral in de Europeesche landen, m.n. Frankrijk,
aangericht.

In de geschiedenis der .bestrijding dezer ziekte is de naam van
den onsterfelijken Pasteur met groote eer genoemd. Een industrie,
welke dreigde te gronde te gaan, is door zijn wetenschappelijk
genie mede behouden gebleven.

Geschiedenis. Donhöff sprak in 1857 reeds van ovale, sterk
glanzende lichaampjes, voorkomend in den darm van bijen. In
1860 vergeleek
Leuckart ze met de sporen bij de zijderupspest
waargenomen. De Protozoölogie was echter nog te zeer in haar
begin dan dat men verwantschap kon vaststellen.

Tot 1909 werd er geen notitie meer van genomen, toen Prof. Zander
in Erlangen de parasiet bij gestorven bijen wederom aantoonde
en ze bracht tot de orde der Microsporidiën ; hij gaf er den naam
aan van
Nosema apis.

Als men weet; dat de kennis der bijenziekten nog weinig
beteekende, slechts een der broedziekten was nader bepaald, dat
men sprak van roerziekte en Mei-ziekte, populaire namen voor
grof waarneembare of periodisch optredende ziekteverschijnselen,
waarvan men overigens niets wist, dan laat het zich begrijpen,
dat de parasiet met één slag als de oorzaak van alle bijenkwalen
werd gesignaleerd. Het lag voor de hand, dat in alle landen, waar
bijensterfte werd waargenomen ijverig naar Nosema werd gezocht.
Amerika, Duitschland, Oostenrijk maar vooral Zwitserland, het

-ocr page 1376-

land, waar vanaf den begintijd der organiseering op bijengebied
ook intensief is gezocht naar het wezen der verschillende ziek-
ten, brengen ons interessante studiën.

Voorkomen. Reeds in 1910 werden door verschillende weten-
schappelijke onderzoekers in Zwitserland voordrachten gehouden
over de Nosema. In 1912 en 1913 kwamen ook bekende, geschoolde
imkers hun ervaringen mededeelen en men kwam, tegen de meening
van Prof.
Zander in, tot de conclusie.dat er voorloopig geen
reden tot ongerustheid was; de parasiet kwam te algemeen voor
zonder schade te berokkenen. Men meende, dat voeding en ver-
pleging van grooten invloed waren op het uitbreken der ziekte.
In 1924 werd het anders. In de Zwitsersche bladen werd van gewel-
dige schade gesproken terwijl 1925 als een Nosema-jaar werd
gebrandmerkt.

Doch hoe dan het zoo verschillend verloop te verklaren, waarbij
perioden van sterfte afwisselden met een schijnbaar gezonden
staat van het volk? Want er komen toch, en nu leerde men door
systematisch onderzoek dit verschijnsel nog beter kennen, perioden
voor, waarin de parasiet in het volk aanwezig is, zonder schijnbaar
schade aan te richten. Wij nemen dit vooral in den zomer waar,
wanneer een sterke broedaanzet een groot leger van bijen het
aanzijn schenkt.

Dat gaf speciaal na de voorafgaande schadelijke jaren aanlei-
ding tot eigenaardige ervaringen.

Morgexthaler deelt mede, dat in 1926 in Zwitserland de
ziekte in sterke graad werd waargenomen zonder merkbare schade,
zelfs het sterkst bij de beste volken, hetgeen de imkers medelij-
dend deed opmerken : ,,De arme kerel heeft niet eens Nosema op
zijn stand, wat zal hij er ellendige volkjes op na houden." Eén ver-
eeniging was zelfs onwillig met het onderzoek opgehouden.

Voorloopig heeft men in Zwitserland de hoop opgegeven te
mogen spreken van Nosema-vrije streken, welke meening men
ook in Duitschland is toegedaan.

Bijna alle stallen, zij het ook in geringe mate, zouden be-
smet zijn.
Zander, Armbruster en Borchert zijn door
systematische onderzoekingen tot deze conclusie gekomen. Prof.
Borchert schrijft in een artikel over de „Beiträge zur Kenntnis
des Bienenparasiten Nosema-apis," dat door statistische onder-
zoekingen een zoo sterke verbreiding is aangetoond, dat men
verwachten mag dat bij een voldoend uitgebreid onderzoek de
parasiet, zij het niet in elk volk, tenminste toch op eiken stand
te zullen aantreffen.

Ook in ons land komt de ziekte voor.

De bijenteeltconsulenten hebben haar reeds sinds jaren hier en
daar opgemerkt, doch van schadelijke gevolgen vernamen zij niet.

In 1927 werd ook mijn aandacht op deze ziekte gevestigd. In

-ocr page 1377-

eenige ingezonden monsters uit verschillende deelen van ons land
trof ik tweemaal de parasieten aan.

Daarna onderzocht ik twee standen, een van 147, een andere
van 48 volken. Van de eerste was de grootste helft, van de tweede
een 40-tal besmet. Vóór ik iets van den laatsten stand afwist, had
ik twee zwermen van den eigenaar gekocht, die ik, na aankoop
op Nosema onderzoekend, evenzeer besmet vond met de parasiet.
Toch leden deze volken schijnbaar niet aan de ziekte. In den
winter van 1927—1928 en het hierop volgend voorjaar heeft men
echter ook in Nederland den boosaardigen vorm der ziekte leeren
kennen op een wijze, zooals in de geschiedenis van onze bijenteelt
onbekend was.

De ernstige schade, welke talrijke imkers geleden hebben, som-
mige verloren vrijwel hun geheelen stand van 100 volken en meer,
hebben mij de overtuiging gegeven, dat het parasitisme zeer kwaad-
aardig kan optreden.

Het is niet misplaatst hier eenig denkbeeld te geven van de
verschillende factoren, welke van invloed kunnen zijn op het goed-
en kwaadaardig verloop der ziekte, al geven zij ook geen volledige
verklaring van het uiteenloopende karakter.

Reeds wees ik er op, hoe men in Zwitserland, omstreeks 1913
en 1914 tot de meening kwam, dat voeding en verpleging van
grooten invloed zijn op het verloop der ziekte.

Daar de ziekte haar grootste schade aanricht in het voorjaar,
wanneer het volk gedurende een 3 a 4-tal maanden dicht opeen-
gehoopt in de woning vrijwel roerloos heeft doorgebracht, lag het
voor de hand aan te nemen dat deze gedwongen rust als zoodanig
een funeste uitwerking op het verloop der ziekte kan krijgen. Om
een juiste kijk te hebben op dit verloop en wat zich daarbij kan
afspelen, wil ik hier de opvattingen van
Phillips, entomoloog
aan het Bureau of Entomology in Washington, gezaghebbend
onderzoeker op bijengebied, weergeven. Volgens hem zijn ziekte
en sterfte minder het gevolg van het parasitaire lijden dan wel
aan slechte imkerpraxis te wijten.

Hij schrijft in het Archiv fiir Bienenkunde over: ,,Eine Fehler-
quelle beim Studium der Bienenseuchen," dat 100 bijenvolken
zouden sterven aan de gevolgen van onoordeelkundige behan-
deling tegenover één aan
Nosema.

Om dit te verstaan, zij het ook niet geheel te onderschrijven,
moet men nog iets meer van het bijenleven kennen.

Zeer dikwijls ,hetzij als gevolg van slechte behandeling hetzij
als gevolg van de langdurige rust, treedt in het voorjaar de zg.
roerziekte op.

Deze ziekte, aan eiken imker bekend en zeer gevreesd, openbaart
zich in diarrhee, waarvan de sporen, alnaarmate de graad van het

-ocr page 1378-

lijden, in de geheele woning zichtbaar zijn. Specifieke oorzaken
zijn tot heden niet aangetoond.

Dit darmlijden heeft ten gevolge groote bijensterfte gedurende
den winter, zwakke volken in het voorjaar, chronisch zwak blijven
tijdens den zomer.

Doch vóór het typische teeken van de roer zichtbaar wordt, is
er reeds veel aan voorafgegaan.

OVERWINTERING-ROERZIEKTE.

broed

Warmteproductie---* Voedselopname

1

Darmovervulling [slecht wintervoer].
t
I

Nosema.
i

Koude *--Onrust

[ook door slechte verpakking (loslaten van den tros).,

of volkszwakte.] ook door uitwendige stoornissen (door

mensch of dier) of
moerloosheid.

De bovenstaande cyclus geeft een overzicht te zien van het
proces gedurende den winter.

In winterrust vormt een bijenvolk een aaneengesloten tros.
In het centrum de koningin, omgeven door de jonge bijen, aan de
periferie de oude z.g. huidbijen. Slechts bij zeer nauwkeurige waar-
neming zou men bij de laatste eenige, geringe beweging kunnen
waarnemen.

Zoo gezien, met geen enkele bij los van den tros mag men rustig
aannemen, dat het volk bezig is goed door te winteren.

Daar gedurende de wintermaanden geen broed wordt aangezet
en dus alleen voedsel wordt opgenomen voor zelfonderhoud en
productie zoowel der eigenwarmte als die van den tros, zijn daar-
toe hoofdzakelijk koolhydraten voldoende. Dus honing of suiker.

Nu zijn er honingsoorten, welke veel onverteerbare bestand-
deelen bevatten, men meent dextrine-houdende stoffen.

Als de winterrust gedwongen lang duurt, kan er gemak-
kelijk darmovervulling ontstaan. Onrust zal er het gevolg van
zijn. De tros blijft minder aaneengesloten, vele bijen verlaten hem
en reeds op een afstand van slechts enkele centimeters verkleumen
zij, wanneer de temperatuur buiten het gebied van den tros 90 C.
of lager is. (In het hart van den tros bedraagtdeze ± 250 C.(, An-
dere oorzake o. a., stoornissen en moerloosheid kunnen evenzeer
onrust ten geoge hebben.

Doch door het min of meer oplossen van den tros gaat zeer veel
warmte verloren. Het verlies der warmte moet door meer spier-

-ocr page 1379-

arbeid worden hersteld. Deze arbeid kost energie, meer voedsel-
opname is voor deze productie noodig en de vicieuze cirkel is
gesloten. Als gevolg van de verhoogde warmteproductie begint de
koningin eieren te leggen. Zoodat een volk, waar de gevolgen van
één fout telkens weer oorzaak worden van nieuwe stoornissen, in
meer of mindere mate gedesorganiseerd kan worden, van welk
proces de roerziekte dan een der verschijnselen wordt.

Nu reageert een volk snel op deze onderscheidene prikkels en
het is zoo, dat een imker, die van deze gevoeligheid weinig of niet
op de hoogte is, zeer vaak met de roerziekte te doen krijgt. In het
in-, door- en uitwinteringsproces van het bijenvolk kan zich dus
veel afspelen, zonder dat er sprake is van specifieke ziekte-oor-
zaken.

Binnen de grenzen van het physiologische of juist op de grenzen
treden deze fatale prikkels op, welke het bijenvolk het leven kan
kosten.

Het behoort tot de natuur van den bijenstaat een winterrust
door te maken, zooals voor verschillende andere diersoorten een
winterslaap ; wordt deze echter gestoord, dan kan het leven er
mee gemoeid zijn.

Als Phillips dus aan deze physiologische stoornissen alleen groote
sterfte wijt, kan hij tot op zekere hoogte gelijk hebben, misschien
meer dan vermoed wordt.

Doch voorwaarde zijn ze niet, want het bleek, dat Nosema en
roerziekte niet steeds gepaard gaan, daar men Nosema ook zeer
dikwijls aantreft zonder dat er van roerziekte sprake is.

Maar waar wel beide samengaan en de weersgesteldheid het volk
dwingt thuis te blijven kan tengevolge van de overbelasting der
darm en de verhoogde activiteit een dusdanige verspreiding van
smetstof plaats hebben en een daarmede gepaard gaande hevige
besmetting, dat een volledige doorzieking van het volk binnen
eenige weken tot stand kan komen en een sterk, zwak besmet volk
in April en Mei totaal is uitgestorven.

Tijdstip en weersgesteldheid zijn factoren, welke op het verloop
van zeer grooten invloed zijn, hetgeen het paradoxale verschijnsel
van sterke infectie gedurende den zomer, wanneer de broedaanzet
en dus den bijenaanwas zeer groot is eenerzijds en geen opvallende
sterfte anderzijds, eenigszins verklaart.

Oorzaak. Wanneer wij nu onze aandacht schenken aan de pa-
rasiet zelve, dan hebben we haar te beschouwen als een echte
darmcelbewoner met een vrij gecompliceerd ontwikkelingsproces.

Gaan we uit van den vorm, welke wij reeds bij oppervlakkige
beschouwing van een strijkpreparaat van den bijendarm waar-
nemen, van den cysten vorm of de spoor, welke ± 6 fi lang en
3 fx breed is, dan zien wij hierin het eindstadium der ontwikke-
ling, welke zich reeds in den tijd van 4 dagen kan afspelen.

-ocr page 1380-

— i35i —

Als de sporen, die in mateloos aantal den darmwand en na af-
stooting der darmcellen, het lumen van den darm vullen, rijp zijn,
kunnen zij onmiddellijk na uitscheiding wederom door een bij
worden opgenomen en daar zich gaan ontwikkelen.

De schaal der spoor is van een zekere taaiheid en kan niet worden
aangetast door darmsappen.

-ocr page 1381-

De kiem (fig. 3) echter slingert door de micropyle van de schaal
een draad uit, een pooldraad, waarvan men aanneemt dat zij dient
tot vasthechting aan den darmwand. Uit de opening in de schaal
treedt daarna
de amoeboidkiem, die in vrijen toestand, wandelcel
of filanon (fig. 4a en b) wordt genoemd en bestaat uit een vrij
dicht protoplasma, waarin twee groote, homogene kernen voor-
komen.

-ocr page 1382-

men, die zich tusschen de plooien van den darmwand ophouden.
Zij gaan door amoeboide beweging in de richting der intima en
dringen door de staafjeszoom (rhabdorium) in de epitheelcellen.
Hun afmetingen zijn van 0.8-2.9 /\'■

Met de intrede in de cel worden de planonten meronten (fig. 6a).
Zij groeien snel, het plasma is minder dicht, ook de kernen wor-
den losser van bouw.

In de epitheelcellen begint een sterke vegetatieve vermeerdering
der meronten, zoo sterk, dat de plasmadeelingen de kerndeelingen

-ocr page 1383-

niet kunnen volgen, speciaal daar, waar door het groote aantal
weinig plaats overblijft (fig.
6b en c, en ja). Heeft tweedeeling plaats,
dan ontstaan meronten van 3.5—7.5 fi. lang met één of twee
kernen. Waar weinig plaats is, ontstaan echter meronten met
4 ä 5 kernen, en zien deze er uit als paarlsnoervormige ketens.
Bij nog sterker deeling blijft de plasmadeeling vrijwel geheel ach-
terwege, en ontstaan reuzenvormen,
Plasmodien (fig. 7b) genoemd.
Deze zijn 20 lang en 17 breed. Wanneer dit 2de stadium
domineert worden weldra de voedingsvoorwaarden voor de para-
siet ongunstig en de meront verandert in den spoorvorm.

Echter niet onmiddellijk, doch langs den tusschenvorm van
sporont en sporoblast. (fig. 9).

De één- tot vierkernige sporonten ontstaan uit meronten.

De eenkernige sporont strekt zich sterk. Er treedt dus wederom
vormverandering op. Het wordt een langgestrekt, min of meer
buisvormig lichaam. Dan heeft er kerndeeling plaats, eerst
ziet men 2, dan 4 kernen, die zich paarsgewijze naar de einden
der sporonten begeven. Deze lichamen deelen zich dan weer en twee
tweekernige
sporoblasten zijn ontstaan, welke zich tot sporen
(fig. 10) ontwikkelen.

Behalve door den vorm en de grootte, onderscheiden zich deze
verschillende overgangsvormen door de verschillende kleurbaar-
heid van kernen en plasma, alsmede door het voortplantingsproces.
Reeds noemde ik dé drie voornaamste onderdeelen van de spoor,

-ocr page 1384-

de schaal, de pooldraad en de amoeboidkiem, waarvan de ont-
wikkeling vrij gecompliceerd is en nadere uiteenzetting hier ach-
terwege zal blijven.

De infectie met de sporen der Nosema apis heeft plaats door de
mondwerktuigen. Het behoort tot het wez^n der bij steeds te lik-
ken en te poetsen en waar slechts een spoor van zoet aanwezig is,
gebruikt zij haar merkwaardig gebouwde tong. Bovendien brengt
haar zin voor reinheid een voortdurend gebruik van tong en
kaken mede. De reiniging der woning in het voorjaar geeft hier-
van een verrassend bewijs.

Alle geslachten, koningin, dar en bij kunnen door de parasiet
worden aangetast. De beide eerste echter eerst dan, wanneer het
geheele volk besmet is.

Ik vond op een sterk besmette stand van 140 volken, van 13
koninginnen er vier ziek.
Borchert heeft bij zijn onderzoek 9%
koninginnen Nosema-ziek bevonden.

Darren zijn door mij weinig onderzocht. Éénmaal trof ik er van
een io-tal 2 stuks ziek aan.
Borchert nam bij 8.7% de ziekte
waar.

Van het broed onderzocht ik een 100-tal uitkomende bijen.
Geen van deze was besmet. Ook
Borchert verklaart het broed
parasietenvrij ; zoodra de bij geboren is, staat zij echter bloot aan
infectie en is in een sterk besmet volk dan ook zeer spoedig ziek.

Want in een ernstig ziek volk en speciaal in het voorjaar is de
gelegenheid tot opname van de parasiet zeer groot.\' Daar meestal
de roer in meer of minder ernstigen graad heerscht heeft een alge-
heele besmetting plaats van den binnenkant der woning, van het
ratenhout, en van de raten zelve. Het kan zoo ernstig worden, dat
bij elke opname van voedsel een onnoemelijk aantal sporen wordt
opgenomen.

Ik onderzocht talrijke malen de z.g. roervlekken, vochtig en
droog, op verschillende plaatsen van kast en raat. De faeces
zagen er onder het microscoop uit als een reincultuur van de
parasiet.

Voor een begrip van de pathogenese der ziekte is het noodig
eenige opmerkingen te maken over de
anatomie en de histologie
van het digestieapparaat,
alsmede enkele physiologische bijzonder-
heden te vermelden.

Wij kennen, behalve tong en pharynx en oesophagus, de honing-
maag met tusschendarm, de middendarm, de dunne darm en het
rectum.

De honingmaag is een dunwandige blaas met een éénlagig epi-
thelium, een musculatuur bestaande uit lengte- en dwars (ring)
spieren. Zij dient slechts tot berging van honing.

Moet er toch voedsel in den vorm van honing of stuifmeel voor
eigen onderhoud den midden- of chylmaag bereiken, dan trekt

-ocr page 1385-

de honingmaag zich als een kanaal samen en vormt met de tus-
schenmaag een direct geleidingskanaal voor het voedsel.

Deze tusschenmaag is een zeer interessant onderdeel van het
digestieapparaat. Zij bestaat uit de z.g.
ventielkop, de vcntielhals
en de ventielbuis. •

De ventielkop, 0.7 m.M. lang, is op te vatten als een instulping
van de honingmaag en bestaat uit 4 lippen, waartusschen een kruis-
vormige spleet.

Fig. 12. Doorsnede door honingmaag, tusschen- en middendarm.

De lippen zijn bedekt met een sterke chitinelaag en chitine-
kammen, en zijn zeer bewegelijk tengevolge van sterke lengte-,
dwars- en transversale spiervezelen, welke in den wand der maag
verloopen.

De kop zet zich voort in de sterk gespierde 0.3 m.M. lange hals
om over te gaan in de ventielbuis, bestaande uit een dubbele laag

-ocr page 1386-

epithelium, verbonden door bindweefsel-en spiervezelen entracheëen
en uitloopend in de chitinetrechter.

Wanneer nu het voedsel moet passeeren, wordt dit door het
geleidingskanaal, gevormd door de samengetrokken honing- en tus-
schenmaag in de chylmaag gezogen, terwijl de ventielinrichting
terugvoer belet; nog ondersteund in deze functie door de trechter,
welke als een slappe dichtgeslagen buis in het lumen van de chyl-
maag is gelegen.

Deze merkwaardige ventielinrichting gedoogt dus in de eerste
plaats een zuiver verzamelen van den honing, terwijl ze een ver-
klaring geeft, waarom in de honingmaag zelve de parasiet nimmer
wordt aangetroffen.

De werking van deze inrichting te begrijpen is verder noodig
in verband met de vroeger aangenomen meening, dat de voeding
van het broed plaats had met inhoud uit de verteringsmaag.

Behalve dat anatomisch en physiologisch onderzoek heeft aan-
getoond, dat deze meening onjuist is, is ook het feit, dat
het broed
ingeval de ziekte in het volk aanwezig is nooit besmet
blijkt, hiervoor
een bewijs.

Een ander bewijs, dat de inhoud van de chylmaag niet kan
overgaan in de honingmaag, vinden we in de omstandigheid, dat
de honing van zieke volken, waar geen roerziekte heerscht en dus
geen verspreiding door uitwerpselen kan plaats vinden,
steeds
vrij is van Nosema.

-ocr page 1387-

Bovendien is deze maagafdeeling van ectodermalen oorsprong
en het epithelium belangrijk resistenter dan dat van de eigenlijke
maag.

Deze, de secreteerende, ook de middendarm genoemd, het eigen-
lijke orgaan, waar de parasiet vegeteert, is n—12 m.M. lang en
1.5—2 m.M. op doorsnede, is eenigszins gebogen en vertoont een
duidelijke segmenteering. (fig. 11, 12 en 13).

Het slijmvlies bestaat uit een éénlagig epithelium, de muscu-
latuur uit een net wand van lengte- en dwarsspiervezelen. Dit epi-
thelium is zeer verschillend van vorm en grootte, alnaarmate de
cel in secretie is of niet. Niet gedifferentieerde regeneratiecellen
bevinden zich op den bodem van de tunica propria. Het epithelium
produceert een fijn gegranuleerd secreet, dat hoofdzakelijk in
het vrije gedeelte der cellen is gelegen en een sterke vergrooting
van de cel veroorzaakt. Zij worden van 10—30 /<. zelfs tot 80 /<. lang.
Deze secretiecellen treden geheel uit het verband en een deel snoert
zich af.

Wij kennen verder bij de cellen in rusttoestand een z.g. rhab-
dorium
of staafjeszoom, welke door een membraan, de grensmem-
braan, bijeengehouden wordt.

In secretie zijnde cellen doorbreken dit rhabdorium. Dan spelen
de z.g.
peritrofische membranen alsnog een heel bijzonderen rol.
Zij zijn als een omvorming van het rhabdorium te beschouwen,
welke op de volgende wijze plaats heeft. Door uittreding van ge-

-ocr page 1388-

ringe hoeveelheden vloeistof worden de staafjes uit elkaar gedrukt.
Het grensmembraan wordt opgelicht ; daar de staafjes zeer rek-
baar zijn, gaan zij tijdelijk nog mee, doch breken ten slotte af en
staan dan als franjes op de cellen. Dan ligt de membraan los in

het lumen van den darm. Dit proces herhaalt zich. Er ontstaan,
daar de afstooting over het geheele slijmvlies plaats heeft, buizen,
waarin het voedsel besloten is, vandaar den naam „peritrofische
membraan." Het oplichten der membraan beschouwt men als een
begin der secretie ; na de vorming van 6 tot 8 membranen treden
de secretiecellen met hun secretieblazen buiten het celverband.
Deze membranen zouden dienen ter bescherming der cellen tegen
inwerking, eventueel verwonding door de scherpe stuifmeelkorrels.
Men zou kunnen meenen, dat zij ook voldoende bescherming
bicden aan de invasie van de Nosemaparasieten. Dit is niet het
geval. Zij doordringen deze, waarschijnlijk door middel van amoe-
boide bewegingen en men vermoedt, dat de geleiachtige hoedanig-
heid van de vliezen dit mogelijk maakt.

Terecht komend als planont in de darmcel heeft daar de hier-
voor beschreven ontwikkeling plaats.

De parasiet bevindt zich in het begin der infectie slechts in het
apicale deel der cel; binnen eenige dagen is de cel tot op den bodem
met parasieten doorgroeid.

Alle parasieten vertoonen hetzelfde ontwikkelingsstadium, waar-
schijnlijk ten gevolge van hun oorspronkelijke afkomst van enkele
moeder parasiet en, waarna ze zich gelijktijdig verder ontwikkelen.

-ocr page 1389-

De pathologisch-anatomische afwijkingen van den darm bestaan
in de eerste plaats in een kleursverandering. Hoewel zieke bijen
een nog normaal gekleurden darmwand kunnen hebben, ver-
andert deze bruingele kleur gaandeweg en wordt tenslotte krijtwit.
De wand is uiterst fragiel, zoodat hij scheurt bij de minste trek-
king. Door de vaak zeer omvangrijke inhoud en het verlies van de
rigiditeit van den darmwand zet de darm sterk uit.

Histologisch neemt men waar, dat bij toenemende opvulling
der darmcellen de eigenlijke structuur steeds meer op den ach-
tergrond treedt, zelfs de kernen worden aangetast en de gcheele
darmwand wordt reeds na verloop van eenige dagen één reincul-
tuur van parasieten.

Deze invasie blijft beperkt tot het terrein van den darmwand,
hoewel ook sporadisch de parasiet is waargenomen in den celwand
der Malphigische kanalen. In twee gevallen heb ik deze uitbreiding
kunnen vaststellen.

Bovendien is het darmlumen, zoowel van midden- en dunnen darm
als van het rectum met een mateloos aantal sporen gevuld,
afkomstig uit de tallooze afgestooten met parasieten volgepropte
secretiecellen, die zich voordoen als conglomeraten van sporen,
bijeengehouden door een onzichtbaren celwand.

In tegenstelling met de Nosema-infectie der bij wordt bij die der
zijderupsen, de Pébrine, het geheele rupsenlichaam van uit den

-ocr page 1390-

zieken darm met de parasiet overstroomd en alle organen worden
dus in het lijden betrokken.

De verschijnselen zijn in tegenstelling met die bij de broedziekten
niet specifiek. Zij komen overeen met die bij de roerziekte, de mijt-
ziekte en de Mei-ziekte.

De bijen kunnen reeds sterk lijdende zijn, terwijl zij nog ijverig op
gewin uitgaan. Ik heb bijen lijdende bevonden, welke kwamen
aanvliegen, zwaarbeladen met stuifmeel. Toen ik de genoemde
zwermen pas in mijn bezit had en dagelijks een io-tal nijvere bijen
wegving, was steeds de grootste helft ziek. De wisselwerking tus-
schen hospes en parasiet is er dus wel een van merkwaardig ka-
rakter, want vaak is de darm van deze dieren in hevige mate ziek.
Vergelijkt men een dergelijk darmlijden met darmaandoeningen
bij hoogere diersoorten, dan zou men geneigd zijn te meenen, dat
de processen in het insectenlichaam toch een ander verloop kunnen
nemen dan bij hoogere dieren. Er schijnt een grootere onafhanke-
lijkheid te bestaan tusschen de organen als zoodanig en het geheele
organisme. Of het feit van de snelle regeneratie der cellen, hetgeen
onder normale omstandigheden plaats vindt, en welke cellen bij de
secretie geheel of gedeeltelijk worden afgestooten, een rol speelt,
is niet onwaarschijnlijk. Want deze afstooting schijnt bij de zieke
darm nog belangrijk toe te nemen. Men kan het darmlumen zoo-
als ik opmerkte overvuld vinden met de ronde, propvol geladen
secretiecellen (fig. 1).

Toch wordt de levensduur van de bij belangrijk bekort. En op
deze levensduur zijn waarschijnlijk ook de uitwendige omstandig-
heden van invloed.

Als in Februari of Maart de bijen hun eerste reinigingsvlucht
hebben gehouden, terwijl het volk sterk besmet is, zien wij een
dergelijk volk snel uitsterven. Van 14 dagen tot 3 weken is een
sterk volk gedecimeerd tot een handjevol. De overgang van rust
tot groote activiteit zal een noodlottige uitwerking hebben, temeer
daar in het voorjaar alleen oude bijen in het volk aanwezig zijn
d. w. z. bijen in Augustus—September geboren. Daar in deze maan-
den soms al broed aanwezig kan zijn, doch nog niet of slechts
zeer gering aan het uitloopen is, kan het groote verlies niet ver-
vangen worden. Anders is dit des zomers, wanneer het proces in
de eerste plaats chronischer verloopt, waarbij wellicht de hoogere
temperatuur van de lucht een behoudende factor is, doch vooral
de dagelijksche geboorte van duizenden jonge bijen de verliezen
snel aanvult.

Een opmerkelijk verschijnsel bij de zieke volken is het sterke
hongergevoel.
Merken wij bij de voorjaarsinspectie op, dat groote
hoeveelheden voedsel zijn opgenomen, dan voorspelt dit een
noodlottig verloop.

Reeds merkte ik op, dat in den begintijd na de ontdekking van

-ocr page 1391-

de parasiet ook de roerziekte als een symptoom der Nosema werd
beschouwd.

Hiervan is men teruggekomen en men is deze ziekte alleen als
een zeer ernstig, een fataal begeleidingsverschijnsel gaan aanzien.
Dit heeft de ervaring ook mij geleerd.

Van veel grooter invloed op het verloop der ziekte moet het sa-
mengaan met de Malphigamoeba mellifica zijn, waarvan alsnog
een kort overzicht zal volgen.

Men heeft wel aangenomen, dat bijen met lichte infectie zouden
kunnen genezen. Deze mededeelingen missen echter eiken grond.

Een belangrijke kant aan deze bijenziekte is het verloop.

Reeds bij de beschouwing over den levensduur van bij en volk,
wees ik op den invloed van de uitwendige omstandigheden.

Leeftijd der bijen (najaar of lentebijen), voedselvoorraad en kwa-
liteit, duur van den winter, verloop van den uitwinteringstijd, al
of niet optreden van de roerziekte, zijn verschillende factoren,
welke hun beteekenis hebben op het verloop der ziekte. Als in
Maart—April 80—100% der bijen lijdende blijkt te zijn, dan zijn
de meeste der volken ten doode gedoemd.

Toch kunnen ze, hoe zwak den winter uitkomend, den zomer nog
halen, ingeval gunstige weersomstandigheden den broedaanzet
bevorderen.

Het gewone verloop is, dat een volk, dat in leven blijft, zich
langzamerhand, in den loop van 2 a 3 maanden geheel kan rei-
nigen van de parasiet. De besmette diertjes gaan dood en nieuwe
infecties hebben blijkbaar slechts in geringe mate plaats. Hoewel
mijn onderzoekingen der laatste jaren er op wijzen, dat hoe sterker
een volk is besmet des te meer kans er is dat het in geringe mate be-
smet blijft en met deze besmetting den winter ingaat, kunnen toch
de volken die 70—80% of minder zieken hebben, in Augustus
geheel parasietenvrij zijn.

Een stand bijen van 16 volken door de Rijksseruminrichting aange-
kocht en lijdende aan de ziekte in een verhouding van 50—80%,
was in de nazomer geheel rein en bleek dit in het daarop volgend
voorjaar nog te zijn. Toch zijn er volken, die zich niet alleen niet
reinigen, maar in Juni, soms in Juli nog een recidieve der ziekte
krijgen, die wederom aanleiding wordt tot groote sterfte, waarbij
langeren tijd slecht weer waarschijnlijk ook hier de noodlottige
rol speelt.

Hoewel het verloop, in zooverre men bij het meerendeel een regel-
matige afname waarneemt, een richtsnoer kan worden geacht
voor de
wijze van bestrijding, is het toch verre van gemakkelijk de
ziekte kwijt te raken, indien op een grooten stand de ziekte in het
voorjaar zeer ernstig heerscht.

Verschillende standen, die in 1928 zeer sterk gedecimeerd

-ocr page 1392-

waren, bleven besmet en verloren in het voorjaar van 1929 wederom
een groot deel van hun volken.

Alzoo het ,,er op aan laten komen" is allerminst raadzaam.

Ik heb eenige imkers aangeraden hun volken geregeld te doen
onderzoeken en ingeval er volken bij zijn, welke in het najaar
parasietenvrij waren, deze naar een andere plaats te brengen.

Hoewel een betrekkelijk eenvoudige handeling, vereischt het
een getrouw nagaan van de volken, hetgeen op een stand van
60—-100 volken of meer vrij tijdroovend wordt.

Toch ben ik van meening, dat er op de duur niets anders opzit.

Want geneesmiddelen hebben tot nu toe nog geen definitieve
resultaten opgeleverd.

Er zijn enkele preparaten of middelen waaraan men hardnekkig
blijft gelooven en tot deze behoorden o. a. het keukenzout en het
glauberzout. Deze gevoegd bij het winter- of in het voorjaarsvoer
zouden de ziekte snel doen afnemen.

Prof. Borchert heeft deze behandelingswijze uitvoerig onder-
zocht en komt tot het besluit, dat keukenzout alle waarde moet
worden ontzegd.

In Zwitserland zijn er ervaren en ontwikkelde imkers die meenen
baat gevonden te hebben bij de toediening van gentiaanwortel-
extract in sterke verdunning. Ook in ons land wordt dit middel
door enkele imkers in toepassing gebracht en zal er afgewacht
moeten worden of inderdaad dit eenvoudige middel eenig effect
kan opleveren.

Ook wettelijke bestrijdingsmiddelen worden in sommige landen
aangewend. In 1924 is in
Oostenrijk een wettelijk besluit uit-
gevaardigd, waarin werd voorgeschreven, dat volken welke in een
zekere graad lijdende zijn aan de ziekte, onteigend en vernietigd
moeten worden.

Italië is in 1928 gevolgd.

In Zwitserland waar men dank zij de krachtige organisatie
steeds beter op den hoogte komt van het voorkomen der ziekte,
ziet men voorloopig geen heil in wettelijke voorschriften. Wan-
neer verzekering de schade zou moeten dekken, zouden de pre-
miën bovendien zeer hoog moeten worden gesteld.

Steeds is men er bezig, het onderzoek op het voorkomen te ver-
scherpen en zoodoende uit de gegevens, welke men verzamelt,
een richtlijn te krijgen voor eventueel te nemen maatregelen.

Daarnaast wordt door Dr. Morgenthaler aan het Instituut
van Prof.
Burri wetenschappelijk aan de ziekte gewerkt.

In Nederland is men nog in den aanvang. Aan de Rijks-
seruminrichting zijn reeds een groot aantal ingezonden
bijenmonsters onderzocht, waarvan het grootste deel parasieten
bleek te bevatten.

Ingeval de ziekte blijft heerschen is de eerste goede maatregel

-ocr page 1393-

een uitgebreid onderzoek in te stellen omtrent het voorkomen.

Waarschijnlijk zijn er streken, waar de ziekte niet heerscht.
Deze op te sporen en als centra van gezonde bijenvolken bekend te
maken is een der uitvoerbare en eenvoudigste maatregelen, welke
de belanghebbenden, wellicht gesteund door het Rijk, zouden
kunnen toepassen.

V. Amoebenziekte.

Reeds in 1916 publiceerde Maassen een door hem verrichte
waarneming bij bijensterfte, welke volgens hem werd veroorzaakt
door een parasiet, voorkomend in dc Malphigische kanalen van de
bij, de organen, welke de urine afscheiden en wier uitmondingen
in een krans rondom de overgangsplaats van middendarm en dunnen
darm zijn geplaatst, (zie fig. 11 Nosema).

De parasiet komt voor in het lumen dezer kanalen, dus extra-
cellulair en wordt hoofdzakelijk waargenomen in cystevorm, dus
in het ruststadium. Hun aantal kan zeer groot zijn; zij kunnen de
kanalen sterk opvullen en uitzetten. Door hun dik en glanzend
uiterlijk vallen zij bij zwakke vergrooting reeds op.

De cysten zijn kogelvormig, 5-7 /< groot, sterklichtbrekend, even-
als de Nosemasporen. Zij hebben een schaal, een blaasvormige cel-

-ocr page 1394-

kern met een nucleolus, het eytoplasma bevat talrijke granula en
vacuolen.

Behalve de cysten heeft Maassen later ook de Amoebe zelf
kunnen waarnemen evenals
Prell, die hierover in het Archiv.
für Bienenkunde van 1925 schrijft.

Deze amoeben hebben zeer fijne pseudopodiën, die zij zenden
in de staafjeszoom van het ééncellig epitheel der kanalen. Ook
zitten zij op den wand der cellen, welke degeneeren, hetzij door
voedselonttrekking, hetzij door afscheidingsproducten der para-
siet.
Prell wijst er op, hoe ook door de massa cysten tengevolge
van druk het celweefsel beschadigd kan worden, terwijl hij in de
verhinderde afvloeiing der afscheidings- en ziekteproducten nog
een andere, mechanische oorzaak ziet voor het degeneratiever-
schijnsel.

Meer is van het parasitaire leven tot heden niet bekend. Prell
brengt deze amoebe tot de Rhizopodae, orde Amoeben en heeft
haar gedoopt
Malphigamoeba mellifica. Volgens Maassen kan
deze amoebe aanleiding geven tot uitsterven van het bijenvolk.
Doch slechts in de Meimaand schijnt zij hoofdzakelijk een boos-
aardig karakter te hebben. In Juni toch zijn alle parasieten
meestal verdwenen.

Deze parasiet, die de laatste paar jaren de aandacht gaat trekken,
wordt uitsluitend waargenomen in symbiose met de Nosemaver-
wekker. Hoe nauwkeuriger wordt onderzocht, des te meer wordt
ze aangetroffen. In Zwitserland nam men ze in 1925 in 20% van
alle Nosemagevallen waar, in 1926 slechts in 8%. Terwijl 1925 een
echt en berucht Nosemajaar werd, was de ziekte in 1926 goed-
aardig.
Morgenthaler heeft de vraag geopperd of dit gunstige
verloop wellicht aan de geringe aanwezigheid der amoebe was te
danken.

De juiste rol, welke deze parasiet in het bijenvolk speelt, kennen
wij nog onvoldoende ; de hypothese heeft nog ruim baan en even-
als bij de Nosema zal nog langdurig onderzoek noodig zijn om het
ware verband aan te toonen.

VI. De Mijtziekte.

Terwijl men van de Nosema kan zeggen, dat ze in alle landen
voorkomt, afwisselend met meer of minder ernstig karakter, is
dit niet het geval met de ,,Isle of Wight disease", welke wordt ver-
oorzaakt door de
Aearapis Woodii, een mijtsoort, voorkomende
in de luchtbuizen der volwassen bij.

Deze ziekte, welke haar bakermat heeft op het eiland Wight,
waar ze in 1904 voor het eerst werd waargenomen, vernietigde
aldaar vrijwel de geheele bijenstapel. Zij sloeg over naar Engeland en
lvi • 92

-ocr page 1395-

Schotland en woedde ook daar in sterke mate. Gedurende 20 jaar
heeft het verlies ongeveer 200.000 volken bedragen.

Toen werd zij in Frankrijk geconstateerd en in 1922 kwamen
de eerste gevallen in Zwitserland voor. Blijkens de verslagen van
de Milchw. und bakt. Anstalt in Bern, zijn er in de jaren 1925
en 1926 resp. 63 a 157 gevallen waargenomen en heeft zich de
ziekte nog uitgebreid gedurende de laatste jaren.

In Zwitserland heeft men het onderzoek systematisch vervolgd.
Men sprak ervan, dat men overal daar de ziekte ontdekte, waar
men naar haar ging zoeken. Maar het merkwaardige verschijnsel
deed zich voor, dat men in Fransch Zwitserland telkens weer
het voorkomen der mijtziekte kon constateeren, doch hoe men ook
in Duitsch en Italiaansch Zwitserland zocht, haar hier slechts op
enkele plaatsen, grenzende aan de fransche Kantons, vermocht
te vinden. De waarde van het systematisch onderzoek is op deze
wijze wel heel sterk aan het licht getreden.

Sinds het voorjaar van 1924 is zij ook in Oostenrijk bekend ge-
worden. Op zeer hevige wijze heeft zij zich op verschillende plaat-
sen doen gevoelen. In de streek, waarvan Zeil am See ongeveer het
middelpunt vormt, heeft de mijtziekte bij tal van kleinere imkers
den geheelen stand gedecimeerd en bij zeer vele den stand van
50—60 stokken tot op de helft teruggebracht. Verscheidene, die
hun volken verloren, zagen het daaropvolgend jaar hun volken
wederom uitsterven.

In Saksen kwam in 1927 het eerste geval voor. Zoo gaat de som-
bere voorspelling van
Pointer, een Oostenrijksch onderzoeker,
wellicht in vervulling, die zegt, dat de ziekte zich in den loop der
tijden in alle landen, die nu nog z.g. mijtvrij zijn, zal gaan ver-
toonen, ook al behoeden zij hun grenzen nog zoo angstvallig voor
den invoer van vreemde bijen.

Oorzaak. Het heeft tot 1920, dus 16 jaar geduurd, alvorens
men de ware oorzaak ontdekte. Het laat zich goed begrijpen, dat
vóór dien tijd tal van meeningen werden uitgesproken waarbij ook
bacteriën een rol speelden, tot in 1909 de Nosemaparasiet werd
ontdekt en deze m. n. in Engeland als de verwekker der kwaad-
aardige ziekte werd aangezien.

Fantham en Porter en nog eenige mede-onderzoekers deelden
in 1912 mede, dat de Nosemaparasiet als de oorzaak van de Isle
of Wight disease moest worden beschouwd.

Totdat in 1920 Harvey en Rennie in Schotland een parasiet
vonden, die huisde in de luchtbuizen van het borststuk der bij,
welke parasiet het leven van de waardin niet alleen bekortte, maar
het ook in vele gevallen te gronde richtte.

De mooiste studie van de mijt en haar leven in het bijenvolk
vinden wij bij
Rennie, Lecturer in Agricultur Zoology in Aberdeen.

-ocr page 1396-

De Duitschers hebben de noodige aanvullingen verschaft en
zoo zijn wij van den bouw en van de plaats in het systeem goed op
de hoogte, weten ook iets van haar leven, hoewel er nog tal van
duistere punten overblijven.

Een van deze, dat tevens een hoogst interessant vraagpunt is,
is dat van het voorkomen eener in het bijenvolk parasitair en van
een slechts commensalistisch levende Acarapisvorm.

Morgenthaler deelde in 1924 mede, dat hij door het spoelen
van bijen in een mengsel van alcohol, azijnzuur en glycerine, in het
spoelmiddel een aantal mijten had kunnen aantoon en, welke mor-
phologisch niet van den pathogenen vorm waren te onderscheiden.

De bekende entomoloog Vitzthum kwam tot de uitspraak, dat
de Acarapis een vrij onschuldige medebewoner is van de bij speciaal
wat betreft het Duitsche Rijk. Dat hij echter en dit is evenzeer
merkwaardig, pathogeen over een landstrook voorkomt van Enge-
land, door Frankrijk over de Alpen, in de richting van Weenen,
ook in Tschecho-Slowakije en in Europeesch Rusland.

De Acarapis Woodii externa is daarna het voorwerp geworden
van talrijke onderzoekingen.

Verschillende vragen wierpen zich toch na deze ontdekking op.
Bestaat de mogelijkheid, dat twee typen van één soort morpholo-
gisch volkomen overeenstemmen, terwijl zij biologisch verschillen?

Vitzthum wijst er op, dat men dit verschijnsel bij andere dier-

-ocr page 1397-

soorten kan waarnemen, dus dat theoretisch dit bij de mijt der bijen
zich ook zou kunnen voordoen. Men zou dan van twee biologische
rassen moeten spreken. Bij de mijten gaat echter reeds een geringe
wijziging in levenswijze gepaard met het optreden van duidelijke
morphologische veranderingen. Onder de Acarapissoorten zijn
daarvan verschillende voorbeelden.

Daarom noemt Vitzthum het onwaarschijnlijk, dat de ééne
soort Acarapis zich zou splitsen in twee rassen, zonder dat morpholo-
gische veranderingen er het gevolg van zouden zijn.
Vitzthum
heeft daarom nog verwacht morphologische verschillen te zullen
vinden en heeft uitgebreide vergelijkende onderzoekingen verricht,
waarbij hij zelfs rekening hield met de houding der ledematen,
welke in de natuurlijke ruststelling door de mijt wordt ingenomen.
Doch noch onder de mannelijke, noch onder de vrouwelijke was
eenig verschil in bouw waar te nemen. De geringe afwijkingen door
Morgenthaler in 1927 aan het achterste paar pooten opgemerkt,
kan
Vitzthum niet bevestigen.

Ook deze vraag legde Vitzthum zich voor. Leeft de externe mijt
op de bij of van deze gescheiden, dus in de woning op de raten of
aan de binnenwanden der woning; een vraag van beteekenis in
verband met de levenswijze en de voeding van de mijt. Zal deze
dus leven van stuifmeel, honing of was of is de bij de draagster en
ook de voedster, zoodat een overgang tot het interne bestaan als
een niet ondenkbare verandering in levenswijze is op te vatten?

Hij vond de mijt sporadisch op de huisbij, op de vliegbijen inhet
geheel niet; de eerste vondst schoof hij op rekening van het toeval.
Op de vliegbij kan zich geen mijt behoorlijk vasthechten, daar \'t haar
aan de noodige hechtorganen aan de pooten ontbreekt. Nog minder
is dit het geval met de larven en eieren. Ook op het raatwerk kon hij
de mijten niet aantoonen, zoodat hij besluit, dat zij op de binnen-
wanden der woning nestelen. Deze. twee bevindingen : i°. de vol-
komen overeenstemming in morphologischen zin, 2°. het groote
verschil in biologisch karakter, hebben het merkwaardige ver-
schijnsel dus niet nader tot zijn oplossing gebracht.

De laatste vraag betreffende de levenswijze heeft ook Borchert
beziggehouden en zeer uitgebreide onderzoekingen zijn door hem
ingesteld. Gedurende twee winters heeft hij van 20 volken niet minder
dan 43.868 bijen onderzocht. Eerst door de spoelmethode op uit-
wendig levende mijten en daarna op den inwendigen vorm. Hij
vond 54 mannetjes, 220 wijfjes, 50 larven en 6 eieren, van de
Acarapis externus,
doch in de tracheeën geen enkele mijt, noch eenige
aanwijzing, dat zij zich daar hadden opgehouden.
Ook in 5 sterk met
de uitwendige mijt besmette volken, waarin hij koninginnen bracht
uit gezonde volken een er streek waar de mijtziekte in sterke mate
heerschte, kon hij na verloop van eenigen tijd geen overgang
van externus tot internus waarnemen. De koninginnen hebben het

-ocr page 1398-

vermoeden, dat er in een volk een zekere geschiktheid tot opname
van mijten kon bestaan, hetgeen clan in de nakomelingschap dezer
moeders kon uitkomen, niet bevestigd.

Borchert deelt o. m. nog mede, dat op de binnenwanden der
woningen van twee volken, die de uitwendige mijt herbergden,
geen mijten te vinden waren. Het vermogen tot vasthechting van
eieren, larven en volwassen mijten aan het bijenlichaam schijnt
grooter te zijn dan men tot nu toe aannam.

Deze onderzoekingen hebben dus in zooverre het verband tus-
schen bij en mijt iets inniger gemaakt dan het onderzoek van
Vitzthum voorspelde.

Er zal echter, zooals Borchert zegt, bij de causa externa zich
alsnog een causa interna moeten voegen, wil het parasitisme tot
stand komen.

In dezen zin maakt Rennie de volgende opmerkingen.

Bestaat er een zekere onvatbaarheid bij bepaalde bijenrassen,
waarvan wellicht de openingen der luchtbuizen kleiner zijn dan
bij de vatbare?

Of kan de mijt wèl binnendringen, is echter de constitutie van
de onvatbare bij zoodanig, dat de voedselopname en dus het leven
er niet mogelijk is öf kan de mijt in de luchtbuizen broeden, zonder
dat een werkelijke ziekte ontstaat?

De onderzoekingen van Borchert geven geen steun aan de
laatste veronderstellingen.

Ten slotte wil ik nog wijzen op de bewering van Engelsche
zijde geuit, dat, daar men pas voor 20 jaar het parasitisme heeft
leeren kennen dit een aanwijzing moet worden geacht, dat toen de
commensalistische levenswijze in een parasitaire is overgegaan.
Indien dit vermoeden juist zou zijn, wordt epidemiologisch veel
verklaard, doch het probleem van het „waardoor" blijft even on-
opgehelderd.

En in dit geval dreigt in alle landen het gevaar.

Ook in ons land heb ik bij herhaalde wasschingen mijten gevon-
den, nimmer echter, uit welken hoek van ons land ook afkomstig,
tracheale mijten.

De pathogene mijt, waarmede wij ons nu verder zullen bezig
houden is uit den aard van haar woonplaats van zeer geringe af-
metingen ; zij heeft een lengte ongeveer van 0.15 m.M. en is dus
met het bloote oog niet zichtbaar.

Het wezen. Beschouwen wij het ademhalingsapparaat van de bij
dan zien we, dat een tracheënsysteem de longen vervangt.

De buizen, die beginnen met de stigmata, een 1 o-tal paren ope-
ningen aan den voorrand der segmenten gelegen, loopen vlak langs
het chitine-pantser, vertakken zich in de richting van het hoofd
en van het abdomen om in de luchtzakken, welke bij geen andere
diersoort zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de bij, uit te monden.

-ocr page 1399-

Het buizensysteem, dat weer uit de zakken ontspringt, legt zich
vervolgens als een netwerk om de verschillende organen ; vooral
bij de middendarm en de geslachtsorganen is dit netwerk zeer uit-
gebreid aanwezig. Deze „luchtaderen" bereiken tenslotte een
doorsnede van o.ooi m.M.

Het geraamte der tracheeën bestaat uit een doorloopence
spiraaldraad van chitine, waardoor de buizen hun vorm
bewaren.

Van de in de thorax aanwezige drie paar stigmata is het eerste paj.r
slechts uitverkoren tot verblijf der mijten. Wat aan dit hoogst
interessante verschijnsel ten grondslag ligt, kan slechts worden
vermoed.

Beschouwt men het sluitapparaat der stigmata, dan blijkt dit
een samengesteld mechanisme te zijn en men heeft zich afgevraagd
of het eerste paar een iets minder solide afsluiting heeft dan de an-
dere, of dat de meerdere wijdte hen alleen toegang verschaft, hei-

-ocr page 1400-

geen het meest aannemelijke is, of dat dit tracheeënpaar een
bijzondere reuk verspreidt, welke de mijten zou aantrekken.

Nadat een vrouwelijke mijt is binnengedrongen, legt zij haar ei.
Zij is dus bij haar entreé reeds elders bevrucht. Uit het ei komt de
zespootige larve. Hoe groot de progenituur van een mijt

-ocr page 1401-

is, is nog niet bekend. Een feit is het, dat een bij in het tracheeën-
systeem een aantal van 18—49 stuks in alle stadia kan herbergen.

In de door Rennie onderzochte gevallen was het aantal vol-
wassen wijfjes nooit grooter dan vier, nooit minder dan drie. Men
zou dus kunnen veronderstellen, dat elke individu 5—10 eieren
kan leggen.

Het eerste gedeelte van de tracheeën kan soms letterlijk
volgepropt zitten met mijten, larven en eieren. Terwijl
Rennie
waarnam, dat de mijt zich beperkte tot het gebied der tracheeën
heeft
Prell de larven ook in de luchtzakken kunnen
aantoonen, hetgeen zoowel biologisch interessant als uit diag-
nostisch oogpunt van belang zou kunnen worden geacht, daar
eventueel de mijtin het object van onderzoek, d. z. de tracheeën
niet wordt gevonden. Deze waarneming wijst dus tevens op het
vermogen en de neiging tot verplaatsing, een omstandigheid, die
niet onbelangrijk is in verband met de kwestie der externe mijt
Herhaald onderzoek zal de juistheid van deze bevinding nof
moeten bevestigen.

Natuurlijke infectie. Terwijl de pathogenese kan gekend worden
wanneer men de bij als individu beschouwt, is dit niet voldoende
wanneer wij een goed begrip willen krijgen van de natuurlijke in-
fectie en het verloop der ziekte zonder kennis te hebben van hel
bijenvolk en het leven der bijen in korf of kast.

-ocr page 1402-

Daarom wil ik nogmaals wijzen op de eigenschap van het volk
steeds een aaneengesloten tros te vormen, die des winters het dichtst
is en naarmate de temperatuur stijgt en het voorjaar nadert, zich
min of meer gaat oplossen, doch steeds een verbonden eenheid
blijft, verbonden met broed en voedsel.

Dit nu samengedrongen leven stelt de ontwikkelde bevruchte
wijfjesmijten in de gelegenheid de tracheeën van de gastvrouw
gaandeweg te verlaten en, zich aan het haarkleed der bijen vast-
hechtende, bij andere bijen de tracheeën binnen te dringen. Dat
deze besmetting dus gedurende den winter het sterkst is, ligt voor
de hand, hetgeen nog niet zeggen wil, dat in den winter de groot-
ste sterfte plaats vindt.

Doch ook in den zomer, wanneer de weersgesteldheid slecht is
en de woning een groote bevolking bevat, vaak 60—80.000 exem-
plaren en dus innig contact bestaat, kan er een sterke verbreiding
van de parasieten plaats hebben. Interessant is de opmerking van
Prell, dat Engeland met zijn vele mistige dagen, waarop niet
gevlogen kan worden, een gunstig terrein is voor de ontwikkeling
der mijtziekte. Hij zelf nam haar waar in Saksen, voor het eerst in
1926, na een natte zomer.

Het klimaat en de wisselende weersgesteldheid zijn dus belang-
rijke factoren bij de natuurlijke infectie, evenals blijkbaar in het
verloop der Nosema.

Hoe een mijtzieke koningin een voortdurende en langdurende
bron voor verspreiding temidden van haar volk kan zijn, laat
zich denken. Het gebruik is een koningin 2 a 3 jaar bij haar volk
te laten en haar dan te vervangen door een jonge. Daar zij steeds
in het midden van haar volk leeft, zal zij in staat zijn, steeds weer
versche bijen, generatie na generatie, te besmetten. Dat indirect
een zieke koningin haar volk dus tot ondergang kan leiden, ligt
voor de hand. Zij is minder bekwaam voor haar taak, de eierleg
vermindert, het volk moet verzwakken en uitsterven, behalve
dus door sterfte der oude en besmette bijen ook ten gevolge van
gebrek aan jonge bijen.

Bij de verspreiding der ziekte van volk tot volk speelt de bij zelf
de belangrijkste rol.

Men veronderstelde wel, dat geïnfecteerde bijen op de bloesem,
die zij bevliegen, mijten kunnen achterlaten, die, zich vastklemmend
aan nieuwe bezoeksters, bij andere volken kunnen worden inge-
dragen. Deze kans is echter klein.

Algemeen stelt men zich op het standpunt, dat roovende bijen
uit een sterk volk van een door mijtziekte zwak geworden volkje
de mijten overbrengen. Wanneer men zich rekenschap geeft van
zulk een roofgeschiedenis, dan zijn daartegen ook weer beden-
kingen aan te voeren en wel op grond van de volgende omstandig-
heid.

-ocr page 1403-

Roovenden bijen is het natuurlijk te doen om de honing, die zij
niet in het drukke gewoel van het centrum vinden maar wel op
de grenzen van het broednest, waar hoofdzakelijk de honing
wordt geborgen en waar speciaal in een zwak volk de bevolking
het dunst aanwezig is.

Een andere en veel gevaarlijker omstandigheid bij de versprei-
ding is het bezoek van bijen. Van verzwakte volken, het z.g.
inbedelen in sterke ; het medetrekken zelfs van scharen bijen
uit zulke zwakke volken met de roovers uit de sterke volken.

De darren spelen evenzeer een belangrijke rol uit epidemiologisch
oogpunt. Deze heeren van den bijenstaat hebben het privilege overal
te worden toegelaten, hetgeen allerminst het geval is met de bijen van
overigens normale en sterke volken, welke elkaar steeds afsteken.
Het feit, dat zij ongehinderd overal binnenkomen, zich overal tus-
schendringen en thuisgevoelen, levert dus een belangrijke bron
voor besmetting. Bovendien vliegen zij over groote afstanden en
kunnen dus ook speciaal in de paringstijd volken op groote afstan-
den besmetten.

De imker laat zich evenzeer niet onbetuigd bij de verspreiding.

Bij het vereenigen van volken, waarbij ganzeveeren en bij en-
vegers moeten helpen, is een overbrenging der mijten natuurlijk
zeer gemakkelijk.

Het gebruik van oude kasten als woning voor zwermen, levert
geen gevaar op voor de nieuwe bewoners. De mijten leven niet
langer dan 5 dagen buiten haar gastheer of gastvrouw. Oude kas-
ten kunnen dus hoogstens doode exemplaren bevatten.

Het ligt voor de hand, dat het verloof, evenals bij elke andere
parasitaire of infectieziekte, bij dit lijden niet steeds hetzelfde is.

Het hangt hier af : van de graad van besmetting, van het
tijdstip van het jaar, zooals reeds gezegd van de weersgesteld-
heid, van de sterkte van het volk en van den ouderdom der
koningin en haar vruchtbaarheid, alle factoren, die in hun wissel-
werking tot het parasitisme een rol kunnen spelen.

Hoewel blijkens proeven door Samman in Schotland genomen,
de besmetting van de bij zeer snel in haar werk kan gaan — hij
zag toch dat een dar van 2 dagen reeds één mijt en 2 eieren in zijn
tracheën herbergde, een ééndaagsche reeds één mijt —, toch moet
de ziekte onder zulke omstandigheden hevig in een volk heerschen.

Want proeven verricht om gezonde volken te besmetten door b.v.
zieke bijen in het volk te brengen, leverden zeer dikwijls niets op ;
dergelijke zieke, meestal oude bijen, zullen weldra uit een volk
verdwijnen.

Een volk moet in een bepaalde conditie zijn en wel in dichten
tros opeengehoopt zitten, daar anders de besmetting, uit den aard
van het parasitisme, slechts langzaam voortschrijdt.

Als men rekent, dat het meestal een jaar kan duren, alvorens

-ocr page 1404-

een besmet volk uiterlijke teekenen van ziekte vertoont, is het
te begrijpen, dat de besmetting inderdaad langzaam moet plaats
hebben.

Pathologisch-anatomisch zijn er enkele interessante punten te
vermelden.

Wanneer men de preparaten van tracheeën beschouwt, waarin
de mijt zich heeft genesteld dan zijn daar enkele dingen, die de
volgende vragen opwerpen :
i°. Waarvan leeft de parasiet?
2°. Hoe verschaft hij\'zich zijn voedsel ?

3°. Hoe ontstaat de zwarte verkleuring van den tracheeënwand?
4°. Waardoor werkt de parasiet schadelijk op zijn gastheer?

Wij hebben dan te weten, dat de mijt beschikt over kaken,
deze zijn echter zeer dun, scherp en bovendien hol. Zij kan daarmee
den wand der tracheeën aansteken en tevens bloed zuigen. Door
ïanboring van den wand verschaft zij zich dus haar voedsel.

De zwarte verkleuring, welk men opmerkt, bracht men eerst
terug tot excrementen van de mijt. Daar zij echter een blinde darm
heeft, is dit uitgesloten en nu weten wij, dat deze zwarte kleur
wordt veroorzaakt door gestold bloed, hetgeen ook chemisch is
ïangetoond.

Dat het bloedverlies de bij verzwakt is verondersteld, doch in
welke mate dit bijdraagt tot haar dood, weet men niet.

-ocr page 1405-

Men heeft, zonder eenig bewijs, en slechts naar analogie met andere
parasieten, aan de vorming van een gift gedacht.

Ook vermoedde men, dat door aanvreting der cellen, die dan
haar functie zouden verliezen, het bijenlichaam zou worden ge-
schaad.

Voor de hand ligt de mechanische stoornis. Indien men de tra-
cheeën volgepropt met mijten,larven, eieren en exsudaat beschouwt,
is de veronderstelling, dat de ademhaling hieronder moet lijden
niet overdreven, daar het tracheeënpaar de vliegspieren van zuur-
stof voorziet, en deze functie dus belangrijk zal worden onder-
drukt.

Traclieeën met mijton en exsudaat (naar I.euenberger).

Degeneratie der spieren is niet waargenomen. Beschouwt men
echter de zilverachtige buisjes, die in staat zijn ,alle bewegingen
van de omliggende spieren mede te maken, dan is het vermoeden
niet misplaatst, dat door de verstijving tengevolge van den abnor-
malen inhoud, deze bewegingen sterk beperkt moeten worden.
Zij moeten een druk op de spiermassa\'s uitoefenen en de werking
der spieren belemmeren.

Talrijke veronderstellingen dus, waarvan het bezwaarlijk is,
de juiste met zekerheid vast te stellen.

-ocr page 1406-

V erschijnselen. De verschijnselen, waar te nemen bij de enkele
bij en bij het volk, zijn alleen, wat het laatste betreft, vrij karak-
teristiek, al leiden zij niet tot een absolute diagnose.

Bij alle ziekten, Nosema, Mei-ziekte, Roer, en ook bij de
Acariosis treft men een onvermogen tot vliegen aan.

Voor het vliegen is noodig, dat de luchtzakken zich vullen.
Elke belemmering hiervan belet het vliegen.

Zij het, dat darm en rectum, speciaal het laatste sterk gevuld
zijn, hetzij door faeces of door Nosemasporen en door druk van
deze de luchtzakken zich niet kunnen uitzetten, zij het, dat de borst-
spieren, mechanisch door verstopte en verstijfde tracheeën in hun
functie belemmerd zijn — het gevolg is onder deze verschillende
oorzaken gelijk, want de bij is niet in staat te vliegen. Zij wipt
even van den grond op, valt weer neer en in groote onrust beweegt
zij zich snel langs den grond. Zij heeft daaraan den typischen naam
van krabbelaar te danken, de ziekte van krabbelziekte : Crawler
disease.

Of bij de enkele bij nog andere dan deze verlammingsverschijn-
selen voorkomen, is nog niet uitgemaakt.

Sommige zagen een afwijkende vleugelstelling.

Het is een merkwaardig verschijnsel, eveneens bij ernstige Nosema
waargenomen, dat de dieren ondanks een hevig tracheeënlijden,
nog op gewin kunnen uitvliegen. Het belangrijkste symptoom is
wel het plotseling optreden van sterfte op groote schaal, welke
wordt ingeleid met het krabbelen. Nadat in den winter of na lang-
durige slechte weersgesteldheid een sterke infectie plaats heeft
gehad,kunnen op een warmen dag bij sterke vlucht binnen korten tijd
een massa bijen het vlieggat uitkomen, die voor en na sterven,
deels aan de directe gevolgen van de ziekte, deels door ziekte en
verkleuming, daar zij niet meer in staat zijn de woning te bereiken.

Dergelijke aderlatingen hebben voor de achterblijvers de meest
funeste gevolgen. Als het volk veel broed heeft, dat moet
worden gevoerd en verwarmd, komt daarin met één slag een groote
stoornis. Veel broed gaat dan ook te gronde.

Diagnose. Daar de ziekte inheemsch is en de imker dus ver-
trouwd geraakt met het verschijnsel der massa-sterfte, zal de diag-
nose niet moeilijk te stellen zijn. Al is vergissing met de Meiziekte
mogelijk, zoo zal microscopisch onderzoek den waren aard der
ziekte spoedig aantoonen.

Het was in de bijenwereld een verrassende tijding, toen bleek,
dat er in het volk een mijt kan voorkomen, niet te onderscheiden
van de Acarapis Woodii, en niet levend in de tracheeën der bij.

Behalve uit biologisch oogpunt was dit feit uit differentieel-
diagnostisch oogpunt van belang.

De waschmethode kan niet als technisch hulpmiddel dienen bij
het onderzoek naar mijten.

-ocr page 1407-

Doch ook de gewoon gangbare methode is uit een oogpunt van
snelle en zekere diagnose-stelling onvolledig. Deze is de volgende :
na wegneming van den kop wordt met een scherp mes een stuk van
het borststuk afgesneden, de prothorax, waaraan het eerste paar
pooten zich bevindt, vervolgens een schijfje loodrecht op de
lichaamsas waarbinnen de tracheën verloopen, temidden van de
sterke spieren voor beweging van pooten en vleugels bestemd. Het
prepareeren van de tracheën vordert eenigen tijd en zoo is een onder-
zoek van een eenigszins groot aantal bijen langs dezen weg
bijna niet practisch door te voeren. Op verschillende manieren is
getracht hierin een verandering te brengen.

Prof. Borchert brengt de bijen in diaphanol (Chloordioxyd-
azijnzuur gedurende eenige dagen tengevolge waarvan het chitine-
pantser doorzichtig wordt. Dan wordt op bovenomschreven wijze
het borstschijfje genomen en tusschen de platen van een trichinen-
compressorium platgedrukt. De tracheeën worden door het pantser
heen doorzichtig en wanneer mijten en zwarte verkleuringen van
den tracheeënwand aanwezig zijn, treden deze dus eveneens aan
het licht.

Op deze wijze kunnen per uur 150 bijen worden onderzocht,
zoodat er voor diagnostische doeleinden nu geen belemmeringen
meer bestaan.

Ten slotte de behandeling van zieke volken.

Het beginsel, waarop een bestrijding der ziekte in een volk moet
berusten is de toepassing van een middel, dat selectief werkt, de
mijt dus doodt en de bij niet schaadt.

Gezien de woonplaats der mijten kan dit middel niet anders dan
gasvormig zijn, doch dit heeft het nadeel dat alle dieren, gezond
en besmet, aan denzelfden invloed worden blootgesteld.

In zooverre zou dit van minder beteekenis zijn, als slechts de
zieke bijen mede het slachtoffer werden of als de ongunstige wer-
king op de gezonde bijen en het broed van voorbijgaanden aard
was.

Bovendien is het een ongunstige omstandigheid, wat betreft
een langdurige inwerking van het gas, dat de bijen trachten alle
vreemde geuren door een uitgebreide en krachtige ventilatie,
welke zij door gebruikmaking van de vleugels tot stand brengen,
zoo spoedig mogelijk uit de woning te verwijderen.

Verschillende middelen zijn toegepast geworden.

Zwaveldampen in geringe concentratie, zwavel en salpeter, en
een preparaat bestaande uit chloropicrine, campher, salicyl-
methylicus, hadden alle ten doel de mijt in en buiten de tracheeën
te dooden.

Rennie heeft er ook aan gedacht de mijten, welke de tracheeën
verlaten hebben en een nieuwe hospes opzoeken, op haren weg
hierheen te doen „verdwalen." Hij stelt zich op het standpunt,

-ocr page 1408-

dat daar de mijten in betrekkelijk klein aantal voorkomen, en
bovendien geen groote progenituur hebben, er een bijzonder mid-
del moet zijn, waardoor zij telkens weer die kleine verborgen ope-
ningen onder het pelskleed kunnen vinden. Hij neemt daartoe aan
de mogelijkheid, dat het eerste paar tracheeën een geur afscheidt,
die de mijten aantrekt en den weg wijst. Nu dacht
Rennie dat,
wanneer hij den geur kon wegnemen, de mijten hun wegwijzers
kwijt zouden zijn en omkomen bij gebrek aan voedsel en geschikte
woonplaats. Met het wegnemen van de tracheeëngeur door een
andere reukstof achtte hij het doel te kunnen bereiken. Hij raadde
wintergroenolie aan.

Resultaten van deze overigens zeer bijzonder uitgedachte be-
handelingsmethode zijn niet bekend geworden.

De laatste twee jaren hebben andere onderzoekers eveneens in
samenwerking met
Rennie een nieuw middel toegepast, dat
blijkens mededeeling ook van anderen kant, aan de verwach-
tingen voldoet.

Reeds in 1928 hield Mr. Illingworth van Foxton-Royston in
Genève ter gelegenheid van de vergaderingen der Apis-Club aldaar
een demonstratie van deze nieuwe bestrijdingsmethode.

Hij gebruikte, zooals Col. Howorth in de Brit. Bee Journal
mededeelt, nitrobenzine en petroleum 2 deelen, safrol 1 deel, in
een hoeveelheid van 2 gram verspreid op een mat op den bodem van
de kast, waarvan de dampen binnen de woning moesten worden
gehouden door deze, uitgezonderd de vliegopening, totaal af te
sluiten. Met dit middel zijn talrijke proeven genomen en de resul-
taten heeten zeer gunstig.

Op een later tijdstip wil ik op deze behandelingswijze, waarover
in de Engelsche bijenbladen interessante mededeelingen staan
vermeld, terugkomen.

Hier wil ik besluiten met te wijzen op den aard van deze zeer
bijzondere bestrijdingsmethode, waarbij een gasvormige stof,
waarmede de parasiet en de hospes beide even sterk in aanraking
komen, zoodanig kan worden uitgemeten, dat zij voor de eerste
doodend werkt, zonder de laatste te schaden.

-ocr page 1409-

BOEKAANKONDIGINGEN.

Handbuch der Geflügelkrankheiten und der Geflugelzucht.

Herausgegeben von Dr. T. van Heelsbergen. 1929. Verlag Ferdinand Enke,
Stuttgart. Prijs ingenaaid 45 M. gebonden 48 M.

Dit boek is de vrucht van samenwerking. Het is een zeer verblijdend verschijn-
sel, dat een groep Nederlandsche dierenartsen de handen in een geslagen heeft
om een overzicht te geven over kiekten van vogels en over gevogelte-teelt voor-
namelijk voor zoover deze van belang zijn voor den dierenarts, die de nieuwen;
ontdekkingen ook in de grensgebieden van zijn vak wil bijhouden. De diergenees-
kundige medewerkers, te weten de heeren
van Heelsbergen, Baudei, te Hen-
nepe
, Hoogland, van der Plank, Veenendaal en Vermeulen beschikken,
elk op zijn gebied over een rijpe ervaring en waren in de gelegenheid hun denk-
beelden in de practijk te toetsen. Ook de litteratuur is door hen ter dege bewerkt
en vermeld, doch zonder dat het boek onhandelbaar van omvang is geworden.
De bijdrage van Dr.
B. J Krijgsman over door Protozoen opgewekte ziekten
verraadt in den schrijver naast den bioloog de groote belangstelling voor klinische
waarnemingen en therapie. Doch dit boek is ook de vrucht van samenwerking
in anderen zin. Sedert de verheffing van de Rijks-veeartsenijschool tot Veeartsenij-
kundige Hoogeschool is in stilte gearbeid aan verdere uitbouw van materieelc en
andere hulpmiddelen voor de wetenschappelijke beoefening der Veeartsenijkunde.
Vaak onder zeer moeilijke omstandigheiden is behouden wat verkregen was en
verbeterd wat nog onvolkomen genoemd kon worden. De meeste schrijvers van
dit boek vonden hun arbeidsveld binnen de spheer van deze onderwijsinstelling.
Het is dan ook voor een belangrijk deel te beschouwen als een synthese, van de
geestelijke krachten die te Utrecht zich in dienst stellen der diergeneeskundige
Wetenschap.

Een critische bespreking van dit boek is ondoenlijk. Er zal wel geen deskun-
dige zijn, die al deze onderdeelen zoodanig beheeischt, dat hij een eindoordeel
over elk hoofdstuk zou kunnen uitspreken. Zulk een bespreking is ook niet noodig.
De Nederlandsche dierenartsen kennen de schrijvers als betrouwbare voorlichters
op dit gebied ; de practijk van het leven zal spoedig leeren of het werk zijn weg
vindt over de wereld en geraadpleegd wordt, dan wel of het wordt bijgezet in een
bibliotheekkast. En hiermede raak ik een derde belangrijk punt. Het is een zeer
verblijdend verschijnsel dat een groep Nederlandsche dierenartsen op deze wijze
zijn intrede doet in de wereldlitteratuur. De werken van Prof.
Jakob dienen
tot de Duitsche litteratuur gerekend te worden ; daarnaast kennen wij slechts
enkele werken van Nederlandsche dierenartsen die buiten de grenzen van ons
vaderland verbreiding vonden (o.a.
Bruin, Wesier, Kroon). Het uitkomen
van dit boek is een feit, dat in de geschiedenis der Nederlandsche Veeartsenij-
kunde moet worden vastgelegd.

Mogen wij ten slotte nog eens wijzen op de beteckenis van dit boek voor de Neder-
landsche dierenartsen. Men heeft met opoffering van vec.1 moeite getracht de kennis
der pluimveeziekten tot de dierenartsen te brengen door middel van cursussen.
De belangstelling daarbij bewees, dat dit onderwerp urgent is. Doch hoeveel
beter zal het gesproken woord beklijven indien een en ander voor of na den cursus
kan worden nagelezen. Bovendien, men ontdoet zich bij het doorbladeren van
dit boek al zeer spoedig van het onbehaaglijke gevoel, dat de kennis van de ziekten
der vogels een onmetelijk gebied zou zijn, waarin men zich toch zou verliezen.
Het terrein blijkt wel groot, doch met deze gidsen is een tocht er door zeer leei-
zaam.

Uit het bovenstaande blijkt, dat wij de schrijvers en in de eerste plaats Dr.
van Heelsbergen van harte gelukwenschen bij de geboorte van dit geesteskind
en dat wij het een zeer voorspoedige toekomst toewensclien.

Men zegge niet dat de prijs daarvoor een onoverkomelijk beletsel is. Want
waarom zou men de samenwerking niet zoover uitstrekken, dat men aanvankelijk

-ocr page 1410-

per afdeeling der Mij. eenige exemplaren\' ter lezing onder de leden aanschaft,
voor zoover aankoop voor elk afzonderlijk eenige moeilijkheid zou opleveren. Ik
twijfel niet of wie er eens mede heeft kennis hemaakt, zal wel zorgen een eigen
exemplaar te verwerven. C. F.
v. O.

Prof. Nils Hansson, Fütterung der Haustiere; ihre theoretischen Grundlage
und ihre wirthschaftliche Durchführung. Deutsch von Dr.
Franz von Meissner.
überarbeitet und mit ein Vorwort versehen von Dr. Georg Wiegner, mit 8
Abbildungen und zahlreichen Tabellen, 2te umgearbeitete und erweiterte Auflage.
Dresden und Leipzig, Verlag von Theodor Steinkopff, 1929. Prijs
M. 10,— ge-
boden
M. 12.—.

De eerste in 1925 versehenen druk van dit werk heb ik besproken in Jaarg.
1926 pag. 365 van dit Tijdschrift. Ik kan daarnaar verwijzen en mij bepalen
tot de veranderingen en verbeteringen door den schrijver aangebracht. De be-
grippen „voedereenheid" en „melkproductiewaarde" in dit werk het eerst
uiteengezet, eenheden, die in Zweden algemeen gebezigd worden en wel logisch
zijn, werden toch bij ons weinig ingevoerd, daar wij ons het meest blijven
houden aan
Kellners „zetmeelwaarde". Het verschil tusschen de berekening van
„melkproductiewaarde" en „zetmeelwaarde" bestaat dan ook in hoofdzaak
hierin, dat bij de berekening der laatste als reductiegetal voor eiwit 0.94 en bij
<lie der eerste waarde 1.43 moet worden genomen, terwijl de waardeverhouding
(Wertigkeit) nog al eens uiteenloopt.

In den nieuwen druk is getracht het werk geheel op de hoogte van den tijd
te brengen, wat niet zoo gemakkelijk is, daar op het gebied der voedingsleer
veel en in Amerika zelfs zeer veel gewerkt wordt.

Aan het eerste gedeelte, waarin de samenstelling en de verteerbaarheid der
voedermiddelen worden behandeld, isterecht een hoofdstuk over hun biologische
waarde toegevoegd, waarin vooreerst het verschil in biologische waarde der
eiwitstoffen, in hun verschillende samenstelling (de eiwitstoffen uit vleesch en
melk zijn uit 19 verschillende aminozuren opgebouwd), wordt behandeld.
Hans-
son
komt hier tot de volgende, practische consequenties:

1. De dierlijke voedermiddelen bevatten zeer verschillend samengestelde
eiwitten en hebben daarom de hoogste biologische waarde. Dat is de reden
waarom melk en afvalproducten der zuivelfabricage zoo moeilijk te vervangen
zijn. Om dezelfde reden komt men bij het zoeken naar vocdermiddelen ter ver-
vanging van melk en wei tot andere dierlijke producten, als vleeschmeei, dier-
meel, vischmeel, haringmeel e.a.

2. Voedermiddelen, die uit de geheele planten bestaan, hebben alzijdiger
samengesteld voedereiwit dan die welke slechts uit zaden of afvalproducten
van planten verkregen worden. Weide, groenvoeder, hooi en persvoeder moeten
uit dit oogpunt biologisch meer volkomen samengestelde eiwitten bevatten dan
graan, wortel- en knolgewassen en afvalproducten als zemelen en voederkoeken.

3. Hieruitvolgt.dat wij al onze huisdieren een gemengd rantsoen moeten trachten
te geven. Hooi vormt daarom steeds een belangrijk bestanddeel van het voeder
der herkauwers en in het voeder der melkkoeien moeten wij de verschillende
krachtvoedermiddelen gemengd geven. Het is een goede practische regel in
krachtvoedermengsels minstens drie verschillende soorten van oliekoeken te
gebruiken.

Deze voor de praktijk zoo belangrijke uitspraken neem ik hier over. Behalve
de waarde der verschillende eiwitten wordt ook gewezen op de verschillen in
de productiewaarde der vetten, vooral bij de voeding der jonge dieren, waarbij
het melkvet veel hoogere waarde heeft dan andere vetsoorten en op de ver-
schillende biologische waarde der onderscheidene koolhydraten.

Bij de behandeling der minerale stoffen wordt erep gewezen, dat het noodig
is de voedermengsels zoo te regelen, dat de asch een duidelijk alkalische reactie
heeft; een zure reactie der gezamenlijke minerale stoffen is nadeelig. Hierover

LIV 93

-ocr page 1411-

wordt verder uitgeweid. Ook aan de vitaminen is natuurlijk de volle aandacht
eschonken.

Nieuw is een hoofdstuk over de concentratie der voedende bestanddeelen in
voedermengsels. De concentratie, welke de dieren noodig hebben, hangt van
den bouw van het digestiekanaal en van den aard der productie af. Varkens
hebben het meest geconcentreerde voedsel noodig; voor de melkkoe en het
werkpaard hangt de concentratiegraad van het voeder af van de grootte der
melkproductie resp. den aard van den arbeid.

Uitvoerig wordt stilgestaan bij de voeding in de periode van droogstaan der
melkkoeien. Deze periode moet beschouwd worden als een, waarin weer het
evenwicht hersteld moet worden, als door de voorafgegane rijkelijke melkpro-
ductie de normale voorraad aan reservevoedsel in het lichaam is aangetast of
uitgeput. Het vermogen van het dierlijk lichaam om voedingstoffen, welke
voor komende tijden noodig zijn, te reserveeren is grooter dan men gewoonlijk
meent. De vermagerde .droogstaande koe moet vet en eiwit opleggen en vooral
ook minerale stoffen, speciaal kalk en phosphorzuur. Ook vitaminen kunnen
als reserve opgelegd worden, waarbij ook bij de voeding in den tijd van droog-
staan rekening moet worden gehouden.

Verschillende sedert den isten druk van het boek ingevoerde voedermiddelen
worden kort besproken, terwijl in de hoofdstukken over de voeding van melkvee,
jonge paarden en varkens veranderingen zijn aangebracht in verband met de
resultaten der nieuwere onderzoekingen, waarbij ook met de behoefte aan minerale
stoffen rekening is gehouden.

Zooals ik in de bespreking van den isten druk reeds opmerkte, is Hansson\'s
boek nuttig voor ieder, die zich met de vorde.ingen der voedingsleer op de
hoogte wil houden.
 Kroon.

INGEZONDEN.

Electrische bedwelming van slachtvee.

In zijn artikel, onder gelijkluidend hoofd als deze regelen, spreekt Prof. Dr.
J. Koos de meening uit, dat het niet reageeren op de halssnede of het steken van
onder den invloed van den Leduc\'schen stroom verkeerende slachtdieren, niet
mag worden beschouwd als een gevolg van bedwelming, maar moet worden ver-
klamd door den toestand van machteloosheid, waarin die dieren door den elec-
trischen stroom zijn gebracht en die tot verstikking zou hebben geleid, indien niet
door verbloeding het intreden van den dood ware bespoedigd.

Zeer zeker zou bij voortgezette aanwending van den stroom de verstikkings-
dood zijn gevolgd. Aan het slot van mijn artikel in de 15-October aflevering, wees
ik er dan ook op, dat de ademhaling blijft stilstaan, al was dat dan ook bij de Keul-
sche runderen in verband met eene waarschijnlijk te lichte bedwelming niet be-
paald het geval.

Er kan dus slechts verschil van meening bestaan over de vraag of bij de slacht-
dieren tegelijkertijd met de volledige ontwikkeling van den tonischen kramp-
toestand van het spierstelsel, als gevolg van de prikkeling der motorische centra,
ook bewusteloosheid optreedt, zooals wij dit zien samengaan bij den echten epi-
liptischen aanval bij den mensch. Het is nl. op de zeer groote overeenkomst van
symptomen bij het electrisch bedwelmde dier en bij dien aanval dat
Prof. Müller
zich beroept voor de rechtvaardiging van zijn conclusie, dat het electrisch bedwelm-
de dier inderdaad bewusteloos is Tot mijn leedwezen laat
Prof. Roos deze argu-
mentatie onbesproken en dus onweerlegd.

In verband hiermede en met de plannen, die bestaan om ook hier te lande proeven
te nemen op het gebied van electrische bedwelming van slachtvee, zou ik hem willen
vragen, hoe hij over deze argumentatie van zijn collega te Miinchen denkt en ten

-ocr page 1412-

slotte nog of hij het mogelijk acht om bij die proeven positief uit te maken of de
Leduc\'sche stroom bij dieren al dan niet tot bewusteloosheid voert. Immers, het
zij hier nog eens herhaald, daarmede staat of valt van het standpunt der dieren-
bescherming de waarde van deze van Duitsche zijde zoo sterk gepropageerde wijze
van bedwelming van slachtvee.

Voor de beantwoording van deze twee vragen, zal de Nederlandsche Dieren-
bescherming, die om helder licht in deze materie vraagt, Prof. Roos niet dan
dankbaar zijn.

io November 192g. W. van der Burg.

Nergens heb ik geschreven, dat de waargenomen verschijnselen een gevolg
waren van een primair optredende bewusteloosheid. Ik heb juist in de laatste
zinsnede uitdrukkelijk verzocht een nader onder zoek in te stellen,hierbij vooral
denkende aan de vraag of onder invloed van den electrischen stroom naast de ver-
lamming van de motorische functies, ook een buiten werking stellen van de psy-
chische optreedt, zoodat wij dan van „bewusteloosheid" in werkelijken zin kunnen
spreken. Wordt dit bewezen dan moet om verschillende technische redenen aan
de electrische bedwelming, vooral bij varkens, de voorkeur gegeven worden boven
de thans gebruikelijke. C. F.
van Oijen.

Het „Diphterie-middel" Endiphthocid.

Daar er in den laatsten tijd in pluimveehouderskringen veel reclame gemaakt
wordt voor Endiphthocjd tegen snot en diphtherie, welke ziekten er op „een
vlugge en eenvoudige manier" mede te genezen heeten te worden, vermeld ik
even het volgende :

Op het oogenblik zijn proeven met dit middel loopende te Barneveld onder
leiding van collega
Hoogland. Spoedig zal dus wel blijken of dit middel werkelijk
aan de hoog gespannen verwachtingen voldoet.

De „Mitteilungen der Tierärztlichen Gesellschaft zur Bekämpfung des Kur-
pfuschertums" vermelden in het l.j. versehenen Octobernummer daaromtrent
het volgende :

Dr. Konrad Wolfs Endiphthocid I und II.

Hersteller : Paul Heerliijg, Leipzig, Königstr. 6.

Beschreibung der Packung : Endiphthocid heilt Diphtherie und Schnupfen bei
Hühnern.

Chemische Untersuchung. De doos met Endiphthocid I bevat : 100 gram van
eeu wit, adstringeerend smakend, reukeloos poeder. Reactie : sterk alkalisch.
Deze reactie berust op een gehalte aan vrij Calcium-hydroxyd.

Verder komen voor: keukenzout en calciumverbindingen benevens kleine hoe-
veelheden kleiaarde. Tevens rietsuiker, waarvan een deel als Calcium saccharaat
aanwezig is.

Endiphthocid II bevindt zich in een glazen buisje en weegt, ongeveer 10 gram.
Dit geheimmiddel is zuiver Brenzkatechin monomethylaether (Guajacol).

Daar guajacol in water slecht oplosbaar is, moet om het in water opgelost te
krijgen, de suikerkalk toegevoegd worden, die het phenol in den vorm van guaja-
colaat in oplossing brengt.

Beoordeeling : Beide middelen mogen alleen door apothekers verkocht worden,

Dr. te Hennepe.

-ocr page 1413-

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

Notulen van de 74ste Algemeene Vergadering gehouden op
Vrijdag 11 en Zaterdag 12 October 1929 in de groote zaal van
het Jaarbeursgebouw te Utrecht.

Toen de Voorzitter des Vrijdagmiddags om 2 uur de vergadering opende
bleek het Hoofdbestuur voltallig aanwezig met uitzondering van het lid
Tenhaeff,
dat bericht van verhindering had gezonden ; alle afgevaardigden der bijzondere
afdeelingen waren aanwezig, alsmede een groot aantal leden, waaronder een 26-tal
individueel stemmenden. In den loop van den middag steeg het aantal aanwezigen
tot 64. Afgevaardigden der verschillende afdeelingen waren de navolgende leden,
achter wier namen het aantal der door hen uitgebrachte stemmen staat vermeld :

Groningen—Drenthe, Dr. C. J. G. v. d. Kamp, 14 st. Friesland : S. Kingma,
23 st. Gelderland—Overijssel : Dr. K. Reitsma, 28 st. Utrecht : Dr. C. de Graaf,
19 st. Noord-Holland : C. Sieswerda, 28 st. Zuid-Holland : M. Slager (Hillegers-
berg) 19 st. Zeeland
: W. J. L. de Groof, 13 st. Noord-Brabant : G. v. d. Werf,
14 st. Limburg : K. Bloemen (Geleen) 20 st.

Na een kort woord van welkom werd met de behandeling der agenda een begin ge-
maakt. Behalve de volmachten der afgevaardigden was ingekomen een uitnoodiging
van de Diergeneeskundige Faculteit van het Utrechtsch Studentencorps tot een
reünie met de studenten na afloop van den maaltijd in Hotel des Pays Bas. Deze
uitnoodiging was onder dankzegging aanvaard.

Van de afdeelingen Friesland en Limburg was bericht ingekomen, dat door hen
met ingang van 1 Januari 1930 in het Hoofdbestuur resp. zijn afgevaardigd ter ver-
vanging van de H. H.
Tenhaeff en Urlings, die niet herkiesbaar waren, de H.H.
A. H. Veenbaas en H. J. C. Horbach.

Aan de orde was thans punt 4 der agenda : verkiezing van een ondervoorzitter-
penningmeester. wegens periodieke aftreding van den functionaris en van een se-
cretaris, wegens het bedanken om gezondheidsredenen van l)r. H. A.
Vermeulen.
Alvorens tot de stemming werd overgegaan herdacht de voorzitter den afgetreden
secretaris, die gedurende een lange reeks van jaren met een onverflauwde belang-
stelling en toewijding de zaken onzer Maatschappij heeft gediend. Te betreuren
is het dat gezondheidsredenea collega
Vermeulen hebben genoopt zijn werkzaam-
heden als secretaris neer te leggen. Wij hopen Dr.
Vermeulen nog vele jaren, zij
het niet meer als secretaris, dan toch als belangstellend medelid in ons midden
aanwezig te zien. Tot in lengte van dagen kan hij zich verzekerd weten van onze
groote waardeering voor het zeer vele, dat door hem voor onze Maatschappij is
verricht.

De voorzitter verzocht deH.H.Dr. A.Overbeek en J. Kranenburg om zich te
willen belasten met het opnemen der stemmen. Dr v.
d. Kamp deelde mede, dat door
zijn afdeeling een wijziging der concept-statuten zal worden voorgesteld, ten doel
hebbende de mogelijkheid te openen, dat eventueel ook een niet-lid der maat-
schappij tot secretaris kan worden benoemd, aangezien het in de toekomst mis-
schien gewenscht kan blijken een jurist te benoemen tot secretaris onzer Maat-
schappij. Men ziet in de laatste jaren meer en meer, dat grootere vakorganisaties
een jurist kiezen als secretaris, wiens rechtskennis bij de behandeling van overeen-
komsten en geschillen van groot nut is.

De Voorzitter deelde mede, dat dit voorstel geen weerklank gevonden heeft bij
het Hoofdbestuur. De Secretaris moet de eigenlijke stuwkracht zijn naar zeer
verschillende richtingen in onze Maatschappij ; daarvoor is in de eerste plaats
noodig, dat deze functionaris in het veterinaire milieu is opgegroeid. Behoefte aan
juridische voorlichting is bij het Hoofdbestuur slechts zeer sporadisch voorge-
komen ; blijkt die behoefte zich in de toekomst eenigermate uit te breiden, dan
kan de Maatschappij altijd nog een vast jurist aan zich verbinden. Daar het

-ocr page 1414-

voorstel der afd. Groningen—Drenthe geen steun uit de vergadering bleek te
ontvangen, werd het niet verder in bespreking gebracht.

Prof. van Oijen deed een beroep op de aanwezige stemgerechtigde leden om
voor de functie van Secretaris op
ten Thije te stemmen.

Nadat de stemmen geteld waren, deelde Dr. Overbeek mede, dat voor beide func-
ties zijn uitgebracht 190 stemmen ; voor die van Ondervoorzitter-Penningmeester
190 op den heer
van den Burg (aftr.) en voor die van Secretaris resp. 115 en 75
stemmen op de H. H.
ten Thije en Dr. Beijers, zoodat eerstgenoemde herkozen
is en
ten Thije tot Secretaris is verkozen. Beide verkozenen verklaarden hunne
benoeming te aanvaarden en zegden dank voor het vertrouwen aan hen. die tot
hunne benoeming hadden meegewerkt. De nieuw benoemde Secretaris memoreerde
nog in het bijzonder, dat hij het als een groote onderscheiding gevoelt op zoo
jeugdigen leeftijd tot het gewichtig ambt van secretaris te worden geroepen. Het
zal voor hem niet voldoende zijn ,,de voetstappen van zijn voorganger te drukken,"
zooals de geijkte term luidt, aangezien de reorganisatie der Maatschappij in de
eerstkomende jaren een niet onbelangrijke verandering van de werkzaamheden
van het Secretariaat ten gevolge zal hebben. Hij doet dan ook een beroep op de
medewerking van allen, die hem in de uitoefening van zijn functie kunnen steunen.

Als lid van de Notulen-Commissie werd jarenlang de heer Hoogkamer gekozen
Deze heeft thans om gezondheidsredenen moeten bedanken voor zijne functies
in de Maatschappij, wat betreurd werd. Het Hoofdbestuur stelde voor als zijn op-
volger in de Notulen-Commissie te benoemen de heer
van der Burg, met welk
voorstel de vergadering bij acclamatie haar instemming betuigde.

De in het Tijdschrift gepubliceerde verslagen over de geldmiddelen der Maat-
schappij en van die van haar verschillende fondsen gaven geen aanleiding tot
eenige opmerking, zoodat de Penningmeester aller waardeering verwierf voor zijn
nauwgezet beheei.

Als volgende punt vermeldde de agenda de begrooting voor het jaar 1930.

Namens de afdeeling Zeeland vroeg de Groof nadere inlichtingen over de voor-
gestelde contiibutieverhooging van / 15. - op / 1S. voor de buitenlandsche leden
der Algemeene Afdeeling. Wanneer men het bedrag van de subsidie voor het Tijd-
schrift ad / 9000.— deelt door het ledental komt men niet tot de som van / 18. -.
De penningmeester zeide in antwoord daarop, dat men eenerzijds niet de subsidie
aan het Tijdschrift moest beschouwen als de kosten daarvan, maar het totaal bedrag
der inkomsten, waarbij o. a. ook de opbrengst van advertentiën, abonnementen
en verkoop van oude jaargangen en afleveringen behooren. Volgens de begrooting
voor het jaar 1930 is dit in totaal bijna / 13.000. — Anderzijds moest men niet deelen
door het aantal leden der Maatschappij, doch door het aantal betalende lezers van
het Tijdschrift en komt dan op een bedrag van bijna / 17. Wanneer men dan
nog in aanmerking neemt de niet onbelangrijke incassokosten voor de Indische
en verdere buitenlandsche leden, dan is de contributie dier leden van / 18.— aller-
minst te hoog te achten. Peitelijk ontvangen zij het Jaarboekje, dat ongeveer
ƒ 1.40 per lid kost, dan nog bijna gratis.
De Groof was met deze toelichting voldaan.

Bloemen merkte op, dat de afdeeling Limburg liet vragen of het salaris van den
secretaris ook verhoogd moest worden. De afdeeling sprak zich niet uit voor een
bepaald bedrag, maar verzocht voor het vaststellen eener volgende begrooting
deze vraag nader onder oogen te willen zien.

De Voorzitter nam namens het Hoofdbestuur van dit verzoek nota.

De afdeeling Zuid-Holland diende een amendement op de begrooting in om even-
als voor den Secretaris ook voor den Voorzitter de kosten voor een telefonische
aansluiting door de Maatschappij te laten dragen. Gelderland—Overijssel en Noord
Brabant steunden dit amendement. De Voorzitter deelde mede, dat op een vorige
Hoofdbestuursvergadering hiertoe reeds besloten was. Er volgde nog eenige dis-
cussie over de vraag uit welke pest van de begrooting dit jaar genoemd telefoon-
abonnement moest worden bekostigd. Mede met het oog op de aanstaande ver-
laging der abonnementskosten liet men dit ten slotte aan den Penningmeester

-ocr page 1415-

over, zoodat het ingediende amendement van Zuid-Holland zonder eenige tegen-
werping werd aangenomen.

Dr. Reitsma verzocht namens de afd. Gelderland Overijssel om in de toe-
komst de begrooting dusdanig in te dienen, dat achter ieder hoofdstuk der begroo-
ting achtereenvolgens in naast elkaar staande kolommen worden vermeld het
verantwoordingscijfer van het vorige jaar, het begrootingscijfer van het loopende
boekjaar en het begrootingscijfer van het komende jaar. De Penningmeester zegde
toe aan dit verzoek te zullen voldoen, waarna de begrooting voor 1930 met alge-
meene stemmen werd aangenomen.

Aan de orde was thans het voorstel van het Hoofdbestuur om metingangvan 1930
per lid jaarlijks de som van
f 1.— (een gulden) te heffen ten behoeve der Prof. Dr.
D.
A. de jong-stichting. In de meeste afdeelingen ging men hiermee accoord.
Dr.
v. d. Kamp (Gron.—Dr.) memoreerde, dat verschillende leden in zijn afdeeling
waarschuwden tegen opvoeren der contributie, hoewel niemand tegen het onder-
havige voorstel had gestemd; Dr.
Reitsma amendeerde het voorstel namens de
afd. Geld.—Ov. met de bepaling, dat een gedeelte dezer jaarlijksche bijdragen
moest dienen tot kapitaalvorming voor de stichting. Dr.
df Graaf vertolkte de
meening van de afdeelingsvergadering der afd. Utrecht, die liever een contributie-
verhooging zag ingevoerd dan bijzondere beffingen ten behoeve van bijzondere
fondsen.

De Voorzitter antwoordde Dr. Reitsma met de opmerking, dat de Prof. Dr. I). A.
de JoNG-Stichting niet alleen over een behoorlijk stamkapitaal, maar ook over
behoorlijk vloeiende jaarlijksche inkomsten de beschikking moet hebben, wil het
de werking ontplooien, die men er van hoopt. Worden de jaarlijksche bijdragen
niet geheel verbruikt, dan wordt het overschot natuurlijk bij het kapitaal gevoegd.

Prof. van Oijen voegde hieraan nog toe, dat de Statuten der de Jong-Stiehting
in extenso in ons Tijdschrift zijn afgedrukt, zoodat de leden in de gelegenheid
waren er kennis van te nemen.

Aangezien niemand zich tegen het voorstel heeft verklaard en geen stemming
werd verlangd, zag het Hoofdbestuur zijn voorstel met algemeene stemmen aan-
genomen.

In behandeling kwam thans het aanvullende voorstel op de agenda, n.1. om
/ 2800. - uit de middelen der Maatschappij te schenken ten behoeve van het kapi-
taal der
de jong-Stichting. De Voorzitter zette nog even in het kort uiteen de wijze
van ontstaan van dit voorstel en hoe het de bedoeling was van het Hoofdbestuur
om een bedrag van / 5000.— te vinden, eensdeels uit beschikbare rente van het van
EsvELD-fonds ten bedrage van / 2200.— en andersdeels uit een schenking van
/ 2800— uit de middelen der Maatschappij. Bij de discussie bleek al spoedig, dat de
bestemming van de gelden van het van
EsvELD-fonds een teere zaak is, die
verschillende leden het liefst wilden laten rusten tot in 1933 de tijd gekomen zal
zijn, tot het doen van voorstellen tot wijziging van het reglement van het van
EsvELD-fonds.

Di. v. d. Kamp kreeg van zijn afdeeling vrij mandaat mee en wilde dus eerst de
besprekingen afwachten voor hij zijn meening kenbaar maakt.

De overige afgevaardigden uitgezonderd die van Geld.—Overijssel deelden mede,
dat hunne afdeelingen konden meegaan met het Hoofdbestuursvoorstel. Dr.
Reitsma (Geld.—Ov.) amendeerde het voorstel door niet slechts / 2800.—, doch
de volle ƒ 5000.— uit de middelen der Maatschappij te schenken. Zijn afdeeling
voelde niets voor de storting der rente van het van
EsvELD-fonds in het kapitaal
der de
jong-Stichting en hij hoopte, dat bij eventueeleaanneming van het amende-
ment het Hoofdbestuur terugkomen zou van zijn bedoeling en de rente van het
van
EsvELD-fonds bij het kapitaal van dat fonds zou voegen. Mocht de vergadering
niet meegaan met het amendement dan zou hij wenschen het Hoofdbestuursvoor-
stel van de agenda te doen afvoeren, aangezien niet voldaan is aan art. 27 van het
Huishoudelijk Reglement (minstens 2 maanden voor de vergadering moet het
programma aan de leden worden toegezonden).

-ocr page 1416-

De voorzitter merkte op, dat hij, indien het beroep van den afgevaardigde van
<Gelderland—Overijssel steun mocht ondervinden van andere aanwezigen, direct
den steun van 2 afdeelingen zou zoeken om hetzelfde voorstel ongewijzigd opnieuw
in behandeling te brengen. Prof.
Bakker merkte op, dat het alsdan een nieuw voor-
stel is, waarbij de afgevaardigden niet langer gebonden zullen zijn door hun man-
daat. Intusschen bleek het beroep van Gelderland—Overijssel door geen enkele
afdeeling gesteund te worden, integendeel verklaarden de afgevaardigden van
NoordBrabant en Groningen Drenthe prijs testellen op voortzetting der behan-
deling van het Hoofdbestuursvoorstel.

Verschillende leden, Prof. de Blieck, Prof Bakker, Prof. Krediet, Prof.
Wester, Pi of Roos waren er tegen om van het ééne fonds gelden over te gaan
hevelen naar het andere. Het bleken bovenal kwesties van pieteitsgevoel te zijr.
tegenover de nagedachtenis van
van Esfeld en de Jong, die hen er toe leidden zich
hiertegen te verzetten. Prof.
de Blifck memoreerde nog eens het Jubileumfonds,
<lat een zuiver veterinairfonds is en hij zou gaarne de helft van de gevraagde
/ 2800. alsmede van de jaailijksche bijdragen zien gereserveerd ten behoeve
van het Jubileumfonds.

De Voorzitter beantwoordde de verschillende sprekers ; over verschillen in pie-
teitsgevoel zal men het niet makkelijk eens worden. Zijns inziens doet men aan het
pieteitsgevoel voor de nagedachtenis van
van Esveld niet in het minst te kort,
door een bestemming te geven aan de rente, als het Hoofdbestuur beoogde, welke
bestemming bovendien geheel in de lijn ligt van het reglement van het van Es-
veldfonds nl. het steunen van wetenschappelijken arbeid, ,,op het gebied van de
geneeskunde en de biologie, al dan niet in samenwerking met andere stichtingen,
die een gelijk doel hebben" (art. 3, b, van het regelement van het van Esveldfonds).

Alvorens over het Hoofdbestuursvoorstel gestemd werd, verklaarde Dr. v. d.
Kamp nog naar aanleiding der discussiën de 14 stemmen zijner afdeeling tegen het
voorstel te zullen uitbrengen. De uitslag der stemming was dat het Hoofdbestuuis-
voorstel werd aangenomen met 96 stemmen voor, 74 tegen en 2 blanco ; Noord-
Holland onthield zich van stemming.

De Voorzitter deed daarop mededeeling dat op verzoek van Mevr de Wed. Prof.
Dr. D. A.
de Jong het legaat van wijlen haar echtgenoot (Prof. Dr. D. A. de
JONG-fonds) alsmede de verschenen renten zullen worden gestort bij het kapitaal
•der Prof. Dr. 1). A.
de JoNG-Stichting.

Als volgende punt der agenda kwam in behandeling de voorgestelde statuten-
wijziging. Allereerst verkreeg Dr.
Overkeek als voorzitter der commissie tot voor-
bereiding der nieuwe Statuten en Huishoudelijk Reglement het woord. In het
kort releveerde spreker de historische ontwikkeling onzer Maatschappij en het tot
stand komen van het Hoofdbestuur in zijn huidigen vorm. Voor zoovel het betreft
de bespreking der concept-statuten bracht Dr.
Overbeek den sprekers in herin-
nering de algemeene juridische opvatting 0111 zoo min mogelijk statuair vast te
leggen. Het nieuwe ontworpen Huishoudelijk Reglement zal dan ook nog veel
meer dan de Statuten onze aandacht vragen. Het voornaamste nieuwe in de voor-
gestelde Statuten is het bindend besluit. De Maatschappij voor Creneeskunst kent
dit al jaren. Ons w-erk leent zich daartoe nog meer dan dat van den medicus, omdat
wij vaker met massaal werk hebben te doen, b.v. bij de tuberculosebestrijding.
Spreker beval daarom met nadruk aan de bepalingen omtrent de bindende be-
sluiten aan te nemen.

De Voorzitter ging er vervolgens toe over om de conceptstatuten hoofdstuks-
gewijs in behandeling te brengen.

Van der Werf (afgev. Noord-Brabant) wilde aan de bindende besluiten een zoo
groot mogelijke uitbreiding geven door ze in bepaalde gevallen ook te doen gelden
voor eventueele niet-leden onzer Maatschappij. Een middel daartoe is het collec-
tieve arbeidscontract. De afd. Nd.-Brabant wilde de Maatschappij de bevoegdheid
geven collectieve arbeidsovereenkomsten af te sluiten.

-ocr page 1417-

Kirch voegde hier nader aan toe, dat het woord ,,collectief arbeidscontract"
ook in medische kringen vele menschen heeft afgeschrikt. Toch is het bij nadere
overweging zeker aan te bevelen, dat wij b.v. met groote organisaties op landbouw-
of veeverzekeringsgebied collectieve arbeidsovereenkomsten kunnen aangaan,
waarbij deze gehouden zijn bepaalde werkzaamheden niet beneden een overeen-
gekomen belooning te doen verrichten. Intusschen eischt de wet op het arbeids-
contract, dat de vereeniging met rechtsgeldigheid, die collectieve arbeidsovereen-
komsten wenscht af te sluiten, zulks in hare Statuten vastlegt. Ten einde nu in de
toekomsteen statutenwijziging te voorkomen wilde de afd. Nd.-Brabant zulks thans
reeds statuair opnemen.

Kingma (afgev. Friesland) deelde mede, dat in zijn afdeeling dezelfde opmer-
kingen zijn gemaakt, ook al met het motief daarmee het ,,nihilisme" onder de
dierenartsen te helpen bestrijden.

Dr. Reitsma was het met de strekking van het voorgestelde eens, doch zou het
in Hoofdstuk
VIII (van de Bindende Besluiten) willen opnemen.

Dr. Overbeek zei, dat deze kwestie ook reeds in de commissie was besproken
en dat zijde meening der afd. Nd.-Brabant deelde. Zuinigheidshalve heeft de com-
missie geen jurist aan zich verbonden ; door juridisch overleg zal moeten worden
uitgemaakt of het voorstel der afd. Nd.-Brabant in Hoofdstuk I dan wel in Hoofd-
stuk VIII zal moeten worden ondergebracht.

Aangezien geen der aanwezigen zich tegen het voorstel van Nd.-Brabant verzette,
werd dit aangenomen en zal dus onze Maatschappij in de toekomst collectieve
arbeiscontracten kunnen afsluiten.

Over Hoofdstuk I, Art. 2 sub d ontspon zich nog eenige discussie over de
vraag of men de uitgifte van het Jaarboekje ook in de Statuten moest vastleggen.
Tenslotte bleek ieder te kunnen meegaan met een toevoeging van : „eventueel
andere periodieke geschriften" aan art. 2 sub.
d.

Kroes zou bij de omschrijving van het doel der Maatschappij ook willen op-
nemen de bevordering van de wetenschappelijke en maatschappelijke vorming
der dierenartsen. De commissie had dit punt ook overwogen, doch meende het
niet in de Statuten te moeten opnemen. Aangezien het voorstel geen steun kreeg,
werd het niet aan stemming onderworpen.

Bij de behandeling van Hoofdstuk III (Van de Leden) ontstond er een gedachten-
wisseling over de vraag of de instelling van het candidaat-lidmaatschap in de
Statuten thuis hoort, alsmede over de rechten en verplichtingen der candidaat-
leden. Over de juridische mogelijkheid van een candidaat-lidmaatschap bleek
men over tegenstrijdige juridische adviezen te beschikken.

Prof. van oljen vroeg of de commissie overleg heeft gepleegd met de studen-
tenorganisaties over dit punt. Bij de pharmaceuten kent men ook een dergelijk
candidaat-lidmaatschap en deze instelling zou maken, dat zich minder studenten
aansluiten bij de studentenorganisaties, wat zeer te betreuren is.

Dr. Van der Kamp merkte op, dat in de afd. Gron. Drenthe ook een lid tegen de
instelling van het candidaat-lidmaatschap pleitte op overwegingen als door Prof.
van Oijen aangestipt.

Prof. Wester deelde mede, dat het moeilijk is de meening van alle studenten te
kennen, aangezien men geen algemeen vertegenwoordigend lichaam kent. De
commissie heeft wel de meening van de diergeneeskundige studenten van het
U.S
.C. gepolst ; aangezien deze slechts die van een klein aantal studenten was,
heeft men ze niet durven generaliseeren.

Kroes zou de candidaat-leden slechts op het wetenschappelijk deel onzer ver-
gaderingen willen toelaten.

De gehouden stemming wees ten slotte uit, dat de candidaat-leden in onze Sta-
tuten blijven gehandhaafd met slechts 2 stemmen tegen (uit de afd. Gron.-—Dren
the).

Met betrekking tot art. 6 merkte Dr. de Graai- (afd. Utrecht) op of het woord
„diergeneeskunst" in overeenstemming is met onze uitoefeningswet. De Voor-

-ocr page 1418-

zitter nam hiervan nota ; bij de juridische correctie der statuten zal hierop ge
wezen worden.

De afd. Friesland zou in Hoofdstuk III willen opgenomen zien, dat dierenartsen
slechts van de afdeeling hunner provincie lid kunnen worden. Hiervoor werd
niet gevoeld, aangezien de geographische grenzen eener provincie soms zoodanig
zijn, dat sommige dierenartsen veel meer aangewezen zijn op de afdeeling eener
andere provincie, dan waarin zij wonen. Zoo telt de afd. Utrecht b.v. een niet onbe-
langrijk deel harer getrouw de vergaderingen bezoekende leden in Zd.-Holland,
Nd.-Holland, Gelderland en zelfs een in Overijssel.

Bij de behandeling van Hoofdstuk IV (Van de Afdeelingen) stelde Slager (Zd.-
Jlolland) voor in art. 12 achter ,,verplichtingen" toe te voegen ,,zoo mede haar
werkgebied." De Voorzitter antwoordde, dat dit practisch alleen doel treft voor de
bindende besluiten en daarin wordt in art. 24 reeds voorzien. Juist omdat men
bij het uitvaardigen van bindende besluiten niet aan geographische grenzen ge-
bonden wil zijn, ontried hij de aanneming van de voorgestelde toevoeging.

Prof. van Oijen stelde de vraag of men lid is van de Maatschappij voor Dier-
geneeskunde. dan wel eener bepaalde afdeeling dier Maatschappij. Daaraan knoopte
zich een discussie vast over de vraag of iemand gedeballoteerd kan worden voor
de eene afdeeling en in een andere kan worden toegelaten. Een en ander zal nader
geregeld dienen te werden in het nieuwe Huishoudelijk Reglement.

Met betrekking tot Hoofdstuk V (Van het Hoofdbestuur) art. 14 werd in de afd.
Zeeland de juiste opmerking gemaakt, dat niet iedere afdeeling, maar iedere bij-
zondere afdeeling één lid naar het Hoofdbestuur afvaardigt. Zooals het hier staat
zou de algenieene afdeeling ook een afgevaardigde in het Hoofdbestuur moeten
hebben.

Dr. v. d. Kamp kwam hier terug op de door de afd. Gron.—Drenthe gcwcnschte
mogelijkheid eventueel een jurist te verkiezen tot secretaris. Op grond van over-
wegingen, als reeds bij de behandeling van punt 4 der agenda werden gememo-
reerd, bleek de vergadering hier algemeen tegen.

Hoofdstuk VI (Van den Centralen Raad) werd door de Afd. Nd.-Brabant (v. D.
Werf) te kort geacht. Voorgesteld werd aan de drie regels toe te voegen : ,,welke
regelt het intercollegiaal toezicht en de onderlinge rechtspraak." Dr.
Overbeek
ontried de aanneming hiervan ; in onze Maatschappij mogen geen twee machten
naast elkaar komen te staan. De Centrale Raad moet adviseerend lichaam blijven.
Overigens verwees hij naar zijn woorden bij de inleiding gesproken om n.1 zooveel
mogelijk ter uitwerking over te laten aan het Huishoudelijk Reglement. Het
voorstel van Nd.-Brabant vond dan ook geen verdere steun in de vergadering.

De volgende door de afd. Nd.-Brabant voorgestelde wijziging werd echter aan-
vaard nl. om in Hoofdstuk VIII (Van de Verdaderingen) in art. 18 de mogelijkheid
te scheppen, dat meer dan één algemeene vergadering per jaar kan worden uitge-
schreven.

In art. 19 stelde Dr. Overbeek voor „beraadslagingen en" te laten vervallen.
Wanneer men de candidaat-leden in de Maatschappij aanvaardt, moet men hun
ook gelegenheid geven zich op de vergaderingen te uiten, ware het alleen maar
om hun eigen belangen te kunnen bespreken. Aan de stemmingen dienen zij echter
niet deel te nemen. Men was het hier algemeen mee eens.

Het onderwerp van Hoofdstuk VIII (Van de Bindende Besluiten) leidde tot een
geanimeerde discussie.

Dr. de Graaf wilde het in art. 23 bedoelde referendum binnen een bepaalden tijd
na de aanneming op de Algemeene Vergadering houden. Dr.
Overbeek waar-
schuwde er voor zulks in de Statuten vast te leggen. Het Hoofdbestuur zal uit den
aard der zaak wel zorgen, dat het referendum, zoo spoedig als is vereischt, wordt
gehouden.

De Groof zei dat de afd. Zeeland zich na breedvoerige discussie tegen het ge-
heele Hoofdstuk Vil I heeft verklaard. Men verwachtte er geen practisch effect van,
zoo lang we geen Tuchtwet hebben en tot dien tijd wil men de georganiseerde die-

-ocr page 1419-

renarts de uitoefening van zijn beroep niet bemoeilijken, omdat sommige collega\'s
niet aangesloten zijn bij onze Maatschappij.

Ook de afd. Zuid-Holland (Slager) was pessimistisch gestemd ten opzichte van de
te verwachten practische resultaten, die zullen worden bereikt bij aanneming
van dit hoofdstuk. Nochtans zou zij er niet tegen stemmen, maar zij drong aan om
zoo spoedig mogelijk te trachten een Tuchtwet te verkrijgen en het ,,te zijner tijd"
uit de toelichting op te vatten als : zoo spoedig mogelijk. Is die Tuchtwet er eenmaal,
dan zal de waarde van de bindende besluiten sterk toenemen.

Overigens stelde hij namens zijn afdeeling voor dat een bindend besluit, door
een afdeeling voor haar werkgebied of een deel er van genomen, ook moet worden
opgevolgd door alle leden van andere afdeelingen, die werkzaam zijn op het voor-
noemde werkgebied. Friesland steunde dit voorstel. Het lokte geen nadere discussie
uit, zoodat het is aangenomen.

Het voorstel der afd. Zeeland om de bindende besluiten (Hoofdstuk VIII) te
laten vervallen kwam nog in stemming, doch werd met overgroote meerderheid
verworpen.

Over de laatste Hoofdstukken der concept-Statuten, waaronder die van het
Ondersteuningsfonds, werd door niemand het woord verlangd.

De geheele concept-Statuten kwamen nu in stemming en werden niet algemeene
stemmen aangenomen, waarbij het Hoofdbestuur werd gemachtigd om de door
het Departement van Justitie gewenschte veranderingen, ook van redactio-
neelen aard, aan te brengen.

Rij de rondvraag vroeg Dr. v. n. Kamp om tijdige toezending van het concept
Huishoudelijk Reglement, opdat de afdeelingen ruimschoots den tijd zullen hebben
dit te behandelen.

Dr. de Graaf zei namens de afdeeling Utrecht, dat zij ook gaarne wat wil doen
om de vergadering te ontvangen na het diner, doch dat zij tinancieel niet in staat
is telken jare met iets bijzonders voorden dag te komen. De Voorzitter antwoordde,
dat zulks op dit oogenblik niet urgent is, aangezien de volgende Algemeene Ver-
gadering de 75ste zal zijn en waarschijnlijk wel op eenigszins bijzondere wijze zal
worden gevierd.

Dr. Reitsma sprak nog een woord van waardeering voor het vele werk, dat
door de commissie van voorbereiding der concept-Statuten en Huishoudelijk
Reglement is verricht.

Ten slotte wekte de Penningmeester diegenen, dicnoggecn gaven schonken voor
de Pro?. Dr. D. A.
de JoNG-Stichting, op om zulks alsnog te doen. Het getal van
60 individueele veterinaire inschrijvingen is nog veel te gering

Onder dankzegging voor de opkomst sloot de Voorzitter omstieeks zes uur de
vergadering.

De gemeenschappelijke maaltijd is dit jaar bij wijze van proef gehouden in het
geheel nieuw ingerichte Hotel des Pays Bas en deze proef mag als zeer geslaagd
worden beschouwd. Terwijl de organisators eenigszins sceptisch waren gestemd
ten opzichte van het aantal deelnemers, vergeleken bij vorige jaren, toen de maaltijd
\'s Zaterdagsavonds werd gehouden, overtrof dit aantal verre de verwachtingen.
Niet minder dan 63 deelnemers zaten aan den weiverzorgden disch aan. De sprekers
van de wetenschappelijke vergadering hadden alle aan de uitnoodiging om als gast
mee aan te zitten gevolg gegeven. Dr. B.
Vrijburg bracht den groet over der In-
dische collegae, van wien nog Dr.
van den Akker, Koiter en van Waveren ter
vergadering aanwezig waren. Tijdens de maaltijd werd namens alle aanwezigen
een telegram aan den oud-Secretaris Dr.
Vermeulen gezonden met de beste wer-
schen voor zijn gezondheid.

Na afloop van den maaltijd waren de deelnemers de gasten van de Diergenees-
kundige Faculteit van het U.S.C. Tijdens dat gezellig samenzijn werd van ver-
schillende zijden o m. de hoop uitgesproken op een grootere belangstelling van de
studenten voor hunne organisaties, zoo mogelijk voor een enkele, alle studenten

-ocr page 1420-

omvattende organisatie. Dit vraagstuk is evenwel te moeilijk dan dat het in een
after-dinner bijeenkomst tot oplossing kon worden gebracht.

De wetenschappelijke vergadering op Zaterdag, 12 October, beginnend om io
uur v.m., is door ongeveer 160 collegae bezocht, benevens een aantal studenten
der hoogste studiejaren. De Voorzitter, Dr.
Dhont hield de volgende rede :

M. H.

Bij den aanvang van het 2e gedeelte onzer jaarlijksche bijeen-
komst wil ik, alvorens den sprekers de gelegenheid te geven tot
het houden der aangekondigde voordrachten, met een enkel woord
deze vergadering openen.

Ik heet U allen, die gelukkig in ruime getale tot deze samen-
komst zijt opgekomen hartelijk welkom, in het bizonder Dr.
B.
J. L. Baron de Geer van Jutphaas, Secretaris van het College
van Curatoren, en Dr.
Berger, Directeur van den Veeartsenij-
kundigen Dienst, wier aanwezigheid wij zeer op prijs stellen.

Ons vereenigingsjaar leverde, evenals zijn voorgangers, reden
tot blijdschap maar ook tot leed en tot dit laatste reken ik vooral
het verlies door den dood van enkele onzer collega\'s, onder welke
de rustende dierenartsen
Freerk Bonne Venema te Middelstum
en
Roelf Bosscher te Veendam, die kort na elkaar, in hoogen
ouderdom, in de maand September zijn overleden; verder onze
zeer bekende en hooggeachte collega W.
S. Stüven te Amsterdam,
waarin een zeer intelligent en ijverig medewerker aan onze weten-
schap verloren ging ; in het bizonder wil ik dan nog herinneren
aan den ons plotseling ontvallen vriend
Remmelts, den vroegeren
Directeur van den Veeartsenijkundigen Dienst, die lang een trouw
bezoeker onzer bijeenkomsten was, tot op het oogenblik dat zijn
gezondheid dit hem belette. Zijn heengaan wordt door ons be-
treurd, maar de goedhartige nobele kameraad, de humane Chef
zal in onze herinnering blijven voortleven en diegenen onder ons,
die hem van nabij hebben gekend zullen dankbaar zijn
Heime
Remmelts
in hun leven te hebben ontmoet en met hem te mogen
hebben samenwerken.

Ik verzoek de vergadering door van Uwe plaatsen op te staan
de nagedachtenis van deze collega\'s te eeren !

Een leed van anderen aard trof onze Maatschappij door het
verlies van haren Secretaris, Dr.
Vermeulen, die zoo lange jaren
het Secretariaat met bizonderen ijver, naar zijn beste krachten en
vol liefde heeft waargenomen, is om gezondheidsredenen verplicht
geworden zijn functie neer te leggen. De meesten Uwer zullen
weten wat dit hem zal hebben gekost, temeer waar deze noodzaak
zoo snel over hem gekomen is. Wij moeten in zijn besluit berusten,
maar ik ben er van verzekerd in Uw aller geest te handelen wan-
neer ik hem van deze plaats dankzeg voor het vele, dat hij in den
loop der jaren voor de Maatschappij heeft verricht en de hoop

-ocr page 1421-

uitspreek, dat hij nog langen tijd onder het genot van herstellende
gezondheid, met de wederwaardigheden onzer Vereeniging zal
kunnen mede leven. Aan belangstelling zijnerzijds zal het zeker
niet ontbreken.

In het afgeloopen vereenigingsjaar werden belangrijke zaken
onderhanden genomen, zoowel binnen onze Maatschappij als daar
buiten.

De Commissie, die in opdracht van de vorige algemeene ver-
gadering door het Hoofdbestuur werd aangewezen, om de wenschen
dier vergadering, door wijziging van Statuten en Reglement tot
uitvoering te brengen, kwam met haren arbeid gereed en in de huis-
houdelijke vergadering van gisteren avond werden de door deze
Commissie voorgestelde veranderingen, met instemming van
het Hoofdbestuur, door de vergadering aangenomen, althans wat
de Statuten betreft ; het Huishoudelijk Reglement zal eerst in de
\'volgende Algemeene Vergadering behandeld worden. Zonder
twijfel verdient de Commissie den dank der Vergadering voor de
nauwgezette en spoedige wijze waarop zij zich van hare verplich-
tingen kweet ! Zoodra deze Statuten kracht zullen hebben ver-
kregen zal een groote verandering in de betrekkingen der leden
tot hunne Organisatie kunnen intreden. De moreele verplichtingen
van het lidmaatschap worden dan gewichtiger en zwaarder, maar de
onderlinge band ook inniger en hiervan worden goede resultaten
verwacht. De gewijzigde verhouding kan niet
dadelijk resultaten
doen zien,
maar op den duur zal dit zeker wel geschieden ; de saam-
hoorigheid en de collegialiteit, die zoo vele malen met enthousiasme
op onze gezellige samenkomsten, als gemeenschappelijke maaltijd,
en anderszins werden en worden verheerlijkt zullen de gelegenheid
krijgen zich in daden te uiten en daardoor ons aanzien naar buiten
versterken, met andere woorden ons maatschappelijk op hoogeren
trap brengen. Op dezen voornamen factor wil ik speciaal nog eens
wijzen omdat onze maatschappelijke positie niet steeds door allen
en te allen tijde bevorderd wordt. Men mag zich niet tevreden
stellen met het verzamelen van de vereischte kennis, ten einde een
goed wetenschappelijk vertegenwoordiger der Diergeneeskunde
te zijn, er wordt nog iets anders verlangd en dat is behalve als vak-
man, ook in sociaal opzicht de plaats in te nemen, die ons, als in-
tellectueelen, toekomt. Dit moet reeds door den student worden
gevoeld en erkend ; staat hij in zijn studietijd tegenover dit vraag-
stuk onverschillig dan zal hij éénmaal in de maatschappij getreden,
daarvoor moeten boeten. Daar, vooral ook in de laatste jaren,
dit feit onder de studenten niet de noodige belangstelling geniet
werd in onze vergaderingen van het Hoofdbestuur meerdere
malen de vraag besproken : door welke middelen en op welke wijze
kunnen onze studenten in de goede richting worden geleid? De
Commissie heeft, zooals gebleken is, deze zaak eveneens in hare

-ocr page 1422-

besprekingen betrokken en kwam daardoor tot een uitbreiding
van het ledental, met candidaat-leden. Zonder twijfel zal dit
als een stap in de goede richting worden toegejuicht; resultaat
zal echter slechts bereikt worden, wanneer van den kant van hen,
voor wien de maatregel genomen wordt belangstelling wordt ge-
toond. Natuurlijk verwachten wij dit, maar de zekerheid kunnen we
eerst later verkrijgen.

Het vraagstuk van de opvoeding onzer studenten is van het
allergrootste belang voor onze sociale positie in de toekomst en
toch wordt daar en vooral ook van de zijde der belanghebbenden
geen voldoende aandacht aan geschonken. Ik vraag mij veelal ai,
of van de zijde onzer Hoogleeraren dit vraagstuk wel de noodzake-
lijke belangstelling geniet en durf met vrijmoedige bescheidenheid
hiervoor dringend hunne aandacht vragen.

Konden wij door ernstig willen het aangegeven doel bereiken
dan zouden wij een schoone taak hebben volbracht, want weten-
schappelijk komen wij hoe langer hoe beter naar voren.

Onze wetenschap wordt hoe langer hoe meer, ook door onze
zusterwetenschap gewaardeerd en ten getuige hiervan, wijs ik met
groot genoegen op de rede, uitgesproken door den Voorzitter van
het dezen zomer te Middelburg gehouden 34ste Gezondheidscongres,
Dr. N. M.
Josephus Jitta, die als Voorzitter van den Gezond-
heidsraad en ook uit anderen hoofde, U allen bekend is.

Veroorloof mij uit deze rede een en ander te citeeren, dat onge-
twijfeld Uwe belangstelling heeft.

Na een woord van begroeting ving bedoelde rede aan met deze
woorden :

„Naast de bacteriologie toont vooral de serologie ons het
,,groote belang, dat er bestaat voor innig contact en goede
„samenwerking tusschen menschen- en dierenartsen. Beide doen
,,ons middelen aan de hand om besmettelijke ziekten te bestrij-
,,den en te voorkomen. Vele aandoeningen vertoonen zich op
„overeenkomstige wijze, zoowel bij den mensch als bij het dier,
„terwijl ook vele ziekten van dier op mensch kunnen worden
,, overgebracht."

Als voorbeelden der bedoelde ziekten noemde de spreker : de
infectie met tuberkel-bacillen, het mond- en klauwzeer, de trichi-
nose, miltvuur en paratyphus. Ook bracht hij daarbij het rheuma-
vraagstuk ter sprake, er op wijzende, dat dit door samenwerking
van mensch- en diergeneeskundige nader tot de oplossing kan
worden gebracht. Bij runderen en varkens zijn reeds onderzoe-
kingen verricht en aangevuld met een zeer waardevol sectie-
materiaal, dat uiteraard door het chronisch verloop der ziekte
bij den mensch schaars is.

Verder vermeldde spreker de golvende koorts (febris undulans)
■een voor mensch en dier gemeenschappelijke ziekte, die in het

-ocr page 1423-

volle punt der belangstelling staat en waaromtrent onze collega
van der Hoeden interessante onderzoekingen heeft verricht en
staande deze vergadering verdere mededeelingen zal doen.

„Als ander duidelijk voorbeeld van de noodzakelijkheid, die
„vaak bestaat om de ervaringen bij de diergeneeskunde opge-
„daan te vergelijken met hetgeen bij den mensch wordt waarge-
nomen, moet ook op het onderzoek over de treurige en hoe
, langer hoe meer raadselachtige verschijnselen die zich na vac-
cinatie tegen de pokken kunnen voordoen, gewezen worden
„Het komt mij voor, dat de band tusschen menschen- en dieren-
„arts inniger moet worden dan tot nog toe bij ons het geval is.

„Daarom moet het initiatief toegejuicht worden van hen,
„die ter nagedachtenis van Prof.
D. A. de Jong het denkbeeld
„hebben ontwikkeld om een stichting op te richten met het
„doel, de studie der vergelijkende pathologie te bevorderen,
„waaronder de leer der bij mensch en dier gemeenschappelijk
„voorkomende ziekten wordt verstaan.

„Komt zulk een instituut tot stand, waartoe de Maatschappij
„voor Diergeneeskunde den eersten stoot gegeven heeft en
„de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Genees-
kunst hare medewerking zal verleenen, dan zal ongetwijfeld
„in een behoefte worden voorzien."

M. H. Het zal wel onnoodig zijn U te zeggen, dat ik met de groot-
ste belangstelling deze rede heb gehoord, omdat er eens te meer
door werd aangetoond, dat er maar ééne geneeskunde bestaat,
al is de uitoefening er van, de geneeskunst, voor mensch en dier
zeer verschillend. Beide takken van wetenschap zijn op hetzelfde
fundament gebouwd en kunnen gezamenlijk bereiken wat voor elk
afzonderlijk onmogelijk is. De aan de Utrechtsche Universiteit
welbekende Hoogleeraar
Ziehen wees, bij de in het vorige jaar ge-
vierde herdenking van het 150-jarig bestaan der Diergeneeskundige
Hoogeschool te Hannover in sympathieke bewoordingen eveneens
op dit feit en onze Regeering erkende, door de aanwijzing eener
medisch veterinaire commissie ter bestudeering van de verwant-
schap tusschen abortus infectiosus bij dieren en febris undulans
bij den mensch, de nauwe verwantschap tusschen de geneeskunde
van den mensch en die van de dieren.

Welnu M. H. vergeet nimmer dat onze wetenschap door het groote
publiek en inzonderheid ook door de intellectuelen eerst geëerd
zal worden op het oogenblik, dat hare nuttigheid en noodzakelijk-
heid voor de volksgezondheid is gebleken. Laat dit feit daarom
voor U een reden zijn om de in het leven geroepen Stichting,
onze
Stichting, met al Uw krachten, ook finantieel, te steunen.

In de morgenvergadering werd na de gebruikelijke openingsrede van den Voor-
zitter het woord verleend aan Prof. Dr.
B. Sjollema, die een voordracht hield
over zijn onderzoekingen over kopziekte. Vervolgens besprak Dr.
j. van der

-ocr page 1424-

Hoeden de resultaten van zijn onderzoekingen over infectie bij paarden met de
bacil van de besmettelijke abortus van het rund (Brucella Bang).

Bij het begin der middagvergadering, om 2 uur, richtte de Voorzitter zich met een
bijzonder woord van welkom tot burgemeester Dr.
J. P. Fockema Andreae, die
in zijn nieuwe functie van President-Curator onzer Universiteit voor de eerste
maal onze vergadering met zijn aanwezigheid vereerde.

Aan de hand van een aantal lichtbeelden behandelde Prof. Dr. G. Krediet den
invloed van geslachtshormonen op de ontwikkeling van de baarmoeder bij inter-
sexen. Prof. Dr.
J. J. Wester deelde, eveneens opgeluisterd door een aantal licht-
beelden, de resultaten mee zijner nieuwste onderzoekingen over de werking der
voormagen bij het rund. Al deze voordrachten zullen t z t. in extensoin ons Tijd-
schrift worden gepubliceerd.

Na afloop van zijn voordracht heeft Prof. Wester nog een woord van opwekking
tot deelneming aan het Congres te Londen in 1930 gesproken, als Voorzitter van
het Comité ter behartiging van de belangen der Nederlandsche deelnemers aan
dit Congres.

Nadat de Voorzitter met een kort woord de vergadering voor gesloten verklaard
had, bleven vele collega\'s nog eenigen tijd in het Jaarbeursrestaurant bijeen al-
vorens de thuisreis aan te vangen.

Onze Maatschappij kan op een zeer welgeslaagde 74ste Algemeene Vergadering
terugzien. De nieuwe indeeling der vergadering heeft goed voldaan. De Zaterdag-
vergadering was in vergelijking met vorige jaren door een ietwat geringer aantal
leden bezocht, maar de belangstelling vooi de Huishoudelijke Vergadering en voor
den gezamenlijken maaltijd is aanmerkelijk hooger gebleken dan werd verwacht.

De Notulen-Commissie :
W. van der Burg,
J. H. ten Thije.

Kort verslag van het verhandelde in de vergadering van het Hoofdbestuur op
Vrijdag, 11 October 1929.

Bij de opening richtte de Voorzitter een bijzonder woord van welkom tot collega
Schuytemaker, om dezen na zijn afwezigheid, ten gevolge van het hem over-
komen ongeval, geluk te wenschen met zijn hei stel.

Van de ingekomen stukken verdient vermelding een kennisgeving der afdeeling
Groningen—Drenthe om aan de Algemeene Vergadering voor te stellen art. 14
van de concept-Statuten zoodanig te redigeeren, dat voor functie van secretaris
onzer Maatschappij ook een niet-lid der Maatschappij kan worden gekozen. Collega
ten Hoopen voegde hieraan toe, dat men de mogelijkheid heeft willen open laten
om, als daaraan behoefte mocht blijken, een jurist te benoemen als secretaris.
Nu in het bijzonder de Maatschappij bezig is zich te reorganiseeren in maatschap-
pelijke richting heeft de afd. Groningen—Drenthe voor oogen het voorbeeld van
zoovele vakvereenigingen, die zich een jurist tot secretaris kiezen.

De voorzitter vertolkte het gevoelen der overige H.B. leden door als zijn meening
te kennen te geven dat het dien kant niet uit moet. Het voorbeeld van een jurist
als secretaris eener vakvereeniging geldt meer voor die organisaties, waar kwesties
betreffende den socialen strijd tusschen werkgever en werknemer een voornaam
deel der bestuursbemoeiingen betreffen De secretaris onzer Maatschappij moet
naar alle zijden in onze veterinaire wereld georiënteerd zijn, door voortdurend in
aanraking te komen met collega\'s uit de verschillende richtingen waarin ons beroep
wordt uitgeoefend, over aangelegenheden die geen directe betrekking hebben op
de bestuursbemoeiingen in engeren zin. Daaruit pas kan het initiatief geboren
worden, dat een jurist zich niet spoedig eigen zou maken. Bovendien heeft onze
Maatschappij in het verleden al bijzonder spaarzaam juridische voorlichting noodig
gehad. Indien die behoefte zich in de toekomst belangrijk vaker mocht voordoen,
kan men altijd nog een vasten juridisch-adviseur aan onze Maatschappij verbinden.

Van de Redactie van ons Tijdschrift ontving het H.B. een uitvoerig met redenen

-ocr page 1425-

■omkleed verzoek om een extra-toelage over 1929 van / 500. — ten einde een aan-
tal grootere artikelen te kunnen publiceeren. I)e medewerking aan ons Tijd-
schrift is dermate toegenomen, dat er bij den huidigen omvang een voortdurende
ophooping van kopij aanwezig is. Prof.
van Oijen, namens de Redactie ter ver-
gadering aanwezig, lichtte een en ander toe. Geconstateerd werd dat door het
toestaan van deze / 500. de Redactie wel voor het oogenblik, maar nog niet
blijvend geholpen is. De penningmeester verklaarde desgevraagd, dat de kas
deze extra-uitgave wel kan dragen. Toch was het H.B. na gehouden discussie niet
tereid de gevraagde / 500. buiten de begrooting 0111 toe te staan. Principieele
overwegingen houden het hiervan terug. Indien het voorstel enkele maanden
eerder was ingekomen, dan had het in de afdeelingen kunnen worden behandeld
en de Algemeene Vergadering, die het vorige jaar de nu geldende begrooting aan-
nam, had thans kunnen beslissen over deze extra toelage. Practisch wordt het ook
lastig om in de enkele maanden, die ons nog van het einde des jaars scheiden, de
geheele achterstand van kopij in ons Tijdschrift te verwerken. Ten einde de Re-
dactie echter zooveel mogelijk te steunen in hare goede bedoelingen zal het H.B
een welwillende houding aannemen ten opzichte van een verhooging der toelage
aan het Tijdschrift op de eerstvolgende begrooting d. i. voor 1931.

Daarna werd overgegaan tot de behandeling van het rapport, dat uitgebracht
was door prof.
van Oijen over diens studiereis naar Duitschland, ten eincle daar
te lande de vischkeuring te bestudeeren. Achtereenvolgens werden de verschillende
onderdeelen van het rapport besproken, zooals de mogelijkheid eener vischkeuring
bier te lande binnen het kader der Warenwet, het onderwijs in vischkunde en visch-
keuring, waarbij terloops aangeraakt werd het groote vraagstuk van het post-
universitaire onderwijs in zijn geheelen omvang enz. Besloten werd allereerst een
conferentie te beleggen met dierenartsen, aan warenkeuringsdiensten verbonden,
ten einde na te gaan wat met de medewerking van deze collega\'s hier te lande be-
reikt kan worden.

Van de afd. Zuid-Holland ontving het H.B. een verzoek te willen bevorderen
het tot stand komen eener uniforme regeling voor het veterinair toezicht op de
winning van modelmelk. Op een daartoe gedaan verzoek ontwierp Prof.
van
Oijen een schema, volgens hetwelk genoemd onderzoek zou kunnen geschieden.
Na eenige discussie werd besloten ook hierover een bespreking te beleggen met
collega\'s, van wie verwacht wordt dat zij uit hoofde van hun werkkring bijzondere
belangstelling voor dit onderwerp zullen bezitten.

Bij de rondvraag kondigden verschillende leden aan, dat de afgevaardigden hun-
ner afdeeling ter Algemeene Vergadering voorstellen tot wijziging zullen doen
van bepaalde artikelen der concept-Statuten. Hiervoor zij verwezen naar de no-
tulen der Algemeene Vergadering.

De Secretaris,
ten Thije.

BLADVULLING.

Gecastreerde apen.

De dierentuin te Schönbrunn kreeg eenige bavianen cadeau die ten behoeve
van verjongingskuren gecastreerd waren.

De dieren behielden nog verscheidene weken na de operatie hun geslachtsdrift.
Langzamerhand verdwenen de mannelijke eigenschappen en de secundaire geslachts-
kenmerken en ook de kleur veranderde, zoodat de dieren na een jaar oppervlakkig
geleken op wijfjes met abnormaal groote koppen. (Der zoolog. Garten, I929- - 4,\'•>).

Vr.

-ocr page 1426-

BERICHTEN.

VLEESCHHYGIËNE.

Een belangrijke beslissing van het kantongerecht te Hoorn.

In de N. li. Ct. van 29 Nov. j.1. vond ik onderstaand bericht.

Voor liet kantongerecht te Hoorn stond terecht een f)4-jarig landbouwer, uit
Oterleek (Schermer), die bestuurslid is van het Schermer Veefonds ; bij dat fonds
was verzekerd de landbouwer
Groot uit Ursem, van wien een rund is gestorven.
Doordat het cadaver overgaat aan het veefonds en de verzekerde het waaiborg-
bedrag ontvangt, was de veehouder van oordeel, dat de aangifte van het „over-
lijden" moet worden gedaan door het veefoncls, terwijl de bestuurder daarentegen
oordeelde, dat het vee stierf als eigendom van den verzekerde en die de aangifte
nog moet doen.

De ambtenaar van het O. M. stelde zich op het standpunt van den verzekerde
en vroeg veroordeeling tot ƒ 40.— boete of 40 dagen hechtenis, wijl hij een strenge
uitvoering der vleeschkeuringswet wenschte door te voeren ; de waarnemend kan-
tonrechter veroordeelde den veefondsbestuurder tot / 30.— boete of 30 dagen
hechtenis.

(Blijkens deze uitspraak moet van alle gestorven dieren, die verzekerd zijn
in een veefonds, de aangifte geschieden door het veefonds, wat geenszins bevorder-
lijk zal zijn voor een vlugge afwerking. Immers, de veehouder moet nu eerst het
veefonds waarschuwen ; dit zal zich moeten komen overtuigen dat het gestorven
dier werkelijk door het fonds verzekerd is geweest, terwijl daarna aangifte op de
secretarie kan geschieden. Vooral bij veehouders, die afgelegen wonen, zal een
dergelijke handelwijze tijd vorderen).

De Haarlemsche Slagersvereenigingen vragen verlaging der slachttarieven.

De slagersvereenigingen te Haarlem hebben een adres aan den Raad gericht,
waarin zij berekenen, dat het Openbaar Slachthuis in 1928 een winst heeft gemaakt
van meer dan 30 % der slaehthuisbegrocting. Zij vragen nu verlaging der slacht-
gelden met minstens 20 %.

De eerste trichinebesmetting bij varkens in Ned.-Indië.

.in het gemeentelijk slachthuis te Medan is, aldus een bericht van Aneta 28 Nov.,
trichinebesmetting bij varkens geconstateerd, wat in Indic nog niet was voorge-
komen. De vleeschkeuringsdienst en de dienst der Volksgezondheid troffen maat-
regelen tegen de consumptie van het besmette vleesch. De varkens waren afkom-
stig van de Bataksche hoogvlakte.

De verdelging van ratten en muizen.

In de „Nachrichten über Schädlingsbekämpfung" komt een artikel voor over
een methode van ratten- en muizenverdelging, welke werdt toegepast in West-
phalen en welke ik hier vermeld, daar deze werkwijze misschien ook is te gebruiken
op verschillende abattoirs.

Het giftmiddel, dat wordt gebruikt, is zeliopasta. Daar er rekening mede moet
worden gehouden, dat ook honden, katten, eenden, ganzen, enz, het vergiftigde
voedsel zouden kunnen gebruiken, worden kisten gemaakt van 40 bij 80 bij 30
c.M., waarin een kleine opening in de beide zijwanden, waardoor de ratten en mui-
zen gemakkelijk in en uit kunnen loopen. Het deksel wordt met een slot dicht-
gemaakt. De kisten kunnen zoodoende zonder gevaar voor andere dieren worden
opgesteld op elk gedeelte van het terrein.

in de kisten werden 2 schotels geplaatst, één met aardappelbrij zonder- en één
met brij, waarin wel zeliopasta was gemengd Na een paar uren werd, nadat was
waargenomen, dat er door ratten of muizen druk bezoek was gebracht aan de kis-
ten, het deksel geopend en toen bleek, dat de brij met zeliopasta was opgegeten
en die zonder het vergift onaangeroerd was.

De zeliopasta die, naar beweerd wordt, reuk- en smakeloos is, bleek dus voor
ratten en muizen groote aantrekkelijkheid te bezitten. Na 3—4 dagen bleef do

94

LV1

-ocr page 1427-

aardappelbrij onaangeroerd staan en bleek liet aantal ratten verrassend snel
af te nemen.

Het is natuurlijk aan te raden, niet met de vergiftigingscampagne op te houden,
daar een enkel paar overgebleven ratten of van elders overgekomen ratten in
ongelooflijk korten tijd een groote nakomelingschap kunnen voortbrengen, waar-
door dan zeer spoedig de plaag zich zal kunnen herhalen.

In Maagdenburg heeft men 3 soorten vergift tegelijkertijd toegepast, omdat
wel is gebleken, dat er ratten schijnen te zijn, die voor een of ander vergift immuun
zijn of die een te geringe dosis ervan innemen om er aan ten onder te gaan.

Eenige opmerkingen nopens de Verordening, enz. der gemeente Soest betreffende
het openbaar Slachthuis aldaar.

Zooals men weet, is de gemeente\'Soest de eenige gemeente, alwaar een aan
een N.V. toebehcorend slachthuis aangewezen is als ,.openbare" slachtplaats.
De meest belangrijke strekking dezer overeenkomst is, dat het verboden is, elders
in de gemeente te slachten. Een medewerker van de ,,Vee- en Vleeschliandel"
bekijkt deze kwestie eêns door een juridischen bril, welke beschouwing ik hier-
onder weergeef.

De gemeente Soest heeft een overeenkomst aangegaan met de N.V., waarin
zij o. m. op zich genomen heeft, er voor te zorgen, dat een plaatselijke verordening
wordt vastgesteld, waarbij het ingevolge art. 4, sub 3 der Hinderwet, verboden
is, 111 de gemeente, elders dan op het terrein der N.V., een slachterij op te richten,
te hebben o[ te gebruiken. Verder heeft de gemeente zich verbonden, noch door
liet vaststellen van verordeningen, noch door wijzigingen van verordeningen,
het oprichten van slachterijen mogelijk te maken.

Het eigenaardige geval doet zich hier dus voor, dat de gemeenteraad van Soest
zich bij een privaatrechtelijke overeenkomst verbonden heeft tot <le uitoefening
van haar publiekrechtelijke taak - nl het vaststellen eener verordening in een
bepaalde richting Nog sterker, zij heeft de wetgevende taak der gemeente ook
in de toekomst a. h. w. verpand. Het wil ons toeschijnen, dat het moeilijk kan
strooken met de publiekrechtelijke taak der gemeente om zich ten aanzien der
uitoefening dier taak te binden door het aangaan eener overeenkomst met een
N.V. De vraag rijst dan ook, of een dergelijke overeenkomst niet in strijd is met
de gemeentewet. Deze toch geeft den Raad de bevoegdheid, verordeningen te
maken en dit recht kan niet beperkt worden door een overeenkomst.

De gemeente Soest heeft een verordening vastgesteld als bedoeld in art. 4,
sub 30 der Hinderwet, waarvan de eerste 2 artikelen luiden als volgt :

Art. 1. Voor het oprichten, hebben of gebruiken van slachterijen of vilderijen
van vee, penserijen en inrichtingen, bestemd tot bewaring of bewerking van bloed
of dierlijken afval, wordt aangewezen het terrein, Kadastraal bekend als Sectie
A, No. 1702, waarop zal worden gevestigd het openbaar slachthuis, in eigendom
loebehoorende aan de N.V. Centrale Slachtplaats voor de gemeente Soest.

Art. 2. Het is verboden elders dan op het in art. 1 genoemde terrein één dei
in art. 1 bedoelde inrichtingen op te richten, te hebben of te gebruiken.

Het komt ons voor, aldus de „Vee- en Vleeschliandel", dat art. 1 dier verorde-
ning geen zin heeft. I11 dit artikel wordt het terrein der N.V. aangewezen als plaats
voor het oplichten van slachterijen, enz. Op welk punt van art. 4 der Hinderwet,
zouden wij willen vragen, is dit artikel 1 der verordening gebaseerd? Het ware
voldoende geweest, indien in artikel 2 der verordening verboden werd een slachterij
op te richten, te hebben of te gebruiken, elders dan op het terrein der N.V.

Reeds vroeger wezen wij er op, dat de gemeenteraad slechts dan een verorde-
ning als bedoeld in art. 4, sub 3°, der Hinderwet kan vaststellen, indien in de ge-
meente een inrichting (slachthuis) aanwezig is, alwaar belanghebbenden onder
bij
verordening vast te stellen voorwaarden hun bedrijf kunnen uitoefenen.

Te Soest zijn nu de voorwaarden tot gebruikmaking van het slachthuis vast-
gesteld door de NA". Weliswaar zijn deze goedgekeurd door den Raad, maar dit
is heel iets anders dan een door den Raad krachtens liaar wetgevende bevoegdheid

-ocr page 1428-

vastgestelde verordening. Hieraan doet niets af liet feit, dat wijziging der voor-
waarden tot slachting niet kan plaats vinden dan met goedkeuring van den Raad.

Het viel voorts op, dat in de voorwaarden tot slachting gesproken wordt van
„slachtrechten". Het vaststellen van ..rechten" kan n.1. uitsluitend door den
Raad plaats vinden door middel van een verordening en wel in den vorm eener
belastingvcrordening, waarbij dan tevens de wijze van invordering wordt vastge-
steld. De moeilijkheid in deze was om de aan de N.V. toebehoorende slachtplaats
te bestemmen tot een openbare inrichting m. a. w. op een particuliere instelling
publiekrechtelijke bepalingen van kracht te doen zijn.

Wanneer bovenstaande zienswijzen juist zijn, zou de gemeente Soest ten on-
rechte haar verordenende bevoegdheid verpand hebben. Verder zou de verorde-
ning, waarbij verboden wordt buiten de slachtplaats te slachten, niet in overeen-
stemming zijn met het voorschrift, vervat in art. 4, sub 3 , der Hinderwet, daar
er geen\'verordening bestaat, regelende de voorwaarden tot gebruikmaking van
het slachthuis.

Jaarverslag Tilburg 1928.

Onder de rubriek „gebouwen en inventaris" vond ik vermeld, dat men, in ver-
band met het keuren van de stoomketel, deze een geheele week buiten bedrijf
moest stellen en men gedurende dien tijd het
gasapparaat voor de bereiding van
het warme water moest gebruiken. Uit de rapporten van den chef-machinist
bleek, dat bij het gebruik van de gasapparaten voor het verkrijgen van warm
water ongeveer 2000 M3. gas per week noodig was, terwijl voor hetzelfde doel
de stoomketel per weck verbruikt 2100 K G. steenkolen. Rekent men voor
rente en afschrijving en jaarlijksch onderhoud voor beide installaties hetzelfde,
dan is dus ongeveer 1 K G. steenkool voor verhitting in waarde gelijk te achten
aan 1 M . gas hetgeen dus wil zeggen, dat met ^j- / 1.50 aan steenkolen voor het
bedrijf hetzelfde is te bereiken als met /5.50 aan gas. (Is bij deze redeneering wel
rekening gehouden met het arbeidsloon voor het stoken?)

Tuberculose kwam voor bij 13.41 % der runderen, 1.82 % der kalveren en
1.98 % der varkens.

Cysticercosis werd waargenomen, levende exemplaren 3 maal in de uitwendige
kauwspier en 1 maal in de inwendige kauwspier, afgestorven exemplaren 22 maal
uitw. kauwsp., 14 maal inw, kauwsp. en 36 maal in de hartspier.

Hij de afkeuringen wegens abnormale reuk, smaak of consistentie wordt extra
vermeld : ie. een stier, waarvan het vleesch direct na de slachting een zeer abnor-
male lucht verspreidde, veel overeenkomende met de lucht van carbid. Na ver-
scheidene dagen bleef deze intensieve lucht nog onveranderd, zoodat tot afkeuring
moest worden overgegaan. Ziekelijke afwijkingen waren niet aanwezig.

2e. drie varkens bleken bij slachting een geelbruine kleur te hebben, terwijl spek
en reuzeis abnormaal week van consistentie waren. Bij de kook- en braadproet
trad een duidelijke vischlucht op.

Bacteriologisch vleeschonderzoek werd verricht in 119 gevallen, nl. 71 maal
bij runderen (9 maal staphylococcen, 1 maal streptococcen, 5 maal colibacillen
en 4 maal cadaverbacillen), 12 maal bij kalveren, 23 maal bij varkens (6 maal
staphylococcen, 1 maal streptococcen), en 13 maal bij paarden (1 maal staphylo-
coccen, 2 maal cadaverbacillen).

Winst ƒ45.226.365.

De accijns op het geslacht.

De Ncderl. Slagershond, de R.K. Hanzebond van Slagerspatroons en de Nederl.
Grossiersbond voor den Vleeschliandel verzoeken in een uitvoerig gemotiveerd
adres aan den Minister van Financiën, zoo spoedig mogelijk die stappen te willen
doen, welke noodig zijn om te komen tot algeheele afschaffing van den accijns
op het geslacht in Nederland.

Abattoirs, enz.

In de memorie van antwoord op het algemeen verslag van het verhandelde
in de afdeelingen van den gemeenteraad van
Deljt deelen B. en W. mede, dat

-ocr page 1429-

de plannen tot stichting van een abattoir in een vergevorderd stadium van voor-
bereiding verkeeren.

Ged. Staten van Groningen hebben niet goedgekeurd liet Raadsbesluit van den
gemeenteraad van
Appingedam tot oprichting van een openbaar slachthuis. De
kosten waren geraamd op / 76.000. —.

Met ingang van 15 Nov. is de keuringskring „Westland" omgezet in een ambte-
lijken kring.

De gemeenten Apeldoorn en Zwijndrecht besloten tot een overeenkomst met
de Ned. Thermochemische Fabrieken.
 de Graaf.

Internationaal Veeartsenijkundig Congres Londen 1930.

Als Rapporteur voor dit Congres is alsnog uitgenoodigd Prof. C. F. van Oijen,
die zal spreken over „Reinheid van melk in bacteriologischen zin". (Bacteriological
cleanliness of milk).

Leesgezelschap.

Aan alle leden werd per 1 December een postkwitantie toegezonden van / 10
voor contributie over 1930. Geen nieuwe abonnementen kunnen worden genomen;
dan voor volledige groepen lezers ; groepindeeling en bestelling van abonnementen
zal worden gebaseerd op de gelden, die voor 20 December binnen gekomen zijn.
Leden die na dien datum hun contributie voldoen, kunnen niet zeker zijn van een plaats.

Er bestaat ook voor nieuwe lezers gelegenheid tot deelneming. Opgaven kunnen
worden gericht aan
Eichhoi.tz, Weteringschans 145, Amsterdam of aan Klaren-
beek,
C. Houtmanstr. 18, Utrecht. De groepen lezen alle de volgende bladen :
D. t. W. ; B. t. W.; T. R.schau ; Rev. Gén. ; Rev. Vétér. ; Vet. J. ; Vet. Ree. ; J.
Amer. Assoc. (4 week- en 4 maandbladen)

Klakenbeek,
Eichhoi.tz.

Rijks Universiteit te Utrecht.

In de senaat van Unitas Studiosorum Rheno-Trajectina heeft zitting genomen
j.
van der Grift, veterinair candidaat

Het faculteitsbestuur van de veterinaire faculteit van l . S. R. is samengesteld
als volgt
: A. M. Frens, Praesis.b. Hoedemaker, Ab-actis, H. H. J. 1-rede-
riks,
Fiscus.

Examen Hoefkunde.

De Minister van Binnenl. Z. on L. heeft benoemd in de Commissie, belast
met het toezicht op het afnemen van het examen in theoretische en practischc
hoefkunde van de deelnemers aan den in 1929 gehouden cursus voor opleiding
van onderwijzers in practisch hoefbeslag te Utrecht :

a. tot lid en voorzitter: J. de Vries te \'s Gravcnhage;

b. tot lid en secretaris: Joh. Pi.et te Heerenveen;

c. tot lid: P. H. van Kempen te Echt;

d. tot plaatsvervangende leden :

1. M. ten Broek te Tiel.

2. Dr. J. Staal te Assen.

PERSONALIA.

Verhuisd : E. A. Galesloot, Amersfoort, naar Wijerstraat 15. Tel. 175.
Dr. A. A.
Overbeek, Insp. Veearts. Dienst en Volksgez. District: Zuidelijk
Zuidholland, van Breda naar Rotterdam. Graaf Florisstraat 19b, telef. 30856.

Dr. A. ten Sande, adj. Directeur Veeartsenijk. Dienst, Inspecteur v. d.
Volksgezondheid den Haag, naar Benoordenhoutscheweg 96, telef. 74567 (huis).

S. Simons, dierenarts b. d, Keuringsdienst van Waren, Enschedé naar
Hoogelandsingel 168.

Dr. J. G. C. van Vloten Ede, naar Huize „Dorpzicht" Grootestraat 29.

-ocr page 1430-

BIBLIOGRAFIE.

P. van Esta Tjallingii, Het fokken van zilvervossen. Doetinchem, NA\'. Uitg.-
Mij. C. Misset, 1929. 8°.

Verslag over den landbouw in Nederland over 1928. \'s Gravenhage, Algem.
Landsdrukkerij, 1929. 8°. 188 blz.

Verslagen en mededeelingen van de Directie van den Landbouw, 1929. No. 2.

Dept. van Binnenl. Zaken en Landbouw.

Verslag omtrent den toestand en de exploitatie van het openbaar slachthuis
en omtrent den dienst der vee- en vleeschkeuring te Groningen gedurende het
jaar 1928. Groningen. 1929. Gr. 8°. 37 blz.

Utrechtsche Universiteitsgids. jg. 6. 1929 -30. Uitg. van wege de Vereeniging
tot instandhouding van het oud-studentenfonds. Utrecht, A. Oosthoek\'s Uitg.-
Mij., 1929. 8°. IV 114 blz. m. I krt. ƒ 1.—.

Hilaire, Het kunstmatig broeden. 3de uitg. Wetteren, J. de Meester en Zonen,
1928. KI. 8°. 48 blz. m. ill. fr. 3.--,

Verslag van het 81ste Nederlandsch landhuishoudkundig congres op 2—4 Sept.
1929 te Meppel. z. pl. 1929. 8°. 166 blz.

Verslag van de werkzaamheden der Rijksseruminrichting door L. F. I). E.
Lourens, 1928. Rotterdam. 1929. Gr. 8°. 52 blz.

A. J. Mertens, Veeteelt voor het lager landbouwonderwijs. Met vragen en op-
gaven. Asten, E. C. Schriks, 1929. 8°. ƒ 0.60.

Libra-serie. B. No. 4.

De marktlijst 1930. Samengest, door de Redactie van ,,Paard en Paardenwereld".
\'s-Gravenhage 1929. ƒ 0.40.

J. Boshouwers, Met voordeel kippen houden. Arnhem, De Kleinveeteelt, 1929.

P. Dassat e F. Cannavo, Schemi di anatomia patologica veterinaria. Torino,
Coop, libri G. U. F. (E. Solza), 1929. 8°. 30 p.

F. Faelli, Manuale per 1\'allevamento degli animali bovini, ovini e suini. 2a cd.
Torino, S. Lattes e C., 1929. i6°. 144 p. L. 10.—.

P. A. Pesce, Le malattie degli animali utili all\'agricoltura. Guida pratica . .
2a cd. Milano, U. Hoepli, 1928. 240. XI 43g p. L. 18.—.

Manuali Hoepli.

E. Chemin, Anatomie et physiologie animales. Paris, Delagrave, 1929. 8 .
Av. ill. fr. 28.—. cart. fr. 32.- .

A. Devvez, Le karakul ou mouton à fourrure de Boukhara. Gembloux, J. Ducu-
lot,
1929. Kl. 8°. 40 p. av. ill. fr. 15.—.

H. L. A. Blanchon, Eleveur de poules. Paiis, L. Malfère, 1929. 256 p. fr. 12.—.

Encyclopédie Rorct

g Benoist, Lièvres et levrauts. Anatomie, zoologie déscriptive. Elevage histo-
rique. Chasse. Paris, G. Ficker, 192g. Kl. 8°. 266 p. av. ill. fr. 28. -,

E. B. Sterling, Milk feeding of children. Washington, Government Printing
Office, ig2g. 8°. 8 p.

Public health reprint. No. 1278.

T. Dunlop Young, Report on a visit to Australia and New-Zealand in connec-
tion with the methods of inspection and exportation of meat. London, Witherby,
192g. 40. 60 p. w. phot. a. graph.

A. I). G. Mac Gregor, The examination of horses for soundness. Calcutta,
Thacker, Spink & Co., ig29.
8°. 172 p. w. ill. and text fig.

Veterinary research report No. 4 of the Department of Agriculture, New South
Wales. 1926—1927. By H. R.
Seddon. Sydney. 192g. 8°.

Dept. of Agriculture, New South Wales.

N. Fasten, Origin through evolution. New York, A. A. Knopf, ig2g. Gr. 8°.
XIII 465 p. w. 75 ill. S 3 —■

H. E. Ewing, A manual of external parasites London, Baillière, Tindall &
Cox, 1929. 8°. XIV 4- 225 p. w. 96 text fig. Sh. 20.—.

-ocr page 1431-

Undulant lever with spccial reference to animal sources of infection and the
possibility of its prevalence in England and Wales. London, H. M. Stationery
Office, 1929. Sh. 1.6.—.

Public health and medical subjects reports. Ministry of Health.
A. C. Chandler, Hookworm disease : its distribution, biology, epidemiology,
pathology, diagnosis, treatment and control. New York, Macmillan, 1929. 8°.
506 p. w. ill., maps and diagr. 8 5.-

N. Lagerlöf, Investigations of the topography of the abdominal organs in
cattle and some clinical observations and remarks in connection with the subject.
Transl. by E.
Adams-Ray. Uppsala, Almquist and Wiksells Boktryckeri, 1929.
8°. W. 81 fig.

Report of the Departmental Committee 011 the reconstruction of the Royal
Veterinary College. London, H. M. Stationery Office, 1929. 8°. Sh. 1.3.-

Ministry of Agriculture and Fisheries.

I). E. Wilkinson, Canine nursing. Bradford, Watmoughs Ltd., 1929. 8°. 40 p.
w. 5 ill. Sh. j.G.

J. L. M. Barrett, Practical horsemanship London, Witherby, 1929. S . 159 p.

Sh. 12.6. .

W. Judy, Kennel building and plans. 2d eel. Chicago, Judy Publ. Co., 1929.
8°. 56 p. w. ill. and diagr. 81- .

V. Schilling, The blood picture and its clinical significance, Biel, tropical dis-
eases ; a guide book on the microscopy of blood. Transl. by R. B. H.
Gradwohl.
7th and 8th ed. St. Louis, C. V. Mesby, 1929. 8°. 408 p. w. ill. and diagr. S 10.—
E. T. Baker, Sheep diseases. 2d ed. London, Bailliere, Tindall & Cox, 1929. 8°.

Sh 15.—.

R. M. Waite, Poultry science and practice. New York, Mc. Graw-Hill, 1929.

8°- 433 P- w- «U» $ 3 5°

Mc. Graw-Hill publications in agricultural and botanical sciences,
j.
W. Bews, The world\'s grasses : their differentiation, distribution, economics
and ecology. New York, Longmans, 1929. 8°. 420 p. w. ill. and diagr. 8 7.50.

H. C. Mc. Phee, Livestock improvement can be accomplished by selective
breeding. Washington, Government Printing Office, 1929. 8°.
Agric. Yearbook, separate no. 1045.

H. H. Reese, How to select a sound horse. Washington, Government Printing
Office, 1929. 8°. 24 p. w. ill.

U. S. Dept. of Agriculture. Farmers\' Bull. No. 779.

R. A. Oakley and H. L. Westover, Utilization of alfalfa. Washington, Govern-
ment Printing Office, 1929. 8 . 38 p. w. ill.

U. S. Dept. of Agriculture. Farmers\' Bull. No. 1229.

Die Tierärztliche Hochschule in Hannover. Festschrift aus Anlass der Hundert-
fünfzig-Jahr fffir am 13 15 Juni 1928. Hannover, M. & H. Schaper, 1929. Gr. 8
413 S. m. 88 Abb. M. 40.—.

J. Grossbaubr, Der Huf- und Klauenbeschlag. 6te Aufl. Neu bearb. von 1"
Habacher. Berlin u. s. w., Urban & Schwarzenberg, 1929. 8\' VIII 4- 285 S. 111.
367 Abb. im Text und 3 färb. Taf. M. 14.—.

A. Strümpell—C. Seyfarth, Lehrbuch der speziellen Pathologie und The-
rapie der inneren Krankheiten. 28ste Aufl. von C.
Seyfarth. Bd. 2. Leipzig, F.
C. W. Vogel, 1929. Gr. 8°. XII 991
S. m. 215 Abb. im Text und 6 [z. T.] färb.
Taf.
 M. 25.—.

Geb. ,, 29.—.

J. Krill, Der Heraklith-Universal-Grünfutter-Silo. Troppau, O. Gollmann,
1929. 40. 47 S. m. Abb. M. 1.90.

O. Ungnade, Der Walzentrockner in der Milch-industrie. Fortschritte in der
Milchtrocknung. Kempten, Süddeutsche Molkerei-Zeitung, 1929. Gr. 8°. 19 S. m.
Abb.

Aus : Süddeutsche Molkerei-Zeitung. Jg. 1929. nr. 32, 35.

-ocr page 1432-

Jahrbuch für Schlacht- und. Viehhöfe. Bearl>. von O. Frühwald. Jg. 1. 1929.
Kirchhain, Brücke-Verlag K. Schmersow, 1929. 8°. 434 S. M. 12.—.

1Milchwirtschaftliches Taschenbuch. Begr. von B. Martiny. Hrsg. von W. von
Altrock. Tl. 1. 2 Jg. 52 [53]. 1930. Berlin, P. Parey, 1930. Kl. 8°. 192 S. und IV
244 20
S. M. 6.—.

E. Bass, Der praktische Tierarzt. Taschenbuch für die tierärztliche Praxis.
Berlin u. s. w., Urban & Schwarzenberg, 1930. 8°. M. 10.—.

Schlipfs praktisches Handbuch der Landwirtschaft. 25ste Aufl. Neubearb. und
hrsg. von
Th. Wölfer. Berlin, P. Parey, 1929. Gr. 8°. 561 S. m. 788 Textabb.,
4 schwarzen Taf. und 17 Farbendrucktaf. M. 10.—.

G. Lichter und H. Kobligk, Neue Wege in der Geflügelzucht und Eierver-
wertung. Berlin, P. Parey, 1929. M. 27 Textabb. M. 2.50.

Sonderabdr. aus „Berichte über Landwirtschaft."

G. Wundram und F. Schönberg, Tierärztliche Lebensmittelkontrolle. Ein
Praktikum. Berlin, R. Schoetz, 1929. M. 87 Abb. M. 11.80.

G. Götze, Die Bienenzucht als landwirtschaftlicher Nebenbetrieb. Grundris?
einer bienenwirtschaftlichen Betriebslehre. Stuttgart, E. Ulmer, 1929.

Gegenbaurs Morphologisches Jahrbuch. Hrsg. von E. Göppert. Bd. 62. Leipzig,
Akad. Yerlagsgesellschaft, 1929. Gr. 8°. IV f 573 S. m. 253 Abb. im Text. M. 85

Jahrbuch für Morphologie und mikrosk. Anatomie. Abt. 1.

A w. Trumpf, Einrichtung und Geschäftsbetrieb des genossenschaftlichen
Schlachtviehabsatzes im Aufgabenbereich der Centraigenossenschaft für Vieh-
verwertung. Hannover, Centraigenossenschaft f. Viehverwertung, 1929. Gr. 8\\ 74 S.

G. Gustine, Sachgemässer Hufbeschlag. Ponta Grossa, Liga dos Agricultures
Allemao no Brasil, 1929. 40. 9 S. m. Abb. Reis 900.—.

Schriften für deutschsprechende Landwirte in Südamerika. H. 1.

G. Gustine, Tierseuchen und Tierkrankheiten in Südbrasilien und in den La-
Platastaaten. Ponta Grossa, Liga dos Agricultures Allemao no Brasil, 1929. Kl.
8°. 46 S.

Schriften f. deutschsprechende Landwirte. H. 2.

A. Lochner, Luzerne, unsere kalk- und eiweissreichste Futterpflanze. Merlin,
Kalkverlag, 1929. 8°. 34 S. m. Abb. M. 1.20.

K. Padberg, Viehbestand und Viehumsatz in typischen Betriebsformen der
deutschen Landwirtschaft. Berlin, Deutscher Schriftenverlag, 1929. Gr. 8°. 68 S.

M. 2.20.

Deutsche Landwirtschaftsrat. Veröffentlichungen. H. 15.

J. Becker, Handbuch des Hülsenfruchterbaues und Futterbaues. Auf prakt.-
wissensch. Grundlage unter bes. Berücksichtigung der Pflanzenzüchtung. Berlin,
1\'. Parey, 1929. Gr. 8°. 689 S. m. 233 Textabb. u. 1 Taf. M. 34.

Handbuch des gesamten Pflanzenbaues einschl. der Pflanzenzüchtung. Bd. 3.

K. 11 Klose, Haferersatz durch Trockenschnitzel bei der Fütterung von Ar-
beitspferden. Inaug.-Diss. Breslau. 1929.

W. Prassler, Die Zweckmässigkeit der Futtergaben an Jungrinder in land-
wirtschaftlichen Klein-, Mittel- und Grossbetrieben unter bes. Berücksichtigung
der Weideaufzucht. Inaug.-Diss. Breslau. 1929.
 du Buy.

-ocr page 1433-

REFERATEN.

NIEUWERE GENEESMIDDELEN.

Acedicon is acetyl-dimethylodihydro-thebainc, een isomeer van acetilzure
codeïne, onoplosbaar in water, de zouten er van zijn oplosbaar. Het heeft pijn-
stillende en hoestbedarende werking ; de hoest bedarende werking is viemaal
zoo sterk als die van codeïne en duurt langer dan die van morfine. De slaapwek-
kende werking is maar half zoo sterk als die van morfine, en inwendig geromen
werkt het in gewone dosis niet slaapwekkend. Als pijnstillend en hoestbedirend
middel aanbevolen (10 m g. onderhuids, 10—20 m g. inwendig, per keer; 3cm.g.
onderhuids en 50 m.g. inwendig, maximaal per dag). Meestal zonder schacblijke
nevenwerking ; alleen in 2 gevallen voorbijgaande doch ernstige collapsaihtige
toestand. (Deut. Med. Woch., N. T. v. G. 1929, I, blz. 1944).

Hosal (Chem. pharm. A. G. te Bad Homburg) is een complex zout waarvin de
kationen uit natrium-calcium en de anionen uit aminozuren bestaan voornanelijk
mierezuur enn glutamine zuur Het bevat geen halogenen en het natriumgthalte
is.geringer dan dat van keukenzout. Het is geelachtig wit, hygroscopisch en heeft
een aangenaam specerijachtige smaak. Volgens Prof.
Hess (Bautzen) kan het bij
het eten het keukenzout vervangen ; aan patiënten kon zonder nadeel mee- dan
5 gram per dag gegeven worden. (N. T. v. G. 1929, I, blz. 2197).

Ferrisol. (firma Lansberg & Zoon, Rotterdam) bevat 5% ijzer, en heef; een
aangename smaak.

Arseen/errisol bevat J m.g. acid. arsenicosum per eetlepel. Dosis 2—3 maal
daags een paplepel.

Jozo, is jodium houdend keukenzout en wordt door de Kon. Ned. Zoutindistrie
afgeleverd in pakken van 500 gram, als middel tegen struma.

Prolan (I. G. Farbenindustrie) is het hormoon van de voorkwab der htrsen-
hypophyse ; het wordt op ratteneenheden (R. E.) gestandaardiseerd.

Scarla Streptoserinc (I. G. Farbenindustrie) bestaat uit antitoxinen der rood^onk-
streptocokken, gebruikt tegen roodvonk en complicaties.

Atophanyl (Schering en Kahlbaum) is de vloeibare vorm van athopaan, voor
intraveneuze of intramusculaire inspuiting ; het is een oplossing van atoplnnyl-
natrium (dus van het natriumzout van phenylcinehoninezuur) met salicylas na-
tricus.

Carbozon (Dr. Noll & Co., Unterschwarzbach) is natrium percarbonaat dat
ongeveer 14—15% actieve zuurstof bevat en dus met 30% waterstofpercxyde
overeenkomt Het lost gemakkelijk in water op en komt in den handel als tabbtten
(neus-, keel-, vaginaaltabletten).

Neostibiosan (I. G. Farbenfabrike) is een in water oplosbaar poeder (p-amino
phcnylstibinezuur-diaethylamine) en bevat 42 — 43% stibium. Aanbcolen
tegen tropiese ziekten, o.a. kala azar.

Miiigal, (I. G. Farbenindustrie) is dimcthyldiphenyleendisulfide, een organsehe
zwavelverbinding die antiparasitair en jeukstillend werkt. Te gebruiken bij ver-
schillende huidziekten.

Alkorcine, (Dr. Ernst Silten, Berlin), is een hexyl-resorcine-preparaat rver-
eenkomende met Caprokol ; het is sterk bactericide en wordt gebruikt als anti-
septicum voor de urinewegen (afg leverd in capsules van 0.15 giam inhoud).

Avertine-amyleen-hydraad-oplossing, bevat per c.c. 1 gram avertine en 9.5 <ram
amyleen-hydraat, wordt gebruikt voor rectaal narcose. De verlamnende
werking van avertine op het ademhalingscentrum wordt door amyleen hyiraat
tegengegaan. Dosis voor volwassenen 0,125—o.1^ gram avertine.

Carbaïne, is koolzure novocaïne en werkt 8 maal meer pijnstillend op :lijm-
vliezen, is weinig giftig en wordt in oplossing niet ontleed.

Percaïne, (A. G. Ciba, Basel) is het zoutzure zout van u-butyl-oxycinchcniner
zuur-diacthyl aethyleendiamide, in water en spiritus oplosbaar ; de oplossing kan
bij 100" gesteriliseerd worden. In 0,5—1% oplossing gebruikt ais lokaal-ameste-
ticum, gemengd met adrenaline.
 Vrijbuig.