-ocr page 1-

u

SCHETS

VAN DE

DIPLOMATIEKE BETUEKKL\\GEN

TUSSCHEN

]\\EDERLA]¥D Wi B11AMDE]\\BÜRG.

1596-1678.

ACADEMISCH PROEFSCHRIFT

TEE VEEKEIJGING VAN DEN GBAAD VAN

DOCTOR IN HET ROHIEIHSCH EN HEDENDAAGSCH RECHT

AAN

DE HOOÖ-ESCHOOL TE UTEECÏÏT,

NA MACHTIGING VAN DEN BEOTOK MAGNIEICÜS

Dk. W. K. O S T E R.

gewoon Hoogleeraar in de Geneeskunde,

MET TOESTEMMING VAN DEN ACADEMISCHEN SENAAT EN
VOI/GENS BESLUIT DEK BECHTSGELEEBDE EACUETEIT

DOOE

JACOB HENDRIK HOEA SICCAIA,

GEBOBEN TE ÜTBECHT,
TE VEEDEDIGEN

^ VBIJDAG DEN 20sten DECEMBER 1867, DES NAMIDDAGS TEN 2 UBE.

ÜTBECHT. KEMINK EN ZOON. 1867.

-ocr page 2-

\\

. ,.......

\'^T-a

-ocr page 3-

AAN MIJNE OUDERS.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

inhoud;

Bladz.

INIiEIDING...................... I.

EERSTE HOOFDSTUK.

Van het einde der zestiende eeuw tot het twaalfjarig bestand. ... 1.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Van liet bestand tot den dood van prins Willem II. (1609—1650). . 46.

DEEDE HOOFDSTUK.

Van den dood van prins Willem II tot den vrede van Breda.
(1650—1667).....................

VIERDE HOOFDSTUK.
Van den vrede van Breda tot dien van Saint-aermain. (1667—1679). 222.

-ocr page 6-

Ïl-T, . » ^

IfC

- \\

»

-ocr page 7-

I N L E I D I N e.

Velen zal wellicht de keuze van het onderwerp dezer
dissertatie bevreemden — een geschiedenis van de betrek-
kingen tusschen Nederland en Pruisen, zal men zeggen,
zou toch van vrij wat meer belang zijn dan een voorstelling
van hetgeen eeuwen geleden heeft plaats gegrepen tusschen
een Republiek en een Keurvorstendom, die beide zoo zeer
van gedaante zijn veranderd; ik kan mij dan ook niet anders
omtrent die keuze verantwoorden dan door mijzelf eenigs-
zins te beschuldigen:
qui trop emhrasse, mal étreint —: de
historische inleiding op hetgeen aanvankelijk mijn plan was,
is onder de bewerking van lieverlede het proefstuk-zelf ge-
worden. Verschillende omstandigheden, in de eerste plaats
de rijkdom der stof, hebben daartoe medegewerkt. Maar,
had ik mijn eerste denkbeeld mogen volbrengen, ik zou
nog grooter toegeeflijkheid noodig gehad hebben, dan ik nu
reeds voor mijn werk moet inroepen. Intusschen moet een
geschiedkundig overzicht in breede trekken zooveel mogelijk
weergeven, wat ik van de geheele geschiedenis onzer ver-
houding tot Pruisen had wenschen te maken.

-ocr page 8-

Men noemt de Geschiedenis, en terecht, de leermees-
teres der Staatskunst; slechts door hare beoefening vindt
men den sleutel tot het meerendeel der hedendaagsche toe-
standen. Niets is meer waar, en toch geloof ik niet, dat
men m de volgende bladzijden veel vinden zal van bizon-
der gewicht voor de kennis van onze tegenwoordige be-
trekkingen tot het koningrijk Pruisen. Natuurlyk ligt de
oorzaak van deze afwyking van den historischen regel groo-
tendeels m de aanmerkelijke veranderingen die, nog daar-
gelaten de gebeurtenissen van den zomer van 186G, door
verloop van tijd in de verhouding tusschen beide staten
^yn teweeg gebracht; maar voor een goed deel is ook die
anomahe het noodwendig gevolg van den aard der vroe-
gere diplomatische betrekkingen tusschen Nederland en
Brandenburg. Want, wie bij de uiteenzetting daarvan een
ontvouwing verwacht van een streng doorgezette staat-
kunde, of van een stelselmatige politiek tegen gemeen-
schappehjke vyanden, zal zich bij het lezen der volgende
bladzijden stelhg teleurgesteld vinden: geen doorloopende
leiddraad in den doolhof der gebeurtenissen, zelfs niet in
de donkerste dagen der vervolging, zal daarin te vinden
zyn: de
noodzakelijkheid is de eenige band die beide van
tyd tot tyd aan elkander verbindt, maar zoodra wijkt niet
die dwang, of, hoewel doorgaans hetzelfde doel beoogend
kiest elk weer zyn eigen weg om het te bereiken. Dit is\'
het karakter der betrekking sedert den vroegsten tijd; het
geschd omtrent de erfopvolging in Cleve en Gulik brengt
het eerst den keurvorst van Brandenburg in aanraking met
de regeering der Vereenigde Provinciën, maar nauwelijks
hebben Maurits en Oldenbarnevelt hem aan het bezit dier
landen geholpen of de band wordt weer losser: evenwel,
geheel afgebroken wordt de betrekking niet: de schulden

-ocr page 9-

door den Keurvorst hier te lande aangegaan, de bezetting
van zijn vestingen in Cleefsland door staatsche troepen eerst
als maatregel van veiligheid tegen de Spanjaarden, daarna
als pand voor die schulden, dienen om bij Brandenburg de
herinnering aan de bewezen diensten levendig te houden;
de Keurvorst van zijn kant — behalve dat die materieele
aanmaning tot dankbaarheid hem zwaar valt — acht zich
daardoor gecompromitteerd bij den Keizer, zoodat hij niet
ophoudt met klagen en jammeren over de hardvochtigheid
der Staten.

De eenige staatkundige handeling van gewicht gedu-
rende dit tijdperk, is een gemeenschappelijke bemiddehng
in den oorlog tusschen Zweden en Polen, waartoe Bran-
denburg echter niet gedreven wordt door belangstelling in
de protestantsche zaak — daarvoor joeg Wallensteins leger
in Mecklemburg den Keurvorst te veel angst aan — maar
door de verlegenheid waarin hij gebracht is door den strijd
tusschen zijn leenheer en zijn zwager over het hertogdom
Pruisen, zoodat hij voorzien kan, dat hoe de oorlog ook
moge uitvallen, het altijd aan hem zal zijn
de fayer les
pots cassés.

Op Geoi\'g Wilhelm volgt in 1640 Friedrich Wilhelm,
de
groote Keurvorst, de grondlegger der pruisische monar-
chie; gedurende wiens bijna vijftigjarig bestuur, de betrek-
king met Nederland de meest verschillende lotwisselingen
ondervindt. Vooreerst ontneemt hem Zweden, de bondge-
noot van wien zijn vader ook zoo veel te lijden had gehad
— altijd om bestwil— de provincie Pommeren, en dreigt,
indien hij zich daarover durft beklagen, hem nooit in het
bezit daarvan te herstellen: tegen die rechtsschemns zoekt
hij ondersteuning bij de Staten, maar te vergeefs, zij blijven
op de hand van Zweden, om Denemarken in toom te hou-

-ocr page 10-

den, dat hun handelsbelang bedreigt; de spanning tusschen
Brandenburg en Zweden neemt gedurig toe, een huwelijk
tusschen den Keurvorst en de jonge koningin Christine wordt
opgegeven; en Friedrich Wilhelm, om Nederland toch te
winnen, sluit een veel minder glansrijke echtverbintenis met
de dochter van den Stadhouder - maar te vergeefs: de Sta-
ten maken niet eens ernstig werk van zijn verzoek, en bij den
westfaalschen vrede blijft Pommeren in handen der Zweden.

Ook daarna verschaft de aanverwantschap met het Huis
van Oranje den Keurvorst geen voordeel. Vijf jaar na zijn
huwelijk - terwijl Holland intusschen altijd een bondgenoot-
schap met Brandenburg heeft weten tegen te houden — sterft
Willem II, en het meerendeel der Gewesten verkiest een
stadhouderloos bestuur.

Nu zijn de aanleidingen tot botsing ontelbaar: doorzijn
voogdij over Willem Hl, door de verwachting die de oppositie
tegen de Witt, luide genoeg van zijn ondersteuning te kennen
gaf, door zijn uitzicht eenmaal als gesubstitueerd erfgenaam
van Frederik Hendrik op te treden, ontstaat een verwijde-
ring, die, als de toestand van Europa het
slechts gedoogd
had, hchtelijk tot openlijke vijandschap zou zijn overge-
slagen: slechts noode strijden beide Staten
nevens elkander
m dezelfde gelederen. Maar, meer nog misschien dan de
persoonlijke afkeer, droeg beider uiteenloopende politieke
richting schuld aan deze verwijdering: de
vrije repuMikein-
sche regeeringsvorm der Vereenigde Provinciën, verdroeg
zich slecht met het
absolute gezag van den Keurvorst; Ne-
derland had door zijn handelspohfciek, door uitbreiding van
gebied in andere werelddeelen, den schielijk veroverden rang
m Europa te bevestigen; Brandenburg daarentegen zocht
door een langsaam doch zeker werkende veroveringspolitiek
een overwegende stelling in het duitsche rijk te verkrijgen.

-ocr page 11-

Nederland behoefde een vaste en vrijzinnige staatkunde, het
houden van een middenvs^eg tusschen de bezwaren en de
eischen van Frankrijk en Engeland, zonder ooit aan een van
beiden te veel toe te geven; Brandenburg een buigzame en
behendige diplomatie, steeds zoekend aan welken kant het
meeste voordeel te behalen zou zijn, en daartoe gedurig van
richting veranderend; dit blijkt gedurende den oorlog tus-
schen Zweden en Polen (1655—1660) en niet minder gedu-
rende dien van de Republiek met Frankrijk (1672—1678):
eerst verwerpt Friedrich Wilhelm alle mogelijke aanbiedingen
van Lodewijk XIV, en belooft de Republiek bij te staan;
maar al dadelijk vervult hij zijn beloften slechts ten deele,
en reeds het jaar daarna zoekt hij
une querelle d\'Allemand
over de subsidiën en sluit vrede met Frankrijk (1673); weer
een jaar later, verbindt hij zich ten tweeden male met de Re-
publiek en verbreekt zijn verdrag met Frankrijk, doch Zwe-
den valt hem in den rug, en nu vangt met den slag van
Fehrbellin de roemrijke oorlog aan, die voor de toekomst
van Brandenburg besliste. Maar, terwijl het zweedsche leger
voet voor voet uit Pommeren wordt teruggedreven, begint
de Republiek, uitgeput door den hardnekkigen strijd, te
luisteren naar de vredesvoorslagen van Frankrijk: te vergeefs
dwarsboomt Friedrich Wilhelm den algemeenen wensch van
Europa: hij vermag den vrede van Nijmegen niet te voor-
komen; overmoedig geworden door de zegepraal over Zwe-
den, dringt zijn leger hem den strijd met Frankrijk te wa-
gen, maar hij blijkt reeds dadelijk tegen zulk een vijand
niet opgewassen: met teruggave van Pommeren aan Zweden
verkrijgt hij den vrede van Lodewijk XIV (te Saint-Germain
1679).

Dezen roemloozen afloop wijt de Keurvorst echter niet
aan zijn eigen onvoorzichtigheid maar alleen aan hetgeen hij

-ocr page 12-

afval en ontrouw van Nederland noemt, en mitsdien ver-
loopen eenige jaren voordat de vroegere betrekking her-
steld wordt; maar het gelukt toch den prins van Oranje
het vertrouwen van den Keurvorst te herwinnen, en weldra
begint tusschen beide vorsten een onderhandehng die be-
shssend was voor het lot van Europa: de vervolgingen der
Hugenoten in Frankrijk, de herroeping van het edict van
Nantes, in Engeland de houding der Stuarts, vereischen
meer en meer de samenwerking van geheel het protes-
tantsch Europa; aan Friedrich Wilhelm doet Willem Hl het
eerst opening van zijn voornemen naar Engeland over te
steken: onafgebroken wordt, sedert 1685 die onderneming
tusschen Berlijn en den Haag overlegd. Maar de grijze
Keurvorst beleeft de tenuitvoerlegging niet; met de gedachte
daaraan op de lippen, geeft hij den geest, 9 mei 1688.

Gelukkig evenwel handhaaft Frederik III de politiek zijns
vaders. Vol bewondering voor de plannen van Willem Hl,
neemt hij in diens afwezigheid de bescherming der Repubhek
op zich, en blijft tot aan den vrede van Rijswijk de eerste
in de rij der bondgenooten van den Koning-Stadhouder. Na
1697 ontstaat weer een nieuwe verhouding: de erkenning
van Willem van Oranje als koning van Groot-Brittannië,
de verheffing van keurvorst August van Saksen tot koning
van Polen, prikkelen de verbeelding van Frederik
III,
en met behendigheid maakt hij van de tijdsomstandig-
heden gebruik om zijn hevelingsdenkbeeld — de verwer-
ving van den koningstitel — te verwezenlijken. De erf-
opvolging van Spanje houdt op dat tijdstip aUe kabinetten
bezig. Frankrijk en de Keizer maken beide zich gereed
hun eventuele aanspraken te doen gelden. Europa wordt
bedreigd met een hardnekkigen oorlog, die slechts tot ver-
storing van het pohtiek evenwicht kan leiden; hetzij de

-ocr page 13-

Habsburgen, dan w.el de Bourbons zich verrijken met die
erfenis - Spanje, Amerika, Milaan, Napels, Sicilië en de
vlaamsche Nederlanden — in allen gevalle dreigt daardoor
een macht te ontstaan, die alleen tegen geheel het overig
Europa zou kunnen opwegen. Om dit te voorkomen zoekt
Willem
ni, sedert 1698 Frankrijk te verhinden tot een
verdeehng der spaansche monarchie; Bodewijk XIV laat zich
daartoe vinden , maar te Weenen waar men buitendien reeds
gekrenkt was over het doorzetten van den rijswijkschen vrede,
verwekt dit voornemen de hoogste verbolgenheid: nimmer
zou de Keizer zulk een verkorting van zijn recht gedoogen —
en zijn toerustingen bewezen dat hij van zins was het met
kracht van wapenen te doen gelden. In die omstandigheden
kon hij het aanbod van Brandenburg niet verwerpen, dat
hem, tegen verleening van den koninklijken titel van Pruisen,
een aUiantie tegen Frankrijk voorsloeg; en toen, omstreeks
dienzelfden tijd de koning van Spanje stierf, en Bodewijk
XIV, op grond van diens testament zijn tractaat met Wil-
lem III verbrak en de onverdeelde erfenis voor zijn klein-
zoon aanvaardde, was de Coalitie van
1689 spoedig her-
nieuwd: Engeland en de Republiek waren de eersten die den
nieuwen koning van Pruisen erkenden. De geringe moeite
Waarmede deze rang-verhooging verkregen en bevestigd was,
<ieed zeker niet vermoeden van welk gewicht die in de toe-
komst zou blijken. Niettegenstaande de menigvuldige partij-
wisselingen had men te Berlijn zich toch doorgaans aan de
zijde van den Keizer gehouden; de keurvorsten van Branden-
\'^urg beriepen zich steeds met welgevallen op hun getrouwheid
jegens het Hoofd van het Rijk; maar voor de koningen van
I^ruisen was een geheel andere richting aangewezen: nu die
nieuwe titel hun een prerogatief verleende boven de overige
leden van het keurvorstelijk college, werd een minder volg-

-ocr page 14-

vm

zaam gedrag geboden. Er verliep nog wel een lange reeks
van jaren eer deze veranderde politiek duidelijk aan het
i\' Hcht kwam, maar bekwame staatslieden hadden zich toch,

van het begin af, te Weenen tegen de verheffing van
I Frederik
III verzet, omdat zij het onvermydelijk antago-

nisme voorzagen dat daarmede tusschen Oostenrijk en Prui-
\' sen geschapen stond te worden. Zoolang de spaansche

i\' successie-oorlog duurde, was Pruisen door zijn tractaten

tot ondersteuning van den Keizer verbonden, maar die ver-
jS plichting werd gedurig met minder bereidwilligheid vervuld,

iïj Slechts noode bleef koning Frederik zijn troepen naar Vlaan-

deren en noord-Italie zenden; telken jare was Marlborough
genoodzaakt de voortzetting dier ondersteuning aan het Hof
van Berlijn te gaan afbedelen en die bemoeiing van den
; engelschen gunsteling werd nog te meer vereischt, daar er

tusschen Pruisen en de. staten der Vereenigde Provinciën
•j sedert den dood van Willem
III een ernstig geschil was

I ontstaan. Uit kracht van het testament van Frederik Hen-

; drik was koning Frederik als erfgenaam van het Huis van

Oranje-Nassau opgetreden, terwijl de friesche tak Nassau-
I Dietz zich op het testament van Willem
III beriep, waarbij

Joan Willem Friso tot erfgenaam was aangesteld: en daar
r de Staten naar het gevoelen van den koning van Pruisen

zich niet onpartijdig genoeg betoonden, nam de twist ge-
durig in hevigheid toe, en was, lange jaren na den vrede
van Utrecht nog niet afgedaan. Bij die gelegenheid was
\' Pruisen ook door Frankrijk erkend, en had derhalve een

onbetwiste plaats genomen in de rij der europeesche mo-
gendheden ; de langdurige vrede, die zoo verderfelijk bleek
voor de Republiek, diende Pruisen om zich in zijn
aanzien
te bevestigen: aan het eind van dat tijdperk bezit het
! door de zorg van Friedrich Wilhelm
I een geregeld inwendig

-ocr page 15-

bestuur en een geoefend leger, waarmede zijn zoon Frederik
de Groote, tot verbazing van Europa, tegen Maria Theresia
optreedt; de oostenrijksche successie-oorlog vertoont het eerst
het natuurlijk standpunt van Pruisen, in verbinditig met
Frankrijk tegen Oostenrijk. Met het langgewenscht bezit
van Silezië verrijkt, treedt Frederik uit den strijd.

Voor Nederland was, men weet het, de uitslag van dien
oorlog geheel verschillend: het inwendig verval der Repu-
bliek, kwam plotseling aan het licht en was de onmiddel-
lijke oorzaak dat het Stadhouderschap hersteld werd, even-
wel niet ten ■ gunste van de afstammelingen der Keurvorstin
Louise, maar van de friesche Nassaus. Daarop volgt weer
een lang tijdperk van rust, waarin de verzwakking der Re-
pubbek toeneemt: reeds gedurende het bewind der Prinses-
Gouvernante vertoont zich de kiem der partijschappen, wier
tweedracht mettertijd den ondergang der Republiek moet
teweeg brengen; onder het regentschap van den hertog van
Brunswijk (1759—1766) neemt dat kwaad toe, zoodat onder
het bewind van prins Willem V de inwendige verdeeldheid
niet meer te herstellen is; beide partijen wegen tegen el-
kander op: ieder zoekt zich dus door betrekkingen bui-
tenslands, het overwicht te verschaffen, dat het door eigen
kracht niet vex-werven kan: de stadhouderlijke partij steunt
op Engeland, en de patriotten op Frankrijk; er is dus in-
derdaad niets gewonnen, want die beide mogendheden hou-
den elkander in bedwang: alles komt aan op de houding
Van den koning van Pruisen, en deze wordt weer beslist
door een gebeurtenis die de geheele politiek van de tweede
helft der achttiende eeuw tot 1792 toe beheerscht, de
fransch-oostenrijksche alliantie van 1756. Dit tractaat
dat het geheele statenstelsel van Europa omvergeworpen
had, noodzaakt Pruisen zich aan Engeland, den vroege-

-ocr page 16-

ren bondgenoot van Oostenrijk te sluiten, en deze nieuwe
verbintenissen blijven na den vrede van Hubertsburg in
stand. Ten opzichte van de Repubhek is het gevolg daar-
van dat Pruisen gebonden is: het wil zich niet met Enge-
land ten voordeele van den Stadhouder doen gelden, maar
kan ook niet — zoo als het anders zonder twijfel gedaan
zou hebben — met Frankrijk de anti-stadhouderlijke partij
ondersteunen.

Te vergeefs beproeft Willem V door zijn huwelijk met een
prinses van Pruisen, de belangen van dat Huis aan die van
het zijne te verbinden. Frederik de G-roote blijft bij zijn ont-
houding, hoewel naarmate de scheuring in de Repubhek toe-
neemt, de vertoogen van wege den Stadhouder steeds dringen-
der worden te Berlijn. Maar in augustus 1786 bestijgt Fried-
rich Wilhelm H, de eigen broeder der prinses van Oranje,
den troon; wel is er nog een oogenblik twijfel welken weg de
nieuwe regeering zal inslaan, maar graaf Herzherg, de be-
paalde voorstander der engelsche alhantie, behoudt het veld
en wijdt zijn ministerieele loopbaan in met een
diplomatieke
bemiddehng tusschen de Oranje-partij en de patriotten: graaf
von Görz wordt daartoe, in de eerste dagen van 1787
hierheen gezonden, maar het Hof van Versailles weet die
poging te voorkomen: de staatsraad de Rayneval verschijnt
tegelijkertijd in den Haag om de zending van von Grörz,
te dwarsboomen, zoodat de bemiddeling al spoedig wordt
opgegeven, een
échec dat de positie van Herzberg ernstig
bedreigt, zoo het hem niet gelukt de waardigheid van zijn
Koning op de een of andere wijze te redden. Gelukkig geeft
de bekende reis der prinses van Oranje uit Nijmegen
naar
den Haag, daartoe een welkome aanleiding: op de grenzen
van Holland wordt zij door een vrijkorps aangehouden en
na eenige uren arrest, weer uit de provincie gewezen. Dit

-ocr page 17-

incident verschaft een uitweg te Berhjn: op hoogen toon laat
de koning van Pruisen satisfactie eischen voor de beleedi-
ging zijner zuster aangedaan; de staten van Holland talmen,
hoewel de ambassadeur van Peede herhaaldelijk waarschuwt
dat een leger in Cleefsland en Westfalen wordt samenge-
trokken ; nog blijven de patriotten weigeren, hun onbekwaam-
heid gaat alle verbeelding te boven, zij verwaarloozen de
meest gewone maatregelen van omzichtigheid: de pruisische
troepen zijn de grenzen der Republiek reeds overgetrok-
ken , en nog gaat men in den Haag voort zich blindelings
te verlaten op de beloften en aanmoedigingen van den fran-
schen ambassadeur de Vérac, die zich echter op het kri-
tieke oogenblik uit de voeten maakt: niet voor dat de pruis-
sische troepen reeds het cordon verbroken hebben, waar
achter Holland zich veilig waande, slaat men aan hun komst
geloof; stad op stad geeft zich zonder slag of stoot over,
alleen Amsterdam maakt aanstalten zich te verweren. Ge-
lukkig was de prins van Oranje het leger van zijn zwager
"^ooruitgeijld: zoo ontgaat hij althans de grief door vreemde
Wapenen in zijn residentie te zijn teruggebracht. De lang
geëischte satisfactie aan de Prinses, de verbanning der
"Voornaamste patriotten bekroont het werk der pruisische
interventie.

Deze gebeurtenis had ik gewenscht tot den card.o mijner
<lissertatie te maken, waaraan zich dan van zelf een over-
wicht zou hebben aangesloten over de handelingen der
triple alhantie van 1788, tusschen Engeland, Pruisen en

Republiek, waardoor Nederland voor eenige jaren in
Europa het gewicht herneemt dat het sedert den spaan-
schen successie-oorlog had prijs gegeven: de machteloosheid
^an Frankrijk laat hun tegenover Oostenrijk en Rusland
spel; menige belangrijke onderhandeling wordt nog in

-ocr page 18-

die weinige jaren gevoerd, tot dat de Revolutie in Frank-
rijk steeds dreigender karakter neemt; na de samenkomst
te Pillnitz van koning Friedrich Wilhelm en keizer Leo-
pold, lost de triple alliantie zich op in de eerste Coalitie,
welke na eenige jaren voor de zegevierende wapenen van
Frankrijk bezwijkt.

Was de koning van Pruisen zijn verplichtingen volgens het
tractaat van het Loo nagekomen, de gebeurtenissen ziouden
zonder twijfel een andere wending genomen hebben; maar nu
die hulp achterblijft, wordt de Stadhouder genoodzaakt te
wijken, en de bataafsche Republiek verrijst onder fransch
oppertoezicht. Niettegenstaande die bescherming is in den
aanvang de nieuwe regeering toch geenszins gerust: algemeen
verwacht men een herhaling van den inval van 1787. Maar
die vrees blijkt ijdel: reeds is het kabinet van Berlijn in
onderhandeling met de Revolutie; in 1796 volgt de vrede van
Basel, waarmede de eerste Coalitie ontbonden is. Evenwel
wordt de betrekking tusschen Pruisen en Nederland niet her-
steld, doordien de verbintenis van 1788 veeleer een dynastieke-
dan een nationale was geweest: een stilzwijgende erkenning
der bataafsche Republiek is alles wat Frankrijk voor zijn
bondgenoot verwerven kan; de hollandsche
chargé affaires
wordt ter nauwernood te Berlijn geduld. Op dien gespannen
voet blijft de verhouding duren tot 1799, wanneer het Uit-
voerend Bewind een poging onderneemt Pruisen te winnen;
Friedrich Wilhelm III had, niettegenstaande den aandrang
van den erfprins van Oranje, geweigerd zich in te laten
met de onderneming der Engelschen en Russen, en in een
onzijdige houding tegenover de tweede Coalitie volhard.
Van deze gezindheid hoopte men in den Haag gebruik te
maken om, ten spijt van Frankrijk, de bataafsche Repu-
bliek te Berlijn neutraal te doen verklaren: maar de staats-

-ocr page 19-

rechtelijke banden welke ons aan Frankrijk hechtten, lieten
zulk een toenadering niet toe; Pruisen verlangde voor
alles herstel der Ora:.ijes, een eisch waarin het Uitvoerend
Bewind natuurlijk niet kon treden, en Bonapartes achter-
docht maakte een eind aan de geheime onderhandeling.
Sedert dien tijd (mei 1800) werden dan ook geen pogin-
gen meer gewaagd de betrekkingen tusschen Nederland en
Pruisen te herstellen, hoewel, nadat Frankrijk den prins
Van Oranje met het vorstendom Fulda had schadeloos ge-
steld, van den kant van Pruisen de officieele erkenning der
bataafsche Republiek volgde; maar deze liep, meer gedwee
dan ooit in het gareel der fransche politiek, zoo gedwee
zelfs, dat de inlijving van Holland bij het keizerrijk reeds
lang vóór 1810 zou hebben plaatsgegrepen indien Napoleon
niet weerhouden was geworden door de vrees Pruisen aan-
leiding te geven tot de Coalitie toe te treden. Niet minder
afhankelijk was het koningrijk Holland; reeds terstond moet
Louis Napoleon, hoezeer ook tegen zijn zin, deel nemen
aan den oorlog tusschen Frankrijk en Pruisen, dat ten
laatste zijn
précaire onzijdigheid had laten varen; maar
ï\'riedrich Wilhelm oogst in den strijd niet dan vernedering,
Zoodat de betrekkingen, na den vrede van Tilsitt onbedui-
dend blijven, hoewel bij deze gelegenheid het koningrijk
Holland werd ei-kend; na 1810 houden zij geheel op.

Eerst in 1813 doet Pruisen zich weer ten gunste der
Oranjes gelden — maar wat daarna plaats had, behoort
tot het gebied der politiek en niet der geschiedenis;
^ij zouden derhalve er nimmer aan hebben kunnen denken,
de schets daarvan in een eenvoudige dissertatie terug te
geven, vooral bij de bewustheid van hetgeen er, zoowel in
-dit overzicht als in het proefschrift-zelf gebrekkigs en on-
volkomens wezen moet. Evenwel, mocht zich. iemand ver-

-ocr page 20-

XIV

waardigen daarop aanmerking te maken, wij zullen ons
troosten met de gedachte dat dan althans op ons niet be-
waarheid wordt wat Boileau zegt:

„Un auteur quelquefois, trop plein de son objet,
„Jamais sans l\'épuiser n\'abandonne un sujet."

\' "I
j. ; i\'\'

Lf

lif!

l\'ln

■S; *

il

»1 i \'ii

, .j,

■ ; \'■\'!! !

m

J!
i:

JlP-l t

ri

à

i\'S

-ocr page 21-

EEESTE HOOFDSTUK.

Tan het einde der zestiende eeuw tot het
twaalfjarig bestand.

Er zijn jaartallen in de geschiedenis van ons Vaderland
die zich met de herinnering aan de daaraan verbonden
feiten zoo diep in het geheugen, zelfs van haar meest op-
perpervlakkigen kenner geprent hebben, dat zij schijnen
als bakens in den nacht van een duister verleden. Een
zoodanige, overbekende datum is het jaar 1588, de vernie-
ling der ontzagwekkende Armada, een verlossing uit een
dubbel gevaar, van den kant van Spanje niet alleen, ook
■van een, in naam trouw bondgenoot, van Engeland. De
tweejarige landvoogdij van Leicester had menige bittere
gewaarwording opgewekt; de ondersteuning, die hij had
nioeten aanbrengen, was in tiranny ontaard, en de kostbare
"Vrijheden voor wier behoud men tegen Spanje zoo zwaren
strijd streed, moesten nu ook tegen een binnenlandschen,
niet minder gevaarlijken vijand verdedigd worden. Geen
Wonder dat men het vertrek van Elisabeths gunstehng met
gejuich begroette: zijn aftocht, en in het daaraanvolgend
jaar de verstrooiing der Spaansche oorlogsvloot, brachten

-ocr page 22-

denkbeelden tot rijpheid in het gemoed van den man, dien
wij daarvoor naast Willem den Zwijger als grondlegger on-
zer onafhankelijkheid mogen eeren, van \'s lands advocaat
Johan van Oldenbarnevelt.

Het jaartal 1596 is minder populair dan het voorgaande;
toch verdient het die onachtzaamheid niet, allerminst in
een diplomatisch overzicht, — want toen reeds zag Olden-
barnevelt de verwezenlijking van het stoutmoedig denkbeeld,
dat hemzelven acht jaren te voren nauwelijks uitvoerbaar
had toegeschenen: de Republiek der Vereenigde Nederlan-
den was op den voet van gelijkheid, als onafhankelijke
en souvereine Staat in een drievoudig verbond met Frank-
rijk en Engeland getreden: in plechtig gezantschap, van een
schitterenden stoet vergezeld, verscheen een der eerste va-
sallen van de fransche kroon, de hertog de Bouillon, zwager
van den jeugdigen Stadhouder, in den Haag om het bond-
genootschap van zijn meester aan de Staten aan te bieden;
want hieruit bleek juist het uitstekend diplomatisch beleid
van den Advocaat dat hij dien stap van Hendrik IV, hoe vurig
ook begeerd, oogenschijnlijk geduldig had afgewacht, zonder
door een voorbarig tegemoet komen, veelmin door onder-
danig smeeken, de uitkomst te bederven van een onder-
handeling , waarop hij in vooruitzicht de toekomstige groot-
heid der Republiek bouwde.

Die afwachtende houding was niet alleen een noodza-
kelijk gevolg der omstandigheden — de naijver tusschen
Engeland en Frankrijk — maar ook van de meer nederige
positie der Vereenigde Gewesten, die in hun republikeinschen
regeeringsvorm, naar toenmalig staatsrecht schier te onaan-
zienlijk was voor gekroonde Hoofden, om zich mede af te
geven.

Oldenbarnevelt had dat bezwaar voorzien; de wrange

-ocr page 23-

vruchten van het \'Engelsch Protectoraat lagen nog te versch
in elks geheugen dan dat de natie zich ooit in der-
gelijke afhankelijke betrekking zou hebben willen stellen
tot Frankrijk, dat daarenboven reeds eenmaal de opdracht
der souvereiniteit, tot spot van Europa, smadelijk had af-
gewezen. De meerdere ontwikkeling van den Staat maakte
thans een anderen band noodig: de Koningin van Enge-
land — met welke daarenboven de vriendschap merkelijk
was bekoeld — begon oud te worden: haar kroon moest
vervallen aan den Koning van Schotland, zoon der ka-
thoKeke Mary Stuart, van wiens gezindheid nog niets te
zeggen viel; er was dus voor de toekomst weinig op Enge-
land te rekenen: trad het vroeger of later uit het bondge-
nootschap, dan zou de Staat ten prooi blijven aan fransche
overheersching.

Een ander tegenwicht was derhalve noodig, waarop
Onder alle omstandigheden gerekend zou kunnen worden,

Oldenbarnevelt hoopte dat te vinden door de Protes-
tantsche Vorsten van het Duitsche Rijk in het verbond te
trekken : verscheiden beweegredenen kwamen dat voor-
Hemen versterken: vooreerst, en dit lag het naast, de wensch,
Spanje zooveel vijanden mogelijk te verwekken, verder het
^eer persoonlijk voordeel, in dat geval niet langer de
Minste der bondgenooten te wezen, maar integendeel het
görm^aansche element in de alliantie tegen het fransche te
doen opwegen; eindelijk het vooruitzicht een verdeeld-
h®id in den boezem van het Rijk te weeg te brengen, die
•^ßn Keizer noodzaken zou zijn gedachten van de vestiging
•^er habsburgsche wereldheerschappij af te trekken.

1) VAN BEVENTEB, ö-edenkstukkeii van Johan van Oldenbarnevelt, II,
laleiding xvi.

l*

-ocr page 24-

Niets schijnt ons thans natuurlijker dan het denkbeeld
Duitschland en Frankrijk in de politieke weegschaal tegen
elkander te doen opwegen; maar op het eind der zestiende
eeuw was dat een nieuwigheid — bijna zou men zeggen
uitvinding, die, zelfs in beginsel niet zonder de grootste
moeite en volharding tot stand gebracht kon worden. Duitsch-
land was een wereld op zich zelf: de Keizer als hoofd van
het Rijk was zeker genoeg op het staatkundig tooneel be-
kend, maar over de Rijksvorsten, die niet dan bij uitzon-
dering zich in de europeesche politiek mengden, over hun
toestanden en onderlinge geschillen, bekommerde het alge-
meen zich al zeer weinig.

Natuurlijk was er met sommigen meer aanraking dan
met anderen: de Vorsten van het huis Nassau onderhielden
hun betrekkingen in Duitschland, vooral met de Palts, de
bakermat der Hervormde kerk, die, als zoodanig ook een
trouw bondgenoot der Staten was, maar de overigen, de
Lutherschen kende men ter nauwernood bij name.

Het verschil tusschen de beide hoofdsekten van het Pro-
testantisme , tusschen Calvinisten en Lutheranen dreigde een
hoogte te bereiken, waarop het in openlijke vijandschap zou
omkeeren, en dan vrij spel laten aan de dicht aanéénge-
sloten phalanx der Katholieke kerk. Van daar dat de
worstelstrijd der Nederlanders voor hun geloof zoo geringe
sympathie in Duitschland ondervond : de Lutherschen
rekenden hen niet tot hun geloofsgenooten, maar voeren

1) GROEN VAN PEINSTEEEE, Archives, deuxième Série, T. I, Introduc-
tion
XXI: "On recevoit également peu de secours d\'Allemagne. Ceci n\'a rien
d\'étonnant. D\'abord à une série de Princes Protestants distingués par leur
zèle, snccédoit une génération moins vigoureuse..... En outre le Pro-
testantisme étoit paralysé dans son action commune par les malheureuses
disputes dogmatiques entre les Luthériens et les Réformés," enz.

-ocr page 25-

hevig uit tegen de ketterijen van den heidelhergschen Ca-
techismus, tegen wier aanhangers zij, in hun blinden ijver
met de Katholieken gemeene zaak maakten.

Geeft deze toestand de maat aan van hun godsdien-
stige verhchting, met hun politiek inzicht was het niet
beter gesteld. Hun horizont was het duitsche Rijk: behalve
om den Keizer, bekommerden zij zich om geen potentaat
ter wereld: in onbepaald vertrouwen op de hechtheid van
den augsburgschen godsdienstvrede leefden zij lichtzinnig
voort, en de waarschuwingen van Oldenbarnevelt tegen de
samenspanningen van den Keizer met den koning van
Spanje, maakten niet den minsten indruk op hun bekrompen
gemoed.

Toch hadden zij reeds jaren te voren de gelegenheid
gehad zich van de geheime bedoelingen des Keizers te over-
tuigen, tijdens een gebeurtenis waarin ook de Nederlanden
betrokken werden. Geheel Noord-Duitschland was er door
in beweging geraakt: het was niet minder dan de overgang
tot het Protestantisme van den bisschop van Keulen, Geb-
hard Truchsess von Waldburg i). Hadden de evangelische
vorsten zich toen willen verstaan den Kerkvoogd in het
bezit van zijn stift te handhaven, dan zoude buiten twijfel
het Katholicisme, althans tusschen de Schelde en den Wezer,
de Vogezen en het Schwarzwald de nederlaag geleden, en
zijn sterkste bolwerk aan den Rijn verloren hebben. Om-

1) MOBITZ BITTEE, Geschichte der deutschen Union, (1598—1612)
erster Band, Sohaffliausen, 1867, bl. 21—25.

"wicQUEFOET, Histoire des Provinces TJnies, I, 291.

3?- W. BAETHOLD, Oebliard Tmohsess von Waldburg, Kurfürst und Erz-
Hsohof von Köln, in den eersten jaargang, neue Folge van het Historisches

Taschenbuch, 1840.

-ocr page 26-

geven door liet protestantsche Holland, Friesland, Bran-
denburg, Hessen en Frankenland, zouden de katholieke
Rijnoevers en Westfalen van zelf bezweken zijn Maar
om tot die uitkomst te geraken waren er dieper inzichten
noodig dan men aan de kleingeestige luthersche Hoven
vond : daar verbeuzelde men den tijd met onderlinge twis-
ten en vergenoegde zich met kleine plagerijen jegens eene
partij, die, vast aaneen gesloten, onder het erkende gezag
der romeinsche Curie tegenover hen stond; deze begreep
hare belangen beter: met alle haar ten dienste staande gees-
telijke en wereldlijke wapenen, gelukte het haar het aarts-
bisdom Keulen te redden, en Truchsess had nauwelijks den
tijd zich over de nederlandsche grenzen te bergen, waar
hij aan het Hof van den prins van Oranje een gastvrije
schuilplaats vond. Zijn zaak was reddeloos verslagen, maar
toch hielden nog enkele partijgangers, Adolf graaf van Nue-
nahr, de befaamde Marten Schenck en anderen den strijd
uit door eenige steden aan den Rijn te bezetten; Neusz,
dat echter spoedig door Parma hernomen werd (1585) en
Rijnberk, dat, eerst te vergeefs belegerd, later, nadat ook
Bonn weder voor de Spanjaarden bezweken was en Schenck
bij Nijmegen was omgekomen, door den kommandant, Otto
Hans von Piitlitz, een brandenburgsch edelman, werd over-
gegeven (1589); de eerste van de lange reeks belegeringen
welke die vesting, de sleutel van de gemeenschap tusschen

1) BAHTHOLD 104 et 105.

2) Villeroy beweerde: "les Princes d\'Allemagne et ceux qui les servent
jugent des aJFaires, comme les aveugles des couleurs." a^
beede , Inl. Grescli.
des Nederl. Dipl. II, I, 346. en Buzanval (Oori-, bl. 50) vaart uit over.
"Cette grosse pâte Allemande."

3) EITTEE, 39.

-ocr page 27-

DuitscMand en de Nederlanden, in vervolg van tijd moest
doorstaan

Indien de Staten hun volk leenden tot het bezetten van
deze plaatsen, het was zeker niet in de hoop van den,
overigens voor staatszaken gansch ongeschikten prelaat in
zijn waardigheid te herstellen, dan wel omdat Oldenbarne-
velt inzag hoe noodzakelijk het was ze niet weder in handen
der Spaanschen te laten vallen, die ook van dien kant de
Repubhek hoopten te bespringen.

Geene moeite hadden onze vijanden gespaard om zich
in de hertogdommen Cleve en Gulik te nestelen. Reeds
in 1583 had de Stadhouder van Gelderland de Stenden dier
landen gewaarschuwd tegen de ondersteuning die de Span-
jaarden in Cleve genoten en tegen de gezindheid van
hun Hertog, die den vijand, zooveel in zijn macht was,
ondersteunde. Tevens waarschuwden de te Dordrecht ver-
gaderde Staten den Raad der stad Wesel dat de Spanjaar-
den een aanslag tegen die vesting in den zin hadden, een
bedrijvigheid der nederlandsche staatslieden, die sterk af-
steekt tegen de onverschilligheid der Duitschers, die zelfs
door den val van Neusz niet tot handelen bewogen hadden
kunnen worden

1) WICQUEFOBT 1. 1. en Mr. G. W. VEEEDE, Inleiding tot eene Geschie-
denis der Nederl. Diplomatie, I, 349.

2) KronijTc van het Hist. GenootscJiwp, jaarg. 1859, Geschiedkundige
l^esoheiden van 1583—1590, bl. 237, de Stadhouder (Jan van Nassau) en.
Staten van Gelderland aan de Stenden van Gulik en Oleve, te Calcar ver-
gaderd, 21 Juni 1583: //Etzlige jaren herwartz hebben wij ons sunder up-
Wrren beclaget over die groote parthiligkeitt und befordernngh der fremb-
<len natiën-, deser Landen ftandenn, under das Desel von ein vermeinte falsche
aentralitet," enz. Antwoord der Stenden den 28 Juni 1583.

3) KronijTc v. Ji. Sisf. Gen., 1859, «Christiaan Huygens bericht nit

-ocr page 28-

Wel beweerden de Spanjaarden dat de bezetting van de
cleefsclie en guliksche steden slechts geïsoleerde feiten
waren, buiten verband met hun politieke plannen, maar
Oldenbamevelt was niet zoo nuchter, zich door zulke betui-
gingen te laten misleiden, en niettegenstaande allen aan-
drang weigerde hij de eenmaal door
staatsche troepen be-
zette vestingen te ontruimen i).

Die voorzorg werd te meer geboden door den inwendigen
toestand der hertogdommen Gulik en Cleve, waar in 1592
een naar lichaam en geest zwakke vorst, hertog Johann
Wdhelm den troon beklommen had Zijn vader hertog
Wilhelm had . hem zijn staten in hoogst verwarde omstan-
digheden nagelaten; de zesentwintig laatste jaren van zijn
regeering was hij krankzinnig geweest en had het bestuur
geheel en al aan zijn Raad moeten overlaten. Hiervan
was de schromelijkste anarchie het gevolg; de Stenden van
het land waren protestantsch en vervuld van bewondering
voor hun naburen, de Nederlandsche Staten, wier emanci-
patie zij gaarne ten voorbeeld hadden genomen. Daar-
entegen was de Raad katholiek en spaanschgezind: de

mam yan den Raad van State aan de regeering der Stad Wesel (1 Mei 1590)

dat er een Spaansohe brief is onderschept, waaruit blijkt dat die aanslagen

met nit .simple mnitwillicheyt van krijgsluide ende particulier Capiteyne

komen, so \'t selve bij dea flandt verspreidt wordt, maer nit het ernstLh

voornemen des Konings onder het pretext van religie heerschappije te ver-
crygen" enz.

1) Daaronder voornamelijk \'s Gravenweert (of de Schenkenschans), waar-
over menig duitsch gezantschap kwam
klagen; eerst na den vrede van ^-ij
megen werd het geschil uitgemaakt toen die positie, door een verandering
m den loop der rivier reeds veel van hare strategische waarde verforen had.

2) EVEEHABDT VAK EHEYUT, Oorspronck ende voortganck der Neder-
lantsche oorlogen. Zevende boek,
eittee, 56—71.

-ocr page 29-

Hertog had te voren de augsburgsche Confessie beleden en
daarin ook zijn dochters opgevoed, die aan evangehsche
■vorsten waren uitgehuwelijkt; maar tijdens den Rijksdag
■van Augsburg, in 1566, had hij zich „door den Keyser en
naenschelycke bloodigheyt" doen bewegen ter misse te gaan;
^an daar zijn kathoheke omgeving.

Misschien was het de wroeging over dezen afval, die
<ien zwakken Vorst kort daarna in zijn vermogens krenkte,
tij werd althans krankzinnig en zijn zoon erfde dezelfde
kwaal, zoodat de Geheime Raad het heft geheel alleen in
handen had, het land naar willekeur bestuurde en uit-
zoog 1), twist stookte tusschen den Hertog en zl^ne gemahn
en bovenal trachtte den keurvorst van Brandenburg en den
paltsgraaf van Neuburg, beide zwagers van den onge-
lukkigen Hertog en zijn vermoedelijke erfgenamen buiten
tet bewind te houden Bij gevolg geraakte het land ein-
<ielijk in zoo elendigen toestand dat het zich midden in den
oorlog scheen te bevinden®): de Spanjaarden huisden er
Haar willekeur; men liet hun toe Wesel, waar de Hervor-
Kiing bloeide, te benauwen, en uit Aken \'\'), dat, hoewel

1) VAïT BHEYDT, bl. 297 "de Eaad beriep zich op den wil van den tegen-
woordigen en vorigen Vorst, hetgeen niet weinig ongerijmd was, daar G-od
beiden in liuu verstand geslagen had."

2) Ihid. "Die Euangelische Vorsten, des Hertoghen dochtermans van
alle regieringhe ende aathoriteyt nitsluytende."

VAN BHEYDT (bl. 442) verhalende hoe de Raden eenen medicijnmeester
hemoeielijkten in de genezing van den Hertog, voegt er zeer naïef
bij: "het
alsof sij haeren Heer niet wijser en begeerdhen."

3) "Met des Landfnrsten onheyl is echter oock ons onheyl toegenomen,"
Manifest der cleefsche Stenden van 15 Jïdi 1595,
Kronijl v. h. Sist.
1865, bl. 336.

4) QedenksinkTcen van OUenha/rnevelt, II, Inleiding xxxir. v. bhetdt,
382.

-ocr page 30-

vrije Rijksstad, onder bescherming van den hertog van Gulik
stond, vluchtten talrijke Protestanten naar de Nederlanden.

Hunne klachten en de herhaalde pogingen der Stenden
zich met de Staten in verbinding te stellen tot afschudding
van het ondragelijke juk, konden Oldenbarnevelt niet on-
verschillig laten. In het jaar 1595 scheen de dwingelandij
der cleefsche regeering ten top gestegen; in afwachting van
den dood des Hertogen, dien men spoedig meende te zullen
zien naderen, verbonden de leden van den Raad zich on-
derling (24 Juli) de erfenis, wanneer zij openviel, aan
geen der pretendenten over te geven, voordat de Keizer
uitspraak tusschen hen gedaan zou hebben, en — de
schuld van \'s lands toestand op rekening dier erfgenamen
schuivend — besloten zij hen allen en hun gezanten tot
dat tijdstip uit de hertogdommen te weren. Tegelijk vin-
gen zij een scandaleus proces aan tegen de Hertogin, die,
toen geen harer beschuldigers grond van. bewijs voor hun
beweringen kon aanvoeren, eenen morgen in haar bed ver-
worgd werd gevonden

De overmoed der cleefsche regeering zou gewis niet tot
zulk een hoogte gestegen zijn, zoo de rechthebbenden op
de erfopvolging zich tot gezamenlijke stappen hadden wil-
len doen vinden; in plaats daarvan wantrouwden zij elkan-
der, ieder vreesde zijn eigen maatregelen tot voordeel des
mededingers te zien geworden, en in plaats van te handelen,
wisselden zij langdradige vertoogen onder elkander en met
de keizerlijke kanselarij, zoodat den Raad vrij spel overbleef
en de Stenden aan hun lot overgelaten werden Deze,

1) EITXEB, bl. 68.

2) V. EHEXDT, 12de boek, bl. 391 ea 479.

3) EiTTEB, bl. 69, »Die in Frankfurt 1593 entworfen, bei einen Con-

-ocr page 31-

ten einde raad, wierpen zich in de armen der Staten: reeds
in het vorige jaar hadden zij in den Haag doen polsen of
men genegen zou zijn hen in een opstand te ondersteu-
nen, 1) met de verklaring dat hun geen ander dilemma
overbleef dan spaansch te worden of zich vrij te vechten:
dat wanneer de Ridderschap en Steden der Hertogdommen
in een verbond traden om der Vorsten hoogheid en \'s lands
privilegiën te bewaren, zij wel 4000 leenmannen, meest Ede-
len sterk zouden zijn; maar om zoo ver te kunnen geraken,
verlangden zij dat de Staten hun geld en troepen zouden
afstaan. Eenige leden der Staten-Generaal ondersteunden
dit voorstel, omdat de nederlandsche provinciën aan de oost-
zijde van den Rijn door die landen gedekt werden, en de
vijand door dat verbond gedwongen zoude worden Zutfen
en Twenthe te ontruimen; maar Oldenbamevelt, meer voor-
zichtig, achtte den tijd tot een zoo beslissenden stap nog
niet gekomen, bovenal scheen hem de beweging zelve niet
Volkomen georganiseerd: hij ried derhalve de leiders
dier partij, hunne maatregelen beter te beramen, en zond
Om hen daarin behulpzaam te wezen vertrouwde agen-
ten, — Dr. Laurentius Myller, later Dr. Dirk Wyer —

"^\'ent zu Plauen (März 1546) abermals redigirte Acte der Vereinigung der
interessirten Fürsten ward nicht ratificirt, .... später erfüllten die Bran-
denburger sich mit dem Misztrauen, die Pfalzgrafen möchten die Vereini-
zu ihrem Nachtheil benutzen, da diese unter anderm verlangten, dasz,
sobald sich Fremde der Jülicher Lande nach des Herzogs Tode zu bemäch-
tigen. suchten, jeder Interessent dieselben ohne Befragung, aber auch ohne
I\'i\'äjudiz der andern sofort in Besitz nehmen dürfe."

1) v. RHEYDT, bl. 411. GedenkstuTcTcen, II, Inl. xxxv.

2) GredenkstuTchen, n^. Cii. Oldenbarnevelt aan den Vrijheer yan Eeyd,

II, 135--137.

cleefsche «Patriotten" waren zelve van oordeel "qu\'il falloit traiter
PWacipalement avec les Princes intéressez."

-ocr page 32-

naar Cleefsland en bij de Hoven der belanghebbende Vor-
sten rond

Een van dezen, de Keurvorst van Brandenburg wendde
zich te gelijker tijd mede, tot verzekering van zijn recht
naar de Staten. Zijn Gezant te Cleve, Merckelbach^),
was naar den Haag gekomen om zijns meesters recht te
verzekeren (April 1595); reeds reisde Myller in Duitschland
rond. Zijn instructie (5 Aug. 1594) geeft een merkwaardig
inzicht in Oldenbarnevelts betrekkingen met Duitschland®).

„In den eersten sal hy overal in Duytsland den Staet
der Vereenighde Nederlanden en de oorsaecke des oorlooghs
jegens den Spaignaerden ende haere adherenten kennelyck
maecken, verschoonen ende verdedigen, ende ter contrarie
het beswaerlyck, onbehoorlyck ende tyrrannich voernemen
der wederpartye niet aUeen jegens denselven landen, maer

1) GedenTcstulchen, II, Inl. xxxv. Wijer was iu Mei 1595 terug, en
was ia ootober weêr met een zending der Staten naar den Administrator
van Maagdenbiu-g belast. (Gedenkst. II, 136). Volgens
wageïtaab (VIII,
418) zonden de Staten in herfstmaand 1595 eenigen hunner naar Emmerik
"Om aldaar in het grootste geheim met eenige vertrouwde Cleefsclie grooten
te spreken."

2) Bij V. EHETDT: MESHBACH.

DEOYSEN, Geschichte der Prenszisohen Politik, zweiter Theil, zweite
Abtheilung, bl. 526: "Dr. Merokelbach erhielt von seinen Herrn Befehl nach
dem Haag zu eilen, um mit den Staaten einen Vertrag zu der Behauptung
des Landes zu schlieszen."

3) Kronijh Hist. Gen. 1864, bl. 318—321: »Instructie waernae den
erntfesten, hoochgeleerden Laurentius Myller, der Eechten Doctor, Agent
van de heeren Staten Generael van de Vereeniohde Nederlanden jn Diiyts-
landt hem sal hebben te dragen."

Het gezantschap dat in datzelfde jaar naar Kopenhagen gezonden werd,
met den admiraal van Duvenvoorde aan het hoofd, had o. a. in last den
Koning van Denemarken opmerkzaam te maken op de »meneeën" van Spanje
in Cleve en Gulik, ibid. 212.

-ocr page 33-

oock die voornaempste potentaten van de Christenheyt —
verthoenen ende haetelyck maecken, opdat haere Chnrf.
Hoochen, Furstel. Excien Lieffden ende Gunsten mogen
werden beweeght omme niet alleen deser landen rechtveer-
digh zaecke gunstich ende toegedaen te wezen, maer de-
selve mede te handhauen en hen jegens die Spaensche ge-
pretendeerde monarchie off Generale heerschappye by ge-
meene verbindtenisse ende anderssints datelyck te verclaeren,
gelyck de Co. Majt van Vranckryck, Engelandt, Schotlandt
ende de Vereenichde Landen genoech met de daet ende
Wapenen doen." Want dezelfde voornemens die Spanje tegen
die mogendheden koestert, heeft het ook tegen „Chur- en
Fürsten, Grauen, Heeren ende Steden van Duytsland, het-
geen blyckt uyt handelinghe, soo secreet als openbaere,
jnden Churfurstendom van Coelen en jnden Stifte Straes-
biirch, mitte Ryckstadt Aken, ende sunderlinghe jnden Fur-
stendommen Gulick, Cleue ende Berch onwederspreeckelyck
bewesen can wordden. Ende gemerckt het Churfurstelycke
ende Furstelycke huys van Brandenburch jnde voers. han-
delinge principalyck vercort wordt, soe sal Dr. Myller voorn,
vooreerst hem vervoeghen in den quartieren, daer haere
Churfurst. Hoochht. van Brandenburch ende Furstel. Ex^ie
^en beere Administrator van Hall hoff houden, omme voer
all haere Churf. Hoocht. ende Fürst. Ex^ie wel ende vol-
commelyck te onderrichten ende tot een goede resolutie te
bewegen" enz. Bovenal moest Myller de plans van het
lïeizerlijk Hof trachten uit te vorsehen.

Men ziet uit deze uitgewerkte instructie hoe Oldenbar-
nevelt zich vleide weldra den grond te zullen kunnen leg-
gen tot de algemeene verbintenis die hij beoogde. Hierin
Werd hij echter teleurgesteld: zijn onderhandeling bij Hen-
<irik lY bleef sleepend en die met Brandenburg mislukte

-ocr page 34-

volkomen i). De Keizer toch had kennis gekregen van de
zending van Merckelbach, en het viel hem niet moeijelijk
de gevolgen er van te verijdelen. Nog werd er in den
Haag onderhandeld over de voorwaarden waarop de Re-
publiek en Brandenburg zich verbinden zouden, toen de
Keurvorst een listig schrijven van den Keizer ontving: Neu-
burg en hij zouden zich toch niet om de erfopvolging
bekommeren, veelmin zich daarover met de Staten in-
laten, daar hij beloofde alles naar hun recht te zullen
schikken, indien zij afgevaardigden naar Praag wilden zen-
den, waarmede hij zich dan over die zaak zou verstaan.
Dit aanbod verkozen beide Vorsten boven het bondgenoot-
schap der Staten, waardoor zij onmiddelijk in den oorlog
met Spanje zouden zijn medegesleept; zij zonden werkelijk
een gezant naar Praag, die aldaar na lang wachten vernam
dat de Keizer door een medicijnmeester hoop gekregen had
op de genezing van den Hertog, en totdat die hoop zich
verwezenlijkt zou hebben, het land in zijn eigen naam dacht
te doen besturen

1) EITTEB, bl. 70. "Die Staaten welche sich durch die Herrschaft des
KaiserHchen und Spanischen Einflusses in Jülich schwer bedroht sahen, tru-
gen ihren Beistand mit freigiebigen Händen entgegen. In den Jahren 1594,
1596 und 1597 suchten staatische Gesandte die interessirten Fürsten zur
Ergreifung der Eegirung, zur Annahme niederländischen Beistandes zu
drängen. Aber weder Brandenburg noch die Pfalzgrafen wagten die darge-
botene Hand, welche sie unmittelbar in den niederländischen Krieg hinein-
geführt hätte, zu ergreifen."

2) DEOYSBN 1. 1. "Am kaiserlichen Hofe hatte man von jenen Verhand-
lungen schnell künde; man erkannte dass ein solches BÜndnisz, aUem,was
man geplant hatte ein Ende machen würde. Es kam ein beruhigendes
Schreiben des Kaisers an die Interessenten: »er werde dafür sorgen dasz
sie an ihren Rechten nicht gekränkt würden; sie möchten zu weiteren Ver-
handlung ihre Gesandten nach Prag schicken."

3) VAN BHEYDI, U. 391 cn 411.

-ocr page 35-

Zoo was nu de staat der zaken toen in 1596 het tractaat
der Republiek met
Frankrijk en Engeland tot stand kwam: de
Spanjaard had ons den toegang tot het duitsche Rijk afgesne-
den, en de Rijksvorsten die het meest belang hadden bij die
overweldiging, waren eerst in den strik gevallen dien men
hun onbedrevenheid en goed vertrouwen gespannen had, en
legden zich vervolgens gewillig bij de uitkomst neder. Toch
gaf Oldenbarnevelt de hoop niet op het schier uitgedoofde
^uur in hen op te wekken, en hen te bewegen tot deel-
name aan het door hem beraamde alliantiestelsel.

Het had hem eenige moeite gekost de goedkeuring van
Hendrik IV voor zijn plan te verwerven , daar deze vreesde
door te groote uitbreiding van het bondgenootschap — ook
I>enemarken en Schotland, wellicht Italië moesten er in
begrepen worden, een evenredige krachtsinspanning bij de
tegenpartij op te wekken, waartegen de protestantsche bond
\'^p den duur niet bestand zou zijn, maar toen Elisabeth in
Januari 1596 onverhoopt de noodzakelijkheid had ingezien de
a-lliantie niet langer tegen te houden, bood
zij mede aan, de
protestantsche Vorsten van Duitschland tot toetreding te

1) QedenkstukTcen, II, Inl. XTI, en bl. 21—29, het onder handelsnit-
"^ïukkingen verbloemd schrijven van Calvart aan Oldenbarnevelt (11 Mei
1594) waarin hij hem verslag doet van zijn voorstel aan den franschen mi-
\'iister Bellièvre over «het extenderen der voorn, compagnie (alliantie) tot
^\'^icolaes Sonry (den Keurvorst van Brandenbm-g) en consorten." — "Met-
|®g6nstaande alle mijne remonstrantien, wert mij voor antwoort gegeven, dat
^ Selve nu niet te pas konde komen om vele occasien, onder andere, omdat

een generale compagnie (alliantie) de anderen snspicie geven sonde en
"^^erdeur occasie om eene generale contracompagnie te maeken, \'t welck sij
(Joejj^ souden soo Langnier (Hendrik IV) alleen met Jan Ie Bon
(de
Staten)
handelde."

2) Q-edenTcstuMen II, bl. 116. Oldenbarnevelt beleefde de deelname der
^•^aliaansche staten niet; zij had eerst na 1619 plaats.

-ocr page 36-

bewegen Men kon te eerder hopen dezen voorslag te zien
gelukken daar sedert eenigen tijd een kleine maar bedrij-
vige partij in Duitschland, met de Palts vooraan, onder
die Vorsten een Unie trachtte te bewerken, die wel is waar
telkens op de privaatbelangen van sommigen hunner af-
stuitte , maar die toch misschien door overreding van buiten
tot stand gebracht zou kunnen worden. Vrees voor den
Keizer, die het in zijn macht had hen gevoelig te straffen
of zelfs te vernietigen b. v. de protestantsche stiften, na-
ijver, wrok, zorgeloosheid bij anderen die verder van het
tooneel des oorlogs verwijderd waren dan de westelijke
Rijksvorsten, bovenal de lichtzinnige haatdragendheid tus-
schen Hervormden en Lutherschen, zwarigheden waarop de
pogingen van een gematigde middenpartij — Hessen, Bran-
denburg en Brunswijk reeds schipbreuk geleden hadden,
waren de moeielijkheden die de fransche en nederlandsche
diplomatie ondernamen te vereffenen

Hendrik IV waagde daartoe den eersten stap: hij zond
in het voorjaar van 1597 een gezant, Ancel bij de duitsche
Hoven rond, om hun opening te doen van de plannen
waarvan hij hen deelgenooten wenschte te maken. In au-
gustus volgde een gezant der Staten, de reeds vermelde
Dr. Wyer met hetzelfde doel; beiden oogstten niets dan
teleursteUing: medegesleept te worden in den oorlog
met
Spanje, tegen het verbod van de duitsche staatsinrichting
en buiten \'s Keizers bewiUiging in vreemde verbonden te
treden, zich daardoor misschien te verplichten tot bescher-

1) GedenhstuTcTcen, II, H. 95, Calvart aan de Staten, 12 Maart 1596.

2) EITTES, bl. 53 en 54: die partij bestond voornamelijk uit de Palts,
Tweebrnggen, Anhalt en Baden; gewoonlijk de Corresponderende
Vorsten
genoemd.

3) QedenlcstuTclcen, II, Inl. XXXVI. Eitter, 77—80.

-ocr page 37-

17

ming van belangen waarbij zij zelve niet onmiddelijk betrok-
ken waren, was meer dan van de Rijksvorsten, ook van
degenen die voor de belangen der protestantsclie Unie op-
getreden waren, verwacht kon worden Zelfs bij de en-
kele Hoven waar Ancel eenige geneigdheid tot handelen
had opgewekt, vond Wyer die, geen half jaar daarna weder
geheel uitgedoofd "). Door de bedriegelijke woorden der kei-
zerlijke politiek was het Rijk reeds weer tot de gevaarlijkste
apathie teruggezonken, en nauwelijks was die proef op de
onderdanen gelukt, of zij werd herhaald op het bestuur der
Vereenigde Nederlanden, — die men inderdaad te Weenen
en te Regensburg slechts als afvallige leden van het Rijk
beschouwde; maar ditmaal mislukte de arglistige toeleg,
hoe dikwerf en met hoe grooten aandrang ook herhaald:
geen oogenblik dachten de Staten er aan, de, zich sedert
1590 bijna jaarlijks opvolgende bemiddelings- en vredes-
voorstellen van den Keizer, aan te nemen. Deze volgde
daarin, zoo beweerde hij, de politiek van zijn vader, Maxi-
miliaan II, maar niemand liet zich door dat voorgeven
misleiden: de vorige Keizer was een der rechtvaardigste en
Zachtzinnigste vorsten geweest, die ooit over Duitschland

1) EiTTEE, 78: "die Protestanten füroliteten, nach ihrem Eintritt in den
französischen Bund mochten sie hingeführt werden, wohin sie nicht woll-

ihnen Lasten aufgelegt werden, die sie nicht tragen könnten, fremde
Interessen befördert, die ihrigen aber schutzlos gelassen werden. Und so
^lieb auch der weitere Bund mit Frankreich ebenso ungeschlossen, wie der
®ugere unter den deutschen Protestanten."

80. „Das Ergebnisz war, dasz Heinrich sich weigerte, die Zwecke der
ï\'j\'otestanten auszuführen, diese, sich zu Dienern seiner Absichten zu machen."

2) Q-edenkstukTcen, II, Inleiding XXXTii. De administrator van Maag-
denburg , uit het huis Brandenburg, was de eenige die eenig politiek inzicht
scheen te hebben. Hij was het die, drie jaar vroeger, de zending van Merc-
kelbach aan de Staten te weeg gebracht had.

rJ

-ocr page 38-

den schepter zwaaiden en helde blijkbaar naar de Her-
vorming over , zoodat hij inderdaad den Nederlanden van
harte genegen was; maar Rudolf II was een, in Spanje op-
gevoed kweekeling der Jezuïeten, bijna de
alter ego van
zijn bloedverwant en zwager Philips II; van zijn tusschen-
korast was dus niet het minste heil te wachten, en hoe
onpartijdig zijn voorslagen ook klinken mochten, men paste
er met het volste recht de oude spreuk op toe: „latet
anguis sub herba."

Merkwaardig is de verandering van toon waarop de ver-
schillende aanzoeken werden afgewezen. Het eerste ant-
woord, hoewel vol vastberadenheid, wordt met zekere dee-
moedigheid afgeslagen — bijna is het, alsof de machtige
Keizer den Staten te veel eer aandoet, zich met hun zaken
te bemoeien; later, na het drievoudig bondgenootschap, wordt
de weigering meer onbewimpeld, ten laatste zelfs bits en
ongeduldig: naarmate de gebeurtenissen het algemeen ver-
trouwen versterken, wordt ook telkens hooger toon aange-
slagen, tot dat eindelijk bij de ondei-bandeling over het
Bestand, de erkenning van de Souvereiniteit der Provinciën
en bij gevolg haar volkomen gelijkstelling met het duitsche
Rijk wordt geëischt

De voorspoed der wapenen van prins Maurits bracht
het meest daartoe bij; graaf Willem van Nassau bewoog

1) PE. VON EATJMEE, Gresohichte Deutschlands von der Abdankung
Karls Y bis zum westphälischen Frieden, in den tweeden en derden jaar-
gang van het Histor. Taschenbuch (1831 en 1832), 2de jaarg. bl. 7—9.

2) EM. VAN MEETEEEN, Nederl. Oorlogen, 20ste boek, folio 392, ver-
haalt dat keizer Maximiliaan placlit te zeggen dat het Tirannen waren, die
wilden Religie of Conscientie dwingen, en met zulk geweld het volk in den
Hemel dringen."

3) Vg. JOAN MEEEMAN, spèc. jur. puhl. de solutione vinculi quod olim fuit
inter S. R. Imperium et Foeder. Belgii Respublicas. Lugd. Bat. 1774 p. 96 sqq-

-ocr page 39-

de Staten, omstreeks dezen tijd den oorlog niet langer
verweerender, maar ook aanvallender wijze te voeren,
zoodat degenen die te voren nauwelijks in staat geweest
waren hun eigen gebied te beschermen, nu den vijand op
het zijne aantastten. Maar niet alleen jegens den Keizer
ook jegens onze bondgenooten werd daardoor de verhou-
ding aanmerkelijk gewijzigd: had Elisabeth
geboudeerd over
het wedervaren van Leicester en Willougby hier te lande,
Oldenbarnevelt durfde haar nu ronduit verklaren, dat zoo
zij tot vrede met Spanje neigde, zij de haar verpande ste-
den, Vbssingen en den Briel aan de Staten zou moeten te-
ruggeven i), daar dezen de vervreemding van twee zoo be-
langrijke vestingen niet zouden kunnen gedoogen. En hetgeen
eenige jaren vroeger niet gebeurd zoude zijn, de hoovaar-
dige koningin liet zich gezeggen — „la Reyne s\'est rendue
fort traitable," meldt Buzanval. En hoe de koning van
Frankrijk ons reeds niet meer als zwakke beschermelingen
verschoonde, blijkt uit de woorden van het merkwaardige
„mémoire sur la liberté du commerce des neutres" van
dienzelfden diplomaat „on endure beaucoup de choses des
enfants et des désespérez, qui n\'ont rien à perdre, lesquel-
les on ne souffriroit nullement de personnes qui seroient en

aage, bien sensées et qui auroient de quoy...... Puis on

étoit bien aise à ce commencement, de laisser croître cette
épine que feu M. le Prince d\'Orange avoit mis aux pieds

1) Corr. de BtrzANTAI, bl. 9. «Car de les retenir en seqnestre, ces
^tessieurs luy ont déclaré rondement qii\'ils ne le pourroient permettre, et
qu\'ils se précipiteroient plutost en toutes extrémitez, que. d\'endurer dans
leur corps deux membres si essentiels, comme sont Elessingne et la Brille,

ne participeroient point aux fonctions d\'icelles, et qui en seroient
comme séparés par une neutralité." Vg. ibid. 292 en 293.

2) Corr. de buzanval, bl. 359.

-ocr page 40-

du Eoy d\'Espagne, duquel la grandeur étoit formidable
pour lors, et la petitesse de cet Etat méprisable, mais main-
tenant il en ira bien autrement" enz.

Zijn eerste voorstel deed keizer Rudolf in liet eind van
1590, nadat een talrijke ambassade van wege de Vorsten
van den westfaalschen en den Rijn-kreits, die bij Parma
en bij de Staten de volkomen ontruiming der landen van
Cleve en Gulik had moeten bewerken, te Brussel in het
geheel niet, en te \'s Hage slechts gedeeltelijk was geslaagd.
Het zal wel niet de bedreiging geweest zijn, dat alle Keur-
vorsten en Vorsten „naar de Constitutie des heihgen Room-
schen Rijks" voor de klagende partij tusschen beide zouden
komen, die Oldenbarneveh tot toegeeflijkheid stemde, maar
toch deed hij eenige der bezette vestingen, o. a. Wesel, het
kasteel en de schans van Büderich, het kasteel Westerhoh
ontruimen ; de teruggave van Schenkenschans en Ysel-
oordt waarvan het bezitrecht twijfelachtig was, weigerde

1) Het gezantschap der Rijksvorsten bestond, volgens v. meeteken (15de
Boek, fol. 293—95) uit
oaspab van elty, stadhouder van Langsteyn,
adam gantz heer tot Potlitz, respeotivelijk raadsheeren der keurvorsten van
Maintz en de Palts,
otto van welmeeenchuysen stadhouder-generaal van
het kwartier van den Nederrijn,
wijnandt van eeeoeedt overste kamer-
ling van den hertog van Cleve,
jan baüman en beenaed van pftz, li-
cenciaten en ambassadeurs der Kreitzen.

KronijTc v. li. Hist. Gen. 1859, de Raad van State aan de Regeering van
Cleve, 24 September 1590: //na langer oommunicatie mett den aJFgesandten
van Chnr- und Fürsten des Eijcks geholdenn is bij HH. Gen. Staten der
Ver. Nederlanden gut gevunden ende vur raetsaem aengesien die Plaetzenn
van nnse Erijgsvolek op des Rijckes bodem inghenomen, widernmb in tho
ruimen" enz.

2) De teruggave van Schenkenschans (\'s Gravenweert) en Tseloordt werd
later nog geweigerd aan
nicoiaas mnck gezant der bisschoppen van Luik
en Keulen (meeteken f. 295) en in 1592 aan Hendrik van wittenhoest,
gezant van den hertog van Cleve {KronijTc Histt. G-en. 1863, bl. 260).

-ocr page 41-

hij echter, even als de opening der stroomen, waarvan de
vijand groot voordeel zou hebben kunnen trekken, natuurlijk
alles van een omstandige uiteenzetting van redenen vergezeld.
Misschien door deze inschikkelijkheid der Staten aangemoe-
digd , trad de Keizer nog datzelfde jaar als bemiddelaar tus-
schen hen en Spanje op en deed het voorstel den, in 1578 te
Keulen afgebroken vredehandel te hervatten, hetgeen volstrekt
geweigerd werd, daar de Staten, door een onderschepten
brief i) van den spaanschen gezant te Weenen, overtuigd wa-
ren dat de Keizer hen slechts in een strik wilde lokken. Maar
hij was door dezen eersten tegenspoed geenszins afgeschrikt;
nadat het geheele jaar 1591 met over-en-weer schrijven
verloopen was, hervatte hij zijn pogingen in het begin van
1592, toen een zijner gezanten te Brussel, Otto Hendrik
van Bylandt baron van Rheydt 2), bevel ontving nieuwe on-
derhandelingen in den Haag te gaan voorstellen. Maar deze
zending liep niet beter af dan de vorige; hoewel met alle
onderscheiding bejegend, en met een
kostbare gouden keten
vereerd, terwijl naar diplomatisch gebruik dier dagen de

1) Archives, II, Série I, bl. 177—181, graaf Willem Lodewijk aan
graaf Jolian van Nassau.

2) Kronijl v. h. Hist. Oen. 1863, bl. 26. Resolutie der Staten \'s Lands
vau Utrecht omtrent de komst van den vrijheer van Rheydt te \'s Hage.

Floris van Heermale, gedeputeerde ter vergadering van H.H. Generale
Staten, vraagt instructies omtrent »een saeck van soo groote importantie,
■waermede S. Keiseri. Maj. sich sedert een jaer gelieft te bemoeien." Daarbij
legt hij de volgende diplomatische stukken van 1591 over:

Missive van HH. Gen. Staten en Raden van State der Vereenigde Ne-
derlanden omtrent den Vredehandel van Z. Keizerl. Maj. 1 Jan. 1591.

Missive van de Generale Staten aan voorn. Gezanten 11 October 1591.

Missive der voorn. Gezanten uit Keulen 24 October 1591, en antwoord
der Staten Gen. daarop, 9 November 1591.
mbetbeeh, folio 301; tbeede,
G-esch. der Nederl. Dipl. II, I, bl. 253. Archives, II, I, 173 en 174,
landgraaf Wilhehn van Hessen aan graaf Johan v. Nassau, 7 Aug. 1591.

-ocr page 42-

Staten al de kosten van zijn verblijf voor bun rekening
namen, v?erd bij met een uitvoerig schrijven teruggezonden,
waarin alle sedert 1574 door Spanjes loosheid mislukte
vredehandelingen werden opgesomd, en vooral werd ge-
drukt op het feit dat Philips II in 1586 en 1587 ook
voorgaf den vrede te zoeken, om intusschen ongestoord de
Armada te kunnen uitrusten; dat men geen reden had te
gelooven dat Spanje nu oprechter zijn zou, en het ook
zeker nooit de voorwaarden der Staten, vrije godsdienst-
oefening, vertrek der spaansche troepen, enz. zou goed-
keuren. De Keizer kon niet anders dan vooreerst in deze
weigering berusten, en zich op den Rijksdag van 1594 be-
klagen dat „de bevredinghe bevonden was swaer te weghe
te brengenOok verhepen er drie jaren voor dat hij
het waagde de ondankbare taak weer op te vatten: Olden-
barnevelt was daarvan intusschen niet van vredesvoorslagen
verschoond gebleven: nu eens waren zij hem gekomen van
den gouverneur zelf der spaansche Nederlanden, aartshertog
Ernst, dan weder, naar voorgegeven werd buiten weten van
de Regeering, door de Staten der zuidelijke gewesten, maar
al die voorstellen werden voor en na afgeslagen, ook en
zelfs weer met minder ceremonie toen de Keizer in maart
1595 een briefwissehng over een nieuwe" onderhandeling
wilde openen Het gevaar dat de gezamenlijke Christen-
heid van den kant der Turken dreigde, was het thema van
zijn schrijven, dat niet zoo bepaald in den wind geslagen

1) meeteeen, f. 320.

2) Kroniß v. h. Ilist. Gen. 1865, bl. 154, wag-enaae, VIII, 436,
eittee, bl. 124: "jene Paoiflcationsverhandlungeu des Kaisers und des
Eeichs waren fast so alt als der niederländische Krieg und so naclidruoklos
und unfruclitbar, dasz die Staaten wiederholt aufs Bestimmteste erklärt hat-
ten, nichts mehr von denselben hören zu wollen,"

-ocr page 43-

werd. of het volgend jaar (1596) kondigde hij op nieuw,
op verzoek van aartshertog Albert van Oostenrijk, het voor-
nemen aan een gezantschap naar den Haag te zenden. De
Staten, nu onlangs door het drieledig verbond versterkt,
weigerden
natuurlijk in eenig vergelijk met Spanje te tre-
den, waaruit de Spanjaarden aanleiding namen hen als
oproerig, twistziek en afkeerig van den vrede voor te stel-
len, en toch was nog geen jaar daarna weer een keizerlijk

gezant in den Haag.

Wanneer men bedenkt dat werkelijk Rudolfs verstand
op het eind van zijn leven eenigsints beneveld was, dan
zou men bijna vermoeden dat nu reeds de bevrediging der
Nederlanden een manie bij hem geworden was; althans de
onverzettelijkheid waarmede hij telkens zijn voornemen weer
opnam schijnt weinig te strooken met de majesteit van bet
Rijk, die, zooals hij aan de Staten schreef, niemand on-
gestraft bespotten zou

De koning van Polen achtte zich ook, omtrent dezen
tijd geroepen een poging tot vrede te doen, maar zijn be-
moeiing en de door hem uitgekozen diplomaat oogstten alom,
vooral aan het Hof van Elisabeth, niet dan verachting en
spot Die poolsclie maskerade werd op den voet gevolgd
door een gezant van den Keizer (aug. 1597), nadat de
Staten brieven van vrijgeleide voor een aanzienlijke am-
bassade geweigerd hadden, omdat zij vreesden, door het
afslaan van den vrede te groote opspraak te verwek-

1) wagenaab, VIII, 479.

2) Q-esoh. der Nederl. Dipl. II, I, 254.

Die gezant, Paul Dzialinsky hield volgeas v. meeteeen, (fol. 356) »een
oratie, met groote vrijheidt ende stontheydt Inyt nytgesproken ghelijok als
een moniok op den stoel preeckt."

-ocr page 44-

24

ken Bij gevolg verscheen alleen de hongaarsche geheim-
raad
CABL NÜTZEL in den Haag om zich te beklagen over
den geringen eerbied dien de Staten aan het daitsche Eijk
toedroegen, daar men alle legatiën poogde te weren, zelfs
degene die niet alleen over den vrede te handelen hadden,
maar ook over andere quaestien, die de welvaart der Ver-
eenigde Gewesten niet minder betroffen dan die van het
Rijk. De Staten antwoordden, dat al die legatiën hun
„onnoodich, ondienlyck en bedenckelyck" voorkwamen, daar
zij sedert lang en voor goed den koning van Spanje de
gehoorzaamheid hadden opgezegd, een mager antwoord waar-
mede Nützel naar Brussel kon vertrekken, van waar hij
zich als gewoon agent van den Keizer naar den hertog van
Cleve en Gulik begaf, die in den zomer van 1598, „rede-
lyck te passe" zijnde, in de voornaamste steden van zijn
land gehuldigd werd, en in persoon de teugels van het be-
wind aanvaardde

Het begin van dat jaar had zich weer gekenitierkt door
uitgebreide diplomatische bedrijvigheid. In februari ver-
schenen gezanten van den keurvorst van Keulen, daaronder
een spaanschgezind bloedverwant van prins Maurits, graaf
Johan van Nassau, om teruggave te eischen van Rijn-
berk 3), dat het vorige jaar weer op de Spanjaarden ver-
overd was, een wapenfeit dat bovenal had moeten dienen
om den Duitschers een goeden dunk van prins Maurits en
zijn leger in te boezemen, en hen, zoo mogelijk tot mede-

ill t

;i, I

■•I I

ii\'

Jl

1) v. meeteken, 359 en 360. wagenaae VIII, 478.

2) buzanvai a villebot, Corr. bl. 327. meeteken, 381; ook de
Koning van Denemarken deed een poging tot vrede, echter alleen als diplo-
matische beleefdheid jegens Spanje,
mbeteeen, f. , Geclenlcst\'ulcJcen, II,
159—161.

3) MEETEKEN, f. 381.

-ocr page 45-

werking aan te sporen De Staten wilden van die ont-
ruiming niet hoor en, dan onder voorwaarde dat de Keurvorst
van aartshertog Albert de belofte verkrijgen zou, voortaan
geen aanslagen meer te ondeimemen op plaatsen gelegen
op Rijksbodem en meer bepaald in het stift Keulen, maar
daar deze belofte niet verkregen werd, werd Rijnberk ook
niet ontruimd.

Van grooter gewicht waren de gelijktijdige negotiatiën
Van Spanje en Frankrijk, die weldra, tot niet geringe ont-
steltenis der Staten tot den vrede van Vervins voerden
(5 mei 1598); vergeefsch was hun pogen dit verdrag te voor-
komen: zelfs de kunst van Oldenbarnevelt in persoon, met
den admiraal Justinus van Nassau naar Hendrik IV ge-
zonden , vermocht niet het behoud van het bondgenootschap
te bewerken Met moeite werd Engeland overreed den
Oorlog door te zetten; een invloedrijke partij in de naaste
omgeving der Koningin, en daaronder de kanselier, Lord
Burghley, neigde sterk tot den vrede, maar het gelukte
Oldenbarnevelt, uit Nantes naar Engeland overgestoken, alle
bezwaren uit den weg te ruimen, en althans dien eenen
bondgenoot te bewaren 3).

Nauwelijks nog was die tijding vernomen, of het bericht
^Wam dat aartshertog Albert het geestelijk gewaad zou af-

1) G-edenksttMcen, II, Inl. xxxvn.

Buzanval aan du Pleasis-Mornay : «Voilà le Ehin aiïpanchi — Ie passage
®st coupé aux ennemis — nons tendons la main à l\'Allemagne."

2) Qesch. der Nederl. Dipl. II, I, 266 en vgg.

^edenTcstuTcTcen II, Inleiding XIV—M en bl. 176—246: Verb, van Jns-

tinm

van Nassau en Oldenbarnevelt.

3) Q-edenTcstuTclcen II, Inl. li—ivi. 248—256. In november bracht

ïT

oratio Vere de ratificatie van het verdrag naar den Haag. Corr. de BU-

^^nval, bl. 27.

-ocr page 46-

leggen en in het hiiwelijk treden met de Infante van Spanje,
aan wie dan de Nederlanden als bruidschat zouden worden
afgestaan; een plan dat hier met de grootste ingenomen-
heid werd begroet, omdat men daardoor hoopte voor goed
van den Spanjaard verlost te zullen worden, een vooruit-
zicht dat natuurlijk volkomen onvervuld bleef.

Bij de cessie der zuidelijke Nederlanden aan de Infante,
maakten derzelver Staten, gelijk hun recht was, hun voor-
waarden. Daaronder was ook die, dat hun bemiddeling ge-
bruikt zou worden om den vrede met de noordelijke Ge-
westen te verkrijgen. Dientengevolge schreven de Aartshertog
en de te Brussel vergaderde Staten aan de Staten-Generaal
te \'s Gravenhage om hen tot den vrede te vermanen maar
zij vonden bij hen geen gehoor evenmin als bij den Stad-
houder, die tegelijk brieven ontving van zijn broeder Philips
Willem, van den hertog van Aerschot en den marquis
d\'Havré, waarin hem o. a. het opper-commando over de
spaansche troepen in Hongarije beloofd werd. Hoe weinig
vertrouwen dergelijke fraaije beloften verdienden, bleek uit
de onderschepte brieven, en wie met het geheim van 01-
denbarnevelts politiek bekend was, begreep volkomen dat
de tijd tot verzoening nog niet gekomen, die van onder-
werping reeds verloopen was*). De onderhandehngen wer-
den dan ook spoedig door krijgsbedrijven vervangen. De

\'i If.

I

it\'

[ !

H i-\'\' i

\'Siml

1) G-edenkstuTcken, II, 172 ea 173.

buzafvai, Corr. 27, "Le Conseil de Bruxelles et autres de delà conti-
nuent de les presser de prendre quelque résolution à T acheminement d\'un
accord, et croyent que leurs persuasions doivent avoir plus de lieu mainte-
nant que leui-a affaires prospèrent et que celles de deçà décroissent par les

conquestes de l\'Amirauté d\'Arragon: mais.....si longtemps, que ledit

Amirauté ne se fera passage su.r la rivière d\'Isel, tous ses acquests seront
de peu d\'importance" (17 Nov. 98).

2) Corr. de btjzanval bl. 6 en 7. wagenaab IX. bl. 10—12.

-ocr page 47-

onverschilliglieicl waarmede het meerendeel der duitsche
Vorsten den oorlog, met de belegering van Rijnberk op
I^ijksbodem hadden zien overbrengen, gaf den Amirantvan
Arragon, don Francisco de Mendoza aanleiding, een inval
in de Betuwe uit Cleve en Gulik te beproeven^). Prins
Maurits voorkwam het gevaar en wierp bij tijds zijn troepen
in de geldersche grensvestingen, Weert bij Zevenaar, Rijn-
berk, Grol, Bredevoort en Doesburg, zoodat den Spanjaar-
den de pas werd afgesneden. De tocht van den Amirant
bepaalde zich derhalve tot het duitsch grondgebied, waar
door zijn soldaten op de gruwelijkste wijze werd huisgehou-
den 2). Behalve verscheiden kasteden, meest door het laag-
hartigst verraad verkregen, daar Mendoza zich niet ontzag
zijn gegeven woord onder het geringste voorwendsel te bre-
ken , nam hij Orsoy, Alpen, Meurs, rantsoeneerde Wesel
en sloeg eindelijk het beleg om Rijnberk, dat, nadat de
pest er was uitgebroken en het springen van een kruidtoren
®en wijde bres in den wal gemaakt had, zich moest over-
geven. Daarop, den strijd met Maurits ontwijkende, trok de
Amirant uit Cleefsland naar het stift Munster, dat aan
^ijn bondgenoot den keurvorst van Keulen behoorde, en
het graafschap Recklinghausen, en door het hertogdom Berg

eheydt, 524. meeteeen, 384. eittee, 88—99. buzanval , bl. 202.
"Voulant passer sur le ventre des Allemans pour venir à eux."

2) buzaîttal, bl. 46: «la pauvre conduite de l\'Amirauté en cette guerre,
les excez qu\'il a permis aux siens, n\'ayant eu respect ny à amis, ny à

ennemis, ny aux choses sacrées, ny aux choses profanes, a fort enaigry les
^latières et rafraichy les vieilles playes espagnolles par deçà."

3) îehibeet du bois, Biplomatische Berichte an den Pürsten Ludwig
Anhalt, von 1605 bis 1620, I, 86: »quel famosissimo Sign. Conte di

i\'ouch chi fu amazzato cosi crudelmente dalla rabbiosa banda de\' Spaig-
quando l\'Amirante faceva quella segnalata bravura alle terre neutrali
Imperio, come ci è una cosa assai notoria al mondo."

mil

-ocr page 48-

en het graafschap Marek naar den Rijn terug, overal vriend
en vijand plunderend en brandschattend, en het land ver-
woest en uitgezogen achterlatend. Te vergeefs vermaande
hem \'s Keizers gezant te Cleve, Carl Nützel, het onzijdig
gebied te verlaten i), Mendoza spotte met zijn bedreigingen
en ging voort met de verovering van Calcar, Cogh, Gennep
en Xanten.

Zoo verregaande trouwbreuk bracht toen ten laatste een
zoo algemeene verontwaardiging in Duitschland te weeg dat
de naburige Vorsten, zelfs degene die de spaansche zijde
hielden, ten spijt van de lauwheid des Keizers tot handelen
besloten 2). Maar dit voornemen was gemakkelijker opgevat
dan uitgevoerd; goede raad was duur: de Stenden van Cleve,
door de prinses Sibylla, jongste zuster van den Hertog, aan-
gevuurd , hadden dadelijk na den inval der Spanjaarden den
westfaalschen kreits om hulp aangeroepen: eerst drie maan-
den daarna was uitgemaakt dat de krachten van dien kreits
alleen niet toereikend zouden zijn s); de medewerking der
kreitsen van den Boven- en den Nederrijn zou derhalve wor-
den gevraagd: eerst weer twee maanden later waren de ver-
tegenwoordigers van deze drie te Keulen vergaderd:^) na
een debat van zes weken verklaarde men zich nogmaals te
zwak en werd een nieuwe dagvaart te Coblentz beschreven,
waartoe ook de nedersaksische en frankische kreitsen werden

1) EITTEE, 103.

2) EITTEE, 100—136. Anstalten des Eeichs und der Coi-respondirenden
zur Vertreibung der Spanier.

BITZANVAL, 352. Mémoire relatif aux affaires d\'Allemagne, Février 1599.

Ibid. 47. "Le pauvre Duc de Cleves fait pitié au monde, lequel il®
dépouillent tous les jours. On a opinion qu\'ils essayent de l\'attraper pour
le mener à Bruxelles, et en faire à leur reste" etc.

3) EITTEE, 101.

4) EITTEB, 102.

-ocr page 49-

opgeroepen. Maar het saizoen was mtusschen verloopen,
de vergadering te Coblentz werd eerst in maart van het
volgend jaar geopend, en daar door de geleidelijke uitbrei-
ding der vergaderiug het aantal kathoheke stemmen zeer
toegenomen was^), bleek alras de groote verdeeldheid der
gevoelens. Toch dreven eindelijk de Corresponderende Vor-
sten de Rijksexecutie door: het plan was zoowel Spanjaar-
den als Staatschen van den Rijksbodem te verdrijven, maar
door de richting dergenen die de uitvoering van dat besluit
op zich namen, was de maatregel toch inderdaad uitsluitend
anti-spaansch en anti-katholiek, te meer daar de Staten,
na het verlies van Rijnberk, niet veel gewichtigs meer over-
gehouden hadden 2).

De Corresponderende Vorsten hadden om tot die eens-
gezindheid te geraken, in den loop van den winter twee af-
zonderlijke bijéénkomsten te Frankfort belegd, die tevens
boop gaven het weer opgevatte plan tot een evangelische
Unie te verwezenlijken De tweede dier bijéénkomsten
(febr. 1599) was verreweg de talrijkste. De keurvorst van
Brandenburg die eerst geweigerd had aan den aandrang
^ö^n de Palts en den markgraaf van Anspach gehoor te
geven liet er zich nu toe vinden: ook Hessen-Darmstadt,

1) b1ttee, 105—107.

2) BITTEB, 103. "Während jedoch die Kurfälzer den Katholiken Par-
theilichteit für die Spanier vorwarfen, ergriiTen sie seihat die Partei der
Staaten. Denn auch deren Truppen waren in\'s Clevische eingedrungen ....
aber die Kurpfälzer entschuldigten das Yorgehen derselben mit der Behaup-

dasz sie durch die Spanier dazu gezwungen seien; sie instrnirten ihre
^ösandten zum Coblenzer Kreizconvent, dasz sie alles, was znm Vortheil der
Staaten gedeihen möchte, zu befördern hätten."

3) bittee, 111—125.

4) btjzanarai,, 42. bittee, 110: "Den Markgrafen von Anspach be-
^egte neben den allgemeinen Befürchtungen der protestantischen Stände,

-ocr page 50-

Lunenburg en eenige kleinere Souvereinen. Alleen Keur-
saksen niet , welks aanspraken op Cleve en Gulik het te-
genover Palts en Brandenburg zich nauw aan de zijde des
Keizers deed sluiten \').

De Vorstendag te Frankfort kwam tot het besluit Spanje
den oorlog aan te doen, ook buiten de Rijksgrenzen, maar
om daartoe te geraken schoten eigen krachten te kort; toch
weigerde de meerderheid zich in een verbond met de Staten
te begeven: de machtige monarchen van Frankrijk en En-
geland hadden het niet beneden zich geacht, zich met een
Republiek te verbinden, maar de hoogmoed der kleine duit-
sche Potentaten schrikte daarvoor terug, vooral daar er
een oogenblik zou kunnen komen, dat men de ondersteu-
ning dier verachte Republikeinen zou moeten inroepen 2).

das Interesse seines Hauses, welches ihn mahnte, die Jülicher Lande
aus der Hand der Spanier zu erretten. Wie er desshalb früher die Hilfe
einer protestantischen Union hatte benutzen wollen, um Brandenburgs
Jülicher Ansprüche zu verwirklichen und zu sichern, so wollte er jetzt
die Macht des Protestanten verwandt sehen, um die Jüliclier Lande und
das ganze Eeich von den spanischen Truppen zu befreien .... auch jetzt
meinte es dasz man den Beistand der Staaten, ja aller Feinde Spaniens:
Frankreichs, Englands, Dänemarks, der Schweiz und der Hansa beanspru-
chen solle." enz.

1) eittee, 124 en 125. Deoysef, II, 2, bl. 582, 593.

2) eittee, 126 en 127. De Paltsgraaf rekende geheel op de hulp der
Staten (122) maar Brunswijk was er sterk tegen, 127. "Er liesz die Yersam-
melten fragen, ob es denn,so weit mit den Deutschen gekommen sei, dasz
die sich nicht mehr selbst gegen ihre Beleidiger wehren könnten? Wie er,
so sah auch Hessen der Plan als anehrenhaft an: und so blieb der Vor-
sehlag unangenommen."

Brandenburg liet zieh leiden door de overweging dat (III) "die Staaten
die Spanier aus den Jülicher Landen vertreiben möchten: aber sie dazu,
aufzufordern ujid ihnen die Hilfe der deutschen Protestanten zu versprechen,
wie Anspach ihm zumuthete, schien ihm zu bedenklich, weil er nicht den

-ocr page 51-

Minder omslag maakte men reeds dadelijk hulp bij Hen-
drik IV te laten vragen Intusschen besloot men een
leger van 12,000 man voor drie maanden te velde te bren-
gen, wel een bewijs hoe weinig men zich bewust was van
de aan zulk een onderneming verbonden bezwaren.

Vier der protestantsche Vorsten, Palts, Brandenburg,
Hessen en Brunswijk werden tot Directoren benoemd ,
maar toen het er op aan kwam den kamp te wagen bleven
de meest oorlogzuchtigen, Anspach en Brunswijk alleen over.
Slechts op Brandenburg konden zij rekenen: de landgraaf
Maurits van Hessen, naijverig op den Hertog van Brunswijk
dwarsboomde al diens voornemens: de Hertog was vooral
degene geweest die te Frankfort had afgeraden zich met
de Staten te verbinden; de Landgraaf daarentegen sloot in
Klei 1599 een verbond met de Republiek, en begon daarop
den oorlog op zijn eigen hand Reeds was hij in het veld
Verschenen, toen de overigen zich nog te Maagdenburg \') be-
rieden met de leden der nedersaksische en westfaalsche
kreitsen. Eerst in den zomer verschenen ook zij op het
tooneel des oorlogs; Mendoza had reeds lang de hertog-
dommen verlaten, alleen in eenige steden — Rijnberk, Rees,
Emmerik, Grogh, Calcar en Gennep —• had hij garnizoen ge-

Vorwiirf tragen wollte, den niederländischen Krieg in die Jülicher Lande
gezogen zn haben."

btjzaîtval, 234. "Pour moy je ne croy pas que cette colère allemande
•lure, et qu\'elle fasse rien qui vaille, s\'ils ne se joignent avec de plus par-
ticulières intelligences avec cet Estât, qu\'ils n\'ont fait."

1) bitteb, 127. BÜZANVAL à villeeoy, 5 Avril 1599. Corr. 132, 133.

2) bitteb, 133.

3) Eittee, 143 en 144. Archives, II, I, 421.

4) bxjzanval , 196, »la journée de Magdebonrg à ce que l\'on dit a un
peu regailkrdy les afiaires desdits Princes."
 5

Ibid. 339—331, »ainsy cependant telles disputes le rosti se brusle."

-ocr page 52-

laten Die plaatsen te herwinnen was het doel der duit-
sche Vorsten; de staatsche troepen, wier hulp zij versmaad-
den , uit Lingen en de Schenkenschans terug te drijven gelijk
het oorspronkelijk plan geweest was, was nu geheel opge-
geven. Dat ook het eerste mislukte, ligt voor de hand:
wel werd het beleg voor Rijnberk en Rees geslagen, maar
het duitsche leger was zoo ellendig samengesteld, en zelfs
niet van het allernoodigste voorzien, dat de tijd waarvoor
de troepen in dienst genomen waren, verstreek voordat er
iets wezenlijks was uitgericht Reeds begon het leger te
verloopen en hadden de Vorsten eindelijk besloten van de
Staten eenige duizend man hulptroepen te verzoeken, toen
een gelukkige uitval der bezetting van Rees het beleg deed
opbreken, waarna het geheele leger weldra verstrooid was

Zoo eindigde een onderneming die met zooveel moeite
en taai geduld was voorbereid, maar van wier welslagen
men zich hier te lande slechts weinig had voorgesteld:

1) RITTEE, 144.

2) BUZANVAL, 276, 279, 299.

3) MEETEKEN, 411, "die groote G-ereetschappe des Eijcks ende Eijcks-
Vorsten verdween, als een roock."

EITTEB, 145—^148.

4) BTJZANVAii, 155, "II faudra bien de bons pilotes pour faire voguer
un navire si mal armé et équipé : on en espere peu icy, mais on fait ce
qu\'on peut pour en tirer profit, et vaille qui vaille."

EHEYDT, f. 350. "Vreemt wasset dat die Duytsers ende Nederlanders
eenerley gem eenen vijandt hebbende, noch thans niet naerder \'t samen span-
den, jae ten beyden sijden swarigheydt maeckten malokanderen onderlinghe
hulp te doen ende verkoosen liever met verdeylde macht elck op sijn ma-
nier met gevaer ende onseekerheyt \'t oorlogen als met gemeenen raet ende
daet een gewis cort eynde
te maken."

Onder de beweegredenen der Duitschers noemt hij o. a. het /-verwijt van
d\' onderdanen tegens haren Ooninck te stijven."

"De Staten stelden sigh voor ooghen de swarigheydt die men meesten-

-ocr page 53-

de Staten die prins Maurits reeds menige overwinning hadden
zien behalen
verlangden geenszins het getal zijns legers in
schijn te
vermeerderen, maar inderdaad te verzwakken door
eene vereeniging
met de ongeoefende duitsche benden uit te
lokken, wier Vorsten zeker den hun in rang ongelijken Stad-
houder niet hoven zich geduld zouden hebben, daar zij reeds
onder elkander zoo hevig over het opperbevel hadden gestreden.

De strooptocht van den Amirant had plaats gehad in
de afwezigheid van den Aartshertog, die in het najaar van
1599 met de Infante in Brussel aangekomen, terstond in
de hoop hun blijde inkomste door een algemeenen vrede
heuglijk te maken, den Keizer verzocht nogmaals daartoe
een gezantschap tot de Staten te willen afvaardigen. Dien-
tengevolge verschenen in december 1599 Salentyn, graaf
en heer tot IJsenburg, Horman graaf tot Manderscheydt
en de ridder Carl Nutzel in den Haag, i) welke aanzien-
hjke ambassade de Staten eenigermate schijnt verrast te
hebben "). Toch liet hun antwoord zich niet wachten: wat

deels vaa vrienderLlmlp lijdt en sorghden datmen een ghemeyn leglier op-
rightende aen \'t gebiet disputeren sou."

1) MEBTEBEN, f. 412. .Codex Diplomaticus nitgeg. door het Mist. Qen.
1852, Lettres de Buzanval, 205, 229—231, 241, »Ie comte de Mander-
®cheyd est un bon vienx seignexn-; Carlo Nntzel est plns fin et plus trinquardt."

Ook Saksen spoorde den Keizer aan zijn bemiddeling aan de Staten op
te dringen,
eittee, 123 en 124, »die Knrsächsisohen Staatsmänner baten
damals den Kaiser die Vermittlungsversuche des Eeiohs, welche doch die
Staaten sich wiederholt verbeten hatten, den kriegführenden Parteien aber-
®ials aufzudrängen (nov. 1598). Besser als Krieg zu führen schien es ihnen
daher, dasz das Eeich sich selbst, Spanien und die Niederlande zugleich
dem Frieden beglücke .... wenn auch den Verhandlungen einstweilen
kein Erfolg zu versprechen sei, so könnte man doch wenigstens darüber
herathen und nnter den Debatten die gegenwärtige Eathlosigkeit zudecken."

2) Over de onoverkomelijke bezwaren tegen den vrede, Gesch. der Ne-
Dipl.
II, I, 286.

-ocr page 54-

het teruggeven der in Duitschland hezette plaatsen hetrof^
daartoe verklaarden zij zich bereid, maar omtrent den vrede
hieven zij in hun vroeger besluit volharden, zelfs met meer
klem dan te voren sedert de Spanjaarden ook duitsche
vorsten en staten niet hadden ontzien; dat de Keizer voor
dat hij zich met de zaken der Provinciën bemoeide, liever
zijn eigen onderdanen moest tevreden stellen; dat zij hij ge-
volg de ambassadeurs van Zijne Majesteit verzochten af te
zien van een voornemen, waarin hem toch geen genoe-
gen zou kunnen gegeven worden. Dus, onverrichter zake,
togen de gezanten in de eerste dagen van 1600 naar
Brussel, waar zij den Aartshertog reeds naar het leger ver-
trokken vonden, zoodat zij teleurgesteld werden in de ver-
wachting de teruggave van Eijnberk aan den bisschop van
Keulen te verwerven, tegen welken prijs de Staten Emme-
rik ontruimd zouden hebben voor den hertog van Cleve
Ook prins Maurits rustte zich reeds tot den veldtocht toe,
die dit jaar in Vlaanderen gevoerd zou worden, en met den
roemrijken slag van Nieuwpoort werd besloten. Nu kon
men, zonder door den voorspoed der wapenen bedwelmd
te zijn, de vredesvoorslagen van Albert en Isabelle afwij-
zen^), de bevestiging der onafhankelijkheid werd terecht
gezocht in den strijd, die, nu niet meer met wanhopige
verwoedheid gevoerd, na nog eenigen tijd van volhardende
inspanning een volkomen zegepraal kon doen hopen s).

De duitsche Vorsten namen daaraan geen onmiddelijk

1) MEETEEEN, f. 428.

2) MEETEEEH", f. 428, zending van den graaf van Hornes naar het leger
voor Bergen-op-Zoom.

3) BUZANVAi, fevr. 1549, 107, "je crois, Sire, que cette année sera la
crise de leur état."

Ihid. 129. "Toutefois cet Estât est capable de se maintenir, s\'il est

-ocr page 55-

aandeel; de ongelukkige uitkomst van de Eijksexecutie had.
hen afgeschrikt zich verder met de Spanjaarden te meten,
maar sommigen onder de meest ijverigen hadden al dade-
lijk besloten den Staten langs een anderen weg hulp te bie-
den. De Hoven van Dillenburg en Heidelberg, en vorst
Christian van Anhalt stonden aan het hoofd dezer bewe-
ging, wier doel was de Staten door geldelijke ondersteu-
ning tot voortzetting van den oorlog in staat te stellen \').
Craaf Jan van Nassau handelde daarover in den Haag ge-
durende den winter van 1599 tot 1600; de ontruiming van
bet duitsche gebied door de Spanjaarden en de geheele
Vernietiging der verbintenis tusschen de Corresponderende
borsten wees van zelf dezen weg aan de Palts werkte
daartoe in Duitschland mede: uit naam van den Paltsgraaf
deed graaf Johan v. Nassau de jongere, voorstellen in dien
bij den keurvorst van Brandenburg, de vorsten van
Aixhalt -Dessau, Brunswijk en Hessen-Cassel, en vorst Chris-
tian van Anhalt bij den markgraaf van Anspach Echter

®outeuu, et d\'autant plus capable, que de soy-même il fait des efForts ex-
trêmes pour ne défaillir point."

Archives, II, I, xxv en 457, graaf Willem Lodewijt van Nassau aan
"^\'orst Christian van Anhalt: »Les affaires sont en tel état que moyennant

la constance et du zèle, nous sommes ici parfaitement en mesure de nous
\'défendre contre nos ennemis ; chose aussi nécessaire pour le maintien de la
liberté de l\'Allemagne, que pour le salut des Pays-Bas."

1) G-edenksiukTcen, II, Inl. xxxix. bit tee, 262.

2) rittee beweert bl. 262 dat de Staten »den Grafen Johann von Nassau
l^aten, er möge sich bemühen, dasz die Pürsten, wenn sie die Waffen nie-
"^erlegten, doch wenigstens eine Summe Geldes zu ihrer Unterstützung op-

möchten."

3) EITTEB^ 264, 65. »So wuszte denn Culmann (der pfalz-gräfliche

^cekaazler) den protestantischen Ständen keinen andern Rath zu geben,

® dasz sie die Staaten durch Geldzuschüsse zur Fortsetzung ihres Krieges
Kräftii

tigen möchten."

-ocr page 56-

te vergeefs, een tweede gezantschap was noodig om een
bepaald antwoord te erlangen. De meesten weigerden; al-
leen Brandenburg en Anspach, geprikkeld door de hoop
dat de Staten hen dan wellicht later aan de cleefsche er-
fenis en het bezit van Pruisen helpen zouden i), stemden
in een leening toe. De Paltsgraaf zelf was de eenige die
met een mildheid zoo groot als zijn beperkte inkomsten
toelieten, herhaaldelijk geld deed overkomen^); daarente-
gen verlangde hij ook invloed op de aangelegenheden der
Staten uit te oefenen: daaraan was het beleg van Rijn-
berk toe te schrijven, dat in 1601, tegen den zin van Frank-
rijk en Engeland die ontzet van Ostende begeerden, met
goeden uitslag werd ondernomen ■\'). Nadat daardoor de
Rijn weer vrijgemaakt was, volgden nieuwe subsidien van den
Paltsgraaf; de geringe bijdragen der andere Vorsten ver-
minderden nog in de volgende jaren\'\'); in october 1602
zonden de Staten een gezant, Dr. Pieter van Brederode
naar Duitschland om op ruimer ondersteuning aan te
dringen toen de dood der koningin Elisabeth hen op nieuw
in de grootste verlegenheid bracht.

Omtrent de politiek van haar opvolger verkeerde men
niet lang in het onzekere ; al zeer spoedig vernam men zijn

1) eittee, 266, elk 10,000 Tlialer; Oldenbamevelt meent echter dat
men in het geheel niet veel meer dan 10,000 Thaler zien zou,
ArcMves,
II, 95.

2) eitteb, 266. "Wollten also die Kurpiälzer ihren Plan nicht völlig
aufgeben, so fiel am Ende die Hauptlast desselben auf sie zurück. Und
in der That stellten ihre Leistungen die der andern Pürsten tief in den
Schatten."

3) QedenJcsiwJcJcen, II, Inl. xiv. eittee, 267.

4) eittee, 267 en 268.

5) GedenTcstuMen, III, 32.

6) QedenhstuMen, III, Inl. vii.

-ocr page 57-

handel met Spanje. Er was, om Engelands steun te ver-
goeden niet veel keus van bondgenooten; hoe weinig sa-
menwerking er ook van de duitsche Vorsten te wachten
Was, men mocht hen thans niet verwaarloozen. Vroeger
hadden eenigen hunner zich bezwaard gevoeld oproerige
onderdanen in verzet tegen hunnen Koning te stijven "i);
Oldenbarnevelt trachtte nu op dat legimiteits-beginsel te
werken door uitzicht te geven al de zeventien Grewesten weêr
onder het verband van het Rijk te doen terugkeeren 2) ; daar-
door moest dan tevens de ondersteuning aan de Staten te
ver]eenen het karakter verliezen van ongehoorzaamheid jegens
den Keizer. Dat er inderdaad geen gevaar bestond dat de
Republiek daardoor haar jeugdige zelfstandigheid terstond
Weer prijs zou geven, is blijkbaar, want indien het aanbod
Voortgang had, zouden noch Spanje noch Oostenrijk er ooit
in toestemmen de zuidelijke Gewesten die nu hun privaat-
bezitting geworden waren, weer in het Rijksverband te doen
opnemen. Maar er was van den kaut der noordelijke Ge-
westen een blijk van toenadering noodig om aan de duitsche
denkbeelden te gemoet te komen, en dit droeg vruchten:
Verscheiden Vorsten, graaf Jan van Nassau, de Paltsgraaf
toonden zich hoogelijk ingenomen met de opening die Bre-
derode hun deed; echter bracht een door hem te Heidel-
berg belegde vergadering met den hertog van Tweebruggen,
Maurits van Hessen, Christian van Anhalt en de mark-
graven van Anspach en Durlach geen nauwer verbintenis
tot stand Het geheele jaar 1604 verhep met onderhan-
delingen van Brederode, dan aan het eene Hof dan aan het

1) eheydt, f. 350.

2) QedenTcstuhlcen, III, Inl. ix en x.

3) GredenlcsfulcTcen, III, 32.

-ocr page 58-

andere, overal dezelfde lauwheid, tegenzin en kleingeestig-
heid aantreffend. In een met bittere levendigheid geschreven
verslag aan de Staten-Generaal somt de gezant de onder-
vonden teleursteUingen op; elk Hof had naarmate zijn eigen-
aardig standpunt een ander uitvlucht: aller gevoelen was
dat men eerst gezamenlijk over zulk een stap „met syne
verwanten en na-buren rypelyck gedelibereert moest heb-
ben," en wat dit beteekende was bekend

De eenige goede tijding die Brederode mede te deelen
had, was het herstel der goede verstandhouding tusschen
de keurvorstelijke Huizen van Brandenburg en de Palts ;
sedert 1596 hadden beide afzonderlijk hun belangen in Cleve
en Gu.lik vervolgd; thans was het den Paltsgraaf gelukt
een vergelijk tot stand te brengen met keurvorst Joachim
Friedrich, waardoor deze in de nauwe betrekking van de
Palts met de Repubhek betrokken werd. De woehngen van
het orthodox-luthersche Saksen aan het keizerlijk Hof ,

1) GedenlcstuTclcen, III, 32—38. "De particularia, die in mijne reizen
te Heidelbergli, Tweebruggen, Dourlach, Stutgart, Cassel, Braunswijck,
Berlijn, Deasan, Stettin en bij andere Fürsten en Stenden, onder mijn be-
leit gedreven aijn."

2) GtedenksiwkTcen, III, 37.

Die omkeering van Brandenbni-gs politiek was des te beugelijker daar
de Keurvorst zich nog in 1602 (Ritter 289) »um sich gründlich Ruhe zu
verschaffen in die Theorien seines Vater Johann Q-corg zm-ück zog."

3) Sedert 1598 den afgeleefden Johann Georg opgevolgd.

4) DBOYSEN, III, I, Einleitimg, bl. 7. »In dem Maasze als das lu-
therisch-ständische Wesen im Reich an Umfang gewann, wuchs dessen Ent-
fremdung von denjenigen evangelischen Formen die sich in G-roszbrittannien,
Frankreich, den Niederlanden im Kampf um die Existenz entwickelten;
man gewöhnte sich, sie für anarchisch, radical, gefährlicher als den Pa-
pismus anzusehn. In Eifersucht und Misztrauen gegen sie wurden die Lu-
therischen , Kursachsen an der Spitze, um so conservativer, orthodoxer,
katholisirender."

-ocr page 59-

39 y

f

ijij

hadden die eindelijke vereeniging der beide andere voor- -l!\'

naamste erfgerechtigden ten gevolge gehad; de Staten trok-
ken daaruit het voordeel van vermeerderden geldelijken on-
derstand en ook van hulptroepen, die bet ditmaal niet
beneden zich rekenen zouden onder het opperbevel van den
Stadhouder te dienen In het voorjaar van 1605 werd de
nieuwe betrekking door een formeel tractaat bevestigd; de
goede verstandhouding met Brandenburg was den Staten te
meer welkom, daar dat Huis ook uitzicht verkregen had op
de beleening met het hertogdom Pruisen. De handel op
de Oostzee was sedert eeuwen een der hoofdbronnen van
de nederlandsche welvaart 2); het kon ons dus niet onver-
schillig zijn wie met Pruisen beleend was, vooral daar het
een leen was van den koning van Polen onzen grootsten
vijand in het Noorden: dat dubbel belang deed de onder-
handelingen spoedig slagen®), den 258ten April werd het
verdrag in den Haag onderteekend door Wolrad von Plessen
wegens Palts en den vrijheer van Bylandt-Rheydt wegens
Brandenburg; en van de zijde der Staten door prins Mau-
rits , graaf Willem Lodewijk, Oldenbarnelt en Joachimi, tot

1) Q-edenkstuTcTcen, III, 38.

2) De handel op de Oostzee dagteekent wellicht van vóór onze jaartel-
liag. Mr.
o. tan eees, aesohiedenis der Staathuishoudkunde in Neder-
land, bl. 33, 41, 234. Bij klvit Index federnm wordt vermeld een Tractatus
rnercatorium\' per privileginm cum Borussis anno 1340 d. 22 Maii: Privilegia
inercaturae et veotigalium ab Wilhelmo IV Oomite Hollandiae indulta mer-
catoribuB Borussis et Westfalis, t. miesis , Groot Charterhoelc, II, 637.

3) AITZEMA, Saecken van Staat en Oorlogh, 45ste B. bl. 524. Gesch.

Nederl. Bipl. II, I, 351.

deoysen , III, I, 25 en 26. "Der Kurfürst wollte nichts als sein Eecht.
■Aber dasz die Mittel des Hechts nicht mehr ausreichten es zur Geltung zu
bringen, dasz ihm aus jeder Rechtsfrage eine Machtsfrage wurde und dasz
er für sich die Macht nicht besasz, sein Recht zu behaupten, zeigte eine
jede neue Wendung des -ungleichen Streites" enz.

-ocr page 60-

bewaring van der Keurvorsten tegenwoordige en toekomende
rechten op de landen van Gulik, Cleve, Berg, Marek, Ra-
vensberg en Ravestein tegen „voorgenomen onrechtmatige
usurpatie." Daartoe beloofden de Staten, tegen een aan-
zienlijke jaarlijksche uitkeering van den kant der Keurvorsten
voor 1605, 1606 en 1607, hen bij te staan in geval, wanneer
de hertog van Cleve kwam te overlijden, iemand op hun
rechten mocht „attenteren" en hen dan te helpen „de pos-
sessie promptelijck te apprehenderen." Reeds in de maand
mei verschenen de brandenburgsche hulptroepen, die den
Rijn afgevoerd werden, te Dordrecht i) onder bevel van den
markgraaf van Anspach; zij volgden van daar het gros van
het nederlandsche leger naar Callo, en maakten dien zomer
den veldtocht in Vlaanderen mede.

De nieuwe bedrijvigheid der evangelische Vorsten — in
1602, deden Landgraaf Maurits van Hessen, later Christian
van Anhalt, weer beslissende stappen doen te Parijs —
wekte echter de achterdocht des Keizers; in 1603 was hij
de Staten in een schrijven lastiggevallen®), in 1605 zond hij
een afgevaardigde, Maximiliaan von Cochy om brieven van
vrijgeleide voor een aanzienlijk gezantschap te vragen, die
hem echter geweigerd werden, en, hoezeer de gezant nog
eenigen tijd met zijn vertrek talmde, verkreeg hij geen an-
der antwoord

1) PHILIBEET DU BOIS, Diplomatisolie Berichte an den Fürsten Liidwig
zu Anhalt, I, 32, 57, 59, 93. Zij werden in november weêr afgedankt.

2) EITTEB, 277.

3) MEETEEEN, fol. 472.

4) MEETEEEfT, fol. 495. DU BOIS, I, 34, 40, 41 , 46, 48. Anhang IV,
204—209.

DU BOIS, II, 79, meldt dat er in november 1608 in den Haag van ge-
sproken werd dat de Keizer den graaf von Mansfeld en den graaf van Haoatt
derwaarts zenden zou.

-ocr page 61-

De oorlog werd inmiddels slechts flauwelijfc gevoerd,
van alle zijden waren de krachten uitgeput i); er was wel
in het jaar 1606 eenige hoop dat Frankrijk zich nauwer
en niet langer, alleen door bijna steelsgewijze verleende en
altijd moeielijker te verkrijgen subsidiën aan de Republiek
verbinden zou, terwijl tevens de staatsche gezant te Parijs,
François van Aerssen, de middenpersoon was die de onder-
handelingen tusschen den vorst van Anhalt en den fran-
schen minister Villeroy bestuurde Maar het verlangen
naar rust, al was het slechts een tijdelijke, behield de over-
hand. In het voorjaar van 1607 volgden de langgerekte
handelingen over het Bestand: Oldenbarnevelt bereikte zijn
lang gewenscht doel, er werd met de Staten onderhandeld
op den voet van Souvereine Mogendheid, waarvan zij reeds
sedert eenigen tijd de prerogatieven waren begonnen te ge-
nieten. Zoo waren b. v. niet zonder tegenkanting der spaan-
sche diplomatie de agenten langsamerhand in ambassaxleurs
herschapen, zoowel degenen die door de Republiek bij vreemde
Hoven waren geaccrediteerd als de vertegenwoordigers der
niet ons bevriende Mogendheden in den Haag, waar zich wel-
dra een blijvend corps-diplomatique vormde.

1) De Staten waaracTanwden de duitsche Yorsten dat de Spanjaarden
■\'\'oornemens waren den oorlog op Rijksbodem over te brengen,
bu bois,
I> 56, Anhang 212 en 213. Het gevolg hiervan was dat er gedurende 1606
Weer versoheiden gezantschappen van wege duitsche Yorsten — Cleve, Nen-
^urg, Hessen, enz. op ontruiming der cleefsche vestingen kwEimen aandringen.

2) Gedenkstnkken, III, Inl. xv—xx.

3) GedenTcstwldcen, III, 81 en 82. Aerssen aan Oldenbarnevelt 9 Aug.
1606. „M. de Yilleroy dit se vouloir servir de mes advis en toute cette
S\'Ctiou. Se plaignait avec cela M. de Yilleroy qu\'il y a si peu d\'arrest aux
propositions des Allemands, qui eschappent d\'ordinaire, lorsqu\'on est prest
pour nouer avec eux." 91. "S. Maj. n\'a faict entreprendre cette négotiation
lue pour nous."

-ocr page 62-

Het is hier de plaats niet de tweejarige, telkens afge-
broken en weer opgevatte conferenties te beschrijven, eerst
over een vrede en daarna over een langdurig bestand; ook
een gezant van Brandenburg, door Oldenbarnevelt daartoe
uitgenoodigd , nam met die van Denemarken, de Palts en
Hessen, deel aan de bemiddeling, door onze bondgenooten,
Frankrijk en Engeland aangeboden; het toenemend gewicht
van den Keurvorst en zijn bestaande verbintenis met de
Staten gaf hem recht daarop, maar het blijkt niet dat de
door hem afgevaardigde diplomaat, Hieronymus vonDiskow
veel tot bevordering van den vredehandel toebracht. Reeds
bij zijn komst (dec. 1607) moet hij een ongelukkig figuur
gemaakt hebben, daar hij, niet van genoegzame instructies
voorzien, de komst van zijn collega uit Hessen moest af-
wachten, die eerst in februari 1608 verscheen^), toen de
gezanten der vijandelijke partij reeds te \'sGravenhage aan-
wezig waren.

Toch had het den duitschen Vorsten niet aan een be-
paalde meening omtrent de voorslagen van den Aartshertog
ontbroken: luide en algemeen was hun afkeuring geweest
toen zij vernamen dat de Staten inderdaad naar vrede over-
helden; zij hadden geen waarschuwingen gespaard tegen de
spaansche hsten — alles wat Oldenbarnevelt zoo dikwerf

1) Inl. tot de Gesch. der Ned. Dipl. II, I, bl. 329 eii 335 noot 2.
DU Bois, II, 43, (29 Mei 1608). "Es sollen in khnrzem ettliolie Gre-

sandten der H. Staten naoli Dentscliland und Dennemarok zu reysen ge-
ordnet werden."

2) GedenTcstulchen, III, 155. DU BOIS, II, 85 en 92.

3) Volgens de berichten van du bois (II, 86) nog in de laatste dagen
van december 1608, maar (95) verscheen de landgrafelijk-hessische
gezant
Johann von den Borch eerst in februari.

4) GedenTcstuTcTcen, III, 117 en 118. Berichten der agenten Hendrik
van Bilderbeke uit Keulen, en Brederode lüt Heidelberg, 155 en 156.

-ocr page 63-

vruchteloos in Duitschland had doen betoogen, werd hem
nu van daar weer naar het hoofd geworpen. En inderdaad
het liet zich een oogenblik aanzien dat de onderhandeling
opgegeven zou moeten worden; reeds peinsde de Advocaat,
in dat geval op het hervatten van zijn vroeger denkbeeld,
het vormen van een ligue met Frankrijk, Engeland, Dene-
marken en de evangelische Vorsten, maar alleen de gezan-
ten van Hendrik IV lieten zich daartoe vinden en teeken-
den den 15 januari 1608 een waarborgstractaat; Engeland
weigerde, hetgeen ook voor Denemarken besliste, en de
duitsche gezanten verontschuldigden zich bij gebrek aan
instructie Spinola en de met hem aangewezen gezanten
van Albei-t en Isabelle waren op dat oogenblik nog niet in
den Haag; men kon zich niet verstaan op den grondslag
der onderhandeling en het werd quaestieus of het niet beter
ware de zaak ten eenenmale af te breken: de gezanten van
Brandenburg en de Palts waren daar bepaald voor; ge-
lukkig waren de meer invloedrijken, die van Frankrijk en
Engeland van een tegenovergesteld gevoelen 2). Maar toen
kort daarop de gezant van Hessen aankwam — aan wiens
instructie ook die van Brandenburg zich te houden zou
hebben, volgden die diplomaten verder gezamenlijk het ad-
"^ies der koninklijke gezanten, gelijk hun berichtschrift hun
gebood in godsdienstzaken meer bepaald het gevoelen
van Engeland ondersteunend

1) GedenTcstulcTcen, III, 161—163. du bois , II, 109 en 110.

2) OedenTcstuklcen, III, 166. Zij voegden er echter bij dat zij aan de
Staten "die bij lange experientie ervarener waren als sij , stelden daerop naer
hunne wijsheit te disponeren."

3) GedenTcstuMen, III, 233. "Collibus verklaart: ".. . dat sijn last me-
debracht hem in sijne advisen nvet te separeren van de advizen der Coningen."

4) G-edenhstuTclcen, III, 221.

-ocr page 64-

Hun rol was bij gevolg niet schitterend, en hun bedrij-
vigheid werd er niet door uitgelokt : alleen aan zeer of-
ficieele handebngen schijnen zij te hebben deelgenomen en
dan nog was hun aandeel het minste. Het is waar de
twisten over de indische vaart hadden geen direct belang
voor Duitschland, maar daarentegen had men in de gewich-
tige quaestie van de ontruiming van den Rijn door de
Spa ansehen tegen die van Vlaanderen door de Staatschen,
wel een zelfstandig gevoelen van de duitsche diplomaten
meenen te mogen verwachten Hoe weinig zij dan ook
geteld werden bleek ten slotte nog, toen in october 1608
alle ambassadeurs der bemiddelende Mogendheden gezamen-
lijk een laatste poging waagden om het vertrek der aarts-
hertogelijke gezanten te beletten, en zich
daartoe met Jean-
nin aan het hoofd in de Staten-Vergadering begaven: de
brandenburgsche gezant nam ook wel aan die demonstratie
deel, maar zoo gering werd hij daarbij geteld dat toen Ri-
chardot den volgenden dag aan Jeannin schreef om hem
voor den gedanen stap zijn dank te betuigen, hij geheel
verzuimde de gezanten der duitsche Vorsten in zijn schrij-
ven te vermelden

Toen kort daarop de onderhandehng, ditmaal tot een
wapenstilstand weêr opgevat werd, hield de medewerking

1) GBOTITJS, Historiae, liber 17, fol. 533, »Gemiani, cunctabanda natio,
quibus et ab Hesso legatus accessit, prae se ferebant uihil malle principes
suos qnam super mutuis auxiliis foedus firmare, sed nullam se
accepisse
liujus rei certam potestatem." GedenkstwTclcen, III, 208 en 209.

2) GedenkstnkTcen, III, 206.

3) Négociations de jeannin, II, p. 522. Jeannin à Eicbardot: "l\'a-
dresse de Tostre lettre n\'étoit qu\'aux Ambassadeurs d\'Angleterre et à nous ,
et j\'ay faict ajouter à la superscription, des Electeurs et Princes d\'Alle-
magne, craignant qu\'ils ne fussent offencez de cette obmission .... Vous
ferez donc s\'il vous plaist, l\'adresse de cette façon cy après."

-ocr page 65-

der noordsclie diplomaten geheel op. Eerst namen de ge-
zanten van Denemarken hnn afscheid, bewerende dat hun
instructie hun verbood anders dan over den vrede te han-
delen i) en niet over een bestand; en kort daarna wegens
dezelfde reden die van Hessen 2), waarop natuurlijk die van
Brandenburg ook volgde. De laatsten lieten echter de hoop
achter op eene goede alliantie tusschen hun meesters en
de Repubhek; niet alleen werden alle onkosten van den
brandenburgschen gezant voor rekening der Staten geno-
men, maar bovendien werd hij met een gouden keten van
ƒ 3000 vereerd , de overige duitsche gezanten ontvingen
elk een van ƒ 2500. Het vertrek der deensche gezanten
werd door de Staten minder goed opgenomen, en schijnt
gegolden te hebben als een bewijs van de heimelijke vijand-
schap van den koning van Denemarken. Door hun af-
wezigheid werd de gang der zaken dan ook in het minst
niet belemmerd. Den 9deTi april 1609 werd een bestand
voor twaalf jaren te Antwerpen geteekend.

1) dtr bois, II, 132. "Imnittelst wollen, die Königliche anch sonder-
lich die Dennemarckische öesanten, die sich vernehmen lassen, sie wer-
«ien die lenge nicht hie verharren können, sambt den Chur und füi-stlichen
Gi-esanten gerne sehen, das man ohne fernem Verzug der sachen ein end
laachte."

2) mbeteebn, fol. 576,

3) veeede, Nederland en Zweden, Iste afl. bl. 54. Staet vau defroye-
ttenten ende vereeringen.

4) AiTZEMA, Vermeerdert Verhael van de Vreede-Handelingh der Ver-
eenighde Nederlanden, s. 1621—1626, bl. 170.

-ocr page 66-

TWEEDE HOOFDSTUK.

Tan het Bestand tot den dood van prins Willem 11.
(1609-1650).

De vreugde over het schorsen van den oorlog was niet
van langen duur. Reeds den eigen dag dreigde het Be-
stand weer in duigen te vallen, want in den avond kwam
het bericht dat de hertog van Cleve eindelijk den 25sten
maart te Dusseldoi-p was overleden Ook al was de Re-
publiek niet door het tractaat van 1605 gebonden geweest,
toch hadden onze staatslieden geen lijdelijke aanschouwers
kunnen blijven van een strijd die een groot deel van onze
grenzen in handen van den vijand dreigde over te leveren;
er was geen diepe politische berekening noodig om te be-
grijpen dat die duitsche landen als voormuur door onzen
Staat in handen van een bevriend vorst behoorden te ge-
raken en daarom ondersteunden de Staten onder de

1) WICQTJEFOET, Histoire des Provinces Unies, I, 192—194.

2) DBOYSEN, II, 2, 565. HEWINÖ, bl. 333. "Für die Generalstaaten
war es eine von der einfachsten Klugheit gebotene Eegel, eine Frage der
politischen Existenz, an ihren Gränzen eine fernere Erweiterung
der östrei-
diischen Hausmacht, oder die Nachbarkeit eines mächtigen
katholischen

-ocr page 67-

negen pretendenten die met meer of minder grond van recht
aanspraak op de erfenis maakten, bij voorkeur den keur-
vorst van Brandenburg.

Dat de strijd hevig zijn zou was licht te voorzien. De
Keizer hoopte van de daardoor ontstane oneenigheid tus-
schen de hoofden der evangehsche partij gebruik te maken,
door onder voorwendsel van als leenheer over het geschil
uitspraak te doen, de geheele erfenis onder sequestratie
te leggen en zoodoende aan zich te trekken. Met de be-
kende kortzichtigheid en zelfzucht der duitsche Vorsten, zou
dit gemakkelijk geschied zijn, zonder de bemoeiingen van
den landgraaf Maurits van Hessen-Cassel. Nauwelijks was
de Hertog overleden, of een guliksch edelman, Stephan
Von Hertefeld , deed den keurvorst van Brandenburg in de
Voornaamste steden uitroepen en huldigen, wiens broeder
markgraaf Ernst terstond als stadhouder derwaarts kwam"),
maar op hetzelfde oogenblik verscheen in diezelfde qualiteit
de zoon van den paltsgraaf van Neuburg, om het land voor
2ijn vader in bezit te nemen , en het zou ongetwijfeld tot
®en oorlog tusschen beide zwagers gekomen zijn, zoo Mau-

^ürsten nicht zuzulassen, und demnach standen holländische Heere stets
in Bereitschaft die hrandenhurgische Herrschaft am Ehein aufrecht zu er-
halten und zu stützen, wenn ernatUche Gefahr von der Gegenseite drohete."

bougeant, Histoire des guerres et des négociations qui précédèrent le
\'^raité de Westphalie, I, 27." Henri IV avoit fait entrer dans ses vues les
®tats des Pais-Bas, en leur foisant représenter par le célébré Président
Jeannin le danger dont ils alloient être menacez si la maison d\'Autriche
®établiasoit dans un pais qui avoit jusqu\'alors servi de rempart à leurs
^-ovinces."

1) helwing, 374. deoysen, II, 2, 576.

2) deotsen, II, 2, 576, »jetzt sandte der Kurfürst den talentvollsten
seiner Brüder....."

deoysen, 577.

-ocr page 68-

r m

rits van Hessen niet met kracht tusschen beide ware ge-
treden en hen tot een vergebjk had gebracht (te Dortmund,
31 mei 1609), waarbij besloten werd het land eerst ge-
meenschappelijk te besturen, tot dat het gevaar hetwelk door
de keizerlijke interventie dreigde, geweken zou zijn. Van
dat verdrag bekwamen de Staten den achtsten juli kennis
door den overste Matthias van Wachtendonck en den neu-
burgschen raadsheer Lodewijk Andreas Lemblem, een tijding
die hier met de\' grootste voldoening werd ontvangen; maar
aan het keizerlijk Hof was men er ten zeerste over gebelgd
Reeds had de Keizer beide partijen voor zijn rechterstoel
gedaagd; nu, bij het vernemen van hun gemeenschappelijk
verzet, zond hij „onbekender wijse in grooter haeste" den
aartshertog Leopold als Commissaris met volle macht en
procuratie naar Gulik, welke stad door een
coup van
haren drossaard Nesselrode, de poorten voor de keizerlijke
troepen opende Nu was er oorlog, maar met een ge-
heel anderen aard en doel dan men verwacht had: in plaats
van een twist onder de Evangelischen onderling, brak nu on-
verwacht op het oogenblik dat men gemeend had te hera-
demen, die strijd uit tusschen de protestantsche Unie en
de kathoheke Ligue, waartegen de Staten reeds zoo lang

1) BOUGEANT, I, 25. "Cependant Maurice Lantgrare de Hesse voiant
que la contestation s\'échauffoit de plus en plus entre l\'Electeur de Brande-
bourg et le Duc de Neubonrg, craignit que cette querelle ne causât une
dangereuse division dans l\'Union Bvangélique. Il leur ofirit sa médiation,
et les invita à venir à Dortmund dans le Comté de la Mark" etc.

DROYSEN, II, 2, 578. "Das Land gewann ein ruhiges und sicheres
Provisorium ohne die kaizerlichen Commissarien und trotz ihres Protestes."

2) DROYSEN, 580. "Kaiserliche Mandamente erklärten den Dortmunder
Vertrag für null und nichtig" enz.

3) MEETEEEN, f. 600.

-ocr page 69-

te voren gewaarschuwd haddenOostenrijk en Spanje
trokken één lijn; bemoeiden Albert en Isabella zich met de
zaak, dan moest het Bestand opgeofferd worden, plicht en
drang tot zelfbehoud zouden de Staten daartoe dwingen 2).
Om Hendrik IV schaarden zich de Protestanten; het pohtiek
belang van Frankrijk meer nog dan de sympathie van den
oud-Hugenoot voor zijn vroegere geloofsverwanten, maakte
dien Vorst tot hoofd-vijand der Habsburgen Reeds vroe-
ger had hij de te Düsseldorf vergaderde Stenden van Cleve
en Gulik zijn bijstand toegezegd, in geval het tot een oor-
log moest komen, en hoewel de president Richardot uit Brus-
sel tot hem gezonden werd om hem te bewegen de quaestie
aan \'s Keizers beslissing over te laten, maakte hij zich toch
tot vervulling zijner belofte gereed.

1) dbotsen, III, I, Binl. bl. 7. »Schon begann die römische Eeaction
Deutschland zu ergreifen; sie sammelte ihren Gläubigen, sie schützte ihren
Eifer; von den Jesuiten geleitet, ging sie rasch von der Vertheidigung zum
Angriff über. Man fühlte den Frieden des Reichs in seinen Fondamenten
bedroht. Mit der Cölner, der Straszburger Frage brach der Zwiespalt in
bellen Flammen aus. Es folgte der Handel von Donauwörtli, der jülichsche
-Erbstreit. Und jede dynastische Rivalität, jeder nachbarliche Hader tränkte
sich mit dem Grift des frommen Eifers, jede kirchliche Frage wurde zur
Maske selbsüchtiger Interessen. Kursachsen drängte zur Acht gegen Branden-
^\'irg, und der Pfalzgraf von Neuburg wurde convertit, um gegen Beide die
Jülichschen Lande zu behaupten. Wie mit gezücktem Messer standen Union
md Liga sich gegenüber, .... so überall Hasz und Hader auch zwischen
^laubensverwandten, Blutverwandten "alles Parthei und kein Richter über
ihnen, jede Hand wider die andre.""
henei ouveb, Aubéry du Maurier,
Ministre de France a la Haye, bl. 221—238.

2) deoysen, II, 2, 580, "die Staaten waren entschlossen, den kaum
geschlossenen Wafienstillstand daranzusetzen, wenn Erzherzog Albrecht seine
Spanier an den Rhein schickte."

3) beoysek, III, I, 10. "Es begann im Westen ein politisches Grloich-
gewicht durchzudringen, das sieh zum ersten Mal in die Frage der jülich-
schen Erbfolge verwährte."

-ocr page 70-

Inmiddels kwam een gezant van Leopold de „edele en
verstandige," Adolf von Eynatten, met een schrijven van
dien aartshertog in den Haag, waarin op de onzijdigheid
der Republiek werd aangedrongen. Onmiddelijk antwoord-
den de Staten dat zij, terstond na den dood van den hertog
van Cleve, zoowel aan de Stenden als aan de geïnteres-
seerde Vorsten geschreven hadden, om hen tot eendracht
te vermanen, en dat zij zich derhalve van harte verheugd
hadden toen er een goed verdrag te Dortmund tot stand
gekomen was; dat het hun vreemd voorkwam dat de Keizer
zich niet evenzeer verheugd had dat de vrede in het Rijk nu
bewaard kon blijven, en nog vreemder dat hij den aartshertog
Leopold in het land van Cleve gezonden had, juist om den
gelukkigen voortgang van dat verdrag te beletten, enz. Het
was echter niet te verwachten dat het schrijven der Staten
eenigen indruk op de keizerlijke politiek zou maken, evenmin
als de zending van den burggraaf de Mérode uit naam van
Albert en Isabelle, bij de Possiderende Vorsten (zoo begon
men den keurvorst van Brandenburg en den Paltsgraaf te
noemen) zoodat de oorlog hoe lang . zoo meer dreigend
werd. Men kon nog hoop voeden den aartshertog te ver-
jagen, die alleen de vesting Gulik en het slot Bredebent
in handen had, waarin hij zich echter zoo goed mogelijk
had versterkt. De Keurvorst en de Paltsgraaf waren van
hun kant ook niet werkeloos. Reeds te voren hadden
zij de beide graven van Solms naar Engeland gezonden,
die van den Koning een gunstig antwoord hadden terug-
gebracht; thans wendden zij zich tot de Staten met ver-
zoek om ammunitie en bijstand, hetgeen zonder bezwaar
aan hun gezanten Di\'. Christoffel Sticke en Dr. Jan Rinck
werd toegezegd; op de hulp van Frankrijk konden zij stel-
lig rekenen. Een zending van. den graaf van Hohen-

-ocr page 71-

zollern om bij Hendrik IV de belangen van den Keizer
te bepleiten 1), had niet meer uitwerking dan die van den
graaf van Mansfeld om hem de belangen van den keur-
vorst van Saksen en van de hertogen van Nevers en Bouillon
voor te dragen. Mansfeld trok van Fontainebleau met niet
meer vrucht naar Engeland en naar den Haag, waar bij
zijn komst de verrassing van Gulik de Staten reeds had
doen besluiten krachtig in de bres te springen voor het
recht van den keurvorst van Brandenburg die reeds met
den Paltsgraaf in den rijksban was gedaan.

Of het recht van den Keurvorst inderdaad het beste
was, dan of dat van een der mededingers beter was, werd
niet gevraagd; van een zuiver rechtelijk standpunt was de
quaestie nu op een politisch overgebracht, en als zoodanig
was het buiten twijfel in het belang der Staten de protes-
tantsche vorsten en onder hen bovenal den keurvorst van
Brandenburg bij te staan. De erfopvolging in Gulik en
Cleve had een beteekenis gekregen oneindig grooter dan
aan het bezit dier landen gehecht kon worden; maar die
inderdaad het gevolg was van de langsamerhand hoofd-
inaestie geworden nevenquaestie omtrent de godsdienstige
belijdenis van den aanstaanden opvolger.

1) BEOTSEN, II, 2, 585. "So grob, stolz und vermessen forderte er,
dasz eadlich der König ilim mit einer entsprechenden Antwort den Eüoken
■«^andte."

2) DEOYSEN, III, 1, 26. "Wohl hatte er in der Prenndsoliaft der Ge-
"^eralstaaten, in der Verbindung die er mit Schweden sehlosz, einen Eüokhalt
S®gen den ersten Anstosz, vielleicht gegen die äusserste Gefahr; aber sie
schützten sein gutes Eecht nicht um des Eechtes willen; nur so weit ihr
eigenes Interesse reichte, konnte er auf sie rechnen; nur so weit er eigne
^acht hatte und in einem rechten gefaszten Eegiment zu organisiren ver-
stand , konnte er sich davor schützen, von ihnen abhängig oder gelegentlich
geopfert zu werden."

-ocr page 72-

Reeds stonden de beide partijen in Duitschland scherp
tegen over elkander. De katholieke Liga vergaderde te
Würzburg, en de evangelische Vorsten hernieuwden hunne
Unie te Hall in Zwaben , grootendeels door bemoeiing van
vorst Christian van Anhalt, die in persoon naar Frankrijk
en de Nederlanden getogen was om overal „hulp en vor-
deringhe" te verzoeken.

Het geheele jaar 1609 was met al dat onderhandelen
verstreken, het uitbreken van den oorlog had dus niet plaats
voor het voorjaar van 1610. De Staten maakten van deze
tusschenruimte gebruik om, vóór de wederzijdsche legers
de winterkwartieren verlaten zouden hebben 2), een buitenge-
wone ambassade naar Frankrijk af te vaardigen, volgens
den wensch van Hendrik IV aan\'den gezant van Aerssen te
kennen gegeven. Tot ambassadeurs werden gekozen de heer
van Brederode, de heer van der Mijle en de heer van Mal-
derée, die door den Koning met zijne gewone welwillen-
heid jegens de Republiek ontvangen werden Hunne zen-

1) bougeant, I, 26. "Il se fit en même temps à Hall en Suabe, une
assemblée generale des Princes Protestans, pour y déliberer des moiens de
s\'opposer à cette nouvelle entreprise. Le concours y fut si grand de la part
des Princes, des villes Impériales et de la noblesse, qu\'on y compta jusqu\'à
cent quarante Députez. Tous respiroient la guerre et la vengeance des
vexations."

bl. 27. "Henri IV avoit envoie à l\'assemblée de Hall M. de Boissise
pour animer les Princes à défendre leur droit et leur liberté. Ce ministre
leur avoit promis un secours de dix mille hommes."

2) dbotsen , II, 2, 586. "Nicht minder bereit waren die Niederlande;
Prinz Moritz setzte die Pesten auf der Grrenzen in Stand; er sandte seinen
Vetter G-raf Johann nach Düsseldorf, das Defensionswerk im Lande anzu-
ordnen und das Landvolk zu armiren und abzurichten."

3) Inl. tot de Gesch. der JSederl. Dipl. II, I, 276. Het schijnt dat
Hendrik IV gewenscht had dat Oldenbarnevelt zelf zieh aaa het hoofd der
Ambassade gesteld had. — Merkwaardig is dat Hendrik IV in zijn — of

-ocr page 73-

ding was weldra afgeloopen, met zooveel goeden wil van
twee zijden viel het niet moeielijk tot een overeenkomst te
geraken. Reeds den Ssten mei namen de gezanten afscheid
van den Koning, die hun welgemoed beloofde in persoon
den aanstaanden veldtocht te zullen leiden, maar nog had-
den zij den vaderlandschen bodem niet weder bereikt of
de tijding van den aan Hendrik IV gepleegden moord ach-
terhaalde hen. Thans scheen de triomf der Katholieken
verzekerd; in den koning van Frankrijk had Oostenrijk zijn
meest geduckten vijand, het Protestantisme zijn machtigsten
bondgenoot verloren. Gelukkig begrepen de Staten dat alles
na van een snelle handeling afhing; nadat de Regentes,
Maria de Medicis, in naam van den onmondigen Lode-
wijk XIII verklaard had, dat zij de politiek van haren ge-
maal dacht voort te zetten, en de beloofde ondersteuning
dus verleend zoude worden, werd het staatsche leger ter-
stond marschvaardig gemaakt. Op verzoek der duitsche
Vorsten werd het commando aan prins Maurits opgedragen ;
de Staten hadden eerst liever prins Frederik Hendrik daar-
toe aangesteld. In het begin van juli trok de Prins aan
het hoofd zijner troepen uit Schenkenschans op.

Sully\'s — projet de paix perpétuelle bij de noord-nederlandsohe gewesten ook
de zuidelijke en de landen van Cleve, Gulik, Berg enz. dacht te voegen.
\'WHEATON, Histoire des progrès dn droit des gens, I, 320.

1) TAN DES KEMP, Maurits van Nassau, III, 86—92, 296—308.
meeteken, f. 614 en vgg. De Prins had het opperbevel, de heer van
Kessel, gouverneur van Geertrnidenberg voerde de artillerie aan, sir Edward
Cecil de engelsche troepen en de hertogen de Châtillon en de Béthune de
4000 Franschen die Hendrik lY hier te lande onderhield, gedurende de
twee eerste jaren van het Bestand. Zie
jeannin, Négoc. I, 71, dernière
instruction apportée de la Cour par M. des Préaux.

Vorst Christian van Anhalt voerde de troepen der ITnie aan. hei-
\'W\'ING, 538.

-ocr page 74-

Dat liet Bestand nu afgeloopen was betwijfelde nie-
mand, zelfs niet de Prins. Reeds maakte hij zich gereed
tot een aanslag op Rhijnberk — dat zich sedert 1606
weer in handen der Aartshertogen bevond i) toen de gou-
verneur, graaf Fuentes hem met de verrassende tijding
te gemoet kwam dat zijn meesters de onzijdigheid steeds
dachten in acht te nemen Hierdoor werd de zaak niet
weinig vereenvoudigd. Reeds den 24sten juh was het staat-
sche leger voor Gulik, nog versterkt met 4000 man du:it-
sche hulptroepen onder vorst Christian van Anhalt. Eerst
den lOden aug. verschenen de beloofde fransche troepen,
onder bevel van den maréchal de la Châtre: prins Maurits
had hun komst niet afgewacht om de vesting met kracht
te belegeren. De aartshertog Leopold was bijtijds naar zijn
stift Straatsburg geweken en had het bevel binnen de stad
aan Johan von Rauschemberg overgelaten , die den laat-
sten augustus capituleerde en zich den tweeden september
overgaf. Onmiddelijk werden Brandenbu.rg en Neubarg in
het bezit gesteld van hun hoofdstad, die echter door neder-
landsch garnizoen voor hem bewaard zou worden Reeds
half september werd het leger bij Schenkenschans
Aveêr af-
gedankt. Door dezen kloeken en snel volbrachten veldtocht
was voor een korten tijd het uitbarsten van den algemeenen

1) Geclenkstuklcen van Oldeniarnevelt, III, n°. CIXXTI, bl. 97.

2) Den 26 juli kwam de Prins te Düsseldorf bij de possiderende Vor-
sten; nederlandsche gecommitteerden aldaar waren jbr. Hendrik van Brie-
nen en de ridder Joan Berck ; franscb ambassadeur was de Sire de Bois-
sise, en de engelsche sir Balph Winwood.

3) helwino, 389. meeteeen, fol. 614. de la neuville, Histoire
de Hollande, I, 25.

4) Tot gouverneur van Gulik werd aangesteld kapitein Pitliaen van
graaf Ernst van Nassau\'s regiment.

-ocr page 75-

oorlog verschoven, die onvermijdelijk over Europa hing: de
eer daarvan komt aan de wapenen van prins Maurits toe;
de pogingen der diplomatie dien oorlog geheel af te wenden
bleven vruchteloos

Terstond na de inname van Gulik werd een vredes-
congres te Keulen gehouden: onder de aldaar vergaderde
machten waren er genoeg die den vrede wenschten, maar
het was niet mogelijk een compromis van aller eischen tot
stand te brengen. Toen beloften en voorstellingen waren
uitgeput, beproefde de keizerlijke gezant Hohenzollern, de
Possiderende Vorsten, met name Brandenburg door bedrei-
gingen naar zijn hand te zetten, maar te vergeefs Het
congres scheidde in de laatste dagen van november zonder
dat het provisorium van Dortmund door een liechteren grond-
slag was vervangen.

Het eerste wat nu te beproeven was, was de verzoening
met Saksen, opdat er geen onherstelbare scheuring in de
Unie mocht ontstaan; de keurvorst van Saksen had zich,
in tegenstelling met Brandenburg en Neuburg die hun eigen
recht vervolgden, tot den Keizer gewend om door diens be-
scherming in het bezit der erfenis te geraken; sterk door
dien steun en door den ban waarin zijn mededingers gedaan
■Waren, had Saksen zich reeds meester gemaakt van eenige
deelen der erfenis te Brussel en elders in de spaansche
Nederlanden gelegen, en van de heerlijkheid Ravestein. Maar
liet spande verder zijn vorderingen zoo hoog dat het con-

1) dboysen, II, 2, 594 en 595. meeteeen, fol. 614.

2) "Graf Zollern war eifrigst thätig, er bestürmte Markgraf Ernst mit Bit-
ten und Drohungen.....der Markgraf wich nicht; mit groszer Beson-

Jienheit nur darauf gewandt, dem Recht seines Bruders und der Lande
Vichts zn vergeben, führte er die schwierige Verhandlung, die ohne wesent-
liches Ergebnisz endete."

-ocr page 76-

gres te Jiiterbock dat in het vroege voorjaar van 1611 be-
legd was om tot een vergelijk te geraken, vruchteloos afliep,
en de bezitstoestand der partijen onveranderd bleef

Maar de bezwaren der co-possessie, zooals die te Dort-
mund was vastgesteld, waren te menigvuldig om niet een
spoedig einde daarvan te doen voorzien; naarmate het ge-
vaar week dat door de keizerlijke interventie gedreigd had,
en de voorloopige toestand zich begon te bevestigen, steeg
ook de verwijdering tusschen den Keurvorst en den Palts-
graaf De eerste had in het jaar 1611 een aanzienlijke
machtsuitbreiding verkregen door de beleening met Pruisen,
niet zonder bezwaar van de kroon Polen verworven, zoodat
het zijn aandacht bijna uitsluitend op het Noorden ge-
vestigd hield. De bezwaren aan den Rijnkant volgden
daarna. Gereede aanleiding daartoe gaf dat de beide Pos-
siderende Vorsten van godsdienst veranderden: de Keurvorst
werd van luthersch, calvinist en de Paltsgraaf van calvinist,
roomsch-katholiek. Dit geschiedde nadat een huwelijk tus-
schen de oudste dochter van den Keurvorst met prins Wolf-
gang Wilhelm van Neuburg, oudsten zoon van den Paltsgraaf
was mislukt. Wolfgang huwde kort daarna eene beiersche
prinses, zuster van den hertog van Beieren, het hoofd der
Ligue en van den keurvorst van Keulen, en trad weldra
tot de katholieke godsdienst over

De quaestie in hoever beider overgang het gevolg was

1) DEOYSEN, II, 2, 596—598. Alle bondgenooten der Unie, Trankrijk,
Engeland, de Staten, Denemarken drongen op verzoening met Saksen aan.

597. "In Februar begannen in Jiiterbock die Verhandlungen, zu denen
sich evangelische Fürsten in groszer Zahl einfanden; sie vs^ährten bis gegen
Ausgang des März."

MEETEEEN, fol. 617. DE LA NEUVILLE, 70 et 72.

2) DEOYSEN, II, 2, 504 en 505.

-ocr page 77-

van godsdienstige overtuiging dan van staatkundige bereke-
ning, is liier van geen belang. De politieke gevolgen er van
Waren inderdaad belangrijk. De sympathie van den Keizer
Voor het Huis Saksen werd nu van zelf op Neuburg over-
gebracht, dat thans de bescherming zijner aanspraken van
die zijde, even als van den kant van Spanje en de Aarts-
hertogen verzekerd zag Voor den keurvorst van Bran-
denburg waren die gevolgen minder voordeelig, want terwijl
daardoor zijn luthersche onderdanen in Pruisen en de mark
Brandenburg ten hoogste verbitterd werden , en hij er toch
niet meer medewerking om ondervond in de Stenden van
Cleve en Gulik, kon ook onmogelijk zijn bondgenootschap
niet de Staten enger worden dan het reeds te voren was
Het werd in 1613 door een nieuw tractaat bevestigd, waarin
de meeste Vorsten der Unie opgenomen werden, en dat voor-
namelijk op de cleef-guliksche zaken zag. In het volgend
jaar werd het nog nader verklaard en bevestigd^).

1) BOtreBANT, 1, 33. "Par-là il s\'assura le secours de la ligue catlio-
üque, la protection de l\'Empereur, et sur-tout l\'appui de la couronne d\'Es-
pagne qui le servit eiScaoement."

2) DBOYSEN, II, 2, 600, 601. EEiwllîG-, 485 en 486.

3) deoyses", II, 2, 608—612. "Von den beiden reformirten Mächten,
England und den G-eneralstaaten, war um des gleichen Betenntniszes wil-
len, auch nicht im entferntesten mehr Beistand zvi holfen, als sie aus po-
litischen G-ründen zu leisten nöthig fanden.

4) wagenaae, X, 65 en 66. aitzema, SaecJcen van Staet en Oorlogh,
45ste Boek, bl. 530. ISTader Tractaat met de geünieerde Keur- en Vorsten
"^au Duitschland, in naam van de verschillende Vorsten gesloten door Johan
■Wibrecht graaf zu. Solms, grootmeester van den keurvorst van de Palts en
benjamin von Bönninghausen von Walmerode, vorstelijk wurtembergsch

geheimraad.

aitzema , Vermeerdert verhael van den Vrede-Handel, 1, 58, van wege
®i"andenburg werd het tractaat geteekend door Christian von Bellyn zu
^arcksaro, Cancelir, Geheimber Eath.

-ocr page 78-

Ook met Lübeck werd in dat jaar een verbond geslo-
ten, waardoor wel onze alliantie met Denemarken bekoelde,
maar daarentegen gaf het aanleiding aan den koning van
Zweden, Gustaaf Adolf, zijn hofraad Jacob van Dijck naar
den Haag te zenden om ook een dergelijk verdrag te slui-
ten. Alle deze tractaten werden voor den tijd van vijftien
jaren aangegaan.

Intusschen was de spanning tusschen de Possiderende
Vorsten zoo hoog gerezen, dat de keurvorst van Bran-
denburg met hulp van staatsch krijgsvolk een aanslag op
Düsseldorf meende te moeten wagen om zich in zijn bezit
te handhaven, hetgeen echter mislukte Albert en Isa-
belle begonnen zich nu ook in het geschil te mengen, vooral
op aansporen van den pauselijken internuntius te Brussel,
kardinaal Bentivoglio, die aandrong op een
coup-de-mmn
op Wesel, het Genève van het Noorden, zooals hij het
noemde. Ook de Staten bereidden zich tot den oorlog,
hoewel nog steeds het behoud van den vrede zoekende; zij
bewerkten nog twee bijeenkomsten te Naumburg en te Wesel,
beide vruchteloos.

De vijandelijkheden begonnen openlijk met het bezetten
van Gulik door den Keurvorst en van Düsseldorf door den
Paltsgraaf: uit beide vestingen werden de troepen van den
mededinger verjaagd. Tot de bezetting van Gulik hadden
de Staten door hun krijgsvolk te leenen, den Keurvorst bij-
gestaan, gelijk zij verklaarden tot behoud van de rust aan

1) DBOVSEît, II, 2, 618—627.

2) bougeant, I, 33, "le marquis de Spiuola et le Prince d\'Orange se
saisirent de plusieurs Places, l\'un sous le nom du Duc de Keubourg, l\'autre
sous celui de l\'Electeur de Brandebourg. Ils firent ainsi sentir aux peuples
tous les maux de la guerre sous prétexte de leiu- donner la paix, et dépouil-
lèrent les deux princes en affectant de vouloir les rétablir" etc.

-ocr page 79-

hunne grenzen. Albert en Isabelle meenden echter dat zij
die vesting tot eigen voordeel trachtten te verkrijgen, en
hoewel de engelsche en fransche gezanten de verzekering
der Staten bevestigden dat Gulik ontruimd zou worden,
maakten de Aartshertogen zich toch gereed het hun met
geweld te ontnemen. Weldra verscheen Spinola met een
leger in het veld, maar nu bleek dat de vrees voor Gulik
slechts een voorwendsel geweest was, om zich onverwacht
Van Aken te kunnen meester maken, waarvan het bezit
ten allen tijde door de Spaanschen was begeerd. Na die
stad verrast te hebben, nam Spinola nog zonder slag of
stoot Duren, Orsoy, Gaster, Grevenbroich, Berchem en
eindelijk Wesel, het meest gewichtige punt van het land
van Cleve.

Prins Maurits was terstond op de tijding van dien zege-
vierenden marsch met het staatsche leger vooruitgedrongen,
had Emmerik en Rees bezet, doch kwam te laat om Wesel
te behouden; daarna nam hij Gogh, Cranenburg en Gennep,
die alle met staatsch of brandenburgsch volk bezet werden,
i^aar te Xanten was Spinola hem ook weder vóór; hier
iagen beide legers, nauwelijks twee mijlen van elkander,
maar ieder treffen werd zorvuldig vermeden, en zelfs alle
lioffelijkheid in acht genomen, zoodat het Bestand niet A\'er-
broken werd. Het zoude echter welhcht daartoe gekomen
zoo niet Frankrijk en Engeland bemiddelend tusschen

1) 7 September 1614. Inl. tot de Gesoh. der Nederl. Dipl.11,1, ,
„J3g G-ecommitteerden yan den Keurvorst van Brandenburg, doctor
^l\'ïïYNTGEïr en
hendbik stioke deden onverwijld een officieel aanzoek om
\'■^^ilp bij Oldenbarnevelt den dag nadat te \'s Hage het bericht gekomen was
de bezetting van Aken en Duren."
D
üdley-caeleton (Mémoires III, 395) noemt Adolph Steyntgen »na
oiume habile et bien intentionné."

-ocr page 80-

beide waren getreden. Hunne gezanten kwamen met die
van de Possiderende Vorsten van de Aartshertogen en van
de Vereenigde Nederlanden in october 1614 te Xanten
bijéén, om een verdeeling tusschen de beide bezitters tot
stand te brengen: maar de bezetting van Gulik bleef een
onoverkomelijk bezwaar, want de Staten wilden die ves-
ting niet ontruimen dan tegen voldoende zekerheid dat de
Aartshertogen zich niet terstond daarvan meester zouden
maken. \'). Ten laatste kwam men toch overeen omtrent
een plan waarbij de gulik-cleefsche erflanden tusschen den
Keurvorst en den Paltsgraaf verdeeld en alle vestingen aan
hen overgeleverd zouden worden; maar toen dit plan tot
uitvoering moest komen, weigerde de gezant der Aartsher-
togen het te onderteekenen zonder naderen last uit Spanje,
die eerst in december kwam en wel met bevel Wesel in
geen geval over te geven, zoodat ook de staatsche troepen
niet uit Gulik terug getrokken werden; er werd
daarover
toch nog, hoewel te vergeefs, in Brussel en in den Haag
genegotieerd. Inmiddels hadden de Possiderende
Vorsten
hunne gemeenschappelijke bezitting, volgens de getroffen
schikking verdeeld; 2) de keurvorst van Brandenburg verkreeg

1) Gesch. der Nederl. Dipl. 11, I, p. 349. ouvré , p. 232—238.

2) Tractaat van Xanten, 12 november 1614, kluit, Historia federmii
bl. 110 en
aitzema, vermeerdert verliael van den Treede-Handel, II,
253. Het verdrag werd onderteekend voor Frankrijk door
de reeeuge en
aubéby du maurier, gewoon gezant in den Haag, voor Engeland door
sir
henry wotton, extr. ambass. bij den Vredehandel en john dickbN-
SON, agent bij de Possiderende Vorsten. Voor de duitsche Vorsten door den
graaf
tot solms en benj. von bonninghausen , en voor de Staten-G-ene-
raal door
diderik bas, joachimi , joaït van gogii, mabcus liycklaiia
a nyeholt, bobre van amerongen en swedeb van haersolte.

Den 13 december werd het verdrag door de Staten gegarandeerd, alt"
zema,
bl. 241.

-ocr page 81-

daarbij het hertogdom Cleve, de graafschappen Marek en
Ravensberg en de heerlijkheid Eavestein; de paltsgraaf van
Neuburg de hertogdommen Gulik en Berg. Door deze voor-
loopige verdeeling v^erd nu heider bezit wel op beter grond-
slag gevestigd dan op de onhoudbare bepahngen van het
Verdrag van Dortmund, maar inderdaad bleef het nog hoogst
onzeker i); reeds terstoiid begon Saksen hevige klachten
daarover aan te heffen. Het keizerlijk Hof was echter met
te veel andere zaken bezig, om ernstig werk te maken het
\'^c/^ec te herstellen dat het in de cleef-guliksche quaestie
geleden had; dit liet dus. de hoop op een geleidelijke be-
vestiging en erkenning van den nieuwen bezitstoestand. In
allen gevalle was voor het oogenblik de communicatie met
het evangelische Duitschland verzekerd, hetgeen van te meer
gewicht was daar de steun van onze twee voornaamste bond-
genooten ons allengs begon te begeven: de koning van En-
geland geraakte langsamerhand op de hand van Spanje,
door de sints lang voorgespiegelde verwachting op een nauwe
"verbintenis tusschen beide koningshuizen 2), en de koningin
Regentes van Frankrijk, niettegenstaande hare belofte de
Politiek van Hendrik IV te zullen blijven volgen, was toen
^eeds geheel onder den invloed van den maréchal d\'Ancre,
•^ie haar klaarblijkelijk naar de spaansche zijde deed over-
hellen 3).

1) Heiwing, 393, 396, 397.

2) Reeds kort na 1604 was er van zoodanig huwelijk sprake geweest,
^^^enkHwklcen, II, 74, bij het Bestand werd het weer te berde gebracht:

spaausche Nederlanden werden toen als huwelijksgift voorgesteld. Zeven
J®-®!\' lang werden de onderhandelingen gerekt.

3) Mémoires du ehev. dtjuley-caeleton , I, p. 286 : „Ie Roi de France

est

sous le joug de la Reine sa mère, elle dans la dépendance du maréchal
^cre et tous les deux à la dévotion du roi d\'Espagne, qu\'on peut dire

-ocr page 82-

Ook in liet oosten van Europa trachtte Spanje ons vij-
anden te verwekken: gelijk gezegd is was de keurvorst van
Brandenburg in 1611 met Pruisen beleend geworden i); dit
hertogdom hing af van de kroon Polen dat slechts door
geldgebrek gedwongen, aan het vurig verlangen van Bran-
denburg had toegegeven dat zich daarbij menige harde be-
pahng ook van den kant der pruisische Stenden had moeten
laten welgevallen. De moeielijkheden bleven dan ook niet
lang uit. Koning Sigismund van Polen was uit het geslacht
Wasa; twisten over erfopvolging kwamen daardoor den na-
tionalen haat aanvuren die ten allen tijde Zweden en Polen
tot aartsvijanden had gemaakt. Spoedig begreep Sigismund
den uitslag dien hij begaan had door zich onder zulke om-
standigheden te berooven van den vrijen toegang op de
Oostzee, hem in zijn ondernemingen tegen Zweden zoo hoogst
noodig. Aangehitst door Spanje dat ons door middel van
Polen den nekslag hoopte aan te brengen, en door eigen
eerzucht aangezet — want eene monarchie „in Partibus
Borealibus" was Sigismunds hoogste streven, poogde hij het
gezag van zijn nieuwen leenman in Pruisen te ondermijnen,
door de Stenden, die uitermate verbitterd waren over \'s Keur-

hardiment avoir autant de pouvoir et d\'autorité à la Cour de France que
le Duc de Lerma en a à la Cour d\'Espagne."

1) Voortzetting van de algemeene Geschiedenis des Vaderlands van J. T-
Arend door Mr. O. van Eees en Dr. G. W. Brill, 3de Deel, 3de Stuk,
278 en 279. «Door het bondgenootschap met de Eepubliek was de keiu-
vorst van Brandenburg in staat geweest den koning van Polen met den oor-
log te dreigen bijaldien hij langer toefde hem met het Hertogdom Priiiseü
te beleenen. Deze bedreiging, aan welke de verovering van Gulik door zijne
bondgenooten kracht bijzette, had dan ook ten gevolge gehad, dat hij met
Pruisen beleend was geworden, hetgeen twee vorige Keui*vorsten met al
liunne geldelijke opofferingen, van het omkoopbare Polen niet hadden kun-
nen verkrijgen."

-ocr page 83-

Vorsten verandering van godsdienst, nog meer tegen hem
op te zetten 1).

Oldenbarnevelt doorzag terstond het gevaar dat de Re-
publiek en hare beide trouwste bondgenooten, Brandenburg
en Zweden dreigde: om het te verhoeden werd de burge-
meester van Deventer, Diderik Sticke, vader van den agent
Van Brandenburg in den Haag, naar Pruisen gezonden, waar
de Keurvorst zich gewoonlijk ophield De Keurprins sedert
den dood van markgraaf Ernst, zijns vaders stedehouder in
Cleve had zelf den grijsaard ovei\'gehaald tot deze zending
die de belangen van zijn Huis nog nauwer aan die der
I^epubliek moest verbinden. Die van Brandenburg en Zweden
\'Waren reeds onafscheidelijk verbonden; en zij werden binnen
kort nog nauwer vereenigd toen, niet weinig door Sticke\'s
medewerking, het huwelijk van koning Gustaaf Adolf met
de zuster van den Keurvorst tot stand kwam. Ook de sa-
menwerking van Nederland en Brandenburg was sedert het
Verdrag van Xanten niet verflauwd; eensgezind weerstonden
zy de pogingen van Engeland, dat door spaansche inbla-
zingen gedreven, op de ontruiming van Gulik aandrong,
hetgeen zelfs een der voornaamste punten van de instructie
Van den engelschen gezant in den Haag uitmaakte % De
Staten vermeden den kleingeestigen Jacob I door een wei-
Sering in het harnas te jagen, maar zij wisten de zaak

1) Inl. tot de Gesch. der Nederl. Dipl. II, I, 363.
CA.R1ET0N, I, 147. "Les troubles de la Pmsse sont Ie fruit des semen-
jettées par les Jësuites, qui dont établis la par Ie Eoi de Pologue."
^^ 2) Gesch. des Sederl. Dipl. II, I, 362. Nederland en Zweden, II.
_ —141.
CABLETOÏT, I, 146. Voortzetting van de Algemeene G-esehiede-
des Vaderlands van J. P. Arend, door Mr. O. van Eees en Dr. G.
3de Deel, 3de Stut, bl. 18, 280—283. »Diederik Sticke lieeft krach-
S medegewerkt tot de grondvesting der Pruisische Monarchie."
cauljjton, I, Instruction p. 5. .

-ocr page 84-

sleepend te houden, en werkelijk werd hun argwaan jegens
Spanje\'s goede trouw gerechtvaardigd door den strooptocht
van graaf Hendrik van den Bei\'g, die plotseling in Westfalen
viel en verscheiden onzijdige plaatsen als Soest en Lippstadt
bezette Niettegenstaande dit krachtige argument zou echter
Oldenbarnevelt toch ten laatste aan Carletons aandrang heb-
ben moeten toegeven, gelijk hij ook den brandenburgschen
agent te kennen gaf^), bijaldien het gebeurde dat Frankrijk
en Engeland op dat punt één lijn trokken; maar gelukkig
werd deze vrees niet vervuld. De onzekere fransche poli-
tiek werkte op dat oogenblik Engeland tegen en de ambas-
sadeur du Maurier kreeg den last de ontruiming op de lange
baan te schuiven\'^), zoodat Gulik vooreerst weer in onze
handen bleef

In dit tijdperk van innige verstandhouding met Bran-
denburg valt ook de negotiatie der beide leeningen, later
als de hoefijsersche schuld befaamd, een van 100,000 gul-
den in 1615 en een van 100,000 rijksdaalders in het vol-
gend jaar. In later tijd gaf de afdoening dezer schuld,
door de opeenstapeling der interessen aanmerkelijk aange-
groeid, zoo veel aanleiding tot twist en onderhandeling
met
Brandenburg, dat de oorsprong daarvan wel verdient aan-
gestipt te worden

Twee jaren lang duurde Sticke\'s verblijf in Pruisen;
door die zending gelukte het hem de bestaande alliantie
te vernieuwen, die steeds tot grondslag bleef strekken voor
onze betrekking tot Brandenburg gedurende de gewichtige

1) CABLETON, I, 18, 22, 38.

2) CABEETON, 1, 90, 97.

3) CAELETON, "de reprendre les erres des promesses."

4) Mr. j. A. AliTiNG- BÖSKEN, over geldleeningen door vreemde Mogend-
heden hier te lande aangegaan, bl. 35—46.

-ocr page 85-

gebeurtenissen die van 1618 tot aan den westfaalsclien
vrede, Europa in rep en roer Melden. Het was echter niet
veel meer dan de grondslag, die van de vroegere vriendschap
overbleef: inderdaad veranderde de aard der betrekking aan-
merkelijk: beiden volgden uiterlijk dezelfde politiek van ont-
houding en onzijdigheid in den bloedigen oorlog van den
Keizer met de evangehsche Stenden des Eijks, maar zij
deden dat uit volkomen tegenovergestelde beweegredenen.

De Republiek had in Spanje een vijand te bestrijden,
die al haar krachtsinspanning vorderde; de Keizer van zijn
kant, had ook werks genoeg binnen de grenzen van het Rijk,
om elke aanleiding te vermijden tot openlijke ondersteuning
zijner tegenpartij uit de Nederlanden; van beide zijden bleef
dus in naam de onzijdigheid bewaard, zelfs in de meest hache-
lijke omstandigheden, terwijl de staatsche troepen op Rijksbo-
dem lagen, en de keizerlijke de Veluwe afliepen. De Republiek
schroomde den Keizer niet; zij had offers genoeg gebracht
tot instandhouding van haar staatkundige en godsdienstige
vrijheid om voor een nieuw offer, hoe zwaar ook, terug te
deinzen. Maar zij zocht niet roekeloos het gevaar: tevreden
met een moedige verdediging tegen haar aanvallers, ver-
langde zij hun aantal niet te vermeerderen; en nu eenmaal
de Keizer niet tot den aanval overging, ondernam zij ook
van haar kant geen vijandelijkheden

Geheel verschillend was de politiek van Brandenburg;
gedurende de rustig afwachtende houding van Nederland,
Werd de Keurvorst als door de baren der zee geshngerd
Van de eene partij naar de andere, eigenlijk van het eene
Onheil in het andere. Tusschen de afhankelijkheid van
Polen, de overmacht van Zweden en de bedreigingen van

1) Inleiding tot de Gesch. der Nederl. Dipl.1, 181.

-ocr page 86-

den Keizer, was het moeielijk de minst schadelijke partij
te kiezen. Voegt men daarbij nog de verplichtingen jegens
Nederland en de kuiperijen van Frankrijk, dan zal men
zich een denkbeeld kunnen maken van de verschillende in-
vloeden die op het keurvorstelijk Hof hun werking deden
gevoelen. Het is zeker gemakkelijk na verloop van twee
eeuwen te verklaren dat Brandenburg een moreele verplich-
ting verzaakte, door niet terstond bij het eerste alarm zijn
geloofsgenooten te hulp te snellen, maar wanneer men na-
gaat hoedanig de gesteldheid van dien Staat op dat oogen-
blik was, moet men wel tot het resultaat komen dat de
medewerking van zulk een bondgenoot hoogstwaarschijnlijk
de protestantsche partij overlast en schade in plaats van
voordeel zou hebben aangebracht: in drie deelen verdeeld,
die onderling niet door den minsten staatkundigen band , zelfs
niet door een bloote verknochtheid aan den gemeenschap-
pelijken Vorst vereenigd waren, lag de kern des lands, het
markgraafschap Brandenburg geheel en al bloot voor een
onderneming des Keizers, ingeval de Keurvorst zich bij diens
vijanden aansloot: het naijverige Saksen zou niets liever
verlangd hebben dan in dat geval het werktuig der keizer-
lijke wraakzucht te zijn: het lag als het ware op de loer.
In het westen van het Rijk, geheel afgezonderd, lagen de
cleefsche bezittingen, evenzeer open voor de aanslagen van
den hertog van Neuburg, die daarbij op
dadelijke hulp uit de
spaansche Nederlanden kon rekenen; het is waar, de neder-
landsche regeering had zich grootendeels met de bewaring dier
landen belast, maar dat was ook juist weer een aanleiding
tot bedreiging uit Weenen: de Keizer sprak over die
schennis
van het Rijksgebied niet degenen aan, die er zich onmiddelijk
aan schuldig maakten, maar wel dengene die er middelijk
door werd gebaat. Duizend angsten stond de
ongelukkige

-ocr page 87-

Keurvorst daardoor uit: de Keizer vorderde van hem dat
hij zijn gebied door de Staten zou doen onti"uimen; in dat
geval zou de neutraliteit daarvan worden erkend; maar wat
die neutrabteit beteekende leed geen twijfel: in een oorlog
als de dertigjarige, waarin men bijkans genoegen nam, recht
en billijkheid te vertrappen, was dat bijna zoo veel geëischt
als een vrijwillige afstand ten voordeele van Neuburg; bij
weigering dreigde de Rijksban, met Saksen als uitvoerder:
dan gold het de mark Brandenburg. In geval van een be-
paalde keuze van partij \'moest dus een van beide worden opge-
offerd: de Keurvorst bleef daarom in zijn onzekere houding
volharden, hij was als het ware tusschen hangen en worgen;
hij voldeed aan het keizerlijk verlangen door in den Haag,
zelfs herhaaldelijk, om ontruiming der cleefsche vestingen
te doen verzoeken, maar hij wachtte zich wel dat met te
grooten aandrang te doen. De Staten van hun kant wei-
gerden die ontruiming wel niet, maar zij beweerden die
vestingen als pand te bezitten voor hetgeen de Keurvorst
hun schuldig was. Voldeed hij die schuld dan zouden zij
hem terstond de vrije beschikking over zijn eigendom terug
geven; intusschen wisten zij wel dat hij tot die voldoening
buiten staat was; en inderdaad deed hij ook geen moeite
er toe te geraken, want hij bepaalde zich altijd tot het
doen van voorstellen, en tot verzekeringen die van alle
kanten bezwaar ondervonden. Daarbij, naarmate de be-
taling verschoven werd, steeg ook het bedrag van de
schuld en werd daardoor Brandenburgs positie steeds be-
nauwder. Eindelijk lag de Keurvorst in het oosten van
Europa ook nog tusschen twee vuren: het derde hoofdbe-
standdeel van zijn macht, het hertogdom Pruisen was de
twistappel tusschen Zweden en Polen, die er een oorlog om
Voerden, waarvan dat land in allen gevalle, hoe de strijd

5*

-ocr page 88-

ook uitviel, natuurlijk liet slachtoffer zijn moest. Op Pruisen
had de Keurvorst steeds hoofdzakelijk zijn staatszorg gericht.
Van zijn zwager en zijn leenheer kon hij toch nog altijd
op eenige verschooning hopen, hoe moeielijk het hem in-
middels ook zijn
Pruisische onderdanen zelve maakten.
Daarbij die staatszaak ging buiten den Keizer om. Het
viel den Keurvorst zwaar — ook behalve den dreigenden
Rijksban — de traditioneele politiek van zijn Huis te verlaten,
dat altijd den Keizer tegen meer woelige onderdanen had
gesteund. Zijn natuurlijke plaats zocht hij naast den kei-
zerlijken troon; het was alsof de Brandenburgers een voor-
gevoel hadden dat van het behoud van Pruisen en de gunst
van den Keizer bovenal hun toekomst afhing.

Gelijk bekend is, brak in 1620 de oorlog uit, die reeds
zoo lang over Duitschland zweefde, na de opdracht der kroon
van Boheme aan Frederik van de Palts. Schier gelijktijdig
met die opdracht had het collegie der Keurvorsten, op voor-
stel van Brandenburg en Trier, den aartshertog Ferdinand
van Oostenrijk, in plaats van Matthias tot Keizer gekozen

Welke staatkundige en godsdienstige betrekkingen de
Nederlanden en de Palts verbonden, is reeds gezegd. Daar-
enboven was prins Maurits door de banden des bloeds aan
den Paltsgraaf verknocht, want deze was door zijn moeder
kleinzoon van Willem van Oranje, al bad hij ook geenszins
diens poUtieken zin overgeërfd. Bij gevolg kon het lot van
dezen vorst en van zijn erfgoed, ook al had de geheele
zaak van het Protestantisme daaraan niet gehangen, de
regeering hier te lande niet onverschillig laten. Reeds in

1) vok eaümee, Greschiclite Deutaclilands von der Abdankung Karls V,
bis zum westphälischen Frieden, in het Historisches Taschenbuch, tweede
jaargang, bl. 95.

-ocr page 89-

november 1618, een jaar ongeveer voor Frederiks krooning
in Praag, toen men nog slechts in de toekomst voorzag
welken tegenstand, de door keizer Matthias benoemde erf-
genaam in Boheme ontmoeten zou, kwam een gezant van
den Paltsgraaf, de baron von Dohna, op zijn tocht naar
Engeland in den Haag om over vernieuwing der tractaten
te handelen In het vroege voorjaar van 1619 uit Enge-
land teruggekeerd, vond hij de Staten niet ongenegen tot
die gevraagde alhantie; daarop bij Frederiks verkiezing gold
het als een grond van aanbeveling, dat hij, behalve door En-
geland en de Unie, ook door Nederland werd ondersteund
Maar desniettemin stond de nieuwe troon toch zeer wrak
en het koningschap was, gelijk men weet, van korten duur;
even gemakkelijk als de kroon van Boheme verkregen was,
ging zij weer verloren en de voortvluchtige vorst vond eerst
in \'s Gravenhage een veilige schuilplaats. Maar het ontsto-
ken twistvuur was daarom nog verre van gehhischt, nog
dertig jaren woedde het in alle hoeken van het duitsche
Rijk, en bracht een algemeene omwentehng in Europa te
weeg, die eerst met den vrede van 1648 een,eind nam®).

1) cab.letow, II, 380, III, 517, 519. Voortzetting van Arend, III,
3, 294—296, 310.

2) VON EATJMEE, LI. 100.

3) Dr. L. ENNEN, (Frankreich und der Mederrhein, oder aeschichte von
Stadt tind Knrstaat Köln, I, Einleitung bl. 14) beweert dat de Nederlan-
ders alom den Keizer vijanden verwekten, om hem te beletten hen weer aan
het Eijk te onderwerpen; daarom zouden zij ook de boheemsche Stenden
tot tegenweer hebben aangezet: »Sie waren es, die in der teuflischen Ab-
sieht, Deutschland zum Wüthen gegen seine
eigenen Eingeweide anzuregen,
den verblendeten Friedrich von der Pfalz zur Annahme der böhmischen
Krone gegen Ferdinand von Oestreich anfeuerten, durch die Aussicht auf
Isi\'äftige Unterstützung in den Kampf trieben und das arme gehetzte Wild
aus jedem Zufluchtsort zum letzten verzweifelten Angehen gegen die habs-

-ocr page 90-

Dezelfde banden als tusschen Nederland en de Palts
bestonden, verbonden Albert en Isabelle aan de keizerlijke
partij, welke laatste ook een oogenblik wankel stond, niet
zoo zeer wegens de boheemsche quaestie, als door den op-
stand in Hongarije, waar in plaats van koning Ferdinand,
de vorst van Zevenbergen, Bethlen-Gabor, tot koning was
uitgeroepen. Bij dit gevaar uit het Zuiden voegde zich
de vrees dat Boheme uit het Noorden zou ondersteund
worden; dat de Nederlanden zich daartoe verbonden had-
den en er ook bij Engeland op aandrongen was geen ge-
heim, en dat Jacob I zoo verregaand onverschillig zou
blijven omtrent het lot van zijn schoonzoon, kon nog niet
algemeen worden geloofd De medewerking der Aarts-
hertogen was dus voor de keizerlijke partij hoogst gewichtig.

Reeds in het najaar van 1619 werd in de zuidelijke
Nederlanden een leger verzameld, om onder graaf Hendrik
van den Berg naar Duitschland te trekken; hoewel het Be-
stand nog niet afgeloopen was, maakte prins Maurits zich
evenzeer tot een veldtocht gereed, maar daar graaf Hen-
driks leger niet optrok, keerde ook de Prins weer naar
huis. Eerst het volgend jaar werden de gebeurtenissen ge-
wichtig. Spinola trok tusschen Rijnberk en Wesel een aan-
zienlijke legermacht samen, waarmede hij in de Beneden-
Palts viel, die, op eenige steden na, weldra geheel in zijn

bvirgisohe Macht aufjagten. Sie schickten ilu\'e Sendlinge an die deutschen
Höfe, um hahsüclitigen deutschen Pürsten den holländischen Säckel zu.m
Kampfe gegen den Kaiser anzubieten" etc.

Zoodanig een ongerijmde voorstelling en verdraaiing der feiten, behoeft
waarlijk geene tegenspraak.

1) Aan het Hof te Heidelberg doorzag men spoedig de engelsche po-
litiek; vg. het verbaal van Aerssens zending naar Venetië, in de
Berigten
van het Historisch Genootschap, V, 1ste Stuk (1853) bl. 56 en 57,

-ocr page 91-

macht was: eigenlijk had hij dien voorspoed minder nog
aan zijn veidheers-talent, dan aan de oneenigheid zijner te-
genstanders te danken, die, zoo als men dat van de duit-
sche vorsten gewend was, het toebrengen van een snellen en
besbssenden slag verhinderde. Eerst in october vereenigden
een staatsch leger onder Frederik Hendrik, en 2400 man
Engelschen onder sir Horatio Vere, met moeite van Jacob I
afgebedeld, zich met het leger der Unie onder den mark-
graaf van Brandenburg-Anspach, veel te laat om iets an-
ders uit te richten dan het behouden der plaatsen die
nog des Paltsgraven zijde hielden; de invallende winter nood-
zaakte Frederik Hendrik spoedig met zijn ruiterij terug te
keeren. Prins Maurits was intusschen tot bij Bonn voort-
gerukt, waar hij op een eilandje in den Rijn een schans
had opgericht, de Papemuts geheeten, die in de krijgs-
kundige historie na het Bestand een belangrijke rol vervulde.

Hier te lande had men algemeen verwacht dat de Prins
in de afwezigheid van Spinola een inval in de spaansche
Nederlanden zou hebben ondernomen, die dan, om het Be-
stand met de Staten niet te verbreken, onder den naam des
konings van Boheme zou hebben moeten plaats grijpen, maar
zulk een handeling was den lieren Mauiits onwaardig. Wei-
gerden de Staten verraderlijk het Bestand te verbreken,
Maurits schroomde niet zich met Spinola te meten, zelfs
rekende hij een ander tegenstander nauwelijks zijner waar-

1) WAGENAAE X, 402. AITZEMA, Vermeerdert Verhael,!, 12. bnnbn,
(I, 55, 56) klaagt over de afpersingen van den kommandant van Papemnts
(Ludwig Heinrich von Hatzfeld) der Eijnvaart aangedaan: "Bis nach Hol-
land war der Naohtheil fühlbar der durch solche aewaltmaszregeln dem rhei-
nischen Handel bereitet wui-de, und ihr eigenes Literesse gebot es den Ge-
neralstaaten , auf die Klagen und BeMamationen der Pürsten von Köln und
ïfeubnrg zu hören," enz.

-ocr page 92-

dig. De Republiek verliet hare afwachtende houding niet,
en bespaarde hare krachten totdat er beter gelegenheid zou
zijn de protestantsche zaak daarmede te dienen. De zaak
van Frederik stond reeds op dat tijdstip (najaar van 1620)
hopeloos. Frankrijk de aanlegger der Unie, was thans
onder de handen der Regentes — een geboren spaan-
sche prinses — geheel en al tot de kathobeke partij over-
gegaan, en misbruikte het overschot van zijn invloed on-
der de protestanten door tweedracht onder Lutherschen en
Calvinisten te zaaien, waardoor Denemarken en Saksen
eerst van de Unie werden afgetrokken, en toen met het
overschot, dat in de Palts tegen Spinola gestreden had,
een accoord werd getroffen, waarvan Boheme werd uitgeslo-
ten, zoodat Frederik alleen overbleef tegen een overmacht,
die hem reeds bij den eersten slag te sterk bleek. Bijna
op het oogenblik dat Spinola de erflanden van den Palts-
graaf veroverde en de vorsten der Unie tot een vernede-
rende onderwerping dwong, verloor Frederik tevens in den
beslissenden veldslag op den Witten Berg zijn nieuw koning-
rijk, waarin de luthersche keurvorst van Saksen, thans met
de Katholieken tegen hem samenspannend, de graaf van
ïilly en hertog Max van Beieren als hoofd der Ligue van
verschillende zijden binnendrongen; en den over Berlijn naar
\'sGravenhage gevluchten vorst, bleef, buiten den ijdelen
koningstitel niets over, dan de onzekere hoop op ondersteu-
ning uit Engeland en Nederland.

In die eerste verwachting werd Frederik echter te leur

1) aitzema, I, 68. Inatmctie voor de hertogen d\'Angoulême en de
Béthane en den Sire de Préaux, fransche ambassadeurs op den
Eijksdag te
Ulm (1620). Dit vergelijk werd gesloten tusschen hertog Max van Beieren,
hoofd der Ligue en Joachim Ernst markgraaf van
Brandenburg-Anspach,
aanvoerder der Unie.

-ocr page 93-

gesteld; van zijn aanverwanten ondervond hij in die bange
dagen weinig belangstelling: de keurvorst van Brandenburg,
zijn zwager had hem bijna gedwongen Berlijn te verlaten,
uit angst voor den toorn des Keizers, en zijn schoonvader,
in dien tijd nog geheel en al ingenomen met het spaansche
huwelijksvoorstel, vergenoegde zich met een onvruchtbare
diplomatieke tusschenkomst door zendingen naar Brussel en
Weenen af te vaardigen, die niet eens in ernst aanvingen
te onderhandelen^).

Eenige maanden na den slag van Praag hep het Be-
stand ten einde (april 1621); wèl deden de Aartshertogen
nog een poging tot verzoening, die zij meenden dat de
hoogst ongunstige toestand van het Protestantisme niet zou
doen afslaan, maar desniettegenstaande, en hoewel de wapen-
stilstand aUe voordeelen van den vrede aan handel en wel-
vaart had doen kennen, en de haat van het algemeen tegen
Spanje reeds aanmerkelijk was verflauwd, verkozen de
Staten toch den oorlog te hervatten Misschien als de
invloed van prins Maurits op \'s lands zaken na den dood
van Oldenbarnevelt minder overwegend geweest was , zou-
den de voorstellen uit Brussel niet zoo gladweg zijn afge-
slagen, en de kamp met een zoo machtigen vijand als
Spanje op dat oogenblik scheen, gesteund door Frankrijk,
Engeland, den Keizer en de Ligue niet zoo dadelijk zijn
hervat; maar het militaire element was nu aan het roer,

-ocr page 94-

en voor de instandhouding van des Stadhouders w^aardigheid
was de oorlog noodzakelijk. Toch waren in de eerste tijden
voor en na den afloop van het Bestand de diplomaten
meer ijverig dan de krijgslieden. Reeds in het begin van
1621 waren talrijke ambassades naar onze bondgenooten —
verreweg de meesten nog slechts in naam — uitgezonden.
Frankrijk en Engeland dienden aan de verphchtingen der
tractaten herinnerd te worden, en de duitsche Vorsten tot
moedhouden te worden opgewekt\'). Denemarken moest weer
tot de Unie worden teruggebracht, en met Venetië werden de
eerste betrekkingen aangeknoopt. De meeste dier zendingen
droegen echter weinig vrucht: aUe beloften en aanmoedigin-
gen van de buitengewone gezanten in Duitschland, Arnold van
Randwijck en Joachimi, konden de onderhandehng der Unie
met Spinola niet voorkomen -). In Frankrijk werden onze
gezanten met onachtzaamheid, in Engeland met in het oog
loopende onbeleefdheid ontvangen. Van daar was dus niets
te verwachten, en slechts steunend ep eigen kracht
moest
men den strijd weer hervatten. Jacoh I verliet wel eerlang
de spaansche zijde, toen hij gewaar werd hoe schandelijk
het Hof van Madrid hem om den tuin had geleid, maar zijn
medewerking was krachteloos, even als hij zelf Zweden

1) Inl. tot de G-esch. der I^ederl. Dipl. II, 2, 49, 69.

2) Voortzetting van Arend, III, 3, 499—501. aitzema, G8. »Uyt kracht
van de gemelte Alliantie ende om het interest van desen Staet heeft ^^lea
van hier de vorsten van de Unie seer getrouwe hulp en subsidie gedaen; men
heeft oock in \'t uytgaen der Trêves door een expresse besendinge die der Unie
doen verseeckeren dat men se niet minder dan te voren sou subsidieren."

90. Joachimi en Randwijck moesten "de goetgesinde vorsten en stede»
aldaer animerenen aan Neuremberg, Straatsburg en Ulm werd
geschrevea
om ze te vermanen, aan de Unie getrouw te blijven.

3) AITZEMA, 1. 1. noemt Jacob "Out, slap ende qualijck met sijn Pai"
lement."

-ocr page 95-

toonde meer goeden wil dan macht en bracht zijn meeste
nut aan door den koning van Polen bezig en van een jn-
Uienging in duitsche aangelegenheden af te houden Onder
de duitsche Staten was een gedeelte door Spinola onder-
Worpen, de overigen, en daaronder Brandenburg zochten
bun heil in een onzijdige houding. Te Berlijn regeerde toen
keurvorst Georg Wilhelm, die eerst in 1619 zijn vader was
opgevolgd. Nog Keurprins zijnde, had hij als diens ste-
dehouder in Cleve gelegenheid gehad zich in staatszaken
te bekwamen, en zich daarbij bijna uitsluitend naar de raad-
gevingen uit den Haag gedragen ; door zijn huwelijk met
^^e zuster van den koning van Boheme was hij nauw aan
prins Maurits verwant, maar juist al die betrekkingen tot
de Nederlanden begreep hij, dat hem bij den Keizer verdacht
nioesten maken, en om nu niet zijn aan het tooneel des
oorlogs grenzend erfgoed, op dezelfde wijze als Boheme en
de Palts verwoest te zien, verkondigde hij, luider dan noodig
of natuurlijk was, zijn onzijdigheid en zijn verknochtheid
aan den Keizer.

Prins Maurits, die zelf, meer onvertsaagd dan voorzichtig
den strijd aanvaard had, waarin de Republiek het laatste
bolwerk was van het Protestantisme, en van alle kanten

1) aitzema. De Stateu weigerden in juni 1621 een poolsoh ainbassa-
te ontvangen in wiens credentiebrieven hun niet de hun toekomende

titels gegeven wei\'den. Dit geschiedde eehter voornamelijk tot aanmoediging
G-nstaaf Adolf, zwager des Keurvorsten, «als wel wetende dat dese
^loon, soo om de voorgemelde olevisohe landen, en verwantschap met de
ï\'altz en de Vereenichde .Nederlanden gants qualijck stondt met den Keyser
Spaenache; daermede Gustaaf Adolph airede van dien tijdt af wilde
toonen vijandt van d\' altegroote oostenrijcksche dominatie te sijn."

2) cablbtoir, i, 201. "Le Prince de Brandebourg étant jeune, et son
°°iiseil étant partagé d\'opinion, ce Prince ne fait absolument rien sans con-
sulter les Etats."

-ocr page 96-

door nog zwakkeren om ondersteuning werd aangeroepen
zag voorzeker dit gebrek aan veerkracht met leede
oogen.
Een ongelukkige gebeurtenis dreigde onze betrekking met
Brandenburg nog meer te verkoelen; de medeplichtigheid,
namelijk van den brandenburgschen agent hier te lande,
Hendrik Sticke aan de misdaad van valsche munt werd
ont-
dekt en de schuldige, niettegenstaande alle vertoogen, met
het zwaard gestraft 2). Indien al hierover wrok gekoesterd
zij — de agent was althans geen brandenburgsch onder-
daan — de staatkunde sprak in allen gevalle sterker: de
Keurvorst behoefde den bijstand der Staten om zijn cleef-
sche vestingen tegen eene verrassing van den neuburgscheo
mededinger, want deze had zich wel aanvankelijk eene dee-
ling der erfenis laten welgevallen, maar daarom zijn aan-
spraken op het geheel volstrekt niet opgegeven; om
over
dien bijstand en tevens over de afdoening der hoefijserscliG
schuld te onderhandelen, zond de Keurvorst zijn vertrou-
webng, den befaamden graaf Adam von Schwartzenberg
naar
den Haag, die in augustus 1621 een tractaat tot stand bracht,
waarbij de bescherming dier gewesten geregeld werd s).

1) AITZEMA, I, 107, "het bolwerok ofte asylum van het protestantisme-"

hl. 97. In januari 1621 verzocht Eeynier de Casembroot hulp voor den

graaf van Nassau-Siegen. Later vroeg de landgraaf van Hessen ondersteuning
door zijn geheimraad Johann Zobeln. Ook werd een gezant uit Grenève oin
voor de Grauwbunders geld te verzoeken, teruggezonden met duizend rijks-
daalders. Vg.
v. d. capellen, I, 10, die hem Benedictus Turretinus noein*\'

2) Inl. tot de OescJi. der Nederl. Dipl. II, 2. Bijlagen 103. Nederlani
en Zweden,
caeleton, III, 308, 317, 322.

3) aitzema, I, 108. wasenaab, X, 428. Voortzetting van Arend, III\'
3, 647.

"De keurvorst van Brandenbiu-g ziende de partij des Keizers ook al t®
sterk en zich zelf om zijn verwantschap en religie met den koning van Bo-
heme door de Oostenrijkers gehaat en bedreigd, vooral in de possessie van
de cleefsche en marcksche landen, daar Neuburg zich tot Spanje had ge-

-ocr page 97-

Be vijandelijklieden waren inmiddels hervat met de Aarts-
hertogen over wier leger het opperbevel aan Spinola was
opgedragen, die, daartoe uit de Palts teruggeroepen, de
Eerdere uitzuiging van dat ongelukkige gewest aan Tilly
had overgelaten. De marquis verzamelde zijn leger hij Wesel,
prins Maurits een inval in de Veluwe duchtende, ver-
sterkte Doesburg en de vestingen langs de linkerzijde van
IJsel; Spinola had echter geheel andere voornemens;
terwijl de algemeene aandacht op Gelderland was gevestigd
^Verlegde hij eenen aanslag op het sterke Gulik dat nog
altijd door staatsche troepen voor den keurvorst van Bran-
•tenburg werd bewaard. Om daartoe te geraken, zond hij
§i"aaf Hendrik van den Berg met eenige ruiterij derwaarts,
zich van het Huis te Reydt meester maakte; van daar
sloeg graaf Hendrik het beleg voor Gulik, dat, hoewel slecht
mondbehoeften en ammunitie voorzien, de verdediging
^ot in februari 1622 volhield, toen de bevelhebber, kapitein
^ithaen, daar geen ontzet meer te wachten was, zich op
Eerlijke voorwaarden overgaf. Dit was een zwaar verhes
Zoowel voor Brandenburg als voor de Repubhek, want Gulik
Was cle voornaamste en sterkste vesting van die landen.

\'"\'end, -vv\'lst ook geen beter raad als zich jegens dezen Staat te keeren, daaroin
hij A^am van Schwartzenberg die de meeste directie van zaken

^y hein had. De punten van zijne bezending waren met behulp van dezen
zioi^ in dat bezit te maintineren; item om aftehandelen met betaling
anderszins de 100,000 gnlden in 1615 en de 100,000 rijksd. in 1616 door
ontvanger Hoefijser ten behoeve van den Keurvorst genegotieerd. In
^^^gustus werd „verafscheid" dat Keur-Brandenburg zoude onderhouden,
® zomers 3000 en \'s winters 1500 man. Schwartzenberg werd gedimitteerd
^■^et een gouden ketting van ƒ800. In het volgend jaar 1622 werd deze
^^alc wat veranderd en een nieuw tractaat gemaakt. Door interest op inte-
zijn die sommen zoo hoog geloopen dat zij in
1650 ƒ 1700,000 beliepen.
°ewel er reeds twee of driemaal ƒ 100,000 op betaald was."

-ocr page 98-

Echter maakte de afgelegen ligging dier sterkte, midden in
vijandelijk gebied en ver van onze grenzen reeds sints lang
haar behoud bezwaarlijk \'). Maar wat dat verlies op dat
oogenblik het diepst deed gevoelen, was de nieuwe triomf
daarmede door de Katholieken behaald, die nu alom zege-
vierden; slechts enkele partijgangers, Mansfeld en hertog
Christian van Brunswijk hielden nog de vaan van Frederik
van Boheme op. Hun onderwerping kon na zooveel zege-
pralen den Keizer geen moeite kosten, en werkelijk, had
Ferdinand met gematigdheid van zijn overwinning partij
weten te trekken, de dertigjarige oorlog zou
waarschijnlijk
met deze algemeene nederlaag der Protestanten zijn afge-
loopen; maar nu werden de goedschiks onderworpen Bo-
hemers door zijn wraaknemingen weder in het harnas ge-
jaagd en de oorlogsvlam wel ver van uitgedoofd te zijn,
flikkerde weldra alom weer op. De Staten geen troepen
kunnende missen, stonden Mansfeld met geld bij even als
den aanvoerder der Unie, den markgraaf van Anspach.
Meer afdoende hulp werd echter te gemoet gezien, toeü
omstreeks dezen zelfden tijd koning Christian IV van De-
nemarken onverwacht als verdediger voor de protestantsche
zaak optrad\'^); sedert lang door de kuiperijen van Spanje?
door naijver op de duitsche vorsten en vooral op Zweden
den trouwen geallieerde der Republiek van de Unie afkeerig
gemaakt, bracht nu plotseling de hachelijke toestand van
zijn zwager den koning van Boheme hem tot zijn
natuur-

1) van deb capeeeen, I, 13 611 23. aitzema, II, 1.5.5. «Het Tei\'lie®
van G-uliok weckte minder de vastiolieydt van den Staet als zijnde verre g®\'
legen en veel kostende, dan wel aijn reputatie."

2) In october 1621 kwam dr. Ludwig Camerarnis van wege graaf Mans-
feld bijstand in geld verzoeken.

3) van der CAPEIJjen, I, 160.

-ocr page 99-

bjke bondgenooten terug; maar zonder Frankrijks of Enge-
lands medewerking was het Cliristian niet mogebjk iets uit
te richten 1). Een te Segeborg belegd congres, waar Fre-
derik en hij in persoon met de gezanten van de Republiek ,
Zweden, Brandenburg en Mecklemburg onderhandelden le-
verde geen resultaat op.

Inmiddels was Guhk overgegaan en de klachten uit die
ï"ampzalige streken weerklonken bijna dagelijks in de ver-
gadering van
\'s lands Staten. Nadat de graaf van den Berg
Ook Gogh genomen had, bleven nog slechts Rees, Emmerik
en Gennep in het bezit van den keurvorst van Brandenburg,
die andermaal graaf Schwartzenberg naar den Haag afvaar-
digde. De Stenden van Cleve, die het onheil van hun land
Veelmeer aan het zwakke bestuur van den Keurvorst dan
aan de overmacht van den vijand toeschreven, zonden ook
bezending op bezending aan de Staten, van wie zij bovenal
de instandhouding hunner staatkundige vrijheden verwacht-
ten. Dat vreemde troepen in hun vestingen lagen, dat de
Keurvorst zonder hun voorkennis belastingen uitschreef, gaf
niet minder reden tot beklag dan de zware brandschatting
retorsies door vriend en vijand geëischt \'\'•). De Staten

1) ÜEOTS-EN, III, I, 40 en Vgg. VON EAUMER, 185.

2) Yoor de Staten Foppius van Aitzema.

3) aitzema, II, 155. "Artioulen ende conditiën waerop die van Gulick
haer hebben overgegeven."

4) AITZEMA, II, 234. Om retorsie te nemen over een gedwongen op-
^i"engst van hooi en stroo aan de Spanjaards, eischten de Staten van het
laad van G-nlilc honderdduizend rijksdaalders vergoeding, en namen daartoe
®eüige gijzelaars gevangen. Daarop verschenen Willem van G-ershoven, heer
Van Tolouse, geassisteerd vaa Johan van der Veecken, vorstelijk neuburgseh
®gent in (jg^ Haag, die representeerden »quod afflictis nonesset afflictio ad-
denda." Op hetzelfde subject kwam in mei, jonkheer Albrecht v. Huchten-
\'^^oiet, cleofsch Eaad en erfkamerheer van het vorstendom Cleve om te
\'blagen over de executie die de ontvanger Ommeren op dat stuk deed. De

-ocr page 100-

namen de verdediging dier rechten, voor zoover de stand
van zaken zulks gedoogde, en den ongelukkigen toestand dier
landen ter harte; gecommitteerden uit hun midden, Boeck-
horst, Boetzelaer, Muys van Holy en Joachimi onderhandel-
den met Schwartzenberg, en brachten den lOf^en maart 1622
een voorloopig verdrag tot stand, dat in juni werd gerati-
ficeerd , waarna de onderhandelaren terstond weer te Em-

Staten besloten echter voltehouden en scheepten hem met een geschenk van
»een aêm Rijnse wijn" af. Toen nu de ontranger zich weer beklaagde dat
de gijzelaars geen moeite deden om de som te doen bijeenbrengen, werd
hem "acte //gegeven" met dreygement van brandschatting" waarover Joh. Died.
van Ahr tot Putteren en Antony van Gelekercken, der Rechten Doctor, als
gedeputeerden der guliksche en bergsche Stenden een zoo treurig tafereel
van den toestand der hertogdommen kwamen ophangen, dat men den eisch
verminderde tot honderdduizend gulden, mits binnen veertien dagen te betalen.

1) AITZEMA, II, 253-. "In dit jaar (1622) kwam ook de brandenburgsche
Geheimraad, graaf v. Schwartzenberg tracterende met dezen Staat over "een
mutuele defensie ende speoialijck om den Chur-Vorst de cleefsche ende an-
dere landen te conserveren." Voortzetting van Arend, III, 3, 711—714.

aitzema, II, 264. Tractaat tusschen Brandenburg en de Republiek,
geteekend te \'s Gravenhage, 4 juni 1622. »Daer reeds den 10 maert tus-
schen den graef van Swartsenberg tot Hohenlanaberg ende Gimborn, ridder
van -St. Michiel, ende de gedeputeerden van H.H. M. een accoort is geslooteu
\'op \'t welbehaegen ende ratificatie van beider Principalen, om de sedert veel
jaeren bestaénde vrientschap te confirmeren, welcke gebleeken is in de hulp
der Staten om den Ghurfurst te maintiueren ende defenderen in haere ge-
apprehendeerde possessie, ende om-te beletten dat voortaen geen vestingen
in de hertogdommen meer beset sullen worden door vreemden, die niet
versocht sijn geworden die possessie te maintineren, soo is \'t dat Graef
Swartzenberg ende gedeputeerden van H.H. M. naèvolghende artyckelen op-
gestelt hebben: 1. defensive alliantie om den Ghurfurst te
defenderen in sijo
kundtbaren reghten op Cleve, Gulick, Bergh, Ravensberch ende Ravesteyn-
2. Sonder voortegrijpen op de defensie die Frankrijk en Engeland beloofd
hebben" enz. De alliantie zou duren tot dat de Keurvorst het
volle lezit ver-
kregen zou hebben. Dit accoord werd den lOden maart 1622 onderteekend door
Schwartzenberg, Gijsbert van den Boetzelaer, Wicolaas van Bonckhorst, Hen-
drik Muys van Holy en Albert Joachimi; den 4den juni werd het

geratificeerd.

-ocr page 101-

lïierik vergaderden, om op de plaats zeTve te onderzoeken
wat er in het voordeel van dat land gedaan kon worden,
maar dat onderzoek leidde niet tot een uitkomst; na lange
debatten scheidde de vergadering^), Schwartzenberg werd
naar Pruisen geroepen, waar zijn werkzaamheid in andere
aangelegenheden werd vereischt, eh de hertogdommen kre-
gen eerst eenige verademing toen het tooneel des oorlogs
naar het noorden van Duitschland was verlegd, en de ge-
lukkige krijgsverrichtingen van Frederik Hendrik tevens af-
leiding gaven aan de spaansche wapenen.

De oorlog werd intusschen bij gebrek aan geduchte vijan-
den eenigzins flauwer gevoerd. Een poging van koning Fre-
derik om door zijn tegenwoordigheid in de Palts zijn zaak
te redden mislukte volkomen; hij moest door Frankrijk weer
naar de Nederlanden vluchten, terwijl Mansfeld, zijn laatste
steun, zich door het leger der Infante naar Brabant heen-
sloeg, en in dienst der Staten overging^). De oorlog tus-
schen Spanje en de Nederlanden was niet. veel levendiger:
prins Maurits hernam wel Gennep en Cleve, maar de schans
ï\'apemuts die den Rijn voor ons vrij moest houden, werd
m de eerste dagen van 1623 door den prins de Chimay ge-
nomen. In het volgend jaar 1624 vorderde het beleg van
ßi\'eda van beide kanten inspanning van alle krachten.

Levendiger kruisten elkander gedurende dien tijd verschil-
lende onderhandelingen: een poging van den Keizer den vrede
tusschen Spanje en de Nederlanden te bemiddelen, uit vrees
•lä-t de laatsten zich in de duitsche aangelegenheden mengen

1) Inl. tot de Gench. der Nederl. Dipl. II, 2, 150—155, //sonder datter
yets buudigers eii was besloten."

2) tan dee caeeilen, I, 109. Zijn koiTist deed het beleg van Bergen-
*^P-2ooin opbreken. De Staten onderhandelden met ]iem door middel van

kolonel Joachim van Groltstein.

-ocr page 102-

zouden, bleef zonder den minsten uitslag: zijn gezant, een
geestelijke, Gramay geheeten, kon niet eens gehoor verkrij-
gen van de Staten, om zijn brieven te overhandigen^). In-
tegendeel begon juist omtrent dezen tijd uitzicht te komen
op de hernieuwing der verbintenissen met Engeland en
Frankrijk, waarop bij het uitgaan van het Bestand was aan-
gedrongen. In 1624 kwam het tractaat van Southampton
tot stand, maar de goede wil van Jacob I openbaarde zich
meer in grootspraak dan in daden, en bracht noch de Sta-
ten noch den koning van Boheme eenig voordeel aan. Even
weinig vrucht droeg de hernieuwing der fransche alliantie
■in dat zelfde jaar door het tractaat van Compiègne ver-
kregen 2), want de politiek van Frankrijk bleef nog even
zwevend en wankel; eerst toen Richelieu, die wel reeds
zitting had in den Conseil d\'Etat, daarin oppermachtig ge-
worden was, herleefde de oude betrekking tot het fransche
Hof: de oorlog die nog vóór dat tijdstip tusschen Engeland
en Frankrijk uitbrak, verlamde de werking van beide trac-
taten en bracht door het groote verschil der in- en der uit-
wendige belangen van dat Rijk, dat binnenslands de Hu-
genoten vervolgde en buitenslands de Protestanten steunde
tegen de Habsburgen, de nederlandsche regeering mede in
een valsche positie tusschen haar belangen en haar sym-
pathie. Ook begon men eerst na de inneming van \'s Herto-
genbosch te Parijs de verdiensten van prins Frederik Hendrik
naar waarde te schatten; vóór dien tijd was ook zijn staat-
kundig beleid minder glansrijk dan later; „de zaken gaan
hier slap" schreef de fransche gezant d\'Espesses aan Ri-
chelieu bij gelegenheid dat een neuburgsch gezant in den

1) aitzema, 53.5—545. waöenaae, X, 481.

2) Inl. tot de Qesch. der Nederl. Dipl. II, 2, 59 en 63.

-ocr page 103-

Haag luistemjk werd ontliaaki (juni—september 1625)
boewei dit wellicht slechts geschiedde om Frankrijk te be-
lieven, dat den hertog van Neuburg in bescherming geno-
men had. Immers er was geen andere reden zich zoo ge-
legen te laten liggen aan den voortdurenden mededinger van
den keurvorst van Brandenburg, met wien in het vorige jaar
(october 1624) de alliantie nog was hernieuwd.

Het doel van den neuburgschen diplomaat was, met de
Staten in onderhandeling te treden omtrent een besluit
door hen genomen, van Zweden, Brandenburg en Neubui-g
de voorgeschoten penningen terug te vorderen , een be-
sluit dat hoewel de bijdragen der Staten aan de protes-
tantsche partij reeds eenigzins minder ruim begonnen te
Worden, toch waarschijnlijk niet zoo zeer genomen zal zijn
uit een finantieel dan uit een staatkundig oogpunt, nl. om
Zweden en Brandenburg tot ijveriger verdediging der kerk
aan te sporen.

Met datzelfde doel zond keurvorst Georg Wilhelm den
heer von Winterfeld®) herwaarts, die met de gecommit-
teerden der Staten eerst te Emmerik en later in den
Haag onderhandelde „aengaende de disputen op het Trac-
taet van 1624 gevallen, dewijl aen weersijden veel ge-
legen is aan goet en vast vertrouwen." Ook de verde-
diging van het land van Cleve was een voorwerp van

-ocr page 104-

staatszorg i): de groningsche afgevaardigde Schaffer tot Uit-
huizen, werd daartoe in den zomer van 1624 naar Emmerik
gezonden; waarschijnlijk was hij het ook die met Winterfeld
confereerde; deze bracht een voorloopig verslag zijner on-
derhandeling aan zijn lastgever, ten gevolge waarvan graaf
Schwartzenberg voor de derde maal in den Haag verscheen ,
na eerst te Düsseldorf de belangen van zijn meester met die
van Neuburg zooveel mogelijk in overeenstemming gebracht
te hebben Dit antecedent gevoegd bij de vele redenen
van wantrouwen tegen den persoon van Schwartzenberg, was
niet geschikt de onderhandeling te doen vlotten: onder de
gecommitteerden uit de Staten bevonden zich twee der vroe-
gere onderhandelaars met den graaf, Bouckhorst en Joa-

-ocr page 105-

chimi, benevens Burmania, Haersolte, Schaffer en de Bye;
zij voerden hun taak niet dan uiterst langsaam en voorzich-
tig uit, daar zij den brandenburgschen staatsman, wegens
zijn belijdenis van de katholieke godsdienst, niet alleen van
spaanschgezindheid maar bijkans van landverraad verdacht
hielden; nog een andere reden van wantrouwen was dat
Schwartzenberg den gewonen minister van den Keurvorst bij
de Staten, den vrijheer van Mérode-Rummen, geheel buiten
de onderhandeling poogde te houden, waardoor natuurlijk
het vermoeden van zijn oneerlijkheid nog versterkt werd. Niet
Voor dat laatstgeneomde, de belangen van den Vorst dien hij
vertegenwoordigde, boven zijn eigen belang stellende, aan-
gedrongen had op de afdoening der zaak werd er ernstig
Werk van gemaakt en den 23sten october 1624 een tractaat
Van 62 artikelen geteekend dat den 9<ieii januari van het
Volgende jaar door den Keurvorst werd geratificeerd®).

Een der meest gevolgrijke bepalingen van dit tractaat
v^as de vergunning aan Walraven baron van Gent verleend
Volk te werven in naam van den keurvorst van Brandenburg,
Waarmede hij in het graafschap Marek viel en er ver-

1) aitzema, 1216. "De heer ran Eummea recommandeerde self d\'ex-
Peditie hoewel sijn eigen praeteritie, \'t welck hij om den dienst ran zijn
®ieester geerne over \'t hooft sach ende negligeerde."

2) aitzema, 1210—1215.

3) Ibid. 1191. 9 Januari schreef de Keurvorst om het accoord te rati-
ficeren en Schwartzenberg van zijn borgtocht te doen ontslaan. En daar
^"enburg des graven goederen had doen innemen verzocht hij represailles op

neuburgsche goederen in Oleve. Hoewel de ratificatie niet formeel was,
\'^\'\'ßrd toch den graaf zijn acte van oppignoratie teruggezonden, maar de
i\'epresailles niet toegestaan.

4) aitzema, bl. 1190. wagenaab, X, 18.

Reeds in 1626 werden er al weder bezwaren tegen dit tractaat ingebracht:
aitzema, Saken van Staet en Oorlogh, II, 72—74. »Met den Cheurvorst
Brandenborg zijn zedert eenigen tijd verscheyden pointen soo grieven,

\'-iSJ

\'I

-ocr page 106-

scheidene steden herwon; hoewel Tilly hem dwong het be-
leg van Sparenberg op te breken, wist hij zich toch in de
landen van Marek en Ravensberg staande te houden en zelfs
de spaansche troepen daaruit te verdrijven, totdat in 1629 de
inname van Wesel door Otto van Gent, Walravens broeder,
den avontuurlijken tocht bekroonde „tot groot avantage nyet
alleen van Sijne Churfurstelycke Doorluchtigheydt van Branden-
borg, maer oock van den Staet der Vereenichde Provintiën,"
terwijl door die gebeurtenis „Nyborg en de Spaense partij
dapper wiert vernedert." Prins Maurits had den aanvang van
de gelukkige verrichtingen van zijn kweekeling nog beleefd;
ook het bericht dat Goch door den kommandant van Nij-
megen, Lambert Charles, hernomen was^), bereikte hem nog
op zijn ziekbed; kort daarna (23 april 1625) overleed hij.

Bij het optreden van Frederik Hendrik scheen het alsof
de Republiek hare verdedigende stelling zou gaan verlaten,
door de poging die de nieuwe Stadhouder ondernam alle
protestantsche vorsten in een of- en defensieve alliantie te
verbinden, waarvan Engeland het hoofd, de Republiek,
Brandenburg, Denemarken, Zweden de voornaamste leden
zouden zijn: de triomf der kathoheken gebood die ver-
eeniging: de Repubhek hoopte, de individuele bezwaren
te zullen overwinnen door op de hachelijke tijdsomstan-

ot klachten als versoecken aengebracht ende voorgestelt dem den keurvor-
stelijken alhier residerenden Minister, den heer van Eummen. Tot welcken
eynde oock van vregen hoochgemelde Churvorst gesonden sijn Dr.
heim-
bach,
Raet en stultzing Secretaris met welcke verscheyden malen in con-
ferentie sijn geweest de heeren van Essen, Noortwijck, Haersolte en Schaffer
die den 26 January rapport hebben ghedaen van verscheyden pointen van
wegen den Cheurvorst geproponeert."

De vrijheer van Eummen overleed in den Haag den 30 jan. 1627 en
Heimbach werd diarop resident (
aitzema, II, 252).

1) wagenaar, XI, 11. *

-ocr page 107-

digheden te wijzen: een algemeen congres tegen novem-
ber 1625 in den Haag bijééngeroepen, zou dan het bond-
genootschap tot stand moeten brengen i); de poging mislukte
evenwel: de bekwaamste diplomaat waarover de Staten toen
te beschikken hadden, Caspar van Vosbergen^) werd belast
met de taak Denemarken en de duitsche vorsten, Branden-
burg, Brunswijk, Lunenburg en de Hanzesteden tot het
congres te gaan uitnoodigen; van zijn instructie®) werd
vooraf mededeeling gedaan, aan Dudley-Carleton, den en-
gelschen gezant te \'s Hage. De eerste tijdingen waren gun-
stig. Denemarken stemde toe, en de keurvorst van Bran-
denburg bood aan den koning van Zweden, zijn zwager, over
te halen: maar deze weigerde in eenig bondgenootschap te
treden waarvan Denemarken deel uitmaakte, zoodat, ook
door Frankrijks weifelen het geheele plan in duigen viel.
Op den bepaalden tijd verschenen slechts de kanselier Ule-
feld^) voor Denemarken en de hertog van Buckingham, de

1) AITZEMA, bl. 1217, "Om weiokers beter te negotieren souden alle de-
selve versocht worden haere gesanten met volkomen last te aenden in den
Haghe tegen den 20 novembris."

2) Inl. tot de aesch. der Nederl. Dipl. I, 171, noot 1, 174 en vgg.

Bijlagen bl. 82 en vgg.

3) AITZEMA, bl. 1277, »met Frankrijk, Engeland, desen Staet, endede
voorn. Koningen, Potentaten en Steden eene Generaele verbindtenis te ma-
ken ende proportionele contributie tot herstellingh der saecken in Duyts-

landt, ende specialijok van de Palts."

4) AITZEMA, 1249. Ulefeld die pas in october een verbond met de Sta-
ten Generaal had aangegaan, kwam in november terug om de «generaele
tijeenkomste" bijtewonen; hij verzocht tevens troepen, maar de Staten ver-
leenden hem slechts een subsidie van / 50,000 ter maand. Daarop werden de
ia den Haag verblijf houdende diplomaten over hun last gepolst: de fransche
gezant d\'Espesses verklaarde, als alle overige ambassadeurs geconcludeerd
wouden hebben de goede intenties van zijn Koning te zullen openleggen
{Gesch. der Nederl. Dipl. II, 1, Bijlagen 79). Die van Venetië had nog

-ocr page 108-

bekende gunstebng van den nieiwen koning van Engeland,
in den Haag, die toen, den Bden december met de Staten
een algemeen defensief alliantie-tractaat sloten, m de hoop
dat de overige geloofsgenooten en anti-spaanschgezinden met-
tertijd daarin zouden treden, gelijk dan ook het verdrag
inhield dat men Frankrijk, Zweden i), Venetië, Savoye en
de duitsche Vorsten daarin zou pogen te trekken^).

Engeland had echter in zijn ijver meer beloofd dan het
houden kon (drie miUioen jaarlijks), ook al werden de
kroonjuweelen te Amsterdam verpand; weldra had het alle
krachten in een korten, maar hevigen
oorlog met Frankrijk
in te spannen, er was dus van dien kant niets meer voor
Duitschland te hopen. De Republiek kon onder zulke om-
standigheden , zonder op eenige hulp te mogen bouwen en
reeds met den last van een zwaren oorlog op de schouders
haar onzijdig standpunt niet prijs geven, in de vrees een
Tilly of een Wallenstein in het land te halen =5). Van de
drie verbonden machten bleef dus alleen Denemarken o^ver
om den strijd te wagen, hetgeen ook werkelijk plaats vond *)
maar met zoo herhaaldelijk ongelukkigen uitslag dat de
moed schier allerwege opgegeven werd. Reeds had Christian
zijn twee beste generaals, Mansfeld en hertog Christian van

geen instructies ontvangen; van wege Engeland verschenen de hertog van
Buckingham en graaf Holland (
van de capeliyen, I, 380, 381) die den
21 november met Carleton audiëntie van H. H. M. hadden.

Bl. 1250. "Den 27 november is oen aanvang gemaakt met de groote
handeling der algemeeue alliantie."

1) ae&ch. der Nederl. Dipl. I, 179. Gustaaf Adolf verzekerde Vos-
bergen dat ziju gezant te \'s Hage,
johan eitt&ebs de algemeene vergade-
ring der gevolmagtigden zou bijwonen,
helwing, 95.

2) aitzema, bl. 1254. wagenaab, XI, 19 en 20.

3) Inl. tot de Gesch. der Nederl. Dipl. I, 181.

4) hewing, ■59—75. yon baumek, 190, 198.

-ocr page 109-

Brunswijk verloren, toen hij bij Lützen door Tilly geheel
en al werd verslagen: het vluchtende leger werd tot bij
Hambui-g vervolgd, en zijn weinige bondgenooten Brunswijk
en Hessen genoodzaakt de partij des Keizers tegen hun ge-
loofsverwanten te omhelzen i). Ook de Staten meenden, om
den Keizer het voorwendsel te ontnemen zijn zegevierende
legers in Noord-Duitschland tegen hun eigen gebied te keeren,
een regiment voetknechten dat zij den koning van Denemar-
ken afgestaan hadden terug te moeten roepen; de onderstand
in geld bleven zij hem echter verstrekken. Niettegenstaande
al die rampen hervatte de dappere Christian toch het vol-
gend jaar (1627) den ki-ijg, die reeds dadelijk weer onder
de treurigste voorteekenen aanving, want Holstein en Meck-
lemburg, door Tilly onmiddelijk bedreigd, durfden zich niet
roeren, en Brandenburg werd ook weldra gedwongen de
onzijdigheid op te geven die\' het nog altijd had getracht te
bewaren, en zich aan de zijde des Keizers te scharen2).

1) WAGENAAE, XI, bl. 19, 38.

2) helwing-, 82 ; op het ketirvorsten-oonvent te Mühlhause]!, ton rau-
207, den 22 mei 1627 werd keurvorst Q-eorg Wilhelm gedwongen

hertog Max vau Beieren te erkennen als keurvorst van de Palts, waartoe
de Keizer dezen met vervallenverklaring van Prederik van Boheme had
verheven.

Aitzema , II, 355. »De Cheurvorst van Brandenborg vondt sich soo-
Wel iu \'t Roomsche Rijck als in Pruyssen perplex; .... hij poochde in dit
^oorjaer de houbaerste plaetsen in sijn Landt te besetten ende te bescher-
mden als Havelberoh, Brandeborg, Ratenau, Perleberch ende andere, ghese-
e^ndeerd deur de Deenemaroksche: maer de keyzersche hebben deselve plaet-
®elien, sonder veel moeyte weer bemaohticht, waer deur de Cheurvorst ge-
mtiiuideert sich in keyserlijcke devotie heeft verclaert. Den keyserschen pas
en.de repas in sijne landen vergunnende, sijne onderdanen in Deenemarok-
sche dienst sijnde avocerende, ende den keyserschen alle dienst en toevoer

doen gebiedende."

Heiwing, 73. Doordien de brandenburgsche regeering aan het over-

-ocr page 110-

Ook de Hanzesteden durfden, vooral toen Tilly tot in Jut-
land was doorgedrongen onder zulke omstandigheden hun
vorig verbond met de Staten niet hernieuwen

In dezen nood sloeg men weder het oog op Zweden:
de vernedering van Denemarken zou nu welhgt menig be-
zwaar wegnemen dat tot dusver de inmenging van dat Rijk
in de duitsche aangelegenheden had opgehouden. Maar
Gustaaf Adolf was nog steeds in strijd met koning Sigis-
mund van Polen, en derhalve niet bij machte terstond te
hulp te komen. Een einde aan dien oorlog te maken was
dus in de eerste plaats noodig. De Staten besloten daartoe
hun bemiddehng aan te bieden, die onder voorwendsel van
verzekering der handelsbelangen, aan het keizerlijk Hof geen
achterdocht kon verwekken. Een gezantschap bestaande uit
den raadsheer Rochus van den Honert, den amsterdam-
schen burgemeester Andries Bicker, en twee leden der Staten,
Simon van Beaumont en jonkheer Gijsbert van den Boet-
zelaer, werd daartoe naar het Noorden afgevaardigd (mei
1627) 2); een uitgewerkte instructie ®) van niet minder dan
vijfenveertig artikels schreef hun naauwkeurig voor hoe
zij zich aan de hoven van Denemarken, Polen, Zweden,
Brandenburg en elders te gedragen zouden hebben.
Vooral
de keurvorst van Brandenburg moest belang stellen in het
slagen der onderneming, want de oorlog tusschen zijn zwa-
ger en zijn leenheer werd om en op het hem in leen toe-
komend hertogdom Pruisen gevoerd: de Keurvorst
bevond

! schot van het deensche leger den doortocht door Silezië weigerde, gaf «\'J

\\ nog aanleiding tot deszelfs verstrooiing door Wallenstein.

1 1) AITZBMA, II, 358.

2) aitzema, Saecken van Staet ende Oorlogh, II, boek 7 en 8. wactb\'
1 naab,
XI, 63, 66.

3) AITZEMA, II, 255—264.

-ocr page 111-

zich derhalve tusschen twee vuren, en het schijnt dat hij
er over dacht zich met geweld uit dien benauwden toestand
te redden; daar de macht hem ontbrak beide partijen van
zijn gebied te verjagen, zou hij zich dan daartoe aan een
van beide en wel het waarschijnlijkst aan Polen hebben
aangesloten. De nederlandsche diplomaten hadden last dit
partij kiezen te voorkomen en den Keurvorst uit te noodigen
zich bij hun vredelievende interventie te voegen Het
antwoord werd niet afgewacht om de taak te aanvaarden,
de geheele zomer verliep met heen en weer trekken van
het eene kamp naar het andere en het over en weder voor-
stellen van nieuwe voorwaarden. Eerst in september deed
de Keurvorst iets van zich hooren door den vrijheer von
Dohna die de hollandsche gezanten in het zweedsche kamp
te Hirschau aantrof Spoedig was men het eens over den
grondslag der gezamenlijke bemiddeling; de Nederlanders ^

lieten den Keurvorst verzekeren, dat zij ook zonder zijn
onmiddellijke medewerking zijn belangen niet uit het oog
zouden hebben verloren, waarvan zij de bewijzen reeds
gegeven hadden i

Kort daarna (october) begaven de gezanten zich naar
Koningsbergen om den Keurvorst, die het verblijf aldaar \'

veibger achtte dan te Berlijn, te begroeten, terwijl de tm-
<^hem.ent van het gezantschap, Salomon Pauly, met missiven
naar den Rijksdag te Warschaw gezonden werd om de mede-
bemiddeling van Brandenburg aan te bieden , die dan ook |

1) Art. 32 der Instrtictie.

2) AITZEMA, II, 330.

3) AITZEMA, II, 332.

4) AITZEMA, II, 345. De gezanten roemden zeer de «oourtoyse ende
\'^\'i\'iendelijcke manieren" van den Keurvorst.

-ocr page 112-

in januari officieel werd aangenomen i). Maar de gezamen-
lijke pogingen waren niet gelukkiger dan de afzonderlijke
van de Republiek, hoe ijverig Brandenburg ook de denk-
beelden der nederlandsche diplomatie overnam. Een wapen-
stüstand voor vijf maanden (januari—juni 1628), voorgesteld
door de keurvorstelijke afgezanten te Elbing, waar op dat
oogenbhk de hoofdzetel der onderhandeling was, werd door
Zweden afgeslagen; een voorstel, ook den keurvorst van
Saksen in de rij der bemiddelaars te doen treden, werd
tevens door Polen verworpen, dat daarin nuttelooze tijdver-
spilling zag. Nu werd een nieuw plan te berde gebracht:
nl. van een conferentie door de afgevaardigden van beide
partijen met die der bemiddelaars in het kleine stadje Rie-
senburg te houden, met het doel een wapenstilstand van
drie maanden te verwerven, gedurende welken men den vrede
tot stand zou kunnen brengen. De conferentie had werke-
lijk plaats — ook graaf Schwartzenberg verscheen daar • —
maar verhep bijna geheel alleen met twisten over den voor-
rang tusschen Brandenburg en de Repubbek een geschil-
punt zonder hetwelk in het vervolg schier geen onderhande-
ling met of nevens de keurvorstelijke regeering mogelijk bleek.
Toch werd op de vergadering te Riesenburg een tweede
voorbereid, waarop de voornaamste diplomaten van de oor-
logvoerende partijen in persoon verschijnen zouden, voor
Zweden de kanseber Oxenstierna, voor Polen de bisschop
van Culm, terwijl te Riesenburg slechts hun
gesubdelegeerden
bij elkander geweest waren. In het midden van februari
werd die tweede conferentie geopend de zweedsche di-

1) AITZEMA, II, 479.

2) AITZEMA, II, 488.

3) AITZEMA, II, 493.

-ocr page 113-

plomaten namen hun verhhjf in Stum, de poolsche te Riesen-
berg en de nederlandsche en brandenburgsche in het daartus-
schen gelegen Marienburg. De keurvorst van Brandenburg,
ODa zoo mogelijk zijn persoonlijken invloed te doen gelden,
kwam ook weer in de nabijheid, maar het mocht niet haten:
de vergadering geraakte niet verder dan de discussie over
^e wederzijdsche volmachten, die reeds zoo hoog liep dat
er niet eenmaal over de hoofdzakelijke punten der onder-
handeling gesproken werd, en niettegenstaande alle moeite
<ier bemiddelaars om het vertrek der Zweden te voorko-
naen, scheidde men onverrichter zake, tegen het einde der
üiaand

Zoo liep de eerste stap dien de Republiek en de keur-
vorst van Brandenburg nevens elkander waagden op het ge-
bied der europeesche politiek, zonder vrucht af. Den 25sten
^pril namen de nederlandsche ambassadeurs hun afscheid
\'^an den zweedschen kanselier, en den terugtocht naar het
^ader-land aan. Tusschen Polen en Zweden werd de oorlog
nieuwe kracht voortgezet, en in Duitschland viel in-
tusschen de keizerlijke veldmaarschalk Hans von Arnim in
^ommeren en sloeg het beleg om Stralsond De onge-
rustheid der Staten verdubbelde hierdoor: reeds was Wal-
denstein met Mecklenburg beleend; indien nu nog de Keizer
^onimeren veroverde, zouden ook buiten twijfel de Zwe-
\'Ißn uit Pruisen worden teruggedreven, Denemarken veroverd
®n de geheele Oostzee bijgevolg in handen van den Keizer,
Seheel protestantsch Duitschland onder de macht van het
^athohcisme geraken: ondersteuning van Denemarken werd
^ns bovenal vereischt: de Staten zonden Laurens Reael der-

1) AITZEMA, II, 494.

2) VAN DER CAPEIiEEN, I, 473 eil 477.

iL.

-ocr page 114-

waarts, met aanbod bnn onzijdigheid op te geven tot be-
houd van de Sont i); maar dit voorstel kwam te laat: koning
Christian antwoordde dat hij reeds met den Keizer in on-
derhandeling was getreden, en in mei 1629 kwam te Lübeck
de vrede tusschen de hoven van Kopenhagen en Weenen
tot stand, waarvan de bepalingen, de omstandigheden in
aanmerking genomen, niet al te ongunstig waren voor De-
nemarken, dat, uit vrees onder de moreele heerschappij
van Zweden te geraken, te gretiger naar de aanbiedingen
van den Keizer had geluisterd®): dit bijna verraderlijk ge-
drag bracht terstond weer aanmerkelijke verkoeling tusschen
koning Christian en de Staten; ook werd het leger der In-
fante door de ontslagen deensche troepen aanmerkelijk ver-
sterkt. Dat weldra een algemeene aanval tegen hetgeen
nog van de Protestanten overbleef, volgen zou, leed geen twij-
fel, maar dat gevaar werd gelukkig nog afgewend: wat aan
de\'staten en aan Brandenburg mislukt was, de verzoening
van Zweden en Polen werd dit jaar door Richelieu onder-
nomen en thans met goed gevolg de vereenigde krach-
ten der fransche, engelsche en brandenburgsche diplomatie
brachten een wapenstilstand voor zes jaren tot stand, waar-
door Gustaaf Adolf de gelegenheid kreeg, aan deze
zijde

1) AITZEMA, II, 497. Eeael werd in Denemarken -met civiliteyt be-
Jeeghent ende ghedimitteerdde koning van Denemarken wist wel «da
vrinden dickwijls vijanden ende vijanden vrinden werden."

2) aitzema, II, 788—793. van dee capellen, I, 504, 518.

3) deoysen, III, 1, 72 en 81, «dasz der Friede .... über aller Er-
warten günstig ausfiel .... war ein sicheres Zeichen, dasz die kaiserliche
Politik den entscheidenden Schlag gegen Schweden zu führen entschlos-

sen sei.

n

4) de salvandy, Msfoire de la Pologne, I, livre premier, table«
historique, 168.
helwing, HI, 96, 505-509. aitzema, III, 898^906,

IV, 112—191.

-ocr page 115-

der Oostzee als de facto bezitter van Pruisen, de aanvallen
van den Keizer af te wachten. Ook in het Westen namen
de zaken een gunstiger keer: Wesel waar sedert 1614 de
Spanjaarden zich gehandhaafd hadden, werd door van Gent
verrast i), hetgeen de middellijke oorzaak werd van de over-
gave van den Bosch aan prins Frederik Hendrik, welke
belangrijke zegepraal de gemoederen eenigsints opbeurde.
En een riem onder het hart was op dat oogenblik niet over-
bodig: de vijand stroopte de Veluwe en het Sticht af, en
brandschatte zelfs Amersfoort 2). In Duitschland stond de
kans op het uiterste, zelfs de alhantie met Brandenburg,
de laatste der met ons in vriendschap gebleven keurvorsten
alle overigen waren afvallig of overwonnen — stond op
bet spel; de inname van Wesel, op \'s Kem^vorsten naam
gedaan, dreigde het bondgenootschap te verbreken in plaats
Van het te versterken, daar de Keizer ten hoogste over het
Verlies dier vesting vertoornd, den Keurvorst met den Rijksban
bedreigde zoo hij van Gent met zijn krijgsvolk niet terstond
bun afscheid gaf. De onderhandehng hierover met de Staten,
die in het minst niet geneigd waren den dapperen krijgsman
de door hem behaalde voordeelen op te offeren, was ge-
durende langen tijd het hoofdonderwerp der brandenburgsche
diplomatie in den Haag. Reeds vroeger waren op het tractaat
Van 1624 verschillende aanmerkingen, grieven en klachten
gemaakt door den gewonen gezant van Brandenburg, den
^i\'ijheer van Rummen. In het voorjaar van 1626 was een
buitengewoon gezantschap van wege den Keurvorst, dr. Heim-
bach en de regeerings-secretaris Stützing herwaarts geko-
®ien, die met gecommitteerden uit Hun Hoog-Mog., de heeren

1) hewiïtg, 414.

2) deoysen, III, 1, 72.

-ocr page 116-

van Essen, van Noordwijk, van Haersolte en Schaffer ver-
scheiden malen in conferentie warenHun zending liep
over de gemeenschappelijke bezetting in de cleefsche ves-
tingen en de middelen hare soldij te voldoen. De ram-
pen van het volgend jaar hadden den Keurvorst niet veel
gelegenheid gelaten zich met de klachten der cleefsche Sten-
den op te houden. Maar toen hij eenmaal tot de keizer-
lijke partij was overgehaald begon allengs zijn verhouding
tot de Staten van aard te veranderen: de Keizer eischte
ontslag van v. Gent hetgeen de Keurvorst van de Staten
verwerven moest; maar deze in de vrees hun laatsten bond-
genoot in het Rijk ook nog te verbezen deden hem de af-
hankelijkheid gevoelen waarin hij zich als schuldenaar tegen-
over hen bevond: van Gent zou ontslagen worden wanneer
de boefijsersche schuld afgelost zou zijn, en daar die aflos-
sing , althans onmiddelijk, een onmogelijkheid was bij den
rampzaligen toestand van al de bezittingen des keurvorsten,
bleef ook van Gent in dienst, niettegenstaande de luide
ontevredenheid des Keizers: 3) zelfs werd hij, hatelijk genoeg,

1) AITZEMA, II, 72-74.

2) deoysen, III, 1, 63. Schwartzenberg seln-eef: "also ist Seine Kurf.
Durchlaucht ans dem Lande und Q-endt vice Ee."

3) Even als van v. Gent was de Keurvorst schuldenaar van den gouver-
neur van Cleve, Hans Sigismund vrijheer Kettler de Montjoy-, wiens
recht
de Staten zich ook krachtig aantrokken; zoo had de ambassade die in 1627
naar Pruisen toog, den last (art. 45 der instructie, Aitzema II, 264) de zaak
van Kettler bij den Keurvorst voortespreken. Werkelijk bewogen hem de
nederlandsche gezanten bij hun bezoek te Koningsbergen, de quaestie door
onzijdige rechters te laten onderzoeken (Ibid. 355), maar later verklaarde
toch Kettler (dec. 1628, bl. 672 en 673) dat hij »nietwes had connen ob-
tineren." De Staten besloten toen hem ƒ32,000 voorteschieten op zijn pre-
tentie tegen den Keurvorst die 60,000 a 70,000 gulden bedroeg. De zaak
kwam later dikwijls weer op het tapijt en Kettlers erfgenamen waren er
nog over in proces met deu Keurvorst, gelijk blijkt uit het zevende der

-ocr page 117-

het werktuig waarvan de Hoog-Mogenden zicli tot voldoening
der renten van de brandenburgsche schuld bedienden, waar-
voor hun de inkomsten van het land van Grulik verpand
waren. Steunend op hun streng recht gaven de Staten aan
van Gent last die contributiën te innen, welke executie
„met dreygement van brand, haelen ende vangen van on-
noosele onderdaenen," op militaire wijze plaats greep De
klachten der tot wanhoop gebrachte Stenden van het her-
togdom weerklonken wijd en zijd: zij zonden den ambtman
von der Ahr naar den Haag, maar dit mocht niet baten 2);
meer indruk maakten hun vertoogen te Weenen, waar ter-
stond het oude geliefkoosde denkbeeld der sequestratie weer
ter sprake gebracht werd®); de uitvoering van dat denkbeeld
te voorkomen, de uitbreiding van \'s Keizers macht aan hun
grenzen te beletten, was een levensquaestie voor de Repu-
bliek: de prins van Oranje zond onmiddelijk naar Düssel-
dorf om den grond te leggen tot een gemeenschappelijk
verzet van Brandenburg en Neuburg, welks belangen niet
minder door die beslaglegging werden bedreigd Maar
deze bemoeiing mishaagde aan Schwartzenberg, die sedert
de aansluiting van den Keurvorst aan den Keizer, meer
invloed dan ooit op zijnen meester uitoefende: door de
voordeelen te verwerpen die de Staten voor hem van
Neuburg zochten te verkrijgen, meende Schwartzenberg
de verbintenis van zijn Vorst met den Keizer nog sterker
te bevestigen: buiten weten der Staten ijlde hij naar Dus-

door Heimbach en von der Ahr in 1631 ingebrachte bezwaren. Volgens
^an der Capellen (I, 149) had Kettler in 1629 reeds ƒ40,000 ontvangen.

1) AITZEMA, II, 8ste boek, 641.

2) AITZEMA, 670. Antwoord der Staten, 671 en 672.

3) DBOYSEISr, III, 1, 63.

4) HELWINÖ, 43. DEOYSEN, III, 1, 70.

-ocr page 118-

seldorf om persoonlijk een onderhandeling met den hertog
van Neuburg aan te knoopen; hetzij nu
deze gebruik maakte
van den treurigen toestand van Brandenburg, tusschen een
tiranniek bondgenoot en stijf op hun stuk staande schuld-
eischers, en daarbij de kathobeke en keizerlijke Sympathien
van Schwartzenberg tot zijn voordeel wist aan te wenden,
betzij Schwartzenberg inderdaad den Hertog met jegens zijn
meester verraderlijke voorstellen te gemoet kwam, zooveel is
zeker, dat het dusseldorfsche verdrag diens rechten op zoo
in het oog loopende wijze verkortte , dat die dubbelhartige
gunsteling alle mogelijke middelen in het werk had te stellen
om de goedkeuring zijns meesters op zijn werk te verwerven 2).
De goedkeuring der Staten was echter minder gemakkelijk
te verkrijgen: Schwartzenberg spoedde zich daartoe van Düs-
seldorf naar den Haag, waar hij de regeering juist niet in
de beste stemming omtrent zijn handelwijze aantrof; maar
daar de Keurvorst eenmaal de ongunstige bepahngen van
het verdrag had aangenomen, hadden de Staten daarin
niet meer te zien, evenmin als zij een geldige reden had-
den langer de cleefsche vestingen te bezetten, wanneer
Brandenburg zich met de waarborgen, die Neuburg aan-
bood te vrede betoonde De Staten lieten dus in hun
belang de onderhandeling sleepen totdat eindelijk de

1) helwinra, 43, 409 en 410. deoysen, III, 1, 71.

2) iieewing ,43.

3) dboysen, III, 1, 70. Inl. tot de Gesch. der Nederl. Dipl. II,
2, 160.

4) aitzema, 736; propositie van Schwartzenberg 737—739, 752. Ant-
woord der HH. Gecommitteerden op eenige door hem ingebrachte punten,
nl. "Op de procedueren" van v. Gent in Paderborn: over de klachten vaü
zekeren Caspar Simonides Eits aan het keizerlijk Hof; over de executie
der geestelijke goederen, en eindelijk over het oplichten door de Staten
van den muntmeester te Huisen in Cleefsland, die munt sloeg benéden het

-ocr page 119-

verovering van den Boscli hun veroorloofde een hooger toon
aan te slaan

Te vergeefs voegden zich bij de vertoogen van Schvirart-
zenberg die van den neuburgschen gezant, den vrijheer von
Spiringh , de Staten lieten hun pandrecht niet los: reeds
was de door den Keizer aan den Keurvorst gestelde termijn
verloopen , waar binnen de executiën hadden moeten op-
houden en van Gent ontslagen zijn, en nog was er door
de Staten-Vergadering geen resolutie genomen, en hadden
beide diplomaten niets gewonnen dan de tamelijk onzekere
beloften van de leden die uit het midden van de Hoog-Mogen-
den aangewezen waren om met hen te onderhandelen, en
ondertusschen huisden het staatsche krijgsvolk en de staat-
sche ontvanger in het land van den Keurvorst.

Wettig allooi " waarvan een groote quantiteyt hier in \'t Landt werdt ge-
tracht tot merckelijke schade der ingesetenen." Echter kon de Keurvorst
dit voordeel trekken uit die schennis zijner Souvereiniteit dat daardoor het
bewijs geleverd werd dat de Eijnprovinciën meer in de macht der Staten
dan in de zijne waren.

1) deoysen , III ,1,72.

2) aitzema, 753—756, 758, 762—763.

3) aitzema, 747, 748—750, 758, 760.

4) aitzema, 753. Ook is (door Schwartzenberg) voorgehouden, welk
gevaar den Keurvorst van den Keizer dreigt: /-mandata en processen" zijn
ten scherpste tegen
Z. Keurv. D. gedreven //ende nu oock soo wijt gebracht
dat airede ettelijcke decreten ende sententiae paritoriae uytgegaen sijn." De
Keizer heeft den Keurvorst zes weken tijd gelaten om peremptoir te bewij-
zen dat de, door H.H. M. voorgenomen executiën afgesteld zijn.

5) Bij de herhaalde klachten der brandenburgsche gezanten over de ne-
derlandsche ontvangers, even als in de zaak van Hoefijser moet men in het
°og houden dat ten tijde der Eepubliek tot 1748 toe, de belastingen aan
den meestbiedende werden verpacht, zoodat de ontvangers of //inners der
eontributiën" geen staatsambtenaren waren. Vg. jhr. mr. j. j. de la bas-
®Ecoua gaan,
Schets van den regeringsvorm van Nederland uara 1515 tot
^e^^e»«, 2de uitg. bl. 193.

-ocr page 120-

De pogingen van Spiringh bevorderden de spoedige af-
doening van Schwartzenbergs onderhandebng niet, integen-
deel de Staten vonden een welkome gelegenheid tot talmen
in de overweging der voorstellen van den nenbnrgschen
diplomaat, die behalve de goedkeuring van het dussel-
dorfsche tractaat, nog in last had de neutraliteit van zijn
Hertog te doen erkennen en het vertrek der staatsche troe-
pen uit Cleve te bewerken, gelijk zijn meester aanbood
de Infante te verzoeken de guliksche vestingen van spaan-
sche troepen te ontruimen; maar het neteligste gedeelte van
Spiringhs last was een persoonlijk bezoek van den Hertog
in den Haag voor te bereiden i); de Staten op die eer wei-
nig gesteld — men hield dien vorst voor weinig meer dan
een spaansch spion — zochten een uitvlucht in de afwe-
zigheid van den Stadhouder, die zich bij het leger bevond
en in hun onbevoegdheid, zonder naderen last van hun
committenten in zoo gewichtige handeling te treden. Spi-
ringh bet zich echter door die weigering niet afschrikken,
het vorstelijk bezoek werd slechts uitgesteld, niet opgegeven:
een negotiatie van drie maanden kon toch ook niet zoo
op eens afgebroken worden, te meer toen Schwartzenberg
begonnen was nieuwe middelen voor te stellen om de door
den Keurvorst gemaakte schulden te vergoeden De ne-

1) vaït dee capeiiien, I, 507—508, 510.

aitzema, 757. Spiringh verzocht schriftelijk antwoord of het H.H. M-
aangenaam zoude zijn dat »S. Doorl. sich met comitat soo geestelijcke als
wereltlijcke herwaerts begaf ende alle goede bevorderinghe vinden."

2) aitzema, 961—964. Propositie van Spiringh, (juli) klagende dat
hij in drie maanden nog geen //complement" op de alliantie tusschen BraU\'
denburg en ISTeuburg heeft ontvangen.

3) De heeren van Lochteren, van Noordwijk, Bas en Clant werdea
gecommitteerd om aan Schwartzenberg de schorsing der executie voor drie
maanden aantekondigen; de graaf beloofde hun daartegen een obligatie me*

I 1

-ocr page 121-

derlandsche regenten waren te goede financiers om die voor-
stellen niet in overweging te nemen, vooral mx er in de
landen van Cleve en Marek niets overschoot om zich op te
Verhalen; de Raad van State, wiens oordeel daarover was
ingeroepen, raadde het eerst een surséance der executie
aan, daar in staatszaken toch „nyet soo precys op \'t uy-
terste recht en con gestaen worden," te meer daar het land
toch „geen profijt" trok uit de executie, en het doorzetten
er van den Keurvorst, wellicht tot wanhoop gebracht, voor
goed in de armen des Keizers mocht werpen; men moest
daarom liever „met vrintschap soo veel mogelijck sien te
becomen dan met righeur procederende d\'alliance vruchte-
loos maecken Dus werd het aanbod van Schwartzenberg
aangenomen®), dat de hoefijsersche schuld binnen vijf jaren
in even zoo veel termijnen zou worden afgedaan, en bleef
de Keurvorst verplicht eenig krijgsvolk in Cleve te onder-
houden, welke bepalingen, hoewel de Keurvorst ze in oc-
tober ratificeerde, spoedig weer tot moeielijkheden aanlei-
ding gaven

Met de goedkeuring van het tractaat tusschen Branden-
burg en Neuburg verkozen de Staten nog te wachten tot dat
de Infante een meer afdoende verklaring zou hebben gelieven
te geven omtrent het terugroepen van haar troepen, daar,
gelijk aan Spiringh verklaard werd, de belofte die hij van
hare hand vertoond had, in veel te algemeene termen was

hand en zegel van den Keurvorst, onder verband der inkomsten van Marek
Ravensberg.

1) AITZSKA, 964. Advies van den Eaad van State op de proposities
\'^\'an Schwartzenberg en Spiringh.

2) aitzema, 469. "Op die manier is de graef van Swartsenberg ghe-
dimitteerd ende in desghelijcx antwoort gegeven aan den baron Spieringh."

3) AITZEMA, 1008—1011.

-ocr page 122-

opgesteld om als „valide" te worden aangemerkt. De zwa-
righeden aan dat tractaat verbonden bleven ook niet uit:
daarin was toegestaan, en dit was juist het groote bezwaar
der Staten, dat de geheele cleef-guliksche erfenis op nieuw
in twee deelen zou verdeeld worden, waaruit Neuburg na
een jaar de keus zou mogen doen. En nu die tijd ten
einde begon te loopen kondigde de Hertog aan dat hij zijn
keuze op het hertogdom Cleve gevestigd had, en Gulik
daartegen aan Brandenburg zou afstaan.

Dat de Staten met deze nieuwe verdeeling geenszins
ingenomen waren, is begrijpelijk. Bij het verdrag van Xan-
ten, hadden zij juist gezorgd den Keurvorst het bezit van
Cleve te verzekeren, en hem daarin door hun krijgsvolk
staande gehouden; in Gulik zou hij vooreerst dien steun
moeten missen, en verder zou het bezit van dat hertogdom,
aan alle zijden tusschen vijanden — de spaansche Neder-
landen , Keulen en Neuburg — ingesloten, toch ten hoogste
précair wezen: het belang van Brandenburg, dat door de
handelingen van Schwartzenberg zoo op het spel was gezet,
en dat der Republiek, die daardoor haar geheele oostelijke
grens in gevaar gebracht zag, vorderden dus van de Staten
een krachtig verzet tegen de voorgenomen ruiling. Zelfs de
persoonlijke tusschenkomst van den hertog van Neuburg
baatte niet: in juli 1630 volbracht hij werkelijk zijn vroeger
aangekondigd bezoek om in den Haag, waar hij niet dan met

1) aitzema, III, boek 10, bl. 268 (1630): de keurvorstelijke en vor-
stelijke brandenburgsche zaken hebben in de volgende maanden \'/oock seei\'
gedient."
«Den Hertogh van Nyborgh quam selfs in den Haghe en deed
den 22 juli zijn propositie in de Staten vergadering waarin hij verklaarde
zijn keus op Cleve gevestigd te hebben."

Inl. tot de Gesch. der Nederl. Dipl. II, 2de ged. 158, 164 en 165.
van der capellen, I, 585, 588—-591.

-ocr page 123-

tegenzin ontvangen werd, de vervulling zijner begeerte te
verwerven. Maar de moeite van den Hertog, een buiten-
gewoon voorbeeld van diplomatische bedrijvigheid, eerder
onze dagen dan de IT^le eeuw waardig — hij ijlde gedurig
van Düsseldorf naar alle hoofdsteden van Europa — bleef
vruchteloos na zijn vertrek zetten zijn gezanten, de vrij-
heer van Wonsem en de hofmaarschalk von Wispenningb
de onderhandeling nog gedurende eenigen tijd voort; maar
de Staten bleven stijf op bun stuk. De brandenburgsche
gezanten, von Rochow, Ley en von Heimbach, die in bui-
tengewone zending de goedkeuring der Staten op de keuze
waren komen bewerken, werden nadrukkelijk op de gevaren
gewezen, die daaruit onvermijdelijk zouden vooi\'tkomen %
De
zegepraal in dezen diplomatischen strijd bleef dan ook
aan onze zijde: de Keurvorst liet door Heimbach aan de
Staten verklaren dat hun wensch veel bij hem gegolden had,
en dat hij daarom graaf Schwartzenberg — buiten wiens
beleid geen moeielijke quaestie besUst kon worden — naar
Düsseldorf gezonden had om de zaak van „de optie ofte
wael" in orde te brengen. Tegen een onevenredig aandeel
in de erfenis besloot Neuburg ten laatste zijn kiesrecht op
te geven =): bij het bezit van Gulik en Berg, verkreeg hij

1) AITZEMA, III, 271.

2) Toen de Hertog paspoort verzocht oin in den Haag te komen onder-
handelen, bevond hij zich bij het leger van Spinola in Italië (v. d. CAPEE-
I-\'E
ït, I, 572) en nit deu Haag begaf hij zich weer over Brussel per post
Haar Spanje.
(Ibid. 593.)

3) Om met den Hertog te onderhandelen waren gekozen, de graaf van
Pallandt-Culemborg, de heeren van Noordwijk, Bas, van Vosbergen, Ploos
\'^\'an Tienhoven, v. Eysinga, v. Haersolte en Clant.

4) AITZEMA, 289—292, augustus 1630.

5) VAN DEB CAPEiiEN, I, 590 en 591.

Ia januari 1631 onderhandelde Wispenningh, nadat de quaestie over de

-ocr page 124-

nog Ravestein en Breskenssant in Vlaanderen en het mede-
bezit aan het graafschap Ravensberg. Het aandeel van den
Keurvorst bepaalde zich nu wel slechts tot Cleve en Marek,
maar hij kon dit met betrekkelijke gerustheid behouden i); de
duur van dien bezitstoestand werd op vijfentwintig jaar gesteld.

Terstond na de verdeeling kwam van zelf de betrekking
der Staten op het hertogdom Cleve weer ter sprake: de
Keurvorst liet door zijn gezant Heimbach de hoop uitdruk-
ken dat die band eindelijk mocht opgeheven worden; de
ambtman von der Ahr die zich ook weer van wege de
cleefsche Stenden in den Haag bevond, sloot zich bij dien
wensch aan2), maar de Staten bleven, hoezeer zij den Keur-
vorst ook tegen zijn vijanden in bescherming namen, toch
volstrekt ongenegen hem zijn geheele zelfstandigheid terug
te geven, zeker juist omdat zij inzagen hoezeer die bescher-
ming hem noodig was. Al de oude grieven werden weer
opgehaald : maar de Staten verklaarden daarin niet te
kunnen treden, allerminst de troepen van v. Gent te willen
ontslaan, zoodat in het voorjaar van 1632 Schwartzenberg
weer herwaarts gezonden werd om een geheel nieuw verdrag
tot stand te brengen.

keus uitgemaakt was, weer in den Haag, over het al of niet afbreken der
vestingwerken van Düsseldorf, aitzema, III, 334.

1) HEiwiNG had dit moeten inzien, liever dan (bl. 417) den Staten de
schuld te geven van „einer für Brandenburg weit nachtheiligeren Theilung."

beotsen, III, 1, 108, in april 1631 werden de vreemde troepen terug-
getrokken : alleen in Rees, Emmerik en Wesel bleef hollandsche bezetting
en spaansche in Grulik, Orsoy en Sittard, De Keurvorst werd nu in Cleefs-
land niet langer als "Provisional Innhaber" maar als wettig Landsheer door
de Stenden gehuldigd.

2) aitzema, 442—446.

3) aitzema, 342—345. Herhaalde klachten van Heimbach over de
oversten van G-ent en Mulert, over de licenten etc.

-ocr page 125-

Deze hernieuwing was te meer noodzakelijlc omdat sedert
1624 de geheele toestand onzer bondgenooten in Duitschland
veranderd was. Reeds is gezegd (bl. 94) hoe Frankrijk en
Engeland door Brandenburg bijgestaan, het bemiddelingswerk
opgevat hadden dat de Staten hadden moeten opgeven en
een wapenstilstand tusschen Zweden en Polen hadden bewerkt.
Gustaaf Adolf was toen als redder van het Protestantisme
kunnen optreden, en had een eind gemaakt aan de schier
onafgebroken rampen dier partij. Tot in het hart van Beie-
ren had hij zijn triomftocht voortgezet maar — het gewone
gevolg van vreemde interventies — zijn buitengewone voor-
spoed had niet minder zijn bondgenooten dan zijn tegen-
standers verbitterd. De protestantsche Vorsten, geraakt dat
een vreemdeling zegepraalde daar, waar zij zelve niets dan
nederlagen ondervonden hadden, hechtten gaarne geloof aan
de meest overdreven uitstrooisels omtrent Zwedens eerzucht:
een algemeen wantrouwen beloonde de overwinningen van
Gustaaf Adolf.

Een der eerste Vorsten van wie hij deze onverdiende
bejegening had moeten ondervinden was de Keurvorst van
Brandenburg, zijn zwager, geweest^); met geweld tot de
keizerlijke partij getrokken, poogde Schwartzenberg 2) aan-
"^ankelijk met goed gevolg hem in dat tegennatuurlijk bond-
genootschap, tegen Zweden te versterken: eerst bij de
^annadering der zweedsche troepen, bij de bedreiging Ber-
^yn te zullen belegeren, week de Keurvorst, en nog met
teerzin®); de nabijheid van Tilly met zijn leger, die

1) deoxsen, III, 1, 88 en vgg. heiwing ,94. v. eatimee , II, 36 , 39—43.

2) HEEWING, 101, 107, "die Einflüsterungen des Grrafen Schwarzenberg
S®gen jede Yerhindung mit Schweden gerichtet, fanden aus erklärlichen
Gründen bei Georg Wilhelm nur zu fruchtbaren Boden."

3) HELwiNö, 113—115. April 1631.

-ocr page 126-

juist Maagdenburg, een bezitting van het keurvorstelijk Huis,
had ingenomen en gruwelijk mishandeld^), deed, zoodra
Gustaaf Adolf weer verder getrokken was, een reactie vreezen
in den zin van Schwartsenbergs bedoelingen. Eerst na een
tweede bedreiging van Zweden, verbond Brandenburg zich
voor goed met den redder van Duitschland.

Ook de Republiek der Vereenigde Nederlanden, hoe veel
moeite zij zich sedert vijftien jaren voor het optreden van
Gustaaf Adolf gegeven had, meende, nadat haar streven
verwezenlijkt was, zich van openlijke medewerking te moeten
onthouden. Vergeefsch waren de voorstellingen van den zweed-
schen gezant Camerarius , hetzij de Staten nog te veel
onder den indruk waren van de macht des Keizers en van de
onverbiddelijke wraakoefeningen zijner veldheeren, hetzij Fre-
derik Hendrik, zoo als beweerd werd, inderdaad vreesde
door den oorlogsroem van Gustaaf Adolf overschaduwd te
worden, de Republiek volhardde in haar onzijdigheid.

Onder die omstandigheden kwam Schwartzenberg, op
aandrang van Gustaaf Adolf van het Hof verwijderd ,
naar den Haag om de aUiantie te hernieuwen, en bracht
den 2<ien april 1632 een nader tractaat tot stand, tot uitleg-
ging en uitbreiding van dat van 1629: daarin werd
verder
aangedrongen op het eerbiedigen der neutraliteit van Cleve
en Marek, en eindelijk, vermits men volgens de letter van
het vorige tractaat oneenig was over de verpbchtingen van
den Keurvorst tot het onderhouden van krijgsvolk in die
landen\'\'), werd goedgevonden die verplichting af te koopen

1) helwiha, 117.

2) hblwiitg, 95.

3) hbiwim, 121.

4) aitzema, 12de boek. bl. 115, 117—120. waq-eh-aab, XI, 167.

5) aitzema, 120. "De Heer Churfurst hadde airede te voor, eygbeneï

-ocr page 127-

voor een som van ƒ 300,000, in drie jaren te betalen, waar-
tegen de Keurvorst dan de hem zoo lastige troepen van
van Gent zou mogen afdanken ; indien er na die drie
jaar nog twistpunten overbleven, zouden Frankrijk, Enge-
land en Zweden als scheidslieden worden ingeroepen 2). Wer-
kelijk dreigde de Keurvorst nog binnen den bepaalden ter-
mijn (mei 1634) tot dit uiterste over te gaan.

De dood van Gustaaf Adolf, kort na het tractaat van 1632,
had aan graaf Schwartzenberg de gelegenheid geopend zijn
invloed te Berlijn te herwinnen s). Naarmate de zaken der
Zweden achteruit gingen, werd de politiek van Brandenburg
steeds onbestemder. Na de nederlaag van Nördlingen (sept.
1634) was Schwartzenberg weer aan het roer en de Keur-
vorst bepaald tegen het bondgenootschap met Zweden ge-
keerd. Frankrijk had dat tijdstip niet afgewacht om zich
in de aangelegenheden van Duitschland te mengen; se-
dert 1633 had de gezant bij de protestantsche Vorsten
van het Rijk, de marquis de Feuquières, in last, den
Keurvorst tegen eiken prijs aan de politiek van Richelieu

authoriteyt gheoasseert het opgemelde Regiment van den heer van Gent,
öia«r hij wiert bij haer Ho. Mog. gliemaintineert, ende daerop volghde liet
opghemelde Tractaet."

V"an wege de Ridderschap en Steden van het vorstendom Cleve kwamen
ooi de heer van Tengnagell en dr. Antony Tersmitten afdanking van dat
i\'egiment verzoeken.

1) Schwartzenberg ontving een gouden keten van 735 gulden, 8 stuivers,

Heimbach "die hem wél assisteerde, maer in \'t Tractaet niet bekend

■^as" een van ƒ390.

Üit de gedenkschriften van van dbb capbiiien (I, 590) blijkt dat
de agent (of dr.) Ohristian von Heimbach, en Wynand von Heimbach, die

1630 en in 1636 deel uitmaakte van brandenburgsche gezantschappen,
broeders waren.

2) aitzema, III, 500—502.

3) eelwing, 121.

-ocr page 128-

te binden i). Daartoe werd bem de bemiddeling van Frank-
rijk aangeboden tot ontruiming der pruisiscbe vestingen door
Zweden en der cleefsche door de Republiek. Het viel zeker
niet zwaar den, het klagen moeden Keurvorst dien voorslag
aannemelijk te maken; van de voorgegeven begeerte der Sta-
ten die vestingen met het cleefsche gebied, aan hun Pro-
vinciën te annexeren, zal daarbij wel partij getrokken zijn
Maar de dienst eischte wederdienst, nl. de belofte nimmer
een tractaat met den Keizer te sluiten zonder Frankrijk
daarin te begrijpen, een belofte die de Keurvorst in een
eigenhändigen brief aan Lodewijk XIH aflegde. De bemid-
deling werd echter alleen jegens de Staten ingeroepen, niet
ook tot ontruiming van Pommeren en Pruisen. Het geheele
gebied van den Keurvorst was uitgeput , de onzijdigheid
zijner Rijnprovinciën werd noch door de Zweden noch door
de keizerlijken geacht ; de klachten hierover waren, vol-
gens Aitzema „de substantie der Chur-Brandenburghsche
negotiatie in desen tijdt, waerop bij haer H. Mog. niet veel
anders als intercessionelijck heeft können worden geproce-
deert"

Van de boefijsersche schuld was nog nooit een penning
voldaan®), ook het regiment van van Gent werd, na de

1) Inl. tot de aesch. der Nederl. Dipl. II, 2, 308 en 309. Lettres et
Négociations du marquis de Peuquières, I, Abrégé Historique, cxiv et
CXT, Instruction bl. 11 et 12. «Le Roi peut beaucoup l\'obliger en s\'em-
ployant en sa faveur vers les Srs les Etats pour ce qu\'ils occupent de deçà."
269. II, 20, 34.

2) Ihid. 311.

3) AITZEMA, III, 142. In Cleefsland was de bevolking door de execu-
tiën zoo verbitterd dat men er riep "liever spaansch dan geus."

4) HEIWING, 418.

5) AITZEMA, III, 502.

6) Ilid. 527. In maart 1634 moesten van wege de Generale Staten, de

-ocr page 129-

drie eerste, op het tractaat van 1632 volgende jaren weer
„seer qualijck betaelt." De geldquaestie bleef altoos de
spil waarom onze betrekkingen met Brandenburg draaiden;
de keurvorstelijke schatkist leed voortdurend gebrek en
slechts in het rijke Holland was geld te krijgen; maar de
tijden waren voorbij, toen, zooals in het begin van den der-
tigjarigen oorlog, alle noodlijdende vorsten en regeeringen
in den Haag om onderstand kwamen smeeken; de zware
lasten die de oorlog hier te lande vorderde, had aan die
edelmoedigheid perken gesteld, en de Staten bleken strenge
schuldeischers, die al vervolgden zij hun recht niet tot het
uiterste, er toch ook nooit afstand van deden.

Het jaar 1635 bracht weer gewichtige verandering
in den loop der gebeurtenissen; Nederland en Branden-
burg heide waren daarin van nabij betrokken. De ne-
derlaag der Zweden had den moed der keizerlijken weer
aangewakkerd, zonder daarom nog dien der Protestanten
uit te dooven. De krachten van beide partijen waren im
Uagenoeg gehjk, en beide hadden besloten ze thans tot het
uiterste in te spannen: het tijdstip moest beslissen over het
lot van Europa.

In het Noorden liep de zesjarige wapenstilstand tus-
schen Polen en Zweden ten einde: het hervatten van den
Oorlog aldaar moest bovenal voorkomen worden, want de
afleiding, die de zweedsche wapenen daardoor ondervin-

heer van Walta in Friesland en de heer van Weede in Utrecht den staat
^an \'s lands geldmiddelen openleggen en daarbij verklaren dat men van den
keurvorst van Brandenburg geen siibsidie genoot, maar voor drie jaren,
Waarvan dat jaar het laatste was, ƒ120,000 trok tot onderhoud van het re-
giiaent van v. G-ent, maar wat betrof de 100,000 rijksd. en de intressen
daarvan was »tot noch toe gants niet betaelt, soo wel van intressen als ca-
Pitael wat devoyren men daerover oock van tijdt tot tijdt aengewendt hadde."

-ocr page 130-

den zouden, kon niet anders dan nadeelig zijn voor de
protestantsche belangen. Frankrijk \'), Engeland en de Re-
publiek besloten dus gezamenlijk tusschen beide te tre-
den ; Brandenburg werd uitgenoodigd aan die bemidde-
ling deel te nemen®), die den geheelen zomer onder de
grootste bezwaren werd doorgezet. Een vaste vrede, dien
men eerst tot stand had willen brengen, bleek weldra on-
mogelijk: bij ieder voorstel werden de bemiddelaars van
beide kanten beschuldigd ieders tegenpartij voor te trekken;
het bezit van Lijfland en van Pruisen was de groote twist-
appel. Zweden wilde het niet afstaan dan tegen een afstand
van den kant van Polen, van \'s Konings recht op de kroon
van Zweden, een recht dat door de zweedsche gezanten als
geheel denkbeeldig werd voorgesteld, althans als onmogelijk
te doen gelden. Reeds was de onderhandeling afgebrokeia
en de vergadering op het punt uitéén te gaan, toen Polen
zijn eischen begon te matigen: die repubbek behoefde den
vrede; de rechten van den gekozen Koning, wiens dynastie

1) Kiehelieu bevorderde meer bepaald de protestantsche partij sedert ia
nOT. 1630 (la journée des dupes) zijn overwicht over de invloed der spaansch-
gezinde Maria de Medicis had getriomfeerd.

2) AITZEMA, III, 898—906, lY, 112—191. HELWIKG, 511, BOTTGEAWT;
240, voor Frankrijk d\'Avaux, voor Engeland Greorg Douglas, voor Zweden
Oxenstierna, de maarschalk Wrangel en graaf Brahe, voor Polen de beide
prinsen Kadzivill. De Republiek zond Eochus van den Honert, Andries
Bicker en Joachim Andreae.

3) AITZEMA, lY, 118, art. 31 der Instructie. De Keurvorst benoemde
een commissie van médiateurs die Aitzema (bl. 129) noemt: Hans G-eorg
van Sanckken, kanselier van Pruisen, en de raden Königseck, vonEouske,
Bergman en v. Hurenberg. De conferentiën hadden te Stumsdorf plaats.
Even als te voren waren er weer een menigte twisten tusschen de nedei\'
landsche en brandenburgsche afgevaardigden over punten van étiquette, voor-
rang, "défroyement" enz.

-ocr page 131-

eerder anti-nationaal was, trok zij zich niet aan: de be--
middeling werd weer opgevat, thans met het doel een
veeljarigen wapenstilstand te sluiten. Niettegenstaande de
moeielijkheden nog vele waren, vorderde men telkens een
Weinig; reeds was de termijn van den hestaanden wapen-
stilstand verloopen: 2) ieder oogenblik kon men het uitbre-
ken van den oorlog verwachten. Eindelijk den 12deii sep-
tember kwam men gereed met een bestand voor zesentwintig
jaren (1635—1661): Pruisen werd daarbij aan Polen terug-
gegeven, en de stad Pillau aan Brandenburg; Lijfland bleef,
even als sedert 1629 in het gemeenschappelijk bezit van
Zweden en Polen. Te vergeefs hadden de nederlandsche ge-
zanten zich beijverd tevens de tollen in Lijfland en in
Pruisen te doen afschaffen, hetgeen ook in het belang van
den Keurvorst\' en van de stad Dantzig zou zijn geweest,
m.aar de Zweden wilden dit alleen voor de toekomst belo-
ven, tot groot nadeel van onzen handel in de Oostzee,

Terwijl deze bemoeiingen in het Noorden plaats vonden,
Was in midden-Europa ontzaglijk veel in den toestand der
partijen veranderd. Reeds in 1633 hadden al de tegen-
standers van het Huis Habsburg, de duitsche Vorsten, Zwe-
den , Denemarken, Frankrijk , Engeland, Nederland zich
te Heilbronn in een bondgenootschap vereenigd, waarvan
Oxenstierna tot hoofd gekozen was Instandhouding van
de staatkundige en godsdienstige vrijheid van Duitschland,
herstel van de verdreven Vorsten en voldoening van Zweden was
het doel dier verbinding. Maar daarin bevonden zich eene

1) DTE SALTANDY, Histoire de la Pologne, I, 153.

2) AITZEMA, IV, 173.

3) Voor de Republiek verscheen te Heilbronn Oornelis Pauw, Inl. tot
0-egcJi. der Wed. Dipl.
II, 2, bl. 293. Négoc. de Peuquières, I, ixxix.

4) TON EAUMEE, 101 en 102.

-ocr page 132-

menigte nuttelooze bestanddeelen: de keurvorst van Saksen
om zijn onbekwaamheid voorbijgegaan voor den zweedschen
kanselier, den erfgenaam van Gustaaf Adolfs staatskunst,
en de keurvorst van Brandenburg, die niet dan voorloopig
had willen toetreden i), vielen reeds in augustus 1635 weer
af en sloten met den Keizer den afzonderlijken vrede van
Praag De invloed van Schwartzenbergs herwonnen positie
deed zich in deze gebeurtenis pijnlijk gevoelen®); de glans
van het drievoudig verbond dat eenige maanden te voren
tusschen Frankrijk, Zweden en de Republiek^) op bedrijf
van Oxenstierna gesloten was, woog niet op tegen de neer-
slachtigheid die deze verraderlijke afval in de protestantsche
gelederen veroorzaakte, een afval die juist plaats greep
op het oogenblik dat men Brandenburg mede in die alliantie
poogde te trekken

1) In december 1633. Négociations de M. de Peuquières, I, Lxxvil,
cxxii. "Fenquières voyoit qu\'il perdoit son tems dans une Cour où l\'on
ne savoit point se décider." cxxv, cxxxix.

2) TON BAUMES, 142—145. HEIiWma, 148—149. DBOYSEN, III, 1,
127—148.

3) HEiwma, 151—172.

4) Verbond der Republiek met Frankrijk 8 februari, en met Zweden 28
april 1635.

5) HEEWING, 171, "das Spiel konnte nicht verloren gehen wenn ein
Richelieu und Oxenstierna gemeinschaftlich an die Spitze traten und sich
der Hand eines Banners bedienten."

6) DBOYSEN, III, 1, 135.

7) DBOYSEN, III, 1, 138, Onderhandeling van Oxenstierna met àe^
brandenburgschen kanselier von Götz, welke Schwartzenberg door zijn creatuur
Blumenthal wist te doen mislukken. Onder de redenen die Zweden tot onz®
alliantie brachten noemt
aitzema (IV, 240) ook dat "de ofBcien ende co»\'
silien van desen Staet bij Saxen, Luneborch, Hessen, ende
insonderheyt hy
den Chur-Furst van Brandenburch ende de Hanse-steden groot gewicht
souden aenbrengen."

-ocr page 133-

De samenwerking van de keurvorstelijke regeering met
üe Staten was dus weer geëindigd op het oogenblik dat
«len Frankrijk als rechter in het geschil omtrent de cleef-
sche vestingen begon in te roepen. Niettegenstaande ons
bondgenootschap met die kroon werd dat scheidsrechter-
chap hier geenszins begeerd: niet alleen bleek dat ver-
bond rn het vervolg noch voordeelig noch roemryk. want de
wapenen der vereenigde legers waren doorgaans ongeluk-
kig, maar het werd reeds van het begin af door zooveel
tnjdige belangen ondermynd, dat het alleen voor zoo
^itgeputte vijanden als Spanje en het Rijk gevaarlijk kon
Beeten ). Richeheu had zich verbeeld volgzame dienaren
de nederlandsche staatslieden te zullen vinden - de
prins van Oranje moest door den titel
AUesse gewonnen
forden - maar de kardinaal vond zich
geducht bedrogen;
ok al was de verwijdering nog niet zoo in het oog loopend
^ later met Mazarin, toch was reeds in den aanvang de
mansche alliantie hier te lande weinig populair.

Om nu dat voorstel tot arbitrage niet tot een voortdurende
eclreigmg van den kant van Brandenburg te laten blijven
grepen de Staten het tractaat, waaraan de Keurvorst die
joegdheid ontleende, door een ander te moeten vervan-

lll mogendheden met die taak

öben moeten belasten, maar Engeland begon zich in dien
^ja reeds geheel aan de zaken van het vasteland te ont-

Wd \'\'\' Pruisische sterkten bezet

quaestie der cleefsche vestingen wel als
^^^^y^echter gewraakt zijn geworden 3). De gelegenheid

1) DEOYSEN, III, 1, 289. BOUGEANT. I, 232.

^euquièee., II, 36. »l\'Electexn- attend réponse des
Malest\'\'\'\' déclaration qn\'il lenr a faite du désir qu\'il a que Votre
«oit seule arbitre de leurs différends; ce qu\'ils croyent (qu\'il croit)

-ocr page 134-

werd dus waargenomen dat de keurprins van Brandenburg
zich aan het Hof zijner tante, de koningin van Boheme
bevond, om de gronden tot een nieuw tractaat te leg-
gen De graaf van Pallandt-Culemborg en de heer van
Noordwijk, gecommitteerden uit H. H. M. om den Prins te
complimenteren, deden hem de eerste opening daartoe
De Stadhouder had in april Schenkenschans heroverd en
daarmede was weder het meerendeel der cleefsche ste-
den in onze macht geraakt s). De oude angst zal dus
wel weer levendig geworden zijn te Berlijn; althans de
Keurvorst deed afstand van zijn recht Frankrijk als scheids-
rechter in te roepen, en poogde daarentegen de hertog-
dommen neutraal te doen verklaren, hetgeen hij na den
vrede van Praag met minder moeite van den Keizer
hoopte te zullen verkrijgen; vrij wat minder gunstig ont-
haal vond te Berlijn een voorslag der Stenden van die
landen, uit den Haag ondersteund om ze, geheel afge-
zonderd van de overige bezittingen des Keurvorsten, als
een zelfstandige staat door den Keurprins te doen besturen
opdat hun onzijdigheid dan beter mocht worden geëerbie-

qu\'üa acoepteront." 201, 202. Oxenstierna, om den Keurvorst in het ver-
bond te houden, had hem teruggave der pommersohe vestingen aangeboden.
lUd. II, 263, III, 32, 241.

1) aitzema, 329 , "de Ohur-Prins recommandeerde meteen de afhandelingh
ende afdanckinghe der gemelde troupen; waertoe men hier niet ongenegen
was, doch de Brandenburgsche presenteerden niet meer dan ƒ 100.000" enz-

2) deotsen, III, 1, 174. heiwiïtg, 764—766. aitzema, IV, 329-
De Keurprins hield zich gewoonlijk op in het land van Cleve, of op defl
Doorwerth bij Arnhem.

3) helwing, 420. "Von der Wiedereroberung des Forts Schenkenschan«
(30 april 1637) durch die Hollander an, geriethen fast alle clevischen Städte
wieder in die Hände der letzteren."

4) deotsem, III, 1, 164, 165, dit geschiedde op raad van den prin®
van Oranje, maar tegen den zin van Schwartzenberg.

-ocr page 135-

digd. De Keurvorst wilde daarvan niet hooren en ont-
bood onmiddelij-k zijn zoon terug, maar tevens zond hii
twee gezanten naar den Haag, de kanseliers van Cleve
en Marek, Wynand von Heimbaeh en Johan von Broei
genaamd Flater, die terstond begonnen te onderhandelen
op den voet der grondslagen die de Prins reeds te voren
had medegedeeld^): afdanking der troepen van v. Gent,
voor wier betabng de regeering van Cleve aan de Sta-
en haar pretentiën op Neuburg wilde afstaan^), met een
eeht beslag te leggen op Ravestein de gemeensehappelhke
bezing van beide Vorsten. Den 4den september 1636
werd na „advys ende deliberatie" met den prins van Oranje
het meuwe tractaat gesloten. Brandenburg beloofde won-
deren op het punt der verschuldigde geldsommen; de Re-
publiek van haren kant beloofde de onzijdigheid der Rijn-
provinciën te erkennen en te helpen handhaven; het laatste
 f
artikel van het verdrag luidde dat verder mogelijke vorde-
jngen en conflicten, „by minnelijcke communicatie" zouden f
^orden_ uitgemaakt, waarmede het gevaar van een vreemde " ,
inmenging verviel. \'

\' i\'

teeki\'r\'"; \'I\' -- -der- l\'

m l r -- ^-rd- :

J^, Vosbergen, Ploos van Amstel en Frederik vrijheer thoe Schwartzenberg. \' |

Wh ^^^ - den

" " Brandenburgh pretendeerde, waernyt T

sehe T \' drongh nochtans op betalingh van de gent-

ë\'aef C-^ï? ^«i^^l\'iig Dns

«Ihier V ; Ohnr-Vorstinne in Jnnio (

«Wsch ^ -ïe^oir dede ende badt dat men des Chur-Yorsten «I

^oeeen l ^yt hij sich mocht ,

DIJ den Keyser."

li 1

-ocr page 136-

Maar de Keurvorst haastte zich niet zijn beloften om-
trent de afbetaling zijner schulden te verwezenlijken; terwijl
hij steeds klaagde over den overlast dien hij van zijn twee
bondgenooten, Zweden en Nederland, in het oosten en het
westen van zijn gebied ondervond, werd het graafschap Marek
ingenomen door een derden bondgenoot, den landgraaf van
Hessen die zich met zijn geheele leger op brandenburgsch
gebied terugtrok nadat hij door de keizerlijke troepen uit
zijn eigen land was gejaagd. De Landgraaf, ten einde raad,
begaf zich (september 1636) in persoon naar den Haag om
de hulp van de Staten in te roepen; hij begreep zeer goed
dat het verblijf zijner troepen, zoo dicht aan onze grenzen
hier met tegenzin geduld zou worden, dewijl dit zijn vervol-
gers ook naderbij moest brengen, zoodat de klachten van
den Keurvorst hier lichtelijk ingang en ondersteuning zou-
den vinden. De Staten kozen echter een middenweg: zij
verleenden den Landgraaf onderstand in geld, maar op
voorwaarde dat hij zijn volk zou terugtrekken ; maar, daar

1) AITZEMA, IV, 333. "Tot betaling van dese summa hadden sij (de
regeering van Brandenburg) in Octobri nog geen ordre gestelt, klagende
over den Lantgraef van Hessen, die sijne inquartiering in \'t landt van
Marek
hadt genomen, versoohten officiën ende aenmaning tot evacuatie, \'t welck
men wel niet weygerde bij missive te doen; edoch wiert aan Heimbach ende
Flater in de Vergadering verschijnende geseyt dat men de Gentse
compagnie
voor niet gecasseert hielt, ingevalle sij geen prompte ordre of onderpant stel-
den; doch wiert korts daarop genegotieert en dat Regiment gecasseert; ook
Huyssen ende Neustadt neutrael verklaert ende exempt van alle contribu-
tie" enz.

2) AITZEMA, 334. "Op deese manier werdt tussen het Rijck en deese^
Staet gelaveert, ende nochthans wiert uytterlyck, wedersijts
geprotesteer
van neutraliteyt ende vriendtlijcke naebuyrschap."

IhicL. 468. "Chur-Brandenburg was ende bleef te onvrede dat Hessen
de steden in \'t landt van Marek beset hielt, ende dede arbeyden om eva-
cuatie. Men schreef aen den Heer van Dieden (Walr. van Gent) dat J

-ocr page 137-

hij toch, niettegenstaande de vertoogen van den branden-
burgschen resident, den geheelen zomer van 1637 in Marck
bleef hggen, schijnen de Staten niet zeer aangedrongen te
hebben op vervulhng dier voorwaarde.

Hetgeen vroeger gevreesd werd, gebeurde dan ook: in
december 1637 vertoonde Piccolomini zich met een leger
aan onze grenzen en verwekte geen geringen angst; de Re-
publiek heette nog wel altijd onzijdig, maar in de woede
van den oorlog was het neutrale gebied reeds zoo menigwerf
geschonden en even hard als het vijandelijke behandeld —
de inval van Montecucuh in de Veluwe lag nog versch in
het geheugen — dat het niet overbodig was de middelen
die de diplomatie aanbood, te gebruiken tot afwending van
het gevreesde gevaar: daartoe werd aan den keurvorst van
Keulen en aan den hertog van Neuburg geschreven zich op
grond hunner neutraliteit van de inlegering te ontheffen; ook
met den brandenburgschen resident Christian von Heimbach
verstonden de Staten zich op dat punt; de Keizer had toch
uitdrukkelijk het tractaat goedgekeurd waarbij de hertogdom-
men onzijdig verklaard werden; Heimbach schreef terstond
aan zijn regeering, maar niet zonder ter Vergadering der
Algemeene Staten te protesteren tegen de bescherming aan
de hessische troepen verleend, wier verwijdering uit Marck
het meest afdoende middel geweest zou zijn om den aan-
tocht der keizerlijken te stuiten i).

\'jl\'.\' SI

Tili

\'■i
\'lij:

li

i

\'i! f

-\'t-\'Slf

li

C)e keurvorst van Keulen betoogde daarentegen dat, in-
dien men werkelijk den Keizer welgezind was, men even
gerust zijn troepen als die zijner vijanden aan de grenzen

i\'f:!

de Hessische niet te nae aen Wesel sonde laten komen, niettemin heeftmen
den Lantgraef in de versochte pointen geaccomodeert."
1) aitzema, lY, 18de boek, bl. 37.

-ocr page 138-

dulden kon. Ook de hertog van Neuburg onderhield de neu-
traliteit slecht; zijn resident werd daarover uitdrukkelijk
door de Staten berispt, maar een buitengewoon gezant,
Cyriaci i), wist hen weer met zijn meester te verzoenen en
zelfs verlof voor hem te verkrijgen hier te lande krijgsvolk
te werven om zijn voornaamste steden te bezetten, hoewel
men beweerde dat de ondervinding geleerd had dat de
Hertog zijn troepen steeds in keizerlijke dienst deed over-
gaan ; een herhahng van het vorstelijk bezoek, door Cyriaci
voor te bereiden, werd echter afgewezen.

De diplomatische middelen om Piccolomini te verwijde-
ren waren dus mislukt; maar terwijl men nog beraadslaagde
hoe hem des noods te weerstaan — de heeren van Rand-
wijck en van Ripperda werden daartoe naar de regeering
van Cleve gecommitteerd — riep de loop der gebeurtenissen
hem van onze grenzen naar Vlaanderen (april 1638). Maar
nog nauwelijks was hij vertrokken of Brandenburg had weer
te klagen over een vierde leger dat zich op zijn gebied
in Cleve kwam ophouden, nl. dat van de beide zoons van
den koning van Boheme die te zamen tot herovering van
hun erfgoed waren uitgetogen.

Uitgeput door deze inlegeringen — een goed deel der
keizerlijke troepen was achtergebleven onder den marquis
de Carette en begunstigde de spaansche aanslagen in Lim-
burg en Brabant — ondervond de afbetahng der hoefyser-

1) lUd. W. 55.

2) Sedert de lierovering van Breda voerde de prins van Oranje hoofd-
zakelijk oorlog in Vlaanderen, met bedoeling zich van Antwerpen meester
te maken.

3) AITZEMA, IV, 14de B.. bl. 207 en 210. De keizerlijken lagen bij
Venlo (sedert het vorige jaar spaansch) en de nederlandsche ruiterij onder
Stakenbrouck bij Eees : -/want oock eenighe spaense troupen haer geconjw-

-ocr page 139-

sehe schuld, die nu reeds tot een millioen geklommen was
gedurig grooter moeielijkheden: i) de Stenden van Cleve
zieh op hun recht beroepende weigerden den Keurvorst bij
te staan in de afdoening van een buiten hun medeweten
aangegane schuld; een pretentie op Neuburg als schuld-
vergelijking den Staten aangeboden, bleek onvoldoende; de
Hertog ontkende zijn verplichting zoodat de Hoog-Mogenden
nu, volgens het tractaat van 1636 besloten de keurvor-
stelijke domeinen aansprakelijk te stellen voor de achter-
stallige renten en aflossingen van 1637—1638. Maar dit
begin van executie maakte de betabng der hoofdsom
zelve nog onwaarschijnlijker, de obligaties der branden-
burgsche schuld begonnen derhalve, hoewel de ontvanger
Hoefijser ze met voorkennis en resolutie der Generale Staten
uitgaf, haar waarde te verliezen; het collegie ter Admira-
liteit van Amsterdam maakte bezwaar ze verder te waar-
borgen, en ofschoon een commissie uit het midden der
Staten benoemd werd om de gegrondheid dier bezwaren
te onderzoeken, bleef de zaak sleepen. Eerst in juli van
het volgend jaar (1640) werd den resident von Heimbach

geert eiide vermengt hadden met de keyaersohe." De heer van Eandwijck
"Werd in februari andermaal naar Cleve gezonden om middelen te beramen tot
iiehoud der onzijdigheid; voor zijn vertrek had hij den Prins daarover ge-
ïaadpleegd, wiens «hoogwijs advys" luidde »soo veel mogelijck openbaere
offensie tegens de keyzerse te eviteren."

1) DBOYSBN, III, 1. 203. AITZEMA, IV, 210—212, 290.

2) In 1615 was nl. het inkomen der convoyen en licenten van het col-
\'■ege ter Admiraliteit van Amsterdam verbonden tot verzekering der bran-
denburgsche schuld. Later waren de leden van dat college verzocht gewor-
den de obligaties dier schuld te willen teekenen, om derzelver crediet te
Versterken. Dit werd thans geweigerd omdat het college vreesde de intrea-
sen Weldra uit andere inkomsten der Admiraliteit te zullen moeten voldoen,
daar de convoyen en licenten niet toereikende zouden zijn.

iil\'

-ocr page 140-

gevraagd of hij ook eenige instructie ontvangen had omtrent
de afdoening der schuld, en op zijn ontkennend antwoord
werd er „serieuse ordre" gegeven aan den Raad van State
de executie te laten voortgaan. Hierover ontstond verschil
met de Staten van Holland , die zich beklaagden dat de
Raad van State niet terstond na het reeds in april 1631
gegeven bevel, de executie had „geëntameerd veelmin ge-
effectueerd", zoodat zij dit college, dat daarenboven door
menigvuldige bezigheden werd opgehouden, van die taak
ontheven wenschten te zien, om die zelve te aanvaarden,
hetgeen tevens ter geruststelling der amsterdamsche Admi-
raliteit dienen zou. De Raad van State antwoordde terstond,
reeds twee uit haar midden, de heeren van der Capellen
en Goudswaert naar Cleve afgevaardigd te hebben, en nam
verder de gelegenheid waar allerlei klachten tegen de Staten
van Holland in te brengen; de twist dreigde dus reeds ter-
stond van zijn uitgangspunt af te dwalen, maar de Staten
traden tusschen beide door den Raad van State te verzoe-
ken, onmiddelijk de executie te doen aanvangen, en die
niet te staken voor dat de geheele schuld tot den laatsten
penning zou zijn afgedaan

1) AITZBMA, V, 20ste Boek, bl. 84, 129, 150.

2) DEOYSEN, 1. 1. "In November erfolgte der Execntiousdecret der Staa-
ten , alle Sr. Kf. D. Eenthen und Gefälle dieser Orte in Possession und die
betreffenden Diener in der H.H. Staaten Pflicht zu nehmen, die Unwilligen
zu cassiren. und andre an ihre Stelle zu setzen. Sie berechneten die ur-
sprünglich 100,000 Thlr. Hofiserische Schuld durch Zins auf Zins zu
1,126,955 Gld. und rechneten noch ander Posten zu 50,000, 30,000, 20,000,
280,000 Gld. auf. Die Verhandlungen die mir in Christian von Heimbachs
Berichten vorgelegen, zeigen die Herren Staaten von ihrer widerwärtigsten
Seite.\'

Eiders (148) spreekt Droysen van de "Krämerhafte Berechnung der Her-
ren Staaten."

-ocr page 141-

Toch kwam er niets van de geheele zaak: de keurvor-
stelijke regeering te Cleve wist door hartroerende missiven
het medelijden der Staten op te wekken de geheele schuld
der niet-betaling werd op de Stenden van het hertogdom
geworpen , die niet alleen weigerden tot de opbrengst bij te
dragen, maar al de finantiëele operaties der regeering
dwarsboomden; de Hoog-Mogenden moesten dus liever op
de gezindheid der Stenden trachten te werken, terwijl er
reeds twee ijlboden naar Berlijn gezonden waren om bij
den Keurvorst de goedkeuring te verwerven van zeker con-
tract met een geldschieter gesloten, met hypotheek op de
domeinen in het ambt Schermbeck. Ook op het gemoed
der twee gedeputeerden uit den Raad van State schijnt in-
tusschen gewerkt te zijn, althans dezen schreven van hun
kant hoe de Hessen nog steeds zware contributiën in die
landen bleven eischen. Al deze vertoogen misten hun uit-
werking niet; de Staten weigerden wel surséance van exe-
cutie te verleenen, maar inderdaad werd zij toch uitgesteld
daar er aan de Stenden geschreven werd om hun in be-
denking te geven of het niet beter ware den Keurvorst
vrijwillig bij te staan, dan de Staten tot het vervolgen van
hun uiterste recht te noodzaken.

Hierdoor won de regeering tijd, en dus veel: het bleek
nu dat haar ijlboden te Berlijn nog iets anders bewerkt
hadden dan de verpanding der domeinen, nl. een nieuwe
diplomatische tusschenkomst: de geheimraad von Blumen-
thal®) door Aitzema een welbespraakt edelman genoemd,
kwam daartoe in october 1640 naar den Haag, en bracht

;

1) AITZEMA, V, bl. 131. Missive der regeering van Cleve van 16 au-
gustus 1640.

2) DEOYSEN, III, 1, 265.

3) AITZEMA, V, 133—136. /\'Blommendael."

I 1

l I\'

-ocr page 142-

het inderdaad zoo ver dat de quaestie wel niet werd uit-
gemaakt, maar de executie toch gestaakt: hij hield de Sta-
ten voor welke jammerlijke tijden de Keurvorst beleefde, hoe
„ongoetlyck" hem de Stenden behandelden, hoe alles wat
zijn landen nog opbrachten aan de „soldatesca" was gegaan
zonder dat hij er ooit een daalder van gezien had, en bewerkte
daardoor de terugroeping van van der Capellen en Goud-
swaert, waarna hij aan een commissie uit den boezem der
Staten-Vergadering gekozen opening van zijn verderen last
beloofde te doen, hetgeen hij beweerde vóór die terugroe-
ping niet te kunnen plaats hebben. Nieuwe maatregelen
wist hij echter niet aan te wijzen, maar zocht „meest met
rekenen te betalen," zoodat de schuld hoe lang hoe meer
verzwaard werd, tot groot nadeel van den ontvanger Hoef-
ijser die eindigen moest met zich failliet te verklaren; uit
de opening zijner zaken bleek echter dat hij wel in staat
geweest zou zijn aan zijn verbintenissen te voldoen, maar
dat het zinkend crediet der brandenburgsche schuldbewijzen
een
paniek had teweeggebracht, die de ontvanger gevreesd
had niet te zullen kimnen doorstaan. Dit gevolg was lang
te voorzien geweest, en zou wellicht Blumenthals zending
hebben doen eindigen, zoo hij zich niet ten Hove, en zeker
niet het minst bij de eerzuchtige Amelia van Solms, aan-
genaam had weten te maken door voor het eerst een hu-
welijksplan te berde te brengen tusschen den jongen keur-
vorst, Friedrich Wilhelm, die omstreeks dezen tijd zijn vader
opvolgde en de oudste der prinsessen van Oranje, Louise
Henriette. Maar daar kort na den Keurvorst ook diens
gunsteling Schwartzenberg stierf, werd Blumenthal die een

1) In december 1640 kwam de tijding van het overlijden des Keurvor-
sten; Blumenthal gaf er in januari 1641 oiiicieel kennis van.

-ocr page 143-

creatuur van den graaf was, teruggeroepen en bleef het
huwelijksplan rusten ; ook zijn voorstellen tot voldoening
der brandenburgsche schuld bleven onafgedaan; zijn last
had zich bepaald bij de reeds vroeger aangeboden com-
pensatie door een schuldvordering op Neuburg, maar die
bleek „iUiquide" te wezen zoodat er geen vergelijking moge-
lijk was. De oude klachten der cleefsche regeering werden
dan ook heviger dan ooit®), over de afpersingen der ont-
vangers , over de door de staatsche troepen aangerichte
schade, over het heffen der licenten en vooral over de hes-
sische troepen, omtrent wier bedrijf de heer von Boineborgh
(mei 1641) in den Haag kwam klagen, maar weldra met
„dilatoir" antwoord werd teruggezonden, daar de Staten hun
redenen hadden die troepen in Cleve en Oostfriesland te
laten hggen.

De regeering van den jongen Keurvorst maakte even-
min werk van de betaling der brandenburgsche schulden
als die van zijn vader. Wel het hij daarover handelen
door twee Raden , Johan von Diest en Johan von Motzfeld
die al de schuld der ongeregelde betaling op graaf Schwart-
zenberg poogden te schuiven, als hebbende de overige leden

1) HEiiWiNG, 165. AITZEMA, V, 233. "Maer alsoo hij een oreatuyr van
den graef van Swartsenberg was, die iortsnae den Ohnrfnrst oock quam te
sterven, so werd hij onlangs hiernae gerevoceerd. Bij eenigh doen wiert
geoordeelt dat het voor den Staet alhier goet was, het land van Cleef ghe-
ïijck oock Oost-Vriesland deur de schultsaecken verplight te houden" enz.

2) Weldra begonnen onderhandelingen over een huwelijk van den Keur-
"^\'orst en koningin Christine van Zweden, (dboysen, III, 1, 104 en 105),

over de verloving van prinses Louise met den prins van Wales, Archives
de la tnaison d\'Orange,
deuxième série, tome IV.

3) AITZEMA, V, 363 en 364.

4) Ihid. 457. In 1643 veranderde de verhouding van Brandenburg en

a,

essen geheel, helwiïtg, 199, noot 2, 422 en 423,

-ocr page 144-

der regeering in onwetendheid omtrent die zaak gehouden;
maar inderdaad was het hun met de aflossing der schuld
ook geen ernst, en poogden zij veeleer tijd te winnen, de
zaak te laten sleepen en alzoo de executie en betaling te
ontkomen Zij wilden daartoe in mindering der som alles
in rekening brengen wat de inlegering van ons volk aan
Cleefsland gekost had, maar de Staten stelden hier tegen-
over hoe zij jaren lang de cleefsche vestingen zonder be-
zwaar voor den Vorst of het Vorstendom van garnizoen,
krijgsvoorraad en verdedigingswerken voorzien hadden; ter-
wijl hierover nog onderhandeld werd kwam een gezant van
den Keurvorst, Johan von Norprad in buitengewone missie
naar den prins van Oranje; zijn last was \'s prinsen toe-
stemming te verwerven tot het bebten van volk, hetgeen
echter weinig in den smaak viel, noch van de Hoog-Mo-
genden, die aanmerkten dat Brandenburg wel geld scheen
te hebben om troepen te werven maar niet om schulden
af te doen, noch van de Stenden van Cleve die voor
hun privilegiën begonnen te vreezen, en in die vrees
door Norprads hoogmoedige taal versterkt werden Toch
werd eenig volk in dienst genomen, maar dit gaf zooveel
jalouzie bij de nog steeds in Calcar gelegerde Hessen dat
zij \'skeurvorsten soldaten uit Xanten verjoegen^). Deze
vijandelijke tusschenkomst maakte echter geen eind aan het
geschil waarin de Stenden stijf op hun stuk bleven, gelijk
ook inderdaad het recht op hunne zijde was; later
werd

1) AITZEMA, V, 691 en 692. Mei 1644.

2) helwing, 423 in de noot, noemt hem "Johann Norprad, Chef der
clevischen Regierung."

3) dkotsen, III, 1, 266, om de hem door de Staten afgestaue vestin-
gen Duisburg en Dinslaken te bezetten.

4) aitzema, V, 780.

-ocr page 145-

nog de bemiddeling der Republiek ingeroepen bij welke de
Stenden altijd steun zochten, maar die nu om redenen van
Staat de partij van den Keurvorst trokdiens steeds hooger
klimmende geschillen met Neuburg, leverden namelijk een
gevaar op aan welks voorkoming der protestantsche partij
veel gelegen was; het was dringend noodzakelijk te verhoe-
den dat nog meer vijanden van buiten zich verhieven tegen
een partij die reeds inwendig zoo geheel verdeeld was:
de twist tusschen Denemarken en Zweden, de interventie
der Republiek — eerst diplomatisch, daarna gewapend —
tegen den zin van Frankrijk dat een vernietiging der
tractaten van 1635 vreesde , dit alles kan hier alleen
aangestipt worden voor zoo ver het van invloed was
op onze betrekking met Brandenburg. Het handelsbe-
lang der Nederlanden maakte in dezen een meer vijandige
houding tegenover Denemarken noodig, dat door willekeu-
rige yerhooging van den Sont-tol onze scheepvaart groote-
lijks benadeelde^); het staatkundig belang van den keur-
vorst van Brandenburg bracht hem daarentegen juist aan
de zijde van den koning van Denemarken zoowel om in
het algemeen de vestiging der Zweden op Rijksbodem te
verhinderen als meer bepaaldelijk om zijn erfgoed Pom-
meren uit hun handen terug te erlangen. Deze verhouding
bleef ook geheel en al den toestand beheerschen gedu-
rende de langgerekte onderhandehngen van den westfaalschen
vrede, die (januari 1646) eerst ernstig werden opgevat,
nadat het geschil tusschen Denemarken en Zweden door
het verdrag van Christianopel was bijgelegd s); het laatste

1) AITZEMA, VI, 2.

2) Levendig wordt de hatelijkheid der deensche tollen besclireven bij
AITZEMA, VI, bl. 8.

3) Sedert 1637 werd te Hamburg tot bevrediging van Europa onderhan-

-ocr page 146-

was bij die gelegenheid in het bezit van Pommeren be-
vestigd geworden.

Het was door den bijstand der Staten geweest dat de
Zweden het voordeelige tractaat van Christianopel hadden
kunnen sluiten; de keurvorst van Brandenburg ondernam nu
door middel van diezelfde bondgenooten zijn erfgoed weer
meester te worden: om Nederland van Zweden af te trek-
ken en aan de brandenburgsche belangen te verbinden,
dacht hem een staatkundig verbond niet voldoende: een
familieverbintenis met de Oranje\'s scheen grooter waarborg
aan te bieden, daarom Het de Keurvorst in maart 1646
door zijn geheimraad Ewald von Kleist aanzoek doen om
de hand van „Madamoyselle d\'Oraigne" de oudste dochter
van prins Frederik Hendrik

Reeds in 1640 had, gelijk gezegd is, de geslepen Blu-
menthal uitzicht op dat huwelijk gegeven, maar naar het
schijnt alleen om het Hof tot het inwilligen der wenschen
van Brandenburg over te halen en zonder in het minst tot
die opening gemachtigd te zijn. Integendeel de Keurvorst

deld, en in 1641 was er een tractaat ontworpen, dat de Keizer toen echter
niet had willen goedkeuren,
deotsen, III, 1, 177 en vgg. 192. hei,-
WING, 225.

Daarop volgde de zending van graaf Auersperg naar den Haag om de
begeerte der Staten naar vrede te polsen,
aitzema, V, 211—218.

1) DEOYSEN, Illj I, 303.

AITZEMA, YI, 226. Kleyst handelde eerst onder de hand over het
huwelijk, verder had hij in last te handelen over bijlegging van het geschil
met Neuburg, en over de «gravamina" met de cleefsche Stenden en dat die
de hand mochten houden aan de betaling der door Norprad geworven troe-
pen, en hoewel men erkennen moest dat de Stenden in hun recht waren
"alsoo men de lucht kreeg dat het opgemelte huwelijck op handen was, soo
hebben H. H. M. airede begost soo wel het Hof alhyer als den Chur-Yorst
in veelen te complaceeren." Burgstorf kwam later officieel de hand der
prinses verzoeken
deoysen, 310.

-ocr page 147-

beoogde toenmaals een geheel andere verbintenis, nl. met
de jonge koningin van Zweden, Christine, de eenige doch-
ter van Gustaaf Adolf, welk huwelijk door keurvorst Georg
Wilhem ontworpen, de samensmelting van beider gebied, tot
ééne machtige monarchie ten gevolge moest hebben^); het
is mogelijk dat de naijver der overige mogendheden dit
plan dwarsboomde of dat het stuitte op het bekende gril-
lige karakter van Christine, althans de onderhandelingen
hieven sleepen en sprongen eindelijk in 1645 voor goed
af^); natuurlijk hing daaraan voor een groot deel de op-
lossing der pommersche quaestie. Het aanzoek in den Haag
Was derhalve van groot staatkundig gewicht , en de zending
van Kleist bracht bij de onderhandelaren te Osnabrück geen
geringe opschudding te weeg Niet dat er niet reeds dik-
\'W\'ijls van een andere verbintenis sprake geweest was —
engelsche, fransche, oostenrijksche, poolsche, boheemsche
prinsessen waren beurtelings genoemd — maar nu de Keur-

1) hbwiïfg, 128.

2) DEOYSBB", III, 1 , 258. Denemarken, Polen, de Keizer, Spanje wa-
\'■eu er tegen, ook de Nederlanden.

3) helwing, 137, 774.

Kronijk v, h. Hist. Gen. 1861, brieven van Hendrik Sohrassert, neder-
landscb resident bij de Hanze-Steden, waarin gesproken wordt (bl. 312, 317)
^at de onderhandelingen tusschen Zweden en Brandenburg, wegens te hooge
"Postniata" der eersten niet vlotten wilden (1642), en later (321, 25 jan.
1645) dat van \'s Keurvorsten »houwelijck met Sweeden alsnu altum silen-
tium" is.

4) nnoYSEH-, 304.

5) Het algemeen gevoelen was dat de Keurvorst een bloedverwante van
\'i®!\'. Keizer moest huwen, om zóó uit zijn valsche positie te geraken
{Ar-
^\'Uves de la maison d\'Oranje-Nassau,
2me Série, lY, 6. deoysek, III,
1 \' 258) ; als zoodanig kwamen \'s Keizers dochter Marie Anna (helwing ,

en de zuster van den Koning van Polen (deoysen , 243) in aanmer-
king; verder was er quaestie geweest van de prinses d\'Orléans
la grande
^^demoiselle, {Archives
lY, 17\'8, «la Princesse d\'Orange pense avoir em-

\'M
\'t\'l-

-ocr page 148-

vorst, op het kritieke oogenblik van de onderhandeling door
dat huwelijks voorstel zijn betrekking tot Zweden officieel
afbrak, trad de beslissing over het lot van Pommeren in
een nieuwe
\'phase. De hulp der Staten^) en de onder-
steuning van Frankrijk zou Brandenburg nu moeten ver-
schaffen wat het van de vriendschap van Zweden niet had
kunnen verwerven, eehter — deze verwachting werd niet
vervuld. Vond Friedrich Wilhelm in Louise van Oranje eene
gade wier nagedachtenis onder haar onderdanen nog leven-
dig wordt vereerd^), de politieke bedoebng dier echtver-
bintenis , zooals de Keurvorst ze zelf daags vóór zijn

porté un Prince que la Prance gardoit poiw Mademoiselle, et s\'en tient
assés glorieuse"), van de prinses Mary Stuart, naderhand prinses van Oranje
en van een der prinsessen van de Palts dochter van de koningin van Bo-
heme (aitzema, IV, 41).

1) wicqtjefoiit, Histoire des Provinces-Unies, I, 194, «Prederic Guil-
laume avoit confié la principale direction de ses affaires à un gentilhomme
du païs de la marc Brandebourg, nommé Conrad de Burgstorf. Ce Ministre,
qui n\'avoit point connoissance du tout des affaires de l\'Estat de l\'Electeur,
son maistre, non plus que dgs interests des Princes et Estât voisins, et qui
n\'avoit pas mesme les principes necessaires pour l\'acquérir lui avoit con-
seillé d\'épouser la fille aînée du Prince d\'Orange, dans un temps, ou l\'esprit
et la mémoire du Prince estoient desja tellement affoiblis, qu\'ils n\'estoit
plus capable de lui procurer les avantages qu\'il en auroit pû tirer dans une
autre saison, et le peu qu\'il en eust pû espérer encore, fut negligé de ceux,
aux conseils desquels il s\'étoit entièrement abandonné."

2) dr mont, Memoires politiques pour servir à la parfaite intelligence
de l\'histoire de la paix de Rijswick,
I, 55. "Dans cet embarras le seul
parti que l\'Electeur pouvoit prendre étoit d\'entrer dans la faction de France

..... Des lors la Seine Christine et lui levèrent ouvertement le masque

de leur Politique et disputerent ouvertement leurs intérêts réciproques sur
la Poméranie." In 1644 had Brandenburg reeds openingen te Parijs gedaan.
bougeant, I, 582.

3) De jeugd van Louise Henriette d\'Orange, door prof. eeuin in de
Gids,
aug. 1866.

4) Voltrokken in december 1646. aitzema, VI, 317\'—327.

-ocr page 149-

huwelijk in een rede aan de algemeene Staten bloot legde ,
faalde volkomen; bemiddehng der Staten in zijn geschil met
Neuburg en ondersteuning in zijn eischen tegen Zweden was
hetgeen hij zich in de eerste plaats daarvan voorstelde; maar
de bemiddeling voerde slechts weer tot een voorloopig trac-
taat met den Pahsgraaf 2), dat zelf niet lang daarna op nieuw
aanleiding gaf tot ernstige verwikkelingen, en in het geschil
tusschen Brandenburg en Zweden weigerden de Staten zich
anders in te laten dan door eenige weinig, afdoende nota\'s
aan het kabinet van Stockholm

Nog voor het huwelijk in den Haag voltrokken was,
kwam de pommersche quaestie te Osnabrück ter tafel 4).
Op verzoek van den Keurvorst begaven de nederlandsche
ambassadeurs te Munster zich derwaarts om als bemidde-
laars op te treden; er viel echter aanvankelijk weinig te
bemiddelen, want de Keurvorst bleef hardnekkig zijn recht
op Pommeren volhouden; te vergeefs betoogden de Zweden

IS\'

1) DEOTSEN, 310. HEWING, 254 en 255.

2) deoysen, 1. 1., »Ebenso bitte er, da der Pfalzgraf von Neuburg gar
unfreundlich und unbiUig mit ihm umzugehen fortfahre, um die von den
Staaten ihnen beiderseits jüngst angebotene Interposition." Het tractaat
^erd den Ssten april 1647 te Dusseldorf gesloten, helwing, 425—435.

3) AITZEMA, VI, 327. »Sijn hoop ende inbeelding w-as dat om dit sijn
Houwelijek dese Staet soude embrasseeren alle sijne interesten, ende byzon-
derlijck hem helpen aen Pomeren. Eenige sloegen voor men soude een Am-
bassade aen Sweeden senden. Maer Hollandt wilde niet verder gaen als bij
■^egen van schrijvens ende intercessionaliter."

4) AITZEMA, VI, 288. »De Handehnge ende Interpositie dan tusschen
^^ranckrijck ende Spaengien stil staende in de maenden van November ende

^ ecember, soo wierde seer gearbeyt inde Satisfactien voor Zweden, Vranck-
"■\'Jck ende Hessen. Zweden wilde niet van Pomeren afstaen; ende Chur-
Srandenburg wilde niet naelaeten. So dat de Chur-Vorst meest op dat stuck
expresselijck qviam nae HoUandt, sijn Huwelijck sloot met de Princesse Louyse
^an Oranje ende versochte eene Alliance met de aeunieerde Proninciën."

9

ilir

-ocr page 150-

dat gewest niet op hem maar op den Keizer veroverd te
hebben, dat het dus aan dezen stond hem daarvoor ver-
goeding te schenken; nog bleef de Keurvorst weigeren,
ook toen de Keizer en de koning van Frankrijk hem ge-
zanten achterna zonden naar den Haag, om zijn ultima-
tum te vernemen^). De Staten kwamen wel weer tusschen
beide, maar toch niet krachtig genoeg naar den zin van
Brandenburg, daar zij zich bepaalden tot het schrijven
van een brief naar Zweden, en niet tot het zenden van een
gezantschap wilden overgaan. Klaarblijkelijk waren de Hoog-
Mogenden het niet eens welk van de twee hun aangeboden
bondgenootschappen, dat van Zweden of dat van Denemarken
te kiezen ; daarvan hing natuurlijk de alliantie met Bran-
denburg af, zoodat deze sleepend bleef, en de Keurvorst dus
ook niet eens dit voordeel van zijn huwelijk trok; eerst in 1650
deed het handelsbelang — vrees voor verhooging van den
Sont-tol — de Staten tot de deensche verbintenis besluiten.

Te vergeefs waren na \'s Keui-vorsten vertrek naar Cleve
zijn voornaamste raadslieden,
von Burgstorf, von Schwerin,
von Kleist en Seidel in den Haag gebleven®) om, met den

1) Plettenberg en Saint-Romain.

2) AITZEMA, VI, 300 en 301. Zendingen van Ulefelt en Eoncallio van
wege Denemarken en Polen.

Ibid. VII, bl. 8. De secretaris der koningin van Zweden klaagde i»
den Haag dat men »Chnr-Brandenborgh desgelijcx tracteerde
(versoeckende
ende erinnerende) dat sulck toch oock sonder prejudice van de voorige met
Sweeden gemaeckte ïractaeten mocht sijn."

3) AITZEMA, VI, 368. In januari 1647 vertrok de Keurvorst naar Cleve,
de alliantie recommanderende; (374) Kleist bleef er intusschen op aandrin-
gen; (375) in maart kwam de Keurvorst terug en liet H. H. M.
weten dat
hij door Burgstorf een tractaat met ITeuburg getroffen had. (346) In
vertrok hij zonder dat de alliantie gesloten was. (428) In juli verklaarde
Gelderland, dat er het meest belang bij had, op het punt der alliantie be-
sloten te zijn; in october drong Burgstorf weer op de sluiting aan toen hl)

-ocr page 151-

nieuw geaccrediteerden resident Moll de alliantie te bevor-
deren ; de Staten maakten er in het geheel geen wei-k van;
en aan uitvluchten ontbrak het niet, de klachten der Sten-
den over \'s Keurvorsten „quade raadsheden" echter verge-
zeld van betuigingen van gehechtheid aan hun Vorst de
ontruiming der cleefsche vestingen , de onderhandelingen
met Oldenburg over den Wesertol , waren even zoo veel
hinderpalen. In november 1647, een jaar ongeveer nahet
huwelijk, was er nog geen begin gemaakt met de onder-
handeling, waarover Moll in een bizondere audiëntie ter
Staten-Vergadering kwam klagen: de Keurvorst zelf had
twee malen de alliantie aanbevolen, zeide hij \'\'•).

Intusschen was de pommersche quaestie te Osnabrück
uitgemaakt: de Keurvorst verloor daarbij wel het grootste
deel van dat gewest maar door de secularisatie van vier
rijke bisdommen werd hij ruimschoots voor dat verlies scha-
deloos gesteld, terwijl hij tevens daardoor een aanwinst van
gebied verkreeg, die, door de verbinding der Rijnprovinciën
met de kern van den Staat te verbeteren, een gewenschte
afronding aan de bezittingen van den Keurvorst verschafte,
wiens macht en aanzien daardoor naar evenredigheid rees

De Staten begonnen nu ook meer werk van de alliantie

W

de Keurvorstin uit Yianen kwam aflialen, en eerst in november verklaarden
de Staten aan den resident Moll er over te zullen beraadslagen.

1) AITZEMA, VI, 369.

2) AITZEMA, VI, 370—374, 462 en 463. EecM van H. H. M. op het
houden van garnizoenen in Cleefsland en voordeelen door Brajidenburg daar-
van getrokken.

3) AITZEMA, VI, 397 en 398, 445.

4) AITZEMA, VI, 428.

5) Mémoires et négociations secretes de la Cour de France touchant la
paix de Munster,
II, 257, 291, 343.

WHEATOH, Histoire des progrès du droit des gens, I, 102.

■m

.iü
III

-ocr page 152-

te maken, en er werd (januari 1648) een commissie be-
noemd om de voorstellen der brandenburgsche gezanten te
overwegen i); daartoe werden aangewezen de heeren van
der Capellen thoe Kijsel, de Beveren, van Reede van Rens-
woude, Andreae en Eyben. Het rapport dezer commissie
(februari) strekte tot aanbeveling der verbintenis, nu „Sijne
Chur-furstelycke Doorlughtigheyt een van de considerabel-
ste Vorsten van de Gereformeerde Religie in Duitsland" ge-
worden was, wiens gebied zich uitstrekte van de „frontieren
der Geünieerde Provinciën tot aan de Oostsee daer den
Coophandel van hier gedreven wert ende deze Staet daer
uyt met volck ende verscheyden waeren gedient."

Maar de gebeurtenissen van den dag werkten de vesti-
ging van het bondgenootschap bepaald tegen; de vrede was
tegen den zin van den jeugdigen Stadhouder gesloten, die
in stilte met d\'Estrades nieuwe oorlogsplannen overlegde.
Men weet hoe hoog de oneenigheid hierover liep tusschen
den Prins en de Staten van Holland; dat deze onder die
omstandigheden weinig gesteld waren op een nauwere ver-
bintenis met den zwager en geestverwant van hun te-

1) aitzema, VI, 555.

2) dboxsen, III, 1, 317 en 318. »Es gab ein Moment wo Eriedrioli
Wilhelm die Waffen gegen Schweden zu erheben im Begriff stand. Er ge-
wann es über sich, den Bedenken seiner Eäthe zu weichen, vielleicht iu der
Hoffnung auf das Bündnisz, das demnächst im Haag geschlossen werden
sollte, in der Hoffnung mit den Staaten vereint, eine dritte Parthei zu bil-
den, eine Parthei des Friedens, des Gleichgewichts in Deutschland und
Europa, der erhaltenden Politik. Die Herren von Holland rechneten an-
ders. Ihnen war der Kurfürst willkommen gewesen, um die Stuartischen
Pläne im Haag zu kreuzen; nachdem es geschehen, hatten sie mit jener
Allianz keine Eile; kaum dasz die ersten vorläufigen Vrespreehungen nach
Monaten zu Stande kamen."

3) Archives de la Maison d\'Orange, deuxième Série, tome IV, Intro-
duction, p. cxii, 172.

-ocr page 153-

genstander is begrijpelijk. En juist wat Willem II begeerde,
de hernieuwing van den oorlog was de groote hinderpaal
voor het tractaat met Brandenburg, want de Staten weiger-
den standvastig den Keurvorst in dat geval het bezit van
al zijn landen te waarborgen: slechts tegen een aanval
van hetgeen aan hun eigen gebied grensde, wilden zij hem
bijstaan: op deze zwarigheid stuitte de geheele onderhande-
ling 1). Te vergeefs beijverden de Staten zich te Weenen de
onzijdigverklaring van Marek en Ravensberg te verkrijgen; de
Keurvorst achtte dat onvoldoende. Ook de oude quaestien
over het bezettings-recht der cleefsche vestingen en de af-
doening der boefijsersche schuld kwamen weer op het tapijt.

Toch gaf de Keurvorst den moed niet op: in april 1649
zond hij op nieuw een talrijke ambassade herwaarts: Philip
von Horn, Otto von Schwerin, Wirich von Bernsaw zu Bel-
linghofen en Dr. Johan Portmann Om met hen te on-

1) DROYSEN, 348. "Wie grosze HofFnungen hatte er auf das Bünduisz

mit deu Staaten gesetzt.....er hatte gehofft so eine Einigung zu Schutz

Und Trutz zn schaffen, die, so meinte er, ihn auch in Pommeren und
Preuszen gegen Schweden decken werde. Sechs von den Staaten waren
dafür, dasz seine sämmtliche Lande als in diesem Bündnisz begriflEen be-
zeichnet würden; aber die Herren von Holland widerstanden dem auf das
Hartnäckigste; sie wollten nur Marek, Cleve, Ravensberg, Minden genannt
"f^issen. Sie lähmten die Yerhandlungen mit den Ständen der beiden Kreize
clurch immer neue Schwierigkeiten; in ihrer Eifersucht auf die Statthalter-
liche Macht die sie um keinen Preis durch Brandenburg gestützt zn sehen
"Wünschten, versagten sie jede weitere Minderung der holländischen Besatz-
ungen im Clevischen; die Hofisersche Schuld gab ihnen den Vorwand,
Wesel, Rees, Emmerich, Orsoy, Büderich besetzt zu halten."

2) aitzema, VI, 556—558. wageîtaab, XII, 16 en 17. hewing, 433.
"W-ICQUEEORT, I, 194. "Une deputation solennelle composée des plus consi-
dérables Ministres de son conseil." Zij werden als ambassadeurs behandeld.

195. "On vouloit obliger l\'Electeur de Brandebourg, non seulement
comme un très puissant Prince de l\'Empire et comme un voisin très consi-
derable, mais anssy comme beaufrere du Prince d\'Orange, à qui on faisoit

11

-ocr page 154-

derhandelen werd de Mervoor gemelde commissie aangewezen,
maar de zaak kwam geen stap verder: in juni verklaarden de
gezanten last ontvangen te hebben tot een besluit te komen,
en in augustus was nog niets gedaan^). Ook baatte het
niet dat drie afgevaai\'digden der Staten, die te Cleve als
getuigen gediend hadden bij den doop van het eerste kind
der Keurvorstin, bij hun terugkomst nieuwe voorstellen
medebrachten 2),

De Keurvorst was intusschen als leenman van Polen tot
hulp tegen de Tartaren en Kozakken aangeroepen, maar om
aan dien plicht te kunnen voldoen behoefde hij geld en als
van ouds hoopte hij dat hier te lande te vinden: de resident
Moll had van die zaak reeds opening gedaan ; voor de
teruggave der gelden zouden dan de inkomsten van den tol

honneur, en honnorant les Ministres de l\'Electeur, et en cette considération
on leur fit des civilités que l\'on n\'a accoustumé de faire\'qu\'aux Ambassadeurs."

1) aitzema, 559 en 560. wicqiieeoht , 195. "Cependant ils ne pres-

Boient pas fort leur négociation.....dès que l\'on commença à entrer en

matiere, l\'on y rencontra des obstacles qui firent bien juger du mauvais
succès de leur négociation."

196. "Aussy ne se pût-on pas résoudre à s\'engager à un traitté qui
obligeroit les Estats à la défense de Provinces que l\'on ne pouvoit pas se-
courir qu\'en traversant une bonne partie de l\'Allemagne, ou bien par mer,
avec une dépense disproportionnée à ce que l\'on pouvoit esperer de l\'Electeur.

Tellement, que les Ambassadeurs, voyant qu\'il y avoit peu d\'apparence
de réussir, se retirerent au mois de Juillet, sous prétexte d\'aller faire rap-
port à leur cour de l\'Estat de leur négociation. Ils vouloient faire croire,
que leur intention estoit de la continuer c\'est pourquoy ils laissèrent à la
Haye Chrestien Moll."

2) aitzema, 584. Hendrik van der Oapellen thoe Kijsel, Jacob van
Wassenaer-Obdam en de raad-pensionaris van Zeeland, Cornelia van Stavenisse.

3) wicqueeoet, 197. "l\'Ambassadeur ordinaire redoubloit de tems en
tems ses instances pour l\'alliance, et vers la fin de l\'année il fit ressouvenir
les Estats d\'une priere que l\'Electeur leur avoit fait faire de le secourir
d\'un prest de deux cent mille ecus."

-ocr page 155-

te Pillau verbonden worden; de Staten zagen echter hi
dit voorstel slechts een poging om hun naijver op te wek-
ken, en namen het dus zeer koel op: zij raadden den
resident aan de geldleening te Amsterdam te gaan beproe-
ven, van waar de magistraat hem weer naar de Staten-
Generaal terug wees. Ook in Friesland en Groningen poogde
Moll de alliantie en de geldleening smakelijk te maken, maar
ziju reis derwaarts baatte niet. Een zending van Bernsaw
en Romswinckel van wege den Keurvorst naar de hem wel-
gezinde Staten van Gelderland, had geen ander gevolg dan
dat dezen beloofden zijn belangen aan de Algemeene Staten
te zullen aanbevelen. Ook in het verkrijgen der ontruiming
van de cleefsche vestingen was Moll niet gelukkiger: beide,
de Prins en de Staten weigerden die.

De brandenburgsche diplomaat moest dus den verderen
loop der zaak maar geduldig afwachten; de vergadering der
Staten scheidde zonder iets omtrent zijn voorslagen besloten
te hebben; Moll en von Horn beklaagden zich luide daar-
over, maar dit veranderde niets. In december, dus twee
jaren na dat de Keurvorst zelf om het bondgenootschap der
Republiek verzocht had, kwam von Kleist de onderhande-
ling weer opvatten, doch met niet meer gevolg De geld-
leening werd in het voorjaar van 1650 nogmaals opgehaald:
het was weer de provincie Holland die bezwaar maakte:

1) wiCQtTEïOBT, 1. 1. "Le Ministre de Brandebourg faisoit monter le
revenu de ces droits à soixante mille esous per an, et y ajoustoit qu\'il y
avoit des années qui rendoient jusque à quatre vingts mille escus. Cet en-
gagement n\'estoit qu\'imaginaire, et n\'assuroit point du tout l\'Estat : puisque
l\'Electeur estant maistre du Pillau par le moyen de la garnison qu\'il y
entretenoit, il l\'estoit aussy de l\'argent et des commis que les Estats y
establiroient à la recepte des droits d\'entrée."

2) AITZEMA, VI, 587. DBOYSEN, III, 2, 10 en vgg.

3) AITZEMA, YI, 619—620.

-ocr page 156-

zij wilde wel haar toestemming tot die leening geven als
men de middelen daartoe uit de inkomsten der Generaliteit
vinden kon, hetgeen men te voren wist dat onmogelijk
was, en indien het pand, de tol van Pillau, vertrouwd kon
worden, hetgeen men evenzeer wist het geval niet te zijn,
daar de Keurvorst geen deel van dat gebied verpanden kon
zonder voorafgaande toestemming van Polen en van de
pruisische Stenden. De leening kon derhalve niet doorgaan,
en omtrent de alliantie dreef Holland ook zijn eigen gevoe-
len door, dat zij nl. alleen tot de landen van Cleve, Marek
en Ravensberg zou uitgestrekt worden, en dat men daarin
de voornaamste Vorsten van de westfaalsche en nedersak-
sische kreitsen zou pogen op te nemen: de bedoeling bleek
daaruit duidelijk, langs dien weg vrijheid van handel en
scheepvaart op de groote stroomen van Noord-Duitschland
te verwerven; maar toen de raad-pensionaris Cats aan Moll
verklaarde dat de Republiek hare garantie in allen gevalle
niet aan alle bezittingen van den Keurvorst zou verleenen,
en ook de cleefsche vestingen tot onderpand zouden moeten
blijven strekken voor de hoefysersche schuld, bleef de geheele
onderhandeling weer hggen, en werd Moll kort daarop terug-
geroepen en door een agent van minderen rang vervangen

1) Cliristiaa Moll wag in januari 1647 tot resident benoemd (aitzemA,
VI, 308) en in juni 1648 als ambassadeur geaccrediteerd (ibid. 559).

aitzema, VI, 620. In het laatst van januari 1649 werd de amb. Moll
teruggeroepen met kennisgeving dat de Keurvorst hier voortaan een agent,
geen resident of ambassadeur meer zou houden, wicqueeout, I, 196.
«Moll avoit auparavant eu la qualité de Resident, et estoit si jeune, que
se voiant, au sortir du collège élevé à un poste que les hommes les plvxs
consommés dans les affaires ont de la peine à remplir dignement, il se
perdit dans sa vanité, qui lui fit tourner l\'esprit, en sorte qu\'il n\'a jamais
pû s\'en remettre." Het schijnt dat Moll vervangen werd door den
agent
doeg-e, althans die komt in 1650 voor. deoysen, III, 1, 347 noot 1.

-ocr page 157-

In den zomer werd de taak echter weer opgevat; door
hl een vereffening der hoefijsersche schuld te treden, hoopte
de Keurvorst de Staten van Holland tot inschikkelijkheid
te bewegen. Vier buitengewone gezanten, Herman van Wit-
tenhorst tot Sonsfelt, Dr. Johan Witten, Werner Wilhelm
von Blaspeil en Dr. Johan Copes verschenen met daarop
betrekkelijke instructies in den Haag: maar daar zij, „meest
met reeckenen sochten te betaelen," kwam de zaak niet
verder i). Ook bleef Holland volharden in het vroeger
verklaarde; de andere Provinciën zouden misschien nog
wel toegegeven hebben, maar Holland was zich van zijn
overwicht bewust —■ men denke aan de gelijktijdige hou-
ding van dat gewest tegenover prins Willem II — strijdig-
heden over den voorrang belemmerden daarbij de onder-
handehng.

Te vergeefs kwam (januari 1651) de Stadhouder van
Cleve, graaf Johan Maurits van Nassau, met Horn en Wit-
tenhorst in geheime zending naar den Haag; zij keerden
onverrichter zake terug. De Algemeene Staten beloofden
Wel binnen korten tijd (tegen 15 maart) een besluit te zul-
len nemen, maar toen Holland toch niet toegaf op de be-
twiste punten, bleef de quaestie weer hangende, zonder tot
een uitkomst te geraken; verschihende omstandigheden stel-

1) AITZEMA, VII, bl. 25. "Van wegen Ohur-Brandenburgh waren noch
dit geheele vooi-jaer tot Paschen alhier de Heeren van Sonsfelt, Witten,
Blaspiel en Copes om te liquideren de Ohnr-Brandenburghsche schuit die
\'\'\'an omtrent 100,000 Rijksdaelders nu was geklommen tot seventien mael
100,000 guldens aen Interesten en maeckelaerdije, ende ru voortaen alle
.laeren een ä tweemael 100,000 guldens was geschaepen te sullen aenwassen."

De brandenburgsche gezanten wilden daarvan het bedrag aftrekken der
1626—1632 in Cleve, Marck en Ravensberg door graaf Willem van
Nassau geheven contributiën, maar de Staten beweerden dat dit reeds in
1636 was afgerekend.

-ocr page 158-

den zich daarenboven nog tusschen beide, geUjk wij in een
volgend hoofdstuk zullen ontvouwen i).

1) aitzema, VI, 25. "Op \'twelck stuck graef Maurits, Oleuische Stad-
houder, Hr. Philips Horn en den Heer van Sonsfelt
Keur-hrandenborgisohe
Kaden in \'t laest van Januarius,in den Hage quamen, edoch haer onhekent
houdende om te vernemen of de HH. van Hollandt noch persisteerden bij
haer secreet artyckel datse de Alliance niet vorder wilden extenderen als tot
de landen van Cleef, G-ulick, Berg, Marek, Eavensberch en Eavesteyn."

"Item of sij noch persisteerden den rangh boven den Keur-Vorst? In cas
van Ja last hebbende haer niet bekent te maecken, maer weder wech te
treeken."

De andere Provinciën hadden wel willen toegeven, maar Holland niet;
ook wilde men de cleefsche vestingen niet teruggeven dan tegen schadeloos-
stelling. De gezanten zijn dus weer in het geheim vertrokken en de zaak
werd uitgesteld tot 15 maart.

26. Den 15 maart heeft Holland nog niet toegegeven, hoewel "dekeur-
brandenborghsche, ghelijck als dreygende of waerschouwende, seyde: indien
desen Staet niet wilde dat dan de Keur-vorst sich met Sweedeu sou alliee-
ren, meenende dat door deese
jalousie Hollandt sou worden bewoogen."
(helwing, 433. dkoyses-, III, 2, 10). Kort daarop (april) echter ver-
klaarde zich de Republiek voor het bondgenootschap met Denemarken boven
dat met Zweden.

-ocr page 159-

DEEDE HOOFDSTUK.

Yan den dood van prins Willem II tot den
vrede mi Breda 1650-1667.

I

Ml

a

Gedurende den zomer en den herfst van het jaar 1650
Was er verder niet veel gelegenheid voor de keurvorstelijke
i\'egeering het door haar gewenschte tractaat tot stand te
brengen. De binnenlandsche moeielijkheden, de gevan-
genneming van de hoofden der anti-stadhouderlijke partij,
•^e aanslag op Amsterdam en de volkomen onderwerping
Staten van Holland, plaatsten de buitenlandsche aan-
gelegenheden geheel op den achtergrond, en de Keurvorst,
^^ie de politiek van zijn zwager goedkeurde, zoo hij hem
al niet met raad steunde schijnt diens triomf afgewacht
te hebben voordat hij weer nieuwe alliantie-voorstellen te
berde bracht. Men weet hoe de Stadhouder, nog vóór hij

1) Archives, 2de Série, IV, 190. "On appréhende que Mr. le Prince
\'^i-ùllaume, estant appuyé de l\'alliance d\'Angleterre, et nouyellement de celle
Brandebourg, pourroit facilement un jour faire revivre les droicts de
souveraineté qui ont
été autrefois cédéz à feu son grand-père .... si, avec
crédit que luy donne sa charge dans le pays, et l\'assistance qu\'il pourroit
®® promettre de ses beaux-frères, il pouvoit encore joindre le secours de la
^^rance."

-ocr page 160-

zich in de behaalde voordeelen had kunnen bevestigen, on-
verwacht door den dood werd weggerukt, en hoe daarop
een reactie volgde die het Huis van Oranje voor goed uit
het bewind scheen te zullen stooten. De keurvorst van Bran-
denburg was het eerste slachtoffer van de zegepraal der
hollandsche staatspartij; de stemming jegens hem, vroeger
hoffelijk uit ontzag voor den Prins, veranderde in een be-
paald vijandelijke En de redenen hiertoe liggen voor de
hand: zijn nauwe betrekking tot den Stadhouder voor wien
men bij zijn leven gebogen had en die nu des te heviger
voor tiran werd uitgemaakt, de vrees dat Brandenburg de
nieuwe orde van zaken zou pogen omver te stooten, bo-
venal de aanspraken die de Keurvorst mettertijd ten gevolge
erfstelling over de hand van Fi\'ederik Hendrik — en Willem Hl
was een zwak en ziekelijk kind — zou kunnen maken op
de bezittingen en rechten van het Huis van Oranje^), en

1) HELWiNG, 433. "Nach dem Tode Wilhelm\'s II erweckte der Sieg
der Oldenbarneyeldisclieii Partei und die Abschaffung der G-eneralstatthal-
terschaft und der Oberfeldhauptmannswürde der Oranier, in den Hollän-
dern den "Verdacht, dasz bei dem Kurfürsten, der in so naher Beziehung
zum Oranischen Hause stand, Gedanken der Herstellung der umgestürtztei
Ordnung der Dinge nicht so tmmöglich seien."

Yan den kant des Keurvorsten was de genegenheid ook niet zeer grooti
althans volgens wicquefoet, I, 62 en 63. "FElecteur de Brandebourg
mesme, bien qu\'obligé à cet Estât de ce que lui est resté de la succession
de Juillers, et Cleves vivoit avec lui comme les Princes ont acconstumé de
vivre avec les Républiques puissantes et voisines en des jalousies
continu-
elles .....dont on envie la fortune et dont on redoute la puissance."

2) Archives, IV, 217. "On me donne advis de bon lieu que M-
Prince d\'Orange, est à la veille de se broiiiller bien avant avec sa mère-
Il est sensiblement picqué d\'iiu testament qu\'il croit avoir esté faict à son
instigation, par lequel feu Mr. son père a substitué tout son bien à sa fï^®
aisnée, en cas que son fils vienne à mourir sans enfants, ce qui luy osteroi^\'
la liberté de disposer d\'aucune cJiose, et mesme de pouvoir payer les debtes,
ny remedier aux autres affaires dont il a trouvé sa maison chargée,"

-ocr page 161-

verder als medevoogd over den nageboren zoon des Stad-
houders , een betrekking waarin de Keurvorst natuurlijk als
vertegenwoordiger der rechten en belangen van den jon-
gen Prins lijnrecht stond tegenover de partij, die nu aan
het roer geraakt was i). Reeds dadelijk na den dood van
Willem II werd dat verschil van standpunt scherp getee-
kend, nl. in den twist over de voogdij tusschen de Prin-
ses Royale en de Prinses Douairière, die zoo hoog hep
dat er zelfs een begin gemaakt werd met procederen 2); de
Staten waren daarbij meer op de hand der jonge Prinses,
de Keurvorst daarentegen was niet veel meer dan een werk-
tuig zijner heerschzuchtige schoonmoeder. Maar voor dat het
tot de uitersten kwam, zegevierde het gezond verstand en
Werd een schikking tot stand gebracht waarbij de voogdij
Verdeeld werd tusschen beide vorstinnen, terwijl de oude
ï^rinses in hare taak zou worden bijgestaan door denKeur-
^\'orst, die mede groot belang had bij de administratie van
de nalatenschap van zijn zwager, welke in de handen der
■Prinses Royale hchtelijk ten voordeele der rondzwervende
Stuarts had kunnen verspild worden

1) aitzema, Herstelde Leeuto, M. 164 en 165. Memorie van den bran-
denburgschen agent Copes aan de Staten van Holland, 23 december 1650
^ 2) wicqüei-oet, I, 345—358. wa&enaae, XII, 138—144.
Herstelde
eeuw,
152 en vgg. Archives de la Maison d\'Orange, V, 17, 21, 67.
3) wicquefoet, I, 349. »l\'Electeur pour donner plus de vigueur à
poursuites, vint en personne à la Haie et ne pouvant pas souffrir que
justice ordinaire fust juge d\'une affaire de cette nature, entre des per-
de cette qualité, et que la Princesse d\'Orange dépossédât le comte
Doua du gouvernement d\'Orange, il la fit prier par un escrit, que le
^\'on de Svreryn lui délivra, de s\'accommoder aux sentiments de la Dou-
\'^^^ere, et de ne porter pas les affaires à l\'extremité."

^^ 353, II, 286. Herstelde Leemo, 486 en vgg. Articles servants

instruction au Sieur de Sweryn, enz.

-ocr page 162-

Evenwel de eenmaal gegeven indruk bleef bestaan; ende
Keurvorst werd door zijn onderdanige betrekking tot Amalia
van Solms, weldra mede gewikkeld in — of althans gecom-
promitteerd door alles wat die staatzuchtige vorstin onder-
nam om haar kleinzoon in zijn voorvaderlijke waardigheden
te herstellen 1). De Prinses Royale daarentegen wist zich
beter met de Staten te verstaan, haar voornaamste raads-
man was de heer van Beverweerd, Louis van Nassau-la-
Lecq, die, persoonlijk
der oude Prinses en den Keurvorst
hoogst onaangenaam misschien juist daarom in goede ver-
standhouding met de Staten leefde, en zelfs later bizonder

1) WXCQUETOET, I, 349. »l\'Electeur se joignit à la Princesse Douariere
tant par respect et interest, que parceque d\'ailleurs il y avoit quelque des-
meslé entre l\'Blectrice et la Princesse Eoïale."

Ibid. 350. »11 avoit une deference presque aveugle pour les désirs de
sa belle mere." Vg.
Inl. tot de GescMed. der Nederl. Diplomatie, I, 226.

Van den kant van Amalia van Solms, Archives, V, 170. Instruction
à M. DE THOU: "On croit que la tendresse qu\'elle a poiw madame I\'EleC-
trice de Brandebourg sa fille et la satisfaction qu\'elle ressent de l\'honneur
d\'estre belle-mère d\'un si grand Prince, substitué par le contract de mari-
age aux biens de la maison d\'Orange, en cas de défaut d\'hoirs masles, luy
font souvent penser à s\'appuyer de ce costé-là, pour ce qu\'on luy a dit qu®
son propre petit-fils est d\'un tempérament délicat."

Ook de stadhouder van Eriesland, Willem Frederik van Nassau ijverde
voor de alliantie met Brandenburg. Geschiedkundige Bijdragen van jhr-
J. W.
 BIJPESTEYN, Iste afi. bl. 60.

2) AITZEMA, Saecken van staet en oorlogh, VII, 342, »de heer vaJi

Beverweert____klaegde bij Haer Bd. G-r. Mo. van dat sijne Ohur-Vorste-

lijcke Doorluchtigheydt hem hadde laten dreygen met feytelijckheydt oftf
hastonneereri."

wiCQiJEEOET, I, 350, 351. "Les Estats de HoUande firent dire auS
Ministres et au conseil de l\'Electeur, qu\'ils trouvoient ce procédé conii»®
incompatible avec la constitution de cest Estât, fort mauvais, et qu\'ils pr^\'
noient Beverweert et Ileemvliet en leur protection et sauvegarde particuhere-
Ils firent prier la Douariere de faire en sorte que l\'Electeur n\'en usast pli^®
de cette maniéré etc."

-ocr page 163-

bevriend was met Jolian de Witt. Van zijn kant is het ook
te begrijpen zoo hij geen vriendschappelijke gevoelens koes-
terde voor de weduwe van Frederik Hendrik, zonder wiens
huwelijk zijn moeder, hoewel eenigsints laat, prinses van
Oranje, en hij zelf gelegitimeerd had kunnen worden. En
wie weet of hij zijnerzijds ook niet speculeerde op het uit-
sterven der Oranje\'s en dan hoopte, hoewel bastaard, door
de Staten in het een of ander opzicht boven den gehaten
keurvorst van Brandenburg getrokken te worden i) ?

Het waren toch juist de aanspraken die de Keurvorst in
dat geval zou kunnen maken — gelijk ook later de eerste
koning van Pruisen werkelijk deed, die de meeste aanleiding
tot afkeer en wantrouwen gegeven zullen hebben: want al

1) Misschien een gewaagde gissing hij het bestaan van den on.dsten tak
ïvassau-Dietz in Friesland. Daarentegen is het zonderling dat Beverweerd
\'liet op den besten voet stond met Willem II, maar wel met de Prinses
üoyale, die overigens alleen Engelschen of Anglomanen, z. a. Heenvliet, om
zich heen duldde; en verder de omstandigheid dat da zoons van Beverweerd
in. het jaar 1679, op een tijdstip dat de verstandhouding tusschen den Kei-
zer en prins Willem III, na den vrede van Nijmegen niet al te best was,
in den Bijksgravenstand werden opgenomen, met vergunning het volle wapen
■*\'an Nassau te voeren, zonder
filet, en slechts met het wapen der heerlijk-
heid de Lecq in het hartschild als
Irimre, alsof zij jonger zoons, en niet

côté gawihe waren, schbltema, Staatk. Nederland, in voce.

2) Herstelde Leeuw, 166. »De Keur-Vorst van Brandenburg, soo om
sijn eygen recht, als om de Princesse sijn schoonmoeder te secunderen,
schikte twee van sijn cleefsche Eegierungs-Eaden (Johan v. Diest en Johan
C^opes, 443). \'t Was »ubi cadaver ibi congregantur aquilae." De meyjiingh
ende affectie tot des Jongen Princen beste mochte wel goedt sijn, edoch
sachmen wel, dat alle deselve pretendenten, of haer bediende, daer onder
oock saghen (behalven de moeyte en sorghe) haer eygen interest en groot-
l\'ieydt: insonderheyt alsoo de Prins in Zeelandt hadde de bestellingh van
de magistraten tot ter Veer ende Vlissinghen, oock volgens possessie (hoe-
■^el gratuito) het geheele Lidt van de Eidderschap in Zeelandt waerdeur
iiij absolutelijck hadde drie van de seven stemmen in de Staten van Zee-

-ocr page 164-

was het Stadhouderschap met de waardigheden van Kapitein-
en Admiraal-Generaal afgeschaft, (hetgeen toen het geval
nog niet was, die betrekkingen bleven eerst slechts onver-
vuld) de aanzienlijke bezittingen die, buitendien aan het Huis
van Oranje, aanzien en politieken invloed verzeekerden, de
baronie van Breda, de markgraafschappen van Bergen-op-
Zoom, Vhssingen en Veere, de heerlijkheid Buren en zoo-
vele andere, zouden dan aan het Huis Brandenburg ver-
vallen, hetgeen bij de langsame
maar zekere machtsuitbrei-
ding van dat geslacht, hier stellig niet zonder bezorgdheid
werd voorzien. Er was waarlijk niet veel scherpzinnigheid
noodig om te bedenken dat deze Provinciën een welkome
aanwinst — de term
afronding was toen nog onbekend —
zouden vormen, aan de naar alle kanten zich uitbreidende
bezittingen van den Keurvorst, en dit was de reden waarom
de Staten van Holland met de Witt aan het hoofd, elke
nauwere verbinding met dien Vorst tot het laatste oogen-
blik trachtten te verschuiven.

Eeeds in 1651 was de weerzin der Staten jegens
Brandenburg gebleken; de westfaalsche ^Tede was veel-
meer een gevolg geweest van de uitputting van Europa
dan van een wezenlijk verlangen naar rust; reeds is
gezegd
hoe Willem H de hernieuwing van den oorlog met Spanje
bepeinsde, en met dit plan, zorgvuldig met d\'Estrades over-
legd, hing ongetwijfeld een ander samen, nl. ook weer in
den boezem van het duitsche Rijk de oorlogsvlam te ontste-
ken i), waartoe Brandenburg
door het geschil met Neuburg,

!\' 1
tii\'
f )

landt: behalven seer staetlijeke goederen, oock steden (hoewel geen stem
hebbende) in HoUandt, item in Brabant en elders. Welcke administratie
aen de Tuteurs en haer Bediende soude geven groot aensien en allerhande
goede occasien."

1) beotben, III, 2, 23, "Man fürchtete (zu Wien) gröszere combina-

-ocr page 165-

dat in 1647 slechts voorloopig was bijgelegd, weer op te
rakelen, aanleiding geven zou. Intusschen, de plotselinge
dood des Stadhouders deed het eerste plan mislukken; des-
niettemin poogde de Keurvorst het andere dat daarvan af-
hing, toch door te drijven.

Gelijk het cleef-guliksche erfgeschil de voorlooper ge-
weest was van den dertigjarigen oorlog, zou het nu weer
gebruikt worden om nieuwe verwikkelingen te weeg te bren-
gen i); de verhouding der Katholieken en Protestanten in
de hertogdommen was in algemeene termen geregeld ge-
worden, nl. in dier voege dat beider toestand hersteld zou
worden op den voet, waarop die zich den eersten janu-
ari 1624 bevond: nu liet de uitlegging van dit artikel van
weerszijden veel ruimte: Neuburg beweerde dat hierdoor alle
sedert dat jaar gesloten overeenkomsten met den Keurvorst
vervielen, en daarmede de godsdienstvrijheid aan de Pro-
testanten in Gulik en Berg verleend. Brandenburg begreep
dat juist deze tractaten, met name dat van 1647, door
hetgeen later te Osnabrück bepaald was niet konden wor-
den aangetast. Vertoogen daaromtrent mochten niet baten;
Neuburg ging voort zijn talrijke protestantsche onderdanen
te verdrukken; dezen zochten heul bij de Staten, die de
vroegere tractaten (1624, 1629 en 1647) mede hadden
onderteekend en gewaarborgd , en die daarop in de door

tioiieu, die umfassendsten Einverständnisze; man glaubte dasz bereits Hes-
sen , Braunschweig, Kurpfalz, die Staaten mit im Plan seien; vor allen die
Schweden fürchtete man aufs Aeuszerste."

1) wicquefobt, II, 94—98. wagenaae, 203 en 204. helwina,
435- 442. aitzema, VII, 557—603, "deze somer hadde men hier de be-
kommeringen van omtrent \'t stuck der Keligie te sien een nieuwen oorlogh."

deoysen, iii, 2, der Peldzug von 1651.

2) deotsen, III, 2, 20. "Die Bedrängten riefen im Frühling 1650 die

10

-ocr page 166-

lien bezette vestingen represailles namen op katholieke gees-
telijken, hetgeen den Hertog niet toegeeflijker stemde. De
keurvorst van Brandenburg intusschen, wellicht aange-
moedigd door hetgeen de Staten ten behoeve der verdruk-
ten begonnen waren, nam meer afdoende maatregelen:
door het geweld der wapenen verkoos hij het geschil te
beslechten; de generaal von Sparre viel plotseling met 4000
man in Berg. Hevig beklaagde zich Neuburg over deze
schennis van den rijksvrede, en weldra zag hij zich ge-
steund door den Keizer, den aartshertog Leopold Wilhelm
die de spaansche troepen in Zuid-Nederland aanvoerde, en
den hertog van Lotharingen die reeds met een leger aan
zijn grenzen lag

Brandenburg daarentegen stond in zijn onbedachten aan-
val alleen tegen deze machtige coalitie: het Protestantisme
was hier natuurlijk slechts voorwendsel; veeleer, nu Neuburg
zelf de kracht van het tractaat van 1647 ontkende, verlangde
de Keurvorst ook onmiddellijk zich meester te maken van

Staaten an als Garanten des Provisionalvertrages ; diese ergriiFen ohne wei-
teres Eepressation, sie lieszen von ihren Garnisonen in Orsoy und Rhein-
berg katholische Priester aus dem Jülichschen aufgreifen und gefangen setzen.
Da erhob der Pfalzgraf groszen Lärm; die noch in Nürnberg tagende Exe-
cutions Commission erliesz zugleich mit dem Kaiser Weisungen an die bei-
den Commissarien, protestirte bei den Generalstaaten gegen ihr »wider
alles Völkerrecht, Reichsabschiede und Billigkeit streitendes Verfahren;"
Zugleich wandten sie sich gegen den Kurfürsten, er wurde bezüchtigt,
fremde Mächte in die Angelegenheiten des Reiches zu ziehen" enz.

1) vricqueïoet, II, 95. "Cette persecution des Protestants fut une des
causes ou des prétextes qui armerent l\'Electeur de Brandebourg contre le
Duc de Neubonrg, au commencement de cette année, spae commandoit
son armée, mais comme elle n\'étoit composée que de quatre mille hommes,
il ne pouvoit pas faire de très grandes exécutions. Le chattean d\'Anguer-
monde, situé an pais de Berg, auprès de Keysérsweert, fut la seule con-
queste de cette campagne, qui fut de deux mois ou environ."

-ocr page 167-

het bij diezelfde gelegenheid aan zijn mededinger afgestane
deel der cleef-guHksche erfenis; en daarbij hield hij zich van
de goedkeuring, zoo niet van den bijstand der Staten-Generaal
overtuigd: had hij de moeite genomen hun gezindheid vooraf
te polsen, hij zou de onderneming niet gewaagd hebben, bij
wier uitvoering hij op de publieke opinie in de Repubhek
ten voordeele der Protestanten, en op den invloed van de
Oranjepartij bouwde i); beide moesten onderdoen voor den
republikeinschen trots van Holland Schwerin in buiten-
gewone zending naar den Haag afgevaardigd®), bracht de
ontmoedigende tijding terug dat de Staten, wel verre van de
wapens te willen opvatten slechts bereid waren hun bemid-
deling aan te bieden om te beletten dat de onbezonnen aan-

1) DBOTSEN, III, 2, 31, "Der Einflusz der Herren von Holland war
so viel mächtiger als die öffentliche Meinung und das Gewicht des Oranischen
Namens."

2) Ihid. 29. "Die Entscheidung hing davon ab, wie der Kampf der
Fartheien im Haag sich wenden, ob Holland durchdringen oder den andern
i\'rovinzen erlegen werde. Erieslands und Groningens mochte er durch Graf
Wilhelm Friedrich gewisz sein; bei den Staaten von Geldern fanden seine
Eröffnungen die bereiteste Aufnahme."

3) Ilid. 29 , 30. "Schwerin fand die Lage der Dinge über Erwarten übel."

4) aitzema, VII, 557. De Staten weigerden den Keurvorst tweehon-
derd man aftestaan die volgens zijn voorgeven tot lijfwacht voor hem en de
Keurvorstin dienen moesten (dsoysen, 29); ook dreigden zij alle officieren

hunne dienst, o. a. de beide graven van Stimm, de vrijheeren van By-
landt en van Spaen, te zullen ontslaan, zoo zij commissies van den Keur-
vorst aannamen.

560. "Maer den Prins van Orangien was overleden, nalatende een groote
alousie tegen sijn Huys, ende wat daervau dependeerde, soodat deesen oor-

logh soo onverwacht voorkomende alhyer meer ombrage als geneegentheyt

verweckte."

561. «Men merckte wel dat aen de Oheur-Brandenburghsche sij de niet
Veel wiert geijvert tot de Tractaeten, haer alsnoch inbeeldende meer avan-
tagie door den oorlogh."

-ocr page 168-

val van den Keurvorst niet op de meest noodlottige wijze
voor hem afliep i).

Te vergeefs ijlde Friedrich Wilhelm in persoon naar den
Haag 2); de Republiek, op hetzelfde oogenblik met den en-
gelschen oorlog bedreigd, kon zich niet tegelijk in een krijg
in Duitschland wikkelen, en daar de cleefsche en marcksche
Stenden, de eigen onderdanen van den Keurvorst, uit al
hun macht de bemiddehng der Staten — tegen den wensch
van hunnen Landsheer — ondersteunden, kon deze niet
anders dan in dien afloop berusten®).

Een wapenstilstand maakte een voorloopig eind aan de
vijandelijkheden, en baande alzoo den weg tot eene diplo-
matieke vereffening van het aanhangig geschil^).

Nevens de Republiek werd de keurvorst van Keulen,
door Neuburg tot bemiddelaar aangewezen; als zetel voor
het vredescongres koos men het onzijdige stadje Essen op
keulsch gebied gelegen % Aldaar verscheen (augustus 1651)

i i

(

1) AITZEMA, 559. "Van wegen den Chnr-Vorst hebben oock de Heeren
Zweryn, Diest, Weyman ende Copes geconfereert met de Heeren van Gent,
van Wimmennm, Brun ende Eisinga gecommitteerden uyt H. H. M. over
de reedenen die den Heer Chnr-Vorst hadden bewogen tot deesen oorlogh."

2) DBOYSEiï, III, 2, 31, 32 en 33. «Am 29 juni reiste der Kurfürst
ah, sich mit bestem Dank verabschiedend, als wenn er von dem Eifer der
Herren Staaten für sein Interesse durchaus befriedigt sei und die angebotene
Mediation, die ja ihnen als Garantie zukomme, gern annehme."

3) De brandenburgsche gezanten namen de Mediatie alleen aan op voor-
waarde dat Neuburg ze vooraf ook aan zou nemen, omdat het anders den
schijn zou hebben alsof de Keurvorst die "uyt mistrouwen hier was ko-
men aensoecken."

DBOYSEN, III, 2, 38. »Auf erneutes dringenderes Ansuchen der Staa-
tischen Committirten erklärte er sich bereit die Mediation seiner Seits an-
zunehmen, im Vertrauen dasz die Staaten sein Interesse und das der Evan-
gelischen in Jülich und Berg zu vertreten wissen würden."

4) DBOYSEN, III, 2, 49, 19 augustus 1651.

5) Inleiding tot de Gesch. der Nederl. Dipl. II, 2de Stuk, 165—175.

-ocr page 169-

een talrijke schaar diplomaten, door de verschillende in den
twist betrokken Vorsten derwaarts afgevaardigd: voor de
Republiek jonkheer Johan van Gent, heer van Oosterweede,
de baron van Wassenaer-Obdam, Anthony Carel Parmentier,
heer van Heeswijk en Johan van der Reecke, allen Gede-
puteerden ter Staten-Vergadering, van wege Gelderland, Hol-
land, Utrecht en Overijsel. Brandenburg werd vertegen-
woordigd door graaf Maurits van Nassau, Erasmus Seidel
en dr. Johann Portmann

De Conferentie bracht echter niets tot stand; nog twee
bezoeken van den Keurvorst in den Haag droegen evenmin
vruchten als het eerste ; slechts de overtuiging van de
volkomen onverschiUigheid der Staten omtrent zijn lot, bracht
hij van daar mede. De onderhandelingen te Essen duurden in-
tusschen voort, zonder zelfs een verlenging van den wapen-
stilstand te kunnen bewerken; met groote moeite verwierf

1) aitzbma, VII,. 562. Zij vertrokken den 31 juli uit den Haag.
Wassenaer en van der Beeeke waren vurige staatsgezindeu ; van Gent
"Schijnt hij de Witt in eenig vertrouwen gestaan te hebben." scheltema,
>^taatk. Nederland in voce. Archives, V, 174. »M. l\'amiral Obdam est
aussi fort considéré daas ce parti. Il veut estre creu sans inclination pour
les estrangers, et tout dévoué au bien de sa patrie."

aitzema, 585. Te Essen verschenen van wege Neuburg "de vrijheer
van Koninghsvelt, maerschalck van Gulick, de vrijheer van Wispeuning,
maerschalck van Bergh, de heer van Winckelhuyzen, de vice-Cantzler Olt-
hof, de licenciaten Voets en Snell; van wege den hertog van Lotharingen
de abt van Saint-Martin."

2) DROTSEN, III, 2, 32, 41. "Er war zum zweiten mal im Haag ge-
■"^esen in aller Stille, nicht um zu unterhandeln, sondern um zu beobachten.

mochte gehofft haben, dasz das Einrücken der Lothringer in die Erb-
schaftslande, auf die Herren im Haag Eindruck machen werde; er sah viel-
ßiehr, dass sie völlig gleichgültig blieben."

47. "Zum dritten mal war der Kurfürst im Haag.....der letzte Eest

einer Hoffnung schwand damit."

-ocr page 170-

van Gent die van den hertog van Neuburg; hij had zich
daartoe naar diens Hof te Düsseldorf begeven Nog was
er sprake de conferentie naar het meer geschikte Neuss te
verleggen, toen de bemoeiing van den Keizer tusschen beide
trad: graaf Melchior von Hatzfeld en de kanselier van
het keurvorstendom Trier, d\'Anethan, brachten, buiten het
congres om, door directe zendingen van Dusseldorp naar
Cleve, een verdrag tot stand (11 October 1651) waarvan de
nederlandsche bemiddelaars geheel buiten gesloten bleven
Eigenlijk was het den Keizer veel meer te doen alle vreemde
inmenging af te weren dan een eind te maken aan het
geschil, want er werd alleen bepaald dat van weerszijden
commissarissen benoemd zouden worden, om tot een ver-
gelijk te geraken, en in geval dezen het niet eens konden
worden zou de Keizer alleen de beslissing hebben, met uit-
sluiting van alle vreemde mogendheden. Dat de zaak nog
zoo gelukkig afliep voor Brandenburg was buiten twijfel een
gevolg van zijne, althans naar buiten schijnbaar nauwe be-
trekking tot de Republiek; de Keizer vreesde de te innige
aaneensluiting dier twee protestantsche Staten Terwijl de

1) DEOYSEN, III, 2, 51.

2) Volgens deoysen (III, 2, 54) hadden de Staten er op gerekend dat
de Keurvorst in geen geval eenig voorstel uit Weenen zou willen aanhooren.

3) Qesch. der Nederl. Dipl. II, 2, 166. Schrijven der nederlandsche
gezanten aan de Staten »oock kunnen wij hemercken dat men hier aen Uwe
Hoog Mog. in alles liever soude defereren, als in \'t stuck van religie."

4) wiCQTJEEOET, II, 278. "Cette alliance le faisoit considérer dans
l\'Empire."

AITZEMA, VU, 956. "Van wegen Chur-Brandenhorgh is van tijdt tot

tijdt geinsteert tot voltreckinge van de alliantie.....Soo tot Eegenshorgh

als aen den Rhijn gaf dit werck jalousie, ende men konde niet gissen waerom
de Keur-Brandenhorgsche het soo seer dreven: als alleen datae onder dexel
van deeze alliance meenden te kruypen in de gunst van de gemeente alhier,

-ocr page 171-

Keurvorst, niettegenstaande de moeielijkheden door Holland
hem in den weg gelegd, telken jare op het sluiten der alli-
antie terug kwam, met een onverdroten ijver die wel neven-
bedoelingen moest doen onderstellen, werkten de Keizer,
de kathoheke Rijksvorsten met Neuburg aan het hoofd, en
Zweden die verbintenis met aUe macht tegen, omdat zij
daarin wegens de herhaaldelijk besproken garantie der cleef-
sche en marksche landen een poging meenden te ontwaren
om de, in 1651 mislukte bezitneming van Gulik en Cleve,
langs meer veiligen diplomatischen weg te verkrijgen.

Gelukkig voor hem ontbrak het den Keurvorst geenszins
aan de noodige behendigheid en veerkracht om bij zoo al-

daerdoor meer en meer gesach te krijgen: insonderheyt of het gebeurde dat
den jongen Prins (die valetudinayr was) quam te sterven."

Ilid. 957. "Men was daermede doende dat den Keyser aen de Branden-
borger sonde betuygen sijn mishaegen ende hem dehorteren, oock met com-
municatorien van soodanighe handelingh aftestaen; dat anders de Keyser aen
Sweden niet langer sonde kunnen weygeren de sessie, ghelijek in faveur van
Brandenburgh geschiede, dat oock haer Ho. Mog. niet souden pretenderen
de neutraliteyt van het Rijck als sij dusdane Tractaten maecken."

Ihid. 950. "Van goederhandt wierde geseyt dat de spaensche Ambassa-
deur Castelrodrigue, \'t concept alliance tusschen desen Staet en Cheur-
Brandenburgh hadde den Keyser in eygen handen gestelt door Directie van
de Vorst van Nienburg met vaste hoope dat de Keyser aen de Cheiu-Bran-
denborgse het sonde elFectivelijck inhiberen. De aldaer aenwesende Heeren
Cheur-Brandenborgse hadden haer seer geexcuseert, seggende geen kenms
daervan te hebben. Ende sij pooghden den Keyser daermede te contenteren
dat de alliance wel op de landen van Oleve, Gulick enz. was gestelt, maer
eygentlijck gemeent was tegen Zweden, op de Pomersche en Pruysische
Landen."

Ihid. 962. Schrijven van den Keizer aan Brandenbvxrg, noemende dat
tractaat -een
gantsch ■ gevaerlijcke verbindtenis," hij moest zich liever tot
den Keizer wenden -en van soodanighe ver-uytsiende voornemen afstaen,
ende sich bequamen naer den vreden-slot: als maet ende ordre inhoudende
hoe de Gulicksche successionsstrijdigheden door den Keyzer sondenworde a

gedecideert,"

ill«

-ocr page 172-

gemeene tegenwerking den moed niet op te geven: dat on-
!■ der die omstandigheden de handehng niet afsprong was reeds

een diplomatische overwinning, en met taai geduld wist hij,
hoewel zich telkens dezelfde hezwai-en voordeden, de heshs-
{ sing sleepend te houden, totdat het geschikte oogenblik daar

Ij zou zijn waarop hij de alliantie volgens zijn eigen belangen

\'I en inzichten zou kunnen tot stand brengen.

\' j Zoolang de engelsche oorlog en de langgerekte onder-

j handelingen over den vrede van Westminster duurden, was

!. daarop niet veel kans®); maar in 1654, begonnen de om-

standigheden eindelijk uitzicht te geven op een goede uit-
komst van \'s Keurvorsten pogen.

Eeeds sedert eenigen tijd gaf de stand van zaken in het
Noorden stof tot bezorgdheid®): de koningin van Zweden,
: hoewel zij in den engelschen oorlog noch voor, noch tegen

i de Staten partij had willen trekken, was hun toch in het

geheel niet genegen; het hernieuwen van ons tractaat met
Denemarken van 1649 vermeerderde nog de verwijdering
Toch was der Republiek, vooral ter wille van haar handels-

r\'i

1) Brandenburg liet zich gedurende den engelschen oorlog te Weenen
aan het belang der Eepubliek gelegen zijn. deoysen, III, 2, 111.

2) Brieven van en aan de Witt, I, bl. 110. Boreel aan de Witt uit
Parijs, 20 maart 1654. "Men heeft mij gevraeght of haer Ho. Mog. in
tweedraght sijn gevallen met d\'Heere Keurvorst van Brandenburg; die sij
hier seggen, dat sijne kleefsche steden sal soecken aen hem te haelen ende

r ■, aen het Eoomsche Bijck eenige Provinciën van de Vereenigde."

3) aitzema, VII, 796. wicqueeoet, 259—263. wagenaae, XII,
387—393. Van Beviningen was destijds gezant te Stockholm.

4) wiCQUEEOET, 261. "Le traitté que le Danemarc venoit de conclurre
avec les Provinces Unies achevoit d\'aigrir les Su.edois, desja mécontents de
celui qu\'Ulefelt avoit fait en Hollande eu 1649, et leur donnoit une forte
inclination à preferer l\'amitié du Parlement d\'Angleterre à celle de cet Estât,
autant qu\'ils en estoient capables." Dat tractaat met Denemarken was her-
nieuwd door Nanning Keyser, wicqtjeboet, 255, aitzema, VII, 816.

-ocr page 173-

belangen ontzaglijk veel gelegen aan een goede verstand-
houding met die kroon, waarvan zij bewijs gaf door haar
houding op het congres te Lübeck (1653) Achttien jaren
te voren waren de Staten-Generaal, zooals gezegd is, ge-
zamenlijk met Frankrijk en Engeland bemiddelaars ge-
"vveest, in den oorlog tusschen Zweden en Polen; een wa-
penstilstand voor zesentwintig jaren was toen gesloten. Twee
derden van dien tijd waren nu reeds verloopen zonder dat
die voorloopige toestand ooit door een vasten vrede vervan-
gen was geworden. Om hiertoe te geraken besloten Frank-
rijk en de Republiek hun goede diensten aan te bieden en
Werkelijk werden de vertegenwoordigers van alle belangheb-
benden in een congres vereenigd; maar zij konden het op
de punten van geschil niet eens worden, en de vergadering
Scheidde onverrichter zake

Kort daarop, in den aanvang van 1654 deed de wis-
pelturige koningin Christine afstand van den troon, en werd
opgevolgd door haar vollen neef Carel Gustaaf van de Palts,
die niet lang geheim maakte van de oorlogzuchtige bedoe-
lingen waarmede hij de teugels van het bewind aanvaardde

Het congres van Lübeck, in plaats van de oude twisten
tusschen Zweden en Polen voor goed te begraven, had

1) wicquerort, 265, 266. aitzema, VII, 795 en vgg. helwing,
®23. ISTederlandache gezanten aldaar waren Jacob de Witt, burgemeester
^au Dordrecht, en Anthony Oetgens van Waveren, burgemeester van Am-
sterdam. Voor Erankrijt versoheen Pierre Chauut.

2) aitzema, VII, 816. "Tot Lübeck, niettegenstaende eenighe uytter-
®te debvoiren bij de Mediateurs aengewendt, hadde noch d\'een, nsch d\'an-
dere Partije geen vinger breedt van haer gesustineerde willen wijeken."

HE WITT aan "BBurriNGEN, (Brieven V, 84, 3 maart 1653) "de negotiatie
tusschen Poolen en Sweeden tot Lubecq staet desperaet."

3) Mr. p. simons, Johan de Witt en zijn tijd, I, 57. wicquefoet,
II, 338—340, 342.

w

Ml

-ocr page 174-

daaraan juist weer nieuw leven gegeven: een wezenlijke of
misschien slechts voorgewende wederspannigheid van de stad
Bremen, die in 1648 aan Zweden was afgestaan, schonk
koning Carel Gustaaf de welkome gelegenheid een aanzien-
lijke legermacht over de Oostzee te zenden; graaf Königs-
marck sloeg inderdaad het beleg om die stad, maar voor
dat hij haar tot overgave had kunnen dwingen, hadden
de Keizer, de Staten en de Hanze-Steden, beducht voor
de gevolgen van dien nieuwen inval der Zweden op Rijks-
bodem, een verdrag tusschen belegerden en belegeraars
bewerkt, dat in november 1654 geteekend werd Maar
het gevreesde gevaar week daarom niet : een ander zweedsch
leger, onder den graaf van Wittenberg was in Pommeren
bijéén getrokken, en, hoewel de aanleiding tot die uitrus-
ting door de onderwerping van Bremen weggenomen was,
werd het niet ontbonden, zoodat er weldra geen twijfel over-
bleef of het zou Polen moeten gelden. Reeds sedert eenige
jaren was dat rijk met de nederlandsche Republiek door
een tractaat verbonden, krachtens hetwelk deze iederen
zomer twintig oorlogschepen naar de Oostzee zond om

1) WAGBNAAB, XII, 388. wiCQUEroET, 339. "Les assiégés envoiereut
demander du secours à l\'Empereui-, aux autres Villes Anséatiques, et aux
Estats des Provinces Unies. L\'Empereur les renvoia aux Princes Directeurs
des cercles de Westfalie et de la Basse Saxe. Les Villes Anséatiques, qui
craignoient la Suède, s\'en excuserent sur leur impuissance, et les Estats qui
n\'estoient pas fort disposés à recommencer la guerre pour les interests d\'au-
truy, quoyque la conservation de cette ville ne leur pust pas estre indiffe-
rente .....se contenterent de résoudre que l\'on travailleroit à porter les

parties à un accommodement. Le sentiment de la Hollande prévalut par-
ceque ceux-là mesmes qui jugeoient que l\'interest obligeoit l\'Estat à la se-
courir, ne vouloient pas qu\'en la secourant ou offensast les Princes dont
l\'amitié estoit necessaire à cette République."

Het verdrag werd bewerkt door Bosenliane voor Zweden, van Beuniü"
gen, Bootsma en Kniphausen voor de Republiek.

-ocr page 175-

haar bondgenoot tegen eiken niogelijken aanval te bescher-
men i); beider lot was dus onafscheidelijk; een aanval tegen
Polen was zoo goed als een oorlogsverklaring aan de Sta-
ten en reeds vreesde men het leger van Königsmarck naar
onze grenzen te zien optrekken

Natuurlijk was in die omstandigheden de houding van
Brandenburg van groot gewicht; de resident de Bye, die
het gemelde tractaat met Polen gesloten had, was op zijn
terugreis uit Warschaw ook te Berlijn blijven onderhande-
len, tengevolge waarvan Friedrich Wilhelm nieuwe instruc-
ties aan zijn gezant in den Haag had doen toekomen,
maar na weinige conferenties was de zaak weer blijven ste-
ken ; men kon het over de bescherming van Pruisen niet
eens worden: de Staten wilden wel Dantzig, de stapelplaats
van hun handel — niet ook Memel en Pillau waar de Keur-
vorst lastige tollen hief, met hun oorlogsvloot bedekken.

1) deoysen, III, 2, bl. 200. "Es war nicht blos eine polnische Frage,
an jenen baltischen Dingen hatten alle Seemächte, namentlich Holland ein
Interesse." wicqueeoet , II, 346. »De Bie . . . faisoit esperer que le Eoy
son maistre agréeroit toutes
les conditions qu\'on Iviy prescriroit."

2) Graaf Johan Maurits van Nassau kwam op het eind van 1654 in den
Haag om tegen de toerustingen van Zweden te waarschuwen, die in schijn
tegen Bremen, volgens hem inderdaad tegen Cleve en Gulik gericht waren ,
Waarop de jonge koning van Zweden als lid van het geslacht van de Palts
aanspraken maakte. »Sulcx is alsoo met reciproque complimenten, offerten
611de dancksegginghen gepasseert, \'t is inderdaet geweest een voorbereytsel
tot een alliance." aitzema, TIII, 231.

deoysen, 202. "Man glaubte im Haag, dasz Königsmarck vom Bre-
ttüschen aus gegen die Staaten vordringen solle; man fürchtete,
dasz der
Kurfürst dann die clevischen Festungen fordern imd nehmen werde."

3) deoysen, 200, november 1654. "Ich bitte zu sondiren," schreibt
Schwerin an Weimann, 3 jan. 1655, »ob man sich die Gürgel will gutwil-
hg abstechen lassen; Preussen ist unser Augapfel und das Herz unseres
Staates."

-ocr page 176-

De beslissing van deze quaestie en dus ook het tractaat
bleef nu weer achterwege Het is natuurlijk dat de Keur-
vorst in die onzekerheid maar niet veel ophef maakte van de
Acte van Seclusie, die juist omstreeks dien tijd bekend werd;
hoewel daardoor buiten twijfel groote verwachtingen voor
hem verloren schenen, bepaalde hij zich tot het schrijven
van een zeer gematigden brief aan de Staten van Holland

Maar Friedrich Wilhelm werd nu eenmaal gewantrouwd:
na zoo groote teleurstelling betwijfelde men in den Haag
de oprechtheid zijner gematigdheid; de verdachtmaking van
Zweden vond weldra den meest gereeden ingang zijn
wapeningen, zijn pogingen tot bemiddeling te Warschaw

Ä

I. 1) DEOTSBN, 201. "Immer sahea die Herreu im Haag in dem Kiu--

fürsten zuerst den Freund der Oranier; sie wünschten sich nichts besseres,
(als dasz er nicht aufhöre bedrängt und abhängig zu sein; seine Greheim-
nisse zu schonen, wenn sie mit deren vertraulicher Mittheilung Dank in
jw Stockholm oder beim Protector gewinnen konnten, schien ihnen, nicht nö-

j \\ thig; mochte er sehen wie er den Schaden einbringe. Daher des Kurfürsten

Mahnung an Weimann, mit äusserster Vorsicht zu handeln; damit es nicht
I , scheine, als habe er dem Wolf das Wasser zu trüben gesucht; bei Wenigen

und ohne "Bassesse" solle er die Sache betreiben."

2) AITZEMA, VIII, 105. "De Heere Keur-Vorst van Brandenborgh heeft
fj desgelijcx geschreven aen de Heeren van Hollandt (uit Keulen aan de Spree,

I 8 mei 1654)......dat indien boven alle vermoeden tot nadeel van den

Prince van Oraengien yets mochte geconsenteerd sijn, ofte geconsenteerd
worden, Haer Ed. G-r. Mog. sulcx geliefden afteslaen ende intetrecken, en
I i\' in dezen niet te gedoogen dat yets tegen den Prince van Oraengien mochte

j worden geaccordeert" enz.

h 1 wicqtjeeort, II, 296. dbotsbtt, III, 2, 130. "Weimann war aus

dem Haag nach Berlin gekommen, und er hatte das Vertrauen des Prinzessin
j\'i, Hoheit. Sie wird gewuszt haben, dasz die "Acte van Seclusie" im Werk

sei. Des Kurfürsten rascher Entschlusz marschiren zu lassen, galt zugleich
der oranischen Sache; begreiflich dasz es in Holland sehr übel
genommen
würde."

J 3) DUOYSEN, III, 2, 202. WICQUEFORT, II, 304, »il y eust quy es-

-ocr page 177-

en te Stockholm, zijn overige verbintenissen , alles werd
misduid; Zweden wreekte zich op die wijze over de be-
paalde afwijzing van zijn voorstellen te Berlijn; zijn ge-
zant, graaf Schlippenbach had daar geen ander antwoord
bekomen dan dat Brandenburg zich aan zijn plicht als va-
sal van Polen dacht te houden Maar die plichtsbetrach-
ting viel zwaar: het is waar, de Keurvorst had, strikt ge-
nomen, zich in het minst niet in te laten met de quaestie
die tot voorwendsel voor den oorlog dienen moest, of de
koning van Polen al dan niet gerechtigd was zijn wapen
met dat van Zweden te
écarteleren, maar juist omdat dit
slechts een voorwendsel was, was het zaak op zijn hoede
te zijn: de herinnering aan hetgeen de vorige Keurvorst in
gelijke omstandigheden doorgestaan had, was nog te leven-
dig daö dat men zich nu weer lijdelijk in het nauw zou
hebben laten brengen; maar hoe nu zich daaruit te redden,
hoe een neutraal standpunt te bereiken waarop men zicb
tegenover beide partijen zou kunnen handhaven, dat was

toient persuadés, et avec grand fondement qu\'il se faisoit des intrigues entre v

le Roy de Suede et l\'Electeur." ^ \' ^

de witt aan nieupoobt 2 juli 1655 ÇBrieren, III, 77) »van de ijlj

Sweetsche desseynen können wij tot nog toe den reghten grond niet pene- ii jti

treren, maer werden van tijdt tot tijdt meer ende meer daer inne gecon-
firmeert dat Brandenhurgh met Sweden staet in goede intelligentie." j

1) aitzema, VIII, 230. "Den keurvorst van Brandenburg al in desen

tijdt schijnende intelligentie te hebben dat Sweeden eenige desseins over zee Ij ;

hadde, heeft sieh niet alleen met Keur-Keulen, het vorstelijck Huys Bronswigh j|i

®ûde anderen verbonden, maer oock begost sich in een goede postuyr van
defensie te stellen tegens alle onbehoorlycke bqegeningen ende invasie van \'f
Ti\'eemde volckeren, hoopende dat desen Staet soude sulcx niet alleen beha-

mae± sich geneegen betoonen het haere daerbij te doen. H. H. M. \'Ii

\'Committeerden eenige Heeren om met den Resident Copes daerover te con- \'j

Vereren." \\ 1

2) HELWise, 525.

-ocr page 178-

de moeielijkheid. Een poging tot bemiddeling was terstond
mislukt^), hoewel Frankrijk zich ook daaraan had laten
gelegen liggen Het kwam er nn op aan zich door mach-
tige bondgenooten te sterken, maar Brandenburgs voorne-
mens mislukten ten deele, door de kuiperijen van Zweden,
en slechts de minst gewichtige allianties kwamen tot stand

Die met de Eepubliek kwam nu weer op den voor-
grond , maar zij had nog met een menigte bezwaren te

m

1) deoyben, III, 2, 197. De Keurvorst verzocht den koning van Po-
len hem als bemiddelaar de geschilpunten op te geven. "Allerdings sandte
könig Johann Casimir solche; aber voran stand, dasz ihm das Wappen
Schwedens nach wie vor zu führen zustehe, dasz Liefland ihm als ein Erb-
land für sich und seine Familie abgetreten werde; auch müsse sich der Kur-
fürst verpflichten wenn seine Vermittlnng nicht zum Frieden führe, mit den
Waffen für Polen einzutreten. Alle Einwendungen gegen diese höchst un-
angemessene Vorschläge waren vergebens."

2) boeeei aan de witt uit Parijs, 8 april 1655 {Brieven, I, 199),
\'/men seght oock dat Vranckrijck genegen soude. wesen om sijn Mediatie aen
te bieden tot \'t maecken van een goet verdragh, eeuwige vreede ende alli-
antie tusschen de twee koningen, Sweden ende Poolen."

3) De czar van Moscovië weigerde o. a.; ook Polen. Een verbond met
poolsch Pruisen kwam tot stand, 27 november 1655; al deze verbonden en
aanbiedingen van verbonden gaven Carel Gustaaf later aanleiding den Keur-
vorst van "Parteilichkeit und Parteinahme für Polen" te beschuldigen, hei-
wing, 527—529.

4) AITZEMA, VIII, 393, "in may liet de heer Cheurvorst onder de hant
wederom levendich maecken de handelingh der alliance, waernae men luy-
sterde, men hadde gaern gesien dat Dantzig sich openbaerde." 395. //Ende om
met Brandenburgh te handelen wiert in alle manier, insonderheyt bij Hol-
landt goetgevonden. Een of tweemael in may sijn daerover conferenties ge-
weest."

de witt aan nietipooet, 7 mei 1655, {Brieven, III, 56). "Die van
Dantsieh ofte eenige andere naestgelegene plaetsen, hebben haer alhier
nogh
niet vertoond met eenighe versoecken van assistentie; Edogh de aenwesende
Ministers van sijn Keurvoratelycke Doorlughtigheyt verklaeren, alsnogh ge-
authoriseert te sijn tot sluytinge van de Alliancie nu eenige jaeren
herwaerts

-ocr page 179-

159 |:i!

kampen; geen bondgenoot zou gewis beter in staat geweest
zijn Brandenburgs onzijdiglieid te doen eerbiedigen; dit was
reden genoeg voor Carel Gustaaf — ook al had hij de
Staten minder fel gehaat — dat plan te dwarsboomen; van
een verbond met den Keurvorst sprak hij sedert den aftocht
van Schlippenbach niet meer^); de erkenning der neutrah-
teit was het punt waarover tusschen Stockholm en Berlijn werd
gehandeld: de koning van Zweden maakte die erkenning af-
hankelijk van het tractaat met de Staten: zoodra dat tot
stand kwam, zou hij den Keurvorst als vijand beschouwen
en behandelen Tegelijk werkte de fransche diplomatie om
Brandenburg voor goed aan Zweden te verbinden^); wat
Schlippenbach had laten varen, werd door den franschen

getrotteerd hebbende, ende doen ook onder de hant tot den Toortganck van
<lien haere debvoiren."

De stad Dantzig op poolseh-prnisisch gebied, vormde een soort van on-
afhankehjke republiek onder bescherming van Polen.

1) dboysen, III, 2, 200. "In Stockholm____wurde nicht mehr ge-
sprochen von dem Bündnisz mit Brandenburg."

2) dboysbn, 203. "Die Neutralität, die Karl Gustav jetzt empfahl,
Wäre ersprieszlich.gewesen, wenn das Bündnisz mit deii Staaten ihr Eück-
\'^alt gab; eben dies Bündnisz bezeichnete der König als ein Hindernisz der
Verständigung; ohne Dasselbe war die Neutralität nichts als das geduldige
Znsehen, bis Polen erlegen und Preuszen von der Schweden Macht um-
schlossen war."

204. "Ich bitte euch um Gottes willen," sagte ein schwedischer Ge-
\'leral in Schwerins Hause, "haltet die Sache in Holland hin; ihr werdet
sehen dasz sie euch nicht nöthig sein soll." 213.

3) boeeei aan de witt, 8 april 1655. {Briecen, I, 199). M. des Om-
(bij Droysen, de Lumbres) staet nu vaerdigh ende gereed,"om te ver-

*^recken nae Duytslandt: Hij gaet reght nae \'t Hof van Berlijn, om aldaer

Terhandelen eenighe saecken tot goed verstand, ende onderlinghe intelli-
gentie van den Heere Keurvorst van Brandenburgh met den koningh ende
roon van Sweden. Ondertusschen dat M. d\'Avancourt \'t selve sal soecken
^ciproqne te bevorderen bij hooghgemelde Koning, als wanneer bij succes

• des Ombres oock sonde gaen nae Stockholm."

-ocr page 180-

gezant weer opgevat; vleierij^), beloften, vertoogen 2) niets
werd daartoe door den zendeling van Mazarin gespaard.

Toch haastten de Staten zich niet de hun gereikte hand
aan te grijpen; de gewesten waren het onder
elkander niet
eens=^), Holland hield de alliantie
nog altijd tegen; Gelder-
land daarentegen, dat bijna uitsluitend door den prinsge-

1) BOBEEL aan BE Wixx, 23 april 1655 (I, 201). -Met groote gene-
gentheyt spreeckt xnen hier onder de Prineipaelste Ministers, oook van d^x
Heer Electenr van Brandenbu.-ghs saeeken ende onderlinge confidentie me
denselven; ende men verwaght van die sijde oock veel goedts Men doet
dese Koningh nu aen S. Keurv. Doorl. schrijven met den Titel van —
Prère" \'t welck nooyt voor desen heeft doorgewilt, ende soo als voor desen
hehbe verwittight, heeft M. des Ombres last om vooral te
\'t Hof tot Beriijn om nevens de koöperatie van M. de Avancourt tot btocK
holm dien Keurvorst wel vast te stellen met den anderen, ende te verbin-
den en alsdan tot verdere openinge te gaen."

2) BOBEE. aan .E wtxT, 31 juli 1654 (1, 153). -Maer indien Bran-
deoburgh verstaet gedeelte te laeten aen Meuburgh .... dan sal oock noot-
saeckehjck \'t huys van Zweybruggen in die verdeelinge van de successie van
Gulick, Kleef ende Bergh moeten worden erkend, als komende van
een
derde doghter, die nogh min nogh meer te considereren is als de tweed

die in de verdeeling ah-ede erkent is." „ .. . u;

Uit een schrijven van Boreel (I, 171) blijkt dat men te Par,s de alU

anties van Brandenburg voorgaf tegen den Keizer gericht te zijn.

3) AITZEMA, VII, 960. Dingsdag 9 mei 1653 bracht Priesland de
alliantie met Brandenburg weer te berde. Gelderland (bij monde
van jhr-
Hendrik van der Capellen) adviseerde »fiat prout ab Electoribus, met ^
lerley persuasien om de anderen te induceren om desgelijcx te doen, speox
alijck urgerende dat Cheur Brandenborgh groot credijt hadde in \'t Eoomsche
E ck, ende aen dezen Staet veel goed koude doen." Holland was met ge

reed. Zeeland, Utrecht, Overijssel en Stad-en-Lande waren zonder instructies-

ma 193 (october 1653) Gelderland ijvert om Engeland tegen te gaan,
zoo door hulp aan Schotland, als door alliantie met Frankrijk,
Branden-

burg en anderen. „

Ziid VIII 404. .Hollandt maeckte oock oppositie tegen den heer

der Capellen, mede beschreven in de cleefsche Ridderschap, ende die sic
al te goedt brandenburghs toonde."

J\\

-ocr page 181-

zinden adel ook in stedelijke bedieningen werd geregeerd,
ijverde sterk daarvoor, in de hoop het Huis van Oranje
zoodoende te bevoordëelen, hetgeen juist weer aan het
wantrouwen van Holland voedsel gaf; de overige Provin-
ciën waren verdeeld of schikten zich naar de inzichten
van het „eerste gewest," dat zijn redenen had het trac-
taat te laten slepen: Cromwell, die nog niet lang gele-
den de Republiek al het gewicht van zijn toorn had doen
voelen, was de verklaarde vijand van Brandenburg, en
Holland vreesde derhalve door die verbintenis zich het
ongenoegen van den machtigen Protector nogmaals op den
hals te halen 1); maar terwijl de Witt Engeland naar

1) deotsen, III, 2, 202. »Nur zu deutlich war dass die dominireude
Cabale, de Witte und was daran hängt einem andern als denen von Am-
sterdam nach die Augen sieht," nl. Cromwelh(Weimann aan den Keurvorst,
laaart 1655).

In april 1655 kreeg de gezant Nieupoort te Londen last om te onder-
zoeken of Zweden eenige ondersteuning uit Engeland te wachten had en of
de alliantie met Brandenburg en de verstandhouding met Denemarken den
Protector «soude können chocqueren,"
be Witts Brieven, III, 47.

Heeds in januari had Nieupoort gemeld dat de engelsche staatssecretaris
Thurloe hem gewaarschuwd had "dat het seer dienstig soude wezen, dat
ttien een oog in \'t zeyl hieldt omtrent \'t voornemen van den Keur-Vorst van
Brandenhurgh ende andre in Duytslandt."
Brieven, III, 6.

In augustus 1655 schreef Nieupoort (IV, 112) hoe men te Londen
Verbitterd was op den Keurvorst, "die meer haet ende vijandschap tegen
haer betoont als iemandt in de wereldt, dat men wel wist dat hij nog on-
langs koningh Karei hadde versekert dat hij hem met 3000 goede soldaten
soude assisteren, zoo haest als hij raedt soude weten om een Stadhouder
aen te wijzen, ende dat hij hem meer onderhouts snppediteerde als alle de

andere Prinsen......lek bemerck dat de conduite van den Keurvorst

groote aenstoot geeft, ende hij (Thurloe) moght wel lijden dat ick UEd.
daeraf verwittighde ende dat het door deselve de brandenhurghsche Minis-
ters konde bekendt gemaeckt worden."

aitzema, VIII, 404. "Brandenburg wilde niet van den Protector hoo-

11

-ocr page 182-

de oogen zag, verhieven zieh de eischen van Hollands
handelspolitiek, wier belangen een nadrukkelijke bescher-
ming van Brandenburgs recht vorderden^). Een ultima-
tum van Zweden was bekend geworden: tegen afstand van
Memel en Pillau zouden de oorlogstoebereidselen gestaakt
worden; dit kon onze handel niet gedoogen: reeds waren
Beval, Riga en Stettin zweedsch, liet men ook de ove-
rige havens in die handen vallen, de geheele vaart op
de Oostzee — de moederhandel van Holland — zou ver-
loren zijn; voor zoo groot een nadeel moest wel iedere be-
denking omtrent Cromwells ongenoegen wijken Intusschen
was het uiterste tijdstip gekomen waarop de Staten zich
nog tot steun van den Keurvorst zouden kunnen verbinden;
de oorlog van Zweden en Polen was eindelijk uitgebroken,
en in de verwachting koning Carel Gustaaf nu ook spoedig
de Oostzee te zien oversteken om zich aan het hoofd van
zijn leger in Pommeren te stellen , gebood de voorzichtig-
heid den Keurvorst, nu hem de middelen niet gegund wer-

^ ; ren, seggende dat de Chnrfurst hem vervloeckte en niet mocht hooren noe-

\' men." Evenwel werd de Keurvorst door den drang der omstandigheden

\'iii er toch toe gebracht Cromwell zijn alliantie aan te bieden. Brieven van

■v de witt, III, 127, 130, 140, 163, 164, 166 (7 januari 1656). »Deesen

i\': naemiddagh heb ick van den Heere slezee, Envoyé van den Heer Keurvorst

—\' van Brandenburgh verstaen dat hij was gewaerschouwt dat er materie van

nieuwe ombrage soude gegeven wesen aen den Heer Protector, alsof S. Kem\'V.
l\'; Doorl. nogh continueerde sijne vorige genegentheydt ende
correspondentie

!, met den Koningh Karei, dogh hij hoopte dat hij het wel soude wegh nemen."

1) DEOYSEK, III, 2, 202.

2) DEOYSEN, 181. "Die baltische Präge hatte noch eine andere Seite.
Noch immer galt in Holland die Ostsee als die Mutter aller Commercie»

\' und die Holländer vor allen hatten den baltischen Handel. Aber er wurde

in doppelter Weise belästigt" — nl. door den Sont-toi en de zweedsche
licenten.

3) HELWING, 529.

\'f.

-ocr page 183-

tf^

den zijn neutraliteit te doen eerbiedigen, althans de partij-
name zoo lang mogelijk te verschuiven i): in dien zin ontvin-
gen zijn gezanten in den Haag den nieuwen last, het tractaat
waarop zij zoo ontelbare malen hadden aangedrongen, nu,
dat Hollands eigenbelang het tot sluiten dreef, nog, indien
mogelijk te dwarsboomen; werkelijk werden geen voorwend-
selen verzuimd: allerlei bezwaren werden ter elfder ure ge-
opperd, een twist gewaagd over de voorteekening, de sterkte
en de vorm van de nederlandsche ondersteuning nauwkeu-
rig overwogen. Maar al die uitvluchten bezweken voor de
stelhge bedreiging van de Witt, de
onderhandehng voor
goed te zullen afbreken 2). Den 27sten juli 1655 werd het

1) DBOTSEN, 213. "Der Kurfürst hielt es für nothwendig, jetzt, wo
er mit seinen Landen zwischen dem Heer des Königs und Wittenbergs
lag nach den Haag die Weisung zu schicken, dasz man mit guter Manier
nnd bestem G-limpf bis auf weiteren Befehl den Abschlnsz verzögere."

2) AITZEMA, VIII, 39.5. «De Brandenborghsche meenden dese Staet
hehoorde meer te geven als de Chur-Vorst, oock was dispute over de voor-
teeckeningh."

Ihid. 403. vin Junius stondt het noch al desperaet met die hande-
lingh : die van Hollandt hadden argwaen dat de Keur-Vorst niet soo seer
socht de verkleineringh van Sweeden, als sijn eygen vergrootingh, hebbende
^eelmael te kennen gegeven, dat hij begeerde de Souverayneteit van Pruyssen,
1 welck hem niet alleen door Poolen belet, maer oock door de Stenden van
ï\'ruyssen seer op haer vrijheijt ende Privilegien staende, gecontradiceert wiert."

404—406. Onderhandelingen en bezwaren.

"Een van d\'Heeren Commissarissen hadde geseyt de hulp of assistentie
^an den Keur-Vorst achten die van Hollandt niet veel waert, weten wel
"iat hij niet can, noch sal ooit eenich assistentie weder doen aen dezen Staet.

Maer \'t was Hollandt te doen, om een eerlijck pretext te hebben van onder
naem van Brandenburgh te mogen Pruyssen of de Oostzee redden en hel-
Pen tegen Sweeden: die dat anders voor openbaer hostiliteyt sonde aennemen."

de witt aan boeeee, Brieven, l, 210, 218, 222 (juni-augiistns 1655)
\'^an N
ieupooet, IV, 66, 68, 85, 175.

i^aoYSEN, 217. »Während der Verhandlungen in Fürstenau war Wei-
ll*

■ Rij

III

-ocr page 184-

tractaat onderteekend; met het oog op onze handelsbe-
langen was daarin bepaald dat de Keurvorst de tollen
in Pruisen niet zou mogen verhoogen; daarentegen beloof-
den de Staten hem in al zijn bezittingen te beschermen \'),
en in geval hij aangevallen werd, binnen drie maanden
4000 man ter zijner beschikking te stellen, of hem een
maandelijksch subsidie van 10,000 thaler te verschaffen 2).
Terstond ijlde Weimann naar Berlijn en op het bericht
dat de nederlandsche vloot reeds zeilree lag werd het
verdrag onmiddelijk door den Keurvorst geratificeerd. De
Staten van hun kant zonden terstond na de sluiting, de
noodige instructies aan hun ambassadeur te Londen, om
een uitbarsting van Cromwells ongenoegen te voorkomen:
de Witt hoopte, nu het verdrag eenmaal tot stand ge-
bracht was, te toonen, hoe ijdel de verwachting was
dergenen die daaruit voordeel voor het Huis van
Oranje

mann (16 aug.) nach Berlin gekommen; er hatte, selbst mit ceremoniellea
Schwierigkeiten, den Abschlusz des Vertrages bis zum 5 August hin
gezö-
gert, dann, da de Witte mit völligem Abbruch drohte, abgeschlossen."

helwing, (bl. 527) zegt van dit tractaat eenvoudig: "Das zur Sicherung
des Ostseehandels am 27sten JnHus 1655 mit den Niederlanden
eingegangene
BÜndnisz sagte zwar Unterstützung an Mannschaft oder Geld zu, war aber
für Brandenburg von keinen bedeutenden Folgen."

AITZEMA, YIII, 403. "Van wegen Brandenburgh hadde men garen daen»
afgehandelt de Houfijsersche schult; oock wiert gesprocken van d\'Evacuatie
der Kleefsche steden; doch te vergeefs."

1) AITZEMA, VI, 956. In 1653 had de Keurvorst voorgesteld de al-
liantie uit te strekken tot al zijn landen "met dewelcke haer H. M. hadde»
interest van commercie." De Staten wilden dat alleen in een geheim artikel

toestaan, zoodra de Keurvorst alle andere of althans de voornaamste onder-
teekenaars der vroegere protestantsche Unie weer tot een verbond zou heb-
ben overgehaald.

2) dboysen, III, 2, 217. helwiïtg, 527, noot 3. Het verdrag w»»
tot acht jaren beperkt.

-ocr page 185-

hoopten, een reactionnaire beweging ten gunste der Stu-
arts zou er dus nog minder uit te vreezen zijn; daarom
Was in het tractaat de bepaling opgenomen dat de engel-
sche Republiek uitgenoodigd zou worden toe te treden;
hare betrekking tot Zweden zou dan medewerken de be-
doeling der Staten, onzijdigheid van Brandenburg, te ver-
Werven

Dit plan kwam echter niet tot uitvoering; Cromwell
sloeg het wel niet bepaald af, maar nam het toch ook niet

1) aitzema, VIII, 321. vla Augusto lieten liaer Ho. Mo. aen den Pro-
tector communiceren haer met Keur-Brandenborgh gemaeckte Tractaet; met
presentatie van insluytinge; men secundeerde ende recommandeerde oock een
Tractaet tusschen Denemarcken en Bngelandt te maecken, maer de Engel-
schen vonden goedt af te wachten den sweedtschen ambassadeur Bondt, die
ia Augustus daer quam." (vg. de voorrede op het derde deel der briefwis-
seling van Johan de Witt, bl. IV.)

de witt aan nieupooet, (II, 55 en 56, 7 mei 1655), schrijft dat "het
seer dienstig wesen soude,
dat sijne Hoogheyt (de Protector) in \'t voorsz.
Tractaet waere begreepen, ofte dat \'t werck tusschen hoogghemelde sijne
Hoogheyt, haer Ho. Mog. ende Sijne Keurv. Doorl. gemeen wierde gemaeckt,
soo om het ooghmerck van haer Ho. Mog. des te beter ende kraghtiger te
bereycken alsmede insonderheyt, op dat de qualijck geaffectionneerden tot de-
sen Staet, ende tot de Republiek van Engelaadt alle hope moghte werden
henomen, dat door het voorsz. Tractaet het interesse van den Heer Prince
■^an Orange eenighsints gesupporteerd ofte in tijden en wijlen gepromoveert
Soude mogen worden, welcke laetste consideratie mij voor \'t interest van
®ieer hooghgemelden Heer Protector .... considerabel schijnt" enz.

Ihid. 89, 30 jnlij 1655 "op \'t artyckel van \'t voorschreve geadjusteerde
tractaet daerbij aen den hooghgemelden Heer Protector tot prestatie van het
\'^\'oorschreve 15 artickel werdt gereserveerd de faculteyt omme sich in \'t selve
tractaet te laeten inbegrijpen, is, mijns wetens, bij de Brandenhurghsche
Ministers niet de aldei-minste difficnleit gemoveert, sijnde henluyden posi-
aengeseidt datmen van wege desen Staet verbonden was, omme
t selve Artikel in dier voegen te laeten stellen, daerop sij dan oock in het
Eerste concept van haei-e sijde overgelevert, de voorschreve clausule selfs
hebben gestelt."

-ocr page 186-

aan hij verlangde eerst beter omtrent de plannen van Carel
Gustaaf ingelicht te worden, en daartoe de terugkomst van
diens gezant te moeten afwachten; Brandenburg toonde ook
niet veel genegenheid en weldra werd de uitvoering geheel
en al door de spoedig opeenvolgende gebeurtenissen on-
mogelijk gemaakt: nog was het tractaat in den Haag niet
gesloten, of de gevreesde landing van Carel Gustaaf had
te Wolgast plaats gehad, en in korten tijd was geheel Polen
in zijn handen gevallen , Warschaw en Krakaw nagenoeg
zonder tegenstand overgegeven, en de Koning en Koningin
naar Silezië gevlucht. Na deze gemakkelijke overwinningen
keerde Carel Gustaaf zich weer noordwaarts, veroverde
poolsch Pruisen en bedreigde ook het hertogelijk Pruisen,
de bezitting van den keurvorst van Brandenburg; deze be-
vond zich in een hoogst moeielijken toestand: afgesne-
den van alle hulp bevond hij zich te Koningsbergen, de
zweedsche wapenen hadden nog al het
p\'Qstige uit den
dertigjarigen oorlog, en de oorlog was noch in Pruisen®),
noch aan den Rijnpopulair; zelfs hadden de Stenden

1) nietjpoobt aan de WITT, 30 juli 1655, {Brieven, III, 92).

aitzema, yill, 339, (december 1657) "Den Protector sprack seer dat

men geen sobeuringh of rupture moest maecken tusschen de protestanten of
evangelische, te kennen gevende dat hem mishaegde dat men de Sweeden
wilde beletten in haer progressen tegens Polen, dat men niet behoorde Den-
nemarck ende Brandenborg \'t instigeren tegens Sweeden."

2) HEiwiifei-, 529. wagenaae, 435—443.

de witt aan boreel, 30 december 1655 {Brieven, I, 240). "De saeeken
van den Koningh van Sweden in Polen en Pruyssen avanceren dapper, ende
sijn H. H. M. geresolveert den Heer Cheur-Yorst van Brandenborg, volgens
de gemaeckte Alliantie, alle doenlijcke assistentie te presteren."

3) dboysen, III, 2, 234, zoekt de schuld daarvan op de Staten te
schuiven.

4) dboysen, III, 2, 223 en 224. "Sie hoiFten auf die im Haag herr-
schende Misstimmung gegen Brandenburg, und ihr Agent, Leo Aitzema war

-ocr page 187-

van Cleve en Marek zich bij den Keizer op hunne privi-
legiën beroepen, daarbij rekenende dat het verdrag van
den Keurvorst en de Staten niet tot stand komen zou:
meer dan ooit hoopten zij dan in de algemeene verwarring,
die de inval der Zweden teweeg zou brengen, de onafhan-
kelijkheid waarnaar zij streefden, te verwerven; maar de toe-
nadering tusschen hun Vorst en de Staten gelukte: den
Stenden bleef nu niets over dan zich stil aan den keurvor-
stelijken wil te onderwerpen en hun zendelingen terug te
roepen; de prinses Douairière van Oranje op haar terugreis
uit Berlijn bevestigde verder weer de verzoening, en bewerkte
dat de Keurvorst met een subsidie van 220,000 thaler,
binnen zes maanden te voldoen, ondersteund zou worden.

Het gevaar dat Brandenburg van den kant van Zweden
dreigde was intusschen genaderd; reeds alleen het verdrag
ïuet de Staten was een reden het ergste te vreezen i); uit

mit Eifer irnd Geschick bemüht, die Politik ihrer Libertät zu fordern. Aber,
da folgte der Abschlusz des Haager Bündnisses. »Da ist bei etlichen Ständen
eine grosze Verschlagenheit gespürt worden, schreibt Prins Moritz, 6 Aug."

HEIWING, 518. AITZEMA, VIII, 403. De Stenden van Cleve, vooral
Wesel //boven andere geprivilegeert oock moedichst" protesteerden tegen de
lichting en werving als \'/contrarie de Rijcxconstitutien en haer privilegiën."
Zij klaagden bij H. H. M. en verzochten bescherming tegen de Executie
"maer of wel voormaels haer Ho. Mog. uyt cracht van de garantie mochten
hebben daertegen gedaen eenighe oppositie, soo liepen doch nu de tijden
heel anders."

Holland had wel gedurende de onderhandelingen met Brandenburg de
hernieuwing der garantie dier landen voorgesteld «maer Weymann hadde
suloke duydelijcke last daertegen, dat hij meermael seyde: \'/lok sal hever
mijn neus laten afsnijden, eer bersten, als dat toestaen."

1) DBOYSEK, III, 2, 203. //Karl Guftav drängte auf Entscheidung:
"nimmer und in Ewigkeit nicht werde er die Staaten in die Ostsee kommen
lassen oder ihnen verslatten darüber etwas zu tractiren." Und Schlippen-

hach versicherte: lieber werde der König alle andere Interessen zurücksetzen,
Ja mit Dänemark eine Allianz machen."

-ocr page 188-

I • kracht van dat verdrag hield de Keurvorst nu op onder-

: stand aan^); maar de Staten draalden: de Keurvorst was

\';! nog niet aangevallen en zij dus nog niet tot ondersteuning

:Jj verplicht; zij bepaalden zich derhalve tot beloften waar-

I door de benarde omstandigheden van den Keurvorst niet

jii verbeterden, en datgene mogelijk gemaakt werd wat men

j 1) aitzema, VIII, 406. "Terstond na het teyckenen hegosten de Bran-

denburgsche te spreecken van secours, in gevolgh van het 10de Artyckel.
Ende korts te voren gaven uyt dat haer Troupes soo sterck waren als de
\' Sweedsche."

I 407. De Q-raaf van Wittgenstein die de Prinses Douairière teruggeleidde

naar den Haag, verzocht ook ondersteuning.
; I 414—416. G-eheime propositien van graaf Christian von Dohna van wege

, Brandenburg, om geld, officieren, troepen, enz. 19 december 1655.

; ^ boeeee schrijft aan de witt, (7 juni 1656, Brieven, l, 256) over het

ongenoegen van het fransche Hof wegens de hidp die de Staten tegen Zwe-
lt den verleend zouden hebben. De raad-pensionaris antwoordde dat den Keur-
vorst nog geen "seconrssen ofte subsidien" waren verleend, maar dat men
zich voorbereid "houdt "t\'sijner tijdt
f 20,000 te können furneren." Vg.
, Brieven, III, 156, 168.

i ^ dboysen, III, 2, 217. "Der Kurfürst sandte Weimann nach dem Haag

\' ! zurück mit der Aufforderung die verträgsmassige Hülfe von 2000 Mann

, nach Pillau zu senden, mit der Bitte ihm eine Anleihe van 200,000 Thlr.

: ii j ® Procent zu gewähren, die er nach den Frieden mit jährlich 25,000

\' i ■ Thlrn zxn-ückzuzahlen versprach und wofür er den Zoll in Pillau als ITnter-

i ^ pfand geben wolle."

,,, wicqiteeoet, II, 370. »Ses Ministres n\'em-ent pas sitost signé le traitté

j de la Haye qu\'ils demanderont l\'exécution de l\'article qui luy promettoit

!, des subsides, puisqu\'il avoit le choix de prendre le secours en hommes ou

..i en argent......on ne fit point de difîiculté de luy faire compter quarante

j huit mille escus par avance et on entra en négociation avec ses Ministres

1 pour le prest de deux cens mille."

, I 409—412. "An plus fort de la negotiation qui se faisoit entre le Boy et

l\'Electeur, il pressoit les Estats de payer les subsides qu\'ils avoient promis
par le traitté du 27 juillet. Ce qu\'il fit avec tant de chaleiu-, et d\'impor-
tunité, qu\'au mois de Janvier en luy paya par avance ce qu\'on n\'estoit tenu
de luy paier qu\'en Mars."

-ocr page 189-

juist door de banden waaraan de brandenburgsche pohtiek
gelegd was, had gepoogd te voorkomen: een vergelijk van
Friedrich Wilhelm met den koning van Zweden. In januari
1656 kwam dit te Koningsbergen tot stand\'): de Keurvorst
erkende daarbij het hoogheidsrecht van Zweden op Pruisen
als feitelijk bezitter van Polen, tegen welke kroon hij nu in
verbintenis met Carel Gustaaf de wapenen keerde

1) aitzema, "VIII, 408. »Het bleeek oock korts daerna dat dit Trac-
taet (nl. dat van 27 juli) niet was als vuyl papier, want soo wel den Adel
als de Steeden Toorn en Elbingh haer aen den Coninck van Sweeden ter-
stond overgaven ende Ohur-Yorst self kort daernae maeckte oock vrede."

De Keurvorst gaf terstond van zijn verdrag met Zweden door een edel-
man (von Bonin) kennis aan de Staten (
wicqueeoet, II, 415); hij hoopte
deze te overtuigen dat zijn verdrag niets ten nadeele van hun aUiantie me-
debracht
(deotseïf, 252. Brieven van de witt , III, 182); voor zijn
finantieel welzijn hing daarvan natuurlijk veel af:
wicqtjeeoet, II, 371:

"Daniel Weiman et Jean Copes faisoient en ce temps là les affaires de
l\'Electeur à la Haye. C\'étoient eux qui avoient conclu et signé le traitté
d\'alliance, qiii en avoient eschangé les ratifications et qui avoient touché le
premier terme des subsides, au moins en partie ; de sorte qu\'ils étoient con-
traints d\'essuyer les reproches qu\'on leur faisoit à tout\' heure de l\'infidélité
de leur Maistre, et de répondre à l\'empressement avec lequel les Estats fai-
soient demander la restitution de la somme qu\'ils avoient touché mal à pro-
pos et de mauvaise foy, dans le temps où ils scavoient que l\'Electeui- trait-
toit avec le Eoy de Suede. Weiman, qui estoit avocat, et qui estoit capable
d\'entreprendre de justifier les actions les plus injustes, eu.t l\'assem\'ance de
Soutenir que cette somme estoit deüe à son Maistre, et qu\'il l\'avoit bien
ttiéritée. On n\'avoit desja qu\'une trop meschante opinion des intentions de
l\'Electeur."

De Keurvorst schijnt hoop gehad te hebben zijn bemiddeling door beide
partijen te doen aannemen, hetgeen de Witt echter, toen Weimann hem dat
"*\'oorstel deed, afsloeg;
de witt aan tan betjningen, 8 september 1656,
brieven, Y, 428.

2) wicqueeoet, II, 416. "L\'Electeur n\'en demeura pas là; il ne se
Contenta pas de se tenir dans les termes de la neutralité; il alla luy-mesme
trouver le Eoy de Suède, prit une très-forte amitié avec luy et joignit mesme

-ocr page 190-

Natuurlijk was men in den Haag ten uiterste over deze
handelwijze verbolgen; de staatsgezinde partij kreet die voor
weinig minder dan verraad uit, maar wanneer men op de
moeielijke positie van den Keurvorst let, die met geringe mid-
delen een uitgestrekt en ver uit elkander gelegen grond-
gebied te beschermen had, en daarin niet eens door de be-
volking werd gesteund, terwijl zijn voornaamste raadslieden
bepaald tegen ons gezind, en door Frankrijk, Zwedens trou-
wen bondgenoot, omgekocht waren i), wordt men er toe ge-
bracht zijn staatkunde minder hard te beoordeelen; zijn
alliantie met ons was zuiver defensief; dus zoolang Zweden
hem niet inderdaad aangetast had, bestond de
casus foe-
■pj deris
niet; hij had welhcht den koning van Zweden met

! onderhandebngen kunnen ophouden, maar dit gedrag zou

toch ook niet zoo stipt eerlijk geweest zijn; daarbij, onder
^ het veelhoofdig stadhouderloos bestuur plachten de zaken

ses forces à l\'armée Suédoise, pour aider à détruire celle de Pologne.....

L\'Blecteiu- ne pouvoit pas ignorer que cette jonction scandaliseroit tout le
monde, et particulièrement que les Estats des Provinces-Unies en feroient
un tres mauvais jugement."
Brieven van de witt, III, 248 en 249.

1) wicquefoet, II, 409. «Son Conseil estoit composé de Ministres
dont les uns estoient peu résolus, et les autres fort interressés. Le Prince
mesme qui en le temps-là avoit plus de bonté que de fermeté et pas toute
la connoissance de ses véritables interests qui luy estoit necessaire, suivoit
souvent aveuglement l\'avis et les conseils de ceux, qui s\'estoient establis dans
confidence par des services ou peu honnestes, ou de peu d\'importance.
Les Estats reconnm-ent bientost que la jalousie qu\'ils prenoient de sa con-
duite n\'étoit que trop legitime."

Ibid. 415. «Le Roy de Suede avoit de puissants amis dans le Conseil
de l\'Electeur de Brandebourg et entre antres le Comte de Waldeck."
fi\'iii DKOYSEN, III, 2, 247, noot 1. «De Lumbres, der über die Motive

-ii,; des Abschlusses eingeliend berichtet, hebt auch hervor : Madame l\'Electrice

appréhendoit fort l\'evenement de la guerre, et pour en sortir faisoit sous
■ \\ main jouer force batteries pour y faire condescendi-e son mari." Misschien.

I uit protestantschen ijver bij de vrome vorstin.

li":

-ocr page 191-

volstrekt niet vlug te gaan, en had de Keurvorst misschien
lang op de verlangde ondersteuning kunnen wachten, te
meer daar, gelijk gezegd de
casus foederis niet bestond,
een voorwendsel dat hij wel berekenen kon dat de ver-
klaarde tegenstanders zijner alliantie niet ongebruikt zouden
laten. Het verbond met Zweden was dus een politieke
noodzakelijkheid voor Friedrich Wilhelm, eer een juk dan
een bondgenootschap; bij de eerste gelegenheid moest hij
trachten zich er van te ontslaan.

De voorspoed van Carel Gustaaf was niet van langen
duur; Polen bleek gemakkelijker te veroveren dan te be-
houden. Na een vruchteloozen tocht in een slecht saizoen
trok hij terug om zich met alle macht op de vrije stad
Danzig, de rijkste en voornaamste haven der Oostzee te
werpen, aan het behoud van wier onafhankelijkheid den
Nederlanders veel gelegen was. Zij zonden derhalve eene
vloot derwaarts onder bevel van den luitenant-admiraal van
Wassenaer-Obdam en van den vice-admiraal de Euyter, die
door hun tegenwoordigheid de belangen van onzen handel
zouden waarborgen jj,

Inmiddels had de Republiek zich ook met Polen ver-
bonden, dat reeds door den Keizer gesteund werd, zoodat
Zweden alleen tegenover een machtig bondgenootschap stond,
slechts met den, naar het kon gissen, niet zeer gewilligen

1) wicqtjefoet, II, 369. \'/Les Estats des Provinces Unies à qui il
importoit de faire balancer les forces des deux Eois du Nord, qui parta-
gent en quelque sorte entre eux l\'Empire de la mer Baltique, furent ceux
qui s\'appliqueront avec le plus de chaleur à ai-rester le cours des armes
victorieuses des Suédois."

2) wicqueeoet, II, 418. \'/Ses Ministres et surtout Daniel Weimann |
qui estoit fort propre à jouer toutes sortes de personnages en firent confl- ||
clence à quelques vins du G-ouvernement à la Haye, où ils firent connoistre ff
que leur Maistre avoit pour le moins autant d\'envie de sortir de cette so-

-ocr page 192-

keurvorst van Brandenburg nevens zich. Men deed dan ook
van alle kanten moeite den Keurvorst weer los te maken
van het verdrag van Koningsbergen i). Alleen Engeland, dat
Zweden blootelijk ondersteunde uit naijver op Nederland,
zonder echter aan den strijd deel te nemen, ried Friedrich
Wilhelm dat verdrag, sedert nog te Mariënburg bevestigd
niet te verbreken. Ook de Staten konden dit niet wenschen :
een te diepe vernedering van Carel Gustaaf en te groote
macht van den koning van Polen, zou wellicht onzen handel
van dezen kant het gevaar berokkenen dat thans van den
kant van Zweden dreigde: zoolang beide partijen in krachten
tegen elkander opwogen kon het veel minder moeielijk vallen
een voor de bemiddelaren voordeelig vergelijk tot stand te
brengen.

Reeds in het vorige jaar hadden de Staten besloten als
zoodanig op te treden \'*\'): talrijke gezantschappen zouden
naar de noordsche Hoven afgevaardigd worden , maar door

ciété léonine, qui ne servoit qu\'à fortifier l\'ambition de cet importun amy,
que les Estats avoient d\'interest de l\'en détacher."

1) dhotsen, III, 2, 250. "Mit den Absohluss des Königsbergers Ver-
trages begann eine Bewegung in der europäischen Diplomatie, welche zeigte,
wie schwer die Entscheidung des Kurfürsten in\'s Gewicht falle."

2) 15 juni 1656, helwing, 539.

3) helwifg, 538, noot 2. »Die Holländer machten vorzüglich darauf
aufmerksam "das, was angefangen sei,, müsse fortgesetzt werden." Waar-
schijnlijk vertrouwden zij de betuigingen des Keurvorsten en die zijner gezan-
ten niet zeer.

4) DEOYSEN, 264. "Freilich es war eine Meine Erleichterung, dass von
den Holländern statt der gefürchteten Kriegserklärung, eine Gesandtschaft
nach Preuszen kam, den König zu beglückwünschen und Mediation anzu-
bieten , dasz sie über die Debloquirung des danziger Hafens zu verhandeln
begann. Wenigstens einige Zeit konnte man so die Gefahr die von der See
her drohte, hinhalten."

5) Brieven van pe witt, I, 229, 233, 236, III, 151, 155- wage-

-ocr page 193-

de toenadering tussclien Brandenburg en Zweden werden zij
gedwongen hun plan te wijzigen; de naar den Keurvorst be-
stemde gezanten ontvingen tegenbevel^), daarentegen wer-
den die voor Denemarken en Zweden te eerder afgezonden,
om door een spoedige tusschenkomst den verderen loop des
oorlogs te stuiten of althans Danzig te redden. De koning
van Zweden, wiens wapenen in den laatsten tijd niet zeer
gelukkig geweest waren, en die weer even plotseling door
den poolschen adel verlaten was als te voren koning Johan
Casimir, was nu niet ongenegen de gezanten der Repu-
bliek aan te hooren, wier voorstellen door de aanwezig-
heid eener geduchte zeemacht in de Oostzee krachtig wer-
den geschraagd; terwijl de onderhandeling van Carel Gustaaf
met de nederlandsche ambassadeurs aanving ®), bewerkte

naae, 292, 293. wicqtjefoet, II, 373. Voor Zweden werden benoemd:
G-odfried van Slingeland, pensionaris van Dordrecht, ITrederik van Dorp
van Maasdam, Pieter de Huybert en Johan I Jsbrands, leden van H. H. M.
voor Denemarken, C. van Penningen, van Reede en van Viersen.

1) wicquefoet, II, 372. "Les Provinces avoient résolu de luy envoyer
une Ambassade et avoient nommé les Ambassadeurs (van Isselmuden en de
pensionaris van Amsterdam, Vogelsangh) ; après le changement de l\'Elec-
teur , elles changèrent aussy de Resolution, et se contenterent de regler celle
qu\'on devoit envoier en Dannemarc et en Suede."

412. "Dés. que l\'on scent qu\'il avoit conclu son traitté avec le Roy de Suede,
les Estats de Hollande, qui ne le consideroient plus comme un amy, en
qui on pust se fier, jugerent que cette derniere Ambassade etoit inutile,
puisqu\'elle n\'avoit eu pour object que 1\'execution de l\'alliance que l\'Electeur

venoit de détruire......Tout ce que les amis que l\'alliance de la Maison

d\'Orange avoit acquis à l\'Electeur, purent obtenir, fut, que l\'on permit aux
Ambassadeurs qu\'on envoyoit au Roy de Suede de luy faire civilité, s\'ils
estoient obligés de passer par son pais et s\'ils le rencontroient en lieu pro-
pre pour cela."
de witt aan boeeed, 16 maart 1656. Brieven, I, en
aan
nieupooet , III, 201, 207, 211.

2) wioqtteeobt, II, 422. "Le Roy de Suede consideroit qu\'il luy estoit
presque impossible de se conserver la Pologne, où il n\'avoit pas une seule

-ocr page 194-

van Beuningen een tractaat met Denemarken i); Branden-
burg had te vergeefs getracht deze verbintenis te beletten,
die, door een vijand meer aan Zweden te verwekken, de ver-
warring in het Noorden nog zou doen toenemen: de bekwame
h\' van Beuningen zegevierde over de kuiperijen van von Kleist

Een poging den algemeenen vrede te herstellen kon nu
i \' volgen, hoewel de beletselen nog altijd vele waren. De vraag

op welke wijze de onafhankelijkheid te bevestigen van Dan-
zig en Pillau, die van zoovele kanten tegelijk bedreigd werd,
gaf de grootste moeielijkheid ; ook de czar van Moscovië,
j: door Polen in zijn bondgenootschap getrokken, begon ver-

li langen te toonen naar eenige bezitting van de Oostzee; de

f vrees hiervoor verhaastte de afsluiting der onderhandelingen

place forte, et où il estoit l\'âversiou des peuples, comme il en estoit le

fléau..... C\'est pourquoy il caressoit fort les Ambassadeurs Hollandois,

et leur faisoit esperer tous les avantages qu\'ils se pourroient promettre d\'un
bon traitté. Le Boy de Dannemare mesme estoit d\'avis, qu\'il falloit con-
clurre avec luy, et en parloit aux Ambassadexn^s en ces tenues."

1) 10 augustus 1656. wicqueïoet, II, 418—422.

2) wicquefoet, II, 418, 420. Brieven van de witt, III, 284. hei.-
winö,
566, \'/vergebens suchte er durch wiederliolte diplomatische Sendun-
gen nach Kopenhagen einen offenenen Bruch zwischen den beiden scandina-
vischen Kronen zu verhüthen."

deoysen, 300. "Benningen hatte in Kopenliagen Kleist\'s Bemühungen
auf das Aeusserste erschwert."

3) deoysen, 294. /\'Die Staaten meinten dem Kurfürsten Pillau abzu-
freszen, oder lieszen doch Schweden fürchten, dasz dies ihre Absicht sei,
damit ihnen in den elbinger "Verhandlungen desto mehr zugestanden werde."

300. "Die liolländische Herrschaft in der Ostsee konnte für ihm, eben-
sowenig erwünscht sein wie die schwedische oder die irgend einer andern
Seemacht. Schon genug dasz der holländische Binflusz in Kopenhagen so
grosz war."

4) deoysen, 300. "Die groszen Desseins der Barbaren machen hier
grosze Besorgnisz," meldet "Vf\'eimann »namentlich in Amsterdam war grosze
Aufregung."

-ocr page 195-

de staatsche gezanten stelden zich te vreden met een erken-
ning der onzijdigheid van Danzig, zonder langer op de zelf-
standigheid van die stad te blijven aandringen i): den 10<ien
september brachten de gezamenlijke afgevaardigden een trac-
taat te Elbing tot stand. Maar de verschillende belangen die
men daar in zoo korten tijd in overeenstemming had willen
brengen, liepen zoo ver uiteen, dat eigenlijk geen der par-
tijen met het vergelijk ingenomen was: Denemarken meende
dat Zweden daarin te veel bevoordeeld was , de Staten
dat de onafhankelijkheid der pruisische havens niet genoeg
was gewaarborgd; Danzig zelf, in welks belang men ge-
meend had te handelen, weigerde zich van Polen af te
scheiden ; dien ten gevolge werden van alle kanten be-
zwaren geopperd, de ontvangen „Elucidatiën" voldeden nie-
mand en het verdrag w-erd niet geratificeerd; de oorlog

1) WICQTJEFOET, II, 422. //Cet Estât avoit interest d\'asseurer la navi-
gation et la liberté du commerce de la Mer Baltique, et les Ambassadeurs
jugeoient que cette seureté se rencontroit dans les conditions que le Eoy de
Suede leur oiFroit, de sorte que voyant que ses offres estoient conformes à
l\'intention de leurs Maistres, et que c\'étoit tout ce qu\'ils pouvoient desirer
en vertu de leur Instruction, ils ne firent point de difficulté de signer le
traitté d\'Elbing."

dboysen, 300. //Die holländischen G-esandten gaben einiges auf, na-
mentlich die Forderung, dasz Danzig fortan einen eigenen Staat bilde; sie
begnügten sich, die Neutralität für Danzig auszubedingen. Am 10 Septem-
ber wurde der elbinger Vertrag abgeschlossen, ein Vertrag wesentlich han-
delspolitischer Art, mit dem die Frage der Herrschaft in der Ostsee bis
auf Weiteres vertagt war."

2) wicqueiobt, II, 426. dboysen, 315.

3) wicqueeobt, II, 423—425. Slingeland en de Huybert begaven zieh
te vergeefs naar Danzig.

4) wicqueeoet, II, 429. "Oll s\'âvisa de demander l\'explication de quel-
*ines termes, qui à ce qu\'on disoit, chagrinoient quelques villes de Hollande
(particulièrement la ville d\'Amsterdam) qui sont la pluapart intéressées au
coainierce du Nort." 506 en 507.

-ocr page 196-

ontbrandde nu natuurUjk op nieuw. Zweden verzekerde zicb
daarbij van de medewerking van Brandenburg door bij bet
tractraat van Labiau (11 november) het leenverband wegens
Pruisen in een foedus aequale te veranderen, waardoor de
keurvorst tot souverein van dat hertogdom werd verklaard
de Staten trokken daaruit het voordeel dat tegelijk Zwedens
recht verviel aldaar langer tollen te heffen. Maar het groot-
ste voordeel was, dat nu de band verbroken was die Bran-
denburg in onderdanigheid hield jegens Zweden ; men
zou niet lang talmen daarvan partij te trekken. Tegenover
Carel Gustaaf stonden de vereenigde Polen, Denen, Neder-
landers en Russen Wel waren Frankrijk en Engeland

1) heiwing, 559—565.

2) dbovsen, 301, beschrijft de toenadering tusschen den Keurvorst en de
Staten gedurende de onderhandeling te Blbing aldus :
«in Holland wurde nait
lebhaftem Dank die guten Diensten anerkannt, die der Kurfürst in diesen
schwierigen Verhandlungen geleistet habe de Staten zouden toen reeds aan-
geboden hebben hem de souvereiniteit over Pruissen te bezorgen, maar "nicht
in diesem Zusammenhange, nicht als ein Anhängsel der holländischen Han-
delspolitik wollte er die Souveränetät, um so weniger da die Holländer so-
fort in den Licenten van Pillau und Memel ihren Preis gefordert haben
würden."

3) HELWING, 560.

4) Prankrijk wenschte den oorlog uit Polen naar de erflanden des Keizer»
overgebracht te zien. Het had zich ook ingela.ten met de
onderhandelingen
van Elbing. wicqueeoet, II, 428 en 429. "La France fit faire d\'autres
ouvertures, et vouloit que le paix se fist aux dépens de l\'Electeur, qu\'elle
vouloit obhger à céder la ville de Memel et le fort de Pillau au Eoy de
Suede, en prenant recompense en argent ou autrement. Mais o\'estoit se
perdre, à quoy cet Estât ne pouvoit pas consentir."

5) WICQTJBEOBT, II, 285. Le Protecteur qui faisoit le zélé pom- sa re-
ligion, ne favorisoit pourtant le Eoy de Suede, Prince Protestant, que des
voeux quil faisoit pour la prospérité de ses armes." De Keurvorst
schijn*
in den zomer van 1657 weer in Londen te hebben laten onderhandelen-
Brieven van de witt, III, 339, 392.

-ocr page 197-

op de hand van Zweden, doch mengden zich niet in den
strijd; de Keizer en Spanje daarentegen steunden Polen,
en zij waren het voornamelijk die zich van de taak kweten
Brandenburg los te maken van de zweedsche alliantie
hetgeen ook werkelijk weldra gelukte; voor zoo sterke over-
macht beducht , liet de Keurvorst zich bewegen de zijde
van Carel Gustaaf te verlaten, en een verdrag van neutra-
liteit te teekenen (te Welaa, 14 september 1657), na zich
vooraf overtuigd te hebben dat de kroon Polen de onaf-
hankelijkheid van Pruisen bevestigen zou ). De koning van

1) wicquefobt, II, 485. "L\'Electeur de Brandebourg qui avoit bien
sujet de craindre ce puissant et agissant voisin, escoutoit les propositions
que l\'Empereur, les Rois de Pologne et de Dannemare, le Moscovite et les
Estats luy faisoient faire, pour tascher de le mettre hors des interests de
la Suede."

de witt aan vaît dobp. Uneven, II, 497; heewing, 569. De Keizer
beloofde den Keurvorst de duitsche provinciën van Zweden. "Ausserdem
wirkte noch der spanische G-esandte im Haag (don Esteban de Q-amarra)
anf die Schwiegermutter des Kurfürsten, die Prinzessin von Oranien, um
letzteren zum Abfall von Schweden zu bewegen."

2) wicqueeobt, II, 430. De Koning van Polen kwam in zijn Eijk
terug, en herwon het weldra tot aan Danzig toe, /\'Cette revolution fît ve-
nir d\'autres pensées à l\'Electeur de Brandebourg, quy estoit entré dans
les interests du Eoy de Suede comme par force, y ayant esté entraîné par
les conseils du Comte de Waldeck. Il fît reflexion sur l\'incommodité que
luy apporteroit le voisinage d\'un Prince dont la puissance ne luy estoit desja
que trop redoutable, et considérant qu\'il pourroit demeurer seul exposé à
la discrétion de leurs ennemis, si la fortune se lassoit de suivre et de fa-
voriser les armes de Suede, il changea de party, et prit une Eesolution plus
Conforme à son inclination qui a tousjours beaucoup de rapport à ses inte-
rests , dont des gen^ passionnés ou infidelles luy ont souvent dérobé la ve-
ritable connoissance."

3) helwiîtg, 570. Dat verdrag had plaats onder bemiddeling van den
Keizer, Denemarken en de Staten; de Keizer bleef er nog daarenboven ga-
»■ant van.

Brieven van de witt, III, 434, 437, 438. (October 1657). Het ge-

12

-ocr page 198-

Zweden deed echter over dezen afval zoo hevige verwijten,
en de Keurvorst beantwoordde die zoo scherp en bitter, dat
de onzijdigheid binnen korten tijd weer tot vijandigheid
oversloeg 1), en Brandenburg nog voor het eind van het
jaar (30 october) een alliantie met Denemarken, en in ja-
nuari 1658 met den Keizer aanging^). Denemarken was
niet gelukkig geweest in den oorlog; het had in mei 1657
onder engelsche bemiddeling den onvoordeeligen vrede van
Roschild moeten sluiten =5). Thans
met Brandenburg verbon-
den, besloot het op raad der Staten Generaal^) den strijd
te hervatten. De Hoog-Mogenden hadden nog wel een nieuwe
bemiddeling beproefd^); hun gezanten bevonden zich sedert
de onderhandeling te Elbing nog steeds in het Noorden:
nog eenmaal poogden zij hun taak op hechteren grondslag
tot stand te brengen: van Dorp beijverde zich daartoe by
den koning van Zweden, en IJsbrants te Berlijn«); maar

rucht wilde dat de Keurvorst zich reeds terstond verbonden had Zweden

aan te vallen.

1) HELWING, 581—586.

2) WICQTTErOST, II, 533.

3) AITZEMA, IX, 73-84. WICQVEEOBT, II, 571. DBOYSEN, III, 2,
371 375 378. «Mit 1500 mann zu Fusz und 3000 Pferden hatte Karl
ausiav Dänemark gezwungen, die Abtretung Schonens, Blekingens Ha^\'
lands, Drontheims, Bornholms, die Souveränetät des Herzogs von Gottor

zu gewähren." SIMONS , JOHAN DB WITT, 1, 61. ^^

4) DBOYSEN, 332. "Sie trieben in Kopenhagen zum Bruch mit Schweden.

5) WICQVEEOBT, II, 505. "Devant que tous ces desordres fussent ar-
rivés, les Estats avoient ordonné à leurs Ambassadeurs de travailler à l\'ac-
commodement des deux Eois, et d\'oiFrir leur mediation à l\'un et à l\'autr •
Le Eoy de Suede la refusa" enz.

6) AITZEMA, IX, 161-171. "De heer IJsbrants last ontvangen hebbend^

om te gaen naer Berlijn, is aldaer aengecomen den 12 maert (1658)
Oostenrijk en Polen hoopten
Keurbrandenburg tot verovering van Pomm
ren op te zetten -de fransche ministers
de Lombres ende Acackia, pooc
den soowel Polen als Brandenburch vau Oostenrijck aftehouden. De lute»

II

J

-ocr page 199-

het voornemen werd verijdeld; Frankrijk werkte om de al-
liantie van Brandenburg en Polen met Oostenrijk te ver-
breken ; Oostenrijk van zijn kant wilde niet hooren van

tiea ende interesten van dezen Staet waren meer daertegen, edoch altijd
soeckende de vredehandeling te bevorderen, op eerlijcke gronden, oversulcx
■was de heer IJsbrands aen dat kenr-vorstelijck Hof gesonden."

"Daertoe werd IJsbrands oock naar Brannsberg afgevaardigd en gelast,
aldaer in alles met de Ministers van den Keur-Vorst confidentelljck te com-
municeren ende specialijck bij alle bequame wegen te bevorderen dat de
herstelde en vernieuwde confidentie tusschen den Coningh van Poolen en
S. C. Doorl. meer ende meer gecorroboreerd ende bevestight, de gemeene
interesten ten besten gepromoveert, mitsgaders een goede en vaste vreede
tusschen de Coningen van Sweeden ende Poolen met derselver geallieerden
Uytgewerckt mocht worden."

WiCQUEroRT, II, 507. "Isbrands ent ordre d\'aller trouver l\'Electeur
de Brandebourg à Berlin (au printemps de 1658) mais sa présence n\'y
estant pas necessaire parceque l\'Electeur n\'estoit desja que trop engagé avec
les ennemis du Eoy de Suede, il alla vers la fin du mois d\'Avril à Posna-
uie, afin d\'apprendre de la bouche du Eoy de Pologne les sentiments, q\\ie
ses Ministres apporteroient à Braunsberg, oîi l\'on se devoit assembler pour
tascher d\'accommoder les deux Eois de Pologne et de Suede . .. Isbrands
après avoir fait le voyage de Pologne, suivit k Eeine à Berlin, oii elle

arriva le 28 juin----s\'estant acquitté de sa commission à Berlin, il alla

l\'ej oindre Dorp à Wismar."

AITZEMA, IX, 177, 10 augustus was IJsbrants weer te Berlijn; om
hij den koning van Polen, den vrede te helpen bevordei-en gelijk v. Dorp bij
dien van Zweden.

178. «De heer Cheurvorst was ende bleef gei-esolveert om met sijn macht
ï\'ruyssen te helpen suyveren ende in persoon derwaerts te gaen, ende alsoo
de Koningh van Polen nae gheeyndichde Eijcxdagh in persoon quam voor
ïoom, soo heeft sich de Heer IJsbrands oock derwaerts begeven."

In april 1659 kwam IJsbrants weer in den Haag terug, 399.

1) Brieven van de witt, IV, 540, 542. «Ick kan alsnogh klaerlijek
hemercken dat Vranckrijck het noodigh aght, dat de koning van Sweeden,
^let te seer en werdt verswackt, vreesende, dat als de Keyser met den Keur-
\'^\'orst soo nae verbonden sijnde, als hij tegenwoordigh is met Saxen, Beye-
^en ende Brandenburgh, datse van de sijde van Duytslandt altijt souden
bonnen getroubleert worden; dat daerom de Koningh van Sweeden behoort

12*

-ocr page 200-

een bemiddeling waarin Frankrijk de hand zou hebben^);
een congres, dat reeds te Braunsberg was belegd, had
derhalve niet plaats, en toen daarop een verbond tusschen
Mazarin en Cromwell tot stand kwam, werd de oorlog on-
vermijdelijk

De krijgsverrichtingen vingen aan met een inval van
een deel van het deensche leger in Bremen en van het
andere in Schonen: de Zweden daarentegen sloegen het
beleg om Copenhagen ; nu was van alle kansen van den
noordschen oorlog geen meer geschikt indruk in Nederland te
maken dan de mogelijkheid beide oevers van de Sont in
handen der Zweden te zien geraken, waardoor de
Oostzee
voor goed gesloten zou zijn geweest. Om dit te verhoeden
werd een vloot derwaarts gezonden, die de Zweden versloeg

J

in een considerabel postner gehouden te worden en datter om die reden ten
hoogsten aen is gelegen dat men Brandenburgh van die Ligue soude können
afbrenghen."

1) wiCQUEPOBT, 508. "Le Eoy d\'Hongrie, c\'est ainsy que l\'on appelloi^
Leopold devant son election, avec lequel le Eoy de Pologne estoit bien avan^
engagé, ne voulut pas permettre que Lombres, Ambassadeur de France, y
intervinst comme Mediateur, encore que celuy cy promist qu\'il ne se mele-
roit point des interests de la maison d\'Axistriche."

2) deotsek, 337. "Dasz Holland jetzt den AngrilT Dänemarks wünschte,

geschah schon nicht mehr aUein aus Eücksicht auf die baltische Verhält-
nisse. Fast noch mehr trieb, was im Westen geschah zu rascher Action-

Tegenover het bondgenootschap van Engeland en Frankrijk vormde zißb
een ligue van Polen en Oostenrijk, waarin (
deoysen, 338) «wird admittir*
das Hans Oestreich, Dänemark, Holland, Moskau, Tartaren, etlichen KnJ"
und Fürsten des Eeichs, in specie der Kurfürst von Brandenburg."

3) DEOYSEN, 414—418.

4) deoysen, 381. «Wie man im Haag dachte, zeigte sich darin das^
die Sendung einer "auszerordentlichen Flotte" in die Ostsee beschlossen war,
dasz die mit lebhaften Eifer gerüstet wurde."

helwing, 585. "Da weckte die Gefahr, die für die Ostseestaaten darau»

erwachsen wurde, wenn Schweden sich des Sundes, der dänischen Inseln,

-ocr page 201-

en op hetzelfde tijdstip rukte de keurvorst van Brandenburg
in Holstein om den Denen te land hulp te verschaffen
Zweden hoopte op ondersteuning uit Engeland; werkelijk
werd daar een vloot in zee gebracht, in schijn om den
vrede te helpen bevorderen , maar inderdaad naar men
vermoedde, om Carel Gustaaf te ondersteunen "Maar
de dood van Cromwell^), beroofde Zweden van zijn voor-

und Holsteins, namentlich aiüokstadts bemächtigte, in dem Kurfürsten einen
raschen Entschlnsz. Er stellte sich schon im Anfange September (1658) an
die Spitze seines Heeres, und wandte sich mit demselben nach Holstein,
Während die Holländer mit ihrer Elotte Kopenhagen zu schützen bemüht
Waren."

1) JBrieven van de witt, III, 457, 462. De brandenburgsche gezant
Copes notificeerde zulks aan de Staten,
aitzema, IX, 104. Der Staten
gezant IJsbrants vergezelde het leger in Holstein, ibid. 180.

2) In Engeland zeide men ook in overweging te nemen »dat het beter is
dat de Sond is in twee handen als in eene."
Brieven van de witt , III, 509.

3) DEOYSEN, 321, 322 (dec. 1658). »Und nun kam die Nachricht aus
dem Haag, dasz England auf der Nachricht von der Schlacht im Sund, 21
Kriegsschiffe ausgesandt habe, den Schweden zu helfen, dasz die Bestür-
zung in Holland grosz, dasz nicht zu berechnen sei, wie man sich ent-
sohlieszen, wo man sich fügen werde um nicht mit England in Krieg zu
kommen; und der englische Gesandte im Haag erklärte ja, dasz alles nur
gegen Oestreich gemeint sei, dasz der Protector keineswegs Dänemark wolle
vernichten lassen, dass er dahin trachten werde, auch den Kurfürsten ab-
zuziehen. Der Kurfürst liesz nach den Haag antworten: »wenn nui- die
Herren Staaten bei ihrer Eesolution bleiben, so wollen wir England nicht
fürchten."

4) DEOYSBN, 419. »In der Mitte September erfuhr Kai-1 Gustav dasz
Cromwell gestorben sei; die Erage der Nachfolge, die Berufung seines Soh-
nes Eichard verzögerte die Entscheidung, auf die er mit Zuversicht rechnete."

Nieupoort schreef bij gelegenheid van Oromwells dood aan den raad-
pensionaris
(Brieven, III, 542) »spreeckende van Brandenburgh, seyde
Thurloe, dat deselve qualijck anders als Oostenrijck konde geconsidereert
Worden, om verscheyde redenen, datse sedert het overlijden van den Heer
Protector nogh tael nogh teycken van hem hadden gehoort, dat hij nooit
de
minste condoleantie ofte congratulatie hadde gedaen." Op een vroegere

-ocr page 202-

naamsten bondgenoot: in plaats van de wapenen op te
vatten sloot Richard Cromwell in mei 1659 een verdrag met
Frankrijk en de Staten —■ het
concert van den Haag "
waarbij tot een gemeenschappelijke bemiddeling in de
noord-
sche geschillen werd besloten

Dit verdrag, waardoor de gebeurtenissen eene nieuwe en
verrassende wending namen, was een triomf voor de
fransche
diplomatie, welke zich daarbij voorstelde den Keizer al zijn
bondgenooten
te ontnemen, en zoo doende Zweden de ge-
legenheid te geven hem met goed gevolg aan te tasten ;
daarom werd doorgedreven den vrede tusschen Zweden en
Denemarken
op den voet van het tractaat van Roschild te
herstellen; te vergeefs poogde de Republiek den vrede van
Christianopel van 1645 als maatstaf te doen
aannemen,
Frankrijk en Engeland volhardden in hun voornemen

dergelijke Macht (521) had Weimann zieh bij de Witt verontschuldigd me*
te wijzen op de «swaere affaires daerin de Heer Keurvorst
tegenwoordig g®\'
involveert
is." (526.)

1) wicqtjeboet, II, 573—578, traité de la Haye, 21 mei 1659.
SEK, 445.

2) deoysen, 442. »la dieser groszeu Bundesgenossenschaft fühlte sich
der Kaiserliche Hof stark genug, den Kampf aufzunehmen; sie muszte
Mazariö
zu sprengen, er muszte Holland und Brandenburg abzuziehen, den Norden zu
beruhigen suchen, um Karl G-nstavs Hand gegen Oestreich
freizumachen-

3) deoysen, 443. "Im Haag erklärten Frankreich und England, das«
sie entschloszen seien, dem Kriege der beiden nordischen Kronen ein Ende
zu machen; sie forderten die Staaten zur Mitwirkung auf, die ja gleich
ihnen, und mehr noch als sie den baltischen Frieden wünschen müszten-
De Witt konnte nicht zweifeln dasz beide Mächte einig seien; die Ei^®
Englands, erschreckte ihn ; das Erbieten gemeinsamer Mediation
schien ihm
den einzig möglichen Ausweg zu zeigen ; er erbot sich mitzuwirken, dasz die
Lage der Dinge, wie sie der Friede von 1645 bestimmt, hergestellt würde-
Die beiden Mächten beharrten dabei, dasz der Friede auf den Fusz und
nach dem Wortlaut des roschilder Friedens zu fordern sei."

444. "Am 21 Mai wurde das Haager Concert unterzeichnet, in dem die

-ocr page 203-

tuurlijk verhief de deensche regeering hierover luide klach-
ten, en beschuldigde in de eerste plaats de Staten haar
belangen in den steek te laten, na haar eerst tot deel-
neming aan den oorlog te hebben aangespoord ; in die
ergernis deelde Brandenburg: reeds was in den laatsten tijd
weer veel stof tot ontevredenheid gegeven door de woelin-
gen der cleefsche Stenden, die men te recht of te onrecht
meende dat uit den Haag werden aangeblazen nu werd de
maat vol gemeten door de geheimzinnigheid waarmede het
ware doel der verstandhouding met Frankrijk en Engeland
voor de brandenburgsche gezanten verborgen gehouden werd,
hetgeen van zelf vermoeden gaf dat er iets in hun nadeel ge-
smeed werd De hevigheid waarmede Weimann en Copes

drei Mächte sieh verpflichteten, den Frieden im Wesentlichen auf Q-rund des
roschilder Tractates herzustellen."

wicqtjefoet, II, 577, "le traitté portoit que les trois Estats s\'oblige-
roient à faire faire la paix entre les Eois de Dannemarc et de Suede sur
le pied du traitté de Eoschild, à la reserve du troisième article, qui en se-
roit osté, ou du moins expliqué en sorte que les trois Estats n\'en fussent point
incommodés en leur commerce, et en la navigation de la Mer Baltique."

1) Eeeds vóór het sluiten van het verdrag (25 april 1659, Srieven, III,
606) schreef de Witt aan Nieupoort dat de ministers van Denemarken en
Brandenburg "haer ten hoogsten tegens het werck kanten, en soo door pu-
blieke audientien als ingediende memoriën haer ten hooghsten geformaliseert
hebben."
wicqtjeïobt , II, 582. Brieven van de witt, III, 651.

dboysen, 444. Mit diesem Haager Concert war die Lage der Dinge

völlig verrückt......es schien unzweifelhaft dasz König Friedrich, so von

Holland verlassen, und der Pression der drei Mächte preisgegeben, den Par-
ticularfrieden werde annehmen müssen."

2) dboysen, 294, 333—336.

3) wicqueeobt, II, 580.

4) wicqueeoet, II, 579. "Des que le traitté fut arresté et conclu,
Daniel Weiman et Jean Copes, Ministres de Brandebourg, qui avoient fait
de grands efforts, particulièrement par le moyen des Députés de Prise, dont
le Gouverneur estoit beaufrere de l\'Electeur, pour en empescher la signa-

-ocr page 204-

zich over de handelwijze van den raad-pensionaris beklaag-
den, bracht wel het besluit te weeg dat Brandenburg m
allen gevalle
in het verdrag tusschen Zweden en Denemar-
ken begrepen zou worden , maar het werd den Keurvorst
niet vergund deel te nemen aan de onderhandeling ; hy
zou lijdelijk moeten afwachten wat de verbonden
mogend-
heden omtrent zijn lot beshssen zouden; de verontwaardi-
ging van zijn gezanten in den Haag kende dan ook geen
palen®).

tare, demandèrent et obtinrent audiance. Weimau, qui estoit un grand et

impertinent parleur portoit la parole...... Sa harangue ne produisit

d\'autre effet, sinon qu\'elle laissa l\'Assemblée fort scandalisée de ses incon-
gruités et des termes offensants qu\'il y avoit meslés. Weimau avoit es-
crit à l\'Electem-, que le traitté du 21 May, qui faisoit tant de bruit,
estoit
principalement l\'ouvrage du Conseiller Pensionaire de Hollande, en qnoy
il ne s\'étoit pas trompé."

1) Brieven van de witt, III, 615, 628, 632. Ook Prankrijk vras
daarvoor, 6-18; Mazarin liet kort daarna door Johann Erischmann met den
Kem-vorst onderhandelen, echter vruchteloos.
dboysen, 448—450.

2) DROYSES, 445. »Eür Brandenburg hatte freilich das Concert einige
Fürsorge getroffen; aber als mitpasoicirende Macht würde es nicht angese
hen; der Kurfürst war für die Zukunft, so weit Frankreich ihm
nicht zn
decken für gut fand, den Insolentien Schwedens preis gegeben."

3) wiCQUEEOET, II, 581. \'/L\'Electeur, qui n\'aimoit point le Conseillej-
Pensionaire, tant à cause des désmeslés, qu\'il avoit eus avec les Estats
Hollande, poiu-
l\'éducation du jeune Prince d\'Orange, que pour plusieuiS
autres considerations, s\'avisa de faire imprimer et pubHer une espeoe
libelle, sous le tiltre d\'une lettre, qu\'il escrivoit, à ce qu\'elle portoit, à un
de ses Ministres résidents à la Haye (8 juillet 1659);
il disoit que e
Conseiller Pensionaire, qui avoit fait conclurre ce traitté, avoit

crime irrémissible contre l\'Estat, et qu\'ayant par là détruit ses vérita e^
interests, il devoit attendre de ses mauvais et pernicieux conseils le
traittement, et la mesme disgrace, qui avoit autrefois fait périr un de se^

prédécesseurs ......les personnes desinteressées, qui virent la lettre ^^^

l\'Electeur, firent un très mauvais jugement du Conseil de Berlin,
avoit inspiré une pensée si basse, qu\'elle faisoit honte ou pitié, en ce qu

-ocr page 205-

Ook in Zweden was men geenszins met de opgedrongen
bemiddeling ingenomen i); zelfs dreigde de Koning de vier
gezanten , die de Republiek ten gevolge van het haagsche
concert derwaarts gezonden had, te doen arresteren; men had
te Stockholm niet vergeten hoe de Witt het deensche hof tot
den oorlog had aangezet, hoe hij het tractaat van Roschild, ten
gunste van Denemarken door een minder voordeelig had willen
doen vervangen. De onderhandeling wilde dus niet vlotten
en het beleg van Copenhagen duurde steeds voort. Eerst
nadat de Zweden op Fünen verslagen waren door het scheeps-
volk van de Ruyter, met behulp van keizerlijke, branden-
burgsche en poolsche troepen , en daarop de vesting Ny-
borg na een bombardement overgegeven was, kwam er meer
uitzicht op vrede 4), hoewel de tegenzin tegen den grond-
slag van het haagsche
concert even levendig bleef. Bran-
denburg ondersteunde in den Haag ijverig de belangen van
Denemarken: althans het bezit van Schonen wenschte het
aan die kroon te verschaffen; maar de pogingen van zijn
gezanten, om de Witt van zijn bondgenooten af te trekken

coiTimettoit l\'Electeur avec la derniere personne de l\'Assemblée des Estats de
Hollande, faisant paroistre un ressentiment, qui ne pouvant pas changer
l\'estat de l\'aifaire, estoit inutile, et ne pouvoit servir qu\'à l\'aigrir d\'avantage ;
outre qu\'il s\'exposoit au hasard de s\'attirer une réponse, qui auroit esté sans
réplique."

1) dbotsen, 465. //Er war empört, dass diese Eepubhken »die einen
Krämer, die andern Königsmörder\' ihm Gesetze vorschreiben wollten."

2) Govert van Slingeland, pensionaris van Dordi\'echt, Pieter Vogelsangh,
pensionaris van Amsterdam, Pieter de Huybert, secretaris der staten van
Zeeland, en Willem van Haren, grietman van het Bildt.
wagenaab , XII ,477.

3) aitzema, IX, 533. //Wijman ende Oopes congratuleerden H. H. M.
daerover in een memorie," 20 dec. 1659.

4) wicqueeoet, II, 621. aitzema, IX, 418—431, 490—498, de ko-
ning van Zweden erkende dientengevolge de Staten als bemiddelaars.

-ocr page 206-

waren vruchteloos^): de raad-pensionaris vermeed met zorg
aanleiding te geven tot een vredebreuk met Engeland, op een
oogenblik dat de royalistische reactie aldaar van dag tot dag
toenam en het herstel der Stuarts meer en meer
waarschijnlijk
werd. De Oranje-partij bier te lande zag natuurlijk dat streven
met groote ingenomenheid, niemand kon voorzien welken keer
de gebeurtenissen nemen zouden: voor de Witt en zijn partij
was het zaak in die onzekerheid niet
alleen Engeland ^^^^
ook den keurvorst van Brandenburg te vriend te houden •
herhaalde conferenties met zijn gezanten moesten de betrek-
king levendig houden, hoewel er inderdaad niets door o
stand werd gebracht het openen van een leening
werd heni
toegestaan, waarvan het doel was, oorlogschepen uit

1) dboysen, 486. "Als Weimann wie so oft vergebens, auf
verderbliche Verfahren Hollands im Sund hinwies, ihn aufforderte, en ^^^
das haagische Concert bei Seite zu setzen, wenigstens Schonen an Panem ^^
zurückzubringen, nur einem Generalfrieden zuzustimmen, so
verspra
Witt auch dafür sein Best zu thun. In der That wurde ^emnächst^^^^
febr.) eine Conferenz gehalten, in der die Staatische Commissäre,
unter ihnen, den Brandenburgern erklärten, sie hätten von den
Auftrag, Seine Kurf. Durchl. als ihrem ältesten und getreuesten
noszen, bekannt zu machen, dasz sie ihrem Gesandten in Englan
geben, alles anzuwenden, damit Dänemark mehr erhalte, als m der e ^^^
Convention bedingt sei, weil Schweden durch Tergiversation dem
Dänemark so groszen Schaden zugefügt, und dasz sie ihrem Gesan en
Dänemark aufgegeben, deu Krieg kräftig führen zu lassen."

2) dboysen, 489. ,

3) dboysen, 485 (febr. 1660). "Auch im Haag sah man wie
mung in England zum Königthum trieb. Und de Witt, der
und Wetter zu steuern verstand, hielt es Zeitgemäsz,
Weimann

chen und ihm zu vertrauen, wie er wünsche das alte Vertrauen zw^^^^^^
dem Hause Oranien und den Provinzen herzustellen, -das englisc e^^
sionswerk" aus dem Wege zu schaffen und den jungen Prinzen,
fürsten Neffen und Mündel ziun Statthalter zu machen."

4) aitzema, IX, 224—226.

-ocr page 207-

rusten, om zich bij de staatsche vloot in de Sont te voegen
en alle ondersteuning daarbij toegezegd; maar toen het op
de uitvoering aankwam, werden bezwaren geopperd en uit-
vluchten gezocht die duidelijk te kennen gaven, hoe on-
gaarne men de hand wilde leenen tot de oprichting van
een nieuwe zeemogendheid in de Oostzee, die aldaar, gelijk
wel te berekenen was, mettertijd de rol der Staten zou
overnemen en den evenaar tusschen Denemarken en Zweden
willen houden — waarschijnlijk, na eerst in verbond met een
hunner de Nederlanders van die kusten verdreven te hebben.

Intusschen was Zweden, terwijl het zich met de Staten
over de bemiddeling trachtte te verstaan^), in onderhande-
ling met Polen getreden, en niettegenstaande de tegenwer-
king van den nederlandschen gezant Johan van den Honert®),
sloten die beide kronen afzonderlijk vrede te Oliva (10 mei
1660) bij welke gelegenheid de souvereiniteit van Pruisen
definitief werd bevestigd. Men had gepoogd die onderhan-

1) dboysen, 487. "Der Kurfürst glaubte dieze Stimmung benutzen zu
müssen. Er liesz einigen angesehenen Männern in Amsterdam die Frage
vorlegen, ob er wohl ein zwanzig Kriegsschiffe zu Kauf bekommen könne.
Mit Eifer wurde der Antrag aufgenommen, die Kosten berechnet, eine An-
leihe auf Hypothek des Pillauschen Pfandzolles werde ohne Mühe zu machen
sein; sofort seien einige kleinere Schiffe von 10—20 Kanonen zu haben,
ganz geeignet für den Krieg in Pommeren und in den Strömen dort."

490. "Dasz der Kiu\'fürst eifrig bemüht war, sich Kriegsschiffe anzuschaf-
fen, gefiel den Herren im Haag wenig, auf die erneuten Anfragen in Am-
sterdam wurde ausweichend geantwortet, die gegebene Zusage gedeutet, die
allerlei Schwierigkeiten hervorgekehrt "gleich als sähe man nicht gern, dass
S. Kf. D. an Schiffsmacht allmählig gedenken solle."

2) WICQUBEOBT, II, 621—626; door Julius Coyet.

3) degysen, 483. wicqueeoet, 643. "Les Suédois ne rejettoient pas
absolument la mediation de van den Honart, et dïsoient mesmes qu\'ils croy-
oient qu\'elle ne seroit pas desagréable au Roy, leur Maistre, mais que
n\'ayant pas d\'ordre exprés pour cela, ils ne l\'osoient pas accepter positivement."

-ocr page 208-

delingen te stuiten, omdat men voorzag dat Zweden, na
zich met zijn overige vijanden verzoend te hebben, met a e
macht op Denemarken zou vallen i), maar de onverwachte
dood van Carel Gustaaf verijdelde gelukkig die vrees O, he
voornaamste beletsel voor den vrede werd daardoor weg-
genomen; den
8sten juni 1660 werd een verdrag tusschen
Denemarken en Zweden gesloten, onder bemiddehng
Frankrijk, Engeland en de Republiek, waardoor ten laats e
een eind gemaakt werd aan den vijfjarigen hardnekkige»
strijd, en het evenwicht in het Noorden hersteld.

Door deze gelukkige uitkomst hoopte men dat Europa
eindelijk de rust verkrijgen zou, die door den ^^^
Munster niet tot stand had kunnen gebracht
worden. ^^^
te voren was ook door den vrede der Pyrenaeën een e
gemaakt aan den langdurigen oorlog tusschen
Frankrijk
Spanje; de dynastie der Stuarts was sedert het voorjaa^
op den engelschen troon hersteld; een algemeene en duur^
zame rust scheen nu verwacht te mogen
worden®)-

1) de witt aan meupooet , (30 jan. 1660, Brieven, IU, 800).
sien oock met bekommernisse te gemoedt, ende hebben ^^^^ g^ggdea

brieven, ons vertoont, in \'t seecker bespeurt, dat de koningh van ^^^^
sal traghten op alle bedenckelijcke wegen ende
middelen met Poolen. ^

\'t doenlijck ook met den Keyser ende Brandenburgh vreede te
omme alzoo het werck van Denemarcken des te beter te mogen mees ^^^^^^
den, gelijok wij meede verseeckert sijn sijn van de sijde van
Poo en
eene seer kraghtige inclinatie te wesen." ^

Brandenburg nam aan de onderhandelingen te Oliva deel de

bassadeurs, Hoverbeck, Somnitz en Ostan. dumoïTT , actes et mem

la paix de Bijsioiclc, II, 177. .

2) deotsen, 488, 490. Voorrede op het derde deel der
van de Witt, bl. IX, -het Noorden soude nae alle ^PP®^®\'\'^\'® »i®^
veele troublen geagiteerd geworden hebben, indien Karei

schierlijck was. komen te sterven." Jntroduc-

3) MiGNET, Négociations relatives à la succession d\'Espagne,

tion LIV; Partie seconde, Section I, p. 162, 163.

-ocr page 209-

schoone vooruitziclit hield echter niet lang aan. Carel II,
na gedurende zijn ballingschap in Frankrijk en in Neder-
land een schuilplaats gevonden te hebben, had het vaste-
land verlaten met de levendigste betuigingen van dankbaar-
heid en vriendschap jegens die beide hoofdvijanden van
Engeland 1), maar eenmaal den troon beklommen hebbende
Vi^as de dankbaarheid weldra vergeten; met de leiding der
engelsche staatkunde moest hij ook wel al haar grieven en
naijver jegens de Repubhek overnemen, hetgeen te gemak-
kelijker geschiedde door den persoonlijken haat dien hij als
absoluut monarch tegen den republikeinschen regeerings-
vorm koesterde. Bij de zekerheid die men weldra van deze
gezindheid verkreeg 2), was de dood der Prinses
Royale s)
(3 januari 1661), die haren broeder naar Londen gevolgd
was , een ware ramp voor de Staten, daar het belang
dier vorstin stellig de bevordering der goede verstandhou-

1) WICQUEFOKT, II, 661. »Jamais Eoy n\'avoit fait de plus fortes pro-
testations de tendresse et d\'amitié."

2) Een eerste bewijs van \'s Konings verkoeling was zijn onverwacht hu-
welijk met de prinses van Portugal, terwijl er nog gehandeld werd overeen
verbintenis met een der prinsessen van Oranje; de vrede tusschen Portugal
en de Staten was toen nog niet gesloten. Spanje verzette zich ook tegen
dat huwelijk; de ambassadeur Watteville te Londen verklaarde: »qu\'en
épousant la Portugaise, il épousoit aussy une guerre infailHble et eternelle
avec l\'Espagne; que s\'il vouloit épouser la Princesse d\'Orange le Eoy d\'Es-
pagne l\'adopteroit et la doteroit si bien, que le Eoy y trouveroit mieux son
compte qu\'en Portugal."
wicqtjefoet, III, 45. mi&net, I, 87. wa&e-
naab
, XIII, 6.

3) wicqueeoet, II, 679, ni, 51. wa&enaae, XIlI, 38.

4) WiCQTTEFOET, II, 668. »Elle fît au mesme temps scavoir sa resolu-
tion aux Estats de Hollande, leur offrant d\'appuyer de tout son credit la
negotiation des Ambassadeurs de cet Estât, et les interests de la Province
en particulier, quand elle seroit arrivée à la Cour, les priant de vouloir
considérer la personne de son fils et d\'en avoir soin en son absence."

De koning van Engeland liet terstond de Acte van Seclusie vernietigen.

-ocr page 210-

ding van beide mogendheden medebracht. Daarenboven
ontstonden bezwaren uit haar testament: de prins van Oranje
werd daarin met nadruk in de bescherming van Carel II
aanbevolen, en dus een nieuw verzorger gevoegd bij de vele
heterogene personen, die in het toezicht op \'s
prinsen ont-
wikkeling en belangen gemoeid waren

Hoewel indertijd de quaestie over de voogdij door een
compromis tusschen
beide prinsessen was geregeld, hadden
zich
toch nog dikwijls groote moeielijkheden opgedaan,
vooral ten opzichte van het prinsdom Oranje,
waarover
de twisten zoo hoog liepen, dat de koning van Frankrijk
op aansporen der koningin Henriette van Engeland, van
moederszijde grootmoeder van den Prins,
gewapenderhand
tusschen
beide kwam, en het geheele prinsdom sequestreerde.
Dit had plaats kort voor het vertrek van prinses Mary

1) DEOYSEN, III, 3, 24. "Gleich darauf starb die Prinzesz Royal un
ihr Testament ersuchte den König Beschützer und Vormund
ihres Sohnes
zu sein. Sofort sandte Karl II seine Weisungen an das Fürstenthum Ora-
nien, dessen
Eegentschaft Kraft des Testamentes ihm übertragen sei; er
erklärte dasz er
über die Erziehung des Prinsen erst seine Mitvormunder
hören wolle."

WICQUBÏOET, II, 661—668. Graaf Frederik von Dohna, zusterszoon der

Prinses Douairière, schijnt als gouverneur van het prinsdom eigenmachtige
maatregelen genomen te hebben, die der priases Eoyale mishaagden ; Dohna
werd genoodzaakt stad en kasteel aan de Franschen overtegeven. 667. "1
teur de Brandebourg, qui prestoit son nom à la Doüarière fit en ce temps
là publier un escrit par ses Ministres,, oü on accusoit la Princesse
Boya e
d\'avoir fait perdre cette place au Prince son fils, et on justifioit le Comte
de Dona; mais elle en rejetta toute la faute sur le Comte, et marqua aux
Estats plusieurs particularités, qui faisoient autant de preuves de l\'injustice
et de l\'imprudence qui avoient accompagné toutes ses actions. Elles estoien
toutes innocentes dans l\'esprit de la Doüariere, mais il eut de la peine à se
justifier auprès de l\'Electeur, aussy bien qu\'auprès du Prince d\'Orange."

Archives, V, 181 en 182, Brieven van de prinses Eoyale en de prmses
Douairière aan den kardinaal Mazarin. 195.

-ocr page 211-

naar Engeland, bij welke gelegenheid deze de netelige
quaestie omtrent de opvoeding van haar zoon weer ter sprake
bracht, en daarbij den staten van Holland een voordracht
deed, omtrent de mannen aan wie zij die zorg wenschte
toevertrouwd te zien i). De oude Prinses vernam niet zoo
haast dezen stap van haar schoondochter, of op aandrijven
van den brandenburgschen gezant Weimann, die haar als
raadsman in de zaken de voogdij betreffende door den
Keurvorst was toegevoegd, deed zij een gelijksoortig voor-
stel, echter van personen die zij wist dat der staatspartij
niet aangenaam konden zijn ; de eersten — en daaronder
Johan de Witt — werden dan ook verkozen, maar nauwe-

1) WICQUHI\'OET, II, 677. "Louis de Nassau-Beverweerd, van der lloes
van Noordwijk, Abr. van Beveren, heer van Barendrecht, burgemeester van
Dordrecht, Com. de Graeff van Polsbroeck, burgemeester van Amsterdam,
Pieter van Poreest en Johan, de Witt."

2) wiCQUEFOET, II, 677. "La Princesse Doûariere dont l\'humeur al-
tiere et orgueilleuse n\'avoit pas besoin d\'estre aigrie par des conseils violents,
ne laissoit pas de se servir de ceux du Ministre que l\'Electeur entretenoit
auprès d\'elle pour les affaires de la tntele, qui luy conseilla de faire cette
nomination, quoyque ny luy ny elle ne pussent pas ignorer, qu\'elle ne pou-
voit pas plaire à ceux quy estoient au timon du gouvernement, et qu\'elle
ne serviroit qu\'à les irriter contre eux."

Archives, V, 206, 207. "Madame la Douairière a imité madame la
Princesse Royale, nommé aussy des personnes de la province de Hollande,
en son nom et de celuy de Monsieur l\'Electeur de Brandebourg, comme
estants conjointement tuteurs du Prince, pour avoir soin de son éducation."

BEVEEWEEED aan DE WITT, (18 febr. 1661, Brieven, IV, 83). Il y a
ici (te Londen) des gens, qui travaillent incessamment à rendre suspecte la
conduite de Messieiirs les Députés, alléguant pour cet effet, que lesdits
Députés n\'ont rien faict jusques à cette heure aux affaires du Prince d\'O-
range, que la Princesse Royale leur a dit qu\'elle n\'avoit point consentie
qu\'on mit des Députés pour l\'Education de sons Eils, que lorsqu\'Elle s\'y
vit forcée," enz. (bl. 97, 11 maart) "les personnes susmentionnées auront la
bouche fermée quand les Ministres de l\'Electeur déclareront que c\'est une
chose nécessaire."

-ocr page 212-

lijks hadden zij hun ambt aanvaard, toen \'s Prinsen moeder

stierf en de overige bloed- en aanverwanten dien ten gevo
tot een geheel nieuwe regeling besloten. Aanleiding
gaf de twist of die leden van de staten van Holland, we ^^
zich met de opvoeding van den Prins belast hadden\' ^
niet de grenzen hunner macht overschreden hadden door zi ^^
van de papieren van den overleden Stadhouder meester ^^
maken al de bloedverwanten van den Prins, voora ^
Prinses Douairière en de Keurvorst — die men wil dat oor
de opening dier papieren zeer gecompromitteerd zou zy»
geworden — verzetteden zich krachtig daartegen: zy
men de gelegenheid waar dat een nederlandsche ambassa e,
met den heer van Beverweerd aan het hoofd naar
den toog, om hun zin door te drijven door den
van Carel II, van wien de Repubhek een voordeehg ^^^^
delstractaat hoopte te bedingen; hetzij toeval, hetzij ® J
de Keurvorst zond om de onderhandehng van den ge a ^^
Beverweerd, den raadsman der Prinses Royale, tegen ^
werken , een bloedverwant van diens vader, graaf «

1) bildebdijk, Qescliiedenis des Vaderlands, IX, 262, 263. ^^^
ïobt, III, 51—64. »1\'Electeur de Brandebourg, qui n\'agissoit
mouvements que la Princesse Douariere luy inspiroit, envoya un ^^^^^^
extraordinaire à la Haye, pour se plaindre de ce quea
l\'on aroit fait au

du coffre-fort." de witt aan bevbbweeed , Srieven, IV, 106. ^^^^^

2) Uit dbotsen, m, 2, bl. 12 noot 1 blijkt dat de ^.i^g
dat onder die papieren, voor liem nadeelige bescheiden omtrent en

met Neuburg van 1651 gevonden mochten worden. ^^^

3) Verder Simon van Hoorn, burgemeester van Amsterdam, Mio i-
Gogh en Ripperda van Parmsum, leden der Staten GeneraaL. ^ ^

4) De koning van Engeland onderhield Beverweerd over die zaa , ^^^^^
«e» van
de witt, II, 94. De geheele loop der onderhandehng ^^^^^
door Beverweerd geschetst in de
Brieven van en aan de witt , • ^^^^

91. L. de Nassau aan de Witt, Londen 4 maart 1661. ^

nous aurons bien de la peine de porter Sa Majesté, à remettre 1

-ocr page 213-

Maurits van Nassau, met den kanselier Weimann mede der-
waarts , in naam om een alliantie met het herstelde koning-
schap te sluiten i), maar vooral ter regeling van de voogdij

personelle entierement à M.M. les Deputez, à cause des devoirs qui se font
pour l\'empescher; il ne s\'y pourra rien faire que les Ambassadeurs de
Brandenburgh ne soient venu, car Mr l\'Electeur a faict prier le Eoy par le
Sieur Armera, de luy faire la faveur de ne rien résoudre pour les affaires de
la Tutelle, que ses Ambassadeurs n\'ayent en l\'honneur de le voir, et de
luy représenter ses raisons, ce que S. M. a promis."

100, 101. 18 maart 1661. »Le Prince Maurice et le Sr. Weyman eurent
Mardi dernier leur Audiance, apparemment qu\'ils demanderont une Confe-
rence au premier jour avec les Commissaires qui ont esté nommés icy (bl. 83)
pour les affaires du Prince d\'Orange; il ne paroist pas par lenr discours,
qu\'ils aient ordre, pour faire des offices pour disposer S. M. à remettre en-
tièrement l\'Education entre les mains de Messeigneurs les Estats de Hol-
lande. Le Sieur Weyman dit l\'autre jour à une personne, qui hii parloit
des affaires de Mr. le Prince d\'Orange, qu\'il ne falloit pas desobliger Mes-
seigneurs les Estats d\'HoUande, mais aussy qu\'il seroit
très-dangereux d\'un
antre costé de leiir remettre entierement l\'Education personelle."

de witt aan beveewebbd , 8 April 1661, bl. 112. » Je me suis estoné
que les Ministres de l\'Electeur par delà se sont émancipez à nons joiier
cette piece, qui nous a produit la plainte du Eoy de la arande-Bretagne,
faite à vous autres par la bouche du ChanceHer (106, 111); j\'en ay parlé
ces jours passez fort nettement et à Messieurs Isingh et Copes ensemble,
et à Monsieur Copes en particulier , dont ils n\'am-ont pas manqué de donner
part au Sieur Weyman." bl. 115, 116, 118.

121. De Witt aan Beverweerd en van Hoorn, 6 mei 1661. »AI voor\'t

1) wicqueeoet, III, 54. »Le premier, afin que sa qualité donnast
quelque lustre à l\'Ambassade, et l\'autre pour faire les affaires dont il étoit
assés capable, et l\'auroit esté sans comparaison davantage, sans les habitudes
qu\'il avoit contractées au college, et dans la chicane."

64. "L\'Electeur se seroit bien passé de la dépense d\'une Ambassade si
solemnelle, sans la passion que la Princesse Doüariere avoit de dominer
seule dans la maison d\'Orange."

Archives, V, 210. »On est persuadé icy, que l\'ambassade du Prince
Maurice
et du Sieur Weiman est ouvrage de la Princesse Douairière, et que
ce sont eux, qui animent le Eoy d\'Angleterre contre cet Estât."

-ocr page 214-

van Willem III; dit laatste werk ging voor^); Weimann
bovenal wist den Koning dermate tegen de staten van
Holland op te zetten, die hij voorstelde als de
voogdij
slechts in hun eigen voordeel te willen uitoefenen, dat Care
zich vinden liet tot een overeenkomst, waarbij bepaald wei
dat de drie naaste bloedverwanten dat ambt gezamenlijk
zouden waarnemen: de Prinses zou het echter in aller naam
uitoefenen, en daarin bijgestaan worden door twee
raads-
beden van wege hare medevoogden haar ter zijde gesteld )•
Onmiddelijk op deze overeenkomst volgde het sluiten dei

vertreck van de Heeren Prins Maurits van Nassau ende den Caucelier Wey
man van hier, is mij , met assurantie van seeokere wetenschap , beright gedaen
dat in den Baedt van Kleef besloten was, door den Hr. Weyman in E^S®\'
landt te doen laboreren om den Koningh sooveel doenlijck tegen
Holland op
te hissen, ende selfs door \'t incommoderen van de
groote Visscherijen destt
Landen, Haer Ed. Gr. Mog. te constringeren tot de bekende
designatie m
faveur van den Prins van Oranje." De Witt had daarvan kennis gegeven
aan de »Gedeputeerden tot de Educatie" die niet wilden gelooven "dat e
Vrouwe Princesse Douairiere tot soo eseorablen desseyn soude hebben wi. en
haer advis geven." Nu bleek het echter uit het gedi-ag van Weimann, "dw
door offlcien van de Gravinne van Chesterfield ende anderen aldaer,
soodamg
gehoor ende credit bij den Koning bekomen heeft, dat alle saeken de Tute e
raekende conform desselfs advis gedirigeert werden," zoo zelfs dat WeimMin
gelast was het antwoord voor Beverweerd en v. Hoorn optestellen, "son er

een woort daerinne te veranderen."

126. Beverweerd en v. Hoorn beamen dat Weimann zich veel moei e
geeft "dat de tutele soodanigh magh werden gestelt als men het gaeren vai

die sijde sagh." r i \'d

142. In juni kregen de brandenburgsche gezanten schriftelijk afschel ,

149 , 150.

154—153. Artikelen van het Accoord tusschen de commissarissen va
Carel II, en prins Maurits v. Nassau en Hr. Daniel Weimann van wege
den keurvorst van Brandenburg en Amalia Prinses Douairière van Oranje
(7 mei 1661.)

1) nBOTSEN, III, 3, 21, 25.

2) WICQTJErOET, III, 60. WAGENAAE, XIII, 42 en 43.

-ocr page 215-

engelscli-brandenburgsche alliantie De staten van Holland
echter, buiten wier voorkennis die geheele regeling tot stand
gekomen was, toonden zich daarover zoo. verstoord, toen er
hun kennis van gegeven werd, dat zij terstond verklaarden
zich voortaan aan alle bemoeiing met \'s Prinsen opvoeding
te onttrekken 2). De Prinses had zich dus door haar onbe-
raden ijver zelve op den hals gehaald, wat zij altijd had
trachten te voorkomen, het verbreken van den band tus-
schen Oranje en Holland.

Gelukkig dat de voornaamste drijver in deze aangelegen-
heid, de kanselier Weimann, niet lang daarna overleed®);
na zijn dood kwam de Prinses, op wie nu al de moeielijk-
heden iu het beheer der voogdij bijkans alleen neerkwa-
men, tot meer gematigde gevoelens, waartoe ook wel haar
finantieele bezwaren zullen hebben bijgedragen, en verzocht
zij de Staten (1663) de directie over de opvoeding van haren
kleinzoon weer te willen aanvaarden, hetgeen echter afge-
slagen werd; maar alleen daardoor, dat een eerste stap
gedaan was, was reeds veel gewonnen.

1) deoyseïf, III, 3, 27 en 28.

2) de witt aan van beunifg-en, (6 october 1661, Brieven, I, 440),
"Sijnde haer Ed. Groot Mog. vermits de verkeerde conduite van de sijde
van den Keurvorst van Brandenburgh ende de Princesse Douairière, om-
trent de voorsz. gelegentheyt gepleeght, bewogen geworden haer Eesolutien,
omtrent het subject van de Tutele ende Educatie van der hooghgemeldé
Heere Prince, hier bevorens genomen, wederom in te trecken."

wicqueeoet, III, 63. "1\'Electeur commençant à s\'appercevoir, qu\'il y
avoit plus de passion que de suiHsance dans les cojiseils de ce Ministre,
dont l\'humeur bouillante et opiniastre ruinait les alFaires du Prince, cliangea
la bonne opinion qu\'il avoit de luy en aversion, et luy en donna des mar-
ques assés visibles."

(november 1661), bl. 113. «l\'Ambassade, que l\'Electeur de Brandebourg
avoit envoyée en Angleterre, au lieu d\'establir ses alFaires les avoit gastées etc."

3) wicqxjeeoet, III, 114.

-ocr page 216-

Omstreeks dienzelfden tijd begon de keurvorst van Bran-
denburg aan te dringen op
een hernieuwing der alhantie van
1655, die voor acht jaren aangegaan was Zes van de zeven
Provinciën waren daartoe niet ongei^eigd; aheen Hollan^
niet, welks regeering nog altijd met den Keurvorst op een vrij
onaangenamen en gespannen voet verkeerde Om die wei-
gering te rechtvaardigen diende
de nog altijd onvereffende
hoefijsersche schuld tot uitvlucht, en de alhantie werd dan
ook niet vernieuwd «j. Het volgend jaar (1665) besloot Fried-
rich Wilhelm derhalve
een eind te maken aan dat struikel-
blok, dat hoe lang hoe zwaarder last op zijn Huis
dreigde
te doen wegen. Holland toonde zich echter ook hiertoe
niet bereid, want hetgeen als
een onberekenbaar nadeel werd
voorgesteld, bood inderdaad het voordeel den Keurvorst in
een van dat gewest geheel afhankelijke positie te houden

1) WAGBNAAE, XIII, 77 en 78. De Staten legden omstreekä dezen tijd
ook een nienw geschil tnsschen Brandenburg en Neuburg bij, over de vnje

godsdienstoefening.

2) wicqueuoet, III, 168-170. «l\'Electeur avoit témoigné assés pu-
bliquement, qu\'il n\'aimoit point le Ministre qui avoit la principale direction
des affaires en Hollande, et il lui en avoit donné des preuves très fortes
depuis quelques années, si bien qu\'il ne pouvoit pas ignorer qu\'il ne s\'en
devoit promettre, que ce qu\'on ne luy pouvoit pas honnestement refuser

dans la derniere rigueur de la justice."

3) peoysen, III, 3, 97. »Um keinen Preis hatte de Witt gemeint zu
weichen; er hatte noch ein Zwangsmittel gegen den lästigen Nachbar, ein
finanzielles. Die Art, wie es benutzt wurde, zeigt die holländische Politik

in ihrer eigensten Art."

4) deoxsbn, 99. »Es war klar, dasz man holländischer Seits die Schuld
wachsen lassen wollte, bis die Ziffer ihres Betrages den Werth des ganzen
clevischen Landes überstieg; dann konnte man eines Tages mit der Miene
eines ehrhchen Mannes den Kurfürsten auffordern, den so lange nachsich-
tigen Gläubigern das Land zu überlassen, damit sie aus dessen Ertragen
sich wenigstens für die Zinsen decken könnten. Einstweilen war die Schuld-

-ocr page 217-

Daarom wilde Holland ook, als meest belanghebbende in
de schuldvordering niet van de beslissing der overige Pro-
vinciën bij meerderheid van stemmen hooren i).

Misschien zou er dan ook weer niets van de zaak geko-
men zijn zoo de gezant van den Keizer in den Haag, Jean
Fricquet, er niet in geslaagd was Hollands toestemming tot
een regeling te verwerven; toen dit eenmaal in beginsel was
aangenomen, werd er nog wel gestreden over een competent
gerechtshof maar Fricquet wist hier weer een uitweg te
banen, door den Hoogen Raad van Mechelen als zoodanig
door beide partijen te doen aannemen. De uitslag van het
geding was, dat de Keurvorst bij een eerste arrest van
een gedeelte der geëischte som ontheven werd verklaard,
maar overigens veroordeeld tot een aanzienlijke betaling,
een uitspraak die volgens het eigenaardige van een recht-
vaardig arbitrage beide partijen wel niet volkomen voldeed,
maar toch een eind maakte aan de zoo dikwerf herhaalde
klachten en verwijten die men elkander van weerszijden
niet bespaard had

sache eine Schlinge, die man jeden Augenblick zuziehen konnte, wenn der
Kurfürst unbequem wurde. Meisterhaft verstand de Witt damit zu operiren."

1) wiCQUEPOBT, III, 170. De Keurvorst schreef aan de Staten-G-ene-
raal, 14 april 1664 o. a. dat zijn vader en grootvader altijd over die
schuld met de Generale Staten hadden gehandeld, zoodat hij thans niet
met Holland alleen handelen kon, omdat die Provincie toevallig het meest
belang daarbij had.

2) DEOYSEN, III, 3, 100. "Die Sache blieb von neuem hangen und
einstweilen wuchs Zins auf Zins wieder."

3) Het Rijkskamergericht te Spiers was niet geschikt omdat de Keur-
vorst zelf daarin rechters benoemde; ook het Parlement van Parijs werd
afgekeurd,
wioqueeobt , III, 170. Den 1 aug. 1665 werd het compromis
geteekend waarbij de Hooge Raad van Mechelen tot arbiter gekozen werd.
lUd. 225.

4) De einduitspraak had, na lang dralen der rechters, eerst na den vrede

-ocr page 218-

Men begrijpt echter dat de provincie Holland zich met
zonder gewichtige redenen had laten vinden tot bet veref-
fenen eener schuldvordering, waarvan het voortbestaan haar
van grooter belang was dan de afdoening. Die redenen
lagen in de politieke verwikkeHngen, die, niet
lang na den
vrede van OUva den politieken gezichteinder weer begonnen
te benevelen, en die althans voorzichtigbeid jegens Bran-
denburg geboden. Al spoedig na de troonsbestijging van
Carel H hadden de Staten ingezien dat zijn vriendschaps-
betuigingen niets waard waren, en weldra had men hier
de zekerheid dat hij ons bepaald vijandig gezind was i)-
Reeds in 1663 hadden er botsingen plaats gehad;
eerst het
volgend jaar volgde de formele oorlogsverklaring %

De Staten konden echter den zeestrijd met betrekkelijke
gerustheid afwachten. Engeland was zeker een geduchte
mogendheid om zich mede te meten; maar wat het
welhcht
in krachten de Repubbek overtrof, werd ruimschoots ver-
goed door de grootere kunde en
zeemanschap der neder-

van Aken plaats. SIMONS, I, 195, III, 35. De nederlandsche gezanten,
die ter bevordering van dien vrede naar Brussel gezonden werden,
Burgers-
dij ck en van der Tocht hadden ook in last op de afdoening van dat
proces aantedringen,
wagenaab, XIII, 312, 373, 374. In januari 1664
had Zeeland voorgesteld een commissie te benoemen van drie staatsche en
drie brandenburgsche leden met een scheidsman, om de schuld te liquide-
ren; Holland verzette zich daartegen, omdat de schuld «eine klare und
abgethane Sache sei." Ook Engeland en Denemarken drongen in
Branden-
burgs belangs op afdoening aan. dboysen, III, 3, 102, 105.

1) wicqueeobt, III, 120—136. simons, Deel II, Hoofdstuk 1.

2) KLUIT, primae lineae 207, "anno 1664 noTOm bellum, levissimas ob
causas inter Beigas et Carolum II; cledit hoc bellum ansam novis consoci-
ationibus cum ausilii tum subsidii ferendi caussa, cum Danis, Brauden-
burgicis, Brunsvico-Luneburgicis, cum Suecis, sine eSectn nti et ante cum
Venetis. Eex Galliae ut
ex federe anni 1662 ad opem fereiidam erat
obligatus."

-ocr page 219-

landsche marine. Gevaarlijker vijand was in zekeren zin de
oogenschijnlijk nietige bisschop van Munster, Bernhard von
Galen, die, door Engeland aangestookt, ons mede den oorlog
aandeed 1). Die aanval aan onze zwakste zijde was van be-
denkelijken aard, bij den treurigen toestand der vestingen en
van het leger, dat nog door de afdanking der engelsche en
schotsche regimenten aanmerkelijk verminderd was; daarbij
voegde zich de vrees dat de overige noord-duitsche vorsten ,
in de eerste plaats de voorname kerkvoogden s), misschien
ook wel de Keizer zich bij Munster voegen mochten, daar
van alle leden van het duitsche Rijk alleen de hertog van

1) mignet, I, 422 en 423. «Geheim tractaat van Engeland en Mun-
ster, 13 juni 1665.
wagenaak, XIII, 172. simoîts, II, 87—89, 105.
Lionne gaf het eerst aan van Beuningen kennis, en deze aan den raad-pen-
sionaris, dat Engeland in Munster stookte «met goede sommen gelds."
Brieven van de witt, II, 104, 105.

wiCQTJEEOiiT , III, 217. »l\'Evesque de Munster, après avoir pris ses me-
sures , avec le Boy d\'Angleterre, qui tout Protestant et défenseur de la foy Pro-
testante qu\'il estoit, avoit bien voulu traitter avec ce Prélat, fit marcher son
armée, au mesme temps qu\'il envoya un trompette à la Haye pour deman-
der la satisfaction, qu\'il avoit résolu de se faire donner luy mesme par les
armes."

2) De Witt {Brieven, II, 16) beschuldigt Engeland den Keizer, Bran-
denburg, Neuburg en Munster op te stoken.

3) wiCQUEEOET, III, 218. "On avoit sujet d\'apprehender que l\'Elec-
teur de Cologne et le Duc de Neubourg ne fussent de la partie, et le Gou-
verneur des Pais-Bas, qui condamnoit et desâvouoit en apparence les des-
seins de l\'Evesque, les favorisoit si manifestement que l\'on étoit contraint d\'en
faire des plaintes."
Ihid, III, 234, 258, wagenaab, XIII, 173, depping,
Geschichte des Krieges des Münsterer und Cölner gegen Holland, bl. 18.

4) SIMONS, II, 44. De Vorsten van Lunenburg en Osnabrück drongen
uit vrees voor den Keizer sterk aan in den Haag: "à ce qu\'on engageast aussy
TElectem- de Brandebourg,"
wicqueeoet , III, 282.

De Witt schrijft echter (II, 125). "lek vinde den Hr. Eriquet seer ge-
disponeert om van de Munstersche ongelegentheden buyte quetsinge van de
eere van H. H. M. een einde te maecken."

-ocr page 220-

Brunswijk-Lunenbiirg en de liervormde bisscliop van Osna-
brück,
die door een tractaat met de Republiek verbonden
waren, zich voor haar verklaarden^).

Welke partij de keurvorst van Brandenburg kiezen zou,
kon bijna niet twijfelachtig zijn; terwijl de regeering der
Republiek het voordeel van zijn verbintenis
klaarblijkelijk
geringschatte , had Engeland hem in dat opzicht met de
grootste voorkomenheid bejegend: terwijl Carel II nog
draalde
aan welke mogendheden zich aan te sluiten, had hij zich
gehaast het aanbod van Friedrich Wilhelm door graaf Johan
Maurits van Nassau en Weimann naar Londen overge-
bracht, aan te
nemen s). Hij meende dus bepaald op des

1) Wicqtiefort, III, 211—223, 262; gesloten door Georg Frederik, graaf
von Waldeck.

2) De omstreeks dien tijd verschenen Aamcijsing der heilsame politiële e
gronden en maximen van de Repuhlielc van Holland en West-Vriesland,
was in zekeren zin orgaan der Staatspartij; de alhantie met Brandenburg
werd daarin ontraden, want "Sweeden en Brandenburgh zijn oock soo mag-
teloos, dat wij deselve noyt tegen onse vijanden soude können in waepenen
brengen, sonder daer toe merckelijcke sommen van penningen vooraf te
verstrecken, en gelijck als hier boven vermeld is, alle soodanighe alliantien
sijn bouwvalligb. Het welck wij nogh onlanghs door Brandenborgh, en
Yrankrijck door Sweeden hebben geleerd." (Uitgave van 1663, II, bl. 266).

3) DBOYSEN, III, 27 en 28. "Während andere Gesandten, die mit dem
englischen Hofe zu verhandeln hatten, über die immer neuen
Yerzögerungen
und Winkelzüge, die man ihnen machte, in Yerzweiflung waren, wurde
der Tractat mit Brandenburg bereits am 26 Juli unterschrieben."

Engeland garandeerde daarbij aan Brandenburg al zijn gebied in geval
van aanval; verder werd van weerszijden een reeks handelspolitische bepa-
lingen gemaakt, o. a. dat ieder handelsvoordeel
dat aan Hollanders of Denen
gegund zou worden, ook terstond aan den anderen Oontrahent zou worden
verleend, enz.

»Dem enghschen Hofe lag bei der wachsenden Spannung mit Holland viel
daran auf dem Eestlande eine Verbindung zu haben, auf die für alle Fälle
zu rechnen war; man ging so weit, die Frage an zu regen, ob nicht der
Kurfürst endlich wieder zum Besitz seiner Clevischen Festungen zu kommen

-ocr page 221-

Keurvorsten medewerking tegen de Staten te kunnen reke-
nen\'), maar juist de spoed waarmede dat verdrag gesloten
was, gaf aanleiding dat ket niet de gewenschte vrucht droeg.
Eerst daarna toch vestigde zich het systeem van Engelands
buitenlands che betrekkingen, en dat wel in een richting die
voor Brandenburg niet gewenscht kon wezen; de
e7itente cor-
diale
van de Stuarts met Frankrijk, die al spoedig wereld-
kundig werd, was een gedurig gevaar voor Europa. Den
Keurvorst was zij bovendien persoonlijk onaangenaam ~);
tegenover Frankrijk, den ouden en trouwen bondgenoot van
alle vijanden van Brandenburg, van Neuburg, Zweden en
Polen, dat nog onlangs het haagsche
concert had doorge-
dreven, kon de invloed van Engeland niet opwegen: deze
bondgenoot zou zich dus vroeg of laat tegen den Keurvorst
moeten keeren; wel poogde Frankrijk dezen op allerlei wijze
te winnen®); zelfs kwam een alliantie tot stand (sept. 1664),

wünsche. Für jetzt, lautete die Antwort, seien dessen Intentionen nicht
dahin gerichtet Dem Kurfürsten lag daran, in dem heftigen Eivalisiren der
Mächte eine mittlere Linie der Politik zu halten und zur Geltung zu brin-
gen. Er hatte darum die Allianz mit England gesucht, weil das herge-
stellte Königthum- in seinem inneren, wie äusseren Politik sich in dieser
Linie bewegen zu müssen schien."

1) dbotsen, III, 3, 104, "am Sichersten rechnete England auf Bran-
denburg, das nicht bloss wegen Cleve und der Schuldsache gegen Holland
interessirt war, sondern um des Prinzen von Oranien willen, den Sturz
derer, die jetzt im Haag die Gewalt in Händen hatten, wünschen muszte."

2) dbotsen, III, 3, 31.

3) Na den vrede van Oliva begon Frankrijk meer notitie van Branden-
burg te nemen,
de witts Brieven, I, 465: Frankrijk bekommert zich
over hetgeen Denemarken, Brandenburg en de Eepubliek denken zullen om-
trent zijn geheime onderhandeling tot hernieuwing van de tractaten met
Zweden. Om de jalouzie weg te nemen was men te Parijs gezind gezanten
aan die drie mogendheden te zenden, om aan deze te kennen te geven dat dat
tractaat alleen tegen Oostenrijk gericht was. Vg.
miönet, Introd. iix;

-ocr page 222-

die als voornamelijk tegen liet Huis Oostenrijk gericht, werd
voorgesteld , maar in het vervolg bleek dat het
veelmeer
de omgeving van den Keurvorst dan hij zelf geweest was die
door den franschen invloed — beloften en beleefdheden
was getroffen.

Intusschen kwam het er nu op aan partij te kiezen,
het voorname doel der fransche politiek was nog altijd tegen
den Keizer gericht; Frankrijk had zich tegen hem van alle

"Négociations avec Mayence, Cologne, Brandebourg, Neubourg et Munster
pour qu\'ils fermassent à l\'Empereur la route des Pays-Bas s\'il voulait mar-
cher au secours de
l\'Espagne."

1) DEOYSEN, ITI, 3, 57. Toetreding van Brandenbru-g tot het Eijnver-
bond; "es wäre Wahnsinn gewesen, wenn
er allein gegen die furchtbar
schwellende Uebermacht Frankreichs einzutreten hätte wagen wollen."

bobeel aan de witt (1 juni 1662, Brieven, I, 532.) "Hier (teParijs)
is geweest den baron Spar van wegen den Heer Electeur van

Brandenhurgh,

conjouisseren met het Hof over de geboorte van den Prince Dauphin , ende
men gaf voor, ook over eenige andere naeder intelligentie met dese kroon
ende met de Ligue der Princen aen ende omtrent den Ehijn. Dezen Ko-
ningh hadde oock een Extr. Envoyé gesonden aen \'t Hof tot Berlin. Dan
als nu wert gesegt, dat den Heere Spar van geenigen soodanigen
saeken
openinge en heeft gedaen ende dat den Franschen Extr. Envoyé van Berlin
nae huys soude keren, sonder iets te hebben geeffectueert."

Ilid. 685, Boreél aan de Witt, 12 sept. 1664. "Den baron Bhrmenthal
Envoyé van den Heere Keurvorst van Brandenhurgh heeft sijne saecken hier

geëyndicht en het tractaet met deese Kroon geteyckent ende gesloten.....

ick bevinde dat het van Vranckrijcks zijde meer daer op ingosien ende aen-
geleght was om den Heere Keurvorst alleen aftetrecken van de Keyzers par-
tije, als om iets anders."

Vroeger kon het niet gesloten worden, wegens geschil over de titulatuur.
Blumenthal verzekerde Boreel van "de vaste ende confidente vriendtschap"
van den Keurvorst jegens de Staten-Generaal, niettegenstaende dc Ministers
van Brandenhurgh in den Haege, jegenwoordigh in haere memorialen aen
haere Ho. Mog. Vergaderingh wat min civielder ende beleefder manieren
van woorden gebruycken, als voor desen anders deden." Blumenthal hield
echter voor Boreel den inhoud van het tractaat verborgen, zoodat de Am\'
bassadeur dien langs slinksche wegen moest vernemen.

-ocr page 223-

kanten bondgenooten verzekerd; daartoe dienden zijn trac-
taten met Zweden, en vooral het Rijnverbond, waartoe
de Keurvorst zich gedwongen gezien had, toe te treden;
ook met de Repubhek was een verdedigend verbond geslo-
ten (27 april 1662)^) een omstandigheid, die de engelsche
oorlogsverklaring nog lang had doen uitstellen ; nu het echter
eenmaal zoo ver gekomen was, was Frankrijk uit dien hoofde
verplicht de Staten bij te staan, maar dat die toestand in
den Haag slechts half vertrouwd werd, is begrijpelijk, en
toen nu Brandenburg zijn besluit begon te kennen te geven
zich aan de fransche alliantie bij voorkeur boven die met
Carel H te houden, ondervond dit voornemen van den
Keurvorst, wiens plotselinge omkeeringen in den noordschen
oorlog nog niet vergeten waren, hier niet veel meer bijval;
met een leger in Cleve gekomen dacht men algemeen
hem welhaast openlijk met Munster in verbintenis te zien
treden; zijn openingen in den Haag werden dus met achter-
docht ontvangen; liever dan op hem steunde men daar op den
minder aanzienlijken hertog van Brunswijk, op wiens trouw
de raad-pensionaris sterker meende te kunnen bouwen

1) dboysen, III, 3, 31. "Frankreiohs Einfliisz wuchs swar in London,
mit jedem Tage, aber zugleich unterhandelte es mit Holland um eine De-
fensivallianz. Dasz diese im Frühling 1662 zum Ahschlusz kam zügelte in
Etwas, den Ungestüm des englischen Hofes."

Ihid. 57. »Mit Frankreich hoffte de Witt das Werk zu vollenden, das
er mit Cromwell begonnen, die Seclusion des Oraniers."

Lettres et négociations du Comte d\'Estrades, II, 1—28.

2) Mémoires du Comte de guiche, I, 129. Brienen van de witt, II, 119.

3) Mémoires de gtjiche , I, 96 en 97. »De Witt croioit avoir assez
d\'une Armée en Allemagne, pour se passer de l\'Electeur de Brandebom-g.
Le Comte de Waldeck l\'en assnroit d\'autant plus qu\'il estoit ravi de pou-
voir faire le Déplaisir à l\'Electeur de le rendre inutile presque dans son
Païs, oîi il prenoit le Parti opposé de se voir Chef d\'une Armée qui pût
venger sa Querelle contre lui,"

-ocr page 224-

Intusschen vergat men m den Haag dat de nabijheid van
een zoo woehgen buurman als bisschop Bernhard, voor Bran-
denburg even veel gevaar opleverde als voor de Repubhek,
zoodat de Keurvorst, zijn aanbod in den Haag zoo koel opge-
nomen ziende, een ander middel aangreep om Munster
onscha-
delijk te maken: hij ontwierp nl. een nauwer verbond tusschen
de Vorsten van den westfaalschen Kreits, Brandenburg, Mun-
ster en Neuburg om zich van den Bisschop te verzekeren; m
februari 1665 kwam een verdrag te Dorsten tot stand en
reeds werd de oorlogsverklaring van den Keurvorst in den
Haag als zeker beschouwd, toen gelukkig het
overwicht van
Frankrijk op Neuburg tusschen beide trad; de verbintenis van
Dorsten verwierf aan het fransche Hof geen goedkeuring?
omdat von Galen bekend stond als een aanhanger der keizer-
lijke politiek tegelijk drong d\'Estrades bij den
raad-pensio-

1) deoysen, III, 3, 106.

2) van betjningen aan de witt (15 mei 1665 Brieven II, 92) "Mij
is tot nogh toe niets uyt den Staedt overgeschreven van eenighe Ligue tus-
schen Brandenburgh, Meuburgh ende den Bisschop van Munster, ende
als die eghter eenige relatie soude hebben tot haer Ho. Mog. soo diende
die saeke seer Üh sijn grondt ontdekt te worden."

"Dat den Hertogh van Meuburgh, welcke soo groote obligatie aen

Vranckrijck heeft, in dit werck is, koude seer naebedenckelijck geaght wor-
den, indien Lionne mij niet als bij manier van klaghten over deselve had
geseyt, dat men hier seer te onvrede is over deze Ligue, ende dat den Her-
togh van Meuburgh sigh sonder communicatie van den Koningh van Vranck-
rijck daerinne begeven heeft, dat ook te meer apparent is te aghten,
omdat
den Bisschop van Munster hier seer qualijck ten Hoof staet, ende voor
\'t eenemael geattacheert aen \'t Huys van Oostenrijck aengezien wert, ende
omdat men oock met den keurvorst van Brandenburgh, niet veel gemeen-
schap heeft."
deoysen (bl. 308) laat het voorkomen alsof deze onderhan-
deling slechts diende om de VTitt beangst te maken: "die Herren im Haag
wurden noch entgegenkommender als der Dorstener Vertrag zeigte, dasz
man nicht mehr auf die Spannung des Kurfürsten mit
Pfalz-Neuburg, mit

-ocr page 225-

naris aan dat hij de onderhandeling met de brandenburgsche
ministers weer op zou vatten Dit gebeurde, hoewel met
tegenzin; de Provinciën boden een tractaat aan op dezelfde
voorwaarden als waarop met Lunenburg onderhandeld was
en dit voorstel werd aangenomen. De Keurvorst deed wel
eerst zijn eischen: afstand der cleefsche vestingen, met name
van Orsoy, opheffing van den tol te Gennep, en duidelijke
verklaring dat het verbond slechts defensief was en dus
alleen in werking treden zou, ingeval de Staten op hun grond-
gebied aangevallen werden — dus tegen Munster niet tegen
Engeland — maar toen liet de Prinses Douairière haren

Munster banen iönne " en WAaENAAB, XIII, 176, houdt het slechts voor
een loos gerucht.

1) de witt aan van beuningen (20 nov. 1665, Brieven, II, 118 en
119) "de negotiatie met den Keurvorst werdt door den Heei-e d\'Estrades
mede gerecommandeert ende gepousseert."
Mémoires de guiche, II, 221.

2) deoysen, 105. «De Witt spraeh den Wunseh aus, dasz Herr von
Blaspeil der bisher in der Schnldsache verhandelt hatte, wieder nach den
Haag komme, es köimte wohl anch noch andere Handlung geben."

Brieven van de vs^tt , II, 118.

3) deoysen, III, 3, 114. de witt- aan v. beuningen, II, 118 vte-
genwoordich wordt hetselve werck nogh geaccrocheert aen de evacuatie van
Orsoy."
wicqitepoet, III, 224. »11 demandoit qu\'on hiy restituast Orsoy,
et l\'Electeur se prenant de ce refus à la mauvaise volonté de quelques Mi-
nistres, qu\'il n\'aimoit point, en faisoit temoigner son ressentiment par son
Envoyé. Il n\'avoit pas grande envie de prendre part à cette guerre; c\'est
pourquoy il fit prier les Estats de ne pas permettre que les garnisons qu\'ils
avoient du Duché de Clèves, fissent des courses."

Mémoires de auiche. II, 209. »Comme la demande de l\'Electeiu-, s\'il
l\'eust soutenue avec fermeté étoit une proposition si incivile, qu\'elle res-
sembloit davantage à im Prétexte pour rompre qu\'à un désir d\'Accommo-
dement , il se mit d\'abord__à la Raison, et se réduisit à demander seulement
qu\'on le traitât comme on venoit de faire le Duc de Lunebourg, et qu\'il
s\'offroit, à entrer en guerre pour les Estats avec six mille Hommes paies
à ses Dépens, en six mille dont ils lui fourniroient la solde, pour la Levée
et la subsistance, etc.

-ocr page 226-

invloed te Berlijn gelden; niets kon de belangen van haar
kleinzoon dienstiger zijn dan een oorlog te land, de eerste
sedert den westfaalschen vrede; de behoefte aan een kapi-
tein-generaal zou zich nu doen gevoelen; bleef de
Keurvorst
halsstarrig bij zijn vorderingen, de Republiek zou zich geheel
in de armen van Frankrijk werpen, tot triomf van de
staatsgezinde partij , of zij zou door Munster
overweldigd,
geheel te gronde gaan, alles evenzeer tegen het belang
van den Prins Deze redenen vonden ingang; vooral de
vrees voor Frankrijks gestadig wassende macht,
noopte
den Keurvorst tot toegeeflijkheid en hij nam dus aan op
den door de Witt voorgestelden grond te
onderhandelen

De oorlog met Munster was intusschen begonnen (sept.
en october 1665) en weldra waren geheel Zutfen,
Overijsel,
Drenthe en de Ommelanden in de macht van den oorlogzuch-
tigen prelaat. Zijn vorderingen brachten natuurlijk de groot-
ste ontsteltenis in de Republiek te weeg; men gaf aan de
Witt en zijn bestuur de schuld van allen tegenspoed, zijn
betrekking tot Frankrijk, riep men, verhinderde hem den
prins van Oranje aan het hoofd van het leger te stellen,
en zoodoende veroorzaakte hij den ondergang van het land;
en de wijze waarop Frankrijk zich van zijn verplichting tot
ondersteuning kweet was niet geschikt de gisting te bedaren:
een slecht uitgerust en ongeoefend leger werd
herwaarts ge-

1) DEOTSEN, 119. "Die Prijizeasin Hoheit liesz in Berlin dringend bitten,

30 viel wie möglich nachzugeben, damit der Staat nicht durch Frankreich
allein gerettet werde, sie sandte ein Allianzproject das freilich von de Witt
angenommen werden konnte; Friedrich Wilhelm sandte es zurück: »es sei
seiner nicht anständig."

2) dboysen, 128, wagenaab, XIII, 180. Den 16den dec. 1655 kwa-
men Gedeputeerden uit Cleve terug met de tijding dat de Keurvorst van de
ontruiming van Orsoy afzag en op denzelfden voet als Lunenburg wilde on-
derhandelen.
de wiTi aan v. beuninöen, II, 14.

-ocr page 227-

zonden, dat in plaats van hulp, de Republiek slechts moeite
en overlast aanbracht i).

Gedurende den winter, die gelukkig de veroveringen van
den Bisschop kwam stuiten, hield de keurvorst van Bran-
denburg verblijf te Cleve , dat daardoor het brandpunt
werd waar de meest verschillende onderhandelingen elkan-
der kruisten: fransche en nederlandsche diplomaten poog-
den aldaar de listen van engelsche en munstersche zende-
lingen te verijdelen; het Hof zelf was tusschen beide par-
tijen verdeeld Natuurlijk hoe meer de waarschijnlijkheid
toenam dat de Republiek zich met den Keurvorst ver-
staan zou, hoe meer de engelsche diplomatie haar krachten
inspande zich langs allerlei wegen van zijn medewerking
te verzekeren: reeds in 1664 had Friedrich Wilhelm te
Londen doen onderhandelen, maar zonder gevolg; zijn doel
was, als altoos, ontheffing van de hoefijsersche schuld
en ontruiming der cleefsche vestingen; evenwel het Hof

1) Mémoires de &uiohe, I, 153 en vgg., 167. deppinq-, bl. 23.

wicquefort, III, 219, 282. 4000 man voetvolk en 2000 j^aarden, on-

der Pradel. »Le Eoy envoya dans le mesme temps, M. de eessins , parent
de Lionne à l\'Evesque de Munster, pour l\'exhorter de se raccommoder avec
les Provinces-Unies, qui estoient persuadées, qtie l\'on n\'y envoyoit ce Mi-
nistre subalterne, que pour assetu-er l\'Evesque, que le secours, que le Eoy
faisoit partir, feroit bien plus de mal aux Hollandois qu\'à leurs ennemis.
C\'est ce qne je ne voudrois, ny ne pourrois pas asseurer; mais il est cer-
tain qiie jamais secours ne fust plus inutile, ny plus incommode."

2) Mémoires de atriche, I, 168. "rElecteur étoit pour lors à Clèves ,
recherché de toutes parts, et se laissant entendre, qu\'il prendroit le parti
ou il trouveroit mieux son compte."

3) Mémoires de .gtjiche , II, 205. "La plus grande esperance de réus-
sir (de Vane) étoit fondée sur le Crédit de Madame l\'EIeotrice, qui le re-
cevoit avec Agrément par la Eecommandation de la Douairiere d\'Orange, et
par un Eetour d\'Amitié pour la Maison Eoïale d\'Angleterre, comme de
Haine pour la Oaballe qui gouvernoit la Hollande."

-ocr page 228-

van St. James wilde daarvan niet hooren, tenzij hij be-
paaldelijk met Engeland partij koos tegen de Repubbek;
maar daar het den Keurvorst juist te doen was om den
oorlog te stuiten, deed natuurlijk deze eisch de onder-
handeling afspringen Later deed Carel II die weer op-
vatten door den kolonel Vane, die daartoe den geheelen
winter te Cleve doorbracht , maar deze was niet gelukkiger
in zijn taak dan de munstersche vrijheer von Brabeck, die
zijn vorst bij Friedrich Wilhelm moest komen rechtvaardi-
gen Toch werden hun bemoeiingen niet dan met arg-
waan te Parijs en in den Haag geduld. Frankrijk drong
steeds aan op het sluiten der alliantie, maar het duurde
tot januari 1666 voordat de brandenburgsclre ministers —\'
von Blaspeil, Copes en Romswinckel — genoeg
gevorderd
waren met hun voorloopige besprekingen, om aan de defi-
nitive sluiting te kunnen denken : van Beverningh werd

1) HEiiWiNG, 630. "Die Tendenz des Kurfürsten ging daher von An-
fang an darauf hinaiis, dadurch aiif eine baldige Beendigung des Krieges
hinzuwiften, dasz er wo möglich am enghschen Hofe friedhche
Gesinnun-
gen zu wecken, den Bischof von Münster durch Ermahnungen und Dro-
hungen, äussersten Ealls durch Gewalt zur Kiederlegung der
Waffen zu be-
stimmen, die Generalstaaten aber durch vernünftige Rathschläge auf ihren
Vortheil aufmerksam zu machen, bei steigender Gefahr aber durch seme
eigne Heeresmacht zu unterstützen versuchte."

2) DEOYSEN, III, 3, 127 (dec. 1665) Mémoires de atJlCHE, H, 205.

3) HELWING, 631. Brandenburg verkreeg op den Eijksdag te Regens-
burg dat de Keizer zijn afkeuring over den oorlog aan Munster te kennen
gaf; hierop volgde de zending van Brabeck naar Cleve, en van Johann
Adam von Schöning van wege den Keurvorst naar Munster. "Diese Sen-
dung blieb nicht ohne Biufluss, weil die Bemühungen derselben vom kai-
serlichen Hofe unterstützt wurden, und weil der Bischof mit Schrecken
bemerkte, dass die Entfremdung zwischen England und Brandenburg von
Tage zu Tage grösser, die Annäherung zwischen dem Kurfürsten und der
Republik immer entschiedener wurde."

4) DE WITT aan VAN BEHNINGEN, {Brieven, II, 148, 151, 162, 166)

-ocr page 229-

daartoe naar Cleve gezonden i); een franscli gezant, de
marquis de Colbert-Croissy was reeds daar, om den in-
vloed van Vane tegen te gaan.

Er bleven nog wel moeielijkheden over, zooals omtrent
het heffen van den tol te Gennep, op welk recht beide
partijen aanspraak maakten; ook versterkte de houding
van Croissy®) niet weinig het vermoeden dat Frankrijk
een dubbelzinnige rol speelde, maar het gelukte toch ein-
delijk aan Beverningh den lôden februari een dubbel
verbond met Brandenburg te sluiten-^): het eene een ver-
geeft de schuld vau dit oponthoud aan de gebrekkige instructies die de ge-
zanten telkens ontvingen,
deoysen, (123) schuift het natuurlijk weer op
de kwade trouw van Johan de Witt. Deze schrijft (dee. 1655, II, us):
"Ick wete niet wat ich eygentlijck van de Brandenburghsche saeLn s\'al oor-
deelen."

1) Brieven van de witt , II, 166. -Haer Ho. Mog hebben geresol-
veert een expresse Deputatie naer Cleve te doen, om \'t werck aldaer, soo
veel doenlijck te faciliteren, daer toe den Heere van Beverningh staet be-
sorght te worden." 172.

2) mianet, I, 480, "Louis XIT flt persuader par Colbert-Croissy à
l\'Electeur de Brandebourg, d\'assister les Provinces-Unies de ses troupes."

3) Brieven van de witt, II, 187, 190, 194, 198, 202, 205, 229, 235,
250.
Mêmow-es de etriche , II, 229.

4) wicqueeoet, III, 283. "Les Ministres de Brandebourg, formèrent

d\'abord plusieurs pretensions......mais l\'adresse de Beverning vainquit

toutes ces difficultés. Il se rendit agreable par l\'assenrance qu\'il donna,

qu\'il entreroit dans les interests du Prince d\'Orange......mais il ne flt

pas moins considérer sa negotiation par les subsides qu\'il oifrit."

de witt aan van beuningen (4 febr. 1666, Brieven, II, 178). "Door
de officien van den Heere van Beverningh, is het werck van de alliance
met Brandenburgh, alsmede dat van de conjonctie tegens den Bisschop van
Munster soo verre geavanceert, dat dienaengaende geen discrepantie meer
overigh is." Ibid. 181.

5) kluit, Index f ederum, n°. 579, bl. 147. Wicqueeoet, III, 223—225.
wagenaae, XIII, 182-184. deoysen, 137 en 138. iielwing, 631 en
632. Voor Brandenburg onderhandelden Otto , vrijheer von Schwerin, Werner

14

-ocr page 230-

nieuwing van de defensive alliantie van 1655, het andere,
een bepaaldelijk tegen Munster gerichte offensive
verbintenis:
volgens de bepalingen van dit laatste tractaat zou de Keur-
vorst eerst met zachte middelen den Bisschop tot vrede
trachten te bewegen, maar als die niet baatten, hem met
de wapenen tot onderwerping dwingen. De
krijgshaftige
kerkvoogd wachtte echter dit uiterste niet af i), te meer daar
de engelsche snbsidiën begonnen achterwege te blijven®);
Friedrich Wilhelm zond hem onmiddelijk zijn geheimraad von
Jena, om de onderhandeling te openen^), en reeds den
april sloot de Republiek, door Brandenburgs bemiddeling,

Wilhelm von Blaspeil en Matthias Eomswinckel. vDer Kurfürst übernahm
durch diesen Tractat sowohl die Beschützung des niederländischen Staats-
gebiets, wie die Beschirmung der holländischen Schifffahrt in der Ostsee;
die General-Staaten dagegen stellten die clevischen Lande, Preuszen tmd
Hinter-Pommern unter ihren besonderen Schutz. Beim Eintreten des casus
foederis machte sich ersterer zur Stellung von 2000, die Republik von .3000
Mann anheischig."

SIMONS, II, 116 en 117. De Keurvorst beloofde ook een voor dien
tijd zeer aanzienlijken geschnttrein.

De ratificatie geschiedde den lOden maart. Brieven van de witt , II, 208.

1) DBOYSEN, III, 3, 138—141. Brieven van DE witt, II, 235.

2) TAN BEUNING-EN aan DB WITT (19 maart 1666, Brieven, II, 218).

"De Engelschen alhier (te Parijs) spreecken seer----dat men in Engelant

de saeke van Munster sigh niet langer seer sal aentrecken ; dat mij oock toe-
schijnt, soo uyt andere redenen, als omdat in de conditiën wegens den Bis-
schop van Munster overgebraght, geen mentie van Engelant ofte van gealh-
eerde
in genere wert gemaeckt."

3) WICQUBEOET, III, 224. "1\'Electeur----se fit payer les subsides

en effet, et non à dessein de faire la guerre. H n\'en faisoit pas un secret,
puisqu\'il vouloit bien dire au Ministre de Lunebourg, que les marchands
de Hollande, c\'est ainsy qu\'il parloit des Estats, n\'estoient bons qu\'à donner
de l\'argent, et que celuy qu\'il avoit touché, ne serviroit point à faire des
levées, mais qu\'il travaiUeroit à faire l\'accommodement. Quelques uns de
ses Ministres, qui prenoient de l\'argent de tous costés, y contribuèrent
beaucoup."

-ocr page 231-

te Cleve vrede met Munster Van hoe groot algemeen belang
deze bemoeiing van den Keurvorst geacht werd, kan blijken uit
het aantal Vorsten, die, op verzoek van partijen,-de kracht
van het tractaat door hun onderteekening waarborgden 2).

Ook voor de Republiek waren de gevolgen van dié be-
middeling gewichtig: nu had zij, vooral
daar ook Denemar-
ken zich aan haar aangesloten had 3), de handen vrij om

1) wagenaae, XIII, 200-203. simons, II, 123-124. Mémoires de
gfiche, II, 228, 229. depping, 27—30, 31.

De uitwisseling der ratificatiën geschiedde in het begin van mei, Srieven
van de WITT, II, 255.

du mont, Mémoires pour la pais deBijswiok, I, 284. «Pour le Prince
de Munster il ayoit été obligé de faire sa Paix particulière dés le 18 Avril
1666 à des conditions assez fâcheuses, comme de licentier ses Troupes sans
pouvoir en retenir que trois mille hommes pour la sûreté de ses Kaces
d\'évacuer la Ville et Château de Eorculoe, et de renoncer au Droit, qu\'il
prétendoit avoir sur cette Seigneurie."

2) wicqueeoet, III, 285. «Colbert-Croissy, frere de celuy qui fait
nne si grande figure à la Cour de France, estoit à Cleves de la part du Eoy
fnt celuy qui y travailla le plus; et l\'Electeur de Cologne y envoya son

......L\'Empereur, le Eoy de France {JBrieven van de witt,

II, 219) les Electeurs de Mayence, de Cologne et de Brandebourg, les
Evesques d\'Osnabrug et de Paderborn et les Ducs de Brunsvic et de Lune-
bourg, qui s\'en estoient meslés, s\'en rendirent garants."

Volgens WAGENAAE (XIII, 202) ook de hertog van Neuburg.

van eeuningen aau de witt (II, 149), „het sal haer H. M. sooveel
het mij toeschijnt in dese aen geen médiateurs ontbreeken van Princen die
de vrede in die gewesten opregtelijk soeken sullen."

3) wicqueeoet, III, 278—281. Brieven van de witt, II, 39.

Tractaat met Denemarken, 11 febr. 1666, gesloten door van Eeede-

Amerongen. Van Zweden kon men slechts onzijdigheid verkrijgen, simons,
II, 114, 264-271.

WICQUEEOET, III, 227-233. «II n\'y avoit rien qui importast plus

aux Estats, que de s\'assurer des deux Couronnes du Nort, et sin-tout de

celle de Suede. Elle n\'étoit point du tont satisfaite d\'eux, et n\'avoit pas

sujet de l\'estre, depuis le refus qu\'ils avoient fait de ratifier le traitté
d\'Elbing."

-ocr page 232-

den oorlog met Engeland voort te zetten, die, bij de ge-
lijke krachten van beide natiën, met afwisselend gelnk werd
gevoerd. Voornamelijk aan de Oranje-partij was die oorlog
welkom, omdat daarin, vooral na een nederlaag, het mid-
del gezien werd, den Prins tot de voorvaderlijke waardig-
heden te verheffen 1). Ook de Keurvorst nam die gelegenheid
te baat om in een memorie aan de staten van Holland de
bevordering van zijn pupil tot een voorname militaire be-
trekking aan te bevelen^); een inmenging die allerslechtst
werd opgenomen en eerder diende de belangen van den Prins
achteruit te zetten. Beter slaagde de Prinses Douamere,
die, zich naar de omstandigheden schikkende, bij de regee-
ring aandrong niet op een hoog krijgsambt, zooals de Oranje-
partij meende dat den Prins
ipso jure toekwam, maar een-
voudig zich weer even als vroeger met de opvoeding van

haren, nu zestienjarigen kleinzoon te willen belasten Deze

gematigde wensch vond gehoor; weldra zag een meuwe com-

^"lTSÏ™, II, 121, 122. WAGEïTAAH, XIII, 165.

2 dboysen, III, 3, 140. WICQUEEOBT, III, 285-288. "Les Deputes
de Hollande, qui n\'avoient consenty à l\'alliance de Brandebourg, qu avec
beaucoup de repugnance, furent fort scandalisés de ce P^\'«\';®\'^® " " " "\'
disoient: que le memoire des Ministres de Brandebourg estoit si seditie«,
qu\'il meriteroit que l\'on n\'eust pas d\'égard à leur caractère . q^

Lsoient pécher le Prince contre les lois, qui declarent ^^^

sortes d\'emplois ceux qui se veulent avancer P^ ^^e^^^
. estrangers, etc."
De Witt erkent evenwe "

versoeck bii de voorsz. memorie gedaen m moderate termen was g

Z mLrie van den Keurvorst in het belang van den ongelukkigen
Buat had ook geen uitwerking,
wzcq.eeob. , III, 264. sxmoks , II, 183.

WAGENAAE, XIII, 221. ^ .. - n- , „„fit

3) WlcauEEOET, III, 286. "La Princesse Douariere faisant son pio«

de ce rebut, et ayant une parfaite connoissance de l\'inclination de cette
Province du moins de celle des Ministres qui y estoient les plus consi-
dérés s\'y prist d\'une autre façon."
simoks, II, 127. van de wiix,
II, 225, 230, 235.

-ocr page 233-

missie van regenten zich met die zware taak belast^). Na-
tuurlijk was het aannemen van den Prins tot kind van staat
een grievende teleurstelling voor de Oranje-partij, die haren
lieveling nu in de voogdij geplaatst zag van diezelfde ma-
gistraten , waarboven zij hem zoo gaarne verheven zou hebben
gezien. Maar voor de Eepubbek was het een geluk dat er
op die wijze een eind gemaakt werd aan het drijven eener
eerzuchtige partij, die in haar woelingen door vreemde vor-
sten, zoowel vrienden als vijanden, werd aangevuurd^). Wel
verre van een zoo jeugdig Stadhouder aan haar hoofd te
zien, op wiens onbedrevenheid natuurlijk allerlei invloeden
zouden gewerkt hebben, behoefde de Repubbek bij de ge-
varen, die haar van alle kanten omringden — oorlog met
Engeland, verraad van den kant van Frankrijk, en onrust
in Duitschland — meer dan ooit de vaste hand van een
Johan de Witt.

Vooreerst trokken de gebeurtenissen in het duitsche Rijk,
de aandacht van den raad-pensionaris Het geschil tusschen

1) De voogden waren: Johan de Witt, Wigbolt van der Does heer van
Noordwijk, Nanning van Foreest, rekenmeester der domeinen van Holland,
Adriaan van Blijenhurg, raad der stad Dordrecht, en Gillis Valckenier,
hnrgemeester van Amsterdam. De
vei-hittering der Prinsgezinden nam nog
toe door de veranderingen in \'s Prinsen hofhouding ingevoerd.

2) VAN BBUNIHGEK aan DE WITT (15 mei 1665, Brieven, II, 91 en 92).
"Mij dunckt.... dat die Vorsten (Munster en Neuburg) rugh moeten hebben
aen iemandt die maghtiger is , ofte haer veriaeten op eenige hoope, van des-
ordre in de Geimieerde Provinciën\' te sullen kunnen aenstellen; dat mits de
verwandtsohap tusschen den Keurvorst van Brandenburg en den Prins van
Oraigne, ende de bespeurde verbitterheyt van den Keurvorst ende sijn

Schoonmoeder tegens Hollandt, niet vreemdt soude sijn.....ende \'t speelt

hier oock in de gedaghten dat den Koningh van Engelandt den Prins van
Oraigne in \'t spel soude moge brengen."

3) DBOYSEN, III, 3, 160—170. WICQÜBFOBT, III, 289—295. SIMONS ,
II, 205—211.

-ocr page 234-

Zweden en Bremen was in 1654 gesust , maar niet uitge-
maakt: de aanleiding er toe was niet weggenomen. Bij
den westfaalschen vrede nl. was het
aartshisdorn Bremen
geseculariseerd en door den Keizer aan de zweedsche kroon
afgestaan, bij welke gelegenheid de rechten en privilegiën
der
stad Bremen wel van beide zijden waren gewaarborgd,
maar men had daarbij verzuimd die rechten nauwkeurig te
omschrijven, en dit was een bron van oneindigen twist ge-
worden. Was Bremen een vrije Rijksstad? — de Keizer en
de stad zelve beweerden het stellig, de koning van Zweden
ontkende het even sterk. In andere omstandigheden zouden
de Staten dien twist met koelheid hebben kunnen aanschou-
wen: want, stond men sedert het niet-ratificeren van het
tractaat van Elbing niet op den besten voet met Zweden,
de Hanze-steden waren te oude en onverzoenlijke vijanden
der Republiek dan dat men hier tegen de vernedering van
eene derzelven in de bres zou zijn gesprongen, en men zou
eenvoudig den eenen vijand door den anderen hebben laten
bedwingen. Maar nu uit den aard der zaak, de Keizer
zich tot verdediging van Bremen gereed maakte, en dus
een nieuwe oorlog tusschen Zweden en het Rijk dreigde,
bracht het belang der Republiek mede, dien twist, zoo mo-
gelijk bij tijds te helpen bijleggen. De gelegenheid daartoe
was echter niet ruim, want Carel XI, de opvolger van
Carel Gustaaf, het tijdstip waarnemende, dat Brandenburg
en Brunswijk met de Repubbek in den munsterschen oor-
log werden bezig gehouden, had zijn leger reeds op Rijks-
bodem overgebracht en het beleg om Bremen geslagen
De burgerij verdedigde zich met de kracht der wanhoop,
het was in zekeren zin de strijd tusschen de aloude duit-

1) wicqubfoet, III, 290.

-ocr page 235-

sehe gemeentevrijheid en den aristocratisclien regeeringsvorm
van Zvpeden. Gelukkig bleken de krachten der belegeraars
niet zoo sterk te zijn, als het verspreide gerucht wilde,
hetgeen uitzicht liet op een verzoenende oplossing.

Reeds hadden sommige duitsche vorsten, Brandenburg,
Brunswijk-Lunenburg en Hessen-Cassel pogingen ten voor-
deele van Bremen in \'t werk gesteld, toen de Staten mede hun
bemiddeling bij Zweden lieten aanbieden, een voorslag waaraan
echter geen gevolg gegeven werd/\'). De zorg omtrent het-
geen zou kunnen volgen, nam nu nog toe, en verhaastte de
voltooiing van een onderhandehng, waaraan sedert het voor-
jaar van 1666 door de Witt gewerkt werd®), de sluiting
nl. van het viervoudig verbond der Republiek met diegenen
onder de noord-duitsche vorsten, die het naaste belang

1) de witt aan van beunlnöbir (21 oot. 1666, Brieven, II, 371).
"Haer Ho. Mog. hebben al voor eenige weecken, haere offlcien van intercessie
aengeboden, tot nederlegginge van het düFerent tusschen den Koningh van
Sweden, ende de Stadt van Bremen trotterende; ook tot dien eynde haere
brieven laten afgaen, niet alleen aen de voorsz. partijen, maer oock aen de
naebuurighe Princen, etc."

2) db witt aan van beuniitgen (29 april 1666, Brieven, II, 250).
//Ick ben van opinie dat het voor den Staedt dienstigh sal wesen., den Keur-
vorst van Brandenburgh ende de vorsten van Lunenburgh, is \'t doenlijck,
te disponeren, tot eene nadere verbintenisse , om eikanderen, ende oock den
Koningh van Denemarcken te defenderen ende guarandeeren, tegens alle
aggressien, die de een of de ander jegenwoordigh of ook naermaels souden
mogen overkomen; ende sal daertoe traghten de saecken van alle sij den te
prepareren."

van beuningen aan de witt (21 mei 1666, II, 268). //Het sal een
seer goedt werck wesen, dat haer Ho. Mog. door die wegh, Gompaignons
winnen, om Denemarcken tegens sijn quade naebuuren, gerust te stellen,
ende aen Sweden de lust, van telckens nieuwe onrusten te verwecken, door
het tegenwigt van een stercke .Ligue defensive tegens haer, doen overgaen

......ende sullen haer Ho. Mog. hierdoor in Duytschlandt considerabel

werden."

-ocr page 236-

hadden bij het behoud van den vrede, Denemarken, Bran-
denburg en Brunswijk-Lunenburg.

In mei was Friedrich Wilhelm incognito in den Haag ge-
weest; de Witt had hem toen die nadere verbintenis voorge-
steld en de Keurvorst had met ingenomenheid zijn toetreding
toegezegd: reeds was hij met Denemarken verbonden, en er
was niet de minste betrekking tusschen hem en de zweedsche
kroon overgebleven, waardoor hij genoodzaakt zou kunnen
worden tegen Bremen aan den oorlog deel te nemen i); er
schenen dus van dien kant geen zwarigheden te bestaan,
maar toen het op het sluiten van het tractaat aankwam, was
juist Brandenburg de eenige die moeielijkheid maakte : de
grootte der subsidiën, het aantal troepen dat
in casu foederis
geleverd zou moeten worden, ook twisten over het ceremo-
nieel veroorzaakten dat, terwijl Denemarken en Brunswijk
den 25sten october 1666 hun verbintenis met de Staten
sloten. Brandenburg eerst later toetrad: maar toen de qua-
druple alliantie dus tot stand gekomen was, was reeds de
aanleiding weggenomen, die haar had doen oprichten, daar

1) DE WITT aan van BErNiNGEN, 13 mei 1666, Brieven, II, 261, 262.

2) WICQUBEOBT, III, 292, 294. "Les Estats eurent de la peine à y
faire entrer l\'Electeur, qui voyant qu\'il n\'y avoit point d\'apparence de se
faire donner des subsides, se servit de plusieurs prétextés pour s\'en défendre

......le Duc de Lunebourg, qui avoit desja commission d\'agir au nom

de l\'Empire, avoit envie et dessein de secourir la ville......mais il ne

vovxloit pas l\'entreprendre, ny mesme se charger de l\'execution de la com-
mission Imperiale, qu\'il ne fust asseuré de l\'intention des Estats des Pro-
vinces Unies."

3) Brieven van de witt, II, 325, 337. De brandenbm-gsche gezanten
verlangden "getracteert te werden als koninghlijcte ministers."

4) kluit, Index f ederum, n°. 589, bl. 147, 207, 225.

WICQUEFOET, 295. - "l\'Electeur y entra depuis, promettant de secourir

de douze cens chevaux, et de deux mille quatre cens hommes de pied,
celuy des Alliés qui seroit attaqué."

-ocr page 237-

de genoemde duitsclie vorsten een verdrag tussclien Zweden
en Bremen, dat voornamelijk in het belang van eerstge-
noemde uitviel, hadden te weeg gebracht

Het viervoudig verbond zag echter verder. Naarmate
de vrees voor Engeland verminderde, wies het gevaar van
den kant van Frankrijk, dat in het geheim aanstalten maakte
de spaansche Nederlanden te annexeren 2); ook de met ons
verbonden Rijks^-orsten hadden er belang bij eene mogend-
heid tegen te werken, die in de laatste tijden onrustbarende
vorderingen in Duitschland gemaakt had, en wier bedoeling,
het gezag des Keizers te onderkruipen, sedert lang zonne-
klaar gebleken was. Het verbond was dus niet minder dan
tegen Zweden, tegen diens trouwen bondgenoot Frankrijk
gericht , en derhalve had de fransche ambassadeur d\'Es-
trades zich ook alle mogelijk moeite gegeven het te verhin-

1) Denzelfden dag waarop het viervoudig verbond geteekend werd, kreeg de
nederlandsche resident bij de Hanze, Aitzema, kennis dat een wapenstilstand
met Zweden gesloten was. (
simons, II, 210) den 24sten november werd het
tractaat gesloten, waarbij Bremen tot het jaar 1700 afzag van zitting te
nemen en te stemmen op den Eijksdag.

2) MIGNET, II, 20. "Son but n\'était plus à cette époque de s\'opposer
aux empiétements et à la grandeur de la Maison d\'Autriche en Allemagne,
mais d\'empêcher l\'empereur de secourir les Espagnols lorsqu\'il entrerait en
Flandre."

3) simons, II, 215. wagenaae doet het voorkomen (XIII, bl. 238—
241) alsof de quadruple alliantie uitsluitend tegen Frankrijk gericht was
en maakt slechts in \'t voorbijgaan (bl. 235) gewag van den twist tusschen
Zweden en Bremen. "De Staaten wel onderregt van \'s Konings oogmer-
ken, zogten zig derhalve heimelijk tegen zijn aanwassend gezag te sterken,
door een verbond," enz.

De alliantie was zuiver defensief, maar men schijnt verwacht te hebben
dat een aanval van Zweden den
casus foederis wel te weeg zou brengen.
wicqüetoet, III, 292; "la France consentoit bien qu\'on empeschast les
Su-edois de se rendre maistres de Breme, mais ne pouvoit pas souffrir qu\'on
attaquast une Couronne, qui luy estoit si confidente,"

-ocr page 238-

deren; toen het desniettegenstaande tot stand gekomen was,
poogde hij het gevaar te ontgaan, door voor te stellen
Frankrijk in het verhond op te nemen, en er zoodoende een
anti-oostenrijksche richting aan te geven. Dit mocht echter
niet gelukken. Frankrijk begreep niet in de alliantie te
kunnen treden, zonder ook Zweden daarin te trekken, maar
daar dit rijk weigerde een band aan te knoopen die het
aan zijn aartsvijand Denemarken geklonken zou hebben,
leed Lodewijks voornemen op den tegenstand van zijn eigen
beschermeling schipbreuk

Terwijl deze onderhandelingen plaats grepen, werkte
de keurvorst van Brandenburg te Londen aan den vrede
tusschen Engeland en de Republiek 2). Reeds kort na den
vierdaagschen zeeslag was daarop uitzicht gegeven door een
briefwisseling, die tusschen de Staten en den koning van
Engeland geopend was, naar aanleiding van het terugzen-
den van het lijk van den engelschen admiraal Berkeley,
dat ons met zijn schip in handen gevallen was. In een
schrijven van Carel II om voor die beleefdheid dank te
zeggen, werd het eerst gewaagd van zijn gezindheid tot den
vrede.

1) WAöENAAB, 240, de Keizer en Spanje lieten den raad-pensionaris
ook polsen, of hij hen in het verbond zou willen opnemen, hetgeen de Witt
weigerde om Frankrijk geen argwaan te geven. Brandenhm-g alleen scheen
eenige geneigdheid te hebben den Keizer er in te trekken.
Brieven van de
witt,
II, 377. Van Benningen schrijft {Brieven, II, 384) «oock meen
ick, onder verbeteringe, dat het voor het best van haer Ho. Mog. saecken
is, dat niemandt in deselve trede, die sigh daer inne meer directie soude
aenmaetigen, als haer Ho. Mog. ende dat het tot ruine van de voorsz. Ligue
soude sijn dat Sweden daer inne soude worden geadmitteert."

2) helwihg, 633. "Der Kurfürst benutzte ohne Verzug diesen gunsti-
gen Zeitpunct (na den vrede met Munster), um auf dem Wege der Ver-
handlungen England, zu der Herstellang des guten Vernehmens mit den
G-eneralstaaten zu bewegen."

-ocr page 239-

Van deze briefwisseling werd, vooral om Frankrijks
gevoeligheid te sparen, kennis gegeven aan onze bond-
genooten, waarop Zweden formeel zijn bemiddeling aan-
bood 1): echter was de zaak sedert niet veel gevorderd; men
kon het niet eens worden over de plaats waar onderhan-
deld zou worden, en de krijgsbedrijven duurden inmiddels
voort.

De verwijdering tusschen Engeland en Brandenburg,
het gevolg van \'s Keurvorsten bemoeiingen tegen Munster,
maakte het hem niet gemakkelijker zijn doel te Londen te
bereiken Reeds tweemaal was een ondergeschikt beambte,
de secretaris Achem, daarheen geweest om den weg te be-
reiden, toen in augustus 1666 Christoph von Brand der-
waarts volgde. Terwijl men nog twistte of \'s Gravenhage
dan wel Londen tot zetel der conferentie gekozen zou wor-
den, sloeg de brandenburgsche diplomaat als zoodanig Cleve

1) Eeeds in dec. 1665 gaf Blaspeil te kennen dat de britsclie gezant te
Cleve, kolonel
vane , hem «in secretesse ouvertïire gedaen heeft" dat Engeland
wel genegen was tot vrede met de Eepubliek, «mits buyten interventie van
Vranckrijck." De Witt oordeelde "soodanighe ouvertures .... als inventien
om ons van onze geallieerden te scheyden."
Srieven, II, 148, 159.

2) HElwiNG, 633. "Es war dies unter den obwaltenden Umstäuden ein
ziemlich schwieriges Unternehmen, da das englische Cabinett auf den Kur-
fürsten wegen seiner Verbindung mit den Holländern, und wegen seiner
Priedensvermitthing zwischen denselben und Münster sehr aufgebracht war,
Prankreich aber damals gerade aus eigensüchtigen Absichten die Zwietracht
zwischen beiden Seemächten insgeheim durch alle ihm zu Q-ebote stehende
Mittel nährte."

kIjUIT , Index federum n . 590 vermeldt onder den datum van 6|16 jan.
1667 een »fedus defensionis cnm Electore Brandenburgico adversus cona-
mina regis Galliae et de praesidiis Oliviae. Ex manuscripto Indice federiim
in Archivis Ordinum Greneralium."

3) dkoysen, III, 3, 168, 189. "Brandt war nach dem ausdrückhchem
Wunsch der Hochmögenden nach England geschickt worden."

-ocr page 240-

voor, waarvan de Engelschen echter niet hooren wilden,
omdat aldaar in het voorjaar het verdrag der Repubhek
met Munster tot stand gekomen was.

Ten laatste werd men het eens over Breda, welke plaats
als vrije heerlijkheid van den prins van Oranje, voor on-
zijdig gebied kon doorgaan

De Keurvorst zond nu terstond von Brand en von Blas-
peil derwaarts en deed zijn bemiddeling aanbieden waartoe
echter niemand groote geneigdheid betoonde; door toedoen
der fransche ministers werd zij geheel afgeslagen

1) Over de moeielijkheid een plaats voor de conferentie vast te stellen,
Ml&NBT, I, 519, 521, 526.

2) helwiïtg, 634.

3) wicquefoet, 306. \'/L\'Electeur de Brandebourg fît offrir sa media-
tion, mais les Estats de Hollande, qui n\'estoient pas fort satisfaits de sa
oondiiite, ny asseurés de son intention, témoignèrent peu d\'inclination pour
cela (quoyque l\'Angleterre l\'eust accepté) et les Ministres de France, qui
en ce temps là avoient une derniere complaisance pour la Hollande dans
les affaires de cette nature, dirent, qu\'ils n\'y pouvoient pas consentir, sans
ordre, et que le Eoy leur Maistre, n\'ayant pas jugé à propos d\'agréer la
mediation de l\'Empereur, il n\'y avoit point d\'apparence qu\'il acceptast celle
de l\'Electeur."

aitzema, XIII, 48. "De Heer Keur-Yorst van Brandenburg liet den
sevenden Mei door de Heeren Eomswinckel ende Copes, haer Hoog Mog.
oock aanbieden sijne Mediatie, verklaerende dattet sich den Coningh van
Engelaut aireede hadde laeten gevallen, oock dat de Heeren Sweedtsche
Ambassadeurs den keur-vorstelij eken Canceller Brant daertoe hebben geani-
meert. De Heeren van Hollant nament over, ende haer Ho. Mog. schick-
tent aen de Heeren Gedeputeerden ende Plenipotentiarisen van desen Staet
tot Breda, die daerover mette Heeren Fransche spreeckende, voor antvcoort
kregen, dat door den Keyser aen haer Koningh dierghelijcke aenbiedinge
was gedaen; dattet Sijne Majt hadde ghedeclineert, dat sij daerom ongelast
waren, hierop haer te verklaren. Dierghelijck antwoort van ongelastheyt
gaven oock de Heeren van Dennemarck ende soo ist achtergebleven."

aitzema, bl. 142 en wagenaae, XIII, 265, melden ook dat de keurvorst
van Brandenburg eerst later, en wel op aanbod der Staten in het verdrag

-ocr page 241-

De vrede werd dus alleen onder mediatie van Zweden
begonnen, en niet dan na langgerekte onderhandebngen —
gedurende welke de tocht van Chattam plaats greep —
werd eindelijk den Sisten juü 1667 het tractaat geteekend,
waarin de Keurvorst tot zijn niet geringe verontwaardiging
slechts als nevenpartij, in een afzonderlijke acte begrepen
werd.

begrejsen werd. Echter zijn de duitsche geschiedschrijvers het op dat
pniit niet eens; volgens
deotsen (III, 3, 196 en 197) zon Johan de Witt
zelf den Keurvorst om zijn bemiddeling verzocht hebben.
«Der Rathspensi-
onair wandte sich an den Kurfüi-sten mit der Bitte, auch seiner Seits nach
Breda zu schicken, und an der Mediation Theil zu nehmen" — maar de
brandenbm-gsche gezanten zotiden zelve het vruchtelooze daarvan ingezien
hebben: "unser Streben, schreiben Blaspeil und Romswinckel, kann nur
sein zu helfen dasz sich England und die Staaten verständigen, und dasz
wir uns dann einigen, wie wir das sehr olfenbare Unheil mit dem Frank-
reich uns alle bedroht, abwenden," terwijl de raad-pensionaris zieh iu juli
weer moeite gegeven zou hebben »sich bei Ihre Kf. D. zu insinuiren."
Daarentegen beweert
heiwins (634 en 635) «Der Kurfürst hatte grossen
Theila dieses Resultat (den vrede) bewirkt; nichts desto weniger erfuhr er
von Seiten der Kriegführenden zum Schlüsse noch eine Rücksichtslosigkeit.
Er wurde nämlich zwar mit in den Frieden eingeachlossen, aber nicht, wie
er gewünscht hatte und wie es dem Anstände gemäss gewesen wäre, in das
Hauptinstrument, sondern mittelst eines besonderen Actenstückes durch
welches ihm von jedem einzelnen Contrahenten diese Versicherung ertheilt
wurde."

-ocr page 242-

VIERDE HOOFDSTUK.

Yan den vrede van Breda tot dien van Saint-Germain.
1667-1679.

Het bijna twintigjarig tijdperk tussclien den westfaal-
schen vrede en dien van Breda, was een tijd van overgang
tusschen de oude en de nieuwe staatkunde van Europa.
Tot 1648 toe was de politiek bijna uitsluitend beheerscht
géwordén door godsdienstige belangen: inderdaad zag men
slechts een protestantsche en een katholieke ligue tegen-
over elkander Eerst na 1667 treden de politieke belan-
gen op den voorgrond; geloofsgenooten beginnen onderling
te strijden en zich tegen elkander met hun vroegere vij-
anden te verbinden; de staatkundige gevolgen der Her-
vorming verdwijnen. Wel wordt, een twintig jaren later, de
vaan der geloofsvrijheid nogmaals in Europa opgeheven tegen
de katholieke reactie in Frankrijk, maar om spoedig weer
in een staatkundige coalitie te veranderen.

1) GtmzOT, Histoire de la Civilisation en Hurope, Douzième leçon,
bl.
331 (ed. van 1838).

-ocr page 243-

Natuurlijk, dat een zoo gewichtige ommekeer, in zoo
korten tijd tot stand gebracht, yan de hevigste schokken
in Europa vergezeld ging. Vooreerst duurden de gevolgen
nog voort van den dertigjarigen oorlog: evenmin als de
zee terstond na den storm tot kalmte wederkeert, mocht
men nu op plotselinge rust rekenen; de westfaalsche vrede
was eigenlijk afgedwongen geworden, geen der partijen had
dien ooit bestendig geacht; de vrees den krijg weer ter-
stond na het eerste herstel van ki-achten te zien uitbreken,
was algemeen.

Behalve dat de oorlog tusschen Spanje en de Nederlan-
den, die toch ook in de laatste jaren niet dan slepend was
gevoerd, daardoor een eind genomen had, zonder echter beide
Staten nader tot elkander te brengen, en behalve het herstel
van het duitsche Rijk was er in den algemeenen toestand niet
veel veranderd. Alleen begon Engeland den invloed terug
te erlangen, dien het onder Jacob I had verspeeld; zijn
oorlogen echter met de Republiek, die uitsluitend ter zee
gevoerd werden, stoorden bijkans den gang der zaken in
Europa niet, omdat geen der overige mogendheden ver-
mocht partijen te volgen op het uitgestrekt strijdperk van
den oceaan.

Maar reeds ontwikkelen zich de nieuwe toestanden: de
gebeurtenissen in het Noorden: Zwedens inval in Polen
en Pruisen, zijn tocht tegen Bremen, de woelingen van
den bisschop van Munster, de geschillen tusschen Neuburg
en Brandenburg, worden allen haastelijk gestuit of uit den
weg geruimd, met een onverholen angst den westfaalschen
vrede, het meer kunstig dan stevig fundament waarop het
geheele staten-systeem van Europa voortaan zou moeten
rusten, te zien omverstooten. Het was vooral Erankiijk
dat voedsel gaf aan die vrees; na met buit beladen, den

-ocr page 244-

oorlog met Spanje ten einde gebracht te hebben i), keerde
het zich op nieuw tegen diens trouwen bondgenoot, zijn
eigen traditionelen vijand, Oostenrijk. Sedert 1648 had
Frankrijk op alle wijze voet weten te verwerven in Duitsch-
land: het Rijnverbond in 1658 tot stand gekomen, had
zich onder fransche bescherming gesteld , en de drie ge-
broeders Fürstenberg hadden, van het eene Hof naar het
andere trekkende, zoowel vorsten als staatsdienaren door
het voorspiegelen der schoonste vooruitzichten, veelal door
de grofste omkooping, aan de fransche politiek weten te
verbinden.

De veroveringszucht van Lodewijk XIV was grenzenloos:
de kroon van Spanje voor zijn geslacht, was zijn laatste
streven: naar de keizerlijke kroon van Duitschland had hij
eerst de hand uitgestrekt Toch, niettegenstaande al zijn
goud en al zijn beloften — moest hij van die hersenschim
afzien; sedert beperkte hij zijn lust tot de Rijnprovinciën

1) In 1659 sloten Frankrijk en Spanje den vrede der Pyreneën, en
reeds dadelijk na den dood van Mazarin (1661) begon Lodewijk XIY werk
te maken van de spaansche erfenis,
migïtet , Introduction nv.

2) Dr. Jj. ENNEN, Frankreich und der Niederrhein, oder G-eschichte von
Stadt und Kurstaat Köln, I, 157, 169—174. „Ludwig XIV galt bei den
verblendeten Fürsten des Rheinbundes als der uneigennützige Beschützer
der ständischen Freiheiten, gegen die Macht des Kaisers. Den Lohn für
solchen Schutz sollte das Eeich ihm zahlen, der ganze Länderstreich aul
der linker Seite des Eheins, schien von Ludwig und seinem Ministerivim
dafür in Aussicht genommen zu sein."

Lodewijk XIV wist nl. overal vrees in te boezemen voor vermeende ab-
solvitistische neigingen van keizer Leopold.

3) dboysen, III, 2, 359, 583, die Wahl voo 1658. enken , 1, 154—173.

du mont, Mémoires politiques pour servir à l\'histoire de la paix de

Eijswick, I, 287 en vgg. was-enaae, XIII, 282.

Brandenburg en Saksen dreven toen de verkiezing van keizer Leopold
door. ennen,
I, 163. DU mont, 300.

-ocr page 245-

en de spaansche Nederlanden, de natuurlijke grenzen van
Frankrijk zijn een uitvinding van
Louis Ie Grand..

Tot aan den vrede van Breda hield hij zich bezig zijn
batterijen te stellen en zocht hij door tractaten en dienst-
bewijzen, dikwijls door met iedere partij te heulen, zich
alom vrienden te verwerven. Nog was de vrede niet ge-
sloten tusschen Engeland en de Republiek, wier mede-
werking voor zijn plan onmisbaar was, of hij achtte zich
sterk genoeg zijn begeerte luid uit te spreken i), en hier-
mede begint het tijdperk dat de tweede helft der 17 de eeuw
karakteriseert, en met den vrede van Utrecht wordt be-
sloten : het gemeenschappelijk verzet van Europa tegen
de vorderingen van Frankrijk; wat voorheen de Habsburgen
waren, worden nu de Bourbons, een altijddurend gevaar
voor den algemeenen vrede, een incarnatie van onbegrensde,
steeds onvoldane heerschzucht. Daarentegen wordt Oosten-
rijk, wat Frankrijk vroeger was, de natuurlijke bondgenoot
tegen den gevaarlijksten vijand. Uit dezen volledigen omme-
keer der staatkundige betrekkingen volgde natuurlijk ook
een geheel nieuwe verhouding tot Brandenburg.

In januari 1667 hadden de Keurvorst en de Republiek
zich nog verbonden tot afwering van het gevaar dat van

1) van berhik&en aaii de witt {Brieven, II, 519, 5 juni 1667), "bij
dese gelegentheyd is mij meer als eeas geseyt;
Assewrement la conqueste

des Pdis-Bas, n\'est pas une grande ni difficile affaire".....mij dunckt

de Vrede met Engelandt diendt verhaest, ende dese saeke vervolgeus gehan-
deld met alle de applicatie, omsightigheyd ende vigueur die de grootheyd
van deselve vereyscht.\'\'

2) wiCQUEïOBT, III, 325. "Ce delnge de maux qui a inondé et pensé
submerger toute la Chrestienté."

3) helwinö, 635. "Durch eine lange vorbereitete mid rasch ausgeführte
Gewaltthat, veränderte Ludwig XIV plötzlich die ganze bisherige Stellung
der europäischen Mäclite gegen einander."

-ocr page 246-

den kant van Frankrijk dreigde , maar deze verbinte-
nis bleek niet zeer krachtig. De Franschen waren in de
spaansche Nederlanden gevallen, en hadden ze, door den
ontredderden toestand des lands weldra geheel in hun
macht, zonder dat er sprake was van de uitvoering van
het tractaat met Brandenburg. De Staten wendden zich
integendeel tot Engeland: een gezantschap werd derwaarts
afgevaardigd Maar voor dat die onderhandeling nog
eenige vrucht gedragen had, had de gouverneur der spaan-
sche Nederlanden, de marquis de Castel-Rodrigo, reeds in
den Haag om ondersteuning gesmeekt, en bij den snellen
voortgang der fransche wapenen, zijn verzoek met nog
grooter aandrang doen herhalen^), als onderpand voor de
terugbetaling der te verleenen voorschotten, eenige steden in
Vlaanderen aanbiedend: de Staten waren niet ongenegen
zich op dezen grondslag met hem te verstaan, en in afwach-
ting van een tractaat bewerkten zij een voorloopigen wapen-

1) DU MOïfT, I, 300, l\'occasion de l\'invasion qui menaçoit les Pays-
Bas." KltriT, Index federum, n\'. 590.

2) MIGNET, II, 120. "Le marquis de Castel Rodrigo, qui avait rempli
la Cour de Madrid de ses avertissements et de ses demandes, celle de Prance
de ses plaintes, et l\'Europe de ses defiances contre Louis
XIV, manquait
cependant de troupes, d\'argent et d\'alliés."

3) Mr. Johan Meerman, burgemeester van Leyden en mr. Joban Boreel
burgemeester van Middelburg,
wageîtaae, XIII, 269—275, 279. wic-
QUEEOBT, III, 324, "l\'invasion que les armes de France avoient faite dans
les Païs-Bas, estoit le point le plus important de leur négociation et le
principal sujet de cette ambassade."

4) wicqueïOET , m, 330, 335. mignet, II, 485. Eerst door den
gewonen gezant don Esteban de Gamarra, daarna door een bmteugewoon
gezant Anthony Ferdinand de Brouckhoven baron van Bergheyck.

5) Brugge, Ostende, Damme en de forten Isabelle en St. Donaes. mignet
(II, 496) noemt Brugge, Venlo, Roermond en het land van Overmaze,
misschien een later aanbod. Vg.
wicqüeeobt , III, 339.

-ocr page 247-

stilstand tusschen Frankrijk en Spanje. Ongelukkig echter
werd deze ijver te Londen geheel verkeerd uitgelegd; men
meende aldaar, of althans beweerde te meenen, dat de
Witt zich in het geheim met Frankrijk had verstaan tot
een verdeeling der spaansche Nederlanden; dat het bezit
van vlaamsche vestingen door de Repubbek een voortdu-
rende bedreiging voor Engeland wezen zou; bij gevolg ver-
langde het in datzelfde voorrecht te deelen i). Spanje
daarentegen, nu eenmaal een wapenstilstand gesloten was,
en het slechte saizoen vooreerst geen hernieuwing der vij-
andelijkheden zou toelaten, verlangde niet liever dan zich
tegelijk weer aan zijn verpbchtingen jegens de Republiek
te onttrekken en weigerde aan het verzoek van Engeland
te voldoen, op grond dat de Koning zijn hoogheidsrecht
over Vlaanderen niet met drie andere mogendheden kon
deelen, zoodat de geheele onderhandebng van Johan de
Witt met het spaansche Hof afsprong, en dus ook zijn
voornemen nog meer mogendheden. Zweden, Brandenburg
en andere duitsche vorsten te winnen, tot eeü bondgenoot-
schap tegen Lodevi^ijk XIV

1) WICQTJEFOBT, 337. "Lisola et le Comte de Molina, Ambassadeur
d\'Espagne, escrivoient, que le Roy d\'Angleterre, leur avoit déclaré , qu\'il ne
souiFriroit pas, que l\'on traittast avec les Estats de l\'engagement de quelques
villes de Flandre, et qu\'il y avoit âjousté, que les Estats, en demandant
la ville d\'Ostende et de Damme, avoient dessein de se fortifier contre l\'An-
gleterre plustost que contre la France; à quoy il ne consentiroit point, si
on ne luy donnoit en mesme temps Gand, Ypre, Dixmude et Wieuport."

2) WICQIIEEOET, III, 337. »Que les Estats devoient considérer, que
l\'amitié du Eoy d\'Angleterre n\'estoit pas moins nécessaire au Eoy, leur
Maistre, que celle des Estats, et que si on luy cedoit ces places, la Flandi-e
seroit partagée entre quatre Souverains, dont les trois seroient estrangers."

338. «Cette resolution des Espagnols rompoit toutes les mesures que
l\'on avoit prises avec la Suede et avec l\'Electeur de Brandebourg, à qui

-ocr page 248-

Maar de fransche diplomatie had intusschen ook niet
stil gezeten 1): te Stockholm, vooral te Berlijn werd van
alle kanten gewerkt; op allerlei wijzen kruisten zich daar
de draden van fransche, spaansche en oostenrijksche on-
derhandelingen; en de Keurvorst die niet wist welke partij
te kiezen, leende het oor aan ieder voorstel, beloofde allen
beurtelings zijn ondersteuning, en stelde ten slotte iedereen
te leur. Reeds dadelijk na zijn inval in de Nederlanden had
Lodewijk XIV aan Friedrich Wilhelm geschreven, om op zijn
onzijdigheid aan te dringen, en de Keurvorst had hem die
toegezegd \'); toch was hij niet lang daarna met Castel-Eo-
drigo in een levendige onderhandeling *), die hij niet alleen
voor den franschen gezant Millet geheim poogde te houden,
maar wier bestaan hij zelfs, toen er
iets van uitgelekt was,
bepaald ontkende; het fransche Hof had echter weldra zeker-
heid van het tegendeel , en droeg daarenboven kennis van

on avoit fait esperer des subsides, parcequ\'on ne dontoit point que l\'Es-
pagne ne les payast, et les Estats pretendoient les avancer sur les sommes
qu\'ils presteroient sur ces hypothéqués."

1) mignet, II, 277—304.

2) mignet, 163 en 164, 278. «La Cour de Vienne envoya le Comte
de Mansfeldt à Berlin et M. Passerode à Stockholm avec l\'instruction et
presque l\'espoir de faire entrer TElectenr de Brandebourg et la régence de
Suède dans une alliance contre la France."

3) mignet, 271. deoysen, III, 3, 200, zegt alleen »der Kurfürst
hatte als ihn Millet die Anzeige seines Königs brachte, dasz er in die Nie-
derlande eingerückt sei, sein sehr lebhaftes Bedauern ausgesprochen, und
hinzugefügt, dasz er sich gern bemühen werde, die Sache in Güte bei-
legen zu helfen."

4) In juli, deoysen, 201. Het schrijven van Lodewijk XIV was van
13 mei.

5) mignet, 279. „Malgré ses assurances de neutralité et ses témoignages
de gratitude, FElectenr nourrissoit des intentions hostiles à la France. Ses
agents
à Vienne et à Ratisbonne ne les dissimulaient pas. Louis XIV en
instruisit M. Millet pour qu\'il lui en fit des plaintes. L\'Elect«ur nia , en

-ocr page 249-

de voorslagen die markgraaf Herman van Baden namens
den spaanschen landvoogd had gedaan opperbevel van
den Keurvorst over het vereenigde spaansche en keizer-
lijke leger, benevens afstand van het hertogdom Geldern —
voorslagen, waartegen Millet het aanbod van andere voor-
deelen moest trachten te doen opwegen, o. a. het veroveren
van Geldern door fransche troepen ten behoeve van den
Keurvorst; de hertog van Neuburg ondersteunde de pogingen
van Millet maar desniettemin bleef Friedrich Wilhelm
volhouden dat hij geen partij kiezen zou, en vast besloten
had zich slechts als bemiddelaar in den strijd tusschen
Frankrijk en Spanje te mengen

versaat des larmes, les intentioas qu\'on lui attribuait, et prétendit que
c\'étaient de faux bruits répandus par ses ennemis. Mais Louis XIV acquit
bientôt la certitude que ce prince était en négociation avec le marquis de.
Oastel-Eodrigo pour lui fournir des troupes, et commander celles que l\'Em-
pereur projetait d\'envoyer au secom\'s des Pays-Bas."

1) migîtet, 280—284. Schrijven van Lionne aan Millet, 12 aug. 1667.

deovsen, III, 3, 201. »Markgraf Hermann von Baden der in Juli

von Brüssel nach Berlin kam, versicherte daaz Montecuculi mit dem kaiser-
lichen Heere am 15 October in Brüssel zu sein gedenke, und dasz der
Km-fürst zugleich den Befehl über die kaiserlichen uud spanischen Truppen
übernehmen solle; schon habe England 3000 Mann herüber zu senden zu-
gesagt; die Staaten deren Landarmee wenig werth sei, hoffe man zu Subsi-
dien zu bestimmen, die Verhandlungen darüber seien im Grange."

202. »Der Kurfürst verbarg nicht den lebhaften Antheil den er an der
Sache der Niederlande nehme; er sei bereit mit einem Corps van 15000
Mann der Krone Spanien zu assistiren, nur müsse er fordern, dasz zuvor
eine Allianz zwischen dem Kaiser, Spanien und Brandenburg geschlossen,
von Spanien Subsidien und Werbegeld gezahlt werde, dasz England, Hol-
land , das Reich miteinzutreten veranlaszt, Sicherung gegen Schweden, wenn
es nicht mit agiren wolle, garantirt werde. Er machte die völlige Geheim-
haltung dieser vorläufigen Besprechungen für Bedingung."

2) mi&nex, 289.

3) mignet, 285.

-ocr page 250-

De keurvorst van Keulen nl. nam den schijn aan nog
een onderhandeling aan te knoopen, maar terwijl Branden-
burgs deel daaraan argwaan gaf in den Haag i), werd ook
Millets achterdocht opgewekt door de heimelijke samenkom-
sten van den kanselier Somnitz met den saksischen minister
von Friesen te Leipzig die, volgens de openlijke verklaring
van den keizerlijken gezant, graaf Mansfeld, aldaar een trac-
taat beraamden, volgens hetwelk de Keizer en de Keurvorst
elk 20,000 man op de been brengen zouden om de Fran-
schen uit de Nederlanden te verjagen Nog bleef men
te Berlijn — zelfs met een glimp van hoogmoedige min-
achting\'^) — dergelijke onderhandelingen ontkennen, maar
Millet, volkomen onderricht van de dubbelhartigheid waar-
mede hij werd behandeld, bleef aanhouden: niet langs den
weg der overreding alleen, door geschenken wist hij de
voornaamste raadslieden des Keurvorsten op zijn hand te
krijgen , en weldra was tusschen Schwerin en Millet de
grondslag van een tractaat gelegd ®): indien Frankrijk door

1) deotsen, 205. "Dann schienen die Cölner Verhandlungen im Haag
zu beunruhigen ; am wenigsten Brandenburg durfte man aus der Hand lassen."

2) MiawET, 285. "Pendant que la Cour de Berlin cherchait à entretenir
le Ministre de Louis XIV dans cette sécurité , Prédéric Q-uillaume s\'abouchait
avec l\'Electeur de Saxe afin de s\'entendre avec lui, conformément avec ce
qu\'il avait négocié avec le comte de Mansfeldt et le marquis de Baden." 289.

3) MIGÎTBT , 283.

4) mi&net, 287. "L\'Electeur avait désavoué en bondissant les paroles
qui lui étaient attribuées par le Comte de Mansfeldt, il avait prétendu
n\'être pas assez petit prince pom- consentir
à être Général de l\'Empereur;
et quant aux vingt mille hommes, on savait bien, ajouta-t-il, qu\'il ne pouvait
pas les lever, ayant
à peine assez de troupes, pour garder son propre pays."

5) mignet, 284, 290, 303. Schwerin, Meinders, Pöllnitz en Gneisenau
waren door Millet gewonnen.

6) MiôîTET, 290. Vgg. het schrijven van Gravel aan Lodewijt XIV,
30 nov. 1667. bl. 266.

-ocr page 251-

een gematigde houding het den Keurvorst mogelijk maakte
zijn onzijdigheid te bewaren, en tevens door het verleenen
van milde subsidiën in zijn veiligheid beloofde te voorzien,
zou Brandenburg zich tot een bondgenootschap laten vinden;
nu eerst erkende Friedrich Wilhelm met Castel-Rodrigo in
onderhandeling te zijn i), maar beloofde die terstond te
zullen afbreken, evenals die tusschen Somnitz en Friesen.

Intusschen was vooral de eerste negotiatie reeds zeer
ver gevorderd: zoo groot was de dubbelzinnigheid der bran-
denburgsche politiek dat zelfs de keurvorstelijke gezant in
den Haag, von Blaspeil, niet beter wist dan door ijverig in
de plannen van de Witt te treden, zijns meesters inzichten
te bevorderen.

Hoewel het sluiten van een tractaat gedurig door ver-
schil over de subsidiën was uitgesteld , stond toch nie-
mand de Witt trouwer ter zijde dan Blaspeil; eindelijk in

1) »L\'Electeur conviut alors qu\'après le départ du marquis de Baden il
avait envoyé de Clèves à Bruxelles, un agent chargé de traiter avec le mar-
quis de Castel-Kodrigo ; que cet agent avait conclu un traité avant que ses
pouvoirs eussent été révoqués; qu\'il allait rompre, ce qui avait été fait, et
qu\'en témoignage de sa sincérité il lui en donnait avis."

2) HELWiNG, 642. »Holland aber knausei-te und feilschte hinsichtlich
des Greldpunctes."

DBOYSEN, III, 3, 205 (augustus tot october 1607). \'\'Die Sache stöszt
sich an den Werbe- imd Subsidien-G-eldern die Holland vorzustrecken An-
stand nimmt," schreibt Blaspeil 11 October: Dann kam der staatische Q-e-
sandte aus Paris, brachte, so hiesz es, Priedenserbietungen; »die Stimmung
für den Erieden" versicherte de Witt, »wächst mit jeder Stunde, es ist
höchste Zeit, dasz der Kurfürst schlüszig werde, in zehn Tagen kommen
die Hochmögenden wieder zusammen, dann musz alles fertig sein." Zwei
Verträge wurden entworfen (15 october), der eine zur Veröffentlichung : dasz
man gemeinsam Waffenstillstand vom 1 November an fordern, die Mediation
übernehmen wolle; der andere geheime, die weiteren Masznahmen festzu-
stellen, wie Prankreich zum Erieden zu nöthigen sei. »Ich glaube" schreibt
Blaspiel »dasz der Eathspensionär in dieser Sache aufrichtig ist."

-ocr page 252-

october kwam men omtrent twee ontwerpen overeen: vol-
gens het eene — openlijke — zou men tegen den eersten
november een algemeene wapenschorsing voorstellen, vol-
gens het andere — geheime — verdere maatregelen tref-
fen om Frankrijks heerschzucht te keer te gaan. Maar de
wankelmoedigheid te Berlijn, de onzekerheid waarin men
verkeerde of de Republiek zelve wel den oorlog aan Frank-
rijk zou verklaren, de achterdocht van Engeland jegens de
politiek van den raad-pensionaris, het gerucht dat d\'Estra-
des en de Witt reeds overeengekomen waren omtrent een
verdeeling der spaansche Nederlanden, waren even zoo veel
hinderpalen tegen die ontwerpen , en om die te over-
winnen besloot Blaspeil — zonder last van zijn Hof daar-
toe bekomen te hebben — zijn post te verlaten en met
Castel-Rodrigo zelf, naar aanleiding van de ontwerpen van
15 october, een onderhandeling aan te knoopen, die de
Staten Generaal dan des te meer binden zou ; werke-
lijk onderteekende hij (6 november) een voorloopig tractaat
met den landvoogd : tegen den vroeger gedanen voor-

1) Volgens BEOYSEIT (206) »wurden mit jedem Tage die Schritte de
Witt\'s zweideutiger."

2) DEOYSEN, 208 en 209, 212 en 213.

hblwinö, 639. »Der Kurfürst verweigerte sogar die Ratiftcation eines
Vertrages, den am 6ten November 1667 der brandenburgische Abgeordnete
von Blaspiel voreilig und über das Bereich seiner Vollmachten hinaus mit
Spanien abgeschlossen hatte."

3) Greheel verschillend is de voorstelling van wicqtjeeobt : (III, 338 en
339) »Les Estats voulurent faire un dernier effort sur les Espagnols; c\'est
pourquoy il fut trouvé bon, que Blaspil, l\'un des Ministres de Brande-
bourg, allast à Bruxelles, pour tascher d\'y faire résoudre l\'execution des

premieres propositions que le Marquis avoit fait faire.....à son retour

Blaspil rapporta, que dans les deux conferences, qu\'il avoit eues avec le
Marquis, cekücy luy avoit dit nettement: Que le peril estoit passé ; qu\'il ne
craignoit plus rien, à cause de la saison, et que si au printemps il avoit

-ocr page 253-

slag tot afstand van eenige vlaamsche vestingen ten pand,
bood Blaspeil hem hollandsche subsidiën en duitsche troe-
pen — behalve die van Brandenburg ook van Zweden,
Saksen, Hessen, Brunswijk en Neuburg; nu, meende de
gezant was Holland gebonden en het belang van zijn meester
gewaarborgd, maar ter nauwernood was hij in den Haag
teruggekeerd of hij vernam den ommekeer van des Keur-
vorsten politiek, zijn toetreding tot de engere alliantie van
Keulen, Mainz en Neuburg — alle drie aanhangers van
Frankrijk — en de afkeuring van zijn eigen ontwerpen van
verdrag met de Staten: bij de onzekerheid van hetgeen
Engeland en Zweden bedoelden, mocht Brandenburg geen
partij kiezen; daarom, en ook in afwachting van hetgeen
in Polen stond te gebeuren, waar de troon open en een
verkiezing ophanden was, werd de grootste omzichtigheid
geboden, en had de Keurvorst derhalve besloten een onzij-
dige houding aan te nemen i).

Het verdrag met de Staten werd bijgevolg opgegeven
en de onderhandeling van Blaspeil te Brussel plechtig ge-
désavoueerd Deze wist niet beter dan den raad-pensio-

besoin du secours de ses voisins, la flotte des Indes apporteroit de quoy
donner des subsides à la Suede, à l\'Electeur de Brandebourg et aux Ducs
de Lunebourg, jusques à la fin d\'Octobre 1668. Que si les Estats vouloient
avancer de l\'argent sur ce que le Boy d\'Espagne possedoit encore dans le
païs de Waas, qui rendoit encore quatre cens mille livres tous les ans, il
leur consigneroit les forts qui le couvrent; qu\'ils feroient plaisir au Eoy, et
feroient beaucoup pour eux mesmes, comme estant obligés de contribuer de
tout lem- pouvoir à ce qui pouvoit aider à la conservation de leur voisin."

MIGNET, II, 546, spreekt alleen van »un traité qui fut annulé par le
traité postérieur avec Louis XIV."

1) dboysen, 209, 212.

2) DBOYSEN, 213. "Der Kurfürst bat demnächst den Entwurf vom 6
November abgelehnt, aber Blaspeil auf dessen Wunsch bei Oastel-Eodrigo
in den freundlichsten Ausdrücken entschuldigt."

-ocr page 254-

naris de schuld te geven van die misrekening i): diens wei-
felend gedrag, zoo verspreidde hij, had den Keurvorst
gedwongen de voorslagen van Castel-Rodrigo af te wijzen
en zich naar de wenschen van het fransche Hof te schik-
ken; maar de Witt kon niet anders handelen dan hij ge-
daan had: het bleek hoe lang zoo meer dat Spanje eigen-
lijk niet met het bondgenootschap der Staten gediend was.
Terwijl de onderhandeling tusschen hen werd opgegeven,
zond Friedrich Wilhelm twee van zijn raadslieden, Pöllnitz en
Meinders naar Parijs (december) en nog den löclea december
werd het tractaat van onzijdigheid tusschen Frankrijk en
Brandenburg te Berlijn door Millet geteekend 2).

Intusschen duurde het niet lang of Castel-Rodrigo begon
in te zien hoe onvoorzichtig hij in zijn hoogmoed gehandeld
had, met alle aanbiedingen van ondersteuning in den wind te
slaan ; nu werd geen moeite gespaard om de verloren gele-
genheid weer te doen herleven, maar niemand was geneigd
zich langer door Spanje te laten slingeren^): men kon niet
anders te Madrid dan zich onderwerpen aan de bemiddeling
die van alle zijden werd opgedrongen ; ook Bodewijk XIV

1) wiCQUEFOET, 339. "Blaspil et Dohna, qui suivoient les conseils et
les inclinations de la Princesse Douairière d\'Orange, se plaignoient haute-
ment du procédé des Estats, et partiouherement de ceux qui parmy eux
avoient la principale direction des affaires."

2) HEIWING, 642. DEOYSEÎT, 216-221.

3) WICQTJEEOET, III, 393 en vgg.

4) helwiîtg, 639. »Spanien in seiner Noth nahm auch zu dem Kur-
fürsten seine Zuflucht. Es machte die glänzendsten Anerbietungen, und
trug ihm sogar an, den Oberbefehl über ein gegen Prankreich zu richtendes,
vereinigtes
kaiserlich-spanisch-brandenburgisches Heer zu übernehmen. Aber,
obwohl Spaniens Sache unzweifelhaft die gerechte war, so konnte er sich
doch nicht entschliessen, seinen bewaffneten Arm fur dasselbe zu erheben."

5) MiöNET, II, 199. De Paus liet omstreeks dienzelfden tijd aan een

-ocr page 255-

moest, tegen wil en dank daarmede genoegen nemen: reeds
gedurende eenigen tijd was er sprake geweest van een con-
gres te Keulen ; verscheiden duitsche vorsten, door fran-
schen invloed beheerscht en onder goedkeuring van Oostenrijk,
dat door een geheim tractaat tot verdeeling der spaansche
monarchie met Frankrijk verbonden was , moesten daar
een vrede bewerken, natuurlijk in het voordeel van Lodewijk.
Meer afdoende maatregelen werden terzelfder tijd in den
Haag beraamd: de Witt, Temple en Dohna sloten aldaar in
januari 1668 het beroemde drievoudig verbond, een meester-
stuk van staatskunst, dat, met vrij wat meer kracht dan de
vruchtelooze bezendingen uit Keulen optrad, om den vrede
en het evenwicht van Europa te herstellen

Te vergeefs gaven de drie bondgenooten, inzonderheid
Zweden, zich moeite den keurvorst van Brandenburg tot
hun politiek over te halen onder allerlei voorwendsels

bemiddeling werken door zijn beide nuntinssen, den abt Rospigliosi te Pa-
rijs , en den kardinaal Visconti te Madrid.

1) EüTNEN, I, 188. "Hauptsächlich auf Betreiben des Kurfürsten von
Mainz kamen Abgeordnete von Mainz, Trier, Bonn, Münster, Osnabrück,
Baiern, Braunschweig, Brandenburg, Sachsen, Neuburg, Zell, Waldeck
und Hessen-Cassel in Köln zusammen um durch Rath und Vermittlung die
Schrecken des allgemeinen Krieges verhüten und einen dauernden Erieden
sichern zu helfen. Der Congresz schickte Gesandtschaften nach Wien, nach
Madrid und nach Paris (
migïtet, II, 209 vgg.) .... Während der Zeit,
wo alle diese Machinationen und Unterhandlungen noch in vollem Gange
waren, hatte Ludwig alle Anstalten getroffen, um mit Heeresmacht in die
Niederlande ein zu fallen."

2) Door Eürstenberg tot stand gebracht, mio-net, III, 323 en vgg.

3) mignet, II, 546—556. dbotsen, III, 3, 221—234.

4) dboysen, 220—223. "Im Haag, wie in Londen sagte man dem
brandenburgischen Gesandten »wie schwach die Ligue ohne Brandenburg
sein werde;" man drang auf das inständigste darauf, dasz der Kurfürst mit
in die Allianz trete."

hedwing, 640 noot 2 en 3. De zweedsche gezant Christoph von Dohna

-ocr page 256-

weigerde hij herhaaldelijk zijn neutraliteitsverdrag met Frank-
rijk\') hoewel het nog niet geratificeerd was te verbreken,
en regelde hij zich getrouw naar het gedrag des Keizers, die
door omgekochte ministers misleid , den ouden bondgenoot
zijner kroon in den steek het en in verraderlijke onzijdigheid
het tijdstip afwachtte waarop ook hem een gedeelte van
den buit te beurt zou vallen.

Deze onthouding van Duitschland gaf der triple alliantie
vrije gelegenheid haar doel door den vrede van Aken (2 mei
1668) te bereiken. De langdurige en moeielyke onderhan-
delingen die tot deze uitkomst leidden, liggen buiten ons

deed die voorstellen te Londen aan Christian von Brand. De Douairière
van Oranje, tante van v. Dohna zal daar wel de hand in gehad hebben.

1) DBOYSEN, 220. "Auf die Mittheilung vom Abschlusz der Allianz
liesz der Kurfürst nach dem Haag antworten «er könne keinen Entschlusz
fassen, bis man im Haag etwas Beständiges" festgestellt habe, denn dort
habe man die Meinung so oft geändert dasz er "nicht wenig dadurch brouil-
lirt worden sei." Er wies Brandt an, "üblen Auslegungen" damit zu be-
gegnen, dasz er nachweise, wie dieser Haager Tractat viel weiter gehe, als
der,- den er mit Millet verabredet, indem jener sogar mit G-ewalt Spanien
zu Abtretungen zwingen wolle, während er sich nur zur Neutralität anhei-
schig gemacht habe, wenn Frankreich nicht mit billig mäszigen Bedingun-
gen zufrieden sei; auch sei es nicht blosz für ihn selbst, sondern für alle
Benachbarten von Wichtigkeit, dasz er durch diezes Mittel die französischen
Pläne auf Polen gebrochen habe; zu dem Haager Tractat sei er bis zur
Stunde nicht eingeladen, noch ihm formell Kenntnisz von dessen Artikeln

wicqueeobt. III, 435. "Il ne pouvoit rien determiner, qu\'il ne sceust
jusques à quel point on le vouloit engager."

2) Eerst 1 febr. 1668. mignet , II, 303.

3) De vorsten Auersperg en Lobkowitz. mignet, III, 441. "Pressé
de se déclarer par la Hollande et l\'Espagne, l\'empereur était de plus en
butte aux instances des électeurs de Brandebourg et de Mayence, et de
plusieurs autres princes de l\'empire qui le priaient de leur donner l\'exemple
et qui s\'engageaient à le suivre."
mignet, III, 457. ennen, I, 191.

4) Gevoerd door de Witt met d\'Estrades in den Haag, door van Beu-

-ocr page 257-

bestek. Frankrijk i) in den loop zijner overwinningen ge-
stoord en Spanje in zijn hoogmoed gekrenkt, waren beide
verbolgen over de ongevraagde inmenging in hun geschillen
van een drietal mogendheden aan wier spits klaarblijkelijk
eene kleine doch onversaagde Republiek stond Lode-
wijk XIV vergaf het haar niet dat zij hem in de verwezen-
lijking zijner eerzuchtige plannen had gestuit, en van dat
oogenblik af was haar ondergang bij hem besloten^) On-
gelukkig bracht de voet waarop de vrede getroffen was\'\'),
het
uti possïdetis in Vlaanderen, terwijl het mede veroverde

ningen. te Parijs, Meerman en Eoreel te Londen, Bnrgersdijek en van der
Tocht te Brussel,
wagenaae, XIII, 313.

1) MIGNET, II, 491. "Les négociations entamées à Vienne, à Eatis-
bonne., à Berlin, à Stockholm, à la Haye et à Londres par les Espagnols,
l\'offre de médiation du Pape, des princes allemands, et des Hollandais,
décidèrent Louis XIV, à la fin de la conquête de Flandre à entrer dans la
pensée d\'un accommodement."

2) MIGNET, II, 578. "La médiation de l\'Angleterre, de la Hollande et
de la Suède, qui avait un caractère presqu\'impérieux devait être plus efficace
que ne l\'avait été la médiation toute bénévole des princes allemands assem-
blés à Cologne et la médiation toute paternelle de Clément IX. Elle était
d\'ailleurs fondée sur des bases précises et acceptables. Les trois puissances
se proposaient d\'imposer à l\'Espagne Tune des alternatives offertes par
Louis XIV et de renfermer Louis XIV lui-même dans les limites des pré-
tentions qu\'il avait fixées, et qu\'il ne pouvait point dépasser."

3) hbiwing, 645. "Seine Politik während dieser Zeit ging darauf
hinaus, den Rathpensionair der ihn überlistet hatte, wieder zu überlisten."
simons, III, 130.

4) Gesloten door Colbert-Croissy, Lionne en Le Tellier voor Frankrijk,
Bevemingh voor de Republiek, John Trevor voor Engeland, Dohna voor
Zweden en Bergheyck voor Spanje; verder werd het tractaat onderteekend
door den pauselijken nuntius Franciotti, door den baron von Schönborn
namens Mainz , graaf Franz Egon von Fürstenberg namens Keulen, en baron
von Schmieding namens Munster
(mignet, II, 638, ennen, I, 193), De-
nemarken , Brandenburg, de Zwitsersche cantons en Brunswijk werden door
Spanje verzocht den vrede te garanderen, (
mignet, III, 281, 607).

-ocr page 258-

Franche-Comté teruggegeven v?erd — steeds nieuw gevaar
van oorlog mede. Echter ontbrandde die eerst in 1672.

De vier daartusschen verloopen jaren werden van weers-
zijden met onderhandelen, bijna zou men zeggen met het
koopen van bondgenooten doorgebracht i) Het verbreken
van het drievoudig verbond dat hem zoo gevoehg vernederd
had, was de doorgaande zorg van Lodewijk XIV, waartoe
geen moeite gespaard werd "), en dat door de geslepenheid
der beste fransche diplomaten — Colbert-Croissy in Enge-
land, d\'Estrades in den Haag, Pomponne te Stockholm,
ViUars te Madrid, Grémonville te Weenen, Wilhelm von
Fürstenberg aan de duitsche Hoven, slechts al te wèl
gelukte. Te vergeefs beijverde zich die alliantie de eer-
lijke de Witt daartegen te handhaven en met het vroe-
ger gesloten viervoudig verbond te doen ineensmelten: op
den reeds spoedig geopenbaarden strijd van elks belangen
leed dit plan schipbreuk De eersten die onze zijde ver-

1) MIÖNET, (III, 250) spreekt van »la Kitte d\'influence et d\'achat qui
se poursuivait à Londres, à Tienne, à Berhn, à Madrid même, de la part
de la France pour attaquer, de la part des Hollandais pour se défendre."

2) Mr. H. A. VAN MJK, Bijdrage tot de Geschiedenis der Nederland-
scJie diplomatie, Handelingen met FranJcryTc en Spanje van
1668—1672,
bl. 40. HELWING, 644. »Aus diesen Grründen beschloss also Ludv^ig XIV
die ITeberwältigung der niederländischen Republik; niemals war das Bestehen
der letzteren enger mit der Freiheit Europa\'s, mit der Selbstständigkeit
Deutschlands verknüpft gewesen. Demnach durfte Ludwig XIY sich auf
kräftigen und vielfachen V^^iderstand gefasst machen. Diesen zu brechen,
und seine Rüstungen zu vollenden, war er länger als drei Jahre ununter-
brochen beschäftigt."

DEPPING, Geschichte des Krieges der Münster er und Cölner, im Bünd-
nisse mit Frankreich, gegen Holland in den Jahren
1672, 1673 und 1674.
bl. 32 en 33.

3) van buk, 39, 396 en 397. wagenaae, 398—400.

MIGNET, III, 39. "II était fortement recommandé au chevalier Temple

-ocr page 259-

lieten waren de hertogen van Brunswijk en Lunenburg, wier
medewerking in het viervoudig verbond zoo gewichtig was
om Munster in bedwang te houden; reeds spoedig na 1666
waren zij door Fürstenberg tot Frankrijks zijde overgehaald.
Niet lang daarna dreigde Zweden dat voorbeeld te vol-
gen 1). Sedert een lange reeks van jaren waren Frankrijk
en Zweden trouwe bondgenooten geweest: de anti-fransche
politiek was dus volkomen in strijd met de tradities van
dat rijk, en slechts door het verleenen van ruime subsi-
diën kon het in de triple alliantie gehouden worden; dit
te beseffen en tegelijk de karigheid van Spanje te aan-
schouwen , dat juist op dit punt met Zweden bleef twisten ,
was een harde proef voor het geduld der hollandsche staats-
beden; de volkomen ongeschiktheid der spaansche landvoog-
den in zuid-Nederland was niet minder ergerlijk; eerst toen
de graaf de Monterey y Fuentez tot dien post geroepen
was, verbeterde de verhouding; en toen op het eind van
1669 de bekwaamste onzer diplomaten, Beverningh, naar
bet Hof van Madrid gezonden werd, van welks houding op
dat oogenblik het lot der triple alliantie afhing, kwam
eindelijk den fsten maart 1670 het verdrag tot stand, waarbij

de tout faire pour resserrer les liens de la triple alliance que M. Colbert
venait pour dissoudre (août 1668) ; de surveiller tous les efforts que la France
tenterait auprès des Hollandais pour la rompre; enfin de chercher à orga-
niser contre Louis XIV une ligue plus puissante en admettant dans l\'alli-
ance les cantons Suisses et les princes de Brandebourg, de Luxembourg
(Lunenburg) et de Saxe. Ces instructions prouvaient clairement que l\'in-
fluence du Comte d\'Arlington dominait alors entièrement dans le conseil
britannique etc.
mignet , III, 287, 291—294.

1) VAN DIJK, 294—333.

2) De uitputting van Spanje was zoo groot dat het nauwelijks door
buitengewone middelen, vrijwillige opbrengsten, vermindering van tractemen-
ten enz. in zijn eigen verdediging kon voorzien,
mignet, II, 127, 132.

-ocr page 260-

de spaansche subsidiën aan Zweden te verleenen geregeld
en vastgesteld werden, en tevens de acte van garantie van
den vrede van Aken, die reeds in mei 1669 geteekend
was, ook eindelijk werd uitgewisseld

Maar terwijl men zich hier verheugde de werking van
Lodewijks kuiperijen te Stockholm overwonnen te hebben,
behaalde de fransche diplomatie oneindig gewichtiger voor-
deel in Engeland, waarop weldra (juni 1670) het geheim
tractaat van Dover, in een oogenschijnlijk schuldelooze bij-
eenkomst van Carel II en zijn zuster, de hertogin d\'Orléans,
volgde 2). Maar het verraad bleef langen tijd in zoo die-
pen sluier gewikkeld dat de raad-pensionaris, ook door
de steeds gunstige berichten van den gezant Boreel te
Londen, niet den minsten argwaan koesterde, en zich
veeleer beijverde de raadslagen der fransche staatkunde in
Duitschland te bestrijden. Het plan
van de Witt was Spanje,
den Keizer, Engeland en de Eepubbek in een nauw bond-
genootschap tegen Frankrijk te vereenigen: die vier Sta-
ten hadden allen er evenzeer belang bij de spaansche Ne-
derlanden niet door dat rijk te laten annexeren: Spanje

1) Op last van H. H. M. werden de afschriften der stukken op P maart
uitgewisseld, medegedeeld aan den marquis de Pomponne, en aan de minis-
ters van Denemarken, Brandenburg en Lunenburg,
van dijk, 353.

2) mignet, III, 195. heiwing, 647. ennen, I, 227, 228. "Am 1 Juni
1670 wurde in Dover der Vertrag unterzeichnet, in welchem Karl II die
Unabhängigkeit der enghschen Politik für zwei Millionen Livres an das

Interesse Ludwigs verkaufte."

Behalve Denemarken en Zweden zoude men ook trachten Keulen, Bran-
denburg, Brunswijk, Neubm-g en Munster te doen toetreden,
mignet, III,
122, 262.

3) VAN DIJK, bl. 65. MIGNET, 349. "Cette ligue était fort à craindre,
malgré les engagements de l\'empereur et les promesses de l\'electeur de
Brandebourg."

-ocr page 261-

natuurlijk als tegenwoordig bezitter en Oostenrijk als naaste
erfgenaam , van wien niemand vermoeden kon, dat het
zich in stilte tegen zijn eigen belang tot een verdeeling had
laten overreden; voor Engeland was inderdaad een derge-
lijke uitbreiding der fransche grenzen van vrij wat meer
gevaar dan indien de Republiek eenige vlaamsche steden
als hypotheek in haar bezit had gehad, en voor de Repu-
bliek zelve was het een oude, door de Witt steeds voor
oogen gehouden grondregel:
Gallum amicum non vicinum
habeas.

Deze overeenstemming van belangen zou, dacht de Witt,
een nauwe aaneensluiting tegen den gemeenschappelijken
vijand gemakkelijk maken: Beverningh kreeg dus in last
Spanjes invloed op den Keizer daartoe te doen aanwenden
maar deze was, gelijk gezegd is, reeds in stilte gebonden
aan Frankrijk, dat, van Engelands medewerking verzekerd,
geen tijd had laten verloren gaan ook de verschillende duit-
sche vorsten tot zijn partij over te halen Bij het mee-

1) De Witt hoopte ook dat de snelle verovering van Lotharingen, een
leen van het Eijk, door den maréchal de Oréqny (ang. 1670), den Keizer
tot toetreding bewegen zon; deze vergenoegde zich echter den graaf von
Windisch-Grrätz naar Parijs te zenden,
van dijk, 77—82. Vg. WiCQtJB-
foet, III, 23—26.

2) tam dijk, 375. "Art. 29 en 30 (der instructie van v. Beverningh)
behandelden de vraag der toetreding van den Keizer, den Keurvorst van
Brandenburg, de Vorsten van Brunswijk en Lunenburg en andere Prinsen
des Duitschen Eijks tot de Triple-Alliantie. De Grezant moest den Koning
van Spanje verzoeken, deze zoo gewenschte toetreding te helpen bevorderen."

Van Beverningh kweet zich van dezen plicht door een nota aan de
spaansche regeering 14 fehr. 1671, bl. 393.

3) ennen, I, 231—234, 242—245. van dijk, bl. 88.

heiiwing, 648—650. "Während die Hauptverbündeten Hollands für
das französische Interesse gewonnen waren, überzog die Diplomatie Lud-
wigs XIV ganz Deutschland mit einem einzigen grossen Netze, um zu be-

16

-ocr page 262-

rendeel gelukte deze onedele politiek volkomen: geldgebrek,
ambitie, spilzucht, onkunde van ware belangen of verlan-
gen zich ten koste van anderen te verheffen, oppositie tegen
den Keizer, godsdienstige inzichten, waren even zooveel drijf-
veeren door Frankrijk te baat genomen om de duitsche
vorsten, een voor een, tegen de triple alhantie en haar bond-
genooten op te zetten: waar bezwaar gemaakt werd mede-
werking te verleenen, werden neutraliteits-verdragen geslo-
ten , om althans geen tegenwerking te ondervinden, en
de Fiirstenbergen waren meer dan ooit onvermoeid en on-
beschaamd. Maar onder al degenen die door list of over-
reding overgehaald moesten worden was niemand van wien
het zoozeer zaak was zich te verzekeren als van den keur-
vorst van Brandenburg: even als tijdens den inval der Fran-
schen in Vlaanderen was ook nu weer Berlijn een brand-
punt van onderhandelingen en zag de Keurvorst zich de
meest verschillende alhantiën aanbieden.

Reeds is gezegd hoe de Witt gepoogd had hem tot
het drievoudig verbond te doen toetreden; geen moeite was
daartoe gespaard geworden, maar de onderhandelingen, nu
levendiger, dan weer flauwer gevoerd, leidden tot geen uit-
komst dat verbond, beweerde de Keurvorst, was voor

mcken und zu bestechen, und, zur Schande des deutschen Namens, muss

mau es gestehen, fast aller Orten fand das französische Gold willige Aufnahme

und gierige Hände...... Sie (die Türstenberge) erschienen bald hier,

bald da, um im Interesse Frankreichs zu werben und zu verführen. Das
bereitwilligste Entgegenkommen fanden sie bei den geistlichen Fürsten."

1) mignet , II, 139. "Le moment était venu de paralyser l\'empereur
par l\'empire, et d\'empêcher par les princes qui Im étaient favorables dans
l\'empire, les résolutions que solliciteraient de la diète, ceux qui lui étaient
contraires. Ses négociations en Allemagne furent à cet égard très-compli-
quées, très-habiles et très-heureuses."

2) DEOYSEN, III, 3, 251 (1669). "Immer von Neuem warb de Witt

-ocr page 263-

een bepaald geval gesloten, waarmede zijn belang niet ge-
moeid was, en Carel II, die door sir Gabriel Sylvins mede
een voorzichtige poging had laten doen, was niet geluk-
kiger 1) dan de raad-pensionaris: maar de ware reden van
des Keurvorsten onthouding — die te Londen misschien
bekend was, maar zeer stellig in den Haag niet vermoed
werd — was een zeer geheim tractaat tusschen Frankrijk
en Brandenburg op het eind van 1669 door den marquis
de Vaubrun gesloten, waarbij de Keurvorst zich verbond, zoo-
dra de koning van Spanje zou overleden zijn, Lodewijk XIV

urn den Kurfürsten, machte die Gefahr des französischen Wesens, die dro-
hende Universalmonarchie Frankreichs, den nothwendigen Schutz der Keichs-
grenze geltend, versprach Subsidien; von der cleviscben
Festungenvom
Prinzen von Oranien, von der polnischen Wahl sprach er nicht. Er ver-
suchte zu drohen; noch war die hofysersche Schuldsache, die geldefnsche
Compromiszsache nicht zu Ende. «Wir können," schreibt der Karfürst an
Blnmenthal, »aus der Herren Staaten bei diesen Sachen bezeigten unfreund-
lichen Bezeugung, nichts anders abnehmen, als dasz sie uns indirect in die
TripelaUianz gleichsam forciren wollen." Er wai- nicht gemeint, als ein Ac-

cessorium in dieselbe zu treten.....Er war eben nicht der Meinung,

in eine pohtische Gemeinschaft für unbestimmte Zwecke einzutreten; er
wollte nicht sich einer fremden Politik und derer Interesse, die sie in\'der
Gestalt von allgemeinen Prinzipien aussprach , hingeben, weder der der Her-
ren Staaten, noch der Frankreichs."
lUd. 338, 340.

1) wagenaae, 395-397. »Silvius vertrok eindelijk, van \'t Hof van den
Keurvorst zonder aldaar veel te hebben können ontdekken."
van dijk, 37.
simons, III, 83, 123. Sylvius was een ijverig aanhanger van het Huis
van Oranje.

Volgens ennen (234) verscheen gelijktijdig met Fürstenberg te Beriijn
een gezantschap uit den Haag om den Keurvorst tot een verbond over te
halen. Wordt hiermede wellicht de zending van Sylvius bedoeld?

2) deoysen, 268. mignet, III, 286. » Traité secret et inédit en latin,
au dépôt des affaires étrangères de France, du 31 décembre 1669.__l\'Elec-
teur s\'était engagé à ne pas entrer dans la triple alliance." Dit verdrag
was voor tien jaren aangegaan.

-ocr page 264-

bijtestaan in het vervolgen van zijn beweerd recht op een
deel der spaansche monarchie.

De vaardigheid waarmede deze verbintenis tot stand was
gekomen en de vruchtelooze aanbiedingen van de Witt,
gaven te Parijs hoop den Keurvorst weldra even gemakke-
lijk als de overige Rijksvorsten, in het gareel der fran-
sche politiek te doen treden i). Prins Wilhelm van Für-
stenberg werd met deze taak belast. Op het eind van 1669
verscheen hij te Berlijn 2), in schijn als gezant van den
keurvorst van Keulen, in wiens naam hij voorslagen begon
te doen omtrent een alliantie tusschen de duitsche vorsten
tot instandhouding hunner onzijdigheid in geval van een
oorlog tusschen Frankrijk en de Repubbek, waarvan de
uitbarsting door hem als zeer aanstaande werd voorgesteld.
De ontvangst die den franschen spion te beurt viel was
ten \'hoogste koel en terughoudend, maar door zijn weer-
galooze sluwheid en dubbelzinnigheid gelukte het hem de
voornaamsten onder \'sKeurvorsten raadslieden te winnen.

1) DBOYSEN, 269. "Der Kurfürst hatte der französischen Politik den
Pinger gereicht; er konnte voraussehen, dasz sie die Hand zu nehmen ver-
suchen, dasz sie schon jetzt ihn in ihr System zu ziehen, ihn mit gegen
Holland zu engagiren suchen werde. Es muszte sich zeigen ob er im Stande

sein werde, auszuweichen."

334. »Der französischen Diplomatie durfte es eine nicht schwere Aufgabe
scheinen, die norddeutsche Pürsten zu gewinnen, wenn es galt mit Holland

Abrechnung zu halten ..... Dasz unter allen norddeutschen Pürsten der

Brandenburger der wichtigste sei, wuszte man nirgend besser, als m Paris.
Es kam darauf an diesen zu gewinnen. Das war der Zweck der Sendung des
Fürsten Wilhelm, der in den ersten Tagen des Jahres 1670 nach Berlin kam."

2) helwing, 652—654. emen, 234—242. waöenaae, XIII, 414—
416, 438.
mignet, III, 288—291.

3) Voomamelijk den vrijheer von Schwerin en Franz Meinders, die

met hem handelden.

dipping, 33. »Nicht so zugänglich liess sich aniänglich der Kurfürst

-ocr page 265-

die toch buitendien der triple alliantie en vooral der Re-
publiek niet zeer gunstig gezind waren. Gelukkig begreep
Friedrich Wilhelm zijn belang beter i) ; door de onderhan-
deling niet terstond af te breken drong hij Fürstenberg tot
verdere openingen; deze wierp dan ook weldra het masker
geheel af, deed zijn verhouding tot Frankrijk kennen, wees
op de werkeloosheid van den Keizer en van den rijksdag
te Regensburg, en poogde eindelijk den Keurvorst met
het lokaas, de cleefsche vestingen door middel der fran-
sche wapenen terug te bekomen, tot de zijde van Lode-
wijk XIV over te halen: toen dit voorstel ook nog de ge-
wenschte uitwerking niet had, opperde hij zelfs een plan
tot verdeeling der Vereenigde-Provinciën tusschen Frankrijk
en Duitschland, waardoor dan o. a. Gelderland en Zutfen
bij de Rijnprovinciën van Brandenburg gevoegd zouden
worden

voa Brandenbui\'g finden; man hatte viele Mühe, ihn zn etwas Entscheiden-
dem zu bewegen. Indessen gelaug es der französischen Politik im J. 1671
doch, auch ihn zu gewinnen; er bekam 100,000 Livres, wofür er einzuwilli-
gen schien, den Umtrieben des Versailler Hofes gegen Hollands Sicherkeit
ruhig zuzusehen. Dieses Greld war aber ganz unnütz verschwendet; denn als
man stärker in den Kixrfürsten drang, um mit Erankreich einen Bund gegen
Holland zu schliessen, konnte man ihm nicht einmal das Versprechen
entreissen, neutral zu bleiben. Den Holländern versprach er aber auch
keine Hülfe."

1) WAGEKAAB, XIII, 400 en 401.

DBOYSEN, 337. "Die Antwort des Kurfürsten war behutsam und aus-
weichend: allerdings seien die Staaten in bedenklichem Zustande, aber er
habe mit ihnen Tractate, die ihn, wenn sie angegriifen zur Hülfeleistung
Verpflichteten," enz.

2) DEOYSEN, 335, 336. "In der That radical genug war das Project,
ein Köder so grober Art, dasz die französische Diplomatie nicht mit Un-
recht einem deutschen Fürsten es überliesz mit demselben sein Glück zu
versuchen."

ENNEN, 237. "Die Republik solle aufgelöst und unter die Verbündeten

-ocr page 266-

Na dergelijke voorslagen was het Friedrich Wilhelm niet
langer mogelijk zijn onwil te verbergen hij wees ze met
verachting\' van de hand en wilde zich zelfs niet tot onzij-
digheid verbinden. Maar Lodewijk XIV verloor zoo spoedig
den moed niet : Fürstenberg had ten slotte, toen hij van
den Keurvorst niets anders verkrijgen kon, bij hem het
denkbeeld opgewekt, gezamenlijk met den keurvorst van
Keulen zijn bemiddeling aan te bieden, om den oorlog te
voorkomen; op die wijze dacht de sluwe diplomaat dan
wel Brandenburgs invloed, ten gunste van Lodewijks plannen,
te zullen kunnen misbruiken : Weldra werd met Frankrijk
en met de Republiek onderhandeld; maar de buitengewone
gezant Lorenz von Crockow, die te Versailles den vrede
moest gaan prediken, bemerkte terstond dat zijn zending
niet de minste kans van slagen had zoodat de poging

getheilt werden ; .Frankreich solle das Land im Westen der Maas, Köln die
Provinz Utrecht, Münster Ober-Yssel, Brandenburg G-eldern und Zütphen,
Lüneburg Friesland, Neuburg G-röningen, Oranien Holland und Seeland
erhalten."

1) EHNBif, 238. "Es war der Ehrlichkeit des Brandenburgers zu viel
zugemuthet, dasz er sich an einem solchen Spitzbubenspiele gegen einen
alten Bundesgenossen betheiligen solle."

2) MiGNET, III, 150. Lodewijk XIY aan Colbert, 16 febr. 1670. "Yous
direz en toute confidence de ma part au roi d\'Angleterre que je crois avoir
des espérances assez bien fondées de porter non seulement M. l\'Electeur de
Brandebourg, l\'Electeur de Cologne, et l\'Evêque de Munster à s\'unir avec
nous pour le même dessein" enz.

3) BBOTSEN, 337. "Es wurde verabredet im Haag und in Paris für die
friedliche Ausgleichimg zu wirken; mit Füi-stenberg wm-den die Instructio-
nen festgestellt, mit denen Crockow vierzehn Tage später nach Paris ab-
reiste." (26 jan. 1670).

4) DBOYSEN", 337. "Aber die Aeuszerungen Fürstenberg\'s, dann die
Berichte Crockow\'s zeigten nur zn deutlich, dasz in Paris der Krieg eine
beschlossene Sache sei, dasz der König ihn noch im Lauf des Sommers
beginnen wolle."

-ocr page 267-

dadelijk opgegeven moest worden, want in den Haag wilde
men nog, even als vroeger, van geen andere aansluiting aan
Brandenburg hooren, dan door diens opname in de triple
alliantie overigens waren de Staten zeer voorkomend je-
gens Blaspeil en Romswinckel, zoo zelfs, dat dezen te veel
naar den zin huns meesters, tot de inzichten van den raad-
pensionaris neigden tegelijk met het stuiten van hun
conferenties, ontving Crockow de instructie, iedere verbin-
tenis met Frankrijk voorzichtig af te wijzen de Keur-
vorst had, terwijl hij zich te Cleve bevond, door Fürsten-
berg , die hem daar een bezoek was komen brengen, in
het diepste geheim kennis gekregen van het verdrag van
Dover, van het verbreken van het drievoudig verbond waar-
in zijn gezanten reeds bezig waren hem te doen opne-
men Te Parijs liet men echter de onderhandeling zoo
spoedig niet los onder voorwendsel zeker geschil tusschen

1) DEOYSEÎT, 338, 340. "Man lud die brandenburgischen Minister im
Haag von Neuem zu triplischen Besprechungen ein; man überzeugte sie
dasz der Eintritt des Kurfürsten der beste Weg sein werde, den Frieden
wie er wünschte zu erhalten, man bestellte eine Commission mit ihnen zn
verhandelnenz.

2) DBOTSEN, 340. "Nicht ohne Befremden," schrieb ihnen der Kiir-
fürst (9 april) "höre er, dasz sie in Conferenz getreten seien; sie würden
zu sehen haben, wie sie das redressirten ; er finde keinen Anlasz sich um der
spanischen Interessen willen in einen fertigen Tractat einzulassen, über den
mit ihm nicht die geringste Communication gepflogen sei." Er wies sie von
Neuem an, zu seinem Eintritt keinerlei Hoffnung zu machen."

3) DEOTSEN, 340. "Er beauftragte zugleich Crockow in Paris in den vor-
sichtigsten Formen ein Bündnisz gegen Holland abzulehnen, die Sache sei
so beschaffen, dasz er ohne Gefahr seines ganzen Staates, ja
ohne Verletzung
seines O-ewissens
sich nicht wider Holland engagiren könne" enz. (mei 1670).

4) MiaNET, III, 160, 206, 222 en 223. Openingen van Fürstenberg,
"Comme le croit ledit électeur sans le su et la participation de Louis XIV."

5) MIGNET, III, 233. Louis XIV à Lionne: "cette négociation aura
des épines et des longueurs qui la feront traîner plus que je ne l\'aiirais voulu."

-ocr page 268-

Munster en Wolfenbuttel bij te leggen, werd graaf Louis
de Verjus-Crécy naar Duitschland gezonden, en deze be-
gaf zich heï. eerst naar het Hof van Berlijn : maar hij
was daar niet gelukkiger dan Fiirstenberg vóór hem. De
Keurvorst voor wien men zorgvuldig verborgen gehouden
had al wat in het belang van het Katholicisme te Dover was
afgesproken , scheen desniettemin het gevaar te beseffen
dat zijn geloofsgenooten dreigde; van de politieke plannen
van Lodewijk XIV werd hij nu nog vollediger onderricht:
Lionne verklaarde ronduit aan Crockow dat er geen ver-
zoening meer mogelijk was, dat de eer van zijn Koning met
de vernietiging der Republiek was gemoeid; tegelijk drong
Verjus aan dat Brandenburg zich ten minste tot onzijdig-
heid zou verplichten, maar na al hetgeen hij vernomen had,
was de Keurvorst daartoe in het minst niet genegen en de
fransche onderhandelaar verkreeg slechts een ontwijkend
antwoord

Intusschen had men Friedrich Wilhelm niet dan na ver-

1) dboysen, III, 3, 369—371. mignet, III, 289. "M. de Verjus
partit avec des lettres de créance pour tâcher de conclure, contre la Hol-
lande la ligu.e offensive vainement proposée par le Comte de Pûrstenberg.
Il se rendit d\'abord à Berlin, où il resta pendant trois semaines. Il n\'y
trouva pas l\'électem- plus disposé à une guerre contre la Hollande."

2) mignet, m, 223.

3) mignet, III, 289. "M. de Lionne répondit à M. Crockow: -/que
le Roi ne prétendait à aucune satisfaction de la part des Hollandais, qu\'il
voulait seulement mortifier leur orgeuil et abattre un peu cette puissance,
qui leur donnait l\'audace d\'offenser les plus grands potentats ; qu\'au reste
les choses n\'étaient plus en termes de pouvoir être accommodées; qu\'il
n\'avait pas même les mains libres là-dessus, s\'étant lié avec des amis dont
il ne pouvait pas abandonner les intérêts, et dont il préférait la satisfaction
à la sienne."

4) mignet, 290. "Après avoir obtenu une promesse assez vague de
neutralité, M. de Verjus qiiitta Berlin."
deoysen, III, 3, 371.

-ocr page 269-

zekering van de stiptste geheimhouding zoo goed onderricht
omtrent hetgeen te Parijs voorbereid werd; derhalve kon hij
de Staten slechts in algemeene bewoordingen tegen Frank-
rijks aanslagen doen waarschuwen ; maar hetzij men in
den Haag de onbaatzuchtigheid van den Keurvorst niet ver-
trouwde, hetzij men het drievoudig verbond sterk genoeg
achtte, de Witt bepaalde zijn staatszorg voornamelijk tot
verzekering der spaansche Nederlanden, en terwijl hij zich
nog in het beramen van ver verwijderde hondgenootschap-
pen verdiepte , was reeds zijn eigen veiligheid ondermijnd.
Toch bleef hij onbekommerd de waarschuwingen in den
wind slaan die hem gedurig uit Berlijn herhaald werden:
daar, waar het gevaar in al zijn omvang bekend was ver-
hief zich natuurlijk menige stem om den Keurvorst tot een
andere politiek te bewegen; maar Friedrich Wilhelm liet
zich niet afbrengen van hetgeen hij plichtmatig achtte: wel
verre van zich uit angst onder de banier van den overwel-
diger te scharen, ondernam hij een poging zich met de
overige leden van den westfaalschen Kreits tot een krach-
tige neutraliteit te verbinden. Te Bielefeld waar kreitsdag
gehouden werd (april—juli 1671) deed hij een voorstel in
dien zin^); Fürstenberg en Verjus ook een talrijk gezant-

1) hbiwmö, 654. van dijk, 88, 406. wagenaae, XIII, 415.

2) mignet, III, 633.

3) Ook Bevemingh werd door Castel-Eodrigo gewaarschuwd, (van dijk ,
417), "dat ontwijffelijck Vranckrijck nae den Rhijn quam en dat men uyt
den name en op den name van den Churfurst van Brandenhurch sonde re-
clameren de steden van het Cleefsche gebiet, en op die van den Churfurst
van Ceulen de stadt Bijnberck, met de wapenen van H. H. Mog. beset, en
dat Vranckrijck het werck soude doen op een anders naem, daer aen ick soo
heel veel, immers in het eerste reguard, niet hebbe connen defereren." ■

4) heewing, 654. ennen, 240 en 241. drotsen, III, 3, 369, 371—373.

5) mignet, III, 290, 295. "Avant de terminer sa mission à Bielefeld,

-ocr page 270-

schap van de Staten i) woonden de vergadering bij, die plot-
sebng het gewicht van een internationale conferentie ver-
kreeg; maar de uitkomst beantwoorde niet aan Branden-
burgs verwachting; Keulen en Munster waren reeds te eng
met Frankrijk verbonden®). Friedrich Wilhelm sloot zicb
van dat oogenblik weer bij den Keizer aan 3), die eindelijk
van zijn verblinding begon terug te komen; maar zoolang
deze niet bepaald partij koos, bleef ook de Keurvorst dralen
of hij zich nauwer met de Republiek verbinden zou, of
niet. Even als de Witt koesterde hij nog hoop den opko-
menden storm door onderhandebngen te kunnen bedaren *):
daartoe zond hij gezantschappen naar Copenhagen en naar
Stockholm, beide echter vruchteloos Denemarken, hoewel
door de quadruple aUiantie aan de Repubbek verbonden,

M. de Verjus fit une dernière tentative, aui^rès de la Cour de Berlin."
Daar echter Schwerin hem te kennen gaf dat de Keurvorst evenmin in een
verdrag van onzijdigheid, als in een offensief verdrag treden zou, bleef die
reis achterwege.

1) Jonkh. j. w. tan sypesteijn, Nederland en Brandenburg in 1672
en 1673, bl. 19. De extraordinair-gedeputeerden der Staten te Bielefeld
waren v. Keede-Amerongen, v. Bipperda, v. Wijngaerden van Werkendam
en Sirtema van G-rovestins. Reede waarschuwde de Staten tegen de kuipe-
rijen van Pürstenberg en Verjus.

2) mignet, III, 290. helwing, 655.

3) mighet, III, 675. \'Les électeurs de Brandebourg, de Trêves, de
Mayence et sept ou huit princes le pressaient de se déclarer et ne toléraient
pas une aussi lâche indifférence de sa part."

Volgens depping, bl. 34, deed de Keurvorst dadelijk een klein deel zij-
ner troepen in nederlandschen dienst overgaan, »jedoch ohne Aufsehen zu
erregen."

4) dboysen, 382. "In Berlin hielt man für nöthig auf aUe Fälle ge-
rüstet zu sein, man begann mit dem Ausgang des Jahres 1671 die Vermeh-
rung der Armee, man fuhr fort, in Paris friedliche Mittel zu empfehlen,
wenn man auch nicht zweifeln konnte, dasz alle Mahnung vergeblich sei."

5) helwing, 657. Tot driemaal toe werd Blumenthal naar Denemarken

-ocr page 271-

betoonde bij Zwedens houding geen geneigdheid haar bij te
springen, en Zweden zelf liet zich in het laatste oogenblik
nog van het drievoudig verbond aftrekken, en beloofde bij
de geheime artikelen van een, den 14den april 1672 gesloten
tractaat, den oorlog te zullen aandoen aan diengene der
duitsche Vorsten, die de Republiek te hulp zou komen,
een bepaling klaarblijkelijk tegen de vijandelijke houding
van Brandenburg gericht^).

Reeds was, toen dit verraderlijk verdrag geteekend werd,
het noodlottig jaar aangebroken, waarin de Republiek op den
rand des afgronds gebracht werd. Van alle kanten be-
laagd en van hun machtigste bondgenooten verlaten, ston-
den de Staten tegenover een, door haat en naijver aange-
vuurde coalitie. Slechts Spanje en Brandenburg bleven op
dat hachelijk tijdstip hun verbintenissen getrouw : maar
het eerste was uitgeput en vernederd, en het laatste ver-
mocht weinig meer, dan goeden wil jegens ons te toonen.

In november 1671 was door de Staten-Greneraal eindelijk
besloten werk te maken van de langverwaarloosde alliantie
met Brandenburg , en werd Grodard Adriaan baron van

gezonden; september 1671, april en juni 1672. Christoph von Brand on-
derhandelde in Zvreden.

MiöMT, III, 3.50, 354, 361. "Tandis que l\'ambassadeur de Hollande,
les envoyés d\'Espagne, de Saxe, de Brandeboiu-g et de Zell sollicitaient les
membres de la régence et du Sénat dans un sens, M. Courtin et M. Co-
ventry les visitaient de leur côté et les pressaient dans nn autre."

1) miqfet, III, 271 en vgg. 345, 365—376. heiwing, 646. ennen,
I, 229—231. Het tractaat werd gesloten door Pomponne, maar was reeds
voorbereid door den resident Eousseau.

2) van DIJK, 114, 456. deoysen, 382. "Die Generalstaaten brachten
bei Pöllnitz Abreise dem Kurfürsten in feierlichster Weise ihren Dank aus :
"da sie von allen verlassen gewesen, habe er allein sich ihrer angenommen,
sie und ihre Nachkommen würden es ihm nie vergessen."

3) deoysen, 382. "Schon im vorigen Sommer hatte Jena in Bielefeld

-ocr page 272-

Reede van Amerongen benoemd i), om te Berbjn, volgens
de verplichting van het viervoudig verbond, ondersteuning
tegen Frankrijk te gaan verzoeken; van februari tot mei
1672 had deze diplomaat aldaar de moeielijkste onder-
handelingen te voeren; twee dagen na hem verscheen al we-
der een franscb gezant, de graaf de Saint-Géran, aan het
keurvorstelijk
Hof, wiens invloed Reede gedurende geruimen
tijd te bestrijden had, voor dat hij uitzicht verkreeg zijn
zending te zien gelukken Niet dat de Keurvorst per-
soonlijk ongenegen was zijn voorstellen aan te hooren ;
ook bij diens hofhouding vond hij vrij algemeen
diezelfde
sympathie: de opperstalmeester, baron von Pöllnitz, de
graaf von Dohna, de generaals van Spaen en Eller deel-
den daarin ; maar het kabinet was, hetzij uit overtui-

ZU Amerongen geäuszert: es wäre besser, wenn die alte Preundsohaft zwi-
schen Berlin und dem Haag hergestellt würde. Bs währte neun Wochen,
ehe die Staaten die Resolution faszten, dasz die Commission in Sachen der
Tripelallianz darüber berichten sollte."

MIGNET, III, 691. "Les Hollandais avaient d\'autant plus de penchant
à espérer l\'assistance de l\'Europe, qu\'ils en ressentaient mieux de jour en
jour l\'urgente nécessité. Aussi recherchaient-ils l\'appui de l\'empereur, du
roi de Daneinarck, des princes de l\'empire et surtout de l\'électeur de Bran-
debom-g, le plus puissant d\'entre eux. Ils avaient envoyé de bonne heure
M. d\'Amerong à Berlin pour demander à Erédéric Guillaume de les assister de
ses troupes , conformément au traité de 1666 qui lui en imposait Tobligation."

1) v. STPESTETN, bL 30. HELWING, bl. 601. WAGENAAE, XIV, bl. 16.

2) MIGNET, III, 691. DEOTSEN, 382. »Zwei Tage nach Amerongen
kam auch St. Géran nach Berlin, noch einmal von Seiten des E:öning3
Cooperation oder Neutralität zu fordern, als Preis dafür die Rückgabe der

clevischen Eestungen zu bieten......Während St. Géraa höchst beflissen

war, bei Hofe des Königs Macht und Groszmuth zu erheben, und für ihn
zu gewinnen, wurden die ersten Conferenzen mit Amerongen gehalten."
p.
de geoot aan de witt bij van dijk, 234, 235.

3) v. STPESTEYN, 31 Vgg. 37 , 42 en 43.

4) v. sypesteyn, 40—42. Mémoires du Comte de guiche,II, 206—

-ocr page 273-

ging, hetzij door omliooping geheel op de hand onzer vij-
anden, von Schvrerin was bepaald franschgezind, Meinders

208. -\'Le Prince d\'Anhalt étoit Chef dn Conseil et Beau-Prere de 1\'Electrice,
qxii l\'autorisoit dans la Cour par son Crédit comme tout-à-fait dépendant
d\'elle; car, sa Personne ne revenoit nullement à l\'Electeur. Le prémier
avoit pour ami principal le Baron de Schwerin, Créature aussi de l\'Electrice,
qu\'elle avoit fait G-ouverneur de ses Enfans et Premier Ministre de son Mari. Le
Comte de Dohna, qui étoit particulièrement attaché par sa Parenté et par ses
Devoirs à cette Princesse, suivoit dans les Affaires les Mouvemens de Schwérin

et n\'avoit par lui (même) aucun Crédit......C\'étoit la véritable Eorme

du Conseil de l\'Electeur; le Beste n\'étant composé que d\'un Tas de Doc-
teurs ..... Il y avoit tin Homme dans cette Cour qui en étoit le véritable

Maitre, et plus puissant, à mon Grré, que le Conseil, bien qu\'il n\'y entrât
pas. Il s\'appelle Pölnits, est G-rand-Ecuier, et Colonel des Gardes de

l\'Electeur qui s\'y fie et l\'aime de toute son Ame.....il portoit l\'Electeur

à s\'accommoder avec les Provinces-Unies et à entrer dans leurs Intérêts.
.....Tant d\'Intérêts différents, se réünirent sur la fin en apparence."

deoyseît, 386. "Selbst an seinem Hofe, bei seinen Eäthen, bei seiner
Gemahlin (nl. de tweede, Dorothea van Holstein) fand er Bedenken, Ein-
wände, wachsende Abneigung gegen den Gedanken, der ihm fest in die
Seele stand. Mit widerstreben unterhandelten Schwerin, Somnitz, Jena
mit Amerongen weiter; gewisz nicht ohne ihre Schuld war es, dasz die Con-
ferenzen
zxi keinem Ergebnisz führten. Nach der letzten, am 26 Februar,
nahm der Kurfürst selbst die Sache in die Hand."

1) Schwerin werd door alle partijen omkoopbaar geacht: de markgraaf
van Baden, van wege Castel-Kodrigo had hem een landgoed van 10,000
kroonen aangeboden (
migïtet, II, 281); tegelijk schreef Lionne aan Millet
(bl. 285, 12 aug. 1667): "Vous pourrez aussi faire espérer quelque grâce à
M. le baron de Schwerin, vu qu\'il n\'a pas accoutumé de rien conseiller à
son maître, qu\'il n\'y trouve son compte particulier" en in zijn antwoord
bericht Millet (286) dat de baron von Blumenthal naar Parijs gezonden
staat te worden "ledit Blumenthal est gendre du baron de Schwerin, fort
décrié parmi les gens de bien, ainsi que son beau-père, sur sa probité."
De resident van Neuburg van zijn kant bood hem 10,000 kroonen (288). In
november schreef Millet aan Lionne "si vous croyez que l\'on ait besoin de
M. l\'électeur de Brandebourg à l\'avenir c\'est un coup sûr qu\'on le gouver-
nera quand on se sera assuré du baron de Schwerin et du sécrétaire Mein-
ders (296)." En deze raad werd niet in den wind geslagen.

-ocr page 274-

voor de inzichten van Munster gewonnen; en de sluwe Saint-
Géran hield niet op, hen nog meer tegen de Staten op te
zetten, nu eens door groote geldsommen of teruggave der
cleefsche vestingen te beloven, dan weder door het ver-
spreiden van geruchten, als had Spanje de betrekkingen met
de Repubbek afgebroken, of Zweden zijn neutrabteit ver-
kocht, of wel als had dit rijk zich met Denemarken tegen
Brandenburg verbonden, waardoor het partij kiezen van den
Keurvorst althans voor een tijd belemmerd werd Ook op
Crockow werd te Parijs gewerkt: toen hij betuigde dat de
Keurvorst op grond van zijn verwerend verbond met de
Staten genoodzaakt zou worden hen bij te staan, daar hij
zijn plechtig gegeven woord niet kon breken, ontbrak het
Pomponne niet aan drogredenen om te bewijzen dat Frankrijk
geenszins aanvallende partij was, dat de Republiek zelve
den oorlog had aangevangen 2).

1) T. SYPESTEXH, bl. 40.

MiGNET, III, 691. "Saint-Gréran Ini offrait, an nom de son maître, de
le remettre en possession des places d\'Bmmericb, d\'Orsoy, de Wesel et de
tontes les villes du duché de Clèves qui étaient occupées par les garnisons
des Hollandais, auxquels le grand électeur en demandait inutilement la
restitution. Cette offre était de nature à le tenter" enz.

2) KIGNET, 692. TAN dijk, bl. 268. Pieter de Q-root aan de Witt,
26 febr. 1672: »de Heer Crackovr, Cheur-Brandenburghsche Minister alhier,
zijnde dese daegen in conversatie met den Heer de Pomponne, ende seggende
onder anderen, dat zijn Heer ende Meester gesummeert werdende uyt den
naem van H. H. M. gelijck alrede door den Heer van Amerongen was ge-
daen, om het secours, bij het tractaet van 1666 bedongen, aen deselven in
den aenstaenden oorlogh te presenteren, weynigh reden soude können alle-
geren, die bequaem soude sijn om sijn refus te justiflceren, antwoorde de
gedachte Heer de Pomponne, dat daerin weynigh swaerigheyt was, alsoo
mea maer H. H. M. voor aggresseurs behoefde te verklaeren om van die
obligatie. bevryd te zijn, geconsidereert dat de oorlogh moet gepresumeert
werden aeugevangen te zyn bij die geene, die daertoe de eerste oorsaeck
hebben gegeven, die men met weynig moeyte den Hollanders soude imputeren."

-ocr page 275-

Eindelijk, toen al die moeite vruchteloos bleek, werd
Saint-Géran terug geroepen i) (april 1672) en van Eeede
kreeg de handen ruim: de Keurvorst draalde nu niet lan-
ger; na nog eenige bedenkingen over de subsidiën en de
cleefsche vestingen , het gewone struikelblok tusschen Bran-
denburg en de Staten, kwam den 6dea mei een verdrag tot
stand, waarbij Friedrich Wilhelm beloofde de Republiek met
20,000 man te hulp te komen : wel toonde de staatspartij
hier te lande zich niet met dit tractaat ingenomen maar
de ratificatiën volgden toch van weerszijden in juli; reeds
alleen het sluiten van dit verdrag gaf een eersten straal van
hoop, in de bange duisternis die op dat oogenblik het lot van
het Vaderland bedekte. Het voordeel dat men zich daarvan
voorstelde, was door middel der brandenburgsche troepen,
den keurvorst van Keulen en den bisschop van Munster,
die zich nu openlijk tot vijanden der Republiek verklaard
hadden, in bedwang te houden en daardoor de zwakste
grens van den Staat te dekken : maar deze hoop werd
geheel teleurgesteld, vooreerst, door de schielijke veroverin-
gen van Lodewijk XIY, nadat de cleefsche vestingen, waarop

1) miöfet, 692, "bmaquement." v. STPBSTetn, 44. depeins, 46.

2) DEOYSEN, 387 en 388.

3) mignet, 694. V. sypesteyn, 44—48. DU mont, II, 129—^140. De
Keurvorst ratificeerde het verdrag den eersten, en de Staten den elfden juli;
er was dus weinig reden voor de klacht van
helwing (hl. 662): »Trotz
dieser rückhaltlosen Zusicherung des Kurfürsten blieb die holländische Ra-
tification des abgeschlossenen Bündnisses mehrere Wochen über den festge-
setzten Termin aus."

4) DEOYSEN, 388. "Briefe aus dem Haag meldeten : die Parthei de Witt\'s
wolle nicht, dasz mit Brandenburg geschlossen werde, sondern dasz der
Staat freie Hand behalte, mit Frankreich seinen Frieden zu machen."

5) ENNEN, I, 252 en 253. deppiNG, bl. 90. "Turenne glaubte, den
Kurfürsten nicht sehr fürchten zu müssen": "les troupes de Brandebourg
feront plus de bruit que de mal."

-ocr page 276-

men als bolwerk tegen de Franschen gerekend had, dezen,
bijna zonder slag of stoot in handen gevallen waren i), en
ten tweede, doordien de Keurvorst, zijn systeem getrouw,
zich in juni met den Keizer verbond®), die inderdaad ook
een leger in het veld bracht: maar niemand kon vermoe-
den dat \'s Keizers eerste minister, vorst Lobkowitz, door
den franschen gezant te Weenen geheel was gewonnen, een
schandelijk verraad dat den veldtocht volkomen deed misluk-
ken. Ongelukkig was de Keurvorst geheel en al dupe van de
marschen en contra-marschen waarin hij gedwongen werd
den opperbevelhebber Montecucuh te volgen, wiens geheime
instructie inhield alle treffen met de Franschen zorgvuldig te
vermijden, terwijl de Munsterschen inmiddels Overijsel en
Groningen afliepen^): hier te lande had men gerekend, dat
de brandenburgsche troepen dit voorkomen zouden; maar
nu, door de keizerlijken belemmerd,
konden zij er niet eens
een eind aan maken deze teleurstelling was groot en

1) miguet, IV, 6, 8, 9. helwis&, 462—464. deppikg, 51 en. vgg.;
uitvoerig bij
ennen, I, 259—267, 272 en 273; zie ook achter de mémoires
du Comte de Guiche: Eelation sur Ie siège de Wesel en juin 1672."

2) heiwing, 662 en vgg. ennen, I, 275. mignet, IV, 76, 81. Het
verdrag werd den 21 juni 1672 door den rijkshofraad, Johan baron von
Goëss te Berlijn geteekend; den 25 juli volgde een verdrag van den Keur-
vorst met de Staten,
wagenaae, XIV, 132. v. sypestetn, 49. mignet,
IV, 88. »Frédéric-Guillaume avait envoyé des courriers\' aux Hollandais,
pour les prévenir qu\'ils seraient bientôt efficacement secourus, et les avait
invités à ne pas se soumettre aux conditions qui leur étaient proposées par
le roi de France, parcequ\'avant la fin d\'août une armée de 70,000 hommes
irait délivrer leur territoire de l\'invasion."

3) mignet, IV, 129—133. depping, 267—274. wagenaae, XIV,
240 en 241.
helwing, 667. Ook Turenne had dezelfde instructie gekre-
gen ten opzichte van het keizerlijke leger. Vg.
du mont, II, bl. 140.

4) Later hoopte men dat de Keurvorst in Friesland vallen zou, om van
daar de Franschen uit Holland te verdrijven,
depping, 156. Vg. Archives
de la maison d\'Orange, V, 313.

-ocr page 277-

daar het niemand in gedachten komen kon dat er geheime
verstandhouding tusschen twee, oogenschijnhjk zoo onver-
zoenhjke vijanden als Oostenrijk en Frankrijk bestond, werd
Friedrich Wilhelm algemeen verdacht gehouden van verraad,
terwijl hij juist een der weinige Rijksvorsten was die tegen de
verzoeking bestand gebleven was: nog op het laatste oogen-
blik had het fransche Hof door den graaf de La Vauguyon
herhaaldelijk, met beloften en bedreigingen getracht hem van
de zijde der Repubbek af te trekken; de Keurvorst bad
geweigerd zijn wapeningen te staken; het vertrek van La
Vauguyon was de oorlogsverklaring van Frankrijk geweest
Misschien was men hiervan in den Haag niet volledig onder-
richt, of verwekte reeds het bloote feit der onderhandeling
aldaar achterdocht; ophelderingen waren in allen gevalle op
dat tijdstip onmogelijk: in den nood waarin de Republiek
zich bevond, oordeelde men geen geld te kunnen uitgeven
aan subsidiën waarvan toch geen vrucht getrokken werd ,
en daar de Keurvorst zonder ondersteuning onmogelijk zijn
leger op de been kon houden, was reeds spoedig het ver-
trouwen van weerszijden geschokt: zelfs na de verheffing

1) MiOTET, lY, 89—96. «Mais ces considérations, ne pouvaient rien
contre les partis pris et les traités signés. L\'électeur de Brandebourg con-
tinua à concentrer ses troupes entre Lippstadt et Halberstadt." 99, 101.

dboysen, 408, 409. «Endlich am 7 September gab Yangnyon Namens
seines Herrn eine Erklärung ab «die deutlich genug den Krieg verkündete."

2) v. sypesteyn, 48, 50—52, 74. «De gezant van den Keurvorst te
\'s Gravenhage, Eomswinckel, liet dien Yorst niet onkundig van «de kwade
dispositie" welke men tegen hem had, en van de vermoedens, welke beston-
den , dat de betaling van de snbsidiën zou worden gestaakt, omdat zij dien-
(Jen tot het onderhouden van een leger dat niets verrigtte; maar van Ame-
rongen , die geen reden had om aan de goede gezindheid van den Keurvorst
te twijfelen ....... liet niets na om de Staten-Generaal te bewegen den

Keui-vorst «hoe rerum statu niet te negligeren."

-ocr page 278-

van den prins van Oranje tot Stadtiouder, voor wellie be-
vordering de Keurvorst steeds zoo sterk geijverd liad, en
waardoor een van de grootste oorzaken van verwijdering
tussclien liem en de Republiek was weggenomen, werd
toch de vorige verhouding niet hersteld. Aan drukke on-
derhandelingen. ook aan klachten van de zijde des Keur-
vorsten ontbrak het niet: de baron von Pöllnitz, later
Ludolf Lorenz von Kroseck, drongen te \'s Hage aan op
betaling der gelden, zonder welke Brandenburg zijn leger
niet zou kunnen onderhouden de kolonel Weibenum, de
overste Epp, de graven von Dohna en von Waldeck, wer-
den beurtelings door den Stadhouder naar het leger van
den Keurvorst afgevaardigd om tot doortasten aan te spo-
ren , terwijl
v. Reede reeds weer in augustus derwaarts
vertrokken w^as, om hetzelfde doel door een duurzaam ver-
blijf in het brandenburgsche kamp te bevorderen Dit

1) heiwing, G62, 666, 670 noot 3. du mostt , II, 146.

dbotsbïr, III, 3, 403. "In wiederholte Conferenzen machte Pöllnitz

darauf aufmerksam, dasz man kein Recht habe, sich über ihn zu beklagen,
dasz man staatischer Seits weder Dänemark und Braunschweig zum Bei-
tritt, noch Spanien zur Kriegserklärung bewogen habe, dasz die Ratifica-
tion des Vertrages erst jetzt, vier Wochen später als sie gesollt, im Haag
fertig geworden, dasz die Zahlungen stockten, so dasz der Kurfürst Herr-
schaften und Domainen habe verpfänden müssen, um seine Rüstungen fort-
zusetzen, dennoch hoffe er zur festgesetzten Zeit fertig zu sein. Man ge-
stand das alles zu, aber, so sagte der Prinz, die Truppen, die er habe,
seien in schlechtem Zustande, sie würden bald völlig zu Grunde gehen,
wenn der Kurfürst nicht schleunigst Rettung bringe etc." 405, 406.

2) v. sype8tetn, bl. 58. "De prins van Oranje heeft gedaan al het-
geen hij vermögt om zijnen oom, den keurvorst van Brandenburg, tot han-
delen te doen besluiten; hij liet dezen niet onkundig van de groote nadee-
len, welke de bondgenooten door hunne werkeloosheid aan de Eepubliek
berokkenden."

3) v. stpesteylf, bl. 49, 52.

-ocr page 279-

alles mocht echter niet baten. Montecucuh, zijn valsche po-
sitie moede i), was ontslagen en door Bournonville vervan-
gen ; het verraad werd hoe langer hoe duidelijker : een
fransch agent bij den Keizer, de Frémonteau, volgde open-
lijk het leger en de brandenburgsche ministers en raads-
lieden verzwegen, minder dan ooit, hunne neiging tot
Frankrijk Een brief van den Keurvorst, vol scherpe
verwijten tegen de Staten was de voorlooper van een on-
vermijdelijke breuk Deze volgde echter niet onmiddelijk;
slechts langsamerhand openbaarde zich gedurende den win-
ter van 1672—73 de veranderde richting der brandenburg-
sche politiek.

In het begin van november gaf v. Reede daarvan ken-
nis aan den raad-pensionaris Fagel, en werkelijk begonnen
kort daarop sommigen uit \'s Keurvorsten omgeving een ge-
heime onderhandebng met den franschen gezant te Mainz,
den marquis de Vaubrun, die geen beloften spaarde om
Brandenburg tot een afzonderlijken vrede over te halen
De invloed der verderfelijke raadgevingen was echter niet

1) helwlnö, 668: //eine so unwürdige Stellung verschmähend."

2) DEPPING, 277. Tui-enne aan Louvois, 7 maart 1673. »M. de Bour-
nonville a fait faire d\'estranges marches à l\'armée de l\'Empereur, et M. de
Paderborn m\'a faict dire que les officiers ne l\'estiment point pour sa con-
duitte."

3) v. srpestetn, 50.

4) V. SYPESTEXN, 62. //Zelfs door zijn eigen raadslieden verkeerd inge-
licht en van zijn goede voornemens afgebragt." 91.

depping, 161, //besonders den Pürsten von Anhalt und die Eäthe
Schwerin uud Majnders." 277. Turenne aan Louvois: //Tout le pays dit
que le Prince d\'Anhalt, M. de Suerin et M. Meynarts sont des traîtres et
qu\'ils s\'entendent avec le Roy."

5) du mont, II, 142—145. \'/Cette lettre fut regardée en Hollande,
comme l\'avant coureur d\'une prochaine séparation."

6) V. sypestetn, 62 en 63.

-ocr page 280-

zoo groot op het oordeel van den Keurvorst, dat hij van
dergelijke trouweloosheid hooren wilde, maar
men wist hem
smakelijk te maken zijn ondersteuning te schenken — hoe-
wel eerst slechts indirect — aan de bemiddeling waarmede
Zweden zich trachtte te redden uit zijn valsche steUing tus-
schen Frankrijk en de triple alhantie, een bemiddeling die
met een voorstel tot een algemeenen wapenstUstand was
aangevangen

Lodewijk XIV had Zwedens aanbod terstond aangeno-
men, maar de Staten, welhcht het verraad vermoedend,
hadden onvoorwaardelijk geweigerd. Nu kwam Pöllnitz voor
de tweede maal naar den Haag, om nogmaals over de be-
taling der subsidiën te onderhandelen Schwerin en Mein-

1) deoysen-, 432. Yolgens du mont (II, 140 en 141) had de Keurvorst
nooit ander voorïiemen gehad dan de roi van bemiddelaar te spelen: «La
France qui hsoit dans ses desseins, ou par penetration, ou par le moien de
ses intelligences secretes, le ménageoit autant que la conjoncture le pouvoit
permettre, et quoiqu\'elle n\'eût aucune intention de le prendre pour Média-
teur et qu\'elle fût résolue de procurer cet honneur tout entier à la Suede,
elle ne laissoit pas de le flater, dans l\'esperance qu\'il en avoit conçue. Elle
lui faisoit même entendre sous main et par des voyes indirectes, que l\'ar^
mement qu\'il venoit de faire en faveur des Hollandois, étoit la seule diffi-
culté qui retenoit Sa M. T. C. et qu\'il ne seroit pas plûtôt rentré dans la
neutralité, qu\'elle se porteroit d\'elle-même à lui déferer la Mediation.
Toilà
le véritable endroit -par lequel cet Mecteur fut tenté, et persuadé à renon-
cer à l\'alliance des Hollandois.
Il voioit que l\'Empereur et l\'Espagne
étoient sur le point de rompre ouvertement avec la France, et que par ce
moien l\'Empire alloit être plongé dans les calamités de la guerre, et il vou-
loit avoir la gloire, de lui procurer la paix avant que les choses en fussent
venuës à cette extrémité." En later (III, 2): «A peu prés vers le même
temps, je veux dire sur la fin de 1672, l\'Electeur de Brandebourg fit
aussi offrir sa Mediation , et les Etats l\'auroient volontiers préférée ou unie
à celle de Suede, mais le Eoi d\'Angleterre ne l\'agréa point, de sorte
qu\'elle
n\'eut aucune suite."

2) helwing, 670. wagenaae, XIV, 245—2-l7. deoysen, 435, 436.

-ocr page 281-

ders hadden een vernuftig middel uitgevonden om den Keur-
vorst zijns ondanks met de Republiek te doen breken, en
wel op een wijze, die zou doen gelooven dat Brandenburg
daaraan geen de minste schuld bad: op het oogenbbk dat
de Staten verklaarden geen onderstandgelden meer te kunnen
verschaffen aan een leger dat niets uitrichtte, kwam Pöll-
nitz om verhooging dier subsidiën verzoeken, onder voor-
wendsel den Keurvorst in staat te stellen een afzonderlijk
leger op te richten, sterk genoeg, om onafhankelijk van
den Keizer, den oorlog voort te zetten;
maar weigerden de
Staten die ondersteuning — gelijk men eigenlijk hoopte —
dan zou de Keurvorst genoodzaakt wezen aan het verlan-
gen der overige bondgenooten toe te geven en aan te
nemen den wapenstilstand, dien Turenne hem nu ook for-
meel aangeboden had Dit alternatief verwekte natuur-
lijk in den Haag de grootste ontsteltenis; de Staten keur-
den onmiddelijk de verhooging van subsidie goed, tegen
verwachting en tot teleurstelling van het brandenburgsche
kabinet, terwijl de Stadhouder tevens den graaf von Wal-
deck en den overste Epp naar het hoofdkwartier van den
Keurvorst te Minden zond, om zich, zooveel mogelijk van
zijn medewerking te verzekeren Maar daartoe was het

"Auf uiclits liatt man weniger in Haag gerechnet: \'/die Wuth und Be-
schimpfung gegen den Kurfürst sind maaszlos." Und von Oranien schreibt
Eomswinckel: "er ist so bestürtzt und entsetzt, wie ich ihn in den schwer-
sten Widerwärtigkeiten nicht gesehen habe."

1) V. SYPESTETN, bl. 76—80.

2) DEOYSEjr, (437) poogt den vrede van Vossem te ontschuldigen,
even als iedere partijwisseling van den Keurvorst, door den Staten gierigheid
en verraad ten laste te leggen: "Bs hätte nur eines tapferen Bntschlusses
in Wien, des Entgegenkommens im Haag bedurft, die Dinge zu wenden.
Aber in Holland kam man nicht über die
hillige moralische Entrüstung
hinaus; imd wenn Pöllnitz — als auch der Sparenberg schon in Gefahr

-ocr page 282-

reeds te laat. De geldelijke offers die de Republiek zich
nog getroostte, bleven nutteloos. Brandenburg had zich
op aansporen van Zweden en door de bemiddeling van
Neuburg reeds te ver in onderhandelingen met Frankrijk
ingelaten; op hetzelfde oogenblik waarop graaf Waldeck
naar Minden werd afgevaardigd (maart 1673), zond de
Keurvorst een gezant naar Lodewijk XIV, die den lO^en april
een voorloopig tractaat sloot te Saint-Germain , dat den
gden juni in het leger te Vossem, nabij Maastricht door een,
tusschen Pomponne en Meinders getroffen vredesverdrag
werd vervangen Overeenkomstig de vroegere voorslagen
werd Brandenburg nu hersteld in het bezit der cleefsche

war — die vertragsmaszige Assistenz, wenigstens eine Diversion gegen Mün-
ster forderte, so bedauerte man, mit den neuen Küstungen noch nicht so
weit zu sein; wenn er zeigte, dasz Gefahr im Verzuge sei, so sandte man
erst Graf Waldeck über Bremen nach Bielefeld, dem Kurfürsten Vorstel-
lungen zu machen, und that einstweilen nichts; wenn Pöllnitz die Eech-
nung der Subsidien vorlegte, die seit vier Monaten rückständig waren, auch
für die 6500 Mann, die über den Tractat hinaus gestellt waren, den früher
versprochenen Zuschusz forderte, so nahm es wohl der Prinz über sich,
die noch für den November rückständigen 60,000 Thaler zahlen zu lassen
und weiter für richtige Zahlung zu sorgen, aber mit der Bedingung, dasz
der Kurfürst kein separates Abkommen, weder den Waffenstillstand, noch
den Frieden betreffend, mache und dem Staat wirklich assistire; als wenn
bisher keine wirkliche Assistenz geleistet sei, als wenn es dem Kurfürsten
nur darauf ankomme, einen Brodherrn für seine Armee zu finden."

1) dbotsbn, 435. -\'Seit Monaten war der schwedische Obrist Wan-
gelin im brandenburgischen Hauptquartier, den Waffenstillstand, den Frie-
den zu empfehlen."

2) dboysen, 435, 440. v. sypesteyn, 81. depping, 162—165.

3) mignet, IV, 133.

4) ennen (I, 295—297), geeft als beweegredenen voor den Keurvorst
op: de zekerheid, dat de nuntius te Weenen de ondersteuning van ketters
afkeurde, zoodat op den Keizer niet te rekenen viel; de vrees dat Saksen,
zich wegens zijn aanspraken op Cleve en Gulik met Zweden en Hannover

-ocr page 283-

vestingen — Emmerik, Büderich en Orsoy; alleen Wesel
en Rees bleven tot het eind van den oorlog in handen der
Franschen. Bovendien werden den Keurvorst 800,000 livres
als schadeloosstelUng wegens de oorlogskosten toegezegd,
waartegen deze dan zijn alliantie met de Republiek moest
opgeven; het zou hem echter vrijstaan de wapenen weer
op te vatten, zoodra Frankrijk iets ten nadeele van het
Rijk mocht ondernemen

Hoewel de Republiek een geringen steun aan Branden-
burg had gehad, was men toch hier te lande zeer ont-
stemd over den vrede van Vossem, daar men als gevolg
daarvan vreesde, niet alleen dat de Keurvorst spoedig ge-
heel en al tot de vijandelijke partij zou overgaan, maar
ook dat door dit voorbeeld onze overige bondgenooten in
Duitschland van ons zouden worden afgetrokken : geluk-
kig echter werd deze vrees niet bewaarheid, hoewel de
fransche diplomatie geen moeite spaarde tot die uitkomst

verbinden zou, om hem in den rug té vallen en eindelijk het niet beta-
len der hollandsche subsidiën.

Volgens dboysblf (440) was de Keurvorst misleid door een gerucht dat
Franki-ijk en de Republiek heimelijk onderhandelden.

1) dboysen, 445 en 446. mignet, IV, 135 en 136. helwing, 464,
471 en 472.
du mont , II, 73—82. ennen, I, 296.

De Franschen hoopten van den Keurvorst Rees enWesel te koopen:

Turenne aan Louvois (30 mei 1673). depping, 287. "Personae en
Allemagne ne peut pas s\'imaginer que le Roy ne garde Wezel à quelque
prix que ce soit, c\'est à dire en s\'accommodant avec M. l\'Electeur de
Brandebourg, qui est fort pauvre, et de qui les Ministres sont intéresséz,
et y ayant aussi un exemple tout naturel de Mrs les Estats, qui ont laissé
la jurisdiction toute entière à M. l\'Electeur."

2) helwing, 673. sypesteyn, 89 en 90. du mont, II, 82. dep-
ping,
279, Louvois aan Turenne, 1 april 1673: »ainsy l\'on aura le plaisir
de finir entièrement les aifaires du costé de l\'Allemagne, n\'y ayant pas
d\'apparence que personne veuille se mesler des afiaires des Hollandois, du
.moment que
M. de Brandebourg n\'en sera plus."

-ocr page 284-

te geraken: niet alleen vonden de aanbiedingen en voor-
stellen van den graaf de Verjus tot een nauwere, offensive
alliantie, te Berlijn, geen gunstig onthaal maar Bode-
wijk XIV kwam al spoedig tot het bewustzijn, dat, niet-
tegenstaande al de millioenen, die hij bij de vorsten van
het duitsche Rijk had verspild al de zegepralen zijner
diplomatie vruchteloos waren, daar zelfs zijn duurst be-
taalde bondgenooten werkeloos bleven , of, zoo als de
keurvorst van Keulen, de lichtvaardigheid inzagen, waar-
mede zij zich in de armen van den vreemden overweldiger
geworpen hadden

Daarentegen gelukte het der Republiek, machtige bond-
genooten te winnen; in augustus 1673 verklaarden Spanje
en de Keizer zich eindelijk voor haar. Ook de hertog van
Lotharingen en in 1674 het duitsche Rijk en Denemar-

1) dboyseït, 461—463. depping, 170, 171, 209, 219. De Keurvorst
weigerde zich verder met Lodewijk XIV in te laten, voordat deze zijne troe-
pen uit het Rijk teruggetrokken had.

2) depping, 233 noot 99. Vg. mignet, II, 20.

3) Z. a. Hannover; ennen, 297: "der Herzog steckte die Hülfsgelder
ein, verhielt sich aber ruhig. Trotz aller Anstrengungen des französischen
Abgeordneten Verjus, wollte er sich in keiner Weise zu thätiger Parthei-
nahme bequemen."

4) ennen, 293. "Der Kuriih-st von Köln hatte wohl Grund muthlos
zu sein: keine Subsidien wurden mehr bezahlt; sein Land bot nichts mehr
um seine Truppen zu unterhalten; was die Peinde nicht raubten, nahmen
die Freunde weg," enz. Fürstenberg aan Louvois
(15 nov. 1672, deppinG,
265),
"Mon dit Sieur Electeur est quelque fois tm peu chagrin, ce qui arrive
des continuelles plaintes qu\'on luy fait, à quoy toutes fois on ne peut pas
remedier tousiours."

5) mignet, IV, 266—268. wagenaae, 273-276. heeeen, VIII,

222. depping, 170, 171. helwing, 673, "die Generalstaaten schlugen
Ludwig XIV mit seinen eigenen Waffen; sie suchten ihn von seinen Ver-
bündeten zu trennen, und der Versuch gelang."

Vorst Lobkowitz verzette zich te vergeefs tegen dat verbond, ennen, 307.

-ocr page 285-

ken. In Engeland was de oorlog sints lang impopulair, en
het parlement het geen gelegenheid voorbijgaan zijn afkeu-
ring, vooral over het bondgenootschap met Frankrijk uit
te spreken Zweden was de eenig overgeblevene van al
de gealbeerden der fransche kroon, en slechts tegen ge-
regelde en hooge subsidiën, verleende dat Eijk een mede-
werking aan Lodewijk XIV waarvan deze slechts weinig
voordeel trok : uitgeput door het volhouden van een rol
in Europa, die zijn krachten te boven ging, en daarenbo-
ven door allerlei — geheime en openbare — verbintenissen
belemmerd, had Zweden zich tot bemiddelaar en vredestich-
ter opgeworpen en hoopte op die wijze zijn invloed op de
europesche aangelegenheden te herwinnen®); Frankrijk in
zijn talrijke bondgenootschappen teleurgesteld, had, reeds
voor den vrede van Vossem, die bemiddeling aangenomen
Omstreeks dienzelfden tijd werd een congres te Keulen ge-
opend, waar echter niets ernstigs werd verhandeld ; daar

1) HELwmö, 673. EKNEN, 334.

2) HELWiïra, 675. "Schweden, ein äuszerst kostbarer und in vielem
Betracht lästiger Bundesgenosse."

3) DEGYSEir, 449. "Für den Augenblick schien die schwedische Poli-
tik, kein anderes Interesse zu haben als den allgemeinen Frieden zu ver-
mitteln; sie hoifte in dem begonnenen Congresz zu Cöln, ein Werk zu
Stande zu bringen, das ihre europäische Bedeutung von Neuem constatirte,
die sie seit Karl Gnstav\'s Tod in nur zu empfindlicher Weise, und nicht
ohne eigene Schuld eingebüszt hatte."

4) MI&NET, IV, 335. »Louis XIV ne pouvait pas lutter seul contre
l\'Autriche, l\'Espagne, la Hollande, le Brandebourg, le duc de Lorraine,
rélecteur de Trêves, l\'évêque de Munster, les ducs de Brunswick et de Zell,
le landgrave de Hesse." 138—141.

EKNBN, 299. "In solcher Erwägung hatte er die, von verschiedenen
Seiten vorgebrachten Friedensanträge nicht von der Hand weisen wollen.
Er ging auf die von Schweden angebotene Friedensvermittlung ein."

5) MIGNET, IV, 140—152, 160-166, 271—280. DU MOST, III, 30, vgg.
ENNEN,
304—307. "Voor de Eepubliek versehenen te Keulen de heeren van

-ocr page 286-

de oorlog inmiddels voortduurde, was het geluk der wape-
nen van gestadigen invloed op de houding der conferentie
van beide zijden was het klaarblijkelijk te doen om tijd te
winnen, maar toen eindelijk in februari 1674, vorst Wil-
helm von Fürstenberg, wiens kuiperijen den vrede onmo-
gelijk maakten, door de keizerlijke regeering was opgehcht,
en gevankelijk naar Weenen gevoerd, scheidde de vergade-
ring, onverrichter zake, en moest Zweden zijn bemiddelings-
werk opgeven

De onderhandelingen waren echter niet geheel en al on-
vruchbaar geweest, want de Republiek had nu de
gelegenheid
gehad de bestaande verbintenissen te bevestigen, en nieuwe
tot stand te brengen. Vooreerst werd den 19 den februari
1674 de vrede met Engeland te Westminster gesloten , en
daarop volgden verscheiden tractaten, die den grond legden
tot de uitgebreide coalitie, welke zich met Willem III aan het
hoofd, tot bestrijding der fransche overmacht vereenigde

Bevemingh, van Haren, van Nassau-Odijok, de Mauregnault en IJsbrants
(wagenaab, XIV, 245); voor Brandenburg, de baron von Schwerin (du
mont, III, 248).

ennen, 1. 1.: »die Verhandlungen begannen am 28 Juni im Karmeliten-

kloster......Am Wenigsten kümmerten sich die holländischen Gresandten

um das ganze Friedensgeschäft, so wenig, als wenn ihre Vollmachtgeber bei
der ganzen Sache dm-chaus nicht interessirt gewesen wären."

1) depping, 172, »durch die Eroberung Mastrichts aufgeblasen, wel-
ches Ludwig XIV im Anfange Juli\'s einnahm, (
wagenaae, XIV, 253—264)
spannte das französische Kabinett seine Forderungen höher. Als aber Waar-
den vom Prinzen von Oranien wieder eingenommen wm-de, zeigten die Hol-
länder sich ihrerseits spröder zu Oöln."
mignet, IV, 276, ennen, 307.

2) ennen, 327—332. depping, 219—224. wagenaae, XIV, 301—304.

3) mignet , IV, 269. Sir William temple , Historische Gedenkschrif-
ten,
277—304. De spaansche gezant te Londen, marquis del Fresno, sloot
dien vrede voor de Staten.

4) Door bemiddeling van den Keizer werd den 22sten april 1674 de vrede

-ocr page 287-

Ook de keurvorst van Brandenburg toonde weldra be-
rouw over den overhaasten vrede van Vossem en geneigd-
heid zich weer bij den Keizer aan te sluiten, vooral nadat
de zweedsche bemiddeling, welke hij ijverig had ondersteund,
mislukt was

Reeds in het najaar van 1673 voorzag Verjus, dat de
vriendschap tusschen de Hoven van Versailles en Berlijn niet
van langen duur zou zijn®), zoo men den Keurvorst niet
verder in de belangen van Frankrijk wist te wikkelen, al was
het ook voor nog zoo korten tijd; zelfs voor drie maanden

getroffen met den bisschop van Mnnster (mignet, IV, 280) en den llden mei
met den keurvorst van Keulen (
ennen, I, 335—338). Behalve de bevre-
diging dezer vijanden, bewerkte keizer Leopold den 10 den maart een defensief
en offensief verbond met de keurvorsten van Mainz, Trier en de Palts
(mi&NBT, it, 282), en den 24sten april met de hertogen van Brunswijk en
Lunenburg; den 28sten mei verklaarde het Rijk den oorlog aan Frankrijk, en
kreeg de fransche gezant te Regensburg, de G-ravel, zijn paspoort; en eindelijk
vernieuwden de Republiek en Spanje den lOden juli de alliantie met Dene-
marken, dat zicli verbond 15000 man in \'t veld te brengen. Reeds in
september 1673 had de ridder de G-rémonville te Weenen zijn passen ont-
vangen. (
mignet , 213—215).

1) dboysen, 452 en 453. du mont, II, 183, 184. Schwerin moest
te Keulen aan de staatsche gezanten verklaren: »dasz dem Kurfürsten nichts
mehr als das Wohl der Republik am Herzen liege und dasz der Friede,
den er zu schlieszen, zum Theil durch ihre Schuld, genöthigt worden sei,
seine alte G-esinnung für die Staaten, in nichts geändert habe."

2) Reeds in augustus 1673 schrijft Fürstenberg (depping, 288), »on
parle fort que l\'Electeur de Brandebourg reprendra le party de l\'Empereur."
En Verjus aan Louvois (ibid. 289 en 290, 16 oct.) »le fondz (des résolu-
tions de l\'Electeur) ne peut pas estre plus mauvais, qu\'il est pour la France

......qu\'il se présente quelque bon moment, je vous assure, que j\'apre-

hende qu\'il ne s\'échape faute (pour moi) de pouvoir dire le dernier mot sur
les subsides, et conclure sur le champ. Tout y est tellement contraire, et
les ennemis y travaillent avec tant d\'application et tant de soin que pour
peu qu\'on donne temps aux réflections, on est en danger de ne rien tenir."
MIGNET, IV, 186. DBOYSEN, III, 3, 461—463.

-ocr page 288-

zou die alliantie den Koning van groot nut kunnen zijn
Maar Friedrich Wilhelm weigerde alle aanbieding van dien
aard; misschien zou hij reeds vroeger met Frankrijk ge-
broken hebben, zoo de fransche garnizoenen in Rees en
Wesel hem niet eenigsints in toom gehouden hadden, maar
van den anderen kant was de wijze, waarop de fransche
bevelhebbers in die streken huis hielden, een gedurige bron
van ergernis, die wellicht tot een vriendschapbreuk aanlei-
ding kon geven Verjus gaf menigmaal zijn bezorgdheid
daaromtrent te kennen, vooral nadat de Keurvorst zich\'
in tegenwoordigheid van den keizerlijken gezant over die
aangelegenheid hevig had uitgelaten

Inmiddels had de regeering der Republiek niet verzuimd
van die stemming gebruik te maken, om op herstel der
alliantie aan te dringen; de prins van Oranje schreef er
zelf over naar Berlijn, en reeds vóór nieuwjaar 1674 had
de brandenburgsche gezant in den Haag last, de betrek-
kingen weer aan te knoopen, maar alles bleef nog geheim \'*");

1) DEPPiNGt, 290. "Quand M. de Brandebourg n\'agiroit pour le Eoy
que trois mois, cela feroit tellement changer de face aux affaires d\'Alle-
magne, que rien ne me sembleroit si utile dans les conjonctures présentes,
où tout l\'Empire est en bransle de s\'engager contre nous."

2) Ibid. »Oes choses n\'estant de conséquence en soy, ne laissent pas de
servir de prétexte à bien des gens pour aigrir et irriter ce bonhomme de prince."

3) DEPPING, 311 (13 jan. 1674), »avanthyer il flst un prosne sur ce siib-
iect en présence du baron de Goez et de quelques autres gens, où
il répéta,
je ne say combien de fois que vous prétendiez différentes choses en expli-
quant le traité, qui y estoient directement contraires......enfin qu\'on le

traictoit mal et qu\'il ne pouvoit pas vivre long temps de cette sorte."

4) DKOTSBN, 471. "Schon am Ende 1673 waren vom Prinzen von
Oranien Briefe nach Berlin gekommen, die den lebhaften Wunsch neuer An-
knüpfungen aussprachen: "So unauflöslich das Band sei, das Himmel und
Erde zusammenhalte, ebenso seien die Staaten und der Knriürst, das Haus
Oranien und Brandenburg auf einander angewiesen, und das gröszte Inte-

-ocr page 289-

in februari scbijnt graaf de Verjus nog van niets bewust
Eindelijk, in maart verscheen aan het Hof van den Keurvorst,
een nederlandsch gezant, Isaäc Pauw van Achttienhoven®);
gedurende de maanden april en mei werden de onderhan-
delingen telkens levendiger: op het congres te Keulen, dat
eerst kort te voren afgebroken was, had Brandenburg de
goedkeuring der Republiek verworven, tot het ontruimen der
cleefsche vestingen door Frankrijk^); een groote bron van

resse, das gröszte Unglück darfe sie nicht trennen." Der Kurfürst beauf-
tragte (30 Dec.) seinen Q-esandten im Haag, auf weitere Besprechungen ein
zu gehen."
hbiwih&, 676, 677.

1) deppifq-, 319. Verjus aan Louvois, 13 febr. 1674. "Cette Cour
est toujours au même estât, c\'est à dire, dans ses incertitudes ordinaires."

2) du mokt, III, 378. "Ces considerations et plusieurs antres dont
le détail seroit ici superflu, le portèrent dés le mois de Mars 1674 à re-
cevoir tres-favorablement le Sieur d\'Achtienhoven, que les Etats lui avoient
envoyé pour tâcher de l\'engager dans une nouvelle Alliance. Il écouta ses
propositions, et lui ayant donné pour Commissaires les Sieurs de Swerin,
de Somnits et de Blaspiel, lä Négociation fut entamée de concert avec les
Ministres de leurs Majestez Imperiale et Catholique. Elle traîna néanmoins
quelque temps parce que l\'Electeur étoit bien aise de voir quelle fin pren-
droient les affaires du Congres de Cologne avant que de conclure, mais
quand il vit que la Pais separée d\'Angleterre avoit été suivie de celle des
Princes de Munster et de Cologne, que les Electeurs de Treves et du Pa-
latinat s\'étoient declarez pour l\'Empereur, que les Ducs de Zell et de Wol-
fembuttel en faisoient de même, que le Roi de Danemarc étoit sur le point
de se joindre à la Ligue, que l\'Electeur de Mayence. autrefois si zellé par-
tisant du Boi T. C. étoit mort, et enfin que la Suede commençoit à ne
plus dissimuler l\'inclination particulière qu\'elle avoit pour la Erance, alors
aussi il crût qu\'il étoit tems de se déclai-er, et sans differer davantage il
convint avec les Ministres de S. M. Imp., de S. M. Cath. et de Leurs
Hautes Puissances du Traité suivant."

3) HELWING, 674. "Das einzig wichtige Besultat dieses Congresses für
Brandenburg, war die auf demselben von Seiten der Generalstaaten ertheilte
Einwilligang in die Bückgabe der ihnen abgenommenen clevischen Plätze
an den Kurfürsten."
du mont, III, 70, 12 aug. 1673, en contemplation
de la Paix, Messeigneurs les Etats Généraux consentiront, que toutes les-

-ocr page 290-

moeielijkheden tusschen beide Staten, was daardoor opge-
heven. Maar, naarmate de Keurvorst weer tot de
Republiek
naderde, spande ook Frankrijk, door Zweden bijgestaan,
meer krachten in, het tractaat van Vossem te
bevestigen:
met dit inzicht, beloofde Lodewijk XIV teruggave van Wesel
en Rees, zoo Friedrich Wilhelm den Keizer wilde overreden
zijn leger terug te trekken, terwijl hij ook ruime subsidiën
toezeide om den Keurvorst te bewegen troepen te werven
en zich bij het fransche leger te voegen: zelfs werd er niet
op een begin van uitvoering dier voorwaarden gewacht: in
het begin van mei ontruimden de Franschen Wesel, Rees
en Schenkenschans^); de Keurvorst, die niets beloofd had,
deed er zijn voordeel mede, maar liet er zich niet door ver-
leiden de zijde des Keizers te verlaten, en toen in juni de
beruchte strooptocht van Turenne in de Palts plaats greep,
was het Rijksgebied geschonden, en de Keurvorst, volgens
de bepaling van het verdrag van Vossem gerechtigd de wa-
penen tegen Frankrijk op te vatten.

Den Isten juli 1674 kwam te Köln aan de Spree®), een
nieuw bondgenootschap tusschen den Keizer, de Republiek,
Spanje en Brandenburg tot stand, die zich vereenigden om
een leger van 32,000 man in het veld te brengen De

dites Piaoes demeurent entre les mains dudit Seigneur Electeur, tellement
que le long du Eliin, le Fort de Schenckesclians sera la premiere Place
Frontiere, qui reviendra et demeurera à leiu" Etat."

1) MI&NET, IV, 289. DB.0TSEN, 472—475. HELWINÖ, 677.

2) Thans een wijk van Berlijn.

3) Onderteekend door den baron von Groess, Pauw van Achttienhoven,
von Somnitz, von Schwerin en von Blaspiel, en den 20sten juli in den Haag
door don Manuel de Lyra,
miönbt , IV, 282. wassenaar , XIV, 306.

Vorst Lobkowitz was omtrent dezen tijd in ongenade gevallen, en daar-
mede was de fransche partij aan het Hof van Weenen vernietigd,
mignet»
IV, 399. Qedenhschriften •ean sir w. temple^ 346.

-ocr page 291-

helft hiervan moest, tegen betaling van 200,000 rijksdaal-
ders, als subsidie van Spanje en de Republiek, door den
Keurvorst geleverd worden, die ditmaal alle vroegere ver-
zuimen schijnt te hebben willen goedmaken, want reeds in
den nazomer, was hij marschvaardig met 20,000 man, dus
met meer dan waartoe hij verplicht was, en trok, na zich
met de keizerlijke en lunenburgsche troepen vereenigd te
hebben naar de Palts om ïurenne van daar te verdrijven ;
er werd echter niet veel van belang uitgericht, de duitsche
troepen werden uit den Elsas teruggedreven, schier zonder
dat het tot een treffen gekomen was, en in de eerste dagen
van 1675 betrok het keurvorstelijk leger de winterkwartieren
in Frankenland

De diplomatie had ondertusschen niet stil gezeten, ter-
wijl Engeland door sir William Temple vredesvoorslagen in
den Haag liet doen die bij de Staten weinig gehoor von-
den , werkte de marquis de Feuquières, met de grootste
omzichtigheid te Stockholm : het kwam er nu op aan
Zweden tot uitvoering te bewegen van de geheime artikelen.

1) HEWING, 678—680. MIGNET, IV, 294, zegt 25,000 man. du MONT,

III, 220. "l\'Electeur de Brandebourg s\'étoit fait accorder Ie commande-
ment general par l\'Empereur, et même avoit envoyé le Prince son fils à
Vienne, exprés pour cela," enz.

2) Over-winning van Turenne bij Mühlhausen 29 dec. 1674. mignet,

IV, 294—299. wagenaae, 334, 335. du mont, III, bl. 187. "l\'Elec-
teur de Brandebourg arriva à l\'armée des Alliez, et depuis cela jusques à
la fin de la Campagne toute la ressource du Maréchal de Turenne ne fut
que dans les Négociations, et dans cette adresse merveilleuse, avec laquelle
il sçavoit si bien éviter les dangers les plus inévitables en apparence, et
renvoyer sur ses ennemis toutes les incommoditez d\'une fâcheuse Campagne."

3) mignet, IV, 314 en vgg. wagbnaae, XIV, 339. Gedenkschriften
van tempie, 317—322. O. a. verklaarde Pagel dat de Staten onmogelijk hun
offensive tractaten met den Keizer, Spanje en Brandenburg konden breken.

4) mignet, IV, 336—339. heiwing, 680.

-ocr page 292-

waarbij het zich in 1672 verphcht had iederen duitschen
bondgenoot der Repubhek te zullen bezig houden. Gelijk
gezegd is, had het zich eerst aan die verplichting pogen
te onttrekken door den oorlog te stuiten, maar sedert het
congres te Keulen mislukt was, drong Frankrijk met bi-
zonderen nadruk op een oorlogsverklaring van Zweden aan
Brandenburg. De Keurvorst had, juist om zich tegen dat
gevaar te hoeden, op het eind van
1673 zijn alliantie
met Zweden hernieuwd en bevestigd i), maar die voorzorg
baatte niet tegen de overreding van Feuquières; ruime sub-
sidiën werden toegezegd, Spanje en de Keizer voorbedach-
telijk buiten het spel gelaten de wraakoefening van Frank-
rijk, gold alleen de Republiek en Brandenburg®), tusschen
welke de zweedsche gezant in den Haag tegelijkertijd door
talrijke memoriën, wantrouwen trachtte te stoken, om ze
dan, ieder afzonderlijk, des te gemakkelijker te overwin-
nen^); eindelijk kwam het tot een beshssing, in december
1674 viel het zweedsche leger onder den veldmaarschalk
von Wrangel uit Pommeren in de mark Brandenburg, het
fransch-zweedsch bondgenootscha]3 werd bekend, en in januari

1) heijWing, 680, noot 3. 1 dec. 1673 hernieuwing van de alhantie
van 1666.

2) mignet, 339. helwing, 681. "Feuquières behandelte beide Mächte
lun sie nicht dahin zu bringen, dass sie sich energisch des Kurtürsten an-
nähmen, äusserst behutsam und leise."

3) Volgens temple (bl. 381) was Frankrijk tegen Brandenburg, meer
dan tegen een der overige bondgenooten gebelgd.

4) helwing, 681, 682. »Durch den schwedischen Gesandten im Haag,
wurde der Kurfürst bei den Generalstaaten auf alle nur erdenkliche Weise
angeschwärzt, um so viel wie möglich die gute Gesinnung der letzteren
gegen den ersteren herabzustimmen."

TEMPLE, 341. »Zo tot Weenen als in den Haag, vielen de sweedsche
ambassadeurs, de gantsche zomer, met menigvuldige en lauge memoriën
lastig.\'

-ocr page 293-

1675 verliet de gezant van den Keurvorst, Christoph von
Brand, Stockholm i).

Het oogenblik voor dezen inval was bstig gekozen, want
Friedrich Wilhelm bevond zich met het grootste deel zijner
troepen, ver van zijn staten in Frankenland; wat achter-
gebleven was, reikte nauweliiks toe, om Berlijn te dekken.
Maar hij verloor in die omstandigheden den moed noch
het hoofd: met den grootst mogelijken spoed, begaf hij
zich van Schweinfurt naar Cleve, waar hij den prins van
Oranje en een gezant van den Keizer, den marquis de
Grana, aantrof: reeds te voren had hij Blaspeil in allerijl
naar den Haag gezonden om tijding van den aanval der
Zweden te geven 2), die voor den nederlandschen gezant
te Stockholm zorgvuldig geheim gehouden was , ook bij
Denemarken, den Keizer en de Rijksvorsten drongen zijn
gezanten om hulp.

Nergens echter vond de Keurvorst zoo onmiddelijk bij-
stand als bij de Repubbek: reeds bij zijn eerste verzoek

1) mignet, lY, 339—341, 361 ea 362. dboysen, III, 3, 512 vgg.
helwinö, 680. Volgens tempee (342) zond Zweden reeds voor de oor-
logsvertlaring troepen in Brandenburg.

Omstreeks dien tijd werd ook door den Keizer en Spanje een poging
gedaan de zwitsersche kantons partij te doen kiezen, nu
mont, III, 188
en 189. "Oes demandes furent appuyées avec chaleur par le Ministre des
Etats, et gar un Gentilhomme qui arriva au mois d\'Octobre à Bade, de
la part de l\'Electeur de Brandebourg, elles furent même accompagnées de
quelque oifre d\'argent, mais on s\'en étoit avisé trop tard, et l\'engagement
que les Suisses venaient de prendre avec la Erance, étoit encore trop recent
pour leur permettre de s\'en retirer sitôt."

2) HE1WIN&, 682.

3) HELWIN&, 682. "Dem holländischen Gesandten in Stockholm, damit
er nicht Brandenburg warne und die Generalstaaten auffordere sich des letz-
teren anzuzielien, wurde der bereits erfolgte Einfall der Schweden verheim-
licht."

-ocr page 294-

om hulp, beloofde de Stadhouder nog voor het eind van den
winter door zijn troepen een aanval uit Groningen op Bremen
te beproeven, om afleiding aan de zweedsche wapenen te
geven, hetgeen echter naderhand moest opgegeven worden,
omdat de Keizer niet wilde medewerken^).

Daarop volgde de samenkomst van den Keurvorst met
den prins van Oranje te Cleve waar een plan voor den
veldtocht werd beraamd, die voornamelijk tegen Schonen
gericht zoude worden, zoodat het vroegere plan van den
Keurvorst een brandenburgsche zeemacht te scheppen, weer
op het tapijt kwam«). Te Cleve kon men echter niets be-
paald afspreken, voordat de overige bondgenooten hun be-

1) DEOYSEN, III, 3, 516. »Geleioh nach seine erste Bitte um wirksame
Hülfe, erhielt der Kurfürst (19 jan.) vom Prinzen von Oranien die Zu-
sicherung jeglichen Beistandes. Staatische Truppen sollten noch, während des
Winters, von Groningen her eine Diversion in das Bremische unternehmen,
zu der man von den Kaiserlichen in Westphalen sich einige ßeuter-regi-
menter erbitten werde......die Aufforderung Oraniens zu jener Caval-
cade nach dem Bremischen lehnte man , zu Wien, ab." —
Dir MONT , IV, 475.

2) DEOYSEN, 520. HELWIN&, 684. DU MONT, IV, 512, V. 222.
maart 1675.

3) DEOYSEN, 521. »Es sind Wochen voll umfaszendster diplomatischer

und militärischer Thätigkeit."

DU MONT, III, 511. »Le Biit de l\'Ambassadeur de Suede, en pressant
ainsi l\'armistice étoit de prolonger autant que possible la Médiation du Eoi
son Maître, car il voyoit bien qu\'elle étoit prête à expirer, et qu\'il n\'y avoit
plus qu\'un semblable remede, qui pût liii redonner la vie. Mais tous ses
soins furent rendus inutiles par l\'arrivée de l\'Electeur de Brandebourg à
Cleves, et par les instances reïtérées de son Envoyé Eomswinckel auprès
des Etats, de sorte qu\'au lieu d\'une Réponse favorable, on lui signifia le
28 février, une Eesolution prise le 27 dans l\'Assemblée, par laquelle il lui
étoit déclaré qiie si le Eoi de Suede son Maître ne donnoit pas ordre au
plutôt à ce que ses Troupes vuidassent de dessus les Terres de l\'Electeur
on ne déféreroit plus à sa Mediation, et l\'on ne recevroit plus les Mémoi-
res de lui Sieur Ambassadeur."

-ocr page 295-

sluit bekend gemaakt hadden, maar reeds de ondersteuning
der Staten was voldoende om de voorstellen van den hertog
van Neuburg te doen verwerpen, die zich mede naar Cleve
begeven had om den Keurvorst een afzonderlijken vrede met
Frankrijk aan te raden; onverrichter zake vertrok de Hertog
weer naar Düsseldorf

Kort daarna (mei), bracht de Keurvorst een tegenbezoek
in den Haag: de Keizer, Spanje, Denemarken en verscheiden
duitsche Vorsten hadden zich ondertusschen tot ondersteu-
ning van Brandenburg bereid verklaard; het oorlogsplan werd
nu voor goed vastgesteld i), en de goedkeuring der Staten
Generaal daarop verworven s); terstond ijlde Friedrich Wil-
helm naar zijn leger in Frankenland, trok den Öden juni
daarmede op, was den 2l8ten ^eer op zijn eigen grondgebied,
en leverde den 28sten den vermaarden slag van Fehrbellin,

1) DU MONT, III, 512. "Ce dernier voyage décida de tout, et si l\'on
attendit encore quelques jours à declarer la guerre, ce ne fut que pour avoir
le tems de mettre en éxecution, les mesures qu\'on avoit concertées avec
l\'Electeur, et non pas pour aucune raison de doute ou d\'indécision, où l\'on
fût encore. En effet les Etats continuèrent de plus en plus à marquer leur
mécontentement contre le Eoi de Suede, et le 15 Juin 1675 ils se déclare-
ront tout à fait."

lUd. IV, 222 en 223. «Au commencement du mois de Mai, son Altesse
Electorale vint effectivement à la Haye. Elle fut logée par l\'Etat à l\'Hôtel
du Prince Maurice, et ce fut-là que les dernieres mesures contre, la Suede
furent prises, de concert avec le sieur de Campricht, Resident de l\'Empe-
reur, le sieur de Lira, Envoyé de S. M. Catholique, le sieur de Clingen-
berg, Plénipotentiaire du Roi de Danemarc, le Sieur Ter Meulen, Envoyé
de l\'Evêque de Munster, et le Baron de Haeck, Ministre de Lunibourg."

2) Volgens dboysen (III, 3, 524) waren de Staten uit handelsbelang
tegen den oorlog met Zweden : «von vielen Seiten, wurde empfohlen die
Vermittlung zwischen Schweden und Dänemark zu versuchen; wenigstens
der Handel mit Schweden, forderten die Kaufleute, müsse, auch wenn der
Krieg erklärt werde, ungestörten Fortgang haben."

-ocr page 296-

een gebeurtenis van welke de pruisische geschiedschrijvers
de grootheid van het Huis Brandenburg rekenen

De uitwerking van deze overwinning was verrassend:
verscheiden franschgezinde Rijksvorsten, zooals Hannover
en Munster begrepen nu zich onzijdig te moeten verklaren,
en in september kwam te Dobberan de alhantie met De-
nemarken tot stand, die onafgebroken tot het eind van den
oorlog voortduarde, en den Keurvorst in staat stelde bijna
geheel Pommeren te veroveren

Lodewijk XIV zag dus zijn eenig overgebleven bondgenoot
verslagen, en daar het krijgsgeluk sedert het sneuvelen van
Turenne, ook de fransche legers verlaten had, nam hij het
niet minder gevaarlijk wapen der onderhandelingen weer op
De wijduitéénloopende belangen der tegen hem vereenigde vor-
sten en staten, hun wederzijdsche naijver, gaven hem menige
welkome gelegenheid verdeeldheid en wantrouwen tusschen
hen te zaaienGelijk gezegd is, was sir William Temple,
terstond na den vrede van Westminster gelast geworden,
vredesvoorstellen aan de Staten en aan den Stadhouder te
doen, die echter geen gevolg gehad hadden: hetzelfde had
plaats gehad aan het fransche Hof, waar echter een min-

1) DBOTSEN, 512—537. HEWiNft, 684—689. ENNE» , 341.

2) HEIWING, 689—691; 693—697. DROYSEN, 343.

TEMPIE, 391. "Pe Keurvorst had geaboucheert met dea Koning van
Denemarken, die nu het Interest der Geallieerden omhelst hadde, en be-
sloten den oorlog tegen Zweden te verklaren; nemende ten dien einde zijn
mesures, met den keurvorst van Brandenburg,
om heteelve in\'t vervolg van
het saizoen met het grootste voordeel voort te zetten."

3) HELWIHÖ, 691—693.

4) hewing, 697. WAGENAAR, XIV, 402-411. Terecht klaagt eMEN
(I, 333) over »den Trug, die Heuohelei, die Schwäche, die Kleinigkeits-
krämerei, die Befangenheit, den Eigennutz, die Eitelkeit, die Zerrissenheit,

die Charakterlosigkeit, die Halsstarrigkeit der damaligen Politik."

-ocr page 297-

der bepaald antwoord gegeven was Engeland had dus
zijn pogingen niet opgegeven, maar ze ook niet dan met
moeite kunnen voortzetten, daar Frankrijk klaarblijkelijk
den vrede niet ernstig zocht: Breda, Hamburg, Frankfort,
Cleve, Londen, nog andere plaatsen, waren achtereen-
volgens onder allerlei voorwendsels afgekeurd ; eindelijk
werd Nijmegen, tegen het eind van 1675, als zetel tot den
vredehandel gekozen. Ook werden daarop van weerszijden
onderhandelaren aangewezen , maar hierbij bleef het voor-
eerst weer, want van alle kanten werden bezwaren geop-
perd: Frankrijk weigerde verder te gaan, voor dat Fürsten-
berg rut zijn, nu bijna tweejarige gevangenschap ontslagen
was, een voorwendsel dat Engeland door tusschenkomst van
\'s prinsen broeder, den bisschop van Straatsburg uit den
weg wist te ruimen

Maar ernstiger zwarigheden bestonden van de zijde der
bondgenooten; de vrede hing van de Republiek af, en deze
was onderling verdeeld: de oude staatspartij, sedert den
moord der de Witten schijnbaar vernietigd, begon het hoofd
weer op te heffen; zij eischte den vrede, de Staat was
uitgeput, slechts met moeite was de oorlog volgehouden
na den noodlottigen schok van 1672 Daar tegenover

1) wagenaae, XIV, 368-370.

2) mignbt, IV, 386, noemt nog verscheiden andere steden, tempee,
378—381. DU mont, IV, 319 en vgg.

3) alexandeb toussaint de iimojon : Nijmeegsohe Vrede-handel, op-
gedragen aen Mijn Heer Colhert, Marquis de Croissy; »Tafel, soo van de
Mediateurs, als van de Plénipotentiaire Ambassadeurs en Envoyez, van de-
welcke in dit verhael gesproten werdt."

4) mignet, IV, 387—390. ennen, I, 353—359. temple, 381, 409.
wagenaab, 384, 385.

5) dbotsen, 585. "Die »Patrioten" begriffen vollkommen, dasz nur
der Frieden, die Freiheit, wie sie sie verstanden, sicher stelle; selbst die

-ocr page 298-

stond de Oranje-partij : het belang van den Stadhouder, de
bevestiging van zijn gezag — zijn vijanden beweerden bejag
op de souvereine macht — eischten den oorlog; daaraan
verbonden zich de belangen der bondgenooten, vooral van
Brandenburg dat eerst geheel Pommeren begeerde te ver-
overen, voor dat het van vrede hooren wilde Maar de
staatspartij in de Repubbek maakte dagelijks meer vorderin-
gen, haar invloed op den gang van zaken werd telkens meer
voelbaar; weldra verklaarde de Stadhouder aan Blaspeil dat

Eücksioht auf die AUiirteu galt in diesen Kreisen wenig; Beuningen, der
bedeutsam genug als Ambassadeur in London war, äuszerte: "der Staat
dürfe nicht um der Alliirten willen crepiren." . Der grosze Aufwand des
Krieges, die Subsidien, die der Staat zahlte oder wenigstens schuldete, die
Niederlage der staatischen Flotte bei Sicilien, die Miszerfolge des Prinzen,
erst bei Bouchain, dann vor Mastricht — das alles gab der üblen Stim-
mnng ein gefährliches Uebergewicht."

mighet, 560. "Les villes ne cachèrent pas leur éloignement pour la
guerre, et déclarèrent que la république ne pouvait pas la soutenir désor-
mais; elles dirent que l\'empereur ne faisait pas sortir ses ti\'Oupes de l\'Al-
lemagne, que l\'électeur de Brandebourg se contentait de s\'aggrandir en Po-
méranie, que l\'Espagne était incapable de concourir à la défense des Pays-
Bas, que les Provinces-TJnies se trouvaient épuisées d\'hommes et d\'argent,
tandis que le roi de France, ayant des forces supérieures, s\'étendait en Flan-
dre toutes les années, et refuserait la barrière qui leiir était nécessaire, ou
la rendrait moins forte, si l\'on persistait à combattre."

1) kignbt, IV, 559. De Prins verklaarde zieh tegen den vrede o. a.
zeggende: "Qu\'on ne pouvait pas abandonner des alliés qui avaient secouru
la république dans sa détresse; qu\'il serait honteux de se séparer de l\'élec-
teur de Brandebourg, auquel on avait promis de faire accorder des dédom-
magements par la Suède."

Dtr MONT, IV, 142 en 143. "l\'Electeur de Brandebourg qui ne faisoit,
pour ainsi dire qu\'entrer en guerre, et qui voyoit ses armes prosperer par-
tout, auroit bien voulu qu\'on ne se fût pas tant pressé, son principal but
étant de réunir sil se pouvait, les deux Poméranies sous sa Domination,
mais comme la chose ne dépendoit pas de lui, et que les principales puis-
sances étoient enfin tombées d\'accord touchant le lieu et l\'ouvei-ture du

-ocr page 299-

de vrede onvermijdelijk geworden was , Lodewijk XIV liet
tegelijk door den graaf d\'Espence, den Keurvorst daartoe
stemmen , en de Staten om hem tot vrede te dwingen
hielden sedert het eind van 1676 de subsidiën in, waaruit
Brandenburg, Denemarken en Lunenburg grootendeels hun
troepen onderhielden

Reeds hadden zich de verschiUende gezanten te Nijmegen
vereenigd, maar het werk der vredestichting vorderde
daarom niet: zij brachten hun tijd door in langgerekte
twisten over étiquette en titulatuur, waardoor zelfs de ver-
tegenwoordigers van bevriende mogendheden tegen elkan-
der werden opgezet Ook over het al of niet toelaten
van een gezant van den hertog van Lotharingen, werd

Oongrez, il fit comme les autres, et y envoya deux Plénipotentiaires, qui
fiu-ent les Sieurs de Somnitz et de Blaspiel, tous deux ayant le caractere
d\'Ambassadeur."

1) DEOTSBN, 628. „"Vergebens hatte Oranien den Frieden widerspro-
chen, so verderblich und schimpflich dieser Frieden sei, hatte er auf Blas-
.peil\'s lebhafte Proteste geantwortet, er sehe ihn für unvermeidlich an, wenn
man noch irgend etwas retten wolle; der Muth und die Mittel der Staaten
seien erschöpft, keiner auszer dem Kurfürsten leiste etwas ; die Kaiserlichen
kämen immer zu spät; in Brüssel sei man in erbarmenswerther Ohnmacht
und Eathlosigkeit; von England, worauf er seine Hoffnung gestellt, sei
nichts zu erwarten."

2) DBorSEN, 629, 630.

3) deoysen, 555, 556. mignet, IV, 424. wagenaae, XV, 291.

4) temple, 409—411. wagenaae, XIV, 402.

5) Zoo ontstond o. a. een Irouillerie tusschen de fransche en zweedsche
gezanten. Ook werd lang beraadslaagd of een Keurvorst gerechtigd was,
meer dan één ambassadeur, met den titel van Excellentie aftevaardigen.

toussaint, 17, 28, 43, 58. temple, 457. wagenaae, 413 en 414.
De geheele onderhandeling dreigde op dit incident te zullen afspringen.
Engeland wilde niet eens één brandenburgschen ambassadeur erkennen. Dit
was volgens
deoysen, 577 , „von Seiten der Engländer so zweckwidrig wie
möglich, und doppelt beleidigend."

-ocr page 300-

even als vroeger te Keulen, lang geredekaveld De krijgs-
bedrijven gingen intusschen steeds voort, zoowel in de spaan-
sche Nederlanden en in west-Duitschland, als in Roussillon
en in Pommeren Dit alles vertraagde de werkzaam-
heden der Conferentie, en de fransche diplomatie werkte
intusschen ijverig om. de bondgenooten van elkander los te
maken en tot afzonderlijke onderhandelingen over te halen
Frankrijk, door den oorlog uitgeput, verlangde thans wel
naar vrede, maar was vast besloten, niet toe te geven aan
de hooge eischen van Spanje en den Keizer, die de bepa-
lingen van den vrede van Aken vernietigd wilden zien om
den toestand te herstellen, zoo als die in 1659 bij den
vrede der Pyreneën geweest was

Zweden neigde ook tot vrede, maar Bi-andenburg en
Denemarken dreven om den oorlog door te zetten, die thans
ook ter zee door een vereenigde
deensch-nederlandsche vloot
onder de admiraals Niels von Juel en Cornehs Tromp met
geluk werd gevoerd Stralsond was nog niet
veroverd
op de Zweden, en dus de verovering van Pommeren niet
voltooid, die de keurvorst van Brandenbui-g tot voorwaarde
van den vrede stelde, maar dat beding vond nergens bij-
val : de Franschen behalve dat zij Zwedens belang uit

1) MIGNET, IV, 398. ENNEN, 359. TEMPLE, 411. WAGENAAE, 387.

2) WAGENAAE, 372^377, 395—401. TOUSSAINT, 86, 87.

3) MIGNET, IV, 706. "Il détacha la Hollande de l\'Espagne, TEspagne
de l\'empereur et de l\'empire, l\'emperem- et l\'empire du Brandebourg et du
Danemark, enfin le Brandebourg lui-même du Danemark, en les obligeant
tous à subir les conditions qu\'il letn- imposait."

4) WAGENAAE, 403.

.5) DEOTSEN, 564. HELWING, 694. WAGENAAE, 400. DU MONT, IV,
161, 196 en 197.

6) DEOYSEN, 579, 582. "In Wien wurde immer wiederholt, dasz man
dem Kurfürsten Bommern "gern gönne," nur Stralsund schien man dort

-ocr page 301-

sympathie ondersteunden, zochten ook vooral dat rijk als
een machtigen vijand in den rug van het duitsche Rijk in
stand te houden; de Keizer had zijn redenen het sterke
Stralsond Kever niet in Brandenburgs bezit te zien, en de
Staten hadden de hunne hem niet de geheele kust der Oostzee
te zien beheerschen: van alle kanten poogde men dus den
Keurvorst tot een onderhandeling te bewegen op den voet van
den vrede van Munster, d. i. met teruggave van bijna geheel
Pommeren aan Zweden, maar Friedrich Wilhelm weigerde
de vruchten van zijn zegepralen op te geven, en zijn ver-
tegenwoordigers te Nijmegen kregen derhalve in last het
sluiten van den vrede, zoo mogelijk te verhinderen

für eine über alles Verhältnisz wichtige Erwerbung zn halten. Friedrich
Wilhelm erklärte seine Zustimmung, dasz dieser alt-autonomen Hansestadt
die Eeichsfreiheit gewährt werde."

599. \'/Herr von Benningen bemühte sich, den englischen Hof zn über-
zeugen dasz die Ansprüche Brandenburgs und Dänemarks zu weit gingen;
auch der kaiserliche Gesandte in London äuszerte in Privatgesprächen:

Brandenburg werde zu mächtig......Karl II selbst sprach den Wunsch

aus, dasz der Kurfürst Stettin lieber nicht gewinnen möge, weil sich damit
der Friede viel leichter machen würde." 630, 648 en 649.

temple, 525. wagenaab, 437. toussaint, 35: "De Keurvorst van
Brandenbui-g versocht dat Vranckrijck hem soude indemneren van de schade
die de Fransche Troupes in sijne Landen hadden gedaen, geduerende desen
Oorlog, dat hetselve hem in het toekomende soude geven alle soorten van
securiteyt in sijne selve Landen, en dat alle de Geallieerde in een generael
Tractaet souden begrepen worden."

1) dboysen, 630. \'/Soweit nur irgend Aussicht war, dasz Holland
wieder zu den Waffen griff, dasz England zur Euptur kam, erhielt Mein-
ders Befehl, stille zu halten."

toussaint, 119, 125, 153. tempee, 473. "Dog Denemarken en Bran-
denburg stelden zig geweldig tegen de vrede,
hebbende in hunne hopen alles
ingezwolgen dat Zweden in Duitschland bezat."

mignet, IV, 589, "l\'Ambassadeur de Danemark s\'elevait contre les
propositions de paix, celui de Brandebom-g se plaignait que l\'Electeur ne

-ocr page 302-

Ook rechtstreeks had de Keurvorst getracht zijn doel
te bereiken door een samenkomst met den prins van Oranje,
om den veldtocht van 1677 te beramen, maar het plan was
niet doorgegaan : de Prins werd door een ziekte terugge-
houden zich op het bepaalde tijdstip te Cleve te bevinden,
waar Friedrich Wilhelm in zijn plaats vorst Maurits van
Nassau, den raad-pensionaris Fagel, en den deenschen ge-
zant aantrof; van zijn kant zond hij den generaal van Spaen
naar den Stadhouder, doch hun afspraken droegen weinig
vrucht, want het fransche leger behaalde gedurig voordeelen
in Vlaanderen; elke nederlaag van het staatsche leger ver-
meerderde in de Eepubliek het verlangen naar vrede, en
de brandenburgsche gezanten waren onmachtig tegen den
stroom op te werken

fût pas même nommé et ajoutait qu\'il ne voyait pas dès lors ce qu\'on vou-
lait qu\'il répondît."

De Keurvorst lîet zijn eisch op behoud van Pommeren te Parijs bekend
maken door den graaf d\'Bspence (juni 1678). HEiwiiTG, 700 noot 2.
TEMPLE, 654. TOUSSAINT, 207, 222.

1) DEOYSEN, 587, 591. MIGNET, IV, 429.

2) DEOYSEN, 597, (aug. 1677) "die Priedensparthei im Haag arbeitete
mit grösztem Eifer ; ihr waren die Niederlagen im Felde genehm, weil sie
die unleidliche Popularität des Prinzen minderten, und das Grerüoht von
der beabsichtigten Stuartischen Familienverbindung gab noch ein Motiv
mehr, ihn zu verdächtigen."

Tbid. 644. "Die Friedensliebe der Herren Staaten fragte nicht mehr,
oh der Friede, sondern nur wie er zu schlieszen sei. Vergebens mahnte der
Kurfürst sie an die grosze Zeit ihres Freiheitskrieges, an den kühnen Muth
ihrer Väter, der die G-rösze Hollands gegründet habe. Sie hatten nur Sorge >
dasz die Bedingung der flandrischen Städte, die sie noch an England band,
erfüllt werde. Vergebens suchten die spanischen Diplomaten Ausflüchte
und Schwierigkeiten. Ludwig XIV überliesz
"Uin mit einem Schlage die
Cabale des Prinzen von Oranien zu vernichten," die noch streitigen Fragen
dem Schiedspruoh der Herren Staaten. Da war denn alles bald in Ordnung ;
am 13 September wurde der Friede für Spanien vollzogen."

-ocr page 303-

Maar in plaats van nu aan den drang der omstandigheden
toe te geven, en bij tijds een gedeelte hunner eischen op te of-
feren om zich dan althans het overige te verzekeren, meenden
Meinders en von Blaspeil i) het belang van hun meester meest
te bevorderen, door met machtelooze woede tegen eiken
nieuwen stap tot vrede te protesteren, en zonder zich in het
minst moeite te geven Brandenburg daarin te doen begrijpen.

In het begin van 1678 was men eindelijk begonnen ern-
stig werk van den vredehandel te maken. Tusschen Frankrijk
en de Eepubliek was de overeenstemming niet moeielijk te
treffen, nu haar geheel gebied door het beleid van den prins
van Oranje, van vijanden was gezuiverd. In juni volgde de
wapenstilstand van Wetteren; de Keizer en Spanje, hoezeer
ook over de afzonderlijke onderhandehng der Staten ontstemd,
kozen weldra toch ook dezelfde partij; alleen Brandenburg en
Denemarken niet; bij al de verdragen die de fransche diplo-
maten achtereenvolgens in augustus sloten, met deEepubhek,
met den Keizer en met Spanje, verhieven de brandenburgsche
gezanten steeds luider klachten; had men hen willen geloo-
ven, geheel Europa zou verphcht zijn geweest den oorlog vol
te houden, alleen om den Keurvorst aan het bezit van Pom-
meren te helpen, en was hij nu het slachtoffer der trouwe-
loosheid van al zijn bondgenooten — waarlijk wel een onge-
lukkig lot voor een vorst die zich nooit ontzien had, in
denzelfden oorlog zoo menigmaal van partij te wisselen").

1) TOUSSAINT, 89: "Mijn-Heer Blaspiel is seer beleeft en civil, een man
van de werelt, beminnende het geselschap ende de goede ciere; maar sijne
beste qnaliteyt is dat hij het interest van den Keurvorst sijn Meester vollco-
mentlijck verstaet, en dat hij t\'eeneniael aen het selve is geattacheert."

Meinders was den ambassadeur von Somnitz komen vervangen, die den
25sten febr. 1678 overleden was.
TOUSSAINT, 89.

2) MIGNET, IV, 567, 568, 629. "Le traité de pais ne fut pas seule-

-ocr page 304-

Natuurlijk betrof die beschuldiging in de eerste plaats de
Staten, die het voorbeeld gegeven hadden van afzonderlijk te
onderhandelen; te vergeefs had de Keurvorst nog aan den
Stadhouder geschreven, in den vorm eener gemoedelijke waar-

ment exposé anx chances d\'une bataille (celle de St. Denis), il rencontra
la plus violente désapprobation de la part des confédérés. Les plénipoten-
tiaires du Danemark, de l\'électeur de Brandebom-g et de l\'évêque de Mun-
ster surtout, qui par là se voyaient arracher les conquêtes faites sur la
Suède en éprouvèrent une vive indignation à Nimègue, et poussèrent leurs
plaintes contre les négociateurs hollandais, jusqu\'aux insultes. "La confé-
rence," écrivirent les plénipotentiaires de Louis XIV, "que les alliés eurent
hier (11 août) à la maison de ville se passa en injures, contre les Etats-
Grénéraux , et en paroles si offensantes envers leurs ambassadeurs, qu\'il n\'y
manqua plus que les coups." Les ministres du grand électeur à la Haye
protestèrent avec la dernière énergie contre cette violation des derniers en-
gagements contractés. L\'électeur écrivit lui-même aux Etats-Q-énéraux pour
leur reprocher nn abandon aussi déloyal et une infidélité qui pourrait plus
tard devenir dangereuse pom\' eux."

toussaint, 168 en 169. "De Ambassadeurs van Denemarken en Bran-
denburgh, nevens de Envoyé van Munster, deden van hare kandt wat sij
konden, om het teeckenen van den Vrede te beletten: sij dresseerden eene
protestatie bestaende in termen die het meeste bequaem waren, om haer

ressentiment uyt te drucken.....Sij voeghden daer in het vervolgh bij,

dat die geprecipiteerde conduite niet voeglide aen een Staet die sich altoos
door de reden ende de billickheyt gegouverneert hadde, en dat een soo extra-
ordinaire demarche, een eeuwighe vleck soude sijn in de eere ende glorie

der Staten-Generael.....oock wegens alle de ongelucken, welcke het

Christenrijck in het generael, ende hare Meesters in het particulier souden
door die separatie komen te lijden." Ihid. Authentique Stucken ende Be-
wijzen. bl. 46—50. Declaratie van den Heer Ambassadeur van Branden-
burg, 20 juni 1671. bl. 181. "Stercke Kemonstrantie der deensche en bran-
denburgsche ambassadeurs aan die van Spanje, 22 aug. 1678.

temple, 605, 641 , 653. "Na het tekenen van den vrede met Spanje
en het ratificeren van die van Hollandt, waren de Ambassadeurs van den
Keizer te Nim wegen misnoegd, en die van Denemarken en Brandenburg
geweldig vergramdi."

mignet IV, 675, 692 en 693, 697. wagenaab, XIV, 495 en 496.

vbeedb, Inl. tot de Qesch. der Nederl. Diplomatie, I, 282 vgg.

-ocr page 305-

schuwing tegen overijling, een gebrek, waaraan de Prins
tocb bewijzen genoeg gegeven bad, niet euvel te gaan, en
waarvan men althans de toenmalige diplomatie niet beschul-
digen kan, die twee jaren lang te Nijmegen gehaspeld
had, voordat de vrede tot stand gekomen was. Ook de
verlenging van de defensive verbintenis tusschen Branden-
burg en de Staten van 1674, die in februari ontworpen
was, bleek nu vergeefsch: eenige oude
twistpunten moesten
daarbij afgedaan worden: de Schenkenschans, die echter
veel van haar strategische waarde verloren had door een
verandering in de strooming van den Rijn, werd aan de
Republiek afgestaan, die daarentegen de laatste achterstal-
len der boefijsersche schuld vereffende; bet ontwerp werd
niettegenstaande de teleurstelling van Brandenburg, toch
in october 1678 geratificeerd opdat de Keurvorst althans
eenigen steun mocht hebben in den oorlog die hem nu
alleen met Denemarken tegen Frankrijk en Zweden dreigde.

Friedrich Wilhelm had tevens alle moeite ingespannen de
ratificatie van het vredestractaat tusschen Frankrijk en het
Rijk te voorkomen: zoowel te Nijmegen als te Regensburg
liet hij daartegen protesteren^), maar dit mocht niet baten,
het verdrag werd bevestigd en de verwoede memories van
Blaspeil, toen Brandenburg zich van geheel Europa verlaten
zag, werden in het minst niet geteld Evenwel moest

1) deoysen, 625. helwing, 695, noot 2, 698. wagenaae, XIV,
472.
Négociations du Comte d\'à vaux, V, 140, «ce Traité a été fait à
Berlin, et a toujours été tenu fort secret."

2) DBOYSEN, 663, 664. Den 19den maart 1679 werd de vrede gerati-
ficeerd tusschen Frankrijk en den Keizer, die zich tot een strikte neutrali-
teit jegens Brandenburg verplichtte, »après que les hons offices auraient été
vainement employés."
mignet, IV, 695.

3) toussaint, 234, 241, 246—253. Den ISden febr. diende Blaspeil

-ocr page 306-

men nu wel tot onderhandelen overgaan, maar Zweden, de
kans schoon ziende Pommeren gemakkelijk te heroveren,
weigerde een wapenstilstand i): terstond trokken de fransche
troepen in Cleefsland en namen zonder moeite Cleve, Xanten
en Orsoy (maart 1679) Te vergeefs was Meinders in
allerijl naar Parijs gezonden; de Keurvorst had nog niet
kunnen besluiten tot onvoorwaardelijken afstand van Pom-
meren, waar zijn leger niet ophield voordeelen te behalen®).
Nu werd, ingevolge het jongste tractaat de hulp der Staten
ingeroepen, die zich evenwel verontschuldigden van een ge-

een soort van sommatie in aan al de vorsten die met Frankrijk vrede ge-
sloten hadden „om haer te doen sien dat sij verplight waeren de Tractaten
van Alliantie door S. C. D. met haer, ten opsighte van den Oorlogh aeiige-
gaen te gnaranderen."

256. "Alle die formaliteyten en waren geen oprechte ende tot den Vrede
streckende Demarches," 258—260.

267. "Noyt hebben Ambassadeurs meer behagen in het schrijven gehadt
dan die van Denemarcken ende Brandenburg. Hare Contestatien hadden alleen
in de maendt van Maert bijna soo veel publijcke Schrifturen doen aen den
dag komen, als men gesien hadde, gedurende de Negotiatie van alle de Trac-
taten te samen."

1) deoysen, 665. heewing, 706.

2) Eeeds te voren had de Keurvorst de Staten indachtig gemaakt: "dat
sij geen minder sorge souden dragen, om een Barriere aen den Ehijnkandt
te maecken, als sij hadden aengewent, om \'er een in Vlaenderen te verkrij-
ghen, en dat de conservatie van het Landt van Cleef, niet minder nodigh
was tot hare securiteyt, dan hare eygene Prontieren."
toussaint, 153.

3) toussaint, 228, 278. "Door dien de negotiatie van mijn Heer Meyn-
ders geen succes bij den Koning gehadt hadde, en dat die Minister van het
Hof was vertrocken, om den Keurvorst sijn Meester te gaen vinden om,
ampelder instructiën ende een breder plein pouvoir van hem te verkrijgen,
soo quam hij doenmaels weder te Mijmeghen, alwaer hij des anderen daeghs,
den elfden may, een seer lange Conferentie met mijn Heer Colbert hadde,
het welcke dede hopen dat men het besluyten van de Brandenburghsche
Vrede welhaest sien sonde, maer de Heer Meinders nam, weinige daegen
daernae den weg weder nae Parijs."
deoysen, 666. heewing, 700, noot 3.

-ocr page 307-

wapende ondersteuning , welke hun krachten op dat oogen-
blik niet gedoogden i); maar langs diplomatieken weg kwa-
meii zij met nadruk tusschen beide: een wapenstilstand werd
door hen, hoewel eigenlijk tegen den zin van Blaspeil, van de
fransche ambassadeurs te Nijmegen verkregen (31 maart)

Met nog meer aandrang drong de Keurvorst nu bij de
Staten aan het tractaat van 1678 na te komen®); hij had
gerekend dat een inval der Franschen in Cleve, geheel
Europa tot zijn ondersteuning zou doen opstaan; maar hierin
vergiste hij zich deerlijk: de partij in de Eepubliek, die

1) mig-net, IV, 698. "Frédéric ö-uillaume voyant que les troupes fran-
çaises qui occupaient déjà son pays de Juliers allaient envahir celui de
Cleves, avait demandé aux Etats Généraux, en vertu de leur alliance de
s\'opposer à cette invasion. Les Etats Généraux s\'y étaient refusés par une
résolution du 28 mars."

deoysen, 666. "Die Herren Staaten sahen mit Schrecken diese Trup-
penmacht hart an ihre Grenze; sie legten schleunigst sechs Regimenter nach
Schenkenschanz, "daselbst auf die Franzosen zu vigiliren." Auf die For-
derung des vertrasmäszigen Schutzes für Cleve antworteten sie mit tiefen
Bedauera, denselben jetzt nicht leisten zu können."

2) deoysen, 666. toussaint, 269. "Eyudelijck, wierde na soo vele
Contestation en onnodige Proceduren, het Tractaet.van stilstant van Wa-
penen tot Nymeghen op den laetsten Maert geteeckent, sullende het selve
duren tot den eersten May."

temple, 654. "Door de naarstigheid der Hollandsche Ambassadeurs
wierden de Conferentien tusschen de brandenburgsche en deensche Ministers
en de Franschen wederom aangevangen, en de Ridder Jenkins ontflng ordre
van \'t Hof om weder tot zijn functie van Mediateur te keeren."

3) deoysen, 672. "Die Franzosen hatten sich während des Waffen-
stillstandes sich am Unterrhein fort und fort verstärkt, bei Ueberdingen
eine Brücke über den Strom geschlagen. Den Antrag des Kurfürsten, staa-
tische Truppen nach Wesel zu legen, hatten die Staaten abgelehnt; seine
Aufforderung, ihm die nach dem Vertrage vom 1678 schuldigen 10,000
Mann Hülfstruppen zu stellen, lieszen sie unbeantwortet. Desto eher, meinte
man im Haag, werde er sich fügen müssen."
mignet, IV, 698, Missive
van den Keurvorst aan de Staten, 7 april.

-ocr page 308-

den vrede doorgedreven had, was geenszins geneigd dien
terstond weer voor den van ouds gehaten keurvorst van
Brandenburg op te offeren, en de Keizer dacht desgelijks:
om zelfs iedere mogelijkheid van botsing weg te nemen
werden de keizerlijke troepen die zich in de nabijheid be-
vonden naar Boheme teruggetrokken, zoodat de Keurvorst,
toen de wapenstilstand afgeloopen was, zich zelfs van de
laatste hoop op andere bondgenooten dan Denemarken be-
roofd zag 1). Maar daar beide intusschen hun wapenrus-
ting niet gestaakt hadden, hervatte Frankrijk ook onmid-
delijk den oorlog: de maréchal de Créquy trok met 20,000
man over den Rijn, veroverde Marek, Lippstadt en alles
wat de Keurvorst tot aan den Weser bezat, trok daarop
ook dien stroom over (30 juni) en bedreigde Maagdenburg,
na de keurvorstelijke troepen, die bovenal, trotsch op bun
zege op Zweden den oorlog met Frankrijk geëischt had-
den, tweemaal verslagen te hebben 2). Thans was Friedrich
Wilhelm
genoodzaakt den vrede te verzoeken; reeds was
Meinders naar Parijs om nog de best mogelijke voor-
waarden te verwerven , en nu ontving Blaspiel last een
tweeden wapenstilstand te sluiten: behendig werd daarbij
op het eergevoel der Franschen gewerkt, de Keurvorst —

1) DEOYSEN, 671, 672.

2) DEOYSEN, 665, 673. HELWING, 706. MIGKET, 699. tovssaint , 274.

3) DE0Y8EN, 679. "MeiaderB war seit dem 29 Mai in Paris; semer
Weisung gemäsz war er so zäh wie möglich gewesen. Jeder Vorschlag den
er zu machen hatte, er.t das halbe, dann das ganze Cleve, dann Preuszen
für Pommern, dann Pommern bis zur
Peene, Pommern bis zur XJcker, war

zurück gewiesen worden."

VIIÔNET, 750. "Le grand électeur fut alors contramt de céder à la né-
cessité. Il avait envoyé depuis quelque temps son ministre Meinders en
France pour obtenir ou la Poméranie, on, à défaut, les conditions les plus

supportables."

-ocr page 309-

zoo heette het — gaf zich geheel aan de edelmoedigheid
van Lodewijk XIV over. Bovenal moest de inmenging der
Staten vermeden worden; dat Brandenburg oaderhandelde,
werd zelfs voor hen bedekt gehouden, te meer daar de
Schenkenschans, die het vorige jaar aan de Repubbek
was afgestaan, nu door den Keurvorst aan Frankrijk ten
pand werd geboden, hetgeen evenwel niet aangenomen
werd: den S^ea mei werd een tweede wapenstilstand te
Xanten gesloten De zending van Meinders was echter

1) dsoysen, 673. "Die Sache miiase niemand, auch den staatischen
Gesandten nicht gesagt werden."

674. "Im Haag fühlte man sich äuszerst beklommen, zumahl als man
erfuhr dasz Meinders in Nymegen angekommen sei, um wieder nach Paris
zu gehen; man glaubte nichts anders, als dasz Brandenburg sich mit Frank-
reich zu einem Angriff auf die Staaten vereinen werde. Wie war man froh,
als der französische Gesandte zwar die rückständigen Contributionen sehr
ernstlich forderte, aber die Versicherung der Freundschaft seines Königs
hinzufügte, auch mittheilte, dasz der Kurfürst zwar auch die Schenken-
schanz angeboten, der König sie aber nicht angenommen habe." Voorzeker
een hoogst overdreven en eeozijdige voorstelling.

toussaint, 276. "De voornkemste Conditiën, die Monsr Colbert door
het verlangen van den stilstant verkreeg, waren, dat, om te toonen de goede
trouwe met dewelcke den Heere Ceurvorst met den Koning wilde handelen,
de Generael Spaen de steden Wesel ende Lipstadt in de magt van den Ko-
ning soude stellen, om deselve te bewaren tot die tijdt toe, dat de Vrede
tusschen sijne Majt ende sijne Geallieerde ter eenre, en den Ceurvorst ter
andere sijde soude geteekent ende geratificeert wesen. Men was des te meer
over die Conditiën gesurpreneert, om dat mijn Heer de Keurvorst sig niet
difficieel in die Steden overtegeven betoonde, offererende selve oock Schenc-
ken-schans in handen van sijne Maj. te stellen, die het weygerde, om geen
ongerustigheyt onder de Staten-Generael te verwecken, aen dewelcke hij dat
getuygenisse van sijne goede intentien, door mijn Heer den Grave van Avaux
sijnen Extraordinaris Ambassadeur, dede bekent maken.

Men hadde moeyte te bevatten wat politijck insigt mijn Heer de Keur-
vorst van Brandenburg mogte hebben, in het vrijwilUg overgeven van sijne

beste plaetsen...... Men geloofde dat hij wel sag dat hij niet lange in

die plaetsen kon tegenstandt bieden" enz.

-ocr page 310-

geen geheim; de engelsche en nederlandsche gezanten te
Parijs ondersteunden hem zooveel mogelijk terwijl Zweden
alles poogde te doen mislukken, opdat het door de fransche
wapenen Pommeren mocht erlangen, wellicht Brandenburg
voor goed onderwerpen. Maar een eigenhandig schrijven
van den Keurvorst aan Lodewijk XIV besliste de zaak :
den 29®ten juni sloten Pomponne en Meinders een tractaat
te Saint-Germain , waarbij Stralsond en Stettin aan Zwe-
den teruggeven werden, Brandenburg echter een deel van
Pommeren aan gene zijde van den Oder behield, en daar-
enboven in een afzonderlijk artikel de som van 300,000
kroonen ontving van Lodewijk XIV, die den lof van edel-
moedigheid, hem door den Keurvorst bij voorbaat toege-
zwaaid, wel moest rechtvaardigen; minder edelmoedig evenwel
handelde de Keurvorst-zelf, want terwijl hij zijn bondge-
nooten, bovenal den Staten, zoo bitter verweten had dat
zij hem door hun afzonderlijke tractaten in het ongeluk
hadden gestort, liet hij nu op zijn beurt Denemarken, dat
hem steeds getrouw gebleven was, in den steek, zonder
den minsten waarborg dat Frankrijk het niet weerloos aan
de wraakzucht van het nu overmoedig geworden Zweden

1) deoysen, 679. "Freilich bemühten sich die staatischen und engli-
schen Gesandten des Brandenburgers Sache zu empfehlen, aber ihr Wort

galt in Paris weniger denn nichts...... Die Briefe, die Meinders aus

dem Haag erhielt, überzeugten ihn, dasz man dort Brandenburg sterben
und verderben lassen werde, ohne die Hand zu rühren."

2) mighet, 700, brief van den Keurvorst aan den koning van Frank-
rijk, 26 mei 1679.

701. "Louis XIV se laissa toucher."

3) mignet, 70L deoysen, 680 en 681. heewing, 470,708. ennen,
362. tbmplie, 664.

toussaint, 294, "De herstellinge van de Westphaelse Tractaten was
het fundament van dat van Brandenburg. \'

-ocr page 311-

zou prijs geven ; gelukkig echter had dit niet plaats, hoe-
wel toch eerst in september de vrede van Fontainehleau,
tusschen Frankrijk, en Denemarken, volgde, dat zich eenige
weken later, te Lund ook met Zweden verzoende, bij welke
gelegenheid het echter verscheiden vestingen in Schonen,
Heisingborg en Landscrona, henevens de eilanden Rügen
en Gothland aan zijn erfvijand moest afstaan

De algemeene vrede was nu hersteld, evenwel was nie-
mand gerust; Lodewijk XIV had met den vrede van Nij-
megen zijn glanspunt bereikt, zijn vijanden waren verslagen
of verdeeld, maar het bewustzijn van zijn heerschappij over
Europa gaf de eerste aanleiding tot haar verval: zijn over-
moedig gedrag noodzaakte van zelf de bondgenooten van 1674
hun onderlinge grieven te laten varen, en zich nogmaals
te verbinden. Maar de uiteenzetting hoe dit in zijn werk
ging, behoort reeds niet meer tot het tijdvak dat wij ons
ten taak gesteld hadden te schetsen; de,oorzaken en lot-
gevallen van de Coalitie van 1689, en de daarop gevolgde
algemeene oorlog tegen Frankrijk, zijn reeds de inleiding
tot de wordingsgeschiedenis van het koningrijk Pruisen; ons
overzicht behoort derhalve met den vrede van Nijmegen ge-
sloten te worden.

1) toussaint, 295. "De Keurvorst en was niet vrij van de Clausule,
die alle de andere, die haer Tractaet met Vranckrijck gemaeckt hadden,
hadden gemeen gehadt; te weten, dat hij nog directelijck nog indirectelijck,
den Koning van Denemarcken sijne Geallieerde, soude mogen secoureren,
soo hij continueerde in het voeren van den Oorlog tegens Sweden."

2) mig-net, 702.

-ocr page 312-

O

^ r

>

■Tg"

. -Î\' -

3

li\'"? V _

^ /

\'M

M

-ocr page 313-

STELLINGEN.

I.

Non requiritur ut obligatio pecunia aestimari possit.

II.

Dies adjectus interpellât pro homine.

III.

In aestimandis fructibus percipiendis qui dicuntur, tan-
tum rei non petitoris ratio habetur.

IV.

Jus gentium, quale apud recentiores intelbgitur, apud
Romanos in usu fuisse, minime ex lege 19 Dg.
de captivis
et posUiminio
(xLix 15)-et lege 17 Dg. de legationibus (l 7)
probari potest.

V.

Art. 1292 B. W. is van toepassing op de wederkeerige
overeenkomsten.

-ocr page 314-

VI.

Art. 75 B. W. is niet van toepassing bij het ophouden
van een wettelijke woonplaats volgens artikel 78.

VIL

Wanneer iemand betaald heeft wat hij compenseren kon,
dan heeft hij de condictio indebiti.

VIII.

Art. 11 W. v. K. betreft niet de eigen boeken van den
vennoot of mede-erfgenaam, maar de gemeenschappelijke
boeken.

IX.

Als de acceptant van een wissel door dea houder aan-
gesproken wordt, kan hem niet vergund worden den trek-
ker of een ander die fondsbezorging beloofd heeft, in vrij-
waring te roepen.

X.

Men kan van een interlocutoir vonnis in beroep komen,
ook nadat het eindvonnis is geslagen.

XI.

De notaris is, in den zin van art. 169 C. P. geen
déposiiaire public.

XII.

Terecht zegt mitteemaiee {Das deutsche Strafverfahren,
I, § 55): „Aus einer angebhch völkerrechthchen Pflicht
läszt sich keine aUgemeine Auslieferungsverbindlichkeit der
Staaten ableiten."

-ocr page 315-

XIII.

Stuiting eener strafvervolging anders dan op de wijze
bij art. 66 Gw. bepaald, is af te keuren.

XIV.

De regel dat de uitlevering van misdadigers langs di-
plomatieken weg moet plaats bebben, verdient goedkeuring.

XV.

De toetreding van Nederland tot de beide muntconven-
tiën van 23 december 1865 en 6 juli 1867 is niet wen-
schelijk.

XVI.

Aanmoediging tot weelde van regeeringswege, verdient
afkeuring.

XVIL

Het oprichten van crediet-vereenigingen behoort bevor-
derd te worden.

XVIIL

Bij de controle van het beheer over \'s lands finantiën,
verdient het preventieve stelsel de voorkeur boven het re-
pressieve.

XIX.

Ten onrechte beweert mabc dufbaisse {Histoire du droit
de guerre et de paix de
1789 à 1815, Paris, 1867, bl. 124):
„II faut réserver aux assemblees électives le droit souverain
de ratifier ou de rejeter les traités de paix, d\'alliance et de
commerce....... Hors de là point de salut."

-ocr page 316-

296

i

XX.

Volkomen juist zegt peoudhon (Oeuvres posthumes, France
et Rhin:
I. Bu principe des frontières naturelles, bl. 10):
„Contradiction et
injustice , voilà, en deux mots, à quoi
se réduit, dans la pratique, le
soi-disant principe des fron-
tières naturelles."

XXL

De bewering van ficquelmont {Lord Palmerston, l\'An-
gleterre et le Continent, II,
bl. 157): „Ce n\'est qu\'en sacri-
fiant la liberté politique pour la neutralité qu\'un petit État
obtient la garantie de son existence," is onwaar.

XXII.

Door het verzet van den keurvorst van Brandenburg
behoefde de regeering dei Vereenigde Nederlanden zich
geenszins van den vrede van Nijmegen te laten terughouden.

-ocr page 317- -ocr page 318-
-ocr page 319-

V,

à ri-

m

...

-ocr page 320-

m